Volvo | S80 | Gebruikershandleiding | Volvo S80 2014 Gebruikershandleiding

Volvo S80 2014 Gebruikershandleiding
WEB EDITION
GEBRUIKERSHANDLEIDING
BESTE VOLVO-BEZITTER,
DANK U DAT U GEKOZEN HEBT VOOR VOLVO!
Wij hopen dat u jarenlang rijplezier van uw Volvo
zult hebben. Bij het ontwerp hebben veiligheid en
comfort van u en uw passagiers vooropgestaan.
Een Volvo is een van de veiligste auto’s ter
wereld. Uw Volvo is ook ontworpen om aan alle
geldende veiligheidsvoorschriften en milieueisen
te voldoen.
Om nog meer plezier van uw auto te hebben,
raden wij u aan om vertrouwd te raken met de uitrusting, de instructies en de onderhoudsinformatie in deze eigenaarshandleiding.
Inhoud
01 Inleiding
Instructieboekje lezen...............................
Vastlegging van gegevens........................
Accessoires en extra uitrusting.................
Verkoop van auto met Volvo On Call*.......
Informatie op internet................................
Milieubeleid van Volvo Car Corporation...
Milieu-aspecten van het instructieboekje.
Gelaagd glas.............................................
02 Veiligheid
13
15
16
17
17
18
20
20
Algemeen over veiligheidsgordels............
Veiligheidsgordel - om doen.....................
Veiligheidsgordel - losmaken....................
Veiligheidsgordel - zwangerschap............
Gordelwaarschuwing................................
Gordelspanners........................................
Veiligheid - waarschuwingssymbool.........
Airbagsysteem..........................................
Airbag aan de bestuurderszijde................
Passagiersairbag......................................
Passagiersairbag - activering/deactivering*...........................................................
SIPS-airbags.............................................
SIPS-airbag (SIPS) - kinderzitje/zittingverhoger....................................................
Opblaasgordijnen (IC-systeem)................
Algemene informatie over WHIPS (whiplash-bescherming)..................................
WHIPS - kinderzitje...................................
WHIPS - zithouding..................................
Als de systemen activeren........................
Algemene informatie over de Safety
mode.........................................................
Safety mode - startpoging........................
Safety mode - auto verrijden....................
22
23
23
23
24
25
25
26
27
27
Algemeen over kinderveiligheid................
Kinderzitje.................................................
Kinderzitje - positie...................................
Kinderzitje - ISOFIX...................................
ISOFIX - afmetingscategorieën.................
ISOFIX - soorten kinderzitjes....................
Kinderzitje - bovenste bevestigingspunten.............................................................
01 02 02
2
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
28
30
31
31
32
33
33
34
35
36
37
37
39
44
44
45
46
48
Inhoud
03 Instrumenten, schakelaars
en bediening
Instrumenten en bediening, auto met
stuur links - overzicht................................
Instrumenten en bediening, auto met
stuur rechts - overzicht.............................
Instrumentenpaneel..................................
Instrumentenpaneel, analoog - overzicht.
Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht...
Eco guide & Power guide*........................
Instrumentenpaneel - betekenis controlesymbolen..................................................
Instrumentenpaneel - betekenis waarschuwingssymbolen.................................
Buitentemperatuur....................................
Dagtellers..................................................
Klok...........................................................
Volvo Sensus............................................
Sleutelstanden..........................................
Sleutelstanden - functies in verschillende
standen.....................................................
Voorstoelen...............................................
Voorstoelen - elektrisch bediend..............
Geheugen* van transpondersleutel...........
Achterbank................................................
Voorstoelen - Executive............................
50
53
56
56
57
60
Stuurwiel...................................................
Elektrische stuurverwarming*...................
Bedieningspaneel verlichting....................
Stadslichten vóór en achterlichten...........
Dagrijlicht..................................................
Tunneldetectie*.........................................
Groot licht/dimlicht...................................
Actief groot licht*......................................
Actieve xenon-koplampen*.......................
Mistachterlicht..........................................
Remlichten................................................
Alarmlichten..............................................
Richtingaanwijzer......................................
Interieurverlichting.....................................
Follow Me Home-verlichting.....................
Approach-verlichting.................................
Koplampen - lichtbundel aanpassen........
Wissers en -sproeiers...............................
Elektrisch bedienbare ruiten.....................
Zonnescherm*...........................................
Buitenspiegels...........................................
Ruiten en buitenspiegels - elektrische
verwarming...............................................
Achteruitkijkspiegel...................................
75
76
77
79
79
80
80
81
83
83
84
84
85
86
87
87
88
92
93
95
96
Kompas*...................................................
Schuifdak*...............................................
Menufuncties - instrumentenpaneel.......
Menu-overzicht - instrumentenpaneel....
Meldingen...............................................
Meldingen - functies...............................
MY CAR..................................................
Boordcomputer.......................................
Boordcomputer - instrumentenpaneel
"Analog"..................................................
Boordcomputer - instrumentenpaneel
"Digital"...................................................
Boordcomputer - aanvullende informatie
Boordcomputer - rijstatistiek*.................
03 03 03
61
63
65
65
65
67
68
68
70
71
72
73
74
99
100
102
102
103
104
105
106
107
111
114
115
97
98
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
3
Inhoud
04 Klimaat
Algemene informatie over de klimaatregeling......................................................
Werkelijke temperatuur...........................
Sensoren - klimaat..................................
Luchtreiniging.........................................
Luchtreiniging - interieurfilter..................
Luchtreiniging - Clean Zone Interior Package (CZIP)*............................................
Luchtreiniging - IAQS*............................
Luchtreiniging - materiaal.......................
Menu-instellingen - klimaat.....................
Luchtverdeling passagiersruimte............
Elektronische klimaatregeling, ECC........
Elektrisch verwarmde voorstoelen*........
Elektrisch verwarmde achterbank*.........
Geventileerde voorstoelen*.....................
Ventilator.................................................
Automatische regeling............................
Temperatuurregeling passagiersruimte..
Airconditioning........................................
Voorruit ontwasemen en ontdooien........
Luchtverdeling - recirculatie...................
Luchtverdeling - tabel.............................
Motor- en interieurverwarming*..............
117
118
118
118
119
Motor- en interieurverwarming* - direct
inschakelen/uitschakelen........................
Motor- en interieurverwarming* - timers.
Motor- en interieurverwarming* - meldingen..........................................................
Extra verwarming*...................................
Extra verwarming op brandstof*.............
Extra verwarming op stroom*.................
133
133
135
137
137
138
05 Laad- en
opbergmogelijkheden
Opbergmogelijkheden.............................
Kledinghaak............................................
Middenconsole.......................................
Middenconsole - aansteker en asbak*...
Dashboardkastje.....................................
Inlegmatten*............................................
Make-upspiegel......................................
Middenconsole - 12V-aansluiting...........
Koelbox en glazen..................................
Lading vervoeren....................................
Lading vervoeren - lange lading.............
Lading vervoeren - doorsteekluik...........
Lading op het dak...................................
Verankeringsogen...................................
Lading vervoeren - houder voor boodschappentassen......................................
12V-aansluiting kofferbak*......................
04 04 05
4
119
120
120
121
121
123
124
124
125
126
126
127
127
128
129
130
132
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
140
142
142
142
143
143
143
144
145
146
147
147
148
148
149
149
Inhoud
06 Sloten en alarm
Transpondersleutel met sleutelblad........ 152
Transpondersleutel - verlies ................... 152
Sleutelgeheugen*.................................... 152
Indicatie vergrendeling/ontgrendeling instellen................................................... 153
Elektronische startblokkering.................. 153
Op afstand bediende startblokkering met
opsporingssysteem................................. 154
Transpondersleutel - functies................. 154
Transpondersleutel - bereik.................... 155
PCC* - unieke functies............................ 156
PCC* - bereik.......................................... 157
Afneembaar sleutelblad.......................... 158
Afneembaar sleutelblad - verwijderen/
aanbrengen............................................. 158
Afneembaar sleutelblad - portier ontgrendelen....................................................... 159
Privacy locking*....................................... 159
Transpondersleutel/PCC - batterij vervangen.................................................... 161
Keyless drive*.......................................... 162
Keyless drive* - bereik PCC.................... 162
Keyless drive* - veilig gebruik van de
PCC......................................................... 163
Keyless drive* - storingen in de functie
van een PCC...........................................
Keyless drive* - vergrendelen.................
Keyless drive* - ontgrendelen.................
Keyless drive*- ontgrendelen met sleutelblad ........................................................
Keyless drive* - sleutelgeheugen............
Keyless drive* - vergrendelingsinstellingen..........................................................
Keyless drive* - locatie antennes............
Vergrendelen/ontgrendelen - vanaf de
buitenkant...............................................
Vergrendelen/ontgrendelen - van de binnenzijde...................................................
Doorluchtfunctie......................................
Vergrendelen/ontgrendelen - dashboardkastje.......................................................
Vergrendelen/ontgrendelen - kofferdeksel............................................................
Safelock-functie*.....................................
Kinderslot - handmatige activering.........
Kinderslot - elektrische activering*.........
Alarm.......................................................
Alarmindicatie.........................................
Alarmsysteem - automatische herinschakeling.......................................................
163
164
164
Alarmsysteem - transpondersleutel
defect...................................................... 175
Alarmsignalen......................................... 175
Beperkt alarmniveau............................... 175
06 06 06
165
165
166
166
167
168
168
169
169
171
172
172
173
174
174
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
5
Inhoud
07 Bestuurdersondersteuning
Actief chassis - FOUR-C*.......................
Stabiliteits- en tractieregelsysteem
(DSTC).....................................................
Stabiliteits- en tractieregelsysteem
(DSTC) - bediening..................................
Stabiliteits- en tractieregeling (DSTC) symbolen en meldingen..........................
Verkeersbordinformatie (RSI)*.................
Verkeersbordenherkenning (RSI)* bediening................................................
Verkeersbordinformatie (RSI)* beperkingen..........................................................
Cruisecontrol*.........................................
Cruisecontrol* - snelheid regelen............
Snelheidsbegrenzer* tijdelijk deactiveren
en stand-bystand....................................
Cruisecontrol* - ingestelde snelheid hervatten......................................................
Cruisecontrol* - uitschakelen..................
Adaptieve cruisecontrol - ACC*..............
Adaptieve cruisecontrol* - functie...........
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht.......
Adaptieve cruisecontrol* - snelheid regelen...........................................................
Adaptieve cruisecontrol* - volgtijd instellen...........................................................
177
177
178
Adaptieve cruisecontrol* - tijdelijke deactivering en stand-by................................ 190
Adaptieve cruisecontrol* - een ander
voertuig inhalen....................................... 191
Adaptieve cruisecontrol* - uitschakelen. 192
Adaptieve cruisecontrol* - file-assistent. 192
Adaptieve cruisecontrol* - van cruisecontrol-functie wisselen................................ 194
Radarsensor............................................ 194
Radarsensor - beperkingen.................... 195
Adaptieve cruisecontrol* - storingen
opsporen en verhelpen........................... 197
Adaptieve cruisecontrol* - symbolen en
meldingen............................................... 198
Afstandswaarschuwing*.......................... 200
Afstandswaarschuwing* - beperkingen.. 201
Afstandswaarschuwing* - symbolen en
meldingen............................................... 202
City Safety™........................................... 203
City Safety™ - functie............................. 203
City Safety™ - bediening........................ 204
City Safety™ - beperkingen.................... 205
City Safety™ - lasersensor..................... 207
City Safety™ - symbolen en meldingen. 209
Collision Warning*................................... 210
Collision Warning* - functie..................... 211
Collision Warning* - detectie van fietser. 212
Collision Warning* - detectie van voetgangers................................................... 214
Collision Warning* - bediening................ 215
Collision Warning* - algemene beperkingen.......................................................... 217
Collision Warning* - beperkingen van de
camerasensor......................................... 218
Collision Warning* - symbolen en meldingen.......................................................... 220
Driver Alert System*................................ 222
Driver Alert Control (DAC)*...................... 222
Driver Alert Control (DAC)* - bediening... 223
Driver Alert Control (DAC)* - symbolen en
meldingen............................................... 224
Rijbaanassistent (LDW)*.......................... 226
Rijbaanassistent (LDW) - functie............. 226
Rijbaanassistent (LDW) - bediening........ 227
Rijbaanassistent (LDW) - beperkingen.... 228
Rijbaanassistent (LDW) - symbolen en
meldingen............................................... 229
Park Assist*............................................. 231
Park Assist* - functie............................... 231
Park Assist* - aan de achterzijde............ 232
07 07 07
6
179
180
180
182
183
183
184
185
185
185
186
188
189
190
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Inhoud
08 Starten en rijden
Park Assist* - aan de voorzijde...............
Park Assist* - storingsindicatie...............
Park Assist* - sensoren schoonmaken...
Park Assist-camera.................................
Park Assist-camera - instellingen...........
Park Assist-camera - beperkingen.........
BLIS* (Blind Spot Information System)...
BLIS*(Blind Spot Information System) bediening................................................
BLIS - symbolen en meldingen...............
Instelbare stuurkracht*............................
233
234
234
235
237
238
238
Alcoholslot*.............................................
Alcoholslot* - functies en bediening.......
Alcoholslot* - opslag...............................
Alcoholslot* - vóór het starten van de
motor.......................................................
Alcoholslot* - waar u op moet letten.......
Alcoholslot* - symbolen en meldingen...
Motor starten..........................................
Motor afzetten.........................................
Stuurslot..................................................
Afstandsstart (ERS)*................................
Afstandsstart (ERS) - bediening..............
Afstandsstart (ERS) - symbolen en meldingen.....................................................
Motor starten, FlexiFuel..........................
Starthulp met accu..................................
Versnellingsbakken.................................
Handgeschakelde versnellingsbak.........
Schakelindicator*....................................
Automatische versnellingsbak Geartronic*..............................................
Automatische versnellingsbak Powershift*..............................................
Keuzehendelblokkering...........................
Hellingrem (HSA)*....................................
244
244
245
Start/Stop*.............................................. 265
Start/Stop* - functie en bediening.......... 266
Start/Stop* - de motor slaat niet automatisch af.................................................... 268
Start/Stop* - de motor is automatisch
gestart..................................................... 269
Start/Stop* - de motor start niet automatisch........................................................ 270
Start/Stop* - onvrijwillige motorstop bij
handgeschakelde versnellingsbak.......... 271
Start/Stop* - instellingen......................... 271
Start/Stop* - symbolen en meldingen..... 272
ECO*....................................................... 274
Vierwielaandrijving - AWD*..................... 276
Bedrijfsrem.............................................. 276
Bedrijfsrem - antiblokkeerremsysteem... 277
Bedrijfsrem - noodremlichten en automatische alarmlichten.................................. 278
Bedrijfsrem - remkrachtverhoging bij
noodstops............................................... 278
Parkeerrem.............................................. 279
Doorwaaddiepte..................................... 283
Oververhitting.......................................... 283
Rijden met een geopende achterklep..... 284
Overbelasting - startaccu....................... 284
07 08 08
239
241
242
245
246
248
248
250
250
250
251
252
254
255
256
257
257
258
262
264
265
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
7
Inhoud
09 Wielen en banden
Voorbereidingen bij lange reizen............. 285
Winterse ritten......................................... 285
Tankvulklep - openen/sluiten.................. 286
Tankvulklep - handmatig openen........... 286
Brandstof tanken.................................... 287
Brandstof - gebruik................................. 287
Brandstof - benzine................................ 288
Brandstof - diesel.................................... 289
Katalysatoren.......................................... 290
Brandstof - bio-ethanol E85................... 291
Roetfilter dieselmotor (DPF).................... 292
Zuinig rijden............................................ 293
Rijden met een aanhanger...................... 294
Rijden met een aanhanger - handgeschakelde versnellingsbak.............................. 295
Rijden met een aanhanger - automatische versnellingsbak............................... 295
Trekhaak................................................. 296
Afneembare trekhaak - opbergen........... 297
Afneembare trekhaak - specificaties...... 297
Afneembare trekhaak - monteren/
demonteren............................................. 298
Trailer Stability Assist - TSA.................... 301
Slepen..................................................... 302
Sleepoog................................................. 303
Bergen..................................................... 304
Banden - draairichting............................
Banden - onderhoud...............................
Banden - slijtage-indicator......................
Wielbouten..............................................
Gereedschap..........................................
Krik*.........................................................
Winterbanden..........................................
Wiel- en velgmaten.................................
Banden - maten......................................
Banden - lastindex..................................
Banden - snelheidsklassen.....................
Wielen verwisselen - wielen verwijderen.
Wielen verwisselen - monteren...............
Banden - bandenspanning.....................
Gevarendriehoek.....................................
EHBO-set*...............................................
Noodreparatieset voor banden*..............
Noodreparatieset voor banden* - positie
Noodreparatieset voor banden* - overzicht.........................................................
Noodreparatieset voor banden* - bediening.........................................................
Noodreparatieset voor banden* - reparatieresultaat controleren...........................
08 08 09
8
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
306
306
308
308
309
309
310
310
311
311
312
312
315
316
317
318
318
319
319
320
322
Inhoud
10 Onderhoud en service
Noodreparatieset voor banden* - banden
oppompen............................................... 323
Noodreparatieset voor banden* - afdichtmiddel..................................................... 323
Serviceprogramma van Volvo................. 325
Auto opnemen........................................ 326
Motorkap - openen en sluiten................. 328
Motorruimte - overzicht.......................... 328
Motorruimte - controle............................ 330
Motorolie - algemeen.............................. 330
Motorolie - controleren en bijvullen........ 331
Koelvloeistof - peil.................................. 335
Rem- en koppelingsvloeistof - peil......... 336
Stuurbekrachtigingsvloeistof - peil......... 337
Klimaatregeling - storingen opsporen en
verhelpen................................................ 337
Lamp vervangen..................................... 338
Lamp vervangen - koplampen................ 339
Lampen verwisselen - afdekkap groot-/
dimlichtlampen........................................ 340
Lamp vervangen - dimlicht..................... 340
Lamp vervangen - groot licht.................. 341
Lamp vervangen - verstraler................... 341
Lampen vervangen - richtingaanwijzers
voorzijde.................................................. 342
Lampen vervangen - sidemarkers voor.. 343
Lamp vervangen - verlichting achter...... 343
Lamp vervangen - positie lampen achterzijde......................................................... 344
Lamp vervangen - kentekenplaatverlichting.......................................................... 345
Lamp vervangen - verlichting in kofferbak.......................................................... 345
Lamp vervangen - verlichting makeupspiegel................................................. 345
Lampen - specificaties ........................... 346
Wisserbladen.......................................... 347
Sproeiervloeistof - bijvullen..................... 348
Startaccu................................................. 349
Accu - symbolen..................................... 350
Startaccu - vervangen............................. 350
Accu - Start/Stop.................................... 352
Zekeringen - algemeen........................... 354
Zekeringen - in motorruimte................... 355
Zekeringen - onder dashboardkastje...... 359
Zekeringen - in regeleenheid onder dashboardkastje............................................. 361
Zekeringen - bij dashboard..................... 363
Zekeringen - in kofferbak........................ 364
Zekeringen - in de koude zone van de
motorruimte............................................ 366
Wasstraat................................................ 368
Poetsen en in de was zetten................... 369
Water- en vuilafstotende laag................. 370
09 10 10
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
9
Inhoud
11 Specificaties
Roestwering............................................ 370
Interieur reinigen..................................... 371
Lakschade............................................... 372
Type-aanduidingen.................................
Maten......................................................
Gewichten...............................................
Trekgewicht en kogeldruk.......................
Motorspecificaties...................................
Motorolie - ongunstige rijomstandigheden..........................................................
Motorolie - kwaliteit en hoeveelheid.......
Koelvloeistof - kwaliteit en hoeveelheid..
Transmissieolie - kwaliteit en hoeveelheid.........................................................
Remvloeistof - kwaliteit en hoeveelheid.
Stuurbekrachtigingsvloeistof - kwaliteit..
Sproeiervloeistof - kwaliteit en hoeveelheid.........................................................
Brandstoftank - inhoud...........................
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot.........
Banden - goedgekeurde bandenspanning.........................................................
Elektrisch systeem..................................
Startaccu - specificatie...........................
Typegoedkeuring - transpondersleutelsysteem...................................................
Typegoedkeuring - radarsysteem...........
376
379
380
381
383
Licenties.................................................. 411
Displaysymbolen..................................... 413
10 11 11
385
386
388
389
391
391
391
392
393
397
399
400
401
401
Typegoedkeuring - Bluetooth®............... 403
10
Inhoud
12 Alfabetisch register
Alfabetisch register................................. 416
12
11
INLEIDING
01 Inleiding
Instructieboekje lezen
Een goede manier om vertrouwd te raken met
uw nieuwe auto is om het instructieboekje te
lezen, idealiter voordat u uw eerste rit maakt.
Zo maakt u kennis met nieuwe functies, krijgt
u tips hoe u het beste in verschillende situaties met de auto kunt omgaan en leert u hoe
u optimaal gebruik kunt maken van alle mogelijkheden die uw auto biedt. Besteed ook aandacht aan de veiligheidsinstructies in het
boekje.
De specificaties, constructiegegevens en
afbeeldingen in het instructieboekje zijn niet
bindend. We behouden ons het recht voor
om zonder voorafgaande mededeling wijzigingen aan te brengen.
©
Volvo Car Corporation
Digitale gebruikershandleiding in auto1
Wanneer er in de gedrukte handleiding wordt
verwezen naar de digitale gebruikershandleiding, wordt daarmee de gebruikershandleiding op het beeldscherm in de auto bedoeld.
Digitale gebruikershandleiding openen - druk
op de knop MY CAR op de middenconsole,
druk op OK/MENU en kies
Gebruikershandleiding.
U hebt vier opties om in het instructieboekje
de informatie te vinden die u zoekt:
1
• Zoeken - Zoekfunctie om een artikel te
vinden.
• Categorieën - Alle artikelen geordend
naar categorieën.
• Favorieten - Snelkoppeling naar favoriete artikelen.
•
Quick Guide - Een selectie van artikelen
voor veelgebruikte functies.
N.B.
Het instructieboekje is niet raadpleegbaar
tijdens het rijden.
Opties/accessoires
Alle soorten opties staan aangegeven met
een sterretje* in het instructieboekje.
Als aanvulling op de standaarduitrusting worden in het instructieboekje ook de opties (van
fabriekswege gemonteerde uitrusting) en
bepaalde accessoires (ingebouwde extra uitrusting) beschreven.
De uitrusting die in het instructieboekje wordt
beschreven is niet op alle auto’s aanwezig welke uitrusting aanwezig is hangt af van de
verschillende behoeften op de diverse markten en de landelijke en/of regionale wet- en
regelgeving.
Neem bij twijfel over de standaarduitrusting of
opties/accessoires contact op met een Volvodealer.
Speciale teksten
01
WAARSCHUWING
Waarschuwingsteksten geven informatie
over kans op letsel.
BELANGRIJK
Belangrijk-teksten geven informatie over
kans op materiële schade.
N.B.
Teksten met het kopje NB duiden op tips
en adviezen die het gebruik van bepaalde
mogelijkheden en functies vergemakkelijken.
Voetnoot
In het instructieboekje komt informatie voor in
de vorm van een voetnoot onder aan de
pagina. Deze informatie vormt een aanvulling
op de tekst waar het nummer van de voetnoot naar verwijst. Als de voetnoot naar tekst
in een tabel verwijst, worden letters gebruikt
in plaats van cijfers.
Displaymeldingen
In de auto zijn displays aanwezig waarop
meldingen kunnen worden weergegeven.
Deze displaymeldingen worden in het instructieboekje in iets groter formaat en in het grijs
Geldt voor bepaalde automodellen.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
13
01 Inleiding
01
||
weergegeven. Voorbeelden daarvan vindt u in
de menuteksten en displaymeldingen van het
informatiedisplay (bijvoorbeeld Audioinstellingen ).
Gevaar voor materiële schade
Informatie
Stickers
Er zitten verschillende soorten stickers in de
auto om belangrijke informatie op een simpele en duidelijke manier over te dragen. De
stickers in de auto zijn van de onderstaande
aflopende waarschuwings-/informatiegraad.
Witte ISO-symbolen en een witte tekst/
afbeelding in een zwart of blauw waarschuwings- en tekstveld. Worden gebruikt om te
attenderen op een risico dat, bij het negeren
van de waarschuwing, kan resulteren in materiële schade.
G031590
Zwarte ISO-symbolen in een oranje waarschuwingsveld, witte tekst/afbeelding in een
zwart tekstveld. Worden gebruikt om te attenderen op een risico dat, bij het negeren van
de waarschuwing, kan resulteren in ernstig
letsel met mogelijk dodelijke afloop.
14
G031593
G031592
Gevaar voor lichamelijk letsel
Witte ISO-symbolen en een witte tekst/
afbeelding in een zwart tekstveld.
N.B.
De in het instructieboekje afgebeelde stickers hoeven niet per definitie overeen te
komen met de stickers die in of op uw
auto aanwezig zijn. De afbeeldingen zijn
alleen bedoeld om aan te geven hoe de
stickers er in grote lijnen uitzien en waar u
ze ongeveer kunt aantreffen. Op de stickers van uw auto vindt u de informatie die
op uw auto van toepassing is.
Procedurelijsten
Procedures met handelingen die in een
bepaalde volgorde moeten worden uitge-
01 Inleiding
voerd, staan genummerd in het instructieboekje.
Wanneer er een reeks afbeeldingen bij
een stapsgewijze instructie bestaat, zijn
de verschillende stappen van de instructie op dezelfde manier genummerd als de
bijbehorende afbeeldingen.
Als voor de instructies bij een reeks
afbeeldingen de onderlinge volgorde niet
relevant is, worden de instructies voorafgegaan door letters.
Er komen genummerde en ongenummerde pijlen voor. Ze worden gebruikt om
een bepaalde beweging weer te geven.
Pijlen met een letter dienen om een
beweging weer te geven waarbij de
onderlinge volgorde niet van belang is.
Wanneer er geen reeks afbeeldingen bij een
stapsgewijze instructie bestaat, zijn de verschillende stappen op de standaardmanier
genummerd met normale cijfers.
Positielijsten
Op overzichtsfiguren die de positie van
onderdelen aangeven worden rode cirkels
met daarin een cijfer gebruikt. Hetzelfde
cijfer wordt gehanteerd in de positielijst
bij de afbeelding, met een beschrijving
van de weergegeven objecten.
Opsommingslijsten
Vastlegging van gegevens
Bij opsommingen in het instructieboekje
wordt gebruik gemaakt van een opsommingslijst.
Bepaalde gegevens over de werking en functionaliteit van de auto en eventuele
(bijna-)aanrijdingen worden door de auto vastgelegd.
Bijvoorbeeld:
•
•
Koelvloeistof
Motorolie
Gerelateerde informatie
Gerelateerde informatie verwijst naar andere
gedeelten met voor de hand liggende informatie.
Afbeeldingen
De afbeeldingen in het boek zijn soms schematisch en kunnen afwijken van hoe de auto
eruitziet, afhankelijk van het uitrustingsniveau
en de markt.
Zie ommezijde
}} Dit symbool staat rechts onderaan wan-
neer een artikel wordt voortgezet op de volgende pagina.
Vervolg van de vorige pagina
|| Dit symbool staat links bovenaan wanneer
een artikel wordt voortgezet van de vorige
pagina.
Gerelateerde informatie
•
Milieu-aspecten van het instructieboekje
(p. 20)
•
Informatie op internet (p. 17)
01
Uw auto is voorzien van enkele computers
met als taak de werking en functionaliteit van
de auto continue te bewaken. Bepaalde computers leggen mogelijk ook gegevens vast bij
registratie van een storing tijdens normale ritten. Bovendien worden er gegevens opgeslagen bij een aanrijding of bijna-aanrijding.
Vastlegging van de gegevens is enerzijds
bedoeld om technici te helpen bij het vaststellen en verhelpen van storingen in de auto
en anderzijds om ervoor te zorgen dat Volvo
voldoet aan de geldende wet- en regelgeving.
Volvo gebruikt de gegevens bovendien voor
onderzoek ter verbetering van de kwaliteit en
veiligheid, daar de gegevens kunnen bijdragen tot een groter inzicht in de omstandigheden waarin ongelukken en/of letsel ontstaan.
De gegevens kunnen duidelijkheid geven over
de status en werking van verschillende autosystemen en -modulen waaronder die voor
de motor, gasklep, besturing en remmen. De
gegevens kunnen informatie bevatten over
uw rijstijl, zoals de rijsnelheid, het gebruik van
het rem- of gaspedaal en de stuuruitslag en
het wel of niet dragen van de veiligheidsgordel door bestuurder en eventuele passagier(s). De gegevens kunnen om de eerder
vermelde redenen voor een begrensde tijd
15
01 Inleiding
01
worden vastgelegd tijdens het rijden, tijdens
een aanrijding of bij een bijna-ongeluk. Volvo
kan de gegevens opslaan zolang deze kunnen bijdragen tot een verbetering en verdere
verhoging van de veiligheid en kwaliteit en
zolang de wet- en regelgeving waaraan Volvo
gehouden is dit voorschrijft.
Volvo zal de bovengenoemde gegevens niet
zonder de toestemming van de eigenaar van
de auto vrijgeven aan derden. Volvo Car Corporation kan echter op last van de nationale
wet- en regelgeving gedwongen worden om
dergelijke gegevens te verstrekken aan
instanties, zoals de politie, of anderen die
krachtens de wet de gegevens kunnen opeisen.
Om de door de computers van de auto vastgelegde gegevens te kunnen uitlezen en
interpreteren is speciale technische apparatuur vereist die alleen beschikbaar is bij
Volvo, en de werkplaatsen die een contract
hebben met Volvo. Volvo ziet erop toe dat de
gegevens, die in verband met reparatie en
onderhoud worden doorgegeven aan Volvo,
zorgvuldig worden opgeslagen en gehanteerd
en dat ze in overeenstemming met de geldende wetgeving worden gebruikt. Neem
voor meer informatie contact op met een
Volvo-dealer.
16
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Accessoires en extra uitrusting
Een verkeerde aansluiting en montage van
accessoires en extra uitrusting kan een nadelige invloed hebben op de werking van de
elektronische systemen van de auto.
Maten
A
47 mm
B
87 mm
Bepaalde accessoires werken alleen, wanneer de bijbehorende software in de computersystemen van de auto wordt geladen.
Volvo adviseert u daarom altijd contact op te
nemen met een erkende Volvo-werkplaats,
voordat u accessoires of extra uitrusting
monteert die in verbinding staan/staat met of
van invloed zijn/is op het elektrische systeem.
De voorruit is voorzien van een warmtereflecterende film (IR) die de ingestraalde warmte in
de passagiersruimte beperkt.
Warmtereflecterende voorruit*
Voor optimale werking van dient de elektronische uitrusting dan ook gemonteerd te worden op dat deel van de voorruit waar geen
warmtereflecterende film is aangebracht (zie
gemarkeerd veld op bovenstaande afbeelding).
Veld waar geen IR-film is aangebracht.
Montage van elektronische uitrusting, zoals
een transponder, achter een ruit met een
warmtereflecterende film heeft mogelijk een
negatieve invloed op de werking en prestaties
van de uitrusting.
01 Inleiding
Verkoop van auto met Volvo On Call*
Informatie op internet
Als de auto met Volvo On Call, VOC is uitgerust, is het belangrijk om de eigenaar bij de
dienst te wijzigen.
Op www.volvocars.com vindt u meer informatie over uw auto.
VOC is een aanvullend pakket met veiligheids-, beveiligings- en comfortdiensten. Bij
verkoop van de auto is het belangrijk om de
eigenaar bij de dienst te wijzigen.
01
Met een persoonlijke Volvo ID kunt u inloggen
op My Volvo, een persoonlijke webpagina
voor u en uw auto.
De VOC-dienst afsluiten
Neem bij verkoop van de auto contact op met
een Volvo-dealer om de VOC-dienst af te sluiten.
Bij verkoop van de auto is het belangrijk om
persoonlijke instellingen in de auto te resetten
naar de oorspronkelijke fabrieksinstelling2, zie
Verkoop van auto.
De VOC-dienst starten
Het is zeer belangrijk dat de VOC-dienst van
eigenaar wisselt, zodat de vorige eigenaar
geen diensten meer in de auto kan uitvoeren.
Neem contact op met een erkende Volvodealer bij verkoop van de auto.
QR-code
Voor het uitlezen van de QR-code hebt u een
QR-codelezer nodig die als extra programma
(app) verkrijgbaar is voor tal van mobiele telefoons. QR-codelezers zijn bijvoorbeeld te
downloaden via App Store, Windows Phone
of Google Play.
Gerelateerde informatie
•
2
Informatie op internet (p. 17)
Geldt alleen voor auto's die met internet kunnen worden verbonden.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
17
01 Inleiding
01
Milieubeleid van Volvo Car
Corporation
een fabriek die zeer schoon is en efficiënt met
hulpbronnen omgaat.
G000000
Uw Volvo voldoet aan strenge internationale
milieueisen en is bovendien geproduceerd in
Zorg voor het milieu is een van de kernwaarden van Volvo Car Corporation die van
invloed zijn op alle activiteiten. We zijn ervan
overtuigd dat onze klanten onze zorg voor het
milieu delen.
Uw Volvo voldoet aan strenge internationale
milieueisen en is bovendien geproduceerd in
een fabriek die zeer schoon is en efficiënt met
hulpbronnen omgaat. Volvo Car Corporation
is gecertificeerd volgens de milieunorm ISO
14001 voor alle fabrieken en de meeste
andere eenheden. We eisen bovendien van
18
onze samenwerkingspartners dat ze systematisch aan milieuzorg doen.
Brandstofverbruik
De auto’s van Volvo zijn concurrerend in hun
klasse wat het brandstofverbruik betreft. Een
lager brandstofverbruik levert over het algemeen een geringere uitstoot van het broeikasgas kooldioxide op.
U als bestuurder kunt uw steentje bijdragen
aan een verlaging van het brandstofverbruik.
Lees voor meer informatie de tekst onder het
kopje Spaar het milieu.
Efficiënte uitlaatgasreiniging
Uw Volvo is gebouwd volgens het concept
‘Schoon aan binnen- en buitenkant’ – een
concept dat een schone passagiersruimte
combineert met een uitermate efficiënte uitlaatgasreiniging. In veel gevallen liggen uitlaatgasemissies ver onder de geldende normen.
Schone lucht in passagiersruimte
Het interieurfilter zorgt dat stofdeeltjes en pollen niet via de luchtinlaatopening in de passagiersruimte kunnen dringen.
01 Inleiding
Een geavanceerd luchtreinigingssysteem,
IAQS* (Interior Air Quality System), zorgt
ervoor dat de lucht die de passagiersruimte
binnenkomt schoner is dan de lucht buiten in
het verkeer.
Het systeem bestaat uit een elektronische
sensor en een koolstoffilter. De binnenkomende lucht wordt continu gecontroleerd en
als het gehalte aan bepaalde schadelijke gassen zoals koolmonoxide te hoog oploopt,
wordt de luchtinlaat gesloten. Iets dergelijks
kan zich voordoen in bijvoorbeeld druk verkeer, files of tunnels.
Het koolstoffilter zorgt ervoor dat stikstofoxiden, laaghangend ozon en koolwaterstoffen
niet binnendringen.
van ons systeem. Volvo stelt duidelijke milieueisen aan de outillage van onze werkplaatsen
om te voorkomen dat er schadelijke stoffen
vrijkomen in het milieu. Het personeel in de
werkplaatsen van Volvo beschikt over de kennis en het gereedschap om optimale zorg
voor het milieu te kunnen garanderen.
Spaar het milieu
U kunt eenvoudig meehelpen het milieu te
beschermen – hier volgen enkele tips:
•
•
•
Interieur
Het interieur van een Volvo werd dusdanig
vormgegeven dat het gerieflijk en comfortabel
is – ook voor mensen met contactallergieën
of astma. Er is extra veel aandacht besteed
aan de selectie van milieuvriendelijke materialen.
Erkende Volvo-werkplaatsen en het
milieu
Met regelmatig onderhoud kunt u de voorwaarden scheppen voor een lange levensduur en een laag brandstofverbruik. Op die
manier draagt u bij aan een schoner milieu.
Wanneer u de reparaties en het onderhoud
aan de auto toevertrouwt aan de werkplaatsen van Volvo, wordt de auto een onderdeel
Voorkom stationair draaien – zet de motor
af wanneer u langere tijd stilstaat. Houd u
aan de plaatselijke voorschriften.
Rijd economisch – rijd anticiperend.
Voer service en onderhoud uit volgens de
aanwijzingen in het instructieboekje –
houd de geadviseerde intervallen in het
Service- en garantieboekje aan.
•
Gebruik vóór een koude start altijd de
motorverwarming*, als de auto hiermee is
uitgerust – dit verbetert de startgewilligheid, beperkt de slijtage bij koud weer en
zorgt ervoor dat de motor sneller op
bedrijfstemperatuur komt, waardoor het
brandstofverbruik en de uitstoot afnemen.
•
Bij hoge snelheden neemt het verbruik
aanzienlijk toe vanwege de grotere luchtweerstand – bij een verdubbeling van de
snelheid neemt de luchtweerstand met
een factor vier toe.
•
Hanteer afvalstoffen die schadelijk voor
het milieu zijn, zoals accu’s en olie, op
een milieuvriendelijke manier. Neem con-
tact op met een werkplaats bij twijfel over
de juiste manier van verwerken van dergelijk afval – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
01
Wanneer u deze tips opvolgt, kunt u geld
besparen, zuiniger omspringen met de hulpbronnen op aarde en uw auto langer doen
meegaan. Voor meer informatie en meer
adviezen, zie , Eco guide (p. 60) en Zuinig
rijden (p. 293) en Brandstofverbruik (p. 393).
Recycling
Milieumatig verantwoorde recycling van de
auto vormt een belangrijk aspect van de milieuzorg van Volvo. De auto is nagenoeg
geheel te recyclen. De laatste eigenaar van
de auto wordt daarom verzocht contact op te
nemen met een dealer voor de locatie van
een gecertificeerd/erkend recyclingbedrijf.
Gerelateerde informatie
•
Milieu-aspecten van het instructieboekje
(p. 20)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
19
01 Inleiding
01
Milieu-aspecten van het
instructieboekje
De papiervezels waarvan deze publicatie
gemaakt is afkomstig zijn uit FSC®-gecertificeerde bossen of andere gecontroleerde
bronnen.
Het Forest Stewardship Council®-symbool
geeft aan dat de papiervezels waarvan een
gebruikershandleiding in drukvorm gemaakt
is afkomstig zijn uit FSC®-gecertificeerde
bossen of andere gecontroleerde bronnen.
Gerelateerde informatie
•
20
Milieubeleid van Volvo Car Corporation
(p. 18)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Gelaagd glas
Gelaagd glas
Het glas is verstevigd voor een verbeterde inbraakbeveiliging en
geluidsisolatie van het interieur. De
voorruit en de zijruiten zijn gemaakt
van gelaagd glas*.
VEILIGHEID
02 Veiligheid
Algemeen over veiligheidsgordels
02
Remmen kan ernstige gevolgen hebben als
de veiligheidsgordel niet wordt gedragen. Let
er daarom op dat alle passagiers hun veiligheidsgordel tijdens het rijden om hebben.
Waar u op moet letten
•
Gebruik geen klemmen of andere accessoires waardoor u de veiligheidsgordel
niet strak langs uw lichaam kunt trekken.
•
De veiligheidsgordel mag niet gedraaid
zitten.
•
De heupgordel moet laag zitten (niet over
de buik).
•
Span de heupgordel over de heupen door
de diagonale schoudergordel in de richting van de schouder omhoog te trekken.
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen aan de veiligheidsgordels aan en probeer ze nooit zelf
te repareren. Volvo adviseert u daarvoor
contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats.
Als een veiligheidsgordel aan grote krachten heeft blootgestaan zoals tijdens een
aanrijding, moet u de veiligheidsgordel in
zijn geheel vervangen. De veiligheidsgordel
kan een deel van zijn beschermende
eigenschappen hebben verloren, zelfs als
de veiligheidsgordel ogenschijnlijk niet
beschadigd is. Vervang de veiligheidsgordel ook als deze versleten of beschadigd
is. De nieuwe veiligheidsgordel moet zijn
goedgekeurd en bedoeld voor montage op
dezelfde positie als de vervangen veiligheidsgordel.
WAARSCHUWING
Voor optimale bescherming van de veiligheidsgordel is het van belang dat de gordel
goed tegen het lichaam ligt. Laat de rugleuning niet te ver achteroverhellen. De veiligheidsgordel biedt de beste bescherming bij
een normale rijhouding.
Wanneer iemand de veiligheidsgordel niet
draagt, wordt de bewuste persoon er middels
waarschuwingssymbolen en geluidssignalen
(p. 24) aan herinnerd de gordel om te doen
(p. 23).
22
De veiligheidsgordel en airbag werken
samen. Als de veiligheidsgordel niet of verkeerd wordt gebruikt, kan dit bij een botsing van invloed zijn op het effect van de
airbag.
WAARSCHUWING
Elke veiligheidsgordel is bedoeld voor
slechts één persoon.
Gerelateerde informatie
•
Veiligheidsgordel - zwangerschap (p.
23)
•
•
Veiligheidsgordel - losmaken (p. 23)
Gordelspanners (p. 25)
02 Veiligheid
Veiligheidsgordel - om doen
Veiligheidsgordel - losmaken
Veiligheidsgordel - zwangerschap
Doe de veiligheidsgordel (p. 22) om voordat u
gaat rijden.
Maak de veiligheidsgordel (p. 22) pas los als
de auto stilstaat.
Rol de gordel langzaam af en maak deze vast
door de borglip in de gordelsluiting te steken.
Een duidelijke ‘klik’ geeft aan dat de gordel
vastzit.
Druk op de rode knop van de gordelsluiting
en laat het oprolmechanisme de gordel naar
binnen trekken. Als de gordel niet volledig
wordt opgerold, moet u de gordel handmatig
zo ver terugrollen dat deze niet langer slap
hangt.
Wanneer u zwanger bent, is het belangrijk de
veiligheidsgordel (p. 22) altijd op de juiste
manier te dragen.
Waar u op moet letten
De veiligheidsgordel wordt geblokkeerd en
kan niet verder worden afgerold:
•
•
•
wanneer u de gordel te snel afrolt
wanneer u remt of optrekt
als de auto sterk overhelt.
Gerelateerde informatie
•
Veiligheidsgordel - zwangerschap (p.
23)
•
•
•
Veiligheidsgordel - losmaken (p. 23)
Gordelspanners (p. 25)
Gordelwaarschuwing (p. 24)
Gerelateerde informatie
•
•
Veiligheidsgordel - om doen (p. 23)
Gordelwaarschuwing (p. 24)
G020998
Op de achterbank past de borglip van de veiligheidsgordel alleen in de bijbehorende sluiting1.
02
De veiligheidsgordel moet strak langs de
schouder lopen, waarbij het diagonale deel
van de veiligheidsgordel tussen de borsten en
tegen de zijkant van de buik ligt.
Het heupgedeelte van de veiligheidsgordel
moet vlak tegen de buitenkant van de bovenbenen liggen en zo ver mogelijk onder de buik
liggen. Het mag nooit over de buik omhoog
kunnen glijden. De veiligheidsgordel moet zo
strak mogelijk over het lichaam lopen zonder
onnodige speling. Controleer ook of de veiligheidsgordel nergens gedraaid zit.
Naarmate de zwangerschap vordert moeten
zwangere bestuurders de stoel (p. 70) en
1
Bepaalde markten.
23
02 Veiligheid
02
||
het stuur (p. 75) dusdanig verstellen dat ze
de auto volledig onder controle hebben (wat
inhoudt dat ze met gemak bij het stuur en de
pedalen moeten kunnen komen). Streef
ernaar de afstand tussen de buik en het stuur
zo groot mogelijk te maken.
Gordelwaarschuwing
Wanneer iemand de veiligheidsgordel niet
draagt, gaan er waarschuwingssymbolen
branden en worden er geluidssignalen afgegeven om de bewuste persoon eraan te herinneren de veiligheidsgordel om te doen (p. 23).
Gerelateerde informatie
Veiligheidsgordel - om doen (p. 23)
Veiligheidsgordel - losmaken (p. 23)
G017726
•
•
Of er geluidssignalen klinken, hangt af van de
snelheid. De waarschuwingssymbolen zitten
op de plafondconsole en op het instrumentenpaneel (p. 56).
Het gordelwaarschuwingssysteem geldt niet
voor kinderzitjes.
Achterbank
De functie van de gordelwaarschuwing voor
de achterbank is tweeledig:
•
24
Aangeven welke veiligheidsgordel (p. 22)
van de achterbank er worden gebruikt. Bij
gebruik van de veiligheidsgordels of het
openen van een van de achterportieren
verschijnt er een melding op het instrumentenpaneel. De melding verdwijnt
automatisch na ca. 30 seconden rijden,
maar kan ook handmatig worden verwijderd door op de knop OK op de richtingaanwijzerhendel (p. 102) te drukken.
•
Waarschuwen dat iemand op de achterbank de veiligheidsgordel heeft losgenomen. Er wordt gewaarschuwd met een
melding op het instrumentenpaneel in
combinatie met een geluidssignaal en een
waarschuwingslampje. De waarschuwing
stopt wanneer de gordel weer is omgedaan, maar kan ook handmatig worden
bevestigd door op de knop OK te drukken.
De melding op het instrumentenpaneel, die
aangeeft welke veiligheidsgordels er gebruikt
worden, is altijd beschikbaar. Druk op de
knop OK om de opgeslagen meldingen te
zien.
Bepaalde markten
Er gaat een waarschuwingssymbool branden
en er worden geluidssignalen afgegeven wanneer de bestuurder en een eventuele voorpassagier de gordel niet dragen. Op lage
snelheden klinkt de eerste 6 seconden lang
een geluidssignaal.
02 Veiligheid
Gordelspanners
Veiligheid - waarschuwingssymbool
Alle veiligheidsgordels (p. 22) zijn uitgerust
met gordelspanners. Dit is een mechanisme
dat bij een voldoende krachtige aanrijding de
veiligheidsgordel rond het lichaam spant. De
veiligheidsgordel kan de passagier daarmee
beter in de stoel gedrukt houden.
Het waarschuwingssymbool verschijnt, als er
tijdens de storingsdiagnose een storing wordt
geconstateerd of als het systeem geactiveerd
is. Waar nodig verschijnt het waarschuwingssymbool in combinatie met een melding op
het informatiedisplay van het instrumentenpaneel (p. 56).
WAARSCHUWING
De gesp van de veiligheidsgordel aan passagierszijde nooit aanbrengen in de gordelsluiting aan bestuurderszijde. De gesp
van de veiligheidsgordel altijd aanbrengen
in de gordelsluiting aan de juiste zijde. De
veiligheidsgordels nooit beschadigen en
geen vreemde voorwerpen aanbrengen in
de gordelsluiting. De veiligheidsgordels en
de gordelsluiting werken anders mogelijk
niet naar behoren tijdens een aanrijding. Er
bestaat gevaar voor ernstige verwondingen.
02
Gevarendriehoek en waarschuwingssymbool
voor het airbagsysteem op een digitaal instrumentenpaneel.
Gevarendriehoek en waarschuwingssymbool
voor het airbagsysteem (p. 26) op een analoog
instrumentenpaneel.
Het waarschuwingssymbool op het instrumentenpaneel gaat branden, wanneer de
transpondersleutel in sleutelstand II (p. 68)
staat. Het symbool dooft na zo’n 6 seconden,
wanneer de regelmodule heeft vastgesteld
dat het airbagsysteem geen storingen vertoont.
25
02 Veiligheid
WAARSCHUWING
Als het waarschuwingslampje voor het airbagsysteem blijft branden of tijdens het rijden korte tijd oplicht, betekent dit dat het
airbagsysteem niet naar behoren werkt.
Het symbool kan ook duiden op een storing in de gordelspanners, het SIPS- en
het IC-systeem of op een andere storing in
het systeem. Volvo adviseert u zo spoedig
mogelijk contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats.
02
Als het waarschuwingssymbool niet werkt,
gaat het waarschuwingsdriehoekje branden
en verschijnt er SRS airbag Service vereist
of SRS airbag Service spoed op het display. Volvo adviseert u zo spoedig mogelijk
contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats.
Airbagsysteem
Bij een frontale botsing helpt het airbagsysteem voorkomen dat de bestuurder en eventuele inzittenden letsel aan hoofd en borstkas
oplopen.
Airbagsysteem, auto met stuur links.
Gerelateerde informatie
De sensoren reageren verschillend, afhankelijk van het verloop van de botsing en of
er al dan niet een veiligheidsgordel wordt
gebruikt. Geldt voor alle gordelposities.
Airbagsysteem, auto met stuur rechts.
26
Volvo adviseert u voor reparatie contact op
te nemen met een erkende Volvo-werkplaats. Verkeerde ingrepen in het airbagsysteem kunnen aanleiding geven tot storingen in de werking met mogelijk ernstig
lichamelijk letsel tot gevolg.
N.B.
Algemene informatie over de Safety mode
(p. 35)
G018666
•
Het SRS bestaat uit airbags en sensoren. Bij
een voldoende krachtige aanrijding reageren
de sensoren, waarna één of meer airbags
worden opgeblazen en warm worden. Om de
klap op te vangen loopt de airbag leeg wanneer de inzittende de airbag raakt. Daarbij
treedt er rookvorming in de auto op. Dit is
volkomen normaal. Het totale verloop, van
het opblazen tot het leeglopen van de airbag,
neemt enkele tienden van een seconde in
beslag.
WAARSCHUWING
G018665
||
Er kunnen dus ongelukken ontstaan als
slechts één (of geen) van de airbags wordt
geactiveerd. De sensoren registreren de
kracht waaraan de auto bij de botsing
wordt blootgesteld en passen zich hierop
aan, zodat één of meer airbags worden
opgeblazen.
02 Veiligheid
Gerelateerde informatie
•
•
•
Airbag aan de bestuurderszijde (p. 27)
Passagiersairbag (p. 27)
Veiligheid - waarschuwingssymbool (p.
25)
Airbag aan de bestuurderszijde
Passagiersairbag
Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordel (p.
22) aan de bestuurderszijde ook een airbag (p.
26) in het stuurwiel.
Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordel (p.
22) aan de passagierszijde ook een airbag (p.
26).
De airbag zit opgevouwen in het midden van
het stuurwiel. Het stuurwiel is voorzien van
het opschrift AIRBAG.
De airbag zit opgevouwen in een ruimte
boven het dashboardkastje. Het paneel is
voorzien van het opschrift AIRBAG.
02
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en airbag werken
samen. Als de gordel niet of verkeerd
wordt gebruikt, kan dit bij een botsing van
invloed zijn op het effect van de airbag.
Gerelateerde informatie
•
Passagiersairbag (p. 27)
Positie van de passagiersairbag in een auto met
het stuur links.
27
02 Veiligheid
||
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen voorin, wanneer de
airbag aan die kant geactiveerd is.
02
Laat nooit iemand voor de passagierstoel
zitten of staan.
Personen kleiner dan 1,40 m mogen nooit
op de passagiersstoel voorin plaatsnemen,
als de airbag geactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren.
Positie van de passagiersairbag in een auto met
het stuur rechts.
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en airbag werken
samen. Als de gordel niet of verkeerd
wordt gebruikt, kan dit bij een botsing van
invloed zijn op het effect van de airbag.
Schakelaar - PACOS*
De passagiersairbag (SRS) voorin is te deactiveren, (p. 28) met een schakelaar als de
auto is uitgerust met PACOS (Passenger
Airbag Cut Off Switch).
Plaats geen voorwerpen vóór of bovenop
het dashboard op de plek waar de airbag
voor de passagiersstoel zit.
De passagiersairbag (p. 27) voorin kan met
een schakelaar worden geactiveerd, als de
auto is uitgerust met PACOS (Passenger
Airbag Cut Off Switch).
Schakelaar - PACOS
De schakelaar voor activering/deactivering
van de passagiersairbag, PACOS zit aan de
passagierszijde aan de zijkant van het dashboard en u kunt erbij door het portier aan die
kant te openen.
Controleer of de schakelaar in de gewenste
stand staat. Gebruik het sleutelblad (p. 158)
van de transpondersleutel om van stand te
veranderen.
WAARSCHUWING
Om geen letsel op te lopen wanneer de
airbag wordt opgeblazen, moet de passagier zo rechtop mogelijk zitten met de voeten op de vloer en de rug tegen de rugleuning. De veiligheidsgordel moet vast zitten.
WAARSCHUWING
Passagiersairbag - activering/
deactivering*
Als de auto is uitgerust met een airbag aan
de passagierszijde maar geen PACOSschakelaar (Passenger Airbag Cut Off
Switch) heeft, is de airbag altijd geactiveerd.
Gerelateerde informatie
•
•
Airbag aan de bestuurderszijde (p. 27)
Kinderzitje (p. 39)
Positie van de airbagsticker en de schakelaar.
De airbag is geactiveerd. Met de schakelaar in deze stand kunnen passagiers groter dan 1,40 m aan de passagierszijde op
28
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
02 Veiligheid
de voorstoel zitten, maar kinderen in een
kinderzitje of op een kussen beslist niet.
De airbag is gedeactiveerd. Met de schakelaar in deze stand kunnen kinderen in
een kinderzitje of op een kussen aan de
passagierszijde op de voorstoel zitten,
maar passagiers groter dan 1,40 m
beslist niet.
WAARSCHUWING
N.B.
WAARSCHUWING
Wanneer de transpondersleutel in sleutelstand II (p. 68) staat, brandt
ca. 6 seconden lang het waarschuwingssymbool (p. 25) voor de airbag op het
instrumentenpaneel.
Daarna gaat de indicator op de plafondconsole branden die de status van de passagiersairbag aangeeft.
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een zittingverhoger voorin wanneer de
airbag aan die kant geactiveerd is en het
op de plafondconsole
symbool
brandt. Het niet opvolgen van deze aanbeveling kan levensgevaarlijke situaties voor
het kind opleveren.
02
Geactiveerde airbag (passagiersstoel):
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen op de passagiersstoel, wanneer de airbag aan die kant
geactiveerd is. Laat evenmin personen die
kleiner zijn dan 1,40 m op deze stoel
plaatsnemen.
2
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren.
2
G017800
Personen groter dan 1,40 m mogen nooit
op de passagiersstoel plaatsnemen, als de
airbag gedeactiveerd is.
Hiermee wordt aangegeven dat de airbag aan de
passagierszijde geactiveerd is.
Een waarschuwingssymbool op de plafondconsole geeft aan of de passagiersairbag
voorin geactiveerd is (zie voorgaande afbeelding).
G017724
Gedeactiveerde airbag (passagiersstoel):
Hiermee wordt aangeduid dat de airbag aan de
passagierszijde gedeactiveerd is.
Een tekstmelding en een brandend symbool
op de plafondconsole geven aan dat de airbag aan de passagierszijde gedeactiveerd is
(zie voorgaande afbeelding).
}}
29
02 Veiligheid
||
WAARSCHUWING
Laat geen passagier op de passagiersstoel
plaatsnemen als het waarschuwingssymbool(p. 25) voor het airbagsysteem op het
instrumentenpaneel oplicht, terwijl de melding op de plafondconsole aangeeft dat de
airbag aan die kant gedeactiveerd is. Dit
duidt op een ernstige storing. Bezoek zo
spoedig mogelijk een werkplaats. Volvo
adviseert u daarvoor contact op te nemen
met een erkende Volvo-werkplaats.
02
SIPS-airbags
Bij een aanrijding in de zij wordt een groot
deel van de botskracht door het SIPS-systeem (Side Impact Protection System) over
balken, stijlen, vloer, dak en andere delen van
de carrosserie verdeeld. De SIPS-airbags aan
de bestuurders- en de passagierszijde
beschermen de borstkas en de heupen en
vormen een belangrijk onderdeel van het
SIPS-systeem.
voor de inzittende, waarna de airbags weer
leeglopen. De SIPS-airbag wordt normaal
gesproken alleen opgeblazen aan de kant van
de aanrijding.
WAARSCHUWING
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties voor de passagiers opleveren.
Bestuurdersplaats, auto met stuur links.
Gerelateerde informatie
Kinderzitje (p. 39)
G032949
•
Het SIPS-systeem bestaat uit twee hoofdonderdelen: de SIPS-airbags en de sensoren.
De SIPS-airbags zijn aangebracht in de rugleuningframes van de voorstoelen.
Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren de sensoren, die op hun beurt de gasgeneratoren activeren. De SIPS-airbags worden
vervolgens opgeblazen tussen de inzittende
en het portierpaneel. Daarmee vangen de
SIPS-airbags de klap van de aanrijding op
30
Passagiersplaats, auto met stuur links.
02 Veiligheid
WAARSCHUWING
•
•
Volvo adviseert u de reparatie uitsluitend door een erkende Volvo-werkplaats te laten uitvoeren. Een verkeerde ingreep in het SIPS-systeem
kan tot een onjuiste werking leiden
met ernstig letsel als gevolg.
Plaats geen voorwerpen in het gebied
tussen de buitenzijde van de stoel en
het portierpaneel, aangezien dit gebied
door de zijairbag kan worden beïnvloed.
•
Volvo adviseert om uitsluitend door
Volvo goedgekeurde overtrekbekleding te gebruiken. Andere bekleding
kan de werking van de zijairbags hinderen.
•
De zijairbag vormt een aanvulling op
de veiligheidsgordel. Gebruik de veiligheidsgordel altijd.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Passagiersairbag (p. 27)
•
Opblaasgordijnen (IC-systeem) (p. 31)
Airbag aan de bestuurderszijde (p. 27)
SIPS-airbag (SIPS) - kinderzitje/zittingverhoger (p. 31)
SIPS-airbag (SIPS) - kinderzitje/
zittingverhoger
De SIPS-airbags beïnvloeden de beschermende werking van kinderzitje en/of zittingverhoger niet negatief (p. 30).
Opblaasgordijnen (IC-systeem)
Het systeem helpt voorkomen dat de bestuurder en eventuele passagiers bij een botsing
met hun hoofd tegen de binnenkant van de
auto slaan.
02
Het is mogelijk een kinderzitje/zittingverhoger
(p. 39) op de voorstoel te plaatsen, als de
auto aan de passagierszijde niet is uitgerust
met een geactiveerde airbag (p. 28).
Gerelateerde informatie
•
•
Passagiersairbag (p. 27)
Algemeen over kinderveiligheid (p. 37)
De opblaasgordijnen van het IC-systeem
(Inflatable Curtain) maken deel uit van het
SIPS-systeem (p. 30) en het airbagsysteem
(p. 26). Ze zitten verborgen achter de plafondbekleding langs beide zijden van de auto en
beschermen inzittenden op de buitenste zitplaatsen van de auto. Bij een voldoende
krachtige aanrijding reageren de sensoren,
die op hun beurt de opblaasgordijnen activeren.
31
02 Veiligheid
||
WAARSCHUWING
Hang of bevestig nooit zware voorwerpen
aan de plafondhandgrepen. De haak is
alleen bedoeld voor niet al te zware kledingstukken (en niet voor harde voorwerpen zoals paraplu’s).
02
Schroef of bevestig geen onderdelen op
de plafondbekleding, portierstijlen of de
zijpanelen van de auto. Ze kunnen daarbij
hun beschermende werking verliezen.
Volvo adviseert u uitsluitend originele
Volvo-onderdelen, bestemd voor montage
op deze plaatsen, te gebruiken.
Algemene informatie over WHIPS
(whiplash-bescherming)
WHIPS (Whiplash Protection System) biedt
bescherming tegen whiplash-letsel. Het systeem bestaat uit energieabsorberende rugleuningen en speciaal voor het systeem ontwikkelde hoofdsteunen voor de beide voorstoelen.
WAARSCHUWING
Zorg dat de lading in de auto niet uitsteekt
boven de denkbeeldige, horizontale lijn op
50 mm onder de bovenkant van de portierruiten. Anders is het mogelijk dat het
opblaasgordijn dat schuilgaat achter de
plafondbekleding geen bescherming meer
biedt.
WAARSCHUWING
Het opblaasgordijn vormt een aanvulling
op de veiligheidsgordel.
Gebruik de veiligheidsgordel altijd.
Gerelateerde informatie
•
32
Algemeen over veiligheidsgordels (p. 22)
Het WHIPS-systeem wordt geactiveerd bij
een aanrijding van achteren, afhankelijk van
de hoek waaronder en de snelheid waarmee
het achteropkomende voertuig de auto raakt
02 Veiligheid
en de materiaaleigenschappen van dat voertuig.
WAARSCHUWING
Het WHIPS-systeem vormt een aanvulling
op de veiligheidsgordel. Gebruik de veiligheidsgordel altijd.
Eigenschappen van de stoel
Als het WHIPS-systeem wordt geactiveerd,
klappen de rugleuningen van de voorstoelen
naar achteren zodat de zithouding van de
bestuurder en de passagier op de voorstoelen verandert. Zo wordt de kans op zogeheten whiplash-letsel beperkt.
WHIPS - kinderzitje
WHIPS - zithouding
Het WHIPS-systeem (p. 32) beïnvloedt de
beschermende werking van kinderzitje en/of
zittingverhoger niet negatief.
Voor optimale bescherming door het WHIPSsysteem (p. 32) moeten bestuurder en voorpassagier de juiste zithouding innemen en
zorgen dat het systeem niet wordt gehinderd.
Het is mogelijk een kinderzitje/zittingverhoger
(p. 39) op de voorstoel te plaatsen, als de
auto aan de passagierszijde niet is uitgerust
met een geactiveerde airbag (p. 28).
Gerelateerde informatie
•
Algemeen over kinderveiligheid (p. 37)
02
Zithouding
Stel voordat u wegrijdt de juiste zithouding in
voor de voorstoel (p. 70).
U en een eventuele voorpassagier moeten
zoveel mogelijk in het midden van de stoel
plaatsnemen en de afstand tussen hoofd en
hoofdsteun zo klein mogelijk houden.
Functie
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen in de stoel of
het WHIPS-systeem aan en probeer ze
nooit zelf te repareren. Volvo adviseert u
daarvoor contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
•
•
WHIPS - kinderzitje (p. 33)
WHIPS - zithouding (p. 33)
Algemeen over veiligheidsgordels (p. 22)
Plaats geen voorwerpen op de vloer achter de
bestuurders- of passagiersstoel die het WHIPSsysteem kunnen hinderen.
33
02 Veiligheid
WAARSCHUWING
02
Plaats dozen e.d. niet zodanig, dat deze
vastgeklemd zitten tussen het zitkussen
van de achterbank en de rugleuning van
de voorstoel. Let erop dat u de werking
van het WHIPS-systeem niet hindert.
WAARSCHUWING
Als de stoel heeft blootgestaan aan grote
krachten zoals bij een aanrijding van achteren, moet u het WHIPS-systeem laten
controleren. Volvo adviseert u het te laten
controleren door een erkende Volvo-werkplaats.
Als de systemen activeren
Bij een aanrijding werken de verschillende
persoonsveiligheidssystemen van Volvo
samen om de schade te verkleinen.
Het WHIPS-systeem kan een deel van zijn
beschermende eigenschappen hebben
verloren, zelfs als de stoel ogenschijnlijk
intact is.
Volvo adviseert u contact op te nemen met
een erkende Volvo-werkplaats voor een
controle van het systeem, ook na een
lichte aanrijding van achteren.
Activering
gordelspanner (p. 25) voorstoel
Bij een frontale botsing
en/of aanrijding in de
zij, van achteren en/of
kantelen
Gordelspanners
achterbank
Bij een frontale botsing
en/of aanrijding in de zij
en/of kantelen
Airbags
Bij een frontale botsing.A
(Stuur- (p. 27) en
passagiersairbag (p. 27))
Plaats geen voorwerpen op de achterbank die
het WHIPS-systeem kunnen hinderen.
WAARSCHUWING
Als een rugleuning van de achterbank is
neergeklapt, moet de bijbehorende voorstoel naar voren worden verplaatst zodat
deze niet in contact komt met de neergeklapte rugleuning.
A
34
Systeem
SIPS-airbags (p.
30)
Bij een aanrijding in de
zijA
Opblaasgordijnen (IC) (p. 31)
Bij een aanrijding in de
zij en/of bepaalde frontale aanrijdingenA
WHIPS-systeem (p. 32)
Bij aanrijdingen van
achteren
Het is mogelijk dat de airbags niet worden opgeblazen,
ondanks dat de carrosserie van de auto danig vervormd
raakt. Enkele factoren zoals de stijfheid en het gewicht van
het lichaam waarmee de auto in botsing komt, de snelheid
van de auto, de hoek waaronder de botsing plaatsvindt
02 Veiligheid
e.d. zijn van invloed op de wijze van activering van de verschillende veiligheidssystemen in de auto.
Wanneer de airbags (p. 26) werden opgeblazen, adviseert Volvo u het volgende:
•
Laat de auto wegslepen. Volvo adviseert
u hem te laten wegslepen naar een
erkende Volvo-werkplaats. Rijd niet met
opgeblazen airbags.
•
Volvo adviseert u het vervangen van de
onderdelen van de veiligheidssystemen in
de auto over te laten aan een erkende
Volvo-werkplaats.
•
Neem altijd contact op met een arts.
WAARSCHUWING
Rijd nooit met opgeblazen airbags. Dat
kan het besturen van de auto bemoeilijken.
Ook andere veiligheidssystemen kunnen
beschadigd zijn. De rook en stof die bij het
opblazen van de airbags worden gevormd,
kunnen bij een intensieve blootstelling irritaties aan de huid en ogen/letsel veroorzaken. Bij last met koud water wassen. Het
snelle opblazen kan ook, in combinatie
met het materiaal van de airbag, voor wrijvings- en brandwonden op de huid zorgen.
Algemene informatie over de Safety
mode
Safety mode is een veiligheidsfunctie die in
werking treedt, wanneer de aanrijding belangrijke onderdelen van de auto zoals de brandstofleidingen, de sensoren voor een van de
veiligheidssystemen of het remsysteem, kan
hebben beschadigd.
02
N.B.
De airbags en de gordelspanners worden
bij een botsing slechts eenmaal geactiveerd.
WAARSCHUWING
De regeleenheid van het airbagsysteem zit
in de middenconsole. Als de middenconsole doorweekt geraakt is, moet u de
accukabels loskoppelen. Probeer de auto
niet te starten, omdat de airbags daarbij
geactiveerd kunnen worden. Laat de auto
wegslepen. Volvo adviseert u de te auto te
laten wegslepen naar een erkende Volvowerkplaats.
De gevarendriehoek op het analoge instrumentenpaneel.
35
02 Veiligheid
||
Gerelateerde informatie
•
•
02
Safety mode - startpoging (p. 36)
Safety mode - auto verrijden (p. 37)
Safety mode - startpoging
Als de auto in de Safety mode (p. 35) staat, is
een startpoging mogelijk als alles in orde lijkt
te zijn en u gecontroleerd hebt dat er geen
sprake is van brandstoflekkage.
Controleer eerst of er geen brandstof uit de
auto is gelopen. Er mag evenmin een brandstofgeur waarneembaar zijn.
De gevarendriehoek op het digitale instrumentenpaneel.
Als de auto betrokken is geweest bij een aanrijding, kan de melding Veiligheidsstand Zie
instructieboekje op het informatiedisplay
van het instrumentenpaneel (p. 56) verschijnen. Dit betekent dat de functionaliteit van de
auto is verminderd.
WAARSCHUWING
Probeer nooit zelf de auto te repareren of
de elektronische onderdelen te resetten
nadat de auto in de Safety mode heeft
gestaan. Dit kan aanleiding geven tot letsel
of een slechte functie van de auto. Volvo
adviseert u de auto altijd in een erkende
Volvo-werkplaats te laten controleren en
naar Normal Mode te laten resetten nadat
de melding Veiligheidsstand Zie
instructieboek is verschenen.
36
Als alles normaal lijkt en u hebt vastgesteld
dat er geen brandstof lekt, kunt u proberen
de motor te starten.
Neem de transpondersleutel uit en open het
bestuurdersportier. Als er vervolgens een
melding verschijnt dat het contact ingeschakeld is, dient u op de startknop te drukken.
Sluit het portier vervolgens en plaats de
transpondersleutel terug. De elektronica van
de auto probeert nu te resetten naar de normale stand. Probeer vervolgens de auto te
starten.
Als de melding Veiligheidsstand Zie
instructieboekje nog steeds op het display
staat mag u niet met de auto rijden en hem
evenmin verslepen. U moet hem dan laten
bergen (p. 304). Verborgen schade kan de
auto tijdens het rijden onbestuurbaar maken,
zelfs als het lijkt dat u nog met de auto kunt
rijden.
02 Veiligheid
WAARSCHUWING
Probeer in geen geval de auto opnieuw te
starten, als u een brandstofgeur waarneemt terwijl de melding
Veiligheidsstand Zie instructieboek
getoond wordt. Verlaat de auto onmiddellijk.
WAARSCHUWING
De auto mag niet worden weggesleept
zolang deze in de Safety mode staat. De
auto moet worden weggesleept. Volvo
adviseert u hem te laten wegslepen naar
een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
Safety mode - auto verrijden (p. 37)
Safety mode - auto verrijden
Algemeen over kinderveiligheid
Als Normal mode verschijnt, wanneer de
Veiligheidsstand Zie instructieboekje na
een startpoging (p. 36) werd gereset, mag u
de auto voorzichtig uit de huidige, gevaarlijke
positie verrijden.
Ongeacht leeftijd en lengte moeten kinderen
altijd met de gordel goed om in de auto zitten.
Laat kinderen nooit bij passagiers op schoot
zitten.
Verrijd de auto niet verder dan nodig.
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de Safety mode
(p. 35)
02
Volvo adviseert u kinderen zo lang mogelijk te
vervoeren in een achterstevoren gemonteerd
kinderzitje (in ieder geval tot een leeftijd van
3–4 jaar) en daarna tot een leeftijd van 10 jaar
op/in een zittingverhoger of een kinderzitje
dat in de rijrichting geplaatst is.
Het gewicht en de lengte van het kind zijn
bepalend voor de plaats van het kind in de
auto en de vereiste uitrusting, zie Kinderzitje
(p. 39).
N.B.
De wettelijke bepalingen voor hoe een kind
in de auto moet worden geplaatst, verschillen per land. Stel u op de hoogte van
wat van toepassing is.
Volvo beschikt over kinderveiligheidsproducten (kinderzitjes, zittingverhoger en bevestigingsmaterialen) die speciaal voor uw auto
zijn ontwikkeld. Wanneer u voor kinderveiligheidsproducten van Volvo kiest schept u niet
alleen optimale voorwaarden voor een veilig
vervoer van uw kind(eren), u weet bovendien
zeker dat de producten passen en eenvoudig
in het gebruik zijn.
37
02 Veiligheid
||
N.B.
Bij vragen over de montage van kinderveiligheidsproducten neemt u voor duidelijke
aanwijzingen contact op met de producent.
02
Kinderslot
De achterportieren en de achterportierruiten*
zijn handmatig (p. 172) of elektronisch te
blokkeren (p. 172)*, zodat ze niet meer van
de binnenzijde te openen zijn.
Gerelateerde informatie
•
•
•
38
Kinderzitje - positie (p. 44)
Kinderzitje - ISOFIX (p. 44)
Kinderzitje - bovenste bevestigingspunten
(p. 48)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
02 Veiligheid
Kinderzitje
N.B.
Kinderen moeten comfortabel en veilig kunnen zitten. Zorg dat u het kinderzitje op de
juiste wijze gebruikt.
Bij gebruik van kinderveiligheidsproducten
is het belangrijk om de meegeleverde
montagehandleiding te lezen.
02
WAARSCHUWING
G020739
Zet de bevestigingsband van het kinderzitje niet aan de lengteverstelstang, veren
of rails en balken onder de stoel vast.
Scherpe randen kunnen de bevestigingsband beschadigen.
Raadpleeg voor de juiste montage de montage-instructies bij het kinderzitje.
Kinderzitjes en airbags gaan niet samen.
}}
39
02 Veiligheid
||
Aanbevolen kinderzitjes2
Gewicht
02
Voorstoel (met gedeactiveerde airbag)
Groep 0
Groep 0+
Typegoedkeuring: E1 04301146
max. 13 kg
max. 10 kg
Groep 0+
max. 13 kg
Groep 0
max. 10 kg
Groep 0+
max. 13 kg
(L)
Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd
met veiligheidsgordel.
Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met
veiligheidsgordel.
Typegoedkeuring: E1 04301146
Typegoedkeuring: E1 04301146
(U)
(U)
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje
(Child Seat) – achterstevoren gemonteerd
kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel
en bevestigingsband. Gebruik een veiligheidskussen tussen het kinderzitje en het
dashboard.
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje (Child
Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje
bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 03135
(L)
2
40
Middelste zitplaats achterbank
Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) - achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met
ISOFIX-systeem.
max. 10 kg
Groep 0
Buitenste zitplaats achterbank
Typegoedkeuring: E5 03135
(L)
Volvo-babyzitje (Volvo Infant
Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met
veiligheidsgordel.
Typegoedkeuring: E1 04301146
(U)
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje (Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje
bevestigd met veiligheidsgordel
en bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 03135
(L)
Om andere kinderzitjes te kunnen gebruiken dient uw auto op de lijst van de producent te staan of een universele goedkeuring te hebben conform ECE R44.
02 Veiligheid
Gewicht
Voorstoel (met gedeactiveerde airbag)
Buitenste zitplaats achterbank
Middelste zitplaats achterbank
Groep 0
Kinderzitjes met universele goedkeuring.
Kinderzitjes met universele goedkeuring.
max. 10 kg
(U)
(U)
Kinderzitjes met universele goedkeuring.
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar
Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible Child
Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en
bevestigingsband.
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvokinderzitje (Volvo Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd
met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Groep 0+
02
(U)
max. 13 kg
Groep 1
9–18 kg
Typegoedkeuring: E5 04192
(L)
Groep 1
9–18 kg
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje
(Child Seat) – achterstevoren gemonteerd
kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel
en bevestigingsband. Gebruik een veiligheidskussen tussen het kinderzitje en het
dashboard.
Typegoedkeuring: E5 03135
(L)
Groep 1
9–18 kg
Typegoedkeuring: E5 04192
(L)
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje (Child
Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje
bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband. Gebruik een veiligheidskussen tussen het kinderzitje en het dashboard.
Typegoedkeuring: E5 03135
(L)
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje (Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje
bevestigd met veiligheidsgordel
en bevestigingsband. Gebruik
een veiligheidskussen tussen het
kinderzitje en het dashboard.
Typegoedkeuring: E5 03135
(L)
Britax Fixway – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met ISOFIX-systeem en
bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 03171
(L)
}}
41
02 Veiligheid
||
02
Gewicht
Voorstoel (met gedeactiveerde airbag)
Buitenste zitplaats achterbank
Middelste zitplaats achterbank
Groep 1
Kinderzitjes met universele goedkeuring.
Kinderzitjes met universele goedkeuring.
9–18 kg
(U)
(U)
Kinderzitjes met universele goedkeuring.
Groep 2
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar
Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible Child
Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en
bevestigingsband.
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvokinderzitje (Volvo Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd
met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
15–25 kg
Typegoedkeuring: E5 04192
(L)
Groep 2
15–25 kg
Groep 2/3
15–36 kg
(L)
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvokinderzitje (Volvo Convertible Child Seat) – in
rijrichting gemonteerd kinderzitje bevestigd met
veiligheidsgordel.
Typegoedkeuring: E5 04191
Typegoedkeuring: E5 04191
(U)
(U)
Zittingverhoger met of zonder rugleuning
(Booster Cushion with and without
backrest).
Zittingverhoger met of zonder rugleuning
(Booster Cushion with and without backrest).
(UF)
42
Typegoedkeuring: E5 04192
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar
Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible Child
Seat) – in rijrichting gemonteerd kinderzitje
bevestigd met veiligheidsgordel.
Typegoedkeuring: E5 04216
(U)
Typegoedkeuring: E5 04216
(UF)
Achterstevoren gemonteerd/
omkeerbaar Volvo-kinderzitje
(Volvo Convertible Child Seat) – in
rijrichting gemonteerd kinderzitje
bevestigd met veiligheidsgordel.
Typegoedkeuring: E5 04191
(U)
Zittingverhoger met of zonder
rugleuning (Booster Cushion with
and without backrest).
Typegoedkeuring: E5 04216
(UF)
02 Veiligheid
Gewicht
Voorstoel (met gedeactiveerde airbag)
Buitenste zitplaats achterbank
Middelste zitplaats achterbank
Groep 2/3
Volvo-zittingverhoger met rugleuning (Volvo
Booster Seat with backrest).
Volvo-zittingverhoger met rugleuning (Volvo
Booster Seat with backrest).
Typegoedkeuring: E1 04301169
Typegoedkeuring: E1 04301169
Volvo-zittingverhoger met rugleuning (Volvo Booster Seat with
backrest).
(UF)
(UF)
15–36 kg
02
Typegoedkeuring: E1 04301169
(UF)
L: Geschikt voor specifieke kinderzitjes. Deze kinderzitjes kunnen bestemd zijn voor een bepaald automerk, voor een beperkte groep merken of
semi-universeel zijn.
U: Geschikt voor kinderzitjes in deze gewichtscategorie met universele goedkeuring.
UF: Geschikt voor in rijrichting gemonteerde kinderzitjes in deze gewichtscategorie met universele goedkeuring.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Kinderzitje - positie (p. 44)
Kinderzitje - bovenste bevestigingspunten
(p. 48)
Kinderzitje - ISOFIX (p. 44)
Algemeen over kinderveiligheid (p. 37)
43
02 Veiligheid
Kinderzitje - positie
02
WAARSCHUWING
Plaats kinderzitjes/zittingverhogers (p. 39)
altijd op de achterbank als de airbag aan de
passagierszijde geactiveerd (p. 28) is. Als de
airbag wordt opgeblazen, kan een kind op de
passagiersstoel ernstig letsel oplopen.
Zittingverhogers/kinderzitjes met stalen
beugels of andere constructies die tegen
de openingsknop van de gordelsluiting aan
kunnen liggen, mogen niet worden
gebruikt aangezien ze ervoor kunnen zorgen dat de veiligheidsgordel per ongeluk
opengaat.
Kinderzitje - ISOFIX
ISOFIX is een bevestigingssysteem voor kinderzitjes (p. 39), gebaseerd op een internationale standaard.
Laat het bovengedeelte van het kinderzitje
niet tegen de voorruit leunen.
Gerelateerde informatie
Bij het openen van het passagiersportier is de
airbagsticker zichtbaar, zie afbeelding (p. 28).
Het volgende kan worden gebruikt:
•
een kinderzitje/zittingverhoger op de passagiersstoel zolang de airbag aan de passagierszijde gedeactiveerd is.
•
en of meer kinderzitjes/zittingverhoger op
de achterbank.
WAARSCHUWING
Zet nooit een kind in een kinderzitje op de
passagiersstoel als de airbag (SRS) is
geactiveerd.
Personen kleiner dan 1,40 m mogen nooit
op de passagiersstoel voorin plaatsnemen,
als de airbag (SRS) geactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren.
44
•
•
•
Algemeen over kinderveiligheid (p. 37)
Kinderzitje - bovenste bevestigingspunten
(p. 48)
Kinderzitje - ISOFIX (p. 44)
Achter de onderkant van de ruggedeelten op
de beide buitenste zitplaatsen van de achterbank gaan de bevestigingspunten voor het
ISOFIX-systeem schuil.
Symbolen op de bekleding van de ruggedeelten (zie voorgaande afbeelding) geven de
positie van deze bevestigingspunten aan.
Duw het zitgedeelte van de zitplaats omlaag
om bij de bevestigingspunten te komen.
Houd u altijd aan de montage-instructies van
de fabrikant, wanneer u een kinderzitje/babyzitje aan de ISOFIX-bevestigingspunten vastzet.
02 Veiligheid
Gerelateerde informatie
•
•
•
ISOFIX - afmetingscategorieën (p. 45)
ISOFIX - soorten kinderzitjes (p. 46)
Algemeen over kinderveiligheid (p. 37)
ISOFIX - afmetingscategorieën
Voor kinderzitjes met een ISOFIX (p. 44)bevestigingssysteem zijn er afmetingscategorieën om gebruikers te helpen bij het kiezen
van het juiste type kinderzitje (p. 46).
Afmetingscategorie
Beschrijving
A
Normale grootte, in rijrichting
gemonteerd kinderzitje
B
Beperkte grootte (optie 1), in
rijrichting gemonteerd kinderzitje
B1
Beperkte grootte (optie 2), in
rijrichting gemonteerd kinderzitje
C
Normale grootte, achterstevoren gemonteerd kinderzitje
D
Beperkte grootte, achterstevoren gemonteerd kinderzitje
E
Achterstevoren gemonteerd
babyzitje
F
Overdwars gemonteerd babyzitje, links
G
Overdwars gemonteerd babyzitje, rechts
WAARSCHUWING
Zet het kind nooit op de passagiersplaats
als de auto met een geactiveerde airbag is
uitgerust.
02
N.B.
Als een ISOFIX-kinderzitje geen afmetingscategorie heeft, moet het automodel op de
voertuiglijst van het kinderzitje staan.
N.B.
Volvo adviseert u contact op te nemen met
een Volvo-werkplaats over de ISOFIX-kinderzitjes die Volvo aanbeveelt.
45
02 Veiligheid
ISOFIX - soorten kinderzitjes
Kinderzitjes kunnen net als auto’s verschillende afmetingen hebben. Kinderzitjes passen
02
Type kinderzitje
Babyzitje, overdwars
Babyzitje, achterstevoren
daardoor niet op alle zitplaatsen van de verschillende modellen.
Gewicht
Afmetingscategorie
Zitplaatsen voor montage ISOFIX-kinderzitje
Voorstoel
Buitenste zitplaats achterbank
max. 10 kg
F
X
X
(tot 9 maanden)
G
X
X
max. 10 kg
E
X
OK
(tot 9 maanden)
Babyzitje, achterstevoren
max. 13 kg
(IL)
E
X
(tot 12 maanden)
OK
(IL)
D
X
OK
(IL)
C
X
OK
(IL)
Kinderzitje, achterstevoren
9–18 kg
D
X
(9–36 maanden)
OK
(IL)
C
X
OK
(IL)
46
02 Veiligheid
Type kinderzitje
Kinderzitje, in rijrichting
Gewicht
9–18 kg
Afmetingscategorie
B
Zitplaatsen voor montage ISOFIX-kinderzitje
Voorstoel
Buitenste zitplaats achterbank
X
OKA
(9–36 maanden)
02
(IUF)
B1
X
OKA
(IUF)
A
X
OKA
(IUF)
X: De ISOFIX-stand leent zich niet voor ISOFIX-kinderzitjes in deze gewichts- en/of afmetingscategorie.
IL: Geschikt voor specifieke ISOFIX-kinderzitjes. Deze kinderzitjes kunnen bestemd zijn voor een bepaald automerk, voor een beperkte groep
merken of semi-universeel zijn.
IUF: Geschikt voor in rijrichting gemonteerd ISOFIX-kinderzitje met universele goedkeuring voor deze gewichtscategorie.
A
Volvo adviseert een achterstevoren gemonteerd kinderzitje voor deze categorie.
Zorg dat u de juiste afmetingscategorie (p.
45) kiest voor een kinderzitje met het ISOFIXbevestigingssysteem (p. 44).
47
02 Veiligheid
Kinderzitje - bovenste
bevestigingspunten
02
De auto is uitgerust met bovenste bevestigingspunten voor bepaalde kinderzitjes (p.
39). Deze bevestigingspunten zitten in de
hoedenplank en zijn afgedekt met kunststof
dekplaatjes. Klap de kunststof dekplaatjes
opzij om bij de bevestigingspunten te komen.
Zie de aanwijzingen van de fabrikant van het
kinderzitje voor gedetailleerde informatie over
de manier waarop u het zitje aan de bovenste
bevestigingspunten vastzet.
WAARSCHUWING
De bevestigingsband van het kinderzitje
altijd door de opening in de ene poot van
de hoofdsteun halen, alvorens de band
aan het bevestigingspunt vast te zetten.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Bij auto’s met omklapbare hoofdsteunen op
de beide buitenste zitplaatsen van de achterbank gaat monteren eenvoudiger, als u de
hoofdsteunen omklapt.
De bovenste bevestigingspunten zijn voornamelijk bestemd om een in de rijrichting
gemonteerd kinderzitje aan te bevestigen.
Volvo adviseert u kleine kinderen zo lang
mogelijk in achterstevoren gemonteerde kinderzitjes te vervoeren.
48
Algemeen over kinderveiligheid (p. 37)
Kinderzitje - positie (p. 44)
Kinderzitje - ISOFIX (p. 44)
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Instrumenten en bediening, auto met
stuur links - overzicht
In het overzicht staat waar de displays en
bedieningen van de auto zitten.
03
50
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto’s met het stuur links
03
}}
51
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
03
52
Functie
Zie
Functie
Zie
Functie
Zie
Menu- en meldingsfuncties, richtingaanwijzers, groot licht/
dimlicht, boordcomputer
(p. 102), (p.
104), (p.
85), (p. 80)
en (p. 114).
Openingshandgreep
portier
–
Stoelverstelling*
(p. 71).
Bedieningspaneel
(p. 258).
Bedieningsknoppen
verlichting, ontgrendeling tankvulklep en
kofferdeksel
(p. 77), (p.
286) en (p.
169).
Handmatig schakelen bij automatische
versnellingsbak*
(p. 168), (p.
172), (p. 93)
en (p. 96).
Cruisecontrol*
(p. 183) en
(p. 185).
Bedieningspaneel
voor infotainment en
menufuncties
(p. 105) en
supplement
Sensus Infotainment.
Claxon, airbag
(p. 75) en
(p. 26).
Bedieningspaneel
voor klimaatregeling
(p. 123).
Instrumentenpaneel
(p. 56).
Versnellingspook/
keuzehendel
Menufuncties, bediening audio, bediening
telefoon*
(p. 105) en
supplement
Sensus Infotainment.
(p. 257), (p.
258) of (p.
262).
Bedieningsknoppen
actieve chassisregeling (FOUR-C)*
(p. 177).
START/STOP
ENGINE-knop
(p. 248).
Wissers en -sproeiers
(p. 92).
Contactslot
(p. 68).
Stuurwielafstelling
(p. 75).
Beeldscherm voor
infotainment en
weergave van
menu’s
(p. 105) en
supplement
Sensus Infotainment.
Parkeerrem
(p. 279).
Ontgrendeling
motorkap
(p. 328).
Alarmlichten
(p. 84).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Buitentemperatuur (p. 65)
Dagtellers (p. 65)
Klok (p. 65)
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Instrumenten en bediening, auto met
stuur rechts - overzicht
In het overzicht staat waar de displays en
bedieningen van de auto zitten.
03
}}
53
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
Overzicht auto’s met het stuur rechts
03
54
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Functie
Zie
Functie
Zie
Functie
Zie
Alarmlichten
(p. 84).
(p. 105) en
supplement
Sensus Infotainment.
(p. 77), (p.
286) en (p.
169).
Bedieningspaneel
voor klimaatregeling
(p. 123).
Beeldscherm voor
infotainment en
weergave van
menu’s
Bedieningsknoppen
verlichting, ontgrendeling tankvulklep en
kofferdeksel
–
START/STOP
ENGINE-knop
(p. 248).
Openingshandgreep
portier
Bedieningspaneel
voor infotainment en
menufuncties
(p. 105) en
supplement
Sensus Infotainment.
Bedieningspaneel
Contactslot
(p. 68).
(p. 168), (p.
172), (p. 93)
en (p. 96).
Handmatig schakelen bij automatische
versnellingsbak*
(p. 258).
Cruisecontrol*
(p. 183) en
(p. 185).
Instrumentenpaneel
Stoelverstelling*
(p. 71).
Ontgrendeling
motorkap
(p. 328).
Parkeerrem
(p. 279).
(p. 56).
Stuurwielafstelling
(p. 75).
Claxon, airbag
(p. 75) en
(p. 26).
Menufuncties, bediening audio, bediening
telefoon*
(p. 105) en
supplement
Sensus Infotainment.
Menu- en meldingsfuncties, richtingaanwijzers, groot licht/
dimlicht, boordcomputer
(p. 102), (p.
104), (p.
85), (p. 80)
en (p. 114).
(p. 177).
Wissers en -sproeiers
(p. 92).
Bedieningsknoppen
actieve chassisregeling (FOUR-C)*
Versnellingspook/
keuzehendel
(p. 257), (p.
258) of (p.
262).
03
Gerelateerde informatie
•
•
•
Buitentemperatuur (p. 65)
Dagtellers (p. 65)
Klok (p. 65)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
55
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Instrumentenpaneel
Op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel wordt informatie weergegeven over
bepaalde functies van de auto en meldingen.
03
•
Instrumentenpaneel, analoog - overzicht
(p. 56)
•
Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht
(p. 57)
•
Instrumentenpaneel - betekenis controlesymbolen (p. 61)
•
Instrumentenpaneel - betekenis waarschuwingssymbolen (p. 63)
Instrumentenpaneel, analoog overzicht
Op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel verschijnt informatie over bepaalde
functies van de auto zoals de cruisecontrol,
boordcomputer en meldingen. De informatie
wordt met symbolen en tekst weergegeven.
Informatiedisplay
Brandstofmeter. Wanneer de aanduiding
is gedaald tot slechts één witte markering1, gaat het oranje controlesymbool
voor een laag brandstofpeil branden. Zie
ook Boordcomputer - aanvullende informatie (p. 114) en Brandstof tanken (p.
287).
Informatiedisplay, analoog instrument.
Op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel verschijnt informatie over bepaalde
functies van de auto zoals de cruisecontrol,
boordcomputer en meldingen. De informatie
wordt met symbolen en tekst weergegeven.
Gedetailleerder informatie vindt u onder de
functies die gebruik maken van het display.
1
56
Meters en wijzers
Wanneer de aanduiding ‘Afstand tot lege tank:’ op het display verandert in ‘----’, wordt de markering rood van kleur.
Eco meter. De meter geeft een beeld van
hoe zuinig er in de auto wordt gereden.
Hoe groter de wijzeruitslag, hoe zuiniger.
Snelheidsmeter
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Toerenteller. De meter geeft het motortoerental in duizenden omwentelingen per
minuut aan.
Schakelindicator2/Schakelindicator3. Zie
ook Schakelindicator* (p. 257), Automatische versnellingsbak - Geartronic* (p.
258) of Automatische versnellingsbak Powershift* (p. 262).
Controle- en waarschuwingssymbolen
Functietest
Alle controle- en waarschuwingssymbolen,
behalve de symbolen in het midden van het
informatiedisplay, gaan branden in sleutelstand II of bij het starten van de motor. Alle
symbolen moeten weer uitgaan als de motor
is aangeslagen, behalve het symbool voor de
parkeerrem. Dit gaat pas uit, als de auto van
de parkeerrem wordt gehaald.
Instrumentenpaneel, digitaal overzicht
Op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel verschijnt informatie over bepaalde
functies van de auto zoals de cruisecontrol,
boordcomputer en meldingen. De informatie
wordt met symbolen en tekst weergegeven.
Informatiedisplay
Als de motor niet aanslaat of als de functietest wordt uitgevoerd in sleutelstand II, gaan
binnen enkele seconden alle symbolen uit,
behalve het symbool voor storingen in het uitlaatgasreinigingssysteem en dat voor een
lage oliedruk.
03
Gerelateerde informatie
•
•
•
Controle- en waarschuwingssymbolen, analoog
instrument.
Controlesymbolen
Controle- en waarschuwingssymbolen
Waarschuwingssymbolen 4
2
3
4
Instrumentenpaneel (p. 56)
Instrumentenpaneel - betekenis controlesymbolen (p. 61)
Instrumentenpaneel - betekenis waarschuwingssymbolen (p. 63)
Informatiedisplay, digitaal instrument*.
Op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel verschijnt informatie over bepaalde
functies van de auto zoals de cruisecontrol,
boordcomputer en meldingen. De informatie
wordt met symbolen en tekst weergegeven.
Gedetailleerder informatie vindt u onder de
functies die gebruik maken van het display.
Handgeschakelde versnellingsbak
Automatische versnellingsbak
Bij bepaalde motortypes is het lampje voor een lage oliedruk niet in gebruik. Er verschijnt in plaats daarvan een displaymelding, zie Motorolie - controleren en bijvullen (p. 331).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
57
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
Meters en wijzers, digitaal instrument
03
258) of Automatische versnellingsbak Powershift* (p. 262).
Voor het digitale instrumentenpaneel zijn verschillende thema’s te kiezen. De mogelijke
thema’s zijn ‘Elegance’, ‘Eco’ en
‘Performance’. Het ingestelde thema kan bij
vergrendeling van de auto worden opgeslagen in het geheugen van de transpondersleutel, zie pagina Transpondersleutel met sleutelblad (p. 152) en MY CAR (p. 105).
Het is alleen mogelijk een thema te kiezen,
wanneer de motor loopt.
Druk om een thema te kiezen op de knop OK
op de linker stuurhendel en kies daarna
menu-optie Thema's door aan het duimwiel
van dezelfde hendel te draaien. Bevestig de
keuze met een druk op de knop OK. Zie voor
meer informatie over de menufuncties, zie
Menufuncties - instrumentenpaneel (p. 102).
Meters en wijzers, thema ‘Elegance’.
Brandstofmeter. Wanneer de aanduiding
is gedaald tot slechts één witte markering5, gaat het oranje controlesymbool
voor een laag brandstofpeil branden. Zie
ook Boordcomputer - aanvullende informatie (p. 114) en Brandstof tanken (p.
287).
Temperatuurmeter koelvloeistof motor
Snelheidsmeter
Toerenteller. De meter geeft het motortoerental in duizenden omwentelingen per
minuut aan.
Schakelindicator6/Schakelindicator7. Zie
ook Schakelindicator* (p. 257), Automatische versnellingsbak - Geartronic* (p.
5
6
7
58
Wanneer de aanduiding ‘Afstand tot lege tank:’ op het display verandert in ‘----’, wordt de markering rood van kleur.
Handgeschakelde versnellingsbak
Automatische versnellingsbak
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Meters en wijzers, thema ‘Eco’.
Brandstofmeter. Wanneer de aanduiding
is gedaald tot slechts één witte markering5, gaat het oranje controlesymbool
voor een laag brandstofpeil branden. Zie
ook Boordcomputer - aanvullende informatie (p. 114) en Brandstof tanken (p.
287).
Eco guide. Zie ook Eco guide & Power
guide* (p. 60).
Snelheidsmeter
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Toerenteller. De meter geeft het motortoerental in duizenden omwentelingen per
minuut aan.
Schakelindicator6 /Schakelindicator7. Zie
ook Schakelindicator* (p. 257),Automatische versnellingsbak - Geartronic* (p.
258) of Automatische versnellingsbak Powershift* (p. 262).
matie (p. 114) en Brandstof tanken (p.
287).
Controle- en waarschuwingssymbolen
Temperatuurmeter koelvloeistof motor
Snelheidsmeter
Toerenteller. De meter geeft het motortoerental in duizenden omwentelingen per
minuut aan.
03
Power guide. Zie ook Eco guide & Power
guide* (p. 60).
Schakelindicator6 /Schakelindicator7. Zie
ook Schakelindicator* (p. 257),Automatische versnellingsbak - Geartronic* (p.
258) of Automatische versnellingsbak Powershift* (p. 262).
Controle- en waarschuwingssymbolen, digitaal
instrument.
Controlesymbolen
Controle- en waarschuwingssymbolen
Waarschuwingssymbolen 8
Meters en wijzers, thema ‘Performance’.
Brandstofmeter. Wanneer de aanduiding
is gedaald tot slechts één witte markering5, gaat het oranje controlesymbool
voor een laag brandstofpeil branden. Zie
ook Boordcomputer - aanvullende infor-
6
7
5
8
Functietest
Alle controle- en waarschuwingssymbolen,
behalve de symbolen in het midden van het
informatiedisplay, gaan branden in sleutelstand II of bij het starten van de motor. Alle
symbolen moeten weer uitgaan als de motor
is aangeslagen, behalve het symbool voor de
parkeerrem. Dit gaat pas uit, als de auto van
de parkeerrem wordt gehaald.
Handgeschakelde versnellingsbak
Automatische versnellingsbak
Wanneer de aanduiding ‘Afstand tot lege tank:’ op het display verandert in ‘----’, wordt de markering rood van kleur.
Bij bepaalde motortypes is het lampje voor een lage oliedruk niet in gebruik. Er verschijnt in plaats daarvan een displaymelding, zie Motorolie - controleren en bijvullen (p. 331).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
}}
59
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
Als de motor niet aanslaat of als de functietest wordt uitgevoerd in sleutelstand II, gaan
binnen enkele seconden alle symbolen uit,
behalve het symbool voor storingen in het uitlaatgasreinigingssysteem en dat voor een
lage oliedruk.
Gerelateerde informatie
03
•
•
•
Instrumentenpaneel (p. 56)
Instrumentenpaneel - betekenis controlesymbolen (p. 61)
Instrumentenpaneel - betekenis waarschuwingssymbolen (p. 63)
Eco guide & Power guide*
Actuele waarde
Eco guide en Power guide zijn twee van de
meters op het instrumentenpaneel (p. 56) die
u helpen om zo zuinig mogelijk met de auto te
rijden.
Hier wordt de actuele waarde getoond; hoe
groter de uitslag op de schaal, hoe beter.
De auto slaat ook statistische ritgegevens die
in de vorm van staafdiagrammen te bekijken
zijn, zie Boordcomputer - rijstatistiek* (p.
115).
Eco guide
Deze meter geeft een beeld van hoe zuinig u
met de auto rijdt.
Kies ‘Eco’ om deze meter te kunnen zien, zie
Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht (p.
57).
De actuele waarde wordt berekend op basis
van snelheid, motortoerental, benut motorvermogen en het gebruik van het rempedaal.
Geadviseerd wordt een optimale snelheid
(50–80 km/h) en een laag toerental aan te
houden. Bij gas geven en remmen dalen de
wijzers.
Bij zeer lage actuele waarden licht (met enige
vertraging) het rode gebied van de meter op,
wat betekent dat u onzuinig rijdt. U dient dit
te voorkomen.
Gemiddelde waarde
De gemiddelde waarde volgt de actuele
waarde langzaam en beschrijft hoe de afgelopen tijd in de auto is gereden. Hoe groter de
uitslag van de wijzers op de schaal, hoe zuiniger u hebt gereden.
Power guide
Dit instrument geeft de relatie aan tussen het
benutte en het beschikbare vermogen
(Power) van de motor.
Actuele waarde
Gemiddelde waarde
60
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Kies ‘Performance’ om deze meter te kunnen
zien, zie Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht (p. 57).
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Instrumentenpaneel - betekenis
controlesymbolen
Groot licht aan
Controlesymbolen
Richtingaanwijzers rechts
Betekenis
Storing in ABL
Benut vermogen
Uitlaatgasreinigingssysteem
Storing in ABS
Beschikbaar motorvermogen
De kleinere wijzer bovenaan toont het
beschikbare motorvermogen9. Hoe groter de
uitslag op de schaal, hoe meer vermogen er
beschikbaar is in de actuele versnelling.
Mistachterlicht aan
Benut vermogen
Stabiliteitsregeling, Sportstand
De grotere wijzer onderaan toont het benutte
motorvermogen9. Hoe groter de uitslag op de
schaal, hoe meer motorvermogen er benut
wordt.
Een groot verschil tussen de beide wijzers
duidt op een grote vermogensreserve.
9
Betekenis
De controlesymbolen attenderen u erop dat
de bijbehorende functies ingeschakeld zijn, de
desbetreffende systemen actief zijn of dat er
storingen of gebreken zijn opgetreden.
Symbool
Beschikbaar motorvermogen
Symbool
Stabiliteitssysteem
Voorgloeifunctie motor (diesel)
Laag peil in brandstoftank
Richtingaanwijzers links
Eco-systeem Aan, zie ECO*
(p. 274)
03
Start/Stop, motor is automatisch afgezet, zie Start/Stop* functie en bediening (p. 266)
Niet in gebruik
Storing in ABL
Het symbool brandt, als er een storing is
opgetreden in het ABL-systeem (Active Bending Lights).
Uitlaatgasreinigingssysteem
Bij een storing in het uitlaatgasreinigingssysteem kan na een motorstart het symbool
gaan branden. Rijd voor een controle naar
een werkplaats. Volvo adviseert dat u daarvoor een erkende Volvo-werkplaats bezoekt.
Informatie, lees displaymelding
Het vermogen is afhankelijk van het motortoerental.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
61
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
03
Storing in ABS
Voorgloeifunctie motor (diesel)
Richtingaanwijzers links/rechts
Als het symbool brandt, is het systeem
defect. Het normale remsysteem van de auto
werkt dan nog wel, zij het zonder ABS-regeling.
Het symbool gaat branden wanneer de motor
wordt voorverwarmd. Voorverwarming vindt
meestal plaats bij lage temperaturen.
Beide richtingaanwijzersymbolen knipperen
bij gebruik van de alarmlichten.
1. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot
stilstand en zet de motor af.
Wanneer het symbool gaat branden is het
brandstofpeil te laag. Tank dan zo spoedig
mogelijk.
2. Start de motor opnieuw.
3. Als het symbool blijft branden, rijd dan
naar een werkplaats om het ABS te laten
controleren. Volvo adviseert dat u daarvoor een erkende Volvo-werkplaats
bezoekt.
Mistachterlicht aan
Het symbool brandt, wanneer het mistachterlicht is ingeschakeld.
Stabiliteitssysteem
Het knipperende symbool geeft aan dat het
stabiliteitssysteem werkt. Als het symbool
continu brandt is er sprake van een storing in
het systeem.
Stabiliteitsregeling, Sport-stand
De Sport-stand maakt een actievere rijervaring mogelijk. Het systeem registreert dan of
de gaspedaal- en stuurwielbediening alsook
het bochtenwerk aan te merken zijn als actiever dan normaal, waarna het systeem een
gecontroleerde vorm van slippen in de achtertrein toelaat, voordat het ingrijpt en de auto
stabiliseert.
62
Laag peil in brandstoftank
Informatie, lees displaymelding
Als er een afwijking is in een van de systemen
in de auto, gaat het informatiesymbool branden en verschijnt er een melding op het display. U verwijdert de melding met behulp van
de knop OK, zie Menufuncties - instrumentenpaneel (p. 102). Dit gebeurt automatisch
als u enige tijd niets doet (hoe lang hangt van
de bewuste functie af). Het informatiesymbool
kan ook gaan branden in combinatie met
andere symbolen.
N.B.
Als de servicemelding verschijnt kunt u het
symbool en de melding met behulp van de
OK-knop doven. Na een tijdje doven ze
ook automatisch.
Groot licht aan
Het symbool brandt, wanneer u het groot licht
voert of grootlichtsignalen geeft.
Eco-systeem aan
Het symbool brandt, wanneer het Eco-systeem is geactiveerd.
Start/Stop
Het symbool brandt als de motor automatisch
is afgezet.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Instrumentenpaneel (p. 56)
Instrumentenpaneel - betekenis waarschuwingssymbolen (p. 63)
Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht
(p. 57)
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Instrumentenpaneel - betekenis
waarschuwingssymbolen
De waarschuwingssymbolen attenderen u
erop dat de bijbehorende belangrijke functies/
systemen ingeschakeld zijn of dat er ernstige
storingen of gebreken zijn opgetreden.
Waarschuwingssymbolen
Symbool
Betekenis
Lage
oliedrukA
Parkeerrem ingeschakeld,
digitaal instrument
Parkeerrem ingeschakeld,
analoog instrument
Airbags (SRS)
Gordelwaarschuwing
Lage oliedruk
Als het symbool tijdens het rijden oplicht, is
de druk van de motorolie te laag. Zet de
motor onmiddellijk af en controleer het motoroliepeil. Vul zo nodig olie bij. Als het symbool
oplicht terwijl het oliepeil in orde is, moet u
contact opnemen met een werkplaats. Volvo
adviseert dat u daarvoor een erkende Volvowerkplaats bezoekt.
Parkeerrem ingeschakeld
Het symbool brandt continu, wanneer u de
parkeerrem hebt ingeschakeld. Het symbool
knippert tijdens het aanzetten en gaat daarna
continu branden.
Een knipperend symbool in een andere situatie wijst op een storing. Lees de melding op
het informatiedisplay.
Voor meer informatie, zie Parkeerrem (p.
279).
Airbags (SRS)
Dynamo laadt niet bij
Storing in remsysteem
Waarschuwing
A
Bij bepaalde motortypes is het lampje voor een lage oliedruk niet in gebruik. Er verschijnt in plaats daarvan een displaymelding, zie Motorolie - controleren en bijvullen (p.
331).
of als iemand op de achterbank de gordel
heeft losgenomen.
Dynamo laadt niet bij
Het symbool gaat tijdens het rijden branden,
als er sprake is van een storing in het elektrisch systeem. Bezoek een werkplaats. Volvo
adviseert dat u daarvoor een erkende Volvowerkplaats bezoekt.
Storing in remsysteem
03
Als het symbool oplicht, is het remvloeistofpeil mogelijk te laag. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en controleer het
peil in het remvloeistofreservoir, zie Rem- en
koppelingsvloeistof - peil (p. 336).
Als de waarschuwingssymbolen voor het
remsysteem en ABS tegelijkertijd branden,
kan er een storing in de remkrachtverdeling
zijn opgetreden.
1. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot
stilstand en zet de motor af.
Als het symbool tijdens het rijden oplicht of
blijft branden, is er een storing geregistreerd
in de gordelsluiting of in het SRS-, SIPS- of
IC-systeem. Rijd de auto zo spoedig mogelijk
naar een werkplaats om het systeem te laten
controleren. Volvo adviseert dat u daarvoor
een erkende Volvo-werkplaats bezoekt.
Gordelwaarschuwing
Het symbool knippert als de bestuurder of de
voorpassagier geen veiligheidsgordel draagt
}}
63
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
2. Start de motor opnieuw.
03
•
Rijd verder als beide symbolen uitgaan.
•
Als de symbolen echter blijven branden, moet u het peil in het remvloeistofreservoir controleren, zie Rem- en
koppelingsvloeistof - peil (p. 336). Als
de symbolen blijven branden ondanks
dat het peil van de remvloeistof in orde
is, moet u de auto uiterst voorzichtig
naar een werkplaats rijden om het remsysteem te laten controleren. Volvo
adviseert dat u daarvoor een erkende
Volvo-werkplaats bezoekt.
WAARSCHUWING
Als de remvloeistof onder het MINstreepje van het reservoir staat, mag u niet
verder rijden voordat u remvloeistof hebt
bijgevuld.
Laat de oorzaak van het remvloeistofverlies controleren door een werkplaats.
Volvo adviseert dat u daarvoor contact
opneemt met een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Als de rem- en ABS-symbolen tegelijkertijd
branden, bestaat de kans dat de achtertrein bij krachtig afremmen slipt.
10
64
Alleen auto’s met alarm*.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Waarschuwing
Het rode waarschuwingssymbool gaat branden, wanneer er een storing is geregistreerd
die van invloed kan zijn op de veiligheid en/of
de rijeigenschappen van de auto. Er verschijnt tegelijkertijd een verklarende melding
op het informatiedisplay. Het symbool blijft
branden totdat de storing is verholpen, maar
de melding kunt u verwijderen met de knop
OK, zie Menufuncties - instrumentenpaneel
(p. 102). Het waarschuwingssymbool kan
ook gaan branden in combinatie met andere
symbolen.
Actie:
1. Stop zo spoedig mogelijk. Rijd niet verder
met de auto.
2. Lees de informatie op het informatiedisplay. Voer de handeling uit die de melding
op het display u voorschrijft. Wis de melding met de knop OK.
Waarschuwing, portieren niet gesloten
Als een van de portieren niet goed dichtstaat,
gaat het informatie- of waarschuwingssymbool branden en verschijnt er een verklarende
afbeelding op het informatiedisplay. Breng de
auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en sluit
het portier dat open is.
Als de auto met een snelheid van
maximaal 7 km/h rijdt, gaat het informatiesymbool branden.
Als de auto met een snelheid van
maximaal 7 km/h rijdt, gaat het waarschuwingssymbool branden.
Als de motorkap10 niet goed dichtstaat, gaat
het waarschuwingssymbool branden en verschijnt er een verklarende afbeelding op het
informatiedisplay. Breng de auto zo spoedig
mogelijk tot stilstand en sluit de motorkap.
Als het kofferdeksel niet goed dichtstaat, gaat
het informatiesymbool branden en verschijnt
er een verklarende afbeelding op het informatiedisplay. Breng de auto zo spoedig mogelijk
tot stilstand en sluit het kofferdeksel.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Instrumentenpaneel (p. 56)
Instrumentenpaneel - betekenis controlesymbolen (p. 61)
Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht
(p. 57)
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Buitentemperatuur
Dagtellers
Klok
Het buitentemperatuurmeterdisplay is zichtbaar op het instrumentenpaneel.
Het dagtellerdisplay is zichtbaar op het instrumentenpaneel.
Het digitale klokdisplay is zichtbaar op het
instrumentenpaneel. Bij de Executive bevat
het instrumentenpaneel een analoge klok.
03
Display voor buitentemperatuurmeter,
digitaal instrumentenpaneel
Display voor buitentemperatuurmeter,
analoog instrumentenpaneel
Wanneer de temperatuur tussen –5 °C en +2
°C ligt, brandt er een sneeuwvloksymbool op
het display. Het wijst op het gevaar voor
gladheid. Wanneer de auto heeft stilgestaan,
kan de meter een te hoge waarde aangeven.
Gerelateerde informatie
•
Instrumentenpaneel (p. 56)
Dagteller, digitaal instrument.
Display voor dagtellers11
De beide dagtellers T1 en T2 worden gebruikt
voor het meten van kortere ritten. De afgelegde afstand staat op het display.
Draai aan het duimwiel van de linker stuurhendel om de gewenste meter te tonen.
Bij lang indrukken (totdat er een wijziging
plaatsvindt) van de knop RESET op de linker
stuurhendel wordt de getoonde dagteller
gereset. Voor meer informatie, zie Boordcomputer - aanvullende informatie (p. 114).
Gerelateerde informatie
•
11
Instrumentenpaneel (p. 56)
Hoe het display eruitziet kan verschillen afhankelijk van de instrumentenpaneelvariant.
65
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
Analoge klok - Executive
Tijd instellen:
–
Maak gebruik van de juiste knop om de
wijzers vooruit of achteruit te draaien. Er
zijn manieren van instellen mogelijk:
•
Houd de knop van uw keuze ingedrukt,
waarna de wijzers eerst langzaam (in
stapjes van ca. 5 minuten) vooruit- of
achteruitdraaien en daarna sneller.
Laat de knop los wanneer de klok de
juiste tijd aangeeft.
•
Druk eenmaal op de knop van uw
keuze, waarna de wijzers vooruit- of
achteruitdraaien (in stapjes van ca. 10
seconden).
03
Klok, digitaal instrument.
Display voor de tijdaanduiding12
Klok instellen
U kunt de klok aanpassen in het menusysteem MY CAR, zie MY CAR (p. 105).
12
66
Analoge klok.
Knop om de wijzers terug te draaien.
Knop om de wijzers vooruit te draaien.
De analoge klok zit in het dashboard, boven
het dashboardkastje.
Bij een analoog instrument wordt de tijd midden op het instrument weergegeven.
Gerelateerde informatie
•
Instrumentenpaneel (p. 56)
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Volvo Sensus
Volvo Sensus vormt het hart van uw persoonlijke Volvo-beleving. Sensus bundelt informatie, entertainment en autofuncties voor een
probleemloos bezit.
Met de knoppen en bedieningselementen op
de middenconsole en het rechter toetsenblok* op het stuurwiel kunt u functies activeren en deactiveren en tal van instellingen verrichten.
Overzicht
Bij het bedienen van MY CAR worden alle
instellingen getoond die verband houden met
het besturen en bedienen van de auto, zoals
City Safety, sloten en alarm, automatische
ventilatorsnelheid, klokinstelling e.d.
Wanneer u in uw auto zit, wilt u alles onder
controle hebben. In de interactieve wereld
van vandaag betekent dit dat u, wanneer het
ú uitkomt, wilt kunnen beschikken over informatie, communicatie en entertainment. Sensus reikt u al onze oplossingen voor aansluiting* op de rest van de wereld aan en biedt u
de mogelijkheid tot intuïtieve bediening van
de verschillende autofuncties.
Volvo Sensus presenteert tal van functies van
uiteenlopende autosystemen op overzichtelijke wijze op het display van de middenconsole. Volvo Sensus biedt de mogelijkheid tot
personalisering van de auto met een eenvoudig te hanteren bedieningsinterface. Er zijn
instellingen te verrichten onder Instellingen
van de auto, Audio en media, Klimaat e.d.
Bij het indrukken van RADIO, MEDIA, TEL*,
*,NAV* en CAM* kunt u andere bronnen,
systemen en functies activeren, zoals AM,
FM, CD, DVD*, TV*, Bluetooth*, navigatie* en
Park Assist-camera*.
Voor meer informatie over alle functies/systemen, zie de desbetreffende hoofdstukken in
het instructieboekje of het bijbehorende supplement.
03
Bedieningspaneel op middenconsole. De afbeelding is schematisch – het aantal functies en de
locatie van de knoppen is afhankelijk van de
gekozen uitrusting en de desbetreffende markt.
Navigatie* - NAV, zie het aparte supplement.
Audio en media - RADIO, MEDIA, TEL*,
zie desbetreffend supplement (Sensus
Infotainment).
Instellingen van de auto - MY CAR, zie
MY CAR (p. 105).
Auto met internetaansluiting *, zie
desbetreffend supplement (Sensus Infotainment).
Klimaatregeling (p. 117).
Park Assist-camera (p. 235) – CAM*.
Gerelateerde informatie
•
Licenties (p. 411)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
67
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Sleutelstanden
Met de transpondersleutel is het elektrische
systeem van de auto in verschillende standen
te zetten om het gebruik van verschillende
functies/systemen mogelijk te maken, zie
Sleutelstanden - functies in verschillende
standen (p. 68).
03
plaats de transpondersleutel in het contactslot.
2. Duw de transpondersleutel vervolgens tot
aan de aanslag in het slot.
BELANGRIJK
Vreemde voorwerpen in het contactslot
kunnen tot functiestoringen leiden of
schade aan het slot toebrengen.
De transpondersleutel niet verkeerd om
insteken – pak de sleutel beet aan het uiteinde met het afneembare sleutelblad, zie
Afneembaar sleutelblad - verwijderen/
aanbrengen (p. 158).
Transpondersleutel uitnemen
Pak de transpondersleutel beet en trek deze
uit het contactslot.
Contactslot met transpondersleutel uitgetrokken/
ingeduwd.
N.B.
Bij auto’s met Keyless*-functie hoeft u de
transportsleutel niet in het contactslot te
steken, maar kunt u deze bijvoorbeeld in
een binnenzak laten zitten. Voor meer
informatie over de functies van het Keyless-systeem, zie Keyless drive* (p. 162).
Transpondersleutel plaatsen
1. Houd de transpondersleutel beet aan de
kant van het afneembare sleutelblad en
68
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Sleutelstanden - functies in
verschillende standen
Om het gebruik mogelijk te maken van een
beperkt aantal functies met uitgeschakelde
motor, kan het elektrisch systeem van de auto
met de transpondersleutel in 3 verschillende
(sleutel-)standen worden gezet: 0, I en II. In
dit instructieboekje worden deze standen in
algemene zin aangeduid als ‘sleutelstanden’.
De volgende tabel geeft aan welke functies
beschikbaar zijn in de verschillende sleutelstanden/niveaus.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Niveau
0
I
Functies
•
Kilometerteller, klok en temperatuurmeter worden verlicht.
•
Elektrisch bedienbare stoelen kunnen worden versteld.
•
Het audiosysteem is enige
tijd te gebruiken - zie supplement Sensus Infotainment.
•
Niveau
II
Schuifdak, elektrisch
bedienbare ruiten, 12V-aansluitingen in passagiersruimte, navigatie, telefoon,
interieurventilator en ruitenwissers zijn te gebruiken.
N.B.
Functies
•
De koplampen worden ontstoken.
•
Waarschuwings-/controlelampjes branden 5 seconden lang.
•
Diverse andere systemen
worden geactiveerd. Elektrische verwarming in zittingen
en achterruit kan echter pas
na starten van de motor
worden geactiveerd.
Deze sleutelstand verbruikt
veel stroom vanuit de startaccu en moet daarom worden vermeden!
Sleutelstand/stand kiezen
•
Sleutelstand 0 - Ontgrendel de auto - het
elektrisch systeem van de auto staat nu in
stand 0.
•
Sleutelstand I - Met de transpondersleutel volledig in het contactslot13 geduwd druk kort op START/STOP ENGINE.
Om niveau I of II te realiseren zonder dat
de motor wordt gestart, trapt u niet het
rem-/koppelingspedaal in als u deze sleutelstanden wilt selecteren.
•
Sleutelstand II - Met de transpondersleutel volledig in het contactslot13 geduwd druk lang14 op START/STOP ENGINE.
•
Terug naar sleutelstand 0 - Om terug te
gaan naar sleutelstand 0 vanuit stand II
en I - druk kort op START/STOP
ENGINE.
03
Audiosysteem
Voor informatie over de functie van het audiosysteem bij een uitgenomen transpondersleutel, zie supplement Sensus Infotainment.
Motor starten en afzetten
Zie voor informatie over het starten/afzetten
van de motor, zie Motor starten (p. 248).
Slepen
Zie voor belangrijke informatie over de transpondersleutel bij het slepen, zie Slepen (p.
302).
Gerelateerde informatie
•
13
14
Sleutelstanden (p. 68)
Niet nodig voor auto’s met Keyless*-systeem.
Ca. 2 seconden.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
69
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Voorstoelen
Voor het best mogelijke zitcomfort hebben de
voorstoelen verschillende instelmogelijkheden.
Stoel hoger/lager zetten, omhoog-/
omlaagpompen.
Trek de pallen aan de achterzijde van de
rugleuning omhoog tijdens het omklappen.
Bedieningspaneel voor elektrisch bedienbare stoel*.
WAARSCHUWING
De stand van de bestuurdersstoel instellen
voordat u gaat rijden en nooit tijdens het
rijden. Controleer of de stoel vergrendeld
staat om letsel te voorkomen bij hard
afremmen of een aanrijding.
03
Zet de rugleuning rechtop.
4. Duw de stoel zo ver naar voren dat de
hoofdsteun onder het dashboardkastje
‘vast’ komt te zitten.
Houd voor het rechtop zetten de omgekeerde
volgorde aan.
WAARSCHUWING
Rugleuning voorstoel omklappen*
Lendensteun wijzigen, aan de knop15
draaien.
Gerelateerde informatie
•
•
Vooruit/achteruit, de hendel omhoogtillen
om de juiste afstand tot het stuurwiel en
de pedalen in te stellen. Controleer of de
stoel na het afstellen in de nieuwe stand
geblokkeerd staat.
Voorkant zitting hoger/lager* zetten,
omhoog-/omlaagpompen.
Hellingshoek rugleuning wijzigen, aan de
knop draaien.
De rugleuning van de passagiersstoel kan
worden omgeklapt om ruimte te maken voor
lange lading.
Zet de stoel zo ver mogelijk naar achteren
en omlaag.
15
70
Geldt ook voor een elektrisch bedienbare stoel.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Pak het ruggedeelte nadat u het rechtop
gezet hebt beet en controleer of het stevig
vergrendeld staat om letsel te voorkomen
bij hard afremmen of een aanrijding.
Voorstoelen - elektrisch bediend (p. 71)
Achterbank (p. 73)
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Voorstoelen - elektrisch bediend
Voor het best mogelijke zitcomfort hebben de
voorstoelen verschillende instelmogelijkheden. De elektrisch bediende stoel kan naar
voren/achteren en omhoog/omlaag worden
gezet. De voorkant van de zitting kan worden
verhoogd/verlaagd. De hellingshoek van de
rugleuning kan worden gewijzigd.
Elektrische stoelbediening*
zetten en enige tijd wachten voordat u de
stoel opnieuw probeert te verstellen.
Instelling vastleggen
Geheugenknop
U kunt slechts één verstelfunctie van de stoel
tegelijk activeren (vooruit/achteruit/omhoog/
omlaag).
Geheugenknop
Voorbereidingen
Knop voor vastlegging van de instelling
Tot enige tijd nadat u het portier met de
transpondersleutel hebt ontgrendeld blijft het
mogelijk de stoel te verstellen, ook al steekt
er geen sleutel in het contactslot. U verstelt
de stoel normaal gesproken in sleutelstand I.
Wanneer de motor loopt, is dat altijd mogelijk.
Stoel met geheugenfunctie*
Geheugenknop
1. Stel de stoel en de buitenspiegels in.
2. Houd de knop voor vastlegging van de
instelling ingedrukt, terwijl u op de geheugenknop van uw keuze drukt.
03
Stoel in vastgelegde stand zetten
Houd een van de geheugenknoppen ingedrukt, totdat de stoel en de buitenspiegels tot
stilstand komen. Bij het loslaten van de knop
zal de instelling van de stoel onmiddellijk worden beëindigd.
Stoelen met elektrische verwarming/
ventilatie*
Voor stoelen met elektrische verwarming/
ventilatie, zie Elektrisch verwarmde voorstoelen* (p. 124) en Elektrisch verwarmde achterbank* (p. 124).
Voorkant zitting omhoog/omlaag
Stoel vooruit/achteruit en omhoog/
omlaag
Hellingshoek rugleuning
De elektrisch bedienbare stoelen zijn voorzien
van een beveiliging tegen overbelasting, die
geactiveerd wordt als een van de stoelen
door een obstakel wordt geblokkeerd. Als dit
het geval is, moet u de sleutel in stand I of 0
Gerelateerde informatie
De geheugenfunctie slaat de instellingen op
voor de stoel en de buitenspiegels.
•
•
Voorstoelen (p. 70)
Achterbank (p. 73)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
71
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Geheugen* van transpondersleutel16
In alle transpondersleutels kunnen de instellingen voor de bestuurdersstoel en de buitenspiegels17 voor verschillende bestuurders
worden opgeslagen.
dersportier. De bestuurdersstoel neemt
automatisch de positie in die in het
geheugen van de transpondersleutel is
opgeslagen (als de stand van de stoel na
vergrendeling van de auto werd gewijzigd).
Gerelateerde informatie
•
U kunt het sleutelgeheugen activeren/deactiveren in het menusysteem MY CAR. Voor
een beschrijving van het menusysteem, zie
MY CAR (p. 105).
03
Noodstop
Als de stoel per ongeluk in beweging komt,
kunt u op een van de instellingsknoppen of
geheugenknoppen van de stoel drukken om
de stoel tot stilstand te brengen.
Doe het volgende om de instellingen op te
slaan en gebruik te maken van het sleutelgeheugen:
•
•
Stel de stoel naar wens in.
•
Ontgrendel de auto (door op de ontgrendelingsknop op dezelfde transpondersleutel te drukken) en open het bestuur-
16
17
18
72
Vergrendel de auto zoals gebruikelijk door
de vergrendelingsknop op de transpondersleutel in te drukken. Daarmee ligt de
stoelpositie opgeslagen in het geheugen
van de transpondersleutel18.
Om de stoel dan opnieuw in de in het sleutelgeheugen vastgelegde stand te zetten dient u
de ontgrendelingsknop op de transpondersleutel te bedienen. Het bestuurdersportier
dient daarbij open te staan.
WAARSCHUWING
Beknellingsgevaar! Zorg ervoor dat kinderen niet met de bediening spelen. Controleer of er bij het instellen geen voorwerpen
voor, achter of onder de stoel liggen. Controleer of geen van de passagiers op de
achterbank bekneld kan raken.
Voor het sleutelgeheugen bij de Keyless-functie, zie Keyless drive* - sleutelgeheugen (p. 165).
Alleen als de auto is uitgerust met een elektrisch bedienbare bestuurdersstoel met geheugen en elektrisch inklapbare buitenspiegels.
Deze instelling is niet van invloed op de instellingen die zijn opgeslagen met de geheugenfunctie voor de elektrisch bedienbare stoel.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Transpondersleutel - functies (p. 154)
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Achterbank
De rugleuning en de buitenste hoofdsteunen
van de achterbank kunnen worden neergeklapt. De hoofdsteun van de middelste zitplaats kan aan de lengte van de passagier
worden aangepast.
Ruggedeelte achterbank omklappen
BELANGRIJK
Bij het neerklappen van de achterbank
mogen er zich geen voorwerpen op de
achterbank bevinden. De veiligheidsgordels mogen evenmin zijn ingestoken.
Schade aan de bekleding van de achterbank is anders namelijk niet uitgesloten.
Het ruggedeelte bestaat uit twee delen. De
delen zijn elk apart of tegelijk naar voren te
klappen.
1. Trek aan de handgreep/handgrepen.
2. Klap het ruggedeelte naar voren toe om.
Zet de middelste hoofdsteun helemaal
omlaag als u het brede ruggedeelte wilt
omklappen.
terkant van het hoofd komt te zitten. Trek de
hoofdsteun zo ver omhoog als nodig is.
Als u de hoofdsteun lager wilt zetten, moet u
de pal achter de linker poot indrukken terwijl
u de hoofdsteun voorzichtig omlaagduwt.
Buitenste hoofdsteunen achterbank
elektrisch omklappen*
03
WAARSCHUWING
Pak de ruggedeelten na het rechtop zetten
beet om te controleren of ze goed vergrendeld staan en verwondingen tegen te gaan
bij hard afremmen of een aanrijding.
Middelste hoofdsteun achterbank
1. De transpondersleutel moet in sleutelstand II staan.
2. Druk op de knop om de beide buitenste
hoofdsteunen op de achterbank om te
klappen en het zicht naar achteren te verbeteren.
WAARSCHUWING
Stem de hoofdsteun in de hoogte af op de
lengte van de passagier. Zorg dat de bovenkant van de hoofdsteun halverwege de ach-
Klap de buitenste hoofdsteunen niet om,
als er iemand op een van beide buitenste
zitplaatsen van de achterbank zit.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
73
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
Zet de hoofdsteun na afloop handmatig
rechtop totdat deze hoorbaar vastklikt.
WAARSCHUWING
De hoofdsteunen moeten na het rechtop
zetten vergrendeld staan.
Massagefunctie
Voorstoelen type Comfort
Gerelateerde informatie
•
•
Voorstoelen (p. 70)
Voorstoelen - elektrisch bediend (p. 71)
G030132
03
Voorstoelen - Executive
De voorstoelen van de auto zijn voorzien van
een bedieningspaneel voor de massagefunctie en de lendensteun. De passagiersstoel is
verder naar voren of achteren te zetten.
Knop voor activering massagefunctie.
G030131
Harde massage
Stoel naar voren/achteren zetten.
Bedieningspaneel voor massagefunctie
en lendensteun.
Zachte massage
Elk van beide voorstoelen is voorzien van een
rugleuning met massagefunctie. De massagefunctie maakt gebruik van luchtkussens die
voor een harde of zachte massage zorgen.
Na selectie van de gewenste massagefunctie
wordt er als volgt gemasseerd: 6 minuten
massage – 4 minuten pauze – 6 minuten massage enz.
Wanneer de knop in de middelste stand staat
of als de transpondersleutel in stand 0 staat,
is de massagefunctie niet actief.
74
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Lendensteun instellen
Stuurwiel
Stoel naar voren/achteren zetten
Het stuurwiel heeft meerdere verstellingsmogelijkheden en bedieningselementen voor de
claxon, cruisecontrol en het menu-, het audioen het telefoonsysteem.
Instellen
De lendensteun is in te stellen met behulp van
de luchtkussens die ook gebruikt worden
voor de massagefunctie. De luchtkussens op
verschillende hoogte in de rugleuning zijn
stuk voor stuk apart traploos harder of zachter op te blazen (zie bovenstaande afbeelding).
De lendensteun is in te stellen wanneer de
massagefunctie niet actief is.
De stand wordt opgeslagen in een geheugen
zodat de lendensteun na afloop van de massagefunctie of na langdurig parkeren automatisch de laatst opgeslagen stand weer
inneemt.
Op de bovenstaande afbeelding staat een auto
met het stuur links.
De passagiersstoel is verder naar voren of
achteren te zetten. De stoel komt zolang u de
voor- of achterkant van de knop ingedrukt
houdt steeds verder naar voren of achteren
(zie bovenstaande afbeelding). De hellingshoek van de rugleuning wordt niet gewijzigd.
G021138
Knop voor instelling lendensteun.
G030137
G030227
03
Stuurwiel afstellen.
Ontgrendelingshendel, stuurwielafstelling
Mogelijke stuurwielstanden
U kunt het stuurwiel zowel in de hoogte als in
de diepte verstellen:
1. Trek de hendel naar u toe om het stuur
vrij te geven.
2. Zet het stuurwiel vervolgens in de gewenste stand.
75
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
3. Duw de hendel vervolgens terug om het
stuurwiel in de nieuwe stand te blokkeren.
Als dit moeite kost, kunt u lichtjes op het
stuurwiel drukken en tegelijkertijd de hendel terugduwen.
WAARSCHUWING
03
Elektrische stuurverwarming*
matische versnellingsbak - Geartronic* (p.
258)
Het stuurwiel is elektrisch te verwarmen.
Bediening audio en telefoon, zie supplement Sensus Infotainment
Functie
Claxon
Stel het stuurwiel vóór vertrek in en zet
deze vast.
Bij auto’s met snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging* is de vereiste stuurkracht in te
stellen, zie Instelbare stuurkracht* (p. 242).
Toetsensets* en paddles*
De positie van de knop kan variëren afhankelijk
van de overige gekozen uitrusting en de markt.
Claxon.
Druk op het midden van het stuurwiel om te
claxonneren.
Gerelateerde informatie
•
Toetsensets en paddles op stuurwiel.
Cruisecontrol* (p. 183)
Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 185)
Paddle voor handmatig schakelen bij
automatische versnellingsbak, zie Auto-
76
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Elektrische stuurverwarming* (p. 76)
Bij herhaaldelijk indrukken van de knop
wordt geschakeld tussen de volgende standen:
Functie
Indicatie
Uitgeschakeld
Lampje in knop uit
Verwarming
Lampje in knop aan
Automatische stuurverwarming
Bij automatische inschakeling van de stuurverwarming wordt bij het starten van de
motor de stuurverwarming ingeschakeld. Bij
een omgevingstemperatuur lager dan zo’n
10 °C en een koude auto vindt automatische
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
inschakeling plaats. Activeer/deactiveer de
functie in het menusysteem MY CAR (p.
105).
Bedieningspaneel verlichting
Met het bedieningspaneel voor de verlichting
kunt u de buitenverlichting inschakelen en
aanpassen. U kunt het ook gebruiken om de
display-, instrumenten- en interieurverlichting
aan te passen.
Overzicht bedieningspaneel verlichting
Standen draaiknop
Stand
Betekenis
DagrijlichtA wanneer het elektrische systeem van de auto in
sleutelstand II staat of als de
motor warm is.
Grootlichtsignalering mogelijk.
Dagrijlicht en stadslichten/
parkeerlichten/sidemarkers,
wanneer het elektrische systeem
van de auto in sleutelstand II
staat of als de motor warm is.
03
Automatisch overschakelen naar
stadslichten/parkeerlichten/sidemarkers bij het parkeren van de
auto.
Overzicht bedieningspaneel verlichting.
Grootlichtsignalering mogelijk.
Duimwiel voor het afstellen van de display- en instrumentenpaneelverlichting
alsook de sfeerverlichting*
Knop voor mistachterlicht
Draaiknop voor koplampen en stadslichten vóór/achterlichten
Duimwiel19 voor koplamphoogteregeling
19
Niet aanwezig bij auto’s met actieve xenonkoplampen*.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
77
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
Stand
Betekenis
Dagrijlicht en stadslichten/
parkeerlichten/sidemarkers
overdag, wanneer het elektrische systeem van de auto in
sleutelstand II staat of als de
motor warm is.
Automatisch overschakelen op
dimlicht en stadslichten/
parkeerlichten/sidemarkers in
slechte lichtomstandigheden of
als de ruitenwissers of het mistachterlicht zijn geactiveerd.
03
De functie Tunneldetectie (p.
80)* is geactiveerd.
De functie Actief groot licht (p.
81)* is te gebruiken.
U kunt het groot licht inschakelen, wanneer u het dimlicht
voert.
Grootlichtsignalering mogelijk.
78
Instrumentenverlichting
Afhankelijk van de sleutelstand worden
bepaalde displays en instrumenten verlicht,
zie Sleutelstanden - functies in verschillende
standen (p. 68).
De displayverlichting wordt bij donker automatisch gedimd. De gevoeligheidsgraad van
deze functie is in te stellen met het duimwiel.
Ook de sterkte waarmee het instrumentenpaneel verlicht wordt stelt u in met het duimwiel.
Koplamphoogteregeling
Door de belading van de auto wordt de
hoogte van de koplampen gewijzigd, zodat u
tegemoetkomend verkeer mogelijk verblindt.
U kunt dat voorkomen door de koplamphoogte bij te stellen. Stel de koplampen lager
af als de auto zwaar beladen is.
Dimlicht en stadslichten/
parkeerlichten/sidemarkers.
1. Laat de motor draaien of zet het elektrische systeem van de auto in de sleutelstand I.
Groot licht kan worden geactiveerd.
2. Draai het duimwiel omhoog of omlaag om
de koplampen hoger of lager af te stellen.
Grootlichtsignalering mogelijk.
A
te gebruiken
Volvo adviseert u de stand
zolang de verkeerssituatie of de weersgesteldheid niet ongunstig is voor Actief groot
licht*.
Aangebracht in of onder de voorbumper.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Duimwielstanden bij uiteenlopende belading.
Alleen bestuurder
Bestuurder en voorpassagier
Inzittenden op alle zitplaatsen
Inzittenden op alle zitplaatsen en maximale belading in kofferbak
Bestuurder plus maximale belading in
kofferbak
Auto’s met actieve xenonkoplampen* zijn uitgerust met automatische koplamphoogteregeling, zodat het duimwiel ontbreekt.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Stadslichten vóór en achterlichten
Dagrijlicht
U schakelt de stadslichten vóór en achterlichten in met de verlichtingsdraaiknop.
Wanneer de verlichtingsdraaiknop in stand
staat en het elektrische systeem van de
auto in sleutelstand II of als de motor loopt,
wordt in goede lichtomstandigheden automatisch het dagrijlicht ingeschakeld.
Dagrijlicht DRL
WAARSCHUWING
Dit is een stroombesparingsfunctie die niet
in alle gevallen kan bepalen wanneer de
omgevingsverlichting voldoende of onvoldoende is bij mist en regen bijvoorbeeld.
Als bestuurder bent u verplicht om de verlichting van de auto altijd af te stemmen op
de heersende omstandigheden en de geldende verkeerswetgeving.
03
Verlichtingsdraaiknop in stand voor stadslichten
vóór en achterlichten.
(ook de
Zet de draaiknop in de stand
kentekenverlichting wordt ingeschakeld).
Als het elektrische systeem van de auto in
sleutelstand II staat of als de motor loopt,
gaat ook het dagrijlicht branden.
Wanneer het buiten donker is en het kofferdeksel wordt geopend, gaan de achterlichten/
parkeerlichten achter branden om achteropkomend verkeer te waarschuwen. Dit gebeurt
altijd, ongeacht de stand van de draaiknop of
de sleutelstand van het elektrische systeem
van de auto.
Verlichtingsdraaiknop in stand AUTO.
Met de verlichtingsdraaiknop in stand
wordt het dagrijlicht (Daytime Running Lights
- DRL) automatisch ingeschakeld bij autoritten overdag. Een lichtsensor boven op het
dashboard schakelt over van dagrijlicht op
dimlicht, wanneer het gaat schemeren of bij
donker weer. Overschakelen op dimlicht gaat
ook automatisch als de ruitenwissers of het
mistachterlicht zijn geactiveerd.
Gerelateerde informatie
•
Bedieningspaneel verlichting (p. 77)
79
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
03
Tunneldetectie*
Groot licht/dimlicht
Op markten zonder automatisch dimlicht activeert de tunneldetectie het dimlicht als de
auto een tunnel binnenrijdt. Ca. 20 seconden
nadat de auto de tunnel heeft verlaten, dooft
het dimlicht weer.
Wanneer de verlichtingsdraaiknop in stand
staat en het elektrische systeem van de
auto in sleutelstand II of als de motor loopt,
wordt in slechte lichtomstandigheden automatisch het dimlicht ingeschakeld.
De functie Tunneldetectie is aanwezig op een
auto met een regensensor*. Wanneer u een
tunnel binnenrijdt, registreert de sensor dit en
wordt overgeschakeld van dagrijlicht naar
dimlicht. Ca. 20 seconden na het verlaten van
de tunnel, wordt weer overgeschakeld op
dagrijlicht. Als u na afloop van deze tijd een
andere tunnel inrijdt, blijft het dimlicht branden. Op deze manier wordt voorkomen dat
de lichtinstelling van de auto te vaak wordt
gewijzigd.
Met de verlichtingsdraaiknop in de stand
brandt altijd het dimlicht, wanneer de
motor loopt of als de sleutelstand II actief is.
•
•
Groot licht/dimlicht (p. 80)
Bedieningspaneel verlichting (p. 77)
Stuurhendel en verlichtingsdraaiknop.
Stand voor grootlichtsignalen
Dimlicht
Met de draaiknop in de stand
wordt het
dimlicht automatisch geactiveerd als het gaat
80
Grootlichtsignalen
Trek de stuurhendel voorzichtig tot in de
stand voor grootlichtsignalen naar het stuurwiel toe. Het groot licht brandt totdat u de
hendel loslaat.
Het groot licht is te ontsteken met de draai20 of
knop in stand
. Schakel het
groot licht in of uit door de stuurhendel tot in
de eindstand naar het stuurwiel te halen en
vervolgens los te laten.
Stand voor groot licht
20
21
brandt
Met de draaiknop in de stand
altijd het dimlicht, wanneer de motor loopt of
als de sleutelstand II actief is.
Groot licht
Let erop dat de tunneldetectie alleen werkt,
als de verlichtingsdraaiknop in stand
staat.
Gerelateerde informatie
schemeren of bij donker weer. Het dimlicht
wordt ook automatisch geactiveerd als de ruitenwissers of het mistachterlicht zijn geactiveerd.
Wanneer het groot licht ontstoken is, brandt
op het instrumentenpahet symbool
neel.
Verstralers*
Als de auto beschikt over verstralers, kunt u
in het menusysteem MY CAR selecteren of
deze gedeactiveerd moeten worden of aan/uit
moeten gaan in combinatie met het groot
licht21, zie MY CAR (p. 105).
Wanneer het dimlicht brandt.
Verstralers moeten op het elektrische systeem worden aangesloten door een werkplaats. Volvo adviseert u contact op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Actieve xenon-koplampen* (p. 83)
Actief groot licht* (p. 81)
Bedieningspaneel verlichting (p. 77)
Koplampen - lichtbundel aanpassen (p.
88)
Tunneldetectie* (p. 80)
Actief groot licht*
Actief groot licht ontdekt de koplampen van
een tegenligger of de achterlichten van een
voorligger en schakelt dan over van groot licht
naar dimlicht. De verlichting gaat terug naar
groot licht als het invallende licht ophoudt.
Actief groot licht - AHB
Actief groot licht (Active High Beam – AHB) is
een functie waarbij met een camerasensor in
de bovenrand van de voorruit de koplampen
van tegenliggers of de achterlichten van voorliggers worden geregistreerd en wordt overgeschakeld van groot licht naar dimlicht. De
functie kan ook rekening houden met de
straatverlichting.
Wanneer er geen invallend licht van voor-/
tegenliggers meer wordt waargenomen,
schakelt de verlichting enkele seconden later
weer over naar groot licht.
Activeren/deactiveren
AHB kan worden geactiveerd, wanneer de
verlichtingsdraaiknop in de stand
staat
(op voorwaarde dat het systeem niet geactiveerd werd in het menusysteem MY CAR), zie
MY CAR (p. 105).
03
Stuurhendel en verlichtingsdraaiknop in stand
AUTO.
De functie kan starten bij ritten in het donker,
wanneer de auto op een snelheid van 20
km/h of hoger rijdt.
Schakel het AHB in of uit door de linker stuurhendel tot in de eindstand naar het stuurwiel
te halen en vervolgens los te laten. Na het
deactiveren van het groot licht wordt direct
overgeschakeld naar dimlicht.
Auto met analoog instrumentenpaneel
Wanneer AHB geactiveerd is, brandt het symbool
op het informatiedisplay van het
instrumentenpaneel.
Wanneer het groot licht ontstoken is, brandt
ook het symbool
op het instrumentenpaneel.
Auto met digitaal instrumentenpaneel
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
81
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
Wanneer AHB geactiveerd is, brandt het symop het informatiedisplay van het
bool
instrumentenpaneel wit.
Als het groot licht ontstoken is, brandt het
symbool blauw.
Handmatige bediening
03
N.B.
Houd de voorruit in het gebied vóór de
camerasensor vrij van ijs, sneeuw, condens en vuil.
Plak of monteer niets op de voorruit vóór
de camerasensor, aangezien één of meer
camera’s voor het systeem hierdoor slechter of niet meer werken.
Als de melding Active high beam Tijdelijk
niet beschikb. Schakel handmat. op het
informatiedisplay van het instrumentenpaneel
verschijnt, moet u handmatig tussen groot
licht en dimlicht schakelen. De verlichtingsdraaiknop kan echter in stand
blijven
staan. Hetzelfde geldt, als de melding
Voorruitsensoren afgedekt Zie
instructieboek en het symbool
verdooft, wanneer
schijnen. Het symbool
deze melding verschijnt.
AHB is mogelijk tijdelijk niet beschikbaar,
zoals in dichte mist of bij zware regenval.
Wanneer AHB weer beschikbaar is of als de
82
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
voorruitsensoren niet langer geblokkeerd zijn,
verdwijnt de melding en gaat het symbool
branden.
BELANGRIJK
Voorbeelden van situaties waarin u mogelijk moet wisselen tussen groot licht en
dimlicht:
WAARSCHUWING
•
•
•
•
•
AHB is een systeem dat u helpt om in
ongunstige omstandigheden de optimale
verlichting te kiezen.
Als bestuurder bent u echter altijd verplicht
om handmatig te wisselen tussen groot
licht en dimlicht, als dat gezien de verkeerssituatie en/of weersgesteldheid vereist is.
in zware regen of dichte mist
bij ijsregen
bij stuifsneeuw of sneeuwmodder
bij maanlicht
bij ritten in zwak verlichte bebouwde
gebieden
•
bij voorliggers met een zwakke voertuigverlichting
•
•
bij voetgangers op of naast de weg
•
als de verlichting van tegenliggers
schuilgaat achter bijvoorbeeld vangrails
•
•
bij verkeer op verbindingswegen
•
in scherpe bochten.
bij sterk reflecterende voorwerpen
zoals borden in de buurt van de weg
op het hoogste punt van heuvels en
het laagste punt van dalen
Zie voor meer informatie over de beperkingen
van de camerasensor, zie Collision Warning* beperkingen van de camerasensor (p. 218).
Gerelateerde informatie
•
•
Groot licht/dimlicht (p. 80)
Bedieningspaneel verlichting (p. 77)
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Actieve xenon-koplampen*
Actieve xenonkoplampen zorgen voor optimale verlichting in bochten en op kruisingen
om op die manier de veiligheid te verhogen.
Actieve xenon-koplampen ABL
Lichtbundel bij gedeactiveerde (links) en geactiveerde (rechts) functie.
Als de auto is uitgerust met actieve xenonkoplampen (Active Bending Lights – ABL)
draaien de lichtbundels van de koplampen
mee om optimale verlichting te verkrijgen in
bochten en op kruisingen om op die manier
de veiligheid te verhogen.
Het systeem wordt automatisch geactiveerd
bij het starten van de motor (op voorwaarde
dat het systeem niet gedeactiveerd werd in
het menusysteem MY CAR), zie MY CAR (p.
105). Wanneer de functie een storing ver-
22
op het
toont, brandt het symbool
instrumentenpaneel verschijnen een verklarende tekst plus een ander brandend symbool.
Symbool
Display
Betekenis
Storing
koplampsysteem
Service
vereist
Het systeem is
defect. Bezoek
een werkplaats
als de melding
niet verdwijnt.
Volvo adviseert u
daarvoor contact
op te nemen met
een erkende
Volvo-werkplaats.
De functie is uitsluitend actief bij schemer of
donker en dan alleen als de auto rijdt.
U kunt de functie22 deactiveren/activeren in
het menusysteem MY CAR, zie MY CAR (p.
105).
Voor het aanpassen van de lichtbundel, zie
Koplampen - lichtbundel aanpassen (p. 88).
Gerelateerde informatie
•
•
•
Groot licht/dimlicht (p. 80)
Actief groot licht* (p. 81)
Mistachterlicht
Bij een beperkt zicht door mist kunt u het
mistachterlicht gebruiken om achterliggers tijdig op uw aanwezigheid te attenderen.
03
Knop voor mistachterlicht.
Het mistachterlicht is alleen in te schakelen,
wanneer de verlichtingsdraaiknop in stand
of
staat en het contactslot in de
stand II of wanneer de motor draait.
Druk op de knop voor in-/uitschakeling. Het
controlesymbool voor het mistachterlicht
op het instrumentenpaneel en het
lampje in de knop branden, wanneer het mistachterlicht ingeschakeld is.
Wanneer u de motor afzet of de verlichtingsdraaiknop naar stand
of
draait,
Bedieningspaneel verlichting (p. 77)
Geactiveerd bij levering vanuit de fabriek.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
83
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
wordt het mistachterlicht automatisch uitgeschakeld.
N.B.
De voorschriften voor het gebruik van een
mistachterlicht verschillen per land.
03
Gerelateerde informatie
•
Bedieningspaneel verlichting (p. 77)
Remlichten
Alarmlichten
De remlichten gaan automatisch branden
wanneer u remt.
De alarmlichten waarschuwen medeweggebruikers doordat alle richtingaanwijzers gelijktijdig knipperen, wanneer deze functie actief
is.
Bij het bedienen van het rempedaal gaan de
remlichten branden. Ze gaan ook branden
wanneer een van de rij-assistentiesystemen,
Adaptieve cruisecontrol (p. 185), City Safety
(p. 203) of Collision Warning (p. 210) de auto
afremmen.
Wanneer de alarmlichten geactiveerd zijn,
knipperen beide richtingaanwijzersymbolen
op het instrumentenpaneel.
Voor informatie over de noodremlichten en de
automatische alarmlichten, zie Bedrijfsrem noodremlichten en automatische alarmlichten
(p. 278).
Knop voor alarmlichten.
Druk op de knop om de alarmlichten te activeren. Beide richtingaanwijzersymbolen op
het instrumentenpaneel knipperen bij gebruik
van de alarmlichten.
Wanneer de auto dermate hard is afgeremd
dat de noodremlichten in werking zijn getreden, worden, zodra de snelheid van de auto
tot onder de 10 km/h is gedaald, automatisch
de alarmlichten ingeschakeld. Ook nadat de
auto tot stilstand is gekomen, blijven de
alarmlichten knipperen. Wanneer u weer weg-
84
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
rijdt, worden ze automatisch uitgeschakeld. U
kunt ook op de knop voor de alarmlichten
drukken. Voor meer informatie over de noodremlichten en de automatische alarmlichten,
zie Bedrijfsrem - noodremlichten en automatische alarmlichten (p. 278).
Richtingaanwijzer
De richtingaanwijzers van de auto zijn te
bedienen met de linker stuurhendel. De richtingaanwijzers knipperen driemaal of blijven
knipperen, afhankelijk van hoe ver u de hendel
omhoog- of omlaaghaalt.
Gerelateerde informatie
•
worden of veert automatisch terug bij het
terugdraaien van het stuurwiel.
Richtingaanwijzersymbolen
Voor de richtingaanwijzersymbolen, zie
Instrumentenpaneel - betekenis controlesymbolen (p. 61).
Gerelateerde informatie
Richtingaanwijzer (p. 85)
•
Alarmlichten (p. 84)
03
Richtingaanwijzer.
Korte serie knippersignalen
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag
naar de eerste stand en laat de hendel
vervolgens los. De richtingaanwijzers lichten driemaal op. U kunt het systeem activeren/deactiveren in het menusysteem
MY CAR, zie MY CAR (p. 105).
Onafgebroken serie knippersignalen
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag
naar de tweede stand.
De hendel blijft in deze stand staan en kan
handmatig in de uitgangspositie teruggezet
85
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Interieurverlichting
Plafondverlichting voorin
Verlichting make-upspiegel
De interieurverlichting is te activeren/deactiveren met de knoppen van de bedieningspanelen aan het plafond voor- en achterin.
De leeslampjes voorin worden in- en uitgeschakeld met een druk op de bijbehorende
knoppen op de plafondconsole.
De verlichting van de make-upspiegel (p.
143), wordt bij het openen en sluiten van het
klepje in- en uitgeschakeld.
Plafondverlichting achterin
Automatische verlichting
Met de knop voor de interieurverlichting kunt
u drie verlichtingsstanden selecteren:
Knoppen op plafondconsole voor bediening
leeslampjes en interieurverlichting voorin.
Leeslampje linkerzijde
Leeslampje rechterzijde
Interieurverlichting
Alle verlichting in het interieur kan handmatig
in- en uitgeschakeld worden binnen 30 minuten nadat:
86
•
de motor is afgezet en het elektrische
systeem van de auto in 0 staat
•
de auto ontgrendeld is zonder dat de
motor is gestart.
G021150
G021149
03
Plafondverlichting achterin.
U kunt de lampjes in- en uitschakelen met
een druk op de bijbehorende knop.
Instapverlichting
•
Uit – rechterkant ingedrukt, automatische
interieurverlichting gedeactiveerd.
•
Neutrale stand – automatische verlichting geactiveerd.
•
Aan – linkerkant ingedrukt, interieurverlichting brandt.
Neutrale stand
Met de knop in de neutrale stand wordt de
interieurverlichting als volgt automatisch inen uitgeschakeld.
De interieurverlichting wordt ingeschakeld en
blijft 30 seconden lang branden, als:
•
u de auto met de afstandsbediening ontgrendelt, zie Transpondersleutel - functies
(p. 154) of Afneembaar sleutelblad - portier ontgrendelen (p. 159)
Verlichting dashboardkastje
•
De verlichting in het dashboardkastje wordt
in- en uitgeschakeld bij het openen en sluiten
van de klep van het kastje.
de motor is afgezet en het elektrische
systeem van de auto in 0 staat.
De interieurverlichting dooft, wanneer:
De instapverlichting (alsmede de interieurverlichting) worden in- en uitgeschakeld bij het
openen c.q. sluiten van een portier.
•
•
u de motor start
de auto wordt vergrendeld.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
De interieurverlichting gaat aan en blijft twee
minuten lang branden, wanneer een van de
portieren openstaat.
Als u een bepaalde verlichtingsfunctie handmatig inschakelt, zal deze na twee minuten
automatisch worden uitgeschakeld.
Sfeerverlichting
Wanneer de reguliere interieurverlichting is
uitgegaan en de motor draait, branden er
enkele leds, onder meer een bij de plafondverlichting voor een zwakke sfeerverlichting
tijdens de rit. Deze verlichting gaat even na
de reguliere interieurverlichting uit als de auto
wordt vergrendeld. U regelt de sterkte van de
verlichting met het duimwiel op het bedieningspaneel (p. 77).
Follow Me Home-verlichting
Approach-verlichting
De Follow Me Home-verlichting bestaat uit de
het dimlicht, de parkeerlichten, de lampen in
de buitenspiegels, de kentekenplaatverlichting, de plafondverlichting en de instapverlichting.
De Approach-verlichting bestaat uit de stadslichten, de lampen in de buitenspiegels, de
kentekenplaatverlichting, de plafondverlichting en de instapverlichting.
Het is mogelijk om een deel van de buitenverlichting enige tijd ingeschakeld te houden en
als Follow Me Home-verlichting dienst te
laten doen na vergrendeling van de auto.
1. Neem de transpondersleutel uit het contactslot.
2. Haal de linker stuurhendel tot in de eindstand naar het stuurwiel toe en laat de
hendel los. De functie is op dezelfde
manier te activeren als de grootlichtsignalen, zie Groot licht/dimlicht (p. 80).
3. Stap uit de auto en vergrendel het portier.
Wanneer de functie is geactiveerd, gaan de
dimlichten, de parkeerlichten, de richtingaanwijzers, de verlichting van de buitenspiegels,
de kentekenplaatverlichting, de plafondlampjes in het interieur en de instapverlichting
branden.
U activeert de Approach-verlichting met de
transpondersleutel, zie Transpondersleutel functies (p. 154), om de verlichting van de
auto op afstand in te schakelen.
03
Wanneer de functie is geactiveerd vanaf de
afstandsbediening, gaan de dimlichten, de
parkeerlichten, de richtingaanwijzers, de verlichting van de buitenspiegels, de kentekenplaatverlichting, de plafondlampjes in het
interieur en de instapverlichting branden.
De duur van de Approach-verlichting is in te
stellen in het menusysteem MY CAR, zie MY
CAR (p. 105).
Gerelateerde informatie
•
Follow Me Home-verlichting (p. 87)
De duur van de Follow Me Home-verlichting
is in te stellen in het menusysteem MY CAR,
zie MY CAR (p. 105).
Gerelateerde informatie
•
Approach-verlichting (p. 87)
87
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Koplampen - lichtbundel aanpassen
Actieve xenonkoplampen*
lichtbundel van de koplampen te worden
ingesteld op de aangepaste stand (zie voorgaande afbeelding).
Om verblinding van tegenliggers te voorkomen kunt u de lichtbundel van de koplampen
aanpassen voor links- en rechtsrijdend verkeer.
Voorbeeld 2
Een in Groot-Brittannië geleverde auto is
bestemd voor linksrijdend verkeer en daarom
kunt u de lichtbundel van de koplampen in de
normale stand (zie voorgaande afbeelding)
laten staan.
G019442
03
G021151
Hendel voor aanpassing lichtbundel.
Normale stand – de juiste lichtbundel
voor het land waarin de auto werd afgeleverd.
Aangepaste stand – stand voor de tegenovergestelde lichtbundel.
Lichtbundel linksrijdend verkeer.
WAARSCHUWING
G021152
Omdat de xenonkoplampen voorzien zijn
van een ontstekingsgedeelte dat een hoge
spanning opwekt, dient u er extra voorzichtig mee om te gaan.
Lichtbundel rechtsrijdend verkeer.
88
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Het land waarin de auto werd afgeleverd
bepaalt of de uitgangspositie de juiste is voor
links- of rechtsrijdend verkeer.
Voorbeeld 1
Om met een in Nederland geleverde auto in
Groot-Brittannië te kunnen rijden dient de
Halogeenkoplampen
Bij halogeenkoplampen past u de lichtbundel
aan door bepaalde delen van het koplampglas af te plakken. De sterkte van de lichtbundel neemt daardoor iets af.
Koplampen afplakken
1. Afgebeelde mallen A en B voor auto met
stuur links of C en D voor auto met stuur
rechts, zie het latere gedeelte ‘Mallen
voor halogeenkoplampen’:
•
A = LHD Right (auto met het stuur
links, rechter koplampglas)
•
B = LHD Left (auto met het stuur links,
linker koplampglas)
•
C = RHD Right (auto met het stuur
rechts, rechter koplampglas)
•
D = RHD Left (auto met het stuur
rechts, linker koplampglas)
2. Breng de mallen over op een stuk zelfklevend en watervast materiaal en knip ze
uit.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
3. Neem de designstreep op de koplampglazen als uitgangspunt, zie de onderbroken streep op de volgende afbeelding.
Breng de zelfklevende mallen aan de
hand van de afbeelding en de afmetingen
in de onderstaande lijst aan op de juiste
afstand tot de designstreep:
•
•
•
•
A = LHD Right - ca. 86 mm
B = LHD Left - ca. 40 mm
03
C = RHD Right - 0 mm
D = RHD Left - ca. 96 mm
}}
89
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
03
Bovenste regel: auto met stuur links, mallen A en B. Onderste regel: auto met stuur rechts, mallen C en D.
90
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Mallen voor halogeenkoplampen
03
91
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Wissers en -sproeiers
Intervalstand
Regensensor*
De ruitenwisser en -sproeier reinigen de voorruit en achterruit. De koplampen worden met
hogedruksproeiers gereinigd.
Met het duimwiel kunt u het aantal
wisslagen per eenheid van tijd
instellen wanneer u de intervalstand
hebt geselecteerd.
De regensensor registreert de hoeveelheid
regen op de voorruit en schakelt automatisch
de ruitenwissers op de voorruit in. De gevoeligheid van de regensensor is in te stellen met
het duimwiel.
Ruitenwissers23
Ononderbroken wissen
De wissers bewegen op normale
snelheid.
03
De wissers bewegen op hoge snelheid.
BELANGRIJK
Controleer alvorens de ruitenwissers tijdens de winter in te schakelen of de wisserbladen niet zijn vastgevroren en de
voorruit sneeuw- en ijsvrij is.
Ruitenwissers en -sproeiers.
Regensensor aan/uit
Duimwiel gevoeligheid regensensor/snelheid ruitenwissers
Ruitenwissers uitgeschakeld
Haal de hendel naar stand 0 om de
ruitenwissers uit te schakelen.
Enkele slag
Haal de hendel omhoog en laat
deze los om de wissers een enkele
slag te laten maken.
23
92
BELANGRIJK
Gebruik voldoende sproeiervloeistof als de
wissers de voorruit schoonmaken. De
voorruit moet nat zijn als de ruitenwissers
werken.
Servicestand wisserbladen
Voor het reinigen van voorruit/wisserbladen
en het vervangen van wisserbladen, zie Wisserbladen (p. 347) en Wasstraat (p. 368).
Wanneer de regensensor actief is, brandt het
lampje in de bijbehorende knop en verschijnt
op het instruhet regensensorsymbool
mentenpaneel.
Activeren en gevoeligheid instellen
Om de regensensor te activeren dient de
motor te lopen of de transpondersleutel in
stand I of II te staan en de ruitenwisserhendel
in stand 0 of die voor een enkele wisslag.
Activeer de regensensor door op de knop
te drukken. De ruitenwissers maken
een slag.
Als u de hendel omhooghaalt, maken de ruitenwissers een extra slag.
Draai het duimwiel omhoog voor een grotere
gevoeligheid en omlaag voor een lagere
gevoeligheid. (de wissers maken een extra
slag, als u het duimwiel omhoogdraait.)
Deactiveren
Deactiveer de regensensor met een druk op
de knop
of haal de hendel omlaag naar
een ander wisprogramma.
Voor het vervangen van wisserbladen en de servicestand van de wisserbladen, zie Wisserbladen (p. 347). Voor het bijvullen van sproeiervloeistof, zie Sproeiervloeistof - bijvullen (p. 348).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
De regensensor wordt automatisch gedeactiveerd, wanneer u de transpondersleutel uit
het contactslot neemt of vijf minuten nadat u
de motor hebt afgezet.
BELANGRIJK
In een automatische wasstraat kunnen de
ruitenwissers van de voorruit starten en
beschadigd raken. Schakel de regensensor uit terwijl de auto loopt of de transpondersleutel in stand I of II staat. Het symbool op het instrumentenpaneel en het
lampje in de knop doven.
Koplamp- en ruitensproeiers
Nadat u de hendel hebt losgelaten maken de
ruitenwissers op de voorruit nog enkele slagen en worden de koplampen gesproeid.
Verwarmde sproeikoppen*
De sproeikoppen worden bij vorst automatisch verwarmd om te voorkomen dat de
sproeiervloeistof bevriest.
U activeert de sproeiers van de voorruit en de
koplampen door de hendel naar het stuurwiel
toe te trekken.
03
De hogedruksproeiers van de koplampen verbruiken een grote hoeveelheid sproeiervloeistof. Om vloeistof te besparen, worden de
koplampen alleen iedere vijfde keer dat u de
voorruitsproeiers activeert gesproeid.
Gereduceerde sproeifunctie
Gerelateerde informatie
Ruitensproeiers voorruit
Vanaf het bedieningspaneel van het bestuurdersportier zijn alle elektrisch bedienbare ruiten te bedienen. Vanaf de bedieningspanelen
van de overige portieren zijn alleen de ruiten
van het desbetreffende portier te bedienen.
Hogedruksproeiers koplampen*
Wanneer er nog ca. 1 liter sproeiervloeistof in
het reservoir zit en op het instrumentenpaneel
de melding verschijnt dat u sproeiervloeistof
moet bijvullen, worden de koplampen en de
achterruit niet langer schoongesproeid. Dit
omdat de sproeifunctie van de voorruit en
een goed zicht door de voorruit de voorrang
hebben.
Sproeierfunctie.
Elektrisch bedienbare ruiten
•
•
Sproeiervloeistof - bijvullen (p. 348)
Sproeiervloeistof - kwaliteit en hoeveelheid (p. 391)
Bedieningspaneel op bestuurdersportier.
Elektrisch kinderslot op achterportieren*
en achterste zijruiten, zie Kinderslot elektrische activering* (p. 172).
Bedieningsknoppen achterste zijruiten
Bedieningsknoppen voorste zijruiten
WAARSCHUWING
Controleer of er geen passagier op de achterbank bekneld raakt als de ramen vanaf
het bestuurdersportier worden gesloten.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
93
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
WAARSCHUWING
Bediening
Controleer of kinderen of andere passagiers niet bekneld raken als de ramen worden gesloten, ook als de transpondersleutel wordt gebruikt.
WAARSCHUWING
03
Als er kinderen in de auto aanwezig zijn,
moet altijd de stroom naar de elektrisch
bedienbare ruiten worden onderbroken
door te kiezen voor sleutelstand 0 en vervolgens de transpondersleutel mee te
nemen uit de auto. Voor informatie over
sleutelstanden, zie Sleutelstanden - functies in verschillende standen (p. 68).
Bedieningsknoppen elektrisch bedienbare zijruiten.
Handmatige bediening
Automatische bediening
Met het bedieningspaneel van het bestuurdersportier kunnen alle elektrisch bedienbare
ruiten worden bediend. De bedieningspanelen van de overige portieren kunnen alleen de
ruit van het desbetreffende portier bedienen.
Er kan slechts één bedieningspaneel tegelijk
worden bediend.
Om de elektrisch bedienbare ruiten te kunnen
gebruiken moet de sleutelstand minimaal I
zijn - zie Sleutelstanden - functies in verschillende standen (p. 68). Na uitschakeling van
de motor kunnen de elektrisch bedienbare
ruiten gedurende enkele minuten na verwijdering van de transpondersleutel worden
94
bediend, maar niet nadat er een portier is
geopend.
De ruiten komen tot stilstand en worden
geopend, als ze tijdens het sluiten in hun
beweging worden gehinderd. Wanneer sluiten
onmogelijk is door bijvoorbeeld ijsvorming,
kan de beveiliging tegen overbelasting worden opgeheven. U doet dat door de bedieningsknop voor de bewuste zijruit omhoog te
trekken en in deze stand vast te houden, totdat de zijruit dicht is. De beveiliging tegen
overbelasting wordt enige tijd later opnieuw
geactiveerd.
N.B.
Om het pulserende windgeluid te verminderen als de beide achterruiten open
staan, kunt u de voorste ruiten ook een
stukje openen.
Handmatige bediening
Trek voorzichtig een van de bedieningsknoppen omhoog of duw er een omlaag. De elektrisch bedienbare zijruiten komen steeds verder omhoog of omlaag zolang u de bedieningsknop bedient.
Automatische bediening
Trek een van de bedieningsknoppen omhoog
of duw er een omlaag en laat deze vervolgens
los. De bijbehorende zijruit gaat automatisch
volledig open of dicht.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Bediening met transpondersleutel en
centrale vergrendeling
Om de elektrisch bedienbare zijruiten vanaf
de buitenzijde te bedienen met de transpondersleutel of vanaf de binnenzijde met de
centrale vergrendeling, zie Transpondersleutel met sleutelblad (p. 152) en Vergrendelen/
ontgrendelen - van de binnenzijde (p. 168).
Zonnescherm*
In de portierpanelen van de beide achterportieren zijn zonneschermen ingebouwd.
In de achterruitconsole is een zonnescherm
ingebouwd.
Achterportier
03
Resetten
Als de accu losgekoppeld is geweest, werkt
de automatische openingsfunctie pas weer
naar behoren wanneer u deze hebt gereset.
–
1. Trek de knop aan de voorkant omhoog
om de ruit helemaal te sluiten en houd de
knop een seconde in deze stand vast.
2. Laat de knop korte tijd los.
3. Trek de voorkant van de knop opnieuw
een seconde omhoog.
WAARSCHUWING
Resetten is nodig om de beveiliging tegen
overbelasting te laten werken.
Haak met bijbehorende vergrendeling
Trek het zonnescherm omhoog en bevestig het met de twee haken aan de plafondclips.
> Door de veerkracht van het scherm
blijven de haken in positie.
Haak een zonnescherm dat u niet gebruikt los
en houd het vast, terwijl het langzaam wordt
opgerold.
1. Trek het zonnescherm omhoog en haak
het vast aan de haak boven aan de ruitopening.
2. Vergrendel het zonnescherm door de vergrendeling omhoog te klappen.
Ook bij gebruik van het zonnescherm kan de
zijruit worden geopend en gesloten.
Achterruit
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
95
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Buitenspiegels
WAARSCHUWING
Stel de stand van de buitenspiegels bij met
het hendeltje op het bedieningspaneel van het
bestuurdersportier.
De spiegel aan bestuurderszijde is groothoekig voor een optimaal zicht. Voorwerpen kunnen verder weg lijken dan ze in
werkelijkheid zijn.
Buitenspiegels
Stand vastleggen24
De stand van de buitenspiegels en de
bestuurdersstoel worden vastgelegd, wanneer u de auto met de transpondersleutel vergrendelt. Een volgende keer dat de auto met
dezelfde transpondersleutel wordt ontgrendeld en het bestuurdersportier wordt
geopend, nemen de buitenspiegels en de
bestuurdersstoel de vastgelegde standen in.
03
Bedieningsknoppen buitenspiegels.
Instellen
96
Bij het inschakelen van de achteruitversnelling worden de buitenspiegels automatisch
omlaaggekanteld, zodat u bijvoorbeeld tijdens het parkeren de kant van de weg kan
zien. Wanneer de auto uit de achteruitversnelling wordt gehaald, neemt de buitenspiegel
na enige tijd automatisch de oorspronkelijke
stand weer in.
U kunt het systeem activeren/deactiveren in
het menusysteem MY CAR, zie MY CAR (p.
105).
Automatische inklapfunctie bij
vergrendelen24
U kunt het systeem activeren/deactiveren in
het menusysteem MY CAR, zie MY CAR (p.
105).
Wanneer u de auto vanaf de transpondersleutel vergrendelt/ontgrendelt worden de buitenspiegels automatisch in- of uitgeklapt.
Buitenspiegel kantelen bij parkeren24
U kunt het systeem activeren/deactiveren in
het menusysteem MY CAR, zie MY CAR (p.
105).
1. Druk op knop L voor de buitenspiegel
links of op R voor de buitenspiegel
rechts. Het lampje in de knop brandt.
De buitenspiegels kunnen omlaaggekanteld
worden, zodat u bijvoorbeeld tijdens het parkeren de kant van de weg te kan zien.
2. U kunt de stand afstellen met het hendeltje in het midden.
–
3. Druk opnieuw op knop L of R. Het lampje
mag niet langer branden.
Bij het inschakelen van een andere versnelling nemen de gekantelde buitenspiegels na
ca. 10 seconden de oorspronkelijke stand
weer in. Dat gebeurt eerder als u op de knop
L of R drukt.
24
Automatisch kantelende buitenspiegel
bij parkeren24
Schakel de achteruitversnelling in en druk
op de knop L of R.
Alleen in combinatie met een elektrisch bedienbare stoel met geheugen, zie Voorstoelen - elektrisch bediend (p. 71).
In neutrale stand terugzetten
Spiegels die uit positie zijn geraakt door
invloeden van buitenaf, moeten eerst elektrisch in de neutrale stand worden teruggezet
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
zodat het elektrisch in- en uitklappen weer
correct werkt:
1. Klap de spiegels in met de knoppen L en
R.
2. Klap de spiegels weer uit met de knoppen L en R.
3. Herhaal de bovenstaande procedure zo
nodig.
Gerelateerde informatie
•
•
Achteruitkijkspiegel (p. 98)
Ruiten en buitenspiegels - elektrische
verwarming (p. 97)
Ruiten en buitenspiegels - elektrische
verwarming
De elektrische verwarming dient om voorruit,
achterruit en buitenspiegels te ontwasemen
en te ontdooien.
Elektrische voorruit-*, achterruit- en
buitenspiegelverwarming
03
De spiegels staan daarmee weer in de neutrale stand.
Elektrisch inklapbare buitenspiegels*
U kunt de buitenspiegels inklappen bij het
parkeren en als u op smalle wegen rijdt:
1. Druk de knoppen L en R gelijktijdig in
(sleutelstand minimaal I).
2. Laat ze na ca. 1 seconde los. De spiegels
stoppen automatisch, als ze volledig zijn
ingeklapt.
Klap de spiegels uit door de knoppen L en R
tegelijkertijd in te drukken. De spiegels stoppen automatisch, als ze volledig zijn uitgeklapt.
Approach-verlichting en Follow Me
Home-verlichting
De lampjes op de buitenspiegels gaan branden, wanneer u de Approach-verlichting (p.
87) of de Follow Me Home-verlichting (p. 87)
selecteert.
Elektrische voorruitverwarming
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming
Gebruik de functie om voorruit, achterruit en
buitenspiegels te ontwasemen en te ontdooien.
Bij eenmaal indrukken van de desbetreffende
knop gaat de verwarming van start. Het brandende lampje in de knop geeft aan dat de
functie actief is. Schakel de verwarming uit
zodra het ijs/de condens verdwenen is om de
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
97
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
accu niet onnodig te belasten. Als u echter
niets doet, wordt de functie na enige tijd
automatisch uitgeschakeld. Vervolgens wordt
de achterruitverwarming automatisch in- en
uitgeschakeld zolang de buitentemperatuur
lager is dan +7 °C.
Achteruitkijkspiegel
Autodimfunctie*
De achteruitkijkspiegel is te dimmen met een
knopje aan de onderkant van de spiegel. Ook
is het mogelijk dat de autodimfunctie van de
achteruitkijkspiegel actief is.
Als het licht dat van achteren in de spiegel
valt te fel is, wordt de achteruitkijkspiegel
automatisch gedimd. Bij een spiegel met
autodimfunctie ontbreekt het hendeltje voor
handmatig dimmen.
Achteruitkijkspiegel
N.B.
03
De achterruitverwarming wordt niet automatisch in- en uitgeschakeld, als de Ecofunctie actief is. De verwarming blijft in dat
geval ook bij buitentemperaturen lager dan
+7 °C uitgeschakeld. Voor informatie over
de Eco-functie, zie ECO* (p. 274).
De achteruitkijkspiegel is voorzien van twee
sensoren (één aan de voorkant en één aan de
achterkant) die samenwerken om hinderlijke
lichtinval te identificeren en te verhelpen. De
sensor aan de voorkant registreert omgevingslicht, terwijl de sensor aan de achterkant
de koplampen van achterliggers registreert.
N.B.
Zie ook Voorruit ontwasemen en ontdooien
(p. 128).
De buitenspiegels en de achterruit worden
automatisch van condens/ijsvorming ontdaan, als de auto wordt gestart bij een buitentemperatuur lager dan +7 °C. Automatische ontwaseming is te selecteren in het
menusysteem MY CAR, zie MY CAR (p. 105).
Hendeltje voor dimfunctie
Handmatige dimfunctie
Fel licht van achteren kan hinderlijke reflecties
in de achteruitkijkspiegel veroorzaken en u
verblinden. Zet de spiegel met het hendeltje
in de dimstand, wanneer u de verlichting van
het achteropkomende verkeer als hinderlijk
ervaart:
1. Activeer de dimfunctie door het hendeltje
naar u toe te halen.
2. Deactiveer de dimfunctie door het hendeltje naar de voorruit toe te duwen.
98
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Als de sensoren door bijvoorbeeld parkeervergunningen, transponders, zonnekleppen of voorwerpen op de achterbank
of de hoedenplank dusdanig worden
gehinderd dat er geen licht op de sensoren
valt, gelden er beperkingen voor de autodimfunctie van de achteruitkijkspiegel.
Kompas (p. 99) is alleen een optie voor een
achteruitkijkspiegel met autodimfunctie.
Gerelateerde informatie
•
Buitenspiegels (p. 96)
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Kompas*
Op de achteruitkijkspiegel zit een display
waarop wordt aangegeven in welke richting
de voorkant van de auto wijst.
Bediening
knopje aan de onderzijde van de achteruitkijkspiegel indrukken.
Kalibreren
Om de juiste kompasrichting aan te geven
moet het kompas soms worden gekalibreerd.
De aarde is in 15 magnetische zones verdeeld. Het kompas dient te worden gekalibreerd, als u met de auto meerdere magnetische zones doorkruist.
G030295
03
Kalibreer als volgt:
1. Breng de auto tot stilstand op een groot
en open terrein waar geen stalen constructies of hoogspanningsdraden zijn.
Achteruitkijkspiegel met kompas.
In de rechter bovenhoek van de achteruitkijkspiegel zit een display waarop wordt aangegeven in welke richting de voorkant van de
auto wijst. Er worden acht verschillende richtingen met Engelse afkortingen weergegeven:
N (noord), NE (noordoost), E (oost), SE (zuidoost), S (zuid), SW (zuidwest), W (west) en
NW (noordwest).
Het kompas wordt automatisch geactiveerd
wanneer u de motor start of wanneer sleutelstand II actief is, zie Sleutelstanden - functies
in verschillende standen (p. 68). Om het kompas handmatig uit of in te schakelen kunt u
een paperclip of iets dergelijks nemen en het
2. Start de auto en schakel alle elektrische
uitrusting (klimaatregeling, luchtdroger
e.d.) uit en zorg dat alle portieren zijn
gesloten.
N.B.
De kalibratie kan mislukken of helemaal
niet worden uitgevoerd, als u de elektrische uitrusting niet uitschakelt.
3. Houd het knopje aan de achterzijde van
de achteruitkijkspiegel ca. 3 seconden
lang ingedrukt. Het cijfer van de huidige
magnetische zone verschijnt.
Magnetische zones.
4. Druk meerdere malen op het knopje totdat het nummer van de gewenste magnetische zone (1–15) verschijnt (zie de kaart
met de magnetische zones van het kompas).
5. Wacht totdat het teken C weer op het
display verschijnt of houd het knopje aan
de onderzijde van de achteruitkijkspiegel
ca. 6 seconden lang ingedrukt (met een
rechtgebogen paperclip bijvoorbeeld),
totdat het teken C verschijnt.
6. Rijd langzaam een rondje in de auto met
een snelheid van hoogstens 10 km/h, totdat een kompasrichting op het display
verschijnt. Dit geeft aan dat de kalibratie
afgerond is. Rijd daarna nog 2 rondjes om
de kalibratie fijn af te stellen.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
99
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
7. Auto’s met elektrische voorruitverwarming*: Als bij activering van de elektrische voorruitverwarming het teken C op
het display verschijnt, kalibreer dan volgens punt 6 hierboven met de elektrische
voorruitverwarming ingeschakeld, zie
Voorruit ontwasemen en ontdooien (p.
128).
03
8. Herhaal de bovenstaande procedure zo
nodig.
Schuifdak*
Openen
Het schuifdak is te bedienen met de knoppen
aan het plafond.
Trek de bedieningsknop naar achteren in de
stand voor automatisch openen en laat de
knop vervolgens los om het schuifdak zo ver
mogelijk open te schuiven.
Het binnenste zonnescherm is handmatig te
sluiten.
Bij het schuifdak hoort een windscherm,
De bedieningsknoppen voor het schuifdak
zitten aan het plafond. Het schuifdak is aan
de achterkant open te kantelen of horizontaal
open te schuiven. Het schuifdak is alleen te
openen in sleutelstand I of II.
Horizontaal openschuiven
U kunt het schuifdak handmatig openen door
de bedieningsknop achteruit naar het weerstandspunt voor handmatig openen te trekken. Het schuifdak schuift steeds verder open
zolang u de knop in deze stand vasthoudt.
Sluiten
U kunt het schuifdak handmatig sluiten door
de bedieningsknop vooruit naar het weerstandspunt voor handmatig sluiten te duwen.
Het schuifdak schuift steeds verder dicht
zolang u de knop in deze stand vasthoudt.
WAARSCHUWING
G021343
Gevaar voor beknelling bij het sluiten van
het schuifdak. De beveiliging tegen overbelasting van het schuifdak werkt alleen bij
automatisch sluiten, niet bij handmatig
sluiten.
Horizontaal openschuiven, achteruit/vooruit.
Openen, automatisch
Openen, handmatig
Sluiten, handmatig
Sluiten, automatisch
100
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Het schuifdak gaat automatisch dicht, wanneer u de knop in de stand voor automatisch
sluiten duwt en vervolgens loslaat.
Wanneer u sleutelstand 0 kiest en de transpondersleutel uit het contactslot neemt,
wordt de spanning van het schuifdak verbroken.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Sluiten met transpondersleutel of knop
voor centrale vergrendeling
WAARSCHUWING
Als er kinderen in de auto aanwezig zijn:
greep vast en schuif het scherm naar voren
om het te sluiten.
Beveiliging tegen overbelasting
Onderbreek altijd de stroom naar het
schuifdak door te kiezen voor sleutelstand
0 en neem vervolgens de transpondersleutel mee uit de auto. Voor informatie over
sleutelstanden, zie Sleutelstanden - functies in verschillende standen (p. 68).
Het schuifdak is voorzien van een beveiliging
tegen overbelasting die wordt geactiveerd,
als het schuifdak door een obstakel wordt
gehinderd. Het schuifdak komt dan tot stilstand en keert vervolgens automatisch terug
naar de laatst gebruikte, geopende stand.
Verticaal openkantelen
03
G028899
G021345
Windscherm
Verticaal openkantelen, achterkant omhoogkantelen.
Kantel het schuifdak open door de achterkant van de knop omhoog te duwen.
Kantel het schuifdak dicht door de achterkant van de knop omlaag te trekken.
Houd de vergrendelingsknop lang ingedrukt
om het schuifdak en alle zijruiten te sluiten,
zie Transpondersleutel - functies (p. 154) en
Vergrendelen/ontgrendelen - van de binnenzijde (p. 168). De portieren en het kofferdeksel worden vergrendeld. Druk nogmaals op
de vergrendelingsknop om het sluiten te
onderbreken.
WAARSCHUWING
Als u het schuifdak met de transpondersleutel sluit, moet u controleren of niemand bekneld raakt.
Bij het schuifdak hoort een windscherm dat
opgeklapt wordt bij een geopend schuifdak.
Zonnescherm
Aan de binnenkant van het schuifdak zit een
handbediend zonnescherm. Het zonnescherm glijdt automatisch naar achteren bij
het openen van het schuifdak. Pak de hand-
101
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Menufuncties - instrumentenpaneel
Menu-overzicht - instrumentenpaneel
Met de linker stuurhendel bedient u de
menu’s (p. 102) die op het informatiedisplay
van het instrumentenpaneel (p. 56) verschijnen. Welke menu’s er verschijnen hangt af
van de sleutelstand (p. 68).
Welke menu’s er op het informatiedisplay van
het instrumentenpaneel verschijnen hangt af
van de sleutelstand (p. 68).
Voor sommige van de onderstaande menuopties dient de auto te zijn uitgerust met de
bijbehorende functie en software.
Analoog instrumentenpaneel
03
Digit. snlhd.
Verwarming*
Display (digitaal instrumentenpaneel) en bedieningsknoppen voor menufuncties.
OK – meldingenlijst openen en meldingen
bevestigen.
Duimwiel – menu-opties doorbladeren.
Display (analoog instrumentenpaneel) en bedieningsknoppen voor menufuncties.
RESET – geactiveerde functie op nul stellen. Wordt in bepaalde gevallen gebruikt
om een functie te selecteren/activeren
(zie de uitleg bij de verschillende functies).
Een eventuele melding, (p. 103) moet u eerst
bevestigen met de knop OK, voordat u de
menu’s kunt bekijken.
Gerelateerde informatie
•
Meldingen - functies (p. 104)
Extra verw.*
TC-opties
Servicestatus
Oliepeil25
Meldingen (##)26
Digitaal instrumentenpaneel
Instellingen*
Thema's
Contraststand/Kleurstand
Servicestatus
Meldingen26
Oliepeil25
Standkachel*
25
26
102
Bepaalde motoren.
Het aantal meldingen staat tussen haakjes.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Boordcomp reset
Gerelateerde informatie
Meldingen
Wanneer er een waarschuwings-, informatieof controlesymbool oplicht, verschijnt er
tevens een aanvullende melding op het informatiedisplay.
•
Instrumentenpaneel, analoog - overzicht
(p. 56)
•
Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht
(p. 57)
Melding
Betekenis
•
Menufuncties - instrumentenpaneel (p.
102)
Stop auto
z.s.m.A
Breng de auto tot stilstand en zet de motor af.
Grote kans op schade –
bezoek een werkplaatsB.
Zet motor
afA
Breng de auto tot stilstand en zet de motor af.
Grote kans op schade –
bezoek een werkplaatsB.
Service
spoedA
Bezoek een werkplaatsB
om de auto onmiddellijk
te laten controleren.
Service vereistA
Bezoek een werkplaatsB
om de auto zo spoedig
mogelijk te laten controleren.
Zie instructieb.A
Neem het instructieboekje door.
Bespreek tijd
voor onderhoud
Het is tijd om een
afspraak te maken voor
een servicebeurt –
bezoek een werkplaatsB.
Melding
Betekenis
Tijd voor
periodiek
onderhoud
Het is tijd voor een servicebeurt – bezoek een
werkplaatsB. Het moment
hangt af van de afgelegde
afstand, het aantal maanden dat sinds de laatste
servicebeurt is verstreken, het aantal draaiuren
van de motor en de
gebruikte oliekwaliteit.
Onderhoudstermijn verstreken
Als u de onderhoudstermijn niet respecteert, vallen beschadigde onderdelen niet langer onder de
garantie – bezoek een
werkplaatsB.
Versnellingsbak Olie verversen
Bezoek een werkplaatsB
om de auto zo spoedig
mogelijk te laten controleren.
Versnellingsbak
Beperkte
werking
De versnellingsbak werkt
niet op maximale capaciteit. Rijd voorzichtig totdat de melding verdwijntC.
03
Bezoek bij herhaaldelijke
verschijning een werkplaatsB.
103
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
Melding
Betekenis
Versnellingsbak heet Rijd
langzamer
Rijd voorzichtiger of
breng de auto zo spoedig
mogelijk tot stilstand. Zet
de versnellingsbak in de
neutraal en laat de motor
stationair draaien totdat
de melding verdwijntC.
03
A
B
C
104
Versnellingsbak heet
Stop auto
z.s.m. Wachten op
afkoelen
Kritieke storing. Breng de
auto zo spoedig mogelijk
tot stilstand en bezoek
een werkplaatsB.
Tijdelijk uitgeschakeldA
De bijbehorende functie is
tijdelijk uitgeschakeld en
wordt na enige tijd rijden
of de volgende keer dat u
de motor start automatisch opnieuw ingeschakeld.
Accuspanning laag
Spaarstand
Het audiosysteem is uitgeschakeld om stroom te
besparen. Laad de accu
bij.
Deel van een melding, verschijnt samen met gegevens
over de locatie van de storing.
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Voor informatie over de automatische versnellingsbak, zie
Automatische versnellingsbak - Geartronic* (p. 258).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Gerelateerde informatie
•
•
Meldingen - functies (p. 104)
Menufuncties - instrumentenpaneel (p.
102)
Meldingen - functies
Met de linker stuurhendel kunt u door de meldingen (p. 103) bladeren die op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel verschijnen en deze bevestigen.
Wanneer er een waarschuwings-, informatieof controlesymbool oplicht, verschijnt er
tevens een aanvullende melding op het display. Foutmeldingen blijven in het geheugen
opgeslagen, totdat de onderliggende storing
is verholpen.
Druk OK op de linker stuurhendel in om een
melding te bevestigen. Gebruik het duimwiel
(p. 102) om door de meldingen te bladeren.
N.B.
Als er een waarschuwingsmelding verschijnt als de boordcomputer wordt
gebruikt, moet de melding worden gelezen
(druk op OK) voordat de eerdere activiteit
kan worden hervat.
Gerelateerde informatie
•
Menu-overzicht - instrumentenpaneel (p.
102)
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
MY CAR
kiezen/aan te vinken of de gekozen functie in het geheugen op te slaan.
MY CAR is een menugroep voor hantering
van tal van autofuncties, zoals City Safety,
sloten en alarm, automatische ventilatorsnelheid, klokinstelling e.d.
TUNE - aan de draaiknop op de middenconsole of het duimwiel op het stuurwiel
draaien om een stap omhoog/omlaag te
gaan door de menu-opties.
Sommige functies behoren tot de standaarduitrusting, andere zijn zogeheten opties – het
aanbod verschilt per markt.
EXIT
EXIT-functies
Bediening
03
Afhankelijk van de functie waarop de aanwijzer staat op het moment van het indrukken
van EXIT en het menuniveau, kan het volgende gebeuren:
Navigatie in deze menu’s vindt plaats met
knoppen op de middenconsole of met de
rechter stuurtoetsen.
•
•
•
•
•
telefoongesprek wordt afgewezen
actuele functie wordt afgebroken
ingevoerde tekens worden gewist
laatst ingevoerde keuzes worden geannuleerd
u beweegt omhoog in het menusysteem.
Kort en lang indrukken kunnen verschillende
resultaten opleveren.
Bij lang indrukken springt u naar het hoogste
menuniveau (hoofdbronweergave), van waaruit u alle functies/menugroepen van de auto
kunt bereiken.
MY CAR - opent het menusysteem MY
CAR.
OK/MENU - knop op de middenconsole
indrukken of het duimwiel op het stuurwiel om de gemarkeerde menu-optie te
Menu-opties en zoekpaden
Voor een beschrijving van de menu-opties en
zoekpaden in MY CAR, zie het supplement
Sensus Infotainment.
105
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
03
Boordcomputer
Groepsmenu’s
De boordcomputer van de auto kan tijdens
het rijden informatie registreren, berekenen en
tonen.
De boordcomputer heeft twee verschillende
groepsmenu’s:
De functies en het uiterlijk van de boordcomputer verschillen afhankelijk van de vraag of
het instrumentenpaneel er een van het type
"Analog" of "Digital" is:
•
Boordcomputer - instrumentenpaneel
‘Analog’ (p. 107)
•
Boordcomputer - instrumentenpaneel
‘Digital’ (p. 111)
Na de automatische activering van het instrumentenpaneel bij ontgrendeling zijn bediening
en instelling meteen mogelijk. Als u na het
openen van het bestuurdersportier niet binnen ca. 30 seconden op een van de boordcomputerknoppen drukt, dooft het instrument, waarna om opnieuw de boordcomputer
te kunnen bedienen eerst sleutelstand II (p.
68) of motorstart vereist is.
N.B.
Als er een waarschuwingsmelding verschijnt tijdens het gebruik van de boordcomputer, dient u deze melding eerst te
bevestigen voordat u de boordcomputer
weer kunt activeren.
•
106
Bevestig deze melding door de knop
OK op de richtingaanwijzerhendel kort
in te drukken.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
•
•
Functies
Rubriek op instrumentenpaneel
De functies of alternatieve rubrieken van de
boordcomputer volgen elkaar op in elk hun
eigen lus (loop).
Gerelateerde informatie
•
•
Boordcomputer - rijstatistiek* (p. 115)
Boordcomputer - aanvullende informatie
(p. 114)
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Boordcomputer - instrumentenpaneel
"Analog"
De boordcomputer van de auto kan tijdens
het rijden informatie registreren, berekenen en
tonen.
De menu’s van de boordcomputer volgens
elkaar op in een eindeloze lus. Een van opties
bestaat erin dat het boordcomputerdisplay
dooft – dit geeft tevens het begin/eind van de
lus aan.
Functies
Doe het volgende om functies te openen en
regelen/aanpassen:
1. Om er zeker van dat geen van de bedieningselementen zich midden in een procedure bevindt, moet u ze eerst ‘resetten’
met 2 keer drukken op RESET.
2. Druk op OK - de lus met de verschillende
functies wordt geopend.
03
3. Blader de functies door met het duimwiel
en kies/bevestig uw keuze met OK.
4. Sluit na de regeling/aanpassing af door 2
keer op RESET te drukken.
De volgende tabel geeft een overzicht van de
verschillende boordcomputerfuncties:
Informatiedisplay en bedieningselementen.
OK - Lus met de boordcomputerfuncties
starten en gemarkeerde optie activeren.
Duimwiel - Lus met de boordcomputerfuncties starten en opties doorbladeren.
RESET - Gekozen functie annuleren,
resetten of verlaten.
}}
107
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
03
Functies
Informatie
Digit. snlhd.
Geeft de rijsnelheid digitaal weer in het midden van het instrumentenpaneel:
•
•
•
•
km/h
mph
Open een functie met OK, kies een optie met het duimwiel, bevestig met OK en verlaat de
functie met ENTER.
Geen aanduiding
Verwarming*
•
•
DIRECTE START
•
- Timer 2 - voert naar het menu voor
selectie van het tijdstip.
Voor een beschrijving van het programmeren van de timer, zie Motor- en interieurverwarming* timers (p. 133).
- Timer 1 - voert naar het menu voor
selectie van het tijdstip.
Extra verw.*
Voor meer informatie, zie Extra verwarming* (p. 137).
• Aut Aan
• Uit
TC-opties
•
•
•
•
•
Actieradius op tank
Brandstofverbruik
Gemiddelde snelheid
Dagtellers T1 en tot afst
Dagtellers T2 en tot afst
Hier kiest/activeert u de opties die als boordcomputerrubrieken beschikbaar moeten zijn. De
symbolen voor reeds gekozen rubrieken zijn WIT en voorzien van een ‘vinkje’, bij de rest die
GRIJS is ontbreekt het ‘vinkje’.
1. Open de functie met OK, blader met het duimwiel de optiesymbolen door en stop met bladeren bij het symbool van uw keuze om het te markeren.
2. Bevestig met OK - het symbool verkleurt van GRIJS naar WIT en wordt voorzien van een
‘vinkje’.
3. Kies meer functiesymbolen met het duimwiel of sluit af met RESET.
Servicestatus
108
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Geef het resterend aantal maanden en het aantal kilometers tot de eerstvolgende servicebeurt
aan.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
A
Functies
Informatie
OliepeilA
Voor meer informatie, zie Motorolie - controleren en bijvullen (p. 331).
Meldingen (##)
Voor meer informatie, zie Meldingen - functies (p. 104).
Bepaalde motoren.
Rubrieken
U kunt een van de rubrieken in de volgende
tabel uitkiezen voor constante weergave op
het instrumentenpaneel. Doe het volgende
om een keuze te maken:
2. Draai aan het duimwiel - de te kiezen
boordcomputerrubrieken liggen in een
lus.
03
3. Stop met bladeren bij de rubriek van uw
keuze.
1. Om er zeker van dat geen van de bedieningselementen zich midden in een procedure bevindt, moet u ze eerst ‘resetten’
met 2 keer drukken op RESET.
Boordcomputerrubriek op instrumentenpaneel
Informatie
Dagtellers T1 en tot afst
•
RESET lang indrukken om dagteller T1 op nul te stellen.
Dagtellers T2 en tot afst
•
RESET lang indrukken om dagteller T2 op nul te stellen.
Afst. tot leeg
Voor meer informatie, zie het gedeelte ‘Bereik - actieradius op tank’ (p. 114).
Brandstofvrbr
Huidig verbruik.
Gem. snelh.
•
Geen boordcomputerinformatie.
Bij deze optie blijft het display leeg - dit geeft tevens het ‘begin’/‘einde’ van de lus aan.
RESET lang indrukken om Gem. snelh. op nul te stellen.
}}
109
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
Tijdens het rijden kunt u op ieder gewenst
moment een andere boordcomputerrubriek
voor het instrumentenpaneel kiezen: Ga als
volgt te werk:
–
Draai aan het duimwiel - stop met bladeren bij de rubriek van uw keuze.
Gerelateerde informatie
03
110
•
Boordcomputer - aanvullende informatie
(p. 114)
•
Boordcomputer - rijstatistiek* (p. 115)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Boordcomputer - instrumentenpaneel
"Digital"
De boordcomputer van de auto kan tijdens
het rijden informatie registreren, berekenen en
tonen.
De menu’s van de boordcomputer volgens
elkaar op in een eindeloze lus. Een van opties
bestaat erin dat alle drie de boordcomputerdisplays doven – dit geeft tevens het begin/
eind van de lus aan.
Functies
Doe het volgende om functies te openen en
regelen/aanpassen:
1. Om er zeker van dat geen van de bedieningselementen zich midden in een procedure bevindt, moet u ze eerst ‘resetten’
met 2 keer drukken op RESET.
2. Druk op OK - de lus met de verschillende
functies wordt geopend.
03
3. Blader de functies door met het duimwiel
en kies/bevestig uw keuze met OK.
4. Sluit na de regeling/aanpassing af door 2
keer op RESET te drukken.
De volgende tabel geeft een overzicht van de
verschillende boordcomputerfuncties:
Informatiedisplays en bedieningselementen
stuurhendel.
OK - Lus met de boordcomputerfuncties
starten en gemarkeerde optie activeren.
Duimwiel - Lus met de boordcomputerfuncties starten en opties doorbladeren.
RESET - Gekozen functie annuleren,
resetten of verlaten.
}}
111
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
Functies
Informatie
Boordcomp reset
N.B. Bij deze functie worden de beide dagtellers T1 en T2 niet op nul gesteld - zie de tabel in
het volgende gedeelte ‘Rubrieken’ of het gedeelte ‘Op nul stellen bij Digital’ (p. 114) voor
informatie hierover.
•
•
03
Gemiddeld
Gemiddelde snelheid
Meldingen
Voor meer informatie, zie Meldingen - functies (p. 104).
Thema's
Hier kiest u het uiterlijk van het instrumentenpaneel (p. 56).
Instellingen*
Selecteer Aut Aan of Uit.
Voor meer informatie, zie Extra verwarming* (p. 137).
Contraststand/Kleurstand
Lichtsterkte en kleurtemperatuur van het instrumentenpaneel instellen.
Standkachel*
Voor een beschrijving van het programmeren van de timer, zie Motor- en interieurverwarming*
- timers (p. 133).
• Directe start
• - Symbool Timer 1 - voert naar het menu
voor selectie van het tijdstip.
•
A
112
- Symbool Timer 2 - voert naar het menu
voor selectie van het tijdstip.
Servicestatus
Geef het resterend aantal maanden en het aantal kilometers tot de eerstvolgende servicebeurt
aan.
OliepeilA
Voor meer informatie, zie Motorolie - controleren en bijvullen (p. 331).
Bepaalde motoren.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Rubrieken
Er kunnen drie boordcomputerrubrieken tegelijk worden weergegeven: één op elk van drie
‘vensters’ (zie voorgaande afbeelding).
U kunt een van de rubriekcombinaties in de
volgende tabel uitkiezen voor constante
weergave op het instrumentenpaneel. Doe
het volgende om een keuze te maken:
1. Om er zeker van dat geen van de bedieningselementen zich midden in een procedure bevindt, moet u ze eerst ‘resetten’
met 2 keer drukken op RESET.
Rubriekcombinaties
2. Draai aan het duimwiel - de te kiezen
rubriekcombinaties worden in een lus
weergegeven.
3. Stop met bladeren bij de rubriekcombinatie van uw keuze.
Informatie
03
Gemiddeld
Dagteller T1 + Kilometerstand
Gemiddelde snelheid
•
RESET lang indrukken om dagteller T1 op nul te stellen.
Huidig verbruik
Dagteller T2 + Kilometerstand
Actieradius op tank
•
RESET lang indrukken om dagteller T2 op nul te stellen.
Huidig verbruik
Kilometerstand
kmh<>mph
Geen boordcomputerinformatie.
kmh<>mph - zie het gedeelte ‘Digitale snelheidsaanduiding’ (p. 114).
Bij deze optie doven alle drie de boordcomputerdisplays - dit geeft
tevens het ‘begin’/‘einde’ aan van de lus.
Tijdens het rijden kunt u op ieder gewenst
moment een andere rubriekcombinatie voor
de boordcomputer op het instrumentenpaneel kiezen: Ga als volgt te werk:
–
Draai aan het duimwiel - stop met bladeren bij de rubriek van uw keuze.
Gerelateerde informatie
•
Boordcomputer - aanvullende informatie
(p. 114)
•
Boordcomputer - rijstatistiek* (p. 115)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
113
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Boordcomputer - aanvullende
informatie
De boordcomputer van de auto kan tijdens
het rijden informatie registreren, berekenen en
tonen. Hier volgt aanvullende informatie over
enkele functies.
Gemiddeld
03
Het gemiddelde brandstofverbruik sinds de
laatste maal dat de waarde op nul gesteld
werd.
N.B.
Er kunnen onjuiste waarden verschijnen
als er een verwarming op brandstof* is
gebruikt.
Gemiddelde snelheid
De gemiddelde snelheid voor de afgelegde
afstand sinds de laatste nulstelling van de
waarde.
Huidig verbruik
De waarde voor het huidige verbruik wordt
voortdurend (ongeveer eenmaal per seconde)
bijgewerkt. Op lage snelheden wordt het verbruik weergegeven per eenheid van tijd – op
hoge snelheden verschijnt het verbruik per
eenheid van lengte.
U kunt verschillende eenheden (km/miles) kiezen voor de aanduiding – zie het onderdeel
‘Eenheid wijzigen’ (p. 114).
27
114
Alleen voor instrumentenpaneel "Digital".
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Bereik - actieradius op tank
Resetten bij "Analog"
De boordcomputer geeft de afstand aan die
bij benadering kan worden afgelegd met de
resterende hoeveelheid brandstof in de tank.
Met de actuele boordcomputerrubriek - Dagteller T1, Dagteller T2 of Gemiddelde snelheid
- op het instrumentenpaneel:
Wanneer de melding Afst. tot leeg ‘----’ verschijnt, zijn geen garanties meer te geven
voor de resterende actieradius.
–
–
Tank dan zo spoedig mogelijk.
De actieradius wordt berekend aan de hand
van het gemiddelde brandstofverbruik over
de laatste 30 km en de resterende hoeveelheid brandstof.
N.B.
Er kunnen onjuiste waarden verschijnen,
als u van rijstijl bent veranderd.
Een zuinige rijstijl betekent doorgaans een
langere actieradius. Voor meer informatie
over hoe u het brandstofverbruik kunt beïnvloeden, zie Milieubeleid van Volvo Car Corporation (p. 18).
Digitale snelheidsaanduiding27
De snelheid wordt weergegeven in de eenheid (km/h / mph) die niet op het hoofdinstrument wordt gebruikt. Gebruik het hoofdinstrument mph als eenheid, dan wordt de snelheid
in km/h weergegeven op de boordcomputer
en omgekeerd.
RESET lang indrukken - gekozen rubriek
wordt op nul gesteld.
U moet iedere rubriek apart op nul stellen.
Resetten bij "Digital"
Dagtellers:
1. Draai met het duimwiel naar de rubriekcombinatie die de op nul te stellen dagteller bevat.
2. RESET lang indrukken - gekozen dagteller wordt op nul gesteld.
Gemiddelde snelheid & Brandstofverbruik:
1. Kies de functie Boordcomp reset en
activeer deze met OK.
2. Kies een van de volgende opties met het
duimwiel en activeer deze met OK:
•
•
•
l/100 km
km/h
Allebei resetten
3. Sluit af met RESET.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Eenheid wijzigen
Boordcomputer - rijstatistiek*
Bediening
U kunt van eenheid veranderen voor weergave van de afstand en snelheid (km/miles) in
het menusysteem My Car, zie MY CAR (p.
105).
Er wordt informatie vastgelegd over het
gemiddelde brandstofverbruik en de gemiddelde snelheid tijdens eerdere ritten. Deze
informatie is weer te geven op het beeldscherm in de vorm van een staafdiagram.
In het menusysteem MY CAR kunt u uiteenlopende instellingen verrichten. Voor een
beschrijving van het menusysteem, zie MY
CAR (p. 105)
N.B.
Een wijziging van deze eenheden is niet
alleen van toepassing op de boordcomputer maar ook op Volvo’s RTI-navigatiesysteem*.
03
met ENTER aan en verlaat het menu met
EXIT.
Met de optie ‘Elke rijcyclus resetten’ aangevinkt, worden alle statistieken automatisch
gewist als de auto na afloop van de rit 4 uur
stilgestaan heeft. De volgende keer dat u de
motor start begint de rijstatistiek weer vanaf
nul.
Boordcomputer - rijstatistiek* (p. 115)
Rijstatistiek28.
Afhankelijk van de gekozen schaalverdeling
symboliseert elke staaf een afgelegde afstand
van 1 km of 10 km – de staaf helemaal rechts
geeft de actuele waarde aan voor een afstand
van 1 of 10 km.
Met de knop TUNE kunt u voor elke staaf van
schaal wisselen tussen 1 km en 10 km – de
aanwijzer rechts wisselt afhankelijk van de
gekozen schaal tussen een positie bovenaan
of onderaan.
28
alle eerdere statistieken. Verlaat het menu
met EXIT.
• Elke rijcyclus resetten – vink het vakje
Gerelateerde informatie
•
• Nieuwe rit starten – met ENTER wist u
Functie
Als u een nieuwe rijcyclus start voordat de
4 uur zijn verstreken, moet u de actuele
periode eerst handmatig wissen via de optie
‘Nieuwe rit starten’.
Zie ook de informatie over Eco guide (p. 60) .
Gerelateerde informatie
•
Boordcomputer - aanvullende informatie
(p. 114)
De afbeelding is schematisch – afhankelijk van de softwareversie en het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
115
KLIMAAT
04 Klimaat
Algemene informatie over de
klimaatregeling
De auto is voorzien van elektronische klimaatregeling (p. 123). De klimaatregeling zorgt
ervoor dat de lucht in het interieur gekoeld,
verwarmd of van vocht ontdaan wordt.
N.B.
Airconditioning (AC) (p. 127) uitschakelen,
maar voor optimaal klimaatcomfort in de
passagiersruimte en om te voorkomen dat
de ruiten beslaan dient u de airconditioning altijd te laten aanstaan.
Waar u op moet letten
•
ter de auto een helling oprijdt), is het
mogelijk dat de airconditioning tijdelijk
wordt uitgeschakeld. Er kan dan een tijdelijke temperatuurstijging optreden.
•
Maak in eerste instantie gebruik van de
ontwasemingsfunctie (p. 128) om condens van de binnenkant van de ruiten te
verwijderen. Houd de binnenzijde van de
ruiten schoon om het risico te beperken
dat ze beslaan.
N.B.
Dek de blaasmonden helemaal achter in
de hoedenplank niet af met kledingstukken
of andere voorwerpen om te voorkomen
dat de achterruit beslaat.
Voor optimale werking van de airconditioning moet u de zijruiten en een schuifdak*
gesloten houden.
Auto’s met Start/Stop*
•
Bij warm weer kunt u de doorluchtfunctie
(p. 168) gebruiken om alle zijruiten tegelijk korte tijd te openen en weer te sluiten
en op die manier snel voor frisse lucht in
de auto te zorgen.
Bij automatische afzetting (p. 265) van de
motor gelden er mogelijk beperkingen voor
de werking van bepaalde apparatuur (zoals
het ventilatortoerental (p. 126) van de klimaatregeling).
•
Veeg sneeuw en ijs van de luchtinlaat
voor de klimaatregeling (de opening tussen de motorkap en de voorruit).
•
In warme weersomstandigheden kan er
ter hoogte van de airconditioning een
plasje water onder de auto ontstaan. Dit
is volkomen normaal.
•
Wanneer de motor het maximale vermogen nodigt heeft (bijvoorbeeld als u
volgas optrekt of met een aanhanger ach-
N.B.
Bij activering van het ECO-systeem worden enkele parameters in de instellingen
van het klimaatsysteem gewijzigd en worden de functies van enkele elektrische verbruikers gereduceerd - met een druk op de
AC-knop reset u het klimaatsysteem, maar
dan met een gereduceerde AC-functie.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Werkelijke temperatuur (p. 118)
Menu-instellingen - klimaat (p. 121)
Elektronische klimaatregeling, ECC (p.
123)
04
Luchtverdeling passagiersruimte (p. 121)
Luchtreiniging (p. 118)
Auto’s met ECO*
Als de functie ECO (p. 274) wordt geactiveerd, kan de functie van bepaalde uitrusting
tijdelijk worden gereduceerd of uitgeschakeld, bijv. de airconditioning (p. 127).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
117
04 Klimaat
04
Werkelijke temperatuur
Sensoren - klimaat
Luchtreiniging
De ingestelde interieurtemperatuur komt overeen met de gevoelstemperatuur op basis van
de heersende omstandigheden in en rond de
auto wat de luchtsnelheid, de luchtvochtigheidsgraad, de ingestraalde warmte enz.
betreft.
De klimaatregeling beschikt over enkele sensoren om de temperatuur (p. 118) in de auto
te regelen.
Het interieur werd dusdanig vormgegeven dat
het gerieflijk en comfortabel is – ook voor
mensen met contactallergieën of astma.
•
•
•
•
Het systeem beschikt over een zonnesensor
(p. 118) die de stand van de zon registreert.
Daardoor kan de temperatuur van de lucht uit
de blaasmonden links en rechts afwijken,
ondanks dat de temperatuurknoppen voor de
beide zijden in dezelfde stand staan.
•
De interieurtemperatuursensor zit onder
het bedieningspaneel van de klimaatregeling.
•
De buitentemperatuursensor zit in de buitenspiegel.
•
De vochtsensor* zit bij de achteruitkijkspiegel.
Gerelateerde informatie
•
•
De zonnesensor zit boven op het dashboard.
N.B.
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 117)
Bedek of blokkeer de sensoren niet met
kledingstukken of andere voorwerpen.
Temperatuurregeling passagiersruimte (p.
127)
Gerelateerde informatie
•
118
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 117)
•
Interieurfilter (p. 119)
Materiaal in de passagiersruimte (p. 120)
Clean Zone Interior Package (CZIP) (p.
119)*
Interior Air Quality System (IAQS) (p.
120)*
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 117)
04 Klimaat
Luchtreiniging - interieurfilter
Alle lucht die de passagiersruimte binnenkomt
wordt gereinigd door een filter.
Vervang het filter regelmatig. Raadpleeg het
Serviceprogramma van Volvo voor het aanbevolen vervangingsinterval. In zeer sterk verontreinigde gebieden moet u het filter mogelijk vaker vervangen.
Luchtreiniging - Clean Zone Interior
Package (CZIP)*
CZIP bestaat uit een aantal aanpassingen
zodat er minder stoffen in het interieur verwerkt zijn die aanleiding kunnen geven tot
allergieën en/of astma.
Het volgende is inbegrepen:
•
N.B.
Er zijn verschillende soorten interieurfilters.
Let erop dat het juiste filter wordt gemonteerd.
Gerelateerde informatie
•
Luchtreiniging (p. 118)
N.B.
Om aan de CZIP-norm te blijven voldoen
dient het IAQS-luchtfilter bij auto’s met
CZIP om de 15.000 km of ten minste eenmaal per jaar te worden vervangen (afhankelijk van wat het eerst wordt bereikt).
Echter, maximaal 75.000 km per 5 jaar. Bij
auto’s zonder CZIP en in die gevallen dat
de klant niet langer eist dat aan de CZIPnorm wordt voldaan, kan het IAQS-filter
met de reguliere intervallen worden vervangen.
•
Een geavanceerde ventilatorfunctie die
inhoudt dat de ventilator aanslaat wanneer de auto via de transpondersleutel
wordt ontgrendeld. De ventilator vult het
interieur op die manier met verse lucht.
De functie start als dat nodig is en stopt
na bij het openen van een van de portieren. Bij inactiviteit wordt de functie na
enige tijd automatisch beëindigd.
Het Interior Air Quality System IAQS (p.
120) is een volautomatisch systeem dat
de lucht in de passagiersruimte ontdoet
van verontreinigingen in de vorm van
stofdeeltjes, koolwaterstoffen, stikstofoxiden en laaghangend ozon.
Zie voor meer informatie over CZIP de brochure die u bij aankoop hebt ontvangen.
04
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 117)
•
Luchtreiniging (p. 118)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
119
04 Klimaat
Luchtreiniging - IAQS*
Het Interior Air Quality System (IAQS) ontdoet
de binnenkomende lucht van gassen en stofdeeltjes om zo hinderlijke geurtjes en verontreinigingen in de passagiersruimte te beperken.
Als de Air Quality Sensor een verhoogde concentratie van verontreinigingen in de buitenlucht meet, wordt de luchtinlaat afgesloten
waarna de lucht in de passagiersruimte wordt
gerecirculeerd.
04
Het is mogelijk het systeem te activeren/
deactiveren in het menusysteem MY CAR.
Voor een beschrijving van het menusysteem,
zie MY CAR (p. 105).
N.B.
Voor de beste lucht in het interieur moet
de luchtkwaliteitssensor altijd zijn ingeschakeld.
In een koud klimaat is de recirculatie
beperkt om het beslaan van de ruiten te
voorkomen.
Als de ruiten beslaan, moet de luchtkwaliteitssensor worden uitgeschakeld en moet
de ontwaseming voor voorruit, achterruit
en zijruiten worden ingeschakeld.
Gerelateerde informatie
120
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 117)
•
Luchtreiniging (p. 118)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
•
Luchtreiniging - Clean Zone Interior Package (CZIP)* (p. 119)
Luchtreiniging - materiaal
De gebruikte materialen zijn erop geselecteerd de hoeveelheid stof in de passagiersruimte te beperken, zodat de passagiersruimte gemakkelijker schoon te houden is.
De vloerbekleding in zowel de passagiersruimte als de kofferbak zijn eenvoudig te verwijderen en schoon te maken. Gebruik de
door Volvo geadviseerde schoonmaakmiddelen en autoverzorgingsproducten voor het reinigen van het interieur (p. 371).
Gerelateerde informatie
•
Luchtreiniging (p. 118)
04 Klimaat
Menu-instellingen - klimaat
Luchtverdeling passagiersruimte
Via de middenconsole is het mogelijk de
basisinstellingen voor zes van de klimaatregelingsfuncties te activeren/deactiveren of wijzigen.
De binnenkomende lucht wordt verdeeld over
uiteenlopende blaasmonden verspreid over
het interieur.
•
Ventilatorstand bij automatische klimaatregeling (p. 126).
•
•
Recirculatietimer (p. 129).
•
Automatische achterruitverwarming (p.
97).
Interior Air Quality System (p. 120)*.
Automatische verwarming bestuurdersstoel (p. 124).
Dicht
G021366
•
•
Blaasmonden in dashboard
Automatische stuurverwarming (p. 76).
Er staat meer informatie in de beschrijving
van het menusysteem (p. 105).
De basisinstellingen voor de klimaatregelingsfuncties zijn te herstellen via het menusysteem MY CAR. Voor een beschrijving van het
menusysteem, zie MY CAR (p. 105).
In de stand AUTO vindt de luchtverdeling
geheel automatisch plaats.
De luchtverdeling valt zo nodig handmatig bij
te regelen, zie luchtverdelingstabel (p. 130).
04
Open
Luchtstroom naar links of rechts
Luchtstroom omhoog of omlaag
Richt de buitenste blaasmonden op de voorste zijruiten om deze te ontwasemen.
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 117)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
121
04 Klimaat
||
Luchtverdeling
G021368
Blaasmonden in portierstijlen
04
Dicht
Luchtverdeling - ontwaseming voorruit
Open
Luchtverdeling - blaasmond dashboard
Luchtstroom naar links of rechts
Luchtverdeling - ventilatie vloer
Luchtstroom omhoog of omlaag
Richt de blaasmonden bij koud weer op de
achterste zijruiten om deze te ontwasemen.
Richt de blaasmonden, bij warm weer, naar
binnen toe voor een behaaglijke temperatuur
achter in de auto.
N.B.
Let erop dat kleine kinderen gevoelig kunnen zijn voor luchtstromen en tocht.
122
De gestileerde menselijke gedaante op de
nevenstaande afbeelding bestaat uit drie
knoppen. Bij bediening van de knoppen gaat
op het display het desbetreffende gedeelte
van de gestiliseerde menselijke gedaante (zie
volgende afbeelding) branden samen met een
pijl vóór dit gedeelte om aan te geven welke
luchtverdelingsstand er gekozen is. Voor
meer informatie, zie de luchtverdelingstabel
(p. 130).
Het display van de middenconsole geeft de
gekozen luchtverdelingsstand aan.
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 117)
•
•
Automatische regeling (p. 126)
Luchtverdeling - recirculatie (p. 129)
04 Klimaat
Elektronische klimaatregeling, ECC
ECC (Electronic Climate Control) handhaaft
de temperatuur die in het interieur wordt
gekozen en kan voor de bestuurders- en passagierszijde apart worden ingesteld.
Met de autofunctie worden temperatuur, airconditioning, ventilatorsnelheid, recirculatie
en luchtverdeling automatisch geregeld.
04
Temperatuurregeling (p. 127), links
Elektrisch verwarmde voorstoel (p. 124),
linkerkant1
Max. ontwaseming (p. 128)
Ventilator (p. 126)
Luchtverdeling (p. 121) - ventilatie vloer
Luchtverdeling - blaasmond dashboard
Luchtverdeling - ontwaseming voorruit
1
2
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming (p. 97)
Elektrische stoelventilatie voor (p. 125)*2,
links
Elektrisch verwarmde voorstoel (p. 124),
rechterkant1
Geventileerde voorstoel*2, rechts
Temperatuurregeling (p. 127), rechts
Recirculatie (p. 129)
AUTO - Automatische klimaatregeling (p.
126)
AC - Airconditioning aan/uit (p. 127)
De positie van de knop hangt af van de vraag of de auto al dan niet is uitgerust met geventileerde voorstoelen*.
Standaard op de Executive.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
123
04 Klimaat
Elektrisch verwarmde voorstoelen*
De verwarming van de voorstoelen heeft drie
standen om het zitcomfort voor bestuurder en
voorpassagier bij kou te verhogen.
•
•
Laagste verwarmingsstand - er brandt
één oranje veld op het beeldscherm.
Verwarming uitschakelen - geen van de
velden brandt.
WAARSCHUWING
Elektrisch verwarmde achterbank*
De verwarming voor de buitenste plaatsen
van de achterbank heeft drie standen om het
comfort voor passagiers te verhogen als het
koud is.
Een elektrisch verwarmde stoel mag niet
worden gebruikt door personen die niet
goed kunnen voelen dat de temperatuur
toeneemt of die om een andere reden
moeilijkheden hebben om de elektrisch
verwarmde stoel te bedienen. Er kunnen
dan namelijk brandwonden ontstaan.
04
Automatische
bestuurdersstoelverwarming
Het display van de middenconsole geeft het
actuele verwarmingsniveau aan.
De positie van de knop hangt
af van de vraag of de auto al
dan niet is uitgerust met
stoelventilatie voorin*, zie
afbeelding (p. 123).
Druk herhaalde malen op de knop voor het
volgende:
•
•
124
Hoogste verwarmingsstand - er branden
drie oranje velden op het beeldscherm
van de middenconsole (zie bovenstaande
afbeelding).
Lagere verwarmingsstand - er branden
twee oranje velden op het beeldscherm.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Bij activering van de automatische bestuurdersstoelverwarming wordt de bestuurdersstoel na het starten van de motor automatisch maximaal verwarmd.
Bij een omgevingstemperatuur onder
zo’n +7 °C en een koude auto vindt automatische inschakeling plaats.
De lampjes in de drukknoppen geven het actuele
verwarmingsniveau aan.
Druk herhaalde malen op de knop voor het
volgende:
•
Het is mogelijk het systeem te activeren/
deactiveren in het menusysteem MY CAR.
Voor een beschrijving van het menusysteem,
zie MY CAR (p. 105).
Hoogste verwarmingsstand - er branden
drie lampjes.
•
Lagere verwarmingsstand - er branden
twee lampjes.
•
Gerelateerde informatie
Laagste verwarmingsstand - er brandt
één lampje.
•
Verwarming uitschakelen - geen van de
lampjes brandt.
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 117)
•
Elektrisch verwarmde achterbank* (p.
124)
04 Klimaat
WAARSCHUWING
Een elektrisch verwarmde stoel mag niet
worden gebruikt door personen die niet
goed kunnen voelen dat de temperatuur
toeneemt of die om een andere reden
moeilijkheden hebben om de elektrisch
verwarmde stoel te bedienen. Er kunnen
dan namelijk brandwonden ontstaan.
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 117)
•
Elektrisch verwarmde voorstoelen* (p.
124)
Geventileerde voorstoelen*3
Voor de positie van de knop,
zie afbeelding (p. 123).
Het is mogelijk de stoelventilatie te combineren met de elektrische stoelverwarming. U
kunt de functie bijvoorbeeld gebruiken om uw
kleding van vocht te ontdoen.
Het ventilatiesysteem bestaat uit ventilatoren
in de zittingen en de rugleuningen die lucht
door de bekleding heen aanzuigen. Naarmate
de lucht in het interieur kouder is, neemt het
koelingseffect toe. Het systeem is te activeren, wanneer de motor loopt.
De ventilatie wordt geregeld door de klimaatregeling op basis van de temperatuur van de
stoel, de ingestraalde warmte en de buitentemperatuur.
Druk voor activering van de
functies herhaalde malen op
de knop.
Er zijn drie comfortniveaus met elk hun eigen
koel- en droogeffect:
•
Comfortniveau III: maximaal effect - er
branden drie blauwe velden op het beeldscherm van de middenconsole (zie
bovenstaande afbeelding).
•
Comfortniveau II: lager effect - er branden twee blauwe velden op het beeldscherm.
•
Comfortniveau I: minimaal effect - er
brandt één blauw veld op het beeldscherm.
•
Functie uitschakelen - geen van de
velden brandt.
04
N.B.
Wie tochtgevoelig is dient de stoelventilatie met beleid te gebruiken. Voor langdurig
gebruik wordt comfortniveau I geadviseerd.
Het beeldscherm van de middenconsole geeft
het actuele comfortniveau aan.
3
Standaard op de Executive.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
125
04 Klimaat
BELANGRIJK
Het is niet mogelijk de stoelventilatie in te
schakelen bij een interieurtemperatuur
lager dan 5 °C. Dit om te voorkomen dat
de passagier op de bewuste stoel te sterk
wordt afgekoeld.
Ventilator
Automatische regeling
Houd de ventilator altijd geactiveerd om te
voorkomen dat de ruiten beslaan.
De autofunctie regelt automatisch temperatuur (p. 127), airconditioning (p. 127), ventilatorsnelheid (p. 126), recirculatie (p. 129) en
luchtverdeling (p. 121).
N.B.
Als de ventilator volledig uitgeschakeld is,
start de airconditioning niet – wat kans op
beslagen ruiten kan geven.
Ventilatorknop
04
Draai aan de knop om de
ventilatorsnelheid te verhogen of te verlagen. Als AUTO
wordt gekozen, wordt de
ventilatorsnelheid automatisch (p. 126) geregeld. De
eerder ingestelde ventilatorsnelheid wordt gedeactiveerd.
Gerelateerde informatie
126
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 117)
•
Elektronische klimaatregeling, ECC (p.
123)
Als u een of meer handmatige functies selecteert, worden de overige functies nog
steeds automatisch geregeld. Alle handmatige instellingen worden uitgeschakeld,
wanneer u op de knop AUTO
drukt. Op het display verschijnt AUTOKLIMAAT.
U kunt de ventilatorsnelheid in de automatische stand instellen in het menusysteem MY
CAR. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie MY CAR (p. 105).
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 117)
04 Klimaat
Temperatuurregeling
passagiersruimte
Bij het starten van de motor wordt de laatst
verrichte temperatuurinstelling hervat.
N.B.
Het is niet mogelijk om het opwarmen/
afkoelen te versnellen door een hogere/
lagere temperatuur te kiezen dan die
eigenlijk gewenst is.
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 117)
•
•
Werkelijke temperatuur (p. 118)
Elektronische klimaatregeling, ECC (p.
123)
Airconditioning
De airconditioning koelt en droogt zo nodig
de binnenkomende lucht.
Wanneer het lampje in de
knop AC brandt, wordt de
airconditioning geheel automatisch geregeld.
Wanneer het lampje in de
knop AC gedoofd is, is de
airconditioning uitgeschakeld. De overige
functies worden nog steeds automatisch
geregeld. Bij activering van de max. ontwaseming (p. 128) wordt automatisch de airconditioning ingeschakeld, zodat de lucht optimaal
gedroogd wordt.
04
De actuele temperatuur voor beide zones staat
aangegeven op het display van de middenconsole.
Met deze knop kunt u de
temperatuur aan de bestuurders- en passagierszijde
onafhankelijk van elkaar
instellen.
127
04 Klimaat
Voorruit ontwasemen en ontdooien
U kunt de elektrische voorruitverwarming* en
de maximale ontwaseming gebruiken om de
vooruit en zijruiten snel te ontwasemen en
ontdooien.
Voor auto’s zonder elektrische voorruitverwarming:
•
Er stroomt lucht naar de ruiten - op het
beeldscherm brandt het symbool (2).
•
Functie uitschakelen - geen van de symbolen brandt.
Voor auto’s met elektrische voorruitverwarming:
04
Het beeldscherm van de middenconsole geeft
de gekozen instelling aan.
Elektrische verwarming*
Max. ontwaseming
Het lampje in de ontwasemingsknop brandt, wanneer
de functie is ingeschakeld.
Druk voor activering van de
functies herhaalde malen op
de knop.
4
128
•
Elektrische voorruitverwarming4 inschakelen - op het beeldscherm brandt een
symbool (1).
•
Elektrische voorruitverwarming4 inschakelen en lucht naar de ruiten sturen - op
het beeldscherm branden de symbolen
(1) en (2).
•
Functie uitschakelen - geen van de symbolen brandt.
N.B.
De elektrische voorruitverwarming is niet
beschikbaar, wanneer de motor automatisch is afgezet (p. 265).
Bij activering van deze functie vindt bovendien het volgende plaats om de lucht in het
interieur zoveel mogelijk van vocht te ontdoen:
•
de airconditioning wordt automatisch
ingeschakeld
•
de recirculatie en het Interior Air Quality
System worden automatisch uitgeschakeld.
N.B.
De ventilator maakt meer geluid wanneer
de ventilator op maximale snelheid draait.
N.B.
Elektrische voorruitverwarming en een
eventuele IR-film (p. 16) kunnen de prestaties van transponders en andere communicatie-apparatuur beïnvloeden.
N.B.
Bij het uitschakelen van de ontwaseming hervat de klimaatregeling de voorgaande instellingen.
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 117)
Aan de beide uiteinden van de voorruit zitten driehoekige gebieden zonder elektrische verwarming, zodat het ontdooien
daar mogelijk langer duurt.
Als bij inschakeling van de elektrische voorruitverwarming het teken C op de achteruitkijkspiegel verschijnt, moet het kompas (p. 99)* opnieuw gekalibreerd worden.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Klimaat
Luchtverdeling - recirculatie
Kies voor recirculatie als u vieze luchtjes, uitlaatgassen en dergelijke buiten wilt houden.
Er komt met andere woorden geen lucht van
buiten de auto in, wanneer deze functie actief
is.
Wanneer de recirculatie
actief is, brandt het oranje
lampje in de knop.
N.B.
Wanneer u voor maximale ontwaseming
kiest, wordt de recirculatie altijd uitgeschakeld.
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 117)
•
•
Luchtverdeling passagiersruimte (p. 121)
Luchtverdeling - tabel (p. 130)
04
BELANGRIJK
Als de lucht in de auto te lang recirculeert,
kan de binnenzijde van de ruiten beslaan.
Timer
Bij een geactiveerde timerfunctie zal de klimaatregeling afhankelijk van de buitentemperatuur na een bepaalde tijd de handmatig
geactiveerde recirculatiestand verlaten. Dit
beperkt de kans op ijs, beslagen ruiten en
een slechte luchtkwaliteit.
Het is mogelijk het systeem te activeren/
deactiveren in het menusysteem MY CAR.
Voor een beschrijving van het menusysteem,
zie MY CAR (p. 105).
129
04 Klimaat
Luchtverdeling - tabel
Met drie knoppen kiest u de gewenste luchtverdeling (p. 121).
04
130
Luchtverdeling
Toepassing
Lucht naar de ruiten. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de
blaasmonden. De lucht wordt niet gerecirculeerd. De airconditioning is
altijd ingeschakeld.
om snel te ontdooien en te ontwasemen.
Lucht naar de voorruit, via de blaasmond voor ontwaseming, en de zijruiten. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de blaasmonden.
om wasem en ijsvorming bij koud en vochtig weer te
voorkomen (niet te lage ventilatorsnelheid).
Luchtstroom naar de ruiten en uit de blaasmonden van het dashboard.
om een comfortabel klimaat te verkrijgen bij warm en
droog weer.
Luchtstroom op hoofd- en borsthoogte uit de blaasmonden van het
dashboard.
om een efficiënte koeling te verkrijgen bij warm weer.
04 Klimaat
Luchtverdeling
Toepassing
Lucht naar de vloer en de ruiten. Er komt een bepaalde hoeveelheid
lucht uit de blaasmonden in het dashboard.
om een comfortabel klimaat en een goede ontwaseming te verkrijgen bij koud weer.
Lucht naar de vloer en uit de blaasmonden in het dashboard.
bij zonnig weer en matige buitentemperaturen.
04
Lucht naar de vloer. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de
blaasmonden in het dashboard en op de ruiten.
om warme of koude lucht naar de vloer te sturen.
Luchtstroom naar de ruiten, uit de blaasmonden in het dashboard en
naar de vloer.
om koele lucht naar de vloer te sturen of warme
lucht naar de rest van het lichaam bij koud weer of
bij warm en droog weer.
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 117)
•
Luchtverdeling - recirculatie (p. 129)
131
04 Klimaat
Motor- en interieurverwarming*
Tanken
Met preconditioning bereidt de verwarming
de motor en het interieur voor om de slijtage
en het stroomverbruik tijdens de rit te beperken.
ming automatisch uitgeschakeld en verschijnt
er een melding op het informatiedisplay.
Bevestig deze melding door op de knop OK
op de richtingaanwijzerhendel (p. 102) te
drukken.
De verwarming is direct (p. 133) in te schakelen of vertraagd met een timerfunctie (p.
133).
04
Bij een buitentemperatuur hoger dan 15 °C
wordt de verwarming niet geactiveerd. Bij
temperaturen van –5 °C of lager is de maximale bedrijfstijd van de verwarming 50 minuten.
WAARSCHUWING
Maak geen gebruik van de verwarming op
brandstof in een afgesloten ruimte. Er
komen uitlaatgassen vrij.
N.B.
Bij gebruik van de verwarming op brandstof komt er mogelijk rook uit de rechter
wielkast, wat volkomen normaal is.
BELANGRIJK
Als de verwarming herhaaldelijk en in combinatie met korte ritten wordt gebruikt, ontlaadt de accu met startproblemen als
gevolg.
Waarschuwingssticker op tankvulklep.
WAARSCHUWING
Gemorste brandstof kan vlam vatten.
Schakel voordat u gaat tanken de verwarming op brandstof uit.
Controleer op het instrumentenpaneel of
de verwarming is uitgeschakeld; wanneer
deze werkt, verschijnt het verwarmingssymbool.
Op een helling parkeren
Wanneer u de auto op een steile helling parkeert, moet u ervoor zorgen dat de voorkant
van de auto omlaagwijst. Zo krijgt de verwarming op brandstof altijd voldoende brandstof.
Accu en brandstof
Als de accu onvoldoende opgeladen is of als
het brandstofpeil te laag is, wordt de verwar-
132
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Om te garanderen dat de accu met net zo
veel energie wordt opgeladen als de verwarming verbruikt, moet u bij regelmatig
gebruik van de verwarming net zo lang
met de auto rijden als dat de verwarming
wordt gebruikt. De verwarming wordt telkens maximaal 50 minuten ingeschakeld.
Gerelateerde informatie
•
Motor- en interieurverwarming* - meldingen (p. 135)
•
Extra verwarming* (p. 137)
04 Klimaat
Motor- en interieurverwarming* direct inschakelen/uitschakelen
Motor- en interieurverwarming* timers
4. Druk kort op OK zodat de uuraanduiding
gaat branden.
Bij directe inschakeling van de motor- en interieurverwarming (p. 132) blijft de verwarming
50 minuten lang draaien.
De timers van de motor- en interieurverwarming (p. 132) zijn gekoppeld aan de klok van
de auto.
5. Stel de gewenste uuraanduiding in met
het duimwiel.
De interieurverwarming gaat van start, zodra
de koelvloeistof in de motor de juiste temperatuur heeft bereikt.
U kunt twee verschillende uitschakeltijden
instellen met de timerfunctie. Onder de uitschakeltijd wordt het tijdstip verstaan waarop
de auto de gewenste temperatuur bereikt
heeft. De elektronica van de auto rekent aan
de hand van de buitentemperatuur zelf uit
wanneer de verwarming moet worden ingeschakeld.
N.B.
U kunt de auto starten en ermee rijden,
terwijl de verwarming op brandstof aanstaat.
1. Druk op de knop OK om het menu te
openen.
2. Ga met het duimwiel naar Verwarming
en maak een keuze met OK.
3. Ga in het volgende menu naar Directe
start/Stop om de verwarming te activeren/deactiveren en bevestig uw keuze
met OK.
4. Verlaat het menu met RESET.
Gerelateerde informatie
•
Motor- en interieurverwarming* - timers
(p. 133)
•
Motor- en interieurverwarming* - meldingen (p. 135)
5
6
N.B.
Als de klok van de auto wordt verzet,
wordt een eventuele programmering van
de timer gewist.
Instellen5
1. Druk op de knop OK om het menu te
openen.
2. Scrol met het duimwiel (p. 102) naar een
van de timers Verwarming en maak een
keuze met OK.
6. Druk kort op de knop OK, zodat de
minuutaanduiding gaat knipperen.
7. Stel de gewenste minuutaanduiding in
met het duimwiel.
8. Druk op OK6 om de instelling te bevestigen.
9. Met RESET gaat u een stap terug binnen
het menusysteem.
04
10. Kies de andere timer (ga verder vanaf
punt 2) of verlaat het menu met RESET.
Starten
1. Druk op de knop OK om het menu te
openen.
2. Ga met het duimwiel naar Verwarming
en maak een keuze met OK.
3. Kies een van de beide timers met het
duimwiel en activeer deze met OK.
4. Verlaat het menu met RESET.
3. Kies een van de beide timers met het
duimwiel en bevestig uw keuze met OK.
De timers zijn alleen in te stellen, wanneer de motor is afgezet.
Bij nogmaals indrukken van OK activeert u de timer.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
133
04 Klimaat
||
Uitschakelen
U kunt de timergestuurde verwarming uitschakelen voordat de timer dat doet. Ga als
volgt te werk:
1. Druk op de knop OK om het menu te
openen.
2. Ga met het duimwiel naar Verwarming
en maak een keuze met OK.
> Als een timer ingesteld maar niet actief
is, staat er een kloksymbool naast de
ingestelde tijd.
04
3. Kies een van de beide timers met het
duimwiel en bevestig uw keuze met OK.
4. Schakel de timer als volgt uit:
•
•
druk lang op OK of
kort op OK om verder te gaan in het
menu. Kies daarna voor uitschakeling
van de timer en bevestig uw keuze met
OK.
5. Verlaat het menu met RESET.
Een timergestuurde verwarming is ook direct
(p. 133) uit te schakelen.
Gerelateerde informatie
•
134
Motor- en interieurverwarming* - meldingen (p. 135)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Klimaat
Motor- en interieurverwarming* meldingen
Symbolen en displaymeldingen ten aan zien
van de motor- en interieurverwarming (p. 132)
verschillen afhankelijk van de vraag of het om
een analoog of digitaal instrumentenpaneel (p.
56) gaat.
Wanneer een van de timers geactiveerd is,
brandt het symbool voor een geactiveerde
timer op het display met de ingestelde tijd
ernaast.
Symbool voor een geactiveerde
timer op een analoog instrumentenpaneel.
Symbool voor een geactiveerde
timer op een digitaal instrumentenpaneel.
In de onderstaande tabel staan de voorkomende symbolen en displaymeldingen.
Wanneer de verwarming ingeschakeld is, brandt het verwarmingslampje op het informatiedisplay.
Symbool
Display
04
Betekenis
De verwarming is ingeschakeld en werkt.
Brandstofkachel gestopt
Zuinige stand
De verwarming werd uitgeschakeld om te zorgen dat er voldoende stroom is om de motor te starten.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
135
04 Klimaat
||
Symbool
04
136
Display
Betekenis
Brandstofkachel gestopt
Brandstofpeil laag
De verwarming kan niet worden geactiveerd door een te laag brandstofpeil – dit om het mogelijk te
maken de motor te starten en nog ca. 50 km te rijden.
Brandstofkachel Service
vereist
Verwarming defect. Neem voor reparatie contact op met een werkplaats. Volvo adviseert u daarvoor contact op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
Een tekstmelding verdwijnt automatisch na
enige tijd. U kunt een melding ook eerder
laten verdwijnen met een druk op de knop
OK van de richtingaanwijzerhendel (p. 102).
04 Klimaat
Extra verwarming*
Extra verwarming op brandstof*
In landen met een koud
is wellicht
een extra verwarming vereist om de motor op
bedrijfstemperatuur te brengen en een
behaaglijke temperatuur in de passagiersruimte te realiseren.
De auto is uitgerust met een extra verwarming
(p. 137) op stroom (p. 138) of op brandstof.
Op auto’s met een dieselmotor is een extra
verwarming op brandstof (p. 137) gemonteerd.
De verwarming wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer het warm genoeg is of wanneer de motor wordt afgezet.
klimaat7
In een gematigde7 klimaatzone worden dieselmodellen uitgerust met een extra verwarming op stroom (p. 138) in plaats van één op
brandstof.
De extra verwarming wordt automatisch ingeschakeld wanneer er extra warmte nodig is
terwijl de motor loopt.
N.B.
Bij gebruik van de extra verwarming komt
er mogelijk rook uit de rechter wielkast,
wat volkomen normaal is.
Bij auto’s met bepaalde benzinemotoren8 is
een extra verwarming op stroom ingebouwd
in de klimaatregeling.
Automatische stand of uitschakelen
Gerelateerde informatie
De automatische startprocedure van de
motor kan desgewenst worden geannuleerd.
•
Motor- en interieurverwarming* (p. 132)
N.B.
2. Druk op de knop OK om het menu te
openen.
3. Scrol met het duimwiel naar Extra verw.9
of Instellingen10 en maak een keuze met
OK.
4. Kies een van de opties AAN of UIT met
het duimwiel en bevestig uw keuze met
OK.
5. Verlaat het menu met RESET.
N.B.
De menu-opties zijn alleen zichtbaar in
contactslotstand I – verricht eventuele
aanpassingen daarom voordat u de motor
start.
04
Interieurverwarming*
Als de extra verwarming is voorzien van een
timerfunctie kan deze dienstdoen als interieurverwarming (p. 132).
Volvo adviseert u de extra verwarming op
brandstof uit te schakelen tijdens korte ritten.
1. Alvorens de motor te starten: Kies de
sleutelstand I (p. 68).
7
8
9
10
Een erkende Volvo-dealer kan u informeren over de desbetreffende geografische gebieden.
Een erkende Volvo-dealer kan u informeren over de desbetreffende motoren.
Analoog instrumentenpaneel.
Digitaal instrumentenpaneel.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
137
04 Klimaat
Extra verwarming op stroom*
De auto is uitgerust met een extra verwarming
(p. 137) op brandstof (p. 137).
De verwarming is niet handmatig te regelen,
maar wordt nadat de motor is aangeslagen
automatisch geactiveerd bij buitentemperaturen lager dan 14 °C en wordt gedeactiveerd
wanneer de ingestelde interieurtemperatuur is
bereikt.
Gerelateerde informatie
•
Motor- en interieurverwarming* (p. 132)
04
138
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
05 Laad- en opbergmogelijkheden
Opbergmogelijkheden
Overzicht van opbergmogelijkheden in passagiersruimte.
05
140
05 Laad- en opbergmogelijkheden
Opbergvak in portierpaneel
Opbergzak* aan de voorkant van de voorstoelzittingen
Parkeerkaarthouder
Dashboardkastje (p. 143)
Opbergvak
Kledinghaak (p. 142)
Opbergvakken, bekerhouder (p. 142)
Bekerhouder* in armsteun, achterbank
Opbergvak
WAARSCHUWING
05
Bewaar losse voorwerpen, zoals een
mobiele telefoon, camera, afstandsbediening voor extra uitrusting e.d., in het dashboardkastje of andere opbergruimten. Bij
krachtig afremmen of een botsing kunnen
deze anders inzittenden verwonden.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
141
05 Laad- en opbergmogelijkheden
Kledinghaak
Middenconsole
Middenconsole - aansteker en asbak*
De kledinghaak zit links op de hoofdsteun van
de passagiersstoel.
De middenconsole zit tussen de voorstoelen.
In bekerhouder onder de middenarmsteun zit
een uitneembare asbak. De aansteker zit in de
12V-aansluiting (p. 144) voor de voorpassagiers.
De kledinghaak is alleen bestemd voor niet al
te zware kledingstukken.
De asbak in de middenconsole (p. 142) is te
verwijderen door deze recht omhoog te tillen.
Gerelateerde informatie
•
Opbergmogelijkheden (p. 140)
U activeert de aansteker door de knop in te
drukken. Wanneer de aansteker heet genoeg
is, veert de knop automatisch uit. Haal de
aansteker uit de opening en gebruik het roodgloeiende deel om bijvoorbeeld een sigaret
mee aan te steken.
Opbergvak (voor bijvoorbeeld cd’s) en
USB*/AUX-ingang onder de armsteun.
05
Bevat een bekerhouder voor de bestuurder en een voorpassagier. (Als u voor een
asbak en aansteker (p. 142) hebt gekozen, zit er een aansteker op de plaats van
de 12V-aansluiting (p. 144) voorin en een
uitneembare asbak in de bekerhouder.)
Gerelateerde informatie
•
142
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Opbergmogelijkheden (p. 140)
Gerelateerde informatie
•
Opbergmogelijkheden (p. 140)
05 Laad- en opbergmogelijkheden
Dashboardkastje
Inlegmatten*
Make-upspiegel
Het dashboardkastje zit aan de passagierszijde.
De inlegmatten vangen bijvoorbeeld vuil en
natte sneeuw op. Volvo biedt inlegmatten die
speciaal vervaardigd zijn.
De make-upspiegel zit aan de achterkant van
de zonneklep.
WAARSCHUWING
Controleer voordat u wegrijdt of de inlegmat voor de bestuurdersstoel goed ligt en
aan de knoppen vastzit, zodat deze niet
naast of onder de pedalen klem kan
komen te zitten.
Gerelateerde informatie
Hier kunt u bijvoorbeeld het instructieboekje
en eventuele kaarten in opbergen. Aan de
binnenkant van de klep zit een houder voor
pennen. Het dashboardkastje is te vergrendelen (p. 169)* met het sleutelblad (p. 158).
Gerelateerde informatie
•
Interieur reinigen (p. 371)
G021438
•
Make-upspiegel met verlichting.
Het lampje gaat automatisch aan, wanneer u
het klepje optilt.
05
Gerelateerde informatie
•
Lamp vervangen - verlichting makeupspiegel (p. 345)
Opbergmogelijkheden (p. 140)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
143
05 Laad- en opbergmogelijkheden
Middenconsole - 12V-aansluiting
U kunt de elektrische aansluiting voor verschillende accessoires gebruiken die op een
spanning van 12 V werken, zoals beeldschermen, mediaspelers of mobiele telefoons. De
transpondersleutel moet ten minste in sleutelstand I (p. 68) staan, anders geeft de aansluiting geen stroom.
De elektrische aansluitingen (12 V) vindt u
naast de bekerhouder1 en achter in de middenconsole.
BELANGRIJK
U kunt maximaal 10 A (120 W) via de aansluiting afnemen bij gebruik van één aansluiting tegelijk. Bij gelijktijdig gebruik van
de beide aansluitingen in de tunnelconsole
geldt een waarde van 7,5 A (90 W) per
aansluiting.
Als de compressor voor bandenreparatie
op een van de beide aansluitingen is aangesloten, mag er op de andere aansluiting
geen stroomverbruiker aangesloten zijn.
WAARSCHUWING
Laat de plug altijd in de aansluiting zitten,
als u deze niet gebruikt.
N.B.
G021439
N.B.
05
12V-aansluiting in middenconsole, voorin.
Extra uitrusting en accessoires – zoals
beeldschermen, mediaspelers en mobiele
telefoons – die zijn aangesloten op een van
de 12V-aansluitingen in de passagiersruimte worden mogelijk geactiveerd door
de klimaatregeling, ook al is de transpondersleutel uitgenomen of de auto vergrendeld, als bijvoorbeeld de standverwarming
ingesteld is om op een bepaalde tijd in te
schakelen.
G021440
Trek daarom wanneer u de extra uitrusting
of accessoires niet gebruikt de stekkers uit
de elektrische aansluitingen, omdat de
startaccu anders uitgeput kan raken!
12V-aansluiting in middenconsole, achterin.
1
144
Bij specificatie van een asbak en aansteker vervallen de bekerhouders en de 12V-aansluiting ernaast.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
De compressor van de noodreparatieset
voor banden (p. 318) is door Volvo getest
en goedgekeurd.
Gerelateerde informatie
•
Middenconsole - aansteker en asbak* (p.
142)
•
12V-aansluiting kofferbak* (p. 149)
05 Laad- en opbergmogelijkheden
Koelbox en glazen
Het Executive-model is achterin uitgerust met
een koelbox en een opbergvak voor glazen.
Voor de optimale werking van de koelbox
is een ongehinderde luchtcirculatie vereist.
Breng daarom geen bagage in de kofferbak aan binnen een straal van 5 cm rond
de luchtinlaat voor de koelbox.
G021859
Koelbox
Glazen
N.B.
Achter de middenarmsteun van de achterbank zit een koelbox. De box werkt wanneer
de motor loopt of wanneer de transpondersleutel in stand II staat.
WAARSCHUWING
Draai de flessen goed dicht voordat u ze in
het koelbox bewaart en zorg dat het deurtje dicht blijft tijdens het rijden.
G021858
G021857
Onder het deksel van de armsteun zit een
opbergvak voor twee glazen en een flesopener.
N.B.
Bij auto’s met een koelbox dient u de achterbank iets naar voren toe te klappen,
voordat u de mat uit de kofferbak kunt verwijderen. Klap de ruggedeelten om (p. 73)
door aan de handgrepen te trekken.
WAARSCHUWING
05
Bewaar de glazen in het opbergvak of in
de bekerhouders en zorg dat het deksel
van de armsteun dicht blijft tijdens het rijden.
145
05 Laad- en opbergmogelijkheden
Lading vervoeren
Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar gewicht van de auto.
Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar gewicht van de auto. Het laadvermogen
dient te worden verminderd met de som van
het gewicht van eventuele inzittenden en dat
van gemonteerde accessoires. Voor uitvoerige informatie over gewichten, zie Gewichten
(p. 380).
Het kofferdeksel is te openen met
de knop op het verlichtingspaneel of
met de transpondersleutel, zie Vergrendelen/ontgrendelen - kofferdeksel (p.
169).
Plaats de last in het midden.
Afhankelijk van het gewicht en de positie
van de lading verandert het rijgedrag van
de auto.
Waar u op moet letten bij het in-/
uitladen
•
Plaats de bagage stevig tegen de rugleuning van de achterbank.
Let erop dat het WHIPS niet door voorwerpen
mag worden gehinderd, als een of meer van
de ruggedeelte van de achterbank zijn neergeklapt, zie WHIPS - zithouding (p. 33).
WAARSCHUWING
Breng zware voorwerpen zo laag mogelijk
aan. Plaats geen zware voorwerpen op
neergeklapte ruggedeelten.
•
Dek scherpe randen met iets zachts af
om de bekleding te beschermen.
•
Zet alle bagage met riemen of bevestigingsbanden aan de verankeringsogen
vast.
Zorg dat u de bagage altijd goed verankert. Bij krachtig remmen kan de bagage
namelijk gaan schuiven en inzittenden verwonden.
Dek scherpe randen en hoeken af met iets
zachts.
Zet de motor af en schakel de parkeerrem
in bij het in- en uitladen van lange voorwerpen. Lange voorwerpen kunnen namelijk tegen de versnellingspook of keuzehendel aan komen en zo per ongeluk een
versnelling inschakelen – de auto kan dan
in beweging komen.
WAARSCHUWING
Vergeet niet dat een voorwerp met een
gewicht van 20 kg tijdens een frontale botsing bij een snelheid van 50 km/h zich kan
gedragen als een voorwerp met een
gewicht van 1000 kg.
WAARSCHUWING
05
146
•
•
WAARSCHUWING
Anders bieden de opblaasgordijnen die
schuilgaan achter de plafondbekleding
mogelijk geen bescherming meer.
•
Zorg dat de lading nooit boven de ruggedeelten uitsteekt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Verankeringsogen (p. 148)
Lading vervoeren - lange lading (p. 147)
Lading op het dak (p. 148)
05 Laad- en opbergmogelijkheden
Lading vervoeren - lange lading
Lading vervoeren - doorsteekluik
Om het in- en uitladen (p. 146) van de bagageruimte te vereenvoudigen, kunt u de ruggedeelten van de achterbank neerklappen. Voor
het vervoer van extra lange lading kunt u ook
de rugleuning van de passagiersstoel omklappen2.
U kunt het luikje in het ruggedeelte openen
om lange en smalle voorwerpen te vervoeren.
Ruggedeelte achterbank omklappen
Voor het omklappen van de ruggedeelten van
de achterbank, zie Achterbank (p. 73).
Klap het rechter ruggedeelte naar voren
toe om.
Ontgrendel het luikje in het ruggedeelte
van de achterbank door de grendel
omhoog te duwen en duw tegelijkertijd
het luikje naar voren toe open.
Zet het ruggedeelte weer rechtop met het
luikje open.
05
Maak gebruik van de veiligheidsgordel om de
lading vast te zetten.
WAARSCHUWING
Zet de motor af en trek de parkeerrem aan
bij het in- en uitladen. Het gevaar is anders
aanwezig dat u met de bagage tegen de
versnellingspook/keuzehendel aankomt en
de auto daarmee in beweging zet.
2
Geldt alleen voor stoelen type Comfort.
147
05 Laad- en opbergmogelijkheden
||
Luikje verwijderen
Lading op het dak
Verankeringsogen
Open het luikje nadat u het hebt ontgrendeld,
met het ruggedeelte omgeklapt, ca. 30 graden en trek het luikje recht omhoog.
Voor vervoer van lading op het dak adviseren
we u de door Volvo ontwikkelde lastdragers.
Dit om schade aan de auto te voorkomen en
voor maximale veiligheid tijdens het rijden.
De inklapbare verankeringsogen3 in de kofferbak gebruikt u om bagagebanden aan vast te
zetten.
Luikje aanbrengen
Plaats het luikje terug in de groeven achter de
bekleding en sluit het luikje.
Volg de montagevoorschriften die bij de lastdragers worden geleverd nauwkeurig op.
Gerelateerde informatie
•
Controleer regelmatig of de lastdragers
en de lading goed vastzitten. Zet de
lading stevig vast met sjorbanden.
•
Verdeel het gewicht van de lading gelijkmatig over de lastdragers. Leg de zwaarste voorwerpen onderop.
•
Naarmate u meer lading op het dak vervoert, vangt de auto meer wind en neemt
het brandstofverbruik toe.
•
Rijd rustig. Trek bij voorkeur niet te snel
op, rem niet te hard en maak niet te
scherpe bochten.
•
05
Lading vervoeren (p. 146)
WAARSCHUWING
Bij het vervoer van lading op het dak verschuift het zwaartepunt en treden er wijzigingen op in de rijeigenschappen van de
auto. Gewichten (p. 380) voor informatie
over de maximale dakbelasting, inclusief
lastdragers en een eventuele skibox.
Gerelateerde informatie
•
3
148
Lading vervoeren (p. 146)
Het aantal en de plaatsing van de ogen variëren al naargelang de markt.
05 Laad- en opbergmogelijkheden
WAARSCHUWING
Harde, scherpe en/of zware voorwerpen
die liggen of uitsteken kunnen bij krachtig
afremmen letsel veroorzaken.
Zet grote en zware voorwerpen altijd met
de veiligheidsgordel of een spanband vast.
Lading vervoeren - houder voor
boodschappentassen
12V-aansluiting kofferbak*
Met de houder voor boodschappentassen
kunt u draagtassen vastzetten om te voorkomen dat ze omvallen en hun inhoud over de
vloer van de kofferbak verspreiden.
U kunt de elektrische aansluiting voor verschillende accessoires gebruiken die op een
spanning van 12 V werken, zoals beeldschermen, mediaspelers of mobiele telefoons.
Gerelateerde informatie
Lading vervoeren (p. 146)
G021463
•
Houder voor boodschappentassen onder het
vloerluik.
1. Klap de houder omhoog die deel uitmaakt
van het vloerluik.
2. Zet de boodschappentassen met de
spanband vast en bevestig de draaggrepen aan de haken.
Gerelateerde informatie
•
Lading vervoeren (p. 146)
05
Open het klepje naar boven toe om bij de
elektrische aansluiting te komen.
•
Via de aansluiting is ook stroom af te
nemen, wanneer de transpondersleutel
niet in het contactslot steekt.
BELANGRIJK
Max. 10 A (120 W).
N.B.
Denk eraan dat als de elektrische aansluiting word gebruikt als de motor uit is, de
startaccu van de auto kan ontladen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
149
05 Laad- en opbergmogelijkheden
||
N.B.
De compressor voor noodreparatieset voor
banden is door Volvo getest en goedgekeurd. Voor informatie over het gebruik
van de aanbevolen noodreparatieset voor
banden (TMK) van Volvo, Noodreparatieset
voor banden* (p. 318).
05
150
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
SLOTEN EN ALARM
06 Sloten en alarm
Transpondersleutel met sleutelblad
Transpondersleutel - verlies
Sleutelgeheugen*
U gebruikt de transpondersleutel om de auto
te starten en deze te vergrendelen en ontgrendelen. De sleutel bevat een afneembaar
sleutelblad (p. 158). Het zichtbare deel
bestaat in twee uitvoeringen om de transponders van elkaar te kunnen onderscheiden.
Bij verlies van een transpondersleutel kunt u
een nieuwe bestellen bij een werkplaats –
geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Dankzij het sleutelgeheugen van de transpondersleutel (p. 152) zijn bepaalde instellingen
van de auto te personaliseren.
Bij de auto worden 2 transpondersleutels of
PCC’s* (Personal Car Communicator geleverd.
U kunt meerdere transpondersleutels nabestellen – voor dezelfde auto kunnen tot
6 stuks worden geprogrammeerd en gebruikt.
WAARSCHUWING
Als er kinderen in de auto aanwezig zijn:
Denk eraan altijd de stroom naar de elektrisch bedienbare ramen en het dakluik te
onderbreken door de transpondersleutel
eruit te halen wanneer de bestuurder de
auto verlaat.
06
Een transpondersleutel met PCC (p. 156)
kent meer functies dan een transpondersleutel, zie PCC* - unieke functies (p. 156).
Gerelateerde informatie
•
152
Transpondersleutel - functies (p. 154)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Neem de resterende transpondersleutels mee
naar de Volvo-werkplaats. Ter voorkoming
van diefstal moet de code van de zoekgeraakte transpondersleutel uit het systeem
worden gewist. Hoeveel sleutels er voor de
auto geprogrammeerd zijn kunt u controleren
in het menusysteem MY CAR. Voor een
beschrijving van het menusysteem, zie MY
CAR (p. 105).
Gerelateerde informatie
•
Transpondersleutel - functies (p. 154)
Het sleutelgeheugen is te gebruiken voor de
elektrische verwarming van de bestuurdersstoel en die van de buitenspiegels. De instellingen voor de buitenspiegels, de bestuurdersstoel en de mate van stuurbekrachtiging
worden opgeslagen in het sleutelgeheugen.
Sleutelgeheugen, buitenspiegels en
bestuurdersstoel
De instellingen worden automatisch gekoppeld aan de transpondersleutel die op dat
moment in gebruik is, zie Geheugen* van
transpondersleutel (p. 72) en Instelbare stuurkracht* (p. 242). Bij vergrendeling met de
transpondersleutel wordt ook het ingestelde
thema van het instrumentenpaneel opgeslagen in de sleutel, zie MY CAR (p. 105).
U kunt het systeem activeren/deactiveren in
het menusysteem MY CAR. Voor een
beschrijving van het menusysteem, zie MY
CAR (p. 105).
Voor auto’s met Keyless drive, zie Keyless
drive* (p. 162).
06 Sloten en alarm
Indicatie vergrendeling/ontgrendeling
- instellen
Wanneer u de auto vergrendelt of ontgrendelt
met een transpondersleutel (p. 152), lichten
de richtingaanwijzers een bepaald aantal
malen op om aan te geven dat de auto op de
juiste manier vergrendeld/ontgrendeld is.
•
•
Vergrendelen – eenmaal oplichten en de
buitenspiegels worden ingeklapt1.
Ontgrendelen – tweemaal oplichten en de
buitenspiegels worden uitgeklapt1.
Bij het vergrendelen gebeurt dit alleen als alle
portieren na het sluiten correct zijn vergrendeld.
Elektronische startblokkering
De elektronische startblokkering is een antidiefstalsysteem dat voorkomt dat onbevoegden de auto kunnen starten.
Elke transpondersleutel (p. 152) heeft zijn
eigen, unieke code. U kunt de auto alleen
starten, wanneer u een transpondersleutel
met de juiste code gebruikt.
De onderstaande foutmeldingen op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel
houden verband met de elektronische startblokkering:
Melding
Betekenis
Plaats
sleutel
Storing tijdens het uitlezen
van de transpondersleutel
tijdens het starten. Sleutel
uit het contactslot trekken,
er weer in drukken en een
nieuwe startpoging doen.
Autosleutel niet
gevonden
Storing tijdens het uitlezen
van de transpondersleutel
tijdens het starten. Nieuwe
startpoging doen.
Als de storing aanhoudt:
Transpondersleutel in het
contactsleutel duwen en een
nieuwe startpoging doen.
Functie kiezen
In het menusysteem MY CAR van de auto
zijn verschillende opties in te stellen voor
bevestiging bij vergrendeling/ontgrendeling
middels lichtsignalen. Voor een beschrijving
van het menusysteem, zie MY CAR (p. 105).
Startblokkering
Start
opnieuw
Gerelateerde informatie
•
•
Keyless drive* (p. 162)
Alarmindicatie (p. 174)
Storing in het startblokkeringssysteem tijdens het
starten. Als de storing aanhoudt: Neem dan contact
op met een werkplaats.
Geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
06
Voor het starten van de auto, zie Motor starten (p. 248).
Gerelateerde informatie
•
1
Op afstand bediende startblokkering met
opsporingssysteem (p. 154)
Alleen auto’s met elektrisch inklapbare buitenspiegels.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
153
06 Sloten en alarm
Op afstand bediende startblokkering
met opsporingssysteem
De op afstand bediende startblokkering met
opsporingssysteem maakt het mogelijk om de
auto op te sporen en te lokaliseren alsmede
op afstand de startblokkering te activeren,
zodat de motor afslaat.
Transpondersleutel - functies
De transpondersleutel heeft functies voor bijvoorbeeld vergrendeling en ontgrendeling van
de portieren.
Neem contact op met de dichtstbijzijnde
Volvo-dealer voor meer informatie over het
systeem en hulp bij de activering ervan.
Gerelateerde informatie
•
Transpondersleutel met sleutelblad (p.
152)
•
Elektronische startblokkering (p. 153)
Transpondersleutel met PCC* - Personal Car
Communicator.
Informatie
Transpondersleutel, standaardversie.
Vergrendelen
Ontgrendelen
Approach-verlichting
06
Kofferdeksel
Paniekfunctie
Functietoetsen
Vergrendelen – Vergrendelt de portieren
en het kofferdeksel en activeert het alarm.
Bij lang indrukken worden alle ruiten en het
schuifdak* tegelijkertijd gesloten (zie ook
Doorluchtfunctie (p. 168)).
WAARSCHUWING
Als schuifdak en ruiten met de transpondersleutel worden gesloten, moet u controleren of er geen handen bekneld raken.
Ontgrendelen – Ontgrendelt de portieren en het kofferdeksel en deactiveert het
alarm.
154
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
06 Sloten en alarm
Bij lang indrukken worden alle ruiten tegelijkertijd geopend (zie ook Doorluchtfunctie (p.
168)).
De gelijktijdige ontgrendeling van alle portieren is dusdanig te wijzigen dat bij eenmaal
indrukken van de knop eerst het bestuurdersportier ontgrendeld wordt en bij de tweede
maal indrukken – één en ander binnen 10
seconden – de resterende portieren te ontgrendelen.
deze functie na ca. 3 minuten automatisch
uitgeschakeld.
Gerelateerde informatie
•
Transpondersleutel met sleutelblad (p.
152)
•
•
PCC* - unieke functies (p. 156)
Vergrendelen/ontgrendelen - vanaf de
buitenkant (p. 167)
Transpondersleutel - bereik
De functies van de transpondersleutel (p. 152)
zijn tot op ca. 20 meter afstand van de auto te
gebruiken.
Als de auto niet reageert bij bediening van
een toets – probeer het dan op minder grote
afstand opnieuw.
N.B.
De functies van de transpondersleutel kunnen worden gestoord door radiogolven in
de omgeving, gebouwen, topografische
omstandigheden e.d. De auto kan altijd
worden vergrendeld/ontgrendeld met het
sleutelblad, Afneembaar sleutelblad - portier ontgrendelen (p. 159).
U kunt de functie wijzigen in het menusysteem MY CAR. Voor een beschrijving van het
menusysteem, zie MY CAR (p. 105).
Duur naderingslicht – Bestemd om de
verlichting van de auto op afstand in te schakelen. Voor meer informatie, zie Approachverlichting (p. 87).
Kofferdeksel (p. 169) - Ontgrendelt
alleen het kofferdeksel en deactiveert de
alarmfunctie voor het kofferdeksel.
Paniekfunctie – bestemd om in noodgevallen de aandacht van anderen te trekken.
Als u de toets ten minste 3 seconden lang
ingedrukt houdt of tweemaal achtereen binnen 3 seconden indrukt, worden de richtingaanwijzers, de interieurverlichting en de claxon geactiveerd.
U kunt deze functie met dezelfde toets weer
uitschakelen, als de functie minimaal
5 seconden actief geweest is. Anders wordt
Als u de transpondersleutel uit de auto neemt
terwijl de motor loopt of sleutelstand (p. 68) I
of II actief is en alle portieren worden gesloten, verschijnt er een waarschuwingsmelding
op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel en klinkt er een geluidssignaal.
06
Als de transpondersleutel weer in de auto is,
verdwijnen de melding en het geluidssignaal
wanneer aan een of meer van de onderstaande voorwaarden is voldaan:
•
de transpondersleutel in het contactslot
wordt gestoken.
•
•
de rijsnelheid hoger is dan 30 km/h.
de knop OK is ingedrukt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
155
06 Sloten en alarm
||
Gerelateerde informatie
•
Transpondersleutel - functies (p. 154)
PCC* - unieke functies
Gebruik van de informatietoets
Een transpondersleutel met PCC heeft extra
functies ten opzichte van een transpondersleutel zonder PCC (p. 152) in de vorm van
een informatieknop en controlelampjes.
–
Druk op de informatietoets
.
> Ca. 7 seconden lang lichten de controlesymbolen op de PCC om de beurt
op. Dit geeft aan dat informatie over de
auto wordt uitgelezen.
Als u gedurende dit tijdsbestek op een
van de andere toetsen drukt, wordt de
uitlezing beëindigd.
N.B.
Transpondersleutel met PCC* - Personal Car
Communicator.
Informatietoets
Controlesymbolen
06
Na een druk op de informatietoets kunt u
bepaalde informatie over de auto uitlezen aan
de hand van de controlesymbolen.
156
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Als bij herhaaldelijk gebruik van de
informatietoets – op verschillende tijdstippen en verschillende plaatsen – blijkt dat
geen van de controlelampjes gaat branden
(en dat evenmin na 7 seconden alsook
nadat de controlelampjes op de PCC om
de beurt oplichtten), dient u contact op te
nemen met een werkplaats – geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats.
De controlesymbolen verstrekken informatie
zoals aangegeven op de volgende afbeelding:
06 Sloten en alarm
PCC* - bereik
N.B.
Het bereik van de PCC voor vergrendeling,
ontgrendeling en bediening van het kofferdeksel is ca. 20 m rond de auto – voor de overige
functies geldt een maximumbereik van
ca. 100 m.
Als binnen het bereik van de PCC
geen van de controlelampjes brandt bij het
indrukken van de informatietoets, vertoont
de communicatie tussen de PCC en de
auto mogelijk storingen onder invloed van
radiogolven in de lucht, omringende
gebouwen, topografische omstandigheden
e.d.
Als de auto niet reageert bij bediening van
een toets – probeer het dan op minder grote
afstand opnieuw.
N.B.
Continu groen licht: de auto is vergrendeld.
Continu oranje licht: de auto is ontgrendeld.
Continu rood licht: het alarm is afgegaan
na vergrendeling van de auto.
De beide rode controlesymbolen lichten
beurtelings rood op: het alarm is minder
dan 5 minuten geleden afgegaan.
Gerelateerde informatie
•
PCC* - bereik (p. 157)
Er kunnen storingen optreden in de functie
van de informatieknop door radiogolven in
de lucht, omringende gebouwen, topografische omstandigheden e.d.
Gerelateerde informatie
•
•
Keyless drive* - bereik PCC (p. 162)
Transpondersleutel - bereik (p. 155)
Buiten bereik PCC
Als de PCC op dermate grote afstand van de
auto is dat er geen informatie over de auto
kan worden uitgelezen, wordt de laatst
bekende status van de auto weergegeven
zonder dat de lampjes op de PCC om de
beurt oplichten.
06
Als er meerdere PCC’s voor de auto in
gebruik zijn, geeft uitsluitend de PCC waarmee de auto de laatste keer vergrendeld/
ontgrendeld werd de juiste status aan.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
157
06 Sloten en alarm
Afneembaar sleutelblad
De transpondersleutel (p. 152) bevat een
afneembaar metalen sleutelblad waarmee u
enkele functies kunt activeren en bepaalde
handelingen kunt uitvoeren.
De unieke code van de sleutelbladen is
bekend bij de erkende Volvo-werkplaatsen,
waar ook nieuwe sleutelbladen kunnen worden besteld.
Afneembaar sleutelblad - verwijderen/
aanbrengen
Het verwijderen/aanbrengen van het afneembare sleutelblad (p. 158) gaat als volgt:
Sleutelblad verwijderen
Functies sleutelblad
U kunt het afneembare sleutelblad van de
transpondersleutel gebruiken om:
06
•
het bestuurdersportier handmatig te openen, als de centrale vergrendeling niet te
bedienen is vanaf de transpondersleutel,
zie Afneembaar sleutelblad - portier ontgrendelen (p. 159).
•
het mechanische kinderslot op de achterportieren te activeren/deactiveren (p.
172).
•
de toegang tot het dashboardkastje en de
kofferbak (Privacy locking (p. 159)*) te
blokkeren.
•
de airbag voor de voorpassagier
(PACOS*) te activeren/deactiveren (p. 28).
Gerelateerde informatie
•
•
158
Transpondersleutel - functies (p. 154)
Transpondersleutel met sleutelblad (p.
152)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Haal de veerbelaste pal opzij.
Trek tegelijkertijd het sleutelblad naar
achteren.
Sleutelblad aanbrengen
Plaats het sleutelblad voorzichtig terug in de
transpondersleutel (p. 152).
1. Houd de transpondersleutel met de gleuf
omhoog en laat het sleutelblad in de gleuf
zakken.
2. Duw voorzichtig tegen het sleutelblad. U
hoort een klikgeluid wanneer het sleutelblad goed vastzit.
Gerelateerde informatie
•
Afneembaar sleutelblad - portier ontgrendelen (p. 159)
•
Kinderslot - handmatige activering (p.
172)
•
Passagiersairbag - activering/deactivering* (p. 28)
06 Sloten en alarm
Afneembaar sleutelblad - portier
ontgrendelen
Het afneembare sleutelblad (p. 158) kan worden gebruikt als de centrale vergrendeling
niet kan worden geactiveerd met de transpondersleutel (p. 152), bijv. als de batterij van de
sleutel leeg is.
Als de centrale vergrendeling niet op de
transpondersleutel reageert (omdat de batterijen bijvoorbeeld leeg zijn), kunt u het
bestuurdersportier op de volgende manier
ontgrendelen en openen:
Gerelateerde informatie
•
Transpondersleutel met sleutelblad (p.
152)
•
Transpondersleutel/PCC - batterij vervangen (p. 161)
Privacy locking*
Privacy locking is bestemd voor als u de auto
afgeeft voor een onderhoudsbeurt of als u
hem bij een hotel of iets dergelijks laat parkeren. Het dashboardkastje is dan vergrendeld
en het kofferdekselslot is niet via de centrale
vergrendeling te openen - het kofferdeksel is
niet meer te bedienen met de knoppen op de
voorportieren of die op de transpondersleutel
(p. 152).
1. Ontgrendel het bestuurdersportier met
het sleutelblad in de slotcilinder van de
portierhandgreep. Voor een afbeelding en
meer informatie, zie Keyless drive*- ontgrendelen met sleutelblad (p. 165).
N.B.
Wanneer u het portier met het sleutelblad
ontgrendeld hebt en vervolgens opent,
gaat het alarm af.
06
Vergrendelingspunten voor transpondersleutel
met sleutelblad.
2. Schakel het alarm uit door de transpondersleutel in het contactslot te steken.
Zie voor auto’s met Keyless-systeem zie
Keyless drive*- ontgrendelen met sleutelblad
(p. 165).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
159
06 Sloten en alarm
||
Activeren/deactiveren
N.B.
Plaats het sleutelblad niet terug op de
transpondersleutel, maar berg het goed
op.
•
Om alleen het dashboardkastje te vergrendelen, zie Vergrendelen/ontgrendelen - dashboardkastje (p. 169).
G021084
Vergrendelingspunten voor transpondersleutel
zonder sleutelblad (Privacy locking geactiveerd).
Dit betekent dat de transpondersleutel zonder
het sleutelblad alleen kan worden gebruikt
om het alarm (p. 173) te activeren/deactiveren, de portieren te openen en in de auto te
rijden.
06
De transpondersleutel zonder sleutelblad kunt
u vervolgens overhandigen aan service- of
hotelpersoneel – het losse sleutelblad houdt u
bij zich.
Privacy locking activeren.
Privacy locking activeren:
Duw het sleutelblad in de slotcilinder van
het dashboardkastje.
Draai het sleutelblad 180 graden
rechtsom. Bij een vergrendeld kastje
staat het sleutelgat verticaal.
Neem het sleutelblad uit. Ondertussen
verschijnt een melding op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel.
Het dashboardkastje is daarmee vergrendeld
en het kofferdeksel is niet meer te ontgrendelen via de transpondersleutel of de knop voor
centrale vergrendeling.
160
Houd voor het deactiveren de omgekeerde volgorde aan.
06 Sloten en alarm
Transpondersleutel/PCC - batterij
vervangen
N.B.
Keer de transpondersleutel met de knoppen naar boven om te voorkomen dat de
batterijen eruit vallen als deze wordt
geopend.
De batterijen in de transpondersleutel/PCC
zijn te vervangen.
Vervang de batterijen in de transpondersleutel/PCC, als:
•
BELANGRIJK
het informatiesymbool op het instrumentenpaneel oplicht en Afst.bediening
batterij raakt leeg. Vervang de batterij.
op het display verschijnt
Raak nieuwe accu's en hun contactvlakken niet met uw vingers aan, aangezien de
werking hierdoor kan verslechteren.
en/of
•
Batterij vervangen
de sloten herhaalde malen achtereen niet
reageren op het signaal van een transpondersleutel die zich binnen een straal
van 20 m rond de auto bevindt.
Let erop hoe de batterij(en) aan de binnenzijde van de afdekking vastzit(ten). Let
daarbij op de pluszijde + en de minzijde –.
Transpondersleutel (1 batterij)
1. Werk de batterij voorzichtig los.
Openen
Haal de veerbelaste pal opzij.
Trek tegelijkertijd het sleutelblad naar
achteren.
Steek een kruiskopschroevendraaier
met een dikte van 3 mm in de opening
achter de veerbelaste pal en werk de
transpondersleutel voorzichtig open.
2. Plaats een nieuwe met de pluszijde (+)
omlaag.
PCC* (2 batterijen)
06
1. Werk de batterijen voorzichtig los.
2. Plaats eerst een nieuwe met de pluszijde
(+) omhoog.
3. Leg het witte plastic vel op de geplaatste
nieuwe batterij en breng daarna nog een
nieuwe batterij aan met de pluszijde (+)
omlaag.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
161
06 Sloten en alarm
Batterijtype
Gebruik batterijen met het opschrift CR2430,
3 V (twee per transpondersleutel en twee per
PCC).
N.B.
Volvo adviseert u om batterijen voor de
transpondersleutel/PCC te gebruiken die
voldoen aan UN Manual of Test and
Criteria, Part III, sub-section 38.3. Voor
batterijen die in de fabriek zijn geplaatst of
in een erkende Volvo-werkplaats zijn vervangen is dit het geval.
In elkaar zetten
1. Druk de afdekking weer op de transpondersleutel vast.
2. Houd de transpondersleutel met de gleuf
omhoog en laat het sleutelblad in de gleuf
zakken.
06
3. Duw voorzichtig tegen het sleutelblad. U
hoort een klikgeluid wanneer het sleutelblad goed vastzit.
BELANGRIJK
Let erop dat lege batterijen op een milieuvriendelijke manier worden verwerkt.
Gerelateerde informatie
162
•
Transpondersleutel met sleutelblad (p.
152)
•
Transpondersleutel - functies (p. 154)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Keyless drive*
Keyless drive* - bereik PCC
156)2
Keyless drive, alleen met PCC (p.
houdt
in dat het vergrendel- en startsysteem van de
auto zonder sleutel kan worden bediend.
Met de Keyless drive-functie van de PCC
kunt u zonder een sleutel te gebruiken de
auto ontgrendelen (p. 164), starten en vergrendelen. U hoeft de PCC alleen bij u te dragen. Het systeem maakt het eenvoudiger om
de auto te openen wanneer u bijvoorbeeld uw
handen vol hebt.
Om een portier of het kofferdeksel te kunnen
openen moet de PCC zich binnen een straal
van maximaal 1,5 m rond de portierhandgrepen of het kofferdeksel bevinden.
U moet de PCC bij u dragen om een portier te
vergrendelen of ontgrendelen. Wanneer u aan
de ene kant van de auto staat, is het niet
mogelijk om met de PCC een portier aan de
andere kant te vergrendelen of ontgrendelen.
Beide PCC’s van de auto ondersteunen de
Keyless-functie. U kunt meer PCC’s bijbestellen, zie Transpondersleutel met sleutelblad (p.
152).
Het elektrische systeem van de auto kan in
drie verschillende standen worden gezet sleutelstand 0, I en II (p. 68) - met de transpondersleutel.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Keyless drive* - bereik PCC (p. 162)
Keyless drive* - veilig gebruik van de PCC
(p. 163)
Keyless drive* - storingen in de functie
van een PCC (p. 163)
G020577
||
De rode cirkels op de bovenstaande afbeelding geven het bereik van de systeemantennes aan.
Als u alle PCC's uit de auto neemt terwijl de
motor loopt of sleutelstand I of II (p. 68) actief
is en alle portieren worden gesloten, verschijnt er een waarschuwingsmelding op het
informatiedisplay van het instrumentenpaneel
en klinkt er een geluidssignaal.
06 Sloten en alarm
Als een van de PCC’s weer in de auto is, verdwijnen de waarschuwingsmelding en het
geluidssignaal wanneer aan een of meer van
de onderstaande voorwaarden is voldaan:
•
•
er is een portier geopend of gesloten
•
de knop OK is ingedrukt.
de transpondersleutel is in het contactslot
gestoken
Gerelateerde informatie
•
•
Keyless drive* (p. 162)
Keyless drive* - locatie antennes (p. 166)
Keyless drive* - veilig gebruik van de
PCC
Keyless drive* - storingen in de
functie van een PCC
Pas goed op al uw transpondersleutels.
De Keyless-functie kan gestoord worden door
elektromagnetische velden en afschermingen.
Als u een PCC met keyless-functie in de auto
laat liggen, wordt de PCC bij het vergrendelen van de auto tijdelijk gedeactiveerd. Onbevoegden kunnen de portieren er dan niet
meer mee openen.
Als er echter ingebroken wordt en iemand de
PCC in de auto vindt, wordt de PCC weer
geactiveerd. Pas daarom goed op al uw
PCC’s.
BELANGRIJK
Laat een PCC nooit in de auto liggen.
Gerelateerde informatie
•
2
Keyless drive* (p. 162)
N.B.
Plaats/bewaar de PCC niet in de buurt van
een mobiele telefoon of metalen voorwerpen. Houd een minimale afstand aan van
10-15 cm.
Als er desondanks toch storingen optreden,
moet u de PCC en het sleutelblad als transpondersleutel gebruiken, zie Transpondersleutel - functies (p. 154).
Gerelateerde informatie
•
Transpondersleutel/PCC - batterij vervangen (p. 161)
•
Keyless drive* - veilig gebruik van de PCC
(p. 163)
•
Keyless drive* - bereik PCC (p. 162)
06
Personal Car Communicator.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
163
06 Sloten en alarm
Keyless drive* - vergrendelen
N.B.
Auto’s met Keyless-drive zijn voorzien van
een knop voor vergrendeling/ontgrendeling
op de buitenhandgreep van de portieren.
Op auto's met een automatische versnellingsbak moet de keuzehendel in de Pstand staan. Anders kan de auto niet worden vergrendeld of op alarm worden
gezet.
Gerelateerde informatie
•
•
Bij auto’s met Keyless drive-systeem zit er een
knop op de buitenhandgreep van de portieren.
06
Vergrendel de portieren en het kofferdeksel
door op de vergrendelingsknop op een van
de portierhandgrepen aan de buitenkant te
drukken.
Alle portieren inclusief het kofferdeksel moeten zijn gesloten, voordat u de auto kunt vergrendelen – de auto wordt anders niet vergrendeld.
164
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Keyless drive* (p. 162)
Alarmindicatie (p. 174)
Keyless drive* - ontgrendelen
Er wordt ontgrendeld wanneer iemand een
portierhandgreep beetpakt of op het met rubber beklede drukplaatje van het kofferdeksel
drukt – open het portier of het kofferdeksel op
de normale manier.
Gerelateerde informatie
•
•
Keyless drive* (p. 162)
Keyless drive* - vergrendelen (p. 164)
06 Sloten en alarm
Keyless drive*- ontgrendelen met
sleutelblad
Als de centrale vergrendeling niet op de PCC
reageert (omdat de batterijen bijvoorbeeld
leeg zijn), kunt u het linker voorportier ontgrendelen of vergrendelen met het afneembare sleutelblad van de PCC (zie Afneembaar
sleutelblad - verwijderen/aanbrengen (p.
158)).
1. Duw het sleutelblad ca. 1 cm recht
omhoog in de opening aan de onderkant
van de portierhandgreep/afdekking – niet
wrikken.
> De kunststof afdekking komt automatisch los, wanneer u het blad recht
omhoog de opening induwt.
2. Steek het sleutelblad vervolgens in de
slotcilinder en ontgrendel het portier.
3. Plaats de kunststof afdekking na ontgrendeling terug.
N.B.
Wanneer u het bestuurdersportier met het
sleutelblad ontgrendeld hebt en vervolgens opent, gaat het alarm af. Het wordt
uitgeschakeld door de PCC in het contactslot te steken, zie Alarmsysteem - transpondersleutel defect (p. 175).
Opening voor het sleutelblad - voor het afnemen
van de afdekking.
Om bij de slotcilinder te komen dient de
kunststof afdekking van de portierhandgreep
te worden verwijderd – ook dit vindt plaats
met het sleutelblad:
3
Gerelateerde informatie
•
•
Keyless drive* (p. 162)
Alarm (p. 173)
Keyless drive* - sleutelgeheugen
Dankzij het sleutelgeheugen3 van de PCC zijn
bepaalde instellingen van de auto te personaliseren.
Het sleutelgeheugen is te gebruiken voor de
elektrische verwarming van de bestuurdersstoel en die van de buitenspiegels. De instellingen voor de buitenspiegels en de bestuurdersstoel worden opgeslagen in het sleutelgeheugen.
Geheugenfunctie van PCC
Als meerdere personen met elke hun eigen
PCC met Keyless drive-functie naar de auto
lopen, nemen de bestuurdersstoel en de buitenspiegels de stand in die ligt opgeslagen in
de PCC van degene die het bestuurdersportier opent.
Wanneer het bestuurdersportier bijv. werd
geopend door persoon A met PCC A, maar
persoon B met PCC B zal gaan rijden, zijn de
instellingen als volgt te wijzigen:
•
Staand naast het bestuurdersportier of
zittend achter het stuur drukt persoon B
op de ontgrendelingstoets van zijn PCC,
zie Transpondersleutel - functies (p. 154).
•
Kies een van de drie mogelijke positiegeheugens voor de stoel met de stoelknop-
06
Alleen in combinatie met een elektrisch bedienbare* bestuurdersstoel en elektrisch inklapbare buitenspiegels.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
165
06 Sloten en alarm
||
•
pen 1–3, zie Voorstoelen - elektrisch
bediend (p. 71).
Keyless drive* vergrendelingsinstellingen
Zet de stoel en de spiegels handmatig in
de juiste stand, zie Voorstoelen - elektrisch bediend (p. 71) en Buitenspiegels
(p. 96).
De vergrendelingsinstellingen voor het
Keyless-systeem zijn aan te passen.
Gerelateerde informatie
•
•
Keyless drive* (p. 162)
Transpondersleutel - functies (p. 154)
Keyless drive* - locatie antennes
Het Keyless-systeem werkt met een aantal
antennes die op verschillende locaties ingebouwd zijn in de auto.
De vergrendelingsinstellingen voor het
Keyless-systeem zijn aan te passen door in
het menusysteem MY CAR aan te geven
welke portieren er ontgrendeld moeten worden. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie MY CAR (p. 105).
Gerelateerde informatie
•
Keyless drive* (p. 162)
Achterbumper, in het midden
Portierhandgreep, linksachter
Hoedenplank, aan de onderkant, in het
midden
06
Portierhandgreep, rechtsachter
Middenconsole, onder achterstuk
Middenconsole, onder voorstuk.
166
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
06 Sloten en alarm
WAARSCHUWING
Personen met een pacemaker mogen niet
dichter dan 22 cm bij de antennes van het
Keyless-systeem komen. Hierdoor voorkomt u storingen tussen de pacemaker en
het Keyless-systeem.
Gerelateerde informatie
•
Keyless drive* (p. 162)
Vergrendelen/ontgrendelen - vanaf de
buitenkant
N.B.
Let erop dat het alarm afgaat, wanneer het
portier na ontgrendeling met het sleutelblad wordt geopend – het alarm wordt uitgeschakeld, wanneer de transpondersleutel in het contactslot wordt geplaatst.
Met de transpondersleutel (p. 152) is vergrendeling/ontgrendeling van de buitenkant
mogelijk. Met de transpondersleutel kunt u
alle portieren en het kofferdeksel gelijktijdig
vergrendelen/ontgrendelen. U hebt de keuze
uit verschillende ontgrendelingsprocedures,
zie Transpondersleutel - functies (p. 154).
Om de ontgrendelingsprocedure te kunnen
activeren moet het bestuurdersportier dichtstaan – als een van de overige portieren of
het kofferdeksel openstaat, wordt dit pas na
het sluiten vergrendeld en inbegrepen in het
alarmsysteem. Bij het Keyless*-systeem dienen alle portieren en het kofferdeksel dicht te
staan.
N.B.
Let op het gevaar voor buitensluiten met
de transpondersleutel nog in de auto.
Als u niet met de transpondersleutel kunt vergrendelen/ontgrendelen is de batterij mogelijk
leeg – vergrendel/ontgrendel het bestuurdersportier dan met het afneembare sleutelblad,
zie Afneembaar sleutelblad - verwijderen/
aanbrengen (p. 158).
WAARSCHUWING
Let op het risico van opsluiting in de auto,
als u de auto van de buitenzijde vergrendelt – de portieren zijn dan namelijk niet
meer van de binnenzijde te openen met de
portierhandgrepen. Voor meer informatie,
zie Safelock-functie* (p. 171).
Automatische hervergrendeling
Als u geen van de portieren noch het kofferdeksel binnen twee minuten na ontgrendeling
van de buitenzijde met de transpondersleutel
opent, worden alle sloten automatisch weer
vergrendeld. Dit beperkt het risico dat u de
auto per ongeluk onvergrendeld kunt laten
staan. (Voor auto’s met alarmsysteem, zie
Alarm (p. 173).)
06
Gerelateerde informatie
•
Vergrendelen/ontgrendelen - van de binnenzijde (p. 168)
•
Vergrendelen/ontgrendelen - vanaf de
buitenkant (p. 167)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
167
06 Sloten en alarm
Vergrendelen/ontgrendelen - van de
binnenzijde
Alle portieren en de achterklep worden tegelijkertijd vergrendeld of ontgrendeld met de
knop van het bestuurdersportier en het passagiersportier* voor centrale vergrendeling.
Bij lang indrukken worden ook alle zijruiten*
tegelijkertijd geopend (zie ook Doorluchtfunctie (p. 168)).
•
Centrale vergrendeling
Trek eenmaal aan de openingshandgreep
en laat deze vervolgens los – het portier is
ontgrendeld. Wanneer u nogmaals aan de
handgreep trekt wordt het portier
geopend.
Doorluchtfunctie
Bij warm weer kunt u de doorluchtfunctie
gebruiken om alle zijruiten tegelijk korte tijd te
openen en weer te sluiten en op die manier
snel voor frisse lucht in de auto te zorgen.
Vergrendelen
•
Druk nadat u de voorportieren hebt
gesloten op de knop voor de centrale ver.
grendeling
Bij lang indrukken worden ook alle zijruiten en
het schuifdak tegelijkertijd gesloten (zie ook
Doorluchtfunctie (p. 168)).
Alle portieren zijn ook afzonderlijk te vergrendelen met hun vergrendelingsknop – het portier moet uiteraard dichtstaan.
Centrale vergrendeling.
06
•
Druk de rechterkant
van de knop in
om te vergrendelen en de linkerkant
om te ontgrendelen.
Wanneer u de knop lang ingedrukt houdt,
worden ook alle zijruiten* tegelijkertijd
geopend.
Ontgrendelen
Een portier kan op twee manieren van de binnenkant worden ontgrendeld:
•
168
Bij het indrukken van de knop voor cen.
trale vergrendeling
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Automatische vergrendeling
Bij het wegrijden worden de portieren en het
kofferdeksel automatisch vergrendeld.
U kunt het systeem activeren/deactiveren in
het menusysteem MY CAR. Voor een
beschrijving van het menusysteem, zie MY
CAR (p. 105).
Gerelateerde informatie
•
•
•
Vergrendelen/ontgrendelen - vanaf de
buitenkant (p. 167)
Alarm (p. 173)
Transpondersleutel - functies (p. 154)
Knop voor centrale vergrendeling
Bij lang indrukken van het
-symbool op
de knop voor centrale vergrendeling worden
ook alle zijruiten tegelijkertijd geopend. Wan-symbool
neer u hetzelfde doet bij het
worden alle zijruiten gelijktijdig gesloten.
Gerelateerde informatie
•
Vergrendelen/ontgrendelen - van de binnenzijde (p. 168)
•
Elektrisch bedienbare ruiten (p. 93)
06 Sloten en alarm
Vergrendelen/ontgrendelen dashboardkastje
Het dashboardkastje (p. 143) valt alleen te
vergrendelen/ontgrendelen met het afneembare sleutelblad van de transpondersleutel.
Voor informatie over het sleutelblad, zie
Afneembaar sleutelblad - verwijderen/
aanbrengen (p. 158).
Dashboardkastje vergrendelen:
Duw het sleutelblad in de slotcilinder van
het dashboardkastje.
Draai het sleutelblad 90 graden rechtsom.
Het sleutelgat staat horizontaal wanneer
het kastje vergrendeld is.
Neem het sleutelblad uit.
•
Houd voor het ontgrendelen de omgekeerde volgorde aan.
Voor informatie over Privacy locking, zie Privacy locking* (p. 159).
Vergrendelen/ontgrendelen kofferdeksel
Het kofferdeksel is op meerdere manieren te
openen, vergrendelen en ontgrendelen.
Ontgrendelen met transpondersleutel
Met de toets
op de transpondersleutel is
het mogelijk om de alarmfunctie voor de achterklep te deactiveren* zodat u de achterklep
apart kunt ontgrendelen.
06
Bij auto’s met alarm* dooft de alarmindicatie
op het instrumentenpaneel om aan te geven
dat niet alle onderdelen van de auto beveiligd
zijn. De niveausensoren en bewegingsmelders alsmede de sensoren in de opening van
het kofferdeksel worden buiten werking
gesteld.
De portieren blijven vergrendeld en beveiligd.
•
De achterklep wordt weliswaar ontgrendeld maar blijft dichtstaan – druk lichtjes
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
169
06 Sloten en alarm
||
tegen op het met rubber bekleding drukplaatje onder de buitenhandgreep en
open de klep.
N.B.
Als de klep niet binnen 2 minuten na ontgrendeling wordt geopend, wordt de klep weer
vergrendeld en het alarm opnieuw geactiveerd.
U kunt het kofferdeksel op twee
verschillende manieren openen
Eenmaal drukken – Het kofferdeksel wordt
weliswaar ontgrendeld maar blijft dichtstaan –
druk lichtjes tegen op het met rubber bekleding drukplaatje onder de buitenhandgreep
en open het kofferdeksel.
Als de klep niet binnen 2 minuten na ontgrendeling wordt geopend, wordt de klep weer
vergrendeld en het alarm opnieuw geactiveerd.
06
170
Tweemaal drukken – Het kofferdeksel wordt
ontgrendeld en de vergrendeling wordt vrijgegeven waarna het kofferdeksel enkele centimeters omhoogkomt – til de buitenhandgreep
omhoog om het deksel te openen. Bij zware
regen- of sneeuwval, vorst of ijzel komt de
klep echter mogelijk niet uit de vergrendeling
los.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
•
Wanneer de klep met tweemaal
indrukken werd ontgrendeld is automatische hervergrendeling niet mogelijk omdat de klep openstaat – u dient
de klap handmatig te sluiten.
•
Na het sluiten is de klep onvergrendeld
en niet opgenomen in het alarmsysteem – met de vergrendeltoets
op
de transpondersleutel kunt u de klep
opnieuw vergrendelen en opnemen in
het alarmsysteem.
Vergrendelen met transpondersleutel
•
voor vergrendeling
Druk op de toets
op de transpondersleutel (p. 154).
Bij auto’s met alarm* gaat de alarmindicatie
op het instrumentenpaneel knipperen om aan
te geven dat het alarm geactiveerd is.
Van de binnenzijde ontgrendelen
Om het kofferdeksel te ontgrendelen:
–
Druk op de knop (1) op het verlichtingspaneel.
> Het slot ontgrendelt en de klep opent
een paar centimeter.
Gerelateerde informatie
•
Vergrendelen/ontgrendelen - van de binnenzijde (p. 168)
•
Vergrendelen/ontgrendelen - vanaf de
buitenkant (p. 167)
06 Sloten en alarm
Safelock-functie*
Tijdelijk deactiveren
N.B.
Bij activering van de Safelock-functie worden
alle vergrendelknoppen en openingshandgrepen mechanisch losgekoppeld, wat het openen van de portieren van zowel de binnen- als
de buitenzijde onmogelijk maakt.
Met de transpondersleutel (p. 152) activeert u
de Safelock-functie die ca. 10 seconden na
vergrendeling van de portieren in werking
treedt.
Bij Safelock is de auto alleen met de transpondersleutel te ontgrendelen. Het linker
voorportier is ook te ontgrendelen met het
afneembare sleutelblad (p. 158). Bovendien is
het mogelijk om de portieren en het kofferdeksel te ontgrendelen/openen op auto's uitgerust met Keyless drive* door de portierhandgreep of de handgreep van het kofferdeksel vast te pakken.
Let erop dat het alarm wordt geactiveerd bij vergrendeling van de auto.
•
Als een van de portieren van de binnenzijde wordt geopend, gaat het
alarm af.
Gerelateerde informatie
N.B.
Als er binnen deze vertragingsperiode een
van de portieren wordt geopend, wordt de
functie geannuleerd en het alarm gedeactiveerd.
•
Geactiveerde menu-opties staan aangekruist.
•
Keyless drive*- ontgrendelen met sleutelblad (p. 165)
•
Transpondersleutel met sleutelblad (p.
152)
MY CAR
OK MENU
Draaiknop TUNE
EXIT
Als u de portieren van de buitenzijde wilt vergrendelen terwijl er iemand in de auto achterblijft, kunt u de Safelock-functie tijdelijk uitschakelen. Dat is mogelijk in het menusysteem MY CAR. Voor een beschrijving van het
menusysteem, zie MY CAR (p. 105).
06
WAARSCHUWING
Laat niemand in de auto zitten zonder
eerst de Safelock-functie te deactiveren
om te voorkomen dat u iemand opsluit.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
171
06 Sloten en alarm
Kinderslot - handmatige activering
N.B.
Het kinderslot voorkomt dat kinderen een
achterportier vanaf de binnenzijde kunnen
openen.
Kinderslot activeren/deactiveren
•
De vergrendelbus van een portier dient
alleen om het desbetreffende portier te
vergrendelen – dus niet beide achterportieren.
•
Op auto’s met een elektrisch kinderslot zit geen handmatig kinderslot.
G021077
Gerelateerde informatie
06
•
Kinderslot - elektrische activering* (p.
172)
•
Vergrendelen/ontgrendelen - van de binnenzijde (p. 168)
•
Vergrendelen/ontgrendelen - vanaf de
buitenkant (p. 167)
Kinderslot - elektrische activering*
Het elektrisch geactiveerde kinderslot voorkomt dat kinderen achter in de auto de achterportieren of de achterste zijruiten kunnen
openen.
Activeren
Het kinderslot is in alle sleutelstanden (p. 68)
anders dan 0 te activeren/deactiveren en dat
binnen 2 minuten na het afzetten van de
motor, op voorwaarde dat er geen portier
wordt geopend.
Doe het volgende om het kinderslot te activeren:
De bedieningscilinders van het kinderslot zitten achter op de korte kant van de achterportieren, zodat ze alleen bereikbaar zijn wanneer de portieren openstaan.
Doe het volgende om het kinderslot te activeren/deactiveren:
–
Maak gebruik van het afneembare sleutelblad (p. 158) van de transpondersleutel
om de cilinder te verdraaien.
Het portier is niet vanaf de binnenzijde te
openen.
Het portier is zowel vanaf de buitenzijde
als vanaf de binnenzijde te openen.
172
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Bedieningspaneel bestuurdersportier.
1. Start de motor of kies een sleutelstand
anders dan 0.
06 Sloten en alarm
2. Druk op de bijbehorende knop van het
bedieningspaneel op het bestuurdersportier.
> Op het informatiedisplay van het
instrumentenpaneel staat de melding
Kinderslot Actief en het lampje in de
knop brandt - het slot is geactiveerd.
Wanneer het kinderslot actief is, zijn de achterste:
•
zijruiten alleen vanaf het bedieningspaneel op het bestuurdersportier te bedienen
•
portieren niet van de binnenkant te openen.
Bij het afzetten van de motor wordt de
actuele instelling vastgelegd – als het kinderslot geactiveerd was tijdens het afzetten van
de motor, dan is de functie de volgende keer
dat u de motor start eveneens actief.
Gerelateerde informatie
•
Kinderslot - handmatige activering (p.
172)
•
Vergrendelen/ontgrendelen - van de binnenzijde (p. 168)
Alarm
N.B.
Het alarm is een systeem dat waarschuwt als
er bijvoorbeeld in de auto wordt ingebroken.
De bewegingsmelders laten het alarm
afgaan bij bewegingen in de passagiersruimte – ook eventuele luchtstromen worden geregistreerd. Het alarm kan dan ook
afgaan, als u de auto met een ruit of
schuifdak open laat staan of als u de interieurverwarming gebruikt.
Een geactiveerd alarmsysteem gaat af als:
•
een portier, de motorkap of het kofferdeksel wordt geopend;
•
er beweging in de passagiersruimte wordt
waargenomen (als er een bewegingsmelder* aanwezig is)
•
de auto wordt opgetakeld of weggesleept
(op auto’s met een niveausensor*)
•
een kabel van de startaccu wordt losgekoppeld
•
de sirene wordt losgekoppeld.
Om dat te voorkomen: Sluit bij het verlaten
van de auto alle ruiten en het schuifdak. Bij
gebruik van de geïntegreerde interieurverwarming van de auto (of een draagbare
variant daarvan op stroom) dan dient u de
blaasmonden dusdanig af te stellen dat
deze niet omhoogwijzen. U kunt ook
gebruik maken van het beperkte alarmniveau, zie Beperkt alarmniveau (p. 175).
Als er een storing in het alarmsysteem is
opgetreden, verschijnt er een melding op het
informatiedisplay van het instrumentenpaneel.
Neem dan contact op met een werkplaats –
geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
N.B.
Probeer niet zelf de onderdelen van het
alarmsysteem te repareren of te wijzigen.
Dergelijke pogingen kunnen van invloed
zijn op de verzekeringsvoorwaarden.
06
Alarm activeren
–
Druk op de vergrendelingstoets op de
transpondersleutel.
Alarm deactiveren
–
Druk op de ontgrendelingstoets op de
transpondersleutel.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
173
06 Sloten en alarm
||
Geactiveerd alarm uitschakelen
Alarmindicatie
–
De alarmindicatie geeft de status aan van het
alarmsysteem (p. 173).
Druk op de ontgrendelingstoets op de
transpondersleutel of steek de transpondersleutel in het contactslot.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Alarmindicatie (p. 174)
Alarmsysteem - automatische
herinschakeling
De automatische herinschakeling van het
alarm voorkomt dat u de auto verlaat zonder
het alarmsysteem (p. 173) uit te schakelen.
Als u geen van de portieren noch de achterklep binnen twee minuten na uitschakeling
van het alarm opent wanneer de auto met de
transpondersleutel ontgrendeld (en het alarm
gedeactiveerd) werd, wordt het alarm automatisch opnieuw ingeschakeld. De auto
wordt bovendien opnieuw vergrendeld.
Alarmsysteem - automatische herinschakeling (p. 174)
Alarmsysteem - transpondersleutel defect
(p. 175)
Gerelateerde informatie
•
Een rode led op het instrumentenpaneel geeft
de status van het alarmsysteem aan:
•
•
06
174
•
De led is uit – het alarm is uitgeschakeld
De led licht om de twee seconden eenmaal op – het alarm is ingeschakeld
De led knippert snel vanaf het moment
van uitschakelen van het alarm (tot aan
het moment dat u de transpondersleutel
in het contactslot steekt en sleutelstand I
wordt bereikt) – het alarm is afgegaan.
Beperkt alarmniveau (p. 175)
06 Sloten en alarm
Alarmsysteem - transpondersleutel
defect
Als u het alarm (p. 173) niet kunt uitschakelen
met de transpondersleutel (als bijvoorbeeld
de batterij (p. 161) van de sleutel leeg is), kunt
u de auto als volgt ontgrendelen, het alarmsysteem deactiveren en de motor starten:
1. Open het bestuurdersportier met het
afneembare sleutelblad (p. 165).
> Het alarm gaat af, de alarmindicatie (p.
174) knippert snel en de sirene klinkt.
Alarmsignalen
Beperkt alarmniveau
Wanneer het alarm (p. 173) afgaat, klinkt een
sirene en knipperen alle richtingaanwijzers.
Een beperkt alarmniveau houdt in dat de
bewegingsmelders en niveausensoren tijdelijk
worden uitgeschakeld.
•
Er klinkt een sirene totdat u het alarm uitschakelt. Bij inactiviteit gaat de sirene na
30 seconden lang automatisch uit. De
sirene heeft zijn eigen accu en werkt volledig onafhankelijk van de startaccu in de
auto.
•
Alle richtingaanwijzers knipperen totdat u
het alarm uitschakelt. Bij inactiviteit gaan
ze na vijf minuten automatisch uit.
Om te voorkomen dat het alarmsysteem (p.
173) onbedoeld afgaat als u bijvoorbeeld een
hond in een vergrendelde auto achterlaat of
een autotrein of veerverbinding gebruikt, dienen de bewegingsmelder en de niveausensoren tijdelijk te worden gedeactiveerd.
De te volgen procedure is identiek aan die bij
tijdelijke uitschakeling van de Safelock-functie (p. 171)4.
Gerelateerde informatie
•
Alarmindicatie (p. 174)
06
2. Steek de transpondersleutel in het contactslot.
> Het alarm wordt gedeactiveerd en de
alarmindicatie dooft.
3. Start de motor.
4
Alleen in combinatie met een alarmsysteem.
175
BESTUURDERSONDERSTEUNING
07 Bestuurdersondersteuning
Actief chassis - FOUR-C*
Bediening
Het actieve chassissysteem FOUR-C
(Continously Controlled Chassis Concept)
stemt de eigenschappen van de schokdempers af op de gewenste rijeigenschappen van
de auto. U hebt de keuze uit drie standen:
Comfort, Sport en Advanced.
Het stabiliteits- en tractieregelsysteem, DSTC
(Dynamic Stability & Traction Control), helpt u
voorkomen dat de wielen doorslippen en verbetert de tractie van de auto.
Tijdens het afremmen kunnen de ingrepen
van het systeem waarneembaar zijn in de
vorm van pulserende geluiden. Tijdens het
gas geven kan de auto langzamer optrekken
dan u verwacht.
Comfort
In deze stand rijdt de auto comfortabeler op
een ruw en oneffen wegdek. De vering verloopt soepel waardoor de bewegingen van de
carrosserie minimaal en aangenaam zijn.
Sport
Bij deze stand die wordt geadviseerd voor
een actievere rijstijl heeft de auto een sportiever karakter. De auto reageert sneller op de
bewegingen van het stuurwiel dan in de stand
Comfort. De vering is stugger dan normaal en
de carrosserie volgt het wegdek om in bochten de mate van overhellen te beperken.
Advanced
Stabiliteits- en tractieregelsysteem
(DSTC)
Bedieningsknoppen.
Met de knoppen op de middenconsole kiest u
de gewenste chassisstand. Een volgende
keer dat u de motor start, is opnieuw de
chassisstand actief die gold toen u de motor
afzette. Advanced is de enige uitzondering
hierop - bij herstarten is de stand Sport actief.
Het systeem bestaat uit de volgende functies:
•
•
•
•
•
•
Antislipregeling
Antispinregeling
Tractieregeling
Motorremregeling, EDC
Corner Traction Control - CTC
Trailer Stability Assist* - TSA
Antislipregeling
U wordt geadviseerd deze stand alleen te
activeren op zeer rechte en vlakke wegen.
Deze regeling controleert de aandrijfkracht en
remkracht van elk van de afzonderlijke wielen
om de auto op die manier te stabiliseren.
De bewegingen van de schokdempers zijn
geoptimaliseerd voor maximale grip en minimale overhelling in bochten.
Antispinregeling
07
Deze regeling voorkomt dat de aangedreven
wielen tijdens het optrekken doorslippen.
Tractieregeling
Deze regeling is actief op lage snelheden en
brengt de aandrijfkracht van een slippend
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
177
07 Bestuurdersondersteuning
||
aandrijfwiel over op een aandrijfwiel dat niet
slipt.
Trailer Stability Assist1
Het TSA-systeem (p. 301) heeft tot taak de
auto met een aanhanger/caravan te stabiliseren wanneer de combinatie de neiging tot
pendelbewegingen vertoont. Voor meer informatie, zie Rijden met een aanhanger (p. 294).
N.B.
De functie wordt gedeactiveerd als u de
Sport-stand kiest.
Gerelateerde informatie
•
Stabiliteits- en tractieregelsysteem
(DSTC) - bediening (p. 178)
•
Stabiliteits- en tractieregeling (DSTC) symbolen en meldingen (p. 179)
Stabiliteits- en tractieregelsysteem
(DSTC) - bediening
Het stabiliteits- en tractieregelsysteem (p.
177) (DSTC - Dynamic Stability & Traction
Control), helpt u voorkomen dat de wielen
doorslippen en verbetert de tractie van de
auto.
Niveau kiezen, Sport-stand
Het stabiliteits- en tractieregelsysteem is altijd
geactiveerd - uitschakelen is niet mogelijk.
U kunt echter de Sport-stand kiezen voor een
actievere rijervaring. In de Sport-stand registreert het systeem of de gaspedaal- en stuurwielbediening alsook het bochtenwerk als
actiever dan normaal aan te merken zijn,
waarna het systeem toestaat dat de achtertrein een gecontroleerde vorm van slippen
vertoont voordat het ingrijpt en de auto stabiliseert.
Als u de gecontroleerde vorm van slippen
beëindigt door het gaspedaal te bedienen,
grijpt het stabiliteits- en tractieregelsysteem
in om de auto te stabiliseren.
De Sport-stand maakt maximale aandrijving
mogelijk, als de auto is blijven steken of over
een zachte ondergrond (zoals zand of een
dikke laag sneeuw) rijdt.
07
1
178
Inbegrepen bij montage van een originele Volvo-trekhaak.
Sport-stand is te kiezen in het menusysteem
MY CAR. Voor een beschrijving van het
menusysteem, zie MY CAR (p. 105).
De Sport-stand is actief, totdat u de stand
verlaat of de motor afzet. De volgende keer
dat u de motor start, staat het stabiliteits- en
tractieregelsysteem weer in de normale
stand.
Gerelateerde informatie
•
Stabiliteits- en tractieregeling (DSTC) symbolen en meldingen (p. 179)
07 Bestuurdersondersteuning
Stabiliteits- en tractieregeling (DSTC)
- symbolen en meldingen
Het stabiliteits- en tractieregelsysteem (p.
177) (DSTC - Dynamic Stability & Traction
Control) helpt u voorkomen dat de wielen
doorslippen en verbetert de tractie van de
auto.
Tabel
Symbool
Melding
Betekenis
DSTC Tijdelijk UIT
Wegens een te hoge temperatuur van de remschijven gelden er tijdelijk beperkingen voor het systeem.
Het systeem wordt automatisch opnieuw ingeschakeld, wanneer de remmen voldoende zijn afgekoeld.
DSTC Service vereist
Het systeem is defect.
•
•
Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand, zet de motor af en start deze opnieuw.
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
‘Melding’
Er staat een melding op het instrumentenpaneel (p. 56) - lees deze!
Brandt 2 seconden lang
continu.
Systeemtest bij het starten van de motor.
Knippert.
Het systeem grijpt in.
en
De Sport-stand is geactiveerd.
07
Gerelateerde informatie
•
Stabiliteits- en tractieregelsysteem
(DSTC) - bediening (p. 178)
179
07 Bestuurdersondersteuning
Verkeersbordinformatie (RSI)*
WAARSCHUWING
Het verkeersbordinformatiesysteem (RSI –
Road Sign Information) helpt u onthouden
welke snelheidsborden u gepasseerd bent.
RSI werkt niet in alle situaties, maar is uitsluitend bedoeld als een aanvullend hulpmiddel.
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige
manier bestuurt en dat u zich aan de geldende verkeersregels en voorschriften
houdt.
Verkeersbordenherkenning (RSI)* bediening
Het verkeersbordinformatiesysteem (RSI –
Road Sign Information) helpt u onthouden
welke snelheidsborden u gepasseerd bent.
Bediening van het systeem
Gerelateerde informatie
•
Verkeersbordenherkenning (RSI)* - bediening (p. 180)
•
Verkeersbordinformatie (RSI)* beperkingen (p. 182)
Voorbeelden van leesbare snelheidsborden2.
Het verkeersbordinformatiesysteem RSI geeft
informatie over o.a. actuele snelheid, begin of
eind van een autoweg of snelweg en inhaalverboden.
07
Als zowel een bord met snel-/autoweg als
een bord met de maximumsnelheid wordt
gepasseerd, toont RSI alleen het bordsymbool voor de maximumsnelheid.
2
3
180
Geregistreerde snelheidsinformatie3.
Als RSI een verkeersbord registreert met de
geldende snelheid, geeft het instrumentenpaneel dat bord als symbool weer.
Welke verkeersborden er op het instrumentenpaneel verschijnen hangt van de markt af – de afbeeldingen in deze instructie zijn slechts voorbeelden.
Welke verkeersborden er op het instrumentenpaneel verschijnen hangt van de markt af – de afbeeldingen in deze instructie zijn slechts voorbeelden.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Samen met het symbool
voor de geldende snelheidsbeperking kan (voor zover
van toepassing) ook een
bord met inhaalverbod verschijnen.
07 Bestuurdersondersteuning
Einde snelheidsbeperking of snelweg
Aanvullende borden
Wanneer het RSI een bord registreert dat het
einde van een snelheidsbeperking aangeeft
(of andere snelheidsgerelateerde informatie
zoals het einde van een snelweg), verschijnt
het desbetreffende verkeersbord
ca. 10 seconden lang op het instrumentenpaneel:
Het snelheidsbord dat aan dit type aanvullend
bord is gekoppeld, verschijnt alleen als u de
richtingaanwijzer gebruikt.
Voorbeelden van dergelijke borden zijn:
Voorbeelden van aanvullende borden3.
Einde snelheidsbeperkingen.
Soms kent een en dezelfde weg verschillende
snelheidsbeperkingen – een aanvullend bord
geeft dan aan onder welke omstandigheden
de snelheden gelden. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om een gevaarlijke weg bij bijvoorbeeld regen en/of mist.
Het aanvullende bord met betrekking tot
regen verschijnt alleen als de ruitenwissers
zijn geactiveerd.
Einde snelweg.
Vervolgens wordt er geen verkeersbordinformatie weergegeven, totdat het volgende snelheidsbord wordt geregistreerd.
3
Op bepaalde markten wordt
de geldende snelheid op een
afrit aangegeven met een
aanvullend bord met een pijl.
Sommige snelheden gelden bijvoorbeeld
alleen een bepaald traject of op een bepaalde
tijd van de dag. U wordt hierop geattendeerd
met een symbool voor een aanvullend bord
onder het snelheidssymbool.
Weergave van aanvullende informatie
Een leeg vakje onder het snelheidssymbool
op het instrumentenpaneel geeft aan dat het
RSI een bord heeft geregistreerd met aanvullende informatie over de geldende snelheidsbeperking.
Welke verkeersborden er op het instrumentenpaneel verschijnen hangt van de markt af – de afbeeldingen in deze instructie zijn slechts voorbeelden.
07
}}
181
07 Bestuurdersondersteuning
||
Instelling in MY CAR
Speed Alert
De beschikbare opties voor het RSI vindt u in
het menusysteem MY CAR, zie MY CAR (p.
105).
Het verkeersbordinformatiesysteem (RSI –
Road Sign Information) helpt u onthouden
welke snelheidsborden u gepasseerd bent.
Het systeem heeft de volgende beperkingen.
Road Sign Information Aan/Uit
Het is mogelijk de weergave van snelheidssymbolen op het instrumentenpaneel te
deactiveren. U kunt het systeem activeren/
deactiveren in het menusysteem MY CAR.
Voor een beschrijving van het menusysteem,
zie MY CAR (p. 105).
07
Verkeersbordinformatie (RSI)*
beperkingen
U kunt ervoor kiezen of u een waarschuwing
wil krijgen bij een overschrijding van de snelheidsbeperking met 5 km/h of meer. De waarschuwing bestaat uit een tijdelijk knipperend
symbool voor de maximumsnelheid als de
snelheid wordt overschreden. U kunt het systeem activeren/deactiveren in het menusysteem MY CAR. Voor een beschrijving van het
menusysteem, zie MY CAR (p. 105).
Gerelateerde informatie
•
•
Verkeersbordinformatie (RSI)* (p. 180)
•
MY CAR (p. 105)
Verkeersbordinformatie (RSI)* beperkingen (p. 182)
De camerasensor van het RSI-systeem kent
ongeveer dezelfde beperkingen als het menselijk oog – lees daarover meer in het
gedeelte over de beperkingen van de camerasensor (p. 218).
Borden die indirect informeren over snelheidsbeperkingen, bijvoorbeeld naamborden
van steden/dorpen, worden niet geregistreerd
door het RSI-systeem.
Hieronder volgen enkele voorbeelden die de
functie kunnen storen:
•
•
•
•
•
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Verdraaide of beschadigde borden
Verscholen of slecht geplaatste borden
Borden die geheel of gedeeltelijk zijn
afgedekt met ijs, sneeuw en/of vuil.
Gerelateerde informatie
•
•
182
Verbleekte borden
Borden in een bocht
Verkeersbordinformatie (RSI)* (p. 180)
Verkeersbordenherkenning (RSI)* - bediening (p. 180)
07 Bestuurdersondersteuning
Cruisecontrol*
WAARSCHUWING
De cruisecontrol (CC – Cruise Control) helpt u
een gelijkmatige snelheid te houden, wat
zorgt voor een comfortabeler rijervaring op
lange ritten op snelwegen en lange, rechte
hoofdwegen met een gelijkmatige verkeersstroom.
De bestuurder dient altijd rekening te houden met de verkeersomstandigheden en in
te grijpen, wanneer de cruisecontrol geen
passende snelheid en/of afstand aanhoudt.
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige
manier bestuurt.
Overzicht
Gerelateerde informatie
•
•
Cruisecontrol* - snelheid regelen (p. 183)
•
Cruisecontrol* - ingestelde snelheid hervatten (p. 185)
•
Cruisecontrol* - uitschakelen (p. 185)
Snelheidsbegrenzer* tijdelijk deactiveren
en stand-bystand (p. 184)
Cruisecontrol* - snelheid regelen
De cruisecontrol (CC – Cruise Control) helpt u
een gelijkmatige snelheid aan te houden. U
kunt een snelheid instellen, activeren en wijzigen.
Activeren en snelheid instellen
Om de cruisecontrol aan te zetten:
•
Druk op de stuurtoets
>
De kleur van het cruisecontrolsymbool op
het instrumentenpaneel verandert van
WIT in GRIJS om aan te geven dat de
cruisecontrol stand-by staat.
Om de cruisecontrol in te schakelen:
•
Druk bij de gewenste snelheid op de
stuurtoets
of
.
>
De actuele snelheid wordt in het geheugen opgeslagen en de markering (5) op
het instrumentenpaneel brandt/wordt WIT
van kleur bij de ingestelde snelheid.
Toetsenset op stuurwiel en instrumentenpaneel.
Cruisecontrol – Aan/Uit.
N.B.
De stand-bystand wordt beëindigd en de
ingestelde snelheid wordt hervat.
De cruisecontrol kan niet worden ingeschakeld bij snelheden lager dan 30 km/h.
Stand-by zetten
Activeren en snelheid aanpassen.
Snelheid wijzigen
Gekozen snelheid (GRIJS = standbystand).
•
Cruisecontrol actief - WIT symbool
(GRIJS = stand-bystand).
07
Om de opgeslagen snelheid te wijzigen:
Stel af met een korte druk op
of
elke druk zorgt voor +/- 5 km/h. De laatst
verrichte aanpassing wordt in het geheugen opgeslagen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
183
07 Bestuurdersondersteuning
||
Om aan te passen met +/- 1 km/h:
•
Houd de knop ingedrukt en laat los bij de
gewenste snelheid.
Wanneer u tijdelijk gas geeft via het gaspedaal zoals bij een inhaalmanoeuvre, blijft de
instelling van de cruisecontrol ongewijzigd –
de auto hervat de ingestelde snelheid zodra u
het gaspedaal loslaat.
N.B.
Als u een knop van de cruisecontrol meerdere minuten ingedrukt houdt, wordt de
cruisecontrol geblokkeerd en uitgeschakeld. Om de cruisecontrol weer te kunnen
activeren, moet de auto stilstaan en de
motor worden herstart.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Cruisecontrol* (p. 183)
Snelheidsbegrenzer* tijdelijk deactiveren
en stand-bystand (p. 184)
Cruisecontrol* - ingestelde snelheid hervatten (p. 185)
Cruisecontrol* - uitschakelen (p. 185)
Snelheidsbegrenzer* tijdelijk
deactiveren en stand-bystand
De cruisecontrol (CC – Cruise Control) helpt u
een gelijkmatige snelheid aan te houden. Het
systeem is tijdelijk te activeren en in de standbystand te zetten.
Tijdelijk deactiveren – stand-bystand
Om de cruisecontrol tijdelijk uit te schakelen
en stand-by te zetten:
•
Druk op de stuurtoets
>
De markering (5) en het symbool (6) op
het instrumentenpaneel verkleuren van
WIT naar GRIJS.
Automatische stand-bystand
De cruisecontrol wordt tijdelijk uitgeschakeld
en stand-by gezet, als:
•
de wielen hun grip op het wegdek verliezen
•
•
•
het rempedaal wordt bediend
07
4
184
de snelheid daalt tot onder ca. 30 km/h
u het koppelingspedaal geruime tijd
intrapt – om het systeem stand-by te zetten moet u het pedaal langer dan enkele
seconden bedienen4
•
de keuzehendel in de neutraalstand wordt
gezet (automatische versnellingsbak)
•
u meer dan 1 minuut lang een hogere
snelheid aanhoudt dan ingesteld.
Bij auto’s met een viercilindermotor van 2,0 liter kunt u tevens schakelen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
.
U dient vervolgens zelf uw snelheid aan te
passen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Cruisecontrol* - snelheid regelen (p. 183)
•
Cruisecontrol* - uitschakelen (p. 185)
Cruisecontrol* (p. 183)
Cruisecontrol* - ingestelde snelheid hervatten (p. 185)
07 Bestuurdersondersteuning
Cruisecontrol* - ingestelde snelheid
hervatten
De cruisecontrol (CC – Cruise Control) helpt u
een gelijkmatige snelheid aan te houden. Na
tijdelijke deactivering en de stand-bystand (p.
184) kunt u de eerder ingestelde snelheid hervatten.
Om de cruisecontrol opnieuw te activeren
vanuit de stand-bystand:
•
Druk op de stuurtoets
>
De markering (5) en het symbool (6) op
het instrumentenpaneel verkleuren van
GRIJS naar WIT en de laatst ingestelde
snelheid wordt hervat.
.
N.B.
Nadat de snelheid weer met
is hervat,
kan er een markante snelheidstoename
volgen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Cruisecontrol* - snelheid regelen (p. 183)
•
Cruisecontrol* - uitschakelen (p. 185)
Cruisecontrol* - uitschakelen
Adaptieve cruisecontrol - ACC*
De cruisecontrol (CC – Cruise Control) helpt u
een gelijkmatige snelheid aan te houden. Hier
volgt een beschrijving van hoe u het systeem
uitschakelt.
De adaptieve cruisecontrol (ACC – Adaptive
Cruise Control) helpt u om een gelijkmatige
snelheid en een veilige afstand tot voorliggers
te houden.
De cruisecontrol wordt gedeactiveerd bij
gebruik van een stuurtoets (1) of bij het afzetten van de motor – de ingestelde snelheid
wordt uit het geheugen verwijderd en valt niet
.
langer te hervatten met de toets
De adaptieve cruisecontrol biedt u een comfortabeler rijervaring op lange ritten op snelwegen en lange, rechte hoofdwegen met een
gelijkmatige verkeersstroom.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Cruisecontrol* (p. 183)
Cruisecontrol* - snelheid regelen (p. 183)
Snelheidsbegrenzer* tijdelijk deactiveren
en stand-bystand (p. 184)
Cruisecontrol* - ingestelde snelheid hervatten (p. 185)
U stelt de gewenste snelheid (p. 189) en het
tijdsverschil (p. 190) ten opzichte van de
voorligger. Wanneer de radarsensor een
voorligger registreert die langzamer rijdt dan
u, wordt uw snelheid automatisch aangepast.
Wanneer de weg voor u weer vrij is, hervat de
auto de ingestelde snelheid.
Als u een voorligger te dicht nadert terwijl de
adaptieve cruisecontrol uitgeschakeld is of
stand-by staat (p. 190), wordt u door de
afstandswaarschuwing (p. 200) geattendeerd
op de korte afstand.
Cruisecontrol* (p. 183)
07
Snelheidsbegrenzer* tijdelijk deactiveren
en stand-bystand (p. 184)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
185
07 Bestuurdersondersteuning
||
WAARSCHUWING
De bestuurder dient altijd rekening te houden met de verkeersomstandigheden en in
te grijpen, wanneer de adaptieve cruisecontrol geen passende snelheid of afstand
aanhoudt.
De adaptieve cruisecontrol leent zich niet
voor alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
Gerelateerde informatie
•
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht (p.
188)
•
•
Adaptieve cruisecontrol* - functie (p. 186)
•
Adaptieve cruisecontrol* - symbolen en
meldingen (p. 198)
Adaptieve cruisecontrol* - storingen
opsporen en verhelpen (p. 197)
Adaptieve cruisecontrol* - functie
De adaptieve cruisecontrol (ACC – Adaptive
Cruise Control) helpt u om een gelijkmatige
snelheid en een veilige afstand tot voorliggers
te houden. Deze bestaat uit een cruisecontrol
die gekoppeld is aan een afstandshouder.
Functie-overzicht
Neem alle hoofdstukken over de adaptieve
cruisecontrol in de gebruikershandleiding
door voor informatie over de systeembeperkingen die u moet kennen alvorens het
systeem te gebruiken.
De bestuurder is er altijd verantwoordelijk
voor dat de juiste afstand en snelheid worden aangehouden, ook bij gebruik van de
adaptieve cruisecontrol.
BELANGRIJK
Laat het onderhoud van de onderdelen van
de adaptieve cruisecontrol over aan een
werkplaats – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
07
Automatische versnellingsbak
Bij auto’s met een automatische versnellingsbak is de adaptieve cruisecontrol uitgebreid
met een zogeheten file-assistent (p. 192).
5
186
N.B. De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Functie-overzicht5.
Waarschuwingssymbool – afremmen
noodzakelijk
Stuurtoetsen (p. 188)
Radarsensor (p. 194)
07 Bestuurdersondersteuning
WAARSCHUWING
De adaptieve cruisecontrol is geen systeem dat botsingen voorkomt. Grijp zelf in
zodra u merkt dat het systeem een voorligger niet registreert.
De adaptieve cruisecontrol reageert niet
op voetgangers of dieren noch op kleinere
voertuigen, zoals fietsen of motorfietsen
e.d. Tegenliggers, langzaam rijdende en
stilstaande voertuigen of vaste obstakels
worden eveneens genegeerd.
Gebruik de adaptieve cruisecontrol niet in
stadsverkeer of verkeersdrukte, op kruisingen, bij gladheid, hevige regen- of sneeuwval of slecht zicht en evenmin op weggedeelten met een dikke laag water of
sneeuwmodder, op bochtige wegen of op
op- en afritten.
De afstand tot voorliggers (p. 190) wordt
hoofdzakelijk gemeten met een radarsensor
(p. 194). De cruisecontrol regelt de snelheid
door de stand van de gasklep aan te passen
en zo nodig af te remmen. Het is volkomen
normaal dat de remmen enige geluiden produceren, wanneer de adaptieve cruisecontrol
ze aanspreekt.
6
WAARSCHUWING
Het rempedaal beweegt als de cruisecontrol remt. Laat uw voet niet onder het rempedaal rusten, aangezien deze dan
bekneld raakt.
De adaptieve cruisecontrol streeft ernaar de
door u ingestelde volgtijd ten opzichte van
voorliggers in dezelfde rijstrook aan te houden. Als de radarsensor geen voorligger
registreert, houdt de auto in plaats daarvan
de snelheid aan die op de cruisecontrol werd
ingesteld. Dit gebeurt ook als de snelheid van
de voorligger de ingestelde snelheid van de
adaptieve cruisecontrol overschrijdt.
De adaptieve cruisecontrol streeft ernaar de
snelheid zo weinig mogelijk aan te passen. In
situaties waarin krachtig moet worden
geremd, dient u dan ook zelf te remmen. Dit
is bijvoorbeeld het geval bij grote snelheidsverschillen of als het voertuig dat voor u rijdt
krachtig remt. Door beperkingen van de
radarsensor (p. 195) is het mogelijk dat er
onverwachts of helemaal niet wordt geremd.
De adaptieve cruisecontrol is te activeren om
een volgtijd aan te houden ten opzichte van
een voorligger bij snelheden vanaf 30 km/h6
tot een maximumsnelheid van 200 km/h. Als
de snelheid tot onder 30 km/h daalt of als het
motortoerental te laag wordt, wordt de
cruisecontrol stand-by (p. 190) gezet, waarna
De file-assistent (p. 192) (auto’s met een automatische versnellingsbak) kan een interval aan van 0–200 km/h.
er niet langer automatisch wordt afgeremd –
u moet dan zelf remmen om een veilige
afstand te houden tot voorliggers.
Waarschuwingssymbool – afremmen
noodzakelijk
Het remvermogen van de adaptieve cruisecontrol bedraagt meer dan 40 % van de
totale remcapaciteit van de auto.
Als de auto harder moet worden afgeremd
dan de adaptieve cruisecontrol aankan en u
remt zelf niet bij, dan maakt de cruisecontrol
u er middels het waarschuwingslampje van
Collision Warning (p. 210) en een geluidssignaal attent op dat u onmiddellijk moet ingrijpen.
N.B.
Bij felle zon of bij gebruik van een zonnebril kan het waarschuwingslampje moeilijk
te zien zijn.
WAARSCHUWING
De cruisecontrol waarschuwt alleen voor
voertuigen die de radarsensor heeft gedetecteerd. Daarom kan de waarschuwing
uitblijven of met een bepaalde vertraging
plaatsvinden. Wacht een waarschuwing
niet af, maar rem als dat nodig is.
07
}}
187
07 Bestuurdersondersteuning
||
Steile wegen en/of zware belading
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht
Let erop dat de adaptieve cruisecontrol in
eerste instantie bestemd is voor gebruik tijdens ritten op vlakke weggedeelten. De
cruisecontrol heeft mogelijk moeite om de
juiste volgafstand ten opzichte van voorliggers aan te houden bij ritten op steile aflopende wegen, bij vervoer van zware belading
of met een aanhanger/caravan achter de auto
– blijf dan extra alert en rem zo nodig zelf.
Gerelateerde informatie
•
•
Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 185)
•
Adaptieve cruisecontrol* - een ander
voertuig inhalen (p. 191)
Adaptieve cruisecontrol* - uitschakelen
(p. 192)
De stand-bystand wordt beëindigd en de
ingestelde snelheid wordt hervat.
Cruisecontrol – Aan/Uit of stand-bystand.
Volgtijd – Verlengen/verkorten.
Activeren en snelheid aanpassen.
(Wordt niet gebruikt)
Groene markering bij opgeslagen snelheid (WIT = stand-by).
Volgtijd
07
ACC is actief bij GROEN symbool (WIT =
stand-by).
Gerelateerde informatie
•
•
188
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 185)
Adaptieve cruisecontrol* - functie (p. 186)
•
Adaptieve cruisecontrol* - symbolen en
meldingen (p. 198)
07 Bestuurdersondersteuning
Adaptieve cruisecontrol* - snelheid
regelen
Alleen als op het symbool de
afbeelding van een ander
voertuig verschijnt, wordt de
afstand tot de voorligger
geregeld door de cruisecontrol.
De adaptieve cruisecontrol (ACC – Adaptive
Cruise Control) helpt u om een gelijkmatige
snelheid en een veilige afstand tot voorliggers
te houden.
Tegelijkertijd wordt een snelheidsinterval gemarkeerd:
Om de cruisecontrol aan te zetten:
•
– op het instruDruk op de stuurtoets
mentenpaneel (8) gaat een vergelijkbaar
WIT symbool branden om aan te geven
dat de cruisecontrol stand-by (p. 190)
staat.
Om de cruisecontrol in te schakelen:
•
Druk bij de gewenste snelheid op de
of
.
stuurtoets
>
De actuele snelheid wordt opgeslagen in
het geheugen, het instrumentenpaneel
toont korte tijd een ‘vergrootglas’ rond de
gekozen snelheid en de bijbehorende
markering verkleurt van WIT naar
GROEN.
N.B.
Als u een knop van de cruisecontrol meerdere minuten ingedrukt houdt, wordt de
cruisecontrol geblokkeerd en uitgeschakeld. Om de cruisecontrol weer te kunnen
activeren, moet de auto stilstaan en de
motor worden herstart.
•
•
de hogere snelheid met de GROENE markering (6) is de voorgeprogrammeerde
snelheid
de lagere snelheid is de snelheid van de
voorligger.
In bepaalde situaties is het niet mogelijk de
adaptieve cruisecontrol te activeren. Op
het instrumentenpaneel (p. 198) verschijnt
dan ACC niet beschikbaar.
Gerelateerde informatie
•
•
Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 185)
•
Adaptieve cruisecontrol* - functie (p. 186)
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht (p.
188)
Snelheid wijzigen
Om de opgeslagen snelheid te wijzigen:
•
Als dit symbool van WIT naar
GROEN verkleurt, is de cruisecontrol actief en houdt deze de auto op
de opgeslagen snelheid.
of
Stel af met een korte druk op
elke druk zorgt voor +/- 5 km/h. De laatst
verrichte aanpassing wordt in het geheugen opgeslagen.
Als u de snelheid verhoogt met het gas/
indrukt,
pedaal voordat u de knop
slaat de cruisecontrol de actuele rijsnelheid op die geldt bij het indrukken van de
knop.
07
Om aan te passen met +/- 1 km/h:
•
Houd de knop ingedrukt en laat los bij de
gewenste snelheid.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
189
07 Bestuurdersondersteuning
Adaptieve cruisecontrol* - volgtijd
instellen
De adaptieve cruisecontrol (ACC – Adaptive
Cruise Control) helpt u om een gelijkmatige
snelheid en een veilige afstand tot voorliggers
te houden.
U kunt verschillende volgtijden ten opzichte van voorliggers kiezen en deze worden
op het instrumentenpaneel
weergegeven met 1–5 horizontale streepjes – hoe meer
streepjes, hoe langer de
volgtijd. Eén streepje komt overeen met
ca. 1 seconde ten opzichte van de voorligger
en 5 streepjes met ca. 3 seconden.
Om de volgtijd in te stellen/te wijzigen:
•
Verleng of verkort met de stuurtoetsen
/ .
Bij lage snelheden (en korte tijden) vergroot
de adaptieve cruisecontrol de volgtijd iets.
07
Hetzelfde symbool verschijnt ook wanneer de
afstandswaarschuwing (p. 200) geactiveerd
is.
N.B.
Houd alleen een volgtijd aan die niet in
strijd is met de geldende verkeersregels.
Als de cruisecontrol bij activering niet lijkt
te reageren, kan dat komen doordat de
volgtijd tot de voorligger een snelheidstoename belet.
Hoe hoger de snelheid, hoe langer de
volgafstand in meters voor een bepaalde
volgtijd.
•
•
Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 185)
•
•
Adaptieve cruisecontrol* - functie (p. 186)
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht (p.
188)
Adaptieve cruisecontrol* - uitschakelen
(p. 192)
Let erop dat korte volgtijden u bij plotselinge
wijzigingen in de verkeersstroom minder tijd
geven om te reageren en in te grijpen.
190
Bij ontkoppelen en opschakelen of terugschakelen wordt de cruisecontrol niet stand-by gezet.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
De adaptieve cruisecontrol (ACC – Adaptive
Cruise Control) helpt u om een gelijkmatige
snelheid en een veilige afstand tot voorliggers
te houden. De cruisecontrol kan tijdelijk worden gedeactiveerd en in stand-by worden
gezet.
Tijdelijk deactiveren – stand-bystand
Om de adaptieve cruisecontrol tijdelijk uit te
schakelen en stand-by te zetten:
•
Druk op de stuurtoets
Dit symbool en de markering van de
opslagen snelheid verkleuren dan
van GROEN naar WIT.
Gerelateerde informatie
Om voorliggers soepel en comfortabel te kunnen blijven volgen staat de adaptieve cruisecontrol in bepaalde situaties aanzienlijke
variaties in de volgtijd toe.
7
Adaptieve cruisecontrol* - tijdelijke
deactivering en stand-by
Stand-bystand door actief ingrijpen van
uw kant
De cruisecontrol wordt tijdelijk uitgeschakeld
en stand-by gezet, als:
•
•
het rempedaal wordt bediend
•
de keuzehendel in stand N wordt gezet
(automatische versnellingsbak)
•
u meer dan 1 minuut lang een hogere
snelheid aanhoudt dan ingesteld.
het koppelingspedaal meer dan 1 minuut7
lang wordt bediend
U dient vervolgens zelf uw snelheid aan te
passen.
07 Bestuurdersondersteuning
Wanneer u tijdelijk gas geeft via het gaspedaal zoals bij een inhaalmanoeuvre, blijft de
instelling van de cruisecontrol ongewijzigd –
de auto hervat de laatst opgeslagen snelheid
zodra u het gaspedaal loslaat.
Automatische stand-bystand
De adaptieve cruisecontrol is afhankelijk van
andere systemen, zoals DSTC (stabiliteits- en
tractieregeling) (p. 177). Als een van dergelijke
systeem uitvalt, wordt de cruisecontrol automatisch uitgeschakeld.
Bij automatische deactivering klinkt er een
waarschuwingssignaal en op het instrumentenpaneel verschijnt de melding ACC
gedeactiveerd. U moet in dat geval zelf
ingrijpen om de snelheid en afstand ten
opzichte van de voorligger aan te passen.
Automatische deactivering is mogelijk, wanneer:
•
•
de bestuurder het portier opent
de bestuurder de veiligheidsgordel losneemt
•
de remmen een hoge temperatuur hebben
•
Adaptieve cruisecontrol* - een ander
voertuig inhalen
de radarsensor wordt gehinderd door
natte sneeuw of hevige regenval (de
radargolven worden geblokkeerd).
De adaptieve cruisecontrol (ACC – Adaptive
Cruise Control) helpt u om een gelijkmatige
snelheid en een veilige afstand tot voorliggers
te houden.
Ingestelde snelheid hervatten
Een cruisecontrol in stand-bystand is
opnieuw te activeren bij een druk op de
stuurtoets
– in dat geval wordt de laatst
opgeslagen snelheid hervat.
N.B.
Als u achter een voorligger rijdt en u met de
richtingaanwijzer9 aangeeft te willen inhalen,
helpt de cruisecontrol door de auto kort te
versnellen ten opzichte van de voorligger.
De functie werkt bij snelheden
hoger dan 70 km/h.
Nadat de snelheid weer met
is hervat,
kan er een markante snelheidstoename
volgen.
WAARSCHUWING
Let erop dat deze functie bij meer situaties
dan bij inhalen kan worden geactiveerd,
bijv. als de richtingaanwijzer wordt
gebruikt om het wisselen van rijbaan of
een afslag naar een andere weg aan te
geven. De auto accelereert dan kort.
Gerelateerde informatie
•
•
Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 185)
•
Adaptieve cruisecontrol* - functie (p. 186)
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht (p.
188)
Gerelateerde informatie
•
het toerental van de motor te laag/hoog
wordt
•
•
Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 185)
•
de snelheid is gedaald tot onder
ca. 30 km/h8
•
Adaptieve cruisecontrol* - functie (p. 186)
•
de wielen hun grip op het wegdek verliezen
8
9
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht (p.
188)
07
Geldt niet voor een auto met file-assistent – bij een dergelijke auto werkt het systeem tot aan stilstand.
Alleen bij gebruik van de linker richtingaanwijzers bij een auto met het stuur links of de rechter richtingaanwijzers bij een auto met het stuur rechts.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
191
07 Bestuurdersondersteuning
Adaptieve cruisecontrol* uitschakelen
Adaptieve cruisecontrol* - fileassistent
De adaptieve cruisecontrol (ACC – Adaptive
Cruise Control) helpt u om een gelijkmatige
snelheid en een veilige afstand tot voorliggers
te houden.
De adaptieve cruisecontrol (ACC – Adaptive
Cruise Control) helpt u om een gelijkmatige
snelheid en een veilige afstand tot voorliggers
te houden. De file-assistent biedt de adaptieve cruisecontrol meer functionaliteit, ook bij
snelheden lager dan 30 km/h.
zet u
Bij kort indrukken van de stuurtoets
de adaptieve cruisecontrol stand-by (p. 190).
Bij nogmaals indrukken schakelt u de cruisecontrol uit. Daarbij wordt de ingestelde snelheid gewist waarna deze niet meer te hervat.
ten is met de toets
Gerelateerde informatie
•
•
•
Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 185)
Adaptieve cruisecontrol* - functie (p. 186)
Adaptieve cruisecontrol* - symbolen en
meldingen (p. 198)
Bij auto’s met een automatische versnellingsbak is de adaptieve cruisecontrol aangevuld
met de functie file-assistent (ook wel "Queue
Assist" genoemd).
N.B.
Om de cruisecontrol te kunnen activeren
moet u het bestuurdersportier hebben
gesloten en de veiligheidsgordel hebben
omgedaan.
Met een automatische versnellingsbak kan de
adaptieve cruisecontrol een voorligger volgen
in het interval 0–200 km/h.
N.B.
File-assistent biedt de volgende functies:
•
•
•
•
Om de cruisecontrol te kunnen activeren
bij een snelheid onder 30 km/h mag er binnen redelijke afstand geen voorligger te
bekennen zijn.
Uitgebreid snelheidsinterval – ook onder
30 km/h en stilstaand
Van doelvoertuig veranderen
Beëindiging automatische remfunctie bij
stilstand
Automatische activering parkeerrem.
Let erop dat 30 km/h de minimumsnelheid is
waarop de adaptieve cruisecontrol kan worden ingesteld – ook al kan de adaptieve
cruisecontrol een voorligger volgen tot aan
stilstand, is het niet mogelijk een lagere snelheid te kiezen.
07
Groter snelheidsinterval
Bij korte stops tijdens filerijden of voor verkeerslichten wordt de functie automatisch
hervat, als de stop korter was dan
ca. 3 seconden – duurt het langer voordat
een voorligger weer gaat rijden, dan wordt de
adaptieve cruisecontrol in de stand-bystand
met automatische remfunctie gezet. U dient
deze vervolgens op een van de volgende
manieren opnieuw te activeren:
•
Druk op de stuurtoets
of
•
192
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Trap het gaspedaal in.
.
07 Bestuurdersondersteuning
>
De cruisecontrol zal dan de voorligger
opnieuw volgen.
WAARSCHUWING
Wanneer de cruisecontrol een rijdende
voorligger volgt bij snelheden boven
30 km/h, van doelvoertuig verandert en
vervolgens een stilstaand voertuig volgt,
zal de cruisecontrol het stilstaande voertuig negeren en de opgeslagen snelheid
aanhouden.
N.B.
De file-assistent kan de auto maximaal
4 minuten stilhouden - daarna wordt de
parkeerrem aangezet, waarna de cruisecontrol wordt uitgeschakeld.
•
•
Voordat de cruisecontrol opnieuw kan
worden ingeschakeld, dient u de parkeerrem te lossen.
Van doelvoertuig veranderen
Automatische stand-bystand bij
wijziging van doelvoertuig
De adaptieve cruisecontrol wordt uitgeschakeld en stand-by gezet:
•
•
Als het actuele doelvoertuig plotseling afslaat,
kan het gebeuren dat een stilstaande voorligger
het nieuwe doelvoertuig wordt.
Wanneer de adaptieve cruisecontrol eerst een
rijdende voorligger volgt bij snelheden lager
dan 30 km/h, vervolgens van doelvoertuig
verandert en een stilstaand voertuig als voorligger heeft, dan zal de cruisecontrol voor het
stilstaande voertuig remmen.
U dient dan zelf in te grijpen en te remmen.
wanneer u langzamer rijdt dan 5 km/h en
de cruisecontrol niet kan registreren of
het doelobject een stilstaand voertuig is
of een ander object, zoals een verkeersdrempel.
wanneer u langzamer rijdt dan 5 km/h en
de voorligger afslaat, zodat de cruisecontrol geen voorligger meer heeft om te volgen.
Stoppen van automatisch remmen bij
stilstaand voertuig
In bepaalde situaties onderbreekt de fileassistent automatisch remmen bij stilstaand
voertuig. Dat betekent dat de remmen worden gelost en de auto mogelijk gaat rollen – u
moet daarom ingrijpen en zelf remmen om de
auto stil te houden.
De file-assistent schakelt in de volgende
gevallen de remmen uit en zet de adaptieve
cruisecontrol stand-by:
•
•
•
•
u het rempedaal bedient
u de parkeerrem aanzet
u de keuzehendel in stand P, N of R zet
u de cruisecontrol stand-by zet.
Automatische activering parkeerrem
In bepaalde situaties zet de file-assistent dan
de parkeerrem aan om te zorgen dat de auto
blijft stilstaan.
Dit vindt plaats, als:
•
u het bestuurdersportier opent of de veiligheidsgordel losmaakt
•
U het DSTC uit de Normal-stand haalt en
in de Sport-stand zet
•
de file-assistent de auto al meer dan
4 minuten lang heeft stilgehouden
•
•
de motor wordt afgezet
de remmen oververhit zijn geraakt.
Gerelateerde informatie
•
•
Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 185)
•
Adaptieve cruisecontrol* - functie (p. 186)
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht (p.
188)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
07
193
07 Bestuurdersondersteuning
Adaptieve cruisecontrol* - van
cruisecontrol-functie wisselen
De adaptieve cruisecontrol (ACC – Adaptive
Cruise Control) helpt u om een veilige afstand
tot voorliggers te houden.
Wisselen van ACC naar CC
Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 185)
•
Adaptieve cruisecontrol* - functie (p. 186)
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht (p.
188)
Radarsensor
De radarsensor dient om personenauto’s of
grotere voertuigen te registreren die in
dezelfde richting als u en in dezelfde rijstrook
rijden.
De radarsensor wordt gebruikt voor de volgende systemen:
•
•
Adaptieve cruisecontrol*
•
•
Afstandswaarschuwing*
– het symDruk lang op de stuurtoets
op het instrumentenpaneel verbool
.
andert in
Daarmee is de standaardcruisecontrol (p.
183) CC (Cruise Control) geactiveerd.
WAARSCHUWING
Na een wisseling van ACC naar CC remt
de auto niet langer automatisch - deze
volgt alleen de ingestelde snelheid.
Wisselen van CC naar ACC
194
•
•
Met een druk op de knop kan het adaptieve
deel (afstandshouder) van de cruisecontrol
worden gedeactiveerd, waarna de auto alleen
de ingestelde snelheid aanhoudt.
>
07
Gerelateerde informatie
Schakel de cruisecontrol uit met 1–2 keer
zoals aangegeven in de uitdrukken op
schakelinginstructie (p. 192). De volgende
keer dat het systeem wordt ingeschakeld,
wordt de adaptieve cruisecontrol geactiveerd.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Collision Warning met Auto Brake en
voetgangersdetectie*
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Radarsensor - beperkingen (p. 195)
Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 185)
Collision Warning* (p. 210)
Afstandswaarschuwing* (p. 200)
07 Bestuurdersondersteuning
Radarsensor - beperkingen
WAARSCHUWING
Een radarsensor (p. 194) heeft bepaalde
beperkingen die onder meer terug te voeren
zijn op het beperkte blikveld.
De bestuurder dient altijd rekening te houden met de verkeersomstandigheden en in
te grijpen, wanneer de adaptieve cruisecontrol geen passende snelheid of afstand
aanhoudt.
De radarsensor heeft veel meer moeite om
een voertuig voor u te ontdekken:
•
De adaptieve cruisecontrol leent zich niet
voor alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
als de radarsensor gehinderd wordt door
bijvoorbeeld hevige regenval of als
sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken.
Neem alle hoofdstukken over de adaptieve
cruisecontrol in de gebruikershandleiding
door voor informatie over de systeembeperkingen die u moet kennen alvorens het
systeem te gebruiken.
N.B.
Houd het oppervlak vóór de radarsensor
schoon - zie het gedeelte ‘Onderhoud’ (p.
215).
•
De bestuurder is er altijd verantwoordelijk
voor dat de juiste afstand en snelheid worden aangehouden, ook bij gebruik van de
adaptieve cruisecontrol.
als de snelheid van de voorligger te veel
afwijkt van die van uw eigen auto.
Blikveld
De radarsensor heeft een beperkt bereik. In
bepaalde gevallen wordt een voertuig niet
ontdekt of later dan verwacht.
WAARSCHUWING
Zichtveld van de ACC.
Soms kan de radarsensor een voertuig op
korte afstand pas laat registreren, bijvoorbeeld als een inhalend voertuig invoegt
tussen u en uw voorligger.
Ook kleine voertuigen, zoals motorfietsen
of voertuigen die niet in het midden van
de rijstrook rijden, kunnen onopgemerkt
blijven.
Accessoires of andere voorwerpen, zoals
bijv. verstralers, mogen niet vóór de grille
worden gemonteerd.
07
In bochten kan de radarsensor op het
verkeerde voertuig reageren of een eerder
opgemerkt voertuig uit het zicht verliezen.
}}
195
07 Bestuurdersondersteuning
||
WAARSCHUWING
De adaptieve cruisecontrol is geen systeem dat botsingen voorkomt. Grijp zelf in
zodra u merkt dat het systeem een voorligger niet registreert.
De adaptieve cruisecontrol reageert niet
op voetgangers of dieren noch op kleinere
voertuigen, zoals fietsen of motorfietsen
e.d. Tegenliggers, langzaam rijdende en
stilstaande voertuigen of vaste obstakels
worden eveneens genegeerd.
Gebruik de adaptieve cruisecontrol niet in
stadsverkeer of verkeersdrukte, op kruisingen, bij gladheid, hevige regen- of sneeuwval of slecht zicht en evenmin op weggedeelten met een dikke laag water of
sneeuwmodder, op bochtige wegen of op
op- en afritten.
BELANGRIJK
Bij zichtbare schade aan de grille van de
auto of het vermoeden dat de radarsensor
beschadigd is:
•
07
196
Neem contact op met een werkplaats
– geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
Als de grille, de radarsensor of de console
ervan beschadigd of losgeraakt is, kan de
functie ervan geheel of gedeeltelijk wegvallen of storingen vertonen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 185)
Collision Warning* (p. 210)
Afstandswaarschuwing* (p. 200)
07 Bestuurdersondersteuning
Adaptieve cruisecontrol* - storingen
opsporen en verhelpen
De adaptieve cruisecontrol (p. 185) (ACC –
Adaptive Cruise Control) helpt u om een
gelijkmatige snelheid en een veilige afstand
tot voorliggers te houden.
Als op het instrumentenpaneel de melding
Radar afgedekt Zie instructieb. verschijnt,
worden de radarsignalen van de radarsensor
(p. 194) gehinderd zodat voorliggers niet kunnen worden geregistreerd.
In de volgende tabel staan voorbeelden van
mogelijke oorzaken van het verschijnen van
de melding en passende maatregelen:
Dit betekent dat noch de adaptieve cruisecontrol noch Distance Alert (p. 200) en Collision Warning (p. 210) met Auto Brake werken.
Oorzaak
Maatregel
Het radaroppervlak van de grille is vuil of bedekt met sneeuw of
ijs.
Ontdoe het radaroppervlak van de grille van vuil, sneeuw en ijs.
De radarsignalen worden gehinderd door hevige regen- of sneeuwval.
Valt niets aan te doen. Bij hevige neerslag werkt de radar soms niet.
De radarsignalen worden gehinderd door opspattend water en
opdwarrelende sneeuw van het wegdek.
Valt niets aan te doen. Op weggedeelten met een dikke laag water of
sneeuw werkt de radar soms niet.
De melding blijft ook na schoonmaak van het radaroppervlak
staan.
Wacht even. Het kan enige minuten duren voordat de radar doorheeft dat
de radarsignalen niet langer worden geblokkeerd.
Gerelateerde informatie
•
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht (p.
188)
•
•
Adaptieve cruisecontrol* - functie (p. 186)
07
Adaptieve cruisecontrol* - symbolen en
meldingen (p. 198)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
197
07 Bestuurdersondersteuning
Adaptieve cruisecontrol* - symbolen
en meldingen
snelheid en een veilige afstand tot voorliggers
te houden. Soms kan de adaptieve cruisecontrol een symbool en/of een melding weerge-
De adaptieve cruisecontrol (ACC – Adaptive
Cruise Control) helpt u om een gelijkmatige
Symbool
Melding
Betekenis
Het symbool is GROEN
De auto houdt de opgeslagen snelheid aan.
Het symbool is WIT
De adaptieve cruisecontrol staat stand-by.
ven. Hier ziet u een paar voorbeelden - volg in
die gevallen het gegeven advies op:
De standaard cruisecontrol is handmatig gekozen.
DSTC normaal voor
ACC
De adaptieve cruisecontrol is alleen te activeren, wanneer de stabiliteits- en tractieregeling (DSTC) (p.
177) in de normale stand staat.
ACC gedeactiveerd
De adaptieve cruisecontrol werd gedeactiveerd – u dient zelf uw snelheid aan te passen.
ACC niet beschikbaar
De adaptieve cruisecontrol kan niet worden geactiveerd.
Dit kan onder meer gebeuren wanneer:
•
•
07
Radar afgedekt Zie
instructieb.
de remmen een hoge temperatuur hebben
de radarsensor wordt gehinderd door natte sneeuw of regen.
De adaptieve cruisecontrol werkt tijdelijk niet.
•
De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren. Bijvoorbeeld wanneer deze wordt gehinderd door hevige regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken.
U kunt dan overschakelen op (p. 194) de standaard cruisecontrol (CC) – een tekstmelding informeert
over passende alternatieven.
Lees meer over de beperkingen van de radarsensor (p. 195).
198
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
07 Bestuurdersondersteuning
Symbool
Melding
Betekenis
ACC Service vereist
De adaptieve cruisecontrol werkt niet.
•
Neem dan contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Remmen om stil te blijven staan + geluidssignaal
De auto staat stil en de cruisecontrol lost de bedrijfsrem, zodat de parkeerrem verder kan remmen en
de auto stil kan houden. Door een storing in de parkeerrem zal de auto echter spoedig in beweging
komen.
(Alleen auto met fileassistent)
•
Onder 30 km/h alleen
volgen
Verschijnt wanneer u de cruisecontrol probeert te activeren bij een snelheid onder 30 km/h en er geen
voorligger binnen de activeringsafstand (ca. 30 meter) te bekennen is.
U moet zelf remmen. De melding blijft staan en het geluidssignaal klinkt, totdat u het rempedaal of
gaspedaal bedient.
(Alleen auto met fileassistent)
Gerelateerde informatie
•
•
Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 185)
•
Adaptieve cruisecontrol* - functie (p. 186)
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht (p.
188)
07
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
199
07 Bestuurdersondersteuning
Afstandswaarschuwing*
N.B.
De afstandswaarschuwing (Distance Alert) is
een functie die u inlicht over de volgtijd ten
opzichte van de voorligger.
De afstandswaarschuwing is uitgeschakeld, zolang de adaptieve cruisecontrol
actief is.
Distance Alert is actief bij snelheden hoger
dan 30 km/h en reageert uitsluitend op voorliggers die in dezelfde richting als u rijden.
Voor voertuigen die langzaam in tegengestelde richting rijden of stilstaan wordt geen
afstandsinformatie gegeven.
Distance Alert reageert alleen, als de
afstand tot voorliggers korter is dan de
ingestelde waarde – de rijsnelheid wordt
niet aangepast.
console – in dat geval is het systeem te
bedienen via het menusysteem MY CAR van
de auto, zie MY CAR (p. 105).
Volgtijd instellen
WAARSCHUWING
Bediening
Bedieningselementen en symbool voor volgtijd.
Volgtijd – Verlengen/verkorten.
Volgtijd - Aan.
Oranje waarschuwingssymbool12.
07
Er brandt continu een oranje waarschuwingssymbool op de voorruit, als de afstand tot de
voorligger gelijk is aan de ingestelde volgtijd.
Met de knop op de middenconsole kunt u de
functie in- en uitschakelen. Het brandende
lampje in de schakelaar geeft aan dat de
functie geactiveerd is.
Bij bepaalde combinaties van opties is er
geen plek vrij voor een knop op de midden-
12
200
N.B. De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
U kunt verschillende volgtijden ten opzichte van voorliggers kiezen en deze worden
op het instrumentenpaneel
weergegeven met 1–5 horizontale streepjes – hoe meer
streepjes, hoe langer de
volgtijd. Eén streepje komt overeen met
ca. 1 seconde ten opzichte van de voorligger
en 5 streepjes met ca. 3 seconden.
07 Bestuurdersondersteuning
Hetzelfde symbool verschijnt ook wanneer de
adaptieve cruisecontrole geactiveerd is.
N.B.
Hoe hoger de snelheid, hoe langer de
volgafstand in meters voor een bepaalde
volgtijd.
De ingestelde volgtijd wordt ook gebruikt
door de adaptieve cruisecontrol (p. 186).
Houd alleen een volgtijd aan die niet in
strijd is met de geldende verkeersregels.
Gerelateerde informatie
•
Afstandswaarschuwing* - beperkingen (p.
201)
Afstandswaarschuwing* beperkingen
De afstandswaarschuwing (Distance Alert) is
een functie die u inlicht over de afstand (volgtijd) ten opzichte van de voorligger. Het systeem gebruikt dezelfde radarsensor als de
adaptieve cruisecontrol (p. 185) en de Collision Warning met Auto Brake (p. 210) heeft
bepaalde beperkingen.
Gerelateerde informatie
•
•
Afstandswaarschuwing* (p. 200)
Afstandswaarschuwing* - symbolen en
meldingen (p. 202)
N.B.
In de felle zon en bij lichtschitteringen of
grote variaties in de lichtsterkte alsook het
gebruik van een zonnebril is het op de
voorruit geprojecteerde waarschuwingslampje soms moeilijk waar te nemen.
In slechte weersomstandigheden en op
slingerende wegen heeft de radarsensor
soms moeite om voorliggers te registreren.
Ook voorliggers met geringe afmetingen
(zoals motorfietsen) zijn soms moeilijk te
ontdekken. Dat kan betekenen dat het
geprojecteerde waarschuwingslampje pas
bij kortere volgtijden oplicht of dat helemaal niet gaat branden.
Op zeer hoge snelheden is het mogelijk
dat het lampje door beperkingen in het
bereik van de sensor op kortere afstand
oplicht.
07
Voor meer informatie over de beperkingen
van de radarsensor, zie Radarsensor - beperkingen (p. 195) en (p. 216).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
201
07 Bestuurdersondersteuning
Afstandswaarschuwing* - symbolen
en meldingen
opzichte van de voorligger. Het systeem heeft
bepaalde beperkingen.
De afstandswaarschuwing (Distance Alert) is
een functie die u inlicht over de volgtijd ten
SymboolA
Melding
Betekenis
Radar afgedekt Zie
instructieb.
De afstandswaarschuwing werkt tijdelijk niet.
De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren. Bijvoorbeeld wanneer deze wordt gehinderd
door hevige regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken.
Lees meer over de beperkingen van de radarsensor (p. 195).
CWS-systeem Service vereist
A
De afstandswaarschuwing en Collision Warning met Auto Brake werken niet of gedeeltelijk.
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
De symbolen zijn schematisch - afhankelijk van de markt en het model zijn afwijkingen mogelijk.
Gerelateerde informatie
•
•
Afstandswaarschuwing* (p. 200)
Afstandswaarschuwing* - beperkingen (p.
201)
07
202
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
07 Bestuurdersondersteuning
City Safety™
BELANGRIJK
City Safety™ is een hulpmiddel om u te helpen een botsing te voorkomen tijdens filerijden e.d., waarbij plotselinge wijzigingen in het
verkeer vóór u gekoppeld aan onoplettendheid tot bijna-ongelukken kunnen leiden.
Onderhoud en vervanging van onderdelen
in City Safety™ mogen uitsluitend door
een werkplaats worden uitgevoerd - geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Het City Safety™-systeem dat actief is bij een
snelheid tot 50 km/h helpt u door automatisch te remmen, wanneer het gevaar voor
een botsing met een voorligger reëel is en u
zelf niet snel genoeg remt en/of uitwijkt.
WAARSCHUWING
City Safety™ werkt niet in alle rijsituaties,
verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
City Safety™ reageert niet op voertuigen
die in een andere richting dan de eigen
auto rijden, op kleine voertuigen, op
motorfietsen of op mensen en dieren.
City Safety™ wordt geactiveerd in situaties
waar u eigenlijk al veel eerder had moeten
remmen, zodat de functie niet altijd uitkomst
biedt.
City Safety™ kan botsingen voorkomen bij
een snelheidsverschil lager dan 15 km/h bij een hoger snelheidsverschil kan de
impactsnelheid alleen worden gereduceerd. Voor een volledig remvermogen
moet u zelf het rempedaal intrappen.
City Safety™ is erop gebouwd om zo laat
mogelijk geactiveerd te worden om onnodige
ingrepen te voorkomen.
Gebruik City Safety™ niet om uw rijgedrag
aan te passen – als u er blind op vertrouwt
dat City Safety™ remt, raakt u vroeg of laat
betrokken bij een botsing.
U en eventuele passagiers zullen normaal
alleen merken dat City Safety™ actief is,
wanneer een botsing dreigt.
Bij auto’s met Collision Warning met Auto
Brake (p. 210)* vullen de beide systemen elkaar aan.
City Safety™ - functie
City Safety™ registreert het verkeer vóór de
auto middels een lasersensor boven aan de
voorruit. Wanneer het gevaar voor een aanrijding reëel is, zal City Safety™ automatisch
remmen, wat aandoet als een krachtige remmanoeuvre.
Wacht nooit af totdat City Safety™ ingrijpt.
U bent er altijd zelf verantwoordelijk voor
dat u de juiste afstand en snelheid aanhoudt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
07
City Safety™ - beperkingen (p. 205)
City Safety™ - functie (p. 203)
City Safety™ - bediening (p. 204)
City Safety™ - lasersensor (p. 207)
City Safety™ - symbolen en meldingen
(p. 209)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
203
07 Bestuurdersondersteuning
||
Wanneer het systeem ingrijpt en remt, verschijnt op het instrumentenpaneel de tekstmelding dat het systeem actief is/was.
N.B.
Als City Safety™ remt, gaan de remlichten
branden.
City Safety™ - bediening
City Safety™ is een hulpmiddel om u te helpen een botsing te voorkomen tijdens filerijden e.d., waarbij plotselinge wijzigingen in het
verkeer vóór u gekoppeld aan onoplettendheid tot bijna-ongelukken kunnen leiden.
Aan en Uit
Gerelateerde informatie
Zend- en ontvangstoog van de lasersensor13.
Bij een snelheidsverschil van 4–15 km/h ten
opzichte van de voorligger kan City Safety™
een aanrijding geheel voorkomen.
•
•
•
•
•
City Safety™ - beperkingen (p. 205)
City Safety™ (p. 203)
City Safety™ - bediening (p. 204)
City Safety™ - lasersensor (p. 207)
City Safety™ - symbolen en meldingen
(p. 209)
City Safety™ start een korte, krachtige remmanoeuvre en zorgt er normaliter voor dat u
net achter uw voorligger tot stilstand komt.
Voor veel bestuurders die dit niet gewend zijn
is een dergelijke remmanoeuvre onprettig.
07
Bij een snelheidsverschil van meer dan
15 km/h tussen de voertuigen kan City
Safety™ een aanrijding niet geheel op eigen
kracht voorkomen – voor het maximale remvermogen dient u zelf het rempedaal te
bedienen. In dat geval is het ook bij snelheidsverschillen groter dan 15 km/h mogelijk
een aanrijding te voorkomen.
13
204
N.B. De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
N.B.
De functie City Safety™ is altijd ingeschakeld, wanneer u de motor hebt gestart via
sleutelstand I en II (p. 68).
Soms is het handig om City Safety™ uit te
kunnen schakelen, bijvoorbeeld wanneer
bebladerde takken langs de motorkap en
voorruit kunnen schampen.
Na het starten van de motor is City Safety™
uit te schakelen. U kunt het systeem activeren/deactiveren in het menusysteem MY
CAR. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie MY CAR (p. 105).
De volgende keer dat de motor wordt gestart
is de functie echter weer actief, ook al stond
het systeem uit toen de motor werd afgezet.
07 Bestuurdersondersteuning
WAARSCHUWING
De lasersensor geeft ook laserlicht af,
wanneer u City Safety™ handmatig uitgeschakeld hebt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
City Safety™ - functie (p. 203)
•
MY CAR (p. 105)
City Safety™ (p. 203)
City Safety™ - beperkingen (p. 205)
City Safety™ - lasersensor (p. 207)
City Safety™ - symbolen en meldingen
(p. 209)
City Safety™ - beperkingen
De City Safety™-sensor is erop gebouwd om
auto’s en andere voertuigen vóór u te ontdekken, zowel overdag als ’s nachts. Het systeem
heeft echter een aantal beperkingen.
De sensor kent echter beperkingen en werkt
bijvoorbeeld minder goed – of helemaal niet –
bij hevige sneeuw- of regenval, in dichte mist
of in dikke stofwolken of stuifsneeuw. Condens, vuil, sneeuw en ijs op de voorruit kunnen voor storingen in de werking zorgen.
Hangende voorwerpen zoals vlaggen/
wimpels die uitstekende lading markeren of
accessoires zoals verstralers en frontbars die
boven de motorkap uitsteken zorgen voor
functiebeperkingen.
Het laserlicht van de sensor in City Safety™
meet hoe het licht reflecteert. De sensor kan
geen obstakels met een gering reflecterend
vermogen waarnemen. De achterkant van
voertuigen weerkaatst veelal voldoende licht
dankzij de kentekenplaat en de achterlichtreflectoren.
Bij gladheid is de remweg langer waardoor
City Safety™ minder goed in staat is aanrijdingen te voorkomen. In dergelijke situaties
zullen het ABS en DSTC voor het maximale
remvermogen zorgen met behoud van de stabiliteit.
Wanneer u achteruitrijdt, is City Safety™ tijdelijk gedeactiveerd.
City Safety™ wordt niet geactiveerd op lage
snelheden (onder 4 km/h), wat betekent dat
het systeem niet ingrijpt in situaties waarbij u
een voorligger uiterst langzaam nadert zoals
tijdens het parkeren.
De commando’s die u zelf geeft hebben altijd
voorrang, wat betekent dat City Safety™ niet
ingrijpt in situaties waarbij u duidelijke commando’s geeft via stuurwiel of gaspedaal,
zelfs al is een aanrijding onvermijdelijk.
Nadat City Safety™ een aanrijding met een
stilstaand obstakel heeft voorkomen, blijft de
auto maximaal 1,5 seconde stilstaan. Als de
auto wordt afgeremd wegens een rijdende
voorligger, wordt de snelheid begrensd tot
dezelfde snelheid als die van de voorligger.
Bij een auto met een handgeschakelde versnellingsbak slaat de motor af wanneer City
Safety™ de auto tot stilstand heeft gebracht,
tenzij u daarvoor het koppelingspedaal weet
te bedienen.
N.B.
•
Houd de voorruit in het gebied vóór de
lasersensor vrij van sneeuw, ijs, condens en vuil (zie de afbeelding met de
sensorpositie (p. 203)).
•
Plak of bevestig geen zaken op de
voorruit vóór de lasersensor
•
Haal sneeuw en ijs van de motorkap –
de laag sneeuw en ijs mag niet dikker
zijn dan 5 cm.
07
205
07 Bestuurdersondersteuning
||
Storingen opsporen en verhelpen
BELANGRIJK
Als de melding Voorruitsensoren afgedekt
op het instrumentenpaneel verschijnt, worden
de lasersensoren gehinderd zodat ze geen
voertuigen vóór de auto kunnen registreren.
Dit betekent op zijn beurt dat City Safety™
niet werkt.
Als het voorruitoppervlak vóór een van
beide ‘ogen’ barsten, krassen of steenslag
vertoont van ca. 0,5 × 3,0 mm (of groter),
neem dan contact op met een erkende
werkplaats om de voorruit te laten vervangen (zie de afbeelding met de sensorpositie (p. 203)) – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
De melding Voorruitsensoren afgedekt verschijnt echter niet in alle situaties waarbij de
lasersensor gehinderd worden – let er daarom
op dat u de voorruit en in het bijzonder het
gebied vóór de lasersensor zorgvuldig
schoonhoudt.
Als u niets doet, presteert City Safety™
mogelijk minder goed.
Om te voorkomen dat City Safety™ helemaal niet, onjuist of in beperkte mate
werkt, geldt tevens het volgende:
In de volgende tabel staan mogelijke oorzaken van het verschijnen van de melding en
suggesties voor passende maatregelen.
07
Oorzaak
Maatregel
Het voorruitoppervlak vóór de lasersensor is vuil of
bedekt met sneeuw
of ijs.
Ontdoe het voorruitoppervlak vóór
de lasersensor van
vuil, sneeuw en ijs.
Het blikveld van de
lasersensor wordt
gehinderd.
Verwijder het voorwerp dat het zicht
blokkeert.
•
Volvo adviseert u scheurtjes, krassen
of sterren in het gebied vóór de lasersensor niet te repareren, maar de complete voorruit te vervangen.
•
Voordat de voorruit wordt vervangen,
moet u contact opnemen met een
erkende Volvo-werkplaats om te controleren of de juiste voorruit wordt
besteld en gemonteerd.
•
monteer bij vervanging van de ruitenwissers hetzelfde type of een ander
type, door Volvo goedgekeurde ruitenwissers.
Gerelateerde informatie
•
•
•
206
City Safety™ (p. 203)
City Safety™ - functie (p. 203)
City Safety™ - bediening (p. 204)
•
•
City Safety™ - lasersensor (p. 207)
City Safety™ - symbolen en meldingen
(p. 209)
07 Bestuurdersondersteuning
City Safety™ - lasersensor
Het City Safety™-systeem maakt gebruik van
een sensor die laserlicht uitzendt (zie afbeelding (p. 203) voor de locatie van de sensor).
Neem contact op met een gekwalificeerde
werkplaats als de lasersensor een storing vertoont of nagekeken moet worden – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Het is daarom essentieel dat u de aangegeven
instructies opvolgt bij het hanteren van de
lasersensor.
De volgende twee stickers hebben te maken
met de lasersensor:
Op de onderste sticker staan de fysische
eigenschappen van het laserlicht:
•
IEC 60825-1:1993 + A2:2001. Voldoet
aan de normen van de FDA (Amerikaanse
keuringsdienst van waren) betreffende de
uitvoering van laserproducten met uitzondering van de afwijkingen conform ‘Laser
Notice No. 50’, d.d. 26 juli 2001.
De fysische gegevens staan nader omschreven in de volgende tabel.
Maximale pulsenergie
2,64 µJ
Maximaal gem. vermogen
45 mW
Divergentie (horizontaal × verticaal)
•
Laserstraling - Niet rechtstreeks in de
straal kijken met optische instrumenten Klasse 1M laserproduct.
•
Kijk nooit van een afstand van 100 mm
of minder in de lasersensor (waaruit
uiteenlopende, onzichtbare laserstralen komen) met vergrotende optiek
zoals een vergrootglas, microscoop,
objectief of soortgelijke optische
instrumenten.
•
Laat tests, reparaties, demontage,
afstelling en/of vervanging van de
lasersensor of delen ervan alleen uitvoeren door een erkende werkplaats –
geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
•
Stel de lasersensor niet bij en voer
geen onderhoud uit dat niet uitdrukkelijk in dit boekje staat aangegeven om
blootstelling aan schadelijke straling
tegen te gaan.
•
De reparateur dient de speciaal opgestelde werkplaatsinformatie voor de
lasersensor te volgen.
•
Demonteer de lasersensor niet (en verwijder de lenzen evenmin). Een gedemonteerde lasersensor is een laserproduct klasse 3B volgens de IEC-norm
60825-1. Een laserproduct klasse 3B
is niet veilig voor de ogen en houdt
dan ook een gevaar voor oogletsel in.
Stralingsgegevens voor lasersensor
Pulsduur
Op de bovenste sticker in de afbeelding staat
de classificatie van het laserlicht:
WAARSCHUWING
Als u de instructies in dit boekje niet
opvolgt, bestaat er gevaar voor oogletsel!
33 ns
28° × 12°
07
}}
207
07 Bestuurdersondersteuning
||
•
Koppel de connector van de lasersensor los voordat u deze van de voorruit
demonteert.
•
Zorg dat de lasersensor op de voorruit
gemonteerd is alvorens de connector
aan te sluiten.
•
De lasersensor zendt laserlicht uit
wanneer de transpondersleutel in sleutelstand II (p. 68) staat, ook al is de
motor afgezet.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
07
208
City Safety™ (p. 203)
City Safety™ - beperkingen (p. 205)
City Safety™ - functie (p. 203)
City Safety™ - bediening (p. 204)
City Safety™ - symbolen en meldingen
(p. 209)
07 Bestuurdersondersteuning
City Safety™ - symbolen en
meldingen
instrumentenpaneel gaan branden in combinatie met een tekstmelding. Meldingen kunt u
van het display halen door de OK-knop op de
richtingaanwijzerhendel kort in te drukken.
Terwijl City Safety™ (p. 203) automatisch
remt, kunnen een of meer symbolen op het
Symbool
Melding
Betekenis/Maatregel
Autom. remmen door
City Safety
City Safety™ remt op dit moment of remde eerder automatisch.
Voorruitsensoren afgedekt
De lasersensor werkt tijdelijk niet doordat deze door iets gehinderd wordt.
•
Verwijder het voorwerp dat de sensor hindert en/of maak het voorruitoppervlak vóór de sensor
schoon.
Lees meer over de beperkingen van de lasersensor (p. 205).
City Safety Service vereist
City Safety™ is defect.
•
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
City Safety™ (p. 203)
City Safety™ - beperkingen (p. 205)
City Safety™ - functie (p. 203)
City Safety™ - bediening (p. 204)
City Safety™ - lasersensor (p. 207)
07
209
07 Bestuurdersondersteuning
Collision Warning*14
‘Collision Warning met Auto Brake en voetgangers- en fietserdetectie’ is een hulpmiddel
dat bedoeld is om u te waarschuwen, wanneer het gevaar bestaat dat u op een voetganger of achter op een (stilstaande of rijdende) fietser of voorligger botst.
Collision Warning met Auto Brake en voetgangersdetectie wordt geactiveerd in situaties waar u eigenlijk al veel eerder had moeten remmen, zodat de functie niet altijd uitkomst biedt.
Collision Warning met Auto Brake en voetgangersdetectie is erop gebouwd om zo laat
mogelijk geactiveerd te worden om onnodige
ingrepen te voorkomen.
Auto Brake en voetgangersdetectie in twee
uitvoeringen voorkomen:
•
Collision Warning* - algemene beperkingen (p. 217)
Uitvoering 1
•
U wordt alleen met visuele en akoestische
signalen gewaarschuwd15 voor obstakels – er
wordt niet automatisch geremd, u moet zelf
remmen.
Collision Warning* - beperkingen van de
camerasensor (p. 218)
•
Collision Warning* - symbolen en meldingen (p. 220)
Uitvoering 2
U wordt met visuele en akoestische signalen
gewaarschuwd voor obstakels – de auto remt
automatisch als u niet zelf binnen een redelijke tijd reageert.
BELANGRIJK
Onderhoud aan de componenten van Collision Warning met Auto Brake & voetgangersbescherming mag uitsluitend worden
uitgevoerd in een werkplaats - een door
Volvo erkende werkplaats wordt aanbevolen.
Collision Warning met Auto Brake en voetgangersdetectie kan een aanrijding voorkomen of de impactsnelheid verlagen.
07
Gebruik Collision Warning met Auto Brake en
voetgangersdetectie niet om uw rijgedrag aan
te passen – als u er blind op vertrouwt dat
Collision Warning met Auto Brake remt, raakt
u vroeg of laat betrokken bij een aanrijding.
Twee systeemuitvoeringen
Afhankelijk van het uitrustingsniveau van de
auto kan de functie Collision Warning met
14
15
210
Gerelateerde informatie
•
•
•
Collision Warning* - detectie van fietser
(p. 212)
•
Collision Warning* - bediening (p. 215)
Niet verkrijgbaar als optie in combinatie met bepaalde motortypen.
Geen waarschuwing voor fietsers bij ‘Uitvoering 1’.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Collision Warning* - functie (p. 211)
Collision Warning* - detectie van voetgangers (p. 214)
07 Bestuurdersondersteuning
Collision Warning* - functie
3. Auto Brake17
‘Collision Warning met Auto Brake en voetgangers- en fietserdetectie’ is een hulpmiddel
dat bedoeld is om u te waarschuwen, wanneer het gevaar bestaat dat u op een voetganger of achter op een (stilstaande of rijdende) fietser of voorligger botst.
Collision Warning en City Safety™ (p. 203)
vullen elkaar aan.
1 – Collision Warning
Eerst wordt u gewaarschuwd voor een dreigende aanrijding.
Collision Warning registreert voetgangers
vóór de auto en (stilstaande of rijdende) voorliggers.
Bij gevaar voor een aanrijding met een voetganger of voertuig, wordt uw aandacht
getrokken met een rood knipperend waarschuwingssymbool (1) en een akoestisch signaal.
remmanoeuvre alleen niet voldoende is om
een botsing te voorkomen.
3 – Auto Brake17
Op het laatste moment wordt de automatische remfunctie geactiveerd.
Als u in deze fase nog steeds niet aan een
uitwijkmanoeuvre bent begonnen en het aanrijdingsgevaar urgent is, schakelt de automatische remfunctie in, ongeacht of u remt of
niet. De auto wordt daarbij maximaal afgeremd om de botssnelheid te beperken of
zoveel als nodig is om een aanrijding te voorkomen. Voor fietsers wordt mogelijk zeer laat
gewaarschuwd en geremd of gelijktijdig
gewaarschuwd en geremd.
2 – Brake Support17
Functie-overzicht16.
Audiovisueel waarschuwingssignaal bij
gevaar voor een botsing.
Radarsensor17
Camerasensor
Collision Warning met Auto Brake vervult drie
functies in de volgende volgorde:
1. Collision Warning
2. Brake Support17
16
17
Als het gevaar voor een aanrijding na de Collision Warning verder is toegenomen, treedt
de Brake Support in werking.
Dit betekent dat het systeem de nodige voorbereidingen treft voor een snelle remmanoeuvre, waarna de remmen licht worden
aangezet. Dit is te merken aan een lichte
schok.
07
Als u het rempedaal met een bepaalde snelheid bedient, wordt het maximale remvermogen geleverd.
Brake Support helpt u eveneens bij het remmen, als het systeem ervan uitgaat dat de
N.B. De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
Alleen met een systeem in uitvoering 2.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
211
07 Bestuurdersondersteuning
||
WAARSCHUWING
Collision Warning werkt niet in alle rijsituaties, verkeers-, weers- en wegomstandigheden. Collision Warning reageert niet op
naderende tegenliggers of fietsers noch op
dieren.
Er wordt alleen gewaarschuwd wanneer
het risico van een botsing groot is. In het
onderdeel “Functie” en “Beperkingen”
wordt geïnformeerd over de beperkingen
die u als bestuurder moet kennen, voordat
u de Collision Warning met Auto Brake
gebruikt.
Er wordt niet gewaarschuwd noch geremd
voor voetgangers en fietsers bij een rijsnelheid hoger dan 80 km/h.
Gerelateerde informatie
•
•
Collision Warning* (p. 210)
Collision Warning* - detectie van voetgangers (p. 214)
•
Collision Warning* - detectie van fietser
(p. 212)
•
•
Collision Warning* - bediening (p. 215)
•
Collision Warning* - beperkingen van de
camerasensor (p. 218)
•
Collision Warning* - symbolen en meldingen (p. 220)
Collision Warning* - algemene beperkingen (p. 217)
Collision Warning* - detectie van
fietser
‘Collision Warning met Auto Brake en voetgangers- en fietserdetectie’ is een hulpmiddel
dat bedoeld is om u te waarschuwen, wanneer het gevaar bestaat dat u op een voetganger of achter op een (stilstaande of rijdende) fietser of voorligger botst.
In het donker en in tunnels kan niet worden gewaarschuwd noch geremd voor
voetgangers en fietsers – zelfs al brandt de
straatverlichting.
Auto Brake kan een botsing geheel voorkomen of de botssnelheid verlagen.
Bedien voor een maximale remwerking
altijd het rempedaal – ook al wordt er automatisch geremd.
07
212
Wacht nooit een waarschuwingssignaal
van de Collision Warning af. U bent er
altijd verantwoordelijk voor om de juiste
afstand en snelheid aan te houden – ook
bij gebruik van de Collision Warning met
Auto Brake.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Optimaal voorbeeld van wat het systeem als een
fietser beschouwt – met duidelijke lichaams- en
fietscontouren, recht van achteren gezien en in
het verlengde van de hartlijn door de auto.
Voor optimale prestaties van het systeem
dient de systeemfunctie die verantwoordelijk
is voor identificatie van fietsers zo uniform
mogelijke informatie over de lichaams- en
fietscontouren ontvangen – dat houdt in dat
kenmerkende (lichaams-)delen zoals fiets,
hoofd, armen, schouders, benen, borstkas en
buik moeten kunnen worden waargenomen
07 Bestuurdersondersteuning
evenals een bewegingspatroon dat voor mensen als normaal te beschouwen is.
Het systeem kan een fietser niet ontdekken,
als de camera grote delen van het lichaam
van de fietser of zijn/haar fiets niet kan waarnemen.
•
Fietsers die links of rechts op de denkbeeldige snijlijnen door de zijkanten van
uw auto fietsen worden mogelijk laat of
helemaal niet ontdekt.
•
Bij zonsondergang en -opgang kan het
systeem fietsers minder goed registreren
– vergelijkbaar met het menselijk oog.
•
Het systeem is niet in staat fietsers te
registreren bij ritten in het donker of in
tunnels – zelfs al brandt de straatverlichting.
•
WAARSCHUWING
Collision Warning met Auto Brake en voetgangers- en fietserdetectie is een hulpmiddel.
Fietserdetectie is niet mogelijk:
Voor optimale fietserdetectie moet het
systeem City Safety™ zijn geactiveerd,
City Safety™ (p. 203).
•
in alle situaties en het systeem heeft
bijvoorbeeld moeite met gedeeltelijk
zichtbare fietsers;
•
bij fietsers in kleding die de lichaamscontouren verhult of fietsers die van de
zijkant komen;
•
bij fietsen waar achterop geen reflector
zit;
•
bij fietsen waarop grote voorwerpen
worden vervoerd.
U bent er altijd zelf verantwoordelijk voor
dat u de auto op de juiste wijze bestuurt
en voldoende afstand houdt afhankelijk
van de rijsnelheid.
Het systeem ‘ziet’ alleen de achterkant van fietsen die in dezelfde richting als uw auto rijden.
•
Het systeem kan alleen volwassen fietsers ontdekken die op een dames- of
herenfiets zitten.
•
De fiets moet aan de achterkant zijn voorzien van een rode reflector die goed
zichtbaar en goedgekeurd19 is en op minstens 70 cm boven het wegdek zit.
•
19
Het systeem kan fietsers alleen recht van
achteren ontdekken en alleen als deze in
dezelfde richting als uw auto rijden – niet
schuin van achteren of van opzij.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Collision Warning* - detectie van voetgangers (p. 214)
Collision Warning* (p. 210)
Collision Warning* - functie (p. 211)
07
Collision Warning* - bediening (p. 215)
Collision Warning* - algemene beperkingen (p. 217)
De reflector moet voldoen aan de aanbevelingen en voorschriften van de verkeersinstantie in het desbetreffende land.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
213
07 Bestuurdersondersteuning
•
Collision Warning* - beperkingen van de
camerasensor (p. 218)
•
Collision Warning* - detectie van
voetgangers
Collision Warning* - symbolen en meldingen (p. 220)
‘Collision Warning met Auto Brake en voetgangers- en fietserdetectie’ is een hulpmiddel
dat bedoeld is om u te waarschuwen, wanneer het gevaar bestaat dat u op een voetganger of achter op een (stilstaande of rijdende) fietser of voorligger botst.
Het systeem kan een voetganger niet ontdekken, als de camera grote delen van het
lichaam niet kan waarnemen.
•
Een voetganger is alleen te ontdekken
wanneer deze helemaal zichtbaar is en
een lengte heeft van minimaal 80 cm.
•
Het systeem kan geen voetgangers ontdekken die grote voorwerpen dragen.
•
Bij zonsondergang en -opgang kan de
camerasensor voetgangers minder goed
registreren – vergelijkbaar met het menselijk oog.
•
De camerasensor is niet in staat voetgangers te registreren bij ritten in het donker
of in tunnels – zelfs al brandt de straatverlichting.
WAARSCHUWING
Ideaalvoorbeelden van wat het systeem als voetgangers met herkenbare lichaamscontouren
beschouwt.
Voor optimale prestaties van het systeem
dient de systeemfunctie die verantwoordelijk
is voor identificatie van voetgangers zo uniform mogelijke informatie over de lichaamscontouren ontvangen – dat houdt in dat kenmerkende lichaamsdelen zoals hoofd, armen,
schouders, benen, borstkas en buik moeten
kunnen worden waargenomen evenals een
bewegingspatroon dat voor mensen als normaal te beschouwen is.
07
214
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Collision Warning met Auto Brake & voetgangersbescherming is een hulpmiddel.
De functie is niet in staat om in alle situaties alle voetgangers te detecteren en ziet
bijvoorbeeld geen deels verborgen voetgangers, personen met kleding die de
lichaamscontouren verhult of voetgangers
die kleiner zijn dan 80 cm.
•
U bent er altijd zelf verantwoordelijk
voor dat u de auto op de juiste wijze
bestuurt en voldoende afstand houdt
afhankelijk van de rijsnelheid.
07 Bestuurdersondersteuning
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Collision Warning* (p. 210)
Collision Warning* - functie (p. 211)
Collision Warning* - bediening (p. 215)
Collision Warning* - detectie van fietser
(p. 212)
•
Collision Warning* - algemene beperkingen (p. 217)
•
Collision Warning* - beperkingen van de
camerasensor (p. 218)
•
Collision Warning* - symbolen en meldingen (p. 220)
Collision Warning* - bediening
‘Collision Warning met Auto Brake en voetgangers- en fietserdetectie’ is een hulpmiddel
dat bedoeld is om u te waarschuwen, wanneer het gevaar bestaat dat u op een voetganger of achter op een (stilstaande of rijdende) fietser of voorligger botst.
Via een menusysteem van MY CAR op het
display van de middenconsole zijn eventuele
instellingen voor de Collision Warning te verrichten, zie MY CAR (p. 105).
Waarschuwingssignalen Aan en Uit
U kunt aangeven of de geluidssignalen en het
geprojecteerde waarschuwingslampje voor
de Collision Warning moeten zijn in- of uitgeschakeld.
Bij het starten van de motor geldt automatisch de instelling die actief was toen de
motor werd afgezet.
N.B.
De functies Brake Support en Auto Brake
zijn altijd actief – ze kunnen niet uitgeschakeld worden.
Waarschuwingslampje en
geluidssignaal
Na het starten van de motor zijn het waarschuwingslampje en het geluidssignaal uit te
schakelen. U kunt het systeem activeren/
deactiveren in het menusysteem MY CAR.
Voor een beschrijving van het menusysteem,
zie MY CAR (p. 105).
Als u het waarschuwingslampje en het
geluidssignaal van de Collision Warning hebt
ingeschakeld, wordt het waarschuwingslampje (zie (1) in de afbeelding (p. 211)) bij
iedere motorstart getest. Daarbij gaan de verschillende lichtpunten van het waarschuwingslampje korte tijd branden.
Geluidssignaal
U kunt het geluidssignaal afzonderlijk activeren/deactiveren in het menusysteem MY
CAR. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie MY CAR (p. 105).
Waarschuwingsafstand instellen
De waarschuwingsafstand is de afstand
waarbij een visueel signaal en een geluidssignaal worden afgegeven. U kunt de waarschuwingsafstand instellen in het menusysteem
MY CAR. Voor een beschrijving van het
menusysteem, zie MY CAR (p. 105).
De waarschuwingsafstand is bepalend voor
de gevoeligheid van het systeem. Bij de
waarschuwingsafstand Lang wordt eerder
gewaarschuwd. Ga altijd uit van de instelling
Lang, maar als deze instelling te vaak tot
waarschuwingen leidt (wat in bepaalde situaties als hinderlijk kan worden ervaren) kunt u
overgaan op de waarschuwingsafstand
Normaal.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
07
215
07 Bestuurdersondersteuning
||
Maak alleen in uitzonderingsgevallen zoals bij
dynamisch rijden gebruik van de waarschuwingsafstand Kort.
N.B.
WAARSCHUWING
Geen enkel automatisch systeem kan in
alle situaties een 100 % feilloze werking
garanderen. Test Collision Warning met
Auto Brake daarom nooit uit op mensen of
voertuigen - dat kan namelijk tot ernstig
letsel/ernstige schade en levensgevaarlijke
situaties leiden.
Bij gebruik van de adaptieve cruisecontrol
worden het waarschuwingslampje en de
waarschuwingszoemer door de cruisecontrol gehanteerd, ook al hebt u de Collision
Warning gedeactiveerd.
Instellingen controleren
De Collision Warning waarschuwt u bij
gevaar voor een botsing, maar de functie
is niet in staat uw reactietijd te verkorten.
U kunt de actuele instellingen controleren op
het display van de middenconsole. Ga in het
menusysteem (p. 105) MY CAR.
Voor een optimale werking van de Collision Warning dient u de Afstandswaarschuwing (p. 200) altijd in te stellen op
volgtijd 4-5.
Onderhoud
N.B.
Ook als u de waarschuwingsafstand hebt
ingesteld op Lang, kunnen de waarschuwingen voor uw gevoel soms laat worden
afgegeven. Bijvoorbeeld bij grote snelheidsverschillen of als de voorligger krachtig remt.
07
Camera- en radarsensor22.
De sensoren werken alleen naar behoren
wanneer u vuil, ijs en sneeuw verwijdert en ze
22
216
N.B. De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
regelmatig schoonmaakt met water en autoshampoo.
N.B.
Als vuil, ijs en sneeuw de sensoren bedekken, neemt de functie af en kan meten
onmogelijk worden gemaakt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Collision Warning* (p. 210)
Collision Warning* - functie (p. 211)
Collision Warning* - detectie van voetgangers (p. 214)
•
Collision Warning* - detectie van fietser
(p. 212)
•
Collision Warning* - algemene beperkingen (p. 217)
•
Collision Warning* - beperkingen van de
camerasensor (p. 218)
•
Collision Warning* - symbolen en meldingen (p. 220)
07 Bestuurdersondersteuning
Collision Warning* - algemene
beperkingen
‘Collision Warning met Auto Brake en voetgangers- en fietserdetectie’ is een hulpmiddel
dat bedoeld is om u te waarschuwen, wanneer het gevaar bestaat dat u op een voetganger of achter op een (stilstaande of rijdende) fietser of voorligger botst.
Het systeem heeft bepaalde beperkingen – zo
is het systeem pas actief bij snelheden van
zo’n 4 km/h en hoger.
In de felle zon en bij lichtschitteringen alsook
het gebruik van een zonnebril is het op de
voorruit geprojecteerde waarschuwingslampje voor de Collision Warning (zie (1) op
de afbeelding (p. 211)) soms moeilijk te ontdekken. Dat is ook mogelijk als u niet recht
vooruit kijkt. Houd de waarschuwingszoemer
daarom altijd ingeschakeld.
N.B.
Het visuele waarschuwingssignaal kan
korte tijd buiten werking worden gesteld,
wanneer de temperatuur in het interieur
bijvoorbeeld door de felle zon te hoog is
opgelopen. Als dit gebeurt, wordt er een
waarschuwingszoemer afgegeven ook al
hebt u deze uitgeschakeld via het menusysteem.
•
Waarschuwingen kunnen eveneens
uitblijven bij een zeer geringe afstand
tot de voorligger of bij relatief grote
stuur- en pedaalbewegingen zoals bij
een zeer actieve rijstijl.
Bij gladheid is de remweg langer waardoor
het systeem minder goed in staat is aanrijdingen te voorkomen. In dergelijke situaties zullen het ABS en DSTC voor het maximale remvermogen zorgen met behoud van de stabiliteit.
24
WAARSCHUWING
Als de radar- of camerasensor op grond
van de verkeerssituatie of anderszins problemen heeft voetgangers, voorliggers of
fietsers te ontdekken, is het mogelijk dat
het systeem pas laat, onterecht of helemaal geen waarschuwing geeft en remt.
De sensoren hebben een beperkt bereik
voor voetgangers en fietsers24, zodat het
systeem voor dergelijke weggebruikers
efficiënt waarschuwt en remingrepen verricht bij rijsnelheden tot 50 km/h. Voor stilstaande of langzaam rijdende voorliggers
wordt efficiënt gewaarschuwd en geremd
bij rijsnelheden tot 70 km/h.
In het donker of bij slecht zicht wordt er
mogelijk niet gewaarschuwd voor langzaam rijdende of stilstaande voorliggers.
Er wordt niet gewaarschuwd noch geremd
voor voetgangers en fietsers bij een rijsnelheid hoger dan 80 km/h.
De Collision Warning maakt gebruik van
dezelfde radarsensor als die van de adaptieve
cruisecontrol (p. 185). Lees meer over de
beperkingen van de radarsensor (p. 195).
Als u vindt dat er te vaak wordt gewaarschuwd en de signalen als storend ervaart,
kunt u de waarschuwingsafstand verkleinen
(p. 215). Het systeem waarschuwt dan minder
snel en minder vaak.
Voor fietsers wordt mogelijk zeer laat gewaarschuwd en geremd of gelijktijdig gewaarschuwd en geremd.
07
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
217
07 Bestuurdersondersteuning
||
Met geactiveerde achteruitversnelling is de
Collision Warning met Auto Brake tijdelijk
gedeactiveerd.
Collision Warning met Auto Brake wordt niet
geactiveerd op lage snelheden (onder
4 km/h), wat betekent dat het systeem niet
ingrijpt in situaties waarbij uw auto een voorligger uiterst langzaam nadert zoals tijdens
het parkeren.
In situaties waarin u actief en bewust rijgedrag laat zien, wordt Collision Warning minder actief.
Nadat Auto Brake een aanrijding met een stilstaand obstakel heeft voorkomen, blijft de
auto maximaal 1,5 seconde stilstaan. Als de
auto wordt afgeremd wegens een rijdende
voorligger, wordt de snelheid begrensd tot
dezelfde snelheid als die van de voorligger.
Bij een auto met een handgeschakelde versnellingsbak slaat de motor af wanneer Auto
Brake de auto tot stilstand heeft gebracht,
tenzij u daarvoor het koppelingspedaal weet
te bedienen.
07
218
Gerelateerde informatie
•
•
•
Collision Warning* (p. 210)
Collision Warning* - functie (p. 211)
Collision Warning* - detectie van voetgangers (p. 214)
•
Collision Warning* - detectie van fietser
(p. 212)
•
Collision Warning* - bediening (p. 215)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
•
Collision Warning* - beperkingen van de
camerasensor (p. 218)
•
Collision Warning* - beperkingen van
de camerasensor
Collision Warning* - symbolen en meldingen (p. 220)
‘Collision Warning met Auto Brake en voetgangers- en fietserdetectie’ is een hulpmiddel
dat bedoeld is om u te waarschuwen, wanneer het gevaar bestaat dat u op een voetganger of achter op een (stilstaande of rijdende) fietser of voorligger botst.
Het systeem maakt gebruik van de camerasensor van de auto, die bepaalde beperkingen
heeft.
De camerasensor van de auto wordt naast de
Collision Warning met Auto Brake ook
gebruikt door de functies:
•
Automatische dimfunctie groot licht/
dimlicht (p. 81)
•
•
•
Verkeersbordinformatie (p. 180)
Driver Alert Control - DAC (p. 222)
Rijbaanassistent (p. 226)
N.B.
Houd de voorruit in het gebied vóór de
camerasensor vrij van ijs, sneeuw, condens en vuil.
Plak of monteer niets op de voorruit vóór
de camerasensor, aangezien één of meer
camera’s voor het systeem hierdoor slechter of niet meer werken.
De camerasensor kent ongeveer dezelfde
beperkingen als het menselijk oog. Dit houdt
07 Bestuurdersondersteuning
in dat de sensor minder goed ‘ziet’ bij hevige
regen- of sneeuwval en in dichte mist. In dergelijke omstandigheden kunnen functies die
gebruik maken van de camera grote beperkingen ondervinden of tijdelijk gedeactiveerd
worden.
Dit houdt bovendien in dat niet alleen Collision Warning met Auto Brake maar ook de
functies Automatische dimfunctie groot licht/
dimlicht, Road Sign Information, Driver Alert
Control en Lane Departure Warning niet voor
de volle 100 % zullen werken.
Ook fel tegenlicht, reflecties op het wegdek,
besneeuwde of beijzelde wegen, verontreinigde of onduidelijke rijstrookmarkeringen
kunnen aanleiding geven tot grote beperkingen voor de functies die van de camera
gebruik maken om bijvoorbeeld het wegdek
af te tasten en andere voertuigen en voetgangers te ontdekken.
In de volgende tabel staan mogelijke oorzaken van het verschijnen van de melding en
passende maatregelen.
Het zichtveld van de camerasensor is
beperkt, zodat voetgangers, fietsers en voorliggers in bepaalde situaties niet kunnen worden geregistreerd of later worden ontdekt dan
verwacht.
Bij zeer hoge temperaturen werkt de camera
de eerste ca. 15 minuten na het starten van
de motor niet om de camerafunctie te ontzien.
Storingen opsporen en verhelpen
Als op het display de melding
Voorruitsensoren afgedekt verschijnt, betekent dit dat de camerasensor afgedekt is en
geen voetgangers, fietsers, voorliggers of
rijstrookmarkeringen vóór de auto kan ontdekken.
Oorzaak
Maatregel
Het voorruitoppervlak vóór de
camera is vuil of
bedekt met sneeuw
of ijs.
Ontdoe het voorruitoppervlak vóór de
camera van vuil,
sneeuw en ijs.
Bij dichte mist en
hevige regen- of
sneeuwval heeft de
camera een minder
goed zicht.
Valt niets aan te
doen. Bij hevige
neerslag werkt de
camera soms niet.
Oorzaak
Maatregel
Het voorruitoppervlak vóór de
camera is schoongemaakt, maar de
melding blijft.
Wacht even. Het kan
enige minuten duren
voordat de camera
het zicht opnieuw
heeft gemeten.
Er is vuil tussen de
binnenkant van de
voorruit en de
camera gekomen.
Bezoek een werkplaats om de binnenkant van de
voorruit achter de
camerabehuizing te
laten schoonmaken
– geadviseerd wordt
een erkende Volvowerkplaats.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
Collision Warning* (p. 210)
Collision Warning* - functie (p. 211)
Collision Warning* - detectie van fietser
(p. 212)
Collision Warning* - detectie van voetgangers (p. 214)
Collision Warning* - bediening (p. 215)
Collision Warning* - algemene beperkingen (p. 217)
07
Collision Warning* - symbolen en meldingen (p. 220)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
219
07 Bestuurdersondersteuning
Collision Warning* - symbolen en
meldingen
‘Collision Warning met Auto Brake en voetgangers- en fietserdetectie’ is een hulpmiddel
SymboolA
dat bedoeld is om u te waarschuwen, wanneer het gevaar bestaat dat u op een voetganger of achter op een (stilstaande of rijdende) fietser of voorligger botst.
Melding
Betekenis
CWS-systeem UIT
Collision Warning is uitgeschakeld.
Verschijnt bij het starten van de motor.
De melding dooft automatisch na ca. 5 seconden of eerder wanneer u op de toets OK drukt.
CWS-systeem niet
beschikbaar
Het is niet mogelijk Collision Warning te activeren.
Verschijnt wanneer u de functie toch probeert te activeren.
De melding dooft automatisch na ca. 5 seconden of eerder wanneer u op de toets OK drukt.
Remassistent geactiveerd
De Auto Brake was actief.
Voorruitsensoren
afgedekt
De camerasensor werkt tijdelijk niet.
De melding verdwijnt na bediening van de toets OK.
Verschijnt bijvoorbeeld bij sneeuw, ijs of vuil op de voorruit.
•
Maak het voorruitoppervlak vóór de camerasensor schoon.
Lees meer over de beperkingen van de camerasensor (p. 218).
07
220
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
07 Bestuurdersondersteuning
SymboolA
Melding
Betekenis
Radar afgedekt Zie
instructieb.
Collision Warning met Auto Brake werkt tijdelijk niet.
De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren. Bijvoorbeeld wanneer deze wordt gehinderd
door hevige regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken.
Lees meer over de beperkingen van de radarsensor (p. 195).
CWS-systeem Service vereist
A
Collision Warning met Auto Brake werkt niet of gedeeltelijk.
•
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
De symbolen zijn schematisch - afhankelijk van de markt en het model zijn afwijkingen mogelijk.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
Collision Warning* (p. 210)
Collision Warning* - functie (p. 211)
Collision Warning* - detectie van voetgangers (p. 214)
Collision Warning* - detectie van fietser
(p. 212)
Collision Warning* - bediening (p. 215)
Collision Warning* - algemene beperkingen (p. 217)
Collision Warning* - beperkingen van de
camerasensor (p. 218)
07
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
221
07 Bestuurdersondersteuning
Driver Alert System*28
Driver Alert System is bestemd om u te helpen als de auto op een ongecontroleerde
manier wordt bestuurd of op het punt staat de
rijstrookmarkering te overschrijden.
Driver Alert System bestaat uit verschillende
functies die tegelijk of apart in te schakelen
zijn:
•
•
Gerelateerde informatie
•
•
Driver Alert Control (DAC)* (p. 222)
Driver Alert Control (DAC)* - symbolen en
meldingen (p. 224)
•
Driver Alert Control (DAC)* - bediening (p.
223)
•
Rijbaanassistent (LDW)* (p. 226)
Driver Alert Control - DAC (p. 223).
Driver Alert Control (DAC)*
Het DAC-systeem is bedoeld om uw aandacht te trekken, wanneer u de auto op een
ongecontroleerde manier bestuurt (omdat u
bijvoorbeeld afgeleid wordt of bijna in slaap
valt).
DAC is bedoeld om langzame wijzigingen in
het rijgedrag te bespeuren, in eerste instantie
op de grotere wegen. De functie is niet
bedoeld voor gebruik in het stadsverkeer.
Rijbaanassistent - LDW (p. 226).
Een ingeschakelde functie wordt pas daadwerkelijk geactiveerd bij snelheden hoger dan
65 km/h. Bij lagere snelheden staat de functie
stand-by.
De functie wordt weer uitgeschakeld, zodra
de snelheid onder de 60 km/h daalt.
Beide functies maken gebruik van een
camera die alleen rijstroken met aan weerszijden geschilderde zijmarkeringen kan onderscheiden.
WAARSCHUWING
Driver Alert werkt niet in alle situaties,
maar is uitsluitend bedoeld als een aanvullend hulpmiddel.
07
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige
manier bestuurt.
28
222
Niet verkrijgbaar als optie in combinatie met bepaalde motortypen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Een camera tast de geschilderde rijstrookmarkeringen af en vergelijkt de wegrichting
met uw stuurbewegingen. U wordt gewaarschuwd wanneer de auto de wegrichting op
een ongecontroleerde manier volgt.
Soms treden er ondanks vermoeidheid geen
merkbare wijzigingen op in het rijgedrag. In
07 Bestuurdersondersteuning
dat geval wordt er dan ook niet gewaarschuwd. Het is daarom van groot belang dat
u bij opkomende vermoeidheid de auto op
een geschikte plek parkeert om een pauze in
te lassen, ongeacht de vraag of DAC nu wel
of niet heeft gewaarschuwd.
Driver Alert Control (DAC)* bediening
Via het menusysteem op het display van de
middenconsole zijn instellingen te verrichten.
Voor informatie over het gebruik van het
menusysteem, zie MY CAR (p. 105).
N.B.
Als de auto slingert, wordt u
gewaarschuwd met een geluidssignaal en de tekstmelding Driver
Alert Tijd voor pauze – tegelijkertijd gaat het bijbehorende symbool op het
instrumentenpaneel branden. Als u uw rijgedrag niet corrigeert wordt enige tijd later
opnieuw gewaarschuwd.
U kunt het waarschuwingssymbool ook deactiveren:
De functie mag niet worden gebruikt om
de rijtijd te verlengen. Plan altijd regelmatig
pauzes in en zorg ervoor dat u bent uitgerust.
•
Beperkingen
WAARSCHUWING
Soms kan het systeem ten onrechte waarschuwen voor ongecontroleerde stuurbewegingen. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren bij:
•
•
Neem een waarschuwing altijd serieus,
omdat u bij slaperigheid uw lichamelijke
conditie vaak minder goed kunt inschatten.
zijdelingse rukwinden
spoorvorming in het wegdek.
N.B.
De camerasensor heeft zijn beperkingen
(p. 218).
Gerelateerde informatie
•
•
Driver Alert System* (p. 222)
•
Driver Alert Control (DAC)* - symbolen en
meldingen (p. 224)
Driver Alert Control (DAC)* - bediening (p.
223)
Druk op de knop OK van de linker stuurhendel.
Bij een auto met LDW staat mogelijk het bovenstaande op het beeldscherm.
Breng bij een waarschuwing of een gevoel
van vermoeidheid de auto zo spoedig
mogelijk tot stilstand om rust te houden.
U kunt het Driver Alert-systeem stand-by zetten. U kunt het systeem activeren/deactiveren
in het menusysteem MY CAR. Voor een
beschrijving van het menusysteem, zie MY
CAR (p. 105).
Driver Alert wordt geactiveerd bij een snelheid
hoger dan 65 km/h en blijft actief zolang de
snelheid boven 60 km/h ligt.
Studies hebben aangetoond dat rijden bij
vermoeidheid even gevaarlijk is in het verkeer als rijden onder invloed.
Gerelateerde informatie
•
•
•
07
Driver Alert System* (p. 222)
Driver Alert Control (DAC)* (p. 222)
Driver Alert Control (DAC)* - symbolen en
meldingen (p. 224)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
223
07 Bestuurdersondersteuning
Driver Alert Control (DAC)* - symbolen
en meldingen
mentenpaneel of op het beeldscherm van de
middenconsole laten verschijnen.
Het DAC (p. 222) kan in uiteenlopende situaties symbolen en meldingen op het instru-
Instrumentenpaneel
SymboolA
Melding
Betekenis
Driver Alert Tijd voor
pauze
De auto vertoont zwalkend rijgedrag – u wordt gewaarschuwd met een zoemersignaal en een displaymelding.
Voorruitsensoren afgedekt
De camerasensor werkt tijdelijk niet.
Verschijnt bijvoorbeeld bij sneeuw, ijs of vuil op de voorruit.
•
Maak het voorruitoppervlak vóór de camerasensor schoon.
Lees meer over de beperkingen van de camerasensor (p. 218).
Driver Alert Sys Service
vereist
A
Het systeem is defect.
•
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
De symbolen zijn schematisch - afhankelijk van de markt en het model zijn afwijkingen mogelijk.
Display
07
224
SymboolA
Melding
Betekenis
Driver Alert UIT
Wisser/sproeier uitgeschakeld.
Driver Alert Beschikbaar
De functie is ingeschakeld.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
07 Bestuurdersondersteuning
SymboolA
A
Melding
Betekenis
Driver Alert stand-by <65km/h
De functie is stand-by gezet omdat de rijsnelheid onder 65 km/h ligt.
Driver Alert niet beschikbaar
De weg is niet voorzien van duidelijke markeringsstrepen of de camerasensor werkt tijdelijk niet.
Lees meer over de beperkingen van de camerasensor (p. 218).
De symbolen zijn schematisch - afhankelijk van de markt en het model zijn afwijkingen mogelijk.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Driver Alert System* (p. 222)
Driver Alert Control (DAC)* (p. 222)
Driver Alert Control (DAC)* - bediening (p.
223)
07
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
225
07 Bestuurdersondersteuning
Rijbaanassistent (LDW)*
N.B.
De Rijbaanassistent is een van de functies van
Driver Alert System – wordt ook wel LDW
(Lane Departure Warning) genoemd.
De functie is bedoeld voor gebruik op snelwegen enz. en verkleint de kans op het in
bepaalde situaties onbedoeld verlaten van de
eigen rijbaan.
Werkingsprincipe van LDW
(De afbeelding is schematisch – niet modelspecifiek.)
07
LDW maakt gebruik van een camera die de
geschilderde zijlijnen van de weg/rijbaan
aftast.
Als de auto zonder duidelijke reden de linker
of rechter zijlijn van de rijstrook overschrijdt,
wordt u gewaarschuwd met een zoemersignaal.
Iedere keer dat de wielen een markering
passeren wordt u slechts eenmaal gewaarschuwd. U wordt dan ook niet meer
gewaarschuwd, wanneer u met één wiel
aan weerszijden zijden van de rijstrookmarkering blijft rijden.
Rijbaanassistent (LDW) - functie
Het is mogelijk bepaalde instellingen te verrichten voor de Rijbaanassistent.
Aan & Uit
Gerelateerde informatie
•
•
Driver Alert System* (p. 222)
•
•
Rijbaanassistent (LDW) - functie (p. 226)
•
Rijbaanassistent (LDW) - symbolen en
meldingen (p. 229)
Rijbaanassistent (LDW) - beperkingen (p.
228)
Rijbaanassistent (LDW) - bediening (p.
227)
LDW is met een knop op de middenconsole
naar wens in en uit te schakelen. Het lampje
in de schakelaar brandt wanneer de functie
ingeschakeld is.
De functie wordt in verschillende situaties
gecompleteerd met duidelijke grafische voorstellingen op het instrumentenpaneel.
Persoonlijke instellingen
Via het menusysteem MY CAR op het display
van de middenconsole zijn instellingen te verrichten. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie MY CAR (p. 105).
Kies uit de opties:
• Aan bij starten - De functie staat bij het
starten van de motor altijd stand-by.
226
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
07 Bestuurdersondersteuning
Anders is de functiestatus bij het afzetten
van de motor bepalend.
• Hogere gevoeligheid – Verhoogde
gevoeligheid, zodat er eerder wordt
gewaarschuwd en minder beperkingen
gelden.
Rijbaanassistent (LDW) - bediening
LDW wordt in verschillende situaties gecompleteerd met duidelijke grafische voorstellingen op het instrumentenpaneel. Hier volgen
enkele voorbeelden:
Gerelateerde informatie
•
•
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Rijbaanassistent (LDW)* (p. 226)
Rijbaanassistent (LDW) - beperkingen (p.
228)
Rijbaanassistent (LDW) - functie (p. 226)
Rijbaanassistent (LDW) - symbolen en
meldingen (p. 229)
Rijbaanassistent (LDW)* (p. 226)
Rijbaanassistent (LDW) - beperkingen (p.
228)
•
Rijbaanassistent (LDW) - bediening (p.
227)
•
Rijbaanassistent (LDW) - symbolen en
meldingen (p. 229)
Zijlijnen van LDW-systeem (rood gemarkeerd op
afbeelding).
•
Het LDW-symbool heeft WITTE zijlijnen –
het systeem is actief en detecteert/‘ziet’
één zijlijn of beide zijlijnen.
•
Het LDW-symbool heeft GRIJZE zijlijnen –
het systeem is actief, maar detecteert de
linker noch de rechter zijlijn.
07
of
•
Het LDW-symbool heeft GRIJZE zijlijnen –
het systeem staat stand-by omdat de
snelheid lager is dan 65 km/h.
•
Het LDW-symbool heeft geen zijlijnen –
het systeem is uitgeschakeld.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
227
07 Bestuurdersondersteuning
Rijbaanassistent (LDW) - beperkingen
De camerasensor van de rijbaanassistent
heeft beperkingen, net als het menselijk oog.
Lees meer over de beperkingen van de camerasensor (p. 218).
N.B.
In de volgende situaties waarschuwt het
LDW echter niet:
•
•
•
•
•
Bij gebruik van de richtingaanwijzers
Bij bediening van het rempedaal33
Bij snelle bediening van het gaspedaal33
Bij snelle stuurbewegingen33
Bij dusdanig scherpe bochten dat de
auto overhelt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
07
•
33
228
Rijbaanassistent (LDW)* (p. 226)
Rijbaanassistent (LDW) - functie (p. 226)
Rijbaanassistent (LDW) - bediening (p.
227)
Rijbaanassistent (LDW) - symbolen en
meldingen (p. 229)
Wanneer u voor ‘Hogere gevoeligheid’ hebt gekozen, wordt er echter wel gewaarschuwd, zie Rijbaanassistent (LDW) - functie (p. 226).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
07 Bestuurdersondersteuning
Rijbaanassistent (LDW) - symbolen en
meldingen
In situaties waar het LDW-systeem niet wordt
geactiveerd kan er een symbool op het instru-
SymboolA
mentenpaneel verschijnen in combinatie met
een verklarende melding – volg in dat geval
het gegeven advies op.
Melding
Betekenis
Lane departure warning AAN/
Lane departure warning UIT
De functie is ingeschakeld/uitgeschakeld.
Voorbeelden van meldingen:
Verschijnt bij inschakeling/uitschakeling.
De melding verdwijnt automatisch na 5 seconden.
Lane Depart. Warning Niet
beschikbaar bij deze snelheid
De functie is stand-by gezet omdat de rijsnelheid onder 65 km/h ligt.
Lane Depart. Warning Niet
beschikbaar
De rijbaan is niet voorzien van duidelijke markeringsstrepen of de camerasensor werkt tijdelijk niet. Lees meer over de beperkingen van de camerasensor (p. 218).
Lane Depart. Warning Beschikbaar
De functie tast de belijning van de rijbaan af.
Voorruitsensoren afgedekt
De camerasensor werkt tijdelijk niet.
Verschijnt bijvoorbeeld bij sneeuw, ijs of vuil op de voorruit.
•
Maak het voorruitoppervlak vóór de camerasensor schoon.
Lees meer over de beperkingen van de camerasensor (p. 218).
Driver Alert Sys Service vereist
Het systeem is defect.
•
A
07
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
De symbolen zijn schematisch - afhankelijk van de markt en het model zijn afwijkingen mogelijk.
}}
229
07 Bestuurdersondersteuning
||
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Rijbaanassistent (LDW)* (p. 226)
Rijbaanassistent (LDW) - beperkingen (p.
228)
Rijbaanassistent (LDW) - functie (p. 226)
Rijbaanassistent (LDW) - bediening (p.
227)
07
230
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
07 Bestuurdersondersteuning
Park Assist*
WAARSCHUWING
Park Assist is bedoeld als hulpmiddel tijdens
het parkeren. Geluidssignalen en symbolen
op het display van de middenconsole geven
de afstand aan tot een waargenomen obstakel.
Het Park Assist-volume is tijdens de weergave van geluidssignalen bij te stellen met de
draaiknop VOL op de middenconsole of in
het menusysteem (p. 105) MY CAR van de
auto.
Park Assist is verkrijgbaar in twee varianten:
•
•
Park Assist aan de achterzijde
Park Assist aan de voor- en achterzijde.
N.B.
Als er een trekhaak met het elektrische
systeem van de auto is geconfigureerd,
wordt de uitsteeklengte van de trekhaak bij
het meten van de parkeerruimte meegerekend.
•
Hoewel de Park Assist handig is bij het
parkeren, bent u nog altijd schadeplichtig bij eventuele fouten.
•
Wanneer er obstakels in de dode hoeken van de sensoren zitten, zal het
systeem ze niet kunnen ontdekken.
•
Houd mensen, dieren e.d. in de buurt
van de auto daarom in de gaten.
Park Assist* - functie
De Park Assist wordt bij het starten van de
motor automatisch geactiveerd – het lampje
in de schakelaar brandt. Wanneer u Park
Assist met deze knop uitschakelt, dooft het
lampje.
Gerelateerde informatie
•
Park Assist* - sensoren schoonmaken (p.
234)
•
•
•
•
•
Park Assist* - functie (p. 231)
Park Assist* - aan de voorzijde (p. 233)
Park Assist* - storingsindicatie (p. 234)
Park Assist* - aan de achterzijde (p. 232)
Park Assist-camera (p. 235)
Aan/Uit voor Park Assist.
07
Displayweergave - toont linksvoor en rechtsachter een obstakel.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
231
07 Bestuurdersondersteuning
||
Op het display van de middenconsole verschijnt een schematische weergave van de
onderlinge posities van de auto en een eventueel obstakel.
BELANGRIJK
Voorwerpen zoals kettingen, smalle glanzende palen of lage obstakels kunnen
‘afgeschaduwd’ worden en worden in dat
geval tijdelijk niet geregistreerd door de
sensoren – het onderbroken geluidssignaal
kan dan plotseling wegvallen in plaats van
over te gaan in het verwachte ononderbroken geluidssignaal.
De gemarkeerde sector(en) geeft/geven aan
welke van de vier sensoren een obstakel
heeft/hebben waargenomen. De gemarkeerde
sector ligt dichter bij het autosymbool, naarmate de afstand tussen de auto en het waargenomen obstakel kleiner is.
232
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Wees in dergelijke gevallen extra voorzichtig en bedien/verrijd de auto erg
langzaam of breek de parkeermanoeuvre af – er bestaat groot gevaar
voor materiële schade aan de auto of
de omgeving, aangezien de sensoren
dan tijdelijk niet optimaal werken.
Gerelateerde informatie
•
•
Park Assist* (p. 231)
Park Assist* - sensoren schoonmaken (p.
234)
Park Assist* - aan de voorzijde (p. 233)
Park Assist* - storingsindicatie (p. 234)
Park Assist* - aan de achterzijde (p. 232)
Park Assist-camera (p. 235)
G021423
•
•
•
•
•
07
Park Assist is bedoeld als hulpmiddel tijdens
het parkeren. Geluidssignalen en symbolen
op het display van de middenconsole geven
de afstand aan tot een waargenomen obstakel.
De sensoren kunnen geen hoge voorwerpen ontdekken, zoals uitstekende laadperrons.
Hoe dichter u het obstakel achter of voor de
auto nadert, des te sneller volgen de geluidssignalen elkaar op. Wanneer u ondertussen
de geluidsinstallatie beluistert, wordt het
volume daarvan tijdelijk verlaagd.
Bij een afstand tot 30 cm bestaat het geluidssignaal uit een ononderbroken toon en is de
sensorsector die het dichtst bij de auto ligt
geheel gevuld. Als er zowel voor als achter de
auto obstakels binnen deze afstand zijn waargenomen, komen de geluidssignalen beurtelings uit de luidsprekers aan linker- en rechterzijde.
Park Assist* - aan de achterzijde
Het meetbereik strekt tot ca. 1,5 m recht achter de auto. Bij obstakels achter de auto
komen de geluidssignalen uit een van de luidsprekers achterin.
Park Assist aan de achterzijde wordt geactiveerd bij het inschakelen van de achteruitversnelling.
Bij het achteruitrijden met bijvoorbeeld een
aanhanger achter de auto wordt de Park
Assist automatisch uitgeschakeld – anders
reageren de sensoren op de aanhanger.
07 Bestuurdersondersteuning
N.B.
Bij het achteruitrijden met een aanhanger
achter de auto of een fietsdrager op de
trekhaak – zonder een originele aanhangerkabel van Volvo – moet u de Park Assist
mogelijk handmatig uitschakelen om te
voorkomen dat de sensoren erop reageren.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Park Assist* (p. 231)
N.B.
Park Assist is bedoeld als hulpmiddel tijdens
het parkeren. Geluidssignalen en symbolen
op het display van de middenconsole geven
de afstand aan tot een waargenomen obstakel.
Park Assist aan de voorzijde wordt
gedeactiveerd, wanneer u de parkeerrem
zet of de keuzehendel in stand P zet bij
een auto met automatische versnellingsbak.
Bij het starten van de motor wordt Park Assist
automatisch geactiveerd - het lampje in de
Aan/Uit-knop brandt. Wanneer u Park Assist
met deze knop uitschakelt, dooft het lampje.
BELANGRIJK
Bij montage van verstralers: Let erop dat
deze de sensoren niet mogen hinderen de verstralers kunnen dan als obstakel
worden gezien.
Park Assist* - sensoren schoonmaken (p.
234)
Park Assist* - functie (p. 231)
Gerelateerde informatie
Park Assist* - aan de voorzijde (p. 233)
•
•
Park Assist* - storingsindicatie (p. 234)
Park Assist-camera (p. 235)
G021424
•
•
Park Assist* - aan de voorzijde
•
•
•
•
Park Assist* (p. 231)
Park Assist* - sensoren schoonmaken (p.
234)
Park Assist* - functie (p. 231)
Park Assist* - storingsindicatie (p. 234)
Park Assist* - aan de achterzijde (p. 232)
Park Assist-camera (p. 235)
Het meetbereik strekt tot ca. 0,8 m recht voor
de auto. Bij obstakels voor de auto komen de
geluidssignalen uit een van de luidsprekers
voorin.
07
Park Assist aan de voorzijde is actief bij snelheden tot 10 km/h. Het lampje in de knop
brandt om aan te geven dat het systeem
actief is. Het systeem wordt opnieuw geactiveerd bij snelheden lager dan 10 km/h.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
233
07 Bestuurdersondersteuning
Park Assist* - sensoren schoonmaken
Park Assist is bedoeld als hulpmiddel tijdens
het parkeren. Geluidssignalen en symbolen
op het display van de middenconsole geven
de afstand aan tot een waargenomen obstakel.
Park Assist is bedoeld als hulpmiddel tijdens
het parkeren. Geluidssignalen en symbolen
op het display van de middenconsole geven
de afstand aan tot een waargenomen obstakel.
Als op het instrumentenpaneel het
informatiesymbool continu brandt
en de tekstmelding Park Assist
Service vereist verschijnt, dan is Park Assist
defect.
De sensoren werken alleen naar behoren,
wanneer u ze regelmatig schoonmaakt met
water en autoshampoo.
G021425
Park Assist* - storingsindicatie
Positie van de achterste sensoren.
BELANGRIJK
N.B.
In bepaalde omstandigheden kan het parkeerhulpsysteem ten onrechte waarschuwingssignalen afgeven. Dit komt door
externe geluidsbronnen met ultrasone
geluidssignalen van dezelfde frequentie als
de sensoren van het systeem.
Voorbeelden van dergelijke bronnen zijn
o.a. claxons, natte banden op asfalt, pneumatische remmen en uitlaatgeluid van
motorfietsen.
07
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
234
Park Assist* (p. 231)
Park Assist* - sensoren schoonmaken (p.
234)
Park Assist* - functie (p. 231)
Park Assist* - aan de voorzijde (p. 233)
Park Assist* - aan de achterzijde (p. 232)
Park Assist-camera (p. 235)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Vuil, sneeuw en ijs op de sensoren kunnen
ten onrechte aanleiding geven tot waarschuwingssignalen.
Gerelateerde informatie
Positie van de voorste sensoren.
•
•
•
•
•
•
Park Assist* (p. 231)
Park Assist* - functie (p. 231)
Park Assist* - aan de voorzijde (p. 233)
Park Assist* - storingsindicatie (p. 234)
Park Assist* - aan de achterzijde (p. 232)
Park Assist-camera (p. 235)
07 Bestuurdersondersteuning
Park Assist-camera
Functie en bediening
De Park Assist-camera is een hulpsysteem
dat automatisch geactiveerd wordt bij het
inschakelen van de achteruitversnelling (de
functie is te wijzigen in het instellingenmenu
(p. 237)).
De cameraweergave verschijnt op het display
van de middenconsole.
N.B.
Als er een trekhaak met het elektrische
systeem van de auto is geconfigureerd,
wordt de uitsteeklengte van de trekhaak bij
het meten van de parkeerruimte meegerekend.
WAARSCHUWING
•
De parkeercamera is alleen bedoeld
als hulpmiddel en zodat de bestuurder
eindverantwoordelijk blijft tijdens het
achteruitrijden.
•
De camera kent dode hoeken waarin
registratie van obstakels niet mogelijk
is.
•
Houd mensen en dieren in de buurt
van de auto in de gaten.
Positie knop CAM.
De camera toont wat er achter de auto is en
of er iets of iemand van de zijkanten opduikt.
De camera beslaat een breed gebied achter
de auto alsook een deel van de bumper en
een eventuele trekhaak.
Bij het inschakelen van de achteruitversnelling wordt met behulp van ononderbroken lijnen grafisch aangegeven waar de buitencontouren van de auto ongeveer uitkomen bij de
actuele stuuruitslag – dit vereenvoudigt het
achteruit inparkeren, achteruitrijden in krappe
ruimten en aankoppelen van aanhangers. De
hulplijnen kunnen in het instellingenmenu
worden gedeactiveerd.
Als de auto tevens uitgerust is met Park
Assist-sensoren*, illustreren gekleurde velden
op grafische wijze de afstand tot geregistreerde obstakels, zie het kopje “Auto’s met
Park Assist-sensoren achter’ verderop.
De camera wordt ca. 5 seconden na uitschakeling van de achteruitversnelling gedeactiveerd, of eerder als de rijsnelheid vooruit
oploopt tot boven 10 km/h en achteruit tot
boven 35 km/h.
Voorwerpen op het display lijken mogelijk
over te hellen – dit is volkomen normaal.
N.B.
Voorwerpen op het beeldscherm kunnen
dichterbij zijn dan ze lijken.
07
Als een andere schermweergave actief is,
neemt de parkeercamerafunctie het scherm
automatisch over om de cameraweergave te
tonen.
Camerapositie bij de openingshandgreep.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
235
07 Bestuurdersondersteuning
||
Lichtomstandigheden
De cameraweergave wordt automatisch aangepast aan de heersende lichtomstandigheden. Dit kan ertoe leiden dat de beeldweergave ietwat kan variëren wat lichtsterkte en
kwaliteit betreft. Slechte lichtomstandigheden
leveren mogelijk een iets slechtere beeldkwaliteit op.
auto. De lijnen zijn bovendien afhankelijk van
de stuuruitslag, zodat u ook bij het draaien
van de auto kunt zien welke baan de auto zal
nemen.
N.B.
•
Bij het achteruitrijden met een aanhanger/caravan geven de lijnen op het
scherm de baan van de auto aan –
niet die van de aanhanger/caravan.
•
Er verschijnen geen lijnen op het
scherm, wanneer er een aanhanger/
caravan is aangesloten op het elektrische systeem van de auto.
N.B.
Houd voor optimale werking de cameralens vrij van vuil, sneeuw en ijs. Dit is
vooral van belang in slechte lichtomstandigheden.
Hulplijnen
•
De Park Assist-camera wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u een
aanhanger/caravan achter de auto
hebt hangen die met originele trekhaakbedrading van Volvo aangesloten
is.
BELANGRIJK
07
Voorbeeld van hoe hulplijnen voor de bestuurder
getoond worden.
De lijnen op het scherm worden geprojecteerd als stonden ze op de grond achter de
236
Grenslijnen
Let erop dat de schermweergave alleen
het gebied recht achter de auto weergeeft
– houd de zijkanten en de voorkant van de
auto daarom goed in de gaten wanneer u
tijdens het achteruitrijden aan het stuurwiel
draait.
Lijnen van het systeem.
Grenslijn 30cm-zone achter auto
Grenslijn vrije achteruitrijzone
De rode lijn (1) grenst een zone af die tot
zo’n 30 cm achter de achterbumper strekt.
De gele horizontale lijn (2) grenst een zone af
die tot zo’n 1,5 m achter de achterbumper
strekt.
De gele zijlijnen eindigen op zo’n 2,0 m achter
de bumper.
De grenslijnen zijn inclusief de uitstekende
delen van de auto, zoals buitenspiegels en
hoeken – ook wanneer de auto een bocht
maakt.
07 Bestuurdersondersteuning
Auto’s met Park Assist-sensoren
achter*
Gerelateerde informatie
•
•
•
Park Assist-camera - instellingen (p. 237)
Park Assist-camera - instellingen
Park Assist-camera - beperkingen (p.
238)
De parkeercamera is een hulpsysteem en
wordt geactiveerd wanneer er in de achteruit
wordt geschakeld.
Park Assist* (p. 231)
Instellingen
Om de instellingen voor de parkeercamera te
wijzigen:
1. Druk op OK/MENU wanneer een cameraweergave getoond wordt.
2. Scrol naar de gewenste optie met OK/
MENU.
De afstand wordt aangegeven met gekleurde
velden (4 st., voor elke sensor één).
Als de auto ook is uitgerust met Park Assistsensoren (p. 231), kan de afstand nauwkeuriger worden weergegeven en geven gekleurde
velden aan welke van de 4 sensoren een
obstakel registreert/registreren.
De kleur van de velden verandert naarmate
de afstand tot het obstakel afneemt – van
groen via geel in rood.
Kleur
Afstand (meter)
Groen
0,8–1,5
Geel
0,4–0,8
Rood
0–0,4
3. Druk op OK/MENU en verlaat het menu
met EXIT.
of
1. Druk op CAM.
2. Druk op OK/MENU.
3. Scrol naar de gewenste optie met OK/
MENU.
4. Druk op OK/MENU en verlaat het menu
met EXIT.
Overig
De standaardinstelling is dat de camera wordt
geactiveerd bij het inschakelen van de achteruitversnelling.
•
Bij indrukken van CAM wordt de camera
geactiveerd, ook al is de achteruitversnelling niet ingeschakeld.
•
Als er meerdere camera’s* op de auto
gemonteerd zijn, kunt u van camera wis-
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
07
237
07 Bestuurdersondersteuning
||
selen door te drukken op CAM of aan
TUNE te draaien.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Park Assist-camera (p. 235)
Park Assist-camera - beperkingen
BLIS* (Blind Spot Information System)
De parkeercamera is een hulpsysteem en
wordt geactiveerd wanneer er in de achteruit
wordt geschakeld.
BLIS (Blind Spot Information System) is een
op cameratechniek gebaseerd informatiesysteem dat u in bepaalde omstandigheden
waarschuwt, wanneer er zich een voertuig in
de zogeheten dode hoek bevindt en in
dezelfde richting rijdt.
Park Assist-camera - beperkingen (p.
238)
N.B.
Fietsdragers of andere accessoires achter
op de auto kunnen het blikveld van de
camera blokkeren.
Park Assist* (p. 231)
MY CAR (p. 105)
Waar u op moet letten
Let erop dat ook als het geblokkeerde gebied
er op het scherm relatief klein uitziet, het werkelijke, verborgen gebied dusdanig groot kan
zijn dat obstakels pas worden geregistreerd
wanneer u er bijna bovenop zit.
•
Houd de cameralens vrij van vuil, sneeuw
en ijs.
•
Maak de cameralens regelmatig schoon
met lauw water en autoshampoo – wees
voorzichtig om geen krassen in de lens te
maken.
Gerelateerde informatie
•
•
•
07
238
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Park Assist-camera (p. 235)
Park Assist-camera - instellingen (p. 237)
Park Assist* (p. 231)
Het systeem werkt het best in druk verkeer
op meerbaanswegen.
WAARSCHUWING
Het systeem is een aanvulling op, en vormt
geen vervanging voor, een veilige rijstijl en
het gebruik van de buitenspiegels. Ook
met het systeem moet u altijd oplettend en
verantwoord blijven rijden. U bent altijd zelf
verantwoordelijk voor het veilig van rijbaan
wisselen.
07 Bestuurdersondersteuning
Overzicht
lenzen schoonmaken met een zachte doek of
een vochtige spons. Maak de lenzen voorzichtig schoon om krassen te voorkomen.
BELANGRIJK
De lenzen zijn elektrisch verwarmd om ze
van sneeuw en ijs te kunnen ontdoen.
Veeg zo nodig sneeuw van de lenzen af.
G021426
Gerelateerde informatie
•
BLIS*(Blind Spot Information System) bediening (p. 239)
BLIS*(Blind Spot Information System)
- bediening
BLIS (Blind Spot Information System) is een
functie om u ondersteuning te bieden bij rijden in druk verkeer op wegen met meerdere
rijbanen in dezelfde richting.
BLIS activeren/deactiveren
BLIS wordt bij het starten van de motor automatisch geactiveerd. De controlesymbolen op
de portierpanelen lichten driemaal op bij het
activeren van BLIS.
Buitenspiegel met BLIS34.
BLIS-camera
Controlelampje
BLIS-symbool
N.B.
Het lampje gaat branden aan de kant van
de auto waar het systeem het voertuig
heeft ontdekt. Als de auto aan beide kanten tegelijkertijd wordt ingehaald, gaan
beide lampjes branden.
Onderhoud
BLIS werkt alleen optimaal, als de lenzen35
van de BLIS-camera’s schoon zijn. U kunt de
34
35
Knop voor activering/deactivering.
Na het starten van de motor is het systeem te
deactiveren/heractiveren door op de knop
BLIS te drukken.
07
Bij bepaalde combinaties van opties is er
geen plek vrij voor een knop op de midden-
N.B. De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
Zie (1) op de voorgaande afbeelding.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
239
07 Bestuurdersondersteuning
||
console – in dat geval is het systeem te
bedienen via het menusysteem (p. 105) MY
CAR van de auto.
Het lampje in de knop dooft, wanneer het
BLIS gedeactiveerd wordt. Er verschijnt
bovendien een melding op het instrumentenpaneel.
Bij het heractiveren van BLIS brandt het
lampje in de knop, verschijnt er een nieuwe
tekstmelding en lichten de controlelampjes
op de portieren driemaal op. Druk op de knop
OK om de tekstmelding te laten verdwijnen.
Wanneer BLIS werkt
trolelampje (2) op dat continu blijft branden,
zie overzichtsfiguur (p. 238).
BLIS informeert u bij een fout in het systeem.
Als de camera’s van het systeem bijvoorbeeld
zijn afgedekt, knippert het controlelampje
voor BLIS en verschijnt er een melding op het
instrumentenpaneel. In dat geval moeten de
lenzen worden gecontroleerd en gereinigd.
Het systeem is desgewenst tijdelijk te deactiveren, zie ‘BLIS activeren/deactiveren’ eerder
in dit document.
Inhalen
Het systeem reageert als:
•
•
het snelheidsverschil tussen u en het
ingehaalde voertuig kleiner is dan
10 km/h
het snelheidsverschil tussen u en het
inhalende voertuig kleiner is dan 70 km/h.
WAARSCHUWING
BLIS werkt niet in scherpe bochten.
BLIS werkt niet als de auto achteruitrijdt.
07
Afstand A = ca. 9,5 m en afstand B = ca. 3,0 m.
Het systeem werkt alleen bij snelheden hoger
dan 10 km/h.
Wanneer een camera (1) een voertuig heeft
waargenomen in de dode hoek, licht een con-
240
Een brede aanhanger/caravan achter de
auto kan andere voertuigen in aangrenzende rijbanen in de schaduw zetten. Hierdoor is het mogelijk dat voertuigen in dat
schaduwgebied niet door BLIS worden
gedetecteerd.
Daglicht en donker
Bij daglicht reageert het systeem op de contouren van omringende voertuigen. Het systeem is geconstrueerd om motorvoertuigen
zoals auto’s, vrachtwagens, bussen en
motorfietsen waar te nemen.
Bij donker reageert het systeem op de
koplampen van omringende voertuigen. Als
een voertuig de koplampen niet heeft ontstoken, zal het systeem dit voertuig dan ook niet
kunnen waarnemen. Dit houdt in dat het systeem bijvoorbeeld niet reageert op een aanhanger achter een auto of vrachtwagen,
omdat daar geen brandende koplampen op
zitten.
WAARSCHUWING
Het systeem reageert niet op fietsers en
bromfietsers.
De BLIS-camera’s kennen ongeveer
dezelfde beperkingen als het menselijk
oog. Dit houdt in dat ze bijvoorbeeld minder goed “zien” bij hevige sneeuwval, fel
tegenlicht of dichte mist.
Beperkingen
Soms kan het controlesymbool voor BLIS
oplichten zonder dat u voertuigen in de dode
hoeken kunt waarnemen.
07 Bestuurdersondersteuning
BLIS - symbolen en meldingen
N.B.
Als het BLIS-controlelampje zo nu en dan
gaat branden terwijl er geen ander voertuig
in de dode hoek aanwezig is, betekent dit
niet dat er een storing is opgetreden in het
systeem.
In situaties waarbij het BLIS (p. 238) uitblijven
of worden onderbroken, kan er een symbool
op het instrumentenpaneel verschijnen in
combinatie met een verklarende melding.
Neem een eventueel advies in acht.
Bij een storing in het BLIS-systeem toont
het display de tekst BLIS Service vereist.
Voorbeelden van meldingen:
Op de volgende afbeeldingen staan voorbeeldsituaties waarin het controlesymbool
voor BLIS kan gaan branden, terwijl er zich
geen voertuigen in de dode hoek bevinden.
Eigen schaduwen op grote, lichtgekleurde en
gladde oppervlakken zoals geluidsschermen of
betonnen wegen.
Melding
Betekenis
BLIS AAN
BLIS-systeem geactiveerd.
BLIS Service vereist
BLIS werkt niet – neem
contact op met een werkplaats.
BLIS
Camera
afgedekt
De BLIS-camera is bedekt
met vuil, sneeuw of ijs –
maak de lenzen schoon.
Laag staande zon in de camera.
BELANGRIJK
Reflecties op een glad en nat wegdek.
Laat reparaties van de onderdelen van het
BLIS-systeem over aan een werkplaats –
geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
07
Gerelateerde informatie
•
BLIS* (Blind Spot Information System) (p.
238)
•
BLIS - symbolen en meldingen (p. 241)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
241
07 Bestuurdersondersteuning
||
Melding
Betekenis
BLIS
Beperkte
werking
Beperkte gegevensoverdracht tussen de camera
van het BLIS en het elektrische systeem van de auto.
De camera wordt automatisch gereset, wanneer de
gegevensoverdracht tussen de camera van het
BLIS en het elektrische
systeem van de auto weer
normaal wordt.
BLIS UIT
BLIS-systeem uitgeschakeld.
Instelbare stuurkracht*
Naarmate de rijsnelheid hoger wordt neemt
de stuurbekrachtiging af, waardoor u een
beter gevoel met de weg krijgt. Op snelwegen
stuurt de auto zwaarder en directer. Bij het
parkeren en op lage snelheden is de auto lichter en met minder moeite te besturen.
U hebt de keuze uit drie niveaus van stuurbekrachtiging voor een maximum aan weggevoel en stuurgevoeligheid. Instellen is mogelijk in het menusysteem MY CAR. Voor een
beschrijving van het menusysteem, zie MY
CAR (p. 105).
Deze instelling is niet te beschikbaar, wanneer de auto rijdt.
N.B.
Meldingen kunt u van het display halen door
de OK-knop op de richtingaanwijzerhendel
kort in te drukken.
In bepaalde situaties kan de stuurbekrachtiging te warm worden en moet deze dan
tijdelijk worden gekoeld - gedurende die
periode werkt de stuurbekrachtiging met
een gereduceerd vermogen en het draaien
aan het stuurwiel kan dan wat zwaarder
gaan.
Gerelateerde informatie
•
BLIS* (Blind Spot Information System) (p.
238)
Op het moment dat de stuurhulp tijdelijk
gereduceerd is, verschijnt er een melding
op het instrumentenpaneel.
07
Gerelateerde informatie
•
242
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
MY CAR (p. 105)
STARTEN EN RIJDEN
08 Starten en rijden
Alcoholslot*
alcoholslot1
Het
voorkomt dat bestuurders die
onder invloed zijn in de auto kunnen rijden.
Voordat de motor kan worden gestart, moet u
een blaastest afgeven om vast te stellen dat u
niet onder de invloed van alcohol bent. Het
alcoholslot wordt gekalibreerd ten opzichte
van de grenswaarde voor verkeersdeelname
die in uw land geldt.
Alcoholslot* - functies en bediening
Functies
WAARSCHUWING
Het alcoholslot is een hulpmiddel dat u
niet ontslaat van uw verantwoordelijkheden als bestuurder. De bestuurder dient
altijd nuchter te blijven en de auto op een
veilige manier te besturen.
Gerelateerde informatie
•
Alcoholslot* - functies en bediening (p.
244)
•
Alcoholslot* - waar u op moet letten (p.
246)
•
•
Alcoholslot* - opslag (p. 245)
•
Alcoholslot* - symbolen en meldingen (p.
248)
Alcoholslot* - vóór het starten van de
motor (p. 245)
08
1
244
Wordt ook wel Alcoguard genoemd.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Controlelampje (4)
Ladingstoestand batterij
Knippert
groen
Wordt opgeladen
Groen
Volledig opgeladen
Oranje
Half opgeladen
Rood
Ontladen – plaats de lader
in de houder of sluit de
voedingskabel uit het
dashboardkastje aan.
N.B.
Mondstuk voor blaastest.
Bewaar de blaasunit in zijn houder. Zo blijft
de ingebouwde batterij opgeladen en kan
het alcoholslot automatisch worden geactiveerd bij het openen van de auto.
Schakelaar.
Zendertoets.
Lampje voor ladingstoestand batterij.
Lampje voor resultaat blaastest.
Lampje dat aangeeft dat het systeem
gereed is voor een blaastest.
Bediening - batterij
Het controlelampje (4) van de blaasunit geeft
de ladingstoestand van de batterij aan:
Gerelateerde informatie
•
•
•
Alcoholslot* (p. 244)
Alcoholslot* - opslag (p. 245)
Alcoholslot* - waar u op moet letten (p.
246)
•
Alcoholslot* - vóór het starten van de
motor (p. 245)
•
Alcoholslot* - symbolen en meldingen (p.
248)
08 Starten en rijden
Alcoholslot* - opslag
Bewaar de blaasunit in zijn houder. Verwijder
de blaasunit door de unit licht in de houder te
drukken en los te laten, waarna deze opveert
en uit de houder kan worden genomen.
•
Alcoholslot* - waar u op moet letten (p.
246)
•
Alcoholslot* - vóór het starten van de
motor
Alcoholslot* - symbolen en meldingen (p.
248)
De blaasunit wordt automatisch geactiveerd
en gereedgemaakt voor gebruik bij het ontgrendelen van de auto.
1. Wanneer het controlelampje (6) groen
oplicht, is de blaasunit klaar voor gebruik.
2. Neem de blaasunit uit de houder. Als de
blaasunit zich buiten de auto bevindt tijdens het ontgrendelen, dan dient u de
unit eerst te activeren met de schakelaar
(2).
Blaasunit bewaren en laadstation.
•
Plaats de blaasunit terug in de houder tot
de unit vastklikt.
•
Bewaar de blaasunit in de houder. Dat
biedt de beste bescherming en garandeert dat de batterijen steeds volledig
opgeladen zijn.
Gerelateerde informatie
•
Alcoholslot* - functies en bediening (p.
244)
•
Alcoholslot* - vóór het starten van de
motor (p. 245)
•
Alcoholslot* (p. 244)
3. Klap het mondstuk (1) omhoog, haal diep
adem en blaas gelijkmatig totdat er
ca. 5 seconden later een ‘klikgeluid’
klinkt. Het resultaat is een van de alternatieven in de volgende tabel Resultaat van
de blaastest.
4. Als er geen melding verschijnt, is er
mogelijk iets misgegaan tijdens de gegevensoverdracht naar de auto – druk in dat
geval op de toets (3) om de testgegevens
handmatig naar de auto te zenden.
5. Klap het mondstuk omlaag en plaats de
blaasunit terug in de houder.
6. Start vervolgens binnen 5 minuten na een
goedgekeurde blaastest de motor –
anders is een nieuwe blaastest vereist.
08
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
245
08 Starten en rijden
||
Resultaat van de blaastest
A
Controlelampje (5) +
displaymelding
Betekenis
Groen lampje +
Alcoguard Test
goedgekeurd
Start de motor – geen
alcohol gemeten.
Oranje lampje +
Alcoguard Test
goedgekeurd
Motor kan worden
gestart – gemeten
promillage boven
0,1 promille maar
onder de geldende
grenswaardeA.
Rood lampje +
Test afgekeurd
Wacht 1 minuut
Motor kan niet worden
gestart – gemeten
promillage boven de
geldende grenswaardeA.
De grenswaarde verschilt van land tot land (ga na wat er in
uw land geldt). Zie ook Alcoholslot* (p. 244).
N.B.
Binnen 30 minuten na afloop van een rit
kan de motor opnieuw gestart worden
zonder dat er een nieuwe blaastest nodig
is.
08
2
246
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Gerelateerde informatie
•
Alcoholslot* - functies en bediening (p.
244)
•
•
•
Alcoholslot* - opslag (p. 245)
Alcoholslot* (p. 244)
Alcoholslot* - symbolen en meldingen (p.
248)
Alcoholslot* - waar u op moet letten
Voor een goede werking en een zo nauwkeurig mogelijk meetresultaat:
•
Ca. 5 minuten voor de blaastest niet eten
of drinken.
•
De voorruit niet te lang sproeien – de
alcohol in de sproeiervloeistof kan een
verkeerd meetresultaat opleveren.
Om bij het wisselen van bestuurder een
nieuwe blaastest te kunnen doen schakelaar
(2) en de zendtoets (3) gelijktijdig
ca. 3 seconden lang ingedrukt houden. De
startblokkering van de auto wordt dan
opnieuw geactiveerd, zodat er eerst een
goedgekeurde blaastest nodig is voordat de
motor kan worden gestart.
Kalibreren en onderhoud plegen
Het alcoholslot dient om de 12 maanden in
een werkplaats2 gecontroleerd en gekalibreerd te worden.
30 dagen voordat herkalibratie noodzakelijk
is, verschijnt op het instrumentenpaneel de
melding Alcoguard Kalibr. vereist. Als er
niet binnen 30 dagen gekalibreerd wordt, dan
kan de motor niet langer op de normale wijze
gestart worden - de motor is dan alleen te
starten via de bypass-functie, zie het volgende kopje ‘Noodsituatie’.
08 Starten en rijden
De melding is te verwijderen met een druk op
de zendtoets (3). De melding verdwijnt anders
spontaan na ca. 2 minuten maar verschijnt
iedere keer dat de motor gestart wordt
opnieuw – alleen bij herkalibratie in een werkplaats2 verdwijnt de melding permanent.
In noodsituaties of wanneer het alcoholslot
defect is, kunt u het alcoholslot omzeilen om
toch in de auto te kunnen rijden.
N.B.
Alle activering met bypass wordt geregistreerd en opgeslagen in een geheugen, zie
Vastlegging van gegevens (p. 15).
Koud en warm weer
Hoe kouder het buiten is, hoe langer het duurt
voordat de blaasunit gereed is voor gebruik:
Temperatuur (°C)
Maximale
opwarmtijd
(seconden)
+10 tot +85
10
–5 tot +10
60
–40 tot –5
180
Bij temperaturen lager dan –20 °C of hoger
dan +60 ’C is extra voeding voor de blaasunit
vereist. Het instrumentenpaneel toont
Alcoguard Stroom kabel aansluiten. Sluit
de voedingskabel uit het dashboardkastje in
dat geval aan op de blaasunit en wacht totdat
het controlelampje (6) groen oplicht.
Bij extreme koude kunt u de opwarmtijd verkorten door de blaasunit mee naar binnen te
nemen.
2
minuut en Alcoguard Bypass actief daarna kunt u de motor starten.
Noodsituatie
Na activering van de bypass-functie blijft
Alcoguard Bypass actief op het instrumentenpaneel staan totdat het systeem gereset
wordt in een werkplaats2.
Het is mogelijk de bypass-functie te testen
zonder dat er een foutmelding wordt aangemaakt – loop in dat geval alle stappen door
maar start de motor niet. De foutmelding
wordt gewist bij het vergrendelen van de
auto.
Bij installatie van het alcoholslot geeft u aan
of omzeilen mogelijk moet zijn via de bypassof de noodfunctie. Deze instelling is achteraf
nog te wijzigen in een werkplaats2.
Bypass-functie activeren
•
Deze functie is meerdere malen te activeren.
De foutmelding die verschijnt tijdens het rijden is echter alleen te wissen in een werkplaats2.
Noodfunctie activeren
•
Houd de OK-knop op de linker stuurhendel en de knop voor de alarmknipperlichten ca. 5 seconden lang ingedrukt – op
het instrumentenpaneel verschijnt
Alcoguard Bypass actief en de motor
kan worden gestart.
Deze functie is eenmaal te gebruiken en moet
daarna gereset worden in een werkplaats2.
Gerelateerde informatie
•
Alcoholslot* - functies en bediening (p.
244)
•
•
Alcoholslot* - opslag (p. 245)
•
•
Alcoholslot* (p. 244)
Alcoholslot* - vóór het starten van de
motor (p. 245)
Alcoholslot* - symbolen en meldingen (p.
248)
Houd de OK-knop op de linker stuurhendel en de knop voor de alarmknipperlichten ca. 5 seconden lang ingedrukt – op
het instrumentenpaneel verschijnen achtereenvolgens Bypass actief Wacht 1
08
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
247
08 Starten en rijden
Alcoholslot* - symbolen en meldingen
Naast de al beschreven meldingen gerelateerd aan hoe het alcoholslot vóór het starten
van de motor werkt (p. 245) kan het display
van het instrumentenpaneel ook het volgende
weergeven:
08
248
Displaymelding
Betekenis/Maatregel
Alcoguard
Her- start
mogelijk
Motor stond minder dan
30 minuten af – motor kan
worden gestart zonder
nieuwe blaastest.
Alcoguard
Service vereist
Bezoek een
Alcoguard
Geen signaal
Overdracht mislukt – verstuur het resultaat handmatig via toets (3) of doe
een nieuwe blaastest.
Alcoguard
Test ongeldig
De test is mislukt – doe
een nieuwe blaastest.
Alcoguard
Blaas langer
U blies te kort – blaas langer.
Alcoguard
Blaas zachter
U blies te hard – blaas
minder hard.
werkplaatsA.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Displaymelding
Betekenis/Maatregel
Alcoguard
Blaas harder
U blies niet hard genoeg –
blaas harder.
Alcoguard
wacht Verwarmt voor
Opwarming niet gereed –
wacht de melding Alcoguard Blaas 5 seconden af.
A
Motor starten
U kunt de motor starten en afzetten met
behulp van de transpondersleutel en de knop
START/STOP ENGINE.
Benzine- en dieselmotor
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
Alcoholslot* - functies en bediening (p.
244)
•
Alcoholslot* - waar u op moet letten (p.
246)
•
•
Alcoholslot* - opslag (p. 245)
Alcoholslot* (p. 244)
Contactslot met transpondersleutel uitgetrokken/
ingeduwd en knop START/STOP ENGINE.
BELANGRIJK
De transpondersleutel niet verkeerd om
insteken – pak de sleutel beet aan het uiteinde met het afneembare sleutelblad, zie
Afneembaar sleutelblad - verwijderen/
aanbrengen (p. 158).
08 Starten en rijden
1. Plaats de transpondersleutel in het contactslot en duw deze tot aan de aanslag
naar binnen. Let erop dat u bij een auto
met alcoholslot* eerst een goedgekeurde
blaastest moet uitvoeren voordat de
motor kan worden gestart. Voor meer
informatie over Alcoguard, zie Alcoholslot* (p. 244).
2. Houd het koppelingspedaal volledig ingedrukt3. (Bij auto’s met automatische versnellingsbak – bedien het rempedaal.)
3. Druk op de knop START/STOP ENGINE
en laat deze vervolgens los.
N.B.
Bij auto’s met een dieselmotor slaat de
motor mogelijk met enige vertraging aan,
wanneer de melding Voorgloeifunctie
motor actief op het display staat.
Bij het starten van de motor blijft de startmotor draaien, totdat de motor aanslaat of totdat
de beveiliging tegen oververhitting in werking
treedt.
BELANGRIJK
Als de motor na 3 pogingen niet gestart is,
wacht u 3 minuten voordat u een nieuwe
poging doet. Het startvermogen neemt toe
als de startaccu zich kan herstellen.
Keyless drive*
Loop de punten 2–3 door om de motor zonder sleutel (p. 162) te starten.
N.B.
Om de motor te kunnen starten dient één
van de transpondersleutels met Keyless
drive-functie in de passagiersruimte of kofferbak aanwezig te zijn.
WAARSCHUWING
Haal na een motorstart of als de auto
wordt gesleept nooit de transpondersleutel
uit het contactslot.
WAARSCHUWING
Haal nooit de transpondersleutel uit de
auto tijdens rijden of slepen.
WAARSCHUWING
Haal altijd de transpondersleutel uit het
contactslot als u uit de auto stapt en zorg
ervoor dat de sleutelstand 0 is, in het bijzonder als er kinderen in de auto aanwezig
zijn. Zie voor informatie over hoe u dit doet
Sleutelstanden (p. 68).
Gerelateerde informatie
•
Motor afzetten (p. 250)
N.B.
Voor bepaalde motortypen kan het stationaire toerental bij een koude start duidelijk
hoger dan normaal zijn. Dit gebeurt om het
uitlaatgasreinigingssysteem zo snel mogelijk op de normale bedrijfstemperatuur te
krijgen waardoor de uitlaatgasemissies
afnemen en het milieu wordt ontzien.
08
3
Als de auto rolt, is het indrukken van de knop START/STOP ENGINE voldoende om de motor te starten.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
249
08 Starten en rijden
Motor afzetten
Stuurslot
Afstandsstart (ERS)*
U zet de motor af met de knop START/STOP
ENGINE.
Het stuurslot bemoeilijkt de besturing zoals bij
gebruik van de auto door onbevoegden.
Om de motor af te zetten:
Functie
Afstandsstart (ERS – Engine Remote Start)
houdt in dat u de motor van de auto vanaf de
transpondersleutel of PCC op afstand kunt
starten. Op die manier kunt u de passagiersruimte voor aanvang van de rit verwarmen/
koelen.
•
Druk op START/STOP ENGINE – de
motor slaat af.
Als de keuzehendel niet in stand P staat of als
de auto rolt:
•
Druk twee maal op START/STOP
ENGINE of houd de knop ingedrukt, totdat de motor afslaat.
Gerelateerde informatie
•
Sleutelstanden (p. 68)
•
Het stuurslot ontgrendelt als de transpondersleutel in het contactslot zit4 en de
knop START/STOP ENGINE wordt ingedrukt.
•
Het stuurslot wordt geactiveerd, wanneer
u na het afzetten van de motor het
bestuurdersportier opent.
Er is mogelijk een mechanisch geluid waarneembaar, wanneer het stuurslot wordt opgeheven of ingeschakeld.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Motor starten (p. 248)
Sleutelstanden (p. 68)
Stuurwiel (p. 75)
De klimaatregeling en het audiosysteem starten met dezelfde instellingen als toen de auto
geparkeerd werd.
Een via het ERS gestarte motor blijft maximaal 15 minuten draaien en wordt daarna
afgezet. Na twee ERS-activeringen moet de
motor eerst op de normale manier worden
gestart, voordat het ERS weer gebruikt kan
worden.
De optie ERS is te specificeren voor de
meeste auto’s met een automatische versnellingsbak.
N.B.
De levensduur van de batterij in de transpondersleutel is afhankelijk van het ERSsysteem. Bij frequent gebruik van het ERS
moet de batterij daarom 1 keer per jaar
worden vervangen, zie
Transpondersleutel/PCC - batterij vervangen (p. 161).
08
4
250
Auto’s met Keyless moeten een transpondersleutel in de passagiersruimte hebben.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
08 Starten en rijden
N.B.
Afstandsstart (ERS) - bediening
2. Druk vervolgens lang – minimaal
2 seconden – op de knop (3).
Houd rekening met lokale/nationale regelgeving/voorschriften voor stationair rijden.
Als aan de voorwaarden voor ERS is voldaan,
vindt bovendien het volgende plaats:
WAARSCHUWING
1. De richtingaanwijzers lichten snel enkele
malen achtereen op.
Om de motor op afstand te starten, moet
aan de volgende criteria zijn voldaan:
•
•
•
3. Ter bevestiging dat de motor is gestart
lichten de richtingaanwijzers vervolgens
3 seconden lang op.
Er mogen geen personen of dieren in
de auto aanwezig zijn.
Gerelateerde informatie
•
•
2. De motor start.
De auto moet onder toezicht staan.
De auto mag niet in een afgesloten,
niet geventileerde ruimte staan - de
uitlaatgassen kunnen voor ernstig letsel bij mensen en dieren zorgen.
1. Druk kort op de knop (2) van de sleutel.
Knoppen voor afstandsstart op sleutel.
Ontgrendelen
Vergrendelen
N.B.
Na het op afstand starten is de auto nog
steeds vergrendeld, echter met een
gedeactiveerde bewegingsmelder*.
Afstandsstart (ERS) - bediening (p. 251)
Approach-verlichting
Afstandsstart (ERS) - symbolen en meldingen (p. 252)
Met PCC6
Ontgrendelen achterklep
Het lampje voor Approach-verlichting7 gaat bij het indrukken van de
knop eerst enkele malen knipperen
en brandt vervolgens continu, mits
aan alle voorwaarden voor ERS is voldaan.
Dit betekent echter niet dat het ERS de motor
heeft gestart.
Informatie5
Motor op afstand starten
Om de motor op afstand te kunnen starten
moet de auto vergrendeld staan.
Ga als volgt te werk:
08
5
6
7
Alleen op een PCC, zie PCC* - unieke functies (p. 156).
Voor meer informatie over de PCC, zie PCC* - unieke functies (p. 156).
Voor meer informatie over de Approach-verlichting, zie Transpondersleutel - functies (p. 154) en Approach-verlichting (p. 87).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
251
08 Starten en rijden
||
Om te controleren of het ERS de motor
gestart heeft, kunt u op de knop (5) drukken –
als de motor gestart is, wordt dit aangegeven
met een lampje bij de knoppen (2) en (3).
Actieve functies
Bij een op afstand gestarte motor zijn de volgende functies actief:
•
•
•
Ventilatiesysteem
Audio-/videosysteem
Approach-verlichting.
Inactieve systemen
•
Er zit nog ca. 10 liter brandstof in de
brandstoftank
•
Het ERS is langer dan 15 minuten actief
geweest.
Bij het afzetten van een via ERS gestarte
motor lichten de richtingaanwijzers
3 seconden lang op.
Gerelateerde informatie
•
•
Afstandsstart (ERS) - symbolen en
meldingen
In situaties waarbij ERS uitblijft of wordt
onderbroken, verschijnt er een symbool op
het instrumentenpaneel in combinatie met
een verklarende tekstmelding.
ERS niet ingeschakeld
Afstandsstart (ERS)* (p. 250)
Melding
Betekenis
Afstandsstart (ERS) - symbolen en meldingen (p. 252)
Geen st. op afst
Max 2 starts
ERS is niet ingeschakeld, omdat er maximaal 2 ERS-activeringen achtereen zijn toegestaan.
Geen st. op afst
brandstofp.
laag
ERS is niet ingeschakeld vanwege een
gering brandstofpeil.
Geen st. op afst
hendel niet in P
ERS is niet ingeschakeld, omdat de keuzehendel niet in stand P
staat.
Geen st. op afst
best. in auto
ERS is niet ingeschakeld, omdat er iemand
in de auto zit.
Bij een op afstand gestarte motor zijn de volgende functies niet actief:
•
•
•
•
Koplampen
Stadslichten
Kentekenplaatverlichting
Ruitenwisser.
Annulering ERS
In de volgende gevallen wordt een via ERS
gestarte motor afgezet:
•
08
252
•
•
•
•
de knop (1), (2) of (4) op de transpondersleutel wordt ingedrukt
De auto wordt ontgrendeld
Er wordt een portier geopend
Het gas- of rempedaal wordt bediend
De keuzehendel wordt uit stand P
gehaald
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
08 Starten en rijden
Melding
Betekenis
Geen st. op afst
accusp. laag
ERS is niet ingeschakeld vanwege een
geringe accuspanning.
U laadt de accu op
door de motor te starten.
Geen st. op afst
motorwaarschw.
ERS is niet ingeschakeld vanwege een
waarschuwingsmelding voor de motor.
Bezoek een werkplaatsA.
Geen st. op afst
motorkoelvl.
ERS is niet ingeschakeld vanwege een
foutmelding vanuit het
koelsysteem, zie Koelvloeistof - peil (p.
335).
Geen st. op afst
portier open
ERS is niet ingeschakeld, omdat er een
portier (of het kofferdeksel) niet dichtstond.
Geen st. op afst
auto niet vergr.
A
ERS is niet ingeschakeld, omdat de auto
niet vergrendeld was.
ERS onderbroken
A
Gerelateerde informatie
Melding
Betekenis
St. op afst. uit
brandstofp. laag
ERS is onderbroken
vanwege een te
gering brandstofpeil.
St. op afst. uit
hendel niet in P
ERS is onderbroken,
omdat de keuzehendel niet in stand P
staat.
St. op afst. uit
best. in auto
ERS is onderbroken,
omdat er iemand in
de auto zit.
St. op afst. uit
motorwaarschw.
ERS is onderbroken
vanwege een foutmelding voor de
motor. Bezoek een
werkplaatsA.
St. op afst. uit
accusp. laag
ERS is onderbroken
vanwege een te
geringe accuspanning.
St. op afst. uit
motorkoelvl.
ERS is onderbroken
vanwege een foutmelding voor het
koelsysteem.
•
•
Afstandsstart (ERS)* (p. 250)
Afstandsstart (ERS) - bediening (p. 251)
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
08
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
253
08 Starten en rijden
Motor starten, FlexiFuel
FlexiFuel-motoren kunnen zowel op loodvrije
benzine (95 RON) als op bio-ethanol (E85) rijden. U start de motor op dezelfde manier als
een benzinemotor.
Motorverwarming*
motorverwarming minstens 1 uur aanstaan.
•
Bij een buitentemperatuur tussen
–10 °C en –20 °C moet de elektrische
motorverwarming minstens 2 uur aanstaan.
•
Bij een buitentemperatuur lager dan
–20 °C moet de elektrische motorverwarming minstens 3 uur aanstaan.
WAARSCHUWING
De motorverwarming werkt op een hoge
spanning. Laat controle- en reparatiewerkzaamheden aan een elektrische motorverwarming en de elektrische aansluitingen
ervan uitvoeren door een werkplaats –
geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
Aansluiting voor motorverwarming.
Auto’s bestemd voor bio-ethanol (E85) zijn
uitgerust met een elektrische motorverwarming. Een voorverwarmde motor slaat sneller
aan en loopt beter, wat een aanzienlijke
beperking van de emissies en het brandstofverbruik inhoudt. Maak daarom tijdens de
wintermaanden zoveel mogelijk gebruik van
de motorverwarming.
•
08
254
Bij een buitentemperatuur tussen
+5 °C en –10 °C moet de elektrische
N.B.
Waar u op moet letten als u een jerrycan
met brandstof wilt meenemen:
•
Wanneer u de brandstoftank hebt
leeggereden en bio-ethanol (E 85) bijvult uit een jerrycan is het bij strenge
vorst niet uitgesloten dat de motor
startproblemen vertoont. U kunt dit
voorkomen door de jerrycan gevuld te
houden met benzine (95 RON).
Voor meer informatie over de FlexiFuelbrandstof bio-ethanol (E85), zie Brandstof bio-ethanol E85 (p. 291).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Bij startproblemen
Wanneer de motor niet bij de eerste startpoging aanslaat:
•
Doe nog enkele startpogingen met behulp
van de knop START/STOP ENGINE.
•
Controleer of de motorverwarming aanstond en laat deze zo nodig de eerder
genoemde perioden aanstaan.
BELANGRIJK
Als de motor ondanks herhaalde startpogingen niet aanslaat, wordt geadviseerd
contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats.
Brandstofadaptatie
FlexiFuel-motoren kunnen op zowel loodvrije
benzine (95 RON) als op bio-ethanol (E85) rijden. Beide brandstofsoorten worden in de
gemeenschappelijke brandstoftank bijgevuld,
wat betekent dat alle mogelijke mengverhoudingen tussen de beide brandstofsoorten zijn
toegestaan.
Wanneer u de brandstoftank hebt volgegoten
met benzine nadat u op bio-ethanol (E 85)
hebt gereden (om omgekeerd), kan de motor
enige tijd ietwat onregelmatig lopen. Het is
daarom belangrijk dat de motor de gelegenheid krijgt tot aanpassing (adaptatie) aan het
nieuwe brandstofmengsel.
08 Starten en rijden
Een dergelijke adaptatie gaat automatisch
van start, wanneer u korte tijd op gelijkmatige
snelheid in de auto rijdt.
Starthulp met accu
Als de startaccu (p. 349) uitgeput is, kunt u
de auto starten met stroom van een hulpaccu.
BELANGRIJK
4. Bevestig de ene klem van de rode startkabel aan de pluspool (1) van de hulpaccu.
BELANGRIJK
Na het wijzigen van het brandstofmengsel
in de tank moet er een adaptatie plaatsvinden door gedurende ca. 15 minuten met
een gelijkmatige snelheid te rijden.
Wees voorzichtig bij het aansluiten van de
startkabels om kortsluiting met andere
onderdelen in de motorruimte te voorkomen.
Als de startaccu ontladen of losgekoppeld is
geweest, moet er voor een correcte adaptatie
iets langer worden gereden aangezien het
geheugen van de elektronica werd gewist.
5. Haal de clips op de voorste dekplaat van
de uitgeputte accu los en verwijder de
dekplaat, zie Startaccu - vervangen (p.
350).
Gerelateerde informatie
6. Bevestig de andere klem van de rode
startkabel aan de pluspool (2) van de
auto.
•
•
Starthulp met accu (p. 255)
Motor starten (p. 248)
Als u een hulpaccu gebruikt bij het starten
wordt geadviseerd de volgende stappen aan
te houden om kortsluiting en andere schade
te voorkomen:
1. Zet de transpondersleutel in sleutelstand
0 (p. 68).
2. Controleer of de hulpaccu een spanning
van 12 V levert.
3. Als de hulpaccu in een andere auto is
gemonteerd, moet u de motor van die
auto afzetten en ervoor zorgen dat de
beide auto’s elkaar niet raken.
7. Bevestig de ene klem van de zwarte startkabel aan de minpool (3) van de hulpaccu.
8. Bevestig de andere klem aan een massapunt, bijvoorbeeld een van de hijsogen (4)
op de motor.
9. Controleer of de aansluitklemmen van de
startkabels goed vastzitten om te voorkomen dat er tijdens de startpoging vonken
ontstaan.
08
255
08 Starten en rijden
||
10. Start de motor van de ‘hulpauto’ en laat
deze enkele minuten draaien op een toerental dat iets hoger ligt dan normaal,
ca. 1500 omw/min.
WAARSCHUWING
•
11. Start de motor in de auto met de uitgeputte accu.
BELANGRIJK
Raak de aansluitingen niet aan tijdens de
startpoging. Er bestaat namelijk gevaar
voor vonkvorming.
12. Verwijder de startkabels in omgekeerde
volgorde - eerst de zwarte kabel en
daarna de rode.
> Zorg dat geen van de aansluitklemmen
aan de zwarte startkabel contact kan
maken met de pluspool van de accu of
met de aangesloten klem van de rode
startkabel!
08
256
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
De startaccu kan het zeer explosieve
knalgas produceren. Eén enkele vonk,
veroorzaakt door een onjuiste aansluiting van een startkabel, kan volstaan
om de accu tot ontploffing te brengen.
•
De startaccu bevat tevens zwavelzuur
dat ernstige chemische brandwonden
kan veroorzaken.
•
Als u accuzuur in uw ogen krijgt of op
uw huid of kleren morst, moet u
onmiddellijk met grote hoeveelheden
water spoelen. Neem onmiddellijk contact op met een arts, als u accuzuur in
uw ogen krijgt.
Versnellingsbakken
Er zijn twee hoofdgroepen versnellingsbakken. Handgeschakelde en automatische versnellingsbakken.
•
Handgeschakelde versnellingsbak (p.
257)
•
Automatische versnellingsbak - Geartronic (p. 258) en Powershift (p. 262)
BELANGRIJK
Om schade aan onderdelen van de aandrijflijn te voorkomen wordt de bedrijfstemperatuur van de versnellingsbak gecontroleerd. Bij gevaar voor oververhitting gaat
een waarschuwingssymbool op het instrumentenpaneel branden en verschijnt er
een displaymelding – volg in dat geval het
gegeven advies.
Gerelateerde informatie
•
Motor starten (p. 248)
Gerelateerde informatie
•
Automatische versnellingsbak Geartronic* (p. 258)
08 Starten en rijden
Handgeschakelde versnellingsbak
Blokkering achteruitversnelling
Schakelindicator*
De versnellingsbak heeft tot taak de overbrengingsverhouding af te stemmen op de gewenste snelheid en vermogensbehoefte.
De blokkering van de achteruitversnelling
beperkt het risico dat u tijdens het vooruitrijden op normale snelheid onbedoeld de achteruitversnelling inschakelt.
De schakelindicator geeft aan, wanneer u het
beste kunt opschakelen of terugschakelen.
Belangrijk voor een milieubewuste rijstijl is het
kiezen van de juiste versnelling en tijdig schakelen.
•
•
Volg het schakelpatroon dat in de versnellingspook is geslagen en begin in de
neutrale stand N. Druk daarna de versnellingspook naar stand R duwt.
Schakel de achteruitversnelling alleen in
als de auto stilstaat.
N.B.
Bij het schakelpatroon voor een zestraps
versnellingsbak (zie voorgaande afbeelding) de versnellingspook eerst omlaagduwen in stand N alvorens de achteruitversnelling in te schakelen.
Schakelpatroon zesversnellingsbak.
De zesversnellingsbak bestaat in twee verschillende uitvoeringen – het verschil zit hem
in de positie voor de achteruit. Zie het desbetreffende schakelpatroon dat in de pookknop
geslagen is.
•
Trap het koppelingspedaal tijdens het
schakelen altijd zo ver mogelijk in.
•
Haal uw voet na het schakelen weer van
het koppelingspedaal af.
Handgeschakelde versnellingsbak
Schakelindicator voor handgeschakelde versnellingsbak.
Er brandt slechts één lampje
tegelijk – bij normaal rijden
brandt alleen het middelste
lampje.
Als op- of terugschakelen wordt geadviseerd,
brandt het bovenste bij ‘+’ of het onderste bij
‘-’, op de afbeelding met rood gemarkeerd.
Automatische versnellingsbak
Gerelateerde informatie
•
•
Versnellingsbakken (p. 256)
Transmissieolie - kwaliteit en hoeveelheid
(p. 389)
WAARSCHUWING
Gebruik altijd de parkeerrem bij parkeren
op een hellende ondergrond - een ingeschakelde versnelling is niet voldoende om
de auto in alle situaties vast te houden.
Instrumentenpaneel ‘Digital’ met schakelindicator.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
08
257
08 Starten en rijden
Bepaalde uitvoeringen zijn voorzien van een
indicator - GSI (Gear Shift Indicator) - die
aangeeft, wanneer u moet opschakelen of
terugschakelen om het brandstofverbruik
minimaal te houden. Met het oog op eigenschappen als de prestaties en een trillingsvrije motorloop is het soms beter op iets
hogere toeren te schakelen. Het omcirkelde
cijfer geeft de actuele versnelling aan.
Automatische versnellingsbak Geartronic*
De versnellingsbak Geartronic heeft twee
schakelstanden - Automatisch en Handmatig.
Schakelstanden
De automatische schakelstanden worden rechts op
het instrumentenpaneel
getoond. (Er brandt maar één
lampje tegelijk - dat van de
actuele keuzehendelstand.)
Symbool ‘S’ voor de Sport-stand is ORANJE,
indien geactiveerd.
De functie "Sportstand" zit niet op een V60 Plug-in Hybrid - alleen "+" en "-".
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Om de keuzehendel uit stand P te kunnen
halen moet u eerst het rempedaal ver
genoeg intrappen.
De keuzehendel moet in de P-stand staan
om de auto te kunnen vergrendelen en op
alarm te zetten.
Het instrumentenpaneel (p. 56) geeft de stand
van de keuzehendel aan met behulp van de
volgende tekens: P, R, N, D, S*, 1, 2, 3 enz.
258
•
N.B.
D: automatisch schakelen. +/–: handmatig schakelen. S8: Sport-stand*.
8
Selecteer stand P, wanneer u de motor start
of de auto parkeert.
In stand P is de versnellingsbak mechanisch
geblokkeerd. Activeer voor de zekerheid ook
de parkeerrem (p. 279).
In het midden van het instrumentenpaneel ‘Analog’ worden de schakelstanden en
richtingaanwijzerpijlen
getoond.
08
Parkeerstand - P
BELANGRIJK
De auto moet stilstaan als stand P wordt
gekozen.
WAARSCHUWING
Gebruik altijd de parkeerrem bij parkeren
op een hellende ondergrond - de P-stand
van de automatische versnellingsbak is
niet voldoende om de auto in alle situaties
vast te houden.
Achteruitrijstand - R
De auto moet stilstaan wanneer u de hendel
in stand R zet.
08 Starten en rijden
Neutraalstand - N
In deze stand kunt u de motor starten en er is
geen versnelling ingeschakeld. Zet de parkeerrem aan, wanneer de auto stilstaat en de
keuzehendel in stand N staat.
Rijstand - D
Stand D is de normale rijstand. De versnellingsbak schakelt automatisch op en terug
afhankelijk van de stand van het gaspedaal
en de snelheid. Zorg ervoor dat de auto stilstaat, voordat u de keuzehendel vanuit stand
D in stand R zet.
Geartronic - Handmatig schakelen (+S–)
Met de automatische versnellingsbak
Geartronic kunt u ook handmatig schakelen.
Bij het loslaten van het gaspedaal wordt de
auto op de motor afgeremd.
U activeert de handmatige schakelstand door de hendel zijwaarts vanuit de stand D naar de eindstand bij
‘+/-’ te bewegen. Het symbool ‘+/-’
op het instrumentenpaneel verkleurt van WIT
naar ORANJE en de cijfers 1, 2, 3 enz. worden in een kader getoond en komen overeen
met de zojuist ingeschakelde versnelling.
•
of
Duw de hendel naar voren naar de +
(plus) om een hogere versnelling in te
schakelen en laat deze weer los – de hendel veert terug naar de neutrale stand
tussen + en –.
•
Trek de hendel naar achteren naar de ‘–’
(min) om een lagere versnelling in te
schakelen en laat deze weer los.
Handmatig schakelen ‘+S–’ is tijdens het rijden op elk moment te activeren.
Om schokken en afslaan van de motor te
voorkomen, schakelt Geartronic automatisch
terug als u langzamer gaat rijden dan wat
voor de gekozen versnelling gepast is.
instrumentenpaneel verandert dan in een cijfer dat de ingeschakelde versnelling aangeeft.
Om vervolgens te schakelen:
•
Haal een van de paddles naar achteren –
in de richting van het stuurwiel – en laat
deze weer los.
Om de automatische rijstand te hervatten:
•
Zet de hendel helemaal naar links in
stand D.
N.B.
Als de versnellingsbak een Sport-stand
kent, is handmatig schakelen pas te activeren wanneer u de keuzehendel vooruit of
achteruit in stand ‘+S–’ hebt gezet. Op het
instrumentenpaneel verandert de S dan in
een van de tekens 1, 2, 3 enz. om aan te
geven welke versnelling er ingeschakeld is.
Paddles*
In plaats van handmatig schakelen met de
keuzehendel kunt u ook gebruik maken van
de speciale stuurbediening, de zogeheten
paddles.
Om met de stuurpaddles te kunnen schakelen moet u ze wel eerst activeren. U doet dat
door een van de paddles in de richting van
het stuurwiel te halen – het teken ‘D’ op het
Beide ‘paddles’ van het stuurwiel.
‘–’: Eerstvolgende lagere versnelling
inschakelen.
‘+’: Eerstvolgende hogere versnelling
inschakelen.
Bij iedere bediening van de paddles wordt er
geschakeld, tenzij het motortoerental buiten
het toelaatbare bereik komt.
Na iedere schakeling geeft het instrumentenpaneel het cijfer van de ingeschakelde versnelling weer.
08
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
259
08 Starten en rijden
||
N.B.
Automatische deactivering
Als u de stuurpaddles niet gebruikt, worden ze na korte tijd automatisch gedeactiveerd. Het instrumentenpaneel geeft dit
aan doordat het cijfer voor de ingeschakelde versnelling weer verandert in ‘D’.
De sportstand levert een sportiever
rijgedrag op en maakt het mogelijk
om hogere toeren te maken in de
versnellingen. De motor reageert
bovendien sneller op de commando’s die u
met het gaspedaal geeft. Bij inschakeling van
de sportstand wordt tevens de voorkeur
gegeven aan de lagere versnellingen, zodat er
met enige vertraging wordt opgeschakeld.
Dit geldt echter niet bij gebruik van de
motorrem. De paddles blijven in dat geval
actief zolang er op de motor wordt afgeremd.
Om de Sport-stand te activeren:
Handmatige deactivering
•
De stuurpaddles zijn ook handmatig te
deactiveren:
•
Haal beide paddles in de richting van
het stuur en houd ze in deze stand
vast, totdat op het instrumentenpaneel
het cijfer voor de ingeschakelde versnelling verandert in ‘D’.
U kunt de paddles ook gebruiken, wanneer
de keuzehendel in de Sport-stand* staat – de
paddles blijven dan continu actief.
Duw de hendel zijwaarts, vanuit stand D
helemaal naar rechts in stand ‘+S–’. Op
het instrumentenpaneel verandert het
teken D in S.
De sportstand kan op elk moment tijdens het
rijden ingeschakeld worden.
Geartronic - Winterstand
Om bij gladheid gemakkelijker weg te kunnen
komen is het soms beter handmatig de 3e
versnelling in te schakelen.
1. Bedien het rempedaal en haal de keuzehendel vanuit stand D helemaal naar
stand ‘+S–’. Het symbool D op het instrumentenpaneel verandert in het cijfer 110.
2. Schakel op naar de 3e versnelling door
de hendel twee keer naar voren naar de +
(plus) te duwen – op het display verandert
de 1 in een 3.
08
9
10
260
Geartronic - Sport-stand* (S)9
Alleen bij bepaalde motoren.
Bij een auto met Sport-stand* verschijnt eerst ‘S’.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
3. Laat het rempedaal los en geef voorzichtig gas.
Bij activering van de ‘winterstand’ van de versnellingsbak rijdt de auto met een lager
motortoerental en minder kracht op de aandrijfwielen weg.
Kickdown
Als u het gaspedaal volledig intrapt (tot voorbij de normale volgasstand), schakelt de versnellingsbak automatisch terug naar een
lagere versnelling. Dit is de zogeheten kickdown.
Wanneer u het gaspedaal uit de kickdownstand loslaat, schakelt de versnellingsbak
automatisch op.
Gebruik de kickdown om zo snel mogelijk te
accelereren zoals bij het inhalen.
Beveiligingsfunctie
Om overtoeren van de motor te voorkomen,
is het stuurprogramma van de versnellingsbak voorzien van een terugschakelblokkering
waardoor de zogeheten kickdown niet mogelijk is.
Geartronic staat geen terugschakeling/kickdown toe die tot een dusdanig hoog toerental
leidt dat de motor kan worden beschadigd.
Wanneer u bij hoge motortoeren toch probeert een dergelijke kickdown uit te voeren,
08 Starten en rijden
gebeurt er niets. De auto blijft in de oorspronkelijke versnelling rijden.
Bij kickdown kan de auto afhankelijk van het
motortoerental één of meer versnellingen
terugschakelen. Om schade aan de motor te
voorkomen schakelt de auto op wanneer de
motor het maximumtoerental heeft bereikt.
Gerelateerde informatie
•
Transmissieolie - kwaliteit en hoeveelheid
(p. 389)
08
261
08 Starten en rijden
Automatische versnellingsbak Powershift*
Een automatische versnellingsbak met
Powershift is een automaat die, in tegenstelling tot een Geartronic-automaat (p. 258),
dubbele mechanische lamellenkoppelingen
heeft.
D: automatisch schakelen. +S–: handmatig schakelen. S: Sport-stand*.
De automatische Powershift-versnellingsbak
brengt de aandrijfkracht van de motor middels dubbele mechanische lamellenkoppelingen over op de aandrijfwielen. Dit in tegenstelling tot de Geartronic-versnellingsbak die
hiervoor een conventionele hydraulische koppelomvormer gebruikt.
08
262
Een Powershift-versnellingsbak werkt verder
op dezelfde manier en heeft bedieningselementen en functies die vergelijkbaar zijn met
die van de Geartronic-automaat. Een uitzondering vormt de Winterstand van de Geartro-
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
nic-automaat, zie het gedeelte Geartronic Winterstand (p. 258). Met Powershift kunt u
bij gladheid sneller wegkomen, als u handmatig de 2e versnelling inschakelt in plaats van
de 3e (Geartronic).
Powershift of Geartronic
Bij het model met een Powershift-versnellingsbak moet de motor lopen voor voldoende smering van de versnellingsbak en
daarom mag dit model niet worden gesleept.
Als de auto toch moet worden gesleept, dan
dient dit over een zo kort mogelijke afstand
en op zeer lage snelheid te gebeuren.
Wanneer u niet zeker weet of uw auto wel of
niet is uitgerust met een Powershift-versnellingsbak, kunt u dit controleren aan de hand
van de aanduiding op de versnellingsbaksticker onder de motorkap, zie Type-aanduidingen (p. 376). De aanduiding ”MPS6” houdt in
dat het om een Powershift-bak gaat. Anders
is het een Geartronic-automaat.
Waar u op moet letten
De dubbele koppeling van de versnellingsbak
is voorzien van een beveiliging tegen overbelasting die geactiveerd wordt, als de versnellingsbak te warm wordt – bijvoorbeeld als u
de auto te lang met het gaspedaal stilhoudt
op een oplopende helling.
Een te warme versnellingsbak uit zich in een
auto die gaat schudden en trillen, een waarschuwingssymbool dat gaat branden en een
melding op het instrumentenpaneel. Ook bij
langzaam fileverkeer (10 km/h of lager) op
oplopende hellingen of met een aanhanger/
caravan achter de auto kan de versnellingsbak te warm worden. De versnellingsbak
koelt af tijdens stilstand, wanneer het rempedaal bediend wordt en de motor stationair
loopt.
Oververhitting tijdens langzaam fileverkeer is
te voorkomen door in etappes te rijden:
•
Sta stil en wacht met uw voet op het rempedaal totdat de afstand tot uw voorliggers lang genoeg is om een stukje verder
vooruit te rijden, rem en wacht weer enige
tijd met uw voet op het rempedaal.
BELANGRIJK
Bedien de bedrijfsrem om de auto stil te
houden op oplopende hellingen – maak
geen gebruik van het gaspedaal. De versnellingsbak kan dan oververhit raken.
Zie voor belangrijke informatie over de
Powershift-bak en slepen, zie Slepen (p.
302).
Tekstmelding en maatregel
In bepaalde situaties kan er een bepaalde
melding op het instrumentenpaneel verschijnen in combinatie met een brandend symbool.
08 Starten en rijden
Symbool
A
Melding
Rijeigenschappen
Maatregel
Oververh versnb zet
auto stil
Problemen om snelheid constant te houden bij hetzelfde toerental.
Versnellingsbak oververhit. Houd de auto stil met het rempedaal.A
Oververh versnb
Stop auto z.s.m.
Auto rijdt met hevige schokkerige bewegingen vooruit.
Versnellingsbak oververhit. Parkeer de auto zo spoedig
mogelijk.A
Koeling versn.b. laat
motor lopen
Geen aandrijving wegens oververhitting
van de versnellingsbak.
Versnellingsbak oververhit. Voor optimale koeling: Laat de
motor stationair lopen met de keuzehendel in stand N of
stand P, totdat de melding verdwijnt.
Voor optimale koeling: Laat de motor stationair lopen met de keuzehendel in stand N of stand P, totdat de melding verdwijnt.
De tabel schetst drie gevallen van oververhitting van de versnellingsbak met verschillende
ernstigheidsgraad. De elektronica waarschuwt u niet alleen met een tekstmelding
maar ook middels tijdelijke veranderingen in
het rijgedrag. Neem in het voorkomende
geval de tekstmelding in acht.
N.B.
De voorbeelden in de tabel geven niet aan
dat de auto defect is, maar geven aan dat
er een veiligheidsfunctie is geactiveerd om
schade aan onderdelen van de auto te
voorkomen.
WAARSCHUWING
Als u het waarschuwingssymbool met de
tekst Oververh versnb Stop auto z.s.m.
negeert, kan de versnellingsbaktemperatuur dusdanig oplopen dat de krachtoverbrenging tussen de motor en de versnellingsbak tijdelijk wordt verbroken om te
voorkomen dat de koppeling defect raakt –
de auto wordt dan niet meer aangedreven
totdat de versnellingsbaktemperatuur tot
een aanvaardbaar niveau is gedaald.
Voor andere meldingen en de voorgestelde
maatregelen bij auto’s met een automatische
versnellingsbak, zie Meldingen (p. 103).
Na uitvoering van de maatregel verdwijnt de
tekstmelding automatisch. U kunt de melding
ook eerder doen verdwijnen met een druk op
de knop OK van de richtingaanwijzerhendel.
08
263
08 Starten en rijden
Keuzehendelblokkering
Parkeerstand (P)
De keuzehendelblokkering is verkrijgbaar in
twee uitvoeringen: een mechanische en een
automatische.
Stilstaande auto met draaiende motor:
Mechanische keuzehendelblokkering
•
Automatische schakelblokkering
deactiveren
Houd uw voet op het rempedaal terwijl u
de keuzehendel verzet.
Elektrische schakelblokkering, Shiftlock
parkeerstand (P)
Om de keuzehendel uit stand P te kunnen
halen, moet u het rempedaal bedienen terwijl
de transpondersleutel in sleutelstand II (p. 68)
staat.
G021351
Schakelblokkering, vrijstand (N)
U kunt de hendel altijd ongehinderd heen en
weer halen tussen de standen N en D. Om de
hendel in een van de overige standen te zetten, moet u een blokkering opheffen door op
de blokkeerknop op de keuzehendel te drukken.
Als de keuzehendel in stand N staat en de
auto heeft minstens 3 seconden stilgestaan
(of de motor nu loopt of niet), is de keuzehendel geblokkeerd.
Om de keuzehendel uit stand N te kunnen
halen, moet u het rempedaal bedienen terwijl
de transpondersleutel in sleutelstand II staat.
Met de blokkeerknop ingedrukt kunt u de
hendel vooruit of achteruit bewegen tussen
de standen P, R, N en D.
Automatische keuzehendelblokkering
08
De automatische versnellingsbak kent enkele
bijzondere beveiligingsfuncties:
11
264
U treft mogelijk 2 gaten aan – een voor het sleutelblad en een voor bevestiging van de rubbermat.
Als er niet met de auto kan worden gereden
zoals het geval is bij een uitgeputte accu,
moet u de keuzehendel uit stand P halen
voordat u de auto kunt verslepen.
Neem de rubbermat in het vak achter de
middenconsole uit te auto en zoek onder
in het vak het gat11 voor het sleutelblad
(p. 158) p.
Lokaliseer met het sleutelblad de verende
knop onder in het gat, druk met het blad
de knop omlaag en houd deze ingedrukt.
Haal de keuzehendel uit stand P en verwijder het sleutelblad.
4. Leg de rubbermat terug.
08 Starten en rijden
Gerelateerde informatie
•
Automatische versnellingsbak Geartronic* (p. 258)
•
Automatische versnellingsbak Powershift* (p. 262)
Hellingrem (HSA)*12
Start/Stop*
U hoeft het rempedaal niet te bedienen wanneer u wegrijdt of achteruit een helling oprijdt
- het HSA-systeem (Hill Start Assist) voorkomt
dat de auto achteruitrolt.
Auto’s met een bepaalde combinatie van
motor en versnellingsbak zijn voorzien van
een Start/Stop-systeem dat in werking treedt,
als de auto bijvoorbeeld stilstaat in een file of
wacht voor een stoplicht. De motor wordt dan
tijdelijk afgezet en start automatisch als er
moet worden doorgereden.
Het systeem zorgt ervoor dat de pedaaldruk
enkele seconden lang op peil blijft, wanneer u
uw voet van het rempedaal naar het gaspedaal verplaatst.
De tijdelijke remwerking wordt na enige
seconden opgeheven of eerder bij het bedienen van het gaspedaal.
Gerelateerde informatie
•
Motor starten (p. 248)
Milieuzorg vormt een van de kernwaarden
van Volvo Car Corporation en geeft richting
aan al onze activiteiten. Dit resulteerde in uiteenlopende energiebesparende systemen
waaronder Start/Stop die stuk voor stuk
bedoeld zijn om het brandstofverbruik te verlagen en daarmee ook de uitlaatgasemissie te
beperken.
Algemene informatie over Start/Stop
De motor wordt afgezet – voor een stillere en
schonere rit.
12
08
Afhankelijk van de combinatie van motor en versnellingsbak. HSA valt niet voor alle combinaties te specificeren.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
265
08 Starten en rijden
||
Met het Start/Stop-systeem kunt u actiever
milieubewust rijden doordat de motor, wanneer dat kan, automatisch kan afslaan.
Handbak of automaat
Let erop dat er verschillen zijn in het
Start/Stop-systeem, afhankelijk van de vraag
of de auto een handbak of een automaat
heeft.
Gerelateerde informatie
•
Start/Stop* - functie en bediening (p.
266)
•
•
•
Motor starten (p. 248)
•
Start/Stop* - de motor is automatisch
gestart (p. 269)
•
Start/Stop* - de motor slaat niet automatisch af (p. 268)
•
Start/Stop* - onvrijwillige motorstop bij
handgeschakelde versnellingsbak (p.
271)
•
Start/Stop* - symbolen en meldingen (p.
272)
•
Accu - Start/Stop (p. 352)
Start/Stop* - instellingen (p. 271)
Start/Stop* - de motor start niet automatisch (p. 270)
08
266
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Start/Stop* - functie en bediening
Voorwaarden
Auto’s met een bepaalde combinatie van
motor en versnellingsbak zijn voorzien van
een Start/Stop-systeem dat in werking treedt,
als de auto bijvoorbeeld stilstaat in een file of
wacht voor een verkeerslicht. Het Start/Stopsysteem wordt automatisch geactiveerd, wanneer u de motor met een sleutel start.
Het Start/Stop-systeem
wordt automatisch geactiveerd, wanneer u de motor
met een sleutel start. U
wordt op het systeem gewezen doordat op het instrumentenpaneel het desbetreffende symbool gaat branden
en het lampje in de
Aan/Uit-knop oplicht.
Alle normale autosystemen waaronder verlichting, radio e.d. werken ook bij een automatisch afgeslagen motor normaal, zij het dat
er mogelijk tijdelijke beperkingen gelden voor
bepaalde uitrusting (zoals het geval kan zijn
voor de ventilatorsnelheid van de klimaatregeling of het volume van het audiosysteem).
Automatische motorafslag
Voor automatische motorafslag geldt het volgende:
A
M/A
A
Bedien de koppeling, zet de hendel
in de neutrale stand en laat het
koppelingspedaal opkomen. De
motor slaat automatisch af.
M
Breng de auto tot stilstand met het
rempedaal en houd het rempedaal
ingedrukt – er vindt automatische
motorafslag plaats.
A
M = handbak, A = automaatbak.
Bij activering van de ECOfunctie is auto-stop van de
motor mogelijk, voordat de
auto volledig stilstaat.
branden.
Ter bevestiging en herinnering aan
de automatische motorstop gaat het
symbool voor het Start/Stop-systeem op het instrumentenpaneel
08 Starten en rijden
Automatische motorstart
Start/Stop-systeem deactiveren
Voorwaarden
M/
AA
Met de schakelhendel in de neutrale stand:
M
In bepaalde situaties is het
mogelijk beter om het automatische Start/Stop-systeem
tijdelijk uit te schakelen – dit
is mogelijk met een druk op
deze knop.
1. Trap het koppelingspedaal of
het gaspedaal in – de motor
start.
Bij een uitgeschakeld systeem gaan
het Start/Stop-symbool op het
instrumentenpaneel en het lampje
van de Aan-/Uit-knop uit.
2. Schakel een passende versnelling in en rijd weg.
Haal uw voet van het rempedaal –
er vindt automatische motorstart
plaats, waarna u de rit kunt voortzetten.
A
Het Start/Stop-systeem is uitgeschakeld, totdat u het opnieuw activeert met de knop of
totdat u de motor een volgende keer met de
sleutel start.
Houd de voetdruk op de bedrijfsrem vast en druk op het gaspedaal
- de motor start automatisch.
A
Wegrijhulp op hellingen, HSA
Bij een aflopende helling bestaat
ook deze mogelijkheid:
Laat het rempedaal los en laat de
auto wegrollen. De motor start dan
automatisch als de snelheid hoger
wordt dan normaal stapvoets.
A
M = handbak, A = automaatbak.
M+
A
•
•
Start/Stop* - instellingen (p. 271)
Start/Stop* - de motor start niet automatisch (p. 270)
•
Start/Stop* - de motor is automatisch
gestart (p. 269)
•
Start/Stop* - de motor slaat niet automatisch af (p. 268)
•
Start/Stop* - onvrijwillige motorstop bij
handgeschakelde versnellingsbak (p.
271)
•
Start/Stop* - symbolen en meldingen (p.
272)
•
Accu - Start/Stop (p. 352)
Het rempedaal kan ook bij oplopende hellingen worden losgelaten voor automatische
motorstart. Het HSA(p. 265)(Hill Start Assist) systeem zorgt ervoor dat de auto niet achteruitrolt.
HSA zorgt ervoor dat de pedaaldruk enkele
seconden lang op peil blijft als u uw voet van
het rempedaal naar het gaspedaal verplaatst
voordat u wegrijdt na een automatisch afgeslagen motor. De tijdelijke remwerking wordt
na enige seconden opgeheven of eerder bij
het bedienen van het gaspedaal.
08
Gerelateerde informatie
•
•
Start/Stop* (p. 265)
Motor starten (p. 248)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
267
08 Starten en rijden
Start/Stop* - de motor slaat niet
automatisch af
Voorwaarden
Voorwaarden
Auto’s met een bepaalde combinatie van
motor en versnellingsbak zijn voorzien van
een Start/Stop-systeem dat in werking treedt,
als de auto bijvoorbeeld stilstaat in een file of
wacht voor een verkeerslicht. Ook als het
Start/Stop-systeem geactiveerd is, vindt er
niet altijd een automatische motorstop plaats.
M/
AA
de omstandigheden in de passagiersruimte afwijken van de vooraf
ingestelde waarden – wat te merken
is aan het hoge toerental van de
interieurventilator.
M+
A
de versnellingsbak niet op de normale bedrijfstemperatuur is.
A
A
u achteruitrijdt.
M+
A
de atmosferische luchtdruk onder
het niveau ligt bij een hoogte van
ca. 1500–2500 boven zeeniveau. De
actuele luchtdruk varieert afhankelijk van het weertype.
de file-assistent van de adaptieve
cruisecontrol geactiveerd is.
A
de keuzehendel in de S-standC of
"+/-" staat.
A
Automatische motorstop werkt niet als:
08
268
Voorwaarden
M/
AA
de capaciteit van de startaccu
onder de toelaatbare ondergrens is
gedoken.
M+
A
de auto nog geen ca. 8 km/h rijdt na
start met sleutel of laatste automatische afslag.
M+
A
de bestuurder grotere stuurbewegingen maakt.
M+
A
u de gordelsluiting hebt geopend.
M+
A
M+
A
de capaciteit van de startaccu
onder de toelaatbare ondergrens is
gedoken.
M+
A
het roetfilter van het uitlaatsysteem
verzadigd is – pas na een automatische regeneratie (zie Roetfilter dieselmotor (DPF) (p. 292)) wordt het
tijdelijke uitgeschakelde Start/Stopsysteem opnieuw geactiveerd.
de weg erg steil is.
M+
A
M = handbak, A = automaatbak.
Alleen bij bepaalde motoren.
Sportstand.
Gerelateerde informatie
de motor niet op de normale
bedrijfstemperatuur is.
M+
A
de buitentemperatuur onder het
vriespunt of boven ca. 30 °C ligt.
M+
A
een aanhanger is aangesloten op
het elektrische systeem van de
auto.
M+
A
de elektrische voorruitverwarming
wordt geactiveerd.
M+
A
de motorkap is ontgrendeldB.
M+
A
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
A
B
C
M/
AA
•
•
•
•
•
Start/Stop* (p. 265)
Start/Stop* - functie en bediening (p. 266)
Motor starten (p. 248)
Start/Stop* - instellingen (p. 271)
Start/Stop* - de motor start niet automatisch (p. 270)
•
Start/Stop* - de motor is automatisch
gestart (p. 269)
•
Start/Stop* - onvrijwillige motorstop bij
handgeschakelde versnellingsbak (p.
271)
08 Starten en rijden
•
Start/Stop* - symbolen en meldingen (p.
272)
Voorwaarden
M/AA
•
Start/Stop* - de motor is automatisch
gestart
Accu - Start/Stop (p. 352)
Auto’s met een bepaalde combinatie van
motor en versnellingsbak zijn voorzien van
een Start/Stop-systeem dat in werking treedt,
als de auto bijvoorbeeld stilstaat in een file of
wacht voor een verkeerslicht. Een motor die
automatisch werd afgezet kan in bepaalde
gevallen automatisch worden gestart, voordat
u hebt aangegeven de rit te willen voortzetten.
De auto begint te rollen of voert
een kleine snelheidstoename uit
als de auto automatisch is afgezet
zonder helemaal stil te staan.
M+A
De gordelsluiting van de bestuurder is geopend met de keuzehendel in stand D of N.
A
In de volgende gevallen start de motor automatisch, ook als u het koppelingspedaal niet
hebt bediend (handgeschakelde bak) of uw
voet niet van het rempedaal haalt (automaat):
StuurbewegingenB.
A
De keuzehendel vanuit stand D in
stand SC, R of "+/-" wordt gezet.
A
Het bestuurdersportier wordt
geopend met de keuzehendel in
stand D - een ‘belsignaal’ en een
displaymelding geven aan dat de
Start/Stop-functie actief is.
A
Voorwaarden
M/AA
De ruiten beslaan.
M+A
De omstandigheden in de passagiersruimte wijken af van de ingestelde waarden.
M+A
Er wordt tijdelijk veel stroom afgenomen of de capaciteit van de
startaccu is tot onder de toelaatbare ondergrens gedaald.
M+A
U bedient het rempedaal met
pompende bewegingen.
M+A
De motorkap wordt ontgrendeldB.
M+A
A
B
C
M = handbak, A = automaatbak.
Alleen bij bepaalde motoren.
Sportstand.
WAARSCHUWING
Open de motorkap niet als de motor automatisch afgeslagen is. De motor kan plotseling automatisch starten. Voer eerst een
normale motoruitschakeling uit met de
START/STOP ENGINE-knop voordat u de
motorkap omhoog doet.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
08
269
08 Starten en rijden
||
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Start/Stop* (p. 265)
Start/Stop* - functie en bediening (p. 266)
Motor starten (p. 248)
Start/Stop* - instellingen (p. 271)
Start/Stop* - de motor start niet automatisch (p. 270)
•
Start/Stop* - de motor slaat niet automatisch af (p. 268)
•
Start/Stop* - onvrijwillige motorstop bij
handgeschakelde versnellingsbak (p.
271)
•
Start/Stop* - symbolen en meldingen (p.
272)
•
Accu - Start/Stop (p. 352)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Gerelateerde informatie
Auto’s met een bepaalde combinatie van
motor en versnellingsbak zijn voorzien van
een Start/Stop-systeem dat in werking treedt,
als de auto bijvoorbeeld stilstaat in een file of
wacht voor een verkeerslicht. De automatische motorstart werkt niet altijd na automatische motorafslag.
In de volgende gevallen werkt de automatische motorstart niet nadat de motor automatisch werd afgezet:
A
08
270
Start/Stop* - de motor start niet
automatisch
Voorwaarden
M/
AA
er is een versnelling ingeschakeld
zonder het koppelingspedaal te
bedienen – een displaymelding
dring er bij u op aan om de schakelhendel in de neutrale stand te zetten en automatische motorstart
mogelijk te maken.
M
De bestuurder draagt geen gordel,
de keuzehendel staat in stand P en
het bestuurdersportier is open – de
motor moet op de normale manier
worden gestart.
A
M = handbak, A = automaatbak.
•
•
•
•
•
Start/Stop* (p. 265)
Start/Stop* - functie en bediening (p. 266)
Motor starten (p. 248)
Start/Stop* - instellingen (p. 271)
Start/Stop* - de motor is automatisch
gestart (p. 269)
•
Start/Stop* - de motor slaat niet automatisch af (p. 268)
•
Start/Stop* - onvrijwillige motorstop bij
handgeschakelde versnellingsbak (p.
271)
•
Start/Stop* - symbolen en meldingen (p.
272)
•
Accu - Start/Stop (p. 352)
08 Starten en rijden
Start/Stop* - onvrijwillige motorstop
bij handgeschakelde versnellingsbak
Auto’s met een bepaalde combinatie van
motor en versnellingsbak zijn voorzien van
een Start/Stop-systeem dat in werking treedt,
als de auto bijvoorbeeld stilstaat in een file of
wacht voor een verkeerslicht. Doe als volgt als
de automatische motorstart mislukt en de
motor uitvalt:
Start/Stop* - instellingen
Auto’s met een bepaalde combinatie van
motor en versnellingsbak zijn voorzien van
een Start/Stop-systeem dat in werking treedt,
als de auto bijvoorbeeld stilstaat in een file of
wacht voor een verkeerslicht. In het menusysteem MY CAR vindt u onder de rubriek
DRIVe informatie over Volvo’s Start-Stopsysteem en adviezen voor een zuinige rijstijl.
•
Start/Stop* - onvrijwillige motorstop bij
handgeschakelde versnellingsbak (p. 271)
•
Start/Stop* - symbolen en meldingen (p.
272)
•
Accu - Start/Stop (p. 352)
1. Bedien het koppelingspedaal opnieuw –
de motor start automatisch.
2. In bepaalde gevallen moet u de versnellingspook in de neutrale stand zetten. Op
het instrumentenpaneel verschijnt dan de
tekst Zet versnelling in vrij.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Start/Stop* (p. 265)
Start/Stop* - functie en bediening (p. 266)
Motor starten (p. 248)
Start/Stop* - instellingen (p. 271)
Start/Stop* - de motor start niet automatisch (p. 270)
Gerelateerde informatie
•
Start/Stop* - de motor is automatisch
gestart (p. 269)
•
Start/Stop* - de motor slaat niet automatisch af (p. 268)
•
•
•
•
•
Start/Stop* - symbolen en meldingen (p.
272)
•
•
Accu - Start/Stop (p. 352)
Start/Stop* - de motor is automatisch
gestart (p. 269)
•
Start/Stop* - de motor slaat niet automatisch af (p. 268)
Start/Stop* (p. 265)
Start/Stop* - functie en bediening (p. 266)
Motor starten (p. 248)
Start/Stop* - de motor start niet automatisch (p. 270)
08
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
271
08 Starten en rijden
Start/Stop* - symbolen en meldingen
Displaymelding
Het Start/Stop-systeem kan tekstmeldingen
op het informatiedisplay weergeven.
Het Start/Stop-systeem kan in
bepaalde situaties aanleiding geven
tot tekstmeldingen op het instrumentenpaneel en een brandend controle-
Symbool
Melding
Informatie/maatregel
M/AA
Auto Start-Stop Service vereist
Start/Stop is defect. Neem dan contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
M+A
Autostart Motor loopt +
akoestisch signaal
Wordt geactiveerd als het bestuurdersportier wordt geopend met een automatisch afgezette motor en de keuzehendel in de D-stand.
A
Druk op Start-knop
Geen automatische motorstart mogelijk. Voer een reguliere motorstart uit met de knop
START/STOP ENGINE.
Trap koppeling in om te
starten
Motor klaar voor automatische start – wacht op bediening van het koppelingspedaal.
M
Rem en ontkoppel om te
starten
Motor klaar voor automatische start – wacht op bediening van het koppelings- of rempedaal.
M
Stand N kiezen om te starten
Er is geschakeld zonder te ontkoppelen – bedien het koppelingspedaal om de schakelhendel in de neutrale stand te zetten.
M
08
272
lampje. Bij enkele daarvan dient u een aanbevolen maatregel te nemen. In de volgende
tabel staan enkele voorbeelden.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
M+A
08 Starten en rijden
Symbool
A
Melding
Informatie/maatregel
Kies stand P of N om te
starten
Start/Stop is gedeactiveerd. Zet de keuzehendel in stand N of P en voer een normale
motorstart uit met de knop START/STOP ENGINE.
A
Druk op Start-knop
Geen automatische motorstart mogelijk – start de motor op de normale manier met de
knop START/STOP ENGINE terwijl de keuzehendel in stand P of N staat.
A
M/AA
M = handbak, A = automaatbak.
Als een displaymelding na het uitvoeren van
de voorgestelde maatregel niet verdwijnt,
dient u contact op te nemen met een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Start/Stop* (p. 265)
Start/Stop* - functie en bediening (p. 266)
Motor starten (p. 248)
Start/Stop* - instellingen (p. 271)
Start/Stop* - de motor start niet automatisch (p. 270)
•
Start/Stop* - de motor is automatisch
gestart (p. 269)
•
Start/Stop* - de motor slaat niet automatisch af (p. 268)
•
Start/Stop* - onvrijwillige motorstop bij
handgeschakelde versnellingsbak (p. 271)
•
Accu - Start/Stop (p. 352)
08
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
273
08 Starten en rijden
ECO*
ECO is een uniek en innovatief Volvo-systeem
dat bij auto’s met een automatische versnellingsbak het brandstofverbruik met tot wel 5%
kan beperken, afhankelijk van de rijstijl van de
bestuurder. Met het systeem kunt u actiever
milieubewust rijden.
Algemeen
Bij activering van het ECOsysteem wijzigt het volgende:
•
•
ECO - Bediening
De Start/Stop-functie - de motor kan ook
automatisch worden afgezet voordat de
auto is gestopt en helemaal stilstaat.
•
Het systeem Eco Coast wordt geactiveerd - het motorremmen stopt.
•
De instellingen van het klimaatsysteem bepaalde elektrische verbruikers worden
gedeactiveerd of werken met een gereduceerd vermogen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Bij uitschakeling van het
ECO-systeem gaan het
ECO-symbool op het instrumentenpaneel en het lampje
van de ECO-knop uit. Het
systeem staat vervolgens uit,
totdat u het inschakelt met
een druk op de knop ECO.
Eco Coast - Functie
Het deelsysteem Eco Coast houdt in de praktijk in dat er niet op de motor wordt afgeremd
om de bewegingsenergie van de auto te
gebruiken om de auto verder te laten uitrollen. Wanneer u het gaspedaal loslaat wordt
de versnellingsbak automatisch losgekoppeld
van de motor die voor een minimaal verbruik
stationair gaat draaien.
Schakelpunten van de versnellingsbak.
•
ECO-systeem Aan of Uit
Bij activering van het ECO-systeem worden enkele parameters in de instellingen
van het klimaatsysteem gewijzigd en worden de functies van enkele elektrische verbruikers gereduceerd - met een druk op de
AC-knop reset u het klimaatsysteem, maar
dan met een gereduceerde AC-functie.
Motorregeling en respons van het gaspedaal.
08
274
N.B.
ECO Aan/Uit
ECO-symbool
Omdat het ECO-systeem bij het afzetten van
de motor gedeactiveerd wordt, moet u het
systeem iedere keer dat u de motor start
opnieuw activeren. Bij sommige motoren is
dit mogelijk niet het geval - een brandend
ECO-symbool op het instrumentenpaneel en
het lampje van de ECO-knop geven echter
duidelijk aan dat het systeem aanstaat.
Het systeem is bestemd voor gebruik bij
geplande snelheidsverlagingen, zoals tijdens
het uitrollen bij het naderen van een kruising
of verkeerslichten die op rood staan.
Eco Coast maakt anticiperend rijden mogelijk
met ‘Pulse & Glide’-techniek en beperkt het
aantal malen dat er wordt afgeremd.
Combinatie Aan en Uit
Ook een combinatie van Eco Coast en een tijdelijk uitgeschakeld ECO-systeem kan samen
tot een lager verbruik leiden. Dus:
•
Actieve Eco Coast: Lang uitrollen zonder
motorremmen = Laag verbruik
08 Starten en rijden
en
•
Uitgeschakeld ECO-systeem: Kort uitrollen met motorremmen = Minimaal verbruik.
N.B.
Voor een optimaal laag brandstofverbruik
moet Eco Coast gecombineerd met kort
uitrollen gewoonlijk worden vermeden.
Het deactiveren van Eco Coast en het teruggaan naar motorremmen kan op de volgende
manier:
•
•
•
•
Meer informatie en instellingen
Druk op de knop ECO.
Haal de keuzehendel naar stand "S+/-"
voor handmatig schakelen.
Schakel met de stuurpaddles.
Beweeg het gas- of rempedaal.
Eco Coast - Beperkingen
Activeren Eco Coast
De functie is niet beschikbaar als:
Het systeem wordt geactiveerd wanneer u
het gaspedaal helemaal hebt losgelaten in
combinatie met het volgende:
•
•
u de cruisecontrol activeert
•
•
•
u hebt de knop ECO ingedrukt
•
u handmatig schakelt met behulp van de
stuurpaddles*
•
•
het hellingspercentage van een aflopende
weg is niet groter dan zo’n 6 %.
de motor en/of versnellingsbak niet de
normale bedrijfstemperatuur hebben
bereikt.
•
u de keuzehendel vanuit stand D in stand
‘S+/-’ zet
•
de snelheid buiten het interval van
zo’n 65–140 km/h ligt
de keuzehendel staat in stand D
de rijsnelheid ligt in het interval van
zo’n 65–140 km/h
Deactiveren Eco Coast
Soms kan het handig zijn om het Eco Coastsysteem uit te schakelen. Mogelijke voorbeelden van dergelijke situaties:
•
op steile aflopende hellingen – zodat u op
de motor kunt afremmen.
•
net voordat u inhaalt – zodat u dat zo veilig mogelijk kunt doen.
het hellingspercentage van een aflopende
weg niet groter is dan zo’n 6 %
In het menusysteem MY CAR vindt u meer
informatie over het ECO-concept - zie het
gedeelte MY CAR (p. 105).
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 117)
08
275
08 Starten en rijden
Vierwielaandrijving - AWD*
Bedrijfsrem
Met vierwielaandrijving hebt u de beste grip
op de weg.
De bedrijfsrem wordt gebruikt om de snelheid
van de auto tijdens rijden te verlagen.
De vierwielaandrijving is altijd
ingeschakeld
De auto is uitgerust met twee remcircuits. Als
een van de remcircuits defect raakt, betekent
dit dat de remmen pas later worden aangesproken zodat u het rempedaal harder moet
intrappen voor dezelfde remmende werking.
De druk die u uitoefent op het rempedaal
wordt versterkt door de rembekrachtiging.
WAARSCHUWING
De rembekrachtiging werkt alleen, als de
motor loopt.
Bij vierwielaandrijving (All Wheel Drive) worden alle vier de wielen van de auto tegelijk
aangedreven.
08
Het motorkoppel wordt automatisch over de
voor- en achterwielen verdeeld. Een elektronisch gestuurd koppelingssysteem verdeelt
het vermogen over het wielpaar dat op dat
moment de beste grip op het wegdek heeft.
Dit om optimale wegligging te verkrijgen en
wielspin te voorkomen. Bij normaal rijden
worden de voorwielen naar verhouding iets
sterker aangedreven dan de achterwielen.
De vierwielaandrijving verhoogt de rijveiligheid tijdens regen- en sneeuwval en bij ijzel.
276
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Als u de rem bedient met de motor afgezet,
doet het pedaal stug aan en moet u harder op
het pedaal trappen om de auto af te remmen.
In bergachtig gebied of bij het rijden met een
zware belading kunt u de remmen ontzien
door op de motor af te remmen. U benut de
remmende werking van de motor het best,
wanneer u tijdens het afdalen dezelfde versnelling inschakelt als bij het oprijden van een
helling.
Voor meer algemene informatie over een
zware belasting van de auto, zie Motorolie ongunstige rijomstandigheden (p. 385).
Remschijven schoonmaken
Vuil en water op de remschijven kunnen ertoe
leiden dat de aanspreekduur van de remmen
wordt verlengd. U wordt geadviseerd de remschijven schoon te maken door tijdens het rijden korte tijd licht te remmen, wanneer u op
natte wegen rijdt, de auto net hebt gewassen
of op het punt staat deze langdurig te parkeren.
Onderhoud
Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid
en betrouwbaarheid van de auto op een hoog
peil te houden, dient u de service-intervallen
van Volvo aan te houden zoals omschreven in
het Service- en garantieboekje.
BELANGRIJK
De onderdelen van het remsystemen moeten regelmatig op slijtage worden gecontroleerd.
Informeer bij een werkplaats hoe dat in zijn
werk gaat of laat de controle over aan de
werkplaats – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
08 Starten en rijden
Symbolen en meldingen
Symbool
Betekenis
Brandt continu – controleer
het remvloeistofpeil. Vul remvloeistof bij als het peil te laag
ligt en controleer tevens de
oorzaak van het remvloeistofverlies.
Brandt tijdens het starten van
de motor 2 seconden continu
- automatische functietest.
WAARSCHUWING
Als
en
tegelijk branden, kan er
een storing in het remsysteem zijn ontstaan.
Als het niveau in het remvloeistofreservoir
in dat geval normaal is, moet u voorzichtig
naar de dichtstbijzijnde werkplaats rijden
om het remsysteem te laten controleren geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
Als de remvloeistof onder het MIN-niveau
in het remvloeistofreservoir ligt, mag u pas
verder rijden als de remvloeistof is bijgevuld.
De oorzaak van het remvloeistofverlies
moet worden gecontroleerd.
Gerelateerde informatie
•
•
Parkeerrem (p. 279)
Bedrijfsrem - noodremlichten en automatische alarmlichten (p. 278)
•
Bedrijfsrem - remkrachtverhoging bij
noodstops (p. 278)
•
Bedrijfsrem - antiblokkeerremsysteem (p.
277)
Bedrijfsrem antiblokkeerremsysteem
Het antiblokkeerremsysteem, ABS Anti-lock
Braking System voorkomt dat de wielen blokkeren tijdens het remmen.
Het systeem zorgt dat de auto bestuurbaar
blijft, waardoor het bijvoorbeeld makkelijker is
om obstakels te ontwijken. Bij activering van
deze functie kunt u trillingen in het rempedaal
voelen. Dit is volkomen normaal.
Wanneer u het rempedaal loslaat nadat de
motor is aangeslagen, gaat een kortdurende,
automatische test van het ABS van start. Het
is mogelijk dat er opnieuw een automatisch
test van het ABS plaatsvindt, wanneer de
auto een snelheid van 10 km/h bereikt. Ook
deze test kan waarneembaar zijn in de vorm
van trillingen in het rempedaal.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Bedrijfsrem (p. 276)
Parkeerrem (p. 279)
Bedrijfsrem - noodremlichten en automatische alarmlichten (p. 278)
Bedrijfsrem - remkrachtverhoging bij
noodstops (p. 278)
08
277
08 Starten en rijden
Bedrijfsrem - noodremlichten en
automatische alarmlichten
Bedrijfsrem - remkrachtverhoging bij
noodstops
De noodremlichten worden geactiveerd om
achterliggers erop te attenderen dat u krachtig remt. Daarbij knipperen de remlichten in
plaats van dat ze continu branden, zoals bij
normaal remmen.
De remkrachtverhoging bij noodstops (EBA,
Emergency Brake Assist) helpt de remkracht
verhogen om op die manier de remweg te
verkorten.
De noodremlichten worden geactiveerd bij
snelheden hoger dan 50 km/h als het ABS
actief is en/of bij krachtig remmen. Wanneer
de auto is afgeremd tot een rijsnelheid lager
dan 10 km/h, gaan de remlichten continu
branden in plaats van te knipperen. Ondertussen worden de alarmlichten (p. 84) geactiveerd en deze blijven knipperen totdat u het
motortoerental met het gaspedaal wijzigt of
de alarmlichten uitschakelt met de bijbehorende knop.
Het EBA registreert de wijze waarop u het
rempedaal bedient en verhoogt zo nodig de
remkracht. De remkracht kan worden verhoogd tot aan het niveau waarbij het ABS
ingrijpt. De EBA-regeling wordt uitgeschakeld
wanneer u de druk op het rempedaal verlaagt.
N.B.
Als EBA wordt geactiveerd, gaat het rempedaal iets verder omlaag dan normaal.
Druk het rempedaal in zo lang als dat
nodig is. Als u het rempedaal loslaat, stopt
al het afremmen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Bedrijfsrem (p. 276)
Parkeerrem (p. 279)
Bedrijfsrem - remkrachtverhoging bij
noodstops (p. 278)
Bedrijfsrem - antiblokkeerremsysteem (p.
277)
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
08
278
Bedrijfsrem (p. 276)
Parkeerrem (p. 279)
Bedrijfsrem - noodremlichten en automatische alarmlichten (p. 278)
Bedrijfsrem - antiblokkeerremsysteem (p.
277)
08 Starten en rijden
Parkeerrem
Handrem aanzetten
De parkeerrem houdt de auto stil, als er niemand op de bestuurdersstoel zit, door twee
wielen mechanisch te blokkeren/vergrendelen.
drukt te houden. Bij het loslaten van de handgreep wordt de rem uitgeschakeld.
N.B.
Tijdens een noodstop bij snelheden hoger
dan 10 km/h klinkt er gedurende de hele
remmanoeuvre een geluidssignaal.
Functie
Wanneer de elektrische parkeerrem wordt
geactiveerd, hoort u een zwak elektromotorgeluid. Het geluid is tevens waarneembaar bij
een automatische functietest van de parkeerrem.
Als de auto stilstaat wanneer u de parkeerrem
aanzet, werkt de rem alleen op de achterwielen. Als u de parkeerrem tijdens het rijden
aanzet, wordt de normale bedrijfsrem geactiveerd. Daarbij werkt de rem op alle vier de
wielen. Wanneer de auto bijna stilstaat, worden alleen de achterwielen geremd.
Lage accuspanning
Als de accuspanning te laag is, kunt u de parkeerrem niet aanzetten noch lossen. Sluit een
hulpaccu aan, als de accuspanning te laag is,
zie Starthulp met accu (p. 255).
Op een helling parkeren
Bij het parkeren van de auto op een oplopende helling:
Handgreep parkeerrem – aanzetten.
1. Trap het rempedaal stevig in.
2. Druk op de handgreep PUSH LOCK/
PULL RELEASE.
>
Het symbool op het instrumentenpaneel gaat knipperen – wanneer
het continu brandt, is de parkeerrem
ingeschakeld.
3. Laat het rempedaal los en controleer of
de auto volledig stilstaat.
•
•
Draai de wielen van de trottoirband af.
Bij het parkeren van de auto op een aflopende helling:
•
Draai de wielen naar de trottoirband toe.
WAARSCHUWING
Gebruik altijd de parkeerrem bij parkeren
op een hellende ondergrond - een ingeschakelde versnelling of de P-stand van
een automatische versnellingsbak is niet
voldoende om de auto in alle situaties vast
te houden.
Zet de versnellingspook bij het parkeren
altijd in de 1e versnelling (handbak) en de
keuzehendel in stand P (automaat).
Noodrem
In noodgevallen kunt u de parkeerrem ook tijdens het rijden inschakelen door de handgreep PUSH LOCK/PULL RELEASE inge-
08
}}
279
08 Starten en rijden
||
Handrem lossen
N.B.
De parkeerrem is ook handmatig uit te
schakelen door het koppelingspedaal te
bedienen in plaats van het rempedaal.
Volvo adviseert u echter het rempedaal te
gebruiken.
Automatisch lossen
1. Start de motor.
2. Schakel de 1 versnelling of de achteruitrijversnelling in.
3. Trap het rempedaal stevig in.
4. Zet de keuzehendel in stand D of R en
geef gas.
>
De parkeerrem wordt uitgeschakeld en het symbool op het instrumentenpaneel dooft.
N.B.
Om veiligheidsredenen wordt de parkeerrem alleen automatisch uitgeschakeld, als
de motor loopt en de bestuurder de veiligheidsgordel draagt. Bij auto’s met automatische transmissie wordt de parkeerrem
onmiddellijk uitgeschakeld, wanneer u het
gaspedaal bedient terwijl de keuzehendel
in stand D of R staat.
Auto met handgeschakelde
versnellingsbak
3. Laat de koppeling opkomen en geef gas.
>
De parkeerrem wordt uitgeschakeld en het symbool op het instrumentenpaneel dooft.
Handmatig lossen
Auto met automatische versnellingsbak
1. Steek de transpondersleutel in het contactslot.13
Handmatig lossen
Zware belading op oplopende hellingen
1. Steek de transpondersleutel in het contactslot13.
3. Trek aan de handgreep.
>
De parkeerrem wordt uitgeschakeld en het symbool op het instrumentenpaneel dooft.
Bij een zware belading zoals een aanhanger
is het mogelijk dat de auto op een steile,
oplopende helling achteruitrolt, wanneer de
parkeerrem automatisch wordt gelost. U kunt
dit voorkomen door bij het wegrijden de
handgreep ingedrukt te houden. Laat de
handgreep weer los zodra de koppeling aangrijpt.
Automatisch lossen
Remblokken vervangen
Handgreep parkeerrem – lossen.
2. Trap het rempedaal stevig in.
3. Trek aan de handgreep PUSH LOCK/
PULL RELEASE.
>
De parkeerrem wordt uitgeschakeld en het symbool op het instrumentenpaneel dooft.
2. Trap het rempedaal stevig in.
1. Doe de veiligheidsgordel om.
08
13
280
2. Start de motor.
Voor een auto met Keyless-systeem: druk op START/STOP ENGINE.
Laat de remblokken op de achterwielen vervangen in een werkplaats met het oog op de
08 Starten en rijden
constructie van de elektrische parkeerrem –
geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Symbool
Symbolen en meldingen
Voor informatie over het weergeven en wissen van tekstmeldingen op het instrumentenpaneel, zie Meldingen - functies (p. 104).
Melding
Betekenis/Maatregel
‘Melding’
•
Lees de melding op het instrumentenpaneel.
Een knipperend symbool houdt in dat de parkeerrem wordt aangezet.
Als het symbool in een andere situatie gaat knipperen, is er sprake van een storing.
•
Parkeerrem
niet geheel
gelost
Lees de melding op het instrumentenpaneel.
Door een storing kan de parkeerrem niet worden uitgeschakeld:
•
Probeer of u de rem kunt in- en uitschakelen.
Als de storing ook na enkele pogingen aanhoudt:
•
Bezoek een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
N.B. Er klinkt een waarschuwingssignaal als u doorrijdt met deze foutmelding.
08
}}
281
08 Starten en rijden
||
Symbool
Melding
Parkeerrem
niet aangezet
Betekenis/Maatregel
Door een storing kan de parkeerrem niet worden ingeschakeld:
•
Probeer of u de rem kunt uit- en inschakelen.
Als de storing ook na enkele pogingen aanhoudt:
•
Bezoek een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Dezelfde melding verschijnt ook op auto’s met een handbak, wanneer er langzaam wordt gereden met het portier
open. De melding maakt u erop attent dat de parkeerrem mogelijk onbedoeld werd gelost.
Parkeerrem
Service vereist
Er is een storing opgetreden:
•
Probeer of u de rem kunt in- en uitschakelen.
Als de storing ook na enkele pogingen aanhoudt:
•
•
Bezoek een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Als u de auto moet parkeren voordat een
eventuele storing kan worden verholpen,
dient u de wielen net als bij het parkeren
op een helling van de trottoirband/berm
af te draaien en de versnellingspook in de
1e versnelling (handbak) te zetten en de
keuzehendel in stand P (automaat).
Meldingen kunt u van het display halen door
de knop OK op de richtingaanwijzerhendel
kort in te drukken.
Gerelateerde informatie
•
08
282
Bedrijfsrem (p. 276)
08 Starten en rijden
Doorwaaddiepte
BELANGRIJK
Wanneer u zich met de auto door een
ondiepe waterpartij begeeft, spreken we van
waden. Waden dient met de nodige voorzichtigheid te gebeuren.
Als er water in het luchtfilter komt, kan er
motorschade ontstaan.
Bij een diepte groter dan 25 cm kan er
water in de transmissie komen. Het smerende vermogen van de oliën neemt dan
af, waardoor de levensduur van deze systemen korter wordt.
U kunt met de auto door waterpartijen van
maximaal 25 cm diep rijden met een maximumsnelheid van 10 km/h. Wees extra voorzichtig bij het doorwaden van stromend
water.
Houd een lage snelheid aan tijdens het
waden en breng de auto niet in het water tot
stilstand. Trap na het passeren van de waterpartij lichtjes op het rempedaal om te controleren of de remwerking in orde is. Bij water en
vuil op de remblokken kunnen er vertragingen
in de remwerking optreden.
•
Maak de aansluitingen voor de elektrische motorverwarming en de aanhangerkoppeling schoon na ritten in water en
modder.
•
Laat de auto niet langdurig in water staan
dat tot boven de dorpelbalken – elektrische storingen zijn anders niet uitgesloten.
Bij een motorstop in water moet u niet proberen opnieuw te starten. Laat de auto uit
het water naar de werkplaats slepen geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats. Kans op motorschade.
Oververhitting
In bepaalde omstandigheden, bij zware belasting op steile hellingen en warm weer, bestaat
het gevaar dat de motor en de aandrijflijn
oververhit raken – vooral bij het vervoer van
een zware lading.
Voor informatie over oververhitting bij het
gebruik van een aanhanger, zie Rijden met
een aanhanger (p. 294).
•
Verwijder verstralers die voor de grille zitten tijdens ritten bij warm weer.
•
Als de temperatuur in het koelsysteem
van de motor te hoog oploopt, gaat een
waarschuwingssymbool branden op het
informatiedisplay van het instrumentenpaneel en verschijnt daar de melding
Motortemp. hoog Stop auto z.s.m. –
breng de auto in dat geval zo spoedig
mogelijk tot stilstand en laat de motor
enkele minuten stationair lopen zodat
deze kan afkoelen.
•
Als de displaymelding Motortemp. hoog
Zet motor af of Koelvl.peil laag Zet
motor af verschijnt, dient u nadat de
auto tot stilstand is gekomen ook de
motor af te zetten.
Bij oververhitting van de versnellingsbak
wordt een ingebouwde beveiliging geactiveerd die er onder meer voor zorgt dat
het waarschuwingssymbool op het instrumentenpaneel gaat branden en op het bijbehorende display de tekstmelding
Versn.bak heet Rijd langzamer of
Gerelateerde informatie
•
•
Bergen (p. 304)
Slepen (p. 302)
•
08
283
08 Starten en rijden
Versn.bak heet Stop auto z.s.m. verschijnt. Neem het gegeven advies in acht
en verlaag de snelheid of breng de auto
zo spoedig mogelijk tot stilstand om de
versnellingsbak te laten afkoelen door de
motor enkele minuten stationair te laten
draaien.
•
Bij oververhitting kan de airconditioning
zichzelf tijdelijk uitschakelen.
•
Na een zware rit moet u de motor niet
meteen afzetten, maar nog enige tijd stationair laten lopen.
N.B.
Het is normaal dat de koelventilator van de
motor een tijdje werkt nadat de motor is
uitgeschakeld.
Rijden met een geopende achterklep
Overbelasting - startaccu
Wanneer u met een geopend kofferdeksel
rijdt, kunnen er giftige uitlaatgassen via de
bagageruimte de kofferbak in worden gezogen.
De elektrische functies van de auto belasten
de startaccu (p. 349) in verschillende mate.
Laat het contactslot niet te lang achtereen in
sleutelstand (p. 68) II staan wanneer u de
motor hebt afgezet. Maak in plaats daarvan
gebruik van de stand I – het stroomverbruik is
dan minder.
WAARSCHUWING
Rijd niet met een geopend kofferdeksel. Er
kunnen giftige uitlaatgassen via de kofferbak de passagiersruimte in worden gezogen.
Gerelateerde informatie
•
Lading vervoeren (p. 146)
Let er tevens op dat de verschillende accessoires het elektrisch systeem belasten. Schakel onderdelen/systemen die veel stroom
nemen uit, wanneer u de motor hebt afgezet.
Voorbeelden van dergelijke onderdelen/systemen zijn:
•
•
•
•
interieurventilator
koplampen
ruitenwisser
audiosysteem (hoog volume).
Bij een geringe startaccuspanning verschijnt
op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel de tekst Accuspann. laag
Spaarstand. De energiebesparingsfunctie
schakelt vervolgens bepaalde onderdelen/
systemen uit of verlaagt de belasting van de
accu door bijvoorbeeld de interieurventilator
lager te zetten en/of het audiosysteem uit te
schakelen.
08
284
08 Starten en rijden
–
Laad de startaccu dan op door de motor
te starten en deze minstens 15 minuten te
laten lopen - de startaccu wordt beter
opgeladen tijdens het rijden dan bij stilstand met een stationair lopende motor.
Voorbereidingen bij lange reizen
Winterse ritten
Bij lange reizen is het goed om de volgende
punten te doorlopen:
Bij rijden in de winter is het belangrijk om
bepaalde controles uit te voeren, zodat u
zeker weet dat u veilig met de auto kunt rijden.
•
Controleer of de motor naar behoren
functioneert en of het brandstofverbruik
(p. 393) in orde is.
•
Zorg dat er geen sprake is van lekkage
(brandstof, olie of andere vloeistoffen).
•
Controleer alle lampen en de profieldiepte
van de banden.
•
In sommige landen bent u wettelijk verplicht een gevarendriehoek (p. 317) in de
auto te hebben.
Gerelateerde informatie
•
Motorolie - controleren en bijvullen (p.
331)
•
Wielen verwisselen - wielen verwijderen
(p. 312)
•
Lamp vervangen (p. 338)
Let voor aanvang van de winter in het bijzonder op het volgende:
•
De koelvloeistof (p. 335) van de motor
moet ten minste 50 % glycol bevatten. Bij
een dergelijke concentratie is de motor
beschermd tegen stukvriezen tot
ca. –35 °C. Voor optimale bescherming
tegen vorst is het zaak geen verschillende
soorten glycol met elkaar te mengen.
•
Houd de tank altijd goed gevuld om condens in de brandstoftank tegen te gaan.
•
De viscositeit van de motorolie is belangrijk. Wanneer u oliesoorten met een
lagere viscositeit (dunnere oliën) gebruikt,
slaat de motor bij koud weer gemakkelijker aan en neemt bovendien het brandstofverbruik tijdens de koude start af.
Voor meer informatie over geschikte oliesoorten, zie Motorolie - ongunstige rijomstandigheden (p. 385).
BELANGRIJK
Gebruik geen olie met een lage viscositeitsaanduiding bij zware rijomstandigheden of warm weer.
08
285
08 Starten en rijden
||
•
•
Controleer de algehele conditie en de
ladingstoestand van de startaccu. De
startaccu wordt zwaarder belast bij koud
weer en ook de accucapaciteit neemt af
bij vorst.
Tankvulklep - openen/sluiten
Tankvulklep - handmatig openen
De tankvulklep is als volgt te openen/sluiten:
De tankvulklep kan handmatig worden
geopend, als openen met de schakelaar in de
passagiersruimte niet mogelijk is.
Tankvulklep openen/sluiten
Giet sproeiervloeistof (p. 348) in het
sproeiervloeistofreservoir om ijsvorming
te voorkomen.
Voor optimale grip bij gevaar voor sneeuw of
ijs adviseert Volvo u om de auto rondom van
winterbanden te voorzien.
N.B.
Nieuwe auto’s en gladde wegen
Oefen onder gecontroleerde omstandigheden
om te testen hoe de auto bij gladheid reageert.
G024631
In sommige landen is het gebruik van winterbanden verplicht. Banden met spikes
zijn niet in alle landen toegestaan.
Open de tankvulklep met de knop op het verlichtingspaneel – bij het loslaten van de knop
springt de klep open.
Op het display van het instrumentenpaneel wordt middels de pijl op het
symbool aangegeven aan welke kant van de
auto de tankdop zit.
•
1. Open/verwijder het zijluikje in de kofferbak (aan de kant van de tankvulklep) en
zoek de groene kabel met handgreep op.
2. Trek de kabel voorzichtig recht naar achteren toe totdat de tankvulklep met een
duidelijke klik wordt geopend.
Sluit de klep door deze dusdanig in te
drukken dat u een klik hoort.
BELANGRIJK
Trek voorzichtig aan de lus – er is slechts
weinig kracht nodig om de klep te ontgrendelen.
Gerelateerde informatie
•
08
286
Brandstof tanken (p. 287)
Gerelateerde informatie
•
Brandstof tanken (p. 287)
08 Starten en rijden
Brandstof tanken
N.B.
Waar u tijdens het tanken op moet letten.
Een overvolle tank kan bij warm weer overstromen.
Tankdop open-/dichtdraaien
Bijvullen met jerrycan14
Bij hoge buitentemperaturen kan er een
bepaalde mate van overdruk in de brandstoftank ontstaan. Draai de tankdop dan langzaam open.
•
Breng na het tanken de tankdop weer aan
en draai deze zo ver dicht dat u één of
meer klikken hoort.
Brandstof - gebruik
Gebruik geen brandstof met een slechtere
kwaliteit dan Volvo adviseert, omdat dit een
nadelige invloed kan hebben op het motorvermogen en het brandstofverbruik.
WAARSCHUWING
Gebruik voor het bijvullen met een jerrycan de
trechter die onder het vloerluik in de kofferbak ligt. De trechter ligt bij het reservewiel of
in de ruimte onder het vloerluik.
Zorg altijd dat u geen brandstofdampen
inademt of brandstofspatten in de ogen
krijgt.
Let erop dat u de buis van de trechter goed in
de vulbuis steekt. De vulbuis is voorzien van
een te openen afdekking. U moet de buis van
de trechter langs de afdekking naar binnen
steken, voordat u kunt bijvullen.
Bij brandstof in de ogen eventuele contactlenzen uitnemen en de ogen ten minste
15 minuten lang spoelen met een ruime
hoeveelheid schoon water en medische
hulp inroepen.
Gerelateerde informatie
•
•
Tankvulklep - handmatig openen (p. 286)
Brandstof - gebruik (p. 287)
Brandstof nooit inslikken. Brandstoffen
zoals benzine, bio-ethanol, mengsels
ervan en dieselolie zijn uitermate giftig en
kunnen bij inwendig gebruik aanleiding
geven tot blijvend letsel met mogelijk
dodelijke afloop. Roep onmiddellijk medische hulp in bij het inslikken van brandstof.
Brandstof tanken
•
Giet de tank niet te vol door het vulpistool
na de eerste afslag uit de vulopening te
halen.
08
14
Geldt alleen voor auto’s met een dieselmotor.
287
08 Starten en rijden
||
WAARSCHUWING
Op de grond gemorste brandstof kan vlam
vatten.
Schakel de verwarming op brandstof uit
voordat u gaat tanken.
Heb nooit een ingeschakelde mobiele telefoon bij u als u staat te tanken. Door het
belsignaal kan er vonkvorming ontstaan
waardoor de benzinedampen ontsteken en
dat kan tot brand en letsel leiden.
•
•
Roetfilter dieselmotor (DPF) (p. 292)
Brandstof - benzine
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot (p.
393)
De motor loopt op benzine.
•
Brandstoftank - inhoud (p. 392)
Benzine dient te voldoen aan de norm NENEN 228. De meeste motoren kunnen op benzine met een octaangetal van 95 en 98 RON
lopen. 91 RON mag alleen in uitzonderlijke
gevallen worden gebruikt.
•
95 RON is te gebruiken in normale rijomstandigheden.
•
98 RON wordt geadviseerd voor een
maximaal rendement tegen een minimaal
brandstofverbruik.
BELANGRIJK
Bij menging van verschillende soorten
brandstof of gebruik van een andere
brandstofkwaliteit dan aanbevolen, vervallen de garanties van Volvo en eventuele
aanvullende servicecontracten; dit geldt
voor alle motoren. N.B. Dit geldt niet voor
auto’s met een motor die is aangepast
voor het gebruik van ethanol (E85).
Voor ritten bij temperaturen hoger dan +38 °C
wordt u geadviseerd een brandstofsoort met
een zo hoog mogelijk octaangetal te gebruiken. Dit om optimale prestaties en een zo
laag mogelijk brandstofverbruik te verkrijgen.
BELANGRIJK
N.B.
Bij extreme weersomstandigheden, rijden
met een aanhanger/caravan of ritten op
grote hoogte kan, afhankelijk van de
gebruikte brandstofkwaliteit, het prestatievermogen van de auto te wensen overlaten.
08
288
Gerelateerde informatie
•
•
Zuinig rijden (p. 293)
Brandstof - diesel (p. 289)
•
Tank alleen loodvrije benzine om
schade aan te katalysator te voorkomen.
•
Giet geen additieven (dopes) in de
benzine zonder het uitdrukkelijke
advies van Volvo.
Gerelateerde informatie
•
•
Brandstof - gebruik (p. 287)
Zuinig rijden (p. 293)
08 Starten en rijden
•
•
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot (p.
393)
Brandstoftank - inhoud (p. 392)
Brandstof - diesel
De motor loopt op dieselolie.
Maak alleen gebruik van dieselolie van gerenommeerde oliemaatschappijen. Giet nooit
dieselolie van twijfelachtige kwaliteit in de
tank. Diesel moet voldoen aan de norm
EN 590 of JIS K2204. Dieselmotoren zijn
gevoelig voor verontreiniging in de brandstof,
zoals een te grote hoeveelheid zwaveldeeltjes.
Bij lage temperaturen (–6 °C tot –40 °C) kan
de paraffine in de dieselolie uitvlokken. Dit
kan tot startproblemen leiden. De grote oliemaatschappijen produceren speciale dieselolie bestemd voor gebruik bij buitentemperaturen rond het vriespunt. Deze dieselolie is
dunner bij lage temperaturen en beperkt de
kans op vlokvorming in het brandstofsysteem.
De kans op condensatie in de brandstoftank
neemt af, als u de tank altijd goed gevuld
houdt. Houd tijdens het tanken het gebied
rond de vulbuis goed schoon. Voorkom morsen op gelakte oppervlakken. Maak als u
gemorst hebt het gebied met water en zeep
schoon.
BELANGRIJK
Er mag uitsluitend brandstof, die aan de
Europese dieselstandaard voldoet, worden
gebruikt.
Het zwavelgehalte mag maximaal 50 ppm
zijn.
BELANGRIJK
Maak geen gebruik van de volgende dieselolie-achtige brandstoffen:
•
•
•
•
speciale toevoegingen (dopes)
scheepsolie
stookolie
FAME15 (Fatty Acid Methyl Ester) of
plantaardige olie.
Dergelijke brandstoffen voldoen niet aan
de kwaliteitseisen die Volvo stelt en geven
aanleiding tot verhoogde vormen van slijtage en motorschade die niet worden
gedekt door de garanties van Volvo.
Wanneer u de tank leegrijdt
Op grond van zijn constructie moet het
brandstofsysteem mogelijk eerst ontlucht
worden om een dieselmotor na bijtanken
opnieuw te kunnen starten.
Na motoruitval door brandstofgebrek heeft
het brandstofsysteem enige tijd nodig om een
controle uit te voeren. Doe in dat geval (ná
15
08
Dieselolie kan een bepaalde hoeveelheid FAME bevatten. Het is niet toegestaan meer toe te voegen.
289
08 Starten en rijden
||
bijtanken met dieselolie) het volgende, voordat u de motor start:
1. Plaats de transpondersleutel in het contactslot en duw deze tot aan de aanslag
naar binnen, zie Sleutelstanden (p. 68)
voor meer informatie.
brandstof is gebruikt, moet u het brandstoffilter aftappen. Voor meer informatie, zie Serviceprogramma van Volvo (p. 325).
BELANGRIJK
Bepaalde speciale toevoegingen verwijderen de waterafscheiding in het brandstoffilter.
2. Druk op de START-knop zonder remen/of koppelingspedaal te bedienen.
3. Wacht ca. 1 minuut.
4. Om de motor te starten: Bedien remen/of koppelingspedaal en druk nogmaals
op de START-knop.
N.B.
Alvorens brandstof te tanken bij een leeggereden tank:
•
Breng de auto tot stilstand op een zo
egaal/horizontaal mogelijke ondergrond – als de auto overhelt, bestaat
er gevaar voor luchtbellen in de brandstoftoevoer.
Condenswater uit brandstoffilter
aftappen
Het brandstoffilter ontdoet de brandstof van
condenswater. Condenswater kan anders
aanleiding geven tot motorstoringen.
08
290
Houdt u zich voor het aftappen van het condenswater aan de specificaties die in uw Service- en garantieboekje staan aangegeven.
Ook wanneer u vermoedt dat er vervuilde
Gerelateerde informatie
•
•
•
Brandstof - gebruik (p. 287)
Roetfilter dieselmotor (DPF) (p. 292)
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot (p.
393)
Katalysatoren
De katalysatoren hebben tot taak de uitlaatgassen te reinigen. Ze zijn dicht bij de motor
in het uitlaatsysteem gemonteerd om snel op
temperatuur te komen.
De katalysatoren bestaan uit een monoliet
(keramiek of metaal) met kanalen. De wanden
van de kanalen zijn bekleed met platina/
rodium/palladium. Deze edelmetalen hebben
een katalytische werking, d.w.z. ze versnellen
een chemische reactie zonder dat ze daar zelf
actief aan deelnemen.
LambdasondeTM (zuurstofsensor)
De lambdasonde maakt deel uit van het
regelsysteem dat tot taak heeft de uitstoot te
beperken en de energie-inhoud van de
brandstof beter te benutten (zie Brandstofverbruik en CO2-uitstoot (p. 393)).
Een zuurstofsensor registreert het zuurstofgehalte van de uitlaatgassen die de motor verlaten. De meetwaarde van de uitlaatgasanalyse
wordt doorgegeven aan het elektronische
systeem dat continu de injectoren afregelt.
Het lucht-brandstofmengsel dat de motor
krijgt, wordt continu bijgesteld. De regeling
schept de ideale omstandigheden voor een
effectieve verbranding van de schadelijke
stoffen (koolwaterstoffen, koolmonoxide en
stikstofoxiden) in de driewegkatalysator.
08 Starten en rijden
Gerelateerde informatie
•
•
•
Zuinig rijden (p. 293)
Brandstof - benzine (p. 288)
Brandstof - diesel (p. 289)
Brandstof - bio-ethanol E85
WAARSCHUWING
De motor loopt op bio-ethanol E85.
Breng geen wijzigingen aan in het brandstofsysteem of de onderdelen daarvan en vervang ze evenmin door componenten die niet
speciaal geconstrueerd zijn voor gebruik in
combinatie met bio-ethanol.
WAARSCHUWING
Ethanol is gevoelig voor vonkvorming en er
kunnen explosieve dampen in de jerrycan
ontstaan, als u deze met ethanol vult.
Gerelateerde informatie
•
•
Brandstof - gebruik (p. 287)
Zuinig rijden (p. 293)
Gebruik van methanol is niet toegestaan.
Op een sticker aan de binnenkant van de
tankvulklep staat de alternatieve brandstofsoort vermeld.
Het gebruik van onderdelen die bestemd
zijn voor bio-ethanolmotoren kan aanleiding geven tot brand, verwondingen of
motorschade.
Jerrycan
Giet een jerrycan in de auto vol met benzine.
Voor meer informatie, zie Motor starten, FlexiFuel (p. 254).
BELANGRIJK
Zorg dat de jerrycan met brandstof goed
vastgezet is en dat de dop goed dichtgedraaid is.
08
291
08 Starten en rijden
Roetfilter dieselmotor (DPF)
Dieselmodellen zijn uitgerust met een roetfilter, waardoor een nog efficiëntere uitlaatgasreiniging mogelijk is.
temperatuur is gekomen. Daarna rijdt u nog
20 minuten verder.
N.B.
Tijdens de regeneratie kan zich het volgende voordoen:
Onder normale rijomstandigheden blijven de
roetdeeltjes uit de uitlaatgassen in het filter
achter. Om de roetdeeltjes te verbranden en
het filter te legen wordt een zogeheten regeneratie gestart. Daarvoor moet de motor de
normale bedrijfstemperatuur hebben.
De regeneratie van het roetfilter vindt automatisch plaats en duurt normaal
10–20 minuten. Bij een lage gemiddelde snelheid kan dit iets langer duren. Tijdens de
regeneratie kan het brandstofverbruik iets stijgen.
Regeneratie bij koud weer
Als u bij koud weer vaak korte afstanden rijdt,
komt de motor onvoldoende op temperatuur.
Dit betekent dat het roetfilter niet geregenereerd en niet geleegd wordt.
08
292
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
er kan tijdelijk een geringe beperking
van het motorvermogen te bespeuren
zijn
•
het brandstofverbruik kan tijdelijk toenemen
•
er kan sprake zijn van een brandlucht.
Wanneer het filter geregenereerd is, wordt de
waarschuwingsmelding automatisch gewist.
Wanneer u bij koud weer de standverwarming* inschakelt, bereikt de motor sneller de
normale bedrijfstemperatuur.
BELANGRIJK
Als het filter helemaal vol deeltjes zit, kan
het moeilijk zijn om de motor te starten en
het filter wordt onbruikbaar. De kans
bestaat dan dat het filter moet worden vervangen.
Wanneer het filter voor ca. 80 % met roetdeeltjes gevuld is, licht de oranje waarschuwingsdriehoek op het instrumentenpaneel op
en verschijnt de melding Roetfilter vol Zie
instructieb. op het informatiedisplay.
U start de regeneratie van het filter door met
de auto op een secundaire weg of op een
snelweg te rijden tot de motor voldoende op
•
Gerelateerde informatie
•
•
•
Brandstof - gebruik (p. 287)
Brandstof - diesel (p. 289)
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot (p.
393)
•
Brandstoftank - inhoud (p. 392)
08 Starten en rijden
Zuinig rijden
Zuinig rijden houdt in dat u anticiperend en
rustig rijdt, en uw rijstijl en snelheid afstemt
op de verkeerssituatie.
•
Voor het laagste brandstofverbruik activeert u ECO (p. 274)*16.
•
Maak gebruik van de ECO Guide die laat
zien hoe zuinig de auto rijdt, zie Eco
guide & Power guide* (p. 60).
•
Rijd in de hoogst mogelijke versnelling,
afhankelijk van de verkeerssituatie en de
weggesteldheid – lagere toeren leveren
een lager brandstofverbruik op. Maak
gebruik van de schakelindicator (p. 257).
•
Vermijd onnodig snel optrekken en krachtig remmen.
•
Bij hoge snelheden neemt het brandstofverbruik toe – de luchtweerstand neemt
toe naarmate de snelheid stijgt.
•
Laat de motor niet stationair warmdraaien, maar belast de motor in plaats
daarvan zo snel mogelijk licht – een
koude motor verbruikt meer brandstof
dan een warme.
•
16
Houd de juiste bandenspanning aan en
controleer regelmatig of dat nog steeds
zo is - houd voor de beste resultaten de
zogeheten ECO-bandenspanning aan, zie
Banden - goedgekeurde bandenspanning
(p. 397).
•
•
De bandenkeuze is mogelijk van invloed
op het brandstofverbruik – informeer bij
uw dealer naar passende banden.
Neem geen spullen in de auto mee die u
niet gebruikt – hoe groter de belading,
hoe hoger het verbruik.
•
Rem af op de motor, wanneer dat zonder
gevaar voor medeweggebruikers mogelijk
is.
•
Lading op het dak en een skibox resulteert in een grotere luchtweerstand waardoor het verbruik toeneemt – verwijder
lastdragers die u niet gebruikt.
•
Rijd niet met open zijruiten.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Brandstof - gebruik (p. 287)
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot (p.
393)
Brandstoftank - inhoud (p. 392)
Voor informatie over het milieubeleid van
Volvo Car Corporation, zie Milieubeleid van
Volvo Car Corporation (p. 18).
Voor meer informatie over het brandstofverbruik, zie Brandstofverbruik en CO2-uitstoot
(p. 393).
WAARSCHUWING
Zet de motor nooit af tijdens het rijden
(zoals op een aflopende helling), omdat
daarbij belangrijke systemen zoals de
stuur- en rembekrachtiging wegvallen.
08
Geldt alleen voor auto's met een automatische versnellingsbak.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
293
08 Starten en rijden
Rijden met een aanhanger
Bij het rijden met een aanhanger moet u op
enkele belangrijke dingen letten, zoals de
trekhaak, de aanhanger en hoe u de lading op
de aanhanger aanbrengt.
Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar gewicht van de auto. Het laadvermogen
dient te worden verminderd met de som van
het gewicht van eventuele inzittenden en dat
van gemonteerde accessoires, zoals een
trekhaak. Voor uitvoerige informatie over
gewichten, zie Gewichten (p. 380).
Als de trekhaak door Volvo is gemonteerd,
wordt de auto compleet aangeleverd met de
benodigde randuitrusting voor het gebruik
van een aanhanger.
08
294
•
De trekhaak van de auto moet van een
goedgekeurd type zijn.
•
Bij montage achteraf moet u contact
opnemen met uw erkende Volvo-werkplaats om te controleren of uw auto van
de nodige uitrusting is voorzien om met
een aanhanger te kunnen rijden.
•
Verdeel de lading in de aanhanger dusdanig dat de druk op de trekhaak de maximale kogeldruk niet overschrijdt.
•
Verhoog de bandenspanning tot de aanbevolen druk bij maximale belading. Voor
de locatie van de bandenspanningssticker, zie Banden - bandenspanning (p.
316).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
•
Bij het gebruik van een aanhanger wordt
de motor zwaarder belast dan normaal.
•
Richtingaanwijzers en remlichten op
aanhanger
Rijd niet met een zware aanhanger, wanneer de auto nog helemaal nieuw is.
Wacht hiermee totdat de auto ten minste
1000 kilometer heeft gereden.
•
Bij het afdalen op lange en steile hellingen
worden de remmen veel zwaarder belast
dan normaal. Schakel dan terug naar een
lagere versnelling en pas uw snelheid
aan.
Als een van de richtingaanwijzers op de aanhanger defect is, knippert het richtingaanwijzersymbool op het instrumentenpaneel sneller dan normaal en op het informatiedisplay
verschijnt de tekst Lampfout - Knip- perl.
aanhanger.
•
Om veiligheidsredenen dient u de toelaatbare maximumsnelheid voor auto’s met
een aanhanger/caravan niet te overschrijden. Neem de geldende bepalingen in
acht ten aanzien van de toelaatbare snelheden en gewichten.
•
Houd een lage snelheid aan, wanneer u
met een aanhanger achter de auto een
lange en steile helling oprijdt.
•
Vermijd hellingen met een percentage van
meer dan 12 % bij het gebruik van een
aanhanger.
Trekhaakbedrading
Als de trekhaak van de auto een 13-polig
elektrisch contact heeft en de aanhanger een
7-polig contact, hebt u een adapter nodig.
Gebruik een door Volvo goedgekeurde adapterkabel. Zorg dat de kabel niet over de grond
sleept.
Als een van de remlichten op de aanhanger
defect is, dan verschijnt de tekst Lampfout Rem- licht aanhanger.
Niveauregeling*
Als uw auto is uitgerust met automatische
niveauregeling nemen de achterste schokdempers tijdens het rijden altijd dezelfde rijhoogte in ongeacht de belading (tenzij het
maximaal toelaatbare gewicht wordt overschreden). Wanneer de auto stilstaat, zakt de
achtertrein omlaag
Aanhangergewichten
Voor informatie over de toelaatbare aanhangergewichten die Volvo hanteert, zie Trekgewicht en kogeldruk (p. 381).
08 Starten en rijden
N.B.
De vermelde maximaal toegestane aanhangergewichten zijn door Volvo toegestaan. Nationale voertuigvoorschriften kunnen het aanhangergewicht en de snelheid
verder beperken. De trekhaken kunnen zijn
gecertificeerd voor hogere trekgewichten
dan wat de auto mag trekken.
WAARSCHUWING
Volg de vermelde aanbevelingen voor het
aanhangergewicht. Anders is het mogelijk
dat de hele combinatie bij uitwijkmanoeuvres en afremmen moeilijk onder controle
is te houden.
Gerelateerde informatie
•
Rijden met een aanhanger - handgeschakelde versnellingsbak (p. 295)
•
Rijden met een aanhanger - automatische
versnellingsbak (p. 295)
•
•
Trekhaak (p. 296)
Lamp vervangen (p. 338)
Rijden met een aanhanger handgeschakelde versnellingsbak
Rijden met een aanhanger automatische versnellingsbak
Wanneer u bij warm weer een aanhanger
sleept in heuvelachtig terrein, bestaat er
mogelijk gevaar voor oververhitting.
Wanneer u bij warm weer een aanhanger
sleept in heuvelachtig terrein, bestaat er
mogelijk gevaar voor oververhitting.
Oververhitting
•
Een automatische versnellingsbak kiest
altijd de juiste versnelling voor het motortoerental.
•
Bij oververhitting gaat op het instrumentenpaneel een waarschuwingssymbool
branden en verschijnt er een melding op
het informatiedisplay. Neem het gegeven
advies in acht.
Wanneer u bij warm weer een aanhanger
sleept in heuvelachtig terrein, bestaat er
mogelijk gevaar voor oververhitting.
•
Laat de motor geen hogere toeren maken
dan 4500 omw/min (3500 omw/min bij
dieselmotoren) – anders kan de olietemperatuur te hoog oplopen.
Dieselmotor 5-cil.
•
Bij gevaar voor oververhitting dient u het
optimale motortoerental van 2300–3000
omw/min aan te houden voor optimale
koelvloeistofcirculatie.
Gerelateerde informatie
•
Rijden met een aanhanger (p. 294)
Steile hellingen
•
Blokkeer een automatische versnellingsbak niet met een hogere versnelling dan
de motor ‘aankan’ – rijden in een hoge
versnelling bij een laag motortoerental is
niet altijd zuinig.
Op een helling parkeren
1. Trap het rempedaal in.
2. Activeer de parkeerrem.
3. Zet de keuzehendel in stand P.
4. Haal uw voet van het rempedaal.
•
Zet de keuzehendel in de parkeerstand P,
wanneer u een automaat met aanhanger
parkeert. Gebruik altijd de parkeerrem.
•
Gebruik wielblokken, als u een auto met
aanhanger op een steile helling parkeert.
08
295
08 Starten en rijden
||
BELANGRIJK
Zie tevens de specifieke informatie over
langzaam rijden met een aanhanger voor
auto’s met een automatische versnellingsbak van het type Powershift, zie Automatische versnellingsbak - Powershift* (p. 262).
Op een helling wegrijden
1. Trap het rempedaal in.
2. Zet de keuzehendel in de rijstand D.
Trekhaak
Een trekhaak maakt het mogelijk om bijvoorbeeld een aanhanger achter de auto te hangen.
Als de auto is uitgerust met een afneembare/
demontabele trekhaak, moet u de montagevoorschriften voor bevestiging van het
afneembare/demontabele deel zorgvuldig in
acht nemen, zie Afneembare trekhaak - monteren/demonteren (p. 298).
3. Los de parkeerrem.
WAARSCHUWING
4. Haal uw voet van het rempedaal en rijd
weg.
Als de auto is uitgerust met de afneembare
trekhaak van Volvo:
Gerelateerde informatie
•
Volg de montage-instructies nauwkeurig op.
•
Zorg dat het afneembare gedeelte met
de sleutel vergrendeld is voordat u
begint te rijden.
•
Controleer of het controlevenster
groen van kleur is.
•
Automatische versnellingsbak Geartronic* (p. 258)
Belangrijke controlepunten
•
U moet de kogel van de trekhaak regelmatig schoonmaken en met vet insmeren.
N.B.
Als er een koppeling met trillingsdemper
wordt gebruikt, mag de trekkogel niet worden gesmeerd.
08
296
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Gerelateerde informatie
•
Rijden met een aanhanger (p. 294)
08 Starten en rijden
Afneembare trekhaak - opbergen
Afneembare trekhaak - specificaties
Bewaar de afneembare trekhaak in de bagageruimte.
Specificaties voor een afneembare trekhaak.
G021485
Specificaties
Afmetingen, bevestigingspunten
(mm)
Opbergruimte trekhaak.
A
1127
BELANGRIJK
B
87
C
855
D
428
E
112
F
360
G
Langsligger
H
Middelpunt kogel
Neem na gebruik altijd de trekhaak los en
berg deze op de daarvoor bestemde
plaats op, goed vastgezet met de bijbehorende riem.
Gerelateerde informatie
•
Afneembare trekhaak - specificaties (p.
297)
•
Afneembare trekhaak - monteren/demonteren (p. 298)
•
Rijden met een aanhanger (p. 294)
08
297
08 Starten en rijden
||
Gerelateerde informatie
•
Afneembare trekhaak - monteren/demonteren (p. 298)
•
•
Afneembare trekhaak - opbergen (p. 297)
U kunt de afneembare trekhaak als volgt monteren/demonteren:
Demonteren
G021488
Rijden met een aanhanger (p. 294)
Afneembare trekhaak - monteren/
demonteren
G018928
Het controlevenster moet rood van kleur
zijn.
G021489
Verwijder de afdekking door de pal in te
en de afdekking vervolgens
drukken
.
recht naar achteren te trekken
G021487
Breng de trekhaak aan en duw deze naar
binnen totdat u een klik hoort.
08
298
Controleer of het mechanisme in de ontgrendelde stand staat door de sleutel
rechtsom te draaien.
Het controlevenster moet groen van kleur
zijn.
Controleer of de trekhaak vastzit door
deze stevig omhoog, omlaag en naar
achteren te bewegen.
WAARSCHUWING
G000000
Als de trekhaak niet goed zit, moet u deze
verwijderen en opnieuw monteren zoals
eerder werd beschreven.
Draai de sleutel linksom naar de vergrendelde stand. Neem de sleutel uit het slot.
G021495
G021494
G021490
08 Starten en rijden
Veiligheidskabel.
WAARSCHUWING
Controleer of de veiligheidskabel van de
aanhanger in de juiste bevestiging vastzit.
Trekhaak verwijderen
BELANGRIJK
Vet alleen de kogel in waarop de aanhangerkoppeling wordt geplaatst; houd de
rest van het kogelsegment vetvrij en
droog.
Steek de sleutel in het slot en draai deze
rechtsom in de ontgrendelde stand.
08
}}
299
08 Starten en rijden
||
Gerelateerde informatie
Druk de vergrendelingsknop
in en
totdat u een klik
draai deze linksom
hoort.
Draai de vergrendelingsknop volledig
omlaag totdat deze niet verder kan. Houd
de knop in deze stand vast terwijl u de
trekhaak schuin naar achteren toe
omhoogtrekt.
WAARSCHUWING
G018929
Zet de trekhaak goed vast, wanneer u
deze in de auto bewaart, zie Afneembare
trekhaak - opbergen (p. 297).
08
300
Duw de afdekking er zo ver op dat deze
vastklikt.
•
•
Afneembare trekhaak - opbergen (p. 297)
•
Rijden met een aanhanger (p. 294)
Afneembare trekhaak - specificaties (p.
297)
08 Starten en rijden
Trailer Stability Assist - TSA17
Bediening
Het TSA-systeem (TSA - Trailer Stability
Assist) heeft tot taak de auto met een aanhanger/caravan te stabiliseren wanneer de combinatie de neiging tot pendelbewegingen vertoont.
Een pendelbeweging is vaak niet of nauwelijks te dempen, waardoor de combinatie
moeilijk bestuurbaar wordt en het gevaar
bestaat op de verkeerde weghelft of naast de
weg te belanden.
Trailer Stability Assist maakt deel uit van het
stabiliteits- en tractieregelsysteem (p. 177)
(DSTC - Dynamic Stability and Traction
Control).
Het TSA-systeem houdt continu de bewegingen van de auto in de gaten en dan vooral de
dwarsbewegingen. Als een neiging tot pendelbewegingen geregistreerd wordt, worden
de voorwielen ieder afzonderlijk dusdanig
afgeremd dat de combinatie gestabiliseerd
wordt. Vaak is dit voldoende om de auto weer
onder controle te krijgen.
Functie
Bij alle combinaties van auto en aanhanger/
caravan kan het bekende verschijnsel met
pendelbewegingen optreden. Doorgaans
treedt het verschijnsel pas bij hoge snelheden
op. Als de aanhanger/caravan echter overmatig beladen is of als het gewicht van de lading
verkeerd verdeeld is (bijvoorbeeld te ver naar
achteren), bestaat er ook op lagere snelheden
van 70–90 km/h gevaar voor pendelbewegingen.
Een pendelbeweging begint altijd met een
van de onderstaande factoren, zoals.:
•
De auto met aanhanger/caravan staat
bloot aan rukwinden.
•
De auto met aanhanger/caravan rijdt over
een oneffen wegdek of over hobbels.
•
Grote stuurbewegingen.
17
Als de pendelbeweging ondanks de eerste
ingreep van het stabiliteitssysteem niet wordt
gedempt, worden alle wielen van de combinatie afgeremd en wordt de aandrijfkracht
van de motor verlaagd. Wanneer de pendelbeweging vervolgens stukje bij beetje verminderd is en de combinatie weer stabiel is,
beëindigt het systeem de regeling waarna u
de auto weer volledig onder controle hebt.
Voor meer informatie, zie Stabiliteits- en tractieregelsysteem (DSTC) - bediening (p. 178)
N.B.
De TSA-functie wordt uitgeschakeld, als u
de Sport-stand kiest, zie Stabiliteits- en
tractieregelsysteem (DSTC) (p. 177).
Het TSA-systeem grijpt mogelijk niet in als u
met grote stuurbewegingen de pendelbeweging zelf tracht op te heffen, aangezien het
systeem dan niet kan bepalen of de pendelbeweging wordt veroorzaakt door de aanhanger/caravan of door de bestuurder.
Wanneer het TSA-systeem werkt,
knippert het DSTC-symbool op het
instrumentenpaneel.
Gerelateerde informatie
•
Stabiliteits- en tractieregeling (DSTC) symbolen en meldingen (p. 179)
Overig
Het TSA-systeem kan ingrijpen bij snelheden
van 60–160 km/h.
08
Inbegrepen bij montage van een originele Volvo-trekhaak.
301
08 Starten en rijden
Slepen
WAARSCHUWING
Bij het slepen wordt de auto met behulp van
een sleepkabel voortgetrokken door een
ander voertuig.
BELANGRIJK
Sleep de auto altijd zo dat de wielen in de
rijrichting draaien.
Sleep de auto niet met een hogere snelheid dan 80 km/h en niet verder dan 80
km.
2. Laat de transpondersleutel tijdens het
slepen in het contactslot zitten.
08
302
3. Houd, wanneer de slepende auto afremt,
de sleepkabel altijd strak door met uw
voet lichte druk op het rempedaal uit te
oefenen – zo voorkomt u schokken.
4. Sta klaar om te remmen om de auto tot
stilstand te brengen.
Controleer voordat u gaat slepen of
het stuurslot eraf is.
•
De transpondersleutel moet in sleutelstand II staan. In stand I zijn alle airbags gedeactiveerd.
•
Haal nooit de transpondersleutel uit
het contactslot als de auto wordt
gesleept.
WAARSCHUWING
De rem- en stuurbekrachtiging werken niet
als de motor is uitgeschakeld. Er moet
ca. 5 keer zo hard op het rempedaal worden getrapt en de besturing gaat aanzienlijk zwaarder dan normaal.
Kijk voordat u met slepen begint wat de wettelijk voorgeschreven maximumsnelheid voor
slepen is.
1. Ontgrendel het stuurslot door de transpondersleutel in het contactslot te plaatsen en de knop START/STOP ENGINE
lang in te drukken – sleutelstand II wordt
geactiveerd, zie Sleutelstanden (p. 68)
voor meer informatie over de sleutelstanden.
•
Automatische versnellingsbak
Powershift
Bij het model met een Powershift-versnellingsbak moet de motor lopen voor voldoende smering van de versnellingsbak en
daarom mag dit model niet worden gesleept.
Als de auto toch moet worden gesleept, dan
dient dit over een zo kort mogelijke afstand
en op zeer lage snelheid te gebeuren.
Wanneer u niet zeker weet of uw auto wel of
niet is uitgerust met een Powershift-versnellingsbak, kunt u dit controleren aan de hand
van de aanduiding op de versnellingsbaksticker onder de motorkap, zie Type-aanduidingen (p. 376). De aanduiding ”MPS6” houdt in
dat het om een Powershift-bak gaat. Anders
is het een Geartronic-automaat.
BELANGRIJK
Handgeschakelde versnellingsbak
Alvorens te slepen:
Vermijd slepen.
–
•
Een auto die op een gevaarlijke plek in
het verkeer staat, mag echter over een
korte afstand (tot 10 km) en op lage
snelheid (tot 10 km/h) worden versleept. Berg de auto altijd zo dat de
wielen in de rijrichting draaien.
•
Om de auto over afstanden groter dan
10 km te verslepen, dienen de aangedreven wielen geheven te worden –
het wordt geadviseerd een professioneel bergingsbedrijf in te schakelen.
Zet de versnellingspook in de neutrale
stand en los de parkeerrem.
Automatische versnellingsbak
Geartronic
Alvorens te slepen:
–
Zet de keuzehendel in stand N en los de
parkeerrem.
08 Starten en rijden
Alvorens te slepen:
–
Zet de keuzehendel in stand N en los de
parkeerrem.
Starten met hulpaccu
Probeer de motor niet aan te slepen. Gebruik
een hulpaccu als de startaccu dusdanig ontladen is dat de motor niet kan worden
gestart, zie Starthulp met accu (p. 255).
Sleepoog
Het sleepoog dient te worden vastgeschroefd
in een draadbus achter een afdekking in de
bumper, voor of achter.
Sleepoog bevestigen
BELANGRIJK
De katalysator kan beschadigd raken bij
pogingen om de motor via slepen aan het
draaien te krijgen.
Gerelateerde informatie
•
Sleepoog (p. 303)
De afdekking op het bevestigingspunt
voor het sleepoog bestaat in twee versies
die op verschillende manieren moeten
worden geopend:
•
U opent de versie met een uitsparing
door een muntstuk of iets dergelijks in
de uitsparing aan te brengen en de
afdekking los te werken. Klap de
afdekking daarna helemaal los en verwijder deze.
•
Bij de andere versie zit er een markering langs de ene zijde of in een hoek:
Duw met uw vinger op deze markering
terwijl u de tegenoverliggende zijde/
hoek met een muntstuk of iets dergelijks openklapt – de afdekking klapt
rond de middellijn open en kan vervolgens worden verwijderd.
Schroef het sleepoog tot aan de flens
naar binnen. Draai het oog stevig vast
met bijvoorbeeld een wielsleutel.
Draai het sleepoog na gebruik los en leg
het weer op zijn plek.
Neem het sleepoog erbij dat onder het
vloerluik in de kofferbak ligt.
Plaats de afdekking tot slot weer in de
bumper terug.
Het is toegestaan het sleepoog te gebruiken
om de auto op een bergingsvoertuig met
laadvloer te trekken. De positie van de auto
en de bodemvrijheid bepalen of dat mogelijk
is. Als de oprijbanen van het bergingsvoertuig
onder een te grote hoek staan of als de
bodemvrijheid onder de auto onvoldoende is,
08
303
08 Starten en rijden
||
kan de auto beschadigd raken wanneer men
deze met een sleepoog op het bergingsvoertuig probeert te trekken. Hef de auto zo nodig
met behulp van de hefinrichting van het bergingsvoertuig op de auto.
WAARSCHUWING
Zorg dat het gebied achter het bergingsvoertuig vrij blijft, terwijl de auto op de
laadvloer wordt getrokken.
BELANGRIJK
Het sleepoog is alleen bedoeld voor het
slepen over de weg en niet geschikt voor
berging wanneer de auto bijvoorbeeld in
een sloot is gereden of vast is komen te
zitten. Roep professionele hulp in voor
berging.
Gerelateerde informatie
•
•
Slepen (p. 302)
Bergen (p. 304)
Bergen
Berg de auto altijd zo dat de wielen in de
rijrichting draaien.
Roep professionele hulp in voor berging.
•
Het is toegestaan het sleepoog te gebruiken
om de auto op een bergingsvoertuig met
laadvloer te trekken. De positie van de auto
en de bodemvrijheid bepalen of dat mogelijk
is. Als de oprijbanen van het bergingsvoertuig
onder een te grote hoek staan of als de
bodemvrijheid onder de auto onvoldoende is,
kan de auto beschadigd raken wanneer men
deze met een sleepoog op het bergingsvoertuig probeert te trekken. Hef de auto zo nodig
met behulp van de hefinrichting van het bergingsvoertuig op de auto.
WAARSCHUWING
Zorg dat het gebied achter het bergingsvoertuig vrij blijft, terwijl de auto op de
laadvloer wordt getrokken.
BELANGRIJK
08
304
BELANGRIJK
Met bergen wordt het afslepen bedoeld met
een ander voertuig.
Het sleepoog is alleen bedoeld voor het
slepen over de weg en niet geschikt voor
berging wanneer de auto bijvoorbeeld in
een sloot is gereden of vast is komen te
zitten. Roep professionele hulp in voor
berging.
Voor auto’s met vierwielaandrijving
(AWD) gelden, bij het bergen met een
geheven vooras, zowel een maximale
snelheid van 70 km/h als een maximale afstand van 50 km.
Gerelateerde informatie
•
Slepen (p. 302)
WIELEN EN BANDEN
09 Wielen en banden
09
Banden - draairichting
Bij banden met een speciaal profiel dat alleen
goed werkt wanneer de banden in een
bepaalde richting draaien, staat deze richting
aangegeven met een pijl op de zijkant van de
band.
N.B.
Let erop dat u hetzelfde type, dezelfde
maat en ook hetzelfde merk voor beide
wielparen hebt.
Houd de aanbevolen bandenspanning aan
die in de bandenspanningstabel (p. 397)
staat.
Gerelateerde informatie
G021778
•
•
•
•
•
De pijl geeft de draairichting van de band aan.
Zorg dat de banden altijd dezelfde draairichting hebben. Banden mogen alleen van voor
naar achter verwisseld worden, nooit van
links naar rechts of omgekeerd. Als u de banden verkeerd aanbrengt, nemen de remeigenschappen van de auto af en kunnen de banden regen, sneeuw en drab minder goed
afvoeren. Monteer de banden met het diepste
profiel altijd op de achteras (om het gevaar
voor slippen te verminderen).
306
Banden - maten (p. 311)
Banden - snelheidsklassen (p. 312)
Banden - lastindex (p. 311)
Banden - onderhoud (p. 306)
Banden - slijtage-indicator (p. 308)
Banden - onderhoud
De banden hebben o.a. tot taak om grip tegen
de ondergrond te hebben, trillingen te dempen en het wiel tegen slijtage te beschermen.
Rijeigenschappen
Banden zijn van grote invloed op de rijeigenschappen van de auto. Zowel het type, de
maat, de bandenspanning als de snelheidsklasse zijn belangrijk voor het rijgedrag van
de auto.
Leeftijd van de banden
Alle banden die ouder zijn dan 6 jaar moet u
door een vakman laten controleren, ook al
zien ze er intact uit. Dit omdat het materiaal
waarvan banden gemaakt zijn ook veroudert
en afgebroken wordt, als banden zelden of
nooit worden gebruikt. Daarbij kan de werking van de band worden aangetast. Dit geldt
voor alle banden die u voor toekomstig
gebruik hebt opgeslagen. Scheurvorming of
verkleuring zijn de zichtbare kenmerken van
een band die ongeschikt is voor gebruik.
09 Wielen en banden
Nieuwe banden
Banden hebben een beperkte houdbaarheidsdatum. Na enkele jaren worden de banden hard en neemt de grip op het wegdek
stukje bij beetje af. Gebruik bij het verwisselen van banden altijd zo nieuw mogelijke banden. Dit geldt in het bijzonder voor winterbanden. De laatste cijfers van de cijferreeks
geven de week en het jaar van productie aan.
Het is de zogeheten DOT-code (Department
of Transportation) van de band en bestaat uit
vier cijfers, bijvoorbeeld 1510. De band op de
afbeelding is de 15e week van het jaar 2010
geproduceerd.
Zomer- en winterbanden
Wanneer u de zomerbanden vervangt door
winterbanden of andersom, moet u op de
band noteren waar de band zat: bijvoorbeeld
L voor links, R voor rechts.
Slijtage en onderhoud
De juiste bandenspanning (p. 316) levert een
gelijkmatiger slijtage op. De rijstijl, de bandenspanning, het klimaat en de staat van de
wegen zijn van invloed op de snelheid waarmee de banden verouderen en slijten. Om
verschillen in profieldiepte te voorkomen en
slijtpatronen tegen te gaan kunt u de wielen
op de voor- en achteras onderling van plaats
verwisselen. Voer de eerste wissel na ca.
5.000 km uit en doe dat daarna om de
10.000 km opnieuw. Volvo adviseert u contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats als u niet zeker bent van de profieldiepte. Als er al een duidelijk verschil zit in
de slijtage (> 1 mm verschil in profieldiepte)
van de banden, dienen de minst versleten
banden altijd op de achteras te zitten. Slippende voorwielen zijn makkelijker te corrigeren dan slippende achterwielen, omdat de
auto rechtuit blijft rijden in plaats van uit te
breken met de achterkant waarbij u mogelijk
de controle over de auto verliest. Daarom is
belangrijk dat de achterwielen nooit vóór de
voorwielen grip verliezen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
09
Banden - maten (p. 311)
Banden - snelheidsklassen (p. 312)
Banden - lastindex (p. 311)
Banden - draairichting (p. 306)
Banden - slijtage-indicator (p. 308)
Bewaar de wielen hangend of liggend. Laat
ze nooit rechtop staan.
WAARSCHUWING
Een beschadigde band kan voor een
oncontroleerbare auto zorgen.
307
09 Wielen en banden
09
•
Banden - slijtage-indicator
Een slijtage-indicator toont de status van het
loopvlak van de band.
Banden - onderhoud (p. 306)
Wielbouten
De wielen zitten op de naaf vast met wielbouten die in verschillende uitvoeringen verkrijgbaar zijn.
BELANGRIJK
G021829
U dient de wielbouten aan te halen met
140 Nm. Als u ze te strak aanhaalt, kan de
boutverbinding beschadigd raken.
Slijtage-indicator.
Afsluitbare wielbouten*
Slijtage-indicatoren zijn smalle ophogingen
die dwars op het profiel van de band staan.
Op de zijkant van de band staan de letters
TWI (Tread Wear Indicator). De slijtage-indicatoren zijn duidelijk zichtbaar wanneer een
band dusdanig versleten is dat slechts
1,6 mm van het profiel over is. Vervang de
banden dan zo spoedig mogelijk. Let erop dat
een band met een gering profiel zeer weinig
grip op het wegdek heeft bij regen of sneeuw.
Afsluitbare wielbouten* zijn te gebruiken op
zowel aluminium als stalen velgen. Onder de
vloer in de bagageruimte is ruimte om de dop
voor de afsluitbare wielbouten in op te bergen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
308
Gebruik alleen velgen die getest en goedgekeurd zijn door Volvo en deel uitmaken van
de originele accessoires van Volvo. Controleer het aanhaalmoment met een momentsleutel.
Banden - maten (p. 311)
Banden - snelheidsklassen (p. 312)
Banden - lastindex (p. 311)
Banden - draairichting (p. 306)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Gerelateerde informatie
•
Wiel- en velgmaten (p. 310)
09 Wielen en banden
Gereedschap
Krik*
In de auto is onder meer een sleepoog, krik*
en een wielsleutel* aanwezig.
Er wordt een krik gebruikt om de auto op te
nemen, bijvoorbeeld bij het verwisselen van
banden.
Gebruik de originele krik alleen voor het verwisselen van het reservewiel. Houd de
schroef van de krik altijd goed ingevet.
Gereedschap, terugplaatsen
BELANGRIJK
09
Bewaar gereedschap en krik* op de daarvoor bestemde plaats in de bagageruimte
wanneer u ze niet nodig hebt.
Gerelateerde informatie
•
•
Gevarendriehoek (p. 317)
Noodreparatieset voor banden* (p. 318)
Onder de vloer in de bagageruimte vindt u het
sleepoog van de auto, de krik* en de wielsleutel*. Er is tevens ruimte om de dop voor
de afsluitbare wielbouten in op te bergen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Noodreparatieset voor banden* (p. 318)
Sleepoog (p. 303)
Wielen verwisselen - wielen verwijderen
(p. 312)
Wielbouten (p. 308)
Krik* (p. 309)
Plaats het gereedschap en de krik* na gebruik
op de juiste manier terug. De krik past alleen
als deze tot in de juiste stand omlaaggedraaid
wordt.
Plaats het blok schuimrubber en het reservewiel in omgekeerde volgorde terug.
Let erop dat er op het bovenste blok schuimrubber een pijl staat. Deze pijl dient naar de
voorkant van de auto wijzen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
309
09 Wielen en banden
09
Winterbanden
Sneeuwkettingen gebruiken
Wiel- en velgmaten
Winterbanden zijn banden die aan de winterse
toestand van de weg zijn aangepast.
Het gebruik van sneeuwkettingen is alleen
toegestaan op de voorwielen (geldt ook voor
modellen met voorwielaandrijving). Rijd nooit
sneller dan 50 km/h met sneeuwkettingen.
Rijd evenmin op sneeuwvrije wegen, omdat
zowel de sneeuwkettingen als de banden
daardoor overmatig slijten.
Wiel- en velgmaten worden aangeduid zoals
in de onderstaande tabel.
Winterbanden
Volvo adviseert winterbanden met bepaalde
afmetingen. De bandenmaat is afhankelijk van
de motorvariant. Gebruik altijd het juiste type
winterbanden op alle vier de wielen.
WAARSCHUWING
N.B.
Gebruik originele Volvo-sneeuwkettingen
of vergelijkbare sneeuwkettingen die zijn
afgestemd op het model en op de banden velgafmetingen. Bij twijfel adviseert
Volvo u een erkende Volvo-werkplaats om
advies te vragen. Een verkeerde sneeuwketting kan ernstige schade aan de auto
veroorzaken en aanleiding geven tot een
ongeluk.
Volvo adviseert u om met een Volvo-dealer
te overleggen over welke velg en welk type
band het best geschikt zijn.
Banden met ‘spikes’
Winterbanden met ‘spikes’ moeten de eerste
500–1000 km rustig worden ingereden, zodat
de ‘spikes’ hun positie in kunnen nemen. Zo
gaan de banden en vooral de ‘spikes’ langer
mee.
N.B.
De wettelijke voorschriften voor het
gebruik van banden met spikes verschillen
per land.
Profieldiepte
Ritten bij ijs, sneeuw(modder) en lage temperaturen vergen meer van de banden dan
zomerse ritten. Daarom adviseert Volvo een
minimale profieldiepte van 4 mm voor winterbanden.
310
Gerelateerde informatie
•
Wielen verwisselen - wielen verwijderen
(p. 312)
De auto is voorzien van een typegoedkeuring
voor de uitvoering waarin deze werd aangeleverd. Dat betekent dat niet alle wiel- (velg-) en
bandcombinaties goedgekeurd zijn.
Wielen (velgen) zijn voorzien van een maataanduiding, bijvoorbeeld: 7Jx16x50.
7
Velgbreedte in inch
J
Profiel velgrand
16
Velgdiameter van de band
50
Bolling in mm (afstand tussen de verticale aslijn door het wiel en het contactvlak met de naaf)
Gerelateerde informatie
•
•
Banden - maten (p. 311)
Banden - goedgekeurde bandenspanning
(p. 397)
09 Wielen en banden
Banden - maten
WAARSCHUWING
De wielen (velgen) en banden van de auto
hebben een bepaalde maat, zie het voorbeeld
in de onderstaande tabel.
Gebruik nooit 19 inch wielen op auto’s
zonder de opties R-Design of Sportchassis. Het gebruik van 19 inch wielen op
auto’s met een standaardchassis houdt
een veiligheidsrisico in, kan chassisschade
veroorzaken en leidt tot slechtere rijeigenschappen.
De auto is voorzien van een typegoedkeuring
voor de uitvoering waarin deze werd aangeleverd. Dat betekent dat niet alle wiel- (velg-) en
bandcombinaties goedgekeurd zijn.
Op alle autobanden staat een bepaalde maataanduiding. Een voorbeeld van een dergelijke aanduiding: 225/50R17 98W.
225
Breedte van de band (mm)
50
Verhouding tussen de hoogte en
breedte van de band (%)
R
Aanduiding voor radiaalbanden
17
Velgdiameter van de band (")
98
Aanduiding van het draagvermogen
van de band, lastindex (LI)
W
Aanduiding van de snelheidslimiet
van de band, snelheidsklasse (SS).
(In dit geval 270 km/h.)
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
Banden - snelheidsklassen (p. 312)
Banden - lastindex (p. 311)
Banden - draairichting (p. 306)
Banden - onderhoud (p. 306)
Banden - goedgekeurde bandenspanning
(p. 397)
Banden - lastindex
09
De lastindex geeft het vermogen van een
band aan om een bepaalde last te dragen.
Iedere band heeft een bepaald draagvermogen, wat wordt aangeduid met de lastindex
(LI). Het gewicht van de auto bepaalt het
draagvermogen van de banden. De minimaal
toelaatbare index staat in de lastindextabel.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Banden - maten (p. 311)
Banden - goedgekeurde bandenspanning
(p. 397)
Banden - snelheidsklassen (p. 312)
Banden - onderhoud (p. 306)
Wiel- en velgmaten (p. 310)
311
09 Wielen en banden
09
Banden - snelheidsklassen
Elke band is bestand tegen een bepaalde
max. snelheid en behoort daardoor tot een
bepaalde snelheidsklasse (SS - Speed
Symbol).
De snelheidsklasse van de banden dient minimaal overeen te komen met de topsnelheid
van de auto. De laagst toegestane snelheidsklasse staat in de onderstaande snelheidsklassetabel. De enige uitzondering hierop vormen winterbanden, (p. 310)1, waarvoor een
lagere snelheidsklasse gebruikt mag worden.
Bij gebruik van dergelijke banden mag u niet
sneller rijden dan de maximumsnelheid die
voor het gebruikte bandentype geldt (voor
klasse Q geldt bijvoorbeeld een maximumsnelheid van 160 km/h). De gesteldheid van
het wegdek is bepalend voor de maximumsnelheid en niet de snelheidsklasse op de
banden.
V
240 km/h
W
270 km/h
Y
300 km/h
WAARSCHUWING
De auto moet worden uitgerust met banden die minimaal de gespecificeerde lastindex (p. 311) (LI) en snelheidsklasse (SS)
hebben. Bij gebruik van banden met een te
lage lastindex of snelheidsklasse kunnen
de banden oververhit raken.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Banden - maten (p. 311)
Banden - lastindex (p. 311)
Banden - draairichting (p. 306)
N.B.
In de tabel staat de maximaal toegestane
snelheid.
1
312
Q
160 km/h (alleen voor winterbanden)
T
190 km/h
H
210 km/h
Onder winterbanden worden zowel banden met als zonder ‘spikes’ verstaan.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Wielen verwisselen - wielen
verwijderen
De wielen van de auto kunnen worden verwisseld door bijvoorbeeld winterwielen/winterbanden.
Reservewiel*
Een compact reservewiel (Temporary Spare)
is alleen bestemd voor tijdelijk gebruik en
dient dan ook zo spoedig mogelijk door een
normaal wiel te worden vervangen. Het rijgedrag van de auto kan zich wijzigen bij het
gebruik van een compact reservewiel. Het
compacte reservewiel is kleiner dan een normaal wiel. De bodemspeling verandert er
daarom door. Wees voorzichtig bij hoge trottoirbanden en reinig de auto niet in een autowasstraat. Als het reservewiel op de vooras
zit, kunt u evenmin sneeuwkettingen omleggen. Bij vierwielaangedreven auto’s is de achterwielaandrijving uit te schakelen. Het reservewiel mag niet worden gerepareerd.
In de bandenspanningstabel (p. 397) staat de
juiste bandenspanning voor het reservewiel.
09 Wielen en banden
BELANGRIJK
•
Rijd met een reservewiel op de auto
nooit sneller dan 80 km/u.
•
Er mag nooit met de auto worden
gereden als deze van meer dan één
reservewiel van het type ‘Temporary
Spare’ is voorzien.
Het reservewiel ligt met de buitenkant omlaag
in de ruimte voor het reservewiel. Dezelfde
doorloopbout waarmee het blok schuimrubber vastzitten houdt ook het reservewiel in
positie. Het blok schuimrubber bevat al het
gereedschap.
Reservewiel erbij nemen
1. Pak vloer in de bagageruimte aan de achterzijde beet en klap deze naar voren toe
omhoog.
2. Draai de bevestigingsbout los.
3. Til het blok schuimrubber met het
gereedschap erin uit de auto.
4. Til het reservewiel uit de auto.
Verwijderen
Zet een gevarendriehoek (p. 317) op, als u
een wiel moet verwisselen langs een drukke
weg. Zorg ervoor dat de auto en de krik* op
een stevige en horizontale ondergrond staan.
1. Haal de parkeerrem (p. 279) aan en schakel de achteruitversnelling in of zet de
keuzehendel in stand P, als de auto een
automatische versnellingsbak heeft.
WAARSCHUWING
4. Auto’s met stalen velgen hebben afneembare wieldoppen. Haak het demontagegereedschap in dat geval vast de volledige
wieldoppen om ze vervolgens los te trekken. De wieldoppen zijn ook met de hand
in één snelle beweging los te trekken.
09
Controleer of de krik intact is, goed
gesmeerde schroefdraadwindingen heeft
en vrij van vuil is.
N.B.
Volvo adviseert u alleen de krik te gebruiken* die bij de auto hoort, zoals aangegeven op de kriksticker.
Op de sticker staat tevens de maximale
hefcapaciteit bij de vermelde minimale hefhoogte.
2. Neem de krik*, de wielsleutel* en het
demontagegereedschap voor wieldoppen* erbij die onder de laadvloer in de
kofferbak liggen. Bij gebruik van een
andere krik, zie Auto opnemen (p. 326).
3. Plaats wielblokken voor en achter de wielen die op de grond blijven staan. Gebruik
daarvoor bijvoorbeeld grote houten blokken of grote stenen.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
313
09 Wielen en banden
09
||
5. Schroef het sleepoog tot aan de aanslag
in de wielsleutel* vast, zoals hieronder
afgebeeld.
Gerelateerde informatie
WAARSCHUWING
Leg nooit iets tussen de krik en de ondergrond en evenmin tussen de krik en het
kriksteunpunt van de auto.
7. Er zitten twee kriksteunpunten aan weerszijden van de auto. Bij elk steunpunt zit
een uitsparing in de kunststof afdekking.
Draai de voet van de krik met de slinger
zo ver omlaag dat de voet plat tegen de
grond aankomt.
BELANGRIJK
Het sleepoog dient volledig in de wielsleutel te worden gedraaid.
G017465
6. Draai de wielbouten ½–1 slag linksom los
met de wielsleutel.
BELANGRIJK
De ondergrond dient vast en egaal te zijn
en niet te hellen.
8. Breng de auto zo ver omhoog dat het wiel
van de grond komt. Verwijder de wielbouten en til het wiel eraf.
314
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
•
•
•
•
Wielen verwisselen - monteren (p. 315)
Krik* (p. 309)
Gevarendriehoek (p. 317)
Wielbouten (p. 308)
09 Wielen en banden
Wielen verwisselen - monteren
Het is belangrijk dat het wiel op de juiste
manier gemonteerd wordt.
N.B.
•
Na het oppompen van een band moet
u altijd het ventieldopje terugzetten om
schade aan het ventiel door grind, vuil
e.d. te voorkomen.
•
Gebruik alleen kunststof dopjes. Metalen ventieldopjes kunnen roesten en
zijn moeilijk los te draaien.
Aanbrengen
1. Reinig de contactvlakken tussen het wiel
en de naaf.
2. Breng het wiel aan. Haal de wielbouten
stevig aan.
3. Breng de auto zo ver omlaag dat het wiel
niet meer ongehinderd kan draaien.
N.B.
De normale krik van de auto is alleen
bestemd voor sporadisch en kortstondig
gebruik zoals bij het verwisselen van een
lekke band, monteren van winterbanden/
zomerbanden e.d. Hef de auto alleen met
een krik die voor het desbetreffende model
bestemd is. Als de auto vaker moet worden opgekrikt of voor langere tijd zoals bij
het onderling roteren van de banden wordt
het gebruik van een garagekrik geadviseerd. Volg in dat geval de gebruiksaanwijzing van de desbetreffende krik.
N.B.
De ventieluitsparing in de wieldop bij het
monteren aanbrengen over het ventiel in
de velg.
WAARSCHUWING
Kruip nooit onder de auto als deze op een
krik staat.
Laat nooit passagiers in de auto zitten als
deze op een krik staat.
09
Gerelateerde informatie
•
Wielen verwisselen - wielen verwijderen
(p. 312)
•
•
•
Krik* (p. 309)
Gevarendriehoek (p. 317)
Wielbouten (p. 308)
Parkeer de auto zodanig dat de passagiers
de auto of liever een vangrail tussen zichzelf en de weg hebben.
4. Draai de wielbouten kruiselings vast. Het
is belangrijk dat u de wielbouten stevig
aanhaalt. Haal aan met 140 Nm. Controleer het aanhaalmoment met een
momentsleutel.
5. Plaats een volledige wieldop terug (indien
aanwezig).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
315
09 Wielen en banden
Banden - bandenspanning
Banden kunnen een verschillende bandenspanning hebben en dat wordt gemeten in de
eenheid bar.
N.B.
•
Controleer de bandenspanning bij
koude banden. Met koude banden
wordt bedoeld dat de banden dezelfde
temperatuur hebben als de buitentemperatuur. Na een paar kilometer rijden
worden de banden warm en wordt de
druk hoger.
•
Een te lage bandenspanning resulteert
in een hoger brandstofverbruik, een
kortere levensduur van de banden en
een slechtere wegligging van de auto.
Rijden met een te lage bandenspanning kan tot gevolg hebben dat de
banden oververhit raken en beschadigen. De bandenspanning is van
invloed op het rijcomfort, het weggeluid en de stuureigenschappen.
Bandenspanning controleren
Controleer iedere maand de bandenspanning.
Dit geldt eveneens voor het reservewiel.
•
Bandenspanning bij gebruik van de aanbevolen bandenmaat
•
•
ECO-bandenspanning2
Bandenspanning compact reservewiel
(Temporary Spare)
•
In de loop van de tijd daalt de bandenspanning. Dit is een natuurlijk verschijnsel. De bandenspanning schommelt ook door de omgevingstemperatuur.
Bandenspanningssticker
G021830
09
Op de sticker voor op de portierstijl aan de
bestuurderszijde (tussen voor- en achterportier) staat de juiste bandenspanning voor uw
auto aangegeven bij verschillende belading
en snelheid. De bandenspanning staat ook in
de bandenspanningstabel, zie Banden goedgekeurde bandenspanning (p. 397).
Brandstofbesparing, ECObandenspanning
Voor een zo laag mogelijk brandstofverbruik
bij snelheden tot 160 km/h wordt de ECObandenspanning geadviseerd (zowel bij maximale als bij lichte belading), zie Banden goedgekeurde bandenspanning (p. 397).
Gerelateerde informatie
•
•
2
316
De ECO-bandenspanning levert brandstofbesparing op.
Banden - maten (p. 311)
Banden - snelheidsklassen (p. 312)
09 Wielen en banden
•
•
•
Banden - lastindex (p. 311)
Gevarendriehoek
Banden - onderhoud (p. 306)
De gevarendriehoek wordt gebruikt om
andere verkeersdeelnemers te waarschuwen
voor een stilstaande auto.
Banden - slijtage-indicator (p. 308)
09
Opbergen en uitklappen
De gevarendriehoek is met twee clips aan de
binnenkant van het kofferdeksel bevestigd.
Haal de houder met de gevarendriehoek
los door de twee kliksluitingen naar buiten te trekken.
Neem de gevarendriehoek uit de houder,
klap de driehoek uit en bevestig de twee
losse zijden aan elkaar.
Klap de steunpoten van de gevarendriehoek uit.
Volg de geldende bepalingen voor het
gebruik van een gevarendriehoek. Zet de
gevarendriehoek op een passend punt achter
de auto op om achteropkomend verkeer tijdig
te waarschuwen.
Zorg dat de houder met de gevarendriehoek
na gebruik stevig in de kofferbak vastzit.
317
09 Wielen en banden
09
EHBO-set*
Noodreparatieset voor banden*
De EHBO-set bevat materiaal voor het verlenen van eerste hulp.
U gebruikt de noodreparatieset voor banden
(TMK - Temporary Mobility Kit) om tijdelijk
een gat te dichten en om de bandenspanning
(p. 397) te controleren en aan te passen.
De noodreparatieset voor banden (p. 319)
bestaat uit een compressor en een bus met
afdichtmiddel. Het afdichtmiddel dient om
noodreparaties uit te voeren. De fles met het
afdichtmiddel moet worden vervangen voordat de houdbaarheidsdatum is verstreken en
tevens na het gebruik. Het afdichtmiddel
dicht banden met een lek in het loopvlak
effectief af.
In de kofferbak ligt een EHBO-set.
N.B.
De bandenreparatieset is uitsluitend
bedoeld voor het repareren van banden
met een lek in het loopvlak.
De noodreparatieset voor banden leent zich
minder goed voor banden met een gat in het
zijvlak. Probeer geen banden met de noodreparatieset voor banden af te dichten die grote
groeven, scheuren en dergelijke vertonen.
Sluit een compressor aan op een van de
12V-aansluitingen in de auto. Gebruik de
elektrische aansluiting die het dichtst bij de
lekke band zit.
318
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
BELANGRIJK
Als de compressor voor bandenreparatie is
aangesloten op een van de beide aansluitingen (p. 144) in de tunnelconsole, mag er
op de andere aansluiting geen stroomverbruiker zijn aangesloten.
N.B.
De compressor voor provisorische bandenreparatie is door Volvo getest en goedgekeurd.
Gerelateerde informatie
•
Noodreparatieset voor banden* - bediening (p. 320)
•
Noodreparatieset voor banden* - reparatieresultaat controleren (p. 322)
•
Noodreparatieset voor banden* - overzicht (p. 319)
•
Gereedschap (p. 309)
09 Wielen en banden
Noodreparatieset voor banden* positie
BELANGRIJK
Als de compressor voor bandenreparatie is
aangesloten op een van de beide aansluitingen (p. 144) in de tunnelconsole, mag er
op de andere aansluiting geen stroomverbruiker zijn aangesloten.
U gebruikt de noodreparatieset voor banden
(TMK - Temporary Mobility Kit) om een gat te
dichten en om de bandenspanning (p. 397) te
controleren en aan te passen.
Locatie noodreparatieset voor banden
Noodreparatieset voor banden* overzicht
09
U gebruikt de noodreparatieset voor banden
(TMK - Temporary Mobility Kit) om tijdelijk
een gat te dichten en om de bandenspanning
(p. 397) te controleren en aan te passen.
N.B.
De compressor voor provisorische bandenreparatie is door Volvo getest en goedgekeurd.
Gerelateerde informatie
•
Noodreparatieset voor banden* - overzicht (p. 319)
•
Noodreparatieset voor banden* - afdichtmiddel (p. 323)
•
Noodreparatieset voor banden* (p. 318)
Sticker, toegestane maximumsnelheid
De noodreparatieset voor banden zit onder
de vloer in de kofferbak.
Knop
Zet een gevarendriehoek (p. 317) op bij het
afdichten van een band langs een drukke
weg.
Kabel
N.B.
De bandenreparatieset is uitsluitend
bedoeld voor het repareren van banden
met een lek in het loopvlak.
Bushouder (oranje deksel)
Beschermdop
Drukreduceerventiel
Luchtslang
Bus met afdichtmiddel
Manometer
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
319
09 Wielen en banden
09
||
Gerelateerde informatie
•
Noodreparatieset voor banden* - positie
(p. 319)
•
Noodreparatieset voor banden* - afdichtmiddel (p. 323)
•
Noodreparatieset voor banden* (p. 318)
Noodreparatieset voor banden* bediening
U gebruikt de noodreparatieset voor banden
(TMK - Temporary Mobility Kit) om tijdelijk
een gat te dichten en om de bandenspanning
(p. 397) te controleren en aan te passen.
Noodreparatieset voor banden
1. Verwijder de sticker met de toegestane
maximumsnelheid (die aan de ene kant
van de compressor zit) en bevestig deze
op het stuurwiel.
WAARSCHUWING
Rijd nooit sneller dan 80 km/h, nadat u de
noodreparatieset hebt gebruikt. Volvo
adviseert een erkende Volvo-werkplaats te
bezoeken om de afgedichte band te laten
controleren (maximale rijafstand 200 km).
Het personeel kan bepalen of de band kan
worden gerepareerd of moet worden vervangen.
WAARSCHUWING
Het afdichtmiddel kan de huid irriteren. Bij
huidcontact het middel direct met zeep en
water afspoelen.
2. Controleer of de knop in stand 0 staat en
neem de kabel en de luchtslang erbij.
N.B.
Voor informatie over de werking van de onderdelen, zie Noodreparatieset voor banden* - overzicht (p. 319).
320
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Voor het gebruik de verzegeling van de
bus niet verbreken. Bij het indraaien van
de bus wordt de verzegeling automatisch
verbroken.
3. Draai de oranje beschermdop los evenals
de dop op de bus met afdichtmiddel.
09 Wielen en banden
4. Draai de bus in de bushouder vast.
WAARSCHUWING
Draai de bus niet los, aangezien deze een
blokkering heeft om lekkage te voorkomen.
5. Sluit de slang aan tussen de compressor
en het ventiel.
6. Sluit de kabel op een 12V-aansluiting aan
en start de motor.
N.B.
Als de compressor op een van de beide
12 V-aansluitingen is aangesloten, in de
tunnelconsole, mag er op de andere aansluiting geen stroomverbruiker aangesloten zijn.
WAARSCHUWING
Laat kinderen niet zonder toezicht in de
auto achter als de motor draait.
7. Zet de knop in stand I.
WAARSCHUWING
Ga nooit naast de band staan terwijl de
compressor aan het pompen is. Bij barsten, oneffenheden en dergelijke dient u
de compressor onmiddellijk uit te schakelen. Beëindig in dat geval de rit. Het wordt
dan geadviseerd een erkende bandenwerkplaats te bezoeken.
9. Schakel de compressor uit om de bandenspanning van de manometer af te
lezen. De bandenspanning dient minimaal
1,8 bar en maximaal 3,5 bar te bedragen.
(Laat eventueel lucht ontsnappen met het
drukreduceerventiel, als de bandenspanning te hoog is.)
WAARSCHUWING
Als de bandenspanning lager is dan 1,8
bar, is het gat in de band te groot. Beëindig in dat geval de rit. Het wordt dan geadviseerd een erkende bandenwerkplaats te
bezoeken.
N.B.
Als de compressor start, kan de druk tot 6
bar toenemen. De druk daalt echter na ca.
30 seconden.
8. Vul de band 7 minuten lang met afdichtmiddel.
BELANGRIJK
Kans op oververhitting. De compressor
mag niet langer dan 10 minuten werken.
09
10. Schakel de compressor uit en trek de
kabel los uit de 12V-aansluiting.
11. Koppel de slang los van het ventiel en
plaats het ventieldopje terug.
12. Leg zo spoedig mogelijk na de reparatie
ca. 3 km af bij een snelheid van maximaal
80 km/h, zodat het afdichtmiddel de band
kan afdichten.
Gerelateerde informatie
•
•
Noodreparatieset voor banden* (p. 318)
•
Noodreparatieset voor banden* - overzicht (p. 319)
Noodreparatieset voor banden* - reparatieresultaat controleren (p. 322)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
321
09 Wielen en banden
09
Noodreparatieset voor banden* reparatieresultaat controleren
U gebruikt de noodreparatieset voor banden
(TMK - Temporary Mobility Kit) om tijdelijk
een gat te dichten en om de bandenspanning
(p. 397) te controleren en aan te passen.
Bandenspanning controleren
WAARSCHUWING
Draai de bus niet los, aangezien deze een
blokkering heeft om lekkage te voorkomen.
3. Zorg dat de compressor uitstaat. Koppel
de luchtslang en de kabel los.
1. Sluit de uitrusting opnieuw aan.
•
Als de spanning lager is dan 1,3
is de band onvoldoende afgedicht.
Beëindig in dat geval de rit. Neem contact op met een erkende Volvo-werkplaats.
•
Als de bandenspanning hoger is dan
1,3 bar3, moet u de band oppompen
tot de spanning die staat aangegeven
in de bandenspanningstabel, zie Banden - goedgekeurde bandenspanning
(p. 397). Laat lucht uit de band ontsnappen, als de bandenspanning te
hoog is.
bar3,
De snelheid mag niet hoger dan 80 km/h
zijn nadat de provisorische bandenreparatie is gebruikt. Volvo adviseert u om een
erkende Volvo-werkplaats te bezoeken
voor een inspectie van de gerepareerde
band (maximaal 200 km rijden). Het personeel kan bepalen of de band kan worden
gemaakt of moet worden vervangen.
N.B.
•
Na het oppompen van een band moet
u altijd het ventieldopje terugzetten om
schade aan het ventiel door grind, vuil
e.d. te voorkomen.
•
Gebruik alleen kunststof dopjes. Metalen ventieldopjes kunnen roesten en
zijn moeilijk los te draaien.
Gerelateerde informatie
•
•
Noodreparatieset voor banden* (p. 318)
N.B.
•
Noodreparatieset voor banden* - overzicht (p. 319)
Vervang de bus met afdichtmiddel en de
slang na gebruik. Volvo adviseert u het
vervangen over te laten aan een erkende
Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Controleer de bandenspanning regelmatig.
322
WAARSCHUWING
Plaats het ventieldopje.
2. Lees de bandenspanning van de manometer af.
3
U wordt geadviseerd om naar de dichtstbijzijnde erkende Volvo-werkplaats te rijden en
er de beschadigde band te laten vervangen/
repareren. Geef aan het werkplaatspersoneel
door dat er afdichtmiddel in de band zit.
1 bar = 100 kPa.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Noodreparatieset voor banden* - bediening (p. 320)
09 Wielen en banden
Noodreparatieset voor banden* banden oppompen
De originele banden van de auto kunnen worden opgepompt met behulp van de compressor in de noodreparatieset voor banden (p.
319).
1. De compressor moet uitstaan. Zorg dat
de knop in stand 0 staat en neem de
kabel en de luchtslang erbij.
2. Draai het ventieldopje van het wiel los en
schroef de ventielaansluiting van de
luchtslang zo ver mogelijk op het ventiel
van de band.
WAARSCHUWING
Het inademen van uitlaatgassen kan
levensgevaarlijk zijn. Laat de motor nooit
draaien in ruimten die afgesloten zijn of
onvoldoende ventilatie hebben.
BELANGRIJK
Kans op oververhitting. De compressor
mag niet langer dan 10 minuten werken.
5. Pomp de band op tot de druk die in de
bandenspanningstabel staat aangegeven,
zie Banden - goedgekeurde bandenspanning (p. 397). Laat lucht uit de band ontsnappen, als de bandenspanning te hoog
is.
Noodreparatieset voor banden* afdichtmiddel
De verpakking (bus) in de noodreparatieset
voor banden (p. 319) bevat afdichtmiddel en
is te vervangen.
Vervang de bus voordat de houdbaarheidsdatum verstreken is. Behandel de vervangen
bus als klein chemisch afval (KCA).
WAARSCHUWING
6. Schakel de compressor uit. Koppel de
luchtslang en de kabel los.
De bus bevat 1,2-Ethanol en natuurrubberlatex.
7. Plaats het ventieldopje terug.
Gevaarlijk bij inname. Kan bij huidcontact
allergie veroorzaken.
Gerelateerde informatie
•
•
Noodreparatieset voor banden* (p. 318)
•
Noodreparatieset voor banden* - reparatieresultaat controleren (p. 322)
Noodreparatieset voor banden* - overzicht (p. 319)
09
Contact met de huid en ogen vermijden.
Buiten bereik van kinderen bewaren.
Gerelateerde informatie
•
Noodreparatieset voor banden* (p. 318)
WAARSCHUWING
Laat kinderen niet zonder toezicht in de
auto achter als de motor draait.
3. Sluit de kabel aan op een van de 12Vaansluitingen in de auto en start de
motor.
4. Schakel de compressor in door de knop
in stand I te zetten.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
323
ONDERHOUD EN SERVICE
10 Onderhoud en service
Serviceprogramma van Volvo
Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid
en betrouwbaarheid van de auto op een hoog
peil te houden, dient u de voorschriften van
het Serviceprogramma van Volvo op te volgen
zoals die omschreven staan in het Service- en
garantieboekje van Volvo.
10
Volvo adviseert u om service- en onderhoudswerkzaamheden over te laten aan een
erkende Volvo-werkplaats. Volvo-werkplaatsen beschikken over het personeel, het speciale gereedschap en de servicehandboeken
waardoor zij u een zo hoog mogelijke servicekwaliteit kunnen garanderen.
BELANGRIJK
Om de garantie van Volvo te laten gelden,
moet u het Service- en garantieboekje
controleren en volgen.
Gerelateerde informatie
•
Klimaatregeling - storingen opsporen en
verhelpen (p. 337)
325
10 Onderhoud en service
Auto opnemen
10
Bij het opnemen van de auto is het belangrijk
dat u de krik of de dragerarmen onder de
voorziene steunpunten in het onderstel van de
auto aanbrengt.
N.B.
Volvo adviseert u alleen de krik te gebruiken die bij de auto hoort. Volg bij gebruik
van een andere krik dan door Volvo geadviseerd de aanwijzingen die bij deze krik
werden geleverd.
326
10 Onderhoud en service
10
Kriksteunpunten (pijlen) voor de krik van de auto en de hefpunten (rood gemarkeerd).
Als u de auto aan de voorkant heft met een
garagekrik, moet u de krik onder een van de
vier hefpunten zetten die verder naar binnen
onder de auto zitten. Als u de auto aan de
achterkant heft met een garagekrik, moet u
de krik onder een van de hefpunten zetten.
Let erop dat u de garagekrik dusdanig aanbrengt, dat de auto er niet van af kan glijden.
Maak altijd gebruik van steunbokken of vergelijkbare hulpmiddelen.
Gerelateerde informatie
•
Wielen verwisselen - wielen verwijderen
(p. 312)
Als u de auto opneemt op een tweekoloms
hefbrug, kunt u de voorste en achterste dragerarmen onder de buitenste hefpunten (kriksteunpunten) zetten. Aan de voorkant kunt u
daarvoor ook de binnenste hefpunten gebruiken.
327
10 Onderhoud en service
Motorkap - openen en sluiten
10
De motorkap is te openen, wanneer u de
handgreep bij de pedalen naar achteren hebt
getrokken en de pal bij de grille naar links
hebt gehaald.
WAARSCHUWING
Controleer of de motorkap bij sluiten goed
vergrendelt.
Gerelateerde informatie
•
•
Motorruimte - overzicht
Het overzicht toont de normale controlepunten.
Motorruimte 4-cil. 2.0 l1
Motorruimte - controle (p. 330)
Motorruimte - overzicht (p. 328)
Afhankelijk van het motortype kan de motorruimte er anders uitzien.
Motorolie bijvullen
G010951
Expansiereservoir voor koelsysteem
328
Reservoir voor stuurbekrachtigingsvloeistof
Trek aan de handgreep bij de pedalen.
Het is duidelijk te horen dat vergrendeling
wordt opgeheven.
Radiateur
Haal de borghaak naar links om de
motorkap te openen. (De borghaak zit
tussen de koplamp en de grille zoals
afgebeeld.)
Startaccu
Reservoir voor rem- en koppelingsvloeistof (aan bestuurderszijde)
Relais- en zekeringenkastje
10 Onderhoud en service
Vulopening voor sproeiervloeistof
Vulopening voor sproeiervloeistof
Motorruimte, behalve 4-cil. 2.0 l2
Luchtfilter
Luchtfilter
WAARSCHUWING
WAARSCHUWING
Raak bougies of bobine niet aan, wanneer
het elektrische systeem van de auto in
sleutelstand II staat of als de motor warm
is.
De spanning en het vermogen van het ontstekingssysteem zijn zeer hoog. De spanning in het ontstekingssysteem is levensgevaarlijk. Houd het elektrische systeem
van de auto altijd in sleutelstand 0 bij
werkzaamheden in de motorruimte, zie
Sleutelstanden - functies in verschillende
standen (p. 68).
G018945
De spanning en het vermogen van het ontstekingssysteem zijn zeer hoog. De spanning in het ontstekingssysteem is levensgevaarlijk. Houd het elektrische systeem
van de auto altijd in sleutelstand 0 bij
werkzaamheden in de motorruimte, zie
Sleutelstanden - functies in verschillende
standen (p. 68).
Raak bougies of bobine niet aan, wanneer
het elektrische systeem van de auto in
sleutelstand II staat of als de motor warm
is.
Afhankelijk van het motortype kan de motorruimte er anders uitzien.
Expansiereservoir voor koelsysteem
Reservoir voor stuurbekrachtigingsvloeistof
Peilstok voor motorolie3
Radiateur
10
Gerelateerde informatie
•
•
Motorkap - openen en sluiten (p. 328)
Motorruimte - controle (p. 330)
Motorolie bijvullen
Reservoir voor rem- en koppelingsvloeistof (aan bestuurderszijde)
Startaccu
Relais- en zekeringenkastje
1
2
3
Geldt niet voor motor B4204T7 - zie de volgende rubriek "Motorruimte behalve 4-cil. 2.0 l".
Geldt ook voor motor B4204T7.
Bij een motor met elektronische oliepeilsensor ontbreekt de peilstok (5-cil. diesel).
329
10 Onderhoud en service
10
Motorruimte - controle
Motorolie - algemeen
Bepaalde oliën en vloeistoffen dienen regelmatig gecontroleerd te worden.
Om de aanbevolen service-intervallen aan te
kunnen houden dient u een goedgekeurde
motoroliesoort te gebruiken.
Regelmatig controleren
Controleer regelmatig de volgende oliën en
vloeistoffen, bijvoorbeeld tijdens het tanken:
•
•
•
•
Koelvloeistof
Stuurbekrachtigingsvloeistof
Sproeiervloeistof
WAARSCHUWING
Laat de motorreiniging altijd uitvoeren door
een werkplaats. Als de motor warm is,
bestaat er brandgevaar.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
330
Motorkap - openen en sluiten (p. 328)
Motorruimte - overzicht (p. 328)
Koelvloeistof - peil (p. 335)
Motorolie - controleren en bijvullen (p.
331)
•
Stuurbekrachtigingsvloeistof - peil (p.
337)
•
Sproeiervloeistof - bijvullen (p. 348)
BELANGRIJK
Om aan de vereisten voor de gespecificeerde service-intervallen te voldoen worden alle motoren in de fabriek gevuld met
een speciaal aangepaste, synthetische
motorolie. De oliesoort werd met grote
zorg geselecteerd lettend op de levensduur van de motor, de startgewilligheid,
het brandstofverbruik en de milieu-impact.
Motorolie
Vergeet niet dat de radiateurventilator
(vóór in de motorruimte achter de radiateur) enige tijd na uitschakeling van de
motor automatisch kan starten.
Voor ritten onder ongunstige omstandigheden, zie Motorolie - ongunstige rijomstandigheden (p. 385).
Volvo beveelt aan:
Om de aanbevolen service-intervallen aan
te kunnen houden dient u een goedgekeurde motoroliesoort te gebruiken.
Gebruik alleen een oliesoort van de voorgeschreven kwaliteit en dat zowel bij het
bijvullen als bij verversen van olie. Een
negatieve invloed op de levensduur van de
motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact is anders niet
uitgesloten.
Volvo Car Corporation wijst alle garantieclaims af bij gebruik van een motoroliesoort die niet voldoet aan de voorgeschreven kwaliteits- en viscositeitseisen.
Volvo adviseert de olie in een erkende
Volvo-werkplaats te laten verversen.
Volvo hanteert uiteenlopende systemen om te
waarschuwen voor een laag/hoog oliepeil of
een lage/hoge oliedruk. Bij motorvarianten
met een oliedruksensor wordt gebruikt
10 Onderhoud en service
gemaakt van het waarschuwingssymbool
voor een lage oliedruk op het instrumentenpaneel. Bij varianten met een olieniveausensor wordt u geïnformeerd via een waarschuwingssymbool
op het instrumentenpaneel en met displayteksten. Bepaalde varianten zijn voorzien van allebei. Neem voor meer
informatie contact op met een erkende Volvowerkplaats.
Motorolie - controleren en bijvullen
Bepaalde motorvarianten zijn voor het controleren van het oliepeil voorzien van een elektronische peilsensor, terwijl andere motorvarianten een oliepeilstok hebben.
geen tijd heeft gehad om terug te lopen naar
het oliecarter.
10
Motor met oliepeilstok4
Voor de bij te vullen hoeveelheid, zie Motorolie - kwaliteit en hoeveelheid (p. 386).
Gerelateerde informatie
•
4
Motorolie - controleren en bijvullen (p.
331)
De olie moet tussen het MIN- en MAX-streepje
staan.
G021734
Het is toegestaan een oliesoort te gebruiken
met een hogere kwaliteit dan aangegeven.
Voor ritten onder ongunstige omstandigheden
adviseert Volvo een olie van een hogere kwaliteit, zie Motorolie - ongunstige rijomstandigheden (p. 385).
G021737
Houd voor het verversen van de motorolie en
het vervangen van het oliefilter de intervallen
aan die staan aangegeven in het Service- en
garantieboekje.
Peilstok en vulbuis.
Bij een nieuwe auto is het belangrijk om het
oliepeil te controleren, voordat de olie voor de
eerste keer volgens schema moet worden
ververst.
Volvo adviseert u het oliepeil om de 2500 km
te controleren. De betrouwbaarste meting
wordt verkregen bij een koude motor vóór de
start. Meteen na het afzetten van de motor
krijgt u een verkeerd resultaat. De peilstok
geeft dan een te laag peil aan, omdat de olie
Peil meten en zo nodig corrigeren
1. Zorg dat de auto op een vlakke ondergrond geparkeerd staat. Het is belangrijk
dat u na het afzetten van de motor ten
minste 5 minuten wacht, zodat de olie
weer kan teruglopen in het oliecarter.
2. Trek de peilstok tevoorschijn en veeg
deze schoon.
3. Steek de peilstok weer naar binnen.
4. Trek de peilstok tevoorschijn en controleer het peil.
Geldt niet voor 4-cil. 2.0 l of 5-cil. diesel met een elektronische oliepeilsensor. Geldt echter voor motor B4204T7.
331
10 Onderhoud en service
||
5. Als de olie dichter bij het MIN-streepje
ligt, dient u 0,5 liter bij te vullen. Als de
olie daar ver onder staat, moet u wellicht
meer bijvullen.
10
Motor met elektronische oliepeilsensor,
4-cil. 2.0 l5
6. Als u het peil daarna nogmaals wenst te
controleren, moet u dat na enige tijd rijden doen. Herhaal vervolgens de stappen
1–4.
WAARSCHUWING
Vul nooit bij tot boven de MAX-aanduiding. De olie mag nooit boven MAX of
onder MIN staan om motorschade tegen
te gaan.
WAARSCHUWING
Mors geen olie op de hete uitlaatspruitstukken, aangezien er dan brand kan ontstaat.
Vulbuis.6
U hoeft het motoroliepeil niet aan te passen,
voordat er een melding op het display verschijnt, zie onderstaande afbeelding.
Melding en grafische weergave op display. Het
linker display toont een digitaal instrumentenpaneel en het rechter een analoog.
Melding
Motoroliepeil
Wanneer de motor afgezet is, kunt u het
duimwiel gebruiken om het oliepeil te laten
controleren door de elektronische oliepeilsensor, zie Menufuncties - instrumentenpaneel
(p. 102).
WAARSCHUWING
Bij het verschijnen van de melding
Olieservice vereist een werkplaats
opzoeken. Het oliepeil is mogelijk te hoog.
5
6
332
Geldt niet voor motor B4204T7 - zie de eerdere rubriek "Motor met oliepeilstok".
Bij een motor met elektronische oliepeilsensor ontbreekt de peilstok.
10 Onderhoud en service
BELANGRIJK
Vul bij een melding dat het oliepeil gering
alleen de aangegeven hoeveelheid olie bij,
bijvoorbeeld 0,5 liter.
2. Draai het duimwiel op de linker stuurhendel naar stand Oliepeil.
> Vervolgens verschijnt informatie over
het motoroliepeil.
WAARSCHUWING
10
Voor meer informatie over de menufuncties, zie Menufuncties - instrumentenpaneel (p. 102).
N.B.
Na het bijvullen of aftappen van olie duurt
het even voordat het systeem wijzigingen
in het oliepeil kan waarnemen. De auto
moet ca. 30 km hebben gereden en vervolgens 2 uur hebben stilgestaan met de
motor afgezet, voordat het weergegeven
oliepeil correct is.
Motor met elektronische oliepeilsensor,
5-cil. diesel
N.B.
Als niet aan de gestelde voorwaarden voor
meting van het oliepeil is voldaan (verstreken tijd na motoruitschakeling, hellingshoek van de auto, buitentemperatuur e.d.),
zal de melding Niet beschikbaar niet verschijnen. Dit betekent niet dat een van de
autosystemen een storing vertoont.
Mors geen olie op de hete uitlaatspruitstukken, aangezien er dan brand kan ontstaat.
Vulbuis.7
U hoeft het motoroliepeil niet aan te passen,
voordat er een melding op het display verschijnt, zie onderstaande afbeelding.
Oliepeil meten, 4-cil. 2.0 l
Voor controle van het oliepeil de onderstaande volgorde aanhouden.
1. Activeer sleutelstand II, zie Sleutelstanden - functies in verschillende standen (p.
68).
7
Bij een motor met elektronische oliepeilsensor ontbreekt de peilstok.
}}
333
10 Onderhoud en service
||
BELANGRIJK
Vul bij het verschijnen van de melding
Oliepeil laag 0,5 liter bijvullen slechts
0,5 liter bij.
10
N.B.
Melding en grafische weergave op display. Het
linker display toont een digitaal instrumentenpaneel en het rechter een analoog.
Melding
Motoroliepeil
Wanneer de motor afgezet is, kunt u het
duimwiel gebruiken om het oliepeil te laten
controleren door de elektronische oliepeilsensor, zie Menufuncties - instrumentenpaneel
(p. 102).
WAARSCHUWING
Bij het verschijnen van de melding
Olieservice vereist een werkplaats
opzoeken. Het oliepeil is mogelijk te hoog.
334
Het systeem detecteert het oliepeil alleen
tijdens het rijden. Na het bijvullen of aftappen van olie duurt het even voordat het
systeem wijzigingen in het oliepeil kan
waarnemen. De auto dient ca. 30 km te rijden, voordat het weergegeven oliepeil correct is.
Oliepeil meten, 5-cil. diesel
Voor controle van het oliepeil de onderstaande volgorde aanhouden.
1. Activeer sleutelstand II, zie Sleutelstanden - functies in verschillende standen (p.
68).
2. Draai het duimwiel op de linker stuurhendel naar stand Oliepeil.
> Vervolgens verschijnt informatie over
het motoroliepeil.
Voor meer informatie over de menufuncties, zie Menufuncties - instrumentenpaneel (p. 102).
WAARSCHUWING
Vul niet meer olie bij, als niveau (3) of (4)
verschijnt zoals aangegeven op de afbeelding. De olie mag nooit boven MAX of
onder MIN staan om motorschade tegen
te gaan.
WAARSCHUWING
Mors geen olie op de hete uitlaatspruitstukken, aangezien er dan brand kan ontstaat.
De cijfers 1–4 geven het niveau aan. Vul niet
meer olie bij, als niveau (3) of (4) staat aangegeven. Het aanbevolen niveau is 4. Melding en grafische weergave op display. Het linker display
toont een digitaal instrumentenpaneel en het
rechter een analoog.
10 Onderhoud en service
Gerelateerde informatie
•
Motorolie - algemeen (p. 330)
Koelvloeistof - peil
De koelvloeistof koelt de verbrandingsmotor
af tot de juiste bedrijfstemperatuur. De
warmte die de motor overdraagt op de koelvloeistof kan worden benut voor verwarming
van de passagiersruimte.
De koelvloeistof moet tussen het MIN- en
MAX-streepje op het expansiereservoir staan.
Peil controleren en bijvullen
WAARSCHUWING
De koelvloeistof kan zeer heet zijn. Als er
moet worden bijgevuld terwijl de motor
warm is, moet u de dop voorzichtig van
het expansievat draaien zodat de overdruk
verdwijnt.
10
Voor de aan te houden hoeveelheden en de
aanbevolen vloeistofkwaliteit, zie Koelvloeistof - kwaliteit en hoeveelheid (p. 388).
Controleer de koelvloeistof regelmatig
De vloeistof moet tussen het MIN- en MAXstreepje op het expansiereservoir staan. Als u
het reservoir niet goed gevuld houdt, kan de
temperatuur in het systeem dusdanig hoog
oplopen dat er gevaar voor motorschade ontstaat.
Volg de aanwijzingen op de verpakking op.
Het is belangrijk dat u verhouding tussen
koelvloeistof en water afstemt op de heersende weersomstandigheden. Vul het reservoir nooit alleen met schoon water. Het
gevaar voor bevriezing neemt toe, zowel wanneer de concentratie koelvloeistof te laag is
als wanneer deze te hoog is.
335
10 Onderhoud en service
BELANGRIJK
•
10
•
Gebruik altijd een koelvloeistof met
roestwerende eigenschappen volgens
de aanbevelingen van Volvo.
•
Let erop dat het koelvloeistofmengsel
altijd voor 50 % uit water en voor
50 % uit koelvloeistof bestaat.
•
•
•
336
Hoge concentraties chloor, chloriden
en andere zoutverbindingen kunnen
aanleiding geven tot corrosie in het
koelsysteem.
Leng de koelvloeistof aan met leidingwater van goede kwaliteit. Gebruik bij
twijfel over de waterkwaliteit altijd een
kant-en-klare koelvloeistof volgens de
aanbevelingen van Volvo.
Wanneer u overstapt op een ander
soort koelvloeistof of een nieuw koelsysteemonderdeel hebt gemonteerd,
dient u het koelsysteem schoon te
spoelen met leidingwater van goede
kwaliteit of met kant-en-klare koelvloeistof.
De motor mag alleen draaien met een
goed gevuld koelsysteem. Als dat niet
het geval is, kunnen er hoge temperaturen optreden met gevaar voor
beschadiging (barsten) van de cilinderkop.
Rem- en koppelingsvloeistof - peil
Bijvullen
De rem- en koppelingsvloeistof moet tussen
de MIN- en MAX-streepjes staan.
Peil controleren
De rem- en koppelingsvloeistof zitten in hetzelfde reservoir. De vloeistof moet tussen het
MIN- en MAX-streepje staan die aan de buitenkant van het reservoir zichtbaar zijn. Controleer het peil regelmatig.
Ververs de remvloeistof om de twee jaar of
iedere tweede geplande servicebeurt.
Voor de aan te houden hoeveelheden en de
aanbevolen remvloeistofkwaliteit, zie Remvloeistof - kwaliteit en hoeveelheid (p. 391).
Wanneer u vaak met uw auto in de bergen of
in landen met een tropisch klimaat en een
hoge relatieve luchtvochtigheidsgraad rijdt,
dient u de remvloeistof ieder jaar te verversen.
WAARSCHUWING
Als de remvloeistof onder het MINstreepje van het reservoir staat, mag u niet
verder rijden voordat u remvloeistof hebt
bijgevuld. Geadviseerd wordt de oorzaak
van het remvloeistofverlies te laten controleren door een erkende Volvo-werkplaats.
Het vloeistofreservoir zit aan de bestuurderszijde.
Het vloeistofreservoir gaat schuil achter de
dekplaat op de koude zone van de motorruimte. U moet het ronde deksel eerst verwijderen om bij de dop van het reservoir te
komen.
Open het deksel dat in de dekplaat zit
door het te verdraaien.
Draai de dop van het reservoir los en vul
vloeistof bij. De vloeistof moet tussen het
MIN- en MAX-streepje staan (aan de binnenkant van het reservoir).
BELANGRIJK
Vergeet niet de dop terug te plaatsen.
10 Onderhoud en service
Stuurbekrachtigingsvloeistof - peil
De stuurbekrachtigingsvloeistof moet tussen
de MIN- en MAX-streepjes staan. Verversing
van de vloeistof is niet nodig.
N.B.
Ook als er een storing optreedt in de
stuurbekrachtiging of als de stroom wegvalt en u de auto moet laten wegslepen,
blijft de auto bestuurbaar.
Klimaatregeling - storingen opsporen
en verhelpen
Service en reparatie aan het aircosysteem
mogen uitsluitend door een erkende werkplaats worden uitgevoerd.
10
Storingen opsporen en verhelpen
De airconditioning bevat een fluorescerend
traceermiddel. Gebruik ultraviolet licht voor
het zoeken van lekkage.
Volvo adviseert u daarvoor contact op te
nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
In de installatie voor airconditioning zit
koudemiddel R134a onder druk. Service
en reparatie aan het systeem mogen uitsluitend door een erkende werkplaats worden uitgevoerd.
BELANGRIJK
Houd bij een controle het gebied rond het
reservoir voor stuurbekrachtigingsvloeistof
goed schoon. De dop niet losdraaien.
Gerelateerde informatie
•
Serviceprogramma van Volvo (p. 325)
Controleer het peil bij iedere servicebeurt. U
hoeft de vloeistof niet te verversen. De vloeistof moet tussen de MIN- en MAX-streepjes
staan. Voor de aanbevolen vloeistofkwaliteit,
zie Stuurbekrachtigingsvloeistof - kwaliteit (p.
391).
337
10 Onderhoud en service
Lamp vervangen
10
Het is mogelijk de gloeilampen te vervangen.
Wend u voor vervanging van led- en xenonlampen tot een werkplaats.
De gloeilampen zijn gespecificeerd (p. 346).
Gloeilampen en andere lichtbronnen van een
bijzonder type zoals led8-lampen of lampen
die u om andere redenen alleen in een werkplaats moet laten vervangen, zijn die in:
•
Actieve xenonkoplampen - ABL (xenonlampen)
•
•
•
•
•
•
•
•
•
Stadslichten/parkeerlichten vóór
Dagrijlicht
Zijrichtingaanwijzers, buitenspiegels
Approach-verlichting, buitenspiegels
Interieurverlichting
Verlichting dashboardkastje
Achterlichten/parkeerlichten achter
Sidemarkers achter
Remlichten.
WAARSCHUWING
WAARSCHUWING
Bij het vervangen van een lamp moet het
elektrische systeem van de auto in sleutelstand 0 staan, zie Sleutelstanden - functies
in verschillende standen (p. 68).
BELANGRIJK
Raak het glas van de gloeilampen nooit
rechtstreeks met uw vingers aan. Vet van
uw vingers wordt door de warmte verdampt en zorgt voor een laagje op de
reflector die dan kapot kan gaan.
N.B.
Als een foutmelding niet verdwijnt nadat
de kapotte gloeilamp is vervangen, dan
wordt u geadviseerd een erkende Volvowerkplaats te bezoeken.
8
338
Lichtdioden (Light Emitting Diode)
N.B.
Als de auto is voorzien van xenonkoplampen, moet u de xenonlampen door een
werkplaats laten vervangen – geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Werkzaamheden aan de xenonkoplampen
vergen de nodige voorzichtigheid, aangezien dergelijke koplampen zijn voorzien
van een ontstekingsgedeelte dat een hoge
spanning opwekt.
Bij de externe verlichting zoals de koplampen, mistlampen en achterlichten kan tijdelijk condens optreden aan de binnenkant van het lampglas. Dit is een natuurlijk
verschijnsel en alle externe verlichting is
erop gebouwd om dit zoveel mogelijk te
voorkomen. Condens verdwijnt normaal uit
het lamphuis, wanneer de lamp enige tijd
brandt.
Gerelateerde informatie
•
•
Lamp vervangen - koplampen (p. 339)
Lamp vervangen - positie lampen achterzijde (p. 344)
•
Lamp vervangen - verlichting makeupspiegel (p. 345)
•
Lamp vervangen - verlichting in kofferbak
(p. 345)
•
Lamp vervangen - kentekenplaatverlichting (p. 345)
10 Onderhoud en service
Lamp vervangen - koplampen
Gerelateerde informatie
•
•
Alle gloeilampen in het koplamphuis zijn te
vervangen door eerst het complete koplamphuis via de motorruimte los te nemen en te
verwijderen.
•
Lamp vervangen (p. 338)
Lampen verwisselen - afdekkap groot-/
dimlichtlampen (p. 340)
Lampen - specificaties (p. 346)
10
G010325
Koplamphuis verwijderen
Zet het elektrische systeem van de auto in de
sleutelstand 0, zie Sleutelstanden - functies in
verschillende standen (p. 68).
Koppel de connector van het koplamphuis los door met uw duim de clip omlaag
te duwen.
Trek ondertussen met uw andere hand de
connector los.
5. Til het koplamphuis naar buiten en leg het
op een zachte ondergrond om krassen op
de lens te voorkomen.
6. Vervang de kapotte gloeilamp.
Trek de borgpennen van het koplamphuis
naar buiten.
Trek het koplamphuis recht naar voren
toe.
BELANGRIJK
Trek niet aan de kabel, maar alleen aan de
connector.
Koplamphuis bevestigen
1. Sluit de connector dusdanig aan dat u
een klik hoort.
2. Plaats het koplamphuis terug en breng de
borgpennen aan. Controleer of u ze op de
juiste manier hebt ingebracht.
3. Controleer de verlichting.
Het koplamphuis moet gemonteerd zijn en de
connector correct aangesloten zijn, voordat u
de verlichting inschakelt of de transpondersleutel in het contactslot steekt.
339
10 Onderhoud en service
Lampen verwisselen - afdekkap
groot-/dimlichtlampen
10
Lamp vervangen - dimlicht
De groot-/dimlichtlampen zijn bereikbaar door
de grotere afdekkap van de koplamp los te
maken.
Gerelateerde informatie
•
De lamp van het dimlicht zit achter de grote
afdekking in het koplamphuis.
N.B.
G021745
Geldt voor auto’s met halogeenkoplampen.
1. Open de borgklem door deze omhoog/
naar buiten te duwen.
1. Neem de koplamp (p. 339) los.
2. Duw de clips op de afdekking omlaag en
verwijder de afdekking.
3. Koppel de connector van de lamp los.
2. Verwijder de afdekking (p. 340).
Plaats de afdekking in omgekeerde volgorde
terug.
4. Haal de gloeilamp los door de houder
omlaag te duwen.
Gerelateerde informatie
5. Breng de nieuwe gloeilamp in de lamphouder aan zodat deze vastklikt. U kunt
deze op één manier terugplaatsen.
•
•
•
•
340
G021746
Alvorens een gloeilamp te vervangen, zie
Lamp vervangen - koplampen (p. 339).
Lamp vervangen - koplampen (p. 339)
Lamp vervangen - dimlicht (p. 340)
Lamp vervangen - groot licht (p. 341)
Lamp vervangen - verstraler (p. 341)
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde terug.
Lampen - specificaties (p. 346)
10 Onderhoud en service
Lamp vervangen - groot licht
De lamp van het groot licht zit achter de grote
afdekking in het koplamphuis.
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde terug.
Gerelateerde informatie
•
N.B.
N.B.
10
G021748
Geldt voor auto’s met xenonkoplampen*.
G021747
Geldt voor auto’s met halogeenkoplampen.
Lampen - specificaties (p. 346)
Lamp vervangen - verstraler
De verstralerlamp zit achter de grote afdekking in het koplamphuis.
1. Neem de koplamp (p. 339) los.
2. Verwijder de afdekking (p. 340).
3. Haal de gloeilamp los door deze
rechtsom te draaien en vervolgens recht
naar buiten te trekken.
4. Koppel de connector van de lamp los.
5. Vervang de gloeilamp, steek de nieuwe
lamp in de lampvoet en draai de gloeilamp rechtsom vast. U kunt deze op één
manier terugplaatsen.
1. Neem de koplamp (p. 339) los.
2. Verwijder de afdekking (p. 340).
3. Haal de gloeilamp los door de houder
omlaag te duwen.
4. Koppel de connector van de lamp los.
5. Breng de nieuwe gloeilamp in de lamphouder aan zodat deze vastklikt. U kunt
hem slechts op één manier terugplaatsen.
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde terug.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
341
10 Onderhoud en service
||
Gerelateerde informatie
•
Lampen vervangen richtingaanwijzers voorzijde
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde terug.
De richtingaanwijzerlamp zit achter de kleine
afdekking in het koplamphuis.
G021750
10
Lampen - specificaties (p. 346)
1. Neem de koplamp (p. 339) los.
2. Verwijder de kleine, ronde afdekking.
3. Trek aan de lamphouder om de gloeilamp
tevoorschijn te halen.
4. Trek de kapotte gloeilamp los en breng
de nieuwe aan. U kunt hem slechts op
één manier terugplaatsen.
5. Breng de lampvoet in de lamphouder aan
en duw de lamp aan totdat u een klik
hoort.
6. Plaats de afdekking terug. U moet deze
dusdanig aanbrengen en vastduwen dat
u een klik hoort.
342
Gerelateerde informatie
•
Lampen - specificaties (p. 346)
10 Onderhoud en service
Lampen vervangen - sidemarkers
voor
De sidemarkerlamp zit achter de kleine afdekking in het koplamphuis.
6. Plaats de afdekking terug. U moet deze
dusdanig aanbrengen en vastduwen dat
u een klik hoort.
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde terug.
Lamp vervangen - verlichting achter
Richtingaanwijzers achter, mistachterlicht en
achteruitrijlichten zijn vanuit de bagageruimte
te vervangen.
Achterlamphuis
10
Gerelateerde informatie
Lampen - specificaties (p. 346)
Alvorens een gloeilamp te vervangen, zie
Lamp vervangen - koplampen (p. 339).
1. Haal het koplamphuis los.
2. Verwijder de kleine, ronde afdekking.
3. Trek aan de kabel om de lamphouder
tevoorschijn te halen.
4. Trek de kapotte gloeilamp los en breng
de nieuwe aan. U kunt hem slechts op
één manier terugplaatsen.
5. Breng de lampvoet in de lamphouder aan
en duw de lamp aan totdat u een klik
hoort.
G021754
G021751
•
Alle gloeilampen in het achterlamphuis
(behalve de leds) zijn via de kofferbak te vervangen.
1. Open de luikjes rechts en links in de
bekleding om toegang tot de gloeilampen
te krijgen. De gloeilampen zitten in afzonderlijke lamphouders.
2. Duw de borghaken bijeen en trek de
gloeilamphouder naar buiten.
3. Vervang de gloeilamp.
4. Sluit de connector aan.
5. Druk de lamphouder in positie en plaats
het luikje terug.
343
10 Onderhoud en service
||
Gerelateerde informatie
10
•
Lamp vervangen - positie lampen achterzijde (p. 344)
•
Lampen - specificaties (p. 346)
Lamp vervangen - positie lampen
achterzijde
Het overzicht geeft de positie aan van de lampen aan achterzijde.
Lamphouder achterlamphuis
Achteruitrijlicht (p. 343)
Mistachterlicht (p. 343)
Richtingaanwijzer (p. 343)
Remlicht (led)
Achteruitrijlicht (p. 343)
Mistachterlicht (p. 343)
Richtingaanwijzer (p. 343)
Achterlicht/parkeerlicht (led)
Sidemarker (led)
344
Gerelateerde informatie
•
•
Lamp vervangen (p. 338)
Lampen - specificaties (p. 346)
10 Onderhoud en service
Lamp vervangen kentekenplaatverlichting
Lamp vervangen - verlichting in
kofferbak
Lamp vervangen - verlichting makeupspiegel
De kentekenplaatverlichting zit onder de
handgreep van de achterklep.
De kofferbakverlichting zit in het kofferdeksel.
De lampjes voor de verlichting van de makeupspiegel zitten achter de lensjes.
G021756
1. Draai de boutjes los met een schroevendraaier.
2. Haal voorzichtig het complete gloeilamphuis los en trek het naar buiten.
3. Vervang de gloeilamp.
4. Plaats het complete gloeilamphuis terug
en draai de boutjes vast.
Gerelateerde informatie
•
Lampen - specificaties (p. 346)
10
G021758
Lampglas verwijderen
1. Steek een schroevendraaier achter het
lamphuis en wrik deze iets heen en weer,
zodat het lamphuis loskomt.
2. Vervang de gloeilamp.
3. Controleer of de gloeilamp werkt en druk
het lamphuis weer vast.
Gerelateerde informatie
•
Lampen - specificaties (p. 346)
1. Steek een schroevendraaier achter het
lampglas om de borgnokjes aan de rand
voorzichtig los te werken.
2. Klik het lampglas los.
3. Trek met een puntbektang de gloeilamp
recht naar buiten toe opzij en vervang
deze. Let er echter op dat u niet te hard
knijpt met de tang. Het lampglas kan
anders kapotgaan.
Lampglas bevestigen
1. Plaats het lampglas terug.
2. Duw het vast.
345
10 Onderhoud en service
||
Gerelateerde informatie
•
10
346
Lampen - specificaties (p. 346)
Lampen - specificaties
De specificaties gelden voor gloeilampen.
Wend u voor vervanging van led- en xenonlampen tot een werkplaats.
Verlichting
WA
Type
Achteruitrijlicht
21
P21W LL
Mistachterlicht
21
P21W LL
Verlichting
WA
Type
Dimlicht, halogeen
55
H7 LL
Groot licht, halogeen
65
H9
•
•
Verstralers, ABL
55
H7 LL
•
Richtingaanwijzers
voorzijde
21
H21W LL
Sidemarkers voor
5
W5W LL
Verlichting dashboardkastje
5
Lampvoet
SV8.5; lengte
43 mm
Verlichting makeupspiegel
2
Lampvoet T5;
W2x4,6d
Verlichting kofferbak
5
Lampvoet
SV8.5; lengte
38 mm
Kentekenplaatverlichting
5
C5W LL
Richtingaanwijzers
achter
21
PY21W SV
A
Watt
Gerelateerde informatie
Lamp vervangen (p. 338)
Lamp vervangen - positie lampen achterzijde (p. 344)
Lamp vervangen - verlichting makeupspiegel (p. 345)
10 Onderhoud en service
Wisserbladen
Om de wisserbladen van de voorruit te kunnen vervangen moeten deze eerst in de servicestand worden gezet.
Servicestand
1. Steek de transpondersleutel in het contactslot9 en druk kort op de knop START/
STOP ENGINE om het elektrische systeem van de auto in de sleutelstand I te
zetten. Voor gedetailleerde informatie
over sleutelstanden, zie Sleutelstanden functies in verschillende standen (p. 68).
Wisserbladen vervangen
10
2. Druk nogmaals kort op de knop START/
STOP ENGINE om het elektrische systeem van de auto in de sleutelstand 0 te
zetten.
3. Beweeg binnen 3 seconden de rechter
stuurhendel omhoog en houd deze
ca. 1 seconde in deze stand.
> De ruitenwisserarmen gaan dan verticaal staan.
Wisserbladen in servicestand.
De wisserbladen dienen in de servicestand te
staan om ze te kunnen vervangen, reinigen of
optillen (bijvoorbeeld om ijs van de voorruit te
krabben).
BELANGRIJK
Voordat de wisserbladen in de servicestand worden gezet, moet u controleren of
ze niet vastgevroren zijn.
9
Niet noodzakelijk bij auto met Keyless-functie.
De wisserbladen keren terug naar de beginstand met een korte druk op de knop START/
STOP ENGINE om het elektrische systeem
van de auto in de sleutelstand I te zetten (of
bij het starten van de auto).
BELANGRIJK
Als de wisserarmen in de servicestand van
de voorruit af zijn gehaald, moeten ze
tegen de voorruit worden teruggeklapt
voordat de wissers weer naar de oorspronkelijke stand terug mogen keren. Dit
gebeurt om te voorkomen dat de lak op de
motorkap beschadigd raakt.
}}
347
10 Onderhoud en service
||
10
Klap de wisserarm omhoog als deze in de
servicestand staat. Druk op de knop die
op de wisserbladhouder zit en trek het
wisserblad evenwijdig aan de wisserarm
los.
Duw het nieuwe wisserblad zo ver naar
binnen dat u een klik hoort.
N.B.
De wisserbladen hebben een verschillende
lengte. Het blad aan de bestuurderskant is
langer dan dat aan de passagierskant.
Sproeiervloeistof - bijvullen
Om de koplampen en ruiten schoon te houden wordt sproeiervloeistof gebruikt. Gebruik
tijdens de wintermaanden sproeiervloeistof
met antivries.
Schoonmaken
Voor het schoonmaken van de wisserbladen
en de voorruit, zie Wasstraat (p. 368).
Controleer of het blad goed vastzit.
4. Klap de wisserarm terug op de voorruit.
De wisserbladen keren terug vanuit de servicestand naar de beginstand met een korte
druk op de knop START/STOP ENGINE om
het elektrische systeem van de auto in de
sleutelstand I te zetten (of bij het starten van
de auto).
BELANGRIJK
Controleer de bladen regelmatig. Verwaarloosd onderhoud verkort de levensduur
van de bladen.
Gerelateerde informatie
•
Sproeiervloeistof - bijvullen (p. 348)
De sproeiers van de voorruit en de koplampen staan in verbinding met hetzelfde vloeistofreservoir.
BELANGRIJK
G021763
Gebruik in de winter sproeiervloeistof met
antivries, zodat de vloeistof niet vastvriest
in pomp, reservoir en slangen.
Voor de hoeveelheden, zie Sproeiervloeistof kwaliteit en hoeveelheid (p. 391).
Gerelateerde informatie
•
348
Wisserbladen (p. 347)
10 Onderhoud en service
Startaccu
De rijomstandigheden, de rijstijl, het aantal
startpogingen, de weersomstandigheden e.d.
zijn van invloed op de levensduur en de werking van de accu.
BELANGRIJK
De startaccu is een traditionele 12V-accu.
•
Koppel de startaccu nooit los, terwijl de
motor loopt.
•
Controleer of de kabels van de startaccu
op de juiste manier zijn aangesloten en
stevig vastzitten.
WAARSCHUWING
•
•
•
De startaccu kan het zeer explosieve
knalgas produceren. Eén enkele vonk,
veroorzaakt door een onjuiste aansluiting van een startkabel, kan volstaan
om de accu tot ontploffing te brengen.
De startaccu bevat tevens zwavelzuur
dat ernstige chemische brandwonden
kan veroorzaken.
Als u accuzuur in uw ogen krijgt of op
uw huid of kleren morst, moet u
onmiddellijk met grote hoeveelheden
water spoelen. Neem onmiddellijk contact op met een arts, als u accuzuur in
uw ogen krijgt.
N.B.
Bij opladen van de startaccu mag alleen
een traditionele acculader worden
gebruikt.
Hoe vaker de accu ontladen raakt, des te
minder lang gaat de accu mee.
De levensduur van de accu wordt bepaald
door uiteenlopende factoren, waaronder
de rijomstandigheden en het klimaat. De
accu verliest na verloop van tijd aan startcapaciteit en moet daarom bijgeladen worden, als er langere tijd achtereen niet of
slechts korte afstanden met de auto wordt
gereden. Ook bij strenge vorst neemt de
startcapaciteit af.
BELANGRIJK
Bij het negeren van het volgende valt na
aansluiting van een externe startaccu of
acculader de energiebesparingsfunctie
voor het infotainmentsysteem mogelijk tijdelijk uit en/of verschijnt er tijdelijk geen
melding over de ladingstoestand van de
startaccu op het informatiedisplay:
Om de accu in optimale conditie te houden wordt geadviseerd wekelijks minstens
15 minuten met de auto te rijden of de
accu aan te sluiten op een acculader met
automatische druppellading.
•
De minpool van de startaccu in de
auto mag nooit worden gebruikt voor
aansluiting van een externe startaccu
of acculader – alleen het autochassis
dient als massapunt te worden
gebruikt.
Zie Starthulp met accu (p. 255) voor een
beschrijving van de locatie van de kabelklemmen en de manier van aansluiten.
10
Voor de maximale levensduur dient de
accu altijd volledig opgeladen te blijven.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Accu - symbolen (p. 350)
Startaccu - vervangen (p. 350)
Accu - Start/Stop (p. 352)
349
10 Onderhoud en service
Accu - symbolen
Vermijd vonken en open
vuur.
Op de accu zitten symbolen die informatie
verstrekken en waarschuwen.
10
Symbolen op de accu
De startaccu is een traditionele 12V-accu.
Draag een veiligheidsbril.
Demonteren
Explosiegevaar.
Zie voor meer informatie
het instructieboekje dat
bij de auto hoort.
Bestemd voor inzameling.
Bewaar accu’s buiten het
bereik van kinderen.
N.B.
De accu bevat een bijtend zuur.
Een defecte startaccu moet op een milieuvriendelijke manier worden verwerkt - deze
bevat namelijk lood.
Gerelateerde informatie
•
350
Startaccu - vervangen
De startaccu van de auto is zonder hulp van
een werkplaats te vervangen.
Startaccu (p. 349)
Om te beginnen: Neem de transpondersleutel uit het contactslot en wacht ten minste
5 minuten, voordat u een van de elektrische
aansluitingen aanraakt – zo kan de informatie
in het elektrische systeem van de auto worden opgeslagen in de verschillende regeleenheden.
10 Onderhoud en service
Neem de achterste afdekking los door
deze een kwartslag te verdraaien en vervolgens op te tillen.
Monteren
WAARSCHUWING
10
De plus- en minkabels in de juiste volgorde
loskoppelen en/of aansluiten.
Koppel de zwarte minkabel los.
1. Laat de accu in de accubak zakken.
Koppel de rode pluskabel los.
2. Duw de accu naar binnen en gelijktijdig
opzij totdat de accu tegen de achterkant
van de accubak aankomt.
Koppel de ontluchtingsslang van de accu
los.
Draai het boutje los waarmee de accuklem vastzit.
3. Schroef de klem vast waarmee de accu
vastzit.
Haal de accu opzij.
4. Sluit de ontluchtingsslang aan.
> Controleer of deze correct is aangesloten tussen de accu en de afvoeropening in de carrosserie.
Til het recht omhoog.
5. Sluit de rode pluskabel aan.
6. Sluit de zwarte minkabel aan.
7. Duw de achterste afdekking vast. (Zie het
voorgaande onderdeel ‘Demonteren’.)
8. Plaats de rubber strip. (Zie ‘Demonteren’.)
Haal de clips op de voorste dekplaat los
en verwijder de dekplaat.
Haal de rubber strip los om de achterste
afdekking bloot te leggen.
9. Pas de voorste afdekking in en zet het
vast met behulp van de clips. (Zie
‘Demonteren’.)
}}
351
10 Onderhoud en service
Zie voor meer informatie over de startaccu
van de auto - Elektrisch systeem (p. 399).
10
Accu - Start/Stop
BELANGRIJK
Een auto met Start/Stop-systeem is voorzien
van twee 12V-accu’s – één extra krachtige
startaccu en een hulpaccu die gebruikt wordt
voor de startprocedure middels het
Start/Stop-systeem.
Bij vervanging van de accu’s in een auto
met Start/Stop-systeem dient u accu’s
type AGM10 te monteren.
N.B.
Voor meer informatie over Start/Stop, zie
Start/Stop* (p. 265).
•
Hoe hoger de stroomafname in de
auto (extra koeling/verwarming e.d.),
hoe meer de accu’s moeten worden
bijgeladen = hoe hoger het brandstofverbruik.
•
Wanneer de capaciteit van de startaccu tot onder de ondergrens is
gedaald, wordt het Start/Stop-systeem
uitgeschakeld.
Voor meer informatie over de startaccu van
de auto - zie Starthulp met accu (p. 255) en
Startaccu - specificatie (p. 400).
Accu
A
B
10
11
352
Start-
Hulp-
KoudestartvermogenA, CCA
(A)
760
180
AfmetingenB,
l×b×h (mm)
278×175×190
150×90×130
•
Capaciteit
(Ah)
70
10
Auto-start motor11 werkt zonder dat u de
koppeling bedient (handmatige versnellingsbak).
•
De motor start automatisch zonder dat u
uw voet van het rempedaal haalt (automatische versnellingsbak).
Conform de SAE-norm.
Maximale afmetingen.
Absorbed Glass Mat
Auto-start is alleen mogelijk, als de versnellingspook in de neutraal staat.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Een tijdelijke functiebeperking van het
Start/Stop-systeem op grond van een hoge
stroomafname houdt het volgende in:
10 Onderhoud en service
Locatie accu’s
BELANGRIJK
N.B.
Bij het negeren van het volgende valt het
Start/Stop-systeem mogelijk tijdelijk uit na
aansluiting van een externe startaccu of
acculader:
Als de startaccu dermate ontladen is dat
alles ‘zwart’ is en alle elektrische standaardsystemen van de auto’s nagenoeg
uitgeschakeld zijn en u de motor vervolgens start met een externe accu of acculader, zal het Start/Stop-systeem actief zijn.
Auto-stop van de motor is in dat geval
mogelijk, maar het Start/Stop-systeem kan
na auto-stop van de motor mogelijk geen
auto-start uitvoeren door onvoldoende
capaciteit van de startaccu.
•
A: Auto met stuur links. B: Auto met stuur rechts.
(1) Startaccu12. (2) Hulpaccu.
De minpool van de startaccu in de
auto mag nooit worden gebruikt voor
aansluiting van een externe startaccu
of acculader – alleen het autochassis
dient als massapunt te worden
gebruikt.
Zie Starthulp met accu (p. 255) voor een
beschrijving van de locatie van de kabelklemmen en de manier van aansluiten.
10
Voor een geslaagde auto-start ná autostop dient de accu eerst te worden opgeladen. Bij een buitentemperatuur van
+15 °C moet de accu ten minste 1 uur lang
worden opgeladen. Bij lagere buitentemperaturen wordt een laadduur geadviseerd
van 3–4 uur. Geadviseerd wordt de accu
op te laden met een externe acculader.
De hulpaccu vergt doorgaans niet meer service dan de normale startaccu. Neem bij vragen of problemen contact op met een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
Als iets dergelijks niet voorhanden is,
wordt geadviseerd het Start/Stop-systeem
uit te schakelen totdat de startaccu voldoende bijgeladen is.
Voor meer informatie over het opladen van
de startaccu van de auto, zie Startaccu (p.
349).
Gerelateerde informatie
•
12
Accu - symbolen (p. 350)
Zie Startaccu (p. 349) voor een uitvoerige beschrijving van de startaccu.
353
10 Onderhoud en service
Zekeringen - algemeen
10
Om te voorkomen dat de elektrische systemen van de auto beschadigd raken door kortsluiting of overbelasting, worden alle verschillende elektrische functies en onderdelen door
een aantal zekeringen beschermd.
Als een van de elektrische onderdelen of
functies niet werkt, is het mogelijk dat de bijbehorende zekering overbelast werd en daardoor gesmolten is. Als dezelfde zekering herhaaldelijk doorbrandt, betekent dit dat het bijbehorende onderdeel een storing vertoont. U
wordt dan geadviseerd een bezoek te brengen aan een erkende Volvo-werkplaats voor
een controle.
Gebruik nooit een vreemd voorwerp of een
zekering met meer ampère dan gespecificeerd om een zekering te vervangen. Dit
kan aanzienlijke schade aan het elektrische systeem veroorzaken en mogelijk tot
brand leiden.
Positie van relais- en zekeringhouders
Vervangen
1. Zoek in de zekeringentabel op waar de
zekering zit.
2. Trek de zekering naar buiten en bekijk
deze van opzij om te kijken of het gebogen draadje soms doorgebrand is.
3. Breng in dat geval een nieuwe zekering
aan met dezelfde kleur en hetzelfde
amperage.
Positie van de relais- en zekeringhouders bij
auto’s met het stuur links – bij auto’s met het
stuur rechts zitten de relais- en zekeringhouders onder het dashboardkastje omgekeerd.
Motorruimte
Onder dashboardkastje
Onder dashboardkastje
Kofferbak
354
Koude zone motorruimte (alleen Start/
Stop)
WAARSCHUWING
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Zekeringen - in motorruimte (p. 355)
Zekeringen - onder dashboardkastje (p.
359)
Zekeringen - in regeleenheid onder dashboardkastje (p. 361)
Zekeringen - in kofferbak (p. 364)
Zekeringen - in de koude zone van de
motorruimte (p. 366)
10 Onderhoud en service
Zekeringen - in motorruimte
De zekeringen in de motorruimte beschermen
o.a. de motor- en remfuncties.
10
}}
355
10 Onderhoud en service
||
Algemene informatie over de
zekeringen in de motorruimte
10
Functie
A
Functie
A
Hoofdzekering voor centrale
elektronicamodule (ECM)
onder dashboardkastjeA
50
Elektrische voorruitverwarming*, rechts
40
ABS-pomp
40
Hoofdzekering voor centrale
elektronicamodule (ECM)
onder dashboardkastje
50
ABS-ventielen
20
Hoofdzekering voor relais- en
zekeringhouder in kofferbakA
60
Koplampsproeiers*
20
10
Hoofdzekering voor relais-/
zekeringhouder onder dashboardkastjeA
60
Koplamphoogteregeling*;
actieve xenonkoplampen ABL*
20
Aan de binnenkant van het deksel zit een
sticker met de positie van de verschillende
zekeringen.
Hoofdzekering voor relais-/
zekeringhouder onder dashboardkastjeA
60
Hoofdzekering voor centrale
elektronicamodule (ECM)
onder dashboardkastje
ABS
5
•
–
Instelbare stuurkracht*
5
Motorregelmodule; transmissieregelmodule; airbags
10
Elektrisch verwarmde sproeikoppen*
10
Aan de binnenkant van het deksel zit een
speciale trekker waarmee u de zekeringen
gemakkelijker kunt verwijderen en aanbrengen.
Posities (zie voorgaande afbeelding)
Motorruimte bovenin
Motorruimte voorin
Motorruimte onderin
Deze zekeringen zitten allemaal in het zekeringenkastje in de motorruimte. De zekeringen
in (C) zitten onder (A).
•
•
13
356
De zekeringen 1–7 en 42–44 zijn van het
type ‘MidiFuse’ en mogen alleen door een
werkplaats worden vervangen13.
De zekeringen 8-15 en 34 zijn van het
type ‘JCASE’ en dienen door een werkplaats te worden vervangen13
De zekeringen 16–33 en 35–41 zijn van
het type ‘MiniFuse’.
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
–
Extra verwarming op stroom*A
100
Elektrische voorruitverwarming*, links
40
Ruitenwissers
30
Standverwarming*
25
InterieurventilatorA
40
–
–
Bedieningspaneel verlichting
5
–
–
10 Onderhoud en service
Functie
A
Functie
A
Functie
A
–
–
10
–
Relais sproeiers
5
20
Verstralers*
20
Motorregeleenheid (4-cil. 2.0
lB); Bobines (5-, 6-cil. benzine);
Condenser (6-cil.)
Claxon
15
10
Relaisspoel in hoofdrelais voor
motormanagementsysteem;
Motorregeleenheid (4-cil. 2.0 lB,
5-, 6-cil.)
10
Motorregeleenheid (benzine
behalve 4-cil. 2.0 lC)
Kleppen (1,6 l benzine); Luchtmassameter (1.6 l, 4-cil. 2.0 lB);
Thermostaat (4-cil. 2.0 l benzineB); EVAP-klep (4-cil. 2.0 l
benzineB); Koelklep voor klimaatregeling (4-cil. 2.0 l diesel); Koelpomp voor EGR (4-cil.
2.0 l diesel)
10
–
Bobines (1.6 l benzine, motor
B4204T7; Regeleenheid gloeiregeling (5-cil. diesel)
Motorregeleenheid (1.6 l diesel,
5-cil. diesel)
15
Motorregeleenheid (4-cil. 2.0 lB)
20
Transmissieregelmodule
15
Magneetkoppeling A/C (niet 4cil. 2.0 lC, niet 5-cil. diesel);
Ondersteunende koelvloeistofpomp (4-cil. 2.0 l diesel)
15
Spoel in relais voor magneetkoppeling A/C (niet 5-cil. diesel); Spoel in relais voor koelvloeistofpomp (1.6 l benzine
Start/Stop; Relaisspoelen in
relais- en zekeringhouder
koude zone motorruimte (Start/
Stop)
5
StartrelaisA
30
10
Luchtmassameter (motor
D4162T); Regelklep brandstofstroom (motor D4162T)
Luchtmassameter (5-cil. diesel,
6-cil.); regelkleppen (5-cil. diesel); verstuivers (5-, 6-cil. benzine); motorregelmodule (5-cil.
benzine, 6-cil.)
15
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
357
10 Onderhoud en service
||
10
358
Functie
A
Functie
A
Functie
A
Magneetkoppeling A/C (5- en
6-cil.); Kleppen (1.6 l, motor
B4204T7; 5-cil., 6-cil.); Motorregeleenheid (6-cil.); Magneetkleppen (6-cil. zonder turbo);
Stelmotoren inlaatspruitstuk (6cil. zonder turbo); Luchtmassameter (motor B4204T7; 5-cil.
benzine); Oliepeilsensor (5-cil.
diesel)
10
Koelvloeistofpomp (1.6 l benzine Start/Stop); verwarming
carterventilatie (5-cil. benzine);
oliepomp automatische versnellingsbak (5-cil. benzine
Start/Stop)
10
Koelventilator (1.6 l, 4-cil. 2.0 l
benzine, 5-cil. benzine)
60
Koelventilator (6-cil., 4-cil. 2.0 l
diesel, 5-cil. diesel)
80
Stuurbekrachtiging
100
Bobines (4-cil. 2.0 l
Kleppen (4-cil. 2.0 lB); Oliepomp (4-cil. 2.0 l benzineB);
Lambdasonde, midden (4-cil.
2.0 l benzineB); Lambdasonde,
achter (4-cil. 2.0 l diesel)
15
Lambdasondes (1.6 l benzine,
motor B4204T7); Lambdasonde (5-cil. diesel); Regeleenheid radiateurafdekking (1.6 l
diesel, 5-cil. diesel)
10
Lambdasonde, voor (4-cil.
2.0 lB); Lambdasonde, achter
(4-cil. 2.0 l benzineB); EVAPklep (5-, 6-cil. benzine); Lambdasondes (5-, 6-cil. benzine)
15
benzineB)
15
Dieselfilterverwarming
20
Regeleenheid radiateurafdekking (5-cil. benzine)
5
Carterventilatieverwarming
(5-cil. diesel); oliepomp automatische versnellingsbak (5-cil.
diesel Start/Stop)
10
Magneetkoppeling A/C (4-cil.
2.0 lB); Regeleenheid gloeiregeling (4-cil. 2.0 l diesel); Oliepomp (4-cil. 2.0 l diesel)
15
Koelvloeistofpomp (4-cil. 2.0 l
benzineB)
50
Gloeibougies (diesel)
70
A
B
C
Bij auto’s met Start/Stop-systeem is deze zekeringpositie
leeg – zie in plaats daarvan Zekeringen - in de koude zone
van de motorruimte (p. 366).
Geldt niet voor motor B4204T7.
Geldt echter voor motor B4204T7.
Gerelateerde informatie
•
Zekeringen - onder dashboardkastje (p.
359)
•
Zekeringen - in regeleenheid onder dashboardkastje (p. 361)
•
Zekeringen - in kofferbak (p. 364)
10 Onderhoud en service
Zekeringen - onder dashboardkastje
De zekeringen onder het dashboardkastje
beschermen o.a. de infotainment- en stoelfuncties.
Posities
Functie
A
Hoofdzekering voor audioregelmodule*; hoofdzekering voor de
zekeringen 16–20: infotainment
40
–
–
–
–
Elektrische stuurverwarming*
10
10
Functie
A
Functie
A
Analoge klok (Executive)
5
20
–
–
Bedieningspaneel achterste
passagiersportier rechts
Bedieningspaneel achterste
passagiersportier links
20
Keyless*
20
Elektrisch bedienbare bestuurdersstoel*
20
12V-aansluiting kofferbak*,;
koelkast*
15
Bedieningspaneel bestuurdersportier
20
Bedieningspaneel voorste passagiersportier
20
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
359
10 Onderhoud en service
||
10
360
Functie
A
Functie
A
Elektrisch bedienbare passagiersstoel*
20
Stoelverwarming passagierszijde
15
–
–
15
Regelmodule infotainment
5
Stoelverwarming bestuurderszijde
10
Park Assist*; parkeercamera*;
regelmodule trekhaak *
5
Audioregelmodule (versterker)*;
digitale radio*; tv*
Regelmodule AWD*
15
Audiosysteem
15
Actieve chassisregeling Four-C*
10
Telematica*; Bluetooth*
5
Multimediasysteem voor achterpassagiers (RSE)*
7,5
Schuifdak*; interieurverlichting
plafond; klimaatregelingssensor*; klepmotoren luchtinlaat
5
12V-aansluiting middenconsole
15
Verwarming zitplaats achterbank rechts*
15
Verwarming zitplaats achterbank links*
15
Massagefunctie voorstoelen*;
verlichting armsteun* en verlichting koelkast*; spoel in relais
voor koelkast*
15
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Zekeringen - in motorruimte (p. 355)
Zekeringen - in regeleenheid onder dashboardkastje (p. 361)
Zekeringen - in kofferbak (p. 364)
Zekeringen - in de koude zone van de
motorruimte (p. 366)
10 Onderhoud en service
Zekeringen - in regeleenheid onder
dashboardkastje
De zekeringen in de regeleenheid onder het
dashboardkastje beschermen o.a. de functies
voor airbags en Collision Warning.
Posities
Functie
A
Functie
A
Instrumentenpaneel
5
–
–
Adaptieve cruisecontrol (ACC)*;
Collision Warning*
10
Ruitensproeiers
15
–
Interieurverlichting; regensensor
7,5
Kofferdeksel ontgrendelen
10
7,5
Stuurwieleenheid
7,5
Omklapbare hoofdsteunen*
10
Centrale vergrendeling tankvulklep
10
Brandstofpomp
20
Functie
A
–
–
–
Interieurverlichting; Bedieningspaneel zijruiten op bestuurdersportier; Op afstand bediende
garagedeur*; Elektrisch bedienbare voorstoelen*
10
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
361
10 Onderhoud en service
||
10
A
Bewegingsmelder alarm*;
bedieningspaneel klimaatregeling
5
•
•
Stuurslot
15
•
•
Sirene alarmsysteem*; diagnose-aansluting OBDII
5
–
–
Airbags
10
Collision Warning*
5
Gaspedaalsensor; Dimfunctie
achteruitkijkspiegel*; Achterbankverwarming*
7,5
Extra verwarming op stroom*
362
Gerelateerde informatie
Functie
Regelmodule infotainment (Performance); audiosysteem (Performance)
15
Remlichten
5
Schuifdak*
20
Startblokkering
5
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Zekeringen - in motorruimte (p. 355)
Zekeringen - onder dashboardkastje (p.
359)
Zekeringen - in kofferbak (p. 364)
Zekeringen - in de koude zone van de
motorruimte (p. 366)
10 Onderhoud en service
•
Zekeringen - bij dashboard
De zekering zit achter het zijpaneel aan de
passagierszijde.
Zekeringen - onder dashboardkastje (p.
359)
10
Zekering
N.B.
Geadviseerd wordt de auto naar een
erkende Volvo-werkplaats te brengen om
zekeringen te laten vervangen.
Functie
A
Analoge klok (Executive)
5
Gerelateerde informatie
•
•
Zekeringen - algemeen (p. 354)
Zekeringen - in regeleenheid onder dashboardkastje (p. 361)
363
10 Onderhoud en service
Zekeringen - in kofferbak
10
De zekeringen in de kofferbak beschermen
o.a. de functies voor de aanhanger en elektrische aandrijving.
Het kastje zit achter de bekleding aan de linkerzijde.
Posities
Functie
A
Elektrische parkeerrem links
30
Elektrische parkeerrem rechts
30
Elektrisch verwarmde achterruit
30
Trekhaakaansluiting 2*
–
364
15
–
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Functie
A
Functie
A
–
–
Trekhaakaansluiting 1*
40
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
Gerelateerde informatie
•
•
Zekeringen - in motorruimte (p. 355)
Zekeringen - onder dashboardkastje (p.
359)
10 Onderhoud en service
•
Zekeringen - in regeleenheid onder dashboardkastje (p. 361)
•
Zekeringen - in de koude zone van de
motorruimte (p. 366)
10
365
10 Onderhoud en service
Zekeringen - in de koude zone van de
motorruimte
10
De zekeringen in de koude zone van de
motorruimte zitten in auto's met de Start/
Stop-functie.
Positie van de zekeringen voor het Start/Stop-systeem.
•
De zekeringen A1 en A2 zijn van het type
‘MEGA Fuse’ en mogen alleen door een
werkplaats worden vervangen14.
•
De zekeringen 1–11 zijn van het type
‘MidiFuse’ en mogen alleen door een
werkplaats worden vervangen14.
•
Zekeringen 12 is van het type ‘MiniFuse’.
Voor meer informatie over Start/Stop, zie
Start/Stop* (p. 265).
14
366
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Posities
Functie
Hoofdzekering voor relais- en
zekeringhouder in motorruimte
A
175
Functie
A
Hoofdzekering voor centrale
elektronicamodule (CEM)
onder dashboardkastje, relais-/
zekeringenkastje onder dashboardkastje, relais- en zekeringenhouder in kofferbak
175
Extra verwarming op stroom*
100
10 Onderhoud en service
Functie
A
Hoofdzekering voor centrale
elektronicamodule (ECM)
onder dashboardkastje
50
Hoofdzekering voor relais-/
zekeringhouder onder dashboardkastje
60
Hoofdzekering voor relais-/
zekeringhouder onder dashboardkastje
60
Hoofdzekering voor relais- en
zekeringhouder in kofferbak
60
Interieurventilator
40
–
–
–
–
Startrelais
30
Interne diode
50
Hulpaccu
70
Centrale elektronicamodule
(CEM) - referentiespanning
hulpaccu; laadpunt hulpaccu
15
Gerelateerde informatie
•
•
Zekeringen - in motorruimte (p. 355)
Zekeringen - onder dashboardkastje (p.
359)
•
Zekeringen - in regeleenheid onder dashboardkastje (p. 361)
•
Zekeringen - in kofferbak (p. 364)
10
367
10 Onderhoud en service
Wasstraat
10
Was de auto zodra deze vuil geworden is.
Zorg dat de auto op een spoelvloer met olieafscheider staat. Gebruik autoshampoo.
Met de hand wassen
•
•
•
•
•
368
Verwijder vogelpoep zo spoedig mogelijk
van de lak. Vogelpoep bevat namelijk
stoffen die de lak aantasten en deze zeer
snel doen verkleuren. U wordt geadviseerd een dergelijke verkleuring te laten
herstellen door een erkende Volvo-werkplaats.
Spoel het onderstel af.
Spoel de hele auto eerst af om loszittend
vuil te verwijderen en het risico te beperken dat er tijdens het reinigen krassen
ontstaan. Spuit niet rechtstreeks in de
richting van de sloten.
Gebruik zo nodig een koud ontvettingsmiddel voor hardnekkig vuil. Let erop dat
de verontreinigde gebieden niet zijn
opgewarmd door de zon!
Was de auto met een spons, autoshampoo en een ruime hoeveelheid lauw
water.
•
Reinig de wisserbladen met een lauwe
zeepoplossing of autoshampoo.
•
Droog de auto af met een schoon en
zacht stuk zeemleer of een trekker. Als u
waterdruppels op de auto niet in de felle
zon laat drogen maar meteen verwijdert,
beperkt u het risico dat u later watervlekken moet wegpoetsen.
WAARSCHUWING
Laat de motorreiniging altijd uitvoeren door
een werkplaats. Als de motor warm is,
bestaat er brandgevaar.
BELANGRIJK
Vuile koplampen werken minder goed.
Maak ze regelmatig schoon, bijvoorbeeld
als u tankt.
Gebruik geen bijtende reinigingsmiddelen,
maar water en een niet krassende spons.
N.B.
Bij de externe verlichting zoals de koplampen, mistlampen en achterlichten kan tijdelijk condens optreden aan de binnenkant van het lampglas. Dit is een natuurlijk
verschijnsel en alle externe verlichting is
erop gebouwd om dit zoveel mogelijk te
voorkomen. Condens verdwijnt normaal uit
het lamphuis, wanneer de lamp enige tijd
brandt.
Wisserbladen
Door teer-, stof- en zoutresten op de wisserbladen en insecten, ijs e.d. op de voorruit
gaan wisserbladen minder lang mee.
Bij het reinigen:
- Zet de wisserbladen in de servicestand, zie
Wisserbladen (p. 347).
N.B.
Reinig de wisserbladen en voorruit regelmatig met een lauw sopje of autoshampoo. Gebruik geen sterke oplosmiddelen.
Automatische wasstraten
In een automatische wasstraat kunt u de auto
weliswaar snel en eenvoudig schoonmaken,
maar de borstels van de wasstraat kunnen
niet overal even goed bij. Voor het beste
resultaat wordt u geadviseerd de auto met de
hand te wassen.
N.B.
De eerste maanden mag de auto alleen
met de hand worden gewassen. De reden
hiervoor is dat de lak gevoeliger is als deze
nieuw is.
Hogedrukreinigers
Let er bij gebruik van een hogedrukreiniger op
dat u cirkelende bewegingen maakt en de
spuitkop op minstens 30 cm afstand van de
auto houdt (geldt voor alle exterieuronderdelen). Spuit niet rechtstreeks in de richting van
de sloten.
10 Onderhoud en service
Remmen testen
BELANGRIJK
Waxen en polijsten op kunststof en rubber
is niet toegestaan.
WAARSCHUWING
Test de rem na het wassen altijd, ook de
parkeerrem, zodat vocht en corrosie de
remvoering niet aantasten en de remmen
verslechteren.
Bij gebruik van ontvettingsmiddel op
kunststof en rubber mag u, als dat nodig
is, slechts met lichte druk wrijven. Gebruik
een zachte spons.
Door het polijsten van glimmende strips
kan de glimmende oppervlaktelaag wegslijten of beschadigd raken.
Trap zo nu en dan lichtjes op het rempedaal,
als u lange afstanden in de regen of sneeuwmodder aflegt. Door de wrijving worden de
remblokken warm, zodat het vocht verdampt.
Doe hetzelfde bij zeer vochtig of koud weer.
Kunststof en rubber sieronderdelen
exterieur
Voor het schoonmaken en verzorgen van
gekleurde kunststof onderdelen, rubber
onderdelen en sieronderdelen zoals glimmende strips, wordt geadviseerd het speciale
reinigingsmiddel te gebruiken dat bij de
Volvo-werkplaats verkrijgbaar is. Volg bij het
gebruik van dit reinigingsmiddel de gebruiksvoorschriften nauwkeurig op.
Gebruik geen poetsmiddel dat schuurmiddel bevat.
Velgen
Gebruik alleen de velgreinigingsmiddelen die
Volvo adviseert.
Sterke velgreinigingsmiddelen kunnen het
oppervlak beschadigen en vlekken veroorzaken op verchroomde lichtmetalen velgen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Poetsen en in de was zetten
Poets de auto en zet deze in de was, wanneer
de lak er dof uitziet of als u deze extra
bescherming wilt bieden.
U hoeft een nieuwe auto pas na een jaar te
poetsen. In de was zetten kunt u eerder doen.
Zorg dat de auto bij het poetsen of in de was
zetten niet in direct zonlicht staat.
10
Was de auto en droog deze zorgvuldig af,
voordat u begint te poetsen of de was aanbrengt. Verwijder asfalt- en teervlekken met
een teerverwijderaar of terpentine. U kunt
hardnekkige vlekken met een speciaal voor
autolak bestemde, fijne schuurpasta (‘rubbing
compound’) verwijderen.
Poets de lak eerst op en behandel deze
daarna met was in vloeibare of vaste vorm.
Volg de aanwijzingen op de verpakking nauwkeurig op. Veel preparaten bevatten zowel
poetsmiddel als was.
Poetsen en in de was zetten (p. 369)
BELANGRIJK
Interieur reinigen (p. 371)
Alleen lakbehandelingen uitvoeren die door
Volvo geadviseerd worden. Andere behandelingen zoals lakconservering, verzegeling, bescherming, glansverzegeling e.d.
kunnen lakschade veroorzaken. Lakschade als gevolg van dergelijke behandelingen valt niet onder de Volvo-garantie.
Water- en vuilafstotende laag (p. 370)
Gerelateerde informatie
•
Wasstraat (p. 368)
369
10 Onderhoud en service
Water- en vuilafstotende laag
10
De ruiten zijn voorzien van een speciale laag
die bij hevige regenval voor een beter zicht
zorgt.
Water- en vuilafstotende laag*
De waterafstotende laag staat bloot
aan natuurlijke slijtage.
Onderhoud:
•
Gebruik nooit producten zoals autowas,
ontvetters e.d. op het glasoppervlak,
omdat de waterafstotende laag daardoor
beschadigd kan raken.
•
Wees voorzichtig bij het schoonmaken
om te voorkomen dat er krassen in het
glasoppervlak ontstaan.
•
Om schade aan het glas te voorkomen
dient u voor het verwijderen van ijs alleen
een krabber van kunststof te gebruiken.
•
Om de waterafstotende eigenschappen
te behouden, wordt geadviseerd de
behandeling te vernieuwen met een nabehandelingsmiddel dat verkrijgbaar is bij
een erkende Volvo-werkplaats. Gebruik
het middel de eerste keer na drie jaar en
daarna ieder jaar.
BELANGRIJK
Gebruik geen metalen ijskrabber om de
ruiten van ijs te ontdoen. Gebruik de elektrische verwarming om de buitenspiegels
van ijs te ontdoen, zie Ruiten en buitenspiegels - elektrische verwarming (p. 97).
370
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Gerelateerde informatie
•
Wasstraat (p. 368)
Roestwering
De auto heeft in de fabriek een uiterst grondige en complete roestwerende behandeling
ondergaan. De carrosserie bestaat ten dele uit
gegalvaniseerd plaatwerk. Het onderstel is
voorzien van een slijtvaste bodembescherming. In de balken, holten en gesloten profielen werd een dunne, doordringende roestwerende vloeistof gespoten.
Controleren en onderhouden
Vuil en strooizout kunnen aanleiding geven
tot corrosie. Het is daarom belangrijk de auto
schoon te houden. Om de roestwering van de
auto in optimale staat te houden moet u de
beschermlaag regelmatig controleren en zo
nodig bijwerken.
De roestwering van de auto hoeft normaal
gesproken pas na ca. 12 jaar voor het eerst te
worden nabehandeld. De auto moet daarna
om de drie jaar een nabehandeling ondergaan. U wordt geadviseerd om contact op te
nemen met een erkende Volvo-werkplaats,
als de auto een nabehandeling nodig heeft.
Gerelateerde informatie
•
Lakschade (p. 372)
10 Onderhoud en service
Interieur reinigen
Gebruik alleen reinigingsmiddelen en autoverzorgingsproducten die door Volvo geadviseerd worden. Maak de bekleding regelmatig
schoon en volg daarbij de gebruiksaanwijzingen bij het autoverzorgingsproduct op.
Het is belangrijk te stofzuigen voordat u een
reinigingsmiddel gebruikt.
Matten en kofferbak
Haal de inlegmatten uit de auto om de vloerbekleding en de inlegmatten ieder apart
schoon te kunnen maken. Gebruik een stofzuiger om vuil en stof te verwijderen. Elk van
beide inlegmatten zit met pennen vast.
Pak de inlegmat bij elk van beide pennen vast
en til de mat recht omhoog.
Breng de inlegmat aan door deze bij beide
pennen vast te drukken.
WAARSCHUWING
Controleer voordat u wegrijdt of de inlegmat voor de bestuurdersstoel goed ligt en
aan de knoppen vastzit, zodat deze niet
naast of onder de pedalen klem kan
komen te zitten.
Voor vlekken op de vloermat wordt geadviseerd het speciale reinigingsmiddel voor stoffen bekleding te gebruiken nadat u hebt
gestofzuigd. U dient vloermatten te reinigen
met de door uw Volvo-dealer geadviseerde
producten.
Vlekken op stoffen bekleding en
plafondbekleding
verouderingsproces van het leer en geeft aan
dat het om een natuurproduct gaat.
Om de brandvertragende eigenschappen van
de bekleding niet aan te tasten wordt geadviseerd een speciaal reinigingsmiddel voor
stoffen bekleding te gebruiken dat verkrijgbaar is bij erkende Volvo-werkplaatsen.
Voor de beste resultaten adviseert Volvo eenà viermaal per jaar (zo nodig vaker) beschermende crème op te brengen. De Volvo Leather Care-set is verkrijgbaar bij de Volvo-dealer.
BELANGRIJK
Scherpe voorwerpen en klittenbandsluitingen kunnen de stoffen bekleding van de
auto beschadigen.
Vlekken op leren bekleding
De leren bekleding van Volvo is behandeld
om de bekleding in oorspronkelijke staat te
bewaren.
Naarmate leren bekleding ouder wordt, krijgt
het een fraai patina. Het leer wordt veredeld
en bewerkt zodat het zijn natuurlijke eigenschappen houdt. Het leer is voorzien van een
beschermende toplaag, maar om de goede
eigenschappen en het fraaie uiterlijk te
behouden is regelmatige verzorging van het
leer vereist. Volvo biedt een universeel leerverzorgingsproduct waarmee u leren bekleding kunt schoonmaken en de beschermende
laag kunt herstellen, mits u de instructies
opvolgt. Na enig tijd in gebruikt te zijn
geweest krijgt het leer zijn natuurlijke patina,
afhankelijk van de oppervlaktestructuur. Een
dergelijk patina maakt deel van het natuurlijke
10
BELANGRIJK
•
Sommige geverfde kledingstukken
(zoals spijkerbroeken en suède kleding) kunnen afgeven en voor verkleuring van de bekleding zorgen.
•
Gebruik nooit sterke oplosmiddelen.
Dergelijke middelen kunnen bekleding
van textiel, vinyl en leer beschadigen.
Reinigingsvoorschriften voor leren
bekleding
1. Breng een weinig van het leerreinigingsproduct op een vochtige spons aan en
knijp erin om een dikke laag schuim te
krijgen.
2. Behandel de vlek voorzichtig met cirkelende bewegingen.
3. Dep de vlek zorgvuldig met de spons.
Laat de vlek in de spons trekken. Wrijf
niet.
4. Veeg het behandelde gebied met een
stuk zacht papier of een doek af en laat
het leer volledig drogen.
}}
371
10 Onderhoud en service
||
Beschermende laag aanbrengen op
leren bekleding
10
1. Breng wat van de beschermende crème
op de vilten doek aan en wrijf de crème in
cirkelende bewegingen voorzichtig in het
leer.
Lakschade
1. Dezelfde procedure als voor groep 1.
De lak vormt een belangrijk onderdeel van de
roestwering van de auto en moet daarom
regelmatig worden gecontroleerd. De meest
voorkomende soorten lakschade zijn bijvoorbeeld steenslagplekken, krassen en plekjes op
de spatbordranden, portieren en bumpers.
2. Dep met een absorberende papieren of
stoffen doek.
Groep 3 (vuil, stof in droge vorm)
2. Laat het leer 20 minuten drogen alvorens
erop plaats te nemen.
1. Gebruik een zachte borstel om het vuil te
verwijderen.
Daarmee is het leer beter beschermd tegen
vlekken en uv-straling.
2. Dezelfde procedure als voor groep 1.
Reinigingsvoorschriften voor leren
stuurwiel
•
Verwijder vuil en stof met een ietwat
vochtige spons en een neutrale zeepoplossing.
•
Leer moet kunnen ademen. Dek het leren
stuurwiel nooit af met kunststof bescherming.
•
Gebruik natuurlijke oliën. Voor het beste
resultaat wordt geadviseerd het leerverzorgingsmiddel van Volvo te gebruiken.
Bij vlekken op het stuurwiel:
Groep 1 (inkt, wijn, koffie, melk, zweet en
bloed)
–
372
Groep 2 (vet, olie, saus en chocolade)
Gebruik een zachte doek of spons. Neem
een ammoniakoplossing in een concentratie van 5 %. (Gebruik voor bloedvlekken een oplossing van 2 dl water en 25 g
zout.)
Vlekken op interieuronderdelen van
kunststof, metaal en hout
Voor het reinigen van interieuronderdelen en panelen van kunststof worden met water
bevochtigde splitfiber- of microvezeldoeken
geadviseerd, die verkrijgbaar zijn bij een
erkende Volvo-werkplaats.
Krab of wrijf nooit over een vlek. Gebruik
nooit sterke vlekkenmiddelen. Voor de hardnekkige vlekken kunt u een speciaal reinigingsmiddel gebruiken dat verkrijgbaar is bij
de erkende Volvo-werkplaats.
Veiligheidsgordels
Gebruik water en een synthetisch wasmiddel
en in het bijzonder het textielreinigingsmiddel
dat bij de erkende Volvo-werkplaats verkrijgbaar is. Zorg dat de gordel droog is, voordat
deze weer wordt opgerold.
Gerelateerde informatie
•
Wasstraat (p. 368)
Geringe lakschade herstellen
Om roestvorming te voorkomen moet u lakschade direct herstellen.
Benodigdheden
10 Onderhoud en service
•
grondlak (primer)15 - voor met kunststof
beklede bumpers e.d. zijn er spuitbussen
met speciale hechtprimer verkrijgbaar
•
basislak en heldere lak - verkrijgbaar in
spuitbussen en als bijwerkpennen/-stiften16
•
•
Geringe lakschade herstellen zoals
steenslagschade en krasjes
1. Plak een stuk afplaktape over het
beschadigde gebied heen. Trek de tape
weer van de lak af om eventuele lakresten
te verwijderen.
afplaktape
fijn schuurlinnen15.
G021832
Kleurcode
Vóór het herstel van lakschade moet u de
auto schoonmaken en goed laten drogen.
Zorg er bovendien voor dat de auto warmer is
dan 15 °C.
Kleurcode van de auto
Het is belangrijk dat u de juiste lakkleur
gebruikt. Voor de positie van de productsticker zie Type-aanduidingen (p. 376).
15
16
Eventueel.
Volg de aanwijzingen die bij de verpakking van de bijwerkpen/-stift werden geleverd.
Als de beschadiging tot de metaallaag
(blanke plaat) reikt, wordt grondlak (primer) geadviseerd. Bij beschadiging van
een kunststof oppervlak moet u een
hechtprimer gebruiken voor betere resultaten - spuit het middel in de dop van de
spuitbus uit en breng het met een kwastje
dun op.
10
2. Vóór het lakken kunt u zo nodig (bij ongelijkmatige randen bijvoorbeeld) plaatselijk
licht schuren met zeer fijn schuurlinnen.
Reinig het gebied zorgvuldig en laat het
goed drogen.
3. Roer de grondlak (primer) goed om en
breng deze met een fijn kwastje of een
lucifer of iets dergelijks op. Dek het
geheel af met basislak en heldere lak,
wanneer de grondlak droog is.
4. Krassen kunt u op dezelfde manier herstellen, maar dek ter bescherming de
onbeschadigde lak rond de kras af.
}}
373
10 Onderhoud en service
||
N.B.
Als de steenslag niet tot het metalen
oppervlak (blanke plaat) is doorgedrongen
en er nog steeds een intacte laklaag aanwezig is, moet u de basislak en heldere lak
direct aanbrengen nadat u het oppervlak
hebt gereinigd.
10
Gerelateerde informatie
•
374
Roestwering (p. 370)
SPECIFICATIES
11 Specificaties
Type-aanduidingen
Type-aanduiding, chassisnummer e.d. (voertuigspecifieke informatie) staan aangegeven
op een sticker in de auto.
11
376
11 Specificaties
Positie van stickers en plaatjes
11
Wanneer u contact opneemt met uw erkende
Volvo-werkplaats of vervangende onderdelen
of accessoires wilt bestellen, kan het handig
zijn om de type-aanduiding, het chassisnum-
mer en het motornummer bij de hand te hebben.
Type-aanduiding, chassisnummer, maximaal toelaatbaar gewicht, kleurcodes
voor lak en bekleding en typegoedkeuringsnummer. Bij het openen van het
}}
377
11 Specificaties
||
rechter achterportier is de sticker zichtbaar.
Sticker voor standverwarming.
Motorcode en serienummer van de
motor.
Sticker voor motorolie.
Type-aanduiding en serienummer van de
versnellingsbak.
11
Handgeschakelde versnellingsbak
Automatische versnellingsbak
Identificatienummer van de auto (VIN,
Vehicle Identification Number)
De typegoedkeuring van de auto bevat meer
informatie over de auto.
N.B.
De in het instructieboekje afgebeelde stickers hoeven niet per definitie overeen te
komen met de stickers die in of op uw
auto aanwezig zijn. De afbeeldingen zijn
alleen bedoeld om aan te geven hoe de
stickers er in grote lijnen uitzien en waar u
ze ongeveer kunt aantreffen. Op de stickers van uw auto vindt u de informatie die
op uw auto van toepassing is.
Gerelateerde informatie
•
•
378
Gewichten (p. 380)
Motorspecificaties (p. 383)
11 Specificaties
Maten
In de tabel ziet u de maten van de auto wat de
lengte, hoogte e.d. betreft.
11
Maten
mm
Maten
A
Wielbasis
2835
B
Lengte
4854
C
Laadlengte, vloer, achterbank neergeklapt
1927
D
Laadlengte, vloer
1094
E
Hoogte
1493
F
Laadhoogte
G
Spoorbreedte vooras
mm
Maten
1588A
K
Breedte incl. buitenspiegels
2106
L
Breedte incl. ingeklapte buitenspiegels
1907
1578B
H
Spoorbreedte achteras
1585A
1575B
I
Laadbreedte, vloer
J
Breedte
1130
A
B
C
mm
met 16"-wielen
met 17"-wielen
met Keyless Drive*
1861 (1876C)
368
379
11 Specificaties
Gewichten
Het maximale totaalgewicht staat aangegeven
op een sticker in de auto.
Bij het rijklaar gewicht zijn het gewicht van de
bestuurder, dat van de brandstoftank die voor
90 % gevuld is en dat van de resterende
oliën/vloeistoffen inbegrepen.
11
Het gewicht van de passagiers en de gemonteerde accessoires alsmede de kogeldruk (p.
381) (bij gebruik van een aanhanger) zijn van
invloed op het laadvermogen en zijn niet
inbegrepen bij het rijklaar gewicht.
Toelaatbare maximumbelading = totaalgewicht – rijklaar gewicht.
N.B.
Het gedocumenteerde rijklaar gewicht
geldt voor een auto in standaarduitvoering
– d.w.z. een auto zonder extra uitrusting of
accessoires. Dit betekent dat voor ieder
accessoire dat wordt toegevoegd het laadvermogen van de auto met het gewicht
van het desbetreffende accessoire moet
worden verminderd.
Voorbeelden van accessoires die een vermindering van het laadvermogen betekenen zijn auto’s in de uitvoeringen Kinetic,
Momentum en Summum alsmede zaken
als trekhaken, lastdragers, skiboxen,
audiosystemen, verstralers, gps-systemen,
brandstofkachels, veiligheidsrekken, matten, bagagerolhoezen/-afdekkingen, elektrisch bediende stoelen, etc.
Voor informatie over de positie van de sticker, zie
Type-aanduidingen (p. 376).
Max. totaalgewicht
Max. treingewicht (auto + aanhanger)
Max. voorasdruk
Een weegbrug is een betrouwbaar instrument om het rijklaar gewicht voor uw auto
te bepalen.
WAARSCHUWING
Het rijgedrag van de auto verandert door
hoe zwaar de auto beladen is en hoe de
lading is geplaatst.
Max. achterasdruk
Uitrustingsniveau
Max. belasting: Zie typegoedkeuring.
Max. dakbelasting: 100 kg.
Gerelateerde informatie
•
380
Trekgewicht en kogeldruk (p. 381)
11 Specificaties
Trekgewicht en kogeldruk
Max. gewicht geremde aanhanger
Het trekgewicht en de kogeldruk voor het rijden met een aanhanger staan in de tabellen.
N.B.
Voor aanhangers/caravans zwaarder dan
1800 kg wordt een trillingsdemper op de
trekhaak geadviseerd.
Motor
MotorcodeA
Versnellingsbak
Max. gewicht geremde aanhanger (kg)
Max. kogeldruk (kg)
Alle
Alle
Alle
1200
50
T4
B4164T
Handgeschakeld, MMT6
1600
75
T4
B4164T
Automaat, MPS6
1600
75
T4F
B4164T2
Handgeschakeld, MMT6
1600
75
T4F
B4164T2
Automaat, MPS6
1600
75
T5
B4204T11
Automaat, TG-81SC
1800
90
T5
B4204T15
Automaat, TG-81SC
1800
90
T5B
B5254T14
Automaat, TF-80SC
1800
90
3.2 AWD
B6324S5
Automaat, TF-80SC
1800
90
T6 AWD
B6304T4
Automaat, TF-80SC
2000
90
D2
D4162T
Handgeschakeld, MMT6
1300
75
D2
D4162T
Automaat, MPS6
1300
75
D3
D5204T7
Handgeschakeld, M66
1600
75
D3
D5204T7
Automaat, TF-80SD
1600
75
11
}}
381
11 Specificaties
||
11
Motor
MotorcodeA
Versnellingsbak
Max. gewicht geremde aanhanger (kg)
Max. kogeldruk (kg)
D4
D4204T5
Handgeschakeld, M66
1800
90
D4
D4204T5
Automaat, TG-81SC
1800
90
D5
D5244T11
Handgeschakeld, M66
1600
75
D5
D5244T15
Automaat, TF-80SC
2000
90
D5 AWD
D5244T15
Automaat, TF-80SC
2000
90
Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op de motor, zie Type-aanduidingen (p. 376).
Alleen bepaalde markten.
A
B
Max. gewicht ongeremde aanhanger
Max. gewicht ongeremde aanhanger (kg)
750
Gerelateerde informatie
•
•
•
382
Gewichten (p. 380)
Rijden met een aanhanger (p. 294)
Trailer Stability Assist - TSA (p. 301)
Max. kogeldruk (kg)
50
11 Specificaties
Motorspecificaties
De motorspecificaties (vermogen enz.) voor
de verschillende motoralternatieven staan in
de tabel.
N.B.
Niet alle motoren zijn verkrijgbaar op alle
markten.
11
}}
383
11 Specificaties
||
Motor
11
MotorcodeA
Vermogen
Vermogen
Koppel
(kW bij
omw/min)
(pk bij
omw)
(Nm bij omw/
min)
Cilinderboring
Slaglengte
Cilinderinhoud
(mm)
(mm)
(liter)
Compressieverhouding
T4
B4164T
132/5700
180/5700
240/1600–5000
4
79
81,4
1,596
10,0:1
T4F
B4164T2
132/5700
180/5700
240/1600–5000
4
79
81,4
1,596
10,0:1
T5
B4204T11
180/5500
245/5500
350/1500-4800
4
82
93,2
1,969
10,8:1
T5
B4204T15
161/5500
220/5500
350/1500–4000
4
82
93,2
1,969
10,8:1
T5B
B5254T14
183/5400
249/5400
360/1800–4200
5
83,0
92,3
2,497
9,5:1
3.2
B6324S5
179/6400
243/6400
320/3200
6
84
96
3,192
10,8:1
T6
B6304T4
224/5600
304/5600
440/2100–4200
6
82,0
93,2
2,953
9,3:1
D2
D4162T
84/3600
115/3600
270/1750–2500
4
75
88,3
1,560
16,0:1
D3
D5204T7
100/3500
136/3500
350/1500–2250
5
81,0
77
1,984
16,5:1
D4
D4204T5
133/4250
181/4250
400/1750–2500
4
82,0
93,2
1,969
15,8:1
D5
D5244T11C
158/4000
215/4000
420/1500–3250
5
81,0
93,15
2,400
16,5:1
D5
D5244T15D
158/4000
215/4000
440/1500–3000
5
81,0
93,15
2,400
16,5:1
A
B
C
D
Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op de motor, zie Type-aanduidingen (p. 376).
Alleen bepaalde markten.
Handgeschakelde versnellingsbak
Automatische versnellingsbak
Gerelateerde informatie
384
Aantal
cilinders
•
Koelvloeistof - kwaliteit en hoeveelheid (p.
388)
•
Motorolie - kwaliteit en hoeveelheid (p.
386)
11 Specificaties
Motorolie - ongunstige
rijomstandigheden
BELANGRIJK
Om aan de vereisten voor de gespecificeerde service-intervallen te voldoen worden alle motoren in de fabriek gevuld met
een speciaal aangepaste, synthetische
motorolie. De oliesoort werd met grote
zorg geselecteerd lettend op de levensduur van de motor, de startgewilligheid,
het brandstofverbruik en de milieu-impact.
In ongunstige rijomstandigheden kunnen de
olietemperatuur en het olieverbruik abnormaal
toenemen. Hier volgen enkele voorbeelden
van ongunstige rijomstandigheden.
Controleer het oliepeil (p. 331) vaker tijdens
langere ritten:
Het bovenstaande geldt ook tijdens kortere
ritten bij lage temperaturen.
Om de aanbevolen service-intervallen aan
te kunnen houden dient u een goedgekeurde motoroliesoort te gebruiken.
Gebruik alleen een oliesoort van de voorgeschreven kwaliteit en dat zowel bij het
bijvullen als bij verversen van olie. Een
negatieve invloed op de levensduur van de
motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact is anders niet
uitgesloten.
Kies een volsynthetische motorolie bij ongunstige rijomstandigheden. Ze bieden de motor
extra bescherming.
Volvo Car Corporation wijst alle garantieclaims af bij gebruik van een motoroliesoort die niet voldoet aan de voorgeschreven kwaliteits- en viscositeitseisen.
Volvo beveelt aan:
Volvo adviseert de olie in een erkende
Volvo-werkplaats te laten verversen.
•
met een caravan of aanhanger achter de
auto
•
•
•
in bergachtig gebied
op hoge snelheden
in temperaturen lager dan –30 °C of
hoger dan +40 °C.
11
Gerelateerde informatie
•
Motorolie - kwaliteit en hoeveelheid (p.
386)
•
Motorolie - algemeen (p. 330)
385
11 Specificaties
Motorolie - kwaliteit en hoeveelheid
De motoroliekwaliteit en de te hanteren hoeveelheden voor de verschillende motoralternatieven staan in de tabel.
Volvo beveelt aan:
11
Motor
MotorcodeA
Oliekwaliteit
Hoeveelheid, incl. oliefilter
(liter)
B6324S5
Oliekwaliteit: ACEA A5/B5
ca. 6,8
T6
B6304T4
Viscositeit: SAE 0W–30
ca. 6,8
D3
D5204T7
ca. 5,9
D5
D5244T11B
ca. 5,9
D5
D5244T15C
ca. 5,9
D2
D4162T
3.2
Oliekwaliteit: ACEA A5/B5
Viscositeit: SAE 5W–30
Bij ritten onder ongunstige omstandigheden ACEA A5/B5 SAE 0W–30 gebruiken.
386
ca. 3,8
11 Specificaties
Motor
MotorcodeA
Oliekwaliteit
Hoeveelheid, incl. oliefilter
(liter)
T4
B4164T
In de fabriek bijgevulde en gecertificeerde olie: Oliekwaliteit WSS-M2C925-A
ca. 4,1
alternatief tijdens servicebeurt:
T4F
B4164T2
Oliekwaliteit: ACEA A5/B5
ca. 4,1
Viscositeit: SAE 5W–30
A
B
C
D
Oliekwaliteit: ACEA A5/B5
11
T5D
B5254T14
T5
B4204T11
T5
B4204T15
ca. 5,4
D4
D4204T5
ca. 5,6
Viscositeit: SAE 0W–30
Castrol Edge Professional V 0W-20 of 0w20 VCC RBS0-2AE
ca. 5,5
ca. 5,4
Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op de motor, zie Type-aanduidingen (p. 376).
Handgeschakelde versnellingsbak.
Automatische versnellingsbak.
Alleen bepaalde markten.
Gerelateerde informatie
•
Motorolie - ongunstige rijomstandigheden
(p. 385)
•
Motorolie - controleren en bijvullen (p.
331)
387
11 Specificaties
11
Koelvloeistof - kwaliteit en
hoeveelheid
MotorA
In de tabel ziet u de aan te houden hoeveelheid koelvloeistof voor de verschillende
motortypes.
T4
B4164TD
T4F
B4164T2D
T5
B4204T11
T5
B4204T15
D4
D4204T5
Hoeveelheid
(liter)
2
388
(liter)
Voorgeschreven kwaliteit: Door Volvo aanbevolen koelvloeistof aangelengd met 50 %
water2, zie verpakking.
MotorA
D2
D4162TC
10,5
D2
D4162TD
11,1
3.2
B6324S5
8,9
T5B
B5254T14
T6
B6304T4
D3
D5204T7
D5
D5244T15
D5
D5244T11
T4
B4164TC
T4F
B4164T2C
A
B
C
D
E
De waterkwaliteit dient te voldoen aan de norm STD 1285,1.
9,8
8,3 (8,7E)
8,9 (9,2E)
Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor
vindt u op de motor, zie Type-aanduidingen (p. 376).
Alleen bepaalde markten.
Handgeschakelde versnellingsbak
Automatische versnellingsbak
Geldt voor een auto met een verwarming op brandstof.
Gerelateerde informatie
•
9,2
Hoeveelheid
Koelvloeistof - peil (p. 335)
11 Specificaties
Transmissieolie - kwaliteit en
hoeveelheid
De voorgeschreven transmissieolie en de
hoeveelheid voor de verschillende versnellingsbakopties staan in de tabel.
Handgeschakelde versnellingsbak
Handgeschakelde versnellingsbak
MMT6
M66
A
Hoeveelheid (liter)
ca. 1,7
ca. 1,9 (ca. 1,45A)
Voorgeschreven versnellingsbakolie
11
BOT 350M3
Geldt voor motortype D4204T5.
N.B.
Onder normale rijomstandigheden hoeft de
versnellingsbakolie niet te worden ververst
zolang de versnellingsbak meegaat. Onder
ongunstige rijomstandigheden moet de
olie mogelijk wel worden ververst.
Automatische versnellingsbak
Automatische versnellingsbak
Hoeveelheid (liter)
Voorgeschreven versnellingsbakolie
MPS6
ca. 7,3
BOT 341
TF-80SC
ca. 7,0
AW1
}}
389
11 Specificaties
||
Automatische versnellingsbak
TF-80SD
TG-81SC
A
B
11
Benzinemotoren
Dieselmotoren
N.B.
Onder normale rijomstandigheden hoeft de
versnellingsbakolie niet te worden ververst
zolang de versnellingsbak meegaat. Onder
ongunstige rijomstandigheden moet de
olie mogelijk wel worden ververst.
Gerelateerde informatie
390
•
Motorolie - ongunstige rijomstandigheden
(p. 385)
•
Type-aanduidingen (p. 376)
Hoeveelheid (liter)
ca. 7,0
ca. 6,6A
ca. 7,5B
Voorgeschreven versnellingsbakolie
AW1
AW1
11 Specificaties
Remvloeistof - kwaliteit en
hoeveelheid
Stuurbekrachtigingsvloeistof kwaliteit
Sproeiervloeistof - kwaliteit en
hoeveelheid
Remvloeistof is de naam van het middel in
een hydraulisch remsysteem, dat wordt
gebruikt om kracht over te brengen vanuit bijvoorbeeld een rempedaal via een hoofdremcilinder naar een of meerdere hulpcilinders die
op hun beurt een mechanische rem beïnvloeden.
Stuurbekrachtigingsvloeistof is de naam van
het middel dat in het stuurbekrachtigingssysteem van de auto wordt gebruikt.
De sproeiervloeistof wordt gebruikt om samen
met de voor- en achterruitwisser (p. 92) de
ruiten en koplampen van de auto schoon te
houden en voor goed zicht tijdens het rijden
te zorgen.
Voorgeschreven kwaliteit: DOT 4
•
Hoeveelheid: 0,6 liter
Gerelateerde informatie
•
Rem- en koppelingsvloeistof - peil (p.
336)
Voorgeschreven kwaliteit: WSS M2C204-A2
of een vergelijkbaar product.
Gerelateerde informatie
Stuurbekrachtigingsvloeistof - peil (p.
337)
Voorgeschreven kwaliteit: Door Volvo aanbevolen sproeiervloeistof, met antivries bij
koud weer en onder het vriespunt.
11
Hoeveelheid:
•
•
Auto’s met koplampsproeiers: 6,5 liter.
Auto’s zonder koplampsproeiers: 4,5
liter.
Gerelateerde informatie
•
•
Sproeiervloeistof - bijvullen (p. 348)
Wisserbladen (p. 347)
391
11 Specificaties
Brandstoftank - inhoud
De inhoud van de brandstof voor de verschillende motoralternatieven staat in de tabel.
Motor
11
Voorgeschreven kwaliteit
Benzinemotor
ca. 70
Benzine: Brandstof - benzine (p. 288)
Dieselmotor
ca. 70
Dieselolie: Brandstof - diesel (p. 289)
Gerelateerde informatie
•
•
392
Hoeveelheid (liter)
Brandstof tanken (p. 287)
Motorspecificaties (p. 383)
11 Specificaties
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot
stadsverkeer
Het brandstofverbruik voor een auto wordt
gemeten in liter per 100 km en de CO2-uitstoot in gram per km.
snelwegrit
Uitleg
combinatierit
gram/km
11
liter/100 km
S80
T4 (B4164T)
–
–
–
–
–
–
T4 (B4164T)
226
9,7
130
5,6
165
7,1
T4FA (B4164T2)
220 (210B)
9,5 (12,8B)
124 (120B)
5,3 (7,3B)
159 (153B)
6,9 (9,3B)
T4FA (B4164T2)
226 (217B)
9,7 (13,2B)
130 (125B)
5,6 (7,6B)
165 (159B)
7,1 (9,7B)
T5 (B4204T11)
–
–
–
–
–
–
319
13,7
163
7,0
219
9,4
3.2 AWD (B6324S5)
}}
393
11 Specificaties
||
S80
11
394
T6 AWD (B6304T4)
337
14,5
170
7,3
231
9,9
D2C (D4162T)
140
5,3
106
4,0
119
4,5
D2D (D4162T)
120
4,6
100
3,8
107
4,1
D2C (D4162T)
134
5,1
111
4,2
119
4,5
D2D (D4162T)
125
4,8
100
3,8
109
4,1
D3 (D5204T7)
135
5,1
102
3,9
114
4,3
D3E (D5204T7)
162
6,1
115
4,3
132
5,0
D3F (D5204T7)
159
6,0
112
4,3
129
4,9
D4C (D4204T5)
–
–
–
–
–
–
D4D (D4204T5)
–
–
–
–
–
–
D4C (D4204T5)
–
–
–
–
–
–
11 Specificaties
S80
D4D (D4204T5)
–
–
–
–
–
–
D5 (D5244T11)
146
5,6
105
4,0
120
4,6
D5 (D5244T15)
219
8,4
124
4,7
159
6,1
–
–
–
–
–
–
D5 AWD (D5244T15)
A
B
C
D
E
F
FlexiFuel-motoren kunnen op zowel loodvrije benzine (95 RON) als op bio-ethanol (E85) rijden. Beide brandstofsoorten worden in de gemeenschappelijke brandstoftank bijgevuld, wat betekent
dat alle mogelijke mengverhoudingen tussen de beide brandstofsoorten zijn toegestaan.
E85
Geldt niet voor de variant met een geringe emissie.
Geldt alleen voor de variant met een geringe emissie, maximale bandbreedte 225.
Geen bandenrestrictie.
Bandenrestrictie, maximale bandbreedte 225.
N.B.
Als de gegevens over brandstofverbruik en
emissie ontbreken, staan deze in het bijgeleverde supplement.
3
11
De brandstofverbruiks- en emissiewaarden in
de bovenstaande tabel zijn gebaseerd op
speciale EU-rijcycli3, die gelden voor een auto
met rijklaar gewicht in standaarduitvoering
zonder extra uitrusting. Afhankelijk van de uitrusting neemt het autogewicht toe. Dit alsook
de mate van belading van de auto zorgt voor
een verhoging van het brandstofverbruik en
de uitstoot van kooldioxide.
Er zijn meerdere oorzaken aan te geven voor
een verhoogd brandstofverbruik ten opzichte
van de tabelwaarden. Daarbij valt te denken
aan factoren als:
De officiële brandstofverbruikscijfers zijn gebaseerd op twee gestandaardiseerde rijcycli in laboratoriummilieu (‘EU-rijcycli’) conform EU Regulation no 692/2008 alsmede 715/2007 (Euro 5 / Euro
6) en UN ECE Regulation no 101. Deze richtlijnen bevatten informatie over de rijcycli stadsverkeer en snelwegrit. - Stadsverkeer - de meting begint met een koude start van de motor. Het betreft
hier een gesimuleerde rit. - Snelwegrit - de auto moet optrekken en afremmen bij snelheden van 0–120 km/h. Het betreft hier een gesimuleerde rit. - Bij een auto met motortype D2, D3, D4 of D5
in combinatie met een zestraps handbak geldt de 2e versnelling als wegrijversnelling. De waarde voor combinatierit, die in de tabel staat, is zoals wettelijk bepaald een combinatie van een stadsrit
en een snelwegrit. CO2-uitstoot - om de uitstoot van kooldioxide te berekenen tijdens de twee rijcycli worden alle uitlaatgassen opgevangen. Deze worden vervolgens geanalyseerd en leiden tot
de gespecificeerde waarde voor de CO2-uitstoot.
}}
395
11 Specificaties
||
•
•
Uw rijstijl.
•
De grotere luchtweerstand bij hogere
snelheden.
•
De brandstofkwaliteit, de weg- en verkeersomstandigheden, de weersgesteldheid en de staat van de auto.
11
De grotere rolweerstand als u kiest voor
grotere wielen dan de standaardwielen op
de basisuitvoering van het model.
Gerelateerde informatie
•
•
Zuinig rijden (p. 293)
Gewichten (p. 380)
Ook wanneer u slechts enkele van de hier
genoemde tips opvolgt, is al een aanzienlijk
lager brandstofverbruik mogelijk. Raadpleeg
voor meer informatie de richtlijnen waar eerder aan gerefereerd werd3.
Er zijn grote afwijkingen in het brandstofverbruik mogelijk bij een vergelijking met de EUrijcycli3 die gehanteerd worden bij certificering van de auto en waarop de verbruikscijfers in de tabel gebaseerd zijn.
N.B.
Bij extreme weersomstandigheden,
gebruik van een aanhanger of ritten op
grote hoogte kan, afhankelijk van de
gebruikte brandstofkwaliteit, het prestatievermogen van de auto te wensen overlaten.
3
396
De officiële brandstofverbruikscijfers zijn gebaseerd op twee gestandaardiseerde rijcycli in laboratoriummilieu (‘EU-rijcycli’) conform EU Regulation no 692/2008 alsmede 715/2007 (Euro 5 / Euro
6) en UN ECE Regulation no 101. Deze richtlijnen bevatten informatie over de rijcycli stadsverkeer en snelwegrit. - Stadsverkeer - de meting begint met een koude start van de motor. Het betreft
hier een gesimuleerde rit. - Snelwegrit - de auto moet optrekken en afremmen bij snelheden van 0–120 km/h. Het betreft hier een gesimuleerde rit. - Bij een auto met motortype D2, D3, D4 of D5
in combinatie met een zestraps handbak geldt de 2e versnelling als wegrijversnelling. De waarde voor combinatierit, die in de tabel staat, is zoals wettelijk bepaald een combinatie van een stadsrit
en een snelwegrit. CO2-uitstoot - om de uitstoot van kooldioxide te berekenen tijdens de twee rijcycli worden alle uitlaatgassen opgevangen. Deze worden vervolgens geanalyseerd en leiden tot
de gespecificeerde waarde voor de CO2-uitstoot.
11 Specificaties
Banden - goedgekeurde
bandenspanning
De goedgekeurde bandenspanningen voor de
verschillende motoralternatieven staan in de
tabel.
S80
Bandenmaat
Motor
N.B.
Alle motoren, banden of combinaties daarvan zijn niet altijd beschikbaar op alle
markten.
Snelheid
(km/h)
Belading, 1–3 inzittenden
Max. belading
ECO-bandenspanningA
Voor
Achter
Voor
Achter
Voor/achter
(kPa)B
(kPa)
(kPa)
(kPa)
(kPa)
225/55 R 16
Tot 160
230
210
260
260
260
3.2
225/50 R 17
160 +
280
280
290
290
–
T6
235/40 R 18
Tot 160
230
210
260
260
260
235/40 R 19
160 +
290
290
320
320
–
225/55 R 16
Tot 160
220
210
260
260
260
225/50 R 17
160 +
260
260
280
280
–
235/40 R 18
Tot 160
230
210
260
260
260
235/40 R 19
160 +
280
280
300
300
–
D5
11
}}
397
11 Specificaties
||
S80
Bandenmaat
Motor
T4
T4F
11
T5
D2
Snelheid
(km/h)
Belading, 1–3 inzittenden
Max. belading
ECO-bandenspanningA
Voor
Achter
Voor
Achter
Voor/achter
(kPa)B
(kPa)
(kPa)
(kPa)
(kPa)
225/55 R 16
Tot 160
220
210
260
260
260
225/50 R 17
160 +
260
260
270
270
–
Tot 160
230
210
260
260
260
160 +
270
270
290
290
–
max. 80
420
420
420
420
–
205/60 R
16C
205/55 R 17D
D3
215/50 R 17E
D4
235/40 R 18
235/40 R 19
Compact reservewiel (Temporary Spare)
A
B
C
D
E
Zuinig rijden.
In sommige landen wordt de bandenspanning ook wel in bar aangegeven in plaats van in pascal (1 bar = 100 kPa).
Niet goedgekeurd voor T5 (B5254T12) of T5 (B5254T14).
Alleen goedgekeurd voor de D2-variant met geringe emissie en de D4-variant met geringe emissie.
Niet goedgekeurd voor T5, D4 en D2, variant met een lage emissie.
WAARSCHUWING
Gebruik nooit 19 inch wielen op auto’s
zonder de opties R-Design of Sportchassis. Het gebruik van 19 inch wielen op
auto’s met een standaardchassis houdt
een veiligheidsrisico in, kan chassisschade
veroorzaken en leidt tot slechtere rijeigenschappen.
398
Gerelateerde informatie
•
•
•
Banden - maten (p. 311)
Banden - bandenspanning (p. 316)
Type-aanduidingen (p. 376)
11 Specificaties
Elektrisch systeem
Het elektrische systeem is enkelpolig en
gebruikt het chassis en het motorblok als
geleiders.
Op de auto zit een wisselstroomdynamo met
spanningsregelaar.
De startaccucapaciteit is afhankelijk van de
uitrusting op de auto.
11
BELANGRIJK
Als de startaccu wordt vervangen, moet u
erop letten dat u een accu met hetzelfde
koudestartvermogen en dezelfde reservecapaciteit gebruikt als de originele accu
(zie de sticker op de accu).
Gerelateerde informatie
•
•
•
Startaccu - specificatie (p. 400)
Startaccu - vervangen (p. 350)
Startaccu (p. 349)
399
11 Specificaties
Startaccu - specificatie
De startaccu wordt gebruikt om de startmotor
en andere elektrische uitrusting in de auto aan
te drijven.
Motor
11
Koudestartvermogen,
Reservecapaciteit
CCA, Cold Cranking Amperes (A)
(minuten)
Benzine (ethanol)
12
520–800
100–160
Dieselolie
12
700–800
135–160
Benzine/Diesel met Start/Stop-systeem
12
760A
135
A
Voor auto’s met Start/Stop-systeem dient een accu type AGM (Absorbed Glass Mat) te worden gebruikt.
BELANGRIJK
Als de startaccu wordt vervangen, moet u
erop letten dat u een accu met hetzelfde
koudestartvermogen en dezelfde reservecapaciteit gebruikt als de originele accu
(zie de sticker op de accu).
N.B.
•
De grootte van de startaccubehuizing
dient overeen te komen met de afmetingen van de originele accu.
•
De hoogte van de startaccu hangt af
van de afmetingen.
Gerelateerde informatie
•
•
400
Spanning (V)
Startaccu - vervangen (p. 350)
Startaccu (p. 349)
11 Specificaties
Typegoedkeuring transpondersleutelsysteem
De typegoedkeuring voor het transpondersleutelsysteem staat in de tabel.
Land/regio
China
Land/
regio
Vergrendelingssysteem standaard
Land/regio
EU, China
Typegoedkeuring - radarsysteem
De typegoedkeuring voor het radarsysteem
staat in de tabel.
Hongkong
Singapore
11
IDA: Infocomm Development
Authority of Singapore.
Brazilië
Sleutelloos vergrendelingssysteem
(Keyless drive)
Land/regio
EU
Korea
Gerelateerde informatie
•
Transpondersleutel met sleutelblad (p.
152)
Europa
Hierbij verklaart Delphi
Electronics & Safety dat
L2C0038TR en L2C0049TR in
overeenstemming zijn met de
essentiële eigenschappen en
overige relevante bepalingen
zoals beschreven in de EUrichtlijn 1999/5/EG. De verklaring van overeenstemming ligt
ter inzage bij Delphi Electronics
& Safety / One Corporate Center / Kokomo, Indiana
46904-9005 USA.
401
11 Specificaties
||
Gerelateerde informatie
•
11
402
Radarsensor (p. 194)
11 Specificaties
Typegoedkeuring - Bluetooth®
De typegoedkeuring voor Bluetooth® staat in
de tabel.
11
}}
403
11 Specificaties
||
Verklaring van overeenstemming (Declaration of Conformity)
Land/
regio
Landen binnen de EU:
Exportland: Japan
11
Producent: Alpine Electronics Inc.
Type uitrusting: Bluetooth®-eenheid
Breng voor meer informatie een bezoek aan http://ec.europa.eu/enterprise/rtte/faq.htm#informing
404
11 Specificaties
Land/
regio
Tsjechië:
Alpine Electronics, Inc. tímto prohlašuje, že tento Bluetooth® Module je ve shodě se základními požadavky a dalšími příslušnými
ustanoveními směrnice 1999/5/ES.
Denemarken:
Undertegnede Alpine Electronics, Inc. erklærer herved, at følgende udstyr Bluetooth® Module overholder de væsentlige krav og
øvrige relevante krav i direktiv 1999/5/EF.
Duitsland:
Hiermit erklärt Alpine Electronics, Inc., dass sich das Gerät Bluetooth® Module in Übereinstimmung mit den grundlegenden
Anforderungen und den übrigen einschlägigen Bestimmungen der Richtlinie 1999/5/EG befindet.
Estland:
Käesolevaga kinnitab Alpine Electronics, Inc. seadme Bluetooth® Module vastavust direktiivi 1999/5/EÜ põhinõuetele ja
nimetatud direktiivist tulenevatele teistele asjakohastele sätetele.
Groot-Brittannië:
Hereby, Alpine Electronics, Inc., declares that this Bluetooth® Module is in compliance with the essential requirements and other
relevant provisions of Directive 1999/5/EC.
Spanje:
Por medio de la presente Alpine Electronics, Inc. declara que el Bluetooth® Module cumple con los requisitos esenciales y
cualesquiera otras disposiciones aplicables o exigibles de la Directiva 1999/5/CE.
Griekenland:
ΜΕ ΗΝ ΠΑΡΟ ΣΑ Alpine Electronics, Inc. ΗΛΩΝΕ Ο Bluetooth® Module Σ ΜΜΟΡΦΩΝΕ Α ΠΡΟΣ
ΑΠΑ ΗΣΕ Σ Α Σ ΛΟ ΠΕΣ ΣΧΕ
ΕΣ Α ΑΞΕ Σ ΗΣ Ο Η ΑΣ 1999/5/Ε .
Frankrijk:
Par la présente Alpine Electronics, Inc. déclare que l'appareil Bluetooth® Module est conforme aux exigences essentielles et aux
autres dispositions pertinentes de la directive 1999/5/CE.
Italië:
Con la presente Alpine Electronics, Inc. dichiara che questo Bluetooth® Module è conforme ai requisiti essenziali ed alle altre
disposizioni pertinenti stabilite dalla direttiva 1999/5/CE.
Letland:
Ar šo Alpine Electronics, Inc. deklarē, ka Bluetooth® Module atbilst Direktīvas 1999/5/EK būtiskajām prasībām un citiem ar to
saistītajiem noteikumiem.
Litouwen:
Šiuo Alpine Electronics, Inc. deklaruoja, kad šis Bluetooth® Module atitinka esminius reikalavimus ir kitas 1999/5/EB Direktyvos
nuostatas.
11
ΣΟ ΣΩ ΕΣ
}}
405
11 Specificaties
||
Land/
regio
11
406
Nederland:
Hierbij verklaart Alpine Electronics, Inc. dat het toestel Bluetooth® Module in overeenstemming is met de essentiële eisen en de
andere relevante bepalingen van richtlijn 1999/5/EG.
Malta:
Hawnhekk, Alpine Electronics, Inc., jiddikjara li dan Bluetooth® Module jikkonforma mal-ħtiġijiet essenzjali u ma provvedimenti
oħrajn relevanti li hemm fid-Dirrettiva 1999/5/EC.
Hongarije:
Alulírott, Alpine Electronics, Inc. nyilatkozom, hogy a Bluetooth® Module megfelel a vonatkozó alapvetõ követelményeknek és az
1999/5/EC irányelv egyéb elõírásainak.
Polen:
Niniejszym Alpine Electronics, Inc. oświadcza, że Bluetooth® Module jest zgodny z zasadniczymi wymogami oraz pozostałymi
stosownymi postanowieniami Dyrektywy 1999/5/EC.
Portugal:
Alpine Electronics, Inc. declara que este Bluetooth® Module está conforme com os requisitos essenciais e outras disposições da
Directiva 1999/5/CE.
Slovenië:
Alpine Electronics, Inc. izjavlja, da je ta Bluetooth® Module v skladu z bistvenimi zahtevami in ostalimi relevantnimi določili direktive 1999/5/ES.
Slowakije:
Alpine Electronics, Inc. týmto vyhlasuje, že Bluetooth® Module spĺňa základné požiadavky a všetky príslušné ustanovenia Smernice 1999/5/ES.
Finland:
Alpine Electronics, Inc. vakuuttaa täten että Bluetooth® Module tyyppinen laite on direktiivin 1999/5/EY oleellisten vaatimusten ja
sitä koskevien direktiivin muiden ehtojen mukainen.
Zweden:
Härmed intygar Alpine Electronics, Inc. att denna Bluetooth® Module står I överensstämmelse med de väsentliga egenskapskrav
och övriga relevanta bestämmelser som framgår av direktiv 1999/5/EG.
IJsland:
Hierbij verklaart Alpine Electronics, Inc. dat deze Bluetooth®-module in overeenstemming is met de essentiële eigenschappen en
overige relevante bepalingen zoals beschreven in de EU-richtlijn 1999/5/EG.
Noorwegen:
Alpine Electronics, Inc. erklærer herved at utstyret Bluetooth® Module er i samsvar med de grunnleggende krav og øvrige
relevante krav i direktiv 1999/5/EF.
11 Specificaties
Land/
regio
China:
第十三条
进口和生产厂商在其产品的说明书或使用手册中,应刊印下述有关内容
1. 标明附件中所规定的技术指标和使用范围,说明所有控制
■ 使用频率
调整及开关等使用方法
2.4 - 2.4835 GHz
■ 等效全向辐射
率(EIRP)
天线增益
10dBi 时
≤100 mW 或≤20 dBm
①
11
■ 最大
率谱密度
■ 载频容限
10dBi 时
≤20 dBm / MHz(EIRP) ①
20 ppm
■ 杂散发射(辐射)
•
•
•
•
•
天线增益
率(对应载波±2.5 倍信道带宽以外)
≤-36 dBm / 100 kHz (30 - 1000 MHz)
≤-33 dBm / 100 kHz (2.4 - 2.4835 GHz)
≤-40 dBm / 1 MHz (3.4 - 3.53 GHz)
≤-40 dBm / 1 MHz (5.725 - 5.85 GHz)
≤-30 dBm / 1 MHz (其它 1 - 12.75 GHz)
2. 不得擅自更改发射频率
大发射
率(包括额外
3. 使用时不得对各种合法的无线电通信业
继续使用
4. 使用微
率无线电设备,必须忍
装射频
产生有害干扰
各种无线电业
率放大器),不得擅自外接天线或改用其它发射天线
一旦发现有干扰现象时,应立即停止使用,并采
的干扰或工业
措施消除干扰后方可
科学及医疗应用设备的辐射干扰
5. 不得在飞机和机场附近使用
}}
407
11 Specificaties
||
Land/
regio
Taiwan:
低効率電波輻射性電機管理辧法第十条
第十二條
經型式認證合格之低功率射頻電機,非經許可,公司
商號或使用者均不得擅自 變更頻率
加大功率或變更原設計之特性及功能
第十四條
11
408
低功率射頻電機之使用不得影響飛航安全及干擾合法通信;經發現有干擾現象時, 應立即停用,並改善至無干擾時方得繼續使用
前項合法通信,指依電信法規定 作業之無線電通信 低功率射頻電機須忍受合法通信或工業 科學及醫療用電波 輻射性電機設備之
干擾
11 Specificaties
Land/
regio
Zuid-Korea:
제품 정보
Volvo Car Korea
신청자 코드: KCC-CMM-N25-IAM21L3, KCC-CMM-N25-IAM21L2 and KCC-CMM-N25-IAM21L1
제품 명: Bluetooth Audio Navigation Radio
모델 명: IAM2.1
11
산 날짜: March/2010
Alpine Electronics, Inc
Made in Japan
고객 정보
Volvo Car Korea
볼보자동차코리아
서울시 용산구 한남 2 동 726-173 볼보빌딩 4 층
볼보자동차 고객센터 1588-1777
http://www.volvocars.com/kr
사용자 주의사항
※당해 무선설비는 전파혼신 가능성이 있으므로 인명안전과 관련된 서비스는 할 수 없습니다
}}
409
11 Specificaties
||
Land/
regio
Verenigde
Arabische
Emiraten:
11
Zuid-Afrika:
Jamaica:
Approved for use in Jamaica SMA EI: IAM2.1
Thailand:
This telecommunication equipment conforms to NTC technical requirement.
Oman
410
11 Specificaties
Licenties
Sensus software
This software uses parts of sources from
clib2 and Prex Embedded Real-time OS Source (Copyright (c) 1982, 1986, 1991,
1993, 1994), and Quercus Robusta (Copyright
(c) 1990, 1993), The Regents of the University
of California. All or some portions are derived
from material licensed to the University of
California by American Telephone and
Telegraph Co. or Unix System Laboratories,
Inc. and are reproduced herein with the
permission of UNIX System Laboratories, Inc.
Redistribution and use in source and binary
forms, with or without modification, are
permitted provided that the following
conditions are met: Redistributions of source
code must retain the above copyright notice,
this list of conditions and the following
disclaimer. Redistributions in binary form
must reproduce the above copyright notice,
this list of conditions and the following
disclaimer in the documentation and/or other
materials provided with the distribution.
Neither the name of the <ORGANIZATION>
nor the names of its contributors may be
used to endorse or promote products derived
from this software without specific prior
written permission. THIS SOFTWARE IS
PROVIDED BY THE COPYRIGHT HOLDERS
AND CONTRIBUTORS "AS IS" AND ANY
EXPRESS OR IMPLIED WARRANTIES,
INCLUDING, BUT NOT LIMITED TO, THE
IMPLIED WARRANTIES OF
MERCHANTABILITY AND FITNESS FOR A
PARTICULAR PURPOSE ARE DISCLAIMED.
IN NO EVENT SHALL THE COPYRIGHT
OWNER OR CONTRIBUTORS BE LIABLE
FOR ANY DIRECT, INDIRECT, INCIDENTAL,
SPECIAL, EXEMPLARY, OR
CONSEQUENTIAL DAMAGES (INCLUDING,
BUT NOT LIMITED TO, PROCUREMENT OF
SUBSTITUTE GOODS OR SERVICES; LOSS
OF USE, DATA, OR PROFITS; OR BUSINESS
INTERRUPTION) HOWEVER CAUSED AND
ON ANY THEORY OF LIABILITY, WHETHER
IN CONTRACT, STRICT LIABILITY, OR TORT
(INCLUDING NEGLIGENCE OR OTHERWISE)
ARISING IN ANY WAY OUT OF THE USE OF
THIS SOFTWARE, EVEN IF ADVISED OF THE
POSSIBILITY OF SUCH DAMAGE.
This software is based in part on the work of
the Independent JPEG Group.
This software uses parts of sources from
"libtess". The Original Code is: OpenGL
Sample Implementation, Version 1.2.1,
released January 26, 2000, developed by
Silicon Graphics, Inc. The Original Code is
Copyright (c) 1991-2000 Silicon Graphics,
Inc. Copyright in any portions created by third
parties is as indicated elsewhere herein. All
Rights Reserved. Copyright (C) [1991-2000]
Silicon Graphics, Inc. All Rights Reserved.
Permission is hereby granted, free of charge,
to any person obtaining a copy of this
software and associated documentation files
(the "Software"), to deal in the Software
without restriction, including without limitation
the rights to use, copy, modify, merge,
publish, distribute, sublicense, and/or sell
copies of the Software, and to permit persons
to whom the Software is furnished to do so,
subject to the following conditions: The
above copyright notice including the dates of
first publication and either this permission
notice or a reference to http://oss.sgi.com/
projects/FreeB/ shall be included in all copies
or substantial portions of the Software. THE
SOFTWARE IS PROVIDED "AS IS",
WITHOUT WARRANTY OF ANY KIND,
EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT
NOT LIMITED TO THE WARRANTIES OF
MERCHANTABILITY, FITNESS FOR A
PARTICULAR PURPOSE AND
NONINFRINGEMENT. IN NO EVENT SHALL
SILICON GRAPHICS, INC. BE LIABLE FOR
ANY CLAIM, DAMAGES OR OTHER
LIABILITY, WHETHER IN AN ACTION OF
CONTRACT, TORT OR OTHERWISE,
ARISING FROM, OUT OF OR IN
CONNECTION WITH THE SOFTWARE OR
THE USE OR OTHER DEALINGS IN THE
SOFTWARE. Except as contained in this
notice, the name of Silicon Graphics, Inc.
shall not be used in advertising or otherwise
to promote the sale, use or other dealings in
this Software without prior written
authorization from Silicon Graphics, Inc.
11
}}
411
11 Specificaties
||
This software is based in parts on the work of
the FreeType Team.
This software uses parts of SSLeay Library:
Copyright (C) 1995-1998 Eric Young
(eay@cryptsoft.com). All rights reserved
Combined Instrument Panel Software
Open Source Software Notice
11
This product uses certain free / open source
and other software originating from third
parties, that is subject to the GNU General
Public License version 2 and 3 (GPLv2/
GPLv3), GNU Lesser General Public License
version 3 (LGPLv3), The FreeType Project
License (“FreeType License”) and other
different and/or additional copyright licenses,
disclaimers and notices. The links how to
access the exact terms of GPLv2, GPLv3,
LGPLv3, and the other open source software
licenses, disclaimers, acknowledgements and
notices are provided to you below. Please
refer to the exact terms of the relevant
License, regarding your rights under said
licenses. Volvo Car Corporation (VCC) offers
to provide the source code of said free/open
source software to you for a charge covering
the cost of performing such distribution, such
as the cost of media, shipping and handling,
upon written request. Please contact your
nearest Volvo Dealer.
This offer is valid for a period of at least three
(3) years from the date of the distribution of
412
this product by VCC / or for as long as VCC
offers spare parts or customer support.
GNU Lesser General Public License (LGPL),
etc.
Portions of this product uses software
copyrighted © v2.4.3/2010 The
FreeTypeProject (www.freetype.org). All rights
reserved.
You have the right of acquisition,
modification, and distribution of the source
code of the GPL/LGPL software.
This product includes software under
following licenses:
GPL v2 : http://www.gnu.org/licenses/oldlicenses/gpl-2.0.html
•
•
•
Linux kernel (merge between MontaVista
2.6.31 kernel and kernel from
L2.6.31_MX51_ER_1007 BSP)
uBoot (based on v2009.08)
busybox (based on version 1.13.2.)
GCC runtime library exception: http://
www.gnu.org/licenses/gcc-exception.html
•
libgcc_s.so.1
LGPL v3: http://www.gnu.org/licenses/
lgpl.html
•
You may download Source Code from the
following website at no charge: http://
www.embedded-carmultimedia.jp/linux/oss/
download/TVM_8351_013
The website provides the Source Code "As
Is" and without warranty of any kind.
By downloading Source Code, you expressly
assume all risk and liability associated with
downloading and using the Source Code and
complying with the user agreements that
accompany each Source Code.
Please note that we cannot respond to any
inquiries regarding the source code.
DivX®
Libc.so.6, libpthread.so.0, Librt.so.1
The FreeType Project License: http://
www.freetype.org/FTL.TXT
•
libfreetype.so.6 (version 2.4.3)
Linux software
This product contains software licensed
under GNU General Public License (GPL) or
DivX Certified® to play DivX® video. DivX®,
DivX Certified® and associated logos are
11 Specificaties
registered trademarks of DivX, Inc. and are
used under license. ABOUT DIVX VIDEO:
DivX® is a digital video format created by
DivX, Inc. This is an official DivX Certified
device that plays DivX video. Visit
www.divx.com for more information and
software tools to convert your files into DivX
video.
ABOUT DIVX VIDEO-ON-DEMAND: This DivX
Certified® device must be registered in order
to play DivX Video-on-Demand (VOD)
content. To generate the registration code,
locate the DivX VOD section in the device
setup menu. Go to http://vod.divx.com with
this code to complete the registration
process and learn more about DivX VOD.
Covered by one or more of the following U.S.
Patents: 7,295,673; 7,460,668; 7,515,710;
7,519,274.
Gerelateerde informatie
•
Volvo Sensus (p. 67)
Displaysymbolen
Er worden tal van verschillende displaysymbolen gebruikt in de auto. De symbolen zijn
onderverdeeld in waarschuwings-, controleen informatiesymbolen. Hier volgt een overzicht van de meest voorkomende symbolen
met hun betekenis en een verwijzing naar de
pagina(’s) in het boekje waar u meer informatie kunt vinden.
Symbool
- Rood waarschuwingssymbool dat
gaat branden, wanneer er een storing geregistreerd is die mogelijk van invloed is op de
veiligheid en/of rijeigenschappen van de auto.
Er verschijnt tegelijkertijd een verklarende
tekstmelding op het instrumentenpaneel.
- Informatiesymbool, gaat branden, in
combinatie met een verklarende tekst op het
instrumentenpaneel, wanneer er een afwijking
in een van de autosystemen is opgetreden.
Het informatiesymbool kan ook gaan branden
in combinatie met andere symbolen.
Zie
Parkeerrem
ingeschakeld,
alternatief symbool
(p. 63)
Airbags (SRS)
(p. 25), (p.
63)
Gordelwaarschuwing
(p. 22), (p.
63)
Dynamo laadt
niet bij
(p. 63)
Storing in remsysteem
(p. 63), (p.
276)
Waarschuwing,
Safety mode
(p. 25), (p.
35), (p.
63), (p.
262)
11
Controlesymbolen op
instrumentenpaneel
Waarschuwingssymbolen op
instrumentenpaneel
Symbool
Betekenis
Betekenis
Zie
Lage oliedruk
(p. 63)
Parkeerrem
ingeschakeld
(p. 63), (p.
279)
Symbool
Betekenis
Zie
Storing in ABL*
(p. 61),
(p. 83)
Uitlaatgasreinigingssysteem
(p. 61)
Storing in ABS
(p. 61),
(p. 276)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
413
11 Specificaties
||
Symbool
11
414
Betekenis
Zie
Mistachterlicht
aan
(p. 61),
(p. 83)
Stabiliteitsregeling, DSTC
(p. 61),
(p. 179)
Stabiliteitsregeling, Sport-stand
(p. 61),
(p. 179)
Voorgloeifunctie
motor (diesel)
Informatiesymbolen op
instrumentenpaneel
Betekenis
Zie
Cruisecontrol*
(p. 183)
Adaptieve cruisecontrol*
(p. 198)
(p. 61)
Adaptieve cruisecontrol*, volgtijd
(p. 185),
(p. 188)
Laag peil in
brandstoftank
(p. 61),
(p. 135)
(p. 190),
(p. 200)
Informatie, lees
displaymelding
(p. 61)
Adaptieve cruisecontrol*; afstandswaarschuwing*
(Distance Alert)
Radarsensor*
Groot licht aan
(p. 61),
(p. 80)
(p. 198),
(p. 202),
(p. 220)
Richtingaanwijzers links
(p. 61)
Richtingaanwijzers rechts
(p. 61)
Start/Stop*, de
motor is automatisch gestart
(p. 61),
(p. 272)
ECO-functie* aan
(p. 61),
(p. 274)
Niet in gebruik
–
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Symbool
Symbool
–
–
–
Camerasensor*;
lasersensor*
(p. 209),
(p. 220),
(p. 224),
(p. 229)
Auto Brake*;
afstandswaarschuwing* (Distance Alert); City
SafetyTM; Collision
Warning*
(p. 202),
(p. 209),
(p. 220)
Betekenis
Zie
ABL*
(p. 83)
Driver Alert System*; Tijd voor
pauze
(p. 223)
Driver Alert System*; Tijd voor
pauze
(p. 224)
Parkeerrem
(p. 279)
Regensensor*
(p. 92)
Actief groot licht,
AHB (Active High
Beam)*
(p. 81)
Voorruitsensor*
(p. 81)
Start/Stop*
(p. 272)
Start/Stop*
(p. 272)
11 Specificaties
Symbool
Betekenis
Zie
Driver Alert System*, Rijbaanassistent (LDW)
(p. 224),
(p. 229)
Driver Alert System*; Lane Departure Warning*
(p. 227)
Driver Alert System*; Lane Departure Warning*
(p. 229)
Geregistreerde
snelheidsinformatie*
(p. 180)
Motor- en interieurverwarming*
(p. 135)
Geactiveerde
timer*
(p. 135)
Geactiveerde
timer*
(p. 135)
Accuspanning
laag
(p. 135)
Tankvulklep
rechts
(p. 286)
Informatiesymbolen op display
plafondconsole
Symbool
Betekenis
Zie
Gordelwaarschuwing
(p. 24)
Airbag passagiersstoel, geactiveerd
(p. 28)
Airbag passagiersstoel, gedeactiveerd
(p. 28)
11
Gerelateerde informatie
•
Instrumentenpaneel - betekenis controlesymbolen (p. 61)
•
Instrumentenpaneel - betekenis waarschuwingssymbolen (p. 63)
•
Meldingen - functies (p. 104)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
415
12 Alfabetisch register
A
Aanbevolen kinderzitjes
tabel...................................................... 39
Aanhanger...............................................
kabel...................................................
pendelbeweging.................................
rijden met een aanhanger...................
294
294
301
294
Aanrijding................................................... 35
aanzuiging, uitlaatgassen, giftig.............. 284
12
ACC - Adaptieve cruisecontrol................ 185
Achterbank
elektrische verwarming....................... 124
Achterlichten
positie................................................. 344
Achterruit, elektrische verwarming............ 97
Achteruitkijkspiegel.................................... 98
autodimfunctie...................................... 98
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
Kompas................................................ 99
Actief chassis - FOUR-C......................... 177
Actief groot licht........................................ 81
Actieve xenonkoplampen.......................... 83
Active Bending Lights (ABL)...................... 83
Adaptieve cruisecontrol........................... 185
functie................................................. 186
inhalen................................................ 191
416
overzicht.............................................
Radarsensor.......................................
snelheid instellen................................
stand-bystand....................................
Storingzoeken.....................................
tijdelijk deactiveren.............................
uitschakelen........................................
van cruisecontrolfunctie wisselen.......
volgtijd instellen..................................
188
194
189
190
197
190
192
194
190
Alarm
automatische herinschakeling............ 174
transpondersleutel defect................... 175
Afdichtmiddel........................................... 323
Approach-verlichting......................... 87, 154
Afneembare trekhaak
opbergen............................................ 297
Automatische hervergrendeling............... 167
Afsluitbare wielbouten............................. 308
Airbag
activeren/deactiveren, PACOS............. 28
bestuurderszijde............................. 27, 34
passagierszijde......................... 27, 28, 34
AIRBAG ..................................................... 27
Alarmlichten............................................... 84
Alcoholslot............................................... 244
All Wheel Drive (vierwielaandrijving)........ 276
Antislipregeling........................................ 177
Antispin.................................................... 177
Automatische schakelblokkering deactiveren........................................................ 264
Automatische versnellingsbak......... 258, 262
aanhanger........................................... 295
handmatige schakelstanden (Geartronic)...................................................... 259
slepen en bergen................................ 302
Airbagsysteem........................................... 26
waarschuwingssymbool....................... 25
Automatische wasstraat.......................... 368
Airconditioning......................................... 127
Autoverzorging, leren bekleding.............. 371
alarm........................................ 173, 174, 175
alarm controleren................................ 156
alarmindicatie..................................... 174
alarmsignalen...................................... 175
beperkt alarmniveau........................... 175
AWD, vierwielaandrijving......................... 276
Autoverzorging......................................... 368
12 Alfabetisch register
Blokkering achteruitversnelling................ 257
B
Banden
band afdichten.................................... 318
draairichting........................................ 306
onderhoud.......................................... 306
profieldiepte........................................ 310
slijtage-indicator................................. 308
spanning..................................... 316, 397
specificaties........................................ 397
Winterbanden..................................... 310
Bandenmaat............................................ 311
Bandenspanningstabel............................ 316
Batterij.....................................................
onderhoud..........................................
starten met hulpaccu..........................
Symbolen op de accu.........................
transpondersleutel/PCC.....................
Waarschuwingssymbolen...................
349
349
255
350
161
350
Boordcomputer....... 106, 107, 111, 114, 115
Botsing, zie Aanrijding............................... 35
Brandstof......................... 287, 288, 289, 291
brandstofbesparing............................ 316
brandstoffilter..................................... 290
brandstofverbruik............................... 393
Brandstoftank
inhoud................................................. 392
Collision Warning met Auto Brake........... 210
Compact reservewiel............................... 312
Condens
Condens in koplamp.......................... 368
ruiten ontdoen van -........................... 117
Condens in koplamp................................ 368
Buitenmaten............................................ 379
Controlesymbolen......................... 57, 59, 61
Buitenspiegels........................................... 96
elektrische verwarming......................... 97
elektrisch inklapbaar............................. 97
Cruisecontrol...........................................
ingestelde snelheid hervatten.............
snelheid instellen................................
tijdelijk deactiveren.............................
uitschakelen........................................
Buitentemperatuurmeter............................ 65
183
185
183
184
185
12
CZIP (Clear Zone Interior Package)......... 119
C
Bedrijfsrem.............................. 276, 277, 278
Camerasensor................................. 205, 218
Bekleding................................................. 371
Chassisstanden....................................... 177
Benzinekwaliteit....................................... 288
City Safety™............................................ 203
Bergen..................................................... 304
Claxon........................................................ 76
Beveiliging tegen overbelasting, schuifdak........................................................... 101
Clean Zone Interior Package (CZIP)........ 119
Bio-ethanol E85....................................... 291
Collision Warning............................. 210, 211
algemene beperkingen....................... 217
bediening............................................ 215
BLIS................................................. 238, 239
Radarsensor............................... 194, 203
voetgangersdetectie........................... 214
werking............................................... 211
CO2-uitstoot............................................. 393
D
Dagrijlicht................................................... 79
Dagteller op nul stellen............ 109, 113, 114
Dagtellers................................................... 65
Dakbelasting, max. gewicht..................... 380
Dashboardkastje...................................... 143
vergrendelen....................................... 169
417
12 Alfabetisch register
Diesel
brandstofgebrek................................. 289
Dieselolie................................................. 289
Distance Alert.......................................... 200
Beperkingen....................................... 201
Symbolen en meldingen..................... 202
Doorluchtfunctie.............................. 117, 168
Doorsteekluik........................................... 147
Doorwaaddiepte...................................... 283
Draairichting............................................. 306
12
Driver Alert Control.................................. 222
bediening............................................ 223
Driver Alert System.................................. 222
Elektrisch bediend schuifdak................... 100
FOUR-C - Actief chassis......................... 177
Elektrische aansluiting............................. 144
Kofferbak............................................ 149
Foutmeldingen
Adaptieve cruisecontrol...................... 198
Driver Alert Control............................. 224
zie Meldingen en symbolen........ 198, 281
Elektrische parkeerrem
lage accuspanning.............................. 279
Elektrische verwarming
Achterruit.............................................. 97
spiegels................................................. 97
Stoelen en achterbank........................ 124
stuurwiel............................................... 76
Elektrisch inklapbare buitenspiegels......... 97
Elektrisch systeem................................... 399
Elektronische klimaatregeling, ECC......... 123
Elektronische startblokkering.................. 153
ERS - Starten op afstand......................... 250
E
ECC, elektronische klimaatregeling......... 123
ECO-bandenspanning............................. 397
Etiketten................................................... 376
Extra verwarming
elektrisch.................................... 137, 138
op brandstof....................................... 137
FSC, milieulabel......................................... 20
G
Geartronic................................................ 259
Geheugenfunctie stoel............................... 71
Gelaagd glas.............................................. 20
Gereedschap........................................... 309
Gevarendriehoek..................................... 317
Gewichten
rijklaar gewicht.................................... 380
Gladde wegen.................................. 285, 286
Gladheid.................................................. 286
Eco Cruise............................................... 274
EcoGuide................................................... 60
418
Foutmeldingen BLIS................................ 241
Eerste hulp............................................... 318
F
EHBO-kit.................................................. 318
Fietserdetectie......................................... 212
Elektrisch bedienbare ruiten...................... 93
File-assistent............................................ 192
Elektrisch bedienbare stoel....................... 71
Flexifuel.................................................... 254
Elektrisch bedienbare zijruiten resetten..... 95
Follow Me Home-verlichting...................... 87
Glazen...................................................... 145
gelaagd/versterkt.................................. 20
Gloeilampen, zie Verlichting.................... 339
Gordelspanner........................................... 34
Gordelspanners......................................... 25
Gordelwaarschuwing................................. 24
12 Alfabetisch register
Groot licht, automatische activering.......... 81
Inlegmatten.............................................. 143
Groot licht/dimlicht, zie Verlichting............ 80
Instructieboekje, milieulabel...................... 20
Instrumenten, schakelaars en
bediening............................................. 50, 53
H
handgeschakelde versnellingsbak........... 257
schakelindicatie (GSI)......................... 257
slepen en bergen................................ 302
Instrumentenoverzicht
auto met stuur links.............................. 50
auto met stuur rechts........................... 53
Kinderen
kinderslot.............................................. 37
kinderzitje en airbag............................. 44
kinderzitje en SIPS-airbag.................... 31
plaats in de auto................................... 44
veiligheid......................................... 31, 37
Kinderslot................................................. 172
Handgeschakelde versnellingsbak
aanhanger........................................... 295
Instrumentenverlichting, zie Verlichting..... 78
Handmatige schakelstanden (Geartronic) 259
Interieurverlichting, zie Verlichting............. 86
Hill Start Assist........................................ 265
Interieurverwarming................................. 132
Hogedruksproeiers koplampen................. 93
Interior Air Quality System (IAQS)............ 120
luchtreiniging...................................... 120
Kinderveiligheidszitje.................................
aanbevolen...........................................
afmetingscategorieën voor kinderzitjes
met ISOFIX-bevestigingssysteem........
bovenste bevestigingspunten voor kinderzitjes................................................
ISOFIX-bevestigingssysteem voor kinderzitjes................................................
types.....................................................
Hoofdsteun
inklappen.............................................. 73
middelste zitplaats achterbank............. 73
Intervalfunctie wisser................................. 92
Kledinghaak............................................. 142
Houder voor boodschappentassen ........ 149
K
Hoge motortemperatuur.......................... 294
I
Instrumentenpaneel............................. 56, 57
Interieurluchtfilter..................................... 119
45
12
48
44
46
Kleurcode, lak.......................................... 373
Katalysator............................................... 290
Bergen................................................ 303
Keuzehendelblokkering........................... 264
IAQS - Interior Air Quality System........... 120
Keyless drive.... 162, 163, 164, 165, 166, 249
In de was zetten....................................... 369
Keyless - ontgrendelen............................ 164
Informatiedisplay................................. 56, 57
Keyless - vergrendelen............................ 164
Informatietoets, PCC............................... 156
37
39
Klimaat
algemene informatie...........................
automatische regeling........................
persoonlijke instellingen.....................
sensoren.............................................
temperatuurregeling...........................
werkelijke temperatuur.......................
117
126
121
118
127
118
Klimaatregeling
reparatie.............................................. 337
Klok
analoog................................................. 66
419
12 Alfabetisch register
Klok, instellen............................................. 65
Koelbox.................................................... 145
Make-upspiegel................................. 86, 143
Lampen, zie Verlichting............................ 338
Maten....................................................... 379
Koelvloeistof, controleren en bijvullen..... 335
Lane Departure Control................... 226, 227
Max. dakbelasting................................... 380
Kofferbak
lading vervoeren................................. 146
mat...................................................... 145
verankeringsogen............................... 148
Lasersensor............................................. 207
Lastindex................................................. 311
Meldingen
informatiedisplay................................ 103
Leren bekleding, reinigingsvoorschriften. 371
Meldingen BLIS....................................... 241
Lichtbundel, aanpassen............................. 88
Meldingen en symbolen
Adaptieve cruisecontrol...................... 198
Collision Warning with Auto
Brake.......................................... 209, 220
Driver Alert Control............................. 224
Lane Departure Warning..................... 229
Motor- en interieurverwarming........... 135
Koelvloeistof
hoeveelheid en kwaliteit..................... 388
Kofferdeksel............................................. 169
vergrendelen/ontgrendelen................ 169
Kompas..................................................... 99
kalibreren.............................................. 99
Koplampen.............................................. 339
Koplamphoogteregeling............................ 78
Koudemiddel........................................... 337
Krik........................................................... 309
L
Laag oliepeil............................................. 330
Lading vervoeren
algemene informatie........................... 146
lading op het dak................................ 148
420
M
Lak
kleurcode............................................ 373
lakschade en herstel ervan................. 372
Koelsysteem............................................ 283
oververhitting...................................... 283
12
lange lading........................................ 147
verankeringsogen............................... 148
Lichtbundel aanpassen.............................. 88
Active Bending Lights .......................... 88
Halogeenkoplampen............................. 88
Lichtsignalen, PCC.................................. 156
Luchtreiniging
materiaal............................................. 120
passagiersruimte................ 118, 119, 120
Luchtverdeling......................................... 121
recirculatie.......................................... 129
tabel.................................................... 130
Massagefunctie
Voorstoel............................................... 74
Meldingsfuncties...................................... 104
Menufuncties
Instrumentenpaneel............................ 102
menu-overzicht................................... 102
Meters
brandstofmeter............................... 56, 58
snelheidsmeter............................... 56, 58
toerenteller...................................... 56, 58
Middenconsole........................................ 142
Milieulabel, FSC, instructieboekje............. 20
12 Alfabetisch register
Mistverlichting
achter.................................................... 83
N
Motor
oververhitting......................................
Start/Stop...........................................
starten.................................................
uitschakelen........................................
Noodreparatieset banden................ 318, 319
294
265
248
250
Motor afzetten......................................... 250
Motor- en interieurverwarming
meldingen........................................... 135
meteen in-/uitschakelen..................... 133
timer.................................................... 133
Motorkap, openen................................... 328
Motorolie.......................................... 330, 385
filter..................................................... 330
kwaliteit en hoeveelheid..................... 386
ongunstige rijomstandigheden........... 385
Motoroliepeil controleren......................... 330
Motorruimte
koelvloeistof........................................
olie......................................................
overzicht.............................................
stuurservo-olie....................................
335
330
328
337
Motorspecificaties................................... 383
Motorverwarming............................. 132, 254
MY CAR................................................... 105
Noodreparatieset voor banden
afdichtmiddel......................................
band oppompen.................................
overzicht.............................................
positie.................................................
resultaat controleren...........................
uitvoering............................................
323
323
319
319
322
320
Nooduitrusting
EHBO-kit............................................. 318
gevarendriehoek................................. 317
Opbergmogelijkheid
dashboardkastje................................. 143
Kledinghaak........................................ 142
tunnelconsole..................................... 142
Opbergvak............................................... 145
Opblaasgordijn.................................... 31, 34
Oververhitting.......................................... 294
P
PACOS....................................................... 28
12
Paneelverlichting....................................... 78
Paniekfunctie........................................... 154
O
Olie, zie ook Motorolie..................... 385, 386
Onderhoud
roestwering......................................... 370
Park Assist...............................................
aan achterzijde...................................
functie.................................................
sensoren voor Park Assist..................
storingsindicatie.................................
231
232
231
234
234
Ontgrendelen
van de binnenzijde.............................. 168
van de buitenzijde............................... 167
Parkeerhulpcamera.................................. 235
Instellingen.......................................... 237
Ontgrendelen met sleutelblad................. 165
Partikelfilter.............................................. 292
Ontwaseming........................................... 128
PCC, Personal Car Communicator
Actieradius.................................. 157, 162
functies............................................... 154
Op afstand bediende startblokkering...... 154
Op afstand starten - ERS........................ 250
Opbergmogelijkheden passagiersruimte. 140
Parkeerrem.............................................. 279
Peilstok, elektronisch....................... 332, 333
421
12 Alfabetisch register
Poetsen.................................................... 369
Rem- en koppelingsvloeistof................... 336
Positie buitenspiegels herstellen............... 96
Remlichten................................................. 84
Powermeter............................................... 60
Remmen.......................................... 276, 278
antiblokkeerremsysteem, ABS........... 277
noodremlichten..................................... 84
parkeerrem......................................... 279
remkrachtverhoging bij noodstops,
EBA .................................................... 278
Remlichten............................................ 84
remsysteem........................ 276, 277, 278
remvloeistof bijvullen.......................... 336
symbolen op instrumentenpaneel...... 277
Powershift-versnellingsbak.............. 262, 302
Privacy locking......................................... 159
Profieldiepte............................................. 310
Q
12
Queue Assist............................................ 192
Remvloeistof
kwaliteit en hoeveelheid..................... 391
R
Radarsensor............................................ 186
Beperkingen............................... 194, 195
Resetten dagteller.................... 109, 113, 114
Regeling, licht............................................ 77
Richtingaanwijzer....................................... 85
Regeneratie.............................................. 292
Richtingaanwijzers..................................... 85
Regensensor.............................................. 92
Rijadviezen............................................... 285
Reinigen
Automatische wasstraat.....................
bekleding............................................
veiligheidsgordels...............................
Velgen.................................................
wasstraat............................................
Rijbaanassistent
bediening.................................... 227, 228
368
371
372
369
368
Relais- en zekeringenkastje, zie Zekeringen........................................................... 354
422
Reservewiel
monteren............................................ 315
Rijden.......................................................
koelsysteem........................................
met een aanhanger.............................
met een geopend kofferdeksel...........
285
283
294
284
Rijden met een aanhanger
kogeldruk............................................ 381
trekgewicht......................................... 381
Rijden tijdens de winter........................... 285
Rijeigenschappen aanpassen.......... 177, 242
Rijklaar gewicht........................................ 380
Ritstatistiek.............................................. 115
Roestwering............................................. 370
Roetfilter dieselmotor.............................. 292
ROETFILTER VOL.................................... 292
Rolgordijn.................................................. 95
Ruggedeelte(n) achterbank, omklappen.... 73
Rugleuning................................................. 70
voorstoel, omklappen........................... 70
Ruit
rolgordijn............................................... 95
Ruiten en spiegels............................. 20, 370
Ruitenwisser voor...................................... 92
Regensensor......................................... 92
12 Alfabetisch register
S
Sleutelloos startsysteem (keyless
drive)................ 162, 163, 164, 165, 166, 249
Safelock-functie....................................... 171
deactiveren......................................... 171
tijdelijk deactiveren............................. 171
Sleutelstanden........................................... 68
Safety mode.............................................. 35
auto verrijden........................................ 37
startpoging........................................... 36
Slijtage-indicator...................................... 308
Slot
kinder-.................................................. 37
Snelheidsklassen, banden....................... 312
Start/Stop................................................ 265
Functie en bediening.......................... 266
motorafslag werkt niet........................ 268
Startaccu......................................... 284, 400
overbelasting...................................... 284
specificaties........................................ 400
Startblokkering........................................ 153
Starten met hulpaccu.............................. 255
Schakelblokkering, mechanische
vrijgave..................................................... 264
Spiegel
achteruitkijk-......................................... 98
Schakelindicatie....................................... 257
Spiegels
buiten-.................................................. 96
Stickers.................................................... 376
Spin control............................................. 177
Stoelen en achterbank............................... 70
elektrisch bediend................................ 71
elektrische verwarming....................... 124
geventileerde voorstoelen.................. 125
Hoofdsteunen achterbank.................... 73
Ruggedeelte(n) achterbank neerklappen........................................................ 73
ruggedeelte(n) achterbank vooroverklappen................................................. 70
Schakelindicatie (GSI).............................. 257
Schuifdak
Beveiliging tegen overbelasting..........
openen en sluiten...............................
Ventilatiestand....................................
Zonnescherm......................................
101
100
101
101
Sproeien voorruit....................................... 93
Sensus....................................................... 67
Serviceprogramma.................................. 325
Sproeiervloeistof
hoeveelheid........................................ 391
Servicestand............................................ 347
Sproeiervloeistof bijvullen........................ 348
Sfeerverlichting.......................................... 87
Sproeikoppen, verwarmd.......................... 93
SIPS-airbag............................................... 30
Stabiliteits- en tractieregeling.......... 177, 179
Sleepoog.................................................. 303
Stabiliteits- en tractieregelsysteem
bediening............................................ 178
Slepen...................................................... 302
sleepoog............................................. 303
Sleutel...................................... 152, 153, 165
Sleutelblad....................................... 158, 159
Sproeier
sproeiervloeistof, bijvullen.................. 348
Voorruit................................................. 93
stabiliteitsregeling.................................... 177
Stadslichten vóór en achterlichten............ 79
Steenslagplekken en krassen.................. 372
Stoel, zie Stoelen en achterbank............... 70
12
Stoffen die allergieën en/of astma kunnen
verwekken................................................ 119
Storingsdiagnose van camerasensor...... 206
Storingsmeldingen
Lane Departure Warning..................... 229
Storingzoeken
Adaptieve cruisecontrol...................... 197
423
12 Alfabetisch register
Stuurbekrachtigingsvloeistof
kwaliteit............................................... 391
T
Stuurkracht, snelheidsafhankelijk............ 242
Tanken
Bijvullen..............................................
Tankdop..............................................
tankklep..............................................
tankvulklep, handmatig openen.........
Stuurkrachtniveau, zie Stuurkracht.......... 242
Stuurpaddle............................................... 76
Stuurslotfout............................................ 250
12
Stuurwiel....................................................
elektrische verwarming.........................
paddle...................................................
Stuur afstellen.......................................
Toetsenset............................................
75
76
76
75
76
Stuurwiel afstellen...................................... 75
Symbolen
Controlesymbolen.................... 57, 59, 61
Waarschuwingssymbolen............... 57, 59
Symbolen en meldingen
Adaptieve cruisecontrol...................... 198
Collision Warning with Auto
Brake.......................................... 209, 220
Driver Alert Control............................. 224
Lane Departure Warning..................... 229
Systeem
is afgegaan........................................... 34
287
287
286
286
Temperatuur
werkelijke temperatuur....................... 118
Temperatuurregeling............................... 127
Trekhaak, zie Trekinrichting..................... 296
Trekhaak - afneembaar
monteren/demonteren................ 298, 299
Trillingsdemper........................................ 296
TSA, Trailer Stability Assist ............. 178, 301
Toetsensets op stuurwiel........................... 76
Tunnelconsole
12V-aansluiting................................... 144
aansteker en asbak............................ 142
Totaalgewicht.......................................... 380
Tunneldetectie........................................... 80
Traction Control....................................... 177
Typeaanduidingen................................... 376
Trailer Stability Assist...................... 178, 301
Typegoedkeuring
Bluetooth®.......................................... 403
radarsysteem...................................... 401
transpondersleutelsysteem................ 401
Toeteren..................................................... 76
Transmissie.............................................. 257
Transponder.............................................. 16
Transpondersleutel.......................... 152, 153
Actieradius.................................. 155, 162
afneembaar sleutelblad.............. 158, 159
batterij vervangen............................... 161
functies............................................... 154
zoekgeraakt........................................ 152
Transpondersleutelsysteem, typegoedkeuring..................................................... 401
Trekgewicht en kogeldruk....................... 381
424
Trekhaak.......................................... 296, 297
afneembaar, aanbrengen.................... 298
afneembaar, verwijderen.................... 299
specificaties........................................ 297
U
Uitstoot van kooldioxide.......................... 393
12 Alfabetisch register
V
Veiligheidsgordel.......................................
Achterbank...........................................
gordelspanner.......................................
gordelwaarschuwing............................
losnemen..............................................
omdoen.................................................
zwangerschap......................................
22
24
25
24
23
23
23
Velg, maten.............................................. 310
Velgen
Reinigen.............................................. 369
Ventilatie.................................................. 121
Ventilator
ECC.................................................... 126
Vergrendelen/ontgrendelen
binnenzijde.......................................... 168
dashboardkastje................................. 169
Vergrendeling
ontgrendelen............................... 167, 168
vergrendelen....................................... 167
Vergrendelingsindicatie .......................... 153
Verkeersbordinformatie........................... 180
bediening............................................ 180
Beperkingen....................................... 182
Verlichting................................................ 338
Actieve xenonkoplampen..................... 83
Approach-verlichting.................... 87, 154
automatische verlichting, interieur........ 86
Bedieningselementen........................... 86
dagrijlicht.............................................. 79
Follow Me Home-verlichting................. 87
gloeilampen, specificaties.................. 346
groot licht/dimlicht................................ 80
in interieur............................................. 86
Koplamphoogteregeling....................... 78
mistachterlicht...................................... 83
stads-/parkeerlicht................................ 79
tunneldetectie....................................... 80
Verlichting display................................. 78
Verlichting instrumentenpaneel............ 78
Verlichting, gloeilampen vervangen......... 339
dimlicht (auto's met halogeen-koplampen)..................................................... 340
grootlicht (auto's met actieve xenonkoplampen)......................................... 341
grootlicht (auto's met halogeenkoplampen)......................................... 341
kentekenplaatverlichting..................... 345
Kofferbak............................................ 345
lamphouder achter: richtingaanwijzers
achter, mistachterlichten en achteruitrijlichten.............................................. 343
make-upspiegel.................................. 345
richtingaanwijzers, voor...................... 342
sidemarker.......................................... 343
Verlichting display...................................... 78
Vermogen................................................ 383
Versnellingsbak................................ 256, 257
automaat..................................... 258, 262
handgeschakeld................................. 257
Versnellingsbakolie
hoeveelheid en kwaliteit..................... 389
Verwarmde sproeikoppen.......................... 93
Verwarming op brandstof
meteen in-/uitschakelen..................... 133
timer.................................................... 133
Vierwielaandrijving, AWD......................... 276
12
Vlekken.................................................... 371
Vloeistoffen, hoeveelheden 388, 389,
391,
392
Vloeistoffen en oliën................. 388, 389, 391
Voetgangersbescherming........................ 210
Volgtijd instellen....................................... 200
Volvo Sensus............................................. 67
Voorruit
elektrische verwarming....................... 128
Voorruit, elektrische verwarming............... 97
Voorstoel
Afstelling in lengterichting.................... 75
lendensteun.......................................... 75
massagefunctie.................................... 74
Verlichtingsbediening................................ 77
425
12 Alfabetisch register
W
Waarschuwingsgeluid
Collision Warning................................ 215
Waarschuwingslampje
adaptieve cruisecontrol...................... 186
Collision Warning................................ 215
stabiliteits- en tractieregeling............. 177
12
Waarschuwingslampjes
airbags (SRS)........................................ 63
dynamo laadt niet bij............................ 63
gordelwaarschuwing...................... 24, 63
Lage oliedruk........................................ 63
parkeerrem ingeschakeld..................... 63
storing in remsysteem.......................... 63
Waarschuwing...................................... 63
Waarschuwingssymbolen.............. 57, 59, 63
Warmtereflecterende voorruit.................... 16
Wasstraat................................................. 368
Water- en vuilafstotende laag.................. 370
Water- en vuilafstotende laag, reinigen... 370
Whiplash, WHIPS....................................... 32
WHIPS
kinderzitje/verhogingskussen............... 33
WHIPS-systeem............................. 32, 34
zithouding............................................. 33
Wielbouten............................................... 308
afsluitbare........................................... 308
426
Wielen
demonteren........................................ 312
monteren............................................ 315
Sneeuwkettingen................................ 310
Winterbanden.......................................... 310
Wisserblad...............................................
Reinigen..............................................
Servicestand.......................................
vervangen...........................................
347
348
347
347
Wissers en -sproeiers................................ 92
Z
Zekeringen............................................... 354
algemene informatie........................... 354
bij dashboard - Executive................... 363
kofferbak............................................. 364
koude zone......................................... 366
motorruimte........................................ 355
onder het dashboardkastje......... 359, 361
Start/Stop........................................... 366
vervangen........................................... 354
Zekeringenkastje..................................... 354
Zij-airbag, SIPS.................................... 30, 34
Zonnescherm, schuifdak......................... 101
Zuinig rijden............................................. 293
Volvo Car Corporation TP 16856 (Dutch), AT 1346, Printed in Sweden, Göteborg 2013, Copyright © 2000-2013 Volvo Car Corporation
Was this manual useful for you? yes no
Thank you for your participation!

* Your assessment is very important for improving the work of artificial intelligence, which forms the content of this project

Download PDF

advertising