Volvo | S80 | Gebruikershandleiding | Volvo S80 2010 Gebruikershandleiding

Volvo S80 2010 Gebruikershandleiding
VOLVO S80
Instructieboekje
WEB EDITION
Kdakd8Vg8dgedgVi^dcIE&%.)*9jiX]!6I%.'%!Eg^ciZY^cHlZYZc!<ŽiZWdg\'%%.!8deng^\]i'%%%"'%%.Kdakd8Vg8dgedgVi^dc
BESTE VOLVO-BEZITTER,
DANK U DAT U GEKOZEN HEBT VOOR VOLVO!
Wij hopen dat u jarenlang rijplezier van uw Volvo zult hebben.
Bij het ontwerp hebben veiligheid en comfort van u en uw passagiers vooropgestaan. Een Volvo is een van de veiligste auto’s
ter wereld. Uw Volvo is ook ontworpen om aan alle geldende
veiligheidsvoorschriften en milieueisen te voldoen.
Om nog meer plezier van uw auto te hebben, raden wij u aan
om vertrouwd te raken met de uitrusting, de instructies en de
onderhoudsinformatie in dit instructieboekje.
Inhoud
00 01 02
2
00 Inleiding
01 Veiligheid
Belangrijke informatie................................. 6
Volvo en het milieu...................................... 9
Veiligheidsgordels ....................................
Airbagsysteem (SRS)................................
Airbag activeren/deactiveren*...................
SIPS-airbags (zij-airbags) ........................
Opblaasgordijnen (IC-systeem) ...............
WHIPS ......................................................
Activering van de veiligheidssystemen ....
Safety mode..............................................
Kinderen en veiligheid...............................
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
02 Sloten en alarm
14
17
20
22
24
25
27
28
29
Transpondersleutel/sleutelblad.................
Privacy locking*.........................................
Batterij vervangen transpondersleutel/
PCC*.........................................................
Keyless drive*............................................
Vergrendelen/ontgrendelen......................
Kinderslot..................................................
Alarm*.......................................................
40
46
47
49
52
56
57
Inhoud
03 04 05
03 Bestuurdersmilieu
04 Comfort en rijplezier
Instrumenten, schakelaars en bediening. . 62
Instrumenten, schakelaars en bediening Executive .................................................. 71
Sleutelstanden.......................................... 72
Stoelen en achterbank.............................. 74
Voorstoelen - Executive............................ 78
Stuurwiel................................................... 80
Verlichting................................................. 81
Wissers en -sproeiers............................... 91
Ruiten en spiegels..................................... 93
Kompas*................................................... 98
Elektrisch bedienbaar schuifdak*.............. 99
Motor starten.......................................... 101
Motor starten, FlexiFuel.......................... 103
Motor starten, hulpaccu.......................... 105
Versnellingsbakken................................. 106
Vierwielaandrijving, AWD (All Wheel
Drive)*...................................................... 111
Bedrijfsrem.............................................. 112
Parkeerrem.............................................. 114
Menu- en meldingsfuncties....................
Klimaatregeling.......................................
Motor- en interieurverwarming op brandstof*.........................................................
Extra verwarming op brandstof*.............
Audiosysteem.........................................
RSE-systeem (Rear Seat Entertainment)
met twee beeldschermen* .....................
Boordcomputer.......................................
Stabiliteits- en tractieregelsysteem,
DSTC.......................................................
Rijeigenschappen aanpassen.................
Cruisecontrol*.........................................
Adaptieve cruisecontrol*.........................
Afstandscontrole.....................................
Collision Warning met Auto Brake*.........
Driver Alert System – DAC*.....................
Driver Alert System – (LDW)*..................
Park Assist*.............................................
BLIS* – Blind Spot Information System. .
Interieurcomfort......................................
Interieurcomfort – Executive...................
Bluetooth handsfree*..............................
Geïntegreerde telefoon*..........................
HomeLinkŸ *............................................ 117
05 Tijdens het rijden
122
128
136
139
140
154
159
Rijadviezen..............................................
Tanken....................................................
Brandstof................................................
Lading vervoeren....................................
Kofferbak ...............................................
Gevarendriehoek*...................................
Rijden met een aanhanger......................
Slepen en bergen....................................
214
216
217
221
222
224
225
231
161
163
164
166
173
176
182
185
188
191
196
200
201
206
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
3
Inhoud
06 07 08
06 Onderhoud en service
Motorruimte............................................
Gloeilampen............................................
Wisserbladen en ruitensproeiervloeistof.
Accu........................................................
Zekeringen..............................................
Wielen en banden...................................
Verzorging...............................................
4
07 Specificaties
236
243
250
252
255
264
278
Type-aanduidingen.................................
Maten en gewichten................................
Motorspecificaties...................................
Motorolie.................................................
Vloeistoffen en smeermiddelen...............
Brandstof................................................
Elektrisch systeem..................................
Typegoedkeuring....................................
08 Alfabetisch register
286
288
292
293
296
299
301
302
Alfabetisch register................................. 304
Inhoud
5
Inleiding
Belangrijke informatie
Instructieboekje lezen
Inleiding
Een goede manier om vertrouwd te raken met
uw nieuwe auto is om het instructieboekje te
lezen, idealiter voordat u uw eerste rit maakt.
Zo maakt u kennis met nieuwe functies, krijgt
u tips hoe u het beste in verschillende situaties
met de auto kunt omgaan en leert u hoe u optimaal gebruik kunt maken van alle mogelijkheden die uw auto biedt. Besteed ook aandacht
aan de veiligheidsinstructies in het boekje.
De in het instructieboekje beschreven uitrusting is niet op alle auto’s aanwezig. Als aanvulling op de standaarduitrusting worden in dit
instructieboekje ook de opties (van fabriekswege gemonteerde uitrusting) en bepaalde
accessoires (ingebouwde extra uitrusting)
beschreven. Uw wordt geadviseerd contact op
te nemen met de erkende Volvo-dealer voor
informatie over wat tot de standaarduitrusting
behoort en wat tot de opties/accessoires.
De uitrusting van de auto’s van Volvo hangt af
van de verschillende behoeften op de diverse
markten en de landelijke en/of regionale weten regelgeving.
De specificaties, constructiegegevens en
afbeeldingen in dit instructieboekje zijn niet
bindend. We behouden ons het recht voor om
6
zonder voorafgaande mededeling wijzigingen
aan te brengen.
© Volvo Car Corporation
Optie
Alle soorten opties staan aangegeven met een
in het instructieboekje.
sterretje
Het aanbod aan opties kan voor alle auto’s gelden, maar soms alleen voor bepaalde uitvoeringen en/of bepaalde markten. De meeste
opties worden in de fabriek gemonteerd en
kunnen niet achteraf worden ingebouwd.
Accessoires worden achteraf ingebouwd.
U wordt geadviseerd voor meer informatie
contact op te nemen met de erkende Volvodealer.
Speciale teksten
WAARSCHUWING
Teksten met het kopje WAARSCHUWING
geven aan dat er gevaar voor letsel bestaat.
BELANGRIJK
Teksten met het kopje BELANGRIJK geven
aan dat er gevaar voor materiële schade
bestaat.
N.B.
Teksten met het kopje N.B. duiden op tips
en adviezen die het gebruik van bepaalde
mogelijkheden en functies vergemakkelijken.
Voetnoot
In het instructieboekje komt informatie voor in
de vorm van een voetnoot onder aan de
pagina. Deze informatie vormt een aanvulling
op de tekst waar het nummer van de voetnoot
naar verwijst. Als de voetnoot naar tekst in een
tabel verwijst, worden letters gebruikt in plaats
van cijfers.
Displaymeldingen
In de auto zijn displays aanwezig waarop meldingen kunnen worden weergegeven. Deze
displaymeldingen worden in het instructieboekje in iets groter formaat en in het grijs
weergegeven. Voorbeelden daarvan vindt u in
de menuteksten en displaymeldingen van het
informatiedisplay (bijvoorbeeld Audioinstellingen).
Stickers
Er zitten verschillende soorten stickers in de
auto om belangrijke informatie op een simpele
en duidelijke manier over te dragen. De stickers
in de auto zijn van de onderstaande aflopende
waarschuwings-/informatiegraad.
Inleiding
Belangrijke informatie
Gevaar voor lichamelijk letsel
Gevaar voor materiële schade
Informatie
Zwarte ISO-symbolen in een oranje waarschuwingsveld, witte tekst/afbeelding in een zwart
tekstveld. Worden gebruikt om te attenderen
op een risico dat, bij het negeren van de waarschuwing, kan resulteren in ernstig letsel met
mogelijk dodelijke afloop.
Witte ISO-symbolen en een witte tekst/afbeelding in een zwart of blauw waarschuwings- en
tekstveld. Worden gebruikt om te attenderen
op een risico dat, bij het negeren van de waarschuwing, kan resulteren in materiële schade.
Witte ISO-symbolen en een witte tekst/afbeelding in een zwart tekstveld.
N.B.
Het is mogelijk dat de stickers die in de
instructieboek staan geen exacte kopieën
zijn van de stickers die in de auto zitten. Ze
dienen alleen om aan te geven hoe de stickers er bij benadering uitzien en waar ze
ongeveer zitten. De informatie die voor uw
auto geldt staat op de desbetreffende stickers in/op uw auto.
Procedurelijsten
Procedures met handelingen die in een
bepaalde volgorde moeten worden uitgevoerd,
staan genummerd in het instructieboekje.
7
Inleiding
Belangrijke informatie
Wanneer er een reeks afbeeldingen bij een
stapsgewijze instructie bestaat, zijn de verschillende stappen van de instructie op
dezelfde manier genummerd als de bijbehorende afbeeldingen.
•
•
Als voor de instructies bij een reeks afbeeldingen de onderlinge volgorde niet relevant is, worden de instructies voorafgegaan door letters.
een hoofdstuk wordt voortgezet op de volgende pagina.
Er komen genummerde en ongenummerde
pijlen voor. Ze worden gebruikt om een
bepaalde beweging weer te geven.
De rij- en veiligheidssystemen van de auto
maken gebruik van computers die de functie
van de auto controleren en onderling gegevens
uitwisselen. Een of meer van deze computers
leggen bij een aanrijding of bijna-aanrijding
mogelijk informatie vast over de systemen die
ze bij normale ritten bewaken. De vastgelegde
informatie wordt mogelijk gebruikt door:
Wanneer er geen reeks afbeeldingen bij een
stapsgewijze instructie bestaat, zijn de verschillende stappen op de standaardmanier
genummerd met normale cijfers.
Positielijsten
Op overzichtsfiguren die de positie van
onderdelen aangeven worden rode cirkels
met daarin een cijfer gebruikt. Hetzelfde
cijfer wordt gehanteerd in de positielijst bij
de afbeelding, met een beschrijving van de
weergegeven objecten.
Opsommingslijsten
Bij opsommingen in het instructieboekje wordt
gebruik gemaakt van een opsommingslijst.
Bijvoorbeeld:
8
Koelvloeistof
Accessoires en opties
Motorolie
Een verkeerde aansluiting en montage van
accessoires kan een nadelige invloed hebben
op de werking van de elektronische systemen
van de auto. Bepaalde accessoires werken
alleen, wanneer de bijbehorende software in de
computersystemen van de auto wordt geladen. U wordt daarom altijd geadviseerd contact op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats, voordat u accessoires monteert die in
verbinding staan met of van invloed zijn op het
elektrische systeem.
Zie ommezijde
`` Dit symbool staat rechts onderaan wanneer
Vastlegging van gegevens
•
•
•
•
Volvo Car Corporation
Service- of reparatiewerkplaatsen
Politie en andere instanties
Derden die wettige aanspraken maken op
kennisname van de informatie of iemand
die door de autobezitter gevolmachtigd is
tot kennisname van de informatie.
Informatie op internet
Op www.volvocars.com vindt u meer informatie over uw auto.
Inleiding
Volvo en het milieu
G000000
Milieubeleid van Volvo Car Corporation
Zorg voor het milieu is een van de kernwaarden
van Volvo Car Corporation die van invloed zijn
op alle activiteiten. We zijn ervan overtuigd dat
onze klanten onze zorg voor het milieu delen.
Uw Volvo voldoet aan strenge internationale
milieueisen en is bovendien geproduceerd in
een fabriek die zeer schoon is en efficiënt met
hulpbronnen omgaat. Volvo Car Corporation is
gecertificeerd volgens de milieunorm ISO
14001 voor alle fabrieken en de meeste andere
eenheden. We eisen bovendien van onze
samenwerkingspartners dat ze systematisch
aan milieuzorg doen.
Brandstofverbruik
De auto’s van Volvo zijn concurrerend in hun
klasse wat het brandstofverbruik betreft. Een
lager brandstofverbruik levert over het algemeen een geringere uitstoot van het broeikasgas kooldioxide op.
U als bestuurder kunt uw steentje bijdragen
aan een verlaging van het brandstofverbruik.
Lees voor meer informatie de tekst onder het
kopje Spaar het milieu.
Efficiënte uitlaatgasreiniging
Uw Volvo is gebouwd volgens het concept
“Schoon aan binnen- en buitenkant” – een
concept dat een schone passagiersruimte
combineert met een uitermate efficiënte uitlaatgasreiniging. In veel gevallen liggen uitlaatgasemissies ver onder de geldende normen.
Schone lucht in passagiersruimte
Het interieurfilter zorgt dat stofdeeltjes en pollen niet via de luchtinlaatopening in de passagiersruimte kunnen dringen.
Een geavanceerd luchtreinigingssysteem,
IAQS* (Interior Air Quality System), zorgt ervoor
dat de lucht die de passagiersruimte binnenkomt schoner is dan de lucht buiten in het verkeer.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
9
Inleiding
Volvo en het milieu
Het systeem bestaat uit een elektronische sensor en een koolstoffilter. De binnenkomende
lucht wordt continu gecontroleerd en als het
gehalte aan bepaalde schadelijke gassen zoals
koolmonoxide te hoog oploopt, wordt de luchtinlaat gesloten. Iets dergelijks kan zich voordoen in bijvoorbeeld druk verkeer, files of tunnels.
Het koolstoffilter zorgt ervoor dat stikstofoxiden, laaghangend ozon en koolwaterstoffen
niet binnendringen.
Textielnorm
Het interieur van een Volvo werd dusdanig
vormgegeven dat het gerieflijk en comfortabel
is – ook voor mensen met contactallergieën of
astma. Er is extra veel aandacht besteed aan
de selectie van milieuvriendelijke materialen.
Ze voldoen dan ook aan de eisen van de norm
Öko-Tex 1001 – een enorme stap op weg naar
een gezonder milieu in de passagiersruimte.
Het Öko-Tex-label stelt regels aan bijvoorbeeld de veiligheidsgordels, de vloerbekleding
en de gebruikte stoffen. De leren bekledingsvarianten zijn chroomvrij gelooid met plantaardige stoffen en voldoen aan de gestelde certificeringseisen.
1
10
Meer informatie staat op www.oekotex.com
•
Verlaag het brandstofverbruik door de
zogeheten ECO-bandenspanning aan te
houden (zie pagina 276).
•
Lading op het dak en een skibox resulteren
in een grotere luchtweerstand waardoor
het brandstofverbruik toeneemt. Verwijder
ze daarom meteen na gebruik.
•
Laat spullen niet onnodig in de auto liggen.
Hoe groter de belasting van de auto, des
te hoger het brandstofverbruik.
•
Gebruik vóór een koude start altijd de
motorverwarming, als de auto hiermee is
uitgerust. Hierdoor nemen het brandstofverbruik en de uitstoot af.
•
•
Rijd rustig en vermijd krachtig remmen.
U kunt eenvoudig meehelpen het milieu te
beschermen door bijvoorbeeld zuinig te rijden
en de auto te (laten) onderhouden aan de hand
van de aanwijzingen in het instructieboekje.
•
•
Rem af op de motor.
Hieronder volgen enkele tips voor hoe u het
milieu kunt ontzien (zie pagina’s 276, 214 voor
meer tips om het milieu te ontzien en zuinig te
rijden):
•
Hanteer afvalstoffen die schadelijk voor het
milieu zijn, zoals accu’s en olie, op een
milieuvriendelijke manier. U wordt geadviseerd contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats, als u niet zeker
weet hoe u dergelijk afval moet verwerken.
Erkende Volvo-werkplaatsen en het
milieu
Met regelmatig onderhoud kunt u de voorwaarden scheppen voor een lange levensduur en
een laag brandstofverbruik. Op die manier
draagt u bij aan een schoner milieu. Wanneer
u de reparaties en het onderhoud aan de auto
toevertrouwt aan de werkplaatsen van Volvo,
wordt de auto een onderdeel van ons systeem.
We stellen duidelijke milieu-eisen aan de outillage van onze werkplaatsen om te voorkomen
dat er schadelijke stoffen vrijkomen in het
milieu. Het personeel in de werkplaatsen van
Volvo beschikt over de kennis en het gereedschap om optimale zorg voor het milieu te kunnen garanderen.
Spaar het milieu
Rijd in de hoogst mogelijke versnelling.
Een lager toerental zorgt voor een lager
verbruik.
Voorkom stationair draaien. Houd u aan de
plaatselijke voorschriften. Zet de motor af
wanneer u langere tijd stilstaat.
Inleiding
Volvo en het milieu
•
•
Onderhoud uw auto regelmatig.
Bij hoge snelheden neemt het verbruik
aanzienlijk toe vanwege de grotere luchtweerstand. Bij een verdubbeling van de
snelheid neemt de luchtweerstand met een
factor vier toe.
Door deze tips op te volgen kan het brandstofverbruik worden verlaagd zonder dat dit van
invloed is op de reistijd of op het rijplezier. U
ontziet uw auto, bespaart geld en gebruikt minder van de hulpbronnen op aarde.
Milieu-aspecten van het
instructieboekje
Het FSC-symbool geeft aan dat de papiervezels waarvan deze publicatie gemaakt is
afkomstig zijn uit FSC-gecertificeerde bossen
of andere gecontroleerde bronnen.
11
12
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
14
17
20
22
24
25
27
28
29
G020871
Veiligheidsgordels ..................................................................................
Airbagsysteem (SRS)..............................................................................
Airbag activeren/deactiveren*.................................................................
SIPS-airbags (zij-airbags) .......................................................................
Opblaasgordijnen (IC-systeem) .............................................................
WHIPS ....................................................................................................
Activering van de veiligheidssystemen ..................................................
Safety mode............................................................................................
Kinderen en veiligheid.............................................................................
VEILIGHEID
01
01 Veiligheid
01
Veiligheidsgordels
Algemene informatie
Op de achterbank passen de borglippen van
de veiligheidsgordel alleen in de bijbehorende
sluitingen*.
Veiligheidsgordel losmaken
Druk op de rode knop van de sluiting en laat
het oprolmechanisme de veiligheidsgordel
naar binnen trekken. Als de veiligheidsgordel
niet volledig wordt opgerold, moet u de gordel
handmatig zo ver terugrollen dat deze niet langer slap hangt.
De veiligheidsgordel is geblokkeerd en kan niet
verder worden uitgetrokken:
Remmen kan ernstige gevolgen hebben als de
veiligheidsgordel niet wordt gedragen. Let er
daarom op dat alle passagiers hun veiligheidsgordel omhebben.
Voor optimale bescherming van de veiligheidsgordel is het van belang dat de gordel goed
tegen het lichaam ligt. Laat de rugleuning niet
te ver achteroverhellen. De veiligheidsgordel
biedt de beste bescherming bij een normale
rijhouding.
Veiligheidsgordel omdoen
Trek de veiligheidsgordel langzaam uit en
maak deze vast door de borglip in de sluiting
te steken. Een duidelijke “klik” geeft aan dat de
veiligheidsgordel vastzit.
14
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
•
•
•
wanneer u de gordel te snel uittrekt
wanneer u remt of optrekt
als de auto sterk overhelt.
Let erop dat:
•
u geen klemmen of andere accessoires
gebruikt waardoor u de veiligheidsgordel
niet strak langs uw lichaam kunt trekken
•
er geen slagen in de veiligheidsgordel zitten en dat hij nergens achter blijft steken
•
de heupgordel laag moet zitten (niet over
de buik)
•
u de heupgordel over de heupen spant
door aan de diagonale schoudergordel te
trekken zoals op de voorgaande afbeelding.
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en de airbag werken
samen. Als de veiligheidsgordel niet of
onjuist wordt gebruikt, kan de bescherming
die de airbag bij een aanrijding biedt afnemen waardoor u als klant ernstig letsel kunt
oplopen.
WAARSCHUWING
Elke veiligheidsgordel is bestemd ter
bescherming van slechts één persoon.
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen aan de veiligheidsgordels aan en probeer ze nooit zelf te
repareren. Volvo adviseert u daarvoor contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats.
Als een veiligheidsgordel aan grote krachten heeft blootgestaan zoals tijdens een
aanrijding, moet u de veiligheidsgordel in
zijn geheel vervangen. De veiligheidsgordel
kan een deel van zijn beschermende eigenschappen hebben verloren, zelfs als de veiligheidsgordel ogenschijnlijk niet beschadigd is. Vervang de veiligheidsgordel ook
als deze versleten of beschadigd is. De
nieuwe veiligheidsgordel moet zijn goedgekeurd en bedoeld voor montage op dezelfde
positie als de vervangen veiligheidsgordel.
01 Veiligheid
Veiligheidsgordels
Veiligheidsgordel en zwangerschap
onder controle hebben (wat inhoudt dat ze met
gemak bij het stuur en de pedalen moeten kunnen komen). Streef ernaar de afstand tussen de
buik en het stuur zo groot mogelijk te maken.
Achterbank
De functie van de gordelwaarschuwing voor de
achterbank is tweeledig:
•
Aangeven welke veiligheidsgordels van de
achterbank er worden gebruikt. De waarschuwing wordt gegeven bij het gebruik
van de veiligheidsgordels of bij het openen
van een van de achterportieren. De melding wordt na ca. 30 seconden automatisch gewist, maar kan ook handmatig worden bevestigd door op de knop READ op
de richtingaanwijzerhendel te drukken.
•
Waarschuwen dat iemand op de achterbank de veiligheidsgordel heeft losgenomen. Er wordt gewaarschuwd met een
melding op het informatiedisplay in combinatie met een geluidssignaal en een
waarschuwingslampje. De waarschuwing
stopt wanneer de gordel weer is omgedaan, maar kan ook handmatig worden
bevestigd door op de knop READ te drukken.
Het heupgedeelte van de veiligheidsgordel
moet vlak tegen de buitenkant van de bovenbenen liggen en zo ver mogelijk onder de buik
liggen. Het mag nooit over de buik omhoog
kunnen glijden. De veiligheidsgordel moet zo
strak mogelijk over het lichaam lopen zonder
onnodige speling. Controleer ook of de veiligheidsgordel nergens gedraaid zit.
G017726
G020998
Gordelwaarschuwing
Wanneer u zwanger bent, is het belangrijk dat
u de veiligheidsgordel altijd op de juiste manier
draagt. De veiligheidsgordel moet strak langs
de schouder lopen, waarbij het diagonale deel
van de veiligheidsgordel tussen de borsten en
tegen de zijkant van de buik ligt.
Er gaan waarschuwingslampjes branden en er
worden geluidssignalen afgegeven wanneer
iemand de gordel niet draagt. Of er geluidssignalen klinken, hangt af van de snelheid. De
waarschuwingslampjes zitten in de plafondconsole en op het instrumentenpaneel.
Het gordelwaarschuwingssysteem geldt niet
voor kinderzitjes.
01
De melding op het informatiedisplay, die aangeeft welke veiligheidsgordels er gebruikt worden, is altijd beschikbaar. Druk op de knop
READ om de opgeslagen meldingen te zien.
Naarmate de zwangerschap vordert moeten
zwangere bestuurders de stoel en het stuur
dusdanig verstellen dat ze de auto volledig
``
15
01 Veiligheid
01
Veiligheidsgordels
Bepaalde markten
Er gaat een waarschuwingslampje branden en
er worden geluidssignalen afgegeven wanneer
de bestuurder en een eventuele voorpassagier
de gordel niet dragen. Op lage snelheden klinkt
de eerste 6 seconden lang een geluidssignaal.
Gordelspanners
Alle veiligheidsgordels zijn uitgerust met gordelspanners. Dit is een mechanisme dat bij een
voldoende krachtige aanrijding de veiligheidsgordel rond het lichaam spant. De veiligheidsgordel kan de passagier daarmee beter in de
stoel gedrukt houden.
16
01 Veiligheid
Airbagsysteem (SRS)
Waarschuwingssymbool op
instrumentenpaneel
Het airbagsysteem wordt continu gecontroleerd door de regelmodule. Het waarschuwingssymbool op het instrumentenpaneel gaat
branden, wanneer u de transpondersleutel in
stand II of III zet. Het symbool dooft na ca.
6 seconden, wanneer de regelmodule heeft
vastgesteld dat het airbagsysteem geen storingen vertoont.
Behalve het brandende waarschuwingssymbool verschijnt er, in die gevallen waarin dat
nodig is, een melding op het informatiedisplay.
Als het waarschuwingslampje niet werkt, gaat
het waarschuwingsdriehoekje branden en verschijnt er SRS airbag Service vereist of SRS
airbag Service spoed op het display. Volvo
adviseert u zo spoedig mogelijk contact op te
nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
G018665
o
SRS-systeem, auto met het stuur links.
G018666
1
Overzicht airbagsysteem
Als het waarschuwingslampje voor het airbagsysteem blijft branden of tijdens het rijden korte tijd oplicht, betekent dit dat het
airbagsysteem niet naar behoren werkt. Het
lampje kan ook duiden op een storing in de
gordelspanners, het SIPS-, het SRS- of het
IC-systeem. Volvo adviseert u zo spoedig
mogelijk contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats.
G021010
0
WAARSCHUWING
01
SRS-systeem, auto met het stuur rechts.
Het SRS-systeem bestaat uit airbags en sensoren. Bij een voldoende krachtige aanrijding
reageren de sensoren, waarna één of meer air``
17
01 Veiligheid
01
Airbagsysteem (SRS)
bags worden opgeblazen. Daarbij worden de
airbags warm. Om de klap op te vangen loopt
de airbag leeg wanneer de inzittende de airbag
raakt. Daarbij treedt er rookvorming in de auto
op. Dit is volkomen normaal. Het totale verloop, van het opblazen tot het leeglopen van de
airbag, neemt enkele tienden van een seconde
in beslag.
WAARSCHUWING
Het is dan ook mogelijk dat er bij ongelukken slechts één (of geen enkele) van de airbags wordt opgeblazen. Het airbagsysteem
registreert de botskracht waaraan de auto
blootstaat en stemt de activering van een of
meerdere airbags daarop af.
Ook de capaciteit van de airbags wordt
afgestemd op de botskracht waaraan de
auto blootstaat.
Positie van de passagiersairbag in een auto met
het stuur rechts.
Airbag aan de bestuurderszijde
G021011
Volvo adviseert u voor reparatie contact op
te nemen met een erkende Volvo-werkplaats. Verkeerde ingrepen in het airbagsysteem kunnen aanleiding geven tot storingen in de werking met mogelijk ernstig
lichamelijk letsel tot gevolg.
N.B.
De reactie van de sensoren hangt af van de
ernst van de aanrijding en van het feit of de
veiligheidsgordel aan de bestuurderszijde
of de passagierszijde vooraan wordt gedragen of niet.
Positie van de passagiersairbag in een auto met
het stuur links.
18
Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordels
aan de bestuurderszijde ook een airbag (SRS -
01 Veiligheid
Airbagsysteem (SRS)
Supplemental Restraint System) in het stuurwiel. De airbag zit opgevouwen in het midden
van het stuurwiel. Het stuurwiel is voorzien van
het opschrift SRS AIRBAG.
giersairbag die ligt opgevouwen in een ruimte
boven het dashboardkastje. Het paneel is
voorzien van het opschrift SRS AIRBAG.
WAARSCHUWING
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en de airbag werken
samen. Als de veiligheidsgordel niet of
onjuist wordt gebruikt, kan de bescherming
die de airbag bij een aanrijding biedt afnemen waardoor u als klant ernstig letsel kunt
oplopen.
Om de kans op letsel bij het opblazen van
de airbags te beperken, moeten de passagiers zo rechtop mogelijk zitten met hun
voeten op de vloer en hun rug tegen de rugleuning. De veiligheidsgordel moet goed
vastzitten.
WAARSCHUWING
Plaats geen voorwerpen voor of boven op
het dashboard in het gebied waar de passagiersairbag is aangebracht.
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen op de passagiersstoel als de passagiersairbag geactiveerd
is1.
Laat kinderen nooit voor de passagierstoel
zitten of staan. Personen kleiner dan 1,40 m
mogen nooit op de passagiersstoel plaatsnemen, als de passagiersairbag geactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren voor het kind.
Airbagsticker
G032244
Airbag aan de passagierszijde
01
Als aanvulling op de veiligheidsgordel van de
passagiersstoel heeft uw auto ook een passa-
1
Airbagsticker op de portierstijl.
Voor informatie over het activeren/deactiveren van de passagiersairbag, zie pagina 20.
19
01 Veiligheid
Airbag activeren/deactiveren*
PACOS deactiveren met sleutel
Algemene informatie
De passagiersairbag (SRS) voorin kan gedeactiveerd worden met een schakelaar als de auto
is uitgerust met PACOS (Passenger Airbag Cut
Off Switch). Zie de tekst onder het kopje Activeren/deactiveren voor informatie over activering/deactivering.
Schakelaar voor deactivering met sleutel
De schakelaar voor activering/deactivering van
de passagiersairbag, PACOS (Passenger Airbag Cut Off Switch) zit aan de passagierszijde
aan de zijkant van het dashboard en u kunt erbij
door het portier aan die kant te openen (zie
onder het navolgende kopje “Schakelaar voor
activering/deactivering passagiersairbag,
PACOS”). Controleer of de schakelaar in de
gewenste stand staat. Volvo adviseert u het
sleutelblad van de transpondersleutel te
gebruiken om de stand te wijzigen.
Voor informatie over het sleutelblad, zie
pagina 44.
WAARSCHUWING
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren voor de inzittenden.
20
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
WAARSCHUWING
Activeren/deactiveren
Als de auto is uitgerust met een passagiersairbag maar geen PACOS (Passenger Airbag Cut Off Switch, schakelaar voor deactivering van de passagiersairbag) heeft, is
de airbag altijd geactiveerd.
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen op de passagiersop
stoel, als het brandende symbool
de plafondconsole aangeeft dat de passagiersairbag geactiveerd is. Het niet opvolgen van deze aanbeveling kan levensgevaarlijke situaties opleveren voor het kind.
WAARSCHUWING
Laat geen passagier op de passagiersstoel
plaatsnemen, als het waarschuwingslampje
voor het airbagsysteem op het instrumentenpaneel oplicht terwijl de melding op het
plafondpaneel (zie pagina 21) aangeeft
dat de airbag (SRS) aan die kant gedeactiveerd is. Dit duidt op een ernstige storing.
Bezoek zo spoedig mogelijk een werkplaats. Volvo adviseert u daarvoor contact
op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
G019030
01
Locatie van de schakelaar voor activering/deactivering van de passagiersairbag.
De airbag is geactiveerd. Met de schakelaar in deze stand kunnen passagiers groter dan 1,40 m aan de passagierszijde op
de voorstoel zitten, maar kinderen in een
kinderzitje of op een kussen beslist niet.
De airbag is gedeactiveerd. Met de schakelaar in deze stand kunnen kinderen in
een kinderzitje of op een kussen aan de
passagierszijde op de voorstoel zitten,
maar passagiers groter dan 1,40 m beslist
niet.
01 Veiligheid
Airbag activeren/deactiveren*
WAARSCHUWING
Geactiveerde airbag (passagiersstoel):
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen op de passagiersstoel als de airbag geactiveerd is. Laat
evenmin personen die kleiner zijn dan
1,40 m op deze stoel plaatsnemen.
Een tekstmelding en een brandend symbool op
het plafondpaneel op de plafondconsole geven
aan dat de airbag aan de passagierszijde
gedeactiveerd is (zie voorgaande afbeelding).
N.B.
Bij het omdraaien van de transpondersleutel
naar stand II of III brandt ca. 6 seconden
lang het waarschuwingssymbool voor de
airbags op het instrumentenpaneel (zie
pagina 17).
Daarna gaat op de plafondconsole de indicator branden die de status van de passagiersairbag aangeeft. Voor meer informatie
over de verschillende contactstanden van
de transpondersleutel, zie pagina 72.
Gedeactiveerde airbag (passagiersstoel):
Personen groter dan 1,40 m mogen nooit op
de passagiersstoel plaatsnemen, als de airbag gedeactiveerd is.
G017800
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren.
01
Berichten
Hiermee wordt aangegeven dat de airbag aan de
passagierszijde geactiveerd is.
Een waarschuwingssymbool op de plafondpaneel op de plafondconsole geeft aan of de passagiersairbag voorin geactiveerd is (zie voorgaande afbeelding).
2
G017724
2
Hiermee wordt aangegeven dat de airbag aan de
passagierszijde gedeactiveerd is.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
21
01 Veiligheid
SIPS-airbags (zij-airbags)
WAARSCHUWING
Volvo adviseert u reparatiewerk over te
laten aan een erkende Volvo-werkplaats. Verkeerde ingrepen in het SIPSairbagsysteem kunnen aanleiding
geven tot storingen in de werking met
mogelijk ernstig lichamelijk letsel tot
gevolg.
•
Plaats geen voorwerpen tussen de
stoelen en de portierpanelen, omdat dit
gebied binnen de actieradius van de
SIPS-airbag ligt.
•
Volvo adviseert u alleen stoelhoezen te
gebruiken die door Volvo zijn goedgekeurd. Andere stoelhoezen kunnen de
SIPS-airbags in hun werking hinderen.
•
De SIPS-airbag vormt een aanvulling op
de veiligheidsgordel. Draag altijd een
veiligheidsgordel.
G032949
•
Bij een aanrijding in de zij wordt een groot deel
van de botskracht door het SIPS-systeem
(Side Impact Protection System) over balken,
stijlen, vloer, dak en andere delen van de carrosserie verdeeld. De SIPS-airbags aan de
bestuurders- en de passagierszijde beschermen de borstkas en de heupen en vormen een
belangrijk onderdeel van het SIPS-systeem.
Het SIPS-systeem bestaat uit twee hoofdonderdelen: de SIPS-airbags en de sensoren. De
SIPS-airbags zijn aangebracht in de rugleuningframes van de voorstoelen.
1
22
Positie
G024377
SIPS-airbag
Bestuurdersplaats, auto met stuur links.
Kinderzitjes en SIPS-airbags
De SIPS-airbags beïnvloeden de beschermende werking van kinderzitje en/of comfortkussen niet negatief.
Het is mogelijk een kinderzitje/comfortkussen
op de voorstoel te plaatsen, als de auto aan de
passagierszijde niet is uitgerust met een geactiveerde1 airbag.
Voor informatie over het activeren/deactiveren van de airbag, zie pagina 20.
G024378
01
Passagiersplaats, auto met stuur links.
Het SIPS-systeem bestaat uit SIPS-airbags en
sensoren. Bij een voldoende krachtige aanrij-
01 Veiligheid
SIPS-airbags (zij-airbags)
01
ding reageren de sensoren, die op hun beurt
de gasgeneratoren activeren. De SIPS-airbags
worden vervolgens opgeblazen tussen de
inzittende en het portierpaneel. Daarmee vangen de SIPS-airbags de klap van de aanrijding
op voor de inzittende, waarna de airbags weer
leeglopen. De SIPS-airbag wordt normaal
gesproken alleen opgeblazen aan de kant van
de aanrijding.
G032254
Sticker, SIPS-airbag
SIPS-airbagsticker op de portierstijl.
23
01 Veiligheid
01
Opblaasgordijnen (IC-systeem)
Eigenschappen
WAARSCHUWING
Hang of bevestig nooit zware voorwerpen
aan de plafondhandgrepen. De haak is
alleen bedoeld voor niet al te zware kledingstukken (en niet voor harde voorwerpen
zoals paraplu’s).
Schroef of bevestig geen onderdelen op de
plafondbekleding, portierstijlen of de zijpanelen van de auto. Ze kunnen daarbij hun
beschermende werking verliezen. Volvo
adviseert u uitsluitend originele Volvoonderdelen, bestemd voor montage op
deze plaatsen, te gebruiken.
De opblaasgordijnen van het IC-systeem (Inflatable Curtain) vormen een aanvulling op het
SRS- en SIPS-systeem. Ze zitten verborgen
achter de plafondbekleding langs beide zijden
van de auto en beschermen inzittenden op de
buitenste zitplaatsen van de auto. Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren de sensoren, die op hun beurt de opblaasgordijnen
activeren. Het systeem helpt voorkomen dat
de bestuurder en eventuele passagiers bij een
botsing met hun hoofd tegen de binnenkant
van de auto slaan.
WAARSCHUWING
Zorg dat de lading in de auto niet uitsteekt
boven de denkbeeldige, horizontale lijn op
50 mm onder de bovenkant van de portierruiten. Anders is het mogelijk dat het
opblaasgordijn dat schuilgaat achter de plafondbekleding geen bescherming meer
biedt.
WAARSCHUWING
Het opblaasgordijn vormt een aanvulling op
de veiligheidsgordel.
Draag altijd de veiligheidsgordel.
24
01 Veiligheid
WHIPS
Bescherming tegen whiplash-letsel,
WHIPS
Het WHIPS-systeem (Whiplash Protection
System) bestaat uit energieabsorberende rugleuningen en speciaal voor het systeem ontwikkelde hoofdsteunen voor de beide voorstoelen. Het systeem wordt geactiveerd bij een
aanrijding van achteren, afhankelijk van de
hoek waaronder en de snelheid waarmee het
achteropkomende voertuig de auto raakt en de
materiaaleigenschappen van dat voertuig.
WAARSCHUWING
Het WHIPS-systeem vormt een aanvulling
op de veiligheidsgordels. Draag altijd de veiligheidsgordel.
01
WHIPS-systeem en kinderzitjes
Het WHIPS-systeem beïnvloedt de beschermende werking van kinderzitje en/of comfortkussen niet negatief.
Juiste zithouding
Voor optimale bescherming moeten de
bestuurder en de voorpassagier zoveel mogelijk in het midden van de stoel plaatsnemen en
de afstand tussen het hoofd en de hoofdsteun
zo klein mogelijk houden.
Zorg dat u de werking van het WHIPSsysteem niet nadelig beïnvloedt
Eigenschappen van de stoel
Als het WHIPS-systeem wordt geactiveerd,
klappen de rugleuningen van de voorstoelen
naar achteren zodat de zithouding van de
bestuurder en de passagier op de voorstoelen
verandert. Zo wordt de kans op zogeheten whiplash-letsel beperkt.
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen in de stoel of het
WHIPS-systeem aan en probeer ze nooit
zelf te repareren. Volvo adviseert u daarvoor
contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats.
Plaats geen voorwerpen op de vloer achter de
bestuurders- of passagiersstoel.
``
25
01 Veiligheid
01
WHIPS
WAARSCHUWING
Plaats geen koffer of iets dergelijks tussen
het zitgedeelte van de achterbank en de
rugleuning van de voorstoelen. Let erop dat
u de werking van het WHIPS-systeem niet
beïnvloedt.
WAARSCHUWING
Als de stoel heeft blootgestaan aan grote
krachten zoals bij een aanrijding van achteren, moet u het WHIPS-systeem laten
controleren. Volvo adviseert u het te laten
controleren door een erkende Volvo-werkplaats.
Het WHIPS-systeem kan een deel van zijn
beschermende eigenschappen hebben verloren, zelfs als de stoel ogenschijnlijk intact
is.
Volvo adviseert u contact op te nemen met
een erkende Volvo-werkplaats voor een
controle van het systeem, ook na een lichte
aanrijding van achteren.
Plaats geen voorwerpen op de achterbank.
WAARSCHUWING
Als u een van de ruggedeelten van de achterbank hebt omgeklapt, moet u de voorstoel aan dezelfde kant naar voren schuiven
zodat de rugleuning van de stoel niet tegen
het omgeklapte ruggedeelte van de achterbank aankomt.
26
01 Veiligheid
Activering van de veiligheidssystemen
Volvo-werkplaats. Rijd niet met opgeblazen airbags.
Activering van de veiligheidssystemen
Systeem
Activering
Gordelspanners
voorstoelen
Bij een frontale botsing en/of aanrijding
in de zij en/of van
achteren
Gordelspanners
achterbank
Bij een frontale botsing.
Airbags (SRS)
Bij een frontale botsing.A
SIPS-airbags
Bij een aanrijding in
de zijA
Opblaasgordijnen
(IC)
Bij een aanrijding in
de zijA
WHIPS-systeem
Bij aanrijdingen van
achteren
A
Het is mogelijk dat de airbags niet worden opgeblazen,
ondanks dat de carrosserie van de auto danig vervormd
raakt. Enkele factoren zoals de stijfheid en het gewicht van
het lichaam waarmee de auto in botsing komt, de snelheid
van de auto, de hoek waaronder de botsing plaatsvindt e.d.
zijn van invloed op de wijze van activering van de verschillende veiligheidssystemen in de auto.
•
Volvo adviseert u het vervangen van de
onderdelen van de veiligheidssystemen in
de auto over te laten aan een erkende
Volvo-werkplaats.
•
Neem altijd contact op met een arts.
N.B.
De SRS-, SIPS-, IC-systemen en de gordelspanners worden bij een botsing slechts
eenmaal geactiveerd.
01
WAARSCHUWING
Rijd nooit met opgeblazen airbags. Ze kunnen u bij het sturen danig in de weg zitten.
Ook de andere veiligheidssystemen kunnen
beschadigd zijn. Langdurige blootstelling
aan de rook- en stofdeeltjes die vrijkomen
bij het opblazen van de airbags kan oog- en
huidirritatie veroorzaken. Spoel bij irritatie
met koud water. De snelheid waarmee de
airbags/gordijnen worden opgeblazen kan
in combinatie met de toegepaste materialen
resulteren in schaaf- en brandwonden aan
de huid.
WAARSCHUWING
De regelmodule van het airbagsysteem zit
in de middenconsole. Als de middenconsole doorweekt geraakt is, moet u de accukabels loskoppelen. Probeer de auto niet te
starten, omdat de airbags daarbij geactiveerd kunnen worden. Laat de auto wegslepen. Volvo adviseert u hem te laten wegslepen naar een erkende Volvo-werkplaats.
Wanneer de airbags werden opgeblazen, adviseert Volvo u het volgende:
•
Laat de auto wegslepen. Volvo adviseert u
hem te laten wegslepen naar een erkende
27
01 Veiligheid
01
Safety mode
Beperkte functionaliteit
G021062
Als alles normaal lijkt en u hebt vastgesteld dat
er geen brandstof lekt, kunt u proberen de
motor te starten.
Als de auto betrokken is geweest bij een aanrijding, kan de melding Safety mode Zie
instructieb. op het informatiedisplay verschijnen. Dit betekent dat de functionaliteit van de
auto is verminderd. Safety mode is een veiligheidsfunctie die in werking treedt wanneer de
aanrijding een belangrijke onderdeel van de
auto zoals de brandstofleidingen, de sensoren
voor een van de veiligheidssystemen of het
remsysteem, kan hebben beschadigd.
Auto proberen te starten
Controleer eerst of er geen brandstof uit de
auto is gelopen. Er mag evenmin een brandstofgeur waarneembaar zijn.
28
Haal de transpondersleutel uit het contact en
steek hem er opnieuw in. De elektronica van de
auto probeert te resetten naar de normale
stand. Probeer vervolgens de auto te starten.
Als de melding Safety mode Zie
instructieb. nog steeds op het display staat,
mag u niet met de auto rijden en hem evenmin
verslepen. Verborgen schade kan de auto tijdens het rijden onbestuurbaar maken, zelfs als
het lijkt dat u nog met de auto kunt rijden.
Auto verzetten
Als de melding Normal mode wordt weergegeven nadat de Safety mode Zie
instructieb. is gereset, mag u de auto voorzichtig uit de huidige, gevaarlijke positie verrijden. Verrijd de auto niet verder dan nodig.
WAARSCHUWING
Probeer nooit zelf de auto te repareren of de
elektronische onderdelen te resetten nadat
de auto in de Safety mode heeft gestaan. Dit
kan aanleiding geven tot letsel of een
slechte functie van de auto. Volvo adviseert
u de auto altijd in een erkende Volvo-werkplaats te laten controleren en naar Normal
Mode te laten resetten nadat de melding
Safety mode Zie instructieb. is verschenen.
WAARSCHUWING
Probeer onder geen beding de auto
opnieuw te starten, als u brandstof ruikt terwijl de melding Safety mode wordt weergegeven. Verlaat de auto onmiddellijk.
WAARSCHUWING
De auto mag niet worden weggesleept
zolang deze in de Safety mode staat. De
auto moet worden weggesleept. Volvo adviseert u hem te laten wegslepen naar een
erkende Volvo-werkplaats.
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Kinderen moeten comfortabel en veilig
kunnen zitten
De plaats van het kind in de auto en de vereiste
uitrusting zijn afhankelijk van het gewicht en de
lengte van het kind (voor meer informatie, zie
pagina 31).
N.B.
01
N.B.
Neem voor duidelijker instructies voor de
bevestiging van kinderveiligheidsproducten
contact op met de producent.
Bij gebruik van op de markt verkrijgbare kinderveiligheidsproducten is het van belang
dat u de bijgeleverde montage-instructies
zorgvuldig doorleest en nauwkeurig
opvolgt.
Kinderzitjes
N.B.
Zet de bevestigingsbanden van het kinderzitje
nooit vast aan de hendel waarmee u de voorstoel in de lengterichting verstelt of aan veren,
rails of balken onder de stoel. Door scherpe
randen kunnen de bevestigingsbanden
beschadigd raken.
De wettelijke bepalingen voor het vervoer
van kinderen in de auto verschillen van land
tot land. Ga na welke regels er in uw land
van kracht zijn.
Ongeacht leeftijd en lengte moeten kinderen
altijd met de gordel goed om in de auto zitten.
Laat kinderen nooit bij passagiers op schoot
zitten.
G020739
De veiligheidsuitrusting voor kinderen die
Volvo biedt, is afgestemd op het gebruik in uw
auto. Volvo adviseert u originele Volvo-onderdelen te gebruiken om er zeker van te zijn dat
de bevestigingspunten en bevestigingsonderdelen op de juiste wijze zijn aangebracht en
sterk genoeg zijn.
Raadpleeg voor de juiste montage de montage-instructies bij het kinderzitje.
Positie van kinderzitjes
Het volgende kan worden gebruikt:
Kinderzitjes en airbags gaan niet samen.
Volvo heeft veiligheidsuitrusting voor kinderen
die afgestemd is op uw Volvo en uitvoerig door
Volvo getest is.
•
een kinderzitje/comfortkussen op de passagiersstoel, zolang de airbag aan de passagierszijde gedeactiveerd1 is;
•
een achterstevoren gemonteerd kinderzitje
op de achterbank.
Plaats een kind altijd op de achterbank als de
airbag aan de passagierszijde geactiveerd is.
Als de airbag wordt opgeblazen, kan een kind
op de passagiersstoel ernstig letsel oplopen.
1
Voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag (SRS), zie pagina 20.
``
29
01 Veiligheid
01
Kinderen en veiligheid
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen op de passagiersstoel als de passagiersairbag (SRS) geactiveerd is.
Personen kleiner dan 1,40 m mogen nooit
op de passagiersstoel plaatsnemen, als de
passagiersairbag (SRS) geactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren voor het kind.
30
WAARSCHUWING
Sticker airbag
Gebruik geen kinderzitjes met stalen beugels of andere constructies die tegen de
ontgrendelingsknop van de gordelsluiting
kunnen aankomen. Dit om te voorkomen
dat de gordels plotseling losschieten.
Zorg dat het kinderzitje niet met de bovenkant tegen de voorruit aankomt.
Sticker op zijwand dashboard, passagierszijde.
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
Aanbevolen kinderzitjes2
Gewicht/Leeftijd
Voorstoel
Buitenste zitplaats achterbank
Middelste zitplaats achterbank
Groep 0
Volvo-kinderzitje – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met
veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Volvo-kinderzitje – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met
veiligheidsgordel, bevestigingsband
en steun.
Volvo-kinderzitje – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met
veiligheidsgordel, bevestigingsband
en steun.
Typegoedkeuring: E5 03135
Typegoedkeuring: E5 03135
Typegoedkeuring: E5 03135
Volvo-babyzitje - achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met
ISOFIX-systeem.
Volvo-babyzitje - achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met
ISOFIX-systeem.
Volvo-babyzitje – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met
veiligheidsgordel.
Typegoedkeuring: E1 03301146
Typegoedkeuring: E1 03301146
Typegoedkeuring: E1 03301146
Volvo-babyzitje – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met
veiligheidsgordel
Volvo-babyzitje – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met
veiligheidsgordel
Typegoedkeuring: E1 03301146
Typegoedkeuring: E1 03301146
max. 10 kg (tot 9 maanden)
Groep 0+
max. 13 kg
2
Om andere veiligheidszitjes te kunnen gebruiken dient uw auto op de lijst van de producent te staan of een universele goedkeuring te hebben conform ECE R44.
``
31
01 Veiligheid
01
Kinderen en veiligheid
Gewicht/Leeftijd
Voorstoel
Buitenste zitplaats achterbank
Middelste zitplaats achterbank
Groep 1
Volvo-kinderzitje – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met
veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Volvo-kinderzitje – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met
veiligheidsgordel, bevestigingsband
en steun.
Volvo-kinderzitje – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met
veiligheidsgordel, bevestigingsband
en steun.
Typegoedkeuring: E5 03135
Typegoedkeuring: E5 03135
Typegoedkeuring: E5 03135
Omkeerbaar Volvo-kinderzitje – achterstevoren gemonteerd kinderzitje
bevestigd met veiligheidsgordel en
bevestigingsband.
Omkeerbaar Volvo-kinderzitje – achterstevoren gemonteerd kinderzitje
bevestigd met veiligheidsgordel en
bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 04192
Typegoedkeuring: E5 04192
Britax Fixway – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met
ISOFIX-systeem en bevestigingsband.
Britax Fixway – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met
ISOFIX-systeem en bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 03171
Typegoedkeuring: E5 03171
Omkeerbaar Volvo-kinderzitje – achterstevoren gemonteerd kinderzitje
bevestigd met veiligheidsgordel en
bevestigingsband
Omkeerbaar Volvo-kinderzitje – achterstevoren gemonteerd kinderzitje
bevestigd met veiligheidsgordel en
bevestigingsband
Omkeerbaar Volvo-kinderzitje – achterstevoren gemonteerd kinderzitje
bevestigd met veiligheidsgordel en
bevestigingsband
Typegoedkeuring: E5 04191
Typegoedkeuring: E5 04191
Typegoedkeuring: E5 04191
Omkeerbaar Volvo-kinderzitje – achterstevoren gemonteerd kinderzitje
bevestigd met veiligheidsgordel en
bevestigingsband.
Omkeerbaar Volvo-kinderzitje – achterstevoren gemonteerd kinderzitje
bevestigd met veiligheidsgordel en
bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 04192
Typegoedkeuring: E5 04192
9–18 kg
(9–36 maanden)
Groep 2, 15–25 kg,
3–6 jaar
32
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Gewicht/Leeftijd
Voorstoel
Buitenste zitplaats achterbank
Middelste zitplaats achterbank
Groep 2/3
Volvo-comfortkussen – met of zonder
rugleuning.
Volvo-comfortkussen – met of zonder
rugleuning.
Volvo-comfortkussen – met of zonder
rugleuning.
Typegoedkeuring: E5 03139
Typegoedkeuring: E5 03139
Typegoedkeuring: E5 03139
Volvo-comfortkussen met rugleuning
Volvo-comfortkussen met rugleuning
Volvo-comfortkussen met rugleuning
Typegoedkeuring: E1 04301198
Typegoedkeuring: E1 04301198
Typegoedkeuring: E1 04301198
15–36 kg
(3–12 jaar)
01
Geïntegreerd Volvo-kinderzitje – verkrijgbaar als fabrieksoptie.
Typegoedkeuring: E5 03140
Geïntegreerd kinderzitje*
bescherming te bieden. In combinatie met de
aanwezige veiligheidsgordels is het kinderzitje
goedgekeurd voor kinderen met een gewicht
van 15 tot 36 kg.
Geïntegreerd kinderzitje uitklappen
Het geïntegreerde kinderzitje van Volvo op de
middelste zitplaats van de achterbank is speciaal ontworpen om kinderen optimale
•
de veiligheidsgordel goed strak langs het
lichaam van het kind loopt en nergens slap
hangt of verdraaid is;
•
de veiligheidsgordel niet tegen de nek van
het kind aankomt of onder de schouder
langs loopt (zie voorgaande afbeelding);
•
de heupgordel laag over het bekken loopt
om maximale bescherming te bieden;
•
de stand van de hoofdsteun afgestemd is
op de lengte van het kind.
G021070
Zorg alvorens weg te rijden dat:
Klap het geïntegreerde kinderzitje omlaag.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
33
01 Veiligheid
01
Kinderen en veiligheid
Klap het bovenste gedeelte weer op.
Als een geïntegreerd kinderzitje aan grote
krachten heeft blootgestaan zoals tijdens
een aanrijding, moet u het geïntegreerde
kinderzitje in zijn geheel vervangen. Ook als
het geïntegreerde kinderzitje er intact uitziet, kunnen er toch beschermende eigenschappen verloren zijn gegaan. Het geïntegreerde kinderzitje moet ook worden vervangen als het erg versleten is.
Klap het bovenste gedeelte omlaag.
34
Bevestig het stuk klittenband.
G021076
Geïntegreerd kinderzitje opklappen
G021074
G021072
Haal de klittenband los.
G021075
G021071
WAARSCHUWING
Volvo adviseert u reparatie- en vervangingswerk over te laten aan een erkende Volvowerkplaats. Verricht geen wijzigingen in of
aanpassingen aan het geïntegreerde kinderzitje.
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
ISOFIX-bevestigingssysteem voor
veiligheidszitjes
Houd u altijd aan de montage-instructies van
de fabrikant, wanneer u een kinderzitje/babyzitje aan de ISOFIX-bevestigingspunten vastzet.
N.B.
Zorg dat de beide delen van het geïntegreerde kinderzitje met de klittenband zijn
vastgezet, voordat u het zitje opklapt.
Anders kan het bovenste gedeelte in het
ruggedeelte van de achterbank blijven steken, wanneer u het geïntegreerde kinderzitje een volgende keer opnieuw neerklapt.
G021064
Bovenste bevestigingspunten voor
kinderzitjes
Kinderslot achterportieren
De bedieningsknoppen voor de ruiten in de
achterportieren en de openingshandgrepen op
de achterportieren zijn te blokkeren, zodat de
achterportieren en de zijruiten niet meer van de
binnenzijde kunnen worden geopend. Voor
meer informatie, zie pagina 56.
Achter de onderkant van de ruggedeelten op
de beide buitenste zitplaatsen van de achterbank gaan de bevestigingspunten voor het
ISOFIX-systeem schuil.
Symbolen op de bekleding van de ruggedeelten (zie voorgaande afbeelding) geven de positie van deze bevestigingspunten aan.
Duw het zitgedeelte van de zitplaats omlaag
om bij de bevestigingspunten te komen.
N.B.
Het ISOFIX-bevestigingssysteem is als
accessoire verkrijgbaar voor de passagiersstoel.
G021068
Klap het geïntegreerde kinderzitje in het zitgedeelte van de achterbank op.
01
De auto is uitgerust met bovenste bevestigingspunten voor kinderzitjes. Deze bevestigingspunten zitten in de hoedenplank en zijn
afgedekt met kunststof dekplaatjes. Klap de
kunststof dekplaatjes opzij om bij de bevestigingspunten te komen.
Bij auto’s met hoofdsteunen op de beide buitenste zitplaatsen van de achterbank gaat
monteren makkelijker, als u de hoofdsteunen
omklapt.
``
35
01 Veiligheid
01
Kinderen en veiligheid
De bovenste bevestigingspunten zijn voornamelijk bestemd om een in de rijrichting gemonteerd kinderzitje aan te bevestigen. Volvo adviseert u kleine kinderen zo lang mogelijk in achterstevoren gemonteerde kinderzitjes te vervoeren.
Zie de aanwijzingen van de fabrikant van het
kinderzitje voor gedetailleerde informatie over
de manier waarop u het zitje aan de bovenste
bevestigingspunten vastzet.
WAARSCHUWING
Haal de bevestigingsband van een kinderzitje altijd onder de hoofdsteun van de achterbank door, voordat u de gordel in de sluiting aanbrengt.
36
01 Veiligheid
01
37
Transpondersleutel/sleutelblad...............................................................
Privacy locking*.......................................................................................
Batterij vervangen transpondersleutel/PCC*..........................................
Keyless drive*..........................................................................................
Vergrendelen/ontgrendelen....................................................................
Kinderslot................................................................................................
Alarm*......................................................................................................
38
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
40
46
47
49
52
56
57
SLOTEN EN ALARM
02
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutelblad
02
Algemene informatie
Voor Privacy locking, zie pagina 46.
Bij de auto worden twee transpondersleutels of
twee PCC’s (Personal Car Communicator
geleverd. U gebruikt ze om de auto te starten
en deze te vergrendelen en ontgrendelen.
Het sleutelblad wordt ook gebruik om
PACOS* te deactiveren/activeren, zie
pagina 20.
U kunt extra transpondersleutels bestellen. Er
zijn maximaal zes transpondersleutels voor
één en dezelfde auto te programmeren en te
gebruiken.
PCC’s kennen meer functies dan een transpondersleutel in standaarduitvoering. De rest
van dit hoofdstuk gaat over functies die voorkomen op zowel de PCC als op de transpondersleutel.
WAARSCHUWING
Als er kinderen in de auto zitten:
Let er bij het verlaten van de auto op dat u
de stroomtoevoer naar de elektrisch
bedienbare zijruiten en het schuifdak verbreekt door de transpondersleutel uit te
nemen.
Afneembaar sleutelblad
De transpondersleutel bevat een afneembaar
metalen sleutelblad voor het mechanisch vergrendelen/ontgrendelen van het bestuurdersportier, het dashboardkastje en het kofferdeksel (Privacy locking).
40
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Voor de functies van het sleutelblad, zie
pagina 44.
De unieke code van de sleutelbladen is bekend
bij de erkende Volvo-werkplaatsen, waar ook
nieuwe sleutelbladen kunnen worden besteld.
Zoekgeraakte transpondersleutel
Bij verlies van een transpondersleutel kunt u
een nieuwe bestellen bij een werkplaats –
geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats. Neem de resterende transpondersleutels mee naar de werkplaats. Ter voorkoming
van diefstal moet de code van de zoekgeraakte
transpondersleutel uit het systeem worden
gewist.
Hoeveel sleutels er voor de auto geprogrammeerd zijn kunt u controleren onder
Instellingen van de auto
Autosleutelgeheugen Aantal sleutels.
Voor een beschrijving van het menusysteem,
zie pagina 122.
Sleutelgeheugen, buitenspiegels en
bestuurdersstoel
De instellingen worden automatisch gekoppeld aan de transpondersleutel die op dat
moment in gebruik is, zie pagina 75 en
95.
U kunt de functie activeren/deactiveren onder
Instellingen van de auto
Autosleutelgeheugen Pos. stoelen en
spiegels. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie pagina 122.
Voor auto’s met Keyless drive-functie, zie
pagina 49.
Knippersignalen bij vergrendelen/
ontgrendelen
Wanneer u de auto vergrendelt of ontgrendelt
met een transpondersleutel, lichten de richtingaanwijzers een bepaalde aantal malen op
om aan te geven dat de auto op de juiste
manier vergrendeld/ontgrendeld is:
•
•
Vergrendelen - lichten eenmaal op
Ontgrendelen - lichten tweemaal op.
Bij het vergrendelen gebeurt dit alleen als alle
portieren na het sluiten correct zijn vergrendeld.
U kunt de functie activeren/deactiveren onder
resp. Instellingen van de auto
Lichtinstellingen Auto is op slot, lampje
en Instellingen van de auto
Lichtinstellingen Auto is open, lampje.
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutelblad
Melding
Betekenis
Elektronische startblokkering
Sleutelfout
Opnieuw insteken
Storing bij het uitlezen van de transpondersleutel tijdens het starten.
Probeer de auto
opnieuw te starten.
Autosleutel niet
gevonden
Geldt alleen voor de
functie Keyless drive
van de PCC. Fout bij
het uitlezen van de
PCC tijdens de start.
Probeer de auto
opnieuw te starten.
Elke transpondersleutel heeft zijn eigen, unieke
code. U kunt de auto alleen starten, wanneer u
een transpondersleutel met de juiste code
gebruikt.
De onderstaande foutmeldingen op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel houden verband met de elektronische startblokkering:
Startblokkering
Start opnieuw
Functiestoring van
de transpondersleutel tijdens het starten. Het wordt geadviseerd contact op
te nemen met een
erkende Volvowerkplaats, als de
storing aanhoudt.
Functies
02
G021078
Voor een beschrijving van het menusysteem,
zie pagina 122.
Transpondersleutel.
Vergrendelen
Ontgrendelen
“Approach”-verlichting
Kofferdeksel
Paniekfunctie
Voor het starten van de auto, zie pagina 101.
``
41
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutelblad
De ontgrendelingsfunctie kan dusdanig gewijzigd worden dat bij eenmaal indrukken van de
toets niet meer alle portieren tegelijk worden
ontgrendeld, maar alleen het bestuurdersportier. Bij een tweede keer indrukken (binnen
10 seconden) worden de overige portieren ontgrendeld.
G021079
02
PCC* (Personal Car Communicator).
Informatie
Functietoetsen
Vergrendelen – Vergrendelt de portieren
en het kofferdeksel en activeert het alarm.
Bij lang indrukken (ten minste 4 seconde) worden alle zijruiten en het schuifdak* tegelijkertijd
gesloten.
WAARSCHUWING
Controleer of niemand met de handen
bekneld raakt wanneer u het schuifdak en
de zijruiten vanaf de transpondersleutel
sluit.
Ontgrendelen – Ontgrendelt de portieren
en het kofferdeksel en deactiveert het alarm.
42
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
U kunt de functie wijzigen onder Instellingen
van de auto Instellingen vergrendelen
Portieren ontgrendelen. Voor een
beschrijving van het menusysteem, zie
pagina 122.
Duur naderingslicht – Bestemd om de
verlichting van de auto op afstand in te schakelen. Voor meer informatie, zie pagina 86.
Kofferdeksel – Ontgrendelt alleen het kofferdeksel en deactiveert de alarmfunctie voor
het kofferdeksel. Voor meer informatie, zie
pagina 53.
Paniekfunctie – Bestemd om in noodgevallen de aandacht van anderen te trekken.
Als u de rode toets ten minste 3 seconden lang
ingedrukt houdt of tweemaal achtereen binnen
3 seconden indrukt, worden de richtingaanwijzers, de interieurverlichting en de claxon geactiveerd.
U kunt deze functie met dezelfde toets weer
uitschakelen, als de functie minimaal 5 secon-
den actief geweest is. Als u niets doet, wordt
de functie na 2 minuten en 45 seconden automatisch uitgeschakeld.
Bereik transpondersleutel
De transpondersleutel is te gebruiken binnen
een straal van 20 m rond de auto.
N.B.
Er kunnen storingen optreden in de functies
van de transpondersleutel door radiogolven
in de lucht, omringende gebouwen, topografische omstandigheden e.d. Het is altijd
mogelijk de auto te vergrendelen/ontgrendelen met het sleutelblad, zie pagina 44.
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutelblad
Specifieke functies, PCC*
N.B.
G021080
Als bij herhaaldelijk gebruik van de informatietoets – op verschillende tijdstippen en
verschillende plaatsen – blijkt dat geen van
de controlelampjes gaat branden (en dat
evenmin na 7 seconden alsook nadat de
controlelampjes op de PCC om de beurt
oplichtten), dient u contact op te nemen met
een werkplaats – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
De controlelampjes verstrekken informatie
zoals aangegeven op de volgende afbeelding:
(Heart Beat Sensor) aan dat er mogelijk
iemand in de auto zit. De indicatie verschijnt alleen, als het alarm is afgegaan.
02
Continu rood licht: het alarm is afgegaan.
Bereik transpondersleutel
De ontgrendelingsfuncties van de PCC zijn te
gebruiken binnen een straal van 20 m rond de
auto.
De “Approach”-verlichting, de paniekfunctie
en de functies die gekoppeld zijn aan de informatietoets, zijn tot op 100 m van de auto te
gebruiken.
Informatietoets
N.B.
Controlelampjes
Er kunnen storingen optreden in de functie
van de informatietoets door radiogolven in
de lucht, omringende gebouwen, topografische omstandigheden e.d.
Na een druk op de informatietoets kunt u
bepaalde informatie over de auto uitlezen aan
de hand van de controlelampjes.
Gebruik van de informatietoets
Druk op de informatietoets
Buiten bereik PCC
.
> Ca. 7 seconden lang lichten de controlelampjes op de PCC om de beurt op.
Dit geeft aan dat informatie over de auto
wordt uitgelezen.
Als u gedurende dit tijdsbestek op een
van de andere toetsen drukt, wordt de
uitlezing beëindigd.
G030262
±
Continu groen licht: de auto is vergrendeld.
Continu oranje licht: de auto is ontgrendeld.
Als de PCC op dermate grote afstand van de
auto is dat er geen informatie over de auto kan
worden uitgelezen, wordt de laatst bekende
status van de auto weergegeven zonder dat de
lampjes op de PCC om de beurt oplichten.
Als er meerdere PCC’s voor de auto in gebruik
zijn, geeft alleen de PCC die gebruikt werd toen
Aangegeven twee controlelampjes lichten
beurtelings rood op: dit geeft met HBS
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
43
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutelblad
N.B.
Als geen van de controlelampjes brandt bij
het indrukken van de informatietoets, is het
mogelijk dat er storingen optreden in de
communicatie tussen de PCC en de auto
door radiogolven in de lucht, omringende
gebouwen, topografische omstandigheden
e.d.
Afneembaar sleutelblad
•
het bestuurdersportier handmatig te openen, als de centrale vergrendeling niet te
bedienen is vanaf de afstandsbediening;
•
de toegang tot het dashboardkastje en de
kofferbak (Privacy locking*) te blokkeren,
zie pagina 46
•
het kofferdeksel handmatig te openen, als
de centrale vergrendeling niet te bedienen
is vanaf de transpondersleutel, zie
pagina 54
•
PACOS* te activeren/deactiveren, zie
pagina 20.
Heart Beat Sensor
De functie
werkt met behulp van een hartslagsensor (HBS, Heart Beat Sensor). HBS
vormt een aanvulling op het alarmsysteem van
de auto die op afstand afgeeft of er mogelijk
iemand in de auto zit. De indicatie verschijnt
alleen, als het alarm is afgegaan.
HBS registreert de hartslag die zich via de carrosserie van de auto voortplant. In gebieden
met veel lawaai en trillingen is het dan ook
mogelijk dat de HBS in zijn werking wordt
gestoord.
Sleutelblad verwijderen
U kunt het afneembare sleutelblad van de
transpondersleutel gebruiken om:
G021082
02
u de auto de laatste keer vergrendelde/ontgrendelde de juiste status aan.
Haal de veerbelaste pal opzij.
Trek tegelijkertijd het sleutelblad naar achteren.
Sleutelblad aanbrengen
Plaats het verwijderde sleutelblad voorzichtig
terug in de transpondersleutel om beschadiging te voorkomen.
1. Houd de transpondersleutel met de gleuf
omhoog en laat het sleutelblad in de gleuf
zakken.
2. Duw voorzichtig tegen het sleutelblad. U
hoort een klikgeluid wanneer het sleutelblad goed vastzit.
44
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutelblad
Portier ontgrendelen met sleutelblad
Als de centrale vergrendeling niet op de transpondersleutel reageert (omdat de batterijen bijvoorbeeld leeg zijn), kunt u het bestuurdersportier op de volgende manier ontgrendelen en
openen:
02
N.B.
Wanneer u het bestuurdersportier met het
sleutelblad ontgrendelt en vervolgens
opent, gaat het alarm af.
1. Ontgrendel het bestuurdersportier met het
sleutelblad in het slot van de portierhandgreep.
2. Schakel het alarm uit door de transpondersleutel in het contactslot te steken.
45
02 Sloten en alarm
Privacy locking*
Privacy locking
als u hem bij een hotel of iets dergelijks laat
parkeren. Het dashboardkastje is dan vergrendeld en het kofferdeksel is niet via de centrale
vergrendeling te openen (zodat het niet meer
met de knoppen op de voorportieren of die op
de transpondersleutel te bedienen is). Het kofferdeksel is dan niet meer met de knoppen op
de voorportieren of die op de transpondersleutel te bedienen.
G021083
02
Vergrendelingspunten voor transpondersleutel
met sleutelblad (Privacy locking niet geactiveerd).
Privacy locking activeren:
Duw het sleutelblad in het slot van het
dashboardkastje.
Draai het sleutelblad 180 graden rechtsom.
Neem het sleutelblad uit. Ondertussen verschijnt een melding op het informatiedisplay.
Dit betekent dat de transpondersleutel zonder
het sleutelblad alleen kan worden gebruikt om
het alarm te activeren/deactiveren, de portieren te openen en in de auto te rijden.
U geeft de transpondersleutel af zonder het
afneembare sleutelblad, dat u bij u houdt.
N.B.
Plaats het sleutelblad niet in de transpondersleutel terug, maar houd het bij u en
bewaar het goed.
•
Activeren/deactiveren
Houd voor het deactiveren de omgekeerde
volgorde aan.
G020508
G021084
Om alleen het dashboardkastje te vergrendelen, zie pagina 53.
Vergrendelingspunten voor transpondersleutel
zonder sleutelblad (Privacy locking geactiveerd).
De functie Privacy locking is bestemd voor als
u de auto afgeeft voor een onderhoudsbeurt of
46
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Privacy locking activeren.
02 Sloten en alarm
Batterij vervangen transpondersleutel/PCC*
Accu vervangen
Batterij vervangen
Let erop hoe de batterij(en) aan de binnenzijde van de afdekking vastzit(ten). Let
daarop op de pluszijde + en de minzijde –.
Vervang de batterijen, als:
•
het informatiesymbool oplicht en Vervang
batterij autosleutel op het display staat
Transpondersleutel (1 batterij)
en/of
•
de sloten herhaalde malen achtereen niet
reageren op het signaal van een transpondersleutel die zich binnen een straal van
20 m rond de auto bevindt.
02
1. Werk de batterij voorzichtig los.
2. Plaats een nieuwe met de pluszijde (+)
omlaag.
Openen
Haal de veerbelaste pal opzij.
Trek tegelijkertijd het sleutelblad naar
achteren.
Steek een kruiskopschroevendraaier
met een dikte van 3 mm in de opening achter de veerbelaste pal en werk de transpondersleutel voorzichtig open.
N.B.
Houd de transpondersleutel met de toetsen
omhoog om te voorkomen dat de batterijen
bij het openen van de afdekking op de grond
vallen.
BELANGRIJK
Kom niet met uw vingers aan de polen van
de batterijen of de contactvlakken, omdat
ze daardoor slechter kunnen presteren.
PCC* (2 batterijen)
1. Werk de batterijen voorzichtig los.
2. Plaats eerst een nieuwe met de pluszijde
(+) omhoog.
3. Leg het witte plasticvel op de geplaatste
nieuwe batterij en breng daarna nog een
nieuwe batterij aan met de pluszijde (+)
omlaag.
Batterijtype
Gebruik batterijen met het opschrift CR2430,
3 V (twee per transpondersleutel en twee per
PCC).
In elkaar zetten
1. Druk de afdekking weer op de transpondersleutel vast.
2. Houd de transpondersleutel met de gleuf
omhoog en laat het sleutelblad in de gleuf
zakken.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
47
02 Sloten en alarm
Batterij vervangen transpondersleutel/PCC*
02
3. Duw voorzichtig tegen het sleutelblad. U
hoort een klikgeluid wanneer het sleutelblad goed vastzit.
BELANGRIJK
Zorg dat de oude batterij(en) wordt/worden
afgevoerd op een milieuontlastende manier.
48
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
02 Sloten en alarm
Keyless drive*
Keyless drive (alleen PCC)
Vergrendelings- en startsysteem zonder
sleutel
dat u de PCC bij u moet dragen om een portier
te vergrendelen of ontgrendelen. Wanneer u
aan de ene kant van de auto staat, is het niet
mogelijk om met de PCC een portier aan de
andere kant te vergrendelen of ontgrendelen.
G020577
De rode cirkels op de nevenstaande afbeelding
geven het dekkingsgebied van de systeemantennes aan.
Met de Keyless drive-functie van de PCC kunt
u zonder een sleutel te gebruiken de auto ontgrendelen, starten en vergrendelen. U hoeft de
PCC alleen bij u te dragen. Het systeem maakt
het eenvoudiger om de auto te openen wanneer u bijvoorbeeld uw handen vol hebt.
De twee PCC’s van de auto ondersteunen de
Keyless drive-functie. U kunt meer PCC’s bijbestellen.
Bereik PCC
Om een portier of het kofferdeksel te kunnen
openen moet de PCC zich binnen een straal
van maximaal 1,5 m rond de portierhandgrepen of het kofferdeksel bevinden. Dit betekent
Als alle PCC’s uit de auto worden genomen
terwijl de motor loopt, sleutelstand II actief is
(zie pagina 72) of alle portieren worden gesloten, verschijnt er een waarschuwingsmelding
op het informatiedisplay en klinkt er een
geluidssignaal.
Wanneer een van de PCC’s weer in de auto is
gelegd, verdwijnen de waarschuwingsmelding
en het geluidssignaal nadat:
Als er echter ingebroken wordt en iemand de
PCC in de auto vindt, wordt de PCC weer
geactiveerd. Pas daarom goed op al uw PCC’s.
BELANGRIJK
Laat een PCC nooit onbeheerd in de auto
liggen.
Storingen in de functie van een PCC
De Keyless drive-functie kan verstoord worden
door elektromagnetische velden en afschermingen. Leg de PCC daarom niet dicht bij een
mobiele telefoon of metalen voorwerpen.
Als er desondanks toch storingen optreden,
moet u de PCC en het sleutelblad op de normale manier gebruiken, zie pagina 41.
Ontgrendelen
•
•
er is een portier geopend of gesloten;
de transpondersleutel is in het contactslot
gestoken;
Open de portieren met de handgreep of open
het kofferdeksel met de handgreep op het deksel.
•
de knop READ is ingedrukt.
Ontgrendelen met sleutelblad
Veilig gebruik van uw PCC
Als u een PCC met Keyless drive-functie in de
auto laat liggen, wordt de PCC bij het vergrendelen van de auto tijdelijk gedeactiveerd.
Onbevoegden kunnen de portieren er dan niet
meer mee openen.
02
Als de Keyless drive-functie van de PCC niet
werkt, kunt u het bestuurdersportier ontgrendelen met het sleutelblad. In dat geval wordt de
centrale vergrendeling niet geactiveerd.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
49
02 Sloten en alarm
Keyless drive*
Bij ontgrendelen met het sleutelblad gaat
het alarm af. Voor het deactiveren, zie
pagina 58.
Vergrendel de portieren en het kofferdeksel
door op de vergrendelingsknop op een van de
portierhandgrepen aan de buitenkant te drukken.
Sleutelgeheugen, bestuurdersstoel en
buitenspiegels
Alle portieren inclusief het kofferdeksel moeten
zijn gesloten, voordat u de auto kunt vergrendelen. De auto wordt anders niet vergrendeld.
02
Geheugenfunctie van PCC
Als meerdere personen met elke hun eigen
PCC met Keyless drive-functie naar de auto
lopen, nemen de bestuurdersstoel en de buitenspiegels de stand in die ligt opgeslagen in
de PCC van degene die het bestuurdersportier
opent.
Wanneer het bestuurdersportier bijvoorbeeld
werd geopend door persoon A met PCC A,
maar persoon B met PCC B zal gaan rijden, zijn
de instellingen als volgt te wijzen:
•
•
•
50
Vergrendelen
Staand naast het bestuurdersportier of zittend achter het stuur drukt persoon B op
de ontgrendelingstoets van zijn PCC, zie
pagina 41.
Kies een van de drie mogelijk positiegeheugens voor de stoel met de stoelknoppen 1–3, zie pagina 75.
Zet de stoel en de spiegels handmatig in
de juiste stand, zie pagina 75 en 95.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Locatie antennes
N.B.
Bij een auto met een automatische versnellingsbak dient de keuzehendel in stand P te
worden gezet, aangezien de auto anders
niet vergrendeld of op alarm gezet kan worden.
Instellingen vergrendelen
Onder Instellingen van de auto
Instellingen vergrendelen Op afstand
openen kunt u de Keyless-functie aanpassen
door aan te geven welke portieren van de auto
er moeten worden ontgrendeld. Voor een
beschrijving van het menusysteem, zie
pagina 122.
G020479
N.B.
Het Keyless drive-systeem werkt met een aantal antennes die op verschillende locaties ingebouwd zijn in de auto.
Achterbumper, aan de binnenkant, in het
midden
Portierhandgreep, linksachter
Hoedenplank, aan de onderkant, in het
midden
Plafond, boven de achterbank, in het midden
Portierhandgreep, rechtsachter
Middenconsole, onder achterstuk
Middenconsole, onder voorstuk.
02 Sloten en alarm
Keyless drive*
WAARSCHUWING
Dragers van een pacemaker dienen minstens 22 cm afstand te houden tot de antennes van het Keyless drive-systeem. Dit om
eventuele storingen in de pacemaker als
gevolg van het Keyless drive-systeem uit te
sluiten.
02
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
51
02 Sloten en alarm
Vergrendelen/ontgrendelen
Van de buitenzijde
02
Van de binnenzijde
Met de transpondersleutel kunt u alle portieren
en het kofferdeksel gelijktijdig vergrendelen/
ontgrendelen. Bij vergrendeling zijn de vergrendelingsknoppen op de portieren en de
openingshandgrepen aan de binnenzijde niet
meer te bedienen: dit is de zogeheten Safelock-functie*, zie pagina 54.
Vergrendelen
Druk nadat u de voorportieren hebt gesloten op
.
de knop voor de centrale vergrendeling
Bij lang indrukken (ten minste 4 seconde) worden alle zijruiten en het schuifdak* tegelijkertijd
gesloten.
Als u niet met de transpondersleutel kunt vergrendelen/ontgrendelen is de batterij mogelijk
leeg – vergrendel/ontgrendel het portier dan
met het afneembare sleutelblad, zie
pagina 44.
WAARSCHUWING
Let erop dat inzittenden in de auto kunnen
worden opgesloten, als u die van de buitenzijde vergrendelt.
Automatische hervergrendeling
Als u geen van de portieren noch het kofferdeksel binnen 2 minuten na ontgrendeling van
de buitenzijde met de transpondersleutel
opent, worden alle sloten automatisch weer
vergrendeld. Deze functie beperkt de kans dat
u de auto per ongeluk onvergrendeld kunt laten
staan. (Voor auto’s met alarmsysteem, zie
pagina 57.)
Alle portieren zijn eenmaal gesloten handmatig
te vergrendelen met de vergrendelingsknop op
de portieren.
Met de knop voor de centrale vergrendeling op
de voorportieren kunt u alle portieren en het
kofferdeksel tegelijkertijd vergrendelen of ontvan de
grendelen. Druk de rechterkant
knop in om te vergrendelen en de linkerkant
om te ontgrendelen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Doorluchtfunctie
Bij lang indrukken van de knop voor centrale
vergrendeling
(ten minste 4 seconden)
worden alle zijruiten tegelijkertijd geopend –
om bijv. bij warm weer snel voor frisse lucht in
de auto te zorgen.
Automatische vergrendeling
Ontgrendelen
Een portier kan op twee manieren van de binnenkant worden ontgrendeld:
•
Bij het indrukken van de knop voor centrale
vergrendeling
.
Bij lang indrukken (ten minste 4 seconde) worden alle zijruiten* tegelijkertijd geopend.
•
52
handgreep trekt wordt het portier
geopend.
Trek eenmaal aan de openingshandgreep
en laat deze vervolgens los – het portier is
ontgrendeld. Wanneer u nogmaals aan de
Bij het wegrijden worden de portieren en het
kofferdeksel automatisch vergrendeld.
U kunt de functie activeren/deactiveren onder
Instellingen van de auto Instellingen
vergrendelen Portieren autom. op slot.
(Voor een beschrijving van het menusysteem,
zie pagina 122.)
02 Sloten en alarm
Vergrendelen/ontgrendelen
Kofferdeksel
Dashboardkastje
De portieren blijven vergrendeld en beveiligd.
U kunt het kofferdeksel op twee
verschillende manieren openen:
02
Eenmaal indrukken – het kofferdeksel wordt
ontgrendeld maar blijft dichtstaan. Met rubber
beklede drukplaatje onder buitenhandgreep
licht indrukken en de klep openen.
G020548
Als het kofferdeksel niet binnen twee minuten
na ontgrendeling wordt geopend, wordt het
kofferdeksel weer vergrendeld en het alarm
opnieuw geactiveerd.
Het dashboardkastje valt alleen te vergrendelen/ontgrendelen met het afneembare sleutelblad van de transpondersleutel. (Voor informatie over het sleutelblad, zie pagina 44.)
Dashboardkastje vergrendelen:
Duw het sleutelblad in het slot van het
dashboardkastje.
Draai het sleutelblad 90 graden rechtsom.
Het sleutelgat staat horizontaal wanneer
het kastje vergrendeld is.
Neem het sleutelblad uit.
Houd voor het ontgrendelen de omgekeerde
volgorde aan.
Voor meer informatie over Privacy locking, zie
pagina 46.
Ontgrendelen met transpondersleutel
Met de transpondersleutel is het mogelijk om
de alarmfunctie voor de achterklep te deactiveren* zodat u de achterklep apart kunt ontgrendelen.
N.B.
Het kofferdeksel wordt echter niet geopend
maar alleen ontgrendeld.
Tweemaal indrukken – het kofferdeksel wordt
vergrendeld en komt enkele centimeters
omhoog. Door hevige regen, ijzel of sneeuw
komt het kofferdeksel mogelijk niet automatisch omhoog.
N.B.
Bij het sluiten van de achterklep blijft deze
onvergrendeld staan, totdat u de auto met
de vergrendelingsknop op de transpondersleutel opnieuw vergrendeld.
Bij auto’s met alarm* dooft de alarmindicatie op
het dashboard om aan te geven dat niet alle
onderdelen van de auto beveiligd zijn. De
niveausensoren en bewegingsmelders alsmede de sensoren in de opening van het kofferdeksel worden automatisch buiten werking
gesteld.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
53
02 Sloten en alarm
Vergrendelen/ontgrendelen
Safelock-functie*
Van de binnenzijde ontgrendelen
Bij activering van de zogeheten Safelock-functie zijn de portieren niet meer van de binnenzijde te openen, als ze eenmaal vergrendeld
zijn.
02
Met de transpondersleutel activeert u de Safelock-functie die 10 seconden na vergrendeling
van de portieren in werking treedt.
Als de toets op de transpondersleutel waarmee
u het kofferdeksel opent niet werkt, kunt u het
kofferdeksel ontgrendelen met het sleutelblad.
Druk op de knop op het verlichtingspaneel
om het kofferdeksel te ontgrendelen.
Ontgrendelen met sleutelblad
Werk de plug los die het sleutelgat afdekt.
Bij Safelock is de auto alleen met de transpondersleutel te ontgrendelen. Het bestuurdersportier is ook te ontgrendelen met het afneembare sleutelblad.
Tijdelijk deactiveren
Ontgrendel het kofferdeksel door het sleutelblad een halve slag linksom te draaien
zoals afgebeeld.
Vergrendelen met transpondersleutel
Druk op de toets voor vergrendeling op de
transpondersleutel, zie pagina 41.
Bij auto’s met alarm* gaat de alarmindicatie op
het dashboard knipperen om aan te geven dat
het alarm geactiveerd is.
Geactiveerde menu-opties staan aangekruist.
Navigatie
ENTER
54
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
02 Sloten en alarm
Vergrendelen/ontgrendelen
MENU
Als u de Safelock-functie wilt uitschakelen
EXIT
±
Als u de portieren van de buitenzijde wilt vergrendelen terwijl er iemand in de auto achterblijft, kunt u de Safelock-functie tijdelijk uitschakelen. Dat gaat als volgt:
1. Open het menusysteem en ga naar
Instellingen van de auto (voor een gedetailleerde beschrijving van het menusysteem, zie pagina 122).
2. Kies Verlaagde guard.
3. Kies Eenmalig inschakelen.
> Op het display van het instrumentenpaneel verschijnt de melding Beveil.
verlaagd Zie instructieb. en de Safelock-functie wordt uitgeschakeld bij
vergrendeling van de auto.
N.B.
Bij auto’s met alarmsysteem:
•
Let erop dat de auto bij het vergrendelen op alarm wordt gezet.
•
Wanneer een van de portieren van de
binnenzijde wordt geopend, gaat het
alarm af.
02
WAARSCHUWING
Laat niemand in de auto achter zonder eerst
de Safelock-functie te deactiveren. Zo voorkomt u dat iemand opgesloten raakt.
Als u geen wijzigingen in het vergrendelingssysteem wenst
±
Vergrendel de auto zonder een keuze te
maken.
of
of
±
Druk op ENTER en vergrendel de auto. (Als
de auto uitgerust is met een alarmsysteem
met bewegingsmelders en niveausensoren*, worden ook deze tegelijkertijd uitgeschakeld, zie pagina 58.)
> De volgende keer dat u de motor start,
wordt het systeem gereset waarna op
het display van het instrumentenpaneel
de melding Beveil. volledig verschijnt.
Daarmee zijn de Safelock-functie en de
bewegingsmelders en niveausensoren
van het alarmsysteem opnieuw ingeschakeld.
Kies Vraag bij uitgang.
> Iedere keer dat u de motor afzet, verschijnt op het display van het audiosysteem de melding ENTER voor
verlaagde beveiliging tot de motor
weer gestart wordt. EXIT voor
annuleren – kies dan een van de alternatieven.
±
Druk op EXIT en vergrendel de auto.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
55
02 Sloten en alarm
Kinderslot
De bedieningscilinders van het kinderslot zitten
achter op de korte kant van de achterportieren,
zodat ze alleen bereikbaar zijn wanneer de portieren openstaan.
±
Gebruik het sleutelblad om de bedieningscilinder te verdraaien en zo het kinderslot
in of uit te schakelen.
Het portier kan niet van de binnenzijde
worden geopend.
Het portier kan van de binnenzijde worden
geopend.
N.B.
Op auto’s met het elektrische kinderslot zit
geen handmatig kinderslot.
56
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
G019300
Elektrisch kinderslot op
achterportieren en achterste zijruiten*
G021077
02
Handmatig kinderslot op
achterportieren
Wanneer het elektrische kinderslot actief is:
•
zijn de achterste zijruiten alleen vanaf het
bestuurdersportier te bedienen
•
zijn de achterportieren niet van de binnenzijde te openen.
1. Het kinderslot is te activeren/deactiveren
in sleutelstand I of II, zie pagina 72.
2. Druk op de bijbehorende knop van het
bedieningspaneel op het bestuurdersportier.
> Op het informatiedisplay verschijnt een
melding.
Het lampje in de knop brandt, wanneer
het slot geactiveerd is.
02 Sloten en alarm
Alarm*
Algemene informatie
Het alarm gaat af, als:
•
een portier, de motorkap of het kofferdeksel wordt geopend;
•
een verkeerde transpondersleutel wordt
gebruikt of als het contactslot wordt gemanipuleerd;
•
er beweging in de passagiersruimte wordt
waargenomen (als er een bewegingsmelder* aanwezig is)
•
de auto wordt opgetakeld of weggesleept
(op auto’s met een niveausensor*)
•
een kabel van de startaccu wordt losgekoppeld
•
iemand de sirene probeert los te koppelen.
Als er een storing in het alarmsysteem is opgetreden, verschijnt er een melding op het informatiedisplay. Neem dan contact op met een
werkplaats – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
N.B.
Alarmindicatie
De bewegingsmelders laten het alarm
afgaan, wanneer er bewegingen in het interieur worden waargenomen. Het alarm kan
dan ook afgaan als u bij het parkeren van de
auto een van de zijruiten laat openstaan of
gebruik maakt van een elektrische interieurverwarming.
02
Om dat te voorkomen: Sluit voordat u de
auto verlaat alle ruiten en stel de interieurverwarming dusdanig in dat deze geen
warme lucht omhoogblaast.
N.B.
Voer nooit zelf reparaties aan of wijzigingen
in het alarmsysteem uit. Dergelijke ingrepen
kunnen van invloed zijn op de verzekeringsvoorwaarden.
Een rode led op het dashboard geeft de status
van het alarmsysteem aan:
•
•
De led is uit – het alarm is uitgeschakeld;
•
De led knippert snel vanaf het moment van
uitschakelen van het alarm (tot aan het
moment dat u de transpondersleutel in het
contactslot steekt en sleutelstand I wordt
bereikt) – het alarm is afgegaan.
De led licht om de twee seconden eenmaal
op – het alarm is ingeschakeld;
Alarm activeren
±
Druk op de vergrendelingstoets op de
transpondersleutel.
Alarm deactiveren
±
Druk op de ontgrendelingstoets op de
transpondersleutel.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
57
02 Sloten en alarm
Alarm*
02
Geactiveerd alarm uitschakelen
Transpondersleutel defect
±
Als de transpondersleutel defect is, kunt u het
alarm uitschakelen en de auto als volgt starten:
Druk op de ontgrendelingstoets op de
transpondersleutel of steek de transpondersleutel in het contactslot.
Overige alarmfuncties
Automatische herinschakeling van het
alarm
De functie voorkomt dat u de auto verlaat zonder het alarm in te schakelen.
Als u geen van de portieren noch het kofferdeksel binnen twee minuten na uitschakeling
van het alarm opent wanneer de auto met de
transpondersleutel ontgrendeld (en het alarm
gedeactiveerd) werd, wordt het alarm automatisch opnieuw ingeschakeld. De auto wordt
bovendien opnieuw vergrendeld.
Alarmsignalen
Bij alarm gebeurt het volgende:
58
•
Er klinkt 30 seconden lang een sirene. De
sirene heeft zijn eigen accu die volledig
onafhankelijk is van de startaccu in de
auto.
•
Alle richtingaanwijzers knipperen totdat u
het alarm uitschakelt. Bij inactiviteit gaan
ze na vijf minuten automatisch uit.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Beperkt alarmniveau
1. Open het bestuurdersportier met het sleutelblad.
> Het alarm gaat af en de sirene klinkt.
2. Steek de transpondersleutel in het contactslot.
> Het alarm wordt uitgeschakeld. De
alarmindicatie knippert snel totdat u de
transpondersleutel in het contactslot
hebt gestoken.
Geactiveerde menu-opties staan aangekruist.
Navigatie
ENTER
MENU
EXIT
Om te voorkomen dat het alarm afgaat wanneer u bijvoorbeeld een hond in de auto achterlaat of gebruik maakt van een veerboot, kunt
u de bewegingsmelder en de niveausensoren
tijdelijk uitschakelen en wel als volgt. Dat gaat
als volgt:
1. Open het menusysteem en ga naar
Instellingen van de auto (voor een gedetailleerde beschrijving van het menusysteem, zie pagina 122).
02 Sloten en alarm
Alarm*
2. Kies Verlaagde guard.
3. Kies Eenmalig inschakelen:
> Op het display van het instrumentenpaneel verschijnt de melding Beveil.
verlaagd Zie instructieb. en de bewegingsmelders en niveausensoren worden uitgeschakeld bij vergrendeling van
de auto.
Kies Vraag bij uitgang.
> Iedere keer dat u de motor afzet, verschijnt op het display van het audiosysteem de melding ENTER om guard te
verm. totdat motor is gestart totdat
motor is gestart. EXIT voor
annuleren. – kies dan een van de alternatieven.
Als u de bewegingsmelders en niveausensoren wilt uitschakelen:
±
Als de sensoren niet wilt uitschakelen:
±
Druk op ENTER en vergrendel de auto. (Als
de auto is uitgerust met Safelock-functie*,
wordt ook deze functie gedeactiveerd, zie
pagina 54).
> De volgende keer dat u de motor start,
wordt het systeem gereset waarna op
het display van het instrumentenpaneel
de melding Beveil. volledig verschijnt.
Daarmee zijn de Safelock-functie en de
Vergrendel de auto zonder een keuze te
maken.
of
±
of
±
bewegingsmelders en niveausensoren
van het alarmsysteem opnieuw ingeschakeld.
Druk op EXIT en vergrendel de auto.
2. Wacht 15 seconden.
3. Ontgrendel het bestuurdersportier met het
sleutelblad.
02
4. Open het bestuurdersportier.
> Er klinkt een sirene en alle richtingaanwijzers knipperen.
5. Deactiveer het alarm door de auto via de
transpondersleutel te ontgrendelen.
Alarmsensoren in motorkap testen
Alarmsysteem testen
Bewegingsmelder in passagiersruimte
testen
1. Ga in de auto zitten en deactiveer de bewegingsmelder, zie pagina 57.
1. Sluit alle zijruiten. Blijf in de auto zitten.
2. Activeer het alarm, zie pagina 57. Blijf in de
auto zitten en vergrendel de portieren met
de toets op de transpondersleutel.
2. Alarm activeren, zie pagina 57.
3. Wacht 15 seconden.
3. Wacht 15 seconden.
4. Ontgrendel de motorkap met de handgreep onder het dashboard.
> Er klinkt een sirene en alle richtingaanwijzers knipperen.
4. Laat het alarm afgaan door uw armen op te
heffen tot net boven de rugleuning en ze
vervolgens horizontaal heen en weer te
bewegen.
> Er klinkt een sirene en alle richtingaanwijzers knipperen.
5. Deactiveer het alarm door de auto via de
transpondersleutel te ontgrendelen.
5. Deactiveer het alarm door de auto via de
transpondersleutel te ontgrendelen.
Alarmsensoren in portieren testen
1. Alarm activeren, zie pagina 57.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
59
HomeLinkŸ *.......................................................................................... 117
60
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
G020912
Instrumenten, schakelaars en bediening................................................ 62
Instrumenten, schakelaars en bediening - Executive ............................ 71
Sleutelstanden........................................................................................ 72
Stoelen en achterbank............................................................................ 74
Voorstoelen - Executive.......................................................................... 78
Stuurwiel................................................................................................. 80
Verlichting............................................................................................... 81
Wissers en -sproeiers............................................................................. 91
Ruiten en spiegels................................................................................... 93
Kompas*.................................................................................................. 98
Elektrisch bedienbaar schuifdak*............................................................ 99
Motor starten........................................................................................ 101
Motor starten, FlexiFuel........................................................................ 103
Motor starten, hulpaccu........................................................................ 105
Versnellingsbakken............................................................................... 106
Vierwielaandrijving, AWD (All Wheel Drive)*.......................................... 111
Bedrijfsrem............................................................................................ 112
Parkeerrem............................................................................................ 114
BESTUURDERSMILIEU
03
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
Instrumentenoverzicht
03
Auto met stuur links.
62
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
Functie
Pagina
Functie
Pagina
Menu- en meldingsfuncties, richtingaanwijzers,
groot licht/dimlicht,
boordcomputer
81,
85, 125,
159
Versnellingspook/keuzehendel
106
163
Cruisecontrol
164, 166
Bedieningsknoppen
actieve chassisregeling
(FOUR-C)*
Claxon, airbag
18, 80
Wissers en -sproeiers
91, 92
Instrumentenpaneel
65, 69
Stuurwielafstelling
80
Menu-, audio- en telefoonfuncties
122,
140, 201
Parkeerrem*
114
Ontgrendeling motorkap
236
Contactslot
72
Stoelinstelling*
74
Knop START/STOP
101
Alarmlichten
84
53, 81,
216
Openingshandgreep portier
-
Bedieningsknoppen verlichting, ontgrendeling
tankvulklep en kofferdeksel
Bedieningspaneel
52, 56,
93, 95
Menufuncties en audiosysteem
122, 141
Klimaatregeling, ECC
131
03
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
63
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
03
Auto met stuur rechts.
64
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
Functie
Pagina
Functie
Pagina
Alarmlichten
84
Stoelinstelling*
74
Contactslot
72
Ontgrendeling motorkap
236
Knop START/STOP
101
Parkeerrem
114
Cruisecontrol
164, 166
Stuurwielafstelling
80
Instrumentenpaneel
65, 69
Claxon, airbag
18, 80
81,
85, 125,
159
Menu-, audio- en telefoonfuncties
122,
140, 201
Menu- en meldingsfuncties, richtingaanwijzers,
groot licht/dimlicht,
boordcomputer
163
Wissers en -sproeiers
91, 92
Bedieningsknoppen
actieve chassisregeling
(FOUR-C)*
Bedieningsknoppen verlichting, ontgrendeling
tankvulklep en achterklep
53, 81,
216
Versnellingspook/keuzehendel
106
Klimaatregeling, ECC
131
Menufuncties en audiosysteem
122, 141
Bedieningsknoppen verlichting, ontgrendeling
tankvulklep en kofferdeksel
Openingshandgreep portier
-
Bedieningspaneel
52, 56,
93, 95
Informatiedisplays
03
Informatiedisplays.
Op de informatiedisplays verschijnt informatie
over bepaalde functies van de auto zoals de
cruisecontrol, boordcomputer en meldingen.
De informatie verschijnt in tekstvorm en met
symbolen.
Gedetailleerder informatie vindt u onder de
functies die gebruik maken van de informatiedisplays.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
65
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
Meters
Controle-, informatie- en
waarschuwingssymbolen
5 seconden alle symbolen uit behalve het symbool voor storingen in het uitlaatgasreinigingssysteem en dat voor een lage oliedruk.
Controle- en informatiesymbolen
Symbool
03
Betekenis
Storing in ABL
Uitlaatgasreinigingssysteem
Storing in ABS
Meters op het instrumentenpaneel.
Snelheidsmeter
Brandstofmeter. Zie ook boordcomputer,
pagina 159, en tanken, pagina 216.
Toerenteller. De meter geeft het motortoerental in duizenden omwentelingen per
minuut aan.
Controle- en waarschuwingssymbolen.
Symbolen groot licht en richtingaanwijzers
Controle- en informatiesymbolen
Controle- en
waarschuwingssymbolen1
Als de motor niet aanslaat of als de functietest
wordt uitgevoerd in sleutelstand II, gaan na
66
Stabiliteitssysteem
Voorgloeifunctie motor (diesel)
Functietest
Alle controle- en waarschuwingslampjes gaan
branden in sleutelstand II of wanneer u de
motor start. Alle symbolen moeten weer uitgaan als de motor is aangeslagen, behalve het
symbool voor de parkeerrem. Dit gaat pas uit,
als de auto van de parkeerrem wordt gehaald.
1
Mistachterlicht aan
Bij bepaalde motortypes is het lampje voor een lage oliedruk niet in gebruik. Er verschijnt in plaats daarvan een displaymelding, zie pagina 237.
Laag peil in brandstoftank
Informatie, lees displaymelding
Groot licht aan
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
Symbool
Betekenis
Richtingaanwijzers links
Richtingaanwijzers rechts
Storing in ABL
Het symbool brandt, als er een storing is opgetreden in het ABL-systeem (Active Bending
Lights).
Uitlaatgasreinigingssysteem
Bij een storing in het uitlaatgasreinigingssysteem kan het lampje gaan branden. Rijd voor
een controle naar een werkplaats. Volvo adviseert dat u daarvoor een erkende Volvo-werkplaats bezoekt.
Storing in ABS
Als het symbool brandt, is het systeem defect.
Het normale remsysteem van de auto werkt
dan nog wel, zij het zonder ABS-regeling.
1. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en zet de motor af.
2. Start de motor opnieuw.
3. Als het symbool blijft branden, rijd dan naar
een werkplaats om het ABS te laten controleren. Volvo adviseert dat u daarvoor
een erkende Volvo-werkplaats bezoekt.
Mistachterlicht
Dit symbool brandt wanneer u het mistachterlicht hebt ingeschakeld.
Stabiliteitssysteem
Het knipperende symbool geeft aan dat het
stabiliteitssysteem werkt. Als het symbool continu brandt is er sprake van een storing in het
systeem.
Voorgloeifunctie motor (diesel)
Het symbool gaat branden wanneer de motor
wordt voorverwarmd. De voorverwarming start
als de temperatuur lager wordt dan 2°C. De
auto kan worden gestart als het symbool
gedoofd is.
Laag peil in brandstoftank
Wanneer het lampje gaat branden is het brandstofpeil te laag. Tank dan zo spoedig mogelijk.
Informatie, lees displaymelding
Als er een afwijking is in een van de systemen
in de auto, gaat het informatiesymbool branden en verschijnt er een melding op het display. U verwijdert de melding met behulp van
de knop READ, zie pagina 125. Dit gebeurt
automatisch als u enige tijd niets doet (hoe lang
hangt van de bewuste functie af). Het informatiesymbool kan ook gaan branden in combinatie met andere symbolen.
N.B.
Wanneer de servicemelding verschijnt, kunt
u het lampje doven en de melding verwijderen met de knop READ. Ook als u niets doet
gebeurt dat enige tijd later automatisch.
Groot licht aan
03
Het symbool brandt, wanneer u het groot licht
voert of grootlichtsignalen geeft
Richtingaanwijzers links/rechts
Beide richtingaanwijzersymbolen knipperen bij
gebruik van de alarmlichten.
Controle- en waarschuwingssymbolen
Symbool
Betekenis
Lage oliedrukA
Parkeerrem aangezet
Airbags (SRS)
Gordelwaarschuwing
Dynamo laadt niet bij
``
67
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
Symbool
Betekenis
Storing in remsysteem
Waarschuwing
03
A
Bij bepaalde motortypes is het lampje voor een lage oliedruk
niet in gebruik. Er verschijnt in plaats daarvan een displaymelding, zie pagina 237 en 238.
Lage oliedruk
Als het symbool tijdens het rijden oplicht, is de
druk van de motorolie te laag. Zet de motor
onmiddellijk af en controleer het motoroliepeil.
Vul zo nodig olie bij. Als het symbool oplicht
terwijl het oliepeil in orde is, moet u contact
opnemen met een werkplaats. Volvo adviseert
dat u daarvoor een erkende Volvo-werkplaats
bezoekt.
Parkeerrem aangezet
Het symbool brandt continu, wanneer u de parkeerrem hebt aangezet. Bij auto’s met een
elektrische parkeerrem knippert het symbool
tijdens het aanzetten en gaat daarna continu
branden.
Een knipperend symbool houdt in dat er een
storing is opgetreden. Lees de melding op het
informatiedisplay.
68
N.B.
Het symbool gaat ook branden als de
mechanische parkeerrem slechts een weinig is aangezet.
Airbags (SRS)
Als het symbool tijdens het rijden oplicht of
blijft branden, is er een storing geregistreerd in
de gordelsluiting of in het SRS-, SIPS- of ICsysteem. Rijd de auto zo spoedig mogelijk naar
een werkplaats om het systeem te laten controleren. Volvo adviseert dat u daarvoor een
erkende Volvo-werkplaats bezoekt.
Gordelwaarschuwing
Het symbool brandt als de bestuurder of de
voorpassagier geen veiligheidsgordel draagt of
als iemand op de achterbank de gordel heeft
losgenomen.
Dynamo laadt niet bij
Het symbool gaat tijdens het rijden branden,
als er sprake is van een storing in het elektrisch
systeem. Bezoek een werkplaats. Volvo adviseert dat u daarvoor een erkende Volvo-werkplaats bezoekt.
Storing in remsysteem
Als het symbool oplicht, is het remvloeistofpeil
mogelijk te laag. Breng de auto op een veilige
plaats tot stilstand en controleer het peil in het
remvloeistofreservoir, zie pagina 241.
Als de waarschuwingssymbolen voor het remsysteem en ABS tegelijkertijd branden, kan er
een storing in de remkrachtverdeling zijn opgetreden.
1. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en zet de motor af.
2. Start de motor opnieuw.
•
•
Rijd verder als beide symbolen uitgaan.
Als de symbolen echter blijven branden,
moet u het peil in het remvloeistofreservoir controleren, zie pagina 241. Als de
symbolen blijven branden ondanks dat
het peil van de remvloeistof in orde is,
moet u de auto uiterst voorzichtig naar
een werkplaats rijden om het remsysteem te laten controleren. Volvo adviseert dat u daarvoor een erkende Volvowerkplaats bezoekt.
WAARSCHUWING
Als de remvloeistof onder het MIN-streepje
van het reservoir staat, mag u niet verder
rijden voordat u remvloeistof hebt bijgevuld.
Laat de oorzaak van het remvloeistofverlies
controleren door een werkplaats. Volvo
adviseert dat u daarvoor contact opneemt
met een erkende Volvo-werkplaats.
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
WAARSCHUWING
Als de waarschuwingssymbolen voor het
remsysteem en ABS tegelijkertijd branden,
bestaat het gevaar dat de achtertrein bij
krachtig remmen gaat slippen.
Waarschuwing
Het rode waarschuwingssymbool gaat branden, wanneer er een storing is geregistreerd
die van invloed kan zijn op de veiligheid en/of
de rijeigenschappen van de auto. Er verschijnt
tegelijkertijd een verklarende melding op het
informatiedisplay. Het waarschuwingslampje
blijft branden totdat de storing is verholpen,
maar de melding kunt u verwijderen met de
knop READ, zie pagina 125. Het waarschuwingslampje kan ook gaan branden in combinatie met andere lampjes.
Actie:
1. Stop zo spoedig mogelijk. Rijd niet verder
met de auto.
2. Lees de informatie op het informatiedisplay. Voer de handeling uit die de melding
op het display u voorschrijft. Wis de melding met de knop READ.
2
Waarschuwing, portieren niet gesloten
Dagtellers
Als een van de portieren, de motorkap2 of het
kofferdeksel niet goed afgesloten is, gaat het
informatie- of waarschuwingssymbool branden en verschijnt er een verklarende melding
op het instrumentenpaneel. Breng de auto zo
spoedig mogelijk tot stilstand en sluit het portier, het kofferdeksel of de motorkap dat/die
open is.
03
Als de auto met een snelheid van maximaal 7 km/h rijdt, gaat het informatiesymbool branden.
Als de auto met een snelheid van maximaal 7 km/h rijdt, gaat het waarschuwingssymbool branden.
Dagteller en bedieningsknop.
Display voor dagtellers
Knop om te wisselen tussen de dagtellers
T1 en T2 alsook de dagtellers op nul te
stellen.
De dagtellers worden gebruikt om korte afstanden te meten.
Door kort op de knop te drukken, kunt u van
dagteller (T1 en T2) wisselen. Als u de knop
lang indrukt (meer dan 2 seconden), zet u de
geactiveerde dagteller op nul. De afgelegde
afstand staat op het display.
Alleen auto’s met alarm*.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
69
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
Klok
03
Klok en instelknop.
Knop om de klok in te stellen.
Informatiedisplay voor de tijdaanduiding.
Draai de knop rechts- of linksom om de tijd in
te stellen. De ingestelde tijd verschijnt op het
informatiedisplay.
Bij de weergave van een melding kan de tijdsaanduiding korte tijd worden vervangen door
een symbool, zie pagina 125.
70
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening - Executive
de knop los wanneer de klok de juiste
tijd aangeeft.
Analoge klok
•
Druk eenmaal op de knop van uw keuze,
waarna de wijzers vooruit- of achteruitdraaien (in stapjes van ca. 10 seconden).
G029076
03
Analoge klok.
Knop om de wijzers terug te draaien.
Knop om de wijzers vooruit te draaien.
De analoge klok zit in het dashboard, boven het
dashboardkastje.
Tijd instellen:
±
Maak gebruik van de juiste knop om de
wijzers vooruit of achteruit te draaien. Er
zijn manieren van instellen mogelijk:
•
Houd de knop van uw keuze ingedrukt,
waarna de wijzers eerst langzaam (in
stapjes van ca. 5 minuten) vooruit- of
achteruitdraaien en daarna sneller. Laat
71
03 Bestuurdersmilieu
Sleutelstanden
Transpondersleutel aanbrengen en
verwijderen
BELANGRIJK
Vreemde voorwerpen in het contactslot
kunnen tot functiestoringen leiden of
schade aan het slot toebrengen.
De transpondersleutel niet verkeerd om
insteken – pak de sleutel beet aan het uiteinde met het afneembare sleutelblad. zie
pagina 44.
03
G021126
Sleutel verwijderen
Contactsleutel met naar binnen getrokken transpondersleutel.
N.B.
Voor auto’s met Keyless drive-functie*, zie
pagina 49.
Sleutel aanbrengen
Breng de transpondersleutel aan in het contactslot, met de symbolen in de juiste richting.
Bij licht indrukken van de sleutel wordt deze
verder naar binnen getrokken.
72
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Verwijder de transpondersleutel door er lichte
druk op uit te oefenen. (Een automaatbak*
dient in stand P te staan.)
Sleutelstand 0
Steek de transpondersleutel in het contactslot
en druk lichtjes op de sleutel – de sleutel wordt
verder naar binnen getrokken.
Sleutelstand I
Met de transpondersleutel naar binnen getrokken in het contactslot – druk kort op START/
STOP ENGINE.
Sleutelstand II
Met de transpondersleutel naar binnen getrokken in het contactslot – druk ca. 2 seconden
lang op START/STOP ENGINE.
Terug naar sleutelstand 0
Functies
De drie verschillende sleutelstanden zijn te
activeren zonder daarvoor de motor te hoeven
starten. De tabel geeft aan welke functies
beschikbaar zijn in de verschillende sleutelstanden.
N.B.
Om sleutelstand I of II te activeren zonder
de motor te starten – voer een van de volgende punten uit zonder het rem-/koppelingspedaal te bedienen.
Om terug te gaan naar sleutelstand 0 vanuit
stand I of II – druk kort op START/STOP
ENGINE.
03 Bestuurdersmilieu
Sleutelstanden
Stand
Functie
0
Kilometerteller, klok en temperatuurmeter worden verlicht. Het
stuurslot is opgeheven. Het
audiosysteem is te gebruiken.
I
Schuifdak*, elektrisch bedienbare zijruiten, 12 V-aansluitingen
in passagiersruimte, RTI*, telefoon*, interieurventilator, ECC en
ruitenwissers zijn te gebruiken.
II
De koplampen worden ontstoken. Waarschuwings-/controlelampjes branden 5 seconden
lang. Alle uitrusting werkt,
behalve de elektrische verwarming van de stoel en die van de
achterruit die pas werken wanneer de motor loopt.
03
Voor informatie over de functie van het audiosysteem bij een uitgenomen transpondersleutel, zie pagina 140.
Motor starten en afzetten
Voor informatie over het starten/afzetten van
de motor, zie pagina 101.
Slepen
Voor belangrijke informatie over de transpondersleutel bij het slepen, zie pagina 231.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
73
03 Bestuurdersmilieu
Stoelen en achterbank
Voorstoelen
WAARSCHUWING
Stel de stand van de bestuurdersstoel in
voordat u gaat rijden. Doe dit nooit tijdens
het rijden. Controleer of de stoel in zijn stand
vergrendeld staat.
03
Rugleuning voorstoel omklappen*
Trek de pallen aan de achterzijde van de
rugleuning omhoog tijdens het omklappen.
4. Duw de stoel zo ver naar voren dat de
hoofdsteun onder het dashboardkastje
“vast” komt te zitten.
Houd voor het rechtop zetten de omgekeerde
volgorde aan.
WAARSCHUWING
Controleer of de rugleuning van de voorstoel na het rechtop zetten goed vergrendeld staat.
Lendensteun wijzigen, aan de knop1
draaien.
Vooruit/achteruit, de hendel omhoogtillen
om de juiste afstand tot het stuurwiel en de
pedalen in te stellen. Controleer of de stoel
na het afstellen in de nieuwe stand geblokkeerd staat.
Voorkant zitting hoger/lager* zetten,
omhoog-/omlaagpompen.
Hellingshoek rugleuning wijzigen, aan de
knop draaien.
Zet de stoel zo ver mogelijk naar achteren
en omlaag.
Stoel hoger/lager zetten, omhoog-/
omlaagpompen.
Zet de rugleuning rechtop.
Bedieningspaneel voor elektrisch bedienbare stoel*.
1
74
De rugleuning van de passagiersstoel kan worden omgeklapt om ruimte te maken voor lange
lading.
Geldt ook voor een elektrisch bedienbare stoel.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
03 Bestuurdersmilieu
Stoelen en achterbank
Elektrisch bedienbare stoel*
Voorbereidingen
Tot enige tijd nadat u het portier met de transpondersleutel hebt ontgrendeld blijft het
mogelijk de stoel te verstellen, ook al steekt er
geen sleutel in het contactslot. U verstelt de
stoel normaal gesproken in sleutelstand I.
Wanneer de motor loopt, is dat altijd mogelijk.
Stoel met geheugenfunctie*
2. Houd de knop voor vastlegging van de
instelling ingedrukt, terwijl u op de geheugenknop van uw keuze drukt.
Stoel in vastgelegde stand zetten
Houd een van de geheugenknoppen ingedrukt,
totdat de stoel en de buitenspiegels tot stilstand komen. Bij het loslaten van de knop zal
de instelling van de stoel onmiddellijk worden
beëindigd.
03
Geheugen* van transpondersleutel2
De stand van de bestuurdersstoel en de buitenspiegels wordt vastgelegd, wanneer u de
auto met de transpondersleutel vergrendelt.
Voorkant zitting omhoog/omlaag
Stoel vooruit/achteruit en omhoog/omlaag
Hellingshoek rugleuning
De elektrisch bedienbare stoelen zijn voorzien
van een beveiliging tegen overbelasting, die
geactiveerd wordt als een van de stoelen door
een obstakel wordt geblokkeerd. Als dit het
geval is, moet u de sleutel in stand I of 0 zetten
en enige tijd wachten voordat u de stoel
opnieuw probeert te verstellen.
U kunt slechts één verstelfunctie van de stoel
tegelijk activeren (vooruit/achteruit/omhoog/
omlaag).
Instelling vastleggen
Geheugenknop
Geheugenknop
Geheugenknop
Knop voor vastlegging van de instelling
1. Stel de stoel en de buitenspiegels in.
2
Een volgende keer dat de auto met dezelfde
transpondersleutel wordt ontgrendeld, nemen
Voor het sleutelgeheugen bij Keyless drive, zie pagina 49.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
75
03 Bestuurdersmilieu
Stoelen en achterbank
de bestuurdersstoel en de buitenspiegels de in
het sleutelgeheugen vastgelegde standen in.
N.B.
03
De bestuurdersstoel en de buitenspiegels
worden niet verzet, als ze al in de opgeslagen stand staan.
U kunt de standen in het sleutelgeheugen ook
activeren door (terwijl het bestuurdersportier
openstaat) de ontgrendelingsknop op de
transpondersleutel te bedienen.
U kunt het sleutelgeheugen activeren/deactiveren onder Autosleutelgeheugen Pos.
stoelen en spiegels. Voor een beschrijving
van het menusysteem, zie pagina 122.
N.B.
Het geheugen van de twee transpondersleutels en de drie geheugens van de stoel
werken volledig onafhankelijk van elkaar.
Noodstop
Als de stoel per ongeluk in beweging komt,
kunt u op een van de knoppen drukken om de
stoel tot stilstand te brengen.
Om de stoel dan opnieuw in de in het sleutelgeheugen vastgelegde stand te zetten dient u
de ontgrendelingsknop op de transponder-
76
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
sleutel te bedienen. Het bestuurdersportier
dient daarbij open te staan.
Achterbank
Ruggedeelte achterbank omklappen
WAARSCHUWING
Beknellingsgevaar! Laat kinderen niet met
de schakelaars spelen. Zorg dat er geen
voorwerpen voor, achter of onder de stoel
liggen tijdens het verstellen. Zorg er tevens
voor dat geen van de passagiers op de achterbank bekneld kan raken.
Stoelen met elektrische verwarming/
ventilatie*
Voor stoelen met elektrische verwarming/ventilatie, zie pagina 131.
De ruggedeelten van de achterbank kunnen,
allebei of ieder apart, worden omgeklapt om
lange voorwerpen gemakkelijker te kunnen
vervoeren.
1. Trek aan de handgreep/handgrepen. Zet
omgeklapte hoofdsteunen eerst rechtop.
2. Klap het ruggedeelte naar voren toe om.
Stel zo nodig de middelste hoofdsteun af.
WAARSCHUWING
Controleer of de ruggedeelten van de achterbank na het rechtop zetten goed vergrendeld staan.
03 Bestuurdersmilieu
Stoelen en achterbank
Middelste hoofdsteun achterbank
Buitenste hoofdsteunen achterbank
omklappen*
WAARSCHUWING
De hoofdsteunen moeten na het rechtop
zetten vergrendeld staan.
G021136
03
Stem de hoofdsteun in de hoogte af op de
lengte van de passagier. Zorg dat de bovenkant van de hoofdsteun halverwege de achterkant van het hoofd komt te zitten. Trek de
hoofdsteun zo ver omhoog als nodig is.
Als u de hoofdsteun lager wilt zetten, moet u
de pal achter de linker poot indrukken terwijl u
de hoofdsteun omlaagduwt.
1. De transpondersleutel moet in stand I of
II staan.
2. Druk op de knop om de beide buitenste
hoofdsteunen op de achterbank om te
klappen en het zicht naar achteren te verbeteren.
WAARSCHUWING
Klap de buitenste hoofdsteunen niet om, als
er iemand op een van beide buitenste zitplaatsen van de achterbank zit.
Zet de hoofdsteun na afloop handmatig
rechtop totdat deze hoorbaar vastklikt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
77
03 Bestuurdersmilieu
Voorstoelen - Executive
Voorstoelen type Comfort
Massagefunctie
Lendensteun instellen
Stoel naar voren/achteren zetten.
Bedieningspaneel voor massagefunctie en
lendensteun.
Knop voor activering massagefunctie.
Harde massage
Zachte massage
Elk van beide voorstoelen is voorzien van een
rugleuning met massagefunctie. De massagefunctie maakt gebruik van luchtkussens die
voor een harde of zachte massage zorgen. Na
selectie van de gewenste massagefunctie
wordt er als volgt gemasseerd: 6 minuten massage – 4 minuten pauze – 6 minuten massage
enz.
Wanneer de knop in de middelste stand staat
of als de transpondersleutel in stand 0 staat, is
de massagefunctie niet actief.
78
G030227
G030131
G030132
03
Knop voor instelling lendensteun.
De lendensteun is in te stellen met behulp van
de luchtkussens die ook gebruikt worden voor
de massafunctie. De luchtkussens op verschillende hoogte in de rugleuning zijn stuk voor
stuk apart traploos harder of zachter op te blazen (zie bovenstaande afbeelding).
De lendensteun is in te stellen wanneer de
massagefunctie niet actief is.
De stand wordt opgeslagen in een geheugen
zodat de lendensteun na afloop van de massagefunctie of na langdurig parkeren automatisch de laatst opgeslagen stand weer inneemt.
03 Bestuurdersmilieu
Voorstoelen - Executive
Stoel naar voren/achteren zetten
G030137
03
De passagiersstoel is verder naar voren of achteren te zetten. De stoel komt zolang u de voorof achterkant van de knop ingedrukt houdt
steeds verder naar voren of achteren (zie
bovenstaande afbeelding). De hellingshoek
van de rugleuning wordt niet gewijzigd.
79
03 Bestuurdersmilieu
Stuurwiel
Instellen
WAARSCHUWING
Claxon
Stel het stuurwiel af voordat u gaat rijden en
controleer of het in de gekozen stand vergrendeld staat.
Bij auto’s met snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging* is de kracht die nodig is om het
stuur te verdraaien in te stellen (zie
pagina 163).
G021138
03
Toetsensets*
Stuurwiel afstellen.
Claxon.
Ontgrendelingshendel, stuurwielafstelling
Druk op het midden van het stuurwiel om te
claxonneren.
Mogelijke stuurwielstanden
U kunt het stuurwiel zowel in de hoogte als in
de diepte verstellen.
1. Trek de hendel naar u toe om het stuur vrij
te geven.
2. Zet het stuurwiel vervolgens in de gewenste stand.
3. Duw de hendel vervolgens terug om het
stuurwiel in de nieuwe stand te blokkeren.
Als dit moeite kost, kunt u lichtjes op het
stuurwiel drukken en tegelijkertijd de hendel terugduwen.
80
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Toetsensets op stuurwiel.
Cruisecontrol, zie pagina 164
Adaptieve cruisecontrol, zie pagina 166
Audio- en telefoonfuncties, zie
pagina 140
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
Bedieningspaneel verlichting
De displayverlichting wordt bij donker automatisch gedimd. De gevoeligheidsgraad van deze
functie is in te stellen met het duimwiel.
Groot licht/dimlicht
Ook de sterkte waarmee het instrumentenpaneel verlicht wordt stelt u in met het duimwiel.
Overzicht bedieningspaneel verlichting.
Duimwiel1 voor het afstellen van de verlichting van het display en het instrumentenpaneel
Mistachterlicht
Mistlampen voorzijde*
Bedieningspaneel verlichting
03
Door de belading van de auto wordt de hoogte
van de koplampen gewijzigd, zodat u tegemoetkomend verkeer mogelijk verblindt. U
kunt dat voorkomen door de koplamphoogte
bij te stellen. Stel de koplampen lager af als de
auto zwaar beladen is.
1. Laat de motor draaien of zet de transpondersleutel in stand I.
2. Draai het duimwiel omhoog of omlaag om
de koplampen hoger of lager af te stellen.
G021142
G021141
Koplamphoogteregeling
Verlichtingsdraaiknop en stuurhendel.
Stand voor grootlichtsignalen
Stand voor grootlicht
Auto’s met dual xenonkoplampen* zijn uitgerust met automatische koplamphoogteregeling, zodat het duimwiel ontbreekt.
Duimwiel2 voor koplamphoogteregeling
Instrumentenverlichting
Afhankelijk van de sleutelstand worden
bepaalde displays en instrumenten verlicht, zie
pagina 72.
1
2
Bij Executive-modellen kunt u met het duimwiel ook de sterkte regelen van de extra verlichting in handgrepen, de opbergvakken in de portieren, de analoge klok, de bekerhouders in de middenconsole
en de vloerverlichting voorin.
Niet aanwezig bij auto’s met dual xenonkoplampen*.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
81
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
Stand
Betekenis
Automatisch*/uitgeschakeld
dimlicht. Alleen grootlichtsignalen.
Stadslichten vóór en achterlichten
03
Automatisch dimlicht. In deze
stand werken het groot licht en
de grootlichtsignalen.
N.B.
Het groot licht is alleen te activeren in stand
.
Grootlichtsignalen
Trek de stuurhendel voorzichtig tot in de stand
voor grootlichtsignalen naar het stuurwiel toe.
Het groot licht brandt totdat u de hendel loslaat.
Dimlicht
3
Als de verlichtingsdraaiknop in stand
staat, gaat bij het starten van de motor het
dimlicht automatisch* branden. U kunt het
automatische dimlicht zo nodig in een werkplaats buiten werking laten stellen. Volvo advi-
3
82
Op bepaalde markten is in deze stand het dimlicht geactiveerd.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
seert dat u contact opneemt met een erkende
Volvo-werkplaats.
Active Bending Lights (ABL)*
is het dimlicht altijd automaIn stand
tisch ingeschakeld wanneer de motor loopt of
als de transpondersleutel in stand II staat.
Groot licht
Het groot licht is alleen te ontsteken met de
verlichtingsdraaiknop in stand
. Schakel
het groot licht in of uit door de stuurhendel tot
in de eindstand naar het stuurwiel te halen en
vervolgens los te laten.
Wanneer het groot licht ontstoken is, brandt
het symbool
op het instrumentenpaneel.
Lichtbundel bij gedeactiveerde (links) en geactiveerde (rechts) functie.
Als de auto is uitgerust met actieve koplampen
(Active Bending Lights, ABL) draaien de lichtbundels van de koplampen mee om optimale
verlichting te verkrijgen in bochten en op kruisingen om op die manier de veiligheid te verhogen.
De functie wordt automatisch ingeschakeld bij
het starten van de motor. Wanneer de functie
een storing vertoont, brandt het symbool
op het instrumentenpaneel en op het
informatiedisplay verschijnen een verklarende
melding plus een ander brandend symbool.
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
Display
Betekenis
Koplampfout Service vereist
Het systeem
is defect.
Bezoek een
werkplaats
als de melding niet
verdwijnt.
Volvo adviseert dat u
contact
opneemt
met een
erkende
Volvo-werkplaats.
De functie is uitsluitend actief bij schemer of
donker en dan alleen als de auto rijdt.
functie4
U kunt de
deactiveren/activeren onder
Instellingen van de auto Lichtinstellingen
Actieve koplampen. Voor een beschrijving
van het menusysteem, zie pagina 122.
Stadslichten vóór en achterlichten
Remlichten
De remlichten gaan automatisch branden wanneer u remt.
Noodremlichten en automatische
alarmlichten
Bij krachtig remmen of ABS-regeling worden
de noodremlichten (Adaptive Brake Lights)
geactiveerd. Dit houdt in dat de remlichten
knipperen om het achteropkomende verkeer
onmiddellijk te waarschuwen.
G021144
Symbool
Verlichtingsdraaiknop in stand voor stads-/parkeerlichten vóór en achterlichten.
Draai de verlichtingsdraaiknop naar de middelste stand (ook de kentekenplaatverlichting
gaat branden).
Om het achteropkomende verkeer te waarschuwen worden de achterlichten ook bij het
openen van het kofferdeksel automatisch ingeschakeld.
03
Het systeem wordt geactiveerd als het ABS
meer dan 0,5 seconden achtereen actief is of
bij krachtig afremmen, maar alleen bij snelheden hoger dan 50 km/h. Wanneer de snelheid
van de auto tot onder de 30 km/h is gedaald,
branden de remlichten weer op de normale
manier en worden de alarmlichten automatisch
ingeschakeld. De alarmlichten blijven knipperen totdat u weer wegrijdt, maar zijn uit te schakelen met de knop voor de alarmlichten.
Voor het aanpassen van de lichtbundel, zie
pagina 87.
4
Geactiveerd bij levering vanuit de fabriek.
``
83
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
Mistlampen voorzijde*
Mistachterlicht
N.B.
De regels voor het gebruik van het mistachterlicht verschillen van land tot land.
Alarmlichten
Knop voor mistlampen voorzijde.
Knop voor mistachterlicht.
De mistlampen vóór zijn in te schakelen in
combinatie met het groot licht/dimlicht of de
stadslichten/parkeerlichten vóór en de achterlichten.
Het mistachterlicht dat uit een lamp aan de
achterzijde van de auto bestaat, is alleen in te
schakelen wanneer u het groot licht/dimlicht
voert al dan niet gecombineerd met de mistlampen aan de voorzijde.
Druk op de knop voor in- en uitschakeling. Het
lampje in de knop brandt, wanneer de mistlampen aan de voorzijde branden.
N.B.
De regels voor het gebruik van de mistlampen vóór verschillen van land tot land.
84
G021146
G021145
03
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Druk op de knop voor in-/uitschakeling. Het
controlelampje voor het mistachterlicht
op het instrumentenpaneel en het lampje in de
knop branden, wanneer het mistachterlicht
ingeschakeld is.
Het mistachterlicht dooft automatisch bij het
afzetten van de motor.
Knop voor alarmlichten.
Druk op de knop om de alarmlichten te activeren. Beide richtingaanwijzersymbolen op het
instrumentenpaneel knipperen bij gebruik van
de alarmlichten.
Als de auto dermate hard wordt afgeremd dat
de noodremlichten in werking treden, worden
zodra de snelheid van de auto tot onder de
30 km/h is gedaald automatisch de alarmlichten ingeschakeld. Ook nadat de auto tot stilstand is gekomen blijven de alarmlichten knipperen. Wanneer u weer wegrijdt worden ze
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
automatisch uitgeschakeld. U kunt ook op de
knop voor de alarmlichten drukken.
Richtingaanwijzers/knipperlichten
Alle verlichting in het interieur kan handmatig
in- en uitgeschakeld worden binnen 30 minuten nadat:
De hendel blijft in deze stand staan en kan
handmatig in de uitgangspositie teruggezet
worden of veert automatisch terug bij het
terugdraaien van het stuurwiel.
•
u de motor hebt afgezet en de transpondersleutel in stand 0 staat;
•
de auto ontgrendeld is zonder dat de motor
is gestart.
Richtingaanwijzersymbolen
Voor de richtingaanwijzersymbolen, zie
pagina 66.
03
Plafondverlichting voorin
Verlichting in interieur
De leeslampjes voorin worden in- en uitgeschakeld met een druk op de bijbehorende
knoppen op de plafondconsole.
G021148
Plafondverlichting achterin
Richtingaanwijzers/knipperlichten.
Onafgebroken serie knippersignalen
Knoppen op plafondconsole voor bediening leeslampjes en interieurverlichting voorin.
G021150
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag
naar de eerste stand en laat de hendel vervolgens los. De richtingaanwijzers lichten
driemaal op. U kunt de functie activeren/
deactiveren onder Instellingen van de
auto Lichtinstellingen Knipperl.
aan, 3 x
knipp.. Voor een beschrijving van het
menusysteem, zie pagina 122.
G021149
Korte serie knippersignalen
Leeslampje linkerzijde
Leeslampje rechterzijde
Plafondverlichting achterin.
Interieurverlichting
U kunt de lampjes in- en uitschakelen met een
druk op de bijbehorende knop.
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag
naar de tweede stand.
``
85
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
03
Instapverlichting
•
De instapverlichting (alsmede de interieurverlichting) worden in- en uitgeschakeld bij het
openen c.q. sluiten van een portier.
u de auto met de afstandsbediening ontgrendelt, zie pagina 41 of 45;
•
u de motor hebt afgezet en de transpondersleutel in stand 0 staat.
Verlichting dashboardkastje
De interieurverlichting dooft, wanneer:
De verlichting in het dashboardkastje wordt inen uitgeschakeld bij het openen en sluiten van
de klep van het kastje.
•
•
Make-upspiegel
De verlichting van de make-upspiegel, zie
pagina 198, wordt bij het openen en sluiten
van het klepje in- en uitgeschakeld.
Automatische verlichting
Met de knop voor de interieurverlichting kunt u
drie verlichtingsstanden selecteren:
•
Uit – rechterkant ingedrukt, automatische
interieurverlichting gedeactiveerd.
•
Neutrale stand – automatische verlichting
geactiveerd.
•
Aan – linkerkant ingedrukt, interieurverlichting brandt.
Neutrale stand
Met de knop in de neutrale stand wordt de
interieurverlichting als volgt automatisch in- en
uitgeschakeld.
De interieurverlichting wordt ingeschakeld en
blijft 30 seconden lang branden, als:
86
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
u de motor start;
de auto wordt vergrendeld.
De interieurverlichting gaat aan en blijft twee
minuten lang branden, wanneer een van de
portieren openstaat.
Als u een bepaalde verlichtingsfunctie handmatig inschakelt, zal deze na twee minuten
automatisch worden uitgeschakeld.
“Follow Me Home”-verlichting
Het is mogelijk om een deel van de buitenverlichting enige tijd ingeschakeld te houden en
als “Follow Me Home”-verlichting dienst te
laten doen na vergrendeling van de auto.
1. Neem de transpondersleutel uit het contactslot.
2. Haal de linker stuurhendel tot in de eindstand naar het stuurwiel toe en laat de hendel los. De functie is op dezelfde manier te
activeren als de grootlichtsignalen, zie
pagina 81.
3. Stap uit de auto en vergrendel het portier.
Wanneer de functie wordt geactiveerd, gaan
de dimlichten, de parkeerlichten, de richtingaanwijzers, de verlichting van de buitenspiegels, de kentekenplaatverlichting, de plafondlampjes in het interieur en de instapverlichting
branden.
De duur van de “Follow Me Home”-verlichting
kan worden ingesteld onder Instellingen van
de auto Lichtinstellingen Duur
opritverlichting. Voor een beschrijving van het
menusysteem, zie pagina 122.
“Approach”-verlichting*
U activeert de “Approach”-verlichting met de
transpondersleutel, zie pagina 41, om de verlichting van de auto op afstand in te schakelen.
Wanneer de functie met de afstandsbediening
wordt geactiveerd, gaan de parkeerlichten, de
verlichting van de buitenspiegels, de kentekenplaatverlichting, de plafondlampjes in het
interieur en de instapverlichting branden.
De duur van de “Approach”-verlichting kan
worden ingesteld onder Instellingen van de
auto Lichtinstellingen Duur
naderingslicht. Voor een beschrijving van het
menusysteem, zie pagina 122.
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
Lichtbundel aanpassen
de juiste lichtbundel wordt ook de berm beter
verlicht.
Dual xenon- en actieve dual
xenonkoplampen*
Het land waarin de auto werd afgeleverd
bepaalt of de uitgangspositie de juiste is voor
links- of rechtsrijdend verkeer.
Voorbeeld 1
Om met een in Nederland geleverde auto in
Engeland te kunnen rijden dient de lichtbundel
van de koplampen te worden ingesteld op de
aangepaste stand (zie voorgaande afbeelding).
03
Voorbeeld 2
G021151
Een in Engeland geleverde auto is bestemd
voor linksrijdend verkeer en daarom kunt u de
lichtbundel van de koplampen in de normale
stand (zie voorgaande afbeelding) laten staan.
G019442
Lichtbundel linksrijdend verkeer.
Hendel voor aanpassing lichtbundel.
Normale stand – de juiste lichtbundel voor
het land waarin de auto werd afgeleverd.
G021152
Aangepaste stand – stand voor de tegenovergestelde lichtbundel.
Lichtbundel rechtsrijdend verkeer.
Om verblinding van tegenliggers te voorkomen
kunt u de lichtbundel van de koplampen aanpassen voor links- en rechtsrijdend verkeer. Bij
WAARSCHUWING
Omdat de xenonkoplampen voorzien zijn
van een ontstekingsgedeelte dat een hoge
spanning opwekt, moet u er voorzichtig
mee omgaan.
Halogeenkoplampen
Bij halogeenkoplampen past u de lichtbundel
aan door bepaalde delen van het koplampglas
af te plakken. De sterkte van de lichtbundel
neemt daardoor iets af.
Koplampen afplakken
1. Trek de mallen A en B over voor een auto
met het stuur links of de mallen C en D voor
een auto met het stuur rechts in een schaal
van 1:2, zie pagina 90. Gebruik bijvoorbeeld een kopieerapparaat met vergrotingsfunctie.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
87
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
03
•
A = LHD Right (auto met het stuur links,
rechter koplampglas)
•
B = LHD Left (auto met het stuur links,
linker koplampglas)
•
C = RHD Right (auto met het stuur
rechts, rechter koplampglas)
•
D = RHD Left (auto met het stuur rechts,
linker koplampglas)
2. Breng de mallen over op een stuk zelfklevend en watervast materiaal en knip ze uit.
3. Neem de designstreep op de koplampglazen als uitgangspunt, zie stippellijn op
pagina 89. Breng de zelfklevende mallen
aan de hand van de afbeelding en de afmetingen in de onderstaande lijst aan op de
juiste afstand tot de designstreep:
•
•
•
•
88
A = LHD Right - ca. 86 mm
B = LHD Left - ca. 40 mm
C = RHD Right - 0 mm
D = RHD Left - ca. 96 mm
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
Positie van de mallen
G033954
03
Bovenste regel: afgeplakte gebieden bij een auto met stuur links, mallen A en B. Onderste regel: afgeplakte gebieden bij een auto met het stuur rechts, mallen
C en D.
``
89
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
Mallen voor halogeenkoplampen
G021155
03
90
03 Bestuurdersmilieu
Wissers en -sproeiers
Ruitenwissers1
Intervalstand
Met het duimwiel kunt u het aantal
wisslagen per eenheid van tijd instellen wanneer u de intervalstand hebt geselecteerd.
Ononderbroken wissen
De wissers bewegen op normale
snelheid.
De wissers bewegen op hoge snelheid.
BELANGRIJK
Ruitenwissers en -sproeiers.
Regensensor aan/uit
Duimwiel gevoeligheid regensensor/snelheid ruitenwissers
Ruitenwissers uitgeschakeld
Haal de hendel naar stand 0 om de
ruitenwissers uit te schakelen.
Enkele slag
Haal de hendel omhoog en laat deze
los om de wissers een enkele slag te
laten maken.
Controleer alvorens de ruitenwissers tijdens
de winter in te schakelen of de wisserbladen
niet zijn vastgevroren en de voorruit
sneeuw- en ijsvrij is.
BELANGRIJK
Spuit een ruime hoeveelheid ruitensproeiervloeistof op de voorruit, wanneer de ruitenwissers werken. De voorruit moet nat zijn bij
gebruik van de ruitenwissers.
Regensensor*
De regensensor registreert de hoeveelheid
regen op de voorruit en schakelt automatisch
de ruitenwissers op de voorruit in. De gevoe-
1
ligheid van de regensensor is in te stellen met
het duimwiel.
Wanneer de regensensor actief is, brandt het
lampje in de bijbehorende knop en verschijnt
op het rechter
het regensensorsymbool
display van het instrumentenpaneel.
03
Activeren en gevoeligheid instellen
Om de regensensor te activeren dient de motor
te lopen of de transpondersleutel in stand I of
II te staan en de ruitenwisserhendel in stand 0
of die voor een enkele wisslag.
Activeer de regensensor door op de knop
te drukken. De ruitenwissers maken een
slag.
Als u de hendel omhooghaalt, maken de ruitenwissers een extra slag.
Draai het duimwiel omhoog voor een grotere
gevoeligheid en omlaag voor een lagere
gevoeligheid (de wissers maken een extra slag,
als u het duimwiel omhoogdraait).
Deactiveren
Schakel de regensensor uit met een druk op de
knop
of haal de hendel omlaag naar een
ander wisprogramma.
Wisserbladen vervangen (zie pagina250) en sproeiervloeistof bijvullen (zie pagina251).
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
91
03 Bestuurdersmilieu
Wissers en -sproeiers
De regensensor wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u de sleutel uit het contactslot
neemt of vijf minuten nadat u de auto van het
contact hebt gezet.
BELANGRIJK
03
De ruitenwissers op de voorruit kunnen in
een automatische wasstraat spontaan
inschakelen en daarbij beschadigd raken.
Schakel de regensensor uit terwijl de motor
loopt of als de transpondersleutel in stand
I of II staat. Het symbool op het instrumentenpaneel en dat in de knop doven.
Koplamp- en ruitensproeiers
Ruitensproeiers voorruit
U activeert de sproeiers van de voorruit en de
koplampen door de hendel naar het stuurwiel
toe te trekken.
Nadat u de hendel hebt losgelaten maken de
ruitenwissers op de voorruit nog enkele slagen.
De koplampen worden om de beurt gesproeid
om te voorkomen dat de sterkte van de verlichting afneemt.
N.B.
De koplampen worden om de beurt
gesproeid.
Verwarmde sproeikoppen*
De sproeikoppen worden bij vorst automatisch
verwarmd om te voorkomen dat de ruitensproeiervloeistof bevriest.
G025416
Hogedruksproeiers koplampen*
Sproeierfunctie.
92
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
De hogedruksproeiers van de koplampen verbruiken een grote hoeveelheid sproeiervloeistof. Om vloeistof te besparen, worden de
koplampen alleen iedere vijfde keer dat u de
voorruitsproeiers activeert gesproeid.
03 Bestuurdersmilieu
Ruiten en spiegels
Algemene informatie
Warmtereflecterende voorruit*
Elektrisch bedienbare ruiten
Gelaagd glas
Het glas is verstevigd voor een verbeterde inbraakbeveiliging en
geluidsisolatie van het interieur. De
voorruit en de zijruiten zijn gemaakt
van gelaagd glas*.
03
De voorste zijruiten zijn voorzien van
een speciale laag die bij hevige
regenval voor een beter zicht zorgt. Voor het
onderhoud, zie pagina 279.
BELANGRIJK
Gebruik geen metalen ijskrabber om de ruiten van ijs te ontdoen. Gebruik de elektrische verwarming om de buitenspiegels van
ijs te ontdoen.
G018516
Water- en vuilafstotende laag*
Veld waar geen IR-film is aangebracht.
De voorruit is voorzien van een warmtereflecterende film (IR) die de ingestraalde warmte in
de passagiersruimte beperkt.
Montage van elektronische uitrusting, zoals
een transponder, achter een ruit met een
warmtereflecterende film heeft mogelijk een
negatieve invloed op de werking en prestaties
van de uitrusting.
Voor optimale werking van dient de elektronische uitrusting dan ook gemonteerd te worden
op dat deel van de voorruit waar geen warmtereflecterende film is aangebracht (zie gemarkeerd veld op voorgaande afbeelding).
Bedieningspaneel op bestuurdersportier.
Elektrisch kinderslot op achterportieren*
en achterste zijruiten, zie pagina 56.
Bedieningsknoppen achterste zijruiten
Bedieningsknoppen voorste zijruiten
WAARSCHUWING
Zorg ervoor dat achterpassagiers niet met
hun handen bekneld raken, wanneer u de
zijruiten vanaf het bestuurdersportier sluit.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
93
03 Bestuurdersmilieu
Ruiten en spiegels
WAARSCHUWING
Zorg er bij het sluiten van de zijruiten voor
dat kinderen of andere inzittenden niet met
hun handen bekneld raken. Dit geldt ook als
u gebruik maakt van de transpondersleutel.
03
WAARSCHUWING
Als er kinderen in de auto zitten: let er bij het
verlaten van de auto op dat u de stroomtoevoer naar de elektrisch bedienbare zijruiten verbreekt door de transpondersleutel
uit te nemen.
G018517
Bediening
Bedieningsknoppen elektrisch bedienbare zijruiten.
Handmatige bediening
Automatische bediening
94
Vanaf het bedieningspaneel op het bestuurdersportier kunt u alle ruiten tegelijk bedienen.
Vanaf het bedieningspaneel op een van de
overige portieren kunt u alleen de zijruit in dat
portier bedienen. De zijruiten zijn alleen te
bedienen vanaf één bedieningspaneel tegelijk.
Handmatige bediening
Om de elektrisch bedienbare ruiten te kunnen
gebruiken moet de transpondersleutel in stand
I of II staan. Ook als u na het afzetten van de
motor de transpondersleutel hebt verwijderd,
hebt u nog enkele minuten lang de tijd om de
ruiten te bedienen. Na het openen van een portier is dat echter niet meer mogelijk.
Automatische bediening
De ruiten komen tot stilstand en worden
geopend, als ze tijdens het sluiten in hun beweging worden gehinderd. Wanneer de zijruiten
door ijsvorming bijvoorbeeld tweemaal achtereen niet konden worden gesloten, is het mogelijk de beveiliging tegen overbelasting tijdelijk
op te heffen. U doet dat door de bedieningsknop voor de bewuste zijruit omhoog te trekken en in deze stand vast te houden, totdat de
zijruit dicht is. De beveiliging tegen overbelasting wordt enige tijd later opnieuw geactiveerd.
Met de transpondersleutel of de knoppen voor
de centrale vergrendeling kunt u alle zijruiten
automatisch openen en sluiten:
N.B.
U kunt de rijwindgeluiden tijdens ritten met
geopende achterportierruiten beperken
door ook de voorportierruiten een stukje te
openen.
Trek voorzichtig een van de bedieningsknoppen omhoog of duw er een omlaag. De elektrisch bedienbare zijruiten komen steeds verder omhoog of omlaag zolang u de bedieningsknop bedient.
Trek een van de bedieningsknoppen omhoog
of duw er een omlaag en laat deze vervolgens
los. De bijbehorende zijruit gaat automatisch
volledig open of dicht.
Afstandbediening en knoppen centrale
vergrendeling
±
Houd de vergrendelingsknop ingedrukt
totdat de zijruiten worden geopend of
gesloten. Druk nogmaals op de vergrendelingsknop om het openen/sluiten te
onderbreken.
Resetten
Als de accu losgekoppeld is geweest, werkt de
automatische openingsfunctie pas weer naar
behoren wanneer u deze hebt gereset.
1. Trek de knop aan de voorkant omhoog om
de ruit helemaal te sluiten en houd de knop
een seconde in deze stand vast.
03 Bestuurdersmilieu
Ruiten en spiegels
2. Laat de knop korte tijd los.
3. Trek de voorkant van de knop opnieuw een
seconde omhoog.
2. Vergrendel het zonnescherm door de vergrendeling omhoog te klappen.
Ook bij gebruik van het zonnescherm kan de
zijruit worden geopend en gesloten.
WAARSCHUWING
De spiegels zijn groothoekig voor optimaal
zicht. Voorwerpen kunnen verder weg lijken
dan ze in werkelijkheid zijn.
WAARSCHUWING
De beveiliging tegen overbelasting werkt
alleen als de automatische openingsfunctie
voor zijruiten gereset is.
Buitenspiegels
Elektrisch inklapbare buitenspiegels*
U kunt de buitenspiegels inklappen bij het parkeren en als u op smalle wegen rijdt.
03
1. Druk tegelijkertijd op de knoppen L en R.
Zonnescherm*
G018518
2. Laat ze na ca. 1 seconde los. De spiegels
stoppen automatisch, als ze volledig zijn
ingeklapt.
Bedieningsknoppen buitenspiegels.
Instellen
Haak met bijbehorende vergrendeling
In de portierpanelen van de beide achterportieren zijn zonneschermen ingebouwd.
1. Trek het zonnescherm omhoog en haak
het vast aan de haak boven aan de ruitopening.
1. Druk op knop L voor de buitenspiegel links
of op R voor de buitenspiegel rechts. Het
lampje in de knop brandt.
2. U kunt de stand afstellen met het hendeltje
in het midden.
3. Druk opnieuw op knop L of R. Het lampje
mag niet langer branden.
Klap de spiegels weer uit door tegelijkertijd op
de knoppen L en R te drukken. De spiegels
stoppen automatisch, als ze volledig zijn uitgeklapt.
Stand vastleggen*
De stand van de buitenspiegels en de bestuurdersstoel worden vastgelegd, wanneer u de
auto met de transpondersleutel vergrendelt.
Een volgende keer dat de auto met dezelfde
transpondersleutel wordt ontgrendeld en het
bestuurdersportier wordt geopend, nemen de
buitenspiegels en de bestuurdersstoel de vastgelegde standen in.
U kunt de functie activeren/deactiveren onder
Autosleutelgeheugen Pos. stoelen en
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
95
03 Bestuurdersmilieu
Ruiten en spiegels
03
spiegels. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie pagina 122.
neutrale stand worden teruggezet zodat het
elektrisch in- en uitklappen weer correct werkt.
Buitenspiegel kantelen bij parkeren1
1. Klap de spiegels in met de knoppen L
en R.
De buitenspiegels kunnen omlaaggekanteld
worden, zodat de bestuurder bijvoorbeeld tijdens het parkeren de kant van de weg te kan
zien.
±
Schakel de achteruitversnelling in en druk
op de knop L of R.
Bij het inschakelen van een andere versnelling
nemen de gekantelde buitenspiegels na ca.
10 seconden de oorspronkelijke stand weer in.
Dat gebeurt eerder als u de knop L of R drukt.
Automatische inklapfunctie bij
vergrendelen
Wanneer u de auto vanaf de transpondersleutel vergrendelt/ontgrendelt worden de buitenspiegels automatisch in- of uitgeklapt.
2. Klap de spiegels weer uit met de knoppen
L en R.
3. Herhaal de bovenstaande procedure zo
nodig.
De spiegels staan daarmee weer in de neutrale
stand.
“Approach”-verlichting en “Follow Me
Home”-verlichting
De lampjes op de buitenspiegels gaan branden, als u de “Approach”-verlichting of de “Follow Me Home”-verlichting selecteert, zie
pagina 86.
U kunt de functie activeren/deactiveren onder
Instellingen van de auto Instellingen
zijspiegels Spiegels in bij vegrend.. Voor
een beschrijving van het menusysteem, zie
pagina 122.
In neutrale stand terugzetten
Spiegels die uit positie zijn geraakt door invloeden van buitenaf, moeten eerst elektrisch in de
1
96
Elektrische achterruit- en
buitenspiegelverwarming
Alleen in combinatie met een elektrisch bedienbare stoel met geheugen, zie pagina 75.
Gebruik de elektrische verwarming om de achterruit en de buitenspiegels te ontwasemen en
te ontdooien.
Met één druk op de knop schakelt u de gelijktijdige verwarming van de achterruit en de buitenspiegels in. Het brandende lampje in de
knop geeft aan dat de functie actief is. De verwarming wordt afhankelijk van de buitentemperatuur na een bepaalde tijd automatisch uitgeschakeld.
De achterruit wordt automatisch ontwasemd/
ontdooid als u de auto start bij een buitentemperatuur lager dan +9°C.
03 Bestuurdersmilieu
Ruiten en spiegels
U kunt voor automatische ontwaseming kiezen
onder Klimaatinstellingen Aut. defroster
achterr.. Kies vervolgens uit Aan of Uit. Voor
een beschrijving van het menusysteem, zie
pagina 122.
Achteruitkijkspiegel
2. Deactiveer de dimfunctie door het hendeltje naar de voorruit toe te duwen.
Autodimfunctie*
Als het licht dat van achteren in de spiegel valt
te fel is, wordt de achteruitkijkspiegel automatisch gedimd. Het hendeltje is niet aanwezig op
spiegels met autodimfunctie.
03
G021342
Een kompas* is alleen een optie voor een achteruitkijkspiegel met autodimfunctie, zie
pagina 98.
Hendeltje voor dimfunctie
Handmatige dimfunctie
Fel licht van achteren kan hinderlijke reflecties
in de achteruitkijkspiegel veroorzaken en u verblinden. Zet de spiegel met het hendeltje in de
dimstand, wanneer u de verlichting van het
achteropkomende verkeer als hinderlijk
ervaart:
1. Activeer de dimfunctie door het hendeltje
naar u toe te halen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
97
03 Bestuurdersmilieu
Kompas*
Bediening
Kalibreren
Zone kiezen
Het kompas moet soms voor de nauwkeurigheid worden gekalibreerd. Als kalibratie nodig
is, verschijnt C op het display van de spiegel.
1. Breng de auto tot stilstand op een groot en
open terrein waar geen stalen constructies
of hoogspanningsdraden zijn.
03
Achteruitkijkspiegel met kompas.
98
N.B.
Voor optimale kalibratie dient u alle elektrische apparatuur (klimaatregeling, ontwaseming e.d.) uit te schakelen en de portieren
dicht te houden.
Aan de onderkant van de achteruitkijkspiegel
(in het midden) zit een display waarop wordt
aangegeven in welke richting de voorkant van
de auto wijst. Er worden acht verschillende
richtingen met Engelse afkortingen weergegeven: N (noord), NE (noordoost), E (oost), SE
(zuidoost), S (zuid), SW (zuidwest), W (west) en
NW (noordwest).
3. Houd het knopje aan de achterzijde van de
achteruitkijkspiegel ingedrukt (met bijvoorbeeld een paperclip), totdat de melding C
opnieuw verschijnt (ca. 6 seconden lang).
Het kompas wordt automatisch geactiveerd
wanneer u de motor start of wanneer sleutelstand II actief is, zie pagina 72. Om het kompas
handmatig in of uit te schakelen kunt u een
paperclip of iets dergelijks nemen en het
knopje aan de achterzijde van de achteruitkijkspiegel indrukken.
Alternatieve kalibratiemethode: Rijd langzaam een rondje in de auto met een snelheid van hoogstens 8 km/h, totdat de melding C van het display verdwijnt om aan te
geven dat de kalibratie afgerond is.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
4. Rijd op de normale manier weg. C verdwijnt van het display, wanneer de kalibratie is afgerond.
G030295
G029737
2. Start de motor.
Magnetische zones.
De aarde is in 15 magnetische zones verdeeld.
Het kompas werkt alleen naar behoren als de
juiste zone geselecteerd is.
1. De transpondersleutel moet daarbij in
stand II staan, zie pagina 72.
2. Houd het knopje aan de achterzijde van de
achteruitkijkspiegel ten minste 3 seconden
lang (met een paperclip of iets dergelijks)
ingedrukt. Het nummer van de actuele
geografische zone verschijnt.
3. Druk herhaaldelijk op het knopje totdat het
nummer van de gewenste geografische
zone (1–15) verschijnt.
4. Enkele seconden later geeft het display de
kompasrichting weer aan.
03 Bestuurdersmilieu
Elektrisch bedienbaar schuifdak*
Algemene informatie
De bedieningsknoppen voor het schuifdak zitten aan het plafond. Het schuifdak is aan de
achterkant open te kantelen of horizontaal
open te schuiven. Het schuifdak is alleen te
openen in sleutelstand I of II.
Horizontaal openschuiven
knop vervolgens los om het schuifdak zo ver
mogelijk open te schuiven.
U kunt het schuifdak handmatig openen door
de bedieningsknop achteruit naar het weerstandspunt voor handmatig openen te trekken.
Het schuifdak schuift steeds verder open
zolang u de knop in deze stand vasthoudt.
Sluiten
U kunt het schuifdak handmatig sluiten door de
bedieningsknop vooruit naar het weerstandspunt voor handmatig sluiten te duwen. Het
schuifdak schuift steeds verder dicht zolang u
de knop in deze stand vasthoudt.
WAARSCHUWING
Als er kinderen in de auto zitten:
Let er bij het verlaten van de auto op dat u
de stroomtoevoer naar het schuifdak verbreekt door de transpondersleutel uit te
nemen.
03
Verticaal openkantelen
Beknellingsgevaar bij het sluiten van het
schuifdak. De beveiliging tegen overbelasting van het schuifdak werkt alleen bij automatisch sluiten, niet bij handmatig sluiten.
G028899
G021343
WAARSCHUWING
Horizontaal openschuiven, achteruit/vooruit.
Openen, automatisch
Openen, handmatig
Sluiten, handmatig
Sluiten, automatisch
Het schuifdak gaat automatisch dicht, wanneer u de knop in de stand voor automatisch
sluiten duwt en vervolgens loslaat.
Wanneer u de transpondersleutel uit het contactslot neemt, wordt de spanning van het
schuifdak verbroken.
Verticaal openkantelen, achterkant omhoogkantelen.
Kantel het schuifdak open door de achterkant van de knop omhoog te duwen.
Kantel het schuifdak dicht door de achterkant van de knop omlaag te trekken.
Openen
Trek de bedieningsknop naar achteren in de
stand voor automatisch openen en laat de
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
99
03 Bestuurdersmilieu
Elektrisch bedienbaar schuifdak*
Sluiten met transpondersleutel of knop
voor centrale vergrendeling
van het schuifdak. Pak de handgreep vast en
schuif het scherm naar voren om het te sluiten.
Beveiliging tegen overbelasting
Het schuifdak is voorzien van een beveiliging
tegen overbelasting die wordt geactiveerd, als
het schuifdak door een obstakel wordt gehinderd. Het schuifdak komt dan tot stilstand en
keert vervolgens automatisch terug naar de
laatst gebruikte, geopende stand.
G021345
03
Houd de vergrendelingsknop lang ingedrukt
om het schuifdak en alle zijruiten te sluiten, zie
pagina 41 en 52. De portieren en het kofferdeksel worden vergrendeld. Druk nogmaals op
de vergrendelingsknop om het sluiten te
onderbreken.
WAARSCHUWING
Controleer of niemand met de handen
bekneld raakt wanneer u het schuifdak
vanaf de transpondersleutel sluit.
Zonnescherm
Aan de binnenkant van het schuifdak zit een
handbediend zonnescherm. Het zonnescherm
glijdt automatisch naar achteren bij het openen
100
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
03 Bestuurdersmilieu
Motor starten
Benzine- en dieselmotoren
3. Druk op de knop START/STOP ENGINE
en laat deze vervolgens los.
N.B.
G021126
Bij auto’s met een dieselmotor van het type
2.0D slaat de motor mogelijk met enige vertraging aan, wanneer de melding
Voorgloeifunctie motor actief op het display staat.
Contactslot met naar binnen getrokken transpondersleutel en START/STOP ENGINE-knop.
BELANGRIJK
De transpondersleutel niet verkeerd om
insteken – pak de sleutel beet aan het uiteinde met het afneembare sleutelblad. zie
pagina 44.
1. Steek de transpondersleutel in het contactslot – druk lichtjes op de sleutel totdat
deze verder naar binnen wordt getrokken.
De startmotor blijft maximaal
10 seconden draaien (60 seconden bij dieselmodellen), totdat de motor is aangeslagen.
Als de motor niet binnen 10 seconden aanslaat, kunt u een nieuwe startpoging doen door
de knop START/STOP ENGINE ingedrukt te
houden totdat de motor wel aanslaat.
WAARSCHUWING
Neem bij het verlaten van de auto altijd de
transpondersleutel uit het contactslot – met
name wanneer er kinderen in de auto achterblijven.
WAARSCHUWING
Neem de transpondersleutel nooit tijdens
het rijden of het slepen uit het contactslot.
U loopt anders het gevaar dat het stuurslot
wordt geactiveerd, waardoor de auto onbestuurbaar wordt.
Neem de transpondersleutel bij een auto
met Keyless drive*-functie nooit tijdens het
rijden of slepen uit het contactslot.
03
N.B.
Tijdens de koude start is het mogelijk dat het
motortoerental merkbaar hoger ligt dan normaal is voor bepaalde motortypes. Dit
omdat ernaar wordt gestreefd het uitlaatgasreinigingssysteem zo snel mogelijk op
bedrijfstemperatuur te brengen en tegelijkertijd de uitstoot te beperken van stoffen
die schadelijk zijn voor het milieu.
Keyless drive
Loop de punten 2–3 door voor benzinemotoren. Voor meer informatie over Keyless drive,
zie pagina 49.
2. Houd het koppelingspedaal volledig ingedrukt1. (Bij auto’s met automatische versnellingsbak – bedien het rempedaal.)
1
Als de auto rolt is het indrukken van de knop START/STOP ENGINE voldoende om de motor te starten.
``
101
03 Bestuurdersmilieu
Motor starten
N.B.
De motor kan alleen worden gestart, als een
van de transpondersleutels met Keyless
drive*-functie in de passagiersruimte of in
de bagageruimte is.
03
Motor afzetten
Om de motor af te zetten – druk op START/
STOP ENGINE.
Als de auto een automatische versnellingsbak
heeft en de keuzehendel niet in stand P staat
of als de auto rijdt – druk tweemaal op de knop
of houdt de knop ingedrukt totdat de motor
afslaat.
Stuurslot2
Het stuurslot wordt opgeheven wanneer u de
transpondersleutel in het contactslot steekt en
opnieuw ingeschakeld wanneer u de sleutel
verwijdert.
Wanneer u bij het verlaten van de auto het
stuurslot inschakelt, beperkt u het gevaar voor
diefstal van de auto.
Sleutelstanden
Voor informatie over de verschillende standen
van de transpondersleutel, zie pagina 72
2
102
Bij auto’s met Keyless drive* wordt de eerste keer dat u op de knop START/STOP ENGINE drukt, het stuurslot gedeactiveerd. Het stuurslot wordt opnieuw geactiveerd, wanneer het
bestuurdersportier wordt geopend nadat de motor is afgezet.
03 Bestuurdersmilieu
Motor starten, FlexiFuel
Algemene informatie over het starten
van een FlexiFuel-motor
Motorverwarming*
De motor wordt op dezelfde manier gestart als
een benzinemotor.
WAARSCHUWING
De motorverwarming werkt op een hoge
spanning. Laat controle- en reparatiewerkzaamheden aan een elektrische motorverwarming en de elektrische aansluitingen
ervan uitvoeren door een werkplaats –
geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
Bij startproblemen
Wanneer de motor niet bij de eerste startpoging aanslaat:
•
Doe nog enkele startpogingen met behulp
van de knop START/STOP ENGINE.
Als de motor dan nog niet aanslaat
2. Doe nog enkele startpogingen met behulp
van de knop START/STOP ENGINE.
BELANGRIJK
Als de motor ondanks herhaalde startpogingen niet aanslaat, wordt geadviseerd
contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats.
03
N.B.
Is de buitentemperatuur lager dan +5°C:
1. Sluit de elektrische motorverwarming minstens 1 uur lang aan.
zoveel mogelijk gebruik van de motorverwarming.
Opmerking voor wie een jerrycan met
brandstof wil meenemen:
Aansluiting voor motorverwarming.
Als de te verwachten temperatuur lager is dan
–10 °C, wordt u geadviseerd de motorverwarming ca. 2 uur in te schakelen om de motor
sneller te kunnen starten wanneer er bio-ethanol (E 85) in de tank zit.
Hoe lager de temperatuur hoe langer de motorverwarming moet werken. Bij –20 °C dient u de
verwarming ca. 3 uur in te schakelen.
Auto’s bestemd voor bio-ethanol (E 85) zijn uitgerust met een elektrische motorverwarming*.
Een voorverwarmde motor slaat sneller aan en
loopt beter, wat een aanzienlijke beperking van
de emissies en het brandstofverbruik inhoudt.
Maak daarom tijdens de wintermaanden
Wanneer u de brandstoftank hebt leeggereden en bio-ethanol (E 85) bijvult uit een
jerrycan is het bij strenge vorst niet uitgesloten dat de motor startproblemen vertoont. U kunt dergelijke problemen voorkomen door de jerrycan gevuld te houden met
benzine (95 RON).
Voor meer informatie over de FlexiFuel-brandstof bio-ethanol (E 85), zie pagina 218 en
299.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
103
03 Bestuurdersmilieu
Motor starten, FlexiFuel
Brandstofadaptatie
03
Wanneer u de brandstoftank hebt volgegoten
met benzine nadat u op bio-ethanol (E 85) hebt
gereden (om omgekeerd), kan de motor enige
tijd ietwat onregelmatig lopen. Het is daarom
belangrijk dat de motor de gelegenheid krijgt
tot aanpassing (adaptatie) aan het nieuwe
brandstofmengsel.
Een dergelijke adaptatie gaat automatisch van
start, wanneer u korte tijd op gelijkmatige snelheid in de auto rijdt.
BELANGRIJK
Na wijzigingen in het brandstofmengsel in
de tank dient een adaptatie plaats te vinden.
Dit gebeurt wanneer u ca. 15 minuten lang
op gelijkmatige snelheid rijdt.
Als de startaccu ontladen of losgekoppeld is
geweest, moet er voor een correcte adaptatie
iets langer worden gereden aangezien het
geheugen van de elektronica werd gewist.
104
03 Bestuurdersmilieu
Motor starten, hulpaccu
Starten met hulpaccu
4. Sluit de ene klem van de rode startkabel
aan op de pluspool van de hulpaccu
.
5. Haal de clips op de voorste dekplaat van
de uitgeputte accu los en verwijder de dekplaat (zie pagina 253).
6. Sluit de andere klem van de rode startkabel
van de uitgeputte
aan op de pluspool
accu.
7. Sluit de ene klem van de zwarte startkabel
van de hulpaccu.
aan op de minpool
10. Start de motor van de auto met de lege
accu. Raak de aansluitingen niet aan tijdens de startpoging. Er bestaat namelijk
gevaar voor vonkvorming.
11. Verwijder de startkabels. Verwijder eerst
de zwarte kabel en daarna de rode.
Zorg dat geen van de klemmen aan de
zwarte startkabel contact kan maken met
de pluspool van de accu of met de aangesloten klemmen van de rode startkabel.
03
WAARSCHUWING
Als de startaccu uitgeput is, kunt u de auto
starten met stroom van een hulpaccu.
Bij gebruik van een hulpaccu wordt u het volgende geadviseerd om explosiegevaar te voorkomen:
1. Zet de transpondersleutel in sleutelstand
0, zie pagina 72.
2. Zorg dat de hulpaccu een spanning van
12 V levert.
3. Als de hulpaccu zich in een andere auto
bevindt, moet u de motor van die auto
afzetten en ervoor zorgen dat de auto’s
elkaar niet raken.
BELANGRIJK
Wees voorzichtig bij het aansluiten van de
startkabels om kortsluiting met andere
onderdelen in de motorruimte te voorkomen.
8. Sluit de andere klem van de zwarte kabel
aan op het massapunt (rechter motorsteun
bovenaan, buitenste boutkop) . Controleer of de aansluitklemmen van de startkabels goed vastzitten om te voorkomen dat
er tijdens de startpoging vonken ontstaan.
Accu’s kunnen het zeer explosieve knalgas
produceren. Een enkele vonk, veroorzaakt
door een onjuiste aansluiting van de startkabels, is voldoende om de accu tot ontploffing te brengen. Accu’s bevatten tevens
zwavelzuur dat ernstige chemische brandwonden kan veroorzaken. Als u accuzuur in
uw ogen krijgt of op uw huid of kleren morst,
moet u onmiddellijk met grote hoeveelheden water spoelen. Neem onmiddellijk contact op met een arts, als u accuzuur in uw
ogen krijgt.
9. Start de motor van de “hulpauto”. Laat de
motor enkele minuten draaien op een toerental dat iets hoger ligt dan normaal,
1500 omw/min.
105
03 Bestuurdersmilieu
Versnellingsbakken
Handbak, vijfversnellingsbak
Handbak, zesversnellingsbak
Blokkering achteruitversnelling,
vijfversnellingsbak
•
Trap het koppelingspedaal tijdens het
schakelen altijd zo ver mogelijk in.
•
Haal uw voet na het schakelen weer van
het koppelingspedaal af!
•
Houd u aan het aangegeven schakelpatroon.
Om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te
houden, moet u zoveel mogelijk gebruik maken
van hoge versnellingen.
106
G021348
G021349
G021348
03
De blokkering van de achteruitversnelling
beperkt het risico dat u tijdens het vooruitrijden
op normale snelheid onbedoeld de achteruitversnelling inschakelt.
Schakel de achteruitversnelling alleen in, wanneer de auto stilstaat.
•
Om de achteruitversnelling in te schakelen
moet u de versnellingspook eerst in de
neutrale stand N zetten. Door de blokkering van de achteruitversnelling kunt u de
versnellingspook niet rechtstreeks vanuit
de vijfde versnelling in de achteruitversnelling zetten.
•
Trap het koppelingspedaal tijdens het
schakelen altijd zo ver mogelijk in.
•
Haal uw voet na het schakelen weer van
het koppelingspedaal af!
•
Houd u aan het aangegeven schakelpatroon.
Om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te
houden, moet u zoveel mogelijk gebruik maken
van hoge versnellingen.
03 Bestuurdersmilieu
Versnellingsbakken
Automatische versnellingsbak
Geartronic
Blokkering achteruitversnelling,
zesversnellingsbak
BELANGRIJK
De auto moet stilstaan wanneer u de hendel
in stand P zet.
Achteruitrijstand (R)
De auto moet stilstaan wanneer u de hendel in
stand R zet.
03
G021350
G021349
Neutrale stand (N)
In deze stand kunt u de motor starten en er is
geen versnelling ingeschakeld. Zet de parkeerrem aan, wanneer de auto stilstaat en de keuzehendel in stand N staat.
Rijstand (D)
De blokkering van de achteruitversnelling
beperkt het risico dat u tijdens het vooruitrijden
op normale snelheid onbedoeld de achteruitversnelling inschakelt.
Het informatiedisplay geeft de stand van de
keuzehendel aan met behulp van de volgende
tekens: P, R, N, D, S, 1, 2, 3, 4, 5 of 6, zie
pagina 65.
Schakel de achteruitversnelling alleen in, wanneer de auto stilstaat.
Schakelstanden
Parkeerstand (P)
Selecteer stand P, wanneer u de motor start of
de auto parkeert. U moet het rempedaal bedienen om de keuzehendel uit stand P te kunnen
halen.
In stand P is de versnellingsbak mechanisch
geblokkeerd. Activeer de elektrische parkeerrem met een druk op de knop, zie
pagina 114.
Stand D is de normale rijstand. De versnellingsbak schakelt automatisch op en terug
afhankelijk van de stand van het gaspedaal en
de snelheid. Zorg ervoor dat de auto stilstaat,
voordat u de keuzehendel vanuit stand D in
stand R zet.
Geartronic, handmatig schakelen (M)
Met de automatische versnellingsbak Geartronic kunt u ook handmatig schakelen. Bij het
loslaten van het gaspedaal wordt de auto op
de motor afgeremd.
Handmatig schakelen is te activeren door de
hendel vanuit stand D helemaal naar rechts in
stand M te zetten. Op het informatiedisplay
verandert het teken D in een van de cijfers “1–
``
107
03 Bestuurdersmilieu
Versnellingsbakken
6” afhankelijk van de ingeschakelde versnelling, zie pagina 65.
03
Duw de hendel naar voren naar de + (plus) om
een hogere versnelling in te schakelen en laat
de hendel weer los. De hendel veert terug naar
de neutrale stand M.
Trek de hendel naar achteren naar de – (min)
om een lagere versnelling in te schakelen en
laat de hendel weer los.
Handmatig schakelen M kan op elk moment
tijdens het rijden geactiveerd worden.
Om schokken en afslaan van de motor te voorkomen, schakelt Geartronic automatisch terug
als de bestuurder langzamer gaat rijden dan
wat voor de gekozen versnelling gepast is.
Om de automatische rijstand te hervatten dient
u de hendel helemaal naar links in stand D te
zetten.
N.B.
Als de versnellingsbak een sportstand kent,
is handmatig schakelen pas te activeren
wanneer u de keuzehendel vooruit of achter
in stand M hebt gezet. Op het informatiedisplay verandert de S dan in een van de
tekens 1–6 om aan te geven welke versnelling er ingeschakeld is.
1
108
Alleen op T6-model.
Geartronic, Sportstand (S)1
De sportstand levert een sportiever rijgedrag
op en maakt het mogelijk om hogere toeren te
maken in de versnellingen. De motor reageert
bovendien sneller op de commando’s die u
met het gaspedaal geeft. Bij inschakeling van
de sportstand wordt tevens de voorkeur gegeven aan de lagere versnellingen, zodat er met
enige vertraging wordt opgeschakeld.
U schakelt de sportstand in door de hendel
vanuit stand D in stand M te duwen. Op het
informatiedisplay verandert het teken D in een
S.
De sportstand kan op elk moment tijdens het
rijden ingeschakeld worden.
Geartronic, winterstand
Om bij gladheid gemakkelijker weg te kunnen
komen is het soms beter handmatig de 3e versnelling in te schakelen.
1. Bedien het rempedaal en haal de keuzehendel vanuit stand D naar stand M – het
symbool D op het display van het instrumentenpaneel verandert in een 1.
2. Schakel op naar de 3e versnelling door de
hendel twee keer naar voren naar de +
(plus) te duwen – op het display verandert
de 1 in een 3.
3. Laat het rempedaal los en geef voorzichtig
gas.
Bij activering van de “winterstand” van de versnellingsbak rijdt de auto met een lager motortoerental en minder kracht op de aandrijfwielen
weg.
Kickdown
Als u het gaspedaal volledig intrapt (tot voorbij
de normale volgasstand), schakelt de versnellingsbak automatisch terug naar een lagere
versnelling. Dit is de zogeheten kickdown.
Wanneer u het gaspedaal uit de kickdownstand loslaat, schakelt de versnellingsbak
automatisch op.
Gebruik de kickdown om zo snel mogelijk te
accelereren zoals bij het inhalen.
Beveiligingsfunctie
Om overtoeren van de motor te voorkomen, is
het stuurprogramma van de versnellingsbak
voorzien van een terugschakelblokkering
waardoor de zogeheten kickdown niet mogelijk is.
Geartronic staat geen terugschakeling/kickdown toe die tot een dusdanig hoog toerental
leidt dat de motor kan worden beschadigd.
Wanneer u bij hoge motortoeren toch probeert
een dergelijke kickdown uit te voeren, gebeurt
03 Bestuurdersmilieu
Versnellingsbakken
er niets. De auto blijft in de oorspronkelijke versnelling rijden.
Bij kickdown kan de auto afhankelijk van het
motortoerental één of meer versnellingen
terugschakelen. Om schade aan de motor te
voorkomen schakelt de auto op wanneer de
motor het maximumtoerental heeft bereikt.
Mechanische keuzehendelblokkering
Automatische keuzehendelblokkering
De automatische versnellingsbak kent enkele
bijzondere beveiligingsfuncties:
Automatische schakelblokkering
deactiveren
Sleutelblokkering, Keylock
De keuzehendel moet in stand P staan om de
transpondersleutel uit het contactslot te kunnen nemen. In alle andere standen is de transpondersleutel geblokkeerd.
03
Parkeerstand (P)
Stilstaande auto met draaiende motor:
Houd uw voet op het rempedaal terwijl u de
keuzehendel verzet.
G021351
Elektrische schakelblokkering, Shiftlock
parkeerstand (P)
U kunt de hendel altijd ongehinderd heen en
weer halen tussen de standen N en D. Om de
hendel in een van de overige standen te zetten,
moet u een blokkering opheffen door op de
blokkeerknop op de keuzehendel te drukken.
Met de blokkeerknop ingedrukt kunt u de hendel vooruit of achteruit bewegen tussen de
standen P, R, N en D.
Om de keuzehendel uit stand P te kunnen
halen, moet u het rempedaal bedienen terwijl
de transpondersleutel in stand II staat, zie
pagina 72.
Als er niet met de auto kan worden gereden
zoals het geval is bij een uitgeputte accu, moet
u de keuzehendel uit stand P halen voordat u
de auto kunt verslepen.
Schakelblokkering, vrijstand (N)
Til de rubbermat in het vak achter de middenconsole uit de auto en open het luikje.
Als de keuzehendel in stand N staat en de auto
heeft minstens 3 seconden stilgestaan (of de
motor nu loopt of niet), is de keuzehendel
geblokkeerd.
Steek het sleutelblad zo ver mogelijk naar
binnen. Duw het sleutelblad omlaag en
houd het in deze stand vast. (Voor informatie over het sleutelblad, zie pagina 44.)
Om de keuzehendel uit stand N te kunnen
halen, moet de transpondersleutel in stand II
staan en moet het rempedaal worden bediend,
zie pagina 72.
Haal de keuzehendel uit stand P.
``
109
03 Bestuurdersmilieu
Versnellingsbakken
Displaymelding en maatregel
In bepaalde situaties kan er een bepaalde melding op het display verschijnen in combinatie
met een brandend lampje.
03
Symbool
A
Display
Rijeigenschappen
Maatregel
Oververh versnb zet auto stil
Problemen om snelheid constant te houden bij hetzelfde toerental.
Versnellingsbak oververhit. Houd de auto
stil met het rempedaal.A
Oververh versnb Stop auto z.s.m.
Auto rijdt met hevige schokkerige bewegingen vooruit.
Versnellingsbak oververhit. Parkeer de
auto zo spoedig mogelijk.A
Koeling versn.b. laat motor lopen
Geen aandrijving wegens oververhitting
van de versnellingsbak.
Versnellingsbak oververhit. Voor optimale
koeling: Laat de motor stationair lopen met
de keuzehendel in stand N of stand P, totdat de melding verdwijnt.
Voor optimale koeling: Laat de motor stationair lopen met de keuzehendel in stand N of stand P, totdat de melding verdwijnt.
De tabel schetst drie gevallen van oververhitting van de versnellingsbak met verschillende
ernstigheidsgraad. De elektronica waarschuwt
de bestuurder niet alleen met een displaymelding maar ook middels tijdelijke veranderingen
in het rijgedrag. Volg in het voorkomende geval
de aanwijzingen op het informatiedisplay.
N.B.
De voorbeelden in de tabel duiden niet op
defecten in de auto, maar geven aan dat een
beveiligingsfunctie geactiveerd werd om
schade aan autocomponenten te voorkomen.
Voor andere displaymeldingen en de voorgestelde maatregelen bij auto’s met een automatische versnellingsbak, zie pagina 125.
110
Na uitvoering van de maatregel verdwijnt de
displaymelding automatisch. U kunt de melding ook eerder doen verdwijnen met een druk
op de knop READ van de richtingaanwijzerhendel.
03 Bestuurdersmilieu
Vierwielaandrijving, AWD (All Wheel Drive)*
De vierwielaandrijving is altijd
ingeschakeld
03
Bij vierwielaandrijving worden alle vier de wielen van de auto tegelijk aangedreven.
Het motorkoppel wordt automatisch over de
voor- en achterwielen verdeeld. Een elektronisch gestuurd koppelingssysteem verdeelt
het vermogen over het wielpaar dat op dat
moment de beste grip op het wegdek heeft. Dit
om optimale wegligging te verkrijgen en wielspin te voorkomen. Bij normaal rijden worden
de voorwielen naar verhouding iets sterker
aangedreven dan de achterwielen.
De vierwielaandrijving verhoogt de rijveiligheid
tijdens regen- en sneeuwval en bij ijzel.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
111
03 Bestuurdersmilieu
Bedrijfsrem
Algemene informatie
De auto is uitgerust met twee remkringen. Als
een van de remkringen defect raakt, betekent
dit dat de remmen pas later worden aangesproken zodat u het rempedaal dieper moet
intrappen voor dezelfde remmende werking.
03
De druk die u uitoefent op het rempedaal wordt
versterkt door de rembekrachtiging.
WAARSCHUWING
De rembekrachtiging werkt alleen, als de
motor loopt.
baar, waardoor het bijvoorbeeld makkelijker is
om obstakels te ontwijken. Bij activering van
deze functie kunt u trillingen in het rempedaal
voelen. Dit is volkomen normaal.
Wanneer u het rempedaal loslaat nadat de
motor is aangeslagen, gaat een kortdurende,
automatische test van het ABS van start. Het
is mogelijk dat er opnieuw een automatisch
test van het ABS plaatsvindt, wanneer de auto
een snelheid van 40 km/h bereikt. Ook deze
test kan waarneembaar zijn in de vorm van trillingen in het rempedaal.
Remschijven schoonmaken
Wanneer u met de motor afgezet remt doet het
rempedaal stug aan en kost het u meer kracht
om de auto te remmen.
In bergachtig gebied of bij het rijden met een
zware belading kunt u de remmen ontzien door
op de motor af te remmen. U benut de remmende werking van de motor het best, wanneer u tijdens het afdalen dezelfde versnelling
inschakelt als bij het oprijden van een helling.
Voor algemener informatie over een zware
belasting van de auto, zie pagina 293.
Antiblokkeerremsysteem
De auto is uitgerust met ABS (Anti-lock Braking
System) dat voorkomt dat de wielen blokkeren
tijdens het remmen. Zo blijft de auto bestuur-
112
Vuil en water op de remschijven kunnen ertoe
leiden dat de aanspreekduur van de remmen
wordt verlengd. Door de remblokken schoon te
maken beperkt u deze verlenging.
U wordt geadviseerd de remschijven handmatig schoon te maken, wanneer u op natte
wegen rijdt, de auto net hebt gewassen of op
het punt staat deze langdurig te parkeren. U
maakt de remschijven handmatig schoon door
korte tijd licht te remmen.
Remkrachtverhoging bij noodstops
De remkrachtverhoging bij noodstops (EBA,
Emergency Brake Assistance) helpt de remkracht verhogen om op die manier de remweg
te verkorten. Het EBA-systeem registreert de
wijze waarop u het rempedaal bedient en ver-
hoogt zo nodig de remkracht. De remkracht
kan worden verhoogd tot aan het niveau waarbij het ABS ingrijpt. De EBA-regeling wordt uitgeschakeld wanneer u de druk op het rempedaal verlaagt.
N.B.
Wanneer het EBA geactiveerd wordt, zakt
het rempedaal iets verder omlaag dan normaal. Bedien het rempedaal zolang dat
nodig is. Zodra u het rempedaal loslaat,
worden de remmen volledig gelost.
Symbolen op instrumentenpaneel
Symbool
Betekenis
Brandt continu – controleer het
remvloeistofpeil. Vul remvloeistof bij als het peil te laag ligt en
controleer tevens de oorzaak
van het remvloeistofverlies.
Brandt 2 seconden lang continu
bij het starten van de motor – er
is de laatste keer dat de motor
liep een storing in het ABS
opgetreden.
03 Bestuurdersmilieu
Bedrijfsrem
WAARSCHUWING
Als
en
tegelijkertijd branden,
kan er een storing in het remsysteem zijn
opgetreden.
Als het remvloeistofpeil in dat geval in orde
is, moet u de auto voorzichtig naar de
dichtstbijzijnde werkplaats rijden om het
remsysteem te laten controleren – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
03
Als de remvloeistof onder het MIN-streepje
van het reservoir staat, mag u niet verder
rijden voordat u remvloeistof hebt bijgevuld.
Controleer tevens de oorzaak van het remvloeistofverlies.
113
03 Bestuurdersmilieu
Parkeerrem
Elektrische parkeerrem
loslaat of het gaspedaal bedient, wordt de parkeerrem gelost.
Parkeerrem aanzetten
De elektrische parkeerrem heeft dezelfde toepassingsgebieden als het parkeerrempedaal
zoals bij het wegrijden op een helling.
N.B.
Tijdens een noodstop bij snelheden hoger
dan 10 km/h klinkt er gedurende de hele
remmanoeuvre een geluidssignaal.
Functie
Wanneer de parkeerrem wordt geactiveerd,
hoort u een zwak elektromotorgeluid. Het
geluid is tevens waarneembaar bij een automatische functiecontrole van de parkeerrem.
Op een helling parkeren
Als de auto stilstaat wanneer u de parkeerrem
aanzet, werkt de rem alleen op de achterwielen. Als u de parkeerrem tijdens het rijden aanzet, wordt de normale bedrijfsrem geactiveerd.
Daarbij werkt de rem op alle vier de wielen.
Wanneer de auto bijna stilstaat, worden alleen
de achterwielen geremd.
Handgreep parkeerrem.
Lage accuspanning
3. Laat het rempedaal los en controleer of de
auto volledig stilstaat.
Als de accuspanning te laag is, kunt u de parkeerrem niet aanzetten noch lossen. Sluit een
hulpaccu aan, als de accuspanning te laag is,
zie pagina 105.
G021354
03
1. Trap het rempedaal stevig in.
2. Druk op de handgreep.
•
Draai bij het parkeren op een oplopende helling
de wielen van de trottoirband af, als de neus
van de auto naar de top van helling wijst.
Draai bij het parkeren op een aflopende helling
de wielen naar de trottoirband toe, als de neus
van de auto naar de voet van de helling wijst.
Parkeerrem lossen
Zet de versnellingspook bij het parkeren
altijd in de 1e versnelling (handbak) en de
keuzehendel in stand P (automaat).
In noodgevallen kunt u de parkeerrem ook tijdens het rijden aanzetten door de handgreep
ingedrukt te houden. Wanneer u de handgreep
114
G021359
op het instrumentenpaneel
Het symbool
knippert, totdat de parkeerrem volledig is aangezet. Wanneer het symbool continu brandt, is
de parkeerrem aangezet.
Handgreep parkeerrem.
03 Bestuurdersmilieu
Parkeerrem
Auto met handgeschakelde
versnellingsbak
2. Steek de transpondersleutel in het contactslot.
Handmatig lossen
3. Trap het rempedaal stevig in.
1. Steek de transpondersleutel in het contactslot.
4. Trek aan de handgreep.
2. Trap het rempedaal stevig in.
1. Doe de veiligheidsgordel om.
3. Trek aan de handgreep.
N.B.
De parkeerrem is ook handmatig te lossen
door het koppelingspedaal te bedienen in
plaats van het rempedaal. Volvo adviseert u
echter het rempedaal te gebruiken.
Automatisch lossen
1. Start de motor.
2. Laat het koppelingspedaal los en geef gas.
BELANGRIJK
Wanneer de motor loopt kan de parkeerrem,
ook met de versnellingspook in de vrijstand,
automatisch worden gelost.
Auto met automatische versnellingsbak
Handmatig lossen
1. Doe de veiligheidsgordel om.
Automatisch lossen
2. Start de motor.
3. Zet de keuzehendel in stand D of R en geef
gas.
N.B.
Om veiligheidsredenen wordt de parkeerrem alleen automatisch gelost wanneer bij
het starten van de motor is gebleken dat de
bestuurder de veiligheidsgordel draagt. Bij
auto’s met een automatische versnellingsbak wordt de parkeerrem onmiddellijk
gelost bij het bedienen van het gaspedaal
met de keuzehendel in stand D of R.
Auto met Keyless drive-functie
Los de parkeerrem handmatig door op de knop
START/STOP ENGINE te drukken, het rem- of
koppelingspedaal te bedienen en aan de handgreep te trekken.
Symbolen
Symbool
03
Betekenis
Lees de melding op het informatiedisplay
Een knipperend symbool houdt
in dat de parkeerrem wordt aangezet. Als het symbool in een
andere situatie gaat knipperen,
is er sprake van een storing.
Lees de melding op het informatiedisplay.
Zware belading op oplopende hellingen
Bij een zware belading zoals een aanhanger is
het mogelijk dat de auto op een steile, oplopende helling achteruitrolt, wanneer de parkeerrem automatisch wordt gelost. U kunt dit
voorkomen door bij het wegrijden de handgreep ingedrukt te houden. Laat de handgreep
weer los zodra de koppeling aangrijpt.
``
115
03 Bestuurdersmilieu
Parkeerrem
Parkeerrem Service vereist - Er is een storing opgetreden. Bezoek een werkplaats als de
storing aanhoudt – geadviseerd wordt een
Volvo-werkplaats.
Berichten
Als u de auto moet parkeren voordat de storing
kon worden verholpen, dient u de wielen net als
bij het parkeren op een helling van de trottoirband/berm af te draaien en de versnellingspook in de 1e versnelling (handbak) te zetten
en de keuzehendel in stand P (automaat).
G016166
03
Parkeerrem niet geheel gelost - Door een
storing kan de parkeerrem niet worden gelost.
Bezoek een werkplaats – geadviseerd wordt
een erkende Volvo-werkplaats. Als u bij deze
foutmelding wegrijdt zonder de parkeerrem te
lossen, klinkt er een waarschuwingszoemer.
Parkeerrem niet aangezet - Door een storing
kan de parkeerrem niet worden aangezet. Probeer of u de rem kunt aanzetten en lossen.
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een Volvo-werkplaats.
Dezelfde melding verschijnt ook op auto’s met
een handbak, wanneer er langzaam wordt
gereden met het portier open. De melding
maakt u erop attent dat de parkeerrem mogelijk onbedoeld werd gelost.
116
Remblokken vervangen
Laat de remblokken op de achterwielen vervangen in een werkplaats met het oog op de
constructie van de elektrische parkeerrem –
geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
03 Bestuurdersmilieu
HomeLinkŸ *
Algemene informatie
N.B.
HomeLink is dusdanig geconstrueerd dat
het niet werkt als de auto van de buitenzijde
vergrendeld is.
Let erop dat u de originele afstandsbedieningen wel goed bewaart voor eventuele
programmering in een later stadium (zoals
bij de aankoop van een nieuwe auto).
Wis de programmering van de knoppen
wanneer u de auto verkoopt.
HomeLinkŸ is een programmeerbare afstandsbediening waarmee u tot drie verschillende
systemen (bijvoorbeeld elektrische garagedeur, alarmsysteem, huis- en tuinverlichting)
kunt bedienen en daarmee de originele
afstandsbedieningen vervangt. HomeLink
wordt geleverd in een uitvoering die ingebouwd is in de linker zonneklep.
HomeLinkŸ-paneel
Het
bestaat uit drie programmeerbare knoppen en een controlelampje.
Gebruik geen zonwering bestaande uit
metaalfolie op auto’s die zijn uitgerust met
HomeLink. Het gebruik ervan kan namelijk
negatieve gevolgen hebben voor de werking van HomeLink.
Bediening
Zodra HomeLinkŸ geprogrammeerd is, vormt
het een vervanging voor de afzonderlijke originele afstandsbedieningen.
Druk de geprogrammeerde knop in voor activering van de elektrische garagedeur, het
alarmsysteem, etc. Het controlelampje brandt
zolang u de knop ingedrukt houdt.
N.B.
Als het contact niet wordt ingeschakeld,
blijft HomeLink tot 30 minuten na opening
van het bestuurdersportier werken.
Uiteraard kunt u de originele afstandsbedieningen naast HomeLinkŸ blijven gebruiken.
WAARSCHUWING
Als u HomeLinkŸ gebruikt om een garagedeur of toegangshek te bedienen, dient u
erop toe te zien dat er niemand in de buurt
van de garagedeur of het toegangshek is
tijdens de bediening.
03
Maak geen gebruik van de HomeLinkŸafstandsbediening voor een elektrische
garagedeur zonder veiligheidsstop en veiligheidsretour. De garagedeur dient onmiddellijk te reageren bij registratie van een
obstakel, tot stilstand te komen en meteen
de omgekeerde beweging te maken. Een
garagedeur die dat niet doet kan aanleiding
geven tot lichamelijk letsel. Neem voor meer
informatie contact op met de leverancier via
internet: www.homelink.com.
Eerste keer programmeren
Bij stap 1 wordt het complete geheugen van
HomeLinkŸ gewist. Voer dit punt dan ook niet
uit, wanneer u slechts één knop wilt omprogrammeren.
1. Druk de buitenste twee knoppen in en laat
deze ca. 20 seconden later los wanneer het
controlelampje gaat knipperen. Het knipperende lampje geeft aan dat HomeLinkŸ
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
117
03 Bestuurdersmilieu
HomeLinkŸ *
deur, het toegangshek e.d. moet vervolgens geactiveerd worden bij het indrukken van de bijbehorende HomeLinkŸknop.
in de “inleerstand” staat en klaar is voor
programmering.
2. Leg de originele afstandsbediening op
5–30 cm afstand van HomeLinkŸ. Houd het
controlelampje in de gaten.
De juiste afstand tussen de originele
afstandsbediening en HomeLinkŸ hangt af
van de programmering van het te bedienen
systeem. Er zijn mogelijk meerdere pogingen op verschillende afstand nodig. Laat
de afstandsbediening bij iedere poging ca.
15 seconden op dezelfde afstand liggen
voordat u een andere afstand probeert.
03
Brandt niet continu: Het controlelampje knippert eerst ca. 2 seconden
lang snel en brandt daarna ca. 3 seconden continu. Dit herhaalt zich ca. 20
seconden lang en geeft aan dat het te
kopiëren systeem een zogeheten rollende code gebruikt. De garagedeur,
het toegangshek e.d. worden niet geactiveerd bij het indrukken van de bijbehorende HomeLinkŸ-knop. Vervolg in
dat geval de programmering als volgt.
3. Druk de te programmeren knop van
HomeLinkŸ en de te kopiëren knop van de
originele afstandsbediening gelijktijdig in.
Laat de knoppen pas los wanneer het controlelampje dat langzaam knippert sneller
gaat knipperen. Een snel knipperend
lampje geeft aan dat de programmering
gelukt is.
5. Zoek de “inleerknop1” van de ontvanger
van bijv. de garagedeur op (meestal in de
buurt van de antennevoet op de ontvanger). Raadpleeg als u de knop niet kunt
vinden, de gebruiksaanwijzing van de leverancier of neem contact op met de leverancier via internet: www.homelink.com.
4. Test de programmering door de geprogrammeerde knop van HomeLinkŸ in te
drukken en op het controlelampje te letten:
6. Druk de “inleerknop” in en laat deze los. De
knop knippert ca. 30 seconden en binnen
deze periode moet u het volgende punt uitvoeren.
•
1
118
•
Brandt continu: Het controlelampje
brandt continu terwijl u de knop ingedrukt houdt, wat aangeeft dat de programmering afgerond is. De garage-
De aanduiding en kleur van deze knop verschillen per producent.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
7. Druk op de geprogrammeerde knop van
HomeLinkŸ terwijl de “inleerknop” van het
te bedienen systeem nog knippert. Houd
de HomeLink-knop ca. 3 seconden lang
ingedrukt en laat deze vervolgens los. Herhaal deze volgorde van indrukken, vasthouden en loslaten tot driemaal achtereen
om de programmering te beëindigen.
Afzonderlijke knop programmeren
Doe het volgende om één afzonderlijke knop te
programmeren:
1. Druk op de gewenste knop van
HomeLinkŸ en houd deze ingedrukt totdat
punt 3 afgerond is.
2. Plaats wanneer het controlelampje van
HomeLinkŸ begint te knipperen (na ca. 20
seconden) de originele afstandsbediening
op 5–30 cm afstand van HomeLinkŸ. Houd
het controlelampje in de gaten.
De juiste afstand tussen de originele
afstandsbediening en HomeLink hangt af
van de programmering van het te bedienen
systeem. Er zijn mogelijk meerdere pogingen op verschillende afstand nodig. Laat
de afstandsbediening bij iedere poging ca.
15 seconden op dezelfde afstand liggen
voordat u een andere afstand probeert.
3. Druk de te kopiëren knop op de originele
afstandsbediening in. Het controlelampje
03 Bestuurdersmilieu
HomeLinkŸ *
begint te knipperen. Laat beide knoppen
weer los, wanneer het lampje dat langzaam
knipperde sneller gaat knipperen. Een snel
knipperend lampje geeft aan dat de programmering gelukt is.
buurt van de antennevoet op de ontvanger). Raadpleeg als u de knop niet kunt
vinden, de gebruiksaanwijzing van de leverancier of neem contact op met de leverancier via internet: www.homelink.com.
4. Test de programmering door de geprogrammeerde knop van HomeLink in te
drukken en op het controlelampje te letten:
6. Druk de “inleerknop” in en laat deze los. De
knop knippert ca. 30 seconden en binnen
deze periode moet u het volgende punt uitvoeren.
•
•
Brandt continu: Het controlelampje
brandt continu terwijl u de knop ingedrukt houdt, wat aangeeft dat de programmering afgerond is. De garagedeur, het toegangshek e.d. moet vervolgens geactiveerd worden bij het indrukken van de bijbehorende HomeLinkŸknop.
Brandt niet continu: Het controlelampje knippert eerst ca. 2 seconden
lang snel en brandt daarna ca. 3 seconden continu. Dit herhaalt zich ca. 20
seconden lang en geeft aan dat het te
kopiëren systeem een zogeheten rollende code gebruikt. De garagedeur,
het toegangshek e.d. worden niet geactiveerd bij het indrukken van de bijbehorende HomeLinkŸ-knop. Vervolg in
dat geval de programmering als volgt.
5. Zoek de “inleerknop2” van de ontvanger
van bijv. de garagedeur op (meestal in de
2
03
7. Druk op de geprogrammeerde knop van
HomeLinkŸ terwijl de “inleerknop” van het
te bedienen systeem nog knippert. Houd
de HomeLink-knop ca. 3 seconden lang
ingedrukt en laat deze vervolgens los. Herhaal deze volgorde van indrukken, vasthouden en loslaten tot driemaal achtereen
om de programmering te beëindigen.
Programmering wissen
Het is alleen mogelijk de programmering van
alle HomeLink-knoppen tegelijk te wissen en
niet van één bepaalde knop afzonderlijk.
±
Druk de buitenste twee knoppen in en laat
deze ca. 20 seconden later los wanneer het
controlelampje gaat knipperen.
> HomeLinkŸ staat vervolgens in de
“Learn Mode” waarna deze opnieuw
geprogrammeerd kan worden, zie
pagina 117.
De aanduiding en kleur van deze knop verschillen per producent.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
119
120
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
122
128
136
139
140
154
159
161
163
164
166
173
176
182
185
188
191
196
200
201
206
G020908
Menu- en meldingsfuncties...................................................................
Klimaatregeling.....................................................................................
Motor- en interieurverwarming op brandstof*.......................................
Extra verwarming op brandstof*...........................................................
Audiosysteem.......................................................................................
RSE-systeem (Rear Seat Entertainment) met twee beeldschermen* . .
Boordcomputer.....................................................................................
Stabiliteits- en tractieregelsysteem, DSTC...........................................
Rijeigenschappen aanpassen...............................................................
Cruisecontrol*.......................................................................................
Adaptieve cruisecontrol*.......................................................................
Afstandscontrole...................................................................................
Collision Warning met Auto Brake*.......................................................
Driver Alert System – DAC*...................................................................
Driver Alert System – (LDW)*................................................................
Park Assist*...........................................................................................
BLIS* – Blind Spot Information System................................................
Interieurcomfort.....................................................................................
Interieurcomfort – Executive.................................................................
Bluetooth handsfree*............................................................................
Geïntegreerde telefoon*........................................................................
COMFORT EN RIJPLEZIER
04
04 Comfort en rijplezier
Menu- en meldingsfuncties
Middenconsole
Sommige functies regelt u via het menusysteem vanaf de middenconsole of via de toetsenset op het stuurwiel. Welke functies dat zijn
leest u in de verschillende onderdelen.
Het actuele menuniveau staat rechts bovenaan
op het display van de middenconsole.
EXIT – stap terugdoen binnen het menusysteem. Bij lang indrukken verlaat u het
menusysteem.
ENTER – menu-opties selecteren
Toetsenset op stuurwiel*
Bedieningstoetsen op middenconsole
Paden
Via de functietoetsen krijgt u direct toegang tot
bepaalde functies, terwijl andere alleen via het
menusysteem te bereiken zijn.
De paden naar de menufuncties worden als
volgt weergegeven: Instellingen van de auto
Instellingen vergrendelen. Er wordt daarbij verondersteld dat u daarvóór het volgende
doet:
1. Druk op MENU.
04
2. Ga naar het gewenste menu, bijv.
Instellingen van de auto, met behulp van
de navigatietoetsen en druk op ENTER.
3. Ga naar het gewenste submenu, bijv.
Instellingen vergrendelen, en druk op
ENTER.
ENTER
EXIT
Middenconsole met informatiedisplay en bedieningstoetsen voor meldingsfuncties.
Nummertoetsen 1–9
Navigatietoets – menu-opties doorbladeren en selecteren
MENU – menusysteem openen
Navigatietoetsen – omhoog/omlaag.
Als de toetsen ENTER en EXIT op het stuurwiel
zitten, hebben deze toetsen (ook de navigatietoetsen) dezelfde functie als die op de middenconsole.
U kunt de navigatietoetsen gebruiken in de
plaats van ENTER en EXIT bij het navigeren
binnen de menustructuur. De pijl naar rechts
komt in dat geval overeen met ENTER en de
pijl naar links met EXIT.
De menu-opties zijn genummerd zodat u ze
ook rechtstreeks kunt selecteren met de nummertoetsen (alleen 1–9).
Menu-overzicht
De telefoon en de geluidsbronnen hebben elk
hun eigen hoofdmenu. Het hoofdmenu van een
bepaalde geluidsbron (bijv. CD) is alleen te
122
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Comfort en rijplezier
Menu- en meldingsfuncties
openen, wanneer deze geluidsbron actief is,
zie pagina 141.
De volgende menu-opties maken deel uit van
Hoofdmenu:
Autosleutelgeheugen
Pos. stoelen en spiegels*
Instellingen van de auto
Informatie
Klimaatinstellingen
Autom. blower afstellen
Hoofdmenu DAB*3
Timer recirculatie
Hoofdmenu CD
Aut. defroster achterr.
Reset klimaatinst.
Hoofdmenu AM
Audio-instellingen
Lichtinstellingen
Instellingen vergrendelen
Bandenspanning*
Instellingen zijspiegels*
Instellingen parkeercam.*
Instellingen unit
Driver Alert ingesch.
1
2
3
4
5
Map4
Disc4
Equalizer voor
Alle discs5
Nummer-informatie*
Reset alle audio-instellingen
Nieuws
Nieuws
TP (verkeersinformatie)
Radiotekst
04
Cd-instellingen
Autom. volumeregeling
FM-instellingen
Stuurkrachtniveau*
Uit
Enkele disc5
Hoofdmenu FM
Lane departure warning*
Random
Geluidspodium
Equalizer achter
Verlaagde guard1
Inst. botswaarschuwing*
Audio-instellingen2
TP (verkeersinformatie)
Audio-instellingen2
Hoofdmenu AUX
AUX-ingangsvolume
Audio-instellingen2
PTY (programmatype)
Geav. radio-instellingen
Aanwezig bij bepaalde modellen.
Voor submenu’s, zie “Hoofdmenu AM/Audio-instellingen”.
Zie pagina 150.
Alleen bij systemen die audiobestanden in de formaten mp3 en wma kunnen afspelen.
Alleen bij systemen met een cd-wisselaar.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
123
04 Comfort en rijplezier
Menu- en meldingsfuncties
Hoofdmenu USB
USB-instellingen
Nieuws
TP (verkeersinformatie)
Telefooninstellingen
Berichten
Lezen
Nieuw bericht schrijven
Berichtinstellingen
Nummer-informatie
Geluiden en volume
Bericht wissen
Nieuws
Telefoonboek synchr.
Hoofdmenu geïntegreerde telefoon
Oproepregister
Gespreksopties
Verzend mijn nummer
Wisselgesprek
Laatste 10 gemiste opr.
Automatisch antwoord
Audio-instellingen2
Laatste 10 ink. opr.
Autom. terugbellen
Nummer-informatie
Laatste 10 gekozen nummers
Voicemail-nummer
TP (verkeersinformatie)
Hoofdmenu Bluetooth
Laatste 10 gemiste opr.
Laatste 10 ink. opr.
Lijst wissen
Gespreksduur
Telefoonboek
Omleidingen
Telefooninstellingen
Netwerkselectie
Laatste 10 gekozen nummers
Nieuwe contactpersoon
SIM-beveiliging
Telefoonboek
Zoeken
PIN-code bewerken
Zoeken
Alles kopiëren
Geluiden en volume
Kopiëren van mob. tel.
SIM wissen
IDIS
Telefoon wissen
Reset Telefooninst.
Bluetooth*
Telefoon aansluiten
124
Car Bluetooth-info
Gespreksopties
iPod-instellingen
2
Telefoon verwijderen
Sneltoetsfunctie
Audio-instellingen2
Hoofdmenu iPod
04
Telefoon wijzigen
Voor submenu’s, zie “Hoofdmenu AM/Audio-instellingen”.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Geheugenstatus
04 Comfort en rijplezier
Menu- en meldingsfuncties
Instrumentenpaneel
eerst bevestigen met de knop READ voordat u
de menu’s kunt bekijken.
Melding
Menu-overzicht6
Actieradius
Gemiddeld
Momentaan
Gem. snelheid
G021364
Lane departure warning
04
Bandenspanning Kalibratie*
Actuele snelheid
Informatiedisplay en bedieningstoetsen voor
menufuncties.
READ – meldingenlijst openen en meldingen bevestigen.
Duimwiel – menu-opties doorbladeren.
RESET – geactiveerde functie op nul stellen. Wordt in bepaalde gevallen gebruikt
om een functie te selecteren/activeren (zie
de uitleg bij de verschillende functies).
Met de linker stuurhendel bedient u de menu’s
die op de informatiedisplays van het instrumentenpaneel verschijnen. Welke menu’s verschijnen hangt af van de sleutelstand, zie
pagina 72. Als er een melding is, moet u deze
6
7
Timer standkach 1/27
Timer standvent 1/2
Timerstand verw.
Directe start Standverw.
Directe start El standverw
Directe start Standvent.
Extra verwarming auto
Melding op informatiedisplay.
Wanneer er een waarschuwings-, informatieof controlesymbool oplicht, verschijnt er
tevens een aanvullende melding op het informatiedisplay. Foutmeldingen blijven in het
geheugen opgeslagen, totdat u de onderliggende storing hebt laten verhelpen.
Druk op READ om de meldingen door te bladeren en te bevestigen.
Start restverw.
DSTC
Bepaalde menu-opties*.
Alleen in te stellen wanneer de motor is afgezet.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
125
04 Comfort en rijplezier
Menu- en meldingsfuncties
N.B.
04
126
Melding
Betekenis
Melding
Betekenis
Als er een waarschuwingsmelding verschijnt bij gebruik van de boordcomputer,
moet u de melding lezen (druk op de knop
READ) voordat u de eerdere activiteit kunt
hervatten.
Service vereist
Volvo adviseert u de
auto zo spoedig mogelijk te laten controleren
door een erkende
Volvo-werkplaats.
Tijd voor periodiek onderhoud
Melding
Betekenis
Zie instructieb.
Lees het instructieboekje.
Stop auto
z.s.m.
Breng de auto tot stilstand en zet de motor
af. Grote kans op
schade. Volvo adviseert
dat u contact opneemt
met een erkende Volvowerkplaats.
Bespreek tijd
voor onderhoud
Het is tijd om een
afspraak te maken voor
een servicebeurt. Volvo
adviseert dat u contact
opneemt met een
erkende Volvo-werkplaats.
Het is tijd voor een servicebeurt. Volvo adviseert dat u contact
opneemt met een
erkende Volvo-werkplaats. Het moment
hangt af van de afgelegde afstand, het aantal maanden dat sinds
de laatste servicebeurt
is verstreken, het aantal
draaiuren van de motor
en de gebruikte oliekwaliteit.
Zet motor af
Breng de auto tot stilstand en zet de motor
af. Grote kans op
schade. Volvo adviseert
dat u contact opneemt
met een erkende Volvowerkplaats.
Onderhoudster- mijn verstreken
Service spoed
Volvo adviseert u de
auto onmiddellijk te
laten controleren door
een erkende Volvowerkplaats.
Als u de onderhoudstermijn niet respecteert,
vallen beschadigde
onderdelen niet langer
onder de garantie.
Volvo adviseert dat u
voor servicewerk contact opneemt met een
erkende Volvo-werkplaats.
04 Comfort en rijplezier
Menu- en meldingsfuncties
Melding
Betekenis
Melding
Betekenis
Versn.olie Verversen
Volvo adviseert u de
auto zo spoedig mogelijk te laten controleren
door een erkende
Volvo-werkplaats.
Versn.bak heet
Stop auto
z.s.m.
Versnellingsbak beperkte
werking
De versnellingsbak
werkt niet op maximale
capaciteit. Rijd voorzichtig totdat de melding verdwijntA.
Kritieke storing. Breng
de auto zo spoedig
mogelijk tot stilstand.
Volvo adviseert dat u
contact opneemt met
een erkende VolvowerkplaatsA.
Tijdelijk UIT
De bijbehorende functie
is tijdelijk uitgeschakeld
en wordt na enige tijd
rijden of de volgende
keer dat u de motor
start automatisch
opnieuw ingeschakeld.
Spaarstand
Het audiosysteem is
uitgeschakeld om
stroom te besparen.
Laad de accu bij.
Doe bij herhaaldelijke
verschijning het volgende: Volvo adviseert
dat u contact opneemt
met een erkende Volvowerkplaats.
Versn.bak heet
Rijd langzamer
Rijd voorzichtiger of
breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand. Zet de versnellingsbak in de neutraal
en laat de motor stationair draaien totdat de
melding verdwijntA.
A
04
Voor meer meldingen met betrekking tot de automatische
versnellingsbak, zie pagina 109.
127
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
Algemene informatie
Airconditioning
De auto is voorzien van elektronische klimaatregeling (ECC). De klimaatregeling zorgt ervoor
dat de lucht in het interieur gekoeld, verwarmd
of van vocht ontdaan wordt.
N.B.
04
U kunt de airconditioning uitschakelen. Voor
optimaal klimaatcomfort in de passagiersruimte en om te voorkomen dat de ruiten
beslaan, dient u de airconditioning echter
altijd te laten aanstaan.
Positie van de sensoren
•
De zonnesensor zit boven op het dashboard.
•
De interieurtemperatuursensor zit onder
het bedieningspaneel van de klimaatregeling.
•
De buitentemperatuursensor zit op de buitenspiegel.
•
De vochtsensor* zit in de achteruitkijkspiegel.
N.B.
Dek de sensoren niet met kleding of andere
voorwerpen af.
Werkelijke temperatuur
De ingestelde temperatuur komt overeen met
de gevoelstemperatuur op basis van de heersende omstandigheden in en rond de auto wat
de luchtsnelheid, de luchtvochtigheidsgraad,
de ingestraalde warmte enz. betreft.
Het systeem beschikt over een zonnesensor
die de stand van de zon registreert. Daardoor
kan de temperatuur van de lucht uit de blaasmonden links en rechts afwijken, ondanks dat
de temperatuurknoppen voor de beide zijden
in dezelfde stand staan.
Zijruiten en schuifdak
Voor optimale werking van de airconditioning
moet u de zijruiten en een eventueel schuifdak
gesloten houden.
Beslagen ruiten
Maak in eerste instantie gebruik van de ontwasemingsfunctie om condens van de binnenkant van de ruiten te verwijderen.
Houd de binnenzijde van de ruiten schoon om
de kans te beperken dat ze beslaan.
Ventilatie-openingen in hoedenplank
N.B.
Blokkeer evenmin de ventilatie-opening
achter in de hoedenplank met kleding of
andere voorwerpen om te voorkomen dat
de ruiten beslaan.
Tijdelijke uitschakeling van
airconditioning
Wanneer de motor het maximale vermogen
nodigt heeft (bijvoorbeeld als u volgas optrekt
of met een aanhanger achter de auto een helling oprijdt), is het mogelijk dat de airconditioning tijdelijk wordt uitgeschakeld. Er kan dan
een tijdelijke temperatuurstijging optreden.
Condenswater
In warme weersomstandigheden kan er ter
hoogte van de airconditioning een plasje water
onder de auto ontstaan. Dit is volkomen normaal.
Sneeuw en ijs
Veeg sneeuw en ijs van de luchtinlaat voor de
klimaatregeling (de opening tussen de motorkap en de voorruit).
Storingen opsporen en verhelpen
Wend u tot een werkplaats die gecertificeerd is
om storingen in de klimaatregeling op te sporen en te verhelpen. Volvo adviseert u contact
128
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
N.B.
Koudemiddel
De airconditioning maakt gebruik van het koudemiddel R134a, zie pagina 296. Het bevat
geen chloor, waardoor het koudemiddel
onschadelijk is voor de ozonlaag. Laat het bijvullen/vervangen van koudemiddel over een
gecertificeerde werkplaats. Volvo adviseert u
contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats.
Bij auto’s met CZIP dient het IAQS-filter om
de 15.000 km of tenminste eenmaal per jaar
te worden vervangen (afhankelijk van wat
het eerst wordt bereikt). Echter, maximaal
75.000 km per 5 jaar. Bij auto’s zonder CZIP
dient het IAQS-filter tijdens de reguliere
onderhoudsbeurt te worden vervangen.
Clean Zone Interior Package (CZIP)*
Wanneer u voor deze optie hebt gekozen zijn
er nog minder stoffen in het interieur verwerkt
die aanleiding kunnen geven tot allergieën of
astma. Zie voor meer informatie over CZIP de
brochure die u bij aankoop hebt ontvangen.
Doorluchtfunctie
Het volgende is inbegrepen:
Bij warm weer kunt u de doorluchtfunctie
gebruiken om alle zijruiten tegelijk korte tijd te
openen en weer te sluiten en op die manier snel
voor frisse lucht in de auto te zorgen, zie
pagina 52.
•
Interieurfilter
Alle lucht die de passagiersruimte binnenkomt
wordt gereinigd door een filter. U moet het filter
regelmatig vervangen. Raadpleeg het Serviceprogramma van Volvo voor het aanbevolen
vervangingsinterval. In zeer sterk verontreinigde gebieden moet u het filter mogelijk vaker
vervangen.
N.B.
Er bestaan twee verschillende soorten interieurfilters. Let erop dat u het juiste filter
aanbrengt.
•
Een geavanceerde ventilatorfunctie die
inhoudt dat de ventilator aanslaat wanneer
de auto via de transpondersleutel wordt
ontgrendeld. De ventilator vult het interieur
op die manier met verse lucht. De functie
start als dat nodig is en stopt na bij het
openen van een van de portieren. Bij inactiviteit wordt de functie na enige tijd automatisch beëindigd. De tijd dat de ventilatorfunctie werkt zal langzaam maar zeker
korter worden, totdat de auto 4 jaar oud is.
Het luchtreinigingssysteem (IAQS) is een
volautomatisch systeem dat de lucht in de
passagiersruimte ontdoet van verontreinigingen in de vorm van stofdeeltjes, koolwaterstoffen, stikstofoxiden en laaghangend ozon.
Gebruik van beproefde materialen in het
interieur.
04
De gebruikte materialen zijn erop geselecteerd
de hoeveelheid stof in de passagiersruimte te
beperken, zodat de passagiersruimte gemakkelijker schoon te houden is. De vloerbekleding
in zowel de passagiersruimte als de bagageruimte zijn eenvoudig te verwijderen en schoon
te maken. Gebruik daarvoor schoonmaakmiddelen en autoverzorgingsproducten die door
Volvo worden geadviseerd, zie pagina 280.
Menu-instellingen
Het is mogelijk de basisinstellingen voor drie
van de functies van de klimaatregeling te wijzigen via de middenconsole, zie pagina 122:
•
Ventilatorfunctie in automatische stand,
zie pagina 132.
•
Tijdgestuurde recirculatie van lucht in passagiersruimte, zie pagina 133.
•
Automatische verwarming van de achterruit, zie pagina 96.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
129
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
Bij gebruik van RESET via het display worden
de standaardinstellingen hervat voor alle functies van de klimaatregeling.
Blaasmonden in dashboard
Blaasmonden in portierstijlen
G021366
G021367
04
De binnenkomende lucht wordt verdeeld over
20 blaasmonden verspreid over het interieur.
In de stand AUTO vindt de luchtverdeling
geheel automatisch plaats.
De luchtverdeling valt zo nodig handmatig bij
te regelen, zie pagina 135.
G021368
Luchtverdeling
Open
Dicht
Dicht
Open
Luchtstroom naar links of rechts
Luchtstroom naar links of rechts
Luchtstroom omhoog of omlaag
Luchtstroom omhoog of omlaag
Richt de buitenste blaasmonden op de voorste
zijruiten om deze te ontwasemen.
Richt de blaasmonden op de achterste zijruiten
om deze te ontwasemen.
Om de temperatuur in de passagiersruimte
aangenaam te houden komt er altijd een
bepaalde hoeveelheid lucht uit de blaasmonden.
Richt de blaasmonden naar binnen toe voor
een behaaglijke temperatuur achter in de auto.
N.B.
Let erop dat kinderen gevoelig kunnen zijn
voor luchtstromen en tocht.
130
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
Klimaatregeling
Elektronische klimaatregeling, ECC
Max. ontwaseming
Het ventilatiesysteem is te activeren, wanneer
de motor loopt. Er zijn drie comfortniveaus met
elk hun eigen koel- en droogeffect:
Recirculatie/Interior Air Quality System
•
Comfortniveau III: eenmaal indrukken van
de knop levert het maximale vermogen op
– alle drie de lampjes branden.
•
Comfortniveau II: tweemaal indrukken van
de knop levert het lagere vermogen op –
twee lampjes branden.
•
Comfortniveau I: driemaal indrukken van
de knop levert het minimale vermogen op
– er brandt één lampje.
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming, zie pagina 96
Temperatuurregeling, linkerzijde
Gebruik
Geventileerde voorstoelen*
Geventileerde voorstoel*, linkerzijde
Ventilator
Elektrisch verwarmde voorstoel, linkerzijde
Luchtverdeling
Elektrisch verwarmde voorstoel, rechterzijde
AUTO
Geventileerde voorstoel*, rechterzijde
Temperatuurregeling, rechterzijde
AC ON/OFF – Airconditioning aan/uit
Geventileerde voorstoelen
vormen alleen een optie bij
auto’s met ECC. Het ventilatiesysteem bestaat uit ventilatoren in de zittingen en de rugleuningen die lucht door de
bekleding heen aanzuigen.
Naarmate de lucht in het interieur kouder is,
neemt het koelingseffect toe.
De ventilatie wordt geregeld door de klimaatregeling op basis van de temperatuur van de
stoel, de ingestraalde warmte en de buitentemperatuur.
Het is mogelijk de stoelventilatie te combineren
met de elektrische stoelverwarming. U kunt de
functie bijvoorbeeld gebruiken om uw kleding
van vocht te ontdoen.
04
De vierde maal dat u op de knop drukt wordt
de functie uitgeschakeld – geen van de lampjes
brandt.
N.B.
Wie tochtgevoelig is dient de stoelventilatie
met beleid te gebruiken. Voor langdurig
gebruik wordt comfortniveau één geadviseerd.
BELANGRIJK
Bij een interieurtemperatuur lager dan 5°C
is het niet mogelijk de stoelventilatie in te
schakelen. Dit om te voorkomen dat de
inzittende die op de bewuste stoel zit het te
koud krijgt.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
131
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
Ventilator
Draai aan de knop om de ventilatorsnelheid te verhogen of
te verlagen. De ventilatorsnelheid wordt automatisch geregeld, als u AUTO selecteert.
De eerder ingestelde ventilatorsnelheid wordt dan gene-
Driemaal op de knop drukken levert het laagste
verwarmingsniveau op – een van de lampjes
brandt.
U stelt de verwarming van de achterbank op
dezelfde manier in als die van de voorstoelen.
De vierde maal dat u op de knop drukt wordt
de verwarming uitgeschakeld – geen van de
lampjes brandt.
De gestileerde menselijke
gedaante op de nevenstaande afbeelding bestaat
uit drie knoppen. Bij het
indrukken van een van de
luchtverdelingsknoppen licht
het lampje op dat bij dat deel
van de gestileerde menselijke gedaante hoort,
zie pagina 135.
WAARSCHUWING
geerd.
N.B.
04
Als de ventilator volledig uitgeschakeld is,
start de airconditioning niet wat kans op
beslagen ruiten kan geven.
Elektrisch verwarmde stoelen/
achterbank
De stoelverwarming niet gebruiken wanneer
u de temperatuurstijging door verminderde
gevoeligheid niet waarneemt of om enigerlei
reden de stoelverwarming niet goed weet te
bedienen. Brandwonden zijn anders niet uitgesloten.
Voorstoelen
132
Vervalt als u voor een geïntegreerd kinderzitje met twee standen kiest.
G021376
Eenmaal op de knop drukken
levert het maximale verwarmingsniveau op – alle drie de
lampjes branden.
1
Auto
De functie regelt automatisch
de temperatuur, de airconditioning, de ventilatorsnelheid,
de recirculatie en de luchtverdeling.
Achterbank1
Tweemaal op de knop drukken levert een lager verwarmingsniveau op – twee van de lampjes branden.
Luchtverdeling
Als u een of meer handmatige functies selecteert, worden de overige functies nog steeds
automatisch geregeld. Wanneer u op de knop
AUTO drukt, vindt activering van de Air Quality
Sensor plaats waarbij alle handmatige instellingen worden opgeheven. Op het display verschijnt AUTO KLIMAAT.
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
U kunt de ventilatorsnelheid in de automatische stand instellen onder
Klimaatinstellingen Autom. blower
afstellen. Kies uit Laag, Normaal of Hoog:
AC – Airconditioning AAN/UIT
Wanneer het lampje bij ON
brandt, wordt de airconditioning automatisch geregeld.
De binnenkomende lucht
wordt dan automatisch afgekoeld en van vocht ontdaan.
• Laag - Automatische ventilatorregeling.
Geringe luchtstroom geniet de prioriteit.
• Normaal - Automatische ventilatorrege-
Voor een beschrijving van het menusysteem,
zie pagina 122.
De airconditioning is uitgeschakeld, wanneer
het lampje bij OFF brandt. De overige functies
worden nog steeds automatisch geregeld.
Wanneer u ontwaseming geselecteerd hebt,
wordt de airconditioning ingesteld op maximale ontvochtiging.
Temperatuurregeling
Ontwaseming
ling.
• Hoog - Automatische ventilatorregeling.
Grotere luchtstroom geniet de prioriteit.
Met deze knop kunt u de temperatuur aan de bestuurdersen passagierszijde onafhankelijk van elkaar instellen.
U gebruikt de ontwaseming
om de voorruit en de zijruiten
snel te ontwasemen en te ontdooien. Er stroomt lucht naar
de ruiten. Het lampje in de
ontwasemingsknop brandt,
wanneer de functie is inge-
Bij het starten van de motor
wordt de laatst verrichte
instelling hervat.
N.B.
Let erop dat de passagiersruimte niet sneller warm of koud wordt, wanneer u een
hogere of lagere temperatuur kiest dan de
gewenste.
schakeld.
Bij activering van deze functie vindt bovendien
het volgende plaats om de lucht in het interieur
zoveel mogelijk van vocht te ontdoen:
•
de airconditioning wordt automatisch
ingeschakeld
•
de recirculatie en het Interior Air Quality
System worden automatisch uitgeschakeld.
De airconditioning is handmatig uit te schakelen met de knop AC. Bij het uitschakelen van
de ontwaseming hervat de klimaatregeling de
voorgaande instellingen.
Recirculatie/Interior Air Quality System
Recirculatie
Wanneer de recirculatie actief
is, brandt het oranje lampje
rechts in de knop. U kunt deze
functie inschakelen als u vieze
lucht, uitlaatgassen en dergelijke buiten wilt houden. De
lucht in de passagiersruimte
wordt dan gerecirculeerd. Er komt met andere
woorden geen lucht van buiten de auto in, wanneer deze functie actief is.
04
N.B.
Als de lucht in de auto te lang recirculeert,
kan de binnenzijde van de ruiten beslaan.
Timer
Bij een geactiveerde timerfunctie zal de klimaatregeling afhankelijk van de buitentemperatuur na een bepaalde tijd de handmatig geactiveerde recirculatiestand verlaten. Dit beperkt
de kans op ijs, beslagen ruiten en een slechte
luchtkwaliteit. U kunt de functie activeren/
deactiveren onder Klimaatinstellingen
``
133
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
Timer recirculatie. Voor een beschrijving van
het menusysteem, zie pagina 122.
Recirculatie/Interior Air Quality Sensor
activeren
Selecteer een van de drie
functies door verschillende
malen op de knop te drukken.
N.B.
Wanneer u de ontwaseming selecteert,
wordt de recirculatie altijd uitgeschakeld.
Interior Air Quality System*
04
134
Het Interior Air Quality System
ontdoet de binnenkomende
lucht van gassen en stofdeeltjes om zo hinderlijke geurtjes
en verontreinigingen in de
passagiersruimte te beperken. Als de Air Quality Sensor
een verhoogde concentratie van verontreinigingen in de buitenlucht meet, wordt de luchtinlaat afgesloten waarna de lucht in de passagiersruimte wordt gerecirculeerd. Wanneer u
de knop AUTO hebt ingedrukt, is de Air Quality
Sensor altijd ingeschakeld.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
•
Het oranje lampje links brandt – de Air Quality Sensor is uitgeschakeld. Er is geen
recirculatie, maar alleen verse lucht van
buiten.
•
Het groene lampje in het midden brandt –
de recirculatie is niet actief (tenzij dit nodig
is voor koeling bij warm weer).
•
Het oranje lampje rechts brandt – de recirculatie is ingeschakeld.
N.B.
Voor optimale kwaliteit van de lucht in de
passagiersruimte dient u de Air Quality Sensor ingeschakeld te houden.
Bij koud weer gelden er beperkingen voor
de recirculatiefunctie om te voorkomen dat
de ruiten beslaan.
Als de ruiten toch beslaan, moet u de Air
Quality Sensor uitschakelen en alle ruiten
(voorruit, zijruiten en achteruit) ontwasemen.
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
Luchtverdelingstabel
Luchtverdeling
Toepassing
Luchtverdeling
Toepassing
Lucht naar de ruiten. Er
komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de
blaasmonden. De lucht
wordt niet gerecirculeerd.
De airconditioning is altijd
ingeschakeld.
om snel te ontdooien en
te ontwasemen.
Lucht naar de vloer en de
ruiten. Er komt een
bepaalde hoeveelheid
lucht uit de blaasmonden
in het dashboard.
om een comfortabel klimaat en een goede ontwaseming te verkrijgen bij
koud weer.
Lucht naar de voorruit en
de zijruiten. Er komt een
bepaalde hoeveelheid
lucht uit de blaasmonden.
om wasem en ijsvorming
bij koud en vochtig weer
te voorkomen (niet te lage
ventilatorsnelheid).
Lucht naar de vloer en uit
de blaasmonden in het
dashboard.
bij zonnig weer en matige
buitentemperaturen.
Luchtstroom naar de ruiten en uit de blaasmonden van het dashboard.
om een comfortabel klimaat te verkrijgen bij
warm en droog weer.
Lucht naar de vloer. Er
komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de
blaasmonden in het dashboard en op de ruiten.
om warme of koude lucht
naar de vloer te sturen
Luchtstroom op hoofden borsthoogte uit de
blaasmonden in het dashboard.
om een efficiënte koeling
te verkrijgen bij warm
weer.
Luchtstroom naar de ruiten, uit de blaasmonden
in het dashboard en naar
de vloer.
om koele lucht naar de
vloer te sturen of warme
lucht naar de rest van het
lichaam bij koud weer of
bij warm en droog weer.
04
135
04 Comfort en rijplezier
Motor- en interieurverwarming op brandstof*
Verwarming op brandstof
Algemene informatie over de
standverwarming
Tanken
Accu en brandstof
Als de accu onvoldoende opgeladen is of als
het brandstofpeil te laag is, wordt de standverwarming automatisch uitgeschakeld en er verschijnt een melding op het display. Bevestig
deze melding door op de knop READ op de
richtingaanwijzerhendel te drukken, zie
pagina 137.
WARNING! ACHTUNG!
AVERTISSEMENT!
U kunt de standverwarming die de motor en
het interieur verwarmt meteen inschakelen of
vertraagd met een timerfunctie.
Bij een buitentemperatuur hoger dan 15°C
wordt de verwarming niet geactiveerd. Bij temperaturen van –10°C of lager is de maximale
bedrijfstijd van de standverwarming 50 minuten.
WAARSCHUWING
Bij gebruik van de standverwarming moet
de auto in de buitenlucht staan.
N.B.
Bij gebruik van de standverwarming is het
volkomen normaal dat er rook uit de rechter
wielkast komt.
136
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
BELANGRIJK
G021395
04
U kunt twee verschillende uitschakeltijden
instellen met de timerfunctie. Onder de uitschakeltijd wordt het tijdstip verstaan waarop
de auto de gewenste temperatuur bereikt
heeft. De elektronica van de auto rekent aan de
hand van de buitentemperatuur zelf uit wanneer de verwarming moet worden ingeschakeld.
Waarschuwingssticker op tankvulklep.
WAARSCHUWING
Gemorste brandstof kan ontvlammen.
Schakel voordat u gaat tanken de standverwarming op brandstof uit.
Controleer op het informatiedisplay of de
standverwarming uit is. Wanneer de verwarming aanstaat, staat op het informatiedisplay de melding Standverw. AAN.
Op een helling parkeren
Wanneer u de auto op een steile helling parkeert, moet u ervoor zorgen dat de voorkant
van de auto omlaagwijst. Zo krijgt de standverwarming altijd voldoende brandstof.
Herhaaldelijk gebruik van de standverwarming bij korte ritten kan ertoe leiden dat de
accu uitgeput raakt en startproblemen opleveren.
Bij regelmatig gebruik van de standverwarming moet u even lang in de auto rijden als
de standverwarming aanstond. Dit om te
zorgen dat de dynamo evenveel energie kan
bijladen als de standverwarming verbruikt.
04 Comfort en rijplezier
Motor- en interieurverwarming op brandstof*
G021364
G025102
Display
Betekenis
Brandstofkachel AAN
De verwarming is
ingeschakeld en
werkt.
Timer
ingesteld
Brandstofkachel
De verwarming
start op de ingestelde tijd voor de
verwarming tijdens
het uitnemen van
de transpondersleutel.
Verwarming stop
Accuspann.
laag
De verwarming
werd uitgeschakeld om te zorgen
dat er voldoende
stroom is om de
motor te starten.
Knop READ
Knop RESET
Voor meer informatie over het informatiedisplay en de knop READ, zie pagina 125.
Symbolen en displaymeldingen
G025102
Duimwiel
Symbool
G025102
G025102
Symbool
G025102
Bediening
Display
Betekenis
Verw niet
besch
Brandstofp.
laag
De verwarming
kan niet worden
ingeschakeld door
een te laag brandstofpeil (ca. 7 liter).
Standkachel Service vereist
Verwarming
defect. Neem voor
reparatie contact
op met een werkplaats. Volvo adviseert u contact op
te nemen met een
erkende Volvowerkplaats.
04
Een displaymeldingen verdwijnt automatisch
na enige tijd. U kunt een melding ook eerder
doen verdwijnen met een druk op de knop
READ van de richtingaanwijzerhendel.
Wanneer u de instellingen van een
van de timers of Directe start activeert, gaat het informatiesymbool op het
instrumentenpaneel branden en op het informatiedisplay verschijnen een verklarende melding plus een ander brandend symbool. In de
onderstaande tabel staan de voorkomende
symbolen en displaymeldingen.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
137
04 Comfort en rijplezier
Motor- en interieurverwarming op brandstof*
Meteen inschakelen/uitschakelen
1. Gebruik het duimwiel om naar Directe
start Standverw. te gaan.
2. Druk op RESET om te kiezen uit AAN en
UIT.
04
N.B.
De timers zijn alleen te programmeren met
de transpondersleutel in slotstand I, zie
pagina 72.
AAN: De standverwarming is handmatig of via
de timerfunctie ingeschakeld.
1. Gebruik het duimwiel om naar Timer
standkach 1 te gaan.
UIT: De standverwarming is uitgeschakeld.
2. Druk kort op de knop RESET zodat de uuraanduiding gaat knipperen.
Bij directe start van de standverwarming zal
deze 50 minuten lang geactiveerd blijven.
De interieurverwarming gaat van start, zodra
de koelvloeistof in de motor de juiste temperatuur heeft bereikt.
N.B.
Het is mogelijk de motor starten en weg te
rijden, terwijl de standverwarming aanstaat.
Timers instellen
Met de timers geeft u het tijdstip aan dat de
auto op temperatuur moet zijn omdat u die
wenst te gebruiken.
Kies uit TIMER 1 en TIMER 2.
3. Stel de gewenste uuraanduiding in met het
duimwiel.
4. Druk kort op de knop RESET, zodat de
minuutaanduiding gaat knipperen.
5. Stel de gewenste minuutaanduiding in met
het duimwiel.
6. Druk kort op de knop RESET om de instelling te bevestigen.
7. Druk op de knop RESET om de timer te
activeren.
Wanneer u Timer standkach 1 hebt ingesteld,
kunt u een tweede uitschakeltijd programmeren onder Timer standkach 2 door aan het
duimwiel te draaien.
U stelt de andere uitschakeltijd op dezelfde
manier in als bij Timer standkach 1.
138
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Timergestuurde verwarming voortijdig
uitschakelen
U kunt de timergestuurde verwarming uitschakelen voordat de timer dat doet. Doe dat als
volgt:
1. Druk op READ.
2. Ga met het duimwiel naar Timer
standkach 1 of 2.
> De tekst AAN knippert op het display.
3. Druk op RESET.
> De tekst UIT brandt continu en de verwarming wordt uitgeschakeld.
Een timergestuurde verwarming is ook uit te
schakelen volgens de instructies in het
gedeelte “Meteen inschakelen/uitschakelen”
zie pagina 138.
Klok/timer
De timers van de verwarming zijn gekoppeld
aan de klok in de auto.
N.B.
Als u de klok van de auto bijstelt, worden
eventuele timerinstellingen gewist.
04 Comfort en rijplezier
Extra verwarming op brandstof*
Extra verwarming (diesel)
N.B.
Bij gebruik van de extra verwarming is het
volkomen normaal dat er rook uit de rechter
wielkast komt.
Automatische stand of uitschakelen
G021364
Bij korte ritten kan de extra verwarming desgewenst worden uitgeschakeld.
Knop READ
Duimwiel
Knop RESET
Bij koud weer moet de extra verwarming van
dieselmodellen wellicht worden ingeschakeld
om de motor en de passagiersruimte voldoende te verwarmen.
1. Gebruik het duimwiel om naar Extra
verwarming auto te gaan.
04
2. Druk op RESET om te kiezen uit AAN en
UIT.
Interieurverwarming*
Als de extraverwarming wordt uitgebreid met
een timerfunctie, kan deze dienstdoen als interieurverwarming op brandstof, zie pagina 136.
De extra verwarming wordt automatisch ingeschakeld wanneer er extra warmte nodig is terwijl de motor loopt.
De verwarming wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer het warm genoeg is of wanneer
de motor wordt afgezet.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
139
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
Algemene informatie
Het audiosysteem is te verkrijgen met verschillende opties en in drie basisuitvoeringen:
•
•
•
Performance
High Performance
Als het audiosysteem aanstaat wanneer u de
motor afzet, wordt het de volgende keer dat u
de motor start automatisch ingeschakeld.
Toetsenset op stuurwiel*
Overzicht
Premium Sound
Bij het inschakelen van het audiosysteem geeft
het display de uitvoering aan.
04
Dolby Surround Pro Logic II en het symbool
zijn handelsmerken van Dolby
Laboratories Licensing Corporation. Dolby
Surround Pro Logic II System is vervaardigd
onder licentie van Dolby Laboratories
Licensing Corporation.
Menu-opties bevestigen, telefoongesprekken aannemen.
Ingang voor externe geluidsbron: AUX en
USB* (bijv. iPodŸ1)
Naar een hoger niveau gaan binnen het
menusysteem. Actieve functie annuleren,
telefoongesprekken beëindigen/weigeren,
ingevoerde tekens wissen.
Toetsenset op stuurwiel
Volume
Bedieningspaneel in middenconsole
Kort indrukken om een track op een cd of
een van de voorkeurzenders te selecteren.
Lang indrukken om een track op een cd
vooruit/achteruit te spoelen of de eerstvolgende goed doorkomende radiozender te
zoeken.
Transpondersleutel en sleutelstanden
U kunt het audiosysteem 15 minuten achtereen
beluisteren, wanneer er geen transpondersleutel in het contactslot steekt.
N.B.
Neem de transpondersleutel uit het contactslot om het audiosysteem te beluisteren
wanneer de motor afgezet is. Zo voorkomt
u dat de accu onnodig belast wordt.
1
140
iPod is het gedeponeerde handelsmerk van Apple Computer Inc.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Bedieningspaneel met hoofdtelefoonaansluiting*
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
Achterste bedieningspaneel met
hoofdtelefoonaansluiting
Voor de beste geluidsweergave adviseren wij u
een hoofdtelefoon te gebruiken met een impedantie van 16–32 ohm en een gevoeligheid van
102 dB of meer.
matig gedeactiveerd, wanneer u MODE lang
indrukt of automatisch bij het uitschakelen van
het contact.
Audiofuncties
Vooruit-/achteruitspoelen en zoeken
Kort op (2) drukken om een track op een cd of
een van de voorkeurzenders te selecteren.
Lang indrukken om een track op een cd vooruit/achteruit te spoelen of de eerstvolgende
goed doorkomende radiozender op te zoeken.
Beperkingen
•
Welke geluidsbron (FM, AM, CD e.d.) er via
de luidsprekers wordt weergegeven valt
niet te sturen vanaf het achterste bedieningspaneel.
04
Middenconsole, bedieningstoetsen voor audiofuncties.
AM, FM en CD, interne geluidsbronnen
VOLUME – Volume, resp. links en rechts.
Vooruit-/achteruitspoelen en zoeken.
MODE – Kiezen uit AM, FM, CD, AUX,
USB*(bijvoorbeeld iPodŸ), DAB1/DAB2*
en Aan/Uit. Voor aansluiting via AUX of
USB, zie pagina 143.
Hoofdtelefoonaansluiting (3,5 mm).
Activeren/deactiveren
U activeert het bedieningspaneel met een druk
op MODE. Het bedieningspaneel wordt hand-
MODE – Kiezen uit de externe geluidsbronnen (AUX, USB* en DAB1/DAB2*).
Voor aansluiting via AUX of USB, zie
pagina 143
SOUND – Druk- en draaiknoppen voor het
aanpassen van de geluidsweergave
Navigatietoets
VOLUME – Volume en aan/uit
Geluidssterkte en automatische
volumeregeling
Het audiosysteem zorgt voor compensatie van
hinderlijke rijgeluiden in de passagiersruimte
door het volume af te stemmen op de snelheid
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
141
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
van de auto. U hebt de keuze uit drie compensatieniveaus: laag, medium en hoog. Kies een
niveau onder Audio-instellingen Autom.
volumeregeling.
Geluidssterkte externe geluidsbron
Een mp3-speler zonder USB-kabel kan op de
AUX-ingang worden aangesloten, zie
pagina 143.
N.B.
04
De geluidskwaliteit kan verslechteren, als
de speler wordt opgeladen terwijl het audiosysteem in stand AUX staat. Laad de speler
daarom niet tijdens het beluisteren op via de
12 V-aansluiting.
De geluidsbron die op de AUX-ingang wordt
aangesloten kan een ander volume hebben
dan dat van het audiosysteem. Corrigeer dit
door het ingangsvolume van de AUX-ingang
aan te passen:
1. Zet het audiosysteem in de stand AUX met
de knop MODE, druk op MENU en navigeer vervolgens met (4) naar AUXingangsvolume, zie pagina 140.
2. Draai aan de knop SOUND of druk op
/
van de navigatietoets, zie pagina 140.
2
142
Bepaalde systeemuitvoeringen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Geluidsregeling
Door te drukken op de knop SOUND kunt u de
onderstaande opties doorlopen.
U stelt de opties in door aan de draaiknop te
draaien.
• Middenniveau* – Niveau voor de middenluidspreker.
• Surround-niveauSurround-niveau* –
Niveau voor de zogeheten Ambient Surround Sound.
Equalizer
N.B.
Druk op MENU om de Audio-instellingen te
openen. Voor meer informatie (zie
pagina 122).
• Bas – Niveau van de lage tonen.
• Treble - Niveau van de hoge tonen.
• Fader – Balans tussen luidsprekers voor
en achter.
• Balans – Balans tussen luidsprekers links
en rechts.
• Subwoofer* – Niveau voor de lagetonenluidspreker. Door de draaiknop
naar de
MIN te draaien kunt u de subwoofer deactiveren.
• Surround* – Instellingen voor de zogeheten Ambient Surround Sound.
Onder Surround kunt u 3-kanaals stereo of
Dolby Surround Pro Logic II activeren door 3ch of Dpl2 te selecteren. Vervolgens worden u
de volgende opties voorgeschoteld:
Met de equalizer2 kunt u de niveaus voor de
verschillende frequentiebanden ieder apart
instellen.
1. Ga naar Audio-instellingen en kies
Equalizer voor of Equalizer achter.
Stel het niveau voor de frequentieband bij
/
van de navigatietoets. Druk op
met
/
om een andere frequentieband te
kiezen.
2. Leg de instelling vast met ENTER of annuleer uw keuze met EXIT.
Geluidspodium
De geluidsweergave is dusdanig in te stellen
dat deze optimaal is voor de bestuurder*, voor
de inzittenden voorin of voor de achterpassagiers. Kies een van de opties onder Audioinstellingen Geluidspodium.
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
Optimale geluidsweergave
AUX, USB en iPod
Het audiosysteem is gekalibreerd voor optimale geluidsweergave met behulp van digitale
signaalverwerking.
Algemene informatie
2. Sluit uw iPodŸ, mp3-speler of USBgeheugen aan op de USB-aansluiting* in
het opbergvak van de middenconsole (zie
voorgaande afbeelding).
Voor ieder automodel wordt het audiosysteem
tijdens de kalibratie perfect afgestemd op de
luidsprekers, de versterker, de akoestiek in de
auto, de positie van de luisteraar e.d.
De tekst Bezig met laden verschijnt op het
display, terwijl het systeem de bestanden op
het opslagmedium inleest. Dat kan enige tijd
duren.
Er is tevens een dynamische kalibratie waarbij
rekening wordt gehouden met de stand van de
volumeknop, de radio-ontvangst en de rijsnelheid.
Wanneer de bestanden zijn ingelezen, verschijnt de trackinformatie op het display
waarna u een track kunt selecteren.
De regelfuncties die in dit instructieboekje
nader verklaard worden (zoals Bas, Treble en
Equalizer) zijn uitsluitend bedoeld om u de
mogelijkheid te bieden de geluidsweergave
naar wens af te stellen.
04
U kunt op drie manieren tracks selecteren:
Via de USB-aansluiting* of AUX-ingang in de middenconsole is het mogelijk een iPodŸ of mp3speler aan te sluiten op het Infotainmentsysteem
van de auto.
De AUX-ingang biedt de mogelijk een externe
geluidsbron aan te sluiten, zoals een iPodŸ of
mp3-speler. Lees meer op pagina 142.
Als u ervoor kiest om een iPodŸ, mp3-speler
of USB-geheugen aan te sluiten op de USBaansluiting*, kunt u de geluidsbron bedienen
via de geluidsregeling van de auto.
•
•
Met de knop TUNING, zie pagina 140;
•
de toetsenset op het stuurwiel, zie
pagina 140.
de linker of rechter toets van de navigatiebediening (4), zie pagina 140, of;
In de USB- of iPodŸ-stand werkt het audiosysteem op dezelfde manier als bij het beluisteren van muziekbestanden op een cd in de cdspeler. Voor meer informatie, zie pagina 145.
Selecteer de aansluiting met de toets MODE:
1. Als u USB kiest, verschijnt Apparaat
aansl. op het display.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
143
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
N.B.
Het systeem biedt ondersteuning van
muziekbestanden in de muziekformaten
mp3, wma en wav. Er zijn echter varianten
van deze muziekformaten die niet door het
systeem worden ondersteund. Het systeem
biedt verder ondersteuning voor de meeste
iPodŸ-modellen die in 2005 of later
gemaakt zijn. iPodŸ Shuffle wordt echter
niet ondersteund.
04
USB-aansluiting* en RSE*
Geluidsbronnen
USB-geheugen
Om het gebruik van een USB-geheugen te vereenvoudigen is het beter alleen muziekbestanden in het geheugen op te slaan. Het inlezen
duurt aanzienlijk langer, wanneer er behalve
compatibele muziekbestanden nog andere
bestanden op het opslagmedium staan.
N.B.
Het systeem biedt ondersteuning voor
draagbare opslagmedia die compatibel zijn
met USB 2.0 en bestandssysteem FAT32.
De speler of het USB-geheugen kan maximaal 500 mappen en 64.000 bestanden
hanteren. De opslagcapaciteit dient minimaal 256 MB te zijn.
N.B.
Bij gebruik van een langer USB-geheugen
wordt geadviseerd de bijgeleverde USBadapterkabel te gebruiken. Dit om mechanische slijtage aan de USB-ingang en het
aangesloten USB-geheugen tegen te gaan.
Bij een auto met RSE* zit de USB-aansluiting*
op de bovenstaande locatie (zie afbeelding).
Mp3-speler
Veel mp3-spelers werken met hun eigen
bestandssysteem die niet ondersteund worden door het Infotainmentsysteem. Om een
dergelijke mp3-speler te kunnen gebruiken
binnen het systeem, dient de speler in de stand
144
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
USB Removable device/Mass Storage
Device te staan.
iPodŸ
Een iPodŸ wordt middels de aansluitkabel bijgeladen en gevoed door de USB-aansluiting*.
Als de batterij van de speler echter helemaal
uitgeput is, dan dient u deze eerst op te laden
alvorens de speler aan te sluiten.
N.B.
Wanneer u muziek op een aangesloten
iPodŸ beluistert, hanteert het Infotainmentsysteem een menusysteem vergelijkbaar
met die van de iPodŸ.
Zie voor meer informatie over USB en iPodŸ bij
een audiosysteem in de uitvoering Performance het extra instructieboekje bij USB en
iPodŸ Music Interface.
Cd-functies
Weergave starten (cd-speler)
Een eventuele muziek-cd in de speler wordt
automatisch afgespeeld, wanneer u op CD
drukt. Steek anders een cd in de invoeropening
en druk op CD.
Weergave starten (cd-wisselaar)
Start de cd-speler door op de knop CD te drukken. Een eventuele muziek-cd in de speler
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
wordt vervolgens automatisch afgespeeld.
Steek anders een cd in de invoeropening en
druk op CD.
Cd aanbrengen (cd-wisselaar)
1. Kies een lege sleuf met de cijfertoetsen
/
van de navigatietoets (4).
1–6 of
Op het display staat aangegeven welke
sleuf leeg is. De melding Disc plaatsen
geeft aan dat u een volgende cd kunt aanbrengen. De cd-wisselaar biedt plaats aan
zes cd’s.
2. Steek een cd in de invoeropening van de
cd-wisselaar.
Disc uitwerpen
U hebt ca. 12 seconden de tijd om een uitgeworpen disc uit te nemen. Als de disc na afloop
van deze periode nog in de cd-speler zit, wordt
de disc weer ingenomen en verder afgespeeld.
Met een korte druk op de uitwerptoets kunt u
één enkele disc uitwerpen.
Met een lange druk op de uitwerptoets kunt u
alle discs uitwerpen. Alle discs in het magazijn
worden dan één voor één uitgeworpen.
3
Pauze
Wanneer u het volume helemaal omlaagdraait,
wordt de weergave van de cd-speler onderbroken.
Muziekbestanden3
De cd-speler ondersteunt ook muziekbestanden in mp3- en wma-formaat.
N.B.
De speler kan bepaalde muziekbestanden
met kopieerbeveiliging niet lezen.
Wanneer u een cd met muziekbestanden in de
speler aanbrengt, wordt een eventuele
bestandsstructuur op de disc automatisch
geladen. Afhankelijk van de kwaliteit van de
disc en de hoeveelheid gegevens die erop
staan, kan het enige tijd duren voordat de
weergave van start gaat.
Navigeren en afspelen
Als er een disc met muziekbestanden in de cdspeler zit, kunt u met ENTER de mapstructuur
openen. U navigeert op dezelfde manier in de
mapstructuur als in de menustructuur van het
audiosysteem. Muziekbestanden worden aangeduid met het symbool
en mappen met
. Met een druk op ENTER gaat het afspelen van de muziekbestanden van start.
Wanneer een bepaald muziekbestand helemaal afgespeeld is, worden de overige bestanden in dezelfde map afgespeeld. Nadat alle
bestanden in een bepaalde map zijn afgespeeld, wordt er automatisch van map gewisseld.
Vooruit-/achteruitspoelen en van track/
muziekbestand op de cd wisselen
04
Druk kort op
/
van de navigatietoets om
tracks/muziekbestanden op een cd te selecteren. Druk lang om cd-tracks/muziekbestanden
versneld vooruit/achteruit te spoelen. U kunt
daarvoor ook gebruik maken van de toetsenset
op het stuurwiel. U kunt ook van track wisselen
door aan de knop TUNING te draaien.
Cd doorzoeken
Bij activering van deze functie worden van alle
tracks/muziekbestanden op een cd de eerste
tien seconden weergegeven. Druk op SCAN
om de functie te activeren. Beëindig de functie
met EXIT of SCAN om de weergave van de
actuele tracks/muziekbestanden op de cd
voort te zetten.
High Performance en Premium Sound.
``
145
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
Willekeurige afspeelvolgorde
Bij activering van deze functie speelt de speler
de tracks/muziekbestanden in willekeurige
volgorde af. U kunt de willekeurig gekozen
tracks/muziekbestanden op de cd op de
gebruikelijke manier doorbladeren.
N.B.
04
Bij gebruik van de linker of rechter pijl wordt
alleen een nieuwe willekeurige track op de
afgespeelde cd geselecteerd.
Afhankelijk van het type willekeurige afspeelvolgorde dat geselecteerd is, verschijnt er een
bepaalde displaymelding:
• RANDOM houdt in dat de tracks op
slechts een van de muziek-cd’s worden
afgespeeld
• RND ALL houdt in dat alle tracks op alle
muziek-cd’s in de cd-speler worden afgespeeld.
• RANDOM FOLDER houdt in dat de
muziekbestanden in een willekeurige map
op de gekozen cd worden afgespeeld.
Cd-speler
Activeer/deactiveer de functie tijdens het
afspelen van een normale muziek-cd onder
Random.
Activeer/deactiveer de functie bij het beluisteren van een disc met muziekbestanden onder
Random Map.
Radiofuncties
Cd-wisselaar
Activeer/deactiveer de functie bij het afspelen
van een normale muziek-cd onder Random
Enkele disc of Random Alle discs. Het
alternatief Alle discs geldt alleen voor de
muziek-cd’s die in de cd-wisselaar zitten.
Activeer/deactiveer de functie bij het beluisteren van een cd met muziekbestanden onder
Random Map. Wanneer u een andere cd
kiest, wordt de functie gedeactiveerd.
Nummer-informatie
Eventuele nummer-informatie op de muziekcd kan via het display worden weergegeven.
Bij Premium Sound en High Performance geldt
dit ook voor cd’s met mp3- en wma-bestanden. Activeer/deactiveer de functie in de stand
CD onder Cd-instellingen Nummerinformatie.
Middenconsole, bedieningstoetsen voor radiofuncties.
Navigatietoets voor het automatisch zoeken van zenders
Geselecteerde functie beëindigen
Handmatig zenders zoeken
Frequentieband doorzoeken
Automatisch zenders vastleggen
Voorkeurtoetsen en handmatig voorkeurzenders vastleggen
Frequentieband AM en FM (FM1 en FM2)
kiezen
Automatisch zenders zoeken
1. Kies een frequentieband met FM of AM.
146
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
2. Druk op
/
van de navigatietoets.
Handmatig zenders zoeken
1. Kies een frequentieband met FM of AM.
2. Draai aan TUNING.
Preset
U kunt per frequentieband 10 voorkeurzenders
vastleggen. De FM-band heeft
2 geheugenbanken met voorkeurzenders:
FM1 en FM2. U kiest een voorkeurzender met
de voorkeurtoetsen.
De voorkeurzenders kunnen handmatig of
automatisch worden vastgelegd.
Voorkeurzenders handmatig vastleggen
1. Stem af op een zender.
2. Houd een van de voorkeurtoetsen ingedrukt, totdat de melding Kanaal
opgeslagen op het display verschijnt.
Automatisch zenders vastleggen
Deze functie is met name handig in gebieden,
waar u de radiozenders en hun frequenties niet
kent. De 10 best te ontvangen radiozenders
worden automatisch in een aparte geheugenbank vastgelegd.
1. Kies een frequentieband met FM of AM.
2. Houd AUTO ingedrukt, totdat Autom.
opslaan op het display verschijnt.
Wanneer Autom. opslaan van het display verdwijnt, zijn de zenders vastgelegd. De radio
gaat over op de automatische stand en de melding Auto verschijnt op het display. De automatisch vastgelegde voorkeurzenders zijn vervolgens rechtstreeks te kiezen met de voorkeurtoetsen. De automatische vastlegfunctie
voor radiozenders is te beëindigen met EXIT.
De radio blijft in de automatische stand staan,
totdat u op AUTO of FM drukt.
U kunt gebruik maken van de automatisch
vastgelegde radiozenders door de radio als
volgt in de automatische stand te zetten:
1. Druk op AUTO.
> De tekst Auto verschijnt op het display.
2. Druk op een voorkeurtoets.
Frequentieband doorzoeken
Deze functie doorzoekt de actuele frequentieband automatisch op goed te ontvangen zenders. Wanneer er een zender is gevonden,
wordt deze ca. 8 seconden lang weergegeven
voordat de zoekfunctie wordt voortgezet.
1. Kies een frequentieband met AM of FM.
2. Druk op SCAN.
De tekst SCAN verschijnt op het display. Druk
tot slot op SCAN of EXIT.
RDS-functies
RDS (Radio Data System) verbindt FM-zenders
in een netwerk met elkaar. Een FM-zender in
een dergelijk netwerk verstuurt bepaalde informatie, zodat een RDS-radio onder meer de volgende mogelijkheden biedt:
•
Automatisch overschakelen op een beter
doorkomende zender als de ontvangst in
een bepaald gebied slecht is.
•
Zoeken op programmatype zoals zenders
die verkeersinformatie of nieuws doorgeven.
•
04
Weergeven van informatieve tekst over het
beluisterde radioprogramma.
N.B.
Sommige radiozenders maken geen
gebruik van RDS of alleen in beperkte mate.
Als er een zender met het gewenste programmatype is aangetroffen, kan de radio vervolgens op deze zender overschakelen en de
weergave van de actieve geluidsbron onderbreken. Als de cd-speler bijvoorbeeld actief is,
wordt de weergave daarvan tijdelijk onderbroken. De uitzending met het gekozen programmatype wordt weergegeven op een vooraf
bepaald volume, zie pagina 149. Na afloop van
de uitzending van het gekozen programmatype
geeft de radio de voorgaande geluidsbron
``
147
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
04
opnieuw weer op het volume dat u daarvoor
had ingesteld.
stemd verkeersinformatie kan doorgeven,
op het display.
staat er
De programmafuncties alarm (ALARM!), verkeersinformatie (TP (verkeersinformatie)),
nieuws (Nieuws) en programmatype (PTY
(programmatype)) worden in volgorde van
belangrijkheid weergegeven, waarbij geldt dat
alarm de hoogste prioriteit geniet en de programmatypes de laagste. Voor meer instellingen die te maken hebben met het onderbreken
van uitzendingen (EON en Regionaal), zie
pagina 149. Druk op EXIT om de weergave
van de onderbroken geluidsbron te hervatten.
±
Activeer/deactiveer de functie onder FMinstellingen TP (verkeersinformatie).
TP via beluisterde zender/alle zenders
De radio kan de weergave van de actieve
geluidsbron onderbreken voor verkeersinformatie via de (actuele) zender die u beluistert of
via alle zenders.
±
Ga naar FM-instellingen Geav. radioinstellingen TP-zender... om wijzigingen aan te brengen.
Alarm
De functie wordt gebruikt om de bevolking
attent te maken op ernstige ongelukken of
calamiteiten. U kunt de functie alarm niet tijdelijk onderbreken of deactiveren. De melding
ALARM! verschijnt op het display, wanneer er
een alarmmelding wordt verzonden.
Verkeersinformatie, TP
Bij activering van deze functie wordt de weergave van de actieve geluidsbron onderbroken
voor een uitzending met verkeersinformatie via
het RDS-netwerk van de zender waarop is
afgestemd. Het symbool TP
(verkeersinformatie) geeft aan dat de functie
actief is. Als de zender waarop u hebt afge-
148
Nieuws
Bij activering van deze functie wordt de weergave van de actieve geluidsbron onderbroken
voor een nieuwsuitzending via het RDS-netwerk van de zender waarop is afgestemd. Het
symbool NEWS geeft aan dat de functie actief
is.
±
Activeer/deactiveer de functie onder FMinstellingen Nieuws.
Nieuws via beluisterde zender/alle
zenders
De radio kan de weergave van de actieve
geluidsbron onderbreken voor een nieuwsuitzending via de (actuele) zender die u beluistert
of via alle zenders.
±
Ga naar FM-instellingen Geav. radioinstellingen Nieuwszender... om wijzigingen aan te brengen.
Programmatype, PTY
Met de functie PTY is het mogelijk verschillende programmatypes te kiezen zoals popmuziek en klassieke muziek. Het symbool
PTY geeft aan dat de functie actief is. Bij activering van deze functie wordt de weergave van
de actieve geluidsbron onderbroken voor een
uitzending van het gekozen programmatype
via het RDS-netwerk van de zender waarop is
afgestemd.
1. Activeer de functie in de stand FM door een
programmatype te selecteren onder FMinstellingen PTY PTY selecteren.
2. Deactiveer de functie door de PTY te wissen onder FM-instellingen Alle PTY's
wissen.
PTY zoeken
Bij activering van deze functie wordt de gehele
frequentieband doorzocht op uitzendingen van
het gekozen programmatype.
1. Kies een PTY onder FM-instellingen
PTY PTY selecteren.
2. Ga naar FM-instellingen PTY
(programmatype) PTY zoeken.
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
Als de radio een uitzending van een van de
gekozen programmatypes vindt, verschijnt >|
om te zoeken op het display.
±
van de navigatietoets om verDruk op
der te zoeken naar een andere uitzending
van een van de gekozen programmatypes.
Programmatype weergeven
Het is mogelijk het programmatype van de zender die u op dat moment beluistert op het display weer te geven.
±
Activeer/deactiveer deze functie in de
stand FM onder FM-instellingen PTY
PTY weergeven
N.B.
Niet alle radiozenders ondersteunen deze
functie.
Radiotekst
Sommige RDS-zenders geven informatie door
over de inhoud van de uitzendingen, uitvoerende artiesten e.d. Deze informatie kan op het
display worden weergegeven.
±
4
Activeer/deactiveer deze functie in de
stand FM onder Radiotekst.
Automatische afstemfunctie, AF
Bij activering van deze functie wordt er automatisch afgestemd op het sterkste signaal
voor een bepaalde radiozender. Soms moet de
radio de gehele FM-band doorzoeken om een
sterk zendersignaal te vinden. In dat geval valt
de radio stil en verschijnt de melding PI
zoeken EXIT voor annuleren op het display.
±
Activeer/deactiveer deze functie in de
stand FM onder FM-instellingen Geav.
radio-instellingen AF.
actieve geluidsbron kan worden onderbroken
voor uitzendingen van een bepaald programmatype.
±
• Plaatselijk – Alleen onderbreking wanneer
de zendmast van de radiozender dichtbij
is.
±
Activeer/deactiveer deze functie in de
stand FM onder FM-instellingen Geav.
radio-instellingen Regionaal.
EON (Enhanced Other Networks)
Deze functie is met name handig in stedelijke
gebieden met een groot aantal regionale radiozenders. Bij activering van de functie is de
afstand tot de zendmast van een radiozender
bepalend voor de vraag of de weergave van de
04
• Afstand4 – Ook onderbreking als de zendmast van de zender ver weg staat en zijn
signaal storingen vertoont.
Regionale radioprogramma’s, REG
Deze functie maakt het mogelijk om op een
bepaalde regionale zender afgestemd te blijven ondanks dat het signaal zwak is. Het symbool REG geeft aan dat de handsfree-functie
actief is.
Activeer/deactiveer de functie in de stand
FM door een van de alternatieven te kiezen
onder FM-instellingen Geav. radioinstellingen EON:
• Uit – Geen onderbreking voor een uitzending van een bepaald programmatype via
andere zenders.
RDS-functies resetten
Met deze kunt u alle fabriekinstellingen voor
RDS herstellen.
±
Reset in de stand FM onder FMinstellingen Geav. radio-instellingen
Alles resetten.
Volumeregeling programmatypes
De onderbrekende uitzendingen van het gekozen programmatype (bijv. NEWS of TP) worden weergegeven op het volume dat voor het
Fabrieksstandaard.
``
149
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
Rockmuziek
programmatype is gekozen. Als u het volume
tijdens de onderbreking bijregelt, wordt het
nieuwe volume opgeslagen voor een volgende
onderbreking.
Melodie
1.5.1
TP-zender
Licht klassiek
1.5.2
Nieuwszender
Klassiek
1.5.3
AF
Overige muziek
1.5.4
EON
Hoofdmenu FM
Het weer
Uit
Economie
Plaatselijk
Voor kinderen
Afstand
1.1
Nieuws
1.2
TP (verkeersinformatie)
1.3
Radiotekst
1.4
PTY (programmatype)
1.4.1
Actualiteit
Informatie
Reizen
Digitale radio (DAB)*
Vrije tijd
Algemene informatie
Jazzmuziek
DAB (Digital Audio Broadcasting) is een systeem voor digitale overdracht van radiosignalen.
Volksmuziek
Cultuur
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Reset FM-instellingen
Gouwe Ouwe
Drama
Popmuziek
Regionaal
1.5.6
Nationale muziek
Educatie
Varia
1.5.5
Religie
Countrymuziek
Sport
Wetenschap
Maatschappelijk
Doe mee!
PTY selecteren
Alle PTY's wissen
150
Geav. radio-instellingen
Menusysteem FM
FM-instellingen
04
1.5.
Documentaires
1.4.2
PTY zoeken
1.4.3
PTY-tekst weergeven
N.B.
Dit systeem biedt geen ondersteuning voor
DAB+.
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
Service en Ensemble
• Voor onderhoud - Kanaal, radiokanaal
(het systeem biedt alleen ondersteuning
voor geluidsdiensten).
• Ensemble - Een groep radiokanalen die
op dezelfde frequentie zenden.
Radiokanalen programmeren (Groep
leren)
Wanneer de auto een nieuw zendgebied binnenrijdt is het mogelijk het systeem de gelegenheid te geven de te ontvangen kanaalgroepen te programmeren.
Tijdens het programmeren van de kanaalgroepen wordt een bijgewerkte lijst van al de te
beluisteren kanaalgroepen aangemaakt. De
lijst wordt niet automatisch bijgewerkt. U start
de programmeerfunctie via het menu Groep
leren of rechtstreeks door lang op AUTO te
drukken. Het kan tot één minuut duren voordat
een kanaalgroep geprogrammeerd is als u
zowel Band III als LBand hebt geselecteerd.
Frequentieband
DAB zendt uit op twee
Band III en LBand.
frequentiebanden5:
• Band III – Over het hele land6
• LBand - Voornamelijk in de grote steden
5
6
Wanneer u alleen voor Band III kiest, verloopt
het programmeren van kanalen sneller dan als
u voor zowel Band III als LBand hebt gekozen.
Het is echter niet zeker dat alle kanaalgroepen
ook daadwerkelijk worden gevonden. De
gekozen frequentieband is niet van invloed op
de opgeslagen voorkeuren.
Navigeren aan de hand van lijsten
Er zijn drie soorten basislijsten die u kunt
gebruiken om te navigeren:
• Ensemble - Geeft de te beluisteren
kanaalgroepen weer na programmering
van de kanaalgroepen.
• Voor onderhoud - Geeft de kanalen weer
ongeacht de kanaalgroep waartoe ze
behoren. De lijst is tevens te filteren met
behulp van DAB PTY (zie onder).
• Subkanaal - Subkanalen van het gekozen
kanaal.
De scanfunctie is ook te kiezen in de stand
DAB-PTY. Dan worden alleen kanalen van het
gekozen programmatype weergegeven.
±
Beëindig de scanfunctie door nogmaals op
de SCAN te drukken of druk op EXIT.
Subkanaal
Secundaire componenten worden vaak aangeduid als subkanalen. Dergelijke componenten zijn van tijdelijke aard en kunnen bijvoorbeeld uit vertalingen van het hoofdprogramma
bestaan.
Als er een of meer subkanalen bestaan verschijnt het symbool > rechts van de kanaalnaam op het display. Als er slechts één subkanaal bestaat verschijnt het symbool > links
van de kanaalnaam op het display.
Om een subkanaal te bereiken:
±
Druk op
De lijsten zijn toegankelijk via het menu. U kunt
de kanaalgroepen ook bereiken door op
ENTER te drukken.
Om te navigeren tussen subkanalen:
Scannen
Subkanalen zijn alleen te bereiken via het gekozen hoofdkanaal en niet via een ander hoofdkanaal.
Tijdens het scannen wordt van alle kanalen een
fragment van 10 seconden weergegeven.
±
04
±
Druk op
of op
Druk op SCAN om de functie te activeren
De beide frequentiebanden zijn niet in alle gebieden/landen in gebruik.
In de aanloopfase is de dekking van DAB-radio beperkt tot de grote steden.
``
151
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
04
DAB-PTY (programmatype)
DAB PTY selecteert een specifiek type radio-
Bij het beluisteren van een subkanaal verschijnt de subkanaalnaam
programma. Er bestaan 29 verschillende programmatypes voor verschillende soorten programmacategorieën. Wanneer u een bepaald
programmatype hebt gekozen, navigeert u
alleen binnen de kanalen die programma’s van
het gekozen type uitzenden.
2. Ensemble - Voegt de naam van de kanaalgroep toe aan de kanaalnaam.
Verlaat deze stand als volgt:
U kunt per frequentieband 10 voorkeurzenders
vastleggen. DAB heeft 2 geheugenbanken met
voorkeurzenders: DAB1 en DAB2. U kiest een
voorkeurzender met de voorkeurtoetsen.
±
Druk op EXIT
Het is ook mogelijk een voorkeurkanaal te kiezen of DAB PTY te beëindigen via het menu.
Bij gebruik van DAB-links tussen kanalen (zie
onder) is het mogelijk dat de DAB-radio de
PTY-stand verlaten.
DAB naar DAB link
Het is mogelijk om van een kanaal die slecht of
helemaal niet te ontvangen is over te schakelen
op hetzelfde kanaal in een andere kanaalgroep
met een betere ontvangst. Bij het veranderen
van kanaalgroep kan enige vertraging in de
geluidsweergave optreden. Vanaf het moment
dat het huidige kanaal verdwijnt en het nieuwe
kanaal toegankelijk wordt kan het geluid dan
ook enige tijd stilvallen.
DAB-displayinstellingen
1. Basis - Alleen de kanaalnaam verschijnt
als de hoofdcomponent wordt beluisterd.
152
3. Ensemble +PTY - Voegt de naam van het
programmatype toe aan de kanaalnaam.
wel beschikbaar is. U kunt uiteraard ook een
ander kanaal kiezen.
N.B.
De DAB-functie van het audiosysteem biedt
geen ondersteuning voor alle mogelijkheden van de DAB-standaard.
Preset
Een preset bestaat uit een kanaal zonder eventuele subkanalen. Als er tijdens het beluisteren
van een subkanaal een voorkeurkanaal vastgelegd wordt, wordt alleen de kanaal-ID geregistreerd. Dit komt omdat de subkanalen van
tijdelijke aard zijn. Bij activering van het bijbehorende voorkeurkanaal zal dan ook het
hoofdkanaal worden weergegeven waartoe het
subkanaal behoorde. De voorkeurkanalen zijn
niet gebonden aan de kanalenlijst.
Een vastgelegd kanaal hoeft niet in de kanalenlijst te staan om te kunnen worden beluisterd. Als u een kanaal kiest dat niet beschikbaar is, verschijnt het nummer van het voorkeurkanaal waarna het geluid stilvalt totdat u
een ander voorkeurkanaal hebt gekozen dat
Menusysteem DAB
Hoofdmenu DAB
1.
Selecteer groep
2.
Selecteer dienst
3.
Selecteer subkanaal
4.
DAB PTY
4.1.
DAP PTY uit
4.2.
Nieuws
4.3.
Actualiteit
4.4.
Informatie
4.5.
Sport
4.6.
Educatie
4.7.
Drama
4.8.
Cultuur
4.9.
Wetenschap
4.10.
Varia
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
4.11.
5.
Popmuziek
6.
DAB-instellingen
4.12
Rockmuziek
4.13.
Rustige muziek
6.1.
6.1.1.
Groepsnaam
4.14.
Licht klassiek
6.1.2.
Groepsnaam en PTY
4.15.
Klassieke muziek
6.1.3.
Basis
4.16.
Overige muziek
6.2.
DAB naar DAB link
4.17.
Het weer
6.3.
FM-verkeer
4.18.
Economie
6.4.
DAB-band selecteren
4.19
Kinderprogramma’s
6.4.1.
Band III
4.20.
Feitelijk
6.4.2.
LBand
4.21.
Religie
6.4.3.
LBand & Band III
4.22.
Doe mee!
4.23.
Reizen
4.24.
Vrije tijd
4.25.
Jazz en blues
4.26.
Countrymuziek
4.27.
Nationale muziek
4.28.
Gouwe Ouwe
4.29.
Volksmuziek
4.30.
Documentaires
6.5.
DAB-displayinstellingen
04
DAB resetten
Groep leren
153
04 Comfort en rijplezier
RSE-systeem (Rear Seat Entertainment) met twee beeldschermen*
Algemene informatie
Het RSE-systeem kan gelijktijdig met het infotainmentsysteem gebruikt worden.
Ook als de achterpassagiers gebruik maken
van de dvd-speler, de RSE-AUX-ingang of tv1
kijken en daarbij de koptelefoon dragen, kunnen de bestuurder en een eventuele voorpassagier de radio of cd-speler blijven beluisteren.
Tv-overzicht
Druk op
- instelling
en kies TV I DVD I AUX
MEDIA MENU.
TV
Systeeminstellingen
Het systeem is te activeren in contactstand I of
II en wanneer de motor loopt. Bij het starten
van de motor wordt de filmweergave tijdelijk
gestopt en voortgezet wanneer de motor is
aangeslagen.
Wanneer het systeem eenmaal gebruikt is terwijl het contact niet in stand I stond, is verder
gebruik geblokkeerd. U kunt het systeem dan
pas weer activeren nadat u contactstand I hebt
geactiveerd.
Lijst kanaalvergrend.
Instelling tijdzone
CI-module
Bij langdurig gebruik (meer dan 10 minuten)
van het systeem met de motor uitgeschakeld, kan de ladingstoestand van de accu
dusdanig verslechteren dat de motor startproblemen vertoont.
Er verschijnt in dat geval een melding op het
scherm.
1
154
Tv is een optionele functie van het RSE-systeem.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Geen CAM ingestoken
Informatie CImodule
Voorkeur kijker
Signaalsterkte
Kanaalzoeken
Beheer van nieuwe
dragers
Carier toevoegen
Informatie over
carrier
Carrier wissen
N.B.
Audiomodus
Fabrieksstandaard
Stroomverbruik, contactstanden
04
TV - instelling
Alle dragers wissen
Automatisch zoeken
Systeeminstellingen TV
Druk op MEDIA MENU
Systeeminstellingen TV - instelling.
04 Comfort en rijplezier
RSE-systeem (Rear Seat Entertainment) met twee beeldschermen*
Bijv. Engels
Taal waarin de tvmenu’s staan aangegeven
Beeldformaat
Audio
16:9
4:3
Automatisch
Modus (beeldschermstand)
Audio - 1, bijv. ENG.
Audiomodus
Links
Stereo
AC3
Rechts
Links
Tijd banner
De weergaveduur
van de menu’s is in
te stellen op
8–40 seconden.
Systeeminstellingen audiomodus
Druk op MEDIA MENU
Systeeminstellingen Audiomodus.
Om betaalkanalen te kunnen bekijken moet
een smartcard in een module worden geplaatst
die vervolgens in de digitale tv-ontvanger
wordt aangebracht.
Rechts
Zoom
Gecentreerd
Betaalkanalen
Audio - 2, bijv. GER.
Basis
Groot scherm
Audiomodus
De originele taal van een tv-programma kan
worden gewijzigd als het programma met
meerdere taalkanalen wordt uitgezonden.
04
Systeeminstellingen fabrieksstandaard
Druk op MEDIA MENU
Systeeminstellingen Fabrieksstandaard.
G031509
Taal
Hier kunt u de fabrieksinstellingen van het systeem herstellen.
De ontvanger zit achter het klepje links in de
kofferbak.
Systeeminstellingen instelling tijdzone
1. Open het klepje in de kofferbak. Het zit met
klittenband vast.
> De digitale tv-ontvanger wordt zichtbaar.
Druk op MEDIA MENU
Systeeminstellingen Instelling tijdzone.
De plaatselijke programmatijden worden alleen
correct weergegeven, wanneer u de juiste tijdzone hebt ingesteld. De menu’s onder GUIDE,
INFO en de klok hangen af van de ingestelde
plaatselijke tijdzone.
2. Open het rubber klepje van de ontvanger.
3. Stop de smartcard in de module. Zorg dat
u de smartcard op de juiste manier in de
module aanbrengt.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
155
04 Comfort en rijplezier
RSE-systeem (Rear Seat Entertainment) met twee beeldschermen*
4. Steek de module in de digitale tv-ontvanger. Zorg dat u de module op de juiste
manier aanbrengt.
> Het systeem registreert automatisch dat
het nieuwe informatie ontvangt.
5. Gebruik de zoekfunctie om de nieuwe
kanalen te vinden die u kunt bekijken (zie
onder “Tv-kanalen met smartcard” verderop).
04
Tv-kanalen met smartcard
Gebruik de zoekfunctie om de kanalen te vinden die u met de smartcard kunt bekijken.
1. Druk op MEDIA MENU op de afstandsbediening.
2. Kies Kanaalzoeken
zoeken.
Automatisch
aangebracht. Zie onder “Betaalkanalen” eerder in dit boekje.
Het systeem kan tv-programma’s in MPEG-2formaat weergeven. Na aanschaf van een speciale module zijn ook programma’s in
MPEG-4-formaat weer te geven. Deze module
wordt op dezelfde manier als de CI-module
voor smartcards in de digitale tv-ontvanger
156
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
om een submap te kiezen.
De cd is op verschillende manieren af te spelen. Kies met de navigatietoetsen de gewenste
afspeelmethode.
Cd beluisteren
1. Plaats een cd met de etiketzijde van de
toetsen af gericht.
> De cd wordt automatisch afgespeeld.
2. Schakel de draadloze koptelefoon(s) in
(kies CH A voor het linker beeldscherm of
CH B voor het rechter beeldscherm).
> Het geluid wordt via de koptelefoon(s)
weergegeven.
3. Stel het volume van de koptelefoon(s) in via
de volumeregeling of met het instelwieltje
op de koptelefoon(s) zelf.
Wanneer het dialoogvenster zichtbaar is:
1. Druk op de rechter navigatietoets om naar
het rechter menu te springen.
2. Blader met de navigatietoetsen om een
keuze te maken uit de afspeelopties.
3.
A B van de
AUX zetten en op de toets
afstandsbediening drukken om het geluid
via de luidsprekers weer te geven.
Map op de cd kiezen
1. Plaats de cd.
2.
Druk op
.
3. Kies met de navigatietoetsen het bestand
van uw keuze.
.
Bevestig uw keuze met
Andere cd-track
±
Kies een andere cd-track met
of
. Spoel voor- of achteruit door de
toetsen ingedrukt te houden.
U kunt het audiosysteem ook in MODE-
.
Door de digitale tv-ontvanger
ondersteunde formaten
Druk op
Verschillende afspeelmethoden
Muziek
3. Kies het land waarin u zich bevindt en druk
op
4.
Pauze
1.
2.
3.
Met
kunt u de cd-weergave pauzeren of voortzetten.
Met
digen.
kunt u de cd-weergave beëin-
Druk nogmaals op
werpen.
om de cd uit te
04 Comfort en rijplezier
RSE-systeem (Rear Seat Entertainment) met twee beeldschermen*
Zelfgebrande cd’s/dvd’s zijn te
beluisteren.
Aansluiten op AUX-ingang RSE-systeem
Systeem
Formaten die door het systeem worden ondersteund.
De afspeelbaarheid en de geluidskwaliteit zijn
echter afhankelijk van het bronbestand, het
gehanteerde formaat en de kwaliteit van de
gebruikte cd/dvd.
De ingang dient om randapparatuur te kunnen
aansluiten. Volg altijd de aansluitinstructies op
van de fabrikant of de verkoper van de
gebruikte randapparatuur. Randapparatuur die
via de AUX-ingang van het RSE-systeem is
aangesloten kan gebruik maken van de beeldschermen, de draadloze koptelefoons, de uitgangen voor koptelefoons met een snoeraansluiting en de luidsprekers van het audiosysteem.
G030382
AUX-ingang, 12 V-aansluiting
De AUX-ingang van het RSE-systeem zit onder
aan de achterkant van de middenarmsteun.
Audioformaten
CD-DA, DVD-Audio Playback,
MP3, WMA
Videoformaten
DVD-video, VCD, SVCD, Divx/
MPEG-4, WMA-video, Photo CD
Kodak, Photo CD JPG
Schijfformaten
DVD-RAM, DVD-ROM, DVD-RW,
DVD+RW, DVD-R, DVD+R, CD-R,
CD-ROM, CD-RW, CD-3, HDCD
1. Sluit de videokabel aan op de gele ingang.
Geavanceerde systeeminstellingen
2. Sluit de linker geluidskabel aan op de witte
ingang en de rechter op de rode ingang.
Deze instellingen zijn alleen toegankelijk wanneer de dvd-speler leeg is.
3. Sluit de voedingskabel aan op de 12 V-aansluiting als de apparatuur op 12 V werkt.
±
Voor de positie van de elektrische aansluiting,
zie pagina 198
04
Druk op MEDIA MENU.
GENERAL SETUP
ANGLE MARK
CAPTION
AUDIO SETUP
COMPRESSION
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
157
04 Comfort en rijplezier
RSE-systeem (Rear Seat Entertainment) met twee beeldschermen*
2. Verwijder beide batterijen en leg de nieuwe
batterijen op de aangegeven manier in het
batterijvakje.
DVX(R)
REGISTRATION
PREFERENCES
TV TYPE
AUDIO
04
3. Breng het dekseltje aan en draai het boutje
vast.
SUBTITLE
Milieuzorg
DEFAULTS
Lege batterijen moet u op een milieuvriendelijke manier inzamelen!
Batterijen in afstandsbediening en
koptelefoon(s) vervangen
De afstandsbediening en de koptelefoon(s)
werken op twee batterijen van het type AAA.
Neem bij lange ritten extra batterijen mee.
Draadloze koptelefoons
1. Draai het boutje los en haal het dekseltje
van het batterijvakje.
2. Verwijder beide batterijen en leg de nieuwe
batterijen op de aangegeven manier in het
batterijvakje.
3. Breng het dekseltje aan en draai het boutje
vast.
1. Draai het boutje los en haal het dekseltje
van het batterijvakje.
158
N.B.
Als het systeem te heet is of als de accuspanning te laag is, geeft een melding op
het scherm dat aan.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Comfort en rijplezier
Boordcomputer
Functies
Algemene informatie
N.B.
G021364
Als er een waarschuwingsmelding verschijnt terwijl de boordcomputer in gebruik
is, moet u deze melding eerst bevestigen
om naar de boordcomputerfunctie terug te
keren. U bevestigt door op READ te drukken.
Informatiedisplay en bedieningstoetsen.
READ - bevestigen
Duimwiel – menu’s en opties binnen de
cruisecontrol-lijst doorbladeren.
RESET – op nul stellen
Om toegang te krijgen tot de informatie in de
boordcomputer, moet u het duimwiel in stappen omhoog- of omlaagdraaien. Wanneer u na
het laatste menu nogmaals aan het wieltje
draait, keert u terug naar de uitgangspositie.
1
Neem contact op met een werkplaats, als u de
eenheid wilt wijzigen waarin de afstand en de
snelheid worden weergegeven. Volvo adviseert dat u daarvoor een erkende Volvo-werkplaats bezoekt.
Gemiddelde snelheid
De auto berekent de gemiddelde snelheid
sinds de laatste maal dat u deze waarde op nul
hebt gesteld. U stelt de waarde op nul met
RESET.
Momentaan
Het momentane (actuele) brandstofverbruik
wordt eenmaal per seconde berekend. De
waarde op het display wordt om de paar
seconden bijgewerkt. Wanneer de auto stilstaat, geeft het display “----” aan.
Gemiddeld
Het gemiddelde brandstofverbruik sinds de
laatste maal dat u de waarde op nul hebt
gesteld. U stelt de waarde op nul met RESET.
N.B.
Er kunnen iets afwijkende waarden verschijnen, als u een extra verwarming1 en/of
standkachel* op brandstof hebt gebruikt.
Km actieradius
04
De actieradius wordt berekend aan de hand
van het gemiddelde brandstofverbruik over de
laatste 30 km en de resterende hoeveelheid
brandstof. Het display geeft de afstand aan die
bij benadering kan worden afgelegd met de
resterende hoeveelheid brandstof in de tank.
Een zuinige rijstijl betekent doorgaans een langere actieradius. Voor meer informatie over de
wijze waarop u het brandstofverbruik kunt
beperken, zie pagina 10
Wanneer “--- km actieradius” op het display
staat, zijn geen garanties meer te geven voor
de resterende actieradius. Tank dan zo spoedig mogelijk.
Alleen dieselmodellen.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
159
04 Comfort en rijplezier
Boordcomputer
N.B.
Er kunnen iets afwijkende waarden verschijnen, als u van rijstijl verandert.
Op nul stellen
1. Selecteer Gem. snelheid of Gemiddeld.
04
2. Houd RESET ca. 1 seconde ingedrukt om
de waarde voor de gekozen functie op nul
te stellen. Als u RESET ten minste
3 seconden lang ingedrukt houdt, stelt u de
gemiddelde snelheid en het gemiddelde
brandstofverbruik gelijktijdig op nul.
Actuele snelheid*
Bij een snelheidsmeter met een kilometerschaal wordt de actuele snelheid weergegeven
in km/h. Bij een snelheidsmeter met een milesschaal wordt de actuele snelheid weergegeven
in mph.
160
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Comfort en rijplezier
Stabiliteits- en tractieregelsysteem, DSTC
Algemene informatie over DSTC
Het stabiliteits- en tractieregelsysteem, DSTC
(Dynamic Stability and Traction Control) helpt
de bestuurder voorkomen dat de wielen doorslippen en verbetert de tractie van de auto.
Tijdens het afremmen kunnen de ingrepen van
het systeem waarneembaar zijn in de vorm van
pulserende geluiden. Tijdens het gas geven
kan de auto langzamer optrekken dan u verwacht.
Antislipregeling
Bediening
2. Houd RESET
ingedrukt totdat het
menu DSTC zich wijzigt.
Beperkte functie
Het is mogelijk de werking van het systeem te
beperken, wanneer de wielen doorslippen en u
gas geeft. Het systeem grijpt bij doorslippende
wielen dan later in, zodat er een hogere mate
van doorslippen mogelijk is. Dit levert een grotere bedieningsvrijheid op bij dynamisch rijden.
De aandrijving in diepe lagen sneeuw of zand
wordt verbeterd, omdat er dan geen beperkingen meer gelden voor de tractie.
WAARSCHUWING
Er kunnen wijzigingen optreden in de rijeigenschappen van de auto, als de werking
van het systeem wordt beperkt.
04
Berichten op informatiedisplay
Deze regeling beperkt de aandrijfkracht en
remkracht van elk van de afzonderlijke wielen
om de auto op die manier te stabiliseren.
DSTC Tijdelijk UIT
Wegens een te hoge temperatuur van de remschijven gelden er tijdelijk beperkingen voor
het systeem. Het systeem wordt automatisch
opnieuw ingeschakeld, wanneer de remmen
weer voldoende zijn afgekoeld.
Antispinregeling
Deze regeling voorkomt dat de aangedreven
wielen tijdens het optrekken doorslippen.
Tractieregeling
DSTC Service vereist
G021409
Deze regeling is actief op lage snelheden en
brengt de aandrijfkracht van een slippend aandrijfwiel over op een aandrijfwiel dat niet slipt.
De beperkingen voor de werking van het systeem blijven van kracht totdat u de motor een
volgende keer opnieuw start.
1. Draai aan het duimwiel
totdat het menu
DSTC verschijnt. DSTC AAN betekent dat
de werking van het systeem ongewijzigd is.
Wegens een storing werd het systeem uitgeschakeld.
Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand
en zet de motor af. Bezoek een werkplaats, als
de melding opnieuw verschijnt nadat u de
motor weer hebt gestart – geadviseerd wordt
een erkende Volvo-werkplaats.
DSTC Spin Control UIT betekent dat er
beperkingen gelden voor de werking van
het systeem.
``
161
04 Comfort en rijplezier
Stabiliteits- en tractieregelsysteem, DSTC
Symbolen op instrumentenpaneel
Lees de melding op het informatiedisplay, als
de symbolen
en
gelijktijdig
oplichten.
Als alleen het symbool
dat het volgende:
04
162
oplicht, betekent
•
Een knipperend symbool geeft aan dat het
systeem op dat moment ingrijpt.
•
Een symbool dat 2 seconden brandt geeft
aan dat de systeemtest bij het starten van
de motor loopt.
•
Een symbool dat na het starten van de
motor of tijdens het rijden oplicht, duidt op
een storing in het systeem.
04 Comfort en rijplezier
Rijeigenschappen aanpassen
Actief chassis (FOUR-C)*
Bediening
Het actieve chassissysteem FOUR-C
(Continously Controlled Chassis Concept)
stemt de eigenschappen van de schokdempers af op de gewenste rijeigenschappen van
de auto. U hebt de keuze uit drie standen:
Comfort, Sport en Advanced.
vinden dat bij u past qua weggevoel en stuurgevoeligheid. Ga naar Instellingen van de
auto Stuurkrachtniveau in het menusysteem.
Voor een beschrijving van het menusysteem,
zie pagina 122. Dit menu is niet te openen wanneer de auto rijdt.
Comfort
Bij deze stand die wordt geadviseerd voor
lange ritten rijdt de auto comfortabeler dan normaal. De vering verloopt soepel waardoor de
bewegingen van de carrosserie minimaal en
aangenaam zijn.
Sport
Bij deze stand die wordt geadviseerd voor een
actievere rijstijl heeft de auto een sportiever
karakter. De auto reageert sneller op de bewegingen van het stuurwiel dan in de stand
Comfort. De vering is stugger dan normaal en
de carrosserie volgt het wegdek om bij het
snelle bochtenwerk de mate van overhellen te
beperken.
Advanced
U wordt geadviseerd deze stand alleen te activeren op zeer rechte en vlakke wegen.
De bewegingen van de schokdempers zijn
geoptimaliseerd voor maximale grip en minimale overhelling in bochten.
04
Chassisstanden.
Gebruik de knoppen op de middenconsole om
van stand te veranderen. De chassisstand die
actief is bij het afzetten van de motor zal de
volgende keer dat u de motor start opnieuw
geactiveerd worden.
Snelheidsafhankelijke
stuurbekrachtiging*
Naarmate de rijsnelheid hoger wordt neemt de
stuurbekrachtiging af, waardoor u een beter
gevoel met de weg krijgt. Op snelwegen stuurt
de auto zwaarder en directer. Bij het parkeren
en op lage snelheden is de auto lichter en met
minder moeite te besturen.
De mate van stuurbekrachtiging is in te stellen
op drie niveaus, zodat u altijd het niveau kunt
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
163
04 Comfort en rijplezier
Cruisecontrol*
Bediening
De cruisecontrol is vervolgens te activeren met
of de
, waarna de actuele snelheid
de
wordt vastgezet en als ingestelde snelheid
dient. De displaytekens (---) km/h veranderen
in de ingestelde snelheid, bijvoorbeeld
100 km/h.
N.B.
Bij snelheden lager dan 30 km/h is het niet
mogelijk de cruisecontrol in te schakelen.
G021411
04
Display en bedieningstoetsen.
Stand-by zetten
Ingestelde snelheid hervatten
Deactiveren
Snelheid activeren/instellen
Ingestelde snelheid (tussen haakjes =
stand-bystand)
Activeren en snelheid instellen
U kunt de cruisecontrol alleen activeren nadat
u deze stand-by hebt gezet met een druk op
de knop CRUISE
. Het symbool
op het
display licht op en de melding (---) km/h
verschijnt om aan te geven dat de cruisecontrol
stand-by staat.
164
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Deactiveren
U schakelt de cruisecontrol uit met CRUISE of
door de motor af zetten. De ingestelde snelheid
wordt daarbij gewist.
Onderbreking
Druk op
om de cruisecontrol te onderbreken. De vastgelegde snelheid staat tussen
haakjes op het display (bijvoorbeeld (100) km/
h).
Automatische onderbreking
Ingestelde snelheid verhogen/verlagen
In de actieve stand kunt u de snelheid verhoof
korte of
gen of verlagen door de knop
lang in te drukken.
Een tijdelijke verhoging van de snelheid met het
gaspedaal (zoals bij het inhalen) is niet van
invloed op de instelling van de cruisecontrol.
Als u het gaspedaal loslaat, neemt de auto
automatisch de ingestelde snelheid weer aan.
N.B.
Als een van de toetsen van de cruisecontrol
langer dan ca. één minuut ingedrukt wordt,
wordt de cruisecontrol uitgeschakeld. Om
de cruisecontrol in dat geval te resetten
moet u de motor afzetten.
De cruisecontrol wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer de aangedreven wielen sterk
doorslippen of als de snelheid bij het oprijden
van een steile helling daalt tot onder ca.
30 km/h.
De cruisecontrol wordt uitgeschakeld wanneer
u het rempedaal bedient, de keuzehendel in de
neutrale stand zet of ca. 1 minuut lang met het
gaspedaal om een hogere snelheid vraagt dan
ingesteld.
Na uitschakeling gaat de cruisecontrol standby en wordt de ingestelde snelheid opgeslagen.
Ingestelde snelheid hervatten
De cruisecontrol kan na een onderbreking
opnieuw geactiveerd worden door te drukken
04 Comfort en rijplezier
Cruisecontrol*
op . Het systeem hervat dan de eerder ingestelde snelheid.
N.B.
Wanneer u de ingestelde snelheid hebt hervat met
kan er een duidelijke snelheidsverhoging optreden.
04
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
165
04 Comfort en rijplezier
Adaptieve cruisecontrol*
Algemene informatie
Functie
WAARSCHUWING
De adaptieve cruisecontrol (Adaptive Cruise
Control, ACC) vormt een hulpmiddel om u te
ontlasten bij lange ritten op rechte weggedeelten met een gelijkmatige verkeersstroom zoals
op snelwegen en provinciale wegen.
De adaptieve cruisecontrol is geen systeem
dat botsingen voorkomt. Grijp zelf in zodra
u merkt dat het systeem een voertuig voor
u niet registreert.
De adaptieve cruisecontrol reageert niet op
voetgangers en dieren. Het systeem reageert evenmin op tegenliggers, op langzaam rijdende voorliggers of stilstaande
voertuigen noch op vaste obstakels.
WAARSCHUWING
De adaptieve cruisecontrol leent zich niet
voor alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
In het onderdeel Functie en verder wordt
geïnformeerd over de beperkingen die u als
bestuurder moet kennen, voordat u de
adaptieve cruisecontrol gebruikt.
Als bestuurder bent u ervoor verantwoordelijk dat u de juiste afstand en snelheid aanhoudt, ook als u gebruik maakt van de adaptieve cruisecontrol.
BELANGRIJK
Laat het onderhoud van de onderdelen van
de adaptieve cruisecontrol over aan een
werkplaats – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
166
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
G021412
04
U dient altijd rekening te houden met de
verkeersomstandigheden en in te grijpen,
wanneer de adaptieve cruisecontrol geen
passende snelheid of afstand aanhoudt.
Functie-overzicht.
Waarschuwingslampje, afremmen noodzakelijk
Bedieningsknoppen
Radarsensor
De adaptieve cruisecontrol bestaat uit een
cruisecontrol die gekoppeld is aan een
afstandshouder.
Gebruik de adaptieve cruisecontrol niet in
stadsverkeer of drukke verkeersstromen, bij
gladheid, hevige regen- of sneeuwval of
slecht zicht en evenmin op weggedeelten
met een dikke laag water of sneeuwmodder,
vele bochten of op- en afritten.
De afstand tot het verkeer voor u wordt gemeten met een radarsensor. De snelheid wordt
afgeregeld door de stand van het gasklep aan
te passen en zo nodig af te remmen. Het is volkomen normaal dat de remmen enige geluiden
produceren, wanneer de adaptieve cruisecontrol ze aanspreekt.
WAARSCHUWING
Het rempedaal komt omlaag, wanneer de
cruisecontrol remt. Houd uw voet dan ook
niet onder het rempedaal om beknelling te
voorkomen.
04 Comfort en rijplezier
Adaptieve cruisecontrol*
De adaptieve cruisecontrol streeft ernaar de
afstand tot het voertuig dat voor u op dezelfde
rijstrook rijdt op een bepaalde tijdswaarde te
houden. Als de radarsensor geen voertuig voor
u registreert, wordt alleen de ingestelde snelheid aangehouden. Dit gebeurt ook als de snelheid van de voorligger de ingestelde snelheid
van de adaptieve cruisecontrol overschrijdt.
De adaptieve cruisecontrol streeft ernaar de
snelheid zo weinig mogelijk aan te passen. In
situaties waarin krachtig moet worden geremd,
dient u dan ook zelf te remmen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij grote snelheidsverschillen of
als het voertuig dat voor u rijdt krachtig remt.
Door beperkingen van de radarsensor is het
mogelijk dat er onverwachts of helemaal niet
wordt geremd, zie pagina 169.
De adaptieve cruisecontrol is alleen te activeren bij snelheden hoger dan 30 km/h. Als de
snelheid tot onder 30 km/h daalt of als het
motortoerental te laag wordt, wordt de adaptieve cruisecontrol automatisch uitgeschakeld
zodat er niet langer wordt afgeremd. U moet
het remmen in dat geval meteen overnemen
om een passende afstand te kunnen houden
tot de voorligger te kunnen. De hoogste snelheid die u kunt instellen is 200 km/h.
Waarschuwingslampje, afremmen
noodzakelijk
Bediening
Het remvermogen van de adaptieve cruisecontrol bedraagt ca. 30 % van dat van het normale
remsysteem van de auto.
Als uw auto harder moet afremmen dan de
adaptieve cruisecontrol aankan en u remt zelf
niet bij,dan maakt de cruisecontrol u er middels
het waarschuwingslampje van de Collision
Warning en een geluidssignaal attent op dat u
onmiddellijk moet ingrijpen.
N.B.
Het waarschuwingslampje is soms moeilijk
te ontdekken in de felle zon of bij het gebruik
van een zonnebril.
04
Display en bedieningstoetsen.
Instellingen activeren en hervatten, snelheid verhogen
Stand-bystand, in-/uitschakelen
WAARSCHUWING
De adaptieve cruisecontrol waarschuwt
alleen voor de voertuigen die de radarsensor heeft geregistreerd. Het is dan ook
mogelijk dat een waarschuwing uitblijft of
pas na enige vertraging wordt gegeven.
Wacht een waarschuwing dan ook niet af,
maar rem zelf wanneer u dat nodig acht.
Volgtijd instellen
Activeren en snelheid instellen
Ingestelde snelheid (tussen haakjes =
stand-bystand)
Ingestelde volgtijd tijdens regeling
Ingestelde volgtijd ná regeling
Activeren en snelheid instellen
U kunt de cruisecontrol alleen activeren nadat
u deze stand-by hebt gezet met een druk op
de knop
. Het symbool
op het display
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
167
04 Comfort en rijplezier
Adaptieve cruisecontrol*
licht op en de tekens (---) verschijnen om aan
te geven dat de cruisecontrol stand-by staat.
De cruisecontrol is vervolgens te activeren met
of de
, waarna de actuele snelheid
de
wordt vastgezet en als ingestelde snelheid
dient. De displaytekens (---) veranderen in de
ingestelde snelheid, bijvoorbeeld 100.
Wanneer de radarsensor een
voorligger registreert, verschijnt links op het display
een autosymbool. Alleen
wanneer dit symbool brandt,
wordt de afstand tot de voorligger aangepast.
04
N.B.
Bij snelheden lager dan 30 km/h is het niet
mogelijk de cruisecontrol in te schakelen.
Ingestelde snelheid verhogen/verlagen
In de actieve stand kunt u de snelheid verhogen of verlagen door de knop ,
of
lang
heeft dezelfde
of kort in te drukken. De knop
functie als
maar levert een minder grote
snelheidsverhoging op.
168
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
N.B.
Als een van de toetsen van de cruisecontrol
langer dan ca. één minuut ingedrukt wordt,
wordt de cruisecontrol uitgeschakeld. Om
de cruisecontrol in dat geval te resetten
moet u de motor afzetten.
In bepaalde situaties is het niet mogelijk de
adaptieve cruisecontrol te activeren. In dat
geval verschijnt ACC niet beschikbaar op
het display (zie pagina 171).
Volgtijd instellen
U kunt de ingestelde volgtijd tot een voorligger
vergroten met
en verkleinen met
.
U hebt de keuze uit vijf verschillende volgtijden die op
het display als 1–5 horizontale
streepjes worden weergegeven – hoe meer streepjes, des
te langer de volgtijd, zie
pagina 173 voor de tabel.
Bij lage snelheden (en korte tijden) vergroot de
adaptieve cruisecontrol de volgtijd iets.
Om voorliggers soepel en comfortabel te kunnen blijven volgen staat de adaptieve cruisecontrol in bepaalde situaties aanzienlijke variaties in de volgtijd toe.
Let erop dat korte volgtijden u bij plotselinge
wijzigingen in de verkeersstroom minder tijd
geven om te reageren.
Tijdens het instellen van de
volgtijd verschijnt het bijbehorende aantal horizontale
streepjes op het display. Deze
streepjes verdwijnen na
enkele seconden, waarna een
verkleinde uitvoering ervan
rechts op het display verschijnt. Hetzelfde
symbool verschijnt ook wanneer de afstandscontrole geactiveerd is, zie pagina 173.
N.B.
Houd alleen een volgtijd aan die niet in strijd
is met de geldende verkeersregels.
Als de adaptieve cruisecontrol niet lijkt te
reageren na activering, is het mogelijk dat
de volgtijd tot de voorligger geen snelheidsverhoging toelaat.
Hoe hoger de snelheid, hoe langer de volgafstand in meters voor een bepaalde volgtijd.
Instellingen deactiveren en hervatten
Bij een korte druk op
of actief ingrijpen van
uw kant zoals het bedienen van het rempedaal
wordt de adaptieve cruisecontrol gedeactiveerd. De ingestelde snelheid staat dan tussen
04 Comfort en rijplezier
Adaptieve cruisecontrol*
haakjes op het display bijvoorbeeld (100). U
kunt de ingestelde snelheid en volgtijd hervat.
ten met een druk op
Wanneer de adaptieve cruisecontrol actief is,
wordt de ingestelde snelheid iedere keer dat u
drukt in stapjes van 1 km/h verhoogd.
op
N.B.
Wanneer u de ingestelde snelheid hebt hervat met
kan er een duidelijke snelheidsverhoging optreden.
Wanneer u
kort indrukt in de stand-bystand
of lang indrukt in de actieve stand, wordt de
adaptieve cruisecontrol uitgeschakeld. Daarbij
wordt de ingestelde snelheid gewist waarna u
deze niet meer kunt hervatten.
Deactivering bij ingreep bestuurder
De cruisecontrol wordt gedeactiveerd wanneer
u het rempedaal bedient, de keuzehendel in de
vrijstand zet of het gaspedaal lang bedient. De
cruisecontrol gaat dan stand-by, waarna u de
snelheid van de auto zelf dient te regelen.
Wanneer u het gaspedaal korte tijd bedient
zoals bij een inhaalmanoeuvre, wordt de
cruisecontrol tijdelijk gedeactiveerd. Zodra u
het gaspedaal loslaat, wordt de cruisecontrol
echter weer geactiveerd.
Automatisch deactiveren
De adaptieve cruisecontrol is afhankelijk van
andere systemen zoals het stabiliteits- en tractieregelsysteem (DSTC). Als een van dergelijke
systeem uitvalt, wordt de cruisecontrol automatisch uitgeschakeld.
Bij automatische deactivering klinkt een waarschuwingssignaal en op het display verschijnt
de melding ACC gedeactiveerd. U moet in
dat geval zelf ingrijpen om de snelheid ten
opzichte van de voorligger aan te passen.
Automatische deactivering is mogelijk, wanneer:
•
•
•
•
•
Bij modificatie van de radarsensor is het mogelijk dat het gebruik ervan onwettig wordt.
WAARSCHUWING
Het is niet toegestaan accessoires of
andere voorwerpen voor de grille te monteren.
De radarsensor heeft veel meer moeite om een
voertuig voor u te ontdekken:
•
de snelheid daalt tot onder 30 km/h
de wielen hun grip op het wegdek verliezen
Houd het gebied voor de radarsensor
schoon.
het toerental van de motor te laag wordt
Radarsensor en de beperkingen ervan
De radarsensor wordt niet alleen gebruikt door
de adaptieve cruisecontrol maar ook door de
Collision Warning met Auto Brake (zie
pagina 176) en de afstandscontrole (zie
pagina 173). De sensor dient om personenauto’s of grotere voertuigen te registreren die
in dezelfde richting als u rijden.
04
N.B.
de remmen een hoge temperatuur hebben
de radarsensor wordt gehinderd door natte
sneeuw of hevige regenval (de radargolven
worden geblokkeerd).
als de radarsensor gehinderd wordt door
bijvoorbeeld hevige regenval of als
sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken.
•
als de snelheid van de voorligger te veel
afwijkt van die van uw eigen auto.
De radarsensor heeft een beperkt bereik. In
bepaalde gevallen kan de sensor helemaal
geen voertuigen ontdekken of later reageren
op een voertuig dan u verwacht.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
169
04 Comfort en rijplezier
Adaptieve cruisecontrol*
Ook kleine voertuigen, zoals motorfietsen
of voertuigen die niet in het midden van de
rijstrook rijden, kunnen onopgemerkt blijven.
In bochten kan de radarsensor op het verkeerde voertuig reageren of een eerder
opgemerkt voertuig uit het zicht verliezen.
Storingen opsporen en verhelpen
Als op het display de melding Radar afgedekt
Zie instructieb. verschijnt, worden de radar-
04
signalen van de radarsensor gehinderd zodat
voorliggers niet kunnen worden geregistreerd.
G021414
Dit betekent dat de adaptieve cruisecontrol, de
afstandscontrole en de Collision Warning with
Auto Brake evenmin werken.
Bereik van de radarsensor (grijs gearceerd).
Soms kan de radarsensor een voertuig op
geringe afstand niet registreren, bijvoorbeeld als een inhalend voertuig invoegt
tussen u en uw voorligger.
170
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
In de onderstaande tabel staan mogelijke oorzaken van het verschijnen van de melding en
passende maatregelen.
04 Comfort en rijplezier
Adaptieve cruisecontrol*
Oorzaak
Maatregel
Het radaroppervlak van de grille is vuil of bedekt met sneeuw of ijs.
Ontdoe het radaroppervlak van de grille van vuil, sneeuw en ijs.
De radarsignalen worden gehinderd door hevige regen- of sneeuwval.
Valt niets aan te doen. Bij hevige neerslag werkt de radar soms niet.
De radarsignalen worden gehinderd door opspattend water en opdwarrelende sneeuw van het wegdek.
Valt niets aan te doen. Op weggedeelten met een dikke laag water of
sneeuw werkt de radar soms niet.
De melding blijft ook na schoonmaak van het radaroppervlak staan.
Wacht even. Het kan enige minuten duren voordat de radar doorheeft
dat de radarsignalen niet langer worden geblokkeerd.
04
Symbolen en meldingen op display
Symbool
Melding
Betekenis
Stand-bystand of geen voertuig ontdekt in actieve stand.
Voertuig ontdekt in actieve stand waarop de adaptieve cruisecontrol uw snelheid afstemt.
Ingestelde volgtijd tijdens regeling.
Ingestelde volgtijd ná regeling.
DSTC inschakelen
voor ACC
De adaptieve cruisecontrol kan alleen worden geactiveerd wanneer het stabiliteits en tractieregelsysteem (DSTC) ingeschakeld is.
ACC
De adaptieve cruisecontrol werd uitgeschakeld.
Gedeactiveerd
U dient zelf uw snelheid aan te passen.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
171
04 Comfort en rijplezier
Adaptieve cruisecontrol*
Symbool
Melding
Betekenis
ACC
De adaptieve cruisecontrol kan niet worden ingeschakeld.
Niet beschikbaar
Dit kan onder meer gebeuren wanneer:
•
•
de remmen een hoge temperatuur hebben
de radarsensor wordt gehinderd door natte sneeuw of regen.
Radar afgedekt
De adaptieve cruisecontrol werkt tijdelijk niet.
Zie instructieb.
De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren wanneer deze wordt gehinderd door bijvoorbeeld hevige regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken.
04
Voor meer informatie over de beperkingen van de radarsensor, zie pagina 169.
172
ACC
De adaptieve cruisecontrol werkt niet.
Service vereist
Geadviseerd wordt contact op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Comfort en rijplezier
Afstandscontrole
Algemene informatie
De afstandscontrole (Distance Alert) is een
functie die de volgtijd ten opzichte van de voorligger aangeeft.
Een deel van het op de voorruit geprojecteerde
rode waarschuwingslampje brandt continu, als
de afstand tot de voorligger kleiner wordt dan
de ingestelde volgtijd.
N.B.
Zolang de adaptieve cruisecontrol wordt
gebruikt staat de afstandscontrole uit.
instelt. U kunt de volgtijd verlengen met
.
verkorten met
en
U hebt de keuze uit vijf verschillende volgtijden die op
het display als 1–5 horizontale
streepjes worden weergegeven – hoe meer streepjes, des
te langer de volgtijd.
WAARSCHUWING
De afstandscontrole geeft alleen de afstand
tot voorliggers aan en past de rijsnelheid
van de auto dan ook niet aan.
Bediening
G017362
De afstandsinformatie wordt alleen verstrekt
voor voorliggers die in dezelfde richting rijden.
Voor voertuigen die langzaam in tegengestelde
richting rijden of stilstaan wordt geen afstandsinformatie gegeven.
De afstandscontrole werkt bij snelheden hoger
dan 30 km/h.
Aantal streepjes
Volgtijd (seconden)
1
1,0
2
1,4
3
1,8
4
2,2
5
2,6
04
Met de knop op de middenconsole kunt u de
functie in- en uitschakelen. Het brandende
lampje in de schakelaar geeft aan dat de functie geactiveerd is.
Volgtijd instellen
Links op het stuurwiel zitten de knoppen waarmee u de volgtijd ten opzichte van voorliggers
``
173
04 Comfort en rijplezier
Afstandscontrole
Tijdens het instellen van de
volgtijd verschijnt het bijbehorende aantal horizontale
streepjes op het display. Deze
streepjes verdwijnen na
enkele seconden, waarna een
verkleinde uitvoering ervan
rechts op het display verschijnt. Hetzelfde
symbool verschijnt ook wanneer de adaptieve
cruisecontrole geactiveerd is.
04
N.B.
Hoe hoger de snelheid, hoe langer de volgafstand in meters voor een bepaalde volgtijd.
De ingestelde volgtijd wordt ook gebruikt
door de adaptieve cruisecontrol (zie
pagina 167).
Houd alleen een volgtijd aan die niet in strijd
is met de geldende verkeersregels.
Beperkingen
De afstandscontrole, adaptieve cruisecontrol
en Collision Warning maakt gebruik van
dezelfde radarsensor. Voor meer informatie
over de radarsensor en de beperkingen ervan,
zie pagina 169.
N.B.
In de felle zon en bij lichtschitteringen of
grote variaties in de lichtsterkte alsook het
gebruik van een zonnebril is het op de voorruit geprojecteerde waarschuwingslampje
soms moeilijk te ontdekken.
In slechte weersomstandigheden en op slingerende wegen heeft de radarsensor soms
moeite om voorliggers te registreren. Ook
voorliggers met geringe afmetingen (zoals
motorfietsen) zijn soms moeilijk te ontdekken.
Symbolen en meldingen op display
Symbool
Melding
Betekenis
Ingestelde volgtijd tijdens regeling.
Ingestelde volgtijd ná regeling.
174
Dat kan betekenen dat het geprojecteerde
waarschuwingslampje pas bij kortere volgtijden oplicht of dat helemaal niet gaat branden.
Op zeer hoge snelheden is het mogelijk dat het
lampje door beperkingen in het bereik van de
sensor op kortere afstand oplicht.
04 Comfort en rijplezier
Afstandscontrole
Symbool
Melding
Betekenis
Radar afgedekt.
De afstandscontrole werkt tijdelijk niet.
Zie instructieb.
De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren wanneer deze wordt gehinderd door bijvoorbeeld hevige regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken.
Voor meer informatie over de beperkingen van de radarsensor zie pagina 169
CWS-systeem Service vereist
De afstandscontrole alsmede de Collision Warning with Auto Brake werkt niet of gedeeltelijk.
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
04
175
04 Comfort en rijplezier
Collision Warning met Auto Brake*
De Collision Warning met Auto Brake is een
hulpmiddel dat bestemd is om u te waarschuwen wanneer het gevaar bestaat dat u op een
(stilstaande of rijdende) voorligger botst.
De Collision Warning kent drie hulpfuncties.
•
Collision Warning waarschuwt voor een
naderende botsing.
•
Brake Support helpt u om efficiënt te remmen in een kritieke situatie.
•
Auto Brake remt de auto automatisch af
als een botsing onvermijdelijk is. De Auto
Brake is alleen bedoeld om de botssnelheid te verlagen en kan een botsing dan
ook niet voorkomen.
04
BELANGRIJK
Laat het onderhoud van de onderdelen van
de Collision Warning over aan een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Functie
De Collision Warning werkt niet in alle rijsituaties en verkeers-, weers- of wegomstandigheden. De Collision Warning reageert
niet op tegenliggers noch op voetgangers
en dieren.
Er wordt alleen gewaarschuwd wanneer de
kans op een botsing groot is. In de onderdeel Functie en de navolgende onderdelen
staat informatie over de beperkingen die u
moet kennen, voordat u de Collision Warning met Auto Brake gebruikt.
De Auto Brake is alleen in staat de botssnelheid te beperken. Voor het maximale
remvermogen dient u echter zelf het rempedaal te bedienen.
Wacht daarom nooit het waarschuwingssignaal van de Collision Warning af. Als
bestuurder bent u ervoor verantwoordelijk
dat u de juiste afstand en snelheid aanhoudt, ook als u gebruik maakt van de Collision Warning.
G017382
Algemene informatie
Functie-overzicht.
Visueel waarschuwingssignaal bij gevaar
voor een botsing
Radarsensor
Camerasensor
Collision Warning
De radarsensor registreert (stilstaande of rijdende) voorliggers. Bij gevaar voor een botsing
met een voorligger wordt u daarop attent
gemaakt met behulp van een rood waarschuwingslampje dat knippert en een waarschuwingszoemer.
De Collision Warning is actief bij een snelheid
vanaf 7 km/h.
176
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Comfort en rijplezier
Collision Warning met Auto Brake*
Brake Support
Als het gevaar voor een botsing na de Collision
Warning verder toeneemt, treedt de Brake
Support in werking. De Brake Support treft de
nodige voorbereidingen voor een snelle remmanoeuvre waarna de remmen licht worden
aangezet. Dit is te merken aan een lichte schok.
Als u het rempedaal met een bepaalde snelheid
bedient, wordt het maximale remvermogen
geleverd ook al trapt u het pedaal niet zo ver
in.
Auto Brake
Als u niet op de waarschuwing reageert treedt
– als een botsing onvermijdelijk is – de Auto
Brake in werking zonder dat u daarvoor het
rempedaal hoeft te bedienen. De auto wordt
daarbij afgeremd om de botssnelheid te beperken. Voor het maximale remvermogen dient u
zelf bij te remmen.
Bediening
Via een menusysteem op het display van de
middenconsole zijn eventuele instellingen te
verrichten. Voor informatie over het gebruik
van het menusysteem, zie pagina 122.
N.B.
De Auto Brake is altijd actief en kan niet
worden uitgeschakeld.
Kies uit de opties Lang, Normaal of Kort
onder Instellingen van de auto Inst.
botswaarschuwing
Waarschuwingsafstand.
Doe het volgende om de Collision Warning inof uit te schakelen. Maak in het menu
Instellingen van de auto Inst.
botswaarschuwing een keuze uit de opties
Aan en Uit.. Bij het starten van de motor geldt
automatisch de instelling die actief was toen de
motor werd afgezet.
De waarschuwingsafstand is bepalend voor de
gevoeligheid van het systeem. Bij de waarschuwingsafstand Lang wordt eerder gewaarschuwd. Ga altijd uit van de instelling Lang,
maar als deze instelling te vaak tot waarschuwingen leidt (wat in bepaalde situaties als hinderlijk kan worden ervaren) kunt u overgaan op
de waarschuwingsafstand Normaal.
Waarschuwingssignalen activeren/
deactiveren
Maak alleen in uitzonderingsgevallen zoals bij
dynamisch rijden gebruik van de waarschuwingsafstand Kort.
Aan en Uit
Als bij het starten van de motor blijkt dat u
ervoor gekozen hebt het systeem in te schakelen worden de waarschuwingszoemer en het
waarschuwingslampje automatisch geactiveerd.
De waarschuwingszoemer is apart te activeren/deactiveren via de opties Aan en Uit onder
Instellingen van de auto Inst.
botswaarschuwing
Waarschuwingsgeluid.
Waarschuwingsafstand instellen
De waarschuwingsafstand is de afstand waarbij het visuele waarschuwingssignaal en de
waarschuwingszoemer worden afgegeven.
04
N.B.
Bij gebruik van de adaptieve cruisecontrol
worden het waarschuwingslampje en de
waarschuwingszoemer door de cruisecontrol gehanteerd, ook al hebt u de Collision
Warning gedeactiveerd.
De Collision Warning waarschuwt u bij
gevaar voor een botsing, maar de functie is
niet in staat uw reactietijd te verkorten.
Voor een optimale werking van de Collision
Warning dient u de afstandscontrole altijd in
te stellen op volgtijd 4–5 (zie pagina 173).
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
177
04 Comfort en rijplezier
Collision Warning met Auto Brake*
N.B.
Ook als u de waarschuwingsafstand hebt
ingesteld op Lang, kunnen de waarschuwingen voor uw gevoel soms laat worden
afgegeven (bijvoorbeeld als het snelheidsverschil groot is of als uw voorligger sterk
afremt).
Instellingen controleren
04
U kunt de actuele instellingen controleren op
het display van de middenconsole. Open het
menu en ga naar Instellingen van de auto
Inst. botswaarschuwing, zie pagina 122.
Beperkingen
In de felle zon en bij lichtschitteringen alsook
het gebruik van een zonnebril is het op de voorruit geprojecteerde waarschuwingslampje
soms moeilijk te ontdekken. Dat is ook mogelijk
als u niet recht vooruit kijkt. Houd de waarschuwingszoemer daarom altijd ingeschakeld.
N.B.
Het visuele waarschuwingssignaal kan
korte tijd buiten werking worden gesteld,
wanneer de temperatuur in het interieur bijvoorbeeld door de felle zon te hoog is opgelopen. Als dit gebeurt, wordt er een waarschuwingszoemer afgegeven ook al hebt u
dit uitgeschakeld via het menusysteem.
•
Waarschuwingen kunnen eveneens uitblijven bij een zeer geringe afstand tot
de voorligger of bij relatief grote stuuren pedaalbewegingen zoals bij een zeer
actieve rijstijl.
WAARSCHUWING
Als de radar- of camerasensor op grond van
de verkeerssituatie of anderszins problemen heeft voorliggers te ontdekken, is het
mogelijk dat het systeem pas laat, onterecht
of helemaal geen waarschuwing geeft en
remt.
Bij hoge rijsnelheden (meer dan 70 km/h) is
het bereik waarbinnen de sensoren langzaam rijdende of stilstaande voorliggers
kunnen registreren beperkt, waardoor er
minder efficiënt of helemaal niet voor dergelijke voertuigen wordt gewaarschuwd.
In het donker wordt er mogelijk niet gewaarschuwd voor langzaam rijdende of stilstaande voorliggers.
178
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
De Collision Warning maakt gebruik van
dezelfde radarsensor als die van de adaptieve
cruisecontrol. Voor meer informatie over de
radarsensor en de beperkingen ervan, zie
pagina 169.
Wanneer het systeem geen of pas laat waarschuwingen afgeeft, treedt de Brake Support
mogelijk niet of pas laat in werking.
Als u vindt dat er te vaak wordt gewaarschuwd
en de signalen als storend ervaart, kunt u de
waarschuwingsafstand verkleinen. Het systeem waarschuwt dan minder snel en minder
vaak.
Beperkingen van de camerasensor
De camerasensor van de auto maakt gebruikt
van de drie hulpfuncties Collision Warning met
Auto Brake, Driver Alert Control, zie
pagina 182, en Lane Departure Warning, zie
pagina 185.
N.B.
Houd de voorruit vóór de camerasensor vrij
van sneeuw, ijs, condens en vuil.
Plak of monteer geen stickers of andere
voorwerpen op de voorruit in het gebied
vóór de camerasensor, omdat één of meer
systemen die gebruik maken van de camera
daardoor mogelijk niet goed of helemaal
niet werken.
04 Comfort en rijplezier
Collision Warning met Auto Brake*
De camerasensor kent ongeveer dezelfde
beperkingen als het menselijk oog. Dit houdt in
dat de sensor minder goed “ziet” bij hevige
regen- of sneeuwval en in dichte mist. In dergelijke omstandigheden kunnen functies die
gebruik maken van de camera grote beperkingen ondervinden of helemaal uitgeschakeld
worden.
Ook fel tegenlicht, reflecties op het wegdek,
besneeuwde of beijzelde wegen, verontreinigde of onduidelijke rijstrookmarkeringen
kunnen aanleiding geven tot grote beperkingen
voor de functies die van de camera gebruik
maken om bijvoorbeeld het wegdek af te tasten
en andere voertuigen te ontdekken.
Bij zeer hoge temperaturen werkt de camera
de eerste ca. 15 minuten na het starten van de
motor niet om de camerafunctie te ontzien.
Storingen opsporen en verhelpen
Als op het display de melding
Voorruitsensoren afgedekt staat, betekent
dit dat de camerasensor afgedekt is en geen
voertuigen of rijstrookmarkeringen vóór de
auto kan ontdekken.
Dit betekent ook dat er beperkingen gelden
voor de functies Collision Warning met Auto
Brake, Lane Departure Warning en Driver Alert
Control.
In de onderstaande tabel staan mogelijke oorzaken van het verschijnen van de melding en
passende maatregelen.
Oorzaak
Maatregel
Het voorruitoppervlak vóór de camera
is vuil of bedekt met
sneeuw of ijs.
Ontdoe het voorruitoppervlak vóór de
camera van vuil,
sneeuw en ijs.
Bij dichte mist en
hevige regen- of
sneeuwval heeft de
camera een minder
goed zicht.
Valt niets aan te
doen. Bij hevige
neerslag werkt de
camera soms niet.
Oorzaak
Maatregel
Het voorruitoppervlak vóór de camera
is schoongemaakt,
maar de melding
blijft.
Wacht even. Het kan
enige minuten duren
voordat de camera
het zicht opnieuw
heeft gemeten.
Er is vuil tussen de
binnenkant van de
voorruit en de
camera gekomen.
Bezoek een werkplaats om de binnenkant van de
voorruit achter de
camerabehuizing te
laten schoonmaken
– geadviseerd wordt
een erkende Volvowerkplaats.
04
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
179
04 Comfort en rijplezier
Collision Warning met Auto Brake*
Symbolen en meldingen op display
Symbool
Melding
Betekenis
CWS-systeem UIT
De Collision Warning is uitgeschakeld.
Verschijnt bij het starten van de motor.
De melding dooft automatisch na ca. 5 seconden of eerder wanneer u op de toets READ drukt.
CWS-systeem niet
beschikbaar
04
Het is niet mogelijk de Collision Warning te activeren.
Verschijnt wanneer u de functie toch probeert te activeren.
De melding dooft automatisch na ca. 5 seconden of eerder wanneer u op de toets READ drukt.
Remassistent geactiveerd
De Auto Brake was actief.
Voorruitsensoren afgedekt
De camerasensor werkt tijdelijk niet.
Verschijnt bijvoorbeeld bij sneeuw, ijs of vuil op de voorruit.
Maak het voorruitoppervlak vóór de camerasensor schoon.
Voor meer informatie over de beperkingen van de camerasensor, zie pagina 178.
180
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Comfort en rijplezier
Collision Warning met Auto Brake*
Symbool
Melding
Betekenis
Radar afgedekt Zie
instructieb.
De Collision Warning en de Auto Brake werken tijdelijk niet.
De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren wanneer deze wordt gehinderd door bijvoorbeeld hevige regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken.
Voor meer informatie over de beperkingen van de radarsensor, zie pagina 169.
CWS-systeem Service vereist
De Collision Warning met Auto Brake werkt niet of gedeeltelijk.
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04
181
04 Comfort en rijplezier
Driver Alert System – DAC*
Inleiding
Driver Alert System is bestemd om u te helpen
als de auto op een ongecontroleerde manier
wordt bestuurd of op het punt staat de rijstrookmarkering te overschrijden.
Algemene informatie over Driver Alert
Control (DAC)
Driver Alert System bestaat uit twee hulpfuncties die allebei tegelijk of ieder apart in te schakelen zijn:
Driver Alert Control (DAC)
Lane Departure Warning (LDW), zie
pagina 185.
Een ingeschakelde functie wordt pas daadwerkelijk geactiveerd bij snelheden hoger dan
65 km/h. Bij lagere snelheden staat de functie
stand-by.
De functie wordt weer uitgeschakeld zodra de
snelheid onder de 60 km/h daalt.
Beide functies maken gebruik van een camera
die alleen rijstroken met aan weerszijden
geschilderde zijmarkeringen kan onderscheiden.
WAARSCHUWING
Driver Alert System heeft niet in alle situaties
het beoogde effect en is uitsluitend bedoeld
als hulpmiddel.
U als bestuurder bent er altijd verantwoordelijk voor dat de auto op een veilige manier
wordt bestuurd.
182
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
G017332
04
•
•
De functie is bedoeld om de aandacht van de
bestuurder te trekken wanneer de auto op een
ongecontroleerde manier bestuurd wordt
(omdat u bijvoorbeeld afgeleid wordt of bijna in
slaap valt).
Een camera tast de geschilderde rijstrookmarkeringen af en vergelijkt de wegrichting met uw
stuurbewegingen. U wordt gewaarschuwd
wanneer de auto de wegrichting op een ongecontroleerde manier volgt.
N.B.
Ook de camerasensor kent zijn beperkingen
(zie pagina 178).
DAC is bedoeld om langzame wijzigingen in het
rijgedrag te bespeuren, in eerste instantie op
de grotere wegen. De functie is niet bedoeld
voor gebruik in het stadsverkeer.
Soms treden er ondanks vermoeidheid geen
merkbare wijzigingen op in het rijgedrag. In dat
geval wordt er dan ook niet gewaarschuwd.
Het is daarom van groot belang dat u bij opkomende vermoeidheid de auto op een geschikte
plek parkeert om een pauze in te lassen, ongeacht de vraag of DAC nu wel of niet heeft
gewaarschuwd.
N.B.
Gebruik de functie niet om langer achtereen
te kunnen rijden. Plan altijd op gezette tijden
rustpauzes in en zorg dat u uitgerust bent.
Beperkingen
Soms kan het systeem ten onrechte waarschuwen voor ongecontroleerde stuurbewegingen.
Dit kan bijvoorbeeld gebeuren bij:
•
•
•
gebruik van de functie LDW.
zijdelingse rukwinden.
spoorvorming in het wegdek.
04 Comfort en rijplezier
Driver Alert System – DAC*
Bediening
Via het menusysteem op het display van de
middenconsole zijn bepaalde instellingen te
verrichten. Voor informatie over het gebruik
van het menusysteem, zie pagina 122.
De actuele status valt te controleren op het
boordcomputerdisplay met behulp van de linker stuurhendel.
Duimwiel. Draai aan het duimwiel totdat D
river
Alert op het display verschijnt. Op de
tweede regel staan de opties Uit, Niet
beschikbaar of Niveaumarkering.
Knop READ. Bevestigt en wist een opgeslagen waarschuwing.
Driver Alert Control activeren
Ga in het menusysteem van het display op de
middenconsole naar Instellingen van de auto
Driver Alert. Kies de optie Aan.
De functie wordt geactiveerd bij een
snelheid hoger dan 65 km/h en blijft
actief zolang de snelheid boven de
60 km/h ligt. Op het display staat een
niveaumarkering in de vorm van 1–5 balkjes,
waarbij een klein aantal balkjes voor ongecontroleerd rijgedrag staat. Omgekeerd geldt dat
een groot aantal balkjes voor stabiel rijgedrag
staat.
Als de auto zwalkneigingen vertoont wordt u
gewaarschuwd met een zoemersignaal en de
displaymelding Driver Alert Tijd voor pauze.
Als u uw rijgedrag niet corrigeert wordt enige
tijd later opnieuw gewaarschuwd.
WAARSCHUWING
Neem een waarschuwing altijd serieus,
omdat u bij slaperigheid uw lichamelijke
conditie vaak minder goed kan inschatten.
Breng bij een waarschuwing of een gevoel
van vermoeidheid de auto zo spoedig
mogelijk tot stilstand om rust te houden.
04
Studies hebben aangetoond dat rijden bij
vermoeidheid even gevaarlijk is in het verkeer als rijden onder invloed.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
183
04 Comfort en rijplezier
Driver Alert System – DAC*
Symbolen en meldingen op display
Symbool
Melding
Betekenis
Driver Alert UIT
De functie is niet ingeschakeld.
Driver Alert niet beschikbaar
De snelheid is lager dan 60 km/h, de weg is niet voorzien van duidelijke markeringsstrepen of de
camerasensor werkt tijdelijk niet. Voor meer informatie over de beperkingen van de camerasensor,
zie pagina 178.
Driver Alert
De functie analyseert uw rijstijl.
Het aantal balkjes varieert van 1 tot 5, waarbij een klein aantal balkjes voor ongecontroleerd rijgedrag
staat. Omgekeerd geldt dat een groot aantal balkjes voor stabiel rijgedrag staat.
04
Driver Alert Tijd voor pauze
De auto vertoont zwalkend rijgedrag; u wordt gewaarschuwd met een zoemersignaal en een displaymelding.
Voorruitsensoren afgedekt
De camerasensor werkt tijdelijk niet.
Verschijnt bijvoorbeeld bij sneeuw, ijs of vuil op de voorruit.
Maak het voorruitoppervlak vóór de camerasensor schoon.
Voor meer informatie over de beperkingen van de camerasensor, zie pagina 178.
Driver Alert Sys Service
vereist
184
Het systeem is defect.
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Comfort en rijplezier
Driver Alert System – (LDW)*
Algemene informatie over Lane
Departure Warning (LDW)
Bediening en functie
Als de camera de rijstrookmarkeringen op het
wegdek niet langer registreert of als de rijsnelheid tot onder de 60 km/h daalt, neemt de
functie de stand-bystand weer in en verschijnt
opnieuw de melding Lane Depart Warn niet
beschikbaar.
Als de auto zonder duidelijke reden de linker of
rechter rijstrookmarkering overschrijdt wordt u
gewaarschuwd met een zoemersignaal.
In de volgende situaties wordt echter niet
gewaarschuwd:
De functie is bedoeld om het gevaar te beperken voor eenzijdige ongelukken, waarbij de
auto bijvoorbeeld de rijstrook verlaat en in de
wegberm of op de rijstrook voor tegemoetkomend verkeer dreigt terecht te komen.
LDW maakt gebruik van een camera die de
geschilderde rijstrookmarkeringen aftast. U
wordt gewaarschuwd met een zoemersignaal,
als de auto een rijstrookmarkering overschrijdt.
1
U schakelt de functie in en uit met de bijbehorende schakelaar op de middenconsole. Het
lampje in de schakelaar brandt wanneer de
functie ingeschakeld is.
Wanneer de functie stand-by staat, verschijnt
op het boordcomputerdisplay de melding
Lane Depart Warn niet beschikbaar.
Vanuit de stand-bystand wordt de functie LDW
automatisch geactiveerd, zodra de camera de
rijstrookmarkeringen heeft geregistreerd en de
rijsnelheid is opgelopen tot boven 65 km/h. Op
het boordcomputerdisplay staat in dat geval de
melding Lane Depart Warn beschikbaar.
•
•
•
•
•
04
Bij gebruik van de richtingaanwijzers
Bij bediening van het rempedaal1
Bij snelle bediening van het gaspedaal1
Bij snelle stuurbewegingen1
Bij dusdanig scherpe bochten dat de auto
overhelt.
Ook de camerasensor kent zijn beperkingen.
Voor meer informatie, zie pagina 178.
N.B.
Iedere keer dat de wielen een markeringsstreep passeren wordt er slechts eenmaal
gewaarschuwd. Er wordt dan ook niet meer
gewaarschuwd, wanneer u met één wiel aan
weerszijden zijden van de rijstrookmarkering blijft rijden.
Wanneer gekozen is voor Verhoogde gevoeligheid wordt echter wel een waarschuwing gegeven, zie pagina 187.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
185
04 Comfort en rijplezier
Driver Alert System – (LDW)*
Symbolen en meldingen op display
Symbool
Melding
Betekenis
Lane departure warning
AAN/UIT
De functie is ingeschakeld/uitgeschakeld.
Verschijnt bij inschakeling/uitschakeling.
De melding verdwijnt automatisch na 5 seconden.
04
Lane Depart Warn
beschikbaar
De functie tast de rijstrookmarkeringen af.
Lane Depart Warn niet
beschikbaar
De snelheid is lager dan 60 km/h, de weg is niet voorzien van duidelijke markeringsstrepen of de
camerasensor werkt tijdelijk niet. Voor meer informatie over de beperkingen van de camerasensor,
zie pagina 178.
Voorruitsensoren afgedekt
De camerasensor werkt tijdelijk niet.
Verschijnt bijvoorbeeld bij sneeuw, ijs of vuil op de voorruit.
Maak het voorruitoppervlak vóór de camerasensor schoon.
Voor meer informatie over de beperkingen van de camerasensor, zie pagina 178.
Driver Alert Sys Service
vereist
186
Het systeem is defect.
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Comfort en rijplezier
Driver Alert System – (LDW)*
Persoonlijke instellingen
Gebruik het menusysteem van het display op
de middenconsole om Instellingen van de
auto Lane departure warning op te zoeken, zie pagina 122. Kies de gewenste optie:
Aan bij starten: Wanneer u voor deze optie
kiest, staat de functie iedere keer dat u de
motor staat stand-by. Anders is de functiestatus bij het afzetten van de motor bepalend.
Verhoogde gevoeligheid: Wanneer u voor
deze optie kiest verhoogt u de gevoeligheid
van het systeem, zodat er eerder wordt
gewaarschuwd en minder beperkingen gelden.
04
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
187
04 Comfort en rijplezier
Park Assist*
Algemene informatie
Functie
Park Assist is bedoeld als hulpmiddel tijdens
het parkeren. Geluidssignalen en symbolen op
het audiodisplay geven de afstand aan tot een
waargenomen obstakel.
signalen elkaar op. Wanneer u ondertussen
naar het audiosysteem luistert, wordt het
volume daarvan tijdelijk verlaagd.
1
Park Assist is verkrijgbaar in twee varianten:
•
•
04
Active
Park Assist aan de achterzijde
2
Park Assist aan de voor- en achterzijde.
Active
WAARSCHUWING
Hoewel de Hulp bij parkeren handig is bij het
parkeren, bent u nog altijd schadeplichtig bij
eventuele fouten. Wanneer er obstakels in
de dode hoeken van de sensoren zitten, zal
het systeem ze niet kunnen ontdekken.
Houd kinderen en dieren in de buurt van de
auto in de gaten.
3
Bij het starten van de motor wordt het systeem
automatisch geactiveerd wat wordt aangegeven door het brandende lampje in de Aan/Uitknop. Wanneer u Park Assist met deze knop
uitschakelt, dooft het lampje.
Op het display van de middenconsole verschijnt een schematische weergave van de
onderlinge posities van de auto en een eventueel obstakel.
Markeringsbalkjes geven aan welke van de vier
sensoren een obstakel heeft waargenomen. De
markeringsbalkjes zijn langer naarmate de
afstand tussen de auto en het waargenomen
obstakel kleiner is.
Hoe dichter u het obstakel achter of voor de
auto nadert, des te sneller volgen de geluids-
188
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Active
Displayweergave in verschillende situaties.
Displayweergave bij een auto met alleen
sensoren aan de achterzijde. Beide sensoren aan de rechterzijde hebben een obstakel waargenomen.
Displayweergave bij een auto met sensoren aan voor- en achterzijde. De sensor
rechtsvoor heeft een obstakel waargenomen op een afstand van 30 cm of kleiner.
Displayweergave bij een auto met sensoren aan voor- en achterzijde. De achteruitversnelling is ingeschakeld en er zijn geen
obstakels voor of achter de auto waargenomen.
04 Comfort en rijplezier
Park Assist*
Bij een afstand tot 30 cm bestaat het geluidssignaal uit een ononderbroken toon en verschijnt een markeringsbalkje van maximale
lengte (zie afbeelding (2)). Als er zowel voor als
achter de auto obstakels binnen deze afstand
zijn waargenomen, komen de geluidssignalen
beurtelings uit de luidsprekers aan linker- en
rechterzijde.
Park Assist aan de achterzijde
de trekhaak moet u het systeem uitschakelen
– anders reageren de sensoren op de aanhanger of fietsdrager.
N.B.
De Hulp bij parkeren wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u een aanhanger achter de auto hebt hangen die met originele
trekhaakbedrading van Volvo aangesloten
is.
hogere snelheden wordt het systeem gedeactiveerd. Het lampje in de knop blijft echter branden om aan te geven dat het systeem een volgende keer dat u de auto parkeert opnieuw
actief is. Het systeem wordt opnieuw geactiveerd bij snelheden lager dan 10 km/h.
N.B.
De Hulp bij parkeren aan de voorzijde wordt
uitgeschakeld bij het aanzetten van de parkeerrem.
04
Park Assist aan de voorzijde
BELANGRIJK
Bij auto’s met verstralers erop letten dat de
lampen de sensoren niet blokkeren en voor
obstakels worden gehouden.
Het meetbereik strekt tot ca. 1,5 m recht achter
de auto. Bij obstakels achter de auto komen de
geluidssignalen uit de luidsprekers achterin.
Park Assist aan de achterzijde wordt geactiveerd bij het inschakelen van de achteruitversnelling.
Bij het achteruitrijden met bijvoorbeeld een
aanhanger achter de auto of een fietsdrager op
G021424
G021423
Aanduiding voor systeemstoringen
Als het informatiesymbool continu
brandt en op het informatiedisplay de
melding Park Assist Service vereist verschijnt, dan is Park Assist defect.
Het meetbereik strekt tot ca. 0,8 m recht voor
de auto. De geluidssignalen bij obstakels vóór
de auto komen uit de luidspreker voorin.
Park Assist aan de voorzijde is actief bij snelheden tot 15 km/h, ook als u achteruitrijdt. Bij
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
189
04 Comfort en rijplezier
Park Assist*
BELANGRIJK
In bepaalde omstandigheden kan de parkeerhulp ten onrechte waarschuwingssignalen afgeven. Dit komt door externe
geluidsbronnen met ultrasone geluidssignalen van dezelfde frequentie als de sensoren van het systeem.
G021425
04
Voorbeelden van dergelijke geluidsbronnen
zijn onder meer claxons, natte banden op
asfaltwegen, luchtdrukremmen en uitlaten
van motorfietsen e.d.
Positie van de achterste sensoren.
Sensoren schoonmaken
De sensoren werken alleen naar behoren, wanneer u ze regelmatig schoonmaakt met water
en autoshampoo.
N.B.
Vuil, sneeuw en ijs op de sensoren kunnen
ten onrechte aanleiding geven tot waarschuwingssignalen.
Positie van de voorste sensoren.
190
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Comfort en rijplezier
BLIS* – Blind Spot Information System
WAARSCHUWING
G021426
Het systeem vormt een aanvulling op – geen
vervanging voor – een veilige rijstijl en het
gebruik van de buitenspiegels. De bestuurder moet altijd oplettend en verantwoord
blijven rijden. De bestuurder is er altijd verantwoordelijk voor dat er op een veilige
manier van rijstrook wordt gewisseld.
BLIS-camera
U kunt het systeem tijdelijk uitschakelen met
een druk op de knop BLIS, zie pagina 192.
Dode hoeken
Het systeem werkt het best in druk verkeer op
meerbaanswegen.
04
Wanneer een camera
een voertuig heeft
waargenomen in de dode hoek, licht een controlelampje
op dat continu blijft branden.
G021427
Algemene informatie over BLIS
Controlelampje
BLIS-symbool
BLIS is een op cameratechniek gebaseerd
informatiesysteem dat de bestuurder in
bepaalde omstandigheden waarschuwt, wanneer er zich een voertuig in de zogeheten dode
hoek bevindt en in dezelfde richting rijdt.
BELANGRIJK
Laat reparaties van de onderdelen van het
BLIS-systeem over aan een werkplaats –
geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
N.B.
Afstand A = ca. 9,5 m en afstand B = ca. 3 m
Het lampje gaat branden aan die kant van
de auto waar het voertuig is waargenomen.
Als de auto aan weerszijden wordt ingehaald, gaan dan ook beide lampjes branden.
BLIS informeert de bestuurder bij een fout in
het systeem. Als de camera’s van het systeem
bijvoorbeeld zijn afgedekt, knippert het controlelampje voor BLIS en verschijnt er een melding op het display van het informatiepaneel.
Controleer de cameralenzen in dat geval en
maak ze zo nodig schoon.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
191
04 Comfort en rijplezier
BLIS* – Blind Spot Information System
Activeren/deactiveren
nen. Voor meer informatie over de meldingsfuncties, zie pagina 125.
Wanneer BLIS werkt
Het systeem werkt alleen bij snelheden hoger
dan 10 km/h.
Inhalen
Het systeem reageert als:
04
Knop voor activering/deactivering.
BLIS wordt bij het starten van de motor automatisch geactiveerd. De controlelampjes op
de portierpanelen lichten driemaal op bij het
activeren van BLIS.
Na het starten van de motor kunt u het systeem
deactiveren/heractiveren door op de knop
BLIS te drukken.
Het lampje in de knop dooft, wanneer het BLIS
gedeactiveerd wordt. Er verschijnt bovendien
een displaymelding op het instrumentenpaneel.
Bij het heractiveren van BLIS brandt het lampje
in de knop, verschijnt er een nieuwe displaymelding en lichten de controlelampjes in de
portieren driemaal op. Druk op de knop
READ om de displaymelding te laten verdwij-
192
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
•
het snelheidsverschil tussen u en het ingehaalde voertuig kleiner is dan 10 km/h
•
het snelheidsverschil tussen u en het inhalende voertuig kleiner is dan 70 km/h.
WAARSCHUWING
BLIS werkt niet in scherpe bochten.
BLIS werkt niet wanneer u achteruitrijdt.
Een brede aanhanger achter de auto kan het
zicht ontnemen op andere voertuigen op
aangrenzende rijstroken. Dit kan ertoe leiden dat BLIS geen voertuigen in dit afgeschermde gebied kan waarnemen.
Daglicht en donker
Bij daglicht reageert het systeem op de contouren van omringende voertuigen. Het systeem is geconstrueerd om motorvoertuigen
zoals auto’s, vrachtwagens, bussen en motorfietsen waar te nemen.
Bij donker reageert het systeem op de koplampen van omringende voertuigen. Als een voertuig de koplampen niet heeft ontstoken, zal het
systeem dit voertuig dan ook niet kunnen waarnemen. Dit houdt in dat het systeem bijvoorbeeld niet reageert op een aanhanger achter
een auto of vrachtwagen, omdat daar geen
brandende koplampen op zitten.
WAARSCHUWING
Het systeem reageert niet op fietsers en
bromfietsers.
De BLIS-camera’s kunnen hinder ondervinden van de aanwezigheid van felle lichtbronnen of juist de afwezigheid van lichtbronnen (wegenverlichting of voertuigverlichting) bij ritten in het donker. Het systeem
kan uit de afwezigheid van licht ten onrechte
opmaken dat de camera’s zijn afgedekt.
In beide gevallen verschijnt er een displaymelding op het informatiedisplay.
Bij ritten in dergelijke omstandigheden kan
het systeem tijdelijk minder presteren en
verschijnt er een displaymelding (zie
pagina 193). Wanneer de displaymelding
spontaan verdwijnt, werkt het BLIS weer
naar behoren.
De BLIS-camera’s kennen ongeveer
dezelfde beperkingen als het menselijk oog.
Dit houdt in dat ze bijvoorbeeld minder goed
“zien” bij hevige sneeuwval en dichte mist.
04 Comfort en rijplezier
BLIS* – Blind Spot Information System
Schoonmaken
BLIS werkt alleen optimaal, als de lenzen van
de BLIS-camera’s schoon zijn. U kunt de lenzen schoonmaken met een zachte doek of een
vochtige spons. Maak de lenzen voorzichtig
schoon om krassen te voorkomen.
Melding
Betekenis
BLIS Beperkte
functie
De BLIS-camera
wordt gehinderd
door bijvoorbeeld
mist of fel zonlicht
recht in de camera.
BELANGRIJK
De camera herstelt
zichzelf zodra de
omstandigheden
weer normaal zijn.
De lenzen zijn elektrisch verwarmd om ze
van sneeuw en ijs te kunnen ontdoen. Veeg
zo nodig sneeuw van de lenzen af.
BLIS UIT
Displaymeldingen
Melding
Betekenis
BLIS AAN
Het BLIS-systeem is
ingeschakeld
BLIS Service vereist
Het BLIS-systeem is
defect.
Neem contact op
met een werkplaats
– geadviseerd wordt
een erkende Volvowerkplaats.
BLIS-camera
afgedekt
De BLIS-camera is
bedekt met vuil,
sneeuw of ijs. Maak
de lenzen schoon.
Hier volgen enkele afbeeldingen van situaties
waarin het controlelampje voor BLIS kan gaan
branden, hoewel er zich geen voertuigen in de
dode hoek bevinden.
Het BLIS-systeem is
uitgeschakeld
04
Reflecties op een glad en nat wegdek.
Beperkingen
Soms kan het controlelampje voor BLIS oplichten zonder dat u voertuigen in de dode hoeken
kunt waarnemen.
N.B.
Als het controlelampje voor BLIS soms
oplicht zonder dat u andere voertuigen in de
dode hoeken kunt waarnemen, betekent dit
niet dat het systeem een storing vertoont.
Eigen schaduwen op grote, lichtgekleurde en
gladde oppervlakken zoals geluidsschermen of
betonnen wegen.
Bij een storing in het BLIS-systeem verschijnt op het display de melding BLIS
Service vereist.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
193
04 Comfort en rijplezier
BLIS* – Blind Spot Information System
Laag staande zon in de camera.
04
194
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Comfort en rijplezier
BLIS* – Blind Spot Information System
04
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
195
04 Comfort en rijplezier
Interieurcomfort
Opbergmogelijkheden
04
196
04 Comfort en rijplezier
Interieurcomfort
Opbergvak in portierpaneel
Middenconsole
Opbergzak* aan de voorkant van de voorstoelzittingen
Parkeerkaarthouder
Dashboardkastje
Opbergvakken, bekerhouder
U activeert de aansteker door de knop in te
drukken. Wanneer de aansteker heet genoeg
is, veert de knop automatisch uit. Haal de aansteker uit de opening en gebruik het roodgloeiende deel om bijvoorbeeld een sigaret mee aan
te steken.
Dashboardkastje
Kledinghaak
Bekerhouder* in armsteun, achterin
04
Opbergvak
Kledinghaak
De kledinghaak is alleen bestemd voor niet al
te zware kledingsstukken.
Opbergvak (bijvoorbeeld voor cd’s),
ingang/aansluiting voor AUX en USB*1 (bijvoorbeeld iPodŸ) onder de armsteun (en
het aflegvlak*).
Bevat een bekerhouder voor de bestuurder
en een voorpassagier alsmede een 12 Vaansluiting en een opbergvakje. (Als u voor
een asbak en aansteker hebt gekozen, zit
er een aansteker op de plaats van de 12 Vaansluiting voorin en een uitneembare
asbak in het opbergvakje.)
Aansteker en asbak*
Hier kunt u bijvoorbeeld het instructieboekje en
eventuele kaarten opbergen. Aan de binnenkant van de klep zit een houders voor pennen.
Het dashboardkastje kan worden vergrendeld
met behulp van het sleutelblad, zie pagina 44.
De asbak in de middenconsole is te verwijderen door deze recht omhoog te tillen.
1
Bij auto’s met RSE* zit de USB-aansluiting op een andere locatie, zie pagina 140.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
197
04 Comfort en rijplezier
Interieurcomfort
12 V-aansluiting
Vloermatten*
foon of koelbox. U kunt maximaal 10 A via de
aansluiting afnemen. De transpondersleutel
moet ten minste in sleutelstand I staan, anders
geeft de aansluiting geen stroom, zie
pagina 72.
Volvo biedt vloermatten die speciaal vervaardigd zijn.
WAARSCHUWING
Zorg dat de vloermat voor de bestuurdersstoel goed in de bevestigingsklemmen op
de vloer vastzit om te voorkomen dat de mat
kan gaan glijden en achter of onder de
pedalen blijft haken.
WAARSCHUWING
Make-upspiegel
G021439
04
Elektrische aansluiting in kofferbak*
G021440
Laat de plug altijd in de aansluiting zitten als
u deze niet gebruikt.
Open het klepje om bij de elektrische aansluiting te komen. De aansluiting werkt ook wanneer de transpondersleutel niet in het contactslot steekt.
G021438
G021442
12 V-aansluiting in middenconsole, voorin.
Make-upspiegel met verlichting.
Het lampje gaat automatisch aan, wanneer u
het klepje optilt.
198
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
12 V-aansluiting in middenconsole, achterin.
U kunt de elektrische aansluiting voor verschillende accessoires gebruiken die op een spanning van 12 V werken, zoals een mobiele tele-
04 Comfort en rijplezier
Interieurcomfort
N.B.
Let erop dat u de aansluiting niet gebruikt
wanneer de motor is afgezet, omdat anders
het risico bestaat dat de accu uitgeput
raakt.
04
199
04 Comfort en rijplezier
Interieurcomfort – Executive
Achter de middenarmsteun van de achterbank
zit een koelbox. De box werkt wanneer de
motor loopt of wanneer de transpondersleutel
in stand II staat.
WAARSCHUWING
Draai de flessen goed dicht voordat u ze in
het koelbox bewaart en zorg dat het deurtje
dicht blijft tijdens het rijden.
N.B.
Voor de optimale werking van de koelbox is
een ongehinderde luchtcirculatie vereist.
Breng daarom geen bagage in de kofferbak
aan binnen een straal van 5 cm rond de
luchtinlaat voor de koelbox.
200
Glazen
N.B.
Bij auto’s met een koelkast dient u de achterbank iets naar voren toe te klappen, voordat u de kofferbakmat kunt verwijderen.
Klap de ruggedeelten om door aan de handgrepen te trekken (zie pagina 76).
G021859
G021857
04
Kofferbakmat
G021858
Koelbox
Onder het deksel van de armsteun zit een
opbergvak voor twee glazen en een flesopener.
WAARSCHUWING
Bewaar de glazen in het opbergvak of in de
bekerhouders en zorg dat het deksel van de
armsteun dicht blijft tijdens het rijden.
04 Comfort en rijplezier
Bluetooth handsfree*
Algemene informatie
N.B.
Niet alle mobiele telefoons zijn volledig
compatibel met de handsfree-functie van
het audiosysteem. Volvo adviseert u contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats of www.volvocars.com te
bezoeken voor informatie over compatibele
telefoons.
Telefoonfuncties, overzicht
bedieningstoetsen
EXIT - Telefoongesprekken beëindigen/
weigeren, ingevoerde tekens wissen,
actieve functie annuleren. De toetsenset
op het stuurwiel biedt dezelfde functie.
ENTER – Gesprek aannemen. Met een
druk op de toets ziet u de laatst gekozen
nummers. De toetsenset op het stuurwiel
biedt dezelfde functie.
Beknopte bedieningsinstructies
04
U regelt de menufuncties vanaf de middenconsole of via de toetsenset op het stuurwiel. Voor
algemene informatie over de menufuncties, zie
pagina 122.
Systeemoverzicht.
Mobiele telefoon
Microfoon
Activeren/deactiveren
Toetsenset op stuurwiel
Middenconsole
BluetoothTM
Een mobiele telefoon met BluetoothTM is
draadloos aan te sluiten op het audiosysteem.
Het audiosysteem werkt dan als handsfree en
biedt u de mogelijkheid om enkele functies van
uw mobiele telefoon op afstand te bedienen. U
kunt de mobiele telefoon via de knoppen op de
telefoon bedienen of de telefoon nu aangesloten is of niet.
Navigatietoets
Bedieningspaneel op middenconsole.
VOLUME – De toetsenset op het stuurwiel
biedt dezelfde functie.
Cijfer- en lettertoetsen
PHONE – Aan/uit en stand-by
Wanneer u kort op PHONE drukt, activeert u
de handsfree-functie. De melding
TELEFOON boven aan het display geeft aan
dat het systeem in de telefoonstand staat. Het
symbool
geeft aan dat de handsfreefunctie actief is.
Wanneer u PHONE lang indrukt, deactiveert u
de handsfree-functie en koppelt u een aangesloten telefoon los.
Mobiele telefoon aansluiten
Hoe u een mobiele telefoon aansluit hangt af
van de vraag of dezelfde mobiele telefoon al
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
201
04 Comfort en rijplezier
Bluetooth handsfree*
dan niet eerder aangesloten was. Als het de
eerste keer is dat u de mobiele telefoon aansluit, dan moet u de onderstaande instructies
volgen:
Alternatief 1 – via het menusysteem van de
auto
04
1. Maak de mobiele telefoon identificeerbaar/
zichtbaar via BluetoothTM (zie daarvoor de
gebruiksaanwijzing bij de mobiele telefoon
of www.volvocars.com).
2. Activeer de handsfree-functie met
PHONE.
> De menu-optie Telefoon toevoegen
verschijnt op het display. Als u al eerder
een of meer mobiele telefoons hebt
geregistreerd, worden ook deze weergegeven.
3. Kies Telefoon toevoegen.
> Het audiosysteem zoekt naar mobiele
telefoons in de nabije omgeving. Er
wordt ongeveer 30 seconden gezocht.
De gevonden mobiele telefoons verschijnen met hun BluetoothTM-naam op
het display. De handsfree-functie verschijnt onder de BluetoothTM-naam My
Car op de mobiele telefoon.
1
202
Alleen Keyless drive.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
4. Kies een van de mobiele telefoons op het
display van het audiosysteem.
5. Voer via het toetsenblok van de te registreren mobiele telefoon de cijfercode in die
op het display van het audiosysteem staat.
Alternatief 2 – via het menusysteem van de
telefoon
1. Activeer de handsfree-functie met
PHONE. Schakel een eventueel eerder
aangesloten telefoon uit.
2. Zoek met de BluetoothTM-functie van de
mobiele telefoon (zie gebruiksaanwijzing
bij de mobiele telefoon).
3. Kies My Car in de lijst met gevonden eenheden op uw mobiele telefoon.
4. Voer de pincode ‘1234’ in op uw mobiele
telefoon, als er om de pincode wordt
gevraagd.
5. Kies voor aansluiting op My Car vanaf de
mobiele telefoon.
De mobiele telefoon wordt vervolgens geregistreerd en automatisch aangesloten op het
audiosysteem, terwijl de melding Bezig met
synchr. op het display staat. Voor meer informatie over het registreren van mobiele telefoons, zie pagina 204.
Wanneer er een aansluiting tot stand gebracht
en de
is, verschijnen het symbool
BluetoothTM-naam op het display. U kunt de
mobiele telefoon vervolgens bedienen via het
audiosysteem.
Bellen
1. Controleer of de melding TELEFOON
boven aan het display staat en of het symzichtbaar is.
bool
2. Voer het gewenste nummer in of gebruik
het telefoonboek, zie pagina 204.
3. Druk op ENTER.
U beëindigt het gesprek met EXIT.
Mobiele telefoon uitschakelen
De mobiele telefoon wordt automatisch losgekoppeld, als de telefoon buiten het bereik van
het audiosysteem komt. Voor meer informatie
over de aansluiting, zie pagina 204.
U kunt een aansluiting handmatig verbreken
wanneer u de handsfree-functie deactiveert
door PHONE lang in te drukken. De handsfreefunctie wordt eveneens gedeactiveerd bij het
afzetten van de motor of het openen van een
portier1.
04 Comfort en rijplezier
Bluetooth handsfree*
Wanneer de mobiele telefoon is losgekoppeld,
kunt u een eventueel lopend gesprek voortzetten via de ingebouwde microfoon en luidspreker van de mobiele telefoon.
N.B.
Bij sommige mobiele telefoons moet u om
over te schakelen van de handsfree op de
handset eerst ter bevestiging op het toetsenblok van de mobiel drukken.
Gespreksfuncties
Inkomend gesprek
U neemt een gesprek aan met ENTER, ook al
staat het audiosysteem in bijvoorbeeld de
stand CD of FM. Met EXIT kunt u een gesprek
weigeren of beëindigen.
Automatisch antwoord
Met de functie Automatisch antwoord is het
mogelijk gesprekken automatisch te beantwoorden.
±
Activeer/deactiveer de functie onder
Telefooninstellingen Gespreksopties
Automatisch antwoord.
Menu tijdens gesprek
Audio-instellingen
Druk tijdens een gesprek op MENU of op
ENTER om toegang te krijgen tot de volgende
functies:
Tel.-gespreksvol.
audiosysteem uitschakelen.
U kunt het gespreksvolume bijregelen wanneer
de handsfree-functie in de telefoonstand staat.
Maak gebruik van de toetsenset op het stuurwiel of van VOLUME.
Gesprek naar mobiel – Gesprek doorschakelen naar de mobiele telefoon.
Volume audiosysteem
• Microfoon dempen – Microfoon van het
•
N.B.
Bij sommige mobiele telefoons wordt de
aansluiting verbroken bij gebruik van de
ruggespraakfunctie (dempen). Dit is volkomen normaal. De handsfree-functie stelt
vervolgens de vraag of u opnieuw wilt aansluiten.
• Telefoonboek – In het telefoonboek van
de mobiele telefoon zoeken.
N.B.
Tijdens een lopend gesprek is het niet
mogelijk een tweede gesprek te beginnen.
Zolang er geen telefoongesprek wordt
gevoerd, kunt u het volume van het audiosysteem op de gebruikelijke wijze bijregelen met
VOLUME. Om het volume van het audiosysteem echter tijdens een lopend telefoongesprek bij te regelen moet u eerst overschakelen
op een van de geluidsbronnen.
04
Het is mogelijk de weergave van de actieve
geluidsbron te onderdrukken bij inkomende
telefoongesprekken onder
Telefooninstellingen Geluiden en volume
Radio dempen.
Beltoonvolume
Ga naar Telefooninstellingen Geluiden en
volume Beltoonvolume en stel bij met
/
van de navigatietoets.
Belsignalen
U kunt een van de ingebouwde beltonen van
de handsfree-functie kiezen onder
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
203
04 Comfort en rijplezier
Bluetooth handsfree*
Telefooninstellingen Geluiden en volume
Belsignalen Belsignaal 1, 2, 3 enz.
N.B.
Ook bij gebruik van een van de ingebouwde
beltonen van het handsfree-systeem, zijn de
beltonen van de aangesloten mobiele telefoon nog altijd hoorbaar.
04
Ga om de beltonen2 van de aangesloten telefoon te gebruiken naar Telefooninstellingen
Geluiden en volume Belsignalen
Gebruik signaal mob. tel..
Meer informatie over registratie en
aansluiting
Er kunnen maximaal vijf mobiele telefoons worden geregistreerd. U hoeft een mobiele telefoon slechts eenmaal te registreren. Wanneer
een mobiele telefoon eenmaal geregistreerd is,
hoeft deze niet langer zichtbaar/identificeerbaar te zijn. U kunt slechts één mobiele telefoon tegelijk aansluiten. Het is mogelijk de registratie van een telefoon te verwijderen onder
Bluetooth Telefoon verwijderen.
2
204
Niet ondersteund door alle mobiele telefoons.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Automatische aansluiting
Telefoonboek
Wanneer de handsfree-functie actief is en de
laatst aangesloten mobiele telefoon binnen het
bereik ligt, wordt deze telefoon automatisch
opnieuw aangesloten. Terwijl het audiosysteem op zoek is naar de laatst aangesloten
telefoon staat de naam van deze telefoon op
het display. Druk op EXIT om handmatig een
andere telefoon aan te sluiten.
Voor alle telefoonboekfuncties geldt dat de
melding TELEFOON boven aan het display
zichtbaar
moet staan en dat het symbool
moet zijn.
Handmatige aansluiting
Ga als volgt te werk, als u in plaats van de laatst
aangesloten mobiele telefoon een nieuwe
mobiele telefoon wilt aansluiten of wilt overschakelen op een andere eerder aangesloten
mobiele telefoon:
1. Zet het audiosysteem in de telefoonstand.
2. Druk op PHONE en kies een van de telefoons in de lijst.
Aansluiting is ook mogelijk via het menusysteem onder Bluetooth Telefoon
aansluiten of Telefoon wijzigen.
Het audiosysteem slaat van elk van de geregistreerde mobiele telefoons een kopie van het
telefoonboek op. Het telefoonboek wordt bij
iedere aansluiting automatisch naar het audiosysteem gekopieerd.
±
U kunt de functie deactiveren onder
Telefooninstellingen Telefoonboek
synchr.. Bij het zoeken van contacten
werkt u alleen met het telefoonboek van de
aangesloten mobiele telefoon.
N.B.
Als de mobiele telefoon geen ondersteuning
biedt voor het kopiëren van het telefoonboek, verschijnt na afloop van het kopiëren
de melding Lijst is leeg.
Als het telefoonboek de contactgegevens
bevat van de persoon die belt, verschijnen
deze op het display.
04 Comfort en rijplezier
Bluetooth handsfree*
Contacten zoeken
U kunt het eenvoudigst naar bepaalde gegevens in het telefoonboek zoeken door de knoppen 2–9 lang in te drukken. Het telefoonboek
wordt dan doorzocht op posten die beginnen
met de eerste letter van de ingedrukte toets.
Het telefoonboek is eveneens te bereiken met
/
van de navigatietoets of met
/
van de toetsenset op het stuurwiel. U een zoekopdracht tevens starten vanuit het zoekmenu
van het telefoonboek onder Telefoonboek
Zoeken:
1. Voer de eerste letter in van het contact dat
u zoekt en druk op ENTER of druk meteen
op ENTER.
2. Ga naar het contact van uw keuze en druk
op ENTER om het bijbehorende nummer
te bellen.
Spraakherkenning
U kunt gebruik maken van de spraakherkenningsfunctie (voice tags) van de mobiele telefoon door ENTER ingedrukt te houden.
Voicemail-nummer
U kunt het voicemail-nummer wijzigen onder
Telefooninstellingen Gespreksopties
Voicemail-nummer. Als er nog geen nummer
opgeslagen is, kunt u het bijbehorende menu
openen door lang op 1 te drukken. Druk ver-
volgens lang op 1 om het ingevoerde nummer
te gebruiken.
Gesprekslijsten
De gesprekslijsten worden bij iedere nieuwe
aansluiting naar de handsfree-functie gekopieerd en worden vervolgens tijdens de aansluiting bijgehouden. Druk op ENTER om de laatst
gebelde nummers te bekijken. De overige
gesprekslijsten staan onder Oproepregister.
N.B.
Bij sommige mobiele telefoons wordt de lijst
met gebelde nummers in omgekeerde volgorde weergegeven.
Tekst invoeren
Met de toetsenset op de middenconsole kunt
u tekst invoeren. Druk eenmaal om het eerste
teken op de toets in te voeren, tweemaal om
het tweede teken in te voeren enz. (zie navolgende tabel).
Bij kort indrukken van EXIT wist u het laatst
ingevoerde teken. Bij lang indrukken van
EXIT wist u alle ingevoerde tekens. Gebruik
/
van de navigatietoets om de verschillende tekens te doorlopen.
Toets
Functie
Spatie . 1 - ? ! , : " ' ( )
ABC2ÄÅÀÆÇ
DEF3ÈÉ
GHI4Ì
04
JKL5
MNO6ÑÖÒØ
PQRS7ß
TUV8ÜÙ
WXYZ9
Kort indrukken om twee tekens
op dezelfde toets na elkaar in te
voeren.
+0@*#&$£/%
Wisselen tussen hoofdletters en
kleine letters
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
205
04 Comfort en rijplezier
Geïntegreerde telefoon*
Algemene informatie
Beknopte bedieningsinstructies
Simkaart
Het telefoonsysteem is alleen te gebruiken in
combinatie met een geldige simkaart
(Subscriber Identity Module). Voor het aanbrengen ervan, zie pagina 209. Ook zonder
een simkaart is het mogelijk het alarmnummer
te bellen.
als het menu CD op het display staat. Om
gebruik te maken van de telefoonmenu’s en te
bellen dient u kort op PHONE te drukken. De
tekst TELEFOON geeft aan dat het telefoonmenu actief is.
Schakel de telefoon uit door lang op PHONE
te drukken.
Gespreksfuncties
N.B.
04
Systeemoverzicht.
Microfoon
De geïntegreerde telefoon kan geen simkaart van het type 3G lezen. Een gecombineerde simkaart voor 3G én gsm werkt echter wel. Informeer bij uw netwerkprovider of
de simkaart moet worden vervangen.
Simkaartlezer
Toetsenset, zie pagina 140.
Bedieningspaneel
Privacy-handset
Veiligheid
Laat reparatiewerk aan de telefoon over aan
een werkplaats. Geadviseerd wordt contact op
te nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
Schakel de geïntegreerde telefoon uit tijdens
het tanken en in gebieden waar met explosieven wordt gewerkt. Afhankelijk van de rijsnelheid blokkeert IDIS bepaalde functies van het
menusysteem, zie pagina 208.
206
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Menu’s en bedieningstoetsen
U regelt de menufuncties via het bedieningspaneel
en de toetsenset
op het stuurwiel. Voor algemene informatie over de menufuncties, zie pagina 122. Voor informatie over
de bedieningstoetsen van de telefoon, zie
pagina 201.
Aan/uit
Schakel de telefoon in door kort op PHONE te
drukken. Voer zo nodig de pincode in. Het
symbool
geeft aan dat de telefoon ingeschakeld is. Wanneer dit symbool verschijnt,
kunt u inkomende gesprekken ook aannemen
Bellen
1. Schakel de telefoon in.
2. Druk kort op PHONE, als de tekst
TELEFOON niet op het display staat.
3. Voer het gewenste nummer in of gebruik
het telefoonboek, zie pagina 207.
4. Druk op ENTER voor handsfree bellen of
neem de handset op. Duw de handset
omlaag om deze te kunnen opnemen.
Gesprekken beëindigen
Beëindig een gesprek met EXIT of leg de handset op.
Inkomend gesprek
Druk op ENTER voor handsfree bellen of neem
de handset op. Als de handset bij een inkomend gesprek niet op de houder ligt, dient u
het gesprek aan te nemen met ENTER.
04 Comfort en rijplezier
Geïntegreerde telefoon*
Beëindig een gesprek met EXIT of leg de handset op. Weiger een gesprek met EXIT.
Automatisch antwoord
Tijdens lopende gesprekken
Ruggespraakstand
Druk tijdens een gesprek op MENU of op
ENTER om het gespreksmenu te openen.
Bij gebruik van de ruggespraakstand wordt de
microfoon gedeactiveerd, zie pagina 206.
Zie pagina 203.
Bellen
Wisselgesprek
1. Zet het lopende gesprek in de wacht onder
Wacht.
Deze functie maakt het mogelijk om tijdens een
lopend gesprek een nieuw gesprek aan te
nemen. U kunt het nieuwe gesprek op de
gebruikelijke manier aannemen waarbij het
lopende gesprek in de wacht gezet wordt.
±
Activeer/deactiveer de functie onder
Telefooninstellingen Gespreksopties
Wisselgesprek.
Automatisch doorschakelen
Inkomende gesprekken kunnen automatisch
worden doorgeschakeld afhankelijk van het
gesprekstype en de situatie waarin ze zich aandienen.
±
Activeer/deactiveer de functie onder
Gespreksopties Omleidingen.
2. Voer het nummer van de derde partij in of
maak gebruik van de menu-optie
Telefoonboek.
Wissel van gesprekspartner met de menuoptie Verwisselen.
Tel. vergadering
Bij een conferentiegesprek (telefonische vergadering) zijn minstens drie gesprekspartners
betrokken. U kunt tijdens een wisselgesprek
waarbij er een gesprek in de wacht staat een
conferentiegesprek starten. Met de menuoptie Deelnemen start u het conferentiegesprek.
Bij het afsluiten van een conferentiegesprek
worden alle lopende gesprekken beëindigd.
Wisselen tussen handset en handsfree
Schakel over van handsfree op de handset
door de handset op te nemen of voor te kiezen
in het menu.
Schakel van de handset over op handsfree
door in het menu te kiezen voor Handsfree.
±
Activeer/deactiveer de microfoon met de
menu-optie Microfoon aan/uit.
Audio-instellingen
Tel.-gespreksvol.
De telefoon maakt gebruik van de luidsprekers
in de voorportieren. U kunt het gespreksvolume bijregelen, wanneer de tekst
TELEFOON boven aan het display staat.
±
04
Maak gebruik van de toetsenset op het
stuurwiel of van VOLUME.
Volume audiosysteem
Zie pagina 141.
Signalen en volume
U kunt het belsignaal wijzigen onder
Telefooninstellingen Geluiden en volume
Belsignalen.
U kunt de pieptoon bij bericht activeren/deactiveren onder Telefooninstellingen
Geluiden en volume Pieptoon bij bericht.
Het beltoonvolume regelt u onder
Telefooninstellingen Geluiden en volume
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
207
04 Comfort en rijplezier
Geïntegreerde telefoon*
Beltoonvolume. Stel bij met
navigatietoets.
/
van de
Telefoonboek
Contactgegevens kunnen op de simkaart of in
het telefoongeheugen worden vastgelegd.
Contacten vastleggen in telefoonboek
1. Druk op MENU en ga naar Telefoonboek
Nieuwe contactpersoon.
04
2. Voer een naam in en druk op ENTER. Zie
onder voor informatie over het invoeren
van tekst.
3. Voer een nummer in en druk op ENTER.
4. Ga naar SIM-kaart of
Telefoongeheugen en druk op ENTER.
Tekst invoeren
Zie pagina 205.
Contacten zoeken
Zie pagina 205.
Contacten verwijderen
U kunt een contact uit het telefoonboek verwijderen door de naam van de persoon te markeren en op ENTER te drukken. Ga vervolgens
naar Wissen en druk op ENTER.
U kunt alle contacten verwijderen onder
Telefoonboek SIM wissen of Telefoon
wissen.
3. De inhoud van het bericht verschijnt op het
display. Wanneer u nogmaals op ENTER
drukt, verschijnen meer opties.
Kopiëren tussen simkaart en
telefoonboek
Berichten schrijven en verzenden
Ga naar Telefoonboek Alles kopiëren
SIM naar telefoon of Telefoon naar SIM en
druk op ENTER.
Voicemail-nummer
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
2. Schrijf de tekst en druk op ENTER. Voor
informatie over het invoeren van tekst, zie
pagina 205.
Zie pagina 205.
3. Ga naar Verzenden en druk op ENTER.
Overige functies en instellingen
4. Voer een telefoonnummer in en druk op
ENTER.
IDIS
Berichtinstellingen
IDIS (Intelligent Drive Information System) kan
in veeleisende rijsituaties de beltonen van inkomende telefoongesprekken pas na enige vertraging doorgeven of helemaal onderdrukken.
Op die manier kunt u de aandacht bij het verkeer houden.
De berichtinstellingen hoeft u normaal gesproken niet te wijzigen. Uw netwerkprovider kan u
meer informatie verstrekken over deze instellingen. Onder Berichten
Berichtinstellingen hebt u de keuze uit drie
opties:
±
• SMSC-nummer - Geeft het nummer van
IDIS is uit te schakelen onder
Telefooninstellingen IDIS.
Berichten lezen
1. Ga naar Berichten
ENTER.
Lezen en druk op
2. Ga naar het bericht van uw keuze en druk
op ENTER.
208
1. Ga naar Berichten Nieuw bericht
schrijven en druk op ENTER.
de berichtencentrale aan die de berichten
moet doorgeven.
• Geldigheidsduur - Geeft aan hoe lang de
berichtencentrale een bericht moet bewaren.
• Type bericht.
04 Comfort en rijplezier
Geïntegreerde telefoon*
bewaard met de ingekomen, uitgaande en
gemiste oproepen. U kunt de uitgaande
gesprekken ook bekijken door te drukken op
ENTER. De telefoonnummers op de lijsten zijn
vast te leggen in het telefoonboek.
Gespreksduur
De gespreksduur wordt vastgelegd onder
Oproepregister Gespreksduur.
±
Reset de waarden onder Oproepregister
Gespreksduur Reset timers.
Eigen nummer tonen/verbergen
Het is mogelijk de weergave van uw eigen telefoonnummer tijdelijk te blokkeren onder
Gespreksopties Verzend mijn nummer.
IMEI-nummer
Om de telefoon te kunnen blokkeren moet u het
IMEI-nummer van de telefoon aan uw provider
hebben doorgegeven.
±
Toets *#06# op uw telefoon in om het nummer op het display te zien. Noteer dit nummer en bewaar het op een veilige plaats.
kiezen onder Telefooninstellingen
Netwerkselectie.
Code en beveiliging simkaart
Door een pincode in te stellen voor de simkaart
kunt u voorkomen dat onbevoegden gebruik
kunnen maken van uw simkaart.
Fabrieksinstellingen herstellen
Het is mogelijk alle fabrieksinstellingen van de
telefoon te herstellen onder
Telefooninstellingen Reset Telefooninst.
Simkaart aanbrengen
U wijzigt de code onder Telefooninstellingen
PIN-code bewerken.
U wijzigt het beveiligingsniveau onder
Telefooninstellingen SIM-beveiliging.
04
De optie Aan levert het hoogste beveiligingsniveau op. U moet dan iedere keer dat u de
telefoon inschakelt opnieuw de pincode invoeren.
De optie Automatisch is het op een na hoogste beveiligingsniveau. De telefoon onthoudt
de pincode dan en voert deze bij het inschakelen van de telefoon automatisch in. Bij
gebruik van de simkaart in een andere telefoon,
moet de code echter wel handmatig worden
ingevoerd.
G021450
Gesprekslijsten
Onder Oproepregister worden lijsten
De optie Uit staat voor het laagste beveiligingsniveau. De simkaart is dan helemaal zonder code te gebruiken.
U kunt de telefoon automatisch een netwerk
laten kiezen of handmatig een bepaald netwerk
G021451
Netwerkselectie
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
209
04 Comfort en rijplezier
Geïntegreerde telefoon*
Zorg dat de telefoon gedeactiveerd is. Trek
de simkaarthouder uit het dashboardkastje
tevoorschijn.
Plaats de simkaart met het laag metaal
in de simkaarthouder en breng
omhoog
de behuizing van de simkaarthouder
aan. Plaats de simkaarthouder terug.
04
210
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Comfort en rijplezier
04
211
Rijadviezen............................................................................................
Tanken..................................................................................................
Brandstof..............................................................................................
Lading vervoeren..................................................................................
Kofferbak ..............................................................................................
Gevarendriehoek*.................................................................................
Rijden met een aanhanger....................................................................
Slepen en bergen..................................................................................
212
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
214
216
217
221
222
224
225
231
TIJDENS HET RIJDEN
05
05 Tijdens het rijden
Rijadviezen
Algemene informatie
Zuinig rijden
werking in orde is. Bij water en vuil op de remblokken kunnen er vertragingen in de remwerking optreden.
Zuinig en milieubewust rijden houdt in dat u
anticiperend en rustig rijdt, en uw rijstijl en snelheid afstemt op de verkeerssituatie (Voor meer
tips om het milieu te sparen, zie pagina 9).
Maak de aansluitingen voor de elektrische
motorverwarming en de aanhangerkoppeling
schoon na ritten in water en modder.
•
Laat de motor niet stationair lopen, maar
rijd zo snel mogelijk met lichte belasting.
•
Een koude motor verbruikt meer brandstof
dan een warme.
Er kan schade aan de motor ontstaan, als er
water in het luchtfilter dringt.
•
Gebruik geen winterbanden op sneeuwvrije wegen.
•
Verwijder de lastdrager wanneer u deze
niet nodig hebt.
•
Gebruik bij koud weer de standverwarming* zodat de motor sneller op temperatuur komt.
Bij waterpartijen dieper dan 25 cm kan er
water in de transmissie dringen. De smerende eigenschappen van de oliën nemen
daarbij af, waardoor de genoemde systemen minder lang meegaan.
U kunt met de auto door waterpartijen van
maximaal 25 cm diep rijden met een maximumsnelheid van 10 km/h. Wees extra voorzichtig bij het doorwaden van stromend water.
Houd een lage snelheid aan tijdens het waden
en breng de auto niet in het water tot stilstand.
Trap na het passeren van de waterpartij lichtjes
op het rempedaal om te controleren of de rem-
214
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Houd een lage snelheid aan, wanneer u
met een aanhanger achter de auto een
lange en steile helling oprijdt.
•
Na een zware rit moet u de motor niet
meteen afzetten, maar nog enige tijd stationair laten lopen.
N.B.
BELANGRIJK
Laat zware lading niet onnodig lang in de
auto liggen.
Doorwaaddiepte
•
Laat de auto niet langdurig in water staan dat
tot boven de dorpelbalken komt om elektrische
storingen te voorkomen.
•
05
gende om te voorkomen dat de motor oververhit raakt:
Probeer de motor na afslag in een waterpartij niet opnieuw te starten – sleep de auto
uit de waterpartij naar een werkplaats –
geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats. Kans op motorschade.
Het is normaal dat de koelventilator na het
afzetten van de motor nog enige tijd kan
blijven werken.
•
Verwijder verstralers die voor de grille zitten tijdens ritten bij extreem warm weer.
•
Laat de motor geen hogere toeren maken
dan 4500 omw/min (3500 omw/min bij dieselmotoren), wanneer u met een aanhanger of caravan achter de auto in heuvelachtig gebied rijdt. De olietemperatuur kan
te hoog oplopen.
Geopend kofferdeksel
Motor en koelsysteem
In bepaalde omstandigheden, bijvoorbeeld op
steile hellingen en bij het vervoer van een zware
lading, bestaat het gevaar dat de motor en het
koelsysteem oververhit raken. Doe het vol-
Rijd niet met een geopend kofferdeksel. Rijd
alleen een kort stukje, als u geen andere keus
hebt. Doe alle ruiten dicht, stuur de lucht naar
de voorruit en de vloer en laat de ventilator op
de hoogste snelheid draaien.
05 Tijdens het rijden
Rijadviezen
WAARSCHUWING
Rijd niet met een geopend kofferdeksel. Er
kunnen giftige uitlaatgassen via de kofferbak de passagiersruimte in worden gezogen.
Accu niet overmatig belasten
De elektrische functies van de auto belasten de
accu in verschillende mate. Laat het contactslot niet te lang achtereen in stand II staan,
wanneer u de motor hebt afgezet. Gebruik liever stand I, omdat er op die manier minder
stroom wordt afgenomen.
Let er tevens op dat de verschillende accessoires het elektrisch systeem belasten. Schakel onderdelen/systemen die veel stroom
nemen uit, wanneer u de motor hebt afgezet.
Voorbeelden van onderdelen/systemen die
veel stroom afnemen zijn:
•
•
•
•
Voorbereidingen bij lange reizen
•
Zorg dat er geen sprake is van lekkage
(brandstof, olie of andere vloeistoffen).
•
Controleer alle lampen en de profieldiepte
van de banden.
•
In sommige landen bent u wettelijk verplicht een gevarendriehoek mee te nemen.
Rijden tijdens de winter
Let voor aanvang van de winter in het bijzonder
op het volgende:
•
ruitenwisser
audiosysteem (hoog volume)
stadslicht
Controleer of de motor naar behoren functioneert en of het brandstofverbruik in orde
is.
•
interieurventilator
Als de accuspanning laag is, verschijnt er een
melding op het display. De energiebesparingsfunctie schakelt bepaalde onderdelen/systemen uit of verlaagt de belasting van de accu
door bijvoorbeeld de ventilator lager te zetten
tijdens de koude start af. Voor meer informatie over geschikte oliesoorten, zie
pagina 293.
en het audiosysteem uit te schakelen. U laadt
de accu op door de motor te starten.
De koelvloeistof van de motor moet ten
minste 50 % glycol bevatten. Bij een dergelijke concentratie is de motor
beschermd tot ca. –35°C. Voor optimale
bescherming tegen vorst is het zaak geen
verschillende soorten glycol met elkaar te
mengen.
•
Houd de tank altijd goed gevuld om condens in de brandstoftank tegen te gaan.
•
De viscositeit van de motorolie is belangrijk. Wanneer u oliesoorten met een lagere
viscositeit (dunnere oliën) gebruikt, slaat
de motor bij koud weer gemakkelijker aan
en neemt bovendien het brandstofverbruik
BELANGRIJK
Gebruik geen olie met een lage viscositeitsaanduiding bij zware rijomstandigheden of
warm weer.
•
Controleer de algehele conditie en de
ladingstoestand van de accu. De accu
wordt zwaarder belast bij koud weer en
ook de accucapaciteit neemt af bij vorst.
•
Giet ruitensproeiervloeistof in het sproeiervloeistofreservoir om ijsvorming te voorkomen.
05
Voor optimale grip bij gevaar voor sneeuw of
ijs adviseert Volvo u om de auto rondom van
winterbanden te voorzien.
N.B.
In sommige landen is het gebruik van winterbanden verplicht. Banden met spikes zijn
niet in alle landen toegestaan.
Nieuwe auto’s en gladde wegen
Oefen onder gecontroleerde omstandigheden
om te testen hoe de nieuwe auto bij gladheid
reageert.
215
05 Tijdens het rijden
Tanken
Tankvulklep handmatig openen
WARNING! ACHTUNG!
AVERTISSEMENT!
G021395
Tankvulklep openen/sluiten
Tankdop open-/dichtdraaien
05
Open de tankvulklep met de knop op het verlichtingspaneel. De vulklep zit in het rechter
achterspatbord, zoals de pijl in het symbool
op het informatiedisplay al aangeeft.
Sluit de klep door deze dusdanig in te drukken
dat u een klik hoort.
Bij hoge buitentemperaturen kan er een
bepaalde mate van overdruk in de brandstoftank ontstaan. Draai de tankdop dan langzaam
open.
Breng na het tanken de tankdop weer aan en
draai deze zo ver dicht dat u één of meer klikken hoort.
Brandstof tanken
Giet de tank niet te vol door het vulpistool na
de eerste afslag uit de vulopening te halen.
N.B.
Een te volle tank kan bij warm weer overlopen.
216
G024631
Tanken
De tankvulklep kan handmatig worden
geopend, als openen met de schakelaar in de
passagiersruimte niet mogelijk is.
1. Open het zijluikje in de kofferbak (aan de
kant van de tankvulklep).
2. Zoek de groene kabel met handgreep op.
3. Trek deze recht naar achteren totdat de
tankvulklep met een duidelijke klik wordt
geopend.
05 Tijdens het rijden
Brandstof
Algemene informatie over brandstof
Gebruik geen brandstof met een slechtere
kwaliteit dan Volvo adviseert, omdat dit een
nadelige invloed kan hebben op het motorvermogen en het brandstofverbruik.
WAARSCHUWING
Zorg altijd dat u geen brandstofdampen
inademt of brandstofspatten in de ogen
krijgt.
Mocht u toch brandstof in de ogen krijgen,
neem dan eventuele contactlenzen uit en
spoel de ogen ten minste 15 minuten lang
met een ruime hoeveelheid schoon water en
roep medische hulp in.
Brandstof nooit inslikken. Brandstoffen
zoals benzine, bio-ethanol, mengsels ervan
en dieselolie zijn uitermate giftig en kunnen
bij inwendig gebruik aanleiding geven tot
blijvend letsel met mogelijk dodelijke afloop.
Roep onmiddellijk medische hulp in bij het
inslikken van brandstof.
WAARSCHUWING
Gemorste brandstof kan ontvlammen.
Schakel voordat u gaat tanken de standverwarming op brandstof uit.
Schakel voordat u gaat tanken uw mobiele
telefoon uit. De beltoon kan aanleiding
geven tot vonkvorming en daarbij de brandstofdampen ontsteken met gevaar voor
brand en verwondingen.
BELANGRIJK
Bij menging van verschillende soorten
brandstof of gebruik van een andere brandstofkwaliteit dan aanbevolen, vervallen de
garanties van Volvo en eventuele aanvullende servicecontracten; dit geldt voor alle
motoren. N.B. Dit geldt niet voor auto’s met
een motor die is aangepast voor het gebruik
van ethanol (E85).
N.B.
Bij extreme weersomstandigheden, gebruik
van een aanhanger of ritten op grote hoogte
kan, afhankelijk van de gebruikte brandstofkwaliteit, het prestatievermogen van de
auto te wensen overlaten.
Benzine
De benzine moet voldoen aan de norm NENEN 228. De meeste motoren lopen op benzine
met een octaangetal van 95 en 98 RON.
Gebruik benzine met een octaangetal van
91 RON alleen bij wijze van hoge uitzondering.
•
95 RON is te gebruiken in normale rijomstandigheden.
•
98 RON wordt geadviseerd voor een maximaal rendement tegen een minimaal
brandstofverbruik.
Voor ritten bij temperaturen hoger dan +38°C
wordt u geadviseerd een brandstofsoort met
een zo hoog mogelijk octaangetal te gebruiken.
Dit om optimale prestaties en een zo laag
mogelijk brandstofverbruik te verkrijgen.
05
BELANGRIJK
•
Tank alleen loodvrije benzine om
schade aan te katalysator te voorkomen.
•
Giet geen additieven (dopes) in de benzine zonder het uitdrukkelijke advies
van Volvo.
Katalysatoren
De katalysatoren hebben tot taak de uitlaatgassen te reinigen. Ze zijn dicht bij de motor in
het uitlaatsysteem gemonteerd om snel op
temperatuur te komen.
``
217
05 Tijdens het rijden
Brandstof
De katalysatoren bestaan uit een monoliet
(keramiek of metaal) met kanalen. De wanden
van de kanalen zijn bekleed met platina/
rodium/palladium. Deze edelmetalen hebben
een katalytische werking, d.w.z. ze versnellen
een chemische reactie zonder dat ze daar zelf
actief aan deelnemen.
LambdasondeTM (zuurstofsensor)
05
Bio-ethanol (E 85)
Dieselolie
Breng geen wijzigingen aan in het brandstofsysteem of de onderdelen daarvan en vervang
ze evenmin door componenten die niet speciaal geconstrueerd zijn voor gebruik in combinatie met bio-ethanol.
De dieselolie moet voldoen aan de norm NENEN 590 of JIS K2204. Dieselmotoren zijn
gevoelig voor verontreinigingen zoals een te
hoog gehalte aan zwaveldeeltjes. Maak alleen
gebruik van dieselolie van gerenommeerde
oliemaatschappijen. Giet nooit dieselolie van
twijfelachtige kwaliteit in de tank.
WAARSCHUWING
De lambdasonde maakt deel uit van het regelsysteem dat tot taak heeft de uitstoot te beperken en de energie-inhoud van de brandstof
beter te benutten.
Het gebruik van methanol is niet toegestaan. De sticker aan de binnenkant van de
tankvulklep geeft de juiste soort alternatieve
brandstof aan.
Een zuurstofsensor registreert het zuurstofgehalte van de uitlaatgassen die de motor verlaten. De meetwaarde van de uitlaatgasanalyse
wordt doorgegeven aan het elektronische systeem dat continu de injectoren afregelt. Het
lucht-brandstofmengsel dat de motor krijgt,
wordt continu bijgesteld. De regeling schept de
ideale omstandigheden voor een effectieve
verbranding van de schadelijke stoffen (koolwaterstoffen, koolmonoxide en stikstofoxiden)
in de driewegkatalysator.
Het gebruik van onderdelen die niet
bestemd zijn voor bio-ethanolmotoren kan
brand, lichamelijk letsel of motorschade
veroorzaken.
Jerrycan
Giet een jerrycan in de auto vol met benzine,
zie pagina 103.
WAARSCHUWING
Ethanol is gevoelig voor vonkvorming en er
kunnen explosieve dampen ontstaan in een
jerrycan die met ethanol gevuld wordt.
Bij lage temperaturen (–6°C tot –40°C) kan de
paraffine in de dieselolie uitvlokken. Dit kan tot
startproblemen leiden. De grote oliemaatschappijen produceren speciale dieselolie
bestemd voor gebruik bij buitentemperaturen
rond het vriespunt. Deze dieselolie is dunner bij
lage temperaturen en beperkt de kans op vlokvorming in het brandstofsysteem.
De kans op condensatie in de brandstoftank
neemt af, als u de tank altijd goed gevuld
houdt. Houd tijdens het tanken het gebied rond
de vulpijp goed schoon. Voorkom morsen op
gelakte oppervlakken. Maak als u gemorst
hebt het gebied met water en zeep schoon.
BELANGRIJK
Het is alleen toegestaan brandstof te
gebruiken die voldoet aan de Europese
norm voor dieselolie.
Het zwavelgehalte mag maximaal 50 ppm
zijn.
218
05 Tijdens het rijden
Brandstof
BELANGRIJK
Maak geen gebruik van de volgende dieselolie-achtige brandstoffen:
•
•
•
•
5. Om de motor te starten: Bedien rem- en/of
koppelingspedaal en druk nogmaals op de
START-knop.
speciale toevoegingen (dopes)
scheepsolie
stookolie
RME 1 (koolzaadmethylester) of plantaardige olie.
Dergelijke brandstoffen voldoen niet aan de
kwaliteitseisen die Volvo stelt en geven aanleiding tot verhoogde vormen van slijtage en
motorschade die niet worden gedekt door
de garanties van Volvo.
Wanneer u de tank leegrijdt
Na motoruitval door brandstofgebrek heeft het
brandstofsysteem enige tijd nodig om een controle uit te voeren. Doe in dat geval het volgende voordat u de motor start:
1. Vul de brandstoftank met minstens 5 liter
dieselolie.
2. Steek de transpondersleutel in het contactslot en druk licht op de sleutel zodat
deze verder naar binnen wordt getrokken
(zie pagina 72).
3. Druk op de START-knop zonder rem- en/
of koppelingspedaal te bedienen.
1
4. Wacht ca. 1 minuut.
Condenswater uit brandstoffilter
aftappen
Het brandstoffilter ontdoet de brandstof van
condenswater. Condenswater kan anders aanleiding geven tot motorstoringen.
Houd u voor het aftappen van het condenswater aan de specificaties die in uw Service- en
garantieboekje staan aangegeven. Ook wanneer u vermoedt dat er vervuilde brandstof is
gebruikt, moet u het brandstoffilter aftappen.
BELANGRIJK
Sommige speciale toevoegingen verwijderen het verzamelde vocht uit het brandstoffilter.
Roetfilter dieselmotor (DPF)
Dieselmodellen zijn uitgerust met een roetfilter,
waardoor een nog efficiëntere uitlaatgasreiniging mogelijk is. Onder normale rijomstandigheden blijven de roetdeeltjes uit de uitlaatgassen in het filter achter. Om de roetdeeltjes te
verbranden en het filter te legen wordt een
zogeheten regeneratie gestart. Daarvoor moet
de motor de normale bedrijfstemperatuur hebben.
Afhankelijk van de rijomstandigheden wordt
het filter om de 300–900 kilometer geregenereerd. De regeneratie duurt normaal
10–20 minuten. Bij een lage gemiddelde snelheid kan dit iets langer duren. Gedurende de
regeneratie kan het brandstofverbruik iets stijgen.
Regeneratie bij koud weer
Als u bij koud weer vaak korte afstanden rijdt,
komt de motor niet voldoende op temperatuur.
Dit betekent dat het roetfilter niet geregenereerd en niet geleegd wordt.
Wanneer het filter voor ca. 80 % met roetdeeltjes gevuld is, licht de oranje waarschuwingsdriehoek op het instrumentenpaneel op en verschijnt de melding Roetfilter vol Zie
instructieb. op het display van het instrumentenpaneel.
05
U start de regeneratie van het filter door met de
auto op een secundaire weg of op een snelweg
te rijden tot de motor voldoende op temperatuur is gekomen. Daarna rijdt u nog ca.
20 minuten verder.
Wanneer het filter geregenereerd is, wordt de
waarschuwingsmelding automatisch gewist.
Dieselolie kan een bepaalde hoeveelheid RME bevatten. Het is niet toegestaan meer toe te voegen.
``
219
05 Tijdens het rijden
Brandstof
Gebruik bij koud weer de standverwarming*
zodat de motor sneller op bedrijfstemperatuur
komt.
BELANGRIJK
Als het filter helemaal met roetdeeltjes
gevuld is, vertoont de motor soms startproblemen. Het filter is dan onbruikbaar geworden. Het is in dat geval mogelijk dat u het
filter moet vervangen.
Brandstofverbruik en uitstoot van
kooldioxide
05
Het gebruik van extra accessoires kan de verbruikscijfers beïnvloeden, omdat de accessoires het gewicht van de auto verhogen. Zie de
informatie over gewichten op pagina 288 en
de tabel op pagina 299.
Ook de rijstijl en andere niet-technische factoren kunnen van invloed zijn op het brandstofverbruik.
Bij gebruik van brandstof met een octaangetal
van 91(RON), neemt het brandstofverbruik toe
terwijl het motorvermogen lager wordt.
220
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
N.B.
Bij extreme weersomstandigheden, gebruik
van een aanhanger of ritten op grote hoogte
kan, afhankelijk van de gebruikte brandstofkwaliteit, het prestatievermogen van de
auto te wensen overlaten.
05 Tijdens het rijden
Lading vervoeren
Algemene informatie
Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar
gewicht van de auto. Het laadvermogen dient
te worden verminderd met de som van het
gewicht van eventuele inzittenden en dat van
gemonteerde accessoires. Voor gedetailleerde
informatie over de gewichten, zie pagina 288.
WAARSCHUWING
Afhankelijk van de belading van de auto en
het zwaartepunt van de lading treden er wijzigingen in de rijeigenschappen op.
•
Dek scherpe randen met iets zachts af om
de bekleding te beschermen.
•
Zet alle bagage met riemen of bevestigingsbanden aan de verankeringsogen
vast.
Ruggedeelte achterbank omklappen
Voor het omklappen van de achterbank, zie
pagina 76.
Verankeringsogen
WAARSCHUWING
Vergeet niet dat een voorwerp met een
gewicht van 20 kg tijdens een frontale botsing bij een snelheid van 50 km/h zich kan
gedragen als een voorwerp met een gewicht
van 1000 kg.
Zorg dat u de bagage altijd goed verankert.
Lading vervoeren in kofferbak
Zet de motor af en trek de parkeerrem aan bij
het in- en uitladen van lange voorwerpen. Wanneer u met de lange bagage tegen de versnellingspook/keuzehendel aankomt, kan de auto
in beweging komen.
U kunt het kofferdeksel openen met
de knop op het verlichtingspaneel of
met de transpondersleutel, zie pagina 53.
•
Plaats de bagage stevig tegen de rugleuning van de stoel ervoor.
•
Breng brede voorwerpen in het midden
aan.
•
Breng zware voorwerpen zo laag mogelijk
aan. Plaats geen zware voorwerpen op het
neergeklapte ruggedeelte.
05
WAARSCHUWING
Anders bieden de opblaasgordijnen die
schuilgaan achter de plafondbekleding
mogelijk geen bescherming meer. Zorg dat
de lading nooit boven de ruggedeelten uitsteekt. Bij krachtig remmen kan de bagage
anders gaan schuiven en inzittenden verwonden.
De inklapbare verankeringsogen in de kofferbak gebruikt u om bagagebanden aan vast te
zetten
WAARSCHUWING
Harde, scherpe en/of zware voorwerpen die
in de weg liggen of uitsteken kunnen bij een
krachtige remmanoeuvre verwondingen
veroorzaken. Maak grote en zware voorwerpen altijd vast met een van de veiligheidsgordels of een bagageband.
221
05 Tijdens het rijden
Kofferbak
Houder voor boodschappentassen
Doorsteekluik
G021463
U kunt het luikje in het ruggedeelte openen om
lange en smalle voorwerpen te vervoeren.
05
Met de houder voor boodschappentassen kunt
u draagtassen vastzetten om te voorkomen dat
ze omvallen en hun inhoud over de vloer van
de kofferbak verspreiden.
1. Open het luik dat deel uitmaakt van de
vloer in de kofferbak.
2. Zet de boodschappentassen met de spanband vast.
Klap het rechter ruggedeelte naar voren
toe om.
Ontgrendel het luikje in het ruggedeelte
van de achterbank door de grendel
omhoog te duwen en duw tegelijkertijd het
luikje naar voren toe open.
Zet het ruggedeelte weer rechtop met het
luikje open.
N.B.
Als de auto is uitgerust met een geïntegreerd kinderzitje*, dan dient u dit eerst uit
te klappen.
Maak gebruik van de veiligheidsgordel om de
lading vast te zetten.
222
05 Tijdens het rijden
Kofferbak
WAARSCHUWING
Zet de motor af en trek de parkeerrem aan
bij het in- en uitladen. Het gevaar is anders
aanwezig dat u met de bagage tegen de
versnellingspook/keuzehendel aankomt en
de auto daarmee in beweging zet.
Luik achter geïntegreerd kinderzitje
Het luik zit niet met scharnieren in het ruggedeelte vast, maar is in zijn geheel te verwijderen.
Luikje verwijderen
Open het luikje nadat u het hebt ontgrendeld,
met het ruggedeelte omgeklapt, ca. 30 graden
en trek het luikje recht omhoog.
Lading op het dak
Lastdragers gebruiken
Om schade aan de auto te voorkomen en voor
maximale veiligheid tijdens het rijden, wordt u
geadviseerd de lastdragers te gebruiken die
door Volvo ontwikkeld zijn.
Volg de montage-instructies die bij de lastdragers worden geleverd nauwkeurig op.
•
Controleer regelmatig of de lastdragers en
de lading goed vastzitten. Zet de lading
stevig vast met sjorbanden.
•
Verdeel het gewicht van de lading gelijkmatig over de lastdragers. Leg de zwaarste
voorwerpen onderop.
•
Naarmate u meer lading op het dak vervoert, vangt de auto meer wind en neemt
het brandstofverbruik toe.
•
Rijd rustig. Trek bij voorkeur niet te snel op,
rem niet te hard en maak niet te scherpe
bochten.
Luikje aanbrengen
Plaats het luikje terug in de groeven achter de
bekleding en sluit het luikje.
Voorstoel
Voor het vervoer van extra lange lading kunt u
ook de rugleuning van de passagiersstoel
omklappen, zie pagina 74.
05
WAARSCHUWING
Bij het vervoer van lading op het dak verschuift het zwaartepunt en treden er wijzigingen op in de rijeigenschappen van de
auto. Voor informatie over de maximale
dakbelasting, inclusief lastdragers en een
eventuele skibox, zie pagina 288.
223
05 Tijdens het rijden
Gevarendriehoek*
De gevarendriehoek is met twee clips aan de
binnenkant van het kofferdeksel bevestigd.
Haal de houder met de gevarendriehoek
los door de twee kliksluitingen naar buiten
te trekken.
Neem de gevarendriehoek uit de houder,
klap de driehoek uit en bevestig de twee
losse zijden aan elkaar.
Klap de steunpoten van de gevarendriehoek uit.
Volg de geldende bepalingen voor het gebruik
van een gevarendriehoek. Zet de gevarendriehoek op een passend punt achter de auto op
om achteropkomend verkeer tijdig te waarschuwen.
05
Zorg dat de houder met de gevarendriehoek na
gebruik stevig in de kofferbak vastzit.
EHBO-set*
In de kofferbak ligt een EHBO-set.
224
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
05 Tijdens het rijden
Rijden met een aanhanger
Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar
gewicht van de auto. Het laadvermogen dient
te worden verminderd met de som van het
gewicht van eventuele inzittenden en dat van
gemonteerde accessoires, zoals een trekhaak.
Voor gedetailleerde informatie over de gewichten, zie pagina 288.
Als de trekhaak door Volvo is gemonteerd,
wordt de auto compleet aangeleverd met de
benodigde randuitrusting voor het gebruik van
een aanhanger.
•
De trekhaak van de auto moet van een
goedgekeurd type zijn.
•
Bij montage achteraf moet u contact opnemen met uw erkende Volvo-werkplaats om
te controleren of uw auto van de nodige
uitrusting is voorzien om met een aanhanger te kunnen rijden.
•
Verdeel de lading in de aanhanger dusdanig dat de druk op de trekhaak de maximale kogeldruk niet overschrijdt.
•
Verhoog de bandenspanning tot de aanbevolen druk bij maximale belading. Voor
de positie van de bandenspanningstabel,
zie pagina 273.
•
Maak de trekhaak regelmatig schoon en
vet de kogel van tijd tot tijd in.
•
Rijd niet met een zware aanhanger, wanneer de auto nog helemaal nieuw is. Wacht
matig uw snelheid of breng de auto op een
veilige plek tot stilstand om de motor
enkele minuten stationair te laten lopen
zodat de versnellingsbak kan afkoelen. Bij
oververhitting is het mogelijk dat de airconditioning tijdelijk wordt uitgeschakeld.
hiermee totdat de auto ten minste
1000 kilometer heeft gereden.
Algemene informatie
•
Bij het afdalen op lange en steile hellingen
worden de remmen veel zwaarder belast
dan normaal. Schakel dan terug naar een
lagere versnelling en pas uw snelheid aan.
•
Bij het gebruik van een aanhanger wordt de
motor zwaarder belast dan normaal.
•
Wanneer de auto bij warm weer zwaar
belast wordt, kan de motor oververhit
raken. Als de temperatuur in het koelsysteem van de motor te hoog oploopt, gaat
het waarschuwingslampje branden en verschijnt op het informatiedisplay de melding
Motortemp. hoog Stop auto z.s.m..
Breng de auto in dat geval zo spoedig
mogelijk tot stilstand en laat de motor
enkele minuten stationair lopen zodat deze
kan afkoelen. Als de melding Motortemp.
hoog Zet motor af of Koelvl.peil laag
Zet motor af verschijnt, dient u nadat de
auto tot stilstand is gekomen ook de motor
af te zetten.
•
De automatische versnellingsbak is voorzien van een ingebouwde beveiliging die bij
oververhitting in werking treedt. Als de
temperatuur in de versnellingsbak te hoog
oploopt, gaat het waarschuwingslampje
branden en verschijnt op het informatiedisplay de melding Versn.bak heet Rijd
langzamer of Versn.bak heet Stop auto
z.s.m.. Volg in dat geval het advies op en
•
Rijd om veiligheidsredenen niet sneller dan
80 km/h, ook al staat de wetgeving in
bepaalde landen een hogere snelheid toe.
•
Zet de keuzehendel in de parkeerstand P,
wanneer u een automaat met aanhanger
parkeert. Gebruik altijd de parkeerrem.
Gebruik wielblokken, als u een auto met
aanhanger op een steile helling parkeert.
Trekhaakbedrading
Als de trekhaak van de auto een 13-polig elektrisch contact heeft en de aanhanger een 7polig contact, hebt u een adapter nodig.
Gebruik een door Volvo goedgekeurde adapterkabel. Zorg dat de kabel niet over de grond
sleept.
05
Richtingaanwijzers en remlichten op
aanhanger
Als een van de richtingaanwijzers op de aanhanger defect is, knippert het richtingaanwijzersymbool op het instrumentenpaneel sneller
dan normaal en op het display verschijnt de
tekst Lampfout - Knip- perl. aanhanger.
``
225
05 Tijdens het rijden
Rijden met een aanhanger
Als een van de remlichten op de aanhanger
defect is, dan verschijnt de tekst Lampfout Rem- licht aanhanger.
Automatische versnellingsbak
Op een helling parkeren
1. Activeer de parkeerrem.
2. Zet de keuzehendel in stand P.
Op een helling wegrijden
Aanhangergewichten
WAARSCHUWING
Let erop dat er op grond van de wetgeving voor
motorvoertuigen in uw land verdere beperkingen van het aanhangergewicht en de snelheid
kunnen gelden. Het is bovendien mogelijk dat
de trekhaak gespecificeerd is voor hogere
gewichten dan het maximaal toelaatbare aanhangergewicht van de auto. Voor het maximaal
toelaatbare aanhangergewicht dat Volvo hanteert, zie pagina 290.
Let op het volgende als uw auto is uitgerust
met de afneembare trekhaak van Volvo:
1. Zet de keuzehendel in stand D.
2. Los de parkeerrem.
Steile hellingen
•
Schakel geen hogere, handmatige versnelling in dan de motor “aankan”. Rijden in
hoge versnellingen is niet altijd zuinig.
•
Vermijd hellingen met een percentage van
meer dan 12 % bij het gebruik van een
aanhanger.
05
Niveauregeling
Als uw auto is uitgerust met automatische
niveauregeling nemen de achterste schokdempers tijdens het rijden altijd dezelfde rijhoogte in ongeacht de belading (tenzij het
maximaal toelaatbare gewicht wordt overschreden). Wanneer de auto stilstaat, zakt de
achtertrein omlaag.
226
•
Volg de montagevoorschriften voor het
kogelsegment nauwkeurig op.
•
Zorg dat het kogelsegment met de sleutel vergrendeld is voordat u begint te rijden.
•
Controleer of het controlevenster groen
van kleur is.
WAARSCHUWING
Houd u aan de opgegeven aanbevelingen
voor het aanhangergewicht. De aanhanger
en de auto kunnen anders moeilijk bestuurbaar worden tijdens uitwijk- en remmanoeuvres.
Belangrijke controlepunten
•
U moet de kogel van het kogelsegment
regelmatig schoonmaken en met vet
insmeren.
N.B.
Trekhaak
Als de auto is uitgerust met een afneembare
trekhaak, moeten de montagevoorschriften
voor het monteren van het kogelsegment zorgvuldig worden opgevolgd, zie pagina 228.
Wanneer u een trekhaak met trillingsdemper
gebruikt, hoeft de kogel niet te worden ingevet.
05 Tijdens het rijden
Rijden met een aanhanger
G021484
Specificaties
G021485
Kogelsegment opbergen
Afmetingen, bevestigingspunten
(mm)
Opbergruimte kogelsegment.
BELANGRIJK
G021483
Neem na gebruik altijd het kogelsegment
los en berg het op de daarvoor bestemde
plaats op, goed vastgezet met de bijbehorende riem.
1
1127
2
93
3
855
4
428
5
112
6
360
7
Langsligger
8
Middelpunt kogel
05
``
227
05 Tijdens het rijden
Rijden met een aanhanger
Verwijder de afdekking door de pal in te
en de afdekking vervolgens
drukken
.
recht naar achteren te trekken
Het controlevenster moet rood van kleur
zijn.
G021490
G021488
G018928
Kogelsegment aanbrengen
Het controlevenster moet groen van kleur
zijn.
G021487
Controleer of het mechanisme in de ontgrendelde stand staat door de sleutel
rechtsom te draaien.
228
Breng het kogelsegment aan en duw het
naar binnen totdat u een klik hoort.
G000000
G021489
05
Draai de sleutel linksom naar de vergrendelde stand. Neem de sleutel uit het slot.
05 Tijdens het rijden
Controleer of het kogelsegment vastzit
door het stevig omhoog, omlaag en naar
achteren te bewegen.
WAARSCHUWING
Als het kogelsegment niet goed zit, moet u
het verwijderen en het opnieuw monteren
zoals eerder werd beschreven.
BELANGRIJK
G021495
G021494
Rijden met een aanhanger
Veiligheidskabel.
Druk de vergrendelingsknop
in en draai
totdat u een klik hoort.
deze linksom
WAARSCHUWING
Let erop dat u de veiligheidskabel van de
aanhanger aan de daarvoor bestemde
bevestiging vastmaakt.
05
Kogelsegment verwijderen
Vet alleen de kogel in waarop de aanhangerkoppeling wordt geplaatst. Houd de rest
van het kogelsegment vetvrij en droog.
Draai de vergrendelingsknop volledig
omlaag totdat deze niet verder kan. Houd
de knop in deze stand vast terwijl u het
kogelsegment schuin naar achteren toe
omhoogtrekt.
Steek de sleutel in het slot en draai deze
rechtsom in de ontgrendelde stand.
``
229
05 Tijdens het rijden
Rijden met een aanhanger
WAARSCHUWING
G018929
Zet het losse kogelsegment goed vast, wanneer u het in de auto bewaart (zie
pagina 227).
05
230
Duw de afdekking er zo ver op dat deze
vastklikt.
05 Tijdens het rijden
Slepen en bergen
Slepen
WAARSCHUWING
Controleer voordat u de auto gaat slepen wat
de toegestane maximumsnelheid is voor slepen.
Het stuurslot blijft in de stand staan die gold
bij het verbreken van de spanning. Het
stuurslot moet worden opgeheven, voordat
u de auto sleept. De transpondersleutel
moet in sleutelstand II staan. Neem de
transpondersleutel nooit tijdens het rijden
uit het contactslot, ook niet als de auto
gesleept wordt.
1. Steek de transpondersleutel in het contactslot om het stuurslot op te heffen zodat
de auto bestuurbaar wordt, zie pagina 72.
2. Laat de transpondersleutel tijdens het slepen in het contactslot zitten.
WAARSCHUWING
3. Zorg om schokken te voorkomen dat de
sleepkabel altijd strak staat door met uw
voet lichte druk op het rempedaal uit te
oefenen.
De rembekrachtiging en de stuurbekrachtiging werken niet wanneer de motor uitgeschakeld is. U moet ongeveer vijfmaal zo
hard op het rempedaal trappen en de auto
stuurt aanzienlijk zwaarder dan normaal.
4. Sta klaar om te remmen om de auto tot
stilstand te brengen.
WAARSCHUWING
Steek voordat de auto wordt versleept de
transpondersleutel in het contactslot om het
stuurslot op te heffen (zodat de auto
bestuurbaar wordt).
Handgeschakelde versnellingsbak
±
Zet de versnellingspook in de neutrale
stand en los de parkeerrem.
Automatische versnellingsbak
±
Zet de keuzehendel in stand N en los de
parkeerrem.
BELANGRIJK
Let erop dat u de auto altijd dusdanig wegsleept dat de wielen in de rijrichting draaien.
•
De snelheidslimiet voor het wegslepen
van een auto met automatische versnellingsbak is 80 km/h. U mag de auto over
een afstand van maximaal 80 km verslepen.
2.0
De 2.0 met automaatbak dient niet gesleept te
worden. Aangezien de circulatiepomp de versnellingsbakolie niet op de juiste temperatuur
kan houden als de motor niet loopt, is de kans
op schade aan de versnellingsbak zeer groot.
05
Een auto die op een gevaarlijke plek in het verkeer staat, mag echter over een korte afstand
(tot 30 km) en op lage snelheid (tot 30 km/h)
worden versleept.
BELANGRIJK
Bij vorst wordt slepen ten stelligste afgeraden.
Starten met hulpaccu
Probeer de motor niet aan te slepen. Gebruik
een hulpaccu als de startaccu dusdanig ontla-
``
231
05 Tijdens het rijden
Slepen en bergen
Bergen
den is dat de motor niet kan worden gestart,
zie pagina 105.
BELANGRIJK
BELANGRIJK
Let erop dat u de auto altijd dusdanig wegsleept dat de wielen in de rijrichting draaien.
G021501
De katalysator kan beschadigd raken als u
de auto probeert aan te slepen.
Sleepoog
Gebruik het sleepoog als de auto over de weg
moet worden versleept. U bevestigt het sleepoog in de opening aan de rechterzijde van de
voor- of achterbumper.
05
Sleepoog monteren
Maak de onderkant van de afdekking in de
bumper los met een schroevendraaier of
een muntstuk. Schroef het sleepoog stevig
tot aan de flens vast. Gebruik de wielsleutel
om het sleepoog vast te draaien.
N.B.
G021500
Bij sommige auto’s met een afneembare
trekhaak kunt u het sleepoog niet in de achterste bevestiging aanbrengen wanneer het
kogelsegment gemonteerd is. Bevestig de
sleepkabel in dat geval aan de trekhaak.
Neem het sleepoog erbij dat onder het
vloerluik in de kofferbak ligt.
232
Om die reden wordt geadviseerd het kogelsegment van de afneembare trekhaak in de
auto te bewaren, wanneer u de trekhaak niet
nodig hebt.
•
Voor auto’s met vierwielaandrijving
(AWD) gelden, bij het bergen met een
geheven vooras, zowel een maximale
snelheid van 70 km/h als een maximale
afstand van 50 km.
WAARSCHUWING
Het sleepoog is alleen bedoeld voor het slepen over de weg en niet geschikt voor berging. Roep professionele hulp in voor berging.
05 Tijdens het rijden
05
233
234
236
243
250
252
255
264
278
G020922
Motorruimte..........................................................................................
Gloeilampen..........................................................................................
Wisserbladen en ruitensproeiervloeistof...............................................
Accu......................................................................................................
Zekeringen............................................................................................
Wielen en banden.................................................................................
Verzorging.............................................................................................
ONDERHOUD EN SERVICE
06
06 Onderhoud en service
Motorruimte
Algemene informatie
Serviceprogramma van Volvo
Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid en
betrouwbaarheid van de auto op een hoog peil
te houden, dient u de voorschriften van het
Serviceprogramma van Volvo op te volgen
zoals die omschreven staan in het Service- en
garantieboekje van Volvo. Volvo adviseert u om
service- en onderhoudswerkzaamheden over
te laten aan een erkende Volvo-werkplaats.
Volvo-werkplaatsen beschikken over het personeel, het speciale gereedschap en de servicehandboeken waardoor zij u een zo hoog
mogelijke servicekwaliteit kunnen garanderen.
BELANGRIJK
Voor de geldigheid van de garantie is het
van belang dat u het Service- en garantieboekje van Volvo controleert en de aanwijzingen opvolgt.
06
Regelmatig controleren
Controleer regelmatig de volgende oliën en
vloeistoffen, bijvoorbeeld tijdens het tanken:
•
•
•
•
236
Koelvloeistof
Motorolie
Stuurbekrachtigingsvloeistof
Ruitensproeiervloeistof
WAARSCHUWING
Let erop dat de koelventilator tot enige tijd
na het afzetten van de motor nog automatisch kan aanslaan.
Laat het schoonmaken van de motor altijd
over aan een werkplaats. Als de motor heet
is, bestaat er gevaar voor brand.
Auto omhoogbrengen
N.B.
Volvo adviseert alleen de krik te gebruiken
die bij het desbetreffende model hoort. Volg
bij gebruik van een andere krik dan door
Volvo geadviseerd de gebruiksaanwijzingen
die bij deze krik werden geleverd
Als u de auto met een garagekrik omhoogbrengt, moet u de krik tegen de voorkant van
het subframe van de motor aanbrengen.
Zorg dat de spatplaat onder de motor niet
beschadigd raakt. Let erop dat u de garagekrik
dusdanig aanbrengt, dat de auto er niet van af
kan glijden. Maak altijd gebruik van steunbokken of vergelijkbare hulpmiddelen.
Als u de auto met een tweekoloms hefbrug
omhoogbrengt, moet u ervoor zorgen dat de
voorste en achterste dragerarmen onder de
steunpunten bij de drempelkokers komen te
zitten. Zie voorgaande afbeelding.
Motorkap openen en sluiten
06 Onderhoud en service
Motorruimte
Motorruimte, overzicht
Vulopening voor ruitensproeiervloeistof
Luchtfilter
WAARSCHUWING
G010951
Het ontstekingssysteem werkt zeer hoge
spanningen op. De spanning van het ontstekingssysteem is levensgevaarlijk. Zet de
transpondersleutel daarom altijd in stand 0
bij werkzaamheden in de motorruimte (zie
pagina 72).
WAARSCHUWING
Controleer bij het sluiten of de motorkap
goed in het slot valt.
Afhankelijk van het motortype kan de motorruimte
er anders uitzien.
Expansiereservoir voor koelsysteem
Raak bougies of bobine niet aan, wanneer
de transpondersleutel in stand II staat of als
de motor warm is.
Oliepeil motor controleren
Reservoir voor stuurbekrachtigingsvloeistof
Peilstok voor motorolie
06
Radiateur
Vulopening voor motorolie
Reservoir voor rem- en koppelingsvloeistof
(auto met stuur links)
Accu
G021733
Haal de borghaak naar links om de motorkap te openen. (De borghaak zit tussen de
koplamp en de grille zoals afgebeeld.)
G018945
Trek aan de handgreep bij de pedalen. Het
is duidelijk te horen dat vergrendeling
wordt opgeheven.
Relais- en zekeringenkastje, motorruimte
Sticker met oliekwaliteit.
Volvo adviseert olieproducten van Castrol.
``
237
06 Onderhoud en service
Motorruimte
06
Volvo hanteert uiteenlopende systemen om te
waarschuwen voor een laag oliepeil of een lage
oliedruk. Bij de modellen die zijn voorzien van
een oliedruksensor wordt gebruik gemaakt van
een waarschuwingslampje voor de oliedruk. Bij
modellen met een olieniveausensor wordt
gewaarschuwd met een waarschuwingssym-
238
Vulopening en peilstok
G021736
BELANGRIJK
Om aan de vereisten voor de gespecificeerde service-intervallen te voldoen worden alle motoren in de fabriek gevuld met
een speciaal aangepaste, synthetische
motorolie. De oliesoort werd met grote zorg
geselecteerd lettend op de levensduur van
de motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact. Om de
aanbevolen service-intervallen aan te kunnen houden dient u een goedgekeurde
motoroliesoort te gebruiken. Gebruik alleen
een oliesoort van de voorgeschreven kwaliteit (zie sticker in motorruimte) en dat zowel
bij het bijvullen als verversen van olie. Een
negatieve invloed op de levensduur van de
motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact is anders niet
uitgesloten. Volvo Car Corporation wijst alle
garantieclaims af bij gebruik van een motoroliesoort die niet voldoet aan de voorgeschreven kwaliteits- en viscositeitseisen.
bool midden op het instrumentenpaneel en
met displayteksten. Op bepaalde modellen zijn
beide systemen aanwezig. Neem voor meer
informatie contact op met een erkende Volvowerkplaats.
Peilstok, dieselmotoren. (De D5 die aan Euro 5
voldoet, is voorzien van elektronische peilaanduiding.)
G021734
Voor ritten onder ongunstige omstandigheden,
zie pagina 296
Peilstok, benzinemotor.
Houd voor het verversen en het vervangen de
intervallen aan die staan aangegeven in het
Service- en garantieboekje.
BELANGRIJK
Gebruik voor het bijvullen van olie een oliesoort van dezelfde kwaliteit en met dezelfde
viscositeit (zie pagina 296).
Bij een nieuwe auto is het belangrijk om het
oliepeil te controleren, voordat de olie voor de
eerste keer volgens schema moet worden ververst.
De betrouwbaarste meting wordt verkregen bij
een koude motor vóór de start. Meteen na het
06 Onderhoud en service
Motorruimte
afzetten van de motor krijgt u een verkeerd
resultaat. De peilstok geeft dan een te laag peil
aan, omdat de olie geen tijd heeft gehad om
terug te lopen naar het oliecarter.
2. Controleer het peil met de peilstok. De olie
moet tussen het MIN- en MAX-streepje
staan.
3. Als de olie dichter bij het MIN-streepje ligt,
kunt u eerst 0,5 liter olie bijvullen. Vul bij
totdat de olie dichter bij het MAX-streepje
dan bij het MIN-streepje op de peilstok ligt.
BELANGRIJK
G021737
Vul niet meer olie bij dan tot aan het MAXstreepje. Het olieverbruik kan toenemen, als
u te veel olie in de motor giet.
De olie moet binnen het gemarkeerde gebied op
de peilstok staan.
Mors geen olie op het hete uitlaatspruitstuk,
omdat er gevaar voor brand bestaat.
Oliepeil controleren bij een
warmgelopen motor
Oliepeil controleren bij een koude motor
3. Als de olie dichter bij het MIN-streepje ligt,
kunt u eerst 0,5 liter olie bijvullen. Vul bij
totdat de olie dichter bij het MAX-streepje
dan bij het MIN-streepje op de peilstok ligt.
1
Wanneer de motor afgezet is, kunt u het duimwiel gebruiken om het oliepeil te laten controleren door de elektronische peilaanduiding, zie
pagina 125.
Oliepeil controleren:
1. Zet het contact in stand II, zie pagina 72.
2. Draai het duimwiel naar
“MOTOROLIEPEIL ”.
> Vervolgens verschijnt het motoroliepeil.
N.B.
WAARSCHUWING
Parkeer de auto op een vlakke ondergrond, zet
de motor af en wacht ten minste
10 tot 15 minuten zodat de olie weer kan teruglopen in het oliecarter. Voor de bij te vullen
hoeveelheid, zie pagina 296 en verder.
1. Veeg de peilstok schoon.
Voor motoren met elektronische
peilaanduiding1
1. Veeg de peilstok schoon.
Het oliepeil wordt alleen tijdens het rijden
bijgewerkt. Het systeem kan wijzigingen in
het peil door het bijvullen of aftappen van
olie niet meteen registreren.
Na het bijvullen of aftappen van motorolie
dient u dan ook ca. 30 km met de auto te
rijden, voordat de peilaanduiding juist is.
06
2. Controleer het oliepeil met de peilstok.
Melding
OK
In orde
EEN OGENBLIK
Het systeem wordt
opgestart, verschijnt
ca. 2 seconden lang.
Geldt alleen voor het dieselmodel (D5) dat aan de emissienorm Euro 5 voldoet.
``
239
06 Onderhoud en service
Motorruimte
06
240
Melding
Koelvloeistof
Oliepeil laag Vul 1 l
olie bij
Vul motorolie bij, zie
pagina 237, hoofdstuk “Motorruimte,
overzicht”.
Koelvloeistof controleren en bijvullen
SERVICE VEREIST
Verschijnt wanneer
het systeem een
storing geregistreerd heeft die verholpen moet worden, voordat de
juiste peilaanduiding
kan worden gegeven.
Volg de aanwijzingen op de verpakking op. Het
is belangrijk dat u verhouding tussen koelvloeistof en water afstemt op de heersende weersomstandigheden. Vul het reservoir nooit alleen
met schoon water. Het gevaar voor bevriezing
neemt toe, zowel wanneer de concentratie
koelvloeistof te laag is als wanneer deze te
hoog is. Voor de hoeveelheden, zie
pagina 296.
BELANGRIJK
•
Hoge concentraties chloor, chloriden
en andere zoutverbindingen kunnen
aanleiding geven tot corrosie in het
koelsysteem.
•
Gebruik altijd een koelvloeistof met
roestwerende eigenschappen volgens
de aanbevelingen van Volvo.
•
Let erop dat het koelvloeistofmengsel
altijd voor 50 % uit water en voor
50 % uit koelvloeistof bestaat.
•
Leng de koelvloeistof aan met leidingwater van goede kwaliteit. Gebruik bij
twijfel over de waterkwaliteit altijd een
kant-en-klare koelvloeistof volgens de
aanbevelingen van Volvo.
•
Wanneer u overstapt op een ander
soort koelvloeistof of een nieuw koelsysteemonderdeel hebt gemonteerd,
dient u het koelsysteem schoon te
spoelen met leidingwater van goede
kwaliteit of met kant-en-klare koelvloeistof.
•
De motor mag alleen draaien met een
goed gevuld koelsysteem. De temperaturen kunnen plaatselijk hoog oplopen,
wat schade (scheurvorming) aan de
cilinderkop kan veroorzaken.
06 Onderhoud en service
Motorruimte
Voor de aan te houden hoeveelheden en de
aanbevolen vloeistofkwaliteit, zie pagina 296.
Controleer de koelvloeistof regelmatig!
De koelvloeistof moet tussen het MIN- en
MAX-streepje op het expansiereservoir staan.
Als u het reservoir niet goed gevuld houdt, kan
de temperatuur in het systeem dusdanig hoog
oplopen dat er gevaar voor motorschade ontstaat.
WAARSCHUWING
De koelvloeistof kan bijzonder heet zijn. Als
u moet bijvullen terwijl de motor op bedrijfstemperatuur is, moet u langzaam de dop
van het expansiereservoir losdraaien om de
overdruk te laten ontsnappen.
pagina 296. Wanneer u vaak met uw auto in
de bergen rijdt of in landen met een tropisch
klimaat en een hoge relatieve luchtvochtigheidsgraad, moet u de remvloeistof ieder jaar
verversen.
WAARSCHUWING
Als de remvloeistof onder het MIN-streepje
van het reservoir staat, mag u niet verder
rijden voordat u remvloeistof hebt bijgevuld.
Geadviseerd wordt de oorzaak van het remvloeistofverlies te laten controleren door
een erkende Volvo-werkplaats.
Bijvullen
Rem- en koppelingsvloeistof
ruimte. U moet het ronde deksel eerst verwijderen om bij de dop van het reservoir te komen.
1. Open het deksel dat in de dekplaat zit door
het te verdraaien.
2. Draai de dop van het reservoir los en vul
vloeistof bij. De vloeistof moet tussen het
MIN- en MAX-streepje staan (aan de binnenkant van het reservoir).
BELANGRIJK
Vergeet niet de dop terug te plaatsen.
Stuurbekrachtigingsvloeistof
06
Peil controleren
De rem- en koppelingsvloeistof zitten in hetzelfde reservoir. De vloeistof moet tussen het
MIN- en MAX-streepje staan die aan de buitenkant van het reservoir zichtbaar zijn. Controleer het peil regelmatig.
Ververs de remvloeistof om de twee jaar of
iedere tweede geplande servicebeurt.
Voor de aan te houden hoeveelheden en de
aanbevolen kwaliteit van de remvloeistof, zie
Het vloeistofreservoir zit aan de bestuurderszijde
Het vloeistofreservoir gaat schuil achter de
dekplaat op de koude zone van de motor``
241
06 Onderhoud en service
Motorruimte
BELANGRIJK
Houd bij een controle van het peil in het
reservoir voor stuurbekrachtigingsvloeistof
het gebied eromheen goed schoon.
Controleer het peil bij iedere servicebeurt. U
hoeft de vloeistof niet te verversen. De vloeistof
moet tussen het MIN- en MAX-streepje staan.
Voor de aanbevolen vloeistofkwaliteit en de
aan te houden hoeveelheden, zie pagina 296.
N.B.
Ook als er een storing optreedt in de stuurbekrachtiging of als de stroom wegvalt en u
de auto moet laten wegslepen, blijft de auto
bestuurbaar.
06
242
06 Onderhoud en service
Gloeilampen
Algemene informatie
Lamphuis voorzijde
Koplamphuis verwijderen
1. Druk kort op de START-/STOP ENGINEknop en neem de transpondersleutel uit.
Alle gloeilampen van de auto vermeld, zie
pagina 249. Gloeilampen en puntverlichting
van een bijzonder type of lampen die alleen in
een werkplaats te vervangen zijn:
Trek de borgpennen van het lamphuis
omhoog.
Interieurverlichting aan het plafond
Leeslampjes
Trek het lamphuis recht naar voren toe.
Verlichting dashboardkastje
Richtingaanwijzers, buitenspiegels
BELANGRIJK
“Approach”-verlichting, buitenspiegels
Trek alleen aan de connector en niet aan de
kabel.
Remlicht
Xenon, actieve xenon- en led-lampen
3. (Onderste afbeelding)
WAARSCHUWING
Als de auto is voorzien van Dual Xenonkoplampen, moet u de Dual Xenonlamp door
een werkplaats laten vervangen – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Omdat de Dual Xenonkoplampen voorzien
zijn van een ontstekingsgedeelte dat een
hoge spanning opwekt, dient u er extra
voorzichtig mee om te gaan.
BELANGRIJK
Raak het glas van de gloeilampen nooit met
blote vingers aan. De vetten en oliën op uw
vingers kunnen door de hitte verdampen.
Dit zorgt voor aanslag op de reflector, waardoor deze al snel kapotgaat.
G010325
•
•
•
•
•
•
•
2. (Bovenste afbeelding)
Alle gloeilampen in de koplamphuizen (behalve
die voor het mistlicht) zijn te vervangen door
het lamphuis via de motorruimte los te maken
en het in zijn geheel te verwijderen.
WAARSCHUWING
Schakel altijd het contact uit en neem de
transpondersleutel uit, voordat u gloeilampen vervangt.
Koppel de connector van het lamphuis
los door met uw duim de clip omlaag te
duwen.
Trek ondertussen met uw andere hand
de connector los.
06
4. Til het lamphuis naar buiten en leg het op
een zachte ondergrond om krassen op de
lens te voorkomen.
5. Vervang de kapotte gloeilamp, zie
pagina 249.
Koplamphuis aanbrengen
1. Sluit de connector dusdanig aan dat u een
klik hoort.
``
243
06 Onderhoud en service
Gloeilampen
2. Plaats het lamphuis terug en breng de
borgpennen aan. Controleer of u ze op de
juiste manier hebt ingebracht.
Dimlicht, halogeen
Groot licht, halogeen
3. Controleer de verlichting.
Het lamphuis moet zijn aangesloten en gemonteerd zijn, voordat u de verlichting inschakelt of
de transpondersleutel in het contactslot steekt.
G021745
Lees de tekst op zie pagina 243 door alvorens
een gloeilamp te vervangen.
1. Open de borgklem door deze omhoog/
naar buiten te duwen.
2. Duw de clips op de afdekking omlaag en
verwijder de afdekking.
Plaats de afdekking in omgekeerde volgorde
terug.
244
1. Haal het koplamphuis los.
1. Haal het koplamphuis los.
2. Verwijder de afdekking.
2. Verwijder de afdekking.
3. Haal de gloeilamp los door de houder
omlaag te duwen.
3. Haal de gloeilamp los door deze rechtsom
te draaien en vervolgens recht naar buiten
te trekken.
4. Koppel de connector van de lamp los.
06
G021747
G021746
Afdekking verwijderen
5. Breng de nieuwe gloeilamp in de lamphouder aan zodat deze vastklikt. U kunt hem
slechts op één manier terugplaatsen.
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
4. Koppel de connector van de lamp los.
5. Vervang de gloeilamp, steek de nieuwe
lamp in de lampvoet en draai de gloeilamp
rechtsom vast. U kunt hem slechts op één
manier terugplaatsen.
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
06 Onderhoud en service
Gloeilampen
G021750
G021748
Richtingaanwijzers/knipperlichten
G021749
Stadslichten vóór en achterlichten
Verstralers, xenon*
1. Haal het koplamphuis los.
1. Haal het koplamphuis los.
1. Haal het koplamphuis los.
2. Verwijder de afdekking, zie pagina 244.
2. Verwijder de afdekking, zie pagina 244.
2. Verwijder de kleine, ronde afdekking.
3. Haal de gloeilamp los door de houder
omlaag te duwen.
3. Om ruimte te maken kunt u de gloeilamp
voor het groot licht eerst verwijderen.
3. Trek aan de lamphouder om de gloeilamp
tevoorschijn te halen.
4. Koppel de connector van de lamp los.
4. Trek aan de kabel om de lamphouder
tevoorschijn te halen.
4. Trek de kapotte gloeilamp los en breng de
nieuwe aan. U kunt hem slechts op één
manier terugplaatsen.
5. Breng de nieuwe gloeilamp in de lamphouder aan zodat deze vastklikt. U kunt hem
slechts op één manier terugplaatsen.
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
5. Trek de kapotte gloeilamp los en breng de
nieuwe aan. U kunt hem slechts op één
manier terugplaatsen.
6. Breng de lampvoet in de lamphouder aan
en duw de lamp aan totdat u een klik hoort.
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
06
5. Breng de lampvoet in de lamphouder aan
en duw de lamp aan totdat u een klik hoort.
6. Plaats de afdekking terug. U moet deze
dusdanig aanbrengen en vastduwen dat u
een klik hoort.
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
245
06 Onderhoud en service
Gloeilampen
Sidemarker
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
6. Plaats de lamphouder terug. Zorg dat het
opschrift TOP op de lamphouder omhoogwijst.
Mistlampen voorzijde
G021754
Lees de tekst op zie pagina 243 door alvorens
een gloeilamp te vervangen.
G021753
G021751
Achterlamphuis, richtingaanwijzer
1. Haal het koplamphuis los.
2. Verwijder de kleine, ronde afdekking.
06
3. Trek aan de kabel om de lamphouder
tevoorschijn te halen.
4. Trek de kapotte gloeilamp los en breng de
nieuwe aan. U kunt hem slechts op één
manier terugplaatsen.
5. Breng de lampvoet in de lamphouder aan
en duw de lamp aan totdat u een klik hoort.
6. Plaats de afdekking terug. U moet deze
dusdanig aanbrengen en vastduwen dat u
een klik hoort.
246
1. Neem de afdekking los door met een
dunne schroevendraaier de vier clips in te
duwen en de afdekking vervolgens recht
naar buiten te trekken.
2. Draai het boutje van het lamphuis los en
verwijder het lamphuis.
3. Draai de gloeilamp linksom en verwijder
deze.
4. Breng een nieuwe gloeilamp aan door deze
rechtsom te draaien.
5. Plaats de gloeilamp terug. (Het profiel van
de lamphouder komt overeen met dat van
de lampvoet.)
Alle gloeilampen in het achterlamphuis
(behalve de leds) zijn via de kofferbak te vervangen.
1. Open de luikjes rechts en links in de bekleding om toegang tot de lampen te krijgen.
De gloeilampen zitten in afzonderlijke
lamphouders.
2. Duw de borghaken bijeen en trek de lamphouder naar buiten.
3. Vervang de gloeilamp.
4. Sluit de connector aan.
06 Onderhoud en service
Gloeilampen
5. Duw de lamphouder in positie en plaats het
luikje terug.
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
Kentekenplaatverlichting
Remlicht
Mistachterlicht (een zijde)
Achteruitrijlicht
N.B.
G021756
Als een foutmelding niet verdwijnt nadat de
kapotte gloeilamp is vervangen, dan wordt
u geadviseerd een erkende Volvo-werkplaats te bezoeken.
G015418
Positie gloeilampen achterlamphuis
Lamphouder achterlamphuis
Richtingaanwijzer
Remlicht
G021755
Mistachterlicht (een zijde)
1. Draai de boutjes los met een schroevendraaier.
2. Haal voorzichtig het complete lamphuis los
en trek het naar buiten.
3. Vervang de gloeilamp.
4. Plaats het complete lamphuis terug en
draai de boutjes vast.
06
Achteruitrijlicht
Lampglas, rechterzijde
Achterlicht/parkeerlicht (led)
Richtingaanwijzer
Sidemarker, SML (led)
``
247
06 Onderhoud en service
Gloeilampen
Instapverlichting
Kofferbakverlichting
Verlichting make-upspiegel
G021759
G021758
G021757
Spiegelglas verwijderen
Lees de tekst op zie pagina 243 door alvorens
een gloeilamp te vervangen.
06
1. Steek een schroevendraaier achter de
korte kant van de lens die naar de middenconsole wijst en verdraai de schroevendraaier iets, zodat de lens loskomt (geldt
voor beide lampjes).
2. Draai voorzichtig totdat de lens loskomt.
3. Vervang de gloeilamp.
4. Plaats de lens terug.
1. Steek een schroevendraaier achter het
lamphuis en wrik deze iets heen en weer,
zodat het lamphuis loskomt.
2. Vervang de gloeilamp.
3. Controleer of de gloeilamp werkt en druk
het lamphuis weer vast.
1. Steek in het midden aan de onderkant een
schroevendraaier achter het glas om het
borgnokje aan de rand voorzichtig los te
werken.
2. Steek de schroevendraaier aan zowel de
linker- als de rechterzijde achter het glas
(bij de zwarte rubberdelen) en wrik voorzichtig, zodat het glas aan de onderkant
loskomt.
3. Maak het spiegelglas voorzichtig los en
verwijder het compleet met afdekklep.
4. Vervang de gloeilamp.
248
06 Onderhoud en service
Gloeilampen
Spiegelglas aanbrengen
1. Duw de drie borgnokjes aan de bovenkant
van het spiegelglas terug.
2. Duw vervolgens de onderste drie nokjes
vast.
Verlichting
W
Type
Instap-, kofferbaken kentekenplaatverlichting
5
Buislampje
SV8,5
Make-upspiegel
1,2
Buislampje
SV5,5
5
W5W
Specificatie gloeilampen
Verlichting
W
Type
Verstralers, xenon,
ABL
55
H7
Stadslichten/parkeerlichten voorzijde
Dimlicht, halogeen
55
H7
Sidemarkers voorzijde
5
W5W
Groot licht, halogeen
65
H9
Verlichting dashboardkastje
5
Buislampje
SV8,5
Remlicht
21
P21W
Achteruitrijlicht
21
P21W
Mistachterlicht
21
P21W
Richtingaanwijzers voorzijde
21
H21W
Richtingaanwijzers achter/
21
PY21W
Mistlampen voorzijde
35
H8
06
249
06 Onderhoud en service
Wisserbladen en ruitensproeiervloeistof
Wisserbladen
Servicestand
De wisserbladen dienen in de servicestand te
staan om ze te kunnen vervangen, reinigen of
optillen (om bijvoorbeeld ijs van de voorruit te
krabben).
G021763
1. Zet de transpondersleutel in stand 0, zie
pagina 72, maar laat de transpondersleutel
in het contactslot zitten.
2. Duw de rechter stuurhendel
ca. 1 seconde lang omhoog. De ruitenwisserarmen gaan dan verticaal staan.
N.B.
Een volgende keer dat u de auto start nemen
de ruitenwissers de ruststand weer in.
De wisserbladen zijn niet allebei even lang.
Het blad aan de bestuurderszijde is langer
dan dat aan de passagierszijde.
Wisserbladen vervangen
06
Haal de wisserarm van de ruit af. Druk op
de knop die op de wisserbladhouder zit en
trek het wisserblad evenwijdig aan de wisserarm los.
Duw het nieuwe wisserblad zo ver naar
binnen dat u een klik hoort.
Controleer of het blad goed vastzit.
250
Schoonmaken
Voor het schoonmaken van de wisserbladen
en de voorruit, zie pagina 278.
BELANGRIJK
Controleer de wisserbladen regelmatig. Bij
achterstallig onderhoud gaan de wisserbladen minder lang mee.
06 Onderhoud en service
Wisserbladen en ruitensproeiervloeistof
Vulopening voor
ruitensproeiervloeistof
De sproeiers van de voorruit en de koplampen
staan in verbinding met hetzelfde vloeistofreservoir.
BELANGRIJK
06
Gebruik tijdens de wintermaanden ruitensproeier-antivries in het reservoir om te
voorkomen dat de vloeistof in de pomp, het
reservoir en de slangen bevriest.
Voor de hoeveelheden, zie pagina 296.
251
06 Onderhoud en service
Accu
Waarschuwingssymbolen op de accu
Vermijd vonken en open
vuur.
Draag een veiligheidsbril.
BELANGRIJK
Gebruik nooit een snellader voor het opladen van de accu.
WAARSCHUWING
Explosiegevaar.
Zie voor meer informatie
het instructieboekje dat
bij de auto hoort.
N.B.
Bewaar accu’s buiten het
bereik van kinderen.
Zamel oude accu’s op een milieuvriendelijke manier in, omdat ze lood bevatten.
Gebruik
06
De accu bevat een bijtend
zuur.
•
Controleer of de accukabels op de juiste
manier zijn aangesloten en stevig vastzitten.
•
Koppel de accu nooit los, wanneer de
motor draait.
De rijomstandigheden, de rijstijl, het aantal
startpogingen, de weersomstandigheden e.d.
zijn van invloed op de levensduur en de werking van de accu.
252
Accu’s kunnen een zeer explosief knalgas
produceren. Een enkele vonk, veroorzaakt
door een onjuiste aansluiting van de startkabels, is voldoende om de accu tot ontploffing te brengen. Accu’s bevatten tevens
zwavelzuur dat ernstige chemische brandwonden kan veroorzaken. Als u accuzuur in
uw ogen krijgt of op uw huid of kleren morst,
moet u onmiddellijk met grote hoeveelheden water spoelen. Neem onmiddellijk contact op met een arts, als u accuzuur in uw
ogen krijgt.
06 Onderhoud en service
Accu
N.B.
Hoe vaker de accu ontladen raakt, des te
minder lang gaat de accu mee.
Vervangen
Verwijderen
De levensduur van de accu wordt bepaald
door uiteenlopende factoren, waaronder de
rijomstandigheden en het klimaat. De accu
verliest na verloop van tijd aan startcapaciteit en moet daarom bijgeladen worden, als
er langere tijd achtereen niet of slechts korte
afstanden met de auto wordt gereden. Ook
bij strenge vorst neemt de startcapaciteit af.
Om de accu in optimale conditie te houden
wordt geadviseerd wekelijks minstens
15 minuten met de auto te rijden of de accu
aan te sluiten op een acculader met automatische druppellading.
Voor de maximale levensduur dient de accu
altijd volledig opgeladen te blijven.
Schakel het contact uit en wacht 5 minuten.
06
Haal de clips op de voorste dekplaat los en
verwijder de dekplaat.
Haal de rubber strip los om de achterste
afdekking bloot te leggen.
Neem de achterste afdekking los door
deze een kwartslag te verdraaien en vervolgens op te tillen.
``
253
06 Onderhoud en service
Accu
WAARSCHUWING
Zorg dat u de plus- en minkabels in de juiste
volgorde loskoppelt en/of aansluit.
2. Duw de accu naar binnen en gelijktijdig
opzij totdat de accu tegen de achterkant
van de accubak aankomt.
3. Schroef de accu vast met het boutje in de
steun.
Koppel de zwarte minkabel los
5. Sluit de rode pluskabel aan.
Koppel de rode pluskabel los
6. Sluit de zwarte minkabel aan.
Koppel de ontluchtingsslang van de accu
los
7. Duw de achterste afdekking vast (zie Verwijderen).
Draai het boutje los waarmee de accuklem
vastzit.
8. Plaats de rubber strip terug (zie Verwijderen).
Haal de accu opzij en til deze op.
9. Plaats de voorste afdekking terug en
bevestig deze met de clips (zie Verwijderen).
Aanbrengen
06
1. Laat de accu in de accubak zakken.
254
4. Sluit de ontluchtingsslang aan.
06 Onderhoud en service
Zekeringen
Algemene informatie
Om te voorkomen dat de elektrische systemen
van de auto beschadigd raken door kortsluiting
of overbelasting, worden alle verschillende
elektrische functies en onderdelen door een
aantal zekeringen beschermd.
Als een van de elektrische onderdelen of functies niet werkt, is het mogelijk dat de bijbehorende zekering overbelast werd en daardoor
gesmolten is. Als dezelfde zekering herhaaldelijk doorbrandt, betekent dit dat het bijbehorende onderdeel een storing vertoont. U wordt
dan geadviseerd een bezoek te brengen aan
een erkende Volvo-werkplaats voor een controle.
WAARSCHUWING
Vervang een zekering nooit door vreemde
voorwerpen of een zekering met een hoger
amperage dan gespecificeerd is. Anders
zijn aanzienlijke schade aan het elektrische
systeem en brand niet uitgesloten.
Positie zekeringenkastjes
Vervangen
2. Trek de zekering naar buiten en bekijk deze
van opzij om te kijken of het gebogen
draadje soms doorgebrand is.
3. Breng in dat geval een nieuwe zekering aan
met dezelfde kleur en hetzelfde amperage.
G021772
1. Zoek in de zekeringentabel op waar de
zekering zit.
06
Bij auto’s met het stuur rechts zitten het zekeringenkastje onder het dashboardkastje en dat
in de middenconsole aan de andere kant.
Onder dashboardkastje
Motorruimte
Kofferbak
In middenconsole*
``
255
06 Onderhoud en service
Zekeringen
Motorruimte
06
256
06 Onderhoud en service
Zekeringen
Algemene informatie over de zekeringen
in de motorruimte
Functie
A
Functie
A
Aan de binnenkant van het deksel zit een speciale trekker waarmee u de zekeringen gemakkelijker kunt verwijderen en aanbrengen.
Hoofdzekering CEM
KL30A
50
ABS-kleppen
20
Hoofdzekering CEM
KL30B
50
Hoofdzekering RJBA
KL30
60
Hoofdzekering RJBB
KL30
Hoofdzekering RJBD
KL30
Posities (zie voorgaande afbeelding)
Motorruimte bovenin
Motorruimte voorin
Motorruimte onderin
Deze zekeringen zitten allemaal in het zekeringenkastje in de motorruimte. De zekeringen in
zitten onder
.
•
•
•
1–7 en 42–44 zijn van het type “MidiFuse”
en mogen alleen door een werkplaats worden vervangen. Geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
8–15 en 34 zijn van het type “JCASE” en
voor het vervangen ervan wordt geadviseerd een erkende Volvo-werkplaats te
bezoeken.
16–33 en 35–41 zijn van het type “MiniFuse”.
-
-
Koplamphoogteregeling*
(xenon, dual xenon)
10
Hoofdzekering CEM
20
60
Radar, regelmodule ACC*
5
50
Snelheidsafhankelijke
stuurbekrachtiging*
5
-
Regelmodule motor,
transmissie. SRS
10
Elektrisch verwarmde
sproeikoppen*
10
-
Vacuümpomp I5T
20
Ruitenwissers
30
Verlichtingspaneel
5
Standverwarming*
25
Koplampsproeiers*
15
Interieurventilator
40
12 V-aansluiting voor- en
achterin
15
PTC-luchtvoorverwarming*
-
ABS-pomp
100
40
06
Rear Seat Entertainment
(RSE)*
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
257
06 Onderhoud en service
Zekeringen
06
Functie
A
Functie
Schuifdak*, Plafondconsole/ECC*
5
Inspuitsysteem, luchtmassameter
5
Luchtmassameter (4-cil.
diesel)
10
Koelventilator (4-/5-cil.),
(4-cil. diesel)
60
Relais box motorruimte
Verstralers*
20
10
Koelventilator (V8, 6-cil.
benzine, 5-cil diesel)
80
Motorkleppen
EVAP, lambdasonde,
inspuiting (benzine)
15
Claxon
15
Regelmodule motor
10
Regelmodule automatische versnellingsbak*
15
Compressor AC
15
Relais sproeiers
5
Relais startmotor
30
Bobines
20
EGR, VTC, voorgloeiinrichting (5-cil. diesel),
bypass motorkoelsysteem (4-cil. diesel)
10
Regelmodule motor, gasklep benzine
10
Regelmodule motor, gasklep diesel
258
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
10
Lambdasonde (4-cil. benzine, 5-cil. diesel)
Waterpomp (V8)
10
Verwarming carterventilatie (5-cil. benzine)
Verwarming dieselfilter,
verwarming carterventilatie (4-cil. diesel)
15
Verwarming dieselfilter,
verwarming carterventilatie (5-cil. diesel)
20
15
A
-
Gloeibougies (4-cil. diesel)
60
Gloeibougies (5-cil. diesel)
70
Functie
A
-
-
06 Onderhoud en service
Zekeringen
Onder dashboardkastje
1. Klap de interieurbekleding opzij die het
zekeringenkastje afdekt.
Functie
A
Functie
A
2. Druk op de vergrendeling van het deksel en
klap het naar boven toe open.
ABS-regeling, elektrische
parkeerrem
5
-
-
3. Daarmee hebt u toegang gekregen tot de
zekeringen.
Gaspedaal, luchtvoorverwarming (PTC)*, elektrisch
bedienbare stoelen*
A
Regensensor*
5
SRS-systeem
10
-
15
Schuifdak*
20
Achteruitrijlichten
7,5
06
7,5
Posities
Functie
Groot licht
-
ICM-display, cd-speler en
radioA, RSE-systeem*
15
Stuurwieleenheid
7,5
-
-
Mistlampen vóór*
15
Ruitenwissers
15
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
259
06 Onderhoud en service
Zekeringen
Functie
A
Functie
A
Adaptieve cruisecontrol
(ACC)*
10
Knop START/STOP
5
Schakelaar remlichten
5
-
A
Plafonverlichting, bedieningspaneel bestuurdersportier/elektr. bedienbare
passagiersstoel*
7,5
Informatiedisplay
5
Elektr. bedienbare
bestuurdersstoel*
5
-
06
Ontvanger transpondersleutel, alarmsensoren*
5
Brandstofpomp
20
Elektrisch stuurslot
20
-
260
-
Slot tankvulklep/kofferdeksel
10
Sirene alarmsysteem*,
ECC
5
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Uitgezonderd Premium of High Performance.
06 Onderhoud en service
Zekeringen
In middenconsole, Executive*
Het zekeringenkastje zit achter het dekpaneel
aan de passagierszijde.
06
N.B.
Geadviseerd wordt de auto naar een
erkende Volvo-werkplaats te brengen om
zekeringen te laten vervangen.
Functie
A
Analoge klok
5
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
261
06 Onderhoud en service
Zekeringen
G032920
Kofferbak
Het kastje zit achter de bekleding aan de linkerzijde.
06
A
Bedieningspaneel bestuurdersportier
25
Bedieningspaneel passagiersportier
25
Bedieningspaneel achterportier links
25
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
A
(zwart)
A
25
Trekhaakaansluiting 2*
15
Elektrisch bedienbare
bestuurdersstoel*
25
-
12 V-aansluiting kofferbak,
koelkast*
15
Trekhaakaansluiting 1*
40
Elektrisch verwarmde achterruit
30
Omklapfunctie hoofdsteunen*
15
Bedieningspaneel achterportier rechts
Posities
(zwart)
262
(zwart)
-
-
-
06 Onderhoud en service
Zekeringen
(wit)
A
Massagefunctie voorstoel*,
verlichting armsteun*, koelkast*
7,5
Regelmodule FOUR-C*
15
Verwarming voorstoel
bestuurderszijde*
15
Verwarming voorstoel passagierszijde*
15
Achterbankverwarming
rechts*
15
Regelmodule AWD
10
Achterbankverwarming
links*
15
-
(blauw)
RTI-display*, parkeerhulpcamera*
A
10
-
-
-
-
-
-
Versterker audiosysteem*
25
AudiosysteemA
15
Telefoon, Bluetooth*
5
-
-
06
-
Elektrisch bedienbare passagiersstoel*
25
Keyless drive*
20
Elektrische parkeerrem links
30
Elektrische parkeerrem
rechts
30
A
High Performance en Premium Sound.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
263
06 Onderhoud en service
Wielen en banden
Algemene informatie
Banden zijn van grote invloed op de rijeigenschappen van de auto. Zowel het type, de
maat, de bandenspanning als de snelheidsaanduiding zijn belangrijk voor het rijgedrag
van de auto.
Draairichting
schappen van de auto af en kunnen de banden
regen, sneeuw en drab minder goed afvoeren.
Nieuwe banden
N.B.
Let erop dat de banden op beide assen van
hetzelfde type zijn, dezelfde afmeting hebben en van hetzelfde merk zijn.
Onderhoud van banden
G021778
Leeftijd van de banden
06
De pijl geeft de draairichting van de band aan.
Bij banden met een speciaal profiel dat alleen
goed werkt wanneer de banden in een
bepaalde richting draaien, staat deze richting
aangegeven met een pijl op de zijkant van de
band. Zorg dat de banden altijd dezelfde draairichting hebben. Banden mogen alleen van
voor naar achter verwisseld worden, nooit van
links naar rechts of omgekeerd. Als u de banden verkeerd aanbrengt, nemen de remeigen-
264
Alle banden die ouder zijn dan 6 jaar moet u
door een vakman laten controleren, ook al zien
ze er intact uit. Dit omdat het materiaal waarvan
banden gemaakt zijn ook veroudert en afgebroken wordt, als banden zelden of nooit worden gebruikt. Daarbij kan de werking van de
band worden aangetast. Dit geldt ook voor
reservebanden, winterbanden en banden die u
voor toekomstig gebruik hebt opgeslagen.
Scheurvorming of verkleuring zijn de zichtbare
kenmerken van een band die ongeschikt is
voor gebruik.
G021823
Houd de aanbevolen bandenspanning aan die
in de bandenspanningstabel staat, zie
pagina 274.
Banden hebben een beperkte houdbaarheidsdatum. Na enkele jaren worden de banden
hard en neemt de grip op het wegdek stukje bij
beetje af. Gebruik bij het verwisselen van banden altijd zo nieuw mogelijke banden. Dit geldt
in het bijzonder voor winterbanden. De laatste
cijfers van de cijferreeks geven de week en het
jaar van productie aan. Het is de zogeheten
DOT-code (Department of Transportation) van
de band en bestaat uit vier cijfers, bijvoorbeeld
1502. De band op de afbeelding is de 15e week
van het jaar 2002 geproduceerd.
Zomer- en winterbanden
Wanneer u de zomerbanden vervangt door
winterbanden of andersom, zie pagina 267,
moet u op de band noteren waar de band zat:
bijvoorbeeld L voor links, R voor rechts.
06 Onderhoud en service
Wielen en banden
De juiste bandenspanning levert een gelijkmatiger slijtage op, zie pagina 273. De rijstijl, de
bandenspanning, het klimaat en de staat van
de wegen zijn van invloed op de snelheid waarmee de banden verouderen en slijten. Om verschillen in profieldiepte te voorkomen en slijtpatronen tegen te gaan kunt u de wielen op de
voor- en achteras onderling van plaats verwisselen. Voer de eerste wissel na ca. 5000 km uit
en doe dat daarna om de 10.000 km opnieuw.
Volvo adviseert u contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats als u niet zeker bent
van de profieldiepte.
Bewaar de wielen hangend of liggend. Laat ze
nooit rechtop staan.
WAARSCHUWING
Een beschadigde band kan ertoe leiden dat
u de controle over de auto verliest.
Banden met slijtage-indicatoren
Velgen en wielbouten
BELANGRIJK
Haal de wielbouten aan met 140 Nm. Als u
ze te strak aanhaalt, kan de boutverbinding
beschadigd raken.
G021829
Slijtage en onderhoud
Gebruik alleen velgen die getest en goedgekeurd zijn door Volvo en deel uitmaken van de
originele accessoires van Volvo. Controleer het
aanhaalmoment met een momentsleutel.
Afsluitbare wielbouten
Slijtage-indicatoren zijn smalle ophogingen die
dwars op het profiel van de band staan. De letters TWI (Tread Wear Indicator) op de zijkant
van de band geven aan dat een band is uitgerust met slijtage-indicatoren. De indicatoren
zijn duidelijk zichtbaar, wanneer een band dusdanig versleten is dat slechts 1,6 mm van het
profiel over is. Vervang de banden dan zo
spoedig mogelijk. Let erop dat een band met
een gering profiel zeer weinig grip op het wegdek heeft bij regen of sneeuw.
Afsluitbare wielbouten zijn te gebruiken op
zowel aluminium als stalen velgen.
Winterbanden
Volvo raadt winterbanden met bepaalde afmetingen aan. De bandenmaat is afhankelijk van
de motorvariant. Gebruik altijd het juiste type
winterbanden op alle vier de wielen.
06
N.B.
Volvo adviseert u contact op te nemen met
een erkende Volvo-werkplaats voor advies
over de beste soort velgen en banden.
``
265
06 Onderhoud en service
Wielen en banden
Banden met “spikes”
Winterbanden met “spikes” moeten de eerste
500–1000 km rustig worden ingereden, zodat
de “spikes” hun positie in kunnen nemen. Zo
gaan de banden en vooral de “spikes” langer
mee.
N.B.
De wettelijke bepalingen voor het gebruik
van banden met “spikes” verschillen van
land tot land.
snelsluitingen, omdat de ruimte tussen de
schijfremmen en de wielen te gering is.
Krik*
Gebruik de originele krik alleen voor het verwisselen van banden. Houd de schroef van de
krik altijd goed ingevet.
BELANGRIJK
Gebruik originele sneeuwkettingen van
Volvo of vergelijkbare sneeuwkettingen die
zijn afgestemd op het model en de band- en
velgafmetingen. Bij twijfel adviseert Volvo u
een erkende Volvo-werkplaats om advies te
vragen.
Gereedschap
Profieldiepte
Ritten bij ijs, sneeuw(modder) en lage temperaturen vergen meer van de banden dan
zomerse ritten. Daarom adviseert Volvo een
minimale profieldiepte van 4 mm voor winterbanden.
Rijd nooit sneller dan 50 km/h met sneeuwkettingen. Rijd evenmin op sneeuwvrije wegen,
omdat zowel de sneeuwkettingen als de banden daardoor overmatig slijten. Maak nooit
gebruik van sneeuwkettingen met zogeheten
266
Rijd nooit sneller dan 80 km/h bij gebruik
van een compact reservewiel.
Sneeuwkettingen gebruiken
Het gebruik van sneeuwkettingen is alleen toegestaan op de voorwielen (geldt ook voor
modellen met voorwielaandrijving).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Het compacte reservewiel (Temporary Spare)
is alleen bestemd voor tijdelijk gebruik. Vervang het zo spoedig mogelijk door een normaal
wiel. Het rijgedrag van de auto kan zich wijzigen bij het gebruik van een compact reservewiel. In de bandenspanningstabel, zie
pagina 274, staat de juiste bandenspanning
voor het reservewiel.
BELANGRIJK
BELANGRIJK
G014341
06
Reservewiel*
Al het gereedschap zit in een schuimrubber
blok. Het gereedschap bestaat in een sleepoog, een krik* en een wielsleutel*. Het blok
schuimrubber is vastgeschroefd aan een console onder in de ruimte voor het reservewiel.
Rijd nooit met meer dan één compact reservewiel (Temporary Spare) tegelijk.
Het reservewiel ligt met de buitenkant omlaag
in de ruimte voor het reservewiel. Twee blokken schuimrubber, waarvan één onder het wiel
en één erbovenop/erbinnenin, houden het
reservewiel in positie. Het bovenste bevat al
het gereedschap.
06 Onderhoud en service
Wielen en banden
Dezelfde doorloopbout waarmee de blokken
schuimrubber vastzitten houdt ook het reservewiel in positie.
als deze tot in de juiste stand omlaaggedraaid
wordt.
Reservewiel erbij nemen
Plaats het blok schuimrubber en het reservewiel in omgekeerde volgorde terug.
1. Pak vloer in de bagageruimte aan de achterzijde beet en klap deze naar voren toe
omhoog.
Let erop dat er op het bovenste blok schuimrubber een pijl staat. Deze pijl dient naar de
voorkant van de auto wijzen.
2. Draai de bevestigingsbout los.
3. Til het blok schuimrubber met het gereedschap erin uit de auto.
4. Til het reservewiel uit de auto.
U hoeft het onderste blok schuimrubber niet te
verwijderen.
Gereedschap, terugplaatsen
BELANGRIJK
Zet een gevarendriehoek zie pagina 224 op, als
u een wiel langs een drukke weg moet verwisselen. Zorg ervoor dat de auto en de krik* op
een stevige en horizontale ondergrond staan.
1. Haal de parkeerrem aan en schakel de eerste versnelling in of zet de keuzehendel in
stand P, als de auto een automatische versnellingsbak heeft.
WAARSCHUWING
Bewaar gereedschap en krik* op de daarvoor bestemde plaats in de kofferbak wanneer u ze niet nodig hebt.
Wielen verwisselen
Controleer of de krik intact is, goed
gesmeerde schroefdraadwindingen heeft
en vrij van vuil is.
N.B.
Verwijderen
Volvo adviseert alleen de krik* te gebruiken
die bij het desbetreffende model hoort.
G017465
G029336
2. Neem het reservewiel*, de krik* en de wielsleutel* erbij die onder de mat in de kofferbak liggen. Bij gebruik van een andere krik,
zie pagina 236.
06
3. Plaats wielblokken voor en achter de wielen die op de grond blijven staan. Gebruik
daarvoor grote houten blokken of grote
stenen.
Plaats het gereedschap en de krik* na gebruik
op de juiste manier terug. De krik past alleen
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
267
06 Onderhoud en service
Wielen en banden
7. Breng de auto zo ver omhoog dat het wiel
van de grond komt. Verwijder de wielbouten en til het wiel eraf.
N.B.
Aanbrengen
1. Reinig de contactvlakken op het wiel, de
naaf en de remschijf.
2. Breng het wiel aan. Breng de wielbouten
aan.
3. Breng de auto zo ver omlaag dat het wiel
niet meer ongehinderd kan draaien.
268
G022916
WAARSCHUWING
6. Er zitten twee kriksteunpunten aan weerszijden van de auto. Bij elk steunpunt zit een
uitsparing in de kunststof afdekking. Draai
de voet van de krik met de slinger zo ver
omlaag dat de voet plat tegen de grond
aankomt.
WAARSCHUWING
Kruip nooit onder de auto als deze op de krik
staat.
Parkeer de auto dusdanig dat de auto en
liever nog een vangrail u en eventuele uitgestapte passagiers afschermen van het
verkeer op de rijbaan.
5. Draai de wielbouten ½–1 slag linksom los
met de wielsleutel.
Leg nooit iets tussen de krik en de ondergrond en evenmin tussen de krik en het kriksteunpunt.
De ventieluitsparing in de wieldop bij het
monteren aanbrengen over het ventiel in de
velg.
Laat eventuele passagiers uit de auto stappen, voordat u de auto opkrikt.
4. (Voor auto’s met stalen velgen) Wrik de
wieldop los met het uiteinde van een wielsleutel of trek hem met de hand los.
06
5. Breng de wieldop aan (bij auto’s met stalen
velgen).
4. Draai de wielbouten kruiselings vast. Het is
belangrijk dat u de wielbouten stevig aanhaalt. Haal ze aan met 140 Nm. Controleer
het aanhaalmoment met een momentsleutel.
06 Onderhoud en service
Wielen en banden
Provisorische bandenreparatie*
N.B.
De bandenreparatieset is uitsluitend
bedoeld voor het afdichten van banden met
een lek in het loopvlak.
G014340
De bandenreparatieset leent zich minder goed
voor banden met een gat in het zijvlak. Probeer
geen banden met de provisorische bandenreparatieset af te dichten die grote groeven,
scheuren en dergelijke vertonen.
Algemene informatie
De bandenreparatieset wordt gebruikt om een
lek te dichten alsook om de bandenspanning
te controleren en zo nodig tijdelijk te corrigeren. De set bestaat uit een compressor en een
bus met afdichtmiddel. De set dient om noodreparaties uit te voeren. De fles met het afdichtmiddel moet worden vervangen voordat de
houdbaarheidsdatum is verstreken en tevens
na het gebruik.
Het afdichtmiddel dicht banden met een lek in
het loopvlak effectief af.
12 V-aansluitingen voor de compressor zitten
voorin bij de middenconsole, achterin bij de
achterbank en in de kofferbak. Gebruik de
elektrische aansluiting die het dichtst bij de
lekke band zit.
WAARSCHUWING
Rijd nooit sneller dan 80 km/h, wanneer u de
noodreparatieset hebt gebruikt. Volvo adviseert u een erkende Volvo-werkplaats te
bezoeken om de afgedichte band te laten
controleren (maximale rijafstand 200 km).
Het personeel bepaalt of de band kan worden gerepareerd of moet worden vervangen.
Overzicht
Bandenreparatieset erbij nemen
Zet een gevarendriehoek op bij werkzaamheden langs een drukke weg. De bandenreparatieset zit onder de vloer in de kofferbak.
06
1. Klap het vloerluik open.
2. Draai de bevestigingsbout los.
3. Verwijder het blok schuimrubber waarin de
krik* en de wielsleutel* zitten.
4. Til de bandenreparatieset op.
Leg de onderdelen na het gebruik terug.
Sticker, toegestane maximumsnelheid
Knop
Kabel
Bushouder (oranje deksel)
Beschermdop
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
269
06 Onderhoud en service
Wielen en banden
Drukreduceerventiel
1. Open het deksel van de bandenreparatieset.
Luchtslang
2. Haal de sticker met de toegestane maximumsnelheid uit de set en bevestig de sticker op het stuurwiel.
Bus met afdichtmiddel
Manometer
WAARSCHUWING
Lekke band repareren
Het afdichtmiddel kan aanleiding geven tot
huidirritatie. Was bij huidcontact het getroffen gebied onmiddellijk schoon met water
en zeep.
3. Controleer of de knop in stand 0 staat en
neem de kabel en de luchtslang erbij.
N.B.
Verbreek de verzegeling van de bus niet
handmatig. Bij het indraaien van de bus
wordt de verzegeling automatisch verbroken.
06
G014338
4. Draai de oranje beschermdop los evenals
de dop op de bus met afdichtmiddel.
Voor informatie over de werking van de onderdelen (zie voorgaande afbeelding).
270
WAARSCHUWING
Draai de bus niet los. De bus is voorzien van
een pakking die lekkage tegengaat.
5. Draai de bus in de bushouder vast.
6. Draai het ventieldopje van het wiel los en
schroef de ventielaansluiting van de luchtslang zo ver mogelijk op het ventiel van de
band.
WAARSCHUWING
Laat geen kinderen zonder toezicht in de
auto achter, terwijl de motor loopt.
7. Sluit de kabel op een 12 V-aansluiting aan
en start de motor.
WAARSCHUWING
Ga nooit naast de band staan terwijl de
compressor aan het pompen is. Bij barsten,
oneffenheden en dergelijke dient u de compressor onmiddellijk uit te schakelen. Beëindig in dat geval de rit. Het wordt dan geadviseerd een erkende bandenwerkplaats te
bezoeken.
N.B.
Bij het inschakelen van de compressor kan
de spanning aanvankelijk oplopen tot 6 bar,
maar zal na ca. 30seconden weer dalen.
8. Zet de knop in stand I.
06 Onderhoud en service
Wielen en banden
BELANGRIJK
Er bestaat gevaar voor oververhitting. De
compressor mag niet langer dan 10 minuten
achtereen werken.
9. Vul de band 7 minuten lang met afdichtmiddel.
WAARSCHUWING
Als de bandenspanning lager is dan 1,8 bar,
is het gat in de band te groot. Beëindig in
dat geval de rit. Het wordt dan geadviseerd
een erkende bandenwerkplaats te bezoeken.
10. Schakel de compressor uit om de bandenspanning van de manometer af te lezen. De
bandenspanning dient minimaal 1,8 bar en
maximaal 3,5 bar te bedragen.
11. Schakel de compressor uit en trek de kabel
los uit de 12 V-aansluiting.
Band oppompen
De compressor is berekend op het oppompen
van de originele banden die op de auto zitten.
1. De compressor moet uitstaan. Zorg dat de
knop in stand 0 staat en neem de kabel en
de luchtslang erbij.
2. Draai het ventieldopje van het wiel los en
schroef de ventielaansluiting van de luchtslang zo ver mogelijk op het ventiel van de
band.
WAARSCHUWING
Inademen van uitlaatgassen kan levensgevaarlijk zijn. Laat de motor nooit draaien in
ruimten die zijn afgesloten of onvoldoende
geventileerd worden.
BELANGRIJK
Er bestaat gevaar voor oververhitting. De
compressor mag niet langer dan 10 minuten
achtereen werken.
5. Pomp de band op tot de druk die op/in de
bandenspanningssticker/-tabel staat aangegeven, zie pagina 274. (Laat eventueel
lucht ontsnappen met het drukreduceerventiel, als de bandenspanning te hoog is.)
6. Schakel de compressor uit. Koppel de
luchtslang en de kabel los.
7. Plaats het ventieldopje terug.
Reparatieresultaat en bandenspanning
controleren
1. Sluit de uitrusting opnieuw aan.
WAARSCHUWING
Laat geen kinderen zonder toezicht in de
auto achter, terwijl de motor loopt.
12. Koppel de slang los van het ventiel en
plaats het ventieldopje terug.
3. Sluit de kabel aan op een van de 12 V-aansluitingen in de auto en start de motor.
13. Leg zo spoedig mogelijk na de reparatie
ca. 3 km af bij een snelheid van maximaal
80 km/h, zodat het afdichtmiddel de band
kan afdichten.
4. Schakel de compressor in door de knop in
stand I te zetten.
2. Lees de bandenspanning van de manometer af.
•
Als de spanning lager is dan 1,3 bar,
werd de band onvoldoende afgedicht.
Beëindig in dat geval de rit. Neem contact op met een erkende Volvo-werkplaats.
•
Als de bandenspanning hoger is dan 1,3
bar, moet u de band oppompen tot de
spanning die staat aangegeven op/in de
bandenspanningssticker/-tabel, zie
06
``
271
06 Onderhoud en service
Wielen en banden
pagina 274. Laat lucht uit de band ontsnappen, als de bandenspanning te
hoog is.
WAARSCHUWING
Draai de bus niet los. De bus is voorzien van
een pakking die lekkage tegengaat.
3. Schakel de compressor uit. Koppel de
luchtslang en de kabel los. Plaats het ventieldopje terug.
4. Leg de bandenreparatieset terug in de kofferbak.
N.B.
06
Vervang de bus met afdichtmiddel en de
slang na gebruik. Volvo adviseert u het vervangen over te laten aan een erkende Volvowerkplaats.
WAARSCHUWING
Controleer de bandenspanning regelmatig.
U wordt geadviseerd om naar de dichtstbijzijnde erkende Volvo-werkplaats te rijden en er
de beschadigde band te laten vervangen/repareren. Geef aan het werkplaatspersoneel door
dat er afdichtmiddel in de band zit.
272
WAARSCHUWING
Rijd nooit sneller dan 80 km/h, wanneer u de
noodreparatieset hebt gebruikt. Volvo adviseert u een erkende Volvo-werkplaats te
bezoeken om de afgedichte band te laten
controleren (maximale rijafstand 200 km).
Het personeel bepaalt of de band kan worden gerepareerd of moet worden vervangen.
Bus met afdichtmiddel vervangen
Vervang de bus voordat de houdbaarheidsdatum verstreken is. Behandel de vervangen bus
als klein chemisch afval (KCA).
WAARSCHUWING
De bus bevat 1,2-ethanol en natuurrubberlatex.
Gevaarlijk bij inwendig gebruik. Kan aanleiding geven tot overgevoeligheid bij huidcontact.
Contact met huid en ogen vermijden.
Buiten bereik van kinderen bewaren.
N.B.
Geef de bus af bij een inzamelingsstation
voor opslag van KCA.
Specificaties
Maataanduiding
225/50R17 98W.
Op alle autobanden staat een bepaalde maataanduiding. Een voorbeeld van een dergelijke
aanduiding:
225
Breedte van de band (mm)
50
Verhouding tussen de hoogte en
breedte van de band (%)
R
Aanduiding voor radiaalbanden
17
Velgdiameter van de band (")
98
Aanduiding van het draagvermogen
van de band
W
Aanduiding van de snelheidslimiet
van de band (in dit geval 270 km/h).
Snelheidsaanduidingen
De auto is voorzien van een typegoedkeuring
voor de uitvoering waarin deze werd aangeleverd. Dat betekent dat u wat de banden betreft
niet mag afwijken van de afmetingen en snelheidsaanduidingen die staan aangegeven op
de typegoedkeuring van de auto.
De enige uitzondering daarop vormt het
gebruik van winterbanden (zowel banden met
06 Onderhoud en service
Wielen en banden
De gesteldheid van het wegdek is bepalend
voor de maximumsnelheid en niet de snelheidsaanduiding op de banden.
Q
160 km/h (alleen voor winterbanden)
T
190 km/h
H
210 km/h
V
240 km/h
W
270 km/h
Y
300 km/h
Op de sticker voor op de portierstijl aan de
bestuurderszijde (tussen voor- en achterportier) staat de juiste bandenspanning voor uw
auto aangegeven bij verschillende belading en
snelheid. De bandenspanning staat ook in de
bandenspanningstabel, zie verderop.
N.B.
De aangegeven snelheid in de tabel is de
maximumsnelheid.
Bandenspanning
•
Bandenspanning bij gebruik van de aanbevolen bandenmaat
•
•
ECO-bandenspanning
Bandenspanning compact reservewiel
(Temporary Spare)
N.B.
De bandenspanning hangt af van de temperatuur.
G021830
als zonder “spikes”). Bij gebruik van dergelijke
banden mag u niet sneller rijden dan de maximumsnelheid die voor het gebruikte bandentype geldt (voor aanduiding Q geldt bijvoorbeeld een maximumsnelheid van 160 km/h).
06
``
273
06 Onderhoud en service
Wielen en banden
Aanbevolen bandenspanning
Variant
Bandenmaat
Snelheid
Belading (1–3 inzittenden)
(km/h)
zonder TPMS
Belading
(1–3 inzittenden)
Max. belasting
ECO-bandenspanningA
met
TPMS
8-cil.
Voor (kPa)B
Achter
(kPa)
Voor/
achter
(kPa)
Voor
(kPa)
Achter
(kPa)
Voor/achter
(kPa)
Tot 160
240
220
240
260
260
260
160 +
300
300
300
310
310
-
Tot 160
220
210
220
260
260
260
160 +
280
280
280
300
300
-
Tot 160
240
220
240
260
260
260
160 +
270
270
270
290
290
-
225/55 R 16
Tot 160
230
210
230
260
260
260
225/50 R 17
160 +
280
280
280
290
290
-
Tot 160
230
210
230
260
260
260
160 +
270
270
270
290
290
-
225/50 R 17
245/45 R 17
245/40 R 18
06
6-cil.
245/45 R 17
245/40 R 18
274
06 Onderhoud en service
Wielen en banden
Variant
Bandenmaat
Snelheid
Belading (1–3 inzittenden)
(km/h)
zonder TPMS
Belading
(1–3 inzittenden)
Max. belasting
ECO-bandenspanningA
met
TPMS
Voor (kPa)B
Achter
(kPa)
Voor/
achter
(kPa)
Voor
(kPa)
Achter
(kPa)
Voor/achter
(kPa)
5-cil. diesel
225/55 R 16
Tot 160
220
210
220
260
260
260
205 pk
225/50 R 17
160 +
260
260
260
270
270
-
Tot 160
230
210
230
260
260
260
160 +
260
260
260
270
270
-
245/45 R 17
245/40 R 18
06
``
275
06 Onderhoud en service
Wielen en banden
Variant
Bandenmaat
Snelheid
Belading (1–3 inzittenden)
(km/h)
zonder TPMS
Belading
(1–3 inzittenden)
Max. belasting
ECO-bandenspanningA
met
TPMS
Voor (kPa)B
Achter
(kPa)
Voor/
achter
(kPa)
Voor
(kPa)
Achter
(kPa)
Voor/achter
(kPa)
4-cil. diesel
225/55 R 16
Tot 160
220
210
220
260
260
260
5-cil. diesel,
225/50 R 17
160 +
260
260
260
270
270
-
175/163 pk
245/45 R 17
4-cil./5-cil.
205/60 R 16
Tot 160
230
210
230
260
260
260
benzine
245/40 R 18
160 +
260
260
260
270
270
-
T 125/80 R 17
max. 80
420
420
-
420
420
-
4-cil./5-cil.
FlexiFuel
06
ReservewielC
A
B
C
Zuinig rijden.
In sommige landen wordt de bandenspanning ook wel in bar aangegeven in plaats van in pascal (1 bar = 100 kPa).
Compact reservewiel.
Brandstofbesparing, ECObandenspanning
Om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te
houden wordt geadviseerd de aangegeven
bandenspanning (bij maximale en lichte bela-
276
ding) aan te houden bij snelheden tot
160 km/h.
Bandenspanning controleren
Controleer iedere maand de bandenspanning.
Dit geldt eveneens voor het reservewiel. Al na
enkele kilometers rijden worden de banden
warm en loopt de spanning op. Controleer de
bandenspanning wanneer de banden koud
zijn. De aangegeven bandenspanning geldt bij
koude banden (kan verschillen naargelang van
de buitentemperatuur).
06 Onderhoud en service
Wielen en banden
Een te lage bandenspanning heeft een negatieve inwerking op het brandstofverbruik, de
levensduur van de banden en de rijeigenschappen van de auto. Wanneer u met een te
lage bandenspanning rijdt, kunnen de banden
oververhit en beschadigd raken. De bandenspanning is van invloed op het rijcomfort, de
stuureigenschappen en de geproduceerde
weggeluiden.
N.B.
Het is een natuurlijk gegeven dat de bandenspanning na verloop van tijd afneemt.
De bandenspanning varieert ook naargelang van de omgevingstemperatuur.
06
277
06 Onderhoud en service
Verzorging
Auto wassen
BELANGRIJK
Was de auto zodra deze vuil geworden is. Zorg
dat de auto op een spoelvloer met olieafscheider staat. Gebruik autoshampoo.
•
06
Vuile koplampen werken minder goed.
Maak ze daarom regelmatig schoon, tijdens
het tanken bijvoorbeeld.
Verwijder vogelpoep zo spoedig mogelijk
van de lak. Vogelpoep bevat namelijk stoffen die de lak aantasten en deze zeer snel
doen verkleuren. U wordt geadviseerd een
dergelijke verkleuring te laten herstellen
door een erkende Volvo-werkplaats.
•
•
Spoel het onderstel af.
•
Was de auto met een spons, autoshampoo
en een ruime hoeveelheid lauw water.
N.B.
Bij de externe verlichting zoals de koplampen, mistlampen en achterlichten kan tijdelijk condens optreden aan de binnenkant
van het lampglas. Dit is een natuurlijk verschijnsel en alle externe verlichting is erop
gebouwd om dit zoveel mogelijk te voorkomen. Condens verdwijnt normaal uit het
lamphuis, wanneer de lamp enige tijd
brandt.
Spoel de auto in zijn geheel af om het vuil
los te weken. Spuit niet rechtstreeks in de
richting van de sloten.
•
Reinig de wisserbladen met een lauwe
zeepoplossing of autoshampoo.
•
Gebruik een koud ontvettingsmiddel voor
hardnekkig vuil.
•
Droog de auto af met een schoon en zacht
stuk zeemleer of een trekker.
Door teer-, stof- en zoutresten op de wisserbladen en insecten, ijs e.d. op de voorruit gaan
wisserbladen minder lang mee.
Bij het reinigen:
±
Zet de wisserbladen in de servicestand, zie
pagina 250.
N.B.
Reinig de wisserbladen en de voorruit regelmatig met een lauwe zeepoplossing of autoshampoo.
Gebruik geen sterke oplosmiddelen.
278
In een automatische wasstraat kunt u de auto
weliswaar snel en eenvoudig schoonmaken,
maar de borstels van de wasstraat kunnen niet
overal even goed bij. Voor het beste resultaat
wordt u geadviseerd de auto met de hand te
wassen.
N.B.
U wordt geadviseerd de eerste maanden na
aankoop van een nieuwe auto deze alleen
met de hand te wassen. Een nieuwe laklaag
is namelijk kwetsbaarder dan een oude
laag.
Hogedrukreinigers
Wisserbladen schoonmaken
WAARSCHUWING
Laat het schoonmaken van de motor altijd
over aan een werkplaats. Als de motor heet
is, bestaat er gevaar voor brand.
Automatische wasstraten
Let er bij gebruik van een hogedrukreiniger op
dat u cirkelende bewegingen maakt en de
spuitkop op minstens 30 cm afstand van de
auto houdt (geldt voor alle exterieuronderdelen). Spuit niet rechtstreeks in de richting van
de sloten.
06 Onderhoud en service
Verzorging
Remmen testen
WAARSCHUWING
Test na het wassen van de auto altijd de
remmen (en dus ook de handrem) om te
voorkomen dat vocht en corrosie de remblokken aantasten, waardoor de remwerking afneemt.
Trap zo nu en dan lichtjes op het rempedaal,
als u lange afstanden in de regen of sneeuwmodder aflegt. Door de wrijving worden de
remblokken warm, zodat het vocht verdampt.
Doe hetzelfde bij zeer vochtig of koud weer.
Kunststof en rubber exterieuronderdelen
en sieronderdelen
Voor het schoonmaken van gekleurde kunststof onderdelen, rubber onderdelen en sieronderdelen zoals glimmende strips, wordt geadviseerd het speciale reinigingsmiddel te
gebruiken dat bij de Volvo-werkplaats verkrijgbaar is. Volg bij het gebruik van dit reinigingsmiddel de gebruiksvoorschriften nauwkeurig
op.
BELANGRIJK
Onderdelen van kunststof en rubber niet in
de was zetten of oppoetsen.
Bij gebruik van ontvetters op kunststof en
rubber onderdelen waar nodig alleen voorzichtig wrijven. Gebruik een zachte schoonmaakspons.
Bij het poetsen van glimmende strips kunt u
de glimmende deklaag beschadigen of verwijderen.
Gebruik geen schurende poetsmiddelen.
Velgen
Gebruik alleen de velgreinigingsmiddelen die
Volvo adviseert.
Sterke velgreinigingsmiddelen kunnen het
oppervlak beschadigen en vlekken veroorzaken op verchroomde lichtmetalen velgen.
Was de auto en droog deze zorgvuldig af, voordat u begint te poetsen of de was aanbrengt.
Verwijder asfalt- en teervlekken met de teerverwijderaar van Volvo of met terpentine. U
kunt hardnekkige vlekken met een speciaal
voor autolak bestemde, fijne schuurpasta
(“rubbing compound”) verwijderen.
Poets de lak eerst op en behandel deze daarna
met was in vloeibare of vaste vorm. Volg de
aanwijzingen op de verpakking nauwkeurig op.
Veel preparaten bevatten zowel poetsmiddel
als was.
BELANGRIJK
Lakbehandelingen zoals lakconservering,
verzegeling, bescherming, glansverzegeling
e.d. kunnen lakschade veroorzaken. Lakschade als gevolg van dergelijke behandelingen valt niet onder de Volvo-garantie.
06
Poetsen en in de was zetten
Waterafstotende laag*
Poets de auto en zet deze in de was, wanneer
de lak er dof uitziet of als u deze extra bescherming wilt bieden.
Gebruik nooit producten zoals autowas, ontvetters e.d. op het glasoppervlak, omdat de waterafstotende laag daardoor beschadigd kan raken.
U hoeft een nieuwe auto pas na een jaar te
poetsen. In de was zetten kunt u eerder doen.
Zorg dat de auto bij het poetsen of in de was
zetten niet in direct zonlicht staat.
Wees voorzichtig bij het schoonmaken om te
voorkomen dat er krassen in het glasoppervlak
ontstaan.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
279
06 Onderhoud en service
Verzorging
Om schade aan het glas te voorkomen dient u
voor het verwijderen van ijs alleen een krabber
van kunststof te gebruiken.
De waterafstotende laag staat bloot aan
natuurlijke slijtage.
Om de waterafstotende eigenschappen te
behouden, wordt geadviseerd de behandeling
te vernieuwen met een nabehandelingsmiddel
dat verkrijgbaar is bij een erkende Volvo-werkplaats. Gebruik het middel de eerste keer na
drie jaar en daarna ieder jaar.
Roestwering, controleren en
onderhouden
06
De auto heeft in de fabriek een uiterst grondige
en complete roestwerende behandeling ondergaan. De carrosserie bestaat ten dele uit gegalvaniseerd plaatwerk. Het onderstel is voorzien
van een slijtvaste bodembescherming. In de
balken, holten en gesloten profielen werd een
dunne, doordringende roestwerende vloeistof
gespoten.
De roestwering van de auto hoeft normaal
gesproken pas na ca. 12 jaar voor het eerst te
worden nabehandeld. De auto moet daarna om
de drie jaar een nabehandeling ondergaan. U
wordt geadviseerd om contact op te nemen
met een erkende Volvo-werkplaats, als de auto
een nabehandeling nodig heeft.
280
Vuil en strooizout kunnen aanleiding geven tot
corrosie. Het is daarom belangrijk de auto
schoon te houden. Om de roestwering van de
auto in optimale staat te houden moet u de
beschermingslaag regelmatig controleren en
zo nodig bijwerken.
Interieur reinigen
Gebruik alleen reinigingsmiddelen en autoverzorgingsproducten die door Volvo geadviseerd
worden. Maak de bekleding regelmatig schoon
en volg daarbij de gebruiksaanwijzingen bij het
autoverzorgingsproduct op.
Vlekken op stoffen bekleding en
plafondbekleding
Om de brandvertragende eigenschappen van
de bekleding niet aan te tasten wordt geadviseerd een speciaal reinigingsmiddel voor stoffen bekleding te gebruiken dat verkrijgbaar is
bij erkende Volvo-werkplaatsen. Gebruik water
en een synthetisch wasmiddel bij het schoonmaken van veiligheidsgordels. Zorg dat de gordel droog is, voordat deze weer wordt opgerold.
BELANGRIJK
Scherpe voorwerpen en klittenband kunnen
de stoffen bekleding beschadigen.
Behandeling van vlekken op leren
bekleding
De leren bekleding van Volvo is chroomvrij en
voldoet aan de norm Öko-Tex 100.
Het leer wordt veredeld en bewerkt zodat het
zijn natuurlijke eigenschappen houdt. Het leer
is voorzien van een beschermende toplaag,
maar om de goede eigenschappen en het
fraaie uiterlijk te behouden is regelmatige verzorging van het leer vereist. Volvo biedt een
universeel leerverzorgingsproduct waarmee u
leren bekleding kunt schoonmaken en de
beschermende laag kunt herstellen, mits u de
instructies opvolgt.Na enig tijd in gebruikt te
zijn geweest krijgt het leer zijn natuurlijke
patina, afhankelijk van de oppervlaktestructuur. Een dergelijk patina maakt deel van het
natuurlijke verouderingsproces van het leer en
geeft aan dat het om een natuurproduct gaat.
Voor de beste resultaten adviseert Volvo de
beschermende crème een- à viermaal per jaar
(zo nodig vaker) op te brengen. Vraag bij de
erkende Volvo-werkplaats naar het speciale
leerverzorgingsproduct van Volvo.
BELANGRIJK
Gebruik nooit sterke oplosmiddelen. Dergelijke middelen kunnen bekleding van textiel,
vinyl en leer beschadigen.
06 Onderhoud en service
Verzorging
BELANGRIJK
Let erop dat de bekleding kan verkleuren bij
contact met materialen die afgeven (nieuwe
spijkerbroek, gekleurde suède kleding e.d.).
Reinigingsvoorschriften voor leren
bekleding
1. Breng een weinig van het leerreinigingsproduct op een vochtige spons aan en
knijp erin om een dikke laag schuim te krijgen.
2. Behandel de vlek voorzichtig met cirkelende bewegingen.
3. Dep de vlek zorgvuldig met de spons. Laat
de vlek in de spons trekken. Wrijf niet.
4. Veeg het behandelde gebied met een stuk
zacht papier of een doek af en laat het leer
volledig drogen.
Beschermende laag aanbrengen op
leren bekleding
1. Breng wat van de beschermende crème op
de vilten doek aan en wrijf de crème in cirkelende bewegingen voorzichtig in het
leer.
2. Laat het leer 20 minuten drogen alvorens
erop plaats te nemen.
Daarmee is het leer beter beschermd tegen
vlekken en uv-straling.
Behandeling van vlekken op
interieuronderdelen van kunststof,
metaal en hout
Voor het reinigen van interieuronderdelen en panelen van kunststof worden met water
bevochtigde splitfiber- of microvezeldoeken
geadviseerd, die verkrijgbaar zijn bij een
erkende Volvo-werkplaats.
Benodigdheden
•
•
•
•
grondlak (primer) in een bus
lak in een bus of een lakstift
kwastje
afplaktape
Kleurcode
Krab of wrijf nooit over een vlek. Gebruik nooit
sterke vlekkenmiddelen. Voor de hardnekkige
vlekken kunt u een speciaal reinigingsmiddel
gebruiken dat verkrijgbaar is bij de erkende
Volvo-werkplaats.
Matten en kofferbak
Haal de inlegmatten uit de auto om de vloerbekleding en de inlegmatten ieder apart
schoon te kunnen maken. Gebruik een stofzuiger om vuil en stof te verwijderen.
Kleurcode van de auto
Lakschade herstellen
De lak vormt een belangrijk onderdeel van de
roestwering van de auto en moet daarom
regelmatig worden gecontroleerd. Om roestvorming te voorkomen moet u lakschade
meteen herstellen. De meest voorkomende
soorten lakschade zijn bijvoorbeeld steenslagplekken, krassen en plekjes op de spatbordranden en portieren.
06
Het is belangrijk dat u de juiste lakkleur
gebruikt. Voor de positie van de productsticker, zie pagina 286.
``
281
06 Onderhoud en service
Verzorging
4. Poets de herstelde lak na enkele dagen op.
Gebruik daarvoor een zachte doek met een
geringe hoeveelheid schuurpasta.
Steenslagschade herstellen
N.B.
G021832
Als de steenslagplek niet tot op het blanke
plaatwerk is doorgedrongen en er nog een
intacte laklaag over is, volstaat het om na
reiniging van het beschadigde gebied de
ontbrekende lak aan te brengen.
Vóór het herstel van lakschade moet u de auto
schoonmaken en goed laten drogen. Zorg er
bovendien voor dat de auto warmer is dan
15°C.
06
1. Plak een stuk afplaktape over het beschadigde gebied heen. Trek de tape weer van
de lak af om zoveel mogelijk lakresten te
verwijderen.
2. Roer de grondlak (primer) zorgvuldig om en
breng deze met een fijn kwastje of een lucifer aan. Breng de lak met een kwastje aan,
wanneer de primer droog is.
3. Krassen kunt u op dezelfde manier herstellen, maar dek ter bescherming de onbeschadigde lak rond de kras af.
282
06 Onderhoud en service
06
283
284
286
288
292
293
296
299
301
302
G000000
Type-aanduidingen...............................................................................
Maten en gewichten..............................................................................
Motorspecificaties.................................................................................
Motorolie...............................................................................................
Vloeistoffen en smeermiddelen.............................................................
Brandstof..............................................................................................
Elektrisch systeem................................................................................
Typegoedkeuring..................................................................................
SPECIFICATIES
07
07 Specificaties
Type-aanduidingen
Positie van stickers en plaatjes
07
286
07 Specificaties
Type-aanduidingen
Wanneer u contact opneemt met uw erkende
Volvo-werkplaats of vervangende onderdelen
of accessoires wilt bestellen, kan het handig
zijn om de type-aanduiding, het chassisnummer en het motornummer bij de hand te hebben.
Type-aanduiding, chassisnummer, maximaal toelaatbaar gewicht, kleurcodes voor
lak en bekleding en typegoedkeuringsnummer.
N.B.
Het is mogelijk dat de stickers die in de
instructieboek staan geen exacte kopieën
zijn van de stickers die in de auto zitten. Ze
dienen alleen om aan te geven hoe de stickers er bij benadering uitzien en waar ze
ongeveer zitten. De informatie die voor uw
auto geldt staat op de desbetreffende stickers in/op uw auto.
Sticker voor standverwarming.
Motoroliesticker met de kwaliteit en viscositeit van de te gebruiken olie.
Type-aanduiding van de motor, onderdeelen serienummer.
Type-aanduiding en serienummer van de
versnellingsbak.
Handgeschakelde versnellingsbak
Automatische versnellingsbak
Identificatienummer van de auto (VIN,
Vehicle Identification Number)
De typegoedkeuring van de auto bevat meer
informatie over de auto.
07
287
07 Specificaties
Maten en gewichten
Maten
Maten
Maten
mm
A
Wielbasis
2835
H
Spoorbreedte achteras
1585
B
Lengte
4851
I
Laadbreedte, vloer
1130
C
Laadlengte, vloer, achterbank neergeklapt
1927
J
Breedte
1861
K
Laadlengte, vloer
1094
Breedte incl. buitenspiegels
2106
D
E
Hoogte
1493
F
Laadhoogte
G
Spoorbreedte vooras
07
288
mm
368
1588
Gewichten
Inbegrepen bij het rijklaar gewicht zijn het
gewicht van de bestuurder, dat van de brandstoftank die voor 90 % gevuld is en dat van de
resterende oliën/vloeistoffen.
Het gewicht van de passagiers en de gemonteerde accessoires alsmede de kogeldruk (bij
gebruik van een aanhanger (zie tabel)) zijn van
invloed op het laadvermogen en zijn niet inbegrepen bij het rijklaar gewicht.
Toelaatbare maximumbelading = totaalgewicht – rijklaar gewicht.
07 Specificaties
Maten en gewichten
N.B.
Het gedocumenteerde rijklaar gewicht geldt
voor een auto in standaarduitvoering –
d.w.z. een auto zonder extra uitrusting of
accessoires. Dit betekent dat voor ieder
accessoire dat wordt toegevoegd het laadvermogen van de auto met het gewicht van
het desbetreffende accessoire moet worden verminderd.
WAARSCHUWING
Afhankelijk van de belading van de auto en
het zwaartepunt van de lading treden er wijzigingen in de rijeigenschappen op.
Max. belasting: Zie typegoedkeuring.
Max. dakbelasting: 100 kg.
Voorbeelden van accessoires die een vermindering van het laadvermogen betekenen
zijn auto’s in de uitvoeringen Kinetic,
Momentum en Summum alsmede zaken als
trekhaken, lastdragers, skiboxen, audiosystemen, verstralers, gps-systemen, brandstofkachels, veiligheidsrekken, matten,
bagagerolhoezen/-afdekkingen, elektrisch
bediende stoelen, etc.
Een weegbrug is een betrouwbaar instrument om het rijklaar gewicht voor uw auto
te bepalen.
Voor informatie over de positie van de sticker, zie
pagina 286.
Max. totaalgewicht
Max. treingewicht (auto + aanhanger)
Max. voorasdruk
07
Max. achterasdruk
Uitrustingsniveau
``
289
07 Specificaties
Maten en gewichten
Trekgewicht en kogeldruk
Motor
Versnellingsbak
Max. gewicht geremde aanhanger (kg)
Max. kogeldruk (kg)
2.0F
Automaat, MPS6
1000
50
Alle
Alle (behalve 2.0F met automaat, MPS6)
1200
50
2.0
Handbak, MTX75
1320
75
2.0F
Handbak, MTX75
1320
75
2.5FT
Handbak, M66
1600
75
2.5FT
Automaat, TF-80SC
1800
90
2.5T
Handbak, M66
1600
75
2.5T
Automaat, TF-80SC
1800
90
3.2 AWD
Automaat, TF-80SC
1800
90
Automaat, TF-80SC
07
290
T6 AWD
Automaat, TF-80SC
2000
90
V8
Automaat, TF-80SC
2000
90
2.0D
Handbak, MMT6
1600
75
2.4D
Handbak, M66
1600
75
2.4D
Automaat, TF-80SC
1800
90
07 Specificaties
Maten en gewichten
Motor
Versnellingsbak
D5
Handbak, M66
Max. gewicht geremde aanhanger (kg)
Max. kogeldruk (kg)
1600
75
2000
90
Handbak, M66 AWD
D5
Automaat, TF-80SC
Automaat, TF–80SC AWD
Max. gewicht ongeremde aanhanger (kg)
750
Max. kogeldruk (kg)
50
N.B.
Voor aanhangers zwaarder dan 1800 kg
wordt geadviseerd een stabilisatorkoppeling te gebruiken.
07
291
07 Specificaties
Motorspecificaties
Motorspecificaties
Model
07
A
292
Motor
Vermogen (kW
bij omw/
min)
Vermogen (pk
bij omw/
min)
Motorkoppel
(Nm bij omw/
min)
Aantal
cilinders
Cilinderboring
(mm)
Slaglengte
(mm)
Slagvolume (liter)
Compressieverhouding
2.0
B4204S3
107/6000
145/6000
190/4500
4
87
83,0
1,999
10,8:1
2.0F
B4204S4
107/6000
145/6000
190/4500
4
87
83,0
1,999
10,8:1
2.5FT
B5254T8A
147/4800
200/4800
300/1500–4500
5
83
93,2
2,521
9,0:1
2.5FT
B5254T11
170/4800
231/4800
340/1700–4800
5
83
93,2
2,521
9,0:1
2.5T
B5254T10
170/4800
231/4800
340/1700–4800
5
83
93,2
2,521
9,0:1
3.2
B6324S
175/6200
238/6200
320/3200
6
84
96,0
3,192
10,8:1
T6
B6304T2
210/5600
285/5600
400/1500–4800
6
82
93,2
2,953
9,3:1
V8
B8444S
232/5950
315/5950
440/3950
8
94
79,5
4,414
10,4:1
2.0D
D4204T
100/4000
136/4000
320/2000
4
85
88,0
1,997
18,5:1
2.4D
D5244T14
129/3000–
4000
175/3000–
4000
420/1500–2750
5
81
93,2
2,400
16,5:1
D5
D5244T10
151/4000
205/4000
420/1500–3250
5
81
93,2
2,400
16,5:1
Alleen Thailand
07 Specificaties
Motorolie
Ongunstige rijomstandigheden
In ongunstige rijomstandigheden kunnen de
olietemperatuur en het olieverbruik abnormaal
toenemen.
Controleer het oliepeil vaker bij lange ritten:
•
met een caravan of aanhanger achter de
auto
•
•
•
in bergachtig gebied
•
doe dat ook bij korte ritten (over afstanden
kleiner dan 10 km) bij lage temperaturen
(onder 5°C).
op hoge snelheden
in temperaturen lager dan –30°C of hoger
dan +40°C
In dergelijke omstandigheden kunnen de olietemperatuur en het olieverbruik abnormaal
toenemen.
Kies een volsynthetische motorolie bij ongunstige rijomstandigheden. Ze bieden de motor
extra bescherming.
Volvo adviseert olieproducten van Castrol.
BELANGRIJK
Om aan vereisten voor de gespecificeerde
service-intervallen te voldoen worden alle
motoren in de fabriek gevuld met een speciaal aangepaste, synthetische motorolie.
De oliesoort werd met grote zorg geselecteerd lettend op de levensduur van de
motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact. Om de aanbevolen service-intervallen aan te kunnen
houden dient u een goedgekeurde motoroliesoort te gebruiken. Gebruik alleen een
oliesoort van de voorgeschreven kwaliteit
(zie sticker in motorruimte) en dat zowel bij
het bijvullen als verversen van olie. Een
negatieve invloed op de levensduur van de
motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact is anders niet
uitgesloten. Volvo Car Corporation wijst alle
garantieclaims af bij gebruik van een motoroliesoort die niet voldoet aan de voorgeschreven kwaliteits- en viscositeitseisen.
G021834
Motorolie
Viscositeitsdiagram.
07
``
293
07 Specificaties
Motorolie
Oliesticker
G032078
Motortype
Wanneer de nevenstaande sticker in de motorruimte zit, geldt het volgende. Voor informatie
over de positie van de sticker, zie pagina 238.
Oliekwaliteit: ACEA A5/B5
Viscositeit: SAE 0W-30
07
294
Bij te vullen hoeveelheid tussen
MIN - MAX (liter)
Hoeveelheid (liter)A
2.0
B4204S3
0,8
4,3
2.5FT
B5254T8
1,3
5,5
2.5T
B5254T6
1,3
5,5
3.2
B6324S
1,2
7,4
T6
B6304T2
1,2
7,4
V8
B8444S
1,1
7,0
2.4D
D5244T14
1,5
6,0
D5
D5244T10
1,5
6,0
07 Specificaties
Motorolie
Motortype
Bij te vullen hoeveelheid tussen
MIN - MAX (liter)
Hoeveelheid (liter)A
B4204S4
0,8
4,3
2.0D
D4204T
1,8
5,0
G032079
2.0F
Wanneer de nevenstaande oliesticker in de
motorruimte zit, geldt het volgende. Voor de
positie, zie pagina 238.
Oliekwaliteit: WSS-M2C913-B
Viscositeit: SAE 5W-30
Bij ritten onder ongunstige omstandigheden
ACEA A5/B5 SAE 0W-30 gebruiken.
A
Inclusief hoeveelheid in filter
07
295
07 Specificaties
Vloeistoffen en smeermiddelen
Overige vloeistoffen en smeermiddelen
Motor
Versnellingsbak
Hoeveelheid (liter)
Voorgeschreven versnellingsbakolie
2.0 benzine
Handbak, MTX75
1,9
BOT 350M3
2.0 benzine
Automaat, MPS6
5,5
BOT 341
2.0F FlexiFuel
Handbak, MTX75
1,9
BOT 350M3
2.0F FlexiFuel
Automaat, MPS6
5,5
BOT 341
2.5T benzine
Handbak, M66
1,9
BOT 350M3
2.5T benzine
Automaat, TF-80SC
5,5
BOT 341
2.5FT FlexiFuel
Handbak, M66
1,9
BOT 350M3
2.5FT FlexiFuel
Automaat, TF-80SC
5,5
BOT 341
V8
Automaat, TF-80SC
5,5
BOT 341
3.2 benzine
Automaat, TF-80SC
5,5
BOT 341
T6 benzine
Automaat, TF-80SC
5,5
BOT 341
2.0D diesel
Handbak, MMT6
1,7
BOT 350M3
2.4D diesel
Handbak, M66
1,9
BOT 350M3
2.4D diesel
Automaat, TF-80SC
5,5
BOT 341
D5 diesel
Handbak, M66
1,9
BOT 350M3
D5 diesel
Automaat, TF-80SC
5,5
BOT 341
07
296
07 Specificaties
Vloeistoffen en smeermiddelen
Vloeistof
Systeem
Koelvloeistof
Benzinemotor 2.0
7,5
Benzinemotor 2.0F
7,5
Benzinemotor 2.5FT
9,0
Benzinemotor 2.5T
9,0
Benzinemotor T6
8,9
Benzinemotor 3.2
8,9
Benzinemotor V8
10,2
Dieselmotor 2.0D
9,1
Dieselmotor D5/2.4D
12,6
Koudemiddel
Airconditioning
Hoeveelheid (liter)
B
Voorgeschreven kwaliteit
Koelvloeistof met corrosiewerende
dope aangelengd met waterA (zie verpakking).
R134a (HFC134a)
Olie: PAG
A
B
Remvloeistof
Remsysteem
0,6
DOT 4+
Stuurbekrachtigingsvloeistof
Stuurbekrachtiging
1,2
WSS M2C204-A2 of een vergelijkbaar
product.
Ruitensproeiervloeistof
Auto’s met koplampsproeiers
6,5
Auto’s zonder koplampsproeiers
4,5
Bij vorst wordt geadviseerd een door
Volvo aanbevolen ruitensproeier-antivries aangelengd met water te gebruiken.
07
De waterkwaliteit dient te voldoen aan de norm STD 1285,1.
De hoeveelheid koudemiddel verschilt per motortype. Voor de juiste informatie adviseert Volvo u contact op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
``
297
07 Specificaties
Vloeistoffen en smeermiddelen
N.B.
Onder normale rijomstandigheden hoeft u
de versnellingsbakolie nooit te verversen.
Onder ongunstige rijomstandigheden moet
de olie mogelijk wel worden ververst, zie
pagina 296.
07
298
07 Specificaties
Brandstof
CO2-uitstoot, brandstofverbruik en tankinhoud
Model
Motor
Versnellingsbak
Uitstoot van kooldioxide (CO2, in
g/km)
Verbruik (in
liter/100 km)
Tankinhoud (liter)
2.0
B4204S3
Handgeschakelde vijfversnellingsbak (MTX75)
199
8,3
ca. 70
2.0FA
B4204S4
Handbak (MTX75)
199
8,3
ca. 70
2.0FA
B4204S4
Automaat (MPS6)
203
8,5
ca. 70
2.5T
B5254T10
Handbak (M66)
206
8,6
ca. 70
2.5T
B5254T10
Automaat (TF-80SC)
229
9,6
ca. 70
2.5FTA
B5254T11
Handbak (M66)
206
8,6
ca. 70
2.5FTA
B5254T11
Automaat (TF-80SC)
229
9,6
ca. 70
3.2
B6324S
Automaat (TF-80SC)
237
9,9
ca. 70
3.2
B6324S
Automaat (TF–80SC) AWD
255
10,7
ca. 70
(Exec.) 259
(Exec.) 10,9
T6
B6304T2
Automaat (TF–80SC) AWD
264
11,3
ca. 70
V8
B8444S
Automaat (TF–80SC) AWD
284
12,1
ca. 70
2.0D
D4204T
Handbak (MMT6)
151
5,7
ca. 70
D5
D5244T10
Handbak (M66)
164
6,2
ca. 70
D5
D5244T10
Automaat (TF-80SC)
178
6,7
ca. 70
07
``
299
07 Specificaties
Brandstof
Model
A
Motor
Versnellingsbak
Tankinhoud (liter)
D5244T10
Automaat (TF–80SC) AWD
194
7,3
ca. 70
2.4D
D5244T14
Handbak (M66)
155
5,9
ca. 70
2.4D
D5244T14
Automaat (TF-80SC)
174
6,6
ca. 70
FlexiFuel-modellen kunnen op een willekeurige soort loodvrije benzine (95 RON) of op bio-ethanol (E85) rijden of op een mengsel daarvan. De auto neemt 30–40 % meer bij gebruik van E85 vanwege
de lagere energie-inhoud. De exacte toename in het brandstofverbruik hangt onder meer af van de rijstijl, de buitentemperatuur en de gebruikte brandstofkwaliteit.
De officiële brandstofverbruikscijfers zijn gebaseerd op een gestandaardiseerde rijcyclus
conform de EU-richtlijn 80/1268/EEG comb.
en 92/21/EEG.
De rijstijl en andere niet-technische factoren
zijn van invloed op het brandstofverbruik. Voor
meer informatie, zie pagina 9.
Zie pagina 217 voor meer informatie over
brandstof.
300
Verbruik (in
liter/100 km)
D5
Brandstofverbruik en uitstoot van
kooldioxide
07
Uitstoot van kooldioxide (CO2, in
g/km)
07 Specificaties
Elektrisch systeem
Elektrisch systeem
worden gebruikt. De minpool is verbonden met
het chassis.
12 V-systeem met wisselstroomdynamo en
spanningsregelaar. Enkelpolig systeem waarbij het chassis en het motorblok als geleiders
BELANGRIJK
Let er bij het vervangen van de accu op, dat
de nieuwe accu dezelfde koudestartcapaciteit en reservecapaciteit als de originele
accu heeft (zie sticker op de accu).
Accu
Motor
Spanning (V)
Koudestartvermogen,
Reservecapaciteit
CCA, Cold Cranking Amperes (A)
(minuten)
2.5T, 2.5FT
12
520–800
100–160
2.0, 2.0F, T6, 3.2
12
520–700
100–135
V8
12
600–800
120–160
2.0D
12
700
135
D5, 2.4D
12
700–800
135–160
07
301
07 Specificaties
Typegoedkeuring
Afstandsbedieningssysteem
Land
A, B, CY, CZ, D, DK,
E, EST, F, FIN, GB,
GR, H, I, IRL, L, LT,
LV, M, NL, P, PL, S,
SK, SLO
IS, LI, N, CH
HR
ROK
Hierbij verklaart Delphi dat het
transpondersleutelsysteem in overeenstemming is met de
essentiële eigenschappen en overige relevante bepalingen zoals
beschreven in de
EU-richtlijn 1999/5/
EG.
Delphi 15-07-2003,
Duitsland RLPD1-03-0151
BR
07
RC
CCAB06LP1940T4
302
07 Specificaties
07
303
08 Alfabetisch register
A
Aanbevolen veiligheidzitjes, tabel.............. 31
Aanhanger............................................... 225
kabel................................................... 225
rijden met een aanhanger................... 225
Aanpassen, lichtbundel............................. 87
Aanrijding................................................... 28
Aanstekeropening.................................... 197
Adaptatie................................................. 104
Alarmlichten............................................... 84
Adaptieve cruisecontrol........................... 166
radarsensor......................................... 169
Storingen opsporen............................ 170
Alarmsysteem testen................................. 59
Afstandsbediening
programmeerbaar............................... 117
Antislipregeling........................................ 161
ACC – Adaptieve cruisecontrol................ 166
ACC gedeactiveerd.................................. 164
Afstandscontrole...................................... 173
Accu................................................. 252, 301
onderhoud.......................................... 252
starten met hulpaccu.......................... 105
symbolen op de accu......................... 252
transpondersleutel/PCC....................... 47
waarschuwingssymbolen................... 252
Airbag
activeren/deactiveren, PACOS............. 20
bestuurders- en passagierszijde.......... 18
Achterruit, elektrische verwarming............ 96
Achterste bedieningspaneel
audiosysteem..................................... 141
Achteruitkijkspiegel.................................... 97
autodimfunctie...................................... 97
Actief chassis (FOUR-C).......................... 163
304
Actieve koplampen (ABL).......................... 82
geactiveerd alarm uitschakelen............ 58
tijdelijk uitschakelen.............................. 58
Afstandsbediening, zie Transpondersleutel............................................................... 40
Achterklep
vergrendelen/ontgrendelen.................. 42
08
Actieve Dual Xenon-koplampen................ 82
Airconditioning......................................... 133
algemene informatie........................... 128
Airconditioning, AC.................................. 133
Alarm..........................................................
activeren...............................................
alarmindicatie.......................................
alarmsignalen........................................
alarmsysteem controleren....................
alarmsysteem testen............................
beperkt alarmniveau.............................
deactiveren...........................................
57
57
57
58
43
59
58
57
Allergenen................................................ 129
All Wheel Drive (vierwielaandrijving)........ 111
Approach-verlichting................................. 86
Audio
achterste bedieningspaneel...............
hoofdtelefoonaansluiting....................
instellingen..........................................
surround.............................................
141
141
141
140
Audiosysteem.......................................... 140
functies............................................... 141
overzicht............................................. 140
Auto
klimaatinstelling.................................. 132
Autobekleding.......................................... 280
Automatische hervergrendeling................. 52
Automatische schakelblokkering deactiveren............................................................ 109
Automatische vergrendeling...................... 52
08 Alfabetisch register
Automatische versnellingsbak................. 107
handmatig schakelen (Geartronic)...... 107
slepen en bergen................................ 231
Benzinekwaliteit....................................... 217
Automatische wasstraten........................ 278
174
180
184
186
Auto wassen............................................ 278
AUX.......................................................... 140
AWD, vierwielaandrijving......................... 111
Bergen..................................................... 232
Berichten en symbolen
afstandscontrole................................
collision Warning met Auto Brake......
Driver Alert Control.............................
Lane Departure Warning.....................
Berichten en symbolen voor adaptieve
cruisecontrol............................................ 171
B
Banden
bandenreparatie.................................
draairichting........................................
onderhoud..........................................
rijeigenschappen................................
slijtage-indicator.................................
snelheidsaanduidingen.......................
spanning.............................................
specificaties........................................
winterbanden......................................
Berichten op instrumentenpaneel............ 125
269
264
264
264
265
272
273
272
265
Bedieningsknoppen
middenconsole................................... 122
Bedieningspaneel verlichting..................... 81
Bedrijfsrem.............................................. 112
Bellen............................................... 202, 206
Bluetooth
gesprek naar mobiel........................... 203
handsfree............................................ 201
microfoon dempen............................. 203
Boordcomputer....................................... 159
Botsing, zie Aanrijding............................... 28
Brandstof................................................. 217
brandstofbesparing.................... 273, 276
brandstoffilter..................................... 219
brandstofverbruik............................... 299
Beslaande koplampglazen
condens.............................................. 278
Buitenafmetingen..................................... 288
Beslagen ruiten........................................
ontwasemen.......................................
ontwasemen met blaasmonden.........
timerfunctie.........................................
Buitenspiegels resetten............................. 96
133
128
135
133
Beveiliging tegen overbelasting, schuifdak........................................................... 100
Buitenspiegels........................................... 95
C
Camerasensor......................................... 178
Bio-ethanol E 85...................................... 218
Chassisstanden....................................... 163
Blaasmonden........................................... 130
Claxon........................................................ 80
BLIS, Blind Spot Information System...... 191
Claxonneren............................................... 80
BLIS-systeem (Blind Spot Information System).......................................................... 191
Clean Zone Interior Package (CZIP)........ 129
Blokkering achteruitversnelling................ 107
vijfversnellingsbak.............................. 106
Collision Warning..................................... 176
radarsensor................................. 169, 176
08
Collision Warning met Auto Brake*.......... 176
305
08 Alfabetisch register
Condens aan binnenkant lampglazen..... 278
Contactsleutels.......................................... 72
Controleren en bijvullen, koelvloeistof..... 240
Cruisecontrol........................................... 164
CZIP (Clear Zone Interior Package)......... 129
D
DAB, menusysteem................................. 152
DAB-radio................................................ 150
Dagtellers................................................... 69
Dashboardkastje...................................... 197
vergrendelen......................................... 53
Dieselolie................................................. 218
Displayverlichting....................................... 81
Dolby Surround Pro Logic II.................... 140
Extra verwarming (diesel)......................... 139
ECC, elektronische klimaatregeling......... 131
ECO-bandenspanning............................. 273
EHBO-set................................................. 224
FlexiFuel................................................... 103
adaptatie............................................. 104
Elektrisch bedienbare ruiten...................... 93
FM, menusysteem................................... 150
Elektrisch bedienbare ruiten resetten........ 94
Follow Me home-verlichting...................... 86
Elektrisch bedienbare stoel....................... 75
FOUR-C – Actief chassis......................... 163
elektrische aansluiting............................. 198
FSC, milieulabel......................................... 11
Elektrische aansluiting
kofferbak............................................. 198
voorstoel............................................. 198
Elektrische parkeerrem............................
automatisch lossen.............................
handmatig lossen...............................
lage accuspanning..............................
114
115
115
114
Doorwaaddiepte...................................... 214
Driver Alert Control.................................. 182
Elektrisch inklapbare buitenspiegels......... 95
Driver Alert System.................................. 182
Elektronische startblokkering.................... 41
DSTC, zie ook Stabiliteitssysteem........... 161
Etiketten................................................... 286
Doorsteekluik........................................... 222
Extra verwarming..................................... 139
306
F
Elektrisch bedienbaar schuifdak................ 99
Elektrische verwarming
achterruit............................................... 96
buitenspiegels....................................... 96
stoelen en achterbank........................ 132
Doorluchtfunctie................................ 52, 129
08
E
G
Geartronic................................................ 107
Geïntegreerde telefoon............................ 206
Gelaagd glas.............................................. 93
Geluidssterkte
beltoon, telefoon................................. 203
telefoon............................................... 203
telefoon/mediaspeler.......................... 203
Gereedschap........................................... 266
Gesprek in de wacht zetten..................... 207
08 Alfabetisch register
Gesprekken
functies tijdens lopende gesprekken.............................................. 206, 207
gebruik........................................ 202, 206
inkomende.................................. 202, 206
telefoonvolume................................... 207
wissel-................................................. 207
Gevarendriehoek..................................... 224
HBS – Heart Beat Sensor.......................... 44
Hogedruksproeiers koplampen................. 92
Hoge motortemperatuur.......................... 225
HomeLinkŸ EU........................................ 117
Hoofdsteun
middelste zitplaats achterbank............. 77
omklappen............................................ 77
Gewichten
rijklaar gewicht.................................... 288
Hoofdtelefoonaansluiting......................... 141
Glazen...................................................... 200
gelaagd/verstevigd............................... 93
I
Global opening........................................ 129
Gloeilampen, zie Verlichting.................... 243
Gloeilampen achterlamphuis:
positie................................................. 247
IAQS – Interior Air Quality System........... 129
Instrumentenoverzicht
auto met stuur links.............................. 62
auto met stuur rechts........................... 64
Instrumentenpaneel................................. 125
Instrumentenverlichting, zie Verlichting..... 81
Interieurcomfort....................................... 196
Interieurfilter..................................... 129, 219
Interieurverlichting, zie Verlichting............. 85
Interieurverwarming
op brandstof....................................... 136
Intervalstand.............................................. 91
iPodŸ, aansluiting.................................... 143
IC-systeem – Inflatable Curtain................. 24
IDIS – Intelligent Driver Information System........................................................... 208
K
IMEI-nummer........................................... 209
In de was zetten....................................... 279
Katalysator............................................... 217
bergen................................................. 231
Informatiedisplays...................................... 65
Keuzehendelblokkering........................... 109
H
Informatie- en waarschuwingssymbolen... 66
Keuzehendelblokkering, mechanisch uitschakelen................................................. 109
Handgeschakelde versnellingsbak.......... 106
slepen en bergen................................ 231
Instructieboekje, milieulabel...................... 11
Gordelwaarschuwing................................. 15
Groot licht/dimlicht, zie Verlichting............ 81
Handmatig schakelen (Geartronic).......... 107
Handrem.................................................. 114
Informatietoets, PCC................................. 43
Instrumenten, schakelaars en bediening... 62
Keyless drive...................................... 49, 101
Kinderen.................................................... 29
kinderslot.............................................. 35
kinderzitjes en SIPS-airbags................. 22
08
307
08 Alfabetisch register
positie in de auto.................................. 29
veiligheid............................................... 29
Kinderslot................................................... 56
Kogelsegment
aanbrengen......................................... 228
verwijderen......................................... 229
Kinderzitje.................................................. 29
neerklappen.......................................... 33
opklappen............................................. 34
Kompas..................................................... 98
kalibreren.............................................. 98
zone instellen........................................ 98
Kinderzitje, geïntegreerd............................ 33
Koplampen.............................................. 243
Kleurcode, lak.......................................... 281
Koplamphoogteregeling............................ 81
Klimaatregeling........................................ 128
algemene informatie........................... 128
sensoren............................................. 128
Koudemiddel........................................... 129
M
Krik........................................................... 266
Make-upspiegel................................. 86, 198
Klok
analoog................................................. 71
Klok, instellen............................................. 70
Knipperlichten............................................ 85
Knippersignalen, PCC............................... 43
Koelbox.................................................... 200
Kofferbak
houder voor boodschappentassen....
lading vervoeren.................................
mat......................................................
verankeringsogen...............................
08
308
222
221
200
221
Kofferdeksel
vergrendelen/ontgrendelen.................. 53
L
Lading vervoeren
algemene informatie........................... 221
lading op het dak................................ 223
verankeringsogen............................... 221
Lak
kleurcode............................................ 281
schade en herstel............................... 281
Leren bekleding, reinigingsvoorschriften. 280
Lichtbundel aanpassen..............................
dual Xenonkoplampen.........................
dual Xenon-koplampen........................
halogeenkoplampen.............................
87
87
87
87
Luchtverdeling................................. 130, 135
Massage
voorstoel............................................... 78
Meldingen op informatiedisplay............... 161
Meldingen voor BLIS............................... 193
Menu- en meldingsfuncties..................... 122
Menusysteem
DAB.................................................... 152
FM....................................................... 150
Lampjes................................................... 162
Meters op het instrumentenpaneel
brandstofmeter..................................... 66
snelheidsmeter..................................... 66
toerenteller............................................ 66
Lane Departure Warning.......................... 185
Middenconsole........................................ 122
Lekke band, zie Banden.......................... 266
Milieulabel, FSC, instructieboekje............. 11
Lampen, zie Verlichting............................ 243
08 Alfabetisch register
Mistlichten
achter.................................................... 84
vóór....................................................... 84
Mistlichten, aan/uit.................................... 84
Mobiele telefoon
aansluiten........................................... 204
handsfree............................................ 201
telefoon registreren............................. 201
Motor
oververhitting...................................... 225
starten................................................. 101
Motorolie.......................................... 237, 293
filter..................................................... 238
hoeveelheden..................................... 293
oliekwaliteit......................................... 293
ongunstige rijomstandigheden........... 293
Motorruimte
koelvloeistof........................................
olie......................................................
overzicht.............................................
stuurbekrachtigingsvloeistof...............
240
238
237
241
Motorspecificaties................................... 292
Motorverwarming..................................... 103
op brandstof....................................... 136
N
P
Noodoproepen......................................... 206
PACOS....................................................... 20
Nooduitrusting
gevarendriehoek................................. 224
PACOS, schakelaar voor activering/deactivering....................................................... 20
Paniekfunctie............................................. 42
O
Park Assist............................................... 188
sensoren voor Park Assist.................. 190
Olie, zie ook Motorolie............................. 293
Passagiersruimte..................................... 196
Oliepeil laag............................................. 238
PCC (Personal Car Communicator)
bereik transpondersleutel............... 42, 43
functies................................................. 41
Omklappen, ruggedeelte achterbank........ 76
Onderhoud
roestwering......................................... 280
Peilstok, elektronisch............................... 239
Ontgrendelen
van de binnenzijde................................ 52
van de buitenzijde................................. 52
Privacy locking........................................... 46
Poetsen.................................................... 279
Provisorische bandenreparatie................ 269
Ontwaseming........................................... 133
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte....................................................... 196
R
Opbergvak............................................... 200
Opblaasgordijn........................................... 24
Radarsensor............................................ 166
beperkingen........................................ 169
Openen, motorkap................................... 236
Recirculatie.............................................. 133
Oververhitting.......................................... 225
Regensensor.............................................. 91
08
309
08 Alfabetisch register
Relais- en zekeringenkastje, zie Zekeringen........................................................... 255
Rijeigenschappen aanpassen.................. 163
Rem- en koppelingsvloeistof................... 241
Roestwering............................................. 280
Remlichten................................................. 83
Roetfilter.................................................. 219
Remmen.................................................. 112
antiblokkeerremsysteem, ABS........... 112
elektrische parkeerrem....................... 114
noodremlichten..................................... 83
remkrachtverhoging bij noodstops,
EBA..................................................... 112
remlichten............................................. 83
remsysteem........................................ 112
remvloeistof bijvullen.......................... 241
symbolen op instrumentenpaneel...... 112
Roetfilter vol............................................. 219
Reservewiel.............................................. 266
compact reservewiel........................... 266
Richtingaanwijzers..................................... 85
Rijadviezen............................................... 214
Rijden.......................................................
koelsysteem........................................
met een aanhanger.............................
met geopend kofferdeksel..................
08
214
214
225
214
Rijden met een aanhanger
kogeldruk............................................ 288
trekgewicht......................................... 288
Rijden tijdens de winter........................... 215
310
Rijklaar gewicht........................................ 288
Rugleuning................................................. 74
voorstoel, omklappen........................... 74
veiligheidsgordels............................... 280
velgen................................................. 279
Schuifdak
beveiliging tegen overbelasting.......... 100
openen en sluiten................................. 99
ventilatiestand....................................... 99
zonnescherm...................................... 100
Serviceprogramma.................................. 236
Ruiten en spiegels..................................... 93
Signaalingang, externe............................ 140
Ruitensproeiers.......................................... 92
Simkaart................................................... 209
Ruitensproeiervloeistof, bijvullen............. 251
SIPS-airbag............................................... 22
Ruitenwissers............................................ 91
regensensor.......................................... 91
SIPS-airbags.............................................. 22
S
Safelock-functie......................................... 54
deactiveren........................................... 54
onderbreking........................................ 54
Safety mode.............................................. 28
Schoonmaken
automatische wasstraten................... 278
auto wassen....................................... 278
bekleding............................................ 280
Sleepoog.................................................. 232
Slepen...................................................... 231
sleepoog............................................. 232
Sleutel........................................................ 40
Sleutelblad................................................. 44
Sleutelblokkering..................................... 109
Sleutelloos starten (Keyless drive)..... 49, 101
Sleutelstanden........................................... 72
Sloten
automatische vergrendeling.................
kofferdeksel..........................................
ontgrendelen.........................................
vergrendelen.........................................
52
53
52
52
08 Alfabetisch register
Smeermiddelen........................................ 296
Starten met hulpaccu.............................. 105
Smeermiddelen, hoeveelheden............... 296
Steenslagplekken en krassen.................. 281
Spiegels
achteruitkijk-.........................................
buiten-..................................................
elektrische verwarming.........................
elektrisch inklapbare.............................
kompas.................................................
Stickers.................................................... 286
97
95
96
95
98
Sticker SIPS-airbags.................................. 23
Stoel, zie Stoelen en achterbank............... 74
Sproeiers
sproeiervloeistof, bijvullen.................. 251
voorruit.................................................. 92
Stoelen en achterbank............................... 74
elektrische bediening............................ 75
elektrische verwarming....................... 132
geventileerde voorstoelen.................. 131
hoofdsteunen achterbank..................... 77
ruggedeelte achterbank omklappen..... 76
rugleuning voorstoel omklappen.......... 74
Sproeikoppen, verwarmde........................ 92
Stoel met geheugenfunctie........................ 75
SRS-AIRBAG....................................... 18, 19
Storingen in de adaptieve cruisecontrole
opsporen.................................................. 170
Spin Control............................................. 161
SRS-systeem............................................. 17
schakelaar voor activering/deactivering........................................................ 20
Stabiliteits- en tractieregelsysteem......... 161
Stabiliteitssysteem................................... 161
Stadslichten vóór en achterlichten............ 83
Standverwarming.....................................
accu en brandstof...............................
op een helling parkeren......................
tijd instellen.........................................
136
136
136
138
Startblokkering.......................................... 41
Storingen in de camerasensor opsporen 179
Storingsmeldingen
Driver Alert Control............................. 184
Lane Departure Warning..................... 186
zie Berichten en symbolen................. 171
Storingsmeldingen voor adaptieve cruisecontrol...................................................... 171
Storingsmeldingen voor BLIS.................. 193
Stuurbekrachtiging, snelheidsafhankelijke........................................................... 163
Stuurkrachtniveau, zie Stuurbekrachtiging.......................................................... 163
Stuurslot.................................................. 102
Stuurwiel.................................................... 80
stuurwielafstelling................................. 80
toetsenset............. 80, 122, 140, 164, 206
toetsenset adaptieve cruisecontrol.... 167
Stuurwiel afstellen...................................... 80
Surround.................................................. 140
Symbolen
controlesymbolen................................. 66
informatiesymbolen.............................. 66
waarschuwingssymbolen..................... 66
Symbolen en meldingen
afstandscontrole................................
botswaarschuwing met brake support.....................................................
Driver Alert Control.............................
Lane Departure Warning.....................
174
180
184
186
Symbolen en meldingen voor adaptieve
cruisecontrol............................................ 171
08
Storingsmeldingen voor de afstandscontrole.......................................................... 174
311
08 Alfabetisch register
T
Totaalgewicht.......................................... 288
Traction Control....................................... 161
Tanken.....................................................
tankdop...............................................
tanken.................................................
tankvulklep, elektrisch openen...........
tankvulklep, handmatig openen.........
216
216
216
216
216
Telefoon
aan/uit.................................................
aansluiten...........................................
bellen..................................................
beltoon................................................
berichten.............................................
geïntegreerd, overzicht.......................
gesprek beantwoorden.......................
handsfree............................................
inkomende gesprekken......................
simkaart..............................................
telefoonboek.......................................
telefoonboek, sneltoets......................
telefoon registreren.............................
206
204
202
207
208
206
203
201
202
209
204
204
201
Telefoonboek........................................... 208
Temperatuur
werkelijke temperatuur....................... 128
08
312
Temperatuurregeling............................... 133
Transmissie.............................................. 106
Transponder.............................................. 93
Transpondersleutel....................................
afneembaar sleutelblad........................
batterij vervangen.................................
bereik transpondersleutel.....................
functies.................................................
40
40
47
42
41
Transpondersleutelsysteem, typegoedkeuring..................................................... 302
Trekgewicht............................................. 288
Trekhaak.................................................. 226
specificaties........................................ 227
V
Veiligheidsgordel
achterbank............................................ 15
gordelspanners..................................... 16
Veiligheidsgordels...................................... 14
Veiligheidszitje...........................................
aanbevolen...........................................
bovenste bevestigingspunten voor kinderzitjes................................................
ISOFIX-bevestigingssysteem voor kinderzitjes................................................
29
31
35
35
Velgen
schoonmaken..................................... 279
Ventilatie.................................................. 130
Trekinrichting, zie Trekhaak..................... 226
Ventilator.................................................. 132
Trillingsdemper........................................ 226
Vergrendelen/ontgrendelen
aan de binnenzijde................................ 52
achterklep............................................. 42
Type-aanduidingen.................................. 286
Typegoedkeuring, transpondersleutelsysteem......................................................... 302
U
Timer........................................................ 133
Uitstoot van kooldioxide.......................... 220
Toetsensets op stuurwiel... 80, 122, 164, 206
USB, aansluiting...................................... 143
Verlichting................................................ 243
"Approach"-verlichting......................... 86
actieve Dual Xenon-koplampen........... 82
automatische verlichting, interieur........ 86
bedieningsknoppen.............................. 85
displayverlichting.................................. 81
Follow Me Home-verlichting................. 86
08 Alfabetisch register
gloeilampen, specificaties.................. 249
groot licht/dimlicht................................ 81
in interieur............................................. 85
instrumentenverlichting........................ 81
koplamphoogteverstelling.................... 81
mistachterlicht...................................... 84
mistlichten............................................ 84
stadslichten/parkeerlichten vóór en
achterlichten......................................... 83
Verlichting, gloeilampen vervangen.........
achterlamphuis...................................
achterlamphuis, richtingaanwijzer......
dimlicht, halogeen..............................
groot licht, halogeen...........................
groot licht, xenonlamp........................
instapverlichting..................................
kentekenplaatverlichting.....................
kofferbak.............................................
make-upspiegel..................................
mistlampen vóór.................................
richtingaanwijzer.................................
sidemarker..........................................
stadslichten........................................
243
246
246
244
244
245
248
247
248
248
246
245
246
245
Verlichting instrumentenpaneel................. 81
Versnellingsbak........................................ 106
automatische...................................... 107
handgeschakelde............................... 106
Verwarmde sproeikoppen.......................... 92
Verwarming.............................................. 133
Verzorging................................................ 278
Verzorging, leren bekleding..................... 280
Vierwielaandrijving, AWD......................... 111
Vlekken.................................................... 280
Vloeistoffen, hoeveelheden...................... 296
Vloeistoffen en oliën................................. 296
Vloermatten............................................. 198
Volgtijd instellen....................................... 173
Voorruit...................................................... 93
Voorstoel
lendensteun.......................................... 78
massage............................................... 78
naar voren/achteren zetten.................. 79
W
Waarschuwingsgeluid
collision Warning................................ 176
Waarschuwingslampje
adaptieve cruisecontrol...................... 166
collision Warning................................ 176
stabiliteits- en tractieregelsysteem..... 161
Waarschuwingslampjes
airbags (SRS)........................................
dynamo laadt niet bij............................
gordelwaarschuwing............................
lage oliedruk.........................................
parkeerrem aangezet............................
storing in remsysteem..........................
waarschuwing.......................................
67
67
67
67
67
67
67
Waarschuwingssymbool, airbagsysteem. . 17
warmtereflecterend (Voorruit).................... 93
Warmtereflecterende voorruit.................... 93
Water- en vuilafstotende laag.................... 93
Water- en vuilafstotende laag, schoonmaken........................................................... 279
Whiplash-letsel, WHIPS............................. 25
WHIPS
kinderzitje/comfortkussen.................... 25
whiplash-letsel...................................... 25
Wielen
aanbrengen.........................................
reservewiel..........................................
sneeuwkettingen.................................
velgen.................................................
verwisselen.........................................
268
266
266
265
267
08
Wielen en banden.................................... 264
Winterbanden.......................................... 265
313
08 Alfabetisch register
Wisselgesprek......................................... 207
Wisserbladen...........................................
schoonmaken.....................................
servicestand.......................................
vervangen...........................................
250
250
250
250
Wissers en -sproeiers................................ 91
Z
Zekeringen...............................................
algemene informatie...........................
houder in bagageruimte.....................
relais-/zekeringenkastje in motorruimte..................................................
vervangen...........................................
255
255
262
256
255
Zekeringenkastje..................................... 255
dashboardkastje................................. 259
Zekeringentabel
zekeringen in bagageruimte............... 262
zekeringen in motorruimte.................. 257
Zonnescherm............................................. 95
Zonnescherm, schuifdak......................... 100
08
Zuinig rijden............................................. 214
Zwangere vrouwen, veiligheidsgordel....... 15
314
Notities
315
Notities
316
Notities
317
Notities
318
Notities
319
Notities
320
VOLVO S80
Instructieboekje
Kdakd8Vg8dgedgVi^dcIE&%.)*9jiX]!6I%.'%!Eg^ciZY^cHlZYZc!<ŽiZWdg\'%%.!8deng^\]i'%%%"'%%.Kdakd8Vg8dgedgVi^dc
Was this manual useful for you? yes no
Thank you for your participation!

* Your assessment is very important for improving the work of artificial intelligence, which forms the content of this project

Download PDF

advertising