Volvo | V40 | Gebruikershandleiding | Volvo V40 2015 Early Gebruikershandleiding

Volvo V40 2015 Early Gebruikershandleiding
WEB EDITION
GEBRUIKERSHANDLEIDING
BESTE VOLVO-BEZITTER,
DANK U DAT U GEKOZEN HEBT VOOR VOLVO!
Wij hopen dat u jarenlang rijplezier van uw Volvo
zult hebben. Bij het ontwerp hebben veiligheid en
comfort van u en uw passagiers vooropgestaan.
Een Volvo is een van de veiligste auto’s ter
wereld. Uw Volvo is ook ontworpen om aan alle
geldende veiligheidsvoorschriften en milieueisen
te voldoen.
Om nog meer plezier van uw auto te hebben,
raden wij u aan om vertrouwd te raken met de uitrusting, de instructies en de onderhoudsinformatie in deze eigenaarshandleiding.
Inhoud
01 Inleiding
Bedieningsinformatie................................
Gebruikershandleiding lezen.....................
Digitale gebruikershandleiding in auto......
Vastlegging van gegevens........................
Accessoires en extra uitrusting.................
Informatie op internet................................
Volvo ID.....................................................
Milieubeleid van Volvo Car Corporation...
Milieu-aspecten van de gebruikershandleiding........................................................
Gelaagd glas.............................................
02 Veiligheid
13
13
16
18
19
19
20
21
Algemeen over veiligheidsgordels............
Veiligheidsgordel - om doen.....................
Veiligheidsgordel - losmaken....................
Veiligheidsgordel - zwangerschap............
Gordelwaarschuwing................................
Gordelspanners........................................
Veiligheid - waarschuwingssymbool.........
Airbagsysteem..........................................
Airbags aan de bestuurderszijde..............
Passagiersairbag......................................
Passagiersairbag - activering/deactivering*...........................................................
SIPS-airbags.............................................
SIPS-airbag (SIPS) - kinderzitje/babyzitje.
Opblaasgordijnen (IC-systeem)................
Algemene informatie over WHIPS (whiplash-bescherming)..................................
WHIPS - kinderzitje...................................
WHIPS - zithouding..................................
Als de systemen activeren........................
Algemene informatie over de Safety
mode.........................................................
Safety mode - startpoging........................
Safety mode - auto verrijden....................
25
26
27
27
28
28
29
30
31
31
Voetgangersairbag....................................
Voetgangersairbag - auto verrijden..........
Voetgangersairbag - opvouwen................
Algemeen over kinderveiligheid................
Kinderzitje.................................................
Kinderzitje - positie...................................
Kinderzitje - ISOFIX...................................
ISOFIX - afmetingscategorieën.................
ISOFIX - soorten kinderzitjes....................
Kinderzitje - bovenste bevestigingspunten.............................................................
01 02 02
2
23
23
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
33
35
36
36
37
38
38
39
40
41
42
42
43
43
44
45
49
50
50
51
53
Inhoud
03 Instrumenten, schakelaars
en bediening
Instrumenten en bediening, auto met
stuur links - overzicht................................
Instrumenten en bediening, auto met
stuur rechts - overzicht.............................
Instrumentenpaneel..................................
Instrumentenpaneel, analoog - overzicht.
Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht...
Eco guide & Power guide*........................
Instrumentenpaneel - betekenis controlesymbolen..................................................
Instrumentenpaneel - betekenis waarschuwingssymbolen.................................
Buitentemperatuurmeter...........................
Dagtellers..................................................
Klok...........................................................
Licenties - instrumentenpaneel.................
Displaysymbolen.......................................
Volvo Sensus............................................
Sleutelstanden..........................................
Sleutelstanden - functies in verschillende
standen.....................................................
Voorstoelen...............................................
Voorstoelen - elektrisch bediend..............
Achterbank................................................
55
58
61
61
62
65
Stuurwiel................................................... 82
Bedieningspaneel verlichting.................... 83
Stadslichten vóór en achterlichten........... 85
Dagrijlicht.................................................. 85
Tunneldetectie*......................................... 86
Groot licht/dimlicht................................... 86
Actief groot licht*...................................... 87
Actieve xenon-koplampen*....................... 89
Mistachterlicht.......................................... 89
Remlichten................................................ 90
Alarmlichten.............................................. 90
Richtingaanwijzer...................................... 91
Interieurverlichting..................................... 92
Follow Me Home-verlichting..................... 93
Approach-verlichting................................. 93
Koplampen - lichtbundel aanpassen........ 94
Wissers en -sproeiers............................... 97
Elektrisch bedienbare ruiten..................... 99
Buitenspiegels......................................... 101
Ruiten en buitenspiegels - elektrische
verwarming............................................. 102
Achteruitkijkspiegel................................. 103
Glazen dak*............................................. 103
Kompas................................................... 104
Menufuncties - instrumentenpaneel.......
Menu-overzicht - analoog instrumentenpaneel.....................................................
Menu-overzicht - digitaal instrumentenpaneel.....................................................
Meldingen...............................................
Meldingen - functies...............................
MY CAR..................................................
Boordcomputer.......................................
Boordcomputer - analoog instrumentenpaneel.....................................................
Boordcomputer - digitaal instrumentenpaneel.....................................................
Boordcomputer - aanvullende informatie
Boordcomputer - rijstatistiek*.................
03 03 03
66
68
70
70
70
71
72
75
76
76
78
79
80
105
106
106
106
108
108
109
111
115
119
120
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
3
Inhoud
04 Klimaat
Algemene informatie over de klimaatregeling......................................................
Werkelijke temperatuur...........................
Sensoren - klimaat..................................
Luchtreiniging.........................................
Luchtreiniging - interieurfilter..................
Luchtreiniging - Clean Zone Interior Package (CZIP)*............................................
Luchtreiniging - IAQS*............................
Luchtreiniging - materiaal.......................
Menu-instellingen - klimaat.....................
Luchtverdeling passagiersruimte............
Elektronische klimaatregeling, ECC*......
Elektronische temperatuurregeling - ETC
Elektrische stoelverwarming voor*..........
Elektrische achterbankverwarming*.......
Ventilator.................................................
Automatische regeling............................
Temperatuurregeling passagiersruimte..
Airconditioning........................................
Voorruit ontwasemen en ontdooien........
Luchtverdeling - recirculatie...................
Luchtverdeling - tabel.............................
Motor- en interieurverwarming*..............
122
123
123
123
124
Motor- en interieurverwarming* - direct
inschakelen.............................................
Motor- en interieurverwarming* - direct
uitschakelen............................................
Motor- en interieurverwarming* - timers.
Motor- en interieurverwarming* - meldingen..........................................................
Extra verwarming*...................................
Extra verwarming op brandstof*.............
Extra verwarming op stroom*.................
138
139
139
05 Laad- en
opbergmogelijkheden
Opbergmogelijkheden.............................
Opbergvak bestuurderszijde...................
Middenconsole.......................................
Middenconsole - armleuning..................
Middenconsole - aansteker en asbak*...
Dashboardkastje.....................................
Dashboardkastje - koeling......................
Inlegmatten*............................................
Make-upspiegel......................................
Middenconsole - 12V-aansluiting...........
Lading vervoeren....................................
Lading vervoeren - lange lading.............
Lading op het dak...................................
Verankeringsogen...................................
Lading vervoeren - houder voor boodschappentassen .....................................
Lading vervoeren - opklapbare houder
voor boodschappentassen*....................
12V-aansluiting bagageruimte................
Bagagenet...............................................
Hoedenplank...........................................
04 04 05
4
124
125
125
125
126
128
129
130
130
131
132
132
133
133
134
135
137
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
140
141
142
142
144
146
146
146
147
147
147
148
148
148
149
150
150
151
151
151
152
153
155
Inhoud
06 Sloten en alarm
Transpondersleutel................................. 157
Transpondersleutel - verlies ................... 157
Transpondersleutel - personalisering*.... 158
Vergrendelen/ontgrendelen - indicatie.... 159
Vergrendelingsindicatie........................... 159
Transpondersleutel - elektronische startblokkering............................................... 160
Op afstand bediende startblokkering met
opsporingssysteem................................. 160
Transpondersleutel - functies................. 161
Transpondersleutel - bereik.................... 162
Transpondersleutel met PCC* - unieke
functies................................................... 163
Transpondersleutel met PCC* - bereik... 164
Afneembaar sleutelblad.......................... 164
Afneembaar sleutelblad - verwijderen/
aanbrengen............................................. 165
Afneembaar sleutelblad - portier ontgrendelen....................................................... 166
Transpondersleutel/PCC - batterij vervangen.................................................... 166
Keyless Drive*......................................... 167
Keyless Drive* -bereik transpondersleutel............................................................ 168
Keyless Drive* - veilig gebruik van de
transpondersleutel.................................. 168
Keyless Drive* - storingen in de functie
van de transpondersleutel......................
Keyless Drive* - vergrendelen.................
Keyless Drive* - ontgrendelen.................
Keyless Drive* - ontgrendelen met sleutelblad.....................................................
Keyless Drive* - vergrendelingsinstellingen..........................................................
Keyless Drive* - locatie antennes...........
Vergrendelen/ontgrendelen - vanaf de
buitenkant ..............................................
Portier handmatig vergrendelen.............
Vergrendelen/ontgrendelen - van de binnenzijde...................................................
Doorluchtfunctie......................................
Vergrendelen/ontgrendelen - dashboardkastje.......................................................
Vergrendelen/ontgrendelen - achterklep
Vergrendelen/ontgrendelen - tankvulklep
Safelock-functie*.....................................
Kinderslot - handmatige activering.........
Kinderslot - elektrische activering*.........
Alarm.......................................................
Alarmindicatie.........................................
169
169
170
Alarmsysteem - automatische herinschakeling.......................................................
Alarm - automatische activering.............
Alarmsysteem - transpondersleutel
defect......................................................
Alarmsignalen.........................................
Beperkt alarmniveau...............................
Typegoedkeuring - transpondersleutelsysteem...................................................
06 06 06
170
171
171
181
181
182
182
182
183
172
172
173
174
174
175
177
177
178
179
180
181
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
5
Inhoud
07 Rijhulp
Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) algemeen................................................
Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) bediening................................................
Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) symbolen en meldingen..........................
Verkeersbordenherkenning (RSI)............
Verkeersbordenherkenning (RSI)* bediening................................................
Verkeersbordenherkenning (RSI)* beperkingen.....................................................
Snelheidsbegrenzer*...............................
Snelheidsbegrenzer* - beknopte bedieningsinstructies.......................................
Snelheidsbegrenzer* - snelheid wijzigen
Snelheidsbegrenzer - tijdelijk deactiveren
en stand-bystand*...................................
Snelheidsbegrenzer* - alarm overschrijding snelheid...........................................
Snelheidsbegrenzer* - uitschakelen.......
Cruisecontrol*.........................................
Cruisecontrol* - snelheid regelen............
Snelheidsbegrenzer* tijdelijk deactiveren
en stand-bystand....................................
Cruisecontrol* - ingestelde snelheid hervatten......................................................
185
186
Cruisecontrol* - uitschakelen.................. 200
Adaptieve cruisecontrol (ACC)*.............. 200
Adaptieve cruisecontrol* - functie........... 201
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht....... 203
Adaptieve cruisecontrol* - snelheid regelen........................................................... 204
Adaptieve cruisecontrol* - tijdsverschil
instellen................................................... 205
Adaptieve cruisecontrol* - tijdelijke deactivering en stand-by................................ 206
Adaptieve cruisecontrol* - een ander
voertuig inhalen....................................... 207
Adaptieve cruisecontrol* - uitschakelen. 208
Adaptieve cruisecontrol* - File-assistent 208
Adaptieve cruisecontrol* - van cruisecontrol-functie wisselen................................ 210
Radarsensor............................................ 211
Radarsensor - beperkingen.................... 211
Adaptieve cruisecontrol* - storingen
opsporen en verhelpen........................... 213
Adaptieve cruisecontrol* - symbolen en
meldingen............................................... 214
Afstandswaarschuwing*.......................... 216
Afstandswaarschuwing* - beperkingen.. 217
Afstandswaarschuwing* - symbolen en
meldingen............................................... 218
City Safety™........................................... 219
City Safety™ - functie............................. 219
City Safety™ - bediening........................ 220
City Safety™ - beperkingen.................... 221
City Safety™ - lasersensor..................... 223
City Safety™ - symbolen en meldingen. 225
Collision Warning*................................... 226
Collision Warning* - functie..................... 227
Collision Warning* - detectie van fietsers 228
Collision Warning* - detectie van voetgangers................................................... 229
Collision Warning* - bediening................ 230
Collision Warning* - beperkingen........... 232
Collision Warning* - beperkingen van de
camerasensor......................................... 233
Collision Warning* - symbolen en meldingen.......................................................... 235
Driver Alert System*................................ 237
Driver Alert Control (DAC)*...................... 237
Driver Alert Control (DAC)* - bediening... 238
Driver Alert Control (DAC)* - symbolen en
meldingen............................................... 239
Rijbaanassistent*.................................... 241
Rijbaanassistent - functie....................... 241
Rijbaanassistent - bediening................... 243
07 07 07
6
187
189
189
191
192
192
193
194
195
195
195
196
198
199
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Inhoud
08 Starten en rijden
Rijbaanassistent - beperkingen..............
Rijbaanassistent - symbolen en meldingen..........................................................
Park Assist*.............................................
Park Assist* - functie...............................
Park Assist* - aan de achterzijde............
Park Assist* - aan de voorzijde...............
Park Assist* - storingsindicatie...............
Park Assist* - sensoren schoonmaken...
Park Assist-camera.................................
Park Assist-camera - instellingen...........
Park Assist-camera - beperkingen.........
Actieve parkeerhulp (PAP)*.....................
Actieve parkeerhulp (PAP)* - functie.......
Actieve parkeerhulp (PAP)* - functie.......
Actieve parkeerhulp (PAP)* - beperkingen..........................................................
Actieve parkeerhulp (PAP)* - symbolen
en meldingen..........................................
BLIS........................................................
BLIS - bediening.....................................
CTA*........................................................
BLIS en CTA - symbolen en meldingen..
Snelheidsafhankelijke
stuurbekrachtiging..................................
243
245
247
247
248
249
250
250
251
254
255
255
256
257
Typegoedkeuring - radarsysteem........... 266
Alcoholslot*.............................................
Alcoholslot* - functies en bediening.......
Alcoholslot* - opslag...............................
Alcoholslot* - vóór het starten van de
motor.......................................................
Alcoholslot* - waar u op moet letten.......
Alcoholslot* - symbolen en meldingen...
Motor starten..........................................
Motor afzetten.........................................
Stuurslotfout...........................................
Starten met hulpaccu..............................
Versnellingsbakken.................................
Handgeschakelde versnellingsbak.........
Schakelindicator*....................................
Automatische versnellingsbak Geartronic*..............................................
Automatische versnellingsbak Powershift*..............................................
Keuzehendelblokkering...........................
Hellingrem (HSA)*....................................
Start/Stop*..............................................
Start/Stop* - functie en bediening..........
Start/Stop* - automatische motorafslag
werkt niet................................................
Start/Stop* - automatische motorstart...
269
269
270
07 07 08
258
260
260
261
263
265
266
270
272
273
274
275
275
276
277
277
278
279
283
285
286
286
287
289
290
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
7
Inhoud
09 Wielen en banden
Start/Stop* - automatische motorstart
werkt niet................................................ 291
Start/Stop* - onvrijwillige motorstop bij
handgeschakelde versnellingsbak.......... 291
Start/Stop* - instellingen......................... 292
Start/Stop* - symbolen en meldingen..... 293
ECO*....................................................... 295
Rempedaal.............................................. 297
Bedrijfsrem - antiblokkeerremsysteem... 298
Bedrijfsrem - noodremlichten en automatische alarmlichten.................................. 298
Bedrijfsrem - remkrachtverhoging bij
noodstops............................................... 299
Parkeerrem.............................................. 299
Doorwaaddiepte..................................... 300
Oververhitting.......................................... 301
Rijden met een geopende achterklep..... 301
Overbelasting - startaccu....................... 302
Voorbereidingen bij lange reizen............. 302
Rijden tijdens de winter........................... 303
Tankvulklep - openen/sluiten.................. 303
Tankvulklep - handmatig openen........... 304
Brandstof tanken.................................... 304
Brandstof - gebruik................................. 305
Brandstof - benzine................................ 305
Brandstof - diesel.................................... 306
Katalysatoren.......................................... 307
Brandstof bijvullen – met jerrycan........... 308
Roetfilter dieselmotor (DPF).................... 308
Zuinig rijden............................................ 309
Rijden met een aanhanger...................... 310
Rijden met een aanhanger - handgeschakelde versnellingsbak.............................. 311
Rijden met een aanhanger - automatische versnellingsbak............................... 311
Trekhaak................................................. 312
Afneembare trekhaak - opbergen........... 313
Afneembare trekhaak - specificaties...... 313
Afneembare trekhaak - monteren/
demonteren............................................. 314
Trailer Stability Assist (TSA).................... 317
Slepen..................................................... 318
Sleepoog................................................. 319
Bergen..................................................... 320
Banden - draairichting............................
Banden - onderhoud...............................
Banden - slijtage-indicator......................
Wielmoeren.............................................
Krik..........................................................
Winterbanden..........................................
Wiel- en velgmaten.................................
Banden - maten......................................
Banden - lastindex..................................
Banden - snelheidsklassen.....................
Compact reservewiel*.............................
Wielen verwisselen - reservewiel erbij
nemen*....................................................
Wielen verwisselen - wielen verwijderen.
Wielen verwisselen - compact reservewiel monteren*........................................
Banden - bandenspanning.....................
Gevarendriehoek.....................................
EHBO-set*...............................................
Bandenspanningscontrolesysteem*.......
TPMS (Tyre Pressure Monitoring
System)* - algemeen...............................
TPMS (Tyre Pressure Monitoring
System)* - aanpassen (herkalibreren).....
08 08 09
8
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
322
322
324
324
325
325
326
326
326
327
327
328
329
331
332
333
334
334
335
336
Inhoud
10 Onderhoud en service
Status TPMS (Tyre Pressure Monitoring
System)*.................................................. 337
TPMS (Tyre Pressure Monitoring
System)* - activeren/deactiveren............ 338
TPMS (Tyre Pressure Monitoring
System)* - adviezen................................ 338
TPMS (Tyre Pressure Monitoring
System)* - runflat-banden*...................... 339
TPMS (Tyre Pressure Monitoring
System)* - bij een lage bandenspanning 340
TM (Tyre Monitor)*.................................. 340
Noodreparatie banden*........................... 342
Noodreparatieset voor banden* - positie 343
Noodreparatieset voor banden* - overzicht......................................................... 344
Noodreparatieset voor banden* - bediening......................................................... 345
Noodreparatieset voor banden* - reparatieresultaat controleren........................... 346
Band oppompen met de noodreparatieset voor banden*..................................... 347
Noodreparatieset voor banden* - onderdelen terugplaatsen................................ 348
Noodreparatieset voor banden* - afdichtmiddel..................................................... 349
Typegoedkeuring - bandenspanningscontrole................................................... 350
Serviceprogramma van Volvo.................
Afspraak maken voor servicebeurt en
reparatie*.................................................
Auto opnemen........................................
Motorkap - openen en sluiten.................
Motorruimte - overzicht..........................
Motorruimte - controle............................
Motorolie - algemeen..............................
Motorolie - controleren en bijvullen........
Koelvloeistof - peil..................................
Rem- en koppelingsvloeistof - peil.........
Klimaatregeling - storingen opsporen en
verhelpen................................................
Lamp vervangen - algemeen..................
Lamp vervangen - positie lampen voorzijde.........................................................
Lamp vervangen - koplampen................
Lampen verwisselen - afdekkap groot-/
dimlichtlampen........................................
Lamp vervangen - dimlicht.....................
Lamp vervangen - groot licht..................
Lamp vervangen - verstraler...................
Lampen vervangen - richtingaanwijzers
voorzijde..................................................
357
357
360
362
362
363
364
365
369
370
Lamp vervangen - stadslichten/parkeerlichten vóór............................................. 375
Lamp vervangen - dagrijlicht.................. 375
Lamp vervangen - positie lampen achterzijde......................................................... 376
Lamp vervangen - richtingaanwijzers
achter, rem- en achterlichten.................. 376
Lamp vervangen - mistachterlicht.......... 377
Lamp vervangen - verlichting makeupspiegel................................................. 377
Lampen - specificaties ........................... 378
Wisserbladen.......................................... 378
Sproeiervloeistof - bijvullen..................... 381
Startaccu - algemeen.............................. 381
Accu - symbolen..................................... 383
Startaccu - vervangen............................. 384
Accu - Start/Stop.................................... 384
Elektrisch systeem.................................. 386
Zekeringen - algemeen........................... 386
Zekeringen - in motorruimte................... 388
Zekeringen - onder dashboardkastje...... 392
Zekeringen - onder rechter voorstoel..... 395
Wasstraat................................................ 397
Poetsen en in de was zetten................... 398
Water- en vuilafstotende laag................. 399
09 10 10
370
371
372
372
373
373
374
374
374
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
9
Inhoud
11 Specificaties
Roestwering............................................ 400
Interieur reinigen..................................... 400
Lakschade............................................... 402
Type-aanduidingen.................................
Maten......................................................
Gewichten...............................................
Trekgewicht en kogeldruk.......................
Motorspecificaties...................................
Motorolie - ongunstige rijomstandigheden..........................................................
Motorolie - kwaliteit en hoeveelheid.......
Koelvloeistof - kwaliteit en hoeveelheid..
Transmissieolie - kwaliteit en hoeveelheid.........................................................
Remvloeistof - kwaliteit en hoeveelheid.
Sproeiervloeistof - kwaliteit en hoeveelheid.........................................................
Brandstoftank - inhoud...........................
Airconditioning, vloeistof - hoeveelheid
en kwaliteit..............................................
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot.........
Banden - goedgekeurde bandenspanning.........................................................
12 Alfabetisch register
405
407
408
409
411
Alfabetisch register................................. 428
10 11 12
10
412
413
415
416
418
418
419
420
422
426
Inhoud
11
INLEIDING
01 Inleiding
Bedieningsinformatie
Gebruikershandleiding lezen
Uw auto is voorzien van een beeldscherm
waarop u informatie kunt vinden over de werking van uw auto (geldt voor bepaalde modellen). Bij auto’s met gebruikershandleiding
vormt de gebruikershandleiding in drukvorm
een aanvulling op deze informatie en bevat
belangrijke tekst, de nieuwste gegevens en
handige instructies, wanneer u de informatie
op het beeldscherm om praktische redenen
niet kunt lezen.
Een goede manier om vertrouwd te raken met
uw nieuwe auto is om de gebruikershandleiding te lezen, idealiter voordat u uw eerste rit
maakt. Zo maakt u kennis met nieuwe functies, krijgt u tips hoe u het beste in verschillende situaties met de auto kunt omgaan en
leert u hoe u optimaal gebruik kunt maken van
alle mogelijkheden die uw auto biedt. Besteed
ook aandacht aan de veiligheidsinstructies in
de handleiding.
Wanneer u de taalinstelling voor het beeldscherm wijzigt, is het mogelijk dat bepaalde
informatie niet overeenkomt met de wettelijke
bepalingen en voorschriften die in uw land
gelden.
De specificaties, constructiegegevens en
afbeeldingen in deze gebruikershandleiding
zijn niet bindend. We behouden ons het recht
voor om zonder voorafgaande mededeling
wijzigingen aan te brengen.
©
BELANGRIJK
U bent er altijd zelf verantwoordelijk voor
dat u de auto op veilig wijze bestuurt en
dat u de geldende wetgeving en voorschriften in acht neemt. Het is ook belangrijk dat u de auto volgens Volvo’s adviezen
in het instructieboekje onderhoudt en
bedient.
Bij afwijkingen in de informatie op het
beeldscherm en die in het gedrukte
boekje, geldt altijd de informatie in drukvorm.
Volvo Car Corporation
Gebruikershandleiding in mobiele
apparaten
N.B.
01
Het instructieboekje is te downloaden als
app (geldt voor bepaalde modellen en
mobiele telefoons), zie
www.volvocars.com.
De app biedt tevens video’s en doorzoekbare informatie en eenvoudige navigatie
tussen de verschillende hoofdstukken.
Opties/accessoires
Alle soorten opties staan aangegeven met
een sterretje* in de gebruikershandleiding.
Als aanvulling op de standaarduitrusting worden in de gebruikershandleiding ook de
opties (van fabriekswege gemonteerde uitrusting) en bepaalde accessoires (ingebouwde
extra uitrusting) beschreven.
De uitrusting die in de gebruikershandleiding
wordt beschreven is niet op alle auto’s aanwezig – welke uitrusting aanwezig is hangt af
van de verschillende behoeften op de diverse
markten en de landelijke en/of regionale weten regelgeving.
Neem bij twijfel over de standaarduitrusting of
opties/accessoires contact op met een Volvodealer.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
13
01 Inleiding
01
||
Speciale teksten
WAARSCHUWING
Waarschuwingsteksten geven informatie
over kans op letsel.
BELANGRIJK
Belangrijk-teksten geven informatie over
kans op materiële schade.
gen van het informatiedisplay (bijvoorbeeld
Audio-instellingen ).
Stickers
Er zitten verschillende soorten stickers in de
auto om belangrijke informatie op een simpele en duidelijke manier over te dragen. De
stickers in de auto zijn van de onderstaande
aflopende waarschuwings-/informatiegraad.
Gevaar voor lichamelijk letsel
G031592
N.B.
Teksten met het kopje N.B. duiden op tips
en adviezen die het gebruik van bepaalde
mogelijkheden en functies vergemakkelijken.
Witte ISO-symbolen en een witte tekst/
afbeelding in een zwart of blauw waarschuwings- en tekstveld. Worden gebruikt om te
attenderen op een risico dat, bij het negeren
van de waarschuwing, kan resulteren in materiële schade.
Voetnoot
In de gebruikershandleiding komt informatie
voor in de vorm van een voetnoot onder aan
de pagina. Deze informatie vormt een aanvulling op de tekst waar het nummer van de
voetnoot naar verwijst. Als de voetnoot naar
tekst in een tabel verwijst, worden letters
gebruikt in plaats van cijfers.
Tekstmeldingen
In de auto zijn displays aanwezig waarop
meldingen kunnen worden weergegeven.
Deze displaymeldingen worden in de gebruikershandleiding in iets groter formaat en in
het grijs weergegeven. Voorbeelden daarvan
vindt u in de menuteksten en displaymeldin-
14
Gevaar voor materiële schade
G031590
Zwarte ISO-symbolen in een oranje waarschuwingsveld, witte tekst/afbeelding in een
zwart tekstveld. Worden gebruikt om te attenderen op een risico dat, bij het negeren van
de waarschuwing, kan resulteren in ernstig
letsel met mogelijk dodelijke afloop.
01 Inleiding
Informatie
voerd, staan genummerd in de gebruikershandleiding.
Wanneer er een reeks afbeeldingen bij
een stapsgewijze instructie bestaat, zijn
de verschillende stappen van de instructie op dezelfde manier genummerd als de
bijbehorende afbeeldingen.
G031593
Als voor de instructies bij een reeks
afbeeldingen de onderlinge volgorde niet
relevant is, worden de instructies voorafgegaan door letters.
Witte ISO-symbolen en een witte tekst/
afbeelding in een zwart tekstveld.
N.B.
De in het instructieboekje afgebeelde stickers hoeven niet per definitie overeen te
komen met de stickers die in of op uw
auto aanwezig zijn. De afbeeldingen zijn
alleen bedoeld om aan te geven hoe de
stickers er in grote lijnen uitzien en waar u
ze ongeveer kunt aantreffen. Op de stickers van uw auto vindt u de informatie die
op uw auto van toepassing is.
Procedurelijsten
Procedures met handelingen die in een
bepaalde volgorde moeten worden uitge-
Er komen genummerde en ongenummerde pijlen voor. Ze worden gebruikt om
een bepaalde beweging weer te geven.
Pijlen met een letter dienen om een
beweging weer te geven waarbij de
onderlinge volgorde niet van belang is.
Wanneer er geen reeks afbeeldingen bij een
stapsgewijze instructie bestaat, zijn de verschillende stappen op de standaardmanier
genummerd met normale cijfers.
Positielijsten
Op overzichtsfiguren die de positie van
onderdelen aangeven worden rode cirkels
met daarin een cijfer gebruikt. Hetzelfde
cijfer wordt gehanteerd in de positielijst
bij de afbeelding, met een beschrijving
van de weergegeven objecten.
Opsommingslijsten
01
Bij opsommingen in de gebruikershandleiding
wordt gebruik gemaakt van een opsommingslijst.
Bijvoorbeeld:
•
•
Koelvloeistof
Motorolie
Gerelateerde informatie
Gerelateerde informatie verwijst naar andere
gedeelten met voor de hand liggende informatie.
Afbeeldingen
De afbeeldingen in de handleiding zijn soms
schematisch en kunnen dan ook afwijken van
uw uitvoering van de auto afhankelijk van het
uitrustingsniveau en de markt.
Zie ommezijde
}} Dit symbool staat rechts onderaan wan-
neer een artikel wordt voortgezet op de volgende pagina.
Vervolg van de vorige pagina
|| Dit symbool staat links bovenaan wanneer
een artikel wordt voortgezet van de vorige
pagina.
Gerelateerde informatie
•
Milieu-aspecten van de gebruikershandleiding (p. 23)
•
Informatie op internet (p. 19)
15
01 Inleiding
01
Digitale gebruikershandleiding in auto
De gebruikershandleiding is weer te geven op
het beeldscherm in de auto1. De informatie is
doorzoekbaar en de navigatie tussen de verschillende hoofdstukken verloopt eenvoudig.
Digitale gebruikershandleiding openen - druk
op de MY CAR-knop op de middenconsole,
druk op OK/MENU en kies
Gebruikershandleiding.
Voor elementaire navigatiefuncties, zie Systeembediening. Hier volgt een gedetailleerde
beschrijving.
• Zoeken - Zoekfunctie om een artikel te
vinden.
Zoeken
• Categorieën - Alle artikelen geordend
naar categorieën.
• Favorieten - Snelkoppeling naar favoriete artikelen.
•
Quick Guide - Een selectie van artikelen
voor veelgebruikte functies.
Kies het informatiesymbool in de rechter
onderhoek voor informatie over de digitale
gebruikershandleiding.
N.B.
Het instructieboekje is niet raadpleegbaar
tijdens het rijden.
Zoeken met behulp van het schrijfwiel.
Tekenlijst.
Invoerstand wijzigen (zie de volgende
tabel).
Gebruik het schrijfwiel om een zoekterm in te
voeren, bijvoorbeeld ‘veiligheidsgordel’.
1. Draai aan TUNE tot de gewenste letter
verschijnt en druk ter bevestiging op OK/
MENU. Ook de cijfer- en lettertoetsen
van het bedieningspaneel op de middenconsole zijn te gebruiken.
Startpagina van de gebruikershandleiding.
U hebt vier opties om in de gebruikershandleiding de informatie te vinden die u zoekt:
1
16
Geldt voor bepaalde automodellen.
2. Ga verder met de volgende letter enz.
01 Inleiding
3. Om over te schakelen op de invoer van
cijfers of speciale tekens of om te zoeken,
draait u aan TUNE, totdat een van de
opties (zie verklaring in volgende tabel) in
de lijst voor het wisselen van invoerstand
(2) verschijnt en druk vervolgens op OK/
MENU.
123/AB
C
Met OK/MENU kunt u wisselen
tussen cijfers en letters.
MEER
Met OK/MENU kunt u overschakelen op de invoer van speciale tekens.
OK
Voer de zoekopdracht uit. Draai
aan TUNE om een treffer te kiezen en druk vervolgens op om
OK/MENU het bijbehorende
artikel te openen.
a|A
||}
Tussen kleine en hoofdletters
wisselen met OK/MENU.
Van het tekstwiel naar het zoekveld wisselen. De cursor verplaatsen met TUNE. Eventuele
verkeerde spelling wissen met
EXIT. Om terug te gaan naar het
tekstwiel op OK/MENU drukken.
Let op: de cijfer- en lettertoetsen op het bedieningspaneel
kunnen worden gebruikt bij
bewerkingen in het zoekveld.
Categorieën
De artikelen van de gebruikershandleiding zijn
geordend naar hoofdcategorieën en ondercategorieën. Hetzelfde artikel ligt mogelijk in
meerdere categorieën zodat het gemakkelijker te vinden is.
Draai aan TUNE om in de favorietenlijst te
navigeren en druk op OK/MENU om een artikel te openen. Druk op EXIT om terug te
gaan naar de vorige weergave.
01
Quick Guide
Hier vindt u een aantal artikelen om de meest
gebruikte functies van de auto te leren kennen. De artikelen zijn ook via categorieën
bereikbaar, maar staan hier om er snel bij te
kunnen.
Draai aan TUNE om in de Quick Guide te
navigeren en druk op OK/MENU om een artikel te openen. Druk op EXIT om terug te
gaan naar de vorige weergave.
In een artikel navigeren
Draai aan TUNE om door de categorieboom
te navigeren en druk op OK/MENU om een
categorie (aangeduid met
) of artikel (aan) te openen. Druk op EXIT om
geduid met
terug te gaan naar de vorige weergave.
Favorieten
Hier vindt u de artikelen die als favorieten zijn
opgeslagen. Om een artikel als favoriet te
markeren, zie de rubriek ‘In een artikel navigeren’ hieronder.
Home - naar de startpagina van de
gebruikershandleiding gaan.
Favoriet - het artikel als favoriet toevoegen/verwijderen. U kunt ook op de FAVknop op de middenconsole drukken om
}}
17
01 Inleiding
01
||
een artikel als favoriet toe te voegen/te
verwijderen.
Gemarkeerde link - naar een gelinkt artikel gaan.
Speciale teksten - als het artikel waarschuwings-, belangrijk- of NB-teksten
bevat, worden het bijbehorende symbool
en het aantal van dergelijke teksten in het
artikel getoond.
Draai aan TUNE om de links door te nemen
of een artikel omhoog of omlaag te schuiven.
Als het beeldscherm naar het begin/eind van
een artikel is geschoven, zijn de opties Home
en Favoriet bereikbaar door een stap
omhoog/omlaag te gaan. Druk op OK/MENU
om de keuze/gemarkeerde link te activeren.
Druk op EXIT om terug te gaan naar de
vorige weergave.
Gerelateerde informatie
•
18
Informatie op internet (p. 19)
Vastlegging van gegevens
Bepaalde gegevens over de werking en functionaliteit van de auto en eventuele
(bijna-)aanrijdingen worden door de auto vastgelegd.
Uw auto is voorzien van enkele computers
met als taak de werking en functionaliteit van
de auto continue te bewaken. Bepaalde computers leggen mogelijk ook gegevens vast bij
registratie van een storing tijdens normale ritten. Bovendien worden er gegevens opgeslagen bij een aanrijding of bijna-aanrijding.
Vastlegging van de gegevens is enerzijds
bedoeld om technici te helpen bij het vaststellen en verhelpen van storingen in de auto
en anderzijds om ervoor te zorgen dat Volvo
voldoet aan de geldende wet- en regelgeving.
Volvo gebruikt de gegevens bovendien voor
onderzoek ter verbetering van de kwaliteit en
veiligheid, daar de gegevens kunnen bijdragen tot een groter inzicht in de omstandigheden waarin ongelukken en/of letsel ontstaan.
De gegevens kunnen duidelijkheid geven over
de status en werking van verschillende autosystemen en -modulen waaronder die voor
de motor, gasklep, besturing en remmen. De
gegevens kunnen informatie bevatten over de
rijstijl van de bestuurder, zoals de rijsnelheid,
het gebruik van het rem- of gaspedaal en de
stuuruitslag en het wel of niet dragen van de
veiligheidsgordel door bestuurder en eventuele passagier(s). De gegevens kunnen om de
eerder vermelde redenen voor een begrensde
tijd worden vastgelegd tijdens het rijden, tijdens een aanrijding of bij een bijna-ongeluk.
Volvo kan de gegevens opslaan zolang deze
kunnen bijdragen tot een verbetering en verdere verhoging van de veiligheid en kwaliteit
en zolang de wet- en regelgeving waaraan
Volvo gehouden is dit voorschrijft.
Volvo zal de bovengenoemde gegevens niet
zonder de toestemming van de eigenaar van
de auto vrijgeven aan derden. Volvo Car Corporation kan echter op last van de nationale
wet- en regelgeving gedwongen worden om
dergelijke gegevens te verstrekken aan
instanties, zoals de politie, of anderen die
krachtens de wet de gegevens kunnen opeisen.
Om de door de computers van de auto vastgelegde gegevens te kunnen uitlezen en
interpreteren is speciale technische apparatuur vereist die alleen beschikbaar is bij
Volvo, en de werkplaatsen die een contract
hebben met Volvo. Volvo ziet erop toe dat de
gegevens, die in verband met reparatie en
onderhoud worden doorgegeven aan Volvo,
zorgvuldig worden opgeslagen en gehanteerd
en dat ze in overeenstemming met de geldende wetgeving worden gebruikt. Neem
voor meer informatie contact op met een
Volvo-dealer.
01 Inleiding
Accessoires en extra uitrusting
Een verkeerde aansluiting en montage van
accessoires en extra uitrusting kan een nadelige invloed hebben op de werking van de
elektronische systemen van de auto.
Bepaalde accessoires werken alleen, wanneer de bijbehorende software in de computersystemen van de auto wordt geladen.
Volvo adviseert u daarom altijd contact op te
nemen met een erkende Volvo-werkplaats,
voordat u accessoires of extra uitrusting
monteert die in verbinding staan/staat met of
van invloed zijn/is op het elektrische systeem.
Warmtereflecterende voorruit*
Maten
A
65 mm
B
150 mm
C
125 mm
Informatie op internet
01
Op www.volvocars.com vindt u meer informatie over uw auto.
Met een persoonlijke Volvo ID kunt u inloggen
op My Volvo, een persoonlijke webpagina
voor u en uw auto.
De voorruit is voorzien van een warmtereflecterende film (IR) die de ingestraalde warmte in
de passagiersruimte beperkt.
Montage van elektronische uitrusting, zoals
een transponder, achter een ruit met een
warmtereflecterende film heeft mogelijk een
negatieve invloed op de werking en prestaties
van de uitrusting.
Voor optimale werking van dient de elektronische uitrusting dan ook gemonteerd te worden op dat deel van de voorruit waar geen
warmtereflecterende film is aangebracht (zie
gemarkeerd veld op bovenstaande afbeelding).
QR-code
Voor het uitlezen van de QR-code hebt u een
QR-codelezer nodig die als extra programma
(app) verkrijgbaar is voor tal van mobiele telefoons. QR-codelezers zijn bijvoorbeeld te
downloaden via App Store, Windows Phone
of Google Play.
Veld waar geen IR-film is aangebracht.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
19
01 Inleiding
01
Volvo ID
Volvo ID is uw persoonlijke ID die u toegang
biedt tot diverse diensten2.
Voorbeeld van diensten:
•
My Volvo - Uw persoonlijke website voor
u en uw auto.
•
Auto met internetaansluiting* - bepaalde
functies en diensten vereisen dat u uw
auto hebt geregistreerd op een persoonlijke Volvo ID, bijvoorbeeld om een adres
van een kaartdienst op internet rechtstreeks naar uw auto te kunnen sturen.
•
N.B.
Voordelen van Volvo ID
20
Een Volvo ID aanmaken
Om een Volvo ID aan te maken, moet u uw
persoonlijke e-mailadres aangeven en de
instructies volgen die u in een e-mail ontvangt
om de registratie te voltooien. Een Volvo ID
kan via de volgende diensten worden aangemaakt:
•
My Volvo - Geef het e-mailadres aan en
volg de instructies.
•
Bij een auto met internetaansluiting* Geef het e-mailadres aan in de app die
Volvo ID vereist en volg de instructies. Of
op de
druk op de verbindingsknop
middenconsole en kies Apps, Installatie
en volg de instructies.
•
Volvo On Call, VOC* - Laad de nieuwste
versie van de VOC-app. Kies op de startpagina voor het aanmaken van een Volvo
ID en volg de instructies.
Volvo On Call, VOC* - Volvo ID wordt
gebruikt bij het inloggen op de mobiele
Volvo On Call-app.
Om nog steeds gebruik van deze diensten
te kunnen maken, moet het oude inlogaccount worden geüpgraded naar Volvo ID.
•
Een gebruikersnaam en een wachtwoord
voor online diensten, d.w.z. u hoeft
slechts één gebruikersnaam en één
wachtwoord te onthouden.
•
Bij het wijzigen van een gebruikersnaam/
wachtwoord voor een dienst (bijvoorbeeld
VOC) worden deze ook automatisch voor
2
andere diensten gewijzigd (bijvoorbeeld
My Volvo)
Gerelateerde informatie
•
Informatie op internet (p. 19)
Het aanbod aan diensten kan veranderen en hangt af van het uitrustingsniveau en de markt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
01 Inleiding
Milieubeleid van Volvo Car
Corporation
01
een fabriek die zeer schoon is en efficiënt met
hulpbronnen omgaat.
G000000
Uw Volvo voldoet aan strenge internationale
milieueisen en is bovendien geproduceerd in
Zorg voor het milieu is een van de kernwaarden van Volvo Car Corporation die van
invloed zijn op alle activiteiten. We zijn ervan
overtuigd dat onze klanten onze zorg voor het
milieu delen.
Uw Volvo voldoet aan strenge internationale
milieueisen en is bovendien geproduceerd in
een fabriek die zeer schoon is en efficiënt met
hulpbronnen omgaat. Volvo Car Corporation
is gecertificeerd volgens de milieunorm ISO
14001 voor alle fabrieken en de meeste
andere eenheden. We eisen bovendien van
onze samenwerkingspartners dat ze systematisch aan milieuzorg doen.
Brandstofverbruik
De auto’s van Volvo zijn concurrerend in hun
klasse wat het brandstofverbruik betreft. Een
lager brandstofverbruik levert over het algemeen een geringere uitstoot van het broeikasgas kooldioxide op.
U als bestuurder kunt uw steentje bijdragen
aan een verlaging van het brandstofverbruik.
Lees voor meer informatie de tekst onder het
kopje Spaar het milieu.
Efficiënte uitlaatgasreiniging
Uw Volvo is gebouwd volgens het concept
‘Schoon aan binnen- en buitenkant’ – een
concept dat een schone passagiersruimte
combineert met een uitermate efficiënte uitlaatgasreiniging. In veel gevallen liggen uitlaatgasemissies ver onder de geldende normen.
Schone lucht in passagiersruimte
Het interieurfilter zorgt dat stofdeeltjes en pollen niet via de luchtinlaatopening in de passagiersruimte kunnen dringen.
}}
21
01 Inleiding
01
||
Een geavanceerd luchtreinigingssysteem,
IAQS* (Interior Air Quality System), zorgt
ervoor dat de lucht die de passagiersruimte
binnenkomt schoner is dan de lucht buiten in
het verkeer.
Het systeem bestaat uit een elektronische
sensor en een koolstoffilter. De binnenkomende lucht wordt continu gecontroleerd en
als het gehalte aan bepaalde schadelijke gassen zoals koolmonoxide te hoog oploopt,
wordt de luchtinlaat gesloten. Iets dergelijks
kan zich voordoen in bijvoorbeeld druk verkeer, files of tunnels.
Het koolstoffilter zorgt ervoor dat stikstofoxiden, laaghangend ozon en koolwaterstoffen
niet binnendringen.
van ons systeem. Volvo stelt duidelijke milieueisen aan de outillage van onze werkplaatsen
om te voorkomen dat er schadelijke stoffen
vrijkomen in het milieu. Het personeel in de
werkplaatsen van Volvo beschikt over de kennis en het gereedschap om optimale zorg
voor het milieu te kunnen garanderen.
Spaar het milieu
U kunt eenvoudig meehelpen het milieu te
beschermen – hier volgen enkele tips:
•
Voorkom stationair draaien – zet de motor
af wanneer u langere tijd stilstaat. Houdt
u zich aan de plaatselijke voorschriften.
•
•
Rijd economisch – rijd anticiperend.
•
Gebruik vóór een koude start altijd de
motorverwarming*, als de auto hiermee is
uitgerust – dit verbetert de startgewilligheid, beperkt de slijtage bij koud weer en
zorgt ervoor dat de motor sneller op
bedrijfstemperatuur komt, waardoor het
brandstofverbruik en de uitstoot afnemen.
•
Bij hoge snelheden neemt het verbruik
aanzienlijk toe vanwege de grotere luchtweerstand – bij een verdubbeling van de
snelheid neemt de luchtweerstand met
een factor vier toe.
•
Hanteer afvalstoffen die schadelijk voor
het milieu zijn, zoals accu’s en olie, op
een milieuvriendelijke manier. Neem con-
Interieur
Het interieur van een Volvo werd dusdanig
vormgegeven dat het gerieflijk en comfortabel
is – ook voor mensen met contactallergieën
of astma. Er is extra veel aandacht besteed
aan de selectie van milieuvriendelijke materialen.
Erkende Volvo-werkplaatsen en het
milieu
Met regelmatig onderhoud kunt u de voorwaarden scheppen voor een lange levensduur en een laag brandstofverbruik. Op die
manier draagt u bij aan een schoner milieu.
Wanneer u de reparaties en het onderhoud
aan de auto toevertrouwt aan de werkplaatsen van Volvo, wordt de auto een onderdeel
22
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Voer service en onderhoud uit volgens de
aanwijzingen in de gebruikershandleiding
– houd de geadviseerde intervallen in het
Service- en garantieboekje aan.
tact op met een werkplaats bij twijfel over
de juiste manier van verwerken van dergelijk afval – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
Wanneer u deze tips opvolgt, kunt u geld
besparen, zuiniger omspringen met de hulpbronnen op aarde en uw auto langer doen
meegaan. Voor meer informatie en meer
adviezen, zie Eco guide (p. 65), Zuinig rijden
(p. 309) en Brandstofverbruik (p. 422).
Recycling
Milieumatig verantwoorde recycling van de
auto vormt een belangrijk aspect van de milieuzorg van Volvo. De auto is nagenoeg
geheel te recyclen. De laatste eigenaar van
de auto wordt daarom verzocht contact op te
nemen met een dealer voor de locatie van
een gecertificeerd/erkend recyclingbedrijf.
Gerelateerde informatie
•
Milieu-aspecten van de gebruikershandleiding (p. 23)
01 Inleiding
Milieu-aspecten van de
gebruikershandleiding
De papiervezels waarvan deze publicatie
gemaakt is afkomstig zijn uit FSC®-gecertificeerde bossen of andere gecontroleerde
bronnen.
Het Forest Stewardship Council®-symbool
geeft aan dat de papiervezels waarvan een
gebruikershandleiding in drukvorm gemaakt
is afkomstig zijn uit FSC®-gecertificeerde
bossen of andere gecontroleerde bronnen.
01
Gelaagd glas
Gelaagd glas
Het glas is verstevigd voor een verbeterde inbraakbeveiliging en
geluidsisolatie van het interieur. De
voorruit en de overige ruiten zijn
gemaakt van gelaagd glas*.
Gerelateerde informatie
•
Milieubeleid van Volvo Car Corporation
(p. 21)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
23
VEILIGHEID
02 Veiligheid
Algemeen over veiligheidsgordels
Remmen kan ernstige gevolgen hebben als
de veiligheidsgordel niet wordt gedragen. Let
er daarom op dat alle passagiers hun veiligheidsgordel tijdens het rijden om hebben.
Waar u op moet letten
•
Gebruik geen klemmen of andere accessoires waardoor u de veiligheidsgordel
niet strak langs uw lichaam kunt trekken.
•
De veiligheidsgordel mag niet gedraaid
zitten.
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen in de veiligheidsgordels aan en probeer ze nooit zelf
te repareren. Volvo adviseert u daarvoor
contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats.
Als een veiligheidsgordel aan grote krachten heeft blootgestaan zoals tijdens een
aanrijding, moet u de veiligheidsgordel in
zijn geheel vervangen. De veiligheidsgordel
kan een deel van zijn beschermende
eigenschappen hebben verloren, zelfs als
de veiligheidsgordel ogenschijnlijk niet
beschadigd is. Vervang de veiligheidsgordel ook als deze versleten of beschadigd
is. De nieuwe veiligheidsgordel moet zijn
goedgekeurd en bedoeld voor montage op
dezelfde positie als de vervangen veiligheidsgordel.
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en airbag werken
samen. Als de veiligheidsgordel niet of verkeerd wordt gebruikt, kan dit bij een botsing van invloed zijn op het effect van de
airbag.
WAARSCHUWING
Span de heupgordel over de heupen door de
diagonale schoudergordel in de richting van de
schouder omhoog te trekken. De heupgordel
moet laag zitten (niet over de buik).
Voor optimale bescherming van de veiligheidsgordel is het van belang dat de gordel
goed tegen het lichaam ligt. Laat de rugleuning niet te ver achteroverhellen. De veiligheidsgordel biedt de beste bescherming bij
een normale rijhouding.
02
Elke veiligheidsgordel is bedoeld voor
slechts één persoon.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Veiligheidsgordel - zwangerschap
(p. 27)
Veiligheidsgordel - losmaken (p. 27)
Gordelspanners (p. 28)
Wanneer iemand de veiligheidsgordel niet
draagt, wordt de bewuste persoon er middels
waarschuwingssymbolen en geluidssignalen
(p. 28) aan herinnerd de gordel om te doen
(p. 26).
25
02 Veiligheid
02
Veiligheidsgordel - om doen
Waar u op moet letten
Doe de veiligheidsgordel (p. 25) om voordat u
gaat rijden.
De veiligheidsgordel is geblokkeerd en kan
niet verder worden uitgetrokken:
•
•
•
Rol de gordel langzaam af en maak deze vast
door de borglip in de gordelsluiting te steken.
Een duidelijke ‘klik’ geeft aan dat de gordel
vastzit.
als de auto sterk overhelt.
Gerelateerde informatie
•
Verkeerde positie veiligheidsgordel. De veiligheidsgordel moet over de schouder lopen.
Goede positie veiligheidsgordel.
Hoogte-instelling van de veiligheidsgordel. Druk
de knop in en zet de gordel hoger of lager. Zet
de gordel zo hoog mogelijk zonder dat de gordel
daarbij langs de nek schuurt.
Op de achterbank past de borglip van de veiligheidsgordel op de middelste zitplaats
alleen in de bijbehorende sluiting.
26
wanneer u de gordel te snel uittrekt
wanneer u remt of optrekt
•
•
•
Veiligheidsgordel - zwangerschap
(p. 27)
Veiligheidsgordel - losmaken (p. 27)
Gordelspanners (p. 28)
Gordelwaarschuwing (p. 28)
02 Veiligheid
Veiligheidsgordel - losmaken
Veiligheidsgordel - zwangerschap
Maak de veiligheidsgordel (p. 25) pas los als
de auto stilstaat.
Wanneer u zwanger bent, is het belangrijk de
veiligheidsgordel (p. 25) altijd op de juiste
manier te dragen.
Druk op de rode knop van de gordelsluiting
en laat het oprolmechanisme de gordel naar
binnen trekken. Als de gordel niet volledig
wordt opgerold, moet u de gordel handmatig
zo ver terugrollen dat deze niet langer slap
hangt.
(wat inhoudt dat ze met gemak bij het stuur
en de pedalen moeten kunnen komen). Streef
ernaar de afstand tussen de buik en het stuur
zo groot mogelijk te maken.
Gerelateerde informatie
•
•
02
Veiligheidsgordel - om doen (p. 26)
Veiligheidsgordel - losmaken (p. 27)
Gerelateerde informatie
Veiligheidsgordel - om doen (p. 26)
Gordelwaarschuwing (p. 28)
G020998
•
•
De veiligheidsgordel moet strak langs de
schouder lopen, waarbij het diagonale deel
van de veiligheidsgordel tussen de borsten en
tegen de zijkant van de buik ligt.
Het heupgedeelte van de veiligheidsgordel
moet vlak tegen de buitenkant van de bovenbenen liggen en zo ver mogelijk onder de buik
liggen. Het mag nooit over de buik omhoog
kunnen glijden. De veiligheidsgordel moet zo
strak mogelijk over het lichaam lopen zonder
onnodige speling. Controleer ook of de veiligheidsgordel nergens gedraaid zit.
Naarmate de zwangerschap vordert moeten
zwangere bestuurders de stoel (p. 78) en
het stuurwiel (p. 82) dusdanig verstellen dat
ze de auto volledig onder controle hebben
27
02 Veiligheid
Gordelwaarschuwing
02
verschijnt er een melding op het instrumentenpaneel. De melding verdwijnt na
ongeveer 30 seconden rijden vanzelf of
eerder bij het indrukken van de knop OK
op de richtingaanwijzerhendel (p. 105).
Als een van de inzittenden geen veiligheidsgordel draagt, verdwijnt de melding
echter alleen bij het indrukken van de
knop OK op de richtingaanwijzerhendel.
Wanneer iemand de veiligheidsgordel niet
draagt, gaan er waarschuwingssymbolen
branden en worden er geluidssignalen afgegeven om de bewuste persoon eraan te herinneren de veiligheidsgordel om te doen (p. 26).
•
Of er geluidssignalen klinken, hangt af van de
snelheid. De waarschuwingssymbolen zitten
op de plafondconsole en op het instrumentenpaneel (p. 61).
Het gordelwaarschuwingssysteem geldt niet
voor kinderzitjes.
Achterbank
De functie van de gordelwaarschuwing voor
de achterbank is tweeledig:
•
28
Aangeven welke veiligheidsgordel (p. 25)
van de achterbank er worden gebruikt. Bij
gebruik van de veiligheidsgordels of het
openen van een van de achterportieren
Waarschuwen dat iemand op de achterbank de veiligheidsgordel heeft losgenomen. Er wordt gewaarschuwd met een
melding op het instrumentenpaneel in
combinatie met een geluidssignaal en een
waarschuwingssymbool. De waarschuwing stopt wanneer de gordel weer is
omgedaan, maar kan ook handmatig worden bevestigd door op de knop OK te
drukken.
Gordelspanners
De Veiligheidsgordels (p. 25) aan de bestuurderszijde, de passagierszijde en op de buitenste zitplaatsen achterin zijn voorzien van gordelspanners. Dit is een mechanisme dat bij
een voldoende krachtige aanrijding de veiligheidsgordel rond het lichaam spant. De veiligheidsgordel kan de passagier daarmee beter
in de stoel gedrukt houden.
WAARSCHUWING
De gesp van de veiligheidsgordel aan passagierszijde nooit aanbrengen in de gordelsluiting aan bestuurderszijde. De gesp
van de veiligheidsgordel altijd aanbrengen
in de gordelsluiting aan de juiste zijde. De
veiligheidsgordels nooit beschadigen en
geen vreemde voorwerpen aanbrengen in
de gordelsluiting. De veiligheidsgordels en
de gordelsluiting werken anders mogelijk
niet naar behoren tijdens een aanrijding. Er
bestaat gevaar voor ernstige verwondingen.
Op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel staat welke veiligheidsgordels er in
gebruik zijn. Deze informatie is altijd beschikbaar.
Gerelateerde informatie
•
Algemeen over veiligheidsgordels (p. 25)
02 Veiligheid
Veiligheid - waarschuwingssymbool
display. Volvo adviseert u zo spoedig mogelijk contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats.
Het waarschuwingslampje verschijnt, als er tijdens de storingsdiagnose een storing wordt
geconstateerd of als het systeem geactiveerd
is. Waar nodig verschijnt het waarschuwingslampje in combinatie met een melding op het
informatiedisplay van het instrumentenpaneel
(p. 61).
WAARSCHUWING
Als het waarschuwingslampje voor het airbagsysteem blijft branden of tijdens het rijden korte tijd oplicht, betekent dit dat het
airbagsysteem niet naar behoren werkt.
Het symbool kan ook duiden op een storing in het airbagsysteem, de gordelspanners, het SIPS- en het IC-systeem of op
een andere storing in het systeem. Volvo
adviseert u zo spoedig mogelijk contact op
te nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
Gevarendriehoek en waarschuwingssymbool
voor het airbagsysteem op een digitaal instrumentenpaneel.
Gevarendriehoek en waarschuwingssymbool
voor het airbagsysteem (p. 30) op een analoog
instrumentenpaneel.
Het waarschuwingssymbool op het instrumentenpaneel gaat branden, wanneer de
transpondersleutel in sleutelstand II (p. 76)
staat. Iedere keer dat het contact wordt ingeschakeld, vindt er een storingsdiagnose
plaats. Het symbool dooft na ca. 6 seconden,
wanneer de regelmodule heeft vastgesteld
dat het airbagsysteem geen storingen vertoont.
02
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de Safety mode
(p. 40)
Het waarschuwingslampje verschijnt, als er
tijdens de storingsdiagnose een storing wordt
geconstateerd of als het systeem geactiveerd
is. Waar nodig verschijnt het waarschuwingslampje in combinatie met een melding op het
display. Als het waarschuwingssymbool niet
werkt, gaat het waarschuwingsdriehoekje
branden en verschijnt er SRS airbag Service
vereist of SRS airbag Service spoed op het
29
02 Veiligheid
Airbagsysteem
G018665
02
Bij een frontale botsing helpt het airbagsysteem voorkomen dat u en eventuele inzittenden letsel aan hoofd en borstkas oplopen.
Airbagsysteem, van bovenaf gezien bij een auto
met het stuur links.
Het SRS bestaat uit airbags en sensoren. Bij
een voldoende krachtige aanrijding reageren
de sensoren, waarna één of meer airbags
worden opgeblazen en warm worden. De airbags vangen de klap van de aanrijding op
voor de inzittende. Daarmee vangen de SIPSairbags de klap van de aanrijding op voor de
inzittende, waarna de airbags weer leeglopen.
Daarbij treedt er rookvorming in de auto op.
Dit is volkomen normaal. Het totale verloop,
van het opblazen tot het leeglopen van de airbag, neemt enkele tienden van een seconde
in beslag.
WAARSCHUWING
Volvo adviseert u om voor reparatie contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats. Een verkeerde ingreep in het
airbagsysteem kan tot een onjuiste werking leiden met ernstig letsel als gevolg.
N.B.
G018666
De sensoren reageren verschillend, afhankelijk van het verloop van de botsing en of
er al dan niet een veiligheidsgordel wordt
gebruikt. Geldt voor alle zitplaatsen
behalve de middelste zitplaats achterin.
Airbagsysteem, van bovenaf gezien bij een auto
met het stuur rechts.
30
Er kunnen dus ongelukken ontstaan als
slechts één (of geen) van de airbags wordt
geactiveerd. De sensoren registreren de
kracht waaraan de auto bij de botsing
wordt blootgesteld en passen zich hierop
aan, zodat een of meer airbags worden
opgeblazen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Airbags aan de bestuurderszijde (p. 31)
Passagiersairbag (p. 31)
Veiligheid - waarschuwingssymbool
(p. 29)
02 Veiligheid
Airbags aan de bestuurderszijde
Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordel
(p. 25) aan de bestuurderszijde ook twee airbags (p. 30).
Gerelateerde informatie
•
Passagiersairbag (p. 31)
Passagiersairbag
Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordel
(p. 25) aan de passagierszijde ook een airbag
(p. 30).
Een van de airbags zit opgevouwen in het
midden van het stuurwiel. Het stuurwiel is
voorzien van het opschrift AIRBAG.
De airbag zit opgevouwen in een ruimte
boven het dashboardkastje. Het paneel is
voorzien van het opschrift AIRBAG.
Knieairbag aan de bestuurderszijde bij een auto
met het stuur links.
Positie van de passagiersairbag in een auto met
het stuur links.
02
De andere airbag (op kniehoogte) zit onder in
het dashboard aan de bestuurderszijde. Het
dashboard is voorzien van het opschrift
AIRBAG.
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en airbags werken
samen. Als de gordel niet of verkeerd
wordt gebruikt, kan dit bij een botsing van
invloed zijn op het effect van de airbags.
}}
31
02 Veiligheid
||
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en airbag werken
samen. Als de gordel niet of verkeerd
wordt gebruikt, kan dit bij een botsing van
invloed zijn op het effect van de airbag.
02
Om geen letsel op te lopen wanneer de
airbag wordt opgeblazen, moet de passagier zo rechtop mogelijk zitten met de voeten op de vloer en de rug tegen de rugleuning. De veiligheidsgordel moet vast zitten.
Positie van de passagiersairbag in een auto met
het stuur rechts.
De waarschuwingssticker voor de passagiersairbag zit op een van de volgende twee
plekken in de auto:
Alternatief 2: Locatie van de waarschuwingssticker voor de airbag op de portierstijl aan passagierszijde. Bij het openen van het passagiersportier is de sticker zichtbaar.
WAARSCHUWING
Plaats een achterstevoren gemonteerd
kinderzitje nooit op een stoel met een
geactiveerde airbag. Het niet opvolgen van
deze aanbeveling kan levensgevaarlijke
situaties voor of ernstig letsel van het kind
opleveren.
WAARSCHUWING
Plaats geen voorwerpen vóór of bovenop
het dashboard op de plek waar de airbag
voor de passagiersstoel zit.
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen voorin, wanneer de
airbag aan die kant geactiveerd is.
Laat nooit iemand voor de passagiersstoel
zitten of staan.
Personen kleiner dan 1,40 m mogen nooit
op de passagiersstoel voorin plaatsnemen,
als de airbag geactiveerd is.
Alternatief 1: Locatie van de waarschuwingssticker voor de airbag op de zonneklep aan passagierszijde.
32
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren.
02 Veiligheid
Schakelaar - PACOS*
De passagiersairbag (SRS) voorin is te deactiveren, (p. 33) met een schakelaar als de
auto is uitgerust met PACOS (Passenger
Airbag Cut Off Switch).
WAARSCHUWING
Als de auto is uitgerust met een airbag aan
de passagierszijde maar geen PACOSschakelaar (Passenger Airbag Cut Off
Switch) heeft, is de airbag altijd geactiveerd.
Gerelateerde informatie
•
•
Airbags aan de bestuurderszijde (p. 31)
Kinderzitje (p. 45)
Passagiersairbag - activering/
deactivering*
de voorstoel zitten, maar kinderen in een
kinderzitje of op een kussen beslist niet.
De passagiersairbag (p. 31) voorin kan met
een schakelaar worden geactiveerd, als de
auto is uitgerust met PACOSS (Passenger
Airbag Cut Off Switch).
De airbag is gedeactiveerd. Met de schakelaar in deze stand kunnen kinderen in
een kinderzitje of op een kussen aan de
passagierszijde op de voorstoel zitten,
maar passagiers groter dan 1,40 m
beslist niet.
Schakelaar - PACOS
De schakelaar voor activering/deactivering
van de passagiersairbag, PACOS zit aan de
passagierszijde aan de zijkant van het dashboard en u kunt erbij door het portier aan die
kant te openen.
Controleer of de schakelaar in de gewenste
stand staat. Gebruik het sleutelblad (p. 165)
van de transpondersleutel om van stand te
veranderen.
02
WAARSCHUWING
Geactiveerde airbag (passagiersstoel):
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen op de passagiersstoel, wanneer de airbag aan die kant
geactiveerd is. Laat evenmin personen die
kleiner zijn dan 1,40 m op deze stoel
plaatsnemen.
Gedeactiveerde airbag (passagiersstoel):
Personen groter dan 1,40 m mogen nooit
op de passagiersstoel plaatsnemen, als de
airbag gedeactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren.
Locatie van de schakelaar voor de airbag.
De airbag is geactiveerd. Met de schakelaar in deze stand kunnen passagiers groter dan 1,40 m aan de passagierszijde op
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
33
02 Veiligheid
||
N.B.
02
Wanneer de transpondersleutel in sleutelstand II (p. 76) staat, brandt
ca. 6 seconden lang het waarschuwingssymbool (p. 29) voor de airbag op het
instrumentenpaneel.
Daarna gaat de indicator op de plafondconsole branden die de status van de passagiersairbag aangeeft.
WAARSCHUWING
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een verhogingskussen voorin wanneer
de airbag aan die kant geactiveerd is en
in de plafondconsole
het symbool
brandt. Het niet opvolgen van deze aanbeveling kan levensgevaarlijke situaties voor
het kind opleveren.
Laat geen passagier op de passagiersstoel
plaatsnemen als het waarschuwingssymbool (p. 29) voor het airbagsysteem op het
instrumentenpaneel oplicht, terwijl de melding op de plafondconsole aangeeft dat de
airbag aan die kant gedeactiveerd is. Dit
duidt op een ernstige storing. Bezoek zo
spoedig mogelijk een werkplaats. Volvo
adviseert u daarvoor contact op te nemen
met een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties voor de passagiers opleveren.
Gerelateerde informatie
•
Hiermee wordt aangegeven dat de airbag aan de
passagierszijde geactiveerd is.
Een melding en een waarschuwingssymbool
op de plafondconsole geven aan dat de airbag aan de passagierszijde geactiveerd is (zie
voorgaande afbeelding).
34
Hiermee wordt aangeduid dat de airbag aan de
passagierszijde gedeactiveerd is.
Een melding en een brandend lampje op de
plafondconsole geven aan dat de airbag aan
de passagierszijde gedeactiveerd is (zie voorgaande afbeelding).
Kinderzitje (p. 45)
02 Veiligheid
SIPS-airbags
Bij een aanrijding in de zij wordt een groot
deel van de botskracht door het SIPS-systeem (Side Impact Protection System) over
balken, stijlen, vloer, dak en andere delen van
de carrosserie verdeeld. De SIPS-airbags aan
de bestuurders- en de passagierszijde
beschermen de borstkas en de heupen en
vormen een belangrijk onderdeel van het
SIPS-systeem.
voor de inzittende, waarna de airbags weer
leeglopen. De SIPS-airbag wordt normaal
gesproken alleen opgeblazen aan de kant van
de aanrijding.
WAARSCHUWING
•
Volvo adviseert u de reparatie uitsluitend door een erkende Volvo-werkplaats te laten uitvoeren. Een verkeerde ingreep in het SIPS-systeem
kan tot een onjuiste werking leiden
met ernstig letsel als gevolg.
•
Plaats geen voorwerpen in het gebied
tussen de buitenzijde van de stoel en
het portierpaneel, aangezien dit gebied
door de zijairbag kan worden beïnvloed.
•
Volvo adviseert om uitsluitend door
Volvo goedgekeurde overtrekbekleding te gebruiken. Andere bekleding
kan de werking van de zijairbags hinderen.
•
De zijairbag vormt een aanvulling op
de veiligheidsgordel. Gebruik de veiligheidsgordel altijd.
Bestuurdersplaats, auto met stuur links.
02
Gerelateerde informatie
Het SIPS-systeem bestaat uit twee hoofdonderdelen: de SIPS-airbags en de sensoren.
De SIPS-airbags zijn aangebracht in de rugleuningframes van de voorstoelen.
•
•
•
Passagiersairbag (p. 31)
Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren de sensoren, die op hun beurt de gasgeneratoren activeren. De SIPS-airbags worden
vervolgens opgeblazen tussen de inzittende
en het portierpaneel. Daarmee vangen de
SIPS-airbags de klap van de aanrijding op
•
Opblaasgordijnen (IC-systeem) (p. 36)
Airbags aan de bestuurderszijde (p. 31)
SIPS-airbag (SIPS) - kinderzitje/babyzitje
(p. 36)
Passagiersplaats, auto met stuur links.
35
02 Veiligheid
SIPS-airbag (SIPS) - kinderzitje/
babyzitje
02
De SIPS-airbags beïnvloeden de beschermende werking van kinderzitje en/of zittingverhoger niet negatief (p. 35).
Opblaasgordijnen (IC-systeem)
WAARSCHUWING
Het systeem helpt voorkomen dat de bestuurder en eventuele passagiers bij een botsing
met hun hoofd tegen de binnenkant van de
auto slaan.
Hang of bevestig nooit zware voorwerpen
aan de plafondhandgrepen. De haak is
alleen bedoeld voor niet al te zware kledingstukken (en niet voor harde voorwerpen zoals paraplu’s).
Het is mogelijk een kinderzitje/zittingverhoger
(p. 45) op de voorstoel te plaatsen, als de
auto aan de passagierszijde niet is uitgerust
met een geactiveerde airbag (p. 33).
Schroef of bevestig geen onderdelen op
de plafondbekleding, portierstijlen of de
zijpanelen van de auto. Ze kunnen daarbij
hun beschermende werking verliezen.
Volvo adviseert u uitsluitend originele
Volvo-onderdelen, bestemd voor montage
op deze plaatsen, te gebruiken.
Gerelateerde informatie
•
•
Passagiersairbag (p. 31)
Algemeen over kinderveiligheid (p. 44)
WAARSCHUWING
De auto mag niet zo worden beladen dat
de lading hoger dan 50 mm onder de
bovenkant van de portierruiten uitkomt.
Anders kan het beschermende vermogen
van het opblaasgordijn, dat in de hemelbekleding verborgen zit, uitblijven.
De opblaasgordijnen van het IC-systeem
(Inflatable Curtain) maken deel uit van het
SIPS-systeem (p. 35). Ze zitten verborgen
achter de plafondbekleding langs beide zijden
van de auto en beschermen inzittenden op de
buitenste zitplaatsen van de auto. Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren de sensoren, die op hun beurt de opblaasgordijnen
activeren.
WAARSCHUWING
Het opblaasgordijn vormt een aanvulling
op de veiligheidsgordel.
Gebruik de veiligheidsgordel altijd.
Gerelateerde informatie
•
•
•
36
Algemeen over veiligheidsgordels (p. 25)
Airbagsysteem (p. 30)
SIPS-airbags (p. 35)
02 Veiligheid
Algemene informatie over WHIPS
(whiplash-bescherming)
en de materiaaleigenschappen van dat voertuig.
WHIPS (Whiplash Protection System) biedt
bescherming tegen whiplash-letsel. Het systeem bestaat uit energieabsorberende rugleuningen en speciaal voor het systeem ontwikkelde hoofdsteunen voor de beide voorstoelen.
WAARSCHUWING
Het WHIPS-systeem vormt een aanvulling
op de veiligheidsgordel. Gebruik de veiligheidsgordel altijd.
02
Eigenschappen van de stoel
Bij activering van het WHIPS-systeem klappen de rugleuningen van de voorstoelen naar
achteren, zodat de zithouding van de
bestuurder en de passagier op de voorstoelen verandert. Zo wordt de kans op zogeheten whiplash-letsel beperkt.
WAARSCHUWING
Voer zelf nooit wijzigingen of reparaties
aan de stoel of het WHIPS-systeem uit.
Volvo adviseert u daarvoor contact op te
nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
•
•
WHIPS - kinderzitje (p. 38)
WHIPS - zithouding (p. 38)
Algemeen over veiligheidsgordels (p. 25)
Het WHIPS-systeem wordt geactiveerd bij
een aanrijding van achteren, afhankelijk van
de hoek waaronder en de snelheid waarmee
het achteropkomende voertuig de auto raakt
37
02 Veiligheid
02
WHIPS - kinderzitje
WHIPS - zithouding
Het WHIPS-systeem (p. 37) beïnvloedt de
beschermende werking van kinderzitje en/of
zittingverhoger niet negatief.
Voor optimale bescherming door het WHIPSsysteem (p. 37) moeten bestuurder en voorpassagier de juiste zithouding innemen en
zorgen dat het systeem niet wordt gehinderd.
Het is mogelijk een kinderzitje/zittingverhoger
(p. 45) op de voorstoel te plaatsen, als de
auto aan de passagierszijde niet is uitgerust
met een geactiveerde airbag (p. 33).
Gerelateerde informatie
•
Algemeen over kinderveiligheid (p. 44)
Zithouding
WAARSCHUWING
Plaats dozen e.d. niet dusdanig, dat deze
vastgeklemd zitten tussen het zitgedeelte
van de achterbank en de rugleuning van
de voorstoelen. Let erop dat u het WHIPSsysteem niet in zijn werking hindert.
Stel voordat u wegrijdt de juiste zithouding in
voor de voorstoel (p. 78).
U en een eventuele voorpassagier moeten
zoveel mogelijk in het midden van de stoel
plaatsnemen en de afstand tussen hoofd en
hoofdsteun zo klein mogelijk houden.
Functie
Plaats geen voorwerpen op de achterbank die
het WHIPS-systeem kunnen hinderen.
WAARSCHUWING
Plaats geen voorwerpen op de vloer achter de
bestuurders- of passagiersstoel die het WHIPSsysteem kunnen hinderen.
38
Als een rugleuning van de achterbank is
neergeklapt, moet de bijbehorende voorstoel naar voren worden verplaatst zodat
deze niet in contact komt met de neergeklapte rugleuning.
02 Veiligheid
WAARSCHUWING
Als de stoel aan grote krachten heeft
blootgestaan zoals bij een botsing van
achteren, moet het WHIPS-systeem worden gecontroleerd. Volvo adviseert om dit
door een erkende Volvo-werkplaats te
laten controleren.
Het WHIPS-systeem kan een deel van zijn
beschermende eigenschappen hebben
verloren, ook als de stoel onbeschadigd
lijkt.
Volvo adviseert u contact op te nemen met
een erkende Volvo-werkplaats om het systeem te laten controleren, ook bij zachtere
aanrijdingen van achteren.
Als de systemen activeren
Bij een aanrijding werken de verschillende
persoonsveiligheidssystemen van Volvo
samen om de schade te verkleinen.
Systeem
Activering
Gordelspanner
(p. 28) voorstoel
Bij een frontale botsing en/of aanrijding
in de zij, van achteren
en/of kantelen
Gordelspanner
(p. 28) achterbankA
Bij een frontale botsing en/of aanrijding
in de zij en/of kantelen
Airbags
Bij een frontale botsing.B
(stuurwiel-, knie(p. 31) en passagiersairbag
(p. 31))
SIPS-airbags (p. 35)
Bij een aanrijding in
de zijB
Systeem
Activering
Opblaasgordijnen
(IC) (p. 36)
Bij een aanrijding in
de zij en/of kantelen
en/of bepaalde frontale aanrijdingenB
WHIPS-systeem (p. 37)
A
B
02
Bij aanrijdingen van
achteren
De middelste zitplaats van de achterbank is niet voorzien
van een gordelspanner.
Het is mogelijk dat de airbags niet worden opgeblazen,
ondanks dat de carrosserie van de auto danig vervormd
raakt. Enkele factoren zoals de stijfheid en het gewicht van
het lichaam waarmee de auto in botsing komt, de snelheid
van de auto, de hoek waaronder de botsing plaatsvindt
e.d. zijn van invloed op de wijze van activering van de verschillende veiligheidssystemen in de auto.
Wanneer de airbags (p. 30) werden opgeblazen, adviseert Volvo u het volgende:
•
Laat de auto wegslepen. Volvo adviseert
u hem te laten wegslepen naar een
erkende Volvo-werkplaats. Rijd niet met
opgeblazen airbags.
•
Volvo adviseert u het vervangen van de
onderdelen van de veiligheidssystemen in
de auto over te laten aan een erkende
Volvo-werkplaats.
•
Neem altijd contact op met een arts.
N.B.
De airbags en de gordelspanners worden
bij een botsing slechts eenmaal geactiveerd.
}}
39
02 Veiligheid
WAARSCHUWING
02
De regeleenheid van het airbagsysteem zit
in de middenconsole. Als de middenconsole doorweekt geraakt is, moet u de
accukabels loskoppelen. Probeer de auto
niet te starten, omdat de airbags daarbij
geactiveerd kunnen worden. Laat de auto
wegslepen. Volvo adviseert u de te auto te
laten wegslepen naar een erkende Volvowerkplaats.
Algemene informatie over de Safety
mode
Safety mode is een veiligheidsfunctie die in
werking treedt, wanneer tijdens de aanrijding
mogelijk belangrijke onderdelen zijn beschadigd zoals de brandstofleidingen, de sensoren
voor de veiligheidssystemen of het remsysteem.
WAARSCHUWING
Rijd nooit met opgeblazen airbags. Dat
kan het besturen van de auto bemoeilijken.
Ook andere veiligheidssystemen kunnen
beschadigd zijn. De rook en stof die bij het
opblazen van de airbags worden gevormd,
kunnen bij een intensieve blootstelling irritaties aan de huid en ogen/letsel veroorzaken. Bij last met koud water wassen. Het
snelle opblazen kan ook, in combinatie
met het materiaal van de airbag, voor wrijvings- en brandwonden op de huid zorgen.
De gevarendriehoek op het digitale instrumentenpaneel.
Als de auto betrokken is geweest bij een aanrijding, kan de melding Veiligheidsstand Zie
instructieboekje op het informatiedisplay
van het instrumentenpaneel (p. 61) verschijnen. Dit betekent dat de functionaliteit van de
auto is verminderd.
De gevarendriehoek op het analoge instrumentenpaneel.
WAARSCHUWING
Probeer nooit zelf de auto te repareren of
de elektronische onderdelen te resetten
nadat de auto in de Safety mode heeft
gestaan. Dit kan aanleiding geven tot letsel
of een slechte functie van de auto. Volvo
adviseert u de auto altijd in een erkende
Volvo-werkplaats te laten controleren en
naar Normal Mode te laten resetten nadat
de melding Veiligheidsstand Zie
instructieboekje is verschenen.
40
02 Veiligheid
Gerelateerde informatie
•
•
Safety mode - startpoging (p. 41)
Safety mode - auto verrijden (p. 42)
Safety mode - startpoging
WAARSCHUWING
Als de auto in de Safety mode (p. 40) staat, is
een startpoging mogelijk als alles in orde lijkt
te zijn en u gecontroleerd hebt dat er geen
sprake is van brandstoflekkage.
Probeer in geen geval de auto opnieuw te
starten, als u een brandstofgeur waarneemt terwijl de melding
Veiligheidsstand Zie instructieboekje
getoond wordt. Verlaat de auto onmiddellijk.
Controleer eerst of er geen brandstof uit de
auto is gelopen. Er mag evenmin een brandstofgeur waarneembaar zijn.
WAARSCHUWING
Als alles normaal lijkt en u hebt vastgesteld
dat er geen brandstof lekt, kunt u proberen
de motor te starten.
Neem de transpondersleutel uit en open het
bestuurdersportier. Als er vervolgens een
melding verschijnt dat het contact ingeschakeld is, dient u op de startknop te drukken.
Sluit het portier vervolgens en plaats de
transpondersleutel terug. De elektronica van
de auto probeert nu te resetten naar de normale stand. Probeer vervolgens de auto te
starten.
02
Als de auto nog in de Safety mode staat,
mag deze niet worden gesleept. De auto
moet door een berger worden opgehaald.
Volvo adviseert u de auto te laten wegslepen naar een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
Safety mode - auto verrijden (p. 42)
Als de melding Veiligheidsstand Zie
instructieboekje nog steeds op het display
staat, mag u niet met de auto rijden en hem
evenmin verslepen. U moet hem dan laten
bergen (p. 320). Verborgen schade kan de
auto tijdens het rijden onbestuurbaar maken,
zelfs als het lijkt dat u nog met de auto kunt
rijden.
41
02 Veiligheid
02
Safety mode - auto verrijden
Voetgangersairbag
Als Normal mode verschijnt, wanneer de
Veiligheidsstand Zie instructieboekje na
een startpoging (p. 41) werd gereset, mag u
de auto voorzichtig uit de huidige, gevaarlijke
positie verrijden.
De voetgangersairbag (Pedestrian Airbag)
beperkt bij bepaalde frontale aanrijdingen de
kracht waarmee de auto de voetganger raakt.
N.B.
Er zijn mogelijk zaken in het verkeersmilieu
aanwezig waardoor de sensoren onterecht
het signaal krijgen dat er een voetganger
wordt aangereden. Bij een botsing met iets
dergelijks wordt het systeem mogelijk
geactiveerd.
Verrijd de auto niet verder dan nodig.
Bij activering van de airbag (Pedestrian
Airbag)
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de Safety mode
(p. 40)
De voetgangersairbag (Pedestrian Airbag) zit
onder de motorkap bij de voorruit. Bij
bepaalde frontale aanrijding met een voetganger reageren de sensoren in de voorbumper en de airbag wordt opgeblazen als de
kracht van de aanrijding als voldoende hoog
wordt beoordeeld. De sensoren zijn actief bij
een snelheid van ongeveer 20–50 km/h en
een omgevingstemperatuur tussen
–20 en +70 °C.
De sensoren zijn berekend op detectie van
een botsing met zaken die eigenschappen
hebben vergelijkbaar met menselijke benen.
42
•
wordt het achterste gedeelte van de
motorkap opgetild en in deze stand vergrendeld
•
•
worden de alarmlichten geactiveerd
wordt het remsysteem voorbereid voor
om in noodgevallen af te remmen.
WAARSCHUWING
Monteer geen accessoires op de voorkant
van de auto en breng evenmin wijzigingen
in dit gebied aan. Een onjuiste ingreep in
het front kan tot een foutieve werking van
het systeem leiden waardoor ernstig letsel
en materiële schade aan de auto kan ontstaan.
Volvo adviseert om originele wisserarmen
te gebruiken en deze alleen door originele
onderdelen te vervangen.
02 Veiligheid
WAARSCHUWING
Volvo adviseert u contact op te nemen met
een erkende Volvo-werkplaats bij schade
aan de bumper om er zeker van te zijn dat
het systeem intact is.
Gerelateerde informatie
Voetgangersairbag - auto verrijden
Voetgangersairbag - opvouwen
U mag de auto niet verrijden, wanneer deze in
de Safety mode (p. 40) staat.
Vouw de voetgangersairbag (p. 42)
(Pedestrain Airbag) op, voordat u de auto verrijdt.
Als een van de andere airbags in de passagiersruimte is geactiveerd, wordt de auto in
de Safety mode gezet.
•
Voetgangersairbag - auto verrijden
(p. 43)
Als alleen de voetgangersairbag (p. 42)
(Pedestrian Airbag) geactiveerd is:
•
Voetgangersairbag - opvouwen (p. 43)
1. Rijd de auto naar de dichtstbijzijnde veilige plek.
02
2. Vouw de airbag op volgens de instructies
(p. 43).
3. Ga naar de dichtstbijzijnde werkplaats.
WAARSCHUWING
Volvo adviseert u om, na activering van de
airbag, onmiddellijk contact opneemt met
een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
Voetgangersairbag (p. 42)
Airbag (Pedestrian Airbag)
Airbagbehuizing
Klittenband, rechterzijde
Klittenband, linkerzijde
Er kan wat rook uit de airbag komen en deze
kan warm aanvoelen, maar dit is normaal. Het
opvouwen gaat als volgt:
1. Zoek de klittenband aan de linkerzijde (4)
op.
}}
43
02 Veiligheid
02
||
2. Verzamel eerst de stof van de airbag aan
de linkerzijde in de lengterichting en vouw
daarna de verzamelde stof naar het midden. Wikkel de klittenband (dubbelzijdig)
rond zoveel mogelijk stof en maak de
band vast.
3. Druk het omwikkelde deel van de airbag
omlaag in de airbagbehuizing (2).
4. Herhaal de punten 1–3 voor de rechterzijde. Het is wellicht nodig om de verzamelde stof aan deze kant twee keer te
vouwen voordat de klittenband er
omheen wordt gewikkeld.
5. De afdekking van de airbagbehuizing blijft
openstaan en dat is volledig normaal.
Gerelateerde informatie
•
Voetgangersairbag - auto verrijden (p. 43)
Algemeen over kinderveiligheid
Volvo adviseert u kinderen zo lang mogelijk te
vervoeren in een achterstevoren gemonteerd
kinderzitje (in ieder geval tot een leeftijd van
3–4 jaar) en daarna tot een leeftijd van 10 jaar
op/in een zittingverhoger of een kinderzitje
dat in de rijrichting geplaatst is.
Het gewicht en de lengte van het kind zijn
bepalend voor de plaats van het kind in de
auto en de vereiste uitrusting, zie Kinderzitje
(p. 45).
N.B.
De wettelijke bepalingen voor hoe een kind
in de auto moet worden geplaatst, verschillen per land. Stel u op de hoogte van
wat van toepassing is.
Volvo beschikt over kinderveiligheidsproducten (kinderzitjes, zittingverhoger en bevestigingsmaterialen) die speciaal voor uw auto
zijn ontwikkeld. Wanneer u voor kinderveiligheidsproducten van Volvo kiest schept u niet
alleen optimale voorwaarden voor een veilig
vervoer van uw kind(eren), u weet bovendien
zeker dat de producten passen en eenvoudig
in het gebruik zijn.
44
N.B.
Ongeacht leeftijd en lengte moeten kinderen
altijd met de gordel goed om in de auto zitten.
Laat kinderen nooit bij passagiers op schoot
zitten.
Bij vragen over de montage van kinderveiligheidsproducten neemt u voor duidelijke
aanwijzingen contact op met de producent.
Kinderslot
De bedieningsknoppen voor de ruiten in de
achterportieren en de openingshandgrepen
op de achterportieren zijn te blokkeren
(p. 178), zodat de achterportieren en de zijruiten niet meer van de binnenzijde kunnen
worden geopend.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Kinderzitje (p. 45)
Kinderzitje - positie (p. 49)
Kinderzitje - ISOFIX (p. 50)
Kinderzitje - bovenste bevestigingspunten
(p. 53)
02 Veiligheid
Kinderzitje
N.B.
Kinderen moeten comfortabel en veilig kunnen zitten. Zorg dat u het kinderzitje op de
juiste wijze gebruikt.
Bij gebruik van kinderveiligheidsproducten
is het belangrijk om de meegeleverde
montagehandleiding te lezen.
02
WAARSCHUWING
G020739
Zet de bevestigingsbanden van het kinderzitje niet vast aan de hendel waarmee u de
voorstoel in de lengterichting verstelt of
aan de veren, rails of balken onder de
stoel. Scherpe randen kunnen de bevestigingsbanden beschadigen.
Raadpleeg voor de juiste montage de montage-instructies bij het kinderzitje.
Kinderzitjes en airbags gaan niet samen.
}}
45
02 Veiligheid
||
Aanbevolen kinderzitjes1
Gewicht
Voorstoel (met gedeactiveerde airbag)
Buitenste zitplaats achterbank
02
Groep 0
Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) - achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met ISOFIX-systeem.
max. 10 kg
Typegoedkeuring: E1 04301146
Groep 0+
(L)
max. 13 kg
Groep 0
max. 10 kg
Middelste zitplaats achterbank
Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel.
Groep 0+
Typegoedkeuring: E1 04301146
max. 13 kg
(U)
Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel.
Typegoedkeuring: E1 04301146
(U)
Volvo-babyzitje
(Volvo Infant
Seat) – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel.
Typegoedkeuring: E1
04301146
(U)
Groep 0
Kinderzitjes met universele goedkeuring.A
Kinderzitjes met universele goedkeuring.
max. 10 kg
(U)
(U)
Groep 0+
max. 13 kg
1
46
Om andere kinderzitjes te kunnen gebruiken dient uw auto op de lijst van de producent te staan of een universele goedkeuring te hebben conform ECE R44.
02 Veiligheid
Gewicht
Voorstoel (met gedeactiveerde airbag)
Buitenste zitplaats achterbank
Groep 1
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible Child Seat) – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel
en bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 04192
Typegoedkeuring: E5 04192
(L)
(L)
Groep 1
Kinderzitjes met universele goedkeuring.A
Kinderzitjes met universele goedkeuring.
9–18 kg
(U)
(U)
Groep 2
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible Child Seat) – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel
en bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 04192
Typegoedkeuring: E5 04192
(L)
(L)
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible Child Seat) – in rijrichting
gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel.
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible Child Seat) – in rijrichting gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel.
9–18 kg
15–25 kg
Groep 2
15–25 kg
Typegoedkeuring: E5 04191
(U)
Middelste zitplaats achterbank
02
Typegoedkeuring: E5 04191
(U)
}}
47
02 Veiligheid
||
02
Gewicht
Voorstoel (met gedeactiveerde airbag)
Buitenste zitplaats achterbank
Groep 2/3
Volvo-verhogingskussen met rugleuning (Volvo
Booster Seat with backrest).
Volvo-verhogingskussen met rugleuning (Volvo Booster
Seat with backrest).
Typegoedkeuring: E1 04301169
Typegoedkeuring: E1 04301169
(UF)
(UF)
Kinderzitje met of zonder rugleuning (Booster
Cushion with and without backrest).
Kinderzitje met of zonder rugleuning (Booster Cushion
with and without backrest).
Typegoedkeuring: E5 04216
Typegoedkeuring: E5 04216
(UF)
(UF)
15–36 kg
Groep 2/3
15–36 kg
Middelste zitplaats achterbank
L: Geschikt voor specifieke kinderzitjes. Deze kinderzitjes kunnen bestemd zijn voor een bepaald automerk, voor een beperkte groep merken of
semi-universeel zijn.
U: Geschikt voor kinderzitjes in deze gewichtscategorie met universele goedkeuring.
UF: Geschikt voor in rijrichting gemonteerde kinderzitjes in deze gewichtscategorie met universele goedkeuring.
B: Geïntegreerde kinderzitjes met goedkeuring voor deze gewichtscategorie.
A
Alleen voor een achterstevoren gemonteerd kinderzitje. Zet de rugleuning van de zitplaats rechtop.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
48
Kinderzitje - positie (p. 49)
Kinderzitje - bovenste bevestigingspunten
(p. 53)
Kinderzitje - ISOFIX (p. 50)
Algemeen over kinderveiligheid (p. 44)
02 Veiligheid
Kinderzitje - positie
WAARSCHUWING
Plaats kinderzitjes/zittingverhogers (p. 45)
altijd op de achterbank als de airbag aan de
passagierszijde geactiveerd (p. 33) is. Als de
airbag wordt opgeblazen, kan een kind op de
passagiersstoel ernstig letsel oplopen.
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen voorin, wanneer de
airbag aan die kant geactiveerd is.
Laat nooit iemand voor de passagiersstoel
zitten of staan.
De waarschuwingssticker voor de passagiersairbag zit op een van de volgende twee
plekken in de auto:
Personen kleiner dan 1,40 m mogen nooit
op de passagiersstoel voorin plaatsnemen,
als de airbag geactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren.
Alternatief 2: Locatie van de waarschuwingssticker voor de airbag op de portierstijl aan passagierszijde. Bij het openen van het passagiersportier is de sticker zichtbaar.
WAARSCHUWING
Comfortkussens/kinderzitjes met stalen
beugels of andere constructies die tegen
de openingsknop van de gordelsluiting aan
kunnen liggen, mogen niet worden
gebruikt aangezien ze ervoor kunnen zorgen dat de veiligheidsgordel per ongeluk
open gaat.
Het volgende kan worden gebruikt:
Alternatief 1: Locatie van de waarschuwingssticker voor de airbag op de zonneklep aan passagierszijde.
02
•
een kinderzitje/zittingverhoger op de passagiersstoel zolang de airbag aan de passagierszijde gedeactiveerd is.
•
en of meer kinderzitjes/comfortkussen op
de achterbank.
Laat het bovengedeelte van het kinderzitje
niet tegen de voorruit leunen.
WAARSCHUWING
Plaats een achterstevoren gemonteerd
kinderzitje nooit op een stoel met een
geactiveerde airbag. Het niet opvolgen van
deze aanbeveling kan levensgevaarlijke
situaties voor of ernstig letsel van het kind
opleveren.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Algemeen over kinderveiligheid (p. 44)
Kinderzitje - bovenste bevestigingspunten
(p. 53)
Kinderzitje - ISOFIX (p. 50)
49
02 Veiligheid
02
Kinderzitje - ISOFIX
ISOFIX - afmetingscategorieën
ISOFIX is een bevestigingssysteem voor kinderzitjes (p. 45), gebaseerd op een internationale standaard.
Voor kinderzitjes met een ISOFIX (p. 50)bevestigingssysteem zijn er afmetingscategorieën om gebruikers te helpen bij het kiezen
van het juiste type kinderzitje (p. 51).
Afmetingscategorie
U vindt de bevestigingspunten voor het ISOFIX-systeem onder aan de rugleuning van de
achterbank op de beide buitenste zitplaatsen.
Symbolen op de bekleding van de ruggedeelten (zie voorgaande afbeelding) geven de
positie van deze bevestigingspunten aan.
Houd u altijd aan de montage-instructies van
de fabrikant, wanneer u een kinderzitje/babyzitje aan de ISOFIX-bevestigingspunten vastzet.
Gerelateerde informatie
•
•
•
50
ISOFIX - afmetingscategorieën (p. 50)
ISOFIX - soorten kinderzitjes (p. 51)
Algemeen over kinderveiligheid (p. 44)
WAARSCHUWING
Zet het kind nooit op de passagiersplaats
als de auto met een geactiveerde airbag is
uitgerust.
N.B.
Beschrijving
A
Normale grootte, in rijrichting
gemonteerd kinderzitje
B
Beperkte grootte (optie 1), in
rijrichting gemonteerd kinderzitje
B1
Beperkte grootte (optie 2), in
rijrichting gemonteerd kinderzitje
C
Normale grootte, achterstevoren gemonteerd kinderzitje
D
Beperkte grootte, achterstevoren gemonteerd kinderzitje
E
Achterstevoren gemonteerd
babyzitje
F
Overdwars gemonteerd babyzitje, links
G
Overdwars gemonteerd babyzitje, rechts
Als een ISOFIX-kinderzitje geen afmetingscategorie heeft, moet het automodel op de
voertuiglijst van het kinderzitje staan.
N.B.
Volvo raadt u aan contact op te nemen
met een erkende Volvo-dealer om te weten
te komen welk ISOFIX-kinderzitje Volvo
aanbeveelt.
Gerelateerde informatie
•
ISOFIX - soorten kinderzitjes (p. 51)
02 Veiligheid
ISOFIX - soorten kinderzitjes
Kinderzitjes kunnen net als auto’s verschillende afmetingen hebben. Kinderzitjes passen
Type kinderzitje
Babyzitje, overdwars
Babyzitje, achterstevoren
daardoor niet op alle zitplaatsen van de verschillende modellen.
Gewicht
max. 10 kg
max. 10 kg
Afmetingscategorie
Zitplaatsen voor montage ISOFIXA-kinderzitje
Voorstoel
Buitenste zitplaats achterbank
F
X
X
G
X
X
E
X
OK
02
(IL)
Babyzitje, achterstevoren
max. 13 kg
E
X
OK
(IL)
D
X
OK
(IL)
C
X
OK
(IL)
Kinderzitje, achterstevoren
9–18 kg
D
X
OK
(IL)
C
X
OK
(IL)
}}
51
02 Veiligheid
||
Type kinderzitje
02
Kinderzitje, in rijrichting
Gewicht
9–18 kg
Afmetingscategorie
B
Zitplaatsen voor montage ISOFIXA-kinderzitje
Voorstoel
Buitenste zitplaats achterbank
X
OKB
(IUF)
B1
X
OKB
(IUF)
A
X
OKB
(IUF)
X: De ISOFIX-stand leent zich niet voor ISOFIX-kinderzitjes in deze gewichts- en/of afmetingscategorie.
IL: Geschikt voor specifieke ISOFIX-kinderzitjes. Deze kinderzitjes kunnen bestemd zijn voor een bepaald automerk, voor een beperkte groep
merken of semi-universeel zijn.
IUF: Geschikt voor in rijrichting gemonteerde ISOFIX-kinderzitjes met universele goedkeuring voor deze gewichtscategorie.
A
B
ISOFIX is een bevestigingssysteem voor kinderzitjes dat gebaseerd is op een internationale norm.
Volvo adviseert een achterstevoren gemonteerd kinderzitje voor deze categorie.
Zorg dat u de juiste afmetingscategorie
(p. 50) kiest voor een kinderzitje met het ISOFIX-bevestiging.
Gerelateerde informatie
•
52
Kinderzitje - ISOFIX (p. 50)
02 Veiligheid
Kinderzitje - bovenste
bevestigingspunten
N.B.
Klap de hoofdsteunen omlaag om het
monteren van dit type kinderzitje te vereenvoudigen bij auto’s met neerklapbare
hoofdsteunen op de beide buitenste zitplaatsen.
De auto is uitgerust met bovenste bevestigingspunten voor bepaalde kinderzitjes (p. 45)
die in de rijrichting worden gemonteerd. Deze
bevestigingspunten zitten achter op het zitgedeelte van de achterbank.
02
N.B.
Bovenste bevestigingspunten
In auto's met een bagagerolhoes over de
bagageruimte moet deze worden verwijderd voordat het kinderzitje in de bevestigingspunten kan worden gemonteerd.
Zie de aanwijzingen van de fabrikant van het
kinderzitje voor gedetailleerde informatie over
de manier waarop u het zitje aan de bovenste
bevestigingspunten vastzet.
WAARSCHUWING
De bovenste bevestigingspunten zijn voornamelijk bestemd om een in de rijrichting
gemonteerd kinderzitje aan te bevestigen.
Volvo adviseert u kleine kinderen zo lang
mogelijk in een achterstevoren gemonteerd
kinderzitje te blijven vervoeren.
De bevestigingsband van het kinderzitje
altijd door de opening in de ene poot van
de hoofdsteun halen, alvorens de band
aan het bevestigingspunt vast te zetten.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Algemeen over kinderveiligheid (p. 44)
Kinderzitje - positie (p. 49)
Kinderzitje - ISOFIX (p. 50)
53
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Instrumenten en bediening, auto met
stuur links - overzicht
In het overzicht staat waar de displays en
bedieningen van de auto zitten.
03
}}
55
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
Overzicht auto’s met het stuur links
03
56
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Functie
Zie
Functie
Zie
Functie
Zie
Menu- en meldingsfuncties, richtingaanwijzers, groot
licht/dimlicht, boordcomputer
(p. 105),
(p. 108),
(p. 91),
(p. 86) en
(p. 119).
Openingshandgreep
portier
–
(p. 83) en
(p. 175).
Bedieningspaneel
Stoelverstelling*
(p. 79).
Handmatig schakelen bij automatische
versnellingsbak*
(p. 279).
(p. 173),
(p. 179),
(p. 99) en
(p. 101).
Verlichtingsdraaiknop, opener achterklep
Alarmlichten
(p. 90).
Cruisecontrol*
(p. 195) en
(p. 200).
Claxon, airbag
(p. 82) en
(p. 30).
Bedieningspaneel
voor infotainment en
menufuncties
(p. 108) en
Sensus Infotainment-supplement.
Instrumentenpaneel
(p. 61).
Bedieningspaneel
voor klimaatregeling
(p. 128) of
(p. 129).
Menufuncties,
bediening audio,
bediening telefoon*
(p. 108) en
Sensus Infotainment-supplement.
Versnellingspook/
keuzehendel
(p. 277),
(p. 279) of
(p. 283).
START/STOP
ENGINE-knop
(p. 274).
Parkeerrem
(p. 299).
(p. 97).
Contactslot
(p. 76).
Wissers en -sproeiers
Beeldscherm voor
infotainment en
weergave van
menu’s
(p. 108) en
Sensus Infotainment-supplement.
Stuurwielafstelling
(p. 82).
Ontgrendeling
motorkap
(p. 362).
Gerelateerde informatie
•
•
•
Buitentemperatuurmeter (p. 70)
03
Dagtellers (p. 70)
Klok (p. 70)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
57
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Instrumenten en bediening, auto met
stuur rechts - overzicht
In het overzicht staat waar de displays en
bedieningen van de auto zitten.
03
58
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto’s met het stuur rechts
03
}}
59
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
03
60
Functie
Zie
Functie
Zie
Functie
Zie
Wissers en -sproeiers
(p. 97).
Bedieningspaneel
(p. 279).
Verlichtingsdraaiknop, opener achterklep
(p. 83) en
(p. 175).
Handmatig schakelen bij automatische
versnellingsbak*
(p. 173),
(p. 179),
(p. 99) en
(p. 101).
(p. 362).
Stoelverstelling*
(p. 79).
Menufuncties,
bediening audio,
bediening telefoon*
(p. 108) en
Sensus Infotainment-supplement.
Ontgrendeling
motorkap
Alarmlichten
(p. 90).
Bedieningspaneel
voor infotainment en
menufuncties
(p. 108) en
Sensus Infotainment-supplement.
Bedieningspaneel
voor klimaatregeling
(p. 128) of
(p. 129).
Versnellingspook/
keuzehendel
(p. 277),
(p. 279) of
(p. 283).
Parkeerrem
(p. 299).
Gerelateerde informatie
Claxon, airbag
(p. 82) en
(p. 30).
Instrumentenpaneel
(p. 61).
Cruisecontrol*
(p. 195) en
(p. 200).
START/STOP
ENGINE-knop
(p. 274).
Contactslot
(p. 76).
Beeldscherm voor
infotainment en
weergave van
menu’s
(p. 108) en
Sensus Infotainment-supplement.
Menu- en meldingsfuncties, richtingaanwijzers, groot
licht/dimlicht, boordcomputer
(p. 105),
(p. 108),
(p. 91),
(p. 86) en
(p. 119).
Openingshandgreep
portier
–
Stuurwielafstelling
(p. 82).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
•
•
•
Buitentemperatuurmeter (p. 70)
Dagtellers (p. 70)
Klok (p. 70)
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Instrumentenpaneel
Op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel verschijnt informatie over bepaalde
functies van de auto zoals de cruisecontrol,
boordcomputer en meldingen.
•
Instrumentenpaneel, analoog - overzicht
(p. 61)
•
Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht
(p. 62)
•
Instrumentenpaneel - betekenis controlesymbolen (p. 66)
•
Instrumentenpaneel - betekenis waarschuwingssymbolen (p. 68)
Instrumentenpaneel, analoog overzicht
Meters en wijzers
Op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel verschijnt informatie over bepaalde
functies van de auto zoals de cruisecontrol,
boordcomputer en meldingen. De informatie
wordt weergegeven in de vorm van symbolen
en tekst.
03
Informatiedisplay
Brandstofmeter. Wanneer de aanduiding
is gedaald tot slechts één witte markering1, gaat het oranje controlesymbool
voor een laag brandstofpeil branden. Zie
ook Boordcomputer - aanvullende informatie (p. 119) en Brandstof tanken
(p. 304).
Informatiedisplay, analoog instrument.
Gedetailleerder informatie vindt u onder de
functies die gebruik maken van het display.
Eco meter. De meter geeft een beeld van
hoe zuinig er in de auto wordt gereden.
Hoe groter de wijzeruitslag, hoe zuiniger.
Snelheidsmeter
Toerenteller. De meter geeft het motortoerental in duizenden omwentelingen per
minuut aan.
Schakelindicator2 / Schakelstandindicator3. Zie ook Schakelindicator* (p. 278),
1
2
3
Wanneer de aanduiding Afstand tot lege tank: op het display verandert in ----, wordt de markering rood van kleur.
Handgeschakelde versnellingsbak.
Automatische versnellingsbak.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
61
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
Automatische versnellingsbak Geartronic* (p. 279) of Automatische versnellingsbak - Powershift* (p. 283).
Controle- en waarschuwingssymbolen
03
parkeerrem. Dit gaat pas uit, als de auto van
de parkeerrem wordt gehaald.
Instrumentenpaneel, digitaal overzicht
Als de motor niet aanslaat of als de functietest wordt uitgevoerd in sleutelstand II, gaan
binnen enkele seconden alle symbolen uit,
behalve het symbool voor storingen in het uitlaatgasreinigingssysteem en dat voor een
lage oliedruk.
Op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel verschijnt informatie over bepaalde
functies van de auto zoals de cruisecontrol,
boordcomputer en meldingen. De informatie
wordt weergegeven in de vorm van symbolen
en tekst.
Gerelateerde informatie
Informatiedisplay
•
•
Controle- en waarschuwingssymbolen, analoog
instrument.
Instrumentenpaneel (p. 61)
Instrumentenpaneel - betekenis controlesymbolen (p. 66)
•
Instrumentenpaneel - betekenis waarschuwingssymbolen (p. 68)
•
Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht
(p. 62)
Controlesymbolen
Controle- en waarschuwingssymbolen
Waarschuwingssymbolen4
Functietest
Alle controle- en waarschuwingssymbolen,
behalve de symbolen in het midden van het
informatiedisplay, gaan branden in sleutelstand II of bij het starten van de motor. Alle
symbolen moeten weer uitgaan als de motor
is aangeslagen, behalve het lampje voor de
4
62
Informatiedisplay, digitaal instrument*.
Gedetailleerder informatie vindt u onder de
functies die gebruik maken van het display.
Meters en wijzers
Voor het digitale instrumentenpaneel zijn verschillende thema’s te kiezen. De mogelijke
thema’s zijn: ‘Elegance’, ‘Eco’ en
‘Performance’.
Bepaalde motorvarianten hebben geen systeem dat waarschuwt bij het wegvallen van de oliedruk. Bij auto’s met dergelijke motorvarianten is het symbool voor een geringe oliedruk niet in
gebruik. In plaats daarvan wordt via een displaymelding gewaarschuwd voor een lage oliedruk. Voor meer informatie, zie Motorolie - algemeen (p. 364).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Het is alleen mogelijk een thema te kiezen,
wanneer de motor loopt.
Geartronic* (p. 279) of Automatische versnellingsbak - Powershift* (p. 283).
Druk om een thema te kiezen op de OK-knop
op de linker stuurhendel en kies menu-optie
Thema's door aan het duimwiel van dezelfde
hendel te draaien. Druk op de OK-knop. Draai
aan het duimwiel om een thema te kiezen en
bevestig uw keuze door op de OK-knop te
drukken.
Het uiterlijk van het beeldscherm op de middenconsole hangt bij bepaalde modelvarianten af van het gekozen thema voor het instrumentenpaneel.
Met de linker stuurhendel kunt u ook het contrast en de kleur van het instrumentenpaneel
instellen.
Voor meer informatie over de menufuncties,
zie Menufuncties - instrumentenpaneel
(p. 105).
Het gekozen thema en de instellingen op het
gebied van contrast en kleur zijn voor alle
transpondersleutels apart op te slaan in het
autosleutelgeheugen*, zie Transpondersleutel
- personalisering* (p. 158).
03
Meters en wijzers, thema ‘Elegance’.
Brandstofmeter. Wanneer de aanduiding
is gedaald tot slechts één witte markering5, gaat het oranje controlesymbool
voor een laag brandstofpeil branden. Zie
ook Boordcomputer - aanvullende informatie (p. 119) en Brandstof tanken
(p. 304).
Temperatuurmeter koelvloeistof motor
Snelheidsmeter
Toerenteller. De meter geeft het motortoerental in duizenden omwentelingen per
minuut aan.
Meters en wijzers, thema ‘Eco’.
Brandstofmeter. Wanneer de aanduiding
is gedaald tot slechts één witte markering8, gaat het oranje controlesymbool
voor een laag brandstofpeil branden. Zie
ook Boordcomputer - aanvullende informatie (p. 119) en Brandstof tanken
(p. 304).
Eco guide. Zie ook Eco guide & Power
guide* (p. 65).
Snelheidsmeter
Schakelindicator6 / Schakelstandindicator7. Zie ook Schakelindicator* (p. 278),
Automatische versnellingsbak 5
6
7
8
Wanneer de aanduiding Afstand tot lege tank: op het display verandert in ----, wordt de markering rood van kleur.
Handgeschakelde versnellingsbak.
Automatische versnellingsbak.
Wanneer de aanduiding Afstand tot lege tank: op het display verandert in ----, wordt de markering rood van kleur.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
63
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
Toerenteller. De meter geeft het motortoerental in duizenden omwentelingen per
minuut aan.
Schakelindicator6 /Schakelstandindicator7. Zie ook Schakelindicator* (p. 278),
Automatische versnellingsbak Geartronic* (p. 279) of Automatische versnellingsbak - Powershift* (p. 283).
03
matie (p. 119) en Brandstof tanken
(p. 304).
Controle- en waarschuwingssymbolen
Temperatuurmeter koelvloeistof motor
Snelheidsmeter
Toerenteller. De meter geeft het motortoerental in duizenden omwentelingen per
minuut aan.
Power guide. Zie ook Eco guide & Power
guide* (p. 65).
Schakelindicator6 /Schakelstandindicator7. Zie ook Schakelindicator* (p. 278),
Automatische versnellingsbak Geartronic* (p. 279) of Automatische versnellingsbak - Powershift* (p. 283).
Controle- en waarschuwingssymbolen, digitaal
instrument.
Controlesymbolen
Controle- en waarschuwingssymbolen
Waarschuwingssymbolen10
Meters en wijzers, thema ‘Performance’.
Brandstofmeter. Wanneer de aanduiding
is gedaald tot slechts één witte markering9, gaat het oranje controlesymbool
voor een laag brandstofpeil branden. Zie
ook Boordcomputer - aanvullende infor-
6
7
9
10
64
Handgeschakelde versnellingsbak.
Automatische versnellingsbak.
Wanneer de aanduiding Afstand tot lege tank: op het display verandert in ----, wordt de markering rood van kleur.
Bepaalde motorvarianten hebben geen systeem dat waarschuwt bij het wegvallen van de oliedruk. Bij auto’s met dergelijke motorvarianten is het symbool voor een geringe oliedruk niet in
gebruik. In plaats daarvan wordt via een displaymelding gewaarschuwd voor een lage oliedruk. Voor meer informatie, zie Motorolie - algemeen (p. 364).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Functietest
Eco guide & Power guide*
Actuele waarde
Alle controle- en waarschuwingssymbolen,
behalve de symbolen in het midden van het
informatiedisplay, gaan branden in sleutelstand II of bij het starten van de motor. Alle
symbolen moeten weer uitgaan als de motor
is aangeslagen, behalve het lampje voor de
parkeerrem. Dit gaat pas uit, als de auto van
de parkeerrem wordt gehaald.
Eco guide en Power guide zijn twee van de
meters op het instrumentenpaneel (p. 61) die
u helpen om zo zuinig mogelijk met de auto te
rijden.
Hier wordt de actuele waarde getoond; hoe
groter de uitslag op de schaal, hoe beter.
Als de motor niet aanslaat of als de functietest wordt uitgevoerd in sleutelstand II, gaan
binnen enkele seconden alle symbolen uit,
behalve het symbool voor storingen in het uitlaatgasreinigingssysteem en dat voor een
lage oliedruk.
Gerelateerde informatie
•
•
De auto slaat ook statistische ritgegevens die
in de vorm van staafdiagrammen te bekijken
zijn, zie Boordcomputer - rijstatistiek*
(p. 120).
Eco guide
Deze meter geeft een beeld van hoe zuinig u
met de auto rijdt.
Kies ‘Eco’ om deze meter te kunnen zien, zie
Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht
(p. 62).
Instrumentenpaneel (p. 61)
Instrumentenpaneel - betekenis controlesymbolen (p. 66)
•
Instrumentenpaneel - betekenis waarschuwingssymbolen (p. 68)
•
Instrumentenpaneel, analoog - overzicht
(p. 61)
De actuele waarde wordt berekend op basis
van snelheid, motortoerental, benut motorvermogen en het gebruik van het rempedaal.
Geadviseerd wordt een optimale snelheid
(50–80 km/h) en een laag toerental aan te
houden. Bij gas geven en remmen dalen de
wijzers.
03
Bij zeer lage actuele waarden licht het rode
gebied van de meter (met enige vertraging)
op, wat betekent dat u onzuinig rijdt. U dient
dit te voorkomen.
Gemiddelde waarde
De gemiddelde waarde volgt de actuele
waarde langzaam en beschrijft hoe de afgelopen tijd in de auto is gereden. Hoe groter de
uitslag van de wijzers op de schaal, hoe zuiniger u hebt gereden.
Power guide
Dit instrument geeft de relatie aan tussen het
benutte en het beschikbare vermogen
(Power) van de motor.
Kies ‘Performance’ om deze meter te kunnen
zien, zie Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht (p. 62).
Actuele waarde
Gemiddelde waarde
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
65
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
Instrumentenpaneel - betekenis
controlesymbolen
Betekenis
De controlesymbolen attenderen u erop dat
de bijbehorende functies ingeschakeld zijn, de
desbetreffende systemen actief zijn of dat er
storingen of gebreken zijn opgetreden.
Laag peil in brandstoftank
Controlesymbolen
Groot licht aan
Symbool
03
Symbool
Betekenis
Informatie, lees tekstmelding
Richtingaanwijzers links
Storing in ABL
Richtingaanwijzers rechts
Beschikbaar motorvermogen
Benut vermogen
Uitlaatgasreinigingssysteem
Storing in ABS
Beschikbaar motorvermogen
De kleinere wijzer bovenaan toont het
beschikbare motorvermogen11. Hoe groter de
uitslag op de schaal, hoe meer vermogen er
beschikbaar is in de actuele versnelling.
Benut vermogen
De grotere wijzer onderaan toont het benutte
motorvermogen11. Hoe groter de uitslag op
de schaal, hoe meer motorvermogen er benut
wordt.
Een groot verschil tussen de beide wijzers
duidt op een grote vermogensreserve.
11
66
Het vermogen is afhankelijk van het motortoerental.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Mistachterlicht aan
Stabiliteitsregeling, zie Elektronische stabiliteitsregeling
(ESC) - algemeen (p. 185)
Stabiliteitsregeling, Sportstand, zie Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) - bediening (p. 186)
Voorgloeifunctie motor (diesel)
Eco-systeem Aan, zie ECO*
(p. 295)
Start/Stop, motor is automatisch afgezet, zie Start/Stop* functie en bediening (p. 287)
Bandenspanningscontrolesysteem , zie Bandenspanningscontrolesysteem*
(p. 334)
Storing in ABL
Het lampje brandt, als er een storing is opgetreden in het ABL-systeem (Active Bending
Lights).
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Uitlaatgasreinigingssysteem
Bij een storing in het uitlaatgasreinigingssysteem kan na een motorstart het symbool
gaan branden. Rijd voor een controle naar
een werkplaats. Volvo adviseert dat u daarvoor een erkende Volvo-werkplaats bezoekt.
Storing in ABS
Als het lampje brandt, is het systeem defect.
Het normale remsysteem van de auto werkt
dan nog wel, zij het zonder ABS-regeling.
staat dat de achtertrein een gecontroleerde
vorm van slippen vertoont voordat het ingrijpt
en de auto stabiliseert. Het symbool brandt,
wanneer de Sport-stand is geactiveerd.
Groot licht aan
Voorgloeifunctie motor (diesel)
Beide richtingaanwijzersymbolen knipperen
bij gebruik van de alarmlichten.
Het lampje gaat branden wanneer de motor
wordt voorverwarmd. Voorverwarmen
gebeurt meestal bij een lage temperatuur.
Laag peil in brandstoftank
1. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot
stilstand en zet de motor af.
Wanneer het lampje gaat branden is het
brandstofpeil te laag. Tank dan zo spoedig
mogelijk.
2. Start de motor opnieuw.
Informatie, lees tekstmelding
3. Als het lampje blijft branden, rijd dan naar
een werkplaats om het ABS te laten controleren. Volvo adviseert dat u daarvoor
een erkende Volvo-werkplaats bezoekt.
Mistachterlicht aan
Het symbool brandt, wanneer het mistachterlicht is ingeschakeld.
Stabiliteitsregeling
Het knipperende lampje geeft aan dat de stabiliteitsregeling werkt. Als het lampje continu
brandt is er sprake van een storing in het systeem.
Stabiliteitsregeling, Sport-stand
De Sport-stand maakt een actievere rijervaring mogelijk. Het systeem registreert dan of
de gaspedaal- en stuurwielbediening alsook
het bochtenwerk aan te merken zijn als actiever dan normaal, waarna het systeem toe-
Als er een afwijking is in een van de systemen
in de auto, gaat het informatiesymbool branden en verschijnt er een melding op het display. U verwijdert de melding met behulp van
de OK-knop, zie Menufuncties - instrumentenpaneel (p. 105). Dit gebeurt automatisch
als u enige tijd niets doet (hoe lang hangt van
de bewuste functie af). Het informatiesymbool
kan ook gaan branden in combinatie met
andere symbolen.
N.B.
Als de servicemelding verschijnt kunt u het
symbool en de melding met behulp van de
OK-knop doven. Na een tijdje doven ze
ook automatisch.
Het lampje brandt, wanneer u het groot licht
voert of grootlichtsignalen geeft.
Richtingaanwijzers links/rechts
Eco-systeem aan
Het symbool brandt, wanneer het Eco-systeem is geactiveerd.
03
Start/Stop
Het lampje brandt als de motor automatisch
is afgezet.
Bandenspanningssysteem
Het symbool brandt bij een lage bandenspanning of als er een storing optreedt in het bandenspanningssysteem.
Gerelateerde informatie
•
•
Instrumentenpaneel (p. 61)
Instrumentenpaneel - betekenis waarschuwingssymbolen (p. 68)
•
Instrumentenpaneel, analoog - overzicht
(p. 61)
•
Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht
(p. 62)
67
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Instrumentenpaneel - betekenis
waarschuwingssymbolen
De waarschuwingssymbolen attenderen u
erop dat de bijbehorende belangrijke functies/
systemen ingeschakeld zijn of dat er ernstige
storingen of gebreken zijn opgetreden.
Waarschuwingssymbolen
Symbool
03
Betekenis
Lage oliedrukA
Parkeerrem ingeschakeld,
digitaal instrument
Parkeerrem ingeschakeld,
analoog instrument
Airbags (SRS)
Gordelwaarschuwing
Dynamo laadt niet bij
Storing in remsysteem
Waarschuwing
Lage oliedruk
Storing in remsysteem
Als het lampje tijdens het rijden oplicht, is de
druk van de motorolie te laag. Zet de motor
onmiddellijk af en controleer het motoroliepeil. Vul zo nodig olie bij. Als het lampje
oplicht terwijl het oliepeil in orde is, moet u
contact opnemen met een werkplaats. Volvo
adviseert dat u daarvoor een erkende Volvowerkplaats bezoekt.
Als het lampje oplicht, is het remvloeistofpeil
mogelijk te laag. Breng de auto zo spoedig
mogelijk tot stilstand en controleer het peil in
het remvloeistofreservoir, zie Rem- en koppelingsvloeistof - peil (p. 370).
Parkeerrem ingeschakeld
Het lampje brandt continu, wanneer u de parkeerrem hebt aangezet. Het lampje brandt tijdens het aanzetten. Voor meer informatie, zie
Parkeerrem (p. 299).
Airbags (SRS)
Als het lampje tijdens het rijden oplicht of blijft
branden, is er een storing geregistreerd in de
gordelsluiting of in het SRS-, SIPS- of IC-systeem. Rijd de auto zo spoedig mogelijk naar
een werkplaats om het systeem te laten controleren. Volvo adviseert dat u daarvoor een
erkende Volvo-werkplaats bezoekt.
Gordelwaarschuwing
Het lampje brandt als u of de voorpassagier
geen veiligheidsgordel draagt of als iemand
op de achterbank de gordel heeft losgenomen.
Dynamo laadt niet bij
A
68
Bepaalde motorvarianten hebben geen systeem dat waarschuwt bij het wegvallen van de oliedruk. Bij auto’s met
dergelijke motorvarianten is het symbool voor een geringe
oliedruk niet in gebruik. In plaats daarvan wordt via een
displaymelding gewaarschuwd voor een lage oliedruk.
Voor meer informatie, zie Motorolie - algemeen (p. 364).
Het lampje gaat tijdens het rijden branden, als
er sprake is van een storing in het elektrisch
systeem. Bezoek een werkplaats. Volvo adviseert dat u daarvoor een erkende Volvo-werkplaats bezoekt.
Als de waarschuwingssymbolen voor het
remsysteem en ABS tegelijkertijd branden,
kan er een storing in de remkrachtverdeling
zijn opgetreden.
1. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot
stilstand en zet de motor af.
2. Start de motor opnieuw.
•
Rijd verder als beide symbolen uitgaan.
•
Als de symbolen echter blijven branden, moet u het peil in het remvloeistofreservoir controleren, zie Rem- en
koppelingsvloeistof - peil (p. 370). Als
de lampjes blijven branden ondanks
dat het peil van de remvloeistof in orde
is, moet u de auto uiterst voorzichtig
naar een werkplaats rijden om het remsysteem te laten controleren. Volvo
adviseert dat u daarvoor een erkende
Volvo-werkplaats bezoekt.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
WAARSCHUWING
Als de remvloeistof onder het MIN-niveau
in het remvloeistofreservoir ligt, mag u pas
verder rijden als de remvloeistof is bijgevuld.
Het remvloeistofverlies moet door een
werkplaats worden gecontroleerd. Volvo
adviseert u daarvoor contact op te nemen
met een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Als de rem- en ABS-symbolen tegelijkertijd
branden, bestaat de kans dat de achtertrein bij krachtig afremmen slipt.
Waarschuwing
Het rode waarschuwingssymbool gaat branden, wanneer er een storing is geregistreerd
die van invloed kan zijn op de veiligheid en/of
de rijeigenschappen van de auto. Er verschijnt tegelijkertijd een verklarende tekstmelding op het informatiedisplay. Het symbool
blijft branden totdat de storing is verholpen,
maar de melding kunt u verwijderen met de
OK-knop, zie Menufuncties - instrumentenpaneel (p. 105). Het waarschuwingssymbool
kan ook gaan branden in combinatie met
andere symbolen.
12
Actie:
1. Stop zo spoedig mogelijk. Rijd niet verder
met de auto.
2. Lees de informatie op het informatiedisplay. Voer de handeling uit die de melding
op het display u voorschrijft. Wis de melding met de OK-knop.
Waarschuwing, portieren niet gesloten
Gerelateerde informatie
•
•
Instrumentenpaneel (p. 61)
Instrumentenpaneel - betekenis controlesymbolen (p. 66)
•
Instrumentenpaneel, analoog - overzicht
(p. 61)
•
Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht
(p. 62)
Als een van de portieren niet goed dichtstaat,
gaat het informatie- of waarschuwingssymbool branden en verschijnt er een verklarende
afbeelding op het informatiedisplay. Breng de
auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en sluit
het portier dat openstaat.
03
Als de auto met een snelheid van
maximaal 7 km/h rijdt, gaat het informatiesymbool branden.
Als de auto met een snelheid van
maximaal 7 km/h rijdt, gaat het waarschuwingssymbool branden.
Als de motorkap12 niet goed dichtstaat, gaat
het waarschuwingssymbool branden en verschijnt er een verklarende afbeelding op het
informatiedisplay. Breng de auto zo spoedig
mogelijk tot stilstand en sluit de motorkap.
Als de achterklep niet goed dichtstaat, gaat
het informatiesymbool branden en verschijnt
er een verklarende afbeelding op het informatiedisplay. Breng de auto zo spoedig mogelijk
tot stilstand en sluit de achterklep.
Alleen auto’s met alarm*.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
69
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Buitentemperatuurmeter
Dagtellers
Klok
Het buitentemperatuurmeterdisplay is zichtbaar op het instrumentenpaneel.
Het dagtellerdisplay is zichtbaar op het instrumentenpaneel.
Het klokdisplay is zichtbaar op het instrumentenpaneel.
Dagteller, digitaal instrument.
Klok, digitaal instrumentenpaneel.
03
Display voor buitentemperatuurmeter,
digitaal instrumentenpaneel
Display voor buitentemperatuurmeter,
analoog instrumentenpaneel
Geeft de buitentemperatuur aan. Wanneer de
temperatuur in het interval van –5 °C tot +2
°C ligt, verschijnt er een sneeuwvlokje op het
display. Het lampje wijst op het gevaar voor
gladheid. Wanneer de auto stilstaat of geparkeerd gestaan heeft, is het mogelijk dat de
buitentemperatuurmeter een te hoge waarde
aangeeft.
Gerelateerde informatie
•
13
70
Instrumentenpaneel (p. 61)
Display voor de tijdaanduiding14
Display voor dagtellers13
De beide dagtellers T1 en T2 worden gebruikt
voor het meten van kortere ritten. De afgelegde afstand staat op het display.
Draai aan het duimwiel van de linker stuurhendel om de gewenste meter te tonen.
Bij lang indrukken (totdat er een wijziging
plaatsvindt) van de knop RESET op de linker
stuurhendel wordt de getoonde dagteller
gereset. Voor meer informatie, zie Boordcomputer - aanvullende informatie (p. 119).
Gerelateerde informatie
•
Instrumentenpaneel (p. 61)
Hoe het display eruitziet kan verschillen afhankelijk van de instrumentenpaneelvariant.
Klok instellen
U kunt de klok aanpassen in het menusysteem MY CAR, zie MY CAR (p. 108).
Gerelateerde informatie
•
Instrumentenpaneel (p. 61)
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Licenties - instrumentenpaneel
Een licentie is een overeenkomst die toestemming verleent om bepaalde handelingen te
verrichten of het recht om gebruik te maken
van een product waar een andere rechtspersoon octrooi of eigendomsrechten op heeft,
onder de voorwaarden vervat in de overeenkomst. Hier volgt een Engelse versie van de
overeenkomst tussen Volvo en producenten/
ontwikkelaars.
Combined Instrument Panel Software
Open Source Software Notice
This product uses certain free / open source
and other software originating from third
parties, that is subject to the GNU Lesser
General Public License version 2 (LGPLv2),
The FreeType Project License ("FreeType
License") and other different and/or additional
copy right licenses, disclaimers and notices.
The links to access the exact terms of
LGPLv2, and the other open source software
licenses, disclaimers, acknowledgements and
notices are provided to you below. Please
refer to the exact terms of the relevant
License, regarding your rights under said
licenses. Volvo Car Corporation (VCC) offers
to provide the source code of said free/open
source software to you for a charge covering
the cost of performing such distribution, such
as the cost of media, shipping and handling,
14
upon written request. Please contact your
nearest Volvo Dealer.
MIT License: http: http://opensource.org/
licenses/mit-license.html
The offer is valid for a period of at least three
(3) years from the date of the distribution of
this product by VCC / or for as long as VCC
offers spare parts or customer support.
•
Portions of this product uses software
copyrighted © 2007 The FreeType Project
(www.freetype.org). All rights reserved.
・ Lua
03
Portions of this product uses software with
Copyright © 1994–2013 Lua.org, PUC-Rio
(http://www.lua.org/)
This product includes software under
following licenses:
LGPL v2.1: http://www.gnu.org/licenses/oldlicenses/lgpl-2.1.html
•
•
・ GNU FriBidi
・ DevIL
The FreeType Project License: http://
git.savannah.gnu.org/cgit/freetype/
freetype2.git/tree/docs/FTL.TXT
•
・ FreeType 2
Bij een analoog instrumentenpaneel wordt de tijd midden op het instrument weergegeven.
71
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Displaysymbolen
Er worden tal van displaysymbolen gebruikt in
de auto. De symbolen zijn onderverdeeld in
waarschuwings-, controle- en informatiesymbolen. Hier volgt een overzicht van de meest
voorkomende symbolen met hun betekenis en
een verwijzing naar de pagina(’s) in de handleiding waar u meer informatie kunt vinden.
03
- Rood waarschuwingssymbool dat
gaat branden, wanneer er een storing geregistreerd is die mogelijk van invloed is op de
veiligheid en/of rijeigenschappen van de auto.
Er verschijnt tegelijkertijd een verklarende
tekstmelding op het informatiedisplay van het
instrumentenpaneel.
- Informatiesymbool, gaat branden, in
combinatie met een verklarende tekst op het
informatiedisplay van instrumentenpaneel,
wanneer er een storing in een van de autosystemen is opgetreden. Het oranje informatielampje kan ook gaan branden in combinatie
met andere lampjes.
72
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Waarschuwingssymbolen op
instrumentenpaneel
Symbool
Controlesymbolen op
instrumentenpaneel
Betekenis
Zie
Lage oliedruk
(p. 68)
Parkeerrem
ingeschakeld,
digitaal instrument
(p. 68),
(p. 299)
Parkeerrem
ingeschakeld,
analoog instrument
(p. 68)
Airbags (SRS)
(p. 29),
(p. 68)
Gordelwaarschuwing
(p. 25),
(p. 68)
Dynamo laadt
niet bij
(p. 68)
Storing in remsysteem
(p. 68),
(p. 297)
Waarschuwing,
Safety mode
(p. 29),
(p. 40),
(p. 68)
Symbool
Betekenis
Zie
Storing in ABL*
(p. 66),
(p. 89)
Uitlaatgasreinigingssysteem
(p. 66)
Storing in ABS
(p. 66),
(p. 297)
Mistachterlicht
aan
(p. 66),
(p. 89)
Stabiliteitsregeling, ESC (Electronic Stability
Control), Trailer
Stability Assist*
(p. 66),
(p. 187),
(p. 317)
Stabiliteitsregeling, Sportstand
(p. 66),
(p. 187)
Voorgloeifunctie
motor (diesel)
(p. 66)
Laag peil in
brandstoftank
(p. 66),
(p. 140)
Informatie, lees
tekstmelding
(p. 66)
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Symbool
Betekenis
Zie
Groot licht aan
(p. 66),
(p. 86)
Richtingaanwijzers links
(p. 66)
Richtingaanwijzers rechts
(p. 66)
Start/Stop*, de
motor is automatisch gestopt
(p. 66),
(p. 287)
ECO-functie*
aan
(p. 66),
(p. 295)
Bandenspanningssysteem*
(p. 66),
Bandenspanningscontrolesysteem*
(p. 334)
Informatiesymbolen op
instrumentenpaneel
Symbool
Symbool
Betekenis
Zie
Radarsensor*
(p. 214),
(p. 218),
(p. 235)
Start/Stop*
(p. 293)
Betekenis
Zie
Groot licht met
automatisch
dimmen - AHB*
(p. 87)
Camerasensor*;
lasersensor*
(p. 87),
(p. 225),
(p. 235),
(p. 239),
(p. 245)
Start/Stop*
(p. 293)
Adaptieve
cruisecontrol*
(p. 214)
Start/Stop*
(p. 293)
Adaptieve
cruisecontrol*
(p. 204),
(p. 214)
Adaptieve
cruisecontrol*;
afstandswaarschuwing* (Distance Alert)
(p. 214),
(p. 216)
Afstandswaarschuwing* (Distance Alert); City
SafetyTM; Collision Warning*;
Auto Brake*
(p. 218),
(p. 225),
(p. 235)
Adaptieve
cruisecontrol*
(p. 203)
Motor- en interieurverwarming*
(p. 140)
Cruisecontrol*
(p. 195)
(p. 140)
Snelheidsbegrenzer
(p. 192)
Motor- en interieurverwarming*
Service vereist
03
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
73
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
Symbool
Betekenis
Zie
Geactiveerde
timer*
Geactiveerde
timer*
Symbool
Betekenis
Zie
(p. 140)
Driver Alert System*; Tijd voor
pauze
(p. 239)
(p. 140)
Schakelindicator
(p. 278)
Informatiesymbolen op display
plafondconsole
Symbool
03
ABL*
74
(p. 89)
Accuspanning
laag
(p. 140)
Actieve parkeerhulp – PAP*
(p. 255)
Regensensor*
(p. 97)
Rijbaanassistent*
(p. 243)
Driver Alert System*, Rijbaanassistent*
(p. 239),
(p. 245)
Driver Alert System*; Tijd voor
pauze
(p. 238)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Schakelstanden
(p. 279)
Geregistreerde
snelheidsinformatie*
(p. 189)
Oliepeil meten
(p. 365)
Betekenis
Zie
Gordelwaarschuwing
(p. 28)
Airbag passagiersstoel, geactiveerd
(p. 33)
Airbag passagiersstoel, gedeactiveerd
(p. 33)
Gerelateerde informatie
•
Instrumentenpaneel - betekenis controlesymbolen (p. 66)
•
Instrumentenpaneel - betekenis waarschuwingssymbolen (p. 68)
•
Meldingen - functies (p. 108)
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Volvo Sensus
Volvo Sensus vormt het hart van uw persoonlijke Volvo-beleving. Sensus bundelt informatie, entertainment en autofuncties voor een
probleemloos bezit.
Met de knoppen en bedieningselementen op
de middenconsole en het rechter toetsenblok* op het stuurwiel kunt u functies activeren en deactiveren en tal van instellingen verrichten.
Overzicht
Bij het bedienen van MY CAR worden alle
instellingen getoond die verband houden met
het besturen en bedienen van de auto, zoals
City Safety, sloten en alarm, automatische
ventilatorsnelheid, klokinstelling e.d.
Wanneer u in uw auto zit, wilt u alles onder
controle hebben. In de interactieve wereld
van vandaag betekent dit dat u, wanneer het
ú uitkomt, wilt kunnen beschikken over informatie, communicatie en entertainment. Sensus reikt u al onze oplossingen voor aansluiting* op de rest van de wereld aan en biedt u
de mogelijkheid tot intuïtieve bediening van
de verschillende autofuncties.
Volvo Sensus presenteert tal van functies van
uiteenlopende autosystemen op overzichtelijke wijze op het display van de middenconsole. Volvo Sensus biedt de mogelijkheid tot
personalisering van de auto met een eenvoudig te hanteren bedieningsinterface. Er zijn
instellingen te verrichten onder Instellingen
van de auto, Audio en media, Klimaat e.d.
Bij het indrukken van RADIO, MEDIA, TEL*,
*,NAV* en CAM* kunt u andere bronnen,
systemen en functies activeren, zoals AM,
FM, CD, DVD*, TV*, Bluetooth®*, navigatie* en
Park Assist-camera*.
Voor meer informatie over alle functies/systemen, zie de desbetreffende hoofdstukken in
de gebruikershandleiding of het bijbehorende
supplement.
03
Bedieningspaneel op middenconsole. De afbeelding is schematisch – het aantal functies en de
locatie van de knoppen is afhankelijk van de
gekozen uitrusting en de desbetreffende markt.
Navigatie* - NAV, zie apart supplement
(Sensus Navigation).
Audio en media - RADIO, MEDIA, TEL*,
zie desbetreffend supplement (Sensus
Infotainment).
Fabrieksinstellingen - MY CAR, zie MY
CAR (p. 108).
Auto met internetaansluiting *, zie
desbetreffend supplement (Sensus Infotainment).
Klimaatregeling (p. 122).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
75
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Sleutelstanden
Sleutel aanbrengen
Met de transpondersleutel is het elektrische
systeem van de auto in verschillende standen
te zetten om het gebruik van verschillende
functies/systemen mogelijk te maken, zie
Sleutelstanden - functies in verschillende
standen (p. 76).
1. Houd de transpondersleutel beet aan de
kant van het afneembare sleutelblad en
plaats de sleutel in het contactslot.
03
2. Duw de sleutel vervolgens tot aan de
aanslag in het slot.
BELANGRIJK
Vreemde voorwerpen in het contactslot
kunnen tot functiestoringen leiden of
schade aan het slot toebrengen.
De transpondersleutel niet verkeerd om
insteken – pak de sleutel beet aan het uiteinde met het afneembare sleutelblad, zie
Afneembaar sleutelblad - verwijderen/
aanbrengen (p. 165).
Sleutel verwijderen
Contactslot met transpondersleutel uitgetrokken/
ingeduwd.
N.B.
Bij auto’s met Keyless*-functie hoeft de
sleutel niet in het contactslot te worden
gestoken, maar kan deze bijvoorbeeld in
een binnenzak worden bewaard. Voor
meer informatie over de functies van het
Keyless-systeem, zie Keyless Drive*
(p. 167).
76
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Pak de transpondersleutel beet en trek deze
uit het contactslot.
Sleutelstanden - functies in
verschillende standen
Om het gebruik mogelijk te maken van een
beperkt aantal functies met uitgeschakelde
motor, kan het elektrische systeem van de
auto met de transpondersleutel in 3 verschillende (sleutel-)standen worden gezet: 0, I en
II. In deze gebruikershandleiding worden deze
standen in algemene zin aangeduid als ‘sleutelstanden’.
De volgende tabel geeft aan welke functies
beschikbaar zijn in de verschillende sleutelstanden/niveaus.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Niveau
0
I
Functies
Niveau
II
Kilometerteller, klok en temperatuurmeter worden verlicht.
Om niveau I of II te realiseren zonder dat
de motor wordt gestart, trapt u niet het
rem-/koppelingspedaal in als u deze sleutelstanden wilt selecteren.
De koplampen worden ontstoken.
Elektrisch bedienbare stoelen
zijn te verstellen.
Waarschuwings-/controlelampjes branden 5 seconden lang.
Het audiosysteem is enige tijd
te gebruiken - zie supplement
Sensus Infotainment.
Diverse andere systemen worden geactiveerd. Elektrische
verwarming in zittingen en achterruit kan echter pas na starten
van de motor worden geactiveerd.
Zonnescherm voor glazen dak,
elektrisch bedienbare ruiten,
12V-aansluiting in passagiersruimte, RTI, telefoon, interieurventilator en ruitenwisser kunnen worden gebruikt.
N.B.
Functies
Deze sleutelstand verbruikt
veel stroom vanuit de startaccu en moet daarom worden vermeden!
Sleutelstand/stand kiezen
•
Sleutelstand 0 - Ontgrendel de auto - het
elektrische systeem van de auto staat nu
in stand 0.
•
Sleutelstand I - Met de transpondersleutel volledig in het contactslot15 geduwd druk kort op START/STOP ENGINE.
•
Sleutelstand II - Met de transpondersleutel volledig in het contactslot15 geduwd druk lang16 op START/STOP ENGINE.
•
Terug naar sleutelstand 0 - Om terug te
gaan naar sleutelstand 0 vanuit stand II
en I - druk kort op START/STOP
ENGINE.
03
Audiosysteem
Voor informatie over de functie van het audiosysteem bij een uitgenomen transpondersleutel, zie supplement Sensus Infotainment.
Motor starten en afzetten
Zie voor informatie over het starten/afzetten
van de motor, zie Motor starten (p. 274).
Slepen
Zie voor belangrijke informatie over de transpondersleutel bij het slepen, zie Slepen
(p. 318).
Gerelateerde informatie
•
15
16
Sleutelstanden (p. 76)
Niet nodig voor auto’s met Keyless*-systeem.
Ca. 2 seconden.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
77
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Voorstoelen
Voor optimaal zitcomfort hebben de voorstoelen verschillende instelmogelijkheden.
Stoel hoger/lager zetten*, omhoog-/
omlaagpompen.
Bedieningspaneel voor elektrisch bedienbare stoel*, zie Voorstoelen - elektrisch
bediend (p. 79).
WAARSCHUWING
Stel de stand van de bestuurdersstoel in
voordat u gaat rijden: nooit tijdens het rijden. Controleer of de stoel vergrendeld
staat om letsel te voorkomen bij hard
afremmen of een aanrijding.
03
Om de hoogte af te stellen, moet u de knop
(zie afbeelding) indrukken terwijl u de hoofdsteun omhoog of omlaag afstelt.
De hoofdsteun kan in drie verschillende standen worden afgesteld.
Ruggedeelte passagiersstoel
omklappen*
Hoofdsteun van voorstoel verstellen
Lendensteun* wijzigen, aan de knop17
draaien.
Vooruit/achteruit, de hendel omhoogtillen
om de juiste afstand tot het stuurwiel en
de pedalen in te stellen. Controleer of de
stoel na het afstellen in de nieuwe stand
geblokkeerd staat.
De rugleuning van de passagiersstoel kan
worden omgeklapt om ruimte te maken voor
lange bagage.
Voorkant zitting hoger/lager* zetten,
omhoog-/omlaagpompen.
Hellingshoek rugleuning wijzigen, aan de
knop draaien.
17
78
Geldt ook voor een elektrisch bedienbare stoel.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Zet de stoel zo ver mogelijk naar achteren
en omlaag.
De hoofdsteun is in de hoogte te verstellen.
Zet de rugleuning rechtop.
Stem de hoofdsteun af op de lengte van de
persoon, zodat deze zo mogelijk het hele
achterhoofd bedekt.
Trek de pallen aan de achterzijde van de
rugleuning omhoog tijdens het omklappen.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
4. Duw de stoel zo ver naar voren dat de
hoofdsteun onder het dashboardkastje
‘vast’ komt te zitten.
Houd voor het rechtop zetten de omgekeerde
volgorde aan.
WAARSCHUWING
Maak geen gebruik van de zitplaats achter
de passagiersstoel of de middelste zitplaats achterin, wanneer u de rugleuning
van de passagiersstoel hebt neergeklapt.
Voorstoelen - elektrisch bediend
Voor optimaal zitcomfort hebben de voorstoelen verschillende instelmogelijkheden. De
elektrisch bediende stoel kan naar voren/
achteren en omhoog/omlaag worden gezet.
De voorkant van de zitting kan worden verhoogd/verlaagd. De hellingshoek van de rugleuning kan worden gewijzigd.
Elektrische stoelbediening*
WAARSCHUWING
Pak het ruggedeelte nadat u het rechtop
gezet hebt beet en controleer of het stevig
vergrendeld staat om letsel te voorkomen
bij hard afremmen of een aanrijding.
van de auto in stand I of 0 zetten en enige tijd
wachten voordat u de stoel opnieuw probeert
te verstellen.
U kunt slechts één verstelfunctie van de stoel
tegelijk activeren (vooruit/achteruit/omhoog/
omlaag).
Voorbereidingen
Tot enige tijd nadat u het portier met de
transpondersleutel hebt ontgrendeld blijft het
mogelijk de stoel te verstellen, ook al steekt
er geen sleutel in het contactslot. U verstelt
de stoel normaal gesproken in sleutelstand I.
Wanneer de motor loopt, is dat altijd mogelijk.
03
Stoel met geheugenfunctie*
Gerelateerde informatie
•
•
Voorstoelen - elektrisch bediend (p. 79)
Achterbank (p. 80)
Voorkant zitting omhoog/omlaag
Stoel omhoog/omlaag
Stoel vooruit/achteruit
Hellingshoek rugleuning
De elektrisch bedienbare stoelen zijn voorzien
van een beveiliging tegen overbelasting, die
geactiveerd wordt als een van de stoelen
door een obstakel wordt geblokkeerd. Als dit
het geval is, moet u het elektrische systeem
De geheugenfunctie slaat de instellingen op
voor de stoel en de buitenspiegels.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
79
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
Instelling vastleggen
Geheugenknop
Geheugenknop
Geheugenknop
Noodstop
Achterbank
Als de stoel per ongeluk in beweging komt,
kunt u op een van de verstellingsknoppen of
geheugenknoppen van de stoel drukken om
de stoel tot stilstand te brengen.
De rugleuning en de buitenste hoofdsteunen
van de achterbank kunnen worden neergeklapt. De hoofdsteun van de middelste zitplaats kan aan de lengte van de passagier
worden aangepast.
WAARSCHUWING
Knop voor vastlegging van de instelling
03
2. Houd de knop M ingedrukt, terwijl u knop
1, 2 of 3 indrukt. Houd de knoppen ingedrukt, totdat er een akoestisch signaal
klinkt en er een tekst op het instrumentenpaneel verschijnt.
Om een andere instelling vast te leggen moet
u de stoel eerst verstellen.
Stoel in vastgelegde stand zetten
Druk op een van de geheugenknoppen 1–3,
totdat de stoel en de buitenspiegels tot stilstand komen. Bij het loslaten van de knop zal
de instelling van de stoel en de buitenspiegels onmiddellijk worden beëindigd.
Geheugen* van transpondersleutel
In alle transpondersleutels kunnen de instellingen voor de bestuurdersstoel en de buitenspiegels18 voor verschillende bestuurders
worden opgeslagen, zie Transpondersleutel personalisering* (p. 158).
18
80
Beknellingsgevaar! Zorg ervoor dat kinderen niet met de bediening spelen. Controleer of er bij het instellen geen voorwerpen
voor, achter of onder de stoel liggen. Controleer of geen van de passagiers op de
achterbank bekneld kan raken.
1. Stel de stoel en de buitenspiegels in.
Middelste hoofdsteun achterbank
Stoelen met elektrische verwarming
Voor elektrische stoelverwarming voor/
achterbankverwarming, zie Elektrische stoelverwarming voor* (p. 130) en Elektrische achterbankverwarming* (p. 130).
Gerelateerde informatie
•
•
Voorstoelen (p. 78)
Achterbank (p. 80)
Stem de hoofdsteun af op de lengte van de
passagier zodat deze zo mogelijk het hele
achterhoofd bedekt. Trek de hoofdsteun zo
ver omhoog als nodig is.
Als u de hoofdsteun lager wilt zetten, moet u
de knop (zie afbeelding) indrukken terwijl u de
hoofdsteun voorzichtig omlaagduwt.
De hoofdsteun kan in vijf verschillende standen worden afgesteld.
Alleen als de auto is uitgerust met een elektrisch bedienbare bestuurdersstoel met geheugen en elektrisch inklapbare buitenspiegels.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
N.B.
Ruggedeelte achterbank omklappen
Ga niet op de middelste zitplaats van de
achterbank zitten, wanneer de hoofdsteun
volledig neergeklapt is.
BELANGRIJK
Als de rugleuning moet worden neergeklapt, mogen de bekerhouders van de
achterbank niet open zijn en mogen er
geen voorwerpen op de achterbank liggen.
De veiligheidsgordels mogen evenmin zijn
ingestoken. Schade aan de bekleding van
de achterbank is anders namelijk niet uitgesloten.
Buitenste hoofdsteunen achterbank
handmatig omklappen
03
N.B.
U moet mogelijk de voorstoelen naar voren
zetten en/of de rugleuningen rechtop zetten om de ruggedeelten van de achterbank
volledig naar voren te kunnen klappen.
Trek aan de pal bij de hoofdsteun om de
hoofdsteun om te klappen.
De hoofdsteun wordt met de hand teruggezet.
WAARSCHUWING
De hoofdsteunen moeten na het rechtop
zetten in de vergrendelde stand staan.
•
Beide delen kunnen apart worden neergeklapt.
•
Voor het omklappen van de complete
rugleuning dienen de verschillende
gedeelten ieder apart omgeklapt te worden.
Bij het omklappen van het rechter ruggedeelte, moet u de hoofdsteun voor de
middelste zitplaats vrijgeven en deze aanpassen, zie het eerdere gedeelte ‘Middelste hoofdsteun achterbank’.
De buitenste hoofdsteunen worden automatisch neergeklapt wanneer u de ruggedeelten omklapt. Trek de blokkeerhandgreep
van het ruggedeelte omhoog en
klap het ruggedeelte om. Een rode markering bij de pal
geeft aan dat het ruggedeelte niet langer geblokkeerd staat.
}}
81
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
N.B.
Duw bij het neerklappen van de ruggedeelten de hoofdsteunen naar voren om te
voorkomen dat ze in contact komen met
het zitgedeelte.
03
Houd voor het rechtop zetten de omgekeerde
volgorde aan.
Stuurwiel
Het stuurwiel heeft meerdere verstellingsmogelijkheden en bedieningselementen voor de
claxon, cruisecontrol en het menu-, het audioen het telefoonsysteem.
Instellen
N.B.
Bij auto’s met snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging* is de vereiste stuurkracht in te
stellen, zie Snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging (p. 266).
Toetsensets* en paddles*
WAARSCHUWING
Gerelateerde informatie
•
•
Voorstoelen (p. 78)
Voorstoelen - elektrisch bediend (p. 79)
WAARSCHUWING
Stel het stuurwiel vóór vertrek in en zet
deze vast.
Als de rugleuning is teruggeklapt, mag de
rode indicatie niet langer zichtbaar zijn. Als
deze toch zichtbaar is, is de rugleuning
niet vergrendeld.
Controleer of de rugleuningen en hoofdsteunen van de achterbank na het rechtop
zetten goed vergrendeld zijn.
3. Trek de hendel naar achteren om het
stuurwiel in de nieuwe stand te blokkeren.
Als dit moeite kost, kunt u lichtjes op het
stuurwiel drukken en tegelijkertijd de hendel terugduwen.
Stuurwiel afstellen.
Ontgrendelingshendel, stuurwielafstelling
Mogelijke stuurwielstanden
U kunt het stuurwiel zowel in de hoogte als in
de diepte verstellen:
1. Beweeg de hendel naar voren om het
stuurwiel te ontkoppelen.
2. Zet het stuurwiel vervolgens in de gewenste stand.
Toetsensets en paddles op stuurwiel.
Cruisecontrol* (p. 195)
Adaptieve cruisecontrol (ACC)* (p. 200)
82
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Paddle voor handmatig schakelen bij
automatische versnellingsbak, zie Automatische versnellingsbak - Geartronic*
(p. 279)
Bediening audio en telefoon, zie desbetreffend Sensus Infotainment-supplement
Claxon
Bedieningspaneel verlichting
Met het bedieningspaneel voor de verlichting
kunt u de buitenverlichting inschakelen en
aanpassen. U gebruikt het ook om de displayen instrumentenverlichting alsook de sfeerverlichting (p. 92) aan te passen.
Overzicht bedieningspaneel verlichting
Standen draaiknop
Stand
Betekenis
DagrijlichtA wanneer het elektrische systeem van de auto in
sleutelstand II staat of als de
motor warm is.
Grootlichtsignalering mogelijk.
Dagrijlicht, sidemarkers achter
en achterlichten/parkeerlichten,
wanneer het elektrische systeem
van de auto in sleutelstand II
staat of als de motor warm is.
03
Sidemarkers achter en achterlichten/parkeerlichten, wanneer
de auto geparkeerd staat.
Grootlichtsignalering mogelijk.
Claxon.
Druk op het midden van het stuurwiel om te
claxonneren.
Overzicht bedieningspaneel verlichting.
Duimwiel voor het afstellen van de display- en instrumentenpaneelverlichting
alsook de sfeerverlichting*
Knop voor mistachterlicht
Draaiknop voor koplampen en stadslichten vóór/achterlichten
Duimwiel19 voor koplamphoogteregeling
19
Dagrijlicht, sidemarkers achter
en achterlichten/parkeerlichten
bij daglicht, wanneer het elektrische systeem van de auto in
sleutelstand II staat of als de
motor warm is.
Dimlicht, sidemarkers achter en
stadslichten/parkeerlichten bij
slechte verlichting overdag of in
het donker of wanneer de mistachterlichten geactiveerd zijn.
Niet aanwezig bij auto’s met actieve xenonkoplampen*.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
83
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
Stand
Betekenis
Bij een auto met actieve xenonkoplampen* (p. 89) branden de
dagrijlichten op gereduceerde
sterkte.
03
De displayverlichting wordt bij donker automatisch gedimd. De gevoeligheidsgraad van
deze functie is in te stellen met het duimwiel.
De functie Actief groot licht
(p. 87)* is te gebruiken.
Ook de sterkte waarmee het instrumentenpaneel verlicht wordt stelt u in met het duimwiel.
Grootlichtsignalering mogelijk.
Dimlicht, sidemarkers achter en
achterlichten/parkeerlichten.
Groot licht kan worden geactiveerd.
Grootlichtsignalering mogelijk.
Bij een auto met actieve xenonlampen branden de dagrijlichten
op gereduceerde sterkte.
Aangebracht in of onder de voorbumper.
Volvo adviseert u de stand
te gebruiken
zolang de verkeerssituatie of de weersgesteldheid niet ongunstig is voor Actief groot
licht*.
84
Afhankelijk van de sleutelstand worden
bepaalde displays en instrumenten verlicht,
zie Sleutelstanden - functies in verschillende
standen (p. 76).
De functie Tunneldetectie
(p. 86)* is geactiveerd.
U kunt het groot licht inschakelen, wanneer u het dimlicht
voert.
A
Instrumentenverlichting
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Koplamphoogteregeling
Door de belading van de auto wordt de
hoogte van de koplampen gewijzigd, zodat u
tegenliggers mogelijk verblindt. U kunt dat
voorkomen door de koplamphoogte bij te
stellen. Stel de koplampen lager af als de
auto zwaar beladen is.
1. Laat de motor draaien of zet het elektrische systeem van de auto in de sleutelstand I.
2. Draai het duimwiel omhoog of omlaag om
de koplampen hoger of lager af te stellen.
Duimwielstanden bij uiteenlopende belading.
Alleen bestuurder
Bestuurder en voorpassagier
Inzittenden op alle zitplaatsen
Inzittenden op alle zitplaatsen en maximale belading in bagageruimte
Bestuurder plus maximale belading in
bagageruimte
Auto’s met actieve xenonkoplampen* zijn uitgerust met automatische koplamphoogteregeling, zodat het duimwiel ontbreekt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Stadslichten vóór en achterlichten
(p. 85)
Dagrijlicht (p. 85)
Groot licht/dimlicht (p. 86)
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Stadslichten vóór en achterlichten
U schakelt de stadslichten vóór en achterlichten in met de verlichtingsdraaiknop.
Gerelateerde informatie
•
•
Bedieningspaneel verlichting (p. 83)
Lamp vervangen - positie lampen voorzijde (p. 372)
Dagrijlicht
Wanneer de verlichtingsdraaiknop in stand
staat en het elektrische systeem van de
auto in sleutelstand II of als de motor loopt,
wordt bij daglicht automatisch het dagrijlicht
ingeschakeld.
Dagrijlicht DRL
03
Verlichtingsdraaiknop in stand voor stadslichten
vóór en achterlichten.
(ook de
Zet de draaiknop in de stand
kentekenverlichting wordt ingeschakeld).
Als het elektrische systeem van de auto in
sleutelstand II staat of als de motor loopt,
gaat ook het dagrijlicht branden.
Wanneer het buiten donker is en de achterklep wordt geopend, gaan de achterlichten/
parkeerlichten achter branden om achteropkomend verkeer te waarschuwen. Dit gebeurt
altijd, ongeacht de stand van de draaiknop of
de sleutelstand van het elektrische systeem
van de auto.
Verlichtingsdraaiknop in stand AUTO.
Met de verlichtingsdraaiknop in stand
wordt het dagrijlicht (Daytime Running Lights
- DRL) automatisch ingeschakeld bij autoritten overdag. Een lichtsensor boven op het
dashboard schakelt over van dagrijlicht op
dimlicht, wanneer het gaat schemeren of bij
donker weer. Overschakelen op dimlicht gaat
ook automatisch, als u de mistachterlichten
activeert.
}}
85
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
Bij een auto met halogeenkoplampen zijn de
dagrijlichten gedoofd, wanneer u het groot
licht of dimlicht voert.
Bij een auto met actieve xenon-koplampen
(p. 89) branden de dagrijlichten op gereduceerde sterkte, wanneer u het groot licht of
dimlicht voert.
WAARSCHUWING
03
Dit is een stroombesparingsfunctie die niet
in alle gevallen kan bepalen wanneer de
omgevingsverlichting voldoende of onvoldoende is bij mist en regen bijvoorbeeld.
Als bestuurder bent u verplicht om de verlichting van de auto altijd af te stemmen op
de heersende omstandigheden en de geldende verkeerswetgeving.
Gerelateerde informatie
•
Lamp vervangen - positie lampen voorzijde (p. 372)
Tunneldetectie*
Groot licht/dimlicht
De tunneldetectie zorgt voor overschakeling
van dagrijverlichting op dimlicht bij het binnenrijden van een tunnel. Ca. 20 seconden na
het verlaten van de tunnel, wordt weer overgeschakeld op dagrijlicht.
De functie Tunneldetectie is aanwezig op een
auto met een regensensor*. Wanneer u een
tunnel binnenrijdt, registreert de sensor dit en
wordt overgeschakeld van dagrijlicht naar
dimlicht. Ca. 20 seconden na het verlaten van
de tunnel, wordt weer overgeschakeld op
dagrijlicht. Als u na afloop van deze tijd een
andere tunnel inrijdt, blijft het dimlicht branden. Zo wordt voorkomen dat de lichtinstelling van de auto te vaak wordt gewijzigd.
Let erop dat de tunneldetectie alleen werkt,
als de verlichtingsdraaiknop in stand
staat.
Gerelateerde informatie
•
•
Groot licht/dimlicht (p. 86)
Bedieningspaneel verlichting (p. 83)
Stuurhendel en verlichtingsdraaiknop.
Stand voor grootlichtsignalen
Stand voor groot licht
Dimlicht
Met de draaiknop in de stand
wordt het
dimlicht automatisch geactiveerd als het gaat
schemeren of bij donker weer. Het dimlicht
wordt ook automatisch geactiveerd, als de
mistachterlichten geactiveerd is.
Met de draaiknop in de stand
brandt
altijd het dimlicht, wanneer de motor loopt of
als de sleutelstand II actief is.
Grootlichtsignalen
Trek de stuurhendel voorzichtig tot in de
stand voor grootlichtsignalen naar het stuurwiel toe. Het groot licht brandt totdat u de
hendel loslaat.
86
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Groot licht
Actief groot licht*
Het groot licht is te ontsteken met de draai20 of
. Schakel het
knop in stand
groot licht in of uit door de stuurhendel tot in
de eindstand naar het stuurwiel te halen en
vervolgens los te laten. Het groot licht is
eveneens uit te schakelen door de stuurhendel lichtjes in de richting van het stuurwiel te
duwen.
Actief groot licht ontdekt de koplampen van
een tegenligger of de achterlichten van een
voorligger en schakelt dan over van groot licht
naar dimlicht. De verlichting gaat terug naar
groot licht als het invallende licht ophoudt.
Wanneer het groot licht ontstoken is, brandt
het symbool
op het instrumentenpaneel.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Actieve xenon-koplampen* (p. 89)
Actief groot licht* (p. 87)
Lamp vervangen - positie lampen voorzijde (p. 372)
•
•
Bedieningspaneel verlichting (p. 83)
•
Tunneldetectie* (p. 86)
Koplampen - lichtbundel aanpassen
(p. 94)
Actief groot licht - AHB
Actief groot licht (Active High Beam – AHB) is
een functie waarbij met een camerasensor in
de bovenrand van de voorruit de koplampen
van tegenliggers of de achterlichten van voorliggers worden geregistreerd en wordt overgeschakeld van groot licht naar dimlicht. De
functie kan ook rekening houden met de
straatverlichting.
Wanneer er geen invallend licht van voor-/
tegenliggers meer wordt waargenomen,
schakelt de verlichting enkele seconden later
weer over naar groot licht.
Activeren/deactiveren
AHB kan worden geactiveerd, wanneer de
verlichtingsdraaiknop in de stand
staat
(op voorwaarde dat het systeem niet gedeactiveerd werd in het menusysteem MY CAR),
zie MY CAR (p. 108).
03
Stuurhendel en verlichtingsdraaiknop in stand
AUTO.
De functie kan starten bij ritten in het donker,
wanneer de auto op een snelheid van 20
km/h of hoger rijdt.
Schakel het AHB in of uit door de linker stuurhendel tot in de eindstand naar het stuurwiel
te halen en vervolgens los te laten. Na het
deactiveren van het groot licht wordt direct
overgeschakeld naar dimlicht.
Auto met analoog instrumentenpaneel
Wanneer AHB geactiveerd is, brandt het symbool
op het informatiedisplay van het
instrumentenpaneel.
Wanneer het groot licht ontstoken is, brandt
ook het symbool
op het instrumentenpaneel.
20
Wanneer het dimlicht brandt.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
87
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
Auto met digitaal instrumentenpaneel
Wanneer AHB geactiveerd is, brandt het symop het informatiedisplay van het
bool
instrumentenpaneel wit.
Als het groot licht ontstoken is, brandt het
symbool blauw.
Handmatige bediening
03
N.B.
Houd de voorruit in het gebied vóór de
camerasensor vrij van ijs, sneeuw, condens en vuil.
Plak of monteer niets op de voorruit vóór
de camerasensor, aangezien één of meer
camera's voor het systeem hierdoor slechter of niet meer werken.
Als de melding Active high beam Tijdelijk
niet beschikb. Schakel handmat. op het
informatiedisplay van het instrumentenpaneel
verschijnt, moet u handmatig overschakelen
tussen groot licht en dimlicht. De verlichtingsdraaiknop kan echter in stand
staan.
Hetzelfde geldt, als de melding
Voorruitsensoren afgedekt Zie
verinstructieboek en het symbool
schijnen. Het symbool
dooft, wanneer
deze melding verschijnt.
AHB is mogelijk tijdelijk niet beschikbaar,
zoals in dichte mist of bij zware regenval.
88
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Wanneer AHB weer beschikbaar is of als de
voorruitsensoren niet langer geblokkeerd zijn,
verdwijnt de melding en gaat het symbool
branden.
BELANGRIJK
Voorbeelden van situaties waarin u mogelijk moet wisselen tussen groot licht en
dimlicht:
•
•
•
•
•
WAARSCHUWING
AHB is een systeem dat u helpt om in
ongunstige omstandigheden de optimale
verlichting te kiezen.
Als bestuurder bent u echter altijd verplicht
om handmatig te wisselen tussen groot
licht en dimlicht, als dat gezien de verkeerssituatie en/of weersgesteldheid vereist is.
in zware regen of dichte mist
bij ijsregen
bij stuifsneeuw of sneeuwmodder
bij maanlicht
bij ritten in zwak verlichte bebouwde
gebieden
•
bij voorliggers met een zwakke voertuigverlichting
•
•
bij voetgangers op of naast de weg
•
als de verlichting van tegenliggers
schuilgaat achter bijvoorbeeld vangrails
•
•
bij verkeer op verbindingswegen
•
in scherpe bochten.
bij sterk reflecterende voorwerpen
zoals borden in de buurt van de weg
op het hoogste punt van heuvels en
het laagste punt van dalen
Zie voor meer informatie over de beperkingen
van de camerasensor, zie Collision Warning* beperkingen van de camerasensor (p. 233).
Gerelateerde informatie
•
•
Groot licht/dimlicht (p. 86)
Bedieningspaneel verlichting (p. 83)
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Actieve xenon-koplampen*
Actieve xenon-koplampen zorgen voor optimale verlichting in bochten en op kruisingen
om op die manier de veiligheid te verhogen.
Actieve xenon-koplampen ABL
Lichtbundel bij gedeactiveerde (links) en geactiveerde (rechts) functie.
Als de auto is uitgerust met actieve xenonkoplampen (Active Bending Lights – ABL)
draaien de lichtbundels van de koplampen
mee om optimale verlichting te verkrijgen in
bochten en op kruisingen om op die manier
de veiligheid te verhogen.
Het systeem wordt automatisch geactiveerd
bij het starten van de motor (op voorwaarde
dat de functie niet is gedeactiveerd in het
menusysteem MY CAR, zie MY CAR
(p. 108)). Wanneer de functie een storing ver-
21
op het
toont, brandt het symbool
instrumentenpaneel en op het informatiedisplay verschijnen een verklarende tekst plus
een ander brandend symbool.
Symbool
Melding
Betekenis
Storing
koplampsysteem
Service
vereist
Het systeem is
defect. Bezoek
een werkplaats
als de melding
niet verdwijnt.
Volvo adviseert u
daarvoor contact
op te nemen met
een erkende
Volvo-werkplaats.
De functie is uitsluitend actief bij schemer of
donker en dan alleen als de auto rijdt.
U kunt de functie21 deactiveren/activeren in
het menusysteem MY CAR, zie MY CAR
(p. 108).
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Groot licht/dimlicht (p. 86)
Actief groot licht* (p. 87)
Bedieningspaneel verlichting (p. 83)
Koplampen - lichtbundel aanpassen
(p. 94)
Mistachterlicht
Bij een beperkt zicht door mist kunt u het
mistachterlicht gebruiken om achterliggers tijdig op uw aanwezigheid te attenderen.
03
Knop voor mistachterlicht.
Het mistachterlicht is alleen in te schakelen,
wanneer de verlichtingsdraaiknop in stand
of
staat en het contactslot in de
stand II of wanneer de motor draait.
Druk op de knop voor in-/uitschakeling. Het
controlesymbool voor het mistachterlicht
op het instrumentenpaneel en het
lampje in de knop branden, wanneer het mistachterlicht ingeschakeld is.
Wanneer u de motor afzet of de verlichtingsdraaiknop naar stand
of
draait,
Geactiveerd bij levering vanuit de fabriek.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
89
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
wordt het mistachterlicht automatisch uitgeschakeld.
N.B.
De voorschriften voor het gebruik van een
mistachterlicht verschillen per land.
03
Gerelateerde informatie
•
•
Bedieningspaneel verlichting (p. 83)
Lamp vervangen - positie lampen achterzijde (p. 376)
Remlichten
Alarmlichten
De remlichten gaan automatisch branden
wanneer u remt.
De alarmlichten waarschuwen medeweggebruikers doordat alle richtingaanwijzers gelijktijdig knipperen, wanneer deze functie actief
is.
Bij het bedienen van het rempedaal gaan de
remlichten branden. Ze gaan ook branden
wanneer een van de rij-assistentiesystemen,
Adaptieve cruisecontrol (p. 200), City Safety
(p. 219) of Collision Warning (p. 226) de auto
afremmen.
Wanneer de alarmlichten geactiveerd zijn,
knipperen beide richtingaanwijzersymbolen
op het instrumentenpaneel.
Voor informatie over de noodremlichten en de
automatische alarmlichten, zie Bedrijfsrem noodremlichten en automatische alarmlichten
(p. 298).
Gerelateerde informatie
•
Lamp vervangen - positie lampen achterzijde (p. 376)
Knop voor alarmlichten.
Druk op de knop om de alarmlichten te activeren. Beide richtingaanwijzersymbolen op
het instrumentenpaneel knipperen bij gebruik
van de alarmlichten.
Wanneer de auto dermate hard is afgeremd
dat de noodremlichten in werking zijn getreden, worden, zodra de snelheid van de auto
tot onder de 10 km/h is gedaald, automatisch
de alarmlichten ingeschakeld. Ook nadat de
auto tot stilstand is gekomen, blijven de
alarmlichten knipperen. Wanneer u weer weg-
90
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
rijdt, worden ze automatisch uitgeschakeld. U
kunt ook op de knop voor de alarmlichten
drukken. Voor meer informatie over de noodremlichten en de automatische alarmlichten,
zie Bedrijfsrem - noodremlichten en automatische alarmlichten (p. 298).
Richtingaanwijzer
De richtingaanwijzers van de auto zijn te
bedienen met de linker stuurhendel. De richtingaanwijzers knipperen driemaal of blijven
knipperen, afhankelijk van hoe ver u de hendel
omhoog- of omlaaghaalt.
Gerelateerde informatie
•
worden of veert automatisch terug bij het
terugdraaien van het stuurwiel.
Richtingaanwijzersymbolen
Voor de richtingaanwijzersymbolen, zie
Instrumentenpaneel - betekenis controlesymbolen (p. 66).
Gerelateerde informatie
Richtingaanwijzer (p. 91)
•
•
•
Alarmlichten (p. 90)
03
Lamp vervangen - positie lampen achterzijde (p. 376)
Lamp vervangen - positie lampen voorzijde (p. 372)
Richtingaanwijzer.
Korte serie knippersignalen
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag
naar de eerste stand en laat de hendel
vervolgens los. De richtingaanwijzers lichten driemaal op. U kunt het systeem activeren/deactiveren in het menusysteem
MY CAR, zie MY CAR (p. 108).
Onafgebroken serie knippersignalen
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag
naar de tweede stand.
De hendel blijft in deze stand staan en kan
handmatig in de uitgangspositie teruggezet
91
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Interieurverlichting
Leeslampjes voorin*
De interieurverlichting is te activeren/deactiveren met de knoppen van de bedieningspanelen aan het plafond voor- en achterin.
De leeslampjes worden in- en uitgeschakeld
met een korte druk op de bijbehorende knop
op de plafondconsole.
De lichtsterkte wordt aangepast door de knop
ingedrukt te houden.
Leeslampjes achterin*
De intensiteit van de vloerverlichting is te wijzigen in het menusysteem MY CAR, zie MY
CAR (p. 108).
Verlichting in de opbergvakken van de
voorportieren*
De verlichting in de opbergvakken gaat branden wanneer de motor start.
Verlichting dashboardkastje
03
De verlichting in het dashboardkastje wordt
in- en uitgeschakeld bij het openen en sluiten
van de klep van het kastje.
Verlichting make-upspiegel
De verlichting van de make-upspiegel
(p. 148), wordt bij het openen en sluiten van
het klepje in- en uitgeschakeld.
Knoppen op plafondconsole voor bediening
leeslampjes en interieurverlichting voorin.
Leeslampje linkerzijde
Interieurverlichting (vloerverlichting* en
plafondverlichting) - Aan/Uit
Automatische bediening voor interieurverlichting
Leeslampje rechterzijde
Alle verlichting in het interieur kan handmatig
in- en uitgeschakeld worden binnen 30 minuten nadat:
92
•
de motor is afgezet en het elektrische
systeem van de auto in 0 staat
•
de auto ontgrendeld is zonder dat de
motor is gestart.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Leeslampjes achterin.
De lampjes worden in- en uitgeschakeld met
een korte druk op de bijbehorende knop.
De lichtsterkte wordt aangepast door de knop
ingedrukt te houden.
Vloerverlichting en
achtergrondverlichting*
Voor een betere interieurverlichting tijdens het
rijden is het mogelijk een gedempte vorm van
vloerverlichting te activeren.
Voor het vervangen van het lampje, zie Lamp
vervangen - verlichting make-upspiegel
(p. 377).
Verlichting in bagageruimte
De bagageruimteverlichting wordt bij het openen en sluiten van de achterklep automatisch
in- en uitgeschakeld.
Automatische bediening voor
interieurverlichting
De automatische bediening is geactiveerd
wanneer het lampje in de knop AUTO brandt.
De interieurverlichting wordt dan volgens het
onderstaande in- en uitgeschakeld.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
De interieurverlichting wordt ingeschakeld en
blijft 30 seconden lang branden, als:
•
u de auto met de afstandsbediening ontgrendelt, zie Transpondersleutel - functies
(p. 161) of Afneembaar sleutelblad - portier ontgrendelen (p. 166)
•
de motor is afgezet en het elektrische
systeem van de auto in 0 staat.
De interieurverlichting dooft, wanneer:
•
•
u de motor start
de auto wordt vergrendeld.
De interieurverlichting wordt in- en uitgeschakeld bij het openen en sluiten van een portier.
De verlichting gaat aan en blijft twee minuten
lang branden, wanneer een van de portieren
openstaat.
Als u een bepaalde verlichtingsfunctie handmatig inschakelt, zal deze na twee minuten
automatisch worden uitgeschakeld.
Sfeerverlichting*
Wanneer de reguliere interieurverlichting is
uitgegaan en de motor draait, brandt er een
ledje op de voorste of achterste plafondconsole voor een zwakke sfeerverlichting tijdens
de rit. Bovendien kunt u door de verlichting in
het donker eventuele voorwerpen in de
opbergvakken e.d. beter zien. Deze verlichting gaat bij het afzetten van de motor uit. De
intensiteit en kleur van de verlichting is te wijzigen in het menusysteem MY CAR, zie MY
CAR (p. 108).
Follow Me Home-verlichting
Approach-verlichting
De Approach-verlichting maakt gebruik van
de dimlichten, de parkeerlichten, de lampjes
in de buitenspiegels, de kentekenplaatverlichting alsook de plafond- en vloerverlichting in
de auto.
De Approach-verlichting maakt gebruik van
de parkeerlichten, lampjes in de buitenspiegels, kentekenplaatverlichting alsook de plafond- en vloerverlichting in de auto.
Het is mogelijk om een deel van de buitenverlichting enige tijd ingeschakeld te houden en
als Follow Me Home-verlichting dienst te
laten doen na vergrendeling van de auto.
1. Neem de transpondersleutel uit het contactslot.
2. Haal de linker stuurhendel tot in de eindstand naar het stuurwiel toe en laat de
hendel los. De functie is op dezelfde
manier te activeren als de grootlichtsignalen, zie Groot licht/dimlicht (p. 86).
3. Stap uit de auto en vergrendel het portier.
Wanneer de functie is geactiveerd, branden
de dimlichten, de parkeerlichten, de verlichting van de buitenspiegels, de kentekenplaatverlichting, de plafondverlichting in het interieur en de vloerverlichting.
U activeert de Approach-verlichting met de
transpondersleutel, zie Transpondersleutel functies (p. 161), om de verlichting van de
auto op afstand in te schakelen.
03
Wanneer de functie is geactiveerd vanaf de
afstandsbediening, gaan de dimlichten, de
parkeerlichten, de richtingaanwijzers, de verlichting van de buitenspiegels, de kentekenplaatverlichting, de plafondlampjes in het
interieur en de instapverlichting branden.
De duur van de Approach-verlichting is in te
stellen in het menusysteem MY CAR, zie MY
CAR (p. 108).
Gerelateerde informatie
•
Follow Me Home-verlichting (p. 93)
De duur van de Follow Me Home-verlichting
is in te stellen in het menusysteem MY CAR,
zie MY CAR (p. 108).
Gerelateerde informatie
•
Approach-verlichting (p. 93)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
93
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Koplampen - lichtbundel aanpassen
Actieve xenonkoplampen*
Om verblinding van tegenliggers te voorkomen kunt u de lichtbundel van de koplampen
aanpassen voor links- en rechtsrijdend verkeer.
De lichtbundel hoeft niet te worden aangepast. De lichtbundel is dusdanig dat tegenliggers niet worden verblind.
Halogeenkoplampen
Bij halogeenkoplampen past u de lichtbundel
aan door bepaalde delen van het koplampglas af te plakken. De sterkte van de lichtbundel neemt daardoor iets af.
03
Koplampen afplakken
G021151
1. Afgebeelde mallen A en B voor auto met
stuur links of C en D voor auto met stuur
rechts, zie het latere gedeelte ‘Mallen
voor halogeenkoplampen’:
Lichtbundel linksrijdend verkeer.
•
A = LHD Right (auto met het stuur
links, rechter koplampglas)
•
B = LHD Left (auto met het stuur links,
linker koplampglas)
•
C = RHD Right (auto met het stuur
rechts, rechter koplampglas)
•
D = RHD Left (auto met het stuur
rechts, linker koplampglas)
G021152
2. Breng de mallen over op een stuk zelfklevend en watervast materiaal en knip ze
uit.
Lichtbundel rechtsrijdend verkeer.
94
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
3. Neem de designstrepen op de koplampglazen als uitgangspunt, zie de lijnen op
de volgende afbeelding. Plaats de zelfklevende mallen met behulp van de afbeelding naast de designstrepen.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
03
Bovenste regel: auto met stuur links, mallen A en B. Onderste regel: auto met stuur rechts, mallen C en D.
}}
95
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
Mallen voor halogeenkoplampen
03
96
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Wissers en -sproeiers
Intervalstand
Regensensor*
De ruitenwisser en -sproeier reinigen de voorruit en achterruit. De koplampen worden met
hogedruksproeiers gereinigd.
Met het duimwiel kunt u het aantal
wisslagen per eenheid van tijd
instellen wanneer u de intervalstand
hebt geselecteerd.
De regensensor registreert de hoeveelheid
regen op de voorruit en schakelt automatisch
de ruitenwissers op de voorruit in. De gevoeligheid van de regensensor is in te stellen met
het duimwiel.
Ruitenwissers22
Ononderbroken wissen
De wissers bewegen op normale
snelheid.
De wissers bewegen op hoge snelheid.
BELANGRIJK
Ruitenwissers en -sproeiers.
Regensensor aan/uit
Duimwiel gevoeligheid regensensor/snelheid ruitenwissers
Ruitenwissers uitgeschakeld
Haal de hendel naar stand 0 om de
ruitenwissers uit te schakelen.
Enkele slag
Haal de hendel omhoog en laat
deze los om de wissers een enkele
slag te laten maken.
22
Voordat u de wissers in de winter activeert, moet u controleren of de wisserbladen niet zijn vastgevroren en of evt.
sneeuw of ijs op de voorruit (en achterruit)
is weggehaald.
BELANGRIJK
Gebruik voldoende sproeiervloeistof als de
wissers de voorruit schoonmaken. De
voorruit moet nat zijn als de ruitenwissers
werken.
Servicestand wisserbladen
Voor het reinigen van voorruit/wisserbladen
en het vervangen van wisserbladen, zie Wisserbladen (p. 378) en Wasstraat (p. 397).
Wanneer de regensensor actief is, brandt het
lampje in de bijbehorende knop en verschijnt
op het instruhet regensensorsymbool
mentenpaneel.
03
Activeren en gevoeligheid instellen
Om de regensensor te activeren dient de
motor te lopen of de transpondersleutel in
stand I of II te staan en de ruitenwisserhendel
in stand 0 of die voor een enkele wisslag.
Activeer de regensensor door op de knop
te drukken. De ruitenwissers maken
een slag.
Als u de hendel omhooghaalt, maken de ruitenwissers een extra slag.
Draai het duimwiel omhoog voor een grotere
gevoeligheid en omlaag voor een lagere
gevoeligheid. (de wissers maken een extra
slag, als u het duimwiel omhoogdraait.)
Deactiveren
Deactiveer de regensensor met een druk op
de knop
of haal de hendel omlaag naar
een ander wisprogramma.
Voor het vervangen van wisserbladen en de servicestand van de wisserbladen, zie Wisserbladen (p. 378). Voor het bijvullen van sproeiervloeistof, zie Sproeiervloeistof - bijvullen (p. 381).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
}}
97
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
De regensensor wordt automatisch gedeactiveerd wanneer u de transpondersleutel uit het
contactslot neemt of vijf minuten nadat u de
motor hebt afgezet.
BELANGRIJK
03
In de wasstraat kunnen de ruitenwissers
van de voorruit starten en beschadigd
raken. Schakel de regensensor uit terwijl
de auto loopt of de transpondersleutel in
stand I of II staat. Het symbool op het
instrumentenpaneel en het lampje in de
knop doven.
Koplamp- en ruitensproeiers
Ruitensproeiers voorruit
Nadat u de hendel hebt losgelaten maken de
ruitenwissers op de voorruit nog enkele slagen en worden de koplampen gesproeid.
Hogedruksproeiers koplampen*
De hogedruksproeiers van de koplampen verbruiken een grote hoeveelheid sproeiervloeistof. Om vloeistof te besparen, worden de
koplampen alleen iedere vijfde keer dat u de
voorruitsproeiers activeert gesproeid.
Ruitenwisser achterklep – intervalstand
Gereduceerde sproeifunctie
Ruitenwisser achterklep – continu wissen
Wanneer er nog ca. 1 liter sproeiervloeistof in
het reservoir zit en op het instrumentenpaneel
de melding verschijnt dat u sproeiervloeistof
moet bijvullen, worden de koplampen en de
achterruit niet langer schoongesproeid. Dit
omdat de sproeifunctie van de voorruit en
een goed zicht door de voorruit de voorrang
hebben.
Sproeierfunctie.
98
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Achterruitwisser en -sproeier
U activeert de sproeiers van de voorruit en de
koplampen door de hendel naar het stuurwiel
toe te trekken.
Wanneer u de hendel naar voren haalt (zie pijl
op bovenstaande afbeelding), activeert u de
ruitenwisser/-sproeier van de achterklep.
N.B.
De achterruitwisser is beveiligd tegen
oververhitting zodat de wissermotor wordt
uitgeschakeld bij oververhitting. De achterruitwisser werkt weer na een periode van
afkoelen (30 seconden of langer afhankelijk van de motor- en de omgevingstemperatuur).
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Ruitenwisser achterklep, achteruitrijden
Elektrisch bedienbare ruiten
Als u de auto in de achteruitversnelling zet
terwijl de voorste ruitenwissers actief zijn, zal
de intervalstand van de ruitenwisser op de
achterklep starten23. Bij het inschakelen van
een andere versnelling valt de ruitenwisser op
de achterklep stil.
Vanaf het bedieningspaneel van het bestuurdersportier zijn alle elektrisch bedienbare ruiten te bedienen. Vanaf de bedieningspanelen
van de overige portieren zijn alleen de ruiten
van het desbetreffende portier te bedienen.
N.B.
Sproeiervloeistof - bijvullen (p. 381)
Sproeiervloeistof - kwaliteit en hoeveelheid (p. 418)
03
WAARSCHUWING
Op auto's met een regensensor wordt bij
achteruitrijden de achterruitwisser geactiveerd, op voorwaarde dat de sensor geactiveerd is en het regent.
•
•
WAARSCHUWING
Controleer of kinderen of andere passagiers niet bekneld raken als de ramen worden gesloten, ook als de transpondersleutel wordt gebruikt.
Als de ruitenwisser op de achterklep echter al
op continue snelheid werkt, vindt er geen wijziging plaats.
Gerelateerde informatie
WAARSCHUWING
Controleer of er geen passagier op de achterbank bekneld raakt als de ramen vanaf
het bestuurdersportier worden gesloten.
Bedieningspaneel op bestuurdersportier.
Elektrisch kinderslot op achterportieren*
en achterste zijruiten, zie Kinderslot elektrische activering* (p. 179).
Als er kinderen in de auto aanwezig zijn,
moet altijd de stroom naar de elektrisch
bedienbare ruiten worden onderbroken
door te kiezen voor sleutelstand 0 en vervolgens de transpondersleutel mee te
nemen uit de auto. Voor informatie over
sleutelstanden, zie Sleutelstanden - functies in verschillende standen (p. 76).
Bedieningsknoppen achterste zijruiten
Bedieningsknoppen voorste zijruiten
23
Deze functie (intervalstand tijdens het achteruitrijden) kunt u desgewenst uitschakelen. Bezoek een werkplaats. Volvo adviseert u daarvoor contact op te nemen met een erkende Volvo-dealer.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
}}
99
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
Bediening
03
Bedieningsknoppen elektrisch bedienbare zijruiten.
Handmatige bediening
Automatische bediening
Met het bedieningspaneel van het bestuurdersportier kunnen alle elektrisch bedienbare
ruiten worden bediend. De bedieningspanelen van de overige portieren kunnen alleen de
ruit van het desbetreffende portier bedienen.
Er kan slechts één bedieningspaneel tegelijk
worden bediend.
Om de elektrisch bedienbare ruiten te kunnen
gebruiken moet de sleutelstand minimaal I
zijn - zie Sleutelstanden - functies in verschillende standen (p. 76). Na uitschakeling van
de motor kunnen de elektrisch bedienbare
ruiten gedurende enkele minuten na verwijdering van de transpondersleutel worden
100
bediend, maar niet nadat er een portier is
geopend.
Bediening met transpondersleutel en
centrale vergrendeling
De ruiten komen tot stilstand en worden
geopend, als ze tijdens het sluiten in hun
beweging worden gehinderd. Wanneer sluiten
onmogelijk is door bijvoorbeeld ijsvorming,
kan de beveiliging tegen overbelasting worden opgeheven. Wanneer de zijruiten tweemaal achtereen niet konden worden gesloten,
wordt de beveiliging tegen overbelasting
korte tijd gedeactiveerd. Sluiten is daarna
mogelijk door de bedieningsknop omhoog te
trekken en vast te houden.
Om de elektrisch bedienbare zijruiten vanaf
de buitenzijde te bedienen met de transpondersleutel of vanaf de binnenzijde met de
centrale vergrendeling, zie Transpondersleutel (p. 157) en Vergrendelen/ontgrendelen van de binnenzijde (p. 173).
N.B.
Om het pulserende windgeluid te verminderen als de beide achterruiten open
staan, kunt u de voorste ruiten ook een
stukje openen.
Handmatige bediening
Trek voorzichtig een van de bedieningsknoppen omhoog of duw er een omlaag. De elektrisch bedienbare zijruiten komen steeds verder omhoog of omlaag zolang u de bedieningsknop bedient.
Automatische bediening
Trek een van de bedieningsknoppen omhoog
of duw er een omlaag en laat deze vervolgens
los. De bijbehorende zijruit gaat automatisch
volledig open of dicht.
Resetten
Als de accu losgekoppeld is geweest, werkt
de automatische openingsfunctie pas weer
naar behoren wanneer u deze hebt gereset.
1. Trek de knop aan de voorkant omhoog
om de ruit helemaal te sluiten en houd de
knop een seconde in deze stand vast.
2. Laat de knop korte tijd los.
3. Trek de voorkant van de knop opnieuw
een seconde omhoog.
WAARSCHUWING
Resetten is nodig om de klembeveiliging te
laten werken.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Buitenspiegels
WAARSCHUWING
Stel de stand van de buitenspiegels bij met
het hendeltje op het bedieningspaneel van het
bestuurdersportier.
Beide spiegels zijn groothoekig voor een
optimaal zicht. Voorwerpen kunnen verder
weg lijken dan ze in werkelijkheid zijn.
Instellingen vastleggen24
De instellingen van de buitenspiegels en de
bestuurdersstoel zijn voor alle transpondersleutels apart op te slaan in het autosleutelgeheugen*, zie Transpondersleutel - personalisering* (p. 158).
Buitenspiegel kantelen bij parkeren24
De buitenspiegels kunnen omlaaggekanteld
worden, zodat u bijvoorbeeld tijdens het parkeren de kant van de weg te kan zien.
Bedieningsknoppen buitenspiegels.
Instellen
1. Druk op knop L voor de buitenspiegel
links of op R voor de buitenspiegel
rechts. Het lampje in de knop brandt.
2. U kunt de stand afstellen met het hendeltje in het midden.
3. Druk opnieuw op knop L of R. Het lampje
mag niet langer branden.
24
–
Schakel de achteruitversnelling in en druk
op de knop L of R.
Bij het inschakelen van een andere versnelling nemen de gekantelde buitenspiegels na
ca. 10 seconden de oorspronkelijke stand
weer in. Dat gebeurt eerder, als u de knop L
of R indrukt.
snelling haalt, nemen de buitenspiegels na
enige tijd automatisch hun oorspronkelijke
stand weer in.
U kunt het systeem activeren/deactiveren in
het menusysteem MY CAR, zie MY CAR
(p. 108).
Automatische inklapfunctie bij
vergrendelen24
Wanneer u de auto vanaf de transpondersleutel vergrendelt/ontgrendelt worden de buitenspiegels automatisch in- of uitgeklapt.
03
U kunt het systeem activeren/deactiveren in
het menusysteem MY CAR, zie MY CAR
(p. 108).
In neutrale stand terugzetten
Spiegels die uit positie zijn geraakt door
invloeden van buitenaf, moeten eerst elektrisch in de neutrale stand worden teruggezet
zodat het elektrisch in- en uitklappen weer
correct werkt:
1. Klap de spiegels in met de knoppen L en
R.
Automatisch kantelende buitenspiegel
bij parkeren24
2. Klap de spiegels weer uit met de knoppen L en R.
Bij het inschakelen van de achteruitversnelling worden de buitenspiegels automatisch
omlaaggekanteld, zodat u bijvoorbeeld tijdens het parkeren de kant van de weg kan
zien. Wanneer u de auto uit de achteruitver-
3. Herhaal de bovenstaande procedure zo
nodig.
De spiegels staan daarmee weer in de neutrale stand.
Alleen in combinatie met een elektrisch bedienbare stoel met geheugen, zie Voorstoelen - elektrisch bediend (p. 79).
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
101
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
Elektrisch inklapbare buitenspiegels*
U kunt de buitenspiegels inklappen bij het
parkeren en als u op smalle wegen rijdt:
1. Druk de knoppen L en R gelijktijdig in
(sleutelstand minimaal I).
03
2. Laat ze na ca. 1 seconde los. De spiegels
stoppen automatisch, als ze volledig zijn
ingeklapt.
Ruiten en buitenspiegels - elektrische
verwarming
niets doet, wordt de functie na enige tijd
automatisch uitgeschakeld.
De elektrische verwarming dient om de vooren achteruit en de buitenspiegels te ontwasemen en te ontdooien.
Zie ook Voorruit ontwasemen en ontdooien
(p. 133).
Elektrische voorruit-*, achterruit- en
buitenspiegelverwarming
Klap de spiegels uit door de knoppen L en R
tegelijkertijd in te drukken. De spiegels stoppen automatisch, als ze volledig zijn uitgeklapt.
Het kompas (p. 104) wordt gedeactiveerd als
de elektrische voorruitverwarming wordt
geactiveerd. Als de elektrische voorruitverwarming wordt gedeactiveerd, schakelt het
kompas weer in.
‘Approach’-verlichting en ‘Follow Me
Home’-verlichting
De lampjes op de buitenspiegels gaan branden, wanneer u de Approach-verlichting
(p. 93) of de Follow Me Home-verlichting
(p. 93) selecteert.
Gerelateerde informatie
•
•
Achteruitkijkspiegel (p. 103)
Ruiten en buitenspiegels - elektrische
verwarming (p. 102)
Elektrische voorruitverwarming
Elektrische voorruit-, achterruit- en buitenspiegelverwarming
Gebruik de functie om voorruit, achterruit en
buitenspiegels te ontwasemen en te ontdooien.
Bij eenmaal indrukken van de desbetreffende
knop gaat de verwarming van start. Het brandende lampje in de knop geeft aan dat de
functie actief is. Schakel de verwarming uit
zodra het ijs/de condens verdwenen is om de
accu niet onnodig te belasten. Als u echter
102
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
De buitenspiegels en de achterruit worden
automatisch van condens/ijsvorming ontdaan, als u de auto start bij een buitentemperatuur lager dan +7 °C. Automatische ontwaseming is te selecteren in het menusysteem
MY CAR, zie MY CAR (p. 108).
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Achteruitkijkspiegel
Autodimfunctie*
Glazen dak*
De achteruitkijkspiegel is te dimmen met een
knopje aan de onderkant van de spiegel. Ook
is het mogelijk dat de autodimfunctie van de
achteruitkijkspiegel actief is.
Als het licht dat van achteren in de spiegel
valt te fel is, wordt de achteruitkijkspiegel
automatisch gedimd. Bij een spiegel met
autodimfunctie ontbreekt het hendeltje voor
handmatig dimmen.
Het rolgordijn van het glazen dak is te bedienen met de knoppen op de plafondconsole.
De achteruitkijkspiegel is voorzien van twee
sensoren (één aan de voorkant en één aan de
achterkant) die samenwerken om hinderlijke
lichtinval te identificeren en te verhelpen. De
sensor aan de voorkant registreert omgevingslicht, terwijl de sensor aan de achterkant
de koplampen van achterliggers registreert.
Het glazen dak zit vast, maar het elektrisch
bediende rolgordijn is in de sleutelstand I of II
te bedienen met de bedieningsknoppen op
de plafondconsole. Voor informatie over sleutelstanden, zie Sleutelstanden - functies in
verschillende standen (p. 76).
03
N.B.
Als de sensoren door bijvoorbeeld parkeervergunningen, transponders, zonnekleppen of voorwerpen op de achterbank
of in de bagageruimte dusdanig worden
gehinderd dat er geen licht op de sensoren
valt, gelden er beperkingen voor de autodimfunctie van de achteruitkijkspiegel.
Hendeltje voor dimfunctie
Handmatige dimfunctie
Fel licht van achteren kan hinderlijke reflecties
in de achteruitkijkspiegel veroorzaken en u
verblinden. Zet de spiegel met het hendeltje
in de dimstand, wanneer u de verlichting van
het achteropkomende verkeer als hinderlijk
ervaart:
1. Activeer de dimfunctie door het hendeltje
naar u toe te halen.
Kompas (p. 104) is alleen een optie voor een
achteruitkijkspiegel met autodimfunctie.
Gerelateerde informatie
•
Buitenspiegels (p. 101)
Automatisch openen tot de eindstand
Handmatig openen tot de knop wordt losgelaten
Handmatig sluiten tot de knop wordt losgelaten
Automatisch sluiten tot de eindstand
2. Deactiveer de dimfunctie door het hendeltje naar de voorruit toe te duwen.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
103
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
BELANGRIJK
•
Raak het rolgordijn niet met de handen
aan, omdat dit dan beschadigd kan
raken.
•
Gebruik voor bediening van het rolgordijn alleen de knoppen op de plafondconsole.
Kompas
Op de achteruitkijkspiegel zit een display
waarop wordt aangegeven in welke richting
de voorkant van de auto wijst.
Bediening
Het kompas wordt gedeactiveerd, wanneer u
de elektrische voorruitverwarming inschakelt.
Wanneer u de elektrische voorruitverwarming
uitschakelt, wordt het kompas weer geactiveerd.
Kalibreren
03
De aarde is in 15 magnetische zones verdeeld. Het kompas is ingesteld op het geografische gebied waarin de auto werd afgeleverd. Het kompas dient te worden gekalibreerd, als u met de auto meerdere magnetische zones doorkruist. Ga als volgt te werk:
Achteruitkijkspiegel met kompas.
In de rechter bovenhoek van de achteruitkijkspiegel zit een display waarop wordt aangegeven in welke richting de voorkant van de
auto wijst. Er worden acht verschillende richtingen met Engelse afkortingen weergegeven:
N (noord), NE (noordoost), E (oost), SE (zuidoost), S (zuid), SW (zuidwest), W (west) en
NW (noordwest).
Het kompas* wordt automatisch geactiveerd,
wanneer u de motor start of wanneer sleutelstand II actief is, zie Sleutelstanden - functies
in verschillende standen (p. 76). Om het kompas handmatig uit of in te schakelen kunt u
een paperclip of iets dergelijks nemen en het
104
knopje aan de achterzijde van de achteruitkijkspiegel indrukken.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
1. Breng de auto tot stilstand op een groot
en open terrein waar geen stalen constructies of hoogspanningsdraden zijn.
2. Start de motor.
N.B.
Voor de beste kalibratie moet u alle elektrische uitrusting (klimaatinstallatie, ruitenwissers enz.) uitschakelen en erop letten
dat alle portieren gesloten zijn.
3. Houd het knopje aan de achterzijde van
de achteruitkijkspiegel ca. 3 seconden
lang ingedrukt. Het cijfer van de huidige
magnetische zone verschijnt.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Menufuncties - instrumentenpaneel
Met de linker stuurhendel bedient u de
menu’s die op het informatiedisplay van het
instrumentenpaneel (p. 61) verschijnen. Welke
menu’s er verschijnen hangt af van de sleutelstand (p. 76).
G030295
03
Magnetische zones.
Informatiedisplays (digitaal instrumentenpaneel)
en bedieningsknoppen voor menufuncties.
4. Druk meerdere malen op het knopje totdat het nummer van de gewenste magnetische zone (1–15) verschijnt (zie de kaart
met de magnetische zones van het kompas).
5. Wacht totdat het teken C weer op het
display verschijnt of houd het knopje aan
de onderzijde van de achteruitkijkspiegel
ca. 6 seconden lang ingedrukt (met een
rechtgebogen paperclip bijvoorbeeld),
totdat het teken C verschijnt.
6. Rijd langzaam een rondje in de auto met
een snelheid van hoogstens 10 km/h, totdat een kompasrichting op het display
verschijnt. Dit geeft aan dat de kalibratie
afgerond is. Rijd daarna nog 2 rondjes om
de kalibratie fijn af te stellen.
OK - menu openen en meldingen en
menu-opties bevestigen.
Duimwiel – menu-opties doorbladeren.
Informatiedisplay (analoog instrumentenpaneel)
en bedieningsknoppen voor menufuncties.
RESET - data in de gekozen boordcomputerstap resetten en ‘teruggaan’ in de
menustructuur.
Een eventuele melding, (p. 106) moet u eerst
bevestigen met de knop OK, voordat u de
menu’s kunt bekijken.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Meldingen - functies (p. 108)
Menu-overzicht - analoog instrumentenpaneel (p. 106)
Menu-overzicht - digitaal instrumentenpaneel (p. 106)
7. Herhaal de bovenstaande procedure zo
nodig.
105
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
03
Menu-overzicht - analoog
instrumentenpaneel
Menu-overzicht - digitaal
instrumentenpaneel
Welke menu’s er op het informatiedisplay van
het instrumentenpaneel verschijnen hangt af
van de sleutelstand (p. 76).
Welke menu’s er op het informatiedisplay van
het instrumentenpaneel verschijnen hangt af
van de sleutelstand (p. 76).
Voor sommige van de onderstaande menuopties dient de auto te zijn uitgerust met de
bijbehorende functie en software.
Voor sommige van de onderstaande menuopties dient de auto te zijn uitgerust met de
bijbehorende functie en software.
Digit. snlhd.
Instellingen*
Verwarming*
Thema's
Extra verw.*
Contraststand/Kleurstand
TC-opties
Servicestatus
Servicestatus
Meldingen27
Oliepeil25
Oliepeil28
Meldingen (##)26
Standkachel*
Gerelateerde informatie
•
Menufuncties - instrumentenpaneel
(p. 105)
•
Menu-overzicht - digitaal instrumentenpaneel (p. 106)
•
Instrumentenpaneel (p. 61)
25
26
27
28
106
Bepaalde motoren.
Het aantal meldingen staat tussen haakjes.
Het aantal meldingen staat tussen haakjes.
Bepaalde motoren.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Meldingen
Wanneer er een waarschuwings-, informatieof controlesymbool oplicht, verschijnt er
tevens een aanvullende melding op het informatiedisplay.
Melding
Betekenis
Stop auto
z.s.m.A
Breng de auto tot stilstand en zet de motor af.
Grote kans op schade –
bezoek een werkplaatsB.
Zet motor
afA
Breng de auto tot stilstand en zet de motor af.
Grote kans op schade –
bezoek een werkplaatsB.
Service
spoedA
Bezoek een werkplaatsB
om de auto onmiddellijk
te laten controleren.
Service vereistA
Bezoek een werkplaatsB
om de auto zo spoedig
mogelijk te laten controleren.
Zie instructieb.A
Neem het instructieboekje door.
Boordcomp reset
Gerelateerde informatie
•
Menufuncties - instrumentenpaneel
(p. 105)
•
Menu-overzicht - analoog instrumentenpaneel (p. 106)
•
Instrumentenpaneel (p. 61)
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Melding
Betekenis
Melding
Betekenis
Melding
Betekenis
Bespreek tijd
voor onderhoud
Het is tijd om een
afspraak te maken voor
een servicebeurt –
bezoek een werkplaatsB.
Versnellingsbak
Beperkte
werking
Tijdelijk uitgeschakeldA
Tijd voor
periodiek
onderhoud
Het is tijd voor een servicebeurt – bezoek een
werkplaatsB. Het moment
hangt af van de afgelegde
afstand, het aantal maanden dat sinds de laatste
servicebeurt is verstreken, het aantal draaiuren
van de motor en de
gebruikte oliekwaliteit.
De versnellingsbak werkt
niet op maximale capaciteit. Rijd voorzichtig totdat de melding verdwijntC.
De bijbehorende functie is
tijdelijk uitgeschakeld en
wordt na enige tijd rijden
of de volgende keer dat u
de motor start automatisch opnieuw ingeschakeld.
Accuspanning laag
Spaarstand
Het audiosysteem is uitgeschakeld om stroom te
besparen. Laad de accu
bij.
Onderhoudstermijn verstreken
Versnellingsbak Olie verversen
Als u de onderhoudstermijn niet respecteert, vallen beschadigde onderdelen niet langer onder de
garantie – bezoek een
werkplaatsB.
Bezoek een werkplaatsB
om de auto zo spoedig
mogelijk te laten controleren.
Bezoek bij herhaaldelijke
verschijning een werkplaatsB.
Versnellingsbak heet Rijd
langzamer
Versnellingsbak heet
Stop auto
z.s.m. Wachten op
afkoelen
Rijd voorzichtiger of
breng de auto zo spoedig
mogelijk tot stilstand. Zet
de versnellingsbak in de
neutraal en laat de motor
stationair draaien totdat
de melding verdwijntC.
Kritieke storing. Breng de
auto zo spoedig mogelijk
tot stilstand en bezoek
een werkplaatsB.
A
B
C
03
Deel van een melding, verschijnt samen met gegevens
over de locatie van de storing.
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Voor meer meldingen met betrekking tot de automatische
versnellingsbak.
Gerelateerde informatie
•
•
Meldingen - functies (p. 108)
Menufuncties - instrumentenpaneel
(p. 105)
107
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
03
Meldingen - functies
MY CAR
Met de linker stuurhendel kunt u door de meldingen (p. 106) bladeren die op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel verschijnen en deze bevestigen.
MY CAR is een menugroep voor hantering
van tal van autofuncties, zoals City Safety™,
sloten en alarm, automatische ventilatorsnelheid, klokinstelling e.d.
Wanneer er een waarschuwings-, informatieof controlesymbool oplicht, verschijnt er
tevens een aanvullende melding op het display. Foutmeldingen blijven in het geheugen
opgeslagen, totdat de onderliggende storing
is verholpen.
Sommige functies behoren tot de standaarduitrusting, andere zijn zogeheten opties – het
aanbod verschilt per markt.
Druk OK op de linker stuurhendel in om een
melding te bevestigen29. Gebruik het duimwiel (p. 105) om door de meldingen te bladeren.
Bediening
Navigatie in deze menu’s vindt plaats met
knoppen op de middenconsole of met de
toetsenset rechts op het stuurwiel*.
N.B.
Als er een waarschuwingsmelding verschijnt als de boordcomputer wordt
gebruikt, moet de melding worden gelezen
(druk op OK) voordat de eerdere activiteit
kan worden hervat.
Gerelateerde informatie
•
Menu-overzicht - analoog instrumentenpaneel (p. 106)
•
Menu-overzicht - digitaal instrumentenpaneel (p. 106)
29
108
Een melding kan ook met het duimwiel of de knop RESET worden bevestigd.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Bedieningspaneel op middenconsole en toetsenset op stuurwiel. De afbeelding is schematisch –
het aantal functies en de locatie van de knoppen
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
is afhankelijk van de gekozen uitrusting en de
desbetreffende markt.
MY CAR - opent het menusysteem MY
CAR.
OK/MENU - knop op de middenconsole
indrukken of het duimwiel op het stuurwiel om de gemarkeerde menu-optie te
kiezen/aan te vinken of de gekozen functie in het geheugen op te slaan.
TUNE - aan de draaiknop op de middenconsole of het duimwiel op het stuurwiel
draaien om een stap omhoog/omlaag te
gaan door de menu-opties.
EXIT
Menu-opties en zoekpaden
Boordcomputer
Voor een beschrijving van de menu-opties en
zoekpaden in MY CAR, zie het Sensus Infotainment-supplement.
De boordcomputer van de auto kan informatie
registreren, verwerken en weergeven.
Algemeen
Na de automatische activering van het instrumentenpaneel bij ontgrendeling zijn bediening
en instelling meteen mogelijk. Als u na het
openen van het bestuurdersportier niet binnen ca. 30 seconden op een van de boordcomputerknoppen drukt, dooft het instrument, waarna om opnieuw de boordcomputer
te kunnen bedienen eerst sleutelstand II
(p. 76) of motorstart vereist is.
N.B.
EXIT-functies
Als er een waarschuwingsmelding verschijnt tijdens het gebruik van de boordcomputer, dient u deze melding eerst te
bevestigen voordat u de boordcomputer
weer kunt activeren.
Afhankelijk van de functie en van het menuniveau waarop de aanwijzer staat op het
moment dat u EXIT kort indrukt, kan het volgende gebeuren:
•
•
•
•
•
•
telefoongesprekken worden geweigerd
de actuele functie wordt beëindigd
de ingevoerde tekens worden gewist
de laatste gemaakte keuze wordt geannuleerd
u beweegt omhoog in het menusysteem.
Bij lang indrukken van EXIT springt u naar de
normaalweergave voor MY CAR of naar het
hoogste menuniveau (hoofdbronmenu) als u
zich in de normaalweergave bevindt.
03
Bevestig deze melding door de knop
OK op de richtingaanwijzerhendel kort
in te drukken.
Groepsmenu’s
De boordcomputer heeft twee verschillende
groepsmenu’s:
•
•
Functies
Rubriek op instrumentenpaneel
}}
109
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
De functies of alternatieve rubrieken van de
boordcomputer volgen elkaar op in elk hun
eigen lus (loop).
Gerelateerde informatie
03
110
•
Boordcomputer - analoog instrumentenpaneel (p. 111)
•
Boordcomputer - digitaal instrumentenpaneel (p. 115)
•
Boordcomputer - aanvullende informatie
(p. 119)
•
Boordcomputer - rijstatistiek* (p. 120)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Boordcomputer - analoog
instrumentenpaneel
De menu’s van de boordcomputer volgens
elkaar op in een eindeloze lus. Een van opties
bestaat erin dat het boordcomputerdisplay
dooft – dit geeft tevens het begin/eind van de
lus aan.
Functies
Doe het volgende om functies te openen en
regelen/aanpassen:
1. Om er zeker van dat geen van de bedieningselementen zich midden in een procedure bevindt, moet u ze eerst ‘resetten’
door tweemaal drukken op RESET.
2. Druk op OK - de lus met de verschillende
functies wordt geopend.
03
3. Blader de functies door met het duimwiel
en kies/bevestig uw keuze met OK.
4. Sluit af door na de bediening/aanpassing
twee keer op RESET te drukken.
De volgende tabel geeft een overzicht van de
verschillende boordcomputerfuncties:
Informatiedisplay en bedieningselementen.
OK - Lus met de boordcomputerfuncties
starten en gemarkeerde optie activeren.
Duimwiel - Lus met de boordcomputerfuncties starten en opties doorbladeren.
RESET - Gekozen functie annuleren,
resetten of verlaten.
}}
111
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
03
Functies
Informatie
Digit. snlhd.
Geeft de rijsnelheid digitaal weer in het midden van het instrumentenpaneel:
•
•
•
•
km/h
mph
Open een functie met OK, kies een optie met het duimwiel, bevestig met OK en verlaat de
functie met ENTER.
Geen aanduiding
Verwarming*
•
•
DIRECTE START
•
- Timer 2 - voert naar het menu voor
selectie van het tijdstip.
Voor een beschrijving van het programmeren van de timer, zie Motor- en interieurverwarming* timers (p. 139).
- Timer 1 - voert naar het menu voor
selectie van het tijdstip.
Extra verw.*
Voor meer informatie, zie Extra verwarming* (p. 141).
• Aut Aan
• Uit
TC-opties
•
•
•
•
•
Actieradius op tank
Brandstofverbruik
Gemiddelde snelheid
Dagtellers T1 en tot afst
Dagtellers T2 en tot afst
Hier kiest/activeert u de opties die als boordcomputerrubrieken beschikbaar moeten zijn. De
symbolen voor reeds gekozen rubrieken zijn WIT en voorzien van een ‘vinkje’, bij de rest die
GRIJS is ontbreekt het ‘vinkje’.
1. Open de functie met OK, blader met het duimwiel de optiesymbolen door en stop met bladeren bij het symbool van uw keuze om het te markeren.
2. Bevestig met OK - het symbool verkleurt van GRIJS naar WIT en wordt voorzien van een
‘vinkje’.
3. Kies meer functiesymbolen met het duimwiel of sluit af met RESET.
Servicestatus
112
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Geef het resterend aantal maanden en het aantal kilometers tot de eerstvolgende servicebeurt
aan.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
A
Functies
Informatie
OliepeilA
Voor meer informatie, zie Motorolie - controleren en bijvullen (p. 365).
Meldingen (##)
Voor meer informatie, zie Meldingen (p. 106).
Bepaalde motoren.
Rubrieken
U kunt een van de rubrieken in de volgende
tabel uitkiezen voor constante weergave op
het instrumentenpaneel. Doe het volgende
om een keuze te maken:
1. Om er zeker van dat geen van de bedieningselementen zich midden in een procedure bevindt, moet u ze eerst ‘resetten’
door tweemaal drukken op RESET.
3. Stop met bladeren bij de rubriek van uw
keuze.
2. Draai aan het duimwiel - de te kiezen
boordcomputerrubrieken liggen in een
lus.
Boordcomputerrubriek op instrumentenpaneel
Informatie
Dagtellers T1 en tot afst
•
RESET lang indrukken om dagteller T1 op nul te stellen.
Dagtellers T2 en tot afst
•
RESET lang indrukken om dagteller T2 op nul te stellen.
Afst. tot leeg
Voor meer informatie, zie het gedeelte‘Bereik - actieradius op tank’ (p. 119).
Brandstofvrbr
Huidig verbruik.
Gem. snelh.
•
Geen boordcomputerinformatie.
Bij deze optie blijft het display leeg - dit geeft tevens het ‘begin’/‘einde’ van de lus aan.
Tijdens het rijden kunt u op ieder gewenst
moment een andere boordcomputerrubriek
voor het instrumentenpaneel kiezen: Ga als
volgt te werk:
03
•
RESET lang indrukken om Gem. snelh. op nul te stellen.
Draai aan het duimwiel - stop met bladeren bij de rubriek van uw keuze.
}}
113
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
Resetten - Dagteller en gemiddelde
snelheid
Met de actuele boordcomputerrubriek – T1
en tot afst, T2 en tot afst of Gem. snelh. –
op het instrumentenpaneel:
•
03
RESET lang indrukken - gekozen rubriek
wordt op nul gesteld.
U moet iedere rubriek apart op nul stellen.
Gerelateerde informatie
•
•
114
Boordcomputer (p. 109)
Boordcomputer - digitaal instrumentenpaneel (p. 115)
•
Boordcomputer - aanvullende informatie
(p. 119)
•
Boordcomputer - rijstatistiek* (p. 120)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Boordcomputer - digitaal
instrumentenpaneel
De menu’s van de boordcomputer volgens
elkaar op in een eindeloze lus. Een van opties
bestaat erin dat alle drie de boordcomputerdisplays doven – dit geeft tevens het begin/
eind van de lus aan.
Functies
Doe het volgende om functies te openen en
regelen/aanpassen:
1. Om er zeker van dat geen van de bedieningselementen zich midden in een procedure bevindt, moet u ze eerst ‘resetten’
door tweemaal drukken op RESET.
2. Druk op OK - de lus met de verschillende
functies wordt geopend.
03
3. Blader de functies door met het duimwiel
en kies/bevestig uw keuze met OK.
4. Sluit af door na de bediening/aanpassing
twee keer op RESET te drukken.
De volgende tabel geeft een overzicht van de
verschillende boordcomputerfuncties:
Informatiedisplays en bedieningselementen.
OK - Lus met de boordcomputerfuncties
starten en gemarkeerde optie activeren.
Duimwiel - Lus met de boordcomputerfuncties starten en opties doorbladeren.
RESET - Gekozen functie annuleren,
resetten of verlaten.
}}
115
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
Functies
Informatie
Boordcomp reset
NB Bij deze functie worden de beide dagtellers T1 en T2 niet op nul gesteld - zie tabel in het
volgende gedeelte ‘Rubrieken’ en het gedeelte ‘Op nul stellen - Snelheid/Verbruik gemiddeld’
voor informatie hierover.
•
•
03
Gemiddeld
Gemiddelde snelheid
Meldingen
Voor meer informatie, zie Meldingen (p. 106).
Thema's
Hier kiest u het uiterlijk van het instrumentenpaneel, zie Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht (p. 62).
Instellingen*
Selecteer Aut Aan of Uit.
Voor meer informatie, zie Extra verwarming* (p. 141).
Contraststand/Kleurstand
Lichtsterkte en kleurtemperatuur van het instrumentenpaneel instellen.
Standkachel*
Voor een beschrijving van het programmeren van de timer, zie Motor- en interieurverwarming*
- timers (p. 139).
• Directe start
• - Symbool Timer 1 - voert naar het menu
voor selectie van het tijdstip.
•
A
116
- Symbool Timer 2 - voert naar het menu
voor selectie van het tijdstip.
Servicestatus
Geef het resterend aantal maanden en het aantal kilometers tot de eerstvolgende servicebeurt
aan.
OliepeilA
Voor meer informatie, zie Motorolie - controleren en bijvullen (p. 365).
Bepaalde motoren.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Rubrieken
U kunt een van de rubriekcombinaties in de
volgende tabel uitkiezen voor constante
weergave op het instrumentenpaneel. Doe
het volgende om een keuze te maken:
1. Om er zeker van dat geen van de bedieningselementen zich midden in een procedure bevindt, moet u ze eerst ‘resetten’
door tweemaal drukken op RESET.
2. Draai aan het duimwiel - de te kiezen
rubriekcombinaties worden in een lus
weergegeven.
Er kunnen drie boordcomputerrubrieken tegelijk
worden weergegeven: één op elk van drie ‘vensters’.
03
3. Stop met bladeren bij de rubriekcombinatie van uw keuze.
Rubriekcombinaties
Informatie
Gemiddeld
Dagteller T1 + Kilometerstand
Gemiddelde snelheid
•
RESET lang indrukken om dagteller T1 op nul te stellen.
Huidig verbruik
Dagteller T2 + Kilometerstand
Actieradius op
tank
•
RESET lang indrukken om dagteller T2 op nul te stellen.
Huidig verbruik
Kilometerstand
kmh<>mph
Geen boordcomputerinformatie.
Tijdens het rijden kunt u op ieder gewenst
moment een andere rubriekcombinatie voor
kmh<>mph - ‘Digitale snelheidsaanduiding’, zie Boordcomputer - aanvullende informatie (p. 119).
Bij deze optie doven alle drie de boordcomputerdisplays - dit geeft tevens
het ‘begin’/‘einde’ aan van de lus.
de boordcomputer op het instrumentenpaneel kiezen: Ga als volgt te werk:
•
Draai aan het duimwiel - stop met bladeren bij de rubriek van uw keuze.
}}
117
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
Resetten - Dagtellers
Draai met het duimwiel naar de rubriekcombinatie die de op nul te stellen dagteller
bevat:
•
03
RESET lang indrukken - gekozen dagteller wordt op nul gesteld.
Op nul stellen - Snelheid/Verbruik
gemiddeld
1. Kies de functie Boordcomp
reset en activeer deze met OK.
2. Kies een van de volgende opties met het
duimwiel en activeer deze met OK:
•
•
•
l/100 km
km/h
Allebei resetten
3. Sluit af met RESET.
Gerelateerde informatie
•
•
118
Boordcomputer (p. 109)
Boordcomputer - analoog instrumentenpaneel (p. 111)
•
Boordcomputer - aanvullende informatie
(p. 119)
•
Boordcomputer - rijstatistiek* (p. 120)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Boordcomputer - aanvullende
informatie
Hier volgt aanvullende informatie over enkele
functies.
Gemiddeld
Het gemiddelde brandstofverbruik sinds de
laatste maal dat de waarde op nul gesteld
werd.
N.B.
Er kunnen onjuiste waarden verschijnen
als er een verwarming op brandstof* is
gebruikt.
Gemiddelde snelheid
De gemiddelde snelheid voor de afgelegde
afstand sinds de laatste nulstelling van de
waarde.
Huidig verbruik
De waarde voor het huidige verbruik wordt
voortdurend (ongeveer eenmaal per seconde)
bijgewerkt. Op lage snelheden wordt het verbruik weergegeven per eenheid van tijd – op
hoge snelheden verschijnt het verbruik per
eenheid van lengte.
U kunt verschillende eenheden (km/miles) kiezen voor de aanduiding – zie het onderstaande gedeelte‘Eenheid wijzigen’ (p. 119)
30
Bereik - actieradius op tank
Eenheid wijzigen
De boordcomputer geeft de afstand aan die
bij benadering kan worden afgelegd met de
resterende hoeveelheid brandstof in de tank.
U kunt van eenheid veranderen voor weergave van de afstand en snelheid (km/miles) in
het menusysteem MY CAR, zie MY CAR
(p. 108).
Wanneer de melding Afst. tot leeg ‘----’ verschijnt, zijn geen garanties meer te geven
voor de resterende actieradius.
•
N.B.
Een wijziging van deze eenheden is niet
alleen van toepassing op de boordcomputer maar ook op Volvo’s RTI-navigatiesysteem*.
Tank dan zo spoedig mogelijk.
De actieradius wordt berekend aan de hand
van het gemiddelde brandstofverbruik over
de laatste 30 km en de resterende hoeveelheid brandstof.
N.B.
Er kunnen onjuiste waarden verschijnen,
als u van rijstijl bent veranderd.
Een zuinige rijstijl betekent doorgaans een
langere actieradius. Voor meer informatie
over de wijze waarop u het brandstofverbruik
kunt beperken, zie Milieubeleid van Volvo Car
Corporation (p. 21).
03
Gerelateerde informatie
•
•
Boordcomputer (p. 109)
Boordcomputer - analoog instrumentenpaneel (p. 111)
•
Boordcomputer - digitaal instrumentenpaneel (p. 115)
•
Boordcomputer - rijstatistiek* (p. 120)
Snelheidsaanduiding Digital30
De snelheid wordt weergegeven in de eenheid (km/h / mph) die niet op het hoofdinstrument wordt gebruikt. Gebruik het hoofdinstrument mph als eenheid, dan wordt de snelheid
in km/h weergegeven op de boordcomputer
en omgekeerd.
Alleen bij een instrumentenpaneel type "Digital".
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
119
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Boordcomputer - rijstatistiek*
Bediening
Er wordt informatie vastgelegd over het
gemiddelde brandstofverbruik en de gemiddelde snelheid tijdens eerdere ritten. Deze
informatie is weer te geven op het beeldscherm in de vorm van een staafdiagram.
Er zijn verschillende instellingen mogelijk in
het menusysteem MY CAR, zie MY CAR
(p. 108) – ga naar Verbruiksinfo.
Functie
03
Met de optie ‘Resetten als motor min. 4
uur heeft uitgestaan’ gemarkeerd, worden
alle statistieken automatisch gewist als de
auto na afloop van de rit 4 uur stilgestaan
heeft. Bij de volgende keer starten van de
motor begint de ritstatistiek weer vanaf nul.
• Resetten als motor min. 4 uur heeft
uitgestaan – markeer het vakje met
ENTER aan en verlaat het menu met
EXIT.
Ritstatistiek31.
Afhankelijk van de gekozen schaalverdeling
symboliseert elke staaf een afgelegde afstand
van 1 km of 10 km - de staaf uiterst rechts
geeft de waarde aan voor de actuele kilometer of 10 km.
Met de TUNE-knop kunt u voor elke staaf van
schaal wisselen tussen 1 km en 10 km – de
aanwijzer rechts beweegt afhankelijk van de
gekozen schaal omhoog of omlaag.
31
120
Als er met een nieuwe rijcyclus wordt begonnen voordat de 4 uur zijn verstreken, moet de
actuele periode eerst handmatig worden
gewist met het alternatief ‘Nieuwe rit
starten’.
• Nieuwe rit starten – met ENTER wordt
alle eerdere statistiek gewist. Verlaat het
menu met EXIT.
Zie ook de informatie over Eco guide (p. 65).
Gerelateerde informatie
•
•
•
Boordcomputer (p. 109)
Boordcomputer - analoog instrumentenpaneel (p. 111)
Boordcomputer - digitaal instrumentenpaneel (p. 115)
De afbeelding is schematisch – afhankelijk van de softwareversie en de markt zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
•
Boordcomputer - aanvullende informatie
(p. 119)
KLIMAAT
04 Klimaat
Algemene informatie over de
klimaatregeling
De auto is voorzien van elektronische klimaatregeling. De klimaatregeling zorgt ervoor dat
de lucht in het interieur gekoeld, verwarmd of
van vocht ontdaan wordt.
plasje water onder de auto ontstaan. Dit
is volkomen normaal.
•
Wanneer de motor het maximale vermogen nodigt heeft (bijvoorbeeld als u
volgas optrekt of met een aanhanger achter de auto een helling oprijdt), is het
mogelijk dat de airconditioning tijdelijk
wordt uitgeschakeld. Er kan dan een tijdelijke temperatuurstijging optreden.
•
Maak in eerste instantie gebruik van de
ontwasemingsfunctie (p. 133) om condens van de binnenkant van de ruiten te
verwijderen. Houd de binnenzijde van de
ruiten schoon om het risico te beperken
dat ze beslaan.
Er zijn twee soorten klimaatregelingen:
•
Elektronische temperatuurregeling
(ETC) (p. 129)
•
Elektronische klimaatregeling
(ECC) (p. 128)
04
N.B.
Airconditioning (AC) (p. 133) uitschakelen,
maar voor optimaal klimaatcomfort in de
passagiersruimte en om te voorkomen dat
de ruiten beslaan dient u de airconditioning altijd te laten aanstaan.
Waar u op moet letten
•
122
Voor optimale werking van de airconditioning moet u de zijruiten gesloten houden.
•
Bij warm weer kunt u de doorluchtfunctie
(p. 174) gebruiken om alle zijruiten tegelijk korte tijd te openen en weer te sluiten
en op die manier snel voor frisse lucht in
de auto te zorgen.
•
Veeg sneeuw en ijs van de luchtinlaat
voor de klimaatregeling (de opening tussen de motorkap en de voorruit).
•
In warme weersomstandigheden kan er
ter hoogte van de airconditioning een
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Auto’s met Start/Stop*
Bij automatische afzetting (p. 286) van de
motor gelden er mogelijk beperkingen voor
de werking van bepaalde apparatuur (zoals
het ventilatortoerental (p. 131) van de klimaatregeling).
Auto’s met ECO*
Als de functie ECO (p. 295) wordt geactiveerd, kan de functie van bepaalde uitrusting
tijdelijk worden gereduceerd of uitgeschakeld, bijvoorbeeld de airconditioning (p. 133).
N.B.
Bij activering van de ECO-functie worden
enkele parameters in de instellingen van
de klimaatregeling gewijzigd en gelden
functiebeperkingen voor bepaalde elektrische verbruikers. Bepaalde instellingen zijn
handmatig te herstellen, maar de volledige
functionaliteit is alleen te verkrijgen door
de ECO-functie te deactiveren.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
Werkelijke temperatuur (p. 123)
Sensoren - klimaat (p. 123)
Menu-instellingen - klimaat (p. 125)
Luchtverdeling passagiersruimte (p. 126)
Luchtreiniging (p. 123)
Elektrische stoelverwarming voor*
(p. 130)
Elektrische achterbankverwarming*
(p. 130)
04 Klimaat
Werkelijke temperatuur
Sensoren - klimaat
Luchtreiniging
De ingestelde interieurtemperatuur komt overeen met de gevoelstemperatuur op basis van
de heersende omstandigheden in en rond de
auto wat de buitentemperatuur, de luchtsnelheid, de luchtvochtigheidsgraad, de ingestraalde warmte enz. betreft.
De klimaatregeling beschikt over enkele sensoren om de temperatuur (p. 123) in de auto
te regelen.
Het interieur werd dusdanig vormgegeven dat
het gerieflijk en comfortabel is – ook voor
mensen met contactallergieën of astma.
•
•
•
•
Het systeem beschikt over een zonnesensor
(p. 123) die de stand van de zon registreert.
Daardoor kan1 de temperatuur van de lucht
uit de blaasmonden links en rechts afwijken,
ondanks dat de temperatuurknoppen voor de
beide zijden in dezelfde stand staan.
•
De interieurtemperatuursensor zit onder
het bedieningspaneel van de klimaatregeling.
•
De buitentemperatuursensor zit in de buitenspiegel.
N.B.
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 122)
•
Temperatuurregeling passagiersruimte
(p. 132)
1
De zonnesensor zit boven op het dashboard.
Bedek of blokkeer de sensoren niet met
kledingstukken of andere voorwerpen.
•
Interieurfilter (p. 124)
Materiaal in de passagiersruimte (p. 125)
Clean Zone Interior Package
(CZIP) (p. 124)*
Interior Air Quality System
(IAQS) (p. 125)*
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 122)
04
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 122)
Geldt alleen voor ECC.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
123
04 Klimaat
Luchtreiniging - interieurfilter
Alle lucht die de passagiersruimte binnenkomt
wordt gereinigd door een filter.
Vervang het filter regelmatig. Raadpleeg het
Serviceprogramma van Volvo voor het aanbevolen vervangingsinterval. In zeer sterk verontreinigde gebieden moet u het filter mogelijk vaker vervangen.
Luchtreiniging - Clean Zone Interior
Package (CZIP)*
CZIP bestaat uit een aantal aanpassingen
zodat er minder stoffen in het interieur verwerkt die allergieën en/of astma kunnen verwekken.
Het volgende is inbegrepen:
•
N.B.
Er zijn verschillende soorten interieurfilters.
Let erop dat het juiste filter wordt gemonteerd.
04
Gerelateerde informatie
•
Luchtreiniging (p. 123)
•
124
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
N.B.
Om de CZIP-standaard in auto’s met CZIP
te behouden, dient het IAQS-luchtfilter om
de 15.000 km of tenminste eenmaal per
jaar te worden vervangen (afhankelijk van
wat het eerst wordt bereikt). Echter, maximaal 75.000 km per 5 jaar. In auto's zonder CZIP en als de klant niet de CZIP-standaard wil behouden, moet het IAQS-filter
bij een normale servicebeurt worden vervangen.
Een geavanceerde ventilatorfunctie die
inhoudt dat de ventilator aanslaat wanneer de auto via de transpondersleutel
wordt ontgrendeld. De ventilator vult het
interieur op die manier met verse lucht.
De functie start als dat nodig is en stopt
na bij het openen van een van de portieren. Bij inactiviteit wordt de functie na
enige tijd automatisch beëindigd. De tijd
dat de ventilatorfunctie werkt zal langzaam maar zeker korter worden, totdat de
auto 4 jaar oud is.
Het Interior Air Quality System IAQS
(p. 125) is een volautomatisch systeem
dat de lucht in de passagiersruimte ontdoet van verontreinigingen in de vorm van
stofdeeltjes, koolwaterstoffen, stikstofoxiden en laaghangend ozon.
Zie voor meer informatie over CZIP de brochure die u bij aankoop hebt ontvangen.
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 122)
•
Luchtreiniging (p. 123)
04 Klimaat
Luchtreiniging - IAQS*
Luchtreiniging - materiaal
Menu-instellingen - klimaat
Het Interior Air Quality System (IAQS) ontdoet
de binnenkomende lucht van gassen en stofdeeltjes om zo hinderlijke geurtjes en verontreinigingen in de passagiersruimte te beperken.
De gebruikte materialen zijn erop geselecteerd de hoeveelheid stof in de passagiersruimte te beperken, zodat de passagiersruimte gemakkelijker schoon te houden is.
Het is mogelijk de basisinstellingen voor vier
van de klimaatregelingsfuncties te activeren/
deactiveren of wijzigen via de middenconsole.
Bij verontreinigde buitenlucht wordt de luchtinlaat afgesloten om koolwaterstoffen, stikstofoxiden en laaghangend ozon buiten de
auto te houden. De lucht in de passagiersruimte wordt dan gerecirculeerd.
Het is mogelijk het systeem te activeren/
deactiveren in het menusysteem MY CAR.
Voor een beschrijving van het menusysteem,
zie MY CAR (p. 108).
N.B.
Voor de beste lucht in het interieur moet
de luchtkwaliteitssensor altijd zijn ingeschakeld.
De vloerbekleding in zowel de passagiersruimte als de bagageruimte zijn eenvoudig te
verwijderen en schoon te maken. Gebruik de
door Volvo geadviseerde schoonmaakmiddelen en autoverzorgingsproducten voor het reinigen van het interieur (p. 400).
Gerelateerde informatie
•
Luchtreiniging (p. 123)
•
Ventilatorstand bij automatische klimaatregeling (p. 132)*.
•
•
Recirculatietimer (p. 134).
•
Interior Air Quality System (p. 125)*.
Automatische achterruitverwarming
(p. 102).
De fabrieksinstellingen voor de klimaatregelingsfuncties zijn te herstellen via het menusysteem MY CAR. Voor een beschrijving van
het menusysteem, zie MY CAR (p. 108).
04
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 122)
In een koud klimaat is de automatische
recirculatie beperkt om het beslaan van de
ruiten te voorkomen.
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 122)
•
•
Luchtreiniging (p. 123)
Luchtreiniging - Clean Zone Interior Package (CZIP)* (p. 124)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
125
04 Klimaat
Luchtverdeling passagiersruimte
Blaasmonden in dashboard
Luchtverdeling
De binnenkomende lucht wordt verdeeld over
uiteenlopende blaasmonden verspreid over
het interieur.
04
In de stand AUTO* vindt de luchtverdeling
geheel automatisch plaats.
De luchtverdeling valt zo nodig handmatig bij
te regelen, zie luchtverdelingstabel (p. 135).
Open
Luchtverdeling - ontwaseming voorruit
Dicht
Luchtverdeling - blaasmond dashboard
Luchtstroom naar links of rechts
Luchtverdeling - ventilatie vloer
Luchtstroom omhoog of omlaag
Richt de blaasmonden op de zijruiten om
deze te ontwasemen.
N.B.
Denk eraan dat kleine kinderen gevoelig
kunnen zijn voor luchtstromen en tocht.
126
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
De gestileerde menselijke gedaante op de
nevenstaande afbeelding bestaat uit drie
knoppen. Bij bediening van de knoppen gaat
op het beeldscherm het desbetreffende
gedeelte van de gestiliseerde menselijke
gedaante (zie onderstaande afbeelding) branden samen met een pijl vóór dit gedeelte om
aan te geven welke luchtverdelingsstand er
gekozen is. Voor meer informatie, zie de
luchtverdelingstabel (p. 135).
04 Klimaat
Het display van de middenconsole geeft de
gekozen luchtverdelingsstand aan.
04
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 122)
•
•
Automatische regeling (p. 132)
Luchtverdeling - recirculatie (p. 134)
127
04 Klimaat
Elektronische klimaatregeling, ECC*
ECC (Electronic Climate Control) handhaaft
de temperatuur die in het interieur wordt
gekozen en kan voor de bestuurders- en passagierszijde apart worden ingesteld.
Met de autofunctie worden temperatuur, airconditioning, ventilatorsnelheid, recirculatie
en luchtverdeling automatisch geregeld.
04
Ventilator (p. 131)
AUTO - Automatische klimaatregeling
(p. 132)
Elektrisch verwarmde voorstoel (p. 130),
linkerkant
Elektrische voorruitverwarming en maximale ontwaseming (p. 133)*
128
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming (p. 102)
Temperatuurregeling (p. 132) linker-/
rechterkant instellen
Elektrisch verwarmde voorstoel (p. 130),
rechterkant
Temperatuurregeling (p. 132)
Luchtverdeling (p. 126) - ventilatie vloer
Recirculatie (p. 134)
Luchtverdeling - blaasmond dashboard
ECO* (p. 295)
Luchtverdeling - ontwaseming voorruit
AC - Airconditioning aan/uit (p. 133)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 122)
04 Klimaat
Elektronische temperatuurregeling ETC
Met ETC (Electronic Temperature Control) is
het klimaat handmatig te regelen.
04
Ventilator (p. 131)
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming (p. 102)
Elektrisch verwarmde voorstoel (p. 130),
linkerkant
Recirculatie (p. 134)
AC - Airconditioning aan/uit (p. 133)
Elektrisch verwarmde voorstoel (p. 130),
rechterkant
Elektrische voorruitverwarming en maximale ontwaseming*
Temperatuurregeling (p. 132)
Luchtverdeling (p. 126) - ventilatie vloer
Luchtverdeling - blaasmond dashboard
Luchtverdeling - ontwaseming voorruit
ECO* (p. 295)
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 122)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
129
04 Klimaat
Elektrische stoelverwarming voor*
•
De verwarming van de voorstoelen heeft drie
standen om het zitcomfort voor bestuurder en
voorpassagier bij kou te verhogen.
Laagste verwarmingsstand - er brandt
één oranje veld op het beeldscherm.
•
Verwarming uitschakelen - geen van de
velden brandt.
Elektrische achterbankverwarming*
De verwarming op de buitenste zitplaatsen
van de achterbank heeft drie standen om het
zitcomfort bij kou te verhogen.
WAARSCHUWING
Een elektrisch verwarmde stoel mag niet
worden gebruikt door personen die niet
goed kunnen voelen dat de temperatuur
toeneemt of die om een andere reden
moeilijkheden hebben om de elektrisch
verwarmde stoel te bedienen. Er kunnen
dan namelijk brandwonden ontstaan.
04
Gerelateerde informatie
Het display van de middenconsole geeft het
actuele verwarmingsniveau aan.
130
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 122)
•
Elektrische achterbankverwarming*
(p. 130)
De lampjes in de drukknoppen geven het actuele
verwarmingsniveau aan:
Druk herhaalde malen op de knop voor het
volgende:
•
Hoogste verwarmingsstand - er branden
drie lampjes.
•
Lagere verwarmingsstand - er branden
twee lampjes.
Druk herhaalde malen op de knop voor het
volgende:
•
Laagste verwarmingsstand - er brandt
één lampje.
•
Hoogste verwarmingsstand - er branden
drie oranje velden op het beeldscherm
van de middenconsole (zie bovenstaande
afbeelding).
•
Verwarming uitschakelen - geen van de
lampjes brandt.
•
Lagere verwarmingsstand - er branden
twee oranje velden op het beeldscherm.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Klimaat
WAARSCHUWING
Een elektrisch verwarmde stoel mag niet
worden gebruikt door personen die niet
goed kunnen voelen dat de temperatuur
toeneemt of die om een andere reden
moeilijkheden hebben om de elektrisch
verwarmde stoel te bedienen. Er kunnen
dan namelijk brandwonden ontstaan.
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 122)
•
Elektrische stoelverwarming voor* (p. 130)
•
Ventilator
Houd de ventilator altijd geactiveerd om te
voorkomen dat de ruiten beslaan.
Elektronische temperatuurregeling - ETC
(p. 129)
N.B.
Als de ventilator volledig uitgeschakeld is,
start de airconditioning niet – wat kans op
beslagen ruiten kan geven.
ECC*
Draai aan de knop om de
ventilatorsnelheid te verhogen of te verlagen, AUTO
schakelt uit. Als AUTO wordt
gekozen, wordt de ventilatorsnelheid automatisch
(p. 132) geregeld. De eerder
ingestelde ventilatorsnelheid wordt gedeactiveerd.
04
ETC
Draai aan de knop om de
ventilatorsnelheid te verhogen of te verlagen.
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 122)
•
Elektronische klimaatregeling, ECC*
(p. 128)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
131
04 Klimaat
Automatische regeling
Automatische regeling is alleen mogelijk bij
elektronische klimaatregeling (ECC) (p. 128).
De autofunctie regelt automatisch temperatuur
(p. 132), airconditioning
(p. 133), ventilatorsnelheid
(p. 131), recirculatie (p. 134)
en luchtverdeling (p. 126).
04
Als u een of meer handmatige functies selecteert, worden de overige functies nog steeds
automatisch geregeld. Alle handmatige instellingen worden uitgeschakeld, wanneer u op
de knop AUTO drukt. Op het display verschijnt AUTO-KLIMAAT.
Temperatuurregeling
passagiersruimte
Bij het starten van de motor wordt de laatst
verrichte temperatuurinstelling hervat.
N.B.
Het is niet mogelijk om het opwarmen/
afkoelen te versnellen door een hogere/
lagere temperatuur te kiezen dan die
eigenlijk gewenst is.
ECC*
Gerelateerde informatie
Gerelateerde informatie
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 122)
De actuele temperatuur voor beide zones staat
aangegeven op het display van de middenconsole.
132
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
ETC
Met deze draaiknop kunt u
de temperatuur in de passagiersruimte instellen.
U kunt de ventilatorsnelheid in de automatische stand instellen in het menusysteem MY
CAR. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie MY CAR (p. 108).
•
Met deze knop kunt u de
temperatuur aan de bestuurders- en passagierszijde
onafhankelijk van elkaar
instellen. Druk meerdere
keren op L/R van de knop
om de instelling voor links,
rechts of beide kanten te kiezen. Stel de temperatuur in met de draaiknop – de gekozen
temperatuur voor beide kanten verschijnt op
het display van de middenconsole.
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 122)
•
•
Werkelijke temperatuur (p. 123)
•
Elektronische klimaatregeling, ECC*
(p. 128)
Elektronische temperatuurregeling - ETC
(p. 129)
04 Klimaat
Airconditioning
Voorruit ontwasemen en ontdooien
De airconditioning koelt en droogt zo nodig
de binnenkomende lucht.
U kunt de elektrische voorruitverwarming* en
de maximale ontwaseming gebruiken om de
vooruit en zijruiten snel te ontwasemen en
ontdooien.
Wanneer het lampje in de
knop AC brandt, wordt de
airconditioning geheel automatisch geregeld.
•
Er stroomt lucht naar de ruiten - op het
beeldscherm brandt het symbool (2).
•
Functie uitschakelen - geen van de symbolen brandt.
Voor auto’s met elektrische voorruitverwarming:
Wanneer het lampje in de
knop AC gedoofd is, is de
airconditioning uitgeschakeld. De overige
functies worden nog steeds automatisch
geregeld. Bij activering van de max. ontwaseming (p. 133) wordt automatisch de airconditioning ingeschakeld, zodat de lucht optimaal
gedroogd wordt.
Het display van de middenconsole geeft de
gekozen instelling aan.
Elektrische voorruitverwarming*
Max. ontwaseming
Het lampje in de ontwasemingsknop brandt, wanneer
de functie is ingeschakeld.
Druk voor activering van de
functies herhaalde malen op
de knop.
2
Voor auto’s zonder elektrische voorruitverwarming:
•
Elektrische voorruitverwarming2 inschakelen - op het beeldscherm brandt een
symbool (1).
•
Elektrische voorruitverwarming2 inschakelen en lucht naar de ruiten sturen - op
het beeldscherm branden de symbolen
(1) en (2).
•
Functie uitschakelen - geen van de symbolen brandt.
04
N.B.
Elektrische voorruitverwarming en een
eventuele IR-film (p. 19) kunnen de prestaties van transponders en andere communicatie-apparatuur beïnvloeden.
N.B.
Aan de beide uiteinden van de voorruit zitten driehoekige gebieden zonder elektrische verwarming, zodat het ontdooien
daar mogelijk langer duurt.
Het kompas is uit wanneer de elektrische voorruitverwarming is geactiveerd.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
133
04 Klimaat
||
N.B.
De elektrische voorruitverwarming is niet
beschikbaar, wanneer de motor automatisch is afgezet (p. 286).
Als de functie actief is, vindt bovendien het
volgende plaats om de lucht in de passagiersruimte zoveel mogelijk van vocht te ontdoen:
04
•
de airconditioning wordt automatisch
ingeschakeld
•
de recirculatie en het Interior Air Quality
System worden automatisch uitgeschakeld.
N.B.
De ventilator maakt meer geluid wanneer
de ventilator op maximale snelheid draait.
Bij het uitschakelen van de ontwaseming hervat de klimaatregeling de voorgaande instellingen.
Gerelateerde informatie
•
134
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 122)
Luchtverdeling - recirculatie
Kies voor recirculatie als u vieze luchtjes, uitlaatgassen en dergelijke buiten wilt houden.
Er komt met andere woorden geen lucht van
buiten de auto in, wanneer deze functie actief
is.
Wanneer de recirculatie
actief is, brandt het oranje
lampje in de knop.
BELANGRIJK
Als de lucht in de auto te lang recirculeert,
kan de binnenzijde van de ruiten beslaan.
Timer
Bij een geactiveerde timerfunctie zal de klimaatregeling afhankelijk van de buitentemperatuur na een bepaalde tijd de handmatig
geactiveerde recirculatiestand verlaten. Dit
beperkt de kans op ijs, beslagen ruiten en
een slechte luchtkwaliteit.
Het is mogelijk het systeem te activeren/
deactiveren in het menusysteem MY CAR.
Voor een beschrijving van het menusysteem,
zie MY CAR (p. 108).
N.B.
Wanneer u voor maximale ontwaseming
kiest, wordt de recirculatie altijd uitgeschakeld.
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 122)
•
•
Luchtverdeling passagiersruimte (p. 126)
Luchtverdeling - tabel (p. 135)
04 Klimaat
Luchtverdeling - tabel
Met drie knoppen kiest u de gewenste luchtverdeling (p. 126).
Luchtverdeling
Toepassing
Er stroomt een grote hoeveelheid warme lucht naar de ruiten.
om snel te ontdooien en te ontwasemen.
Lucht naar de voorruit, via de blaasmond voor ontwaseming, en de
zijruiten. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de blaasmonden.
om wasem en ijsvorming bij koud en vochtig weer te
voorkomen (niet te lage ventilatorsnelheid).
Luchtstroom naar de ruiten en uit de blaasmonden van het dashboard.
om een comfortabel klimaat te verkrijgen bij warm en
droog weer.
Luchtstroom op hoofd- en borsthoogte uit de blaasmonden in het
dashboard.
om een efficiënte koeling te verkrijgen bij warm weer.
04
}}
135
04 Klimaat
||
Luchtverdeling
Toepassing
Lucht naar de vloer en de ruiten. Er komt een bepaalde hoeveelheid
lucht uit de blaasmonden in het dashboard.
om een comfortabel klimaat en een goede ontwaseming
te verkrijgen bij koud weer.
Lucht naar de vloer en uit de blaasmonden in het dashboard.
bij zonnig weer en matige buitentemperaturen.
Lucht naar de vloer. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de
blaasmonden in het dashboard en op de ruiten.
om warme of koude lucht naar de vloer te sturen.
Luchtstroom naar de ruiten, uit de blaasmonden in het dashboard
en naar de vloer.
om koele lucht naar de vloer te sturen bij warm en
droog weer of warme lucht naar de rest van het lichaam
bij koud weer.
04
Gerelateerde informatie
136
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 122)
•
Luchtverdeling - recirculatie (p. 134)
04 Klimaat
Motor- en interieurverwarming*
Tanken
Met preconditioning bereidt de verwarming
de motor en het interieur voor om de slijtage
en het stroomverbruik tijdens de rit te beperken. Bij voorverwarming van de auto verlengt
u tevens de actieradius.
ming automatisch uitgeschakeld en er verschijnt een melding op het display. Bevestig
deze melding door op de knop OK op de
richtingaanwijzerhendel (p. 105) te drukken.
BELANGRIJK
Frequent gebruik van de verwarming tijdens korte ritten kan aanleiding geven tot
een geringe ladingstoestand van de startaccu, waardoor de verwarming mogelijk
wordt uitgeschakeld of helemaal niet aanslaat. In het ergste geval is het niet mogelijk de motor te starten.
De verwarming is direct (p. 138) in te schakelen of vertraagd met een timerfunctie
(p. 139).
Bij een buitentemperatuur hoger dan 15 °C
wordt de verwarming niet geactiveerd. Bij
temperaturen van –5 °C of lager is de maximale bedrijfstijd van de verwarming 50 minuten.
WAARSCHUWING
Maak geen gebruik van de verwarming op
brandstof in een afgesloten ruimte. Er
komen uitlaatgassen vrij.
N.B.
Bij gebruik van de verwarming op brandstof komt er mogelijk rook vanonder de
auto, wat volkomen normaal is.
Om te garanderen dat de startaccu met
evenveel energie wordt opgeladen als de
verwarming verbruikt, moet u bij regelmatig gebruik van de verwarming net zolang
met de auto rijden als de verwarming
wordt gebruikt. De verwarming wordt telkens maximaal 50 minuten ingeschakeld.
Waarschuwingssticker op tankvulklep.
WAARSCHUWING
Gemorste brandstof kan vlam vatten.
Schakel voordat u gaat tanken de verwarming op brandstof uit.
Controleer op het instrumentenpaneel of
de verwarming is uitgeschakeld; wanneer
deze werkt, verschijnt het verwarmingssymbool.
Op een helling parkeren
04
Gerelateerde informatie
•
Motor- en interieurverwarming* - meldingen (p. 140)
•
Extra verwarming* (p. 141)
Wanneer u de auto op een steile helling parkeert, moet u ervoor zorgen dat de voorkant
van de auto omlaagwijst. Zo krijgt de verwarming op brandstof altijd voldoende brandstof.
Accu en brandstof
Als de accu onvoldoende opgeladen is of als
het brandstofpeil te laag is, wordt de verwar-
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
137
04 Klimaat
Motor- en interieurverwarming* direct inschakelen
Directe start via transpondersleutel*
De motor- en interieurverwarming zijn direct
in te schakelen.
Directe start is mogelijk via:
•
•
•
04
het informatiedisplay
een transpondersleutel*
een mobiele telefoon*.
De verwarmingsstatus verschijnt ook op de
boordcomputer.
Bij directe inschakeling van de motor- en
interieurverwarming (p. 137) blijft de verwarming 50 minuten lang draaien.
De interieurverwarming gaat van start, zodra
de koelvloeistof in de motor de juiste temperatuur heeft bereikt.
N.B.
De auto kan worden gestart en rijden, terwijl de verwarming aan is.
Directe start via informatiedisplay
Controlelampje op transpondersleutel met PCC*.
De motor- en interieurverwarming is te activeren via de transpondersleutel:
–
Druk de knop voor de Approach-verlich2 seconden lang in.
ting
De alarmlichten geven de volgende informatie:
•
1. Druk op de OK-knop om het menu te
openen.
2. Gebruik het duimwiel om naar
Verwarming te gaan en maak een keuze
met OK.
3. Ga in het volgende menu naar Directe
start om de verwarming te activeren en
bevestig uw keuze met OK.
4. Verlaat het menu met RESET.
138
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
indrukt terwijl de verAls u de info-knop
warming actief is, wordt bij het weergeven
van de vergrendelingsstatus (p. 163) van de
auto ook de verwarmingsstatus getoond.
Gedurende de tijd die nodig is om de status
na te gaan geeft het controlelampje enkele
malen een kort knippersignaal. Het lampje
gaat continu branden, als de verwarming
actief is.
5 korte lichtsignalen gevolgd door
ca. 3 seconden lang branden - verzoek
tot inschakeling ontvangen en verwarming geactiveerd.
•
5 korte signalen - de auto heeft een
verzoek tot inschakeling ontvangen
maar de verwarming is niet geactiveerd.
•
Alarmlichten lichten niet op - de auto
heeft geen verzoek tot inschakeling
ontvangen.
Directe start via mobiele telefoon*
Zie de mobiele app Volvo On Call* voor informatie over de instellingen die vanaf een mobiele telefoon beschikbaar zijn en hoe dat in zijn
werk gaat.
Gerelateerde informatie
•
Motor- en interieurverwarming* - timers
(p. 139)
•
Motor- en interieurverwarming* - direct
uitschakelen (p. 139)
•
Motor- en interieurverwarming* - meldingen (p. 140)
04 Klimaat
Motor- en interieurverwarming* direct uitschakelen
Motor- en interieurverwarming* timers
5. Stel de gewenste uuraanduiding in met
het duimwiel.
De motor- en interieurverwarming is direct uit
te schakelen via het informatiedisplay.
De timers van de motor- en interieurverwarming (p. 137) zijn gekoppeld aan de klok van
de auto.
6. Druk kort op OK zodat de minuutaanduiding gaat branden.
1. Druk op de knop OK om het menu te
openen.
2. Ga met het duimwiel naar Verwarming
en maak een keuze met OK.
3. Ga in het volgende menu naar Stop om
de verwarming te deactiveren en bevestig
uw keuze met OK.
4. Verlaat het menu met RESET.
Gerelateerde informatie
•
Motor- en interieurverwarming* - direct
inschakelen (p. 138)
•
Motor- en interieurverwarming* - timers
(p. 139)
•
Motor- en interieurverwarming* - meldingen (p. 140)
U kunt twee verschillende uitschakeltijden
instellen met de timerfunctie. Onder de uitschakeltijd wordt het tijdstip verstaan waarop
de auto de gewenste temperatuur bereikt
heeft. De elektronica van de auto rekent aan
de hand van de buitentemperatuur zelf uit
wanneer de verwarming moet worden ingeschakeld.
N.B.
Als de klok van de auto wordt verzet,
wordt een eventuele programmering van
de timer gewist.
Instellen
1. Druk op de knop OK om het menu te
openen.
2. Ga met het duimwiel (p. 105) naar
Verwarming en maak een keuze met
OK.
3. Kies een van de beide timers met het
duimwiel en bevestig uw keuze met OK.
4. Druk kort op OK zodat de uuraanduiding
gaat branden.
3
7. Stel de gewenste minuutaanduiding in
met het duimwiel.
8. Druk op OK3 om de instelling te bevestigen.
9. Met RESET gaat u een stap terug binnen
het menusysteem.
10. Kies de andere timer (ga verder vanaf
punt 2) of verlaat het menu met RESET.
04
Starten
1. Druk op de knop OK om het menu te
openen.
2. Ga met het duimwiel naar Verwarming
en maak een keuze met OK.
3. Kies een van de beide timers met het
duimwiel en activeer deze met OK.
4. Verlaat het menu met RESET.
Uitschakelen
U kunt de timergestuurde verwarming uitschakelen voordat de timer dat doet. Ga als
volgt te werk:
1. Druk op de knop OK om het menu te
openen.
Bij nogmaals indrukken van OK activeert u de timer.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
139
04 Klimaat
||
2. Ga met het duimwiel naar Verwarming
en maak een keuze met OK.
> Als een timer is ingesteld maar niet is
geactiveerd, staat er een klokpictogram naast de ingestelde tijd.
3. Kies een van de beide timers met het
duimwiel en bevestig uw keuze met OK.
4. Schakel de timer als volgt uit:
•
•
04
druk lang op OK of
kort op OK om verder te gaan in het
menu. Kies daarna voor uitschakeling
van de timer en bevestig uw keuze met
OK.
5. Verlaat het menu met RESET.
Een timergestuurde verwarming is ook direct
(p. 138) uit te schakelen.
Gerelateerde informatie
•
Motor- en interieurverwarming* - meldingen (p. 140)
Motor- en interieurverwarming* meldingen
Symbolen en meldingen ten aan zien van de
motor- en interieurverwarming (p. 137) verschillen afhankelijk van de vraag of het om
een analoog (p. 61) of digitaal (p. 62) instrumentenpaneel gaat.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Display
Verwarmingstimer
geactiveerd bij uitnemen transpondersleutel en verlaten van de auto
– motor en passagiersruimte warm
op ingesteld tijdstip.
Wanneer een van de timerfuncties actief is,
brandt het lampje voor een geactiveerde
timer op het informatiedisplay met de ingestelde tijd ernaast.
Symbool voor een geactiveerde
timer op een analoog instrumentenpaneel.
Symbool voor een geactiveerde
timer op een digitaal instrumentenpaneel.
Betekenis
De verwarming is
ingeschakeld en
werkt.
Wanneer de verwarming ingeschakeld is, brandt het verwarmingssymbool op het informatiedisplay.
In de onderstaande tabel staan de voorkomende symbolen en displaymeldingen.
140
Symbool
Brandstofkachel
gestopt
Zuinige
stand
De verwarming
werd uitgeschakeld om te zorgen
dat er voldoende
stroom is om de
motor te starten.
04 Klimaat
Symbool
Display
Betekenis
Gerelateerde informatie
•
Motor- en interieurverwarming* - direct
inschakelen (p. 138)
Brandstofkachel
gestopt
Brandstofpeil
laag
De verwarming
kan niet worden
ingeschakeld door
een te laag brandstofpeil – dit om
het mogelijk te
maken de motor
te starten en nog
ca. 50 km te rijden.
•
Motor- en interieurverwarming* - timers
(p. 139)
Brandstofkachel Service vereist
Verwarming
defect. Neem voor
reparatie contact
op met een werkplaats. Volvo adviseert u daarvoor
contact op te
nemen met een
erkende Volvowerkplaats.
Extra verwarming*
Voor auto’s met dieselmotor die in landen
worden verkocht met een koud klimaat4 is
wellicht een extra verwarming vereist om de
motor op bedrijfstemperatuur te brengen en
een behaaglijke temperatuur in de passagiersruimte te realiseren.
De auto is in dat geval voorzien van een
•
•
extra verwarming op stroom (p. 142) of
extra verwarming op brandstof (p. 142)5.
Gerelateerde informatie
•
Motor- en interieurverwarming* (p. 137)
04
Een tekstmelding verdwijnt automatisch na
enige tijd. U kunt een melding ook eerder
laten verdwijnen met een druk op de knop
OK van de richtingaanwijzerhendel (p. 105).
4
5
Een erkende Volvo-dealer kan u informeren over de desbetreffende geografische gebieden.
Zie voor auto’s met standverwarming (p. 137).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
141
04 Klimaat
Extra verwarming op brandstof*
De auto is uitgerust met een extra verwarming
(p. 141) op stroom (p. 142) of op brandstof.
De extra verwarming wordt automatisch ingeschakeld, wanneer er extra warmte nodig is
terwijl de motor loopt.
De verwarming wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer het warm genoeg is of wanneer de motor wordt afgezet.
2. Druk op de knop OK om het menu te
openen.
3. Gebruik het duimwiel om naar Extra
verw.6 of Instellingen7 te gaan en maak
een keuze met OK.
4. Kies een van de opties AAN of UIT met
het duimwiel en bevestig uw keuze met
OK.
5. Verlaat het menu met RESET.
N.B.
Als de extra verwarming actief is, kan er
rook onder de auto vandaan komen. Dat is
volledig normaal.
04
Automatische stand of uitschakelen
De automatische startprocedure van de
motor kan desgewenst worden geannuleerd.
N.B.
Volvo adviseert u de extra verwarming op
brandstof uit te schakelen tijdens korte ritten.
1. Alvorens de motor te starten: Kies de
sleutelstand I (p. 76).
6
7
142
N.B.
Analoog instrumentenpaneel.
Digitaal instrumentenpaneel.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
De menu-opties zijn alleen zichtbaar in
contactslotstand I – verricht eventuele
aanpassingen daarom voordat u de motor
start.
Gerelateerde informatie
•
Motor- en interieurverwarming* (p. 137)
Extra verwarming op stroom*
De auto is uitgerust met een extra verwarming
(p. 141) op brandstof (p. 142).
De verwarming is niet handmatig te regelen,
maar wordt nadat de motor is aangeslagen
automatisch geactiveerd bij buitentemperaturen lager dan 9 °C en wordt gedeactiveerd
wanneer de ingestelde interieurtemperatuur is
bereikt.
Gerelateerde informatie
•
Motor- en interieurverwarming* (p. 137)
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
05 Laad- en opbergmogelijkheden
Opbergmogelijkheden
Overzicht van opbergmogelijkheden in passagiersruimte
05
144
05 Laad- en opbergmogelijkheden
Opbergvak1 in portierpaneel
Opbergvak, bestuurderszijde (p. 146)
Parkeerkaarthouder
Opbergvak
Dashboardkastje (p. 147)
Opbergvakken, bekerhouder (p. 146)
Bekerhouder* in achterbank
Opbergvak2
Opbergvak, achterbank
WAARSCHUWING
05
Bewaar losse voorwerpen, zoals mobiele
telefoon, camera, afstandsbediening voor
extra uitrusting e.d., in het dashboardkastje of andere opbergruimten. Bij krachtig afremmen of een botsing kunnen deze
anders inzittenden verwonden.
1
2
Met ruitenkrabberhouder aan bestuurderszijde.
Geldt niet voor stoffen bekleding.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
145
05 Laad- en opbergmogelijkheden
Opbergvak bestuurderszijde
Middenconsole
Middenconsole - armleuning
Het opbergvak (p. 144) zit aan de bestuurderszijde, links onder het verlichtingspaneel.
De middenconsole zit tussen de voorstoelen.
De middenconsole zit tussen de voorstoelen.
In de gesloten stand is de armleuning op de
middenconsole in de lengte verstelbaar*.
WAARSCHUWING
Gerelateerde informatie
Bewaar geen scherpe voorwerpen of voorwerpen die uitsteken in het vak.
•
•
Opbergvak (voor bijvoorbeeld cd’s) en
USB*/AUX-ingang onder de armsteun.
05
Bevat een bekerhouder voor de bestuurder en een voorpassagier. (Als u voor een
asbak en aansteker (p. 147) hebt gekozen, zit er een aansteker op de plaats van
de 12V-aansluiting (p. 148) voorin en een
uitneembare asbak in de bekerhouder.)
Gerelateerde informatie
•
•
146
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Opbergmogelijkheden (p. 144)
Middenconsole - armleuning (p. 146)
Middenconsole - 12V-aansluiting (p. 148)
Middenconsole - aansteker en asbak*
(p. 147)
05 Laad- en opbergmogelijkheden
Middenconsole - aansteker en asbak*
Dashboardkastje
Dashboardkastje - koeling
In bekerhouder onder de middenarmsteun zit
een uitneembare asbak. De aansteker zit in de
12V-aansluiting (p. 148) voor de voorpassagiers.
Het dashboardkastje zit aan de passagierszijde.
Het dashboardkastje (p. 147) is ook te gebruiken als koelvak3.
De asbak in de middenconsole (p. 146) is te
verwijderen door deze recht omhoog te tillen.
U activeert de aansteker door de knop in te
drukken. Wanneer de aansteker heet genoeg
is, veert de knop automatisch uit. Haal de
aansteker uit de opening en gebruik het roodgloeiende deel om bijvoorbeeld een sigaret
mee aan te steken.
Hier kunt u bijvoorbeeld het instructieboekje
en eventuele kaarten in opbergen. Aan de
binnenkant van de klep zit een houder voor
pennen. Het dashboardkastje is te vergrendelen (p. 174)* met het sleutelblad (p. 165).
Gerelateerde informatie
•
•
Opbergmogelijkheden (p. 144)
Dashboardkastje - koeling (p. 147)
Gerelateerde informatie
•
Opbergmogelijkheden (p. 144)
Schakel de koelfunctie in door de knop
tot in de eindstand richting passagiersruimte te bewegen.
05
Schakel de koelfunctie uit door de knop
tot in de eindstand vooruit te bewegen.
De koelfunctie werkt alleen, wanneer de klimaatregeling actief is (d.w.z. in de sleutelstandII (p. 76)) of wanneer de motor loopt.
3
Geldt alleen voor auto’s met ECC.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
147
05 Laad- en opbergmogelijkheden
Inlegmatten*
Make-upspiegel
Middenconsole - 12V-aansluiting
De inlegmatten vangen bijvoorbeeld vuil en
natte sneeuw op. Volvo biedt inlegmatten die
speciaal vervaardigd zijn.
De make-upspiegel zit aan de achterkant van
de zonneklep.
De elektrische aansluitingen (12 V) zitten in
het opbergvak van de middenconsole en bij
de bekerhouder4.
WAARSCHUWING
Gebruik voor alle zitplaatsen slechts één
inlegmat tegelijk en controleer alvorens
weg te rijden of de mat voor de bestuurdersstoel goed in de bevestigingsklemmen
op de vloer vastzit om te voorkomen dat
deze kan gaan glijden en achter of onder
de pedalen blijft haken.
Gerelateerde informatie
•
Interieur reinigen (p. 400)
05
Make-upspiegel met verlichting.
Het lampje gaat automatisch aan, wanneer u
het klepje optilt.
Gerelateerde informatie
•
Lamp vervangen - verlichting makeupspiegel (p. 377)
12V-aansluiting in middenconsole, voorin.
U kunt de elektrische aansluitingen voor verschillende accessoires gebruiken die op een
spanning van 12V werken, zoals beeldschermen, mediaspelers of mobiele telefoons. De
transpondersleutel moet ten minste in sleutelstand I (p. 76) staan, anders geven de aansluitingen geen stroom.
WAARSCHUWING
Laat de plug altijd in de aansluiting zitten,
als u deze niet gebruikt.
4
148
Bij specificatie van een asbak en aansteker vervallen de bekerhouders en de 12V-aansluiting ernaast.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
05 Laad- en opbergmogelijkheden
N.B.
Extra uitrusting en accessoires – zoals
beeldschermen, mediaspelers en mobiele
telefoons – die zijn aangesloten op een van
de 12V-aansluitingen in de passagiersruimte worden mogelijk geactiveerd door
de klimaatregeling, ook al is de transpondersleutel uitgenomen of de auto vergrendeld, als bijvoorbeeld de motor- en interieurverwarming* ingesteld is om op een
bepaalde tijd in te schakelen.
Trek daarom wanneer u de extra uitrusting
of accessoires niet gebruikt de stekkers uit
de elektrische aansluitingen, omdat de
startaccu anders uitgeput kan raken!
Lading vervoeren
•
Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar gewicht van de auto.
Dek scherpe randen met iets zachts af
om de bekleding te beschermen.
•
Zet alle bagage met riemen of bevestigingsbanden aan de verankeringsogen
vast.
Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar gewicht van de auto. Het laadvermogen
dient te worden verminderd met de som van
het gewicht van eventuele inzittenden en dat
van gemonteerde accessoires.
Voor uitvoerige informatie over gewichten, zie
Gewichten (p. 408).
De achterklep is te openen met een
knop op het verlichtingspaneel of
met de transpondersleutel, zie Vergrendelen/ontgrendelen - achterklep (p. 175).
BELANGRIJK
WAARSCHUWING
Max. 10 A (120 W) in beide aansluitingen.
Afhankelijk van het gewicht en de positie
van de lading verandert het rijgedrag van
de auto.
N.B.
De compressor van de noodreparatieset
voor banden (p. 342) is door Volvo getest
en goedgekeurd. Voor informatie over het
gebruik van de aanbevolen noodreparatieset voor banden (TMK) van Volvo.
Gerelateerde informatie
•
Middenconsole - aansteker en asbak*
(p. 147)
•
12V-aansluiting bagageruimte (p. 152)
WAARSCHUWING
Een los voorwerp van 20 kg kan bij een
frontale botsing bij een snelheid van
50 km/h tijdens de beweging met een
gewicht van 1000 kg overeenkomen.
WAARSCHUWING
Anders bieden de opblaasgordijnen die
schuilgaan achter de plafondbekleding
mogelijk geen bescherming meer.
•
Zorg dat de lading nooit boven de ruggedeelten uitsteekt.
05
Aandachtspunten bij in-/uitladen
•
Plaats de bagage stevig tegen de rugleuning van de achterbank.
Let erop dat het WHIPS niet door voorwerpen
mag worden gehinderd, als een of meer van
de ruggedeelte van de achterbank zijn neergeklapt, zie WHIPS - zithouding (p. 38).
•
•
Plaats de last in het midden.
Breng zware voorwerpen zo laag mogelijk
aan. Plaats geen zware voorwerpen op
neergeklapte ruggedeelten.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
149
05 Laad- en opbergmogelijkheden
||
WAARSCHUWING
Zorg dat u de bagage altijd goed verankert. Bij krachtig remmen kan de bagage
namelijk gaan schuiven en inzittenden verwonden.
Dek scherpe randen en hoeken af met iets
zachts.
Zet de motor af en schakel de parkeerrem
in bij het in- en uitladen van lange voorwerpen. Lange voorwerpen kunnen namelijk tegen de versnellingspook of keuzehendel aan komen en zo per ongeluk een
versnelling inschakelen – de auto kan dan
in beweging komen.
Gerelateerde informatie
05
•
•
•
•
Lading vervoeren - lange lading
Lading op het dak
Om het in- en uitladen van de bagageruimte
te vereenvoudigen kunt u de ruggedeelten
van de achterbank neerklappen. Voor het vervoer van extra lange lading kunt u ook de rugleuning van de passagiersstoel omklappen.
Voor vervoer van lading op het dak adviseren
we u de door Volvo ontwikkelde lastdragers.
Dit om schade aan de auto te voorkomen en
voor maximale veiligheid tijdens het rijden.
Passagiersstoel omklappen
Zie (p. 78).
Volg de montage-instructies die bij de lastdragers worden geleverd nauwkeurig op.
•
Controleer regelmatig of de lastdragers
en de lading goed vastzitten. Zet de
lading stevig vast met sjorbanden.
•
Verdeel het gewicht van de lading gelijkmatig over de lastdragers. Leg de zwaarste voorwerpen onderop.
•
Naarmate u meer lading op het dak vervoert, vangt de auto meer wind en neemt
het brandstofverbruik toe.
•
Rijd rustig. Trek bij voorkeur niet te snel
op, rem niet te hard en maak niet te
scherpe bochten.
Ruggedeelte achterbank omklappen
Zie (p. 81).
Gerelateerde informatie
•
Lading vervoeren (p. 149)
Verankeringsogen (p. 151)
Bagagenet (p. 153)
Lading vervoeren - lange lading (p. 150)
Lading op het dak (p. 150)
WAARSCHUWING
Bij het vervoer van lading op het dak verschuift het zwaartepunt en treden er wijzigingen op in de rijeigenschappen van de
auto.
Voor informatie over de maximale dakbelasting, inclusief lastdragers en een eventuele dakbox, zie Gewichten (p. 408).
Gerelateerde informatie
•
150
Lading vervoeren (p. 149)
05 Laad- en opbergmogelijkheden
Verankeringsogen
De verankeringsogen in de bagageruimte
gebruikt u om bagagebanden aan vast te zetten.
Lading vervoeren - houder voor
boodschappentassen
Lading vervoeren - opklapbare houder
voor boodschappentassen*
Met de houders voor boodschappentassen
kunt u draagtassen vastzetten om te voorkomen dat ze omvallen en hun inhoud over de
vloer van de bagageruimte verspreiden. De
belasting van de houder is maximaal 3 kg.
Met de opklapbare houders voor boodschappentassen kunt u draagtassen vastzetten om
te voorkomen dat ze omvallen en hun inhoud
over de vloer van de bagageruimte verspreiden.
05
WAARSCHUWING
Harde, scherpe en/of zware voorwerpen
die liggen of uitsteken kunnen bij krachtig
afremmen letsel veroorzaken.
Zet grote en zware voorwerpen altijd met
de veiligheidsgordel of een spanband vast.
Gerelateerde informatie
•
Lading vervoeren (p. 149)
Houder voor boodschappentassen
Opklapbare houder voor boodschappentassen
Gerelateerde informatie
De houder heeft twee standen en een zogeheten servicestand (recht omhoog). De houder is verkrijgbaar met twee vloercombinatievarianten: een met afstelstanden in de bak
onder de vloer en een met afstelstanden in
kunststof rails. Bij het uitklappen zoals hieronder afgebeeld komt de afstelstand in de
bak onder de vloer aan het licht.
•
•
Lading vervoeren (p. 149)
Lading vervoeren - opklapbare houder
voor boodschappentassen* (p. 151)
De middelste houder kan met max. 3 kg worden belast en de buitenste met max. 10 kg.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
151
05 Laad- en opbergmogelijkheden
||
Opklappen
12V-aansluiting bagageruimte
N.B.
U kunt de elektrische aansluiting voor verschillende accessoires gebruiken die op een
spanning van 12 V werken, zoals beeldschermen, mediaspelers of mobiele telefoons.
De compressor voor de noodreparatieset
voor banden is door Volvo getest en goedgekeurd. Voor informatie over het gebruik
van de aanbevolen noodreparatieset voor
banden (TMK) van Volvo, zie Noodreparatie banden* (p. 342).
Gerelateerde informatie
•
Til de bovenvloer op aan de handgreep*
en klap de vloer op.
Duw de vloer in een passende stand en
plaats deze in de verstelgroef.
05
3. In de servicestand wordt de vloer helemaal tegen de rugleuning van de achterbank in de kunststof steun in het midden
gezet.
Gerelateerde informatie
•
•
Lading vervoeren (p. 149)
Lading vervoeren - houder voor boodschappentassen (p. 151)
Open het klepje om bij de elektrische aansluiting te komen.
•
Via de aansluiting is ook stroom af te
nemen, wanneer de transpondersleutel
niet in het contactslot steekt.
BELANGRIJK
Max. 10 A (120 W).
N.B.
Denk eraan dat als de elektrische aansluiting word gebruikt als de motor uit is, de
startaccu van de auto kan ontladen.
152
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Middenconsole - 12V-aansluiting (p. 148)
05 Laad- en opbergmogelijkheden
Bagagenet
Het bagagenet in de bagageruimte voorkomt
dat bagage bij krachtige remmanoeuvres de
passagiersruimte in wordt geslingerd.
Bevestigen
N.B.
U monteert het bagagenet het eenvoudigst
via het ene achterportier.
WAARSCHUWING
3. Haak het andere uiteinde van de stang
vast aan de plafondbevestiging aan de
tegenoverliggende zijde – de bevestigingshaken met telescoopveren maken
het aanbrengen eenvoudiger. Let erop dat
u de bevestigingshaken van de stang in
de voorste eindstand van de beide plafondbevestigingen duwt.
U dient te controleren of de bovenste
bevestigingen van het bagagenet goed
gemonteerd zijn en of de trekbanden goed
vastzitten. Een beschadigd net mag niet
worden gebruikt.
Het bagagenet wordt aan vier bevestigingspunten vastgezet.
U moet het bagagenet, uit voorzorg, altijd op
de juiste manier bevestigen en verankeren.
Het net is gemaakt van sterk nylon en wordt
achter de rugleuning van de voorstoelen vastgemaakt.
1. Vouw het bagagenet open en zorg dat de
gedeelde bovenste stang in uitgeklapte
stand geblokkeerd wordt.
2. Haak het ene uiteinde van de stang vast
aan de plafondbevestiging, met de sluiting van de spanbanden naar u toe.
05
WAARSCHUWING
Lading in de bagageruimte moet goed
worden vastgezet, ook met een correct
gemonteerd bagagenet.
}}
153
05 Laad- en opbergmogelijkheden
||
4. Haak de spanbanden van het bagagenet
vast in de verankeringsogen achter op de
stoelrails – dit gaat eenvoudiger als u de
rugleuningen rechtop zet en de stoelen
iets verder naar voren zet.
Demonteren en opbergen
4. Klap de stang in het midden dubbel en rol
het net op.
Doe het net in de opbergzak.
U bewaart het opgevouwen bagagenet in de
zak in de bagageruimte.
Let erop dat u de stoel/rugleuning niet te
hard tegen het net duwt bij het terugduwen van de stoel – zorg dat de stoel/
rugleuning het net precies raakt.
BELANGRIJK
Als u de stoel/rugleuning hard naar achteren tegen het bagagenet drukt, kunnen
het net en/of zijn plafondbevestigingen
beschadigd raken.
05
5. Span het bagagenet aan met de spanbanden.
Het bagagenet is eenvoudig te demonteren en in
te klappen.
Haal de spanning van het net door de
knop op de sluiting van de spanband in te
drukken en de spanband een stukje te
vieren.
Duw de borghaak in en neem de beide
haken van de spanband los.
Haak de stang los van de plafondbevestigingen door de stang achterwaarts te
trekken naar de achterste eindstand van
de bevestigingen en de stang naar een
willekeurige kant te drukken, zodat de
haak in de stang veert en tegelijkertijd de
haak aan de andere kant loskomt.
Pak tot slot de plafondbevestigingshaak
uit de plafondbevestiging.
154
Gerelateerde informatie
•
•
Lading vervoeren (p. 149)
Verankeringsogen (p. 151)
05 Laad- en opbergmogelijkheden
Hoedenplank
Voor extra laadruimte kunt u de hoedenplank
verwijderen.
Hoedenplank verwijderen
Maak de hefogen aan beide kanten van
de hoedenplank los.
05
Haak de voorkant van de hoedenplank
los en verwijder de hoedenplank.
Gerelateerde informatie
•
•
Lading vervoeren (p. 149)
Lading vervoeren - lange lading (p. 150)
155
SLOTEN EN ALARM
06 Sloten en alarm
Transpondersleutel
Meer informatie
U gebruikt de transpondersleutel voor onder
meer vergrendelen/ontgrendelen en het starten van de motor.
Er zijn drie transpondersleutelvarianten: een
transpondersleutel in basisuitvoering, een
transpondersleutel zonder PCC* en een
transpondersleutel met PCC*.
Functies
Vergrendelen/ontgrendelen en
afneembaar
sleutelblad
X
zonder
PCCA
met
PCCB
X
X
Passieve
vergrendeling/
ontgrendeling
X
Keyless
motorstart
X
Info-knop
en controlelampjes
A
B
BasisA
5-knops sleutel
6-knops sleutel
X
•
Transpondersleutel Basic - is een sleutel
in basisuitvoering, zie Transpondersleutel
- functies (p. 161) voor een beschrijving
van de functies ervan.
•
Transpondersleutel zonder PCC - met
Keyless Drive* (p. 167) en Keyless vergrendeling (p. 169) en ontgrendeling
(p. 170).
•
Transpondersleutel met PCC - heeft
bovendien een info-knop en controlelampjes. Lees meer over deze unieke
functies (p. 163).
Alle transpondersleutels zijn voorzien van een
afneembaar sleutelblad (p. 164) van metaal.
Het zichtbare deel bestaat in twee uitvoeringen om de transponders van elkaar te kunnen
onderscheiden.
Er zijn meer transpondersleutels bij te stellen,
maar alleen in de varianten die bij de auto
geleverd werden. Voor dezelfde auto kunnen
tot zes sleutels worden geprogrammeerd en
gebruikt.
Transpondersleutel - verlies
Bij verlies van een transpondersleutel (p. 157)
kunt u een nieuwe bestellen bij een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
Neem de resterende transpondersleutels mee
naar de Volvo-werkplaats. Ter voorkoming
van diefstal moet de code van de zoekgeraakte transpondersleutel uit het systeem
worden gewist. Hoeveel sleutels er voor de
auto geprogrammeerd zijn kunt u controleren
in het menusysteem MY CAR. Voor een
beschrijving van het menusysteem, zie MY
CAR (p. 108).
Gerelateerde informatie
•
•
Transpondersleutel - functies (p. 161)
Transpondersleutel - bereik (p. 162)
06
Bij de auto worden twee transpondersleutels
geleverd.
X
X
WAARSCHUWING
Als er kinderen in de auto aanwezig zijn:
Denk eraan altijd de stroom naar de elektrisch bedienbare ramen te onderbreken
door de transpondersleutel eruit te halen
wanneer de bestuurder de auto verlaat.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
157
06 Sloten en alarm
Transpondersleutel - personalisering*
Dankzij het sleutelgeheugen van de transpondersleutel zijn bepaalde instellingen van de
auto te personaliseren.
Het sleutelgeheugen is te gebruiken voor de
elektrisch bedienbare* bestuurdersstoel
(p. 79).
Instellingen voor de buitenspiegels (p. 101),
bestuurdersstoel, stuurbekrachtiging (p. 266)
alsook de thema-, contrast- en kleurinstellingen (p. 62) van het instrumentenpaneel zijn
op te slaan in het sleutelgeheugen afhankelijk
van het uitrustingsniveau van de auto.
U kunt de functie1 activeren/deactiveren in
het menusysteem MY CAR. Voor een
beschrijving van het menusysteem, zie MY
CAR (p. 108).
06
Bij een geactiveerde functie worden de instellingen automatisch gekoppeld aan het sleutelgeheugen. Dit betekent dat een wijziging in
een van de instellingen automatisch wordt
opgeslagen in het geheugen voor de desbetreffende transpondersleutel.
Instellingen vastleggen
Zorg dat het sleutelgeheugen altijd geactiveerd staat in het menusysteem MY CAR.
1
2
158
Doe het volgende om de instellingen op te
slaan en gebruik te maken van het sleutelgeheugen in de transpondersleutel:
WAARSCHUWING
Beknellingsgevaar! Zorg ervoor dat kinderen niet met de bediening spelen. Controleer of er bij het instellen geen voorwerpen
voor, achter of onder de stoel liggen. Controleer of geen van de passagiers op de
achterbank bekneld kan raken.
1. Ontgrendel de auto met de transpondersleutel met het geheugen waarin u de
instelling2 wilt opslaan.
2. Verricht de gewenste instellingen van bijvoorbeeld de stoel en de buitenspiegels.
3. De instellingen worden opgeslagen in het
geheugen van de actuele transpondersleutel.
De volgende keer dat u de auto ontgrendelt
met dezelfde transpondersleutel, nemen de
stoel en de buitenspiegels automatisch de
standen in die in het sleutelgeheugen opgeslagen zijn, op voorwaarde dat deze zijn
gewijzigd ten opzichte van de vorige keer dat
u deze transpondersleutel gebruikte.
Noodstop
Als de stoel per ongeluk in beweging komt,
kunt u op een van de verstellingsknoppen of
geheugenknoppen van de stoel drukken om
de stoel tot stilstand te brengen.
Om de stoel dan opnieuw in de in het sleutelgeheugen vastgelegde stand te zetten moet u
de ontgrendelingsknop op de transpondersleutel indrukken. Het bestuurdersportier
dient daarbij open te staan.
Instellingen wijzigen
Als meerdere personen met elk hun eigen
transpondersleutel naar de auto lopen,
nemen bijvoorbeeld de bestuurdersstoel en
de buitenspiegels de stand in die ligt opgeslagen in de sleutel van degene die het
bestuurdersportier opent.
Als het bestuurdersportier bijvoorbeeld is
geopend door persoon A met
transpondersleutel A, maar persoon B met
transpondersleutel B zal gaan rijden, zijn de
instellingen als volgt te wijzigen:
•
Staand naast het bestuurdersportier of
zittend achter het stuur drukt persoon B
op de ontgrendelingstoets van zijn transpondersleutel.
•
Kies een van de drie mogelijk positiegeheugens voor de stoel met de stoelknoppen 1–3.
•
Zet de stoel en de buitenspiegels handmatig in de juiste stand.
Heet Autosleutelgeheugen in MY CAR.
Deze instelling is niet van invloed op de instellingen die zijn opgeslagen met de geheugenfunctie voor de elektrisch bedienbare stoel.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
06 Sloten en alarm
Gerelateerde informatie
•
•
Transpondersleutel - functies (p. 161)
Transpondersleutel met PCC* - unieke
functies (p. 163)
Vergrendelen/ontgrendelen - indicatie
Vergrendelingsindicatie
Wanneer u de auto vergrendelt of ontgrendelt
met een transpondersleutel (p. 157), lichten
de richtingaanwijzers een bepaald aantal
malen op om aan te geven dat de auto op de
juiste manier vergrendeld/ontgrendeld is.
Een knipperende diode bij de voorruit geeft
aan dat de auto is vergrendeld.
•
Vergrendelen – eenmaal oplichten en de
buitenspiegels worden ingeklapt3.
•
Ontgrendelen – tweemaal oplichten en de
buitenspiegels worden uitgeklapt3.
N.B.
Let op het gevaar voor buitensluiten met
de transpondersleutel nog in de auto.
Bij het vergrendelen vindt de indicatie alleen
plaats als alle sloten zijn vergrendeld en alle
portieren zijn gesloten. Er vindt ook indicatie
plaats als het laatste portier wordt gesloten.
Dezelfde diode als de alarmindicatie (p. 181).
N.B.
Ook auto’s zonder alarm zijn uitgerust met
deze indicatie.
Functie kiezen
In het menusysteem MY CAR zijn verschillende opties in te stellen voor bevestiging bij
vergrendeling/ontgrendeling middels lichtsignalen. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie MY CAR (p. 108).
Gerelateerde informatie
•
06
Vergrendelen/ontgrendelen - indicatie
(p. 159)
Gerelateerde informatie
•
•
•
3
Keyless Drive* (p. 167)
Vergrendelingsindicatie (p. 159)
Alarmindicatie (p. 181)
Alleen auto’s met elektrisch inklapbare buitenspiegels.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
159
06 Sloten en alarm
Transpondersleutel - elektronische
startblokkering
De elektronische startblokkering is een antidiefstalsysteem dat voorkomt dat onbevoegden de auto kunnen starten (p. 274).
Elke transpondersleutel (p. 157) heeft zijn
eigen, unieke code. U kunt de auto alleen
starten, wanneer u een transpondersleutel
met de juiste code gebruikt.
De onderstaande foutmeldingen op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel
houden verband met de elektronische startblokkering:
Melding
Betekenis
Plaats sleutel
Storing tijdens het uitlezen
van de transpondersleutel
tijdens het starten. Sleutel
uit het contactslot trekken,
er weer in drukken en een
nieuwe startpoging doen.
Autosleutel
niet gevonden
Storing tijdens het uitlezen
van de transpondersleutel
tijdens het starten. Nieuwe
startpoging doen.
(Geldt alleen
voor auto’s
met Keylesssysteem.)
Startblokkering Start
opnieuw
06
Als de storing aanhoudt:
Transpondersleutel in het
contactsleutel duwen en
een nieuwe startpoging
doen.
Storing in het startblokkeringssysteem tijdens het
starten. Als de storing aanhoudt: Neem dan contact
op met een werkplaats.
Geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
160
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
•
Op afstand bediende startblokkering met
opsporingssysteem (p. 160)
•
Keyless Drive* (p. 167)
Op afstand bediende startblokkering
met opsporingssysteem
De op afstand bediende startblokkering met
opsporingssysteem maakt het mogelijk om de
auto op te sporen en te lokaliseren alsmede
op afstand de startblokkering te activeren,
zodat de motor afslaat.
Neem contact op met de dichtstbijzijnde
Volvo-dealer voor meer informatie over het
systeem en hulp bij de activering ervan.
Gerelateerde informatie
•
•
Transpondersleutel (p. 157)
Transpondersleutel - elektronische startblokkering (p. 160)
06 Sloten en alarm
Transpondersleutel - functies
Ontgrendelen (p. 172) – Ontgrendelt de
portieren en de achterklep en deactiveert het
alarm.
De transpondersleutel heeft functies voor bijvoorbeeld vergrendeling en ontgrendeling van
de portieren.
Bij lang indrukken worden alle zijruiten tegelijkertijd geopend. Voor meer informatie, zie
Doorluchtfunctie (p. 174).
Functies
Transpondersleutel met PCC* (Personal Car
Communicator).
Info-knop - zie Transpondersleutel met
PCC* - unieke functies (p. 163) voor een
beschrijving van de functie.
Transpondersleutel in basisuitvoering.
Vergrendelen
Ontgrendelen
‘Approach’-verlichting
Achterklep
Paniekfunctie
Functietoetsen
Vergrendelen – Vergrendelt de portieren
en de achterklep en activeert het alarm, zie
Vergrendelen/ontgrendelen - vanaf de buitenkant (p. 172).
Bij lang indrukken worden alle zijruiten tegelijkertijd gesloten. Voor meer informatie, zie
Doorluchtfunctie (p. 174).
WAARSCHUWING
Als de ruiten met de transpondersleutel
worden gesloten, moet u controleren of er
geen handen bekneld raken.
De gelijktijdige ontgrendeling van alle portieren is dusdanig te wijzigen dat bij eenmaal
indrukken van de knop eerst het bestuurdersportier ontgrendeld wordt en bij de tweede
maal indrukken – één en ander binnen tien
seconden – de resterende portieren te ontgrendelen.
U kunt de functie wijzigen in het menusysteem MY CAR. Voor een beschrijving van het
menusysteem, zie MY CAR (p. 108).
Tijdsduur Approach-verlichting (p. 93)
– Bestemd om de verlichting van de auto op
afstand in te schakelen.
Achterklep (p. 175) – Ontgrendelt alleen
de achterklep en deactiveert de alarmfunctie
voor de achterklep.
06
Paniekfunctie – bestemd om in noodgevallen de aandacht van anderen te trekken.
Als u de toets ten minste drie seconden lang
ingedrukt houdt of tweemaal achtereen binnen drie seconden indrukt, worden de richtingaanwijzers, de interieurverlichting en de
claxon geactiveerd.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
161
06 Sloten en alarm
||
U kunt deze functie met dezelfde toets weer
uitschakelen, als de functie minimaal vijf
seconden actief geweest is. Anders wordt
deze functie na ca. drie minuten automatisch
uitgeschakeld.
Gerelateerde informatie
•
Transpondersleutel (p. 157)
Transpondersleutel - bereik
De functies van de transpondersleutel (in
basisuitvoering) zijn tot op ca. 20 meter
afstand van de auto te gebruiken.
Als de auto niet reageert bij bediening van
een toets – probeer het dan op minder grote
afstand opnieuw.
N.B.
Er kunnen storingen optreden in de transpondersleutelfuncties door radiogolven in
de lucht, omringende gebouwen, topografische omstandigheden e.d. Het is altijd
mogelijk de auto te vergrendelen/ontgrendelen met het sleutelblad (p. 166).
06
Als u de transpondersleutel uit de auto neemt
terwijl de motor loopt, sleutelstand I of II
(p. 76) actief is en alle portieren worden
gesloten, verschijnt er een waarschuwingsmelding op het informatiedisplay van het
instrumentenpaneel en klinkt er een geluidssignaal.
Als de transpondersleutel weer in de auto is,
verdwijnen de melding en het geluidssignaal
wanneer aan een of meer van de onderstaande voorwaarden is voldaan:
162
•
de transpondersleutel in het contactslot
wordt gestoken.
•
•
de rijsnelheid hoger is dan 30 km/h.
de OK-knop is ingedrukt.
Gerelateerde informatie
•
•
Transpondersleutel (p. 157)
Transpondersleutel - functies (p. 161)
06 Sloten en alarm
Transpondersleutel met PCC* unieke functies
Een transpondersleutel met PCC* heeft extra
functies ten opzichte van een transpondersleutel in basisuitvoering (p. 157) in de vorm
van een informatieknop en controlelampjes.
Gebruik van de informatietoets
–
Druk op de informatietoets
.
> Ca. 7 seconden lang lichten de controlesymbolen op de PCC om de beurt
op. Dit geeft aan dat informatie over de
auto wordt uitgelezen.
Als u gedurende dit tijdsbestek op een
van de andere toetsen drukt, wordt de
uitlezing beëindigd.
N.B.
Transpondersleutel met PCC.
Informatietoets
Controlesymbolen
Na een druk op de informatietoets kunt u
bepaalde informatie over de auto uitlezen aan
de hand van de controlesymbolen.
Continu groen licht: de auto is vergrendeld.
Als bij herhaaldelijk gebruik van de
informatietoets – op verschillende tijdstippen en verschillende plaatsen – blijkt dat
geen van de controlelampjes gaat branden
(en dat evenmin na 7 seconden alsook
nadat de controlelampjes op de PCC om
de beurt oplichtten), dient u contact op te
nemen met een werkplaats – geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats.
De controlesymbolen verstrekken informatie
zoals aangegeven op de volgende afbeelding:
Continu oranje licht: de auto is ontgrendeld.
Continu rood licht: het alarm is afgegaan
na vergrendeling van de auto.
De beide rode controlesymbolen lichten
beurtelings rood op: het alarm is minder
dan 5 minuten geleden afgegaan.
06
Gerelateerde informatie
•
Transpondersleutel met PCC* - bereik
(p. 164)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
163
06 Sloten en alarm
Transpondersleutel met PCC* - bereik
N.B.
Een transpondersleutel met PCC (Personal
Car Communicator) heeft voor ontgrendeling
van de portieren en de achterklep een bereik
van ca. 20 meter en ca. 100 meter voor de
overige functies. Als de auto niet reageert bij
bediening van een toets – probeer het dan op
minder grote afstand opnieuw.
Als bij herhaaldelijk gebruik van de
informatietoets – op verschillende tijdstippen en verschillende plaatsen – blijkt dat
geen van de controlelampjes gaat branden
(en dat evenmin na 7 seconden alsook
nadat de controlelampjes op de PCC om
de beurt oplichtten), dient u contact op te
nemen met een werkplaats – geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats.
N.B.
Er kunnen storingen optreden in de functie
van de informatieknop door radiogolven in
de lucht, omringende gebouwen, topografische omstandigheden e.d.
Buiten het bereik
06
Als de transpondersleutel dermate ver van de
auto verwijderd is dat er geen informatie over
de auto kan worden uitgelezen, wordt de
laatst bekende status van de auto weergegeven zonder dat de lampjes op de transpondersleutels om de beurt oplichten.
Als er meerdere transpondersleutels voor de
auto in gebruik zijn, geeft uitsluitend de transpondersleutel waarmee u de auto de laatste
keer vergrendelde/ontgrendelde de juiste status aan.
164
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Gerelateerde informatie
Afneembaar sleutelblad
De transpondersleutel bevat een afneembaar
metalen sleutelblad, waarmee u enkele functies kunt activeren en bepaalde handelingen
kunt uitvoeren.
De unieke code van de sleutelbladen is
bekend bij de erkende Volvo-werkplaatsen,
waar ook nieuwe sleutelbladen kunnen worden besteld.
Functies sleutelblad
•
Keyless Drive* -bereik transpondersleutel
(p. 168)
U kunt het afneembare sleutelblad van de
transpondersleutel gebruiken om:
•
Transpondersleutel - bereik (p. 162)
•
het linker voorportier handmatig te openen (p. 166), als de centrale vergrendeling niet te bedienen is vanaf de transpondersleutel.
•
het mechanische kinderslot op de achterportieren te activeren/deactiveren
(p. 178).
•
het rechter voorportier en de achterportieren handmatig te vergrendelen bij bijvoorbeeld stroomuitval.
•
het slot van het dashboardkastje* te openen.
•
de airbag voor de voorpassagier
(PACOS*) te activeren/deactiveren.
06 Sloten en alarm
Portier handmatig vergrendelen (p. 172)
Afneembaar sleutelblad - verwijderen/
aanbrengen
Vergrendelen/ontgrendelen - dashboardkastje (p. 174)
Het verwijderen/aanbrengen van het afneembare sleutelblad (p. 164) gaat als volgt:
Passagiersairbag - activering/deactivering* (p. 33)
Sleutelblad verwijderen
Gerelateerde informatie
•
•
•
Gerelateerde informatie
•
Afneembaar sleutelblad - portier ontgrendelen (p. 166)
•
Kinderslot - handmatige activering
(p. 178)
•
Passagiersairbag - activering/deactivering* (p. 33)
Haal de veerbelaste pal opzij.
Trek tegelijkertijd het sleutelblad naar
achteren.
06
Sleutelblad aanbrengen
Plaats het sleutelblad voorzichtig terug in de
transpondersleutel (p. 157).
1. Houd de transpondersleutel met de gleuf
omhoog en laat het sleutelblad in de gleuf
zakken.
2. Duw voorzichtig tegen het sleutelblad. U
hoort een klikgeluid wanneer het sleutelblad goed vastzit.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
165
06 Sloten en alarm
Afneembaar sleutelblad - portier
ontgrendelen
Transpondersleutel/PCC - batterij
vervangen
Het afneembare sleutelblad is te gebruiken als
de centrale vergrendeling niet kan worden
geactiveerd, als bijvoorbeeld de batterij van
de transpondersleutel (p. 166) leeg is.
U moet de batterij5 in de transpondersleutel
mogelijk vervangen.
Het linker voorportier is als volgt te openen:
•
1. Ontgrendel het linker voorportier met het
sleutelblad in de slotcilinder van de portierhandgreep. Voor meer informatie, zie
Keyless Drive* - ontgrendelen met sleutelblad (p. 170).
N.B.
Wanneer u het portier met het sleutelblad
ontgrendeld hebt en vervolgens opent,
gaat het alarm af.
06
2. Schakel het alarm uit door de transpondersleutel in het contactslot te steken.
Voor auto’s met Keyless Drive, zie Keyless
Drive* - ontgrendelen met sleutelblad
(p. 170).
Gerelateerde informatie
•
•
5
166
Afneembaar sleutelblad (p. 164)
Transpondersleutel (p. 157)
Een transpondersleutel met PCC heeft twee batterijen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
U moet de batterij in de transpondersleutel
vervangen, als:
het informatiesymbool oplicht en
Afst.bediening batterij raakt leeg.
Vervang de batterij. op het display staat
en/of
•
de sloten herhaalde malen achtereen niet
reageren op het signaal van een transpondersleutel die zich binnen een straal
van 20 meter rond de auto bevindt.
Openen
Haal de veerbelaste pal opzij.
Trek tegelijkertijd het sleutelblad naar
achteren.
Steek een kruiskopschroevendraaier
met een dikte van 3 mm in de opening
achter de veerbelaste pal en werk de
transpondersleutel voorzichtig open.
06 Sloten en alarm
N.B.
Keer de transpondersleutel met de knoppen naar boven om te voorkomen dat de
batterijen eruit vallen als deze wordt
geopend.
BELANGRIJK
Raak nieuwe accu's en hun contactvlakken niet met uw vingers aan, aangezien de
werking hierdoor kan verslechteren.
Een transpondersleutel met PCC* heeft
twee batterijen
1. Werk de batterijen voorzichtig los.
2. Plaats eerst een nieuwe met de pluszijde
(+) omhoog.
3. Leg het witte plastic vel op de geplaatste
nieuwe batterij en breng daarna nog een
nieuwe batterij aan met de pluszijde (+)
omlaag.
Batterijtype
Gebruik batterijen met de code CR2430, 3 V.
Batterij vervangen
N.B.
Volvo adviseert u om batterijen voor de
transpondersleutel/PCC te gebruiken die
voldoen aan UN Manual of Test and
Criteria, Part III, sub-section 38.3. Voor
batterijen die in de fabriek zijn geplaatst of
in een erkende Volvo-werkplaats zijn vervangen is dit het geval.
In elkaar zetten
1. Druk de afdekking weer op de transpondersleutel vast.
2. Houd de transpondersleutel met de gleuf
omhoog en laat het sleutelblad in de gleuf
zakken.
3. Duw voorzichtig tegen het sleutelblad. U
hoort een klikgeluid wanneer het sleutelblad goed vastzit.
Let erop hoe de batterij(en) aan de binnenzijde van de afdekking vastzit(ten). Let
daarop op de pluszijde + en de minzijde
–.
Transpondersleutel met één batterij
1. Werk de batterij voorzichtig los.
2. Plaats een nieuwe met de pluszijde (+)
omlaag.
6
BELANGRIJK
Let erop dat lege batterijen op een milieuvriendelijke manier worden verwerkt.
Gerelateerde informatie
•
•
Transpondersleutel (p. 157)
Transpondersleutel - functies (p. 161)
Keyless Drive*
Auto’s uitgerust met Keyless Drive zijn voorzien van een start- en vergrendelingssysteem
dat zonder sleutels werkt.
Met het Keyless Drive start- en vergrendelingssysteem is de auto te starten, vergrendelen en ontgrendelen zonder dat de transpondersleutel (p. 157) daarvoor in het contactslot6 hoeft te zitten. U hoeft de transpondersleutel alleen bij u te dragen in bijvoorbeeld
een binnenzak. Het systeem maakt het bijvoorbeeld eenvoudiger om de auto te openen, wanneer u bijvoorbeeld uw handen vol
hebt.
Beide transpondersleutels die bij de auto
worden geleverd ondersteunen het Keylesssysteem. U kunt meer transpondersleutels
bijbestellen.
Het elektrische systeem van de auto kan in
drie verschillende standen worden gezet sleutelstand 0, I en II (p. 76) - met de transpondersleutel.
06
Gerelateerde informatie
•
Keyless Drive* -bereik transpondersleutel
(p. 168)
•
Keyless Drive* - veilig gebruik van de
transpondersleutel (p. 168)
•
Keyless Drive* - storingen in de functie
van de transpondersleutel (p. 169)
Geldt niet voor de transpondersleutel in Basic-versie.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
167
06 Sloten en alarm
Keyless Drive* -bereik
transpondersleutel8
Om een portier of de achterklep automatisch
te ontgrendelen zonder knoppen op de transpondersleutel in te drukken, moet de transpondersleutel zich binnen een straal van 1,5
meter rond de portierhandgrepen of de achterklep bevinden.
U moet de transpondersleutel bij u dragen om
een portier te vergrendelen of ontgrendelen.
Wanneer u aan de ene kant van de auto staat,
is het niet mogelijk om met de transpondersleutel een portier aan de andere kant te verof ontgrendelen.
Als u alle transpondersleutels uit de auto
neemt terwijl de motor loopt, sleutelstand I of
II (p. 76) actief is of een portier wordt
geopend en weer gesloten, verschijnt er een
waarschuwingsmelding op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel en klinkt er
een geluidssignaal.
Wanneer de transpondersleutel weer in de
auto wordt geplaatst, dooft de waarschuwingsmelding en houdt het geluidssignaal op
als:
•
•
er een portier geopend of gesloten is
•
de OK-knop op de richtingaanwijzerhendel is ingedrukt.
de transpondersleutel in het contactslot
wordt gestoken
Keyless Drive* - veilig gebruik van de
transpondersleutel
Pas goed op al uw transpondersleutels.
Als u een van de transpondersleutels9 in de
auto vergeet, wordt het Keyless-systeem bijvoorbeeld bij het vergrendelen van de auto
gedeactiveerd. Onbevoegden kunnen de portieren er dan niet meer mee openen.
De volgende keer dat u de auto ontgrendelt
met een andere transpondersleutel, wordt de
transpondersleutel die u in de auto was vergeten weer geactiveerd.
BELANGRIJK
Laat de transpondersleutel met PCC niet
onbeheerd in de auto liggen. Als iemand
inbreekt in de auto en de transpondersleutel vindt, is het onder meer mogelijk om de
auto de starten door de transpondersleutel
in het contactslot te plaatsen en vervolgens op de knop START/STOP ENGINE
te drukken.
Gerelateerde informatie
•
•
Keyless Drive* (p. 167)
Keyless Drive* - locatie antennes (p. 171)
06
Gerelateerde informatie
•
De rode cirkels op de bovenstaande afbeelding geven het bereik van de systeemantennes aan.
8
9
168
Geldt niet voor auto’s met Keyless start
Geldt voor een transpondersleutel met PCC (Personal Car Communicator).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Keyless Drive* (p. 167)
06 Sloten en alarm
Keyless Drive* - storingen in de
functie van de transpondersleutel
De Keyless-functies (p. 167) kunnen gestoord
worden door elektromagnetische velden en
afschermingen.
N.B.
Keyless Drive* - vergrendelen
N.B.
Auto’s met Keyless Drive zijn voorzien van
een aanraakgevoelige zone op de buitenhandgreep van de portieren alsook een met rubber
beklede knop naast het eveneens met rubber
beklede drukplaatje op de achterklep.
Als u (terwijl de motor is afgezet) de transpondersleutel met keyless-functie uit de
auto haalt en de auto niet vergrendelt door
een van de portierhandgrepen aan te
raken of de vergrendeltoets op de transpondersleutel te bedienen, gebeurt het
volgende:
Plaats/bewaar de transpondersleutel met
keyless-functie niet in de buurt van een
mobiele telefoon of metalen voorwerpen.
Houd een minimale afstand aan van 10-15
cm.
Na ca. 1½–2 minuten wordt het alarm
geactiveerd en gaat de alarmdiode op de
voorruit knipperen – het alarm staat daarmee op scherp maar de auto is niet vergrendeld.
Als er desondanks toch storingen optreden,
is de transpondersleutel en het sleutelblad te
gebruiken als een transpondersleutel in basisuitvoering (p. 157).
N.B.
Op auto's met een automatische versnellingsbak moet de keuzehendel in de Pstand staan. Anders kan de auto niet worden vergrendeld of op alarm worden
gezet.
Gerelateerde informatie
•
Transpondersleutel/PCC - batterij vervangen (p. 166)
•
Keyless Drive* - veilig gebruik van de
transpondersleutel (p. 168)
•
Keyless Drive* -bereik transpondersleutel
(p. 168)
Vergrendel de portieren en de achterklep
door een van de portierhandgrepen vast te
pakken of op de kleinste van de beide met
rubber beklede knoppen op de achterklep te
drukken – de vergrendelingsindicatie (p. 159)
onder aan de voorruit gaat knipperen om aan
te geven dat er vergrendeling heeft plaatsgevonden.
Gerelateerde informatie
•
•
06
Keyless Drive* (p. 167)
Alarmindicatie (p. 181)
Alle portieren inclusief de achterklep moeten
zijn gesloten, voordat u de auto kunt vergrendelen – de auto wordt anders niet vergrendeld.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
169
06 Sloten en alarm
Keyless Drive* - ontgrendelen11
Er vindt ontgrendeling plaats, wanneer
iemand een portierhandgreep beetpakt of op
het met rubber beklede drukplaatje van de
achterklep drukt – open het portier of de achterklep op de normale manier.
N.B.
Keyless Drive* - ontgrendelen met
sleutelblad
Als de centrale vergrendeling niet op de
transpondersleutel reageert (omdat de batterijen bijvoorbeeld leeg zijn), kunt u het linker
voorportier openen met het afneembare sleutelblad (p. 164) van de transponder.
1. Duw het sleutelblad ca. 1 cm recht
omhoog in de opening aan de onderkant
van de portierhandgreep/afdekking – niet
wrikken.
> De kunststof afdekking komt automatisch los, wanneer u het blad recht
omhoog de opening induwt.
2. Steek het sleutelblad vervolgens in de
slotcilinder en ontgrendel het portier.
Normaal registreren de portierhandgrepen
het wanneer u met uw hand de handgreep
beetpakt, maar als u dikke handschoenen
draagt of de handbeweging te snel uitvoert, moet u de beweging mogelijk een
tweede keer uitvoeren of de handschoen
uittrekken.
3. Plaats de kunststof afdekking na ontgrendeling terug.
N.B.
Wanneer u het linker voorportier met het
sleutelblad ontgrendeld hebt en vervolgens opent, gaat het alarm (p. 180) af. Het
wordt uitgeschakeld door de transpondersleutel in het contactslot te steken, zie
Alarmsysteem - transpondersleutel defect
(p. 182).
Gerelateerde informatie
•
•
Keyless Drive* (p. 167)
Keyless Drive* - vergrendelen (p. 169)
Opening voor het sleutelblad - voor het afnemen
van de afdekking.
06
Om bij de slotcilinder te komen dient de
kunststof afdekking van de portierhandgreep
te worden verwijderd – ook dit doet u met het
sleutelblad:
11
170
Geldt niet voor transpondersleutel met Keyless start.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Gerelateerde informatie
•
•
Keyless Drive* (p. 167)
Afneembaar sleutelblad - verwijderen/
aanbrengen (p. 165)
06 Sloten en alarm
Keyless Drive* vergrendelingsinstellingen
De vergrendelingsinstellingen voor auto’s met
het Keyless Drive-systeem zijn aan te passen
door in het menusysteem MY CAR aan te
geven welke portieren er ontgrendeld moeten
worden.
Keyless Drive* - locatie antennes
WAARSCHUWING
Auto’s met het Keyless Drive zijn voorzien van
een aantal antennes die op verschillende
locaties ingebouwd zijn in de auto.
Personen met een pacemaker mogen niet
dichter dan 22 cm bij de antennes van het
Keyless-systeem komen. Hierdoor voorkomt u storingen tussen de pacemaker en
het Keyless-systeem.
Gerelateerde informatie
Voor een beschrijving van het menusysteem,
zie MY CAR (p. 108).
•
Keyless Drive* (p. 167)
Gerelateerde informatie
•
Keyless Drive* (p. 167)
Achterbumper, in het midden
Portierhandgreep, linksachter
Bagageruimte, in het midden, helemaal
voorin, onder de vloer
06
Portierhandgreep, rechtsachter
Middenconsole, onder achterstuk
Middenconsole, onder voorstuk.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
171
06 Sloten en alarm
Vergrendelen/ontgrendelen - vanaf de
buitenkant
N.B.
Let erop dat het alarm afgaat, wanneer het
portier na ontgrendeling met het sleutelblad wordt geopend – het alarm wordt uitgeschakeld, wanneer de transpondersleutel in het contactslot wordt geplaatst.
Met de transpondersleutel (p. 161) is vergrendeling/ontgrendeling van de buitenkant
mogelijk. Met de transpondersleutel kunt u
alle portieren, de achterklep en de tankvulklep
vergrendelen/ontgrendelen. U hebt de keuze
uit verschillende ontgrendelingsprocedures.
Om de ontgrendelingsprocedure te kunnen
activeren moet het bestuurdersportier dichtstaan – als een van de overige portieren of de
achterklep openstaat, wordt dit/deze pas na
het sluiten vergrendeld en inbegrepen in het
alarmsysteem. Voor auto’s uitgerust met passieve vergrendeling* moeten alle portieren en
de achterklep dichtstaan, zie Keyless Drive* vergrendelen (p. 169) en Keyless Drive* - ontgrendelen (p. 170).
N.B.
06
Let op het gevaar voor buitensluiten met
de transpondersleutel nog in de auto.
Als u niet met de transpondersleutel kunt vergrendelen/ontgrendelen is de batterij mogelijk
leeg – vergrendel/ontgrendel het linker voorportier dan met het afneembare sleutelblad
(p. 165).
172
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
WAARSCHUWING
Let op het risico van opsluiting in de auto,
als u de auto van de buitenzijde vergrendelt – de portieren zijn dan namelijk niet
meer van de binnenzijde te openen met de
portierhandgrepen. Voor meer informatie,
zie Safelock-functie* (p. 177).
Automatische hervergrendeling
Als u geen van de portieren noch de achterklep binnen twee minuten na ontgrendeling
van de buitenzijde met de transpondersleutel
opent, worden alle sloten automatisch weer
vergrendeld. Deze functie beperkt de kans
dat u de auto per ongeluk onvergrendeld kunt
laten staan. Voor auto’s met alarmsysteem,
zie Alarm (p. 180).
Portier handmatig vergrendelen
In bepaalde gevallen moet de auto handmatig
kunnen worden vergrendeld, zoals bij stroomuitval.
Het linker voorportier is te vergrendelen met
de bijbehorende slotcilinder en het afneembare sleutelblad (p. 170) van de transpondersleutel.
De overige portieren hebben geen slotcilinders, maar zijn voorzien van een vergrendeling op de zijkant van het portier die moet
worden ingedrukt met het sleutelblad, waarna
het portier mechanisch is vergrendeld en niet
meer van de buitenzijde kan worden
geopend. De portieren zijn echter nog steeds
vanaf de binnenzijde te openen.
Gerelateerde informatie
•
Vergrendelen/ontgrendelen - van de binnenzijde (p. 173)
•
Transpondersleutel - functies (p. 161)
Portier handmatig vergrendelen. Niet te verwarren met het kinderslot (p. 178).
06 Sloten en alarm
–
Haal het afneembare sleutelblad (p. 165)
uit de transpondersleutel. Steek het sleutelblad in de vergrendelopening en druk
de sleutel er helemaal in, ca. 12 mm.
Het portier is zowel vanaf de buitenzijde
als vanaf de binnenzijde te openen.
Het portier is niet vanaf de buitenzijde te
openen. Om terug te keren naar stand A
moet de binnenhandgreep van het portier
worden geopend.
Vergrendelen/ontgrendelen - van de
binnenzijde
•
Vergrendeling/ontgrendeling is mogelijk met
de knop voor centrale vergrendeling op het
bestuurdersportier. Alle portieren en de achterklep (p. 175) zijn tegelijkertijd te vergrendelen of ontgrendelen.
Met een knop voor centrale vergrendeling op
beide voorportieren en op elk van beide achterportieren een knop voor elektrische vergrendeling:
De portieren zijn ook te ontgrendelen met de
ontgrendelingstoets op de transpondersleutel
(p. 157) of de knop voor centrale vergrendeling op het bestuurdersportier.
De vergrendeling van een portier dient
alleen om het desbetreffende portier te
vergrendelen – dus niet alle portieren.
•
Een handmatig vergrendeld achterportier waarvan ook het mechanische kinderslot (p. 178) geactiveerd is, kan
niet van de binnenzijde noch van de
buitenzijde worden geopend. Een achterportier dat op die manier is vergrendeld, kan alleen worden ontgrendeld
met een transpondersleutel of de knop
van de centrale vergrendeling.
Gerelateerde informatie
•
Transpondersleutel/PCC - batterij vervangen (p. 166)
Een brandend lampje houdt in dat alleen
het desbetreffende portier vergrendeld is.
Wanneer de lampjes in alle knoppen
branden, zijn alle portieren vergrendeld.
Ontgrendelen
Een portier kan op twee manieren van de binnenkant worden ontgrendeld:
•
N.B.
•
•
Een brandend lampje houdt in dat alle
portieren vergrendeld zijn.
Bij het indrukken van de knop voor centrale vergrendeling
.
Bij lang indrukken worden ook alle zijruiten*
tegelijkertijd geopend (zie ook het gedeelte
Doorluchtfunctie (p. 174)).
Centrale vergrendeling
•
Druk de rechterkant
van de knop in
om te vergrendelen en de linkerkant
om te ontgrendelen.
Lampje in vergrendelingsknop
Wanneer het lampje in de knop voor centrale
vergrendeling op het bestuurdersportier
brandt, zijn alle portieren vergrendeld.
Met een knop voor centrale vergrendeling
alleen op het bestuurdersportier, bij de overige portieren ontbreekt een dergelijke knop:
•
Trek aan de openingshandgreep en open
het portier – het portier wordt in een keer
ontgrendeld en geopend.
06
Vergrendelen
•
Beide voorportieren moeten gesloten zijn
om ze centraal te kunnen vergrendelen.
Druk op de knop voor centrale vergrende– alle portieren worden vergrenling
deld. Als een van de achterportieren nog
open is, wordt deze vergrendeld als het
portier wordt gesloten.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
173
06 Sloten en alarm
||
Bij lang indrukken worden ook alle zijruiten
tegelijkertijd gesloten (zie ook het gedeelte
Doorluchtfunctie (p. 174)).
Automatische vergrendeling
Bij het wegrijden worden de portieren en de
achterklep automatisch vergrendeld.
Doorluchtfunctie
Bij warm weer kunt u de doorluchtfunctie
gebruiken om alle zijruiten tegelijk korte tijd te
openen en weer te sluiten en op die manier
snel voor frisse lucht in de auto te zorgen.
Vergrendelen/ontgrendelen dashboardkastje
Het dashboardkastje (p. 147) valt alleen te
vergrendelen/ontgrendelen met het afneembare sleutelblad van de transpondersleutel
(p. 157).
Voor informatie over het sleutelblad, zie
Afneembaar sleutelblad - verwijderen/
aanbrengen (p. 165).
U kunt het systeem activeren/deactiveren in
het menusysteem MY CAR. Voor een
beschrijving van het menusysteem, zie MY
CAR (p. 108).
Gerelateerde informatie
•
Vergrendelen/ontgrendelen - vanaf de
buitenkant (p. 172)
•
Alarm (p. 180)
Knop voor centrale vergrendeling
06
Bij lang indrukken van het
-symbool op
de knop voor centrale vergrendeling worden
ook alle zijruiten tegelijkertijd geopend. Wan-knop worden
neer u hetzelfde doet bij de
alle zijruiten gelijktijdig gesloten.
Dashboardkastje vergrendelen:
Duw het sleutelblad in de slotcilinder van
het dashboardkastje.
Gerelateerde informatie
•
Vergrendelen/ontgrendelen - van de binnenzijde (p. 173)
•
Elektrisch bedienbare ruiten (p. 99)
Draai het sleutelblad 90 graden rechtsom.
Het sleutelgat staat horizontaal wanneer
het kastje vergrendeld is.
Neem het sleutelblad uit.
•
174
Houd voor het ontgrendelen de omgekeerde volgorde aan.
06 Sloten en alarm
Gerelateerde informatie
•
Transpondersleutel - functies (p. 161)
Vergrendelen/ontgrendelen achterklep
De achterklep is op enkele verschillende
manieren te openen, vergrendelen en ontgrendelen.
Handmatig openen
BELANGRIJK
•
De achterklep is met heel weinig
kracht te ontgrendelen – druk gewoon
lichtjes op het met rubber beklede platje.
•
Breng geen druk aan op het met rubber beklede plaatje bij het openen van
de achterklep – maar til de handgreep
op. Bij te veel druk kan de elektrische
schakelaar in het met rubber beklede
plaatje beschadigd raken.
Ontgrendelen met transpondersleutel
Met rubber bekleed plaatje met elektrische schakelaar.
De achterklep wordt dichtgehouden door een
elektrische vergrendeling. Om te openen:
1. Druk lichtjes op het breedste van de met
rubber beklede drukplaatjes onder de
buitenhandgreep - de vergrendeling
wordt vrijgegeven.
2. Til de buitenste handgreep helemaal
omhoog om de klep te openen.
06
Met de knop
op de transpondersleutel
(p. 157) is het mogelijk om de alarmfunctie te
deactiveren* voor de achterklep, zodat u deze
apart kunt ontgrendelen.
De vergrendelingsindicatie (p. 159) op het
instrumentenpaneel stopt met knipperen om
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
175
06 Sloten en alarm
||
aan te geven dat de auto niet volledig vergrendeld is en dat de niveausensoren en
bewegingsmelders van het alarmsysteem*
alsmede de sensoren voor opening van het
kofferdeksel buiten werking gesteld zijn.
N.B.
Om de achterklep te openen:
•
Wanneer de klep met 2 keer indrukken
of vanaf de binnenkant van de auto
werd ontgrendeld, is automatische
hervergrendeling niet mogelijk omdat
de klep openstaat – u dient de klep
handmatig te sluiten.
–
•
Na het sluiten is de klep onvergrendeld
en niet opgenomen in het alarmsysteem – met de vergrendeltoets
op
de transpondersleutel kunt u de klep
opnieuw vergrendelen en opnemen in
het alarmsysteem.
De portieren blijven vergrendeld en beveiligd.
De achterklep kan op twee verschillende
manieren worden geopend met de transpondersleutel:
Eenmaal drukken – De klep wordt weliswaar
ontgrendeld maar blijft dichtstaan – druk
lichtjes tegen op het met rubber bekleding
drukplaatje onder de buitenhandgreep en
open de klep. Als de klep niet binnen
2 minuten na ontgrendeling wordt geopend,
wordt de klep weer vergrendeld en het alarm
opnieuw geactiveerd.
06
Van de binnenzijde openen
Tweemaal drukken – De klep wordt ontgrendeld en de vergrendeling wordt vrijgegeven
waarna de klep enkele centimeters omhoogkomt – til de buitenhandgreep omhoog om de
klep te openen. Bij zware regen- of sneeuwval, vorst of ijzel komt de klep echter mogelijk
niet uit de vergrendeling los.
Ontgrendelen achterklep
176
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Druk op de knop (1) op het verlichtingspaneel.
> Het slot ontgrendelt en de klep opent
een paar centimeter.
Vergrendelen met transpondersleutel
–
Druk op de toets
voor vergrendeling
op de transpondersleutel (p. 161).
> De vergrendelingsindicatie op het
instrumentenpaneel begint te knipperen, wat inhoudt dat de auto vergrendeld en het alarmsysteem* geactiveerd
is.
Gerelateerde informatie
•
Vergrendelen/ontgrendelen - van de binnenzijde (p. 173)
•
Vergrendelen/ontgrendelen - vanaf de
buitenkant (p. 172)
06 Sloten en alarm
Vergrendelen/ontgrendelen tankvulklep
U ontgrendelt de tankvulklep met de toets
) op de transpondervoor ontgrendeling (
sleutel (p. 157).
De tankvulklep blijft ontgrendeld totdat de
auto wordt vergrendeld met de knop voor
vergrendeling (
) op de transpondersleutel
Als de auto tijdens de rit of met de knoppen
in de passagiersruimte wordt vergrendeld,
blijft de tankvulklep ontgrendeld.
De vergrendellogica van de tankvulklep is
bovendien ondergeschikt aan het Keylesssysteem en eventuele vergrendeling of ontgrendeling via de centrale vergrendeling.
Gerelateerde informatie
•
•
Tankvulklep - openen/sluiten (p. 303)
Tankvulklep - handmatig openen (p. 304)
Safelock-functie*
Tijdelijk deactiveren
Safelock-functie12
Bij activering van de
worden alle openingshandgrepen mechanisch
losgekoppeld, wat het openen van de portieren van de binnenzijde onmogelijk maakt.
Met de transpondersleutel (p. 157) activeert u
de Safelock-functie die ca. tien seconden na
vergrendeling van de portieren in werking
treedt.
N.B.
Als er binnen deze vertragingsperiode een
van de portieren wordt geopend, wordt de
functie geannuleerd en het alarm gedeactiveerd.
De auto is alleen te ontgrendelen met de
transpondersleutel, wanneer de Safelockfunctie geactiveerd is. Het linker voorportier is
ook te ontgrendelen met het afneembare
sleutelblad (p. 164).
WAARSCHUWING
Laat niemand in de auto zitten zonder
eerst de Safelock-functie te deactiveren
om te voorkomen dat u iemand opsluit.
Geactiveerde menu-opties staan aangekruist.
MY CAR
OK MENU
Draaiknop TUNE
EXIT
Als u de portieren van de buitenzijde wilt vergrendelen terwijl er iemand in de auto achterblijft, kunt u de Safelock-functie tijdelijk uitschakelen in het menusysteem MY CAR. Voor
een gedetailleerde beschrijving van het
menusysteem, zie MY CAR (p. 108).
06
In MY CAR hebt u de keuze uit een van de
volgende opties:
• Eén keer activeren: - Bij vergrendeling
van de auto verschijnt op het instrumentenpaneel de melding Sloten en alarm
12
Alleen in combinatie met een alarmsysteem.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
177
06 Sloten en alarm
||
Beveiliging beperkt en de Safelockfunctie wordt alleen deze keer uitgeschakeld. (Let erop dat ook de bewegingsmelders en niveausensoren* van het alarmsysteem worden uitgeschakeld.)
Als u geen wijzigingen in het vergrendelingssysteem wenst
N.B.
De volgende keer dat u de motor start, wordt
het systeem gereset waarna op het instrumentenpaneel de melding Sloten en alarm
Beveiliging volledig verschijnt. Daarmee zijn
de Safelock-functie en de bewegingsmelders
en niveausensoren van het alarmsysteem
opnieuw ingeschakeld.
• Vragen bij uitstappen: - Iedere keer dat
u de motor afzet moet u de vraag Lagere
beveiliging activeren tot motor
opnieuw is gestart? beantwoorden.
Druk op EXIT en vergrendel de auto.
–
•
Let erop dat het alarm wordt geactiveerd bij vergrendeling van de auto.
•
Als een van de portieren van de binnenzijde wordt geopend, gaat het
alarm af.
Kinderslot - handmatige activering
Het kinderslot voorkomt dat kinderen een
achterportier vanaf de binnenzijde kunnen
openen.
De bedieningscilinders van het kinderslot zitten achter op de korte kant van de achterportieren, zodat ze alleen bereikbaar zijn wanneer
de portieren openstaan.
Kinderslot activeren/deactiveren
Gerelateerde informatie
•
Keyless Drive* - ontgrendelen met sleutelblad (p. 170)
Als u de Safelock-functie wilt uitschakelen
–
06
Druk op OK/MENU en vergrendel de
auto. (Let erop dat ook de bewegingsmelders en niveausensoren* van het alarmsysteem worden uitgeschakeld.)
> De volgende keer dat u de motor start,
wordt het systeem gereset waarna op
het instrumentenpaneel de melding
Sloten en alarm Beveiliging volledig
verschijnt. Daarmee zijn de Safelockfunctie en de bewegingsmelders en
niveausensoren van het alarmsysteem
opnieuw ingeschakeld.
Mechanisch kinderslot. Niet te verwarren met de
mechanische portiervergrendeling (p. 172).
–
Maak gebruik van het afneembare sleutelblad (p. 165) van de transpondersleutel
om de cilinder te verdraaien.
Het portier is niet vanaf de binnenzijde te
openen.
Het portier is zowel vanaf de buitenzijde
als vanaf de binnenzijde te openen.
178
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
06 Sloten en alarm
N.B.
Kinderslot - elektrische activering*
•
De vergrendelbus van een portier dient
alleen om het desbetreffende portier te
vergrendelen – dus niet beide achterportieren.
•
Op auto’s met een elektrisch kinderslot zit geen handmatig kinderslot.
Activeren
Gerelateerde informatie
•
Kinderslot - elektrische activering*
(p. 179)
•
Vergrendelen/ontgrendelen - van de binnenzijde (p. 173)
Het kinderslot voorkomt dat kinderen een
achterportier vanaf de binnenzijde kunnen
openen.
Het elektrische kinderslot is in alle sleutelstanden (p. 76) anders dan 0 te activeren/
deactiveren en dat binnen 2 minuten na het
afzetten van de motor, op voorwaarde dat er
geen portier wordt geopend.
2. Druk op de bijbehorende knop van het
bedieningspaneel op het bestuurdersportier.
> Op het informatiedisplay staat de melding Kinderslot actief en het lampje
in de knop brandt - het slot is geactiveerd.
Wanneer het elektrische kinderslot actief is,
zijn de achterste:
•
zijruiten alleen vanaf het bedieningspaneel op het bestuurdersportier te bedienen
•
portieren niet van de binnenkant te openen.
Bij het afzetten van de motor wordt de
actuele instelling vastgelegd – als het kinderslot geactiveerd was tijdens het afzetten van
de motor, dan is de functie de volgende keer
dat u de motor start eveneens actief.
Gerelateerde informatie
Bedieningspaneel bestuurdersportier.
1. Start de motor of kies een slotstand
anders dan 0.
•
Kinderslot - handmatige activering
(p. 178)
•
Vergrendelen/ontgrendelen - van de binnenzijde (p. 173)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
06
179
06 Sloten en alarm
Alarm
N.B.
Het alarm is een systeem dat waarschuwt als
er bijvoorbeeld in de auto wordt ingebroken.
De bewegingsmelders laten het alarm
afgaan bij bewegingen in de passagiersruimte – ook eventuele luchtstromen worden geregistreerd. Het alarm kan dan ook
afgaan als u de auto met een raam open
laat staan of als u de interieurverwarming
gebruikt.
Een geactiveerd alarmsysteem gaat af als:
06
•
een portier, de motorkap of de achterklep
wordt geopend
•
er beweging in de passagiersruimte wordt
waargenomen (als er een bewegingsmelder* aanwezig is)
•
de auto wordt opgetakeld of weggesleept
(op auto’s met een niveausensor*)
•
een kabel van de startaccu wordt losgekoppeld
•
de sirene wordt losgekoppeld.
Om dat te voorkomen: Sluit bij het verlaten
van de auto alle ramen. Bij gebruik van de
geïntegreerde interieurverwarming van de
auto (of een draagbare variant daarvan op
stroom) dan dient u de blaasmonden dusdanig af te stellen dat deze niet omhoogwijzen. U kunt ook gebruik maken van het
beperkte alarmniveau, Beperkt alarmniveau (p. 182).
Als er een storing in het alarmsysteem is
opgetreden, verschijnt er een melding op het
informatiedisplay van het instrumentenpaneel.
Neem dan contact op met een werkplaats –
geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
N.B.
Probeer niet zelf de onderdelen van het
alarmsysteem te repareren of te wijzigen.
Dergelijke pogingen kunnen van invloed
zijn op de verzekeringsvoorwaarden.
Alarm activeren
–
Druk op de vergrendelingstoets op de
transpondersleutel.
Alarm deactiveren
–
180
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Druk op de ontgrendelingstoets op de
transpondersleutel.
Geactiveerd alarm uitschakelen
–
Druk op de ontgrendelingstoets op de
transpondersleutel of steek de transpondersleutel in het contactslot.
Gerelateerde informatie
•
Alarmsysteem - automatische herinschakeling (p. 181)
•
Alarmsysteem - transpondersleutel defect
(p. 182)
06 Sloten en alarm
Alarmindicatie
De alarmindicatie geeft de status aan van het
alarmsysteem (p. 180).
Alarmsysteem - automatische
herinschakeling
De automatische herinschakeling van het
alarm voorkomt dat u de auto verlaat zonder
het alarmsysteem (p. 180) uit te schakelen.
Als u geen van de portieren noch de achterklep binnen twee minuten na uitschakeling
van het alarm opent wanneer de auto met de
transpondersleutel (p. 157) ontgrendeld (en
het alarm gedeactiveerd) werd, wordt het
alarm automatisch opnieuw ingeschakeld. De
auto wordt bovendien opnieuw vergrendeld.
Alarm - automatische activering
In bepaalde landen wordt het alarm (p. 180)
na enige vertraging automatisch ingeschakeld, wanneer het bestuurdersportier werd
geopend en gesloten maar daarna niet werd
vergrendeld.
Gerelateerde informatie
•
Alarmsignalen (p. 182)
Gerelateerde informatie
•
Alarm - automatische activering (p. 181)
Dezelfde diode als de vergrendelingsindicatie
(p. 159).
Een rode led op het instrumentenpaneel geeft
de status van het alarmsysteem aan:
•
•
•
De led is uit – het alarm is uitgeschakeld
De led licht om de twee seconden eenmaal op – het alarm is ingeschakeld
06
De led knippert snel vanaf het moment
van uitschakelen van het alarm (tot aan
het moment dat u de transpondersleutel
in het contactslot steekt en sleutelstand I
wordt bereikt) – het alarm is afgegaan.
181
06 Sloten en alarm
Alarmsysteem - transpondersleutel
defect
Als u het alarm (p. 180) niet kunt uitschakelen
met de transpondersleutel (als bijvoorbeeld
de batterij (p. 166) van de sleutel leeg is), kunt
u de auto als volgt ontgrendelen, het alarmsysteem deactiveren en de motor starten:
1. Open het linker voorportier met het
afneembare sleutelblad (p. 170).
> Het alarmsysteem gaat af, de richtingaanwijzers knipperen en de sirene
klinkt.
Alarmsignalen
Beperkt alarmniveau
Wanneer het alarm (p. 180) afgaat, klinkt een
sirene en knipperen alle richtingaanwijzers.
Een beperkt alarmniveau houdt in dat de
bewegingsmelders en niveausensoren tijdelijk
worden uitgeschakeld.
•
Er klinkt een sirene totdat u het alarm uitschakelt. Bij inactiviteit gaat de sirene na
30 seconden lang automatisch uit. De
sirene heeft zijn eigen accu en werkt volledig onafhankelijk van de startaccu in de
auto.
•
Alle richtingaanwijzers knipperen totdat u
het alarm uitschakelt. Bij inactiviteit gaan
ze na vijf minuten automatisch uit.
Om te voorkomen dat het alarmsysteem
onbedoeld afgaat als er bijvoorbeeld een
hond in een vergrendelde auto wordt achtergelaten of bij gebruik van een autotrein of een
veerverbinding, dienen de bewegingsmelder
en de niveausensoren tijdelijk te worden
gedeactiveerd.
De te volgen procedure is identiek aan die bij
tijdelijke uitschakeling van de Safelock-functie, zie Safelock-functie* (p. 177).
Gerelateerde informatie
•
•
06
2. Steek de transpondersleutel in het contactslot.
> Het alarm wordt uitgeschakeld.
182
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Alarm (p. 180)
Alarmindicatie (p. 181)
06 Sloten en alarm
Typegoedkeuring transpondersleutelsysteem
De typegoedkeuring voor het transpondersleutelsysteem staat in de tabel.
Land/regio
China
Vergrendelingssysteem standaard
Land/regio
EU, China
Passief vergrendelingssysteem (Keyless
drive)
Land/regio
Hongkong
Gerelateerde informatie
•
Transpondersleutel (p. 157)
EU
06
Korea
183
RIJHULP
07 Rijhulp
Elektronische stabiliteitsregeling
(ESC) - algemeen
De stabiliteitsregeling ESC ((Electronic
Stability Control)) helpt u voorkomen dat de
wielen doorslippen en verbetert de tractie van
de auto.
Tijdens het afremmen kunnen de
ingrepen van het ESC-systeem
waarneembaar zijn in de vorm van
pulserende geluiden. Tijdens het
gas geven kan de auto langzamer optrekken
dan u verwacht.
WAARSCHUWING
De stabiliteitsregeling ESC is slechts een
aanvullend hulpmiddel en kan niet alle
situaties en alle wegomstandigheden aan.
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige
manier bestuurt en dat u zich aan de geldende verkeersregels en voorschriften
houdt.
Het ESC-systeem bestaat uit de volgende
functies:
•
•
•
•
1
•
•
•
Corner Traction Control - CTC
Stuuradvies - DSR
Trailer Stability Assist*, TSA
Antislipregeling
Deze regeling controleert de aandrijfkracht en
remkracht van elk van de afzonderlijke wielen
om de auto op die manier te stabiliseren.
Antispinregeling
Deze regeling beperkt de aandrijfkracht en
remkracht van elk van de afzonderlijke wielen
om de auto op die manier te stabiliseren.
Tractieregeling
Stuuradvies - DSR
DSR (Driver Steering Recommendation) helpt
u om de auto in de juiste richting te sturen bij
beperkte grip op het wegdek of bij een
ingreep van het ABS.
DSR is voornamelijk bedoeld om u te helpen
de auto in de juiste richting te sturen, wanneer de auto eenmaal slipt.
Deze regeling is actief op lage snelheden en
brengt de aandrijfkracht van een slippend
aandrijfwiel over op een aandrijfwiel dat niet
slipt.
DSR grijpt in door het stuurwiel met enige
kracht in de richting te draaien, waarin u moet
sturen om optimale grip te verkrijgen/handhaven en de auto te stabiliseren.
Motorremregeling, EDC
Trailer Stability Assist* , TSA1
EDC (Engine Drag Control) voorkomt ongewenste blokkering van de wielen, zoals na
terugschakeling of bij gladheid tijdens het
afremmen op de motor in een lage versnelling.
Antispinregeling
Een van de gevolgen van ongewenste blokkering van de wielen is dat u de auto moeilijk
onder controle kunt houden.
Tractieregeling
Corner Traction Control - CTC
Motorremregeling, EDC
CTC (Corner Traction Control) zorgt voor
compensatie van eventueel onderstuur in een
Antislipregeling
bocht en maakt het mogelijk om sneller op te
trekken dan normaal zonder dat het binnenste wiel doorslipt zoals bij een gebogen oprit
om zo sneller in te kunnen voegen in de verkeersstroom.
Het TSA-systeem (p. 317) heeft tot taak de
auto met een aanhanger/caravan te stabiliseren, wanneer de combinatie de neiging tot
pendelbewegingen vertoont. Voor meer informatie, zie Rijden met een aanhanger (p. 310).
N.B.
07
De functie wordt gedeactiveerd als u de
Sport-stand kiest.
Trailer Stability Assist is inbegrepen bij montage van een originele Volvo-trekhaak.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
185
07 Rijhulp
||
Gerelateerde informatie
•
Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) bediening (p. 186)
•
Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) symbolen en meldingen (p. 187)
Elektronische stabiliteitsregeling
(ESC) - bediening
Niveau kiezen, Sport-stand
Het ESC-systeem is altijd geactiveerd – uitschakelen is niet mogelijk.
U kunt echter de Sportstand kiezen voor een actievere rijervaring.
In de Sport-stand registreert
het systeem of de gaspedaal- en stuurwielbediening
alsook het bochtenwerk als actiever dan normaal aan te merken zijn, waarna het systeem
toestaat dat de achtertrein een gecontroleerde vorm van slippen vertoont voordat het
ingrijpt en de auto stabiliseert.
Als u de gecontroleerde vorm van slippen bijvoorbeeld beëindigt door het gaspedaal te
bedienen, grijpt het ESC-systeem in om de
auto te stabiliseren.
07
De Sport-stand maakt ook maximale aandrijving mogelijk, als de auto is blijven steken of
over een zachte ondergrond (zoals zand of
een dikke laag sneeuw) rijdt.
Kies als volgt de Sport-stand:
De Sport-stand is te kiezen in het menusysteem MY CAR. Voor een beschrijving van het
menusysteem, zie MY CAR (p. 108).
186
Wanneer de Sport-stand actief is,
brandt dit symbool op het instrumentenpaneel continu totdat u het
systeem deactiveert of totdat de
motor wordt afgezet – een volgende keer dat
de motor wordt gestart is de normale stand
van de ESC opnieuw van kracht.
Gerelateerde informatie
•
Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) algemeen (p. 185)
•
Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) symbolen en meldingen (p. 187)
•
MY CAR (p. 108)
07 Rijhulp
Elektronische stabiliteitsregeling
(ESC) - symbolen en meldingen
Tabel
Symbool
Melding
Betekenis
ESC Tijdelijk UIT
Wegens een te hoge temperatuur van de remschijven gelden er tijdelijk beperkingen voor het ESC-systeem – het systeem wordt automatisch opnieuw ingeschakeld, wanneer de remmen voldoende zijn
afgekoeld.
ESC Service vereist
Het ESC-systeem is defect.
•
•
Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand, zet de motor af en start deze opnieuw.
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
‘Melding’
Er staat een melding op het instrumentenpaneel – lees deze!
Brandt 2 seconden lang
continu.
Systeemtest bij het starten van de motor.
en
07
}}
187
07 Rijhulp
||
Symbool
Melding
Betekenis
Knippert.
Het ESC-systeem grijpt in.
Brandt continu.
De Sport-stand is geactiveerd.
NB In deze stand is het ESC niet helemaal uitgeschakeld – er gelden bepaalde beperkingen.
Gerelateerde informatie
07
188
•
Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) algemeen (p. 185)
•
Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) bediening (p. 186)
07 Rijhulp
Verkeersbordenherkenning (RSI)
WAARSCHUWING
De verkeersbordenherkenning (RSI – Road
Sign Information) helpt de bestuurder te onthouden welke verkeersborden de auto gepasseerd is.
RSI werkt niet in alle situaties, maar is uitsluitend bedoeld als een aanvullend hulpmiddel.
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige
manier bestuurt en dat u zich aan de geldende verkeersregels en voorschriften
houdt.
Verkeersbordenherkenning (RSI)* bediening
De verkeersbordenherkenning (RSI – Road
Sign Information) helpt de bestuurder te onthouden welke verkeersborden de auto gepasseerd is. Hier volgt een beschrijving van de
werking van het systeem.
Gerelateerde informatie
•
Verkeersbordenherkenning (RSI)* - bediening (p. 189)
•
Verkeersbordenherkenning (RSI)* beperkingen (p. 191)
Voorbeelden van leesbare, snelheidsgerelateerde2 borden.
De verkeersbordenherkenning geeft informatie over o.a. actuele snelheid, begin of eind
van een autoweg of snelweg en inhaalverboden. Als zowel een bord met snel-/autoweg
en een bord met de maximumsnelheid wordt
gepasseerd, toont RSI alleen het bordsymbool voor de maximumsnelheid.
2
3
Geregistreerde snelheidsinformatie3.
Als RSI een verkeersbord registreert met de
geldende snelheid, geeft het instrumentenpaneel dat bord als symbool weer.
Samen met het symbool
voor de geldende snelheidsbeperking kan (voor zover
van toepassing) ook een
bord met inhaalverbod verschijnen.
Welke verkeersborden er op het instrumentenpaneel verschijnen hangt van de markt af – de afbeeldingen in het boekje zijn slechts voorbeelden.
Welke verkeersborden er op het instrumentenpaneel verschijnen hangt van de markt af – de afbeeldingen zijn slechts voorbeelden.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
07
}}
189
07 Rijhulp
||
Einde snelheidsbeperking of snelweg
Aanvullende borden
Wanneer het RSI een bord registreert dat het
einde van een snelheidsbeperking aangeeft
(of andere snelheidsgerelateerde informatie
zoals het einde van een snelweg), verschijnt
het desbetreffende verkeersbord
ca. 10 seconden lang op het instrumentenpaneel.
Het snelheidsbord dat aan dit type aanvullend
bord is gekoppeld, verschijnt alleen als u de
richtingaanwijzer gebruikt.
Sommige snelheden gelden
bijvoorbeeld alleen een
bepaald traject of op een
bepaalde tijd van de dag. U
wordt hierop geattendeerd
met een symbool voor een
aanvullend bord onder het
snelheidssymbool.
Voorbeelden van dergelijke borden zijn:
Einde snelheidsbeperkingen.
Weergave van aanvullende informatie
Voorbeelden van aanvullende borden3.
Einde snelweg.
Vervolgens wordt er geen verkeersbordinformatie weergegeven, totdat het volgende snelheidsbord wordt geregistreerd.
07
3
190
Soms kent een en dezelfde weg verschillende
snelheidsbeperkingen – een aanvullend bord
geeft dan aan onder welke omstandigheden
de snelheden gelden. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om een gevaarlijke weg bij bijvoorbeeld regen en/of mist.
Het aanvullende bord met betrekking tot
regen verschijnt alleen als de ruitenwissers
zijn geactiveerd.
Op bepaalde markten wordt
de geldende snelheid op een
afrit aangegeven met een
aanvullend bord met een pijl.
Welke verkeersborden er op het instrumentenpaneel verschijnen hangt van de markt af – de afbeeldingen zijn slechts voorbeelden.
king.
Een leeg vakje onder het
snelheidssymbool op het
instrumentenpaneel geeft
aan dat het RSI een bord
heeft geregistreerd met aanvullende informatie over de
geldende snelheidsbeper-
07 Rijhulp
Road Sign Information Aan/Uit
U kunt ervoor kiezen of u een waarschuwing
wil krijgen bij een overschrijding van de snelheidsbeperking met 5 km/h of meer. De waarschuwing bestaat uit een tijdelijk knipperend
symbool voor de maximumsnelheid als de
snelheid wordt overschreden.
Om Speed Alert in te schakelen:
•
Het is mogelijk de weergave van snelheidssymbolen op het instrumentenpaneel te
deactiveren.
Gerelateerde informatie
Om het RSI-systeem uit te schakelen:
•
•
•
•
Zoek de functie in het menusysteem MY
CAR MY CAR (p. 108), vink Informatie
verkeersborden (Road Sign Information
On) uit en verlaat het menu met EXIT.
Snelheidswaarschuwing Aan/Uit
Zoek de functie in het menusysteem MY
CAR MY CAR (p. 108), vink
Snelheidswaarschuwing (Speed Alert)
aan en verlaat het menu met EXIT.
Verkeersbordenherkenning (RSI) (p. 189)
Verkeersbordenherkenning (RSI)* beperkingen (p. 191)
MY CAR (p. 108)
Verkeersbordenherkenning (RSI)*
beperkingen
De verkeersbordenherkenning (RSI – Road
Sign Information) helpt de bestuurder te onthouden welke verkeersborden de auto gepasseerd is. Het systeem heeft onderstaande
beperkingen.
De camerasensor van het RSI-systeem kent
ongeveer dezelfde beperkingen als het menselijk oog – lees daarover meer in het
gedeelte over de beperkingen van de camerasensor (p. 233).
Borden die indirect informeren over snelheidsbeperkingen, bijvoorbeeld naamborden
van steden/dorpen, worden niet geregistreerd
door het RSI-systeem.
Hieronder volgen andere voorbeelden die de
werking kunnen storen:
•
•
•
•
•
Verbleekte borden
Borden in een bocht
Verdraaide of beschadigde borden
Verscholen of slecht geplaatste borden
Borden die geheel of gedeeltelijk zijn
afgedekt met ijs, sneeuw en/of vuil.
07
Gerelateerde informatie
•
•
Verkeersbordenherkenning (RSI) (p. 189)
Verkeersbordenherkenning (RSI)* - bediening (p. 189)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
191
07 Rijhulp
Snelheidsbegrenzer*
Een snelheidsbegrenzer (Speed Limiter) is te
beschouwen als een omgekeerde cruisecontrol – u regelt de snelheid met het gaspedaal,
terwijl de snelheidsbegrenzer voorkomt dat u
per ongeluk de vooraf gekozen/ingestelde
snelheid overschrijdt.
Stuurtoetsen en instrumentpaneel (Digital c.q.
Analog).
Snelheidsbegrenzer - Aan/Uit.
De stand-bystand wordt beëindigd en de
ingestelde snelheid wordt hervat.
07
Stand-by zetten
Activeren en maximumsnelheid aanpassen.
Ingestelde snelheid
Snelheidsbegrenzer actief
Gerelateerde informatie
•
Snelheidsbegrenzer* - beknopte bedieningsinstructies (p. 192)
•
Snelheidsbegrenzer - tijdelijk deactiveren
en stand-bystand* (p. 194)
•
Snelheidsbegrenzer* - alarm overschrijding snelheid (p. 195)
•
Snelheidsbegrenzer* - uitschakelen
(p. 195)
Snelheidsbegrenzer* - beknopte
bedieningsinstructies
Een snelheidsbegrenzer (Speed Limiter) is te
beschouwen als een omgekeerde cruisecontrol – u regelt de snelheid met het gaspedaal,
terwijl de snelheidsbegrenzer voorkomt dat u
per ongeluk de vooraf gekozen/ingestelde
snelheid overschrijdt.
Stuurtoetsen en instrumentpaneel Digital c.q.
Analog.
Snelheidsbegrenzer - Aan/Uit.
De stand-bystand wordt beëindigd en de
ingestelde snelheid wordt hervat.
Stand-by zetten
Activeren en maximumsnelheid aanpassen.
Ingestelde snelheid
Snelheidsbegrenzer actief
192
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
07 Rijhulp
Inschakelen en activeren
Wanneer de snelheidsbegrenzer actief is, verschijnt op het instrumentenpaneel het bijbehorende symbool (6) samen met een
markering (5) bij de ingestelde maximumsnelheid.
Zowel tijdens het rijden als bij stilstand is het
mogelijk een maximumsnelheid in te stellen
en op te slaan in het geheugen.
Tijdens het rijden
1. Druk op de stuurtoets
om de snelheidsbegrenzer in te schakelen.
> Het symbool (6) voor de snelheidsbegrenzer gaat branden op het instrumentenpaneel.
2. Wanneer de auto op de gewenste maximumsnelheid rijdt: Druk op een van de
stuurtoetsen
of
, totdat op het
instrumentenpaneel bij de gewenste
maximumsnelheid een markering (5) verschijnt.
> De snelheidsbegrenzer is daarmee
actief en de gekozen maximumsnelheid is daarmee opgeslagen in het
geheugen.
2. Druk meerdere malen op de
-knop totdat op het instrumentenpaneel bij de
gewenste maximumsnelheid een
markering (5) verschijnt.
> De snelheidsbegrenzer is daarmee
actief en de gekozen maximumsnelheid is daarmee opgeslagen in het
geheugen.
Gerelateerde informatie
•
Snelheidsbegrenzer* (p. 192)
Snelheidsbegrenzer* - snelheid
wijzigen
Opgeslagen snelheid wijzigen
U wijzigt de opgeslagen maximumsnelheid
of
kort of lang in te
door de knoppen
drukken.
Om aan te passen met +/- 5 km/h:
•
Kort indrukken - elke keer drukken komt
overeen met +/- 5 km/h.
Om aan te passen met +/- 1 km/h:
•
Houd de knop ingedrukt en laat deze
weer los, wanneer op het instrumentenpaneel een markering bij de gewenste
maximumsnelheid verschijnt.
De laatst verrichte aanpassing wordt in het
geheugen opgeslagen.
Gerelateerde informatie
•
Snelheidsbegrenzer* (p. 192)
07
Bij stilstand
1. Druk op de stuurtoets
om de snelheidsbegrenzer in te schakelen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
193
07 Rijhulp
Snelheidsbegrenzer - tijdelijk
deactiveren en stand-bystand*
Een snelheidsbegrenzer (Speed Limiter) is te
beschouwen als een omgekeerde cruisecontrol – u regelt de snelheid met het gaspedaal,
terwijl de snelheidsbegrenzer voorkomt dat u
per ongeluk de vooraf gekozen/ingestelde
snelheid overschrijdt.
Tijdelijk deactiveren – stand-bystand
–
Om de snelheidsbegrenzer tijdelijk te deactiveren en stand-by te zetten:
–
Druk op
.
> De markering (5) op het instrumentenpaneel verkleurt van GROEN naar WIT
(Digital) of van WIT naar GRIJS (Analog), waarna u tijdelijk de ingestelde
maximumsnelheid kunt overschrijden.
De snelheidsbegrenzer wordt automatisch opnieuw geactiveerd nadat u het
gaspedaal hebt losgelaten en de auto
is afgeremd tot een snelheid onder de
gekozen/opgeslagen maximumsnelheid – de markering (5) verkleurt van
WIT naar GROEN (Digital) of van
GRIJS naar WIT (Analog) en de maximumsnelheid van de auto is opnieuw
van kracht.
U kunt de snelheidsbegrenzer opnieuw
,
inschakelen met een druk op
waarna de markering (5) verkleurt van
WIT naar GROEN (Digital) of van
GRIJS naar WIT (Analog) om aan te
geven dat er opnieuw een maximumsnelheid voor de auto geldt.
Tijdelijk deactiveren met gaspedaal
Stuurtoetsen en instrumentpaneel (Digital c.q.
Analog).
Snelheidsbegrenzer - Aan/Uit.
07
De stand-bystand wordt beëindigd en de
ingestelde snelheid wordt hervat.
Stand-by zetten
Activeren en maximumsnelheid aanpassen.
Ingestelde snelheid
Snelheidsbegrenzer actief
194
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
De snelheidsbegrenzer is ook met het gaspedaal stand-by te zetten, bijvoorbeeld om in
noodgevallen snel te kunnen accelereren:
Trap het gaspedaal volledig in.
> Op het instrumentenpaneel staat de
opgeslagen maximumsnelheid met een
gekleurde markering (5) en u kunt de
ingestelde maximumsnelheid tijdelijk
overschrijden – de markering (5) verkleurt dan van GROEN naar WIT (Digital) of van WIT naar GRIJS (Analog).
Gerelateerde informatie
•
Snelheidsbegrenzer* (p. 192)
07 Rijhulp
Snelheidsbegrenzer* - alarm
overschrijding snelheid
Een snelheidsbegrenzer (Speed Limiter) is te
beschouwen als een omgekeerde cruisecontrol – u regelt de snelheid met het gaspedaal,
terwijl de snelheidsbegrenzer voorkomt dat u
per ongeluk de vooraf
gekozen/ingestelde snelheid overschrijdt.
Op steile aflopende hellingen volstaat de
motorrem van de snelheidsbegrenzer mogelijk niet, zodat de gekozen maximumsnelheid
wordt overschreden. U wordt in dat geval
hierop geattendeerd door een geluidssignaal.
Het signaal is hoorbaar totdat u de auto hebt
afgeremd tot een snelheid onder de gekozen
maximumsnelheid.
Snelheidsbegrenzer* - uitschakelen
Cruisecontrol*
Een snelheidsbegrenzer (Speed Limiter) is te
beschouwen als een omgekeerde cruisecontrol – u regelt de snelheid met het gaspedaal,
terwijl de snelheidsbegrenzer voorkomt dat u
per ongeluk de vooraf gekozen/ingestelde
snelheid overschrijdt.
De cruisecontrol (CC – Cruise Control) helpt u
een gelijkmatige snelheid te houden, wat
zorgt voor een comfortabeler rijervaring op
lange ritten op snelwegen en lange, rechte
hoofdwegen met een gelijkmatige verkeersstroom.
Om de snelheidsbegrenzer uit te schakelen:
Overzicht
–
N.B.
Het alarm wordt pas na 5 seconden geactiveerd, als de snelheid met minimaal
3 km/h wordt overschreden en de afgelopen 30 seconden geen van de toetsen
of
werd bediend.
Druk op de stuurtoets
.
> Het snelheidsbegrenzersymbool op het
instrumentenpaneel (p. 192) en de
markering voor de ingestelde snelheid
doven. De gekozen en opgeslagen
snelheid is vervolgens uit het geheugen gewist, waarna deze niet meer te
.
hervatten is met de toets
U kunt daarna weer zonder beperkingen de snelheid regelen met het gaspedaal.
Gerelateerde informatie
•
Toetsenset op het stuurwiel en instrumentenpaneel bij een auto zonder cruisecontrol4.
Snelheidsbegrenzer* (p. 192)
Gerelateerde informatie
•
4
07
Snelheidsbegrenzer* (p. 192)
Een Volvo-dealer kan u informeren over wat er op uw markt geldt.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
195
07 Rijhulp
||
WAARSCHUWING
De bestuurder dient altijd rekening te houden met de verkeersomstandigheden en in
te grijpen, wanneer de cruisecontrol geen
passende snelheid en/of afstand aanhoudt.
Cruisecontrol* - snelheid regelen
U kunt een snelheid activeren, instellen en
een opgeslagen snelheid wijzigen.
Activeren en snelheid instellen
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige
manier bestuurt.
Gerelateerde informatie
Toetsenset op het stuurwiel en instrumentenpaneel bij een auto net cruisecontrol4.
Cruisecontrol – Aan/Uit.
De stand-bystand wordt beëindigd en de
ingestelde snelheid wordt hervat.
Stand-by zetten
•
•
Cruisecontrol* - snelheid regelen (p. 196)
•
Cruisecontrol* - ingestelde snelheid hervatten (p. 199)
•
•
Activeren en snelheid aanpassen.
Gekozen snelheid (GRIJS = standbystand).
Cruisecontrol actief - WIT symbool
(GRIJS = stand-bystand).
07
4
5
196
Een Volvo-dealer kan u informeren over wat er op uw markt geldt.
Een Volvo-dealer kan u informeren over wat er op uw markt geldt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Snelheidsbegrenzer* tijdelijk deactiveren
en stand-bystand (p. 198)
Cruisecontrol* - uitschakelen (p. 200)
Adaptieve cruisecontrol (ACC)* (p. 200)
Toetsenset op het stuurwiel en display in de auto
zonder snelheidsbegrenzer5.
07 Rijhulp
>
De actuele snelheid wordt in het geheugen opgeslagen, de markering (5) op het
instrumentenpaneel gaat branden bij de
ingestelde snelheid en het symbool (6)
verkleurt van GRIJS naar WIT – de auto
houdt de ingestelde/opgeslagen snelheid
aan.
de auto hervat de laatst opgeslagen snelheid
zodra u het gaspedaal loslaat.
N.B.
Als u een knop van de cruisecontrol meerdere minuten ingedrukt houdt, wordt de
cruisecontrol geblokkeerd en uitgeschakeld. Om de cruisecontrol weer te kunnen
activeren, moet de auto stilstaan en de
motor worden herstart.
N.B.
De cruisecontrol kan niet worden ingeschakeld bij snelheden lager dan 30 km/h.
Toetsenset op het stuurwiel en display in de auto
met snelheidsbegrenzer5.
Om de cruisecontrol aan te zetten:
Opgeslagen snelheid wijzigen
Druk op de stuurtoets CRUISE (zonder
snelheidsbegrenzer) of op
(met snelheidsbegrenzer).
•
>
Op het instrumentenpaneel gaat het
symbool (6) voor de cruisecontrol branden – de cruisecontrol staat stand-by.
•
•
Druk bij de gewenste snelheid op de
of
.
stuurtoets
•
Cruisecontrol* (p. 195)
U wijzigt de opgeslagen maximumsnelheid
of
in te drukken.
door de knoppen
•
Om de cruisecontrol in te schakelen:
Gerelateerde informatie
Kort indrukken komt overeen met
+/- 5 km/h.
of
Houd de knop ingedrukt en laat los bij de
gewenste snelheid.
Als u de snelheid verhoogt met het gaspedaal
voordat u de
/ -knop indrukt, wordt de
actuele rijsnelheid opgeslagen die geldt bij
het indrukken van de knop. De laatst verrichte
aanpassing wordt in het geheugen opgeslagen.
07
Wanneer u tijdelijk gas geeft via het gaspedaal zoals bij een inhaalmanoeuvre, blijft de
instelling van de cruisecontrol ongewijzigd –
5
Een Volvo-dealer kan u informeren over wat er op uw markt geldt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
197
07 Rijhulp
Snelheidsbegrenzer* tijdelijk
deactiveren en stand-bystand
•
Het systeem is tijdelijk te activeren en standby te zetten.
U dient vervolgens zelf uw snelheid aan te
passen.
Tijdelijk deactiveren – stand-bystand
Wanneer u tijdelijk gas geeft via het gaspedaal zoals bij een inhaalmanoeuvre, blijft de
instelling ongewijzigd – de auto hervat de
laatst opgeslagen snelheid zodra u het gaspedaal loslaat.
u meer dan 1 minuut lang een hogere
snelheid aanhoudt dan ingesteld.
Automatische stand-bystand
Toetsenset op het stuurwiel en display in de auto
met snelheidsbegrenzer6.
Om de cruisecontrol tijdelijk uit te schakelen
en stand-by te zetten:
Toetsenset op het stuurwiel en display in de auto
zonder snelheidsbegrenzer6.
•
Druk op
>
De markering (5) en het symbool (6) op
het instrumentenpaneel verkleuren van
WIT naar GRIJS – de cruisecontrol is tijdelijk uitgeschakeld.
.
Stand-bystand door actief ingrijpen van
uw kant
De cruisecontrol wordt tijdelijk gedeactiveerd
en automatisch stand-by gezet, als:
07
•
•
•
6
198
Een Volvo-dealer kan u informeren over wat er op uw markt geldt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
u het rempedaal bedient
u het koppelingspedaal bedient
u de versnellingspook/keuzehendel uit
stand N haalt
De cruisecontrol wordt tijdelijk uitgeschakeld
en stand-by gezet, als:
•
de wielen hun grip op het wegdek verliezen
•
het toerental van de motor te laag/hoog
wordt
•
de snelheid daalt tot onder ca. 30 km/h.
U dient vervolgens zelf uw snelheid aan te
passen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Cruisecontrol* - snelheid regelen (p. 196)
•
Cruisecontrol* - uitschakelen (p. 200)
Cruisecontrol* (p. 195)
Cruisecontrol* - ingestelde snelheid hervatten (p. 199)
07 Rijhulp
Cruisecontrol* - ingestelde snelheid
hervatten
De cruisecontrol (p. 195) (CC – Cruise
Control) helpt u een gelijkmatige snelheid aan
te houden.
•
Snelheidsbegrenzer* tijdelijk deactiveren
en stand-bystand (p. 198)
•
Cruisecontrol* - uitschakelen (p. 200)
Na tijdelijke deactivering en de standbystand (p. 198) kunt u de eerder ingestelde
snelheid hervatten.
Toetsenset op het stuurwiel en display in de auto
met snelheidsbegrenzer7.
Om de cruisecontrol opnieuw te activeren
vanuit de stand-bystand:
•
Druk op de stuurtoets
>
De markering (5) en het symbool (6) op
het instrumentenpaneel verkleuren van
GRIJS naar WIT en de laatst ingestelde/
opgeslagen snelheid wordt hervat.
Toetsenset op het stuurwiel en display in de auto
zonder snelheidsbegrenzer7.
.
N.B.
Nadat de snelheid weer met
is hervat,
kan er een markante snelheidstoename
volgen.
07
Gerelateerde informatie
•
•
7
Cruisecontrol* (p. 195)
Cruisecontrol* - snelheid regelen (p. 196)
Een Volvo-dealer kan u informeren over wat er op uw markt geldt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
199
07 Rijhulp
Cruisecontrol* - uitschakelen
Adaptieve cruisecontrol (ACC)*
De adaptieve cruisecontrol (ACC – Adaptive
Cruise Control) helpt u om een gelijkmatige
snelheid en een bepaalde afstand tot voorliggers te houden door een tijdsverschil ten
opzichte van de voorligger in te stellen.
Hier volgt een beschrijving van hoe u het systeem uitschakelt.
De adaptieve cruisecontrol biedt u een comfortabeler rijervaring op lange ritten op snelwegen en lange, rechte hoofdwegen met een
gelijkmatige verkeersstroom.
Toetsenset op het stuurwiel en display in de auto
met snelheidsbegrenzer8.
Toetsenset op het stuurwiel en display in de auto
zonder snelheidsbegrenzer8.
De cruisecontrol wordt gedeactiveerd bij
gebruik van de stuurtoets (1) of bij het afzetten van de motor – de opgeslagen snelheid
wordt uit het geheugen verwijderd en valt niet
langer te hervatten met de toets
.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
07
8
200
Een Volvo-dealer kan u informeren over wat er op uw markt geldt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Cruisecontrol* (p. 195)
Cruisecontrol* - snelheid regelen (p. 196)
Snelheidsbegrenzer* tijdelijk deactiveren
en stand-bystand (p. 198)
Cruisecontrol* - ingestelde snelheid hervatten (p. 199)
U stelt de gewenste snelheid (p. 204) en het
tijdsverschil ten opzichte van de voorligger.
Wanneer de radarsensor een voorligger registreert die langzamer rijdt dan u, wordt uw
snelheid automatisch aangepast. Wanneer de
weg voor u weer vrij is, hervat de auto de
ingestelde snelheid.
Als u een voorligger te dicht nadert terwijl de
adaptieve cruisecontrol uitgeschakeld is of
stand-by staat, wordt u door de afstandswaarschuwing (p. 216) geattendeerd op de
korte afstand.
07 Rijhulp
WAARSCHUWING
De bestuurder dient altijd rekening te houden met de verkeersomstandigheden en in
te grijpen, wanneer de adaptieve cruisecontrol geen passende snelheid of afstand
aanhoudt.
De adaptieve cruisecontrol leent zich niet
voor alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
Neem alle hoofdstukken over de adaptieve
cruisecontrol in de gebruikershandleiding
door voor informatie over de systeembeperkingen die u moet kennen alvorens het
systeem te gebruiken.
De bestuurder is er altijd verantwoordelijk
voor dat de juiste afstand en snelheid worden aangehouden, ook bij gebruik van de
adaptieve cruisecontrol.
BELANGRIJK
Laat het onderhoud van de onderdelen van
de adaptieve cruisecontrol over aan een
werkplaats – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
Automatische versnellingsbak
Gerelateerde informatie
•
•
Adaptieve cruisecontrol* - functie
Adaptieve cruisecontrol* - functie (p. 201)
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht
(p. 203)
•
Adaptieve cruisecontrol* - snelheid regelen (p. 204)
•
Adaptieve cruisecontrol* - tijdsverschil
instellen (p. 205)
•
Adaptieve cruisecontrol* - tijdelijke deactivering en stand-by (p. 206)
•
Adaptieve cruisecontrol* - een ander
voertuig inhalen (p. 207)
•
Adaptieve cruisecontrol* - uitschakelen
(p. 208)
•
Adaptieve cruisecontrol* - File-assistent
(p. 208)
Waarschuwingssymbool – afremmen
noodzakelijk
•
Adaptieve cruisecontrol* - van cruisecontrol-functie wisselen (p. 210)
Toetsenset op het stuurwiel (p. 82)
•
•
•
Radarsensor (p. 211)
•
Radarsensor - beperkingen (p. 211)
Adaptieve cruisecontrol* - storingen
opsporen en verhelpen (p. 213)
Functie-overzicht9.
Radarsensor (p. 211)
De adaptieve cruisecontrol bestaat uit een
cruisecontrol die gekoppeld is aan een
afstandshouder.
Adaptieve cruisecontrol* - symbolen en
meldingen (p. 214)
07
Bij auto’s met een automatische versnellingsbak is de adaptieve cruisecontrol uitgebreid
met een zogeheten file-assistent (p. 208).
9
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
201
07 Rijhulp
||
WAARSCHUWING
De adaptieve cruisecontrol is geen systeem dat botsingen voorkomt. Grijp zelf in
zodra u merkt dat het systeem een voorligger niet registreert.
De adaptieve cruisecontrol reageert niet
op voetgangers of dieren noch op kleinere
voertuigen, zoals fietsen of motorfietsen
e.d. Tegenliggers, langzaam rijdende en
stilstaande voertuigen of vaste obstakels
worden eveneens genegeerd.
Gebruik de adaptieve cruisecontrol niet in
stadsverkeer of verkeersdrukte, op kruisingen, bij gladheid, hevige regen- of sneeuwval of slecht zicht en evenmin op weggedeelten met een dikke laag water of
sneeuwmodder, op bochtige wegen of op
op- en afritten.
De afstand tot het verkeer voor u wordt in
principe gemeten met een radarsensor. De
cruisecontrol regelt de snelheid door de stand
van de gasklep aan te passen en zo nodig af
te remmen. Het is volkomen normaal dat de
remmen enige geluiden produceren, wanneer
de adaptieve cruisecontrol ze aanspreekt.
07
Het rempedaal beweegt, wanneer de
adaptieve cruisecontrol remt. Laat uw voet
niet onder het rempedaal rusten – deze
kan bekneld raken.
De adaptieve cruisecontrol streeft ernaar het
door u ingestelde tijdsverschil (p. 205) ten
opzichte van voorliggers in dezelfde rijstrook
aan te houden. Als de radarsensor geen voorligger registreert, houdt de auto in plaats
daarvan de snelheid aan die op de cruisecontrol werd ingesteld. Dit gebeurt ook als de
snelheid van de voorligger de ingestelde snelheid overschrijdt.
De adaptieve cruisecontrol streeft ernaar de
snelheid zo weinig mogelijk aan te passen. In
situaties waarin krachtig moet worden
geremd, dient de bestuurder dan ook zelf te
remmen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij grote
snelheidsverschillen of als het voertuig dat
voor u rijdt krachtig remt. Door beperkingen
van de radarsensor (p. 211) is het mogelijk
dat er onverwachts of helemaal niet wordt
geremd.
De adaptieve cruisecontrol is te activeren om
een tijdsverschil aan te houden ten opzichte
van een voorligger bij snelheden vanaf
30 km/h10 tot een maximumsnelheid van
200 km/h. Als de snelheid tot onder 30 km/h
10
11
202
WAARSCHUWING
De file-assistent (p. 208) (auto’s met een automatische versnellingsbak) kan een interval aan van 0–200 km/h.
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
daalt of als het motortoerental te laag wordt,
wordt de cruisecontrol stand-by gezet,
waarna er niet langer automatisch wordt
afgeremd – u moet dan zelf remmen om een
veilige afstand te houden tot voorliggers.
Waarschuwingssymbool – afremmen
noodzakelijk
Het remvermogen van de adaptieve cruisecontrol bedraagt meer dan 40 % van de
totale remcapaciteit van de auto.
1. Waarschuwingslampje en geluidssignaal Collision Warning11.
Als de auto harder moet worden afgeremd
dan de adaptieve cruisecontrol aankan en u
remt zelf niet bij, dan wordt u er middels het
waarschuwingslampje van Collision Warning
07 Rijhulp
(p. 226) en een geluidssignaal op attent
gemaakt dat u onmiddellijk moet ingrijpen.
N.B.
Bij felle zon of bij gebruik van een zonnebril kan het waarschuwingslampje moeilijk
te zien zijn.
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht
De werking van de adaptieve cruisecontrol
(p. 200) en de toetsenset op het stuurwiel
hangt af van de vraag of de auto al dan niet is
uitgerust met een snelheidsbegrenzer
(p. 192)12.
Adaptieve cruisecontrol met
snelheidsbegrenzer
WAARSCHUWING
De adaptieve cruisecontrol waarschuwt
alleen voor voertuigen die de radarsensor
heeft gedetecteerd. Daarom kan de waarschuwing uitblijven of met een bepaalde
vertraging plaatsvinden. Wacht een waarschuwing niet af, maar rem als dat nodig
is.
Steile wegen en/of zware belading
Cruisecontrol – Aan/Uit.
Let erop dat de adaptieve cruisecontrol in
eerste instantie bestemd is voor gebruik tijdens ritten op vlakke weggedeelten. De
cruisecontrol heeft mogelijk moeite om de
juiste volgafstand ten opzichte van voorliggers aan te houden bij ritten op steile aflopende wegen, bij vervoer van zware belading
of met een aanhanger/caravan achter de auto
– blijf dan extra alert en rem zo nodig zelf.
De stand-bystand wordt beëindigd en de
ingestelde snelheid wordt hervat.
Gerelateerde informatie
Tijdsverschil
•
•
•
Adaptieve cruisecontrol (ACC)* (p. 200)
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht
(p. 203)
Stand-by zetten
Tijdsverschil – Verlengen/verkorten.
Activeren en snelheid aanpassen.
Groene markering bij opgeslagen snelheid (WIT = stand-by).
07
ACC is actief bij GROEN symbool (WIT =
stand-by).
Cruisecontrol* (p. 195)
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
203
07 Rijhulp
||
Adaptieve cruisecontrol zonder
snelheidsbegrenzer
•
•
Adaptieve cruisecontrol* - tijdelijke deactivering en stand-by (p. 206)
•
Cruisecontrol* (p. 195)
Activeren en snelheid aanpassen.
(Wordt niet gebruikt)
Groene markering bij opgeslagen snelheid (WIT = stand-by).
Tijdsverschil
ACC is actief bij GROEN symbool (WIT =
stand-by).
Een Volvo-dealer kan u informeren over wat er op uw markt geldt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Om de ACC aan te zetten:
•
Tijdsverschil – Verlengen/verkorten.
204
Adaptieve cruisecontrol* - snelheid regelen (p. 204)
Adaptieve cruisecontrol* - tijdsverschil
instellen (p. 205)
Cruisecontrol – Aan/Uit of stand-bystand.
12
Adaptieve cruisecontrol* - snelheid
regelen
•
De stand-bystand wordt beëindigd en de
ingestelde snelheid wordt hervat.
07
Adaptieve cruisecontrol (ACC)* (p. 200)
Gerelateerde informatie
•
Druk op de stuurtoets
– op het instrumentenpaneel (8) gaat een vergelijkbaar
WIT symbool branden om aan te geven
dat de adaptieve cruisecontrol stand-by
(p. 206) staat.
Om de ACC in te schakelen:
•
Druk bij de gewenste snelheid op de
of
.
stuurtoets
>
De actuele snelheid wordt opgeslagen in
het geheugen, het instrumentenpaneel
toont korte tijd een ‘vergrootglas’ (6) rond
de ingestelde snelheid en de bijbehorende markering verkleurt van WIT naar
GROEN.
Als dit symbool van WIT naar
GROEN verkleurt, is de ACC actief
en houdt deze de auto op de opgeslagen snelheid.
Alleen als op het symbool de
afbeelding van een ander
voertuig verschijnt, wordt de
afstand tot de voorligger
geregeld door de ACC.
07 Rijhulp
Tegelijkertijd wordt een snelheidsinterval gemarkeerd:
•
•
Wanneer u tijdelijk gas geeft via het gaspedaal zoals bij een inhaalmanoeuvre, blijft de
instelling ongewijzigd – de auto hervat de
laatst opgeslagen snelheid zodra u het gaspedaal loslaat.
N.B.
de hogere snelheid met de GROENE markering is de voorgeprogrammeerde snelheid
Als u een knop van de adaptieve cruisecontrol meerdere minuten ingedrukt houdt,
wordt de cruisecontrol geblokkeerd en uitgeschakeld. Om de cruisecontrol dan weer
te kunnen activeren moet u de auto tot stilstand brengen en de motor opnieuw starten.
de lagere snelheid is de snelheid van de
voorligger.
Opgeslagen snelheid wijzigen
U wijzigt de opgeslagen snelheid door de
of
kort of lang in te drukken.
knoppen
In bepaalde situaties is heractivering van
de cruisecontrol niet mogelijk – in dat
geval verschijnt Adaptieve cruise
control control niet beschikbaar op het
instrumentenpaneel (p. 214).
Om aan te passen met +/- 5 km/h:
•
Kort indrukken - elke keer drukken komt
overeen met +/- 5 km/h.
Om aan te passen met +/- 1 km/h:
•
Houd de knop ingedrukt en laat deze
weer los, wanneer op het instrumentenpaneel een markering bij de gewenste
snelheid verschijnt.
De laatst verrichte aanpassing wordt in het
geheugen opgeslagen.
Als u de snelheid verhoogt met het gaspedaal
voordat u de
/ -knop indrukt, wordt de
actuele rijsnelheid opgeslagen die geldt bij
het indrukken van de knop.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Adaptieve cruisecontrol (ACC)* (p. 200)
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht
(p. 203)
Cruisecontrol* (p. 195)
Adaptieve cruisecontrol* tijdsverschil instellen
U kunt verschillende tijdsverschillen ten opzichte van
voorliggers kiezen en deze
worden op het instrumentenpaneel weergegeven met 1–5
horizontale streepjes – hoe
meer streepjes, hoe langer
het tijdsverschil. Eén streepje komt overeen
met ca. 1 seconde ten opzichte van de voorligger en 5 streepjes met ca. 3 seconden.
Om het tijdsverschil in te stellen/te wijzigen:
•
Draai aan het duimwiel van de stuurtoetsen (of gebruik de knoppen
/
bij een
auto zonder snelheidsbegrenzer).
Bij lage snelheden (en korte tijden) vergroot
de adaptieve cruisecontrol het tijdsverschil
iets.
Om voorliggers soepel en comfortabel te kunnen blijven volgen staat de adaptieve cruisecontrol in bepaalde situaties aanzienlijke
variaties in het tijdsverschil toe.
Let erop dat korte tijdsverschillen u bij plotselinge wijzigingen in de verkeersstroom minder
tijd geven om te reageren en in te grijpen.
07
Hetzelfde symbool verschijnt ook wanneer de
afstandswaarschuwing (p. 216) geactiveerd
is.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
205
07 Rijhulp
||
N.B.
Houd alleen een volgtijd aan die niet in
strijd is met de geldende verkeersregels.
Als de adaptieve cruisecontrol bij activering niet lijkt te reageren, kan dat komen
doordat de volgtijd ten opzichte van de
voorligger een snelheidstoename belet.
Hoe hoger de snelheid, hoe langer de
volgafstand in meters voor een bepaalde
volgtijd.
Adaptieve cruisecontrol* - tijdelijke
deactivering en stand-by
•
De adaptieve cruisecontrol is tijdelijk te deactiveren en stand-by te zetten.
U dient vervolgens zelf uw snelheid aan te
passen.
Tijdelijke deactivering/stand-bystand met snelheidsbegrenzer
Wanneer u tijdelijk gas geeft via het gaspedaal zoals bij een inhaalmanoeuvre, blijft de
instelling ongewijzigd – de auto hervat de
laatst opgeslagen snelheid zodra u het gaspedaal loslaat.
Om de adaptieve cruisecontrol tijdelijk uit te
schakelen en stand-by te zetten:
•
Dit symbool en de markering voor de
ingestelde snelheid verkleuren dan
van GROEN naar WIT.
Lees meer over hoe u de snelheid regelt
(p. 204).
Gerelateerde informatie
•
•
•
Druk op de stuurtoets
Adaptieve cruisecontrol (ACC)* (p. 200)
Tijdelijke deactivering/stand-bystand zonder snelheidsbegrenzer
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht
(p. 203)
Om de adaptieve cruisecontrol tijdelijk uit te
schakelen en stand-by te zetten:
Cruisecontrol* (p. 195)
•
Druk op de stuurtoets
13
206
Automatische stand-bystand
De adaptieve cruisecontrol is afhankelijk van
andere systemen, zoals Stabiliteitsregeling
ESC (p. 185). Als een van deze systemen niet
meer werkt, wordt de adaptieve cruisecontrol
automatisch uitgeschakeld.
De adaptieve cruisecontrol wordt tijdelijk
gedeactiveerd en automatisch stand-by
gezet, als:
•
•
u het rempedaal bedient
Automatische deactivering is mogelijk, wanneer:
•
de keuzehendel in stand N wordt gezet
(automatische versnellingsbak)
het koppelingspedaal meer dan
1 minuut13 lang wordt bediend
Bij ontkoppelen en opschakelen of terugschakelen wordt de cruisecontrol niet stand-by gezet.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Voor meer informatie, zie de gedeelten Snelheid regelen (p. 204) en Een ander voertuig
inhalen (p. 207).
Bij automatische deactivering klinkt een
waarschuwingssignaal en op het instrumentenpaneel verschijnt de melding Adaptieve
cruise control geannuleerd. U moet in dat
geval zelf ingrijpen om de snelheid en afstand
ten opzichte van de voorligger aan te passen.
Stand-bystand door actief ingrijpen van
uw kant
07
u meer dan 1 minuut lang een hogere
snelheid aanhoudt dan ingesteld.
•
•
de bestuurder het portier opent
de bestuurder de veiligheidsgordel afdoet
07 Rijhulp
•
het toerental van de motor te laag/hoog
wordt
•
de snelheid gedaald is tot onder
30 km/h14
•
de wielen hun grip op het wegdek verliezen
•
de remmen een hoge temperatuur hebben
•
de radarsensor wordt gehinderd door
natte sneeuw of hevige regenval (de
radargolven worden geblokkeerd).
•
Cruisecontrol* (p. 195)
Voor meer informatie over symbolen, meldingen en hun betekenis, zie het onderdeel Symbolen en displaymeldingen (p. 214).
Ingestelde snelheid hervatten
Adaptieve cruisecontrol* - een ander
voertuig inhalen
De ACC kan tevens helpen tijdens het inhalen.
Als de auto een ander voertuig volgt en u met
de richtingaanwijzer15 aangeeft te willen inhalen, helpt de adaptieve cruisecontrol door de
auto kort te versnellen ten opzichte van de
voorligger.
De functie werkt bij snelheden
hoger dan 70 km/h.
Lees meer over verschillende tijdsverschillen
(p. 205) ten opzichte van voorliggers.
Lees meer over hoe u de snelheid regelt
(p. 204).
Een adaptieve cruisecontrol in stand-bystand
is opnieuw te activeren bij een druk op de
– in dat geval wordt de laatst
stuurtoets
ingestelde snelheid hervat.
WAARSCHUWING
Let erop dat deze functie bij meer situaties
dan bij inhalen kan worden geactiveerd,
bijv. als de richtingaanwijzer wordt
gebruikt om het wisselen van rijbaan of
een afslag naar een andere weg aan te
geven. De auto accelereert dan kort.
N.B.
Nadat de snelheid weer met
is hervat,
kan er een markante snelheidstoename
volgen.
Gerelateerde informatie
•
•
14
Adaptieve cruisecontrol (ACC)* (p. 200)
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht
(p. 203)
Gerelateerde informatie
•
•
•
Adaptieve cruisecontrol (ACC)* (p. 200)
07
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht
(p. 203)
Cruisecontrol* (p. 195)
Geldt niet voor een auto met file-assistent – bij een dergelijke auto werkt het systeem tot aan stilstand.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
207
07 Rijhulp
Adaptieve cruisecontrol* uitschakelen
Adaptieve cruisecontrol* - Fileassistent
Toetsenset met snelheidsbegrenzer
File-assistent is een aanvulling op de adaptieve cruisecontrol die ook bij snelheden lager
dan 30 km/h werkt.
De adaptieve cruisecontrol schakelt uit met
. Daarbij
een korte druk op de stuurtoets
wordt de ingestelde snelheid gewist waarna
deze niet meer te hervatten is met de toets
.
Toetsenset zonder snelheidsbegrenzer
Bij kort indrukken van de stuurtoets
zet u
de adaptieve cruisecontrol stand-by. Bij nogmaals indrukken schakelt u de cruisecontrol
uit. Daarbij wordt de ingestelde snelheid
gewist waarna deze niet meer te hervatten is
.
met de toets
Gerelateerde informatie
•
•
•
Adaptieve cruisecontrol (ACC)* (p. 200)
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht
(p. 203)
Cruisecontrol* (p. 195)
Bij auto’s met een automatische versnellingsbak is de adaptieve cruisecontrol aangevuld
met de functie File-assistent (ook wel "Queue
Assist" genoemd).
De file-assistent biedt de volgende functies:
•
Uitgebreid snelheidsinterval - ook bij
snelheden lager dan 30 km/h en bij stilstand
•
•
Van doelvoertuig veranderen
N.B.
Om de cruisecontrol te kunnen activeren
moet u het bestuurdersportier hebben
gesloten en de veiligheidsgordel hebben
omgedaan.
Met een automatische versnellingsbak kan de
adaptieve cruisecontrol een ander voertuig
volgen in het interval 0–200 km/h.
N.B.
Om de cruisecontrol te kunnen activeren
bij een snelheid onder 30 km/h mag er binnen redelijke afstand geen voorligger te
bekennen zijn.
Beëindiging automatische remfunctie bij
stilstand
Let erop dat 30 km/h de minimumsnelheid is
waarop de adaptieve cruisecontrol kan worden ingesteld – ook al kan de cruisecontrol
een voorligger volgen tot aan stilstand, is het
niet mogelijk een lagere snelheid te kiezen.
Lees meer over hoe u de snelheid regelt
(p. 200) en verschillende tijdsverschillen ten
opzicht van voorliggers (p. 205) instelt.
07
Groter snelheidsinterval
Na korte stops tot ca. 3 seconden tijdens filerijden of voor verkeerslichten rijdt de auto
automatisch verder. Duurt het langer voordat
een voorligger weer gaat rijden, dan wordt de
cruisecontrol stand-by (p. 206) gezet met
automatische remfunctie. U dient deze vervolgens op een van de volgende manieren
opnieuw te activeren:
•
Druk op de stuurtoets
of
•
15
208
Trap het gaspedaal in.
Alleen bij gebruik van de linker richtingaanwijzers bij een auto met het stuur links of de rechter richtingaanwijzers bij een auto met het stuur rechts.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
.
07 Rijhulp
>
De cruisecontrol zal dan de voorligger
opnieuw volgen.
WAARSCHUWING
Wanneer de adaptieve cruisecontrol een
rijdende voorligger volgt bij snelheden
boven 30 km/h, van doelvoertuig verandert en vervolgens een stilstaand voertuig
volgt, zal de cruisecontrol het stilstaande
voertuig negeren en de opgeslagen snelheid aanhouden.
N.B.
De file-assistent kan de auto maximaal
4 minuten stilstaand houden - daarna lossen de remmen.
Voor meer informatie, zie het volgende
kopje "Stoppen van automatisch remmen
bij stilstaand voertuig".
Van doelvoertuig veranderen
•
Dat betekent dat de remmen worden gelost
en de auto begint te rollen – u moet daarom
ingrijpen en zelf remmen om de auto op zijn
plaats te houden.
BELANGRIJK
De file-assistent kan de auto maximaal
4 minuten stilstaand houden - daarna lossen de remmen.
U dient dan zelf in te grijpen en te remmen.
U wordt hierop in meerdere stappen met
een toenemende intensiteit attent
gemaakt:
Automatische stand-bystand bij
wijziging van doelvoertuig
1. Akoestisch alarm (belsignaal) en een
displaymelding.
De adaptieve cruisecontrol wordt uitgeschakeld en stand-by gezet:
Als het actuele doelvoertuig plotseling afslaat,
kan het gebeuren dat een stilstaande voorligger
het nieuwe doelvoertuig wordt.
Wanneer de adaptieve cruisecontrol eerst een
rijdende voorligger volgt bij snelheden lager
dan 30 km/h, vervolgens van doelvoertuig
verandert en een stilstaand voertuig volgt, zal
de cruisecontrol voor het stilstaande voertuig
remmen.
•
wanneer u langzamer rijdt dan 5 km/h en
de cruisecontrol niet kan registreren of
het doelobject een stilstaand voertuig is
of een ander object, zoals een verkeersdrempel.
•
wanneer u langzamer rijdt dan 5 km/h en
de voorligger afslaat, zodat de cruisecontrol geen voorligger meer heeft om te volgen.
Annulering automatisch remmen bij
stilstaand voertuig
In de volgende situaties onderbreekt de fileassistent automatisch remmen bij stilstaand
voertuig:
•
•
2. Er komt een knipperend waarschuwingslampje in de voorruit bij.
3. Er komt ‘hakkend’ remmen bij.
Voor meer informatie over symbolen, meldingen en hun betekenis, zie het onderdeel
Symbolen en displaymeldingen (p. 214).
De File-assistent lost de rem en staat ook in
deze situaties stand-by:
•
•
•
•
u bedient het rempedaal
u zet de keuzehendel in stand P, N of R
07
u zet de cruisecontrol stand-by
u zet de parkeerrem aan.
de bestuurder opent het portier
de bestuurder doet de veiligheidsgordel
af.
}}
209
07 Rijhulp
||
Gerelateerde informatie
•
•
•
Adaptieve cruisecontrol (ACC)* (p. 200)
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht
(p. 203)
Cruisecontrol* (p. 195)
Adaptieve cruisecontrol* - van
cruisecontrol-functie wisselen
Wisselen van ACC naar CC
Op het instrumentenpaneel geeft een symbool aan welke cruisecontrol actief is:
CC
ACC
Cruise Control
Adaptive Cruise
Control
Cruisecontrol
Adaptieve cruisecontrol
Met een druk op de knop kan het adaptieve
deel (afstandshouder) van de adaptieve
cruisecontrol (p. 200) worden gedeactiveerd,
waarna de auto alleen de ingestelde/opgeslagen snelheid aanhoudt.
07
•
Druk lang op de stuurtoets
– het symbool op het instrumentenpaneel verkleurt
naar
.
van
>
Daarmee is de cruisecontrol CC geactiveerd.
WAARSCHUWING
Na een wisseling van ACC naar CC remt
de auto niet langer automatisch - deze
volgt alleen de ingestelde snelheid.
210
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Wisselen van CC naar ACC
Schakel de cruisecontrol (CC) uit met 1–2
-knop. De volgende
keer drukken op de
keer dat het systeem wordt ingeschakeld,
wordt de adaptieve cruisecontrol (ACC) geactiveerd.
Gerelateerde informatie
•
•
Adaptieve cruisecontrol (ACC)* (p. 200)
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht
(p. 203)
•
Adaptieve cruisecontrol* - tijdelijke deactivering en stand-by (p. 206)
•
Cruisecontrol* (p. 195)
07 Rijhulp
Radarsensor
De radarsensor dient om personenauto’s of
grotere voertuigen te registreren die in
dezelfde richting als u en in dezelfde rijstrook
rijden.
De radarsensor wordt gebruikt voor de volgende systemen:
•
•
•
Afstandswaarschuwing*
Adaptieve cruisecontrol*
Collision Warning met Auto Brake en
voetgangersdetectie*
BELANGRIJK
Bij zichtbare schade aan de grille van de
auto of het vermoeden dat de radarsensor
beschadigd is:
•
Neem contact op met een werkplaats
– geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
Als de grille, de radarsensor of de console
ervan beschadigd of losgeraakt is, kan de
functie ervan geheel of gedeeltelijk wegvallen of storingen vertonen.
•
•
Collision Warning* (p. 226)
Radarsensor - beperkingen
Afstandswaarschuwing* (p. 216)
Een radarsensor (p. 211) heeft bepaalde
beperkingen die onder meer terug te voeren
zijn op het beperkte blikveld.
De adaptieve cruisecontrol heeft veel meer
moeite om een voorligger te ontdekken, als:
•
de snelheid van de voorligger veel afwijkt
van die van uw eigen auto
•
de radarsensor gehinderd wordt door bijvoorbeeld hevige regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de
radarsensor afdekken.
N.B.
Houd het oppervlak vóór de radarsensor
schoon.
Blikveld
De radarsensor heeft een beperkt bereik. In
bepaalde gevallen wordt een voertuig niet
ontdekt of later dan verwacht.
07
Bij modificatie van de radarsensor is het
mogelijk dat het gebruik ervan onwettig
wordt.
Gerelateerde informatie
•
•
Radarsensor - beperkingen (p. 211)
Adaptieve cruisecontrol (ACC)* (p. 200)
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
211
07 Rijhulp
||
WAARSCHUWING
WAARSCHUWING
De bestuurder dient altijd rekening te houden met de verkeersomstandigheden en in
te grijpen, wanneer de adaptieve cruisecontrol geen passende snelheid of afstand
aanhoudt.
De adaptieve cruisecontrol is geen systeem dat botsingen voorkomt. Grijp zelf in
zodra u merkt dat het systeem een voorligger niet registreert.
De adaptieve cruisecontrol reageert niet
op voetgangers of dieren noch op kleinere
voertuigen, zoals fietsen of motorfietsen
e.d. Tegenliggers, langzaam rijdende en
stilstaande voertuigen of vaste obstakels
worden eveneens genegeerd.
De adaptieve cruisecontrol leent zich niet
voor alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
Neem alle hoofdstukken over de adaptieve
cruisecontrol in de gebruikershandleiding
door voor informatie over de systeembeperkingen die u moet kennen alvorens het
systeem te gebruiken.
Gebruik de adaptieve cruisecontrol niet in
stadsverkeer of verkeersdrukte, op kruisingen, bij gladheid, hevige regen- of sneeuwval of slecht zicht en evenmin op weggedeelten met een dikke laag water of
sneeuwmodder, op bochtige wegen of op
op- en afritten.
De bestuurder is er altijd verantwoordelijk
voor dat de juiste afstand en snelheid worden aangehouden, ook bij gebruik van de
adaptieve cruisecontrol.
WAARSCHUWING
Blikveld van de ACC.
07
Soms kan de radarsensor een voertuig op
korte afstand pas laat registreren, bijvoorbeeld als een inhalend voertuig invoegt
tussen u en uw voorligger.
Ook kleine voertuigen, zoals motorfietsen
of voertuigen die niet in het midden van
de rijstrook rijden, kunnen onopgemerkt
blijven.
In bochten kan de radarsensor op het
verkeerde voertuig reageren of een eerder
opgemerkt voertuig uit het zicht verliezen.
212
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Accessoires of andere voorwerpen, zoals
bijv. verstralers, mogen niet vóór de grille
worden gemonteerd.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Adaptieve cruisecontrol (ACC)* (p. 200)
Collision Warning* (p. 226)
Afstandswaarschuwing* (p. 216)
07 Rijhulp
Adaptieve cruisecontrol* - storingen
opsporen en verhelpen
Als op het instrumentenpaneel de melding
Radar afgedekt Zie instructieboekje ver-
schijnt, betekent dit dat de radarsensor
(p. 211) van de adaptieve cruisecontrol geen
voorliggers kan ontdekken.
In de volgende tabel staan voorbeelden van
mogelijke oorzaken van het verschijnen van
de melding en passende maatregelen:
Deze melding geeft aan dat de Afstandswaarschuwing (p. 216) of Collision Warning met
Auto Brake (p. 226) evenmin werken.
Oorzaak
Maatregel
Het radaroppervlak van de grille is vuil of bedekt met sneeuw of
ijs.
Ontdoe het radaroppervlak van de grille van vuil, sneeuw en ijs.
De radarsignalen worden gehinderd door hevige regen- of sneeuwval.
Valt niets aan te doen. Bij hevige neerslag werkt de radar soms niet.
De radarsignalen worden gehinderd door opspattend water en
opdwarrelende sneeuw van het wegdek.
Valt niets aan te doen. Op weggedeelten met een dikke laag water of
sneeuw werkt de radar soms niet.
De melding blijft ook na schoonmaak van het radaroppervlak
staan.
Wacht even. Het kan enige minuten duren voordat de radar doorheeft dat
de radarsignalen niet langer worden geblokkeerd.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Adaptieve cruisecontrol (ACC)* (p. 200)
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht
(p. 203)
Cruisecontrol* (p. 195)
07
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
213
07 Rijhulp
Adaptieve cruisecontrol* - symbolen
en meldingen
ziet u een paar voorbeelden - volg in die
gevallen het gegeven advies op:
Soms kan de adaptieve cruisecontrol een
symbool en/of een melding weergeven. Hier
SymboolA
Melding
Betekenis
Het symbool is WIT
De adaptieve cruisecontrol staat stand-by (p. 206).
Het symbool is GROEN
De auto houdt de opgeslagen snelheid aan.
De standaard cruisecontrol is handmatig gekozen.
Stel ESC in op Normaal voor
activering ACC
Adaptieve cruise control geannuleerd
De adaptieve cruisecontrol werd gedeactiveerd – u dient zelf uw snelheid aan te passen.
Adaptieve cruise control control niet beschikbaar
De adaptieve cruisecontrol kan niet worden geactiveerd.
Dit kan onder meer gebeuren wanneer:
•
•
07
214
De adaptieve cruisecontrol kan pas worden geactiveerd als ESC in de normale stand is gezet Stabiliteitsregeling (p. 185).
de remmen een hoge temperatuur hebben
de radarsensor wordt gehinderd door natte sneeuw of regen.
Voor meer informatie over het storingzoeken, zie het gedeelte Storingen opsporen en verhelpen (p. 213)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
07 Rijhulp
SymboolA
Melding
Betekenis
Radar afgedekt Zie instructieboekje
De adaptieve cruisecontrol werkt tijdelijk niet.
•
De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren. Bijvoorbeeld wanneer deze wordt
gehinderd door hevige regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de
radarsensor afdekken.
U kunt dan kiezen voor de standaard cruisecontrol (p. 195) (CC) – een tekstmelding informeert
over passende alternatieven.
Lees meer over de beperkingen van de radarsensor (p. 211).
Adaptieve cruise control Service vereist
De adaptieve cruisecontrol werkt niet.
Remmen om stil te blijven
staan + akoestisch alarm + waarschuwingslampje aan binnenkant
voorruit + ‘schokkerig’ remmen
De auto staat stil en de adaptieve cruisecontrol lost de rem, waarna de auto direct begint te
rollen.
•
•
Neem dan contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
U moet zelf remmen. De melding blijft staan en het geluidssignaal klinkt, totdat u het rempedaal of gaspedaal bedient.
(Alleen auto met file-assistent)
Onder 30 km/h Voorligger vereist
Verschijnt wanneer u de adaptieve cruisecontrol probeert te activeren bij een snelheid onder
30 km/h en er geen voorligger binnen de activeringsafstand (ca. 30 meter) te bekennen is.
(Alleen auto met file-assistent)
A
07
De symbolen zijn schematisch.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Adaptieve cruisecontrol (ACC)* (p. 200)
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht
(p. 203)
Cruisecontrol* (p. 195)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
215
07 Rijhulp
Afstandswaarschuwing*
De afstandswaarschuwing (Distance Alert) is
een functie die u inlicht over de volgtijd ten
opzichte van de voorligger.
Distance Alert is actief bij snelheden hoger
dan 30 km/h en reageert uitsluitend op voorliggers die in dezelfde richting als u rijden.
Voor voertuigen die langzaam in tegengestelde richting rijden of stilstaan wordt geen
afstandsinformatie gegeven.
N.B.
De afstandswaarschuwing is uitgeschakeld, zolang de adaptieve cruisecontrol
actief is.
WAARSCHUWING
console – in dat geval is het systeem te
bedienen via het menusysteem MY CAR, MY
CAR (p. 108) menusysteem van de auto - ga
vandaar naar de functie
Afstandswaarschuwing..
Volgtijd instellen
Distance Alert reageert alleen, als de
afstand tot voorliggers korter is dan de
ingestelde waarde – de rijsnelheid wordt
niet aangepast.
Bediening
Bedieningselementen en symbool voor volgtijd.
Volgtijd – Verlengen/verkorten.
Volgtijd - Aan.
Oranje
07
waarschuwingssymbool16.
Er brandt continu een oranje waarschuwingssymbool op de voorruit, als de afstand tot de
voorligger gelijk is aan de ingestelde volgtijd.
Met de knop op de middenconsole kunt u de
functie in- en uitschakelen. Het brandende
lampje in de schakelaar geeft aan dat de
functie geactiveerd is.
Bij bepaalde combinaties van opties is er
geen plek vrij voor een knop op de midden-
16
216
N.B. De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
07 Rijhulp
U kunt verschillende volgtijden ten opzichte van voorliggers kiezen en deze worden
op het instrumentenpaneel
weergegeven met 1–5 horizontale streepjes – hoe meer
streepjes, hoe langer de
volgtijd. Eén streepje komt overeen met
ca. 1 seconde ten opzichte van de voorligger
en 5 streepjes met ca. 3 seconden.
Hetzelfde symbool verschijnt ook wanneer de
adaptieve cruisecontrol (p. 200) geactiveerd
is.
N.B.
Hoe hoger de snelheid, hoe langer de
volgafstand in meters voor een bepaalde
volgtijd.
De ingestelde volgtijd wordt ook gebruikt
door de adaptieve cruisecontrol (p. 201).
Houd alleen een volgtijd aan die niet in
strijd is met de geldende verkeersregels.
Gerelateerde informatie
•
Afstandswaarschuwing* - beperkingen
(p. 217)
•
Afstandswaarschuwing* - symbolen en
meldingen (p. 218)
Afstandswaarschuwing* beperkingen
De afstandswaarschuwing (Distance Alert) is
een systeem dat u inlicht over de afstand
(volgtijd) ten opzichte van de voorligger. Het
systeem, dat gebruik maakt van dezelfde
radarsensor als de adaptieve cruisecontrol (p. 200) en de Collision Warning met Auto
Brake (p. 226) heeft bepaalde beperkingen.
Gerelateerde informatie
•
•
Afstandswaarschuwing* (p. 216)
Afstandswaarschuwing* - symbolen en
meldingen (p. 218)
N.B.
In de felle zon en bij lichtschitteringen of
grote variaties in de lichtsterkte alsook het
gebruik van een zonnebril is het op de
voorruit geprojecteerde waarschuwingslampje soms moeilijk waar te nemen.
In slechte weersomstandigheden en op
slingerende wegen heeft de radarsensor
soms moeite om voorliggers te registreren.
Ook voorliggers met geringe afmetingen
(zoals motorfietsen) zijn soms moeilijk te
ontdekken. Dat kan betekenen dat het
geprojecteerde waarschuwingslampje pas
bij kortere volgtijden oplicht of dat helemaal niet gaat branden.
Op zeer hoge snelheden is het mogelijk
dat het lampje door beperkingen in het
bereik van de sensor op kortere afstand
oplicht.
07
Voor meer informatie over de beperkingen
van de radarsensor, zie Radarsensor - beperkingen (p. 211) en Collision Warning* - bediening (p. 230).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
217
07 Rijhulp
Afstandswaarschuwing* - symbolen
en meldingen
tijd ten opzichte van de voorligger. Er kunnen
symbolen en meldingen op het instrumentenpaneel verschijnen bij een gereduceerde wer-
De afstandswaarschuwing (p. 216) (Distance
Alert) is een functie die u inlicht over de volg-
SymboolA
Melding
Betekenis
Radar afgedekt Zie
instructieboekje
De afstandswaarschuwing werkt tijdelijk niet.
king op grond van de systeembeperkingen
(p. 217).
De radarsensor (p. 211) kan geen andere voertuigen registreren. Bijvoorbeeld wanneer deze wordt
gehinderd door hevige regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor
afdekken.
Voor informatie, zie Radarsensor - beperkingen (p. 211).
CWS-systeem Service vereist
A
De afstandswaarschuwing en Collision Warning met Auto Brake (p. 232) werken niet of gedeeltelijk.
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
De symbolen zijn schematisch.
07
218
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
07 Rijhulp
City Safety™
BELANGRIJK
City Safety™ is een hulpmiddel om u te helpen een aanrijding te voorkomen tijdens filerijden e.d., waarbij plotselinge wijzigingen in het
verkeer vóór u gekoppeld aan onoplettendheid tot bijna-ongelukken kunnen leiden.
Onderhoud en vervanging van onderdelen
in City Safety™ mogen uitsluitend door
een werkplaats worden uitgevoerd - geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Het City Safety™-systeem dat actief is bij een
snelheid tot 50 km/h helpt u door automatisch te remmen, wanneer het gevaar voor
een botsing met een voorligger reëel is en u
zelf niet snel genoeg remt en/of uitwijkt.
WAARSCHUWING
City Safety™ werkt niet in alle rijsituaties,
verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
City Safety™ reageert niet op voertuigen
die in een andere richting dan de eigen
auto rijden, op kleine voertuigen, op
motorfietsen of op mensen en dieren.
City Safety™ wordt geactiveerd in situaties
waar u eigenlijk al veel eerder had moeten
remmen, zodat de functie niet altijd uitkomst
biedt.
City Safety™ kan botsingen voorkomen bij
een snelheidsverschil lager dan 15 km/h bij een hoger snelheidsverschil kan de
impactsnelheid alleen worden gereduceerd. Voor een volledig remvermogen
moet u zelf het rempedaal intrappen.
City Safety™ is erop gebouwd om zo laat
mogelijk geactiveerd te worden om onnodige
ingrepen te voorkomen.
Gebruik City Safety™ niet om uw rijgedrag
aan te passen – als u er blind op vertrouwt
dat City Safety™ remt, raakt u vroeg of laat
betrokken bij een aanrijding.
U en eventuele passagiers zullen normaal
alleen merken dat City Safety™ actief is,
wanneer een aanrijding dreigt.
Bij auto’s met Collision Warning met Auto
Brake (p. 226)* vullen de beide systemen elkaar aan.
City Safety™ - functie
City Safety™ registreert het verkeer vóór de
auto middels een lasersensor (p. 223) boven
aan de voorruit. Wanneer het gevaar voor een
aanrijding reëel is, zal City Safety™ automatisch remmen, wat aandoet als een krachtige
remmanoeuvre.
Wacht nooit af totdat City Safety™ ingrijpt.
U bent er altijd zelf verantwoordelijk voor
dat u de juiste afstand en snelheid aanhoudt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
07
City Safety™ - beperkingen (p. 221)
City Safety™ - functie (p. 219)
City Safety™ - bediening (p. 220)
City Safety™ - lasersensor (p. 223)
City Safety™ - symbolen en meldingen
(p. 225)
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
219
07 Rijhulp
||
Wanneer het systeem ingrijpt en remt, verschijnt op het instrumentenpaneel de melding
(p. 225) dat het systeem actief is/was.
N.B.
Als City Safety™ remt, gaan de remlichten
branden.
City Safety™ - bediening
City Safety™ is een hulpmiddel om u te helpen een aanrijding te voorkomen tijdens filerijden e.d., waarbij plotselinge wijzigingen in het
verkeer vóór u gekoppeld aan onoplettendheid tot bijna-ongelukken kunnen leiden.
Aan en Uit
Gerelateerde informatie
Zend- en ontvangstoog van de
lasersensor17.
•
•
•
City Safety™ - beperkingen (p. 221)
City Safety™ start een korte, krachtige remmanoeuvre en zorgt er normaliter voor dat u
net achter uw voorligger tot stilstand komt.
Voor veel bestuurders die dit niet gewend zijn
is een dergelijke remmanoeuvre onprettig.
Bij een snelheidsverschil van meer dan
15 km/h tussen de voertuigen kan City
Safety™ een aanrijding niet geheel op eigen
kracht voorkomen – voor het maximale remvermogen dient u zelf het rempedaal te
bedienen. In dat geval is het ook bij snelheidsverschillen groter dan 15 km/h mogelijk
een aanrijding te voorkomen.
17
220
City Safety™ wordt bij het starten van de
motor automatisch gestart.
City Safety™ - bediening (p. 220)
Bij een snelheidsverschil van 4–15 km/h ten
opzichte van de voorligger kan City Safety™
een aanrijding geheel voorkomen.
07
N.B.
City Safety™ (p. 219)
N.B. De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
Soms is het handig om City Safety™ uit te
kunnen schakelen, bijvoorbeeld wanneer
bebladerde takken langs de motorkap en
voorruit kunnen schampen.
City Safety™ is te bedienen in het menusysteem MY CAR, MY CAR (p. 108) en na een
motorstart is het systeem als volgt uit te
schakelen:
•
Ga in MY CAR naar Rijondersteuning
en kies Uit bij City Safety.
De volgende keer dat de motor wordt
gestart is de functie echter weer actief,
ook al stond het systeem uit toen de
motor werd afgezet.
07 Rijhulp
WAARSCHUWING
De lasersensor (p. 223) zendt laserlicht uit,
ook als City Safety™ handmatig is uitgeschakeld.
Om City Safety™ opnieuw in te schakelen:
•
Volg de dezelfde procedure als bij het uitschakelen, maar kies nu de optie Aan.
Gerelateerde informatie
•
•
•
City Safety™ (p. 219)
City Safety™ - beperkingen (p. 221)
City Safety™ - symbolen en meldingen
(p. 225)
City Safety™ - beperkingen
De City Safety™-sensor is erop gebouwd om
auto’s en andere voertuigen vóór u te ontdekken, zowel overdag als ’s nachts.
Er gelden echter bepaalde beperkingen voor
het systeem.
Door de beperkingen van de sensor werkt
City Safety™ minder goed – of helemaal niet
– bij hevige sneeuw- of regenval, in dichte
mist of in dikke stofwolken of stuifsneeuw.
Ook condens, vuil, sneeuw en ijs op de voorruit kunnen voor storingen in de werking zorgen.
Hangende voorwerpen zoals vlaggen/
wimpels die uitstekende lading markeren of
accessoires zoals verstralers en frontbars die
boven de motorkap uitsteken zorgen voor
functiebeperkingen.
Het laserlicht van de sensor in City Safety™
meet hoe het licht reflecteert. De sensor kan
geen obstakels met een gering reflecterend
vermogen waarnemen. De achterkant van
voertuigen weerkaatst veelal voldoende licht
dankzij de kentekenplaat en de achterlichtreflectoren.
remvermogen zorgen met behoud van de stabiliteit.
Als de eigen auto achteruitrijdt, is City
Safety™ tijdelijk gedeactiveerd.
City Safety™ wordt niet geactiveerd op lage
snelheden (onder 4 km/h), wat betekent dat
het systeem niet ingrijpt in situaties waarbij u
een voorligger uiterst langzaam nadert zoals
tijdens het parkeren.
De commando’s die u zelf geeft hebben altijd
voorrang, wat betekent dat City Safety™ niet
ingrijpt in situaties waarbij u duidelijke commando’s geeft via stuurwiel of gaspedaal,
zelfs al is een aanrijding onvermijdelijk.
Nadat City Safety™ een aanrijding met een
stilstaand obstakel heeft voorkomen, blijft de
auto maximaal 1,5 seconde stilstaan. Als de
auto wordt afgeremd wegens een rijdende
voorligger, wordt de snelheid begrensd tot
dezelfde snelheid als die van de voorligger.
Bij een auto met een handgeschakelde versnellingsbak slaat de motor af wanneer City
Safety™ de auto tot stilstand heeft gebracht,
tenzij u er in slaagt om het koppelingspedaal
voor die tijd in te drukken.
07
Bij gladheid is de remweg langer waardoor
City Safety™ minder goed in staat is aanrijdingen te voorkomen. In dergelijke situaties
zullen het ABS18 en ESC19 voor het maximale
18
19
(Anti-lock Braking System) - Antiblokkeerremsysteem.
(Electronic Stability Control) - Stabiliteitsregeling.
}}
221
07 Rijhulp
||
N.B.
•
Houd de voorruit in het gebied vóór de
lasersensor (p. 223) vrij van sneeuw,
ijs, condens en vuil. Voor een afbeelding met de positie van de sensor, zie
City Safety™ - functie (p. 219).
•
Plak of bevestig geen zaken op de
voorruit vóór de lasersensor
•
Haal sneeuw en ijs van de motorkap –
de laag sneeuw en ijs mag niet dikker
zijn dan 5 cm.
Oorzaak
BELANGRIJK
Maatregel
Het voorruitoppervlak vóór de lasersensor is vuil of
bedekt met sneeuw
of ijs.
Ontdoe het voorruitoppervlak vóór de
lasersensor van vuil,
sneeuw en ijs.
Het zicht van de
lasersensor is
geblokkeerd.
Verwijder het voorwerp dat het zicht
blokkeert.
Als het voorruitoppervlak vóór een van
beide ‘ogen’ barsten, krassen of steenslagschade vertoont van ca. 0,5 × 3,0 mm
(of groter), neem dan contact op met een
erkende werkplaats om de voorruit te laten
vervangen – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats. Voor een
afbeelding met de positie van de sensor,
zie City Safety™ - functie (p. 219).
Als u niets doet, presteert City Safety™
mogelijk minder goed.
Om te voorkomen dat City Safety™ helemaal niet, onjuist of in beperkte mate
werkt, geldt tevens het volgende:
Storingen opsporen en verhelpen
Als de melding (p. 225) Voorruitsensoren
afgedekt Zie instructieboek op het instru-
mentenpaneel verschijnt, worden de lasersensoren gehinderd zodat ze geen voertuigen
vóór de auto kunnen registreren. Dit betekent
op zijn beurt dat City Safety™ niet werkt.
07
De melding Voorruitsensoren afgedekt Zie
instructieboek verschijnt echter niet in alle
situaties waarbij de lasersensor gehinderd
worden – let er daarom op dat u de voorruit
en in het bijzonder het gebied vóór de lasersensor zorgvuldig schoonhoudt.
In de volgende tabel staan mogelijke oorzaken van het verschijnen van de melding en
suggesties voor passende maatregelen.
Volvo adviseert u scheurtjes, krassen
of sterren in het gebied vóór de lasersensor niet te repareren, maar de complete voorruit te vervangen.
•
Voordat de voorruit wordt vervangen,
moet u contact opnemen met een
erkende Volvo-werkplaats om te controleren of de juiste voorruit wordt
besteld en gemonteerd.
•
Monteer bij vervanging van de ruitenwissers hetzelfde type of een ander
type, door Volvo goedgekeurde ruitenwissers.
Gerelateerde informatie
•
•
•
222
•
City Safety™ (p. 219)
City Safety™ - functie (p. 219)
City Safety™ - bediening (p. 220)
07 Rijhulp
City Safety™ - lasersensor
Het City Safety™-systeem maakt gebruik van
een sensor die laserlicht uitzendt. Neem contact op met een gekwalificeerde werkplaats
als de lasersensor een storing vertoont of
nagekeken moet worden – geadviseerd wordt
een erkende Volvo-werkplaats. Het is daarom
essentieel dat u de aangegeven instructies
opvolgt bij het hanteren van de lasersensor.
De volgende twee stickers hebben te maken
met de lasersensor:
•
IEC 60825-1:1993 + A2:2001. Voldoet
aan de normen van de FDA (Amerikaanse
keuringsdienst van waren) betreffende de
uitvoering van laserproducten met uitzondering van de afwijkingen conform ‘Laser
Notice No. 50’, d.d. 26 juli 2001.
Laserstraling - Niet rechtstreeks in de
straal kijken met optische instrumenten Klasse 1M laserproduct.
Op de onderste sticker staan de fysische
eigenschappen van het laserlicht:
Kijk nooit van een afstand van 100 mm
of minder in de lasersensor (waaruit
uiteenlopende, onzichtbare laserstralen komen) met vergrotende optiek
zoals een vergrootglas, microscoop,
objectief of soortgelijke optische
instrumenten.
•
Laat tests, reparaties, demontage,
afstelling en/of vervanging van de
lasersensor of delen ervan alleen uitvoeren door een erkende werkplaats –
geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
•
Stel de lasersensor niet bij en voer
geen onderhoud uit dat niet uitdrukkelijk in dit boekje staat aangegeven om
blootstelling aan schadelijke straling
tegen te gaan.
•
De reparateur dient de speciaal opgestelde werkplaatsinformatie voor de
lasersensor te volgen.
•
Demonteer de lasersensor niet (en verwijder de lenzen evenmin). Een gedemonteerde lasersensor is een laserproduct klasse 3B volgens de norm IEC
60825-1. Een laserproduct klasse 3B
is niet veilig voor de ogen en houdt
dan ook een gevaar voor oogletsel in.
De fysische gegevens staan nader omschreven in de volgende tabel.
Maximale pulsenergie
2,64 µJ
Maximaal gem. vermogen
45 mW
Divergentie (horizontaal × verticaal)
•
•
Stralingsgegevens voor lasersensor
Pulsduur
Op de bovenste sticker in de afbeelding staat
de classificatie van het laserlicht:
WAARSCHUWING
Als u de instructies in dit boekje niet
opvolgt, bestaat er gevaar voor oogletsel!
33 ns
28° × 12°
07
}}
223
07 Rijhulp
||
•
Koppel de connector van de lasersensor los voordat u deze van de voorruit
demonteert.
•
Zorg dat de lasersensor op de voorruit
gemonteerd is alvorens de connector
aan te sluiten.
•
De lasersensor zendt laserlicht uit
wanneer de transpondersleutel in sleutelstand II (p. 76) staat, ook al is de
motor afgezet.
Gerelateerde informatie
•
07
224
City Safety™ (p. 219)
07 Rijhulp
City Safety™ - symbolen en
meldingen
Terwijl City Safety™ (p. 219) automatisch
remt, kunnen een of meer symbolen (p. 225)
SymboolA
op het instrumentenpaneel gaan branden in
combinatie met een tekstmelding. Meldingen
kunt u van het display halen door de OK-knop
op de richtingaanwijzerhendel kort in te drukken.
Melding
Betekenis/Maatregel
Automatisch remmen door
City Safety
City Safety™ remt op dit moment of remde eerder automatisch.
Voorruitsensoren afgedekt
Zie instructieboek
De lasersensor werkt tijdelijk niet doordat deze door iets gehinderd wordt.
•
Verwijder het voorwerp dat de sensor hindert en/of maak het voorruitoppervlak vóór de
sensor schoon.
Voor meer informatie over de beperkingen van de lasersensor.
City Safety Service vereist
City Safety™ werkt niet.
•
A
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
De symbolen zijn schematisch.
Gerelateerde informatie
•
•
City Safety™ (p. 219)
City Safety™ - functie (p. 219)
07
225
07 Rijhulp
Collision Warning*
‘Collision Warning met Auto Brake en fietsersen voetgangsdetectie’ is een hulpmiddel dat
bedoeld is om u te waarschuwen, wanneer
het gevaar bestaat dat u op een voetganger of
achter op een (stilstaande of rijdende) fietser
of voorligger botst.
‘Collision Warning met Auto Brake en fietsers- en voetgangsdetectie’ wordt geactiveerd in situaties waar u eigenlijk al veel eerder had moeten remmen, zodat het systeem
niet altijd uitkomst biedt.
‘Collision Warning met Auto Brake en fietsers- en voetgangsdetectie’ is erop gebouwd
om zo laat mogelijk geactiveerd te worden
om onnodige ingrepen te voorkomen.
Brake en fietsers- en voetgangersdetectie’ in
twee uitvoeringen voorkomen:
•
Collision Warning* - beperkingen van de
camerasensor (p. 233)
Uitvoering 1
•
Collision Warning* - symbolen en meldingen (p. 235)
U wordt alleen met visuele en akoestische
signalen gewaarschuwd20 voor obstakels – er
wordt niet automatisch geremd, u moet zelf
remmen.
Uitvoering 2
U wordt met visuele en akoestische signalen
gewaarschuwd voor obstakels – de auto remt
automatisch als u niet zelf binnen een redelijke tijd reageert.
BELANGRIJK
Onderhoud aan de componenten van ‘Collision Warning met Auto Brake en fietsersen voetgangsdetectie’ mag uitsluitend
worden uitgevoerd in een werkplaats –
geadviseerd wordt een door Volvo erkende
werkplaats.
‘Collision Warning met Auto Brake en fietsers- en voetgangsdetectie’ kan een aanrijding voorkomen of de impactsnelheid verlagen.
07
Gebruik ‘Collision Warning met Auto Brake en
fietsers- en voetgangersdetectie’ niet om uw
rijgedrag aan te passen – als u er blind op
vertrouwt dat Collision Warning met Auto
Brake remt, raakt u vroeg of laat betrokken bij
een aanrijding.
Twee systeemuitvoeringen
Afhankelijk van het uitrustingsniveau van de
auto kan de ‘Collision Warning met Auto
20
226
Geen waarschuwing voor fietsers bij ‘Uitvoering 1’.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Gerelateerde informatie
•
•
Collision Warning* - functie (p. 227)
Collision Warning* - detectie van voetgangers (p. 229)
•
Collision Warning* - detectie van fietsers
(p. 228)
•
•
Collision Warning* - bediening (p. 230)
Collision Warning* - beperkingen (p. 232)
07 Rijhulp
Collision Warning* - functie
1 – Collision Warning
3 – Auto Brake
Eerst wordt u gewaarschuwd voor een dreigende aanrijding.
Op het laatste moment wordt de automatische remfunctie geactiveerd.
Collision Warning kan voetgangers, fietsers of
voertuigen voor uw auto registreren die stilstaan of zich in dezelfde richting als u bewegen.
Als de bestuurder in deze fase nog steeds
niet met een uitwijkmanoeuvre is begonnen
en het aanrijdingsgevaar urgent is, schakelt
de automatische remfunctie in, ongeacht of
de bestuurder remt of niet. De auto wordt
daarbij maximaal afgeremd om de botssnelheid te beperken of zoveel als nodig is om
een aanrijding te voorkomen. Voor fietsers
wordt mogelijk zeer laat gewaarschuwd en
geremd of gelijktijdig gewaarschuwd en
geremd.
Bij gevaar voor een aanrijding met een voetganger, fietser of voertuig, wordt uw aandacht getrokken met een rood knipperend
waarschuwingssymbool (1) en een akoestisch
signaal.
Functie-overzicht21.
Audiovisueel waarschuwingssignaal bij
gevaar voor een botsing.
Radarsensor22
Camerasensor
Collision Warning met Auto Brake voert drie
onderdelen uit in de volgende volgorde:
1. Collision Warning
2. Brake Support22
3. Auto Brake22
Collision Warning en City Safety™ (p. 219)
vullen elkaar aan.
21
22
2 – Brake Support
Als het gevaar voor een aanrijding na de Collision Warning verder is toegenomen, treedt
de Brake Support in werking.
Dit betekent dat het systeem de nodige voorbereidingen treft voor een snelle remmanoeuvre, waarna de remmen licht worden
aangezet. Dit is te merken aan een lichte
schok.
Als u het rempedaal met een bepaalde snelheid bedient, wordt het maximale remvermogen geleverd.
07
Brake Support helpt u eveneens bij het remmen, als het systeem ervan uitgaat dat de
remmanoeuvre alleen niet voldoende is om
een botsing te voorkomen.
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
Alleen met een systeem in uitvoering 2.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
227
07 Rijhulp
||
WAARSCHUWING
Collision Warning werkt niet in alle rijsituaties, verkeers-, weers- en wegomstandigheden. Collision Warning reageert niet op
naderende tegenliggers of fietsers noch op
dieren.
Collision Warning* - detectie van
fietsers
Er wordt alleen gewaarschuwd wanneer
het risico van een botsing groot is. In het
onderdeel “Functie” en “Beperkingen”
wordt geïnformeerd over de beperkingen
die u als bestuurder moet kennen, voordat
u de Collision Warning met Auto Brake
gebruikt.
Er wordt niet gewaarschuwd noch geremd
voor voetgangers en fietsers bij een rijsnelheid hoger dan 80 km/h.
In het donker en in tunnels kan niet worden gewaarschuwd noch geremd voor
voetgangers en fietsers – zelfs al brandt de
straatverlichting.
Het systeem kan fietsers niet ontdekken, als
de camera van het systeem grote delen van
het lichaam van de fietser of van zijn/haar
fiets niet kan waarnemen.
Het systeem ‘ziet’ alleen de achterkant van fietsers die zich in dezelfde richting als uw auto
bewegen.
Auto Brake kan een botsing geheel voorkomen of de botssnelheid verlagen.
Bedien voor een maximale remwerking
altijd het rempedaal – ook al wordt er automatisch geremd.
Wacht nooit een waarschuwingssignaal
van de Collision Warning af. U bent er
altijd verantwoordelijk voor om de juiste
afstand en snelheid aan te houden – ook
bij gebruik van de Collision Warning met
Auto Brake.
07
Gerelateerde informatie
•
228
Collision Warning* (p. 226)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Voor optimale prestaties van het systeem
dient de systeemfunctie die verantwoordelijk
is voor identificatie van fietsers zo uniform
mogelijke informatie over de lichaams- en
fietscontouren ontvangen – dat houdt in dat
kenmerkende (lichaams-)delen zoals fiets,
hoofd, armen, schouders, benen, borstkas en
buik moeten kunnen worden waargenomen
evenals een bewegingspatroon dat voor fietsers als normaal te beschouwen is.
Optimaal voorbeeld van wat het systeem als een
fietser beschouwt – met duidelijke lichaams- en
fietscontouren, recht van achteren gezien en in
het verlengde van de hartlijn door de auto.
•
Het systeem kan alleen volwassen fietsers ontdekken die op een dames- of
herenfiets zitten.
•
Het systeem kan fietsers alleen recht van
achteren ontdekken en alleen als deze
zich in dezelfde richting als uw auto
bewegen – niet schuin van achteren of
van opzij.
•
De fiets moet aan de achterkant zijn voorzien van een rode reflector die goed
07 Rijhulp
zichtbaar en goedgekeurd23 is en op minstens 70 cm boven het wegdek zit.
•
Collision Warning met Auto Brake en voetgangers- en fietserdetectie is een hulpmiddel.
Het systeem kan fietsers alleen recht van
achteren ontdekken en alleen als deze
zich in dezelfde richting als uw auto
bewegen – niet schuin van achteren of
van opzij.
•
Bij zonsondergang en -opgang kan het
systeem fietsers minder goed registreren
– vergelijkbaar met het menselijke oog.
•
Het systeem is niet in staat fietsers te
registreren bij ritten in het donker of in
tunnels – zelfs al brandt de straatverlichting.
•
WAARSCHUWING
Collision Warning* - detectie van
voetgangers
Fietserdetectie is niet mogelijk:
•
in alle situaties en het systeem heeft
bijvoorbeeld moeite met gedeeltelijk
zichtbare fietsers;
•
bij fietsers in kleding die de lichaamscontouren verhult of fietsers die van de
zijkant komen;
•
bij fietsen waar achterop geen reflector
zit;
•
Voor optimale fietsersdetectie moet het
systeem City Safety™ zijn geactiveerd,
zie City Safety™ (p. 219).
bij fietsen waarop grote voorwerpen
worden vervoerd.
U bent er altijd zelf verantwoordelijk voor
dat u de auto op de juiste wijze bestuurt
en voldoende afstand houdt afhankelijk
van de rijsnelheid.
Gerelateerde informatie
•
Collision Warning* (p. 226)
Ideaalvoorbeelden van wat het systeem als voetgangers met herkenbare lichaamscontouren
beschouwt.
Voor optimale prestaties van het systeem
dient de systeemfunctie die verantwoordelijk
is voor identificatie van voetgangers zo uniform mogelijke informatie over de lichaamscontouren ontvangen – dat houdt in dat kenmerkende lichaamsdelen zoals hoofd, armen,
schouders, benen, borstkas en buik moeten
kunnen worden waargenomen evenals een
bewegingspatroon dat voor mensen als normaal te beschouwen is.
07
Het systeem kan voetgangers niet ontdekken,
als de camera van het systeem grote delen
van het lichaam niet kan waarnemen.
23
De reflector moet voldoen aan de aanbevelingen en voorschriften van de verkeersinstantie in het desbetreffende land.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
229
07 Rijhulp
||
•
Een voetganger is alleen te ontdekken
wanneer deze helemaal zichtbaar is en
een lengte heeft van minimaal 80 cm.
•
Bij zonsondergang en -opgang kan de
camerasensor voetgangers minder goed
registreren – vergelijkbaar met het menselijke oog.
•
De camerasensor is niet in staat voetgangers te registreren bij ritten in het donker
of in tunnels – zelfs al brandt de straatverlichting.
WAARSCHUWING
‘Collision Warning met Auto Brake en fietsers- en voetgangsdetectie’ is een hulpmiddel. Het systeem kan niet altijd alle
voetgangers detecteren en heeft bijvoorbeeld moeite met:
•
slechts gedeeltelijk zichtbare voetgangers, voetgangers die gekleed gaan in
kleding die de lichaamscontouren verhult of voetgangers met een lengte tot
korter dan 80 cm;
•
voetgangers die grote voorwerpen
dragen.
U bent er altijd zelf verantwoordelijk voor
dat u de auto op de juiste wijze bestuurt
en voldoende afstand houdt afhankelijk
van de rijsnelheid.
07
Gerelateerde informatie
•
230
Collision Warning* (p. 226)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Collision Warning* - bediening
Waarschuwingssignalen Aan en Uit
Via een menusysteem van MY CAR op het
display van de middenconsole zijn eventuele
instellingen voor de Collision Warning te verrichten, zie MY CAR (p. 108).
1. Akoestisch en visueel waarschuwingssignaal
wanneer een botsing dreigt.24
U kunt aangeven of de geluidssignalen en het
geprojecteerde waarschuwingslampje voor
de Collision Warning moeten zijn in- of uitgeschakeld.
Bij het starten van de motor geldt automatisch de instelling die actief was toen de
motor werd afgezet.
N.B.
De functies Brake Support en Auto Brake
zijn altijd geactiveerd - ze kunnen niet uitgeschakeld worden.
Via het menusysteem MY CAR op het display
van de middenconsole zijn instellingen voor
de Collision Warning te verrichten, zie MY
CAR (p. 108).
07 Rijhulp
Waarschuwingslampje en
geluidssignaal
Wanneer het waarschuwingslampje en het
geluidssignaal zijn ingeschakeld, wordt het
waarschuwingslampje (nr. [1] op de voorgaande afbeelding) bij iedere motorstart
getest door de verschillende lichtpunten korte
tijd te laten branden.
Na het starten van de motor zijn zowel het
waarschuwingslampje als het geluidssignaal
uit te schakelen:
•
Ga naar Botswaarschuwing in Rijassistentiesystemen in het menusysteem MY CAR, MY CAR (p. 108) - vink de
functie daar uit.
Geluidssignaal
Na het starten van de motor is het geluidssignaal apart in/uit te schakelen:
•
Ga naar Signaaltoon in
Botswaarschuwing in het menusysteem
MY CAR, MY CAR (p. 108) - kies daar
Aan of Uit.
Vervolgens vindt de Collision Warning alleen
met lichtsignalen plaats.
Waarschuwingsafstand instellen
De waarschuwingsafstand is de afstand
waarbij een visueel signaal en een geluidssignaal worden afgegeven.
•
24
MY CAR, MY CAR (p. 108) - kies daar
Lang, Normaal of Kort.
N.B.
Ook als u de waarschuwingsafstand hebt
ingesteld op Lang, kunnen de waarschuwingen voor uw gevoel soms laat worden
afgegeven. Bijvoorbeeld bij grote snelheidsverschillen of als de voorligger krachtig remt.
De waarschuwingsafstand is bepalend voor
de gevoeligheid van het systeem. Bij de
waarschuwingsafstand Lang wordt eerder
gewaarschuwd. Ga altijd uit van de instelling
Lang, maar als deze instelling te vaak tot
waarschuwingen leidt (wat in bepaalde situaties als hinderlijk kan worden ervaren) kunt u
overgaan op de waarschuwingsafstand
Normaal.
WAARSCHUWING
Geen enkel automatisch systeem kan in
alle situaties een 100 % feilloze werking
garanderen. Test Collision Warning met
Auto Brake daarom nooit uit op mensen of
voertuigen - dat kan namelijk tot ernstig
letsel/ernstige schade en levensgevaarlijke
situaties leiden.
Maak alleen in uitzonderingsgevallen zoals bij
dynamisch rijden gebruik van de waarschuwingsafstand Kort.
N.B.
Bij gebruik van de adaptieve cruisecontrol
worden het waarschuwingslampje en de
waarschuwingszoemer door de cruisecontrol gehanteerd, ook al hebt u de Collision
Warning gedeactiveerd.
De Collision Warning waarschuwt u bij
gevaar voor een botsing, maar de functie
is niet in staat uw reactietijd te verkorten.
Voor een optimale werking van de Collision Warning dient u de Afstandswaarschuwing (p. 216) altijd in te stellen op
volgtijd 4-5.
Instellingen controleren
U kunt de actuele instellingen controleren op
het display van de middenconsole.
•
Ga in het menusysteem MY CAR (p. 108)
naar Botswaarschuwing in Rijassistentiesystemen.
07
Ga naar Waarschuwingsafstand in
Botswaarschuwing in het menusysteem
De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
}}
231
07 Rijhulp
||
Onderhoud
Collision Warning* - beperkingen
Het systeem heeft bepaalde beperkingen – zo
is het systeem pas actief bij snelheden van
ca. 4 km/h en hoger.
In de felle zon en bij lichtschitteringen alsook
het gebruik van een zonnebril is het op de
voorruit geprojecteerde waarschuwingslampje voor de Collision Warning soms moeilijk te ontdekken. Dat is ook mogelijk als u
niet recht vooruit kijkt. Houd de waarschuwingszoemer daarom altijd ingeschakeld.
Camera- en radarsensor25.
De sensoren werken alleen naar behoren
wanneer u vuil, ijs en sneeuw verwijdert en ze
regelmatig schoonmaakt met water en autoshampoo.
Bij gladheid is de remweg langer waardoor
het systeem minder goed in staat is aanrijdingen te voorkomen. In dergelijke situaties zullen het ABS en de ESC (p. 185) voor het
maximale remvermogen zorgen met behoud
van de stabiliteit.
N.B.
Als vuil, ijs en sneeuw de sensoren bedekken, neemt de functie af en kan meten
onmogelijk worden gemaakt.
07
Gerelateerde informatie
•
25
232
Collision Warning* (p. 226)
N.B. De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
N.B.
Het visuele waarschuwingssignaal kan
korte tijd buiten werking worden gesteld,
wanneer de temperatuur in het interieur
bijvoorbeeld door de felle zon te hoog is
opgelopen. Als dit gebeurt, wordt er een
waarschuwingszoemer afgegeven ook al
hebt u deze uitgeschakeld via het menusysteem.
•
Waarschuwingen kunnen eveneens
uitblijven bij een zeer geringe afstand
tot de voorligger of bij relatief grote
stuur- en pedaalbewegingen zoals bij
een zeer actieve rijstijl.
07 Rijhulp
WAARSCHUWING
Als de radar- of camerasensor op grond
van de verkeerssituatie of anderszins problemen heeft voetgangers, voorliggers of
fietsers te ontdekken, is het mogelijk dat
het systeem pas laat, onterecht of helemaal geen waarschuwing geeft en remt.
De sensoren hebben een beperkt bereik
voor voetgangers en fietsers26, zodat het
systeem voor dergelijke weggebruikers
efficiënt waarschuwt en remingrepen verricht bij rijsnelheden tot 50 km/h. Voor stilstaande of langzaam rijdende voorliggers
wordt efficiënt gewaarschuwd en geremd
bij rijsnelheden tot 70 km/h.
In het donker of bij slecht zicht wordt er
mogelijk niet gewaarschuwd voor langzaam rijdende of stilstaande voorliggers.
Er wordt niet gewaarschuwd noch geremd
voor voetgangers en fietsers bij een rijsnelheid hoger dan 80 km/h.
De Collision Warning maakt gebruik van
dezelfde radarsensor als die van de adaptieve
cruisecontrol (p. 200).
Als u vindt dat er te vaak wordt gewaarschuwd en de signalen als storend ervaart,
kunt u de waarschuwingsafstand verkleinen.
Dit betekent dat het systeem later waarschuwt, wat het totale aantal waarschuwingen beperkt, zie Collision Warning - bediening (p. 230).
26
Met geactiveerde achteruitversnelling is de
Collision Warning met Auto Brake tijdelijk
gedeactiveerd.
Collision Warning met Auto Brake wordt niet
geactiveerd op lage snelheden (onder
4 km/h), wat betekent dat het systeem niet
ingrijpt in situaties waarbij uw auto een voorligger uiterst langzaam nadert zoals tijdens
het parkeren.
In situaties waarin u actief en bewust rijgedrag laat zien, wordt Collision Warning minder actief.
Nadat Auto Brake een aanrijding met een stilstaand obstakel heeft voorkomen, blijft de
auto maximaal 1,5 seconde stilstaan. Als de
auto wordt afgeremd wegens een rijdende
voorligger, wordt de snelheid begrensd tot
dezelfde snelheid als die van de voorligger.
Bij een auto met een handgeschakelde versnellingsbak slaat de motor af wanneer Auto
Brake de auto tot stilstand heeft gebracht,
tenzij u daarvoor het koppelingspedaal weet
te bedienen.
Gerelateerde informatie
•
Collision Warning* (p. 226)
Collision Warning* - beperkingen van
de camerasensor
Het systeem maakt gebruik van de camerasensor van de auto, die bepaalde beperkingen
heeft.
De camerasensor van de auto wordt naast de
Collision Warning met Auto Brake ook
gebruikt door de functies:
•
•
•
•
Actief groot licht (p. 87)
Verkeersbordinformatie (p. 189)
Driver Alert Control - DAC (p. 237)
Rijbaanassistent (p. 241).
N.B.
Houd de voorruit in het gebied vóór de
camerasensor vrij van ijs, sneeuw, condens en vuil.
Plak of monteer niets op de voorruit vóór
de camerasensor, aangezien één of meer
camera's voor het systeem hierdoor slechter of niet meer werken.
De camerasensor kent ongeveer dezelfde
beperkingen als het menselijk oog. Dit houdt
in dat de sensor minder goed ‘ziet’ bij hevige
regen- of sneeuwval en in dichte mist. In dergelijke omstandigheden kunnen functies die
gebruik maken van de camera grote beper-
Voor fietsers wordt mogelijk zeer laat gewaarschuwd en geremd of gelijktijdig gewaarschuwd en geremd.
07
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
233
07 Rijhulp
||
kingen ondervinden of tijdelijk gedeactiveerd
worden.
Ook fel tegenlicht, reflecties op het wegdek,
besneeuwde of beijzelde wegen, verontreinigde of onduidelijke rijstrookmarkeringen
kunnen aanleiding geven tot grote beperkingen voor de functies die van de camera
gebruik maken om bijvoorbeeld het wegdek
af te tasten en andere voertuigen en voetgangers te ontdekken.
Het blikveld van de camerasensor is beperkt,
zodat voetgangers, fietsers en voertuigen in
bepaalde situaties niet kunnen worden geregistreerd of later worden ontdekt dan verwacht.
Bij zeer hoge temperaturen werkt de camera
de eerste ca. 15 minuten na het starten van
de motor niet om de camerafunctie te ontzien.
Storingen opsporen en verhelpen
07
Als op het display de melding
Voorruitsensoren afgedekt Zie
instructieboek staat, betekent dit dat de
camerasensor afgedekt is en geen voetgangers, fietsers, voertuigen of rijstrookmarkeringen vóór de auto kan ontdekken.
Dit houdt bovendien in dat niet alleen Collision Warning met Auto Brake maar ook de
systemen Automatische dimfunctie groot
licht/dimlicht, Road Sign Information, Driver
234
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Alert Control en de Rijbaanassistent niet voor
de volle 100 % zullen werken.
Oorzaak
Maatregel
In de volgende tabel staan mogelijke oorzaken van het verschijnen van de melding en
passende maatregelen.
Het voorruitoppervlak vóór de
camera is schoongemaakt, maar de
melding blijft.
Wacht even. Het kan
enige minuten duren
voordat de camera
het zicht opnieuw
heeft gemeten.
Er is vuil tussen de
binnenkant van de
voorruit en de
camera gekomen.
Bezoek een werkplaats om de binnenkant van de
voorruit achter de
camerabehuizing te
laten schoonmaken
– geadviseerd wordt
een erkende Volvowerkplaats.
Oorzaak
Maatregel
Het voorruitoppervlak vóór de
camera is vuil of
bedekt met sneeuw
of ijs.
Ontdoe het voorruitoppervlak vóór de
camera van vuil,
sneeuw en ijs.
Bij dichte mist en
hevige regen- of
sneeuwval heeft de
camera een minder
goed zicht.
Valt niets aan te
doen. Bij hevige
neerslag werkt de
camera soms niet.
Gerelateerde informatie
•
Collision Warning* (p. 226)
07 Rijhulp
Collision Warning* - symbolen en
meldingen
SymboolA
Melding
Betekenis
Collision warning system UIT
Collision Warning is uitgeschakeld.
Verschijnt bij het starten van de motor.
De melding dooft automatisch na ca. 5 seconden of eerder wanneer u op de OK-knop drukt.
CWS-systeem niet
beschikbaar
Het is niet mogelijk Collision Warning te activeren.
Verschijnt wanneer u de functie toch probeert te activeren.
De melding dooft automatisch na ca. 5 seconden of eerder wanneer u op de OK-knop drukt.
Remassistent geactiveerd
De Auto Brake was actief.
Voorruitsensoren afgedekt Zie instructieboek
De camerasensor (p. 233) werkt tijdelijk niet.
De melding verdwijnt na bediening van de OK-knop.
Verschijnt bijvoorbeeld bij sneeuw, ijs of vuil op de voorruit.
•
Radar afgedekt Zie
instructieboekje
CWS-systeem Service
vereist
A
Maak het voorruitoppervlak vóór de camerasensor schoon.
Collision Warning met Auto Brake werkt tijdelijk niet.
De radarsensor (p. 211) kan geen andere voertuigen registreren. Bijvoorbeeld wanneer deze wordt
gehinderd door hevige regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor
afdekken.
07
Collision Warning met Auto Brake werkt niet of gedeeltelijk.
•
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
De symbolen zijn schematisch - afhankelijk van de markt en het model zijn afwijkingen mogelijk.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
235
07 Rijhulp
||
Gerelateerde informatie
•
Collision Warning* (p. 226)
07
236
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
07 Rijhulp
Driver Alert System*
Driver Alert System is bestemd om u te helpen als de auto op een ongecontroleerde
manier wordt bestuurd of op het punt staat de
rijstrookmarkering te overschrijden.
Driver Alert System bestaat uit verschillende
functies die tegelijk of apart in te schakelen
zijn:
•
•
Driver Alert Control - DAC (p. 238).
Gerelateerde informatie
•
•
Driver Alert Control (DAC)* (p. 237)
Rijbaanassistent* (p. 241)
Driver Alert Control (DAC)*
DAC is bedoeld om de aandacht van de
bestuurder te trekken, wanneer de auto op
een ongecontroleerde manier bestuurd wordt
(omdat u bijvoorbeeld afgeleid wordt of bijna
in slaap valt).
DAC is bedoeld om langzame wijzigingen in
het rijgedrag te bespeuren, in eerste instantie
op de grotere wegen.
Rijbaanassistent (p. 243).
Een ingeschakelde functie wordt pas daadwerkelijk geactiveerd bij snelheden hoger dan
65 km/h. Bij lagere snelheden staat de functie
stand-by.
Het systeem wordt weer uitgeschakeld, zodra
de snelheid onder de 60 km/h daalt.
De functies maken gebruik van een camera
die alleen rijstroken met belijning kan aftasten.
WAARSCHUWING
Driver Alert System werkt niet in alle situaties, maar is uitsluitend bedoeld als een
aanvullend hulpmiddel.
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige
manier bestuurt.
Een camera tast de geschilderde rijstrookmarkeringen af en vergelijkt de wegrichting
met uw stuurbewegingen. U wordt gewaarschuwd wanneer de auto de wegrichting op
een ongecontroleerde manier volgt.
07
Soms treden er ondanks vermoeidheid geen
merkbare wijzigingen op in het rijgedrag. In
dat geval wordt er dan ook niet gewaarschuwd. Het is daarom van groot belang dat
u bij opkomende vermoeidheid de auto op
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
237
07 Rijhulp
||
een geschikte plek parkeert om een pauze in
te lassen, ongeacht de vraag of DAC nu wel
of niet heeft gewaarschuwd.
N.B.
De functie mag niet worden gebruikt om
de rijtijd te verlengen. Plan altijd regelmatig
pauzes in en zorg ervoor dat u bent uitgerust.
Beperkingen
Soms kan het systeem ten onrechte waarschuwen voor ongecontroleerde stuurbewegingen. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren bij:
•
•
zijdelingse rukwinden
spoorvorming in het wegdek.
DAC is niet bedoeld voor gebruik in het
stadsverkeer.
N.B.
De camerasensor heeft zijn beperkingen,
zie Collision Warning* - beperkingen van
de camerasensor (p. 233).
07
238
Gerelateerde informatie
•
•
Driver Alert System* (p. 237)
•
Driver Alert Control (DAC)* - symbolen en
meldingen (p. 239)
•
Rijbaanassistent* (p. 241)
Driver Alert Control (DAC)* - bediening
(p. 238)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Driver Alert Control (DAC)* bediening
WAARSCHUWING
Neem een waarschuwing altijd serieus,
omdat u bij slaperigheid uw lichamelijke
conditie vaak minder goed kunt inschatten.
Via het menusysteem op het display van de
middenconsole zijn instellingen te verrichten.
Aan/Uit
Breng bij een waarschuwing of een gevoel
van vermoeidheid de auto zo spoedig
mogelijk tot stilstand om rust te houden.
Het Driver Alert-systeem is stand-by te zetten
via het menusysteem MY CAR (p. 108):
•
•
Vakje aangevinkt – systeem geactiveerd.
Studies hebben aangetoond dat rijden bij
vermoeidheid even gevaarlijk is in het verkeer als rijden onder invloed.
Vakje uitgevinkt – systeem gedeactiveerd.
Functie
Driver Alert wordt geactiveerd bij een snelheid
hoger dan 65 km/h en blijft actief zolang de
snelheid boven 60 km/h ligt.
Als de auto slingert, wordt u
gewaarschuwd met een geluidssignaal en de tekstmelding (p. 239)
Driver Alert Tijd voor pauze –
tegelijkertijd gaat het bijbehorende symbool
op het instrumentenpaneel branden. Als u uw
rijgedrag niet corrigeert wordt enige tijd later
opnieuw gewaarschuwd.
U kunt het waarschuwingssymbool ook deactiveren:
•
Druk op de OK-knop van de linker stuurhendel.
Gerelateerde informatie
•
•
Driver Alert System* (p. 237)
Driver Alert Control (DAC)* (p. 237)
07 Rijhulp
Driver Alert Control (DAC)* - symbolen
en meldingen
meldingen op het instrumentenpaneel of op
het beeldscherm van de middenconsole laten
verschijnen.
Het Driver Alert Control - DAC (p. 237) kan in
uiteenlopende situaties symbolen en tekst-
Instrumentenpaneel
SymboolA
Melding
Betekenis
Driver Alert Tijd voor
pauze
De auto vertoont zwalkend rijgedrag – u wordt gewaarschuwd met een zoemersignaal en een displaymelding.
Voorruitsensoren afgedekt
Zie instructieboek
De camerasensor werkt tijdelijk niet.
Verschijnt bijvoorbeeld bij sneeuw, ijs of vuil op de voorruit.
•
Maak het voorruitoppervlak vóór de camerasensor schoon.
Lees meer over de beperkingen van de camerasensor, zie Collision Warning* - beperkingen van
de camerasensor (p. 233).
Driver Alert-systeem Service vereist
A
Het systeem is defect.
•
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
De symbolen zijn schematisch.
Display
Symbool
Melding
Betekenis
Driver Alert UIT
Wisser/sproeier uitgeschakeld.
Driver Alert Beschikbaar
De functie is ingeschakeld.
07
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
239
07 Rijhulp
||
Symbool
Melding
Betekenis
Driver Alert stand-by <65km/h
De functie is stand-by gezet omdat de rijsnelheid onder 65 km/h ligt.
Driver Alert niet beschikbaar
De weg is niet voorzien van duidelijke markeringsstrepen of de camerasensor werkt tijdelijk niet.
Lees meer over de beperkingen van de camerasensor, zie Collision Warning* - beperkingen van
de camerasensor (p. 233).
Gerelateerde informatie
•
•
Driver Alert System* (p. 237)
•
Rijbaanassistent* (p. 241)
Driver Alert Control (DAC)* - bediening
(p. 238)
07
240
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
07 Rijhulp
Rijbaanassistent*
WAARSCHUWING
De Rijbaanassistent is een van de functies van
Driver Alert System – wordt ook wel LKA
(Lane Keeping Aid) genoemd.
LKA is alleen een hulpmiddel voor de
bestuurder en werkt niet in alle rijsituaties,
verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
De functie is bedoeld voor gebruik op snelwegen, hoofdwegen en dergelijke en beperkt de
kans op het in bepaalde situaties onbedoeld
verlaten van de eigen rijbaan.
U bent er altijd zelf verantwoordelijk voor
dat u de auto op de juiste wijze bestuurt
en dat u zich aan de geldende wetgeving
en verkeersregels houdt.
Rijbaanassistent - functie
Aan & Uit
De Rijbaanassistent is actief in het snelheidsinterval 65–200 km/h op wegen met goed
zichtbare zijlijnen. Op smalle wegen, als de
rijbaan minder dan 2,6 meter tussen de zijlijnen is, wordt de functie tijdelijk uitgeschakeld.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Een camera tast de zijlijnen van de weg/
rijbaan af. Als de auto een zijlijn dreigt te
overschrijden, wordt de Rijbaanassistent
actief en stuurt de auto met een geringe
stuurbeweging terug de rijbaan in.
Als de auto op een zijlijn rijdt of deze passeert, waarschuwt de Rijbaanassistent u
bovendien met stuurtrillingspulsen.
Rijbaanassistent - functie (p. 241)
Rijbaanassistent - bediening (p. 243)
Rijbaanassistent - beperkingen (p. 243)
Rijbaanassistent - symbolen en meldingen (p. 245)
Driver Alert System* (p. 237)
Met de knop op de middenconsole kunt u de
functie activeren of uitschakelen. Het lampje
in de schakelaar brandt, wanneer het systeem ingeschakeld is.
Bij bepaalde combinaties van opties is er
geen plek vrij voor een Aan/Uit-knop op de
middenconsole – in dat geval is het systeem
te bedienen via het MY CAR, MY CAR
(p. 108) van de auto. Doe het volgende:
•
07
Ga naar Rijbaanassistentie en kies Aan
of Uit.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
241
07 Rijhulp
||
In MY CAR kan bovendien o.a. het volgende
worden gekozen:
•
Waarschuwing met trillingen in het stuurwiel: Alleen vibratie - Aan of Uit.
•
Actief sturen: Alleen stuurhulp - Aan of
Uit.
•
Zowel Waarschuwing met trillingen in het
stuurwiel als Actief sturen: Volledige
functie - Aan of Uit.
Waarschuwing met trillingen in het
stuurwiel
Dynamisch nemen van bochten
LKA stuurt en waarschuwt met pulserende stuurwieltrillingen27.
In bepaalde gevallen staat de Rijbaanassistent toe dat de zijlijnen worden overschreden
zonder in te grijpen met actief bijsturen of te
waarschuwen met stuurtrillingspulsen. Het bij
goed zicht benutten van de aangrenzende rijbaan voor dynamisch bochtenwerk is een
voorbeeld van zo’n geval.
Actief sturen
De Rijbaanassistent probeert de auto binnen
de zijlijnen van de rijbaan te houden.
LKA grijpt niet in scherpe binnenbochten in.
Als de auto een zijlijn passeert, waarschuwt
de Rijbaanassistent hiervoor met stuurtrillingspulsen. Dit gebeurt ongeacht of de auto
wel of niet actief wordt teruggestuurd door
een opgelegd stuurmoment.
Gerelateerde informatie
•
07
LKA grijpt in en stuurt weg.
Als de auto de linker of rechter zijlijn van de
rijbaan nadert zonder dat de richtingaanwijzer
is geactiveerd, wordt de auto teruggestuurd.
27
242
De afbeelding toont 3 pulserende trillingen als de zijlijn wordt gepasseerd.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Rijbaanassistent* (p. 241)
07 Rijhulp
Rijbaanassistent - bediening
Rijbaanassistent - beperkingen
De rijbaanassistent wordt in verschillende
situaties gecompleteerd met duidelijke grafische voorstellingen. Hier volgen enkele voorbeelden:
•
De camerasensor van de Rijbaanassistent
heeft beperkingen, net als het menselijk
oog. Voor meer informatie, zie Collision
Warning* - beperkingen van de camerasensor (p. 233) en (p. 232).
N.B.
N.B.
Het LKA staat uit zolang u de richtingaanwijzerhendel bedient.
LKA grijpt in aan de rechterkant.
In bepaalde omstandigheden heeft het
LKA moeite om u goed te helpen – geadviseerd wordt om het LKA dan uit te schakelen.
De Rijbaanassistent grijpt in en stuurt van de
zijlijn af – wordt aangeduid met:
Voorbeelden van dergelijke omstandigheden zijn:
•
RODE lijn voor de desbetreffende kant.
Gerelateerde informatie
•
Rijbaanassistent* (p. 241)
•
•
•
•
•
wegwerkzaamheden
winterse wegen
slecht wegdek
extreem sportieve rijstijl
slecht weer in combinatie met een
beperkt zicht.
LKA ‘ziet’ en volgt de zijlijnen.
De handen op het stuurwiel
Wanneer de Rijbaanassistent actief is en de
zijlijnen detecteert/‘ziet’, heeft het LKA-symbool WITTE lijnen.
De Rijbaanassistent werkt alleen, wanneer u
uw handen aan het stuur houdt. LKA controleert dit voortdurend. Als dit niet het geval is,
wordt u met een tekstmelding aangespoord
om de auto actief te sturen.
•
GRIJZE zijlijn - de Rijbaanassistent ziet
geen lijn aan deze kant van de auto.
Als u de aansporing om actief te sturen niet
opvolgt, wordt de Rijbaanassistent stand-by
gezet. Het systeem is dan uitgeschakeld, totdat u weer begint te sturen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
07
}}
243
07 Rijhulp
||
Gerelateerde informatie
•
Rijbaanassistent* (p. 241)
07
244
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
07 Rijhulp
Rijbaanassistent - symbolen en
meldingen
In situaties waar het LKA-systeem niet wordt
geactiveerd of wordt uitgeschakeld verschijnt
SymboolA
er mogelijk een symbool op het instrumentenpaneel in combinatie met een verklarende
melding – volg in dat geval het gegeven
advies op.
Voorbeelden van meldingen:
Melding
Betekenis
Rijstrookassistent Niet
beschikbaar bij deze snelheid
De Rijbaanassistent is stand-by gezet, omdat de rijsnelheid onder 65 km/h ligt.
Rijstrookassistent Niet
beschikb. voor huidige markeringen
De rijbaan is niet voorzien van duidelijke zijlijnen of de camerasensor werkt tijdelijk niet. Lees
meer over de beperkingen van de camerasensor, zie Collision Warning* - beperkingen van de
camerasensor (p. 233) en (p. 232).
Rijstrookassistent Beschikbaar
De functie tast de zijlijnen van de rijbaan af.
Voorruitsensoren afgedekt Zie
instructieboek
De camerasensor werkt tijdelijk niet.
Verschijnt bijvoorbeeld bij sneeuw, ijs of vuil op de voorruit.
•
Maak het voorruitoppervlak vóór de camerasensor schoon.
Lees meer over de beperkingen van de camerasensor, zie Collision Warning* - beperkingen
van de camerasensor (p. 233) en (p. 232).
A
Rijbaanassistentie Service vereist
Het systeem is defect.
Rijbaanassistentie onderbroken
LKA is uitgeschakeld en staat stand-by. Wanneer het systeem weer actief is, kunt u dat aan
de lijnen van het LKA-symbool zien.
•
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
07
De symbolen in de tabel zijn schematisch - de symbolen die op het instrumentenpaneel worden weergegeven, kunnen er iets anders uitzien.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
245
07 Rijhulp
||
Gerelateerde informatie
•
Rijbaanassistent* (p. 241)
07
246
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
07 Rijhulp
Park Assist*
WAARSCHUWING
Park Assist is bedoeld als hulpmiddel tijdens
het parkeren. Geluidssignalen en symbolen
op het display van de middenconsole geven
de afstand aan tot een waargenomen obstakel.
Het Park Assist-volume is tijdens de weergave van geluidssignalen bij te stellen met de
draaiknop VOL op de middenconsole of in
het menusysteem MY CAR van de auto, zie
MY CAR (p. 108).
Park Assist is verkrijgbaar in twee varianten:
•
•
Park Assist aan de achterzijde
Park Assist aan de voor- en achterzijde.
N.B.
Als er een trekhaak met het elektrische
systeem van de auto is geconfigureerd,
wordt de uitsteeklengte van de trekhaak bij
het meten van de parkeerruimte meegerekend.
•
Hoewel de Park Assist handig is bij het
parkeren, bent u nog altijd schadeplichtig bij eventuele fouten.
•
Wanneer er obstakels in de dode hoeken van de sensoren zitten, zal het
systeem ze niet kunnen ontdekken.
•
Houd mensen, dieren e.d. in de buurt
van de auto daarom in de gaten.
Park Assist* - functie
Bij het starten van de motor wordt Park Assist
automatisch geactiveerd - het lampje in de
Aan/Uit-knop brandt. Wanneer u Park Assist
met deze knop uitschakelt, dooft het lampje.
Gerelateerde informatie
•
Park Assist* - sensoren schoonmaken
(p. 250)
•
•
•
•
•
•
Park Assist* - functie (p. 247)
Park Assist* - aan de voorzijde (p. 249)
Park Assist* - storingsindicatie (p. 250)
Park Assist* - aan de achterzijde (p. 248)
Park Assist-camera (p. 251)
Actieve parkeerhulp (PAP)* (p. 255)
Aan/Uit sensoren voor Park Assist en CTA28.
Op het display van de middenconsole verschijnt een schematische weergave van de
onderlinge posities van de auto en een eventueel obstakel.
07
28
Waarschuwing voor verkeer van de zijkanten, zie CTA (Cross Traffic Alert) (p. 263)
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
247
07 Rijhulp
||
lings uit de luidsprekers aan linker- en rechterzijde.
BELANGRIJK
Voorwerpen zoals kettingen, smalle glanzende palen of lage obstakels kunnen
‘afgeschaduwd’ worden en worden in dat
geval tijdelijk niet geregistreerd door de
sensoren – het onderbroken geluidssignaal
kan dan plotseling wegvallen in plaats van
over te gaan in het verwachte ononderbroken geluidssignaal.
De gemarkeerde sector(en) geeft/geven aan
welke van de vier sensoren een obstakel
heeft/hebben waargenomen. De gemarkeerde
sector ligt dichter bij het autosymbool, naarmate de afstand tussen de auto en het waargenomen obstakel kleiner is.
07
248
Bij een afstand tot 30 cm bestaat het geluidssignaal uit een ononderbroken toon en is de
sensorsector die het dichtst bij de auto ligt
geheel gevuld. Als er zowel voor als achter de
auto obstakels binnen deze afstand zijn waargenomen, komen de geluidssignalen beurte-
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Park Assist is bedoeld als hulpmiddel tijdens
het parkeren. Geluidssignalen en symbolen
op het display van de middenconsole geven
de afstand aan tot een waargenomen obstakel.
De sensoren kunnen geen hoge voorwerpen ontdekken, zoals uitstekende laadperrons.
Displayweergave - toont linksvoor en rechtsachter een obstakel.
Hoe dichter u het obstakel achter of voor de
auto nadert, des te sneller volgen de geluidssignalen elkaar op. Wanneer u ondertussen
de geluidsinstallatie beluistert, wordt het
volume daarvan tijdelijk verlaagd.
Park Assist* - aan de achterzijde
•
Wees in dergelijke gevallen extra voorzichtig en bedien/verrijd de auto erg
langzaam of breek de parkeermanoeuvre af – er bestaat groot gevaar
voor materiële schade aan de auto of
de omgeving, aangezien de sensoren
dan tijdelijk niet optimaal werken.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
Park Assist* (p. 247)
Park Assist* - sensoren schoonmaken
(p. 250)
Park Assist* - aan de voorzijde (p. 249)
Park Assist* - storingsindicatie (p. 250)
Park Assist* - aan de achterzijde (p. 248)
Park Assist-camera (p. 251)
Actieve parkeerhulp (PAP)* (p. 255)
Het meetbereik strekt tot ca. 1,5 m recht achter de auto. Bij obstakels achter de auto
komen de geluidssignalen uit een van de luidsprekers achterin.
Park Assist aan de achterzijde wordt geactiveerd bij het inschakelen van de achteruitversnelling.
Bij het achteruitrijden met bijvoorbeeld een
aanhanger achter de auto wordt de Park
Assist automatisch uitgeschakeld – anders
reageren de sensoren op de aanhanger.
07 Rijhulp
N.B.
Bij het achteruitrijden met een aanhanger
achter de auto of een fietsdrager op de
trekhaak – zonder een originele aanhangerkabel van Volvo – moet u de Park Assist
mogelijk handmatig uitschakelen om te
voorkomen dat de sensoren erop reageren.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
Park Assist* (p. 247)
Park Assist* - aan de voorzijde
BELANGRIJK
Park Assist is bedoeld als hulpmiddel tijdens
het parkeren. Geluidssignalen en symbolen
op het display van de middenconsole geven
de afstand aan tot een waargenomen obstakel.
Bij het starten van de motor wordt Park Assist
automatisch geactiveerd - het lampje in de
Aan/Uit-knop brandt. Wanneer u Park Assist
met deze knop uitschakelt, dooft het lampje.
Bij montage van verstralers: Denk eraan
dat deze de sensoren niet mogen hinderen
- de verstralers kunnen dan als obstakel
worden gezien.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
Park Assist* - sensoren schoonmaken
(p. 250)
Park Assist* - functie (p. 247)
Park Assist* - aan de voorzijde (p. 249)
Park Assist* - storingsindicatie (p. 250)
Park Assist* (p. 247)
Park Assist* - sensoren schoonmaken
(p. 250)
Park Assist* - functie (p. 247)
Park Assist* - storingsindicatie (p. 250)
Park Assist* - aan de achterzijde (p. 248)
Park Assist-camera (p. 251)
Actieve parkeerhulp (PAP)* (p. 255)
Park Assist-camera (p. 251)
Actieve parkeerhulp (PAP)* (p. 255)
Het meetbereik strekt tot ca. 0,8 m recht voor
de auto. Bij obstakels voor de auto komen de
geluidssignalen uit een van de luidsprekers
voorin.
07
Park Assist aan de voorzijde is actief bij snelheden tot 10 km/h. Het lampje in de knop
brandt om aan te geven dat het systeem
actief is. Het systeem wordt opnieuw geactiveerd bij snelheden lager dan 10 km/h.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
249
07 Rijhulp
Park Assist* - storingsindicatie
•
Actieve parkeerhulp (PAP)* (p. 255)
Park Assist* - sensoren schoonmaken
Park Assist is bedoeld als hulpmiddel tijdens
het parkeren. Geluidssignalen en symbolen
op het display van de middenconsole geven
de afstand aan tot een waargenomen obstakel.
Park Assist is bedoeld als hulpmiddel tijdens
het parkeren. Geluidssignalen en symbolen
op het display van de middenconsole geven
de afstand aan tot een waargenomen obstakel.
Als op het instrumentenpaneel het
informatiesymbool continu brandt
en de tekstmelding Park Assistsysteem Service vereist verschijnt, dan is
Park Assist defect.
De Park Assist-sensoren werken alleen naar
behoren wanneer u ze regelmatig schoonmaakt met water en autoshampoo.
BELANGRIJK
Onder bepaalde omstandigheden kunnen
de parkeersensoren valse waarschuwingssignalen geven door externe geluidsbronnen, die dezelfde ultrasoonfrequenties
afgeven als waar het systeem mee werkt.
Voorbeelden van dergelijke bronnen zijn
o.a. claxons, natte banden op asfalt, pneumatische remmen en uitlaatgeluid van
motorfietsen.
Gerelateerde informatie
07
•
•
•
•
•
•
250
Park Assist* (p. 247)
Park Assist* - sensoren schoonmaken
(p. 250)
Park Assist* - functie (p. 247)
Park Assist* - aan de voorzijde (p. 249)
Park Assist* - aan de achterzijde (p. 248)
Park Assist-camera (p. 251)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Positie van de voorste sensoren.
07 Rijhulp
Park Assist-camera
Functie en bediening
De parkeercamera is een ondersteunend systeem en wordt geactiveerd bij inschakeling
van de achteruitversnelling.
De cameraweergave verschijnt op het display
van de middenconsole.
N.B.
Positie van de achterste sensoren.
Als er een trekhaak met het elektrische
systeem van de auto is geconfigureerd,
wordt de uitsteeklengte van de trekhaak bij
het meten van de parkeerruimte meegerekend.
N.B.
Als vuil, ijs en sneeuw de sensoren bedekken, neemt de functie af en kan meten
onmogelijk worden gemaakt.
WAARSCHUWING
•
De parkeercamera is een hulpmiddel
en kan nooit in de plaats komen van
de verantwoordelijkheid van de
bestuurder bij het achteruitrijden.
•
Wanneer er obstakels in de dode hoeken van de camera zitten, zal het systeem ze niet kunnen ontdekken.
•
Houd mensen en dieren in de buurt
van de auto daarom in de gaten.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
Park Assist* (p. 247)
Park Assist* - functie (p. 247)
Park Assist* - aan de voorzijde (p. 249)
Park Assist* - storingsindicatie (p. 250)
Park Assist* - aan de achterzijde (p. 248)
Park Assist-camera (p. 251)
Actieve parkeerhulp (PAP)* (p. 255)
Camerapositie bij de openingshandgreep.
De camera toont wat er achter de auto is en
of er iets of iemand van de zijkanten opduikt.
De camera beslaat een breed gebied achter
de auto alsook een deel van de bumper en
een eventuele trekhaak.
Voorwerpen op het display lijken mogelijk
over te hellen – dit is volkomen normaal.
N.B.
Voorwerpen op het beeldscherm kunnen
dichter bij de auto zijn dan dat ze op het
scherm lijken te zijn.
07
Als een andere schermweergave actief is,
neemt de parkeercamerafunctie het scherm
automatisch over om de camerabeelden te
tonen.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
251
07 Rijhulp
||
Bij het inschakelen van de achteruitversnelling wordt met behulp van ononderbroken lijnen grafisch aangegeven waar de achterwielen van de auto uitkomen bij de actuele stuuruitslag – dit vereenvoudigt het achteruit inparkeren, achteruitrijden in krappe ruimten en
aankoppelen van aanhangers. De contouren
van de auto worden bij benadering getoond
met streepjeslijnen. De hulplijnen zijn te deactiveren - zie hoofdstuk Instellingen (p. 254).
N.B.
Houd voor optimale werking de cameralens vrij van vuil, sneeuw en ijs. Dit is
vooral van belang in slechte lichtomstandigheden.
Hulplijnen
Als de auto tevens uitgerust is met Parkeerhulpsensoren (p. 247)*, illustreren gekleurde
velden op grafische wijze de afstand tot geregistreerde obstakels, zie het kopje ‘Auto’s
met Park Assist-sensoren achter’ verderop.
De camera wordt ca. 5 seconden na uitschakeling van de achteruitversnelling gedeactiveerd, of eerder als de rijsnelheid oploopt tot
boven 10 km/h vooruit of 35 km/h achteruit.
Lichtomstandigheden
07
252
De cameraweergave wordt automatisch aangepast aan de heersende lichtomstandigheden. Dit kan ertoe leiden dat de beeldweergave ietwat kan variëren wat lichtsterkte en
kwaliteit betreft. Slechte lichtomstandigheden
leveren mogelijk een iets slechtere beeldkwaliteit op.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
N.B.
•
Bij het achteruitrijden met een aanhanger/caravan geven de lijnen op het
scherm de baan van de auto aan –
niet die van de aanhanger/caravan.
•
Er verschijnen geen lijnen op het
scherm, wanneer er een aanhanger/
caravan is aangesloten op het elektrische systeem van de auto.
•
De Park Assist-camera wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u een
aanhanger/caravan achter de auto
hebt hangen die met originele trekhaakbedrading van Volvo aangesloten
is.
BELANGRIJK
Voorbeeld van hoe hulplijnen voor de bestuurder
getoond worden.
De lijnen op het scherm worden geprojecteerd als stonden ze op de grond achter de
auto. De lijnen zijn bovendien afhankelijk van
de stuuruitslag, zodat u ook tijdens het
draaien kunt zien welke baan de auto zal
nemen.
Let op: het schermbeeld toont alleen het
gebied achter de auto - let dus op de zijkanten en voorkant van de auto als u bij
achteruitrijden aan het stuurwiel draait.
07 Rijhulp
Grenslijnen
Auto’s met Park Assist-sensoren
achter*
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Park Assist-camera - instellingen (p. 254)
Park Assist-camera - beperkingen
(p. 255)
Park Assist* (p. 247)
Actieve parkeerhulp (PAP)* (p. 255)
De verschillende lijnen van het systeem.
Grenslijn vrije achteruitrijzone
De afstand wordt aangegeven met gekleurde
velden (4 stuks, voor elke sensor één).
‘Wielsporen’
Als de auto tevens uitgerust is met Parkeerhulp (p. 247) wordt voor iedere sensor die een
obstakel waarneemt de afstand met
gekleurde velden weergegeven.
De onderbroken lijn (1) grenst een zone af die
tot ca. 1,5 m achter de achterbumper strekt.
Het vormt tegelijkertijd de grens voor de uitstekende delen van de auto, zoals buitenspiegels en hoeken – ook tijdens het maken van
een bocht.
De brede ‘wielsporen’ (2) tussen de zijlijnen
geven aan waar de wielen zich zullen bevinden en kunnen tot ca. 3,2 m achter de achterbumper reiken zolang er geen obstakel in de
weg staat.
De kleur van de velden verandert naarmate
de afstand tot het obstakel afneemt – van
lichtgeel via oranje in rood.
Kleur
Afstand (meter)
Lichtgeel
0,7–1,5
Oranje
0,5–0,7
Oranje
0,3–0,5
Rood
0–0,3
07
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
253
07 Rijhulp
Park Assist-camera - instellingen
Opties*
Uitgeschakelde camera activeren
Bij een auto met de optie Frontcamera zit de
CAM-knop op het bedieningspaneel voor de
klimaatregeling.
Als de camera uitgeschakeld is bij het inschakelen van de achteruitversnelling, is de
camera als volgt te activeren:
U kunt de instellingen van de parkeercamera
wijzigen, wanneer camerabeelden op het
beeldscherm worden weergegeven:
1. Druk op OK/MENU wanneer camerabeelden worden weergegeven
- op het beeldscherm wordt een menu
geopend met verschillende alternatieven.
2. Scrol naar de gewenste optie met TUNE.
3. Markeer de optie van uw keuze door op
OK/MENU te drukken en verlaat het
menu met EXIT.
Trekhaak
De locatie van de knop kan variëren afhankelijk
van de gekozen extra uitrusting.
Hoofdbronmenu29.
•
1. Druk een of tweemaal lang op EXIT om
het hoofdbronmenu te openen.
07
2. Draai aan TUNE totdat de optie ‘Camera’
verschijnt en druk op OK/MENU.
Om te wisselen tussen de beelden van de
achter- en frontcamera:
3. In het daaropvolgende menu: - Draai aan
TUNE totdat de gewenste camerabeelden verschijnen en druk op OK/MENU
- het beeldscherm geeft de gekozen
camerabeelden weer.
•
29
254
Druk op CAM om de camera te activeren
- het beeldscherm geeft de gekozen
camerabeelden weer.
Druk op CAM of draai aan TUNE.
Instelling wijzigen
De standaardinstelling is dat de camera wordt
geactiveerd bij inschakeling van de achteruitversnelling.
Zie het Sensus Infotainment-supplement voor meer informatie over het menusysteem.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
De camera leent zich bij uitstek voor het aankoppelen van een aanhanger/caravan. Op het
display kan een hulplijn verschijnen voor de
geplande ‘baan’ van de trekhaak naar de
aanhanger, net als voor de ‘wielsporen’.
U kunt kiezen uit weergave van de ‘wielsporen’ of de baan van de trekhaak - beide
opties kunnen niet tegelijkertijd worden weergegeven.
1. Druk op OK/MENU wanneer een cameraweergave getoond wordt.
2. Scrol naar de optie Richtlijn traject
trekhaak met TUNE.
3. Markeer de optie van uw keuze door op
OK/MENU te drukken en verlaat het
menu met EXIT.
07 Rijhulp
Zoomen
Park Assist-camera - beperkingen
Voor nauwkeurig manoeuvreren kunt u als
volgt inzoomen op de camerabeelden:
•
Druk op CAM of draai aan TUNE
- bij nogmaals indrukken/draaien springt
u terug naar de normaalweergave.
Eventuele andere opties liggen in een lus
- druk/draai totdat de gewenste camerabeelden verschijnen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
N.B.
Park Assist-camera (p. 251)
Park Assist-camera - beperkingen
(p. 255)
Park Assist* (p. 247)
Actieve parkeerhulp (PAP)* (p. 255)
Fietsdragers of andere accessoires die
achter op de auto zijn gemonteerd, kunnen
het zicht van de camera belemmeren.
Waar u op moet letten
Let erop dat ook als het geblokkeerde gebied
er op het scherm relatief klein uitziet, het werkelijke, verborgen gebied dusdanig groot kan
zijn dat obstakels pas worden geregistreerd
wanneer u er bijna bovenop zit.
•
Houd de cameralens vrij van vuil, sneeuw
en ijs.
•
Maak de cameralens regelmatig schoon
met lauw water en autoshampoo – wees
voorzichtig om geen krassen in de lens te
maken.
Actieve parkeerhulp (PAP)*
De actieve parkeerhulp (PAP – Park Assist
Pilot) helpt u bij het parkeren door eerst te
controleren of het vak groot genoeg is en
daarna het stuurwiel te draaien en de auto in
het vak te parkeren.
Het instrumentenpaneel geeft met symbolen,
grafische beelden en teksten aan, wanneer u
iets moet doen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Park Assist-camera (p. 251)
Park Assist-camera - instellingen (p. 254)
Park Assist* (p. 247)
Actieve parkeerhulp (PAP)* (p. 255)
De Aan/Uit-knop zit op de middenconsole.
N.B.
Als er een trekhaak met het elektrische
systeem van de auto is geconfigureerd,
wordt de uitsteeklengte van de trekhaak bij
het meten van de parkeerruimte meegerekend.
07
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
255
07 Rijhulp
||
WAARSCHUWING
PAP werkt niet in alle situaties, maar is uitsluitend bedoeld als een aanvullend hulpmiddel.
Actieve parkeerhulp (PAP)* - functie
Het instrumentenpaneel geeft met symbolen,
grafische beelden en teksten aan, wanneer u
iets moet doen.
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige
manier bestuurt en het gebied rond de
auto goed in de gaten houdt om naderende of passerende verkeersdeelnemers
tijdig op te merken.
N.B.
Het PAP-systeem meet de beschikbare
ruimte en verricht de vereiste stuurbewegingen. Aan u de taak om de aanwijzingen
op het instrumentenpaneel op te volgen,
een versnelling (achteruit/vooruit) in te
schakelen, af te remmen en de auto tot
stilstand te brengen.
Gerelateerde informatie
•
Actieve parkeerhulp (PAP)* - functie
(p. 256)
•
Actieve parkeerhulp (PAP)* - functie
(p. 257)
•
Actieve parkeerhulp (PAP)* - beperkingen
(p. 258)
•
Actieve parkeerhulp (PAP)* - symbolen en
meldingen (p. 260)
•
Park Assist-camera (p. 251)
07
30
31
256
(Anti-lock Braking System) - Antiblokkeerremsysteem.
(Electronic Stability Control) - Stabiliteitsregeling.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
PAP kan worden geactiveerd als na het starten van de motor aan de volgende criteria is
voldaan:
•
ABS30
ESC31
De systemen
of
mogen niet
ingrijpen als het PAP-systeem actief is –
deze kunnen worden geactiveerd op bijvoorbeeld een steile of gladde ondergrond, zie de gedeelten over Rempedaal
(p. 297) en Stabiliteitsregeling (p. 185)
voor meer informatie.
•
Er mag geen aanhanger aan de auto zijn
gekoppeld.
•
De snelheid moet lager zijn dan 50 km/h.
Principe voor PAP.
Het PAP-systeem parkeert de auto aan de
hand van de volgende deelmomenten:
1. Het parkeervak wordt gezocht en gemeten (A & B (p. 257)) - bij het meten mag
de snelheid niet hoger zijn dan 30 km/h.
2. De auto wordt achteruit in het vak
gestuurd (C & D (p. 257)).
3. De auto wordt netjes in het vak geparkeerd door voor- en achteruit te rijden (E
& F (p. 258)).
Gerelateerde informatie
•
•
Actieve parkeerhulp (PAP)* (p. 255)
Park Assist-camera (p. 251)
07 Rijhulp
Actieve parkeerhulp (PAP)* - functie
1. Activeer PAP met een druk
op deze knop en rijd niet
sneller dan 30 km/h.
U krijgt eenvoudige en heldere instructies
voor het gebruik van PAP op het instrumentenpaneel – met grafische beelden en tekstengrafische beelden en teksten (p. 260).
N.B.
Denk eraan dat het stuurwiel in bepaalde
standen de aanwijzingen op het instrumentenpaneel kan verbergen als het tijdens de parkeermanoeuvre wordt verdraaid.
2 – Achteruit inparkeren
2. Let op het instrumentenpaneel en stop de
auto als dit met grafische beelden en displayteksten van u verlangd wordt.
3. Stop de auto als hierom met grafische
beelden en meldingen wordt verzocht.
N.B.
1 – Zoeken en meten
PAP zoekt een mogelijke parkeerruimte
aan de passagierszijde van de straat, geeft
instructies en stuurt de auto in positie.
Desgewenst kunt u de auto ook aan de
bestuurderszijde van de straat parkeren:
•
Haal de richtingaanwijzerhendel naar
de bestuurderszijde – de auto wordt
vervolgens aan de bestuurderszijde
van de straat geparkeerd.
Bij het achteruit inparkeren stuurt PAP de
auto in het parkeervak. Ga als volgt te werk:
1. Controleer of de ruimte achter u vrij is en
schakel de achteruitversnelling in.
2. Rijd langzaam en voorzichtig achteruit en
raak het stuurwiel niet aan – rijd niet sneller dan ca. 7 km/h.
3. Let op het instrumentenpaneel en stop de
auto als dit met grafische beelden en displayteksten van u verlangd wordt.
07
Het PAP-systeem zoekt een parkeervak en
meet of dit vak groot genoeg is. Ga als volgt
te werk:
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
257
07 Rijhulp
||
N.B.
•
Houd uw handen weg van het stuurwiel als de PAP-functie is geactiveerd.
•
Let erop dat het stuurwiel niet door
iets wordt gehinderd en vrij kan
draaien.
•
Wacht voor het beste resultaat totdat
het stuurwiel is uitgedraaid, voordat u
achteruit/vooruit rijdt.
3. Schakel de achteruitversnelling in en rijd
voorzichtig achteruit tot met grafische
beelden en meldingen wordt verzocht om
te stoppen.
Het systeem wordt automatisch gedeactiveerd na afronding van het inparkeren,
waarna met grafische beelden en meldingen
wordt aangegeven dat het inparkeren is voltooid. U moet mogelijk later corrigeren alleen u kunt beoordelen of de auto goed
geparkeerd staat.
3 – Fixeren
BELANGRIJK
De waarschuwingsafstand is korter wanneer de sensoren worden gebruikt door
Actieve parkeerhulp dan wanneer Park
Assist de sensoren gebruikt.
Gerelateerde informatie
•
•
07
Als de auto achteruit in het vak is ingeparkeerd, wordt de auto recht gezet en gefixeerd.
1. Schakel de 1e versnelling in of D, wacht
totdat het stuurwiel is gedraaid en rijd
voorzichtig vooruit.
2. Stop de auto als hierom met grafische
beelden en een melding wordt verzocht.
258
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Actieve parkeerhulp (PAP)* (p. 255)
Park Assist-camera (p. 251)
Actieve parkeerhulp (PAP)* beperkingen
De PAP-regeling wordt beëindigd:
07 Rijhulp
•
•
•
als te snel met de auto wordt gereden –
meer dan 7 km/h
als u het stuurwiel aanraakt
bij een ingreep van het ABS32- of ESC33systeem – bijvoorbeeld als een wiel grip
verliest op een gladde ondergrond.
sche functie. Daarom moet u voorbereid zijn
om het parkeren te onderbreken. Er zijn ook
een paar details waar u bij het parkeren op
moet letten, bijvoorbeeld:
•
Een melding informeert waarom de PAPregeling werd beëindigd.
N.B.
Als vuil, ijs en sneeuw de sensoren bedekken, neemt de functie af en kan meten
onmogelijk worden gemaakt.
BELANGRIJK
Onder bepaalde omstandigheden kan PAP
geen parkeerplaatsen vinden - een reden
kan zijn dat de sensoren worden verstoord
door externe geluidsbronnen, die dezelfde
ultrasoonfrequenties afgeven als waar het
systeem mee werkt.
Voorbeelden van dergelijke bronnen zijn
o.a. claxons, natte banden op asfalt, pneumatische remmen en uitlaatgeluid van
motorfietsen.
Waar u op moet letten
Let erop dat de Actieve parkeerhulp een hulpmiddel is - niet een onfeilbare volautomati32
33
34
•
•
PAP gaat uit van de onderlinge positie
van de geparkeerde voertuigen - als deze
minder goed geparkeerd staan, kunnen
de banden en velgen van uw auto
beschadigd raken bij contact met de
stoeprand.
PAP is bedoeld voor parkeren op rechte
straten - niet met sterke slingeringen of
bochten. Zorg daarom dat de auto evenwijdig staat het parkeervak, wanneer het
PAP de beschikbare ruimte meet.
Parkeervakken in smalle straten kunnen
niet altijd worden aangeboden, aangezien
de benodigde ruimte voor het manoeuvreren onvoldoende is - het kan dan handig zijn om zo dicht mogelijk naar de kant
van de straat te rijden waar het parkeervak zich bevindt.
•
Let erop dat de voorkant van de auto tijdens het parkeren kan uitzwenken naar
het tegemoetkomende verkeer.
•
Voorwerpen boven het detectiegebied
van de sensoren worden niet meegenomen bij het berekenen van de parkeermanoeuvre, waardoor PAP mogelijk te vroeg
het parkeervak indraait. Vermijd daarom
parkeervakken met dergelijke hoge voorwerpen.
•
U moet bepalen of het vak dat PAP voorstelt geschikt is om in te parkeren.
•
Gebruik goedgekeurde banden34 met de
juiste bandenspanning - dit is van invloed
op de parkeermogelijkheden van PAP.
•
Hevige regen of sneeuwval kan ertoe leiden dat het parkeervak niet op een juiste
manier wordt gemeten.
•
Gebruik PAP niet als u sneeuwkettingen
of een reservewiel hebt gemonteerd.
•
Gebruik PAP niet als er lading buiten de
auto steekt.
BELANGRIJK
Als bij montage van een andere goedgekeurde velgmaat de bandenomtrek zich
wijzigt, moet u de parameters van het
PAP-systeem mogelijk bijwerken. Informeer bij een werkplaats – geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats.
(Anti-lock Braking System) - Antiblokkeerremsysteem.
(Electronic Stability Control) - Stabiliteits- en tractieregeling.
Met ‘goedgekeurde banden’ wordt bedoeld: banden van hetzelfde type en merk als die bij levering af fabriek origineel waren gemonteerd.
07
}}
259
07 Rijhulp
||
Onderhoud
Actieve parkeerhulp (PAP)* symbolen en meldingen
Het instrumentenpaneel kan verschillende
symbool- en tekstcombinaties met uiteenlopende betekenis tonen – soms met een
advies voor een geschikte oplossing.
Als een melding aangeeft dat de actieve parkeerhulp buiten werking is, wordt geadviseerd contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
De PAP-sensoren zijn aangebracht in de bumpers35 – 6 voor en 4 achter.
Om te zorgen dat het PAP-systeem naar
behoren werkt, moeten de bijbehorende sensoren regelmatig worden schoongemaakt
(p. 250) met water en een autoshampoo - dit
zijn dezelfde sensoren als Parkeerhulp
(p. 247) gebruikt.
•
•
Actieve parkeerhulp (PAP)* (p. 255)
Park Assist-camera (p. 251)
Gerelateerde informatie
•
•
Actieve parkeerhulp (PAP)* (p. 255)
Park Assist-camera (p. 251)
07
35
260
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
BLIS
BLIS (Blind Spot Information System) is een
functie om de bestuurder ondersteuning te
bieden bij rijden in druk verkeer op wegen
met meerdere rijbanen in dezelfde richting.
Het BLIS-systeem is een hulpmiddel om u te
waarschuwen voor:
•
•
voertuigen in de dode hoek
snel inhalende voertuigen in de linker en
rechter rijbaan naast uw auto.
WAARSCHUWING
BLIS is slechts een aanvullend hulpmiddel
en werkt niet in alle situaties.
BLIS vormt geen vervanging voor een veilige rijstijl en het gebruik van de buitenspiegels.
Ook met BLIS moet u altijd oplettend en
verantwoord blijven rijden - u bent er altijd
verantwoordelijk voor dat u op een veilige
manier van rijstrook wisselt.
07 Rijhulp
BLIS - bediening
Overzicht
BLIS (Blind Spot Information System) is een
functie om de bestuurder ondersteuning te
bieden bij rijden in druk verkeer op wegen
met meerdere rijbanen in dezelfde richting.
BLIS activeren/deactiveren
BLIS wordt geactiveerd bij het starten van de
motor wat bevestigd wordt door de controlelampjes op de portierpanelen die één keer
oplichten.
Houd dit gebied schoon - ook aan de linkerzijde.
Positie BLIS-lampje36.
Controlelampje
BLIS-symbool
N.B.
Het lampje gaat branden aan de kant van
de auto waar het systeem het voertuig
heeft ontdekt. Als de auto aan beide kanten tegelijkertijd wordt ingehaald, gaan
beide lampjes branden.
•
Voor een optimale werking is het belangrijk dat de oppervlakken vóór de sensoren
schoon worden gehouden.
Gerelateerde informatie
•
•
•
BLIS - bediening (p. 261)
BLIS en CTA - symbolen en meldingen
(p. 265)
CTA* (p. 263)
Onderhoud
De sensoren voor het BLIS-systeem zitten
aan de binnenkant van beide hoeken van
achterspatbord/bumper.
36
Knop voor activering/deactivering.
Het BLIS-systeem kan worden gedeactiveerd/geactiveerd met een druk op de BLISknop op de middenconsole.
07
Bij bepaalde combinaties van opties is er
geen plek vrij voor een knop op de midden-
N.B. De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
261
07 Rijhulp
||
console - in dat geval is de functie te bedienen via het menusysteem MY CAR37:
•
Wanneer BLIS werkt
Selecteer Aan of Uit met Instellingen
Auto-instellingen BLIS.
BLIS werkt niet als de auto achteruitrijdt.
Bij deactivering/activering van BLIS dooft/
brandt het lampje in de knop en het instrumentenpaneel bevestigt de wijziging met een
tekstmelding - bij activering lichten de controlelampjes op de portierpanelen eenmaal op.
Beperkingen
Om de melding uit te schakelen:
•
Druk op de OK-knop van de linker stuurhendel.
of
•
WAARSCHUWING
BLIS werkt niet in scherpe bochten.
Wacht ongeveer 5 seconden - de melding
verdwijnt.
Principe voor BLIS: 1. Zone in dode hoek. 2.
Zone voor snel inhalende voertuigen.
Het BLIS-systeem is actief bij snelheden
hoger dan ongeveer 10 km/h.
•
Vuil, ijs en sneeuw op de sensoren kunnen voor functiebeperkingen zorgen en
waarschuwingen onmogelijk maken. BLIS
kan dergelijke beperkende omstandigheden niet detecteren.
•
Bevestig geen voorwerpen, tape of stickers binnen het oppervlak van de sensoren.
•
BLIS wordt gedeactiveerd, als u een aanhanger op het elektrische systeem van de
auto aansluit.
Het systeem reageert als:
de eigen auto wordt ingehaald door
andere voertuigen
•
de eigen auto snel wordt ingehaald door
andere voertuigen.
Wanneer BLIS een voertuig binnen zone 1 of
een snel inhalend voertuig in zone 2 ontdekt,
brandt het BLIS-lampje op het portierpaneel
constant. Als u in deze stand de richtingaanwijzers activeert aan de kant waarvoor de
waarschuwing wordt gegeven, schakelt het
BLIS-lampje over van constant branden op
knipperen met een feller licht.
07
37
262
•
Zie voor informatie over het menusysteem MY CAR (p. 108).
BELANGRIJK
Reparaties aan de componenten van de
BLIS- en CTA-functies of het spuiten van
de bumper mogen uitsluitend in een werkplaats worden uitgevoerd. Een erkende
Volvo-werkplaats wordt aanbevolen.
Gerelateerde informatie
•
•
BLIS (p. 260)
BLIS en CTA - symbolen en meldingen
(p. 265)
07 Rijhulp
CTA*
•
Het BLIS-systeem CTA (Cross Traffic Alert) is
een hulpmiddel om u voor kruisend verkeer te
waarschuwen, als u achteruitrijdt met de auto.
CTA is een aanvulling op BLIS (p. 260).
Na uitschakeling van het CTA-systeem is het
BLIS-systeem echter nog steeds geactiveerd.
CTA activeren/deactiveren
CTA wordt geactiveerd bij het starten van de
motor wat bevestigd wordt door de controlelampjes op de portierpanelen die één keer
oplichten.
Ga naar Cross Traffic Alert onder BLIS
en verwijder het vinkje - het CTA-systeem
is daarmee uitgeschakeld.
CTA is slechts een aanvullend hulpmiddel
en werkt niet in alle situaties.
CTA is bedoeld om in de eerste plaats voertuigen te ontdekken - in gunstige gevallen
kunnen ook kleinere voorwerpen zoals fietsen
en voetgangers worden ontdekt.
CTA vormt geen vervanging voor een veilige rijstijl en het gebruik van de buitenspiegels.
CTA is alleen actief tijdens het achteruitrijden
en wordt automatisch geactiveerd als de achteruitversnelling wordt geactiveerd.
Ook met CTA moet u altijd oplettend en
verantwoord blijven rijden - u bent er altijd
verantwoordelijk voor dat u op een veilige
manier achteruitrijdt.
•
Een geluidssignaal waarschuwt als CTA
ontdekt dat iets vanaf de zijkant nadert het geluid komt uit de linker of rechter
luidsprekers, afhankelijk van uit welke
richting het object nadert.
•
CTA waarschuwt ook doordat de BLISlampjes gaan branden.
•
Er wordt ook een waarschuwing gegeven
met een brandend pictogram in de grafische PAS-voorstelling (p. 247) op het
beeldscherm.
WAARSCHUWING
Wanneer CTA werkt
Aan/Uit voor de sensoren voor Parkeerhulp en
CTA.
Beperkingen
Bij auto’s met Park Assist (p. 247) kunt u het
CTA-systeem apart uitschakelen/activeren
met de Aan/Uit-knop van de Park Assist.
Bij een auto zonder knop voor Parkeerhulp is
het CTA-systeem te bedienen in het menusysteem MY CAR, MY CAR (p. 108), en wel
als volgt:
CTA vormt een aanvulling op het BLIS-systeem door bij achteruitrijden het kruisende
verkeer vanaf de zijkant te kunnen zien, bijvoorbeeld als de auto achteruit een parkeervak verlaat.
Het CTA werkt niet in alle situaties optimaal,
maar heeft zijn beperkingen – zo kunnen de
CTA-sensoren niet ‘door’ andere geparkeerde
voertuigen of voorwerpen die het zicht blokkeren heen kijken.
Principe voor CTA.
07
Hier volgen enkele voorbeelden van situaties
waar het ‘blikveld’ van het CTA aanvankelijk
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
263
07 Rijhulp
||
beperkt is, zodat naderende voertuigen pas
op het laatste moment geregistreerd worden:
BELANGRIJK
Reparaties aan de componenten van de
BLIS- en CTA-functies of het spuiten van
de bumper mogen uitsluitend in een werkplaats worden uitgevoerd. Een erkende
Volvo-werkplaats wordt aanbevolen.
Onderhoud
De sensoren voor de BLIS- en CTA-systemen
zitten aan de binnenkant van beide hoeken
van achterspatbord/bumper.
De auto staat ver naar achteren in een parkeervak.
Dode hoek CTA.
Detectiegebied/‘blikveld’ CTA.
In schuine parkeervakken valt de ene kant van de
auto mogelijk helemaal binnen de dode hoek van
het CTA.
Naarmate u verder achteruitrijdt, verandert de
hoek ten opzichte van de auto/het obstakel
die/dat in de weg zit zodat de dode hoek snel
in grootte afneemt.
Voorbeelden van andere beperkingen:
•
07
264
•
Vuil, ijs en sneeuw op de sensoren kunnen voor functiebeperkingen zorgen en
waarschuwingen onmogelijk maken. CTA
kan dergelijke beperkende omstandigheden niet detecteren.
CTA wordt gedeactiveerd als u een aanhanger op het elektrische systeem van de
auto aansluit.
Houd dit gebied schoon - ook aan de linkerzijde.
•
Voor een optimale werking is het belangrijk dat de oppervlakken vóór de sensoren
schoon worden gehouden.
•
Bevestig geen voorwerpen, tape of stickers binnen het oppervlak van de sensoren.
07 Rijhulp
Gerelateerde informatie
•
•
BLIS (p. 260)
BLIS en CTA - symbolen en meldingen
(p. 265)
BLIS en CTA - symbolen en
meldingen
In situaties waarbij het BLIS (Blind Spot
Information System) (p. 260) en CTA (p. 263)
uitblijven of worden onderbroken, kan er een
symbool op het instrumentenpaneel verschijnen in combinatie met een verklarende melding. Neem een eventueel advies in acht.
Gerelateerde informatie
•
•
BLIS (p. 260)
CTA* (p. 263)
Voorbeelden van meldingen:
Melding
Betekenis
CTA UIT
CTA is handmatig uitgeschakeld - BLIS is actief.
BLIS en
CTA UIT
Aanhanger
aangekoppeld
BLIS en CTA zijn tijdelijk
buiten werking, omdat een
aanhanger op het elektrische systeem van de auto
is aangesloten.
BLIS en
CTA Service vereist
BLIS en CTA zijn buiten
werking.
•
Bezoek een werkplaats
als de melding niet verdwijnt – geadviseerd
wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
07
Meldingen kunt u van het display halen door
de OK-knop op de richtingaanwijzerhendel
kort in te drukken.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
265
07 Rijhulp
Snelheidsafhankelijke
stuurbekrachtiging
De snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging
zorgt ervoor dat de stuurbekrachtiging
afneemt naarmate de rijsnelheid oploopt,
waardoor u een beter gevoel met de weg
krijgt.
Op snelwegen stuurt de auto stugger. Bij het
parkeren en op lage snelheden is de auto
lichter en met minder moeite te besturen.
U hebt de keuze uit drie niveaus van stuurbekrachtiging voor een maximum aan weggevoel en stuurgevoeligheid in het menusysteem MY CAR, MY CAR (p. 108):
•
N.B.
In bepaalde situaties kan de stuurbekrachtiging te warm worden en moet deze dan
tijdelijk worden gekoeld - gedurende die
periode werkt de stuurbekrachtiging met
een gereduceerd vermogen en het draaien
aan het stuurwiel kan dan wat zwaarder
gaan.
Op het moment dat de stuurhulp tijdelijk
gereduceerd is, verschijnt er een melding
op het instrumentenpaneel.
266
•
MY CAR (p. 108)
Typegoedkeuring - radarsysteem
De typegoedkeuring voor het radarsysteem
staat in de tabel.
Land/
regio
Singapore
IDA: Infocomm Development
Authority of Singapore.
Brazilië
Ga daar naar Stuurkracht en kies Laag,
Midden of Hoog.
Dit menu is niet te openen wanneer de auto
rijdt.
07
Gerelateerde informatie
Europa
Hierbij verklaart Delphi
Electronics & Safety dat
L2C0038TR en L2C0049TR in
overeenstemming zijn met de
essentiële eigenschappen en
overige relevante bepalingen
zoals beschreven in de EUrichtlijn 1999/5/EG. De verklaring van overeenstemming ligt
ter inzage bij Delphi Electronics
& Safety / One Corporate Center / Kokomo, Indiana
46904-9005 USA.
07 Rijhulp
Gerelateerde informatie
•
Radarsensor (p. 211)
07
267
STARTEN EN RIJDEN
08 Starten en rijden
Alcoholslot*
alcoholslot1
Het
voorkomt dat bestuurders die
onder invloed zijn in de auto kunnen rijden.
Voordat de motor kan worden gestart, moet u
een blaastest afgeven om vast te stellen dat u
niet onder de invloed van alcohol bent. Het
alcoholslot wordt gekalibreerd ten opzichte
van de grenswaarde voor verkeersdeelname
die in uw land geldt.
Alcoholslot* - functies en bediening
Functies
WAARSCHUWING
Het alcoholslot is een hulpmiddel dat u
niet ontslaat van uw verantwoordelijkheden als bestuurder. De bestuurder dient
altijd nuchter te blijven en de auto op een
veilige manier te besturen.
Gerelateerde informatie
Ladingstoestand batterij
Knippert
groen
Wordt opgeladen
Groen
Volledig opgeladen
Oranje
Half opgeladen
Rood
Ontladen – plaats de lader
in de houder of sluit de
voedingskabel uit het
dashboardkastje aan.
N.B.
Mondstuk voor blaastest.
Bewaar de blaasunit in zijn houder. Zo blijft
de ingebouwde batterij opgeladen en kan
het alcoholslot automatisch worden geactiveerd bij het openen van de auto.
Schakelaar.
•
Alcoholslot* - functies en bediening
(p. 269)
•
•
Alcoholslot* - opslag (p. 270)
Lampje voor ladingstoestand batterij.
Alcoholslot* - vóór het starten van de
motor (p. 270)
Lampje voor resultaat blaastest.
•
Alcoholslot* - waar u op moet letten
(p. 272)
•
Alcoholslot* - symbolen en meldingen
(p. 273)
Zendertoets.
Lampje dat aangeeft dat het systeem
gereed is voor een blaastest.
Bediening
Batterij
Het controlelampje (4) van de blaasunit geeft
de ladingstoestand van de batterij aan:
1
Controlelampje (4)
Gerelateerde informatie
•
•
•
Alcoholslot* (p. 269)
Alcoholslot* - opslag (p. 270)
Alcoholslot* - vóór het starten van de
motor (p. 270)
•
Alcoholslot* - waar u op moet letten
(p. 272)
•
Alcoholslot* - symbolen en meldingen
(p. 273)
08
Wordt ook wel Alcoguard genoemd.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
269
08 Starten en rijden
Alcoholslot* - opslag
Bewaar de blaasunit in zijn houder. Verwijder
de blaasunit door de unit licht in de houder te
drukken en los te laten, waarna deze opveert
en uit de houder kan worden genomen.
Handeenheid bewaren en laadstation.
•
Plaats de handeenheid terug in de houder
tot de eenheid vastklikt.
•
Bewaar de handeenheid in de houder.
Dat biedt de beste bescherming en
garandeert dat de batterijen steeds volledig opgeladen zijn.
Gerelateerde informatie
•
•
08
270
•
Alcoholslot* (p. 269)
Alcoholslot* - functies en bediening
(p. 269)
Alcoholslot* - vóór het starten van de
motor (p. 270)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
•
Alcoholslot* - waar u op moet letten
(p. 272)
•
Alcoholslot* - vóór het starten van de
motor
Alcoholslot* - symbolen en meldingen
(p. 273)
De blaasunit wordt automatisch geactiveerd
en gereedgemaakt voor gebruik bij het ontgrendelen van de auto.
Mondstuk voor blaastest.
Schakelaar.
Zendertoets.
Lampje voor ladingstoestand batterij.
Lampje voor resultaat blaastest.
Lampje dat aangeeft dat het systeem
gereed is voor een blaastest.
1. Wanneer het controlelampje (6) groen
oplicht, is de blaasunit klaar voor gebruik.
2. Neem de blaasunit uit de houder. Als de
blaasunit zich buiten de auto bevindt tijdens het ontgrendelen, dan dient u de
08 Starten en rijden
unit eerst te activeren met de schakelaar
(2).
Resultaat van de blaastest
3. Klap het mondstuk (1) omhoog, haal diep
adem en blaas gelijkmatig totdat er
ca. 5 seconden later een ‘klikgeluid’
klinkt. Het resultaat is een van de alternatieven in de volgende tabel Resultaat van
de blaastest.
4. Als er geen melding verschijnt, kan er wat
mis zijn gegaan tijdens de gegevensoverdracht naar de auto – druk in dat geval op
de toets (3) om de testgegevens handmatig naar de auto te zenden.
Controlelampje (5) +
tekstmelding
Betekenis
Groen lampje +
Alcoguard Test
goedgekeurd
Start de motor – geen
alcohol gemeten.
Oranje lampje +
Alcoguard Test
goedgekeurd
Motor kan worden
gestart – gemeten
promillage boven
0,1 promille maar
onder de geldende
grenswaardeA.
Rood lampje +
Test afgekeurd
Wacht 1 minuut
en probeer
opnieuw
Motor kan niet worden gestart – gemeten promillage boven
de geldende grenswaardeA.
5. Klap het mondstuk omlaag en plaats de
blaasunit terug in de houder.
6. Start vervolgens binnen 5 minuten na een
goedgekeurde blaastest de motor –
anders is een nieuwe blaastest vereist.
A
Gerelateerde informatie
•
•
Alcoholslot* (p. 269)
Alcoholslot* - functies en bediening
(p. 269)
•
•
Alcoholslot* - opslag (p. 270)
•
Alcoholslot* - symbolen en meldingen
(p. 273)
Alcoholslot* - waar u op moet letten
(p. 272)
De grenswaarde verschilt van land tot land (ga na wat er in
uw land geldt). Zie ook Alcoholslot* - waar u op moet letten
(p. 272).
N.B.
Binnen 30 minuten na afloop van een rit
kan de motor opnieuw gestart worden
zonder dat er een nieuwe blaastest nodig
is.
08
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
271
08 Starten en rijden
Alcoholslot* - waar u op moet letten
Voor een goede werking en een zo nauwkeurig mogelijk meetresultaat:
•
Ca. 5 minuten voor de blaastest niet eten
of drinken.
•
De voorruit niet te lang sproeien – de
alcohol in de sproeiervloeistof kan een
verkeerd meetresultaat opleveren.
Van bestuurder wisselen
Om bij het wisselen van bestuurder een
nieuwe blaastest te kunnen doen schakelaar
(2) en de zendtoets (3) gelijktijdig
ca. 3 seconden lang ingedrukt houden. De
startblokkering van de auto wordt dan
opnieuw geactiveerd, zodat er eerst een
goedgekeurde blaastest nodig is voordat de
motor kan worden gestart.
08
De melding is te verwijderen met een druk op
de zendtoets (3). De melding verdwijnt anders
spontaan na ca. 2 minuten maar verschijnt
iedere keer dat de motor gestart wordt
opnieuw – alleen bij herkalibratie in een werkplaats2 verdwijnt de melding permanent.
Hoe kouder het buiten is, hoe langer het duurt
voordat de blaasunit gereed is voor gebruik:
Maximale
opwarmtijd
(seconden)
+10 tot +85
10
Kalibreren en onderhoud plegen
-5 tot +10
60
Het alcoholslot dient om de 12 maanden in
een werkplaats2 gecontroleerd en gekalibreerd te worden.
-40 tot -5
180
Wanneer er nog 30 dagen resteren tot aan
een geplande kalibratiebeurt, verschijnt
Alcoguard Kalibratie vereist Zie
instructieboek op het instrumentenpaneel.
Als er niet binnen 30 dagen gekalibreerd
wordt, dan kan de motor niet langer op de
normale wijze gestart worden - de motor is
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Bij extreme koude kunt u de opwarmtijd verkorten door de blaasunit mee naar binnen te
nemen.
Noodsituatie
In noodsituaties of wanneer het alcoholslot
defect is, kunt u het alcoholslot omzeilen om
toch in de auto te kunnen rijden.
N.B.
Koud en warm weer
Temperatuur
(°C)
2
272
dan alleen te starten via de bypass-functie,
zie het volgende kopje ‘Noodsituatie’.
Bij temperaturen lager dan -20 °C of hoger
dan +60 °C is extra voeding voor de blaasunit
vereist. Op het instrumentenpaneel verschijnt
Alcoguard Stroomkabel aansluiten. Sluit
de voedingskabel uit het dashboardkastje in
dat geval aan op de blaasunit en wacht totdat
het controlelampje (6) groen oplicht.
Alle activeringen via een doorverbinding
(bypass) worden geregistreerd en opgeslagen in een geheugen, zie Vastlegging van
gegevens (p. 18).
Na activering van de bypass-functie blijft
Alcoguard Bypass actief op het instrumentenpaneel staan, totdat het systeem gereset
wordt in een werkplaats2.
Het is mogelijk de bypass-functie te testen
zonder dat er een foutmelding wordt aangemaakt – loop in dat geval alle stappen door
maar start de motor niet. De foutmelding
wordt gewist bij het vergrendelen van de
auto.
Bij installatie van het alcoholslot geeft u aan
of omzeilen mogelijk moet zijn via de bypassof de noodfunctie. Deze instelling is achteraf
nog te wijzigen in een werkplaats2.
Bypass-functie activeren
08 Starten en rijden
•
Houd de OK-knop op de linker stuurhendel en de knop voor de alarmknipperlichten ca. 5 seconden lang ingedrukt – op
het instrumentenpaneel verschijnen achtereenvolgens Bypass actief Wacht 1
minuut en Alcoguard Bypass actief –
daarna kunt u de motor starten.
Deze functie is meerdere malen te activeren.
De foutmelding die verschijnt tijdens het rijden is echter alleen te wissen in een werkplaats2.
Noodfunctie activeren
•
Houd de OK-knop op de linker stuurhendel en de knop voor de alarmknipperlichten ca. 5 seconden lang ingedrukt – op
het instrumentenpaneel verschijnt
Alcoguard Bypass actief waarna u de
motor kunt starten.
Deze functie is eenmaal te gebruiken en moet
daarna gereset worden in een werkplaats2.
Gerelateerde informatie
•
•
Alcoholslot* (p. 269)
Alcoholslot* - functies en bediening
(p. 269)
•
•
Alcoholslot* - opslag (p. 270)
•
Alcoholslot* - symbolen en meldingen
(p. 273)
2
Alcoholslot* - vóór het starten van de
motor (p. 270)
Alcoholslot* - symbolen en meldingen
Naast de al beschreven meldingen gerelateerd aan hoe het alcoholslot vóór het starten
van de motor (p. 270) werkt kan ook het volgende verschijnen:
Tekstmelding
Betekenis/Maatregel
Alcoguard
Herstarten
mogelijk
Motor stond minder dan
30 minuten af – motor
kan worden gestart zonder nieuwe blaastest.
Alcoguard
Service vereist
Bezoek een werkplaatsA.
Alcoguard
Geen signaal
ontvangen
Overdracht mislukt –
verstuur het resultaat
handmatig via toets (3)
of doe een nieuwe
blaastest.
Alcoguard
Probeer
opnieuw
De test is mislukt – doe
een nieuwe blaastest.
Alcoguard
Blaas langer
U blies te kort – blaas
langer.
Alcoguard
Blaas zachter
U blies te hard – blaas
minder hard.
Tekstmelding
Betekenis/Maatregel
Alcoguard
Blaas harder
U blies niet hard genoeg
– blaas harder.
Alcoguard
wacht Verwarmt voor
Opwarming niet gereed
– wacht de melding
Alcoguard Blaas 5
seconden af.
A
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
•
Alcoholslot* (p. 269)
Alcoholslot* - functies en bediening
(p. 269)
•
•
Alcoholslot* - opslag (p. 270)
•
Alcoholslot* - waar u op moet letten
(p. 272)
Alcoholslot* - vóór het starten van de
motor (p. 270)
08
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
273
08 Starten en rijden
Motor starten
De motor wordt gestart c.q. uitgeschakeld
met behulp van de transpondersleutel en de
START/STOP ENGINE-knop.
BELANGRIJK
De transpondersleutel niet verkeerd om
insteken – pak de sleutel beet aan het uiteinde met het afneembare sleutelblad, zie
Afneembaar sleutelblad - verwijderen/
aanbrengen (p. 165)
1. Plaats de transpondersleutel in het contactslot en duw deze tot aan de aanslag
naar binnen. Let erop dat u bij een auto
met alcoholslot* eerst een goedgekeurde
blaastest moet uitvoeren voordat de
motor kan worden gestart. Voor meer
informatie over Alcoguard, zie Alcoholslot* (p. 269).
Contactslot met transpondersleutel uitgetrokken/
ingeduwd en START/STOP ENGINE-knop.
2. Houd het koppelingspedaal volledig ingedrukt3. (Bij auto’s met automatische versnellingsbak – bedien het rempedaal.)
3. Druk op de START/STOP ENGINE-knop
en laat deze vervolgens los.
De startmotor draait, totdat de motor aanslaat
of totdat de beveiliging tegen oververhitting in
werking treedt.
BELANGRIJK
Als de motor na 3 pogingen niet gestart is,
wacht u 3 minuten voordat u een nieuwe
poging doet. Het startvermogen neemt toe
als de startaccu zich kan herstellen.
08
3
274
Als de auto rolt is het indrukken van de START/STOP ENGINE-knop voldoende om de motor te starten.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
WAARSCHUWING
Haal altijd de transpondersleutel uit het
contactslot als u uit de auto stapt en zorg
ervoor dat de sleutelstand 0 is, in het bijzonder als er kinderen in de auto aanwezig
zijn. Voor informatie over hoe u dit doet,
zie Sleutelstanden (p. 76).
N.B.
Voor bepaalde motortypen kan het stationaire toerental bij een koude start duidelijk
hoger dan normaal zijn. Dit gebeurt om het
uitlaatgasreinigingssysteem zo snel mogelijk op de normale bedrijfstemperatuur te
krijgen waardoor de uitlaatgasemissies
afnemen en het milieu wordt ontzien.
Keyless Drive*
Loop de punten 2–3 door voor het passief
(p. 167) starten van benzine- en dieselmotoren.
N.B.
Om de motor te kunnen starten dient een
van de transpondersleutels met Keyless
Drive in de passagiers- of bagageruimte
aanwezig te zijn.
08 Starten en rijden
WAARSCHUWING
Haal nooit de transpondersleutel uit de
auto tijdens rijden of slepen.
Gerelateerde informatie
•
Sleutelstanden (p. 76)
Motor afzetten
Stuurslotfout
U zet de motor af met de knop START/STOP
ENGINE.
Het stuurslot bemoeilijkt de besturing zoals bij
gebruik van de auto door onbevoegden.
Om de motor af te zetten:
Functie
•
Druk op de knop START/STOP ENGINE
- de motor slaat af.
•
Als de auto een automatische versnellingsbak heeft en de keuzehendel niet in
stand P staat of als de auto rijdt – druk
tweemaal op de knop of houd de knop
START/STOP ENGINE ingedrukt totdat
de motor afslaat.
Gerelateerde informatie
•
Sleutelstanden (p. 76)
•
Het stuurslot wordt geactiveerd, wanneer
u na het afzetten van de motor het
bestuurdersportier opent.
•
Het stuurslot ontgrendelt als de transpondersleutel in het contactslot zit4 en de
START/STOP ENGINE-knop wordt ingedrukt.
Er is mogelijk een mechanisch geluid waarneembaar, wanneer het stuurslot wordt opgeheven of ingeschakeld.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Motor starten (p. 274)
Sleutelstanden (p. 76)
Stuurwiel (p. 82)
08
4
Bij auto’s met Keyless is de aanwezigheid van een transpondersleutel in de passagiersruimte voldoende.
275
08 Starten en rijden
Starten met hulpaccu
Als de startaccu (p. 381) uitgeput is, kunt u
de auto starten met stroom van een hulpaccu.
4. Bevestig de ene klem van de rode startkabel aan de pluspool (1) van de hulpaccu.
BELANGRIJK
Wees voorzichtig bij het aansluiten van de
startkabels om kortsluiting met andere
onderdelen in de motorruimte te voorkomen.
5. Haal de clips op de voorste dekplaat van
de uitgeputte accu los en verwijder de
dekplaat.
Als u een hulpaccu gebruikt bij het starten
wordt geadviseerd de volgende stappen aan
te houden om kortsluiting en andere schade
te voorkomen:
08
276
6. Bevestig de andere klem van de rode
startkabel aan de pluspool (2) van de
auto.
7. Bevestig de ene klem van de zwarte startkabel aan de minpool (3) van de hulpaccu.
1. Zet het elektrische systeem van de auto
in de sleutelstand 0, zie Sleutelstanden
(p. 76).
8. Bevestig de andere klem aan een massapunt, bijvoorbeeld een van de hijsogen (4)
op de motor.
2. Controleer of de hulpaccu een spanning
van 12 V levert.
9. Controleer of de aansluitklemmen van de
startkabels goed vastzitten om te voorkomen dat er tijdens de startpoging vonken
ontstaan.
3. Als de hulpaccu in een andere auto is
gemonteerd, moet u de motor van die
auto afzetten en ervoor zorgen dat de
beide auto’s elkaar niet raken.
10. Start de motor van de ‘hulpauto’ en laat
deze enkele minuten draaien op een toerental dat iets hoger ligt dan normaal,
ca. 1500 omw/min.
11. Start de motor in de auto met de uitgeputte accu.
BELANGRIJK
Raak de aansluitingen bij een startpoging
niet aan - er kan dan vonkvorming ontstaan.
12. Verwijder de startkabels in omgekeerde
volgorde - eerst de zwarte kabel en
daarna de rode.
> Zorg dat geen van de aansluitklemmen
aan de zwarte startkabel contact kan
maken met de pluspool van de accu of
met de aangesloten klem van de rode
startkabel!
WAARSCHUWING
•
De startaccu kan het zeer explosieve
knalgas produceren. Eén enkele vonk,
veroorzaakt door een onjuiste aansluiting van een startkabel, kan volstaan
om de accu tot ontploffing te brengen.
•
De startaccu bevat tevens zwavelzuur
dat ernstige chemische brandwonden
kan veroorzaken.
•
Als u accuzuur in uw ogen krijgt of op
uw huid of kleren morst, moet u
onmiddellijk met grote hoeveelheden
water spoelen. Neem onmiddellijk contact op met een arts, als u accuzuur in
uw ogen krijgt.
08 Starten en rijden
Gerelateerde informatie
•
Motor starten (p. 274)
Versnellingsbakken
Handgeschakelde versnellingsbak
Er zijn twee hoofdgroepen versnellingsbakken: handgeschakelde en automatische versnellingsbakken.
De versnellingsbak heeft tot taak de overbrengingsverhouding af te stemmen op de gewenste snelheid en vermogensbehoefte.
•
Handgeschakelde versnellingsbak (p. 277)
•
Automatische versnellingsbak - Geartronic (p. 279) en Powershift (p. 283)
BELANGRIJK
Om schade aan onderdelen van de aandrijflijn te voorkomen wordt de bedrijfstemperatuur van de versnellingsbak gecontroleerd. Bij gevaar voor oververhitting gaat er
een waarschuwingssymbool op het instrumentenpaneel branden en verschijnt er
een displaymelding – volg in dat geval het
gegeven advies.
Schakelpatroon.
De zesversnellingsbak bestaat in twee verschillende uitvoeringen – het verschil zit hem
in de positie voor de achteruit. Zie het desbetreffende schakelpatroon dat in de pookknop
geslagen is.
•
Trap het koppelingspedaal tijdens het
schakelen altijd zo ver mogelijk in.
•
Haal uw voet na het schakelen weer van
het koppelingspedaal af.
WAARSCHUWING
Gebruik altijd de parkeerrem bij parkeren
op een hellende ondergrond - een ingeschakelde versnelling is niet voldoende om
de auto in alle situaties vast te houden.
08
}}
277
08 Starten en rijden
||
Blokkering achteruitversnelling
Schakelindicator*
De blokkering van de achteruitversnelling
beperkt het risico dat u tijdens het vooruitrijden op normale snelheid onbedoeld de achteruitversnelling inschakelt.
De schakelindicator geeft aan wanneer u
moet opschakelen of terugschakelen om het
brandstofverbruik minimaal te houden.
•
•
Volg het schakelpatroon dat in de versnellingspook is geslagen en begin in de
neutrale stand N. Druk daarna de versnellingspook naar stand R duwt.
Schakel de achteruitversnelling alleen in
als de auto stilstaat.
Gerelateerde informatie
•
Versnellingsbakken (p. 277)
Belangrijk voor een milieubewuste rijstijl is het
kiezen van de juiste versnelling en tijdig schakelen.
Bepaalde uitvoeringen zijn voorzien van een
indicator - GSI (Gear Shift Indicator) - die
aangeeft, wanneer u moet opschakelen of
terugschakelen om het brandstofverbruik
minimaal te houden. Met het oog op eigenschappen als de prestaties en een trillingsvrije motorloop is het soms beter op iets
hogere toeren te schakelen.
Handgeschakelde versnellingsbak
Schakelindicator voor handgeschakelde versnellingsbak.
Er brandt slechts één lamp
tegelijk – bij normaal rijden
brandt alleen de middelste
lamp.
Als op- of terugschakelen wordt geadviseerd,
brandt de bovenste bij ‘+’ of de onderste bij
‘-’, op de afbeelding met rood gemarkeerd.
08
278
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Automatische versnellingsbak
Instrumentenpaneel ‘Digital’ met schakelindicator.
Het omcirkelde cijfer geeft de actuele versnelling aan.
In het midden van het instrumentenpaneel ‘Analog’ worden de schakelstanden en
richtingaanwijzerpijlen
getoond.
Gerelateerde informatie
•
Handgeschakelde versnellingsbak
(p. 277)
•
Automatische versnellingsbak Geartronic* (p. 279)
08 Starten en rijden
Automatische versnellingsbak Geartronic*
Een automatische versnellingsbak met
Geartronic heeft in tegenstelling tot een automatische versnellingsbak met Powershift
(p. 283) een hydraulische koppelomvormer
die de kracht van de motor overbrengt op de
versnellingsbak. De bak heeft twee verschillende schakelstanden: automatisch en handmatig.
Schakelstanden
De automatische schakelstanden worden rechts op
het instrumentenpaneel
getoond. (Er brandt maar één
lampje tegelijk - dat van de
actuele keuzehendelstand.)
Symbool ‘S’ voor Sport-stand is ORANJE,
indien geactiveerd.
P – Parkeerstand
Selecteer stand P, wanneer u de motor start
of de auto wordt geparkeerd.
•
Om de keuzehendel uit stand P te kunnen
halen moet u eerst het rempedaal ver
genoeg intrappen.
In stand P is de versnellingsbak mechanisch
geblokkeerd. Activeer voor de zekerheid ook
de parkeerrem, zie Parkeerrem (p. 299).
N.B.
D: automatisch schakelen. +/–: handmatig schakelen. S: Sport-stand*.5
Het instrumentenpaneel geeft de stand van
de keuzehendel aan met behulp van de volgende tekens: P, R, N, D, S*, 1, 2, 3 enz.
De keuzehendel moet in de P-stand staan
om de auto te kunnen vergrendelen en op
alarm te zetten.
BELANGRIJK
De auto moet stilstaan als stand P wordt
gekozen.
WAARSCHUWING
Gebruik altijd de parkeerrem bij parkeren
op een hellende ondergrond - de P-stand
van de automatische versnellingsbak is
niet voldoende om de auto in alle situaties
vast te houden.
R – Achteruitrijstand
De auto moet stilstaan wanneer u de hendel
in stand R zet.
N – Vrijstand
In deze stand kunt u de motor starten en er is
geen versnelling ingeschakeld. Zet de parkeerrem aan, wanneer de auto stilstaat en de
keuzehendel in stand N staat.
D – Rijstand
Stand D is de normale rijstand. De versnellingsbak schakelt automatisch op en terug
afhankelijk van de stand van het gaspedaal
en de snelheid. Zorg ervoor dat de auto stilstaat, voordat u de keuzehendel vanuit stand
D in stand R zet.
Geartronic - Handmatig schakelen (+/–)
Met de automatische versnellingsbak
Geartronic kunt u ook handmatig schakelen.
Bij het loslaten van het gaspedaal wordt de
auto op de motor afgeremd.
U activeert de handmatige schakelstand door
de hendel zijwaarts vanuit de stand D naar de
5
Het schakelpatroon van de hendel hangt van het gekozen motortype af.
08
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
279
08 Starten en rijden
||
eindstand bij ‘+/-’ te bewegen. Het symbool
‘+/-’ op het instrumentenpaneel verkleurt van
WIT naar ORANJE en de cijfers 1, 2, 3 enz.
worden in een kader getoond en komen overeen met de zojuist ingeschakelde versnelling.
•
Duw de hendel naar voren naar de +
(plus) om een hogere versnelling in te
schakelen en laat deze weer los – de hendel veert terug naar de neutrale stand
tussen + en ‘–’.
Paddles*
Trek de hendel naar achteren naar de ‘–’
(min) om een lagere versnelling in te
schakelen en laat deze weer los.
In plaats van handmatig schakelen met de
keuzehendel kunt u ook gebruik maken van
de speciale stuurbediening, de zogeheten
paddles.
Beide ‘paddles’ van het stuurwiel.
Om met de stuurpaddles te kunnen schakelen moet u ze wel eerst activeren. U doet dat
door een van de paddles in de richting van
het stuurwiel te halen – het teken ‘D’ op het
instrumentenpaneel verandert dan in een cijfer dat de ingeschakelde versnelling aangeeft.
‘+’: Eerstvolgende hogere versnelling
inschakelen.
Bij iedere bediening van de paddles wordt er
geschakeld, tenzij het motortoerental buiten
het toelaatbare bereik komt.
of
•
Handmatig schakelen ‘+/-’ kan op elk
moment tijdens het rijden geactiveerd worden.
Om schokken en afslaan van de motor te
voorkomen schakelt Geartronic automatisch
terug, als u langzamer gaat rijden dan wat
voor de gekozen versnelling gepast is.
Om de automatische rijstand te hervatten:
•
Zet de hendel helemaal naar links in
stand D.
08
280
N.B.
Als de versnellingsbak een sportstand
kent, is handmatig schakelen pas te activeren wanneer u de hendel vooruit of achter in de stand "+/-" hebt gezet. Op het
instrumentenpaneel verandert de S dan in
een van de tekens 1, 2, 3 enz. om aan te
geven welke versnelling er ingeschakeld is.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Om vervolgens te schakelen:
•
Haal een van de paddles naar achteren –
in de richting van het stuurwiel – en laat
deze weer los.
‘–’: Eerstvolgende lagere versnelling
inschakelen.
Na iedere schakeling geeft het instrumentenpaneel het cijfer van de ingeschakelde versnelling weer.
08 Starten en rijden
N.B.
Automatische deactivering
Als u de stuurpaddles niet gebruikt, worden ze na korte tijd automatisch gedeactiveerd. Het instrumentenpaneel geeft dit
aan doordat het cijfer voor de ingeschakelde versnelling weer verandert in ‘D’.
Geartronic - Sportstand (S)
De sportstand levert een sportiever
rijgedrag op en maakt het mogelijk
om hogere toeren te maken in de
versnellingen. De motor reageert
bovendien sneller op de commando’s die u
met het gaspedaal geeft. Bij inschakeling van
de sportstand wordt tevens de voorkeur
gegeven aan de lagere versnellingen, zodat er
met enige vertraging wordt opgeschakeld.
Dit geldt echter niet bij gebruik van de
motorrem. De paddles blijven in dat geval
actief zolang er op de motor wordt afgeremd.
Om de Sport-stand te activeren:
Handmatige deactivering
•
De stuurpaddles zijn ook handmatig te
deactiveren:
•
Haal beide paddles in de richting van
het stuur en houd ze in deze stand
vast, totdat op het instrumentenpaneel
het cijfer voor de ingeschakelde versnelling verandert in ‘D’.
U kunt de paddles ook gebruiken, wanneer
de keuzehendel in de Sport-stand* staat – de
paddles blijven dan continu actief.
Duw de hendel vanuit stand D zijwaarts
tot aan de aanslag in stand ‘+S–’. Op het
instrumentenpaneel verandert het teken
D in S.
De sportstand kan op elk moment tijdens het
rijden geactiveerd worden.
Geartronic - Winterstand
Om bij gladheid gemakkelijker weg te kunnen
komen is het soms beter handmatig de 3e
versnelling in te schakelen.
1. Bedien het rempedaal en haal de keuzehendel vanuit stand D helemaal naar
stand ‘+/–’. Het symbool D op het instrumentenpaneel verandert in het cijfer 16.
2. Schakel op naar de 3e versnelling door
de hendel twee keer naar voren naar de
‘+’ (plus) te duwen. Op het instrumentenpaneel verandert de 1 in een 3.
6
3. Laat het rempedaal los en geef voorzichtig gas.
Bij activering van de ‘winterstand’ van de versnellingsbak rijdt de auto met een lager
motortoerental en minder kracht op de aandrijfwielen weg.
Kickdown
Als u het gaspedaal volledig intrapt (tot voorbij de normale volgasstand), schakelt de versnellingsbak automatisch terug naar een
lagere versnelling. Dit is de zogeheten kickdown.
Wanneer u het gaspedaal uit de kickdownstand loslaat, schakelt de versnellingsbak
automatisch op.
Gebruik de kickdown om zo snel mogelijk te
accelereren zoals bij het inhalen.
Beveiligingsfunctie
Om overtoeren van de motor te voorkomen,
is het stuurprogramma van de versnellingsbak voorzien van een terugschakelblokkering
waardoor de zogeheten kickdown niet mogelijk is.
Geartronic staat geen terugschakeling/kickdown toe die tot een dusdanig hoog toerental
leidt dat de motor kan worden beschadigd.
Wanneer u bij hoge motortoeren toch probeert een dergelijke kickdown uit te voeren,
Bij een auto met Sport-stand* verschijnt eerst ‘S’.
08
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
281
08 Starten en rijden
||
gebeurt er niets. De auto blijft in de oorspronkelijke versnelling rijden.
Bij kickdown kan de auto afhankelijk van het
motortoerental een of meer versnellingen
terugschakelen. Om schade aan de motor te
voorkomen schakelt de auto op wanneer de
motor het maximumtoerental heeft bereikt.
Slepen
Als de auto moet worden weggesleept - zie
de belangrijke informatie in hoofdstuk Slepen
(p. 318).
Gerelateerde informatie
•
Transmissieolie - kwaliteit en hoeveelheid
(p. 416)
•
•
Versnellingsbakken (p. 277)
Automatische versnellingsbak Powershift* (p. 283)
08
282
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
08 Starten en rijden
Automatische versnellingsbak Powershift*
De automatische Powershift-versnellingsbak
brengt de aandrijfkracht van de motor middels
dubbele mechanische lamellenkoppelingen
over op de aandrijfwielen. Dit in tegenstelling
tot de Geartronic-versnellingsbak die hiervoor
een conventionele hydraulische koppelomvormer gebruikt.
D: automatisch schakelen. +/–: handmatig schakelen. S: Sport-stand*.7
Een Powershift-versnellingsbak werkt verder
op dezelfde manier en heeft bedieningselementen en functies die vergelijkbaar zijn met
die van de Geartronic-automaat.
Een uitzondering vormt de ‘Winterstand van
de Geartronic-automaat’ (p. 279):
7
•
Met Powershift kunt u bij gladheid sneller
wegkomen, als u handmatig de 2e versnelling inschakelt in plaats van de 3e
met Geartronic.
Slepen
Bij het model met een Powershift-versnellingsbak moet de motor lopen voor voldoende smering van de versnellingsbak en
daarom mag dit model niet worden gesleept.
Als de auto toch moet worden gesleept
(p. 318), dan dient dit over een zo kort mogelijke afstand en op zeer lage snelheid te
gebeuren.
Wanneer u niet zeker weet of uw auto wel of
niet is uitgerust met een Powershift of
Geartronic-versnellingsbak, kunt u dit controleren aan de hand van de aanduiding op de
versnellingsbaksticker onder de motorkap,
Type-aanduidingen (p. 405). De aanduiding ”MPS6” houdt in dat het om een
Powershift-bak gaat. Anders is het een
Geartronic-automaat.
Zie ook de belangrijke informatie in het
hoofdstuk Slepen (p. 318).
Waar u op moet letten
De dubbele koppeling van de versnellingsbak
is voorzien van een beveiliging tegen overbelasting die geactiveerd wordt, als de versnellingsbak te warm wordt – bijvoorbeeld als u
de auto te lang met het gaspedaal stilhoudt
op een oplopende helling.
Een te warme versnellingsbak uit zich in een
auto die gaat schudden en trillen, een waarschuwingssymbool dat gaat branden en een
melding op het instrumentenpaneel. Ook bij
langzaam fileverkeer (10 km/h of lager) op
oplopende hellingen of met een aanhanger/
caravan achter de auto kan de versnellingsbak te warm worden. De versnellingsbak
koelt af tijdens stilstand, wanneer het rempedaal bediend wordt en de motor stationair
loopt.
Oververhitting tijdens langzaam fileverkeer is
te voorkomen door in etappes te rijden:
•
Sta stil en wacht met uw voet op het rempedaal totdat de afstand tot uw voorliggers lang genoeg is om een stukje verder
vooruit te rijden, rem en wacht weer enige
tijd met uw voet op het rempedaal.
BELANGRIJK
Bedien de bedrijfsrem om de auto stil te
houden op oplopende hellingen – maak
geen gebruik van het gaspedaal. De versnellingsbak kan dan oververhit raken.
Tekstmelding en maatregel
In bepaalde situaties kan er een bepaalde
melding op het instrumentenpaneel verschij-
Het schakelpatroon van de hendel hangt van het gekozen motortype af.
08
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
283
08 Starten en rijden
||
nen in combinatie met een brandend symbool.
Symbool
A
Melding
Rijeigenschappen
Maatregel
Versnellingsbak heet Zet
auto stil
Problemen om snelheid constant te
houden bij hetzelfde toerental.
Versnellingsbak oververhit. Houd de auto stil met het
rempedaal.A
Versnellingsbak heet Stop
auto z.s.m. Laat motor
lopen
Auto rijdt met hevige schokkerige bewegingen vooruit.
Versnellingsbak oververhit. Parkeer de auto zo spoedig
mogelijk.A
Koeling versnell.bak Laat
motor lopen
Geen aandrijving wegens oververhitting
van de versnellingsbak.
Versnellingsbak oververhit. Voor optimale koeling: Laat
de motor stationair lopen met de keuzehendel in stand
N of stand P, totdat de melding verdwijnt.
Voor optimale koeling: Laat de motor stationair lopen met de keuzehendel in stand N of stand P, totdat de melding verdwijnt.
De tabel schetst drie gevallen van oververhitting van de versnellingsbak met verschillende
ernstigheidsgraad. De elektronica waarschuwt u niet alleen met een melding maar
ook via tijdelijke veranderingen in de rijeigenschappen. Neem in het voorkomende geval
de melding in acht.
N.B.
08
284
De voorbeelden in de tabel geven niet aan
dat de auto defect is, maar geven aan dat
er een veiligheidsfunctie is geactiveerd om
schade aan onderdelen van de auto te
voorkomen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
WAARSCHUWING
Als u het waarschuwingssymbool met de
tekst Versnellingsbak heet Stop auto
z.s.m. Laat motor lopen negeert, kan de
versnellingsbaktemperatuur dusdanig
oplopen dat de krachtoverbrenging tussen
de motor en de versnellingsbak tijdelijk
wordt verbroken om te voorkomen dat de
koppeling defect raakt – de auto wordt
dan niet meer aangedreven totdat de versnellingsbaktemperatuur tot een aanvaardbaar niveau is gedaald.
Voor andere meldingen en de voorgestelde
maatregelen bij auto’s met een automatische
versnellingsbak, zie Meldingen (p. 106).
Na uitvoering van de maatregel verdwijnt de
melding automatisch. U kunt de melding ook
eerder verwijderen met een druk op de OKknop van de richtingaanwijzerhendel.
Gerelateerde informatie
•
Automatische versnellingsbak Geartronic* (p. 279)
08 Starten en rijden
Keuzehendelblokkering
Stilstaande auto met draaiende motor:
De keuzehendelblokkering is verkrijgbaar in
twee uitvoeringen: een mechanische en een
automatische.
•
Mechanische keuzehendelblokkering
Houd uw voet op het rempedaal terwijl u
de keuzehendel verzet.
Automatische schakelblokkering
deactiveren
Elektrische schakelblokkering, Shiftlock
parkeerstand (P)
Om de keuzehendel uit stand P te kunnen
halen, moet u het rempedaal bedienen terwijl
de transpondersleutel in stand II staat.
Schakelblokkering, vrijstand (N)
G021351
Als de keuzehendel in stand N staat en de
auto heeft minstens 3 seconden stilgestaan
(of de motor nu loopt of niet), is de keuzehendel geblokkeerd.
U kunt de hendel altijd ongehinderd heen en
weer halen tussen de standen N en D. Om de
hendel in een van de overige standen te zetten, moet u een blokkering opheffen door op
de blokkeerknop op de keuzehendel te drukken.
Met de blokkeerknop ingedrukt kunt u de
hendel vooruit of achteruit bewegen tussen
de standen P, R, N en D.
Automatische keuzehendelblokkering
De automatische versnellingsbak kent enkele
bijzondere beveiligingsfuncties:
Om de keuzehendel uit stand N te kunnen
halen, moet u het rempedaal bedienen terwijl
de transpondersleutel in sleutelstand II (p. 76)
staat.
Als er niet met de auto kan worden gereden
zoals het geval is bij een uitgeputte accu,
moet u de keuzehendel uit stand P halen
voordat u de auto kunt verslepen.
Verwijder het schaalvormige insteekelement uit het vak achter de middenconsole en zoek de verende knop onder in
het vak op.
Druk de knop in en houd deze ingedrukt.
Haal de keuzehendel uit stand P en laat
de knop los.
4. Plaats het insteekelement terug in het
opbergvak.
08
Parkeerstand (P)
}}
285
08 Starten en rijden
||
Gerelateerde informatie
•
Automatische versnellingsbak Geartronic* (p. 279)
•
Automatische versnellingsbak Powershift* (p. 283)
Hellingrem (HSA)*
Start/Stop*
U hoeft het rempedaal niet te bedienen wanneer u wegrijdt of achteruit een helling oprijdt
- het HSA-systeem (Hill Start Assist) voorkomt
dat de auto achteruitrolt
Auto’s met een bepaalde combinatie van
motor en versnellingsbak zijn voorzien van
een Start/Stop-systeem dat in werking treedt,
als de auto bijvoorbeeld stilstaat in een file of
wacht voor een stoplicht. De motor wordt dan
tijdelijk afgezet en start automatisch als er
moet worden doorgereden.
Het systeem zorgt ervoor dat de pedaaldruk
enkele seconden lang op peil blijft, wanneer u
uw voet van het rempedaal naar het gaspedaal verplaatst.
De tijdelijke remwerking wordt na enige
seconden opgeheven of eerder bij het bedienen van het gaspedaal.
Gerelateerde informatie
•
Motor starten (p. 274)
Milieuzorg vormt een van de kernwaarden
van Volvo Car Corporation en geeft richting
aan al onze activiteiten. Dit resulteerde in uiteenlopende energiebesparende systemen
waaronder Start/Stop die stuk voor stuk
bedoeld zijn om het brandstofverbruik te verlagen en daarmee ook de uitlaatgasemissie te
beperken.
Algemene informatie over Start/Stop
08
286
De motor wordt afgezet – voor een stillere en
schonere rit....
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
08 Starten en rijden
Met het Start/Stop-systeem kunt u actiever
milieubewust rijden doordat de motor, waar
mogelijk, automatisch te laten afslaan.
Handbak of automaat
Let erop dat er verschillen zijn in het
Start/Stop-systeem, afhankelijk van de vraag
of de auto een handbak of een automaat
heeft.
Gerelateerde informatie
•
Start/Stop* - functie en bediening
(p. 287)
•
•
•
Motor starten (p. 274)
•
Start/Stop* - automatische motorstart
(p. 290)
•
Start/Stop* - automatische motorafslag
werkt niet (p. 289)
•
Start/Stop* - onvrijwillige motorstop bij
handgeschakelde versnellingsbak
(p. 291)
•
Start/Stop* - symbolen en meldingen
(p. 293)
•
Accu - Start/Stop (p. 384)
Start/Stop* - instellingen (p. 292)
Start/Stop* - automatische motorstart
werkt niet (p. 291)
Start/Stop* - functie en bediening
Voorwaarden
Het Start/Stop-systeem wordt automatisch
geactiveerd, wanneer u de motor met een
sleutel start.
Het Start/Stop-systeem
wordt automatisch geactiveerd, wanneer u de motor
met een sleutel start. U
wordt op het systeem gewezen doordat op het instrumentenpaneel het symbool
voor de Aan/Uit-knop gaat
branden en het lampje in de
Aan/Uit-knop oplicht.
A
Voor automatische motorafslag geldt het volgende:
A
Bedien de koppeling, zet de hendel in de neutrale stand en laat het
koppelingspedaal opkomen. De
motor slaat automatisch af.
M
Zet de auto stil met het rempedaal
en houd uw voet op het pedaal. De
motor slaat automatisch af.
A
M = handbak, A = automaatbak.
Bij activering van de ECOfunctie is auto-stop van de
motor mogelijk, voordat de
auto volledig stilstaat.
Alle normale autosystemen waaronder verlichting, radio e.d. werken ook bij een automatische motorstop normaal, zij het dat er
mogelijk tijdelijke beperkingen gelden voor
bepaalde uitrusting (zoals het geval kan zijn
voor de ventilatorsnelheid van de klimaatregeling of het volume van het audiosysteem).
Automatische motorstop
M/A
branden.
Ter bevestiging en herinnering aan
de automatische motorstop gaan de
symbolen voor het Start/Stop-systeem op het instrumentenpaneel
08
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
287
08 Starten en rijden
||
Automatische motorstart
Start/Stop-systeem deactiveren
Voorwaarden
M/
AA
Met de schakelhendel in de neutrale stand:
M
1. Trap het koppelingspedaal of
het gaspedaal in – de motor
start.
Bij uitschakeling van het systeem
gaan de Start/Stop-symbolen op
het instrumentenpaneel en het
lampje in de knop uit.
2. Schakel een passende versnelling in en rijd weg.
Laat het rempedaal los. De motor
start automatisch en u kunt doorrijden.
A
Houd met uw voet het rempedaal in
dezelfde stand en bedien het gaspedaal - de motor start automatisch.
A
Op een aflopende helling bestaat
ook deze mogelijkheid:
•
A
M+
A
Laat het rempedaal los en laat
de auto wegrollen. De motor
start dan automatisch als de
snelheid hoger wordt dan normaal stapvoets.
M = handbak, A = automaatbak.
08
288
In bepaalde situaties is het
mogelijk beter om het automatische Start/Stop-systeem
tijdelijk te deactiveren – dit is
mogelijk met een druk op
deze knop.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Het Start/Stop-systeem blijft gedeactiveerd,
totdat het opnieuw geactiveerd wordt met de
knop of de volgende keer dat de motor wordt
gestart met de sleutel.
Hellingrem HSA
Het rempedaal kan ook bij oplopende hellingen worden losgelaten voor automatische
motorstart. Het HSA (p. 286) (Hill Start Assist)
-systeem zorgt ervoor dat de auto niet achteruitrolt.
HSA zorgt ervoor dat de pedaaldruk enkele
seconden lang op peil blijft als u uw voet van
het rempedaal naar het gaspedaal verplaatst
voordat u wegrijdt na een automatische
motorstop. De tijdelijke remwerking wordt na
enkele seconden opgeheven, of eerder bij het
bedienen van het gaspedaal.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Start/Stop* (p. 286)
Motor starten (p. 274)
Start/Stop* - instellingen (p. 292)
Start/Stop* - automatische motorstart
werkt niet (p. 291)
•
Start/Stop* - automatische motorstart
(p. 290)
•
Start/Stop* - automatische motorafslag
werkt niet (p. 289)
•
Start/Stop* - onvrijwillige motorstop bij
handgeschakelde versnellingsbak
(p. 291)
•
Start/Stop* - symbolen en meldingen
(p. 293)
•
Accu - Start/Stop (p. 384)
08 Starten en rijden
Start/Stop* - automatische
motorafslag werkt niet
Voorwaarden
M/AA
Voorwaarden
Ook als het Start/Stop-systeem geactiveerd
is, vindt er niet altijd een automatische motorstop plaats.
er achteruit wordt gereden met de
auto.
M+A
de file-assistent van de adaptieve
cruisecontrol is geactiveerd.
A
de capaciteit van de startaccu
onder de toelaatbare ondergrens
is gedoken.
M+A
de keuzehendel vanuit stand D in
stand SD of ‘+/-’ wordt gezet.
A
Automatische motorstop werkt niet als:
Voorwaarden
M/AA
u grotere stuurbewegingen maakt.
M+A
de auto nog geen ca. 8 km/h rijdt
na start met sleutel of laatste
automatische afslag.
M+A
M+A
u de gordelsluiting hebt geopend.
M+A
de capaciteit van de startaccu
onder de toelaatbare ondergrens
is gedoken.
M+A
het roetfilter van het uitlaatsysteem verzadigd is – pas na een
automatische regeneratie (zie
Roetfilter dieselmotor (DPF)
(p. 308)) wordt het tijdelijke uitgeschakelde Start/Stop-systeem
opnieuw geactiveerd.
de motor niet op de normale
bedrijfstemperatuur is.
M+A
de buitentemperatuur rond het
vriespunt of boven ca. 30 °C is.
M+A
de elektrische voorruitwarming
wordt geactiveerd.
M+A
de omstandigheden in de passagiersruimte afwijken van de ingestelde waardenB – wat te merken
is aan het hoge toerental van de
interieurventilator.
M+A
A
B
C
D
M/AA
M = handbak, A = automaatbak.
Auto met ECC.
Alleen bij bepaalde motoren.
Sportstand.
Gerelateerde informatie
de weg erg steil is.
M+A
•
•
•
•
•
een aanhanger elektrisch is verbonden met het elektrische systeem van de auto.
M+A
•
Start/Stop* - automatische motorstart
(p. 290)
•
Start/Stop* - onvrijwillige motorstop bij
handgeschakelde versnellingsbak
(p. 291)
de motorkap is
ontgrendeldC.
M+A
Start/Stop* (p. 286)
Start/Stop* - functie en bediening (p. 287)
Motor starten (p. 274)
Start/Stop* - instellingen (p. 292)
Start/Stop* - automatische motorstart
werkt niet (p. 291)
de versnellingsbak niet op de normale bedrijfstemperatuur is.
A
•
Start/Stop* - symbolen en meldingen
(p. 293)
de atmosferische luchtdruk onder
het niveau ligt bij een hoogte van
ca. 1500–2500 boven zeeniveau.
De actuele luchtdruk varieert
afhankelijk van het weertype.
A
•
Accu - Start/Stop (p. 384)
08
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
289
08 Starten en rijden
Start/Stop* - automatische motorstart
In de volgende gevallen start de motor automatisch, ook als u het koppelingspedaal niet
hebt ingetrapt (handgeschakelde bak) of uw
voet niet van het rempedaal haalt (automaat):
08
290
Voorwaarden
M/AA
er wordt condens gevormd op de
ruiten.
M+A
De omstandigheden in de passagiersruimte wijken af van de ingestelde waardenB.
M+A
er wordt tijdelijk veel stroom afgenomen of de capaciteit van de
startaccu is onder de toelaatbare
ondergrens gezakt.
M+A
u bedient het rempedaal met
pompende bewegingen.
M+A
De motorkap wordt ontgrendeldC.
M+A
De auto begint te rollen of voert
een kleine snelheidstoename uit
als de auto automatisch is afgezet
zonder helemaal stil te staan.
M+A
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
M/AA
•
Start/Stop* - automatische motorstart
werkt niet (p. 291)
De gordelsluiting van de bestuurder is geopend met de keuzehendel in stand D of N.
A
•
Start/Stop* - automatische motorafslag
werkt niet (p. 289)
•
StuurbewegingenC.
A
Start/Stop* - onvrijwillige motorstop bij
handgeschakelde versnellingsbak
(p. 291)
De keuzehendel vanuit stand D in
stand SD, R of ‘+/-’ wordt gezet.
A
•
Start/Stop* - symbolen en meldingen
(p. 293)
Het bestuurdersportier wordt
geopend met de keuzehendel in
stand D - een ‘belsignaal’ en een
tekstmelding geven aan dat de
Start/Stop-functie actief is.
A
•
•
Accu - Start/Stop (p. 384)
Voorwaarden
Een motor die automatisch werd afgezet kan
in bepaalde gevallen automatisch worden
gestart, voordat u hebt aangegeven de rit te
willen voortzetten.
A
B
C
D
M = handbak, A = automaatbak.
Auto met ECC.
Alleen bij bepaalde motoren.
Sportstand.
WAARSCHUWING
Open de motorkap niet als de motor automatisch afgeslagen is. De motor kan plotseling automatisch starten. Voer eerst een
normale motoruitschakeling uit met de
START/STOP ENGINE-knop voordat u de
motorkap omhoog doet.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Start/Stop* - functie en bediening (p. 287)
Motor starten (p. 274)
Start/Stop* - instellingen (p. 292)
Start/Stop* (p. 286)
08 Starten en rijden
Start/Stop* - automatische motorstart
werkt niet
De automatische motorstart werkt niet altijd
na automatische motorafslag.
In de volgende gevallen werkt de automatische motorstart niet nadat de motor automatisch werd afgezet:
Voorwaarden
M/
AA
er is een versnelling ingeschakeld
zonder het koppelingspedaal te
bedienen – een tekstmelding dring
er bij u op aan om de schakelhendel in de neutrale stand te zetten en
automatische motorstart mogelijk te
maken.
M
De bestuurder draagt geen gordel,
de keuzehendel staat in stand P en
het bestuurdersportier is open – de
motor moet op de normale manier
worden gestart.
A
A
M = handbak, A = automaatbak.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Start/Stop* - automatische motorstart
(p. 290)
•
Start/Stop* - onvrijwillige motorstop
bij handgeschakelde versnellingsbak
Start/Stop* - automatische motorafslag
werkt niet (p. 289)
•
Doe als volgt als de automatische motorstart
mislukt en de motor uitvalt:
Start/Stop* - onvrijwillige motorstop bij
handgeschakelde versnellingsbak
(p. 291)
1. Bedien het koppelingspedaal opnieuw –
de motor start automatisch.
•
Start/Stop* - symbolen en meldingen
(p. 293)
•
Accu - Start/Stop (p. 384)
2. In bepaalde gevallen moet u de versnellingspook in de neutrale stand zetten. Op
het instrumentenpaneel verschijnt dan de
tekst Zet versnelling in vrij.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Start/Stop* (p. 286)
Start/Stop* - functie en bediening (p. 287)
Motor starten (p. 274)
Start/Stop* - instellingen (p. 292)
Start/Stop* - automatische motorstart
werkt niet (p. 291)
•
Start/Stop* - automatische motorstart
(p. 290)
•
Start/Stop* - automatische motorafslag
werkt niet (p. 289)
•
Start/Stop* - symbolen en meldingen
(p. 293)
•
Accu - Start/Stop (p. 384)
Start/Stop* (p. 286)
Start/Stop* - functie en bediening (p. 287)
Motor starten (p. 274)
08
Start/Stop* - instellingen (p. 292)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
291
08 Starten en rijden
Start/Stop* - instellingen
In het menusysteem MY CAR (p. 108) vindt u
informatie over Volvo’s Start-Stop-systeem en
adviezen voor een zuinige rijstijl.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
08
292
Start/Stop* (p. 286)
Start/Stop* - functie en bediening (p. 287)
Motor starten (p. 274)
Start/Stop* - automatische motorstart
werkt niet (p. 291)
•
Start/Stop* - automatische motorstart
(p. 290)
•
Start/Stop* - automatische motorafslag
werkt niet (p. 289)
•
Start/Stop* - onvrijwillige motorstop bij
handgeschakelde versnellingsbak (p. 291)
•
Start/Stop* - symbolen en meldingen
(p. 293)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
•
Accu - Start/Stop (p. 384)
08 Starten en rijden
Start/Stop* - symbolen en meldingen
Tekstmelding
Het Start/Stop-systeem kan tekstmeldingen
op het instrumentenpaneel weergeven.
Het Start/Stop-systeem kan soms
aanleiding geven tot meldingen op
het instrumentenpaneel en een
brandend controlelampje. Bij enkele daarvan
Symbool
dient u een aanbevolen maatregel te nemen.
In de volgende tabel staan enkele voorbeelden.
Melding
Informatie/maatregel
M/AA
Auto Start/Stop Service vereist
Start/Stop werkt niet. Neem contact op met een werkplaats – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
M+A
Autostart Motor loopt +
akoestisch signaal
Wordt geactiveerd als het bestuurdersportier wordt geopend met een automatisch afgezette motor en de keuzehendel in de D-stand.
Druk op startknop
Geen automatische motorstart mogelijk. Voer een reguliere motorstart uit met de
START/STOP ENGINE-knop.
Trap koppeling in om te starten
Motor klaar voor automatische start – wacht op bediening van het koppelingspedaal.
M
Bedien rem en koppeling om
te starten
Motor klaar voor automatische start – wacht op bediening van het koppelings- of rempedaal.
M
Stand N kiezen om te starten
Er is geschakeld zonder te ontkoppelen – bedien het koppelingspedaal om de schakelhendel in de neutrale stand te zetten.
M
A
M+A
08
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
293
08 Starten en rijden
||
Symbool
A
Melding
Informatie/maatregel
Kies stand P of N om te starten
Start/Stop is gedeactiveerd. Zet de keuzehendel in stand N of P en voer een normale
motorstart uit met de START/STOP ENGINE-knop.
A
Druk op startknop
De motor zal niet automatisch starten. Voer een normale motorstart uit met de START/
STOP ENGINE-knop en de keuzehendel in P of N.
A
M = handbak, A = automaatbak.
Als een tekstmelding na het uitvoeren van de
voorgestelde maatregel niet verdwijnt, dient u
contact op te nemen met een werkplaats –
geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
08
294
Start/Stop* (p. 286)
Start/Stop* - functie en bediening (p. 287)
Motor starten (p. 274)
Start/Stop* - instellingen (p. 292)
Start/Stop* - automatische motorstart
werkt niet (p. 291)
•
Start/Stop* - automatische motorstart
(p. 290)
•
Start/Stop* - automatische motorafslag
werkt niet (p. 289)
•
Start/Stop* - onvrijwillige motorstop bij
handgeschakelde versnellingsbak (p. 291)
•
Accu - Start/Stop (p. 384)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
M/AA
08 Starten en rijden
ECO*
N.B.
ECO8
is een uniek en innovatief Volvo-systeem dat bij auto’s met een automatische versnellingsbak het brandstofverbruik met tot wel
5 % kan beperken, afhankelijk van de rijstijl
van de bestuurder. Met het systeem kunt u
actiever milieubewust rijden.
Algemeen
Bij activering van het ECOsysteem wijzigt het volgende:
Bij activering van de ECO-functie worden
enkele parameters in de instellingen van
de klimaatregeling gewijzigd en gelden
functiebeperkingen voor bepaalde elektrische verbruikers. Bepaalde instellingen zijn
handmatig te herstellen, maar de volledige
functionaliteit is alleen te verkrijgen door
de ECO-functie te deactiveren.
ECO - Bediening
het lampje van de ECO-knop geven echter
duidelijk aan dat het systeem aanstaat.
ECO-systeem Aan of Uit
Bij uitschakeling van het
ECO-systeem gaan het
ECO-symbool op het instrumentenpaneel en het lampje
van de ECO-knop uit. Het
systeem staat vervolgens uit,
totdat u het inschakelt met
een druk op de ECO-knop.
Eco Coast - Functie
•
•
Schakelpunten van de versnellingsbak.
Motorregeling en respons van het gaspedaal.
•
Start/Stop-systeem - de motor kan ook
automatisch worden afgezet voordat de
auto is gestopt en helemaal stilstaat.
•
Het systeem Eco Coast wordt geactiveerd - het afremmen op de motor stopt.
•
8
Het deelsysteem Eco Coast houdt in de praktijk in dat er niet op de motor wordt afgeremd
om de bewegingsenergie van de auto te
gebruiken om de auto verder te laten uitrollen. Wanneer u het gaspedaal loslaat wordt
de versnellingsbak automatisch losgekoppeld
van de motor die voor een minimaal verbruik
stationair gaat draaien.
De instellingen van het klimaatsysteem bepaalde elektrische verbruikers worden
gedeactiveerd of werken met een gereduceerd vermogen.
ECO Aan/Uit
ECO-symbool
Omdat het ECO-systeem bij het afzetten van
de motor gedeactiveerd wordt, moet u het
systeem iedere keer dat u de motor start
opnieuw activeren. Bij sommige motoren is
dit mogelijk niet het geval - een brandend
ECO-symbool op het instrumentenpaneel en
Het systeem is bestemd voor gebruik bij
geplande snelheidsverlagingen, zoals tijdens
het uitrollen bij het naderen van een kruising
of verkeerslichten die op rood staan.
Eco Coast maakt anticiperend rijden mogelijk
met "Pulse & Glide"-techniek en beperkt het
aantal malen dat er wordt afgeremd.
Combinatie Aan en Uit
Niet mogelijk bij de V40 CROSS COUNTRY AWD.
08
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
295
08 Starten en rijden
||
Ook de combinatie van Eco Coast en een tijdelijk uitgeschakeld ECO-systeem kan tot
een lager verbruik leiden. Dus:
•
Actieve Eco Coast: Lang uitrollen zonder
afremmen op de motor = Laag verbruik
en
•
Uitgeschakeld ECO-systeem: Kort uitrollen met motorrem = Minimaal verbruik.
N.B.
Voor een optimaal laag brandstofverbruik
moet Eco Coast gecombineerd met kort
uitrollen gewoonlijk worden vermeden.
Eco Coast activeren
296
op steile aflopende hellingen – zodat u op
de motor kunt afremmen.
•
net voordat u inhaalt – zodat u dat zo veilig mogelijk kunt doen.
•
•
Druk op de ECO-knop.
•
•
Schakel met de stuurpaddles.
Haal de keuzehendel naar stand ‘S+/-’
voor handmatig schakelen.
Beweeg het gas- of rempedaal.
Eco Coast - Beperkingen
De functie is niet beschikbaar als:
•
•
u de cruisecontrol activeert
•
•
•
u hebt de ECO-knop ingedrukt
•
u handmatig schakelt met behulp van de
stuurpaddles*
•
•
het hellingspercentage van een aflopende
weg is niet groter dan zo’n 6 %.
de motor en/of versnellingsbak niet de
normale bedrijfstemperatuur hebben
bereikt.
•
u de keuzehendel vanuit stand D in stand
‘S+/-’ zet
•
de snelheid buiten het interval van
zo’n 65–140 km/h ligt
de keuzehendel staat in stand D
de rijsnelheid ligt in het interval van
zo’n 65–140 km/h
Soms kan het handig zijn om het Eco Coastsysteem uit te schakelen. Mogelijke voorbeelden van dergelijke situaties:
Meer informatie en instellingen
Het deactiveren van Eco Coast en het
opnieuw afremmen op de motor zijn als volgt
mogelijk:
Het systeem wordt geactiveerd wanneer u
het gaspedaal helemaal hebt losgelaten in
combinatie met het volgende:
Deactiveren Eco Coast
08
•
het hellingspercentage van een aflopende
weg niet groter is dan zo’n 6 %
In het menusysteem MY CAR vindt u meer
informatie over het ECO-concept - zie het
gedeelte MY CAR (p. 108).
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 122)
08 Starten en rijden
Rempedaal
Remschijven schoonmaken
Het rempedaal wordt gebruikt om de snelheid
van de auto tijdens rijden te verlagen.
Vuil en water op de remschijven kunnen ertoe
leiden dat de aanspreekduur van de remmen
wordt verlengd. Door de remblokken schoon
te maken beperkt u deze verlenging.
De auto is uitgerust met twee remcircuits. Als
een van de remcircuits beschadigd raakt,
neemt de rempedaalweg toe en moet u meer
druk uitoefenen voor een normale remwerking.
De druk die u uitoefent op het rempedaal
wordt versterkt door de rembekrachtiging.
WAARSCHUWING
De rembekrachtiging werkt alleen als de
motor draait.
Wanneer u met de motor afgezet remt doet
het rempedaal stug aan en kost het u meer
kracht om de auto te remmen.
In bergachtig gebied of bij het rijden met een
zware belading kunt u de remmen ontzien
door op de motor af te remmen. U benut de
remmende werking van de motor het best,
wanneer u tijdens het afdalen dezelfde versnelling inschakelt als bij het oprijden van een
helling.
Voor algemener informatie over een zware
belasting van de auto, Motorolie - ongunstige
rijomstandigheden (p. 412).
U wordt geadviseerd de remschijven handmatig schoon te maken, wanneer u op natte
wegen rijdt, de auto net hebt gewassen of op
het punt staat deze langdurig te parkeren. U
maakt de remschijven handmatig schoon
door korte tijd licht te remmen.
Onderhoud
Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid
en betrouwbaarheid van de auto op een hoog
peil te houden, dient u de service-intervallen
van Volvo aan te houden zoals omschreven in
het Service- en garantieboekje.
BELANGRIJK
De onderdelen van het remsystemen moeten regelmatig op slijtage worden gecontroleerd.
Informeer bij een werkplaats hoe dat in zijn
werk gaat of laat de controle over aan de
werkplaats – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
Symbolen op instrumentenpaneel
Symbool
Betekenis
Brandt continu – controleer
het remvloeistofpeil. Vul remvloeistof bij als het peil te laag
ligt en controleer tevens de
oorzaak van het remvloeistofverlies.
Brandt tijdens het starten van
de motor 2 seconden continu
- automatische functietest.
WAARSCHUWING
Als
en
tegelijk branden, kan er
een storing in het remsysteem zijn ontstaan.
Als het niveau in het remvloeistofreservoir
in dat geval normaal is, moet u voorzichtig
naar de dichtstbijzijnde werkplaats rijden
om het remsysteem te laten controleren geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
Als de remvloeistof onder het MIN-niveau
in het remvloeistofreservoir ligt, mag u pas
verder rijden als de remvloeistof is bijgevuld.
De oorzaak van het remvloeistofverlies
moet worden gecontroleerd.
08
}}
297
08 Starten en rijden
||
Gerelateerde informatie
•
•
Parkeerrem (p. 299)
Bedrijfsrem - noodremlichten en automatische alarmlichten (p. 298)
•
Bedrijfsrem - remkrachtverhoging bij
noodstops (p. 299)
•
Bedrijfsrem - antiblokkeerremsysteem
(p. 298)
Bedrijfsrem antiblokkeerremsysteem
Bedrijfsrem - noodremlichten en
automatische alarmlichten
Het antiblokkeerremsysteem, ABS Anti-lock
Braking System voorkomt dat de wielen blokkeren tijdens het remmen.
De noodremlichten worden geactiveerd om
achterliggers erop te attenderen dat u krachtig remt. Daarbij knipperen de remlichten in
plaats van dat ze continu branden, zoals bij
normaal remmen.
Het systeem zorgt ervoor dat de auto
bestuurbaar blijft, waardoor het bijvoorbeeld
gemakkelijker is om obstakels te ontwijken.
Bij activering van deze functie kunt u trillingen
in het rempedaal voelen. Dit is volkomen normaal.
Wanneer u het rempedaal loslaat nadat de
motor is aangeslagen, gaat een kortdurende,
automatische test van het ABS van start. Het
is mogelijk dat er opnieuw een automatisch
test van het ABS plaatsvindt, wanneer de
auto een snelheid van 10 km/h bereikt. Ook
deze test kan waarneembaar zijn in de vorm
van trillingen in het rempedaal.
•
08
298
Gerelateerde informatie
Parkeerrem (p. 299)
•
•
•
Bedrijfsrem - noodremlichten en automatische alarmlichten (p. 298)
•
Gerelateerde informatie
•
•
•
De noodremlichten worden geactiveerd bij
snelheden hoger dan 50 km/h als het ABS
actief is en/of bij krachtig remmen. Nadat de
snelheid van de auto is teruggebracht tot
minder dan 10 km/h knippert het remlicht niet
langer, maar brandt het weer gewoon constant. Tegelijkertijd worden de Alarmlichten
geactiveerd en blijven deze knipperen, totdat
u weer optrekt tot minimaal 20 km/h of de
alarmlichten uitschakelt met de bijbehorende
knop.
Rempedaal (p. 297)
Bedrijfsrem - remkrachtverhoging bij
noodstops (p. 299)
Rempedaal (p. 297)
Parkeerrem (p. 299)
Bedrijfsrem - remkrachtverhoging bij
noodstops (p. 299)
Bedrijfsrem - antiblokkeerremsysteem
(p. 298)
08 Starten en rijden
Bedrijfsrem - remkrachtverhoging bij
noodstops
De remkrachtverhoging bij noodstops (EBA,
Emergency Brake Assist) helpt de remkracht
verhogen om op die manier de remweg te
verkorten.
Het EBA registreert de wijze waarop u het
rempedaal bedient en verhoogt zo nodig de
remkracht. De remkracht kan worden verhoogd tot aan het niveau waarbij het ABS
ingrijpt. De EBA-regeling wordt uitgeschakeld
wanneer u de druk op het rempedaal verlaagt.
Parkeerrem
De parkeerrem houdt de auto stil, als de
bestuurdersplaats leeg is, door twee wielen
mechanisch te blokkeren/vergrendelen.
Gebruik altijd de parkeerrem bij parkeren
op een hellende ondergrond - een ingeschakelde versnelling of de P-stand van
een automatische versnellingsbak is niet
voldoende om de auto in alle situaties vast
te houden.
•
Zet de versnellingspook/keuzehendel bij
het parkeren altijd in de 1e versnelling
(handbak) of in stand P (automaat).
Op een helling parkeren
Bij het parkeren van de auto op een oplopende helling:
•
Rempedaal (p. 297)
Bedrijfsrem - antiblokkeerremsysteem
(p. 298)
3. Laat het rempedaal los en controleer of
de auto volledig stilstaat.
•
Gerelateerde informatie
Bedrijfsrem - noodremlichten en automatische alarmlichten (p. 298)
- Het waarschuwingssymbool op
het instrumentenpaneel brandt ongeacht
hoe hard de parkeerrem is aangehaald.
4. Als de auto beweegt, dient u de hendel
minimaal één klik strakker aan te trekken.
N.B.
Parkeerrem (p. 299)
N.B.
WAARSCHUWING
Als EBA wordt geactiveerd, gaat het rempedaal iets verder omlaag dan normaal.
Druk het rempedaal in zo lang als dat
nodig is. Als u het rempedaal loslaat, stopt
al het afremmen.
•
•
•
2. Trek de hendel stevig omhoog.
> Het waarschuwingssymbool op het
instrumentenpaneel gaat branden.
Draai de wielen van de trottoirband af.
Bij het parkeren van de auto op een aflopende helling:
Waarschuwingssymbool op instrumentenpaneel.
Parkeerrem aanzetten
1. Trap het rempedaal stevig in.
•
Draai de wielen naar de trottoirband toe.
Parkeerrem lossen
1. Trap het rempedaal stevig in.
08
}}
299
08 Starten en rijden
||
2. Trek de parkeerremhendel iets omhoog,
druk de knop in, duw de parkeerrem
omlaag en laat de knop weer los.
> Het waarschuwingssymbool op het
instrumentenpaneel dooft.
Als u vergeet de auto van de parkeerrem te
halen, wordt u daar niet alleen op gewezen
via het brandende waarschuwingslampje
maar u krijgt bij een rijsnelheid hoger dan
10 km/h bovendien een belsignaal te horen
en een melding op het instrumentenpaneel te
zien.
Gerelateerde informatie
•
Rempedaal (p. 297)
Doorwaaddiepte
Bij een diepte groter dan 25 cm kan er
water in de transmissie komen. Het smerende vermogen van de oliën neemt dan
af, waardoor de levensduur van deze systemen korter wordt.
Schade aan de motor, transmissie, turbocompressor, het differentieel of de inwendige onderdelen ervan als gevolg van
waterlekkage (hydrolock) of een tekort aan
olie valt niet onder de garantie.
Houd een lage snelheid aan tijdens het
waden en breng de auto niet in het water tot
stilstand. Trap na het passeren van de waterpartij lichtjes op het rempedaal om te controleren of de remwerking in orde is. Bij water en
vuil op de remblokken kunnen er vertragingen
in de remwerking optreden.
•
300
Als er water in het luchtfilter komt, kan er
motorschade ontstaan.
U kunt met de auto door waterpartijen van
maximaal 25 cm diep rijden met een maximumsnelheid van 10 km/h. Wees extra voorzichtig bij het doorwaden van stromend
water.
•
08
BELANGRIJK
Wanneer u zich met de auto door een
ondiepe waterpartij begeeft, spreken we van
waden. Waden dient met de nodige voorzichtigheid te gebeuren.
Maak de aansluitingen voor de elektrische motorverwarming en de aanhangerkoppeling schoon na ritten in water en
modder.
Laat de auto niet langdurig in water staan
dat tot boven de dorpelbalken – elektrische storingen zijn anders niet uitgesloten.
Bij een motorstop in water moet u niet proberen opnieuw te starten. Laat de auto uit
het water naar de werkplaats slepen geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats. Kans op motorschade.
Gerelateerde informatie
•
•
Bergen (p. 320)
Slepen (p. 318)
08 Starten en rijden
Oververhitting
In bepaalde omstandigheden, bij zware belasting op steile hellingen en warm weer, bestaat
het gevaar dat de motor en de aandrijflijn
oververhit raken – vooral bij het vervoer van
een zware lading.
Voor informatie over oververhitting bij het
gebruik van een aanhanger, zie Rijden met
een aanhanger (p. 310).
•
Verwijder verstralers die voor de grille zitten tijdens ritten bij warm weer.
•
Als de temperatuur in het koelsysteem
van de motor te hoog oploopt, gaat een
waarschuwingssymbool branden en verschijnt op het informatiedisplay van het
instrumentenpaneel de melding
Motortemperatuur hoog Stop auto
z.s.m. – breng de auto in dat geval zo
spoedig mogelijk tot stilstand en laat de
motor enkele minuten stationair lopen
zodat deze kan afkoelen.
•
•
Als de tekstmelding Motortemperatuur
hoog Zet motor af of Koelvloeistofpeil
laag Stop auto z.s.m. verschijnt, dient u
nadat de auto tot stilstand is gekomen
ook de motor af te zetten.
Bij oververhitting van de versnellingsbak
wordt een ingebouwde beveiliging geactiveerd, wat wordt aangegeven met een
waarschuwingssymbool op het instrumentenpaneel en de tekstmelding
Versnellingsbak heet Rijd langzamer
of Versnellingsbak heet Stop auto
•
•
z.s.m. Wachten op afkoelen – volg het
gegeven advies op en verlaag de snelheid
of breng de auto op een veilige manier tot
stilstand en laat enkele minuten stationair
draaien om deze te laten afkoelen.
Bij oververhitting kan de airconditioning
zichzelf tijdelijk uitschakelen.
Na een zware rit moet u de motor niet
meteen afzetten, maar nog enige tijd stationair laten lopen.
N.B.
Het is normaal dat de koelventilator van de
motor een tijdje werkt nadat de motor is
uitgeschakeld.
Rijden met een geopende achterklep
Wanneer u met een geopende achterklep
rijdt, kunnen er giftige uitlaatgassen via de
bagageruimte de passagiersruimte in worden
gezogen.
WAARSCHUWING
Rijd niet met een geopende achterklep. Via
de bagageruimte kunnen er giftige uitlaatgassen in de auto worden gezogen.
Gerelateerde informatie
•
Lading vervoeren (p. 149)
Gerelateerde informatie
•
Rijden met een aanhanger - handgeschakelde versnellingsbak (p. 311)
•
Rijden met een aanhanger - automatische
versnellingsbak (p. 311)
08
301
08 Starten en rijden
Overbelasting - startaccu
De elektrische functies van de auto belasten
de startaccu in verschillende mate. Laat het
contactslot niet te lang achtereen in sleutelstand II staan, wanneer u de motor hebt afgezet. Maak in plaats daarvan gebruik van de
stand I – het stroomverbruik is dan minder, zie
Sleutelstanden - functies in verschillende
standen (p. 76).
Let er tevens op dat de verschillende accessoires het elektrisch systeem belasten. Schakel onderdelen/systemen die veel stroom
nemen uit, wanneer u de motor hebt afgezet.
Voorbeelden van dergelijke onderdelen/systemen zijn:
•
•
•
•
interieurventilator
koplampen
ruitenwisser
audiosysteem (hoog volume).
Als de accuspanning laag is, verschijnt op het
informatiedisplay de melding Accuspanning
laag Spaarstand. De energiebesparingsfunctie schakelt vervolgens bepaalde onderdelen/systemen uit of verlaagt de belasting
van de accu door bijvoorbeeld de interieurventilator lager te zetten en/of het audiosysteem uit te schakelen.
08
302
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
–
Laad de startaccu dan op door de motor
te starten en deze minstens 15 minuten
lang te laten lopen – de accu wordt beter
opgeladen tijdens het rijden dan bij stilstand met een stationair lopende motor.
Voorbereidingen bij lange reizen
Bij lange reizen is het goed om de volgende
punten te doorlopen:
•
Controleer of de motor naar behoren
functioneert en of het brandstofverbruik
(p. 422) in orde is.
•
Zorg dat er geen sprake is van lekkage
(brandstof, olie of andere vloeistoffen).
•
Controleer alle lampen en de profieldiepte
van de banden.
•
In sommige landen bent u wettelijk verplicht een gevarendriehoek (p. 333) in de
auto te hebben.
Gerelateerde informatie
•
Startaccu - algemeen (p. 381)
Gerelateerde informatie
•
•
•
Motorolie - controleren en bijvullen
(p. 365)
Compact reservewiel* (p. 327)
Lamp vervangen - algemeen (p. 371)
08 Starten en rijden
Rijden tijdens de winter
Bij rijden in de winter is het belangrijk om
bepaalde controles uit te voeren, zodat u
zeker weet dat u veilig met de auto kunt rijden.
Waar u op moet letten:
Let voor aanvang van de winter in het bijzonder op het volgende:
•
De koelvloeistof (p. 415) van de motor
moet ten minste 50 % glycol bevatten. Bij
een dergelijke concentratie is de motor
beschermd tegen stukvriezen tot
ca. –35 °C. Voor optimale bescherming
tegen vorst is het zaak geen verschillende
soorten glycol met elkaar te mengen.
•
Houd de tank altijd goed gevuld om condens in de brandstoftank tegen te gaan.
•
De viscositeit van de motorolie is belangrijk. Wanneer u oliesoorten met een
lagere viscositeit (dunnere oliën) gebruikt,
slaat de motor bij koud weer gemakkelijker aan en neemt bovendien het brandstofverbruik tijdens de koude start af.
Voor meer informatie over geschikte oliesoorten, zie Motorolie - ongunstige rijomstandigheden (p. 412).
BELANGRIJK
Gebruik geen olie met een lage viscositeitsaanduiding bij zware rijomstandigheden of warm weer.
•
•
Controleer de algehele conditie en de
ladingstoestand van de accu. De accu
wordt zwaarder belast bij koud weer en
ook de accucapaciteit neemt af bij vorst.
Tankvulklep - openen/sluiten
De tankvulklep is als volgt te openen/sluiten:
Tankvulklep openen/sluiten
Giet sproeiervloeistof (p. 381) in het
sproeiervloeistofreservoir om ijsvorming
te voorkomen.
Voor optimale grip bij gevaar voor sneeuw of
ijs adviseert Volvo u om de auto rondom van
winterbanden te voorzien.
N.B.
In sommige landen is het gebruik van winterbanden verplicht. Banden met spikes
zijn niet in alle landen toegestaan.
Open de tankvulklep door de achterkant
van de klep wat in te drukken.
Nieuwe auto’s en gladde wegen
Oefen onder gecontroleerde omstandigheden
om te testen hoe de auto bij gladheid reageert.
Trek de klep open.
Sluit de klep na het tanken.
Voor een beschrijving van het vergrendelen/
ontgrendelen van de tankvulklep, zie Vergrendelen/ontgrendelen - tankvulklep (p. 177). De
vergrendellogica van de tankvulklep is bovendien ondergeschikt aan het Keyless-systeem
en eventuele vergrendeling of ontgrendeling
via de centrale vergrendeling.
Gerelateerde informatie
•
Brandstof tanken (p. 304)
08
303
08 Starten en rijden
Tankvulklep - handmatig openen
Brandstof tanken
De tankvulklep is met de hand te openen,
wanneer het niet mogelijk is deze van buitenaf
te openen.
De brandstoftank is voorzien van een doploos
brandstofvulsysteem. Tanken gaat als volgt:
N.B.
Een overvolle tank kan bij warm weer overstromen.
N.B.
Voorkom morsen door na het tanken ca.
5–8 seconden te wachten en daarna het
vulpistool voorzichtig te verwijderen.
Gerelateerde informatie
•
Open/verwijder het zijluikje in de bagageruimte (aan de kant van de tankvulklep).
•
Open de tankvulklep (p. 303). Zie ook
Tankvulklep - handmatig openen (p. 304).
•
Steek het mondstuk van het vulpistool in
de brandstofvulopening. Let erop dat u
het mondstuk van het vulpistool op de
juiste wijze in de vulpijp steekt. De vulpijp bevat twee afdekkingen die te openen zijn. Zorg dat u het mondstuk van het
vulpistool door de beide afdekkingen
hebt gestoken, voordat u begint met tanken.
•
Giet de tank niet te vol door het vulpistool
na de eerste afslag uit de vulopening te
halen.
Trek de kabel voorzichtig recht naar achteren toe. De klep is vervolgens vanaf de
buitenzijde te openen.
BELANGRIJK
Trek voorzichtig aan de lus – er is slechts
weinig kracht nodig om de klep te ontgrendelen.
08
304
Gerelateerde informatie
•
Vergrendelen/ontgrendelen - tankvulklep
(p. 177)
•
Brandstof tanken (p. 304)
Brandstof bijvullen – met jerrycan
(p. 308)
08 Starten en rijden
Brandstof - gebruik
WAARSCHUWING
Gebruik geen brandstof met een slechtere
kwaliteit dan Volvo adviseert, omdat dit een
nadelige invloed kan hebben op het motorvermogen en het brandstofverbruik.
Op de grond gemorste brandstof kan vlam
vatten.
Schakel de verwarming op brandstof uit
voordat u gaat tanken.
WAARSCHUWING
Heb nooit een ingeschakelde mobiele telefoon bij u als u staat te tanken. Door het
belsignaal kan er vonkvorming ontstaan
waardoor de benzinedampen ontsteken en
dat kan tot brand en letsel leiden.
Zorg er altijd voor dat u geen brandstofdampen inademt of brandstofspatten in de
ogen krijgt.
Bij brandstof in de ogen eventuele contactlenzen uitnemen en de ogen ten minste
15 minuten lang spoelen met een ruime
hoeveelheid schoon water en medische
hulp inroepen.
BELANGRIJK
Door mengsels van verschillende soorten
brandstoffen of het gebruik van niet aanbevolen brandstof vervallen de garanties
van Volvo en evt. aanvullende serviceovereenkomsten. Dit geldt voor alle motoren.
Brandstof nooit inslikken. Brandstoffen
zoals benzine en dieselolie zijn uitermate
giftig en kunnen bij inwendig gebruik aanleiding geven tot blijvend letsel met mogelijk dodelijke afloop. Roep onmiddellijk
medische hulp in bij het inslikken van
brandstof.
N.B.
Bij extreme weersomstandigheden, rijden
met een aanhanger/caravan of ritten op
grote hoogte kan, afhankelijk van de
gebruikte brandstofkwaliteit, het prestatievermogen van de auto te wensen overlaten.
Gerelateerde informatie
•
Zuinig rijden (p. 309)
Brandstof - benzine
De motor loopt op benzine.
Benzine dient te voldoen aan de norm NENEN 228. De meeste motoren kunnen op benzine met een octaangetal van 95 en 98 RON
lopen. Brandstof met een octaangetal lager
dan RON 91 en 92 mag alleen in uitzonderingsgevallen worden gebruikt.
•
95 RON is te gebruiken in normale rijomstandigheden.
•
98 RON wordt geadviseerd voor een
maximaal rendement tegen een minimaal
brandstofverbruik.
Voor ritten bij temperaturen hoger dan +38 °C
wordt u geadviseerd een brandstofsoort met
een zo hoog mogelijk octaangetal te gebruiken. Dit om optimale prestaties en een zo
laag mogelijk brandstofverbruik te verkrijgen.
BELANGRIJK
•
Gebruik alleen loodvrije benzine om
schade aan de katalysator tegen te
gaan.
•
Er is brandstof toegestaan die tot
10 volumeprocent ethanol bevat.
•
Het gebruik van brandstof met metaaladditieven is niet toegestaan.
•
Gebruik geen toevoegingen die niet
door Volvo zijn aanbevolen.
08
}}
305
08 Starten en rijden
||
Alcoholen-ethanol
•
•
Het gebruik van EN228 E10 benzine
(max. 10 volumeprocent ethanol) is toegestaan
Een ethanolgehalte hoger dan E10
(max. 10 volumeprocent ethanol) zoals
RON 98 E15 en Blue One 95 is niet toegestaan, omdat deze brandstofkwaliteiten
niet voldoen aan EN228.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Zuinig rijden (p. 309)
Brandstof - gebruik (p. 305)
Brandstof tanken (p. 304)
Brandstof - diesel
De motor loopt op dieselolie.
Maak alleen gebruik van dieselolie van gerenommeerde oliemaatschappijen. Giet nooit
brandstof van twijfelachtige kwaliteit in de
tank. Dieselolie moet voldoen aan de norm
EN 590 of JIS K2204. Dieselmotoren zijn
gevoelig voor verontreiniging in de brandstof,
zoals een te grote hoeveelheid zwaveldeeltjes.
Bij lage temperaturen (–6 °C tot –40 °C) kan
de paraffine in de dieselolie uitvlokken. Dit
kan tot startproblemen leiden. De grote oliemaatschappijen produceren speciale dieselolie bestemd voor gebruik bij buitentemperaturen rond het vriespunt. Deze dieselolie is
dunner bij lage temperaturen en beperkt de
kans op vlokvorming in het brandstofsysteem.
De kans op condensatie in de brandstoftank
neemt af, als u de tank altijd goed gevuld
houdt. Houd tijdens het tanken het gebied
rond de vulpijp goed schoon. Voorkom morsen op gelakte oppervlakken. Maak als u
gemorst hebt het gebied met water en zeep
schoon.
•
moet voldoen aan de norm EN 590
en/of SS 155435;
•
moet een zwavelgehalte hebben van
maximaal 10 mg/kg;
•
mag maximaal 7 vol% FAME (Fatty
Acid Methyl Ester) bevatten.
BELANGRIJK
Maak geen gebruik van de volgende dieselolie-achtige brandstoffen:
•
•
•
•
speciale toevoegingen (dopes)
scheepsolie
stookolie
FAME9 (Fatty Acid Methyl Ester) of
plantaardige olie.
Dergelijke brandstoffen voldoen niet aan
de kwaliteitseisen die Volvo stelt en geven
aanleiding tot verhoogde vormen van slijtage en motorschade die niet worden
gedekt door de garanties van Volvo.
Wanneer u de tank leegrijdt
Op grond van zijn constructie moet het
brandstofsysteem mogelijk eerst ontlucht
worden om een dieselmotor na bijtanken
opnieuw te kunnen starten.
08
9
306
BELANGRIJK
De dieselolie:
Dieselolie kan een bepaalde hoeveelheid FAME bevatten. Het is niet toegestaan meer toe te voegen.
08 Starten en rijden
Na motoruitval door brandstofgebrek heeft
het brandstofsysteem enige tijd nodig om een
controle uit te voeren. Doe in dat geval (ná
bijtanken met dieselolie) het volgende, voordat u de motor start:
en garantieboekje staan aangegeven. Ook
wanneer u vermoedt dat er vervuilde brandstof is gebruikt, moet u het brandstoffilter
aftappen, zie Serviceprogramma van Volvo
(p. 357).
1. Plaats de transpondersleutel in het contactslot en duw deze tot aan de aanslag
naar binnen, zie Sleutelstanden (p. 76).
BELANGRIJK
Bepaalde speciale toevoegingen verwijderen de waterafscheiding in het brandstoffilter.
2. Druk op de START-knop zonder remen/of koppelingspedaal te bedienen.
3. Wacht ca. één minuut.
4. Om de motor te starten: Bedien remen/of koppelingspedaal en druk nogmaals
op de START-knop.
N.B.
Alvorens brandstof te tanken bij een leeggereden tank:
•
Breng de auto tot stilstand op een zo
egaal/horizontaal mogelijke ondergrond – als de auto overhelt, bestaat
er gevaar voor luchtbellen in de brandstoftoevoer.
Condenswater uit brandstoffilter
aftappen
Het brandstoffilter ontdoet de brandstof van
condenswater. Condenswater kan anders
aanleiding geven tot motorstoringen.
Houd u voor het aftappen van het condenswater aan de specificaties die in uw Service-
Gerelateerde informatie
•
•
•
Roetfilter dieselmotor (DPF) (p. 308)
Brandstof - gebruik (p. 305)
Zuinig rijden (p. 309)
Katalysatoren
De katalysatoren hebben tot taak de uitlaatgassen te reinigen. Ze zijn dicht bij de motor
in het uitlaatsysteem gemonteerd om snel op
temperatuur te komen.
De katalysatoren bestaan uit een monoliet
(keramiek of metaal) met kanalen. De wanden
van de kanalen zijn bekleed met platina/
rodium/palladium. Deze edelmetalen hebben
een katalytische werking, d.w.z. ze versnellen
een chemische reactie zonder dat ze daar zelf
actief aan deelnemen.
LambdasondeTM (zuurstofsensor)
De lambdasonde maakt deel uit van het
regelsysteem dat tot taak heeft de uitstoot te
beperken en de energie-inhoud van de
brandstof beter te benutten. Voor meer informatie, zie Brandstofverbruik en CO2-uitstoot
(p. 422).
Een zuurstofsensor registreert het zuurstofgehalte van de uitlaatgassen die de motor verlaten. De meetwaarde van de uitlaatgasanalyse
wordt doorgegeven aan het elektronische
systeem dat continu de verstuivers afregelt.
Het lucht-brandstofmengsel dat de motor
krijgt, wordt continu bijgesteld. De regeling
schept de ideale omstandigheden voor een
effectieve verbranding van de schadelijke
stoffen (koolwaterstoffen, koolmonoxide en
stikstofoxiden) in de driewegkatalysator.
08
}}
307
08 Starten en rijden
||
Gerelateerde informatie
•
•
•
Zuinig rijden (p. 309)
Brandstof - benzine (p. 305)
Brandstof - diesel (p. 306)
Brandstof bijvullen – met jerrycan
Roetfilter dieselmotor (DPF)
Gebruik voor het bijvullen van brandstof
(p. 304) uit een jerrycan de trechter die onder
het vloerluik in de bagageruimte ligt.
Dieselmodellen zijn uitgerust met een roetfilter, waardoor een nog effectievere uitlaatgasreiniging mogelijk is.
BELANGRIJK
De wetgeving ten aanzien van de opslag
van jerrycans met reservebrandstof verschilt van land tot land. Ga na wat er in uw
land geldt.
Onder normale rijomstandigheden blijven de
roetdeeltjes uit de uitlaatgassen in het filter
achter. Om de roetdeeltjes te verbranden en
het filter te legen wordt een zogeheten regeneratie gestart. Daarvoor moet de motor de
normale bedrijfstemperatuur hebben.
Let erop dat u de trechter op de juiste wijze
in de vulpijp steekt. De vulpijp bevat twee
afdekkingen die te openen zijn. Zorg dat u de
trechter door de beide afdekkingen hebt
gestoken, voordat u begint met bijvullen.
De regeneratie van het filter gaat automatisch
en duurt normaal gesproken 10-20 minuten.
Bij een lage gemiddelde snelheid kan dit iets
langer duren. Gedurende de regeneratie kan
het brandstofverbruik iets stijgen.
Gerelateerde informatie
Regeneratie bij koud weer
•
Vergrendelen/ontgrendelen - tankvulklep
(p. 177)
•
Tankvulklep - handmatig openen (p. 304)
Als u bij koud weer vaak korte afstanden rijdt,
komt de motor onvoldoende op temperatuur.
Dit betekent dat het roetfilter niet geregenereerd en niet geleegd wordt.
Wanneer het filter voor ca. 80 % met roetdeeltjes gevuld is, verschijnt een oranje waarschuwingsdriehoek op het instrumentenpaneel en staat de melding Roetfilter vol Zie
instructieboekje op het informatiedisplay.
08
308
U start de regeneratie van het filter door met
de auto op een secundaire weg of op een
snelweg te rijden totdat de motor voldoende
op temperatuur is gekomen. Daarna rijdt u
nog 20 minuten verder.
08 Starten en rijden
N.B.
Tijdens de regeneratie is het volgende
mogelijk:
•
een tijdelijke en geringe beperking van
het motorvermogen,
Zuinig rijden
Zuinig rijden houdt in dat u anticiperend en
rustig rijdt, en uw rijstijl en snelheid afstemt
op de verkeerssituatie.
•
Maak gebruik van de ECO Guide* (p. 65)
die laat zien hoe zuinig de auto rijdt.
•
Activeer voor een minimaal brandstofverbruik ECO* (p. 295)10 waarmee het brandstofverbruik verder te verlagen is.
Wanneer het filter geregenereerd is, verdwijnt
de waarschuwingsmelding automatisch.
•
Gebruik geen winterbanden buiten het
winterseizoen.
Wanneer u bij koud weer de standverwarming* inschakelt, bereikt de motor sneller de
normale bedrijfstemperatuur.
•
Rijd in de hoogst mogelijke versnelling,
afhankelijk van de verkeerssituatie en de
weggesteldheid – lagere toeren leveren
een lager brandstofverbruik op. Maak
gebruik van de schakelindicator
(p. 278)11.
•
Vermijd onnodig snel optrekken en krachtig remmen.
•
Bij hoge snelheden neemt het brandstofverbruik toe – de luchtweerstand neemt
toe naarmate de snelheid stijgt.
•
Laat de motor niet stationair warmdraaien, maar belast de motor in plaats
daarvan zo snel mogelijk licht – een
koude motor verbruikt meer brandstof
dan een warme.
•
Houd de juiste bandenspanning aan en
controleer regelmatig of dat nog steeds
•
een tijdelijke verhoging van het brandstofverbruik,
•
een brandgeur.
BELANGRIJK
Als het filter helemaal vol deeltjes zit, kan
het moeilijk zijn om de motor te starten en
het filter wordt onbruikbaar. De kans
bestaat dan dat het filter moet worden vervangen.
Gerelateerde informatie
•
•
10
11
Brandstof - diesel (p. 306)
Zuinig rijden (p. 309)
zo is - houd voor de beste resultaten de
zogeheten ECO-bandenspanning aan, zie
Banden - goedgekeurde bandenspanning
(p. 426).
•
De bandenkeuze is mogelijk van invloed
op het brandstofverbruik – informeer bij
uw dealer naar passende banden.
•
Neem geen spullen in de auto mee die u
niet gebruikt – hoe groter de belading,
des te hoger het brandstofverbruik.
•
Rem af op de motor, wanneer dat zonder
gevaar voor medeweggebruikers mogelijk
is.
•
Lading op het dak en een skibox resulteren in een grotere luchtweerstand waardoor het brandstofverbruik toeneemt –
verwijder lastdragers die u niet gebruikt.
•
Rijd niet met open zijruiten.
Voor meer informatie, zie Milieubeleid van
Volvo Car Corporation (p. 21) en Brandstofverbruik en CO2-uitstoot (p. 422).
WAARSCHUWING
Zet de motor nooit af tijdens het rijden
(zoals op een aflopende helling), omdat
daarbij belangrijke systemen zoals de
stuur- en rembekrachtiging wegvallen.
08
Automatische versnellingsbak
Handgeschakelde versnellingsbak
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
309
08 Starten en rijden
Rijden met een aanhanger
Bij het rijden met een aanhanger moet u op
enkele dingen letten zoals de trekhaak, de
aanhanger en hoe u de aanhanger laadt.
Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar gewicht van de auto. Het laadvermogen
dient te worden verminderd met de som van
het gewicht van eventuele inzittenden en dat
van gemonteerde accessoires, zoals een
trekhaak. Voor uitgebreidere informatie, zie
Gewichten (p. 408).
Als de trekhaak door Volvo is gemonteerd,
wordt de auto compleet aangeleverd met de
benodigde randuitrusting voor het gebruik
van een aanhanger.
•
•
Bij montage achteraf moet u contact
opnemen met uw erkende Volvo-werkplaats om te controleren of uw auto van
de nodige uitrusting is voorzien om met
een aanhanger te kunnen rijden.
•
Verdeel de lading in de aanhanger dusdanig dat de druk op de trekhaak de maximale kogeldruk niet overschrijdt.
•
Verhoog de bandenspanning tot de aanbevolen druk bij maximale belading. Voor
de locatie van de bandenspanningssticker, zie Banden - bandenspanning
(p. 332).
08
•
310
De trekhaak van de auto moet van een
goedgekeurd type zijn.
Bij het gebruik van een aanhanger wordt
de motor zwaarder belast dan normaal.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
•
Rijd niet met een zware aanhanger, wanneer de auto nog helemaal nieuw is.
Wacht hiermee totdat de auto ten minste
1000 kilometer heeft gereden.
•
zersymbool op het instrumentenpaneel sneller dan normaal en op het informatiedisplay
verschijnt de tekst Storing knipperlicht
aanhanger.
Bij het afdalen op lange en steile hellingen
worden de remmen veel zwaarder belast
dan normaal. Schakel dan terug naar een
lagere versnelling en pas uw snelheid
aan.
Als een van de remlichten op de aanhanger
defect is, dan verschijnt de tekst Storing
remlicht aanhanger.
•
Om veiligheidsredenen dient u de toelaatbare maximumsnelheid voor auto’s met
een aanhanger/caravan niet te overschrijden. Neem de geldende bepalingen in
acht ten aanzien van de toelaatbare snelheden en gewichten.
•
Houd een lage snelheid aan, wanneer u
met een aanhanger achter de auto een
lange en steile helling oprijdt.
Als uw auto is uitgerust met automatische
niveauregeling nemen de achterste schokdempers tijdens het rijden altijd dezelfde rijhoogte in ongeacht de belading (tenzij het
maximaal toelaatbare gewicht wordt overschreden). Wanneer de auto stilstaat, zakt de
achtertrein omlaag.
•
Vermijd hellingen met een percentage van
meer dan 12 % bij het gebruik van een
aanhanger.
Trekhaakbedrading
Als de trekhaak van de auto een 13-polig
elektrisch contact heeft en de aanhanger een
7-polig contact, hebt u een adapter nodig.
Gebruik een door Volvo goedgekeurde adapterkabel. Zorg dat de kabel niet over de grond
sleept.
Richtingaanwijzers en remlichten op
aanhanger
Als een van de richtingaanwijzers op de aanhanger defect is, knippert het richtingaanwij-
Niveauregeling*
Aanhangergewichten
Voor informatie over de toelaatbare aanhangergewichten die Volvo hanteert, zie Trekgewicht en kogeldruk (p. 409).
N.B.
De vermelde maximaal toegestane aanhangergewichten zijn door Volvo toegestaan. De toelaatbare maximumsnelheid
voor auto's met aanhanger is 100 km/h.
Het gewicht van de aanhanger en de snelheid kunnen verder worden beperkt door
nationale voorschriften voor voertuigen. De
trekhaken kunnen zijn gecertificeerd voor
hogere trekgewichten dan wat de auto
mag trekken.
08 Starten en rijden
WAARSCHUWING
Volg de vermelde aanbevelingen voor het
aanhangergewicht. Anders is het mogelijk
dat de hele combinatie bij uitwijkmanoeuvres en afremmen moeilijk onder controle
is te houden.
Rijden met een aanhanger handgeschakelde versnellingsbak
Rijden met een aanhanger automatische versnellingsbak
Wanneer u bij warm weer een aanhanger
sleept (p. 310) in heuvelachtig terrein, bestaat
er mogelijk gevaar voor oververhitting.
Wanneer u bij warm weer een aanhanger
sleept in heuvelachtig terrein, bestaat er
mogelijk gevaar voor oververhitting.
•
•
Een automatische versnellingsbak kiest
altijd de juiste versnelling voor het motortoerental.
•
Bij gevaar voor oververhitting gaat een
waarschuwingssymbool op het instrumentenpaneel branden en verschijnt er
een tekstmelding op het informatiedisplay
– volg het gegeven advies op.
Gerelateerde informatie
•
•
Trekhaak (p. 312)
Lamp vervangen - algemeen (p. 371)
Laat de motor geen hogere toeren maken
dan 4500 omw/min (dieselmotoren:
3500 omw/min) - anders kan de olietemperatuur te hoog oplopen.
Dieselmotor 5-cil.
•
Bij gevaar voor oververhitting dient u het
optimale motortoerental van
2300–3000 omw/min aan te houden voor
optimale koelvloeistofcirculatie.
Gerelateerde informatie
•
Handgeschakelde versnellingsbak
(p. 277)
Steile hellingen
•
Blokkeer een automatische versnellingsbak niet met een hogere versnelling dan
de motor ‘aankan’ – rijden in een hoge
versnelling bij een laag motortoerental is
niet altijd zuinig.
BELANGRIJK
Zie tevens de specifieke informatie over
langzaam rijden met een aanhanger voor
auto’s met een automatische versnellingsbak - Powershift (p. 283).
Op een helling parkeren
1. Trap het rempedaal in.
2. Activeer de parkeerrem.
08
3. Zet de keuzehendel in stand P.
}}
311
08 Starten en rijden
||
4. Haal uw voet van het rempedaal.
Trekhaak
•
Zet de keuzehendel in de parkeerstand P,
wanneer u een automaat met aanhanger
parkeert. Gebruik altijd de parkeerrem.
Een trekhaak maakt het mogelijk om bijvoorbeeld een aanhanger achter de auto te hangen.
•
Gebruik wielblokken, als u een auto met
aanhanger op een steile helling parkeert.
Als de auto is uitgerust met een afneembare
trekhaak, dienen de montagevoorschriften
voor het bevestigen van het afneembare
gedeelte zorgvuldig te worden opgevolgd, zie
Afneembare trekhaak - monteren/demonteren
(p. 314).
Op een helling wegrijden
1. Trap het rempedaal in.
2. Zet de keuzehendel in de rijstand D.
3. Los de parkeerrem.
WAARSCHUWING
4. Haal uw voet van het rempedaal en rijd
weg.
Als de auto is uitgerust met de afneembare
trekhaak van Volvo:
Gerelateerde informatie
•
•
Automatische versnellingsbak Geartronic* (p. 279)
Automatische versnellingsbak Powershift* (p. 283)
•
Volg de montage-instructies nauwkeurig op.
•
Zorg dat het afneembare gedeelte met
de sleutel vergrendeld is voordat u
begint te rijden.
•
Controleer of het controlevenster
groen van kleur is.
Belangrijke controlepunten
•
08
312
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
U moet de kogel van de trekhaak regelmatig schoonmaken en met vet insmeren.
WAARSCHUWING
De bewegende onderdelen van de
afneembare trekhaak mogen niet worden
gesmeerd/ingevet. Hierdoor kan het veiligheidsniveau namelijk afnemen.
N.B.
Als er een koppeling met trillingsdemper
wordt gebruikt, mag de trekkogel niet worden gesmeerd.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Rijden met een aanhanger (p. 310)
Afneembare trekhaak - specificaties
(p. 313)
Afneembare trekhaak - opbergen (p. 313)
08 Starten en rijden
Afneembare trekhaak - specificaties
Bewaar de afneembare trekhaak in de bagageruimte.
Specificaties voor een afneembare trekhaak.
G021485
Afneembare trekhaak - opbergen
Opbergmogelijkheid voor de afneembare trekhaak.
BELANGRIJK
Neem na gebruik altijd de afneembare
trekhaak los en berg deze op de daarvoor
bestemde plaats op.
Gerelateerde informatie
Afmetingen, bevestigingspunten
(mm)
A
887
B
79
C
881
D
441
E
109
•
Afneembare trekhaak - specificaties
(p. 313)
F
306
G
Langsligger
•
Afneembare trekhaak - monteren/demonteren (p. 314)
H
Middelpunt kogel
•
Rijden met een aanhanger (p. 310)
08
}}
313
08 Starten en rijden
||
Gerelateerde informatie
•
Afneembare trekhaak - monteren/demonteren (p. 314)
•
•
Afneembare trekhaak - opbergen (p. 313)
U kunt de afneembare trekhaak als volgt monteren/demonteren:
Bevestigen
G021488
Rijden met een aanhanger (p. 310)
Afneembare trekhaak - monteren/
demonteren
Het controlevenster moet rood van kleur
zijn.
G021489
Verwijder de afdekking door de pal in te
drukken
en de afdekking vervolgens
recht naar achteren te trekken
.
G021487
Breng het kogelsegment aan en duw het
naar binnen totdat u een klik hoort.
08
314
Controleer of het mechanisme in de ontgrendelde stand staat door de sleutel
rechtsom te draaien.
Het controlevenster moet groen van kleur
zijn.
Controleer of het kogelsegment vastzit
door het stevig omhoog, omlaag en naar
achteren te bewegen.
WAARSCHUWING
G000000
Als het kogelgedeelte niet goed zit, moet u
het verwijderen en opnieuw monteren
zoals eerder werd beschreven.
Draai de sleutel linksom naar de vergrendelde stand. Neem de sleutel uit het slot.
G021495
G021494
G021490
08 Starten en rijden
Veiligheidskabel.
WAARSCHUWING
Controleer of de veiligheidskabel van de
aanhanger in de juiste bevestiging vastzit.
Afneembare trekhaak verwijderen
BELANGRIJK
Vet alleen de kogel in waarop de aanhangerkoppeling wordt geplaatst; houd de
rest van het kogelsegment vetvrij en
droog.
Steek de sleutel in het slot en draai deze
rechtsom in de ontgrendelde stand.
08
}}
315
08 Starten en rijden
||
Gerelateerde informatie
Druk de vergrendelingsknop
in en
totdat u een klik
draai deze linksom
hoort.
Draai de vergrendelingsknop volledig
omlaag totdat deze niet verder kan. Houd
de knop in deze stand vast terwijl u het
kogelsegment schuin naar achteren toe
omhoogtrekt.
WAARSCHUWING
Zet de afneembare trekhaak goed vast,
wanneer u deze in de auto bewaart, zie
Afneembare trekhaak - opbergen (p. 313).
08
316
Duw de afdekking er zo ver op dat deze
vastklikt.
•
•
Afneembare trekhaak - opbergen (p. 313)
•
Rijden met een aanhanger (p. 310)
Afneembare trekhaak - specificaties
(p. 313)
08 Starten en rijden
Trailer Stability Assist (TSA)12
Het TSA-systeem (Trailer Stability Assist)
heeft tot taak de auto met een aanhanger/
caravan te stabiliseren, wanneer de combinatie de neiging tot pendelbewegingen vertoont.
TSAHet systeem maakt deel uit van de stabiliteitsregeling (p. 185) ESC13.
Functie
Bij alle combinaties van auto en aanhanger/
caravan kan het bekende verschijnsel met
slingeren optreden. Doorgaans treedt het verschijnsel pas bij hoge snelheden op. Als de
aanhanger/caravan echter overmatig beladen
is of als het gewicht van de lading verkeerd
verdeeld is (bijvoorbeeld te ver naar achteren), bestaat er ook op lagere snelheden
van 70–90 km/h gevaar voor slingeren.
Slingeren begint altijd met een van de onderstaande factoren, zoals:
de verkeerde weghelft of naast de weg te
belanden.
Het TSA-systeem houdt continu de bewegingen van de auto in de gaten en in het bijzonder de dwarsbewegingen. Als een neiging tot
slingeren geregistreerd wordt, worden de
voorwielen ieder afzonderlijk dusdanig afgeremd dat de combinatie gestabiliseerd wordt.
Vaak is dit voldoende om de auto weer onder
controle te krijgen.
Als de slingering ondanks de eerste ingreep
van het TSA-systeem niet wordt gedempt,
worden alle wielen van de combinatie afgeremd en wordt de aandrijfkracht van de motor
verlaagd. Wanneer de slingering vervolgens
stukje bij beetje verminderd is en de combinatie weer stabiel is, beëindigt het TSA-systeem de regeling waarna u de auto weer volledig onder controle hebt. Voor meer informatie, zie Elektronische stabiliteitsregeling (ESC)
- algemeen (p. 185).
•
De auto met aanhanger/caravan staat
bloot aan rukwinden.
•
Overig
De auto met aanhanger/caravan rijdt over
een oneffen wegdek of over hobbels.
Het TSA-systeem kan ingrijpen bij snelheden
van 65–160 km/h.
•
Grote stuurbewegingen.
N.B.
Het TSA-systeem wordt uitgeschakeld, als
u de Sport-stand kiest, zie Elektronische
stabiliteitsregeling (ESC) - algemeen
(p. 185).
Het TSA-systeem grijpt mogelijk niet in als u
met grote stuurbewegingen de slingering zelf
tracht op te heffen, aangezien het TSA-systeem dan niet kan bepalen of de slingering
wordt veroorzaakt door de aanhanger/caravan of door uzelf.
Wanneer het TSA-systeem actief is,
knippert het ESC13-symbool op het
instrumentenpaneel.
Gerelateerde informatie
•
Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) algemeen (p. 185)
Bediening
Slingeren is vaak niet of nauwelijks te dempen, waardoor de combinatie moeilijk
bestuurbaar wordt en het gevaar bestaat op
12
13
08
Inbegrepen bij montage van een originele Volvo-trekhaak.
(Electronic Stability Control) - elektronische stabiliteitsregeling.
317
08 Starten en rijden
Slepen
WAARSCHUWING
Bij het slepen wordt de auto met behulp van
een sleepkabel voortgetrokken door een
ander voertuig.
Ga voordat u gaat slepen na wat de wettelijk
voorgeschreven maximumsnelheid voor slepen is.
1. Ontgrendel het stuurslot (p. 275) door de
transpondersleutel in het contactslot te
plaatsen en de START/STOP ENGINEknop lang in te drukken – sleutelstand II
(p. 76) wordt geactiveerd.
318
Controleer voordat u gaat slepen of
het stuurslot eraf is.
•
De transpondersleutel moet in sleutelstand II staan. In stand I zijn alle airbags gedeactiveerd.
•
Haal nooit de transpondersleutel uit
het contactslot als de auto wordt
gesleept.
BELANGRIJK
Sleep de auto altijd zo dat de wielen in de
rijrichting draaien.
•
WAARSCHUWING
De rem- en stuurbekrachtiging werken niet
als de motor is uitgeschakeld. Er moet
ca. 5 keer zo hard op het rempedaal worden getrapt en de besturing gaat aanzienlijk zwaarder dan normaal.
2. Laat de transpondersleutel tijdens het
slepen in het contactslot zitten.
08
•
Automatische versnellingsbak
Geartronic
3. Houd, wanneer de slepende auto afremt,
de sleepkabel altijd strak door met uw
voet lichte druk op het rempedaal uit te
oefenen – zo voorkomt u schokken.
Handgeschakelde versnellingsbak
4. Sta klaar om te remmen om de auto tot
stilstand te brengen.
–
Alvorens te slepen:
Zet de versnellingspook in de neutrale
stand en los de parkeerrem.
Sleep auto's met een automatische
versnellingsbak niet met een hogere
snelheid dan 80 km/h en niet verder
dan 80 km. Houd de toegestane rijsnelheden aan.
Alvorens te slepen:
–
Zet de keuzehendel in stand N en los de
parkeerrem.
Automatische versnellingsbak
Powershift
Bij het model met een Powershift-versnellingsbak moet de motor lopen voor voldoende smering van de versnellingsbak en
daarom mag dit model niet worden gesleept.
Als de auto toch moet worden gesleept, dan
dient dit over een zo kort mogelijke afstand
en op zeer lage snelheid te gebeuren.
Wanneer u niet zeker weet of uw auto wel of
niet is uitgerust met een Powershift-versnellingsbak, kunt u dit controleren aan de hand
van de type-aanduiding (p. 405) op de versnellingsbaksticker onder de motorkap. De
aanduiding ”MPS6” houdt in dat het om een
08 Starten en rijden
Powershift-bak gaat. Anders is het een
Geartronic-automaat.
BELANGRIJK
Vermijd slepen.
•
Een auto die op een gevaarlijke plek in
het verkeer staat, mag echter over een
korte afstand (tot 10 km) en op lage
snelheid (tot 10 km/h) worden versleept. Berg de auto altijd zo dat de
wielen in de rijrichting draaien.
•
Om de auto over afstanden groter dan
10 km te verslepen, dienen de aangedreven wielen geheven te worden –
het wordt geadviseerd een professioneel bergingsbedrijf in te schakelen.
Gerelateerde informatie
•
Sleepoog (p. 319)
Sleepoog
Het sleepoog dient te worden vastgeschroefd
in een draadbus achter een afdekking in de
bumper, voor of achter.
Sleepoog bevestigen
Alvorens te slepen:
–
Zet de keuzehendel in stand N en los de
parkeerrem.
Starten met hulpaccu
Probeer de motor niet aan te slepen. Gebruik
een hulpaccu als de startaccu dusdanig ontladen is dat de motor niet kan worden
gestart, zie Starten met hulpaccu (p. 276).
BELANGRIJK
De katalysator kan beschadigd raken bij
pogingen om de motor via slepen aan het
draaien te krijgen.
08
}}
319
08 Starten en rijden
||
Neem het sleepoog erbij dat onder het
vloerluik in de bagageruimte ligt.
De afdekking op het bevestigingspunt
voor het sleepoog is als volgt te openen:
•
N.B.
Om bij het sleepoog/de wielsleutel in het
schuimrubber blok te komen:
•
•
Versie 1: Til de compressoreenheid van
de noodreparatieset voor banden (punt
5) op om bij de wielsleutel te komen. Til
de bus met afdichtmiddel eruit (punt 6)
om bij het sleepoog te komen.
De afdekking heeft een markering
langs de ene zijde of in een hoek: Duw
met uw vinger op deze markering terwijl u de tegenoverliggende zijde/hoek
openklapt – de afdekking klapt rond de
middellijn open en kan vervolgens worden verwijderd.
Schroef het sleepoog tot aan de flens
naar binnen. Draai het oog stevig vast
met bijvoorbeeld een wielsleutel.
Versie 2: Til de compressoreenheid van
de noodreparatieset voor banden (punt
5) op om bij het sleepoog te komen. De
wielsleutel ligt onder de krik.
Na gebruik wordt het sleepoog weer losgedraaid. Leg het sleepoog terug op zijn
plek.
Plaats de afdekking tot slot weer in de
bumper terug.
BELANGRIJK
Het sleepoog is alleen bedoeld voor het
slepen over de weg en niet geschikt voor
berging wanneer de auto bijvoorbeeld in
een sloot is gereden of vast is komen te
zitten. Roep professionele hulp in voor
berging.
Gerelateerde informatie
08
320
•
•
Slepen (p. 318)
Bergen (p. 320)
Bergen
Met bergen wordt het afslepen bedoeld met
een ander voertuig.
Roep professionele hulp in voor berging.
BELANGRIJK
Berg de auto altijd zo dat de wielen in de
rijrichting draaien.
Gerelateerde informatie
•
Slepen (p. 318)
WIELEN EN BANDEN
09 Wielen en banden
09
Banden - draairichting
Bij banden met een speciaal profiel dat alleen
goed werkt wanneer de banden in een
bepaalde richting draaien, staat deze richting
aangegeven met een pijl op de zijkant van de
band.
N.B.
Let erop dat u hetzelfde type, dezelfde
maat en ook hetzelfde merk voor beide
wielparen hebt.
Houd de aanbevolen bandenspanning
(p. 332) aan die in de bandenspanningstabel
staat.
Gerelateerde informatie
G021778
•
•
•
•
De pijl geeft de draairichting van de band aan.
Zorg dat de banden altijd dezelfde draairichting hebben. Banden mogen alleen van voor
naar achter verwisseld worden, nooit van
links naar rechts of omgekeerd. Als u de banden verkeerd aanbrengt, nemen de remeigenschappen van de auto af en kunnen de banden regen, sneeuw en drab minder goed
afvoeren. Monteer de banden met het diepste
profiel altijd op de achteras (om het gevaar
voor slippen te verminderen).
322
Banden - maten (p. 326)
Banden - snelheidsklassen (p. 327)
Banden - onderhoud (p. 322)
Banden - slijtage-indicator (p. 324)
Banden - onderhoud
De banden hebben o.a. tot taak om grip tegen
de ondergrond te hebben, trillingen te dempen en het wiel tegen slijtage te beschermen.
Rijeigenschappen
Banden zijn van grote invloed op de rijeigenschappen van de auto. Zowel het type, de
maat, de bandenspanning als de snelheidsklasse zijn belangrijk voor het rijgedrag van
de auto.
Leeftijd van de banden
Alle banden die ouder zijn dan 6 jaar moet u
door een vakman laten controleren, ook al
zien ze er intact uit. Dit omdat het materiaal
waarvan banden gemaakt zijn ook veroudert
en afgebroken wordt, als banden zelden of
nooit worden gebruikt. Daarbij kan de werking van de band worden aangetast. Dit geldt
voor alle banden die u voor toekomstig
gebruik hebt opgeslagen. Scheurvorming of
verkleuring zijn de zichtbare kenmerken van
een band die ongeschikt is voor gebruik.
09 Wielen en banden
Nieuwe banden
Banden hebben een beperkte houdbaarheidsdatum. Na enkele jaren worden de banden hard en neemt de grip op het wegdek
stukje bij beetje af. Gebruik bij het verwisselen van banden altijd zo nieuw mogelijke banden. Dit geldt in het bijzonder voor winterbanden. De laatste cijfers van de cijferreeks
geven de week en het jaar van productie aan.
Het is de zogeheten DOT-code (Department
of Transportation) van de band en bestaat uit
vier cijfers, bijvoorbeeld 1510. De band op de
afbeelding is de 15e week van het jaar 2010
geproduceerd.
Zomer- en winterbanden
Wanneer u de zomerbanden vervangt door
winterbanden of andersom, moet u op de
band noteren waar de band zat: bijvoorbeeld
L voor links, R voor rechts.
Slijtage en onderhoud
De juiste bandenspanning (p. 332) levert een
gelijkmatiger slijtage op. De rijstijl, de bandenspanning, het klimaat en de staat van de
wegen zijn van invloed op de snelheid waarmee de banden verouderen en slijten. Om
verschillen in profieldiepte te voorkomen en
slijtpatronen (p. 324) tegen te gaan kunt u de
wielen op de voor- en achteras onderling van
plaats verwisselen. Voer de eerste wissel na
ca. 5.000 km uit en doe dat daarna om de
10.000 km opnieuw. Volvo adviseert u contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats als u niet zeker bent van de profieldiepte. Als er al een duidelijk verschil zit in
de slijtage (>1 mm verschil in profieldiepte)
van de banden, dienen de minst versleten
banden altijd op de achteras te zitten. Slippende voorwielen zijn makkelijker te corrigeren dan slippende achterwielen, omdat de
auto rechtuit blijft rijden in plaats van uit te
breken met de achterkant waarbij u mogelijk
de controle over de auto verliest. Daarom is
belangrijk dat de achterwielen nooit vóór de
voorwielen grip verliezen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
09
Banden - maten (p. 326)
Banden - snelheidsklassen (p. 327)
Banden - draairichting (p. 322)
Bewaar de wielen hangend of liggend. Laat
ze nooit rechtop staan.
WAARSCHUWING
Een beschadigde band kan voor een
oncontroleerbare auto zorgen.
323
09 Wielen en banden
09
Banden - slijtage-indicator
Wielmoeren
Afsluitbare wielmoeren*
Een slijtage-indicator toont de status van het
loopvlak van de band.
De wielen zitten op de naaf vast met wielmoeren die in verschillende uitvoeringen verkrijgbaar zijn.
Afsluitbare wielmoeren zijn te gebruiken op
zowel aluminium als stalen velgen. Onder de
vloer in de bagageruimte is ruimte om de dop
voor de afsluitbare wielmoeren in op te bergen.
Gerelateerde informatie
G021829
•
Slijtage-indicatoren.
Slijtage-indicatoren zijn smalle ophogingen
die dwars op het profiel van de band staan.
Op de zijkant van de band staan de letters
TWI (Tread Wear Indicator). De slijtage-indicatoren zijn duidelijk zichtbaar wanneer een
band dusdanig versleten is dat slechts
1,6 mm van het profiel over is. Vervang de
banden dan zo spoedig mogelijk. Let erop dat
een band met een gering profiel zeer weinig
grip op het wegdek heeft bij regen of sneeuw.
Gerelateerde informatie
•
•
•
324
Banden - snelheidsklassen (p. 327)
Banden - bandenspanning (p. 332)
Banden - draairichting (p. 322)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Korte wielmoer
Lange wielmoer
Afsluitbare wielmoeren
Aanhaalmoment
•
•
•
Wielmoer type 1 (stalen velg): 110 Nm
Wielmoer type 2 (aluminium velg): 130
Nm
Afsluitbare wielmoer type 3 (stalen/
aluminium velg): 110 Nm
Gebruik alleen velgen die getest en goedgekeurd zijn door Volvo en deel uitmaken van
de originele accessoires van Volvo. Controleer het aanhaalmoment met een momentsleutel.
Wiel- en velgmaten (p. 326)
09 Wielen en banden
Krik
Winterbanden
Sneeuwkettingen gebruiken
Er wordt een krik gebruikt om de auto op te
nemen, bijvoorbeeld bij het verwisselen van
banden.
Winterbanden zijn banden die aan de winterse
toestand van de weg zijn aangepast.
Het gebruik van sneeuwkettingen is alleen
toegestaan op de voorwielen (geldt ook voor
modellen met voorwielaandrijving). Rijd nooit
sneller dan 50 km/h met sneeuwkettingen.
Rijd evenmin op sneeuwvrije wegen, omdat
zowel de sneeuwkettingen als de banden
daardoor overmatig slijten.
Gebruik de originele krik alleen voor het verwisselen van het reservewiel. Houd de
schroef van de krik altijd goed ingevet.
Gerelateerde informatie
•
•
Gevarendriehoek (p. 333)
Noodreparatie banden* (p. 342)
Winterbanden
Volvo adviseert winterbanden met bepaalde
afmetingen. De bandenmaat is afhankelijk van
de motorvariant. Gebruik altijd het juiste type
winterbanden op alle vier de wielen.
WAARSCHUWING
N.B.
Gebruik originele Volvo-sneeuwkettingen
of vergelijkbare sneeuwkettingen die zijn
afgestemd op het model en op de banden velgafmetingen. Bij twijfel adviseert
Volvo u een erkende Volvo-werkplaats om
advies te vragen. Een verkeerde sneeuwketting kan ernstige schade aan de auto
veroorzaken en aanleiding geven tot een
ongeluk.
Volvo adviseert u om met een Volvo-dealer
te overleggen over welke velg en welk type
band het best geschikt zijn.
Banden met ‘spikes’
Winterbanden met ‘spikes’ moeten de eerste
500-1000 km rustig worden ingereden, zodat
de ‘spikes’ hun positie in kunnen nemen. Zo
gaan de banden en vooral de ‘spikes’ langer
mee.
N.B.
09
Gerelateerde informatie
•
Wielen verwisselen - wielen verwijderen
(p. 329)
De wettelijke voorschriften voor het
gebruik van banden met spikes verschillen
per land.
Profieldiepte
Ritten bij ijs, sneeuw(modder) en lage temperaturen vergen meer van de banden dan
zomerse ritten. Daarom adviseert Volvo een
minimale profieldiepte van 4 mm voor winterbanden.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
325
09 Wielen en banden
09
Wiel- en velgmaten
Banden - maten
Banden - lastindex
Wiel- en velgmaten worden aangeduid zoals
in de onderstaande tabel.
De wielen, banden en velgen van de auto
hebben een bepaalde maat, zie het voorbeeld
in de onderstaande tabel.
De lastindex geeft het vermogen van een
band aan om een bepaalde last te dragen.
Wielen (velgen) zijn voorzien van een maataanduiding, bijvoorbeeld: 7Jx16x50.
Op alle autobanden staat een bepaalde maataanduiding. Een voorbeeld van een dergelijke
aanduiding:215/55R16 97W.
7
Velgbreedte in inch
J
Profiel velgrand
205
Breedte van de band (mm)
16
Velgdiameter van de band
50
50
Bolling in mm (afstand tussen de verticale aslijn door het wiel en het contactvlak met de naaf)
Verhouding tussen de hoogte en
breedte van de band (%)
R
Aanduiding voor radiaalbanden
17
Velgdiameter van de band (")
93
Aanduiding van het draagvermogen
van de band, lastindex (p. 326) (LI)
W
Aanduiding van de snelheidslimiet
van de band, snelheidsklasse
(p. 327) (SS). (In dit geval 270 km/h).
Gerelateerde informatie
•
Wielmoeren (p. 324)
Gerelateerde informatie
•
•
•
326
Banden - bandenspanning (p. 332)
Banden - draairichting (p. 322)
Banden - slijtage-indicator (p. 324)
Iedere band heeft een bepaald draagvermogen, wat wordt aangeduid met de lastindex
(LI). Het gewicht van de auto bepaalt het
draagvermogen van de banden.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Banden - maten (p. 326)
Banden - snelheidsklassen (p. 327)
Banden - bandenspanning (p. 332)
Banden - slijtage-indicator (p. 324)
09 Wielen en banden
Banden - snelheidsklassen
Elke band is bestand tegen een bepaalde
max. snelheid en behoort daardoor tot een
bepaalde snelheidsklasse (SS - Speed
Symbol).
De snelheidsklasse van de banden dient minimaal overeen te komen met de topsnelheid
van de auto. De laagst toegestane snelheidsklasse staat in de onderstaande snelheidsklassetabel. De enige uitzondering hierop vormen winterbanden (p. 325) (zowel banden
met als zonder ‘spikes’), waarvoor een lagere
snelheidsklasse gebruikt mag worden. Bij
gebruik van dergelijke banden mag u niet
sneller rijden dan de maximumsnelheid die
voor het gebruikte bandentype geldt (voor
klasse Q geldt bijvoorbeeld een maximumsnelheid van 160 km/h). De gesteldheid van
het wegdek is bepalend voor de maximumsnelheid en niet de snelheidsklasse op de
banden.
V
240 km/h
W
270 km/h
Y
300 km/h
WAARSCHUWING
De auto moet worden uitgerust met banden die minimaal de gespecificeerde lastindex (p. 326) (LI) en snelheidsklasse (SS)
hebben. Bij gebruik van banden met een te
lage lastindex of snelheidsklasse kunnen
de banden oververhit raken.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Banden - maten (p. 326)
Banden - bandenspanning (p. 332)
Banden - draairichting (p. 322)
Compact reservewiel*
09
U gebruikt een compact reservewiel (Temporary Spare) ter vervanging van een standaardwiel met een lekke band.
Een compact reservewiel is alleen bestemd
voor tijdelijk gebruik en dient dan ook zo
spoedig mogelijk door een normaal wiel te
worden vervangen. Het rijgedrag van de auto
kan zich wijzigen bij het gebruik van een
compact reservewiel. Het compacte reservewiel is kleiner dan een normaal wiel. De
bodemspeling verandert er daarom door.
Wees voorzichtig bij hoge trottoirbanden en
reinig de auto niet in een autowasstraat. Als
het compacte reservewiel op de vooras zit,
kunt u evenmin sneeuwkettingen omleggen.
Bij vierwielaangedreven auto’s is de achterwielaandrijving uit te schakelen. Het compacte reservewiel mag niet worden gerepareerd. In de bandenspanningstabel, Banden bandenspanning (p. 332), staat de juiste bandenspanning voor het reservewiel.
N.B.
BELANGRIJK
In de tabel staat de maximaal toegestane
snelheid.
•
Rijd met een reservewiel op de auto
nooit sneller dan 80 km/u.
Q
160 km/h (alleen voor winterbanden)
•
T
190 km/h
H
210 km/h
Er mag nooit met de auto worden
gereden als deze van meer dan één
reservewiel van het type "Temporary
Spare" is voorzien.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
327
09 Wielen en banden
09
||
Gerelateerde informatie
•
Wielen verwisselen - wielen verwijderen
(p. 329)
•
Wielen verwisselen - compact reservewiel
monteren* (p. 331)
•
Wielen verwisselen - reservewiel erbij
nemen* (p. 328)
•
•
•
Wielen verwisselen - reservewiel erbij
nemen*
U vindt het compacte reservewiel* met krik*
en wielsleutel* onder de vloer in de bagageruimte.
5. Pak het compacte reservewiel aan de
buitenkant vast en til op. Duw het compacte reservewiel iets naar voren en til het
uit de opbergruimte.
6. Pak wielsleutel, krik en sleepoog uit het
schuimrubber blok.
N.B.
Krik (p. 325)
Gevarendriehoek (p. 333)
De krik moet eruit worden getild om bij het
sleepoog te komen.
Wielmoeren (p. 324)
Gerelateerde informatie
1. Til de achterkant van de laadvloer op (bij
modellen met gelede laadvloer: pak de
handgreep vast, til de vloer op en beweeg
de achterkant van de vloer naar voren).
2. Pak het opbergvak* weg (alleen voor
modellen met gelede laadvloer).
3. Til de ondervloer weg (alleen voor modellen met gelede laadvloer).
4. Draai de bevestigingsbouten los en pak
het schuimrubber blok met krik en
gereedschap weg.
328
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
•
Wielen verwisselen - wielen verwijderen
(p. 329)
•
Wielen verwisselen - compact reservewiel
monteren* (p. 331)
•
•
•
•
Krik (p. 325)
Compact reservewiel* (p. 327)
Gevarendriehoek (p. 333)
Wielmoeren (p. 324)
09 Wielen en banden
Wielen verwisselen - wielen
verwijderen
De wielen van de auto kunnen worden verwisseld door bijvoorbeeld winterwielen/winterbanden.
Zet een gevarendriehoek op, als u een wiel
moet verwisselen langs een drukke weg. Zorg
ervoor dat de auto en de krik* op een stevige
en horizontale ondergrond staan.
1. Haal de parkeerrem aan en schakel de
achteruitversnelling in of zet de keuzehendel in stand P bij een auto met een
automatische versnellingsbak.
WAARSCHUWING
Controleer of de krik onbeschadigd is, of
de schroefdraden goed zijn gesmeerd en
of deze vrij van vuil is.
N.B.
4. Auto’s met stalen velgen hebben afneembare wieldoppen. Haak het demontagegereedschap in dat geval vast de volledige
wieldoppen om ze vervolgens los te trekken. De wieldoppen zijn ook met de hand
in één snelle beweging los te trekken.
09
Volvo adviseert u alleen de krik te gebruiken* die bij de auto hoort, zoals aangegeven op de kriksticker.
Op de sticker staat tevens de maximale
hefcapaciteit bij de vermelde hefhoogte.
2. Neem het wiel erbij dat u wilt monteren
(zomerband, winterband of compact
reservewiel) en het gereedschap. Voor
montage van een compact reservewiel
ligt er bij het reservewiel tevens een verpakking met handschoenen en een plastic zak voor om de lekke band.
3. Plaats wielblokken voor en achter de wielen die op de grond blijven staan. Gebruik
daarvoor bijvoorbeeld grote houten blokken of grote stenen.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
329
09 Wielen en banden
09
||
5. Schroef het sleepoog tot aan de aanslag
in de wielsleutel* vast zoals in de volgende afbeelding.
WAARSCHUWING
WAARSCHUWING
Leg nooit iets tussen de krik en de ondergrond en evenmin tussen de krik en het
kriksteunpunt van de auto.
Kruip nooit onder de auto als deze op een
krik staat.
Laat nooit passagiers in de auto zitten als
deze op een krik staat.
7. Er zitten twee kriksteunpunten aan weerszijden van de auto.
Parkeer de auto zodanig dat de passagiers
de auto of liever een vangrail tussen zichzelf en de weg hebben.
N.B.
De normale krik van de auto is alleen
bestemd voor sporadisch en kortstondig
gebruik zoals bij het verwisselen van een
lekke band, monteren van winterbanden/
zomerbanden e.d. Hef de auto alleen met
een krik die voor het desbetreffende model
bestemd is. Als de auto vaker moet worden opgekrikt of voor langere tijd zoals bij
het onderling roteren van de banden wordt
het gebruik van een garagekrik geadviseerd. Volg in dat geval de gebruiksaanwijzing van de desbetreffende krik.
Wielsleutel en sleepoog.
BELANGRIJK
Het sleepoog dient volledig in de wielsleutel te worden gedraaid.
6. Draai de wielmoeren ½–1 slag linksom los
met de wielsleutel.
330
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
BELANGRIJK
De grond onder de krik dient vast en egaal
te zijn en niet te hellen.
Gerelateerde informatie
•
8. Breng de krik omhoog, zodat de flens in
de carrosserie in de groef in de kop van
de krik valt.
Wielen verwisselen - compact reservewiel
monteren* (p. 331)
•
Wielen verwisselen - reservewiel erbij
nemen* (p. 328)
9. Breng de auto zo ver omhoog dat het wiel
van de grond komt. Verwijder de wielmoeren en til het wiel eraf.
•
•
•
Compact reservewiel* (p. 327)
Gevarendriehoek (p. 333)
Wielmoeren (p. 324)
09 Wielen en banden
Wielen verwisselen - compact
reservewiel monteren*
Krik* en gereedschap terugplaatsen
5.
09
Het is belangrijk het compacte reservewiel op
de juiste wijze te monteren.
Monteren
1. Reinig de contactvlakken tussen het wiel
en de naaf.
2. Breng het wiel aan. Haal de wielmoeren
stevig aan.
3. Breng de auto zo ver omlaag dat het wiel
niet meer ongehinderd kan draaien.
Plaats een volledige wieldop terug (indien
aanwezig).
N.B.
De ventieluitsparing in de wieldop bij het
monteren aanbrengen over het ventiel in
de velg.
4. Draai de wielmoeren kruiselings vast. Het
is belangrijk dat u de wielmoeren stevig
aanhaalt tot het juiste aanhaalmoment.
Controleer het aanhaalmoment met een
momentsleutel.
Plaats het gereedschap en de krik na gebruik
op de juiste manier terug in het schuimrubber
blok.
1. Draai het sleepoog uit de wielsleutel.
2. Leg het gebruikte gereedschap in de
onderstaande volgorde terug in de
beoogde vakken in het schuimblok:
•
sleepoog/trechter/torx-sleutel/
dopsleutel voor vergrendelbare wielmoer/gereedschap voor wieldop
•
krik (met de slinger zo ver omlaagdraaien dat deze in het desbetreffende
vak van het schuimrubber blok past,
de slinger over de voet heen en in de
groef van het schuimrubber blok plaatsen)
•
dopsleutel (boven de krik).
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
331
09 Wielen en banden
09
||
3. Bij gebruik van het compacte reservewiel
kunt u de lekke band in de plastic zak
doen, die u in de verpakking met de
handschoenen vindt. Leg het schuimrubber blok terug in het opbergvak en draai
de bevestigingsbout vast in de vloer van
het opbergvak.
Leg, als u het compacte reservewiel niet
gebruikt hebt, het schuimrubber blok in
het compacte reservewiel en plaats het
compacte reservewiel terug in het
opbergvak. Draai de bevestigingsbouten
vast in de vloer van het opbergvak.
4. Plaats de afneembare trekhaak terug.
N.B.
•
Na het oppompen van een band moet
u altijd het ventieldopje terugzetten om
schade aan het ventiel door grind, vuil
e.d. te voorkomen.
•
Gebruik alleen kunststof dopjes. Metalen ventieldopjes kunnen roesten en
zijn moeilijk los te draaien.
BELANGRIJK
Bewaar gereedschap en krik* op de daarvoor bestemde plaats in de bagageruimte,
wanneer u ze niet nodig hebt.
332
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Gerelateerde informatie
•
Wielen verwisselen - reservewiel erbij
nemen* (p. 328)
•
Wielen verwisselen - wielen verwijderen
(p. 329)
•
•
•
Compact reservewiel* (p. 327)
Gevarendriehoek (p. 333)
Wielmoeren (p. 324)
Banden - bandenspanning
Banden kunnen een verschillende bandenspanning hebben en dat wordt gemeten in de
eenheid bar.
Bandenspanning controleren
Controleer iedere maand de bandenspanning
bij koude banden. De aangegeven bandenspanning geldt bij koude banden (kan verschillen naargelang van de buitentemperatuur). Al na enkele kilometers rijden worden
de banden warm en loopt de spanning op.
Een te lage bandenspanning heeft een negatieve inwerking op het brandstofverbruik, de
levensduur van de banden en de rijeigenschappen van de auto. Wanneer u met een te
lage bandenspanning rijdt, kunnen de banden
oververhit en beschadigd raken. De bandenspanning is van invloed op het rijcomfort, de
stuureigenschappen en de geproduceerde
weggeluiden.
N.B.
In de loop van de tijd daalt de bandenspanning. Dit is een natuurlijk verschijnsel.
De bandenspanning schommelt ook door
de omgevingstemperatuur.
09 Wielen en banden
Bandenspanningssticker
Gevarendriehoek
bandenspanning geadviseerd (zowel bij maximale als bij lichte belading – zie de bandenspanningstabel in de gedrukte Gebruikershandleiding).
De gevarendriehoek wordt gebruikt om
andere verkeersdeelnemers te waarschuwen
voor een stilstaande auto.
Gerelateerde informatie
Opbergen en uitklappen
Banden - snelheidsklassen (p. 327)
Banden - draairichting (p. 322)
Banden - onderhoud (p. 322)
Banden - slijtage-indicator (p. 324)
G021830
•
•
•
•
09
In de bandenspanningstabel voor op de portierstijl aan de bestuurderszijde (tussen vooren achterportier) staat de juiste bandenspanning voor uw auto aangegeven bij verschillende belading en snelheid. De bandenspanning staat ook in de bandenspanningstabel.
De bandenspanning voor de aanbevolen bandenmaat en informatie over de ECO-bandenspanning voor een lager brandstofverbruik
vindt u in de gedrukte Gebruikershandleiding.
N.B.
De bandenspanning hangt af van de temperatuur.
Brandstofbesparing, ECObandenspanning
Voor een zo laag mogelijk brandstofverbruik
bij snelheden tot 160 km/h wordt de ECO}}
333
09 Wielen en banden
09
||
EHBO-set*
Bandenspanningscontrolesysteem*1
De EHBO-set bevat materiaal voor het verlenen van eerste hulp.
Het bandenspanningscontrolesysteem waarschuwt u, wanneer de bandenspanning in één
of meer banden te laag is. Op bepaalde markten is een bandenspanningscontrolesysteem
wettelijk verplicht.
Er zijn twee soorten bandenspanningscontrolesystemen: TPMS (Tyre Pressure Monitoring
System) en TM (Tyre Monitor). Open bij twijfel
over het systeem dat op uw auto het menusysteem MY CAR en blader naar de Instellingen van de auto:
Til het vloerluik op (of schuif de achterkant van de laadvloer naar voren bij
modellen met een gelede vloer en til
daarna de ondervloer op) en pak de gevarendriehoek.
Neem de gevarendriehoek uit de houder,
klap de driehoek uit en bevestig de twee
losse zijden aan elkaar.
Klap de steunpoten van de gevarendriehoek uit.
Volg de geldende bepalingen voor het
gebruik van een gevarendriehoek. Zet de
gevarendriehoek op een passend punt achter
de auto op om achteropkomend verkeer tijdig
te waarschuwen.
Zorg dat de houder met de gevarendriehoek
na gebruik stevig in de bagageruimte vastzit.
Gerelateerde informatie
•
1
334
Compact reservewiel* (p. 327)
Standaard op bepaalde markten.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Links in de bagageruimte zit een EHBO-set.
•
Het menu Bandenspanning verschijnt
als uw auto is uitgerust met TPMS, zie
TPMS (Tyre Pressure Monitoring System)*
- algemeen (p. 335).
•
Het menu Bandmonitoring verschijnt als
uw auto is uitgerust met TM, zie TM (Tyre
Monitor)* (p. 340).
Ook mét dit systeem moet u het normale
onderhoud aan de banden blijven plegen.
BELANGRIJK
Als er een storing optreedt in het TPMS,
gaat het waarschuwingslampje
op het
instrumentenpaneel eerst ca. 1 minuut
lang knipperen waarna het continu blijft
branden. Er verschijnt tevens een melding
op het instrumentenpaneel.
09 Wielen en banden
Gerelateerde informatie
•
TPMS (Tyre Pressure Monitoring System)*
- algemeen (p. 335)
•
TPMS (Tyre Pressure Monitoring System)*
- aanpassen (herkalibreren) (p. 336)
•
TPMS (Tyre Pressure Monitoring System)*
- bij een lage bandenspanning (p. 340)
•
TPMS (Tyre Pressure Monitoring System)*
- activeren/deactiveren (p. 338)
•
TPMS (Tyre Pressure Monitoring System)*
- adviezen (p. 338)
•
TPMS (Tyre Pressure Monitoring System)*
- runflat-banden* (p. 339)
•
Status TPMS (Tyre Pressure Monitoring
System)* (p. 337)
TPMS (Tyre Pressure Monitoring
System)*9 - algemeen
Het bandenspanningscontrolesysteem TPMS
(Tyre Pressure Monitoring System)* waarschuwt u, wanneer de spanning in één of
meer banden te laag is.
Het bandenspanningscontrolesysteem maakt
gebruik van sensoren in de ventielen van de
banden. Bij snelheden van ca. 30 km/h controleert het systeem de bandenspanning. Bij
een te lage spanning gaat het waarschuwingslampje
op het instrumentenpaneel branden en verschijnt een van de volgende meldingen:
• Bandenspanning laag Controleer
• Band moet worden opgepompt Contr.
• Bandensp.systeem Service vereist
Bij gebruik van wielen zonder TPMS-sensor
of een kapotte sensor, verschijnt de melding
Bandensp.systeem Service vereist.
Controleer het systeem altijd na het verwisselen van wielen om er zeker van te zijn dat de
vervangende wielen compatibel zijn met het
systeem.
Voor informatie over de juiste bandenspanning, zie Banden - bandenspanning (p. 332).
Ook mét dit systeem moet u het normale
onderhoud aan de banden blijven plegen.
band rechtsvoor
BELANGRIJK
• Bandenspanning laag Controleer
Als er een storing optreedt in het TPMS,
gaat het waarschuwingslampje
op het
instrumentenpaneel eerst ca. 1 minuut
lang knipperen waarna het continu blijft
branden. Er verschijnt tevens een melding
op het instrumentenpaneel.
band linksvoor
• Bandenspanning laag Controleer
band rechtsachter
• Bandenspanning laag Controleer
band linksachter
• Band moet worden opgepompt Contr.
rechtsvoor
• Band moet worden opgepompt Contr.
linksvoor
• Band moet worden opgepompt Contr.
rechtsacht.
9
09
linksacht.
Gerelateerde informatie
•
TPMS (Tyre Pressure Monitoring System)*
- aanpassen (herkalibreren) (p. 336)
•
TPMS (Tyre Pressure Monitoring System)*
- bij een lage bandenspanning (p. 340)
Standaard op bepaalde markten.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
335
09 Wielen en banden
09
•
TPMS (Tyre Pressure Monitoring System)*
- activeren/deactiveren (p. 338)
•
TPMS (Tyre Pressure Monitoring System)*
- adviezen (p. 338)
•
TPMS (Tyre Pressure Monitoring System)*
- runflat-banden* (p. 339)
•
Status TPMS (Tyre Pressure Monitoring
System)* (p. 337)
TPMS (Tyre Pressure Monitoring
System)*16 - aanpassen
(herkalibreren)
Het bandenspanningscontrolesysteem TPMS
(Tyre Pressure Monitoring System)* waarschuwt u, wanneer de spanning in één of
meer banden te laag is.
Om de aanbevolen bandenspanning (p. 332)
van Volvo aan te kunnen houden is het mogelijk het TPMS af te stellen, bijvoorbeeld bij een
zware belading.
N.B.
De auto moet stilstaan bij het starten van
de kalibratie.
U verricht instellingen met de knoppen op de
middenconsole, zie MY CAR (p. 108).
1. Pomp de banden op tot de gewenste
spanning zoals aangegeven op de bandenspanningssticker die op de B-stijl aan
bestuurderszijde (tussen voor- en achterportier) zit.
2. Start de motor.
3. Open het menusysteem MY CAR om
naar de menu’s voor bandenspanning te
gaan.
4. Kies Bandenspanning kalibreren en
druk op OK.
16
336
Standaard op bepaalde markten.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
5. Rijd ten minste 10 minuten op een snelheid van 30 km/h of hoger.
> Op het teken van de bestuurder vindt
automatisch kalibratie plaats. Het systeem geeft geen bevestiging na afloop
van de kalibratie.
Gerelateerde informatie
•
Bandenspanningscontrolesysteem*
(p. 334)
•
Banden - bandenspanning (p. 332)
09 Wielen en banden
Status TPMS (Tyre Pressure
Monitoring System)*18
Het bandenspanningscontrolesysteem TPMS
(Tyre Pressure Monitoring System)* waarschuwt u, wanneer de spanning in één of
meer banden te laag is.
Status systeem en banden
De status van het systeem en de banden zijn
te controleren, zie MY CAR (p. 108).
1. Kies het menusysteem MY CAR om de
menu’s voor bandenspanningscontrole te
openen.
2. Kies Bandenspanning.
De status wordt voor alle banden afzonderlijk
aangegeven met een bepaalde kleur:
•
Alle wielen groen: het systeem werkt naar
behoren en voor alle banden ligt de
actuele bandenspanning iets boven het
aanbevolen niveau.
•
Eén oranje wiel: de bandenspanning van
het desbetreffende wiel is te gering.
•
Eén rood wiel: de bandenspanning van
het desbetreffende wiel is veel te laag.
•
18
Alle wielen grijs: het systeem is op dit
moment niet beschikbaar. Om het systeem weer te activeren moet u mogelijk
enkele minuten in de auto rijden op een
snelheid hoger dan 30 km/h.
•
Alle wielen grijs in combinatie met de
melding Bandensp.systeem Service
vereist: er is een storing opgetreden in
het systeem. Neem contact op met een
Volvo-dealer of -werkplaats.
N.B.
•
Het TPMS hanteert een zogeheten
spanningswaarde die gecorrigeerd
wordt op basis van de banden- en buitentemperatuur. Dit betekent dat de
bandenspanning iets kan afwijken van
de aanbevolen spanningswaarden die
staan aangegeven op de bandenspanningssticker op de B-stijl aan bestuurderszijde (tussen voor- en achterportier). Het is mogelijk dat u de banden
tot een iets hogere waarde moet
oppompen om de melding voor een
lage bandenspanning te laten verdwijnen.
•
Controleer de bandenspanning bij
koude banden om de verkeerde bandenspanning tegen te gaan. Koude
banden hebben dezelfde temperatuur
als de omgeving (na ca. 3 uur stilstand). Al na enkele kilometers rijden
worden de banden warm en loopt de
spanning op.
•
Een verkeerde bandenspanning kan
tot bandenpech leiden, waarbij u de
controle over de auto kunt verliezen.
•
Het systeem kan plotselinge bandenschade onmogelijk voorzien.
Waarschuwingsmeldingen verwijderen
Als er een bandenspanningsmelding is verschenen en het waarschuwingslampje voor
TPMS brandt:
1. Controleer met een manometer de bandenspanning in de aangegeven band(en).
2. Pomp de band(en) op tot de juiste spanning zoals aangegeven op de bandenspanningssticker op de B-stijl aan
bestuurderszijde (tussen voor- en achterportier).
3. Om de waarschuwingsmelding te verwijderen moet u soms enkele minuten in de
auto rijden op een snelheid hoger dan
30 km/h. In dat geval dooft het waarschuwingslampje voor TPMS ook.
09
WAARSCHUWING
Standaard op bepaalde markten.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
337
09 Wielen en banden
09
||
Gerelateerde informatie
•
Bandenspanningscontrolesysteem*
(p. 334)
TPMS (Tyre Pressure Monitoring
System)*20 - activeren/deactiveren
TPMS (Tyre Pressure Monitoring
System)*23 - adviezen
Het bandenspanningscontrolesysteem TPMS
(Tyre Pressure Monitoring System)* waarschuwt u, wanneer de spanning in één of
meer banden te laag is.
Het bandenspanningscontrolesysteem TPMS
(Tyre Pressure Monitoring System)* waarschuwt u, wanneer de spanning in één of
meer banden te laag is.
N.B.
De auto moet stilstaan bij het activeren/
deactiveren van het bandenspanningscontrolesysteem.
U verricht instellingen met de knoppen op de
middenconsole, zie MY CAR (p. 108).
1. Start de motor.
2. Open het menusysteem MY CAR om
naar de menu’s voor bandenspanning te
gaan.
3. Kies Bandenspanning en druk op OK.
> Bij het activeren van het systeem verschijnt een X op het informatiedisplay.
Het verdwijnt als u het systeem deactiveert21.
Gerelateerde informatie
•
20
21
23
338
Standaard op bepaalde markten.
Alleen op bepaalde markten.
Standaard op bepaalde markten.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Bandenspanningscontrolesysteem*
(p. 334)
•
Volvo adviseert TPMS-sensoren te laten
monteren op alle wielen (zomer- en winterbanden) van de auto.
•
Volvo raadt het af sensoren van het ene
wiel over te zetten op een ander wiel.
•
Het reservewiel is niet voorzien van een
TMPS-sensor.
•
Bij gebruik van een reservewiel of ander
wiel zonder TPMS-sensor verschijnt de
foutmelding Bandensp.systeem
Service vereist op het instrumentenpaneel.
•
Bij aanpassing van een van de wielen of
verhuizing van de TPMS-sensor naar een
ander wiel moeten afdichting, moer en
ventielinzetstuk worden vervangen.
•
Bij montage van een TPMS-sensor moet
de auto minstens 15 minuten hebben stilgestaan, omdat anders een foutmelding
op het instrumentenpaneel verschijnt.
09 Wielen en banden
WAARSCHUWING
Houd bij het oppompen van een band met
TMPS het mondstuk recht tegen het ventiel aan om het ventiel niet te beschadigen.
N.B.
•
•
Na het oppompen van een band moet
u altijd het ventieldopje terugzetten om
schade aan het ventiel door grind, vuil
e.d. te voorkomen.
Gebruik alleen kunststof dopjes. Metalen ventieldopjes kunnen roesten en
zijn moeilijk los te draaien.
N.B.
Als u een andere bandenmaat wilt monteren, moet het TPMS geherconfigureerd
wordt. Neem voor meer informatie contact
op met een Volvo-dealer.
Gerelateerde informatie
•
25
Bandenspanningscontrolesysteem*
(p. 334)
TPMS (Tyre Pressure Monitoring
System)*25 - runflat-banden*
WAARSCHUWING
09
Laat de montage van SST-banden over
aan de vakman.
Als er zogeheten runflat-banden (SST-banden, Self Supporting run flat Tires)* op de
auto zitten, hebt u ook TPMS (p. 334).
Gebruik SST-banden alleen in combinatie
met TPMS.
Dergelijke banden zijn voorzien van een speciaal verstevigde zijwand, zodat u ook als de
lucht geheel of gedeeltelijk uit de band ontsnapt is, enige tijd kunt blijven rijden. Deze
banden zijn op speciale velgen gemonteerd.
(Om dergelijke velgen kunnen ook standaardbanden worden gelegd.)
Rijd niet sneller dan 80 km/h, nadat er een
waarschuwingsmelding voor een lage bandenspanning is verschenen.
Als de bandenspanning van een SST-band
daalt, gaat het oranje TPMS-lampje op het
instrumentenpaneel branden en verschijnt er
een melding op het informatiedisplay. Houd in
dat geval een snelheid van maximaal 80 km/h
aan en laat de band zo spoedig mogelijk vervangen.
Vervang een SST-band bij beschadiging of
lekkage.
Vervang de lekke band na maximaal 80
kilometer rijden.
Rijd voorzichtig en vermijd snelle afremmanoeuvres of scherpe bochten.
Gerelateerde informatie
•
Bandenspanningscontrolesysteem*
(p. 334)
Rijd voorzichtig omdat het niet altijd duidelijk
is welke band er lek is. Controleer altijd alle
vier de banden om na te gaan welke band er
moet worden vervangen.
Standaard op bepaalde markten.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
339
09 Wielen en banden
09
TPMS (Tyre Pressure Monitoring
System)*27 - bij een lage
bandenspanning
Het bandenspanningscontrolesysteem TPMS
(Tyre Pressure Monitoring System)28 waarschuwt u, wanneer de spanning in één of
meer banden te laag is en om welke band het
gaat. Het lampje brandt de eerste indicatie
met een oranje licht: stop dan onmiddellijk en
controleer de bandenspanning. Wanneer het
lampje met een rood licht brandt, moet u
onmiddellijk stoppen en de bandenspanning
corrigeren.
Als op het display de melding verschijnt dat
de bandenspanning laag is:
1. Controleer de bandenspanning van de
desbetreffende band.
2. Pomp de band(en) tot de juiste spanning
op.
Het TM (Tyre Monitor)-systeem bepaalt aan
de hand van de draaisnelheid van de banden
of de bandenspanning in orde is. Bij een te
geringe spanning verandert de diameter en
daarmee ook de draaisnelheid van de band.
Aan de hand van onderlinge vergelijkingen
kan het systeem vaststellen of de spanning in
een of meer banden te gering is.
Meldingen
Bij een te lage bandenspanning gaat het
waarschuwingslampje ( ) op het instrumentenpaneel branden en verschijnt een van de
volgende meldingen:
• Bandenspanning laag Controleer
band rechtsvoor
• Bandenspanning laag Controleer
band linksvoor
• Bandenspanning laag Controleer
band rechtsachter
3. Rijd ten minste enkele minuten in de auto
op een snelheid van 30 km/h of hoger en
ga na of de melding verdwijnt.
• Bandenspanning laag Controleer
Gerelateerde informatie
• Bandenspanning laag Controleer
•
27
28
30
340
TM (Tyre Monitor)*30
Bandenspanningscontrolesysteem*
(p. 334)
Standaard op bepaalde markten.
Optie op bepaalde markten.
Standaard op bepaalde markten.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
band linksachter
banden
• Bandensp.systeem Service vereist
BELANGRIJK
Als er een storing optreedt in het TM, gaat
het waarschuwingslampje
op het
instrumentenpaneel eerst ca. 1 minuut
lang knipperen waarna het continu blijft
branden. Er verschijnt tevens een melding
op het instrumentenpaneel.
Ook mét dit systeem moet u het normale
onderhoud aan de banden blijven plegen.
TM herkalibreren
TM kan alleen correct werken, wanneer er
een referentiewaarde voor de bandenspanning is vastgesteld. Dit moet na iedere bandenwissel of wijziging in de bandenspanning
gebeuren.
09 Wielen en banden
Herkalibreren
actuele bandenspanning iets boven het
aanbevolen niveau.
N.B.
U verricht instellingen met de knoppen op de
middenconsole, zie MY CAR (p. 108).
Let erop dat u het TM na iedere bandenwissel of aanpassing van de bandenspanning moet herprogrammeren. Als er geen
nieuwe referentiewaarden worden opgeslagen, kan het systeem niet goed werken.
1. Schakel het contact uit.
2. Pomp de band(en) op tot de gewenste
spanning zoals aangegeven op de bandenspanningssticker die op de B-stijl aan
bestuurderszijde (tussen voor- en achterportier) zit en kies de sleutelstand II, zie
Sleutelstanden (p. 76).
N.B.
•
3. Open het menusysteem MY CAR om
naar de menu’s voor bandenspanning te
gaan.
•
4. Kies Bandenspanning kalibreren en
druk op OK.
Na het oppompen van een band moet
u altijd het ventieldopje terugzetten om
schade aan het ventiel door grind, vuil
e.d. te voorkomen.
Gebruik alleen kunststof dopjes. Metalen ventieldopjes kunnen roesten en
zijn moeilijk los te draaien.
5. Start de auto en maak een rit.
> Tijdens de rit vindt de herkalibratie
plaats die op ieder gewenst moment
kan worden afgebroken. Wordt de
motor afgezet tijdens een lopende herkalibratie, wordt deze tijdens een volgende rit voortgezet.
Status systeem en banden
Het TM is daarmee geherkalibreerd waarna
de nieuwe referentiewaarde van kracht is, totdat u de stappen 1–5 herhaalt.
2. Kies Bandmonitoring.
De status van het systeem en de banden zijn
te controleren, zie MY CAR (p. 108).
1. Kies het menusysteem MY CAR om de
menu’s voor bandenspanningscontrole te
openen.
De status wordt voor alle banden afzonderlijk
aangegeven met een bepaalde kleur:
•
Alle wielen groen: het systeem werkt naar
behoren en voor alle banden ligt de
•
Eén oranje wiel: de bandenspanning van
het desbetreffende wiel is te gering.
•
Alle wielen oranje: de bandenspanning
van twee of meer wielen is te gering.
•
Alle wielen grijs: het systeem is op dit
moment niet beschikbaar. Om het systeem weer te activeren moet u mogelijk
enkele minuten in de auto rijden op een
snelheid hoger dan 30 km/h.
•
Alle wielen grijs in combinatie met de
melding Bandensp.systeem Service
vereist: er is een storing opgetreden in
het systeem. Neem contact op met een
Volvo-dealer of -werkplaats.
09
Waarschuwingsmeldingen verwijderen
Als er een bandenspanningsmelding is verschenen en het waarschuwingslampje voor
TPI brandt:
1. Controleer met een manometer de bandenspanning in de aangegeven band(en).
2. Pomp de band(en) op tot de juiste spanning zoals aangegeven op de bandenspanningssticker op de B-stijl aan
bestuurderszijde (tussen voor- en achterportier).
3. Herkalibreer het TM-systeem.
}}
341
09 Wielen en banden
09
N.B.
•
•
Het TM hanteert een zogeheten spanningswaarde die gecorrigeerd is op
basis van de banden- en buitentemperatuur. Dit betekent dat de bandenspanning iets kan afwijken van de aanbevolen spanningswaarden die staan
aangegeven op de bandenspanningssticker op de B-stijl aan bestuurderszijde (tussen voor- en achterportier).
Het is mogelijk dat u de banden tot
een iets hogere waarde moet oppompen om de melding voor een lage bandenspanning te laten verdwijnen.
Controleer de bandenspanning bij
koude banden om de verkeerde bandenspanning tegen te gaan. Koude
banden hebben dezelfde temperatuur
als de omgeving (na ca. 3 uur stilstand). Al na enkele kilometers rijden
worden de banden warm en loopt de
spanning op.
WAARSCHUWING
342
•
Een verkeerde bandenspanning kan
tot bandenpech leiden, waarbij u de
controle over de auto kunt verliezen.
•
Het systeem kan plotselinge bandenschade onmogelijk voorzien.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Noodreparatie banden*
Een noodreparatieset voor banden* (TMK Temporary Mobility Kit) wordt gebruikt om
een gat te dichten en om de bandenspanning
te controleren en aan te passen. De bandenspanning voor de aanbevolen bandenmaat
staat in de gedrukte Gebruikershandleiding.
De noodreparatieset voor banden bestaat uit
een compressor en een bus met afdichtmiddel. Het afdichtmiddel dient om noodreparaties uit te voeren. De fles met het afdichtmiddel moet worden vervangen voordat de houdbaarheidsdatum is verstreken en tevens na
het gebruik. Het afdichtmiddel dicht banden
met een lek in het loopvlak effectief af.
N.B.
De bandenreparatieset is uitsluitend
bedoeld voor het repareren van banden
met een lek in het loopvlak.
De noodreparatieset voor banden leent zich
minder goed voor banden met een gat in het
zijvlak. Probeer geen banden met de noodreparatieset voor banden af te dichten die grote
groeven, scheuren en dergelijke vertonen.
Sluit een compressor aan op een van de
12V-aansluitingen in de auto. Gebruik de
elektrische aansluiting die het dichtst bij de
lekke band zit.
N.B.
De compressor voor provisorische bandenreparatie is door Volvo getest en goedgekeurd.
Gerelateerde informatie
•
Noodreparatieset voor banden* - bediening (p. 345)
•
Noodreparatieset voor banden* - reparatieresultaat controleren (p. 346)
•
Noodreparatieset voor banden* - overzicht (p. 344)
09 Wielen en banden
Noodreparatieset voor banden* positie
5. Til de TMK-compressor recht omhoog.
6. Om bij de fles met afdichtmiddel te
komen, moet de fles naar links worden
geschoven tot de fles uit het schuimblok
kan worden getild.
Een noodreparatieset voor banden (TMK Temporary Mobility Kit) wordt gebruikt om
een gat te dichten en om de bandenspanning
te controleren en aan te passen. De bandenspanning voor de aanbevolen bandenmaat
staat in de gedrukte Gebruikershandleiding.
N.B.
Om bij het sleepoog/de wielsleutel in het
schuimrubber blok te komen:
Locatie noodreparatieset voor banden
•
Versie 1: Til de compressoreenheid
van de noodreparatieset voor banden
(punt 5) op om bij de wielsleutel te
komen. Til de bus met afdichtmiddel
eruit (punt 6) om bij het sleepoog te
komen.
•
Versie 2: Til de compressoreenheid
van de noodreparatieset voor banden
(punt 5) op om bij het sleepoog te
komen. De wielsleutel ligt onder de
krik.
Versie 2.
Zet een gevarendriehoek op bij het afdichten
van een band langs een drukke weg. De
gevarendriehoek en de noodreparatieset voor
banden zitten onder de vloer in de bagageruimte.
Versie 1.
09
1. Til de achterkant van de laadvloer op (bij
modellen met gelede laadvloer: pak de
handgreep vast, til de vloer op en beweeg
de achterkant van de vloer naar voren).
2. Pak het opbergvak (accessoire) weg –
alleen voor modellen met gelede laadvloer.
3. Til de ondervloer weg (alleen voor modellen met gelede laadvloer).
4. Haak het elastische deel van de band
over de linkerkant van de TMK-compressor los.
Na gebruik moet de band weer aan de linkerkant worden vastgehaakt.
Versie 1: Haal de band achter het schuimrubber blok langs (niet eroverheen).
Versie 2: Zorgt dat de band in de haak achter
op het schuimrubber blok komt liggen.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
343
09 Wielen en banden
09
||
Gerelateerde informatie
•
Noodreparatieset voor banden* - overzicht (p. 344)
•
Noodreparatieset voor banden* - afdichtmiddel (p. 349)
•
Noodreparatie banden* (p. 342)
Noodreparatieset voor banden* overzicht
Een noodreparatieset voor banden (TMK Temporary Mobility Kit) wordt gebruikt om
een gat te dichten en om de bandenspanning
te controleren en aan te passen. De bandenspanning voor de aanbevolen bandenmaat
staat in de gedrukte Gebruikershandleiding.
Sticker, toegestane maximumsnelheid
Knop
Kabel
Bushouder (oranje deksel)
Beschermdop
Drukreduceerventiel
Luchtslang
344
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Bushouder met afdichtmiddel
Manometer
Gerelateerde informatie
•
Noodreparatieset voor banden* - positie
(p. 343)
•
Noodreparatieset voor banden* - afdichtmiddel (p. 349)
•
•
Noodreparatie banden* (p. 342)
Noodreparatieset voor banden* - onderdelen terugplaatsen (p. 348)
09 Wielen en banden
Noodreparatieset voor banden* bediening
De noodreparatieset voor banden* (TMK Temporary Mobility Kit) wordt gebruikt om
een gat te dichten en om de bandenspanning
te controleren en aan te passen. De bandenspanning voor de aanbevolen bandenmaat
staat in de gedrukte Gebruikershandleiding.
Noodreparatie banden
1. Verwijder de sticker met de toegestane
maximumsnelheid (die aan de ene kant
van de compressor zit) en bevestig deze
op het stuurwiel.
WAARSCHUWING
De snelheid mag niet hoger dan 80 km/h
zijn nadat de provisorische bandenreparatie is gebruikt. Volvo adviseert u om een
erkende Volvo-werkplaats te bezoeken
voor een inspectie van de gerepareerde
band (maximaal 200 km rijden). Het personeel kan bepalen of de band kan worden
gemaakt of moet worden vervangen.
WAARSCHUWING
Het afdichtmiddel kan de huid irriteren. Bij
huidcontact het middel direct met zeep en
water afspoelen.
4. Draai de bus in de bushouder vast.
09
WAARSCHUWING
Draai de bus niet los, aangezien deze een
blokkering heeft om lekkage te voorkomen.
5. Draai het ventieldopje van het wiel los en
schroef de ventielaansluiting van de
luchtslang zo ver mogelijk op het ventiel
van de band.
6. Sluit de kabel op een 12V-aansluiting aan
en start de motor.
WAARSCHUWING
Laat kinderen niet zonder toezicht in de
auto achter als de motor draait.
2. Controleer of de knop in stand 0 staat en
neem de kabel en de luchtslang erbij.
N.B.
Voor het gebruik de verzegeling van de
bus niet verbreken. Bij het indraaien van
de bus wordt de verzegeling automatisch
verbroken.
Voor informatie over de functie van de onderdelen, zie Noodreparatieset voor banden.
3. Draai de oranje beschermdop los evenals
de dop op de bus met afdichtmiddel.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
345
09 Wielen en banden
09
||
7. Zet de knop in stand I.
WAARSCHUWING
Ga nooit naast de band staan terwijl de
compressor aan het pompen is. Bij barsten, oneffenheden en dergelijke dient u
de compressor onmiddellijk uit te schakelen. Beëindig in dat geval de rit. Het wordt
dan geadviseerd een erkende bandenwerkplaats te bezoeken.
9. Schakel de compressor uit om de bandenspanning van de manometer af te
lezen. De bandenspanning dient minimaal
1,8 bar en maximaal 3,5 bar te bedragen.
(Laat eventueel lucht ontsnappen met het
drukreduceerventiel, als de bandenspanning te hoog is.)
WAARSCHUWING
Als de bandenspanning lager is dan 1,8
bar, is het gat in de band te groot. Beëindig in dat geval de rit. Het wordt dan geadviseerd een erkende bandenwerkplaats te
bezoeken.
N.B.
Als de compressor start, kan de druk tot 6
bar toenemen. De druk daalt echter na ca.
30 seconden.
8. Vul de band 7 minuten lang met afdichtmiddel.
BELANGRIJK
Kans op oververhitting. De compressor
mag niet langer dan 10 minuten werken.
11. Koppel de slang los van het ventiel en
plaats het ventieldopje terug.
12. Leg zo spoedig mogelijk na de reparatie
ca. 3 km af bij een snelheid van maximaal
80 km/h, zodat het afdichtmiddel de band
kan afdichten.
•
•
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
noodreparatie (p. 342) is mogelijk met de
noodreparatieset voor banden (p. 344)* (TMK
- Temporary Mobility Kit), die wordt gebruikt
om een gat te dichten en om de bandenspanning te controleren en aan te passen.
Bandenspanning controleren
1. Sluit de noodreparatieset voor banden
weer aan.
2. Lees de bandenspanning van de manometer af.
•
Als de spanning lager is dan 1,3 bar,
werd de band onvoldoende afgedicht.
Beëindig in dat geval de rit. Neem contact op met een erkende Volvo-werkplaats.
•
Als de bandenspanning hoger is dan
1,3 bar, moet u de band oppompen tot
de spanning die staat aangegeven in
de bandenspanningstabel in de
gedrukte Gebruikershandleiding (1 bar
= 100 kPa). Laat lucht uit de band ontsnappen, als de bandenspanning te
hoog is.
10. Schakel de compressor uit en trek de
kabel los uit de 12V-aansluiting.
Gerelateerde informatie
346
Noodreparatieset voor banden* reparatieresultaat controleren
Noodreparatie banden* (p. 342)
Noodreparatieset voor banden* - reparatieresultaat controleren (p. 346)
•
Noodreparatieset voor banden* - overzicht (p. 344)
•
Noodreparatieset voor banden* - onderdelen terugplaatsen (p. 348)
09 Wielen en banden
WAARSCHUWING
Draai de bus niet los, aangezien deze een
blokkering heeft om lekkage te voorkomen.
U wordt geadviseerd om naar de dichtstbijzijnde erkende Volvo-werkplaats te rijden en
er de beschadigde band te laten vervangen/
repareren. Geef aan het werkplaatspersoneel
door dat er afdichtmiddel in de band zit.
3. Zorg dat de compressor uitstaat. Koppel
de luchtslang en de kabel los. Plaats het
ventieldopje terug.
WAARSCHUWING
De snelheid mag niet hoger dan 80 km/h
zijn nadat de provisorische bandenreparatie is gebruikt. Volvo adviseert u om een
erkende Volvo-werkplaats te bezoeken
voor een inspectie van de gerepareerde
band (maximaal 200 km rijden). Het personeel kan bepalen of de band kan worden
gemaakt of moet worden vervangen.
4. Vouw de slang in de bak een laat de fles
liggen. Leg de TMK in de bagageruimte.
N.B.
•
•
Na het oppompen van een band moet
u altijd het ventieldopje terugzetten om
schade aan het ventiel door grind, vuil
e.d. te voorkomen.
Gebruik alleen kunststof dopjes. Metalen ventieldopjes kunnen roesten en
zijn moeilijk los te draaien.
N.B.
Vervang de bus met afdichtmiddel en de
slang na gebruik. Volvo adviseert u het
vervangen over te laten aan een erkende
Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Controleer de bandenspanning regelmatig.
Gerelateerde informatie
•
Noodreparatieset voor banden* - bediening (p. 345)
•
Noodreparatieset voor banden* - onderdelen terugplaatsen (p. 348)
Band oppompen met de
noodreparatieset voor banden*
09
De originele banden van de auto zijn op te
pompen met de compressor uit de noodreparatieset voor banden.
1. De compressor moet uitstaan. Zorg dat
de knop in stand 0 staat en neem de
kabel en de luchtslang erbij.
2. Draai het ventieldopje van het wiel los en
schroef de ventielaansluiting van de
luchtslang zo ver mogelijk op het ventiel
van de band.
WAARSCHUWING
Het inademen van uitlaatgassen kan
levensgevaarlijk zijn. Laat de motor nooit
draaien in ruimten die afgesloten zijn of
onvoldoende ventilatie hebben.
WAARSCHUWING
Laat kinderen niet zonder toezicht in de
auto achter als de motor draait.
3. Sluit de kabel aan op een van de
12V-aansluitingen in de auto en start de
motor.
4. Schakel de compressor in door de knop
in stand I te zetten.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
347
09 Wielen en banden
09
||
BELANGRIJK
Kans op oververhitting. De compressor
mag niet langer dan 10 minuten werken.
5. Pomp de band op tot de druk die in de
bandenspanningstabel in de gedrukte
Gebruikershandleiding staat aangegeven.
(Laat eventueel lucht ontsnappen met het
drukreduceerventiel, als de bandenspanning te hoog is.)
Noodreparatieset voor banden* onderdelen terugplaatsen
Plaats na gebruik van de noodreparatieset
voor banden de onderdelen terug in het
schuimrubber blok.
6. Schakel de compressor uit. Koppel de
luchtslang en de kabel los.
Versie 2.
7. Plaats het ventieldopje terug.
Plaats de onderdelen in de aangegeven volgorde terug in het schuimrubber blok:
Gerelateerde informatie
•
•
1. Dopsleutel
Noodreparatie banden* (p. 342)
Noodreparatieset voor banden* - overzicht (p. 344)
Versie 1.
Plaats de onderdelen in de aangegeven volgorde terug in het schuimrubber blok:
1. Sleepoog/dopsleutel
2. Bus (vanaf de zijkant naar binnen duwen)
3. TMK-set
4. Trechter
5. Krik
6. Torx-sleutel
7. Trekhaak
348
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
2. Sleepoog
3. Bus
4. TMK-set
5. Krik
Gerelateerde informatie
•
•
Noodreparatie banden* (p. 342)
Noodreparatieset voor banden* - bediening (p. 345)
•
Noodreparatieset voor banden* - reparatieresultaat controleren (p. 346)
•
Noodreparatieset voor banden* - overzicht (p. 344)
09 Wielen en banden
09
Noodreparatieset voor banden* afdichtmiddel
De verpakking (bus) in de noodreparatieset
voor banden (p. 344) bevat afdichtmiddel en
is te vervangen.
Vervang de bus voordat de houdbaarheidsdatum verstreken is. Behandel de vervangen
bus als klein chemisch afval (KCA).
WAARSCHUWING
De bus bevat 1,2-Ethanol en natuurrubberlatex.
Gevaarlijk bij inname. Kan bij huidcontact
allergie veroorzaken.
Contact met de huid en ogen vermijden.
Buiten bereik van kinderen bewaren.
Gerelateerde informatie
•
•
Noodreparatie banden* (p. 342)
Noodreparatieset voor banden* - positie
(p. 343)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
349
09 Wielen en banden
09
Typegoedkeuring bandenspanningscontrole
De typegoedkeuring voor de sensoren van het
bandenspanningscontrolesysteem - TPMS
350
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
(Tyre Pressure Monitoring System)* staat in de
tabel.
09 Wielen en banden
Land/regio
09
Brazilië
Oekraïne
}}
351
09 Wielen en banden
09
||
Land/regio
Israël
352
09 Wielen en banden
Verklaring van overeenstemming (Declaration of Conformity)
09
Land/regio
Landen binnen
de EU:
Exportland: Duitsland
Producent: Continental Automotive GmbH
Type uitrusting: TPMS-eenheid
Tsjechië:
Continental tímto prohlašuje, že tento Radio Transmitter je ve shodě se základními požadavky a dalšími příslušnými
ustanoveními směrnice 1999/5/ES.
}}
353
09 Wielen en banden
09
354
||
Land/regio
Denemarken:
Undertegnede Continental erklærer herved, at følgende udstyr Radio Transmitter overholder de væsentlige krav og øvrige
relevante krav i direktiv 1999/5/EF.
Duitsland:
Hiermit erklärt Continental, dass sich das Gerät Radio Transmitter in Übereinstimmung mit den grundlegenden Anforderungen
und den übrigen einschlägigen Bestimmungen der Richtlinie 1999/5/EG befindet.
Estland:
Käesolevaga kinnitab Continental seadme Radio Transmitter vastavust direktiivi 1999/5/EÜ põhinõuetele ja nimetatud
direktiivist tulenevatele teistele asjakohastele sätetele.
Groot-Brittannië:
Hereby, Continental declares that this Radio Transmitter is in compliance with the essential requirements and other relevant
provisions of Directive 1999/5/EC.
Spanje:
Por medio de la presente Continental declara que el Radio Transmitter cumple con los requisitos esenciales y cualesquiera
otras disposiciones aplicables o exigibles de la Directiva 1999/5/CE.
Griekenland:
ΜΕ ΗΝ ΠΑΡΟ ΣΑ Continental ΗΛΩΝΕ Ο Radio Transmitter Σ ΜΜΟΡΦΩΝΕ Α ΠΡΟΣ
Σ ΛΟ ΠΕΣ ΣΧΕ
ΕΣ Α ΑΞΕ Σ ΗΣ Ο Η ΑΣ 1999/5/Ε .
Frankrijk:
Par la présente Continental déclare que l'appareil Radio Transmitter est conforme aux exigences essentielles et aux autres
dispositions pertinentes de la directive 1999/5/CE.
Italië:
Con la presente Continental dichiara che questo Radio Transmitter è conforme ai requisiti essenziali ed alle altre disposizioni
pertinenti stabilite dalla direttiva 1999/5/CE.
Letland:
Ar šo Continental deklarē, ka Radio Transmitter atbilst Direktīvas 1999/5/EK būtiskajām prasībām un citiem ar to saistītajiem
noteikumiem.
Litouwen:
Šiuo Continental deklaruoja, kad šis Radio Transmitter atitinka esminius reikalavimus ir kitas 1999/5/EB Direktyvos nuostatas.
Nederland:
Hierbij verklaart Continental dat het toestel Radio Transmitter in overeenstemming is met de essentiële eisen en de andere
relevante bepalingen van richtlijn 1999/5/EG.
Malta:
Hawnhekk, Continental, jiddikjara li dan Radio Transmitter jikkonforma mal-ħtiġijiet essenzjali u ma provvedimenti oħrajn
relevanti li hemm fid-Dirrettiva 1999/5/EC.
Σ Ο Σ Ω Ε Σ ΑΠΑ ΗΣΕ Σ Α
09 Wielen en banden
09
Land/regio
Hongarije:
Alulírott, Continental nyilatkozom, hogy a Radio Transmitter megfelel a vonatkozó alapvetõ követelményeknek és az
1999/5/EC irányelv egyéb elõírásainak.
Polen:
Niniejszym Continental oświadcza, że Radio Transmitter jest zgodny z zasadniczymi wymogami oraz pozostałymi stosownymi
postanowieniami Dyrektywy 1999/5/EC.
Portugal:
Continental declara que este Radio Transmitter está conforme com os requisitos essenciais e outras disposições da Directiva
1999/5/CE.
Slovenië:
Continental izjavlja, da je ta Radio Transmitter v skladu z bistvenimi zahtevami in ostalimi relevantnimi določili direktive
1999/5/ES.
Slowakije:
Continental týmto vyhlasuje, že Radio Transmitter spĺňa základné požiadavky a všetky príslušné ustanovenia Smernice
1999/5/ES.
Finland:
Continental vakuuttaa täten että Radio Transmitter tyyppinen laite on direktiivin 1999/5/EY oleellisten vaatimusten ja sitä
koskevien direktiivin muiden ehtojen mukainen.
Zweden:
Härmed intygar Continental att denna Radio Transmitter står I överensstämmelse med de väsentliga egenskapskrav och
övriga relevanta bestämmelser som framgår av direktiv 1999/5/EG.
IJsland:
Hér með lýsir Continental yfir því að Radio Transmitter er í samræmi við grunnkröfur og aðrar kröfur, sem gerðar eru í tilskipun
1999/5/EC.
Noorwegen:
Continental erklærer herved at utstyret Radio Transmitter er i samsvar med de grunnleggende krav og øvrige relevante krav i
direktiv 1999/5/EF.
Gerelateerde informatie
•
Bandenspanningscontrolesysteem*
(p. 334)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
355
ONDERHOUD EN SERVICE
10 Onderhoud en service
Serviceprogramma van Volvo
Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid
en betrouwbaarheid van de auto op een hoog
peil te houden, dient u de voorschriften van
het Serviceprogramma van Volvo op te volgen
zoals die omschreven staan in het Service- en
garantieboekje van Volvo.
Volvo adviseert u om service- en onderhoudswerkzaamheden over te laten aan een
erkende Volvo-werkplaats. Volvo-werkplaatsen beschikken over het personeel, het speciale gereedschap en de servicehandboeken
waardoor zij u een zo hoog mogelijke servicekwaliteit kunnen garanderen.
BELANGRIJK
Om de garantie van Volvo te laten gelden,
moet u het Service- en garantieboekje
controleren en volgen.
Gerelateerde informatie
•
1
2
Klimaatregeling - storingen opsporen en
verhelpen (p. 370)
Afspraak maken voor servicebeurt en
reparatie*1
–
Geef de Volvo-dealer van uw keuze aan
voor service en reparatie.
Informatie over geplande afspraken voor service en reparatie bekijken vanuit een auto met
internetverbinding.
–
Geef uw communicatievoorkeur aan (sms
of telefoon). Eventuele boekingsgegevens
worden altijd naar de auto gestuurd en
per e-mail toegezonden.
Deze dienst vormt een handige manier om
rechtstreeks vanuit de auto een afspraak voor
service of reparatie te maken. De autogegevens worden doorgestuurd naar uw dealer ter
voorbereiding op het werkplaatsbezoek. De
dealer neemt contact met u op om een
afspraak te plannen. Op bepaalde markten
herinnert het systeem u tijdig aan geplande
afspraken en het navigatiesysteem2 kan
bovendien in routebegeleiding naar de werkplaats voorzien.
Voorwaarden voor het maken van
afspraken vanuit de auto
•
Om boekingsinformatie te kunnen uitwisselen vanuit de auto, moet de auto internetverbinding hebben, zie het Sensus
Infotainment-supplement voor informatie
over het tot stand brengen van een internetverbinding.
•
Omdat de boekingsinformatie via uw
eigen mobiele abonnement wordt verzonden, krijgt u de vraag te zien of u informatie wenst te versturen. De vraag wordt
eenmaal gesteld, waarna het gegeven
antwoord een bepaalde tijd geldt voor de
gekozen aansluiting.
•
Om de dienst te kunnen gebruiken en
systeemcommunicatie mogelijk te maken
via het beeldscherm in de auto moet u
meldingen/pop-ups goedkeuren. Druk in
de normaalweergave van de bron MY
CAR op OK/MENU en daarna op
Service & reparatie Berichten
weergeven.
Voordat de dienst te gebruiken is
Volvo ID en My Profile
•
Registreer een Volvo ID. Voor meer informatie over het aanmaken van een Volvo
ID, zie Volvo ID (p. 20).
•
Log in op de webportal My Volvo, ga naar
My Profile en doe het volgende:
–
Controleer of de auto gekoppeld is aan
My Profile.
–
Controleer of uw contactgegevens kloppen.
10
Geldt voor bepaalde markten.
Geldt voor Sensus Navigation.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
357
10 Onderhoud en service
||
Dienst gebruiken
10
Alle menu’s en instellingen zijn vanuit de normaalweergave in MY CAR te bereiken door
OK/MENU in te drukken gevolgd door
Service & reparatie.
Wanneer het tijd is voor service en in sommige gevallen ook wanneer de auto aan reparatie toe is, wordt dat aangegeven via een
melding op het instrumentenpaneel (p. 61) en
via een pop-upmenu op het beeldscherm.
Het servicelampje en de servicemelding
op het instrumentenpaneel doven.
• Nee - Er verschijnen geen pop-upmeldin-
gen meer op het beeldscherm. De melding op het instrumentenpaneel blijft
staan. Na dit alternatief is het nog altijd
mogelijk om vanuit de auto handmatig
een nieuw boekingsverzoek te starten, zie
onder.
• Uitstellen - Het pop-upmenu verschijnt
de volgende keer dat u de auto start
opnieuw.
Handmatig afspraak maken voor
servicebeurt en reparatie1
1. Druk op de MY CAR-knop op de middenconsole en kies Service & reparatie
Dealerinformatie Verzoek service of
reparatie.
> De autogegevens worden automatisch
doorgestuurd naar uw dealer.
Servicemelding op beeldscherm.
2. De dealer stuurt een boekingsvoorstel
naar de auto.
Betekenis van de alternatieven in het popupmenu op het beeldscherm:
3. Accepteer het boekingsvoorstel of vraag
een nieuw aan.
• Ja - Er wordt een boekingsverzoek naar
Wanneer u het boekingsvoorstel accepteert,
wordt de boekingsinformatie in de auto opgeslagen, zie Mijn boekingen. De communicatie
tussen u en de auto verloopt automatisch
middels boekingsherinneringen op het beeld-
uw dealer verstuurd, die contact met u
opneemt en u een boekingsvoorstel doet.
1
358
Geldt voor bepaalde markten.
scherm en routebegeleiding naar de
geboekte werkplaats.
U kunt een werkplaatsbezoek ook inplannen
via My Volvo. Open Mijn boekingen en kies
voor actualiseren om alle boekingen van My
Volvo te zien.
Mijn boekingen1
Toon boekingsinformatie op het beeldscherm
van de auto. Accepteer het boekingsvoorstel
of vraag een nieuw aan.
–
Kies Service & reparatie
afspraken.
Mijn
Dealer bellen1
Via een telefoon met Bluetooth® handsfree
die aan de auto gekoppeld is, kunt u uw dealer bellen. Voor aansluiting van de telefoon,
zie het Sensus Infotainment-supplement.
–
Kies Service & reparatie
Dealerinformatie Dealer bellen.
10 Onderhoud en service
Navigatiesysteem gebruiken1, 2
Geef uw werkplaats als bestemming of deelbestemming aan voor het navigatiesysteem.
–
–
Kies Service & reparatie
Dealerinformatie Eén bestemming
inst..
Kies Service & reparatie
Dealerinformatie Toevoegen als
tussenbestemming.
•
•
•
•
•
•
Servicebehoefte.
Functiestatus.
Vloeistofpeilen.
Kilometerstand (afstand).
Identificatienummer van de auto (VIN3).
10
Softwareversie van de auto.
Gerelateerde informatie
•
Volvo ID (p. 20)
Autogegevens versturen1
De autogegevens worden verstuurd naar de
centrale Volvo-database (niet naar dealers).
Volvo-dealers kunnen de autogegevens vervolgens opvragen aan de hand van het identificatienummer van de auto (VIN3). U vindt het
nummer in het Service- en garantieboekje van
de auto en in de linker onderhoek van de
voorruit.
–
Kies Service & reparatie
Autogegevens versturen.
Boekingsinformatie en autogegevens
Bij het maken van een afspraak voor een servicebeurt vanuit uw auto worden boekingsinformatie en autogegevens verzonden. De verzonden autogegevens bieden informatie over
het volgende:
1
2
3
Geldt voor bepaalde markten.
Geldt voor Sensus Navigation.
Vehicle Identification Number
359
10 Onderhoud en service
Auto opnemen
10
Bij het opnemen van de auto is het belangrijk
dat u de krik of de dragerarmen onder de
voorziene steunpunten in het onderstel van de
auto aanbrengt.
N.B.
Volvo adviseert u alleen de krik te gebruiken die bij de auto hoort. Volg bij gebruik
van een andere krik dan door Volvo geadviseerd de aanwijzingen die bij deze krik
werden geleverd.
360
10 Onderhoud en service
10
Kriksteunpunten (pijlen) voor de krik van de auto en de hefpunten (rood gemarkeerd).
Als u de auto aan de voorkant heft met een
garagekrik, moet u de krik onder een van de
twee hefpunten zetten die verder naar binnen
onder de auto zitten. Als u de auto aan de
achterkant heft met een garagekrik, moet u
de krik onder een van de hefpunten zetten.
Let erop dat u de garagekrik dusdanig aanbrengt, dat de auto er niet van af kan glijden.
Maak altijd gebruik van steunbokken of vergelijkbare hulpmiddelen.
Gerelateerde informatie
•
Wielen verwisselen - wielen verwijderen
(p. 329)
Als u de auto opneemt op een tweekoloms
hefbrug, kunt u de voorste en achterste dragerarmen onder de buitenste hefpunten (kriksteunpunten) zetten. Aan de voorkant kunt u
daarvoor ook de binnenste hefpunten gebruiken.
361
10 Onderhoud en service
Motorkap - openen en sluiten
10
Draai de handgreep ca. 20–25 graden
rechtsom. Het is duidelijk te horen dat
vergrendeling wordt opgeheven.
De motorkap is te openen, wanneer u de
handgreep in de passagiersruimte rechtsom
hebt gedraaid en de pal bij de grille naar links
hebt gehaald.
Haal de borghaak naar links om de
motorkap te openen. (De borghaak zit
tussen de koplamp en de grille zoals
afgebeeld.)
De motorkap is te openen, wanneer u de
handgreep in de passagiersruimte rechtsom
hebt gedraaid en de pal bij de grille naar links
hebt gehaald.
Motorruimte - overzicht
Het overzicht toont de normale controlepunten.
Motorruimte 4-cil. 2,0 l
WAARSCHUWING
Controleer of de motorkap bij sluiten goed
vergrendelt.
Gerelateerde informatie
•
•
Motorruimte - controle (p. 363)
Motorruimte - overzicht (p. 362)
Afhankelijk van het motortype kan de motorruimte er anders uitzien.
De handgreep voor ontgrendeling van de motorkap zit altijd aan de linkerzijde.
Expansiereservoir voor koelsysteem
Vulopening voor sproeiervloeistof
Radiateur
Motorolie bijvullen
Reservoir voor rem- en koppelingsvloeistof (aan bestuurderszijde)
Startaccu
Relais- en zekeringenkastje
Luchtfilter
362
10 Onderhoud en service
Radiateur
Motorruimte - controle
De spanning en het vermogen van het ontstekingssysteem zijn zeer hoog. De spanning in het ontstekingssysteem is levensgevaarlijk. Houd het elektrische systeem
van de auto altijd in sleutelstand 0 bij
werkzaamheden in de motorruimte, zie
Sleutelstanden - functies in verschillende
standen (p. 76).
Peilstok voor motorolie4
Bepaalde oliën en vloeistoffen dienen regelmatig gecontroleerd te worden.
Raak bougies of bobine niet aan, wanneer
het elektrische systeem van de auto in
sleutelstand II staat of als de motor warm
is.
Relais- en zekeringenkastje
WAARSCHUWING
Motorolie bijvullen
Controleer regelmatig de volgende oliën en
vloeistoffen, bijvoorbeeld tijdens het tanken:
Startaccu
•
•
•
Luchtfilter
Koelvloeistof
Motorolie
Sproeiervloeistof
Vergeet niet dat de koelventilator (vóór in
de motorruimte, achter de radiateur) tot
enige tijd na het afzetten van de motor
automatisch kan aanslaan.
De spanning en het vermogen van het ontstekingssysteem zijn zeer hoog. De spanning in het ontstekingssysteem is levensgevaarlijk. Houd het elektrische systeem
van de auto altijd in sleutelstand 0 bij
werkzaamheden in de motorruimte, zie
Sleutelstanden - functies in verschillende
standen (p. 76).
Raak bougies of bobine niet aan, wanneer
het elektrische systeem van de auto in
sleutelstand II staat of als de motor warm
is.
Expansiereservoir voor koelsysteem
10
WAARSCHUWING
WAARSCHUWING
Motorruimte, behalve 4-cil. 2,0 l
Afhankelijk van het motortype kan de motorruimte er anders uitzien.
Regelmatig controleren
Reservoir voor rem- en koppelingsvloeistof (aan bestuurderszijde)
Gerelateerde informatie
•
•
Motorkap - openen en sluiten (p. 362)
Motorruimte - controle (p. 363)
Laat de motorreiniging altijd uitvoeren door
een werkplaats – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats. Als de motor
warm is, bestaat er brandgevaar.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Motorkap - openen en sluiten (p. 362)
Motorruimte - overzicht (p. 362)
Koelvloeistof - peil (p. 369)
Motorolie - controleren en bijvullen
(p. 365)
Sproeiervloeistof - bijvullen (p. 381)
Vulopening voor sproeiervloeistof
4
Bij een motor met elektronische oliepeilsensor ontbreekt de peilstok (5-cil. diesel).
363
10 Onderhoud en service
Motorolie - algemeen
10
Om de aanbevolen service-intervallen aan te
kunnen houden dient u een goedgekeurde
motoroliesoort te gebruiken.
Voor ritten onder ongunstige omstandigheden, zie Motorolie - ongunstige rijomstandigheden (p. 412).
BELANGRIJK
Om aan de vereisten voor de gespecificeerde service-intervallen te voldoen worden alle motoren in de fabriek gevuld met
een speciaal aangepaste, synthetische
motorolie. De oliesoort werd met grote
zorg geselecteerd lettend op de levensduur van de motor, de startgewilligheid,
het brandstofverbruik en de milieu-impact.
Volvo adviseert:
Houd voor het verversen van de motorolie en
het vervangen van het oliefilter de intervallen
aan die staan aangegeven in het Service- en
garantieboekje.
Om de aanbevolen service-intervallen aan
te kunnen houden dient u een goedgekeurde motoroliesoort te gebruiken.
Gebruik alleen een oliesoort van de voorgeschreven kwaliteit en dat zowel bij het
bijvullen als bij het verversen van olie. Een
negatieve invloed op de levensduur van de
motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact is anders niet
uitgesloten.
Het is toegestaan een oliesoort te gebruiken
met een hogere kwaliteit dan aangegeven.
Voor ritten onder ongunstige omstandigheden
adviseert Volvo een olie van een hogere kwaliteit, zie Motorolie - ongunstige rijomstandigheden (p. 412).
Volvo Car Corporation wijst alle garantieclaims af bij gebruik van een motoroliesoort die niet voldoet aan de voorgeschreven kwaliteits- en viscositeitseisen.
Gerelateerde informatie
Volvo adviseert de olie in een erkende
Volvo-werkplaats te laten verversen.
Volvo hanteert uiteenlopende systemen om te
waarschuwen voor een laag/hoog oliepeil of
een lage oliedruk. Bij motorvarianten met een
oliedruksensor wordt gebruikt gemaakt van
364
het waarschuwingssymbool voor een lage
oliedruk op het instrumentenpaneel. Bij varianten met een olieniveausensor wordt u geïnformeerd via een waarschuwingssymbool
op het instrumentenpaneel en met displayteksten. Bepaalde varianten zijn voorzien
van allebei. Neem voor meer informatie contact op met een erkende Volvo-werkplaats.
Voor de bij te vullen hoeveelheid, zie Motorolie - kwaliteit en hoeveelheid (p. 413).
•
Motorolie - controleren en bijvullen
(p. 365)
10 Onderhoud en service
Motorolie - controleren en bijvullen
6. Als u het peil daarna nogmaals wenst te
controleren, moet u dat na enige tijd rijden doen. Herhaal vervolgens de stappen
1–4.
Afhankelijk van de motorvariant is het oliepeil
te controleren met een oliepeilstok of via elektronische oliepeilaanduiding.
Motor met oliepeilstok5
G021737
WAARSCHUWING
De olie moet tussen het MIN- en MAX-streepje
staan.
Peil meten en zo nodig corrigeren
Peilstok en vulpijp.
Bij een nieuwe auto is het belangrijk om het
oliepeil te controleren, voordat de olie voor de
eerste keer volgens schema moet worden
ververst.
Volvo adviseert u het oliepeil om de 2500 km
te controleren. De betrouwbaarste meting
wordt verkregen bij een koude motor vóór de
start. Meteen na het afzetten van de motor
krijgt u een verkeerd resultaat. De peilstok
geeft dan een te laag peil aan, omdat de olie
geen tijd heeft gehad om terug te lopen naar
het oliecarter.
5
1. Zorg dat de auto op een vlakke ondergrond geparkeerd staat. Het is belangrijk
dat u na het afzetten van de motor ten
minste 5 minuten wacht, zodat de olie
weer kan teruglopen in het oliecarter.
10
Vul nooit bij tot boven de MAX-aanduiding. De olie mag nooit boven MAX of
onder MIN staan om motorschade tegen
te gaan.
WAARSCHUWING
Mors geen olie op de hete uitlaatspruitstukken, aangezien er dan brand kan ontstaat.
2. Trek de peilstok tevoorschijn en veeg
deze schoon.
3. Steek de peilstok weer naar binnen.
4. Trek de peilstok tevoorschijn en controleer het peil.
5. Als de olie dichter bij het MIN-streepje
ligt, dient u 0,5 liter bij te vullen. Als de
olie daar ver onder staat, moet u wellicht
meer bijvullen.
Geldt niet voor de 4-cil. 2,0 l of 5-cil. dieselmotor met een elektronische oliepeilsensor.
}}
365
10 Onderhoud en service
||
Motor met elektronische oliepeilsensor,
4-cil. 2,0 l
BELANGRIJK
Vul bij een melding dat het oliepeil gering
alleen de aangegeven hoeveelheid olie bij,
bijvoorbeeld 0,5 liter.
10
N.B.
Vulpijp6.
U hoeft het motoroliepeil niet aan te passen,
voordat er een melding op het display verschijnt, zie volgende afbeelding.
Melding en grafische weergave op display. Het
linker display toont een digitaal instrumentenpaneel en het rechter een analoog.
Melding
Motoroliepeil
Wanneer de motor afgezet is, kunt u het
duimwiel gebruiken om het oliepeil te laten
controleren door de elektronische oliepeilsensor, zie Menufuncties - instrumentenpaneel
(p. 105).
WAARSCHUWING
Bij het verschijnen van de melding
Olieservice vereist een werkplaats
opzoeken. Het oliepeil is mogelijk te hoog.
6
366
Bij een motor met elektronische oliepeilsensor ontbreekt de peilstok.
Na het bijvullen of aftappen van olie duurt
het even voordat het systeem wijzigingen
in het oliepeil kan waarnemen. De auto
moet ca. 30 km hebben gereden en vervolgens 2 uur hebben stilgestaan met de
motor afgezet, voordat het weergegeven
oliepeil correct is.
WAARSCHUWING
Mors geen olie op de hete uitlaatspruitstukken, aangezien er dan brand kan ontstaat.
10 Onderhoud en service
Oliepeil meten, 4-cil. 2,0 l
Voor controle van het oliepeil de onderstaande volgorde aanhouden.
Motor met elektronische oliepeilsensor,
5-cil. diesel
1. Activeer sleutelstand II, zie Sleutelstanden - functies in verschillende standen
(p. 76).
10
2. Draai het duimwiel op de linker stuurhendel naar stand Oliepeil.
> Vervolgens verschijnt informatie over
het motoroliepeil.
Voor meer informatie over de menufuncties, zie Menufuncties - instrumentenpaneel (p. 105).
N.B.
Als niet aan de gestelde voorwaarden voor
meting van het oliepeil is voldaan (verstreken tijd na motoruitschakeling, hellingshoek van de auto, buitentemperatuur e.d.),
zal de melding Niet beschikbaar niet verschijnen. Dit betekent niet dat een van de
autosystemen een storing vertoont.
Vulpijp7.
U hoeft het motoroliepeil niet aan te passen,
voordat er een melding op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel verschijnt,
zie volgende afbeelding.
Melding en grafische weergave op display. Het
linker display toont een digitaal instrumentenpaneel en het rechter een analoog.
Melding
Motoroliepeil
Bij sommige auto’s kunt u wanneer de motor
afgezet is, het duimwiel gebruiken om het
oliepeil te controleren door de elektronische
peilaanduiding.
WAARSCHUWING
Bij het verschijnen van de melding
Olieservice vereist een werkplaats
opzoeken. Het oliepeil is mogelijk te hoog.
7
Bij een motor met elektronische oliepeilsensor ontbreekt de peilstok.
}}
367
10 Onderhoud en service
||
BELANGRIJK
10
Vul bij het verschijnen van de melding
Oliepeil laag 0,5 liter bijvullen slechts
0,5 liter bij.
N.B.
Het systeem detecteert het oliepeil alleen
tijdens het rijden. Na het bijvullen of aftappen van olie duurt het even voordat het
systeem wijzigingen in het oliepeil kan
waarnemen. De auto dient ca. 30 km te rijden, voordat het weergegeven oliepeil correct is.
Oliepeil meten, 5-cil. diesel
Voor controle van het oliepeil de onderstaande volgorde aanhouden.
1. Activeer sleutelstand II, zie Sleutelstanden - functies in verschillende standen
(p. 76).
2. Draai het duimwiel op de linker stuurhendel naar stand Oliepeil.
> Vervolgens verschijnt informatie over
het motoroliepeil.
Voor meer informatie over de menufuncties, zie Menufuncties - instrumentenpaneel (p. 105).
WAARSCHUWING
Vul niet meer olie bij, als niveau (3) of (4)
verschijnt zoals aangegeven op de afbeelding. De olie mag nooit boven MAX of
onder MIN staan om motorschade tegen
te gaan.
WAARSCHUWING
Mors geen olie op de hete uitlaatspruitstukken, aangezien er dan brand kan ontstaat.
De cijfers 1–4 geven het niveau aan. Vul niet
meer olie bij, als niveau (3) of (4) staat aangegeven. Het aanbevolen niveau is 4. Melding en grafische weergave op display. Het linker display
toont een digitaal instrumentenpaneel en het
rechter een analoog.
368
Gerelateerde informatie
•
•
Motorolie - algemeen (p. 364)
Sleutelstanden - functies in verschillende
standen (p. 76)
10 Onderhoud en service
Koelvloeistof - peil
De koelvloeistof koelt de verbrandingsmotor
af tot de juiste bedrijfstemperatuur. De
warmte die de motor overdraagt op de koelvloeistof kan worden benut voor verwarming
van de passagiersruimte.
De koelvloeistof moet tussen het MIN- en
MAX-streepje op het expansiereservoir staan.
Peil controleren en bijvullen
WAARSCHUWING
De koelvloeistof kan zeer heet zijn. Als er
moet worden bijgevuld terwijl de motor
warm is, moet u de dop voorzichtig van
het expansievat draaien zodat de overdruk
verdwijnt.
Voor de aan te houden hoeveelheden en de
aanbevolen vloeistofkwaliteit, zie Koelvloeistof - kwaliteit en hoeveelheid (p. 415).
Controleer de koelvloeistof regelmatig
De vloeistof moet tussen het MIN- en MAXstreepje op het expansiereservoir staan. Als u
het reservoir niet goed gevuld houdt, kan de
temperatuur in het systeem dusdanig hoog
oplopen dat er gevaar voor motorschade ontstaat.
Volg de aanwijzingen op de verpakking op.
Het is belangrijk dat u verhouding tussen
koelvloeistof en water afstemt op de heersende weersomstandigheden. Vul het reservoir nooit alleen met schoon water. Het
gevaar voor bevriezing neemt toe, zowel wanneer de concentratie koelvloeistof te laag is
als wanneer deze te hoog is.
BELANGRIJK
•
Hoge concentraties chloor, chloriden
en andere zoutverbindingen kunnen
aanleiding geven tot corrosie in het
koelsysteem.
•
Gebruik altijd een koelvloeistof met
roestwerende eigenschappen volgens
de aanbevelingen van Volvo.
•
Let erop dat het koelvloeistofmengsel
altijd voor 50 % uit water en voor
50 % uit koelvloeistof bestaat.
•
Leng de koelvloeistof aan met leidingwater van goede kwaliteit. Gebruik bij
twijfel over de waterkwaliteit altijd een
kant-en-klare koelvloeistof volgens de
aanbevelingen van Volvo.
•
Wanneer u overstapt op een ander
soort koelvloeistof of een nieuw koelsysteemonderdeel hebt gemonteerd,
dient u het koelsysteem schoon te
spoelen met leidingwater van goede
kwaliteit of met kant-en-klare koelvloeistof.
•
De motor mag alleen draaien met een
goed gevuld koelsysteem. Als dat niet
het geval is, kunnen er hoge temperaturen optreden met gevaar voor
beschadiging (barsten) van de cilinderkop.
10
369
10 Onderhoud en service
Rem- en koppelingsvloeistof - peil
Bijvullen
De rem- en koppelingsvloeistof moet tussen
de MIN- en MAX-streepjes staan.
10
Service en reparatie aan het aircosysteem
mogen uitsluitend door een erkende werkplaats worden uitgevoerd.
Peil controleren
De rem- en koppelingsvloeistof zitten in hetzelfde reservoir. De vloeistof moet tussen het
MIN- en MAX-streepje staan die aan de buitenkant van het reservoir zichtbaar zijn. Controleer het peil regelmatig.
Storingen opsporen en verhelpen
De airconditioning bevat een fluorescerend
traceermiddel. Gebruik ultraviolet licht voor
het zoeken van lekkage.
Ververs de remvloeistof om de twee jaar of
iedere tweede geplande servicebeurt.
Wanneer u vaak met uw auto in de bergen of
in landen met een tropisch klimaat en een
hoge relatieve luchtvochtigheidsgraad rijdt,
dient u de remvloeistof ieder jaar te verversen.
Voor de aan te houden hoeveelheden en de
aanbevolen remvloeistofkwaliteit, zie Remvloeistof - kwaliteit en hoeveelheid (p. 418).
WAARSCHUWING
Als de remvloeistof onder het MIN-niveau
in het remvloeistofreservoir ligt, mag u pas
verder rijden als de remvloeistof is bijgevuld. Volvo adviseert om de oorzaak voor
het remvloeistofverlies door een erkende
Volvo-werkplaats te laten controleren.
370
Klimaatregeling - storingen opsporen
en verhelpen
Volvo adviseert u daarvoor contact op te
nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
Het vloeistofreservoir zit aan de bestuurderszijde.
WAARSCHUWING
Draai de dop van het reservoir los en vul
vloeistof bij. De vloeistof moet tussen het
MIN- en MAX-streepje staan (aan de binnenkant van het reservoir).
In de installatie voor airconditioning zit
koudemiddel R134a onder druk. Service
en reparatie aan het systeem mogen uitsluitend door een erkende werkplaats worden uitgevoerd.
BELANGRIJK
Denk eraan de afdekking te plaatsen.
Gerelateerde informatie
•
Serviceprogramma van Volvo (p. 357)
10 Onderhoud en service
Lamp vervangen - algemeen
Het is mogelijk de gloeilampen te vervangen.
Wend u voor vervanging van led- en xenonlampen tot een werkplaats.
De gloeilampen zijn gespecificeerd (p. 378).
Gloeilampen en andere lichtbronnen van een
bijzonder type zoals led8-lampen of lampen
die u om andere redenen alleen in een werkplaats9 moet laten vervangen, zijn die in:
•
actieve xenonkoplampen - ABL (xenonlampen)
•
•
•
Stadslichten/parkeerlichten vóór10
•
•
•
•
•
•
•
8
9
10
dagrijlichten10
Zijdelings gemonteerde richtingaanwijzers, buitenspiegels10
Approach-verlichting, buitenspiegels
Verlichting interieur en bagageruimte
Verlichting dashboardkastje
Achterlichten/parkeerlichten achter
Sidemarkers achter
Derde remlicht
Kentekenplaatverlichting.
WAARSCHUWING
N.B.
Als de auto is voorzien van xenonkoplampen, moet u de xenonlampen door een
werkplaats laten vervangen – geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Werkzaamheden aan de xenonkoplampen
vergen de nodige voorzichtigheid, aangezien dergelijke koplampen zijn voorzien
van een ontstekingsgedeelte dat een hoge
spanning opwekt.
Als een foutmelding niet verdwijnt nadat
de kapotte gloeilamp is vervangen, dan
wordt u geadviseerd een erkende Volvowerkplaats te bezoeken.
N.B.
Bij de externe verlichting zoals de koplampen, mistlampen en achterlichten kan tijdelijk condens optreden aan de binnenkant van het lampglas. Dit is een natuurlijk
verschijnsel en alle externe verlichting is
erop gebouwd om dit zoveel mogelijk te
voorkomen. Condens verdwijnt normaal uit
het lamphuis, wanneer de lamp enige tijd
brandt.
WAARSCHUWING
Bij het vervangen van een lamp moet het
elektrische systeem van de auto in sleutelstand 0 staan, zie Sleutelstanden - functies
in verschillende standen (p. 76).
BELANGRIJK
Raak het glas van de gloeilampen nooit
rechtstreeks met uw vingers aan. Vet van
uw vingers wordt door de warmte verdampt en zorgt voor een laagje op de
reflector die dan kapot kan gaan.
10
Gerelateerde informatie
•
•
Lampen - specificaties (p. 378)
Lamp vervangen - positie lampen voorzijde (p. 372)
•
Lamp vervangen - positie lampen achterzijde (p. 376)
•
Lamp vervangen - verlichting makeupspiegel (p. 377)
Lichtdioden (Light Emitting Diode)
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Bepaalde varianten.
371
10 Onderhoud en service
Lamp vervangen - positie lampen
voorzijde
10
Het overzicht geeft de positie aan van de lampen aan voorzijde.
Lamp vervangen - koplampen
4.
Alle gloeilampen in het koplamphuis zijn te
vervangen door eerst het complete koplamphuis via de motorruimte los te nemen en te
verwijderen.
Haal het koplamphuis los door het
beurtelings te kantelen en naar buiten te
trekken.
BELANGRIJK
Wees voorzichtig bij het eruit tillen van de
koplamp, zodat er geen onderdelen
beschadigd raken.
5.
Druk de borghaak omlaag.
Koppel de connector los.
Leg de koplamp op een zachte ondergrond neer om krassen op de lens te
voorkomen.
Stadslichten/parkeerlichten (p. 375) (led
bij xenon-koplampen)
Groot licht bij halogeen-koplampen
(p. 374) / Verstralers bij xenon-koplampen (p. 374)
Dimlicht bij halogeen-koplampen
(p. 373) / Xenon-lampen bij xenonkoplampen (p. 371)
Richtingaanwijzer (p. 374)
Dagrijlicht (p. 375) (led* of gloeilamp
afhankelijk van de variant)
Gerelateerde informatie
•
•
372
Lamp vervangen - algemeen (p. 371)
Lampen - specificaties (p. 378)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
BELANGRIJK
1.
2.
3.
Trek niet aan de kabel, maar alleen aan de
connector.
Verwijder de motorkapvergrendeling.
Draai de schroef los met een torxsleutel (T30).
Draai de borgpen rechtsom.
Trek de borgpen weg.
6. Vervang de desbetreffende gloeilamp volgens de aanwijzingen.
De koplamp moet gemonteerd zijn en de connector moet correct zijn aangesloten voordat
de verlichting wordt geactiveerd of van sleutelstand wordt gewisseld.
Gerelateerde informatie
•
•
Lamp vervangen - algemeen (p. 371)
Lamp vervangen - positie lampen voorzijde (p. 372)
10 Onderhoud en service
•
Lampen verwisselen - afdekkap groot-/
dimlichtlampen (p. 373)
•
Lampen verwisselen - afdekkap
groot-/dimlichtlampen
Lampen - specificaties (p. 378)
De groot-/dimlichtlampen zijn bereikbaar door
de grotere afdekkap van de koplamp los te
maken.
Lamp vervangen - dimlicht
De dimlichtlamp zit achter de grote afdekking
in het koplamphuis.
N.B.
10
Geldt voor auto’s met halogeenkoplampen.
1.
Druk de haken in.
Haal de afdekking onder een hoek
naar buiten.
2. Vervang de desbetreffende gloeilamp volgens de aanwijzingen.
1. Neem de koplamp (p. 372) los.
2. Maak de afdekking (p. 373) los.
3.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Lamp vervangen - koplampen (p. 372)
Lamp vervangen - dimlicht (p. 373)
Lamp vervangen - groot licht (p. 374)
Lamp vervangen - verstraler (p. 374)
Druk de lamphouder omhoog totdat
deze loskomt.
Trek de lamphouder naar buiten.
4. Vervang de gloeilamp en monteer de
onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
Gerelateerde informatie
•
Lampen - specificaties (p. 378)
373
10 Onderhoud en service
Lamp vervangen - groot licht
Lamp vervangen - verstraler
De grootlichtlamp zit achter de grote afdekking in het koplamphuis.
De verstralerlamp zit achter de grote afdekking in het koplamphuis.
N.B.
10
N.B.
Geldt voor auto’s met halogeenkoplampen.
Lampen vervangen richtingaanwijzers voorzijde
De richtingaanwijzerlamp zit achter de kleine
afdekking in het koplamphuis.
Geldt voor auto’s met xenon-koplampen*.
1. Neem de koplamp (p. 372) los.
1. Neem de koplamp (p. 372) los.
2. Maak de afdekking (p. 373) los.
3.
1. Neem de koplamp (p. 372) los.
3.
Draai de lamphouder linksom.
374
Druk de lamphouder omhoog totdat
deze loskomt.
Trek de lamphouder naar buiten.
4. Vervang de gloeilamp en monteer de
onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
4. Vervang de gloeilamp en monteer de
onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
Gerelateerde informatie
Gerelateerde informatie
Lampen - specificaties (p. 378)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Maak de afdekking los.
3.
Druk de borghaak in.
2. Maak de afdekking (p. 373) los.
Trek de lamphouder naar buiten.
•
2.
•
Lampen - specificaties (p. 378)
Trek de lamphouder naar buiten.
4. Vervang de gloeilamp en monteer de
onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
Gerelateerde informatie
•
Lampen - specificaties (p. 378)
10 Onderhoud en service
Lamp vervangen - stadslichten/
parkeerlichten vóór
De houder voor de stadslichten vóór en de
parkeerlichten zit aan de zijkant van de koplamp.
Gerelateerde informatie
•
Lampen - specificaties (p. 378)
Lamp vervangen - dagrijlicht
De dagrijlichtlamp zit achter de afdekking in
de bumper.
N.B.
10
Geldt alleen voor dagrijlicht met gloeilampen.
N.B.
Geldt niet voor auto’s met xenon-koplampen*, omdat deze zijn voorzien van ledlampen.
1.
Maak de afdekking los.
2.
Draai de lamphouder linksom.
1. Neem de koplamp (p. 372) los.
2.
Draai de lamphouder linksom.
Trek de lamphouder naar buiten.
3. Vervang de gloeilamp en monteer de
onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
Trek de lamphouder naar buiten.
3. Vervang de gloeilamp en monteer de
onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
Gerelateerde informatie
•
Lampen - specificaties (p. 378)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
375
10 Onderhoud en service
10
Lamp vervangen - positie lampen
achterzijde
Lamp vervangen - richtingaanwijzers
achter, rem- en achterlichten
Het overzicht geeft de positie aan van de lampen aan achterzijde.
U vervangt de richtingaanwijzers achter, de
rem- en achteruitrijlichten vanaf de binnenkant van de bagageruimte.
Remlicht (led)
Remlichten (p. 376)
1. Verwijder het klepje in de bekleding (1)
aan de kant waar de kapotte gloeilamp
zit.
Sidemarkers (led)
2.
Achterlicht/parkeerlicht (led)
Richtingaanwijzer (p. 376)
Achteruitrijlicht (p. 376)
Mistachterlicht (p. 377)
Gerelateerde informatie
•
•
376
Lamp vervangen - algemeen (p. 371)
Lampen - specificaties (p. 378)
Druk de borghaak opzij.
Trek de lamphouder naar buiten.
3. Haal de kapotte gloeilamp los door deze
in te duwen en linksom te draaien.
4. Vervang de gloeilamp en monteer de
onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
Gerelateerde informatie
•
Lamp vervangen - positie lampen achterzijde (p. 376)
•
Lampen - specificaties (p. 378)
10 Onderhoud en service
Lamp vervangen - mistachterlicht
Draai de lamphouder linksom.
De mistachterlichtlamp zit in de lamphouder
van bumper.
Trek de lamphouder naar buiten.
3. Vervang de gloeilamp en monteer de
onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
Lamp vervangen - verlichting makeupspiegel
De lampjes voor de verlichting van de makeupspiegel zitten achter de lensjes.
10
Gerelateerde informatie
•
Lampen - specificaties (p. 378)
1. Steek een schroevendraaier achter het
lampglas om het borgnokje aan de rand
voorzichtig los te werken.
2. Haal het lampglas voorzichtig los en verwijder het.
Steek een stomp, op een mes lijkend
voorwerp, zoals een tafelmes, (ca.20 mm)
bij de driehoek naar binnen.
Werk de borgnok voorzichtig los.
BELANGRIJK
Wees voorzichtig, zodat er geen onderdelen beschadigd raken.
3. Trek de gloeilamp met een rondbektang
recht opzij. Klem de tang niet te hard,
anders kan het glas van de lamp kapot
gaan.
4. Vervang de gloeilamp en monteer de
onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
Gerelateerde informatie
•
Lampen - specificaties (p. 378)
377
10 Onderhoud en service
Lampen - specificaties
10
Verlichting
378
Verlichting
De specificaties gelden voor gloeilampen.
Wend u voor vervanging van led- en xenonlampen tot een werkplaats.
[W]A
Type
Mistachterlicht
21
H21W LL
Verlichting makeupspiegel
1,2
Lampvoet
T5; W2x4,6d
[W]A
Type
DimlichtB
55
H7 LL
Groot lichtB
65
H9
VerstralerC
55
H7 LL
21
HY21W
•
•
Lamp vervangen - algemeen (p. 371)
Richtingaanwijzers
voorzijde
Stadslichten/
parkeerlichten
vóórB
5
W5W LL
•
Lamp vervangen - positie lampen achterzijde (p. 376)
•
DagrijlichtD
19
PW19W
Lamp vervangen - verlichting makeupspiegel (p. 377)
Zijdelings gemonteerde richtingaanwijzers, buitenspiegelsD
5
WY5W LL
Richtingaanwijzers
achter
21
PY21W LL
Remlichten
21
P21W LL
Achteruitrijlicht
21
P21W LL
A
B
C
D
Watt
Auto’s met halogeenkoplampen
Auto’s met xenonkoplampen
Bepaalde varianten
Gerelateerde informatie
Wisserbladen
De wisserbladen vegen neerslag van de vooren achterruit. In combinatie met sproeiervloeistof reinigen ze de ruiten voor een goed zicht
tijdens het rijden.
Om de wisserbladen van de voorruit te kunnen vervangen moeten deze eerst in de servicestand worden gezet.
Servicestand
Lamp vervangen - positie lampen voorzijde (p. 372)
Wisserbladen in servicestand.
De wisserbladen dienen in de servicestand te
staan om ze te kunnen vervangen, reinigen of
optillen (bijvoorbeeld om ijs van de voorruit te
krabben).
BELANGRIJK
Voordat de wisserbladen in de servicestand worden gezet, moet u controleren of
ze niet vastgevroren zijn.
10 Onderhoud en service
1. Steek de transpondersleutel in het contactslot11 en druk kort op de START/
STOP ENGINE-knop om het elektrische
systeem van de auto in de sleutelstand I
te zetten. Voor gedetailleerde informatie
over sleutelstanden, zie Sleutelstanden functies in verschillende standen (p. 76).
2. Druk nogmaals kort op de START/STOP
ENGINE-knop om het elektrisch systeem
van de auto in de sleutelstand 0 te zetten.
3. Beweeg binnen 3 seconden de rechter
stuurhendel omhoog en houd deze
ca. 1 seconde in deze stand.
> De ruitenwisserarmen gaan dan verticaal staan.
De wisserbladen keren terug naar de beginstand met een korte druk op de START/
STOP ENGINE-knop om het elektrisch systeem van de auto in de sleutelstand I te zetten (of bij het starten van de auto).
BELANGRIJK
Als de wisserarmen in de servicestand van
de voorruit af zijn gehaald, moeten ze
tegen de voorruit worden teruggeklapt
voordat de wissers weer naar de oorspronkelijke stand terug mogen keren. Dit
gebeurt om te voorkomen dat de lak op de
motorkap beschadigd raakt.
11
Niet nodig bij een auto met Keyless-systeem.
Wisserbladen vervangen
10
Klap de wisserarm omhoog als deze in de
servicestand staat. Druk op de knop die
op de wisserbladhouder zit en trek het
wisserblad evenwijdig aan de wisserarm
los.
Duw het nieuwe wisserblad zo ver naar
binnen dat u een klik hoort.
Controleer of het blad goed vastzit.
4. Klap de wisserarm terug op de voorruit.
De wisserbladen keren terug vanuit de servicestand naar de beginstand met een korte
druk op de START/STOP ENGINE-knop om
het elektrisch systeem van de auto in de sleutelstand I te zetten (of bij het starten van de
auto).
}}
379
10 Onderhoud en service
||
Wisserbladen vervangen, achterklep
BELANGRIJK
Controleer de bladen regelmatig. Verwaarloosd onderhoud verkort de levensduur
van de bladen.
10
Gerelateerde informatie
G021763
•
N.B.
De wisserbladen hebben een verschillende
lengte. Het blad aan de bestuurderskant is
langer dan dat aan de passagierskant.
WAARSCHUWING
Aangezien de auto is uitgerust met een
voetgangersairbag (Pedestrian Airbag)
adviseert Volvo u om originele wisserarmen te gebruiken en deze alleen door originele onderdelen te vervangen.
1. Klap de wisserarm uit.
2. Pak het wisserblad aan de binnenkant (bij
de pijl) beet.
3. Draai het wisserblad linksom om de aanslag op de wisserarm als hefboom te
gebruiken zodat het wisserblad makkelijker loskomt.
4. Duw het nieuwe wisserblad vast. Controleer of het goed vastzit.
5. Klap de wisserarm terug.
Schoonmaken
Voor het schoonmaken van de wisserbladen
en de voorruit, zie Wasstraat (p. 397).
380
Sproeiervloeistof - bijvullen (p. 381)
10 Onderhoud en service
Sproeiervloeistof - bijvullen
Om de koplampen en ruiten schoon te houden wordt sproeiervloeistof gebruikt. Gebruik
tijdens de wintermaanden sproeiervloeistof
met antivries.
Voor de hoeveelheden, zie Sproeiervloeistof kwaliteit en hoeveelheid (p. 418).
Gerelateerde informatie
•
Wisserbladen (p. 378)
Startaccu - algemeen
De startaccu wordt gebruikt om de startmotor
en andere elektrische uitrusting in de auto aan
te drijven.
De rijomstandigheden, de rijstijl, het aantal
startpogingen, de weersomstandigheden e.d.
zijn van invloed op de levensduur en de werking van de accu.
10
De startaccu is een traditionele 12V-accu.
•
Koppel de startaccu nooit los, terwijl de
motor loopt.
•
Controleer of de kabels van de startaccu
op de juiste manier zijn aangesloten en
stevig vastzitten.
In de volgende tabel staan de specificaties
van de startaccu.
De sproeiers van de voorruit en de koplampen staan in verbinding met hetzelfde vloeistofreservoir.
BELANGRIJK
Gebruik originele sproeiervloeistof van
Volvo of een vergelijkbaar product met de
aanbevolen pH-waarde tussen de 6 tot 8.
Spanning (V)
KoudestartvermogenA - CCAB
(A)
12
720C
760D of 800D
BELANGRIJK
Gebruik in de winter sproeiervloeistof met
antivries, zodat de vloeistof niet vastvriest
in pomp, reservoir en slangen.
}}
381
10 Onderhoud en service
||
Afmetingen ,
l×b×h (mm)
10
Capaciteit (Ah)
A
B
C
D
278×175×190D
of
315×175×190D
•
De startaccu kan het zeer explosieve
knalgas produceren. Eén enkele vonk,
veroorzaakt door een onjuiste aansluiting van een startkabel, kan volstaan
om de accu tot ontploffing te brengen.
•
De startaccu bevat tevens zwavelzuur
dat ernstige chemische brandwonden
kan veroorzaken.
•
Als u accuzuur in uw ogen krijgt of op
uw huid of kleren morst, moet u
onmiddellijk met grote hoeveelheden
water spoelen. Neem onmiddellijk contact op met een arts, als u accuzuur in
uw ogen krijgt.
70C
70D of 80D
Volgens EN-norm.
Cold Cranking Amperes.
Handgeschakelde versnellingsbak.
Automatische versnellingsbak. De specificaties zijn afhankelijk van de modelvariant.
BELANGRIJK
Bij vervanging van de startaccu moet u
erop letten dat u een accu met hetzelfde
koudestartvermogen en van hetzelfde type
gebruikt als de originele accu (zie de sticker op de accu).
N.B.
382
WAARSCHUWING
278×175×190C
•
De grootte van de batterijbehuizing
dient overeen te komen met de afmetingen van de originele batterij.
•
De hoogte van de batterij hangt af van
de afmetingen.
BELANGRIJK
Gebruik voor het opladen van de startaccu
of de hulpaccu (p. 384) alleen een
moderne acculader met laadspanningsregeling. Maak geen gebruik van eventuele
snellading omdat de accu daarbij beschadigd kan raken.
BELANGRIJK
Bij het negeren van het volgende valt na
aansluiting van een externe startaccu of
acculader de energiebesparingsfunctie
voor het infotainmentsysteem mogelijk tijdelijk uit en/of verschijnt er tijdelijk geen
melding over de ladingstoestand van de
startaccu op het informatiedisplay van het
instrumentenpaneel:
•
De minpool van de startaccu in de
auto mag nooit worden gebruikt voor
aansluiting van een externe startaccu
of acculader – alleen het autochassis
dient als massapunt te worden
gebruikt.
Zie Starten met hulpaccu (p. 276) voor een
beschrijving van de locatie van de kabelklemmen en de manier van aansluiten.
10 Onderhoud en service
N.B.
Als de startaccu vaak ontladen wordt,
heeft dat een negatief effect op zijn levensduur.
De levensduur van de startaccu wordt
door meerdere factoren beïnvloed, o.a. de
rijomstandigheden en het klimaat. De
startcapaciteit van de accu daalt in de
loop van de tijd geleidelijk en daarom moet
de accu worden opgeladen als de auto
langere tijd niet wordt gebruikt of als er
alleen korte ritten mee worden gemaakt.
Extreme kou beperkt de startcapaciteit
ook.
Om de startaccu in een goede conditie te
houden, adviseren wij om minimaal 15
minuten per week te rijden of de accu aan
te sluiten op een acculader met automatisch onderhoudsladen.
Een startaccu die constant volledig opgeladen wordt gehouden, heeft een maximale levensduur.
Accu - symbolen
Vermijd vonken en open
vuur.
Op de accu zitten symbolen die informatie
verstrekken en waarschuwen.
Symbolen op de accu
10
Draag een veiligheidsbril.
Explosiegevaar.
Zie voor meer informatie
de gebruikershandleiding
die bij de auto hoort.
Bestemd voor inzameling.
Bewaar accu’s buiten het
bereik van kinderen.
N.B.
Een defecte startaccu moet op een milieuvriendelijke manier worden verwerkt - deze
bevat namelijk lood.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Accu - symbolen (p. 383)
Startaccu - vervangen (p. 384)
Accu - Start/Stop (p. 384)
De accu bevat een bijtend zuur.
Gerelateerde informatie
•
•
Startaccu - algemeen (p. 381)
Accu - Start/Stop (p. 384)
383
10 Onderhoud en service
10
Startaccu - vervangen
Accu - Start/Stop
Laat de hulpaccu vervangen in een erkende
werkplaats.
Auto’s met Start/Stop-systeem hebben
behalve de startaccu ook een hulpaccu.
De startaccu is een traditionele 12V-accu.
Een auto met Start/Stop-systeem is voorzien
van twee 12V-accu’s – één extra krachtige
startaccu en een hulpaccu die gebruikt wordt
voor de startprocedure middels het
Start/Stop-systeem.
Volvo adviseert accu’s te laten vervangen
door een erkende werkplaats – geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Voor meer informatie over de startaccu van
de auto, zie Starten met hulpaccu (p. 276).
Voor meer informatie over het Start/Stop-systeem, zie Start/Stop* (p. 286).
Voor meer informatie over de startaccu van
de auto, zie Starten met hulpaccu (p. 276).
In de volgende tabel staan de specificaties
van de hulpaccu.
Spanning (V)
KoudestartvermogenA CCAB (A)
12
13
384
Enhanced Flooded Battery.
Absorbed Glass Mat.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
12
120C
170D
Afmetingen , l×b×h (mm)
Capaciteit (Ah)
A
B
C
D
150×90×106C
150×90×130D
8C
10D
Volgens EN-norm.
Cold Cranking Amperes.
Handgeschakelde versnellingsbak in combinatie met Start/
Stop-systeem met uitsluitend automatische motorstops,
wanneer de auto helemaal stilstaat.
Overige.
BELANGRIJK
Bij vervanging van de startaccu of hulpaccu, bij een auto met Start/Stop-systeem,
moet u een accu van het juiste type monteren; EFB12 bij een auto met een handgeschakelde versnellingsbak en AGM13 bij
een auto met een automatische versnellingsbak.
Bij vervangen van een hulpaccu moet u
een accu van het type AGM monteren.
10 Onderhoud en service
N.B.
•
•
Auto-start motor14 werkt zonder dat u de
koppeling bedient (handmatige versnellingsbak).
•
De motor start automatisch zonder dat u
uw voet van het rempedaal haalt (automatische versnellingsbak).
10
•
Wanneer de capaciteit van de startaccu tot onder de ondergrens is
gedaald, wordt het Start/Stop-systeem
uitgeschakeld.
•
BELANGRIJK
Bij het negeren van het volgende valt het
Start/Stop-systeem mogelijk tijdelijk uit na
aansluiting van een externe startaccu of
acculader:
Hoe hoger de stroomafname in de
auto (extra koeling/verwarming e.d.),
hoe meer de accu’s moeten worden
bijgeladen = hoe hoger het brandstofverbruik.
Een tijdelijke functiebeperking van het
Start/Stop-systeem op grond van een hoge
stroomafname houdt het volgende in:
14
15
Locatie accu’s
(1) Startaccu15 (2) Hulpaccu
De minpool van de startaccu in de
auto mag nooit worden gebruikt voor
aansluiting van een externe startaccu
of acculader – alleen het autochassis
dient als massapunt te worden
gebruikt.
Zie Starten met hulpaccu (p. 276) voor een
beschrijving van de locatie van de kabelklemmen en de manier van aansluiten.
De hulpaccu vergt doorgaans niet meer service dan de normale startaccu. Neem bij vragen of problemen contact op met een werkplaats - geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
Auto-start is alleen mogelijk, als de versnellingspook in de neutraal staat.
Zie Startaccu - algemeen (p. 381) voor een uitvoerige beschrijving van de startaccu.
}}
385
10 Onderhoud en service
||
N.B.
Als de startaccu dermate ontladen is dat
alles ‘zwart’ is en alle elektrische standaardsystemen van de auto’s nagenoeg
uitgeschakeld zijn en u de motor vervolgens start met een externe accu of acculader, zal het Start/Stop-systeem actief zijn.
Auto-stop van de motor is in dat geval
mogelijk, maar het Start/Stop-systeem kan
na auto-stop van de motor mogelijk geen
auto-start uitvoeren door onvoldoende
capaciteit van de startaccu.
10
Voor een geslaagde auto-start ná autostop dient de accu eerst te worden opgeladen. Bij een buitentemperatuur van
+15 °C moet de accu ten minste 1 uur lang
worden opgeladen. Bij lagere buitentemperaturen wordt een laadduur geadviseerd
van 3–4 uur. Geadviseerd wordt de accu
op te laden met een externe acculader.
Als iets dergelijks niet voorhanden is,
wordt geadviseerd het Start/Stop-systeem
uit te schakelen totdat de startaccu voldoende bijgeladen is.
Voor meer informatie over het opladen van
de startaccu van de auto, zie Startaccu algemeen (p. 381).
Gerelateerde informatie
•
386
Accu - symbolen (p. 383)
Elektrisch systeem
Zekeringen - algemeen
Het elektrische systeem is enkelpolig en
gebruikt het chassis en het motorblok als
geleiders.
Om te voorkomen dat de elektrische systemen van de auto beschadigd raken door kortsluiting of overbelasting, worden alle verschillende elektrische functies en onderdelen door
enkele zekeringen beschermd.
Op de auto zit een wisselstroomdynamo met
spanningsregelaar.
De afmetingen, het type en de prestaties van
de accu zijn afhankelijk van de uitrusting in de
auto en de functie.
BELANGRIJK
Bij vervanging van de startaccu moet u
erop letten dat u een accu met hetzelfde
koudestartvermogen en van hetzelfde type
gebruikt als de originele accu (zie de sticker op de accu).
Gerelateerde informatie
•
•
Startaccu - vervangen (p. 384)
Startaccu - algemeen (p. 381)
Als een van de elektrische onderdelen of
functies niet werkt, is het mogelijk dat de bijbehorende zekering overbelast werd en daardoor gesmolten is. Als dezelfde zekering herhaaldelijk doorbrandt, betekent dit dat het bijbehorende onderdeel een storing vertoont. U
wordt dan geadviseerd een bezoek te brengen aan een erkende Volvo-werkplaats voor
een controle.
Vervangen
1. Zoek in de zekeringentabel op waar de
zekering zit.
2. Trek de zekering naar buiten en bekijk
deze van opzij om te kijken of het gebogen draadje soms doorgebrand is.
3. Breng in dat geval een nieuwe zekering
aan met dezelfde kleur en hetzelfde
amperage.
10 Onderhoud en service
WAARSCHUWING
Gebruik nooit een vreemd voorwerp of een
zekering met meer ampère dan gespecificeerd om een zekering te vervangen. Dit
kan aanzienlijke schade aan het elektrische systeem veroorzaken en mogelijk tot
brand leiden.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Zekeringen - in motorruimte (p. 388)
Zekeringen - onder dashboardkastje
(p. 392)
Zekeringen - onder rechter voorstoel
(p. 395)
10
Positie van relais- en zekeringhouders
Positie van de relais- en zekeringhouders,
auto met het stuur links – bij auto’s met het
stuur rechts zit de relais- en zekeringhouder
onder het dashboardkastje aan de andere
kant.
Motorruimte
Onder dashboardkastje
Onder rechter voorstoel
387
10 Onderhoud en service
Zekeringen - in motorruimte
De zekeringen in de motorruimte beschermen
o.a. de motor- en remfuncties.
10
Aan de binnenkant van het deksel zit een
speciale trekker waarmee u de zekeringen
gemakkelijker kunt verwijderen en aanbrengen.
In de relais- en zekeringhouder is tevens
plaats voor enkele reservezekeringen.
Zekeringen vervangen
De zekeringen zijn te bereiken, wanneer u het
deksel van de startaccu en het deksel van de
relais- en zekeringhouder hebt verwijderd.
388
Deksel verwijderen
Haal de borgnokken naar buiten toe
die aan de zijkanten van het deksel op de
startaccu zitten.
Neem het deksel recht omhoog eraf.
10 Onderhoud en service
Haal de borgnok opzij die op de zijkant van de relais- en zekeringhouder zit.
Draai het deksel omhoog, totdat de
borgnokken (1) loskomen.
Functie
A
Functie
A
ABS-pomp
40
Remlichten
5
ABS-ventielen
30
-
-
Koplampsproeiers*
20
Verlichtingsdraaiknop
5
Interieurventilator
40
Interne relaisspoelen
5
12V-aansluiting middenconsole
voor
15
Transmissieregeleenheid
15
Magneetkoppeling A/C (1,6 l, 5cil. benzine)
15
12V-aansluiting middenconsole
achter
15
7,5
Hoofdzekering voor de zekeringen 32–36
Klap het deksel naar de motor toe open
om bij de zekeringen te komen.
Deksel terugplaatsen
Elektrische voorruitverwarming,
rechterkant*
30
40
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde terug.
-
Posities
Elektrische voorruitverwarming,
linkerkant*
40
Klimaatsensor*; klepmotoren
luchtinlaat
20
Motorregeleenheid (4-cil. 2,0 l;
5-cil.)
5
Standverwarming*
Ruitenwissers
20
Elektrisch bedienbare stoel
rechts*
20
Centrale elektronicamodule,
referentiespanning hulpaccu
5
Claxon
15
De sticker in het deksel toont de plaats van
de zekeringen.
•
De zekeringen 7–18 zijn van het type
‘JCASE’ en moeten worden vervangen
door een werkplaats16.
•
De zekeringen 19–45 en 47–48 zijn van
het type ‘MiniFuse’.
16
-
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
10
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
389
10 Onderhoud en service
||
10
390
Functie
A
Functie
A
Functie
A
Relaisspoel in relais voor koelventilator (4-cil. 1,6 l, 5-cil. diesel); lambdasondes (4-cil. 1,6 l
benzine); luchtmassameter (1,6
l diesel, 5-cil. diesel); omloopklep EGR-koeling (1,6 l diesel);
omloopmagneetklep EGR-koeling (5-cil. diesel); regelklep
brandstofstroom (5-cil. diesel);
regelklep brandstofdruk (5-cil.
diesel)
10
10
Kleppen (1,6 l benzine); magneetkleppen (1,6 l benzine); verstuivers (5-cil. benzine); lambdasonde (5-cil. diesel); verwarming carterventilatie (5-cil. diesel)
10
15
Relaisspoel in relais voor koelventilator (5-cil. benzine); lambdasondes (5-cil. benzine)
20
EVAP-klep (4-cil. 2,0 l diesel);
EVAP-klep (4-cil. 2,0 l benzine);
carterventilatieverwarming (4cil. 2,0 l benzine); motorregeleenheid (4-cil. 2,0 l); luchtmassameter (4-cil. 2,0 l); thermostaat (4-cil. 2,0 l benzine); koelpomp voor EGR (4-cil. 2,0 l diesel); regeleenheid gloeiregeling
(4-cil. 2,0 l diesel)
15
Lambdasondes (4-cil. 2,0 l);
relaisspoel in relais voor koelventilator (4-cil. 2,0 l)
Oliepomp automaatbak (5-cil.);
luchtmassameter (1,6 l benzine;
5-cil. benzine); EVAP-klep (1,6 l
benzine); kleppen (4-cil. 2,0 l; 5cil. benzine); magneetkleppen
(5-cil. benzine); verwarming carterventilatie (5-cil. benzine);
regelmotor turbo (1,6 l diesel);
regelklep brandstofstroom (1,6 l
diesel); regeleenheid radiateurafdekking (1,6 l diesel); magneetklep zuigerkoeling (5-cil.
diesel); regelklep turbo (5-cil.
diesel); oliepeilsensor (5-cil. diesel); compressor A/C (4-cil. 2,0
l; 5-cil. diesel); oliepomp (4-cil.
2,0 l); koelklep voor klimaatregeling (4-cil. 2,0 l diesel); relaisspoelen in relais voor Start/
Stop-systeem
Bobines (1,6 l benzine, 5-cil.
benzine)
10
Bobines (4-cil. 2,0 l benzine);
dieselfilterverwarming (1,6 l diesel; 5-cil. diesel); regeleenheid
gloeiregeling (5-cil. diesel)
15
Dieselfilterverwarming (4-cil.
2,0 l diesel)
25
Motorregeleenheid (1,6 l)
10
Motorregeleenheid (4-cil. 2,0 l;
5-cil.); gasklepeenheid (5-cil.
benzine)
15
10 Onderhoud en service
Functie
A
ABS
5
Motorregeleenheid; transmissieregeleenheid; airbags
7,5
Koplamphoogteregeling*
10
Elektrische stuurbekrachtiging
5
Centrale elektronicamodule
15
-
-
-
-
Collision Warning
5
Gaspedaalsensor
5
Laadpunt hulpaccu
-
-
-
Koelvloeistofpomp (bij auto
zonder standverwarming)
10
10
Gerelateerde informatie
•
Zekeringen - onder dashboardkastje
(p. 392)
•
Zekeringen - onder rechter voorstoel
(p. 395)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
391
10 Onderhoud en service
Zekeringen - onder dashboardkastje
10
De zekeringen onder het dashboardkastje
beschermen onder meer de airbags en de
interieurverlichting.
Aan de binnenkant van het deksel naar
relais- en zekeringenhouder in de motorruimte zit een speciale trekker waarmee u de
zekeringen gemakkelijker kunt verwijderen en
aanbrengen.
In de relais- en zekeringenhouder in de
motorruimte is tevens plaats voor enkele
reservezekeringen.
Zekeringen vervangen
De zekeringen zijn toegankelijk als een
beschermkap is losgemaakt van de relais- en
zekeringenhouder.
392
Kap demonteren
Pak de uitsparing vast en trek tot de
borgnokjes aan de onderkant van de kap
loslaten van de relais- en zekeringenhouder.
Verwijder de kap.
N.B.
Er is een relatief grote trekkracht nodig om
de borgnokjes aan de bovenkant van de
kap eerst los te maken vanuit de relais- en
zekeringhouder.
10 Onderhoud en service
Kap monteren
Pas de onderste borgnokjes in.
Draai de kap omhoog totdat de bovenste
nokjes vastklikken.
N.B.
Let erop dat de bovenste borgnokjes goed
in de groeven van de relais- en zekeringhouder worden geleid.
Posities
De zekeringen zijn van het type ‘MiniFuse’.
Functie
A
Brandstofpomp
20
Achterruitwisser
15
Functie
A
Functie
Display op plafondconsole (gordelwaarschuwing/indicatie voor
passagiersairbag voorin)
5
Bedieningspaneel klimaatregeling
7,5
Interieurverlichting; bediening
voorste leeslampjes en interieurverlichting voorin op plafondconsole; elektrisch bedienbare stoelen*
7,5
Stuurwieleenheid
7,5
Elektrisch bedienbaar rolgordijn; glazen dak*
10
Regensensor*; automatisch
dimmende achteruitkijkspiegel*;
vochtsensor*
5
Collision Warning*
Ontgrendelen achterklepA
A
Sirene alarmsysteem*; diagnose-aansluiting OBDII
5
Groot licht
15
-
-
Achteruitrijlicht
7,5
VoorruitsproeierC; achterruitsproeierC
20
5
Startblokkering
5
-
Reservepositie 1, continue
spanning
15
Reservepositie 2, continue
spanning
20
10
10
-
-
Reservepositie 3, continue
spanning
5
Bewegingsmelder alarm*;
afstandsontvanger
5
Stuurslot
15
20
Instrumentenpaneel
5
VoorruitsproeierD; achterruitsproeierD
10
Centrale vergrendeling tankvulklepE
10
Centrale vergrendeling tankvulklepB
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
393
10 Onderhoud en service
||
10
A
B
C
D
E
F
Functie
A
Ontgrendelen achterklepF
10
Elektrische extra verwarming*;
knop achterbankverwarming*
7,5
Airbags; voetgangersairbag*
7,5
Reservepositie 4, continue
spanning
7,5
-
-
-
-
Zie ook zekering 84.
Zie ook zekering 83.
Zie ook zekering 82.
Zie ook zekering 77.
Zie ook zekering 70.
Zie ook zekering 65.
Gerelateerde informatie
•
•
394
Zekeringen - in motorruimte (p. 388)
Zekeringen - onder rechter voorstoel
(p. 395)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
10 Onderhoud en service
Zekeringen - onder rechter voorstoel
De zekeringen onder de rechter voorstoel
beschermen onder meer het infotainment en
de aanhangersystemen.
Aan de binnenkant van het deksel naar
relais- en zekeringenhouder in de motorruimte zit een speciale trekker waarmee u de
zekeringen gemakkelijker kunt verwijderen en
aanbrengen.
In de relais- en zekeringenhouder in de
motorruimte is tevens plaats voor enkele
reservezekeringen.
10
Posities
•
De zekeringen 24–28 zijn van het type
‘JCASE’ en moeten worden vervangen
door een werkplaats17.
•
De zekeringen 1–23 en 29–46 zijn van het
type ‘MiniFuse’.
Functie
A
-
-
Keyless Drive*
17
10
Functie
A
Portierhandgrepen (Keyless*)
5
Bedieningspaneel portier linksvoor
25
Bedieningspaneel portier
rechtsvoor
25
Bedieningspaneel portier linksachter
25
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
395
10 Onderhoud en service
||
10
396
Functie
A
Functie
A
Functie
A
Bedieningspaneel portier
rechtsachter
25
-
-
-
-
Hoofdzekering voor zekeringen
12–16: Infotainment
25
-
-
-
-
Trekhaakaansluiting 2*
20
-
-
Elektrisch bedienbare stoel
links*
20
Regeleenheid audio (versterker)*
30
Verwarming zitplaats achterbank rechts*
15
-
Verwarming zitplaats achterbank links*
15
-
-
-
Interne relaisspoel
5
Trekhaakaansluiting 1*
40
Regeleenheid audio (versterker)*, signaal voor diagnose
5
Elektrische achterruitverwarming
30
-
-
-
Telematica*; Bluetooth*
5
Regeleenheid audio of regeleenheid SensusA; regeleenheid
Infotainment of beeldschermA
15
Digitale radio*; tv*
12V-aansluiting bagageruimte
-
-
-
-
-
-
-
BLIS*
5
-
-
Park Assist*
5
-
-
Parkeercamera*
5
-
-
7,5
-
-
15
-
-
-
-
-
-
-
-
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Stoelverwarming bestuurderszijde voorin
15
Stoelverwarming passagierszijde voorin
15
A
Bepaalde modelvarianten.
Gerelateerde informatie
•
•
Zekeringen - in motorruimte (p. 388)
Zekeringen - onder dashboardkastje
(p. 392)
10 Onderhoud en service
Wasstraat
WAARSCHUWING
Was de auto zodra deze vuil geworden is.
Zorg dat de auto op een spoelvloer met olieafscheider staat. Gebruik autoshampoo.
Laat de motorreiniging altijd uitvoeren door
een werkplaats. Als de motor warm is,
bestaat er brandgevaar.
Gebruik geen sterke oplosmiddelen.
Met de hand wassen
•
•
•
•
•
Vuile koplampen werken slechter. Maak ze
regelmatig schoon, bijvoorbeeld als u
tankt.
Gebruik geen bijtende reinigingsmiddelen,
maar water en een niet krassende spons.
Spoel het onderstel af.
N.B.
Spoel de hele auto eerst af om loszittend
vuil te verwijderen en het risico te beperken dat er tijdens het reinigen krassen
ontstaan. Spuit niet rechtstreeks in de
richting van de sloten.
Bij de externe verlichting zoals de koplampen, mistlampen en achterlichten kan tijdelijk condens optreden aan de binnenkant van het lampglas. Dit is een natuurlijk
verschijnsel en alle externe verlichting is
erop gebouwd om dit zoveel mogelijk te
voorkomen. Condens verdwijnt normaal uit
het lamphuis, wanneer de lamp enige tijd
brandt.
Gebruik zo nodig een koud ontvettingsmiddel voor hardnekkig vuil. Let erop dat
de verontreinigde gebieden niet zijn
opgewarmd door de zon!
•
Reinig de wisserbladen met een lauwe
zeepoplossing of autoshampoo.
•
Droog de auto af met een schoon en
zacht stuk zeemleer of een trekker. Als u
waterdruppels op de auto niet in de felle
zon laat drogen maar meteen verwijdert,
beperkt u het risico dat u later watervlekken moet wegpoetsen.
10
BELANGRIJK
Verwijder vogelpoep zo spoedig mogelijk
van de lak. Vogelpoep bevat namelijk
stoffen die de lak aantasten en deze zeer
snel doen verkleuren. U wordt geadviseerd een dergelijke verkleuring te laten
herstellen door een erkende Volvo-werkplaats.
Was de auto met een spons, autoshampoo en een ruime hoeveelheid lauw
water.
N.B.
Reinig de wisserbladen en voorruit regelmatig met een lauw sopje of autoshampoo.
Wisserbladen
Door teer-, stof- en zoutresten op de wisserbladen en insecten, ijs e.d. op de voorruit
gaan wisserbladen minder lang mee.
Automatische wasstraten
In een automatische wasstraat kunt u de auto
weliswaar snel en eenvoudig schoonmaken,
maar de borstels van de wasstraat kunnen
niet overal even goed bij. Voor het beste
resultaat wordt u geadviseerd de auto met de
hand te wassen.
N.B.
De eerste maanden mag de auto alleen
met de hand worden gewassen. De reden
hiervoor is dat de lak gevoeliger is als deze
nieuw is.
Hogedrukreinigers
Let er bij gebruik van een hogedrukreiniger op
dat u cirkelende bewegingen maakt en de
spuitkop op minstens 30 cm afstand van de
auto houdt (geldt voor alle exterieuronderdelen). Spuit niet rechtstreeks in de richting van
de sloten.
Bij het reinigen:
–
Zet de wisserbladen in de servicestand,
zie Wisserbladen (p. 378).
}}
397
10 Onderhoud en service
||
Remmen testen
BELANGRIJK
Waxen en polijsten op kunststof en rubber
is niet toegestaan.
WAARSCHUWING
10
Test de rem na het wassen altijd, ook de
parkeerrem, zodat vocht en corrosie de
remvoering niet aantasten en de remmen
verslechteren.
Bij gebruik van ontvettingsmiddel op
kunststof en rubber mag u, als dat nodig
is, slechts met lichte druk wrijven. Gebruik
een zachte spons.
Door het polijsten van glimmende strips
kan de glimmende oppervlaktelaag wegslijten of beschadigd raken.
Trap zo nu en dan lichtjes op het rempedaal,
als u lange afstanden in de regen of sneeuwmodder aflegt. Door de wrijving worden de
remblokken warm, zodat het vocht verdampt.
Doe hetzelfde bij zeer vochtig of koud weer.
Kunststof en rubber sieronderdelen
exterieur
Voor het schoonmaken en verzorgen van
gekleurde kunststof onderdelen, rubber
onderdelen en sieronderdelen zoals glimmende strips, wordt geadviseerd het speciale
reinigingsmiddel te gebruiken dat bij de
Volvo-werkplaats verkrijgbaar is. Volg bij het
gebruik van dit reinigingsmiddel de gebruiksvoorschriften nauwkeurig op.
398
Gebruik geen poetsmiddel dat schuurmiddel bevat.
Velgen
Gebruik alleen de velgreinigingsmiddelen die
Volvo adviseert.
Sterke velgreinigingsmiddelen kunnen het
oppervlak beschadigen en vlekken veroorzaken op verchroomde lichtmetalen velgen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Poetsen en in de was zetten (p. 398)
Interieur reinigen (p. 400)
Water- en vuilafstotende laag (p. 399)
Poetsen en in de was zetten
Poets de auto en zet deze in de was, wanneer
de lak er dof uitziet of als u deze extra
bescherming wilt bieden.
U hoeft een nieuwe auto pas na een jaar te
poetsen. In de was zetten kunt u eerder doen.
Zorg dat de auto bij het poetsen of in de was
zetten niet in direct zonlicht staat.
Was de auto en droog deze zorgvuldig af,
voordat u begint te poetsen of de was aanbrengt. Verwijder asfalt- en teervlekken met
een teerverwijderaar of terpentine. U kunt
hardnekkige vlekken met een speciaal voor
autolak bestemde, fijne schuurpasta (‘rubbing
compound’) verwijderen.
Poets de lak eerst op en behandel deze
daarna met was in vloeibare of vaste vorm.
Volg de aanwijzingen op de verpakking nauwkeurig op. Veel preparaten bevatten zowel
poetsmiddel als was.
10 Onderhoud en service
BELANGRIJK
Waxen en polijsten op kunststof en rubber
is niet toegestaan.
Bij gebruik van ontvettingsmiddel op
kunststof en rubber mag u, als dat nodig
is, slechts met lichte druk wrijven. Gebruik
een zachte spons.
Door het polijsten van glimmende strips
kan de glimmende oppervlaktelaag wegslijten of beschadigd raken.
Gebruik geen poetsmiddel dat schuurmiddel bevat.
BELANGRIJK
Alleen lakbehandelingen uitvoeren die door
Volvo geadviseerd worden. Andere behandelingen zoals lakconservering, verzegeling, bescherming, glansverzegeling e.d.
kunnen lakschade veroorzaken. Lakschade als gevolg van dergelijke behandelingen valt niet onder de Volvo-garantie.
Gerelateerde informatie
•
Wasstraat (p. 397)
Water- en vuilafstotende laag
De ruiten zijn voorzien van een speciale laag
die bij hevige regenval voor een beter zicht
zorgt.
Gerelateerde informatie
•
Wasstraat (p. 397)
10
Water- en vuilafstotende laag*
De waterafstotende laag staat bloot
aan natuurlijke slijtage.
Onderhoud:
•
Gebruik nooit producten zoals autowas,
ontvetters e.d. op het glasoppervlak,
omdat de waterafstotende laag daardoor
beschadigd kan raken.
•
Wees voorzichtig bij het schoonmaken
om te voorkomen dat er krassen in het
glasoppervlak ontstaan.
•
Om schade aan het glas te voorkomen
dient u voor het verwijderen van ijs alleen
een krabber van kunststof te gebruiken.
•
Om de waterafstotende eigenschappen
te behouden, wordt geadviseerd de
behandeling te vernieuwen met een nabehandelingsmiddel dat verkrijgbaar is bij
een erkende Volvo-werkplaats. Gebruik
het middel de eerste keer na drie jaar en
daarna ieder jaar.
BELANGRIJK
Gebruik geen metalen ijskrabber om de
ruiten van ijs te ontdoen. Gebruik de elektrische verwarming om de buitenspiegels
van ijs te ontdoen, zie Ruiten en buitenspiegels - elektrische verwarming (p. 102).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
399
10 Onderhoud en service
10
Roestwering
Interieur reinigen
De auto heeft in de fabriek een uiterst grondige en complete roestwerende behandeling
ondergaan. De carrosserie bestaat ten dele uit
gegalvaniseerd plaatwerk. Het onderstel is
voorzien van een slijtvaste bodembescherming. In de balken, holten en gesloten profielen werd een dunne, doordringende roestwerende vloeistof gespoten.
Gebruik alleen reinigingsmiddelen en autoverzorgingsproducten die door Volvo geadviseerd worden. Maak de bekleding regelmatig
schoon en volg daarbij de gebruiksaanwijzingen bij het autoverzorgingsproduct op.
Controleren en onderhouden
Vuil en strooizout kunnen aanleiding geven
tot corrosie. Het is daarom belangrijk de auto
schoon te houden. Om de roestwering van de
auto in optimale staat te houden moet u de
beschermingslaag regelmatig controleren en
zo nodig bijwerken.
De roestwering van de auto hoeft normaal
gesproken pas na ca. 12 jaar voor het eerst te
worden nabehandeld. De auto moet daarna
om de drie jaar een nabehandeling ondergaan. U wordt geadviseerd om contact op te
nemen met een erkende Volvo-werkplaats,
als de auto een nabehandeling nodig heeft.
Gerelateerde informatie
•
Lakschade (p. 402)
Het is belangrijk te stofzuigen voordat u een
reinigingsmiddel gebruikt.
Matten en bagageruimte
Haal de inlegmatten uit de auto om de vloerbekleding en de inlegmatten ieder apart
schoon te kunnen maken. Gebruik een stofzuiger om vuil en stof te verwijderen.
Elk van beide inlegmatten zit met pennen
vast.
–
Vlekken op stoffen bekleding en
plafondbekleding
Om de brandvertragende eigenschappen van
de bekleding niet aan te tasten wordt geadviseerd een speciaal reinigingsmiddel voor
stoffen bekleding te gebruiken dat verkrijgbaar is bij erkende Volvo-werkplaatsen.
BELANGRIJK
Scherpe voorwerpen en klittenbandsluitingen kunnen de stoffen bekleding van de
auto beschadigen.
Pak de inlegmat bij elk van beide pennen
vast en til de mat recht omhoog.
Breng de inlegmat aan door deze bij
beide pennen vast te drukken.
BELANGRIJK
•
Sommige geverfde kledingstukken
(zoals spijkerbroeken en suède kleding) kunnen afgeven en voor verkleuring van de bekleding zorgen.
•
Gebruik nooit sterke oplosmiddelen.
Dergelijke middelen kunnen bekleding
van textiel, vinyl en leer beschadigen.
WAARSCHUWING
Gebruik voor alle zitplaatsen slechts één
inlegmat tegelijk en controleer alvorens
weg te rijden of de mat voor de bestuurdersstoel goed in de bevestigingsklemmen
op de vloer vastzit om te voorkomen dat
deze kan gaan glijden en achter of onder
de pedalen blijft haken.
Voor vlekken op de vloermat wordt geadviseerd het speciale reinigingsmiddel voor stof-
400
fen bekleding te gebruiken nadat u hebt
gestofzuigd. U dient vloermatten te reinigen
met de door uw Volvo-dealer geadviseerde
producten!
Vlekken op leren bekleding
De leren bekleding van Volvo is behandeld
om de bekleding in oorspronkelijke staat te
bewaren.
10 Onderhoud en service
Naarmate leren bekleding ouder wordt, krijgt
het een fraai patina. Het leer wordt veredeld
en bewerkt zodat het zijn natuurlijke eigenschappen houdt. Het leer is voorzien van een
beschermende toplaag, maar om de goede
eigenschappen en het fraaie uiterlijk te
behouden is regelmatige verzorging van het
leer vereist. Volvo biedt een universeel leerverzorgingsproduct waarmee u leren bekleding kunt schoonmaken en de beschermende
laag kunt herstellen, mits u de instructies
opvolgt. Na enig tijd in gebruikt te zijn
geweest krijgt het leer zijn natuurlijke patina,
afhankelijk van de oppervlaktestructuur. Een
dergelijk patina maakt deel van het natuurlijke
verouderingsproces van het leer en geeft aan
dat het om een natuurproduct gaat.
Voor de beste resultaten adviseert Volvo eenà viermaal per jaar (zo nodig vaker) beschermende crème op te brengen. De Volvo Leather Care-set is verkrijgbaar bij de Volvo-dealer.
BELANGRIJK
•
•
Sommige geverfde kledingstukken
(zoals spijkerbroeken en suède kleding) kunnen afgeven en voor verkleuring van de bekleding zorgen.
Gebruik nooit sterke oplosmiddelen.
Dergelijke middelen kunnen bekleding
van textiel, vinyl en leer beschadigen.
Reinigingsvoorschriften voor leren
bekleding
1. Breng een weinig van het leerreinigingsproduct op een vochtige spons aan en
knijp erin om een dikke laag schuim te
krijgen.
2. Behandel de vlek voorzichtig met cirkelende bewegingen.
3. Dep de vlek zorgvuldig met de spons.
Laat de vlek in de spons trekken. Wrijf
niet.
4. Veeg het behandelde gebied met een
stuk zacht papier of een doek af en laat
het leer volledig drogen.
Beschermende laag aanbrengen op
leren bekleding
1. Breng wat van de beschermende crème
op de vilten doek aan en wrijf de crème in
cirkelende bewegingen voorzichtig in het
leer.
2. Laat het leer 20 minuten drogen alvorens
erop plaats te nemen.
Daarmee is het leer beter beschermd tegen
vlekken en uv-straling.
Reinigingsvoorschriften voor leren
stuurwiel
•
Verwijder vuil en stof met een ietwat
vochtige spons en een neutrale zeepoplossing.
•
Leer moet kunnen ademen. Dek het leren
stuurwiel nooit af met kunststof bescherming.
•
Gebruik natuurlijke oliën. Voor het beste
resultaat wordt geadviseerd het leerverzorgingsmiddel van Volvo te gebruiken.
10
Bij vlekken op het stuurwiel:
Groep 1 (inkt, wijn, koffie, melk, zweet en
bloed)
–
Gebruik een zachte doek of spons. Neem
een ammoniakoplossing in een concentratie van 5 %. (Gebruik voor bloedvlekken een oplossing van 2 dl water en 25 g
zout.)
Groep 2 (vet, olie, saus en chocolade)
1. Dezelfde procedure als voor groep 1.
2. Dep met een absorberende papieren of
stoffen doek.
Groep 3 (vuil, stof in droge vorm)
1. Gebruik een zachte borstel om het vuil te
verwijderen.
2. Dezelfde procedure als voor groep 1.
}}
401
10 Onderhoud en service
||
Vlekken op interieuronderdelen van
kunststof, metaal en hout
10
Voor het reinigen van interieuronderdelen en panelen van kunststof worden met water
bevochtigde splitfiber- of microvezeldoeken
geadviseerd, die verkrijgbaar zijn bij een
erkende Volvo-werkplaats.
Krab of wrijf nooit over een vlek. Gebruik
nooit sterke vlekkenmiddelen. Voor de hardnekkige vlekken kunt u een speciaal reinigingsmiddel gebruiken dat verkrijgbaar is bij
de erkende Volvo-werkplaats.
BELANGRIJK
Gebruik geen oplosmiddelen met een
hoog alcoholgehalte zoals sproeiervloeistof voor het reinigen van het instrumentenpaneel.
Veiligheidsgordels
Lakschade
Geringe lakschade herstellen
Om roestvorming te voorkomen moet u lakschade direct herstellen.
Benodigdheden
•
grondlak (primer)18 - voor met kunststof
beklede bumpers e.d. zijn er spuitbussen
met speciale hechtprimer verkrijgbaar
•
basislak en heldere lak – verkrijgbaar in
spuitbussen of als bijwerkpen/-stift19
•
•
afplaktape
fijn schuurlinnen18.
Gebruik water en een synthetisch wasmiddel
en in het bijzonder het textielreinigingsmiddel
dat bij de erkende Volvo-werkplaats verkrijgbaar is. Zorg dat de gordel droog is, voordat
deze weer wordt opgerold.
Gerelateerde informatie
•
18
19
402
Kleurcode
De lak vormt een belangrijk onderdeel van de
roestwering van de auto en moet daarom
regelmatig worden gecontroleerd. De meest
voorkomende soorten lakschade zijn bijvoorbeeld steenslagplekken, krassen en plekjes op
de spatbordranden, portieren en bumpers.
Wasstraat (p. 397)
Eventueel.
Volg de aanwijzingen die bij de verpakking van de bijwerkpen/-stift werden geleverd.
Kleurcode exterieur
Eventuele secundaire kleurcode exterieur
Het is belangrijk dat u de juiste kleur gebruikt.
Voor de positie van de productsticker zie
Type-aanduidingen (p. 405).
10 Onderhoud en service
Kleine lakbeschadigingen als
steenslagplekken en krassen repareren
2. Vóór het lakken kunt u zo nodig (bij ongelijkmatige randen bijvoorbeeld) plaatselijk
licht schuren met zeer fijn schuurlinnen.
Maak het oppervlak goed schoon en laat
drogen.
10
G021832
3. Roer de grondlak (primer) goed door en
breng deze met een fijn kwastje, een lucifer of iets dergelijks aan. Werk als de
grondlak droog is af met basislak en heldere lak.
4. Krassen kunt u op dezelfde manier herstellen, maar dek ter bescherming de
onbeschadigde lak rond de kras af.
Vóór het herstel van lakschade moet u de
auto schoonmaken en goed laten drogen.
Zorg er bovendien voor dat de auto warmer is
dan 15 °C.
1. Plak een stuk afplaktape over het
beschadigde gebied heen. Trek de tape
weer van de lak af om eventuele lakresten
te verwijderen.
Als de beschadiging tot op het metaal
(plaat) zit, moet een grondlak (primer)
worden gebruikt. Bij beschadiging van
een kunststof oppervlak moet voor een
optimaal resultaat een hechtprimer worden gebruikt – spray in het deksel van de
sprayfles en strijk dun op.
N.B.
Als de steenslag niet tot het metalen
oppervlak (het plaatwerk) is gekomen en er
nog steeds een onbeschadigde laklaag
aanwezig is, moet u de basislak en heldere
lak direct aanbrengen nadat het oppervlak
is gereinigd.
Gerelateerde informatie
•
Roestwering (p. 400)
403
SPECIFICATIES
11 Specificaties
Type-aanduidingen
Type-aanduiding, chassisnummer e.d. (voertuigspecifieke informatie) staan aangegeven
op een sticker in de auto.
Positie van stickers en plaatjes
11
}}
405
11 Specificaties
||
Wanneer u contact opneemt met uw erkende
Volvo-werkplaats of vervangende onderdelen
of accessoires wilt bestellen, kan het handig
zijn om de type-aanduiding, het chassisnummer en het motornummer bij de hand te hebben.
11
Type-aanduiding, chassisnummer, maximaal toelaatbaar gewicht, kleurcode voor
lakwerk en typegoedkeuringsnummer. Bij
het openen van het rechter achterportier
is de sticker zichtbaar.
Sticker voor A/C-systeem.
Sticker voor standverwarming.
Motorcode en serienummer van de
motor.
Sticker voor motorolie.
Type-aanduiding en serienummer van de
versnellingsbak.
Handgeschakelde versnellingsbak
Automatische versnellingsbak
Identificatienummer van de auto (VIN,
Vehicle Identification Number)
De typegoedkeuring van de auto bevat meer
informatie over de auto.
406
N.B.
De in het instructieboekje afgebeelde stickers hoeven niet per definitie overeen te
komen met de stickers die in of op uw
auto aanwezig zijn. De afbeeldingen zijn
alleen bedoeld om aan te geven hoe de
stickers er in grote lijnen uitzien en waar u
ze ongeveer kunt aantreffen. Op de stickers van uw auto vindt u de informatie die
op uw auto van toepassing is.
Gerelateerde informatie
•
•
Gewichten (p. 408)
Motorspecificaties (p. 411)
11 Specificaties
Maten
In de tabel ziet u de maten van de auto wat de
lengte, hoogte e.d. betreft.
11
V40.
Maten
mm
A
Wielbasis
2647
B
Lengte
4369
C
Laadlengte, vloer, achterbank
neergeklapt
D
Laadlengte, vloer
E
Hoogte
F
Laadhoogte
1508
G
H
Maten
mm
Spoorbreedte vooras
1546A
Spoorbreedte achteras
Maten
mm
J
Breedte
1802
1551B
K
Breedte incl. buitenspiegels
2041
1559C
L
Breedte incl. ingeklapte buitenspiegels
1857
1533A
684
1538B
1420
1546C
532
I
Laadbreedte, vloer
A
B
C
Offset 52,5 mm.
Offset 50 mm.
Offset 46 mm.
960
407
11 Specificaties
Gewichten
Het maximale totaalgewicht staat aangegeven
op een sticker in de auto.
Inbegrepen bij het rijklaar gewicht zijn het
gewicht van de bestuurder, dat van de brandstoftank die voor 90 % gevuld is en dat van
de resterende oliën/vloeistoffen.
11
Het gewicht van de passagiers en de gemonteerde accessoires alsmede de kogeldruk
(p. 409) (bij gebruik van een aanhanger) zijn
van invloed op het laadvermogen en zijn niet
inbegrepen bij het rijklaar gewicht.
Toelaatbare maximumbelading = totaalgewicht – rijklaar gewicht.
N.B.
Het gedocumenteerde rijklaar gewicht
geldt voor een auto in de basisuitvoering,
dus een auto zonder extra uitrusting of
opties. Dat houdt in dat voor elke optie die
wordt toegevoegd, de laadcapaciteit van
de auto met het gewicht van de optie
afneemt.
Voorbeelden van opties die de laadcapaciteit verminderen zijn de onderdelen voor
de speciale uitvoeringen Kinetic/Momentum/Summum en andere opties zoals:
trekhaak, lastdrager, dakbox, audiosysteem, verstralers, gps-navigatie, verwarming op brandstof, veiligheidsrek, matten,
bagagerolhoes, elektrisch bedienbare
stoelen e.d.
Voor informatie over de positie van de sticker, zie
Type-aanduidingen (p. 405).
Max. totaalgewicht
Max. treingewicht (auto + aanhanger)
De auto wegen is een veilige manier om te
weten te komen wat het rijklaar gewicht
van uw auto is.
Max. voorasdruk
Max. achterasdruk
Uitrustingsniveau
WAARSCHUWING
Het rijgedrag van de auto verandert door
hoe zwaar de auto beladen is en hoe de
lading is geplaatst.
Max. belasting: Zie typegoedkeuring.
Max. dakbelasting: 75 kg.
Gerelateerde informatie
•
408
Trekgewicht en kogeldruk (p. 409)
11 Specificaties
Trekgewicht en kogeldruk
Het trekgewicht en de kogeldruk voor het rijden met een aanhanger staan in de tabellen.
Max. gewicht geremde aanhanger
V40
MotorcodeA
Versnellingsbak
Max. gewicht geremde aanhanger (kg)
Max. kogeldruk (kg)
T2
B4164T4
Handgeschakeld, B6
1300
75
T3
B4164T3
Handgeschakeld, B6
1300
75
T4
B4164T
Handgeschakeld, B6
1300
75
T4
B4164T
Automaat, MPS6
1500
75
T4
B5204T8
Automaat, TF-80SD
1500
75
T5
B5204T9
Automaat, TF-80SD
1500
75
T5
B4204T11
Automaat, TG-81SC
1500
75
D2
D4162T
Handgeschakeld, B6
1300
75
D2
D4162T
Automaat, MPS6
1300
75
D3
D5204T6
Handgeschakeld, M66
1500
75
D3
D5204T6
Automaat, TF-80SD
1500
75
D4
D4204T14
Handgeschakeld, M66
1500
75
D4
D4204T14
Automaat, TG-81SC
1500
75
Motor
A
11
Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op de motor, zie Type-aanduidingen (p. 405).
}}
409
11 Specificaties
||
Max. gewicht ongeremde aanhanger
V40
MotorcodeA
Versnellingsbak
Max. gewicht ongeremde aanhanger (kg)
Max. kogeldruk (kg)
T2
B4164T4
Handgeschakeld, B6
650
50
T3
B4164T3
Handgeschakeld, B6
650
50
T4
B4164T
Handgeschakeld, B6
650
50
T4
B4164T
Automaat, MPS6
700
50
T4
B5204T8
Automaat, TF-80SD
700
50
T5
B5204T9
Automaat, TF-80SD
700
50
T5
B4204T11
Automaat, TG-81SC
700
50
D2
D4162T
Handgeschakeld, B6
650
50
D2
D4162T
Automaat, MPS6
700
50
D3
D5204T6
Handgeschakeld, M66
700
50
D3
D5204T6
Automaat, TF-80SD
750
50
D4
D4204T14
Handgeschakeld, M66
700
50
D4
D4204T14
Automaat, TG-81SC
700
50
Motor
11
A
Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op de motor, zie Type-aanduidingen (p. 405).
Gerelateerde informatie
•
•
•
410
Gewichten (p. 408)
Rijden met een aanhanger (p. 310)
Trailer Stability Assist (TSA) (p. 317)
11 Specificaties
Motorspecificaties
De motorspecificaties (vermogen enz.) voor
de verschillende motoralternatieven staan in
de tabel.
V40
N.B.
Niet alle motoren zijn verkrijgbaar op alle
markten.
Motor
MotorcodeA
T2
B4164T4
88/4500
120/4500
240/1600-3000
4
79
81,4
1,596
10,0:1
T3
B4164T3
110/5700
150/5700
240/1600–4000
4
79
81,4
1,596
10,0:1
T4
B4164T
132/5700
180/5700
240/1600–5000
4
79
81,4
1,596
10,0:1
T4
B5204T8
132/5000
180/5000
300/2700–4000
5
81,0
77
1,984
10,5:1
T5
B5204T9
157/6000
213/6000
300/2700–5000
5
81,0
77
1,984
10,5:1
T5
B4204T11
180/5500
245/5500
350/1500-4800
4
82
93,2
1,969
10,8:1
D2
D4162T
84/3600
115/3600
270/1750–2500
4
75
88,3
1,560
16,0:1
D3
D5204T6
110/3500
150/3500
350/1500–2750
5
81,0
77
1,984
16,5:1
D4
D4204T14
140/4250
190/4250
400/1750–2500
4
82,0
93,2
1,969
15,8:1
A
Vermogen
(kW bij
omw/min)
Vermogen
(pk bij
omw/min)
Motorkoppel (Nm
bij omw/min)
Aantal
cilinders
Cilinderboring
(mm)
Slaglengte
(mm)
Slagvolume
(liter)
Compressieverhouding
11
Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op de motor, zie Type-aanduidingen (p. 405).
Gerelateerde informatie
•
Koelvloeistof - kwaliteit en hoeveelheid
(p. 415)
•
Motorolie - kwaliteit en hoeveelheid
(p. 413)
411
11 Specificaties
Motorolie - ongunstige
rijomstandigheden
BELANGRIJK
Om aan de vereisten voor de gespecificeerde service-intervallen te voldoen worden alle motoren in de fabriek gevuld met
een speciaal aangepaste, synthetische
motorolie. De oliesoort werd met grote
zorg geselecteerd lettend op de levensduur van de motor, de startgewilligheid,
het brandstofverbruik en de milieu-impact.
In ongunstige rijomstandigheden kunnen de
olietemperatuur en het olieverbruik abnormaal
toenemen. Hier volgen enkele voorbeelden
van ongunstige rijomstandigheden.
11
Controleer het oliepeil (p. 365), vaker tijdens
langere ritten:
Het bovenstaande geldt ook tijdens kortere
ritten bij lage temperaturen.
Om de aanbevolen service-intervallen aan
te kunnen houden dient u een goedgekeurde motoroliesoort te gebruiken.
Gebruik alleen een oliesoort van de voorgeschreven kwaliteit en dat zowel bij het
bijvullen als bij het verversen van olie. Een
negatieve invloed op de levensduur van de
motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact is anders niet
uitgesloten.
Kies een volsynthetische motorolie bij ongunstige rijomstandigheden. Ze bieden de motor
extra bescherming.
Volvo Car Corporation wijst alle garantieclaims af bij gebruik van een motoroliesoort die niet voldoet aan de voorgeschreven kwaliteits- en viscositeitseisen.
Volvo adviseert:
Volvo adviseert de olie in een erkende
Volvo-werkplaats te laten verversen.
•
met een caravan of aanhanger achter de
auto
•
•
•
in bergachtig gebied
op hoge snelheden
in temperaturen lager dan –30 °C of
hoger dan +40 °C
Gerelateerde informatie
412
•
Motorolie - kwaliteit en hoeveelheid
(p. 413)
•
Motorolie - algemeen (p. 364)
11 Specificaties
Motorolie - kwaliteit en hoeveelheid
De aanbevolen motoroliekwaliteit en de hoeveelheid voor de verschillende motoralternatieven staan in de tabel.
Volvo adviseert:
11
V40
MotorcodeA
Oliekwaliteit
Motor
T2
T3
Hoeveelheid, incl. oliefilter
(liter)
B4164T4
In de fabriek bijgevulde en gecertificeerde olie: Oliekwaliteit WSS-M2C925-A
ca. 4,1
B4164T3
alternatief tijdens servicebeurt:
ca. 4,1
Oliekwaliteit: ACEA A5/B5
T4
B4164T
D2
D4162T
D3
D5204T6
T4
B5204T8
Oliekwaliteit: ACEA A5/B5
ca. 5,5
T5
B5204T9
Viscositeit: SAE 0W-30
ca. 5,5
Viscositeit: SAE 5W-30
Oliekwaliteit: ACEA A5/B5
Viscositeit: SAE 0W-30
Oliekwaliteit: ACEA A5/B5
Viscositeit: SAE 0W-30
ca. 4,1
ca. 3,8
ca. 5,9
}}
413
11 Specificaties
||
V40
MotorcodeA
Oliekwaliteit
Motor
A
11
414
Hoeveelheid, incl. oliefilter
(liter)
T5
B4204T11
D4
D4204T14
Castrol Edge Professional V 0W-20 of VCC RBS0-2AE 0W-20
Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op de motor, zie Type-aanduidingen (p. 405).
Gerelateerde informatie
•
Motorolie - ongunstige rijomstandigheden
(p. 412)
•
Motorolie - controleren en bijvullen
(p. 365)
ca. 5,4
ca. 5,2
11 Specificaties
Koelvloeistof - kwaliteit en
hoeveelheid
Gerelateerde informatie
•
Koelvloeistof - peil (p. 369)
In de tabel ziet u de aan te houden hoeveelheid koelvloeistof voor de verschillende
motortypes.
Voorgeschreven kwaliteit: Door Volvo aanbevolen koelvloeistof aangelengd met 50 %
water2, zie verpakking.
V40
Hoeveelheid
MotorA
(liter)
T2
B4164T4
T3
B4164T3
T4
B4164T
D2
D4162T
10,0
D3
D5204T6
8,0
T4
B5204T8
T5
B5204T9
T5
B4204T11
7,5 (7,8B)
D4
D4204T14
8,0 (8,4B)
7,0
8,0
B
Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor
vindt u op de motor, zie Type-aanduidingen (p. 405).
Geldt voor een auto met een verwarming op brandstof.
2
De waterkwaliteit dient te voldoen aan de norm STD 1285,1.
A
11
415
11 Specificaties
Transmissieolie - kwaliteit en
hoeveelheid
De voorgeschreven transmissieolie en de
hoeveelheid voor de verschillende versnellingsbakopties staan in de tabel.
Handgeschakelde versnellingsbak
Handgeschakelde versnellingsbak
11
Hoeveelheid (liter)
B6
M66
A
ca. 1,6
ca. 1,9 (ca. 1,45A)
Voorgeschreven versnellingsbakolie
BOT 350M3
Geldt voor motortype D4204T14.
Automatische versnellingsbak
Automatische versnellingsbak
Hoeveelheid (liter)
TF-80SD
ca. 7,0
TG-81SC
6,6A
ca.
ca. 7,5B
MPS6
A
B
416
Benzinemotoren
Dieselmotoren
ca. 7,3
Voorgeschreven versnellingsbakolie
AW1
AW1
BOT 341
11 Specificaties
N.B.
Voor de MPS6 gelden bepaalde olieverversingsintervallen.
Bij de overige versnellingsbakken hoeft de
versnellingsbakolie in normale rijomstandigheden niet ververst te worden. Onder
ongunstige rijomstandigheden moet de
olie mogelijk wel worden ververst.
11
Gerelateerde informatie
•
Motorolie - ongunstige rijomstandigheden
(p. 412)
•
Type-aanduidingen (p. 405)
417
11 Specificaties
11
Remvloeistof - kwaliteit en
hoeveelheid
Sproeiervloeistof - kwaliteit en
hoeveelheid
Remvloeistof is de naam van het middel in
een hydraulisch remsysteem, dat wordt
gebruikt om druk over te brengen vanuit bijvoorbeeld een rempedaal via een hoofdremcilinder naar een of meerdere hulpcilinders die
op hun beurt een mechanische rem bedienen.
De sproeiervloeistof wordt gebruikt om samen
met de voor- en achterruitwisser de ruiten en
koplampen van de auto schoon te houden en
voor goed zicht tijdens het rijden te zorgen.
Voorgeschreven kwaliteit: DOT 4
Voorgeschreven kwaliteit: Door Volvo aanbevolen sproeiervloeistof, met antivries bij
koud weer en onder het vriespunt.
Hoeveelheid: 0,6 liter
Hoeveelheid:
Gerelateerde informatie
•
•
•
Rem- en koppelingsvloeistof - peil
(p. 370)
Auto’s met koplampsproeiers: 5,5 liter.
Auto’s zonder koplampsproeiers: 3,2
liter.
Gerelateerde informatie
•
•
•
418
Sproeiervloeistof - bijvullen (p. 381)
Wisserbladen (p. 378)
Wissers en -sproeiers (p. 97)
11 Specificaties
Brandstoftank - inhoud
De inhoud van de brandstof voor de verschillende motoralternatieven staan in de tabel.
V40
Hoeveelheid (liter)
Voorgeschreven kwaliteit
Motor
4-cilinder benzine
ca. 62
Benzine: Brandstof - benzine (p. 305)
11
5-cilinder benzine
4-cilinder diesel
ca. 52
5-cilinder diesel
ca. 60
Dieselolie: Brandstof - diesel (p. 306)
Gerelateerde informatie
•
•
Brandstof tanken (p. 304)
Motorspecificaties (p. 411)
419
11 Specificaties
Airconditioning, vloeistof hoeveelheid en kwaliteit
De voorgeschreven vloeistofkwaliteiten voor
gebruik in de airconditioning en de hoeveelheden staan in de tabel.
Compressorolie
V40
11
Hoeveelheid
Voorgeschreven kwaliteit
Motor
A
420
MotorcodeA
T2
B4164T4
T3
B4164T3
150 ml
T4
B4164T
D2
D4162T
110 ml
T5
B4204T11
60 ml
D4
D4204T14
T4
B5204T8
T5
B5204T9
D3
D5204T6
110 ml
Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op de motor, zie Type-aanduidingen (p. 405).
PAG-olie
11 Specificaties
Koudemiddel
V40
MotorcodeA
Gewicht
Voorgeschreven kwaliteit
Motor
T5
B4204T11
D4
D4204T14
Overige motoren
A
625 g
R134a
650 g
Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op de motor, zie Type-aanduidingen (p. 405).
11
WAARSCHUWING
In de installatie voor airconditioning zit
koudemiddel R134a onder druk. Service
en reparatie aan het systeem mogen uitsluitend door een erkende werkplaats worden uitgevoerd.
Gerelateerde informatie
•
Klimaatregeling - storingen opsporen en
verhelpen (p. 370)
421
11 Specificaties
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot
N.B.
Stadsverkeer
Het brandstofverbruik voor een auto wordt
gemeten in liter per 100 km en de CO2-uitstoot in gram per km.
Snelwegrit
Uitleg
Combinatierit
Als de gegevens over brandstofverbruik en
emissie ontbreken, staan deze in het bijgeleverde supplement.
gram/km
11
liter/100 km
V40
422
T2 (B4164T4)
158
6,8
105
4,5
124
5,3
T3 (B4164T3)
158
6,8
105
4,5
124
5,3
T4 (B4164T)
164
7,0
109
4,7
129
5,5
T4A (B4164T)
191
8,2
117
5,0
144
6,2
T4 (B4164T)
184
7,9
120
5,1
143
6,1
T4A (B4164T)
192
8,3
125
5,4
149
6,4
11 Specificaties
V40
T4 (B5204T8)
243
10,4
135
5,8
174
7,5
T5 (B5204T9)
243
10,4
135
5,8
174
7,5
T5 (B4204T11)
-
-
-
-
-
-
D2B (D4162T)
100
3,8
82
3,1
88
3,4
D2C (D4162T)
107
4,1
90
3,4
96
3,7
D2B (D4162T)
115
4,4
95
3,6
102
3,9
D2C (D4162T)
116
4,4
99
3,8
105
4,0
D3 (D5204T6)
139
5,3
100
3,8
114
4,3
D3A (D5204T6)
165
6,3
108
4,1
129
4,9
D3 (D5204T6)
179
6,9
112
4,3
136
5,2
D3A (D5204T6)
179
6,8
122
4,6
143
5,4
11
}}
423
11 Specificaties
||
V40
11
A
B
C
D
D4C (D4204T14)
-
-
-
-
-
-
D4B (D4204T14)
-
-
-
-
-
-
D4D (D4204T14)
-
-
-
-
-
-
D4C (D4204T14)
-
-
-
-
-
-
D4B (D4204T14)
-
-
-
-
-
-
Geldt alleen voor auto’s met 19"-wielen.
Geldt alleen voor de variant met een geringe emissie.
Geldt niet voor de variant met een geringe emissie.
Geldt alleen voor variant met geringe emissie (85 g/km CO2).
De brandstofverbruiks- en emissiewaarden in
de bovenstaande tabel zijn gebaseerd op
speciale EU-rijcycli3, die gelden voor een auto
met rijklaar gewicht in standaarduitvoering
zonder extra uitrusting. Afhankelijk van de uitrusting neemt het autogewicht toe. Dit alsook
3
424
de mate van belading van de auto zorgt voor
een verhoging van het brandstofverbruik en
de uitstoot van kooldioxide.
Er zijn meerdere oorzaken aan te geven voor
een verhoogd brandstofverbruik ten opzichte
van de tabelwaarden. Daarbij valt te denken
aan factoren als:
•
•
Uw rijstijl.
De grotere rolweerstand als u kiest voor
grotere wielen dan de standaardwielen op
de basisuitvoering van het model.
De officiële brandstofverbruikscijfers zijn gebaseerd op twee gestandaardiseerde rijcycli in laboratoriummilieu (‘EU-rijcycli’) conform de EU-richtlijn EU Regulation no 692/2008, 715/2007 (Euro 5 /
Euro 6) en UN ECE Regulation no 101. Deze richtlijnen bevatten informatie over de rijcycli stadsverkeer en snelwegrit. - Stadsverkeer - de meting begint met een koude start van de motor. Het
betreft hier een gesimuleerde rit. - Snelwegrit - de auto moet optrekken en afremmen bij snelheden van 0–120 km/h. Het betreft hier een gesimuleerde rit. – Bij een auto met handgeschakelde
versnellingsbak geldt de 2e versnelling als wegrijversnelling (betreft auto’s met een wielmaat tot 18"). De waarde voor combinatierit, die in de tabel staat, is zoals wettelijk bepaald werd een
combinatie van een stadsrit en een snelwegrit. CO2-uitstoot - om de uitstoot van kooldioxide te berekenen tijdens de twee rijcycli worden alle uitlaatgassen opgevangen. Deze worden vervolgens
geanalyseerd en leiden tot de gespecificeerde waarde voor de CO2-uitstoot.
11 Specificaties
•
De grotere luchtweerstand bij hogere
snelheden.
•
De brandstofkwaliteit, de weg- en verkeersomstandigheden, de weersgesteldheid en de staat van de auto.
Ook wanneer u slechts enkele van de hier
genoemde tips opvolgt, is al een aanzienlijk
lager brandstofverbruik mogelijk. Raadpleeg
voor meer informatie de richtlijnen waar eerder aan gerefereerd werd3.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Zuinig rijden (p. 309)
Brandstof - benzine (p. 305)
Brandstof - diesel (p. 306)
Gewichten (p. 408)
11
Er zijn grote afwijkingen in het brandstofverbruik mogelijk bij een vergelijking met de EUrijcycli3 die gehanteerd worden bij certificering van de auto en waarop de verbruikscijfers in de tabel gebaseerd zijn.
Bij gebruik van brandstof met een octaangetal van 91 RON neemt het brandstofverbruik
toe, terwijl het motorvermogen lager wordt.
N.B.
Bij extreme weersomstandigheden,
gebruik van een aanhanger/caravan of ritten op grote hoogte kan, afhankelijk van
de gebruikte brandstofkwaliteit, het prestatievermogen van de auto te wensen
overlaten.
3
De officiële brandstofverbruikscijfers zijn gebaseerd op twee gestandaardiseerde rijcycli in laboratoriummilieu (‘EU-rijcycli’) conform de EU-richtlijn EU Regulation no 692/2008, 715/2007 (Euro 5 /
Euro 6) en UN ECE Regulation no 101. Deze richtlijnen bevatten informatie over de rijcycli stadsverkeer en snelwegrit. - Stadsverkeer - de meting begint met een koude start van de motor. Het
betreft hier een gesimuleerde rit. - Snelwegrit - de auto moet optrekken en afremmen bij snelheden van 0–120 km/h. Het betreft hier een gesimuleerde rit. – Bij een auto met handgeschakelde
versnellingsbak geldt de 2e versnelling als wegrijversnelling (betreft auto’s met een wielmaat tot 18"). De waarde voor combinatierit, die in de tabel staat, is zoals wettelijk bepaald werd een
combinatie van een stadsrit en een snelwegrit. CO2-uitstoot - om de uitstoot van kooldioxide te berekenen tijdens de twee rijcycli worden alle uitlaatgassen opgevangen. Deze worden vervolgens
geanalyseerd en leiden tot de gespecificeerde waarde voor de CO2-uitstoot.
425
11 Specificaties
Banden - goedgekeurde
bandenspanning
De goedgekeurde bandenspanningen voor de
verschillende motoralternatieven staan in de
tabel.
V40
Bandenmaat
Motor
11
Snelheid
(km/h)
195/65 R15
T2 (B4164T4)
205/55 R16
T3 (B4164T3)
205/50 R17
T4 (B4164T)
225/45 R17
D2 (D4162T)
225/40 R18
Belading, 1–3 inzittenden
Max. belading
ECO-bandenspanningA
Voor
Achter
Voor
Achter
Voor/achter
(kPa)B
(kPa)
(kPa)
(kPa)
(kPa)
Tot 160
230
230
260
260
260 (270C, 280D)
160 +
230
230
270
270
-
Tot 160
230
230
260
260
260
160 +
290
240
310
270
-
235/35 R19
T4 (B5204T8)
205/55 R16
T5 (B5204T9)
205/50 R17
T5 (B4204T11)
225/45 R17
D3 (D5204T6)
225/40 R18
Tot 160
240
240
260
260
260
D4 (D4204T14)
235/35 R19
160 +
290
240
310
280
-
max. 80
420
420
420
420
-
Compact reservewiel (Temporary Spare)
A
B
C
D
426
Zuinig rijden.
In sommige landen wordt de bandenspanning ook wel in bar aangegeven in plaats van in pascal (1 bar = 100 kPa).
Geldt alleen voor 16"-wielen op de D2 met automaatbak, variant met een lage emissie.
Geldt alleen voor 15"-wielen op de D2, variant met een lage emissie.
11 Specificaties
N.B.
Alle motoren, banden of combinaties daarvan zijn niet altijd beschikbaar op alle
markten.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Banden - maten (p. 326)
Banden - bandenspanning (p. 332)
Type-aanduidingen (p. 405)
11
427
12 Alfabetisch register
A
Aanbevolen kinderzitjes
tabel...................................................... 45
Aanhanger...............................................
kabel...................................................
pendelbeweging.................................
rijden met een aanhanger...................
310
310
317
310
Aanrijding................................................... 40
ACC - Adaptieve cruisecontrol................ 200
12
Achterbank
elektrische verwarming....................... 130
Achterklep
vergrendelen/ontgrendelen................ 175
Achterlichten
positie................................................. 376
Achterruit
elektrische verwarming....................... 102
Achteruitkijkspiegel.................................. 103
autodimfunctie.................................... 103
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
Kompas.............................................. 104
Actief groot licht........................................ 87
Actieve parkeerhulp................................. 255
bediening............................................ 257
Beperkingen....................................... 258
428
functie................................................. 256
Symbolen en meldingen..................... 260
Airbagsysteem........................................... 30
waarschuwingssymbool....................... 29
Actieve xenonkoplampen.......................... 89
Airconditioning......................................... 133
Active Bending Lights (ABL)...................... 89
Airconditioning, vloeistof
hoeveelheid en kwaliteit..................... 420
Adaptieve cruisecontrol...........................
functie.................................................
inhalen................................................
overzicht.............................................
Radarsensor.......................................
snelheid instellen................................
stand-bystand....................................
Storingzoeken.....................................
tijdelijk deactiveren.............................
uitschakelen........................................
van cruisecontrolfunctie wisselen.......
volgtijd instellen..................................
200
201
207
203
211
204
206
213
206
208
210
205
Afdichtmiddel........................................... 349
Afneembare trekhaak
opbergen............................................ 313
alarm........................................ 180, 181, 182
alarm controleren................................ 163
alarmindicatie..................................... 181
alarmsignalen...................................... 182
beperkt alarmniveau........................... 182
Alarm
automatische activering..................... 181
automatische herinschakeling............ 181
transpondersleutel defect................... 182
Alarmlichten............................................... 90
Alcoholslot............................................... 269
Antislipregeling........................................ 185
Antispin.................................................... 185
Afsluitbare wielbouten............................. 324
Approach-verlichting......................... 93, 161
Afspraak maken voor servicebeurt en
reparatie................................................... 357
Automatische hervergrendeling............... 172
Airbag
activeren/deactiveren, PACOS............. 33
bestuurderszijde............................. 31, 39
passagierszijde......................... 31, 33, 39
AIRBAG ..................................................... 31
Automatische schakelblokkering deactiveren........................................................ 285
Automatische versnellingsbak......... 279, 283
aanhanger........................................... 311
handmatige schakelstanden (Geartronic)...................................................... 279
slepen en bergen................................ 318
12 Alfabetisch register
Automatische wasstraat.......................... 397
Auto met internetaansluiting
afspraak maken voor servicebeurt en
reparatie.............................................. 357
Autosleutelgeheugen............................... 158
Autoverzorging......................................... 397
Autoverzorging, leren bekleding.............. 400
B
bagageruimte
bagagenet........................................... 153
Bagageruimte
bevestigingspunten............................ 151
Hoedenplank...................................... 155
Verlichting............................................. 92
Bagage verankeren (Lading vervoeren)... 151
Banden
band afdichten.................................... 342
bandenspanningscontrole... 334, 335,
337,
340
draairichting........................................ 322
onderhoud.......................................... 322
profieldiepte........................................ 325
slijtage-indicator................................. 324
spanning..................................... 332, 426
specificaties........................................ 426
Winterbanden..................................... 325
Bandenmaat............................................ 326
Bandenspanningscontrolesysteem.. 334,
335, 337, 340
activeren............................................. 338
adviezen.............................................. 338
deactiveren......................................... 338
Instellen.............................................. 336
lage bandenspanning......................... 340
runflat-banden (SST)........................... 339
Bandenspanningstabel............................ 332
Batterij.....................................................
onderhoud..........................................
starten met hulpaccu..........................
Symbolen op de accu.........................
transpondersleutel/PCC.....................
Waarschuwingssymbolen...................
381
381
276
383
166
383
Bedrijfsrem...................................... 297, 298
Bekleding................................................. 400
Benzinekwaliteit....................................... 305
Brandstof......................................... 305, 306
brandstofbesparing............................ 332
brandstoffilter..................................... 307
brandstofverbruik............................... 422
Brandstoftank
inhoud................................................. 419
Buitenmaten............................................ 407
Buitenspiegels......................................... 101
elektrische verwarming....................... 102
elektrisch inklapbaar........................... 102
Buitentemperatuurmeter............................ 70
C
Camerasensor................................. 221, 233
City Safety™............................................ 219
Claxon........................................................ 83
Clean Zone Interior Package (CZIP)........ 124
CO2-uitstoot............................................. 422
Boordcomputer............... 109, 115, 119, 120
analoog instrumentenpaneel.............. 111
Collision Warning............................. 226, 227
algemene beperkingen....................... 232
bediening............................................ 230
Radarsensor............................... 211, 219
voetgangersdetectie........................... 229
werking............................................... 227
Botsing, zie Aanrijding............................... 40
Collision Warning met Auto Brake........... 226
Bergen..................................................... 320
BLIS................................................. 260, 261
Blokkering achteruitversnelling................ 278
12
429
12 Alfabetisch register
12
Compact reservewiel....................... 327, 328
Dieselolie................................................. 306
Condens
Condens in koplamp.......................... 397
ruiten ontdoen van -........................... 122
Distance Alert.......................................... 216
Beperkingen....................................... 217
Symbolen en meldingen..................... 218
Condens in koplamp................................ 397
Doorluchtfunctie.............................. 122, 174
Controlesymbolen......................... 62, 64, 66
Doorwaaddiepte...................................... 300
Corner Traction Control........................... 185
Draairichting............................................. 322
Cruisecontrol...........................................
ingestelde snelheid hervatten.............
snelheid instellen................................
tijdelijk deactiveren.............................
uitschakelen........................................
Driver Alert Control.................................. 237
bediening............................................ 238
195
199
196
198
200
CTA.......................................................... 263
CZIP (Clear Zone Interior Package)......... 124
Driver Alert System.................................. 237
Dagrijlicht................................................... 85
Dagteller op nul stellen.... 113, 114, 117, 118
Dagtellers................................................... 70
Dakbelasting, max. gewicht..................... 408
Dashboardkastje...................................... 147
koeling................................................ 147
vergrendelen....................................... 174
Diesel
brandstofgebrek................................. 306
430
Elektrische verwarming
Achterruit............................................
spiegels...............................................
Stoelen en achterbank........................
Voorruit...............................................
102
102
130
102
Elektrisch inklapbare buitenspiegels....... 102
Elektrisch systeem................................... 386
Elektronische klimaatregeling, ECC......... 128
Elektronische startblokkering.................. 160
Elektronische temperatuurregeling - ETC 129
E
ECC, elektronische klimaatregeling......... 128
ECO-bandenspanning..................... 332, 426
D
Elektrische aansluiting............................. 148
bagageruimte...................................... 152
Eco Cruise............................................... 295
ETC, elektronische temperatuurregeling. 129
Etiketten................................................... 405
Extra verwarming
elektrisch.................................... 141, 142
op brandstof............................... 141, 142
EcoGuide................................................... 65
Eerste hulp............................................... 334
EHBO-kit.................................................. 334
F
Elektrisch bedienbare ruiten...................... 99
Fietserdetectie......................................... 228
Elektrisch bedienbare stoel....................... 79
File-assistent............................................ 208
Elektrisch bedienbare zijruiten resetten... 100
Follow Me Home-verlichting...................... 93
Elektrisch bediend rolgordijn voor glazen
dak........................................................... 103
Foutmeldingen
Adaptieve cruisecontrol...................... 214
Driver Alert Control............................. 239
12 Alfabetisch register
LKA..................................................... 245
zie Meldingen en symbolen................ 214
Foutmeldingen BLIS................................ 265
FSC, milieulabel......................................... 23
G
H
handgeschakelde versnellingsbak........... 277
schakelindicatie (GSI)......................... 278
slepen en bergen................................ 318
Handgeschakelde versnellingsbak
aanhanger........................................... 311
Handmatige schakelstanden (Geartronic) 279
Geartronic................................................ 279
Hill Start Assist........................................ 286
Geheugenfunctie stoel............................... 79
Hoedenplank........................................... 155
Gelaagd glas.............................................. 23
Hogedruksproeiers koplampen................. 98
Gevarendriehoek..................................... 333
Hoge motortemperatuur.......................... 310
Gewichten
rijklaar gewicht.................................... 408
Gladheid.................................................. 303
Hoofdsteun
inklappen.............................................. 81
middelste zitplaats achterbank............. 80
voorstoel............................................... 78
Glazen
gelaagd/versterkt.................................. 23
Houder voor boodschappentassen ........ 151
opklapbaar.......................................... 151
Gladde wegen.......................................... 303
Glazen dak, elektrisch bediend
rolgordijn.................................................. 103
Inparkeerhulp - PAP................................ 255
Instructieboekje, milieulabel...................... 23
Instrumenten, schakelaars en
bediening............................................. 55, 58
Instrumentenoverzicht
auto met stuur links.............................. 55
auto met stuur rechts........................... 58
Instrumentenpaneel............................. 61, 62
Instrumentenverlichting, zie Verlichting..... 84
Interieurluchtfilter..................................... 124
Interieurverlichting
automatische functie............................ 92
Interieurverlichting, zie Verlichting............. 92
Interieurverwarming................................. 137
Interior Air Quality System (IAQS)............ 125
luchtreiniging...................................... 125
Intervalfunctie wisser................................. 97
I
K
Gordelspanner........................................... 39
IAQS - Interior Air Quality System........... 125
Gordelspanners......................................... 28
In de was zetten....................................... 398
Katalysator............................................... 307
Bergen................................................ 319
Gordelwaarschuwing................................. 28
Informatiedisplay................................. 61, 62
Groot licht, automatische activering.......... 87
Informatietoets, PCC............................... 163
Groot licht/dimlicht, zie Verlichting............ 86
Inlegmatten.............................................. 148
Gloeilampen, zie Verlichting.................... 372
12
Keuzehendelblokkering........................... 285
Keyless drive.... 167, 168, 169, 170, 171, 274
Keyless - ontgrendelen............................ 170
431
12 Alfabetisch register
Keyless - vergrendelen............................ 169
Kinderen
kinderslot.............................................. 44
kinderzitje en airbag............................. 49
kinderzitje en SIPS-airbag.................... 36
plaats in de auto................................... 49
veiligheid......................................... 36, 44
Kinderslot......................................... 178, 179
12
Kinderveiligheidszitje.................................
aanbevolen...........................................
afmetingscategorieën voor kinderzitjes
met ISOFIX-bevestigingssysteem........
bovenste bevestigingspunten voor kinderzitjes................................................
ISOFIX-bevestigingssysteem voor kinderzitjes................................................
types.....................................................
44
45
50
53
50
51
Koelvloeistof
hoeveelheid en kwaliteit..................... 415
Lastindex................................................. 326
Koelvloeistof, controleren en bijvullen..... 369
Kofferbak
lading vervoeren................................. 149
Kompas................................................... 104
kalibreren............................................ 104
Koplampen.............................................. 372
Koplamphoogteregeling............................ 84
Lasersensor............................................. 223
Leren bekleding, reinigingsvoorschriften. 400
Lichtbundel, aanpassen............................. 94
Lichtbundel aanpassen.............................. 94
Active Bending Lights .......................... 94
Halogeenkoplampen............................. 94
Lichtsignalen, PCC.................................. 163
LKA, rijstrookassistent............................. 241
Krik........................................................... 325
Luchtreiniging
materiaal............................................. 125
passagiersruimte................ 123, 124, 125
L
Luchtverdeling......................................... 126
recirculatie.......................................... 134
tabel.................................................... 135
Laag oliepeil............................................. 364
122
132
125
123
132
123
Lading vervoeren
algemene informatie................... 149, 151
bagageruimte.............................. 149, 151
bevestigingspunten............................ 151
lading op het dak................................ 150
lange lading........................................ 150
Klimaatregeling
reparatie.............................................. 370
Lak
kleurcode............................................ 402
lakschade en herstel ervan................. 402
Klok, instellen............................................. 70
432
Lampen, zie Verlichting............................ 371
Koudemiddel........................................... 370
Kleurcode, lak.......................................... 402
Klimaat
algemene informatie...........................
automatische regeling........................
persoonlijke instellingen.....................
sensoren.............................................
temperatuurregeling...........................
werkelijke temperatuur.......................
Koelsysteem............................................ 301
oververhitting...................................... 301
M
Make-upspiegel................................. 92, 148
Maten....................................................... 407
Max. dakbelasting................................... 408
Meldingen
informatiedisplay................................ 106
Meldingen BLIS....................................... 265
12 Alfabetisch register
Meldingen en symbolen
Adaptieve cruisecontrol...................... 214
Collision Warning with Auto
Brake.......................................... 225, 235
Driver Alert Control............................. 239
LKA..................................................... 245
Motor- en interieurverwarming........... 140
Meldingsfuncties...................................... 108
Menufuncties
Instrumentenpaneel............................ 105
menu-overzicht, analoog.................... 106
menu-overzicht, digitaal..................... 106
Meters
brandstofmeter............................... 61, 62
snelheidsmeter............................... 61, 62
toerenteller...................................... 61, 62
Middenconsole........................................ 146
Milieulabel, FSC, instructieboekje............. 23
Mistverlichting
achter.................................................... 89
Motor
oververhitting......................................
Start/Stop...........................................
starten.................................................
uitschakelen........................................
Motor- en interieurverwarming
directe start.........................................
direct uitschakelen..............................
meldingen...........................................
timer....................................................
138
139
140
139
Motorkap, openen................................... 362
Motorolie.......................................... 364, 412
filter..................................................... 364
kwaliteit en hoeveelheid..................... 413
ongunstige rijomstandigheden........... 412
Motoroliepeil controleren......................... 364
Motorremregeling.................................... 185
Motorruimte
koelvloeistof........................................ 369
olie...................................................... 364
overzicht............................................. 362
Motorspecificaties................................... 411
Motorverwarming..................................... 137
MY CAR................................................... 108
overzicht.............................................
positie.................................................
resultaat controleren...........................
uitvoering............................................
344
343
346
345
Nooduitrusting
EHBO-kit............................................. 334
gevarendriehoek................................. 333
O
Olie, zie ook Motorolie..................... 412, 413
12
Onderhoud
roestwering......................................... 400
Ontgrendelen
van de binnenzijde.............................. 173
van de buitenzijde............................... 172
Ontgrendelen met sleutelblad................. 170
Ontwaseming........................................... 133
Op afstand bediende startblokkering...... 160
Opbergmogelijkheden passagiersruimte. 144
310
286
274
275
Motor afzetten......................................... 275
N
Noodreparatieset banden................ 342, 343
onderdelen terugplaatsen................... 348
Noodreparatieset voor banden
afdichtmiddel...................................... 349
band oppompen................................. 347
Opbergmogelijkheid
bestuurderszijde................................. 146
dashboardkastje................................. 147
tunnelconsole..................................... 146
Opblaasgordijn.................................... 36, 39
Oververhitting.......................................... 310
433
12 Alfabetisch register
P
Q
PACOS....................................................... 33
Queue Assist............................................ 208
Paneelverlichting....................................... 84
Paniekfunctie........................................... 161
PAP - Actieve parkeerhulp....................... 255
12
Park Assist...............................................
aan achterzijde...................................
functie.................................................
sensoren voor Park Assist..................
storingsindicatie.................................
247
248
247
250
250
Parkeerhulpcamera.................................. 251
Instellingen.......................................... 254
Parkeerrem.............................................. 299
Partikelfilter.............................................. 308
PCC, Personal Car Communicator
Actieradius.......................................... 164
functies............................................... 161
Radarsensor............................................ 201
Beperkingen....................................... 211
Regeling, licht............................................ 83
Regeneratie.............................................. 308
Regensensor.............................................. 97
397
400
402
398
397
Peilstok, elektronisch....................... 366, 367
Relais- en zekeringenkastje, zie Zekeringen........................................................... 386
Personal Car Communicator................... 164
Rem- en koppelingsvloeistof................... 370
Poetsen.................................................... 398
Remlichten................................................. 90
Positie buitenspiegels herstellen............. 101
Remmen.......................................... 297, 298
antiblokkeerremsysteem, ABS........... 298
noodremlichten..................................... 90
parkeerrem......................................... 299
remkrachtverhoging bij noodstops,
EBA .................................................... 299
Powermeter............................................... 65
Powershift-versnellingsbak.............. 283, 318
Profieldiepte............................................. 325
434
Remvloeistof
kwaliteit en hoeveelheid..................... 418
R
Reinigen
Automatische wasstraat.....................
bekleding............................................
veiligheidsgordels...............................
Velgen.................................................
wasstraat............................................
Remlichten............................................ 90
remsysteem................................ 297, 298
remvloeistof bijvullen.......................... 370
symbolen op instrumentenpaneel...... 297
Reservewiel
erbij nemen......................................... 328
monteren............................................ 331
Resetten dagteller............ 113, 114, 117, 118
Richtingaanwijzer....................................... 91
Richtingaanwijzers..................................... 91
Rijadviezen............................................... 302
Rijbaanassistent
bediening............................................ 243
Rijden.......................................................
koelsysteem........................................
met een aanhanger.............................
met geopende achterklep...................
302
301
310
301
Rijden met een aanhanger
kogeldruk............................................ 409
trekgewicht......................................... 409
Rijden tijdens de winter........................... 303
Rijeigenschappen aanpassen.................. 266
Rijklaar gewicht........................................ 408
Rijstrookassistent, LKA............................ 241
Ritstatistiek.............................................. 120
12 Alfabetisch register
Roestwering............................................. 400
Serviceprogramma.................................. 357
Sproeien voorruit....................................... 98
Roetfilter dieselmotor.............................. 308
Servicestand............................................ 378
ROETFILTER VOL.................................... 308
Sfeerverlichting.......................................... 93
Ruggedeelte(n) achterbank, omklappen.... 81
SIPS-airbag............................................... 35
Rugleuning................................................. 78
voorstoel, omklappen........................... 78
Sleepoog.................................................. 319
Sproeier
Achterruit.............................................. 98
sproeiervloeistof, bijvullen.................. 381
Voorruit................................................. 98
Ruiten en spiegels................................... 399
Slepen...................................................... 318
sleepoog............................................. 319
Ruitenwisser voor...................................... 97
Regensensor......................................... 97
Sleutel.............................................. 157, 159
Runflat-banden........................................ 339
Sleutelloos startsysteem (keyless
drive)................ 167, 168, 169, 170, 171, 274
Runflat-banden (SST-banden, Self Supporting Tyres)........................................... 339
Sleutelblad............................... 164, 165, 166
Sproeiervloeistof
hoeveelheid........................................ 418
Sproeiervloeistof bijvullen........................ 381
Stabiliteits- en tractieregeling.................. 185
stabiliteitsregeling.................................... 185
Stadslichten vóór en achterlichten............ 85
Slijtage-indicator...................................... 324
Start/Stop................................................ 286
automatische motorafslag werkt niet. 289
Functie en bediening.......................... 287
Slot
kinder-.................................................. 44
Startaccu......................................... 302, 381
overbelasting...................................... 302
Startblokkering........................................ 160
Safety mode.............................................. 40
auto verrijden........................................ 42
startpoging........................................... 41
Snelheidsbegrenzer................................. 192
alarm overschrijding snelheid............. 195
beknopte bedieningsinstructies. 192, 193
tijdelijk deactiveren............................. 194
uitschakelen........................................ 195
Snelheidsklassen, banden....................... 327
Stoel, zie Stoelen en achterbank............... 78
Schakelblokkering, mechanische
vrijgave..................................................... 285
Spiegel
achteruitkijk-....................................... 103
Schakelindicatie (GSI).............................. 278
Schakelindicator...................................... 278
Spiegels
buiten-................................................ 101
Stoelen en achterbank............................... 78
elektrisch bediend................................ 79
elektrische verwarming....................... 130
Hoofdsteunen achterbank.................... 80
Sensus....................................................... 75
Spin control............................................. 185
S
Safelock-functie....................................... 177
deactiveren......................................... 177
tijdelijk deactiveren............................. 177
Sleutelstanden........................................... 76
12
Starten met hulpaccu.............................. 276
Steenslagplekken en krassen.................. 402
Stickers.................................................... 405
435
12 Alfabetisch register
Ruggedeelte(n) achterbank neerklappen........................................................ 81
ruggedeelte(n) achterbank vooroverklappen................................................. 78
Stoffen die allergieën en/of astma kunnen
verwekken................................................ 124
Storingsdiagnose van camerasensor...... 222
Storingzoeken
Adaptieve cruisecontrol...................... 213
12
Transpondersleutel met PCC
Actieradius.......................................... 164
Tanken............................................. 177, 308
Bijvullen.............................................. 304
bijvullen met jerrycan met reservebrandstof............................................ 308
tankklep.............................................. 303
tankvulklep, handmatig openen......... 304
tankvulklep, vergrendeling.................. 177
Transpondersleutelsysteem, typegoedkeuring..................................................... 183
Stuurkracht, snelheidsafhankelijk............ 266
Temperatuur
werkelijke temperatuur....................... 123
Stuurkrachtniveau, zie Stuurkracht.......... 266
Temperatuurregeling............................... 132
Stuurslotfout............................................ 275
Toeteren..................................................... 83
Stuurwiel.................................................... 82
Stuur afstellen....................................... 82
Toetsenset............................................ 82
Toetsensets op stuurwiel........................... 82
Stuurwiel afstellen...................................... 82
Symbolen
Controlesymbolen.................... 62, 64, 66
Waarschuwingssymbolen............... 62, 64
Symbolen en meldingen
Adaptieve cruisecontrol...................... 214
Collision Warning with Auto
Brake.......................................... 225, 235
Driver Alert Control............................. 239
LKA..................................................... 245
Systeem
is afgegaan........................................... 39
436
T
Totaalgewicht.......................................... 408
Trekgewicht en kogeldruk....................... 409
Trekhaak.......................................... 312, 313
afneembaar, aanbrengen.................... 314
afneembaar, verwijderen.................... 315
specificaties........................................ 313
Trekhaak, zie Trekinrichting..................... 312
Trekhaak - afneembaar
monteren/demonteren................ 314, 315
Trillingsdemper........................................ 312
TSA, Trailer Stability Assist ............. 185, 317
Traction Control....................................... 185
Tunnelconsole
12V-aansluiting................................... 148
aansteker en asbak............................ 147
armleuning.......................................... 146
Trailer Stability Assist...................... 185, 317
Tunneldetectie........................................... 86
Transmissie.............................................. 277
Typeaanduidingen................................... 405
Transponder.............................................. 19
Typegoedkeuring
bandenspanningscontrole.................. 350
radarsysteem...................................... 266
transpondersleutelsysteem................ 183
TPMS - Tyre Pressure Monitoring System........................................... 334, 335, 337
Transpondersleutel.................. 157, 158, 159
Actieradius.................................. 162, 168
afneembaar sleutelblad...... 164, 165, 166
batterij vervangen............................... 166
functies............................................... 161
zoekgeraakt........................................ 157
12 Alfabetisch register
U
Vergrendelingsindicatie .......................... 159
Uitstoot van kooldioxide.......................... 422
Verkeersbordinformatie........................... 189
bediening............................................ 189
Beperkingen....................................... 191
V
Veiligheidsgordel.......................................
Achterbank...........................................
gordelspanner.......................................
gordelwaarschuwing............................
losnemen..............................................
omdoen.................................................
zwangerschap......................................
25
28
28
28
27
26
27
Velg, maten.............................................. 326
Velgen
Reinigen.............................................. 398
Ventilatie.................................................. 126
Ventilator
ECC.................................................... 131
ETC..................................................... 131
Vergrendelen/ontgrendelen
achterklep........................................... 175
binnenzijde.......................................... 173
Vergrendeling
handmatig vergrendelen..................... 172
ontgrendelen............................... 172, 173
vergrendelen....................................... 172
make-upspiegel..................................
mistachterlicht....................................
richtingaanwijzers, voor......................
stads-/parkeerlicht..............................
377
377
374
375
Verlichting................................................ 371
Actieve xenonkoplampen..................... 89
Approach-verlichting.................... 93, 161
automatische verlichting, interieur........ 92
Bedieningselementen........................... 92
dagrijlicht.............................................. 85
Follow Me Home-verlichting................. 93
gloeilampen, specificaties.................. 378
groot licht/dimlicht................................ 86
in interieur............................................. 92
Koplamphoogteregeling....................... 84
mistachterlicht...................................... 89
stads-/parkeerlicht................................ 85
tunneldetectie....................................... 86
Verlichting display................................. 84
Verlichting instrumentenpaneel............ 84
Verlichting display...................................... 84
Verlichting, gloeilampen vervangen......... 372
dagrijlicht............................................ 375
dimlicht (auto's met halogeen-koplampen)..................................................... 373
grootlicht (auto's met actieve xenonkoplampen)......................................... 374
grootlicht (auto's met halogeenkoplampen)......................................... 374
lamphouder achter: richtingaanwijzer,
rem- en achteruitrijlicht....................... 376
Voetgangersairbag..................................... 42
auto verrijden........................................ 43
opvouwen............................................. 43
Verlichtingsbediening................................ 83
Vermogen................................................ 411
Versnellingsbak........................................ 277
automaat..................................... 279, 283
handgeschakeld................................. 277
Versnellingsbakolie
hoeveelheid en kwaliteit..................... 416
12
Verwarming op brandstof
timer.................................................... 139
Vlekken.................................................... 400
Vloeistoffen, hoeveelheden...... 415, 416,
418, 419, 420
Vloeistoffen en oliën......... 415, 416, 418, 420
Voetgangersbescherming........................ 226
Volgtijd instellen....................................... 216
Volvo ID..................................................... 20
Volvo Sensus............................................. 75
437
12 Alfabetisch register
Voorruit
elektrische verwarming............... 102, 133
Voorstoel
hoofdsteun............................................ 78
WHIPS
kinderzitje/verhogingskussen............... 38
WHIPS-systeem............................. 37, 39
zithouding............................................. 38
Wielbouten............................................... 324
afsluitbare........................................... 324
W
Waarschuwingsgeluid
Collision Warning................................ 230
12
Waarschuwingslampje
adaptieve cruisecontrol...................... 201
Collision Warning................................ 230
stabiliteits- en tractieregeling............. 185
Wielen en banden.................................... 327
Waarschuwingslampjes
airbags (SRS)........................................ 68
dynamo laadt niet bij............................ 68
gordelwaarschuwing...................... 28, 68
Lage oliedruk........................................ 68
parkeerrem ingeschakeld..................... 68
storing in remsysteem.......................... 68
Waarschuwing...................................... 68
Wisserblad...............................................
achterruit vervangen...........................
Reinigen..............................................
Servicestand.......................................
vervangen...........................................
Waarschuwingssymbolen.............. 62, 64, 68
Z
Warmtereflecterende voorruit.................... 19
Wasstraat................................................. 397
Water- en vuilafstotende laag.................. 399
Water- en vuilafstotende laag, reinigen... 399
Whiplash, WHIPS....................................... 37
438
Wielen
compact reservewiel........................... 327
demonteren........................................ 329
Sneeuwkettingen................................ 325
Wielen verwisselen.................................. 328
Winterbanden.......................................... 325
378
380
380
378
379
Wissers en -sproeiers................................ 97
Zekeringen...............................................
algemene informatie...........................
motorruimte........................................
onder het dashboardkastje.................
386
386
388
392
onder rechter voorstoel...................... 395
vervangen........................................... 386
Zekeringenkastje..................................... 387
Zij-airbag, SIPS.................................... 35, 39
Zuinig rijden............................................. 309
TP 17521 (Dutch), AT 1420, MY15, Printed in Sweden, Göteborg 2014, Copyright © 2000-2014 Volvo Car Corporation
Was this manual useful for you? yes no
Thank you for your participation!

* Your assessment is very important for improving the work of artificial intelligence, which forms the content of this project

Download PDF

advertising