Volvo | S80 | Gebruikershandleiding | Volvo S80 2007 Late Gebruikershandleiding

Volvo S80 2007 Late Gebruikershandleiding
BESTE VOLVO-BEZITTER,
DANK U DAT U GEKOZEN HEBT VOOR VOLVO!
Wij hopen dat u jarenlang rijplezier van uw Volvo zult hebben. Bij
het ontwerp hebben veiligheid en comfort van u en uw medepassagiers voorop gestaan. Een Volvo is een van de veiligste
auto’s ter wereld. Uw Volvo is ook ontworpen om aan alle geldende veiligheidsvoorschriften en milieueisen te voldoen.
Om nog meer plezier van uw auto te hebben, raden wij u aan om
vertrouwd te raken met de uitrusting, de instructies en de onderhoudsinformatie in dit instructieboekje.
Inhoud
00 Inleiding
01 Veiligheid
02 Sloten en alarm
Belangrijke informatie .................................. 6
Milieu ............................................................ 8
Inzittendenbeveiliging ................................ 12
Safety mode ............................................... 25
Kinderen en veiligheid ................................ 26
Transpondersleutel/sleutel ......................... 34
Keyless drive .............................................. 40
Sloten ......................................................... 42
Alarm* ........................................................ 45
00 01 02
2
Inhoud
03 Bestuurdersmilieu
04 Comfort en rijplezier
05 Tijdens het rijden
Instrumenten, schakelaars en bediening ....50
Contactslotstanden ....................................59
Stoelen en achterbank ...............................60
Stuurwiel .....................................................63
Verlichting ...................................................64
Wissers en -sproeiers .................................73
Ruiten en spiegels ......................................75
Elektrisch bedienbaar schuifdak* ...............79
Motor starten ..............................................81
Versnellingsbakken .....................................84
Bedrijfsrem .................................................87
Parkeerrem .................................................89
Menu- en meldingsfuncties ........................94
Klimaatregeling ...........................................99
Audiosysteem ........................................... 109
Boordcomputer ........................................ 118
Kompas* ................................................... 119
Stabiliteits- en tractieregelsysteem .......... 120
Rijeigenschappen aanpassen .................. 121
Cruisecontrol* ........................................... 122
Adaptieve cruisecontrol* .......................... 123
Anti-botsingsysteem met remassistentie*
(CWS-systeem) ......................................... 127
Parkeerhulp* ............................................. 130
BLIS*, Blind Spot Information System ..... 132
Interieurcomfort ........................................ 135
Bluetooth handsfree* ................................ 140
Geïntegreerde telefoon* ............................ 145
Rijadviezen ............................................... 152
Tanken ...................................................... 155
Brandstof .................................................. 156
Lading vervoeren ...................................... 158
Rijden met een aanhanger ....................... 162
Slepen ...................................................... 168
03 04 05
3
Inhoud
06 Onderhoud en specificaties
Motorruimte ............................................. 172
Gloeilampen ............................................. 177
Wisserbladen en ruitensproeiervloeistof .. 184
Accu ......................................................... 186
Zekeringen ............................................... 189
Wielen en banden .................................... 194
Verzorging ................................................ 210
Type-aanduidingen ................................... 214
Specificaties ............................................. 215
07 Alfabetisch register
06 07
4
5
Inleiding
Belangrijke informatie
Instructieboekje lezen
Inleiding
Een goede manier om vertrouwd te raken met
uw nieuwe auto is om het instructieboekje te
lezen, idealiter voordat u uw eerste rit maakt.
Zo maakt u kennis met nieuwe functies, krijgt
u tips hoe u het beste in verschillende situaties
met de auto kunt omgaan en leert u hoe u optimaal gebruik kunt maken van alle mogelijkheden die uw auto biedt. Besteed ook aandacht aan de veiligheidsinstructies in het
boekje.
De in het instructieboekje beschreven uitrusting is niet op alle modellen aanwezig. Als aanvulling op de standaarduitrusting worden in dit
instructieboekje ook de opties (af-fabriek gemonteerde uitrusting) en bepaalde accessoires (optie) beschreven.
De uitrusting van de auto’s van Volvo hangt af
van de verschillende behoeften op de diverse
markten en de landelijke en/of regionale weten regelgeving.
De specificaties, constructiegegevens en afbeeldingen in dit instructieboekje zijn niet bindend. We behouden ons het recht voor om
zonder voorafgaande mededeling wijzigingen
aan te brengen.
© Volvo Car Corporation
6
Optie
Voetnoot
Bepaalde functies en accessoires zijn als optie te bestellen bij een nieuwe auto. Het aanbod aan opties kan voor alle auto’s gelden,
maar soms alleen voor bepaalde uitvoeringen
en/of bepaalde markten. Alle soorten opties
staan aangegeven met een sterretje* in het instructieboekje.
In het instructieboeken komt informatie voor in
de vorm van een voetnoot onder aan de pagina of meteen onder een tabel. Deze informatie
vormt een aanvulling op de tekst waar het
nummer van de voetnoot naar verwijst.
Neem voor meer informatie contact op met uw
Volvo-dealer.
In de auto zijn displays aanwezig waarop meldingen kunnen worden weergegeven. Deze
displaymeldingen worden in het instructieboekje in iets groter formaat en in het grijs
weergegeven. Voorbeeld DIM-melding.
Speciale teksten
WAARSCHUWING
Teksten met het kopje WAARSCHUWING
geven aan dat er gevaar voor letsel bestaat.
BELANGRIJK
Teksten met het kopje BELANGRIJK geven
aan dat er gevaar voor materiële schade bestaat.
N.B.
Teksten met het kopje N.B. duiden op tips
en adviezen die het gebruik van bepaalde
mogelijkheden en functies vergemakkelijken.
Displaymeldingen
Procedurelijsten
Procedures met handelingen die in een bepaalde volgorde moeten worden uitgevoerd,
staan genummerd in het instructieboekje.
Wanneer er een reeks afbeeldingen bij een
stapsgewijze instructie bestaat, zijn de
verschillende stappen van de instructie op
dezelfde manier genummerd als de bijbehorende afbeeldingen.
Er komen genummerde en ongenummerde pijlen voor. Ze worden gebruikt om een
bepaalde beweging weer te geven of uw
aandacht te vestigen op een bepaalde
detail.
Wanneer er geen reeks afbeeldingen bij een
stapsgewijze instructie bestaat, zijn de
Inleiding
Belangrijke informatie
verschillende stappen op de standaardmanier
genummerd met normale cijfers.
Positielijsten
Op overzichtsfiguren die de positie van
onderdelen aangeven worden rode cirkels
met daarin een cijfer gebruikt. Hetzelfde
cijfer wordt gehanteerd in de positielijst bij
de afbeelding, met een beschrijving van
de weergegeven objecten.
Opsommingslijsten
Bij opsommingen in het instructieboekje wordt
gebruik gemaakt van een opsommingslijst.
Bijvoorbeeld:
• Koelvloeistof
• Motorolie
Vastlegging van gegevens
Accessoires en opties
Er kunnen een of meer computers op uw Volvo zitten die gedetailleerde informatie kunnen
vastleggen. Deze informatie is bestemd voor
onderzoek ter verbetering van de veiligheid en
voor het opsporen van storingen in bepaalde
autosystemen. De informatie kan gegevens
bevatten over zaken als het gebruik van de
veiligheidsgordel door de bestuurder en de
passagier(s), gegevens over de werking van
verschillende autosystemen en -modulen en
informatie over de status van de motor, gasklep, besturing, remmen en andere systemen.
De informatie kan tevens gegevens bevatten
over de rijstijl van de bestuurder, met inbegrip
van (maar niet beperkt tot) de rijsnelheid, het
gebruik van het rem- of gaspedaal en de
stuuruitslag. De laatstgenoemde informatie
kan voor een begrensde tijd tijdens het rijden,
tijdens een aanrijding of bij een bijna-ongeluk
worden vastgelegd. Volvo Car Corporation zal
de vastgelegde informatie niet zonder uw toestemming vrijgeven. Volvo Car Corporation
kan echter op last van de nationale wetgeving
gedwongen worden om bepaalde informatie
te verstrekken. Voor het overige geldt dat alleen Volvo Car Corporation en de erkende
Volvo-werkplaatsen de informatie kunnen
uitlezen en gebruiken.
Een verkeerde aansluiting en montage van accessoires kan een nadelige invloed hebben op
de werking van de elektronische systemen
van de auto. Bepaalde accessoires werken alleen, wanneer de bijbehorende software in de
computersystemen van de auto wordt geladen. Neem daarom altijd contact op met een
erkende Volvo-werkplaats, voordat u accessoires monteert die in verbinding staan met of
van invloed zijn op het elektrische systeem.
7
Inleiding
Milieu
Milieubeleid van Volvo Car
Corporation
Zorg voor het milieu, veiligheid en kwaliteit zijn
de drie kernwaarden van Volvo Car Corporation die van invloed zijn op alle activiteiten. We
zijn ervan overtuigd dat onze klanten onze
zorg voor het milieu delen.
Uw Volvo voldoet aan strenge internationale
milieueisen en is bovendien geproduceerd in
een fabriek die zeer schoon is en efficiënt met
hulpbronnen omgaat. De meeste eenheden
binnen de Volvo Car Corporation zijn gecertificeerd voor de milieunorm ISO 14001. Deze
norm leidt tot verbeteringen op milieugebied.
Alle Volvo-modellen gaan vergezeld van een
milieuverklaring (EPI of Environmental Product
Information). Daarin staat de impact aangegeven die de auto gedurende zijn hele levenscyclus op het milieu heeft.
Lees meer op: www.volvocars.com/EPI.
Brandstofverbruik
De auto’s van Volvo zijn concurrerend in hun
klasse wat het brandstofverbruik betreft. Een
lager brandstofverbruik levert over het algemeen een geringere uitstoot van het broeikasgas kooldioxide op.
U als bestuurder kunt uw steentje bijdragen
aan een verlaging van het brandstofverbruik.
8
Lees voor meer informatie de tekst onder het
kopje Spaar het milieu elders op deze pagina.
Het koolstoffilter zorgt ervoor dat stikstofoxiden, laaghangend ozon en koolwaterstoffen
niet binnendringen.
Efficiënte uitlaatgasreiniging
Uw Volvo is gebouwd volgens het concept
“Schoon aan binnen- en buitenkant” – een
concept dat een schone passagiersruimte
combineert met een uitermate efficiënt uitlaatgasreinigingssysteem. In veel gevallen liggen
uitlaatgasemissies ver onder de geldende normen.
Schone lucht in passagiersruimte
Het interieurfilter zorgt dat stofdeeltjes en pollen niet via de luchtinlaatopening in de passagiersruimte kunnen dringen.
Een geavanceerd luchtreinigingssysteem,
IAQS* (Interior Air Quality System), zorgt ervoor dat de lucht die de passagiersruimte binnenkomt schoner is dan de lucht buiten in het
verkeer.
Het systeem bestaat uit een elektronische
sensor en een koolstoffilter. De binnenkomende lucht wordt continu gecontroleerd en als
het gehalte aan bepaalde schadelijke gassen
zoals koolmonoxide te hoog oploopt, wordt
de luchtinlaat gesloten. Iets dergelijks kan zich
voordoen in bijvoorbeeld druk verkeer, files of
tunnels.
Textielnorm
Het interieur van een Volvo werd dusdanig
vormgegeven dat het gezellig en comfortabel
is – ook voor mensen met contactallergieën of
astma. Er is extra veel aandacht besteed aan
de selectie van milieuvriendelijke materialen.
Ze voldoen dan ook aan de eisen van de norm
Öko-Tex 1001 – een enorme stap op weg naar
een gezonder milieu in de passagiersruimte.
Het Öko-Tex-label stelt regels aan bijvoorbeeld de veiligheidsgordels, de vloerbekleding
en de gebruikte garens en stoffen. De leren
bekledingsvarianten zijn chroomvrij gelooid
met plantaardige stoffen en voldoen aan de
gestelde certificeringseisen.
Erkende Volvo-werkplaatsen en het
milieu
Met regelmatig onderhoud kunt u de voorwaarden scheppen voor een laag brandstofverbruik en op die manier bijdragen aan een
schoner milieu. Wanneer u de reparaties en
het onderhoud aan de auto toevertrouwd aan
de werkplaatsen van Volvo, wordt de auto een
onderdeel van ons systeem. We stellen duidelijke milieu-eisen aan de outillage van onze
1 Op
www.oekotex.com vindt u meer informatie.
Inleiding
Milieu
werkplaatsen om te voorkomen dat er schadelijke stoffen vrijkomen in het milieu. Het personeel in de werkplaatsen van Volvo beschikt
over de kennis en het gereedschap om optimale zorg voor het milieu te kunnen garanderen.
Spaar het milieu
U kunt eenvoudig meehelpen het milieu te beschermen door zuinig te rijden, milieuvriendelijke autoverzorgingsproducten te kopen en de
auto te onderhouden of te laten onderhouden
aan de hand van de aanwijzingen in het instructieboekje.
Hier volgen enkele tips voor hoe u het milieu
kunt ontzien:
• Verlaag het brandstofverbruik door de zogeheten ECO-bandenspanning aan te houden (zie pagina 207).
• Lading op het dak en een skibox resulteren
in een grotere luchtweerstand waardoor het
brandstofverbruik toeneemt. Verwijder ze
daarom meteen na het gebruik.
• Laat spullen niet onnodig in de auto liggen.
Hoe groter de belasting van de auto, des te
hoger het brandstofverbruik.
• Gebruik altijd de motorverwarming voor
een koude start, als de auto hiermee is
uitgerust. Hierdoor nemen het brandstofverbruik en de uitstoot af.
• Rijd rustig en vermijd krachtig remmen.
• Rijd in de hoogst mogelijke versnelling. Een
lager toerental zorgt voor een lager verbruik.
• Rem op de motor af om vaart te minderen.
• Voorkom stationair draaien. Houd u aan de
plaatselijke voorschriften. Zet de motor af
wanneer u langere tijd stilstaat in een file.
• Hanteer afvalstoffen die schadelijk zijn voor
het milieu, zoals accu’s en olie, op een
milieuvriendelijke manier. Neem contact op
met een erkende Volvo-werkplaats, als u
niet zeker weet hoe u dergelijk afval moet
verwerken.
• Onderhoud uw auto regelmatig.
• Bij hoge snelheden neemt het verbruik aanzienlijk toe vanwege de grotere luchtweerstand. Bij een verdubbeling van de snelheid
neemt de luchtweerstand met een factor
vier toe.
Door deze tips op te volgen kan het brandstofverbruik worden verlaagd zonder dat dit van
invloed is op de reistijd of op het rijplezier. U
spaart uw auto, bespaart geld en gebruikt
minder van de hulpbronnen op aarde.
9
Inzittendenbeveiliging ............................................................................... 12
Safety mode ............................................................................................. 25
Kinderen en veiligheid ..............................................................................26
10
VEILIGHEID
01
01 Veiligheid
01
Inzittendenbeveiliging
Draag altijd een veiligheidsgordel
Op de achterbank passen de borglippen van
de veiligheidsgordel alleen in de bijbehorende
sluitingen1.
Veiligheidsgordel losmaken
8803512j
Druk op de rode knop van de sluiting en laat
het oprolmechanisme de veiligheidsgordel
naar binnen trekken. Als de veiligheidsgordel
niet volledig wordt opgerold, moet u de gordel
handmatig zo ver terugrollen dat deze niet langer slap hangt.
De veiligheidsgordel is geblokkeerd en kan
niet verder worden uitgetrokken:
Remmen kan ernstige gevolgen hebben als de
veiligheidsgordel niet wordt gedragen. Let er
daarom op dat alle passagiers hun veiligheidsgordel omhebben.
• wanneer u de gordel te snel uittrekt
• wanneer u remt of optrekt
• als de auto sterk overhelt
Voor optimale bescherming van de veiligheidsgordel is het van belang dat de gordel
goed tegen het lichaam ligt. Laat de rugleuning niet te ver achteroverhellen. De veiligheidsgordel biedt de beste bescherming bij
een normale rijhouding.
Let erop dat:
Veiligheidsgordel omdoen
Trek de veiligheidsgordel langzaam uit en
maak deze vast door de borglip in de sluiting
te steken. Een duidelijke “klik” geeft aan dat
de veiligheidsgordel vastzit.
• u geen klemmen of andere accessoires
gebruikt waardoor u de veiligheidsgordel
niet strak langs uw lichaam kunt trekken
• er geen slagen in de veiligheidsgordel zitten
en dat hij nergens achter blijft steken
• de heupgordel laag moet zitten (niet over
de buik)
• u de heupgordel over de heupen spant
door aan de diagonale schoudergordel te
trekken zoals afgebeeld
1 Bepaalde
12
markten
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en de airbag werken
samen. Als de veiligheidsgordel niet of onjuist wordt gebruikt, kan de bescherming
die de airbag bij een aanrijding biedt afnemen waardoor u als klant ernstig letsel kunt
oplopen.
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen aan de veiligheidsgordels aan en probeer ze nooit zelf te
repareren. Neem contact op met een erkende Volvo-werkplaats.
Als een veiligheidsgordel aan grote krachten heeft blootgestaan zoals tijdens een
aanrijding, moet u de veiligheidsgordel in
zijn geheel vervangen. De veiligheidsgordel
kan een deel van zijn beschermende eigenschappen hebben verloren, zelfs als de veiligheidsgordel ogenschijnlijk niet
beschadigd is. Vervang de veiligheidsgordel ook als deze versleten of beschadigd is.
De nieuwe veiligheidsgordel moet zijn
goedgekeurd en bedoeld voor montage op
dezelfde positie als de vervangen veiligheidsgordel.
WAARSCHUWING
Elke veiligheidsgordel is bestemd ter bescherming van slechts één persoon.
01 Veiligheid
Inzittendenbeveiliging
Veiligheidsgordel en zwangerschap
Gordelwaarschuwing1
Wanneer u zwanger bent, is het belangrijk dat
u de veiligheidsgordel altijd op de juiste manier draagt. De veiligheidsgordel moet strak
langs de schouder lopen, waarbij het diagonale deel van de veiligheidsgordel tussen de borsten en tegen de zijkant van de buik ligt. Het
heupgedeelte van de veiligheidsgordel moet
vlak tegen de buitenkant van de bovenbenen
liggen en zo ver mogelijk onder de buik liggen.
Het mag nooit over de buik omhoog kunnen
glijden. De veiligheidsgordel moet zo strak
mogelijk over het lichaam lopen zonder onnodige speling. Controleer ook of de veiligheidsgordel nergens gedraaid zit.
Naarmate de zwangerschap vordert moeten
zwangere bestuurders de stoel en het stuur
dusdanig verstellen dat ze de auto volledig
onder controle hebben (wat inhoudt dat ze
3905547s
8704370s
met gemak bij het stuur en de pedalen moeten
kunnen komen). Streef ernaar de afstand tussen de buik en het stuur zo groot mogelijk te
maken.
01
Er gaan waarschuwingslampjes branden en er
worden geluidssignalen afgegeven wanneer
iemand de veiligheidsgordel niet draagt. Of er
geluidssignalen klinken, hangt af van de snelheid. De waarschuwingslampjes zitten in de
plafondconsole en op het instrumentenpaneel. Op lage snelheden klinkt er 6 seconden
lang een geluidssignaal.
Het gordelwaarschuwingssysteem geldt niet
voor kinderzitjes.
Achterbank
De functie van de gordelwaarschuwing voor
de achterbank is tweeledig:
• Aangeven welke veiligheidsgordels van de
achterbank er worden gebruikt. Dit gebeurt
1 Bepaalde
markten
13
01 Veiligheid
Inzittendenbeveiliging
met behulp van een melding op het informatiedisplay. De melding wordt na ca.
30 seconden automatisch gewist, maar kan
ook handmatig worden bevestigd door op
de knop READ te drukken.
• Waarschuwen dat iemand op de achterbank de veiligheidsgordel heeft losgenomen. Er wordt gewaarschuwd met een
melding op het informatiedisplay in combinatie met een geluidssignaal en een waarschuwingslampje. De waarschuwing stopt
wanneer de gordel weer is omgedaan,
maar kan ook handmatig worden bevestigd
door op de knop READ te drukken.
De melding op het informatiedisplay, die aangeeft welke gordels er gebruikt worden, is altijd beschikbaar. Druk op de knop READ om
de opgeslagen meldingen te zien.
Bepaalde markten
Er gaat een waarschuwingslampje branden en
er worden geluidssignalen afgegeven wanneer
de bestuurder de gordel niet draagt. Op lage
snelheden klinkt er 6 seconden lang een geluidssignaal.
14
Gordelspanners
Alle veiligheidsgordels zijn uitgerust met gordelspanners. Dit is een mechanisme dat bij
een voldoende krachtige aanrijding de gordel
rond het lichaam spant. De gordel kan de passagier daarmee beter in de stoel gedrukt houden.
Waarschuwingslampje op
instrumentenpaneel
0
1
o
3801180s
01
Het airbagsysteem wordt continu gecontroleerd door de regeleenheid. Het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel gaat
branden, wanneer u het contactslot in stand II
of III zet. Het lampje dooft na ca. 6 seconden,
wanneer de regeleenheid heeft vastgesteld
dat het airbagsysteem geen storingen vertoont.
01 Veiligheid
Inzittendenbeveiliging
WAARSCHUWING
Airbag aan de bestuurderszijde
01
Airbag aan de passagierszijde
8803516j
Behalve het brandende waarschuwingslampje verschijnt er, in die gevallen waarin dat
nodig is, een melding op het informatiedisplay. Als het waarschuwingslampje niet werkt,
gaat het waarschuwingsdriehoekje branden
en verschijnt er SRS-airbag Service vereist
of SRS-airbag Service spoed op het informatiedisplay. Neem zo spoedig mogelijk contact
op met een erkende Volvo-werkplaats.
8803515j
Als het waarschuwingslampje voor het airbagsysteem blijft branden of tijdens het rijden korte tijd oplicht, betekent dit dat het
airbagsysteem niet naar behoren werkt. Het
lampje duidt op een storing in de gordelspanners, het SIPS-, het SRS- of het ICsysteem. Neem zo spoedig mogelijk contact op met een erkende Volvo-werkplaats.
Als aanvulling op de veiligheidsgordel van de
bestuurdersstoel heeft uw auto ook een airbag
(SRS, Supplemental Restraint System) in het
stuurwiel. De airbag zit opgevouwen in het
midden van het stuurwiel. Het stuurwiel is
voorzien van het opschrift SRS AIRBAG.
Als aanvulling op de veiligheidsgordel heeft
uw auto ook een airbag (SRS, Supplemental
Restraint System). De airbag aan de passagierszijde zit opgevouwen in een ruimte boven
het dashboardkastje. Het paneel is voorzien
van het opschrift SRS AIRBAG.
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en de airbag werken
samen. Als de veiligheidsgordel niet of onjuist wordt gebruikt, kan de bescherming
die de airbag bij een aanrijding biedt afnemen waardoor u als klant ernstig letsel kunt
oplopen.
WAARSCHUWING
Om de kans op letsel bij het opblazen van
de airbags te beperken, moeten de passagiers zo rechtop mogelijk zitten met hun
voeten op de vloer en hun rug tegen de rugleuning. De veiligheidsgordel moet goed
vastzitten.
15
01 Veiligheid
01
Inzittendenbeveiliging
SRS-systeem
WAARSCHUWING
Plaats geen voorwerpen voor of boven op
het dashboard in het gebied waar de passagiersairbag is aangebracht.
Positie auto met stuur links
8803417d
Auto met stuur links
Positie auto met stuur rechts
8803418d
8803561s
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een verhogingskussen op de passagiersstoel als de airbag (SRS) geactiveerd is.
Laat kinderen nooit voor de passagierstoel
zitten of staan. Personen kleiner dan 1,40 m
mogen nooit op de passagiersstoel plaatsnemen, als de airbag (SRS) geactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren voor het kind.
8803560s
WAARSCHUWING
Auto met stuur rechts
Het systeem bestaat uit airbags en sensoren.
Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren de sensoren, waarna de airbag wordt op-
16
01 Veiligheid
Inzittendenbeveiliging
geblazen. Daarbij wordt de airbag warm. Om
de klap op te vangen loopt de airbag leeg
wanneer de inzittende de airbag raakt. Daarbij
treedt er rookvorming in de auto op. Dit is volkomen normaal. Het totale verloop, van het
opblazen tot het leeglopen van de airbag,
neemt enkele tienden van een seconde in
beslag.
Airbag (SRS)* activeren/deactiveren
ook andere voorwerpen gebruiken die qua
vorm op een sleutel lijken.) Het niet opvolgen
van de bovenstaande aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren.
WAARSCHUWING
Als de auto is uitgerust met een airbag
(SRS) aan de passagierszijde maar geen
PACOS (Passenger Airbag Cut Off Switch)
heeft, is de airbag altijd geactiveerd.
N.B.
De reactie van de sensoren hangt af van de
ernst van de aanrijding en van het feit of de
veiligheidsgordel aan de bestuurderszijde
of de passagierszijde vooraan wordt gedragen of niet. Het is dan ook mogelijk dat er bij
ongelukken slechts één (of geen enkele) van
de airbags wordt opgeblazen. Het SRSsysteem registreert de botskracht waaraan
de auto blootstaat en stemt de activering
van een of meerdere airbags daarop af. Ook
de capaciteit van de airbags wordt afgestemd op de botskracht waaraan de auto
blootstaat.
3905550s
BELANGRIJK
Reparaties mogen alleen door een erkende
Volvo-werkplaats worden uitgevoerd. Ingrepen in het SRS-systeem kunnen storingen in de werking veroorzaken en leiden tot
ernstig letsel.
01
Aanduiding op plafondconsole
De airbag (SRS) aan de passagierszijde voorin
kan gedeactiveerd worden. Dit is bijvoorbeeld
noodzakelijk als daar een kind in een kinderzitje moet zitten.
Een tekstmelding op het plafondpaneel geeft
aan dat de airbag (SRS) aan de passagierszijde is gedeactiveerd.
WAARSCHUWING
Geactiveerde airbag (passagierszijde):
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een verhogingskussen op de passagiersstoel als de airbag geactiveerd is. Laat
evenmin personen die kleiner zijn dan
1,40 m op deze stoel plaatsnemen.
Gedeactiveerde airbag (passagierszijde):
Personen groter dan 1,40 m mogen nooit
op de passagiersstoel plaatsnemen, als de
airbag gedeactiveerd is.
Activeren/deactiveren
De schakelaar zit aan de passagierszijde aan
de zijkant van het dashboard en u kunt erbij
door het portier aan die kant te openen. Controleer of de schakelaar in de gewenste stand
staat. Volvo adviseert u het sleutelblad te gebruiken om de stand te wijzigen. Zie pagina 37
voor informatie over het sleutelblad. (U kunt
17
01 Veiligheid
01
Inzittendenbeveiliging
SIPS-airbags (zijairbags)
Stand van de schakelaar
WAARSCHUWING
8803407j
Laat geen passagier op de passagiersstoel
plaatsnemen, als het waarschuwingslampje
voor het airbagsysteem op het instrumentenpaneel oplicht terwijl de melding op het
plafondpaneel aangeeft dat de airbag (SRS)
aan die kant gedeactiveerd is. Het duidt op
een ernstige storing. Bezoek zo spoedig
mogelijk een erkende Volvo-werkplaats.
PACOS (Passenger Airbag Cut Off Switch)
De airbag (SRS) is geactiveerd. Met de
schakelaar in deze stand kunnen passagiers groter dan 1,40 m aan de passagierszijde op de voorstoel zitten, maar
kinderen in een kinderzitje of op een kussen beslist niet.
De airbag (SRS) is gedeactiveerd. Met de
schakelaar in deze stand kunnen kinderen
in een kinderzitje of op een kussen aan de
passagierszijde op de voorstoel zitten,
maar passagiers groter dan 1,40 m beslist
niet.
Een groot deel van de botskracht wordt door
het SIPS-systeem (Side Impact Protection
System) over balken, stijlen, vloer, dak en andere delen van de carrosserie verspreid. De
SIPS-airbags aan de bestuurders- en de passagierszijde beschermen de borstkas en de
heupen en vormen een belangrijk onderdeel
van het SIPS-systeem. Het SIPS-systeem bestaat uit twee hoofdonderdelen: de SIPSairbags en de sensoren. De SIPS-airbags zijn
aangebracht in de rugleuningframes van de
voorstoelen.
WAARSCHUWING
De SIPS-airbags vormen een aanvulling op
het SIPS-systeem. Draag altijd de veiligheidsgordel.
WAARSCHUWING
Reparaties mogen alleen door een erkende
Volvo-werkplaats worden uitgevoerd.
Ingrepen in het SIPS-systeem kunnen storingen in de werking veroorzaken en leiden
tot ernstig letsel.
WAARSCHUWING
Leg geen voorwerpen tussen de stoelen en
de portierpanelen, omdat dit gebied binnen
de actieradius van de SIPS-airbag ligt.
18
01 Veiligheid
Inzittendenbeveiliging
WAARSCHUWING
Het SIPS-systeem bestaat uit SIPS-airbags en
sensoren. Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren de sensoren, die op hun beurt
de gasgeneratoren activeren. De SIPS-airbags
worden vervolgens opgeblazen tussen de inzittende en het portierpaneel. Daarmee wordt
de klap van de aanrijding opgevangen, waarna de airbags weer leeglopen. De SIPSairbags worden normaal gesproken alleen opgeblazen aan de kant van de aanrijding.
SIPS-systeem
Gebruik alleen door Volvo goedgekeurde
stoelhoezen. Andere stoelhoezen kunnen
de SIPS-airbags in hun werking hinderen.
Kinderzitjes en SIPS-airbags
8803566s
Een SIPS-airbag heeft geen nadelige invloed
op de beschermende werking van kinderzitjes
of verhogingskussens in de auto.
Bestuurdersplaats, auto met stuur links
8803567s
Het is mogelijk een kinderzitje/verhogingskussen op de voorstoel te plaatsen, als de auto
aan de passagierszijde niet is uitgerust met
een geactiveerde airbag.
01
Passagiersplaats, auto met stuur links
19
01 Veiligheid
01
Inzittendenbeveiliging
Opblaasgordijnen (IC)
8803556s
WAARSCHUWING
Het opblaasgordijn van het IC-systeem (Inflatable Curtain) vormt een aanvulling op het
SRS- en SIPS-systeem. Het zit verborgen
achter de plafondbekleding langs beide zijden van de auto en beschermt inzittenden zowel voor- als achterin. Bij een voldoende
krachtige aanrijding reageren de sensoren,
waarna de opblaasgordijnen worden geactiveerd. Het systeem helpt voorkomen dat de
bestuurder en eventuele passagiers bij een
botsing met hun hoofd tegen de binnenkant
van de auto slaan.
WAARSCHUWING
Het opblaasgordijn vormt een aanvulling op
de veiligheidsgordel.
Draag altijd de veiligheidsgordel.
20
Hang of bevestig nooit zware voorwerpen
aan de handgrepen aan het plafond. De
haak is alleen bedoeld voor niet al te zware
kledingstukken (en niet voor harde voorwerpen zoals paraplu’s).
Schroef of bevestig geen onderdelen op de
plafondbekleding, de portierstijlen of de zijpanelen van de auto. Ze kunnen daarbij hun
beschermende werking verliezen. Er mogen
uitsluitend originele Volvo-onderdelen, bestemd voor montage op deze plaatsen,
worden gebruikt.
01 Veiligheid
Inzittendenbeveiliging
Bescherming tegen whiplash-letsel,
WHIPS
Het WHIPS-systeem (Whiplash Protection
System) bestaat uit energieabsorberende rugleuningen en speciaal voor het systeem ontwikkelde hoofdsteunen voor de beide voorstoelen. Het systeem wordt geactiveerd bij
een aanrijding van achteren, afhankelijk van
de hoek waaronder en de snelheid waarmee
het achteropkomende voertuig de auto raakt
en de materiaaleigenschappen van dat voertuig.
WAARSCHUWING
Het WHIPS-systeem vormt een aanvulling
op de veiligheidsgordels. Draag altijd de
veiligheidsgordel.
Eigenschappen van de stoel
Als het WHIPS-systeem wordt geactiveerd,
klappen de rugleuningen van de voorstoelen
naar achteren zodat de zithouding van de bestuurder en de passagier op de voorstoelen
verandert. Zo wordt de kans op zogeheten
whiplash-letsel beperkt.
01
WHIPS-systeem en kinderzitjes/
verhogingskussens
Het WHIPS-systeem heeft geen nadelige invloed op de beschermende werking van de
kinderzitjes.
Juiste zithouding
Voor optimale bescherming moeten de bestuurder en de voorpassagier zo veel mogelijk
in het midden van de stoel plaatsnemen en de
afstand tussen het hoofd en de hoofdsteun zo
klein mogelijk houden.
WAARSCHUWING
Als de stoel heeft blootgestaan aan grote
krachten zoals bij een aanrijding van achteren, moet u het WHIPS-systeem laten controleren bij een erkende Volvo-werkplaats.
Er kunnen eigenschappen van het WHIPSsysteem verloren zijn gegaan, ook al ziet de
stoel er onbeschadigd uit. Neem contact op
met een erkende Volvo-werkplaats om het
systeem te laten controleren, ook na een
lichte aanrijding van achteren.
8803529j
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen in de stoel of
het WHIPS-systeem aan en probeer ze
nooit zelf te repareren. Neem contact op
met een erkende Volvo-werkplaats.
21
01 Veiligheid
01
Inzittendenbeveiliging
8803530j
8803531j
Zorg dat u de werking van het WHIPSsysteem niet nadelig beïnvloedt
WAARSCHUWING
WAARSCHUWING
Plaats geen koffer of iets dergelijks tussen
het zitgedeelte van de achterbank en de
rugleuning van de voorstoelen. Let erop dat
u de werking van het WHIPS-systeem niet
beïnvloedt.
22
Als u een van de ruggedeelten van de achterbank hebt omgeklapt, moet u de voorstoel aan dezelfde kant naar voren schuiven
zodat de rugleuning van de stoel niet tegen
het omgeklapte ruggedeelte van de achterbank aankomt.
01 Veiligheid
Inzittendenbeveiliging
01
Activering van de veiligheidssystemen
Systeem
Activering
Gordelspanners
Bij een frontale botsing, een aanrijding in de zij of een aanrijding van achteren.
Airbags (SRS)
Bij een frontale botsing1.
SIPS-airbags
Bij een aanrijding in de zij1.
Opblaasgordijnen (IC)
Bij een aanrijding in de zij en een bepaald type frontale botsing1.
WHIPS-systeem
Bij aanrijdingen van achteren.
1
Het is mogelijk dat de airbags niet worden opgeblazen, ondanks dat de carrosserie van de auto danig vervormd raakt. Enkele factoren zoals de stijfheid en het
gewicht van het lichaam waarmee de auto in botsing komt, de snelheid van de auto, de hoek waaronder de botsing plaatsvindt e.d. zijn van invloed op de wijze van
activering van de verschillende veiligheidssystemen in de auto.
Wanneer de airbags werden opgeblazen, adviseert Volvo u het volgende:
• Sleep de auto naar een erkende Volvowerkplaats.Rijd niet met opgeblazen airbags.
• Laat het vervangen van de onderdelen van
de veiligheidssystemen in de auto over aan
een erkende Volvo-werkplaats.
• Neem altijd contact op met een arts.
WAARSCHUWING
De regeleenheid van het airbagsysteem zit in
de middenconsole. Als de middenconsole
doorweekt geraakt is, moet u de accukabels
loskoppelen. Probeer de auto niet te starten,
omdat de airbags daarbij geactiveerd kunnen
worden. Sleep de auto naar een erkende
Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Rijd nooit met opgeblazen airbags. Ze kunnen u bij het sturen danig in de weg zitten.
Ook de andere veiligheidssystemen kunnen
beschadigd zijn. Langdurige blootstelling aan
de rook- en stofdeeltjes die vrijkomen bij het
opblazen van de airbags kan oog- en huidirritatie veroorzaken. Spoel bij irritatie met koud
water. De snelheid waarmee de airbags/gordijnen worden opgeblazen kan in combinatie
met de toegepaste materialen resulteren in
schaaf- en brandwonden aan de huid.
N.B.
De SRS-, SIPS-, IC-systemen en de gordelspanners worden bij een botsing slechts eenmaal geactiveerd.
23
8803557s
THIS CAR USE EQUIPPED WITH SIPSBAG IN EACH FRONT SEAT
DO NOT INSTALL ANY ACCESSORIES ON THE SIDE OR NEAR THE SIPSBAG
DO NOT USE EXCESSIVE FORCE ON THE SIDE OF THE SEAT
DO NOT USE ASSESSOY SEAT COVERS UNLESS THEY MEET VOLVO´S SPECIFICATION
USE OF OTHER SEAT COVERS COULD REDUCE THE EFFECT OF THE SYSTEM
FOR FURTHER INFORMATION SEE OWNER´S MANUAL
01
Airbagstickers
Airbagsticker SIPS-systeem op de portierstijl
24
8803558s
8803559s
BAG
01 Veiligheid
Inzittendenbeveiliging
Waarschuwingssticker voor airbags
SRS-systeem
Airbagsticker SIPS-systeem
De waarschuwingssticker voor de airbags van
het SRS-systeem zitten aan de passagierszijde op de zijwand van het dashboard.
Waarschuwingssticker airbags SRSsysteem (Australië)
01 Veiligheid
Safety mode
Safety mode
3801152s
Als alles normaal lijkt en u hebt vastgesteld
dat er geen brandstof lekt, kunt u proberen de
motor te starten.
Als de auto betrokken is geweest bij een aanrijding, kan de melding Safety mode Zie instructieb. op het informatiedisplay verschijnen. Dit betekent dat de functionaliteit van de
auto is verminderd. Safety mode is een veiligheidsfunctie die in werking treedt wanneer de
aanrijding een belangrijke onderdeel van de
auto zoals de brandstofleidingen, de sensoren
voor een van de veiligheidssystemen of het
remsysteem, kan hebben beschadigd.
Auto proberen te starten
Controleer eerst of er geen brandstof uit de
auto is gelopen. Er mag evenmin een brandstofgeur waarneembaar zijn.
Haal de transpondersleutel uit het contact en
steek hem er opnieuw in. De elektronica van
de auto probeert te resetten naar de normale
stand. Probeer vervolgens de auto te starten.
Als Safety mode nog op het display staat,
mag u niet met de auto rijden en hem niet verslepen. Verborgen schade kan de auto tijdens
het rijden onbestuurbaar maken, zelfs als het
lijkt dat u nog met de auto kunt rijden.
01
WAARSCHUWING
Probeer onder geen beding de auto opnieuw te starten, als u brandstof ruikt terwijl
de melding Safety mode wordt weergegeven. Verlaat de auto onmiddellijk.
WAARSCHUWING
De auto mag niet worden weggesleept zolang deze in de Safety mode staat. De auto
moet van zijn huidige plaats worden vervoerd naar een erkende Volvo-werkplaats.
Auto verzetten
Als de melding Normal mode wordt weergegeven nadat de Safety mode is gereset, mag
de auto voorzichtig uit de huidige, gevaarlijke
positie worden verreden. Verrijd de auto niet
verder dan nodig.
WAARSCHUWING
Probeer nooit zelf de auto te repareren of de
elektronische onderdelen te resetten nadat
de auto in de Safety mode heeft gestaan.
Dit kan aanleiding geven tot letsel of een
slechte functie van de auto. Laat de auto altijd in een erkende Volvo-werkplaats controleren en naar de normale status (Normal
mode) resetten nadat de Safety mode is
verschenen.
25
01 Veiligheid
01
Kinderen en veiligheid
Algemene informatie
Kinderzitjes
De plaats van het kind in de auto en de vereiste uitrusting zijn afhankelijk van het gewicht en
de lengte van het kind (zie pagina 27 voor
meer informatie).
Volvo heeft veiligheidsuitrusting voor kinderen die afgestemd is op uw Volvo en uitvoerig
door Volvo getest is.
N.B.
De wettelijke bepalingen voor het vervoer
van kinderen in de auto verschillen van land
tot land.
Ongeacht leeftijd en lengte moeten kinderen
altijd met de gordel goed om in de auto zitten.
Laat kinderen nooit bij passagiers op schoot
zitten.
De veiligheidsuitrusting voor kinderen die Volvo biedt, is afgestemd op het gebruik in uw
auto. Door het gebruik van originele Volvoonderdelen bent u er zeker van dat de bevestigingspunten en bevestigingsonderdelen op de
juiste wijze zijn aangebracht en sterk genoeg
zijn.
26
Bij gebruik van andere op de markt verkrijgbare kinderveiligheidsproducten is het van belang dat u de bijgeleverde montage-instructies
zorgvuldig doorleest en nauwkeurig opvolgt.
Zet de bevestigingsbanden van het kinderzitje
nooit vast aan de hendel waarmee u de voorstoel in de lengterichting verstelt of aan veren,
rails of balken onder de stoel. Door scherpe
randen kunnen de bevestigingsbanden beschadigd raken.
Laat de rugleuning van het kinderzitje tegen
het dashboard steunen. Dit geldt voor auto’s
zonder airbag aan de passagierszijde of auto’s waarvan de passagiersairbag is gedeactiveerd.
WAARSCHUWING
Plaats nooit een kinderzitje op de voorstoel,
als de auto is uitgerust met een geactiveerde airbag aan de passagierszijde. Bij problemen tijdens de montage van
kinderveiligheidsproducten kunt u contact
opnemen met de fabrikant voor nadere instructies.
Positie van kinderzitjes
Het volgende kan worden gebruikt:
• een kinderzitje/verhogingskussen op de
passagiersstoel, zolang de airbag aan de
passagierszijde gedeactiveerd is;
• een achterstevoren gemonteerd kinderzitje
op de achterbank dat tegen de rugleuning
van de voorstoel steunt.
Kinderzitjes en geactiveerde airbags gaan niet
samen.
Plaats een kind altijd op de achterbank als de
airbag aan de passagierszijde geactiveerd is.
Als de airbag wordt geactiveerd, kan een kind
in een kinderzitje aan de passagierszijde ernstig letsel oplopen.
WAARSCHUWING
Personen kleiner dan 1,40 m mogen alleen
op de voorstoel plaatsnemen, wanneer de
airbag aan de passagierszijde gedeactiveerd is.
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
Plaats van kinderen in de auto
Gewicht/
Leeftijd
<10 kg
(tot 9
maanden)
9–18 kg
(9–36
maanden)
15–36 kg
(3–12 jaar)
Voorstoel
Buitenste zitplaats van de
achterbank
Middelste zitplaats van de
achterbank
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje, te
bevestigen met veiligheidsgordel en
bevestigingsband.
L1: Typegoedkeuringsnr. E5 03135
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje, te
bevestigen met veiligheidsgordel en
bevestigingsband.
L 1: Typegoedkeuringsnr. E5 03135
Geïntegreerd kinderzitje met of zonder
rugleuning.
L1: Typegoedkeuringsnr. E5 03139
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje, te
bevestigen met veiligheidsgordel, steun en
bevestigingsband.
L1: Typegoedkeuringsnr. E5 03135
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje, te
bevestigen met veiligheidsgordel, steun en
bevestigingsband.
L 1: Typegoedkeuringsnr. E5 03135
Geïntegreerd kinderzitje met of zonder
rugleuning.
L1: Typegoedkeuringsnr. E5 03139
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje,
te bevestigen met veiligheidsgordel,
steun en bevestigingsband.
L1: Typegoedkeuringsnr. E5 03135
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje,
te bevestigen met veiligheidsgordel,
steun en bevestigingsband.
L 1: Typegoedkeuringsnr. E5 03135
Mogelijkheden:
• Geïntegreerd kinderzitje met of zonder rugleuning.
L1: Typegoedkeuringsnr. E5 03139
• Geïntegreerd kinderzitje.
B 2: Typegoedkeuringsnr. E5 03140
1
Geschikt voor speciale kinderzitjes (zie overzicht onder genoemde typegoedkeuring). Kinderzitjes kunnen bestemd zijn voor één bepaald merk auto, voor een
beperkte groep merken, semi-universeel of universeel zijn.
2
Ingebouwd en goedgekeurd voor deze leeftijdscategorie.
WAARSCHUWING
Plaats nooit een kinderzitje op de voorstoel,
als de auto is uitgerust met een geactiveerde airbag aan de passagierszijde. Bij problemen tijdens de montage van
kinderveiligheidsproducten kunt u contact
opnemen met de fabrikant voor nadere instructies.
27
01 Veiligheid
01
Kinderen en veiligheid
ISOFIX-bevestigingssysteem voor
kinderzitjes*
Bovenste bevestigingspunten voor
kinderzitjes
WAARSCHUWING
Achter de onderkant van de ruggedeelten op
de beide buitenste zitplaatsen van de achterbank gaan de bevestigingspunten voor het
ISOFIX-systeem schuil.
Symbolen op de bekleding van de ruggedeelten (zie bovenstaande afbeelding) geven de
positie van deze bevestigingspunten aan.
Duw het zitgedeelte van de zitplaats omlaag
om bij de bevestigingspunten te komen.
Houd u altijd aan de montage-instructies van
de fabrikant, wanneer u een kinderzitje aan de
ISOFIX-bevestigingspunten vastzet.
28
8904139s
8704364s
Haal de veiligheidsgordel van een kinderzitje altijd onder de hoofdsteun van de achterbank door, voordat u de gordel in de
sluiting aanbrengt.
De auto is uitgerust met bovenste bevestigingspunten voor kinderzitjes. Deze bevestigingspunten zitten in de hoedenplank en zijn
afgedekt met kunststof dekplaatjes. Klap de
kunststof dekplaatjes opzij om bij de bevestigingspunten te komen.
Bij auto’s met hoofdsteunen op de beide buitenste zitplaatsen van de achterbank gaat
monteren makkelijker, als u de hoofdsteunen
omklapt.
Zie de aanwijzingen van de fabrikant van het
kinderzitje voor gedetailleerde informatie over
de manier waarop u het zitje aan de bovenste
bevestigingspunten vastzet.
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Geïntegreerd kinderzitje*
01
Klap het geïntegreerde kinderzitje omlaag.
Geïntegreerd kinderzitje uitklappen
Haal de klittenband los.
1
Klap het bovenste gedeelte weer op.
8505330s
Het geïntegreerde kinderzitje van Volvo op de
middelste zitplaats van de achterbank is speciaal ontworpen om kinderen optimale bescherming te bieden. In combinatie met de
aanwezige veiligheidsgordels is het kinderzitje goedgekeurd voor kinderen met een gewicht van 15 tot 36 kg. Zorg alvorens weg te
rijden dat:
• de veiligheidsgordel goed strak langs het
lichaam van het kind loopt en nergens slap
hangt of verdraaid is;
• de veiligheidsgordel goed over de schouder ligt;
• de heupgordel laag over het bekken loopt
om maximale bescherming te bieden;
• de veiligheidsgordel niet tegen de nek van
het kind aankomt of onder de schouder
langs loopt;
• de stand van de hoofdsteun afgestemd is
op de lengte van het kind.
2
3
8505343s
8803565s
8505333s
WAARSCHUWING
Reparatie of vervanging dient alleen te worden uitgevoerd door een erkende Volvowerkplaats. Verricht zelf geen wijzigingen in
of aanpassingen aan het geïntegreerde kinderzitje. Als een geïntegreerd kinderzitje
aan grote krachten heeft blootgestaan zoals
tijdens een aanrijding, moet u het geïntegreerde kinderzitje in zijn geheel vervangen.
Ook al ziet het geïntegreerde kinderzitje er
intact uit, kunnen er toch beschermende eigenschappen verloren zijn gegaan. Het
geïntegreerde kinderzitje moet ook worden
vervangen als het erg versleten is.
29
01 Veiligheid
01
Kinderen en veiligheid
Kinderslot
Geïntegreerd kinderzitje opklappen
Klap het bovenste gedeelte omlaag.
1
Bevestig het stuk klittenband.
Klap het geïntegreerde kinderzitje in het
ruggedeelte van de achterbank op.
Handbediend kinderslot op
achterportieren
8505344s
2
3
8302555s
8505334s
N.B.
Zorg dat de beide delen van het geïntegreerde kinderzitje met de klittenband zijn
vastgezet, voordat u het zitje opklapt. Anders kan het bovenste gedeelte in het ruggedeelte van de achterbank blijven steken,
wanneer u het geïntegreerde kinderzitje een
volgende keer opnieuw uitklapt.
De bedieningscilinders van het kinderslot zitten achter op de korte kant van de achterportieren, zodat ze alleen bereikbaar zijn wanneer
de portieren openstaan. Gebruik het sleutelblad om de bedieningscilinder te verdraaien
en zo het kinderslot in of uit te schakelen.
De portieren kunnen niet van de binnenzijde worden geopend.
8505335s
De portieren kunnen van de binnenzijde
worden geopend.
30
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
N.B.
Op auto’s met het elektrische kinderslot zit
geen handmatig kinderslot.
WAARSCHUWING
Houd de vergrendelingsknoppen altijd omhoog tijdens het rijden. Bij ongelukken kunnen hulpverleners dan snel in de auto
komen. Zolang het kinderslot ingeschakeld
is, kunnen de achterportieren niet van de
binnenzijde worden geopend.
3603789s
Elektrisch kinderslot op achterportieren* en achterste zijruiten
Het elektrische kinderslot is te activeren met
het contactslot in stand I of II. Wanneer het
elektrische kinderslot actief is, zijn de achterste zijruiten alleen vanaf het bestuurdersportier te bedienen. De achterportieren kunnen
dan niet van de binnenzijde worden geopend.
Druk op de knop op het bestuurdersportier. Er
verschijnt een melding op de informatiedisplay. Het lampje in de knop brandt, wanneer
het slot geactiveerd is.
31
Transpondersleutel/sleutel ....................................................................... 34
Keyless drive ............................................................................................40
Sloten .......................................................................................................42
Alarm* .......................................................................................................45
32
SLOTEN EN ALARM
02
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutel
Algemene informatie
02
Bij de auto worden twee transpondersleutels
of PCC’s (Personal Car Communicator) geleverd. U kunt er maximaal zes bestellen. U gebruikt ze om de auto te starten en deze te vergrendelen of te ontgrendelen.
PCC’s kennen meer functies dan een transpondersleutel in standaarduitvoering. In het
vervolg van dit hoofdstuk hebben we het over
een transpondersleutel bij de bespreking van
functies die voorkomen op zowel de PCC als
op de transpondersleutel.
Er zijn maximaal zes transpondersleutels voor
één en dezelfde auto te programmeren en te
gebruiken.
WAARSCHUWING
Als er kinderen in de auto zitten:
Let er bij het verlaten van de auto op dat u de
stroomtoevoer naar de sloten, elektrisch bedienbare zijruiten en het schuifdak verbreekt
door de transpondersleutel uit te nemen.
Afneembaar sleutelblad
Een transpondersleutel bevat een afneembaar sleutelblad van metaal waarmee de bestuurdersportier, het kofferdeksel en het dashboardkastje (Private locking) te vergrendelen/
ontgrendelen zijn.
34
Zie pagina 37 voor de functies van het sleutelblad. Zie pagina 38 voor Private locking.
De unieke code van de sleutels is bekend bij
de erkende Volvo-werkplaatsen, waar ook
nieuwe sleutels kunnen worden gemaakt.
Zoekgeraakte transpondersleutel
Als een van de transpondersleutels zoekraakt, moet u de resterende transpondersleutels samen met de auto naar een erkende
Volvo-werkplaats brengen. Ter voorkoming
van diefstal moet de code van de zoekgeraakte transpondersleutel uit het systeem worden
gewist.
Het aantal sleutels dat geprogrammeerd is
voor de auto kunt u controleren onder Instellingen van de auto
Autosleutelgeheugen
Aantal sleutels.
Zie pagina 94 voor een beschrijving van het
menusysteem.
Sleutelgeheugen, buitenspiegels en
bestuurdersstoel*
De instellingen worden automatisch gekoppeld aan de transpondersleutel die op dat moment in gebruik is (zie pagina 61 en 77).
U kunt de functie activeren/deactiveren onder
Instellingen van de auto
Autosleutelgeheugen
Pos. stoelen en
spiegels. Zie pagina 94 voor een beschrijving
van het menusysteem.
Zie pagina 41 voor auto’s met Keyless drivefunctie.
Knippersignalen bij vergrendelen/
ontgrendelen
Wanneer u de auto vergrendelt of ontgrendelt
met een transpondersleutel, lichten de richtingaanwijzers een bepaalde aantal malen op om
aan te geven dat de auto op de juiste manier
vergrendeld/ontgrendeld is:
• vergrendelen: eenmaal oplichten
• ontgrendelen: tweemaal oplichten
Bij het vergrendelen gebeurt dit alleen als alle
portieren na het sluiten correct zijn vergrendeld.
U kunt de functie activeren/deactiveren onder
Instellingen van de auto
Lichtinstellingen
Auto is op slot, lampje
resp. Instellingen van de auto
Lichtinstellingen
Auto is open, lampje.
Zie pagina 94 voor een beschrijving van het
menusysteem.
Elektronische startblokkering
Elke transpondersleutel heeft zijn eigen, unieke code. U kunt de auto alleen starten, wanneer u een transpondersleutel met de juiste
code gebruikt.
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutel
Melding
Betekenis
Sleutelfout
Probeer
opnieuw
Storing bij het uitlezen van
de transpondersleutel
tijdens het starten. Probeer
de auto opnieuw te
starten.
Geldt alleen voor de functie
Keyless drive van de
PCC. Fout bij het uitlezen
van de PCC tijdens de
start. Probeer de auto
opnieuw te starten.
Functiestoring van de
transpondersleutel tijdens
het starten. Neem contact
op met een erkende Volvowerkplaats.
Autosleutel
niet gevonden
Immobilizer
Zie
instructieb.
Functies, transpondersleutel/PCC
Vergrendelen
Ontgrendelen
Approach-verlichting
2
1
3
Paniekfunctie
5
Doorluchtfunctie (Global opening)
Bij lang indrukken (ten minste 4 seconden) van
de toets
of
worden alle zijruiten tegelijk
korte tijd geopend en weer gesloten (daarbij
wordt een openstaand schuifdak ook
gesloten).
Transpondersleutel
WAARSCHUWING
Controleer of niemand met de handen bekneld raakt wanneer u het schuifdak en de
zijruiten vanaf de transpondersleutel sluit.
2
1
3
Zie pagina 81 voor het starten van de auto.
4
U kunt de functie bijvoorbeeld gebruiken om
bij warm weer snel voor frisse lucht in de auto
te zorgen.
5
Uitgeputte batterij in transpondersleutel
Functietoetsen
3603821s
Vervang de batterijen, als:
• het informatiesymbool oplicht en de melding Autosleutel Batterij leeg op het display verschijnt en/of:
• de sloten herhaalde malen achtereen niet
reageren op het signaal van een transpondersleutel die zich binnen een straal van
20 m bevindt.
Zie pagina 39 voor het vervangen van de batterij.
02
Kofferdeksel
4
3905616s
De onderstaande foutmeldingen op het informatiedisplay (op het instrumentenpaneel) houden verband met de elektronische startblokkering:
PCC (Personal Car Communicator)
Vergrendelen – Vergrendelt de portieren en
het kofferdeksel en activeert het alarm.
Ontgrendelen – Ontgrendelt de portieren en
het kofferdeksel en deactiveert het alarm.
De ontgrendelingsfunctie kan dusdanig gewijzigd worden dat bij eenmaal indrukken van de
toets niet meer alle portieren tegelijk worden
ontgrendeld, maar alleen het bestuurderspor-
35
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutel
Kofferdeksel – Ontgrendelt alleen het kofferdeksel (zonder het te openen). Zie
pagina 43 voor meer informatie.
Paniekfunctie – Bestemd om in noodgevallen
de aandacht van anderen te trekken. Als u de
rode toets ten minste 3 seconden lang ingedrukt houdt of tweemaal achtereen binnen
3 seconden indrukt, worden de richtingaanwijzers, de interieurverlichting en de claxon geactiveerd. U kunt deze functie met dezelfde
toets weer uitschakelen, als de functie minimaal 5 seconden actief geweest is. Als u niets
doet, wordt de functie na 2 minuten en
45 seconden automatisch uitgeschakeld.
Er kunnen storingen optreden in de functies
van de transpondersleutel door radiogolven
in de lucht, omringende gebouwen, topografische omstandigheden e.d. Het is altijd
mogelijk de auto te vergrendelen/ontgrendelen met het sleutelblad (zie pagina 37).
N.B.
Specifieke functies, PCC
2
2
1
2
De controlelampjes
zoals afgebeeld.
verstrekken informatie
1
2
3
4
Informatietoets
Controlelampjes
Bereik transpondersleutel
Na een druk op de informatietoets
kunt u
bepaalde informatie over de auto uitlezen aan
de hand van de controlelampjes
.
De transpondersleutel is te gebruiken binnen
een straal van 20 m rond de auto.
Gebruik van de informatietoets
1. Druk op de informatietoets
36
Als bij herhaaldelijk gebruik van de informatietoets – op verschillende tijdstippen en
verschillende plaatsen – blijkt dat geen van
de controlelampjes gaat branden (en dat
evenmin na 7 seconden alsook nadat de
controlelampjes op de PCC om de beurt
oplichtten), dient u contact op te nemen
met een erkende Volvo-werkplaats.
.
3603841s
Approach-verlichting – Bestemd om de verlichting van de auto op afstand in te schakelen. Zie pagina 69 voor meer informatie.
2. Ca. 7 seconden lang lichten de
controlelampjes
op de PCC om de
beurt op om aan te geven dat de informatie over de auto wordt uitgelezen. Als u
gedurende dit tijdsbestek op een van de
andere toetsen drukt, wordt de uitlezing
beëindigd.
N.B.
3603840s
02
tier. Bij een tweede keer indrukken (binnen
10 seconden) worden de overige portieren
ontgrendeld. U wijzigt de functie onder Instellingen van de auto
Instellingen
vergrendelen
Portieren ontgrendelen.
Zie pagina 94 voor een beschrijving van het
menusysteem.
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutel
Continu groen licht: de auto is vergrendeld.
Continu oranje licht: de auto is ontgrendeld.
Continu rood licht: het alarm is afgegaan.
Aangegeven twee controlelampjes lichten
beurtelings rood op: dit geeft met HSB
(Heart Beat Sensor) aan dat er mogelijk
iemand in de auto zit. De indicatie verschijnt alleen, als het alarm is afgegaan.
Bereik transpondersleutel
De ontgrendelingsfuncties van de PCC zijn
te gebruiken binnen een straal van 20 m rond
de auto.
De Approach-verlichting, de paniekfunctie en
de functies die gekoppeld zijn aan de informatietoets, zijn tot op 100 m van de auto te
gebruiken.
N.B.
Er kunnen storingen optreden in de functie
van de informatietoets door radiogolven in
de lucht, omringende gebouwen, topografische omstandigheden e.d.
Buiten bereik PCC
Als de PCC op dermate grote afstand van de
auto is dat er geen informatie over de auto kan
worden uitgelezen, wordt de laatst bekende
status van de auto weergegeven zonder dat
de lampjes op de PCC om de beurt oplichten.
De PCC waarmee de auto de laatste keer vergrendeld/ontgrendeld werd, geeft de juiste
status aan.
N.B.
Als geen van de controlelampjes brandt bij
het indrukken van de informatietoets, is het
mogelijk dat er storingen optreden in de
communicatie tussen de PCC en de auto
door radiogolven in de lucht, omringende
gebouwen, topografische omstandigheden
e.d.
Heart Beat Sensor
De functie
werkt met behulp van een hartslagsensor (HBS, Heart Beat Sensor). HBS
vormt een aanvulling op het alarmsysteem van
de auto die op afstand afgeeft of er mogelijk
iemand in de auto zit. De indicatie verschijnt
alleen, als het alarm is afgegaan.
HBS registreert de hartslag die zich via de carrosserie van de auto voortplant. In gebieden
met veel lawaai en trillingen is het dan ook
mogelijk dat de HBS in zijn werking wordt gestoord.
Keyless drive
Zie pagina 40.
Afneembaar sleutelblad
U kunt het afneembare sleutelblad van de
transpondersleutel gebruiken om de toegang
tot het dashboardkastje en de kofferbak te
blokkeren1.
02
Verwijder het sleutelblad, wanneer u de auto
bij een garage of hotel afgeeft (gebruik makend van de zogeheten Private locking, zie
pagina 38). Overhandig de transpondersleutel
aan het personeel, terwijl u zelf het afneembare sleutelblad houdt.
Ontgrendelen met sleutelblad
U kunt gebruik maken van het sleutelblad, als
er storingen zijn opgetreden in de functies van
de transpondersleutel of als de batterijen in de
transpondersleutel leeg zijn.
Zie pagina 44 voor het ontgrendelen van het
kofferdeksel.
Het is mogelijk het bestuurdersportier te vergrendelen (zonder de centrale vergrendeling
te gebruiken) door het sleutelblad in het slot
van de portierhandgreep te steken. Het alarmsysteem gaat dan wel af. Schakel het uit door
de transpondersleutel in het contactslot te
steken.
1 Geldt
voor bepaalde markten
37
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutel
Private locking*
Sleutelblad verwijderen
Private locking: draai het sleutelblad
180 graden rechtsom in het slot van het dashboardkastje. Daarna kan het kofferdeksel
evenmin worden geopend vanaf de transpondersleutel (er verschijnt een melding op het informatiedisplay).
02
1
3603822s
8302565s
2
Zie pagina 43 voor het vergrendelen van het
dashboardkastje.
Haal de veerbelaste pal
opzij en trek tege-
lijkertijd het sleutelblad
ren.
recht naar achte-
Vergrendelingspunten voor transpondersleutel
(Private locking niet geactiveerd).
Sleutelblad aanbrengen
1. Houd de transpondersleutel met de gleuf
omhoog en laat het sleutelblad in de gleuf
zakken.
2. Duw voorzichtig tegen het sleutelblad. U
hoort een klikgeluid wanneer het sleutelblad goed vastzit.
38
8302564s
Plaats het verwijderde sleutelblad voorzichtig
terug in de transpondersleutel om beschadiging te voorkomen.
Vergrendelingspunten voor transpondersleutel
(Private locking geactiveerd).
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutel
Batterij in transpondersleutel
vervangen
Steek een schroevendraaier in de opening
achter de veerbelaste pal en werk de
transpondersleutel voorzichtig open.
1
3603816s
2
1
Houd de transpondersleutel met de toetsen
omhoog om te voorkomen dat de batterijen
bij het openen van de afdekking op de
grond vallen.
PCC
Werk de batterijen voorzichtig los. Plaats
eerst een nieuwe met de pluszijde (+ )
omhoog. Leg het witte plasticvel op de
geplaatste nieuwe batterij en breng daarna nog een nieuwe batterij aan met de
pluszijde (+) omlaag.
BELANGRIJK
Kom niet met uw vingers aan de polen van
de batterijen of de contactvlakken, omdat
ze daardoor slechter kunnen presteren.
In elkaar zetten
1. Druk de afdekking weer op de transpondersleutel vast.
2. Houd de transpondersleutel met de gleuf
omhoog en laat het sleutelblad in de
gleuf zakken.
3. Duw voorzichtig tegen het sleutelblad. U
hoort een klikgeluid wanneer het sleutelblad goed vastzit.
3
3603817s
Batterij vervangen
Batterijtype: CR2430, 3 V (één in transpondersleutel en twee in PCC).
BELANGRIJK
Openen
tegelijkertijd het sleutelblad
achteren.
opzij en trek
recht naar
Zorg dat de oude batterij(en) op milieuvriendelijke wijze wordt/worden afgevoerd.
G015518
Haal de veerbelaste pal
02
Transpondersleutel
Werk de batterij voorzichtig los. Plaats
een nieuwe met de pluszijde (+) omlaag.
N.B.
2
Let erop hoe de batterij(en) aan de binnenzijde van de afdekking vastzit(ten). Let
daarop op de pluszijde + en de minzijde –.
39
02 Sloten en alarm
Keyless drive
Keyless drive (alleen PCC)
02
dat u de PCC bij u moet dragen om een portier
te vergrendelen of ontgrendelen. Wanneer u
aan de ene kant van de auto staat, is het niet
mogelijk om met de PCC een portier aan de
andere kant te vergrendelen of ontgrendelen.
Vergrendelings- en startsysteem
zonder sleutel
De rode cirkels op de afbeelding geven het
dekkingsgebied van de systeemantennes aan.
8302561s
Als alle PCC’s uit de auto worden genomen,
verschijnt er een waarschuwingsmelding op
het informatiedisplay en klinkt er een geluidssignaal. De melding verdwijnt, wanneer een
van de PCC’s weer in de auto wordt gelegd.
Met de Keyless drive-functie van de PCC kunt
u zonder een sleutel te gebruiken de auto ontgrendelen, starten en vergrendelen. U hoeft de
PCC alleen bij u te dragen. Het systeem maakt
het eenvoudiger om de auto te openen wanneer u uw handen vol hebt.
De twee PCC’s van de auto ondersteunen de
Keyless drive-functie. U kunt meer PCC’s bijbestellen.
Bereik PCC
Om een portier of het kofferdeksel te kunnen
openen moet de PCC zich binnen een straal
van maximaal 1,5 m rond de portierhandgrepen of het kofferdeksel bevinden. Dit betekent
40
Wanneer de PCC weer in de auto is gelegd,
verdwijnen de waarschuwingsmelding en het
geluidssignaal nadat een van de volgende
handelingen is uitgevoerd:
• er is een portier geopend of gesloten;
• de transpondersleutel is in het contactslot
gestoken;
• de toets READ is ingedrukt.
Veilig gebruik van uw PCC
Als u een PCC met Keyless drive-functie in de
auto laat liggen, wordt de PCC bij het vergrendelen van de auto tijdelijk gedeactiveerd. Onbevoegden kunnen de portieren er dan niet
meer mee openen.
Als er echter ingebroken wordt en iemand de
PCC in de auto vindt, wordt de PCC weer geactiveerd. Pas daarom goed op al uw PCC’s.
BELANGRIJK
Laat een PCC nooit onbeheerd in de auto
liggen.
Storingen in de functie van een PCC
De Keyless drive-functie kan verstoord worden door elektromagnetische velden en afschermingen. Leg de PCC daarom niet dicht
bij een mobiele telefoon of metalen voorwerpen.
Als er desondanks toch storingen optreden,
moet u de PCC en het sleutelblad op de normale manier gebruiken (zie pagina 35).
Ontgrendelen
Open de portieren met de handgreep of open
het kofferdeksel met de handgreep.
Ontgrendelen met sleutelblad
Als de Keyless drive-functie van de PCC defect is, kunt u het bestuurdersportier ontgrendelen met het sleutelblad. In dat geval wordt
de centrale vergrendeling niet geactiveerd.
02 Sloten en alarm
Keyless drive
N.B.
Bij ontgrendelen met het sleutelblad gaat
het alarm af. Zie pagina 46 voor het uitschakelen.
Sleutelgeheugen, bestuurdersstoel en
buitenspiegels*
grendelen. De auto wordt anders niet vergrendeld.
02
Vergrendelingsinstellingen
Onder Instellingen van de auto
Instellingen vergrendelen
Op afstand openen.
Zie pagina 94 voor een beschrijving van het
menusysteem.
Geheugenfunctie van PCC
Als meerdere personen met een PCC met
Keyless drive-functie naar de auto lopen, nemen de bestuurdersstoel en de buitenspiegels
de stand in die ligt opgeslagen in de PCC van
degene die het bestuurdersportier opent.
Wanneer het bestuurdersportier openstaat,
zijn de instellingen op de volgende twee manieren te wijzigen:
• druk vanaf de bestuurdersstoel op de ontgrendelingstoets van de PCC (zie
pagina 35);
• druk op de knop voor de stoelinstelling (zie
pagina 61).
Vergrendelen
Vergrendel de portieren en het kofferdeksel
door op de vergrendelingsknop op een van de
portierhandgrepen aan de buitenkant te drukken.
Alle portieren inclusief het kofferdeksel moeten zijn gesloten, voordat u de auto kunt ver-
41
02 Sloten en alarm
Sloten
Vergrendelen en ontgrendelen
02
Automatische hervergrendeling
Van de binnenzijde
Als u geen van de portieren noch het kofferdeksel binnen twee minuten na ontgrendeling van de buitenzijde met de transpondersleutel opent, worden alle sloten automatisch
weer vergrendeld. Deze functie voorkomt dat
u de auto per ongeluk onvergrendeld kunt laten staan. Zie pagina 45 voor auto’s met
alarmsysteem.
Van de buitenzijde
De tankvulklep kan worden geopend, wanneer
de auto onvergrendeld staat. De klep kan niet
worden geopend, als u de auto vergrendelt en
het alarm inschakelt.
N.B.
Ook als er nog een portier openstaat is het
mogelijk de auto te vergrendelen1. Wanneer
u het geopende portier vervolgens sluit
wordt ook dit vergrendeld, zodat het gevaar
bestaat dat u zich buitensluit met de transpondersleutel nog in de auto.
1Geldt
alleen voor auto’s op bepaalde markten,
maar niet voor auto’s met Keyless drive.
WAARSCHUWING
Let erop dat inzittenden in de auto kunnen
worden opgesloten, als u die de buitenzijde
vergrendelt.
1
42
Geldt voor bepaalde markten
8302562s
Met de transpondersleutel kunt u alle portieren en het kofferdeksel gelijktijdig vergrendelen/ontgrendelen. Bij vergrendeling zijn de
vergrendelingsknoppen op de portieren en de
portierhandgrepen aan de binnenzijde niet
meer te bedienen1.
Met de bedieningsknoppen op het portierpaneel kunt u alle portieren en het kofferdeksel
tegelijkertijd vergrendelen of ontgrendelen.
Ontgrendelen
Druk op de ontgrendelingsknop voor de portieren. Bij lang indrukken worden ook al de zijruiten geopend.
Vergrendelen
Druk nadat u de voorportieren hebt gesloten
op de vergrendelingsknop voor de portieren.
Bij lang indrukken worden ook de zijruiten en
een eventueel schuifdak gesloten.
Alle portieren zijn eenmaal gesloten handmatig te vergrendelen met de vergrendelingsknoppen. Door eenmaal aan de handgreep te
trekken ontgrendelt u een portier. Door tweemaal aan de handgreep te trekken opent u een
portier.
Automatische vergrendeling
Bij het wegrijden kunnen de portieren en het
kofferdeksel automatisch worden vergrendeld.
U kunt de functie activeren/deactiveren onder
Instellingen van de auto
Instellingen
vergrendelen
Portieren autom. op slot.
Zie pagina 94 voor een beschrijving van het
menusysteem.
02 Sloten en alarm
Sloten
Kofferdeksel ontgrendelen/
vergrendelen
Dashboardkastje
A
B
Vergrendelen met transpondersleutel
Druk op de toets voor vergrendeling op de
transpondersleutel (zie pagina 35).
02
De alarmindicatie op het dashboard gaat knipperen om aan te geven dat het alarm is afgegaan.
Vergrendel het dashboardkastje door de
sleutel een kwartslag (90 graden) rechtsom te draaien. Het sleutelgat staat horizontaal wanneer het kastje vergrendeld is.
U kunt het dashboardkastje alleen vergrendelen/ontgrendelen met het afneembare sleutelblad van de transpondersleutel.
Zie pagina 38 voor Private locking.
Van de binnenzijde ontgrendelen
Ontgrendelen met transpondersleutel
Druk op de toets van de transpondersleutel
waarmee u het kofferdeksel ontgrendelt.
N.B.
Dit geldt echter niet voor het kofferdeksel.
De alarmindicatie op het dashboard dooft om
aan te geven dat niet alle onderdelen van de
auto beveiligd zijn. De niveausensoren en bewegingsmelders alsmede de sensoren in de
opening van het kofferdeksel worden automatisch buiten werking gesteld. De portieren blijven vergrendeld en beveiligd.
1
3603845s
Ontgrendel het dashboardkastje door de
sleutel een kwartslag (90 graden) linksom
te draaien. Het sleutelgat staat verticaal
wanneer het kastje ontgrendeld is.
3905612s
8302560s
Als alle portieren vergrendeld zijn bij het sluiten van het kofferdeksel, blijft het kofferdeksel
onvergrendeld staan totdat u de auto met de
afstandsbediening vergrendelt.
Druk op de knop
op het bedieningspaneel
voor de verlichting om het kofferdeksel te ontgrendelen.
43
02 Sloten en alarm
Sloten
1
3905611s
8302568s
02
1. Neem de transpondersleutel uit het contactslot. Deactivering is alleen mogelijk,
wanneer het nog geen minuut geleden is
dat u de motor afzette.
2. Druk op de knop.
Als de auto is uitgerust met alarm stelt u ook
de bewegingsmelders en niveausensoren*
buiten werking (zie pagina 47).
Safelock-functie1
Ontgrendelen met sleutelblad
8302569s
2
Als de toets op de transpondersleutel waarmee u het kofferdeksel opent niet werkt, kunt
u het kofferdeksel ontgrendelen met het sleutelblad.
Werk de plug los die het sleutelgat afdekt.
Ontgrendel het kofferdeksel door het
sleutelblad een halve slag linksom te
draaien zoals afgebeeld.
Bij activering van de zogeheten Safelockfunctie zijn de portieren niet meer van de binnenzijde te openen, als ze eenmaal vergrendeld zijn. Met de transpondersleutel activeert
u de Safelock-functie die 10 seconden na vergrendeling van de portieren in werking treedt.
Bij Safelock is de auto alleen met de transpondersleutel te ontgrendelen. Het bestuurdersportier is tevens van de buitenzijde te openen
met behulp van het sleutelblad.
Safelock-functie tijdelijk deactiveren
Als u de portieren van de buitenzijde toch wilt
vergrendelen terwijl er iemand in de auto achterblijft, kunt u de Safelock-functie deactiveren.
1 Geldt
44
voor bepaalde markten
Het lampje in de knop licht op en blijft branden, totdat u de auto met de transpondersleutel vergrendelt. Er verschijnt een melding op
het display die verdwijnt als u de auto vergrendelt. Bij inactiviteit verdwijnt de melding automatisch na 10 seconden. De volgende keer
dat u de auto start, worden de sensoren en de
Safelock-functie weer geactiveerd.
WAARSCHUWING
Laat niemand in de auto achter zonder eerst
de Safelock-functie te deactiveren. Zo
voorkomt u dat iemand opgesloten raakt.
02 Sloten en alarm
Alarm*
Het alarm gaat af, als:
• een portier, de motorkap of het kofferdeksel wordt geopend;
• het sleutelgat de verkeerde sleutel bevat of
wordt gemanipuleerd;
• er een beweging in de passagiersruimte
wordt waargenomen (als er een bewegingsmelder aanwezig is);
• de auto wordt opgetakeld of weggesleept
(op auto’s met een niveausensor*);
• de accukabel wordt ontkoppeld;
• iemand de sirene probeert los te koppelen.
Als er een storing in het alarmsysteem is opgetreden, verschijnt er een melding op het informatiedisplay. Neem dan contact op met
een erkende Volvo-werkplaats.
N.B.
De bewegingsmelders laten het alarm afgaan, wanneer er bewegingen in het interieur worden waargenomen. Het alarm kan
dan ook afgaan als u bij het parkeren van de
auto een van de zijruiten laat openstaan of
gebruik maakt van een elektrische interieurverwarming. Sluit daarom voordat u de auto
verlaat alle ruiten en stel de interieurverwarming dusdanig in dat deze geen warme
lucht omhoogblaast.
Alarm activeren
N.B.
Druk op de vergrendelingstoets op de transpondersleutel. De richtingaanwijzers van de
auto geven een lang lichtsignaal af ter bevestiging dat het alarm is ingeschakeld en dat de
portieren zijn vergrendeld.
Voer nooit zelf reparaties aan of wijzigingen
in het alarmsysteem uit. Dergelijke ingrepen
kunnen van invloed zijn op de verzekeringsvoorwaarden.
02
De wijze waarop de auto aangeeft dat het
alarm geactiveerd is kan naar wens worden
afgestemd onder Instellingen van de auto
Instellingen vergrendelen
Op afstand
openen. Zie pagina 94 voor een beschrijving
van het menusysteem.
Alarmindicatie
8302563s
Algemene informatie
Een alarmindicatie op het dashboard geeft de
status van het alarmsysteem aan:
• lampje uit – het alarm is uitgeschakeld
• lampje licht eenmaal per seconde op – het
alarm is ingeschakeld
• het lampje knippert snel vanaf het moment
van uitschakelen van het alarm (tot aan het
moment dat u de transpondersleutel in het
contactslot steekt en contactslotstand I
wordt bereikt) – het alarm is afgegaan
45
02 Sloten en alarm
Alarm*
Alarm deactiveren
02
Druk op de ontgrendelingstoets op de transpondersleutel. De richtingaanwijzers van de
auto geven twee korte lichtsignalen af ter bevestiging dat het alarm is uitgeschakeld en dat
de portieren zijn ontgrendeld.
Geactiveerd alarm uitschakelen
Druk op de ontgrendelingstoets op de transpondersleutel of steek de transpondersleutel
in het contactslot. De richtingaanwijzers van
de auto geven ter bevestiging twee korte lichtsignalen af.
Overige alarmfuncties
Automatische inschakeling van het
alarm
De functie voorkomt dat u de auto verlaat zonder het alarm in te schakelen.
Als u geen van de portieren noch het kofferdeksel binnen twee minuten na uitschakeling van het alarm opent wanneer de auto met
de transpondersleutel ontgrendeld (en het
alarm gedeactiveerd) werd, wordt het alarm
automatisch opnieuw ingeschakeld. De auto
wordt tegelijkertijd vergrendeld.
Alarmsignalen
Bij alarm gebeurt het volgende:
• Er klinkt 30 seconden lang een sirene. De
sirene heeft zijn eigen accu die volledig
onafhankelijk is van de standaardaccu in de
auto.
• Alle richtingaanwijzers knipperen totdat u
het alarm uitschakelt. Bij inactiviteit gaan ze
na vijf minuten automatisch uit.
Transpondersleutel defect
Als de transpondersleutel defect is, kunt u het
alarm uitschakelen en de auto als volgt starten:
1. Open het bestuurdersportier met het sleutelblad. Het alarm gaat af en de sirene
klinkt.
46
2. Steek de transpondersleutel in het sleutelgat. Het alarm wordt uitgeschakeld. De
alarmindicatie knippert snel totdat u de
transpondersleutel inbrengt.
02 Sloten en alarm
Alarm*
Alarm tijdelijk uitschakelen
Alarmsysteem testen
Sensoren uitschakelen
3905611s
Bewegingsmelder in passagiersruimte
testen
Om te voorkomen dat het alarm per ongeluk
afgaat, bijvoorbeeld op een veerboot, kunt u
de bewegingsmelder en de niveausensoren
tijdelijk uitschakelen.
Druk op de toets voor uitschakeling. Uitschakeling is alleen mogelijk, wanneer het nog
geen minuut geleden is dat u de motor afzette.
Het lampje in de knop blijft branden totdat u
de auto vergrendelt.
Op het display verschijnt een melding die verdwijnt als u de auto vergrendelt. Bij inactiviteit
verdwijnt de melding automatisch na
10 seconden.
De volgende keer dat u de auto start, worden
de sensoren weer geactiveerd.
Als de auto is uitgerust met Safelock-functie,
wordt deze functie tegelijkertijd geactiveerd
(zie pagina 44).
1. Sluit alle zijruiten. Blijf in de auto zitten.
2. Zie pagina 45 voor het activeren van het
alarm.
3. Wacht 15 seconden.
4. Laat het alarm afgaan door uw armen op
te heffen tot net boven de rugleuning en
ze vervolgens horizontaal heen en weer
te bewegen. Er klinkt een sirene en alle
richtingaanwijzers knipperen.
5. Deactiveer het alarm door de auto via de
transpondersleutel te ontgrendelen.
2. Activeer het alarm (zie pagina 45). Blijf in
de auto zitten en vergrendel de portieren
met de knop op de transpondersleutel.
3. Wacht 15 seconden.
4. Ontgrendel de motorkap met de handgreep onder het dashboard. Er klinkt een
sirene en alle richtingaanwijzers knipperen.
5. Deactiveer het alarm door de auto via de
transpondersleutel te ontgrendelen.
02
Alarmsensoren in portieren testen
1. Zie pagina 45 voor het activeren van het
alarm.
2. Wacht 15 seconden.
3. Ontgrendel het bestuurdersportier met
het sleutelblad.
4. Open het bestuurdersportier. Er klinkt
een sirene en alle richtingaanwijzers
knipperen.
5. Deactiveer het alarm door de auto via de
transpondersleutel te ontgrendelen.
Alarmsensoren in motorkap testen
1. Ga in de auto zitten en deactiveer de
bewegingsmelder (zie pagina 46).
47
Instrumenten, schakelaars en bediening .................................................50
Contactslotstanden .................................................................................. 59
Stoelen en achterbank .............................................................................60
Stuurwiel ..................................................................................................63
Verlichting .................................................................................................64
Wissers en -sproeiers ..............................................................................73
Ruiten en spiegels ....................................................................................75
Elektrisch bedienbaar schuifdak* .............................................................79
Motor starten ...........................................................................................81
Versnellingsbakken ...................................................................................84
Bedrijfsrem ...............................................................................................87
Parkeerrem ...............................................................................................89
48
BESTUURDERSMILIEU
03
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
Instrumentenoverzicht
1
2
3
4
5
6
7
8
03
20
9
11
10
12
9
10
13
18
17
16
15
14
8505311s
19
Auto met stuur links
50
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
Functie
Pagina
Functie
Pagina
Menu- en meldingsfuncties, richtingaanwijzers, groot
licht/dimlicht, boordcomputer
97, 67, 65,
118
Menufuncties, klimaatregeling en audiosysteem
94, 102,
112
Cruisecontrol
122, 58
Klimaatregeling, ECC
102
Claxon, airbag
63, 15
Versnellingspook/keuzehendel
84
Instrumentenpaneel
54, 58
Bedieningsknoppen actieve chassisregeling (FOUR-C)
121
Menu-, audio- en telefoonfuncties
94, 109,
140
Wissers en -sproeiers
73, 74
Contactslot
81
Stuurwielafstelling
63
Knop START/STOP
59
Parkeerrem
89, 89
Alarmlichten
67
Ontgrendeling motorkap
172
Openingshandgreep portier
–
Stoelinstelling
60
Bedieningspaneel
75, 77, 31,
42
Bedieningsknoppen verlichting, ontgrendeling
tankvulklep en kofferdeksel
64, 155,
158
03
51
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
1
2
3
4
5
6
7
8
03
9
10
11
10
20
11
19
18
17
16
15
14
13
8505325s
12
Auto met stuur rechts
52
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
Functie
Pagina
Functie
Pagina
Alarmlichten
67
Bedieningspaneel
75, 77, 31,
42
Contactslot
59
Stoelinstelling
60
Knop START/STOP
81
Ontgrendeling motorkap
172
Cruisecontrol
122, 123
Parkeerrem
89, 89
Instrumentenpaneel
54, 58
Stuurwielafstelling
63
Claxon, airbag
63, 15
Menu- en meldingsfuncties, richtingaanwijzers, groot
licht/dimlicht, boordcomputer
97, 67, 65,
118
Menu-, audio- en telefoonfuncties
94, 109,
140
Bedieningsknoppen actieve chassisregeling (FOUR-C)
121
Wissers en -sproeiers
73, 74
Versnellingspook/keuzehendel
84
Bedieningsknoppen verlichting, ontgrendeling
tankvulklep en kofferdeksel
64, 155,
158
Klimaatregeling, ECC
102.
Openingshandgreep portier
–
Menufuncties, klimaatregeling en audiosysteem
94, 102,
112
03
53
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
Informatiedisplays
Meters
Controle-, informatie- en
waarschuwingslampjes
1
2
3
3
03
0
1
T2
1
123456
12.3
3603843s
1
3801154s
0
Informatiedisplays
Op de informatiedisplays
verschijnt informatie over bepaalde functies van de auto zoals de cruisecontrol, boordcomputer en meldingen. De informatie verschijnt in tekstvorm
en met symbolen.
Gedetailleerder informatie vindt u onder de
functies die gebruik maken van de informatiedisplays.
12:34
P
1
1
1
2
_3 C
o
2
Meters op het instrumentenpaneel
Snelheidsmeter
Controle- en waarschuwingslampjes
Controle- en informatielampjes
Brandstofmeter (zie ook Tanken op
pagina 155).
Toerenteller
De meter geeft het motortoerental in duizenden omwentelingen per minuut aan.
Controle- en waarschuwingslampjes1
Lampjes groot licht en richtingaanwijzers
Functietest
Alle controle- en waarschuwingslampjes gaan
branden, wanneer het contactslot in stand II
staat of wanneer u de motor start. Alle lampjes
moeten weer uitgaan als de motor is aangeslagen, behalve het lampje voor de parkeerrem. Dit gaat pas uit, als de auto van de parkeerrem wordt gehaald.
1 Bij
bepaalde motortypes is het lampje voor
een lage oliedruk niet in gebruik. Er verschijnt
in plaats daarvan een displaymelding (zie
pagina 173).
54
3603801s
0
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
Als de motor niet aanslaat of als de functietest
wordt uitgevoerd met het contactslot in
stand II, gaan na 5 seconden alle lampjes uit
behalve het lampje voor storingen in het uitlaatgasreinigingssysteem en dat voor een lage
oliedruk.
Controle- en informatielampjes
Lampje
Betekenis
Richtingaanwijzers
aanhanger
Storing in uitlaatgasreinigingssysteem
Storing in ABS
Mistachterlicht
Stabiliteitssysteem
Voorgloeifunctie motor
(diesel)
Laag peil in brandstoftank
Informatie, lees displaymelding
Groot licht aan
Richtingaanwijzers links
Richtingaanwijzers rechts
Richtingaanwijzers aanhanger
Het lampje knippert wanneer u de richtingaanwijzers gebruikt met een aanhanger
achter de auto. Als het lampje sneller dan normaal knippert, is een van de lampjes op de
auto of op de aanhanger defect.
Storing in uitlaatgasreinigingssysteem
Rijd de auto naar een erkende Volvo-werkplaats om het systeem te laten controleren.
Storing in ABS
Als het lampje brandt, is het systeem
defect. Het normale remsysteem van de auto
werkt dan nog wel, zij het zonder ABSregeling.
1. Breng de auto op een veilige plaats tot
stilstand en zet de motor af.
2. Start de motor opnieuw.
3. Als het lampje echter blijft branden, moet
u de auto naar een erkende Volvowerkplaats rijden om het ABS-systeem te
laten controleren.
Mistachterlicht
Dit lampje brandt wanneer u het mistachterlicht hebt ingeschakeld.
Stabiliteitssysteem
Het knipperende lampje geeft aan dat
het stabiliteitssysteem werkt. Als het lampje
continu brandt is er sprake van een storing in
het systeem.
Voorgloeifunctie motor (diesel)
Het lampje gaat branden wanneer de
motor wordt voorverwarmd. De voorverwarming start als de temperatuur lager wordt dan
–2 °C. De auto kan worden gestart als het
lampje gedoofd is.
03
Laag peil in brandstoftank
Wanneer dit lampje gaat branden zit er
bij benzinemodellen nog ongeveer acht liter
en bij dieselmodellen nog zeven liter brandstof
in de tank.
Informatie, lees displaymelding
Als er een afwijking is in een van de
systemen in de auto, gaat het informatielampje branden en verschijnt er een melding op het
display. U verwijdert de melding met behulp
van de knop READ (zie pagina 97). De melding verdwijnt automatisch na enige tijd (afhankelijk van de defecte functie). Het informatielampje kan ook gaan branden in combinatie
met andere lampjes.
N.B.
Wanneer de servicemelding verschijnt, kunt
u het lampje doven en de melding verwijderen met de knop READ. Ook als u niets
doet gebeurt dat enige tijd later automatisch.
55
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
Groot licht aan
Het lampje brandt, wanneer u het groot
licht voert of grootlichtsignalen geeft.
Richtingaanwijzers links
Richtingaanwijzers rechts
03
Beide richtingaanwijzerlampjes knipperen bij
gebruik van de alarmlichten.
Controle- en waarschuwingslampjes
Lampje
Betekenis
Lage oliedruk1
Parkeerrem aangezet
Airbags (SRS)
Gordelwaarschuwing
Dynamo laadt niet bij
Lage oliedruk
Als het lampje tijdens het rijden oplicht,
is de druk van de motorolie te laag. Zet de motor onmiddellijk af en controleer het motoroliepeil. Vul zo nodig olie bij. Als het lampje oplicht terwijl het oliepeil in orde is, moet u contact opnemen met een erkende Volvowerkplaats.
Parkeerrem aangezet
Het lampje brandt continu, wanneer u
de parkeerrem hebt aangezet. Bij auto’s met
een elektrische parkeerrem knippert het lampje tijdens het aanzetten en gaat daarna continu branden.
Een knipperend lampje houdt in dat er een
storing is opgetreden. Lees de melding op het
informatiedisplay.
N.B.
Het lampje gaat ook branden als de mechanische parkeerrem slechts een weinig is
aangezet.
Storing in remsysteem
Waarschuwing
1
56
Bij bepaalde motortypes is het lampje
voor een lage oliedruk niet in gebruik. Er
verschijnt in plaats daarvan een displaymelding (zie pagina 173 en 174).
Airbags (SRS)
Als het lampje tijdens het rijden oplicht
of blijft branden, is er een storing geregistreerd in de gordelsluiting of in het SRS-,
SIPS- of IC-systeem. Rijd de auto zo spoedig
mogelijk naar een erkende Volvo-werkplaats
om het systeem te laten controleren.
Gordelwaarschuwing
Het lampje brandt, als de bestuurder of
een van de passagiers voor- of achterin geen
veiligheidsgordel draagt.
Dynamo laadt niet bij
Het lampje gaat tijdens het rijden branden, als er sprake is van een storing in het
elektrisch systeem. Bezoek een erkende
Volvo-werkplaats.
Storing in remsysteem
Als het lampje oplicht, is het remvloeistofpeil mogelijk te laag. Breng de auto op een
veilige plaats tot stilstand en controleer het peil
in het remvloeistofreservoir (zie pagina 176).
Als de waarschuwingslampjes voor het remsysteem en ABS tegelijkertijd branden, kan er
een storing in de remkrachtverdeling zijn opgetreden.
1. Breng de auto op een veilige plaats tot
stilstand en zet de motor af.
2. Start de motor opnieuw.
• Rijd verder als beide lampjes uitgaan.
• Als de lampjes echter blijven branden, moet
u het peil in het remvloeistofreservoir controleren (zie pagina 176). Als de lampjes
blijven branden ondanks dat het peil van de
remvloeistof in orde is, moet u de auto
uiterst voorzichtig naar een erkende Volvowerkplaats rijden om het remsysteem te
laten controleren.
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
WAARSCHUWING
Als het peil lager is dan het MIN-streepje
van het remvloeistofreservoir moet u de
auto naar een erkende Volvo-werkplaats
slepen om het remsysteem te laten controleren.
WAARSCHUWING
Als de waarschuwingslampjes voor het
remsysteem en ABS tegelijkertijd branden,
bestaat het gevaar dat de achtertrein bij
krachtig remmen gaat slippen.
Waarschuwing
Het rode waarschuwingslampje gaat
branden, wanneer er een storing is geregistreerd die van invloed kan zijn op de veiligheid
en/of de rijeigenschappen van de auto. Er verschijnt tegelijkertijd een verklarende melding
op het informatiedisplay. Het waarschuwingslampje blijft branden totdat de storing is verholpen, maar de melding kunt u verwijderen
met de toets READ (zie pagina 97). Het waarschuwingslampje kan ook gaan branden in
combinatie met andere lampjes.
ding op het display u voorschrijft. Wis de
melding met de toets READ.
Waarschuwing, portieren niet gesloten
Als een van de portieren, de motorkap1 of het
kofferdeksel niet goed afgesloten is, gaat het
informatie- of waarschuwingslampje branden
en verschijnt er een verklarende melding op
het instrumentenpaneel. Breng de auto op een
veilige plaats tot stilstand en sluit het portier,
het kofferdeksel of de motorkap dat/die
open is.
03
Als de auto met een snelheid van maximaal 7 km/h rijdt, gaat het informatielampje branden.
Als de auto met een snelheid van maximaal 7 km/h rijdt, gaat het waarschuwingslampje branden.
Actie:
1. Stop op een veilige plek. Rijd niet verder
met de auto.
2. Lees de informatie op het informatiedisplay. Voer de handeling uit die de mel-
1 Alleen
auto’s met alarm
57
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
Dagteller
Klok
Knop voor dagtellers en klok
1
T2
0
12.3
1
12:34
P
T2
0
_3 C
o
123456
12.3
12:34
1
_3 C
o
58
3801156s
2
1
3801157s
2
Dagtellers en bijbehorende knop
Klok en instelknop
De dagtellers worden gebruikt om korte afstanden te meten. Door kort op
te drukken, kunt u van dagteller T1 en T2 wisselen.
Als u de knop lang indrukt (meer dan
2 seconden), stelt u de geactiveerde dagteller
op nul. De afgelegde afstand staat op het
display
.
Draai de knop
rechts- of linksom om de tijd
in te stellen. De ingestelde tijd verschijnt op
het informatiedisplay
.
Bij de weergave van een melding kan de
tijdsaanduiding korte tijd worden vervangen
door een symbool (zie pagina 97).
G016141
03
Positie van de knop
03 Bestuurdersmilieu
Contactslotstanden
Functies
N.B.
Het is alleen mogelijk het contactslot in
stand I of II te zetten, wanneer u het rem- of
koppelingspedaal niet bedient.
Contactslotstand 0 hervatten
Druk op de knop START/STOP om vanuit
stand I, II of III terug te gaan naar
contactslotstand 0.
N.B.
N.B.
3905610s
Vreemde voorwerpen in het contactslot
kunnen tot functiestoringen leiden of schade aan het slot toebrengen.
Contactslot met transpondersleutel, knop
START/STOP
Contactslotstand 0
Steek de transpondersleutel in het contactslot.
Sleep de auto met het contactslot in
stand II, zodat u de verlichting kunt inschakelen.
Stand
Functie
0
Kilometerteller, klok en temperatuurmeter worden verlicht. Het
stuurslot is opgeheven. Het audiosysteem is te gebruiken.
I
Schuifdak, elektrisch bedienbare
zijruiten, telefoon, interieurventilator, ECC en ruitenwissers zijn te
gebruiken.
II
De koplampen worden ontstoken.
Waarschuwings-/controlelampjes
branden 5 seconden lang. Alle
uitrusting werkt, behalve de
elektrische verwarming van de
stoel en die van de achterruit die
pas werken wanneer de motor
loopt.
Contactslotstand I
Transpondersleutel aanbrengen en
verwijderen
U brengt de transpondersleutel in het contactslot aan. Bij licht indrukken van de transpondersleutel wordt deze verder naar binnen getrokken.
Verwijder de transpondersleutel door er lichte
druk op uit te oefenen. De sleutel komt dan
naar buiten, waarna u deze kunt uitnemen.
Een automatische versnellingsbak* moet
daarbij in stand P staan.
Zie pagina 109 voor informatie over de functie
van het audiosysteem bij een uitgenomen
transpondersleutel.
Duw de transpondersleutel in het contactslot
en druk op de knop START/STOP.
Contactslotstand II
Duw de transpondersleutel in het contactslot
en druk ca. 2 seconden op de knop START/
STOP.
Motor starten III
Zie pagina 81 voor het starten van de motor.
03
Motor afzetten
Druk op de knop START/ STOP. (Als de motor loopt en auto rolt, moet u de knop ingedrukt houden totdat de motor afslaat.)
59
03 Bestuurdersmilieu
Stoelen en achterbank
Voorstoelen
Elektrisch bedienbare stoel*
WAARSCHUWING
Stel de stand van de bestuurdersstoel in
voordat u gaat rijden. Doe dit nooit tijdens
het rijden. Controleer of de stoel in zijn
stand vergrendeld staat.
03
3
5
6
1
Voorkant zitting hoger/lager zetten,
omhoog-/omlaagpompen.
Hellingshoek rugleuning wijzigen, aan de
knop draaien.
Stoel hoger/lager zetten, omhoog-/
omlaagpompen.
Bedieningspaneel voor elektrisch bedienbare stoel*.
1 Geldt
stoel.
60
ook voor een elektrisch bedienbare
Stoel vooruit/achteruit en omhoog/omlaag
3
Hellingshoek rugleuning
8505326s
Vooruit/achteruit, de hendel omhoogtillen
om de juiste afstand tot het stuurwiel en
de pedalen in te stellen. Controleer of de
stoel na het afstellen in de nieuwe stand
geblokkeerd staat.
3
1
3
Voorkant zitting omhoog/omlaag
2
Lendensteun wijzigen, aan de knop
draaien1.
2
3603820s
2
Rugleuning voorstoel omklappen
4
8505315s
1
De rugleuning van de passagiersstoel kan
worden omgeklapt om ruimte te maken voor
lange lading.
Zet de stoel zo ver mogelijk naar achteren
en omlaag.
Zet de rugleuning rechtop.
Trek de pallen aan de achterzijde van de
rugleuning omhoog tijdens het omklappen.
Duw de stoel zo ver naar voren dat de hoofdsteun onder het dashboardkastje “vast” komt
te zitten.
De elektrisch bedienbare stoelen zijn voorzien
van een beveiliging tegen overbelasting, die
geactiveerd wordt als een van de stoelen door
een obstakel wordt geblokkeerd. Als dit het
geval is, moet u het contact uitschakelen en
enige tijd wachten voordat u de stoel opnieuw
probeert te verstellen.
Er kan maar een elektromotor tegelijk gebruikt
worden.
03 Bestuurdersmilieu
Stoelen en achterbank
Voorbereidingen
Tot enige tijd nadat u het portier met de transpondersleutel hebt ontgrendeld blijft het mogelijk de stoel te verstellen, ook al steekt er
geen sleutel in het contactslot. U stelt de stoel
normaal gesproken in, als het contact is ingeschakeld. Wanneer de motor loopt, is dat altijd
mogelijk.
tot stilstand komen. Bij het loslaten van de
knop zal de instelling van de stoel onmiddellijk
worden beëindigd.
Geheugen* van transpondersleutel
De stand van de bestuurdersstoel en de buitenspiegels wordt vastgelegd, wanneer u de
auto met de transpondersleutel vergrendelt.
Stoel met geheugenfunctie*
2
3
U kunt het sleutelgeheugen activeren/deactiveren onder Autosleutelgeheugen
Pos.
stoelen en spiegels. Zie pagina 94 voor een
beschrijving van het menusysteem.
03
N.B.
4
Het geheugen van de twee transpondersleutels en dat van de stoel werken volledig
onafhankelijk van elkaar.
8505312s
G014387
1
U kunt de standen in het sleutelgeheugen ook
activeren door (terwijl het bestuurdersportier
openstaat) de ontgrendelingsknop op de
transpondersleutel te bedienen.
Instelling vastleggen
1. Stel de stoel en de buitenspiegels in.
2. Houd de knop
ingedrukt en druk ondertussen op knop
,
of
.
Stoel in vastgelegde stand zetten
Druk op een van de geheugenknoppen
– , totdat de stoel en de buitenspiegels
Een volgende keer dat de auto met dezelfde
transpondersleutel wordt ontgrendeld, nemen
de bestuurdersstoel en de buitenspiegels de in
het sleutelgeheugen vastgelegde standen in.
N.B.
De bestuurdersstoel en de buitenspiegels
worden niet verzet, als ze al in de opgeslagen stand staan.
61
03 Bestuurdersmilieu
Stoelen en achterbank
03
Noodstop
Achterbank
Als de stoel per ongeluk in beweging komt,
kunt u op een van de knoppen drukken om de
stoel tot stilstand te brengen.
Ruggedeelte achterbank omklappen
Om de stoel dan opnieuw in de in het sleutelgeheugen vastgelegde stand te zetten dient u
de ontgrendelingsknop op de transpondersleutel te bedienen. Het bestuurdersportier
dient daarbij open te staan.
Buitenste hoofdsteunen achterbank*
omklappen
Zie pagina 159 voor informatie.
Middelste hoofdsteun achterbank
Elektrische verwarming/ventilatie stoel*
Zie pagina 102.
62
8505332s
3801190s
WAARSCHUWING
Beknellingsgevaar! Laat kinderen niet met
de schakelaars spelen. Zorg dat er geen
voorwerpen voor, achter of onder de stoel
liggen tijdens het verstellen. Zorg er tevens
voor dat geen van de passagiers op de achterbank bekneld kan raken.
Stem de hoofdsteun in de hoogte af op de
lengte van de passagier. Zorg dat de bovenkant van de hoofdsteun halverwege de achterkant van het hoofd komt te zitten. Trek de
hoofdsteun zo ver omhoog als nodig is. Als u
de hoofdsteun lager wilt zetten, moet u de pal
achter de linker poot indrukken terwijl u de
hoofdsteun omlaagduwt.
1. Het contact moet in stand I of II staan.
2. Druk op de knop om de beide buitenste
hoofdsteunen op de achterbank om te
klappen en het zicht naar achteren te
verbeteren.
Klap de hoofdsteunen niet om, als er iemand
op een van beide buitenste zitplaatsen van de
achterbank zit. U moet de hoofdsteunen na
afloop handmatig rechtop zetten.
N.B.
De hoofdsteunen moeten na het rechtop
zetten vergrendeld staan.
03 Bestuurdersmilieu
Stuurwiel
Instellen
Toetsensets
Claxon
1
2
03
Stuurwiel afstellen
U kunt het stuurwiel zowel in de hoogte als in
de diepte verstellen.
1. Trek de hendel
naar u toe om het stuur
vrij te geven.
2. Zet het stuurwiel vervolgens in de gewenste stand
.
Toetsensets op stuurwiel
Cruisecontrol (zie pagina 122)
Adaptieve cruisecontrol (zie pagina 125)
3603793s
6401073s
2
3603792s
1
Claxon
Druk op het midden van het stuurwiel om te
claxonneren.
Bedieningstoetsen audio- en telefoonsysteem (zie pagina 109)
3. Duw de hendel
vervolgens terug om
het stuurwiel in de nieuwe stand te blokkeren. Als dit moeite kost, kunt u lichtjes
op het stuurwiel drukken en tegelijkertijd
de hendel terugduwen.
WAARSCHUWING
Stel het stuurwiel af voordat u gaat rijden en
controleer of het in de gekozen stand vergrendeld staat.
Bij auto’s met snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging* is de kracht die nodig is om het
stuur te verdraaien in te stellen (zie pagina 121).
63
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
Bedieningspaneel verlichting
Ook de sterkte waarmee het instrumentenpaneel verlicht wordt stelt u in met het duimwiel.
Koplamphoogteregeling
Door de belading van de auto wordt de hoogte van de koplampen gewijzigd, zodat u tegemoetkomend verkeer mogelijk verblindt. U
kunt dat voorkomen door de koplamphoogte
bij te stellen. Stel de koplampen lager af als de
auto zwaar beladen is.
1
2
3
4
5
3501881s
03
Overzicht bedieningspaneel verlichting
Duimwiel voor het afstellen van de verlichting van het display en het instrumentenpaneel
Mistachterlicht
Mistlampen vóór*
Bedieningspaneel verlichting
Koplamphoogteregeling
Instrumentenverlichting
Afhankelijk van de stand van het contactslot
worden bepaalde displays en instrumenten
verlicht.
De displayverlichting wordt bij donker automatisch gedimd. De gevoeligheidsgraad van
deze functie is in te stellen met het
duimwiel
.
64
1. Zorg dat de motor loopt of zet het contactslot in stand I.
2. Draai het duimwiel
omhoog of omlaag
om de koplampen hoger of lager af te
stellen.
Auto’s met Bi-Xenonkoplampen en Active
Bi-Xenonkoplampen* zijn uitgerust met automatische koplamphoogteregeling, zodat het
duimwiel ontbreekt.
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
Groot licht/dimlicht
Dimlicht
Active Bi-Xenon Lights*
Als de verlichtingsdraaiknop in stand
staat, gaat bij het starten van de motor het
dimlicht automatisch* branden. U kunt het automatische dimlicht zo nodig in een erkende
Volvo-werkplaats buiten werking laten stellen.
03
1
2
Verlichtingsdraaiknop en stuurhendel
Stand
Betekenis
Automatisch*/uitgeschakeld dimlicht. Alleen
grootlichtsignalen.
Stadslichten vóór en achterlichten
Automatisch dimlicht. In
deze stand werken het groot
licht en de grootlichtsignalen.
N.B.
Het groot licht is alleen te activeren in
.
stand
3501889s
3501888s
In stand
is het dimlicht altijd automatisch ingeschakeld wanneer de motor loopt of
het contact in stand II staat.
Groot licht
Het groot licht is alleen te ontsteken met de
verlichtingsdraaiknop in stand
. Schakel
het groot licht in of uit door de stuurhendel tot
in de eindstand
naar het stuurwiel te halen en vervolgens los te laten.
Wanneer het groot licht ontstoken is, brandt
het lampje
op het instrumentenpaneel.
Grootlichtsignalen
Lichtbundel bij gedeactiveerde (links) en geactiveerde (rechts) functie
Als de auto is uitgerust met actieve koplampen (Active Bi-Xenon Lights, ABL) draaien de
lichtbundels van de koplampen mee om optimale verlichting te verkrijgen in bochten en op
kruisingen om op die manier de veiligheid te
verhogen.
Duw de stuurhendel naar het stuurwiel toe in
De functie wordt automatisch ingeschakeld bij
het starten van de motor. De functie is daarna
stand
. Het groot licht blijft vervolgens
branden, totdat u de hendel weer loslaat.
te deactiveren/activeren met de knop
op de middenconsole.
De functie is uitsluitend actief bij schemer of
donker en dan alleen als de auto rijdt.
65
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
Stadslichten/parkeerlichten vóór en
achterlichten
Remlichten
Mistlampen vóór*
De remlichten gaan automatisch branden
wanneer u remt.
Noodremlichten en automatische
alarmlichten, EBL
03
Verlichtingsdraaiknop in stand voor stads-/parkeerlichten vóór en achterlichten
Draai de verlichtingsdraaiknop naar de middelste stand (ook de kentekenplaatverlichting
gaat branden).
Om het achteropkomend verkeer te waarschuwen wordt de verlichting ook bij het openen van het kofferdeksel automatisch ingeschakeld.
Het systeem wordt geactiveerd als het ABS
meer dan 0,5 seconden achtereen actief is of
bij krachtig afremmen, maar alleen bij snelheden hoger dan 50 km/h. Wanneer de snelheid
van de auto tot onder de 30 km/h is gedaald,
branden de remlichten weer op de normale
manier en worden de alarmlichten automatisch
ingeschakeld. De alarmlichten blijven knipperen totdat u weer wegrijdt, maar zijn uit te
schakelen met de knop voor de alarmlichten.
3501900s
3603815s
Bij krachtig remmen of ABS-regeling worden
de noodremlichten (EBL) geactiveerd. Dit
houdt in dat de remlichten knipperen om het
achteropkomend verkeer onmiddellijk te
waarschuwen.
Knop voor mistlampen voorzijde
De mistlampen aan de voorzijde zijn in te
schakelen in combinatie met het groot licht/
dimlicht of de stadslichten/parkeerlichten vóór
en de achterlichten.
Druk op de toets voor in- en uitschakeling. Het
lampje in de knop brandt, wanneer de mistlampen aan de voorzijde branden.
N.B.
De regels voor het gebruik van de mistlampen vóór verschillen van land tot land.
66
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
Mistachterlicht
Alarmlichten
Richtingaanwijzers/knipperlichten
2
1
03
3603798s
3501909s
3501901s
1
2
Knop voor mistachterlicht
Alarmlichten
Richtingaanwijzers/knipperlichten
Het mistachterlicht dat uit een lamp aan de
achterzijde van de auto bestaat, is alleen in te
schakelen wanneer u het groot licht/dimlicht
voert al dan niet gecombineerd met de mistlampen aan de voorzijde.
Druk op de knop om de alarmlichten te activeren. Beide richtingaanwijzerlampjes op het instrumentenpaneel knipperen bij gebruik van
de alarmlichten.
Onafgebroken serie knippersignalen
Druk op de toets voor in- en uitschakeling. Het
lampje in de knop brandt, wanneer het mistachterlicht brandt.
Het controlelampje voor het mistachterlicht
op het instrumentenpaneel en het
lampje in de knop branden, wanneer het mistachterlicht is ingeschakeld.
N.B.
De regels voor het gebruik van het mistachterlicht verschillen van land tot land.
Als de auto dermate hard wordt afgeremd dat
de noodremlichten (EBL) in werking treden,
worden zodra de snelheid van de auto tot onder de 30 km/h is gedaald automatisch de
alarmlichten ingeschakeld. Ook nadat de auto
tot stilstand is gekomen blijven de alarmlichten knipperen. Wanneer u weer wegrijdt worden ze automatisch uitgeschakeld. U kunt ook
op de knop voor de alarmlichten drukken.
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag naar
stand
.
De hendel blijft in deze stand staan en kan
handmatig in de uitgangspositie teruggezet
worden of veert automatisch terug bij het terugdraaien van het stuurwiel.
Korte serie knippersignalen
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag naar
stand
en laat de hendel vervolgens los. De
richtingaanwijzers lichten driemaal op.
Richtingaanwijzerlampjes
Zie pagina 54.
67
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
Verlichting in interieur
• Neutrale stand – automatische verlichting
geactiveerd.
• Aan – linkerkant ingedrukt, interieurverlichting brandt.
Plafondverlichting voorin
Plafondverlichting achterin
Automatische interieurverlichting
03
1
2
De interieurverlichting wordt automatisch in-
3
en uitgeschakeld wanneer de knop
neutrale stand staat.
in de
3501882s
Knoppen voor leeslampjes en plafondverlichting
voorin
Leeslampje linkerzijde, aan/uit
Leeslampje rechterzijde, aan/uit
Interieurverlichting
De leeslampjes voorin kunnen worden bediend met de knoppen
fondconsole.
en
op de pla-
Met de knop
kunt u drie verlichtingsstanden selecteren voor algemene verlichting in
het interieur:
• Uit – rechterkant ingedrukt, automatische
interieurverlichting gedeactiveerd.
68
• u de auto vanaf de buitenzijde met de
sleutel of afstandsbediening ontgrendelt;
• u de motor hebt afgezet en het contactslot
in stand 0 staat.
De verlichting dooft, wanneer:
• u de motor start;
• u de auto van de buitenzijde vergrendelt.
De verlichting gaat aan en blijft twee minuten
lang branden, als een van de portieren openstaat.
De interieurverlichting kan binnen 30 minuten
nadat u de auto hebt ontgrendeld handmatig
in- of uitgeschakeld worden.
Als u de verlichting handmatig inschakelt en
de auto daarna vergrendelt, zal de verlichting
één minuut later automatisch worden uitgeschakeld.
3501886s
De verlichting wordt ingeschakeld en blijft
30 seconden lang branden, als:
Plafondverlichting achterin
U kunt de lampjes in- en uitschakelen met een
druk op de bijbehorende knop.
Instapverlichting/Verlichting
voetruimte*
Bij het openen/sluiten van een van de voorportieren wordt de instapverlichting/verlichting van de voetruimte aan dezelfde kant automatisch ingeschakeld/uitgeschakeld.
Verlichting dashboardkastje
De verlichting van het dashboardkastje wordt
automatisch ingeschakeld/uitgeschakeld bij
het openen/sluiten van de klep.
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
U activeert de Approach-verlichting met de
transpondersleutel (zie pagina 35) om de verlichting van de auto op afstand in te schakelen.
1. Neem de transpondersleutel uit het contactslot.
2. Haal de stuurhendel tot in de eindstand
naar het stuurwiel toe en laat de hendel
los.
Wanneer de functie via de afstandsbediening
wordt geactiveerd, gaan de parkeerlichten, de
richtingaanwijzers, de verlichting van de buitenspiegels, de kentekenplaatverlichting, de
plafondlampjes in het interieur en de verlichting van de voetruimte branden.
3. Stap uit de auto en vergrendel het portier.
De inschakelduur van de Follow-Me-Homeverlichting is in te stellen onder Instellingen
van de auto
Lichtinstellingen
Duur
opritverlichting. Zie pagina 94 voor een beschrijving van het menusysteem.
De inschakelduur van de Approach-verlichting
is in te stellen onder Instellingen van de
auto
Lichtinstellingen
Duur naderingslicht. Zie pagina 94 voor een beschrijving van het menusysteem.
Lichtbundel aanpassen
03
3501890s
Approach-verlichting
Het is mogelijk om een deel van de buitenverlichting enige tijd ingeschakeld te houden en
als Follow-Me-Home-verlichting dienst te laten doen na vergrendeling van de auto.
Lichtbundel linksrijdend verkeer
3501891s
Follow-Me-Home-verlichting
Lichtbundel rechtsrijdend verkeer
Om verblinding van tegenliggers te voorkomen dient u de lichtbundel van de koplampen
aan te passen voor links- en rechtsrijdend ver-
69
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
Het land waarin de auto werd afgeleverd bepaalt of stand
de juiste is voor links- of
rechtsrijdend verkeer.
keer. Bij de juiste lichtbundel wordt ook de
berm beter verlicht.
Bi-Xenon- en Active
Bi-Xenonkoplampen*
03
Voorbeeld 1:
Om met een in Zweden geleverde auto in Engeland te kunnen rijden dient de lichtbundel
van de koplampen te worden ingesteld op de
aangepaste stand
.
A
Voorbeeld 2
Een in Engeland geleverde auto is bestemd
voor linksrijdend verkeer en daarom kunt u de
lichtbundel van de koplampen in de normale
stand
laten staan.
3501895s
B
Hendel voor aanpassing lichtbundel
Normale stand – de juiste lichtbundel voor
het land waarin de auto werd afgeleverd.
Aangepaste stand – stand voor de tegenovergestelde lichtbundel.
WAARSCHUWING
Omdat de xenonkoplampen voorzien zijn
van een ontstekingsgedeelte dat een hoge
spanning opwekt, moet u er voorzichtig
mee omgaan.
70
Halogeenkoplampen
Bij halogeenkoplampen past u de lichtbundel
aan door bepaalde delen van het koplampglas
af te plakken. De sterkte van de lichtbundel
neemt daardoor iets af.
Koplampen afplakken
1. Trek de mallen A en B over voor een auto
met het stuur links of de mallen C en D voor
een auto met het stuur rechts in een schaal
van 1:2 (zie pagina 72 voor de mallen).
Gebruik bijvoorbeeld een kopieerapparaat
met vergrotingsfunctie.
2. Breng de mallen over op een stuk zelfklevend en watervast materiaal en knip ze
uit. Breng ook de rode stippen aan.
3. Breng de zelfklevende mallen dusdanig
aan dat de rode stippen op de mallen
overeenkomen met de stippen op de
koplampglazen die als referentiepunten
dienen (zie pagina 71).
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
Halogeenkoplampen afplakken
03
Afgeplakte gebieden bij auto met stuur links
Afgeplakte gebieden bij auto met stuur rechts
71
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
Afplakmallen halogeenkoplampen
03
A
B
LHD RIGHT
LHD LEFT
D
RHD LEFT
C
0300430s
RHD RIGHT
72
03 Bestuurdersmilieu
Wissers en -sproeiers
Ruitenwissers
De wissers bewegen op normale
snelheid.
Activeer de regensensor door op de
knop
te drukken. De ruitenwissers maken een slag.
De wissers bewegen op hoge snelheid.
Als u de hendel omhooghaalt, maken de ruitenwissers een extra slag.
Ononderbroken wissen
0
BELANGRIJK
2
3603799s
1
Spuit een ruime hoeveelheid ruitensproeiervloeistof op de voorruit, wanneer de ruitenwissers werken. De voorruit moet nat zijn bij
gebruik van de ruitenwissers.
Ruitenwissers en -sproeiers
Regensensor aan/uit
Regensensor*
Duimwiel gevoeligheid regensensor/
snelheid ruitenwissers
De regensensor registreert de hoeveelheid regen op de voorruit en schakelt automatisch de
ruitenwissers op de voorruit in. De gevoeligheid van de regensensor is in te stellen met
het duimwiel.
Ruitenwissers uitgeschakeld
0
Haal de hendel naar stand 0 om de
ruitenwissers uit te schakelen.
Enkele slag
Haal de hendel omhoog en laat
deze los om de wissers een enkele
slag te laten maken.
Intervalstand
Met het duimwiel kunt u het aantal
wisslagen per eenheid van tijd instellen wanneer u de intervalstand hebt
geselecteerd.
Wanneer de regensensor actief is, brandt het
lampje in de bijbehorende knop en verschijnt
het regensensorsymbool
op het rechter
display van het instrumentenpaneel.
Activeren en gevoeligheid instellen
Om de regensensor te activeren dient de motor te lopen of het contactslot in stand I of II te
staan en de ruitenwisserhendel in stand 0.
Draai het duimwiel omhoog voor een grotere
gevoeligheid en omlaag voor een lagere gevoeligheid (de wissers maken een extra slag,
als u het duimwiel omhoog draait).
03
Deactiveren
Schakel de regensensor uit met een druk op
de knop
of haal de hendel omlaag naar
een ander wisprogramma.
De regensensor wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u de sleutel uit het contactslot
neemt of vijf minuten nadat u de auto van het
contact hebt gezet.
BELANGRIJK
De ruitenwissers op de voorruit kunnen in
een automatische wasstraat spontaan inschakelen en daarbij beschadigd raken.
Schakel de regensensor uit terwijl de motor
loopt of als het contactslot in stand I of II
staat. Het lampje op het instrumentenpaneel dooft.
73
03 Bestuurdersmilieu
Wissers en -sproeiers
Koplampsproeiers en
ruitensproeiers
Verwarmde sproeikoppen*
De sproeikoppen worden bij vorst automatisch verwarmd om te voorkomen dat de ruitensproeiervloeistof bevriest.
Hogedruksproeiers koplampen*
De hogedruksproeiers van de koplampen verbruiken een grote hoeveelheid sproeiervloeistof. Om vloeistof te besparen worden iedere
vijfde sproeibeurt van de voorruit automatisch
ook de koplampen gesproeid.
1
3603805s
03
Sproeierfunctie
Bediening
U activeert de sproeiers van de voorruit en de
koplampen door de hendel naar het stuurwiel
toe
te trekken.
Wanneer u de hendel loslaat, maken de wissers nog enkele slagen. De koplampen worden om de beurt gesproeid om te voorkomen
dat de sterkte van de verlichting afneemt.
N.B.
De koplampen worden om de beurt gesproeid.
74
03 Bestuurdersmilieu
Ruiten en spiegels
Algemene informatie
Gelaagd glas
Het glas is verstevigd voor een verbeterde inbraakbeveiliging en geluidsisolatie van het interieur. De
voorruit en de zijruiten* zijn gemaakt
van gelaagd glas.
Elektrisch bedienbare ruiten
1
2
WAARSCHUWING
Als er kinderen in de auto zitten:
Let er bij het verlaten van de auto op dat u
de stroomtoevoer naar de elektrisch bedienbare zijruiten verbreekt door de transpondersleutel uit te nemen.
3
03
De voorste zijruiten en/of de buitenspiegels zijn voorzien van een speciale laag die bij hevige regenval voor een beter
zicht zorgen. Zie pagina 210 voor het onderhoud.
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
In bepaalde weersomstandigheden heeft de
vuilafstotende laag meer effect in combinatie
met de elektrische verwarming van de buitenspiegels.
Verwarm de buitenspiegels:
• als er sneeuw of ijs op de spiegels zit
• bij hevige regenval of vieze wegen
• bij beslagen spiegels
BELANGRIJK
Gebruik geen ijskrabber van metaal om de ruiten van ijs te ontdoen. Er kan daarbij schade
aan de water- en vuilafstotende laag ontstaan. Gebruik de elektrische verwarming om
de buitenspiegels van ijs te ontdoen. Een ijskrabber kan krassen in het spiegelglas maken!
3603790s
Water- en vuilafstotende laag*
Bedieningspaneel op bestuurdersportier
Elektrisch kinderslot op achterportieren*
en achterste zijruiten (zie pagina 31)
Bedieningsknoppen achterste zijruiten
Bedieningsknoppen voorste zijruiten
WAARSCHUWING
Zorg ervoor dat achterpassagiers niet met
hun handen bekneld raken, wanneer u de
zijruiten vanaf het bestuurdersportier sluit.
WAARSCHUWING
Zorg er bij het sluiten van de zijruiten voor
dat kinderen of andere inzittenden niet met
hun handen bekneld raken. Dit geldt ook als
u gebruik maakt van de transpondersleutel.
75
03 Bestuurdersmilieu
Ruiten en spiegels
Bediening
03
2
1
3603813s
1
2
Bedieningsknoppen elektrisch bedienbare
zijruiten
Handmatige bediening
Automatische bediening
Vanaf het bedieningspaneel op het bestuurdersportier kunt u alle ruiten tegelijk bedienen.
Vanaf het bedieningspaneel op een van de
overige portieren kunt u alleen de zijruit in dat
portier bedienen. De zijruiten zijn alleen te bedienen vanaf één bedieningspaneel tegelijk.
Om de elektrisch bedienbare ruiten te kunnen
gebruiken moet de auto in contactslotstand I
of II staan. Ook als u na het afzetten van de
motor de transpondersleutel hebt verwijderd,
hebt u nog enkele minuten lang de tijd om de
ruiten te bedienen. Na het openen van een
portier is dat echter niet meer mogelijk.
76
De ruiten komen tot stilstand en worden geopend, als ze tijdens het sluiten in hun beweging worden gehinderd. Wanneer de zijruiten
door ijsvorming bijvoorbeeld tweemaal achtereen niet konden worden gesloten, is het
mogelijk de beveiliging tegen overbelasting tijdelijk op te heffen. U doet dat door de bedieningsknop voor de bewuste zijruit omhoog te
trekken en in deze stand vast te houden, totdat de zijruit dicht is. De beveiliging tegen
overbelasting wordt enige tijd later opnieuw
geactiveerd.
Handmatige bediening
Trek voorzichtig een van de bedieningsknoppen omhoog of duw er een omlaag. De elektrisch bedienbare zijruiten komen steeds verder omhoog of omlaag zolang u de bedieningsknop bedient.
Automatische bediening
Trek een van de bedieningsknoppen omhoog
of duw er een omlaag en laat deze vervolgens
los. De bijbehorende zijruit gaat automatisch
volledig open of dicht.
Afstandbediening en knoppen centrale
vergrendeling
Met de afstandsbediening of de knoppen voor
de centrale vergrendeling kunt u alle zijruiten
automatisch openen en sluiten:
Houd de vergrendelingsknop ingedrukt totdat
de zijruiten worden geopend of gesloten. Druk
nogmaals op de vergrendelingsknop om het
openen/sluiten te onderbreken.
Resetten
Als de accu losgekoppeld is geweest, werkt
de automatische openingsfunctie pas weer
naar behoren wanneer u deze hebt gereset.
1. Trek de knop aan de voorkant omhoog om
de ruit helemaal te sluiten en houd de knop
een seconde in deze stand vast.
2. Laat de knop korte tijd los.
3. Trek de voorkant van de knop opnieuw
een seconde omhoog.
WAARSCHUWING
De beveiliging tegen overbelasting werkt alleen als de automatische openingsfunctie
voor zijruiten gereset is.
03 Bestuurdersmilieu
Ruiten en spiegels
Buitenspiegels
Elektrisch inklapbare buitenspiegels*
3905556s
U kunt de buitenspiegels inklappen bij het parkeren en als u op smalle wegen rijdt.
Bedieningsknoppen buitenspiegels
Instellen
1. Druk op knop L voor de buitenspiegel links
of op R voor de buitenspiegel rechts. Het
lampje in de knop brandt.
2. U kunt de stand afstellen met het hendeltje in het midden.
3. Druk opnieuw op knop L of R. Het lampje
mag niet langer branden.
WAARSCHUWING
De spiegels zijn groothoekig voor optimaal
zicht. Voorwerpen kunnen verder weg lijken
dan ze in werkelijkheid zijn.
1. Druk tegelijkertijd op de knoppen L en R.
2. Laat ze na ongeveer een seconde los. De
spiegels stoppen automatisch, als ze volledig zijn ingeklapt.
Klap de spiegels weer uit door tegelijkertijd op
de knoppen L en R te drukken. De spiegels
stoppen automatisch, als ze volledig zijn uitgeklapt.
Stand vastleggen*
De stand van de buitenspiegels en de bestuurdersstoel worden vastgelegd, wanneer u
de auto met de transpondersleutel vergrendelt. Een volgende keer dat de auto met dezelfde transpondersleutel wordt ontgrendeld
en het bestuurdersportier wordt geopend, nemen de buitenspiegels en de bestuurdersstoel
de vastgelegde standen in.
U kunt deze functie activeren/deactiveren onder Autosleutelgeheugen
Pos. stoelen
en spiegels. Zie pagina 94 voor een beschrijving van het menusysteem.
Buitenspiegel kantelen bij parkeren*
De buitenspiegels kunnen omlaaggekanteld
worden, zodat de bestuurder bijvoorbeeld tijdens het parkeren de kant van de weg te kan
zien. Schakel de achteruitversnelling in en
druk op de knop L of R. De gekantelde buiten-
spiegel neemt de oorspronkelijk stand weer in
bij het inschakelen van een andere versnelling.
Automatische inklapfunctie bij
vergrendelen
Wanneer u de auto vanaf de transpondersleutel vergrendelt/ontgrendelt worden de buitenspiegels automatisch in- of uitgeklapt.
03
U kunt deze functie activeren/deactiveren onder Instellingen van de auto
Spiegels in
bij vegrend. Zie pagina 94 voor een beschrijving van het menusysteem.
In neutrale stand terugzetten
Spiegels die uit positie zijn geraakt door invloeden van buitenaf, moeten met behulp van
de bedieningsknoppen in de neutrale stand
worden teruggezet zodat het elektrisch in- en
uitklappen weer werkt.
• Klap de spiegels in met de knoppen L en R.
• Klap de spiegels weer uit met de knoppen
L en R.
De spiegels staan daarmee weer in de neutrale stand.
Approach-verlichting en
Follow-Me-Home-verlichting
De lampjes op de buitenspiegels gaan branden, als u de Approach-verlichting of de
Follow-Me-Home-verlichting selecteert (zie
pagina 69).
77
03 Bestuurdersmilieu
Ruiten en spiegels
Elektrische achterruit- en
buitenspiegelverwarming
Achteruitkijkspiegel
03
3801191s
8803553s
1
Gebruik de elektrische verwarming om de
achterruit en de buitenspiegels te ontwasemen en te ontdooien.
Met één druk op de knop schakelt u de gelijktijdige verwarming van de achterruit en de buitenspiegels in. Het brandende lampje in de
knop geeft aan dat de functie actief is. De verwarming wordt afhankelijk van de buitentemperatuur na een bepaalde tijd automatisch uitgeschakeld.
De achterruit wordt automatisch ontwasemd/
ontdooid als u de auto start bij een buitentemperatuur lager dan +7 °C.
U kunt voor automatische ontwaseming kiezen onder Klimaatinstellingen
Aut.
defroster achterr.. Kies vervolgens uit Aan of
Uit.
78
Handmatige dimfunctie
Fel licht van achteren kan hinderlijke reflecties
in de achteruitkijkspiegel veroorzaken en u
verblinden. Zet de spiegel in de autodimstand,
wanneer u de verlichting van het achteropkomend verkeer als hinderlijk ervaart.
Dimfunctie
Hendeltje voor dimfunctie
Normale stand
Dimstand
Autodimfunctie*
Als het licht dat van achteren in de spiegel valt
te fel is, wordt de achteruitkijkspiegel automatisch gedimd. Het hendeltje
is niet aanwezig op spiegels met autodimfunctie.
03 Bestuurdersmilieu
Elektrisch bedienbaar schuifdak*
Algemene informatie
De bedieningsknoppen voor het schuifdak zitten aan het plafond. U kunt het schuifdak verticaal openkantelen en horizontaal openschuiven. Het schuifdak is alleen te openen in
contactslotstand I of II staat.
Horizontaal openschuiven
het schuifdak zo ver mogelijk open te
schuiven.
U kunt het schuifdak handmatig openen door
de bedieningsknop achteruit naar het
weerstandspunt
te trekken. Het schuifdak
schuift steeds verder open zolang u de knop
in deze stand vasthoudt.
Sluiten
U kunt het schuifdak handmatig sluiten door
de bedieningsknop vooruit naar het
Wanneer u de transpondersleutel uit het contactslot neemt, wordt de spanning van het
schuifdak verbroken.
WAARSCHUWING
Als er kinderen in de auto zitten:
Let er bij het verlaten van de auto op dat u
de stroomtoevoer naar het schuifdak verbreekt door de transpondersleutel uit te
nemen.
03
weerstandspunt
te duwen. Het schuifdak
schuift steeds verder dicht zolang u de knop in
deze stand vasthoudt.
WAARSCHUWING
1
2
8302558s
3
4
Horizontaal openschuiven, achteruit/vooruit
De beveiliging tegen overbelasting van het
schuifdak werkt alleen bij automatisch sluiten, niet bij handmatig sluiten. Zorg dat niemand met de handen bekneld raakt bij het
sluiten van het schuifdak.
Openen, automatisch
Openen, handmatig
Sluiten, handmatig
Sluiten, automatisch
Het schuifdak gaat automatisch dicht, wanneer u de knop in stand
gens loslaat.
duwt en vervol-
Openen
Trek de bedieningsknop naar achteren stand
in stand
en laat de knop vervolgens los om
79
03 Bestuurdersmilieu
Elektrisch bedienbaar schuifdak*
Verticaal openkantelen
Sluiten met transpondersleutel of knop
voor centrale vergrendeling
en schuif het scherm naar voren om het te
sluiten.
Beveiliging tegen overbelasting
Het schuifdak is voorzien van een beveiliging
tegen overbelasting die wordt geactiveerd, als
het schuifdak door een obstakel wordt gehinderd. Het schuifdak komt dan tot stilstand en
keert vervolgens automatisch terug naar de
laatst gebruikte, geopende stand.
03
5
Verticaal openkantelen, achterkant omhoogkantelen
Openkantelen: kantel het schuifdak open
door de achterkant van de knop omhoog
te duwen.
Dichtkantelen: kantel het schuifdak dicht
door de achterkant van de knop omlaag te
trekken.
8302556s
8302559s
6
Houd de vergrendelingsknop 2 seconden ingedrukt. Het schuifdak en de zijruiten sluiten.
De portieren worden vergrendeld. Druk nogmaals op de vergrendelingsknop om het sluiten te onderbreken.
WAARSCHUWING
Controleer of niemand met de handen bekneld raakt wanneer u het schuifdak vanaf
de transpondersleutel sluit.
Zonnescherm
Aan de binnenkant van het schuifdak zit een
handbediend zonnescherm. Het zonnescherm
glijdt automatisch naar achteren bij het openen van het schuifdak. Pak de handgreep vast
80
03 Bestuurdersmilieu
Motor starten
Benzine- en dieselmotoren
1. Plaats bij auto’s met een transpondersleutel de transpondersleutel in het contactslot.
Druk licht op de sleutel zodat deze verder
naar binnen wordt getrokken.
2. Houd het koppelingspedaal volledig ingedrukt 1. Trap bij auto’s met een automatische versnellingsbak op het
rempedaal.
3. Druk op de knop START/STOP en laat de
knop weer los.
De startmotor blijft maximaal 10 seconden
draaien (60 seconden bij dieselmodellen), totdat de motor is aangeslagen. Als de motor niet
binnen 10 seconden aanslaat, kunt u een
nieuwe startpoging doen door de knop
START/STOP ingedrukt te houden totdat de
motor wel aanslaat.
WAARSCHUWING
Neem bij het verlaten van de auto altijd de
transpondersleutel uit het contactslot. Dit
geldt in het bijzonder wanneer er kinderen
in de auto achterblijven.
WAARSCHUWING
Neem de transpondersleutel nooit tijdens
het rijden of het slepen uit het contactslot. U
loopt anders het gevaar dat het stuurslot
wordt geactiveerd, waardoor de auto onbestuurbaar wordt. Neem de transpondersleutel bij een auto met Keyless drive*functie nooit tijdens het rijden of slepen uit
het contactslot.
Stuurslot
Het stuurslot wordt opgeheven wanneer u de
transpondersleutel in het contactslot2 steekt
en opnieuw ingeschakeld wanneer u de transpondersleutel verwijdert.
Wanneer u bij het verlaten van de auto het
stuurslot inschakelt, beperkt u het gevaar voor
diefstal van de auto.
03
n
N.B.
Tijdens de koude start is het mogelijk dat
het motortoerental merkbaar hoger ligt dan
normaal is voor bepaalde motortypes. Dit
omdat ernaar wordt gestreefd het uitlaatgasreinigingssysteem zo snel mogelijk op
bedrijfstemperatuur te brengen en tegelijkertijd de uitstoot te beperken van stoffen
die schadelijk zijn voor het milieu.
Keyless drive*
Loop de punten 2–3 door voor benzine- en
dieselmotoren.
N.B.
1
Als de auto rolt is het indrukken van de knop
START/STOP voldoende om de motor te
starten.
U kunt de motor alleen starten, wanneer
een van de transpondersleutels bij een auto
met Keyless drive*-functie in de passagiersruimte of de kofferbak ligt.
2 Bij
auto’s met Keyless drive* wordt de eerste
keer dat u op de startknop drukt, het stuurslot
gedeactiveerd. Het stuurslot wordt opnieuw
geactiveerd, wanneer het bestuurdersportier
wordt geopend nadat de motor is afgezet.
81
03 Bestuurdersmilieu
Motor starten
Roetfilter dieselmotor (DPF)
03
Dieselmodellen zijn uitgerust met een roetfilter, waardoor een nog efficiëntere uitlaatgasreiniging mogelijk is. Onder normale rijomstandigheden blijven de roetdeeltjes uit de uitlaatgassen in het filter achter. Om de roetdeeltjes te verbranden en het filter te legen wordt
een zogeheten regeneratie gestart. Daarvoor
moet de motor de normale bedrijfstemperatuur hebben.
Afhankelijk van de rijomstandigheden wordt
het filter om de 300–900 kilometer geregenereerd. De regeneratie duurt normaal 10 tot
20 minuten. Gedurende deze tijd kan het
brandstofverbruik ietwat stijgen.
Regeneratie bij koud weer
Als u bij koud weer vaak korte afstanden rijdt,
komt de motor niet voldoende op temperatuur. Dit betekent dat het roetfilter niet geregenereerd en niet geleegd wordt.
Wanneer het filter voor ca. 80% met roetdeeltjes gevuld is, licht een oranje gevarendriehoek op het instrumentenpaneel op en verschijnt de melding Roetfilter vol Zie instructieb. op het display van het instrumentenpaneel.
U start de regeneratie van het filter door met
de auto op een secundaire weg of op een
snelweg te rijden tot de motor voldoende op
82
temperatuur is gekomen. Daarna rijdt u nog
ca. 20 minuten verder.
Wanneer het filter geregenereerd is, wordt de
waarschuwingsmelding automatisch gewist.
Gebruik bij koud weer de standverwarming*
zodat de motor sneller op temperatuur komt.
BELANGRIJK
Als het filter helemaal met roetdeeltjes gevuld is, vertoont de motor soms startproblemen. Het filter is dan onbruikbaar
geworden. Het is in dat geval mogelijk dat u
het filter moet vervangen.
03 Bestuurdersmilieu
Motor starten
Starten met hulpaccu
4
2
1
3
3100230s
+
Als de accu uitgeput is, kunt u de auto starten
met stroom van een hulpaccu.
Bij gebruik van een hulpaccu wordt u het volgende geadviseerd om explosiegevaar te
voorkomen:
1. Zet het contactslot in stand 0 (zie
pagina 59).
2. Zorg dat de hulpaccu een spanning van
12 V levert.
3. Als de hulpaccu zich in een andere auto
bevindt, moet u de motor van die auto
afzetten en ervoor zorgen dat de auto’s
elkaar niet raken.
4. Sluit de ene klem van de rode startkabel
aan op de pluspool van de hulpaccu
.
5. Haal de clips op de voorste dekplaat van
de uitgeputte accu los en verwijder de
dekplaat (zie pagina 187).
6. Sluit de andere klem van de rode startkabel aan op de pluspool
van de uitgeputte accu die onder een opklapbare
kunststof afdekking zit.
7. Sluit de ene klem van de zwarte startkabel
aan op de minpool
van de hulpaccu.
8. Sluit de andere klem van de zwarte kabel
aan op het massapunt (rechter motorsteun bovenaan, buitenste boutkop)
.
Controleer of de aansluitklemmen van de
startkabels goed vastzitten om te voorkomen dat er tijdens de startpoging vonken
ontstaan.
BELANGRIJK
Wees voorzichtig bij het aansluiten van de
startkabels om kortsluiting met andere onderdelen in de motorruimte te voorkomen.
11.Verwijder de startkabels. Verwijder eerst
de zwarte kabel en daarna de rode. Zorg
dat geen van de klemmen aan de zwarte
startkabel contact kan maken met de
pluspool van de accu of met de aangesloten klemmen van de rode startkabel.
03
WAARSCHUWING
Accu’s kunnen het zeer explosieve knalgas
produceren. Een enkele vonk, veroorzaakt
door een onjuiste aansluiting van de startkabels, is voldoende om de accu tot ontploffing te brengen. Accu’s bevatten tevens
zwavelzuur dat ernstige verwondingen door
etsing kan veroorzaken. Als u accuzuur in
uw ogen krijgt of op uw huid of kleren
morst, moet u onmiddellijk met grote hoeveelheden water spoelen. Neem onmiddellijk contact op met een arts, als u accuzuur
in uw ogen krijgt.
9. Start de motor van de “hulpauto”. Laat
de motor enkele minuten draaien op een
toerental dat iets hoger ligt dan normaal,
1500 omw/min.
10.Start de motor van de auto met de lege
accu. Raak de aansluitingen niet aan
tijdens de startpoging. Er bestaat namelijk gevaar voor vonkvorming.
83
03 Bestuurdersmilieu
Versnellingsbakken
Handgeschakelde versnellingsbak
Automatische versnellingsbak
Blokkering achteruitversnelling
Trap het koppelingspedaal tijdens het schakelen altijd zo ver mogelijk in. Haal uw voet na
het schakelen weer van het koppelingspedaal
af! Houd u aan het aangegeven schakelpatroon.
Om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te
houden, moet u zo veel mogelijk gebruik maken van hoge versnellingen.
Schakel de achteruitversnelling alleen in, wanneer de auto stilstaat.
4304157s
4304161s
4304160s
03
Parkeerstand (P)
Selecteer stand P, wanneer u de motor start
of de auto parkeert. U moet het rempedaal bedienen om de keuzehendel uit stand P te kunnen halen. In stand P is de versnellingsbak
mechanisch geblokkeerd. Zet bij het parkeren
altijd de parkeerrem aan of druk bij auto’s met
een elektrische parkeerrem op de bijbehorende knop (zie pagina 89).
BELANGRIJK
De auto moet stilstaan wanneer u de hendel
in stand P zet.
84
03 Bestuurdersmilieu
Versnellingsbakken
De auto moet stilstaan wanneer u de hendel in
stand R zet.
Vrijstand (N)
In deze stand kunt u de motor starten en er is
geen versnelling ingeschakeld. Zet de parkeerrem aan, wanneer de auto stilstaat en de
keuzehendel in stand N staat.
Rijstand (D)
Stand D is de normale rijstand. De versnellingsbak schakelt automatisch op en terug afhankelijk van de stand van het gaspedaal en
de snelheid. Zorg ervoor dat de auto stilstaat,
voordat u de keuzehendel vanuit stand R in
stand D zet.
Handmatige schakelstanden,
Geartronic
Om van de rijstand D over te schakelen naar
een handmatige stand, moet u de keuzehendel in stand M zetten. Om van stand M over te
schakelen naar de automatische rijstand D,
moet u de keuzehendel in stand D zetten.
Tijdens het rijden is het altijd mogelijk de
handmatige schakelstand, stand M, te activeren. Beweeg de keuzehendel vervolgens naar
de – om een versnelling terug te schakelen. Bij
het loslaten van het gaspedaal wordt de auto
op de motor afgeremd. Beweeg de keuzehen-
del naar de + om een versnelling op te schakelen.
Mechanische keuzehendelblokkering
De geselecteerde versnelling wordt op het instrumentenpaneel weergegeven (zie
pagina 54).
Beveiligingsfuncties
03
Bij kick-down kan de auto afhankelijk van het
motortoerental één of meer versnellingen terugschakelen. Om schade aan de motor te
voorkomen schakelt de auto op wanneer de
motor het maximumtoerental heeft bereikt.
Om schokken en afslaan van de motor te voorkomen, schakelt Geartronic automatisch terug
als de bestuurder langzamer gaat rijden dan
wat voor de gekozen versnelling gepast is.
Geartronic staat geen terugschakeling/kickdown toe die tot een dusdanig hoog toerental
leidt dat de motor kan worden beschadigd.
Wanneer u bij hoge motortoeren toch probeert
een dergelijke kick-down uit te voeren, gebeurt er niets. De auto blijft in de oorspronkelijke versnelling rijden.
4304164s
Achteruitrijstand (R)
U kunt de hendel altijd ongehinderd heen en
weer halen tussen de standen N en D. Om de
hendel in een van de overige standen te zetten, moet u een blokkering opheffen door op
de blokkeerknop op de keuzehendel te drukken. Wanneer u de blokkeerknop indrukt, kunt
u de hendel vooruit of achteruit bewegen tussen de standen R, N en D.
Automatische keuzehendelblokkering
De automatische versnellingsbak kent enkele
bijzondere beveiligingsfuncties:
Sleutelblokkering, Keylock
De keuzehendel moet in stand P staan om de
transpondersleutel uit het contactslot te kunnen nemen. In alle andere standen is de transpondersleutel geblokkeerd.
85
03 Bestuurdersmilieu
Versnellingsbakken
Parkeerstand (P)
Stilstaande auto met draaiende motor:
Automatische schakelblokkering
deactiveren
Houd uw voet op het rempedaal terwijl u de
keuzehendel verzet.
03
Elektrische schakelblokkering, Shiftlock parkeerstand (P)
Om de keuzehendel uit stand P te kunnen halen, moet het contactslot in stand II staan en
moet het rempedaal worden bediend (zie
pagina 81).
1
2
auto heeft minstens 3 seconden stilgestaan
(of de motor nu loopt of niet), is de keuzehendel geblokkeerd.
Om de keuzehendel uit stand N te kunnen halen, moet het contactslot in stand II staan en
moet het rempedaal worden bediend (zie
pagina 81).
4900001s
Schakelblokkering, vrijstand (N)
Als de keuzehendel in stand N staat en de
Als er niet met de auto kan worden gereden
zoals het geval is bij een uitgeputte accu,
moet u de keuzehendel uit stand P halen
voordat u de auto kunt verslepen.
Til de rubber vloermat achter de middenconsole uit de auto en open het luikje.
Steek het sleutelblad zo ver mogelijk naar
binnen. Duw het sleutelblad omlaag en
houd het in deze stand vast. Haal de
keuzehendel uit stand P. Zie pagina 34
voor meer informatie over het sleutelblad.
86
Vierwielaandrijving, AWD (All Wheel
Drive)*
De vierwielaandrijving is altijd ingeschakeld.
Bij vierwielaandrijving worden alle vier de wielen van de auto tegelijk aangedreven. Het motorkoppel wordt automatisch over de voor- en
achterwielen verdeeld. Een elektronisch gestuurd koppelingssysteem verdeelt het vermogen over het wielpaar dat op dat moment
de beste grip op het wegdek heeft. Dit om optimale wegligging te verkrijgen en wielspin te
voorkomen. Bij normaal rijden worden de
voorwielen naar verhouding iets sterker aangedreven dan de achterwielen. De vierwielaandrijving verhoogt de rijveiligheid tijdens
regen- en sneeuwval en bij ijzel.
03 Bestuurdersmilieu
Bedrijfsrem
Algemene informatie
De auto is uitgerust met twee remkringen. Als
een van de remkringen defect raakt, betekent
dit dat de remmen pas later worden aangesproken zodat u het rempedaal dieper moet
intrappen voor dezelfde remmende werking.
De druk die u uitoefent op het rempedaal
wordt versterkt door de rembekrachtiging.
WAARSCHUWING
De rembekrachtiging werkt alleen, als de
motor loopt.
keren tijdens het remmen. Zo blijft de auto bestuurbaar, waardoor het bijvoorbeeld makkelijker is om obstakels te ontwijken. Bij activering van deze functie kunt u trillingen in het
rempedaal voelen. Dit is volkomen normaal.
Wanneer de auto na het starten van de motor
een snelheid van ca. 20 km/h heeft bereikt,
gaat een kortdurende, automatische test van
het ABS van start. Ook deze test kan waarneembaar zijn in de vorm van trillingen in het
rempedaal.
Vuil en water op de remschijven kunnen ertoe
leiden dat de aanspreekduur van de remmen
wordt verlengd. Door de remblokken schoon
te maken beperkt u deze verlenging.
In bergachtig gebied of bij het rijden met een
zware belading kunt u de remmen ontzien
door op de motor af te remmen. U benut de
remmende werking van de motor het best,
wanneer u tijdens het afdalen dezelfde versnelling inschakelt als bij het oprijden van een
helling.
U wordt geadviseerd de remschijven handmatig schoon te maken, wanneer u op natte wegen rijdt, de auto net hebt gewassen of op het
punt staat deze langdurig te parkeren. U
maakt de remschijven handmatig schoon door
korte tijd licht te remmen.
Zie pagina 218 voor algemener informatie
over een zware belasting van de auto.
Remkrachtverhoging bij noodstops*
De auto is uitgerust met ABS (Anti-lock Braking System) dat voorkomt dat de wielen blok-
N.B.
03
Wanneer het EBA geactiveerd wordt, zakt
het rempedaal iets verder omlaag dan normaal. Bedien het rempedaal zolang dat nodig is. Zodra u het rempedaal loslaat,
worden de remmen volledig gelost.
Remschijven schoonmaken
Wanneer u met de motor afgezet remt doet
het rempedaal stug aan en kost het u meer
kracht om de auto te remmen.
Antiblokkeerremsysteem
hoogt zo nodig de remkracht. De remkracht
kan worden verhoogd tot aan het niveau waarbij het ABS ingrijpt. De EBA-regeling wordt
uitgeschakeld wanneer u de druk op het rempedaal verlaagt.
De remkrachtverhoging bij noodstops (EBA,
Emergency Brake Assistance) helpt de remkracht verhogen om op die manier de remweg
te verkorten. Het EBA-systeem registreert de
wijze waarop u het rempedaal bedient en ver-
87
03 Bestuurdersmilieu
Bedrijfsrem
Lampjes op instrumentenpaneel
Lampje Betekenis
03
Brandt continu – controleer het
remvloeistofpeil. Vul remvloeistof
bij als het peil te laag ligt en
controleer tevens de oorzaak van
het remvloeistofverlies.
Brandt twee seconden lang
continu bij het starten van de
motor – er is de laatste keer dat
de motor liep een storing in het
ABS opgetreden.
WAARSCHUWING
Als de waarschuwingslampjes
en
tegelijkertijd branden, kan er een storing in
het remsysteem zijn opgetreden.
Als het remvloeistofpeil in dat geval in orde
is, moet u de auto voorzichtig naar de
dichtstbijzijnde erkende Volvo-werkplaats
rijden om het remsysteem te laten controleren.
Als de remvloeistof onder het MIN-streepje
van het reservoir staat, mag u niet verder rijden voordat u remvloeistof hebt bijgevuld.
Controleer tevens de oorzaak van het remvloeistofverlies.
88
03 Bestuurdersmilieu
Parkeerrem
Parkeerrempedaal
5. Zet de versnellingspook/keuzehendel bij
het parkeren altijd in de 1e versnelling
(handbak) of in stand P (automaat).
Op een helling parkeren
2
Draai bij het parkeren op een oplopende helling de wielen van de trottoirband af, als de
neus van de auto naar de top van helling wijst.
5500134s
1
Het parkeerrempedaal zit helemaal links
N.B.
Het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel geeft alleen aan dat u het
parkeerrempedaal bedient en niet hoe hard!
Parkeerrem aanzetten
1. Trap het rempedaal stevig in.
2. Trap het parkeerrempedaal
stevig zo
ver mogelijk in.
3. Laat het rempedaal los en controleer of
de auto volledig stilstaat.
4. Als de auto rolt dient u het parkeerrempedaal nog verder in te trappen.
Draai bij het parkeren op een aflopende helling
de wielen naar de trottoirband toe, als de neus
van de auto naar de voet van de helling wijst.
Parkeerrem lossen
1. Trap het rempedaal stevig in.
2. Trek aan de handgreep
.
Elektrische parkeerrem*
De elektrische parkeerrem heeft dezelfde toepassingsgebieden als het parkeerrempedaal
zoals bij het wegrijden op een helling.
Functie
Wanneer de parkeerrem wordt geactiveerd,
hoort u een zwak elektromotorgeluid. Het geluid is tevens waarneembaar bij een automatische functiecontrole van de parkeerrem.
03
Als de auto stilstaat wanneer u de parkeerrem
aanzet, werkt de rem alleen op de achterwielen. Als u de parkeerrem tijdens het rijden aanzet, wordt de normale bedrijfsrem geactiveerd. Daarbij werkt de rem op alle vier de
wielen. Wanneer de auto bijna stilstaat, worden alleen de achterwielen geremd.
Lage accuspanning
Als de accuspanning te laag is, kunt u de parkeerrem niet aanzetten noch lossen. Sluit een
hulpaccu aan, als de accuspanning te laag is
(zie pagina 83).
89
03 Bestuurdersmilieu
Parkeerrem
Parkeerrem aanzetten
Auto met handgeschakelde versnellingsbak
N.B.
Tijdens een noodstop bij snelheden hoger
dan 10 km/h klinkt er gedurende de hele
remmanoeuvre een geluidssignaal.
Handmatig lossen
Op een helling parkeren
03
5500133s
Draai bij het parkeren op een oplopende helling de wielen van de trottoirband af, als de
neus van de auto naar de top van helling wijst.
Handgreep parkeerrem
1. Trap het rempedaal stevig in.
2. Druk op de handgreep.
Draai bij het parkeren op een aflopende helling
de wielen naar de trottoirband toe, als de neus
van de auto naar de voet van de helling wijst.
Parkeerrem lossen
90
N.B.
De parkeerrem is ook handmatig te lossen
door het koppelingspedaal te bedienen in
plaats van het rempedaal. Volvo adviseert u
echter het rempedaal te gebruiken.
Automatisch lossen
1. Start de motor.
2. Laat het koppelingspedaal los en geef
gas.
3. Laat het rempedaal los en controleer of
de auto volledig stilstaat.
4. Zet de versnellingspook/keuzehendel bij
het parkeren altijd in de 1e versnelling
(handbak) of in stand P (automaat).
Het lampje
op het instrumentenpaneel
knippert, totdat de parkeerrem volledig is aangezet. Wanneer het lampje continu brandt, is
de parkeerrem aangezet.
BELANGRIJK
Wanneer de motor loopt, kan de parkeerrem ook met de versnellingspook in de vrijstand automatisch worden gelost.
5500132s
In noodgevallen kunt u de parkeerrem ook tijdens het rijden aanzetten door de handgreep
ingedrukt te houden. Wanneer u de handgreep loslaat of het gaspedaal bedient, wordt
de parkeerrem gelost.
1. Steek de transpondersleutel in het contactslot.
2. Trap het rempedaal stevig in.
3. Trek aan de handgreep.
Handgreep parkeerrem
03 Bestuurdersmilieu
Parkeerrem
Auto met automatische versnellingsbak
Auto met Keyless drive*-functie
Handmatig lossen
Los de parkeerrem handmatig door op de
knop START/STOP te drukken, het rem- of
koppelingspedaal te bedienen en aan de
handgreep te trekken.
1. Steek de transpondersleutel in het contactslot.
2. Trap het rempedaal stevig in.
3. Trek aan de handgreep.
Automatisch lossen
1. Start de motor.
2. Doe de veiligheidsgordel om.
3. Zet de keuzehendel in stand D of R en
geef gas.
Lampjes
Lampje
(P)!
Parkeerrem niet aangezet – Door een storing kan de parkeerrem niet worden aangezet.
Probeer of u de rem kunt aanzetten en lossen.
Bezoek een Volvo-werkplaats als de melding
niet verdwijnt.
Betekenis
Lees de melding op het informatiedisplay.
Een knipperend lampje houdt in
dat de parkeerrem wordt
aangezet. Als het lampje in een
andere situatie gaat knipperen,
is er sprake van een storing.
Lees de melding op het informatiedisplay.
N.B.
Om veiligheidsredenen wordt de parkeerrem alleen automatisch gelost wanneer bij
het starten van de motor is gebleken dat de
bestuurder de veiligheidsgordel draagt. Bij
auto’s met een automatische versnellingsbak wordt de parkeerrem onmiddellijk gelost bij het bedienen van het gaspedaal met
de keuzehendel in stand D of R.
Parkeerrem niet geheel gelost – Door een
storing kan de parkeerrem niet worden gelost.
Bezoek een erkende Volvo-werkplaats.Als u
bij deze foutmelding wegrijdt zonder de parkeerrem te lossen, klinkt er een waarschuwingssignaal.
Dezelfde melding verschijnt ook op auto’s met
een handbak, wanneer er langzaam wordt gereden met het portier open. De melding maakt
u erop attent dat de parkeerrem mogelijk onbedoeld werd gelost.
Parkeerrem Service vereist – Er is een storing opgetreden. Bezoek een Volvowerkplaats als de storing niet verdwijnt.
Meldingen
Als u de auto moet parkeren voordat de storing kon worden verholpen, dient u de wielen
net als bij het parkeren op een helling van
de trottoirband/berm af te draaien en de
versnellingsbak/keuzehendel in stand 1
(handbak) of stand P (automaat) te zetten.
Zware belading op oplopende hellingen
Remblokken vervangen
G016166
Bij een zware belading zoals een aanhanger is
het mogelijk dat de auto op een steile, oplopende helling achteruitrolt, wanneer de parkeerrem automatisch wordt gelost. U kunt dit
voorkomen door bij het wegrijden de handgreep ingedrukt te houden. Laat de handgreep weer los zodra de koppeling aangrijpt.
03
Laat de remblokken op de achterwielen vervangen in een erkende Volvo-werkplaats met
het oog op de constructie van de elektrische
parkeerrem.
91
Menu- en meldingsfuncties ......................................................................94
Klimaatregeling ........................................................................................99
Audiosysteem ........................................................................................ 109
Boordcomputer ...................................................................................... 118
Kompas* ................................................................................................. 119
Stabiliteits- en tractieregelsysteem ........................................................ 120
Rijeigenschappen aanpassen ................................................................ 121
Cruisecontrol* ........................................................................................ 122
Adaptieve cruisecontrol* ........................................................................ 123
Anti-botsingsysteem met remassistentie* (CWS-systeem) .................... 127
Parkeerhulp* ........................................................................................... 130
BLIS*, Blind Spot Information System ................................................... 132
Interieurcomfort ...................................................................................... 135
Bluetooth handsfree* ............................................................................. 140
Geïntegreerde telefoon* ......................................................................... 145
92
COMFORT EN RIJPLEZIER
04
04 Comfort en rijplezier
Menu- en meldingsfuncties
Middenconsole
1. Druk op MENU.
Toetsenset op stuurwiel
Sommige functies regelt u via het menusysteem vanaf de middenconsole of via de toetsenset op het stuurwiel. Welke functies dat
zijn leest u in de verschillende onderdelen.
1
2. Ga naar Menu en druk op ENTER.
3. Ga naar Submenu en druk op ENTER.
U kunt de navigatietoetsen gebruiken in de
plaats van ENTER en EXIT bij het navigeren
binnen de menustructuur. De pijl naar rechts
komt in dat geval overeen met ENTER en de
pijl naar links met EXIT.
2
3
Het actuele menuniveau staat rechts bovenaan op het display van de middenconsole.
3905597s
Bedieningstoetsen op middenconsole
04
ENTER*
EXIT*
Navigatietoetsen – omhoog/omlaag.
Als de toetsen ENTER en EXIT op het stuur-
2
3
wiel zitten, hebben de toetsen
4
met
dezelfde functie als die op de middenconsole.
3905554s
1
Middenconsole met informatiedisplay en bedieningstoetsen voor meldingsfuncties.
94
tot en
Paden
Navigatietoets – menu-opties doorbladeren en selecteren
Via de functietoetsen krijgt u direct toegang
tot bepaalde functies, terwijl andere alleen via
het menusysteem te bereiken zijn.
ENTER – menu-opties selecteren
MENU – menusysteem openen
EXIT – stap terugdoen binnen het menusysteem. Bij lang indrukken verlaat u
het menusysteem
De paden naar de menufuncties worden als
volgt weergegeven: Instellingen van de
auto
Instellingen vergrendelen. Er wordt
daarbij verondersteld dat u daarvóór het volgende doet:
De menu-opties zijn genummerd zodat u ze
ook rechtstreeks kunt selecteren met de nummertoetsen (alleen 1–9).
04 Comfort en rijplezier
Menu- en meldingsfuncties
Menu-overzicht
Er bestaan verschillende hoofdmenu’s voor de
telefoon en de geluidsbronnen. De volgende
menu-opties maken deel uit van alle hoofdmenu’s:
Hoofdmenu AM
Audio-instellingen1
Autosleutelgeheugen
Pos. stoelen en spiegels*
Instellingen van de auto
Spiegels in bij vegrend.*
Instellingen CWS-systeem*
Hoofdmenu CD
Random
Geluidspodium
Uit
Equalizer voor
Map2
Equalizer achter
Disc2
Autom. volumeregeling
Enkele disc3
Reset audio-inst.
Alle discs3
Cd-instellingen
Hoofdmenu FM
FM-instellingen
Informatie
Nieuws
Lichtinstellingen
TP (verkeersinformatie)
Tekst disc*
Nieuws
TP (verkeersinformatie)
Audio-instellingen
Radiotekst
Vergrendelingsinstellingen
Instellingen parkeercam.*
PTY (programmatype)
Stuurkrachtniveau*
Geavanceerde radio-inst.
04
Hoofdmenu AUX
AUX-ingangsvolume
Audio-instellingen
Audio-instellingen
Klimaatinstellingen
Autom. blower afstellen
Aut. defroster achterr.
Timer recirculatie
Reset klimaatinst.
2
1 Voor
iedere geluidsbron bestaat de menuoptie audio-instellingen.
Alleen bij systemen die geluidsbestanden in
mp3- en wma-formaat kunnen afspelen.
3 Alleen
bij systemen met een cd-wisselaar.
95
04 Comfort en rijplezier
Menu- en meldingsfuncties
Hoofdmenu Bluetooth
Laatste 10 gemiste opr.
Hoofdmenu geïntegreerde telefoon
Gesprekslijst
Laatste 10 ink. opr.
Laatste 10 gemiste opr.
Laatste 10 gekozen nrs.
Laatste 10 ink. opr.
Telefoonboek
Laatste 10 gekozen nrs.
Zoeken
Wis bellijst
Kopiëren van mob. tel.
Gespreksduur
Bluetooth*
04
Telefoonboek
Telefoon aansluiten
Nieuwe contactpersoon
Telefoon wijzigen
Zoeken
Telefoon verwijderen
Alles kopie
Telefooninstellingen
Gespreksopties
Geluiden en volume
Telefoonboek synchr.
SIM wissen
Wis telefoon
Geheugengebr.
Meldingen
Lezen
Nieuw bericht schrijven
Berichtinstellingen
Gespreksopties
Verzend mijn nummer
Wisselgesprek
Automatisch beantwoorden
96
Voicemail-nummer
Doorschakel.
Telefooninstellingen
Netwerk kiezen
SIM beveil.
PIN-code bewerken
Geluiden en volume
IDIS
Reset Telefooninst.
04 Comfort en rijplezier
Menu- en meldingsfuncties
Instrumentenpaneel
Menu-overzicht1
Melding
Actieradius
Gemiddeld
Momentaan
1
2
Gem. snelheid
3
LDW-systeem
3603794s
Actuele snelheid
Informatiedisplay en bedieningstoetsen voor
menufuncties
READ – meldingenlijst openen en meldingen bevestigen.
Duimwiel – menu-opties doorbladeren.
RESET – geactiveerde functie op nul
stellen. Wordt in bepaalde gevallen gebruikt om een functie te selecteren/activeren (zie de uitleg bij de verschillende
functies).
Met de linker stuurhendel bedient u de menu’s
die op de informatiedisplays van het instrumentenpaneel verschijnen. Welke menu’s verschijnen hangt af van de stand van het contactslot. Als er een melding is, moet u deze
eerst bevestigen met de knop READ voordat
u de menu’s kunt bekijken.
Timer standkach. AM/PM
P
_3 C
o
3801153s
Bandenspanning Kalibratie
Timer standvent. AM/PM
Melding op informatiedisplay.
Timerstand verw.
Wanneer er een waarschuwings-, informatieof controlelampje oplicht, verschijnt er tevens
een aanvullende melding op het informatiedisplay. Foutmeldingen blijven in het geheugen
opgeslagen, totdat u de onderliggende storing
hebt laten verhelpen.
Directe start Standverw.
Directe start El standverw
Directe start Standvent.
Extra verwarming auto
Start restverw.
04
Druk op READ om de meldingen door te bladeren en te bevestigen.
DSTC
N.B.
Als er een waarschuwingsmelding verschijnt bij gebruik van de boordcomputer,
moet u de melding lezen (druk op de knop
READ) voordat u de eerdere activiteit kunt
hervatten.
1 Sommige
menu-opties behoren tot de extra’s
97
04 Comfort en rijplezier
Menu- en meldingsfuncties
Melding
Betekenis
Melding
Betekenis
Melding
Betekenis
Stop auto z.s.m.
Breng de auto tot
stilstand en zet de
motor af. Grote kans op
schade. Bezoek een
erkende Volvowerkplaats.
Tijd voor
periodiek
onderhoud
Spaarstand
Het audiosysteem is
uitgeschakeld om
stroom te besparen.
Laad de accu bij.
Motor afzetten
Breng de auto tot
stilstand en zet de
motor af. Grote kans op
schade. Bezoek een
erkende Volvowerkplaats.
Het is tijd voor een
servicebeurt bij een
erkende Volvowerkplaats. Het moment
hangt af van de
afgelegde afstand, het
aantal maanden dat
sinds de laatste servicebeurt is verstreken, het
aantal draaiuren van de
motor en de gebruikte
oliekwaliteit.
Service spoed
Laat de auto onmiddellijk nakijken door een
erkende Volvowerkplaats.
Onderhoudstermijn
verstreken
Service vereist
Laat de auto zo spoedig
mogelijk nakijken door
een erkende Volvowerkplaats.
Als u de onderhoudstermijn niet respecteert, vallen
beschadigde onderdelen niet langer onder
de garantie. Bezoek
voor het onderhoud een
erkende Volvowerkplaats.
Tijdelijk UIT
Zie instructieb.
Lees het instructieboekje.
De bijbehorende functie
is tijdelijk uitgeschakeld
en wordt na enige tijd
rijden of de volgende
keer dat u de motor
start automatisch
opnieuw ingeschakeld.
04
98
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
Algemene informatie
Airconditioning
De auto is uitgerust met elektronische klimaatregeling (ECC, Electronic Climate Control). De
klimaatregeling zorgt ervoor dat de lucht in het
interieur wordt gekoeld, verwarmd of van
vocht wordt ontdaan.
N.B.
U kunt de airconditioning uitschakelen.
Voor optimaal klimaatcomfort in de passagiersruimte en om te voorkomen dat de ruiten beslaan, dient u de airconditioning
echter altijd te laten aanstaan.
Werkelijke temperatuur
De ingestelde temperatuur komt overeen met
de gevoelstemperatuur op basis van de heersende omstandigheden in en rond de auto wat
de luchtsnelheid, de luchtvochtigheidsgraad,
de ingestraalde warmte enz. betreft.
Positie van de sensoren
• De zonnesensor zit boven op het dashboard.
• De interieurtemperatuursensor zit onder het
bedieningspaneel van de klimaatregeling.
• De buitentemperatuursensor zit op de buitenspiegel.
• De vochtsensor* zit in de achteruitkijkspiegel.
N.B.
Dek de sensoren niet met kleding of andere
voorwerpen af.
Zijruiten en schuifdak
Voor optimale werking van de airconditioning
moet u de zijruiten en een eventueel schuifdak
gesloten houden.
Beslagen ruiten
Maak in eerste instantie gebruik van de ontwasemingsfunctie om condens van de binnenkant van de ruiten te verwijderen.
Poets de binnenzijde van de ruiten schoon om
de kans te beperken dat ze beslaan.
Ventilatie-openingen in hoedenplank
N.B.
Blokkeer evenmin de ventilatie-opening
achter in de hoedenplank met kleding of andere voorwerpen om te voorkomen dat de
ruiten beslaan.
Tijdelijke uitschakeling van airconditioning
Wanneer de motor het maximale vermogen
nodigt heeft (bijvoorbeeld als u volgas optrekt
of met een aanhanger achter de auto een helling oprijdt), wordt de airconditioning tijdelijk
uitgeschakeld. Er kan dan een tijdelijke temperatuurstijging optreden.
Condenswater
In warme weersomstandigheden kan er ter
hoogte van de airconditioning een plasje water onder de auto ontstaan. Dit is volkomen
normaal.
04
Sneeuw en ijs
Veeg sneeuw en ijs van de luchtinlaat voor de
klimaatregeling (de opening tussen de motorkap en de voorruit).
Storingen opsporen en verhelpen
Laat controle- en reparatiewerkzaamheden
aan de klimaatregeling alleen uitvoeren door
een erkende Volvo-werkplaats.
Koudemiddel
De airconditioning maakt gebruik van het koudemiddel R134a. Het bevat geen chloor,
waardoor het koudemiddel onschadelijk voor
de ozonlaag is. Laat het bijvullen/verversen
van koudemiddel over aan een erkende Volvowerkplaats.
99
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
Doorluchtfunctie
Bij warm weer kunt u de doorluchtfunctie gebruiken om alle zijruiten tegelijk korte tijd te
openen en weer te sluiten en op die manier
snel voor frisse lucht in de auto te zorgen (zie
pagina 35).
Interieurfilter
04
Alle lucht die de passagiersruimte binnenkomt
wordt gereinigd door een filter. U moet het filter regelmatig vervangen. Raadpleeg het Serviceprogramma van Volvo voor het aanbevolen vervangingsinterval. In zeer sterk verontreinigde gebieden moet u het filter mogelijk
vaker vervangen.
N.B.
Er bestaan twee verschillende soorten interieurfilters. Let erop dat u het juiste filter
aanbrengt.
Clean Zone Interior Package (CZIP)*
Wanneer u voor deze optie hebt gekozen zijn
er nog minder stoffen in het interieur verwerkt
die aanleiding kunnen geven tot allergieën of
astma. Zie voor meer informatie de Clean
Zone Interior-brochure die u bij aankoop van
de auto werd overhandigd. Het volgende is inbegrepen:
100
• Een geavanceerde ventilatorfunctie die inhoudt dat de ventilator aanslaat wanneer
de auto via de transpondersleutel wordt
ontgrendeld. De ventilator vult het interieur
op die manier met verse lucht. De functie
start als dat nodig is en stopt na bij het
openen van een van de portieren. Bij inactiviteit wordt de functie na enige tijd automatisch beëindigd. De tijd dat de
ventilatorfunctie werkt zal langzaam maar
zeker korter worden, totdat de auto vier jaar
oud is. De geavanceerde ventilatorfunctie
wordt dan helemaal uitgeschakeld, aangezien de ventilator geen rol van betekenis
meer speelt voor de kwaliteit van de interieurlucht.
• Interior Air Quality System (IAQS). Een volautomatisch systeem dat de lucht in de
passagiersruimte ontdoet van verontreinigingen in de vorm van stofdeeltjes, koolwaterstoffen, stikstofoxiden en laaghangend
ozon.
• Gebruik van beproefde materialen in het
interieur. De gebruikte materialen zijn erop
geselecteerd de hoeveelheid stof in de
passagiersruimte te beperken, zodat de
passagiersruimte gemakkelijker schoon te
houden is. De vloerbekleding in zowel de
passagiersruimte als de kofferbak zijn eenvoudig te verwijderen en schoon te maken.
Gebruik daarvoor schoonmaakmiddelen en
autoverzorgingsproducten die door Volvo
worden geadviseerd (zie pagina 211).
N.B.
Bij auto’s met het Clean Zone Interior
Package moet het luchtfilter van het IAQSsysteem om de 15.000 km of ten minste
eenmaal per jaar worden vervangen. Bij auto’s zonder het Clean Zone Interior Package
moet het luchtfilter van het IAQS-systeem
tijdens een geplande servicebeurt worden
vervangen.
Menu-instellingen
Het is mogelijk de basisinstellingen voor drie
van de functies van de klimaatregeling te wijzigen via de middenconsole (zie pagina 94):
• Ventilatorfunctie in automatische stand (zie
pagina 103).
• Tijdgestuurde recirculatie van lucht in passagiersruimte (zie pagina 104).
• Automatische verwarming van de achterruit
(zie pagina 78).
Bij RESET via de middenconsole worden de
standaardinstellingen hervat voor alle functies
van de klimaatregeling.
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
Luchtverdeling
Blaasmonden in dashboard
Blaasmonden in portierstijlen
D
A
D
C
C
C
C
D
B
8704363s
De binnenkomende lucht wordt verdeeld over
20 blaasmonden verspreid over het interieur.
Open
Open
Dicht
Dicht
In de stand AUTO vindt de luchtverdeling geheel automatisch plaats.
Luchtstroom naar links of rechts
Luchtstroom naar links of rechts
Luchtstroom omhoog of omlaag
Luchtstroom omhoog of omlaag
De luchtverdeling valt zo nodig handmatig bij
te regelen (zie pagina 105).
8704365s
A
8704343s
D
B
Richt de buitenste blaasmonden op de voorste zijruiten om deze te ontwasemen.
Richt de blaasmonden op de achterste zijruiten om deze te ontwasemen.
Om de temperatuur in de passagiersruimte
aangenaam te houden komt er altijd een bepaalde hoeveelheid lucht uit de blaasmonden.
Bij koud weer kunt u gebruik maken van de
blaasmonden bij het stuurwiel om uw handen
te warmen.
Richt de blaasmonden naar binnen toe voor
een behaaglijke temperatuur achter in de auto.
04
Let erop dat kinderen gevoelig kunnen zijn
voor luchtstromen en tocht.
101
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
1
2
3
4
5
6
Het ventilatiesysteem bestaat uit ventilatoren
in de zittingen en de rugleuningen die lucht
door de bekleding heen aanzuigen. Naarmate
de lucht in het interieur kouder is, neemt het
koelingseffect toe.
7
De ventilatie wordt geregeld door ECC op basis van de temperatuur van de stoel, de ingestraalde warmte en de buitentemperatuur.
12
11 10
9
8704366s
8
13
04
Geventileerde voorstoelen*
Geventileerde voorstoel*, linkerzijde
Ventilator
Elektrisch verwarmde voorstoel,
linkerzijde
Luchtverdeling
Elektrisch verwarmde voorstoel,
rechterzijde
AUTO
Geventileerde voorstoel*, rechterzijde
Temperatuurregeling, rechterzijde
A/C – Aan/Uit
Elektrisch verwarmde achterruit en buitenspiegels (zie pagina 78)
Ontwaseming
Recirculatie/Interior Air Quality System
Temperatuurregeling, linkerzijde
102
Het is mogelijk de stoelventilatie te combineren met de elektrische stoelverwarming. U
kunt de functie bijvoorbeeld gebruiken om uw
kleding van vocht te ontdoen.
Het ventilatiesysteem is te activeren, wanneer
de motor loopt. Er zijn drie comfortniveaus
met elk hun eigen koel- en droogeffect:
• Comfortniveau drie: eenmaal indrukken van
de knop levert het maximale vermogen op –
alle drie de lampjes branden.
• Comfortniveau twee: tweemaal indrukken
van de knop levert een lager vermogen op –
twee van de lampjes branden.
• Comfortniveau één: driemaal indrukken van
de knop levert het minimale vermogen op –
er brandt één lampje.
De vierde maal dat u op de knop drukt wordt
de functie uitgeschakeld – geen van de lampjes brandt.
N.B.
Wie tochtgevoelig is dient de stoelventilatie
met beleid te gebruiken. Voor langdurig gebruik wordt comfortniveau één geadviseerd.
BELANGRIJK
Bij een interieurtemperatuur lager dan 5 °C
is het niet mogelijk de stoelventilatie in te
schakelen. Dit om te voorkomen dat de inzittende die op de bewuste stoel zit het te
koud krijgt.
Ventilator
8704352s
Elektronische klimaatregeling, ECC
Draai aan de knop om de
ventilatorsnelheid te verhogen of te verlagen. De ventilatorsnelheid wordt automatisch geregeld, als u AUTO
selecteert. De eerder ingestelde ventilatorsnelheid
wordt dan genegeerd.
N.B.
Als de ventilator volledig uitgeschakeld is,
start de airconditioning niet.
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
8704369s
3603819s
Achterbank
U stelt de verwarming van de achterbank op
dezelfde manier in als die van de voorstoelen.
Zie pagina 94 voor een beschrijving van het
menusysteem.
Temperatuurregeling
Automatisch
8704348s
De functie regelt automatisch de temperatuur, de airconditioning, de ventilatorsnelheid, de recirculatie en
de luchtverdeling. Als u een
of meer handmatige functies
selecteert, worden de overige functies nog steeds automatisch geregeld.
Wanneer u op de knop AUTO drukt, vindt activering van de Air Quality Sensor plaats waarbij alle handmatige instellingen worden opgeheven. Op het display verschijnt AUTO KLIMAAT.
U kunt de ventilatorsnelheid in de automatische stand instellen onder
Klimaatinstellingen
Autom. blower afstellen. Kies uit Laag, Normaal of Hoog.
N.B.
Bij selectie van de laagste ventilatorsnelheid
neemt de kans dat de ruiten beslaan iets toe.
Met deze knop kunt u de
temperatuur aan de bestuurders- en passagierszijde onafhankelijk van elkaar instellen. Bij het starten van de
motor wordt de laatst verrichte instelling hervat.
04
N.B.
Let erop dat de passagiersruimte niet sneller warm of koud wordt, wanneer u een hogere of lagere temperatuur kiest dan de
gewenste.
A/C – Aan/Uit (ON/OFF)
Wanneer het lampje bij ON
brandt, wordt de airconditioning automatisch geregeld.
De binnenkomende lucht
wordt dan automatisch afgekoeld en van vocht ontdaan. De airconditioning is
uitgeschakeld, wanneer het lampje bij OFF
brandt. De overige functies worden nog
steeds automatisch geregeld. Wanneer u ontwaseming geselecteerd hebt, wordt de airconditioning ingesteld op maximale ontvochtiging.
8704344s
•Eenmaal op de knop
drukken levert het maximale verwarmingsniveau
op – alle drie de lampjes
branden.
•Tweemaal op de knop
drukken levert een lager
verwarmingsniveau op –
twee van de lampjes branden.
• Driemaal op de knop drukken levert het
laagste verwarmingsniveau op – een van de
lampjes brandt.
• De vierde maal dat u op de knop drukt
wordt de verwarming uitgeschakeld – geen
van de lampjes brandt.
De gestileerde menselijke
gedaante op de nevenstaande afbeelding bestaat uit
drie knoppen. Bij het indrukken van een van de luchtverdelingsknoppen licht het
lampje op dat bij dat deel
van de gestileerde menselijke gedaante hoort (zie
pagina 105).
8704362s
Luchtverdeling
8704361s
Elektrisch verwarmde stoelen/
achterbank*
Voorstoelen
103
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
8704354s
U gebruikt de ontwaseming
om de voorruit en de zijruiten snel te ontwasemen en
te ontdooien. De ventilator
draait dan op hoge snelheid
en stuurt lucht naar de ruiten. Het lampje in de ontwasemingsknop brandt, wanneer de functie is ingeschakeld.
04
Bij activering van deze functie vindt bovendien
het volgende plaats om de lucht in het interieur zo veel mogelijk van vocht te ontdoen:
• de airconditioning (A/C) wordt automatisch
ingeschakeld
• de recirculatie wordt automatisch uitgeschakeld
Bij het uitschakelen van de ontwaseming hervat de klimaatregeling de voorgaande instellingen.
passagiersruimte wordt dan gerecirculeerd. Er
komt met andere woorden geen lucht van buiten de auto in, wanneer deze functie actief is.
Als de lucht in de auto te lang recirculeert, kan
de binnenzijde van de ruiten beslaan.
meet, wordt de luchtinlaat afgesloten waarna
de lucht in de passagiersruimte wordt gerecirculeerd. Wanneer u de knop AUTO hebt ingedrukt, is de Air Quality Sensor altijd ingeschakeld.
Timer
Air Quality Sensor activeren
Bij een geactiveerde timerfunctie zal de klimaatregeling afhankelijk van de buitentemperatuur na een bepaalde tijd de handmatig geactiveerde recirculatiestand verlaten. Dit beperkt de kans op ijs, beslagen ruiten en een
slechte luchtkwaliteit. U kunt de functie activeren/deactiveren onder Klimaatinstellingen
Timer recirculatie. Zie pagina 94
voor een beschrijving van het menusysteem.
N.B.
Wanneer u de ontwaseming selecteert,
wordt de recirculatie altijd uitgeschakeld.
Interior Air Quality System*
8704347s
104
Wanneer de recirculatie actief is, brandt het oranje
lampje rechts in de knop. U
kunt deze functie inschakelen als u vieze lucht, uitlaatgassen en dergelijke buiten
wilt houden. De lucht in de
Het Interior Air Quality System ontdoet de binnenkomende lucht van gassen en
stofdeeltjes om zo hinderlijke geurtjes en verontreinigingen in de passagiersruimte te beperken. Als de
Air Quality Sensor een verhoogde concentratie van verontreinigingen in de buitenlucht
8704345s
Recirculatie/Interior Air Quality System
Recirculatie
Selecteer een van de drie
functies door verschillende
malen op de knop te drukken.
8704346s
Ontwaseming
•Het oranje lampje links
brandt – de Air Quality Sensor is uitgeschakeld.
• Het groene lampje in het midden brandt –
de recirculatie is niet actief (tenzij dit nodig
is voor koeling bij warm weer).
• Het oranje lampje rechts brandt – de recirculatie is ingeschakeld.
N.B.
Voor optimale kwaliteit van de lucht in de
passagiersruimte dient u de Air Quality Sensor ingeschakeld te houden.
Bij koud weer gelden er beperkingen voor de
recirculatiefunctie om te voorkomen dat de
ruiten beslaan.
Als de ruiten toch beslaan, moet u de Air
Quality Sensor uitschakelen en alle ruiten
(voorruit, zijruiten en achteruit) ontwasemen.
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
Toepassing
Luchtverdeling
Toepassing
Lucht naar de ruiten. Er
komt een bepaalde
hoeveelheid lucht uit de
blaasmonden. De lucht
wordt niet gerecirculeerd.
De airconditioning is altijd
ingeschakeld.
Om snel te ontdooien en
te ontwasemen.
Lucht naar de vloer en de
ruiten. Er komt een
bepaalde hoeveelheid
lucht uit de blaasmonden
in het dashboard.
Om een comfortabel
klimaat en een goede
ontwaseming te
verkrijgen bij koud weer.
Lucht naar de voorruit en
de zijruiten. Er komt een
bepaalde hoeveelheid
lucht uit de blaasmonden.
Om wasem en ijsvorming
bij koud en vochtig weer
te voorkomen (niet te lage
ventilatorsnelheid).
Lucht naar de vloer en uit
de blaasmonden in het
dashboard.
Bij zonnig weer en matige
buitentemperaturen.
Luchtstroom naar de
ruiten en uit de blaasmonden van het
dashboard.
Om een comfortabel
klimaat te verkrijgen bij
warm en droog weer.
Lucht naar de vloer. Er
komt een bepaalde
hoeveelheid lucht uit de
blaasmonden in het
dashboard en op de
ruiten.
Om warme of koude lucht
naar de voeten te sturen.
Luchtstroom op hoofden borsthoogte uit de
blaasmonden in het
dashboard.
Om een efficiënte koeling
te verkrijgen bij warm
weer.
Luchtstroom naar de
ruiten, uit de blaasmonden in het dashboard
en naar de vloer.
Om koele lucht naar de
voeten te sturen of warme
lucht naar de rest van het
lichaam bij koud weer of
bij warm en droog weer.
8704360s
8704353s
8704356s
8704358s
04
8704359s
8704358s
Luchtverdeling
8704355s
8704354s
Luchtverdelingstabel
105
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
Standverwarming op brandstof*
04
U kunt de standverwarming meteen inschakelen of vertraagd met behulp van de timerfunctie. Onder de uitschakeltijd wordt het tijdstip
verstaan waarop de auto op de gewenste
temperatuur is. De elektronica van de auto rekent aan de hand van de buitentemperatuur
zelf uit wanneer de verwarming moet worden
ingeschakeld. Bij een buitentemperatuur hoger dan 15 °C wordt de verwarming niet geactiveerd. Bij temperaturen van –10 °C en lager
is de maximale bedrijfstijd van de standverwarming 50 minuten. Als de standverwarming
werkt, verschijnt er Standverw. AAN op het
informatiedisplay.
WAARSCHUWING
Bij gebruik van de standverwarming moet
de auto in de buitenlucht staan.
BELANGRIJK
2303544s
Algemene informatie over de
standverwarming
WAARSCHUWING
Gemorste brandstof kan ontvlammen.
Schakel voordat u gaat tanken de standverwarming uit. Controleer op het informatiedisplay of de standverwarming uit is.
Op een helling parkeren
Wanneer u de auto op een steile helling parkeert, moet u ervoor zorgen dat de voorkant
van de auto omlaagwijst. Zo krijgt de standverwarming altijd voldoende brandstof.
N.B.
Bij gebruik van de standverwarming is het
volkomen normaal dat er rook uit de rechter
wielkast komt.
106
play. Bevestig de melding door op de knop
READ te drukken (zie pagina 107).
WARNING! ACHTUNG!
AVERTISSEMENT!
Accu en brandstof
Als de accu onvoldoende opgeladen is of als
het brandstofpeil te laag is, wordt de standverwarming automatisch uitgeschakeld. Er
verschijnt een melding op de informatiedis-
Herhaaldelijk gebruik van de standverwarming bij korte ritten kan ertoe leiden dat de
accu uitgeput raakt en startproblemen opleveren. Bij regelmatig gebruik van de standverwarming moet u even lang in de auto
rijden als de standverwarming aanstond. Dit
om te zorgen dat de dynamo evenveel energie kan bijladen als de standverwarming
verbruikt.
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
Bediening
Klok/timer
Als u de klok bijstelt worden de timerinstellingen gewist.
Meteen in-/uitschakelen
2
3
8904102s
1
Knop READ
Duimwiel
Knop RESET
Zie pagina voor meer informatie over het informatiedisplay en de knop READ zie pagina 97.
1. Gebruik het duimwiel
om naar Directe
start Standverw. te gaan.
2. Druk op de knop RESET om te kiezen uit
AAN of UIT.
Bij directe start zal de standverwarming
50 minuten lang geactiveerd blijven. De interieurverwarming gaat van start, zodra de koelvloeistof in de motor een temperatuur van
38 ºC heeft bereikt.
4. Druk kort op de knop RESET, zodat de
minuutaanduiding gaat knipperen.
5. Gebruik het duimwiel
om het gewenste tijdstip in minuten aan te geven.
6. Druk kort op de knop RESET om de
instelling te bevestigen.
7. Druk op de knop RESET om de timer te
activeren. Wanneer u PM hebt ingesteld,
kunt u een tweede uitschakeltijd programmeren onder AM door aan het
duimwiel
te draaien. U stelt de andere
uitschakeltijd op dezelfde manier in als
bij AM.
04
N.B.
Het is mogelijk de motor starten en weg te
rijden, terwijl de standverwarming nog aanstaat.
Melding op informatiedisplay
Wanneer u de instellingen voor de timer of de
directe start activeert, gaat het informatielampje op het instrumentenpaneel branden.
Op het informatiedisplay verschijnt bovendien
een verklarende melding. Het display geeft
ook aan welke timer actief is, wanneer u bij het
verlaten van de auto de transpondersleutel uit
het contactslot neemt.
Timers instellen
U kunt alleen tijden voor het komende etmaal
instellen.
1. Ga met het duimwiel
naar Timer
standkach..
2. Druk kort op de knop RESET zodat de
uuraanduiding gaat knipperen.
3. Gebruik het duimwiel
om het gewenste tijdstip in uren aan te geven.
107
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
Extra verwarming (diesel)*
N.B.
Bij gebruik van de extra verwarming is het
volkomen normaal dat er rook uit de rechter
wielkast komt.
1
2
3
Automatische stand of uitschakelen
Bij korte ritten kan de extra verwarming worden uitgeschakeld om te voorkomen dat de
accu uitgeput raakt.
8904102s
04
Knop READ
Duimwiel
Knop RESET
Bij koud weer is het mogelijk dat u de extra
verwarming moet inschakelen om de passagiersruimte voldoende te verwarmen.
De extra verwarming wordt automatisch ingeschakeld, wanneer er extra verwarming nodig
is terwijl de motor loopt. De hulpverwarming
wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer de
juiste temperatuur bereikt is of wanneer de
motor wordt afgezet.
108
1. Ga met het duimwiel
naar Extra verwarming auto.
2. Druk op de knop RESET om te kiezen uit
AAN of UIT.
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
Dolby Surround Pro Logic II en het
symbool
zijn handelsmerken van
Dolby Laboratories Licensing Corporation.
Het Dolby Surround Pro Logic II System is
vervaardigd onder licentie van
Dolby Laboratories Licensing Corporation.
Transpondersleutel en contactslotstanden
U kunt het audiosysteem 15 minuten achtereen beluisteren, wanneer er geen transpondersleutel in het contactslot steekt.
N.B.
Neem de transpondersleutel uit het contactslot om het audiosysteem te beluisteren
wanneer de motor afgezet is. Zo voorkomt
u dat de accu onnodig belast wordt.
Overzicht
Toetsenset op stuurwiel
2
3
1
1
4
4
Ingang voor externe geluidsbron (AUX)
Toetsenset op stuurwiel
Bedieningspaneel in middenconsole
Bedieningspaneel met hoofdtelefoonaansluiting*
2
3
3905555s
Het audiosysteem is te verkrijgen met verschillende opties en in verschillende uitvoeringen. Er zijn drie uitvoeringen verkrijgbaar: Performance, High Performance en Premium
Sound. Bij het inschakelen van het audiosysteem geeft het display de uitvoering aan.
3905596s
Algemene informatie
04
Menu-opties bevestigen, gesprekken aannemen.
Naar een hoger niveau gaan binnen het
menusysteem. Actieve functie annuleren.
Gesprek beëindigen/weigeren, ingevoerde tekens wissen.
Volume.
Kort indrukken om een track op een cd of
een van de voorkeurzenders te selecteren.
Lang indrukken om tracks op de cd versneld vooruit/achteruit te spoelen of automatisch radiozenders te zoeken.
Als het audiosysteem aanstaat wanneer u de
motor afzet, wordt het de volgende keer dat u
de motor start automatisch ingeschakeld.
109
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
Achterste bedieningspaneel met
hoofdtelefoonaansluiting*
Voor de beste geluidsweergave adviseren wij
u een hoofdtelefoon te gebruiken met een impedantie van 16–32 ohm en een gevoeligheid
van 102 dB of meer.
1
2
3
3905594s
4
Menufuncties en MY KEY
Druk
kort in om een track op een cd of een
van de voorkeurzenders te selecteren. Druk
dezelfde knop lang in om tracks op de cd versneld vooruit/achteruit te spoelen of automatisch radiozenders te zoeken.
Sommige functies kunt u regelen via het menusysteem van de middenconsole. Zie
pagina 94 voor meer informatie over de menufuncties. Zie pagina voor informatie over de
werking van het audiosysteem in combinatie
met een Bluetooth™ handsfree of telefoon, zie
pagina 142.
Beperkingen
1
04
3
Vooruit-/achteruitspoelen en zoeken
• Welke geluidsbron (FM, AM, CD e.d.) er via
de luidsprekers wordt weergegeven valt
niet te sturen vanaf het achterste bedieningspaneel.
• Eventuele RDS-teksten kunnen achterwege
blijven, als de radio via de hoofdtelefoons
wordt beluisterd terwijl er een andere geluidsbron via de luidsprekers wordt weergegeven.
Favoriete menufunctie opslaan met
MY KEY
Vooruit-/achteruitspoelen en zoeken
Geluidsbron, activeren
G010272
Volume
Hoofdtelefoonaansluiting (3,5 mm)
Activeren/deactiveren
U activeert het bedieningspaneel met een
druk op MODE wanneer het audiosysteem ingeschakeld is. Het bedieningspaneel wordt
automatisch gedeactiveerd, wanneer u het
audiosysteem uitschakelt of MODE lang indrukt.
110
1. Kies de menufunctie die u wilt opslaan. Niet
alle functies zijn op te slaan als favoriet.
2. Houd MY KEY meer dan twee seconden
lang ingedrukt.
3. Activeer de opgeslagen menufunctie vervolgens door kort op MY KEY te drukken.
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
De volgende menufuncties kunt u onder
MY KEY opslaan:
Cd-speler/-wisselaar
•
•
•
•
Random (cd-wisselaar)
Nieuws
TP
Tekst disc
04
FM
•
•
•
•
•
Nieuws
TP
Radiotekst
PTY zoeken
PTY-tekst weergeven
SIRIUS
• Track vastleggen in trackgeheugen
• Sneltoets zender
• Tracks zoeken
AUDIO-INSTELLINGEN
• Geluidsinstellingen
• Autom. volumeregeling
111
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
Audiofuncties
compensatieniveaus: laag, medium en hoog.
Kies een niveau onder Audio-instellingen
Autom. volumeregeling.
Geluidssterkte externe geluidsbron
Het is mogelijk een mp3-speler op de AUXingang aan te sluiten (zie pagina 109).
1
2
N.B.
04
4
3
G010266
5
Middenconsole, bedieningstoetsen voor audiofuncties
Interne geluidsbronnen: AM, FM en CD
Externe geluidsbron. Zie pagina 109 voor
de aansluiting
Druk- en draaiknoppen voor het aanpassen van de geluidsweergave
Navigatietoets voor het volume van de
AUX-functie en de equalizer
Volume en aan/uit
Geluidssterkte en automatische
volumeregeling
Het audiosysteem zorgt voor compensatie
van hinderlijke rijgeluiden in de passagiersruimte door het volume af te stemmen op de
snelheid van de auto. U hebt de keuze uit drie
112
De geluidskwaliteit kan verslechteren, als
de speler wordt opgeladen terwijl het audiosysteem in stand AUX staat. Laad de speler
in dat geval niet op tijdens het beluisteren.
Soms wijkt het volume waarop de externe geluidsbron wordt weergegeven af van dat van
de interne geluidsbronnen. Als de geluidssterkte van de externe geluidsbron te hoog is,
kan de geluidskwaliteit verslechteren. U kunt
dat tegengaan door het ingangsvolume van de
externe geluidsbron aan te passen:
1. Zet het audiosysteem in de stand AUX met
de knop MODE en ga vervolgens naar
AUX-ingangsvolume.
2. Draai aan de knop
of druk op
/
van de navigatietoets.
Geluidsweergave
Door te drukken op de knop
kunt u de onderstaande opties doorlopen. U stelt de opties
in door aan de draaiknop
te draaien.
• Bas – Niveau voor de lage tonen.
• Treble – Niveau van de hoge tonen.
• Fader – Balans tussen de luidsprekers
voor- en achterin.
• Balans – Balans tussen de luidsprekers
links en rechts.
• Surround* – Instellingen voor de surroundfunctie.
Onder Surround kunt u 3-kanaals stereo of
Dolby Pro Logic II activeren door 3-ch of Dpl2
te selecteren. Vervolgens worden u de volgende opties voorgeschoteld:
• Middenniveau1 – Niveau voor de middenluidspreker.
• Surround-niveau1 – Niveau voor de zogeheten Ambient Surround Sound.
Equalizer
Met de equalizer2 kunt u de niveaus voor de
verschillende frequentiebanden ieder apart instellen.
1. Ga naar Audio-instellingen en kies voor
Equalizer voor of Equalizer achter.
Stel het niveau voor de frequentieband bij
met
/
van de navigatietoets. Druk op
/
om een andere frequentieband te kiezen.
1 Premium
2 Bepaalde
Sound
systeemuitvoeringen
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
2. Leg de instelling vast met ENTER of
annuleer uw keuze met EXIT.
Positie in cd-wisselaar* kiezen
Cd doorzoeken
Soundstage1
Weergave starten (cd-speler)
De geluidsweergave is dusdanig in te stellen
dat deze optimaal is voor de bestuurder, voor
de inzittenden voorin of voor de achterpassagiers. Kies een van de alternatieven onder
Audio-instellingen
Geluidspodium.
Een eventuele muziek-cd in de speler wordt
automatisch afgespeeld, wanneer u op CD
drukt. Steek anders een cd in de invoeropening en druk op CD.
Cd-functies
Weergave starten (cd-wisselaar)
2
3
5
6
Met een lange druk op de uitwerptoets kunt u
alle discs uitwerpen. Alle discs in het magazijn
worden dan één voor één uitgeworpen.
Pauzeren
Wanneer u het volume helemaal omlaagdraait,
wordt de weergave van de cd-speler onderbroken. Bij het verhogen van het volume
wordt er weer verder gespeeld.
Middenconsole, bedieningstoetsen voor cdfuncties
Cd uitwerpen
Opening voor het invoeren/uitwerpen
van cd’s
Navigatietoets voor het wisselen van cdtracks
Vooruit-/achteruitspoelen en wisselen van
cd-tracks
1. Kies een lege sleuf met de cijfertoetsen 1–6
of
/
van de navigatietoets.
Op het display staat aangegeven welke sleuf
leeg is. De melding Disc plaatsen geeft aan
dat u een volgende cd kunt aanbrengen. De
cd-wisselaar biedt plaats aan zes cd’s.
2. Steek een cd in de invoeropening van de
cd-wisselaar.
Disc uitwerpen
U hebt ca. 12 seconden de tijd om een uitgeworpen disc uit te nemen. Als de disc na afloop van deze periode nog in de cd-speler zit,
wordt de disc weer ingenomen en verder afgespeeld.
04
Muziekbestanden1
De cd-speler ondersteunt ook muziekbestanden in mp3- en wma-formaat.
Cd aanbrengen (cd-wisselaar)
4
G010267
1
Als er een cd-sleuf met een muziek-cd is gekozen, gaat de weergave automatisch van
start wanneer u op CD drukt. Kies als dat niet
het geval is een cd met de cijfertoetsen 1–6
of
/
van de navigatietoets.
Met een korte druk op de uitwerptoets kunt u
één enkele disc uitwerpen.
N.B.
De speler kan bepaalde muziekbestanden
met kopieerbeveiliging niet lezen.
Wanneer u een cd met muziekbestanden in de
speler aanbrengt, wordt een eventuele mapstructuur op de disc automatisch geladen. Afhankelijk van de kwaliteit van de disc kan het
enige tijd duren voordat de disc wordt afgespeeld.
Navigeren en afspelen
Als er een disc met muziekbestanden in de
cd-speler zit, kunt u met ENTER de map1 High
Performance en Premium Sound.
113
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
structuur openen. U navigeert op dezelfde
manier in de mapstructuur als in de menustructuur van het audiosysteem. Muziekbestanden worden aangeduid met het symbool
en mappen met
. Met een druk op
ENTER gaat het afspelen van de muziekbestanden van start.
04
Wanneer een bepaald muziekbestand helemaal afgespeeld is, worden de overige bestanden in dezelfde map weergegeven. Nadat
alle bestanden in een bepaalde map zijn afgespeeld, wordt er automatisch van map gewisseld.
Vooruit-/achteruitspoelen en van track/
muziekbestand op de cd wisselen
Druk kort op
/
van de navigatietoets om
tracks/muziekbestanden op een cd te selecteren. Druk lang om cd-tracks/muziekbestanden
versneld vooruit/achteruit te spoelen. U kunt
daarvoor ook gebruik maken van de toetsenset op het stuurwiel. U kunt ook van track wisselen door aan de knop TUNING te draaien.
Cd doorzoeken
Bij activering van deze functie worden van alle
tracks/muziekbestanden op een cd de eerste
tien seconden weergegeven. Druk op SCAN
om de functie te activeren. Beëindig de functie
met EXIT of SCAN om de weergave van de
114
actuele tracks/muziekbestanden op de cd
voort te zetten.
Willekeurige afspeelvolgorde
Bij activering van deze functie speelt de speler
de tracks/muziekbestanden in willekeurige
volgorde af. U kunt de willekeurig gekozen
tracks/muziekbestanden op de cd op de gebruikelijke manier doorbladeren.
N.B.
Bij gebruik van de linker of rechter pijl wordt
alleen een nieuwe willekeurige track op de
afgespeelde cd geselecteerd.
Afhankelijk van het type willekeurige afspeelvolgorde dat geselecteerd is, verschijnt er een
bepaalde displaymelding:
• RANDOM houdt in dat de tracks/muziekbestanden op slechts één van de muziekcd’s worden afgespeeld.
• RND ALL houdt in dat alle tracks/muziekbestanden op alle muziek-cd’s in de cdspeler worden afgespeeld.
• RANDOM FOLDER houdt in dat de muziekbestanden in een willekeurige map op
de gekozen cd worden afgespeeld.
Cd-speler
Activeer/deactiveer de functie tijdens het afspelen van een normale muziek-cd onder
Random.
Activeer/deactiveer de functie bij het beluisteren van een disc met muziekbestanden onder
Random
Map.
Cd-wisselaar
Activeer/deactiveer de functie bij het afspelen
van een normale muziek-cd onder
Random
Enkele disc of Random
Alle
discs. Het alternatief Alle discs geldt alleen
voor de muziek-cd’s die in de cd-wisselaar zitten.
Tijdens het afspelen van een cd met muziekbestanden moet u de functie echter activeren/
deactiveren onder Random
Map. Wanneer u een andere cd kiest, wordt de functie
gedeactiveerd.
Disctekst
Eventuele tracktitels op de muziek-cd kunnen
via het display worden weergegeven. Bij Premium Sound en High Performance geldt ook
voor cd’s met mp3- en wma-bestanden. Activeer/deactiveer de functie in de stand CD onder Cd-instellingen
Tekst disc.
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
Radiofuncties
Voorkeurzenders
U kunt per frequentieband tien voorkeurzenders vastleggen. De FM-band heeft twee geheugenbanken met voorkeurzenders: FM1 en
FM2. Alleen de radiozender die via de luidsprekers van de auto weergegeven wordt is,
als voorkeurzender in te stellen. U kiest een
voorkeurzender met de voorkeurtoetsen.
7
1
2
3
5
4
G010268
6
Middenconsole, bedieningstoetsen voor radiofuncties
Navigatietoets voor het automatisch zoeken van zenders
Geselecteerde functie beëindigen
Handmatig zenders zoeken
Frequentieband doorzoeken
Automatisch zenders vastleggen
Voorkeurtoetsen en handmatig voorkeurzenders vastleggen
Frequentieband AM en FM (FM1 en FM2)
kiezen
Automatisch zenders zoeken
1. Kies een frequentieband met FM of AM.
2. Druk op
/
van de navigatietoets.
Handmatig zenders zoeken.
1. Kies een frequentieband met FM of AM.
2. Draai aan TUNING.
De radio blijft in de automatische stand staan,
totdat u op AUTO of FM drukt.
U kunt gebruik maken van de automatisch
vastgelegde radiozenders door de radio als
volgt in de automatische stand te zetten:
1. Druk op AUTO.
De melding Auto verschijnt op het display.
De voorkeurzenders kunnen handmatig of automatisch worden vastgelegd.
2. Druk op een voorkeurtoets.
Voorkeurzenders handmatig vastleggen
Deze functie doorzoekt de actuele frequentieband automatisch op goed te ontvangen zenders. Wanneer er een zender is gevonden,
wordt deze ca. acht seconden lang weergegeven voordat de zoekfunctie wordt voortgezet.
Gedurende de weergave van een zender kunt
u die op de gebruikelijke manier als voorkeurzender vastleggen.
1. Stem af op een zender.
2. Houd een van de voorkeurtoetsen ingedrukt, totdat de melding Zender opgeslagen op het display verschijnt.
Automatisch zenders vastleggen.
Deze functie is met name handig in gebieden,
waar u de radiozenders en hun frequenties
niet kent. De tien best te ontvangen radiozenders worden automatisch in een aparte geheugenbank vastgelegd.
1. Kies een frequentieband met FM of AM.
2. Houd AUTO ingedrukt, totdat Autom.
opslaan op het display verschijnt.
Wanneer Autom. opslaan van het display verdwijnt, zijn de zenders vastgelegd. De radio
gaat over op de automatische stand en de
melding Auto verschijnt op het display. De automatisch vastgelegde voorkeurzenders zijn
vervolgens rechtstreeks te kiezen met de voorkeurtoetsen. De automatische vastlegfunctie
voor radiozenders is te beëindigen met EXIT.
Frequentieband doorzoeken
04
1. Kies een frequentieband met AM of FM.
2. Druk op SCAN.
De melding SCAN verschijnt op het display.
Druk tot slot op SCAN of EXIT.
RDS-functies
Radio Data System – RDS verbindt FMzenders in een netwerk met elkaar. Een FMzender in een dergelijk netwerk verstuurt bepaalde informatie, zodat een RDS-radio onder meer de volgende mogelijkheden biedt:
• Automatisch overschakelen op een beter
doorkomende zender als de ontvangst in
een bepaald gebied slecht is.
115
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
• Zoeken op programmatype zoals zenders
die verkeersinformatie of nieuws doorgeven.
• Weergeven van informatieve tekst over het
beluisterde radioprogramma.
N.B.
Sommige radiozenders maken geen gebruik van RDS of alleen in beperkte mate.
04
116
Als er een zender met het gewenste programmatype is aangetroffen, kan de radio vervolgens op deze zender overschakelen en de
weergave van de actieve geluidsbron onderbreken. Als de cd-speler bijvoorbeeld actief is,
wordt de weergave daarvan tijdelijk onderbroken. De uitzending met het gekozen programmatype wordt weergegeven op een vooraf bepaald volume (zie pagina 117). Na afloop van
de uitzending van het gekozen programmatype geeft de radio de voorgaande geluidsbron opnieuw weer op het volume dat u daarvoor had ingesteld.
De programmafuncties alarm (ALARM!),
verkeersinformatie (TP), nieuws (NEWS) en
programmatype (PTY) worden in volgorde van
belangrijkheid weergegeven, waarbij geldt dat
alarm de hoogste prioriteit geniet en de programmatypes de laagste. Zie EON en REG op
pagina 117 voor meer instellingen die te maken hebben met het onderbreken van uitzendingen. Druk op EXIT om de weergave van de
onderbroken geluidsbron te hervatten.
Alarm
De functie wordt gebruikt om de bevolking attent te maken op ernstige ongelukken of calamiteiten. U kunt de functie alarm niet tijdelijk
onderbreken of deactiveren. De melding
ALARM! verschijnt op het display, wanneer er
een alarmmelding wordt verzonden.
Verkeersinformatie, TP
Bij activering van deze functie wordt de weergave van de actieve geluidsbron onderbroken
voor een uitzending met verkeersinformatie
via het RDS-netwerk van de zender waarop is
afgestemd. De melding TP geeft aan dat de
functie actief is. Als de zender waarop u hebt
afgestemd verkeersinformatie kan doorgeven, staat er TP op het display.
Activeer/deactiveer deze functie onder
FM-instellingen
TP.
netwerk van de zender waarop is afgestemd.
De melding NEWS geeft aan dat de functie
actief is.
U kunt de functie activeren/deactiveren onder
FM-instellingen
Nieuws.
Nieuws via beluisterde zender/alle
zenders
De radio kan de weergave van de actieve geluidsbron onderbreken voor een nieuwsuitzending via de (actuele) zender die u beluistert of
via alle zenders. Ga naar FM-instellingen
Geav. radio-instellingen
Nieuwszender
om wijzigingen aan te brengen.
Programmatype, PTY
De radio kan de weergave van de actieve geluidsbron onderbreken voor verkeersinformatie via de (actuele) zender die u beluistert of via
alle zenders.
Met de functie PTY is het mogelijk verschillende programmatypes te kiezen zoals popmuziek en klassieke muziek. De melding PTY
geeft aan dat de functie actief is. Bij activering
van deze functie wordt de weergave van de
actieve geluidsbron onderbroken voor een uitzending van het gekozen programmatype via
het RDS-netwerk van de zender waarop is afgestemd.
Ga naar FM-instellingen
Geav. radioinstellingen
TP
TP-zender om wijzigingen aan te brengen.
Activeer de functie in de stand FM door een
programmatype te selecteren onder FM-instellingen
PTY
PTY selecteren.
Nieuws
Deactiveer de functie door de PTY’s te wissen
onder FM-instellingen
Alle PTY’s wissen.
TP via beluisterde zender/alle zenders
Bij activering van deze functie wordt de weergave van de actieve geluidsbron onderbroken
voor een nieuwsuitzending via het RDS-
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
PTY zoeken
Bij activering van deze functie wordt de gehele
frequentieband doorzocht op uitzendingen
van het gekozen programmatype.
1. Kies een PTY onder FM-instellingen
PTY
PTY selecteren.
2. Ga naar FM-instellingen
PTY
PTY
zoeken.
Als de radio een uitzending van een van de
gekozen programmatypes vindt, verschijnt
>| om te zoeken op het display. Druk op
van de navigatietoets om verder te zoeken
naar een andere uitzending van een van de
gekozen programmatypes.
Programmatype weergeven
Het is mogelijk het programmatype van de
zender die u op dat moment beluistert op het
display weer te geven.
Activeer/deactiveer deze functie in de stand
FM onder FM-instellingen
PTY
PTYtekst weergeven.
N.B.
Niet alle radiozenders ondersteunen deze
functie.
Radiotekst
Sommige RDS-zenders geven informatie door
over de inhoud van de uitzendingen, uitvoerende artiesten e.d. Deze informatie kan op
het display worden weergegeven.
Activeer/deactiveer deze functie in de stand
FM onder Radiotekst.
ken voor uitzendingen van een bepaald programmatype.
Automatische afstemfunctie, AF
Activeer/deactiveer de functie in de stand FM
door een van de alternatieven te kiezen onder
FM-instellingen
Geav. radioinstellingen
EON:
Bij activering van deze functie wordt er automatisch afgestemd op het sterkste signaal
voor een bepaalde radiozender. Soms moet
de radio de gehele FM-band doorzoeken om
een sterk zendersignaal te vinden. In dat geval
valt de radio stil en verschijnt de melding
PI zoeken Exit annuleren op het display.
Activeer/deactiveer de functie in de stand FM
onder FM-instellingen
Geav. radioinstellingen
AF.
Regionale radioprogramma’s, REG
Deze functie maakt het mogelijk om op een
bepaalde regionale zender afgestemd te blijven ondanks dat het signaal zwak is. De
melding REG geeft aan dat de functie actief is.
Activeer/deactiveer de functie in de stand FM
onder FM-instellingen
Geav. radioinstellingen
Regionaal.
EON (Enhanced Other Networks)
Deze functie is met name handig in stedelijke
gebieden met een groot aantal regionale radiozenders. Bij activering van de functie is de
afstand tot de zendmast van een radiozender
bepalend voor de vraag of de weergave van
de actieve geluidsbron kan worden onderbro-
• Plaatselijk – Alleen onderbreking wanneer
de zendmast van de radiozender dichtbij is.
• Afstand1 – Ook onderbreking als de zendmast van de zender ver weg staat en zijn
signaal storingen vertoont.
• Uit – Geen onderbreking voor een uitzending van een bepaald programmatype via
andere zenders.
04
RDS-functies resetten
Met deze kunt u alle fabriekinstellingen voor
RDS herstellen. Reset in de stand FM onder
FM-instellingen
Geav. radioinstellingen
Alles resetten.
Volumeregeling programmatypes
De onderbrekende uitzendingen van het gekozen programmatype (bijv. NIEUWS of TP) worden weergegeven op het volume dat voor het
programmatype is gekozen. Als u het volume
tijdens de onderbreking bijregelt, wordt het
nieuwe volume opgeslagen voor een volgende
onderbreking.
1
Default/Fabrieksinstelling.
117
04 Comfort en rijplezier
Boordcomputer
Algemene informatie
Functies
N.B.
1
2
Als er een waarschuwingsmelding verschijnt
terwijl de boordcomputer in gebruik is, moet
u deze melding eerst bevestigen om naar de
boordcomputerfunctie terug te keren. U bevestigt door op READ te drukken.
3
3603794s
04
Informatiedisplay en bedieningstoetsen
READ – bevestigen.
Duimwiel – menu’s en opties binnen de
cruisecontrol-lijst doorbladeren.
RESET – op nul stellen.
Om toegang te krijgen tot de informatie in de
boordcomputer, moet u het duimwiel in stappen omhoog of omlaag draaien. Wanneer u na
het laatste menu nogmaals aan het wieltje
draait, keert u terug naar de uitgangspositie.
Neem contact op met een erkende Volvowerkplaats, als u de eenheid wilt wijzigen
waarin de afstand en de snelheid worden
weergegeven.
Actuele snelheid*
De actuele snelheid wordt weergegeven in miles per hour, mph.
Gem. snelheid
De auto berekent de gemiddelde snelheid
sinds de laatste maal dat u deze waarde op
nul hebt gesteld. U stelt de waarde op nul met
RESET.
Momentaan
Het momentane (actuele) brandstofverbruik
wordt eenmaal per seconde berekend. De
waarde op het display wordt om de paar seconden bijgewerkt. Wanneer de auto stilstaat,
geeft het display “----” aan.
Gemiddeld
Het gemiddelde brandstofverbruik sinds de
laatste maal dat u de waarde op nul hebt gesteld. U stelt de waarde op nul met RESET.
118
N.B.
Er kunnen onjuiste waarden verschijnen, als
u een standverwarming* op brandstof hebt
gebruikt.
Km actieradius
De actieradius wordt berekend aan de hand
van het gemiddelde brandstofverbruik over de
laatste 30 km. De uitkomst geeft de afstand
aan die bij benadering kan worden afgelegd
met de resterende hoeveelheid brandstof in
de tank. Wanneer de actieradius kleiner is dan
20 km, geeft het display “----” aan.
N.B.
Er kunnen onjuiste waarden verschijnen, als
u een standverwarming* op brandstof hebt
gebruikt.
Op nul stellen
1. Selecteer gem. snelheid of gemiddeld.
2. Houd RESET ca. 1 seconde ingedrukt
om de waarde voor de gekozen functie
op nul te stellen. Als u RESET ten minste
3 seconden lang ingedrukt houdt, stelt u
de gemiddelde snelheid en het gemiddelde brandstofverbruik gelijktijdig op nul.
04 Comfort en rijplezier
Kompas*
Bediening
totdat de melding CAL van het display
verdwijnt om aan te geven dat de kalibratie afgerond is.
Kalibreren
Zone kiezen
9
6
8
10
7
9
8
Achteruitkijkspiegel met kompas.
In de rechter bovenhoek van de achteruitkijkspiegel zit een display waarop wordt aangegeven in welke richting de voorkant van de
auto wijst. Er worden acht verschillende richtingen met Engelse afkortingen weergegeven:
N (noord), NE (noordoost), E (oost), SE (zuidoost), S (zuid), SW (zuidwest), W (west) en NW
(noordwest).
Het kompas wordt automatisch geactiveerd
wanneer u de motor start of het contactslot in
stand II zet. Om het kompas handmatig in of
uit te schakelen kunt u een paperclip of iets
dergelijks nemen en het knopje aan de achterzijde van de achteruitkijkspiegel indrukken.
Kompas kalibreren.
Het kompas moet soms voor de nauwkeurigheid worden gekalibreerd. Als kalibratie nodig
is, verschijnt CAL op het display van de spiegel.
1. Breng de auto op een groot en open terrein
tot stilstand.
2. Start de motor.
3. Houd het knopje aan de achterzijde van
de achteruitkijkspiegel ingedrukt (met bijvoorbeeld een paperclip), totdat de melding CAL opnieuw verschijnt (ca.
6 seconden lang).
4. Rijd op de normale manier weg. CAL
verdwijnt van het display, wanneer de
kalibratie is afgerond.
Alternatieve kalibratiemethode:
Rijd langzaam een rondje in de auto met
een snelheid van hoogstens acht km/h,
11
6
04
5
12
13
14
15
4
3
2
1
3905558s
8803554s
8803562s
7
Magnetische zones
De aarde is in 15 magnetische zones verdeeld.
Het kompas werkt alleen naar behoren als de
juiste zone geselecteerd is.
1. Zet het contactslot in stand II.
2. Houd het knopje aan de achterzijde van
de achteruitkijkspiegel ten minste
3 seconden lang (met een paperclip of
iets dergelijks) ingedrukt. Het nummer
van het actuele geografische gebied verschijnt.
3. Druk herhaaldelijk op het knopje totdat
het nummer van het gewenste geografische gebied (1–15) verschijnt.
4. Enkele seconden later geeft het display
de kompasrichting weer aan.
119
04 Comfort en rijplezier
Stabiliteits- en tractieregelsysteem
Het stabiliteits- en tractieregelsysteem (DSTC,
Dynamic Stability and Traction Control) helpt
de bestuurder voorkomen dat de wielen doorslippen en verbetert de tractie van de auto.
04
Het systeem stemt de aandrijfkracht en remkracht van elk van de wielen dusdanig af dat
ze niet doorslippen. Dit verhoogt de bestuurbaarheid en daarmee ook de veiligheid bij
snelle uitwijkmanoeuvres bijvoorbeeld.
De tractie wordt verbeterd doordat het systeem de aandrijfkracht over de wielen verdeelt. Het systeem grijpt voornamelijk in bij
lage snelheden op slechte wegen.
Tijdens het afremmen kunnen de ingrepen van
het systeem waarneembaar zijn in de vorm
van pulserende geluiden. Tijdens het gas geven kan de auto langzamer optrekken dan u
verwacht.
Meldingen op informatiedisplay
DSTC Tijdelijk UIT – Wegens een te hoge
temperatuur van de remschijven gelden er tijdelijk beperkingen voor het systeem. Het systeem wordt automatisch opnieuw ingeschakeld, wanneer de remmen weer voldoende zijn
afgekoeld.
DSTC Service vereist – Wegens een storing
werd het systeem uitgeschakeld.
120
Breng de auto op een veilige plaats tot stilstand en zet de motor af. Bezoek een erkende
Volvo-werkplaats, als de melding opnieuw
verschijnt nadat u de motor weer hebt gestart.
Bediening
Lampjes op instrumentenpaneel
1
Lees de melding op het informatiedisplay, als
de lampjes
en
gelijktijdig oplichten.
Als alleen het lampje
het volgende:
2
oplicht, betekent dat
• een knipperend lampje geeft aan dat het
systeem op dat moment ingrijpt;
• een lampje dat 2 seconden brandt geeft
aan dat de systeemtest bij het starten van
de motor loopt;
• een lampje dat na het starten van de motor
of tijdens het rijden oplicht, duidt op een
storing in het systeem.
Beperkte functie
Het is mogelijk de werking van het systeem te
beperken, wanneer de wielen doorslippen en
u gas geeft. Het systeem grijpt bij doorslippende wielen dan later in, zodat er een hogere
mate van doorslippen mogelijk is. Dit levert
een grotere bedieningsvrijheid op bij dynamisch rijden. De aandrijving in diepe lagen
sneeuw of zand wordt verbeterd, omdat er
dan geen beperkingen meer gelden voor de
tractie.
3603905s
Algemene informatie
1. Draai aan het duimwiel
totdat het menu
DSTC verschijnt.
DSTC AAN betekent dat de werking van het
systeem ongewijzigd is.
DSTC Spin Control UIT betekent dat er beperkingen gelden voor de werking van het
systeem.
2. Houd RESET
ingedrukt totdat het
menu DSTC zich wijzigt.
De beperkingen voor de werking van het systeem blijven van kracht totdat u de motor een
volgende keer opnieuw start.
WAARSCHUWING
Er kunnen wijzigingen optreden in de rijeigenschappen van de auto, als de werking
van het systeem wordt beperkt.
04 Comfort en rijplezier
Rijeigenschappen aanpassen
Actief chassis (FOUR-C)*
Het actieve chassissysteem FOUR-C (Continuously Controlled Chassis Concept) stemt
de eigenschappen van de schokdempers af
op de gewenste rijeigenschappen van de auto. U hebt de keuze uit drie standen: Comfort,
Sport en Advanced.
De bewegingen van de schokdempers zijn geoptimaliseerd voor maximale grip en minimale
overhelling in bochten.
Bediening
Naarmate de rijsnelheid hoger wordt neemt de
stuurbekrachtiging af, waardoor u een beter
gevoel met de weg krijgt. Op lage snelheden is
de stuurbekrachtiging groter zodat bijvoorbeeld parkeren minder moeite kost.
U kunt de mate van stuurbekrachtiging wijzigen onder Instellingen van de auto
Stuurkrachtniveau. Zie pagina 94 voor een
beschrijving van het menusysteem. Dit menu
is niet te openen wanneer de auto rijdt.
Comfort
04
3801181s
Bij deze stand die wordt geadviseerd voor lange ritten rijdt de auto comfortabeler dan normaal. De vering verloopt soepel waardoor de
bewegingen van de carrosserie minimaal en
aangenaam zijn.
Sport
Bij deze stand die wordt geadviseerd voor een
actievere rijstijl heeft de auto een sportiever
karakter. De auto reageert sneller op de bewegingen van het stuurwiel dan in de stand Comfort. De vering is stugger dan normaal en de
carrosserie volgt het wegdek om bij het snelle
bochtenwerk de mate van overhellen te beperken.
Snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging*
Chassisstanden
Gebruik de knoppen op de middenconsole
om van stand te veranderen. De chassisstand
die actief is bij het afzetten van de motor zal
de volgende keer dat u de motor start opnieuw geactiveerd worden.
Advanced
U wordt geadviseerd deze stand alleen te activeren op zeer rechte en vlakke wegen.
121
04 Comfort en rijplezier
Cruisecontrol*
Bediening
N.B.
Bij snelheden lager dan 30 km/h is het niet
mogelijk de cruisecontrol in te schakelen.
1
2
Ingestelde snelheid verhogen/verlagen
5
3
4
___
0
1
2700812s
04
In de actieve stand kunt u de snelheid verhogen of verlagen door de knop
of
korte
of lang in te drukken.
Display en bedieningstoetsen
Een tijdelijke verhoging van de snelheid met
het gaspedaal (zoals bij het inhalen) is niet van
invloed op de instelling van de cruisecontrol.
Als u het gaspedaal loslaat, neemt de auto automatisch de ingestelde snelheid weer aan.
Stand-by zetten
Ingestelde snelheid hervatten
Deactiveren
Snelheid activeren/instellen
Ingestelde snelheid
N.B.
Als een van de toetsen van de cruisecontrol
langer dan ca. één minuut ingedrukt wordt,
wordt de cruisecontrol uitgeschakeld. Om
de cruisecontrol in dat geval te resetten
moet u de motor afzetten.
Snelheid activeren en instellen
U kunt de cruisecontrol alleen activeren nadat
u deze stand-by hebt gezet met een druk op
CRUISE. Het symbool
licht op en de melding (---) km/h verschijnt om aan te geven dat
de cruisecontrol stand-by staat. De cruisecontrol is vervolgens te activeren met de
of de
, waarna de actuele snelheid wordt vastgezet en als ingestelde snelheid dient. De ingestelde snelheid staat op het display.
122
Automatische onderbreking
De cruisecontrol wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer de aangedreven wielen
doorslippen of als de snelheid bij het oprijden
van een steile helling daalt tot onder ca.
30 km/h. De cruisecontrol wordt uitgeschakeld wanneer u het rempedaal bedient, de
keuzehendel in de vrijstand zet of het gaspe-
daal lang (ca. 60 seconden) bedient. De cruisecontrol gaat dan stand-by en slaat de ingestelde snelheid op.
Onderbreking
Druk op 0 om de cruisecontrol te onderbreken. De opgeslagen snelheid staat tussen
haakjes op het informatiedisplay.
Ingestelde snelheid hervatten
De cruisecontrol kan na een onderbreking opnieuw geactiveerd worden door te drukken
op
. Het systeem hervat dan de eerder ingestelde snelheid.
N.B.
Wanneer u de ingestelde snelheid hebt herkan er een duidelijke snelvat met
heidsverhoging optreden.
Deactiveren
U schakelt de cruisecontrol uit met CRUISE
of door de motor af zetten. De ingestelde snelheid wordt daarbij gewist.
04 Comfort en rijplezier
Adaptieve cruisecontrol*
De adaptieve cruisecontrol (Adaptive Cruise
Control, ACC) vormt een hulpmiddel om u te
ontlasten bij lange ritten op rechte weggedeelten met een gelijkmatige verkeersstroom zoals
op snelwegen en provinciale wegen.
Laat het onderhoud van de onderdelen van de
adaptieve cruisecontrol over aan een erkende
Volvo-werkplaats.
Functie
WAARSCHUWING
1
2
3
3905615s
Algemene informatie
WAARSCHUWING
De adaptieve cruisecontrol leent zich niet
voor alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
Het onderdeel Functie dat begint op
pagina 123 informeert over de beperkingen
die u als bestuurder moet kennen, voordat u
de adaptieve cruisecontrol gebruikt.
Als bestuurder bent u ervoor verantwoordelijk dat u de juiste afstand en snelheid aanhoudt, ook als u gebruik maakt van de
adaptieve cruisecontrol. U dient altijd rekening te houden met de verkeersomstandigheden en in te grijpen, wanneer de
adaptieve cruisecontrol geen passende
snelheid of afstand aanhoudt.
Functie-overzicht
Waarschuwingslampje, afremmen noodzakelijk
Bedieningsknoppen
Radarsensor
De adaptieve cruisecontrol bestaat uit een
cruisecontrol die gekoppeld is aan een afstandshouder.
De adaptieve cruisecontrol is geen systeem
dat botsingen voorkomt. Grijp zelf in zodra u
merkt dat het systeem een voertuig voor u
niet registreert.
De adaptieve cruisecontrol remt niet voor
langzaam rijdende of stilstaande voertuigen.
Gebruik de adaptieve cruisecontrol niet in
stadsverkeer of drukke verkeersstromen, bij
gladheid, hevige regen- of sneeuwval of
slecht zicht en evenmin op weggedeelten met
een dikke laag water of sneeuwmodder, vele
bochten of op- en afritten.
04
De afstand tot het verkeer voor u wordt gemeten met een radarsensor. De snelheid wordt
afgeregeld door de stand van het gasklep aan
te passen en zo nodig af te remmen. Het is
volkomen normaal dat de remmen enige geluiden produceren, wanneer de adaptieve cruisecontrol ze aanspreekt.
WAARSCHUWING
Het rempedaal komt omlaag, wanneer de
cruisecontrol remt. Houd uw voet dan ook
niet onder het rempedaal om beknelling te
voorkomen.
De adaptieve cruisecontrol streeft ernaar de
afstand tot het voertuig dat voor u op dezelfde
rijstrook rijdt op een bepaalde tijdswaarde te
houden. Als de radarsensor geen voertuig
123
04 Comfort en rijplezier
Adaptieve cruisecontrol*
voor u registreert, wordt alleen de ingestelde
snelheid aangehouden. Dit gebeurt ook als de
snelheid van het voertuig voor u de ingestelde
snelheid van de adaptieve cruisecontrol overschrijdt.
04
De adaptieve cruisecontrol streeft ernaar de
snelheid zo weinig mogelijk aan te passen. In
situaties waarin krachtig moet worden geremd, dient u dan ook zelf te remmen. Dit is
bijvoorbeeld het geval bij grote snelheidsverschillen of als het voertuig dat voor u rijdt
krachtig remt. Door beperkingen van de radarsensor is het mogelijk dat er onverwachts of
helemaal niet wordt geremd (zie pagina 124).
De adaptieve cruisecontrol is alleen te activeren bij snelheden hoger dan 30 km/h. Als de
snelheid tot onder 30 km/h daalt of als het
motortoerental te laag wordt, wordt de adaptieve cruisecontrol automatisch uitgeschakeld
zodat er niet langer wordt afgeremd. U moet
het remmen in dat geval meteen overnemen
om een passende afstand te kunnen houden
tot het voertuig voor u te kunnen. De hoogste
snelheid die u kunt instellen is 200 km/h. Wanneer het systeem in bepaalde omstandigheden niet kan worden ingeschakeld, verschijnt
ACC niet beschikbaar op het display (zie
pagina 126).
Waarschuwingslampje, afremmen
noodzakelijk
Het remvermogen van de adaptieve cruisecontrol bedraagt ca. 30% van dat van het normale remsysteem van de auto. Als uw auto
124
harder moet afremmen dan de adaptieve cruisecontrol aankan en u remt zelf niet bij, dan
klinkt er een signaal en wordt een gedeelte onder aan de voorruit verlicht door een rood
waarschuwingslampje. Het rode waarschuwingslampje is soms moeilijk te ontdekken in
de felle zon of bij het gebruik van een zonnebril.
WAARSCHUWING
De adaptieve cruisecontrol waarschuwt alleen voor de voertuigen die de radarsensor
heeft geregistreerd. Het is dan ook mogelijk
dat een waarschuwing uitblijft of pas na
enige vertraging wordt gegeven. Wacht een
waarschuwing dan ook niet af, maar rem
zelf wanneer u dat nodig acht.
Automatisch deactiveren
•
•
•
•
de wielen hun grip op het wegdek verliezen;
de remmen een hoge temperatuur hebben;
het toerental van de motor te laag wordt;
de radarsensor wordt gehinderd door natte
sneeuw of regen.
Radarsensor en de beperkingen
ervan
De radarsensor wordt zowel gebruikt door de
adaptieve cruisecontrol als door het CWSsysteem. De sensor dient om personenauto’s
of grotere voertuigen te registreren die in dezelfde richting als u rijden. De radarsensor reageert niet op voetgangers, op voertuigen die
langzaam in tegengestelde richting rijden of
stilstaan noch op vaste obstakels. Er wordt in
dat geval dan ook geen waarschuwing afgegeven en evenmin afgeremd.
De adaptieve cruisecontrol is afhankelijk van
andere systemen zoals het stabiliteits- en
tractieregelsysteem (DSTC). Als een van dergelijke systeem uitvalt, wordt de cruisecontrol
automatisch uitgeschakeld.
Bij modificatie van de radarsensor is het mogelijk dat het gebruik ervan onwettig wordt.
Bij automatische deactivering klinkt er een
signaal en verschijnt de melding ACC gedeactiveerd op het display. U moet in dat geval
zelf ingrijpen om de afstand tot het voertuig
voor u aan te passen.
Het is niet toegestaan accessoires of andere voorwerpen voor de grille te monteren.
Automatische deactivering is mogelijk, wanneer:
• de snelheid daalt tot onder 30 km/h;
WAARSCHUWING
De radarsensor heeft veel meer moeite om
een voertuig voor u te ontdekken:
• als de radarsensor gehinderd wordt door
bijvoorbeeld hevige regenval of als
sneeuwmodder of andere verontreinigingen
de radarsensor afdekken.
04 Comfort en rijplezier
Adaptieve cruisecontrol*
rijstrook rijden, kunnen onopgemerkt blijven.
In bochten kan de radarsensor op het
verkeerde voertuig reageren of een eerder
opgemerkt voertuig uit het zicht verliezen.
N.B.
Houd het gebied voor de radarsensor
schoon.
• als de snelheid van het voertuig voor u te
veel afwijkt van dat van uw eigen auto.
De radarsensor heeft een beperkt bereik. In
bepaalde gevallen kan de sensor helemaal
geen voertuigen ontdekken of reageren op
een ander voertuig dan u verwacht.
Bediening
1
2
3
1
2
0
1/2
1
3
2700813s
4
3905614s
Display en bedieningstoetsen
Bereik van de radarsensor (grijs gearceerd)
Soms kan de radarsensor een voertuig op
geringe afstand niet registreren, bijvoorbeeld als een inhalend voertuig invoegt
tussen u en uw voorligger.
Ook kleine voertuigen, zoals motorfietsen
of voertuigen die niet in het midden van de
Instellingen activeren en hervatten, snelheid verhogen
Stand-bystand, in-/uitschakelen
Tijdsafstand instellen
Activeren en snelheid instellen
Uitschakeling bij ingreep bestuurder
De cruisecontrol wordt gedeactiveerd wanneer u het rempedaal bedient, de keuzehendel
in de vrijstand zet of het gaspedaal lang bedient. De cruisecontrol gaat dan stand-by,
waarna u de snelheid van de auto helemaal
zelf kunt bepalen. Wanneer u het gaspedaal
korte tijd bedient zoals bij een inhaalmanoeuvre, wordt de cruisecontrol tijdelijk gedeactiveerd. Zodra u het gaspedaal loslaat, wordt de
cruisecontrol echter weer geactiveerd.
Activeren en snelheid instellen
U kunt de adaptieve cruisecontrol alleen activeren nadat u deze stand-by hebt gezet
met
. De ingestelde tijdsafstand verschijnt korte tijd op het display. De cruisecontrol is te activeren met de
of de
, waarna
de actuele snelheid wordt vastgezet en als ingestelde snelheid wordt opgeslagen. De ingestelde snelheid staat op het display. In de actieve stand stelt u de snelheid bij door de
of
kort of lang in te drukken of met
. De
knop
heeft dezelfde functie als + maar levert een minder grote snelheidsverhoging op.
04
N.B.
Als de adaptieve cruisecontrol niet lijkt te
reageren na activering, is het mogelijk dat
de tijdsafstand tot het voertuig voor u geen
snelheidsverhoging toelaat.
N.B.
In bepaalde situaties is het niet mogelijk de
adaptieve cruisecontrol te activeren. In dat
geval verschijnt ACC niet beschikbaar op
het display (zie pagina 126).
125
04 Comfort en rijplezier
Adaptieve cruisecontrol*
Tijdsafstand instellen
04
U kunt de ingestelde tijdsafstand tot het voertuig voor u vergroten met
en verkleinen
met
. De actuele tijdsafstand blijft na wijziging korte tijd op het display staan. U hebt de
keuze uit vijf verschillende tijdsafstanden. Bij
de langere tijdsafstanden verloopt de snelheidsregeling soepeler. Het wordt geadviseerd de tijdsafstanden drie tot vijf aan te houden. De tijdsafstanden een en twee zijn voornamelijk bedoeld bij filevorming in druk verkeer, maar u moet dan wel vaker zelf ingrijpen.
Wanneer u
kort indrukt in de standbystand of lang indrukt in de actieve stand,
wordt de adaptieve cruisecontrol uitgeschakeld. Daarbij wordt de ingestelde snelheid gewist waarna u deze niet meer kunt hervatten.
Symbolen op display
Lampje
Voertuig ontdekt in actieve
stand waarop de adaptieve
cruisecontrol uw snelheid
afstemt.
Houd alleen een tijdsafstand aan die niet in
strijd is met de geldende verkeersregels.
Afstandsaanduiding.
Instellingen deactiveren en hervatten
Bij een korte druk op
of actief ingrijpen
van uw kant zoals het bedienen van het rempedaal wordt de adaptieve cruisecontrol gedeactiveerd. De ingestelde snelheid staat dan
tussen haakjes op het display. U kunt de ingestelde snelheid en tijdsafstand hervatten met
een druk op
.
N.B.
Wanneer u de ingestelde snelheid hebt hervat met
kan er een duidelijke snelheidsverhoging optreden.
126
Betekenis
ACC
gedeactiveerd
De adaptieve cruisecontrol werd uitgeschakeld. U dient zelf uw
snelheid aan te passen.
De adaptieve cruisecontrol werkt niet. Bezoek
een erkende Volvowerkplaats.
De adaptieve cruisecontrol kan niet worden ingeschakeld. Dit kan onder
meer gebeuren wanneer:
ACC Service
vereist
Betekenis
Stand-bystand of geen
voertuig ontdekt in actieve
stand.
N.B.
Melding
Displaymeldingen
Melding
Betekenis
Radar
afgedekt Zie
instructieb.
De adaptieve cruisecontrol werkt tijdelijk niet.
De melding verschijnt als
de radarsensor gehinderd
wordt en geen andere
voertuigen kan ontdekken
door bijvoorbeeld hevige
regenval of als sneeuwmodder de radarsensor
afdekt.
ACC niet
beschikbaar
• er beperkingen gelden
voor het stabiliteits- en
tractieregelsysteem
(DSTC) (zie
pagina 120);
• de remmen een hoge
temperatuur hebben;
• de radarsensor wordt
gehinderd door natte
sneeuw of regen.
04 Comfort en rijplezier
Anti-botsingsysteem met remassistentie* (CWS-systeem)
Het anti-botsingsysteem (CWS, Collision Warning with brake Support) is een hulpmiddel dat
bestemd is om u te waarschuwen wanneer het
gevaar bestaat dat u op een voertuig voor u
botst.
De remassistentie beperkt de snelheid van de
impact.
Laat het onderhoud van de onderdelen van
het anti-botsingsysteem over aan een erkende
Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Het anti-botsingsysteem werkt niet in alle
rijsituaties en verkeers-, weers- of wegomstandigheden. Het anti-botsingsysteem
reageert niet op langzaam rijdende en stilstaande voertuigen noch op voertuigen die
in een andere richting als u rijden.
Er worden alleen waarschuwingssignalen
afgegeven, wanneer de kans op een botsing groot is. Het onderdeel Functie informeert over de beperkingen die u als
bestuurder moet kennen, voordat u de
adaptieve cruisecontrol gebruikt.
De remassistentie die het anti-botsingsysteem biedt kan de snelheid van impact alleen beperken als u zelf ook actief meeremt.
Wacht daarom nooit het waarschuwingssignaal van het anti-botsingsysteem af. Als
bestuurder bent u ervoor verantwoordelijk
dat u de juiste afstand en snelheid aanhoudt, ook als u gebruik maakt van het antibotsingsysteem.
Functie
1
2
3905613s
Algemene informatie
04
Functie-overzicht
Visueel waarschuwingssignaal bij gevaar
voor een botsing
Sensor
De radarsensor registreert een voertuig voor u
dat in dezelfde richting als u rijdt. Bij gevaar
voor een botsing met een dergelijk voertuig
wordt u daarop attent gemaakt met behulp
van een rood waarschuwingslampje en een
waarschuwingsgeluid.
Als het gevaar voor een botsing na de waarschuwing verder toeneemt, treedt de remassistentie in werking. De remassistentie treft de
nodige voorbereidingen voor een snelle remmanoeuvre waarna de remmen licht worden
aangezet. Dit is te merken aan een lichte
schok. Als u het rempedaal met een bepaalde
127
04 Comfort en rijplezier
Anti-botsingsysteem met remassistentie* (CWS-systeem)
snelheid bedient, wordt het maximale remvermogen geleverd ook al trapt u het pedaal niet
zo ver in. Het anti-botsingsysteem is actief bij
snelheden tussen 7 km/h en 180 km/h.
Beperkingen
04
Het visuele waarschuwingssignaal is soms
moeilijk te ontdekken in de felle zon of bij het
gebruik van een zonnebril. Activeer in dergelijke omstandigheden daarom altijd het waarschuwingsgeluid.
die van de adaptieve cruisecontrol. Zie
pagina 124 voor meer informatie over de radarsensor en de beperkingen ervan.
Wanneer het systeem geen of pas laat waarschuwingen afgeeft, treedt ook de remassistentie niet of pas laat in werking.
Bediening
Sommige instellingen kunt u regelen via het
menusysteem van de middenconsole. Zie
pagina 94 voor informatie over het gebruik van
het menusysteem.
Valse waarschuwingen kunnen zich zowel
voordoen in de vorm van geluidssignalen als
in de vorm van lichtsignalen. Door de waarschuwingsafstand te verkleinen kunt u het
aantal valse waarschuwingen beperken.
Het visuele waarschuwingssignaal kan korte tijd buiten werking worden gesteld, wanneer de temperatuur in het interieur
bijvoorbeeld door de felle zon te hoog is opgelopen. Als dit gebeurt, wordt er een waarschuwingsgeluid afgegeven ook al hebt u
dit uitgeschakeld via het menusysteem.
3603839s
N.B.
Knop voor activering/deactivering van waarschuwingssignalen.
N.B.
Waarschuwingen kunnen eveneens uitblijven
bij een zeer geringe afstand tot het voertuig
voor u of bij relatief grote stuur- en pedaalbewegingen zoals bij een zeer actieve rijstijl.
Als de radarsensor op grond van de verkeerssituatie problemen heeft een voertuig voor u te
ontdekken, is het mogelijk dat het systeem
pas laat, onterecht of helemaal geen waarschuwing geeft. Het anti-botsingsysteem
maakt gebruik van dezelfde radarsensor als
128
De remassistentie werkt onafhankelijk van
de instellingen die hier beschreven staan.
Waarschuwingssignalen activeren/
deactiveren
U kunt de geluids- en lichtsignalen die het
anti-botsingsysteem gebruikt activeren/deactiveren met
. Een brandend lampje in de
04 Comfort en rijplezier
Anti-botsingsysteem met remassistentie* (CWS-systeem)
knop geeft aan dat de waarschuwingssignalen
geactiveerd zijn.
Bij het starten van de auto worden het waarschuwingsgeluid en het waarschuwingslampje
automatisch geactiveerd. U kunt de automatische activering opheffen onder Instellingen
van de auto
Instellingen CWSsysteem
Aan bij starten.
U kunt het waarschuwingsgeluid apart activeren/deactiveren onder Instellingen van de
auto
Instellingen CWS-systeem
Waarschuwingsgeluid.
N.B.
Ook als u de waarschuwingsafstand hebt
ingesteld op Lang, kunnen de waarschuwingen voor uw gevoel soms laat worden
afgegeven.
Instellingen controleren
U kunt de geldende instellingen het eenvoudigst controleren door tweemaal achtereen in
snel tempo op
te drukken. De instellingen verschijnen op het display.
04
Displaymeldingen
WAARSCHUWING
Bij gebruik van de adaptieve cruisecontrol
worden het waarschuwingslampje en het
waarschuwingsgeluid door de cruisecontrol
gehanteerd, ook al hebt u deze gedeactiveerd.
Waarschuwingsafstand instellen
De gevoeligheid vormt een maat voor het tijdstip waarop het visuele en eventueel het
akoestische waarschuwingssignaal worden
afgegeven. Kies een van de alternatieven onder Instellingen van de auto
Instellingen
CWS-systeem
Waarschuwingsafstand.
Radar geblokkeerd Zie instructieb. – Het
anti-botsingsysteem werkt tijdelijk niet. De
melding verschijnt bij hevige regenval of als de
radarsensor wordt afgedekt door een laag
natte sneeuw. Zie het onderdeel over de beperkingen van de radarsensor (zie
pagina 124).
CWS-systeem Service vereist – Het antibotsingsysteem werkt niet. Bezoek een erkende Volvo-werkplaats als de melding niet
verdwijnt.
129
04 Comfort en rijplezier
Parkeerhulp*
WAARSCHUWING
04
Hoewel de parkeerhulp handig is bij het
parkeren, bent u nog altijd schadeplichtig
bij eventuele fouten. Wanneer er obstakels
in de dode hoeken van de sensoren zitten,
zal het systeem ze niet kunnen ontdekken.
Houd kinderen en dieren in de buurt van de
auto in de gaten.
Functie1
Het systeem wordt bij het starten van de motor automatisch geactiveerd. Het lampje in de
knop op het schakelaarpaneel gaat branden.
De melding Park Assist AAN verschijnt op
het display van de middenconsole, als u de
achteruitversnelling inschakelt of als de voorste sensoren een obstakel registreren.
De parkeerhulp aan de voorzijde is actief bij
snelheden tot 15 km/h, ook als u achteruitrijdt.
Bij hogere snelheden wordt het systeem gedeactiveerd. Het lampje in de knop blijft echter
branden om aan te geven dat het systeem een
volgende keer dat u de auto parkeert opnieuw
1 Afhankelijk
van de markt is parkeerhulp een
standaardfunctie, optie of accessoire.
130
actief is. Het systeem wordt opnieuw geactiveerd bij snelheden lager dan 10 km/h.
Hoe dichter u het obstakel achter of voor de
auto nadert, des te sneller volgen de geluidssignalen elkaar op. Wanneer u ondertussen
naar een andere geluidsbron van het audiosysteem luistert, wordt het volume daarvan tijdelijk verlaagd.
Bij een afstand van ca. 30 cm bestaat het geluidssignaal uit een ononderbroken toon. Als
er zowel voor als achter de auto obstakels binnen deze afstand liggen, komen de geluidssignalen beurtelings uit de luidsprekers vooren achterin.
wordt geactiveerd bij het inschakelen van de
achteruitversnelling. De geluidssignalen komen uit de luidspreker achterin.
Bij het achteruitrijden met bijvoorbeeld een
aanhanger achter de auto of een fietsdrager
op de trekhaak moet u het systeem uitschakelen. Als u dat niet doet, reageren de sensoren
op de aanhanger/fietsdrager.
De parkeerhulp wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u een aanhanger achter de auto
hebt hangen die met originele trekhaakbedrading van Volvo aangesloten is.
Parkeerhulp voorzijde
Parkeerhulp achterzijde
3603803s
De parkeerhulp is bedoeld als hulpmiddel tijdens het parkeren. Geluidssignalen geven de
afstand tot een waargenomen obstakel aan.
3603802s
Algemene informatie
Het meetbereik strekt tot ca. 1,5 m recht achter de auto. De parkeerhulp aan de achterzijde
Het meetbereik strekt tot ca. 0,8 m recht voor
de auto. De geluidssignalen komen uit de luidspreker voorin.
04 Comfort en rijplezier
Parkeerhulp*
Het is niet mogelijk de parkeerhulp te combineren met verstralers, omdat de sensoren op
de verstralers reageren.
Activeren/deactiveren
Sensoren schoonmaken
Aanduiding voor systeemstoringen
Als het informatiesymbool continu brandt en
Park Assist Service vereist op het informatiedisplay verschijnt, is de parkeerhulp defect.
U kunt de parkeerhulp uitschakelen met de
knop op het schakelaarpaneel, waarna het
lampje in de knop dooft. Wanneer u nogmaals
op de knop drukt, wordt de parkeerhulp opnieuw geactiveerd zodat het lampje gaat branden.
3603804s
3501920s
BELANGRIJK
In bepaalde omstandigheden kan het parkeerhulpsysteem ten onrechte waarschuwingssignalen afgeven. Dit komt door
externe geluidsbronnen met ultrasone geluidssignalen van dezelfde frequentie als de
sensoren van het systeem. Voorbeelden
van dergelijke geluidsbronnen zijn onder
meer claxons, natte banden op asfaltwegen, luchtdrukremmen en uitlaten van motorfietsen.
04
De sensoren werken alleen naar behoren,
wanneer u ze regelmatig schoonmaakt. Reinig
ze met water en autoshampoo.
Sneeuw en ijs op de sensoren kunnen ten onrechte aanleiding geven tot waarschuwingssignalen.
N.B.
De parkeerhulp aan de voorzijde wordt automatisch uitgeschakeld bij het aanzetten
van de parkeerrem.
131
04 Comfort en rijplezier
BLIS*, Blind Spot Information System
Algemene informatie
WAARSCHUWING
Het systeem vormt een aanvulling op –
geen vervanging voor – een veilige rijstijl en
het gebruik van de buitenspiegels. De bestuurder moet altijd oplettend en verantwoord blijven rijden. De bestuurder is er
altijd verantwoordelijk voor dat er op een
veilige manier van rijstrook wordt gewisseld.
BLIS-camera
Controlelampje
BLIS-symbool
BLIS is een op digitale cameratechniek gebaseerd informatiesysteem dat de bestuurder in
bepaalde omstandigheden waarschuwt, wanneer er zich een voertuig in de zogeheten
dode hoek bevindt en in dezelfde richting rijdt.
Het systeem werkt het best in druk verkeer op
meerbaanswegen.
Wanneer een camera
een voertuig heeft
waargenomen in de dode hoek, licht een
controlelampje
op dat continu blijft branden.
N.B.
Het lampje gaat branden aan die kant van de
auto waar het voertuig is waargenomen. Als
de auto aan weerszijden wordt ingehaald,
gaan dan ook beide lampjes branden.
BLIS informeert de bestuurder bij een fout in
het systeem. Als de camera’s van het systeem
bijvoorbeeld zijn afgedekt, knippert het controlelampje voor BLIS en verschijnt er een
melding op het display van het informatiepaneel. Controleer de cameralenzen in dat geval
en maak ze zo nodig schoon. U kunt het systeem tijdelijk uitschakelen met een druk op de
knop BLIS (zie pagina 133).
132
A
3603842s
8401361s
04
B
“Dode hoeken” die de BLIS-camera’s in de
gaten houden. (afstand A = ca. 9,5 m; afstand
B = ca. 3 m)
Schoonmaken
BLIS werkt alleen optimaal, als de cameralenzen schoon zijn. U kunt de lenzen schoonmaken met een zachte doek of een vochtige
spons. Maak de lenzen voorzichtig schoon om
krassen te voorkomen.
BELANGRIJK
De lenzen zijn elektrisch verwarmd om ze
van sneeuw en ijs te kunnen ontdoen. Veeg
zo nodig sneeuw van de lenzen af.
04 Comfort en rijplezier
BLIS*, Blind Spot Information System
Het systeem werkt alleen bij snelheden hoger
dan 10 km/h.
Inhalen
Het systeem reageert als:
• het snelheidsverschil tussen u en het ingehaalde voertuig kleiner is dan 10 km/h;
• het snelheidsverschil tussen u en het inhalende voertuig kleiner is dan 70 km/h.
WAARSCHUWING
BLIS werkt niet in scherpe bochten.
BLIS werkt niet wanneer u achteruitrijdt.
Een brede aanhanger achter de auto kan
het zicht ontnemen op andere voertuigen
op aangrenzende rijstroken. Dit kan ertoe
leiden dat BLIS geen voertuigen in dit afgeschermde gebied kan waarnemen.
Daglicht en donker
Bij daglicht reageert het systeem op de contouren van omringende voertuigen. Het systeem is geconstrueerd om motorvoertuigen
zoals auto’s, vrachtwagens, bussen en motorfietsen waar te nemen.
Bij donker reageert het systeem op de koplampen van omringende voertuigen. Als een
voertuig de koplampen niet heeft ontstoken,
zal het systeem dit voertuig dan ook niet kunnen waarnemen. Dit houdt in dat het systeem
bijvoorbeeld niet reageert op een aanhanger
achter een auto of vrachtwagen, omdat daar
geen brandende koplampen op zitten.
Activeren/deactiveren
WAARSCHUWING
Het systeem reageert niet op fietsers en
bromfietsers.
De BLIS-camera’s kunnen hinder ondervinden van de aanwezigheid van felle lichtbronnen of juist de afwezigheid van
lichtbronnen (wegenverlichting of voertuigverlichting) bij ritten in het donker. Het systeem kan uit de afwezigheid van licht ten
onrechte opmaken dat de camera’s zijn afgedekt.
In beide gevallen verschijnt er een displaymelding op het informatiepaneel.
Bij ritten in dergelijke omstandigheden kan
het systeem tijdelijk minder presteren en
verschijnt er een displaymelding (zie
pagina 134). Wanneer de displaymelding
spontaan verdwijnt, werkt het BLIS weer
naar behoren.
De BLIS-camera’s kennen ongeveer dezelfde beperkingen als het menselijk oog. Dit
houdt in dat ze bijvoorbeeld minder goed
“zien” bij hevige sneeuwval en dichte mist.
3905609s
Wanneer BLIS werkt
04
Knop voor activering/deactivering
BLIS wordt bij het starten van de motor automatisch geactiveerd. De controlelampjes op
de portierpanelen lichten driemaal op bij het
activeren van BLIS.
Na het starten van de motor kunt u het systeem deactiveren/heractiveren door op BLIS
te drukken.
Het lampje in de knop dooft, wanneer het
BLIS gedeactiveerd wordt. Er verschijnt bovendien een displaymelding op het instrumentenpaneel.
Bij het heractiveren van BLIS brandt het lampje in de knop, verschijnt er een nieuwe displaymelding en lichten de controlelampjes in
de portieren driemaal op. Druk op de knop
READ om de displaymelding te laten verdwijnen. Zie pagina 97 voor meer informatie over
de meldingsfuncties.
133
04 Comfort en rijplezier
BLIS*, Blind Spot Information System
Systeemmeldingen BLIS
Displaymelding
04
134
Systeemstatus
BLIS Service
vereist
Het BLIS werkt niet.
Neem contact op met
een erkende Volvowerkplaats.
BLIS-camera
afgedekt
De BLIS-camera is
afgedekt. Maak de
cameralenzen schoon.
BLIS AAN
Het BLIS-systeem is
ingeschakeld
BLIS UIT
Het BLIS-systeem is
uitgeschakeld
Beperkte
BLIS-functie
De BLIS-functie is
beperkt
04 Comfort en rijplezier
Interieurcomfort
Opbergmogelijkheden
1
2
3
04
4
7
6
5
8505323s
8
135
04 Comfort en rijplezier
Interieurcomfort
Opbergvak in portierpaneel
Middenconsole
Dashboardkastje
Opbergzak aan de voorkant van de voorstoelzitting
Parkeerkaarthouder
A
1
B
2
Dashboardkastje
Opbergvakken, bekerhouder
Kledinghaak
Bekerhouder in armsteun, achterin
Opbergvak
Kledinghaak
De kledinghaak is alleen bestemd voor niet al
te zware kledingsstukken.
Opbergvak (voor bijvoorbeeld cd’s) en
AUX-ingang onder de armsteun.
Bevat een bekerhouder voor de bestuurder en een voorpassagier alsmede
een 12V-aansluiting en een opbergvakje.
(Als u voor een asbak en aansteker hebt
gekozen, zit er een aansteker op de plaats
van de 12V-aansluiting en een uitneembare asbak op de plaats van het opbergvakje.)
Aansteker en asbak*
De asbak in de middenconsole kunt u legen
door de asbak recht omhoog te tillen.
U activeert de aansteker door de knop in te
drukken. Wanneer de aansteker heet genoeg
is, veert de knop automatisch uit. Haal de aansteker uit de opening en gebruik het roodgloeiende deel om bijvoorbeeld een sigaret
mee aan te steken.
136
8302560s
8505331s
04
Hier kunt u het instructieboekje en eventuele
kaarten opbergen. Er zijn ook houders voor
pennen en tankkaarten. Het dashboardkastje
kan handmatig worden vergrendeld met behulp van het sleutelblad (zie pagina 37).
Vloermatten*
Volvo biedt vloermatten die speciaal vervaardigd zijn.
WAARSCHUWING
Zorg dat de vloermat voor de bestuurdersstoel goed in de bevestigingsklemmen op
de vloer vastzit om te voorkomen dat deze
kan gaan glijden en achter of onder de pedalen blijft haken.
04 Comfort en rijplezier
Interieurcomfort
Make-upspiegel
12V-aansluiting
telefoon of koelbox. U kunt maximaal 10 A via
de aansluiting afnemen. Het contactslot moet
ten minste in stand I staan, anders geeft de
aansluiting geen stroom (zie pagina 59).
WAARSCHUWING
3501887s
3100219s
Laat de plug altijd in de aansluiting zitten als
u deze niet gebruikt.
Het lampje gaat automatisch aan, wanneer u
het klepje optilt.
12V-aansluiting in middenconsole, voorin.
.
3100218s
Make-upspiegel met verlichting.
04
12V-aansluiting in middenconsole, achterin.
U kunt de elektrische aansluiting voor verschillende accessoires gebruiken die op een
spanning van 12 V werken, zoals een mobiele
137
04 Comfort en rijplezier
Interieurcomfort
EHBO-set*
Elektrische aansluiting in kofferbak*
04
3603814s
De set ligt in de kofferbak. De tas is voorzien
van klittenband zodat u deze aan de wand van
de kofferbak kunt bevestigen.
Open het klepje om bij de elektrische aansluiting te komen. De aansluiting werkt onafhankelijk van de stand van het contactslot. Gebruik de elektrische aansluiting alleen wanneer de motor loopt, om uitputting van de
accu te voorkomen.
138
04 Comfort en rijplezier
Interieurcomfort
Koelkast*
Glazen*
Kofferbakmat*
04
De koelkast is weggewerkt achter de neerklapbare armsteun op de achterbank. De koelkast wordt in- en uitgeschakeld met het starten en afzetten van de motor. De koelkast
werkt ook in contactslotstand II. De koelkast
heeft een inhoud van 11,5 liter.
WAARSCHUWING
Draai de flessen goed dicht voordat u ze in
het koelkast bewaart en zorg dat de koelkastdeurtje dicht blijft tijdens het rijden.
Onder het deksel van de armsteun zit een opbergvak voor twee glazen en een flesopener.
WAARSCHUWING
Bewaar de glazen in het opbergvak of in de
bekerhouders en zorg dat het deksel van de
armsteun dicht blijft tijdens het rijden.
Bij auto’s met een koelkast dient u de achterbank iets naar voren toe te klappen, voordat u
de kofferbakmat kunt verwijderen. Klap de
ruggedeelten om door aan de handgrepen te
trekken (zie pagina 159).
Voor de optimale werking van de koelkast is
een ongehinderde luchtcirculatie vereist.
Breng daarom geen bagage in de kofferbak
aan binnen een straal van 5 cm rond de luchtinlaat voor de koelkast.
139
04 Comfort en rijplezier
Bluetooth handsfree*
Algemene informatie
N.B.
Niet alle mobiele telefoons zijn volledig
compatibel met de handsfree-functie van
het audiosysteem. Voor informatie over de
telefoons die compatibel zijn kunt u terecht
bij de Volvo-dealer en www.volvocars.com.
2
1
2
3
4
6
5
04
4
Systeemoverzicht
Mobiele telefoon
Microfoon
Toetsenset op stuurwiel
Middenconsole
140
3905557s
3
3801194s
1
Telefoonfuncties, overzicht
bedieningstoetsen
Bedieningspaneel in middenconsole
Belvolume. De toetsenset op het stuurwiel
biedt dezelfde functie.
Cijfer- en lettertoetsen.
Aan/uit.
Bluetooth™
Navigatietoets.
Een mobiele telefoon met Bluetooth™ is
draadloos aan te sluiten op het audiosysteem.
Het audiosysteem werkt dan als handsfree en
biedt u de mogelijkheid om enkele functies
van uw mobiele telefoon op afstand te bedienen. U kunt de mobiele telefoon altijd via de
knoppen op de telefoon bedienen of de telefoon nu aangesloten is of niet.
Gesprek beëindigen/weigeren, ingevoerde tekens wissen, actieve functie annuleren. De toetsenset op het stuurwiel biedt
dezelfde functie.
Gesprek aannemen. De toetsenset op het
stuurwiel biedt dezelfde functie.
04 Comfort en rijplezier
Bluetooth handsfree*
Beknopte bedieningsinstructies
U regelt de menufuncties vanaf de middenconsole of via de toetsenset op het stuurwiel.
Zie pagina 94 voor algemene informatie over
de menufuncties.
Activeren/deactiveren
Wanneer u kort op PHONE drukt, activeert u
de handsfree-functie. De melding TELEFOON
boven aan het display geeft aan dat het systeem in de telefoonstand staat. Het
symbool
geeft aan dat de handsfreefunctie actief is.
Wanneer u PHONE lang indrukt, deactiveert u
de handsfree-functie en koppelt u een aangesloten telefoon los.
Mobiele telefoon aansluiten
Hoe u een mobiele telefoon aansluit hangt af
van de vraag of dezelfde mobiele telefoon al
dan niet eerder aangesloten was. Als het de
eerste keer is dat u de mobiele telefoon aansluit, dan moet u de onderstaande instructies
volgen.
1. Maak de mobiele telefoon identificeerbaar/
zichtbaar via Bluetooth™ (zie daarvoor de
gebruiksaanwijzing bij de mobiele telefoon
of www.volvocars.com).
2. Activeer de handsfree-functie met
PHONE.
De menu-optie Telefoon toevoegen verschijnt op het display. Als u al eerder een of
meer mobiele telefoons hebt geregistreerd,
worden ook deze weergegeven.
3. Kies Telefoon toevoegen.
Het audiosysteem zoekt naar mobiele telefoons in de nabije omgeving. Er wordt ongeveer 30 seconden gezocht. De gevonden mobiele telefoons verschijnen met hun
Bluetooth™-naam op het display. De handsfree-functie verschijnt onder de Bluetooth™naam My Car op de mobiele telefoon.
4. Kies een van de mobiele telefoons op het
display van het audiosysteem.
5. Voer via het toetsenblok van de te registreren mobiele telefoon de cijfercode in
die op het display van het audiosysteem
staat.
De mobiele telefoon wordt vervolgens geregistreerd en automatisch aangesloten op het
audiosysteem, terwijl de melding Bezig met
synchr. op het display staat. Zie pagina 143
voor meer informatie over het registreren van
mobiele telefoons.
Wanneer er een aansluiting tot stand gebracht
is, verschijnen het symbool
en de
Bluetooth™-naam op het display. U kunt de
mobiele telefoon vervolgens bedienen via het
audiosysteem.
Bellen
1. Controleer of de melding TELEFOON
boven aan het display staat en of het
symbool
zichtbaar is.
2. Voer het gewenste nummer in of gebruik
het telefoonboek (zie pagina 143).
3. Druk op ENTER.
U beëindigt het gesprek met EXIT.
Mobiele telefoon uitschakelen
De mobiele telefoon wordt automatisch losgekoppeld, als de telefoon buiten het bereik van
het audiosysteem komt. Zie pagina 143 voor
meer informatie over de aansluiting.
U kunt een aansluiting handmatig verbreken
wanneer u de handsfree-functie deactiveert
door PHONE lang in te drukken. De handsfree-functie wordt eveneens gedeactiveerd bij
het afzetten van de motor of het openen van
een portier1.
Wanneer de mobiele telefoon is losgekoppeld,
kunt u een eventueel lopend gesprek voortzetten via de ingebouwde microfoon en luidspreker van de mobiele telefoon.
04
N.B.
Bij sommige mobiele telefoons moet u om
over te schakelen van de handsfree op de
handset eerst ter bevestiging op het toetsenblok van de mobiel drukken.
1 Alleen
Keyless drive
141
04 Comfort en rijplezier
Bluetooth handsfree*
Gespreksfuncties
Inkomende gesprekken
U neemt een gesprek aan met ENTER, ook al
staat het audiosysteem in bijvoorbeeld de
stand CD of FM. Met EXIT kunt u een gesprek
weigeren of beëindigen.
Automatisch beantwoorden
04
Met de functie Automatisch antwoord is het
mogelijk gesprekken automatisch te beantwoorden. Activeer/deactiveer de functie onder
Telefooninstellingen
Gespreksopties
Automatisch antwoord.
Gespreksmenu
Druk tijdens een gesprek op MENU of op
ENTER om toegang te krijgen tot de volgende
functies:
• Dempen – microfoon van het audiosysteem uitschakelen.
• Dempen – het gesprek overschakelen naar
de mobiele telefoon.
N.B.
Bij sommige mobiele telefoons wordt de
aansluiting verbroken bij gebruik van de
ruggespraakfunctie (dempen). Dit is volkomen normaal.De handsfree-functie stelt
vervolgens de vraag of u opnieuw wilt aansluiten.
• Telefoonboek – in het telefoonboek van de
mobiele telefoon zoeken.
N.B.
Tijdens een lopend gesprek is het niet mogelijk een tweede gesprek te beginnen.
Audio-instellingen
Gespreksvolume
U kunt het gespreksvolume bijregelen wanneer de handsfree-functie in de telefoonstand
staat. Maak gebruik van de toetsenset op het
stuurwiel of van VOLUME.
Volume audiosysteem
Zolang er geen telefoongesprek wordt gevoerd, kunt u het volume van het audiosysteem op de gebruikelijke wijze bijregelen met
VOLUME. Om het volume van het audiosysteem echter tijdens een lopend telefoongesprek bij te regelen moet u eerst overschakelen op een van de geluidsbronnen.
Het is mogelijk de weergave van de actieve
geluidsbron te onderdrukken bij inkomende
telefoongesprekken onder Telefooninstellingen
Geluiden en volume
Radio dempen.
Beltoonvolume
Ga naar Telefooninstellingen
Geluiden
en volume
Beltoonvolume en stel bij
met
/
van de navigatietoets.
Beltonen
U kunt een van de ingebouwde beltonen van
de handsfree-functie kiezen onder Telefooninstellingen
Geluiden en volume
Belsignalen
Belsignaal 1, 2, 3 enz.
142
04 Comfort en rijplezier
Bluetooth handsfree*
N.B.
Ook bij gebruik van een van de ingebouwde
beltonen van het handsfree-systeem, zijn
de beltonen van de aangesloten mobiele telefoon nog altijd hoorbaar.
Ga om de beltonen van de aangesloten telefoon te gebruiken1 naar Telefooninstellingen
Geluiden en volume
Belsignalen
Gebruik signaal mob. tel.
Meer informatie over registratie en
aansluiting
Er kunnen maximale vijf mobiele telefoons
worden geregistreerd. U hoeft een mobiele telefoon slechts eenmaal te registreren. Het is
mogelijk de registratie van een telefoon te verwijderen onder Bluetooth
Telefoon verwijderen. Wanneer een mobiele telefoon eenmaal geregistreerd is, hoeft deze niet langer
zichtbaar/identificeerbaar te zijn. U kunt
slechts een mobiele telefoon tegelijk aansluiten.
tisch opnieuw aangesloten. Terwijl het audiosysteem op zoek is naar de laatst aangesloten
telefoon staat de naam van deze telefoon op
het display. Druk op EXIT om handmatig een
andere telefoon aan te sluiten.
Handmatige aansluiting
Ga als volgt te werk, als u in plaats van de
laatst aangesloten mobiele telefoon een nieuwe mobiele telefoon wilt aansluiten of wilt
overschakelen op een andere eerder aangesloten mobiele telefoon:
1. Zet het audiosysteem in de telefoonstand.
2. Druk op PHONE en kies een van de
telefoons in de lijst.
Aansluiting is ook mogelijk via het menusysteem onder Bluetooth
Telefoon aansluiten of Telefoon wijzigen.
Telefoonboek
Voor alle telefoonboekfuncties geldt dat de
melding TELEFOON boven aan het display
moet staan en dat het symbool
zichtbaar
moet zijn.
Het audiosysteem slaat van elk van de geregistreerde mobiele telefoons een kopie van
het telefoonboek op. Het telefoonboek wordt
bij iedere aansluiting automatisch naar het audiosysteem gekopieerd. U kunt de functie deactiveren onder Telefooninstellingen
Telefoonboek synchr. Bij het zoeken van
contacten werkt u alleen met het telefoonboek
van de aangesloten mobiele telefoon.
N.B.
Als de mobiele telefoon geen ondersteuning
biedt voor het kopiëren van het telefoonboek, verschijnt na afloop van het kopiëren
de melding Lijst is leeg.
Als het telefoonboek de contactgegevens bevat van de persoon die belt, verschijnen deze
op het display.
Automatische aansluiting
Contacten zoeken
Wanneer de handsfree-functie actief is en de
laatst aangesloten mobiele telefoon binnen
het bereik ligt, wordt deze telefoon automa-
U kunt het eenvoudigst naar bepaalde gegevens in het telefoonboek zoeken door de
knoppen 2 tot en met 9 lang in te drukken. Het
telefoonboek wordt dan doorzocht op posten
1 Niet
ondersteund door alle mobiele telefoons
04
143
04 Comfort en rijplezier
Bluetooth handsfree*
die beginnen met de eerste letter van de ingedrukte toets.
Het telefoonboek is eveneens te bereiken
met
/
van de navigatietoets of
met
/
van de toetsenset op het stuurwiel.
U een zoekopdracht tevens starten vanuit het
zoekmenu van het telefoonboek onder Telefoonboek
Zoek:
04
1. Voer de eerste letter in van het contact dat
u zoekt en druk op ENTER of druk meteen
op ENTER.
2. Ga naar het contact van uw keuze en
druk op ENTER om het bijbehorende
nummer te bellen.
Spraakherkenning
U kunt gebruik maken van de spraakherkenningsfunctie (voice tags) van de mobiele telefoon door ENTER ingedrukt te houden.
Voicemail-nummer
U kunt het voicemail-nummer wijzigen onder
Telefooninstellingen
Gespreksopties
Voicemail-nummer. Als er nog geen nummer
opgeslagen is, kunt u het bijbehorende menu
openen door lang op 1 te drukken. Druk vervolgens lang op 1 om het ingevoerde nummer
te gebruiken.
144
Gesprekslijsten
De gesprekslijsten worden bij iedere nieuwe
aansluiting naar de handsfree-functie gekopieerd en worden vervolgens tijdens de aansluiting bijgehouden. Druk op ENTER om de
laatst gebelde nummers te bekijken. De overige gesprekslijsten staan onder Gesprekslijst.
N.B.
Bij sommige mobiele telefoons wordt de
lijst met gebelde nummers in omgekeerde
volgorde weergegeven.
Tekst invoeren
Met de toetsenset op de middenconsole kunt
u tekst invoeren. Druk eenmaal op een toets
om het eerste teken op die toets in te voeren,
tweemaal om het tweede teken in te voeren
enz. (zie tabel).
Bij kort indrukken van EXIT wist u het laatst
ingevoerde teken. Bij lang indrukken van EXIT
wist u alle ingevoerde tekens. Gebruik
/
van de navigatietoets om de verschillende tekens te doorlopen.
Toets
1
Toets
2
ABC
ABC2ÄÅÀÆÇ
3
DEF
DEF3ÈÉ
4
GHI
GHI4Ì
5
JKL
JKL5
6
MNO
MNO6ÑÖÒØ
7
PQRS
PQRS7ß
TUV8ÜÙ
8
TUV
9
WXYZ
AUTO
*
0
+
Functie
spatie 1- ? ! , . : " ' ( )
Functie
SCAN
#
WXYZ9
Kort indrukken om twee tekens
op dezelfde toets na elkaar in te
voeren.
+0@*#&$£/%
#
04 Comfort en rijplezier
Geïntegreerde telefoon*
Algemene informatie
5
3
3
4
4
5
G010540
3905635s
2
1
Systeemoverzicht
Microfoon
Simkaartlezer
Beknopte bedieningsinstructies
Gespreksfuncties
Simkaart
Bellen
Het telefoonsysteem is alleen te gebruiken in
combinatie met een geldige simkaart (Subscriber Identity Module). Zie pagina 149 voor
het aanbrengen ervan. Ook zonder een simkaart is het mogelijk het alarmnummer te bellen.
1. Schakel de telefoon in.
2. Druk kort op PHONE, als de tekst TELEFOON niet op het display staat.
3. Voer het gewenste nummer in of gebruik
het telefoonboek (zie pagina 143).
4. Druk op ENTER voor handsfree bellen of
neem de handset op. Duw de handset
omlaag om deze te kunnen opnemen.
Menu’s en bedieningstoetsen
U regelt de menufuncties via het bedieningspaneel
en de toetsenset
op het stuurwiel. Zie pagina 94 voor algemene informatie
over de menufuncties. Zie pagina 140 voor informatie over de bedieningstoetsen van de telefoon.
Zie pagina 109 voor de toetsenset
Bedieningspaneel
Aan/uit
Handset
Schakel de telefoon in door kort op PHONE te
drukken. Voer zo nodig de pincode in. Het
symbool
geeft aan dat de telefoon ingeschakeld is. Wanneer dit symbool verschijnt,
kunt u inkomende gesprekken ook aannemen
als het menu CD op het display staat. Om gebruik te maken van de telefoonmenu’s en te
bellen dient u kort op PHONE te drukken. De
tekst TELEFOON geeft aan dat het telefoonmenu actief is.
Veiligheid
Laat reparatiewerkzaamheden aan het telefoonsysteem over aan een erkende Volvowerkplaats. Schakel de geïntegreerde telefoon
uit tijdens het tanken en in gebieden waar met
explosieven wordt gewerkt. Afhankelijk van de
rijsnelheid blokkeert IDIS bepaalde functies
van het menusysteem (zie pagina 148).
04
Gesprekken beëindigen
Beëindig een gesprek met EXIT of leg de
handset op.
Inkomende gesprekken
Druk op ENTER voor handsfree bellen of
neem de handset op. U moet de handset omlaagtrekken om deze te kunnen opnemen. Als
de handset bij een inkomend gesprek niet op
de houder ligt, dient u het gesprek aan te nemen met ENTER.
Beëindig een gesprek met EXIT of leg de
handset op. Weiger een gesprek met EXIT.
Automatisch beantwoorden
Zie pagina 142.
Schakel de telefoon uit door lang op PHONE
te drukken.
145
04 Comfort en rijplezier
Geïntegreerde telefoon*
04
Wisselgesprek
Tijdens lopende gesprekken
Ruggespraakstand
Deze functie maakt het mogelijk om tijdens
een lopend gesprek een nieuw gesprek aan te
nemen. U kunt het nieuwe gesprek op de gebruikelijke manier aannemen waarbij het lopende gesprek in de wacht gezet wordt. Activeer/deactiveer deze functie onder Telefooninstellingen
Gespreksopties
Wisselgesprek.
Druk tijdens een gesprek op MENU of op
ENTER om het gespreksmenu te openen.
Bij gebruik van de ruggespraakstand wordt de
microfoon gedeactiveerd (zie pagina 145). Activeer/deactiveer de microfoon met de menuoptie Microfoon aan/uit.
Automatisch doorschakelen
Inkomende gesprekken kunnen automatisch
worden doorgeschakeld afhankelijk van het
gesprekstype en de situatie waarin ze zich
aandienen. Activeer/deactiveer deze functie
onder Gespreksopties
Omleidingen.
Bellen
1. Zet het lopende gesprek in de wacht onder
Wacht.
2. Voer het nummer van de derde partij in of
maak gebruik van de menu-optie Telefoonboek.
Wissel van gesprekspartner met de menu-optie Wisselen.
Conferentiegesprekken
Bij een conferentiegesprek zijn minstens drie
gesprekspartners betrokken. U kunt tijdens
een wisselgesprek waarbij er een gesprek in
de wacht staat een conferentiegesprek starten. Met de menu-optie Koppelen start u het
conferentiegesprek.
Bij het afsluiten van een conferentiegesprek
worden alle lopende gesprekken beëindigd.
Wisselen tussen handset en handsfree
Schakel over van handsfree op de handset
door de handset op te nemen of voor
Handset te kiezen in het menu.
Schakel van de handset over op handsfree
door in het menu te kiezen voor Handsfree.
146
04 Comfort en rijplezier
Geïntegreerde telefoon*
Audio-instellingen
Telefoonboek
Gespreksvolume
Contactgegevens kunnen op de simkaart of in
het telefoongeheugen worden vastgelegd.
De telefoon maakt gebruik van de luidsprekers
in de voorportieren. U kunt het gespreksvolume bijregelen, wanneer de tekst TELEFOON
boven aan het display staat. Maak gebruik van
de toetsenset op het stuurwiel of van
VOLUME.
Volume audiosysteem
Zie pagina 147.
Signalen en volume
Contacten vastleggen in telefoonboek
1. Druk op MENU en ga naar Telefoonboek
Nieuwe contactpersoon.
2. Voer een naam in en druk op ENTER. Zie
pagina 143 voor informatie over het invoeren van tekst.
3. Voer een nummer in en druk op ENTER.
4. Ga naar SIM-kaart of naar Telefoongeheugen en druk op ENTER.
U kunt het belsignaal wijzigen onder Telefooninstellingen
Geluiden en volume
Belsignalen.
Contacten zoeken
U kunt de pieptoon bij bericht activeren/deactiveren onder Telefooninstellingen
Geluid
en volume
Pieptoon bij bericht.
Contacten verwijderen
Het beltoonvolume regelt u onder Telefooninstellingen
Geluid en volume
Beltoonvolume. Stel bij met
/
van de navigatietoets.
Kopiëren tussen simkaart en
telefoonboek
Ga naar Telefoonboek
Alles kopiëren
SIM naar telefoon of Telefoon naar SIM en
druk op ENTER.
Voicemail-nummer
Zie pagina 144.
04
Zie pagina 143.
U kunt een contact uit het telefoonboek verwijderen door de naam van de persoon te
markeren en op ENTER te drukken. Ga vervolgens naar Wissen en druk op ENTER.
U kunt alle contacten verwijderen onder Telefoonboek
SIM wissen of Telefoon wissen.
147
04 Comfort en rijplezier
Geïntegreerde telefoon*
Overige functies en instellingen
IDIS
IDIS (Intelligent Drive Information System) kan
in veeleisende rijsituaties de beltonen van inkomende telefoongesprekken pas na enige
vertraging doorgeven of helemaal onderdrukken. Op die manier kunt u de aandacht bij het
verkeer houden. IDIS is uit te schakelen onder
Telefooninstellingen
IDIS.
04
Berichten lezen
1. Ga naar Berichten
Lezen en druk op
ENTER.
2. Ga naar het bericht van uw keuze en druk
op ENTER.
3. De inhoud van het bericht verschijnt op
het display. Wanneer u nogmaals op
ENTER drukt, verschijnen meer opties.
Eigen nummer tonen/verbergen
De berichtinstellingen hoeft u normaal gesproken niet te wijzigen. Uw netwerkprovider kan u
meer informatie verstrekken over deze instellingen. Onder Berichten
Berichtinstellingen hebt u de keuze uit drie opties:
Het is mogelijk de weergave van uw eigen telefoonnummer tijdelijk te blokkeren onder Gespreksopties
Verzend mijn nummer.
• SMSC-nummer dat het nummer van de
berichtencentrale aangeeft die de berichten
moet doorgeven.
• Geldigheidsduur die aangeeft hoe lang de
berichtencentrale een bericht moet bewaren.
• Type bericht.
Om de telefoon te kunnen blokkeren moet u
het IMEI-nummer van de telefoon aan uw provider hebben doorgegeven. Toets *#06# op
uw telefoon in om het nummer op het display
te zien. Noteer dit nummer en bewaar het op
een veilige plaats.
Gesprekslijsten
U kunt de telefoon automatisch een netwerk
laten kiezen of handmatig een bepaald netwerk kiezen onder Telefooninstellingen
Netwerkselectie.
Berichten schrijven en verzenden
Onder Gesprekslijst worden lijsten bewaard
met de ingekomen, uitgaande en gemiste oproepen. U kunt de uitgaande gesprekken ook
bekijken door te drukken op ENTER. De telefoonnummers op de lijsten zijn vast te leggen
in het telefoonboek.
1. Ga naar Berichten
Nieuw bericht
schrijven en druk op ENTER.
Gespreksduur
2. Voer een naam in en druk op ENTER. Zie
pagina 144 voor informatie over het invoeren van tekst.
3. Ga naar Menu en druk op ENTER.
4. Voer een telefoonnummer in en druk op
ENTER.
148
Berichtinstellingen
De gespreksduur wordt vastgelegd onder Gesprekslijst
Gespreksduur. Reset de
waarden onder Gesprekslijst
Gespreksduur
Reset timers.
IMEI-nummer
Netwerk kiezen
Code en beveiliging simkaart
Door een pincode in te stellen voor de simkaart kunt u voorkomen dat onbevoegden gebruik kunnen maken van uw simkaart. U wijzigt de code onder Telefooninstellingen
PIN-code bewerken.
U wijzigt het beveiligingsniveau onder Telefooninstellingen
SIM-beveiliging. De optie Aan levert het hoogste beveiligingsniveau
op. U moet dan iedere keer dat u de telefoon
inschakelt opnieuw de pincode invoeren. De
optie Automatisch is het op een na hoogste
04 Comfort en rijplezier
Geïntegreerde telefoon*
Simkaart aanbrengen
1
3905628s
beveiligingsniveau. De telefoon onthoudt de
pincode dan en voert deze bij het inschakelen
van de telefoon automatisch in. Bij gebruik
van de simkaart in een andere telefoon, moet
de code echter wel handmatig worden ingevoerd. De optie Uit staat voor het laagste beveiligingsniveau. De simkaart is dan helemaal
zonder code te gebruiken.
Fabrieksinstellingen herstellen
04
2
3905629s
Het is mogelijk alle fabrieksinstellingen van de
telefoon te herstellen onder Telefooninstellingen
Reset Telefooninst.
Zorg dat de telefoon gedeactiveerd is en
verwijder daarna de simkaarthouder.
Plaats de simkaart met het laag metaal
omhoog
in de simkaarthouder en
breng de behuizing van de kaarthouder
aan
. Plaats de simkaarthouder terug.
149
Rijadviezen ............................................................................................. 152
Tanken .................................................................................................... 155
Brandstof ............................................................................................... 156
Lading vervoeren .................................................................................... 158
Rijden met een aanhanger ..................................................................... 162
Slepen .................................................................................................... 168
150
TIJDENS HET RIJDEN
05
05 Tijdens het rijden
Rijadviezen
Algemene informatie
Doorwaaddiepte
Zuinig rijden
U kunt met de auto door waterpartijen van
maximaal 25 cm diep rijden met een maximumsnelheid van 10 km/h. Wees extra voorzichtig bij het doorwaden van stromend water.
Zuinig rijden houdt in dat u anticiperend en
rustig rijdt, en uw rijstijl en snelheid afstemt op
de verkeerssituatie.
• Laat de motor zo snel mogelijk op bedrijfstemperatuur komen.
• Laat de motor niet stationair lopen, maar
rijd zo snel mogelijk met lichte belasting.
• Een koude motor verbruikt meer brandstof
dan een warme.
05
• Laat zware lading niet onnodig lang in de
auto liggen.
• Gebruik geen winterbanden op sneeuwvrije
wegen.
• Verwijder de lastdrager wanneer u deze
niet nodig hebt.
• Rijd niet met open zijruiten.
• Gebruik bij koud weer de standverwarming* zodat de motor sneller op temperatuur komt.
Nieuwe auto’s en gladde wegen
Oefen onder gecontroleerde omstandigheden
om te testen hoe de nieuwe auto bij gladheid
reageert.
152
Houd een lage snelheid aan tijdens het waden
en breng de auto niet in het water tot stilstand.
Trap na het passeren van de waterpartij lichtjes op het rempedaal om te controleren of de
remwerking in orde is. Bij water en vuil op de
remblokken kunnen er vertragingen in de remwerking optreden.
Maak de aansluitingen voor de elektrische
motorverwarming en de aanhangerkoppeling
schoon na ritten in water en modder.
Laat de auto niet langdurig in water staan dat
tot boven de dorpelbalken komt om elektrische storingen te voorkomen.
N.B.
Er kan schade aan de motor ontstaan, als er
water in het luchtfilter dringt.
N.B.
Bij diepe waterpartijen kan er water in de
transmissie dringen. De smerende eigenschappen van de oliën nemen daarbij af,
waardoor de genoemde systemen minder
lang meegaan.
BELANGRIJK
Probeer de motor na afslag in een waterpartij niet opnieuw te starten. Sleep de auto uit
de waterpartij.
Motor en koelsysteem
In bepaalde omstandigheden, bijvoorbeeld op
steile hellingen en bij het vervoer van een zware lading, bestaat het gevaar dat de motor en
het koelsysteem oververhit raken. Doe het volgende om te voorkomen dat de motor oververhit raakt:
• Houd een lage snelheid aan, wanneer u met
een aanhanger achter de auto een lange en
steile helling oprijdt.
• Na een zware rit moet u de motor niet
meteen afzetten, maar nog enige tijd stationair laten lopen.
• Verwijder verstralers die voor de grille zitten
tijdens ritten bij extreem warm weer.
• Laat de motor geen hogere toeren maken
dan 4500 omw/min (3500 omw/min bij
dieselmotoren), wanneer u met een aanhanger of caravan achter de auto in heuvelachtig gebied rijdt. De olietemperatuur kan
te hoog oplopen.
Geopend kofferdeksel
Rijd niet met een geopend kofferdeksel. Rijd
alleen een kort stukje, als u geen andere keus
05 Tijdens het rijden
Rijadviezen
hebt. Doe alle ruiten dicht, stuur de lucht naar
de voorruit en de vloer en laat de ventilator op
de hoogste snelheid draaien.
WAARSCHUWING
Rijd niet met een geopend kofferdeksel. Er
kunnen giftige uitlaatgassen via de kofferbak de passagiersruimte in worden gezogen.
Accu niet overmatig belasten
De elektrische functies van de auto belasten
de accu in verschillende mate. Laat het contactslot niet te lang achtereen in stand II
staan, wanneer u de motor hebt afgezet. Gebruik liever stand I, omdat er op die manier
minder stroom wordt afgenomen.
Let er tevens op dat de verschillende accessoires het elektrisch systeem belasten. Schakel onderdelen/systemen die veel stroom nemen uit, wanneer u de motor hebt afgezet.
Voorbeelden van onderdelen/systemen die
veel stroom afnemen zijn:
• interieurventilator
• ruitenwissers
• audiosysteem (hoog volume)
• stadslichten
Als de accuspanning laag is, verschijnt er een
melding op het display. De energiebespa-
ringsfunctie schakelt bepaalde onderdelen/
systemen uit of verlaagt de belasting van de
accu door bijvoorbeeld de ventilator lager te
zetten en het audiosysteem uit te schakelen.
U laadt de accu op door de motor te starten.
Voorbereidingen bij lange reizen
• Controleer of de motor naar behoren functioneert en of het brandstofverbruik in
orde is.
• Zorg dat er geen sprake is van lekkage
(brandstof, olie of andere vloeistoffen).
• Controleer alle lampen en de profieldiepte
van de banden.
• In sommige landen bent u wettelijk verplicht een gevarendriehoek mee te nemen.
Rijden tijdens de winter
Let voor aanvang van de winter in het bijzonder op het volgende:
• De koelvloeistof van de motor moet ten
minste 50% glycol bevatten. Bij een dergelijke concentratie is de motor beschermd
tot ca. –35 °C. Voor optimale bescherming
tegen vorst is het zaak geen verschillende
soorten glycol met elkaar te mengen.
• Houd de tank altijd goed gevuld om condens in de brandstoftank tegen te gaan.
• De viscositeit van de motorolie is belangrijk. Wanneer u oliesoorten met een lagere
viscositeit (dunnere oliën) gebruikt, slaat de
motor bij koud weer gemakkelijker aan en
neemt bovendien het brandstofverbruik tijdens de koude start af. Zie pagina 218 voor
meer informatie over geschikte oliesoorten.
05
BELANGRIJK
Gebruik geen olie met een lage viscositeitsaanduiding bij zware rijomstandigheden of warm weer.
• Controleer de algehele conditie en de ladingstoestand van de accu. De accu wordt
zwaarder belast bij koud weer en ook de
accucapaciteit neemt af bij vorst.
• Giet ruitensproeiervloeistof in het sproeiervloeistofreservoir om ijsvorming te voorkomen.
153
05 Tijdens het rijden
Rijadviezen
Voor optimale grip bij gevaar voor sneeuw of
ijs adviseert Volvo u om de auto rondom van
winterbanden te voorzien.
N.B.
In sommige landen is het gebruik van winterbanden verplicht. Banden met spikes zijn
niet in alle landen toegestaan.
05
154
05 Tijdens het rijden
Tanken
Tanken
Tankdop open-/dichtdraaien
op het informatiedisplay al aan-
Sluit de klep door deze dusdanig in te drukken
dat u een klik hoort.
2303554s
3603844s
De klep kan niet worden geopend wanneer de
motor loopt. Open de klep met de knop op het
verlichtingspaneel. De tankvulklep zit in het
rechter achterspatbord, zoals de pijl in het
2303544s
WARNING! ACHTUNG!
AVERTISSEMENT!
Tankvulklep openen/sluiten
symbool
geeft.
Tankvulklep handmatig openen
Bij hoge buitentemperaturen kan er een bepaalde mate van overdruk in de brandstoftank
ontstaan. Draai de tankdop dan langzaam
open.
Wanneer de tankvulklep niet vanuit de passagiersruimte te openen is, kunt u deze ook
handmatig openen.
Breng na het tanken de tankdop weer aan en
draai deze zo ver dicht dat u één of meer klikken hoort.
Brandstof tanken
Giet de tank niet te vol door het vulpistool na
de eerste afslag uit de vulopening te halen.
05
Verwijder het klepje waarmee het achterlamphuis rechts in de kofferbak is afgedekt.
Steek uw hand door de opening en pak
het gebogen stangetje beet. Het stangetje
zit ter hoogte van de achterkant van de
tankvulklep.
Trek de stang recht naar achteren om de
tankvulklep te openen.
N.B.
Een te volle tank kan bij warm weer
overlopen.
WAARSCHUWING
Er zitten onderdelen met scherpe randen
achter het paneel. Beweeg uw hand daarom langzaam en voorzichtig.
155
05 Tijdens het rijden
Brandstof
Algemene informatie
Dieselolie
Gebruik geen brandstof met een slechtere
kwaliteit dan Volvo adviseert, omdat dit een
nadelige invloed kan hebben op het motorvermogen en het brandstofverbruik.
De dieselolie moet voldoen aan de norm
NEN-EN 590 of JIS K2204. Dieselmotoren zijn
gevoelig voor verontreinigingen zoals een te
hoog gehalte aan zwaveldeeltjes. Maak alleen
gebruik van dieselolie van gerenommeerde
oliemaatschappijen. Giet nooit dieselolie van
twijfelachtige kwaliteit in de tank.
WAARSCHUWING
05
Gemorste brandstof kan ontvlammen.
Schakel voordat u gaat tanken de standverwarming op brandstof uit.
Schakel voordat u gaat tanken uw mobiele
telefoon uit. De beltoon kan aanleiding
geven tot vonkvorming en daarbij de brandstofdampen ontsteken met gevaar voor
brand en verwondingen.
Bij lage temperaturen (–40 °C tot –6 °C) kan
de paraffine in de dieselolie uitvlokken. Dit kan
tot startproblemen leiden. De grote oliemaatschappijen produceren speciale dieselolie bestemd voor gebruik bij buitentemperaturen
rond het vriespunt. Deze dieselolie is dunner
bij lage temperaturen en beperkt de kans op
vlokvorming in het brandstofsysteem.
De kans op condensatie in de brandstoftank
neemt af, als u de tank altijd goed gevuld
houdt. Houd tijdens het tanken het gebied
rond de vulpijp goed schoon. Voorkom morsen op gelakte oppervlakken. Maak als u gemorst hebt het gebied met water en zeep
schoon.
BELANGRIJK
Maak geen gebruik van de volgende dieselolie-achtige brandstoffen: speciale toevoegingen (dopes), scheepsolie, stookolie,
RME (biodiesel) of plantaardige
olie. Dergelijke brandstoffen voldoen niet
aan de kwaliteitseisen die Volvo stelt en geven aanleiding tot verhoogde vormen van
slijtage en motorschade die niet worden gedekt door de garanties van Volvo.
BELANGRIJK
Bij modeljaar 2006 en hoger mag het zwavelgehalte maximaal 50 ppm zijn.
Wanneer u de tank leegrijdt
U hoeft geen speciale maatregelen te nemen,
wanneer u de brandstoftank hebt leeggereden. Het brandstofsysteem wordt automatisch ontlucht, als de contactsleutel ca.
60 seconden lang in stand II staat voordat u
een nieuwe startpoging doet.
Condenswater uit brandstoffilter
aftappen
Om motorstoringen tegen te gaan ontdoet het
brandstoffilter de brandstof van condenswater.
Houd u voor het aftappen van het condenswater aan de specificaties die in uw Service- en
156
05 Tijdens het rijden
Brandstof
garantieboekje staan aangegeven. Ook wanneer u vermoedt dat er vervuilde brandstof is
gebruikt, moet u het brandstoffilter aftappen.
BELANGRIJK
Sommige speciale toevoegingen verwijderen het verzamelde vocht uit het brandstoffilter.
Benzine
De benzine moet voldoen aan de norm
NEN-EN 228. De meeste motoren lopen op
benzine met een octaangetal van 95 en
98 RON. Gebruik benzine met een octaangetal van 91 RON alleen bij wijze van hoge uitzondering.
• 95 RON is te gebruiken in normale rijomstandigheden.
• 98 RON wordt geadviseerd voor een maximaal rendement tegen een minimaal brandstofverbruik.
Voor ritten bij temperaturen hoger dan +38 ºC
wordt u geadviseerd een brandstofsoort met
een zo hoog mogelijk octaangetal te gebruiken. Dit om optimale prestaties en een zo laag
mogelijk brandstofverbruik te verkrijgen.
BELANGRIJK
Tank alleen loodvrije benzine om schade
aan te katalysator te voorkomen. Giet nooit
alcohol bij de benzine, omdat het brandstofsysteem daardoor schade kan oplopen
en de Volvo-garantie vervalt. Giet geen additieven (dopes) in de benzine zonder het
uitdrukkelijke advies van Volvo.
gemonteerd om snel op temperatuur te komen.
De katalysator bestaat uit een monoliet (keramiek of metaal) met kanalen. De wanden van
de kanalen zijn bekleed met platina/rodium/
palladium. Deze edelmetalen hebben een katalytische werking, d.w.z. ze versnellen een
chemische reactie zonder dat ze daar zelf actief aan deelnemen.
LambdasondeTM (zuurstofsensor)
De lambdasonde maakt deel uit van het regelsysteem dat tot taak heeft de uitstoot te beperken en de energie-inhoud van de brandstof
beter te benutten.
Een zuurstofsensor registreert het zuurstofgehalte van de uitlaatgassen die de motor verlaten. De meetwaarde van de uitlaatgasanalyse
wordt doorgegeven aan het elektronische systeem dat continu de injectoren afregelt. Het
lucht-brandstofmengsel dat de motor krijgt,
wordt continu bijgesteld. De regeling schept
de ideale omstandigheden voor een effectieve
verbranding van de schadelijke stoffen (koolwaterstoffen, koolmonoxide en stikstofoxiden)
in de driewegkatalysator.
05
Katalysator
De katalysator heeft tot taak de uitlaatgassen
te reinigen. De katalysator is dicht bij de motor
157
05 Tijdens het rijden
Lading vervoeren
Het laadvermogen is afhankelijk van wat er op
de auto gemonteerd is, zoals een trekhaak,
lasdragers of een skibox. Het laadvermogen
van de auto moet tevens worden verminderd
met het gewicht van het aantal inzittenden.
WAARSCHUWING
Afhankelijk van de belading van de auto en
het zwaartepunt van de lading treden er wijzigingen in de rijeigenschappen op.
• Dek scherpe randen met iets zachts af om
de bekleding te beschermen.
• Zet alle bagage met riemen of bevestigingsbanden aan de verankeringsogen
vast.
WAARSCHUWING
Vergeet niet dat een voorwerp met een gewicht van 20 kg tijdens een frontale botsing
bij een snelheid van 50 km/h zich kan gedragen als een voorwerp met een gewicht
van 1000 kg.
Zorg dat u de bagage altijd goed verankert.
Lading vervoeren in kofferbak
05
Zet de motor af en trek de parkeerrem aan bij
het in- en uitladen van lange voorwerpen.
Wanneer u met de lange bagage tegen de versnellingspook/keuzehendel aankomt, kan de
auto in beweging komen.
U kunt het kofferdeksel openen
met de knop op het verlichtingspaneel of met de transpondersleutel (zie pagina 43).
• Plaats de bagage stevig tegen de rugleuning van de stoel ervoor.
• Breng brede voorwerpen in het midden
aan.
• Breng zware voorwerpen zo laag mogelijk
aan. Plaats geen zware voorwerpen op het
neergeklapte ruggedeelte.
158
Verankeringsogen
WAARSCHUWING
Als de lading boven de ruggedeelten uitsteekt, biedt het opblaasgordijn dat schuilgaat achter de plafondbekleding mogelijk
geen bescherming meer of slechts in beperkte mate. Zorg dat de lading nooit boven
de ruggedeelten uitsteekt. Bij krachtig remmen kan de bagage namelijk gaan schuiven
en inzittenden verwonden.
8505313s
Algemene informatie
De inklapbare verankeringsogen in de kofferbak gebruikt u om bagagebanden aan vast te
zetten.
WAARSCHUWING
Harde, scherpe en/of zware voorwerpen die
in de weg liggen of uitsteken kunnen bij een
krachtige remmanoeuvre verwondingen
veroorzaken.
Maak grote en zware voorwerpen altijd vast
met een van de veiligheidsgordels of een
bagageband.
05 Tijdens het rijden
Lading vervoeren
Houder voor boodschappentassen*
Doorsteekluik
Ruggedeelte achterbank omklappen
U kunt het luikje in het ruggedeelte openen om
lange en smalle voorwerpen te vervoeren.
De houder voor boodschappentassen houdt
tassen op hun plek.
1. Open het luik dat deel uitmaakt van de
vloer in de kofferbak.
2. Zet de boodschappentassen vast.
De ruggedeelten van de achterbank kunnen,
allebei of ieder apart, worden omgeklapt om
lange voorwerpen gemakkelijker te kunnen
vervoeren.
1. Trek aan de handgreep/handgrepen. Zet
omgeklapte hoofdsteunen eerst rechtop
(zie pagina 62).
2. Klap het ruggedeelte naar voren toe om.
Stel zo nodig de middelste hoofdsteun af
(zie pagina 62).
2
05
8505328s
8904104s
8505314s
1
WAARSCHUWING
Controleer of de ruggedeelten van de achterbank na het rechtop zetten goed vergrendeld staan.
159
05 Tijdens het rijden
Lading vervoeren
WAARSCHUWING
3
8505329s
Zet de motor af en activeer de parkeerrem
bij het in- en uitladen. Het gevaar is anders
aanwezig dat u met de bagage tegen de
versnellingspook/keuzehendel aankomt en
de auto daarmee in beweging zet.
Klap het rechter ruggedeelte naar voren
toe om.
05
Het luik zit niet met scharnieren in het ruggedeelte vast, maar is in zijn geheel te verwijderen.
Luikje verwijderen
Ontgrendel het luikje in het ruggedeelte
van de achterbank door de grendel omhoog te duwen en duw tegelijkertijd het
luikje naar voren toe open.
Open het luikje nadat u het hebt ontgrendeld,
met het ruggedeelte omgeklapt, ca. 30 graden
en trek het luikje recht omhoog.
Zet het ruggedeelte weer rechtop met het
luikje open.
Luikje aanbrengen
N.B.
Als de auto is uitgerust met een geïntegreerd kinderzitje*, dan dient u dit eerst uit
te klappen.
Maak gebruik van de veiligheidsgordel om de
lading vast te zetten.
160
Luik achter geïntegreerd kinderzitje*
Plaats het luikje terug in de groeven achter de
bekleding en sluit het luikje.
Voorstoel
Voor het vervoer van extra lange lading kunt u
ook de rugleuning van de passagiersstoel omklappen (zie pagina 60).
05 Tijdens het rijden
Lading vervoeren
Lading op het dak
Lastdragers gebruiken
Gevarendriehoek
De gevarendriehoek is met twee clips aan de
binnenkant van het kofferdeksel bevestigd.
1
Haal de houder met de gevarendriehoek
los door de twee kliksluitingen naar buiten
te trekken.
Om schade aan de auto te voorkomen en voor
maximale veiligheid tijdens het rijden, wordt u
geadviseerd de lastdragers te gebruiken die
door Volvo ontwikkeld zijn.
Neem de gevarendriehoek uit de houder, klap de driehoek uit en bevestig de
twee losse zijden aan elkaar.
• Naarmate u meer lading op het dak vervoert, vangt de auto meer wind en neemt
het brandstofverbruik toe.
• Rijd rustig. Trek bij voorkeur niet te snel op,
rem niet te hard en maak niet te scherpe
bochten.
Klap de steunpoten van de gevarendriehoek uit.
Volg de geldende bepalingen voor het gebruik
van een gevarendriehoek. Zet de gevarendriehoek op een passend punt achter de auto op
om achteropkomend verkeer tijdig te waarschuwen.
2
G015352
• Controleer regelmatig of de lastdragers en
de lading goed vastzitten. Zet de lading
stevig vast met sjorbanden.
• Verdeel het gewicht van de lading gelijkmatig over de lastdragers. Leg de zwaarste
voorwerpen onderop.
G015351
Volg de montage-instructies die bij de lastdragers worden geleverd nauwkeurig op.
05
Zorg dat de houder met de gevarendriehoek
na gebruik stevig in de kofferbak vastzit.
3
G015353
WAARSCHUWING
Bij het vervoer van lading op het dak verschuift het zwaartepunt en treden er wijzigingen op in de rijeigenschappen van de
auto.
De maximale dakbelasting bedraagt 100 kg
inclusief de lastdragers en een eventuele
skibox.
161
05 Tijdens het rijden
Rijden met een aanhanger
Algemene informatie
Als de trekhaak door Volvo is gemonteerd,
wordt de auto compleet aangeleverd met de
benodigde randuitrusting voor het gebruik van
een aanhanger.
05
162
• De trekhaak van de auto moet van een
goedgekeurd type zijn.
• Bij montage achteraf moet u contact opnemen met uw Volvo-dealer om te controleren of uw auto van de nodige uitrusting is
voorzien om met een aanhanger te kunnen
rijden.
• Verdeel de lading in de aanhanger dusdanig dat de druk op de trekhaak de maximale kogeldruk niet overschrijdt.
• Verhoog de bandenspanning tot de aanbevolen druk bij maximale belading. Zie
pagina 207 voor de positie van de bandenspanningstabel.
• Maak de trekhaak regelmatig schoon en vet
de kogel van tijd tot tijd in.
• Rijd niet met een zware aanhanger, wanneer de auto nog helemaal nieuw is. Wacht
hiermee totdat de auto ten minste
1000 kilometer heeft gereden.
• Bij het afdalen op lange en steile hellingen
worden de remmen veel zwaarder belast
dan normaal. Schakel dan terug naar een
lagere versnelling en pas uw snelheid aan.
• Bij het gebruik van een aanhanger wordt de
motor zwaarder belast dan normaal.
• Wanneer de auto bij warm weer zwaar
belast wordt, kan de motor oververhit raken. Als de temperatuur in het koelsysteem
van de motor te hoog oploopt, gaat het
waarschuwingslampje branden en verschijnt de melding Motortemp. hoog Stop
auto z.s.m.. Breng de auto in dat geval op
een veilige manier tot stilstand en laat de
motor enkele minuten stationair lopen
zodat deze kan afkoelen.
Als de melding Motortemp. hoog Zet
motor af of Koelvl.peil laag Zet motor af
verschijnt, dient u nadat de auto tot stilstand is gekomen ook de motor af te
zetten.
• De automatische versnellingsbak is voorzien van een ingebouwde beveiliging die bij
oververhitting in werking treedt. Als de temperatuur in de versnellingsbak te hoog oploopt, gaat het waarschuwingslampje
branden en verschijnt de melding Versn.bak heet Rijd langzamer of Versn.bak
heet Stop auto z.s.m. op het informatiedisplay.
Volg in dat geval het advies op en matig uw
snelheid of breng de auto op een veilige
plek tot stilstand om de motor enkele minuten stationair te laten lopen zodat de versnellingsbak kan afkoelen.
Bij oververhitting is het mogelijk dat de
airconditioning tijdelijk wordt
uitgeschakeld.
• Rijd om veiligheidsredenen niet sneller dan
80 km/h, ook al staat de wetgeving in
bepaalde landen een hogere snelheid toe.
• Zet de keuzehendel in de parkeerstand P,
wanneer u een automaat met aanhanger
parkeert. Gebruik altijd de parkeerrem. Gebruik wielblokken, als u een auto met aanhanger op een steile helling parkeert.
Trekhaakbedrading
Als de trekhaak van de auto een 13-polig elektrisch contact heeft en de aanhanger een
7-polig contact, hebt u een adapter nodig.
Gebruik een door Volvo goedgekeurde adapterkabel. Zorg dat de kabel niet over de grond
sleept.
Richtingaanwijzers aanhanger
Het lampje op het instrumentenpaneel knippert wanneer u de richtingaanwijzers gebruikt
met een aanhanger achter de auto. Als het
lampje sneller knippert dan normaal is een van
de richtingaanwijzers op de auto of op de aanhangwagen kapot (zie pagina 55).
Automatische versnellingsbak
Op een helling parkeren
1. Zet de parkeerrem (handrem) aan.
2. Zet de keuzehendel in stand P.
Op een helling wegrijden
1. Zet de keuzehendel in stand D.
2. Haal de auto van de parkeerrem
(handrem).
05 Tijdens het rijden
Rijden met een aanhanger
Steile hellingen
• Kies bij het omhoog rijden op steile hellingen of in langzaam rijdend verkeer de juiste
handmatige lage versnellingsstand. Zo
voorkomt u dat de versnellingsbak opschakelt en houdt u de versnellingsbakolie koel.
• Schakel geen hogere, handmatige versnelling in dan de motor “aankan”. Rijden in
hoge versnellingen is niet altijd zuinig.
• Vermijd hellingen met een percentage van
meer dan 15% bij het gebruik van een
aanhanger.
WAARSCHUWING
Houd u aan de opgegeven aanbevelingen
voor het aanhangergewicht. De aanhanger
en de auto kunnen anders moeilijk bestuurbaar worden tijdens uitwijk- en remmanoeuvres.
Trekhaak
Als de auto is uitgerust met een afneembare
trekhaak, moeten de montage-instructies voor
het monteren van het kogelsegment zorgvuldig worden opgevolgd (zie pagina 165).
WAARSCHUWING
Let erop dat u de veiligheidskabel van de
aanhanger aan de daarvoor bestemde bevestiging vastmaakt.
WAARSCHUWING
Niveauregeling*
Als uw auto is uitgerust met automatische niveauregeling nemen de achterste schokdempers tijdens het rijden altijd de juiste rijhoogte
in ongeacht de belading (tenzij het maximaal
toelaatbare gewicht wordt overschreden).
Wanneer de auto stilstaat, zakt de achtertrein
omlaag. Dit is volkomen normaal.
Let op het volgende, als uw auto is uitgerust
met de afneembare trekhaak van Volvo:
Volg de montage-instructies voor het kogelsegment nauwkeurig op. Zorg dat het kogelsegment met de sleutel vergrendeld is
voordat u begint te rijden. Controleer of het
controlevenster groen van kleur is.
05
N.B.
Aanhangergewichten
Let erop dat er op grond van de wetgeving
voor motorvoertuigen in uw land verdere beperkingen van het aanhangergewicht en de
snelheid kunnen gelden. Het is bovendien mogelijk dat de trekhaak gespecificeerd is voor
hogere gewichten dan het maximaal toelaatbare aanhangergewicht van de auto. Zie
pagina 215 voor het maximaal toelaatbare
aanhangergewicht dat Volvo hanteert.
Neem na gebruik altijd het kogelsegment
los. Bewaar het in de kofferbak.
163
05 Tijdens het rijden
Rijden met een aanhanger
Specificaties
Belangrijke controlepunten
• U moet de kogel regelmatig schoonmaken
en met vet insmeren.
2
N.B.
8601532s
8601534s
Wanneer u een trekhaak met trillingsdemper gebruikt, hoeft de kogel niet te worden
ingevet.
1
Afmetingen voor bevestigingspunten
05
(mm)
8
4
1127
951
855
428
112
360
Langsligger
3
7
164
5
6
8601533s
Middelpunt kogel
1
Bij auto’s met Nivomat geldt een maat van 97 mm.
05 Tijdens het rijden
Rijden met een aanhanger
Kogelsegment aanbrengen
2
8904095s
8904091s
Verwijder de beschermkap.
5
8904093s
3
1
Het controlevenster moet groen van kleur
zijn.
Het controlevenster moet rood van kleur
zijn.
6
4
Controleer of het mechanisme in de ontgrendelde stand staat door de sleutel rechtsom te draaien.
Breng het kogelsegment aan en duw het
naar binnen totdat u een klik hoort.
8904096s
8904094s
8904092s
05
Draai de sleutel linksom naar de vergrendelde stand. Neem de sleutel uit het slot.
165
05 Tijdens het rijden
Rijden met een aanhanger
8904103s
7
Controleer of het kogelsegment vastzit
door het stevig omhoog, omlaag en naar
achteren te bewegen. Als het kogelsegment niet goed zit, moet u het verwijderen
en het opnieuw monteren zoals eerder
werd beschreven.
05
8904097s
8
De veiligheidskabel van de aanhanger
moet aan de bevestiging van de trekhaak
worden vastgemaakt.
166
05 Tijdens het rijden
Rijden met een aanhanger
Kogelsegment verwijderen
8904098s
8904100s
3
1
Draai de vergrendelingsknop volledig omlaag totdat deze niet verder kan. Houd de
knop in deze stand vast terwijl u het
kogelsegment schuin naar achteren toe
omhoogtrekt.
Steek de sleutel in het slot en draai deze
rechtsom in de ontgrendelde stand.
2
05
4
8904099s
1
2
8904101s
Druk de vergrendelingsknop in en draai
deze linksom totdat u een klik hoort.
Duw de beschermkap erop.
167
05 Tijdens het rijden
Slepen
Algemene informatie
Probeer de motor nooit aan te slepen. Gebruik
een hulpaccu als de accu leeg is en de motor
niet wil starten.
BELANGRIJK
De katalysator kan beschadigd raken als u
de auto probeert aan te slepen.
Automatische versnellingsbak
Zet de keuzehendel in stand N.
BELANGRIJK
05
De snelheidslimiet voor het wegslepen van
een auto met automatische versnellingsbak
is 80 km/h. U mag de auto over een afstand
van maximaal 80 km verslepen. Sleep de
auto altijd met de voorkant van de auto in
de rijrichting.
De snelheidslimiet voor het wegslepen van
een auto met automatische versnellingsbak
is 80 km/h (met geheven vooras). U mag de
auto over een afstand van maximaal 80 km
verslepen. Berg de auto altijd zo dat de wielen in de rijrichting draaien.
Handgeschakelde versnellingsbak
Zet de versnellingspook in de neutrale stand.
Houd de sleepkabel altijd strak om harde
schokken te voorkomen. Sta klaar om het
rempedaal te bedienen.
168
WAARSCHUWING
Het stuurslot blijft in de stand staan die het
had toen de spanning werd verbroken. Het
stuurslot moet worden opgeheven, voordat
u de auto sleept. Het contactslot moet in
stand II staan. Neem de transpondersleutel
nooit tijdens het rijden of slepen uit het contactslot.
WAARSCHUWING
De rembekrachtiging en de stuurbekrachtiging werken niet wanneer de motor uitgeschakeld is. U moet ongeveer vijfmaal zo
hard op het rempedaal trappen en de auto
stuurt aanzienlijk zwaarder dan normaal.
Sleepoog
Gebruik het sleepoog als de auto over de weg
moet worden versleept. U bevestigt het
sleepoog in de opening aan de rechterzijde
van de voor- of achterbumper.
Draai het sleepoog na gebruik los en plaats
het terug in de kofferbak. Plaats de afdekking
weer terug op de bumper.
WAARSCHUWING
Het sleepoog is alleen bedoeld voor het slepen over de weg en niet geschikt voor berging. Roep professionele hulp in voor
berging.
Controleer voordat u de auto gaat slepen wat
de toegestane maximumsnelheid is.
WAARSCHUWING
Steek voordat de auto wordt versleept de
transpondersleutel in het contactslot om
het stuurslot op te heffen (zodat de auto bestuurbaar wordt).
05 Tijdens het rijden
Slepen
Sleepoog monteren
8601528s
1
2
8601529s
05
Neem het sleepoog erbij dat onder het
vloerluik in de kofferbak ligt.
Maak de onderkant van de afdekking in de
bumper los met een schroevendraaier of
een muntstuk. Schroef het sleepoog stevig tot aan de flens vast. Gebruik de
wielsleutel om het sleepoog vast te
draaien.
169
Motorruimte ........................................................................................... 172
Gloeilampen ........................................................................................... 177
Wisserbladen en ruitensproeiervloeistof ................................................ 184
Accu ....................................................................................................... 186
Zekeringen ............................................................................................. 189
Wielen en banden .................................................................................. 194
Verzorging .............................................................................................. 210
Type-aanduidingen ................................................................................. 214
Specificaties ........................................................................................... 215
170
ONDERHOUD EN SPECIFICATIES
06
06 Onderhoud en specificaties
Motorruimte
Serviceprogramma van Volvo
Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid
en betrouwbaarheid van de auto op een hoog
peil te houden, dient u de voorschriften van
het Serviceprogramma van Volvo op te volgen
zoals die omschreven staan in het Service- en
garantieboekje van Volvo. Laat service- en reparatiewerkzaamheden door een erkende
Volvo-werkplaats uitvoeren. Volvo-werkplaatsen beschikken over het personeel, het speciale gereedschap en de servicehandboeken
waardoor zij u een zo hoog mogelijke servicekwaliteit kunnen garanderen.
WAARSCHUWING
Let erop dat de koelventilator tot enige tijd
na het afzetten van de motor nog automatisch kan aanslaan.
Laat het schoonmaken van de motor altijd
over aan een werkplaats. Als de motor heet
is, bestaat er gevaar voor brand.
Motorkap openen en sluiten
1
200268s
Algemene informatie
BELANGRIJK
Beknellingsgevaar! U kunt de motorkap pas
openen nadat u het parkeerrempedaal bedient. (Geldt voor auto’s met een parkeerrempedaal.)
2
06
Regelmatig controleren
Controleer regelmatig de volgende oliën en
vloeistoffen, bijvoorbeeld tijdens het tanken:
•
•
•
•
172
Koelvloeistof
Motorolie
Stuurbekrachtigingsvloeistof
Ruitensproeiervloeistof
G010951
BELANGRIJK
Voor de geldigheid van de garantie is het
van belang dat u het Service- en garantieboekje van Volvo controleert en de aanwijzingen opvolgt.
Trek aan de handgreep bij de pedalen. Het
is duidelijk te horen dat vergrendeling
wordt opgeheven.
Haal de borghaak naar links om de motorkap te openen. (De borghaak zit links van
het midden tussen de koplamp en de
grille.)
WAARSCHUWING
Controleer bij het sluiten of de motorkap
goed in het slot valt.
06 Onderhoud en specificaties
Motorruimte
Motorruimte, overzicht
WAARSCHUWING
6
7
2
8
3
9
4
10
Het ontstekingssysteem werkt zeer hoge
spanningen op. De spanning van het ontstekingssysteem is levensgevaarlijk. Zet het
contactslot daarom altijd in stand 0 bij
werkzaamheden in de motorruimte.
Raak bougies of bobine niet aan, wanneer
het contactslot in stand II staat of als de
motor warm is.
2000480s
5
2000481s
1
Oliepeil motor controleren
Afhankelijk van het motortype kan de motorruimte er anders uitzien.
Expansiereservoir voor koelsysteem
Reservoir voor stuurbekrachtigingsvloeistof
Peilstok voor motorolie
Sticker met oliekwaliteit
Volvo adviseert olieproducten van
. Zie voor ritten onder ongunstige
omstandigheden de aanbevelingen van Volvo
op pagina 218.
06
Radiateur
Luchtfilter
Vulopening voor motorolie
Reservoir voor rem- en koppelingsvloeistof (auto met stuur links)
Accu
Relais- en zekeringenkastje,
motorruimte
Vulopening voor ruitensproeiervloeistof
173
06 Onderhoud en specificaties
Motorruimte
BELANGRIJK
Gebruik voor het bijvullen van olie een oliesoort van dezelfde kwaliteit en met dezelfde
viscositeit (zie pagina 218).
Benzinemotor
MIN
174
MAX
2200327s
06
Volvo hanteert uiteenlopende systemen om te
waarschuwen voor een laag oliepeil of een
lage oliedruk. Bij de modellen die zijn voorzien
van een oliedruksensor wordt gebruik gemaakt van een waarschuwingslampje voor de
oliedruk. Bij modellen met een olieniveausensor wordt gewaarschuwd met een waarschuwingslampje midden op het instrumentenpaneel en met displayteksten. Op bepaalde modellen zijn beide systemen aanwezig. Neem
voor meer informatie contact op met een erkende Volvo-dealer.
Bij een nieuwe auto is het belangrijk om het
oliepeil te controleren, voordat de olie voor de
eerste keer volgens schema moet worden ververst.
De betrouwbaarste meting wordt verkregen bij
een koude motor vóór de start. Meteen na het
afzetten van de motor krijgt u een verkeerd resultaat. De peilstok geeft dan een te laag peil
aan, omdat de olie geen tijd heeft gehad om
terug te lopen naar het oliecarter.
2200330s
Om aan de vereisten voor de gespecificeerde
service-intervallen te voldoen worden alle
motoren in de fabriek gevuld met een speciaal aangepaste, synthetische motorolie. De
oliesoort werd met grote zorg geselecteerd
lettend op de levensduur van de motor, de
startgewilligheid, het brandstofverbruik en de
milieu-impact. Om de aanbevolen service-intervallen aan te kunnen houden dient u een
goedgekeurde motoroliesoort te gebruiken.
Gebruik alleen een oliesoort van de voorgeschreven kwaliteit (zie sticker in motorruimte)
en dat zowel bij het bijvullen als verversen
van olie. Een negatieve invloed op de levensduur van de motor, de startgewilligheid, het
brandstofverbruik en de milieu-impact is anders niet uitgesloten. Volvo Car Corporation
wijst alle garantieclaims af bij gebruik van een
motoroliesoort die niet voldoet aan de voorgeschreven kwaliteits- en viscositeitseisen.
Vulopening en peilstok
2200328s
BELANGRIJK
Dieselmotor
De olie moet binnen het gemarkeerde gebied op
de peilstok staan.
Houd voor het verversen en het vervangen de
intervallen aan die staan aangegeven in het
Service- en garantieboekje.
Parkeer de auto op een vlakke ondergrond,
zet de motor af en wacht ten minste 10 tot
06 Onderhoud en specificaties
Motorruimte
15 minuten zodat de olie weer kan teruglopen
in het oliecarter. Zie pagina 219 voor de bij te
vullen hoeveelheid.
Koelvloeistof
BELANGRIJK
Het is uitermate belangrijk dat u een koelvloeistof met roestwerende eigenschappen
gebruikt volgens de aanbevelingen van Volvo. Een nieuwe auto is voorzien van koelvloeistof die bestand is tegen temperaturen
tot ca. –35 °C.
Koelvloeistof controleren en bijvullen
Oliepeil controleren bij koude motor
BELANGRIJK
Vul niet meer olie bij dan tot aan het MAXstreepje. Het olieverbruik kan toenemen, als
u te veel olie in de motor giet.
WAARSCHUWING
Mors geen olie op het hete uitlaatspruitstuk,
omdat er gevaar voor brand bestaat.
Oliepeil controleren bij warme motor
1. Veeg de peilstok schoon.
2. Controleer het oliepeil met de peilstok.
3. Als de olie dichter bij het MIN-streepje
ligt, kunt u eerst 0,5 liter olie bijvullen. Vul
bij totdat de olie dichter bij het MAXstreepje dan bij het MIN-streepje op de
peilstok ligt.
Controleer de koelvloeistof regelmatig!
De koelvloeistof moet tussen het MIN- en
MAX-streepje op het expansiereservoir staan.
2600518s
1. Veeg de peilstok schoon.
2. Controleer het peil met de peilstok. De
olie moet tussen het MIN- en MAXstreepje staan.
3. Als de olie dichter bij het MIN-streepje
ligt, kunt u eerst 0,5 liter olie bijvullen. Vul
bij totdat de olie dichter bij het MAXstreepje dan bij het MIN-streepje op de
peilstok ligt.
Volg de aanwijzingen op de verpakking op.
Voor optimale bestendigheid tegen vorst en
corrosie dient u erop toe te zien dat het koelvloeistofmengsel altijd voor 50% uit water en
voor 50% uit koelvloeistof bestaat. Vul het reservoir nooit alleen met schoon water. Het gevaar voor bevriezing neemt toe, zowel wanneer de concentratie koelvloeistof te laag is
als wanneer deze te hoog is. Zie pagina 220
voor de hoeveelheden.
Als u het reservoir niet goed gevuld houdt, kan
de temperatuur in het systeem dusdanig hoog
oplopen dat er gevaar voor motorschade ontstaat.
WAARSCHUWING
De koelvloeistof kan bijzonder heet zijn. Als
u moet bijvullen terwijl de motor op bedrijfstemperatuur is, moet u langzaam de dop
van het expansiereservoir losdraaien om de
overdruk te laten ontsnappen.
06
175
06 Onderhoud en specificaties
Motorruimte
Peil controleren
De rem- en koppelingsvloeistof zitten in hetzelfde reservoir. De vloeistof moet tussen het
MIN- en MAX-streepje staan die aan de buitenkant van het reservoir zichtbaar zijn.
Controleer het peil regelmatig.
1
Max
Min
2
06
WAARSCHUWING
Als het remvloeistofpeil lager is dan het
MIN-streepje van het remvloeistofreservoir,
dient u niet verder te rijden met de auto
voordat er remvloeistof is bijgevuld. Laat de
oorzaak van het remvloeistofverlies controleren door een erkende Volvo-werkplaats.
5200696s
Ververs de remvloeistof om de twee jaar of iedere tweede geplande servicebeurt.
Zie pagina 220 voor de aan te houden hoeveelheden en de aanbevolen kwaliteit van de
remvloeistof. Wanneer u vaak met uw auto in
de bergen rijdt of in landen met een tropisch
klimaat en een hoge relatieve luchtvochtigheidsgraad, moet u de remvloeistof ieder jaar
verversen.
Het vloeistofreservoir zit aan de bestuurderszijde
Het vloeistofreservoir gaat schuil achter de
dekplaat op de koude zone van de motorruimte. U moet het ronde deksel eerst verwijderen
om bij de dop van het reservoir te komen.
Open het deksel dat in de dekplaat zit
door het te verdraaien.
Draai de dop van het reservoir los en vul
vloeistof bij. De vloeistof moet tussen het
MIN- en MAX-streepje staan.
BELANGRIJK
Vergeet niet het deksel terug te plaatsen.
176
Stuurbekrachtigingsvloeistof
Bijvullen
5200697s
Rem- en koppelingsvloeistof
BELANGRIJK
Houd bij een controle van het peil in het reservoir voor stuurbekrachtigingsvloeistof
het gebied eromheen goed schoon.
Controleer het peil bij iedere servicebeurt. U
hoeft de vloeistof niet te verversen. De vloeistof moet tussen het MIN- en MAX-streepje
staan. Zie pagina 220 voor de aanbevolen
vloeistofkwaliteit en aan te houden hoeveelheden.
N.B.
Ook als er een storing optreedt in de stuurbekrachtiging of als de stroom wegvalt en u
de auto moet laten wegslepen, blijft de auto
bestuurbaar.
06 Onderhoud en specificaties
Gloeilampen
Algemene informatie
Lamphuis voorzijde
Koplamphuis verwijderen
1. Schakel het contact uit door kort op de
knop START/STOP te drukken en de transpondersleutel uit te nemen.
2. Trek de borgpennen
van het lamphuis
omhoog.
Op pagina 183 staan alle gloeilampen van de
auto vermeld. Gloeilampen en puntverlichting
van een bijzonder type of lampen die alleen in
een werkplaats te vervangen zijn:
• Interieurverlichting aan het plafond
G010479
Leeslampjes
Verlichting dashboardkastje
Richtingaanwijzers, buitenspiegels
Approach-verlichting, buitenspiegels
Remlichten
Active Bi-Xenon, Bi-Xenon en led-lampen
BELANGRIJK
.
BELANGRIJK
Trek alleen aan de connector en niet aan de
kabel.
Alle gloeilampen in de koplamphuizen (behalve die voor het dimlicht) zijn te vervangen door
het lamphuis via de motorruimte los te maken
en het in zijn geheel te verwijderen.
WAARSCHUWING
Raak het glas van de gloeilampen nooit met
blote vingers aan. De vetten en oliën op uw
vingers kunnen door de hitte verdampen.
Dit zorgt voor aanslag op de reflector, waardoor deze al snel kapotgaat.
en ondertussen met uw ande-
re hand de connector los te trekken
WAARSCHUWING
Als de auto is voorzien van Bi-Xenon- of
Active Bi-Xenonkoplampen, dient u alle
werkzaamheden aan deze xenonlampen
door een erkende Volvo-werkplaats te laten
uitvoeren. Omdat de xenonkoplampen
voorzien zijn van een ontstekingsgedeelte
dat een hoge spanning opwekt, moet u er
voorzichtig mee omgaan.
3. Trek het lamphuis recht naar voren toe
.
4. Koppel de connector van het lamphuis
los door met uw duim de clip omlaag te
duwen
G010325
•
•
•
•
•
•
Schakel altijd het contact uit en neem de
transpondersleutel uit, voordat u gloeilampen vervangt.
5. Til het lamphuis naar buiten en leg het op
een zachte ondergrond om krassen op
de lens te voorkomen.
6. Vervang de kapotte gloeilamp (zie
pagina 183).
06
Koplamphuis aanbrengen
1. Sluit de connector dusdanig aan dat u een
klik hoort.
2. Plaats het lamphuis terug en breng de
borgpennen aan. Controleer of u ze op
de juiste manier hebt ingebracht.
3. Controleer de verlichting.
Het lamphuis moet zijn aangesloten en gemonteerd zijn, voordat u de verlichting inschakelt of de transpondersleutel in het contactslot
steekt.
177
06 Onderhoud en specificaties
Gloeilampen
N.B.
Zie pagina 177 alvorens een gloeilamp te
vervangen.
06
178
1. Open de borgklem door deze omhoog/naar
buiten te duwen.
2. Duw de clips op de afdekking omlaag en
verwijder de afdekking.
Plaats de afdekking in omgekeerde volgorde
terug.
1. Haal het koplamphuis los.
2. Verwijder de afdekking.
3. Haal de gloeilamp los door de houder
omlaag te duwen.
4. Koppel de connector van de lamp los.
5. Breng de nieuwe gloeilamp in de lamphouder aan zodat deze vastklikt. U kunt
hem slechts op één manier terugplaatsen.
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
3501877s
Groot licht, halogeen
3501875s
Dimlicht, halogeen
3501876s
Afdekking verwijderen
1. Haal het koplamphuis los.
2. Verwijder de afdekking.
3. Haal de gloeilamp los door deze linksom
te draaien.
4. Koppel de connector van de lamp los.
5. Vervang de gloeilamp, steek de nieuwe
lamp in de lampvoet en draai de gloeilamp rechtsom vast. U kunt hem slechts
op één manier terugplaatsen.
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
06 Onderhoud en specificaties
Gloeilampen
1. Haal het koplamphuis los.
2. Verwijder de afdekking.
3. Haal de gloeilamp los door de houder
omlaag te duwen.
4. Koppel de connector van de lamp los.
5. Breng de nieuwe gloeilamp in de lamphouder aan zodat deze vastklikt. U kunt
hem slechts op één manier terugplaatsen.
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
3501872s
Richtingaanwijzers/knipperlichten
3501879s
Stadslichten/parkeerlichten vóór
3501897s
Verstralers, Active Bi-Xenon en
Bi-Xenon*
1. Haal het koplamphuis los.
2. Verwijder de afdekking (zie pagina 178).
3. Om ruimte te maken kunt u de gloeilamp
voor het groot licht eerst verwijderen.
1. Haal het koplamphuis los.
2. Verwijder de kleine, ronde afdekking.
3. Trek aan de lamphouder om de gloeilamp
tevoorschijn te halen.
4. Trek aan de kabel om de lamphouder
tevoorschijn te halen.
5. Trek de kapotte gloeilamp los en breng
de nieuwe aan. U kunt hem slechts op
één manier terugplaatsen.
6. Breng de lampvoet in de lamphouder aan
en duw de lamp aan totdat u een klik
hoort.
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
4. Trek de kapotte gloeilamp los en breng
de nieuwe aan. U kunt hem slechts op
één manier terugplaatsen.
5. Breng de lampvoet in de lamphouder aan
en duw de lamp aan totdat u een klik
hoort.
6. Plaats de afdekking terug. U moet deze
dusdanig aanbrengen en vastduwen dat
u een klik hoort.
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
06
179
06 Onderhoud en specificaties
Gloeilampen
N.B.
Zie pagina 177 alvorens een gloeilamp te
vervangen.
06
180
1. Haal het koplamphuis los.
2. Verwijder de kleine, ronde afdekking.
3. Trek aan de kabel om de lamphouder
tevoorschijn te halen.
4. Trek de kapotte gloeilamp los en breng
de nieuwe aan. U kunt hem slechts op
één manier terugplaatsen.
5. Breng de lampvoet in de lamphouder aan
en duw de lamp aan totdat u een klik
hoort.
6. Plaats de afdekking terug. U moet deze
dusdanig aanbrengen en vastduwen dat
u een klik hoort.
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
1. Neem de afdekking los door de clips in te
duwen en de afdekking vervolgens recht
naar buiten te trekken.
2. Draai het boutje van het lamphuis los en
verwijder het lamphuis.
3. Draai de gloeilamp linksom en verwijder
deze.
4. Breng een nieuwe gloeilamp aan door
deze rechtsom te draaien.
5. Plaats de gloeilamp terug. (Het profiel
van de lamphouder komt overeen met
dat van de lampvoet.)
6. Plaats de lamphouder terug. Het opschrift TOP op de lamphouder moet omhoogwijzen!
3501878s
Achterlamphuis
3501874s
Mistlampen vóór
3501880s
Zijmarkeringslicht
Alle gloeilampen in het achterlamphuis (behalve de leds) zijn via de kofferbak te vervangen.
1. Open de luikjes rechts en links in de bekleding om toegang tot de lampen te krijgen.
De gloeilampen zitten in afzonderlijke lamphouders.
2. Duw de borghaken bijeen en trek de
lamphouder naar buiten.
3. Vervang de gloeilamp.
4. Sluit de connector aan.
5. Duw de lamphouder in positie en plaats
het luikje terug.
06 Onderhoud en specificaties
Gloeilampen
Positie gloeilampen achterlamphuis
Kentekenplaatverlichting
1
6
2
3
5
4
Lampglas, rechterzijde
Achterlicht/parkeerlicht (led)
Lamphouder achterlamphuis
Richtingaanwijzer
Richtingaanwijzer
Remlicht
Zijmarkeringslicht, SML (led)
Mistachterlicht (een zijde)
Remlichten
Achteruitrijlicht
Mistachterlicht (een zijde)
3501910s
4
3501894s
5
2
G015418
6
1. Draai de boutjes los met een schroevendraaier.
2. Haal voorzichtig het complete lamphuis
los en trek het naar buiten.
3. Vervang de gloeilamp.
4. Plaats het complete lamphuis terug en
draai de boutjes vast.
06
Achteruitrijlichten
N.B.
Neem, als de foutmelding niet verdwijnt nadat de kapotte lamp is vervangen, contact
op met een erkende Volvo-werkplaats.
181
06 Onderhoud en specificaties
Gloeilampen
Instapverlichting
Kofferbakverlichting
Verlichting make-upspiegel
N.B.
Zie pagina 177 alvorens een gloeilamp te
vervangen.
06
1. Steek een schroevendraaier achter de korte
kant van de lens die naar de middenconsole wijst en verdraai de schroevendraaier
iets, zodat de lens loskomt (geldt voor
beide lampjes).
2. Draai voorzichtig totdat de lens loskomt.
3. Vervang de gloeilamp.
1. Steek een schroevendraaier achter het lamphuis en verdraai deze iets, zodat het lamphuis loskomt.
2. Vervang de gloeilamp.
3. Controleer of de gloeilamp werkt en druk
het lamphuis weer vast.
3501883s
3501903s
3501902s
Spiegelglas verwijderen
1. Steek in het midden aan de onderkant een
schroevendraaier achter het glas en wrik
het borgnokje op de rand voorzichtig los.
2. Steek de schroevendraaier aan zowel de
linker- als de rechterzijde achter het glas
(bij de zwarte rubberdelen) en wrik voorzichtig, zodat het glas aan de onderkant
loskomt.
3. Maak het spiegelglas voorzichtig los en
verwijder het compleet met afdekklep.
4. Vervang de gloeilamp.
4. Plaats de lens terug.
Spiegelglas aanbrengen
1. Duw de drie borgnokjes aan de bovenkant
van het spiegelglas terug.
2. Duw vervolgens de onderste drie nokjes
vast.
182
06 Onderhoud en specificaties
Gloeilampen
Specificatie gloeilampen
Verlichting
Vermogen/
spanning
(W/V)
Type/
lampvoet
Bi-Xenon,
groot licht en
dimlicht
35/12
D1S/
PK32d-2
Verstralers,
Bi-Xenon
55/12
H7 LL/
PX26d
Dimlicht,
halogeen
55/12
H7 LL/
PX26d
Groot licht,
halogeen
65/12
H9/PGJ195
Remlichten
21/12
P21W LL/
BA15s
Achteruitrijlichten
21/12
P21W LL/
BA15s
Mistachterlicht
21/12
Richtingaanwijzers
achterzijde
(oranje)
21/12
P21W LL/
BA15s
PY21W LL/
BAU15s
Verlichting
Vermogen/
Type/
spanning
lampvoet
(W/V)
Verlichting
Vermogen/
Type/
spanning
lampvoet
(W/V)
Richtingaanwijzers
voorzijde
21/12
H21W LL/
BAY9s
Zijmarkeringslichten
voorzijde
5/12
W5W LL/
W2,1x9,5d
Achterlichten/
parkeerlichten en
zijmarkeringslichten
achter
–
Led/–
Richtingaanwijzers
buitenspiegels
(oranje)
5/12
WY5W LL/
W2,1x9,5d
5/12
–/SV8,5
Mistlampen
voorzijde
35/12
Instapverlichting,
kofferbakverlichting,
kentekenplaatverlichting
H8/PGJ191
Verlichting
dashboardkastje
5/12
–/BA9
Makeupspiegel
1,2/12
–/SV5,5
Stadslichten/
parkeerlichten
voorzijde
5/12
W5W LL/
W2,1x9,5d
06
183
06 Onderhoud en specificaties
Wisserbladen en ruitensproeiervloeistof
Wisserbladen
Servicestand
Haal de wisserarm van de ruit af. Druk op
de knop die op de wisserbladhouder zit en
trek het wisserblad evenwijdig aan de
wisserarm los.
Wisserbladen vervangen
1
Om de wisserbladen te kunnen vervangen of
schoonmaken moet u ze eerst in de servicestand zetten.
3603785s
Controleer of het blad goed vastzit.
2
03786s
1. Zet het contact in stand 0 maar laat de
transpondersleutel in het contactslot zitten.
2. Duw de rechter stuurhendel
ca. 1 seconde lang omhoog. De ruitenwisserarmen gaan dan verticaal staan.
Een volgende keer dat u de auto start nemen
de ruitenwissers de ruststand weer in.
Duw het nieuwe wisserblad zo ver naar
binnen dat u een klik hoort.
06
3603787s
3
184
06 Onderhoud en specificaties
Wisserbladen en ruitensproeiervloeistof
Vulopening voor
ruitensproeiervloeistof
N.B.
De wisserbladen zijn niet allebei even lang.
Het blad aan de bestuurderszijde is langer
dan dat aan de passagierszijde.
Reinig de wisserbladen met een lauwe zeepoplossing of autoshampoo.
3603783s
3603784s
Schoonmaken
De sproeiers van de voorruit en de koplampen
staan in verbinding met hetzelfde vloeistofreservoir.
BELANGRIJK
06
Gebruik tijdens de wintermaanden ruitensproeier-antivries in het reservoir om te
voorkomen dat de vloeistof in de pomp,
het reservoir en de slangen bevriest. Zie
pagina 220 voor de hoeveelheden.
185
06 Onderhoud en specificaties
Accu
Waarschuwingssymbolen op de accu
Draag een veiligheidsbril.
Bewaar accu’s buiten het
bereik van kinderen.
Vermijd vonken en open
vuur.
Lees het instructieboekje.
i
Bevat een bijtend zuur.
06
Explosiegevaar
N.B.
Zamel afgedankte accu’s op een milieuvriendelijke wijze in, aangezien ze lood bevatten.
186
Gebruik
• Controleer of de accukabels op de juiste
manier zijn aangesloten en stevig vastzitten.
• Koppel de accu nooit los, wanneer de
motor draait.
De rijomstandigheden, de rijstijl, het aantal
startpogingen, de weersomstandigheden e.d.
zijn van invloed op de levensduur en de werking van de accu.
Gebruik nooit een snellader voor het opladen
van de accu.
WAARSCHUWING
Accu’s kunnen een zeer explosief knalgas
produceren. Een enkele vonk, veroorzaakt
door een onjuiste aansluiting van de startkabels, is voldoende om de accu tot ontploffing te brengen. Accu’s bevatten tevens
zwavelzuur dat ernstige verwondingen door
etsing kan veroorzaken. Als u accuzuur in
uw ogen krijgt of op uw huid of kleren
morst, moet u onmiddellijk met grote hoeveelheden water spoelen. Neem onmiddellijk contact op met een arts, als u accuzuur
in uw ogen krijgt.
N.B.
Hoe vaker de accu ontladen raakt, des te
minder lang gaat de accu mee.
06 Onderhoud en specificaties
Accu
Vervangen
Koppel de zwarte minkabel
4
Verwijderen
los. Kop-
2
pel de rode pluskabel
los, koppel de
ontluchtingsslang
van de accu los en
draai het boutje los waarmee de accus-
1
4
teun
1
3
vastzit.
0223s
Haal de accu opzij en til deze op.
0220s
5
2
2
0225s
1
0221s
Schakel het contact uit en wacht 5 minuten.
3
Haal de clips op de voorste dekplaat los
en verwijder de dekplaat.
06
Haal de rubber strip los om de achterste
afdekking bloot te leggen.
G013020
Neem de achterste afdekking los door het
een kwartslag te verdraaien en vervolgens
op te tillen.
WAARSCHUWING
Zorg dat u de plus- en minkabels in de juiste
volgorde loskoppelt en/of aansluit.
187
06 Onderhoud en specificaties
Accu
Onderhoud
Aanbrengen
BELANGRIJK
1. Laat de accu in de accubak zakken.
Vul niet meer olie bij dan tot aan het
merkje
.
3100224s
3100217s
A
188
BELANGRIJK
Gebruik altijd gedestilleerd of gedeïoniseerd water (accuwater).
A
3100229s
06
2. Duw de accu naar binnen en gelijktijdig
opzij totdat de accu tegen de achterkant
van de accubak aankomt.
3. Schroef de accu vast met het boutje in
de steun.
4. Sluit de ontluchtingsslang aan.
5. Sluit de rode pluskabel aan.
6. Sluit de zwarte minkabel aan.
7. Duw de achterste afdekking vast (zie
Verwijderen).
8. Plaats de dekstrip van de koude zone
terug (zie Verwijderen).
9. Plaats de voorste afdekking terug en
bevestig deze met de clips (zie Verwijderen).
• Controleer alle cellen. Verwijder de celdoppen (of het deksel) met een grote schroevendraaier of een muntstuk.
• Vul bij tot aan het maximummerkje van de
accu. (Elke cel heeft zijn eigen minimum- en
maximummerkje.)
• Zet de celdoppen (of het deksel) weer goed
vast.
Er kunnen twee soorten accu’s op de auto zitten.
De types zijn volledig uitwisselbaar.
• Controleer regelmatig of het peil van het
accuzuur in orde is.
06 Onderhoud en specificaties
Zekeringen
Om te voorkomen dat het elektrisch systeem
van de auto beschadigd raakt door kortsluiting of overbelasting, zijn alle verschillende
elektrische functies en componenten door een
aantal zekeringen beschermd. Als een van de
elektrische onderdelen of functies niet werkt,
is het mogelijk dat de bijbehorende zekering
overbelast werd en daardoor gesmolten is. Als
dezelfde zekering herhaaldelijk doorbrandt,
betekent dit dat het bijbehorende onderdeel
een storing vertoont. Bezoek in dat geval een
erkende Volvo-werkplaats voor een controle.
Vervangen
1. Zoek in de zekeringentabel op waar de
zekering zit.
2. Trek de zekering naar buiten en bekijk
deze van opzij om te kijken of het gebogen draadje soms doorgebrand is.
3. Breng in dat geval een nieuwe zekering
aan met dezelfde kleur en hetzelfde amperage.
Positie zekeringenkastjes
1
2
3
3703828s
Algemene informatie
Positie van de zekeringenkastjes, auto met het
stuur links
Bij auto’s met het stuur rechts zit zekeringenkastje
aan de andere kant.
Onder dashboardkastje
Motorruimte
06
Kofferbak
189
06 Onderhoud en specificaties
Zekeringen
Motorruimte
Posities
1
1
2
4
39 36
5
40 37
6
41 38
3703833d
3703824s
3
34
32
30
35
33
31
7
1
06
20
15
Deze zekeringen zitten allemaal in het zekeringenkastje in de motorruimte. De zekeringen in
zitten onder
.
16
2
G010503
27
190
42
43
2
Aan de binnenkant van het deksel zit een speciale trekker waarmee u de zekeringen gemakkelijker kunt verwijderen en aanbrengen.
Motorruimte voorin
Motorruimte onderin
44
3
Motorruimte bovenin
28
29
21
24
25
26
22
23
17
18
19
• 16 — 33 en 35 — 41 zijn van type
“MiniFuse”.
• 8 —15 en 34 zijn van het type “JCASE” en
mogen alleen door een erkende Volvowerkplaats worden vervangen.
• 1—7 en 42 —44 zijn van het type “MidiFuse” en mogen alleen door een erkende
Volvo-werkplaats worden vervangen.
06 Onderhoud en specificaties
Zekeringen
Functie
A
Functie
A
10
Hoofdzekering RJBB KL30
60
Verlichtingspaneel
5
Hoofdzekering RJBD KL30
50
Koplampsproeiers
15
EVAP, Lambdasonde, Inspuiting
(benzine/diesel)
Waterpomp (V8)
Verwarming carterventilatie (5cil. benzine)
Verwarming dieselfilter (5-cil.
diesel)
Lekkagediagnose*
15/10
60
Regeleenheid motor,
transmissie. SRS
Elektrisch verwarmde
sproeikoppen
Vacuümpomp I5T
12V-aansluiting voor- en achterin 15
Gloeibougies diesel
70
Schuifdak*, Plafondconsole/
ECC*
Relais box motorruimte
10
Koelventilator
50
Koelventilator
60
Verstralers*
20
Claxon
15
Regeleenheid motor
10
Regeleenheid automatische
versnellingsbak*
Compressor A/C
15
Relais sproeiers
5
Relais startmotor
30
Bobines/Voorgloei-inrichting
diesel
Regeleenheid motor benzine/
diesel
Inspuitsysteem
20/10
Motorkleppen
10
Functie
A
Hoofdzekering CEM KL30A
60
Hoofdzekering CEM KL30B
60
Hoofdzekering RJBA KL30
Reservepositie
PTC-luchtvoorverwarming*
100
Reservepositie
Ruitenwissers
30
Standverwarming*
25
Interieurventilator
40
Reservepositie
ABS-pomp
30
ABS-kleppen
20
Reservepositie
Koplamphoogteregeling* (Active
Bi-Xenon, Bi-Xenon)
Hoofdzekering CEM
10
Radar. Regeleenheid ACC*
5
Snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging
5
20
10
20
10/
20/
20
5
5
06
15
10/15
15
191
06 Onderhoud en specificaties
Zekeringen
Onder dashboardkastje
Posities
1
Functie
A
Schuifdak*
20
Achteruitrijlichten.
7,5
Reservepositie
1 2 3
4
5
6
7 8
9 10 11 12 13 14
15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28
3501898s
3501899s
Klap de interieurbekleding opzij die het zekeringenkastje afdekt.
Druk op de vergrendeling van het deksel
en klap het naar boven toe open.
Daarmee hebt u toegang gekregen tot de
zekeringen.
15
Adaptieve cruisecontrol ACC*
10
Plafondverlichting. Bedienings7,5
paneel bestuurdersportier/
Elektr. bedienbare passagiersstoel*
Informatiedisplay
5
Functie
A
Regensensor
5
SRS-systeem
10
ABS-regeling. Elektrische
parkeerrem
Gaspedaal*, Luchtvoorverwarming
(PTC), Elektrisch bedienbare
stoelen*
Reservepositie
5
ICM-display, Cd-speler en radio,
RSE-systeem*
Stuurwieleenheid
15
7,5
7,5
Reservepositie
Groot licht
192
15
Ruitenwissers
Reservepositie
2
06
Mistlampen vóór*
15
Elektr. bedienbare bestuurdersstoel*
Omklapbare hoofdsteunen
achterbank*
Ontvanger transpondersleutel.
Alarmsensoren
Brandstofpomp
5
Elektrisch stuurslot
20
Reservepositie
15
Slot tankvulklep/kofferdeksel
10
Sirene alarmsysteem. ECC
5
Knop START/STOP
5
Schakelaar remlichten
5
15
5
20
06 Onderhoud en specificaties
Zekeringen
Kofferbak
Posities
D
A
B
Module A (zwart). Functie
A
Bedieningspaneel bestuurdersportier
Bedieningspaneel passagiersportier
Bedieningspaneel achterportier
links
Bedieningspaneel achterportier
rechts
Reservepositie
25
12V-aansluiting, koelkast*
15
Elektrisch verwarmde achterruit
30
25
25
25
Reservepositie
4
3
8
7
2
6
1
5
12
10
9
11
Het kastje zit achter de bekleding aan de linkerzijde.
Trekhaakaansluiting 2*
15
Elektrisch bedienbare bestuurdersstoel
Trekhaakaansluiting 1*
25
Module B (wit). Functie
A
Achterbankverwarming rechts*
15
Regeleenheid AWD
10
Achterbankverwarming links*
15
Reservepositie
Elektrisch bedienbare passagiersstoel
Keyless drive*
25
Elektrische parkeerrem* links
30
Elektrische parkeerrem* rechts
30
Module D (blauw). Functie
A
RTI-display*, parkeerhulpcamera*
10
20
Reservepositie
Reservepositie
40
Reservepositie
Module B (wit). Functie
A
Parkeerhulp*
5
Regeleenheid FOUR-C*
15
Verwarming voorstoel bestuurderszijde*
Verwarming voorstoel passagierszijde*
15
06
Reservepositie
Versterker audiosysteem
25
Audiosysteem
15
Telefoon. Bluetooth
5
Reservepositie
-
15
193
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
Algemene informatie
N.B.
Banden zijn van grote invloed op de rijeigenschappen van de auto. Zowel het type, de
maat, de bandenspanning als de snelheidsaanduiding zijn belangrijk voor het rijgedrag van de auto.
Verwijderen
Houd de aanbevolen bandenspanning aan die
in de bandenspanningstabel staat (zie
pagina 208).
7700602s
Draairichting
Let erop dat de banden op beide assen van
hetzelfde type zijn, dezelfde afmeting hebben en van hetzelfde merk zijn.
Wielen verwisselen
7700600s
Krikpunten
06
De pijl geeft de draairichting van de band aan
Bij banden met een speciaal profiel dat alleen
goed werkt wanneer de banden in een bepaalde richting draaien, staat deze richting aangegeven met een pijl op de zijkant van de band.
Zorg dat de banden altijd dezelfde draairichting hebben. Banden mogen alleen van voor
naar achter verwisseld worden, nooit van links
naar rechts of omgekeerd. Als u de banden
verkeerd aanbrengt, nemen de remeigenschappen van de auto af en kunnen de banden regen, sneeuw en drab minder goed afvoeren.
194
Zet een gevarendriehoek op, als u een wiel
langs een drukke weg moet verwisselen. Zorg
ervoor dat de auto en de krik op een stevige
en horizontale ondergrond staan.
1. Zet de parkeerrem aan en schakel de eerste versnelling in of zet de keuzehendel in
stand P, als de auto een automatische
versnellingsbak heeft.
2. Neem het reservewiel, de krik en de
wielsleutel erbij die onder de mat in de
kofferbak liggen.
N.B.
Gebruik de krik die bij de auto hoort.
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
3. Plaats wielblokken voor en achter de
wielen die op de grond blijven staan.
Gebruik daarvoor grote houten blokken
of grote stenen.
Aanbrengen
N.B.
1. Reinig de contactvlakken op het wiel en de
naaf.
2. Breng het wiel aan. Breng de wielbouten
aan.
3. Breng de auto zo ver omlaag dat het wiel
niet meer ongehinderd kan draaien.
WAARSCHUWING
Kruip nooit onder de auto als deze op de
krik staat.
Laat eventuele passagiers uit de auto stappen, voordat u de auto opkrikt.
Parkeer de auto dusdanig dat de auto en
liever nog een vangrail u en eventuele uitgestapte passagiers afschermen van het verkeer op de rijbaan.
7700605s
7700603s
4. (Voor auto’s met stalen velgen) Wrik de
wieldop los met het uiteinde van een
wielsleutel of trek hem met de hand los.
5. Draai de wielbouten ½–1 slag linksom los
met de wielsleutel.
6. Er zitten twee kriksteunpunten aan
weerszijden van de auto. Draai de voet
van de krik met de slinger zo ver omlaag
dat de voet plat tegen de grond aankomt.
Controleer of de krik goed aan het kriksteunpunt bevestigd is (zie afbeelding) en
zorg dat de voet recht onder het steunpunt zit.
7. Breng de auto zo ver omhoog dat het
wiel van de grond komt. Verwijder de
wielbouten en til het wiel eraf.
De ventieluitsparing in de wieldop bij het
monteren aanbrengen over het ventiel in de
velg.
4. Draai de wielbouten kruiselings vast. Het
is belangrijk dat u de wielbouten stevig
aanhaalt. Haal ze aan met 140 Nm. Controleer het aanhaalmoment met een momentsleutel.
5. Breng de wieldop aan (bij auto’s met
stalen velgen).
06
195
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
Onderhoud van banden
Leeftijd van de banden
Alle banden die ouder zijn dan zes jaar moet u
door een vakman laten controleren, ook al
zien ze er intact uit. Dit omdat het materiaal
waarvan banden gemaakt zijn ook veroudert
en afgebroken wordt, als banden zelden of
nooit worden gebruikt. Daarbij kan de werking
van de band worden aangetast. Dit geldt ook
voor reservebanden, winterbanden en banden
die u voor toekomstig gebruik hebt opgeslagen. Scheurvorming of verkleuring zijn de
zichtbare kenmerken van een band die ongeschikt is voor gebruik.
Nieuwe banden
WAARSCHUWING
Een beschadigde band kan ertoe leiden dat
u de controle over de auto verliest.
Banden met slijtage-indicatoren
Zomer- en winterbanden
Wanneer u de zomerbanden vervangt door
winterbanden of andersom, moet u op de
band noteren waar de band zat: bijvoorbeeld
L voor links, R voor rechts.
De juiste bandenspanning levert gelijkmatige
slijtage op (zie pagina 208). Voor optimale
rijeigenschappen en een gelijkmatige bandenslijtage wordt geadviseerd de banden van
tijd tot tijd van voor naar achter of omgekeerd
te verwisselen (nooit van links naar rechts of
omgekeerd). Verwissel de banden de eerste
keer van voor naar achter (of omgekeerd)
na 5.000 km en daarna om de 10.000 km.
Monteer de banden met het diepste profiel altijd op de achteras om het gevaar voor slippen
te verminderen. Neem contact op met een erkende Volvo-werkplaats als u niet zeker bent
van de profieldiepte.
7700601s
1502
Banden hebben een beperkte houdbaarheidsdatum. Na enkele jaren worden de banden
196
Bewaar de wielen hangend of liggend. Laat ze
nooit rechtop staan.
Slijtage en onderhoud
7700607s
06
hard en neemt de grip op het wegdek stukje
bij beetje af. Gebruik bij het verwisselen van
banden altijd zo nieuw mogelijke banden. Dit
geldt in het bijzonder voor winterbanden. De
week en het jaar van productie worden aangeduid met de DOT-code (Department of Transportation) bestaande uit vier cijfers, bijvoorbeeld 1502. De band op de afbeelding is in de
15e week van het jaar 2002 geproduceerd.
Slijtage-indicatoren zijn smalle ophogingen
die dwars op het profiel van de band staan. De
letters TWI (Tread Wear Indicator) op de zijkant van de band geven aan dat een band is
uitgerust met slijtage-indicatoren. De indicatoren zijn duidelijk zichtbaar, wanneer een band
dusdanig versleten is dat slechts 1,6 mm van
het profiel over is. Vervang de banden dan zo
spoedig mogelijk. Let erop dat een band met
een gering profiel zeer weinig grip op het wegdek heeft bij regen of sneeuw.
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
Velgen en wielbouten
BELANGRIJK
Haal de wielbouten aan met 140 Nm. Als u
ze te strak aanhaalt, kan de boutverbinding
beschadigd raken.
Gebruik alleen velgen die getest en goedgekeurd zijn door Volvo en deel uitmaken van de
originele accessoires van Volvo. Controleer
het aanhaalmoment met een momentsleutel.
Winterbanden
Sneeuwkettingen gebruiken
Volvo raadt winterbanden met bepaalde afmetingen aan. Deze staan in een bandenspanningstabel (zie pagina 207). De bandenmaat is
afhankelijk van het motortype. Gebruik altijd
het juiste type winterbanden op alle vier de
wielen.
Het gebruik van sneeuwkettingen is alleen
toegestaan op de voorwielen (geldt ook voor
modellen met voorwielaandrijving).
N.B.
Neem contact op met een Volvo-dealer
voor advies over de beste soort velgen en
banden.
Afsluitbare wielbouten
Afsluitbare wielbouten zijn te gebruiken op zowel aluminium als stalen velgen.
Banden met “spikes”
Winterbanden met “spikes” moeten de eerste
500–1000 km rustig worden ingereden, zodat
de “spikes” hun positie in kunnen nemen. Zo
gaan de banden en vooral de “spikes” langer
mee.
Rijd nooit sneller dan 50 km/h met sneeuwkettingen. Rijd evenmin op sneeuwvrije wegen,
omdat zowel de sneeuwkettingen als de banden daardoor overmatig slijten. Maak nooit
gebruik van sneeuwkettingen met zogeheten
snelsluitingen, omdat de ruimte tussen de
schijfremmen en de wielen te gering is.
BELANGRIJK
Gebruik originele sneeuwkettingen van Volvo of vergelijkbare sneeuwkettingen die zijn
afgestemd op het model en de band- en
velgafmetingen. Vraag een erkende Volvowerkplaats om advies.
06
N.B.
De wettelijke bepalingen voor het gebruik
van banden met “spikes” verschillen van
land tot land.
Profieldiepte
Ritten bij ijs, sneeuw(modder) en lage temperaturen vergen meer van de banden dan zomerse ritten. Daarom adviseert Volvo een minimale profieldiepte van 4 mm voor winterbanden.
197
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
Gereedschap
Reservewiel*
Reservewiel erbij nemen
Het compacte reservewiel (Temporary Spare)
is alleen bestemd voor tijdelijk gebruik. Vervang het zo spoedig mogelijk door een normaal wiel. Het rijgedrag van de auto kan zich
wijzigen bij het gebruik van een compact reservewiel. In de bandenspanningstabel (zie
pagina 208) staat de juiste bandenspanning
voor het reservewiel.
1. Pak de vloermat aan de achterzijde beet en
klap deze naar voren toe op.
2. Draai de bevestigingsbout los.
3. Til het blok schuimrubber met het gereedschap erin uit de auto.
4. Til het reservewiel uit de auto.
BELANGRIJK
Rijd nooit sneller dan 80 km/h bij gebruik
van een compact reservewiel.
BELANGRIJK
06
In een blok schuimrubber dat op de velg van
het reservewiel ligt vindt u al het bijgeleverde
gereedschap. Het gereedschap bestaat in een
sleepoog, een krik en een wielsleutel. Het blok
schuimrubber is vastgeschroefd aan een console onder in de ruimte voor het reservewiel.
Krik
Gebruik de originele krik alleen voor het verwisselen van banden. Houd de schroef van de
krik altijd goed ingevet.
Krik omlaagdraaien
198
Rijd nooit met meer dan één compact reservewiel (Temporary Spare) tegelijk.
Het reservewiel ligt met de velg omlaag in de
ruimte voor het reservewiel. Drie blokken
schuimrubber, waarvan twee onder het wiel
en één erbovenop/erin, houden het reservewiel in positie. Het bovenste bevat al het gereedschap.
Dezelfde doorloopbout waarmee de blokken
schuimrubber vastzitten houdt ook het reservewiel in positie.
U hoeft de onderste twee blokken niet te verwijderen.
Na gebruik
Plaats het blok schuimrubber en het reservewiel in omgekeerde volgorde terug.
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
Algemene informatie
De bandenreparatieset wordt gebruikt om een
lek te dichten alsook om de bandenspanning
te controleren en zo nodig tijdelijk te corrigeren. De set bestaat uit een compressor en een
fles met afdichtmiddel. De set dient om noodreparaties uit te voeren. De fles met het afdichtmiddel moet worden vervangen voordat
de houdbaarheidsdatum is verstreken en tevens na het gebruik. Zie pagina 202 voor informatie over het vervangen bij type 1 en
pagina 206 bij type 2.
Het afdichtmiddel dicht banden met een lek in
het loopvlak effectief af.
N.B.
De bandenreparatieset is uitsluitend bedoeld voor het afdichten van banden met
een lek in het loopvlak.
Twee verschillende types
bandenreparatiesets
12V-aansluitingen voor de compressor zitten
voorin bij de middenconsole, achterin bij de
achterbank en in de kofferbak. Gebruik de
elektrische aansluiting die het dichtst bij de
lekke band zit.
Bandenreparatieset erbij nemen
Zet een gevarendriehoek op bij werkzaamheden langs een drukke weg. De bandenreparatieset zit onder de vloer in de kofferbak.
7700608s
N.B.
De auto kan zijn uitgerust met een provisorische bandenreparatieset in twee mogelijke
uitvoeringen. De uitvoeringen worden elk
apart besproken en worden verder aangeduid als type 1 en type 2.
De bandenreparatieset leent zich minder goed
voor banden met een gat in het zijvlak. Probeer geen banden met de provisorische bandenreparatieset af te dichten die grote groeven, scheuren en dergelijke vertonen.
Bandenreparatieset type 1 (zie pagina 200)
1. Pak de vloermat aan de achterzijde beet en
klap deze naar voren toe op.
2. Draai de bevestigingsbout los.
3. Verwijder het blok schuimrubber waarin
de krik en de wielsleutel zitten.
4. Til de bandenreparatieset op.
Leg de onderdelen na het gebruik terug.
06
WAARSCHUWING
Rijd nooit sneller dan 80 km/h, wanneer u
de bandenreparatieset voor een noodreparatie hebt gebruikt. Vervang de tijdelijk afgedichte band zo spoedig mogelijk (maximale
rijafstand 200 km).
G014340
Provisorische bandenreparatie
Bandenreparatieset type 2 (zie pagina 204)
199
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
2. Draai het ventieldopje van het wiel los en
schroef de ventielaansluiting van de
luchtslang zo ver mogelijk op het ventiel
van de band.
3. Sluit de kabel
op een van de 12Vaansluitingen in de auto aan.
4. Start de motor.De auto moet in een goed
geventileerde ruimte staan.
3
WAARSCHUWING
7700609s
2
06
5
8
1. Zorg dat de oranje knop
en haal de kabel
het zijvak
200
erbij.
6000034s
4
in stand 0 staat
en de luchtslang
uit
3
2
Inademen van uitlaatgassen kan levensgevaarlijk zijn. Laat de motor nooit draaien in
ruimten die zijn afgesloten of onvoldoende
geventileerd worden.
7700609s
Oppompen
Lekke band repareren
5. Start de compressor door de knop
in
stand I te zetten.
6. Pomp de band op tot de druk die in de
bandenspanningstabel staat aangegeven.
7. Schakel de compressor uit door de
knop
in stand 0 te zetten. Koppel de
luchtslang en de kabel los. Plaats het
ventieldopje terug.
8. Leg de kabel
en de luchtslang
in
het zijvak
terug.
9. Leg de bandenreparatieset onder de
vloer in de kofferbak.
De compressor mag niet langer dan
10 minuten achtereen werken. Laat de compressor daarna afkoelen, omdat de kans op
oververhitting aanwezig is.
Met de compressor kunt u voorwerpen oppompen met een inhoud tot 50 liter.
1
7700610s
Type 1
6
1. Haal de sticker
met de toegestane
maximumsnelheid uit de bandenreparatieset en bevestig deze op het stuurwiel waar
de bestuurder hem duidelijk kan zien.
2. Zorg dat de oranje knop
in stand 0
staat en haal de kabel
en de
luchtslang
uit het zijvak
erbij.
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
3. Draai de ventielaansluiting van de luchtslang zo ver mogelijk op het ventiel van de
band.
4. Sluit de kabel
op een van de 12Vaansluitingen in de auto aan.
5. Maak de veiligheidspal
los en draai
het oranje gedeelte
tot in de verticale
stand, totdat u een klik hoort.
6. Start de motor.De auto moet in een goed
geventileerde ruimte staan.
7
4
8
7700611s
5
7. Start de compressor door de knop
in
stand I te zetten. Er zal zich een tijdelijke
spanningsverhoging van maximaal 4 bar
voordoen, terwijl het afdichtmiddel naar
binnen wordt gepompt. Na ca. 1 minuut
daalt de spanning en geeft de manometer
een nauwkeuriger bandenspanning aan.
8. Pomp de band op tot een spanning van
1,8 tot 3,5 bar. Als de spanning na
10 minuten pompen nog geen 1,8 bar
heeft bereikt, moet u de compressor
uitschakelen om oververhitting te voorkomen.
WAARSCHUWING
Ga nooit naast de band staan terwijl de
compressor aan het pompen is. Let vooral
op de zijkanten van de banden. Bij barsten,
oneffenheden en dergelijke moet u de compressor onmiddellijk uitschakelen. Onder
zulke omstandigheden moet u de rit beëindigen. Neem contact op met een erkende
bandenreparateur.
9. Koppel de luchtslang
van het ventiel
los en breng het ventieldopje weer aan.
Haal de kabel
uit de 12V-aansluiting.
Klap het oranje gedeelte
in de oorspronkelijke stand terug en zet de pal
vast. Berg de bandenreparatieset op een
veilige plaats in de auto op.
10.Leg zo spoedig mogelijk na de reparatie
ca. 3 kilometer af bij een snelheid van
80 km/h om ervoor te zorgen dat het
afdichtmiddel de band goed afdicht.
Eindcontrole
WAARSCHUWING
Rijd nooit sneller dan 80 km/h, wanneer u
de bandenreparatieset voor een noodreparatie hebt gebruikt. Vervang de tijdelijk afgedichte band zo spoedig mogelijk (maximale
rijafstand 200 km).
N.B.
Het oranje gedeelte (7) niet opklappen wanneer u alleen de compressor gebruikt voor
het bijvullen van lucht.
1. Draai het ventieldopje los en sluit de
luchtslang
aan op het ventiel van de
band. Sluit de kabel
aan op de 12Vaansluiting. Lees de spanning van de compressor af. Als de bandenspanning lager is
dan 1,3 bar, is de band onvoldoende afgedicht. Onder zulke omstandigheden moet u
uw rit beëindigen. Neem contact op met
een bandenreparateur.
2. Als de bandenspanning hoger is dan
1,3 bar, moet u de band oppompen tot
de spanning die staat aangegeven in de
bandenspanningstabel. Als de bandenspanning te hoog is, moet u lucht uit de
band laten ontsnappen met behulp van
het reduceerventiel
(zie pagina 208).
06
201
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
N.B.
Vervang de fles met afdichtmiddel en de
slang na gebruik.
1
2
6
8
4
5
3
9
De fles met het afdichtmiddel mag niet meer
worden gebruikt na het verstrijken van de
houdbaarheidsdatum (zie de datumsticker
)
of na het gebruik van de bandenreparatieset.
Na het gebruik dient u de fles
06
7700614s
4. Leg de kabel
en de luchtslang
in
het zijvak
terug.
5. Leg de bandenreparatieset onder de
vloer in de kofferbak.
De compressor mag niet langer dan
10 minuten achtereen werken. Laat de compressor daarna afkoelen, omdat de kans op
oververhitting aanwezig is.
Fles met afdichtmiddel vervangen
7700616s
3. Schakel de compressor uit door de
knop
in stand 0 te zetten. Koppel de
luchtslang en de kabel los. Plaats het
ventieldopje terug.
houder
en luchtslang
10
met
te vervangen.
BELANGRIJK
Lees de veiligheidsvoorschriften aan de onderkant van de fles.
202
7700615s
U kunt de vervanging in een erkende Volvowerkplaats laten uitvoeren of dit zelf doen volgens de aanwijzingen.
WAARSCHUWING
Zorg dat de compressor niet aangesloten is
op de 12V-aansluiting bij het vervangen van
de fles vanwege de eventuele restdruk in de
fles.
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
Fles vervangen voordat de houdbaarheidsdatum verstreken is
2. Verwijder de snelheidssticker
en de
datumsticker
en ontgrendel de
veiligheidspal
. Haal de behuizing
los en verwijder deze.
3. Draai de fles
los en verwijder deze.
4. Controleer of de verzegeling
van de
nieuwe fles intact is. Draai de fles vast.
1
2
veiligheidspal
. Haal de behuizing
los en verwijder deze.
5. Plaats de behuizing
terug. Controleer
of de behuizing op de juiste manier vastzit en draai deze met de boutjes
aan.
5
3
7700616s
4
6. Breng de snelheidssticker
en een
nieuwe datumsticker
op de bandenreparatieset aan.
Behandel de vervangen fles als klein chemisch afval (KCA).
Fles met slang vervangen
6
5. Veeg het resterende afdichtmiddel met
een doek af of gebruik een krabber als
het middel al enigszins ingedroogd is.
6. Breng een nieuwe luchtslang
aan en
controleer of die correct zit.
7. Controleer of de verzegeling
van de
nieuwe fles intact is. Draai de houder
op de fles
vast en draai deze linksom
vast totdat u een klik hoort.
7
6
8
10
zit en draai deze met de boutjes
7700615s
9. Breng de snelheidssticker
op de oranje
2. Verwijder de snelheidssticker
en de
datumsticker
en ontgrendel de
1. Draai de twee boutjes
behuizing
los.
op de oranje
06
8. Plaats de behuizing
terug. Controleer
of de behuizing op de juiste manier vast-
7700617s
9
1. Draai de twee boutjes
behuizing
los.
3. Duw de knop
omlaag terwijl u de
fles
met houder
rechtsom draait
en ze verwijdert.
4. Trek de luchtslang
los (zie
pagina 202).
aan.
en een
nieuwe datumsticker
op de bandenreparatieset aan.
De lege fles en luchtslang zijn te behandelen
als normaal afval.
203
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
Type 2
Luchtslang
Fles met afdichtmiddel
Overzicht
Manometer
Handschoenen
Band oppompen
De compressor is berekend op het oppompen
van de originele banden die op de auto zitten.
1. De compressor moet uitstaan. Zorg dat de
knop in stand 0 staat en neem de kabel en
de luchtslang erbij.
2. Draai het ventieldopje van het wiel los en
schroef de ventielaansluiting van de
luchtslang zo ver mogelijk op het ventiel
van de band.
3. Sluit de kabel aan op een van de 12Vaansluitingen in de auto en start de
motor.
06
10
Sticker, toegestane maximumsnelheid
Knop
Kabel
Fleshouder (oranje deksel)
Beschermdop
Drukreduceerventiel
G014337
WAARSCHUWING
204
het drukreduceerventiel, als de bandenspanning te hoog is.)
Inademen van uitlaatgassen kan levensgevaarlijk zijn. Laat de motor nooit draaien in
ruimten die zijn afgesloten of onvoldoende
geventileerd worden.
4. Schakel de compressor in door de knop
in stand I te zetten.
5. Pomp de band op tot de druk die in de
bandenspanningstabel staat aangegeven. (Laat eventueel lucht ontsnappen met
BELANGRIJK
Er bestaat gevaar voor oververhitting. De
compressor mag niet langer dan
10 minuten achtereen werken.
6. Schakel de compressor uit. Koppel de
luchtslang en de kabel los.
7. Plaats het ventieldopje terug.
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
4. Trek de handschoenen aan.
Lekke band repareren
WAARSCHUWING
Het afdichtmiddel kan aanleiding geven tot
huidirritatie. Was bij huidcontact het getroffen gebied onmiddellijk schoon met water
en zeep.
5. Draai de oranje beschermdop los evenals
de dop op de fles met afdichtmiddel.
N.B.
Verbreek de verzegeling van de fles niet
handmatig. Bij het indraaien van de fles wordt
de verzegeling automatisch verbroken.
WAARSCHUWING
Ga nooit naast de band staan terwijl de
compressor aan het pompen is. Bij barsten,
oneffenheden en dergelijke dient u de compressor onmiddellijk uit te schakelen.
Beëindig in dat geval de rit. Neem contact
op met een erkende bandenreparateur.
N.B.
Bij het inschakelen van de compressor kan
de spanning aanvankelijk oplopen tot 6 bar,
maar zal na ca. 30 s weer dalen.
10.Vul de band 7 minuten lang met
afdichtmiddel.
6. Draai de fles in de fleshouder vast.
G014338
BELANGRIJK
Zie de afbeelding op pagina 204 voor informatie
over de werking van de onderdelen
1. Open het deksel van de bandenreparatieset.
2. Haal de sticker met de toegestane maximumsnelheid uit de set en bevestig de
sticker op het stuurwiel.
3. Controleer of de knop in stand 0 staat en
neem de kabel en de luchtslang erbij.
BELANGRIJK
Draai na het gebruik de fles niet uit de fleshouder, aangezien er vloeistofresten naar
buiten kunnen lopen.
7. Draai het ventieldopje van het wiel los en
schroef de ventielaansluiting van de
luchtslang zo ver mogelijk op het ventiel
van de band.
8. Sluit de kabel op een 12V-aansluiting aan
en start de motor.
9. Zet de knop in stand I.
Er bestaat gevaar voor oververhitting. De
compressor mag niet langer dan
10 minuten achtereen werken.
06
11.Schakel de compressor uit om de bandenspanning van de manometer af te
lezen. De bandenspanning dient minimaal 1,8 bar en maximaal 3,5 bar te bedragen.
205
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
WAARSCHUWING
Als de bandenspanning lager is dan 1,8 bar,
is het gat in de band te groot. Beëindig in
dat geval de rit. Neem contact op met een
erkende bandenreparateur.
12.Schakel de compressor uit en trek de
kabel los uit de 12V-aansluiting.
13.Koppel de slang los van het ventiel en
plaats het ventieldopje terug.
14.Leg zo spoedig mogelijk na de reparatie
ca. 3 km af bij een snelheid van maximaal 80 km/h, zodat het afdichtmiddel
de band kan afdichten.
Reparatieresultaat en bandenspanning
controleren
06
206
1. Sluit de uitrusting opnieuw aan.
2. Lees de bandenspanning van de manometer af.
• Als de spanning lager is dan 1,3 bar, werd
de band onvoldoende afgedicht. Beëindig
in dat geval de rit. Neem contact op met
een bandenreparateur.
• Als de bandenspanning hoger is dan
1,3 bar, moet u de band oppompen tot de
spanning die staat aangegeven in de bandenspanningstabel. Laat lucht uit de band
ontsnappen, als de bandenspanning te
hoog is.
3. Schakel de compressor uit. Koppel de
luchtslang en de kabel los.Plaats het
ventieldopje terug.
N.B.
Laat de fles in de fleshouder zitten om morsen tegen te gaan.
4. Leg de bandenreparatieset in de kofferbak terug.
N.B.
Vervang de fles met afdichtmiddel en de
slang na gebruik. Laat het vervangen over
aan een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Controleer de bandenspanning regelmatig.
Rijd naar de dichtstbijzijnde erkende Volvowerkplaats om de beschadigde band te laten
vervangen. Geef aan het werkplaatspersoneel
door dat er afdichtmiddel in de band zit.
WAARSCHUWING
Rijd voorzichtig! Houd na gebruik van de
provisorische bandenreparatieset een
maximumsnelheid aan van 80 km/h. Vervang de tijdelijk afgedichte band zo spoedig
mogelijk (maximale rijafstand 200 km).
Fles met afdichtmiddel vervangen
5. Vervang de fles voordat de houdbaarheidsdatum verstreken is. Behandel de
vervangen fles als klein chemisch afval
(KCA).
BELANGRIJK
Lees de veiligheidsvoorschriften aan de onderkant van de fles.
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
Maataanduiding
Op alle autobanden staat een bepaalde maataanduiding. Een voorbeeld van een dergelijke
aanduiding: 225/50R17 94 W.
225
Breedte van de band (mm)
50
Verhouding tussen de hoogte
en breedte van de band (%)
R
Aanduiding voor radiaalbanden
17
De enige uitzondering daarop vormt het gebruik van winterbanden (zowel banden met als
zonder “spikes”). Bij gebruik van dergelijke
banden mag u niet sneller rijden dan de maximumsnelheid die voor het gebruikte bandentype geldt (voor aanduiding Q geldt bijvoorbeeld een maximumsnelheid van 160 km/h).
Bandenspanning
De gesteldheid van het wegdek is bepalend
voor de maximumsnelheid en niet de snelheidsaanduiding op de banden.
Q
160 km/h (alleen voor
winterbanden)
Velgdiameter van de band (")
T
190 km/h
94
Aanduiding van het draagvermogen van de band
H
210 km/h
V
240 km/h
W
Aanduiding van de snelheidslimiet van de band (in dit geval
270 km/h)
W
270 km/h
Y
300 km/h
7700650s
Specificaties
• Bandenspanning bij gebruik van de aanbevolen bandenmaat
• ECO-bandenspanning
• Bandenspanning compact reservewiel
(Temporary Spare)
N.B.
06
De bandenspanning hangt af van de temperatuur.
Snelheidsaanduidingen
De auto is voorzien van een typegoedkeuring
voor de uitvoering waarin deze werd aangeleverd. Dat betekent dat u niet mag afwijken van
de afmetingen en snelheidsaanduidingen die
staan aangegeven op de typegoedkeuring van
de auto.
N.B.
De aangegeven snelheid in de tabel is de
maximumsnelheid.
Op de sticker voor op de portierstijl aan de bestuurderszijde (tussen voor- en achterportier)
staat de juiste bandenspanning voor uw auto
aangegeven bij verschillende belading en
snelheid. De bandenspanning staat ook in de
bandenspanningstabel (zie pagina 208).
207
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
Aanbevolen bandenspanning
Variant
Bandenmaat
8-cil.
225/50 R 17
245/45 R 17
245/40 R 18
6-cil.
225/55 R 16, 225/50 R 17,
245/45 R 17
245/40 R 18
5-cil. diesel
185 pk
225/55 R 16,
225/50 R 17,
245/45 R 17
245/40 R 18
06
5-cil. diesel
163 pk
5-cil.
benzine
225/55 R 16,
225/50 R 17,
245/45 R 17
Alle
Alle1
T 125/80 R 17
Reservewiel2
205/60 R 16, 245/40 R 18
1ECO-bandenspanning,
2Compact
208
reservewiel
zuinig rijden
Snelheid
(km/h)
Belading (1–3 inzittenden)
Voorin (kPa) Achterin (kPa)
Max. belading
Voorin (kPa) Achterin (kPa)
0 – 160
160 +
0 – 160
160 +
0 – 160
160 +
0 – 160
160 +
0 – 160
160 +
0 – 160
230
290
220
280
240
270
220
270
230
270
220
210
290
210
280
220
270
210
270
210
270
210
260
300
260
300
260
290
260
290
260
290
260
260
300
260
300
260
290
260
290
260
290
260
160 +
0 – 160
160 +
0 – 160
260
230
260
220
260
210
260
210
270
260
270
260
270
260
270
260
160 +
0 – 160
160 +
0 – 160
260
230
260
260
210
260
270
260
270
270
260
270
2601
420
2601
420
2601
420
2601
420
max. 80
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
Brandstofbesparing,
ECO-bandenspanning
Om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te
houden wordt geadviseerd de aangegeven
bandenspanning bij maximale belading aan te
houden bij snelheden tot 160 km/h.
Bandenspanning controleren
Controleer iedere maand de bandenspanning. Dit geldt eveneens voor het reservewiel.
Al na enkele kilometers rijden worden de banden warm en loopt de spanning op. Controleer de bandenspanning wanneer de banden
koud zijn. De aangegeven bandenspanning
geldt bij koude banden (kan verschillen naargelang van de buitentemperatuur).
Een te lage bandenspanning heeft een negatieve inwerking op het brandstofverbruik, de
levensduur van de banden en de rijeigenschappen van de auto. Wanneer u met een te
lage bandenspanning rijdt, kunnen de banden
oververhit raken en kapotgaan. De bandenspanning is van invloed op het rijcomfort, de
stuureigenschappen en de geproduceerde
weggeluiden.
06
N.B.
Het is een natuurlijk gegeven dat de bandenspanning na verloop van tijd afneemt.
De bandenspanning varieert ook naargelang van de omgevingstemperatuur.
209
06 Onderhoud en specificaties
Verzorging
Auto wassen
Was de auto zodra deze vuil geworden is.
Zorg dat de auto op een spoelvloer met olieafscheider staat. Gebruik autoshampoo.
06
210
• Verwijder vogelpoep zo spoedig mogelijk
van de lak. Vogelpoep bevat namelijk stoffen die de lak aantasten en deze zeer snel
doen verkleuren. U wordt geadviseerd een
dergelijke verkleuring te laten herstellen
door een erkende Volvo-werkplaats.
• Spoel het onderstel af. Houd bij het gebruik
van een hogedrukreiniger de spuitkop ten
minste 30 cm van gelakte onderdelen af.
• Spoel de auto in zijn geheel af om het vuil
los te weken. Bij gebruik van een hogedrukreiniger: houd de spuitkop ten minste
30 cm van gelakte onderdelen af. Spuit niet
rechtstreeks in de richting van de sloten.
• Was de auto met een spons, autoshampoo
en een ruime hoeveelheid lauw water.
• Reinig de wisserbladen met een lauwe zeepoplossing of autoshampoo.
• Gebruik een koud ontvettingsmiddel voor
hardnekkig vuil.
• Droog de auto af met een schoon en zacht
stuk zeemleer of een trekker.
WAARSCHUWING
Laat het schoonmaken van de motor altijd
over aan een werkplaats. Als de motor heet
is, bestaat er gevaar voor brand.
N.B.
Bij de externe verlichting zoals de koplampen, mistlampen en achterlichten kan tijdelijk condens optreden aan de binnenkant
van het lampglas. Dit is een natuurlijk verschijnsel en alle externe verlichting is erop
gebouwd om dit zo veel mogelijk te voorkomen. Condens verdwijnt normaal uit het
lamphuis, wanneer de lamp enige tijd
brandt.
Automatische wasstraten
In een automatische wasstraat kunt u de auto
weliswaar snel en eenvoudig schoonmaken,
maar de borstels van de wasstraat kunnen
niet overal even goed bij. Voor het beste resultaat wordt u geadviseerd de auto met de hand
te wassen.
N.B.
U wordt geadviseerd de eerste maanden na
aankoop van een nieuwe auto deze alleen
met de hand te wassen. Een nieuwe laklaag
is namelijk kwetsbaarder dan een oude
laag.
WAARSCHUWING
Test na het wassen van de auto altijd de
remmen om te voorkomen dat vocht en corrosie de remblokken aantasten, waardoor
de remwerking afneemt.
Trap zo nu en dan lichtjes op het rempedaal,
als u lange afstanden in de regen of sneeuwmodder aflegt. Door de wrijving worden de
remblokken warm, zodat het vocht verdampt.
Doe hetzelfde bij zeer vochtig of koud weer.
Kunststof exterieuronderdelen
Voor het reinigen van kunststof interieuronderdelen die niet op kleur worden geleverd, wordt
een speciaal reinigingsmiddel geadviseerd dat
verkrijgbaar is bij de Volvo-dealer. Gebruik
nooit sterke vlekkenmiddelen.
Velgen
Gebruik alleen de reinigingsmiddelen die Volvo adviseert. Sterke velgreinigingsmiddelen
kunnen het oppervlak beschadigen en vlekken
veroorzaken op verchroomde lichtmetalen
velgen.
06 Onderhoud en specificaties
Verzorging
Poetsen en in de was zetten
Poets de auto en zet deze in de was, wanneer
de lak er dof uitziet of als u deze extra bescherming wilt bieden.
U hoeft een nieuwe auto pas na een jaar te
poetsen. In de was zetten kunt u eerder doen.
Zorg dat de auto bij het poetsen of in de was
zetten niet in direct zonlicht staat.
Was de auto en droog deze zorgvuldig af,
voordat u begint te poetsen of de was aanbrengt. Verwijder asfalt- en teervlekken met
de teerverwijderaar van Volvo of met terpentine. U kunt hardnekkige vlekken met een speciaal voor autolak bestemde, fijne schuurpasta (“rubbing compound”) verwijderen.
Poets de lak eerst op en behandel deze daarna met was in vloeibare of vaste vorm. Volg de
aanwijzingen op de verpakking nauwkeurig
op. Veel preparaten bevatten zowel poetsmiddel als was.
BELANGRIJK
Lakbehandelingen zoals lakconservering,
verzegeling, bescherming, glansverzegeling
e.d. kunnen lakschade veroorzaken.
Lakschade als gevolg van dergelijke behandelingen valt niet onder de Volvo-garantie.
Roestwering, controleren en
onderhouden
De auto heeft in de fabriek een uiterst grondige en complete roestwerende behandeling
ondergaan. De carrosserie bestaat ten dele uit
gegalvaniseerd plaatwerk. Het onderstel is
voorzien van een slijtvaste bodembescherming. In de balken, holten en gesloten profielen werd een dunne, doordringende roestwerende vloeistof gespoten.
De roestwering van de auto hoeft normaal gesproken pas na ca. 12 jaar voor het eerst te
worden nabehandeld. De auto moet daarna
om de drie jaar een nabehandeling ondergaan. Neem contact op met een erkende
Volvo-werkplaats, als de auto een nabehandeling nodig heeft.
Vuil en strooizout kunnen aanleiding geven tot
corrosie. Het is daarom belangrijk de auto
schoon te houden. Om de roestwering van de
auto in optimale staat te houden moet u de
beschermingslaag regelmatig controleren en
zo nodig bijwerken.
Interieur reinigen
Gebruik alleen reinigingsmiddelen en autoverzorgingsproducten die door Volvo geadviseerd worden. Maak de bekleding regelmatig
schoon en volg daarbij de gebruiksaanwijzingen bij het autoverzorgingsproduct op.
Vlekken op stoffen bekleding en
plafondbekleding
Om de brandvertragende eigenschappen van
de bekleding niet aan te tasten wordt geadviseerd een speciaal reinigingsmiddel voor stoffen bekleding te gebruiken dat verkrijgbaar is
bij Volvo-dealers.
Gebruik water en een synthetisch wasmiddel
bij het schoonmaken van veiligheidsgordels.
Zorg dat de gordel droog is, voordat deze
weer wordt opgerold.
BELANGRIJK
06
Scherpe voorwerpen en klittenband kunnen
de stoffen bekleding beschadigen.
Behandeling van vlekken op leren
bekleding
De leren bekleding van Volvo is voorzien van
een speciale laag die bescherming biedt tegen
vuil. Bij schoonmaak van het leer wordt de beschermende laag hersteld die door vet en vuil
werd aangetast. Er bestaat een complete serie
verzorgingsproducten voor leren bekleding.
211
06 Onderhoud en specificaties
Verzorging
BELANGRIJK
Gebruik nooit sterke oplosmiddelen. Dergelijke middelen kunnen bekleding van textiel,
vinyl en leer beschadigen.
BELANGRIJK
Let erop dat de bekleding kan verkleuren bij
contact met materialen die afgeven (nieuwe
spijkerbroek, gekleurde suède kleding e.d.).
Voor het beste resultaat adviseert Volvo de
beschermende crème twee- tot viermaal per
jaar op te brengen. Vraag bij de Volvo-dealer
naar het leerverzorgingsproduct van Volvo.
06
Reinigingsvoorschriften voor leren bekleding
1. Breng een weinig van het leerreinigingsproduct op een vochtige spons aan en knijp
erin om een dikke laag schuim te krijgen.
2. Behandel de vlek voorzichtig met cirkelende bewegingen.
3. Dep de vlek zorgvuldig met de spons.
Laat de vlek in de spons trekken. Wrijf
niet.
4. Veeg het behandelde gebied met een
stuk zacht papier of een doek af en laat
het leer volledig drogen.
212
Beschermende laag aanbrengen op leren bekleding
1. Breng wat van de beschermende crème op
de vilten doek aan en wrijf de crème in
cirkelende bewegingen voorzichtig in het
leer.
2. Laat het leer vervolgens 20 minuten drogen alvorens erop plaats te nemen.
Daarmee is het leer beter beschermd tegen
vlekken en voorzien van een uv-filter.
Vlekken op kunststof interieuronderdelen en -panelen
Voor het reinigen van interieuronderdelen en panelen van kunststof wordt een met water
bevochtigde splitfiber- of microvezeldoek geadviseerd, die verkrijgbaar zijn bij Volvodealers.
Lakschade herstellen
De lak vormt een belangrijk onderdeel van de
roestwering van de auto en moet daarom regelmatig worden gecontroleerd. Om roestvorming te voorkomen moet u lakschade meteen
herstellen. De meest voorkomende soorten
lakschade zijn bijvoorbeeld steenslagplekken,
krassen en plekjes op de spatbordranden en
portieren.
Benodigdheden
• grondlak (primer) in een bus
• lak in een bus of een lakstift
• kwastje
• afplaktape
Kleurcode
Krab of wrijf nooit over een vlek. Gebruik nooit
sterke vlekkenmiddelen. Voor de hardnekkige
vlekken kunt u een speciaal reinigingsmiddel
gebruiken dat verkrijgbaar is bij de Volvodealer.
Matten en kofferbak
Haal de inlegmatten uit de auto om de vloerbekleding en de inlegmatten ieder apart
schoon te kunnen maken. Gebruik een stofzuiger om vuil en stof te verwijderen.
0300443s
Volvo biedt een leerverzorgingsproduct waarmee u leren bekleding kunt schoonmaken en
de beschermende laag kunt herstellen.
Het is belangrijk dat u exact de juiste lakkleur
gebruikt. De kleurcode van de autolak staat
op het typeplaatje (zie pagina 214).
06 Onderhoud en specificaties
Verzorging
Steenslagschade herstellen
N.B.
1700382s
Als de steenslagplek niet tot op het blanke
plaatwerk is doorgedrongen en er nog een
intacte laklaag over is, volstaat het om na
reiniging van het beschadigde gebied de
ontbrekende lak aan te brengen.
Vóór het herstel van lakschade moet u de auto
schoonmaken en goed laten drogen. Zorg er
bovendien voor dat de auto warmer is dan
15 °C.
1. Plak een stuk afplaktape over het beschadigde gebied heen. Trek de tape weer van
de lak af om zo veel mogelijk lakresten te
verwijderen.
2. Roer de grondlak (primer) zorgvuldig om
en breng deze met een fijn kwastje of een
lucifer aan. Breng de lak met een kwastje
aan, wanneer de primer droog is.
3. Krassen kunt u op dezelfde manier herstellen, maar dek ter bescherming de
onbeschadigde lak rond de kras af.
4. Poets de herstelde lak na enkele dagen
op. Gebruik daarvoor een zachte doek met
een geringe hoeveelheid schuurpasta.
06
213
06 Onderhoud en specificaties
Type-aanduidingen
Positie van stickers en plaatjes
Wanneer u contact opneemt met uw Volvodealer of vervangende onderdelen of accessoires wilt bestellen, kan het handig zijn om de
type-aanduiding, het chassisnummer en het
motornummer bij de hand te hebben.
1
2
Type-aanduiding, chassisnummer, maximaal toelaatbaar gewicht, kleurcodes
voor lak en bekleding en typegoedkeuringsnummer.
HFGDOIHV
HFGJJFFOI
BFDRYOIHV
Gfdr_urtvb
Seyj_tu
Fkfu
Ohtk_jdtr
Mgdh_ ytegf
Seyj_tu
Fkfu
Sticker voor standverwarming.
Ehdfjljl_ncy
Motoroliesticker met de kwaliteit en viscositeit van de te gebruiken olie.
Type-aanduiding van de motor,
onderdeel- en serienummer.
3
Type-aanduiding en serienummer van de
versnellingsbak.
Handgeschakelde versnellingsbak
Automatische versnellingsbak
6
5
A
B
P 1208632
3,77
T 100001
M56L
AISIN AW
LTD
MADE IN JAPAN
TF-80SC
SERIAL NO
214
CO
Identificatienummer van de auto (VIN, Vehicle Identification Number).
3YYYYYYY
0300444s
4
30748043
06
06 Onderhoud en specificaties
Specificaties
Maten en gewichten
WAARSCHUWING
Maten
cm
Lengte
485
Hoogte
150
Breedte
189
Wielbasis
284
Spoorbreedte vooras
158 – 159
2
Spoorbreedte achteras
158 – 159
3
Afhankelijk van de belading van de auto en
het zwaartepunt van de lading treden er wijzigingen in de rijeigenschappen op.
2
0300446s
1
1
Alleen China
Max. totaalgewicht
4
Gewichten
Bij het rijklaar gewicht zijn het gewicht van de
bestuurder, dat van de brandstoftank die voor
90 % gevuld is en dat van de resterende oliën/
vloeistoffen e.d. inbegrepen. Het gewicht van
de passagiers en de gemonteerde accessoires zoals een trekhaak (en de kogeldruk daarvan bij gebruik van een aanhanger (zie tabel)),
lastdragers, skibox e.d. zijn van invloed op de
laadcapaciteit en zijn niet inbegrepen bij het
rijklaar gewicht. Toelaatbare belasting (zonder bestuurder) = totaalgewicht – rijklaar gewicht.
Zie pagina 214 voor informatie over de positie
van de sticker.
0300445s
Max. aanhangergewicht
Max. belasting: Zie typegoedkeuring.
Max. dakbelasting: 100 kg.
06
Max. totaalgewicht
Max. voorasdruk
Max. achterasdruk
Max. treingewicht (auto + aanhanger)
215
06 Onderhoud en specificaties
Specificaties
Trekgewicht en kogeldruk
Model
Versnellingsbak
Aanhangergewicht geremd (kg)
Kogeldruk (kg)
Alle
Alle
0 – 1200
50
2.5T
Handbak (M66)
max. 1800
75
Automaat (TF–80SC)
max. 1800
75
3.2
Automaat (TF–80SC)
max. 1800
75
V8
Automaat (TF–80SC)
max. 2000
90
2.4D
Handbak (M66)
max. 1600
75
Automaat (TF–80SC)
max. 1800
75
Handbak (M66)
max. 1600
75
Automaat (TF–80SC)
max. 2000
90
D5
06
Aanhangergewicht ongeremd (kg)
Kogeldruk (kg)
max. 750
50
N.B.
Bij aanhangers zwaarder dan 1800 kg wordt
geadviseerd een stabilisatorkoppeling te
gebruiken.
216
06 Onderhoud en specificaties
Specificaties
Motorspecificaties
Specificatie/model
2.5T
3.2
V8
D5
2.4D
Motoraanduiding
B5254T6
B6324S
B8444S
D5244T4
D5244T5
Vermogen (kW bij omw/min)
147/4500
175/6200
232/5950
136/4000
120/4000
Vermogen (pk bij omw/min)
200/4800
238/6200
315/5950
185/4000
163/4000
Motorkoppel (Nm bij omw/min)
300/1500–4500
320/3200
440/ 3950
400/2000–2750
340/1750-2750
Aantal cilinders
5
6
8
5
5
Cilinderboring (mm)
83
84
94
81
81
Slaglengte (mm)
93,2
96
79,5
93,1
93,1
Slagvolume (liter)
2,521
3,192
4,414
2,400
2,400
Compressieverhouding
9,0:1
10,8:1
10,4:1
17,0:1
17,0:1
06
217
06 Onderhoud en specificaties
Specificaties
Motorolie
Volvo adviseert olieproducten van
.
Ongunstige rijomstandigheden
Controleer het oliepeil vaker bij lange ritten:
• met een caravan of aanhanger achter de
auto
06
218
• in bergachtig gebied
• op hoge snelheden
• in temperaturen lager dan –30 °C of hoger
dan +40 °C
• doe dat ook bij korte ritten (over afstanden
kleiner dan 10 km) bij lage temperaturen
(onder 5 °C)
Kies een volsynthetische motorolie bij ongunstige rijomstandigheden. Ze bieden de motor
extra bescherming.
BELANGRIJK
Om aan vereisten voor de gespecificeerde
service-intervallen te voldoen worden alle
motoren in de fabriek gevuld met een speciaal aangepaste, synthetische motorolie.
De oliesoort werd met grote zorg geselecteerd lettend op de levensduur van de motor, de startgewilligheid, het
brandstofverbruik en de milieu-impact. Om
de aanbevolen service-intervallen aan te
kunnen houden dient u een goedgekeurde
motoroliesoort te gebruiken. Gebruik alleen
een oliesoort van de voorgeschreven kwaliteit (zie sticker in motorruimte) en dat zowel
bij het bijvullen als verversen van olie. Een
negatieve invloed op de levensduur van de
motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact is anders niet
uitgesloten. Volvo Car Corporation wijst alle
garantieclaims af bij gebruik van een motoroliesoort die niet voldoet aan de voorgeschreven kwaliteits- en viscositeitseisen.
2200331s
In ongunstige rijomstandigheden kunnen de
olietemperatuur en het olieverbruik abnormaal toenemen.
Viscositeitsdiagram
06 Onderhoud en specificaties
Specificaties
Wanneer de nevenstaande sticker in de motorruimte zit, geldt het volgende. Zie
pagina 214 voor informatie over de positie van
de sticker.
ATTENTION!
Oliekwaliteit: ACEA A5/B5
Engine oil quality ACEA A5/B5
Viscosity SAE 0W-30
2200329s
Viscositeit: SAE 0W–30
Motortype
Bij te vullen hoeveelheid
tussen MIN en MAX (liter)
Hoeveelheid (liter)
2.5T
B5254T6
1,3
5,5
3.2
B6324S
0,8
7,3
V8
B8444S
1,1
7,0
D5
D5244T4
1,5
6,0
2.4D
D5244T5
1,5
6,0
06
219
06 Onderhoud en specificaties
Specificaties
Overige vloeistoffen en smeermiddelen
Vloeistof
Systeem
Hoeveelheid
(liter)
Voorgeschreven kwaliteit
Versnellingsbakolie
Handbak (M66)
2,0
Versnellingsbakolie MTF 97309
Automaat (TF–80SC)
7,0
Versnellingsbakolie JWS 3309
Benzinemotor 3,2
8,9
Benzinemotor 2.5T
9,0
Koelvloeistof met corrosiewerende dope aangelengd met water (zie verpakking).
Benzinemotor V8
10,2
Dieselmotor
12,5
-
-
Olie: PAG
Koudemiddel: R134a (HFC134a)
Remvloeistof
0,6
DOT 4+
Stuurbekrachtiging
1,2
Stuurbekrachtigingsvloeistof WSS M2C204-A2
of een soortgelijk product.
Ruitensproeiervloeistof
6,5
4,52
Bij vorst wordt geadviseerd een door Volvo
aanbevolen ruitensproeier-antivries aangelengd
met water te gebruiken.
Koelvloeistof
Airconditioning
1
06
1
Het gewicht hangt af van het motortype. Neem contact op met een erkende Volvo-werkplaats voor de juiste gegevens.
2
Auto’s zonder koplampsproeiers.
N.B.
Onder normale rijomstandigheden hoeft u
de versnellingsbakolie nooit te verversen.
Bij ongunstige rijomstandigheden kan dat
echter wel nodig zijn (zie pagina 218.)
220
06 Onderhoud en specificaties
Specificaties
Verbruik, uitstoot en tankinhoud
Model
Motor
Versnellingsbak
Verbruik
liter/100 km
Uitstoot van
kooldioxide
(CO2) in g/km
Tankinhoud
(liter)
2.5T
B5254T6
Handbak (M66)
9,4
224
70
Automaat (TF–80SC)
10,2
244
Automaat (TF–80SC)
9,8
234
Automaat (TF–80SC)
10,7
255
3.2
B6324S
AWD
V8
B8444S
Automaat (TF–80SC)
11,9
284
D5
D5244T4
Handbak (M66)
6,4
169
Automaat (TF–80SC)
7,3
193
Handbak (M66)
6,3
167
Automaat (TF–80SC)
7,2
189
2.4D
D5244T5
Brandstofverbruik en uitstoot van
kooldioxide
De officiële brandstofverbruikscijfers zijn gebaseerd op een gestandaardiseerde rijcyclus
conform de EU-richtlijn 80/1268 voor voertuigen met verbrandingsmotoren. Het gebruik
06
van extra accessoires beïnvloedt de verbruikscijfers, omdat de accessoires het gewicht van de auto verhogen. Ook de rijstijl en
andere niet-technische factoren kunnen van
invloed zijn op het brandstofverbruik. Zie
pagina 9 voor meer informatie.
221
06 Onderhoud en specificaties
Specificaties
Elektrisch systeem
Typegoedkeuring
afstandsbedieningssysteem
Algemene informatie
12V-systeem met wisselstroomdynamo en
spanningsregelaar. Enkelpolig systeem waarbij het chassis en het motorblok als geleiders
worden gebruikt. De minpool is verbonden
met het chassis.
Prestaties accu
06
Motor
2,5T
V8
D5
Spanning (V)
12
12
12
Koudestartcapaciteit (A)
520 –
800
600 –
800
700
Reservecapaciteit
(min.)
100 –
150
120 – 150
135
1Hierbij verklaart Delphi dat het afstandsbedieningssysteem in overeenstemming is met de
essentiële eigenschappen en overige relevante
bepalingen zoals beschreven in de EU-richtlijn
1999/5/EG.
Land
A, B, CY, CZ,
D, DK, E, EST,
F, FIN, GB, GR,
H, I, IRL, L, LT,
LV, M, NL, P,
PL, S, SK, SLO
2
De gegevens waren niet beschikbaar tijdens de
redactie.
1
IS, LI, N, CH
HR
ROK
BR
Delphi 15-07-2003,
Duitsland R-LPD1-03-0151
2
BELANGRIJK
Let er bij het vervangen van de accu op, dat
de nieuwe accu dezelfde koudestartcapaciteit en reservecapaciteit als de originele
accu heeft (zie sticker op de accu).
222
RC
CCAB06LP1940T4
06 Onderhoud en specificaties
06
223
Alfabetisch register
A
A/C ............................................................103
Aanhanger
aanhangergewicht ................................215
rijden met een aanhanger ....................162
Aanpassen, lichtbundel .........................69, 70
Aanrijding ....................................................25
Aanstekeropening
achterin ................................................137
voorin ...................................................136
ABL – Active Bi-Xenon Lights .....................65
ABS .............................................................87
ACC – Adaptieve cruisecontrol .................123
Accu ....................................................83, 186
gebruik .................................................186
onderhoud ............................................186
specificaties .........................................222
vervangen ............................................187
waarschuwingssymbolen .....................186
Achteruitkijkspiegel .....................................78
07
Audio
Airbag ......................................................... 15
audiosysteem ...................................... 109
Audiosysteem ........................................... 109
activeren/deactiveren, PACOS .............. 18
Airbagsysteem ............................................ 14
Airconditioning
algemene informatie .............................. 99
Airconditioning, A/C ................................. 103
Alarm .......................................................... 45
activeren ................................................ 45
alarmindicatie ........................................ 45
alarmsignalen ........................................ 46
alarmsysteem testen ............................. 47
deactiveren ............................................ 46
geactiveerd alarm uitschakelen ............. 46
overige functies ..................................... 46
tijdelijk uitschakelen .............................. 47
verkeersmelding RDS .......................... 116
Alarmlichten ................................................ 67
automatische volumeregeling .............. 112
bron ..................................................... 112
hoofdtelefoonaansluiting ..................... 110
instellingen ........................................... 112
profiel voor stoelen/achterbank ........... 113
Surround .............................................. 112
volume, programmatypes .................... 117
AUTO
klimaatinstelling ................................... 103
voorkeurzenders vastleggen ................ 115
Auto wassen ............................................. 210
Autobekleding ........................................... 211
Autodimfunctie ............................................ 78
Automatische hervergrendeling .................. 42
Automatische vergrendeling ....................... 42
Alarmsysteem
Automatische versnellingsbak .................... 84
alarmsysteem controleren ..................... 36
Alarmsysteem testen .................................. 47
Adaptieve cruisecontrol ............................123
All Wheel Drive (vierwielaandrijving) ........... 86
handmatige schakelstanden
(Geartronic) ............................................ 85
Automatische volumeregeling .................. 112
radarsensor ..........................................124
AF – automatische afstemfunctie .............117
Allergenen ................................................. 100
Automatische wasstraat ........................... 210
Anti-botsingsysteem ................................ 127
AUX ................................................... 109, 112
Afstandsbediening, zie Transpondersleutel 34
Anti-botsingsysteem met
remassistentie* (CWS-systeem) ............... 127
volume ................................................. 112
Afstandsbedieningssysteem,
typegoedkeuring .......................................222
Afstellen stuurwiel .......................................63
224
Afstemfunctie, automatische .................... 117
Antislip ...................................................... 120
Approach-verlichting .................................. 69
Alfabetisch register
B
Banden
draairichting .........................................194
lekke band ............................................198
onderhoud ............................................196
slijtage-indicator ..................................196
snelheidsaanduidingen ........................207
spanning ..............................................208
specificaties .........................................207
winterbanden .......................................197
Batterij
dempen ............................................... 142
handsfree ............................................ 140
Boordcomputer ........................................ 118
Cruisecontrol ............................................ 122
Botsing ....................................................... 25
D
Brandstof .................................................. 156
brandstofbesparing ............................. 209
brandstoffilter ...................................... 156
brandstofverbruik .................................... 8
verbruik ................................................ 221
Buitenspiegel
CWS-systeem
radarsensor .......................................... 124
Dagtellers .................................................... 58
Dashboardkastje ....................................... 136
vergrendelen .......................................... 43
Diep water ................................................. 152
Dieselfilter ................................................. 156
elektrisch verwarmd .............................. 78
Buitenspiegels ............................................ 77
Dimlicht ..................................................... 178
Buitenspiegels resetten .............................. 77
Displayverlichting ........................................ 64
Bedrijfsrem ..................................................87
C
Dode hoek ................................................ 132
Belangrijke informatie ...................................6
Cd
Dolby Surround Pro Logic II ............. 109, 112
Bellen ................................................141, 145
functies ................................................ 113
-wisselaar ............................................ 113
Cd vooruit-/achteruitspoelen ................... 114
Doorluchtfunctie ................................. 35, 100
condens ...............................................210
Beslagen ruiten
Chassisstanden ........................................ 121
DSTC, zie ook Stabiliteitssysteem
ontwasemen ...................................99, 104
ontwasemen met blaasmonden ...........105
timerfunctie ..........................................104
Blaasmonden ............................................101
Claxonneren ............................................... 63
transpondersleutel/PCC ........................39
Bedieningspaneel verlichting ......................64
Bergen .......................................................169
Beslaande koplampglazen
BLIS ..........................................................132
BLIS, Blind Spot Information System .......132
Blokkering achteruitversnelling ...................84
Bluetooth
Disctekst ................................................... 114
Doorsteekluik ............................................ 159
Doorwaaddiepte ....................................... 152
Claxon ........................................................ 63
Clean Zone Interior ................................... 100
bediening ............................................. 120
deactiveren/activeren .......................... 120
E
Condens aan binnenkant lampglas .......... 210
ECC –elektronische klimaatregeling ......... 102
Condenswater .......................................... 156
Elektrisch bedienbaar schuifdak ................. 79
Contactslot ................................................. 59
Elektrisch bedienbare ruiten ....................... 75
Contactslotstanden .................................... 59
Elektrisch bedienbare ruiten resetten ......... 76
Controlelampjes ......................................... 54
Elektrisch inklapbare buitenspiegels .......... 77
07
225
Alfabetisch register
Elektrisch systeem ....................................222
Elektrische aansluiting
achterin ................................................137
kofferbak ..............................................138
voorin ...................................................137
Elektrische parkeerrem
automatisch lossen ................................89
handmatig lossen ...................................89
lage accuspanning .................................89
Elektrische verwarming
Gesprekken
functies ................................................ 141
functies tijdens lopende gesprekken ... 145
gespreksfuncties ................................. 145
Gesprekken weigeren ....................... 141, 145
EON – Enhanced Other Networks ............117
Gevarendriehoek ...................................... 161
Equalizer ...................................................112
Gewichten
Externe geluidsbron
aanhangergewicht ............................... 215
achterasdruk ....................................... 215
dakbelasting ........................................ 215
kogeldruk ............................................. 215
maximaal treingewicht ........................ 215
rijklaar gewicht .................................... 215
totaalgewicht ....................................... 215
voorasdruk .......................................... 215
Glas
F
Follow-Me-Home-verlichting ......................69
FOUR-C ....................................................121
G
Geartronic ...................................................85
Geïntegreerd kinderzitje ..............................29
Geïntegreerde telefoon .............................145
Gelaagd glas ...............................................75
Geluid
226
beltoon, telefoon ................................. 142
mediaspeler ......................................... 142
telefoon ............................................... 142
telefoon/mediaspeler ........................... 147
Gesprek in de wacht zetten ...................... 145
achterruit ................................................78
stoelen en achterbank .........................103
Elektronische startblokkering ......................34
AUX-ingang ..........................................109
volume .................................................112
07
volume ................................................. 112
volume, externe geluidsbron ............... 112
Geluidssterkte
gelaagd/verstevigd ................................ 75
oppervlaktebehandeling ........................ 75
toplaag .................................................. 75
Global opening ................................... 35, 100
Gloeilampen
achterlichten ........................................ 180
algemene informatie ............................ 177
dimlicht ................................................ 178
groot licht ............................................. 178
instapverlichting ................................... 182
kentekenplaatverlichting ...................... 181
kofferbakverlichting ............................. 182
koplampen ........................................... 177
make-upspiegel ................................... 182
mistlampen vóór .................................. 180
parkeerlichten vóór .............................. 179
richtingaanwijzers ................................ 179
specificaties ......................................... 183
stadslichten ......................................... 179
verstralers ............................................ 179
Gloeilampen achterlamphuis
positie .................................................. 181
Gloeilampen, vervangen ........................... 177
Gordelspanners .......................................... 14
Gordelwaarschuwing .................................. 13
Groot licht/dimlicht ..................................... 65
H
Handgeschakelde versnellingsbak ............. 84
Handmatige schakelstanden (Geartronic) .. 85
HBS – Heart Beat Sensor ........................... 37
Hoge motortemperatuur ........................... 162
Hogedruksproeiers koplampen .................. 74
Hoofdsteun, middelste ............................... 62
Alfabetisch register
Hoofdtelefoonaansluiting ..........................110
Interieurcomfort ........................................ 135
Houder voor glazen en flesopener ............139
Interieurfilter .............................................. 100
Hulpverwarming ........................................108
Interieurverlichting ...................................... 68
elektronische ....................................... 102
sensoren ................................................ 99
Klok ............................................................. 58
I
Interior Air Quality System ........................ 104
Knipperlichten ............................................. 67
Inzittendenbeveiliging ................................. 12
Knippersignalen, PCC ................................. 36
Koelkast .................................................... 139
IDIS – Intelligent Driver
Information System ...................................148
ISOFIX-bevestigingssysteem
voor kinderzitjes ........................................ 28
K
Kofferbakmat ............................................ 139
IMEI-nummer ............................................148
Katalysator ............................................... 157
In de was zetten ........................................211
Keuzehendelblokkering .............................. 86
vergrendelen .................................... 35, 43
Kogeldruk .................................................. 216
Informatie- en waarschuwingslampjes .......54
Keuzehendelblokkering uitschakelen ......... 86
Kompas ..................................................... 119
Informatiedisplays .......................................54
Informatietoets ............................................36
Keuzehendelblokkering,
mechanisch uitschakelen .......................... 86
Inklapbare buitenspiegels ...........................77
Keyless drive ........................................ 40, 81
kalibreren ............................................. 119
zone aanpassen ................................... 119
Koplampen .......................................... 65, 177
Inkomende gesprekken .....................141, 145
Kinderen
Instructieboekje lezen ...................................6
positie in de auto ............................. 26, 28
Kinderen en veiligheid ................................ 25
IAQS – Interior Air Quality System ............100
IC-systeem – Inflatable Curtain ...................20
“Belangrijk!”-kaders .................................6
“N.B.”-kaders ...........................................6
displaymeldingen .....................................6
opsommingslijsten ...................................6
opties .......................................................6
positielijsten .............................................6
procedurelijsten .......................................6
waarschuwingskaders .............................6
Instrumenten, schakelaars en bediening ....50
Instrumentenoverzicht ................................50
Instrumentenverlichting ...............................64
Koelvloeistofpeil ........................................ 175
Kofferdeksel
koplampsproeiers .................................. 74
Koplamphoogteregeling ............................. 64
Kinderveiligheidsproducten ........................ 26
Active Bi-Xenonkoplampen ................... 64
Bi-Xenonkoplampen .............................. 64
Koplampsproeiers ....................................... 74
Kinderzitje ................................................... 26
Koudemiddel ............................................... 99
bevestigingssysteem ............................. 28
Kinderzitjes
Kruissnelheidsregeling .............................. 122
Kinderslot ................................................... 30
kinderzitjes en airbags ........................... 17
Kleurcode, lak ........................................... 212
Klimaatregeling ........................................... 99
algemene informatie .............................. 99
07
L
Laag oliepeil .............................................. 174
Lading vervoeren ...................................... 158
kofferbak .............................................. 158
lading op het dak ................................. 161
227
Alfabetisch register
verankeringsogen .................................158
Lak
kleurcode .............................................212
schade en herstel .................................212
steenslagplekken en krassen ...............212
Lampen
zijmarkeringslicht .................................180
Lampjes .....................................................120
Mistlampen vóór ......................................... 66
controlelampjes ......................................54
informatielampjes ...................................54
waarschuwingslampjes ..........................54
Lichtbundel aanpassen ...............................69
aansluiten ............................................ 143
handsfree ............................................ 140
telefoon registeren ............................... 141
Motor
Active Bi-Xenonkoplampen .............69, 70
Bi-Xenonkoplampen ........................69, 70
halogeenkoplampen ..............................70
Luchtverdeling ..................................101, 105
oververhitting ....................................... 162
starten ................................................... 81
Motor starten .............................................. 81
Luidspreker lage tonen .............................112
Meldingen op instrumentenpaneel .............97
algemene informatie ............................ 172
koelvloeistof ........................................ 175
motorkap ............................................. 172
olie ....................................................... 174
overzicht .............................................. 173
stuurbekrachtigingsvloeistof ............... 176
Motorspecificaties .................................... 217
Menu- en meldingsfuncties .........................94
Mp3-functies ............................................ 113
Meters op het instrumentenpaneel .............54
Muziekbestanden ..................................... 113
Milieu
MY KEY .................................................... 110
M
Make-upspiegel ........................................182
Maten ........................................................215
Mediaspeler ..............................................112
07
brandstofverbruik .....................................8
efficiënte uitlaatgasreiniging ....................8
Erkende Volvo-werkplaatsen
228
en het milieu ............................................ 8
milieubeleid van Volvo Car Corporation .. 8
schone lucht in passagiersruimte ............ 8
spaar het milieu ....................................... 8
textielnorm ............................................... 8
Mistachterlicht ............................................ 67
N
NEWS ........................................................ 116
Nieuwsuitzending ...................................... 116
Noodoproepen .......................................... 149
Nooduitrusting
EHBO-tas ............................................. 138
gevarendriehoek .................................. 161
Mobiele telefoon
Motorruimte
O
Olie
filter ...................................................... 174
hoeveelheden ...................................... 219
motorolie .............................................. 218
oliekwaliteit .......................................... 218
ongunstige omstandigheden ............... 218
versnellingsbakolie .............................. 220
Oliepeil ...................................................... 174
Onderhoud
roestwering .......................................... 211
Ongunstige rijomstandigheden ................. 218
Ontgrendelen
kofferdeksel ........................................... 42
van de binnenzijde ................................. 42
van de buitenzijde .................................. 42
zonder sleutel ........................................ 42
Ontwaseming ............................................ 104
Opbergmogelijkheden
in passagiersruimte .................................. 135
Alfabetisch register
Opblaasgordijnen (IC) .................................20
Oververhitting ............................................162
P
PACOS ........................................................18
Paniekfunctie ..............................................36
Parkeerhulp ...............................................130
Parkeerrem ..................................................89
elektrische ..............................................89
lage accuspanning .................................89
PCC – Personal Car Communicator
bereik .....................................................37
functies ..................................................35
PI zoeken ..................................................117
Poetsen .....................................................211
Positie van kinderzitjes ...............................26
Private locking .............................................38
Programmafuncties ...................................115
Programmatype ........................................116
PTY–programmatype ................................116
R
Radarsensor ..............................................124
Radio
AF .........................................................117
afstemfunctie .......................................117
EON ......................................................117
instellingen ...........................................115
PTY ...................................................... 116
radiotekst ............................................ 117
REG ..................................................... 117
voorkeurzenders vastleggen ............... 115
zenders ................................................ 115
RDS-functies ............................................ 115
in ongunstige omstandigheden ........... 218
Rijden met een aanhanger ........................ 162
resetten ............................................... 117
Recirculatie ............................................... 104
Rijklaar gewicht ......................................... 215
REG – regionale radioprogramma’s ......... 117
Regensensor .............................................. 73
Rem- en koppelingsvloeistof .................... 176
Remlichten .................................................. 66
Remmen ..................................................... 87
algemene informatie parkeerrem .......... 89
antiblokkeerremsysteem, ABS .............. 87
elektrische parkeerrem .......................... 89
lampjes op instrumentenpaneel ............ 88
noodremlichten, EBL ............................. 66
remkrachtverhoging .............................. 87
remkrachtverhoging bij noodstops,
EBA ....................................................... 87
remlichten .............................................. 66
remsysteem ........................................... 87
remvloeistof bijvullen ........................... 176
remvloeistof, hoeveelheid en kwaliteit 221
Reservewiel .............................................. 198
Richtingaanwijzers ...................................... 67
Rijadviezen ............................................... 152
Rijden
aanhangergewicht ............................... 215
kogeldruk ............................................. 216
trekgewicht .......................................... 216
Rijeigenschappen aanpassen ................... 121
RND – Random ......................................... 114
Roestwering .............................................. 211
Roetfilter dieselmotor .................................. 82
Roetfilter vol ................................................ 82
Ruggedeelte
achterbank, omklappen ....................... 159
Rugleuning
voorstoel, omklappen ............................ 60
Ruiten en spiegels ...................................... 75
Ruitensproeiers ........................................... 74
Ruitenwissers .............................................. 73
S
Safelock-functie .......................................... 44
deactiveren ............................................ 44
Safety mode ................................................ 25
07
SCAN
cd en muziekbestanden ...................... 114
radiozenders ........................................ 115
Schoonmaken
auto wassen ......................................... 210
229
Alfabetisch register
automatische wasstraat .......................210
bekleding .............................................211
veiligheidsgordels ................................211
velgen ...................................................210
Schuifdak
blokkering bij automatisch sluiten ...79, 80
openen en sluiten ...................................79
ventilatiestand ........................................80
zonnescherm .........................................80
Serviceprogramma ....................................172
Signaalingang, externe .............................109
Simkaart ....................................................149
SIPS-airbags ...............................................18
Slepen .......................................................169
sleepoog ..............................................169
Sleutel .........................................................34
PCC ........................................................34
sleutelloos vergrendelings- en
startsysteem ..........................................40
transpondersleutel .................................34
Sleutelblad ..................................................37
07
Sterkte, geluids- ........................................ 112
Specificaties ............................................. 215
elektrisch bedienbaar ............................ 60
geheugenfunctie .................................... 61
handmatig verstellen ............................. 60
rugleuning voorstoel omklappen ........... 60
sleutelgeheugen ..................................... 61
Stoel en achterbank
Spiegel
achteruitkijk- .......................................... 78
Spiegels
buiten- ................................................... 77
Spin Control ............................................. 120
Sproeiers
koplampen ............................................. 74
ruitensproeiervloeistof, bijvullen .......... 185
voorruit .................................................. 74
Sproeikoppen, verwarmde ......................... 74
SRS-AIRBAG .............................................. 15
SRS-systeem
algemene informatie .............................. 16
Stabiliteits- en tractieregelsysteem .......... 120
Stabiliteitssysteem ................................... 120
Stads-/parkeerlichten
vóór en achterlichten ................................. 66
Sleutelblokkering .........................................85
Stand-by, telefoon .................................... 145
Sleutelloos starten (Keyless drive) ..............81
Standverwarming ..................................... 106
Sloten
op een helling parkeren ....................... 106
tijd instellen ......................................... 107
Startblokkering ........................................... 34
automatische hervergrendeling .............42
dashboardkastje ....................................42
kofferdeksel ...........................................42
ontgrendelen ..........................................42
vergrendelen ..........................................42
230
vergrendelingsknop aan de binnenzijde 42
Smeermiddelen ........................................ 220
Starten met hulpaccu ................................. 83
Steenslagplekken en krassen ................... 212
Stoel
ruggedeelte achterbank omklappen .... 159
Stoel met geheugenfunctie ......................... 61
Stoelen
rugleuning voorstoel omklappen ........... 60
Stoelen en achterbank ................................ 60
elektrische bediening ............................. 60
elektrische verwarming ........................ 103
geventileerde voorstoelen ................... 102
hoofdsteunen achterbank ...................... 62
Stuurbekrachtiging, snelheidsafhankelijke 121
Stuurbekrachtigingsvloeistof .................... 176
Stuurslot ...................................................... 81
Stuurwiel
stuurwielafstelling .................................. 63
toetsenset ............................................ 145
toetsenset adaptieve cruisecontrol ..... 125
toetsenset linkerzijde ........................... 122
toetsenset rechterzijde ........................ 109
Surround ........................................... 109, 112
Alfabetisch register
T
TP –verkeersinformatie ............................. 116
Verkeersinformatie .................................... 116
Traction Control ........................................ 120
Verlichting
Transmissie ................................................ 84
U
Active Bi-Xenon Lights, ABL ................. 65
Approach-verlichting ............................. 69
automatische functie ............................. 68
Follow-Me-Home-verlichting ................. 69
gloeilampen vervangen,
zie ook Gloeilampen ............................ 177
groot licht/dimlicht ................................. 65
instrumentenverlichting ......................... 64
interieur .................................................. 68
knoppen ................................................. 68
koplamphoogteregeling ......................... 64
lichtbundel aanpassen ........................... 70
mistachterlicht ....................................... 67
mistlampen vóór .................................... 66
stads-/parkeerlichten vóór
en achterlichten ..................................... 66
Verlichting instrumentenpaneel .................. 64
Uitstoot van kooldioxide ........................... 221
Versnellingsbak ........................................... 84
V
Veiligheid .................................................... 12
automatische ......................................... 84
handgeschakelde .................................. 84
Verstralers ................................................. 179
Timer .........................................................104
Veiligheidsgordels ...................................... 12
Vervangen, gloeilampen
Toetsenset op stuurwiel
gordelspanners ..................................... 14
Velgen
Tanken
tankdop ................................................155
tankvulklep, elektrisch openen ............155
tankvulklep, handmatig openen ...........155
Tankinhoud ...............................................221
Telefoon ....................................................145
aansluiten .............................................143
bellen ....................................................141
bellen via telefoonboek ........................147
geïntegreerde, overzicht ......................145
gesprek beantwoorden ................142, 145
handsfree .............................................140
inkomende gesprekken ........................141
telefoon registreren ..............................141
telefoonboek, sneltoets ........................143
Telefoon, stand-by ....................................145
Telefoonboek
nummerfuncties ...................................147
Temperatuur
werkelijke temperatuur ...........................99
Temperatuurregeling .................................103
linkerzijde .............................................122
rechterzijde ..........................................109
Toetsensets op stuurwiel ............................63
Totaalgewicht ............................................215
Transpondersleutel ..................................... 34
afneembaar sleutelblad ......................... 34
batterij ................................................... 35
batterij vervangen .................................. 39
bereik ..................................................... 36
functies .................................................. 35
Trekgewicht .............................................. 216
Trekhaak ................................................... 163
Trekinrichting ............................................ 163
Trillingsdemper ......................................... 164
Type-aanduidingen ................................... 214
Typegoedkeuring,
afstandsbedieningssysteem ..................... 222
schoonmaken ...................................... 210
Ventilatie ................................................... 101
Ventilator .................................................. 102
07
achterlichten ........................................ 180
dimlicht halogeen ................................ 178
groot licht halogeen ............................. 178
instapverlichting ................................... 182
kofferbakverlichting ............................. 182
make-upspiegel ................................... 182
231
Alfabetisch register
gordelwaarschuwing ............................. 56
lage oliedruk .......................................... 56
parkeerrem aangezet ............................ 56
stabiliteits- en tractieregelsysteem ...... 120
storing in remsysteem ........................... 56
waarschuwing ....................................... 56
Waarschuwingssymbool, airbagsysteem ... 14
Verwarming ...............................................103
Water- en vuilafstotende laag .................... 75
Verzorging .................................................210
Whiplash-letsel WHIPS .............................. 21
dashboardkastje .................................. 192
kofferbak .............................................. 193
motorruimte ......................................... 190
positie .................................................. 189
Zenders zoeken ........................................ 115
Vierwielaandrijving ......................................86
WHIPS ........................................................ 21
Zijairbags .................................................... 18
Vlekken ......................................................211
WHIPS-systeem
Zuinig rijden .............................................. 152
Vloeistof
Whiplash Protection System ................. 21
Wielen
Zwangerschap ............................................ 13
stuurbekrachtigingsvloeistof ................220
Vloeistoffen
hoeveelheden .......................................220
Vloermatten ...............................................136
Volume, zie ook Geluidssterkte ................112
Voorkeurzenders vastleggen .....................115
W
Waarschuwingsgeluid
07
monteren ............................................. 195
reservewiel .......................................... 198
sneeuwkettingen ................................. 197
velgen .................................................. 197
verwisselen .......................................... 194
Wielen en banden ..................................... 194
Willekeurige afspeelvolgorde, cd
en muziekbestanden ................................ 114
adaptieve cruisecontrol ........................123
anti-botsingsysteem ............................128
Waarschuwingslampje
Winterbanden ........................................... 197
adaptieve cruisecontrol ........................123
anti-botsingsysteem ............................128
Waarschuwingslampjes ..............................54
schoonmaken .............................. 184, 185
servicestand ........................................ 184
vervangen ............................................ 184
Wissers en -sproeiers ................................. 73
airbags, SRS ..........................................56
dynamo laadt niet bij ..............................56
232
Z
mistlampen vóór ..................................180
parkeerlichten vóór ..............................179
richtingaanwijzers ................................179
stadslichten ..........................................179
verstralers ............................................179
zijmarkeringslicht .................................180
Verwarmde sproeikoppen ...........................74
Wisselgesprek .......................................... 145
Wisserbladen
Zekeringen ................................................ 189
Zekeringenkastje
Volvo. for life
Volvo Car Corporation TP 8856 (Dutch), AT 0640, Printed in Sweden, Göteborg 2006, Copyright © 2000-2006 Volvo Car Corporation
Was this manual useful for you? yes no
Thank you for your participation!

* Your assessment is very important for improving the work of artificial intelligence, which forms the content of this project

Download PDF

advertising