Volvo | V40 | Gebruikershandleiding | Volvo V40 2014 Late Gebruikershandleiding

Volvo V40 2014 Late Gebruikershandleiding
WEB EDITION
GEBRUIKERSHANDLEIDING
BESTE VOLVO-BEZITTER,
DANK U DAT U GEKOZEN HEBT VOOR VOLVO!
Wij hopen dat u jarenlang rijplezier van uw Volvo
zult hebben. Bij het ontwerp hebben veiligheid en
comfort van u en uw passagiers vooropgestaan.
Een Volvo is een van de veiligste auto’s ter
wereld. Uw Volvo is ook ontworpen om aan alle
geldende veiligheidsvoorschriften en milieueisen
te voldoen.
Om nog meer plezier van uw auto te hebben,
raden wij u aan om vertrouwd te raken met de uitrusting, de instructies en de onderhoudsinformatie in deze eigenaarshandleiding.
Inhoud
01 Inleiding
Gebruikershandleiding lezen.....................
Vastlegging van gegevens........................
Accessoires en extra uitrusting.................
Verkoop van auto met Volvo On Call*.......
Informatie op internet................................
Milieubeleid van Volvo Car Corporation...
Milieu-aspecten van de gebruikershandleiding........................................................
Gelaagd glas.............................................
02 Veiligheid
15
17
18
18
19
20
Algemeen over veiligheidsgordels............
Veiligheidsgordel - om doen.....................
Veiligheidsgordel - losmaken....................
Veiligheidsgordel - zwangerschap............
Gordelwaarschuwing................................
Gordelspanners........................................
Veiligheid - waarschuwingssymbool.........
Airbagsysteem..........................................
Airbags aan de bestuurderszijde..............
Passagiersairbag......................................
Passagiersairbag - activering/deactivering*...........................................................
SIPS-airbags.............................................
SIPS-airbag (SIPS) - kinderzitje/babyzitje.
Opblaasgordijnen (IC-systeem)................
Algemene informatie over WHIPS (whiplash-bescherming)..................................
WHIPS - kinderzitje...................................
WHIPS - zithouding..................................
Als de systemen activeren........................
Algemene informatie over de Safety
mode.........................................................
Safety mode - startpoging........................
Safety mode - auto verrijden....................
24
25
26
26
27
27
28
29
30
30
Voetgangersairbag....................................
Voetgangersairbag - auto verrijden..........
Voetgangersairbag - opvouwen................
Algemeen over kinderveiligheid................
Kinderzitje.................................................
Kinderzitje - positie...................................
Kinderzitje - ISOFIX...................................
ISOFIX - afmetingscategorieën.................
ISOFIX - soorten kinderzitjes....................
Kinderzitje - bovenste bevestigingspunten.............................................................
01 02 02
2
22
22
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
31
33
34
34
35
36
36
37
38
39
40
40
41
42
42
44
48
48
49
50
52
Inhoud
03 Instrumenten, schakelaars
en bediening
Instrumenten en bediening, auto met
stuur links - overzicht................................
Instrumenten en bediening, auto met
stuur rechts - overzicht.............................
Instrumentenpaneel..................................
Instrumentenpaneel, analoog - overzicht.
Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht...
Eco guide & Power guide*........................
Instrumentenpaneel - betekenis controlesymbolen..................................................
Instrumentenpaneel - betekenis waarschuwingssymbolen.................................
Buitentemperatuurmeter...........................
Dagtellers..................................................
Klok...........................................................
Volvo Sensus............................................
Sleutelstanden..........................................
Sleutelstanden - functies in verschillende
standen.....................................................
Voorstoelen...............................................
Voorstoelen - elektrisch bediend..............
Geheugen van transpondersleutel............
Achterbank................................................
Stuurwiel...................................................
54
57
60
60
61
64
Bedieningspaneel verlichting.................... 80
Stadslichten vóór en achterlichten........... 81
Dagrijlicht.................................................. 82
Tunneldetectie*......................................... 83
Groot licht/dimlicht................................... 83
Actief groot licht*...................................... 84
Actieve xenon-koplampen*....................... 85
Mistachterlicht.......................................... 86
Remlichten................................................ 87
Alarmlichten.............................................. 87
Richtingaanwijzer...................................... 88
Interieurverlichting..................................... 89
Follow Me Home-verlichting..................... 90
Approach-verlichting................................. 91
Koplampen - lichtbundel aanpassen........ 92
Wissers en -sproeiers............................... 95
Elektrisch bedienbare ruiten..................... 97
Buitenspiegels........................................... 99
Ruiten en buitenspiegels - elektrische
verwarming............................................. 100
Achteruitkijkspiegel................................. 101
Glazen dak*............................................. 102
Kompas................................................... 102
Menufuncties - instrumentenpaneel....... 103
Menu-overzicht - analoog instrumentenpaneel.....................................................
Menu-overzicht - digitaal instrumentenpaneel.....................................................
Meldingen...............................................
Meldingen - functies...............................
MY CAR..................................................
MY CAR - bediening...............................
MY CAR - paden.....................................
MY CAR - menu-opties...........................
MY CAR - Auto-instellingen....................
MY CAR - rij-assistentiesystemen..........
MY CAR- systeeminstellingen................
MY CAR - steminstellingen.....................
MY CAR - klimaatinstellingen.................
MY CAR - informatie...............................
Boordcomputer.......................................
Boordcomputer - analoog instrumentenpaneel.....................................................
Boordcomputer - digitaal instrumentenpaneel.....................................................
Boordcomputer - functies.......................
Boordcomputer - rijstatistiek*.................
03 03 03
65
67
69
69
69
70
71
72
73
75
76
77
79
104
104
105
106
106
107
108
108
110
112
113
114
115
116
116
118
122
125
126
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
3
Inhoud
04 Klimaat
Algemene informatie over de klimaatregeling......................................................
Werkelijke temperatuur...........................
Sensoren - klimaat..................................
Luchtreiniging.........................................
Luchtreiniging - interieurfilter..................
Luchtreiniging - Clean Zone Interior Package (CZIP)*............................................
Luchtreiniging - IAQS*............................
Luchtreiniging - materiaal.......................
Menu-instellingen - klimaat.....................
Luchtverdeling passagiersruimte............
Elektronische klimaatregeling, ECC*......
Elektronische temperatuurregeling - ETC
Elektrische stoelverwarming voor*..........
Elektrische achterbankverwarming*.......
Ventilator.................................................
Automatische regeling............................
Temperatuurregeling passagiersruimte..
Airconditioning........................................
Voorruit ontwasemen en ontdooien........
Luchtverdeling - recirculatie...................
Luchtverdeling - tabel.............................
Motor- en interieurverwarming*..............
128
129
129
129
130
Motor- en interieurverwarming* - direct
inschakelen/uitschakelen........................
Motor- en interieurverwarming* - timers.
Motor- en interieurverwarming* - meldingen..........................................................
Extra verwarming*...................................
Extra verwarming op brandstof*.............
Extra verwarming op stroom*.................
145
145
146
147
148
148
05 Laad- en
opbergmogelijkheden
Opbergmogelijkheden.............................
Opbergvak bestuurderszijde...................
Kledinghaak............................................
Middenconsole.......................................
Middenconsole - armleuning..................
Middenconsole - aansteker en asbak*...
Dashboardkastje.....................................
Dashboardkastje - koeling......................
Inlegmatten*............................................
Make-upspiegel......................................
Middenconsole - 12V-aansluiting...........
Lading vervoeren....................................
Lading vervoeren - lange lading.............
Lading op het dak...................................
Verankeringsogen...................................
Lading vervoeren - houder voor boodschappentassen .....................................
Lading vervoeren - opklapbare houder
voor boodschappentassen*....................
12V-aansluiting bagageruimte................
Bagagenet...............................................
Hoedenplank...........................................
04 04 05
4
130
131
131
131
132
134
135
136
136
137
138
138
139
139
140
142
144
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
150
152
152
152
153
153
153
154
154
154
155
155
156
157
157
157
158
158
159
161
Inhoud
06 Sloten en alarm
Transpondersleutel met sleutelblad........ 163
Transpondersleutel/PCC - verlies .......... 163
Transpondersleutel/PCC - sleutelgeheugen*......................................................... 164
Indicatie vergrendeling/ontgrendeling instellen................................................... 164
Vergrendelingsindicatie........................... 165
Transpondersleutel/PCC, elektronische
startblokkering........................................ 165
Op afstand bediende startblokkering met
opsporingssysteem................................. 166
Transpondersleutel - functie................... 166
Transpondersleutel - bereik.................... 167
PCC* - unieke functies............................ 168
PCC* - bereik.......................................... 169
Afneembaar sleutelblad.......................... 169
Afneembaar sleutelblad - verwijderen/
aanbrengen............................................. 170
Afneembaar sleutelblad - portier ontgrendelen....................................................... 170
Transpondersleutel/PCC - batterij vervangen.................................................... 171
Keyless*.................................................. 172
Keyless* - bereik transpondersleutel...... 173
Keyless* - veilig gebruik van de transpondersleutel.......................................... 173
Keyless* - storingen in de functie van de
transpondersleutel..................................
Keyless* - vergrendelen..........................
Keyless* - ontgrendelen..........................
Keyless*- ontgrendelen met sleutelblad
Keyless* - sleutelgeheugen.....................
Keyless* - vergrendelingsinstellingen.....
Keyless* - locatie antennes.....................
Vergrendelen/ontgrendelen - vanaf de
buitenkant ..............................................
Portier handmatig vergrendelen.............
Vergrendelen/ontgrendelen - van de binnenzijde...................................................
Doorluchtfunctie......................................
Vergrendelen/ontgrendelen - dashboardkastje.......................................................
Vergrendelen/ontgrendelen - achterklep
Vergrendelen/ontgrendelen - tankvulklep
Safelock-functie*.....................................
Kinderslot - handmatige activering.........
Kinderslot - elektrische activering*.........
Alarm.......................................................
Alarmindicatie.........................................
Alarmsysteem - automatische herinschakeling.......................................................
174
174
175
175
176
176
177
Alarm - automatische activering.............
Alarmsysteem - transpondersleutel
defect......................................................
Alarmsignalen.........................................
Beperkt alarmniveau...............................
06 06 06
187
187
188
188
177
178
179
180
180
181
182
183
184
185
185
186
187
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
5
Inhoud
07 Bestuurdersondersteuning
Stabiliteits- en tractieregelsysteem
(DSTC).....................................................
Stabiliteits- en tractieregelsysteem
(DSTC) - bediening..................................
Stabiliteits- en tractieregeling (DSTC) symbolen en meldingen..........................
Verkeersbordenherkenning (RSI)............
Verkeersbordenherkenning (RSI)* bediening................................................
Verkeersbordenherkenning (RSI)* beperkingen.....................................................
Snelheidsbegrenzer*...............................
Snelheidsbegrenzer* - beknopte bedieningsinstructies.......................................
Snelheidsbegrenzer* - snelheid wijzigen
Snelheidsbegrenzer - tijdelijk deactiveren
en stand-bystand*...................................
Snelheidsbegrenzer* - alarm overschrijding snelheid...........................................
Snelheidsbegrenzer* - uitschakelen.......
Cruisecontrol*.........................................
Cruisecontrol* - snelheid regelen............
Snelheidsbegrenzer* tijdelijk deactiveren
en stand-bystand....................................
Cruisecontrol* - ingestelde snelheid hervatten......................................................
190
191
Cruisecontrol* - uitschakelen.................. 205
Adaptieve cruisecontrol (ACC)*.............. 205
Adaptieve cruisecontrol* - functie........... 206
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht....... 208
Adaptieve cruisecontrol* - snelheid regelen........................................................... 209
Adaptieve cruisecontrol* - volgtijd instellen........................................................... 210
Adaptieve cruisecontrol* - tijdelijke deactivering en stand-by................................ 211
Adaptieve cruisecontrol* - een ander
voertuig inhalen....................................... 212
Adaptieve cruisecontrol* - uitschakelen. 212
Adaptieve cruisecontrol* - Queue Assist 213
Adaptieve cruisecontrol* - van cruisecontrol-functie wisselen................................ 214
Radarsensor............................................ 215
Radarsensor - beperkingen.................... 216
Adaptieve cruisecontrol* - storingen
opsporen en verhelpen........................... 218
Adaptieve cruisecontrol* - symbolen en
meldingen............................................... 219
Afstandswaarschuwing*.......................... 221
Afstandswaarschuwing* - beperkingen.. 222
Afstandswaarschuwing* - symbolen en
meldingen............................................... 223
City Safety™........................................... 224
City Safety™ - functie............................. 224
City Safety™ - bediening........................ 225
City Safety™ - beperkingen.................... 226
City Safety™ - lasersensor..................... 228
City Safety™ - symbolen en meldingen. 230
Collision Warning*................................... 231
Collision Warning* - functie..................... 232
Collision Warning* - fietsersdetectie....... 233
Collision Warning* - voetgangersdetectie 235
Collision Warning* - bediening................ 236
Collision Warning* - algemene beperkingen.......................................................... 238
Collision Warning* - beperkingen van de
camerasensor......................................... 239
Collision Warning* - symbolen en melding......................................................... 241
Driver Alert System*................................ 243
Driver Alert Control (DAC)*...................... 243
Driver Alert Control (DAC)* - bediening... 244
Driver Alert Control (DAC)* - symbolen en
meldingen............................................... 245
Rijbaanassistent*.................................... 247
Rijbaanassistent - functie....................... 247
Rijbaanassistent - bediening................... 249
07 07 07
6
192
194
194
196
197
197
198
199
200
200
200
201
203
204
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Inhoud
08 Starten en rijden
Rijbaanassistent - beperkingen..............
Rijbaanassistent - symbolen en meldingen..........................................................
Park Assist*.............................................
Park Assist* - functie...............................
Park Assist* - aan de achterzijde............
Park Assist* - aan de voorzijde...............
Park Assist* - storingsindicatie...............
Park Assist* - sensoren schoonmaken...
Park Assist-camera.................................
Park Assist-camera - instellingen...........
Park Assist-camera - beperkingen.........
Actieve parkeerhulp (PAP)*.....................
Actieve parkeerhulp (PAP)* - functie.......
Actieve parkeerhulp (PAP)* - functie.......
Actieve parkeerhulp (PAP)* - beperkingen..........................................................
Actieve parkeerhulp (PAP)* - symbolen
en meldingen..........................................
BLIS (Blind Spot Information System)....
BLIS - bediening.....................................
CTA (Cross Traffic Alert)*........................
BLIS en CTA - symbolen en meldingen..
Snelheidsafhankelijke
stuurbekrachtiging..................................
249
251
253
253
254
255
256
256
257
259
260
260
261
262
Alcoholslot*.............................................
Alcoholslot* - functies en bediening.......
Alcoholslot* - opslag...............................
Alcoholslot* - vóór het starten van de
motor.......................................................
Alcoholslot* - waar u op moet letten.......
Alcoholslot* - symbolen en meldingen...
Motor start..............................................
Motor afzetten.........................................
Stuurslot..................................................
Starten met hulpaccu..............................
Versnellingsbakken.................................
Handgeschakelde versnellingsbak.........
Schakelindicator*....................................
Automatische versnellingsbak Geartronic*..............................................
Automatische versnellingsbak Powershift*..............................................
Keuzehendelblokkering...........................
Hellingrem (HSA)*....................................
Start/Stop*..............................................
Start/Stop* - functie en bediening..........
Start/Stop* - de motor slaat niet automatisch af....................................................
272
272
273
Start/Stop* - de motor is automatisch
gestart..................................................... 291
Start/Stop* - de motor start niet automatisch........................................................ 292
Start/Stop* - onvrijwillige motorstop bij
handgeschakelde versnellingsbak.......... 293
Start/Stop* - instellingen......................... 293
Start/Stop* - symbolen en meldingen..... 294
Bedrijfsrem.............................................. 296
Bedrijfsrem - antiblokkeerremsysteem... 297
Bedrijfsrem - noodremlichten en automatische alarmlichten.................................. 297
Bedrijfsrem - remkrachtverhoging bij
noodstops............................................... 298
Parkeerrem.............................................. 298
Doorwaaddiepte..................................... 299
Oververhitting.......................................... 300
Rijden met een geopende achterklep..... 300
Overbelasting - startaccu....................... 301
Voorbereidingen bij lange reizen............. 301
Winterse ritten......................................... 302
Tankvulklep - openen/sluiten.................. 302
Tankvulklep - handmatig openen........... 303
Brandstof tanken.................................... 303
Brandstof - gebruik................................. 304
07 08 08
263
265
265
266
268
270
270
273
274
276
276
278
278
278
280
280
281
281
284
286
287
287
288
290
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
7
Inhoud
09 Wielen en banden
Brandstof - benzine................................ 304
Brandstof - diesel.................................... 305
Brandstof bijvullen – met jerrycan........... 306
Roetfilter dieselmotor (DPF).................... 306
Zuinig rijden............................................ 307
Rijden met een aanhanger...................... 308
Rijden met een aanhanger - handgeschakelde versnellingsbak.............................. 309
Rijden met een aanhanger - automatische versnellingsbak............................... 309
Trekhaak................................................. 310
Afneembare trekhaak - opbergen........... 311
Afneembare trekhaak - specificaties...... 311
Afneembare trekhaak - monteren/
demonteren............................................. 312
Trailer Stability Assist (TSA).................... 315
Slepen..................................................... 316
Sleepoog................................................. 317
Bergen..................................................... 318
Banden - draairichting............................
Banden - onderhoud...............................
Banden - slijtage-indicator......................
Wielbouten..............................................
Krik..........................................................
Winterbanden..........................................
Wiel- en velgmaten.................................
Banden - maten......................................
Banden - lastindex..................................
Banden - snelheidsklassen.....................
Compact reservewiel*.............................
Wielen verwisselen - reservewiel erbij
nemen*....................................................
Wielen verwisselen - wielen verwijderen.
Wielen verwisselen - compact reservewiel monteren*........................................
Banden - bandenspanning.....................
Gevarendriehoek.....................................
EHBO-set*...............................................
Noodreparatieset voor banden*..............
Noodreparatieset voor banden* - positie
Noodreparatieset voor banden* - overzicht.........................................................
Noodreparatieset voor banden* - bediening.........................................................
320
320
322
322
323
323
324
324
324
325
325
Noodreparatieset voor banden* - reparatieresultaat controleren........................... 337
Banden oppompen met de noodreparatieset voor banden*................................. 338
Noodreparatieset voor banden* - onderdelen terugplaatsen................................ 338
Noodreparatieset voor banden* - afdichtmiddel..................................................... 339
08 09 09
8
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
326
327
329
330
331
332
332
333
334
335
Inhoud
10 Onderhoud en service
Serviceprogramma van Volvo.................
Auto opnemen........................................
Motorkap - openen en sluiten.................
Motorruimte - overzicht..........................
Motorruimte - controle............................
Motorolie - algemeen..............................
Motorolie - controleren en bijvullen........
Koelvloeistof - peil..................................
Rem- en koppelingsvloeistof - peil.........
Klimaatregeling - storingen opsporen en
verhelpen................................................
Lamp vervangen.....................................
Lamp vervangen - positie lampen voorzijde.........................................................
Lamp vervangen - koplampen................
Lampen verwisselen - afdekkap groot-/
dimlichtlampen........................................
Lamp vervangen - dimlicht.....................
Lamp vervangen - groot licht..................
Lamp vervangen - verstraler...................
Lampen vervangen - richtingaanwijzers
voorzijde..................................................
Lamp vervangen - stadslichten/parkeerlichten vóór.............................................
Lamp vervangen - dagrijlicht..................
11 Audio en media
341
342
344
344
345
345
346
349
350
Lamp vervangen - positie lampen achterzijde......................................................... 356
Lamp vervangen - richtingaanwijzers
achter, rem- en achterlichten.................. 356
Lamp vervangen - mistachterlicht.......... 357
Lamp vervangen - verlichting makeupspiegel................................................. 358
Lampen - specificaties ........................... 358
Wisserbladen.......................................... 359
Sproeiervloeistof - bijvullen..................... 361
Startaccu................................................. 361
Accu - symbolen..................................... 362
Startaccu - vervangen............................. 363
Accu - Start/Stop.................................... 363
Zekeringen - algemeen........................... 365
Zekeringen - in motorruimte................... 367
Zekeringen - onder dashboardkastje...... 370
Zekeringen - onder rechter voorstoel..... 373
Wasstraat................................................ 375
Poetsen en in de was zetten................... 376
Water- en vuilafstotende laag................. 377
Roestwering............................................ 378
Interieur reinigen..................................... 378
Lakschade............................................... 380
Audio en media.......................................
Audio en media - overzicht.....................
Audiosysteem en media - systeem
bedienen.................................................
Audio en media - menufuncties..............
Favorieten...............................................
Audio en media - audio-instellingen.......
Audio en media - algemene audio-instellingen......................................................
Audio en media - geavanceerde audioinstellingen..............................................
Equalizer instellen...................................
Geluidspodium instellen..........................
Geluidssterkte instellen en automatische
volumeregeling........................................
Radio.......................................................
Radiozenders zoeken.............................
Automatisch radiozenders zoeken..........
Radiozenderlijst......................................
Handmatig radiozenders zoeken............
Radiozenders als voorkeurzenders
opslaan...................................................
RDS-functies...........................................
Alarm bij ernstige ongelukken en calamiteiten.......................................................
10 10 11
351
351
352
352
353
354
354
354
355
355
356
383
384
384
386
388
388
389
389
390
390
390
391
391
392
392
393
394
395
396
9
Inhoud
Verkeersinformatie (TP)...........................
Enhanced Other Networks (EON)...........
Nieuwsuitzendingen................................
Radioprogrammatypes (PTY)..................
Radioprogrammatypes PTY zoeken.......
Radioprogrammatypes (PTY) weergeven
Volumeregeling voor onderbrekende
radioprogrammatypes (PTY)...................
Radiotekst...............................................
Automatische radio-afstemfunctie (AF)..
Regionale radioprogramma’s (REG).......
Radiofrequentieband doorzoeken..........
RDS-functies resetten.............................
Digitale radio* (DAB)................................
Radiokanalen programmeren (Groep
leren).......................................................
Navigeren in kanaalgroepenlijst (Ensemble)..........................................................
DAB naar DAB link..................................
Digitale radio* (DAB) - frequentieband....
Digitale radio* (DAB) - subkanaal............
Digitale radio* (DAB) - resetten...............
Mediaspeler............................................
Cd/Dvd*..................................................
396
396
397
397
398
398
Vooruit-/achteruitspoelen.......................
Willekeurige afspeelvolgorde tracks of
audiobestanden......................................
Afspelen en navigeren bij DVD Video.....
Camerahoek bij het afspelen van DVD
Video.......................................................
404
404
405
Bluetooth®*-eenheid verwijderen............ 416
Bluetooth®-handsfreesysteem................ 416
Bluetooth®*-handsfreesysteem - overzicht......................................................... 417
Gespreksfuncties.................................... 418
11 11 11
10
398
399
399
399
400
400
400
401
401
402
402
402
403
403
404
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
DivX® Video On Demand........................
Beeldinstellingen.....................................
Mediaspeler - compatibele bestandsformaten......................................................
Externe geluidsbron via AUX/
USB*-ingang...........................................
Externe geluidsbron via AUX/USB*ingang aansluiten....................................
Afspelen en navigeren bij externe
geluidsbron.............................................
Geluidssterkte instellen voor externe
geluidsbron.............................................
406
406
406
407
407
409
409
411
Media Bluetooth®* ................................. 411
Bluetooth®*-eenheid aansluiten en loskoppelen................................................. 412
Bluetooth®*-eenheid registreren............. 413
Automatische aansluiting Bluetooth®*eenheid................................................... 414
Andere Bluetooth®*-eenheid kiezen....... 415
Bluetooth®*-eenheid loskoppelen........... 415
Bluetooth®-handsfreesysteem - audioinstellingen.............................................. 419
Informatie Bluetooth®-versie...................
Telefoonboek..........................................
Telefoonboek - contactpersonen snel
zoeken.....................................................
Telefoonboek - tekentabel toetsenset op
middenconsole.......................................
Telefoonboek - contactpersonen zoeken
Telefoonboek - nieuw contactpersoon...
Telefoonboek - sneltoets........................
Telefoonboek - vCard ontvangen...........
Telefoonboek - geheugenstatus.............
Telefoonboek - wissen............................
Stembediening* mobiele telefoon...........
Taalkeuze voor stembediening* mobiele
telefoon...................................................
Hulpfuncties voor stembediening* mobiele telefoon.............................................
419
420
421
421
422
423
425
425
425
426
426
428
428
Inhoud
12 Specificaties
Stembediening* mobiele telefoon gebruikersinstelling en stemvolume........ 429
Spraakherkenning* mobiele telefoon stemcommando’s................................... 430
Stembediening* mobiele telefoon - snelcommando’s........................................... 430
Stembediening* mobiele telefoon - nummer bellen............................................... 431
Stembediening* mobiele telefoon - bellen
via gesprekslijst....................................... 431
Stembediening* mobiele telefoon - contactpersoon bellen.................................. 432
Stembediening* mobiele telefoon - voicemail beluisteren....................................... 432
Opslaan als favoriet................................ 433
Afspelen en navigeren bij cd’s/dvd’s*..... 433
Afspelen en navigeren bij zelfgebrande
schijven met audio-/videobestanden...... 434
Tracks of audiobestanden scannen........ 435
TV - instelling*......................................... 435
Tv*-kanalen zoeken/Voorkeurslijst.......... 437
Tv* - voorkeur kijker................................ 437
Informatie over actueel tv*-programma.. 438
Teletekst*................................................ 439
Ontvangst van tv* - kanaalwegval.......... 439
Afstandsbediening*................................. 439
Afstandsbediening* - functies.................
Afstandsbediening* - batterij vervangen.
Audio en media - menu-overzicht...........
Menu-overzicht - AM..............................
Menu-overzicht - FM..............................
Menu-overzicht - digitale radio (DAB)*...
Menu-overzicht - CD/DVD Data..............
Menu-overzicht - CD Audio....................
Menu-overzicht - DVD Video..................
Menu-overzicht - iPod............................
Menu-overzicht - USB............................
Menu-overzicht - Media Bluetooth.........
Menu-overzicht - AUX.............................
Menu-overzicht - Bluetooth-handsfreesysteem...................................................
Menu-overzicht - tv.................................
440
441
442
442
443
444
444
445
445
446
447
447
448
Type-aanduidingen.................................
Maten......................................................
Gewichten...............................................
Trekgewicht en kogeldruk.......................
Motorspecificaties...................................
Motorolie - ongunstige rijomstandigheden..........................................................
Motorolie - kwaliteit en hoeveelheid.......
Koelvloeistof - kwaliteit en hoeveelheid..
Transmissieolie - kwaliteit en hoeveelheid.........................................................
Remvloeistof - kwaliteit en hoeveelheid.
Sproeiervloeistof - kwaliteit en hoeveelheid.........................................................
Brandstoftank - inhoud...........................
Airconditioning, vloeistof - hoeveelheid
en kwaliteit..............................................
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot.........
Banden - goedgekeurde bandenspanning.........................................................
Elektrisch systeem..................................
Startaccu - specificatie...........................
Typegoedkeuring - transpondersleutelsysteem...................................................
Typegoedkeuring - radarsysteem...........
11 11 12
448
449
452
454
455
456
458
459
460
462
463
464
464
465
466
467
471
473
474
475
475
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
11
Inhoud
13 Alfabetisch register
Typegoedkeuring - Bluetooth®............... 477
Licenties.................................................. 485
Displaysymbolen..................................... 487
Alfabetisch register................................. 490
12 13
12
Inhoud
13
INLEIDING
01 Inleiding
Gebruikershandleiding lezen
Een goede manier om vertrouwd te raken met
uw nieuwe auto is om de gebruikershandleiding te lezen, idealiter voordat u uw eerste rit
maakt. Zo maakt u kennis met nieuwe functies, krijgt u tips hoe u het beste in verschillende situaties met de auto kunt omgaan en
leert u hoe u optimaal gebruik kunt maken van
alle mogelijkheden die uw auto biedt. Besteed
ook aandacht aan de veiligheidsinstructies in
de handleiding.
De specificaties, constructiegegevens en
afbeeldingen in de gebruikershandleiding zijn
niet bindend. We behouden ons het recht
voor om zonder voorafgaande mededeling
wijzigingen aan te brengen.
©
Volvo Car Corporation
Opties/accessoires
Alle soorten opties staan aangegeven met
een sterretje* in de gebruikershandleiding.
Als aanvulling op de standaarduitrusting worden in de gebruikershandleiding ook de
opties (van fabriekswege gemonteerde uitrusting) en bepaalde accessoires (ingebouwde
extra uitrusting) beschreven.
De uitrusting die in de gebruikershandleiding
wordt beschreven is niet op alle auto’s aanwezig - welke uitrusting aanwezig is hangt af
van de verschillende behoeften op de diverse
markten en de landelijke en/of regionale weten regelgeving.
Neem bij twijfel over de standaarduitrusting of
opties/accessoires contact op met een Volvodealer.
Speciale teksten
WAARSCHUWING
Waarschuwingsteksten geven informatie
over kans op letsel.
BELANGRIJK
Belangrijk-teksten geven informatie over
kans op materiële schade.
scherm. Deze displaymeldingen worden in de
gebruikershandleiding in iets groter formaat
en in het grijs weergegeven. Voorbeelden
daarvan vindt u in de menuteksten en displaymeldingen van het beeldscherm (bijvoorbeeld Audio-instellingen ).
01
Stickers
Er zitten verschillende soorten stickers in de
auto om belangrijke informatie op een simpele en duidelijke manier over te dragen. De
stickers in de auto zijn van de onderstaande
aflopende waarschuwings-/informatiegraad.
Gevaar voor lichamelijk letsel
N.B.
Teksten met het kopje N.B. duiden op tips
en adviezen die het gebruik van bepaalde
mogelijkheden en functies vergemakkelijken.
Voetnoot
In de gebruikershandleiding komt informatie
voor in de vorm van een voetnoot onder aan
de pagina. Deze informatie vormt een aanvulling op de tekst waar het nummer van de
voetnoot naar verwijst. Als de voetnoot naar
tekst in een tabel verwijst, worden letters
gebruikt in plaats van cijfers.
Displaymeldingen
Tekstmeldingen kunnen worden weergegeven
op het instrumentenpaneel en op het beeld-
G031590
Zwarte ISO-symbolen in een oranje waarschuwingsveld, witte tekst/afbeelding in een
zwart tekstveld. Worden gebruikt om te attenderen op een risico dat, bij het negeren van
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
15
01 Inleiding
01
||
de waarschuwing, kan resulteren in ernstig
letsel met mogelijk dodelijke afloop.
Wanneer er een reeks afbeeldingen bij
een stapsgewijze instructie bestaat, zijn
de verschillende stappen van de instructie op dezelfde manier genummerd als de
bijbehorende afbeeldingen.
Gevaar voor materiële schade
G031592
G031593
Als voor de instructies bij een reeks
afbeeldingen de onderlinge volgorde niet
relevant is, worden de instructies voorafgegaan door letters.
Witte ISO-symbolen en een witte tekst/
afbeelding in een zwart of blauw waarschuwings- en tekstveld. Worden gebruikt om te
attenderen op een risico dat, bij het negeren
van de waarschuwing, kan resulteren in materiële schade.
Informatie
16
Witte ISO-symbolen en een witte tekst/
afbeelding in een zwart tekstveld.
N.B.
De in het instructieboekje afgebeelde stickers hoeven niet per definitie overeen te
komen met de stickers die in of op uw
auto aanwezig zijn. De afbeeldingen zijn
alleen bedoeld om aan te geven hoe de
stickers er in grote lijnen uitzien en waar u
ze ongeveer kunt aantreffen. Op de stickers van uw auto vindt u de informatie die
op uw auto van toepassing is.
Er komen genummerde en ongenummerde pijlen voor. Ze worden gebruikt om
een bepaalde beweging weer te geven.
Pijlen met een letter dienen om een
beweging weer te geven waarbij de
onderlinge volgorde niet van belang is.
Wanneer er geen reeks afbeeldingen bij een
stapsgewijze instructie bestaat, zijn de verschillende stappen op de standaardmanier
genummerd met normale cijfers.
Positielijsten
Op overzichtsfiguren die de positie van
onderdelen aangeven worden rode cirkels
met daarin een cijfer gebruikt. Hetzelfde
cijfer wordt gehanteerd in de positielijst
bij de afbeelding, met een beschrijving
van de weergegeven objecten.
Procedurelijsten
Opsommingslijsten
Procedures met handelingen die in een
bepaalde volgorde moeten worden uitgevoerd, staan genummerd in de gebruikershandleiding.
Bijvoorbeeld:
Bij opsommingen in de gebruikershandleiding
wordt gebruik gemaakt van een opsommingslijst.
01 Inleiding
•
•
Koelvloeistof
Vastlegging van gegevens
Motorolie
Bepaalde gegevens over de werking en functionaliteit van de auto en eventuele
(bijna-)aanrijdingen worden door de auto vastgelegd.
Afbeeldingen
De afbeeldingen in de handleiding zijn soms
schematisch en kunnen afwijken van hoe de
auto eruitziet, afhankelijk van het uitrustingsniveau en de markt.
Gerelateerde informatie
Gerelateerde informatie verwijst naar andere
gedeelten met voor de hand liggende informatie.
Zie ommezijde
}} Dit symbool staat rechts onderaan wan-
neer een hoofdstuk wordt voortgezet op de
volgende pagina.
Gerelateerde informatie
•
Milieu-aspecten van de gebruikershandleiding (p. 22)
•
Informatie op internet (p. 19)
Uw auto is voorzien van enkele computers
met als taak de werking en functionaliteit van
de auto continue te bewaken. Bepaalde computers leggen mogelijk ook gegevens vast bij
registratie van een storing tijdens normale ritten. Bovendien worden er gegevens opgeslagen bij een aanrijding of bijna-aanrijding.
Vastlegging van de gegevens is enerzijds
bedoeld om technici te helpen bij het vaststellen en verhelpen van storingen in de auto
en anderzijds om ervoor te zorgen dat Volvo
voldoet aan de geldende wet- en regelgeving.
Volvo gebruikt de gegevens bovendien voor
onderzoek ter verbetering van de kwaliteit en
veiligheid, daar de gegevens kunnen bijdragen tot een groter inzicht in de omstandigheden waarin ongelukken en/of letsel ontstaan.
De gegevens kunnen duidelijkheid geven over
de status en werking van verschillende autosystemen en -modulen waaronder die voor
de motor, gasklep, besturing en remmen. De
gegevens kunnen informatie bevatten over de
rijstijl van de bestuurder, zoals de rijsnelheid,
het gebruik van het rem- of gaspedaal en de
stuuruitslag en het wel of niet dragen van de
veiligheidsgordel door bestuurder en eventuele passagier(s). De gegevens kunnen om de
eerder vermelde redenen voor een begrensde
tijd worden vastgelegd tijdens het rijden, tijdens een aanrijding of bij een bijna-ongeluk.
Volvo kan de gegevens opslaan zolang deze
kunnen bijdragen tot een verbetering en verdere verhoging van de veiligheid en kwaliteit
en zolang de wet- en regelgeving waaraan
Volvo gehouden is dit voorschrijft.
01
Volvo zal de bovengenoemde gegevens niet
zonder de toestemming van de eigenaar van
de auto vrijgeven aan derden. Volvo Car Corporation kan echter op last van de nationale
wet- en regelgeving gedwongen worden om
dergelijke gegevens te verstrekken aan
instanties, zoals de politie, of anderen die
krachtens de wet de gegevens kunnen opeisen.
Om de door de computers van de auto vastgelegde gegevens te kunnen uitlezen en
interpreteren is speciale technische apparatuur vereist die alleen beschikbaar is bij
Volvo, en de werkplaatsen die een contract
hebben met Volvo. Volvo ziet erop toe dat de
gegevens, die in verband met reparatie en
onderhoud worden doorgegeven aan Volvo,
zorgvuldig worden opgeslagen en gehanteerd
en dat ze in overeenstemming met de geldende wetgeving worden gebruikt. Neem
voor meer informatie contact op met een
Volvo-dealer.
17
01 Inleiding
01
Accessoires en extra uitrusting
Een verkeerde aansluiting en montage van
accessoires en extra uitrusting kan een nadelige invloed hebben op de werking van de
elektronische systemen van de auto.
Bepaalde accessoires werken alleen, wanneer de bijbehorende software in de computersystemen van de auto wordt geladen.
Volvo adviseert u daarom altijd contact op te
nemen met een erkende Volvo-werkplaats,
voordat u accessoires of extra uitrusting
monteert die in verbinding staan/staat met of
van invloed zijn/is op het elektrische systeem.
Warmtereflecterende voorruit*
Maten
A
65 mm
B
150 mm
C
125 mm
De voorruit is voorzien van een warmtereflecterende film (IR) die de ingestraalde warmte in
de passagiersruimte beperkt.
Montage van elektronische uitrusting, zoals
een transponder, achter een ruit met een
warmtereflecterende film heeft mogelijk een
negatieve invloed op de werking en prestaties
van de uitrusting.
Voor optimale werking van dient de elektronische uitrusting dan ook gemonteerd te worden op dat deel van de voorruit waar geen
warmtereflecterende film is aangebracht (zie
gemarkeerd veld op bovenstaande afbeelding).
Veld waar geen IR-film is aangebracht.
18
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Verkoop van auto met Volvo On Call*
Als de auto met Volvo On Call (VOC) is uitgerust, is het belangrijk om de eigenaar bij de
dienst te wijzigen.
VOC is een aanvullend pakket met veiligheids-, beveiligings- en comfortdiensten. Bij
verkoop van de auto is het belangrijk om de
eigenaar bij de dienst te wijzigen.
De VOC-dienst afsluiten
Neem bij verkoop van de auto contact op met
een Volvo-dealer om de VOC-dienst af te sluiten.
De VOC-dienst starten
Het is zeer belangrijk dat de VOC-dienst van
eigenaar wisselt, zodat de vorige eigenaar
geen diensten meer in de auto kan uitvoeren.
Neem contact op met een erkende Volvodealer bij verkoop van de auto.
Gerelateerde informatie
•
Informatie op internet (p. 19)
01 Inleiding
Informatie op internet
01
Op www.volvocars.com vindt u meer informatie over uw auto.
Met een persoonlijke Volvo ID kunt u inloggen
op My Volvo web, een persoonlijke webpagina voor u en uw auto.
Voor het uitlezen van de QR-code is een QRcodelezer nodig die als accessoire verkrijgbaar is voor verschillende mobiele telefoons.
QR-codelezers zijn bijvoorbeeld te downloaden via App Store, Windows Phone of Google
Play.
QR-code
19
01 Inleiding
01
Milieubeleid van Volvo Car
Corporation
een fabriek die zeer schoon is en efficiënt met
hulpbronnen omgaat.
G000000
Uw Volvo voldoet aan strenge internationale
milieueisen en is bovendien geproduceerd in
Zorg voor het milieu is een van de kernwaarden van Volvo Car Corporation die van
invloed zijn op alle activiteiten. We zijn ervan
overtuigd dat onze klanten onze zorg voor het
milieu delen.
Uw Volvo voldoet aan strenge internationale
milieueisen en is bovendien geproduceerd in
een fabriek die zeer schoon is en efficiënt met
hulpbronnen omgaat. Volvo Car Corporation
is gecertificeerd volgens de milieunorm ISO
14001 voor alle fabrieken en de meeste
andere eenheden. We eisen bovendien van
20
onze samenwerkingspartners dat ze systematisch aan milieuzorg doen.
Brandstofverbruik
De auto’s van Volvo zijn concurrerend in hun
klasse wat het brandstofverbruik betreft. Een
lager brandstofverbruik levert over het algemeen een geringere uitstoot van het broeikasgas kooldioxide op.
U als bestuurder kunt uw steentje bijdragen
aan een verlaging van het brandstofverbruik.
Lees voor meer informatie de tekst onder het
kopje Spaar het milieu.
Efficiënte uitlaatgasreiniging
Uw Volvo is gebouwd volgens het concept
‘Schoon aan binnen- en buitenkant’ – een
concept dat een schone passagiersruimte
combineert met een uitermate efficiënte uitlaatgasreiniging. In veel gevallen liggen uitlaatgasemissies ver onder de geldende normen.
Schone lucht in passagiersruimte
Het interieurfilter zorgt dat stofdeeltjes en pollen niet via de luchtinlaatopening in de passagiersruimte kunnen dringen.
01 Inleiding
Een geavanceerd luchtreinigingssysteem,
IAQS* (Interior Air Quality System), zorgt
ervoor dat de lucht die de passagiersruimte
binnenkomt schoner is dan de lucht buiten in
het verkeer.
Het systeem bestaat uit een elektronische
sensor en een koolstoffilter. De binnenkomende lucht wordt continu gecontroleerd en
als het gehalte aan bepaalde schadelijke gassen zoals koolmonoxide te hoog oploopt,
wordt de luchtinlaat gesloten. Iets dergelijks
kan zich voordoen in bijvoorbeeld druk verkeer, files of tunnels.
Het koolstoffilter zorgt ervoor dat stikstofoxiden, laaghangend ozon en koolwaterstoffen
niet binnendringen.
van ons systeem. Volvo stelt duidelijke milieueisen aan de outillage van onze werkplaatsen
om te voorkomen dat er schadelijke stoffen
vrijkomen in het milieu. Het personeel in de
werkplaatsen van Volvo beschikt over de kennis en het gereedschap om optimale zorg
voor het milieu te kunnen garanderen.
Spaar het milieu
U kunt eenvoudig meehelpen het milieu te
beschermen – hier volgen enkele tips:
•
Voorkom stationair draaien – zet de motor
af wanneer u langere tijd stilstaat. Houdt
u zich aan de plaatselijke voorschriften.
•
•
Rijd economisch – rijd anticiperend.
•
Gebruik vóór een koude start altijd de
motorverwarming*, als de auto hiermee is
uitgerust – dit verbetert de startgewilligheid, beperkt de slijtage bij koud weer en
zorgt ervoor dat de motor sneller op
bedrijfstemperatuur komt, waardoor het
brandstofverbruik en de uitstoot afnemen.
•
Bij hoge snelheden neemt het verbruik
aanzienlijk toe vanwege de grotere luchtweerstand – bij een verdubbeling van de
snelheid neemt de luchtweerstand met
een factor vier toe.
•
Hanteer afvalstoffen die schadelijk voor
het milieu zijn, zoals accu’s en olie, op
een milieuvriendelijke manier. Neem con-
Interieur
Het interieur van een Volvo werd dusdanig
vormgegeven dat het gerieflijk en comfortabel
is – ook voor mensen met contactallergieën
of astma. Er is extra veel aandacht besteed
aan de selectie van milieuvriendelijke materialen.
Erkende Volvo-werkplaatsen en het
milieu
Met regelmatig onderhoud kunt u de voorwaarden scheppen voor een lange levensduur en een laag brandstofverbruik. Op die
manier draagt u bij aan een schoner milieu.
Wanneer u de reparaties en het onderhoud
aan de auto toevertrouwt aan de werkplaatsen van Volvo, wordt de auto een onderdeel
Voer service en onderhoud uit volgens de
aanwijzingen in de gebruikershandleiding
– houd de geadviseerde intervallen in het
Service- en garantieboekje aan.
tact op met een werkplaats bij twijfel over
de juiste manier van verwerken van dergelijk afval – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
01
Wanneer u deze tips opvolgt, kunt u geld
besparen, zuiniger omspringen met de hulpbronnen op aarde en uw auto langer doen
meegaan. Voor meer informatie en meer
adviezen, zie Zuinig rijden (p. 307) en Brandstofverbruik en CO2-uitstoot (p. 467).
Recycling
Milieumatig verantwoorde recycling van de
auto vormt een belangrijk aspect van de milieuzorg van Volvo. De auto is nagenoeg
geheel te recyclen. De laatste eigenaar van
de auto wordt daarom verzocht contact op te
nemen met een dealer voor de locatie van
een gecertificeerd/erkend recyclingbedrijf.
Gerelateerde informatie
•
Milieu-aspecten van de gebruikershandleiding (p. 22)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
21
01 Inleiding
01
Milieu-aspecten van de
gebruikershandleiding
De papiervezels waarvan deze publicatie
gemaakt is afkomstig zijn uit FSC®-gecertificeerde bossen of andere gecontroleerde
bronnen.
Het Forest Stewardship Council®-symbool
geeft aan dat de papiervezels waarvan een
gebruikershandleiding in drukvorm gemaakt
is afkomstig zijn uit FSC®-gecertificeerde
bossen of andere gecontroleerde bronnen.
Gerelateerde informatie
•
22
Milieubeleid van Volvo Car Corporation
(p. 20)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Gelaagd glas
Gelaagd glas
Het glas is verstevigd voor een verbeterde inbraakbeveiliging en
geluidsisolatie van het interieur. De
voorruit en de overige ruiten zijn
gemaakt van gelaagd glas*.
VEILIGHEID
02 Veiligheid
Algemeen over veiligheidsgordels
02
Remmen kan ernstige gevolgen hebben als
de veiligheidsgordel niet wordt gedragen. Let
er daarom op dat alle passagiers hun veiligheidsgordel tijdens het rijden om hebben.
Waar u op moet letten
•
Gebruik geen klemmen of andere accessoires waardoor u de veiligheidsgordel
niet strak langs uw lichaam kunt trekken.
•
De veiligheidsgordel mag niet gedraaid
zitten.
•
De heupgordel moet laag zitten (niet over
de buik).
•
Span de heupgordel over de heupen door
de diagonale schoudergordel in de richting van de schouder omhoog te trekken.
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen in de veiligheidsgordels aan en probeer ze nooit zelf
te repareren. Volvo adviseert u daarvoor
contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats.
Als een veiligheidsgordel aan grote krachten heeft blootgestaan zoals tijdens een
aanrijding, moet u de veiligheidsgordel in
zijn geheel vervangen. De veiligheidsgordel
kan een deel van zijn beschermende
eigenschappen hebben verloren, zelfs als
de veiligheidsgordel ogenschijnlijk niet
beschadigd is. Vervang de veiligheidsgordel ook als deze versleten of beschadigd
is. De nieuwe veiligheidsgordel moet zijn
goedgekeurd en bedoeld voor montage op
dezelfde positie als de vervangen veiligheidsgordel.
WAARSCHUWING
Voor optimale bescherming van de veiligheidsgordel is het van belang dat de gordel
goed tegen het lichaam ligt. Laat de rugleuning niet te ver achteroverhellen. De veiligheidsgordel biedt de beste bescherming bij
een normale rijhouding.
Wanneer iemand de veiligheidsgordel niet
draagt, wordt de bewuste persoon er middels
waarschuwingssymbolen en geluidssignalen
(p. 27) aan herinnerd de gordel om te doen
(p. 25).
24
De veiligheidsgordel en airbag werken
samen. Als de veiligheidsgordel niet of verkeerd wordt gebruikt, kan dit bij een botsing van invloed zijn op het effect van de
airbag.
WAARSCHUWING
Elke veiligheidsgordel is bedoeld voor
slechts één persoon.
Gerelateerde informatie
•
Veiligheidsgordel - zwangerschap (p.
26)
•
•
Veiligheidsgordel - losmaken (p. 26)
Gordelspanners (p. 27)
02 Veiligheid
Veiligheidsgordel - om doen
Waar u op moet letten
Doe de veiligheidsgordel (p. 24) om voordat u
gaat rijden.
De veiligheidsgordel is geblokkeerd en kan
niet verder worden uitgetrokken:
•
•
•
Rol de gordel langzaam af en maak deze vast
door de borglip in de gordelsluiting te steken.
Een duidelijke ‘klik’ geeft aan dat de gordel
vastzit.
wanneer u de gordel te snel uittrekt
wanneer u remt of optrekt
02
als de auto sterk overhelt.
Gerelateerde informatie
Verkeerde positie veiligheidsgordel. De veiligheidsgordel moet over de schouder lopen.
•
Veiligheidsgordel - zwangerschap (p.
26)
•
•
•
Veiligheidsgordel - losmaken (p. 26)
Gordelspanners (p. 27)
Gordelwaarschuwing (p. 27)
Goede positie veiligheidsgordel.
Hoogte-instelling van de veiligheidsgordel. Druk
de knop in en zet de gordel hoger of lager. Zet
de gordel zo hoog mogelijk zonder dat de gordel
daarbij langs de nek schuurt.
Op de achterbank past de borglip van de veiligheidsgordel op de middelste zitplaats
alleen in de bijbehorende sluiting.
25
02 Veiligheid
02
Veiligheidsgordel - losmaken
Veiligheidsgordel - zwangerschap
Maak de veiligheidsgordel (p. 24) pas los,
wanneer de auto stilstaat.
Wanneer u zwanger bent, is het belangrijk de
Veiligheidsgordel (p. 24) altijd op de juiste
manier te dragen.
Druk op de rode knop van de gordelsluiting
en laat het oprolmechanisme de gordel oprollen. Als de gordel niet volledig wordt opgerold, moet u de gordel handmatig zo ver
terugrollen dat deze niet langer slap hangt.
Gerelateerde informatie
•
•
Gerelateerde informatie
Veiligheidsgordel - om doen (p. 25)
Gordelwaarschuwing (p. 27)
G020998
•
•
De veiligheidsgordel moet strak langs de
schouder lopen, waarbij het diagonale deel
van de veiligheidsgordel tussen de borsten en
tegen de zijkant van de buik ligt.
Het heupgedeelte van de veiligheidsgordel
moet vlak tegen de buitenkant van de bovenbenen liggen en zo ver mogelijk onder de buik
liggen. Het mag nooit over de buik omhoog
kunnen glijden. De veiligheidsgordel moet zo
strak mogelijk over het lichaam lopen zonder
onnodige speling. Controleer ook of de veiligheidsgordel nergens gedraaid zit.
Naarmate de zwangerschap vordert moeten
zwangere bestuurders de stoel (p. 73) en
het stuur (p. 79) dusdanig verstellen dat ze
de auto volledig onder controle hebben (wat
26
inhoudt dat ze met gemak bij het stuur en de
pedalen moeten kunnen komen). Streef
ernaar de afstand tussen de buik en het stuur
zo groot mogelijk te maken.
Veiligheidsgordel - om doen (p. 25)
Veiligheidsgordel - losmaken (p. 26)
02 Veiligheid
Gordelwaarschuwing
mentenpaneel. De melding verdwijnt na
ongeveer 30 seconden rijden vanzelf of
eerder bij het indrukken van de knop op
de richtingaanwijzerhendel (p. 103) OK.
Als een van de inzittenden geen veiligheidsgordel draagt, verdwijnt de melding
echter alleen bij het indrukken van de
knop OK op de richtingaanwijzerhendel.
Wanneer iemand de veiligheidsgordel niet
draagt, wordt de bewuste persoon er middel
waarschuwingssymbolen en geluidssignalen
aan herinnerd de gordel om te doen (p. 25).
•
Of er geluidssignalen klinken, hangt af van de
snelheid. De waarschuwingssymbolen zitten
op de plafondconsole en op het instrumentenpaneel (p. 60).
Het gordelwaarschuwingssysteem geldt niet
voor kinderzitjes.
Achterbank
Waarschuwen dat iemand op de achterbank de veiligheidsgordel heeft losgenomen. Er wordt gewaarschuwd met een
melding op het instrumentenpaneel in
combinatie met een geluidssignaal en een
waarschuwingssymbool. De waarschuwing stopt wanneer de gordel weer is
omgedaan, maar kan ook handmatig worden bevestigd door op de knop OK te
drukken.
Gordelspanners
De veiligheidsgordels (p. 24) aan de bestuurderszijde, de passagierszijde en op de buitenste zitplaatsen achterin zijn voorzien van gordelspanners. Dit is een mechanisme dat bij
een voldoende krachtige aanrijding de veiligheidsgordel rond het lichaam spant. De veiligheidsgordel kan de passagier daarmee beter
in de stoel gedrukt houden.
02
WAARSCHUWING
De gesp van de veiligheidsgordel aan passagierszijde nooit aanbrengen in de gordelsluiting aan bestuurderszijde. De gesp
van de veiligheidsgordel altijd aanbrengen
in de gordelsluiting aan de juiste zijde. De
veiligheidsgordels nooit beschadigen en
geen vreemde voorwerpen aanbrengen in
de gordelsluiting. De veiligheidsgordels en
de gordelsluiting werken anders mogelijk
niet naar behoren tijdens een aanrijding. Er
bestaat gevaar voor ernstige verwondingen.
Op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel wordt weergegeven welke gordels
er worden gebruikt. Deze informatie is altijd
beschikbaar.
Gerelateerde informatie
•
Algemeen over veiligheidsgordels (p. 24)
De functie van de gordelwaarschuwing voor
de achterbank is tweeledig:
•
Aangeven welke veiligheidsgordels (p. 24)
van de achterbank er worden gebruikt. Bij
gebruik van de veiligheidsgordels of het
openen van een van de achterportieren
verschijnt er een melding op het instru-
27
02 Veiligheid
Veiligheid - waarschuwingssymbool
02
display. Volvo adviseert u zo spoedig mogelijk contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats.
Het waarschuwingslampje verschijnt, als er tijdens de storingsdiagnose een storing wordt
geconstateerd of als het systeem geactiveerd
is. Waar nodig verschijnt het waarschuwingslampje in combinatie met een melding op het
informatiedisplay van het instrumentenpaneel
(p. 60).
WAARSCHUWING
Als het waarschuwingslampje voor het airbagsysteem blijft branden of tijdens het rijden korte tijd oplicht, betekent dit dat het
airbagsysteem niet naar behoren werkt.
Het symbool kan ook duiden op een storing in het airbagsysteem, de gordelspanners, het SIPS- en het IC-systeem of op
een andere storing in het systeem. Volvo
adviseert u zo spoedig mogelijk contact op
te nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
Gevarendriehoek en waarschuwingssymbool
voor het airbagsysteem op een digitaal instrumentenpaneel.
Gevarendriehoek en waarschuwingssymbool
voor het airbagsysteem (p. 29) op een analoog
instrumentenpaneel.
Het waarschuwingssymbool op het instrumentenpaneel gaat branden, wanneer de
transpondersleutel in sleutelstand II (p. 72)
staat. Iedere keer dat het contact wordt ingeschakeld, vindt er een storingsdiagnose
plaats. Het symbool dooft na ca. 6 seconden,
wanneer de regelmodule heeft vastgesteld
dat het airbagsysteem geen storingen vertoont.
Het waarschuwingslampje verschijnt, als er
tijdens de storingsdiagnose een storing wordt
geconstateerd of als het systeem geactiveerd
is. Waar nodig verschijnt het waarschuwingslampje in combinatie met een melding op het
display. Als het waarschuwingssymbool niet
werkt, gaat het waarschuwingsdriehoekje
branden en verschijnt er SRS airbag Service
vereist of SRS airbag Service spoed op het
28
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de Safety mode
(p. 38)
02 Veiligheid
Airbagsysteem
G018665
Bij een frontale botsing helpt het airbagsysteem voorkomen dat u en eventuele inzittenden letsel aan hoofd en borstkas oplopen.
Airbagsysteem, van bovenaf gezien bij een auto
met het stuur links.
Het SRS bestaat uit airbags en sensoren. Bij
een voldoende krachtige aanrijding reageren
de sensoren, waarna één of meer airbags
worden opgeblazen en warm worden. De airbags vangen de klap van de aanrijding op
voor de inzittende. Daarmee vangen de SIPSairbags de klap van de aanrijding op voor de
inzittende, waarna de airbags weer leeglopen.
Daarbij treedt er rookvorming in de auto op.
Dit is volkomen normaal. Het totale verloop,
van het opblazen tot het leeglopen van de airbag, neemt enkele tienden van een seconde
in beslag.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Airbags aan de bestuurderszijde (p. 30)
Passagiersairbag (p. 30)
Veiligheid - waarschuwingssymbool (p.
28)
02
WAARSCHUWING
Volvo adviseert u om voor reparatie contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats. Een verkeerde ingreep in het
airbagsysteem kan tot een onjuiste werking leiden met ernstig letsel als gevolg.
N.B.
G018666
De sensoren reageren verschillend, afhankelijk van het verloop van de botsing en of
er al dan niet een veiligheidsgordel wordt
gebruikt. Geldt voor alle zitplaatsen
behalve de middelste zitplaats achterin.
Airbagsysteem, van bovenaf gezien bij een auto
met het stuur rechts.
Er kunnen dus ongelukken ontstaan als
slechts één (of geen) van de airbags wordt
geactiveerd. De sensoren registreren de
kracht waaraan de auto bij de botsing
wordt blootgesteld en passen zich hierop
aan, zodat een of meer airbags worden
opgeblazen.
29
02 Veiligheid
Airbags aan de bestuurderszijde
02
Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordel (p.
24) aan de bestuurderszijde ook twee airbags
(p. 29).
•
Passagiersairbag (p. 30)
Passagiersairbag
Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordel(p.
24) aan de passagierszijde ook een airbag (p.
29).
Een van de airbags zit opgevouwen in het
midden van het stuurwiel. Het stuurwiel is
voorzien van het opschrift AIRBAG.
De airbag zit opgevouwen in een ruimte
boven het dashboardkastje. Het paneel is
voorzien van het opschrift AIRBAG.
Knieairbag aan de bestuurderszijde bij een auto
met het stuur links.
Positie van de passagiersairbag in een auto met
het stuur links.
De andere airbag (op kniehoogte) zit onder in
het dashboard aan de bestuurderszijde. Het
dashboard is voorzien van het opschrift
AIRBAG.
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en airbags werken
samen. Als de gordel niet of verkeerd
wordt gebruikt, kan dit bij een botsing van
invloed zijn op het effect van de airbags.
30
Gerelateerde informatie
02 Veiligheid
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen voorin, wanneer de
airbag aan die kant geactiveerd is.
Laat nooit iemand voor de passagierstoel
zitten of staan.
Personen kleiner dan 1,40 m mogen nooit
op de passagiersstoel voorin plaatsnemen,
als de airbag geactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren.
Positie van de passagiersairbag in een auto met
het stuur rechts.
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en airbag werken
samen. Als de gordel niet of verkeerd
wordt gebruikt, kan dit bij een botsing van
invloed zijn op het effect van de airbag.
Schakelaar - PACOS*
De passagiersairbag (SRS) voorin is te deactiveren, (p. 31) met een schakelaar als de
auto is uitgerust met PACOS (Passenger
Airbag Cut Off Switch).
Passagiersairbag - activering/
deactivering*
De passagiersairbag (p. 30) voorin kan met
een schakelaar worden geactiveerd, als de
auto is uitgerust met PACOSS (Passenger
Airbag Cut Off Switch).
02
Schakelaar - PACOS
De schakelaar voor activering/deactivering
van de passagiersairbag, PACOS zit aan de
passagierszijde aan de zijkant van het dashboard en u kunt erbij door het portier aan die
kant te openen.
Controleer of de schakelaar in de gewenste
stand staat. Gebruik het sleutelblad (p. 170)
van de transpondersleutel om van stand te
veranderen.
WAARSCHUWING
Om geen letsel op te lopen wanneer de
airbag wordt opgeblazen, moet de passagier zo rechtop mogelijk zitten met de voeten op de vloer en de rug tegen de rugleuning. De veiligheidsgordel moet vast zitten.
Als de auto is uitgerust met een airbag aan
de passagierszijde maar geen PACOSschakelaar (Passenger Airbag Cut Off
Switch) heeft, is de airbag altijd geactiveerd.
WAARSCHUWING
Plaats geen voorwerpen vóór of bovenop
het dashboard op de plek waar de airbag
voor de passagiersstoel zit.
Gerelateerde informatie
•
•
Airbags aan de bestuurderszijde (p. 30)
Kinderzitje (p. 44)
Positie van de airbagsticker en de schakelaar.
De airbag is geactiveerd. Met de schakelaar in deze stand kunnen passagiers groter dan 1,40 m aan de passagierszijde op
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
31
02 Veiligheid
||
de voorstoel zitten, maar kinderen in een
kinderzitje of op een zittingverhoger
beslist niet.
02
De airbag is gedeactiveerd. Met de schakelaar in deze stand kunnen kinderen in
een kinderzitje of op een zittingverhoger
aan de passagierszijde op de voorstoel
zitten, maar passagiers groter dan 1,40 m
beslist niet.
N.B.
Wanneer de transpondersleutel in sleutelstand II (p. 72) staat, brandt
ca. 6 seconden lang het waarschuwingssymbool (p. 28) voor de airbag op het
instrumentenpaneel.
Daarna gaat de indicator op de plafondconsole branden die de status van de passagiersairbag aangeeft.
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een verhogingskussen voorin wanneer
de airbag aan die kant geactiveerd is en
in de plafondconsole
het symbool
brandt. Het niet opvolgen van deze aanbeveling kan levensgevaarlijke situaties voor
het kind opleveren.
WAARSCHUWING
Geactiveerde airbag (passagiersstoel):
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen op de passagiersstoel, wanneer de airbag aan die kant
geactiveerd is. Laat evenmin personen die
kleiner zijn dan 1,40 m op deze stoel
plaatsnemen.
Gedeactiveerde airbag (passagiersstoel):
Personen groter dan 1,40 m mogen nooit
op de passagiersstoel plaatsnemen, als de
airbag gedeactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren.
32
Hiermee wordt aangegeven dat de airbag aan de
passagierszijde geactiveerd is.
Een melding en een waarschuwingssymbool
op de plafondconsole geven aan dat de airbag aan de passagierszijde geactiveerd is (zie
voorgaande afbeelding).
Hiermee wordt aangeduid dat de airbag aan de
passagierszijde gedeactiveerd is.
Een tekstmelding en een brandend lampje op
de plafondconsole geven aan dat de airbag
aan de passagierszijde gedeactiveerd is (zie
voorgaande afbeelding).
02 Veiligheid
WAARSCHUWING
Laat geen passagier op de passagiersstoel
plaatsnemen als het waarschuwingssymbool (p. 28) voor het airbagsysteem op het
instrumentenpaneel oplicht, terwijl de melding op de plafondconsole aangeeft dat de
airbag aan die kant gedeactiveerd is. Dit
duidt op een ernstige storing. Bezoek zo
spoedig mogelijk een werkplaats. Volvo
adviseert u daarvoor contact op te nemen
met een erkende Volvo-werkplaats.
SIPS-airbags
Bij een aanrijding in de zij wordt een groot
deel van de botskracht door het SIPS-systeem (Side Impact Protection System) over
balken, stijlen, vloer, dak en andere delen van
de carrosserie verdeeld. De SIPS-airbags aan
de bestuurders- en de passagierszijde
beschermen de borstkas en de heupen en
vormen een belangrijk onderdeel van het
SIPS-systeem.
voor de inzittende, waarna de airbags weer
leeglopen. De SIPS-airbag wordt normaal
gesproken alleen opgeblazen aan de kant van
de aanrijding.
02
WAARSCHUWING
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties voor de passagiers opleveren.
Bestuurdersplaats, auto met stuur links.
Gerelateerde informatie
•
Kinderzitje (p. 44)
Het SIPS-systeem bestaat uit twee hoofdonderdelen: de SIPS-airbags en de sensoren.
De SIPS-airbags zijn aangebracht in de rugleuningframes van de voorstoelen.
Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren de sensoren, die op hun beurt de gasgeneratoren activeren. De SIPS-airbags worden
vervolgens opgeblazen tussen de inzittende
en het portierpaneel. Daarmee vangen de
SIPS-airbags de klap van de aanrijding op
Passagiersplaats, auto met stuur links.
33
02 Veiligheid
||
WAARSCHUWING
•
02
•
Volvo adviseert u de reparatie uitsluitend door een erkende Volvo-werkplaats te laten uitvoeren. Een verkeerde ingreep in het SIPS-systeem
kan tot een onjuiste werking leiden
met ernstig letsel als gevolg.
Plaats geen voorwerpen in het gebied
tussen de buitenzijde van de stoel en
het portierpaneel, aangezien dit gebied
door de zijairbag kan worden beïnvloed.
•
Volvo adviseert om uitsluitend door
Volvo goedgekeurde overtrekbekleding te gebruiken. Andere bekleding
kan de werking van de zijairbags hinderen.
•
De zijairbag vormt een aanvulling op
de veiligheidsgordel. Gebruik de veiligheidsgordel altijd.
Gerelateerde informatie
34
•
•
•
Passagiersairbag (p. 30)
•
Opblaasgordijnen (IC-systeem) (p. 34)
Airbags aan de bestuurderszijde (p. 30)
SIPS-airbag (SIPS) - kinderzitje/babyzitje
(p. 34)
SIPS-airbag (SIPS) - kinderzitje/
babyzitje
De SIPS-airbags beïnvloeden de beschermende werking van kinderzitje en/of zittingverhoger niet negatief (p. 33).
Opblaasgordijnen (IC-systeem)
Het systeem helpt voorkomen dat de bestuurder en eventuele passagiers bij een botsing
met hun hoofd tegen de binnenkant van de
auto slaan.
Het is mogelijk een kinderzitje/zittingverhoger
(p. 44) op de voorstoel te plaatsen, als de
auto aan de passagierszijde niet is uitgerust
met een geactiveerde airbag (p. 31).
Gerelateerde informatie
•
•
Passagiersairbag (p. 30)
Algemeen over kinderveiligheid (p. 42)
De opblaasgordijnen van het IC-systeem
(Inflatable Curtain) maken deel uit van het
SIPS-systeem (p. 33). Ze zitten verborgen
achter de plafondbekleding langs beide zijden
van de auto en beschermen inzittenden op de
buitenste zitplaatsen van de auto. Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren de sensoren, die op hun beurt de opblaasgordijnen
activeren.
02 Veiligheid
WAARSCHUWING
Hang of bevestig nooit zware voorwerpen
aan de plafondhandgrepen. De haak is
alleen bedoeld voor niet al te zware kledingstukken (en niet voor harde voorwerpen zoals paraplu’s).
Schroef of bevestig geen onderdelen op
de plafondbekleding, portierstijlen of de
zijpanelen van de auto. Ze kunnen daarbij
hun beschermende werking verliezen.
Volvo adviseert u uitsluitend originele
Volvo-onderdelen, bestemd voor montage
op deze plaatsen, te gebruiken.
Algemene informatie over WHIPS
(whiplash-bescherming)
WHIPS (Whiplash Protection System) biedt
bescherming tegen whiplash-letsel. Het systeem bestaat uit energieabsorberende rugleuningen en speciaal voor het systeem ontwikkelde hoofdsteunen voor de beide voorstoelen.
02
WAARSCHUWING
De auto mag niet zo worden beladen dat
de lading hoger dan 50 mm onder de
bovenkant van de portierruiten uitkomt.
Anders kan het beschermende vermogen
van het opblaasgordijn, dat in de hemelbekleding verborgen zit, uitblijven.
WAARSCHUWING
Het opblaasgordijn vormt een aanvulling
op de veiligheidsgordel.
Gebruik de veiligheidsgordel altijd.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Algemeen over veiligheidsgordels (p. 24)
Airbagsysteem (p. 29)
SIPS-airbags (p. 33)
Het WHIPS-systeem wordt geactiveerd bij
een aanrijding van achteren, afhankelijk van
de hoek waaronder en de snelheid waarmee
het achteropkomende voertuig de auto raakt
35
02 Veiligheid
||
en de materiaaleigenschappen van dat voertuig.
WAARSCHUWING
02
Het WHIPS-systeem vormt een aanvulling
op de veiligheidsgordel. Gebruik de veiligheidsgordel altijd.
Eigenschappen van de stoel
Als het WHIPS-systeem wordt geactiveerd,
klappen de rugleuningen van de voorstoelen
naar achteren zodat de zithouding van de
bestuurder en de passagier op de voorstoelen verandert. Zo wordt de kans op zogeheten whiplash-letsel beperkt.
WHIPS - kinderzitje
WHIPS - zithouding
Het WHIPS-systeem (p. 35) beïnvloedt de
beschermende werking van kinderzitje en/of
zittingverhoger niet negatief.
Voor optimale bescherming door het WHIPSsysteem (p. 35) moeten bestuurder en voorpassagier de juiste zithouding innemen en
zorgen dat het systeem niet wordt gehinderd.
Het is mogelijk een kinderzitje/zittingverhoger
(p. 44) op de voorstoel te plaatsen, als de
auto aan de passagierszijde niet is uitgerust
met een geactiveerde airbag (p. 31).
Gerelateerde informatie
•
Algemeen over kinderveiligheid (p. 42)
Zithouding
Stel voordat u wegrijdt de juiste zithouding in
voor de voorstoel (p. 73).
U en een eventuele voorpassagier moeten
zoveel mogelijk in het midden van de stoel
plaatsnemen en de afstand tussen hoofd en
hoofdsteun zo klein mogelijk houden.
Functie
WAARSCHUWING
Voer zelf nooit wijzigingen of reparaties
aan de stoel of het WHIPS-systeem uit.
Volvo adviseert u daarvoor contact op te
nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
•
•
36
WHIPS - kinderzitje (p. 36)
WHIPS - zithouding (p. 36)
Algemeen over veiligheidsgordels (p. 24)
Plaats geen voorwerpen op de vloer achter de
bestuurders- of passagiersstoel die het WHIPSsysteem kunnen hinderen.
02 Veiligheid
WAARSCHUWING
Plaats dozen e.d. niet zodanig, dat deze
vastgeklemd zitten tussen het zitkussen
van de achterbank en de rugleuning van
de voorstoel. Denk eraan dat u de werking
van het WHIPS-systeem niet hindert.
WAARSCHUWING
Als de stoel aan een krachtige belasting is
blootgesteld, bijv. bij een botsing van achteren, moet het WHIPS-systeem worden
gecontroleerd. Volvo adviseert om dit door
een erkende Volvo-werkplaats te laten
controleren.
De beschermende eigenschappen van het
WHIPS-systeem kunnen deels verloren zijn
gegaan, ook als de stoel onbeschadigd
lijkt.
Volvo adviseert dat u contact opneemt
met een erkende Volvo-werkplaats om het
systeem te laten controleren, ook bij zachtere aanrijdingen van achteren.
Plaats geen voorwerpen op de achterbank die
het WHIPS-systeem kunnen hinderen.
WAARSCHUWING
Als de systemen activeren
Bij een aanrijding werken de verschillende
persoonsveiligheidssystemen van Volvo
samen om de schade te verkleinen.
Systeem
Activering
Gordelspanner (p. 27) voorstoel
Bij een frontale botsing
en/of aanrijding in de
zij, van achteren en/of
kantelen
Gordelspanner (p. 27) achterbankA
Bij een frontale botsing
en/of aanrijding in de zij
en/of kantelen
Airbags
Bij een frontale botsing.B
(stuurwiel-, knie(p. 30), passagiersairbag (p.
30))
SIPS-airbags (p.
33)
02
Bij een aanrijding in de
zijB
Als een rugleuning van de achterbank is
neergeklapt, moet de bijbehorende voorstoel naar voren worden verplaatst zodat
deze niet in contact komt met de neergeklapte rugleuning.
37
02 Veiligheid
Systeem
Activering
Opblaasgordijnen (IC) (p. 34)
Bij een aanrijding in de
zij en/of kantelen en/of
bepaalde frontale aanrijdingenB
WHIPS-systeem (p. 35)
Bij aanrijdingen van
achteren
02
A
B
De middelste zitplaats van de achterbank is niet voorzien
van een gordelspanner.
Het is mogelijk dat de airbags niet worden opgeblazen,
ondanks dat de carrosserie van de auto danig vervormd
raakt. Enkele factoren zoals de stijfheid en het gewicht van
het lichaam waarmee de auto in botsing komt, de snelheid
van de auto, de hoek waaronder de botsing plaatsvindt
e.d. zijn van invloed op de wijze van activering van de verschillende veiligheidssystemen in de auto.
Wanneer de airbags (p. 29) werden opgeblazen, adviseert Volvo u het volgende:
•
Laat de auto wegslepen. Volvo adviseert
u hem te laten wegslepen naar een
erkende Volvo-werkplaats. Rijd niet met
opgeblazen airbags.
•
Volvo adviseert u het vervangen van de
onderdelen van de veiligheidssystemen in
de auto over te laten aan een erkende
Volvo-werkplaats.
•
Neem altijd contact op met een arts.
N.B.
De airbags en de gordelspanners worden
bij een botsing slechts eenmaal geactiveerd.
38
WAARSCHUWING
De regeleenheid van het airbagsysteem zit
in de middenconsole. Als de middenconsole doorweekt geraakt is, moet u de
accukabels loskoppelen. Probeer de auto
niet te starten, omdat de airbags daarbij
geactiveerd kunnen worden. Laat de auto
wegslepen. Volvo adviseert u de te auto te
laten wegslepen naar een erkende Volvowerkplaats.
Algemene informatie over de Safety
mode
Safety mode is een veiligheidsfunctie die in
werking treedt, wanneer tijdens de aanrijding
mogelijk belangrijke onderdelen zijn beschadigd zoals de brandstofleidingen, de sensoren
voor de veiligheidssysteem of het remsysteem.
WAARSCHUWING
Rijd nooit met opgeblazen airbags. Dat
kan het besturen van de auto bemoeilijken.
Ook andere veiligheidssystemen kunnen
beschadigd zijn. De rook en stof die bij het
opblazen van de airbags worden gevormd,
kunnen bij een intensieve blootstelling irritaties aan de huid en ogen/letsel veroorzaken. Bij last met koud water wassen. Het
snelle opblazen kan ook, in combinatie
met het materiaal van de airbag, voor wrijvings- en brandwonden op de huid zorgen.
De gevarendriehoek op het analoge instrumentenpaneel.
02 Veiligheid
Gerelateerde informatie
•
•
Safety mode - startpoging (p. 39)
Safety mode - auto verrijden (p. 40)
Safety mode - startpoging
Als de auto in de Safety mode (p. 38) staat, is
een startpoging mogelijk als alles in orde lijkt
te zijn en u gecontroleerd hebt dat er geen
sprake is van brandstoflekkage.
02
Controleer eerst of er geen brandstof uit de
auto is gelopen. Er mag evenmin een brandstofgeur waarneembaar zijn.
De gevarendriehoek op het digitale instrumentenpaneel.
Als de auto betrokken is geweest bij een aanrijding, kan de melding Veiligheidsstand Zie
instructieboekje op het informatiedisplay
van het instrumentenpaneel (p. 60) verschijnen. Dit betekent dat de functionaliteit van de
auto is verminderd.
WAARSCHUWING
Probeer nooit zelf de auto te repareren of
de elektronische onderdelen te resetten
nadat de auto in de Safety mode heeft
gestaan. Dit kan aanleiding geven tot letsel
of een slechte functie van de auto. Volvo
adviseert u de auto altijd in een erkende
Volvo-werkplaats te laten controleren en
naar Normal Mode te laten resetten nadat
de melding Veiligheidsstand Zie
instructieboekje is verschenen.
Als alles normaal lijkt en u hebt vastgesteld
dat er geen brandstof lekt, kunt u proberen
de motor te starten.
Neem de transpondersleutel uit en open het
bestuurdersportier. Als er vervolgens een
melding verschijnt dat het contact ingeschakeld is, dient u op de startknop te drukken.
Sluit het portier vervolgens en plaats de
transpondersleutel terug. De elektronica van
de auto probeert nu te resetten naar de normale stand. Probeer vervolgens de auto te
starten.
Als de melding Veiligheidsstand Zie
instructieboekje nog steeds op het display
staat, mag u niet met de auto rijden en hem
evenmin verslepen. U moet hem dan laten
bergen (p. 318). Verborgen schade kan de
auto tijdens het rijden onbestuurbaar maken,
zelfs als het lijkt dat u nog met de auto kunt
rijden.
39
02 Veiligheid
||
WAARSCHUWING
Probeer in geen geval de auto opnieuw te
starten, als u een brandstofgeur waarneemt terwijl de melding
Veiligheidsstand Zie instructieboekje
getoond wordt. Verlaat de auto onmiddellijk.
02
WAARSCHUWING
Als de auto nog in de Safety mode staat,
mag deze niet worden gesleept. De auto
moet door een berger worden opgehaald.
Volvo adviseert u de auto te laten wegslepen naar een erkende Volvo-werkplaats.
Safety mode - auto verrijden
Voetgangersairbag
Als Normal mode verschijnt, wanneer de
Veiligheidsstand Zie instructieboekje na
een startpoging (p. 39) werd gereset, mag u
de auto voorzichtig uit de huidige, gevaarlijke
positie verrijden.
De voetgangersairbag (Pedestrian Airbag)
helpt bij bepaalde frontale aanrijdingen de
kracht beperken waarmee de auto de voetganger raakt.
Verrijd de auto niet verder dan nodig.
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de Safety mode
(p. 38)
Gerelateerde informatie
•
Safety mode - auto verrijden (p. 40)
De voetgangersairbag (Pedestrian Airbag) zit
onder de motorkap bij de voorruit. Bij
bepaalde frontale aanrijdingen met een voetganger reageren de sensoren in de voorbumper en de airbag wordt opgeblazen als de
kracht van de aanrijding als voldoende hoog
wordt beoordeeld. De sensoren zijn actief bij
een snelheid van ongeveer 20–50 km/h en
een omgevingstemperatuur tussen
–20 en +70 °C.
De sensoren zijn berekend op detectie van
een botsing met zaken die eigenschappen
hebben vergelijkbaar met menselijke benen.
40
02 Veiligheid
N.B.
Er zijn mogelijk zaken in het verkeersmilieu
aanwezig waardoor de sensoren onterecht
het signaal krijgen dat er een voetganger
wordt aangereden. Bij een botsing met iets
dergelijks wordt het systeem mogelijk
geactiveerd.
Bij activering van de airbag (Pedestrian
Airbag)
•
•
•
wordt het achterste gedeelte van de
motorkap opgetild en in deze stand vergrendeld
worden de alarmlichten geactiveerd
wordt het remsysteem voorbereid voor
om in noodgevallen af te remmen.
WAARSCHUWING
Volvo adviseert u contact op te nemen met
een erkende Volvo-werkplaats bij schade
aan de bumper om er zeker van te zijn dat
het systeem intact is.
Gerelateerde informatie
Voetgangersairbag - auto verrijden
U mag de auto niet verrijden, wanneer deze in
de Safety mode (p. 38) staat.
Als een van de andere airbags in de passagiersruimte is geactiveerd, wordt de auto in
de Safety mode gezet.
•
Voetgangersairbag - auto verrijden (p.
41)
Als alleen de voetgangersairbag (p. 40)
(Pedestrian Airbag) geactiveerd is:
•
Voetgangersairbag - opvouwen (p. 42)
1. Rijd de auto naar de dichtstbijzijnde veilige plek.
2. Vouw de airbag op volgens de instructies
(p. 42).
3. Bezoek de dichtstbijzijnde werkplaats.
WAARSCHUWING
WAARSCHUWING
Monteer geen accessoires op de voorkant
van de auto en breng evenmin wijzigingen
in dit gebied aan. Een onjuiste ingreep in
het front kan tot een foutieve werking van
het systeem leiden waardoor ernstig letsel
en materiële schade aan de auto kan ontstaan.
02
Volvo adviseert u om, na activering van de
airbag, onmiddellijk contact opneemt met
een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
Voetgangersairbag (p. 40)
Volvo adviseert om originele wisserarmen
te gebruiken en deze alleen door originele
onderdelen te vervangen.
41
02 Veiligheid
Voetgangersairbag - opvouwen
U mag de auto niet verrijden, wanneer deze in
de Safety mode (p. 38) staat.
02
Vouw de voetgangersairbag (p. 40)
(Pedestrain Airbag) op, voordat u de auto verrijdt.
2. Verzamel eerst de stof van de airbag aan
de bestuurderszijde in de lengterichting
en vouw daarna de verzamelde stof naar
het midden. Wikkel de klittenband (dubbelzijdig) rond zoveel mogelijk stof en
maak de band vast.
3. Druk het omwikkelde deel van de airbag
omlaag in de airbagbehuizing (2).
4. Herhaal de punten 1-3 voor de passagierszijde. Het is wellicht nodig om de
verzamelde stof aan deze kant twee keer
te vouwen voordat de klittenband er
omheen wordt gewikkeld.
5. De afdekking van de airbagbehuizing blijft
openstaan en dat is volledig normaal.
Gerelateerde informatie
•
Airbag (Pedestrian Airbag)
Airbagbehuizing
Klittenband, passagierszijde
Klittenband, bestuurderszijde
Er kan wat rook uit de airbag komen en deze
kan warm aanvoelen, maar dit is normaal. Het
opvouwen gaat als volgt:
1. Zoek de klittenband aan de
bestuurderszijde (4) op.
42
Voetgangersairbag - auto verrijden (p. 41)
Algemeen over kinderveiligheid
Ongeacht leeftijd en lengte moeten kinderen
altijd met de gordel goed om in de auto zitten.
Laat kinderen nooit bij passagiers op schoot
zitten.
Volvo adviseert u kinderen zo lang mogelijk te
vervoeren in een achterstevoren gemonteerd
kinderzitje (in ieder geval tot een leeftijd van
3–4 jaar) en daarna tot een leeftijd van 10 jaar
op/in een zittingverhoger of een kinderzitje
dat in de rijrichting geplaatst is.
Het gewicht en de lengte van het kind zijn
bepalend voor de plaats van het kind in de
auto en de vereiste uitrusting, zie Kinderzitje
(p. 44).
N.B.
De wettelijke bepalingen voor hoe een kind
in de auto moet worden geplaatst, verschillen per land. Stel u op de hoogte van
wat van toepassing is.
Volvo beschikt over kinderveiligheidsproducten (kinderzitjes, zittingverhoger en bevestigingsmaterialen) die speciaal voor uw auto
zijn ontwikkeld. Wanneer u voor kinderveiligheidsproducten van Volvo kiest schept u niet
alleen optimale voorwaarden voor een veilig
vervoer van uw kind(eren), u weet bovendien
zeker dat de producten passen en eenvoudig
in het gebruik zijn.
02 Veiligheid
N.B.
Bij vragen over de montage van kinderveiligheidsproducten neemt u voor duidelijke
aanwijzingen contact op met de producent.
02
Kinderslot
De bedieningsknoppen voor de ruiten in de
achterportieren en de openingshandgrepen
op de achterportieren zijn te blokkeren (p.
184), zodat de achterportieren en de zijruiten
niet meer van de binnenzijde kunnen worden
geopend.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Kinderzitje (p. 44)
Kinderzitje - positie (p. 48)
Kinderzitje - ISOFIX (p. 48)
Kinderzitje - bovenste bevestigingspunten
(p. 52)
43
02 Veiligheid
Kinderzitje
02
N.B.
Kinderen moeten comfortabel en veilig kunnen zitten. Zorg dat u het kinderzitje op de
juiste wijze gebruikt.
Bij gebruik van kinderveiligheidsproducten
is het belangrijk om de meegeleverde
montagehandleiding te lezen.
WAARSCHUWING
G020739
Zet de bevestigingsband van het kinderzitje niet aan de lengteverstelstang, veren
of rails en balken onder de stoel vast.
Scherpe randen kunnen de bevestigingsband beschadigen.
Kinderzitjes en airbags gaan niet samen.
44
Raadpleeg voor de juiste montage de montage-instructies bij het kinderzitje.
02 Veiligheid
Aanbevolen kinderzitjes1
Gewicht
Voorstoel (met gedeactiveerde airbag)
Groep 0
02
Typegoedkeuring: E1 04301146
Groep 0+
(L)
max. 13 kg
max. 10 kg
Middelste zitplaats achterbank
Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) - achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met ISOFIX-systeem.
max. 10 kg
Groep 0
Buitenste zitplaats achterbank
Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel.
Groep 0+
Typegoedkeuring: E1 04301146
max. 13 kg
(U)
Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel.
Typegoedkeuring: E1 04301146
(U)
Volvo-babyzitje
(Volvo Infant
Seat) – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel.
Typegoedkeuring: E1
04301146
(U)
Groep 0
Kinderzitjes met universele goedkeuring.A
Kinderzitjes met universele goedkeuring.
max. 10 kg
(U)
(U)
Groep 0+
max. 13 kg
1
Om andere kinderzitjes te kunnen gebruiken dient uw auto op de lijst van de producent te staan of een universele goedkeuring te hebben conform ECE R44.
}}
45
02 Veiligheid
||
02
Gewicht
Voorstoel (met gedeactiveerde airbag)
Buitenste zitplaats achterbank
Groep 1
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible Child Seat) – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel
en bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 04192
Typegoedkeuring: E5 04192
(L)
(L)
Groep 1
Kinderzitjes met universele goedkeuring.A
Kinderzitjes met universele goedkeuring.
9–18 kg
(U)
(U)
Groep 2
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible Child Seat) – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel
en bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 04192
Typegoedkeuring: E5 04192
(L)
(L)
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible Child Seat) – in rijrichting
gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel.
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible Child Seat) – in rijrichting gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel.
9–18 kg
15–25 kg
Groep 2
15–25 kg
Typegoedkeuring: E5 04191
(U)
46
Typegoedkeuring: E5 04191
(U)
Middelste zitplaats achterbank
02 Veiligheid
Gewicht
Voorstoel (met gedeactiveerde airbag)
Buitenste zitplaats achterbank
Groep 2/3
Volvo-verhogingskussen met rugleuning (Volvo
Booster Seat with backrest).
Volvo-verhogingskussen met rugleuning (Volvo Booster
Seat with backrest).
Typegoedkeuring: E1 04301169
Typegoedkeuring: E1 04301169
(UF)
(UF)
Kinderzitje met of zonder rugleuning (Booster
Cushion with and without backrest).
Kinderzitje met of zonder rugleuning (Booster Cushion
with and without backrest).
Typegoedkeuring: E5 04216
Typegoedkeuring: E5 04216
(UF)
(UF)
15–36 kg
Groep 2/3
15–36 kg
Middelste zitplaats achterbank
02
L: Geschikt voor specifieke kinderzitjes. Deze kinderzitjes kunnen bestemd zijn voor een bepaald automerk, voor een beperkte groep merken of
semi-universeel zijn.
U: Geschikt voor kinderzitjes in deze gewichtscategorie met universele goedkeuring.
UF: Geschikt voor in rijrichting gemonteerde kinderzitjes in deze gewichtscategorie met universele goedkeuring.
B: Geïntegreerde kinderzitjes met goedkeuring voor deze gewichtscategorie.
A
Alleen voor een achterstevoren gemonteerd kinderzitje. Zet de rugleuning van de zitplaats rechtop.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Kinderzitje - positie (p. 48)
Kinderzitje - bovenste bevestigingspunten
(p. 52)
Kinderzitje - ISOFIX (p. 48)
Algemeen over kinderveiligheid (p. 42)
47
02 Veiligheid
Kinderzitje - positie
02
WAARSCHUWING
Plaats kinderzitjes/zittingverhogers (p. 44)
altijd op de achterbank als de airbag aan de
passagierszijde geactiveerd (p. 31) is. Als de
airbag wordt opgeblazen, kan een kind op de
passagiersstoel ernstig letsel oplopen.
Comfortkussens/kinderzitjes met stalen
beugels of andere constructies die tegen
de openingsknop van de gordelsluiting aan
kunnen liggen, mogen niet worden
gebruikt aangezien ze ervoor kunnen zorgen dat de veiligheidsgordel per ongeluk
open gaat.
Kinderzitje - ISOFIX
ISOFIX is een bevestigingssysteem voor kinderzitjes (p. 44), gebaseerd op een internationale standaard.
Laat het bovengedeelte van het kinderzitje
niet tegen de voorruit leunen.
Gerelateerde informatie
Bij het openen van het passagiersportier is de
airbagsticker zichtbaar, zie afbeelding (p. 31).
Het volgende kan worden gebruikt:
•
een kinderzitje/zittingverhoger op de passagiersstoel zolang de airbag aan de passagierszijde gedeactiveerd is.
•
een of meer kinderzitjes/zittingverhogers
op de achterbank.
WAARSCHUWING
Zet nooit een kind in een kinderzitje op de
passagiersstoel als de airbag (SRS) is
geactiveerd.
Personen kleiner dan 1,40 m mogen nooit
op de passagiersstoel voorin plaatsnemen,
als de airbag (SRS) geactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren.
48
•
•
•
Algemeen over kinderveiligheid (p. 42)
Kinderzitje - bovenste bevestigingspunten
(p. 52)
Kinderzitje - ISOFIX (p. 48)
U vindt de bevestigingspunten voor het ISOFIX-systeem onder aan de rugleuning van de
achterbank op de beide buitenste zitplaatsen.
Symbolen op de bekleding van de ruggedeelten (zie voorgaande afbeelding) geven de
positie van deze bevestigingspunten aan.
Houd u altijd aan de montage-instructies van
de fabrikant, wanneer u een kinderzitje/babyzitje aan de ISOFIX-bevestigingspunten vastzet.
Gerelateerde informatie
•
•
•
ISOFIX - afmetingscategorieën (p. 49)
ISOFIX - soorten kinderzitjes (p. 50)
Algemeen over kinderveiligheid (p. 42)
02 Veiligheid
•
•
•
Kinderzitje (p. 44)
ISOFIX - afmetingscategorieën
Kinderzitje - positie (p. 48)
Voor kinderzitjes met een ISOFIX (p. 48)bevestigingssysteem zijn er afmetingscategorieën om gebruikers te helpen bij het kiezen
van het juiste type kinderzitje (p. 50).
Kinderzitje - bovenste bevestigingspunten
(p. 52)
Afmetingscategorie
WAARSCHUWING
Zet het kind nooit op de passagiersplaats
als de auto met een geactiveerde airbag is
uitgerust.
N.B.
Beschrijving
A
Normale grootte, in rijrichting
gemonteerd kinderzitje
B
Beperkte grootte (optie 1), in
rijrichting gemonteerd kinderzitje
B1
Beperkte grootte (optie 2), in
rijrichting gemonteerd kinderzitje
C
Normale grootte, achterstevoren gemonteerd kinderzitje
D
Beperkte grootte, achterstevoren gemonteerd kinderzitje
E
Achterstevoren gemonteerd
babyzitje
F
Overdwars gemonteerd babyzitje, links
G
Overdwars gemonteerd babyzitje, rechts
02
Als een ISOFIX-kinderzitje geen afmetingscategorie heeft, moet het automodel op de
voertuiglijst van het kinderzitje staan.
N.B.
Volvo raadt u aan contact op te nemen
met een erkende Volvo-dealer om te weten
te komen welk ISOFIX-kinderzitje Volvo
aanbeveelt.
Gerelateerde informatie
•
ISOFIX - soorten kinderzitjes (p. 50)
49
02 Veiligheid
ISOFIX - soorten kinderzitjes
Kinderzitjes kunnen net als auto’s verschillende afmetingen hebben. Kinderzitjes passen
02
Type kinderzitje
Babyzitje, overdwars
Babyzitje, achterstevoren
daardoor niet op alle zitplaatsen van de verschillende modellen.
Gewicht
max. 10 kg
max. 10 kg
Afmetingscategorie
Zitplaatsen voor montage ISOFIXA-kinderzitje
Voorstoel
Buitenste zitplaats achterbank
F
X
X
G
X
X
E
X
OK
(IL)
Babyzitje, achterstevoren
max. 13 kg
E
X
OK
(IL)
D
X
OK
(IL)
C
X
OK
(IL)
Kinderzitje, achterstevoren
9–18 kg
D
X
OK
(IL)
C
X
OK
(IL)
50
02 Veiligheid
Type kinderzitje
Kinderzitje, in rijrichting
Gewicht
9–18 kg
Afmetingscategorie
B
Zitplaatsen voor montage ISOFIXA-kinderzitje
Voorstoel
Buitenste zitplaats achterbank
X
OKB
02
(IUF)
B1
X
OKB
(IUF)
A
X
OKB
(IUF)
X: De ISOFIX-stand leent zich niet voor ISOFIX-kinderzitjes in deze gewichts- en/of afmetingscategorie.
IL: Geschikt voor specifieke ISOFIX-kinderzitjes. Deze kinderzitjes kunnen bestemd zijn voor een bepaald automerk, voor een beperkte groep
merken of semi-universeel zijn.
IUF: Geschikt voor in rijrichting gemonteerd ISOFIX-kinderzitje met universele goedkeuring voor deze gewichtscategorie.
A
B
ISOFIX is een bevestigingssysteem voor kinderzitjes, gebaseerd op een internationale standaard.
Volvo adviseert een achterstevoren gemonteerd kinderzitje voor deze categorie.
Zorg dat u de juiste afmetingscategorie (p.
49) kiest voor een kinderzitje met het ISOFIXbevestiging.
Gerelateerde informatie
•
Kinderzitje - ISOFIX (p. 48)
51
02 Veiligheid
Kinderzitje - bovenste
bevestigingspunten
02
N.B.
Klap de hoofdsteunen omlaag om het
monteren van dit type kinderzitje te vereenvoudigen bij auto’s met neerklapbare
hoofdsteunen op de beide buitenste zitplaatsen.
De auto is uitgerust met bovenste bevestigingspunten voor bepaalde kinderzitjes (p. 44)
die in de rijrichting worden gemonteerd. Deze
bevestigingspunten zitten achter op het zitgedeelte van de achterbank.
N.B.
Bovenste bevestigingspunten
In auto's met een bagagerolhoes over de
bagageruimte moet deze worden verwijderd voordat het kinderzitje in de bevestigingspunten kan worden gemonteerd.
Zie de aanwijzingen van de fabrikant van het
kinderzitje voor gedetailleerde informatie over
de manier waarop u het zitje aan de bovenste
bevestigingspunten vastzet.
WAARSCHUWING
De bovenste bevestigingspunten zijn voornamelijk bestemd om een in de rijrichting
gemonteerd kinderzitje aan te bevestigen.
Volvo adviseert u kleine kinderen zo lang
mogelijk in een achterstevoren gemonteerd
kinderzitje te blijven vervoeren.
52
De bevestigingsband van het kinderzitje
altijd door de opening in de ene poot van
de hoofdsteun halen, alvorens de band
aan het bevestigingspunt vast te zetten.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Algemeen over kinderveiligheid (p. 42)
Kinderzitje - positie (p. 48)
Kinderzitje - ISOFIX (p. 48)
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Instrumenten en bediening, auto met
stuur links - overzicht
In het overzicht staat waar de displays en
bedieningen van de auto zitten.
03
54
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto’s met het stuur links
03
}}
55
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
03
56
Functie
Zie
Functie
Zie
Menu- en meldingsfuncties, richtingaanwijzers, groot licht/
dimlicht, boordcomputer
(p. 103), (p.
106), (p.
88), (p. 83)
en (p. 125).
Alarmlichten
(p. 87).
Bedieningspaneel
voor infotainment en
menufuncties
(p. 108), (p.
384) en (p.
386).
Cruisecontrol
(p. 200) en
(p. 205).
Bedieningspaneel
voor klimaatregeling
(p. 134) of (p.
135).
Claxon, airbag
(p. 79) en
(p. 29).
Versnellingspook/
keuzehendel
Instrumentenpaneel
(p. 60).
(p. 280), (p.
281) of (p.
284).
Menufuncties,
bediening audio,
bediening telefoon*
(p. 108), (p.
384), (p. 386)
en (p. 417).
Parkeerrem
(p. 298).
Wissers en -sproeiers
(p. 95).
START/STOP
ENGINE-knop
(p. 276).
Stuurwielafstelling
(p. 79).
Contactslot
(p. 71).
Ontgrendeling
motorkap
(p. 344).
Beeldscherm voor
infotainment en
weergave van
menu’s
(p. 108), (p.
383), (p. 384)
en (p. 384).
Verlichtingsdraaiknop, opener achterklep
(p. 80) en
(p. 181).
Stoelverstelling*
(p. 75).
Openingshandgreep
portier
–
Bedieningspaneel
(p. 179), (p.
185), (p. 97)
en (p. 99).
Gerelateerde informatie
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
•
•
•
Buitentemperatuurmeter (p. 69)
Dagtellers (p. 69)
Klok (p. 69)
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Instrumenten en bediening, auto met
stuur rechts - overzicht
In het overzicht staat waar de displays en
bedieningen van de auto zitten.
03
}}
57
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
Overzicht auto’s met het stuur rechts
03
58
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Functie
Zie
Functie
Zie
Wissers en -sproeiers
(p. 95).
Menufuncties,
bediening audio,
bediening telefoon*
(p. 108), (p.
384), (p. 386)
en (p. 417).
Bedieningspaneel
voor infotainment en
menufuncties
(p. 108), (p.
384) en (p.
386).
Bedieningspaneel
voor klimaatregeling
(p. 134) of (p.
135).
Claxon, airbag
(p. 79) en
(p. 29).
Versnellingspook/
keuzehendel
Instrumentenpaneel
(p. 60).
(p. 280), (p.
281) of (p.
284).
Cruisecontrol
(p. 200) en
(p. 205).
Parkeerrem
(p. 298).
START/STOP
ENGINE-knop
(p. 276).
(p. 103), (p.
106), (p.
88), (p. 83)
en (p. 125).
Contactslot
(p. 71).
Menu- en meldingsfuncties, richtingaanwijzers, groot licht/
dimlicht, boordcomputer
Beeldscherm voor
infotainment en
weergave van
menu’s
(p. 108), (p.
383), (p. 384)
en (p. 384).
Stuurwielafstelling
(p. 79).
Ontgrendeling
motorkap
(p. 344).
Openingshandgreep
portier
–
Verlichtingsdraaiknop, opener achterklep
(p. 80) en
(p. 181).
Bedieningspaneel
(p. 179), (p.
185), (p. 97)
en (p. 99).
Stoelverstelling*
(p. 75).
Alarmlichten
(p. 87).
•
Klok (p. 69)
03
Gerelateerde informatie
•
•
Buitentemperatuurmeter (p. 69)
Dagtellers (p. 69)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
59
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Instrumentenpaneel
Op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel verschijnt informatie over bepaalde
functies van de auto zoals de cruisecontrol,
boordcomputer en meldingen.
03
•
Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht
(p. 61)
•
Instrumentenpaneel, analoog - overzicht
(p. 60)
•
Instrumentenpaneel - betekenis controlesymbolen (p. 65)
•
Instrumentenpaneel - betekenis waarschuwingssymbolen (p. 67)
Instrumentenpaneel, analoog overzicht
Meters en wijzers
Op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel verschijnt informatie over bepaalde
functies van de auto zoals de cruisecontrol,
boordcomputer en meldingen. De informatie
wordt met symbolen en tekst weergegeven.
Informatiedisplay
Brandstofmeter. Wanneer de aanduiding
is gedaald tot slechts één witte markering1, gaat het oranje controlesymbool
voor een laag brandstofpeil branden. Zie
ook Boordcomputer - functies (p. 125) en
Brandstof tanken (p. 303).
Informatiedisplay, analoog instrumentenpaneel.
Gedetailleerder informatie vindt u onder de
functies die gebruik maken van het display.
Eco meter. De meter geeft een beeld van
hoe zuinig er in de auto wordt gereden.
Hoe groter de wijzeruitslag, hoe zuiniger.
Snelheidsmeter
Toerenteller. De meter geeft het motortoerental in duizenden omwentelingen per
minuut aan.
Schakelindicator2 / Schakelstandindicator3. Zie ook Schakelindicator* (p. 281),
Automatische versnellingsbak -
1
2
3
60
Wanneer de aanduiding Afstand tot lege tank: op het display verandert in ----, wordt de markering rood van kleur.
Handgeschakelde versnellingsbak
Automatische versnellingsbak
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Geartronic* (p. 281) of Automatische versnellingsbak - Powershift* (p. 284).
Controle- en waarschuwingssymbolen
Als de motor niet aanslaat of als de functietest wordt uitgevoerd in sleutelstand II, gaan
binnen enkele seconden alle symbolen uit,
behalve het symbool voor storingen in het uitlaatgasreinigingssysteem en dat voor een
lage oliedruk.
Gerelateerde informatie
•
•
Instrumentenpaneel (p. 60)
Instrumentenpaneel, digitaal overzicht
Op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel verschijnt informatie over bepaalde
functies van de auto zoals de cruisecontrol,
boordcomputer en meldingen. De informatie
wordt met symbolen en tekst weergegeven.
Informatiedisplay
Instrumentenpaneel - betekenis controlesymbolen (p. 65)
•
Instrumentenpaneel - betekenis waarschuwingssymbolen (p. 67)
•
Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht
(p. 61)
03
Controle- en waarschuwingssymbolen, analoog
instrumentenpaneel.
Controlesymbolen
Controle- en waarschuwingssymbolen
Waarschuwingssymbolen4
Functietest
Alle controle- en waarschuwingssymbolen,
behalve de symbolen in het midden van het
informatiedisplay, gaan branden in sleutelstand II of bij het starten van de motor. Alle
symbolen moeten weer doven als de motor is
aangeslagen, behalve het symbool voor de
parkeerrem. Dit dooft pas, als de auto van de
parkeerrem wordt gehaald.
4
Informatiedisplay, digitaal instrument*.
Gedetailleerder informatie vindt u onder de
functies die gebruik maken van het display.
Meters en wijzers
Voor het digitale instrumentenpaneel zijn verschillende thema’s te kiezen. De mogelijke
thema’s zijn ‘Elegance’, ‘Eco’ en
‘Performance’. Het ingestelde thema kan bij
vergrendeling van de auto worden opgeslagen in het geheugen van de transpondersleu-
Bij bepaalde motortypes is het lampje voor een lage oliedruk niet in gebruik. Er verschijnt in plaats daarvan een displaymelding, zie Motorolie - controleren en bijvullen (p. 346).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
61
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
tel, zie pagina Transpondersleutel met sleutelblad (p. 163) en MY CAR - Auto-instellingen (p. 110).
Geartronic* (p. 281) of Automatische versnellingsbak - Powershift* (p. 284).
Het is alleen mogelijk een thema te kiezen,
wanneer de motor loopt.
03
Druk om een thema te kiezen op de knop OK
op de linker stuurhendel en kies menu-optie
Thema's door aan het duimwiel van dezelfde
hendel te draaien. Druk op de knop OK. Draai
aan het duimwiel om een thema te kiezen en
bevestig uw keuze door op de knop OK te
drukken. Voor meer informatie over het
gebruik van het menusysteem, zie MY CAR menu-opties (p. 108).
Meters en wijzers, thema ‘Elegance’.
Brandstofmeter. Wanneer de aanduiding
is gedaald tot slechts één witte markering5, gaat het oranje controlesymbool
voor een laag brandstofpeil branden. Zie
ook Boordcomputer - functies (p. 125) en
Brandstof tanken (p. 303).
Temperatuurmeter koelvloeistof motor
Snelheidsmeter
Toerenteller. De meter geeft het motortoerental in duizenden omwentelingen per
minuut aan.
Schakelindicator6 / Schakelstandindicator7. Zie ook Schakelindicator* (p. 281),
Automatische versnellingsbak -
5
6
7
8
62
Wanneer de aanduiding Afstand tot lege tank: op het display verandert in ----, wordt de markering rood van kleur.
Handgeschakelde versnellingsbak
Automatische versnellingsbak
Wanneer de aanduiding Afstand tot lege tank: op het display verandert in ----, wordt de markering rood van kleur.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Meters en wijzers, thema ‘Eco’.
Brandstofmeter. Wanneer de aanduiding
is gedaald tot slechts één witte markering8, gaat het oranje controlesymbool
voor een laag brandstofpeil branden. Zie
ook Boordcomputer - functies (p. 125) en
Brandstof tanken (p. 303).
Eco guide. Zie ook Eco guide & Power
guide* (p. 64).
Snelheidsmeter
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Toerenteller. De meter geeft het motortoerental in duizenden omwentelingen per
minuut aan.
Schakelindicator6 /Schakelstandindicator7. Zie ook Schakelindicator* (p. 281),
Automatische versnellingsbak Geartronic* (p. 281) of Automatische versnellingsbak - Powershift* (p. 284).
Snelheidsmeter
Controle- en waarschuwingssymbolen
Toerenteller. De meter geeft het motortoerental in duizenden omwentelingen per
minuut aan.
Power guide. Zie ook Eco guide & Power
guide* (p. 64).
Schakelindicator6 /Schakelstandindicator7. Zie ook Schakelindicator* (p. 281),
Automatische versnellingsbak Geartronic* (p. 281) of Automatische versnellingsbak - Powershift* (p. 284).
03
Controle- en waarschuwingssymbolen, digitaal
instrumentenpaneel.
Controlesymbolen
Controle- en waarschuwingssymbolen
Waarschuwingssymbolen10
Meters en wijzers, thema ‘Performance’.
Brandstofmeter. Wanneer de aanduiding
is gedaald tot slechts één witte markering9, gaat het oranje controlesymbool
voor een laag brandstofpeil branden. Zie
ook Boordcomputer - functies (p. 125) en
Brandstof tanken (p. 303).
Temperatuurmeter koelvloeistof motor
6
7
9
10
Functietest
Alle controle- en waarschuwingssymbolen,
behalve de symbolen in het midden van het
informatiedisplay, gaan branden in sleutelstand II of bij het starten van de motor. Alle
symbolen moeten weer doven als de motor is
aangeslagen, behalve het symbool voor de
parkeerrem. Dit dooft pas, als de auto van de
parkeerrem wordt gehaald.
Handgeschakelde versnellingsbak
Automatische versnellingsbak
Wanneer de aanduiding Afstand tot lege tank: op het display verandert in ----, wordt de markering rood van kleur.
Bij bepaalde motortypes is het lampje voor een lage oliedruk niet in gebruik. Er verschijnt in plaats daarvan een displaymelding, zie Motorolie - controleren en bijvullen (p. 346).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
}}
63
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
Als de motor niet aanslaat of als de functietest wordt uitgevoerd in sleutelstand II, gaan
binnen enkele seconden alle symbolen uit,
behalve het symbool voor storingen in het uitlaatgasreinigingssysteem en dat voor een
lage oliedruk.
Gerelateerde informatie
03
•
•
Instrumentenpaneel (p. 60)
Instrumentenpaneel - betekenis controlesymbolen (p. 65)
•
Instrumentenpaneel - betekenis waarschuwingssymbolen (p. 67)
•
Instrumentenpaneel, analoog - overzicht
(p. 60)
Eco guide & Power guide*
Actuele waarde
Eco guide en Power guide zijn twee van de
meters op het instrumentenpaneel (p. 60) die
u helpen om zo zuinig mogelijk met de auto te
rijden.
Hier wordt de actuele waarde getoond; hoe
groter de uitslag op de schaal, hoe beter.
De auto slaat ook statistische ritgegevens die
in de vorm van staafdiagrammen te bekijken
zijn, zie Boordcomputer - rijstatistiek* (p.
126).
Eco guide
Deze meter geeft een beeld van hoe zuinig u
met de auto rijdt.
Kies ‘Eco’ om deze meter te kunnen zien, zie
Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht (p.
61).
De actuele waarde wordt berekend op basis
van snelheid, motortoerental, benut motorvermogen en het gebruik van het rempedaal.
Geadviseerd wordt een optimale snelheid
(50–80 km/h) en een laag toerental aan te
houden. Bij gas geven en remmen dalen de
wijzers.
Bij zeer lage actuele waarden licht (met enige
vertraging) het rode gebied van de meter op,
wat betekent dat u onzuinig rijdt. U dient dit
te voorkomen.
Gemiddelde waarde
De gemiddelde waarde volgt de actuele
waarde langzaam en beschrijft hoe de afgelopen tijd in de auto is gereden. Hoe groter de
uitslag van de wijzers op de schaal, hoe zuiniger u hebt gereden.
Power guide
Dit instrument geeft de relatie aan tussen het
benutte en het beschikbare vermogen
(Power) van de motor.
Actuele waarde
Gemiddelde waarde
64
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Kies ‘Performance’ om deze meter te kunnen
zien, zie Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht (p. 61).
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Instrumentenpaneel - betekenis
controlesymbolen
Groot licht aan
Controlesymbolen
Richtingaanwijzers rechts
Betekenis
Storing in ABL
Benut vermogen
Uitlaatgasreinigingssysteem
Storing in ABS
Beschikbaar motorvermogen
De kleinere wijzer bovenaan toont het
beschikbare motorvermogen11. Hoe groter de
uitslag op de schaal, hoe meer vermogen er
beschikbaar is in de actuele versnelling.
Mistachterlicht aan
Benut vermogen
Stabiliteitsregeling, Sportstand
De grotere wijzer onderaan toont het benutte
motorvermogen11. Hoe groter de uitslag op
de schaal, hoe meer motorvermogen er benut
wordt.
Een groot verschil tussen de beide wijzers
duidt op een grote vermogensreserve.
11
Betekenis
De controlesymbolen attenderen u erop dat
de bijbehorende functies ingeschakeld zijn, de
desbetreffende systemen actief zijn of dat er
storingen of gebreken zijn opgetreden.
Symbool
Beschikbaar motorvermogen
Symbool
Stabiliteitssysteem
Voorgloeifunctie motor (diesel)
Laag peil in brandstoftank
Informatie, lees displaymelding
Richtingaanwijzers links
Start/Stop, motor is automatisch afgezet, zie Start/Stop* functie en bediening (p. 288)
03
Storing in ABL
Het symbool brandt, als er een storing is
opgetreden in het ABL-systeem (Active Bending Lights).
Uitlaatgasreinigingssysteem
Bij een storing in het uitlaatgasreinigingssysteem kan na een motorstart het symbool
gaan branden. Rijd voor een controle naar
een werkplaats. Volvo adviseert dat u daarvoor een erkende Volvo-werkplaats bezoekt.
Storing in ABS
Als het symbool brandt, is het systeem
defect. Het normale remsysteem van de auto
werkt dan nog wel, zij het zonder ABS-regeling.
1. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot
stilstand en zet de motor af.
Het vermogen is afhankelijk van het motortoerental.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
65
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
2. Start de motor opnieuw.
3. Als het symbool blijft branden, rijd dan
naar een werkplaats om het ABS te laten
controleren. Volvo adviseert dat u daarvoor een erkende Volvo-werkplaats
bezoekt.
Mistachterlicht aan
03
Het symbool brandt, wanneer het mistachterlicht is ingeschakeld.
Stabiliteitssysteem
Het knipperende symbool geeft aan dat het
stabiliteitssysteem werkt. Als het symbool
continu brandt is er sprake van een storing in
het systeem.
Stabiliteitsregeling, Sport-stand
De Sport-stand maakt een actievere rijervaring mogelijk. Het systeem registreert dan of
de gaspedaal- en stuurwielbediening alsook
het bochtenwerk aan te merken zijn als actiever dan normaal, waarna het systeem een
gecontroleerde vorm van slippen in de achtertrein toelaat, voordat het ingrijpt en de auto
stabiliseert.
Voorgloeifunctie motor (diesel)
Het symbool gaat branden wanneer de motor
wordt voorverwarmd. Voorverwarming vindt
meestal plaats bij lage temperaturen.
Laag peil in brandstoftank
•
•
Informatie, lees displaymelding
•
Instrumentenpaneel, analoog - overzicht
(p. 60)
•
Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht
(p. 61)
Bij een afwijking in een van de autosystemen
gaat het informatiesymbool branden en verschijnt er een melding op het display. U verwijdert de melding met behulp van de knop
OK, zie Menufuncties - instrumentenpaneel
(p. 103). Dit gebeurt automatisch als u enige
tijd niets doet (hoe lang hangt van de
bewuste functie af). Het informatiesymbool
kan ook gaan branden in combinatie met
andere symbolen.
N.B.
Als de servicemelding verschijnt kunt u het
symbool en de melding met behulp van de
OK-knop doven. Na een tijdje doven ze
ook automatisch.
Groot licht aan
Het symbool brandt, wanneer u het groot licht
voert of grootlichtsignalen geeft.
Richtingaanwijzers links/rechts
Beide richtingaanwijzersymbolen knipperen
bij gebruik van de alarmlichten.
Start/Stop
Het lampje brandt als de motor automatisch
is afgezet.
66
Gerelateerde informatie
Wanneer het symbool gaat branden is het
brandstofpeil te laag. Tank dan zo spoedig
mogelijk.
Instrumentenpaneel (p. 60)
Instrumentenpaneel - betekenis waarschuwingssymbolen (p. 67)
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Instrumentenpaneel - betekenis
waarschuwingssymbolen
De waarschuwingssymbolen attenderen u
erop dat de bijbehorende belangrijke functies/
systemen ingeschakeld zijn of dat er ernstige
storingen of gebreken zijn opgetreden.
Waarschuwingssymbolen
Symbool
Betekenis
Lage
oliedrukA
Parkeerrem ingeschakeld,
digitaal instrument
Parkeerrem ingeschakeld,
analoog instrument
Airbags (SRS)
Gordelwaarschuwing
Dynamo laadt niet bij
Storing in remsysteem
Waarschuwing
A
Bij bepaalde motortypes is het lampje voor een lage oliedruk niet in gebruik. Er verschijnt in plaats daarvan een displaymelding, zie Motorolie - controleren en bijvullen (p.
346).
Lage oliedruk
Als het lampje tijdens het rijden oplicht, is de
druk van de motorolie te laag. Zet de motor
onmiddellijk af en controleer het motoroliepeil. Vul zo nodig olie bij. Als het lampje
oplicht terwijl het oliepeil in orde is, moet u
contact opnemen met een werkplaats. Volvo
adviseert dat u daarvoor een erkende Volvowerkplaats bezoekt.
Parkeerrem ingeschakeld
Het symbool brandt continu, wanneer u de
parkeerrem hebt ingeschakeld. Het symbool
gaat branden bij inschakeling. Voor meer
informatie, zie Parkeerrem (p. 298).
Airbags (SRS)
Als het symbool tijdens het rijden oplicht of
blijft branden, is er een storing geregistreerd
in de gordelsluiting of in het SRS-, SIPS- of
IC-systeem. Rijd de auto zo spoedig mogelijk
naar een werkplaats om het systeem te laten
controleren. Volvo adviseert dat u daarvoor
een erkende Volvo-werkplaats bezoekt.
Gordelwaarschuwing
Het lampje brandt als u of de voorpassagier
geen veiligheidsgordel draagt of als iemand
op de achterbank de gordel heeft losgenomen.
Dynamo laadt niet bij
adviseert dat u daarvoor een erkende Volvowerkplaats bezoekt.
Storing in remsysteem
Als het symbool oplicht, is het remvloeistofpeil mogelijk te laag. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en controleer het
peil in het remvloeistofreservoir, zie Rem- en
koppelingsvloeistof - peil (p. 350).
Als de waarschuwingssymbolen voor het
remsysteem en ABS tegelijkertijd branden,
kan er een storing in de remkrachtverdeling
zijn opgetreden.
03
1. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot
stilstand en zet de motor af.
2. Start de motor opnieuw.
•
Rijd verder als beide symbolen uitgaan.
•
Als de symbolen echter blijven branden, moet u het peil in het remvloeistofreservoir controleren, zie Rem- en
koppelingsvloeistof - peil (p. 350). Als
de lampjes blijven branden ondanks
dat het peil van de remvloeistof in orde
is, moet u de auto uiterst voorzichtig
naar een werkplaats rijden om het remsysteem te laten controleren. Volvo
adviseert dat u daarvoor een erkende
Volvo-werkplaats bezoekt.
Het symbool gaat tijdens het rijden branden,
als er sprake is van een storing in het elektrische systeem. Bezoek een werkplaats. Volvo
}}
67
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
WAARSCHUWING
Als de remvloeistof onder het MIN-niveau
in het remvloeistofreservoir ligt, mag u pas
verder rijden als de remvloeistof is bijgevuld.
Het remvloeistofverlies moet door een
werkplaats worden gecontroleerd. Volvo
adviseert u daarvoor contact op te nemen
met een erkende Volvo-werkplaats.
03
WAARSCHUWING
Als de rem- en ABS-symbolen tegelijkertijd
branden, bestaat de kans dat de achtertrein bij krachtig afremmen slipt.
Waarschuwing
Het rode waarschuwingssymbool gaat branden, wanneer er een storing is geregistreerd
die van invloed kan zijn op de veiligheid en/of
de rijeigenschappen van de auto. Er verschijnt tegelijkertijd een verklarende melding
op het informatiedisplay. Het symbool blijft
branden totdat de storing is verholpen, maar
de melding kunt u verwijderen met de knop
OK, zie Menufuncties - instrumentenpaneel
(p. 103). Het waarschuwingssymbool kan
ook gaan branden in combinatie met andere
symbolen.
12
68
Alleen auto’s met alarm*.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Actie:
1. Stop zo spoedig mogelijk. Rijd niet verder
met de auto.
2. Lees de informatie op het informatiedisplay. Voer de handeling uit die de melding
op het display u voorschrijft. Wis de melding met de knop OK.
Waarschuwing, portieren niet gesloten
Als een van de portieren niet goed dichtstaat,
gaat het informatie- of waarschuwingssymbool branden en verschijnt er een verklarende
afbeelding op het informatiedisplay. Breng de
auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en sluit
het portier dat open is.
Als de auto met een snelheid van
maximaal 7 km/h rijdt, gaat het informatiesymbool branden.
Als de auto met een snelheid van
maximaal 7 km/h rijdt, gaat het waarschuwingssymbool branden.
Als de motorkap12 niet goed dichtstaat, gaat
het waarschuwingssymbool branden en verschijnt er een verklarende afbeelding op het
informatiedisplay. Breng de auto zo spoedig
mogelijk tot stilstand en sluit de motorkap.
Als de achterklep niet goed dichtstaat, gaat
het informatiesymbool branden en verschijnt
er een verklarende afbeelding op het informatiedisplay. Breng de auto zo spoedig mogelijk
tot stilstand en sluit de achterklep.
Gerelateerde informatie
•
•
Instrumentenpaneel (p. 60)
Instrumentenpaneel - betekenis controlesymbolen (p. 65)
•
Instrumentenpaneel, analoog - overzicht
(p. 60)
•
Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht
(p. 61)
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Buitentemperatuurmeter
Dagtellers
Klok
Het buitentemperatuurmeterdisplay is zichtbaar op het instrumentenpaneel.
Het dagtellerdisplay is zichtbaar op het instrumentenpaneel.
Het klokdisplay is zichtbaar op het instrumentenpaneel.
03
Display voor buitentemperatuurmeter,
digitaal instrumentenpaneel
Display voor buitentemperatuurmeter,
analoog instrumentenpaneel
Geeft de buitentemperatuur aan. Wanneer de
temperatuur in het interval van –5 °C tot +2
°C ligt, verschijnt er een sneeuwvlokje op het
display. Het lampje wijst op het gevaar voor
gladheid. Wanneer de auto stilstaat of geparkeerd gestaan heeft, is het mogelijk dat de
buitentemperatuurmeter een te hoge waarde
aangeeft.
Gerelateerde informatie
•
13
Instrumentenpaneel (p. 60)
Dagteller, digitaal instrument.
Display voor dagtellers13
De beide dagtellers T1 en T2 worden gebruikt
voor het meten van kortere ritten. De afgelegde afstand staat op het display.
Draai aan het duimwiel van de linker stuurhendel om de gewenste meter te tonen.
Bij lang indrukken (totdat er een wijziging
plaatsvindt) van de knop RESET op de linker
stuurhendel wordt de getoonde dagteller
gereset. Voor meer informatie, zie Boordcomputer - functies (p. 125).
Gerelateerde informatie
•
Instrumentenpaneel (p. 60)
Hoe het display eruitziet kan verschillen afhankelijk van de instrumentenpaneelvariant.
69
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
1. Ga naar Instellingen
Tijd.
Systeemopties
2. De cursor gaat op het eerste vakje voor
de uuraanduiding staan: Druk op OK/
MENU – het vakje wordt geactiveerd.
3. Draai aan TUNE om de juiste uuraanduiding in te stellen en druk op OK/MENU –
het vakje wordt gedeactiveerd.
03
Klok, digitaal instrumentenpaneel.
Display voor de tijdaanduiding14
Klok instellen
De klok is in te stellen in het menusysteem
MY CAR. Voor meer informatie, zie MY CAR menu-opties (p. 108).
Volvo Sensus
Volvo Sensus is te beschouwen als besturingssysteem van uw auto, het middelpunt
van uw persoonlijke Volvo-beleving. Sensus
bundelt informatie, entertainment en autofuncties voor een probleemloos bezit.
4. Draai aan TUNE om het vakje voor de
minuutaanduiding (A) te markeren en druk
op OK/MENU – het vakje wordt geactiveerd.
5. Draai aan TUNE om de juiste minuutaanduiding in te stellen en druk op OK/
MENU – het vakje wordt gedeactiveerd.
6. Draai aan TUNE om het vakje voor OK te
markeren en druk op OK/MENU – de
instelling is gereed.
Met de menu-optie Instellingen
Systeemopties Tijdopmaak kiest u uit
een 24- of 12-uursaanduiding (AM/PM).
Gerelateerde informatie
•
Instrumentenpaneel (p. 60)
Volvo Sensus presenteert tal van functies van
uiteenlopende autosystemen op overzichtelijke wijze op het beeldscherm. Volvo Sensus
biedt de mogelijkheid tot personalisering van
de auto met een eenvoudig te hanteren
bedieningsinterface. Er zijn instellingen te verrichten onder Instellingen van de auto, Audio
en media, Klimaat e.d.
Met de knoppen en bedieningselementen op
de middenconsole en het rechter toetsenblok* op het stuurwiel kunt u functies activeren en deactiveren en tal van instellingen verrichten.
Bij het bedienen van MY CAR worden alle
instellingen getoond die verband houden met
14
70
Bij een analoog instrumentenpaneel wordt de tijd midden op het instrument weergegeven.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
het besturen en bedienen van de auto, zoals
City Safety, sloten en alarm, instellen van de
klok e.d.
Bij het indrukken van RADIO, MEDIA, TEL*,
NAV* en CAM* kunt u andere bronnen, systemen en functies activeren, zoals AM, FM1,
CD, DVD*, TV*, Bluetooth*, navigatie* en Park
Assist-camera*.
Klimaatregeling (p. 128).
Park Assist-camera (p. 257) - CAM*.
Gerelateerde informatie
•
Licenties (p. 485)
Sleutelstanden
Met de transpondersleutel is het elektrische
systeem van de auto in verschillende standen
te zetten om het gebruik van verschillende
functies/systemen mogelijk te maken, zie
Sleutelstanden - functies in verschillende
standen (p. 72).
03
Voor meer informatie over alle functies/systemen, zie het desbetreffende hoofdstuk in de
gebruikershandleiding.
Overzicht
Contactslot met transpondersleutel uitgetrokken/
ingeduwd.
N.B.
Bedieningspaneel op middenconsole.
Navigatie* - NAV, zie het aparte supplement.
Audio en media (p. 383) (RADIO, MEDIA,
TEL*).
Bij auto’s met Keyless*-functie hoeft de
sleutel niet in het contactslot te worden
gestoken, maar kan deze bijvoorbeeld in
een binnenzak worden bewaard. Voor
meer informatie over de functies van het
Keyless-systeem, zie Keyless* (p. 172).
Auto-instellingen (p. 110) - MY CAR.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
71
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
Sleutel aanbrengen
1. Houd de transpondersleutel beet aan de
kant van het afneembare sleutelblad en
plaats de sleutel in het contactslot.
2. Duw de sleutel vervolgens tot aan de
aanslag in het slot.
BELANGRIJK
03
Vreemde voorwerpen in het contactslot
kunnen tot functiestoringen leiden of
schade aan het slot toebrengen.
De transpondersleutel niet verkeerd om
insteken – pak de sleutel beet aan het uiteinde met het afneembare sleutelblad, zie
Afneembaar sleutelblad - verwijderen/
aanbrengen (p. 170).
Sleutel verwijderen
Pak de transpondersleutel beet en trek deze
uit het contactslot.
72
Sleutelstanden - functies in
verschillende standen
Om het gebruik mogelijk te maken van een
beperkt aantal functies met uitgeschakelde
motor, kan het elektrische systeem van de
auto met de transpondersleutel in 3 verschillende (sleutel-)standen worden gezet: 0, I en
II. In deze gebruikershandleiding worden deze
standen in algemene zin aangeduid als ‘sleutelstanden’.
De volgende tabel geeft aan welke functies
beschikbaar zijn in de verschillende sleutelstanden/niveaus.
Niveau
0
Functies
Kilometerteller, klok en temperatuurmeter worden verlicht.
Elektrisch bedienbare stoelen
kunnen worden versteld.
Het audiosysteem kan gedurende beperkte tijd worden
gebruikt, zie Audio en media (p.
383).
I
Zonnescherm voor glazen dak,
elektrisch bedienbare ruiten,
12V-aansluiting in passagiersruimte, RTI, telefoon, interieurventilator en ruitenwisser kunnen worden gebruikt.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Niveau
II
N.B.
Functies
Om niveau I of II te realiseren zonder dat
de motor wordt gestart, trapt u niet het
rem-/koppelingspedaal in als u deze sleutelstanden wilt selecteren.
De koplampen worden ontstoken.
Waarschuwings-/controlelampjes branden 5 seconden lang.
Diverse andere systemen worden geactiveerd. Elektrische
verwarming in zittingen en achterruit kan echter pas na starten
van de motor worden geactiveerd.
Deze sleutelstand verbruikt
veel stroom vanuit de startaccu en moet daarom worden vermeden!
Sleutelstand/stand kiezen
•
Sleutelstand 0 - Ontgrendel de auto - het
elektrische systeem van de auto staat nu
in stand 0.
•
Sleutelstand I - Met de transpondersleutel volledig in het contactslot15 geduwd druk kort op START/STOP ENGINE.
•
Sleutelstand II - Met de transpondersleutel volledig in het contactslot15 geduwd druk lang16 op START/STOP ENGINE.
•
Terug naar sleutelstand 0 - Om terug te
gaan naar sleutelstand 0 vanuit stand II
en I - druk kort op START/STOP
ENGINE.
03
Audiosysteem
Zie voor informatie over de functie van het
audiosysteem bij een uitgenomen transpondersleutel, zie Audio en media (p. 383).
Motor starten en afzetten
Zie voor informatie over het starten/afzetten
van de motor, zie Motor start (p. 276).
Slepen
Zie voor belangrijke informatie over de transpondersleutel bij het slepen, zie Slepen (p.
316).
Gerelateerde informatie
•
15
16
17
Voorstoelen
Voor optimaal zitcomfort hebben de voorstoelen verschillende instelmogelijkheden.
Lendensteun* wijzigen, aan de knop17
draaien.
Vooruit/achteruit, de hendel omhoogtillen
om de juiste afstand tot het stuurwiel en
de pedalen in te stellen. Controleer of de
stoel na het afstellen in de nieuwe stand
geblokkeerd staat.
Voorkant zitting hoger/lager* zetten,
omhoog-/omlaagpompen.
Hellingshoek rugleuning wijzigen, aan de
knop draaien.
Sleutelstanden (p. 71)
Niet nodig voor auto’s met Keyless*-systeem.
Ca. 2 seconden.
Geldt ook voor een elektrisch bedienbare stoel.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
73
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
Stoel* hoger/lager zetten, omhoog-/
omlaagpompen.
Bedieningspaneel voor elektrisch bedienbare stoel*.
WAARSCHUWING
03
De stand van de bestuurdersstoel instellen
voordat u gaat rijden en nooit tijdens het
rijden. Controleer of de stoel vergrendeld
staat om letsel te voorkomen bij hard
afremmen of een aanrijding.
Om de hoogte af te stellen, moet u de knop
(zie afbeelding) indrukken terwijl u de hoofdsteun omhoog of omlaag afstelt.
Houd voor het rechtop zetten de omgekeerde
volgorde aan.
WAARSCHUWING
De hoofdsteun kan in drie verschillende standen worden afgesteld.
Maak geen gebruik van de zitplaats achter
de voorstoel of de middelste zitplaats achterin, wanneer u de rugleuning van de
voorstoel hebt neergeklapt.
Rugleuning voorstoel omklappen*
WAARSCHUWING
Pak het ruggedeelte nadat u het rechtop
gezet hebt beet en controleer of het stevig
vergrendeld staat om letsel te voorkomen
bij hard afremmen of een aanrijding.
Hoofdsteun op voorstoelen afstellen
Gerelateerde informatie
•
•
De rugleuning van de passagiersstoel kan
worden omgeklapt om ruimte te maken voor
lange lading.
Zet de stoel zo ver mogelijk naar achteren
en omlaag.
De hoogte van de hoofdsteun op de voorstoelen
kan worden afgesteld.
Stem de hoofdsteun af op de lengte van de
persoon, zodat deze zo mogelijk het hele
achterhoofd bedekt.
74
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Zet de rugleuning rechtop.
Trek de pallen aan de achterzijde van de
rugleuning omhoog tijdens het omklappen.
4. Duw de stoel zo ver naar voren dat de
hoofdsteun onder het dashboardkastje
‘vast’ komt te zitten.
Voorstoelen - elektrisch bediend (p. 75)
Achterbank (p. 77)
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Voorstoelen - elektrisch bediend
Voor optimaal zitcomfort hebben de voorstoelen verschillende instelmogelijkheden. De
elektrisch bediende stoel kan naar voren/
achteren en omhoog/omlaag worden gezet.
De voorkant van de zitting kan worden verhoogd/verlaagd. De hellingshoek van de rugleuning kan worden gewijzigd.
Elektrische stoelbediening*
zetten en enige tijd wachten voordat u de
stoel opnieuw probeert te verstellen.
Instelling vastleggen
Geheugenknop
U kunt slechts één verstelfunctie van de stoel
tegelijk activeren (vooruit/achteruit/omhoog/
omlaag).
Geheugenknop
Voorbereidingen
Knop voor vastlegging van de instelling
Tot enige tijd nadat u het portier met de
transpondersleutel hebt ontgrendeld blijft het
mogelijk de stoel te verstellen, ook al steekt
er geen sleutel in het contactslot. U verstelt
de stoel normaal gesproken in sleutelstand I.
Wanneer de motor loopt, is dat altijd mogelijk.
Stoel met geheugenfunctie*
Geheugenknop
1. Stel de stoel en de buitenspiegels in.
2. Houd de knop voor vastlegging van de
instelling ingedrukt, terwijl u op de geheugenknop van uw keuze drukt.
03
Stoel in vastgelegde stand zetten
Houd een van de geheugenknoppen ingedrukt, totdat de stoel en de buitenspiegels tot
stilstand komen. Bij het loslaten van de knop
zal de instelling van de stoel onmiddellijk worden beëindigd.
Noodstop
Als de stoel per ongeluk in beweging komt,
kunt u op een van de instellingsknoppen of
geheugenknoppen van de stoel drukken om
de stoel tot stilstand te brengen.
Voorkant zitting omhoog/omlaag
Stoel vooruit/achteruit en omhoog/
omlaag
WAARSCHUWING
Hellingshoek rugleuning
De elektrisch bedienbare stoelen zijn voorzien
van een beveiliging tegen overbelasting, die
geactiveerd wordt als een van de stoelen
door een obstakel wordt geblokkeerd. Als dit
het geval is, moet u de sleutel in stand I of 0
De geheugenfunctie slaat de instellingen op
voor de stoel en de buitenspiegels.
Beknellingsgevaar! Zorg ervoor dat kinderen niet met de bediening spelen. Controleer of er bij het instellen geen voorwerpen
voor, achter of onder de stoel liggen. Controleer of geen van de passagiers op de
achterbank bekneld kan raken.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
75
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
Elektrische stoelverwarming voor/
achterbankverwarming
Voor elektrische stoelverwarming voor/
achterbankverwarming, zie Elektrische stoelverwarming voor* (p. 136) en Elektrische achterbankverwarming* (p. 136).
Geheugen van transpondersleutel
In alle transpondersleutels kunnen de instellingen voor de bestuurdersstoel en de buitenspiegels18 voor verschillende bestuurders
worden opgeslagen.
Gerelateerde informatie
03
•
•
Voorstoelen (p. 73)
Achterbank (p. 77)
tier. De bestuurdersstoel neemt automatisch de positie in die in het geheugen
van de transpondersleutel is opgeslagen
(als de stand van de stoel na vergrendeling van de auto werd gewijzigd).
U kunt het sleutelgeheugen activeren/deactiveren in het menusysteem MY CAR onder
Instellingen Auto-instellingen
Sleutelgeheugen. Voor een beschrijving van
het menusysteem, zie MY CAR - menu-opties
(p. 108).
Noodstop
Als de stoel per ongeluk in beweging komt,
kunt u op een van de instellingsknoppen of
geheugenknoppen van de stoel drukken om
de stoel tot stilstand te brengen.
Doe het volgende om de instellingen op te
slaan en gebruik te maken van het sleutelgeheugen*:
•
•
•
18
19
76
Stel de stoel naar wens in.
Om de stoel dan opnieuw in de in het sleutelgeheugen vastgelegde stand te zetten dient u
de ontgrendelingsknop op de transpondersleutel te bedienen. Het bestuurdersportier
dient daarbij open te staan.
Vergrendel de auto zoals gebruikelijk door
de vergrendelknop op de transpondersleutel in te drukken. Daarmee ligt de
stoelpositie opgeslagen in het geheugen
van de transpondersleutel19.
Ontgrendel de auto (door op de ontgrendelknop op dezelfde transpondersleutel
te drukken) en open het bestuurderspor-
Alleen als de auto is uitgerust met een elektrisch bedienbare bestuurdersstoel met geheugen en elektrisch inklapbare buitenspiegels.
Deze instelling is niet van invloed op de instellingen die zijn opgeslagen met de geheugenfunctie voor de elektrisch bedienbare stoel.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
WAARSCHUWING
Beknellingsgevaar! Zorg ervoor dat kinderen niet met de bediening spelen. Controleer of er bij het instellen geen voorwerpen
voor, achter of onder de stoel liggen. Controleer of geen van de passagiers op de
achterbank bekneld kan raken.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Gerelateerde informatie
•
Transpondersleutel - functie (p. 166)
Achterbank
De rugleuning en de buitenste hoofdsteunen
van de achterbank kunnen worden neergeklapt. De hoofdsteun van de middelste zitplaats kan aan de lengte van de passagier
worden aangepast.
Middelste hoofdsteun achterbank
N.B.
Ga niet op de middelste zitplaats van de
achterbank zitten, wanneer de hoofdsteun
volledig neergeklapt is.
Buitenste hoofdsteunen achterbank
handmatig omklappen
03
Stem de hoofdsteun af op de lengte van de
passagier zodat deze zo mogelijk het hele
achterhoofd bedekt. Trek de hoofdsteun zo
ver omhoog als nodig is.
Als u de hoofdsteun lager wilt zetten, moet u
de knop (zie afbeelding) indrukken terwijl u de
hoofdsteun voorzichtig omlaagduwt.
De hoofdsteun kan in vijf verschillende standen worden afgesteld.
Trek aan de pal bij de hoofdsteun om de
hoofdsteun om te klappen.
De hoofdsteun wordt met de hand teruggezet.
WAARSCHUWING
De hoofdsteunen moeten na het rechtop
zetten in de vergrendelde stand staan.
77
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
Ruggedeelte achterbank omklappen
N.B.
Duw bij het neerklappen van de ruggedeelten de hoofdsteunen naar voren om te
voorkomen dat ze in contact komen met
het zitgedeelte.
BELANGRIJK
Als de rugleuning moet worden neergeklapt, mogen de bekerhouders van de
achterbank niet open zijn en mogen er
geen voorwerpen op de achterbank liggen.
De veiligheidsgordels mogen evenmin zijn
ingestoken. Schade aan de bekleding van
de achterbank is anders namelijk niet uitgesloten.
03
Houd voor het rechtop zetten de omgekeerde
volgorde aan.
N.B.
Als de rugleuning is teruggeklapt, mag de
rode indicatie niet langer zichtbaar zijn. Als
deze toch zichtbaar is, is de rugleuning
niet vergrendeld.
N.B.
U moet mogelijk de voorstoelen naar voren
zetten en/of de rugleuningen rechtop zetten om de ruggedeelten van de achterbank
volledig naar voren te kunnen klappen.
78
•
Beide delen kunnen apart worden neergeklapt.
•
Voor het omklappen van de complete
rugleuning dienen de verschillende
gedeelten ieder apart omgeklapt te worden.
WAARSCHUWING
Bij het omklappen van het rechter ruggedeelte moet u de hoofdsteun voor de
middelste zitplaats vrijgeven en aanpassen, zie het eerdere gedeelte ‘Middelste
hoofdsteun achterbank’.
De buitenste hoofdsteunen worden automatisch neergeklapt wanneer u de ruggedeelten omklapt. Trek de blokkeerhandgreep
van het ruggedeelte omhoog en
klap het ruggedeelte om. Een rode markering bij de pal
geeft aan dat het ruggedeelte niet langer geblokkeerd staat.
Controleer of de rugleuningen en hoofdsteunen van de achterbank na het rechtop
zetten goed vergrendeld zijn.
Gerelateerde informatie
•
•
Voorstoelen (p. 73)
Voorstoelen - elektrisch bediend (p. 75)
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Stuurwiel
Het stuurwiel heeft meerdere verstellingsmogelijkheden en bedieningselementen voor de
claxon, cruisecontrol en het menu-, het audioen het telefoonsysteem.
Instellen
3. Trek de hendel naar achteren om het
stuurwiel in de nieuwe stand te blokkeren.
Als dit moeite kost, kunt u lichtjes op het
stuurwiel drukken en tegelijkertijd de hendel terugduwen.
Audiosysteem en media - systeem bedienen (p. 384)
Bluetooth®*-handsfreesysteem - overzicht (p. 417)
Claxon
WAARSCHUWING
Stel het stuurwiel vóór vertrek in en zet
deze vast.
03
Bij auto’s met snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging* is de vereiste stuurkracht in te
stellen, zie Snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging (p. 270).
Toetsensets*
Claxon.
Druk op het midden van het stuurwiel om te
claxonneren.
Stuurwiel afstellen.
Ontgrendelingshendel, stuurwielafstelling
Mogelijke stuurwielstanden
U kunt het stuurwiel zowel in de hoogte als in
de diepte verstellen:
1. Beweeg de hendel naar voren om het
stuurwiel te ontkoppelen
2. Zet het stuurwiel vervolgens in de gewenste stand.
Toetsensets op stuurwiel.
Cruisecontrol* (p. 200)
Adaptieve cruisecontrol (ACC)* (p. 205)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
79
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Bedieningspaneel verlichting
Met het bedieningspaneel voor de verlichting
kunt u de buitenverlichting inschakelen en
aanpassen. U gebruikt het ook om de displayen instrumentenverlichting alsook de sfeerverlichting aan te passen.
Overzicht bedieningspaneel verlichting
03
Standen draaiknop
Stand
Betekenis
DagrijlichtA wanneer het elektrische systeem van de auto in
sleutelstand II staat of als de
motor warm is.
Grootlichtsignalering mogelijk.
Dagrijlicht en stadslichten/
parkeerlichten/sidemarkers,
wanneer het elektrische systeem
van de auto in sleutelstand II
staat of als de motor warm is.
Automatisch overschakelen naar
stadslichten/parkeerlichten/sidemarkers bij het parkeren van de
auto.
Overzicht bedieningspaneel verlichting.
Duimwiel voor het afstellen van de display- en instrumentenpaneelverlichting
alsook de sfeerverlichting*
Knop voor mistachterlicht
Draaiknop voor koplampen en stadslichten vóór/achterlichten
Duimwiel20 voor koplamphoogteregeling
20
80
Niet aanwezig bij auto’s met actieve xenon-koplampen*.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Grootlichtsignalering mogelijk.
Stand
Betekenis
Dagrijlicht en stadslichten/
parkeerlichten/sidemarkers
overdag, wanneer het elektrische systeem van de auto in
sleutelstand II staat of als de
motor warm is.
Automatisch overschakelen op
dimlicht en stadslichten/
parkeerlichten/sidemarkers in
slechte lichtomstandigheden of
als de ruitenwissers of het mistachterlicht zijn geactiveerd.
De functie Tunneldetectie (p.
83)* is geactiveerd.
De functie Actief groot licht (p.
84)* is te gebruiken.
U kunt het groot licht inschakelen, wanneer u het dimlicht
voert.
Grootlichtsignalering mogelijk.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Stand
Betekenis
Dimlicht en stadslichten/
parkeerlichten/sidemarkers.
Groot licht kan worden geactiveerd.
1. Laat de motor draaien of zet het elektrische systeem van de auto in de sleutelstand I.
Stadslichten vóór en achterlichten
U schakelt de stadslichten vóór en achterlichten in met de verlichtingsdraaiknop.
2. Draai het duimwiel omhoog of omlaag om
de koplampen hoger of lager af te stellen.
Grootlichtsignalering mogelijk.
A
03
Aangebracht in of onder de voorbumper.
te gebruiken
Volvo adviseert u de stand
zolang de verkeerssituatie of de weersgesteldheid niet ongunstig is voor Actief groot
licht *.
Instrumentenverlichting
Afhankelijk van de sleutelstand worden
bepaalde displays en instrumenten verlicht,
zie Sleutelstanden - functies in verschillende
standen (p. 72).
Verlichtingsdraaiknop in stand voor stadslichten
vóór en achterlichten.
Duimwielstanden bij uiteenlopende belading.
Alleen bestuurder
De displayverlichting wordt bij donker automatisch gedimd. De gevoeligheidsgraad van
deze functie is in te stellen met het duimwiel.
Bestuurder en voorpassagier
Ook de sterkte waarmee het instrumentenpaneel verlicht wordt stelt u in met het duimwiel.
Inzittenden op alle zitplaatsen en maximale belading in bagageruimte
Koplamphoogteregeling
Door de belading van de auto wordt de
hoogte van de koplampen gewijzigd, zodat u
tegemoetkomend verkeer mogelijk verblindt.
U kunt dat voorkomen door de koplamphoogte bij te stellen. Stel de koplampen lager
af als de auto zwaar beladen is.
Inzittenden op alle zitplaatsen
Bestuurder plus maximale belading in
bagageruimte
Auto’s met actieve xenon-koplampen* zijn
uitgerust met automatische koplamphoogteregeling, zodat het duimwiel ontbreekt.
(ook de
Zet de draaiknop in de stand
kentekenverlichting wordt ingeschakeld).
Als het elektrische systeem van de auto in
sleutelstand II staat of als de motor loopt,
gaat ook het dagrijlicht branden.
Wanneer het buiten donker is en de achterklep wordt geopend, gaan de achterlichten/
parkeerlichten achter branden om achteropkomend verkeer te waarschuwen. Dit gebeurt
altijd, ongeacht de stand van de draaiknop of
de sleutelstand van het elektrische systeem
van de auto.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
81
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
Gerelateerde informatie
•
•
Bedieningspaneel verlichting (p. 80)
Lamp vervangen - positie lampen voorzijde (p. 352)
Dagrijlicht
WAARSCHUWING
Dit is een stroombesparingsfunctie die niet
in alle gevallen kan bepalen wanneer de
omgevingsverlichting voldoende of onvoldoende is bij mist en regen bijvoorbeeld.
Dagrijlicht DRL
Als bestuurder bent u verplicht om de verlichting van de auto altijd af te stemmen op
de heersende omstandigheden en de geldende verkeerswetgeving.
03
Gerelateerde informatie
•
Verlichtingsdraaiknop in stand AUTO.
Met de verlichtingsdraaiknop in stand
wordt het dagrijlicht (Daytime Running Lights
- DRL) automatisch ingeschakeld bij autoritten overdag. Een lichtsensor boven op het
dashboard schakelt over van dagrijlicht op
dimlicht, wanneer het gaat schemeren of bij
donker weer. Overschakelen op dimlicht gaat
ook automatisch als de ruitenwissers of het
mistachterlicht zijn geactiveerd.
82
Lamp vervangen - positie lampen voorzijde (p. 352)
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Tunneldetectie*
Groot licht/dimlicht
De functie Tunneldetectie is aanwezig op een
auto met een regensensor*. Wanneer u een
tunnel binnenrijdt, registreert de sensor dit en
wordt overgeschakeld van dagrijlicht naar
dimlicht. Ca. 20 seconden na het verlaten van
de tunnel, wordt weer overgeschakeld op
dagrijlicht. Als u na afloop van deze tijd een
andere tunnel inrijdt, blijft het dimlicht branden. Op deze manier wordt voorkomen dat
de lichtinstelling van de auto te vaak wordt
gewijzigd.
Let erop dat de tunneldetectie alleen werkt,
als de verlichtingsdraaiknop in stand
staat.
Gerelateerde informatie
•
•
Groot licht/dimlicht (p. 83)
Bedieningspaneel verlichting (p. 80)
Groot licht
Stuurhendel en verlichtingsdraaiknop.
Stand voor grootlichtsignalen
Stand voor groot licht
Dimlicht
Met de draaiknop in de stand
wordt het
dimlicht automatisch geactiveerd als het gaat
schemeren of bij donker weer. Het dimlicht
wordt ook automatisch geactiveerd als de ruitenwissers of het mistachterlicht zijn geactiveerd.
Met de draaiknop in de stand
brandt
altijd het dimlicht, wanneer de motor loopt of
als de sleutelstand II actief is.
21
Grootlichtsignalen
Trek de stuurhendel voorzichtig tot in de
stand voor grootlichtsignalen naar het stuurwiel toe. Het groot licht brandt totdat u de
hendel loslaat.
De tunneldetectie zorgt voor overschakeling
van dagrijverlichting op dimlicht bij het binnenrijden van een tunnel. Ca. 20 seconden na
het verlaten van de tunnel, wordt weer overgeschakeld op dagrijlicht.
Het groot licht is te ontsteken met de draai21 of
knop in stand
. Schakel het
groot licht in of uit door de stuurhendel tot in
de eindstand naar het stuurwiel te halen en
vervolgens los te laten. Het groot licht is
eveneens uit te schakelen door de stuurhendel lichtjes in de richting van het stuurwiel te
duwen.
03
Wanneer het groot licht ontstoken is, brandt
op het instrumentenpahet symbool
neel.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Actieve xenon-koplampen* (p. 85)
Actief groot licht* (p. 84)
Lamp vervangen - positie lampen voorzijde (p. 352)
•
•
Bedieningspaneel verlichting (p. 80)
•
Tunneldetectie* (p. 83)
Koplampen - lichtbundel aanpassen (p.
92)
Wanneer het dimlicht brandt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
83
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Actief groot licht*
Wanneer AHB geactiveerd is, brandt het symbool
op het informatiedisplay van het
instrumentenpaneel wit.
Actief groot licht ontdekt de koplampen van
een tegenligger of de achterlichten van een
voorligger en schakelt dan over van groot licht
naar dimlicht. De verlichting gaat terug naar
groot licht als het invallende licht ophoudt.
Als het groot licht ontstoken is, brandt het
symbool blauw.
Handmatige bediening
Actief groot licht - AHB
03
Actief groot licht (Active High Beam – AHB) is
een functie waarbij met een camerasensor in
de bovenrand van de voorruit de koplampen
van tegenliggers of de achterlichten van voorliggers worden geregistreerd en wordt overgeschakeld van groot licht naar dimlicht. De
functie kan ook rekening houden met de
straatverlichting.
Wanneer er geen invallend licht van voor-/
tegenliggers meer wordt waargenomen,
schakelt de verlichting enkele seconden later
weer over naar groot licht.
Activeren/deactiveren
AHB kan worden geactiveerd, wanneer de
verlichtingsdraaiknop in de stand
staat
(op voorwaarde dat het systeem niet gedeactiveerd werd in het menusysteem MY CAR),
zie MY CAR - menu-opties (p. 108).
N.B.
Stuurhendel en verlichtingsdraaiknop in stand
AUTO.
De functie kan starten bij ritten in het donker,
wanneer de auto op een snelheid van 20
km/h of hoger rijdt.
Schakel het AHB in of uit door de linker stuurhendel tot in de eindstand naar het stuurwiel
te halen en vervolgens los te laten. Na het
deactiveren van het groot licht wordt direct
overgeschakeld naar dimlicht.
Auto met analoog instrumentenpaneel
Wanneer AHB geactiveerd is, brandt het symbool
op het informatiedisplay van het
instrumentenpaneel.
Wanneer het groot licht ontstoken is, brandt
ook het symbool
op het instrumentenpaneel.
Auto met digitaal instrumentenpaneel
84
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Houd de voorruit in het gebied vóór de
camerasensor vrij van ijs, sneeuw, condens en vuil.
Plak of monteer niets op de voorruit vóór
de camerasensor, aangezien één of meer
camera's voor het systeem hierdoor slechter of niet meer werken.
Als de melding Active high beam Tijdelijk
niet beschikb. Schakel handmat. op het
informatiedisplay van het instrumentenpaneel
verschijnt, moet u handmatig overschakelen
tussen groot licht en dimlicht. De verlichtingsdraaiknop kan echter in stand
staan.
Hetzelfde geldt, als de melding
Voorruitsensoren afgedekt Zie
instructieboek en het symbool
verdooft, wanneer
schijnen. Het symbool
deze melding verschijnt.
AHB is mogelijk tijdelijk niet beschikbaar,
zoals in dichte mist of bij zware regenval.
Wanneer AHB weer beschikbaar is of als de
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
voorruitsensoren niet langer geblokkeerd zijn,
verdwijnt de melding en gaat het symbool
branden.
BELANGRIJK
Voorbeelden van situaties waarin u mogelijk moet wisselen tussen groot licht en
dimlicht:
WAARSCHUWING
•
•
•
•
•
AHB is een systeem dat u helpt om in
ongunstige omstandigheden de optimale
verlichting te kiezen.
Als bestuurder bent u echter altijd verplicht
om handmatig te wisselen tussen groot
licht en dimlicht, als dat gezien de verkeerssituatie en/of weersgesteldheid vereist is.
in zware regen of dichte mist
Actieve xenon-koplampen ABL
bij stuifsneeuw of sneeuwmodder
03
bij maanlicht
bij ritten in zwak verlichte bebouwde
gebieden
bij voorliggers met een zwakke voertuigverlichting
•
•
bij voetgangers op of naast de weg
•
als de verlichting van tegenliggers
schuilgaat achter bijvoorbeeld vangrails
•
•
bij verkeer op verbindingswegen
bij sterk reflecterende voorwerpen
zoals borden in de buurt van de weg
op het hoogste punt van heuvels en
het laagste punt van dalen
in scherpe bochten.
Zie voor meer informatie over de beperkingen
van de camerasensor, zie Collision Warning* beperkingen van de camerasensor (p. 239).
Gerelateerde informatie
•
•
Actieve xenon-koplampen zorgen voor optimale verlichting in bochten en op kruisingen
om op die manier de veiligheid te verhogen.
bij ijsregen
•
•
Actieve xenon-koplampen*
Groot licht/dimlicht (p. 83)
Bedieningspaneel verlichting (p. 80)
Lichtbundel bij gedeactiveerde (links) en geactiveerde (rechts) functie.
Als de auto is uitgerust met actieve xenonkoplampen (Active Bending Lights – ABL)
draaien de lichtbundels van de koplampen
mee om optimale verlichting te verkrijgen in
bochten en op kruisingen om op die manier
de veiligheid te verhogen.
Het systeem wordt automatisch geactiveerd
bij het starten van de motor (op voorwaarde
dat de functie niet is gedeactiveerd in het
menusysteem MY CAR, zie MY CAR - menuopties (p. 108)). Wanneer de functie een stoop
ring vertoont, brandt het symbool
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
85
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
het instrumentenpaneel en op het informatiedisplay verschijnen een verklarende tekst plus
een ander brandend symbool.
Symbool
03
Display
Betekenis
Storing
koplampsysteem
Service
vereist
Het systeem is
defect. Bezoek
een werkplaats
als de melding
niet verdwijnt.
Volvo adviseert u
daarvoor contact
op te nemen met
een erkende
Volvo-werkplaats.
•
Koplampen - lichtbundel aanpassen (p.
92)
Mistachterlicht
Bij een beperkt zicht door mist kunt u het
mistachterlicht gebruiken om achterliggers tijdig op uw aanwezigheid te attenderen.
Knop voor mistachterlicht.
De functie is uitsluitend actief bij schemer of
donker en dan alleen als de auto rijdt.
U kunt de functie22 (de)activeren in het menusysteem MY CAR onder Instellingen
Auto-instellingen Lichtinstellingen
Act. bochtverlichting. Voor een beschrijving
van het menusysteem, zie MY CAR - menuopties (p. 108).
Gerelateerde informatie
•
•
•
22
86
Groot licht/dimlicht (p. 83)
Actief groot licht* (p. 84)
Bedieningspaneel verlichting (p. 80)
Geactiveerd bij levering vanuit de fabriek.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Het mistachterlicht is alleen in te schakelen,
wanneer de verlichtingsdraaiknop in stand
of
staat en het contactslot in de
stand II of wanneer de motor draait.
Druk op de knop voor in-/uitschakeling. Het
controlesymbool voor het mistachterlicht
op het instrumentenpaneel en het
lampje in de knop branden, wanneer het mistachterlicht ingeschakeld is.
Wanneer u de motor afzet of de verlichtingsdraaiknop naar stand
of
draait,
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
wordt het mistachterlicht automatisch uitgeschakeld.
N.B.
De voorschriften voor het gebruik van een
mistachterlicht verschillen per land.
Gerelateerde informatie
•
•
Bedieningspaneel verlichting (p. 80)
Lamp vervangen - positie lampen achterzijde (p. 356)
Remlichten
Alarmlichten
De remlichten gaan automatisch branden
wanneer u remt.
De alarmlichten waarschuwen medeweggebruikers doordat alle richtingaanwijzers gelijktijdig knipperen, wanneer deze functie actief
is.
Bij het bedienen van het rempedaal gaan de
remlichten branden. Ze gaan ook branden
wanneer een van de rij-assistentiesystemen,
Adaptieve cruisecontrol (p. 205), City Safety
(p. 224) of Collision Warning (p. 231) de auto
afremmen.
Wanneer de alarmlichten geactiveerd zijn,
knipperen beide richtingaanwijzersymbolen
op het instrumentenpaneel.
03
Voor informatie over de noodremlichten en de
automatische alarmlichten, zie Bedrijfsrem noodremlichten en automatische alarmlichten
(p. 297).
Gerelateerde informatie
•
Lamp vervangen - positie lampen achterzijde (p. 356)
Knop voor alarmlichten.
Druk op de knop om de alarmlichten te activeren. Beide richtingaanwijzersymbolen op
het instrumentenpaneel knipperen bij gebruik
van de alarmlichten.
Wanneer de auto dermate hard is afgeremd
dat de noodremlichten in werking zijn getreden, worden, zodra de snelheid van de auto
tot onder de 10 km/h is gedaald, automatisch
de alarmlichten ingeschakeld. Ook nadat de
auto tot stilstand is gekomen, blijven de
alarmlichten knipperen. Wanneer u weer weg-
87
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
rijdt, worden ze automatisch uitgeschakeld. U
kunt ook op de knop voor de alarmlichten
drukken. Voor meer informatie over de noodremlichten en de automatische alarmlichten,
zie Bedrijfsrem - noodremlichten en automatische alarmlichten (p. 297).
Richtingaanwijzer
De richtingaanwijzers van de auto zijn te
bedienen met de linker stuurhendel. De richtingaanwijzers knipperen driemaal of blijven
knipperen, afhankelijk van hoe ver u de hendel
omhoog- of omlaaghaalt.
Gerelateerde informatie
03
•
Richtingaanwijzer (p. 88)
Onafgebroken serie knippersignalen
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag
naar de tweede stand.
De hendel blijft in deze stand staan en kan
handmatig in de uitgangspositie teruggezet
worden of veert automatisch terug bij het
terugdraaien van het stuurwiel.
Richtingaanwijzersymbolen
Voor de richtingaanwijzersymbolen, zie
Instrumentenpaneel - betekenis controlesymbolen (p. 65).
Gerelateerde informatie
•
•
•
Richtingaanwijzer.
Korte serie knippersignalen
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag
naar de eerste stand en laat de hendel
vervolgens los. De richtingaanwijzers lichten driemaal op. U kunt de functie activeren/deactiveren in het menusysteem
MY CAR onder Instellingen Autoinstellingen Lichtinstellingen
Driemaal
richtingaanwijzer. Voor een beschrijving
van het menusysteem, zie MY
CAR - menu-opties (p. 108).
88
Alarmlichten (p. 87)
Lamp vervangen - positie lampen achterzijde (p. 356)
Lamp vervangen - positie lampen voorzijde (p. 352)
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Interieurverlichting
•
De interieurverlichting is te activeren/deactiveren met de knoppen van de bedieningspanelen aan het plafond voor- en achterin.
de motor is afgezet en het elektrische
systeem van de auto in sleutelstand 0
staat
•
de auto ontgrendeld is zonder dat de
motor is gestart.
Leeslampjes voorin*
De leeslampjes worden in- en uitgeschakeld
met een korte druk op de bijbehorende knop
op de plafondconsole.
De lichtsterkte wordt aangepast door de knop
ingedrukt te houden.
Leeslampjes achterin*
Vloerverlichting en
achtergrondverlichting*
Voor een betere interieurverlichting tijdens het
rijden is het mogelijk een gedempte vorm van
vloerverlichting te activeren.
De intensiteit van de vloerverlichting kan worden gewijzigd in het menusysteem MY CAR
onder Instellingen Auto-instellingen
Lichtinstellingen Binnenverlichting
Vloerverlichting. U kunt kiezen uit Uit, Laag
en Hoog. Voor meer informatie over het
menusysteem, zie MY CAR - menu-opties (p.
108).
03
Verlichting in de opbergvakken van de
voorportieren*
De verlichting in de opbergvakken gaat branden wanneer de motor start.
Knoppen op plafondconsole voor bediening
leeslampjes en interieurverlichting voorin.
Leeslampje linkerzijde
Verlichting dashboardkastje
De verlichting in het dashboardkastje wordt
in- en uitgeschakeld bij het openen en sluiten
van de klep van het kastje.
Interieurverlichting (vloerverlichting* en
plafondverlichting) - Aan/Uit
Automatische bediening voor interieurverlichting
Leeslampje rechterzijde
Alle verlichting in het interieur kan handmatig
in- en uitgeschakeld worden binnen 30 minuten nadat:
Verlichting make-upspiegel
Leeslampjes achterin.
De lampjes worden in- en uitgeschakeld met
een korte druk op de bijbehorende knop.
De lichtsterkte wordt aangepast door de knop
ingedrukt te houden.
De verlichting van de make-upspiegel (p.
154), wordt bij het openen en sluiten van het
klepje in- en uitgeschakeld.
Voor het vervangen van het lampje, zie Lamp
vervangen - verlichting make-upspiegel (p.
358).
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
89
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
Verlichting in bagageruimte
Sfeerverlichting*
Follow Me Home-verlichting
De bagageruimteverlichting wordt bij het openen en sluiten van de achterklep automatisch
in- en uitgeschakeld.
Wanneer de reguliere interieurverlichting is
uitgegaan en de motor draait, brandt er een
ledje op de voorste of achterste plafondconsole voor een zwakke sfeerverlichting tijdens
de rit. Bovendien kunt u door de verlichting in
het donker de voorwerpen in de opbergvakken enz. beter zien. U kunt de lichtsterkte wijzigen in het menusysteem MY CAR onder
Instellingen Auto-instellingen
Lichtinstellingen Binnenverlichting
Omgevingslicht. U kunt kiezen uit Uit, Laag
en Hoog. Deze verlichting dooft wanneer de
motor wordt afgezet.
De Approach-verlichting maakt gebruik van
de dimlichten, de parkeerlichten, de lampjes
in de buitenspiegels, de kentekenplaatverlichting alsook de plafond- en vloerverlichting in
de auto.
Automatische bediening voor
interieurverlichting
03
De automatische bediening is geactiveerd
wanneer het lampje in de knop AUTO brandt.
De interieurverlichting wordt dan volgens het
onderstaande in- en uitgeschakeld.
De interieurverlichting wordt ingeschakeld en
blijft 30 seconden lang branden, als:
•
u de auto met de afstandsbediening ontgrendelt, zie Transpondersleutel - functie
(p. 166) of Afneembaar sleutelblad - portier ontgrendelen (p. 170)
•
de motor is afgezet en het elektrische
systeem van de auto in sleutelstand 0
staat.
De interieurverlichting dooft, wanneer:
•
•
u de motor start
de auto wordt vergrendeld.
De interieurverlichting wordt in- en uitgeschakeld bij het openen en sluiten van een portier.
De verlichting gaat aan en blijft twee minuten
lang branden, wanneer een van de portieren
openstaat.
Als u een bepaalde verlichtingsfunctie handmatig inschakelt, zal deze na twee minuten
automatisch worden uitgeschakeld.
90
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Ook de kleur van de verlichting is in te stellen
in het menusysteem MY CAR onder
Instellingen Auto-instellingen
Lichtinstellingen Binnenverlichting
Kleuren omgevingslicht. Als u
Temperatuur selecteert, dan wisselt de kleur
tussen warm wit en koud wit, afhankelijk van
de temperatuur in de auto. Ook kunt u uit verschillende kleurthema’s kiezen. De beschikbare kleurthema’s zijn Frosty White,
Toscana White, Ember Gold, Red Sunset,
Rainforest, Glacier Blue en Violet Purple.
Voor meer informatie over het menusysteem,
zie MY CAR - menu-opties (p. 108).
Het is mogelijk om een deel van de buitenverlichting enige tijd ingeschakeld te houden en
als Follow Me Home-verlichting dienst te
laten doen na vergrendeling van de auto.
1. Neem de transpondersleutel uit het contactslot.
2. Haal de linker stuurhendel tot in de eindstand naar het stuurwiel toe en laat de
hendel los. De functie is op dezelfde
manier te activeren als de grootlichtsignalen, zie Groot licht/dimlicht (p. 83).
3. Stap uit de auto en vergrendel het portier.
Wanneer de functie is geactiveerd, branden
de dimlichten, de parkeerlichten, de verlichting van de buitenspiegels, de kentekenplaatverlichting, de plafondverlichting in het interieur en de vloerverlichting.
De duur van de Follow Me Home-verlichting
kan worden ingesteld in het menusysteem
MY CAR onder Instellingen Autoinstellingen Lichtinstellingen
Tijdsduur 'follow me home'-verl.. Voor een
beschrijving van het menusysteem, zie MY
CAR - menu-opties (p. 108).
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Gerelateerde informatie
•
Approach-verlichting (p. 91)
Approach-verlichting
De Approach-verlichting maakt gebruik van
de parkeerlichten, lampjes in de buitenspiegels, kentekenplaatverlichting alsook de plafond- en vloerverlichting in de auto.
U activeert de Approach-verlichting met de
transpondersleutel, zie Transpondersleutel functie (p. 166), om de verlichting van de
auto op afstand in te schakelen.
03
Wanneer de functie is geactiveerd vanaf de
afstandsbediening, gaan de dimlichten, de
parkeerlichten, de richtingaanwijzers, de verlichting van de buitenspiegels, de kentekenplaatverlichting, de plafondlampjes in het
interieur en de instapverlichting branden.
De duur van de Approach-verlichting kan
worden ingesteld in het menusysteem
MY CAR onder Instellingen Autoinstellingen Lichtinstellingen
Tijdsduur 'approach'-verl.. Voor een
beschrijving van het menusysteem, zie MY
CAR - menu-opties (p. 108).
Gerelateerde informatie
•
Follow Me Home-verlichting (p. 90)
91
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Koplampen - lichtbundel aanpassen
Actieve xenon-koplampen*
Om verblinding van tegenliggers te voorkomen kunt u de lichtbundel van de koplampen
aanpassen voor links- en rechtsrijdend verkeer.
De lichtbundel hoeft niet te worden aangepast. De lichtbundel is dusdanig dat tegenliggers niet worden verblind.
Lichtbundel aanpassen
Bij halogeenkoplampen past u de lichtbundel
aan door bepaalde delen van het koplampglas af te plakken. De sterkte van de lichtbundel neemt daardoor iets af.
03
Halogeenkoplampen
Koplampen afplakken
G021151
1. Afgebeelde mallen A en B voor auto met
stuur links of C en D voor auto met stuur
rechts, zie het latere gedeelte ‘Mallen
voor halogeenkoplampen’:
Lichtbundel linksrijdend verkeer.
•
A = LHD Right (auto met het stuur
links, rechter koplampglas)
•
B = LHD Left (auto met het stuur links,
linker koplampglas)
•
C = RHD Right (auto met het stuur
rechts, rechter koplampglas)
•
D = RHD Left (auto met het stuur
rechts, linker koplampglas)
G021152
2. Breng de mallen over op een stuk zelfklevend en watervast materiaal en knip ze
uit.
Lichtbundel rechtsrijdend verkeer.
92
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
3. Neem de designstrepen op de koplampglazen als uitgangspunt, zie de lijnen op
de volgende afbeelding. Plaats de zelfklevende mallen met behulp van de afbeelding naast de designstrepen.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
03
Bovenste regel: auto met stuur links, mallen A en B. Onderste regel: auto met stuur rechts, mallen C en D.
}}
93
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
Mallen voor halogeenkoplampen
03
94
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Wissers en -sproeiers
Intervalstand
Regensensor*
De ruitenwisser en -sproeier reinigen de voorruit en achterruit. De koplampen worden met
hogedruksproeiers gereinigd.
Met het duimwiel kunt u het aantal
wisslagen per eenheid van tijd
instellen wanneer u de intervalstand
hebt geselecteerd.
De regensensor registreert de hoeveelheid
regen op de voorruit en schakelt automatisch
de ruitenwissers op de voorruit in. De gevoeligheid van de regensensor is in te stellen met
het duimwiel.
Ruitenwissers23
Ononderbroken wissen
De wissers bewegen op normale
snelheid.
De wissers bewegen op hoge snelheid.
BELANGRIJK
Ruitenwissers en -sproeiers.
Regensensor aan/uit
Duimwiel gevoeligheid regensensor/snelheid ruitenwissers
Ruitenwissers uitgeschakeld
Haal de hendel naar stand 0 om de
ruitenwissers uit te schakelen.
Enkele slag
Haal de hendel omhoog en laat
deze los om de wissers een enkele
slag te laten maken.
23
Voordat u de wissers in de winter activeert, moet u controleren of de wisserbladen niet zijn vastgevroren en of evt.
sneeuw of ijs op de voorruit (en achterruit)
is weggehaald.
BELANGRIJK
Gebruik voldoende sproeiervloeistof als de
wissers de voorruit schoonmaken. De
voorruit moet nat zijn als de ruitenwissers
werken.
Servicestand wisserbladen
Voor het reinigen van voorruit/wisserbladen
en het vervangen van wisserbladen, zie Wisserbladen (p. 359) en Wasstraat (p. 375).
Wanneer de regensensor actief is, brandt het
lampje in de bijbehorende knop en verschijnt
op het instruhet regensensorsymbool
mentenpaneel.
03
Activeren en gevoeligheid instellen
Om de regensensor te activeren dient de
motor te lopen of de transpondersleutel in
stand I of II te staan en de ruitenwisserhendel
in stand 0 of die voor een enkele wisslag.
Activeer de regensensor door op de knop
te drukken. De ruitenwissers maken
een slag.
Als u de hendel omhooghaalt, maken de ruitenwissers een extra slag.
Draai het duimwiel omhoog voor een grotere
gevoeligheid en omlaag voor een lagere
gevoeligheid. (de wissers maken een extra
slag, als u het duimwiel omhoogdraait.)
Deactiveren
Deactiveer de regensensor met een druk op
de knop
of haal de hendel omlaag naar
een ander wisprogramma.
Voor het vervangen van wisserbladen en de servicestand van de wisserbladen, zie Wisserbladen (p. 359). Voor het bijvullen van sproeiervloeistof, zie Sproeiervloeistof - bijvullen (p. 361).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
}}
95
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
De regensensor wordt automatisch gedeactiveerd, wanneer u de transpondersleutel uit
het contactslot neemt of vijf minuten nadat u
de motor hebt afgezet.
BELANGRIJK
03
In de wasstraat kunnen de ruitenwissers
van de voorruit starten en beschadigd
raken. Schakel de regensensor uit terwijl
de auto loopt of de transpondersleutel in
stand I of II staat. Het symbool op het
instrumentenpaneel en het lampje in de
knop doven.
Koplamp- en ruitensproeiers
Ruitensproeiers voorruit
Nadat u de hendel hebt losgelaten maken de
ruitenwissers op de voorruit nog enkele slagen en worden de koplampen gesproeid.
Hogedruksproeiers koplampen*
De hogedruksproeiers van de koplampen verbruiken een grote hoeveelheid sproeiervloeistof. Om vloeistof te besparen, worden de
koplampen alleen iedere vijfde keer dat u de
voorruitsproeiers activeert gesproeid.
Ruitenwisser achterklep – intervalstand
Gereduceerde sproeifunctie
Ruitenwisser achterklep – continu wissen
Wanneer er nog ca. 1 liter sproeiervloeistof in
het reservoir zit en op het instrumentenpaneel
de melding verschijnt dat u sproeiervloeistof
moet bijvullen, worden de koplampen en de
achterruit niet langer schoongesproeid. Dit
omdat de sproeifunctie van de voorruit en
een goed zicht door de voorruit de voorrang
hebben.
Sproeierfunctie.
96
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Achterruit wissen en sproeien
U activeert de sproeiers van de voorruit en de
koplampen door de hendel naar het stuurwiel
toe te trekken.
Wanneer u de hendel naar voren haalt (zie pijl
op bovenstaande afbeelding), activeert u de
ruitenwisser/-sproeier van de achterklep.
N.B.
De achterruitwisser is beveiligd tegen
oververhitting zodat de wissermotor wordt
uitgeschakeld bij oververhitting. De achterruitwisser werkt weer na een periode van
afkoelen (30 seconden of langer afhankelijk van de motor- en de omgevingstemperatuur).
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Ruitenwisser achterklep, achteruitrijden
Elektrisch bedienbare ruiten
Als u de auto in de achteruitversnelling zet
terwijl de voorste ruitenwissers actief zijn, zal
de intervalstand van de ruitenwisser op de
achterklep starten24. Bij het inschakelen van
een andere versnelling valt de ruitenwisser op
de achterklep stil.
Vanaf het bedieningspaneel van het bestuurdersportier zijn alle elektrisch bedienbare ruiten te bedienen. Vanaf de bedieningspanelen
van de overige portieren zijn alleen de ruiten
van het desbetreffende portier te bedienen.
N.B.
Sproeiervloeistof - bijvullen (p. 361)
Sproeiervloeistof - kwaliteit en hoeveelheid (p. 464)
03
WAARSCHUWING
Op auto's met een regensensor wordt bij
achteruitrijden de achterruitwisser geactiveerd, op voorwaarde dat de sensor geactiveerd is en het regent.
•
•
WAARSCHUWING
Controleer of kinderen of andere passagiers niet bekneld raken als de ramen worden gesloten, ook als de transpondersleutel wordt gebruikt.
Als de ruitenwisser op de achterklep echter al
op continue snelheid werkt, vindt er geen wijziging plaats.
Gerelateerde informatie
WAARSCHUWING
Controleer of er geen passagier op de achterbank bekneld raakt als de ramen vanaf
het bestuurdersportier worden gesloten.
Bedieningspaneel op bestuurdersportier.
Elektrisch kinderslot op achterportieren*
en achterste zijruiten, zie Kinderslot elektrische activering* (p. 185).
Als er kinderen in de auto aanwezig zijn,
moet altijd de stroom naar de elektrisch
bedienbare ruiten worden onderbroken
door te kiezen voor sleutelstand 0 en vervolgens de transpondersleutel mee te
nemen uit de auto. Voor informatie over
sleutelstanden, zie Sleutelstanden - functies in verschillende standen (p. 72).
Bedieningsknoppen achterste zijruiten
Bedieningsknoppen voorste zijruiten
24
Deze functie (intervalstand tijdens het achteruitrijden) kunt u desgewenst uitschakelen. Bezoek een werkplaats. Volvo adviseert u daarvoor contact op te nemen met een erkende Volvo-dealer.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
97
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
Bediening
03
Bedieningsknoppen elektrisch bedienbare zijruiten.
Handmatige bediening
Automatische bediening
Met het bedieningspaneel van het bestuurdersportier kunnen alle elektrisch bedienbare
ruiten worden bediend. De bedieningspanelen van de overige portieren kunnen alleen de
ruit van het desbetreffende portier bedienen.
Er kan slechts één bedieningspaneel tegelijk
worden bediend.
Om de elektrisch bedienbare ruiten te kunnen
gebruiken moet de sleutelstand minimaal I
zijn - zie Sleutelstanden - functies in verschillende standen (p. 72). Na uitschakeling van
de motor kunnen de elektrisch bedienbare
ruiten gedurende enkele minuten na verwijdering van de transpondersleutel worden
98
bediend, maar niet nadat er een portier is
geopend.
Bediening met transpondersleutel en
centrale vergrendeling
De ruiten komen tot stilstand en worden
geopend, als ze tijdens het sluiten in hun
beweging worden gehinderd. Wanneer sluiten
onmogelijk is door bijvoorbeeld ijsvorming,
kan de beveiliging tegen overbelasting worden opgeheven. Wanneer de zijruiten tweemaal achtereen niet konden worden gesloten,
wordt de beveiliging tegen overbelasting
korte tijd gedeactiveerd. Sluiten is daarna
mogelijk door de bedieningsknop omhoog te
trekken en vast te houden.
Om de elektrisch bedienbare zijruiten vanaf
de buitenzijde te bedienen met de transpondersleutel of vanaf de binnenzijde met de
centrale vergrendeling, zie Transpondersleutel met sleutelblad (p. 163) en Vergrendelen/
ontgrendelen - van de binnenzijde (p. 179).
N.B.
Om het pulserende windgeluid te verminderen als de beide achterruiten open
staan, kunt u de voorste ruiten ook een
stukje openen.
Handmatige bediening
Trek voorzichtig een van de bedieningsknoppen omhoog of duw er een omlaag. De elektrisch bedienbare zijruiten komen steeds verder omhoog of omlaag zolang u de bedieningsknop bedient.
Automatische bediening
Trek een van de bedieningsknoppen omhoog
of duw er een omlaag en laat deze vervolgens
los. De bijbehorende zijruit gaat automatisch
volledig open of dicht.
Resetten
Als de accu losgekoppeld is geweest, werkt
de automatische openingsfunctie pas weer
naar behoren wanneer u deze hebt gereset.
1. Trek de knop aan de voorkant omhoog
om de ruit helemaal te sluiten en houd de
knop een seconde in deze stand vast.
2. Laat de knop korte tijd los.
3. Trek de voorkant van de knop opnieuw
een seconde omhoog.
WAARSCHUWING
Resetten is nodig om de klembeveiliging te
laten werken.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Buitenspiegels
WAARSCHUWING
Stel de stand van de buitenspiegels bij met
het hendeltje op het bedieningspaneel van het
bestuurdersportier.
De spiegel aan bestuurderszijde is groothoekig voor een optimaal zicht. Voorwerpen kunnen verder weg lijken dan ze in
werkelijkheid zijn.
Buitenspiegels
Stand vastleggen25
De stand van de buitenspiegels en de
bestuurdersstoel worden vastgelegd, wanneer u de auto met de transpondersleutel vergrendelt. Een volgende keer dat de auto met
dezelfde transpondersleutel wordt ontgrendeld en het bestuurdersportier wordt
geopend, nemen de buitenspiegels en de
bestuurdersstoel de vastgelegde standen in.
Bedieningsknoppen buitenspiegels.
Instellen
1. Druk op knop L voor de buitenspiegel
links of op R voor de buitenspiegel
rechts. Het lampje in de knop brandt.
2. U kunt de stand afstellen met het hendeltje in het midden.
3. Druk opnieuw op knop L of R. Het lampje
mag niet langer branden.
25
U kunt de functie activeren/deactiveren in het
menusysteem MY CAR onder Instellingen
Auto-instellingen Sleutelgeheugen
Persoonlijke instellingen in
hoofdgeheugen. Voor een beschrijving van
het menusysteem, zie MY CAR - menu-opties
(p. 108).
Buitenspiegel kantelen bij parkeren25
Bij het inschakelen van een andere versnelling nemen de gekantelde buitenspiegels na
ca. 10 seconden de oorspronkelijke stand
weer in. Dat gebeurt eerder als u op de L- of
R-knop drukt.
Automatisch kantelende buitenspiegel
bij parkeren25
Bij het inschakelen van de achteruitversnelling worden de buitenspiegels automatisch
omlaaggekanteld, zodat u bijvoorbeeld tijdens het parkeren de kant van de weg kan
zien. Wanneer de auto uit de achteruitversnelling wordt gehaald, neemt de buitenspiegel
na enige tijd automatisch de oorspronkelijke
stand weer in.
Activeer/deactiveer de functie in het menusysteem MY CAR onder Instellingen
Auto-instellingen Instellingen zijspiegel
Linkerspiegel hellen of Rechterspiegel
hellen. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie MY CAR - menu-opties (p. 108).
Automatische inklapfunctie bij
vergrendelen25
De buitenspiegels kunnen omlaaggekanteld
worden, zodat u bijvoorbeeld tijdens het parkeren de kant van de weg te kan zien.
Wanneer u de auto vanaf de transpondersleutel vergrendelt/ontgrendelt worden de buitenspiegels automatisch in- of uitgeklapt.
–
U kunt de functie activeren/deactiveren in het
menusysteem MY CAR onder Instellingen
Auto-instellingen Instellingen zijspiegel
Schakel de achteruitversnelling in en druk
op de knop L of R.
Alleen in combinatie met een elektrisch bedienbare stoel met geheugen, zie Voorstoelen - elektrisch bediend (p. 75).
03
}}
99
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
Spiegels inklappen. Voor een beschrijving
van het menusysteem, zie MY CAR - menuopties (p. 108).
In neutrale stand terugzetten
03
Spiegels die uit positie zijn geraakt door
invloeden van buitenaf, moeten eerst elektrisch in de neutrale stand worden teruggezet
zodat het elektrisch in- en uitklappen weer
correct werkt:
1. Klap de spiegels in met de knoppen L en
R.
Approach-verlichting en Follow Me
Home-verlichting
Ruiten en buitenspiegels - elektrische
verwarming
De lampjes op de buitenspiegels gaan branden, wanneer u de Approach-verlichting (p.
91) of de Follow Me Home-verlichting (p. 90)
selecteert.
De elektrische verwarming dient om de vooren achteruit en de buitenspiegels te ontwasemen en te ontdooien.
Gerelateerde informatie
•
•
Achteruitkijkspiegel (p. 101)
Elektrische voorruit-*, achterruit- en
buitenspiegelverwarming
Ruiten en buitenspiegels - elektrische
verwarming (p. 100)
2. Klap de spiegels weer uit met de knoppen L en R.
3. Herhaal de bovenstaande procedure zo
nodig.
De spiegels staan daarmee weer in de neutrale stand.
Elektrisch inklapbare buitenspiegels*
U kunt de buitenspiegels inklappen bij het
parkeren en als u op smalle wegen rijdt:
1. Druk de knoppen L en R gelijktijdig in
(sleutelstand minimaal I).
2. Laat ze na ca. 1 seconde los. De spiegels
stoppen automatisch, als ze volledig zijn
ingeklapt.
Klap de spiegels uit door de knoppen L en R
tegelijkertijd in te drukken. De spiegels stoppen automatisch, als ze volledig zijn uitgeklapt.
100
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Elektrische voorruitverwarming
Elektrische voorruit-, achterruit- en buitenspiegelverwarming
Gebruik de functie om voorruit, achterruit en
buitenspiegels te ontwasemen en te ontdooien.
Bij eenmaal indrukken van de desbetreffende
knop gaat de verwarming van start. Het brandende lampje in de knop geeft aan dat de
functie actief is. Schakel de verwarming uit
zodra het ijs/de condens verdwenen is om de
accu niet onnodig te belasten. Als u echter
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
niets doet, wordt de functie na enige tijd
automatisch uitgeschakeld.
Zie ook Voorruit ontwasemen en ontdooien
(p. 139).
De buitenspiegels en de achterruit worden
automatisch van condens/ijsvorming ontdaan, als de auto wordt gestart bij een buitentemperatuur lager dan +7 °C. Automatische ontwaseming is te selecteren in het
menusysteem MY CAR onder Instellingen
Klimaatinstellingen
Achterruitverwarming start autom.. Kies
vervolgens uit Aan of Uit. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie MY CAR menu-opties (p. 108).
Het kompas (p. 102) wordt gedeactiveerd als
de elektrische voorruitverwarming wordt
geactiveerd. Als de elektrische voorruitverwarming wordt gedeactiveerd, schakelt het
kompas weer in.
Achteruitkijkspiegel
Autodimfunctie*
De achteruitkijkspiegel is te dimmen met een
knopje aan de onderkant van de spiegel. Ook
is het mogelijk dat de autodimfunctie van de
achteruitkijkspiegel actief is.
Als het licht dat van achteren in de spiegel
valt te fel is, wordt de achteruitkijkspiegel
automatisch gedimd. Bij een spiegel met
autodimfunctie ontbreekt het hendeltje voor
handmatig dimmen.
Achteruitkijkspiegel
De achteruitkijkspiegel is voorzien van twee
sensoren (één aan de voorkant en één aan de
achterkant) die samenwerken om hinderlijke
lichtinval te identificeren en te verhelpen. De
sensor aan de voorkant registreert omgevingslicht, terwijl de sensor aan de achterkant
de koplampen van achterliggers registreert.
03
N.B.
Als de sensoren door bijvoorbeeld parkeervergunningen, transponders, zonnekleppen of voorwerpen op de achterbank
of in de bagageruimte dusdanig worden
gehinderd dat er geen licht op de sensoren
valt, gelden er beperkingen voor de autodimfunctie van de achteruitkijkspiegel.
Hendeltje voor dimfunctie
Handmatige dimfunctie
Fel licht van achteren kan hinderlijke reflecties
in de achteruitkijkspiegel veroorzaken en u
verblinden. Zet de spiegel met het hendeltje
in de dimstand, wanneer u de verlichting van
het achteropkomende verkeer als hinderlijk
ervaart:
Kompas (p. 102) is alleen een optie voor een
achteruitkijkspiegel met autodimfunctie.
Gerelateerde informatie
•
Buitenspiegels (p. 99)
1. Activeer de dimfunctie door het hendeltje
naar u toe te halen.
2. Deactiveer de dimfunctie door het hendeltje naar de voorruit toe te duwen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
101
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Glazen dak*
Het rolgordijn van het glazen dak is te bedienen met de knoppen op de plafondconsole.
03
Het glazen dak* zit vast, maar het rolgordijn is
in de sleutelstand I of II te bedienen met de
knoppen op de plafondconsole. Voor informatie over de sleutelstanden, zie Sleutelstanden - functies in verschillende standen (p. 72).
BELANGRIJK
•
Raak het rolgordijn niet met de handen
aan, omdat dit dan beschadigd kan
raken.
•
Gebruik voor bediening van het rolgordijn alleen de knoppen op de plafondconsole.
Kompas
Op de achteruitkijkspiegel zit een display
waarop wordt aangegeven in welke richting
de voorkant van de auto wijst.
Bediening
Achteruitkijkspiegel met kompas.
Automatisch openen tot in de eindstand
Handmatig openen totdat de knop wordt
losgelaten
Handmatig sluiten totdat de knop wordt
losgelaten
Automatisch sluiten tot in de eindstand
102
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
In de rechter bovenhoek van de achteruitkijkspiegel zit een display waarop wordt aangegeven in welke richting de voorkant van de
auto wijst. Er worden acht verschillende richtingen met Engelse afkortingen weergegeven:
N (noord), NE (noordoost), E (oost), SE (zuidoost), S (zuid), SW (zuidwest), W (west) en
NW (noordwest).
Het kompas* wordt automatisch geactiveerd,
wanneer u de motor start of wanneer sleutelstand II actief is, zie Sleutelstanden - functies
in verschillende standen (p. 72). Om het kompas handmatig uit of in te schakelen kunt u
een paperclip of iets dergelijks nemen en het
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Menufuncties - instrumentenpaneel
knopje aan de achterzijde van de achteruitkijkspiegel indrukken.
Met de linker stuurhendel bedient u de
menu’s die op het informatiedisplay van het
instrumentenpaneel (p. 60) verschijnen. Welke
menu’s er verschijnen hangt af van de sleutelstand (p. 72).
Het kompas wordt gedeactiveerd, wanneer u
de elektrische voorruitverwarming inschakelt.
Wanneer u de elektrische voorruitverwarming
uitschakelt, wordt het kompas weer geactiveerd.
Kalibreren
1. Breng de auto tot stilstand op een groot
en open terrein waar geen stalen constructies of hoogspanningsdraden zijn.
2. Start de motor.
N.B.
Voor de beste kalibratie moet u alle elektrische uitrusting (klimaatinstallatie, ruitenwissers enz.) uitschakelen en erop letten
dat alle portieren gesloten zijn.
3. Houd het knopje aan de achterzijde van
de achteruitkijkspiegel ca. 3 seconden
lang ingedrukt. Het cijfer van de huidige
magnetische zone verschijnt.
03
G030295
De aarde is in 15 magnetische zones verdeeld. Het kompas is ingesteld op het geografische gebied waarin de auto werd afgeleverd. Het kompas dient te worden gekalibreerd, als u met de auto meerdere magnetische zones doorkruist. Ga als volgt te werk:
Magnetische zones.
4. Druk meerdere malen op het knopje totdat het nummer van de gewenste magnetische zone (1–15) verschijnt (zie de kaart
met de magnetische zones van het kompas).
5. Wacht totdat het teken C weer op het
display verschijnt of houd het knopje aan
de onderzijde van de achteruitkijkspiegel
ca. 6 seconden lang ingedrukt (met een
rechtgebogen paperclip bijvoorbeeld),
totdat het teken C verschijnt.
Informatiedisplay (analoog instrumentenpaneel)
en bedieningsknoppen voor menufuncties.
6. Rijd langzaam een rondje in de auto met
een snelheid van hoogstens 10 km/h, totdat een kompasrichting op het display
verschijnt. Dit geeft aan dat de kalibratie
afgerond is. Rijd daarna nog 2 rondjes om
de kalibratie fijn af te stellen.
7. Herhaal de bovenstaande procedure zo
nodig.
103
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
03
Informatiedisplays (digitaal instrumentenpaneel)
en bedieningsknoppen voor menufuncties.
OK - menu openen en meldingen en
menu-opties bevestigen.
Duimwiel – menu-opties doorbladeren.
RESET - data in de gekozen boordcomputerstap resetten en ‘teruggaan’ in de
menustructuur.
Een eventuele melding, (p. 105) moet u eerst
bevestigen met de knop OK, voordat u de
menu’s kunt bekijken.
Gerelateerde informatie
•
•
•
26
27
28
104
Meldingen - functies (p. 106)
Menu-overzicht - analoog instrumentenpaneel (p. 104)
Menu-overzicht - digitaal instrumentenpaneel (p. 104)
Bepaalde motoren.
Het aantal meldingen staat tussen haakjes.
Het aantal meldingen staat tussen haakjes.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Menu-overzicht - analoog
instrumentenpaneel
Menu-overzicht - digitaal
instrumentenpaneel
Welke menu’s er op het informatiedisplay van
het instrumentenpaneel verschijnen hangt af
van de sleutelstand (p. 72).
Welke menu’s er op het informatiedisplay van
het instrumentenpaneel verschijnen hangt af
van de sleutelstand (p. 72).
Voor sommige van de onderstaande menuopties dient de auto te zijn uitgerust met de
bijbehorende functie en software.
Voor sommige van de onderstaande menuopties dient de auto te zijn uitgerust met de
bijbehorende functie en software.
Digit. snlhd.
Instellingen*
Verwarming*
Thema's
Extra verw.*
Contraststand/Kleurstand
TC-opties
Servicestatus
Servicestatus
Meldingen28
Oliepeil26
Oliepeil29
Meldingen (##)27
Standkachel*
Gerelateerde informatie
•
Menufuncties - instrumentenpaneel (p.
103)
•
Menu-overzicht - digitaal instrumentenpaneel (p. 104)
•
Instrumentenpaneel (p. 60)
Boordcomp reset
Gerelateerde informatie
•
Menufuncties - instrumentenpaneel (p.
103)
•
Menu-overzicht - analoog instrumentenpaneel (p. 104)
•
Instrumentenpaneel (p. 60)
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Meldingen
Wanneer er een waarschuwings-, informatieof controlesymbool oplicht, verschijnt er
tevens een aanvullende melding op het informatiedisplay.
Melding
Betekenis
Stop auto
z.s.m.A
Breng de auto tot stilstand en zet de motor af.
Grote kans op schade –
bezoek een werkplaatsB.
Zet motor
afA
Breng de auto tot stilstand en zet de motor af.
Grote kans op schade –
bezoek een werkplaatsB.
Service
spoedA
Bezoek een werkplaatsB
om de auto onmiddellijk
te laten controleren.
Service vereistA
Bezoek een werkplaatsB
om de auto zo spoedig
mogelijk te laten controleren.
Zie instructieb.A
29
Bepaalde motoren.
Neem het instructieboekje door.
Melding
Betekenis
Melding
Betekenis
Bespreek tijd
voor onderhoud
Het is tijd om een
afspraak te maken voor
een servicebeurt –
bezoek een werkplaatsB.
Versnellingsbak
Beperkte
werking
Tijd voor
periodiek
onderhoud
Het is tijd voor een servicebeurt – bezoek een
werkplaatsB. Het moment
hangt af van de afgelegde
afstand, het aantal maanden dat sinds de laatste
servicebeurt is verstreken, het aantal draaiuren
van de motor en de
gebruikte oliekwaliteit.
De versnellingsbak werkt
niet op maximale capaciteit. Rijd voorzichtig totdat de melding verdwijntC.
Onderhoudstermijn verstreken
Als u de onderhoudstermijn niet respecteert, vallen beschadigde onderdelen niet langer onder de
garantie – bezoek een
werkplaatsB.
Versnellingsbak Olie verversen
Bezoek een werkplaatsB
om de auto zo spoedig
mogelijk te laten controleren.
Bezoek bij herhaaldelijke
verschijning een werkplaatsB.
Versnellingsbak heet Rijd
langzamer
Rijd voorzichtiger of
breng de auto zo spoedig
mogelijk tot stilstand. Zet
de versnellingsbak in de
neutraal en laat de motor
stationair draaien totdat
de melding verdwijntC.
Versnellingsbak heet
Stop auto
z.s.m. Wachten op
afkoelen
Kritieke storing. Breng de
auto zo spoedig mogelijk
tot stilstand en bezoek
een werkplaatsB.
03
}}
105
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
Melding
Betekenis
Tijdelijk uitgeschakeldA
De bijbehorende functie is
tijdelijk uitgeschakeld en
wordt na enige tijd rijden
of de volgende keer dat u
de motor start automatisch opnieuw ingeschakeld.
03
Accuspanning laag
Spaarstand
A
B
C
Het audiosysteem is uitgeschakeld om stroom te
besparen. Laad de accu
bij.
Deel van een melding, verschijnt samen met gegevens
over de locatie van de storing.
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Voor meer meldingen met betrekking tot de automatische
versnellingsbak.
Meldingen - functies
MY CAR
Met de linker stuurhendel kunt u door de meldingen (p. 105) bladeren die op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel verschijnen en deze bevestigen.
MY CAR is een menugroep voor hantering
van tal van autofuncties, zoals het instellen
van de klok, de buitenspiegels en de vergrendelingen.
Wanneer er een waarschuwings-, informatieof controlesymbool oplicht, verschijnt er
tevens een aanvullende melding op het display. Foutmeldingen blijven in het geheugen
opgeslagen, totdat de onderliggende storing
is verholpen.
In deze menugroep zijn tal van de
autofuncties te regelen, zoals het
instellen van de klok, de buitenspiegels en de sloten.
Druk OK op de linker stuurhendel in om een
melding te bevestigen30. Gebruik het duimwiel (p. 103) om door de meldingen te bladeren.
N.B.
Gerelateerde informatie
•
•
Als er een waarschuwingsmelding verschijnt als de boordcomputer wordt
gebruikt, moet de melding worden gelezen
(druk op OK) voordat de eerdere activiteit
kan worden hervat.
Meldingen - functies (p. 106)
Menufuncties - instrumentenpaneel (p.
103)
Gerelateerde informatie
30
106
•
Menu-overzicht - analoog instrumentenpaneel (p. 104)
•
Menu-overzicht - digitaal instrumentenpaneel (p. 104)
Een melding kan ook met het duimwiel of de knop RESET worden bevestigd.
Navigatie in deze menu’s vindt plaats met
knoppen op de middenconsole of met de
rechter stuurtoetsen.
Sommige functies behoren tot de standaarduitrusting, andere zijn zogeheten opties – het
aanbod verschilt per markt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
MY CAR - bediening (p. 107)
MY CAR - paden (p. 108)
MY CAR - menu-opties (p. 108)
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
MY CAR - bediening
EXIT-functies
MY CAR is een menugroep waar een groot
deel van de autofuncties te hanteren zijn,
waaronder de instelling van de klok, de buitenspiegels en de vergrendelingen.
Afhankelijk van de functie waarop de aanwijzer staat op het moment van het indrukken
van EXIT en het menuniveau, kan het volgende gebeuren:
Bedieningselementen op
middenconsole
•
•
•
•
•
Stuurtoetsen*
telefoongesprek wordt afgewezen
actuele functie wordt afgebroken
ingevoerde tekens worden gewist
03
laatst ingevoerde keuzes worden geannuleerd
u beweegt omhoog in het menusysteem.
Kort en lang indrukken kunnen verschillende
resultaten opleveren.
Bij lang indrukken springt u naar het hoogste
menuniveau (p. 386) (Hoofdbronweergave),
van waaruit u alle functies/menugroepen van
de auto kunt bereiken.
De toetsenset kan verschillen afhankelijk van het
uitvoering van het audiosysteem, zie Audiosysteem en media - systeem bedienen (p. 384).
Draai aan het duimwiel om een stap
omhoog/omlaag te gaan door de menuopties.
Druk op het duimwiel om de gemarkeerde menu-optie te kiezen/aan te vinken of de gekozen functie in het geheugen op te slaan.
Bedieningselementen voor menufuncties op middenconsole.
Druk op MY CAR om de menu’s te openen onder MY CAR.
Druk op OK/MENU om de gemarkeerde
menu-optie te kiezen/aan te vinken of de
gekozen functie in het geheugen op te
slaan.
Draai aan TUNE om een stap omhoog/
omlaag te gaan door de menu-opties.
EXIT
EXIT (zie het vorige kopje ‘EXIT-functies’).
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
MY CAR (p. 106)
MY CAR - paden (p. 108)
MY CAR - paden (p. 108)
MY CAR - menu-opties (p. 108)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
107
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
MY CAR - paden
MY CAR is een menugroep voor hantering
van tal van autofuncties, zoals het instellen
van de klok, de buitenspiegels en de vergrendelingen.
03
Helemaal rechts bovenaan op het display van
de middenconsole staat het actuele menuniveau. De paden naar de functies van het
menusysteem worden bijvoorbeeld als volgt
aangegeven
Instellingen Auto-instellingen
Slotinstellingen Deuren open
Bestuurdersdeur: dan alle.
Hier volgt een voorbeeld van de wijze waarop
u een functie kunt opzoeken en aanpassen
met de toetsenset op de middenconsole:
1. Druk op de knop MY CAR op de middenconsole.
2. Ga naar het gewenste menu, bijvoorbeeld
Instellingen, met het duimwiel en druk
vervolgens op het duimwiel – er wordt
een submenu geopend.
3. Ga naar het gewenste menu, bijvoorbeeld
Auto-instellingen, en druk op het duimwiel – er wordt een submenu geopend.
4. Ga naar Slotinstellingen en druk op het
duimwiel – er wordt een nieuw submenu
geopend.
108
5. Ga naar Deuren open en druk op het
duimwiel – er wordt een submenu met te
selecteren functies geopend.
6. Kies uit de opties Alle deuren en
Bestuurdersdeur: dan alle en druk op
het duimwiel – er verschijnt een kruisje in
het lege vakje van de optie.
7. Sluit de programmering af door de
menu’s één voor één te verlaten door
EXIT telkens kort in te drukken of deze
eenmaal lang in te drukken.
MY CAR - menu-opties
MY CAR is een menugroep waar een groot
deel van de autofuncties te hanteren zijn,
waaronder de instelling van de klok, de buitenspiegels en de vergrendelingen.
Eerst/bovenaan in MY CAR staat de volgende optie:
De procedure verloopt geheel identiek voor
de bedieningsknoppen op de middenconsole
(p. 107): OK/MENU, EXIT en de draaiknop
TUNE.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
MY CAR (p. 106)
MY CAR - bediening (p. 107)
MY CAR - paden (p. 108)
MY CAR - menu-opties (p. 108)
•
•
•
•
•
My V40
Verbruiksinfo (Trip statistics)
DRIVe
Hulpsystemen (Support systems)
Instellingen (Settings)
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
• Start/Stop
• Milieutips
My V40
Voor meer informatie - zie Start/Stop* (p.
287).
Menuniveau 1
Menuniveau 2
Menuniveau 3
Bestuurdersondersteunende systemen
Menuniveau 4
Hier verschijnen de eerste 4 menuniveaus
onder MY CAR Instellingen. Voor enkele
menu’s bestaan submenu’s – deze worden in
dat geval uitvoerig beschreven in het desbetreffende tekstgedeelte.
MY CAR
Wanneer u kunt kiezen uit activering/Aan of
deactivering/Uit van een bepaalde functie,
verschijnt er een vakje:
My V40
Op het beeldscherm staan alle bestuurdersondersteunende systemen aangegeven - u
kunt ze hiervandaan activeren of deactiveren.
Aan: Aangevinkt vakje.
Rijstatistiek
MY CAR
MY CAR
(MY CAR > Support systems)
Verbruiksinformatie
Hulpsystemen
Op het display verschijnen historische gegevens over het gemiddelde stroom- en brandstofverbruik in de vorm van staafdiagrammen,
zie Boordcomputer - functies (p. 125).
Op het beeldscherm staat het actuele statusoverzicht van de bestuurdersondersteunende systemen van de auto.
DRIVe
De menu’s zijn als volgt opgebouwd:
MY CAR
DRIVe
Hier volgt een introductie van Volvo’s StartStop-systeem en adviezen voor een zuinige
rijstijl.
03
Instellingen
Uit: Leeg vakje.
•
Kies Aan/Uit met OK en verlaat het menu
vervolgens met EXIT.
Menu’s
•
•
Instellingen van de auto (p. 110)
•
•
•
Systeeminstellingen (p. 113)
•
•
Klimaatinstellingen (p. 115)
Bestuurdersondersteunende systemen (p.
112)
Steminstellingen (p. 114)
Audio-instellingen, zie Audio en media algemene audio-instellingen (p. 389)
Favorieten (p. 388)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
}}
109
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
•
•
Volvo On Call, wordt in een aparte handleiding beschreven.
Informatie (p. 116)
Gerelateerde informatie
03
•
•
•
•
MY CAR (p. 106)
MY CAR - bediening (p. 107)
MY CAR - paden (p. 108)
MY CAR - paden (p. 108)
MY CAR - Auto-instellingen
De menu-optie instellingen van de auto in de
menugroep MY CAR bedient veel functies van
de auto, bijvoorbeeld autosleutelgeheugen en
vergrendelingsinstellingen voor portieren.
Auto-instellingen
Zie
Sleutelgeheugen
(p. 75) en
(p. 99)
Aan
Instappen zonder sleutel
Alle deuren
Willekeurige deur
Deuren aan één kant
Beide voordeuren
Akoestisch signaal
Aan
Uit
Uit
Slotinstellingen
Automatische
vergrendeling
Aan
(p. 166),
(p. 172)
en (p.
179)
(p. 166),
(p. 172)
en (p.
179)
Uit
Minder bescherming
Eén keer activeren
Vragen bij uitstappen
Instellingen zijspiegel
Spiegels inklappen
Linkerspiegel hellen
Rechterspiegel hellen
Deuren open
Alle deuren
Bestuurdersdeur: dan alle
110
(p. 166),
(p. 172)
en (p.
179)
(p. 166),
(p. 172)
en (p.
179)
Lichtinstellingen
(p. 166),
(p. 172)
en (p.
179)
(p. 183)
en (p.
188)
(p. 99)
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Binnenverlichting
(p. 89)
Tijdsduur 'follow
me home'-verl.
Vloerverlichting
Omgevingslicht
Kleuren omgevingslicht
Lichtsignaal deurvergrendeling
(p. 164)
60 sec.
90 sec.
(p. 88)
Autosnelheid in infotainm.scherm
(p. 164)
(p. 92)
Uit
Van alle menu’s onder Autoinstellingen worden de
fabrieksinstellingen hervat.
•
•
Tijdelijk rechtsrijdend verkeer
•
•
•
Aan
Uit
Aan
Auto-instellingen resetten
Gerelateerde informatie
of
Actieve bochtverlichting
03
Uit
Aan
(p. 166)
en (p. 91)
(p. 122)
Aan
Uit
Uit
30 sec.
Hoog
Aan
Aan
Uit
60 sec.
Tijdelijk linksrijdend verkeer
(p. 79)
Laag
Midden
Driemaal richtingaanwijzer
Uit
Tijdsduur 'approach'-verl.
Stuurkracht
30 sec.
90 sec.
Aan
Lichtsignaal bij
ontgrendeling
(p. 90)
(p. 85)
•
•
MY CAR (p. 106)
MY CAR - rij-assistentiesystemen (p.
112)
MY CAR- systeeminstellingen (p. 113)
MY CAR - steminstellingen (p. 114)
Audio en media - algemene audio-instellingen (p. 389)
MY CAR - klimaatinstellingen (p. 115)
MY CAR - informatie (p. 116)
Uit
111
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
MY CAR - rij-assistentiesystemen
Met de menu-optie bestuurdersondersteunende systemen in de menugroep MY CAR
bedient u de functies zoals Collision Warning
en Rijbaanassistent.
Rij-assistentiesystemen
03
Botswaarschuwing
Zie
Aan bij starten
Hogere gevoeligheid*
(p. 236)
(p. 236)
Aan
Uit
(p. 249)
(p. 249)
Uit
Uit
Afstandswaarschuwing
Uit
Aan
(p. 244)
Uit
(p. 194)
Aan
Gerelateerde informatie
Uit
Uit
(p. 221)
Aan
(p. 194)
Driver Alert
DSTC
(p. 266)
Aan
Uit
Aan
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Cross Traffic Alert
Aan
Snelheidswaarschuwing
Aan
112
Uit
Volledige functie
Informatie over
verkeersborden
(p. 266)
Aan
Alleen stuurhulp
Kort
BLIS
Alleen vibratie
Normaal
Rijbaanassistentie
(p. 249)
Uit
Lang
Signaaltoon
Uit
Aan
Alternatieve assistentie
(p. 225)
Aan
Uit
Aan
Waarschuwingsafstand
City Safety
Aan
(p. 236)
Uit
(p. 249)
(p. 191)
•
•
•
•
•
MY CAR (p. 106)
MY CAR - Auto-instellingen (p. 110)
MY CAR- systeeminstellingen (p. 113)
MY CAR - steminstellingen (p. 114)
Audio en media - algemene audio-instellingen (p. 389)
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
•
•
MY CAR - klimaatinstellingen (p. 115)
MY CAR- systeeminstellingen
MY CAR - informatie (p. 116)
De menu-optie systeeminstellingen in menugroep MY CAR hanteert functies als tijd en
taal.
Systeemopties
Zie
Tijd
(p. 69)
Hier stelt u de klok in op het
instrumentenpaneel.
Tijdopmaak
12u
24u
Screensaver
Aan
Uit
Bij selectie van deze optie wordt
de schermweergave automatisch
vervangen door een leeg scherm,
wanneer u enige tijd geen
schermfunctie gebruikt.
De actuele schermweergave verschijnt echter weer, wanneer u
gebruik maakt van een van de
knoppen of bedieningselementen
van het beeldscherm.
Taal
Geeft de taal voor de menuteksten aan.
Hulptekst weergeven
Aan
Uit
03
Bij markering van deze optie verschijnt uitleg bij de actuele
schermweergave.
Afstands-/ verbruikseenheid
MPG (UK)
(p.
125)
MPG (US)
km/l
l/100km
Temperatuureenheid
Celsius
(p.
138)
Fahrenheit
Geeft de eenheid aan voor weergave van de buitentemperatuur
en instelling van de klimaatregeling.
113
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
Volumes
Volume mededelingen
Volume voor parkeerhulp vóór
Volume voor parkeerhulp achter
(p.
429),
(p.
253)
en (p.
411)
Beltoonvolume
03
Systeemopties resetten
Van alle menu’s onder Systeemopties worden de fabrieksinstellingen hervat.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
•
MY CAR (p. 106)
MY CAR - Auto-instellingen (p. 110)
MY CAR - rij-assistentiesystemen (p. 112)
MY CAR- systeeminstellingen (p. 113)
MY CAR - steminstellingen (p. 114)
Audio en media - algemene audio-instellingen (p. 389)
MY CAR - klimaatinstellingen (p. 115)
MY CAR - informatie (p. 116)
MY CAR - steminstellingen
De menu-optie Steminstellingen in menugroep MY CAR hanteert functies als Spraakinstellingen en Commandolijst voor steminstelling.
Spraakinstellingen
Alleen in een auto met Volvo gps-navigatiesysteem RTI*, zie desbetreffende handleiding.
Spraakintroductie
Deze menu-optie + OK levert gesproken
informatie op over de werking van het systeem.
Lijst van spraakcommando's
Telefooncommando's
Telefoon
Telefoon kies contact
Telefoon kies nummer
Navigatiecommando's
Navigatie
Navigatie herhaal
spraakbegeleiding
Navigatie ga naar adres
Algemene commando's
Help
Annuleer
Spraakintroductie
De menu-opties onder Telefooncommando's geven enkele voorbeelden van de
beschikbare gesproken commando’s –
alleen in combinatie met een geïnstalleerde
mobiele telefoon met Bluetooth®-aansluiting. Voor meer (gedetailleerde) informatie zie Bluetooth®*-handsfreesysteem - overzicht (p. 417).
De menu-opties onder Navigatiecommando's geven enkele voorbeelden van
de beschikbare gesproken commando’s in
het navigatiesysteem.
114
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Gebruikersinstelling spraaksystem
Standaardinstellingen
Gebruiker 1
Gebruiker 2
Hier kunt u een tweede gebruikersprofiel
aanmaken – handig wanneer meerdere
personen regelmatig gebruik maken van de
auto en het systeem. Standaardinstellingen reset naar de fabrieksinstelling.
Volume mededelingen
Er verschijnt een volumeregeling op het
scherm – doe in dat geval het volgende:
1. Stel het volume bij met het duimwiel.
2. Met OK kunt u bij wijze van proef een
stukje beluisteren.
3. Met EXIT kunt u de instelling opslaan
en het menu verlaten.
POI-lijst voor spraaksysteem
Wijzig lijst
Spraaktraining
Gebruiker 1
Gebruiker 2
Met Spraaktraining biedt u het stembedieningssysteem de gelegenheid om
bekend te raken met de stem en uitspraak
van de bestuurder. Op het scherm verschijnen enkele zinnen die u vervolgens
moet inspreken. Zodra het systeem
bekend is met uw manier van spreken, verschijnen er geen zinnen meer. Daarna kunt
u bijvoorbeeld Gebruiker 1 in Gebruikersinstelling spraaksystem kiezen om
te zorgen dat het systeem naar de commando’s van de juiste gebruiker luistert.
Het aantal faciliteiten is groot en verschilt
per markt. Er kunnen maximaal 30 favoriete faciliteiten worden opslagen in deze
lijst.
Voor meer informatie over faciliteiten en
stembediening – zie de gebruikershandleiding bij het navigatiesysteem.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
MY CAR (p. 106)
MY CAR - Auto-instellingen (p. 110)
MY CAR - rij-assistentiesystemen (p. 112)
MY CAR - klimaatinstellingen
De menu-optie klimaatinstellingen in menugroep MY CAR hanteert functies als de ventilatieaanpassing en de recirculatie.
Klimaatinstellingen
Zie
Autom. ventilatorinstellingen
(p. 138), (p.
140), (p. 100)
en (p. 131)
Normaal
03
Hoog
Laag
Timer voor
hercirculatie
Aan
(p. 138), (p.
140), (p. 100)
en (p. 131)
Uit
Aut. achterruitverwarming
Aan
(p. 138), (p.
140), (p. 100)
en (p. 131)
Uit
MY CAR- systeeminstellingen (p. 113)
Audio en media - algemene audio-instellingen (p. 389)
MY CAR - klimaatinstellingen (p. 115)
MY CAR - informatie (p. 116)
115
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
Luchtkwaliteitssysteem
Aan
(p. 138), (p.
140), (p. 100)
en (p. 131)
Uit
Klimaatinstellingen resetten
03
Van alle menu’s onder
Klimaatinstellingen
worden de fabrieksinstellingen hervat.
(p. 138), (p.
140), (p. 100)
en (p. 131)
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
MY CAR (p. 106)
MY CAR - Auto-instellingen (p. 110)
MY CAR - rij-assistentiesystemen (p. 112)
MY CAR- systeeminstellingen (p. 113)
MY CAR - steminstellingen (p. 114)
Audio en media - algemene audio-instellingen (p. 389)
MY CAR - informatie (p. 116)
MY CAR - informatie
Boordcomputer
De menu-optie Informatie in menugroep MY
CAR hanteert functies als Aantal sleutels en
VIN-nummer.
De boordcomputer van de auto registreert,
verwerkt en toont informatie.
Informatie
Zie
Aantal sleutels
(p. 163)
VIN-nummer
(p. 452)
DivX® VOD-code
(p. 406)
Bluetooth-softwareversie in auto
(p. 419)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Na de automatische activering van het instrumentenpaneel bij ontgrendeling zijn bediening
en instelling meteen mogelijk. Als u na het
openen van het bestuurdersportier niet binnen ca. 30 seconden op een van de boordcomputerknoppen drukt, dooft het instrument, waarna om opnieuw de boordcomputer
te kunnen bedienen eerst sleutelstand II (p.
72) of motorstart vereist is.
N.B.
Als er een waarschuwingsmelding verschijnt tijdens het gebruik van de boordcomputer, dient u deze melding eerst te
bevestigen voordat u de boordcomputer
weer kunt activeren.
Kaart- en softwareversie*
Alleen in auto's met Volvo's
navigatiesysteem* - zie het
aparte supplement.
•
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
116
Algemeen
MY CAR (p. 106)
MY CAR - Auto-instellingen (p. 110)
MY CAR - rij-assistentiesystemen (p. 112)
MY CAR- systeeminstellingen (p. 113)
MY CAR - steminstellingen (p. 114)
Audio en media - algemene audio-instellingen (p. 389)
MY CAR - klimaatinstellingen (p. 115)
Bevestig deze melding door de knop
OK op de richtingaanwijzerhendel kort
in te drukken.
Groepsmenu’s
De boordcomputer heeft twee verschillende
groepsmenu’s:
•
•
Functies
Rubriek op instrumentenpaneel
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
De functies of alternatieve rubrieken van de
boordcomputer volgen elkaar op in elk hun
eigen lus (loop).
Gerelateerde informatie
•
Boordcomputer - analoog instrumentenpaneel (p. 118)
•
Boordcomputer - digitaal instrumentenpaneel (p. 122)
•
•
Boordcomputer - functies (p. 125)
03
Boordcomputer - rijstatistiek* (p. 126)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
117
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Boordcomputer - analoog
instrumentenpaneel
De boordcomputer van de auto registreert,
verwerkt en toont informatie.
Functies
Doe het volgende om functies te openen en
regelen/aanpassen:
1. Om er zeker van dat geen van de bedieningselementen zich midden in een procedure bevindt, moet u ze eerst ‘resetten’
door 2 keer drukken op RESET te drukken.
2. Druk op OK - de lus met de verschillende
functies wordt geopend.
03
3. Blader de functies door met het duimwiel
en kies/bevestig uw keuze met OK.
4. Sluit af door na de bediening/aanpassing
2 keer op RESET te drukken.
Informatiedisplay en bedieningselementen.
OK - Lus met de boordcomputerfuncties
starten en gemarkeerde optie activeren.
Duimwiel - Lus met de boordcomputerfuncties starten en opties doorbladeren.
RESET - Gekozen functie annuleren,
resetten of verlaten.
118
De volgende tabel geeft een overzicht van de
verschillende boordcomputerfuncties:
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Functies
Informatie
Digit. snlhd.
Geeft de rijsnelheid digitaal weer in het midden van het instrumentenpaneel:
- km/h
•
- mph
Open een functie met OK, kies een optie met het duimwiel, bevestig uw keuze met OK en
verlaat de functie met ENTER.
Geen aanduiding
Verwarming*
DIRECTE START
Voor een beschrijving van het programmeren van de timer, zie Motor- en interieurverwarming* timers (p. 145).
03
- Timer 1 - voert naar het menu voor selectie
van het tijdstip.
- Timer 2 - voert naar het menu voor selectie
van het tijdstip.
Extra verw.*
Voor meer informatie, zie Extra verwarming* (p. 147).
– Aut Aan
– Uit
TC-opties
Actieradius op tank
Brandstofverbruik
Gemiddelde snelheid
- Dagteller T1 en tot afst
- Dagteller T2 en tot afst
Servicestatus
Hier kiest/activeert u de opties die als boordcomputerrubrieken beschikbaar moeten zijn. De
symbolen voor reeds gekozen rubrieken zijn WIT en voorzien van een ‘vinkje’, bij de rest die
GRIJS is ontbreekt het ‘vinkje’.
1. Open de functie met OK, blader met het duimwiel de optiesymbolen door en stop met bladeren bij het symbool van uw keuze om het te markeren.
2. Bevestig uw keuze met OK - het symbool verkleurt van GRIJS naar WIT en wordt voorzien
van een ‘vinkje’.
3. Kies meer functiesymbolen met het duimwiel of sluit af met RESET.
Geef het resterend aantal maanden en het aantal kilometers tot de eerstvolgende servicebeurt
aan.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
119
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
A
03
Functies
Informatie
OliepeilA
Voor meer informatie, zie Motorolie - controleren en bijvullen (p. 346).
Meldingen (##)
Voor meer informatie, zie Meldingen (p. 105).
Bepaalde motoren.
Rubrieken
U kunt een van de rubrieken in de volgende
tabel uitkiezen voor constante weergave op
het instrumentenpaneel. Doe het volgende
om een keuze te maken:
3. Stop met bladeren bij de rubriek van uw
keuze.
2. Draai aan het duimwiel - de te kiezen
boordcomputerrubrieken liggen in een
lus.
Boordcomputerrubriek op instrumentenpaneel
Informatie
Dagtellers T1 en tot afst
•
RESET lang indrukken om dagteller T1 op nul te stellen.
Dagtellers T2 en tot afst
•
RESET lang indrukken om dagteller T2 op nul te stellen.
Afst. tot leeg
Voor meer informatie, zie Boordcomputer (p. 116), ‘Actieradius op tank’.
Brandstofvrbr
Huidig verbruik.
Gem. snelh.
•
Geen boordcomputerinformatie.
Bij deze optie blijft het display leeg - dit geeft tevens het ‘begin’/‘einde’ van de lus aan.
Tijdens het rijden kunt u op ieder gewenst
moment een andere boordcomputerrubriek
120
1. Om er zeker van dat geen van de bedieningselementen zich midden in een procedure bevindt, moet u ze eerst ‘resetten’
door 2 keer drukken op RESET te drukken.
RESET lang indrukken om Gem. snelh. op nul te stellen.
voor het instrumentenpaneel kiezen: Ga als
volgt te werk:
•
Draai aan het duimwiel - stop met bladeren bij de rubriek van uw keuze.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Boordcomputer op nul zetten - analoog
instrumentenpaneel
Dagtellers en gemiddelde snelheid
Met de actuele boordcomputerrubriek - Dagteller T1, Dagteller T2 of Gemiddelde snelheid
- op het instrumentenpaneel:
•
RESET lang indrukken - gekozen rubriek
wordt op nul gesteld.
03
U moet iedere rubriek apart op nul stellen.
Eenheid wijzigen
Om de eenheid (km/miles) te wijzigen waarin
de afstand en snelheid worden weergegeven
– ga naar MY CAR Instellingen
Systeemopties Afstands-/
verbruikseenheid, zie Boordcomputer - rijstatistiek* (p. 126).
Gerelateerde informatie
•
Boordcomputer - digitaal instrumentenpaneel (p. 122)
•
•
Boordcomputer - functies (p. 125)
Boordcomputer - rijstatistiek* (p. 126)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
121
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Boordcomputer - digitaal
instrumentenpaneel
De boordcomputer van de auto registreert,
verwerkt en toont informatie.
Functies
Doe het volgende om functies te openen en
regelen/aanpassen:
1. Om er zeker van dat geen van de bedieningselementen zich midden in een procedure bevindt, moet u ze eerst ‘resetten’
door 2 keer op RESET te drukken.
2. Druk op OK - de lus met de verschillende
functies wordt geopend.
03
3. Blader de functies door met het duimwiel
en kies/bevestig uw keuze met OK.
4. Sluit af door na de bediening/aanpassing
2 keer op RESET te drukken.
De volgende tabel geeft een overzicht van de
verschillende boordcomputerfuncties:
Informatiedisplays en bedieningselementen.
OK - Lus met de boordcomputerfuncties
starten en gemarkeerde optie activeren.
Duimwiel - Lus met de boordcomputerfuncties starten en opties doorbladeren.
RESET - Gekozen functie annuleren,
resetten of verlaten.
Functies
Informatie
Boordcomp reset
Let erop dat deze functie de beide dagtellers T1 en T2 niet reset - zie de tabel onder het
kopje ‘Rubrieken’ verderop.
- Gemiddeld
- Gemiddelde snelheid
Meldingen
122
Voor meer informatie, zie Meldingen (p. 105).
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Functies
Informatie
Thema's
Hier kiest u het uiterlijk van het instrumentenpaneel, zie Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht (p. 61).
Instellingen*
Kies Aut Aan of Uit.
Voor meer informatie, zie Extra verwarming* (p. 147).
Contraststand/Kleurstand
Lichtsterkte en kleurtemperatuur van het instrumentenpaneel instellen.
Standkachel*
Voor een beschrijving van het programmeren van de timer, zie Motor- en interieurverwarming* - timers (p. 145).
- Directe start
03
- Symbool Timer 1 - voert naar het menu voor
selectie van het tijdstip.
- Symbool Timer 2 - voert naar het menu voor
selectie van het tijdstip.
A
Servicestatus
Geef het resterend aantal maanden en het aantal kilometers tot de eerstvolgende servicebeurt aan.
OliepeilA
Voor meer informatie, zie Motorolie - controleren en bijvullen (p. 346).
Bepaalde motoren.
Rubrieken
Er kunnen drie boordcomputerrubrieken tegelijk worden weergegeven: één op elk van drie
‘vensters’ (zie bovenstaande afbeelding).
U kunt een van de rubriekcombinaties in de
volgende tabel uitkiezen voor constante
weergave op het instrumentenpaneel. Doe
het volgende om een keuze te maken:
1. Om er zeker van dat geen van de bedieningselementen zich midden in een pro-
cedure bevindt, moet u ze eerst ‘resetten’
door 2 keer op RESET te drukken.
2. Draai aan het duimwiel - de te kiezen
rubriekcombinaties worden in een lus
weergegeven.
3. Stop met bladeren bij de rubriekcombinatie van uw keuze.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
123
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
Rubriekcombinaties
Informatie
Gemiddeld
Dagteller T1 + Kilometerstand
Gemiddelde snelheid
•
RESET lang indrukken om dagteller T1 op nul te stellen.
Huidig verbruik
Dagteller T2 + Kilometerstand
Actieradius op tank
•
RESET lang indrukken om dagteller T2 op nul te stellen.
Huidig verbruik
Kilometerstand
kmh<>mph
03
Geen boordcomputerinformatie.
Tijdens het rijden kunt u op ieder gewenst
moment een andere rubriekcombinatie voor
de boordcomputer op het instrumentenpaneel kiezen: Ga als volgt te werk:
•
Draai aan het duimwiel - stop met bladeren bij de rubriek van uw keuze.
Boordcomputer op nul zetten - digitaal
instrumentenpaneel
Bij deze optie doven alle drie de boordcomputerdisplays - dit geeft
tevens het ‘begin’/‘einde’ aan van de lus.
1. Kies de functie Boordcomp
reset en activeer deze met OK.
- km/h
- Allebei resetten
Draai met het duimwiel naar de rubriekcombinatie die de op nul te stellen dagteller
bevat:
Eenheid wijzigen
Gemiddelde snelheid & Brandstofverbruik
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Een wijziging van deze eenheden is niet
alleen van toepassing op de boordcomputer maar ook op Volvo’s RTI-navigatiesysteem*.
- l/100 km
Dagtellers
RESET lang indrukken - gekozen dagteller wordt op nul gesteld.
N.B.
2. Kies een van de volgende opties met het
duimwiel en activeer deze met OK:
3. Sluit af met RESET.
•
124
kmh<>mph - ‘Snelheidsaanduiding digitaal’, zie Boordcomputer - functies (p. 125).
Om de eenheid (km/miles) te wijzigen waarin
de afstand en snelheid worden weergegeven
– ga naar MY CAR Instellingen
Systeemopties Afstands-/
verbruikseenheid, zie Boordcomputer - rijstatistiek* (p. 126).
Dagtellers
Draai met het duimwiel naar de rubriekcombinatie die de op nul te stellen dagteller
bevat:
•
RESET lang indrukken - gekozen dagteller wordt op nul gesteld.
Gerelateerde informatie
•
Boordcomputer - analoog instrumentenpaneel (p. 118)
•
•
Boordcomputer - functies (p. 125)
Boordcomputer - rijstatistiek* (p. 126)
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Boordcomputer - functies
Bereik - actieradius op tank
Eenheid wijzigen
De boordcomputer van de auto kan informatie
registreren, verwerken en weergeven. Hier
volgt een beschrijving van Gemiddeld en
Gemiddelde snelheid.
De boordcomputer geeft de afstand aan die
bij benadering kan worden afgelegd met de
resterende hoeveelheid brandstof in de tank.
Om de eenheid (metrisch/Engels) te wijzigen
waarin de afstand en snelheid worden weergegeven – ga naar MY CAR Instellingen
Systeemopties Afstands-/
verbruikseenheid, zie MY CAR- systeeminstellingen (p. 113).
Gemiddeld
Het gemiddelde brandstofverbruik sinds de
laatste maal dat de waarde op nul gesteld
werd.
N.B.
Er kunnen onjuiste waarden verschijnen
als er een verwarming op brandstof* is
gebruikt.
Gemiddelde snelheid
De gemiddelde snelheid voor de afgelegde
afstand sinds de laatste nulstelling van de
waarde.
Momentaan
De waarde voor het huidige verbruik wordt
voortdurend (ongeveer eenmaal per seconde)
bijgewerkt. Op lage snelheden wordt het verbruik weergegeven per eenheid van tijd – op
hoge snelheden verschijnt het verbruik per
eenheid van lengte.
U kunt verschillende eenheden (km/miles) kiezen voor de aanduiding – zie onder het kopje
‘Eenheid wijzigen’ verderop.
31
Wanneer de melding Afst. tot leeg ‘----’ verschijnt, zijn geen garanties meer te geven
voor de resterende actieradius.
•
Tank dan zo spoedig mogelijk.
N.B.
De actieradius wordt berekend aan de hand
van het gemiddelde brandstofverbruik over
de laatste 30 km en de resterende hoeveelheid brandstof.
N.B.
Er kunnen onjuiste waarden verschijnen,
als u van rijstijl bent veranderd.
Een zuinige rijstijl betekent doorgaans een
langere actieradius. Voor meer informatie
over hoe u het brandstofverbruik kunt beïnvloeden, zie Milieubeleid van Volvo Car Corporation (p. 20).
03
Een wijziging van deze eenheden is niet
alleen van toepassing op de boordcomputer maar ook op Volvo’s RTI-navigatiesysteem*.
Gerelateerde informatie
•
Boordcomputer - analoog instrumentenpaneel (p. 118)
•
Boordcomputer - digitaal instrumentenpaneel (p. 122)
•
Boordcomputer - rijstatistiek* (p. 126)
Snelheidsaanduiding Digital31
De snelheid wordt weergegeven in de eenheid (km/h / mph) die niet op het hoofdinstrument wordt gebruikt. Gebruik het hoofdinstrument mph als eenheid, dan wordt de snelheid
in km/h weergegeven op de boordcomputer
en omgekeerd.
Alleen voor instrumentenpaneel "Digital".
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
125
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Boordcomputer - rijstatistiek*
Bediening
Er wordt informatie vastgelegd over het
gemiddelde brandstofverbruik en de gemiddelde snelheid tijdens eerdere ritten. Deze
informatie is weer te geven op het beeldscherm in de vorm van een staafdiagram.
In het menusysteem MY CAR kunt u een
instelling verrichten:
MY CAR
My V40
Verbruiksinfo:
• Nieuwe rit starten – met ENTER wist u
alle eerdere statistieken. Verlaat het menu
met EXIT.
Functie
• Elke rijcyclus resetten – markeer het
03
vakje met ENTER en verlaat het menu
met EXIT.
Met de optie ‘Elke rijcyclus resetten’
gemarkeerd worden alle statistieken automatisch gewist, als de auto na afloop van de rit
4 uur stilgestaan heeft. De volgende keer dat
u de motor start begint de rijstatistiek weer
vanaf nul.
Rijstatistiek32.
Afhankelijk van de gekozen schaalverdeling
symboliseert elke staaf een afgelegde afstand
van 1 km of 10 km – de staaf helemaal rechts
geeft de actuele waarde aan voor een afstand
van 1 of 10 km.
Met de knop TUNE kunt u voor elke staaf van
schaal wisselen tussen 1 km en 10 km – de
aanwijzer rechts wisselt afhankelijk van de
gekozen schaal tussen een positie bovenaan
of onderaan.
32
126
Als u een nieuwe rijcyclus start voordat de
4 uur zijn verstreken, moet u de actuele
periode eerst handmatig wissen via de optie
‘Nieuwe rit starten’.
Zie ook de informatie over Eco guide (p. 64).
Gerelateerde informatie
•
Boordcomputer - analoog instrumentenpaneel (p. 118)
•
Boordcomputer - digitaal instrumentenpaneel (p. 122)
•
Boordcomputer - functies (p. 125)
De afbeelding is schematisch – afhankelijk van de softwareversie en het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
KLIMAAT
04 Klimaat
Algemene informatie over de
klimaatregeling
De auto is voorzien van elektronische klimaatregeling. De klimaatregeling zorgt ervoor dat
de lucht in het interieur gekoeld, verwarmd of
van vocht ontdaan wordt.
Er zijn twee soorten klimaatregelingen:
•
Elektronische temperatuurregeling
(ETC) (p. 135)
•
Elektronische klimaatregeling (ECC) (p.
134)
04
•
Maak in eerste instantie gebruik van de
ontwasemingsfunctie (p. 139) om condens van de binnenkant van de ruiten te
verwijderen. Houd de binnenzijde van de
ruiten schoon om het risico te beperken
dat ze beslaan.
•
In warme weersomstandigheden kan er
ter hoogte van de airconditioning een
plasje water onder de auto ontstaan. Dit
is volkomen normaal.
•
Wanneer de motor het maximale vermogen nodigt heeft (bijvoorbeeld als u
volgas optrekt of met een aanhanger achter de auto een helling oprijdt), is het
mogelijk dat de airconditioning tijdelijk
wordt uitgeschakeld. Er kan dan een tijdelijke temperatuurstijging optreden.
•
Bij automatische motorstop (p. 287)
(auto’s met Start/Stop*) gelden er mogelijk beperkingen voor de werking van
bepaalde apparatuur (zoals de airconditioning van de klimaatregeling en de ventilatorsnelheid).
N.B.
U kunt de airconditioning (AC) uitschakelen, maar voor optimaal klimaatcomfort in
de passagiersruimte en om te voorkomen
dat de ruiten beslaan dient u de airconditioning altijd te laten aanstaan.
Waar u op moet letten:
•
Voor optimale werking van de airconditioning moet u de zijruiten gesloten houden.
•
Bij warm weer kunt u de doorluchtfunctie
(p. 180) gebruiken om alle zijruiten tegelijk korte tijd te openen en weer te sluiten
en op die manier snel voor frisse lucht in
de auto te zorgen.
•
128
Veeg sneeuw en ijs van de luchtinlaat
voor de klimaatregeling (de opening tussen de motorkap en de voorruit).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
Werkelijke temperatuur (p. 129)
Sensoren - klimaat (p. 129)
Menu-instellingen - klimaat (p. 131)
Airconditioning (p. 139)
Luchtverdeling passagiersruimte (p. 132)
Luchtreiniging (p. 129)
Elektrische stoelverwarming voor* (p.
136)
•
Elektrische achterbankverwarming* (p.
136)
04 Klimaat
Werkelijke temperatuur
Sensoren - klimaat
Luchtreiniging
De ingestelde interieurtemperatuur komt overeen met de gevoelstemperatuur op basis van
de heersende omstandigheden in en rond de
auto wat de luchtsnelheid, de luchtvochtigheidsgraad, de ingestraalde warmte enz.
betreft.
De klimaatregeling beschikt over enkele sensoren om de temperatuur (p. 129) in de auto
te regelen.
Het interieur werd dusdanig vormgegeven dat
het gerieflijk en comfortabel is – ook voor
mensen met contactallergieën of astma.
•
•
•
•
Het systeem beschikt over een zonnesensor
(p. 129) die de stand van de zon registreert.
Daardoor kan1 de temperatuur van de lucht
uit de blaasmonden links en rechts afwijken,
ondanks dat de temperatuurknoppen voor de
beide zijden in dezelfde stand staan.
•
De interieurtemperatuursensor zit onder
het bedieningspaneel van de klimaatregeling.
•
De buitentemperatuursensor zit in de buitenspiegel.
N.B.
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 128)
•
Temperatuurregeling passagiersruimte (p.
138)
1
De zonnesensor zit boven op het dashboard.
Bedek of blokkeer de sensoren niet met
kledingstukken of andere voorwerpen.
•
Interieurfilter (p. 130)
Materiaal in de passagiersruimte (p. 131)
Clean Zone Interior Package (CZIP) (p.
130)*
Interior Air Quality System (IAQS) (p.
131)*
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 128)
04
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 128)
Geldt alleen voor ECC.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
129
04 Klimaat
Luchtreiniging - interieurfilter
Alle lucht die de passagiersruimte binnenkomt
wordt gereinigd door een filter.
Vervang het filter regelmatig. Raadpleeg het
Serviceprogramma van Volvo voor het aanbevolen vervangingsinterval. In zeer sterk verontreinigde gebieden moet u het filter mogelijk vaker vervangen.
Luchtreiniging - Clean Zone Interior
Package (CZIP)*
CZIP bestaat uit een aantal aanpassingen
zodat er minder stoffen in het interieur verwerkt die allergieën en/of astma kunnen verwekken.
Het volgende is inbegrepen:
•
N.B.
Er zijn verschillende soorten interieurfilters.
Let erop dat het juiste filter wordt gemonteerd.
04
Gerelateerde informatie
•
130
Luchtreiniging (p. 129)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
N.B.
Om de CZIP-standaard in auto’s met CZIP
te behouden, dient het IAQS-luchtfilter om
de 15.000 km of tenminste eenmaal per
jaar te worden vervangen (afhankelijk van
wat het eerst wordt bereikt). Echter, maximaal 75.000 km per 5 jaar. In auto's zonder CZIP en als de klant niet de CZIP-standaard wil behouden, moet het IAQS-filter
bij een normale servicebeurt worden vervangen.
•
Een geavanceerde ventilatorfunctie die
inhoudt dat de ventilator aanslaat wanneer de auto via de transpondersleutel
wordt ontgrendeld. De ventilator vult het
interieur op die manier met verse lucht.
De functie start als dat nodig is en stopt
na bij het openen van een van de portieren. Bij inactiviteit wordt de functie na
enige tijd automatisch beëindigd.
Het Interior Air Quality System IAQS (p.
131) is een volautomatisch systeem dat
de lucht in de passagiersruimte ontdoet
van verontreinigingen in de vorm van
stofdeeltjes, koolwaterstoffen, stikstofoxiden en laaghangend ozon.
Zie voor meer informatie over CZIP de brochure die u bij aankoop hebt ontvangen.
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 128)
•
Luchtreiniging (p. 129)
04 Klimaat
Luchtreiniging - IAQS*
Luchtreiniging - materiaal
Menu-instellingen - klimaat
Het Interior Air Quality System (IAQS) ontdoet
de binnenkomende lucht van gassen en stofdeeltjes om zo hinderlijke geurtjes en verontreinigingen in de passagiersruimte te beperken.
De gebruikte materialen zijn erop geselecteerd de hoeveelheid stof in de passagiersruimte te beperken, zodat de passagiersruimte gemakkelijker schoon te houden is.
Het is mogelijk de basisinstellingen voor vier
van de klimaatregelingsfuncties te activeren/
deactiveren of wijzigen via de middenconsole.
Bij een verontreinigde buitenlucht wordt de
luchtinlaat afgesloten om koolwaterstoffen,
stikstofoxiden en laaghangend ozon buiten
de auto te houden. De lucht in de passagiersruimte wordt dan gerecirculeerd.
Activeer/deactiveer de functie in het menusysteem MY CAR onder Instellingen
Klimaatinstellingen
Luchtkwaliteitssysteem.
N.B.
Voor de beste lucht in het interieur moet
de luchtkwaliteitssensor altijd zijn ingeschakeld.
In een koud klimaat is de automatische
recirculatie beperkt om het beslaan van de
ruiten te voorkomen.
De vloerbekleding in zowel de passagiersruimte als de bagageruimte zijn eenvoudig te
verwijderen en schoon te maken. Gebruik de
door Volvo geadviseerde schoonmaakmiddelen en autoverzorgingsproducten voor het reinigen van het interieur (p. 378).
Gerelateerde informatie
•
Luchtreiniging (p. 129)
•
Ventilatorstand bij automatische klimaatregeling (p. 138)*.
•
•
Recirculatietimer (p. 140).
•
Interior Air Quality System (p. 131)*.
Automatische achterruitverwarming (p.
100).
Er staat meer informatie in de beschrijving
van het menusysteem (p. 106).
04
De basisinstellingen voor de klimaatregelingsfuncties zijn te herstellen via het menusysteem MY CAR en wel onder: Instellingen
Klimaatinstellingen Klimaatinstellingen
resetten.
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 128)
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 128)
•
•
Luchtreiniging (p. 129)
Luchtreiniging - Clean Zone Interior Package (CZIP)* (p. 130)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
131
04 Klimaat
Luchtverdeling passagiersruimte
Blaasmonden in dashboard
Luchtverdeling
De binnenkomende lucht wordt verdeeld over
uiteenlopende blaasmonden verspreid over
het interieur.
04
In de stand AUTO* vindt de luchtverdeling
geheel automatisch plaats.
De luchtverdeling valt zo nodig handmatig bij
te regelen, zie luchtverdelingstabel (p. 142).
Open
Luchtverdeling - ontwaseming voorruit
Dicht
Luchtverdeling - blaasmond dashboard
Luchtstroom naar links of rechts
Luchtverdeling - ventilatie vloer
Luchtstroom omhoog of omlaag
Richt de blaasmonden op de zijruiten om
deze te ontwasemen.
N.B.
Denk eraan dat kleine kinderen gevoelig
kunnen zijn voor luchtstromen en tocht.
132
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
De gestileerde menselijke gedaante op de
nevenstaande afbeelding bestaat uit drie
knoppen. Bij bediening van de knoppen gaat
op het beeldscherm het desbetreffende
gedeelte van de gestiliseerde menselijke
gedaante (zie onderstaande afbeelding) branden samen met een pijl vóór dit gedeelte om
aan te geven welke luchtverdelingsstand er
gekozen is. Voor meer informatie, zie de
luchtverdelingstabel (p. 142).
04 Klimaat
Het display van de middenconsole geeft de
gekozen luchtverdelingsstand aan.
04
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 128)
•
•
Automatische regeling (p. 138)
Luchtverdeling - recirculatie (p. 140)
133
04 Klimaat
Elektronische klimaatregeling, ECC*
ECC (Electronic Climate Control) behoudt de
temperatuur die in het interieur wordt gekozen
en kan voor de bestuurders- en passagierszijde apart worden ingesteld.
04
Ventilator (p. 137)
AUTO - Automatische klimaatregeling (p.
138)
Elektrische stoelverwarming voor (p.
136), linkerkant
Elektrische voorruitverwarming en maximale ontwaseming (p. 139)*
Temperatuurregeling (p. 138) linker-/
rechterkant instellen
Elektrische stoelverwarming voor (p.
136), rechterkant
Temperatuurregeling (p. 138)
Luchtverdeling (p. 132) - ventilatie vloer
Recirculatie (p. 140)
Luchtverdeling - blaasmond dashboard
AC - Airconditioning aan/uit (p. 139)
Luchtverdeling - ontwaseming voorruit
134
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming (p. 100)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Met de autofunctie worden temperatuur, airconditioning, ventilatorsnelheid, recirculatie
en luchtverdeling automatisch geregeld.
04 Klimaat
Elektronische temperatuurregeling ETC
Met ETC (Electronic Temperature Control) is
het klimaat handmatig te regelen.
04
Ventilator (p. 137)
Elektrische stoelverwarming voor (p.
136), linkerkant
AC - Airconditioning aan/uit (p. 139)
Elektrische voorruitverwarming en maximale ontwaseming*
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming (p. 100)
Recirculatie (p. 140)
Elektrische stoelverwarming voor (p.
136), rechterkant
Temperatuurregeling (p. 138)
Luchtverdeling (p. 132) - ventilatie vloer
Luchtverdeling - blaasmond dashboard
Luchtverdeling - ontwaseming voorruit
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
135
04 Klimaat
Elektrische stoelverwarming voor*
•
De verwarming van de voorstoelen heeft drie
standen om het zitcomfort voor bestuurder en
voorpassagier bij kou te verhogen.
Laagste verwarmingsstand - er brandt
één oranje veld op het beeldscherm.
•
Verwarming uitschakelen - geen van de
velden brandt.
Elektrische achterbankverwarming*
De verwarming op de buitenste zitplaatsen
van de achterbank heeft drie standen om het
zitcomfort bij kou te verhogen.
WAARSCHUWING
Een elektrisch verwarmde stoel mag niet
worden gebruikt door personen die niet
goed kunnen voelen dat de temperatuur
toeneemt of die om een andere reden
moeilijkheden hebben om de elektrisch
verwarmde stoel te bedienen. Er kunnen
dan namelijk brandwonden ontstaan.
04
Gerelateerde informatie
Het display van de middenconsole geeft het
actuele verwarmingsniveau aan.
136
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 128)
•
Elektrische achterbankverwarming* (p.
136)
De lampjes in de drukknoppen geven het actuele
verwarmingsniveau aan:
Druk herhaalde malen op de knop voor het
volgende:
•
Hoogste verwarmingsstand - er branden
drie lampjes.
•
Lagere verwarmingsstand - er branden
twee lampjes.
Druk herhaalde malen op de knop voor het
volgende:
•
Laagste verwarmingsstand - er brandt
één lampje.
•
Hoogste verwarmingsstand - er branden
drie oranje velden op het beeldscherm
van de middenconsole (zie bovenstaande
afbeelding).
•
Verwarming uitschakelen - geen van de
lampjes brandt.
•
Lagere verwarmingsstand - er branden
twee oranje velden op het beeldscherm.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Klimaat
WAARSCHUWING
Een elektrisch verwarmde stoel mag niet
worden gebruikt door personen die niet
goed kunnen voelen dat de temperatuur
toeneemt of die om een andere reden
moeilijkheden hebben om de elektrisch
verwarmde stoel te bedienen. Er kunnen
dan namelijk brandwonden ontstaan.
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 128)
•
Elektrische stoelverwarming voor* (p. 136)
•
Ventilator
Houd de ventilator altijd geactiveerd om te
voorkomen dat de ruiten beslaan.
Elektronische temperatuurregeling - ETC
(p. 135)
N.B.
Als de ventilator volledig uitgeschakeld is,
start de airconditioning niet – wat kans op
beslagen ruiten kan geven.
ECC*
Draai aan de knop om de
ventilatorsnelheid te verhogen of te verlagen, AUTO
schakelt uit. Als AUTO wordt
gekozen, wordt de ventilatorsnelheid automatisch (p.
138) geregeld. De eerder
ingestelde ventilatorsnelheid wordt gedeactiveerd.
04
ETC
Draai aan de knop om de
ventilatorsnelheid te verhogen of te verlagen.
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 128)
•
Elektronische klimaatregeling, ECC* (p.
134)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
137
04 Klimaat
Automatische regeling
Automatische regeling is alleen mogelijk bij
elektronische klimaatregeling (ECC) (p. 134).
De autofunctie regelt automatisch temperatuur (p.
138), airconditioning (p.
139), ventilatorsnelheid (p.
137), recirculatie (p. 140) en
luchtverdeling (p. 132).
04
Als u een of meer handmatige functies selecteert, worden de overige functies nog steeds
automatisch geregeld. Alle handmatige instellingen worden uitgeschakeld, wanneer u op
de knop AUTO drukt. Op het display verschijnt AUTO-KLIMAAT.
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 128)
Temperatuurregeling
passagiersruimte
Bij het starten van de motor wordt de laatst
verrichte temperatuurinstelling hervat.
N.B.
Het is niet mogelijk om het opwarmen/
afkoelen te versnellen door een hogere/
lagere temperatuur te kiezen dan die
eigenlijk gewenst is.
ECC*
U kunt de ventilatorsnelheid in de automatische stand instellen in het menusysteem MY
CAR onder Instellingen
Klimaatinstellingen Autom.
ventilatorinstellingen. Kies uit Laag,
Normaal of Hoog :
• Laag - Automatische ventilatorregeling.
Geringe luchtstroom geniet de prioriteit.
• Normaal - Automatische ventilatorregeling.
• Hoog - Automatische ventilatorregeling.
Grotere luchtstroom geniet de prioriteit.
Er staat meer informatie in de beschrijving
van het menusysteem (p. 106).
138
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
De actuele temperatuur voor beide zones staat
aangegeven op het display van de middenconsole.
04 Klimaat
Met deze knop kunt u de
temperatuur aan de bestuurders- en passagierszijde
onafhankelijk van elkaar
instellen. Druk meerdere
keren op L/R van de knop
om de instelling voor links,
rechts of beide kanten te kiezen. Stel de temperatuur in met de draaiknop – de gekozen
temperatuur voor beide kanten verschijnt op
het display van de middenconsole.
ETC
Met deze draaiknop kunt u
de temperatuur in de passagiersruimte instellen.
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 128)
•
•
Werkelijke temperatuur (p. 129)
•
Elektronische klimaatregeling, ECC* (p.
134)
Elektronische temperatuurregeling - ETC
(p. 135)
Airconditioning
Voorruit ontwasemen en ontdooien
De airconditioning koelt en droogt zo nodig
de binnenkomende lucht.
U kunt de elektrische voorruitverwarming* en
de maximale ontwaseming gebruiken om de
vooruit en zijruiten snel te ontwasemen en
ontdooien.
Wanneer het lampje in de
knop AC brandt, wordt de
airconditioning geheel automatisch geregeld.
Wanneer het lampje in de
knop AC gedoofd is, is de
airconditioning uitgeschakeld. De overige
functies worden nog steeds automatisch
geregeld. Bij activering van de max. ontwaseming (p. 139) wordt automatisch de airconditioning ingeschakeld, zodat de lucht optimaal
gedroogd wordt.
04
Het display van de middenconsole geeft de
gekozen instelling aan.
Elektrische verwarming*
Max. ontwaseming
Het lampje in de ontwasemingsknop brandt, wanneer
de functie is ingeschakeld.
Druk voor activering van de
functies herhaalde malen op
de knop.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
139
04 Klimaat
||
Voor auto’s zonder elektrische voorruitverwarming:
•
Er stroomt lucht naar de ruiten - op het
beeldscherm brandt het symbool (2).
•
Functie uitschakelen - geen van de symbolen brandt.
Voor auto’s met elektrische voorruitverwarming:
04
•
Elektrische voorruitverwarming2 inschakelen - op het beeldscherm brandt een
symbool (1).
•
Elektrische voorruitverwarming2 inschakelen en lucht naar de ruiten sturen - op
het beeldscherm branden de symbolen
(1) en (2).
•
N.B.
De elektrische voorruitverwarming is niet
beschikbaar, wanneer de motor automatisch is afgezet (p. 287).
Als de functie actief is, vindt bovendien het
volgende plaats om de lucht in de passagiersruimte zoveel mogelijk van vocht te ontdoen:
•
de airconditioning wordt automatisch
ingeschakeld
•
de recirculatie en het Interior Air Quality
System worden automatisch uitgeschakeld.
N.B.
Functie uitschakelen - geen van de symbolen brandt.
De ventilator maakt meer geluid wanneer
de ventilator op maximale snelheid draait.
N.B.
Elektrische voorruitverwarming en een
eventuele IR-film (p. 18) kunnen de prestaties van transponders en andere communicatie-apparatuur beïnvloeden.
N.B.
Bij het uitschakelen van de ontwaseming hervat de klimaatregeling de voorgaande instellingen.
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 128)
Aan de beide uiteinden van de voorruit zitten driehoekige gebieden zonder elektrische verwarming, zodat het ontdooien
daar mogelijk langer duurt.
2
140
Het kompas is uit wanneer de elektrische voorruitverwarming is geactiveerd.
Luchtverdeling - recirculatie
Kies voor recirculatie als u vieze luchtjes, uitlaatgassen en dergelijke buiten wilt houden.
Er komt met andere woorden geen lucht van
buiten de auto in, wanneer deze functie actief
is.
Wanneer de recirculatie
actief is, brandt het oranje
lampje in de knop.
BELANGRIJK
Als de lucht in de auto te lang recirculeert,
kan de binnenzijde van de ruiten beslaan.
Timer
Bij een geactiveerde timerfunctie zal de klimaatregeling afhankelijk van de buitentemperatuur na een bepaalde tijd de handmatig
geactiveerde recirculatiestand verlaten. Dit
beperkt de kans op ijs, beslagen ruiten en
een slechte luchtkwaliteit. Activeer/deactiveer
de functie in het menusysteem (p. 106) MY
CAR onder Instellingen
Klimaatinstellingen Timer voor
hercirculatie.
04 Klimaat
N.B.
Wanneer u voor maximale ontwaseming
kiest, wordt de recirculatie altijd uitgeschakeld.
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 128)
•
•
Luchtverdeling passagiersruimte (p. 132)
Luchtverdeling - tabel (p. 142)
04
141
04 Klimaat
Luchtverdeling - tabel
Met drie knoppen kiest u de gewenste luchtverdeling (p. 132).
04
142
Luchtverdeling
Toepassing
Er stroomt een grote hoeveelheid warme lucht naar de ruiten.
om snel te ontdooien en te ontwasemen.
Lucht naar de voorruit, via de blaasmond voor ontwaseming, en de
zijruiten. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de blaasmonden.
om wasem en ijsvorming bij koud en vochtig weer te
voorkomen (niet te lage ventilatorsnelheid).
Luchtstroom naar de ruiten en uit de blaasmonden van het dashboard.
om een comfortabel klimaat te verkrijgen bij warm en
droog weer.
Luchtstroom op hoofd- en borsthoogte uit de blaasmonden in het
dashboard.
om een efficiënte koeling te verkrijgen bij warm weer.
04 Klimaat
Luchtverdeling
Toepassing
Lucht naar de vloer en de ruiten. Er komt een bepaalde hoeveelheid
lucht uit de blaasmonden in het dashboard.
om een comfortabel klimaat en een goede ontwaseming
te verkrijgen bij koud weer.
Lucht naar de vloer en uit de blaasmonden in het dashboard.
bij zonnig weer en matige buitentemperaturen.
04
Lucht naar de vloer. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de
blaasmonden in het dashboard en op de ruiten.
om warme of koude lucht naar de vloer te sturen.
Luchtstroom naar de ruiten, uit de blaasmonden in het dashboard
en naar de vloer.
om koele lucht naar de vloer te sturen of warme lucht
naar de rest van het lichaam bij koud weer of bij warm
en droog weer.
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 128)
•
Luchtverdeling - recirculatie (p. 140)
143
04 Klimaat
Motor- en interieurverwarming*
Tanken
Middels preconditioning worden motor en
interieur voorverwarmd ter beperking van de
slijtage en het stroomverbruik tijdens de rit. Bij
voorverwarming van de auto verlengt u tevens
de actieradius.
ming automatisch uitgeschakeld en er verschijnt een melding op het display. Bevestig
deze melding door op de knop OK op de
richtingaanwijzerhendel (p. 103) te drukken.
BELANGRIJK
Frequent gebruik van de verwarming tijdens korte ritten kan aanleiding geven tot
een geringe ladingstoestand van de startaccu, waardoor de verwarming mogelijk
wordt uitgeschakeld of helemaal niet aanslaat. In het ergste geval is het niet mogelijk de motor te starten.
De verwarming is direct (p. 145) in te schakelen of vertraagd met een timerfunctie (p.
145).
04
Bij een buitentemperatuur hoger dan 15 °C
wordt de verwarming niet geactiveerd. Bij
temperaturen van –5 °C of lager is de maximale bedrijfstijd van de verwarming 50 minuten.
WAARSCHUWING
Maak geen gebruik van de verwarming op
brandstof in een afgesloten ruimte. Er
komen uitlaatgassen vrij.
N.B.
Bij gebruik van de verwarming op brandstof komt er mogelijk rook vanonder de
auto, wat volkomen normaal is.
WAARSCHUWING
Gemorste brandstof kan vlam vatten.
Schakel voordat u gaat tanken de verwarming op brandstof uit.
Controleer op het instrumentenpaneel of
de verwarming is uitgeschakeld; wanneer
deze werkt, verschijnt het verwarmingssymbool.
Op een helling parkeren
Wanneer u de auto op een steile helling parkeert, moet u ervoor zorgen dat de voorkant
van de auto omlaagwijst. Zo krijgt de verwarming op brandstof altijd voldoende brandstof.
Accu en brandstof
Als de accu onvoldoende opgeladen is of als
het brandstofpeil te laag is, wordt de verwar-
144
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Om te garanderen dat de startaccu met
evenveel energie wordt opgeladen als de
verwarming verbruikt, moet u bij regelmatig gebruik van de verwarming net zolang
met de auto rijden als de verwarming
wordt gebruikt. De verwarming wordt telkens maximaal 50 minuten ingeschakeld.
Waarschuwingssticker op tankvulklep.
Gerelateerde informatie
•
Motor- en interieurverwarming* - meldingen (p. 146)
•
Extra verwarming* (p. 147)
04 Klimaat
Motor- en interieurverwarming* direct inschakelen/uitschakelen
Motor- en interieurverwarming* timers
5. Stel de gewenste uuraanduiding in met
het duimwiel.
Bij directe inschakeling van de motor- en interieurverwarming (p. 144) blijft de verwarming
50 minuten lang draaien.
De timers van de motor- en interieurverwarming (p. 144) zijn gekoppeld aan de klok van
de auto.
6. Druk kort op OK zodat de minuutaanduiding gaat branden.
De interieurverwarming gaat van start, zodra
de koelvloeistof in de motor de juiste temperatuur heeft bereikt.
U kunt twee verschillende uitschakeltijden
instellen met de timerfunctie. Onder de uitschakeltijd wordt het tijdstip verstaan waarop
de auto de gewenste temperatuur bereikt
heeft. De elektronica van de auto rekent aan
de hand van de buitentemperatuur zelf uit
wanneer de verwarming moet worden ingeschakeld.
N.B.
De auto kan worden gestart en rijden, terwijl de verwarming aan is.
1. Druk op de knop OK om het menu te
openen.
2. Ga met het duimwiel naar Verwarming
en maak een keuze met OK.
3. Ga in het volgende menu naar Directe
start/Stop om de verwarming te activeren/deactiveren en bevestig uw keuze
met OK.
4. Verlaat het menu met RESET.
Gerelateerde informatie
•
Motor- en interieurverwarming* - timers
(p. 145)
•
Motor- en interieurverwarming* - meldingen (p. 146)
3
N.B.
Als de klok van de auto wordt verzet,
wordt een eventuele programmering van
de timer gewist.
Instellen
1. Druk op de knop OK om het menu te
openen.
2. Ga met het duimwiel (p. 103) naar
Verwarming en maak een keuze met
OK.
3. Kies een van de beide timers met het
duimwiel en bevestig uw keuze met OK.
4. Druk kort op OK zodat de uuraanduiding
gaat branden.
7. Stel de gewenste minuutaanduiding in
met het duimwiel.
8. Druk op OK3 om de instelling te bevestigen.
9. Met RESET gaat u een stap terug binnen
het menusysteem.
10. Kies de andere timer (ga verder vanaf
punt 2) of verlaat het menu met RESET.
04
Starten
1. Druk op de knop OK om het menu te
openen.
2. Ga met het duimwiel naar Verwarming
en maak een keuze met OK.
3. Kies een van de beide timers met het
duimwiel en activeer deze met OK.
4. Verlaat het menu met RESET.
Uitschakelen
U kunt de timergestuurde verwarming uitschakelen voordat de timer dat doet. Ga als
volgt te werk:
1. Druk op de knop OK om het menu te
openen.
Bij nogmaals indrukken van OK activeert u de timer.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
145
04 Klimaat
||
2. Ga met het duimwiel naar Verwarming
en maak een keuze met OK.
> Als een timer is ingesteld maar niet is
geactiveerd, staat er een klokpictogram naast de ingestelde tijd.
3. Kies een van de beide timers met het
duimwiel en bevestig uw keuze met OK.
4. Schakel de timer als volgt uit:
•
•
04
druk lang op OK of
kort op OK om verder te gaan in het
menu. Kies daarna voor uitschakeling
van de timer en bevestig uw keuze met
OK.
5. Verlaat het menu met RESET.
Een timergestuurde verwarming is ook direct
(p. 145) uit te schakelen.
Gerelateerde informatie
•
Motor- en interieurverwarming* - meldingen (p. 146)
Motor- en interieurverwarming* meldingen
Symbolen en meldingen ten aan zien van de
motor- en interieurverwarming (p. 144) verschillen afhankelijk van de vraag of het om
een analoog (p. 60) of digitaal (p. 61) instrumentenpaneel gaat.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Display
Verwarmingstimer
geactiveerd bij uitnemen transpondersleutel en verlaten van de auto
– motor en passagiersruimte warm
op ingesteld tijdstip.
Wanneer een van de timerfuncties actief is,
brandt het lampje voor een geactiveerde
timer op het informatiedisplay met de ingestelde tijd ernaast.
Symbool voor een geactiveerde
timer op een analoog instrumentenpaneel.
Symbool voor een geactiveerde
timer op een digitaal instrumentenpaneel.
Betekenis
De verwarming is
ingeschakeld en
werkt.
Wanneer de verwarming ingeschakeld is, brandt het verwarmingssymbool op het informatiedisplay.
In de onderstaande tabel staan de voorkomende symbolen en displaymeldingen.
146
Symbool
Brandstofkachel
gestopt
Zuinige
stand
De verwarming
werd uitgeschakeld om te zorgen
dat er voldoende
stroom is om de
motor te starten.
04 Klimaat
Symbool
Display
Betekenis
Gerelateerde informatie
•
Motor- en interieurverwarming* - direct
inschakelen/uitschakelen (p. 145)
Brandstofkachel
gestopt
Brandstofpeil
laag
De verwarming
kan niet worden
ingeschakeld door
een te laag brandstofpeil – dit om
het mogelijk te
maken de motor
te starten en nog
ca. 50 km te rijden.
•
Motor- en interieurverwarming* - timers
(p. 145)
Brandstofkachel Service vereist
Verwarming
defect. Neem voor
reparatie contact
op met een werkplaats. Volvo adviseert u daarvoor
contact op te
nemen met een
erkende Volvowerkplaats.
Extra verwarming*
Voor auto’s met dieselmotor die in landen
worden verkocht met een koud klimaat4 is
wellicht een extra verwarming vereist om de
motor op bedrijfstemperatuur te brengen en
een behaaglijke temperatuur in de passagiersruimte te realiseren.
De auto is in dat geval voorzien van een
•
•
extra verwarming op stroom (p. 148) of
extra verwarming op brandstof (p. 148)5.
Gerelateerde informatie
•
Motor- en interieurverwarming* (p. 144)
04
Een tekstmelding verdwijnt automatisch na
enige tijd. U kunt een melding ook eerder
laten verdwijnen met een druk op de knop
OK van de richtingaanwijzerhendel (p. 103).
4
5
Een erkende Volvo-dealer kan u informeren over de desbetreffende geografische gebieden.
Zie voor auto’s met standverwarming (p. 144).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
147
04 Klimaat
Extra verwarming op brandstof*
De auto is uitgerust met een extra verwarming
(p. 147) op stroom (p. 148) of op brandstof.
De extra verwarming wordt automatisch ingeschakeld, wanneer er extra warmte nodig is
terwijl de motor loopt.
De verwarming wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer het warm genoeg is of wanneer de motor wordt afgezet.
2. Druk op de knop OK om het menu te
openen.
3. Gebruik het duimwiel om naar Extra
verw.6 of Instellingen7 te gaan en maak
een keuze met OK.
4. Kies een van de opties AAN of UIT met
het duimwiel en bevestig uw keuze met
OK.
5. Verlaat het menu met RESET.
N.B.
Als de extra verwarming actief is, kan er
rook onder de auto vandaan komen. Dat is
volledig normaal.
04
Automatische stand of uitschakelen
De automatische startprocedure van de
motor kan desgewenst worden geannuleerd.
N.B.
Volvo adviseert u de extra verwarming op
brandstof uit te schakelen tijdens korte ritten.
1. Alvorens de motor te starten: Kies de
sleutelstand I (p. 72).
6
7
148
N.B.
Analoog instrumentenpaneel.
Digitaal instrumentenpaneel.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
De menu-opties zijn alleen zichtbaar in
contactslotstand I – verricht eventuele
aanpassingen daarom voordat u de motor
start.
Gerelateerde informatie
•
Motor- en interieurverwarming* (p. 144)
Extra verwarming op stroom*
De auto is uitgerust met een extra verwarming
(p. 147) op brandstof (p. 148).
De verwarming is niet handmatig te regelen,
maar wordt nadat de motor is aangeslagen
automatisch geactiveerd bij buitentemperaturen lager dan 9 °C en wordt gedeactiveerd
wanneer de ingestelde interieurtemperatuur is
bereikt.
Gerelateerde informatie
•
Motor- en interieurverwarming* (p. 144)
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
05 Laad- en opbergmogelijkheden
Opbergmogelijkheden
Overzicht van opbergmogelijkheden in passagiersruimte
05
150
05 Laad- en opbergmogelijkheden
Opbergvak1 in portierpaneel
Opbergvak, bestuurderszijde (p. 152)
Parkeerkaarthouder
Opbergvak
Dashboardkastje (p. 153)
Opbergvakken, bekerhouder (p. 152)
Kledinghaak (p. 152)
Bekerhouder* in achterbank
Opbergvak2
Opbergvak, achterbank
05
WAARSCHUWING
Bewaar losse voorwerpen, zoals mobiele
telefoon, camera, afstandsbediening voor
extra uitrusting e.d., in het dashboardkastje of andere opbergruimten. Bij krachtig afremmen of een botsing kunnen deze
anders inzittenden verwonden.
1
2
Met ruitenkrabberhouder aan bestuurderszijde.
Geldt niet voor stoffen bekleding.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
151
05 Laad- en opbergmogelijkheden
Opbergvak bestuurderszijde
Kledinghaak
Middenconsole
Het opbergvak (p. 150) zit aan de bestuurderszijde, links onder het verlichtingspaneel.
De kledinghaak zit links op de hoofdsteun van
de passagiersstoel.
De middenconsole zit tussen de voorstoelen.
WAARSCHUWING
Bewaar geen scherpe voorwerpen of voorwerpen die uitsteken in het vak.
De kledinghaak is alleen bestemd voor niet al
te zware kledingstukken.
Gerelateerde informatie
•
Opbergmogelijkheden (p. 150)
Opbergvak (voor bijvoorbeeld cd’s) en
USB*/AUX-ingang onder de armsteun.
05
Bevat een bekerhouder voor de bestuurder en een voorpassagier. (Als u voor een
asbak en aansteker (p. 153) hebt gekozen, zit er een aansteker op de plaats van
de 12V-aansluiting (p. 155) voorin en een
uitneembare asbak in de bekerhouder.)
Gerelateerde informatie
•
•
152
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Opbergmogelijkheden (p. 150)
Middenconsole - armleuning (p. 153)
05 Laad- en opbergmogelijkheden
Middenconsole - armleuning
Middenconsole - aansteker en asbak*
Dashboardkastje
De middenconsole zit tussen de voorstoelen.
In bekerhouder onder de middenarmsteun zit
een uitneembare asbak. De aansteker zit in de
12V-aansluiting (p. 155) voor de voorpassagiers.
Het dashboardkastje zit aan de passagierszijde.
In de gesloten stand is de armleuning op de
middenconsole in de lengte verstelbaar*.
Gerelateerde informatie
•
•
Middenconsole - 12V-aansluiting (p. 155)
Middenconsole - aansteker en asbak* (p.
153)
De asbak in de middenconsole (p. 152) is te
verwijderen door deze recht omhoog te tillen.
U activeert de aansteker door de knop in te
drukken. Wanneer de aansteker heet genoeg
is, veert de knop automatisch uit. Haal de
aansteker uit de opening en gebruik het roodgloeiende deel om bijvoorbeeld een sigaret
mee aan te steken.
Hier kunt u bijvoorbeeld het instructieboekje
en eventuele kaarten in opbergen. Aan de
binnenkant van de klep zit een houder voor
pennen. Het dashboardkastje is te vergrendelen (p. 180)* met het sleutelblad (p. 170).
Gerelateerde informatie
•
•
Opbergmogelijkheden (p. 150)
Dashboardkastje - koeling (p. 154)
Gerelateerde informatie
•
Opbergmogelijkheden (p. 150)
05
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
153
05 Laad- en opbergmogelijkheden
Dashboardkastje - koeling
Inlegmatten*
Make-upspiegel
Het dashboardkastje (p. 153) kan ook worden
gebruikt als gekoelde ruimte3.
De inlegmatten vangen bijvoorbeeld vuil en
natte sneeuw op. Volvo biedt inlegmatten die
speciaal vervaardigd zijn.
De make-upspiegel zit aan de achterkant van
de zonneklep.
WAARSCHUWING
Controleer voordat u wegrijdt of de inlegmat voor de bestuurdersstoel goed ligt en
aan de pennen vastzit zodat hij niet naast
of onder de pedalen klem kan komen te
zitten.
Gerelateerde informatie
•
Schakel de koelfunctie in door de knop
tot in de eindstand richting passagiersruimte te bewegen.
05
Schakel de koelfunctie uit door de knop
tot in de eindstand vooruit te bewegen.
De koelfunctie werkt alleen, wanneer de klimaatregeling actief is (d.w.z. in de sleutelstand (p. 72) II) of wanneer de motor loopt.
3
154
Geldt alleen voor auto’s met ECC.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Interieur reinigen (p. 378)
Make-upspiegel met verlichting.
Het lampje gaat automatisch aan, wanneer u
het klepje optilt.
Gerelateerde informatie
•
Lamp vervangen - verlichting makeupspiegel (p. 358)
05 Laad- en opbergmogelijkheden
Middenconsole - 12V-aansluiting
N.B.
De elektrische aansluitingen (12 V) zitten in
het opbergvak van de middenconsole en bij
de bekerhouder4.
Extra uitrusting en accessoires – zoals
beeldschermen, mediaspelers en mobiele
telefoons – die zijn aangesloten op een van
de 12V-aansluitingen in de passagiersruimte worden mogelijk geactiveerd door
de klimaatregeling, ook al is de transpondersleutel uitgenomen of de auto vergrendeld, als bijvoorbeeld de motor- en interieurverwarming* ingesteld is om op een
bepaalde tijd in te schakelen.
Trek daarom wanneer u de extra uitrusting
of accessoires niet gebruikt de stekkers uit
de elektrische aansluitingen, omdat de
startaccu anders uitgeput kan raken!
4
De achterklep is te openen met een
knop op het verlichtingspaneel of
met de transpondersleutel, zie Vergrendelen/ontgrendelen - achterklep (p. 181).
WAARSCHUWING
Max. 10 A (120 W) in beide aansluitingen.
U kunt de elektrische aansluitingen voor verschillende accessoires gebruiken die op een
spanning van 12V werken, zoals beeldschermen, mediaspelers of mobiele telefoons. De
transpondersleutel moet ten minste in sleutelstand I (p. 72) staan, anders geven de aansluitingen geen stroom.
Laat de plug altijd in de aansluiting zitten,
als u deze niet gebruikt.
Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar gewicht van de auto. Het laadvermogen
dient te worden verminderd met de som van
het gewicht van eventuele inzittenden en dat
van gemonteerde accessoires. Voor uitvoerige informatie over gewichten, zie Gewichten
(p. 455).
BELANGRIJK
12V-aansluiting in middenconsole, voorin.
WAARSCHUWING
Lading vervoeren
Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar gewicht van de auto.
Afhankelijk van het gewicht en de positie
van de lading verandert het rijgedrag van
de auto.
N.B.
De compressor van de noodreparatieset
voor banden (p. 332) is door Volvo getest
en goedgekeurd. Voor informatie over het
gebruik van de aanbevolen noodreparatieset voor banden (TMK) van Volvo.
Gerelateerde informatie
•
Middenconsole - aansteker en asbak* (p.
153)
•
12V-aansluiting bagageruimte (p. 158)
05
Aandachtspunten bij in-/uitladen
•
Plaats de bagage stevig tegen de rugleuning van de achterbank.
Let erop dat het WHIPS niet door voorwerpen
mag worden gehinderd, als een of meer van
de ruggedeelte van de achterbank zijn neergeklapt, zie WHIPS - zithouding (p. 36).
Bij specificatie van een asbak en aansteker vervallen de bekerhouders en de 12V-aansluiting ernaast.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
155
05 Laad- en opbergmogelijkheden
||
•
•
Plaats de last in het midden.
•
Dek scherpe randen met iets zachts af
om de bekleding te beschermen.
•
Zet alle bagage met riemen of bevestigingsbanden aan de verankeringsogen
vast.
WAARSCHUWING
Breng zware voorwerpen zo laag mogelijk
aan. Plaats geen zware voorwerpen op
neergeklapte ruggedeelten.
Zorg dat u de bagage altijd goed verankert. Bij krachtig remmen kan de bagage
namelijk gaan schuiven en inzittenden verwonden.
Dek scherpe randen en hoeken af met iets
zachts.
Zet de motor af en schakel de parkeerrem
in bij het in- en uitladen van lange voorwerpen. Lange voorwerpen kunnen namelijk tegen de versnellingspook of keuzehendel aan komen en zo per ongeluk een
versnelling inschakelen – de auto kan dan
in beweging komen.
WAARSCHUWING
Een los voorwerp van 20 kg kan bij een
frontale botsing bij een snelheid van
50 km/h tijdens de beweging met een
gewicht van 1000 kg overeenkomen.
WAARSCHUWING
05
Anders bieden de opblaasgordijnen die
schuilgaan achter de plafondbekleding
mogelijk geen bescherming meer.
•
156
Zorg dat de lading nooit boven de ruggedeelten uitsteekt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Verankeringsogen (p. 157)
Bagagenet (p. 159)
Lading vervoeren - lange lading (p. 156)
Lading op het dak (p. 157)
Lading vervoeren - lange lading
Om het in- en uitladen van de bagageruimte
te vereenvoudigen kunt u de ruggedeelten
van de achterbank neerklappen. Voor het vervoer van extra lange lading kunt u ook de rugleuning van de passagiersstoel omklappen.
Passagiersstoel omklappen
Zie (p. 74).
Ruggedeelte achterbank omklappen
Zie (p. 78).
Gerelateerde informatie
•
Lading vervoeren (p. 155)
05 Laad- en opbergmogelijkheden
Lading op het dak
Verankeringsogen
Voor vervoer van lading op het dak adviseren
we u de door Volvo ontwikkelde lastdragers.
Dit om schade aan de auto te voorkomen en
voor maximale veiligheid tijdens het rijden.
De verankeringsogen in de bagageruimte
gebruikt u om bagagebanden aan vast te zetten.
Volg de montagevoorschriften die bij de lastdragers worden geleverd nauwkeurig op.
•
Controleer regelmatig of de lastdragers
en de lading goed vastzitten. Zet de
lading stevig vast met sjorbanden.
•
Verdeel het gewicht van de lading gelijkmatig over de lastdragers. Leg de zwaarste voorwerpen onderop.
•
Naarmate u meer lading op het dak vervoert, vangt de auto meer wind en neemt
het brandstofverbruik toe.
•
Rijd rustig. Trek bij voorkeur niet te snel
op, rem niet te hard en maak niet te
scherpe bochten.
Met de houders voor boodschappentassen
kunt u draagtassen vastzetten om te voorkomen dat ze omvallen en hun inhoud over de
vloer van de bagageruimte verspreiden. De
belasting van de houder is maximaal 3 kg.
05
WAARSCHUWING
WAARSCHUWING
Bij het vervoer van lading op het dak verschuift het zwaartepunt en treden er wijzigingen op in de rijeigenschappen van de
auto. Voor informatie over de maximale
dakbelasting, inclusief lastdragers en een
eventuele dakbox, zie Gewichten (p. 455).
Lading vervoeren - houder voor
boodschappentassen
Harde, scherpe en/of zware voorwerpen
die liggen of uitsteken kunnen bij krachtig
afremmen letsel veroorzaken.
Houder voor boodschappentassen
Zet grote en zware voorwerpen altijd met
de veiligheidsgordel of een spanband vast.
•
•
Gerelateerde informatie
Lading vervoeren (p. 155)
Lading vervoeren - opklapbare houder
voor boodschappentassen* (p. 158)
Gerelateerde informatie
•
Lading vervoeren (p. 155)
Gerelateerde informatie
•
Lading vervoeren (p. 155)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
157
05 Laad- en opbergmogelijkheden
Lading vervoeren - opklapbare houder
voor boodschappentassen*
Opklappen
12V-aansluiting bagageruimte
U kunt de elektrische aansluiting voor verschillende accessoires gebruiken die op een
spanning van 12 V werken, zoals beeldschermen, mediaspelers of mobiele telefoons.
Met de opklapbare houders voor boodschappentassen kunt u draagtassen vastzetten om
te voorkomen dat ze omvallen en hun inhoud
over de vloer van de bagageruimte verspreiden.
Til de bovenvloer op aan de handgreep*
en klap de vloer op.
Duw de vloer in een passende stand en
plaats deze in de verstelgroef.
05
Opklapbare houder voor boodschappentassen
De houder heeft twee standen en een zogeheten servicestand (recht omhoog). De houder is verkrijgbaar met twee vloercombinatievarianten: een met afstelstanden in de bak
onder de vloer en een met afstelstanden in
kunststof rails. Bij het uitklappen zoals hieronder afgebeeld komt de afstelstand in de
bak onder de vloer aan het licht.
De middelste houder kan met max. 3 kg worden belast en de buitenste met max. 10 kg.
158
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
3. In de servicestand wordt de vloer helemaal tegen de rugleuning van de achterbank in de kunststof steun in het midden
gezet.
Gerelateerde informatie
•
•
Lading vervoeren (p. 155)
Lading vervoeren - houder voor boodschappentassen (p. 157)
Open het klepje om bij de elektrische aansluiting te komen.
•
Via de aansluiting is ook stroom af te
nemen, wanneer de transpondersleutel
niet in het contactslot steekt.
BELANGRIJK
Max. 10 A (120 W).
N.B.
Denk eraan dat als de elektrische aansluiting word gebruikt als de motor uit is, de
startaccu van de auto kan ontladen.
05 Laad- en opbergmogelijkheden
N.B.
De compressor voor de noodreparatieset
voor banden is door Volvo getest en goedgekeurd. Voor informatie over het gebruik
van de aanbevolen noodreparatieset voor
banden (TMK) van Volvo, zie Noodreparatieset voor banden* (p. 332).
Bagagenet
Het bagagenet in de bagageruimte voorkomt
dat bagage bij krachtige remmanoeuvres de
passagiersruimte in wordt geslingerd.
N.B.
U monteert het bagagenet het eenvoudigst
via het ene achterportier.
WAARSCHUWING
Gerelateerde informatie
•
Bevestigen
U dient te controleren of de bovenste
bevestigingen van het bagagenet goed
gemonteerd zijn en of de trekbanden goed
vastzitten. Een beschadigd net mag niet
worden gebruikt.
Middenconsole - 12V-aansluiting (p. 155)
Het bagagenet wordt aan vier bevestigingspunten vastgezet.
U moet het bagagenet, uit voorzorg, altijd op
de juiste manier bevestigen en verankeren.
Het net is gemaakt van sterk nylon en wordt
achter de rugleuning van de voorstoelen vastgemaakt.
1. Vouw het bagagenet open en zorg dat de
gedeelde bovenste stang in uitgeklapte
stand geblokkeerd wordt.
2. Haak het ene uiteinde van de stang vast
aan de plafondbevestiging, met de sluiting van de spanbanden naar u toe.
05
WAARSCHUWING
Lading in de bagageruimte moet goed
worden vastgezet, ook met een correct
gemonteerd bagagenet.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
159
05 Laad- en opbergmogelijkheden
||
3. Haak het andere uiteinde van de stang
vast aan de plafondbevestiging aan de
tegenoverliggende zijde – de bevestigingshaken met telescoopveren maken
het aanbrengen eenvoudiger. Let erop dat
u de bevestigingshaken van de stang in
de voorste eindstand van de beide plafondbevestigingen duwt.
4. Haak de spanbanden van het bagagenet
vast in de verankeringsogen achter op de
stoelrails – dit gaat eenvoudiger als u de
rugleuningen rechtop zet en de stoelen
iets verder naar voren zet.
Demonteren en opbergen
Let erop dat u de stoel/rugleuning niet te
hard tegen het net duwt bij het terugduwen van de stoel – zorg dat de stoel/
rugleuning het net precies raakt.
BELANGRIJK
Als u de stoel/rugleuning hard naar achteren tegen het bagagenet drukt, kunnen
het net en/of zijn plafondbevestigingen
beschadigd raken.
05
5. Span het bagagenet aan met de spanbanden.
Het bagagenet is eenvoudig te demonteren en in
te klappen.
Haal de spanning van het net door de
knop op de sluiting van de spanband in te
drukken en de spanband een stukje te
vieren.
Duw de borghaak in en neem de beide
haken van de spanband los.
Haak de stang los van de plafondbevestigingen door de stang achterwaarts te
trekken naar de achterste eindstand van
de bevestigingen en de stang naar een
willekeurige kant te drukken, zodat de
haak in de stang veert en tegelijkertijd de
haak aan de andere kant loskomt.
Pak tot slot de plafondbevestigingshaak
uit de plafondbevestiging.
160
05 Laad- en opbergmogelijkheden
4. Klap de stang in het midden dubbel en rol
het net op.
Doe het net in de opbergzak.
U bewaart het opgevouwen bagagenet in de
zak in de bagageruimte.
Hoedenplank
Voor extra laadruimte kunt u de hoedenplank
verwijderen.
Hoedenplank verwijderen
Maak de hefogen aan beide kanten van
de hoedenplank los.
Gerelateerde informatie
•
•
05
Haak de voorkant van de hoedenplank
los en verwijder de hoedenplank.
Lading vervoeren (p. 155)
Verankeringsogen (p. 157)
Gerelateerde informatie
•
•
Lading vervoeren (p. 155)
Lading vervoeren - lange lading (p. 156)
161
SLOTEN EN ALARM
06 Sloten en alarm
Transpondersleutel met sleutelblad
WAARSCHUWING
U gebruikt de transpondersleutel om de auto
te starten en deze te vergrendelen en ontgrendelen. De sleutel bevat een afneembaar
sleutelblad (p. 169). Het zichtbare deel
bestaat in twee uitvoeringen om de transponders van elkaar te kunnen onderscheiden.
Bij de auto zijn twee transpondersleutels
geleverd (in standaarduitvoering of met Keyless-functie (p. 172)). U gebruikt ze voor het
starten/uitzetten van de motor en vergrendelen/ontgrendelen van de auto.
U kunt meerdere transpondersleutels nabestellen – voor dezelfde auto kunnen tot
zes stuks worden geprogrammeerd en
gebruikt.
Varianten
Als er kinderen in de auto aanwezig zijn:
Denk eraan altijd de stroom naar de elektrisch bedienbare ramen te onderbreken
door de transpondersleutel eruit te halen
wanneer de bestuurder de auto verlaat.
Gerelateerde informatie
•
Transpondersleutel - functie (p. 166)
Transpondersleutel/PCC - verlies
Bij verlies van een transpondersleutel (p. 163)
kunt u een nieuwe bestellen bij een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
Neem de resterende transpondersleutels mee
naar de Volvo-werkplaats. Ter voorkoming
van diefstal moet de code van de zoekgeraakte transpondersleutel uit het systeem
worden gewist. Hoeveel sleutels er voor de
auto geprogrammeerd zijn kunt u controleren
in MY CAR (p. 106) onder Informatie
Aantal sleutels.
Gerelateerde informatie
•
•
Transpondersleutel - functie (p. 166)
Transpondersleutel - bereik (p. 167)
Er zijn vier varianten transpondersleutels:
•
Transpondersleutel in standaarduitvoering1
•
•
•
Transpondersleutel met Keyless start1
06
Transpondersleutel met Keyless drive1
PCC met Keyless drive 2
De PCC en transpondersleutel met keylessfunctie hebben extra functies t.o.v. de standaard transpondersleutel.
1
2
5-knops sleutel
6-knops sleutel
163
06 Sloten en alarm
Transpondersleutel/PCC sleutelgeheugen*
Indicatie vergrendeling/ontgrendeling
- instellen
•
Vergrendelen – eenmaal oplichten en de
buitenspiegels worden ingeklapt3.
Dankzij het sleutelgeheugen van de transpondersleutel/PCC (p. 163) zijn bepaalde Autoinstellingen te personaliseren.
Wanneer u de auto vergrendelt of ontgrendelt
met een transpondersleutel (p. 163), lichten
de richtingaanwijzers een bepaald aantal
malen op om aan te geven dat de auto op de
juiste manier vergrendeld/ontgrendeld is.
•
Ontgrendelen – tweemaal oplichten en de
buitenspiegels worden uitgeklapt3.
Het sleutelgeheugen is te gebruiken voor de
elektrische verwarming van de bestuurdersstoel en die van de buitenspiegels. De instellingen voor de buitenspiegels, de bestuurdersstoel en de mate van stuurbekrachtiging
worden opgeslagen in het sleutelgeheugen.
Sleutelgeheugen – buitenspiegels,
bestuurdersstoel en stuurbekrachtiging
06
Let op het gevaar voor buitensluiten met
de transpondersleutel nog in de auto.
Bij het vergrendelen vindt de indicatie alleen
plaats als alle sloten zijn vergrendeld en alle
portieren zijn gesloten. Er vindt ook indicatie
plaats als het laatste portier wordt gesloten.
De instellingen worden automatisch gekoppeld aan de transpondersleutel die op dat
moment in gebruik is, zie Geheugen van
transpondersleutel (p. 76) en Snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging (p. 270).
Functie kiezen
Het ingestelde thema van het instrumentenpaneel kan bij vergrendeling worden opgeslagen in de transpondersleutel, zie Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht (p. 61) en MY
CAR - Auto-instellingen (p. 110).
Ga in het menusysteem MY CAR naar
Instellingen Auto-instellingen
Lichtinstellingen en markeer Lichtsignaal
deurvergrendeling en/of Lichtsignaal bij
ontgrendeling.
De functie is te activeren/deactiveren in het
menusysteem MY CAR onder Instellingen
Auto-instellingen Sleutelgeheugen.
Voor een beschrijving van het menusysteem,
zie MY CAR (p. 106).
Voor transpondersleutels met Keyless-systeem, zie Keyless* (p. 172).
164
N.B.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
In het menusysteem van de auto zijn verschillende opties in te stellen voor bevestiging bij
vergrendeling/ontgrendeling middels lichtsignalen, zie MY CAR (p. 106).
Gerelateerde informatie
•
•
•
Keyless* (p. 172)
Vergrendelingsindicatie (p. 165)
Alarmindicatie (p. 186)
06 Sloten en alarm
Vergrendelingsindicatie
Een knipperende diode bij de voorruit geeft
aan dat de auto is vergrendeld.
Transpondersleutel/PCC,
elektronische startblokkering
De elektronische startblokkering is een antidiefstalsysteem dat voorkomt dat onbevoegden de auto kunnen starten (p. 276).
Elke transpondersleutel/PCC (p. 163) heeft
zijn eigen, unieke code. U kunt de auto alleen
starten, wanneer u een transpondersleutel
met de juiste code gebruikt.
De onderstaande foutmeldingen op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel
houden verband met de elektronische startblokkering:
Dezelfde diode als de alarmindicatie (p. 186).
N.B.
Ook auto’s zonder alarm zijn uitgerust met
deze indicatie.
Melding
Betekenis
Plaats sleutel
Storing tijdens het uitlezen
van de transpondersleutel
tijdens het starten. Sleutel
uit het contactslot trekken,
er weer in drukken en een
nieuwe startpoging doen.
Autosleutel
niet gevonden
Storing tijdens het uitlezen
van de transpondersleutel
tijdens het starten. Nieuwe
startpoging doen.
(Geldt alleen
voor auto’s
met
Keyless.)
Startblokkering Start
opnieuw
Gerelateerde informatie
•
Indicatie vergrendeling/ontgrendeling instellen (p. 164)
Als de storing aanhoudt:
Transpondersleutel in het
contactsleutel duwen en
een nieuwe startpoging
doen.
Storing in het startblokkeringssysteem tijdens het
starten. Als de storing aanhoudt: Neem dan contact
op met een werkplaats.
Geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
06
Gerelateerde informatie
3
•
Op afstand bediende startblokkering met
opsporingssysteem (p. 166)
•
Keyless* (p. 172)
Alleen auto’s met elektrisch inklapbare buitenspiegels.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
165
06 Sloten en alarm
Op afstand bediende startblokkering
met opsporingssysteem
De op afstand bediende startblokkering met
opsporingssysteem maakt het mogelijk om de
auto op te sporen en te lokaliseren alsmede
op afstand de startblokkering te activeren,
zodat de motor afslaat.
Transpondersleutel - functie
De transpondersleutel heeft functies voor bijvoorbeeld vergrendeling en ontgrendeling van
de portieren.
Neem contact op met de dichtstbijzijnde
Volvo-dealer voor meer informatie over het
systeem en hulp bij de activering ervan.
Gerelateerde informatie
•
Transpondersleutel met sleutelblad (p.
163)
•
Transpondersleutel/PCC, elektronische
startblokkering (p. 165)
Transpondersleutel met PCC* - Personal Car
Communicator.
Informatie
5-knops transpondersleutel
Vergrendelen
Ontgrendelen
Approach-verlichting
06
Achterklep
Paniekfunctie
Functietoetsen
Vergrendelen – Vergrendelt de portieren
en de achterklep en activeert het alarm, zie
Vergrendelen/ontgrendelen - vanaf de buitenkant (p. 177).
Bij lang indrukken worden alle ruiten tegelijkertijd gesloten (zie ook Doorluchtfunctie (p.
180)).
WAARSCHUWING
Als de ruiten met de transpondersleutel
worden gesloten, moet u controleren of er
geen handen bekneld raken.
166
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
06 Sloten en alarm
Ontgrendelen (p. 177) – Ontgrendelt de
portieren en de achterklep en deactiveert het
alarm.
nen 3 seconden indrukt, worden de richtingaanwijzers, de interieurverlichting en de claxon geactiveerd.
Bij lang indrukken worden alle ruiten tegelijkertijd geopend (zie ook Doorluchtfunctie (p.
180)).
U kunt deze functie met dezelfde toets weer
uitschakelen, als de functie minimaal
5 seconden actief geweest is. Anders wordt
deze functie na ca. 3 minuten automatisch
uitgeschakeld.
De gelijktijdige ontgrendeling van alle portieren is dusdanig te wijzigen dat bij eenmaal
indrukken van de knop eerst het bestuurdersportier ontgrendeld wordt en bij de tweede
maal indrukken – één en ander binnen 10
seconden – de resterende portieren te ontgrendelen.
De functie is te wijzigingen in het menusysteem van MY CAR onder Instellingen
Auto-instellingen Slotinstellingen
Deuren open met de beide opties Alle
deuren en Bestuurdersdeur: dan alle. Voor
een beschrijving van het menusysteem, zie
MY CAR (p. 106).
Transpondersleutel - bereik
De functies van de transpondersleutel (p. 163)
zijn tot op ca. 20 meter afstand van de auto te
gebruiken.
Als de auto niet reageert bij bediening van
een toets – probeer het dan op minder grote
afstand opnieuw.
N.B.
Gerelateerde informatie
•
Transpondersleutel met sleutelblad (p.
163)
•
PCC* - unieke functies (p. 168)
Er kunnen storingen optreden in de transpondersleutelfuncties door radiogolven in
de lucht, omringende gebouwen, topografische omstandigheden e.d. Het is altijd
mogelijk de auto te vergrendelen/ontgrendelen met het sleutelblad, zie Afneembaar
sleutelblad - portier ontgrendelen (p. 170).
Gerelateerde informatie
•
Transpondersleutel - functie (p. 166)
06
Tijdsduur Approach-verlichting (p. 91)
– Bestemd om de verlichting van de auto op
afstand in te schakelen.
Achterklep (p. 181) – Ontgrendelt alleen
de achterklep en deactiveert de alarmfunctie
voor de achterklep.
Paniekfunctie – bestemd om in noodgevallen de aandacht van anderen te trekken.
Als u de toets ten minste 3 seconden lang
ingedrukt houdt of tweemaal achtereen bin-
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
167
06 Sloten en alarm
PCC* - unieke functies
Gebruik van de informatietoets
Een transpondersleutel met PCC heeft extra
functies ten opzichte van een transpondersleutel zonder PCC (p. 163) in de vorm van
een informatieknop en controlelampjes.
–
Druk op de informatietoets
.
> Ca. 7 seconden lang lichten de controlesymbolen op de PCC om de beurt
op. Dit geeft aan dat informatie over de
auto wordt uitgelezen.
Als u gedurende dit tijdsbestek op een
van de andere toetsen drukt, wordt de
uitlezing beëindigd.
N.B.
Transpondersleutel met PCC* - Personal Car
Communicator.
Informatietoets
06
Controlesymbolen
Na een druk op de informatietoets kunt u
bepaalde informatie over de auto uitlezen aan
de hand van de controlesymbolen.
168
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Continu groen licht: de auto is vergrendeld.
Als bij herhaaldelijk gebruik van de
informatietoets – op verschillende tijdstippen en verschillende plaatsen – blijkt dat
geen van de controlelampjes gaat branden
(en dat evenmin na 7 seconden alsook
nadat de controlelampjes op de PCC om
de beurt oplichtten), dient u contact op te
nemen met een werkplaats – geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats.
De controlesymbolen verstrekken informatie
zoals aangegeven op de volgende afbeelding:
Continu oranje licht: de auto is ontgrendeld.
Continu rood licht: het alarm is afgegaan
na vergrendeling van de auto.
De beide rode controlesymbolen lichten
beurtelings rood op: het alarm is minder
dan 5 minuten geleden afgegaan.
Gerelateerde informatie
•
PCC* - bereik (p. 169)
06 Sloten en alarm
PCC* - bereik
N.B.
Het bereik van de PCC voor ontgrendeling en
bediening van de achterklep is ca. 20 m rond
de auto – voor de overige functies geldt een
maximumbereik van ca. 100 m. Als de auto
niet reageert bij bediening van een toets –
probeer het dan op minder grote afstand
opnieuw.
Als bij herhaaldelijk gebruik van de
informatietoets – op verschillende tijdstippen en verschillende plaatsen – blijkt dat
geen van de controlelampjes gaat branden
(en dat evenmin na 7 seconden alsook
nadat de controlelampjes op de PCC om
de beurt oplichtten), dient u contact op te
nemen met een werkplaats – geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats.
N.B.
Er kunnen storingen optreden in de functie
van de informatieknop door radiogolven in
de lucht, omringende gebouwen, topografische omstandigheden e.d.
Buiten bereik PCC
Als de PCC op dermate grote afstand van de
auto is dat er geen informatie over de auto
kan worden uitgelezen, wordt de laatst
bekende status van de auto weergegeven
zonder dat de lampjes op de PCC om de
beurt oplichten.
Als er meerdere PCC’s voor de auto in
gebruik zijn, geeft uitsluitend de PCC waarmee de auto de laatste keer vergrendeld/
ontgrendeld werd de juiste status aan.
Gerelateerde informatie
Afneembaar sleutelblad
De transpondersleutel (p. 163) bevat een
afneembaar metalen sleutelblad waarmee u
enkele functies kunt activeren en bepaalde
handelingen kunt uitvoeren.
De unieke code van de sleutelbladen is
bekend bij de erkende Volvo-werkplaatsen,
waar ook nieuwe sleutelbladen kunnen worden besteld.
Functies sleutelblad
•
Keyless* - bereik transpondersleutel (p.
173)
U kunt het afneembare sleutelblad van de
transpondersleutel gebruiken om:
•
Transpondersleutel - bereik (p. 167)
•
het linker voorportier handmatig te openen (p. 170), als de centrale vergrendeling niet te bedienen is vanaf de transpondersleutel.
•
het mechanische kinderslot op de achterportieren te activeren (p. 184)/deactiveren.
•
het rechter voorportier en de achterportieren handmatig te vergrendelen (p. 178)
bij bijvoorbeeld stroomuitval.
•
het slot van het dashboardkastje* te openen, zie Vergrendelen/ontgrendelen dashboardkastje (p. 180).
•
de airbag voor de voorpassagier
(PACOS*) te activeren/deactiveren (p. 31).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
06
169
06 Sloten en alarm
Afneembaar sleutelblad - verwijderen/
aanbrengen
Het verwijderen/aanbrengen van het afneembare sleutelblad (p. 169) gaat als volgt:
Sleutelblad verwijderen
Gerelateerde informatie
•
Afneembaar sleutelblad - portier ontgrendelen (p. 170)
•
Kinderslot - handmatige activering (p.
184)
•
Passagiersairbag - activering/deactivering* (p. 31)
Afneembaar sleutelblad - portier
ontgrendelen
Het afneembare sleutelblad (p. 169) is te
gebruiken, als u de centrale vergrendeling niet
via de transpondersleutel (p. 163) kunt bedienen – bijvoorbeeld als de batterij in de transpondersleutel leeg is, zie
Transpondersleutel/PCC - batterij vervangen
(p. 171).
Het linker voorportier is als volgt te openen:
1. Ontgrendel het linker voorportier met het
sleutelblad in de slotcilinder van de portierhandgreep. Voor een afbeelding en
meer informatie, zie Keyless*- ontgrendelen met sleutelblad (p. 175).
Haal de veerbelaste pal opzij.
06
Trek tegelijkertijd het sleutelblad naar
achteren.
Sleutelblad aanbrengen
Wanneer u het portier met het sleutelblad
ontgrendeld hebt en vervolgens opent,
gaat het alarm af.
Plaats het sleutelblad voorzichtig terug in de
transpondersleutel (p. 163).
2. Schakel het alarm (p. 185) uit door de
transpondersleutel in het contactslot te
steken.
1. Houd de transpondersleutel met de gleuf
omhoog en laat het sleutelblad in de gleuf
zakken.
Zie voor auto’s met Keyless-systeem zie
Keyless*- ontgrendelen met sleutelblad (p.
175).
2. Duw voorzichtig tegen het sleutelblad. U
hoort een klikgeluid wanneer het sleutelblad goed vastzit.
170
N.B.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
06 Sloten en alarm
Transpondersleutel/PCC - batterij
vervangen
N.B.
Keer de transpondersleutel met de knoppen naar boven om te voorkomen dat de
batterijen eruit vallen als deze wordt
geopend.
De batterijen in de transpondersleutel/PCC
zijn te vervangen.
Vervang de batterijen in de transpondersleutel/PCC, als:
•
BELANGRIJK
het informatiesymbool oplicht en
Afst.bediening batterij raakt leeg.
Vervang de batterij. op het display staat
Raak nieuwe accu's en hun contactvlakken niet met uw vingers aan, aangezien de
werking hierdoor kan verslechteren.
en/of
•
de sloten herhaalde malen achtereen niet
reageren op het signaal van een transpondersleutel die zich binnen een straal
van 20 meter rond de auto bevindt.
Batterij vervangen
N.B.
Openen
Haal de veerbelaste pal opzij.
Trek tegelijkertijd het sleutelblad naar
achteren.
Steek een kruiskopschroevendraaier
met een dikte van 3 mm in de opening
achter de veerbelaste pal en werk de
transpondersleutel voorzichtig open.
Volvo adviseert u om batterijen voor de
transpondersleutel/PCC te gebruiken die
voldoen aan UN Manual of Test and
Criteria, Part III, sub-section 38.3. Voor
batterijen die in de fabriek zijn geplaatst of
in een erkende Volvo-werkplaats zijn vervangen is dit het geval.
06
Let erop hoe de batterij(en) aan de binnenzijde van de afdekking vastzit(ten). Let
daarop op de pluszijde + en de minzijde
–.
Transpondersleutel met 1 batterij
1. Werk de batterij voorzichtig los.
2. Plaats een nieuwe met de pluszijde (+)
omlaag.
}}
171
06 Sloten en alarm
||
Transpondersleutel en PCC* met 2
batterijen
1. Werk de batterijen voorzichtig los.
2. Plaats eerst een nieuwe met de pluszijde
(+) omhoog.
Keyless*
Het passieve vergrendelings- en startsysteem
is verkrijgbaar in twee uitvoeringen: Keyless
drive en Keyless start.
Gerelateerde informatie
3. Leg het witte plastic vel op de geplaatste
nieuwe batterij en breng daarna nog een
nieuwe batterij aan met de pluszijde (+)
omlaag.
Batterijtype
Gebruik batterijen met de code CR2430, 3 V.
In elkaar zetten
1. Druk de afdekking weer op de transpondersleutel vast.
2. Houd de transpondersleutel met de gleuf
omhoog en laat het sleutelblad in de gleuf
zakken.
06
3. Duw voorzichtig tegen het sleutelblad. U
hoort een klikgeluid wanneer het sleutelblad goed vastzit.
BELANGRIJK
Let erop dat lege batterijen op een milieuvriendelijke manier worden verwerkt.
Gerelateerde informatie
172
•
Transpondersleutel met sleutelblad (p.
163)
•
Transpondersleutel - functie (p. 166)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Het elektrische systeem van de auto kan met
de transpondersleutel in drie verschillende
niveaus worden gezet – sleutelstand (p. 72) 0,
I en II.
Bij auto’s met Keyless start-systeem is het
mogelijk de motor te starten (p. 276) zonder
dat de transpondersleutel in het contactslot
steekt.
Auto’s met de Keyless drive-functie kunnen
worden ontgrendeld en vergrendeld (p. 175)
zonder de knoppen op de transpondersleutel
in te drukken en gestart zonder dat de sleutel
in het contactslot zit. Het systeem maakt het
eenvoudiger om de auto te openen wanneer
u bijvoorbeeld uw handen vol hebt.
Beide transpondersleutels van de auto hebben de Keyless-functie. Er kunnen meer
transpondersleutels worden bijbesteld, zie
Transpondersleutel met sleutelblad (p. 163).
•
Keyless* - veilig gebruik van de transpondersleutel (p. 173)
•
Keyless* - storingen in de functie van de
transpondersleutel (p. 174)
06 Sloten en alarm
Keyless* - bereik transpondersleutel5
Om een portier of de achterklep te kunnen
openen zonder knoppen op de transpondersleutel in te drukken, moet de transpondersleutel zich binnen een straal van 1,5 m rond
de portierhandgrepen of de achterklep bevinden.
U moet de transpondersleutel bij u dragen om
een portier te vergrendelen of ontgrendelen.
Wanneer u aan de ene kant van de auto staat,
is het niet mogelijk om met de transpondersleutel een portier aan de andere kant te vergrendelen of ontgrendelen.
portier wordt geopend en vervolgens gesloten terwijl de sleutelstand (p. 72) I of II actief
is, verschijnt op het informatiedisplay van het
instrumentenpaneel een waarschuwingsmelding en klinkt er een geluidssignaal.
Wanneer de transpondersleutel weer in de
auto wordt geplaatst, dooft de waarschuwingsmelding en houdt het geluidssignaal op
als:
•
•
er is een portier geopend of gesloten
•
de knop OK op de richtingaanwijzerhendel is ingedrukt.
de transpondersleutel in het contactslot
wordt gestoken
Keyless* - veilig gebruik van de
transpondersleutel
Pas goed op al uw transpondersleutels.
Als u een transpondersleutel met keylessfunctie in de auto laat liggen, wordt de sleutel
bij het vergrendelen van de auto tijdelijk
gedeactiveerd. Onbevoegden kunnen de portieren er dan niet meer mee openen.
Als er echter ingebroken wordt en iemand de
transpondersleutel in de auto vindt, wordt de
sleutel weer geactiveerd. Pas daarom extra
goed op al uw transpondersleutels.
BELANGRIJK
Gerelateerde informatie
•
•
Wanneer u het portier met het sleutelblad
ontgrendeld hebt en vervolgens opent,
gaat het alarm af.
Keyless* (p. 172)
Keyless* - locatie antennes (p. 177)
Gerelateerde informatie
•
Keyless* (p. 172)
06
De rode cirkels op de bovenstaande afbeelding geven het bereik van de systeemantennes aan.
Als alle transpondersleutels uit de auto worden gehaald terwijl de motor draait of als een
5
Geldt niet voor auto’s met Keyless start
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
173
06 Sloten en alarm
Keyless* - storingen in de functie van
de transpondersleutel
De Keyless-functie kan gestoord worden door
elektromagnetische velden en afschermingen.
N.B.
Plaats/bewaar de transpondersleutel met
keyless-functie niet in de buurt van een
mobiele telefoon of metalen voorwerpen.
Houd een minimale afstand aan van 10-15
cm.
Keyless* - vergrendelen
N.B.
Auto’s met Keyless-drive-systeem zijn voorzien van een aanraakgevoelige zone op de
buitenhandgreep van de portieren alsook een
met rubber beklede knop naast het eveneens
met rubber beklede drukplaatje op de achterklep.
Als u (terwijl de motor is afgezet) de transpondersleutel met keyless-functie uit de
auto haalt en de auto niet vergrendelt door
een van de portierhandgrepen aan te
raken of de vergrendeltoets op de transpondersleutel te bedienen, gebeurt het
volgende:
Na ca. 1½–2 minuten wordt het alarm
geactiveerd en gaat de alarmdiode op de
voorruit knipperen – het alarm staat daarmee op scherp maar de auto is niet vergrendeld.
Als er desondanks toch storingen optreden,
moet u de transpondersleutel (p. 163) en het
sleutelblad als traditionele transpondersleutel
gebruiken.
N.B.
Op auto's met een automatische versnellingsbak moet de keuzehendel in de Pstand staan. Anders kan de auto niet worden vergrendeld of op alarm worden
gezet.
Gerelateerde informatie
•
Keyless* (p. 172)
Vergrendel de portieren en de achterklep
door een van de portierhandgrepen vast te
pakken of op de kleinste van de beide met
rubber beklede knoppen op de achterklep te
drukken – de vergrendelingsindicatie (p. 165)
onder aan de voorruit gaat knipperen om aan
te geven dat er vergrendeling heeft plaatsgevonden.
06
Alle portieren inclusief de achterklep moeten
zijn gesloten, voordat u de auto kunt vergrendelen – de auto wordt anders niet vergrendeld.
174
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Gerelateerde informatie
•
•
Keyless* (p. 172)
Alarmindicatie (p. 186)
06 Sloten en alarm
Keyless* - ontgrendelen6
Er wordt ontgrendeld met Keyless-drive wanneer iemand een portierhandgreep beetpakt
of op het met rubber beklede drukplaatje van
de achterklep drukt – open het portier of de
achterklep op de normale manier.
N.B.
Keyless*- ontgrendelen met
sleutelblad
Als de centrale vergrendeling niet op de
transpondersleutel reageert (omdat de batterijen bijvoorbeeld leeg zijn), kunt u het linker
voorportier openen met het afneembare sleutelblad (p. 170) van de transponder.
1. Duw het sleutelblad ca. 1 cm recht
omhoog in de opening aan de onderkant
van de portierhandgreep/afdekking – niet
wrikken.
> De kunststof afdekking komt automatisch los, wanneer u het blad recht
omhoog de opening induwt.
2. Steek het sleutelblad vervolgens in de
slotcilinder en ontgrendel het portier.
Normaal registreren de portierhandgrepen
het wanneer u met uw hand de handgreep
beetpakt, maar als u dikke handschoenen
draagt of de handbeweging te snel uitvoert, moet u de beweging mogelijk een
tweede keer uitvoeren of de handschoen
uittrekken.
3. Plaats de kunststof afdekking na ontgrendeling terug.
N.B.
Wanneer u het linker voorportier met het
sleutelblad ontgrendeld hebt en vervolgens opent, gaat het alarm (p. 185) af. Het
wordt uitgeschakeld door de transpondersleutel in het contactslot te steken, zie
Alarmsysteem - transpondersleutel defect
(p. 187).
Gerelateerde informatie
•
•
Keyless* (p. 172)
Keyless* - vergrendelen (p. 174)
Opening voor het sleutelblad - voor het afnemen
van de afdekking.
Om bij de slotcilinder te komen dient de
kunststof afdekking van de portierhandgreep
te worden verwijderd – ook dit doet u met het
sleutelblad:
6
Gerelateerde informatie
•
06
Keyless* (p. 172)
Geldt niet voor transpondersleutel met Keyless start.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
175
06 Sloten en alarm
Keyless* - sleutelgeheugen
sleutelgeheugen7
Dankzij het
van de transpondersleutel/PCC zijn bepaalde Auto-instellingen te personaliseren.
Het sleutelgeheugen is te gebruiken voor de
elektrische verwarming* van de bestuurdersstoel en die van de buitenspiegels. De instellingen voor de buitenspiegels, de bestuurdersstoel en de mate van stuurbekrachtiging
worden opgeslagen in het sleutelgeheugen.
bedienbare stoel (p. 75) met de stoelknoppen 1 – 3.
•
Zet de stoel en de spiegels (p. 99) handmatig in de juiste stand.
•
Stel de stuurbekrachtiging af in het menusysteem MY CAR (p. 110).
Gerelateerde informatie
•
Keyless* (p. 172)
Geheugenfunctie in transpondersleutel
met Keyless-functie
Als meerdere personen met elk hun eigen
transpondersleutel (p. 163) naar de auto
lopen, nemen de bestuurdersstoel en de buitenspiegels de stand in die ligt opgeslagen in
de sleutel van degene die het bestuurdersportier opent.
06
Als het bestuurdersportier bijvoorbeeld werd
geopend door persoon A met
transpondersleutel A, maar persoon B met
transpondersleutel B zal gaan rijden, zijn de
instellingen als volgt te wijzigen:
•
Staand naast het bestuurdersportier of
zittend achter het stuur drukt persoon B
op de ontgrendelingstoets van zijn transpondersleutel, zie Transpondersleutel functie (p. 166).
•
Kies een van de drie mogelijke positiegeheugens voor instelling van de elektrisch
7
176
Alleen in combinatie met een elektrisch bedienbare bestuurdersstoel en elektrisch inklapbare buitenspiegels.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Keyless* - vergrendelingsinstellingen
U kunt de vergrendelingsinstellingen voor het
Keyless-drive-systeem aan passen in het
menusysteem MY CAR.
De vergrendelingsinstellingen voor het
Keyless-drive-systeem zijn aan te passen
door in het menusysteem MY CAR aan te
geven welke portieren er ontgrendeld moeten
worden; dit onder Auto-instellingen
Slotinstellingen Instappen zonder
sleutel - kies vervolgens uit Alle deuren
open, Willekeurige deur, Deuren aan één
kant en Beide voordeuren.
Voor een beschrijving van het menusysteem,
zie MY CAR (p. 106).
Gerelateerde informatie
•
Keyless* (p. 172)
06 Sloten en alarm
Keyless* - locatie antennes
WAARSCHUWING
Het Keyless-systeem werkt met een aantal
antennes die op verschillende locaties ingebouwd zijn in de auto.
Personen met een pacemaker mogen niet
dichter dan 22 cm bij de antennes van het
Keyless-systeem komen. Hierdoor voorkomt u storingen tussen de pacemaker en
het Keyless-systeem.
Gerelateerde informatie
•
Achterbumper, in het midden
Portierhandgreep, linksachter
Bagageruimte, in het midden, helemaal
voorin, onder de vloer
Portierhandgreep, rechtsachter
Middenconsole, onder achterstuk
Middenconsole, onder voorstuk.
Keyless* (p. 172)
Vergrendelen/ontgrendelen - vanaf de
buitenkant
Met de transpondersleutel (p. 166) is vergrendeling/ontgrendeling van de buitenkant
mogelijk. Met de transpondersleutel kunt u
alle portieren, de achterklep en de tankvulklep
vergrendelen/ontgrendelen. U hebt de keuze
uit verschillende ontgrendelingsprocedures, .
Om de ontgrendelingsprocedure te kunnen
activeren moet het bestuurdersportier dichtstaan – als een van de overige portieren of de
achterklep openstaat, wordt dit/deze pas na
het sluiten vergrendeld en inbegrepen in het
alarmsysteem. Bij het Keyless*-systeem dienen alle portieren en de achterklep dicht te
staan.
N.B.
Let op het gevaar voor buitensluiten met
de transpondersleutel nog in de auto.
Als u niet met de transpondersleutel kunt vergrendelen/ontgrendelen is de batterij mogelijk
leeg – vergrendel/ontgrendel het linker voorportier dan met het afneembare sleutelblad
(p. 170).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
06
177
06 Sloten en alarm
||
N.B.
Let erop dat het alarm afgaat, wanneer het
portier na ontgrendeling met het sleutelblad wordt geopend – het alarm wordt uitgeschakeld, wanneer de transpondersleutel in het contactslot wordt geplaatst.
WAARSCHUWING
Let op het risico van opsluiting in de auto,
als u de auto van de buitenzijde vergrendelt – de portieren zijn dan namelijk niet
meer van de binnenzijde te openen met de
portierhandgrepen. Voor meer informatie,
zie Safelock-functie* (p. 183).
Automatische hervergrendeling
06
Als u geen van de portieren noch de achterklep binnen 2 minuten na ontgrendeling van
de buitenzijde met de transpondersleutel
opent, worden alle sloten automatisch weer
vergrendeld. Dit beperkt het risico dat u de
auto per ongeluk onvergrendeld kunt laten
staan. (Voor auto’s met alarmsysteem, zie
Alarm (p. 185).)
Portier handmatig vergrendelen
–
Het portier is zowel vanaf de buitenzijde
als vanaf de binnenzijde te openen.
Het linker voorportier is te vergrendelen met
de bijbehorende slotcilinder en het afneembare sleutelblad (p. 175) van de transpondersleutel.
De overige portieren hebben geen slotcilinders, maar zijn voorzien van een vergrendeling op de zijkant van het portier die moet
worden ingedrukt met het sleutelblad, waarna
het portier mechanisch is vergrendeld en niet
meer van de buitenzijde kan worden
geopend. De portieren zijn echter nog steeds
vanaf de binnenzijde te openen.
Het portier is niet vanaf de buitenzijde te
openen. Om terug te keren naar stand A
moet de binnenhandgreep van het portier
worden geopend.
De portieren zijn ook te ontgrendelen met de
ontgrendelingstoets op de transpondersleutel
(p. 163) of de knop voor centrale vergrendeling op het bestuurdersportier.
N.B.
Gerelateerde informatie
•
Vergrendelen/ontgrendelen - van de binnenzijde (p. 179)
•
Transpondersleutel - functie (p. 166)
Portier handmatig vergrendelen. Niet te verwarren met het kinderslot (p. 184).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
•
De vergrendeling van een portier dient
alleen om het desbetreffende portier te
vergrendelen – dus niet alle portieren.
•
Een handmatig vergrendeld achterportier waarvan ook het mechanische kinderslot (p. 184) geactiveerd is, kan
niet van de binnenzijde noch van de
buitenzijde worden geopend. Een achterportier dat op die manier is vergrendeld, kan alleen worden ontgrendeld
met een transpondersleutel of de knop
van de centrale vergrendeling.
Gerelateerde informatie
•
178
Haal het afneembare sleutelblad (p. 170)
uit de transpondersleutel. Steek het sleutelblad in de vergrendelopening en druk
de sleutel er helemaal in, ca. 12 mm.
In bepaalde gevallen moet de auto handmatig
kunnen worden vergrendeld, zoals bij stroomuitval.
Transpondersleutel/PCC - batterij vervangen (p. 171)
06 Sloten en alarm
Vergrendelen/ontgrendelen - van de
binnenzijde
•
Vergrendeling/ontgrendeling is mogelijk met
de knop voor centrale vergrendeling op het
bestuurdersportier. Alle portieren en de achterklep (p. 181) zijn tegelijkertijd te vergrendelen of ontgrendelen.
Met een knop voor centrale vergrendeling op
beide voorportieren en op elk van beide achterportieren een knop voor elektrische vergrendeling:
•
Een brandend lampje houdt in dat alle
portieren vergrendeld zijn.
Een brandend lampje houdt in dat alleen
het desbetreffende portier vergrendeld is.
Wanneer de lampjes in alle knoppen
branden, zijn alle portieren vergrendeld.
Ontgrendelen
Een portier kan op twee manieren van de binnenkant worden ontgrendeld:
•
Bij het indrukken van de knop voor centrale vergrendeling
.
Bij lang indrukken worden ook alle zijruiten*
tegelijkertijd geopend (zie ook Doorluchtfunctie (p. 180)).
Centrale vergrendeling
•
Druk de rechterkant
van de knop in
om te vergrendelen en de linkerkant
om te ontgrendelen.
Lampje in vergrendelingsknop
Wanneer het lampje in de knop voor centrale
vergrendeling op het bestuurdersportier
brandt, zijn alle portieren vergrendeld.
Met een knop voor centrale vergrendeling
alleen op het bestuurdersportier, bij de overige portieren ontbreekt een dergelijke knop:
•
Bij lang indrukken worden ook alle zijruiten
tegelijkertijd gesloten (zie ook Doorluchtfunctie (p. 180)).
Automatische vergrendeling
Bij het wegrijden worden de portieren en de
achterklep automatisch vergrendeld.
U kunt de functie activeren/deactiveren in het
menusysteem MY CAR onder Instellingen
Auto-instellingen Slotinstellingen
Automatische vergrendeling. Voor een
beschrijving van het menusysteem, zie MY
CAR (p. 106).
Gerelateerde informatie
•
Vergrendelen/ontgrendelen - vanaf de
buitenkant (p. 177)
•
Alarm (p. 185)
Trek aan de openingshandgreep en open
het portier – het portier wordt in een keer
ontgrendeld en geopend.
06
Vergrendelen
•
Beide voorportieren moeten gesloten zijn
om ze centraal te kunnen vergrendelen.
Druk op de knop voor centrale vergrende– alle portieren worden vergrenling
deld. Als een van de achterportieren nog
open is, wordt deze vergrendeld als het
portier wordt gesloten.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
179
06 Sloten en alarm
Doorluchtfunctie
Bij warm weer kunt u de doorluchtfunctie
gebruiken om alle zijruiten tegelijk korte tijd te
openen en weer te sluiten en op die manier
snel voor frisse lucht in de auto te zorgen.
Vergrendelen/ontgrendelen dashboardkastje
Het dashboardkastje (p. 153) valt alleen te
vergrendelen/ontgrendelen met het afneembare sleutelblad van de transpondersleutel (p.
163).
Voor informatie over het sleutelblad, zie
Afneembaar sleutelblad - verwijderen/
aanbrengen (p. 170).
Knop voor centrale vergrendeling
06
Bij lang indrukken van het
-symbool op
de knop voor centrale vergrendeling worden
ook alle zijruiten tegelijkertijd geopend. Wan-knop worden
neer u hetzelfde doet bij de
alle zijruiten gelijktijdig gesloten.
Dashboardkastje vergrendelen:
Duw het sleutelblad in de slotcilinder van
het dashboardkastje.
Gerelateerde informatie
•
Vergrendelen/ontgrendelen - van de binnenzijde (p. 179)
•
Elektrisch bedienbare ruiten (p. 97)
Draai het sleutelblad 90 graden rechtsom.
Het sleutelgat staat horizontaal wanneer
het kastje vergrendeld is.
Neem het sleutelblad uit.
•
180
Houd voor het ontgrendelen de omgekeerde volgorde aan.
Gerelateerde informatie
•
Transpondersleutel - functie (p. 166)
06 Sloten en alarm
Vergrendelen/ontgrendelen achterklep
De achterklep is op enkele verschillende
manieren te openen, vergrendelen en ontgrendelen.
Handmatig openen
BELANGRIJK
•
De achterklep is met heel weinig
kracht te ontgrendelen – druk gewoon
lichtjes op het met rubber beklede platje.
•
Breng geen druk aan op het met rubber beklede plaatje bij het openen van
de achterklep – maar til de handgreep
op. Bij te veel druk kan de elektrische
schakelaar in het met rubber beklede
plaatje beschadigd raken.
Ontgrendelen met transpondersleutel
De achterklep wordt dichtgehouden door een
elektrische vergrendeling. Om te openen:
2. Til de buitenste handgreep helemaal
omhoog om de klep te openen.
De portieren blijven vergrendeld en beveiligd.
De achterklep kan op twee verschillende
manieren worden geopend met de transpondersleutel:
Eenmaal drukken – De klep wordt weliswaar
ontgrendeld maar blijft dichtstaan – druk
lichtjes tegen op het met rubber bekleding
drukplaatje onder de buitenhandgreep en
open de klep. Als de klep niet binnen
2 minuten na ontgrendeling wordt geopend,
wordt de klep weer vergrendeld en het alarm
opnieuw geactiveerd.
Tweemaal drukken – De klep wordt ontgrendeld en de vergrendeling wordt vrijgegeven
waarna de klep enkele centimeters omhoogkomt – til de buitenhandgreep omhoog om de
klep te openen. Bij zware regen- of sneeuwval, vorst of ijzel komt de klep echter mogelijk
niet uit de vergrendeling los.
Met rubber bekleed plaatje met elektrische schakelaar.
1. Druk lichtjes op het breedste van de met
rubber beklede drukplaatjes onder de
buitenhandgreep - de vergrendeling
wordt vrijgegeven.
aan te geven dat de auto niet volledig vergrendeld is en dat de niveausensoren en
bewegingsmelders van het alarmsysteem*
alsmede de sensoren voor opening van het
kofferdeksel buiten werking gesteld zijn.
06
Met de knop
op de transpondersleutel
(p. 163) is het mogelijk om de alarmfunctie te
deactiveren* voor de achterklep, zodat u deze
apart kunt ontgrendelen.
De vergrendelingsindicatie (p. 165) op het
instrumentenpaneel stopt met knipperen om
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
181
06 Sloten en alarm
||
•
•
N.B.
Om de achterklep te openen:
Wanneer de klep met 2 keer indrukken
of vanaf de binnenkant van de auto
werd ontgrendeld, is automatische
hervergrendeling niet mogelijk omdat
de klep openstaat – u dient de klep
handmatig te sluiten.
–
Na het sluiten is de klep onvergrendeld
en niet opgenomen in het alarmsysteem – met de vergrendeltoets
op
de transpondersleutel kunt u de klep
opnieuw vergrendelen en opnemen in
het alarmsysteem.
Van de binnenzijde openen
06
Ontgrendelen achterklep
182
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Druk op de knop (1) op het verlichtingspaneel.
> Het slot ontgrendelt en de klep opent
een paar centimeter.
Vergrendelen met transpondersleutel
–
Druk op de toets
voor vergrendeling
op de transpondersleutel (p. 166).
> De vergrendelingsindicatie op het
instrumentenpaneel begint te knipperen, wat inhoudt dat de auto vergrendeld en het alarmsysteem* geactiveerd
is.
Gerelateerde informatie
•
Vergrendelen/ontgrendelen - van de binnenzijde (p. 179)
•
Vergrendelen/ontgrendelen - vanaf de
buitenkant (p. 177)
Vergrendelen/ontgrendelen tankvulklep
U ontgrendelt de tankvulklep met de toets
op de transpondersleutel (p. 163).
De tankvulklep blijft ontgrendeld totdat de
op
auto wordt vergrendeld met de knop
de transpondersleutel. Als de auto tijdens de
rit of met de knoppen in de passagiersruimte
wordt vergrendeld, blijft de tankvulklep ontgrendeld.
De vergrendellogica van de tankvulklep is
bovendien ondergeschikt aan keyless-drive
en eventuele vergrendeling of ontgrendeling
via de centrale vergrendeling.
Gerelateerde informatie
•
•
Tankvulklep - openen/sluiten (p. 302)
Tankvulklep - handmatig openen (p. 303)
06 Sloten en alarm
Safelock-functie*
Tijdelijk deactiveren
Safelock-functie8
Bij activering van de
worden
alle openingshandgrepen mechanisch losgekoppeld, wat het openen van de portieren van
de binnenzijde onmogelijk maakt.
Met de transpondersleutel (p. 163) activeert u
de Safelock-functie die ca. 10 seconden na
vergrendeling van de portieren in werking
treedt.
2. Kies Eén keer activeren.
> Op het instrumentenpaneel verschijnt
de melding Sloten en alarm
Beveiliging beperkt en de Safelockfunctie wordt uitgeschakeld bij vergrendeling van de auto.
of
–
N.B.
Als er binnen deze vertragingsperiode een
van de portieren wordt geopend, wordt de
functie geannuleerd en het alarm gedeactiveerd.
Bij Safelock is de auto alleen met de transpondersleutel te ontgrendelen. Het linker
voorportier is ook te ontgrendelen met het
afneembare sleutelblad (p. 169).
WAARSCHUWING
Laat niemand in de auto zitten zonder
eerst de Safelock-functie te deactiveren
om te voorkomen dat u iemand opsluit.
8
Geactiveerde menu-opties staan aangekruist.
MY CAR
OK MENU
Draaiknop TUNE
EXIT
Als u de portieren van de buitenzijde wilt vergrendelen terwijl er iemand in de auto achterblijft, kunt u de Safelock-functie tijdelijk uitschakelen. Dat gaat als volgt:
1. Open het menusysteem MY CAR en ga
naar Instellingen Auto-instellingen
Minder bescherming (voor een gedetailleerde beschrijving van het menusysteem, zie MY CAR (p. 106)).
Kies Vragen bij uitstappen.
> Iedere keer dat u de motor afzet, verschijnt op het beeldscherm van de
middenconsole de melding Lagere
beveiliging activeren tot motor
opnieuw is gestart? gevolgd door de
opties Bevestigen met OK en
Stoppen met EXIT.
Als u de Safelock-functie wilt uitschakelen
–
Druk op OK/MENU en vergrendel de
auto. (Let erop dat ook de bewegingsmelders en niveausensoren* van het alarmsysteem worden uitgeschakeld.)
> De volgende keer dat u de motor start,
wordt het systeem gereset waarna op
het instrumentenpaneel de melding
Sloten en alarm Beveiliging volledig
verschijnt. Daarmee zijn de Safelockfunctie en de bewegingsmelders en
niveausensoren van het alarmsysteem
opnieuw ingeschakeld.
Alleen in combinatie met een alarmsysteem.
06
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
183
06 Sloten en alarm
||
Als u geen wijzigingen in het vergrendelingssysteem wenst
Druk op EXIT en vergrendel de auto.
–
N.B.
•
Let erop dat het alarm wordt geactiveerd bij vergrendeling van de auto.
•
Als een van de portieren van de binnenzijde wordt geopend, gaat het
alarm af.
Kinderslot - handmatige activering
De bedieningscilinders van het kinderslot zitten achter op de korte kant van de achterportieren, zodat ze alleen bereikbaar zijn wanneer
de portieren openstaan.
Kinderslot activeren/deactiveren
Gerelateerde informatie
•
Keyless*- ontgrendelen met sleutelblad
(p. 175)
06
Mechanisch kinderslot. Niet te verwarren met de
mechanische portiervergrendeling (p. 178).
–
Maak gebruik van het afneembare sleutelblad (p. 170) van de transpondersleutel
om de cilinder te verdraaien.
Het portier is niet vanaf de binnenzijde te
openen.
Het portier is zowel vanaf de buitenzijde
als vanaf de binnenzijde te openen.
184
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
N.B.
Het kinderslot voorkomt dat kinderen een
achterportier vanaf de binnenzijde kunnen
openen.
•
De vergrendelbus van een portier dient
alleen om het desbetreffende portier te
vergrendelen – dus niet beide achterportieren.
•
Op auto’s met een elektrisch kinderslot zit geen handmatig kinderslot.
Gerelateerde informatie
•
Kinderslot - elektrische activering* (p.
185)
•
Vergrendelen/ontgrendelen - van de binnenzijde (p. 179)
06 Sloten en alarm
Kinderslot - elektrische activering*
Het kinderslot voorkomt dat kinderen een
achterportier vanaf de binnenzijde kunnen
openen.
Activeren
Het elektrische kinderslot is in alle sleutelstanden (p. 71) anders dan 0 te activeren/
deactiveren en dat binnen 2 minuten na het
afzetten van de motor, op voorwaarde dat er
geen portier wordt geopend.
2. Druk op de bijbehorende knop van het
bedieningspaneel op het bestuurdersportier.
> Op het informatiedisplay staat de melding Kinderslot actief en het lampje
in de knop brandt - het slot is geactiveerd.
Wanneer het elektrische kinderslot actief is,
zijn de achterste:
•
zijruiten alleen vanaf het bedieningspaneel op het bestuurdersportier te bedienen
•
portieren niet van de binnenkant te openen.
Bij het afzetten van de motor wordt de
actuele instelling vastgelegd – als het kinderslot geactiveerd was tijdens het afzetten van
de motor, dan is de functie de volgende keer
dat u de motor start eveneens actief.
Gerelateerde informatie
Bedieningspaneel bestuurdersportier.
1. Start de motor of kies een slotstand
anders dan 0.
•
Kinderslot - handmatige activering (p.
184)
•
Vergrendelen/ontgrendelen - van de binnenzijde (p. 179)
Alarm
Het alarm is een systeem dat waarschuwt als
er bijvoorbeeld in de auto wordt ingebroken.
Een geactiveerd alarmsysteem gaat af als:
•
een portier, de motorkap of de achterklep
wordt geopend
•
er beweging in de passagiersruimte wordt
waargenomen (als er een bewegingsmelder* aanwezig is)
•
de auto wordt opgetakeld of weggesleept
(op auto’s met een niveausensor*)
•
een kabel van de startaccu wordt losgekoppeld
•
de sirene wordt losgekoppeld.
Als er een storing in het alarmsysteem is
opgetreden, verschijnt er een melding op het
informatiedisplay van het instrumentenpaneel.
Neem dan contact op met een werkplaats –
geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
06
185
06 Sloten en alarm
||
N.B.
De bewegingsmelders laten het alarm
afgaan bij bewegingen in de passagiersruimte – ook eventuele luchtstromen worden geregistreerd. Het alarm kan dan ook
afgaan als u de auto met een raam open
laat staan of als u de interieurverwarming
gebruikt.
Om dat te voorkomen: Sluit bij het verlaten
van de auto alle ramen. Bij gebruik van de
geïntegreerde interieurverwarming van de
auto (of een draagbare variant daarvan op
stroom) dan dient u de blaasmonden dusdanig af te stellen dat deze niet omhoogwijzen. U kunt ook gebruik maken van het
beperkte alarmniveau, Beperkt alarmniveau (p. 188).
N.B.
Probeer niet zelf de onderdelen van het
alarmsysteem te repareren of te wijzigen.
Dergelijke pogingen kunnen van invloed
zijn op de verzekeringsvoorwaarden.
06
Alarm activeren
–
Druk op de vergrendelingstoets op de
transpondersleutel.
Alarm deactiveren
–
186
Druk op de ontgrendelingstoets op de
transpondersleutel.
Geactiveerd alarm uitschakelen
Alarmindicatie
–
De alarmindicatie geeft de status aan van het
alarmsysteem (p. 185).
Druk op de ontgrendelingstoets op de
transpondersleutel of steek de transpondersleutel in het contactslot.
Gerelateerde informatie
•
Alarmsysteem - automatische herinschakeling (p. 187)
•
Alarmsysteem - transpondersleutel defect
(p. 187)
Dezelfde diode als de vergrendelingsindicatie (p.
165).
Een rode led op het instrumentenpaneel geeft
de status van het alarmsysteem aan:
•
•
•
De led is uit – het alarm is uitgeschakeld
De led licht om de twee seconden eenmaal op – het alarm is ingeschakeld
De led knippert snel vanaf het moment
van uitschakelen van het alarm (tot aan
het moment dat u de transpondersleutel
in het contactslot steekt en sleutelstand I
wordt bereikt) – het alarm is afgegaan.
06 Sloten en alarm
Alarmsysteem - automatische
herinschakeling
De automatische herinschakeling van het
alarm voorkomt dat u de auto verlaat zonder
het alarmsysteem (p. 185) uit te schakelen.
Als u geen van de portieren noch de achterklep binnen twee minuten na uitschakeling
van het alarm opent wanneer de auto met de
transpondersleutel (p. 163) ontgrendeld (en
het alarm gedeactiveerd) werd, wordt het
alarm automatisch opnieuw ingeschakeld. De
auto wordt bovendien opnieuw vergrendeld.
Alarm - automatische activering
In bepaalde landen wordt het alarm (p. 185)
na enige vertraging automatisch ingeschakeld, wanneer het bestuurdersportier werd
geopend en gesloten maar daarna niet werd
vergrendeld.
Gerelateerde informatie
•
Alarmsignalen (p. 188)
Alarmsysteem - transpondersleutel
defect
Als u het alarm (p. 185) niet kunt uitschakelen
met de transpondersleutel (als bijvoorbeeld
de batterij (p. 171) van de sleutel leeg is), kunt
u de auto als volgt ontgrendelen, het alarmsysteem deactiveren en de motor starten:
1. Open het linker voorportier met het
afneembare sleutelblad (p. 175).
> Het alarmsysteem gaat af, de richtingaanwijzers knipperen en de sirene
klinkt.
Gerelateerde informatie
•
Alarm - automatische activering (p. 187)
06
2. Steek de transpondersleutel in het contactslot.
> Het alarm wordt uitgeschakeld.
187
06 Sloten en alarm
Alarmsignalen
Beperkt alarmniveau
Wanneer het alarm (p. 185) afgaat, klinkt een
sirene en knipperen alle richtingaanwijzers.
Een beperkt alarmniveau houdt in dat de
bewegingsmelders en niveausensoren tijdelijk
worden uitgeschakeld.
•
Er klinkt een sirene totdat u het alarm uitschakelt. Bij inactiviteit gaat de sirene na
30 seconden lang automatisch uit. De
sirene heeft zijn eigen accu en werkt volledig onafhankelijk van de startaccu in de
auto.
•
Alle richtingaanwijzers knipperen totdat u
het alarm uitschakelt. Bij inactiviteit gaan
ze na vijf minuten automatisch uit.
Om te voorkomen dat het alarmsysteem
onbedoeld afgaat als er bijvoorbeeld een
hond in een vergrendelde auto wordt achtergelaten of bij gebruik van een autotrein of een
veerverbinding, dienen de bewegingsmelder
en de niveausensoren tijdelijk te worden
gedeactiveerd.
De te volgen procedure is identiek aan die bij
tijdelijke uitschakeling van de Safelock-functie, zie Safelock-functie* (p. 183).
Gerelateerde informatie
•
•
06
188
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Alarm (p. 185)
Alarmindicatie (p. 186)
BESTUURDERSONDERSTEUNING
07 Bestuurdersondersteuning
Stabiliteits- en tractieregelsysteem
(DSTC)
Het stabiliteits- en tractieregelsysteem (DSTC
(Dynamic Stability & Traction Control)) helpt u
voorkomen dat de wielen doorslippen en verbetert de tractie van de auto.
Tijdens het afremmen kunnen de ingrepen
van het systeem waarneembaar zijn in de
vorm van pulserende geluiden. Tijdens het
gas geven kan de auto langzamer optrekken
dan u verwacht.
WAARSCHUWING
Het stabiliteits- en tractieregelsysteem is
slechts een aanvullend hulpmiddel – het
kan niet alle situaties en alle wegomstandigheden aan.
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige
manier bestuurt en dat u zich aan de geldende verkeersregels en voorschriften
houdt.
Het systeem bestaat uit de volgende functies:
07
•
•
•
•
•
1
190
•
•
Stuuradvies - DSR
Trailer Stability Assist* - TSA
Antislipregeling
Deze regeling controleert de aandrijfkracht en
remkracht van elk van de afzonderlijke wielen
om de auto op die manier te stabiliseren.
Antispinregeling
Deze regeling beperkt de aandrijfkracht en
remkracht van elk van de afzonderlijke wielen
om de auto op die manier te stabiliseren.
Tractieregeling
Deze regeling is actief op lage snelheden en
brengt de aandrijfkracht van een slippend
aandrijfwiel over op een aandrijfwiel dat niet
slipt.
Motorremregeling, EDC
EDC (Engine Drag Control) voorkomt ongewenste blokkering van de wielen, zoals na
terugschakeling of bij gladheid tijdens het
afremmen op de motor in een lage versnelling.
Antispinregeling
Een van de gevolgen van ongewenste blokkering van de wielen is dat u de auto moeilijk
onder controle kunt houden.
Tractieregeling
Corner Traction Control - CTC
Motorremregeling, EDC
CTC zorgt voor compensatie van eventueel
onderstuur in een bocht en maakt het mogelijk om sneller op te trekken dan normaal zon-
Antislipregeling
Corner Traction Control - CTC
Trailer Stability Assist
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
der dat het binnenste wiel doorslipt zoals bij
een gebogen oprit om zo sneller in te kunnen
voegen in de verkeersstroom.
Stuuradvies - DSR
DSR (Driver Steering Recommendation) helpt
u om de auto in de juiste richting te sturen bij
beperkte grip op het wegdek of bij een
ingreep van het ABS.
DSR is voornamelijk bedoeld om u te helpen
de auto in de juiste richting te sturen, wanneer de auto eenmaal slipt.
DSR grijpt in door het stuurwiel met enige
kracht in de richting te draaien, waarin u moet
sturen om optimale grip te verkrijgen/handhaven en de auto te stabiliseren.
Trailer Stability Assist* - TSA1
Het TSA-systeem (p. 315) heeft tot taak de
auto met een aanhanger/caravan te stabiliseren, wanneer de combinatie de neiging tot
pendelbewegingen vertoont. Voor meer informatie, zie Rijden met een aanhanger (p. 308).
N.B.
De functie wordt gedeactiveerd als u de
Sport-stand kiest.
07 Bestuurdersondersteuning
Gerelateerde informatie
•
Stabiliteits- en tractieregelsysteem
(DSTC) - bediening (p. 191)
•
Stabiliteits- en tractieregeling (DSTC) symbolen en meldingen (p. 192)
Stabiliteits- en tractieregelsysteem
(DSTC) - bediening
Het stabiliteits- en tractieregelsysteem, DSTC
(Dynamic Stability & Traction Control), helpt u
voorkomen dat de wielen doorslippen en verbetert de tractie van de auto.
Niveau kiezen, Sport-stand
Het stabiliteits- en tractieregelsysteem
(DSTC) is altijd geactiveerd – uitschakelen is
niet mogelijk.
U kunt echter de Sport-stand kiezen voor een
actievere rijervaring. In de Sport-stand registreert het systeem of de gaspedaal- en stuurwielbediening alsook het bochtenwerk als
actiever dan normaal aan te merken zijn,
waarna het systeem toestaat dat de achtertrein een gecontroleerde vorm van slippen
vertoont voordat het ingrijpt en de auto stabiliseert.
1. Druk op de middenconsole de knop MY
CAR in en zoek in het menusysteem op
het beeldscherm My V40 DSTC op.
2. Vink het vakje uit en verlaat het menusysteem met EXIT.
> Het systeem maakt vervolgens een
sportievere rijstijl mogelijk.
De Sport-stand is actief, totdat u de stand
verlaat of de motor afzet – de volgende keer
dat u de motor start, staat het DSTC-systeem
weer in de normale stand.
Gerelateerde informatie
•
Stabiliteits- en tractieregelsysteem
(DSTC) (p. 190)
•
Stabiliteits- en tractieregeling (DSTC) symbolen en meldingen (p. 192)
•
MY CAR (p. 106)
Als u de gecontroleerde vorm van slippen
beëindigt door het gaspedaal te bedienen,
grijpt het DSTC-systeem in om de auto te
stabiliseren.
De Sport-stand maakt maximale aandrijving
mogelijk, als de auto is blijven steken of over
een zachte ondergrond (zoals zand of een
dikke laag sneeuw) rijdt.
07
Kies als volgt de Sport-stand:
191
07 Bestuurdersondersteuning
Stabiliteits- en tractieregeling (DSTC)
- symbolen en meldingen
voorkomen dat de wielen doorslippen en verbetert de tractie van de auto.
Het stabiliteits- en tractieregelsysteem (DSTC
(Dynamic Stability & Traction Control)) helpt u
Tabel
SymboolA
Melding
Betekenis
DSTC Tijdelijk UIT
Wegens een te hoge temperatuur van de remschijven gelden er tijdelijk beperkingen voor het DSTCsysteem. Het systeem wordt automatisch opnieuw ingeschakeld, wanneer de remmen voldoende zijn
afgekoeld.
DSTC Service vereist
Het DSTC-systeem is defect.
•
•
Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand, zet de motor af en start deze opnieuw.
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
‘Melding’
Er staat een melding op het instrumentenpaneel – lees deze!
Brandt 2 seconden lang
continu.
Systeemtest bij het starten van de motor.
Knippert.
Het DSTC-systeem grijpt in.
en
07
De Sport-stand is geactiveerd.
A
192
De symbolen zijn schematisch.
07 Bestuurdersondersteuning
Gerelateerde informatie
•
Stabiliteits- en tractieregelsysteem
(DSTC) (p. 190)
•
Stabiliteits- en tractieregelsysteem
(DSTC) - bediening (p. 191)
07
193
07 Bestuurdersondersteuning
Verkeersbordenherkenning (RSI)
WAARSCHUWING
De verkeersbordenherkenning (RSI – Road
Sign Information) helpt de bestuurder te onthouden welke verkeersborden de auto gepasseerd is.
RSI werkt niet in alle situaties, maar is uitsluitend bedoeld als een aanvullend hulpmiddel.
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige
manier bestuurt en dat u zich aan de geldende verkeersregels en voorschriften
houdt.
Verkeersbordenherkenning (RSI)* bediening
De verkeersbordenherkenning (RSI – Road
Sign Information) helpt de bestuurder te onthouden welke verkeersborden de auto gepasseerd is. Hier volgt een beschrijving van de
werking van het systeem.
Gerelateerde informatie
•
Verkeersbordenherkenning (RSI)* - bediening (p. 194)
•
Verkeersbordenherkenning (RSI)* beperkingen (p. 196)
Voorbeelden van leesbare, snelheidsgerelateerde2 borden.
07
De verkeersbordenherkenning geeft informatie over o.a. actuele snelheid, begin of eind
van een autoweg of snelweg en inhaalverboden. Als zowel een bord met snel-/autoweg
en een bord met de maximumsnelheid wordt
gepasseerd, toont RSI alleen het bordsymbool voor de maximumsnelheid.
2
3
194
Geregistreerde snelheidsinformatie3.
Als RSI een verkeersbord registreert met de
geldende snelheid, geeft het instrumentenpaneel dat bord als symbool weer.
Welke verkeersborden er op het instrumentenpaneel verschijnen hangt van de markt af – de afbeeldingen in het boekje zijn slechts voorbeelden.
Welke verkeersborden er op het instrumentenpaneel verschijnen hangt van de markt af – de afbeeldingen in het boekje zijn slechts voorbeelden.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Samen met het symbool
voor de geldende snelheidsbeperking kan (voor zover
van toepassing) ook een
bord met inhaalverbod verschijnen.
07 Bestuurdersondersteuning
Einde snelheidsbeperking of snelweg
Aanvullende borden
Wanneer het RSI een bord registreert dat het
einde van een snelheidsbeperking aangeeft
(of andere snelheidsgerelateerde informatie
zoals het einde van een snelweg), verschijnt
het desbetreffende verkeersbord
ca. 10 seconden lang op het instrumentenpaneel:
Het snelheidsbord dat aan dit type aanvullend
bord is gekoppeld, verschijnt alleen als de
bestuurder de richtingaanwijzer gebruikt.
Sommige snelheden gelden
bijvoorbeeld alleen een
bepaald traject of op een
bepaalde tijd van de dag. U
wordt hierop geattendeerd
met een symbool voor een
aanvullend bord onder het
snelheidssymbool.
Voorbeelden van dergelijke borden zijn:
Einde snelheidsbeperkingen.
Weergave van aanvullende informatie
Voorbeelden van aanvullende borden3.
Einde snelweg.
Vervolgens wordt er geen verkeersbordinformatie weergegeven, totdat het volgende snelheidsbord wordt geregistreerd.
3
Soms kent een en dezelfde weg verschillende
snelheidsbeperkingen – een aanvullend bord
geeft dan aan onder welke omstandigheden
de snelheden gelden. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om een gevaarlijke weg bij bijvoorbeeld regen en/of mist.
Het aanvullende bord met betrekking tot
regen verschijnt alleen als de ruitenwissers
zijn geactiveerd.
Op bepaalde markten wordt
de geldende snelheid op een
afrit aangegeven met een
aanvullend bord met een pijl.
king.
Een leeg vakje onder het
snelheidssymbool op het
instrumentenpaneel geeft
aan dat het RSI een bord
heeft geregistreerd met aanvullende informatie over de
geldende snelheidsbeper-
Instelling in MY CAR
De beschikbare opties voor het RSI vindt u in
het menusysteem MY CAR, zie MY CAR - rijassistentiesystemen (p. 112).
Welke verkeersborden er op het instrumentenpaneel verschijnen hangt van de markt af – de afbeeldingen in het boekje zijn slechts voorbeelden.
07
}}
195
07 Bestuurdersondersteuning
||
Road Sign Information Aan/Uit
U kunt ervoor kiezen of u een waarschuwing
wil krijgen bij een overschrijding van de snelheidsbeperking met 5 km/h of meer. De waarschuwing bestaat uit een tijdelijk knipperend
symbool voor de maximumsnelheid als de
snelheid wordt overschreden.
Om Speed Alert in te schakelen:
•
De weergave van snelheidssymbolen op het
instrumentenpaneel kan worden gedeactiveerd. Om het RSI-systeem uit te schakelen:
•
Vink de optie Informatie over
verkeersborden (Road Sign Information
On) uit in Instellingen Autoinstellingen Informatie over
verkeersborden en verlaat het menu met
EXIT.
Speed Alert
07
Vink de optie Snelheidswaarschuwing
(Speed Alert) aan in Instellingen Autoinstellingen Snelheidswaarschuwing
en verlaat het menu met EXIT.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Verkeersbordenherkenning (RSI) (p. 194)
Verkeersbordenherkenning (RSI)* beperkingen (p. 196)
MY CAR (p. 106)
Verkeersbordenherkenning (RSI)*
beperkingen
De verkeersbordenherkenning (RSI – Road
Sign Information) helpt de bestuurder te onthouden welke verkeersborden de auto gepasseerd is. Het systeem heeft onderstaande
beperkingen.
De camerasensor van het RSI-systeem kent
ongeveer dezelfde beperkingen als het menselijk oog – lees daarover meer in het
gedeelte over de beperkingen van de camerasensor (p. 239).
Borden die indirect informeren over snelheidsbeperkingen, bijvoorbeeld naamborden
van steden/dorpen, worden niet geregistreerd
door het RSI-systeem.
Hieronder volgen andere voorbeelden die de
werking kunnen storen:
•
•
•
•
•
Verbleekte borden
Borden in een bocht
Verdraaide of beschadigde borden
Verscholen of slecht geplaatste borden
Borden die geheel of gedeeltelijk zijn
afgedekt met ijs, sneeuw en/of vuil.
Gerelateerde informatie
•
•
196
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Verkeersbordenherkenning (RSI) (p. 194)
Verkeersbordenherkenning (RSI)* - bediening (p. 194)
07 Bestuurdersondersteuning
Snelheidsbegrenzer*
Een snelheidsbegrenzer (Speed Limiter) is te
beschouwen als een omgekeerde cruisecontrol – u regelt de snelheid met het gaspedaal,
terwijl de snelheidsbegrenzer voorkomt dat u
per ongeluk de vooraf gekozen/ingestelde
snelheid overschrijdt.
Stuurtoetsen en instrumentpaneel (Digital c.q.
Analog).
Snelheidsbegrenzer - Aan/Uit.
De stand-bystand wordt beëindigd en de
ingestelde snelheid wordt hervat.
Stand-by zetten
Activeren en maximumsnelheid aanpassen.
Ingestelde snelheid
Snelheidsbegrenzer actief
Gerelateerde informatie
•
Snelheidsbegrenzer* - beknopte bedieningsinstructies (p. 197)
•
Snelheidsbegrenzer - tijdelijk deactiveren
en stand-bystand* (p. 199)
•
Snelheidsbegrenzer* - alarm overschrijding snelheid (p. 200)
•
Snelheidsbegrenzer* - uitschakelen (p.
200)
Snelheidsbegrenzer* - beknopte
bedieningsinstructies
Een snelheidsbegrenzer (Speed Limiter) is te
beschouwen als een omgekeerde cruisecontrol – u regelt de snelheid met het gaspedaal,
terwijl de snelheidsbegrenzer voorkomt dat u
per ongeluk de vooraf gekozen/ingestelde
snelheid overschrijdt.
Stuurtoetsen en instrumentpaneel (Digital c.q.
Analog).
Snelheidsbegrenzer - Aan/Uit.
De stand-bystand wordt beëindigd en de
ingestelde snelheid wordt hervat.
Stand-by zetten
07
Activeren en maximumsnelheid aanpassen.
Ingestelde snelheid
Snelheidsbegrenzer actief
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
197
07 Bestuurdersondersteuning
||
Inschakelen en activeren
Wanneer de snelheidsbegrenzer actief is, verschijnt op het instrumentenpaneel het bijbehorende symbool (6) samen met een
markering (5) bij de ingestelde maximumsnelheid.
Zowel tijdens het rijden als bij stilstand is het
mogelijk een maximumsnelheid in te stellen
en op te slaan in het geheugen.
Tijdens het rijden
1. Druk op de stuurtoets
om de snelheidsbegrenzer in te schakelen.
> Het symbool (6) voor de snelheidsbegrenzer gaat branden op het instrumentenpaneel.
07
2. Wanneer de auto op de gewenste maximumsnelheid rijdt: Druk op een van de
stuurtoetsen
of
, totdat op het
instrumentenpaneel bij de gewenste
maximumsnelheid een markering (5) verschijnt.
> De snelheidsbegrenzer is daarmee
actief en de gekozen maximumsnelheid is daarmee opgeslagen in het
geheugen.
Bij stilstand
1. Druk op de stuurtoets
om de snelheidsbegrenzer in te schakelen.
198
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
2. Druk meerdere malen op de toets
totdat op het instrumentenpaneel bij de
gewenste maximumsnelheid een
markering (5) verschijnt.
> De snelheidsbegrenzer is daarmee
actief en de gekozen maximumsnelheid is daarmee opgeslagen in het
geheugen.
Gerelateerde informatie
•
Snelheidsbegrenzer* (p. 197)
Snelheidsbegrenzer* - snelheid
wijzigen
Een snelheidsbegrenzer (Speed Limiter) is te
beschouwen als een omgekeerde cruisecontrol – u regelt de snelheid met het gaspedaal,
terwijl de snelheidsbegrenzer voorkomt dat u
per ongeluk de vooraf gekozen/ingestelde
snelheid overschrijdt.
Om de opgeslagen snelheid te wijzigen:
•
of
Stel af met een korte druk op
van de toetsenset op het stuurwiel - eenmaal indrukken staat gelijk aan
+/- 5 km/h. De laatst verrichte aanpassing
wordt in het geheugen opgeslagen.
Om aan te passen met +/- 1 km/h:
•
Houd de knop ingedrukt en laat los als op
het instrumentenpaneel bij de gewenste
maximumsnelheid een markering verschijnt.
Gerelateerde informatie
•
Snelheidsbegrenzer* (p. 197)
07 Bestuurdersondersteuning
Snelheidsbegrenzer - tijdelijk
deactiveren en stand-bystand*
Een snelheidsbegrenzer (Speed Limiter) is te
beschouwen als een omgekeerde cruisecontrol – u regelt de snelheid met het gaspedaal,
terwijl de snelheidsbegrenzer voorkomt dat u
per ongeluk de vooraf gekozen/ingestelde
snelheid overschrijdt.
Tijdelijk deactiveren – stand-bystand
–
Om de snelheidsbegrenzer tijdelijk te deactiveren en stand-by te zetten:
–
Druk op
.
> De markering (5) op het instrumentenpaneel verkleurt van GROEN naar WIT
(Digital) of van WIT naar GRIJS (Analog), waarna u tijdelijk de ingestelde
maximumsnelheid kunt overschrijden.
De snelheidsbegrenzer wordt automatisch opnieuw geactiveerd nadat u het
gaspedaal hebt losgelaten en de auto
is afgeremd tot een snelheid onder de
gekozen/opgeslagen maximumsnelheid – de markering (5) verkleurt van
WIT naar GROEN (Digital) of van
GRIJS naar WIT (Analog) en de maximumsnelheid van de auto is opnieuw
van kracht.
U kunt de snelheidsbegrenzer opnieuw
,
inschakelen met een druk op
waarna de markering (5) verkleurt van
WIT naar GROEN (Digital) of van
GRIJS naar WIT (Analog) om aan te
geven dat er opnieuw een maximumsnelheid voor de auto geldt.
Tijdelijk deactiveren met gaspedaal
Stuurtoetsen en instrumentpaneel (Digital c.q.
Analog).
De snelheidsbegrenzer is ook met het gaspedaal stand-by te zetten, bijvoorbeeld om in
noodgevallen snel te kunnen accelereren:
Trap het gaspedaal volledig in.
> Op het instrumentenpaneel staat de
opgeslagen maximumsnelheid met een
gekleurde markering (5) en u kunt de
ingestelde maximumsnelheid tijdelijk
overschrijden – de markering (5) verkleurt dan van GROEN naar WIT (Digital) of van WIT naar GRIJS (Analog).
Gerelateerde informatie
•
Snelheidsbegrenzer* (p. 197)
Snelheidsbegrenzer - Aan/Uit.
De stand-bystand wordt beëindigd en de
ingestelde snelheid wordt hervat.
07
Stand-by zetten
Activeren en maximumsnelheid aanpassen.
Ingestelde snelheid
Snelheidsbegrenzer actief
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
199
07 Bestuurdersondersteuning
Snelheidsbegrenzer* - alarm
overschrijding snelheid
Een snelheidsbegrenzer (Speed Limiter) is te
beschouwen als een omgekeerde cruisecontrol – u regelt de snelheid met het gaspedaal,
terwijl de snelheidsbegrenzer voorkomt dat u
per ongeluk de vooraf
gekozen/ingestelde snelheid overschrijdt.
Op steile aflopende hellingen volstaat de
motorrem van de snelheidsbegrenzer mogelijk niet, zodat de gekozen maximumsnelheid
wordt overschreden. U wordt in dat geval
hierop geattendeerd door een geluidssignaal.
Het signaal is hoorbaar totdat u de auto hebt
afgeremd tot een snelheid onder de gekozen
maximumsnelheid.
Snelheidsbegrenzer* - uitschakelen
Cruisecontrol*
Een snelheidsbegrenzer (Speed Limiter) is te
beschouwen als een omgekeerde cruisecontrol – u regelt de snelheid met het gaspedaal,
terwijl de snelheidsbegrenzer voorkomt dat u
per ongeluk de vooraf gekozen/ingestelde
snelheid overschrijdt.
De cruisecontrol (CC – Cruise Control) helpt u
een gelijkmatige snelheid te houden, wat
zorgt voor een comfortabeler rijervaring op
lange ritten op snelwegen en lange, rechte
hoofdwegen met een gelijkmatige verkeersstroom.
Om de snelheidsbegrenzer uit te schakelen:
Overzicht
–
N.B.
Het alarm wordt pas na 5 seconden geactiveerd, als de snelheid met minimaal
3 km/h wordt overschreden en de afgelopen 30 seconden geen van de toetsen
of
werd bediend.
07
4
200
Gerelateerde informatie
•
Snelheidsbegrenzer* (p. 197)
Een Volvo-dealer kan u informeren over wat er op uw markt geldt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
.
U kunt daarna weer zonder beperkingen de snelheid regelen met het gaspedaal.
Gerelateerde informatie
•
Druk op de stuurtoets
> Het snelheidsbegrenzersymbool op het
instrumentenpaneel (p. 197) en de
markering voor de ingestelde snelheid
doven. De gekozen en opgeslagen
snelheid is vervolgens uit het geheugen gewist, waarna deze niet meer te
.
hervatten is met de toets
Snelheidsbegrenzer* (p. 197)
Toetsenset op het stuurwiel en instrumentenpaneel bij een auto zonder cruisecontrol4.
07 Bestuurdersondersteuning
WAARSCHUWING
De bestuurder dient altijd rekening te houden met de verkeersomstandigheden en in
te grijpen, wanneer de cruisecontrol geen
passende snelheid en/of afstand aanhoudt.
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige
manier bestuurt.
Cruisecontrol* - snelheid regelen
De cruisecontrol (CC – Cruise Control) helpt u
een gelijkmatige snelheid aan te houden. U
kunt een snelheid instellen, activeren en wijzigen.
Activeren en snelheid instellen
Gerelateerde informatie
Toetsenset op het stuurwiel en instrumentenpaneel bij een auto net cruisecontrol4.
Cruisecontrol – Aan/Uit.
De stand-bystand wordt beëindigd en de
ingestelde snelheid wordt hervat.
Stand-by zetten
•
•
Cruisecontrol* - snelheid regelen (p. 201)
•
Cruisecontrol* - ingestelde snelheid hervatten (p. 204)
•
Cruisecontrol* - uitschakelen (p. 205)
Activeren en snelheid aanpassen.
Snelheidsbegrenzer* tijdelijk deactiveren
en stand-bystand (p. 203)
Toetsenset op het stuurwiel en display in de auto
zonder snelheidsbegrenzer 5.
Gekozen snelheid (GRIJS = standbystand).
Cruisecontrol actief - WIT symbool
(GRIJS = stand-bystand).
07
4
5
Een Volvo-dealer kan u informeren over wat er op uw markt geldt.
Een Volvo-dealer kan u informeren over wat er op uw markt geldt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
201
07 Bestuurdersondersteuning
||
N.B.
De cruisecontrol kan niet worden ingeschakeld bij snelheden lager dan 30 km/h.
Snelheid wijzigen
•
of
Stel af met een korte druk op
elke druk zorgt voor +/- 5 km/h. De laatst
verrichte aanpassing wordt in het geheugen opgeslagen.
Om aan te passen met +/- 1 km/h:
Toetsenset op het stuurwiel en display in de auto
met snelheidsbegrenzer 5.
Om de cruisecontrol aan te zetten:
•
Druk op de stuurtoets
>
Het symbool (6) voor een actieve cruisecontrol op het instrumentenpaneel verkleurt van GRIJS naar WIT om aan te
geven dat de cruisecontrol stand-by
staat.
•
Wanneer u tijdelijk gas geeft via het gaspedaal zoals bij een inhaalmanoeuvre, blijft de
instelling van de cruisecontrol ongewijzigd –
de auto hervat de ingestelde snelheid zodra u
het gaspedaal loslaat.
N.B.
Als u een knop van de cruisecontrol meerdere minuten ingedrukt houdt, wordt de
cruisecontrol geblokkeerd en uitgeschakeld. Om de cruisecontrol weer te kunnen
activeren, moet de auto stilstaan en de
motor worden herstart.
Om de cruisecontrol in te schakelen:
07
•
Druk bij de gewenste snelheid op de
stuurtoets
of
.
>
De actuele snelheid wordt in het geheugen opgeslagen en de markering (5) op
het instrumentenpaneel brandt bij de
ingestelde snelheid.
5
202
Gerelateerde informatie
•
•
Een Volvo-dealer kan u informeren over wat er op uw markt geldt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Houd de knop ingedrukt en laat los bij de
gewenste snelheid.
Cruisecontrol* (p. 200)
Snelheidsbegrenzer* tijdelijk deactiveren
en stand-bystand (p. 203)
•
Cruisecontrol* - ingestelde snelheid hervatten (p. 204)
•
Cruisecontrol* - uitschakelen (p. 205)
07 Bestuurdersondersteuning
Snelheidsbegrenzer* tijdelijk
deactiveren en stand-bystand
•
het koppelingspedaal meer dan 1 minuut7
lang wordt bediend
De cruisecontrol (CC – Cruise Control) helpt u
een gelijkmatige snelheid aan te houden. Het
systeem is tijdelijk te activeren en in de standbystand te zetten.
•
de keuze-/schakelhendel in de neutrale
stand N wordt gezet (automatische versnellingsbak)
•
u meer dan 1 minuut lang een hogere
snelheid aanhoudt dan ingesteld.
Tijdelijk deactiveren – stand-bystand
U dient vervolgens zelf uw snelheid aan te
passen.
Gerelateerde informatie
Toetsenset op het stuurwiel en display in de auto
met snelheidsbegrenzer 6.
Om de cruisecontrol tijdelijk uit te schakelen
en stand-by te zetten:
Toetsenset op het stuurwiel en display in de auto
zonder snelheidsbegrenzer 6.
•
Druk op
>
De markering (5) en het symbool (6) op
het instrumentenpaneel verkleuren van
WIT naar GRIJS.
.
•
•
•
Cruisecontrol* - snelheid regelen (p. 201)
•
Cruisecontrol* - uitschakelen (p. 205)
Cruisecontrol* (p. 200)
Cruisecontrol* - ingestelde snelheid hervatten (p. 204)
Automatische stand-bystand
De cruisecontrol wordt tijdelijk uitgeschakeld
en stand-by gezet, als:
6
7
•
de wielen hun grip op het wegdek verliezen
•
•
het rempedaal wordt bediend
07
de snelheid daalt tot onder ca. 30 km/h
Een Volvo-dealer kan u informeren over wat er op uw markt geldt.
Bij ontkoppelen en opschakelen of terugschakelen wordt de cruisecontrol niet stand-by gezet.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
203
07 Bestuurdersondersteuning
Cruisecontrol* - ingestelde snelheid
hervatten
Gerelateerde informatie
De cruisecontrol (p. 200) (CC – Cruise
Control) helpt u een gelijkmatige snelheid aan
te houden. Na tijdelijke deactivering en de
stand-bystand (p. 203) kunt u de eerder ingestelde snelheid hervatten.
Toetsenset op het stuurwiel en display in de auto
met snelheidsbegrenzer 8.
Om de cruisecontrol opnieuw te activeren
vanuit de stand-bystand:
•
Druk op de stuurtoets
>
De markering (5) en het symbool (6) op
het instrumentenpaneel verkleuren van
GRIJS naar WIT en de laatst ingestelde
snelheid wordt hervat.
Toetsenset op het stuurwiel en display in de auto
zonder snelheidsbegrenzer 8.
.
N.B.
Nadat de snelheid weer met
is hervat,
kan er een markante snelheidstoename
volgen.
07
8
204
Een Volvo-dealer kan u informeren over wat er op uw markt geldt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
•
•
Cruisecontrol* - snelheid regelen (p. 201)
•
Cruisecontrol* - uitschakelen (p. 205)
Snelheidsbegrenzer* tijdelijk deactiveren
en stand-bystand (p. 203)
07 Bestuurdersondersteuning
Cruisecontrol* - uitschakelen
Adaptieve cruisecontrol (ACC)*
De cruisecontrol (CC – Cruise Control) helpt u
een gelijkmatige snelheid aan te houden. Hier
volgt een beschrijving van hoe u het systeem
uitschakelt.
De adaptieve cruisecontrol (ACC – Adaptive
Cruise Control) helpt u om een veilige afstand
tot voorliggers te houden.
De adaptieve cruisecontrol biedt u een comfortabeler rijervaring op lange ritten op snelwegen en lange, rechte hoofdwegen met een
gelijkmatige verkeersstroom.
Toetsenset op het stuurwiel en display in de auto
met snelheidsbegrenzer 9.
Toetsenset op het stuurwiel en display in de auto
zonder snelheidsbegrenzer 9.
De cruisecontrol wordt gedeactiveerd bij
gebruik van een stuurtoets (1) of bij het afzetten van de motor – de ingestelde snelheid
wordt uit het geheugen verwijderd en valt niet
langer te hervatten met de toets
.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
9
Cruisecontrol* (p. 200)
U stelt de gewenste snelheid (p. 209) en het
tijdsverschil ten opzichte van de voorligger.
Wanneer de radarsensor een voorligger registreert die langzamer rijdt dan u, wordt uw
snelheid automatisch aangepast. Wanneer de
weg voor u weer vrij is, hervat de auto de
ingestelde snelheid.
Als u een voorligger te dicht nadert terwijl de
adaptieve cruisecontrol uitgeschakeld is of
stand-by staat, wordt u door de afstandswaarschuwing (p. 221) geattendeerd op de
korte afstand.
Cruisecontrol* - snelheid regelen (p. 201)
Snelheidsbegrenzer* tijdelijk deactiveren
en stand-bystand (p. 203)
Cruisecontrol* - ingestelde snelheid hervatten (p. 204)
07
Een Volvo-dealer kan u informeren over wat er op uw markt geldt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
205
07 Bestuurdersondersteuning
||
WAARSCHUWING
De bestuurder dient altijd rekening te houden met de verkeersomstandigheden en in
te grijpen, wanneer de adaptieve cruisecontrol geen passende snelheid of afstand
aanhoudt.
De adaptieve cruisecontrol leent zich niet
voor alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
Neem alle hoofdstukken over de adaptieve
cruisecontrol in de gebruikershandleiding
door voor informatie over de systeembeperkingen die u moet kennen alvorens het
systeem te gebruiken.
De bestuurder is er altijd verantwoordelijk
voor dat de juiste afstand en snelheid worden aangehouden, ook bij gebruik van de
adaptieve cruisecontrol.
BELANGRIJK
Gerelateerde informatie
•
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht (p.
208)
•
•
Adaptieve cruisecontrol* - functie (p. 206)
•
Adaptieve cruisecontrol* - tijdelijke deactivering en stand-by (p. 211)
•
Adaptieve cruisecontrol* - uitschakelen
(p. 212)
•
Adaptieve cruisecontrol* - een ander
voertuig inhalen (p. 212)
•
Adaptieve cruisecontrol* - van cruisecontrol-functie wisselen (p. 214)
•
Adaptieve cruisecontrol* - storingen
opsporen en verhelpen (p. 218)
•
Adaptieve cruisecontrol* - symbolen en
meldingen (p. 219)
Adaptieve cruisecontrol* - volgtijd instellen (p. 210)
Laat het onderhoud van de onderdelen van
de adaptieve cruisecontrol over aan een
werkplaats – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
07
Automatische versnellingsbak
Bij auto’s met een automatische versnellingsbak is de adaptieve cruisecontrol uitgebreid
met een zogeheten file-assistent (p. 213).
10
206
N.B. De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Adaptieve cruisecontrol* - functie
De adaptieve cruisecontrol (p. 205) (ACC –
Adaptive Cruise Control) helpt u om een veilige afstand tot voorliggers te houden.
Functie-overzicht10.
Waarschuwingssymbool – afremmen
noodzakelijk
Toetsenset op het stuurwiel (p. 79).
Radarsensor (p. 215)
De adaptieve cruisecontrol bestaat uit een
cruisecontrol die gekoppeld is aan een
afstandshouder.
07 Bestuurdersondersteuning
WAARSCHUWING
De adaptieve cruisecontrol is geen systeem dat botsingen voorkomt. Grijp zelf in
zodra u merkt dat het systeem een voorligger niet registreert.
De adaptieve cruisecontrol reageert niet
op voetgangers of dieren noch op kleinere
voertuigen, zoals fietsen of motorfietsen
e.d. Tegenliggers, langzaam rijdende en
stilstaande voertuigen of vaste obstakels
worden eveneens genegeerd.
Gebruik de adaptieve cruisecontrol niet in
stadsverkeer of verkeersdrukte, op kruisingen, bij gladheid, hevige regen- of sneeuwval of slecht zicht en evenmin op weggedeelten met een dikke laag water of
sneeuwmodder, op bochtige wegen of op
op- en afritten.
De afstand tot het verkeer voor u wordt in
principe gemeten met een radarsensor. De
cruisecontrol regelt de snelheid door de stand
van de gasklep aan te passen en zo nodig af
te remmen. Het is volkomen normaal dat de
remmen enige geluiden produceren, wanneer
de adaptieve cruisecontrol ze aanspreekt.
WAARSCHUWING
Het rempedaal beweegt als de cruisecontrol remt. Laat uw voet niet onder het rempedaal rusten, aangezien deze dan
bekneld raakt.
De adaptieve cruisecontrol streeft ernaar de
door u ingestelde volgtijd (p. 210) ten
opzichte van voorliggers in dezelfde rijstrook
aan te houden. Als de radarsensor geen voorligger registreert, houdt de auto in plaats
daarvan de snelheid aan die op de cruisecontrol werd ingesteld. Dit gebeurt ook als de
snelheid van de voorligger de ingestelde snelheid van de adaptieve cruisecontrol overschrijdt.
De adaptieve cruisecontrol streeft ernaar de
snelheid zo weinig mogelijk aan te passen. In
situaties waarin krachtig moet worden
geremd, dient de bestuurder dan ook zelf te
remmen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij grote
snelheidsverschillen of als het voertuig dat
voor u rijdt krachtig remt. Door beperkingen
van de radarsensor (p. 216) is het mogelijk
dat er onverwachts of helemaal niet wordt
geremd.
De adaptieve cruisecontrol is te activeren om
een volgtijd aan te houden ten opzichte van
een voorligger bij snelheden vanaf 30 km/h11
tot een maximumsnelheid van 200 km/h. Als
de snelheid tot onder 30 km/h daalt of als het
11
De file-assistent (p. 213)(auto’s met een automatische versnellingsbak) kan een interval aan van 0–200 km/h.
motortoerental te laag wordt, wordt de
cruisecontrol stand-by gezet, waarna er niet
langer automatisch wordt afgeremd – u moet
dan zelf remmen om een veilige afstand te
houden tot voorliggers.
Waarschuwingssymbool – afremmen
noodzakelijk
Het remvermogen van de adaptieve cruisecontrol bedraagt meer dan 40 % van de
totale remcapaciteit van de auto.
Als de auto harder moet worden afgeremd
dan de adaptieve cruisecontrol aankan en u
remt zelf niet bij, dan maakt de cruisecontrol
u er middels het waarschuwingslampje van
Collision Warning (p. 231) en een geluidssignaal attent op dat u onmiddellijk moet ingrijpen.
N.B.
Bij felle zon of bij gebruik van een zonnebril kan het waarschuwingslampje moeilijk
te zien zijn.
WAARSCHUWING
De cruisecontrol waarschuwt alleen voor
voertuigen die de radarsensor heeft gedetecteerd. Daarom kan de waarschuwing
uitblijven of met een bepaalde vertraging
plaatsvinden. Wacht een waarschuwing
niet af, maar rem als dat nodig is.
07
}}
207
07 Bestuurdersondersteuning
||
Steile wegen en/of zware belading
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht
Let erop dat de adaptieve cruisecontrol in
eerste instantie bestemd is voor gebruik tijdens ritten op vlakke weggedeelten. De
cruisecontrol heeft mogelijk moeite om de
juiste volgafstand ten opzichte van voorliggers aan te houden bij ritten op steile aflopende wegen, bij vervoer van zware belading
of met een aanhanger/caravan achter de auto
– blijf dan extra alert en rem zo nodig zelf.
De werking van de adaptieve cruisecontrol (p.
205) en de toetsenset op het stuurwiel hangt
af van de vraag of de auto al dan niet is uitgerust met een snelheidsbegrenzer (p. 197)12.
Adaptieve cruisecontrol met
snelheidsbegrenzer
Volgtijd
ACC is actief bij GROEN symbool (WIT =
stand-by).
Adaptieve cruisecontrol zonder
snelheidsbegrenzer
Gerelateerde informatie
•
Adaptieve cruisecontrol (ACC)* (p. 205)
Cruisecontrol – Aan/Uit.
07
208
Een Volvo-dealer kan u informeren over wat er op uw markt geldt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Cruisecontrol – Aan/Uit of stand-bystand.
De stand-bystand wordt beëindigd en de
ingestelde snelheid wordt hervat.
Volgtijd – Verlengen/verkorten.
Stand-by zetten
Activeren en snelheid aanpassen.
Volgtijd – Verlengen/verkorten.
(Wordt niet gebruikt)
Activeren en snelheid aanpassen.
Groene markering bij opgeslagen snelheid (WIT = stand-by).
Groene markering bij opgeslagen snelheid (WIT = stand-by).
12
De stand-bystand wordt beëindigd en de
ingestelde snelheid wordt hervat.
07 Bestuurdersondersteuning
Volgtijd
ACC is actief bij GROEN symbool (WIT =
stand-by).
Gerelateerde informatie
•
Adaptieve cruisecontrol* - snelheid regelen (p. 209)
•
Adaptieve cruisecontrol* - volgtijd instellen (p. 210)
•
Adaptieve cruisecontrol* - tijdelijke deactivering en stand-by (p. 211)
Adaptieve cruisecontrol* - snelheid
regelen
Tegelijkertijd wordt een snelheidsinterval gemarkeerd:
De adaptieve cruisecontrol (p. 205) (ACC –
Adaptive Cruise Control) helpt u om een veilige afstand tot voorliggers te houden.
• de hogere snelheid met de
GROENE markering is de
voorgeprogrammeerde snelheid
Om de cruisecontrol aan te zetten:
•
- op het instruDruk op de stuurtoets
mentenpaneel (p. 219) gaat een vergelijkbaar WIT symbool branden om aan te
geven dat de cruisecontrol stand-by (p.
211) staat.
Om de cruisecontrol in te schakelen:
•
Druk bij de gewenste snelheid op de
of
.
stuurtoets
>
De actuele snelheid wordt opgeslagen in
het geheugen, het instrumentenpaneel
toont korte tijd een ‘vergrootglas’ rond de
gekozen snelheid en de bijbehorende
markering verkleurt van WIT naar
GROEN.
Als dit symbool van WIT naar
GROEN verkleurt, is de cruisecontrol actief en houdt deze de auto op
de opgeslagen snelheid.
• de lagere snelheid is de snelheid van de
voorligger.
Snelheid wijzigen
Om de opgeslagen snelheid te wijzigen:
•
of
Stel af met een korte druk op
elke druk zorgt voor +/- 5 km/h. De laatst
verrichte aanpassing wordt in het geheugen opgeslagen.
Als u de snelheid verhoogt met het gas/
indrukt,
pedaal voordat u de knop
slaat de cruisecontrol de actuele rijsnelheid op die geldt bij het indrukken van de
knop.
Om aan te passen met +/- 1 km/h:
•
Houd de knop ingedrukt en laat los bij de
gewenste snelheid.
07
Alleen als op het symbool de
afbeelding van een ander
voertuig verschijnt, wordt de
afstand tot de voorligger
geregeld door de cruisecontrol.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
209
07 Bestuurdersondersteuning
||
N.B.
Als u een knop van de cruisecontrol meerdere minuten ingedrukt houdt, wordt de
cruisecontrol geblokkeerd en uitgeschakeld. Om de cruisecontrol weer te kunnen
activeren, moet de auto stilstaan en de
motor worden herstart.
In bepaalde situaties is het niet mogelijk de
adaptieve cruisecontrol te activeren. Op
het instrumentenpaneel (p. 219) verschijnt
dan ACC niet beschikbaar.
Gerelateerde informatie
•
•
Adaptieve cruisecontrol (ACC)* (p. 205)
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht (p.
208)
Adaptieve cruisecontrol* - volgtijd
instellen
De adaptieve cruisecontrol (p. 205) (ACC –
Adaptive Cruise Control) helpt u om een veilige afstand tot voorliggers te houden.
Draai aan het duimwiel van de stuurtoetsen (of gebruik de knoppen
/
bij een
auto zonder snelheidsbegrenzer).
Om voorliggers soepel en comfortabel te kunnen blijven volgen staat de adaptieve cruisecontrol in bepaalde situaties aanzienlijke
variaties in de volgtijd toe.
Let erop dat korte volgtijden u bij plotselinge
wijzigingen in de verkeersstroom minder tijd
geven om te reageren en in te grijpen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Houd alleen een volgtijd aan die niet in
strijd is met de geldende verkeersregels.
Als de cruisecontrol bij activering niet lijkt
te reageren, kan dat komen doordat de
volgtijd tot de voorligger een snelheidstoename belet.
Hoe hoger de snelheid, hoe langer de
volgafstand in meters voor een bepaalde
volgtijd.
Lees meer over hoe u de snelheid regelt
(p. 209).
Om de volgtijd in te stellen/te wijzigen:
Bij lage snelheden (en korte tijden) vergroot
de adaptieve cruisecontrol de volgtijd iets.
210
N.B.
U kunt verschillende volgtijden ten opzichte van voorliggers kiezen en deze worden
op het instrumentenpaneel
weergegeven met 1–5 horizontale streepjes – hoe meer
streepjes, hoe langer de
volgtijd. Eén streepje komt overeen met
ca. 1 seconde ten opzichte van de voorligger
en 5 streepjes met ca. 3 seconden.
•
07
Hetzelfde symbool verschijnt ook wanneer de
afstandswaarschuwing (p. 221) geactiveerd
is.
Gerelateerde informatie
•
Adaptieve cruisecontrol (ACC)* (p. 205)
07 Bestuurdersondersteuning
Adaptieve cruisecontrol* - tijdelijke
deactivering en stand-by
De adaptieve cruisecontrol (p. 205) (ACC –
Adaptive Cruise Control) helpt u om een
gelijkmatige snelheid en een veilige afstand
tot voorliggers te houden. De cruisecontrol
kan tijdelijk worden gedeactiveerd en in
stand-by worden gezet.
•
•
het rempedaal wordt bediend
•
de keuze-/schakelhendel in de neutrale
stand N wordt gezet (automatische versnellingsbak)
•
het koppelingspedaal meer dan
1 minuut13 lang wordt bediend
u meer dan 1 minuut lang een hogere
snelheid aanhoudt dan ingesteld.
Tijdelijke deactivering - stand-by met
snelheidsbegrenzer
U dient vervolgens zelf uw snelheid aan te
passen.
Om de adaptieve cruisecontrol tijdelijk uit te
schakelen en stand-by te zetten:
Wanneer u tijdelijk gas geeft via het gaspedaal zoals bij een inhaalmanoeuvre, blijft de
instelling van de cruisecontrol ongewijzigd –
de auto hervat de laatst opgeslagen snelheid
zodra u het gaspedaal loslaat.
•
Druk op de stuurtoets
Dit symbool en de markering voor de
ingestelde snelheid verkleuren dan
van GROEN naar WIT.
Tijdelijke deactivering - stand-by
zonder snelheidsbegrenzer
Om de cruisecontrol tijdelijk uit te schakelen
en stand-by te zetten:
•
Druk op de stuurtoets
Stand-bystand door actief ingrijpen van
uw kant
De adaptieve cruisecontrol wordt tijdelijk
gedeactiveerd en automatisch stand-by
gezet, als:
13
14
Voor meer informatie, zie de gedeelten Snelheid regelen (p. 209) en Een ander voertuig
inhalen (p. 212).
Automatische stand-bystand
De adaptieve cruisecontrol is afhankelijk van
andere systemen, zoals stabiliteits- en tractieregeling (DSTC) (p. 190). Als een van dergelijke systeem uitvalt, wordt de cruisecontrol
automatisch uitgeschakeld.
Bij automatische deactivering klinkt een
waarschuwingssignaal en op het instrumentenpaneel verschijnt de melding ACC
gedeactiveerd. U moet in dat geval zelf
ingrijpen om de snelheid en afstand ten
opzichte van de voorligger aan te passen.
Automatische deactivering is mogelijk, wanneer:
•
•
•
de bestuurder het portier opent
de bestuurder de veiligheidsgordel afdoet
het toerental van de motor te laag/hoog
wordt
•
de snelheid gedaald is tot onder
30 km/h14
•
de wielen hun grip op het wegdek verliezen
•
de remmen een hoge temperatuur hebben
•
de radarsensor wordt gehinderd door
natte sneeuw of hevige regenval (de
radargolven worden geblokkeerd).
Voor meer informatie over symbolen, meldingen en hun betekenis, zie het onderdeel Symbolen en displaymeldingen (p. 219).
Ingestelde snelheid hervatten
Een adaptieve cruisecontrol in stand-bystand
is opnieuw te activeren bij een druk op de
– in dat geval wordt de laatst
stuurtoets
ingestelde snelheid hervat.
Bij ontkoppelen en opschakelen of terugschakelen wordt de cruisecontrol niet stand-by gezet.
Geldt niet voor een auto met Queue Assist – bij een dergelijke auto werkt het systeem tot aan stilstand.
07
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
211
07 Bestuurdersondersteuning
||
N.B.
Nadat de snelheid weer met
is hervat,
kan er een markante snelheidstoename
volgen.
Gerelateerde informatie
•
•
Adaptieve cruisecontrol (ACC)* (p. 205)
Adaptieve cruisecontrol* - storingen
opsporen en verhelpen (p. 218)
Adaptieve cruisecontrol* - een ander
voertuig inhalen
Adaptieve cruisecontrol* uitschakelen
De adaptieve cruisecontrol (p. 205) (ACC –
Adaptive Cruise Control) helpt u om een veilige afstand tot voorliggers te houden en kan
tevens helpen tijdens het inhalen.
De adaptieve cruisecontrol (p. 205) (ACC –
Adaptive Cruise Control) helpt u om een veilige afstand tot voorliggers te houden.
Lees meer over verschillende volgtijden (p.
210) ten opzichte van voorliggers.
De adaptieve cruisecontrol schakelt uit met
. Daarbij
een korte druk op de stuurtoets
wordt de ingestelde snelheid gewist waarna
deze niet meer te hervatten is met de toets
.
Als de auto een ander voertuig volgt en u met
de richtingaanwijzer15 aangeeft te willen inhalen, helpt de adaptieve cruisecontrol door de
auto kort te versnellen ten opzichte van de
voorligger.
De functie werkt bij snelheden
hoger dan 70 km/h.
Lees meer over hoe u de snelheid regelt (p.
209).
WAARSCHUWING
Let erop dat deze functie bij meer situaties
dan bij inhalen kan worden geactiveerd,
bijv. als de richtingaanwijzer wordt
gebruikt om het wisselen van rijbaan of
een afslag naar een andere weg aan te
geven. De auto accelereert dan kort.
07
Toetsenset met snelheidsbegrenzer
Toetsenset zonder snelheidsbegrenzer
Bij kort indrukken van de stuurtoets
zet u
de adaptieve cruisecontrol stand-by. Bij nogmaals indrukken schakelt u de cruisecontrol
uit. Daarbij wordt de ingestelde snelheid
gewist waarna deze niet meer te hervatten is
.
met de toets
Gerelateerde informatie
•
Adaptieve cruisecontrol (ACC)* (p. 205)
Gerelateerde informatie
•
15
212
Adaptieve cruisecontrol (ACC)* (p. 205)
Alleen bij gebruik van de linker richtingaanwijzers bij een auto met het stuur links of de rechter richtingaanwijzers bij een auto met het stuur rechts.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
07 Bestuurdersondersteuning
Adaptieve cruisecontrol* - Queue
Assist
Groter snelheidsinterval
N.B.
De adaptieve cruisecontrol (p. 205) (ACC –
Adaptive Cruise Control) helpt u om een veilige afstand tot voorliggers aan te houden.
Queue Assist is een aanvulling op de adaptieve cruisecontrol die ook bij snelheden lager
dan 30 km/h werkt.
Bij auto’s met een automatische versnellingsbak is de adaptieve cruisecontrol aangevuld
met de functie Queue Assist (ook wel "Queue
Assist" genoemd).
Om de cruisecontrol te kunnen activeren
moet u het bestuurdersportier hebben
gesloten en de veiligheidsgordel hebben
omgedaan.
Met een automatische versnellingsbak kan de
adaptieve cruisecontrol een ander voertuig
volgen in het interval 0–200 km/h.
Uitgebreid snelheidsinterval – ook bij
snelheden lager dan 30 km/h en bij stilstand
•
•
Van doelvoertuig veranderen
Beëindiging automatische remfunctie bij
stilstand
Let erop dat 30 km/h de minimumsnelheid is
waarop de adaptieve cruisecontrol kan worden ingesteld – ook al kan de cruisecontrol
een voorligger volgen tot aan stilstand, is het
niet mogelijk een lagere snelheid te kiezen.
Lees meer over hoe u de snelheid regelt (p.
205) en verschillende volgtijden ten opzichte
van voorliggers (p. 210) instelt.
Voor meer informatie, zie het volgende
kopje "Stoppen van automatisch remmen
bij stilstaand voertuig".
Van doelvoertuig veranderen
N.B.
Queue Assist biedt de volgende functies:
•
N.B.
De file-assistent kan de auto maximaal
4 minuten stilstaand houden - daarna lossen de remmen.
Om de cruisecontrol te kunnen activeren
bij een snelheid onder 30 km/h mag er binnen redelijke afstand geen voorligger te
bekennen zijn.
Na korte stops tot ca. 3 seconden tijdens filerijden of voor verkeerslichten rijdt de auto
automatisch verder. Duurt het langer voordat
een voorligger weer gaat rijden, dan wordt de
cruisecontrol stand-by (p. 211) gezet met
automatische remfunctie. U dient deze vervolgens op een van de volgende manieren
opnieuw te activeren:
•
Druk op de stuurtoets
.
Als het actuele doelvoertuig plotseling afslaat,
kan het gebeuren dat een stilstaande voorligger
het nieuwe doelvoertuig wordt.
Wanneer de adaptieve cruisecontrol eerst een
rijdende voorligger volgt bij snelheden lager
dan 30 km/h, vervolgens van doelvoertuig
verandert en een stilstaand voertuig volgt, zal
de cruisecontrol voor het stilstaande voertuig
remmen.
07
of
•
Trap het gaspedaal in.
>
De cruisecontrol zal dan de voorligger
opnieuw volgen.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
213
07 Bestuurdersondersteuning
||
WAARSCHUWING
Wanneer de adaptieve cruisecontrol een
rijdende voorligger volgt bij snelheden
boven 30 km/h, van doelvoertuig verandert en vervolgens een stilstaand voertuig
volgt, zal de cruisecontrol het stilstaande
voertuig negeren en de opgeslagen snelheid aanhouden.
•
Dat betekent dat de remmen worden gelost
en de auto begint te rollen – u moet daarom
ingrijpen en zelf remmen om de auto op zijn
plaats te houden.
BELANGRIJK
De file-assistent kan de auto maximaal
4 minuten stilstaand houden - daarna lossen de remmen.
U dient dan zelf in te grijpen en te remmen.
U wordt hierop in meerdere stappen met
een toenemende intensiteit attent
gemaakt:
Automatische stand-bystand bij
wijziging van doelvoertuig
1. Akoestisch alarm (belsignaal) en een
displaymelding.
De adaptieve cruisecontrol wordt uitgeschakeld en stand-by gezet:
•
•
07
Stoppen van automatisch remmen bij
stilstaand voertuig
In de volgende situaties onderbreekt de
Queue Assist automatisch remmen bij stilstaand voertuig:
•
•
214
de bestuurder opent het portier
de bestuurder doet de veiligheidsgordel
af.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
De adaptieve cruisecontrol (p. 205) (ACC –
Adaptive Cruise Control) helpt u om een veilige afstand tot voorliggers te houden.
Van adaptieve cruisecontrol naar
cruisecontrol wisselen
Met een druk op de knop kan het adaptieve
deel (afstandshouder) van de adaptieve
cruisecontrol (p. 205) worden gedeactiveerd,
waarna de auto alleen de ingestelde snelheid
aanhoudt.
•
– het symDruk lang op de stuurtoets
bool op het instrumentenpaneel verkleurt
naar
.
van
>
Daarmee is de cruisecontrol geactiveerd.
2. Er komt een knipperend waarschuwingslampje in de voorruit bij.
wanneer u langzamer rijdt dan 5 km/h en
de cruisecontrol niet kan registreren of
het doelobject een stilstaand voertuig is
of een ander object, zoals een verkeersdrempel.
wanneer u langzamer rijdt dan 5 km/h en
de voorligger afslaat, zodat de cruisecontrol geen voorligger meer heeft om te volgen.
Adaptieve cruisecontrol* - van
cruisecontrol-functie wisselen
3. Er komt ‘hakkend’ remmen bij.
Voor meer informatie over symbolen, meldingen en hun betekenis, zie het onderdeel
Symbolen en displaymeldingen (p. 219).
De Queue Assist lost het rempedaal en staat
ook in deze situaties stand-by:
•
•
•
•
u het rempedaal bedient
u de keuzehendel in stand P, N of R zet
u de cruisecontrol stand-by zet
u de parkeerrem aanzet.
Gerelateerde informatie
•
•
Adaptieve cruisecontrol (ACC)* (p. 205)
Adaptieve cruisecontrol* - van cruisecontrol-functie wisselen (p. 214)
WAARSCHUWING
Na een wisseling van ACC naar CC remt
de auto niet langer automatisch - deze
volgt alleen de ingestelde snelheid.
Van cruisecontrol naar adaptieve
cruisecontrol teruggaan
Schakel de cruisecontrol uit met 1-2 keer
drukken op
. De volgende keer dat het systeem wordt ingeschakeld, wordt de adaptieve
cruisecontrol geactiveerd.
07 Bestuurdersondersteuning
Gerelateerde informatie
•
•
Adaptieve cruisecontrol (ACC)* (p. 205)
Adaptieve cruisecontrol* - tijdelijke deactivering en stand-by (p. 211)
Radarsensor
De radarsensor dient om personenauto’s of
grotere voertuigen te registreren die in
dezelfde richting als u en in dezelfde rijstrook
rijden.
•
•
Collision Warning* (p. 231)
Afstandswaarschuwing* (p. 221)
De radarsensor wordt gebruikt voor de volgende systemen:
•
•
Adaptieve cruisecontrol*
•
Afstandswaarschuwing*
Collision Warning met Auto Brake en
voetgangersdetectie*
Bij modificatie van de radarsensor is het
mogelijk dat het gebruik ervan onwettig
wordt.
BELANGRIJK
Bij zichtbare schade aan de grille van de
auto of het vermoeden dat de radarsensor
beschadigd is:
•
Neem contact op met een werkplaats
– geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
Als de grille, de radarsensor of de console
ervan beschadigd of losgeraakt is, kan de
functie ervan geheel of gedeeltelijk wegvallen of storingen vertonen.
07
Gerelateerde informatie
•
•
Radarsensor - beperkingen (p. 216)
Adaptieve cruisecontrol (ACC)* (p. 205)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
215
07 Bestuurdersondersteuning
Radarsensor - beperkingen
WAARSCHUWING
De radarsensor (p. 215) heeft bepaalde
beperkingen die onder meer terug te voeren
zijn op het beperkte blikveld.
De bestuurder dient altijd rekening te houden met de verkeersomstandigheden en in
te grijpen, wanneer de adaptieve cruisecontrol geen passende snelheid of afstand
aanhoudt.
De radarsensor heeft veel meer moeite om
een voertuig voor u te ontdekken:
•
De adaptieve cruisecontrol leent zich niet
voor alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
als de radarsensor gehinderd wordt door
bijvoorbeeld hevige regenval of als
sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken.
Neem alle hoofdstukken over de adaptieve
cruisecontrol in de gebruikershandleiding
door voor informatie over de systeembeperkingen die u moet kennen alvorens het
systeem te gebruiken.
N.B.
Houd het oppervlak vóór de radarsensor
schoon.
•
De bestuurder is er altijd verantwoordelijk
voor dat de juiste afstand en snelheid worden aangehouden, ook bij gebruik van de
adaptieve cruisecontrol.
als de snelheid van de voorligger te veel
afwijkt van die van uw eigen auto.
Blikveld
De radarsensor heeft een beperkt bereik. In
bepaalde gevallen wordt een voertuig niet
ontdekt of later dan verwacht.
07
WAARSCHUWING
Zichtveld van de ACC.
Soms kan de radarsensor een voertuig op
korte afstand pas laat registreren, bijvoorbeeld als een inhalend voertuig invoegt
tussen u en uw voorligger.
Ook kleine voertuigen, zoals motorfietsen
of voertuigen die niet in het midden van
de rijstrook rijden, kunnen onopgemerkt
blijven.
In bochten kan de radarsensor op het
verkeerde voertuig reageren of een eerder
opgemerkt voertuig uit het zicht verliezen.
216
Accessoires of andere voorwerpen, zoals
bijv. verstralers, mogen niet vóór de grille
worden gemonteerd.
07 Bestuurdersondersteuning
WAARSCHUWING
De adaptieve cruisecontrol is geen systeem dat botsingen voorkomt. Grijp zelf in
zodra u merkt dat het systeem een voorligger niet registreert.
De adaptieve cruisecontrol reageert niet
op voetgangers of dieren noch op kleinere
voertuigen, zoals fietsen of motorfietsen
e.d. Tegenliggers, langzaam rijdende en
stilstaande voertuigen of vaste obstakels
worden eveneens genegeerd.
Gebruik de adaptieve cruisecontrol niet in
stadsverkeer of verkeersdrukte, op kruisingen, bij gladheid, hevige regen- of sneeuwval of slecht zicht en evenmin op weggedeelten met een dikke laag water of
sneeuwmodder, op bochtige wegen of op
op- en afritten.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Adaptieve cruisecontrol (ACC)* (p. 205)
Collision Warning* (p. 231)
Afstandswaarschuwing* (p. 221)
07
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
217
07 Bestuurdersondersteuning
Adaptieve cruisecontrol* - storingen
opsporen en verhelpen
De adaptieve cruisecontrol (p. 205) (ACC –
Adaptive Cruise Control) helpt u om een veilige afstand tot voorliggers te houden.
Als op het instrumentenpaneel de melding
Radar afgedekt Zie instructieb. verschijnt,
In de volgende tabel staan voorbeelden van
mogelijke oorzaken van het verschijnen van
de melding en passende maatregelen:
Dit betekent dat noch de adaptieve cruisecontrol noch Distance Alert (p. 221) en Collision Warning (p. 231) met Auto Brake werken.
Oorzaak
Maatregel
Het radaroppervlak van de grille is vuil of bedekt met sneeuw of
ijs.
Ontdoe het radaroppervlak van de grille van vuil, sneeuw en ijs.
De radarsignalen worden gehinderd door hevige regen- of sneeuwval.
Valt niets aan te doen. Bij hevige neerslag werkt de radar soms niet.
De radarsignalen worden gehinderd door opspattend water en
opdwarrelende sneeuw van het wegdek.
Valt niets aan te doen. Op weggedeelten met een dikke laag water of
sneeuw werkt de radar soms niet.
De melding blijft ook na schoonmaak van het radaroppervlak
staan.
Wacht even. Het kan enige minuten duren voordat de radar doorheeft dat
de radarsignalen niet langer worden geblokkeerd.
Gerelateerde informatie
•
Adaptieve cruisecontrol (ACC)* (p. 205)
07
218
worden de radarsignalen van de radarsensor
(p. 215) gehinderd zodat voorliggers niet kunnen worden geregistreerd.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
07 Bestuurdersondersteuning
Adaptieve cruisecontrol* - symbolen
en meldingen
De adaptieve cruisecontrol (p. 205) (ACC –
Adaptive Cruise Control) helpt u om een veilige afstand tot voorliggers te houden.
SymboolA
Melding
Betekenis
Het symbool is WIT
De adaptieve cruisecontrol staat Adaptieve cruisecontrol* - tijdelijke deactivering en stand-by (p.
211).
Het symbool is GROEN
De auto houdt de opgeslagen snelheid aan.
De standaard cruisecontrol is handmatig gekozen.
DSTC normaal voor ACC
De adaptieve cruisecontrol kan pas worden geactiveerd als DSTC in de normale stand is gezet Stabiliteits- en tractieregelsysteem (DSTC) (p. 190).
ACC gedeactiveerd
De adaptieve cruisecontrol werd gedeactiveerd – u dient zelf uw snelheid aan te passen.
ACC niet beschikbaar
De adaptieve cruisecontrol kan niet worden geactiveerd.
Dit kan onder meer gebeuren wanneer:
•
•
de remmen een hoge temperatuur hebben
de radarsensor wordt gehinderd door natte sneeuw of regen.
Voor meer informatie over het opsporen van storingen, zie het gedeelte Adaptieve cruisecontrol* storingen opsporen en verhelpen (p. 218)
07
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
219
07 Bestuurdersondersteuning
||
SymboolA
Melding
Betekenis
Radar afgedekt Zie
instructieb.
De adaptieve cruisecontrol werkt tijdelijk niet.
•
De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren. Bijvoorbeeld wanneer deze wordt gehinderd door hevige regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor
afdekken.
U kunt dan kiezen voor de standaard cruisecontrol Cruisecontrol* (p. 200) (CC) – een tekstmelding
informeert over passende alternatieven.
Lees meer over de beperkingen van de radarsensor (p. 216).
ACC Service vereist
De adaptieve cruisecontrol werkt niet.
•
Remmen om stil te blijven
staan + akoestisch alarm +
waarschuwingslampje aan
binnenkant voorruit +
‘schokkerig’ remmen
Neem dan contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
De auto staat stil en de adaptieve cruisecontrol lost het rempedaal, waarna de auto direct begint te
rollen.
•
U moet zelf remmen. De melding blijft staan en het geluidssignaal klinkt, totdat u het rempedaal
of gaspedaal bedient.
(Alleen auto met file-assistent)
Onder 30 km/h alleen volgen
Verschijnt wanneer u de adaptieve cruisecontrol probeert te activeren bij een snelheid onder
30 km/h en er geen voorligger binnen de activeringsafstand (ca. 30 meter) te bekennen is.
(Alleen auto met file-assistent)
07
A
De symbolen zijn schematisch.
Gerelateerde informatie
•
220
Adaptieve cruisecontrol (ACC)* (p. 205)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
07 Bestuurdersondersteuning
Afstandswaarschuwing*
N.B.
De afstandswaarschuwing (Distance Alert) is
een functie die u inlicht over de volgtijd ten
opzichte van de voorligger.
De afstandswaarschuwing is uitgeschakeld, zolang de adaptieve cruisecontrol
actief is.
Distance Alert is actief bij snelheden hoger
dan 30 km/h en reageert uitsluitend op voorliggers die in dezelfde richting als u rijden.
Voor voertuigen die langzaam in tegengestelde richting rijden of stilstaan wordt geen
afstandsinformatie gegeven.
Distance Alert reageert alleen, als de
afstand tot voorliggers korter is dan de
ingestelde waarde – de rijsnelheid wordt
niet aangepast.
WAARSCHUWING
console – in dat geval is de functie te bedienen via het menusysteem MY CAR, onder
Instellingen Auto-instellingen
Afstandswaarschuwing. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie MY CAR (p.
106).
Volgtijd instellen
Bediening
Bedieningselementen en symbool voor volgtijd.
Volgtijd – Verlengen/verkorten.
Volgtijd - Aan.
Oranje waarschuwingssymbool16.
Er brandt continu een oranje waarschuwingssymbool op de voorruit, als de afstand tot de
voorligger gelijk is aan de ingestelde volgtijd.
Met de knop op de middenconsole kunt u de
functie in- en uitschakelen. Het brandende
lampje in de schakelaar geeft aan dat de
functie geactiveerd is.
07
Bij bepaalde combinaties van opties is er
geen plek vrij voor een knop op de midden16
N.B. De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
221
07 Bestuurdersondersteuning
||
U kunt verschillende volgtijden ten opzichte van voorliggers kiezen en deze worden
op het instrumentenpaneel
weergegeven met 1–5 horizontale streepjes – hoe meer
streepjes, hoe langer de
volgtijd. Eén streepje komt overeen met
ca. 1 seconde ten opzichte van de voorligger
en 5 streepjes met ca. 3 seconden.
Hetzelfde symbool verschijnt ook wanneer de
adaptieve cruisecontrole (p. 205) geactiveerd
is.
N.B.
Hoe hoger de snelheid, hoe langer de
volgafstand in meters voor een bepaalde
volgtijd.
De ingestelde volgtijd wordt ook gebruikt
door de adaptieve cruisecontrol (p. 206).
Houd alleen een volgtijd aan die niet in
strijd is met de geldende verkeersregels.
Gerelateerde informatie
07
•
Afstandswaarschuwing* - beperkingen (p.
222)
•
Afstandswaarschuwing* - symbolen en
meldingen (p. 223)
Afstandswaarschuwing* beperkingen
De afstandswaarschuwing (Distance Alert) is
een systeem dat u inlicht over de afstand
(volgtijd) ten opzichte van de voorligger. Het
systeem, dat gebruik maakt van dezelfde
radarsensor als de adaptieve cruisecontrol (p.
205) en de Collision Warning met Auto
Brake (p. 231) heeft bepaalde beperkingen.
N.B.
In de felle zon en bij lichtschitteringen of
grote variaties in de lichtsterkte alsook het
gebruik van een zonnebril is het op de
voorruit geprojecteerde waarschuwingslampje soms moeilijk waar te nemen.
In slechte weersomstandigheden en op
slingerende wegen heeft de radarsensor
soms moeite om voorliggers te registreren.
Ook voorliggers met geringe afmetingen
(zoals motorfietsen) zijn soms moeilijk te
ontdekken. Dat kan betekenen dat het
geprojecteerde waarschuwingslampje pas
bij kortere volgtijden oplicht of dat helemaal niet gaat branden.
Op zeer hoge snelheden is het mogelijk
dat het lampje door beperkingen in het
bereik van de sensor op kortere afstand
oplicht.
Voor meer informatie over de beperkingen
van de radarsensor, zie Radarsensor - beperkingen (p. 216) en Collision Warning* - bediening (p. 236).
222
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Gerelateerde informatie
•
•
Afstandswaarschuwing* (p. 221)
Afstandswaarschuwing* - symbolen en
meldingen (p. 223)
07 Bestuurdersondersteuning
Afstandswaarschuwing* - symbolen
en meldingen
De afstandswaarschuwing (p. 221) (Distance
Alert) is een functie die u inlicht over de volg-
SymboolA
tijd ten opzichte van de voorligger. Er kunnen
symbolen en meldingen op het instrumentenpaneel verschijnen bij een gereduceerde wer-
Melding
Betekenis
Radar afgedekt Zie
instructieb.
De afstandswaarschuwing werkt tijdelijk niet.
king op grond van de systeembeperkingen (p.
222).
De radarsensor (p. 215) kan geen andere voertuigen registreren. Bijvoorbeeld wanneer deze wordt
gehinderd door hevige regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor
afdekken.
Voor informatie, zie Radarsensor - beperkingen (p. 216).
CWS-systeem Service vereist
A
De afstandswaarschuwing en Collision Warning met Auto Brake (p. 237) werken niet of gedeeltelijk.
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
De symbolen zijn schematisch.
07
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
223
07 Bestuurdersondersteuning
City Safety™
BELANGRIJK
City Safety™ is een hulpmiddel om u te helpen een aanrijding te voorkomen tijdens filerijden e.d., waarbij plotselinge wijzigingen in het
verkeer vóór u gekoppeld aan onoplettendheid tot bijna-ongelukken kunnen leiden.
Onderhoud en vervanging van onderdelen
in City Safety™ mogen uitsluitend door
een werkplaats worden uitgevoerd - geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Het City Safety™-systeem dat actief is bij een
snelheid tot 50 km/h helpt u door automatisch te remmen, wanneer het gevaar voor
een botsing met een voorligger reëel is en u
zelf niet snel genoeg remt en/of uitwijkt.
WAARSCHUWING
City Safety™ werkt niet in alle rijsituaties,
verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
City Safety™ reageert niet op voertuigen
die in een andere richting dan de eigen
auto rijden, op kleine voertuigen, op
motorfietsen of op mensen en dieren.
City Safety™ wordt geactiveerd in situaties
waar u eigenlijk al veel eerder had moeten
remmen, zodat de functie niet altijd uitkomst
biedt.
City Safety™ kan botsingen voorkomen bij
een snelheidsverschil lager dan 15 km/h bij een hoger snelheidsverschil kan de
impactsnelheid alleen worden gereduceerd. Voor een volledig remvermogen
moet u zelf het rempedaal intrappen.
City Safety™ is erop gebouwd om zo laat
mogelijk geactiveerd te worden om onnodige
ingrepen te voorkomen.
Gebruik City Safety™ niet om uw rijgedrag
aan te passen – als u er blind op vertrouwt
dat City Safety™ remt, raakt u vroeg of laat
betrokken bij een aanrijding.
07
U en eventuele passagiers zullen normaal
alleen merken dat City Safety™ actief is,
wanneer een aanrijding dreigt.
Bij auto’s met Collision Warning met Auto
Brake (p. 231)* vullen de beide systemen elkaar aan.
224
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Wacht nooit af totdat City Safety™ ingrijpt.
U bent er altijd zelf verantwoordelijk voor
dat u de juiste afstand en snelheid aanhoudt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
City Safety™ - beperkingen (p. 226)
City Safety™ - functie (p. 224)
City Safety™ - bediening (p. 225)
City Safety™ - lasersensor (p. 228)
City Safety™ - symbolen en meldingen
(p. 230)
City Safety™ - functie
City Safety™ registreert het verkeer vóór de
auto middels een lasersensor (p. 228) boven
aan de voorruit. Wanneer het gevaar voor een
aanrijding reëel is, zal City Safety™ automatisch remmen, wat aandoet als een krachtige
remmanoeuvre.
07 Bestuurdersondersteuning
Wanneer het systeem ingrijpt en remt, verschijnt op het instrumentenpaneel de melding
(p. 230) dat het systeem actief is/was.
N.B.
Als City Safety™ remt, gaan de remlichten
branden.
City Safety™ - bediening
City Safety™ is een hulpmiddel om u te helpen een aanrijding te voorkomen tijdens filerijden e.d., waarbij plotselinge wijzigingen in het
verkeer vóór u gekoppeld aan onoplettendheid tot bijna-ongelukken kunnen leiden.
Aan en Uit
Gerelateerde informatie
Zend- en ontvangstoog van de lasersensor17.
•
•
•
City Safety™ - bediening (p. 225)
De functie City Safety™ is altijd ingeschakeld, wanneer u de motor hebt gestart via
sleutelstand I en II (p. 72).
City Safety™ - beperkingen (p. 226)
Bij een snelheidsverschil van 4–15 km/h ten
opzichte van de voorligger kan City Safety™
een aanrijding geheel voorkomen.
City Safety™ start een korte, krachtige remmanoeuvre en zorgt er normaliter voor dat u
net achter uw voorligger tot stilstand komt.
Voor veel bestuurders die dit niet gewend zijn
is een dergelijke remmanoeuvre onprettig.
Bij een snelheidsverschil van meer dan
15 km/h tussen de voertuigen kan City
Safety™ een aanrijding niet geheel op eigen
kracht voorkomen – voor het maximale remvermogen dient u zelf het rempedaal te
bedienen. In dat geval is het ook bij snelheidsverschillen groter dan 15 km/h mogelijk
een aanrijding te voorkomen.
17
N.B.
City Safety™ (p. 224)
Soms is het handig om City Safety™ uit te
kunnen schakelen, bijvoorbeeld wanneer
bebladerde takken langs de motorkap en
voorruit kunnen schampen.
Na het starten van de motor is City Safety™
op een van de volgende manieren uit te schakelen:
•
Zoek aan de hand van het menusysteem
van MY CAR op het display van de middenconsole Instellingen Autoinstellingen Rij-assistentiesystemen
City Safety op. Kies de optie Uit. Zie
MY CAR (p. 106) voor meer informatie.
07
N.B. De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
225
07 Bestuurdersondersteuning
||
De volgende keer dat de motor wordt
gestart is het systeem (p. 224) echter
weer actief, ook al stond het systeem uit
toen de motor werd afgezet.
WAARSCHUWING
De lasersensor (p. 228) zendt laserlicht uit,
ook als City Safety™ handmatig is uitgeschakeld.
Om City Safety™ opnieuw in te schakelen:
•
Volg de dezelfde procedure als bij het uitschakelen, maar kies nu de optie Aan.
Gerelateerde informatie
•
•
•
07
City Safety™ (p. 224)
City Safety™ - beperkingen (p. 226)
City Safety™ - symbolen en meldingen
(p. 230)
City Safety™ - beperkingen
De City Safety™-sensor is erop gebouwd om
auto’s en andere voertuigen vóór u te ontdekken, zowel overdag als ’s nachts. Het systeem
heeft echter een aantal beperkingen.
De sensor werkt bijvoorbeeld minder goed (of
zelfs helemaal niet) bij hevige sneeuw- of
regenval, in dichte mist of in dikke stofwolken
of stuifsneeuw. Ook condens, vuil, sneeuw en
ijs op de voorruit kunnen voor storingen in de
werking zorgen.
Hangende voorwerpen zoals vlaggen/
wimpels die uitstekende lading markeren of
accessoires zoals verstralers en frontbars die
boven de motorkap uitsteken zorgen voor
functiebeperkingen.
Het laserlicht van de sensor in City Safety™
meet hoe het licht reflecteert. De sensor kan
geen obstakels met een gering reflecterend
vermogen waarnemen. De achterkant van
voertuigen weerkaatst veelal voldoende licht
dankzij de kentekenplaat en de achterlichtreflectoren.
Bij gladheid is de remweg langer waardoor
City Safety™ minder goed in staat is aanrijdingen te voorkomen. In dergelijke situaties
zullen het ABS en DSTC voor het maximale
remvermogen zorgen met behoud van de stabiliteit.
Tijdens het achteruitrijden is City Safety™ tijdelijk gedeactiveerd.
226
City Safety™ wordt niet geactiveerd op lage
snelheden (onder 4 km/h), wat betekent dat
het systeem niet ingrijpt in situaties waarbij u
een voorligger uiterst langzaam nadert zoals
tijdens het parkeren.
De commando’s die u zelf geeft hebben altijd
voorrang, wat betekent dat City Safety™ niet
ingrijpt in situaties waarbij u duidelijke commando’s geeft via stuurwiel of gaspedaal,
zelfs al is een aanrijding onvermijdelijk.
Nadat City Safety™ een aanrijding met een
stilstaand obstakel heeft voorkomen, blijft de
auto maximaal 1,5 seconde stilstaan. Als de
auto wordt afgeremd wegens een rijdende
voorligger, wordt de snelheid begrensd tot
dezelfde snelheid als die van de voorligger.
Bij een auto met een handgeschakelde versnellingsbak slaat de motor af wanneer City
Safety™ de auto tot stilstand heeft gebracht,
tenzij u er in slaagt om het koppelingspedaal
voor die tijd te bedienen.
07 Bestuurdersondersteuning
N.B.
•
Houd de voorruit in het gebied vóór de
lasersensor (p. 228) vrij van sneeuw,
ijs, condens en vuil. Voor een afbeelding met de positie van de sensor, zie
City Safety™ - functie (p. 224).
•
Plak of bevestig geen zaken op de
voorruit vóór de lasersensor
•
Haal sneeuw en ijs van de motorkap –
de laag sneeuw en ijs mag niet dikker
zijn dan 5 cm.
Oorzaak
BELANGRIJK
Maatregel
Het voorruitoppervlak vóór de lasersensor is vuil of
bedekt met sneeuw
of ijs.
Ontdoe het voorruitoppervlak vóór
de lasersensor van
vuil, sneeuw en ijs.
Het blikveld van de
lasersensor wordt
gehinderd.
Verwijder het voorwerp dat het zicht
blokkeert.
Als het voorruitoppervlak vóór een van
beide ‘ogen’ barsten, krassen of steenslagschade vertoont van ca. 0,5 × 3,0 mm
(of groter), neem dan contact op met een
erkende werkplaats om de voorruit te laten
vervangen – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats. Voor een
afbeelding met de positie van de sensor,
zie City Safety™ - functie (p. 224).
Als u niets doet, presteert City Safety™
mogelijk minder goed.
Om te voorkomen dat City Safety™ helemaal niet, onjuist of in beperkte mate
werkt, geldt tevens het volgende:
Storingen opsporen en verhelpen
Als de melding (p. 230) Voorruitsensoren
afgedekt Zie instructieboek op het instru-
mentenpaneel verschijnt, worden de lasersensoren gehinderd zodat ze geen voorliggers
kunnen registreren. Dit betekent op zijn beurt
dat City Safety™ niet werkt.
De melding Voorruitsensoren afgedekt Zie
instructieboek verschijnt echter niet in alle
situaties waarbij de lasersensor gehinderd
worden – let er daarom op dat u de voorruit
en in het bijzonder het gebied vóór de lasersensor zorgvuldig schoonhoudt.
In de volgende tabel staan mogelijke oorzaken van het verschijnen van de melding en
suggesties voor passende maatregelen.
•
Volvo adviseert u scheurtjes, krassen
of sterren in het gebied vóór de lasersensor niet te repareren, maar de complete voorruit te vervangen.
•
Voordat de voorruit wordt vervangen,
moet u contact opnemen met een
erkende Volvo-werkplaats om te controleren of de juiste voorruit wordt
besteld en gemonteerd.
•
Monteer bij vervanging van de ruitenwissers hetzelfde type of een ander
type, door Volvo goedgekeurde ruitenwissers.
07
Gerelateerde informatie
•
•
•
City Safety™ (p. 224)
City Safety™ - functie (p. 224)
City Safety™ - bediening (p. 225)
227
07 Bestuurdersondersteuning
City Safety™ - lasersensor
Het City Safety™-systeem maakt gebruik van
een sensor die laserlicht uitzendt. Neem contact op met een gekwalificeerde werkplaats
als de lasersensor een storing vertoont of
nagekeken moet worden – geadviseerd wordt
een erkende Volvo-werkplaats. Het is daarom
essentieel dat u de aangegeven instructies
opvolgt bij het hanteren van de lasersensor.
De volgende twee stickers hebben te maken
met de lasersensor:
•
IEC 60825-1:1993 + A2:2001. Voldoet
aan de normen van de FDA (Amerikaanse
keuringsdienst van waren) betreffende de
uitvoering van laserproducten met uitzondering van de afwijkingen conform ‘Laser
Notice No. 50’, d.d. 26 juli 2001.
•
Laserstraling - Niet rechtstreeks in de
straal kijken met optische instrumenten Klasse 1M laserproduct.
Op de onderste sticker staan de fysische
eigenschappen van het laserlicht:
228
Kijk nooit van een afstand van 100 mm
of minder in de lasersensor (waaruit
uiteenlopende, onzichtbare laserstralen komen) met vergrotende optiek
zoals een vergrootglas, microscoop,
objectief of soortgelijke optische
instrumenten.
•
Laat tests, reparaties, demontage,
afstelling en/of vervanging van de
lasersensor of delen ervan alleen uitvoeren door een erkende werkplaats –
geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
•
Stel de lasersensor niet bij en voer
geen onderhoud uit dat niet uitdrukkelijk in dit boekje staat aangegeven om
blootstelling aan schadelijke straling
tegen te gaan.
•
De reparateur dient de speciaal opgestelde werkplaatsinformatie voor de
lasersensor te volgen.
•
Demonteer de lasersensor niet (en verwijder de lenzen evenmin). Een gedemonteerde lasersensor is een laserproduct klasse 3B volgens de norm IEC
60825-1. Een laserproduct klasse 3B
is niet veilig voor de ogen en houdt
dan ook een gevaar voor oogletsel in.
De fysische gegevens staan nader omschreven in de volgende tabel.
Maximale pulsenergie
2,64 µJ
Maximaal gem. vermogen
45 mW
Divergentie (horizontaal × verticaal)
Op de bovenste sticker in de afbeelding staat
de classificatie van het laserlicht:
•
Stralingsgegevens voor lasersensor
Pulsduur
07
WAARSCHUWING
Als u de instructies in dit boekje niet
opvolgt, bestaat er gevaar voor oogletsel!
33 ns
28° × 12°
07 Bestuurdersondersteuning
•
Koppel de connector van de lasersensor los voordat u deze van de voorruit
demonteert.
•
Zorg dat de lasersensor op de voorruit
gemonteerd is alvorens de connector
aan te sluiten.
•
De lasersensor zendt laserlicht uit
wanneer de transpondersleutel in sleutelstand II (p. 72) staat, ook al is de
motor afgezet.
Gerelateerde informatie
•
City Safety™ (p. 224)
07
229
07 Bestuurdersondersteuning
City Safety™ - symbolen en
meldingen
op het instrumentenpaneel gaan branden in
combinatie met een tekstmelding. Meldingen
kunt u van het display halen door de OK-knop
Terwijl City Safety™ (p. 224) automatisch
remt, kunnen een of meer symbolen (p. 230)
SymboolA
op de richtingaanwijzerhendel kort in te drukken.
Melding
Betekenis/Maatregel
Autom. remmen door City
Safety
City Safety™ remt op dit moment of remde eerder automatisch.
Voorruitsensoren afgedekt
Zie instructieboek
De lasersensor werkt tijdelijk niet doordat deze door iets gehinderd wordt.
•
Verwijder het voorwerp dat de sensor hindert en/of maak het voorruitoppervlak vóór de sensor schoon.
Voor meer informatie over de beperkingen van de lasersensor.
City Safety Service vereist
City Safety™ werkt niet.
•
A
De symbolen zijn schematisch.
Gerelateerde informatie
•
•
07
230
City Safety™ (p. 224)
City Safety™ - functie (p. 224)
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
07 Bestuurdersondersteuning
Collision Warning*
Uitvoering 1
‘Collision Warning met Auto Brake en voetgangers- en fietsersdetectie’ is een hulpmiddel dat bedoeld is om u te waarschuwen,
wanneer het gevaar bestaat dat u op een
voetganger of achter op een (stilstaande of rijdende) fietser of voorligger botst.
U wordt alleen met visuele en akoestische
signalen gewaarschuwd18 voor obstakels – er
wordt niet automatisch geremd, u moet zelf
remmen.
Collision Warning met Auto Brake en voetgangersdetectie wordt geactiveerd in situaties waar u eigenlijk al veel eerder had moeten remmen, zodat de functie niet altijd uitkomst biedt.
Gebruik Collision Warning met Auto Brake en
voetgangersdetectie niet om uw rijgedrag aan
te passen – als u er blind op vertrouwt dat
Collision Warning met Auto Brake remt, raakt
u vroeg of laat betrokken bij een aanrijding.
Twee systeemuitvoeringen
Afhankelijk van het uitrustingsniveau van de
auto kan de functie Collision Warning met
Auto Brake en voetgangersdetectie in twee
uitvoeringen voorkomen:
18
Collision Warning* - symbolen en melding
(p. 241)
Uitvoering 2
U wordt met visuele en akoestische signalen
gewaarschuwd voor obstakels – de auto remt
automatisch als u niet zelf binnen een redelijke tijd reageert.
BELANGRIJK
Collision Warning met Auto Brake en voetgangersdetectie is erop gebouwd om zo laat
mogelijk geactiveerd te worden om onnodige
ingrepen te voorkomen.
Collision Warning met Auto Brake en voetgangersdetectie kan een aanrijding voorkomen of de impactsnelheid verlagen.
•
Onderhoud aan de onderdelen van Collision Warning met Auto Brake & voetgangersbescherming mag uitsluitend worden
uitgevoerd in een werkplaats - geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
•
Collision Warning* - functie (p. 232)
Collision Warning* - voetgangersdetectie
(p. 235)
•
Collision Warning* - fietsersdetectie (p.
233)
•
•
Collision Warning* - bediening (p. 236)
•
Collision Warning* - beperkingen van de
camerasensor (p. 239)
07
Collision Warning* - algemene beperkingen (p. 238)
Geen waarschuwing voor fietsers bij ‘Uitvoering 1’.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
231
07 Bestuurdersondersteuning
Collision Warning* - functie
3. Auto Brake20
‘Collision Warning met Auto Brake en voetgangers- en fietsersdetectie’ is een hulpmiddel dat bedoeld is om u te waarschuwen,
wanneer het gevaar bestaat dat u op een
voetganger of achter op een (stilstaande of rijdende) fietser of voorligger botst.
Collision Warning en City Safety™ (p. 224)
vullen elkaar aan.
1 – Collision Warning
Eerst wordt u gewaarschuwd voor een dreigende aanrijding.
Collision Warning registreert voetgangers
vóór de auto en (stilstaande of rijdende) voorliggers.
Bij gevaar voor een aanrijding met een voetganger of voertuig, wordt uw aandacht
getrokken met een rood knipperend waarschuwingssymbool en een akoestisch signaal.
2 – Brake Support
Functie-overzicht19.
Audiovisueel waarschuwingssignaal bij
gevaar voor een botsing.
Radarsensor20
07
Camerasensor
Collision Warning met Auto Brake voert drie
onderdelen uit in de volgende volgorde:
1. Collision Warning
2. Brake Support20
19
20
232
Als het gevaar voor een aanrijding na de Collision Warning verder is toegenomen, treedt
de Brake Support in werking.
Dit betekent dat het systeem de nodige voorbereidingen treft voor een snelle remmanoeuvre, waarna de remmen licht worden
aangezet. Dit is te merken aan een lichte
schok.
Als u het rempedaal met een bepaalde snelheid bedient, wordt het maximale remvermogen geleverd.
Brake Support helpt u eveneens bij het remmen, als het systeem ervan uitgaat dat de
N.B. De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
Alleen met een systeem in uitvoering 2.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
remmanoeuvre alleen niet voldoende is om
een botsing te voorkomen.
3 – Auto Brake
Op het laatste moment wordt de automatische remfunctie geactiveerd.
Als u in deze fase nog steeds niet aan een
uitwijkmanoeuvre bent begonnen en het aanrijdingsgevaar urgent is, schakelt de automatische remfunctie in, ongeacht of u remt of
niet. De auto wordt daarbij maximaal afgeremd om de botssnelheid te beperken of
zoveel als nodig is om een aanrijding te voorkomen. Voor fietsers wordt mogelijk zeer laat
gewaarschuwd en geremd of gelijktijdig
gewaarschuwd en geremd.
07 Bestuurdersondersteuning
WAARSCHUWING
Collision Warning werkt niet in alle rijsituaties, verkeers-, weers- en wegomstandigheden. Collision Warning reageert niet op
naderende tegenliggers of fietsers noch op
dieren.
Er wordt alleen gewaarschuwd wanneer
het risico van een botsing groot is. In het
onderdeel “Functie” en “Beperkingen”
wordt geïnformeerd over de beperkingen
die u als bestuurder moet kennen, voordat
u de Collision Warning met Auto Brake
gebruikt.
Er wordt niet gewaarschuwd noch geremd
voor voetgangers en fietsers bij een rijsnelheid hoger dan 80 km/h.
Gerelateerde informatie
•
•
Collision Warning* (p. 231)
Collision Warning* - voetgangersdetectie
(p. 235)
•
Collision Warning* - fietsersdetectie (p.
233)
•
•
Collision Warning* - bediening (p. 236)
•
Collision Warning* - beperkingen van de
camerasensor (p. 239)
•
Collision Warning* - symbolen en melding
(p. 241)
Collision Warning* - fietsersdetectie
‘Collision Warning met Auto Brake en voetgangers- en fietsersdetectie’ is een hulpmiddel dat bedoeld is om u te waarschuwen,
wanneer het gevaar bestaat dat u op een
voetganger of achter op een (stilstaande of rijdende) fietser of voorligger botst.
Collision Warning* - algemene beperkingen (p. 238)
In het donker en in tunnels kan niet worden gewaarschuwd noch geremd voor
voetgangers en fietsers – zelfs al brandt de
straatverlichting.
Auto Brake kan een botsing geheel voorkomen of de botssnelheid verlagen.
Bedien voor een maximale remwerking
altijd het rempedaal – ook al wordt er automatisch geremd.
Wacht nooit een waarschuwingssignaal
van de Collision Warning af. U bent er
altijd verantwoordelijk voor om de juiste
afstand en snelheid aan te houden – ook
bij gebruik van de Collision Warning met
Auto Brake.
Optimaal voorbeeld van wat het systeem als een
fietser beschouwt – met duidelijke lichaams- en
fietscontouren, recht van achteren gezien en in
het verlengde van de hartlijn door de auto.
Voor optimale prestaties van het systeem
moet de systeemfunctie die verantwoordelijk
is voor identificatie van fietsers zo uniform
mogelijke informatie over de lichaams- en
fietscontouren ontvangen – dat houdt in dat
kenmerkende (lichaams-)delen zoals fiets,
hoofd, armen, schouders, benen, borstkas en
buik moeten kunnen worden waargenomen
evenals een bewegingspatroon dat voor mensen als normaal te beschouwen is.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
07
233
07 Bestuurdersondersteuning
||
Het systeem kan fietsers niet ontdekken, als
de camera grote delen van het lichaam van
de fietser of van zijn/haar fiets niet kan waarnemen.
•
Fietsers die dicht op de denkbeeldige
snijlijnen door de zijkanten van uw auto
fietsen (links of rechts ervan) worden
mogelijk laat of helemaal niet ontdekt.
•
Bij zonsondergang en -opgang kan het
systeem fietsers minder goed registreren
– vergelijkbaar met het menselijk oog.
•
Het systeem is niet in staat fietsers te
registreren bij ritten in het donker of in
tunnels – zelfs al brandt de straatverlichting.
•
WAARSCHUWING
Collision Warning met Auto Brake en voetgangers- en fietserdetectie is een hulpmiddel.
Fietserdetectie is niet mogelijk:
Voor optimale fietsersdetectie moet het
systeem City Safety™ zijn geactiveerd,
zie City Safety™ (p. 224).
•
in alle situaties en het systeem heeft
bijvoorbeeld moeite met gedeeltelijk
zichtbare fietsers;
•
bij fietsers in kleding die de lichaamscontouren verhult of fietsers die van de
zijkant komen;
•
bij fietsen waar achterop geen reflector
zit;
•
bij fietsen waarop grote voorwerpen
worden vervoerd.
U bent er altijd zelf verantwoordelijk voor
dat u de auto op de juiste wijze bestuurt
en voldoende afstand houdt afhankelijk
van de rijsnelheid.
Het systeem ‘ziet’ alleen de achterkant van fietsers die zich in dezelfde richting als uw auto
bewegen.
07
•
Het systeem kan alleen volwassen fietsers ontdekken die op een dames- of
herenfiets zitten.
•
De fiets moet aan de achterkant zijn voorzien van een rode reflector die goed
zichtbaar en goedgekeurd21 is en op minstens 70 cm boven het wegdek zit.
•
21
234
Het systeem kan fietsers alleen recht van
achteren ontdekken en alleen als deze
zich in dezelfde richting als uw auto
bewegen – niet schuin van achteren of
van opzij.
De reflector moet voldoen aan de aanbevelingen en voorschriften van de verkeersinstantie in het desbetreffende land.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Collision Warning* (p. 231)
Collision Warning* - functie (p. 232)
Collision Warning* - voetgangersdetectie
(p. 235)
•
Collision Warning* - algemene beperkingen (p. 238)
•
Collision Warning* - bediening (p. 236)
07 Bestuurdersondersteuning
•
Collision Warning* - beperkingen van de
camerasensor (p. 239)
•
Collision Warning* voetgangersdetectie
Collision Warning* - symbolen en melding
(p. 241)
‘Collision Warning met Auto Brake en voetgangers- en fietsersdetectie’ is een hulpmiddel dat bedoeld is om u te waarschuwen,
wanneer het gevaar bestaat dat u op een
voetganger of achter op een (stilstaande of rijdende) fietser of voorligger botst.
Het systeem kan voetgangers niet ontdekken,
als de camera grote delen van het lichaam
niet kan waarnemen.
•
Voetgangers zijn alleen te ontdekken,
wanneer deze helemaal zichtbaar zijn en
een lengte hebben van minimaal 80 cm.
•
Het systeem kan geen voetgangers ontdekken die grote voorwerpen dragen.
•
Bij zonsondergang en -opgang kan de
camerasensor voetgangers minder goed
registreren – vergelijkbaar met het menselijke oog.
•
De camerasensor is niet in staat voetgangers te registreren bij ritten in het donker
of in tunnels – zelfs al brandt de straatverlichting.
WAARSCHUWING
Ideaalvoorbeelden van wat het systeem als voetgangers met herkenbare lichaamscontouren
beschouwt.
Voor optimale prestaties van het systeem
moet de systeemfunctie die verantwoordelijk
is voor identificatie van voetgangers zo uniform mogelijke informatie over de lichaamscontouren ontvangen – dat houdt in dat kenmerkende lichaamsdelen zoals hoofd, armen,
schouders, benen, borstkas en buik moeten
kunnen worden waargenomen evenals een
bewegingspatroon dat voor mensen als normaal te beschouwen is.
Collision Warning met Auto Brake & voetgangersbescherming is een hulpmiddel.
De functie is niet in staat om in alle situaties alle voetgangers te detecteren en ziet
bijvoorbeeld geen deels verborgen voetgangers, personen met kleding die de
lichaamscontouren verhult of voetgangers
die kleiner zijn dan 80 cm.
•
07
U bent er altijd zelf verantwoordelijk
voor dat u de auto op de juiste wijze
bestuurt en voldoende afstand houdt
afhankelijk van de rijsnelheid.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
235
07 Bestuurdersondersteuning
||
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Collision Warning* (p. 231)
Collision Warning* - functie (p. 232)
Collision Warning* - bediening (p. 236)
Collision Warning* - fietsersdetectie (p.
233)
•
Collision Warning* - algemene beperkingen (p. 238)
•
Collision Warning* - beperkingen van de
camerasensor (p. 239)
•
Collision Warning* - symbolen en melding
(p. 241)
Collision Warning* - bediening
‘Collision Warning met Auto Brake en voetgangers- en fietsersdetectie’ is een hulpmiddel dat bedoeld is om u te waarschuwen,
wanneer het gevaar bestaat dat u op een
voetganger of achter op een (stilstaande of rijdende) fietser of voorligger botst.
Via een menusysteem van MY CAR op het
display van de middenconsole zijn eventuele
instellingen voor de Collision Warning te verrichten.
Waarschuwingssignalen Aan en Uit
U kunt aangeven of de geluidssignalen en het
geprojecteerde waarschuwingslampje voor
de Collision Warning moeten zijn in- of uitgeschakeld.
Bij het starten van de motor geldt automatisch de instelling die actief was toen de
motor werd afgezet.
N.B.
De functies Brake Support en Auto Brake
zijn altijd geactiveerd - ze kunnen niet uitgeschakeld worden.
07
Waarschuwingslampje en geluidssignaal
Om het waarschuwingslampje en het geluidssignaal uit te schakelen:
•
236
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Ga naar Instellingen Autoinstellingen Rij-assistentiesystemen
Botswaarschuwing – vink het desbetreffende vakje uit.
Als u het waarschuwingslampje en het
geluidssignaal van de hebt Collision Warning
hebt ingeschakeld, wordt het waarschuwingslampje, zie Collision Warning - functie
(p. 232), bij iedere motorstart getest. Daarbij
gaan de verschillende lichtpunten van het
waarschuwingslampje korte tijd branden.
Geluidssignaal
Het waarschuwingsgeluid kan apart worden
ge(de)activeerd:
•
Kies Aan of Uit in het menusysteem
onder Instellingen Auto-instellingen
Rij-assistentiesystemen
Botswaarschuwing Signaaltoon.
Waarschuwingsafstand instellen
De waarschuwingsafstand is de afstand
waarbij een visueel signaal en een geluidssignaal worden afgegeven.
•
Kies Lang, Normaal of Kort in het
menusysteem MY CAR onder
Instellingen Auto-instellingen Rijassistentiesystemen
Botswaarschuwing
Waarschuwingsafstand
De waarschuwingsafstand is bepalend voor
de gevoeligheid van het systeem. Bij de
waarschuwingsafstand Lang wordt eerder
gewaarschuwd. Ga altijd uit van de instelling
07 Bestuurdersondersteuning
Lang, maar als deze instelling te vaak tot
waarschuwingen leidt (wat in bepaalde situaties als hinderlijk kan worden ervaren) kunt u
overgaan op de waarschuwingsafstand
Normaal.
Maak alleen in uitzonderingsgevallen zoals bij
dynamisch rijden gebruik van de waarschuwingsafstand Kort.
N.B.
Bij gebruik van de adaptieve cruisecontrol
worden het waarschuwingslampje en de
waarschuwingszoemer door de cruisecontrol gehanteerd, ook al hebt u de Collision
Warning gedeactiveerd.
De Collision Warning waarschuwt u bij
gevaar voor een botsing, maar de functie
is niet in staat uw reactietijd te verkorten.
WAARSCHUWING
Geen enkel automatisch systeem kan in
alle situaties een 100 % feilloze werking
garanderen. Test Collision Warning met
Auto Brake daarom nooit uit op mensen of
voertuigen - dat kan namelijk tot ernstig
letsel/ernstige schade en levensgevaarlijke
situaties leiden.
U kunt de actuele instellingen controleren op
het display van de middenconsole. Zoek met
het menusysteem MY CAR onder
Instellingen Auto-instellingen Rijassistentiesystemen
Botswaarschuwing, MY CAR (p. 106).
Onderhoud
N.B.
22
N.B.
Als vuil, ijs en sneeuw de sensoren bedekken, neemt de functie af en kan meten
onmogelijk worden gemaakt.
Instellingen controleren
Voor een optimale werking van de Collision Warning dient u de Afstandswaarschuwing (p. 221) altijd in te stellen op
volgtijd 4-5.
Ook als u de waarschuwingsafstand hebt
ingesteld op Lang, kunnen de waarschuwingen voor uw gevoel soms laat worden
afgegeven. Bijvoorbeeld bij grote snelheidsverschillen of als de voorligger krachtig remt.
De sensoren werken alleen naar behoren
wanneer u vuil, ijs en sneeuw verwijdert en ze
regelmatig schoonmaakt met water en autoshampoo.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Collision Warning* (p. 231)
Collision Warning* - functie (p. 232)
Collision Warning* - voetgangersdetectie
(p. 235)
•
Collision Warning* - fietsersdetectie (p.
233)
•
Collision Warning* - algemene beperkingen (p. 238)
•
Collision Warning* - beperkingen van de
camerasensor (p. 239)
•
Collision Warning* - symbolen en melding
(p. 241)
07
Camera- en radarsensor22.
N.B. De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
237
07 Bestuurdersondersteuning
Collision Warning* - algemene
beperkingen
‘Collision Warning met Auto Brake en voetgangers- en fietsersdetectie’ is een hulpmiddel dat bedoeld is om u te waarschuwen,
wanneer het gevaar bestaat dat u op een
voetganger of achter op een (stilstaande of rijdende) fietser of voorligger botst.
Het systeem heeft bepaalde beperkingen – zo
is het systeem pas actief bij snelheden van
zo’n 4 km/h en hoger.
In de felle zon en bij lichtschitteringen alsook
het gebruik van een zonnebril is het op de
voorruit geprojecteerde waarschuwingslampje voor de Collision Warning soms moeilijk te ontdekken. Dat is ook mogelijk als u
niet recht vooruit kijkt. Houd de waarschuwingszoemer daarom altijd ingeschakeld.
N.B.
Het visuele waarschuwingssignaal kan
korte tijd buiten werking worden gesteld,
wanneer de temperatuur in het interieur
bijvoorbeeld door de felle zon te hoog is
opgelopen. Als dit gebeurt, wordt er een
waarschuwingszoemer afgegeven ook al
hebt u deze uitgeschakeld via het menusysteem.
•
Waarschuwingen kunnen eveneens
uitblijven bij een zeer geringe afstand
tot de voorligger of bij relatief grote
stuur- en pedaalbewegingen zoals bij
een zeer actieve rijstijl.
Bij gladheid is de remweg langer waardoor
het systeem minder goed in staat is aanrijdingen te voorkomen. In dergelijke situaties zullen het ABS en DSTC (p. 190) voor het maximale remvermogen zorgen met behoud van
de stabiliteit.
07
23
238
Voor fietsers wordt mogelijk zeer laat gewaarschuwd en geremd of gelijktijdig gewaarschuwd en geremd.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
WAARSCHUWING
Als de radar- of camerasensor op grond
van de verkeerssituatie of anderszins problemen heeft voetgangers, voorliggers of
fietsers te ontdekken, is het mogelijk dat
het systeem pas laat, onterecht of helemaal geen waarschuwing geeft en remt.
De sensoren hebben een beperkt bereik
voor voetgangers en fietsers23, zodat het
systeem voor dergelijke weggebruikers
efficiënt waarschuwt en remingrepen verricht bij rijsnelheden tot 50 km/h. Voor stilstaande of langzaam rijdende voorliggers
wordt efficiënt gewaarschuwd en geremd
bij rijsnelheden tot 70 km/h.
In het donker of bij slecht zicht wordt er
mogelijk niet gewaarschuwd voor langzaam rijdende of stilstaande voorliggers.
Er wordt niet gewaarschuwd noch geremd
voor voetgangers en fietsers bij een rijsnelheid hoger dan 80 km/h.
De Collision Warning maakt gebruik van
dezelfde radarsensor als die van de adaptieve
cruisecontrol (p. 205).
Als u vindt dat er te vaak wordt gewaarschuwd en de signalen als storend ervaart,
kunt u de waarschuwingsafstand verkleinen.
Dit betekent dat het systeem later waarschuwt, wat het totale aantal waarschuwingen beperkt, zie Collision Warning - bediening (p. 236).
07 Bestuurdersondersteuning
Met geactiveerde achteruitversnelling is de
Collision Warning met Auto Brake tijdelijk
gedeactiveerd.
Collision Warning met Auto Brake wordt niet
geactiveerd op lage snelheden (onder
4 km/h), wat betekent dat het systeem niet
ingrijpt in situaties waarbij uw auto een voorligger uiterst langzaam nadert zoals tijdens
het parkeren.
In situaties waarin u actief en bewust rijgedrag laat zien, wordt Collision Warning minder actief.
Nadat Auto Brake een aanrijding met een stilstaand obstakel heeft voorkomen, blijft de
auto maximaal 1,5 seconde stilstaan. Als de
auto wordt afgeremd wegens een rijdende
voorligger, wordt de snelheid begrensd tot
dezelfde snelheid als die van de voorligger.
Bij een auto met een handgeschakelde versnellingsbak slaat de motor af wanneer Auto
Brake de auto tot stilstand heeft gebracht,
tenzij u daarvoor het koppelingspedaal weet
te bedienen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Collision Warning* (p. 231)
Collision Warning* - functie (p. 232)
Collision Warning* - voetgangersdetectie
(p. 235)
•
Collision Warning* - fietsersdetectie (p.
233)
•
Collision Warning* - bediening (p. 236)
•
Collision Warning* - beperkingen van de
camerasensor (p. 239)
•
Collision Warning* - beperkingen van
de camerasensor
Collision Warning* - symbolen en melding
(p. 241)
‘Collision Warning met Auto Brake en voetgangers- en fietsersdetectie’ is een hulpmiddel dat bedoeld is om u te waarschuwen,
wanneer het gevaar bestaat dat u op een
voetganger of achter op een (stilstaande of rijdende) fietser of voorligger botst.
Het systeem maakt gebruik van de camerasensor van de auto, die bepaalde beperkingen
heeft.
De camerasensor van de auto wordt naast de
Collision Warning met Auto Brake ook
gebruikt door de functies:
•
•
•
•
Actief groot licht (p. 84)
Verkeersbordinformatie (p. 194)
Driver Alert Control - DAC (p. 243)
Rijbaanassistent (p. 247).
N.B.
Houd de voorruit in het gebied vóór de
camerasensor vrij van ijs, sneeuw, condens en vuil.
Plak of monteer niets op de voorruit vóór
de camerasensor, aangezien één of meer
camera's voor het systeem hierdoor slechter of niet meer werken.
07
De camerasensor kent ongeveer dezelfde
beperkingen als het menselijk oog. Dit houdt
in dat de sensor minder goed ‘ziet’ bij hevige
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
239
07 Bestuurdersondersteuning
||
regen- of sneeuwval en in dichte mist. In dergelijke omstandigheden kunnen functies die
gebruik maken van de camera grote beperkingen ondervinden of tijdelijk gedeactiveerd
worden.
Ook fel tegenlicht, reflecties op het wegdek,
besneeuwde of beijzelde wegen, verontreinigde of onduidelijke rijstrookmarkeringen
kunnen aanleiding geven tot grote beperkingen voor de functies die van de camera
gebruik maken om bijvoorbeeld het wegdek
af te tasten en andere voertuigen en voetgangers te ontdekken.
Het zichtveld van de camerasensor is
beperkt, zodat voetgangers, fietsers en voorliggers in bepaalde situaties niet kunnen worden geregistreerd of later worden ontdekt dan
verwacht.
Bij zeer hoge temperaturen werkt de camera
de eerste ca. 15 minuten na het starten van
de motor niet om de camerafunctie te ontzien.
Storingen opsporen en verhelpen
07
Als op het display de melding
Voorruitsensoren afgedekt verschijnt, betekent dit dat de camerasensor afgedekt is en
geen voetgangers, fietsers, voorliggers of
rijstrookmarkeringen vóór de auto kan ontdekken.
Dit houdt bovendien in dat niet alleen Collision Warning met Auto Brake maar ook de
240
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
systemen Automatische dimfunctie groot
licht/dimlicht, Road Sign Information, Driver
Alert Control en de Rijbaanassistent niet voor
de volle 100 % zullen werken.
In de volgende tabel staan mogelijke oorzaken van het verschijnen van de melding en
passende maatregelen.
Oorzaak
Maatregel
Het voorruitoppervlak vóór de
camera is vuil of
bedekt met sneeuw
of ijs.
Ontdoe het voorruitoppervlak vóór de
camera van vuil,
sneeuw en ijs.
Bij dichte mist en
hevige regen- of
sneeuwval heeft de
camera een minder
goed zicht.
Valt niets aan te
doen. Bij hevige
neerslag werkt de
camera soms niet.
Oorzaak
Maatregel
Het voorruitoppervlak vóór de
camera is schoongemaakt, maar de
melding blijft.
Wacht even. Het kan
enige minuten duren
voordat de camera
het zicht opnieuw
heeft gemeten.
Er is vuil tussen de
binnenkant van de
voorruit en de
camera gekomen.
Bezoek een werkplaats om de binnenkant van de
voorruit achter de
camerabehuizing te
laten schoonmaken
– geadviseerd wordt
een erkende Volvowerkplaats.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Collision Warning* (p. 231)
Collision Warning* - functie (p. 232)
Collision Warning* - voetgangersdetectie
(p. 235)
•
Collision Warning* - fietsersdetectie (p.
233)
•
•
Collision Warning* - bediening (p. 236)
•
Collision Warning* - symbolen en melding
(p. 241)
Collision Warning* - algemene beperkingen (p. 238)
07 Bestuurdersondersteuning
Collision Warning* - symbolen en
melding
‘Collision Warning met Auto Brake en voetgangers- en fietsersdetectie’ is een hulpmid-
SymboolA
del dat bedoeld is om u te waarschuwen,
wanneer het gevaar bestaat dat u op een
voetganger of achter op een (stilstaande of rijdende) fietser of voorligger botst.
Melding
Betekenis
CWS-systeem UIT
Collision Warning is uitgeschakeld.
Verschijnt bij het starten van de motor.
De melding dooft automatisch na ca. 5 seconden of eerder wanneer u op de toets OK drukt.
CWS-systeem niet
beschikbaar
Het is niet mogelijk Collision Warning te activeren.
Verschijnt wanneer u het systeem toch probeert te activeren.
De melding dooft automatisch na ca. 5 seconden of eerder wanneer u op de toets OK drukt.
Remassistent geactiveerd
De Auto Brake was actief.
Voorruitsensoren afgedekt Zie instructieboek
De camerasensor werkt tijdelijk niet.
De melding verdwijnt na bediening van de toets OK.
Verschijnt bijvoorbeeld bij sneeuw, ijs of vuil op de voorruit.
•
A
Maak het voorruitoppervlak vóór de camerasensor schoon.
Radar afgedekt Zie
instructieb.
Collision Warning met Auto Brake werkt tijdelijk niet.
CWS-systeem Service
vereist
Collision Warning met Auto Brake werkt niet of gedeeltelijk.
De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren. Bijvoorbeeld wanneer deze wordt gehinderd
door hevige regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken.
•
07
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
De symbolen zijn schematisch - afhankelijk van de markt en het model zijn afwijkingen mogelijk.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
241
07 Bestuurdersondersteuning
||
Gerelateerde informatie
•
•
•
Collision Warning* (p. 231)
Collision Warning* - functie (p. 232)
Collision Warning* - voetgangersdetectie
(p. 235)
•
Collision Warning* - fietsersdetectie (p.
233)
•
•
Collision Warning* - bediening (p. 236)
•
Collision Warning* - beperkingen van de
camerasensor (p. 239)
Collision Warning* - algemene beperkingen (p. 238)
07
242
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
07 Bestuurdersondersteuning
Driver Alert System*
Status hulpmiddel bestuurder
Driver Alert System is bestemd om u te helpen als de auto op een ongecontroleerde
manier wordt bestuurd of op het punt staat de
rijstrookmarkering te overschrijden.
Driver Alert System bestaat uit verschillende
functies die tegelijk of apart in te schakelen
zijn:
•
Driver Alert Control (DAC)* - bediening (p.
244).
•
Rijbaanassistent - bediening (p. 249).
Een ingeschakelde functie wordt pas daadwerkelijk geactiveerd bij snelheden hoger dan
65 km/h. Bij lagere snelheden staat de functie
stand-by.
Het systeem wordt weer uitgeschakeld, zodra
de snelheid onder de 60 km/h daalt.
De functies maken gebruik van een camera
die alleen rijstroken met belijning kan aftasten.
WAARSCHUWING
Driver Alert System werkt niet in alle situaties, maar is uitsluitend bedoeld als een
aanvullend hulpmiddel.
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige
manier bestuurt.
Driver Alert Control (DAC)*
DAC is bedoeld om de aandacht van de
bestuurder te trekken, wanneer de auto op
een ongecontroleerde manier bestuurd wordt
(omdat u bijvoorbeeld afgeleid wordt of bijna
in slaap valt).
DAC is bedoeld om langzame wijzigingen in
het rijgedrag te bespeuren, in eerste instantie
op de grotere wegen.
De actuele status voor alle rij-assistentiesystemen is te controleren onder MY CAR (p.
108).
Gerelateerde informatie
•
•
•
Driver Alert Control (DAC)* (p. 243)
Driver Alert Control (DAC)* - symbolen en
meldingen (p. 245)
Driver Alert Control (DAC)* - bediening (p.
244)
Een camera tast de geschilderde rijstrookmarkeringen af en vergelijkt de wegrichting
met uw stuurbewegingen. U wordt gewaarschuwd wanneer de auto de wegrichting op
een ongecontroleerde manier volgt.
07
Soms treden er ondanks vermoeidheid geen
merkbare wijzigingen op in het rijgedrag. In
dat geval wordt er dan ook niet gewaarschuwd. Het is daarom van groot belang dat
u bij opkomende vermoeidheid de auto op
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
243
07 Bestuurdersondersteuning
||
een geschikte plek parkeert om een pauze in
te lassen, ongeacht de vraag of DAC nu wel
of niet heeft gewaarschuwd.
N.B.
Driver Alert Control (DAC)* bediening
Instellingen voor Driver Alert Control - DAC (p.
243) zijn te verrichten via het menusysteem (p.
106) op het display van de middenconsole.
De functie mag niet worden gebruikt om
de rijtijd te verlengen. Plan altijd regelmatig
pauzes in en zorg ervoor dat u bent uitgerust.
U kunt het waarschuwingssymbool ook deactiveren:
Beperkingen
•
Soms kan het systeem ten onrechte waarschuwen voor ongecontroleerde stuurbewegingen. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren bij:
•
•
De camerasensor heeft zijn beperkingen,
zie Collision Warning* - beperkingen van
de camerasensor (p. 239).
Gerelateerde informatie
•
•
244
Neem een waarschuwing altijd serieus,
omdat u bij slaperigheid uw lichamelijke
conditie vaak minder goed kunt inschatten.
spoorvorming in het wegdek.
N.B.
Driver Alert System* (p. 243)
Driver Alert Control (DAC)* - bediening (p.
244)
•
Driver Alert Control (DAC)* - symbolen en
meldingen (p. 245)
•
Rijbaanassistent* (p. 247)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Druk op de knop OK van de linker stuurhendel.
WAARSCHUWING
zijdelingse rukwinden
DAC is niet bedoeld voor gebruik in het
stadsverkeer.
07
Als de auto slingert, wordt u
gewaarschuwd met een geluidssignaal en de tekstmelding (p. 245)
Driver Alert Tijd voor pauze –
tegelijkertijd gaat het bijbehorende symbool
op het instrumentenpaneel branden. Als u uw
rijgedrag niet corrigeert wordt enige tijd later
opnieuw gewaarschuwd.
Om Driver Alert in de stand-bystand te zetten:
•
Breng bij een waarschuwing of een gevoel
van vermoeidheid de auto zo spoedig
mogelijk tot stilstand om rust te houden.
Zoek in MY CAR naar Auto-instellingen
Rij-assistentiesystemen Driver
Alert en vink het vakje aan – geen vinkje
in het vakje: Functie uitgeschakeld.
Driver Alert wordt geactiveerd bij een snelheid
hoger dan 65 km/h en blijft actief zolang de
snelheid boven 60 km/h ligt.
Studies hebben aangetoond dat rijden bij
vermoeidheid even gevaarlijk is in het verkeer als rijden onder invloed.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Driver Alert System* (p. 243)
Driver Alert Control (DAC)* (p. 243)
Rijbaanassistent* (p. 247)
07 Bestuurdersondersteuning
Driver Alert Control (DAC)* - symbolen
en meldingen
meldingen op het instrumentenpaneel of op
het beeldscherm van de middenconsole laten
verschijnen.
Het Driver Alert Control - DAC (p. 243) kan in
uiteenlopende situaties symbolen en tekst-
Instrumentenpaneel
SymboolA
Melding
Betekenis
Driver Alert Tijd voor
pauze
De auto vertoont zwalkend rijgedrag – u wordt gewaarschuwd met een zoemersignaal en een displaymelding.
Voorruitsensoren afgedekt
Zie instructieboek
De camerasensor werkt tijdelijk niet.
Verschijnt bijvoorbeeld bij sneeuw, ijs of vuil op de voorruit.
•
Maak het voorruitoppervlak vóór de camerasensor schoon.
Lees meer over de beperkingen van de camerasensor, zie Collision Warning* - beperkingen van
de camerasensor (p. 239).
Driver Alert-systeem Service vereist
A
Het systeem is defect.
•
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
De symbolen zijn schematisch.
Display
Symbool
Melding
Betekenis
Driver Alert UIT
Wisser/sproeier uitgeschakeld.
Driver Alert Beschikbaar
De functie is ingeschakeld.
07
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
245
07 Bestuurdersondersteuning
||
Symbool
Melding
Betekenis
Driver Alert stand-by <65km/h
De functie is stand-by gezet omdat de rijsnelheid onder 65 km/h ligt.
Driver Alert niet beschikbaar
De weg is niet voorzien van duidelijke markeringsstrepen of de camerasensor werkt tijdelijk niet.
Lees meer over de beperkingen van de camerasensor, zie Collision Warning* - beperkingen van
de camerasensor (p. 239).
Gerelateerde informatie
•
•
Driver Alert System* (p. 243)
•
Rijbaanassistent* (p. 247)
Driver Alert Control (DAC)* - bediening (p.
244)
07
246
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
07 Bestuurdersondersteuning
Rijbaanassistent*
WAARSCHUWING
De Rijbaanassistent maakt deel uit van het
Driver Alert System en wordt ook wel LKA
(Lane Keeping Aid) genoemd. De Rijbaanassistent is bedoeld voor gebruik op snelwegen
en dergelijke en beperkt het risico dat u in
bepaalde situaties onbedoeld de eigen rijbaan
verlaat.
LKA is alleen een hulpmiddel voor de
bestuurder en werkt niet in alle rijsituaties,
verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
U bent er altijd zelf verantwoordelijk voor
dat u de auto op de juiste wijze bestuurt
en dat u zich aan de geldende wetgeving
en verkeersregels houdt.
Rijbaanassistent - functie
Aan & Uit
De rijbaanassistent is actief in het snelheidsinterval 65–200 km/h op wegen met goed
zichtbare zijlijnen. Op smalle wegen, als de
rijbaan minder dan 2,6 meter tussen de zijlijnen is, wordt de functie tijdelijk uitgeschakeld.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Een camera tast de zijlijnen van de weg/de rijbaan af. Als de auto een zijlijn dreigt te overschrijden, wordt de Rijbaanassistent actief en
stuurt de auto met een geringe stuurbeweging terug de rijbaan.
Als de auto op een zijlijn rijdt of deze passeert, waarschuwt de Rijbaanassistent u
bovendien met trillingen in het stuurwiel.
Driver Alert System* (p. 243)
Rijbaanassistent - beperkingen (p. 249)
Rijbaanassistent - functie (p. 247)
Rijbaanassistent - bediening (p. 249)
Rijbaanassistent - symbolen en meldingen (p. 251)
Met de knop op de middenconsole kunt u de
functie activeren of uitschakelen. Het brandende lampje in de schakelaar geeft aan dat
de functie geactiveerd is.
Bij bepaalde combinaties van opties is er
geen plek vrij voor een Aan/Uit-knop op de
middenconsole – in dat geval is de functie
echter te bedienen via het menusysteem MY
CAR. Ga als volgt te werk:
•
07
Kies Aan of Uit in Instellingen Autoinstellingen Rijbaanassistentie.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
247
07 Bestuurdersondersteuning
||
Voor een beschrijving van het menusysteem,
zie MY CAR - menu-opties (p. 108).
Waarschuwing met trillingen in het
stuurwiel
Dynamisch nemen van bochten
LKA stuurt en waarschuwt met pulserende stuurwieltrillingen24.
In bepaalde gevallen staat de rijbaanassistent
toe dat de zijlijnen worden overschreden zonder in te grijpen met actief sturen of waarschuwen met pulserende trillingen in het
stuurwiel. Het bij goed zicht benutten van de
aangrenzende rijbaan voor dynamisch bochtenwerk is een voorbeeld van zo’n geval.
In MY CAR kan bovendien o.a. het volgende
worden gekozen:
•
Waarschuwing met trillingen in het stuurwiel: Alleen vibratie - Aan of Uit.
•
Actief sturen: Alleen stuurhulp - Aan of
Uit.
•
Zowel Waarschuwing met trillingen in het
stuurwiel als Actief sturen: Volledige
functie - Aan of Uit.
Actief sturen
De rijbaanassistent probeert de auto binnen
de zijlijnen van de eigen rijbaan te houden.
LKA grijpt niet in scherpe binnenbochten in.
Als de auto een zijlijn passeert, waarschuwt
de rijbaanassistent hiervoor met pulserende
trillingen in het stuurwiel. Dit gebeurt ongeacht of de auto wel of niet actief wordt teruggestuurd door een opgelegd stuurmoment.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
07
LKA grijpt in en stuurt weg.
Als de auto de linker of rechter zijlijn van de
rijbaan nadert zonder dat de richtingaanwijzer
is geactiveerd, wordt de auto teruggestuurd.
24
248
De afbeelding toont 3 pulserende trillingen als de zijlijn wordt gepasseerd.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Rijbaanassistent* (p. 247)
Rijbaanassistent - beperkingen (p. 249)
Rijbaanassistent - bediening (p. 249)
Rijbaanassistent - symbolen en meldingen (p. 251)
07 Bestuurdersondersteuning
Rijbaanassistent - bediening
Rijbaanassistent - beperkingen
De rijbaanassistent wordt in verschillende
situaties gecompleteerd met duidelijke grafische voorstellingen. Hier volgen enkele voorbeelden:
•
De camerasensor van de rijbaanassistent
heeft beperkingen, net als het menselijk
oog. Voor meer informatie, zie Collision
Warning* - beperkingen van de camerasensor (p. 239) en (p. 237).
N.B.
N.B.
Het LKA staat uit zolang u de richtingaanwijzerhendel bedient.
LKA grijpt in aan de rechterkant (rood gemarkeerd op de figuur).
De Rijbaanassistent grijpt in en stuurt van de
zijlijn af – wordt aangeduid met:
•
RODE lijn voor de desbetreffende kant.
Gerelateerde informatie
LKA ‘ziet’ en volgt de zijlijnen (rood gemarkeerd
op de figuur).
Wanneer de Rijbaanassistent actief is en de
zijlijnen detecteert/‘ziet’, heeft het LKA-symbool WITTE lijnen.
•
GRIJZE zijlijn - de Rijbaanassistent ziet
geen lijn aan deze kant van de auto.
•
•
•
•
•
Rijbaanassistent* (p. 247)
Driver Alert System* (p. 243)
Rijbaanassistent - beperkingen (p. 249)
Rijbaanassistent - functie (p. 247)
Rijbaanassistent - symbolen en meldingen (p. 251)
In bepaalde omstandigheden heeft het
LKA moeite om u goed te helpen – geadviseerd wordt om het LKA dan uit te schakelen.
Voorbeelden van dergelijke omstandigheden zijn:
•
•
•
•
•
wegwerkzaamheden
winterse wegen
slecht wegdek
extreem sportieve rijstijl
slecht weer in combinatie met een
beperkt zicht.
De handen op het stuurwiel
Een voorwaarde voor het functioneren van de
rijbaanassistent is dat u uw handen op het
stuurwiel houdt. LKA controleert dit voortdurend. Als dit niet het geval is, wordt u met een
tekstmelding aangespoord om de auto actief
te sturen.
07
Als u de aansporing om te gaan sturen niet
opvolgt, wordt de rijbaanassistent stand-by
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
249
07 Bestuurdersondersteuning
||
gezet. De functie is dan uitgeschakeld totdat
u weer begint te sturen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Rijbaanassistent* (p. 247)
Rijbaanassistent - functie (p. 247)
Rijbaanassistent - bediening (p. 249)
Rijbaanassistent - symbolen en meldingen (p. 251)
07
250
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
07 Bestuurdersondersteuning
Rijbaanassistent - symbolen en
meldingen
In situaties waar het LKA-systeem niet wordt
geactiveerd of wordt uitgeschakeld verschijnt
SymboolA
er mogelijk een symbool op het instrumentenpaneel in combinatie met een verklarende
melding – volg in dat geval het gegeven
advies op.
Voorbeelden van meldingen:
Melding
Betekenis
Rijstrookassistent Niet
beschikbaar bij deze snelheid
De Rijbaanassistent is stand-by gezet, omdat de rijsnelheid onder 65 km/h ligt.
Rijstrookassistent Niet
beschikb. voor huidige markeringen
De rijbaan is niet voorzien van duidelijke zijlijnen of de camerasensor werkt tijdelijk niet. Lees
meer over de beperkingen van de camerasensor, zie Collision Warning* - beperkingen van de
camerasensor (p. 239) en (p. 237).
Rijstrookassistent Beschikbaar
De functie tast de zijlijnen van de rijbaan af.
Voorruitsensoren afgedekt Zie
instructieboek
De camerasensor werkt tijdelijk niet.
Verschijnt bijvoorbeeld bij sneeuw, ijs of vuil op de voorruit.
•
Maak het voorruitoppervlak vóór de camerasensor schoon.
Lees meer over de beperkingen van de camerasensor, zie Collision Warning* - beperkingen
van de camerasensor (p. 239) en (p. 237).
A
Lane Keeping Aid Service vereist
Het systeem is defect.
Lane Keeping Aid onderbroken
LKA is uitgeschakeld en staat stand-by. Wanneer het systeem weer actief is, kunt u dat aan
de lijnen van het LKA-symbool zien.
•
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
07
De symbolen in de tabel zijn schematisch - de symbolen die op het instrumentenpaneel worden weergegeven, kunnen er iets anders uitzien.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
251
07 Bestuurdersondersteuning
||
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Rijbaanassistent* (p. 247)
Rijbaanassistent - beperkingen (p. 249)
Rijbaanassistent - functie (p. 247)
Rijbaanassistent - bediening (p. 249)
07
252
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
07 Bestuurdersondersteuning
Park Assist*
WAARSCHUWING
Park Assist is bedoeld als hulpmiddel tijdens
het parkeren. Geluidssignalen en symbolen
op het display van de middenconsole geven
de afstand aan tot een waargenomen obstakel.
Het Park Assist-volume is tijdens de weergave van geluidssignalen bij te stellen met de
draaiknop VOL op de middenconsole of in
het menusysteem MY CAR van de auto, zie
MY CAR (p. 106).
Park Assist is verkrijgbaar in twee varianten:
•
•
Park Assist aan de achterzijde
Park Assist aan de voor- en achterzijde.
N.B.
Als er een trekhaak met het elektrische
systeem van de auto is geconfigureerd,
wordt de uitsteeklengte van de trekhaak bij
het meten van de parkeerruimte meegerekend.
•
Hoewel de Park Assist handig is bij het
parkeren, bent u nog altijd schadeplichtig bij eventuele fouten.
•
Wanneer er obstakels in de dode hoeken van de sensoren zitten, zal het
systeem ze niet kunnen ontdekken.
•
Houd mensen, dieren e.d. in de buurt
van de auto daarom in de gaten.
Park Assist* - functie
Bij het starten van de motor wordt Park Assist
automatisch geactiveerd - het lampje in de
Aan/Uit-knop brandt. Wanneer u Park Assist
met deze knop uitschakelt, dooft het lampje.
Gerelateerde informatie
•
Park Assist* - sensoren schoonmaken (p.
256)
•
•
•
•
•
•
Park Assist* - functie (p. 253)
Park Assist* - aan de voorzijde (p. 255)
Park Assist* - storingsindicatie (p. 256)
Park Assist* - aan de achterzijde (p. 254)
Park Assist-camera (p. 257)
Actieve parkeerhulp (PAP)* (p. 260)
Aan/Uit sensoren voor Park Assist en CTA25.
Op het display van de middenconsole verschijnt een schematische weergave van de
onderlinge posities van de auto en een eventueel obstakel.
07
25
Waarschuwing voor verkeer van de zijkanten, zie CTA (Cross Traffic Alert) (p. 268)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
253
07 Bestuurdersondersteuning
||
lings uit de luidsprekers aan linker- en rechterzijde.
BELANGRIJK
Voorwerpen zoals kettingen, smalle glanzende palen of lage obstakels kunnen
‘afgeschaduwd’ worden en worden in dat
geval tijdelijk niet geregistreerd door de
sensoren – het onderbroken geluidssignaal
kan dan plotseling wegvallen in plaats van
over te gaan in het verwachte ononderbroken geluidssignaal.
De gemarkeerde sector(en) geeft/geven aan
welke van de vier sensoren een obstakel
heeft/hebben waargenomen. De gemarkeerde
sector ligt dichter bij het autosymbool, naarmate de afstand tussen de auto en het waargenomen obstakel kleiner is.
07
254
Bij een afstand tot 30 cm bestaat het geluidssignaal uit een ononderbroken toon en is de
sensorsector die het dichtst bij de auto ligt
geheel gevuld. Als er zowel voor als achter de
auto obstakels binnen deze afstand zijn waargenomen, komen de geluidssignalen beurte-
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Park Assist is bedoeld als hulpmiddel tijdens
het parkeren. Geluidssignalen en symbolen
op het display van de middenconsole geven
de afstand aan tot een waargenomen obstakel.
De sensoren kunnen geen hoge voorwerpen ontdekken, zoals uitstekende laadperrons.
Displayweergave - toont linksvoor en rechtsachter een obstakel.
Hoe dichter u het obstakel achter of voor de
auto nadert, des te sneller volgen de geluidssignalen elkaar op. Wanneer u ondertussen
de geluidsinstallatie beluistert, wordt het
volume daarvan tijdelijk verlaagd.
Park Assist* - aan de achterzijde
•
Wees in dergelijke gevallen extra voorzichtig en bedien/verrijd de auto erg
langzaam of breek de parkeermanoeuvre af – er bestaat groot gevaar
voor materiële schade aan de auto of
de omgeving, aangezien de sensoren
dan tijdelijk niet optimaal werken.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
Park Assist* (p. 253)
Park Assist* - sensoren schoonmaken (p.
256)
Park Assist* - aan de voorzijde (p. 255)
Park Assist* - storingsindicatie (p. 256)
Park Assist* - aan de achterzijde (p. 254)
Park Assist-camera (p. 257)
Actieve parkeerhulp (PAP)* (p. 260)
Het meetbereik strekt tot ca. 1,5 m recht achter de auto. Bij obstakels achter de auto
komen de geluidssignalen uit een van de luidsprekers achterin.
Park Assist aan de achterzijde wordt geactiveerd bij het inschakelen van de achteruitversnelling.
Bij het achteruitrijden met bijvoorbeeld een
aanhanger achter de auto wordt de Park
Assist automatisch uitgeschakeld – anders
reageren de sensoren op de aanhanger.
07 Bestuurdersondersteuning
N.B.
Bij het achteruitrijden met een aanhanger
achter de auto of een fietsdrager op de
trekhaak – zonder een originele aanhangerkabel van Volvo – moet u de Park Assist
mogelijk handmatig uitschakelen om te
voorkomen dat de sensoren erop reageren.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
Park Assist* (p. 253)
Park Assist* - aan de voorzijde
BELANGRIJK
Park Assist is bedoeld als hulpmiddel tijdens
het parkeren. Geluidssignalen en symbolen
op het display van de middenconsole geven
de afstand aan tot een waargenomen obstakel.
Bij het starten van de motor wordt Park Assist
automatisch geactiveerd - het lampje in de
Aan/Uit-knop brandt. Wanneer u Park Assist
met deze knop uitschakelt, dooft het lampje.
Bij montage van verstralers: Denk eraan
dat deze de sensoren niet mogen hinderen
- de verstralers kunnen dan als obstakel
worden gezien.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
Park Assist* - sensoren schoonmaken (p.
256)
Park Assist* - functie (p. 253)
Park Assist* - aan de voorzijde (p. 255)
Park Assist* - storingsindicatie (p. 256)
Park Assist* (p. 253)
Park Assist* - sensoren schoonmaken (p.
256)
Park Assist* - functie (p. 253)
Park Assist* - storingsindicatie (p. 256)
Park Assist* - aan de achterzijde (p. 254)
Park Assist-camera (p. 257)
Actieve parkeerhulp (PAP)* (p. 260)
Park Assist-camera (p. 257)
Actieve parkeerhulp (PAP)* (p. 260)
Het meetbereik strekt tot ca. 0,8 m recht voor
de auto. Bij obstakels voor de auto komen de
geluidssignalen uit een van de luidsprekers
voorin.
07
Park Assist aan de voorzijde is actief bij snelheden tot 10 km/h. Het lampje in de knop
brandt om aan te geven dat het systeem
actief is. Het systeem wordt opnieuw geactiveerd bij snelheden lager dan 10 km/h.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
255
07 Bestuurdersondersteuning
Park Assist* - storingsindicatie
Park Assist* - sensoren schoonmaken
Park Assist is bedoeld als hulpmiddel tijdens
het parkeren. Geluidssignalen en symbolen
op het display van de middenconsole geven
de afstand aan tot een waargenomen obstakel.
Park Assist is bedoeld als hulpmiddel tijdens
het parkeren. Geluidssignalen en symbolen
op het display van de middenconsole geven
de afstand aan tot een waargenomen obstakel.
Als het informatiesymbool op het
instrumentenpaneel continu brandt
en de melding Park Assist Service
vereist verschijnt, dan is Park Assist defect.
De Park Assist-sensoren werken alleen naar
behoren wanneer u ze regelmatig schoonmaakt met water en autoshampoo.
BELANGRIJK
Positie van de achterste sensoren.
Onder bepaalde omstandigheden kunnen
de parkeersensoren valse waarschuwingssignalen geven door externe geluidsbronnen, die dezelfde ultrasoonfrequenties
afgeven als waar het systeem mee werkt.
N.B.
Als vuil, ijs en sneeuw de sensoren bedekken, neemt de functie af en kan meten
onmogelijk worden gemaakt.
Voorbeelden van dergelijke bronnen zijn
o.a. claxons, natte banden op asfalt, pneumatische remmen en uitlaatgeluid van
motorfietsen.
Gerelateerde informatie
07
•
•
•
•
•
•
•
256
Park Assist* (p. 253)
Park Assist* - sensoren schoonmaken (p.
256)
Park Assist* - functie (p. 253)
Park Assist* - aan de voorzijde (p. 255)
Park Assist* - aan de achterzijde (p. 254)
Park Assist-camera (p. 257)
Actieve parkeerhulp (PAP)* (p. 260)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Gerelateerde informatie
Positie van de voorste sensoren.
•
•
•
•
•
•
•
Park Assist* (p. 253)
Park Assist* - functie (p. 253)
Park Assist* - aan de voorzijde (p. 255)
Park Assist* - storingsindicatie (p. 256)
Park Assist* - aan de achterzijde (p. 254)
Park Assist-camera (p. 257)
Actieve parkeerhulp (PAP)* (p. 260)
07 Bestuurdersondersteuning
Park Assist-camera
Functie en bediening
De Park Assist-camera is een hulpsysteem
dat automatisch geactiveerd wordt bij het
inschakelen van de achteruitversnelling (de
functie is te wijzigen in het instellingenmenu,
zie MY CAR - menu-opties (p. 108)).
De cameraweergave verschijnt op het display
van de middenconsole.
N.B.
Als er een trekhaak met het elektrische
systeem van de auto is geconfigureerd,
wordt de uitsteeklengte van de trekhaak bij
het meten van de parkeerruimte meegerekend.
WAARSCHUWING
•
De parkeercamera is een hulpmiddel
en kan nooit in de plaats komen van
de verantwoordelijkheid van de
bestuurder bij het achteruitrijden.
•
Wanneer er obstakels in de dode hoeken van de camera zitten, zal het systeem ze niet kunnen ontdekken.
•
Houd mensen en dieren in de buurt
van de auto daarom in de gaten.
Positie CAM-knop.
De camera toont wat er achter de auto is en
of er iets of iemand van de zijkanten opduikt.
De camera beslaat een breed gebied achter
de auto alsook een deel van de bumper en
een eventuele trekhaak.
Voorwerpen op het display lijken mogelijk
over te hellen – dit is volkomen normaal.
Bij het inschakelen van de achteruitversnelling wordt met behulp van ononderbroken lijnen grafisch aangegeven waar de achterwielen van de auto uitkomen bij de actuele stuuruitslag – dit vereenvoudigt het achteruit inparkeren, achteruitrijden in krappe ruimten en
aankoppelen van aanhangers. Ook de buitenmaten van de auto worden globaal getoond
met twee streepjeslijnen. De hulplijnen kunnen in het instellingenmenu worden gedeactiveerd.
Als de auto tevens uitgerust is met Park
Assist-sensoren*, illustreren gekleurde velden
op grafische wijze de afstand tot geregistreerde obstakels, zie Park Assist* - functie
(p. 253).
De camera wordt ca. 5 seconden na uitschakeling van de achteruitversnelling gedeactiveerd, of eerder als de rijsnelheid oploopt tot
boven 10 km/h vooruit of 35 km/h achteruit.
N.B.
Voorwerpen op het beeldscherm kunnen
dichter bij de auto zijn dan dat ze op het
scherm lijken te zijn.
07
Als een andere schermweergave actief is,
neemt de Park Assist-camera het scherm
automatisch over om de cameraweergave te
tonen.
Camerapositie bij de openingshandgreep.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
}}
257
07 Bestuurdersondersteuning
||
Lichtomstandigheden
De cameraweergave wordt automatisch aangepast aan de heersende lichtomstandigheden. Dit kan ertoe leiden dat de beeldweergave ietwat kan variëren wat lichtsterkte en
kwaliteit betreft. Slechte lichtomstandigheden
leveren mogelijk een iets slechtere beeldkwaliteit op.
auto. De lijnen zijn bovendien afhankelijk van
de stuuruitslag, zodat u ook tijdens het
draaien kunt zien welke baan de auto zal
nemen.
N.B.
•
Bij het achteruitrijden met een aanhanger/caravan geven de lijnen op het
scherm de baan van de auto aan –
niet die van de aanhanger/caravan.
•
Er verschijnen geen lijnen op het
scherm, wanneer er een aanhanger/
caravan is aangesloten op het elektrische systeem van de auto.
N.B.
Houd voor optimale werking de cameralens vrij van vuil, sneeuw en ijs. Dit is
vooral van belang in slechte lichtomstandigheden.
Hulplijnen
•
De Park Assist-camera wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u een
aanhanger/caravan achter de auto
hebt hangen die met originele trekhaakbedrading van Volvo aangesloten
is.
BELANGRIJK
Let op: het schermbeeld toont alleen het
gebied achter de auto - let dus op de zijkanten en voorkant van de auto als u bij
achteruitrijden aan het stuurwiel draait.
07
Voorbeeld van hoe hulplijnen voor de bestuurder
getoond worden.
De lijnen op het scherm worden geprojecteerd als stonden ze op de grond achter de
258
Grenslijnen
De verschillende lijnen van het systeem.
Grenslijn vrije achteruitrijzone
‘Wielsporen’
De onderbroken lijn (1) grenst een zone af die
tot ca. 1,5 m achter de achterbumper strekt.
Het vormt tegelijkertijd de grens voor de uitstekende delen van de auto, zoals buitenspiegels en hoeken – ook tijdens het maken van
een bocht.
De brede ‘wielsporen’ (2) tussen de zijlijnen
geven aan waar de wielen zich zullen bevinden en kunnen tot ca. 3,2 m achter de achterbumper reiken zolang er geen obstakel in de
weg staat.
07 Bestuurdersondersteuning
Auto’s met Park Assist-sensoren
achter*
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Park Assist-camera - instellingen (p. 259)
Park Assist-camera - beperkingen (p.
260)
Park Assist* (p. 253)
Actieve parkeerhulp (PAP)* (p. 260)
Park Assist-camera - instellingen
De parkeercamera is een hulpsysteem en
wordt geactiveerd wanneer er in de achteruit
wordt geschakeld.
Druk op OK/MENU wanneer een cameraweergave getoond wordt. Voer de gewenste
instellingen uit.
Overig
De afstand wordt aangegeven met gekleurde
velden (4 stuks, voor elke sensor één).
Als de auto ook is uitgerust met Park Assistsensoren (zie Park Assist* - functie (p. 253)),
kan de afstand nauwkeuriger worden weergegeven en geven gekleurde velden aan welke
van de 4 sensoren een obstakel registreert/
registreren.
•
De standaardinstelling is dat de camera
wordt geactiveerd bij het inschakelen van
de achteruitversnelling.
•
Bij indrukken van CAM wordt de camera
geactiveerd, ook al is de achteruitversnelling niet ingeschakeld.
•
Wissel tussen de normale en ingezoomde
weergave door te draaien aan TUNE of te
drukken op CAM.
Trekhaak
Kleur
Afstand (meter)
Lichtgeel
0,7–1,5
De camera leent zich bij uitstek voor het aankoppelen van een aanhanger/caravan. Op het
display kan een hulplijn verschijnen voor de
geplande ‘baan’ van de trekhaak naar de
aanhanger – dat geldt ook voor de ‘wielsporen’.
Oranje
0,5–0,7
•
Oranje
0,3–0,5
Rood
0–0,3
Voor nauwkeurig manoeuvreren is inzoomen op de trekhaak mogelijk door op
CAM te drukken. Nogmaals drukken
levert de normaalweergave op.
07
De hulplijn voor de trekhaak is te activeren in
het menusysteem MY CAR, waar u kunt kiezen uit weergave van de ‘wielsporen’ of de
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
259
07 Bestuurdersondersteuning
||
baan van de trekhaak – beide opties kunnen
niet gelijktijdig worden weergegeven.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Park Assist-camera (p. 257)
Park Assist-camera - beperkingen
Actieve parkeerhulp (PAP)*
De parkeercamera is een hulpsysteem en
wordt geactiveerd wanneer er in de achteruit
wordt geschakeld.
De actieve parkeerhulp (PAP – Park Assist
Pilot) helpt u bij het parkeren door eerst te
controleren of het vak groot genoeg is en
daarna het stuurwiel te draaien en de auto in
het vak te parkeren. Het instrumentenpaneel
geeft met symbolen, grafische beelden en
teksten aan, wanneer u iets moet doen.
Park Assist-camera - beperkingen (p.
260)
N.B.
Fietsdragers of andere accessoires die
achter op de auto zijn gemonteerd, kunnen
het zicht van de camera belemmeren.
Park Assist* (p. 253)
Actieve parkeerhulp (PAP)* (p. 260)
MY CAR (p. 106)
Waar u op moet letten
Let erop dat ook als het geblokkeerde gebied
er op het scherm relatief klein uitziet, het werkelijke, verborgen gebied dusdanig groot kan
zijn dat obstakels pas worden geregistreerd
wanneer u er bijna bovenop zit.
•
Houd de cameralens vrij van vuil, sneeuw
en ijs.
•
Maak de cameralens regelmatig schoon
met lauw water en autoshampoo – wees
voorzichtig om geen krassen in de lens te
maken.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
07
260
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Park Assist-camera (p. 257)
Park Assist-camera - instellingen (p. 259)
Park Assist* (p. 253)
Actieve parkeerhulp (PAP)* (p. 260)
De Aan/Uit-knop zit op de middenconsole.
N.B.
Als er een trekhaak met het elektrische
systeem van de auto is geconfigureerd,
wordt de uitsteeklengte van de trekhaak bij
het meten van de parkeerruimte meegerekend.
07 Bestuurdersondersteuning
WAARSCHUWING
PAP werkt niet in alle situaties, maar is uitsluitend bedoeld als een aanvullend hulpmiddel.
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige
manier bestuurt en het gebied rond de
auto goed in de gaten houdt om naderende of passerende verkeersdeelnemers
tijdig op te merken.
Actieve parkeerhulp (PAP)* - functie
De actieve parkeerhulp (PAP – Park Assist
Pilot) helpt u bij het parkeren door eerst te
controleren of het vak groot genoeg is en
daarna het stuurwiel te draaien en de auto in
het vak te parkeren. Het instrumentenpaneel
geeft met symbolen, grafische beelden en
teksten aan, wanneer u iets moet doen.
N.B.
Het PAP-systeem meet de beschikbare
ruimte en verricht de vereiste stuurbewegingen. Aan u de taak om de aanwijzingen
op het instrumentenpaneel op te volgen,
een versnelling (achteruit/vooruit) in te
schakelen, af te remmen en de auto tot
stilstand te brengen.
Gerelateerde informatie
•
Actieve parkeerhulp (PAP)* - beperkingen
(p. 263)
•
Actieve parkeerhulp (PAP)* - functie (p.
261)
•
Actieve parkeerhulp (PAP)* - functie (p.
262)
•
Actieve parkeerhulp (PAP)* - symbolen en
meldingen (p. 265)
PAP kan worden geactiveerd als na het starten van de motor aan de volgende criteria is
voldaan:
•
Park Assist-camera (p. 257)
•
De functies DSTC of ABS mogen niet
ingrijpen als het PAP-systeem actief is –
deze kunnen worden geactiveerd op bijvoorbeeld een steile of gladde ondergrond, zie de gedeelten over Rempedaal
(p. 296) en Stabiliteits- en tractieregeling
(p. 190) voor meer informatie.
•
Er mag geen aanhanger aan de auto zijn
gekoppeld.
•
De snelheid moet lager zijn dan 50 km/h.
Principe voor PAP.
Het PAP-systeem parkeert de auto aan de
hand van de volgende deelmomenten:
1. Het parkeervak wordt gezocht en gemeten (A & B (p. 262)) - bij het meten mag
de snelheid niet hoger zijn dan 30 km/h.
2. De auto wordt achteruit in het vak
gestuurd (C & D (p. 262)).
3. De auto wordt netjes in het vak geparkeerd door voor- en achteruit te rijden (E
& F (p. 263)).
Gerelateerde informatie
•
•
Actieve parkeerhulp (PAP)* (p. 260)
07
Park Assist-camera (p. 257)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
261
07 Bestuurdersondersteuning
Actieve parkeerhulp (PAP)* - functie
De actieve parkeerhulp (PAP – Park Assist
Pilot) helpt u bij het parkeren door eerst te
controleren of het vak groot genoeg is en
daarna het stuurwiel te draaien en de auto in
het vak te parkeren.
U krijgt eenvoudige en heldere instructies
voor het gebruik van PAP op het instrumentenpaneel – met grafische beelden en teksten
grafische beelden en teksten (p. 265).
N.B.
Denk eraan dat het stuurwiel in bepaalde
standen de aanwijzingen op het instrumentenpaneel kan verbergen als het tijdens de parkeermanoeuvre wordt verdraaid.
1 – Zoeken en meten
Het PAP-systeem zoekt een parkeervak en
meet of dit vak groot genoeg is. Ga als volgt
te werk:
1. Activeer PAP met een druk
op deze knop en rijd niet
sneller dan 30 km/h.
2. Let op het instrumentenpaneel en stop de
auto als dit met grafische beelden en displayteksten van u verlangd wordt.
3. Stop de auto als hierom met grafische
beelden en meldingen wordt verzocht.
N.B.
PAP zoekt een mogelijke parkeerruimte
aan de passagierszijde van de straat, geeft
instructies en stuurt de auto in positie.
Desgewenst kunt u de auto ook aan de
bestuurderszijde van de straat parkeren:
•
07
262
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
2 – Achteruit inparkeren
Haal de richtingaanwijzerhendel naar
de bestuurderszijde – de auto wordt
vervolgens aan de bestuurderszijde
van de straat geparkeerd.
Bij het achteruit inparkeren stuurt PAP de
auto in het parkeervak. Ga als volgt te werk:
1. Controleer of de ruimte achter u vrij is en
schakel de achteruitversnelling in.
2. Rijd langzaam en voorzichtig achteruit en
raak het stuurwiel niet aan – rijd niet sneller dan ca. 7 km/h.
3. Let op het instrumentenpaneel en stop de
auto als dit met grafische beelden en displayteksten van u verlangd wordt.
07 Bestuurdersondersteuning
N.B.
•
Houd uw handen weg van het stuurwiel als de PAP-functie is geactiveerd.
•
Let erop dat het stuurwiel niet door
iets wordt gehinderd en vrij kan
draaien.
•
Wacht voor het beste resultaat totdat
het stuurwiel is uitgedraaid, voordat u
achteruit/vooruit rijdt.
3. Schakel de achteruitversnelling in en rijd
voorzichtig achteruit tot met grafische
beelden en meldingen wordt verzocht om
te stoppen.
Het systeem wordt automatisch gedeactiveerd na afronding van het inparkeren,
waarna met grafische beelden en meldingen
wordt aangegeven dat het inparkeren is voltooid. U moet mogelijk later corrigeren alleen u kunt beoordelen of de auto goed
geparkeerd staat.
3 – Fixeren
BELANGRIJK
De waarschuwingsafstand is korter wanneer de sensoren worden gebruikt door
Actieve parkeerhulp dan wanneer Park
Assist de sensoren gebruikt.
Gerelateerde informatie
•
•
Als de auto achteruit in het vak is ingeparkeerd, wordt de auto recht gezet en gefixeerd.
Actieve parkeerhulp (PAP)* (p. 260)
Park Assist-camera (p. 257)
Actieve parkeerhulp (PAP)* beperkingen
De actieve parkeerhulp (PAP – Park Assist
Pilot) helpt u bij het parkeren door eerst te
controleren of het vak groot genoeg is en
daarna het stuurwiel te draaien en de auto in
het vak te parkeren. Het instrumentenpaneel
geeft met symbolen, grafische beelden en
teksten aan, wanneer u iets moet doen.
De PAP-regeling wordt beëindigd:
•
als te snel met de auto wordt gereden –
meer dan 7 km/h
•
•
als u het stuurwiel aanraakt
bij een ingreep van het ABS- of DSTCsysteem - bijvoorbeeld als een wiel grip
verliest op een gladde ondergrond.
Een melding informeert waarom de PAPregeling werd beëindigd.
N.B.
Als vuil, ijs en sneeuw de sensoren bedekken, neemt de functie af en kan meten
onmogelijk worden gemaakt.
07
1. Schakel de 1e versnelling in of D, wacht
totdat het stuurwiel is gedraaid en rijd
voorzichtig vooruit.
2. Stop de auto als hierom met grafische
beelden en een melding wordt verzocht.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
263
07 Bestuurdersondersteuning
||
de benodigde ruimte voor het manoeuvreren onvoldoende is - het kan dan handig zijn om zo dicht mogelijk naar de kant
van de straat te rijden waar het parkeervak zich bevindt.
BELANGRIJK
Onder bepaalde omstandigheden kan PAP
geen parkeerplaatsen vinden - een reden
kan zijn dat de sensoren worden verstoord
door externe geluidsbronnen, die dezelfde
ultrasoonfrequenties afgeven als waar het
systeem mee werkt.
Voorbeelden van dergelijke bronnen zijn
o.a. claxons, natte banden op asfalt, pneumatische remmen en uitlaatgeluid van
motorfietsen.
•
Let erop dat de voorkant van de auto tijdens het parkeren kan uitzwenken naar
het tegemoetkomende verkeer.
•
Voorwerpen boven het detectiegebied
van de sensoren worden niet meegenomen bij het berekenen van de parkeermanoeuvre, waardoor PAP mogelijk te vroeg
het parkeervak indraait. Vermijd daarom
parkeervakken met dergelijke hoge voorwerpen.
•
U moet bepalen of het vak dat PAP voorstelt geschikt is om in te parkeren.
•
Gebruik goedgekeurde banden26 met de
juiste bandenspanning - dit is van invloed
op de parkeermogelijkheden van PAP.
•
Hevige regen of sneeuwval kan ertoe leiden dat het parkeervak niet op een juiste
manier wordt gemeten.
•
Gebruik PAP niet als u sneeuwkettingen
of een reservewiel hebt gemonteerd.
•
Gebruik PAP niet als er lading buiten de
auto steekt.
Waar u op moet letten
Let erop dat de Actieve parkeerhulp een hulpmiddel is - niet een onfeilbare volautomatische functie. Daarom moet u voorbereid zijn
om het parkeren te onderbreken. Er zijn ook
een paar details waar u bij het parkeren op
moet letten, bijvoorbeeld:
•
07
•
PAP is bedoeld voor parkeren op rechte
straten - niet met sterke slingeringen of
bochten. Zorg daarom dat de auto evenwijdig staat het parkeervak, wanneer het
PAP de beschikbare ruimte meet.
•
Parkeervakken in smalle straten kunnen
niet altijd worden aangeboden, aangezien
26
264
PAP gaat uit van de onderlinge positie
van de geparkeerde voertuigen - als deze
minder goed geparkeerd staan, kunnen
de banden en velgen van uw auto
beschadigd raken bij contact met de
stoeprand.
BELANGRIJK
Als bij montage van een andere goedgekeurde velgmaat de bandenomtrek zich
wijzigt, moet u de parameters van het
PAP-systeem mogelijk bijwerken. Informeer bij een werkplaats – geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Onderhoud
De PAP-sensoren zijn in de bumpers aangebracht - 6 voor en 4 achter.
Om te zorgen dat het PAP-systeem naar
behoren werkt, moeten de bijbehorende sensoren regelmatig worden schoongemaakt (p.
256) met water en een autoshampoo - dit zijn
dezelfde sensoren als Parkeerhulp (p. 253)
gebruikt.
Met ‘goedgekeurde banden’ wordt bedoeld: banden van hetzelfde type en merk als die bij levering af fabriek origineel waren gemonteerd.
07 Bestuurdersondersteuning
Gerelateerde informatie
•
•
Actieve parkeerhulp (PAP)* (p. 260)
Park Assist-camera (p. 257)
Actieve parkeerhulp (PAP)* symbolen en meldingen
De actieve parkeerhulp (PAP – Park Assist
Pilot) helpt u bij het parkeren door eerst te
controleren of het vak groot genoeg is en
daarna het stuurwiel te draaien en de auto in
het vak te parkeren. Het instrumentenpaneel
geeft met symbolen, grafische beelden en
teksten aan, wanneer u iets moet doen.
Het instrumentenpaneel kan verschillende
symbool- en tekstcombinaties met uiteenlopende betekenis tonen – soms met een
advies voor een geschikte oplossing.
Als een melding aangeeft dat de actieve parkeerhulp buiten werking is, wordt geadviseerd contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
Actieve parkeerhulp (PAP)* (p. 260)
BLIS (Blind Spot Information System)
BLIS (Blind Spot Information System) is een
functie om de bestuurder ondersteuning te
bieden bij rijden in druk verkeer op wegen
met meerdere rijbanen in dezelfde richting.
Het BLIS-systeem is een hulpmiddel om u te
waarschuwen voor:
•
•
voertuigen in de dode hoek
snel inhalende voertuigen in de linker en
rechter rijbaan in de buurt van de eigen
auto.
WAARSCHUWING
BLIS is slechts een aanvullend hulpmiddel
en werkt niet in alle situaties.
BLIS vormt geen vervanging voor een veilige rijstijl en het gebruik van de buitenspiegels.
Ook met BLIS moet u altijd oplettend en
verantwoord blijven rijden - u bent er altijd
verantwoordelijk voor dat u op een veilige
manier van rijstrook wisselt.
07
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
265
07 Bestuurdersondersteuning
||
Overzicht
Onderhoud
BLIS - bediening
BLIS (Blind Spot Information System) is een
functie om de bestuurder ondersteuning te
bieden bij rijden in druk verkeer op wegen
met meerdere rijbanen in dezelfde richting.
BLIS activeren/deactiveren
BLIS wordt geactiveerd bij het starten van de
motor wat bevestigd wordt door de controlelampjes op de portierpanelen die één keer
oplichten.
Positie BLIS-lamp27.
Controlelampje
BLIS-symbool
N.B.
Het lampje gaat branden aan de kant van
de auto waar het systeem het voertuig
heeft ontdekt. Als de auto aan beide kanten tegelijkertijd wordt ingehaald, gaan
beide lampjes branden.
Positie van de sensor.
De sensoren voor het BLIS-systeem zitten
aan beide kanten aan de binnenkant van het
achterspatbord/de bumper.
•
Voor een optimale werking is het belangrijk dat de oppervlakken vóór de sensoren
schoon worden gehouden.
Gerelateerde informatie
•
•
BLIS - bediening (p. 266)
CTA (Cross Traffic Alert)* (p. 268)
07
Knop voor activering/deactivering.
Het BLIS-systeem kan worden gedeactiveerd/geactiveerd met een druk op de knop
BLIS op de middenconsole.
Bij bepaalde combinaties van opties is er
geen plek vrij voor een knop op de midden-
27
266
N.B. De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
07 Bestuurdersondersteuning
console - in dat geval is de functie te bedienen via het menusysteem MY CAR28:
•
Wanneer BLIS werkt
Selecteer Aan of Uit met Instellingen
Auto-instellingen BLIS.
BLIS werkt niet als de auto achteruitrijdt.
Bij deactivering/activering van BLIS dooft/
brandt het lampje in de knop en het instrumentenpaneel bevestigt de wijziging met een
tekstmelding - bij activering lichten de controlelampjes op de portierpanelen eenmaal op.
Beperkingen
Om de melding uit te schakelen:
•
Druk op de knop OK van de linker stuurhendel.
of
•
WAARSCHUWING
BLIS werkt niet in scherpe bochten.
Wacht ongeveer 5 seconden - de melding
verdwijnt.
Principe voor BLIS: 1. Zone in dode hoek. 2.
Zone voor snel inhalende voertuigen.
Het BLIS-systeem is actief bij snelheden
hoger dan ongeveer 10 km/h.
•
Vuil, ijs en sneeuw op de sensoren kunnen voor functiebeperkingen zorgen en
waarschuwingen onmogelijk maken. BLIS
kan dergelijke beperkende omstandigheden niet detecteren.
•
Bevestig geen voorwerpen, tape of stickers binnen het oppervlak van de sensoren.
•
BLIS wordt gedeactiveerd, als u een aanhanger op het elektrische systeem van de
auto aansluit.
Het systeem reageert als:
•
de eigen auto wordt ingehaald door
andere voertuigen
•
de eigen auto snel wordt ingehaald door
andere voertuigen.
Wanneer BLIS een voertuig binnen zone 1 of
een snel inhalend voertuig in zone 2 ontdekt,
brandt het BLIS-lampje op het portierpaneel
constant. Als u in deze stand de richtingaanwijzers activeert aan de kant waarvoor de
waarschuwing wordt gegeven, schakelt het
BLIS-lampje over van constant branden op
knipperen met een feller licht.
28
BELANGRIJK
Reparaties aan de componenten van de
BLIS- en CTA-functies of het spuiten van
de bumper mogen uitsluitend in een werkplaats worden uitgevoerd. Een erkende
Volvo-werkplaats wordt aanbevolen.
Gerelateerde informatie
•
BLIS (Blind Spot Information System) (p.
265)
•
BLIS en CTA - symbolen en meldingen (p.
270)
07
Voor informatie over het menusysteem, zie MY CAR - menu-opties (p. 108).
267
07 Bestuurdersondersteuning
CTA (Cross Traffic Alert)*
CTA (Cross Traffic Alert) is een hulpmiddel
om u voor kruisend verkeer te waarschuwen,
als u achteruitrijdt met de auto. CTA is een
aanvulling op BLIS (p. 265).
CTA activeren/deactiveren
CTA wordt geactiveerd bij het starten van de
motor wat bevestigd wordt door de controlelampjes op de portierpanelen die één keer
oplichten.
Bij auto’s met Park Assist (p. 253) kunt u het
CTA-systeem uitschakelen/aanzetten met de
Aan/Uit-knop van de Park Assist.
Alert en haal het vinkje weg - daarna is
het CTA-systeem gedeactiveerd. BLIS is
echter nog steeds geactiveerd.
WAARSCHUWING
CTA is slechts een aanvullend hulpmiddel
en werkt niet in alle situaties.
CTA vormt geen vervanging voor een veilige rijstijl en het gebruik van de buitenspiegels.
Ook met CTA moet u altijd oplettend en
verantwoord blijven rijden - u bent er altijd
verantwoordelijk voor dat u op een veilige
manier achteruitrijdt.
Wanneer CTA werkt
voorbeeld als de auto achteruit een parkeervak verlaat.
CTA is bedoeld om in de eerste plaats voertuigen te ontdekken - in gunstige gevallen
kunnen ook kleinere voorwerpen zoals fietsen
en voetgangers worden ontdekt.
CTA is alleen actief tijdens het achteruitrijden
en wordt automatisch geactiveerd als de achteruitversnelling wordt geactiveerd.
•
Een geluidssignaal waarschuwt als CTA
ontdekt dat iets vanaf de zijkant nadert het geluid komt uit de linker of rechter
luidsprekers, afhankelijk van uit welke
richting het object nadert.
•
CTA waarschuwt ook doordat de BLISlampjes gaan branden.
•
Er wordt ook een waarschuwing gegeven
met een brandend pictogram in de grafische PAS-voorstelling (p. 253) op het
beeldscherm.
Beperkingen
Het CTA werkt niet in alle situaties optimaal,
maar heeft zijn beperkingen – zo kunnen de
CTA-sensoren niet ‘door’ andere geparkeerde
voertuigen of voorwerpen die het zicht blokkeren heen kijken.
07
Aan/Uit voor de sensoren voor Parkeerhulp en
CTA.
CTA kan alleen als volgt worden uitgeschakeld in het menusysteem MY CAR:
•
268
Ga naar Instellingen
instellingen BLIS
AutoCross Traffic
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Principe voor CTA.
CTA vormt een aanvulling op het BLIS-systeem door bij achteruitrijden het kruisende
verkeer vanaf de zijkant te kunnen zien, bij-
Hier volgen enkele voorbeelden van situaties
waar het ‘blikveld’ van het CTA aanvankelijk
beperkt is, zodat naderende voertuigen pas
op het laatste moment geregistreerd worden:
07 Bestuurdersondersteuning
Naarmate u verder achteruitrijdt, verandert de
hoek ten opzichte van de auto/het obstakel
die/dat in de weg zit zodat de dode hoek snel
in grootte afneemt.
Onderhoud
Voorbeelden van andere beperkingen:
•
Vuil, ijs en sneeuw op de sensoren kunnen voor functiebeperkingen zorgen en
waarschuwingen onmogelijk maken. CTA
kan dergelijke beperkende omstandigheden niet detecteren.
•
Bevestig geen voorwerpen, tape of stickers binnen het oppervlak van de sensoren.
•
CTA wordt gedeactiveerd als u een aanhanger op het elektrische systeem van de
auto aansluit.
De auto staat ver naar achteren in een parkeervak.
Dode hoek CTA.
Detectiegebied/‘blikveld’ CTA.
BELANGRIJK
Reparaties aan de componenten van de
BLIS- en CTA-functies of het spuiten van
de bumper mogen uitsluitend in een werkplaats worden uitgevoerd. Een erkende
Volvo-werkplaats wordt aanbevolen.
Positie van de sensor.
De sensoren voor het CTA-systeem zitten aan
weerszijden, aan de binnenkant van het achterspatbord/de bumper.
•
Voor een optimale werking is het belangrijk dat de oppervlakken vóór de sensoren
schoon worden gehouden.
Gerelateerde informatie
•
BLIS (Blind Spot Information System) (p.
265)
•
BLIS en CTA - symbolen en meldingen (p.
270)
07
In schuine parkeervakken valt de ene kant van de
auto mogelijk helemaal binnen de dode hoek van
het CTA.
269
07 Bestuurdersondersteuning
BLIS en CTA - symbolen en
meldingen
In situaties waarbij het BLIS (p. 265) en CTA
(p. 268) uitblijven of worden onderbroken, kan
er een symbool op het instrumentenpaneel
verschijnen in combinatie met een verklarende melding. Neem een eventueel advies in
acht.
Voorbeelden van meldingen:
07
Melding
Betekenis
CTA UIT
CTA is handmatig uitgeschakeld - BLIS is actief.
BLIS en
CTA UIT
Aanhanger
aangekoppeld
BLIS en CTA zijn tijdelijk
buiten werking, omdat een
aanhanger op het elektrische systeem van de auto
is aangesloten.
BLIS en
CTA Service vereist
BLIS en CTA zijn buiten
werking.
•
Bezoek een werkplaats
als de melding niet verdwijnt – geadviseerd
wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
Meldingen kunt u van het display halen door
de OK-knop op de richtingaanwijzerhendel
kort in te drukken.
270
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Gerelateerde informatie
•
BLIS (Blind Spot Information System) (p.
265)
•
CTA (Cross Traffic Alert)* (p. 268)
Snelheidsafhankelijke
stuurbekrachtiging
De snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging
zorgt ervoor dat de stuurbekrachtiging
afneemt naarmate de rijsnelheid oploopt,
waardoor u een beter gevoel met de weg
krijgt.
Op snelwegen stuurt de auto zwaarder en
directer. Bij het parkeren en op lage snelheden is de auto lichter en met minder moeite te
besturen.
U hebt de keuze uit drie niveaus van stuurbekrachtiging voor een maximum aan weggevoel en stuurgevoeligheid. Open het menusysteem MY CAR en ga naar Instellingen
Auto-instellingen Stuurkracht en kies uit
Laag, Midden of Hoog.
Dit menu is niet te openen wanneer de auto
rijdt.
Gerelateerde informatie
•
MY CAR (p. 106)
STARTEN EN RIJDEN
08 Starten en rijden
Alcoholslot*
alcoholslot1
Het
voorkomt dat bestuurders die
onder invloed zijn in de auto kunnen rijden.
Voordat de motor kan worden gestart, moet u
een blaastest afgeven om vast te stellen dat u
niet onder de invloed van alcohol bent. Het
alcoholslot wordt gekalibreerd ten opzichte
van de grenswaarde voor verkeersdeelname
die in uw land geldt.
Alcoholslot* - functies en bediening
alcoholslot2
Het
voorkomt dat bestuurders die
onder invloed zijn in de auto kunnen rijden.
Functies
WAARSCHUWING
Het alcoholslot is een hulpmiddel dat u
niet ontslaat van uw verantwoordelijkheden als bestuurder. De bestuurder dient
altijd nuchter te blijven en de auto op een
veilige manier te besturen.
Gerelateerde informatie
•
Alcoholslot* - functies en bediening (p.
272)
•
Alcoholslot* - waar u op moet letten (p.
274)
•
•
Alcoholslot* - opslag (p. 273)
•
Alcoholslot* - symbolen en meldingen (p.
276)
Alcoholslot* - vóór het starten van de
motor (p. 273)
272
Wordt ook wel Alcoguard genoemd.
Wordt ook wel Alcoguard genoemd.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Ladingstoestand batterij
Knippert
groen
Wordt opgeladen
Groen
Volledig opgeladen
Oranje
Half opgeladen
Rood
Ontladen – plaats de lader
in de houder of sluit de
voedingskabel uit het
dashboardkastje aan.
N.B.
Bewaar de blaasunit in zijn houder. Zo blijft
de ingebouwde batterij opgeladen en kan
het alcoholslot automatisch worden geactiveerd bij het openen van de auto.
Schakelaar.
Zendertoets.
Lampje voor ladingstoestand batterij.
Lampje voor resultaat blaastest.
Lampje dat aangeeft dat het systeem
gereed is voor een blaastest.
Accu
1
2
Controlelampje (4)
Mondstuk voor blaastest.
Bediening
08
Het controlelampje (4) van de blaasunit geeft
de ladingstoestand van de batterij aan:
Gerelateerde informatie
•
Alcoholslot* (p. 272)
08 Starten en rijden
Alcoholslot* - opslag
alcoholslot3
Het
voorkomt dat bestuurders die
onder invloed zijn in de auto kunnen rijden.
Bewaar de blaasunit in zijn houder. Verwijder
de blaasunit door de unit licht in de houder te
drukken en los te laten, waarna deze opveert
en uit de houder kan worden genomen.
Alcoholslot* - vóór het starten van de
motor
1. Wanneer het controlelampje (6) groen
oplicht, is de blaasunit klaar voor gebruik.
Het alcoholslot4 voorkomt dat bestuurders die
onder invloed zijn in de auto kunnen rijden.
2. Neem de blaasunit uit de houder. Als de
blaasunit zich buiten de auto bevindt tijdens het ontgrendelen, dan dient u de
unit eerst te activeren met de schakelaar
(2).
De blaasunit wordt automatisch geactiveerd
en gereedgemaakt voor gebruik bij het ontgrendelen van de auto.
3. Klap het mondstuk (1) omhoog, haal diep
adem en blaas gelijkmatig totdat er
ca. 5 seconden later een ‘klikgeluid’
klinkt. Het resultaat is een van de alternatieven in de volgende tabel Resultaat van
de blaastest.
4. Als er geen melding verschijnt, is er
mogelijk iets misgegaan tijdens de gegevensoverdracht naar de auto – druk in dat
geval op de toets (3) om de testgegevens
handmatig naar de auto te zenden.
5. Klap het mondstuk omlaag en plaats de
blaasunit terug in de houder.
Blaasunit bewaren en laadstation.
•
Plaats de blaasunit terug in de houder tot
de unit vastklikt.
•
Bewaar de blaasunit in de houder. Dat
biedt de beste bescherming en garandeert dat de batterijen steeds volledig
opgeladen zijn.
Gerelateerde informatie
•
3
4
Alcoholslot* (p. 272)
Mondstuk voor blaastest.
Schakelaar.
6. Start vervolgens binnen 5 minuten na een
goedgekeurde blaastest de motor –
anders is een nieuwe blaastest vereist.
Zendertoets.
Lampje voor ladingstoestand batterij.
Lampje voor resultaat blaastest.
Lampje dat aangeeft dat het systeem
gereed is voor een blaastest.
08
Wordt ook wel Alcoguard genoemd.
Wordt ook wel Alcoguard genoemd.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
273
08 Starten en rijden
||
Resultaat van de blaastest
Controlelampje (5) +
displaymelding
Betekenis
Groen lampje +
Alcoguard Test
goedgekeurd
Start de motor – geen
alcohol gemeten.
Oranje lampje +
Alcoguard Test
goedgekeurd
Motor kan worden
gestart – gemeten
promillage boven
0,1 promille maar
onder de geldende
grenswaardeA.
Rood lampje +
Test afgekeurd
Wacht 1 minuut
A
Het
voorkomt dat bestuurders die
onder invloed zijn in de auto kunnen rijden.
•
Ca. 5 minuten voor de blaastest niet eten
of drinken.
•
De voorruit niet te lang sproeien – de
alcohol in de sproeiervloeistof kan een
verkeerd meetresultaat opleveren.
Van bestuurder wisselen
Mondstuk voor blaastest.
Schakelaar.
Zendertoets.
Lampje voor ladingstoestand batterij.
•
Alcoholslot* (p. 272)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Lampje dat aangeeft dat het systeem
gereed is voor een blaastest.
Om bij het wisselen van bestuurder een
nieuwe blaastest te kunnen doen schakelaar
(2) en de zendtoets (3) gelijktijdig
ca. 3 seconden lang ingedrukt houden. De
startblokkering van de auto wordt dan
opnieuw geactiveerd, zodat er eerst een
goedgekeurde blaastest nodig is voordat de
motor kan worden gestart.
Kalibreren en onderhoud plegen
30 dagen voordat herkalibratie noodzakelijk
is, verschijnt op het instrumentenpaneel de
melding Alcoguard Kalibr. vereist. Als er
niet binnen 30 dagen gekalibreerd wordt, dan
kan de motor niet langer op de normale wijze
gestart worden - de motor is dan alleen te
starten via de bypass-functie, zie het volgende kopje ‘Noodsituatie’.
De grenswaarde verschilt van land tot land (ga na wat er in
uw land geldt). Zie ook Alcoholslot* - waar u op moet letten
(p. 274).
Binnen 30 minuten na afloop van een rit
kan de motor opnieuw gestart worden
zonder dat er een nieuwe blaastest nodig
is.
Lampje voor resultaat blaastest.
Het alcoholslot dient om de 12 maanden in
een werkplaats6 gecontroleerd en gekalibreerd te worden.
Motor kan niet worden
gestart – gemeten
promillage boven de
geldende grenswaardeA.
Gerelateerde informatie
274
alcoholslot5
Voor een goede werking en een zo nauwkeurig mogelijk meetresultaat:
N.B.
08
Alcoholslot* - waar u op moet letten
De melding is te verwijderen met een druk op
de zendtoets (3). De melding verdwijnt anders
spontaan na ca. 2 minuten maar verschijnt
iedere keer dat de motor gestart wordt
opnieuw – alleen bij herkalibratie in een werkplaats6 verdwijnt de melding permanent.
08 Starten en rijden
Koud en warm weer
N.B.
Hoe kouder het buiten is, hoe langer het duurt
voordat de blaasunit gereed is voor gebruik:
Temperatuur (°C)
Maximale
opwarmtijd
(seconden)
+10 tot +85
10
–5 tot +10
60
–40 tot –5
180
Bij temperaturen lager dan –20 °C of hoger
dan +60 ’C is extra voeding voor de blaasunit
vereist. Het instrumentenpaneel toont
Alcoguard Stroom kabel aansluiten. Sluit
de voedingskabel uit het dashboardkastje in
dat geval aan op de blaasunit en wacht totdat
het controlelampje (6) groen oplicht.
Bij extreme koude kunt u de opwarmtijd verkorten door de blaasunit mee naar binnen te
nemen.
Noodsituatie
In noodsituaties of wanneer het alcoholslot
defect is, kunt u het alcoholslot omzeilen om
toch in de auto te kunnen rijden.
Alle activeringen via een doorverbinding
(bypass) worden geregistreerd en opgeslagen in een geheugen, zie Vastlegging van
gegevens (p. 17).
Na activering van de bypass-functie blijft
Alcoguard Bypass actief op het instrumentenpaneel staan totdat het systeem gereset
wordt in een werkplaats6.
Het is mogelijk de bypass-functie te testen
zonder dat er een foutmelding wordt aangemaakt – loop in dat geval alle stappen door
maar start de motor niet. De foutmelding
wordt gewist bij het vergrendelen van de
auto.
Deze functie is meerdere malen te activeren.
De foutmelding die verschijnt tijdens het rijden is echter alleen te wissen in een werkplaats6.
Noodfunctie activeren
•
Houd de knop OK op de linker stuurhendel en de knop voor de alarmknipperlichten ca. 5 seconden lang ingedrukt – op
het instrumentenpaneel verschijnt
Alcoguard Bypass actief waarna u de
motor kunt starten.
Deze functie is eenmaal te gebruiken en moet
daarna gereset worden in een werkplaats6.
Gerelateerde informatie
•
Alcoholslot* (p. 272)
Bij installatie van het alcoholslot geeft u aan
of omzeilen mogelijk moet zijn via de bypassof de noodfunctie. Deze instelling is achteraf
nog te wijzigen in een werkplaats6.
Bypass-functie activeren
•
Houd de knop OK op de linker stuurhendel en de knop voor de alarmknipperlichten ca. 5 seconden lang ingedrukt – op
het instrumentenpaneel verschijnen achtereenvolgens Bypass actief Wacht 1
minuut en Alcoguard Bypass actief –
daarna kunt u de motor starten.
08
5
6
Wordt ook wel Alcoguard genoemd.
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
275
08 Starten en rijden
Alcoholslot* - symbolen en meldingen
alcoholslot7
Het
voorkomt dat bestuurders die
onder invloed zijn in de auto kunnen rijden.
Naast de al beschreven meldingen gerelateerd aan hoe het alcoholslot vóór het starten
van de motor (p. 273) werkt kan ook het volgende verschijnen:
Displaymelding
Betekenis/Maatregel
Alcoguard
Her- start
mogelijk
Motor stond minder dan
30 minuten af – motor kan
worden gestart zonder
nieuwe blaastest.
Alcoguard
Service vereist
Bezoek een werkplaatsA.
Alcoguard
Geen signaal
Overdracht mislukt – verstuur het resultaat handmatig via toets (3) of doe
een nieuwe blaastest.
Alcoguard
Test ongeldig
De test is mislukt – doe
een nieuwe blaastest.
Alcoguard
Blaas langer
U blies te kort – blaas langer.
08
7
276
Wordt ook wel Alcoguard genoemd.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Displaymelding
Betekenis/Maatregel
Alcoguard
Blaas zachter
U blies te hard – blaas
minder hard.
Alcoguard
Blaas harder
U blies niet hard genoeg –
blaas harder.
Alcoguard
wacht Verwarmt voor
Opwarming niet gereed –
wacht de melding Alcoguard Blaas 5 seconden af.
A
Motor start
De motor is te starten of af te zetten met
behulp van de transpondersleutel en de knop
START/STOP ENGINE.
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
Alcoholslot* (p. 272)
Contactslot met transpondersleutel uitgetrokken/
ingeduwd en knop START/STOP ENGINE.
08 Starten en rijden
BELANGRIJK
De transpondersleutel niet verkeerd om
insteken – pak de sleutel beet aan het uiteinde met het afneembare sleutelblad, zie
Afneembaar sleutelblad - verwijderen/
aanbrengen (p. 170)
1. Plaats de transpondersleutel in het contactslot en duw deze tot aan de aanslag
naar binnen. Let erop dat u bij een auto
met alcoholslot* eerst een goedgekeurde
blaastest moet uitvoeren voordat de
motor kan worden gestart. Voor meer
informatie over Alcoguard, zie Alcoholslot* (p. 272).
2. Houd het koppelingspedaal volledig ingedrukt8. (Bij auto’s met automatische versnellingsbak – bedien het rempedaal.)
3. Druk op de knop START/STOP ENGINE
en laat deze vervolgens los.
De startmotor draait, totdat de motor aanslaat
of totdat de beveiliging tegen oververhitting in
werking treedt.
BELANGRIJK
Als de motor na 3 pogingen niet gestart is,
wacht u 3 minuten voordat u een nieuwe
poging doet. Het startvermogen neemt toe
als de startaccu zich kan herstellen.
8
WAARSCHUWING
Haal altijd de transpondersleutel uit het
contactslot als u uit de auto stapt en zorg
ervoor dat de sleutelstand 0 is, in het bijzonder als er kinderen in de auto aanwezig
zijn. Voor informatie over hoe u dit doet,
zie Sleutelstanden (p. 71).
WAARSCHUWING
Haal nooit de transpondersleutel uit de
auto tijdens rijden of slepen.
Gerelateerde informatie
•
Sleutelstanden (p. 71)
N.B.
Voor bepaalde motortypen kan het stationaire toerental bij een koude start duidelijk
hoger dan normaal zijn. Dit gebeurt om het
uitlaatgasreinigingssysteem zo snel mogelijk op de normale bedrijfstemperatuur te
krijgen waardoor de uitlaatgasemissies
afnemen en het milieu wordt ontzien.
Keyless drive*
Loop de punten 2–3 door voor het sleutelloos
(p. 172) starten van benzine- en dieselmotoren.
N.B.
Om de motor te kunnen starten dient één
van de transpondersleutels met Keyless
drive-functie in de passagiers- of bagageruimte aanwezig te zijn.
08
Als de auto rolt is het indrukken van de knop START/STOP ENGINE voldoende om de motor te starten.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
277
08 Starten en rijden
Motor afzetten
Stuurslot
Starten met hulpaccu
U zet de motor af met de knop START/STOP
ENGINE.
Het stuurslot bemoeilijkt de besturing zoals bij
gebruik van de auto door onbevoegden.
Als de startaccu (p. 361) uitgeput is, kunt u
de auto starten met stroom van een hulpaccu.
Om de motor af te zetten:
Functie
•
Druk op de knop START/STOP ENGINE
- de motor slaat af.
•
Als de auto een automatische versnellingsbak heeft en de keuzehendel niet in
stand P staat of als de auto rijdt – druk
tweemaal op de knop of houd de knop
START/STOP ENGINE ingedrukt totdat
de motor afslaat.
Gerelateerde informatie
•
Sleutelstanden (p. 71)
•
Het stuurslot wordt geactiveerd, wanneer
u na het afzetten van de motor het
bestuurdersportier opent.
•
Het stuurslot ontgrendelt als de transpondersleutel in het contactslot zit9 en de
knop START/STOP ENGINE wordt ingedrukt.
Er is mogelijk een mechanisch geluid waarneembaar, wanneer het stuurslot wordt opgeheven of ingeschakeld.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Motor start (p. 276)
Sleutelstanden (p. 71)
Stuurwiel (p. 79)
Als u een hulpaccu gebruikt bij het starten
wordt geadviseerd de volgende stappen aan
te houden om kortsluiting en andere schade
te voorkomen:
1. Zet de transpondersleutel in sleutelstand
(p. 71) 0.
2. Controleer of de hulpaccu een spanning
van 12 V levert.
3. Als de hulpaccu in een andere auto is
gemonteerd, moet u de motor van die
auto afzetten en ervoor zorgen dat de
beide auto’s elkaar niet raken.
08
9
278
Auto’s met Keyless moeten een transpondersleutel in de passagiersruimte hebben.
08 Starten en rijden
4. Bevestig de ene klem van de rode startkabel aan de pluspool (1) van de hulpaccu.
BELANGRIJK
Wees voorzichtig bij het aansluiten van de
startkabels om kortsluiting met andere
onderdelen in de motorruimte te voorkomen.
5. Haal de clips op de voorste dekplaat van
de uitgeputte accu los en verwijder de
dekplaat.
6. Bevestig de andere klem van de rode
startkabel aan de pluspool (2) van de
auto.
7. Bevestig de ene klem van de zwarte startkabel aan de minpool (3) van de hulpaccu.
11. Start de motor in de auto met de uitgeputte accu.
10. Start de motor van de ‘hulpauto’ en laat
deze enkele minuten draaien op een toerental dat iets hoger ligt dan normaal,
ca. 1500 omw/min.
•
Motor start (p. 276)
BELANGRIJK
Raak de aansluitingen bij een startpoging
niet aan - er kan dan vonkvorming ontstaan.
12. Verwijder de startkabels in omgekeerde
volgorde - eerst de zwarte kabel en
daarna de rode.
> Zorg dat geen van de aansluitklemmen
aan de zwarte startkabel contact kan
maken met de pluspool van de accu of
met de aangesloten klem van de rode
startkabel!
WAARSCHUWING
•
De startaccu kan het zeer explosieve
knalgas produceren. Eén enkele vonk,
veroorzaakt door een onjuiste aansluiting van een startkabel, kan volstaan
om de accu tot ontploffing te brengen.
•
De startaccu bevat tevens zwavelzuur
dat ernstige chemische brandwonden
kan veroorzaken.
•
Als u accuzuur in uw ogen krijgt of op
uw huid of kleren morst, moet u
onmiddellijk met grote hoeveelheden
water spoelen. Neem onmiddellijk contact op met een arts, als u accuzuur in
uw ogen krijgt.
8. Bevestig de andere klem aan een massapunt, bijvoorbeeld een van de hijsogen (4)
op de motor.
9. Controleer of de aansluitklemmen van de
startkabels goed vastzitten om te voorkomen dat er tijdens de startpoging vonken
ontstaan.
Gerelateerde informatie
08
279
08 Starten en rijden
Versnellingsbakken
Handgeschakelde versnellingsbak
Blokkering achteruitversnelling
Er zijn twee hoofdgroepen versnellingsbakken: handgeschakelde en automatische versnellingsbakken.
De versnellingsbak heeft tot taak de overbrengingsverhouding af te stemmen op de gewenste snelheid en vermogensbehoefte.
De blokkering van de achteruitversnelling
beperkt het risico dat u tijdens het vooruitrijden op normale snelheid onbedoeld de achteruitversnelling inschakelt.
•
Handgeschakelde versnellingsbak (p.
280)
•
Automatische versnellingsbak - Geartronic (p. 281) en Powershift (p. 284)
BELANGRIJK
Om schade aan onderdelen van de aandrijflijn te voorkomen wordt de bedrijfstemperatuur van de versnellingsbak gecontroleerd. Bij gevaar voor oververhitting gaat er
een waarschuwingssymbool op het instrumentenpaneel branden en verschijnt er
een displaymelding – volg in dat geval het
gegeven advies.
280
Volg het schakelpatroon dat in de versnellingspook is geslagen en begin in de
neutrale stand N. Druk hierna de versnellingspook omlaag voordat u de pook in
stand R duwt.
•
Schakel de achteruitversnelling alleen in
als de auto stilstaat.
Gerelateerde informatie
•
•
Schakelpatroon
Zie het desbetreffende schakelpatroon dat in
de pookknop geslagen is.
•
Trap het koppelingspedaal tijdens het
schakelen altijd zo ver mogelijk in.
•
Haal uw voet na het schakelen weer van
het koppelingspedaal af.
WAARSCHUWING
08
•
Gebruik altijd de parkeerrem bij parkeren
op een hellende ondergrond - een ingeschakelde versnelling is niet voldoende om
de auto in alle situaties vast te houden.
Versnellingsbakken (p. 280)
Transmissieolie - kwaliteit en hoeveelheid
(p. 463)
08 Starten en rijden
Schakelindicator*
Automatische versnellingsbak
De schakelindicator geeft aan wanneer u
moet opschakelen of terugschakelen om het
brandstofverbruik minimaal te houden.
Een automatische versnellingsbak met
Geartronic heeft in tegenstelling tot een automatische versnellingsbak met Powershift (p.
284) een hydraulische koppelomvormer die
de kracht van de motor overbrengt op de versnellingsbak. De bak heeft twee verschillende
schakelstanden: automatisch en handmatig.
Belangrijk voor een milieubewuste rijstijl is het
kiezen van de juiste versnelling en tijdig schakelen.
Bepaalde uitvoeringen zijn voorzien van een
indicator - GSI (Gear Shift Indicator) - die
aangeeft, wanneer u moet opschakelen of
terugschakelen om het brandstofverbruik
minimaal te houden. Met het oog op eigenschappen als de prestaties en een trillingsvrije motorloop is het soms beter op iets
hogere toeren te schakelen. Het omcirkelde
cijfer geeft de actuele versnelling aan.
Instrumentenpaneel ‘Digital’ met schakelindicator.
In het midden van het instrumentenpaneel ‘Analog’ worden de schakelstanden en
richtingaanwijzerpijlen
getoond.
Handgeschakelde versnellingsbak
Schakelindicator voor handgeschakelde versnellingsbak.
Er brandt slechts één lamp
tegelijk – bij normaal rijden
brandt alleen de middelste
lamp.
Automatische versnellingsbak Geartronic*
Gerelateerde informatie
•
Handgeschakelde versnellingsbak (p.
280)
Als op- of terugschakelen wordt geadviseerd,
brandt de bovenste bij ‘+’ of de onderste bij
‘-’, op de afbeelding met rood gemarkeerd.
D: automatisch schakelen. +/–: handmatig schakelen. S: Sport-stand*.10
Het instrumentenpaneel geeft de stand van
de keuzehendel aan met behulp van de volgende tekens: P, R, N, D, S*, 1, 2, 3 enz.
08
10
Het schakelpatroon van de hendel hangt van het gekozen motortype af.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
281
08 Starten en rijden
||
Schakelstanden
De automatische schakelstanden worden rechts op
het instrumentenpaneel
getoond. (Er brandt maar één
lampje tegelijk - dat van de
actuele keuzehendelstand.)
Symbool ‘S’ voor Sport-stand is ORANJE,
indien geactiveerd.
P – Parkeerstand
Selecteer stand P, wanneer u de motor start
of de auto wordt geparkeerd.
•
Om de keuzehendel uit stand P te kunnen
halen moet u eerst het rempedaal ver
genoeg intrappen.
In stand P is de versnellingsbak mechanisch
geblokkeerd. Activeer voor de zekerheid ook
de parkeerrem, zie Parkeerrem (p. 298).
N.B.
De keuzehendel moet in de P-stand staan
om de auto te kunnen vergrendelen en op
alarm te zetten.
BELANGRIJK
De auto moet stilstaan als stand P wordt
gekozen.
08
282
WAARSCHUWING
Gebruik altijd de parkeerrem bij parkeren
op een hellende ondergrond - de P-stand
van de automatische versnellingsbak is
niet voldoende om de auto in alle situaties
vast te houden.
‘+/-’ op het instrumentenpaneel verkleurt van
WIT naar ORANJE en de cijfers 1, 2, 3 enz.
worden in een kader getoond en komen overeen met de zojuist ingeschakelde versnelling.
•
R – Achteruitrijstand
De auto moet stilstaan wanneer u de hendel
in stand R zet.
of
N – Vrijstand
•
In deze stand kunt u de motor starten en er is
geen versnelling ingeschakeld. Zet de parkeerrem aan, wanneer de auto stilstaat en de
keuzehendel in stand N staat.
D – Rijstand
Stand D is de normale rijstand. De versnellingsbak schakelt automatisch op en terug
afhankelijk van de stand van het gaspedaal
en de snelheid. Zorg ervoor dat de auto stilstaat, voordat u de keuzehendel vanuit stand
D in stand R zet.
Geartronic - Handmatig schakelen (+/–)
Met de automatische versnellingsbak
Geartronic kunt u ook handmatig schakelen.
Bij het loslaten van het gaspedaal wordt de
auto op de motor afgeremd.
U activeert de handmatige schakelstand door
de hendel zijwaarts vanuit de stand D naar de
eindstand bij ‘+/-’ te bewegen. Het symbool
Duw de hendel naar voren naar de +
(plus) om een hogere versnelling in te
schakelen en laat deze weer los – de hendel veert terug naar de neutrale stand
tussen + en ‘–’.
Trek de hendel naar achteren naar de ‘–’
(min) om een lagere versnelling in te
schakelen en laat deze weer los.
Handmatig schakelen ‘+/-’ kan op elk
moment tijdens het rijden geactiveerd worden.
Om schokken en afslaan van de motor te
voorkomen, schakelt Geartronic automatisch
terug als de bestuurder langzamer gaat rijden
dan wat voor de gekozen versnelling gepast
is.
Om de automatische rijstand te hervatten:
•
Zet de hendel helemaal naar links in
stand D.
08 Starten en rijden
N.B.
Als de versnellingsbak een sportstand
kent, is handmatig schakelen pas te activeren wanneer u de hendel vooruit of achter in de stand "+/-" hebt gezet. Op het
instrumentenpaneel verandert de S dan in
een van de tekens 1, 2, 3 enz. om aan te
geven welke versnelling er ingeschakeld is.
Geartronic - Sportstand (S)
De sportstand levert een sportiever
rijgedrag op en maakt het mogelijk
om hogere toeren te maken in de
versnellingen. De motor reageert
bovendien sneller op de commando’s die u
met het gaspedaal geeft. Bij inschakeling van
de sportstand wordt tevens de voorkeur
gegeven aan de lagere versnellingen, zodat er
met enige vertraging wordt opgeschakeld.
Om de Sport-stand te activeren:
•
Duw de hendel zijwaarts, vanuit stand D
helemaal naar rechts in stand ‘+S–’. Op
het instrumentenpaneel verandert het
teken D in S.
De sportstand kan op elk moment tijdens het
rijden geactiveerd worden.
Geartronic - Winterstand
Om bij gladheid gemakkelijker weg te kunnen
komen is het soms beter handmatig de 3e
versnelling in te schakelen.
11
1. Bedien het rempedaal en haal de keuzehendel vanuit stand D helemaal naar
stand ‘+/–’. Het symbool D op het instrumentenpaneel verandert in het cijfer 111.
2. Schakel op naar de 3e versnelling door
de hendel twee keer naar voren naar de
‘+’ (plus) te duwen. Op het instrumentenpaneel verandert de 1 in een 3.
3. Laat het rempedaal los en geef voorzichtig gas.
waardoor de zogeheten kickdown niet mogelijk is.
Geartronic staat geen terugschakeling/kickdown toe die tot een dusdanig hoog toerental
leidt dat de motor kan worden beschadigd.
Wanneer u bij hoge motortoeren toch probeert een dergelijke kickdown uit te voeren,
gebeurt er niets. De auto blijft in de oorspronkelijke versnelling rijden.
Bij activering van de ‘winterstand’ van de versnellingsbak rijdt de auto met een lager
motortoerental en minder kracht op de aandrijfwielen weg.
Bij kickdown kan de auto afhankelijk van het
motortoerental één of meer versnellingen
terugschakelen. Om schade aan de motor te
voorkomen schakelt de auto op wanneer de
motor het maximumtoerental heeft bereikt.
Kickdown
Gerelateerde informatie
Als u het gaspedaal volledig intrapt (tot voorbij de normale volgasstand), schakelt de versnellingsbak automatisch terug naar een
lagere versnelling. Dit is de zogeheten kickdown.
•
Automatische versnellingsbak Powershift* (p. 284)
•
Transmissieolie - kwaliteit en hoeveelheid
(p. 463)
Wanneer u het gaspedaal uit de kickdownstand loslaat, schakelt de versnellingsbak
automatisch op.
Gebruik de kickdown om zo snel mogelijk te
accelereren zoals bij het inhalen.
Beveiligingsfunctie
Om overtoeren van de motor te voorkomen,
is het stuurprogramma van de versnellingsbak voorzien van een terugschakelblokkering
08
Bij een auto met Sport-stand* verschijnt eerst ‘S’.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
283
08 Starten en rijden
Automatische versnellingsbak Powershift*
Een automatische versnellingsbak met
Powershift is een automaat die, in tegenstelling tot een Geartronic-automaat (p. 281),
dubbele mechanische lamellenkoppelingen
heeft.
die van de Geartronic-automaat. Een uitzondering vormt de Winterstand van de Geartronic-automaat, zie Automatische versnellingsbak - Geartronic* (p. 281). Met Powershift
kunt u bij gladheid sneller wegkomen, als u
handmatig de 2e versnelling inschakelt in
plaats van de 3e (Geartronic).
Powershift of Geartronic
Bij het model met een Powershift-versnellingsbak moet de motor lopen voor voldoende smering van de versnellingsbak en
daarom mag dit model niet worden gesleept.
Als de auto toch moet worden gesleept, dan
dient dit over een zo kort mogelijke afstand
en op zeer lage snelheid te gebeuren.
D: automatisch schakelen. +/–: handmatig schakelen. S: Sport-stand*.12
De automatische Powershift-versnellingsbak
brengt de aandrijfkracht van de motor middels dubbele mechanische lamellenkoppelingen over op de aandrijfwielen. Dit in tegenstelling tot de Geartronic-versnellingsbak die
hiervoor een conventionele hydraulische koppelomvormer gebruikt.
08
Een Powershift-versnellingsbak werkt verder
op dezelfde manier en heeft bedieningselementen en functies die vergelijkbaar zijn met
12
284
Wanneer u niet zeker weet of uw auto wel of
niet is uitgerust met een Powershift-versnellingsbak, kunt u dit controleren aan de hand
van de aanduiding op de versnellingsbaksticker onder de motorkap, zie Type-aanduidingen (p. 452). De aanduiding ”MPS6” houdt in
dat het om een Powershift-bak gaat. Anders
is het een Geartronic-automaat.
Waar u op moet letten
De dubbele koppeling van de versnellingsbak
is voorzien van een beveiliging tegen overbelasting die geactiveerd wordt, als de versnellingsbak te warm wordt – bijvoorbeeld als u
de auto te lang met het gaspedaal stilhoudt
op een oplopende helling.
Het schakelpatroon van de hendel hangt van het gekozen motortype af.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Een te warme versnellingsbak uit zich in een
auto die gaat schudden en trillen, een waarschuwingssymbool dat gaat branden en een
melding op het instrumentenpaneel. Ook bij
langzaam fileverkeer (10 km/h of lager) op
oplopende hellingen of met een aanhanger/
caravan achter de auto kan de versnellingsbak te warm worden. De versnellingsbak
koelt af tijdens stilstand, wanneer het rempedaal bediend wordt en de motor stationair
loopt.
Oververhitting tijdens langzaam fileverkeer is
te voorkomen door in etappes te rijden:
•
Sta stil en wacht met uw voet op het rempedaal totdat de afstand tot uw voorliggers lang genoeg is om een stukje verder
vooruit te rijden, rem en wacht weer enige
tijd met uw voet op het rempedaal.
BELANGRIJK
Bedien de bedrijfsrem om de auto stil te
houden op oplopende hellingen – maak
geen gebruik van het gaspedaal. De versnellingsbak kan dan oververhit raken.
Voor belangrijke informatie over de
Powershift-versnellingsbak, zie Slepen (p.
316).
08 Starten en rijden
Tekstmelding en maatregel
In bepaalde situaties kan er een bepaalde
melding op het instrumentenpaneel verschij-
Symbool
A
nen in combinatie met een brandend symbool.
Melding
Rijeigenschappen
Maatregel
Oververh versnb zet
auto stil
Problemen om snelheid constant te houden bij hetzelfde toerental.
Versnellingsbak oververhit. Houd de auto stil met het rempedaal.A
Oververh versnb
Stop auto z.s.m.
Auto rijdt met hevige schokkerige bewegingen vooruit.
Versnellingsbak oververhit. Parkeer de auto zo spoedig
mogelijk.A
Koeling versn.b. laat
motor lopen
Geen aandrijving wegens oververhitting
van de versnellingsbak.
Versnellingsbak oververhit. Voor optimale koeling: Laat de
motor stationair lopen met de keuzehendel in stand N of
stand P, totdat de melding verdwijnt.
Voor optimale koeling: Laat de motor stationair lopen met de keuzehendel in stand N of stand P, totdat de melding verdwijnt.
De tabel schetst drie gevallen van oververhitting van de versnellingsbak met verschillende
ernstigheidsgraad. De elektronica waarschuwt u niet alleen met een melding maar
ook via tijdelijke veranderingen in de rijeigenschappen. Neem in het voorkomende geval
de melding in acht.
N.B.
De voorbeelden in de tabel geven niet aan
dat de auto defect is, maar geven aan dat
er een veiligheidsfunctie is geactiveerd om
schade aan onderdelen van de auto te
voorkomen.
WAARSCHUWING
Als u het waarschuwingssymbool met de
tekst Oververh versnb Stop auto z.s.m.
negeert, kan de versnellingsbaktemperatuur dusdanig oplopen dat de krachtoverbrenging tussen de motor en de versnellingsbak tijdelijk wordt verbroken om te
voorkomen dat de koppeling defect raakt –
de auto wordt dan niet meer aangedreven
totdat de versnellingsbaktemperatuur tot
een aanvaardbaar niveau is gedaald.
Na uitvoering van de maatregel verdwijnt de
melding automatisch. U kunt de melding ook
eerder verwijderen met een druk op de knop
OK van de richtingaanwijzerhendel.
Gerelateerde informatie
•
Automatische versnellingsbak Geartronic* (p. 281)
•
Transmissieolie - kwaliteit en hoeveelheid
(p. 463)
Voor andere meldingen en de voorgestelde
maatregelen bij auto’s met een automatische
versnellingsbak, zie Meldingen (p. 105).
08
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
285
08 Starten en rijden
Keuzehendelblokkering
Stilstaande auto met draaiende motor:
De keuzehendelblokkering is verkrijgbaar in
twee uitvoeringen: een mechanische en een
automatische.
•
Mechanische keuzehendelblokkering
Houd uw voet op het rempedaal terwijl u
de keuzehendel verzet.
Automatische schakelblokkering
deactiveren
Elektrische schakelblokkering, Shiftlock
parkeerstand (P)
Om de keuzehendel uit stand P te kunnen
halen, moet u het rempedaal bedienen terwijl
de transpondersleutel in stand II staat.
Schakelblokkering, vrijstand (N)
G021351
Als de keuzehendel in stand N staat en de
auto heeft minstens 3 seconden stilgestaan
(of de motor nu loopt of niet), is de keuzehendel geblokkeerd.
U kunt de hendel altijd ongehinderd heen en
weer halen tussen de standen N en D. Om de
hendel in een van de overige standen te zetten, moet u een blokkering opheffen door op
de blokkeerknop op de keuzehendel te drukken.
Met de blokkeerknop ingedrukt kunt u de
hendel vooruit of achteruit bewegen tussen
de standen P, R, N en D.
Automatische keuzehendelblokkering
08
De automatische versnellingsbak kent enkele
bijzondere beveiligingsfuncties:
Parkeerstand (P)
286
Om de keuzehendel uit stand N te kunnen
halen, moet u het rempedaal bedienen terwijl
de transpondersleutel in sleutelstand II (p. 71)
staat.
Als er niet met de auto kan worden gereden
zoals het geval is bij een uitgeputte accu,
moet u de keuzehendel uit stand P halen
voordat u de auto kunt verslepen.
Verwijder het schaalvormige insteekelement uit het vak achter de middenconsole en zoek de verende knop onder in
het vak op.
Druk de knop in en houd deze ingedrukt.
Haal de keuzehendel uit stand P en laat
de knop los.
4. Plaats het insteekelement terug in het
opbergvak.
08 Starten en rijden
Gerelateerde informatie
•
Automatische versnellingsbak Geartronic* (p. 281)
•
Automatische versnellingsbak Powershift* (p. 284)
Hellingrem (HSA)*
Start/Stop*
U hoeft het rempedaal niet te bedienen wanneer u wegrijdt of achteruit een helling oprijdt
- het HSA-systeem (Hill Start Assist) voorkomt
dat de auto achteruitrolt
Auto’s met een bepaalde combinatie van
motor en versnellingsbak zijn voorzien van
een Start/Stop-systeem dat in werking treedt,
als de auto bijvoorbeeld stilstaat in een file of
wacht voor een verkeerslicht. De motor wordt
dan tijdelijk afgezet en start automatisch als er
moet worden doorgereden.
Het systeem zorgt ervoor dat de pedaaldruk
enkele seconden lang op peil blijft, wanneer u
uw voet van het rempedaal naar het gaspedaal verplaatst.
De tijdelijke remwerking wordt na enige
seconden opgeheven of eerder bij het bedienen van het gaspedaal.
Gerelateerde informatie
•
Motor start (p. 276)
Milieuzorg vormt een van de kernwaarden
van Volvo Car Corporation en geeft richting
aan al onze activiteiten. Dit resulteerde in uiteenlopende energiebesparende systemen
waaronder Start/Stop die stuk voor stuk
bedoeld zijn om het brandstofverbruik te verlagen en daarmee ook de uitlaatgasemissie te
beperken.
Algemene informatie over Start/Stop
De motor wordt afgezet – voor een stillere en
schonere rit....
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
08
287
08 Starten en rijden
||
Met het Start/Stop-systeem kunt u actiever
milieubewust rijden doordat de motor, waar
mogelijk, automatisch te laten afslaan.
Handbak of automaat
Let erop dat er verschillen zijn in het
Start/Stop-systeem, afhankelijk van de vraag
of de auto een handbak of een automaat
heeft.
Gerelateerde informatie
•
Start/Stop* - functie en bediening (p.
288)
•
•
•
Motor start (p. 276)
•
Start/Stop* - de motor is automatisch
gestart (p. 291)
•
Start/Stop* - de motor slaat niet automatisch af (p. 290)
•
Start/Stop* - onvrijwillige motorstop bij
handgeschakelde versnellingsbak (p.
293)
•
Start/Stop* - symbolen en meldingen (p.
294)
•
Accu - Start/Stop (p. 363)
Start/Stop* - instellingen (p. 293)
Start/Stop* - de motor start niet automatisch (p. 292)
08
288
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Start/Stop* - functie en bediening
Voorwaarden
Auto’s met een bepaalde combinatie van
motor en versnellingsbak zijn voorzien van
een Start/Stop-systeem dat in werking treedt,
als de auto bijvoorbeeld stilstaat in een file of
wacht voor een verkeerslicht. Het Start/Stopsysteem wordt automatisch geactiveerd, wanneer u de motor met de contactsleutel start.
Start/StopHet -systeem
wordt automatisch geactiveerd, wanneer u de motor
met een sleutel start. U
wordt op het systeem gewezen doordat op het instrumentenpaneel het symbool
voor de Aan/Uit-knop gaat
branden en het lampje in de
Aan/Uit-knop oplicht.
Alle normale autosystemen waaronder verlichting, radio e.d. werken ook bij een automatische motorstop normaal, zij het dat er
mogelijk tijdelijke beperkingen gelden voor
bepaalde uitrusting (zoals het geval kan zijn
voor de ventilatorsnelheid van de klimaatregeling of het volume van het audiosysteem).
Automatische motorstop
Voor automatische motorafslag geldt het volgende:
A
M/A
A
Bedien de koppeling, zet de hendel in de neutrale stand en laat het
koppelingspedaal opkomen. De
motor slaat automatisch af.
M
Zet de auto stil met het rempedaal
en houd uw voet op het pedaal. De
motor slaat automatisch af.
A
M = handbak, A = automaatbak.
In bepaalde gevallen vindt automatische
motorstop plaats, voordat de auto volledig
stilstaat.
Ter bevestiging en herinnering aan
de automatische motorstop gaan de
symbolen voor het Start/Stop-systeem op het instrumentenpaneel
branden.
08 Starten en rijden
Automatische motorstart
Voorwaarden
M/
AA
Met de schakelhendel in de neutrale
stand:
M
1. Trap het koppelingspedaal of
het gaspedaal in – de motor
start.
Het Start/Stop-systeem blijft gedeactiveerd,
totdat het opnieuw geactiveerd wordt met de
knop of de volgende keer dat de motor wordt
gestart met de sleutel.
2. Schakel een passende versnelling in en rijd weg.
Op een aflopende helling bestaat
ook deze mogelijkheid:
M
Laat het rempedaal los en laat de
auto wegrollen. De motor start dan
automatisch als de snelheid hoger
wordt dan normaal stapvoets.
Laat het rempedaal los. De motor
start automatisch en u kunt doorrijden.
A
Bij uitschakeling van het systeem
gaan de Start/Stop-symbolen op
het instrumentenpaneel en het
lampje in de knop uit.
A
M = handbak, A = automaatbak.
Start/Stop-systeem deactiveren
In bepaalde situaties is het
mogelijk beter om het automatische Start/Stop-systeem
tijdelijk te deactiveren – dit is
mogelijk met een druk op
deze knop.
•
Start/Stop* - de motor is automatisch
gestart (p. 291)
•
Start/Stop* - de motor slaat niet automatisch af (p. 290)
•
Start/Stop* - onvrijwillige motorstop bij
handgeschakelde versnellingsbak (p.
293)
•
Start/Stop* - symbolen en meldingen (p.
294)
•
Accu - Start/Stop (p. 363)
Hellingrem HSA
Het rempedaal kan ook bij oplopende hellingen worden losgelaten voor automatische
motorstart. Het HSA(p. 287)(Hill Start Assist) systeem zorgt ervoor dat de auto niet achteruitrolt.
HSA zorgt ervoor dat de pedaaldruk enkele
seconden lang op peil blijft als u uw voet van
het rempedaal naar het gaspedaal verplaatst
voordat u wegrijdt na een automatische
motorstop. De tijdelijke remwerking wordt na
enkele seconden opgeheven, of eerder bij het
bedienen van het gaspedaal.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Start/Stop* (p. 287)
Motor start (p. 276)
Start/Stop* - instellingen (p. 293)
08
Start/Stop* - de motor start niet automatisch (p. 292)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
289
08 Starten en rijden
Start/Stop* - de motor slaat niet
automatisch af
Voorwaarden
M/AA
Voorwaarden
M/AA
Auto’s met een bepaalde combinatie van
motor en versnellingsbak zijn voorzien van
een Start/Stop-systeem dat in werking treedt,
als de auto bijvoorbeeld stilstaat in een file of
wacht voor een verkeerslicht. Ook als het
Start/Stop-systeem geactiveerd is, vindt er
niet altijd een automatische motorstop plaats.
de omstandigheden in de passagiersruimte afwijken van de ingestelde waardenB – wat te merken
is aan het hoge toerental van de
interieurventilator.
M+A
de atmosferische luchtdruk onder
het niveau voor ca. 1500–2400
boven zeeniveau ligt. De actuele
luchtdruk varieert afhankelijk van
het weertype.
M+A
er achteruit wordt gereden met de
auto.
M+A
de Queue Assist van de adaptieve
cruisecontrol is geactiveerd.
A
het bestuurdersportier is geopend
met de keuzehendel in stand D.
A
Voorwaarden
de capaciteit van de startaccu
onder de toelaatbare ondergrens
is gedoken.
M+A
M/AA
de auto nog geen ca. 5 km/h rijdt
(= stapvoets) na start met sleutel
of laatste autostop.
M+A
M+A
de keuzehendel vanuit stand D in
stand SC of ‘+/-’ wordt gezet.
A
u grotere stuurbewegingen maakt.
M+A
u de gordelsluiting hebt geopend.
M+A
de capaciteit van de startaccu
onder de toelaatbare ondergrens
is gedoken.
M+A
het roetfilter van het uitlaatsysteem vol is. Pas nadat er een
automatische regeneratiecyclus is
uitgevoerd (zie Roetfilter (p. 306)),
wordt het tijdelijk uitgeschakelde
Start/Stop-systeem weer geactiveerd.
de motor niet op de normale
bedrijfstemperatuur is.
M+A
de weg erg steil is.
M+A
een aanhanger elektrisch is verbonden met het elektrische systeem van de auto.
M+A
Automatische motorstop werkt niet als:
de buitentemperatuur onder het
vriespunt of boven ca. 30 °C is.
M+A
de elektrische voorruitverwarming
wordt geactiveerd.
M+A
08
290
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
A
B
C
M = handbak, A = automaatbak.
Auto met ECC.
Sportstand.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Start/Stop* (p. 287)
Start/Stop* - functie en bediening (p. 288)
Motor start (p. 276)
Start/Stop* - instellingen (p. 293)
Start/Stop* - de motor start niet automatisch (p. 292)
•
Start/Stop* - de motor is automatisch
gestart (p. 291)
•
Start/Stop* - onvrijwillige motorstop bij
handgeschakelde versnellingsbak (p.
293)
08 Starten en rijden
•
Start/Stop* - symbolen en meldingen (p.
294)
Voorwaarden
•
Start/Stop* - de motor is automatisch
gestart
Accu - Start/Stop (p. 363)
Auto’s met een bepaalde combinatie van
motor en versnellingsbak zijn voorzien van
een Start/Stop-systeem dat in werking treedt,
als de auto bijvoorbeeld stilstaat in een file of
wacht voor een verkeerslicht. Een motor die
automatisch werd afgezet kan in bepaalde
gevallen automatisch worden gestart, voordat
u hebt aangegeven de rit te willen voortzetten.
De auto begint sneller te rollen
dan stapvoets.
M
De gordelsluiting van de bestuurder is geopend met de keuzehendel in stand D of N.
A
Stuurbewegingen.
A
U zet de keuzehendel vanuit D in
‘+/-’ of R.
A
Het bestuurdersportier wordt
geopend met de keuzehendel in
stand D.
A
In de volgende gevallen start de motor automatisch, ook als u het koppelingspedaal niet
hebt bediend (handgeschakelde bak) of uw
voet niet van het rempedaal haalt (automaat):
Voorwaarden
M/AA
De ruiten beslaan.
M+A
De omstandigheden in de passagiersruimte wijken af van de ingestelde waardenB.
M+A
De buitentemperatuur daalt tot
onder het vriespunt of stijgt tot
boven ca. 30 °C.
M+A
Er wordt tijdelijk veel stroom afgenomen of de capaciteit van de
startaccu is tot onder de toelaatbare ondergrens gedaald.
M+A
U bedient het rempedaal met
pompende bewegingen.
M+A
A
B
M/AA
M = handbak, A = automaatbak.
Auto met ECC.
WAARSCHUWING
Open de motorkap niet als de motor automatisch afgeslagen is. De motor kan plotseling automatisch starten. Voer eerst een
normale motoruitschakeling uit met de
START/STOP ENGINE-knop voordat u de
motorkap omhoog doet.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Start/Stop* - functie en bediening (p. 288)
Motor start (p. 276)
Start/Stop* - instellingen (p. 293)
08
Start/Stop* - de motor start niet automatisch (p. 292)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
291
08 Starten en rijden
•
Start/Stop* - de motor slaat niet automatisch af (p. 290)
•
Start/Stop* - de motor start niet
automatisch
Start/Stop* - onvrijwillige motorstop bij
handgeschakelde versnellingsbak (p.
293)
Auto’s met een bepaalde combinatie van
motor en versnellingsbak zijn voorzien van
een Start/Stop-systeem dat in werking treedt,
als de auto bijvoorbeeld stilstaat in een file of
wacht voor een verkeerslicht. De automatische motorstart werkt niet altijd na automatische motorafslag.
•
Start/Stop* - symbolen en meldingen (p.
294)
•
•
Accu - Start/Stop (p. 363)
Start/Stop* (p. 287)
In de volgende gevallen werkt de automatische motorstart niet nadat de motor automatisch werd afgezet:
A
08
292
Gerelateerde informatie
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Voorwaarden
M/
AA
er is een versnelling ingeschakeld
zonder het koppelingspedaal te
bedienen – een tekstmelding dring
er bij u op aan om de schakelhendel in de neutrale stand te zetten en
automatische motorstart mogelijk te
maken.
M
De bestuurder draagt geen gordel,
de keuzehendel staat in stand P en
het bestuurdersportier is open – de
motor moet op de normale manier
worden gestart.
A
M = handbak, A = automaatbak.
•
•
•
•
•
Start/Stop* (p. 287)
Start/Stop* - functie en bediening (p. 288)
Motor start (p. 276)
Start/Stop* - instellingen (p. 293)
Start/Stop* - de motor is automatisch
gestart (p. 291)
•
Start/Stop* - de motor slaat niet automatisch af (p. 290)
•
Start/Stop* - onvrijwillige motorstop bij
handgeschakelde versnellingsbak (p.
293)
•
Start/Stop* - symbolen en meldingen (p.
294)
•
Accu - Start/Stop (p. 363)
08 Starten en rijden
Start/Stop* - onvrijwillige motorstop
bij handgeschakelde versnellingsbak
Auto’s met een bepaalde combinatie van
motor en versnellingsbak zijn voorzien van
een Start/Stop-systeem dat in werking treedt,
als de auto bijvoorbeeld stilstaat in een file of
wacht voor een verkeerslicht. Doe als volgt als
de automatische motorstart mislukt en de
motor uitvalt:
Start/Stop* - instellingen
Auto’s met een bepaalde combinatie van
motor en versnellingsbak zijn voorzien van
een Start/Stop-systeem dat in werking treedt,
als de auto bijvoorbeeld stilstaat in een file of
wacht voor een verkeerslicht. In het menusysteem MY CAR (p. 106) vindt u een introductie
van Volvo’s Start-Stop-systeem en adviezen
voor een zuinige rijstijl.
•
Start/Stop* - onvrijwillige motorstop bij
handgeschakelde versnellingsbak (p. 293)
•
Start/Stop* - symbolen en meldingen (p.
294)
•
Accu - Start/Stop (p. 363)
1. Bedien het koppelingspedaal opnieuw –
de motor start automatisch.
2. In bepaalde gevallen moet u de versnellingspook in de neutrale stand zetten. Op
het instrumentenpaneel verschijnt dan de
tekst Zet versnelling in vrij.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Start/Stop* (p. 287)
Start/Stop* - functie en bediening (p. 288)
Motor start (p. 276)
Start/Stop* - instellingen (p. 293)
Start/Stop* - de motor start niet automatisch (p. 292)
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Start/Stop* (p. 287)
•
Start/Stop* - de motor is automatisch
gestart (p. 291)
•
Start/Stop* - de motor slaat niet automatisch af (p. 290)
•
Start/Stop* - symbolen en meldingen (p.
294)
•
•
Accu - Start/Stop (p. 363)
Start/Stop* - de motor is automatisch
gestart (p. 291)
•
Start/Stop* - de motor slaat niet automatisch af (p. 290)
Start/Stop* - functie en bediening (p. 288)
Motor start (p. 276)
Start/Stop* - de motor start niet automatisch (p. 292)
08
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
293
08 Starten en rijden
Start/Stop* - symbolen en meldingen
Tekstmelding
Het Start/Stop-systeem kan tekstmeldingen
op het informatiedisplay weergeven.
Het Start/Stop-systeem kan soms
aanleiding geven tot meldingen op
het instrumentenpaneel en een
brandend controlelampje. Bij enkele daarvan
Symbool
Melding
Informatie/maatregel
M/AA
Motor in Auto Start
Blijft enkele seconden branden na activering van Start/Stop.
M+A
Eco DRIVe UIT
Blijft enkele seconden branden na deactivering van Start/Stop.
M+A
Auto Start/Stop Service vereist
Start/Stop is defect. Neem dan contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
M+A
Motormanagement
Er vindt een automatische controle van de werking plaats.
M+A
Autostart Motor loopt +
akoestisch signaal
Wordt geactiveerd, als u het bestuurdersportier opent na auto-stop van de motor.
M+A
Motor in Auto Start
Motor klaar voor automatische start. Wacht op bediening van het koppelings- of rempedaal.
M
Druk op Start-knop
Geen automatische motorstart mogelijk. Voer een reguliere motorstart uit met de knop
START/STOP ENGINE.
M
Trap koppeling in om te starten
Motor klaar voor automatische start – wacht op bediening van het koppelingspedaal.
M
08
294
dient u een aanbevolen maatregel te nemen.
In de volgende tabel staan enkele voorbeelden.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
08 Starten en rijden
Symbool
A
Melding
Informatie/maatregel
Trap rempedaal in om te starten
Motor klaar voor automatische start – wacht op bediening van het rempedaal.
M
Rem en ontkoppel om te starten
Motor klaar voor automatische start – wacht op bediening van het koppelings- of rempedaal.
M
Stand N kiezen om te starten
Er is geschakeld zonder te ontkoppelen – bedien het koppelingspedaal om de schakelhendel in de neutrale stand te zetten.
M
Motor in Auto Start
Motor klaar voor automatische start. Wacht totdat het rempedaal wordt losgelaten.
A
Kies stand P of N om te starten
Start/Stop is gedeactiveerd. Zet de keuzehendel in stand N of P en voer een normale
motorstart uit met de knop START/STOP ENGINE.
A
Druk op Start-knop
De motor zal niet automatisch starten. Voer een normale motorstart uit met de knop
START/STOP ENGINE en de keuzehendel in P of N.
A
M = handbak, A = automaatbak.
Als een tekstmelding na het uitvoeren van de
voorgestelde maatregel niet verdwijnt, dient u
contact op te nemen met een werkplaats –
geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
•
M/AA
Start/Stop* (p. 287)
Start/Stop* - functie en bediening (p. 288)
•
•
•
Motor start (p. 276)
Start/Stop* - instellingen (p. 293)
Start/Stop* - de motor start niet automatisch (p. 292)
•
Start/Stop* - de motor is automatisch
gestart (p. 291)
•
Start/Stop* - de motor slaat niet automatisch af (p. 290)
•
Start/Stop* - onvrijwillige motorstop bij
handgeschakelde versnellingsbak (p. 293)
•
Accu - Start/Stop (p. 363)
08
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
295
08 Starten en rijden
Bedrijfsrem
Remschijven schoonmaken
De bedrijfsrem wordt gebruikt om de snelheid
van de auto tijdens rijden te verlagen.
Vuil en water op de remschijven kunnen ertoe
leiden dat de aanspreekduur van de remmen
wordt verlengd. Door de remblokken schoon
te maken beperkt u deze verlenging.
De auto is uitgerust met twee remcircuits. Als
een van de remcircuits defect raakt, betekent
dit dat de remmen pas later worden aangesproken zodat u het rempedaal dieper moet
intrappen voor dezelfde remmende werking.
De druk die u uitoefent op het rempedaal
wordt versterkt door de rembekrachtiging.
WAARSCHUWING
De rembekrachtiging werkt alleen als de
motor draait.
Wanneer u met de motor afgezet remt doet
het rempedaal stug aan en kost het u meer
kracht om de auto te remmen.
In bergachtig gebied of bij het rijden met een
zware belading kunt u de remmen ontzien
door op de motor af te remmen. U benut de
remmende werking van de motor het best,
wanneer u tijdens het afdalen dezelfde versnelling inschakelt als bij het oprijden van een
helling.
08
296
Voor meer algemene informatie over een
zware belasting van de auto, zie Motorolie ongunstige rijomstandigheden (p. 459).
U wordt geadviseerd de remschijven handmatig schoon te maken, wanneer u op natte
wegen rijdt, de auto net hebt gewassen of op
het punt staat deze langdurig te parkeren. U
maakt de remschijven handmatig schoon
door korte tijd licht te remmen.
Onderhoud
Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid
en betrouwbaarheid van de auto op een hoog
peil te houden, dient u de service-intervallen
van Volvo aan te houden zoals omschreven in
het Service- en garantieboekje.
BELANGRIJK
De onderdelen van het remsystemen moeten regelmatig op slijtage worden gecontroleerd.
Informeer bij een werkplaats hoe dat in zijn
werk gaat of laat de controle over aan de
werkplaats – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
Symbolen op instrumentenpaneel
Symbool
Betekenis
Brandt continu – controleer
het remvloeistofpeil. Vul remvloeistof bij als het peil te laag
ligt en controleer tevens de
oorzaak van het remvloeistofverlies.
Brandt tijdens het starten van
de motor 2 seconden continu
– automatische functietest.
WAARSCHUWING
Als
en
tegelijk branden, kan er
een storing in het remsysteem zijn ontstaan.
Als het niveau in het remvloeistofreservoir
in dat geval normaal is, moet u voorzichtig
naar de dichtstbijzijnde werkplaats rijden
om het remsysteem te laten controleren geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
Als de remvloeistof onder het MIN-niveau
in het remvloeistofreservoir ligt, mag u pas
verder rijden als de remvloeistof is bijgevuld.
De oorzaak van het remvloeistofverlies
moet worden gecontroleerd.
08 Starten en rijden
Gerelateerde informatie
•
•
Parkeerrem (p. 298)
Bedrijfsrem - noodremlichten en automatische alarmlichten (p. 297)
•
Bedrijfsrem - remkrachtverhoging bij
noodstops (p. 298)
•
Bedrijfsrem - antiblokkeerremsysteem (p.
297)
Bedrijfsrem antiblokkeerremsysteem
Bedrijfsrem - noodremlichten en
automatische alarmlichten
Het antiblokkeerremsysteem, ABS Anti-lock
Braking System voorkomt dat de wielen blokkeren tijdens het remmen.
De noodremlichten worden geactiveerd om
achterliggers erop te attenderen dat u krachtig remt. Daarbij knipperen de remlichten in
plaats van dat ze continu branden, zoals bij
normaal remmen.
Het systeem zorgt dat de auto bestuurbaar
blijft, waardoor het bijvoorbeeld makkelijker is
om obstakels te ontwijken. Bij activering van
deze functie kunt u trillingen in het rempedaal
voelen. Dit is volkomen normaal.
Wanneer u het rempedaal loslaat nadat de
motor is aangeslagen, gaat een kortdurende,
automatische test van het ABS van start. Het
is mogelijk dat er opnieuw een automatisch
test van het ABS plaatsvindt, wanneer de
auto een snelheid van 10 km/h bereikt. Ook
deze test kan waarneembaar zijn in de vorm
van trillingen in het rempedaal.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Bedrijfsrem (p. 296)
Parkeerrem (p. 298)
Bedrijfsrem - noodremlichten en automatische alarmlichten (p. 297)
Bedrijfsrem - remkrachtverhoging bij
noodstops (p. 298)
De noodremlichten worden geactiveerd bij
snelheden hoger dan 50 km/h als het ABS
actief is en/of bij krachtig remmen. Nadat de
snelheid van de auto is teruggebracht tot
minder dan 10 km/h knippert het remlicht niet
langer, maar brandt het weer gewoon constant. Tegelijkertijd worden de Alarmlichten
geactiveerd en blijven deze knipperen, totdat
u weer optrekt tot minimaal 20 km/h of de
alarmlichten uitschakelt met de bijbehorende
knop.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Bedrijfsrem (p. 296)
Parkeerrem (p. 298)
Bedrijfsrem - remkrachtverhoging bij
noodstops (p. 298)
Bedrijfsrem - antiblokkeerremsysteem (p.
297)
08
297
08 Starten en rijden
Bedrijfsrem - remkrachtverhoging bij
noodstops
De remkrachtverhoging bij noodstops (EBA,
Emergency Brake Assist) helpt de remkracht
verhogen om op die manier de remweg te
verkorten.
Het EBA registreert de wijze waarop u het
rempedaal bedient en verhoogt zo nodig de
remkracht. De remkracht kan worden verhoogd tot aan het niveau waarbij het ABS
ingrijpt. De EBA-regeling wordt uitgeschakeld
wanneer u de druk op het rempedaal verlaagt.
Parkeerrem
De parkeerrem houdt de auto stil, als de
bestuurdersplaats leeg is, door twee wielen
mechanisch te blokkeren/vergrendelen.
Gebruik altijd de parkeerrem bij parkeren
op een hellende ondergrond - een ingeschakelde versnelling of de P-stand van
een automatische versnellingsbak is niet
voldoende om de auto in alle situaties vast
te houden.
•
08
298
Zet de versnellingspook/keuzehendel bij
het parkeren altijd in de 1e versnelling
(handbak) of in stand P (automaat).
Op een helling parkeren
Bij het parkeren van de auto op een oplopende helling:
•
Bedrijfsrem (p. 296)
Bedrijfsrem - antiblokkeerremsysteem (p.
297)
3. Laat het rempedaal los en controleer of
de auto volledig stilstaat.
•
Gerelateerde informatie
Parkeerrem (p. 298)
- Het waarschuwingssymbool op
het instrumentenpaneel brandt ongeacht
hoe hard de parkeerrem is aangehaald.
4. Als de auto beweegt, dient u de hendel
minimaal één klik strakker aan te trekken.
N.B.
Bedrijfsrem - noodremlichten en automatische alarmlichten (p. 297)
N.B.
WAARSCHUWING
Als EBA wordt geactiveerd, gaat het rempedaal iets verder omlaag dan normaal.
Druk het rempedaal in zo lang als dat
nodig is. Als u het rempedaal loslaat, stopt
al het afremmen.
•
•
•
2. Trek de hendel stevig omhoog.
> Het waarschuwingssymbool op het
instrumentenpaneel gaat branden.
Draai de wielen van de trottoirband af.
Bij het parkeren van de auto op een aflopende helling:
Waarschuwingssymbool op instrumentenpaneel.
Parkeerrem aanzetten
1. Trap het rempedaal stevig in.
•
Draai de wielen naar de trottoirband toe.
Parkeerrem lossen
1. Trap het rempedaal stevig in.
08 Starten en rijden
2. Trek de parkeerremhendel iets omhoog,
druk de knop in, duw de parkeerrem
omlaag en laat de knop weer los.
> Het waarschuwingssymbool op het
instrumentenpaneel dooft.
Doorwaaddiepte
Als u vergeet de auto van de parkeerrem te
halen, wordt u daar niet alleen op gewezen
via het brandende waarschuwingslampje
maar u krijgt bij een rijsnelheid hoger dan
10 km/h bovendien een belsignaal te horen
en een melding op het instrumentenpaneel te
zien.
U kunt met de auto door waterpartijen van
maximaal 25 cm diep rijden met een maximumsnelheid van 10 km/h. Wees extra voorzichtig bij het doorwaden van stromend
water.
Gerelateerde informatie
•
Bedrijfsrem (p. 296)
BELANGRIJK
Wanneer u zich met de auto door een
ondiepe waterpartij begeeft, spreken we van
waden. Waden dient met de nodige voorzichtigheid te gebeuren.
Houd een lage snelheid aan tijdens het
waden en breng de auto niet in het water tot
stilstand. Trap na het passeren van de waterpartij lichtjes op het rempedaal om te controleren of de remwerking in orde is. Bij water en
vuil op de remblokken kunnen er vertragingen
in de remwerking optreden.
•
Maak de aansluitingen voor de elektrische motorverwarming en de aanhangerkoppeling schoon na ritten in water en
modder.
•
Laat de auto niet langdurig in water staan
dat tot boven de dorpelbalken – elektrische storingen zijn anders niet uitgesloten.
Als er water in het luchtfilter komt, kan er
motorschade ontstaan.
Bij een diepte groter dan 25 cm kan er
water in de transmissie komen. Het smerende vermogen van de oliën neemt dan
af, waardoor de levensduur van deze systemen korter wordt.
Bij een motorstop in water moet u niet proberen opnieuw te starten. Laat de auto uit
het water naar de werkplaats slepen geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats. Kans op motorschade.
Gerelateerde informatie
•
•
Bergen (p. 318)
Slepen (p. 316)
08
299
08 Starten en rijden
Oververhitting
In bepaalde omstandigheden, bij zware belasting op steile hellingen en warm weer, bestaat
het gevaar dat de motor en de aandrijflijn
oververhit raken – vooral bij het vervoer van
een zware lading.
Voor informatie over oververhitting bij het
gebruik van een aanhanger, zie Rijden met
een aanhanger (p. 308).
08
300
•
Verwijder verstralers die voor de grille zitten tijdens ritten bij warm weer.
•
Als de temperatuur in het koelsysteem
van de motor te hoog oploopt, gaat een
waarschuwingssymbool branden en verschijnt op het informatiedisplay van het
instrumentenpaneel de melding
Motortemp. hoog Stop auto z.s.m. –
breng de auto in dat geval zo spoedig
mogelijk tot stilstand en laat de motor
enkele minuten stationair lopen zodat
deze kan afkoelen.
•
Als de displaymelding Motortemp. hoog
Zet motor af of Koelvl.peil laag Zet
motor af verschijnt, dient u nadat de
auto tot stilstand is gekomen ook de
motor af te zetten.
•
Bij oververhitting van de versnellingsbak
wordt een ingebouwde beveiliging geactiveerd, wat wordt aangegeven met een
waarschuwingssymbool op het instrumentenpaneel en de tekstmelding
Versn.bak heet Rijd langzamer of
Versn.bak heet Stop auto z.s.m. – volg
het gegeven advies op en verlaag de
snelheid of breng de auto op een veilige
manier tot stilstand en laat enkele minuten stationair draaien om deze te laten
afkoelen.
•
Bij oververhitting kan de airconditioning
zichzelf tijdelijk uitschakelen.
•
Na een zware rit moet u de motor niet
meteen afzetten, maar nog enige tijd stationair laten lopen.
N.B.
Het is normaal dat de koelventilator van de
motor een tijdje werkt nadat de motor is
uitgeschakeld.
Gerelateerde informatie
•
Rijden met een aanhanger - handgeschakelde versnellingsbak (p. 309)
•
Rijden met een aanhanger - automatische
versnellingsbak (p. 309)
Rijden met een geopende achterklep
Wanneer u met een geopende achterklep
rijdt, kunnen er giftige uitlaatgassen via de
bagageruimte de passagiersruimte in worden
gezogen.
WAARSCHUWING
Rijd niet met een geopende achterklep. Via
de bagageruimte kunnen er giftige uitlaatgassen in de auto worden gezogen.
Gerelateerde informatie
•
Lading vervoeren (p. 155)
08 Starten en rijden
Overbelasting - startaccu
De elektrische functies van de auto belasten
de startaccu in verschillende mate. Laat het
contactslot niet te lang achtereen in sleutelstand II staan, wanneer u de motor hebt afgezet. Maak in plaats daarvan gebruik van de
stand I – het stroomverbruik is dan minder, zie
Sleutelstanden - functies in verschillende
standen (p. 72).
Let er tevens op dat de verschillende accessoires het elektrische systeem belasten.
Schakel onderdelen/systemen die veel
stroom nemen uit, wanneer u de motor hebt
afgezet. Voorbeelden van dergelijke onderdelen/systemen zijn:
•
•
•
•
interieurventilator
koplampen
ruitenwisser
audiosysteem (hoog volume).
–
Laad de startaccu dan op door de motor
te starten en deze minstens 15 minuten
lang te laten lopen – de accu wordt beter
opgeladen tijdens het rijden dan bij stilstand met een stationair lopende motor.
Voorbereidingen bij lange reizen
Bij lange reizen is het goed om de volgende
punten te doorlopen:
•
Controleer of de motor naar behoren
functioneert en of het brandstofverbruik
(p. 467) in orde is.
•
Zorg dat er geen sprake is van lekkage
(brandstof, olie of andere vloeistoffen).
•
Controleer alle lampen en de profieldiepte
van de banden.
•
In sommige landen bent u wettelijk verplicht een gevarendriehoek (p. 331) in de
auto te hebben.
Gerelateerde informatie
•
Startaccu (p. 361)
Gerelateerde informatie
•
Motorolie - controleren en bijvullen (p.
346)
•
•
Compact reservewiel* (p. 325)
Lamp vervangen (p. 351)
Als de accuspanning laag is, verschijnt op het
informatiedisplay de melding Accuspann.
laag Spaarstand. De energiebesparingsfunctie schakelt vervolgens bepaalde onderdelen/systemen uit of verlaagt de belasting
van de accu door bijvoorbeeld de interieurventilator lager te zetten en/of het audiosysteem uit te schakelen.
08
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
301
08 Starten en rijden
Winterse ritten
Bij rijden in de winter is het belangrijk om
bepaalde controles uit te voeren, zodat u
zeker weet dat u veilig met de auto kunt rijden.
Waar u op moet letten:
Let voor aanvang van de winter in het bijzonder op het volgende:
•
De koelvloeistof (p. 462) van de motor
moet ten minste 50 % glycol bevatten. Bij
een dergelijke concentratie is de motor
beschermd tegen stukvriezen tot
ca. –35 °C. Voor optimale bescherming
tegen vorst is het zaak geen verschillende
soorten glycol met elkaar te mengen.
•
Houd de tank altijd goed gevuld om condens in de brandstoftank tegen te gaan.
•
De viscositeit van de motorolie is belangrijk. Wanneer u oliesoorten met een
lagere viscositeit (dunnere oliën) gebruikt,
slaat de motor bij koud weer gemakkelijker aan en neemt bovendien het brandstofverbruik tijdens de koude start af.
Voor meer informatie over geschikte oliesoorten, zie Motorolie - ongunstige rijomstandigheden (p. 459).
BELANGRIJK
08
302
Gebruik geen olie met een lage viscositeitsaanduiding bij zware rijomstandigheden of warm weer.
•
•
Controleer de algehele conditie en de
ladingstoestand van de accu. De accu
wordt zwaarder belast bij koud weer en
ook de accucapaciteit neemt af bij vorst.
Tankvulklep - openen/sluiten
De tankvulklep is als volgt te openen/sluiten:
Tankvulklep openen/sluiten
Giet sproeiervloeistof (p. 361) in het
sproeiervloeistofreservoir om ijsvorming
te voorkomen.
Voor optimale grip bij gevaar voor sneeuw of
ijs adviseert Volvo u om de auto rondom van
winterbanden te voorzien.
N.B.
In sommige landen is het gebruik van winterbanden verplicht. Banden met spikes
zijn niet in alle landen toegestaan.
Open de tankvulklep door de achterkant
van de klep wat in te drukken.
Nieuwe auto’s en gladde wegen
Oefen onder gecontroleerde omstandigheden
om te testen hoe de auto bij gladheid reageert.
Trek de klep open.
Sluit de klep na het tanken.
Voor een beschrijving van het vergrendelen/
ontgrendelen van de tankvulklep, zie Vergrendelen/ontgrendelen - tankvulklep (p. 182). De
vergrendellogica van de tankvulklep is bovendien ondergeschikt aan Keyless drive en
eventuele vergrendeling of ontgrendeling via
de centrale vergrendeling.
Gerelateerde informatie
•
Brandstof tanken (p. 303)
08 Starten en rijden
Tankvulklep - handmatig openen
Brandstof tanken
De tankvulklep is met de hand te openen,
wanneer het niet mogelijk is deze van buitenaf
te openen.
De brandstoftank is voorzien van een doploos
vulsysteem. Tanken gaat als volgt:
N.B.
Voorkom morsen door na het tanken ca.
5–8 seconden te wachten en daarna het
vulpistool voorzichtig te verwijderen.
Gerelateerde informatie
•
Open/verwijder het zijluikje in de bagageruimte (aan de kant van de tankvulklep).
•
Open de tankvulklep (p. 302). Zie ook
Tankvulklep - handmatig openen (p. 303).
•
Steek het vulpistool in de brandstofvulopening. Let erop dat u het vulpistool op
de juiste wijze in de vulbuis steekt. De
vulbuis bevat twee afdekkingen die te
openen zijn. Zorg dat u het vulpistool
door de beide afdekkingen hebt gestoken, voordat u begint met tanken.
•
Giet de tank niet te vol door het vulpistool
na de eerste afslag uit de vulopening te
halen.
Trek de kabel voorzichtig recht naar achteren toe. De klep is vervolgens vanaf de
buitenzijde te openen.
BELANGRIJK
Trek voorzichtig aan de lus – er is slechts
weinig kracht nodig om de klep te ontgrendelen.
Gerelateerde informatie
•
Vergrendelen/ontgrendelen - tankvulklep
(p. 182)
•
Brandstof tanken (p. 303)
N.B.
Een overvolle tank kan bij warm weer overstromen.
Brandstof bijvullen – met jerrycan (p.
306)
08
303
08 Starten en rijden
Brandstof - gebruik
WAARSCHUWING
Gebruik geen brandstof met een slechtere
kwaliteit dan Volvo adviseert, omdat dit een
nadelige invloed kan hebben op het motorvermogen en het brandstofverbruik.
Op de grond gemorste brandstof kan vlam
vatten.
Schakel de verwarming op brandstof uit
voordat u gaat tanken.
WAARSCHUWING
Heb nooit een ingeschakelde mobiele telefoon bij u als u staat te tanken. Door het
belsignaal kan er vonkvorming ontstaan
waardoor de benzinedampen ontsteken en
dat kan tot brand en letsel leiden.
Zorg er altijd voor dat u geen brandstofdampen inademt of brandstofspatten in de
ogen krijgt.
Bij brandstof in de ogen eventuele contactlenzen uitnemen en de ogen ten minste
15 minuten lang spoelen met een ruime
hoeveelheid schoon water en medische
hulp inroepen.
•
95 RON is te gebruiken in normale rijomstandigheden.
•
98 RON wordt geadviseerd voor een
maximaal rendement tegen een minimaal
brandstofverbruik.
Voor ritten bij temperaturen hoger dan +38 °C
wordt u geadviseerd een brandstofsoort met
een zo hoog mogelijk octaangetal te gebruiken. Dit om optimale prestaties en een zo
laag mogelijk brandstofverbruik te verkrijgen.
N.B.
BELANGRIJK
Bij extreme weersomstandigheden, rijden
met een aanhanger/caravan of ritten op
grote hoogte kan, afhankelijk van de
gebruikte brandstofkwaliteit, het prestatievermogen van de auto te wensen overlaten.
Gerelateerde informatie
304
Benzine dient te voldoen aan de norm NENEN 228. De meeste motoren kunnen op benzine met een octaangetal van 95 en 98 RON
lopen. 91 RON mag alleen in uitzonderlijke
gevallen worden gebruikt.
BELANGRIJK
Door mengsels van verschillende soorten
brandstoffen of het gebruik van niet aanbevolen brandstof vervallen de garanties
van Volvo en evt. aanvullende serviceovereenkomsten. Dit geldt voor alle motoren.
Brandstof nooit inslikken. Brandstoffen
zoals benzine en dieselolie zijn uitermate
giftig en kunnen bij inwendig gebruik aanleiding geven tot blijvend letsel met mogelijk dodelijke afloop. Roep onmiddellijk
medische hulp in bij het inslikken van
brandstof.
08
Brandstof - benzine
De motor loopt op benzine.
•
•
Zuinig rijden (p. 307)
Zuinig rijden (p. 307)
•
Gebruik alleen loodvrije benzine om
schade aan de katalysator tegen te
gaan.
•
Gebruik geen toevoegingen die niet
door Volvo zijn aanbevolen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Zuinig rijden (p. 307)
Brandstof - gebruik (p. 304)
Brandstof tanken (p. 303)
08 Starten en rijden
Brandstof - diesel
De motor loopt op dieselolie.
Maak alleen gebruik van dieselolie van gerenommeerde oliemaatschappijen. Giet nooit
dieselolie van twijfelachtige kwaliteit in de
tank. Diesel moet voldoen aan de norm
EN 590 of JIS K2204. Dieselmotoren zijn
gevoelig voor verontreiniging in de brandstof,
zoals een te grote hoeveelheid zwaveldeeltjes.
Bij lage temperaturen (–6 °C tot –40 °C) kan
de paraffine in de dieselolie uitvlokken. Dit
kan tot startproblemen leiden. De grote oliemaatschappijen produceren speciale dieselolie bestemd voor gebruik bij buitentemperaturen rond het vriespunt. Deze dieselolie is
dunner bij lage temperaturen en beperkt de
kans op vlokvorming in het brandstofsysteem.
De kans op condensatie in de brandstoftank
neemt af, als u de tank altijd goed gevuld
houdt. Houd tijdens het tanken het gebied
rond de vulbuis goed schoon. Voorkom morsen op gelakte oppervlakken. Maak als u
gemorst hebt het gebied met water en zeep
schoon.
BELANGRIJK
Er mag uitsluitend brandstof, die aan de
Europese dieselstandaard voldoet, worden
gebruikt.
Het zwavelgehalte mag maximaal 50 ppm
zijn.
BELANGRIJK
Maak geen gebruik van de volgende dieselolie-achtige brandstoffen:
•
•
•
•
speciale toevoegingen (dopes)
1. Plaats de transpondersleutel in het contactslot en duw deze tot aan de aanslag
naar binnen, zie Sleutelstanden (p. 71).
2. Druk op de START-knop zonder remen/of koppelingspedaal te bedienen.
3. Wacht ca. 1 minuut.
4. Om de motor te starten: Bedien remen/of koppelingspedaal en druk nogmaals
op de START-knop.
N.B.
scheepsolie
stookolie
FAME13 (Fatty Acid Methyl Ester) of
plantaardige olie.
Dergelijke brandstoffen voldoen niet aan
de kwaliteitseisen die Volvo stelt en geven
aanleiding tot verhoogde vormen van slijtage en motorschade die niet worden
gedekt door de garanties van Volvo.
Wanneer u de tank leegrijdt
Op grond van zijn constructie moet het
brandstofsysteem mogelijk eerst ontlucht
worden om een dieselmotor na bijtanken
opnieuw te kunnen starten.
Na motoruitval door brandstofgebrek heeft
het brandstofsysteem enige tijd nodig om een
controle uit te voeren. Doe in dat geval (ná
13
bijtanken met dieselolie) het volgende, voordat u de motor start:
Dieselolie kan een bepaalde hoeveelheid FAME bevatten. Het is niet toegestaan meer toe te voegen.
Alvorens brandstof te tanken bij een leeggereden tank:
•
Breng de auto tot stilstand op een zo
egaal/horizontaal mogelijke ondergrond – als de auto overhelt, bestaat
er gevaar voor luchtbellen in de brandstoftoevoer.
Condenswater uit brandstoffilter
aftappen
Het brandstoffilter ontdoet de brandstof van
condenswater. Condenswater kan anders
aanleiding geven tot motorstoringen.
Houd u voor het aftappen van het condenswater aan de specificaties die in uw Serviceen garantieboekje staan aangegeven. Ook
08
}}
305
08 Starten en rijden
||
wanneer u vermoedt dat er vervuilde brandstof is gebruikt, moet u het brandstoffilter
aftappen, zie Serviceprogramma van Volvo
(p. 341).
BELANGRIJK
Bepaalde speciale toevoegingen verwijderen de waterafscheiding in het brandstoffilter.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Roetfilter dieselmotor (DPF) (p. 306)
Brandstof - gebruik (p. 304)
Zuinig rijden (p. 307)
Brandstof bijvullen – met jerrycan
Roetfilter dieselmotor (DPF)
Gebruik voor het bijvullen van brandstof (p.
303) uit een jerrycan de trechter die onder het
vloerluik in de bagageruimte ligt.
Dieselmodellen zijn uitgerust met een roetfilter, waardoor een nog efficiëntere uitlaatgasreiniging mogelijk is.
Let erop dat u de trechter op de juiste wijze
in de vulbuis steekt. De vulbuis bevat twee
afdekkingen die te openen zijn. Zorg dat u de
trechter door de beide afdekkingen hebt
gestoken, voordat u begint met bijvullen.
Onder normale rijomstandigheden blijven de
roetdeeltjes uit de uitlaatgassen in het filter
achter. Om de roetdeeltjes te verbranden en
het filter te legen wordt een zogeheten regeneratie gestart. Daarvoor moet de motor de
normale bedrijfstemperatuur hebben.
Gerelateerde informatie
•
Vergrendelen/ontgrendelen - tankvulklep
(p. 182)
•
Tankvulklep - handmatig openen (p. 303)
De regeneratie van het filter gaat automatisch
en duurt normaal gesproken 10-20 minuten.
Bij een lage gemiddelde snelheid kan dit iets
langer duren. Gedurende de regeneratie kan
het brandstofverbruik iets stijgen.
Regeneratie bij koud weer
Als u bij koud weer vaak korte afstanden rijdt,
komt de motor onvoldoende op temperatuur.
Dit betekent dat het roetfilter niet geregenereerd en niet geleegd wordt.
Wanneer het filter voor ca. 80 % met roetdeeltjes gevuld is, verschijnt een oranje waarschuwingsdriehoek op het instrumentenpaneel en staat de melding Roetfilter vol Zie
instructieb. op het informatiedisplay.
08
306
U start de regeneratie van het filter door met
de auto op een secundaire weg of op een
snelweg te rijden totdat de motor voldoende
op temperatuur is gekomen. Daarna rijdt u
nog 20 minuten verder.
08 Starten en rijden
N.B.
Tijdens de regeneratie is het volgende
mogelijk:
•
een tijdelijke en geringe beperking van
het motorvermogen,
•
een tijdelijke verhoging van het brandstofverbruik,
•
een brandgeur.
Wanneer het filter geregenereerd is, wordt de
waarschuwingsmelding automatisch gewist.
Zuinig rijden
Zuinig rijden houdt in dat u anticiperend en
rustig rijdt, en uw rijstijl en snelheid afstemt
op de verkeerssituatie.
Als het filter helemaal vol deeltjes zit, kan
het moeilijk zijn om de motor te starten en
het filter wordt onbruikbaar. De kans
bestaat dan dat het filter moet worden vervangen.
14
Brandstof - diesel (p. 305)
Zuinig rijden (p. 307)
•
Laat de motor niet stationair warmdraaien, maar belast de motor in plaats
daarvan zo snel mogelijk licht – een
koude motor verbruikt meer brandstof
dan een warme.
Bij hoge snelheden neemt het brandstofverbruik toe – de luchtweerstand neemt
toe naarmate de snelheid stijgt.
Rijd niet met open zijruiten.
•
Vermijd onnodig snel optrekken en krachtig remmen.
•
•
Houd de juiste bandenspanning aan en
controleer regelmatig of dat nog steeds
zo is – houd voor de beste resultaten de
zogeheten ECO-bandenspanning aan, zie
Banden - goedgekeurde bandenspanning
(p. 471).
Voor meer informatie, zie Milieubeleid van
Volvo Car Corporation (p. 20) en Brandstofverbruik en CO2-uitstoot (p. 467).
Gebruik geen winterbanden buiten het
winterseizoen.
•
Rijd in de hoogst mogelijke versnelling,
afhankelijk van de verkeerssituatie en de
weggesteldheid – lagere toeren leveren
een lager brandstofverbruik op. Maak
gebruik van de schakelindicator (p.
281)14.
•
Neem geen spullen in de auto mee die u
niet gebruikt – hoe groter de belading,
des te hoger het brandstofverbruik.
•
Rem af op de motor, wanneer dat zonder
gevaar voor medeweggebruikers mogelijk
is.
•
De bandenkeuze is mogelijk van invloed
op het brandstofverbruik – informeer bij
uw dealer naar passende banden.
Gerelateerde informatie
•
•
Lading op het dak en een dakbox resulteren in een grotere luchtweerstand waardoor het brandstofverbruik toeneemt –
verwijder lastdagers die u niet gebruikt.
•
•
Wanneer u bij koud weer de standverwarming* inschakelt, bereikt de motor sneller de
normale bedrijfstemperatuur.
BELANGRIJK
•
WAARSCHUWING
Zet de motor nooit af tijdens het rijden
(zoals op een aflopende helling), omdat
daarbij belangrijke systemen zoals de
stuur- en rembekrachtiging wegvallen.
08
Handgeschakelde versnellingsbak
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
307
08 Starten en rijden
Rijden met een aanhanger
Bij het rijden met een aanhanger moet u op
enkele dingen letten zoals de trekhaak, de
aanhanger en hoe u de aanhanger laadt.
Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar gewicht van de auto. Het laadvermogen
dient te worden verminderd met de som van
het gewicht (p. 455) van eventuele inzittenden en dat van gemonteerde accessoires,
zoals een trekhaak.
Als de trekhaak door Volvo is gemonteerd,
wordt de auto compleet aangeleverd met de
benodigde randuitrusting voor het gebruik
van een aanhanger.
08
308
Wacht hiermee totdat de auto ten minste
1000 kilometer heeft gereden.
verschijnt de tekst Lampfout - Knip- perl.
aanhanger.
•
Bij het afdalen op lange en steile hellingen
worden de remmen veel zwaarder belast
dan normaal. Schakel dan terug naar een
lagere versnelling en pas uw snelheid
aan.
Als een van de remlichten op de aanhanger
defect is, dan verschijnt de tekst Lampfout Rem- licht aanhanger.
•
Om veiligheidsredenen dient u de toelaatbare maximumsnelheid voor auto’s met
een aanhanger/caravan niet te overschrijden. Neem de geldende bepalingen in
acht ten aanzien van de toelaatbare snelheden en gewichten.
•
Houd een lage snelheid aan, wanneer u
met een aanhanger achter de auto een
lange en steile helling oprijdt.
Als uw auto is uitgerust met automatische
niveauregeling nemen de achterste schokdempers tijdens het rijden altijd dezelfde rijhoogte in ongeacht de belading (tenzij het
maximaal toelaatbare gewicht wordt overschreden). Wanneer de auto stilstaat, zakt de
achtertrein omlaag.
•
De trekhaak van de auto moet van een
goedgekeurd type zijn.
•
•
Bij montage achteraf moet u contact
opnemen met uw erkende Volvo-werkplaats om te controleren of uw auto van
de nodige uitrusting is voorzien om met
een aanhanger te kunnen rijden.
Trekhaakbedrading
•
Verdeel de lading in de aanhanger dusdanig dat de druk op de trekhaak de maximale kogeldruk niet overschrijdt.
•
Verhoog de bandenspanning tot de geadviseerde bandenspanning (p. 330) bij
maximale belading.
•
Bij het gebruik van een aanhanger wordt
de motor zwaarder belast dan normaal.
•
Rijd niet met een zware aanhanger, wanneer de auto nog helemaal nieuw is.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Vermijd hellingen met een percentage van
meer dan 12 % bij het gebruik van een
aanhanger.
Als de trekhaak van de auto een 13-polig
elektrisch contact heeft en de aanhanger een
7-polig contact, hebt u een adapter nodig.
Gebruik een door Volvo goedgekeurde adapterkabel. Zorg dat de kabel niet over de grond
sleept.
Richtingaanwijzers en remlichten op
aanhanger
Als een van de richtingaanwijzers op de aanhanger defect is, knippert het richtingaanwijzersymbool op het instrumentenpaneel sneller dan normaal en op het informatiedisplay
Niveauregeling*
Aanhangergewichten
Voor informatie over de toelaatbare aanhangergewichten die Volvo hanteert, zie Trekgewicht en kogeldruk (p. 456).
N.B.
De vermelde maximaal toegestane aanhangergewichten zijn door Volvo toegestaan. De toelaatbare maximumsnelheid
voor auto's met aanhanger is 100 km/h.
Het gewicht van de aanhanger en de snelheid kunnen verder worden beperkt door
nationale voorschriften voor voertuigen. De
trekhaken kunnen zijn gecertificeerd voor
hogere trekgewichten dan wat de auto
mag trekken.
08 Starten en rijden
WAARSCHUWING
Volg de vermelde aanbevelingen voor het
aanhangergewicht. Anders is het mogelijk
dat de hele combinatie bij uitwijkmanoeuvres en afremmen moeilijk onder controle
is te houden.
Rijden met een aanhanger handgeschakelde versnellingsbak
Rijden met een aanhanger automatische versnellingsbak
Wanneer u bij warm weer een aanhanger
sleept (p. 308) in heuvelachtig terrein, bestaat
er mogelijk gevaar voor oververhitting.
Wanneer u bij warm weer een aanhanger
sleept in heuvelachtig terrein, bestaat er
mogelijk gevaar voor oververhitting.
•
•
Een automatische versnellingsbak kiest
altijd de juiste versnelling voor het motortoerental.
•
Bij gevaar voor oververhitting gaat een
waarschuwingssymbool op het instrumentenpaneel branden en verschijnt er
een tekstmelding op het informatiedisplay
– volg het gegeven advies op.
Gerelateerde informatie
•
•
Trekhaak (p. 310)
Lamp vervangen (p. 351)
Laat de motor geen hogere toeren maken
dan 4500 omw/min (dieselmotoren:
3500 omw/min) - anders kan de olietemperatuur te hoog oplopen.
Dieselmotor 5-cil.
•
Bij gevaar voor oververhitting dient u het
optimale motortoerental van
2300–3000 omw/min aan te houden voor
optimale koelvloeistofcirculatie.
Gerelateerde informatie
•
Handgeschakelde versnellingsbak (p.
280)
Steile hellingen
•
Blokkeer een automatische versnellingsbak niet met een hogere versnelling dan
de motor ‘aankan’ – rijden in een hoge
versnelling bij een laag motortoerental is
niet altijd zuinig.
BELANGRIJK
Zie tevens de specifieke informatie over
langzaam rijden met een aanhanger voor
auto’s met een automatische versnellingsbak - Powershift (p. 284).
Op een helling parkeren
1. Trap het rempedaal in.
2. Activeer de parkeerrem.
08
3. Zet de keuzehendel in stand P.
309
08 Starten en rijden
||
4. Haal uw voet van het rempedaal.
Trekhaak
•
Zet de keuzehendel in de parkeerstand P,
wanneer u een automaat met aanhanger
parkeert. Gebruik altijd de parkeerrem.
Een trekhaak maakt het mogelijk om bijvoorbeeld een aanhanger achter de auto te hangen.
•
Gebruik wielblokken, als u een auto met
aanhanger op een steile helling parkeert.
Als de auto is uitgerust met een afneembare
trekhaak, dienen de montagevoorschriften
voor het bevestigen van het afneembare
gedeelte zorgvuldig te worden opgevolgd, zie
Afneembare trekhaak - monteren/demonteren
(p. 312).
Op een helling wegrijden
1. Trap het rempedaal in.
2. Zet de keuzehendel in de rijstand D.
3. Los de parkeerrem.
WAARSCHUWING
4. Haal uw voet van het rempedaal en rijd
weg.
Als de auto is uitgerust met de afneembare
trekhaak van Volvo:
Gerelateerde informatie
•
•
Automatische versnellingsbak Geartronic* (p. 281)
Automatische versnellingsbak Powershift* (p. 284)
•
Volg de montage-instructies nauwkeurig op.
•
Zorg dat het afneembare gedeelte met
de sleutel vergrendeld is voordat u
begint te rijden.
•
Controleer of het controlevenster
groen van kleur is.
Belangrijke controlepunten
•
08
310
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
U moet de kogel van de trekhaak regelmatig schoonmaken en met vet insmeren.
WAARSCHUWING
De bewegende onderdelen van de
afneembare trekhaak mogen niet worden
gesmeerd/ingevet. Hierdoor kan het veiligheidsniveau namelijk afnemen.
N.B.
Als er een koppeling met trillingsdemper
wordt gebruikt, mag de trekkogel niet worden gesmeerd.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Rijden met een aanhanger (p. 308)
Afneembare trekhaak - specificaties (p.
311)
Afneembare trekhaak - opbergen (p. 311)
08 Starten en rijden
Afneembare trekhaak - specificaties
Bewaar de afneembare trekhaak in de bagageruimte.
Specificaties voor een afneembare trekhaak.
G021485
Afneembare trekhaak - opbergen
Opbergmogelijkheid voor de afneembare trekhaak.
BELANGRIJK
Neem na gebruik altijd de afneembare
trekhaak los en berg deze op de daarvoor
bestemde plaats op.
Gerelateerde informatie
Afmetingen, bevestigingspunten
(mm)
A
887
B
79
C
881
D
441
E
109
•
Afneembare trekhaak - specificaties (p.
311)
F
306
G
Langsligger
•
Afneembare trekhaak - monteren/demonteren (p. 312)
H
Middelpunt kogel
•
Rijden met een aanhanger (p. 308)
08
311
08 Starten en rijden
||
Gerelateerde informatie
•
Afneembare trekhaak - monteren/demonteren (p. 312)
•
•
Afneembare trekhaak - opbergen (p. 311)
U kunt de afneembare trekhaak als volgt monteren/demonteren:
Bevestigen
G021488
Rijden met een aanhanger (p. 308)
Afneembare trekhaak - monteren/
demonteren
Het controlevenster moet rood van kleur
zijn.
G021489
Verwijder de afdekking door de pal in te
drukken
en de afdekking vervolgens
recht naar achteren te trekken
.
G021487
Breng het kogelsegment aan en duw het
naar binnen totdat u een klik hoort.
08
312
Controleer of het mechanisme in de ontgrendelde stand staat door de sleutel
rechtsom te draaien.
Het controlevenster moet groen van kleur
zijn.
Controleer of het kogelsegment vastzit
door het stevig omhoog, omlaag en naar
achteren te bewegen.
WAARSCHUWING
G000000
Als het kogelgedeelte niet goed zit, moet u
het verwijderen en opnieuw monteren
zoals eerder werd beschreven.
Draai de sleutel linksom naar de vergrendelde stand. Neem de sleutel uit het slot.
G021495
G021494
G021490
08 Starten en rijden
Veiligheidskabel.
WAARSCHUWING
Controleer of de veiligheidskabel van de
aanhanger in de juiste bevestiging vastzit.
Afneembare trekhaak verwijderen
BELANGRIJK
Vet alleen de kogel in waarop de aanhangerkoppeling wordt geplaatst; houd de
rest van het kogelsegment vetvrij en
droog.
Steek de sleutel in het slot en draai deze
rechtsom in de ontgrendelde stand.
08
}}
313
08 Starten en rijden
||
Gerelateerde informatie
Druk de vergrendelingsknop
in en
totdat u een klik
draai deze linksom
hoort.
Draai de vergrendelingsknop volledig
omlaag totdat deze niet verder kan. Houd
de knop in deze stand vast terwijl u het
kogelsegment schuin naar achteren toe
omhoogtrekt.
WAARSCHUWING
Zet de afneembare trekhaak goed vast,
wanneer u deze in de auto bewaart, zie
Afneembare trekhaak - opbergen (p. 311).
08
314
Duw de afdekking er zo ver op dat deze
vastklikt.
•
•
Afneembare trekhaak - opbergen (p. 311)
•
Rijden met een aanhanger (p. 308)
Afneembare trekhaak - specificaties (p.
311)
08 Starten en rijden
Trailer Stability Assist (TSA)
Bediening
Het aanhangerstabilisatiesysteem TSA (Trailer
Stability Assist) heeft tot taak de auto met een
aanhanger/caravan te stabiliseren, wanneer
de combinatie de neiging tot pendelbewegingen vertoont.
Een pendelbeweging is vaak niet of nauwelijks te dempen, waardoor de combinatie
moeilijk bestuurbaar wordt en het gevaar
bestaat op de verkeerde weghelft of naast de
weg te belanden.
De TSA-regeling maakt deel uit van het
DSTC-systeem (Dynamic Stability and
Traction Control), zie Stabiliteits- en tractieregelsysteem (DSTC) (p. 190).
Het TSA-systeem houdt continu de bewegingen van de auto in de gaten en dan vooral de
dwarsbewegingen. Als een neiging tot pendelbewegingen geregistreerd wordt, worden
de voorwielen ieder afzonderlijk dusdanig
afgeremd dat de combinatie gestabiliseerd
wordt. Vaak is dit voldoende om de auto weer
onder controle te krijgen.
Functie
Bij alle combinaties van auto en aanhanger/
caravan kan het bekende verschijnsel met
pendelbewegingen optreden. Doorgaans
treedt het verschijnsel pas bij hoge snelheden
op. Als de aanhanger/caravan echter overmatig beladen is of als het gewicht van de lading
verkeerd verdeeld is (bijvoorbeeld te ver naar
achteren), bestaat er ook op lagere snelheden
van 70–90 km/h gevaar voor pendelbewegingen.
Een pendelbeweging begint altijd met een
van de onderstaande factoren, zoals:
•
De auto met aanhanger/caravan staat
bloot aan rukwinden.
•
De auto met aanhanger/caravan rijdt over
een oneffen wegdek of over hobbels.
•
Grote stuurbewegingen.
Als de pendelbeweging ondanks de eerste
ingreep van het TSA-systeem niet wordt
gedempt, worden alle wielen van de combinatie afgeremd en wordt de aandrijfkracht
van de motor verlaagd. Wanneer de pendelbeweging vervolgens stukje bij beetje verminderd is en de combinatie weer stabiel is,
beëindigt het TSA-systeem de regeling
waarna u de auto weer volledig onder controle hebt.
N.B.
Het TSA-systeem wordt uitgeschakeld, als
u de Sport-stand kiest, zie Stabiliteits- en
tractieregelsysteem (DSTC) (p. 190).
Het TSA-systeem grijpt mogelijk niet in als u
met grote stuurbewegingen de pendelbeweging zelf tracht op te heffen, aangezien het
TSA-systeem dan niet kan bepalen of de pendelbeweging wordt veroorzaakt door de aanhanger/caravan of door de bestuurder.
Wanneer het TSA-systeem actief is,
knippert het DSTC-symbool op het
instrumentenpaneel.
Gerelateerde informatie
•
Stabiliteits- en tractieregeling (DSTC) symbolen en meldingen (p. 192)
•
Stabiliteits- en tractieregelsysteem
(DSTC) - bediening (p. 191)
Overig
Het TSA-systeem kan ingrijpen bij snelheden
van 65–160 km/h.
08
315
08 Starten en rijden
Slepen
WAARSCHUWING
Bij het slepen wordt de auto met behulp van
een sleepkabel voortgetrokken door een
ander voertuig.
Ga voordat u gaat slepen na wat de wettelijk
voorgeschreven maximumsnelheid voor slepen is.
1. Ontgrendel het stuurslot (p. 278) door de
transpondersleutel in het contactslot te
plaatsen en de knop START/STOP
ENGINE lang in te drukken – sleutelstand
(p. 72) II wordt geactiveerd.
316
Controleer voordat u gaat slepen of
het stuurslot eraf is.
•
De transpondersleutel moet in sleutelstand II staan. In stand I zijn alle airbags gedeactiveerd.
•
Haal nooit de transpondersleutel uit
het contactslot als de auto wordt
gesleept.
BELANGRIJK
Sleep de auto altijd zo dat de wielen in de
rijrichting draaien.
•
WAARSCHUWING
De rem- en stuurbekrachtiging werken niet
als de motor is uitgeschakeld. Er moet
ca. 5 keer zo hard op het rempedaal worden getrapt en de besturing gaat aanzienlijk zwaarder dan normaal.
2. Laat de transpondersleutel tijdens het
slepen in het contactslot zitten.
08
•
Automatische versnellingsbak
Geartronic
3. Houd, wanneer de slepende auto afremt,
de sleepkabel altijd strak door met uw
voet lichte druk op het rempedaal uit te
oefenen – zo voorkomt u schokken.
Handgeschakelde versnellingsbak
4. Sta klaar om te remmen om de auto tot
stilstand te brengen.
–
Alvorens te slepen:
Zet de versnellingspook in de neutrale
stand en los de parkeerrem.
Sleep auto's met een automatische
versnellingsbak niet met een hogere
snelheid dan 80 km/h en niet verder
dan 80 km. Houd de toegestane rijsnelheden aan.
Alvorens te slepen:
–
Zet de keuzehendel in stand N en los de
parkeerrem.
Automatische versnellingsbak
Powershift
Bij het model met een Powershift-versnellingsbak moet de motor lopen voor voldoende smering van de versnellingsbak en
daarom mag dit model niet worden gesleept.
Als de auto toch moet worden gesleept, dan
dient dit over een zo kort mogelijke afstand
en op zeer lage snelheid te gebeuren.
Wanneer u niet zeker weet of uw auto wel of
niet is uitgerust met een Powershift-versnellingsbak, kunt u dit controleren aan de hand
van de type-aanduiding (p. 452) op de versnellingsbaksticker onder de motorkap. De
aanduiding ”MPS6” houdt in dat het om een
08 Starten en rijden
Powershift-bak gaat – anders is het een
Geartronic-automaat.
BELANGRIJK
Vermijd slepen.
•
Een auto die op een gevaarlijke plek in
het verkeer staat, mag echter over een
korte afstand (tot 10 km) en op lage
snelheid (tot 10 km/h) worden versleept. Berg de auto altijd zo dat de
wielen in de rijrichting draaien.
•
Om de auto over afstanden groter dan
10 km te verslepen, dienen de aangedreven wielen geheven te worden –
het wordt geadviseerd een professioneel bergingsbedrijf in te schakelen.
Gerelateerde informatie
•
Sleepoog (p. 317)
Sleepoog
Het sleepoog dient te worden vastgeschroefd
in een draadbus achter een afdekking in de
bumper, voor of achter.
Sleepoog bevestigen
Alvorens te slepen:
–
Zet de keuzehendel in stand N en los de
parkeerrem.
Starten met hulpaccu
Probeer de motor niet aan te slepen. Gebruik
een hulpaccu als de startaccu dusdanig ontladen is dat de motor niet kan worden
gestart, zie Starten met hulpaccu (p. 278).
BELANGRIJK
De katalysator kan beschadigd raken bij
pogingen om de motor via slepen aan het
draaien te krijgen.
08
317
08 Starten en rijden
||
Neem het sleepoog erbij dat onder het
vloerluik in de bagageruimte ligt.
N.B.
Om bij het sleepoog/de wielsleutel in het
schuimrubber blok te komen:
•
•
Versie 1: Til de compressoreenheid van
de noodreparatieset voor banden (punt
5) op om bij de wielsleutel te komen. Til
de bus met afdichtmiddel eruit (punt 6)
om bij het sleepoog te komen.
Met bergen wordt het afslepen bedoeld met
een ander voertuig.
•
Roep professionele hulp in voor berging.
De afdekking heeft een markering
langs de ene zijde of in een hoek: Duw
met uw vinger op deze markering terwijl u de tegenoverliggende zijde/hoek
openklapt – de afdekking klapt rond de
middellijn open en kan vervolgens worden verwijderd.
Schroef het sleepoog tot aan de flens
naar binnen. Draai het oog stevig vast
met bijvoorbeeld een wielsleutel.
Versie 2: Til de compressoreenheid van
de noodreparatieset voor banden (punt
5) op om bij het sleepoog te komen. De
wielsleutel ligt onder de krik.
Na gebruik wordt het sleepoog weer losgedraaid. Leg het sleepoog terug op zijn
plek.
Plaats de afdekking tot slot weer in de
bumper terug.
BELANGRIJK
Het sleepoog is alleen bedoeld voor het
slepen over de weg en niet geschikt voor
berging wanneer de auto bijvoorbeeld in
een sloot is gereden of vast is komen te
zitten. Roep professionele hulp in voor
berging.
Gerelateerde informatie
08
318
•
•
Bergen
De afdekking op het bevestigingspunt
voor het sleepoog wordt als volgt
geopend:
Slepen (p. 316)
Bergen (p. 318)
BELANGRIJK
Berg de auto altijd zo dat de wielen in de
rijrichting draaien.
Gerelateerde informatie
•
Slepen (p. 316)
WIELEN EN BANDEN
09 Wielen en banden
09
Banden - draairichting
Bij banden met een speciaal profiel dat alleen
goed werkt wanneer de banden in een
bepaalde richting draaien, staat deze richting
aangegeven met een pijl op de zijkant van de
band.
N.B.
Let erop dat u hetzelfde type, dezelfde
maat en ook hetzelfde merk voor beide
wielparen hebt.
Houd de aanbevolen bandenspanning (p.
330) aan die in de bandenspanningstabel
staat.
Gerelateerde informatie
G021778
•
•
•
•
De pijl geeft de draairichting van de band aan.
Zorg dat de banden altijd dezelfde draairichting hebben. Banden mogen alleen van voor
naar achter verwisseld worden, nooit van
links naar rechts of omgekeerd. Als u de banden verkeerd aanbrengt, nemen de remeigenschappen van de auto af en kunnen de banden regen, sneeuw en drab minder goed
afvoeren. Monteer de banden met het diepste
profiel altijd op de achteras (om het gevaar
voor slippen te verminderen).
320
Banden - maten (p. 324)
Banden - snelheidsklassen (p. 325)
Banden - onderhoud (p. 320)
Banden - slijtage-indicator (p. 322)
Banden - onderhoud
De banden hebben o.a. tot taak om grip tegen
de ondergrond te hebben, trillingen te dempen en het wiel tegen slijtage te beschermen.
Rijeigenschappen
Banden zijn van grote invloed op de rijeigenschappen van de auto. Zowel het type, de
maat, de bandenspanning als de snelheidsklasse zijn belangrijk voor het rijgedrag van
de auto.
Leeftijd van de banden
Alle banden die ouder zijn dan 6 jaar moet u
door een vakman laten controleren, ook al
zien ze er intact uit. Dit omdat het materiaal
waarvan banden gemaakt zijn ook veroudert
en afgebroken wordt, als banden zelden of
nooit worden gebruikt. Daarbij kan de werking van de band worden aangetast. Dit geldt
voor alle banden die u voor toekomstig
gebruik hebt opgeslagen. Scheurvorming of
verkleuring zijn de zichtbare kenmerken van
een band die ongeschikt is voor gebruik.
09 Wielen en banden
Nieuwe banden
Banden hebben een beperkte houdbaarheidsdatum. Na enkele jaren worden de banden hard en neemt de grip op het wegdek
stukje bij beetje af. Gebruik bij het verwisselen van banden altijd zo nieuw mogelijke banden. Dit geldt in het bijzonder voor winterbanden. De laatste cijfers van de cijferreeks
geven de week en het jaar van productie aan.
Het is de zogeheten DOT-code (Department
of Transportation) van de band en bestaat uit
vier cijfers, bijvoorbeeld 1510. De band op de
afbeelding is de 15e week van het jaar 2010
geproduceerd.
Zomer- en winterbanden
Wanneer u de zomerbanden vervangt door
winterbanden of andersom, moet u op de
band noteren waar de band zat: bijvoorbeeld
L voor links, R voor rechts.
Slijtage en onderhoud
De juiste bandenspanning (p. 330) levert een
gelijkmatiger slijtage op. De rijstijl, de bandenspanning, het klimaat en de staat van de
wegen zijn van invloed op de snelheid waarmee de banden verouderen en slijten. Om
verschillen in profieldiepte te voorkomen en
slijtpatronen (p. 322) tegen te gaan kunt u de
wielen op de voor- en achteras onderling van
plaats verwisselen. Voer de eerste wissel na
ca. 5.000 km uit en doe dat daarna om de
10.000 km opnieuw. Volvo adviseert u contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats als u niet zeker bent van de profieldiepte. Als er al een duidelijk verschil zit in
de slijtage (>1 mm verschil in profieldiepte)
van de banden, dienen de minst versleten
banden altijd op de achteras te zitten. Slippende voorwielen zijn makkelijker te corrigeren dan slippende achterwielen, omdat de
auto rechtuit blijft rijden in plaats van uit te
breken met de achterkant waarbij u mogelijk
de controle over de auto verliest. Daarom is
belangrijk dat de achterwielen nooit vóór de
voorwielen grip verliezen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
09
Banden - maten (p. 324)
Banden - snelheidsklassen (p. 325)
Banden - draairichting (p. 320)
Bewaar de wielen hangend of liggend. Laat
ze nooit rechtop staan.
WAARSCHUWING
Een beschadigde band kan voor een
oncontroleerbare auto zorgen.
321
09 Wielen en banden
09
Banden - slijtage-indicator
Wielbouten
Afsluitbare wielbouten*
Een slijtage-indicator toont de status van het
loopvlak van de band.
De wielen zitten op de naaf vast met wielbouten die in verschillende uitvoeringen verkrijgbaar zijn.
Afsluitbare wielbouten zijn te gebruiken op
zowel aluminium als stalen velgen. Onder de
vloer in de bagageruimte is ruimte om de dop
voor de afsluitbare wielbouten in op te bergen.
Gerelateerde informatie
G021829
•
Slijtage-indicatoren.
Slijtage-indicatoren zijn smalle ophogingen
die dwars op het profiel van de band staan.
Op de zijkant van de band staan de letters
TWI (Tread Wear Indicator). De slijtage-indicatoren zijn duidelijk zichtbaar wanneer een
band dusdanig versleten is dat slechts
1,6 mm van het profiel over is. Vervang de
banden dan zo spoedig mogelijk. Let erop dat
een band met een gering profiel zeer weinig
grip op het wegdek heeft bij regen of sneeuw.
Gerelateerde informatie
•
•
•
322
Banden - snelheidsklassen (p. 325)
Banden - bandenspanning (p. 330)
Banden - draairichting (p. 320)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Lage wielbout
Hoge wielbout
Afsluitbare wielbouten
Aanhaalmoment
•
•
•
Type 1-wielbout (stalen velg): 110 Nm
Type 2-wielbout (aluminium velg): 130
Nm
Afsluitbare type 3-wielbout (stalen/
aluminium velg): 110 Nm
Gebruik alleen velgen die getest en goedgekeurd zijn door Volvo en deel uitmaken van
de originele accessoires van Volvo. Controleer het aanhaalmoment met een momentsleutel.
Wiel- en velgmaten (p. 324)
09 Wielen en banden
Krik
Winterbanden
Sneeuwkettingen gebruiken
Er wordt een krik gebruikt om de auto op te
nemen, bijvoorbeeld bij het verwisselen van
banden.
Winterbanden zijn banden die aan de winterse
toestand van de weg zijn aangepast.
Het gebruik van sneeuwkettingen is alleen
toegestaan op de voorwielen (geldt ook voor
modellen met voorwielaandrijving). Rijd nooit
sneller dan 50 km/h met sneeuwkettingen.
Rijd evenmin op sneeuwvrije wegen, omdat
zowel de sneeuwkettingen als de banden
daardoor overmatig slijten.
Gebruik de originele krik alleen voor het verwisselen van het reservewiel. Houd de
schroef van de krik altijd goed ingevet.
Gerelateerde informatie
•
•
Gevarendriehoek (p. 331)
Noodreparatieset voor banden* (p. 332)
Winterbanden
Volvo adviseert winterbanden met bepaalde
afmetingen. De bandenmaat is afhankelijk van
de motorvariant. Gebruik altijd het juiste type
winterbanden op alle vier de wielen.
WAARSCHUWING
N.B.
Gebruik originele Volvo-sneeuwkettingen
of vergelijkbare sneeuwkettingen die zijn
afgestemd op het model en op de banden velgafmetingen. Bij twijfel adviseert
Volvo u een erkende Volvo-werkplaats om
advies te vragen. Een verkeerde sneeuwketting kan ernstige schade aan de auto
veroorzaken en aanleiding geven tot een
ongeluk.
Volvo adviseert u om met een Volvo-dealer
te overleggen over welke velg en welk type
band het best geschikt zijn.
Banden met ‘spikes’
Winterbanden met ‘spikes’ moeten de eerste
500-1000 km rustig worden ingereden, zodat
de ‘spikes’ hun positie in kunnen nemen. Zo
gaan de banden en vooral de ‘spikes’ langer
mee.
N.B.
09
Gerelateerde informatie
•
Wielen verwisselen - wielen verwijderen
(p. 327)
De wettelijke voorschriften voor het
gebruik van banden met spikes verschillen
per land.
Profieldiepte
Ritten bij ijs, sneeuw(modder) en lage temperaturen vergen meer van de banden dan
zomerse ritten. Daarom adviseert Volvo een
minimale profieldiepte van 4 mm voor winterbanden.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
323
09 Wielen en banden
09
Wiel- en velgmaten
Banden - maten
Banden - lastindex
Wiel- en velgmaten worden aangeduid zoals
in de onderstaande tabel.
De wielen, banden en velgen van de auto
hebben een bepaalde maat, zie het voorbeeld
in de onderstaande tabel.
De lastindex geeft het vermogen van een
band aan om een bepaalde last te dragen.
Wielen (velgen) zijn voorzien van een maataanduiding, bijvoorbeeld: 7Jx16x50.
Op alle autobanden staat een bepaalde maataanduiding. Een voorbeeld van een dergelijke
aanduiding:215/55R16 97W.
7
Velgbreedte in inch
J
Profiel velgrand
205
Breedte van de band (mm)
16
Velgdiameter van de band
50
50
Bolling in mm (afstand tussen de verticale aslijn door het wiel en het contactvlak met de naaf)
Verhouding tussen de hoogte en
breedte van de band (%)
R
Aanduiding voor radiaalbanden
17
Velgdiameter van de band (")
93
Aanduiding van het draagvermogen
van de band, lastindex (p. 324) (LI)
W
Aanduiding van de snelheidslimiet
van de band, snelheidsklasse (p.
325) (SS). (In dit geval 270 km/h.)
Gerelateerde informatie
•
Wielbouten (p. 322)
Gerelateerde informatie
•
•
•
324
Banden - bandenspanning (p. 330)
Banden - draairichting (p. 320)
Banden - slijtage-indicator (p. 322)
Iedere band heeft een bepaald draagvermogen, wat wordt aangeduid met de lastindex
(LI). Het gewicht van de auto bepaalt het
draagvermogen van de banden.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Banden - maten (p. 324)
Banden - snelheidsklassen (p. 325)
Banden - bandenspanning (p. 330)
Banden - slijtage-indicator (p. 322)
09 Wielen en banden
Banden - snelheidsklassen
Elke band is bestand tegen een bepaalde
max. snelheid en behoort daardoor tot een
bepaalde snelheidsklasse (SS - Speed
Symbol).
De snelheidsklasse van de banden dient minimaal overeen te komen met de topsnelheid
van de auto. De laagst toegestane snelheidsklasse staat in de onderstaande snelheidsklassetabel. De enige uitzondering hierop vormen winterbanden (p. 323) (zowel banden
met als zonder ‘spikes’), waarvoor een lagere
snelheidsklasse gebruikt mag worden. Bij
gebruik van dergelijke banden mag u niet
sneller rijden dan de maximumsnelheid die
voor het gebruikte bandentype geldt (voor
klasse Q geldt bijvoorbeeld een maximumsnelheid van 160 km/h). De gesteldheid van
het wegdek is bepalend voor de maximumsnelheid en niet de snelheidsklasse op de
banden.
V
240 km/h
W
270 km/h
Y
300 km/h
WAARSCHUWING
De auto moet worden uitgerust met banden die minimaal de gespecificeerde lastindex (p. 324) (LI) en snelheidsklasse (SS)
hebben. Bij gebruik van banden met een te
lage lastindex of snelheidsklasse kunnen
de banden oververhit raken.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Banden - maten (p. 324)
Banden - bandenspanning (p. 330)
Banden - draairichting (p. 320)
Compact reservewiel*
09
U gebruikt een compact reservewiel (Temporary Spare) ter vervanging van een standaardwiel met een lekke band.
Een compact reservewiel is alleen bestemd
voor tijdelijk gebruik en dient dan ook zo
spoedig mogelijk door een normaal wiel te
worden vervangen. Het rijgedrag van de auto
kan zich wijzigen bij het gebruik van een
compact reservewiel. Het compacte reservewiel is kleiner dan een normaal wiel. De
bodemspeling verandert er daarom door.
Wees voorzichtig bij hoge trottoirbanden en
reinig de auto niet in een autowasstraat. Als
het compacte reservewiel op de vooras zit,
kunt u evenmin sneeuwkettingen omleggen.
Bij vierwielaangedreven auto’s is de achterwielaandrijving uit te schakelen. Het compacte reservewiel mag niet worden gerepareerd. In de bandenspanningstabel, Banden bandenspanning (p. 330), staat de juiste bandenspanning voor het reservewiel.
N.B.
BELANGRIJK
In de tabel staat de maximaal toegestane
snelheid.
•
Rijd met een reservewiel op de auto
nooit sneller dan 80 km/u.
Q
160 km/h (alleen voor winterbanden)
•
T
190 km/h
H
210 km/h
Er mag nooit met de auto worden
gereden als deze van meer dan één
reservewiel van het type "Temporary
Spare" is voorzien.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
325
09 Wielen en banden
09
||
Gerelateerde informatie
•
Wielen verwisselen - wielen verwijderen
(p. 327)
•
Wielen verwisselen - compact reservewiel
monteren* (p. 329)
•
Wielen verwisselen - reservewiel erbij
nemen* (p. 326)
•
•
•
Wielen verwisselen - reservewiel erbij
nemen*
U vindt het compacte reservewiel* met krik*
en wielsleutel* onder de vloer in de bagageruimte.
5. Pak het compacte reservewiel aan de
buitenkant vast en til op. Duw het compacte reservewiel iets naar voren en til het
uit de opbergruimte.
6. Pak wielsleutel, krik en sleepoog uit het
schuimrubber blok.
N.B.
Krik (p. 323)
Gevarendriehoek (p. 331)
De krik moet eruit worden getild om bij het
sleepoog te komen.
Wielbouten (p. 322)
Gerelateerde informatie
1. Til de achterkant van de laadvloer op (bij
modellen met gelede laadvloer: pak de
handgreep vast, til de vloer op en beweeg
de achterkant van de vloer naar voren).
2. Pak het opbergvak* weg (alleen voor
modellen met gelede laadvloer).
3. Til de ondervloer weg (alleen voor modellen met gelede laadvloer).
4. Draai de bevestigingsbouten los en pak
het schuimrubber blok met krik en
gereedschap weg.
326
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
•
Wielen verwisselen - wielen verwijderen
(p. 327)
•
Wielen verwisselen - compact reservewiel
monteren* (p. 329)
•
•
•
•
Krik (p. 323)
Compact reservewiel* (p. 325)
Gevarendriehoek (p. 331)
Wielbouten (p. 322)
09 Wielen en banden
Wielen verwisselen - wielen
verwijderen
De wielen van de auto kunnen worden verwisseld door bijvoorbeeld winterwielen/winterbanden.
Zet een gevarendriehoek op, als u een wiel
moet verwisselen langs een drukke weg. Zorg
ervoor dat de auto en de krik* op een stevige
en horizontale ondergrond staan.
1. Haal de parkeerrem aan en schakel de
achteruitversnelling in of zet de keuzehendel in stand P, als de auto een automatische versnellingsbak heeft.
WAARSCHUWING
Controleer of de krik onbeschadigd is, of
de schroefdraden goed zijn gesmeerd en
of deze vrij van vuil is.
N.B.
4. Auto’s met stalen velgen hebben afneembare wieldoppen. Haak het demontagegereedschap in dat geval vast de volledige
wieldoppen om ze vervolgens los te trekken. De wieldoppen zijn ook met de hand
in één snelle beweging los te trekken.
09
Volvo adviseert u alleen de krik te gebruiken* die bij de auto hoort, zoals aangegeven op de kriksticker.
Op de sticker staat tevens de maximale
hefcapaciteit bij de vermelde hefhoogte.
2. Neem het wiel erbij dat u wilt monteren
(zomerband, winterband of compact
reservewiel) en het gereedschap. Voor
montage van een compact reservewiel
ligt er bij het reservewiel tevens een verpakking met handschoenen en een plastic zak voor om de lekke band.
3. Plaats wielblokken voor en achter de wielen die op de grond blijven staan. Gebruik
daarvoor bijvoorbeeld grote houten blokken of grote stenen.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
327
09 Wielen en banden
09
||
5. Schroef het sleepoog tot aan de aanslag
in de wielsleutel* vast zoals in de volgende afbeelding.
WAARSCHUWING
WAARSCHUWING
Leg nooit iets tussen de krik en de ondergrond en evenmin tussen de krik en het
kriksteunpunt van de auto.
Kruip nooit onder de auto als deze op een
krik staat.
Laat nooit passagiers in de auto zitten als
deze op een krik staat.
7. Er zitten twee kriksteunpunten aan weerszijden van de auto.
Parkeer de auto zodanig dat de passagiers
de auto of liever een vangrail tussen zichzelf en de weg hebben.
N.B.
De normale krik van de auto is alleen
bestemd voor sporadisch en kortstondig
gebruik zoals bij het verwisselen van een
lekke band, monteren van winterbanden/
zomerbanden e.d. Hef de auto alleen met
een krik die voor het desbetreffende model
bestemd is. Als de auto vaker moet worden opgekrikt of voor langere tijd zoals bij
het onderling roteren van de banden wordt
het gebruik van een garagekrik geadviseerd. Volg in dat geval de gebruiksaanwijzing van de desbetreffende krik.
Wielsleutel en sleepoog.
BELANGRIJK
Het sleepoog dient volledig in de wielsleutel te worden gedraaid.
6. Draai de wielbouten ½–1 slag linksom los
met de wielsleutel.
BELANGRIJK
De grond onder de krik dient vast en egaal
te zijn en niet te hellen.
8. Breng de krik omhoog, zodat de flens in
de carrosserie in de groef in de kop van
de krik valt.
9. Breng de auto zo ver omhoog dat het wiel
van de grond komt. Verwijder de wielbouten en til het wiel eraf.
328
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Gerelateerde informatie
•
Wielen verwisselen - compact reservewiel
monteren* (p. 329)
•
Wielen verwisselen - reservewiel erbij
nemen* (p. 326)
•
•
•
•
Krik (p. 323)
Compact reservewiel* (p. 325)
Gevarendriehoek (p. 331)
Wielbouten (p. 322)
09 Wielen en banden
Wielen verwisselen - compact
reservewiel monteren*
Krik* en gereedschap terugplaatsen
5.
09
Het is belangrijk het compacte reservewiel op
de juiste wijze te monteren.
Monteren
1. Reinig de contactvlakken tussen het wiel
en de naaf.
2. Breng het wiel aan. Haal de wielbouten
stevig aan.
3. Breng de auto zo ver omlaag dat het wiel
niet meer ongehinderd kan draaien.
Plaats een volledige wieldop terug (indien
aanwezig).
N.B.
De ventieluitsparing in de wieldop bij het
monteren aanbrengen over het ventiel in
de velg.
4. Draai de wielbouten kruiselings vast. Het
is belangrijk dat u de wielbouten stevig
aanhaalt tot het juiste aanhaalmoment.
Controleer het aanhaalmoment met een
momentsleutel.
Plaats het gereedschap en de krik na gebruik
op de juiste manier terug in het schuimrubber
blok.
1. Draai het sleepoog uit de wielsleutel.
2. Leg het gebruikte gereedschap in de
onderstaande volgorde terug in de
beoogde vakken in het schuimrubber
blok:
•
sleepoog/trechter/torx-sleutel/
dopsleutel voor vergrendelbare wielbout/gereedschap voor wieldop
•
krik (met de slinger zo ver omlaagdraaien dat deze in het desbetreffende
vak van het schuimrubber blok past,
de slinger over de voet heen en in de
groef van het schuimrubber blok plaatsen)
•
dopsleutel (boven de krik).
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
329
09 Wielen en banden
09
||
3. Bij gebruik van het compacte reservewiel
kunt u de lekke band in de plastic zak
doen, die u in de verpakking met de
handschoenen vindt. Leg het schuimrubber blok terug in het opbergvak en draai
de bevestigingsbout vast in de vloer van
het opbergvak.
Leg, als u het compacte reservewiel niet
gebruikt hebt, het schuimrubber blok in
het compacte reservewiel en plaats het
compacte reservewiel terug in het
opbergvak. Draai de bevestigingsbouten
vast in de vloer van het opbergvak.
4. Plaats de afneembare trekhaak terug.
N.B.
•
Na het oppompen van een band moet
u altijd het ventieldopje terugzetten om
schade aan het ventiel door grind, vuil
e.d. te voorkomen.
•
Gebruik alleen kunststof dopjes. Metalen ventieldopjes kunnen roesten en
zijn moeilijk los te draaien.
BELANGRIJK
Bewaar gereedschap en krik* op de daarvoor bestemde plaats in de bagageruimte,
wanneer u ze niet nodig hebt.
330
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Gerelateerde informatie
•
Wielen verwisselen - reservewiel erbij
nemen* (p. 326)
•
Wielen verwisselen - wielen verwijderen
(p. 327)
•
•
•
•
Krik (p. 323)
Compact reservewiel* (p. 325)
Gevarendriehoek (p. 331)
Wielbouten (p. 322)
Banden - bandenspanning
Banden kunnen een verschillende bandenspanning hebben en dat wordt gemeten in de
eenheid bar.
Bandenspanning controleren
Controleer iedere maand de bandenspanning
(p. 471). Controleer de bandenspanning wanneer de banden koud zijn. De aangegeven
bandenspanning geldt bij koude banden (kan
verschillen naargelang van de buitentemperatuur). Al na enkele kilometers rijden worden
de banden warm en loopt de spanning op.
Een te lage bandenspanning heeft een negatieve inwerking op het brandstofverbruik, de
levensduur van de banden en de rijeigenschappen van de auto. Wanneer u met een te
lage bandenspanning rijdt, kunnen de banden
oververhit en beschadigd raken. De bandenspanning is van invloed op het rijcomfort, de
stuureigenschappen en de geproduceerde
weggeluiden.
N.B.
In de loop van de tijd daalt de bandenspanning. Dit is een natuurlijk verschijnsel.
De bandenspanning schommelt ook door
de omgevingstemperatuur.
09 Wielen en banden
Bandenspanningssticker
bandenspanning geadviseerd (zowel bij maximale als bij lichte belading – zie bandenspanningstabel (p. 471)).
Gerelateerde informatie
Banden - snelheidsklassen (p. 325)
09
Opbergen en uitklappen
Banden - draairichting (p. 320)
Banden - onderhoud (p. 320)
Banden - slijtage-indicator (p. 322)
G021830
•
•
•
•
Gevarendriehoek
De gevarendriehoek wordt gebruikt om
andere verkeersdeelnemers te waarschuwen
voor een stilstaande auto.
In de bandenspanningstabel voor op de portierstijl aan de bestuurderszijde (tussen vooren achterportier) staat de juiste bandenspanning voor uw auto aangegeven bij verschillende belading en snelheid. De bandenspanning staat ook in de bandenspanningstabel.
•
Bandenspanning bij gebruik van de aanbevolen bandenmaat (p. 324)
•
De ECO-bandenspanning levert brandstofbesparing (p. 307) op.
N.B.
De bandenspanning hangt af van de temperatuur.
Brandstofbesparing, ECObandenspanning
Voor een zo laag mogelijk brandstofverbruik
bij snelheden tot 160 km/h wordt de ECO-
331
09 Wielen en banden
09
||
EHBO-set*
Noodreparatieset voor banden*
De EHBO-set bevat materiaal voor het verlenen van eerste hulp.
Provisorische bandenreparatie, met behulp
van een noodreparatieset voor banden* (TMK
- Temporary Mobility Kit), wordt gebruikt om
een gat te dichten en om de bandenspanning
te controleren en aan te passen.
De noodreparatieset voor banden bestaat uit
een compressor en een bus met afdichtmiddel. Het afdichtmiddel dient om noodreparaties uit te voeren. De fles met het afdichtmiddel moet worden vervangen voordat de houdbaarheidsdatum is verstreken en tevens na
het gebruik. Het afdichtmiddel dicht banden
met een lek in het loopvlak effectief af.
Til het vloerluik op (of schuif de achterkant van de laadvloer naar voren bij
modellen met een gelede vloer en til
hierna de ondervloer op) en pak de gevarendriehoek.
Neem de gevarendriehoek uit de houder,
klap de driehoek uit en bevestig de twee
losse zijden aan elkaar.
Klap de steunpoten van de gevarendriehoek uit.
Volg de geldende bepalingen voor het
gebruik van een gevarendriehoek. Zet de
gevarendriehoek op een passend punt achter
de auto op om achteropkomend verkeer tijdig
te waarschuwen.
Zorg dat de houder met de gevarendriehoek
na gebruik stevig in de bagageruimte vastzit.
Gerelateerde informatie
•
332
Compact reservewiel* (p. 325)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Links in de bagageruimte zit een EHBO-set.
N.B.
De bandenreparatieset is uitsluitend
bedoeld voor het repareren van banden
met een lek in het loopvlak.
De noodreparatieset voor banden leent zich
minder goed voor banden met een gat in het
zijvlak. Probeer geen banden met de noodreparatieset voor banden af te dichten die grote
groeven, scheuren en dergelijke vertonen.
Sluit een compressor aan op een van de
12V-aansluitingen in de auto. Gebruik de
elektrische aansluiting die het dichtst bij de
lekke band zit.
09 Wielen en banden
N.B.
De compressor voor provisorische bandenreparatie is door Volvo getest en goedgekeurd.
Gerelateerde informatie
•
Noodreparatieset voor banden* - bediening (p. 335)
•
Noodreparatieset voor banden* - reparatieresultaat controleren (p. 337)
•
Noodreparatieset voor banden* - overzicht (p. 334)
09
Noodreparatieset voor banden* positie
Een noodreparatieset voor banden (TMK Temporary Mobility Kit) wordt gebruikt om
een gat te dichten en om de bandenspanning
te controleren en aan te passen.
Locatie noodreparatieset voor banden
Versie 2.
Zet een gevarendriehoek op bij het afdichten
van een band langs een drukke weg. De
gevarendriehoek en de noodreparatieset voor
banden zitten onder de vloer in de bagageruimte.
Versie 1.
1. Til de achterkant van de laadvloer op (bij
modellen met gelede laadvloer: pak de
handgreep vast, til de vloer op en beweeg
de achterkant van de vloer naar voren).
2. Pak het opbergvak (accessoire) weg –
alleen voor modellen met gelede laadvloer.
3. Til de ondervloer weg (alleen voor modellen met gelede laadvloer).
4. Haak het elastische deel van de band
over de linkerkant van de TMK-compressor los.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
333
09 Wielen en banden
09
||
5. Til de TMK-compressor recht omhoog.
6. Om bij de fles met afdichtmiddel te
komen, moet de fles naar links worden
geschoven tot de fles uit het schuimrubber blok kan worden getild.
N.B.
Gerelateerde informatie
•
Noodreparatieset voor banden* - overzicht (p. 334)
•
Noodreparatieset voor banden* - afdichtmiddel (p. 339)
•
Noodreparatieset voor banden* (p. 332)
Noodreparatieset voor banden* overzicht
Een noodreparatieset voor banden (TMK Temporary Mobility Kit) wordt gebruikt om
een gat te dichten en om de bandenspanning
te controleren en aan te passen.
Om bij het sleepoog/de wielsleutel in het
schuimrubber blok te komen:
•
Versie 1: Til de compressoreenheid
van de noodreparatieset voor banden
(punt 5) op om bij de wielsleutel te
komen. Til de bus met afdichtmiddel
eruit (punt 6) om bij het sleepoog te
komen.
•
Versie 2: Til de compressoreenheid
van de noodreparatieset voor banden
(punt 5) op om bij het sleepoog te
komen. De wielsleutel ligt onder de
krik.
Na gebruik moet de band weer aan de linkerkant worden vastgehaakt.
Versie 1: Haal de band achter het schuimrubber blok langs (niet eroverheen).
Versie 2: Zorgt dat de band in de haak achter
op het schuimrubber blok komt liggen.
Sticker, toegestane maximumsnelheid
Knop
Kabel
Bushouder (oranje deksel)
Beschermdop
Drukreduceerventiel
Luchtslang
Bushouder met afdichtmiddel
Manometer
334
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
09 Wielen en banden
Gerelateerde informatie
•
Noodreparatieset voor banden* - positie
(p. 333)
•
Noodreparatieset voor banden* - afdichtmiddel (p. 339)
•
•
Noodreparatieset voor banden* (p. 332)
Noodreparatieset voor banden* - onderdelen terugplaatsen (p. 338)
Noodreparatieset voor banden* bediening
Provisorische bandenreparatie, met behulp
van een noodreparatieset voor banden* (TMK
- Temporary Mobility Kit), wordt gebruikt om
een gat te dichten en om de bandenspanning
te controleren en aan te passen.
Noodreparatieset voor banden
1. Verwijder de sticker met de toegestane
maximumsnelheid (die aan de ene kant
van de compressor zit) en bevestig deze
op het stuurwiel.
09
WAARSCHUWING
De snelheid mag niet hoger dan 80 km/h
zijn nadat de provisorische bandenreparatie is gebruikt. Volvo adviseert u om een
erkende Volvo-werkplaats te bezoeken
voor een inspectie van de gerepareerde
band (maximaal 200 km rijden). Het personeel kan bepalen of de band kan worden
gemaakt of moet worden vervangen.
WAARSCHUWING
Het afdichtmiddel kan de huid irriteren. Bij
huidcontact het middel direct met zeep en
water afspoelen.
2. Controleer of de knop in stand 0 staat en
neem de kabel en de luchtslang erbij.
N.B.
Voor het gebruik de verzegeling van de
bus niet verbreken. Bij het indraaien van
de bus wordt de verzegeling automatisch
verbroken.
Voor informatie over de functie van de onderdelen, zie Noodreparatieset voor banden.
3. Draai de oranje beschermdop los evenals
de dop op de bus met afdichtmiddel.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
335
09 Wielen en banden
09
||
4. Draai de bus in de bushouder vast.
WAARSCHUWING
Draai de bus niet los, aangezien deze een
blokkering heeft om lekkage te voorkomen.
5. Draai het ventieldopje van het wiel los en
schroef de ventielaansluiting van de
luchtslang zo ver mogelijk op het ventiel
van de band.
6. Sluit de kabel op een 12V-aansluiting aan
en start de motor.
WAARSCHUWING
Laat kinderen niet zonder toezicht in de
auto achter als de motor draait.
7. Zet de knop in stand I.
WAARSCHUWING
Ga nooit naast de band staan terwijl de
compressor aan het pompen is. Bij barsten, oneffenheden en dergelijke dient u
de compressor onmiddellijk uit te schakelen. Beëindig in dat geval de rit. Het wordt
dan geadviseerd een erkende bandenwerkplaats te bezoeken.
9. Schakel de compressor uit om de bandenspanning van de manometer af te
lezen. De bandenspanning dient minimaal
1,8 bar en maximaal 3,5 bar te bedragen.
(Laat eventueel lucht ontsnappen met het
drukreduceerventiel, als de bandenspanning te hoog is.)
WAARSCHUWING
Als de bandenspanning lager is dan 1,8
bar, is het gat in de band te groot. Beëindig in dat geval de rit. Het wordt dan geadviseerd een erkende bandenwerkplaats te
bezoeken.
N.B.
Als de compressor start, kan de druk tot 6
bar toenemen. De druk daalt echter na ca.
30 seconden.
8. Vul de band 7 minuten lang met afdichtmiddel.
BELANGRIJK
Kans op oververhitting. De compressor
mag niet langer dan 10 minuten werken.
10. Schakel de compressor uit en trek de
kabel los uit de 12V-aansluiting.
11. Koppel de slang los van het ventiel en
plaats het ventieldopje terug.
12. Leg zo spoedig mogelijk na de reparatie
ca. 3 km af bij een snelheid van maximaal
80 km/h, zodat het afdichtmiddel de band
kan afdichten.
Gerelateerde informatie
336
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
•
•
Noodreparatieset voor banden* (p. 332)
•
Noodreparatieset voor banden* - overzicht (p. 334)
•
Noodreparatieset voor banden* - onderdelen terugplaatsen (p. 338)
Noodreparatieset voor banden* - reparatieresultaat controleren (p. 337)
09 Wielen en banden
Noodreparatieset voor banden* reparatieresultaat controleren
Provisorische bandenreparatie (p. 332) is
mogelijk met de noodreparatieset voor banden (p. 334)* (TMK - Temporary Mobility Kit),
die wordt gebruikt om een gat te dichten en
om de bandenspanning te controleren en aan
te passen.
Bandenspanning controleren
1. Sluit de noodreparatieset voor banden
weer aan.
2. Lees de bandenspanning van de manometer af.
•
•
Als de spanning lager is dan 1,3 bar,
werd de band onvoldoende afgedicht.
Beëindig in dat geval de rit. Neem contact op met een erkende Volvo-werkplaats.
Als de bandenspanning hoger is dan
1,3 bar, moet u de band oppompen tot
de spanning die staat aangegeven in
de bandenspanningstabel (p. 471)
(1 bar = 100 kPa). Laat lucht uit de
band ontsnappen, als de bandenspanning te hoog is.
WAARSCHUWING
Draai de bus niet los, aangezien deze een
blokkering heeft om lekkage te voorkomen.
U wordt geadviseerd om naar de dichtstbijzijnde erkende Volvo-werkplaats te rijden en
er de beschadigde band te laten vervangen/
repareren. Geef aan het werkplaatspersoneel
door dat er afdichtmiddel in de band zit.
3. Zorg dat de compressor uitstaat. Koppel
de luchtslang en de kabel los. Plaats het
ventieldopje terug.
WAARSCHUWING
De snelheid mag niet hoger dan 80 km/h
zijn nadat de provisorische bandenreparatie is gebruikt. Volvo adviseert u om een
erkende Volvo-werkplaats te bezoeken
voor een inspectie van de gerepareerde
band (maximaal 200 km rijden). Het personeel kan bepalen of de band kan worden
gemaakt of moet worden vervangen.
4. Vouw de slang in de bak een laat de fles
liggen. Leg de TMK in de bagageruimte.
N.B.
•
•
Na het oppompen van een band moet
u altijd het ventieldopje terugzetten om
schade aan het ventiel door grind, vuil
e.d. te voorkomen.
Gebruik alleen kunststof dopjes. Metalen ventieldopjes kunnen roesten en
zijn moeilijk los te draaien.
09
Gerelateerde informatie
•
Noodreparatieset voor banden* - bediening (p. 335)
•
Noodreparatieset voor banden* - onderdelen terugplaatsen (p. 338)
N.B.
Vervang de bus met afdichtmiddel en de
slang na gebruik. Volvo adviseert u het
vervangen over te laten aan een erkende
Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Controleer de bandenspanning regelmatig.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
337
09 Wielen en banden
09
Banden oppompen met de
noodreparatieset voor banden*
De originele banden van de auto kunnen worden opgepompt met behulp van de compressor in de noodreparatieset voor banden.
1. De compressor moet uitstaan. Zorg dat
de knop in stand 0 staat en neem de
kabel en luchtslang erbij.
2. Draai het ventieldopje van het wiel los en
schroef de ventielaansluiting van de
luchtslang zo ver mogelijk op het ventiel
van de band.
WAARSCHUWING
Het inademen van uitlaatgassen kan
levensgevaarlijk zijn. Laat de motor nooit
draaien in ruimten die afgesloten zijn of
onvoldoende ventilatie hebben.
WAARSCHUWING
Laat kinderen niet zonder toezicht in de
auto achter als de motor draait.
338
BELANGRIJK
Kans op oververhitting. De compressor
mag niet langer dan 10 minuten werken.
5. Pomp de band op tot de druk die in de
bandenspanningstabel staat aangegeven.
(Laat eventueel lucht ontsnappen met het
drukreduceerventiel, als de bandenspanning te hoog is.)
Noodreparatieset voor banden* onderdelen terugplaatsen
Plaats na gebruik van de noodreparatieset
voor banden de onderdelen terug in het
schuimrubber blok.
6. Schakel de compressor uit. Koppel de
luchtslang en de kabel los.
7. Plaats het ventieldopje terug.
Gerelateerde informatie
•
•
Noodreparatieset voor banden* (p. 332)
Noodreparatieset voor banden* - overzicht (p. 334)
Versie 1.
Plaats de onderdelen in de aangegeven volgorde terug in het schuimrubber blok:
1. Sleepoog/dopsleutel
2. Bus (vanaf de zijkant naar binnen duwen)
3. TMK-set
3. Sluit de kabel aan op een van de
12V-aansluitingen in de auto en start de
motor.
4. Trechter
4. Schakel de compressor in door de knop
in stand I te zetten.
7. Trekhaak
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
5. Krik
6. Torx-sleutel
09 Wielen en banden
09
Noodreparatieset voor banden* afdichtmiddel
De verpakking (bus) in de noodreparatieset
voor banden (p. 334) bevat afdichtmiddel en
is te vervangen.
Vervang de bus voordat de houdbaarheidsdatum verstreken is. Behandel de vervangen
bus als klein chemisch afval (KCA).
WAARSCHUWING
Versie 2.
De bus bevat 1,2-Ethanol en natuurrubberlatex.
Plaats de onderdelen in de aangegeven volgorde terug in het schuimrubber blok:
Gevaarlijk bij inname. Kan bij huidcontact
allergie veroorzaken.
1. Dopsleutel
Contact met de huid en ogen vermijden.
2. Sleepoog
Buiten bereik van kinderen bewaren.
3. Bus
4. TMK-set
5. Krik
Gerelateerde informatie
•
•
Noodreparatieset voor banden* (p. 332)
•
Noodreparatieset voor banden* - reparatieresultaat controleren (p. 337)
•
Noodreparatieset voor banden* - overzicht (p. 334)
Gerelateerde informatie
•
•
Noodreparatieset voor banden* (p. 332)
Noodreparatieset voor banden* - positie
(p. 333)
Noodreparatieset voor banden* - bediening (p. 335)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
339
ONDERHOUD EN SERVICE
10 Onderhoud en service
Serviceprogramma van Volvo
Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid
en betrouwbaarheid van de auto op een hoog
peil te houden, dient u de voorschriften van
het Serviceprogramma van Volvo op te volgen
zoals die omschreven staan in het Service- en
garantieboekje van Volvo.
10
Volvo adviseert u om service- en onderhoudswerkzaamheden over te laten aan een
erkende Volvo-werkplaats. Volvo-werkplaatsen beschikken over het personeel, het speciale gereedschap en de servicehandboeken
waardoor zij u een zo hoog mogelijke servicekwaliteit kunnen garanderen.
BELANGRIJK
Om de garantie van Volvo te laten gelden,
moet u het Service- en garantieboekje
controleren en volgen.
Gerelateerde informatie
•
Klimaatregeling - storingen opsporen en
verhelpen (p. 351)
341
10 Onderhoud en service
Auto opnemen
10
Bij het opnemen van de auto is het belangrijk
dat u de krik of de dragerarmen onder de
voorziene steunpunten in het onderstel van de
auto aanbrengt.
N.B.
Volvo adviseert u alleen de krik te gebruiken die bij de auto hoort. Volg bij gebruik
van een andere krik dan door Volvo geadviseerd de aanwijzingen die bij deze krik
werden geleverd.
342
10 Onderhoud en service
10
Kriksteunpunten (pijlen) voor de krik van de auto en de hefpunten (rood gemarkeerd).
Als u de auto aan de voorkant heft met een
garagekrik, moet u de krik onder een van de
twee hefpunten zetten die verder naar binnen
onder de auto zitten. Als u de auto aan de
achterkant heft met een garagekrik, moet u
de krik onder een van de hefpunten zetten.
Let erop dat u de garagekrik dusdanig aanbrengt, dat de auto er niet van af kan glijden.
Maak altijd gebruik van steunbokken of vergelijkbare hulpmiddelen.
Gerelateerde informatie
•
Wielen verwisselen - wielen verwijderen
(p. 327)
Als u de auto opneemt op een tweekoloms
hefbrug, kunt u de voorste en achterste dragerarmen onder de buitenste hefpunten (kriksteunpunten) zetten. Aan de voorkant kunt u
daarvoor ook de binnenste hefpunten gebruiken.
343
10 Onderhoud en service
Motorkap - openen en sluiten
10
Haal de borghaak naar links om de
motorkap te openen. (De borghaak zit
tussen de koplamp en de grille zoals
afgebeeld.)
De motorkap is te openen, wanneer u de
handgreep in de passagiersruimte rechtsom
hebt gedraaid en de pal bij de grille naar links
hebt gehaald.
Motorruimte - overzicht
Het overzicht geeft de standaardcontrolepunten aan.
WAARSCHUWING
Controleer of de motorkap bij sluiten goed
vergrendelt.
Gerelateerde informatie
•
•
Motorruimte - controle (p. 345)
Motorruimte - overzicht (p. 344)
De handgreep voor ontgrendeling van de motorkap zit altijd aan de linkerzijde.
Afhankelijk van het motortype kan de motorruimte er anders uitzien.
Expansiereservoir voor koelsysteem
Vulopening voor sproeiervloeistof
Radiateur
Peilstok voor motorolie1
Motorolie bijvullen
Draai de handgreep ca. 20–25 graden
rechtsom. Het is duidelijk te horen dat
vergrendeling wordt opgeheven.
1
344
Bij een motor met elektronische oliepeilsensor ontbreekt de peilstok (5-cil. diesel).
Reservoir voor rem- en koppelingsvloeistof (aan bestuurderszijde)
Startaccu
10 Onderhoud en service
Relais- en zekeringenkastje
Motorruimte - controle
Motorolie - algemeen
Luchtfilter
Bepaalde oliën en vloeistoffen dienen regelmatig gecontroleerd te worden.
Om de geadviseerde service-intervallen aan te
kunnen houden dient u een goedgekeurde
motoroliesoort te gebruiken.
WAARSCHUWING
De spanning en het vermogen van het ontstekingssysteem zijn zeer hoog. De spanning in het ontstekingssysteem is levensgevaarlijk. Houd het elektrische systeem
van de auto altijd in sleutelstand 0 bij
werkzaamheden in de motorruimte, zie
Sleutelstanden - functies in verschillende
standen (p. 72).
Regelmatig controleren
Controleer regelmatig de volgende oliën en
vloeistoffen, bijvoorbeeld tijdens het tanken:
•
•
•
Koelvloeistof
Motorolie
Sproeiervloeistof
WAARSCHUWING
Raak bougies of bobine niet aan, wanneer
het elektrische systeem van de auto in
sleutelstand II staat of als de motor warm
is.
Vergeet niet dat de radiateurventilator
(vóór in de motorruimte achter de radiateur) enige tijd na uitschakeling van de
motor automatisch kan starten.
Laat de motorreiniging altijd uitvoeren door
een werkplaats. Als de motor warm is,
bestaat er brandgevaar.
Gerelateerde informatie
•
•
10
Motorkap - openen en sluiten (p. 344)
Volvo adviseert:
Motorruimte - controle (p. 345)
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Motorkap - openen en sluiten (p. 344)
Motorruimte - overzicht (p. 344)
Koelvloeistof - peil (p. 349)
Motorolie - controleren en bijvullen (p.
346)
Sproeiervloeistof - bijvullen (p. 361)
345
10 Onderhoud en service
||
Voor ritten onder ongunstige omstandigheden, zie Motorolie - ongunstige rijomstandigheden (p. 459).
10
BELANGRIJK
Om aan de vereisten voor de gespecificeerde service-intervallen te voldoen worden alle motoren in de fabriek gevuld met
een speciaal aangepaste, synthetische
motorolie. De oliesoort werd met grote
zorg geselecteerd lettend op de levensduur van de motor, de startgewilligheid,
het brandstofverbruik en de milieu-impact.
Om de aanbevolen service-intervallen aan
te kunnen houden dient u een goedgekeurde motoroliesoort te gebruiken.
Gebruik alleen een oliesoort van de voorgeschreven kwaliteit en dat zowel bij het
bijvullen als bij het verversen van olie. Een
negatieve invloed op de levensduur van de
motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact is anders niet
uitgesloten.
Volvo Car Corporation wijst alle garantieclaims af bij gebruik van een motoroliesoort die niet voldoet aan de voorgeschreven kwaliteits- en viscositeitseisen.
Volvo adviseert de olie in een erkende
Volvo-werkplaats te laten verversen.
Volvo hanteert uiteenlopende systemen om te
waarschuwen voor een laag/hoog oliepeil of
een lage/hoge oliedruk. Bij motorvarianten
met een oliedruksensor wordt gebruikt
346
gemaakt van het waarschuwingssymbool
voor een lage oliedruk op het instrumentenpaneel. Bij varianten met een olieniveausensor wordt u geïnformeerd via een waarschuop het instrumentenpawingssymbool
neel en met displayteksten. Bepaalde varianten zijn voorzien van allebei. Neem voor meer
informatie contact op met een erkende Volvowerkplaats.
Houd voor het verversen van de motorolie en
het vervangen van het oliefilter de intervallen
aan die staan aangegeven in het Service- en
garantieboekje.
Het is toegestaan een oliesoort te gebruiken
met een hogere kwaliteit dan aangegeven.
Voor ritten onder ongunstige omstandigheden
adviseert Volvo een olie van een hogere kwaliteit, zie Motorolie - ongunstige rijomstandigheden (p. 459).
Voor de bij te vullen hoeveelheid, zie Motorolie - kwaliteit en hoeveelheid (p. 460).
Gerelateerde informatie
•
Motorolie - controleren en bijvullen (p.
346)
Motorolie - controleren en bijvullen
Afhankelijk van de motorvariant is het oliepeil
te controleren met een oliepeilstok of met
elektronische oliepeilaanduiding.
10 Onderhoud en service
5. Als de olie dichter bij het MIN-streepje
ligt, dient u 0,5 liter bij te vullen. Als de
olie daar ver onder staat, moet u wellicht
meer bijvullen.
Motor met oliepeilstok2
G021737
6. Als u het peil daarna nogmaals wenst te
controleren, moet u dat na enige tijd rijden doen. Herhaal vervolgens de stappen
1–4.
Peilstok en vulbuis.
Bij een nieuwe auto is het belangrijk om het
oliepeil te controleren, voordat de olie voor de
eerste keer volgens schema moet worden
ververst.
Volvo adviseert u het oliepeil om de 2500 km
te controleren. De betrouwbaarste meting
wordt verkregen bij een koude motor vóór de
start. Meteen na het afzetten van de motor
krijgt u een verkeerd resultaat. De peilstok
geeft dan een te laag peil aan, omdat de olie
geen tijd heeft gehad om terug te lopen naar
het oliecarter.
2
Betreft alleen benzine- en 4-cil. dieselmotor.
De olie moet tussen het MIN- en MAX-streepje
staan.
Peil meten en zo nodig corrigeren
1. Zorg dat de auto op een vlakke ondergrond geparkeerd staat. Het is belangrijk
dat u na het afzetten van de motor ten
minste 5 minuten wacht, zodat de olie
weer kan teruglopen in het oliecarter.
10
WAARSCHUWING
Vul nooit bij tot boven de MAX-aanduiding. De olie mag nooit boven MAX of
onder MIN staan om motorschade tegen
te gaan.
WAARSCHUWING
Mors geen olie op de hete uitlaatspruitstukken, aangezien er dan brand kan ontstaat.
2. Trek de peilstok tevoorschijn en veeg
deze schoon.
3. Steek de peilstok weer naar binnen.
4. Trek de peilstok tevoorschijn en controleer het peil.
}}
347
10 Onderhoud en service
||
Motor met elektronische
oliepeilaanduiding3
BELANGRIJK
Vul bij het verschijnen van de melding
Oliepeil laag 0,5 liter bijvullen slechts
0,5 liter bij.
10
N.B.
Vulbuis4.
U hoeft het motoroliepeil niet aan te passen,
voordat er een melding op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel verschijnt,
zie volgende afbeelding.
Melding en grafische weergave op display. Het
linker display toont een digitaal instrumentenpaneel en het rechter een analoog.
Melding
Motoroliepeil
Wanneer de motor afgezet is, kunt u bij
bepaalde auto’s het duimwiel gebruiken om
het oliepeil te laten controleren door de elektronische oliepeilsensor.
WAARSCHUWING
Bij het verschijnen van de melding
Olieservice vereist een werkplaats
opzoeken. Het oliepeil is mogelijk te hoog.
3
4
348
Betreft alleen 5-cil. dieselmodel.
Bij een motor met elektronische oliepeilsensor ontbreekt de peilstok (5-cil. diesel).
Het systeem detecteert het oliepeil alleen
tijdens het rijden. Na het bijvullen of aftappen van olie duurt het even voordat het
systeem wijzigingen in het oliepeil kan
waarnemen. De auto dient ca. 30 km te rijden, voordat het weergegeven oliepeil correct is.
WAARSCHUWING
Vul niet meer olie bij, als niveau (3) of (4)
verschijnt zoals aangegeven op de afbeelding. De olie mag nooit boven MAX of
onder MIN staan om motorschade tegen
te gaan.
WAARSCHUWING
Mors geen olie op de hete uitlaatspruitstukken, aangezien er dan brand kan ontstaat.
10 Onderhoud en service
Oliepeil meten
Koelvloeistof - peil
Voor controle van het oliepeil de onderstaande volgorde aanhouden.
De koelvloeistof koelt de verbrandingsmotor
af tot de juiste bedrijfstemperatuur. De
warmte die de motor overdraagt op de koelvloeistof kan worden benut voor verwarming
van de passagiersruimte.
1. Activeer sleutelstand II, zie Sleutelstanden - functies in verschillende standen (p.
72).
2. Draai het duimwiel op de linker stuurhendel naar stand Oliepeil.
> Vervolgens verschijnt informatie over
het motoroliepeil.
De koelvloeistof moet tussen het MIN- en
MAX-streepje op het expansiereservoir staan.
Peil controleren en bijvullen
WAARSCHUWING
De koelvloeistof kan zeer heet zijn. Als er
moet worden bijgevuld terwijl de motor
warm is, moet u de dop voorzichtig van
het expansievat draaien zodat de overdruk
verdwijnt.
10
Voor de aan te houden hoeveelheden en de
aanbevolen vloeistofkwaliteit, zie Koelvloeistof - kwaliteit en hoeveelheid (p. 462).
Controleer de koelvloeistof regelmatig
De vloeistof moet tussen het MIN- en MAXstreepje op het expansiereservoir staan. Als u
het reservoir niet goed gevuld houdt, kan de
temperatuur in het systeem dusdanig hoog
oplopen dat er gevaar voor motorschade ontstaat.
De cijfers 1–4 geven het niveau aan. Vul niet
meer olie bij, als niveau (3) of (4) staat aangegeven. Het geadviseerde niveau is 4. Melding en
grafische weergave op display. Het linker display
toont een digitaal instrumentenpaneel en het
rechter een analoog.
Gerelateerde informatie
•
Motorolie - algemeen (p. 345)
Volg de aanwijzingen op de verpakking op.
Het is belangrijk dat u verhouding tussen
koelvloeistof en water afstemt op de heersende weersomstandigheden. Vul het reservoir nooit alleen met schoon water. Het
gevaar voor bevriezing neemt toe, zowel wanneer de concentratie koelvloeistof te laag is
als wanneer deze te hoog is.
349
10 Onderhoud en service
BELANGRIJK
•
10
•
Gebruik altijd een koelvloeistof met
roestwerende eigenschappen volgens
de aanbevelingen van Volvo.
•
Let erop dat het koelvloeistofmengsel
altijd voor 50 % uit water en voor
50 % uit koelvloeistof bestaat.
•
•
•
350
Hoge concentraties chloor, chloriden
en andere zoutverbindingen kunnen
aanleiding geven tot corrosie in het
koelsysteem.
Leng de koelvloeistof aan met leidingwater van goede kwaliteit. Gebruik bij
twijfel over de waterkwaliteit altijd een
kant-en-klare koelvloeistof volgens de
aanbevelingen van Volvo.
Wanneer u overstapt op een ander
soort koelvloeistof of een nieuw koelsysteemonderdeel hebt gemonteerd,
dient u het koelsysteem schoon te
spoelen met leidingwater van goede
kwaliteit of met kant-en-klare koelvloeistof.
De motor mag alleen draaien met een
goed gevuld koelsysteem. Als dat niet
het geval is, kunnen er hoge temperaturen optreden met gevaar voor
beschadiging (barsten) van de cilinderkop.
Rem- en koppelingsvloeistof - peil
Bijvullen
De rem- en koppelingsvloeistof moet tussen
de MIN- en MAX-streepjes staan.
Peil controleren
De rem- en koppelingsvloeistof zitten in hetzelfde reservoir. De vloeistof moet tussen het
MIN- en MAX-streepje staan die aan de buitenkant van het reservoir zichtbaar zijn. Controleer het peil regelmatig.
Ververs de remvloeistof om de twee jaar of
iedere tweede geplande servicebeurt.
Voor de aan te houden hoeveelheden en de
aanbevolen remvloeistofkwaliteit, zie Remvloeistof - kwaliteit en hoeveelheid (p. 464).
Wanneer u vaak met uw auto in de bergen of
in landen met een tropisch klimaat en een
hoge relatieve luchtvochtigheidsgraad rijdt,
dient u de remvloeistof ieder jaar te verversen.
WAARSCHUWING
Als de remvloeistof onder het MIN-niveau
in het remvloeistofreservoir ligt, mag u pas
verder rijden als de remvloeistof is bijgevuld. Volvo adviseert om de oorzaak voor
het remvloeistofverlies door een erkende
Volvo-werkplaats te laten controleren.
Het vloeistofreservoir zit aan de bestuurderszijde.
Draai de dop van het reservoir los en vul
vloeistof bij. De vloeistof moet tussen het
MIN- en MAX-streepje staan (aan de binnenkant van het reservoir).
BELANGRIJK
Denk eraan de afdekking te plaatsen.
10 Onderhoud en service
Klimaatregeling - storingen opsporen
en verhelpen
Service en reparatie aan het aircosysteem
mogen uitsluitend door een erkende werkplaats worden uitgevoerd.
Storingen opsporen en verhelpen
De airconditioning bevat een fluorescerend
traceermiddel. Gebruik ultraviolet licht voor
het zoeken van lekkage.
Volvo adviseert u daarvoor contact op te
nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
In de installatie voor airconditioning zit
koudemiddel R134a onder druk. Service
en reparatie aan het systeem mogen uitsluitend door een erkende werkplaats worden uitgevoerd.
Gerelateerde informatie
•
Serviceprogramma van Volvo (p. 341)
Lamp vervangen
Het is mogelijk de gloeilampen te vervangen.
Wend u voor vervanging van led- en xenonlampen tot een werkplaats.
De gloeilampen zijn gespecificeerd (p. 358).
Gloeilampen en andere lichtbronnen van een
bijzonder type zoals led5-lampen of lampen
die u om andere redenen alleen in een werkplaats moet laten vervangen, zijn die in:
•
Actieve xenon-koplampen - ABL (xenonlampen)
•
•
•
Stadslichten/parkeerlichten vóór6
•
•
•
•
•
•
•
Dagrijlicht6
Zijdelings gemonteerde richtingaanwijzers, buitenspiegels6
Approach-verlichting, buitenspiegels
Verlichting interieur en bagageruimte
Verlichting dashboardkastje
Achterlichten/parkeerlichten achter
Sidemarkers achter
Derde remlicht
Kentekenplaatverlichting.
WAARSCHUWING
Als de auto is voorzien van xenonkoplampen, moet u de xenonlampen door een
werkplaats laten vervangen – geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Werkzaamheden aan de xenonkoplampen
vergen de nodige voorzichtigheid, aangezien dergelijke koplampen zijn voorzien
van een ontstekingsgedeelte dat een hoge
spanning opwekt.
10
WAARSCHUWING
Bij het vervangen van een lamp moet het
elektrische systeem van de auto in sleutelstand 0 staan, zie Sleutelstanden - functies
in verschillende standen (p. 72).
BELANGRIJK
Raak het glas van de gloeilampen nooit
rechtstreeks met uw vingers aan. Vet van
uw vingers wordt door de warmte verdampt en zorgt voor een laagje op de
reflector die dan kapot kan gaan.
N.B.
Als een foutmelding niet verdwijnt nadat
de kapotte gloeilamp is vervangen, dan
wordt u geadviseerd een erkende Volvowerkplaats te bezoeken.
5
6
Lichtdioden (Light Emitting Diode)
Bepaalde varianten
351
10 Onderhoud en service
||
N.B.
Bij de externe verlichting zoals de koplampen, mistlampen en achterlichten kan tijdelijk condens optreden aan de binnenkant van het lampglas. Dit is een natuurlijk
verschijnsel en alle externe verlichting is
erop gebouwd om dit zoveel mogelijk te
voorkomen. Condens verdwijnt normaal uit
het lamphuis, wanneer de lamp enige tijd
brandt.
10
Lamp vervangen - positie lampen
voorzijde
Het overzicht geeft de positie aan van de lampen aan de voorzijde.
Lamp vervangen - koplampen
Alle gloeilampen in het koplamphuis zijn te
vervangen door eerst het complete koplamphuis via de motorruimte los te nemen en te
verwijderen.
Gerelateerde informatie
•
•
Lampen - specificaties (p. 358)
Lamp vervangen - positie lampen voorzijde (p. 352)
•
Lamp vervangen - positie lampen achterzijde (p. 356)
•
Lamp vervangen - verlichting makeupspiegel (p. 358)
Stadslichten/parkeerlichten (p. 355) (led
bij xenon-koplampen)
Groot licht bij halogeen-koplampen (p.
354) / Verstralers bij xenon-koplampen (p.
354)
Dimlicht bij halogeen-koplampen (p.
354) / Xenonverlichting bij xenon-koplampen (p. 351)
Richtingaanwijzer (p. 355)
Dagrijlicht (p. 356) (led* of gloeilamp
afhankelijk van de variant)
Gerelateerde informatie
•
•
352
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Lamp vervangen (p. 351)
Lampen - specificaties (p. 358)
1.
2.
3.
Verwijder de motorkapvergrendeling.
Draai de schroef los met een torxsleutel (T30).
Draai de borgpen rechtsom.
Trek de borgpen weg.
10 Onderhoud en service
4.
Haal het koplamphuis los door het
beurtelings te kantelen en naar buiten te
trekken.
BELANGRIJK
•
Lampen verwisselen - afdekkap groot-/
dimlichtlampen (p. 353)
•
Lampen verwisselen - afdekkap
groot-/dimlichtlampen
Lampen - specificaties (p. 358)
De groot-/dimlichtlampen zijn bereikbaar door
de grotere afdekkap van de koplamp los te
maken.
10
Wees voorzichtig bij het eruit tillen van de
koplamp, zodat er geen onderdelen
beschadigd raken.
5.
Druk de borghaak omlaag.
Koppel de connector los.
Leg de koplamp op een zachte ondergrond neer om krassen op de lens te
voorkomen.
BELANGRIJK
Trek niet aan de kabel, maar alleen aan de
connector.
6. Vervang de desbetreffende gloeilamp volgens de aanwijzingen.
De koplamp moet gemonteerd zijn en de connector moet correct zijn aangesloten voordat
de verlichting wordt geactiveerd of van sleutelstand wordt gewisseld.
Gerelateerde informatie
•
•
Lamp vervangen (p. 351)
Lamp vervangen - positie lampen voorzijde (p. 352)
1.
Druk de haken in.
Haal de afdekking onder een hoek
naar buiten.
2. Vervang de desbetreffende gloeilamp volgens de aanwijzingen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Lamp vervangen - koplampen (p. 352)
Lamp vervangen - dimlicht (p. 354)
Lamp vervangen - groot licht (p. 354)
Lamp vervangen - verstraler (p. 354)
353
10 Onderhoud en service
Lamp vervangen - dimlicht
Lamp vervangen - groot licht
Lamp vervangen - verstraler
De dimlichtlamp zit achter de grote afdekking
in het koplamphuis.
De grootlichtlamp zit achter de grote afdekking in het koplamphuis.
De verstralerlamp zit achter de grote afdekking in het koplamphuis.
N.B.
10
N.B.
Geldt voor auto’s met halogeenkoplampen.
1. Neem de koplamp (p. 352) los.
2. Maak de afdekking (p. 353) los.
2. Maak de afdekking (p. 353) los.
3.
3.
Trek de lamphouder naar buiten.
4. Vervang de gloeilamp en monteer de
onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
Gerelateerde informatie
•
354
Geldt voor auto’s met halogeenkoplampen.
1. Neem de koplamp (p. 352) los.
Druk de lamphouder omhoog totdat
deze loskomt.
Lampen - specificaties (p. 358)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
N.B.
Geldt voor auto’s met xenon-koplampen*.
1. Neem de koplamp (p. 352) los.
2. Maak de afdekking (p. 353) los.
3.
Draai de lamphouder linksom.
Trek de lamphouder naar buiten.
Druk de lamphouder omhoog totdat
deze loskomt.
Trek de lamphouder naar buiten.
4. Vervang de gloeilamp en monteer de
onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
4. Vervang de gloeilamp en monteer de
onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
Gerelateerde informatie
Gerelateerde informatie
•
Lampen - specificaties (p. 358)
•
Lampen - specificaties (p. 358)
10 Onderhoud en service
Lampen vervangen richtingaanwijzers voorzijde
Lamp vervangen - stadslichten/
parkeerlichten vóór
De richtingaanwijzerlamp zit achter de kleine
afdekking in het koplamphuis.
De houder voor de stadslichten vóór en de
parkeerlichten zit aan de zijkant van de koplamp.
Gerelateerde informatie
•
Lampen - specificaties (p. 358)
10
N.B.
Geldt niet voor auto’s met xenon-koplampen*, omdat deze zijn voorzien van ledlampen.
1. Neem de koplamp (p. 352) los.
2.
Maak de afdekking los.
3.
Druk de borghaak in.
Trek de lamphouder naar buiten.
4. Vervang de gloeilamp en monteer de
onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
Gerelateerde informatie
•
Lampen - specificaties (p. 358)
1. Neem de koplamp (p. 352) los.
2.
Draai de lamphouder linksom.
Trek de lamphouder naar buiten.
3. Vervang de gloeilamp en monteer de
onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
355
10 Onderhoud en service
Lamp vervangen - dagrijlicht
De dagrijlichtlamp zit achter de afdekking in
de bumper.
N.B.
10
Lamp vervangen - positie lampen
achterzijde
Lamp vervangen - richtingaanwijzers
achter, rem- en achterlichten
Het overzicht geeft de positie aan van de lampen aan achterzijde.
U vervangt de richtingaanwijzers achter, de
rem- en achteruitrijlichten vanaf de binnenkant van de bagageruimte.
Geldt alleen voor dagrijlicht met gloeilampen.
Remlicht (led)
Remlichten (p. 356)
1. Verwijder het klepje in de bekleding (1)
aan de kant waar de kapotte gloeilamp
zit.
Sidemarkers (led)
2.
Achterlicht/parkeerlicht (led)
1.
Maak de afdekking los.
2.
Draai de lamphouder linksom.
Richtingaanwijzer (p. 356)
Trek de lamphouder naar buiten.
Achteruitrijlicht (p. 356)
3. Vervang de gloeilamp en monteer de
onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
Gerelateerde informatie
•
356
Lampen - specificaties (p. 358)
Mistlichten (p. 357)
Gerelateerde informatie
•
•
Lamp vervangen (p. 351)
Lampen - specificaties (p. 358)
Druk de borghaak opzij.
Trek de lamphouder naar buiten.
3. Haal de kapotte gloeilamp los door deze
in te duwen en linksom te draaien.
4. Vervang de gloeilamp en monteer de
onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
10 Onderhoud en service
Gerelateerde informatie
•
Lamp vervangen - positie lampen achterzijde (p. 356)
•
Lampen - specificaties (p. 358)
Lamp vervangen - mistachterlicht
Draai de lamphouder linksom.
De mistachterlichtlamp zit in de lamphouder
van bumper.
Trek de lamphouder naar buiten.
3. Vervang de gloeilamp en monteer de
onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
10
Gerelateerde informatie
•
Lampen - specificaties (p. 358)
Steek een stomp, op een mes lijkend
voorwerp, zoals een tafelmes, (ca.20 mm)
bij de driehoek naar binnen.
Werk de borgnok voorzichtig los.
BELANGRIJK
Wees voorzichtig, zodat er geen onderdelen beschadigd raken.
357
10 Onderhoud en service
Lamp vervangen - verlichting makeupspiegel
10
De lampjes voor de verlichting van de makeupspiegel zitten achter de lensjes.
Lampen - specificaties
Verlichting
1. Steek een schroevendraaier achter het
lampglas om het borgnokje aan de rand
voorzichtig los te werken.
2. Haal het lampglas voorzichtig los en verwijder het.
3. Trek de gloeilamp met een rondbektang
recht opzij. Klem de tang niet te hard,
anders kan het glas van de lamp kapot
gaan.
4. Vervang de gloeilamp en monteer de
onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
Gerelateerde informatie
•
358
Lampen - specificaties (p. 358)
Verlichting
De specificaties gelden voor gloeilampen.
Wend u voor vervanging van led- en xenonlampen tot een werkplaats.
[W]A
Type
Mistachterlicht
21
H21W LL
Verlichting makeupspiegel
1,2
Lampvoet
T5; W2x4,6d
[W]A
Type
DimlichtB
55
H7 LL
Groot lichtB
65
H9
VerstralersC
55
H7 LL
Richtingaanwijzers
voorzijde
21
HY21W
•
•
Stadslichten/
parkeerlichten
vóórB
5
W5W LL
•
Lamp vervangen - positie lampen achterzijde (p. 356)
•
DagrijlichtD
19
PW19W
Lamp vervangen - verlichting makeupspiegel (p. 358)
Zijdelings gemonteerde richtingaanwijzers, buitenspiegelsD
5
WY5W LL
Richtingaanwijzers
achter
21
PY21W LL
Remlichten
21
P21W LL
Achteruitrijlicht
21
P21W LL
A
B
C
D
Watt
Auto’s met halogeenkoplampen
Auto’s met xenonkoplampen
Bepaalde varianten
Gerelateerde informatie
Lamp vervangen (p. 351)
Lamp vervangen - positie lampen voorzijde (p. 352)
10 Onderhoud en service
Wisserbladen
De wisserbladen vegen neerslag van de vooren achterruit. In combinatie met sproeiervloeistof reinigen ze de ruiten voor een goed zicht
tijdens het rijden.
Om de wisserbladen van de voorruit te kunnen vervangen moeten deze eerst in de servicestand worden gezet.
Servicestand
BELANGRIJK
Voordat de wisserbladen in de servicestand worden gezet, moet u controleren of
ze niet vastgevroren zijn.
1. Steek de transpondersleutel in het contactslot7 en druk kort op de knop START/
STOP ENGINE om het elektrische systeem van de auto in de sleutelstand I te
zetten. Voor gedetailleerde informatie
over sleutelstanden, zie Sleutelstanden functies in verschillende standen (p. 72).
BELANGRIJK
Als de wisserarmen in de servicestand van
de voorruit af zijn gehaald, moeten ze
tegen de voorruit worden teruggeklapt
voordat de wissers weer naar de oorspronkelijke stand terug mogen keren. Dit
gebeurt om te voorkomen dat de lak op de
motorkap beschadigd raakt.
10
Wisserbladen vervangen
2. Druk nogmaals kort op de knop START/
STOP ENGINE om het elektrische systeem van de auto in de sleutelstand 0 te
zetten.
Wisserbladen in servicestand.
De wisserbladen dienen in de servicestand te
staan om ze te kunnen vervangen, reinigen of
optillen (bijvoorbeeld om ijs van de voorruit te
krabben).
7
Niet nodig bij auto met Keyless-functie.
3. Beweeg binnen 3 seconden de rechter
stuurhendel omhoog en houd deze
ca. 1 seconde in deze stand.
> De ruitenwisserarmen gaan dan verticaal staan.
De wisserbladen keren terug naar de beginstand met een korte druk op de knop START/
STOP ENGINE om het elektrische systeem
van de auto in de sleutelstand I te zetten (of
bij het starten van de auto).
}}
359
10 Onderhoud en service
||
Wisserbladen vervangen, achterklep
Klap de wisserarm omhoog als deze in de
servicestand staat. Druk op de knop die
op de wisserbladhouder zit en trek het
wisserblad evenwijdig aan de wisserarm
los.
Duw het nieuwe wisserblad zo ver naar
binnen dat u een klik hoort.
Controleer of het blad goed vastzit.
4. Klap de wisserarm terug op de voorruit.
De wisserbladen keren terug vanuit de servicestand naar de beginstand met een korte
druk op de knop START/STOP ENGINE om
het elektrische systeem van de auto in de
sleutelstand I te zetten (of bij het starten van
de auto).
G021763
10
N.B.
De wisserbladen hebben een verschillende
lengte. Het blad aan de bestuurderskant is
langer dan dat aan de passagierskant.
WAARSCHUWING
Aangezien de auto is uitgerust met een
voetgangersairbag (Pedestrian Airbag)
adviseert Volvo u om originele wisserarmen te gebruiken en deze alleen door originele onderdelen te vervangen.
1. Klap de wisserarm uit.
2. Pak het wisserblad aan de binnenkant (bij
de pijl) beet.
3. Draai het wisserblad linksom om de aanslag op de wisserarm als hefboom te
gebruiken zodat het wisserblad gemakkelijker loskomt.
4. Duw het nieuwe wisserblad vast. Controleer of het goed vastzit.
5. Klap de wisserarm terug.
Schoonmaken
Voor het schoonmaken van de wisserbladen
en de voorruit, zie Wasstraat (p. 375).
360
10 Onderhoud en service
BELANGRIJK
Controleer de bladen regelmatig. Verwaarloosd onderhoud verkort de levensduur
van de bladen.
Sproeiervloeistof - bijvullen
Startaccu
Om de koplampen en ruiten schoon te houden wordt sproeiervloeistof gebruikt. Gebruik
tijdens de wintermaanden sproeiervloeistof
met antivries.
De rijomstandigheden, de rijstijl, het aantal
startpogingen, de weersomstandigheden e.d.
zijn van invloed op de levensduur en de werking van de accu.
Gerelateerde informatie
•
10
De startaccu is een traditionele 12V-accu.
Sproeiervloeistof - bijvullen (p. 361)
•
Koppel de startaccu nooit los, terwijl de
motor loopt.
•
Controleer of de kabels van de startaccu
op de juiste manier zijn aangesloten en
stevig vastzitten.
WAARSCHUWING
De sproeiers van de voorruit en de koplampen staan in verbinding met hetzelfde vloeistofreservoir.
BELANGRIJK
Gebruik in de winter sproeiervloeistof met
antivries, zodat de vloeistof niet vastvriest
in pomp, reservoir en slangen.
Voor de hoeveelheden, zie Sproeiervloeistof kwaliteit en hoeveelheid (p. 464).
•
De startaccu kan het zeer explosieve
knalgas produceren. Eén enkele vonk,
veroorzaakt door een onjuiste aansluiting van een startkabel, kan volstaan
om de accu tot ontploffing te brengen.
•
De startaccu bevat tevens zwavelzuur
dat ernstige chemische brandwonden
kan veroorzaken.
•
Als u accuzuur in uw ogen krijgt of op
uw huid of kleren morst, moet u
onmiddellijk met grote hoeveelheden
water spoelen. Neem onmiddellijk contact op met een arts, als u accuzuur in
uw ogen krijgt.
Gerelateerde informatie
•
Wisserbladen (p. 359)
361
10 Onderhoud en service
||
BELANGRIJK
10
N.B.
Bij opladen van de startaccu mag alleen
een traditionele acculader worden
gebruikt.
Als de startaccu vaak ontladen wordt,
heeft dat een negatief effect op zijn levensduur.
De levensduur van de startaccu wordt
door meerdere factoren beïnvloed, o.a. de
rijomstandigheden en het klimaat. De
startcapaciteit van de accu daalt in de
loop van de tijd geleidelijk en daarom moet
de accu worden opgeladen als de auto
langere tijd niet wordt gebruikt of als er
alleen korte ritten mee worden gemaakt.
Extreme kou beperkt de startcapaciteit
ook.
BELANGRIJK
Bij het negeren van het volgende valt na
aansluiting van een externe startaccu of
acculader de energiebesparingsfunctie
voor het infotainmentsysteem mogelijk tijdelijk uit en/of verschijnt er tijdelijk geen
melding over de ladingstoestand van de
startaccu op het informatiedisplay van het
instrumentenpaneel:
Om de startaccu in een goede conditie te
houden, adviseren wij om minimaal 15
minuten per week te rijden of de accu aan
te sluiten op een acculader met automatisch onderhoudsladen.
•
De minpool van de startaccu in de
auto mag nooit worden gebruikt voor
aansluiting van een externe startaccu
of acculader – alleen het autochassis
dient als massapunt te worden
gebruikt.
Zie Starten met hulpaccu (p. 278) voor een
beschrijving van de locatie van de kabelklemmen en de manier van aansluiten.
Een startaccu die constant volledig opgeladen wordt gehouden, heeft een maximale levensduur.
Symbolen op de accu
Draag een veiligheidsbril.
Zie voor meer informatie
het instructieboekje dat
bij de auto hoort.
Bewaar accu’s buiten het
bereik van kinderen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
362
Accu - symbolen
Op de accu zitten symbolen die informatie
verstrekken en waarschuwen.
Accu - symbolen (p. 362)
Startaccu - vervangen (p. 363)
Accu - Start/Stop (p. 363)
De accu bevat een bijtend zuur.
10 Onderhoud en service
Vermijd vonken en open
vuur.
Explosiegevaar.
Startaccu - vervangen
Accu - Start/Stop
Laat de hulpaccu vervangen in een erkende
werkplaats.
Auto’s met Start/Stop-systeem hebben
behalve de startaccu ook een hulpaccu.
De startaccu is een traditionele 12V-accu.
Start/Stop
Volvo adviseert accu’s te laten vervangen
door een erkende werkplaats – geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats. Voor
meer informatie over de startaccu van de
auto - zie Starten met hulpaccu (p. 278).
Een auto met Start/Stop-systeem is voorzien
van twee 12V-accu’s – één extra krachtige
startaccu en een hulpaccu die gebruikt wordt
voor de startprocedure middels het
Start/Stop-systeem.
10
Voor meer informatie over het Start/Stop-systeem, zie Start/Stop* (p. 287).
Bestemd voor inzameling.
Voor meer informatie over de startaccu van
de auto, zie Starten met hulpaccu (p. 278) en
Startaccu - specificatie (p. 474).
N.B.
Een defecte startaccu moet op een milieuvriendelijke manier worden verwerkt - deze
bevat namelijk lood.
Gerelateerde informatie
•
•
Startaccu (p. 361)
Accu - Start/Stop (p. 363)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
363
10 Onderhoud en service
||
Accu
KoudestartvermogenA,
CCA (A)
10
AfmetingenB,
l×b×h
(mm)
Capaciteit (Ah)
A
B
C
D
Start
Hulp
Startaccu specificatie (p.
474)
120C
278×175×190C
150×90×106C
315×175×190D
150×90×130D
70C
8C
80D
10D
Volgens EN-norm.
Maximale afmetingen.
Handgeschakelde versnellingsbak.
Automatische versnellingsbak.
Bij vervanging van de startaccu van een
auto met Start/Stop-systeem moet u het
juiste type accu monteren: EFB8 bij een
auto met een handgeschakelde versnellingsbak en AGM9 bij een auto met een
automatische versnellingsbak.
364
•
Hoe hoger de stroomafname in de
auto (extra koeling/verwarming e.d.),
hoe meer de accu’s moeten worden
bijgeladen = hoe hoger het brandstofverbruik.
•
Wanneer de capaciteit van de startaccu tot onder de ondergrens is
gedaald, wordt het Start/Stop-systeem
uitgeschakeld.
180D
BELANGRIJK
8
9
10
11
N.B.
Een tijdelijke functiebeperking van het
Start/Stop-systeem op grond van een hoge
stroomafname houdt het volgende in:
•
Auto-start motor10 werkt zonder dat u de
koppeling bedient (handmatige versnellingsbak).
•
De motor start automatisch zonder dat u
uw voet van het rempedaal haalt (automatische versnellingsbak).
Enhanced Flooded Battery
Absorbed Glass Mat
Auto-start is alleen mogelijk, als de versnellingspook in de neutraal staat.
Zie Startaccu (p. 361) voor een uitvoerige beschrijving van de startaccu.
Locatie accu’s
(1) Startaccu11 (2) Hulpaccu
De hulpaccu vergt doorgaans niet meer service dan de normale startaccu. Neem bij vragen of problemen contact op met een werkplaats - geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
10 Onderhoud en service
BELANGRIJK
N.B.
Bij het negeren van het volgende valt het
Start/Stop-systeem mogelijk tijdelijk uit na
aansluiting van een externe startaccu of
acculader:
Als de startaccu dermate ontladen is dat
alles ‘zwart’ is en alle elektrische standaardsystemen van de auto’s nagenoeg
uitgeschakeld zijn en u de motor vervolgens start met een externe accu of acculader, zal het Start/Stop-systeem actief zijn.
Auto-stop van de motor is in dat geval
mogelijk, maar het Start/Stop-systeem kan
na auto-stop van de motor mogelijk geen
auto-start uitvoeren door onvoldoende
capaciteit van de startaccu.
•
De minpool van de startaccu in de
auto mag nooit worden gebruikt voor
aansluiting van een externe startaccu
of acculader – alleen het autochassis
dient als massapunt te worden
gebruikt.
Zie Starten met hulpaccu (p. 278) voor een
beschrijving van de locatie van de kabelklemmen en de manier van aansluiten.
Voor een geslaagde auto-start ná autostop dient de accu eerst te worden opgeladen. Bij een buitentemperatuur van
+15 °C moet de accu ten minste 1 uur lang
worden opgeladen. Bij lagere buitentemperaturen wordt een laadduur geadviseerd
van 3–4 uur. Geadviseerd wordt de accu
op te laden met een externe acculader.
Als iets dergelijks niet voorhanden is,
wordt geadviseerd het Start/Stop-systeem
uit te schakelen totdat de startaccu voldoende bijgeladen is.
Voor meer informatie over het opladen van
de startaccu van de auto, zie Startaccu (p.
361).
Zekeringen - algemeen
Om te voorkomen dat de elektrische systemen van de auto beschadigd raken door kortsluiting of overbelasting, worden alle verschillende elektrische functies en onderdelen door
een aantal zekeringen beschermd.
10
Als een van de elektrische onderdelen of
functies niet werkt, is het mogelijk dat de bijbehorende zekering overbelast werd en daardoor gesmolten is. Als dezelfde zekering herhaaldelijk doorbrandt, betekent dit dat het bijbehorende onderdeel een storing vertoont. U
wordt dan geadviseerd een bezoek te brengen aan een erkende Volvo-werkplaats voor
een controle.
Vervangen
1. Zoek in de zekeringentabel op waar de
zekering zit.
2. Trek de zekering naar buiten en bekijk
deze van opzij om te kijken of het gebogen draadje soms doorgebrand is.
3. Breng in dat geval een nieuwe zekering
aan met dezelfde kleur en hetzelfde
amperage.
Gerelateerde informatie
•
Accu - symbolen (p. 362)
365
10 Onderhoud en service
||
WAARSCHUWING
10
Gebruik nooit een vreemd voorwerp of een
zekering met meer ampère dan gespecificeerd om een zekering te vervangen. Dit
kan aanzienlijke schade aan het elektrische systeem veroorzaken en mogelijk tot
brand leiden.
Positie relais- en zekeringhouders
Positie van de relais- en zekeringhouders,
auto met het stuur links – bij auto’s met het
stuur rechts zit de relais- en zekeringhouder
onder het dashboardkastje aan de andere
kant.
Motorruimte
Onder dashboardkastje
Onder de rechter voorstoel
366
Gerelateerde informatie
•
•
•
Zekeringen - in motorruimte (p. 367)
Zekeringen - onder dashboardkastje (p.
370)
Zekeringen - onder rechter voorstoel (p.
373)
10 Onderhoud en service
Zekeringen - in motorruimte
De zekeringen in de motorruimte beschermen
o.a. de motor- en remfuncties.
10
Aan de binnenkant van het deksel zit een
speciale trekker waarmee u de zekeringen
gemakkelijker kunt verwijderen en aanbrengen.
In de relais- en zekeringhouder is tevens
plaats voor enkele reservezekeringen.
Deksel verwijderen
Haal de borgnokken naar buiten toe
die aan de zijkanten van het deksel op de
startaccu zitten.
Neem het deksel recht omhoog eraf.
Zekeringen vervangen
De zekeringen zijn te bereiken, wanneer u het
deksel van de startaccu en het deksel van de
relais- en zekeringhouder hebt verwijderd.
}}
367
10 Onderhoud en service
||
Posities
De sticker in het deksel toont de plaats van
de zekeringen.
10
Haal de borgnok opzij die op de zijkant van de relais- en zekeringhouder zit.
Draai het deksel omhoog, totdat de
borgnokken (1) loskomen.
•
De zekeringen 7–18 zijn van het type
‘JCASE’ en moeten worden vervangen
door een werkplaats12.
•
De zekeringen 19–45 en 47–48 zijn van
het type ‘MiniFuse’.
Functie
A
ABS-pomp
40
ABS-ventielen
30
Koplampsproeiers*
20
Interieurventilator
40
–
Hoofdzekering voor de zekeringen 32–36
–
Klap het deksel naar de motor toe open
om bij de zekeringen te komen.
Deksel terugplaatsen
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde terug.
12
368
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Elektrische voorruitverwarming,
rechterkant*
–
Elektrische voorruitverwarming,
linkerkant*
–
30
–
40
–
40
Functie
A
Standverwarming*
20
Ruitenwissers
20
Centrale elektronicamodule,
referentiespanning hulpaccu
5
Claxon
15
Remlichten
5
–
–
Bedieningspaneel verlichting
5
Interne relaisspoelen
5
12V-aansluiting middenconsole
voor
15
Transmissieregelmodule
15
Magneetkoppeling A/C (benzine,
4-cil. diesel)
15
12V-aansluiting middenconsole
achter
15
Klimaatsensor*; klepmotoren
luchtinlaat
10
Motorregelmodule (5-cil.)
5
10 Onderhoud en service
Functie
A
Functie
A
Functie
A
Elektrisch bedienbare stoel,
rechts*
20
10
Gaspedaalsensor
5
Relaisspoel in relais voor koelventilator (4-cil., 5-cil. diesel);
lambdasondes (4-cil. benzine);
luchtmassameter (diesel);
omloopklep EGR-koeling (diesel); regelklep brandstofstroom
(5-cil. diesel); regelklep brandstofdruk (5-cil. diesel)
10
Kleppen (4-cil. benzine); magneetkleppen (4-cil. benzine); verstuivers (5-cil. benzine); lambdasonde (5-cil. diesel); verwarming
carterventilatie (5-cil. diesel)
Laadpunt hulpaccu
–
–
–
Bougies (benzine)
10
Verwarming dieselfilter; regelmodule gloeibougies (5-cil. diesel)
15
Motorregelmodule (4-cil.)
10
Motorregelmodule (5-cil.); gasklepeenheid (5-cil. benzine)
15
ABS
5
Motorregelmodule; transmissieregelmodule; airbags
10
Koplamphoogteregeling*
10
Elektrische stuurbekrachtiging
5
Centrale elektronicamodule
15
Relaisspoel in relais voor koelventilator (5-cil. benzine); lambdasondes (5-cil. benzine)
20
Oliepomp automaatbak (5-cil.);
luchtmassameter (benzine);
EVAP-klep (4-cil. benzine); kleppen (5-cil, benzine); magneetkleppen (5-cil. benzine); verwarming carterventilatie (5-cil. benzine); regelmotor turbo (4-cil.
diesel); regelklep brandstofstroom (4-cil. diesel); regelmodule radiateurafdekking (4-cil.
diesel); magneetklep zuigerkoeling (5-cil. diesel); regelklep
turbo (5-cil. diesel); oliepeilsensor (5-cil. diesel); magneetkoppeling A/C (5-cil.)
10
Koelvloeistofpomp (bij auto zonder standverwarming)
10
10
Gerelateerde informatie
–
–
–
–
Collision Warning
5
•
Zekeringen - onder dashboardkastje (p.
370)
•
Zekeringen - onder rechter voorstoel (p.
373)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
369
10 Onderhoud en service
Zekeringen - onder dashboardkastje
10
De zekeringen onder het dashboardkastje
beveiligen onder meer de airbags en de interieurverlichting.
Aan de binnenkant van het deksel naar
relais- en zekeringenhouder in de motorruimte zit een speciale trekker waarmee u de
zekeringen gemakkelijker kunt verwijderen en
aanbrengen.
In de relais- en zekeringenhouder in de
motorruimte is tevens plaats voor enkele
reservezekeringen.
Zekeringen vervangen
De zekeringen zijn toegankelijk als een
beschermkap is losgemaakt van de relais- en
zekeringenhouder.
370
Kap demonteren
Pak de uitsparing vast en trek tot de
borgnokjes aan de onderkant van de kap
loslaten van de relais- en zekeringenhouder.
Verwijder de kap.
N.B.
Er is een relatief grote trekkracht nodig om
de borgnokjes aan de bovenkant van de
kap eerst los te maken vanuit de relais- en
zekeringhouder.
10 Onderhoud en service
Kap monteren
Pas de onderste borgnokjes in.
Draai de kap omhoog totdat de bovenste
nokjes vastklikken.
N.B.
Let erop dat de bovenste borgnokjes goed
in de groeven van de relais- en zekeringhouder worden geleid.
Posities
De zekeringen zijn van het type ‘MiniFuse’.
Functie
A
Brandstofpomp
20
–
–
Functie
A
Functie
A
Achterruitwisser
15
10
Interieurverlichting; plafondconsole voorste leeslampjes en
interieurverlichting voorin
5
Bedieningspaneel klimaatregeling
Stuurwieleenheid
7,5
Interieurverlichting; elektrisch
bedienbare stoelen*
10
Rolgordijn glazen dak*
10
Regensensor*; automatisch
dimmende achteruitkijkspiegel*;
vochtsensor*
5
Collision Warning*
–
Ontgrendelen achterklepA
Sirene alarmsysteem*; diagnose-aansluting OBDII
5
Groot licht
15
–
–
Achteruitrijlicht
10
5
VoorruitsproeierC; achterruitsproeierC
20
–
Startblokkering
5
Reservepositie 1, continue
spanning
15
10
10
–
–
5
Reservepositie 2, continue
spanning
20
Reservepositie 3, continue
spanning
15
Bewegingsmelder alarm*;
afstandsontvanger
5
Stuurslot
Instrumentenpaneel
5
20
Centrale vergrendeling tankvulklepB
10
VoorruitsproeierD; achterruitsproeierD
Centrale vergrendeling tankvulklepE
10
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
371
10 Onderhoud en service
||
10
A
B
C
D
E
F
Functie
A
Ontgrendelen achterklepF
10
Elektrische extra verwarming*;
knop achterbankverwarming*
7,5
Airbags; voetgangersairbag
10
Reservepositie 4, continue
spanning
7,5
–
–
–
–
Zie ook zekering 84.
Zie ook zekering 83.
Zie ook zekering 82.
Zie ook zekering 77.
Zie ook zekering 70.
Zie ook zekering 65.
Gerelateerde informatie
•
•
372
Zekeringen - in motorruimte (p. 367)
Zekeringen - onder rechter voorstoel (p.
373)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
10 Onderhoud en service
Zekeringen - onder rechter voorstoel
De zekeringen onder de rechter voorstoel
beveiligen onder meer het infotainment en de
aanhangersystemen.
Aan de binnenkant van het deksel naar
relais- en zekeringenhouder in de motorruimte zit een speciale trekker waarmee u de
zekeringen gemakkelijker kunt verwijderen en
aanbrengen.
In de relais- en zekeringenhouder in de
motorruimte is tevens plaats voor enkele
reservezekeringen.
10
Posities
•
De zekeringen 24–28 zijn van het type
‘JCASE’ en moeten worden vervangen
door een werkplaats13.
•
De zekeringen 1–23 en 29–46 zijn van het
type ‘MiniFuse’.
Functie
A
–
–
Keyless*
13
10
Functie
A
Portierhandgrepen (Keyless*)
5
Bedieningspaneel portier linksvoor
25
Bedieningspaneel portier rechtsvoor
25
Bedieningspaneel portier linksachter
25
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
373
10 Onderhoud en service
||
10
Functie
A
Functie
A
Functie
A
Bedieningspaneel portier rechtsachter
25
Trekhaakaansluiting 2*
20
15
Hoofdzekering voor zekeringen
12–16: Infotainment
40
Verwarming zitplaats achterbank
rechts*
Verwarming zitplaats achterbank
links*
15
–
Elektrisch bedienbare stoel,
links*
–
Interne relaisspoel
Audioregelmodule (versterker)*
–
Telematica*; Bluetooth*
Audio; Infotainmentregelmodule
374
–
20
–
5
5
–
5
15
Digitale radio*; tv*
10
12V-aansluiting bagageruimte
15
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
–
–
Trekhaakaansluiting 1*
40
Elektrische achterruitverwarming
30
–
–
BLIS*
5
Park Assist*
5
Parkeercamera*
5
–
–
–
–
Stoelverwarming bestuurderszijde
15
Stoelverwarming passagierszijde
15
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
Gerelateerde informatie
•
•
Zekeringen - in motorruimte (p. 367)
Zekeringen - onder dashboardkastje (p.
370)
10 Onderhoud en service
Wasstraat
WAARSCHUWING
Was de auto zodra deze vuil geworden is.
Zorg dat de auto op een spoelvloer met olieafscheider staat. Gebruik autoshampoo.
Laat de motorreiniging altijd uitvoeren door
een werkplaats. Als de motor warm is,
bestaat er brandgevaar.
Gebruik geen sterke oplosmiddelen.
Met de hand wassen
•
•
•
•
•
Vuile koplampen werken slechter. Maak ze
regelmatig schoon, bijvoorbeeld als u
tankt.
Gebruik geen bijtende reinigingsmiddelen,
maar water en een niet krassende spons.
Spoel het onderstel af.
N.B.
Spoel de hele auto eerst af om loszittend
vuil te verwijderen en het risico te beperken dat er tijdens het reinigen krassen
ontstaan. Spuit niet rechtstreeks in de
richting van de sloten.
Bij de externe verlichting zoals de koplampen, mistlampen en achterlichten kan tijdelijk condens optreden aan de binnenkant van het lampglas. Dit is een natuurlijk
verschijnsel en alle externe verlichting is
erop gebouwd om dit zoveel mogelijk te
voorkomen. Condens verdwijnt normaal uit
het lamphuis, wanneer de lamp enige tijd
brandt.
Gebruik zo nodig een koud ontvettingsmiddel voor hardnekkig vuil. Let erop dat
de verontreinigde gebieden niet zijn
opgewarmd door de zon!
•
Reinig de wisserbladen met een lauwe
zeepoplossing of autoshampoo.
•
Droog de auto af met een schoon en
zacht stuk zeemleer of een trekker. Als u
waterdruppels op de auto niet in de felle
zon laat drogen maar meteen verwijdert,
beperkt u het risico dat u later watervlekken moet wegpoetsen.
10
BELANGRIJK
Verwijder vogelpoep zo spoedig mogelijk
van de lak. Vogelpoep bevat namelijk
stoffen die de lak aantasten en deze zeer
snel doen verkleuren. U wordt geadviseerd een dergelijke verkleuring te laten
herstellen door een erkende Volvo-werkplaats.
Was de auto met een spons, autoshampoo en een ruime hoeveelheid lauw
water.
N.B.
Reinig de wisserbladen en voorruit regelmatig met een lauw sopje of autoshampoo.
Wisserbladen
Door teer-, stof- en zoutresten op de wisserbladen en insecten, ijs e.d. op de voorruit
gaan wisserbladen minder lang mee.
Automatische wasstraten
In een automatische wasstraat kunt u de auto
weliswaar snel en eenvoudig schoonmaken,
maar de borstels van de wasstraat kunnen
niet overal even goed bij. Voor het beste
resultaat wordt u geadviseerd de auto met de
hand te wassen.
N.B.
De eerste maanden mag de auto alleen
met de hand worden gewassen. De reden
hiervoor is dat de lak gevoeliger is als deze
nieuw is.
Hogedrukreinigers
Let er bij gebruik van een hogedrukreiniger op
dat u cirkelende bewegingen maakt en de
spuitkop op minstens 30 cm afstand van de
auto houdt (geldt voor alle exterieuronderdelen). Spuit niet rechtstreeks in de richting van
de sloten.
Bij het reinigen:
–
Zet de wisserbladen in de servicestand,
zie Wisserbladen (p. 359).
}}
375
10 Onderhoud en service
||
Remmen testen
BELANGRIJK
Waxen en polijsten op kunststof en rubber
is niet toegestaan.
WAARSCHUWING
10
Test de rem na het wassen altijd, ook de
parkeerrem, zodat vocht en corrosie de
remvoering niet aantasten en de remmen
verslechteren.
Bij gebruik van ontvettingsmiddel op
kunststof en rubber mag u, als dat nodig
is, slechts met lichte druk wrijven. Gebruik
een zachte spons.
Door het polijsten van glimmende strips
kan de glimmende oppervlaktelaag wegslijten of beschadigd raken.
Trap zo nu en dan lichtjes op het rempedaal,
als u lange afstanden in de regen of sneeuwmodder aflegt. Door de wrijving worden de
remblokken warm, zodat het vocht verdampt.
Doe hetzelfde bij zeer vochtig of koud weer.
Kunststof en rubber sieronderdelen
exterieur
Voor het schoonmaken en verzorgen van
gekleurde kunststof onderdelen, rubber
onderdelen en sieronderdelen zoals glimmende strips, wordt geadviseerd het speciale
reinigingsmiddel te gebruiken dat bij de
Volvo-werkplaats verkrijgbaar is. Volg bij het
gebruik van dit reinigingsmiddel de gebruiksvoorschriften nauwkeurig op.
376
Gebruik geen poetsmiddel dat schuurmiddel bevat.
Velgen
Gebruik alleen de velgreinigingsmiddelen die
Volvo adviseert.
Sterke velgreinigingsmiddelen kunnen het
oppervlak beschadigen en vlekken veroorzaken op verchroomde lichtmetalen velgen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Poetsen en in de was zetten (p. 376)
Interieur reinigen (p. 378)
Water- en vuilafstotende laag (p. 377)
Poetsen en in de was zetten
Poets de auto en zet deze in de was, wanneer
de lak er dof uitziet of als u deze extra
bescherming wilt bieden.
U hoeft een nieuwe auto pas na een jaar te
poetsen. In de was zetten kunt u eerder doen.
Zorg dat de auto bij het poetsen of in de was
zetten niet in direct zonlicht staat.
Was de auto en droog deze zorgvuldig af,
voordat u begint te poetsen of de was aanbrengt. Verwijder asfalt- en teervlekken met
een teerverwijderaar of terpentine. U kunt
hardnekkige vlekken met een speciaal voor
autolak bestemde, fijne schuurpasta (‘rubbing
compound’) verwijderen.
Poets de lak eerst op en behandel deze
daarna met was in vloeibare of vaste vorm.
Volg de aanwijzingen op de verpakking nauwkeurig op. Veel preparaten bevatten zowel
poetsmiddel als was.
10 Onderhoud en service
BELANGRIJK
Waxen en polijsten op kunststof en rubber
is niet toegestaan.
Bij gebruik van ontvettingsmiddel op
kunststof en rubber mag u, als dat nodig
is, slechts met lichte druk wrijven. Gebruik
een zachte spons.
Door het polijsten van glimmende strips
kan de glimmende oppervlaktelaag wegslijten of beschadigd raken.
Gebruik geen poetsmiddel dat schuurmiddel bevat.
BELANGRIJK
Alleen lakbehandelingen uitvoeren die door
Volvo geadviseerd worden. Andere behandelingen zoals lakconservering, verzegeling, bescherming, glansverzegeling e.d.
kunnen lakschade veroorzaken. Lakschade als gevolg van dergelijke behandelingen valt niet onder de Volvo-garantie.
Gerelateerde informatie
•
Wasstraat (p. 375)
Water- en vuilafstotende laag
De ruiten zijn voorzien van een speciale laag
die bij hevige regenval voor een beter zicht
zorgt.
Gerelateerde informatie
•
Wasstraat (p. 375)
10
Water- en vuilafstotende laag*
De waterafstotende laag staat bloot
aan natuurlijke slijtage.
Onderhoud:
•
Gebruik nooit producten zoals autowas,
ontvetters e.d. op het glasoppervlak,
omdat de waterafstotende laag daardoor
beschadigd kan raken.
•
Wees voorzichtig bij het schoonmaken
om te voorkomen dat er krassen in het
glasoppervlak ontstaan.
•
Om schade aan het glas te voorkomen
dient u voor het verwijderen van ijs alleen
een krabber van kunststof te gebruiken.
•
Om de waterafstotende eigenschappen
te behouden, wordt geadviseerd de
behandeling te vernieuwen met een nabehandelingsmiddel dat verkrijgbaar is bij
een erkende Volvo-werkplaats. Gebruik
het middel de eerste keer na drie jaar en
daarna ieder jaar.
BELANGRIJK
Gebruik geen metalen ijskrabber om de
ruiten van ijs te ontdoen. Gebruik de elektrische verwarming om de buitenspiegels
van ijs te ontdoen, zie Ruiten en buitenspiegels - elektrische verwarming (p. 100).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
377
10 Onderhoud en service
10
Roestwering
Interieur reinigen
De auto heeft in de fabriek een uiterst grondige en complete roestwerende behandeling
ondergaan. De carrosserie bestaat ten dele uit
gegalvaniseerd plaatwerk. Het onderstel is
voorzien van een slijtvaste bodembescherming. In de balken, holten en gesloten profielen werd een dunne, doordringende roestwerende vloeistof gespoten.
Gebruik alleen reinigingsmiddelen en autoverzorgingsproducten die door Volvo geadviseerd worden. Maak de bekleding regelmatig
schoon en volg daarbij de gebruiksaanwijzingen bij het autoverzorgingsproduct op.
Controleren en onderhouden
Vuil en strooizout kunnen aanleiding geven
tot corrosie. Het is daarom belangrijk de auto
schoon te houden. Om de roestwering van de
auto in optimale staat te houden moet u de
beschermingslaag regelmatig controleren en
zo nodig bijwerken.
De roestwering van de auto hoeft normaal
gesproken pas na ca. 12 jaar voor het eerst te
worden nabehandeld. De auto moet daarna
om de drie jaar een nabehandeling ondergaan. U wordt geadviseerd om contact op te
nemen met een erkende Volvo-werkplaats,
als de auto een nabehandeling nodig heeft.
Gerelateerde informatie
•
Lakschade (p. 380)
Het is belangrijk te stofzuigen voordat u een
reinigingsmiddel gebruikt.
Matten en bagageruimte
Haal de inlegmatten uit de auto om de vloerbekleding en de inlegmatten ieder apart
schoon te kunnen maken. Gebruik een stofzuiger om vuil en stof te verwijderen.
Elk van beide inlegmatten zit met pennen
vast.
–
Pak de inlegmat bij elk van beide pennen
vast en til de mat recht omhoog.
Vlekken op stoffen bekleding en
plafondbekleding
Om de brandvertragende eigenschappen van
de bekleding niet aan te tasten wordt geadviseerd een speciaal reinigingsmiddel voor
stoffen bekleding te gebruiken dat verkrijgbaar is bij erkende Volvo-werkplaatsen.
BELANGRIJK
Scherpe voorwerpen en klittenbandsluitingen kunnen de stoffen bekleding van de
auto beschadigen.
BELANGRIJK
•
Sommige geverfde kledingstukken
(zoals spijkerbroeken en suède kleding) kunnen afgeven en voor verkleuring van de bekleding zorgen.
•
Gebruik nooit sterke oplosmiddelen.
Dergelijke middelen kunnen bekleding
van textiel, vinyl en leer beschadigen.
Breng de inlegmat aan door deze bij
beide pennen vast te drukken.
WAARSCHUWING
Controleer voordat u wegrijdt of de inlegmat voor de bestuurdersstoel goed ligt en
aan de pennen vastzit zodat hij niet naast
of onder de pedalen klem kan komen te
zitten.
Voor vlekken op de vloermat wordt geadviseerd het speciale reinigingsmiddel voor stoffen bekleding te gebruiken nadat u hebt
gestofzuigd. U dient vloermatten te reinigen
378
met de door uw Volvo-dealer geadviseerde
producten!
Vlekken op leren bekleding
De leren bekleding van Volvo is behandeld
om de bekleding in oorspronkelijke staat te
bewaren.
Naarmate leren bekleding ouder wordt, krijgt
het een fraai patina. Het leer wordt veredeld
en bewerkt zodat het zijn natuurlijke eigen-
10 Onderhoud en service
schappen houdt. Het leer is voorzien van een
beschermende toplaag, maar om de goede
eigenschappen en het fraaie uiterlijk te
behouden is regelmatige verzorging van het
leer vereist. Volvo biedt een universeel leerverzorgingsproduct waarmee u leren bekleding kunt schoonmaken en de beschermende
laag kunt herstellen, mits u de instructies
opvolgt. Na enig tijd in gebruikt te zijn
geweest krijgt het leer zijn natuurlijke patina,
afhankelijk van de oppervlaktestructuur. Een
dergelijk patina maakt deel van het natuurlijke
verouderingsproces van het leer en geeft aan
dat het om een natuurproduct gaat.
Voor de beste resultaten adviseert Volvo eenà viermaal per jaar (zo nodig vaker) beschermende crème op te brengen. De Volvo Leather Care-set is verkrijgbaar bij de Volvo-dealer.
BELANGRIJK
•
•
Sommige geverfde kledingstukken
(zoals spijkerbroeken en suède kleding) kunnen afgeven en voor verkleuring van de bekleding zorgen.
Gebruik nooit sterke oplosmiddelen.
Dergelijke middelen kunnen bekleding
van textiel, vinyl en leer beschadigen.
Reinigingsvoorschriften voor leren
bekleding
1. Breng een weinig van het leerreinigingsproduct op een vochtige spons aan en
knijp erin om een dikke laag schuim te
krijgen.
2. Behandel de vlek voorzichtig met cirkelende bewegingen.
3. Dep de vlek zorgvuldig met de spons.
Laat de vlek in de spons trekken. Wrijf
niet.
4. Veeg het behandelde gebied met een
stuk zacht papier of een doek af en laat
het leer volledig drogen.
Beschermende laag aanbrengen op
leren bekleding
1. Breng wat van de beschermende crème
op de vilten doek aan en wrijf de crème in
cirkelende bewegingen voorzichtig in het
leer.
2. Laat het leer 20 minuten drogen alvorens
erop plaats te nemen.
Daarmee is het leer beter beschermd tegen
vlekken en uv-straling.
Reinigingsvoorschriften voor leren
stuurwiel
•
Verwijder vuil en stof met een ietwat
vochtige spons en een neutrale zeepoplossing.
•
Leer moet kunnen ademen. Dek het leren
stuurwiel nooit af met kunststof bescherming.
•
Gebruik natuurlijke oliën. Voor het beste
resultaat wordt geadviseerd het leerverzorgingsmiddel van Volvo te gebruiken.
10
Bij vlekken op het stuurwiel:
Groep 1 (inkt, wijn, koffie, melk, zweet en
bloed)
–
Gebruik een zachte doek of spons. Neem
een ammoniakoplossing in een concentratie van 5 %. (Gebruik voor bloedvlekken een oplossing van 2 dl water en 25 g
zout.)
Groep 2 (vet, olie, saus en chocolade)
1. Dezelfde procedure als voor groep 1.
2. Dep met een absorberende papieren of
stoffen doek.
Groep 3 (vuil, stof in droge vorm)
1. Gebruik een zachte borstel om het vuil te
verwijderen.
2. Dezelfde procedure als voor groep 1.
}}
379
10 Onderhoud en service
||
Vlekken op interieuronderdelen van
kunststof, metaal en hout
10
Voor het reinigen van interieuronderdelen en panelen van kunststof worden met water
bevochtigde splitfiber- of microvezeldoeken
geadviseerd, die verkrijgbaar zijn bij een
erkende Volvo-werkplaats.
Krab of wrijf nooit over een vlek. Gebruik
nooit sterke vlekkenmiddelen. Voor de hardnekkige vlekken kunt u een speciaal reinigingsmiddel gebruiken dat verkrijgbaar is bij
de erkende Volvo-werkplaats.
Veiligheidsgordels
Gebruik water en een synthetisch wasmiddel
en in het bijzonder het textielreinigingsmiddel
dat bij de erkende Volvo-werkplaats verkrijgbaar is. Zorg dat de gordel droog is, voordat
deze weer wordt opgerold.
Gerelateerde informatie
•
14
15
380
Wasstraat (p. 375)
Lakschade
Kleurcode
De lak vormt een belangrijk onderdeel van de
roestwering van de auto en moet daarom
regelmatig worden gecontroleerd. De meest
voorkomende soorten lakschade zijn bijvoorbeeld steenslagplekken, krassen en plekjes op
de spatbordranden, portieren en bumpers.
Geringe lakschade herstellen
Om roestvorming te voorkomen moet u lakschade direct herstellen.
Benodigdheden
•
grondlak (primer)14 - voor met kunststof
beklede bumpers e.d. zijn er spuitbussen
met speciale hechtprimer verkrijgbaar
•
basislak en heldere lak - verkrijgbaar in
spuitbussen en als bijwerkpennen/-stiften15
•
•
afplaktape
fijn schuurlinnen14.
Eventueel.
Volg de aanwijzingen die bij de verpakking van de bijwerkpen/-stift werden geleverd.
Kleurcode van de auto
Het is belangrijk dat u de juiste lakkleur
gebruikt. Voor de positie van de productsticker zie Type-aanduidingen (p. 452).
10 Onderhoud en service
Geringe lakschade herstellen zoals
steenslagschade en krasjes
2. Vóór het lakken kunt u zo nodig (bij ongelijkmatige randen bijvoorbeeld) plaatselijk
licht schuren met zeer fijn schuurlinnen.
Reinig het gebied zorgvuldig en laat het
goed drogen.
10
G021832
3. Roer de grondlak (primer) goed om en
breng deze met een fijn kwastje of een
lucifer of iets dergelijks op. Dek het
geheel af met basislak en heldere lak,
wanneer de grondlak droog is.
4. Krassen kunt u op dezelfde manier herstellen, maar dek ter bescherming de
onbeschadigde lak rond de kras af.
Vóór het herstel van lakschade moet u de
auto schoonmaken en goed laten drogen.
Zorg er bovendien voor dat de auto warmer is
dan 15 °C.
1. Plak een stuk afplaktape over het
beschadigde gebied heen. Trek de tape
weer van de lak af om eventuele lakresten
te verwijderen.
Als de beschadiging tot de metaallaag
(blanke plaat) reikt, wordt grondlak (primer) geadviseerd. Bij beschadiging van
een kunststof oppervlak moet u een
hechtprimer gebruiken voor betere resultaten - spuit het middel in de dop van de
spuitbus uit en breng het met een kwastje
dun op.
N.B.
Als de steenslag niet tot het metalen
oppervlak (het plaatwerk) is gekomen en er
nog steeds een onbeschadigde laklaag
aanwezig is, moet u de basislak en heldere
lak direct aanbrengen nadat het oppervlak
is gereinigd.
Gerelateerde informatie
•
Roestwering (p. 378)
381
AUDIO EN MEDIA
11 Audio en media
Audio en media
Het audio- en mediasysteem omvat de functies radio (p. 391), mediaspeler (p. 403), tv
(p. 435)* en biedt u de mogelijkheid te communiceren met een mobiele telefoon (p. 416)
*. De informatie verschijnt op een scherm van
5 of 7 inch* boven aan de middenconsole. De
functies zijn te bedienen via knoppen op het
stuurwiel, op de middenconsole onder het
scherm of via een afstandsbediening (p. 439)
*.
Als het audio- en mediasysteem actief is bij
het afzetten van de motor, wordt het de volgende keer dat u de sleutel naar sleutelstand
I (p. 72) of hoger draait, automatisch ingeschakeld en geeft het dezelfde geluidsbron
(bijvoorbeeld radio) weer als bij het afzetten
van de motor (bij auto’s met Keyless-systeem* dient het bestuurdersportier dicht te
staan).
Wanneer de transpondersleutel niet in het
contactslot steekt, is het audio- en mediasysteem 15 minuten achtereen te gebruiken door
op de knop Aan/Uit te drukken.
Bij het starten van de motor wordt het audioen mediasysteem tijdelijk uitgeschakeld en
weer ingeschakeld wanneer de motor is aangeslagen.
1
N.B.
Audyssey MultEQ1
Haal de transpondersleutel uit het contactslot als u het audio- en mediasysteem
gebruikt terwijl de motor afgezet is. Dit om
te voorkomen dat de accu onnodig ontladen raakt.
Dolby Digital, Dolby Pro Logic1
11
Bij de ontwikkeling en instelling van het geluid
werd gebruik gemaakt van het Audyssey
MultEQ-systeem om een eersteklas geluidsweergave te garanderen.
Gerelateerde informatie
Vervaardigd onder licentie van Dolby
Laboratories. Dolby Digital, Dolby Pro Logic
en de dubbele D zijn geregistreerde handelsmerken van Dolby Laboratories.
•
•
Audio en media - overzicht (p. 384)
Audiosysteem en media - systeem bedienen (p. 384)
•
•
•
Audio en media - menufuncties (p. 386)
•
•
Beeldinstellingen (p. 406)
Audio en media - menu-overzicht (p. 442)
Audio en media - audio-instellingen (p.
388)
Favorieten (p. 388)
Geldt alleen voor Premium Sound Multimedia.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
383
11 Audio en media
Audio en media - overzicht
Overzicht van de onderdelen van het audioen mediasystemen.
11
AUX2- en USB3-ingangen voor externe
geluidsbronnen (bijvoorbeeld iPod®)
Toetsenset op stuurwiel (met*/zonder
duimwiel).
Display. Het display is verkrijgbaar in
twee afmetingen: 5 en 7 inch. In het
boekje staat het display van 7 inch afgebeeld.
Bedieningspaneel op middenconsole
Gerelateerde informatie
•
•
2
3
384
Audio en media (p. 383)
Audiosysteem en media - systeem bedienen (p. 384)
Geldt alleen voor Performance
Geldt niet voor Performance
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Audiosysteem en media - systeem
bedienen
Het audio- en mediasysteem wordt bediend
vanaf de middenconsole en voor een deel
vanaf de stuurtoetsen. De informatie wordt op
het scherm in het bovenste deel van de middenconsole gepresenteerd.
11 Audio en media
Vooruit/achteruit/zoeken - Kort indrukken om naar de/het volgende/vorige track op
een cd, voorkeurzender van de radio4 of
hoofdstuk5 te gaan. Lang indrukken om een
track op een cd vooruit/achteruit te spoelen
of de eerstvolgende goed doorkomende radiozender te zoeken.
SOUND - indrukken op de audio-instellingen (lage tonen, hoge tonen e.d.) te openen.
Voor meer informatie, zie algemene audioinstellingen (p. 389).
VOL - het geluidsniveau verhogen of verlagen.
ON/OFF/MUTE - Bij kort indrukken
wordt de installatie ingeschakeld en bij lang
indrukken (totdat het scherm zwart wordt)
vindt uitschakeling plaats. Let erop dat het
complete Sensus-systeem (incl. navigatie-*
en telefoonfuncties*) altijd gelijktijdig wordt
in-/uitgeschakeld. Kort indrukken om het
geluid uit te schakelen (MUTE-functie) of
opnieuw in te schakelen, als het geluid uitstond.
Opening voor het plaatsen/uitwerpen van
een disc.
Disc uitwerpen.
4
5
6
7
Hoofdbron - indrukken om een hoofdbron
RADIO, MEDIA te kiezen. De laatst geactiveerde bron (bijvoorbeeld FM1) verschijnt. Als
u zich in RADIO of MEDIA bevindt en op de
hoofdbronknop drukt, verschijnt er een bronweergave. Als u zich in TEL* of NAV* bevindt
en op de hoofdbronknop drukt, verschijnt er
een snelmenu met de meest gebruikelijke
menu-opties.
OK/MENU - druk op het duimwiel op het
stuurwiel of op de knop van de middenconsole om een keuze in menu’s te bevestigen.
Als u zich in de normale weergave bevindt en
op OK/MENU drukt, verschijnt er een menu
voor de gekozen bron (bijvoorbeeld RADIO of
MEDIA). Er verschijnt een pijl naar rechts op
het scherm, als er onderliggende menu’s zijn.
TUNE - draai aan het duimwiel op het
stuurwiel of aan de draaiknop op de middenconsole om door de tracks/mappen, radioen tv*-zenders of telefooncontacten* te bladeren of door de keuzes op het display te
navigeren.
EXIT - kort indrukken om omhoog te
gaan in het menusysteem, een actieve functie
te annuleren, telefoongesprekken te beëindigen/weigeren of ingevoerde tekens te wissen.
Door lang indrukken springt u naar de nor-
male weergave of, als u zich in de normale
weergave bevindt, naar het hoogste menuniveau (hoofdbronweergave) van waaruit u
dezelfde hoofdbronknoppen bereikt als op de
middenconsole (7).
INFO - als er meer informatie beschikbaar
is dan op het scherm kan worden weergegeven, druk dan op de knop INFO om de resterende informatie te zien.
11
Sneltoetsen – Cijfers en letters invoeren.
FAV - Sneltoets voor favoriete instellingen.
De toets is te programmeren voor activering
van veelgebruikte functies in AM, FM e.d.
Voor meer informatie, zie favorieten (p. 388).
MUTE6 - indrukken om het geluid van de
radio/mediabron uit te schakelen of opnieuw
in te schakelen, als het geluid uitstond.
Spraakherkenning7 – indrukken om de
spraakherkenning (voor mobiele telefoon met
Bluetooth® en/of navigatiesysteem*) te activeren.
Gerelateerde informatie
•
•
Audio en media - menufuncties (p. 386)
Audio en media (p. 383)
Geldt niet voor DAB.
Geldt alleen voor dvd-discs.
Auto’s zonder navigatie.
Auto’s met navigatie*.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
385
11 Audio en media
Audio en media - menufuncties
Het audio- en mediasysteem wordt bediend
vanaf de middenconsole en voor een deel
vanaf de stuurtoetsen. De informatie wordt op
het scherm in het bovenste deel van de middenconsole gepresenteerd.
11
Het voorbeeld geeft aan hoe u de verschillende functies bereikt tijdens het afspelen van een schijf. (1) Hoofdbronknop, (2) Normaalweergave, (3) Snelkoppelings-/Bronmenu, (4) Snelmenu, (5) Bronmenu
386
11 Audio en media
Kies een hoofdbron door te drukken op een
hoofdbronknop (1) (RADIO, MEDIA, TEL).
Gebruik om door de menu’s van de bron te
navigeren de bedieningsknoppen TUNE, OK/
MENU, EXIT of de hoofdbronknop (1).
Om de beschikbare functies te bekijken, zie
Audio en media - menu-overzicht (p. 442).
N.B.
Als de auto is voorzien van stuurtoetsen
met duimwiel*, kunt u deze gebruiken in
plaats van de toetsen op de middenconsole (TUNE, OK/MENU, EXIT), Audiosysteem en media - systeem bedienen (p.
384).
Snelmenu - snelstand bij draaien aan
TUNE om bijvoorbeeld van track, radiozender
e.d. te veranderen.
Bronmenu - voor menufuncties (te bereiken door te drukken op OK/MENU).
Gerelateerde informatie
•
Audiosysteem en media - systeem bedienen (p. 384)
•
Audio en media - menu-overzicht (p. 442)
11
Menu’s en weergaven op het display
Het uiterlijk is afhankelijk van de bron, de uitrusting in de auto, instellingen e.d.
Hoofdbronknop - indrukken om van
hoofdbron te wisselen of het Snelkoppelings-/Bronmenu van de actieve bron te
tonen.
Normaalweergave - normale stand voor
de bron.
Snelkoppelings-/Bronmenu - toont de
meest voorkomende menu-opties van de
hoofdbronnen, bijvoorbeeld TEL en MEDIA
(te bereiken door op de hoofdbronknop (1)
van de actieve bron te drukken).
387
11 Audio en media
11
Favorieten
•
Sla veelgebruikte functies op als favoriet. De
functies die kunnen worden opgeslagen
maken deel uit van de radio, het mediasysteem, de achteruitrijcamera en de menugroep
MY CAR, waar een groot deel van de autofuncties te hanteren zijn, waaronder de instelling van de klok, de buitenspiegels en de vergrendelingen. De functie is eenvoudig te
bereiken met een druk op de knop FAV.
In de MEDIA-stand:
•
•
•
•
•
•
In de RADIO-stand:
•
•
388
AM
FM1/FM2
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
DISC
USB*
iPod*
Bluetooth*
AUX
TV - instelling*
Audio en media - audio-instellingen
Het audiosysteem is voorgekalibreerd voor
optimale geluidsweergave, maar is naar wens
aan te passen.
Instelling voor optimale
geluidsweergave
Het audiosysteem is voorgekalibreerd voor
optimale geluidsweergave met behulp van
digitale signaalverwerking.
Het is tevens mogelijk een favoriet te kiezen
en op te slaan voor MY CAR, CAM* en NAV*.
Favorieten zijn eveneens te kiezen en op te
slaan onder MY CAR. Voor meer informatie
over het menusysteem, zie MY CAR (p. 106).
Voor ieder automodel wordt het audiosysteem tijdens de kalibratie perfect afgestemd
op de luidsprekers, de versterker, de akoestiek in de auto, de positie van de luisteraar
e.d.
Gerelateerde informatie
Er is tevens een dynamische kalibratie waarbij
rekening wordt gehouden met de stand van
de volumeknop, de radio-ontvangst en de rijsnelheid.
•
De toets FAV is te gebruiken om functies op
te slaan die u vaak gebruikt, waarna u de
functies eenvoudig kunt starten door te drukken op FAV. Voor alle onderstaande functies
is een favoriet (bijvoorbeeld Equalizer) op te
slaan:
DAB1*/DAB2*
Opslaan als favoriet (p. 433)
De regelfuncties die in deze gebruikershandleiding nader verklaard worden (zoals Bass,
Treble en Equalizer) zijn uitsluitend bedoeld
om u de mogelijkheid te bieden de geluidsweergave naar wens af te stellen.
Gerelateerde informatie
•
Audio en media - algemene audio-instellingen (p. 389)
•
Audio en media - geavanceerde audioinstellingen (p. 389)
•
Geluidspodium instellen (p. 390)
11 Audio en media
Audio en media - algemene audioinstellingen
Algemene geluidsinstellingen voor het audioen mediasysteem.
Druk op SOUND om het menu met audioinstellingen (Bass, Treble, etc.) te openen.
Ga verder met SOUND of OK/MENU naar
het alternatief van uw keuze (bijvoorbeeld
Treble).
Pas de instelling aan door te draaien aan
TUNE en sla de instelling op met OK/MENU.
Druk opnieuw meerdere malen op SOUND of
OK/MENU om de overige alternatieven te
bereiken:
•
Surround8
– Is Aan/Uit te zetten. Wanneer u voor Aan hebt gekozen, hanteert
het systeem de instelling voor optimale
geluidsweergave. Normaal is dat DPLII en
op het disin dat geval verschijnt
play. Als de opname werd gemaakt met
Dolby Digital-techniek, vindt de weergave
plaats met deze instelling en verschijnt
op het display. Wanneer u voor
Uit hebt gekozen, is de driekanaals stereoweergave actief.
• Fader – Balans tussen luidsprekers voor
en achter.
• Balans – Balans tussen luidsprekers links
en rechts.
• Subwoofer*8 – Niveau voor de lagetonenluidspreker.
• DPL II-middenlevel/3-kanaals
middenlevel8 – Volume voor middenluidspreker.
• DPL
II-surroundlevel8, 9
– Niveau voor
de zogeheten Ambient Surround Sound.
Gerelateerde informatie
•
•
Audio en media - menufuncties (p. 386)
•
Audio en media - geavanceerde audioinstellingen (p. 389)
Audio en media - audio-instellingen (p.
388)
Audio en media - geavanceerde
audio-instellingen
Pas de audio-instellingen voor radio en media
naar wens aan.
De volgende functies zijn aan te passen:
•
•
•
Equalizer instellen (p. 390)
•
Geluidssterkte instellen voor externe
geluidsbron (p. 411)
Geluidspodium instellen (p. 390)
Geluidssterkte instellen en automatische
volumeregeling (p. 390)
11
Gerelateerde informatie
•
Audio en media - audio-instellingen (p.
388)
•
Audio en media - algemene audio-instellingen (p. 389)
• Bass – Niveau van de lage tonen.
• Treble - Niveau van de hoge tonen.
8
9
Alleen Premium Sound Multimedia.
Alleen wanneer Surround-functie geactiveerd is.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
389
11 Audio en media
Equalizer instellen
equalizer10
Met de
kunt u het volumeniveau
aanpassen voor de verschillende radiofrequentiebanden of de tv.
1. Druk op OK/MENU om Audioinstellingen te openen en kies voor
Equalizer.
11
2. Kies een frequentieband door te draaien
aan TUNE en bevestig uw keuze met OK/
MENU.
3. Pas de audio-instelling aan door te
draaien aan TUNE en bevestig uw keuze
met OK/MENU. Doe hetzelfde voor de
andere frequentiebanden die u wenst aan
te passen.
4. Druk, wanneer u klaar bent met de audioinstelling, op EXIT om te bevestigen en
terug te gaan naar de normaalweergave.
Gerelateerde informatie
•
Audio en media - geavanceerde audioinstellingen (p. 389)
•
Audio en media - menufuncties (p. 386)
10
390
Geldt niet voor Performance
Geluidspodium instellen
Stel het geluidspodium in om de weergave
van het geluid geheel naar wens in te stellen.
De geluidsweergave is dusdanig in te stellen
dat deze optimaal is voor de bestuurder, voor
de inzittenden voorin of voor de achterpassagiers. Als er zowel voor- als achterin passagiers zitten wordt de optie beide voorstoelen
geadviseerd. De opties zijn te kiezen onder
Audio-instellingen
Klankpodium.
Gerelateerde informatie
•
Audio en media - audio-instellingen (p.
388)
•
Audio en media - menufuncties (p. 386)
Geluidssterkte instellen en
automatische volumeregeling
Stel de mate van compensatie van hinderlijke
rijgeluiden in de passagiersruimte in.
Het audiosysteem zorgt voor compensatie
van hinderlijke rijgeluiden in de passagiersruimte door het volume aan te passen ten
opzichte van de rijsnelheid. U hebt de keuze
uit de alternatieven: laag, medium, hoog en
uit. Kies een niveau onder Audio-instellingen
Volumecompensatie.
Gerelateerde informatie
•
Audio en media - geavanceerde audioinstellingen (p. 389)
•
Audio en media - menufuncties (p. 386)
11 Audio en media
Radio
•
Het is mogelijk de FM- en AM-band te beluisteren. In bepaalde gevallen ook de digitale
radio (DAB) (p. 400)*.
Radiokanalen programmeren (Groep
leren) (p. 401)
•
Navigeren in kanaalgroepenlijst (Ensemble) (p. 401)
•
Radiozenders als voorkeurzenders
opslaan (p. 394)
•
Radiofrequentieband doorzoeken (p.
400)
•
•
•
•
Radioprogrammatypes (PTY) (p. 397)
Bedieningselementen voor radiofuncties.
Voor het bedienen van de radio, zie Systeem
bedienen (p. 384) en Menufuncties (p. 386).
AM/FM-radio
•
•
Radiozenders zoeken (p. 391)
Radiozenders als voorkeurzenders
opslaan (p. 394)
•
Radiofrequentieband doorzoeken (p.
400)
•
•
•
RDS-functies (p. 395)
•
•
Radiozenders zoeken
De radio stelt automatisch een radiozenderlijst11 op met de FM-zenders met de best
doorkomende signalen. U kunt automatisch of
handmatig radiozenders zoeken.
N.B.
De ontvangst hangt niet alleen af van de
signaalsterkte maar ook van de signaalkwaliteit. Er kunnen storingen optreden
wanneer de zendersignalen bijvoorbeeld
gehinderd worden door hoge gebouwen of
van zeer grote afstand komen. De dekkingsgraad kan eveneens variëren afhankelijk van waar u zich bevindt.
Radiotekst (p. 399)
DAB naar DAB link (p. 402)
Digitale radio* (DAB) - frequentieband (p.
402)
Digitale radio* (DAB) - subkanaal (p. 402)
Digitale radio* (DAB) - resetten (p. 403)
Gerelateerde informatie
•
Audiosysteem en media - systeem bedienen (p. 384)
•
•
Audio en media - menufuncties (p. 386)
11
Gerelateerde informatie
•
Automatisch radiozenders zoeken (p.
392)
•
•
Handmatig radiozenders zoeken (p. 393)
Radiozenderlijst (p. 392)
Audio en media - menu-overzicht (p. 442)
Radioprogrammatypes (PTY) (p. 397)
Radiotekst (p. 399)
Digitale radio* (DAB)
•
Digitale radio* (DAB) (p. 400)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
391
11 Audio en media
Automatisch radiozenders zoeken
Radiozenderlijst
Zoekt de volgende/vorige zender.
De radio stelt automatisch een radiozenderlijst12 op met de FM-zenders met de best
doorkomende signalen. Dat biedt u de mogelijkheid een zender te zoeken in gebieden
waar u de radiozenders en hun frequenties
niet kent.
•
De lijst vermeldt alleen de frequenties
van de zenders waarop u hebt afgestemd en vormt dan ook geen complete lijst met alle beschikbare radiofrequenties op de frequentieband van
uw keuze.
Om de lijst te openen en een zender te kiezen:
•
Als de zender waarop u hebt afgestemd een zwak signaal heeft, kan de
radio de zenderlijst mogelijk niet bijwerken. Druk in dat geval op de toets
INFO (terwijl de zenderlijst op het
beeldscherm staat) om over te schakelen op handmatig zoeken en zelf een
frequentie in te stellen. Draai, als de
zenderlijst niet langer getoond wordt,
TUNE één stap links- of rechtsom om
de zenderlijst weer te tonen en druk op
INFO om te wisselen.
1. Druk op RADIO, draai aan TUNE totdat
de gewenste frequentieband (AM, FM1
e.d.) verschijnt en druk op OK/MENU.
11
2. Houd
/
op de middenconsole
ingedrukt (of gebruik de toetsenset* op
het stuurwiel). De radio zoekt de volgende/voorgaande beschikbare zender.
Gerelateerde informatie
•
Radiozenders zoeken (p. 391)
1. Kies de gewenste frequentieband (FM1 of
FM2).
2. Draai TUNE één stap links- of rechtsom.
Er verschijnt dan een lijst met alle
beschikbare zenders in het gebied waar u
zich bevindt. De zender waarop is afgestemd staat met een groter lettertype in
de lijst gemarkeerd.
3. Draai TUNE weer links- of rechtsom om
een zender in de lijst te kiezen.
4. Bevestig uw keuze met OK/MENU.
N.B.
De lijst verdwijnt na enkele seconden van het
display.
Als de zenderlijst niet langer getoond wordt,
kunt u TUNE één stap links- of rechtsom
draaien en op de toets INFO op de middenconsole drukken om over te schakelen op
handmatig zenders zoeken (of om over te
schakelen van handmatig zenders zoeken op
de functie voor ‘Zenderlijst’).
11
12
392
Geldt niet voor Performance.
Geldt niet voor Performance.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
11 Audio en media
Gerelateerde informatie
•
Radiozenders zoeken (p. 391)
Handmatig radiozenders zoeken
N.B.
De radio stelt automatisch een radiozenderlijst13 op, maar u kunt ook handmatig radiozenders zoeken.
Weergave van de zenderlijst met de best
doorkomende signalen in het huidige
gebied behoort tot de fabrieksinstellingen
van de radio (zie het gedeelte “Zenderlijst”).
Weergave van de zenderlijst met de best
doorkomende signalen bij het draaien aan
TUNE (zie gedeelte Radiozenderlijst (p. 392))
behoort tot de fabrieksinstellingen van de
radio. Druk terwijl de radiozenderlijst wordt
getoond op de toets INFO van de middenconsole om over te schakelen op handmatig
radiozenders zoeken. U kunt dan een frequentie zoeken uit de lijst met beschikbare
radiofrequenties op de gekozen frequentieband. Als u bijvoorbeeld bij handmatig zoeken TUNE één stap rechtsom draait, wordt
de frequentie gewijzigd van 93,3 MHz in 93,4
MHz.
Als u echter bent overgestapt op het handmatig zoeken van zenders (door te drukken op de toets INFO van de middenconsole toen de zenderlijst getoond werd), is
de volgende keer dat u de radio inschakelt
de functie voor het handmatig zoeken van
zenders opnieuw actief. Om weer over te
schakelen op de functie “Zenderlijst” dient
u TUNE een stap te verdraaien (om de
complete zenderlijst te zien) en vervolgens
op de toets INFO te drukken.
Let erop dat de functie INFO geactiveerd
wordt, als u op INFO drukt wanneer de
zenderlijst niet getoond wordt. Voor meer
informatie over deze functie, zie Audiosysteem en media - systeem bedienen (p.
384).
Om handmatig een zender te kiezen:
1. Druk op de knop RADIO, draai aan TUNE
totdat de gewenste frequentieband (bijvoorbeeld AM, FM1 e.d.) verschijnt en
druk op OK/MENU.
2. Draai aan TUNE om een frequentie te kiezen.
13
11
Gerelateerde informatie
•
Radiozenders zoeken (p. 391)
Geldt niet voor Performance.
393
11 Audio en media
Radiozenders als voorkeurzenders
opslaan
Vaak beluisterde radiozenders kunt u opslaan
als voorkeurzenders, zodat u er eenvoudig op
kunt afstemmen.
2. Houd een van de sneltoetsen enkele
seconden ingedrukt. Het geluid verdwijnt
zolang maar keert terug wanneer de zender opgeslagen is. De sneltoets is vervolgens te gebruiken.
N.B.
U kunt een lijst met voorkeurzenders tonen
op het display14. De functie is in stand
FM/AM te activeren/deactiveren onder FMmenu Presets tonen of AM-menu
Presets weergeven.
11
Digitale radio (DAB)
Sneltoetsen.
AM/FM-radio
U kunt per frequentieband 10 voorkeurzenders vastleggen (AM, FM1 e.d.).
U kiest een voorkeurzender met de sneltoetsen.
1. Stem af op een zender, zie Radiozenders
zoeken (p. 391).
14
394
U kunt een lijst met voorkeurzenders tonen
op het display14. De functie is in stand DAB te
activeren/deactiveren onder DAB-menu
Presets tonen.
U kunt per band 10 voorkeurzenders vastleggen. DAB heeft 2 geheugenbanken met voorkeurzenders: DAB1 en DAB2. Opslag van
voorkeurzenders is mogelijk door lang op de
gewenste sneltoets te drukken. Voor meer
informatie, zie onder AM-/FM-radio. U kiest
een voorkeurzender met de sneltoetsen.
Een voorkeur bestaat uit een kanaal zonder
eventuele subkanalen. Als er tijdens het
beluisteren van een subkanaal een voorkeurkanaal vastgelegd wordt, wordt uitsluitend
het hoofdkanaal geregistreerd. Dit komt
omdat de subkanalen van tijdelijke aard zijn.
Bij activering van het bijbehorende voorkeurkanaal zal dan ook het hoofdkanaal worden
weergegeven waartoe het subkanaal
behoorde. De voorkeurkanalen zijn niet
gebonden aan de kanalenlijst.
Geldt alleen voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
Het DAB-systeem van de geluidsinstallatie
ondersteunt niet alle functies die in de
DAB-standaard zitten.
Gerelateerde informatie
•
•
Radiozenders zoeken (p. 391)
Audio en media - menufuncties (p. 386)
11 Audio en media
RDS-functies
Met RDS kan de radio automatisch naar de
sterkste zender schakelen. RDS biedt de
mogelijkheid om bijvoorbeeld verkeersinformatie (TP) te ontvangen en naar bepaalde
soorten programma's te zoeken (PTY).
RDS (Radio Data System) verbindt FM-zenders in een netwerk met elkaar. Een FM-zender in een dergelijk netwerk verstuurt
bepaalde informatie, zodat een RDS-radio
onder meer de volgende mogelijkheden biedt:
•
Automatisch overschakelen op een beter
doorkomende zender als de ontvangst in
een bepaald gebied slecht is.
•
Zoeken op programmatype zoals zenders
die verkeersinformatie of nieuws doorgeven.
•
Weergeven van informatieve tekst over
het beluisterde radioprogramma.
N.B.
Bepaalde radiostations gebruiken geen
RDS of slechts bepaalde onderdelen van
deze functie.
Als er een zender met het gewenste programmatype is aangetroffen, kan de radio vervolgens op deze zender overschakelen en de
weergave van de actieve geluidsbron onderbreken. Als de cd-speler bijvoorbeeld actief
is, wordt de weergave daarvan tijdelijk onderbroken. De onderbrekende uitzending wordt
met een vooraf ingesteld volume afgespeeld,
zie Volumeregeling voor onderbrekende radioprogrammatypes (PTY) (p. 398). De radio
gaat naar de vorige geluidsbron en het vorige
volume terug wanneer het ingestelde programmatype ophoudt met uitzenden.
De programmafuncties alarm (ALARM!), verkeersinformatie (TP), nieuws (NEWS) en programmatype (PTY) worden in volgorde van
belangrijkheid weergegeven, waarbij geldt dat
alarm de hoogste prioriteit geniet en de programmatypes de laagste. Voor meer instellingen die te maken hebben met het onderbreken van uitzendingen (EON EON Distant en
EON EON Local), zie Enhanced Other Networks (EON) (p. 396). Druk op EXIT om de
onderbroken weergave van de geluidsbron te
hervatten en druk op OK/MENU om de melding te verwijderen.
•
Regionale radioprogramma’s (REG) (p.
399)
•
RDS-functies resetten (p. 400)
11
Gerelateerde informatie
•
Alarm bij ernstige ongelukken en calamiteiten (p. 396)
•
•
•
•
•
•
•
Verkeersinformatie (TP) (p. 396)
Enhanced Other Networks (EON) (p. 396)
Verkeersinformatie (TP) (p. 396)
Nieuwsuitzendingen (p. 397)
Radioprogrammatypes (PTY) (p. 397)
Radiotekst (p. 399)
Automatische radio-afstemfunctie (AF) (p.
399)
395
11 Audio en media
Alarm bij ernstige ongelukken en
calamiteiten
De functie wordt gebruikt om de bevolking
attent te maken op ernstige ongelukken of
calamiteiten. De melding ALARM! verschijnt
op het display, wanneer er een alarmmelding
wordt verzonden.
11
U kunt de functie alarm niet tijdelijk onderbreken of deactiveren.
Gerelateerde informatie
•
RDS-functies (p. 395)
Verkeersinformatie (TP)
Enhanced Other Networks (EON)
Bij activering van deze functie wordt de weergave van de actieve geluidsbron onderbroken
voor verkeersinformatie via het RDS-netwerk
van de radiozender waarop is afgestemd.
EON is handig in stedelijke gebieden met een
groot aantal regionale radiozenders. Bij activering van de functie is de afstand tot de
zendmast van een radiozender bepalend voor
de vraag of de weergave van de actieve
geluidsbron kan worden onderbroken voor
uitzendingen van een bepaald programmatype.
Het symbool TP geeft aan dat de functie
geactiveerd is. Als de zender waarop u hebt
afgestemd verkeersinformatie kan doorgeven,
wordt dat aangegeven met een fel verlicht TP
op het display. TP is anders grijs van kleur.
–
Activeer/deactiveer deze functie in de
stand FM onder FM-menu TP.
TP via beluisterde zender/alle zenders
De radio kan alleen de weergave van de
beluisterde zender onderbreken voor verkeersinformatie of de weergave van alle zenders binnen het RDS-netwerk.
–
Ga in stand FM naar FM-menu
Geavanceerde instellingen TPfavoriet instellen om wijzigingen aan te
brengen.
Gerelateerde informatie
•
15
396
Fabrieksinstelling.
–
RDS-functies (p. 395)
Activeer/deactiveer de functie door in
stand FM een van de alternatieven te kiezen onder FM-menu Geavanceerde
instellingen EON:
• EON Local – Alleen onderbreking wanneer de zendmast van de radiozender
dichtbij is.
• EON Distant15 – Ook onderbreking als
de zendmast van de zender ver weg staat
en zijn signaal storingen vertoont.
Gerelateerde informatie
•
RDS-functies (p. 395)
11 Audio en media
Nieuwsuitzendingen
Radioprogrammatypes (PTY)
Bij activering van deze functie wordt de weergave van de actieve geluidsbron onderbroken
voor een nieuwsuitzending via het RDS-netwerk van de zender waarop is afgestemd.
Met de functie PTY kunt u radiokanalen met
een of meer radioprogrammatypes (zoals pop
en klassiek) kiezen. Wanneer u een bepaald
programmatype hebt gekozen, navigeert u
uitsluitend binnen de kanalen die programma’s van het gekozen type uitzenden.
Het symbool NEWS geeft aan dat het handsfree-systeem actief is.
–
Activeer/deactiveer deze functie in de
stand FM onder FM-menu Nieuwsinstellingen Nieuws.
Nieuws via beluisterde zender/alle
zenders
De radio kan alleen de weergave van de
beluisterde zender onderbreken voor nieuws
of de weergave van alle zenders in het RDSnetwerk.
–
Ga in stand FM naar FM-menu
Nieuws-instellingen Nieuws-favoriet
instellen om wijzigingen aan te brengen.
Gerelateerde informatie
•
RDS-functies (p. 395)
PTY is te kiezen in combinatie met zowel FMals DAB-radio. Wanneer de functie actief is,
verschijnt het PTY-symbool op het beeldscherm. Bij activering van deze functie wordt
de weergave van de actieve geluidsbron
onderbroken voor een uitzending van het
gekozen programmatype via het RDS-netwerk van de zender waarop is afgestemd.
PTY voor FM-radio
1. Activeer de functie door in stand FM eerst
programmatypes te kiezen onder FMmenu Geavanceerde instellingen
PTY-instellingen PTY kiezen.
2. Vervolgens dient u de PTY-functie te activeren onder FM-menu Geavanceerde
instellingen PTY-instellingen
Verkeersinfo van andere zenders
ontvangen.
U deactiveert de PTY-functie in stand FM
onder FM-menu Geavanceerde
instellingen PTY-instellingen
Verkeersinfo van andere zenders
ontvangen. De gekozen programmatypes
(PTY) worden niet gereset.
Resetten en verwijderen van PTY is mogelijk
onder FM-menu Geavanceerde
instellingen PTY-instellingen PTY
kiezen Alles wissen.
PTY voor DAB-radio
U kiest een programmatype in stand DAB
onder DAB-menu PTY-filter . Verlaat deze
stand als volgt:
–
11
Druk op EXIT.
> Er verschijnt een indicatie op het
beeldscherm wanneer PTY geactiveerd
is.
In sommige gevallen verlaat de DAB-radio de
PTY-stand, zie DAB naar DAB link (p. 402).
Gerelateerde informatie
•
Radioprogrammatypes PTY zoeken (p.
398)
•
Radioprogrammatypes (PTY) weergeven
(p. 398)
•
Volumeregeling voor onderbrekende radioprogrammatypes (PTY) (p. 398)
•
RDS-functies (p. 395)
397
11 Audio en media
Radioprogrammatypes PTY zoeken
Bij activering van deze functie wordt de
gehele frequentieband doorzocht op radiouitzendingen van het gekozen programmatype.
1. Kies in stand FM een of meer PTY onder
FM-menu Geavanceerde instellingen
PTY-instellingen PTY kiezen.
11
2. Ga naar FM-menu Geavanceerde
instellingen PTY-instellingen PTY
zoeken.
Druk op EXIT om te stoppen met zoeken.
–
•
Sommige radiozenders versturen informatie
over programmatype en programmacategorie.
Het is mogelijk radioprogrammatype (bijvoorbeeld pop of klassiek) van de zender die u op
dat moment beluistert op het beeldscherm
weer te geven. PTY is te selecteren voor
zowel FM- als DAB-radio.
Radioprogrammatype voor FM-radio
weergeven
–
Druk op
of
om verder te zoeken
naar een andere uitzending van een van
de gekozen programmatypes.
Gerelateerde informatie
•
•
Radioprogrammatypes (PTY)
weergeven
Radioprogrammatypes (PTY) (p. 397)
Radioprogrammatypes (PTY) weergeven
(p. 398)
RDS-functies (p. 395)
Activeer/deactiveer deze functie in de
stand FM onder FM-menu
Geavanceerde instellingen PTYinstellingen PTY-tekst tonen.
Radioprogrammatype voor DAB-radio
weergeven
Activeer/deactiveer deze functie in de stand
DAB onder DAB-menu Geavanceerde
instellingen PTY-tekst weergeven.
Gerelateerde informatie
•
•
•
398
Radioprogrammatypes (PTY) (p. 397)
Radioprogrammatypes PTY zoeken (p.
398)
RDS-functies (p. 395)
Volumeregeling voor onderbrekende
radioprogrammatypes (PTY)
De onderbrekende uitzendingen van het
gekozen programmatype (bijvoorbeeld
NEWS of TP) worden weergegeven op het
volume dat voor het programmatype is gekozen. Als u het volume tijdens de onderbreking
bijregelt, wordt het nieuwe volume opgeslagen voor een volgende onderbreking.
Gerelateerde informatie
•
Radioprogrammatypes (PTY) (p. 397)
11 Audio en media
Radiotekst
Sommige RDS-zenders geven informatie door
over de inhoud van de uitzendingen, uitvoerende artiesten e.d. Deze informatie kan op
het beeldscherm16 worden weergegeven. Er
kan radiotekst worden weergegeven voor FMen DAB-radio.
Automatische radio-afstemfunctie
(AF)
De functie stemt af op het best doorkomende
zendersignaal voor de beluisterde radiozender.
Radiotekst voor FM-radio
Om een sterk zendersignaal op te kunnen
sporen moet de functie soms de gehele FMband doorzoeken.
–
–
Activeer/deactiveer deze functie in de
stand FM onder FM-menu Radiotekst
tonen.
Radiotekst voor DAB-radio
Activeer/deactiveer deze functie in de stand
DAB onder DAB-menu Radiotekst tonen.
Activeer/deactiveer deze functie in de
stand FM onder FM-menu
Geavanceerde instellingen
Alternatieve frequentie.
Regionale radioprogramma’s (REG)
Deze functie maakt het mogelijk om op een
bepaalde regionale radiozender afgestemd te
blijven, ondanks dat het signaal zwak is.
Het symbool REG geeft aan dat het handsfree-systeem actief is.
–
Activeer/deactiveer deze functie in de
stand FM onder FM-menu
Geavanceerde instellingen REG.
11
Gerelateerde informatie
•
RDS-functies (p. 395)
Gerelateerde informatie
•
RDS-functies (p. 395)
N.B.
Er kan telkens slechts een van de functies
“Radiotekst tonen” en “Presets tonen”
geactiveerd zijn. Wanneer een van de
functies wordt ingeschakeld terwijl de
andere al actief is, wordt de eerder geactiveerde functie automatisch uitgeschakeld.
Beide functies zijn mogelijk gedeactiveerd.
Gerelateerde informatie
•
•
16
RDS-functies (p. 395)
Radiozenders als voorkeurzenders
opslaan (p. 394)
Alleen auto’s met 7"-scherm.
399
11 Audio en media
11
Radiofrequentieband doorzoeken
RDS-functies resetten
Digitale radio* (DAB)
Er wordt automatisch naar de beschikbare
radiokanalen gezocht, eventueel gefilterd op
radioprogrammatype (PTY).
Met deze kunt u alle fabrieksinstellingen voor
RDS herstellen.
DAB (Digital Audio Broadcasting) is een systeem voor digitale overdracht van radiosignalen. De auto biedt ondersteuning voor DAB,
DAB+ en DMB.
Wanneer er een zender is gevonden, wordt
deze ca. 10 seconden lang weergegeven
voordat de zoekfunctie wordt voortgezet. Bij
het beluisteren van een zender is de zender
op de normale manier op te slaan als een van
de voorkeuren, zie Radiozenders als voorkeurzenders opslaan (p. 394).
–
Om de scanfunctie te starten dient u in
stand FM/AM/DAB* te gaan naar FMmenu Scan, AM-menu Scan of
DAB-menu Scan.
N.B.
Bij het opslaan van een zender wordt de
scanfunctie beëindigd.
De scanfunctie is ook te kiezen in de stand
DAB-PTY. Dan worden uitsluitend kanalen
van het gekozen programmatype weergegeven.
Gerelateerde informatie
•
•
400
Radioprogrammatypes (PTY) (p. 397)
Radiozenders als voorkeurzenders
opslaan (p. 394)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
–
Reset in de stand FM onder FM-menu
Geavanceerde instellingen Alle FMinstellingen resetten.
N.B.
Er is niet overal dekking voor DAB. Als er
geen dekking is, verschijnt de melding
Geen ontvangst op het beeldscherm.
Gerelateerde informatie
•
RDS-functies (p. 395)
Service en Ensemble
•
Service – Kanaal, radiokanaal (het systeem biedt alleen ondersteuning voor
geluidsdiensten).
•
Ensemble – Een groep radiokanalen die
op dezelfde frequentie zenden.
Gerelateerde informatie
•
Radiokanalen programmeren (Groep
leren) (p. 401)
•
Navigeren in kanaalgroepenlijst (Ensemble) (p. 401)
•
•
Radio (p. 391)
•
•
•
•
Radiozenders als voorkeurzenders
opslaan (p. 394)
Radiofrequentieband doorzoeken (p. 400)
Radioprogrammatypes (PTY) (p. 397)
Radiotekst (p. 399)
DAB naar DAB link (p. 402)
11 Audio en media
•
•
•
Digitale radio* (DAB) - frequentieband (p.
402)
Radiokanalen programmeren (Groep
leren)
Navigeren in kanaalgroepenlijst
(Ensemble)
Digitale radio* (DAB) - subkanaal (p. 402)
Radiokanalen programmeren (Groep leren)
voor digitale radio (DAB).
Navigeren in kanaalgroepenlijst (Ensemble)
voor digitale radio (DAB).
Wanneer de auto een nieuw zendgebied binnenrijdt dient het systeem mogelijk de gelegenheid te krijgen om de te ontvangen
kanaalgroepen te programmeren.
De kanaalgroepenlijst is door te bladeren en
te openen door aan TUNE te draaien. Bovenaan op het display staat de naam van het
ensemble. Wanneer u wisselt naar een nieuw
ensemble, wordt de nieuwe naam weergegeven.
Digitale radio* (DAB) - resetten (p. 403)
Tijdens het programmeren van de kanaalgroepen wordt een bijgewerkte lijst van al de
te beluisteren kanaalgroepen aangemaakt. De
lijst wordt niet automatisch bijgewerkt.
De programmeerfunctie is uit te voeren in het
menusysteem in stand DAB onder DABmenu Ensemble programmeren. Programmeren kan ook als volgt worden uitgevoerd:
1. Draai TUNE één stap links- of rechtsom.
> Ensemble programmeren verschijnt
boven aan de lijst met beschikbare
kanaalgroepen.
•
11
Service – Geeft de kanalen weer ongeacht de kanaalgroep waartoe ze behoren.
De lijst is tevens te filteren door een programmatype te kiezen (PTY-filter ), zie
Radioprogrammatypes (PTY) (p. 397).
Gerelateerde informatie
•
Radiokanalen programmeren (Groep
leren) (p. 401)
•
•
Digitale radio* (DAB) (p. 400)
Radioprogrammatypes (PTY) (p. 397)
2. Druk op OK/MENU.
> Er gaat een nieuwe programmeringsopdracht van start.
De programmeringsfunctie is te annuleren
met EXIT.
Gerelateerde informatie
•
•
Digitale radio* (DAB) (p. 400)
Navigeren in kanaalgroepenlijst (Ensemble) (p. 401)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
401
11 Audio en media
DAB naar DAB link
‘DAB naar DAB link’ houdt in dat de DABradio van een kanaal dat slecht of helemaal
niet te ontvangen is kan overschakelen op
hetzelfde kanaal in een andere kanaalgroep
met een betere ontvangst.
11
Bij het veranderen van kanaalgroep kan enige
vertraging in de geluidsweergave optreden.
Vanaf het moment dat het huidige kanaal verdwijnt en het nieuwe kanaal toegankelijk
wordt kan het geluid dan ook enige tijd stilvallen.
De functie is in stand DAB te activeren/deactiveren onder DAB-menu Geavanceerde
instellingen DAB-verbinding.
Gerelateerde informatie
•
Digitale radio* (DAB) (p. 400)
Digitale radio* (DAB) - frequentieband
DAB is in staat op twee
uit te zenden.
frequentiebanden17
• Band III - dekt de meeste gebieden.
• LBand - alleen beschikbaar voor een
paar gebieden.
Wanneer u alleen voor Band III kiest, verloopt het programmeren van kanalen sneller
dan als u voor zowel Band III als LBand hebt
gekozen. Het is echter niet zeker dat alle
kanaalgroepen ook daadwerkelijk worden
gevonden. De gekozen frequentieband is niet
van invloed op de opgeslagen voorkeuren.
De frequentieband is in stand DAB te deactiveren/activeren onder DAB-menu
Geavanceerde instellingen DAB-band.
Gerelateerde informatie
•
Digitale radio* (DAB) (p. 400)
Digitale radio* (DAB) - subkanaal
Secundaire componenten worden vaak aangeduid als subkanalen. Dergelijke componenten zijn van tijdelijke aard en kunnen bijvoorbeeld uit vertalingen van het hoofdprogramma
bestaan.
Als er een of meer subkanalen bestaan verlinks van de kanaalschijnt het symbool
naam op het beeldscherm. Als er slechts één
subkanaal bestaat verschijnt het symbool links van de kanaalnaam op het beeldscherm.
Druk op
om het menu met subkanalen.
Subkanalen zijn uitsluitend te bereiken via het
gekozen hoofdkanaal en niet via een ander
kanaal.
De weergave van subkanalen is in stand DAB
te deactiveren/activeren onder DAB-menu
Geavanceerde instellingen
Subkanalen.
Gerelateerde informatie
•
17
402
De beide frequentiebanden zijn niet in alle gebieden/landen in gebruik.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Digitale radio* (DAB) (p. 400)
11 Audio en media
Digitale radio* (DAB) - resetten
Mediaspeler
Met deze kunt u alle fabrieksinstellingen voor
DAB herstellen.
De mediaspeler kan geluids- en videobestanden op CD/DVD* (p. 404) en extern aangesloten geluidsbronnen weergeven via de
AUX-/USB* (p. 407)-ingang of geluidsbestanden draadloos ‘streamen’ (p. 411) op externe
eenheden met Bluetooth®. Met behulp van
bepaalde mediaspelers kunt u tv (p. 435)* kijken en communiceren met een mobiele telefoon (p. 416)* via Bluetooth®.
–
Reset in de stand DAB onder DAB-menu
Geavanceerde instellingen Alle
DAB-instellingen resetten.
Gerelateerde informatie
•
Digitale radio* (DAB) (p. 400)
•
Mediaspeler - compatibele bestandsformaten (p. 407)
11
Knoppen voor de mediaspeler.
Voor de bediening van de mediaspeler, zie
Audiosysteem en media - systeem bedienen
(p. 384) en Audio en media - menufuncties (p.
386).
Gerelateerde informatie
•
•
•
Audio en media (p. 383)
Stembediening* mobiele telefoon (p. 426)
Afstandsbediening* (p. 439)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
403
11 Audio en media
11
Cd/Dvd*
Vooruit-/achteruitspoelen
De mediaspeler kan voorbespeelde en zelfgebrande cd’s/dvd’s18 afspelen.
U kunt audio- en videobestanden voor- en
achteruitspoelen.19
De mediaspeler ondersteunt de volgende
soorten discs en bestanden en kan deze met
andere woorden afspelen:
/
ingedrukt om audioHoud de knop
of videobestanden vooruit/achteruit te spoelen.
•
•
Voor audiobestanden geldt één snelheid, terwijl videobestanden op meerdere snelheden
voor- en achteruit te spoelen zijn. Druk herhaalde malen achtereen op de knoppen
/
om bij videobestanden sneller
voor- of achteruit te spoelen. Laat de toets
weer los om de video weer op normale snelheid weer te geven.
•
•
Voorbespeelde cd-discs (CD Audio).
Zelfgebrande cd’s met audio- en/of videobestanden18.
Voorbespeelde DVD Video18.
Zelfgebrande dvd’s18 met audio- en/of
videobestanden.
Voor meer informatie over de ondersteunde
formaten, zie Mediaspeler - compatibele
bestandsformaten (p. 407).
Gerelateerde informatie
Bij activering van deze functie worden de
tracks/audiobestanden in willekeurige volgorde20 afgespeeld.
Om de tracks/audiobestanden van de gekozen bron in willekeurige volgorde af te spelen:
1. Druk op OK/MENU
2. Draai aan TUNE totdat Willekeurige
weergave verschijnt
3. Druk op OK/MENU om de functie te activeren/deactiveren.
Gerelateerde informatie
•
Audiosysteem en media - systeem bedienen (p. 384)
•
Audiosysteem en media - systeem bedienen (p. 384)
•
Afspelen en navigeren bij cd’s/dvd’s* (p.
433)
•
Audiosysteem en media - systeem bedienen (p. 384)
•
•
Afspelen en navigeren bij cd’s/dvd’s* (p.
433)
Afspelen en navigeren bij cd’s/dvd’s* (p.
433)
•
•
Afspelen en navigeren bij externe geluidsbron (p. 409)
•
Afspelen en navigeren bij DVD Video (p.
405)
Afspelen en navigeren bij externe geluidsbron (p. 409)
•
Media Bluetooth®* (p. 411)
18
19
20
404
Gerelateerde informatie
Willekeurige afspeelvolgorde tracks
of audiobestanden
Geldt alleen voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
Geldt alleen voor cd/dvd*-schijven, USB en iPod®.
Geldt niet voor DVD Video. Bij via de AUX/USB-poort aangesloten externe geluidsbronnen geldt dit alleen voor USB en iPod®. Wordt niet door alle mobiele telefoons ondersteund.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
11 Audio en media
Afspelen en navigeren bij DVD Video
Navigeren in eigen menu DVD Video
Video21
Tijdens het afspelen van een DVD
verschijnt er mogelijk een discmenu op het display. Via het discmenu hebt u toegang tot
extra functies en instellingen om bijvoorbeeld
ondertitels, geluidstracks, scènes te kiezen.
Wisselen van hoofdstuk is ook mogelijk door
/
op de middenconte drukken op
sole of op de toetsenset* op het stuurwiel.
Voor elementaire afspeel- en navigatiefuncties, zie Systeem hanteren pagina (p. 384).
Hier volgt een gedetailleerde beschrijving.
Gerelateerde informatie
N.B.
Videoweergave is uitsluitend mogelijk wanneer de auto stilstaat. Wanneer de auto
sneller rijdt dan ca. 8 km/h, verschijnt er
geen beeld en staat Geen visuele media
tijdens het rijden op het beeldscherm.
Het geluid wordt echter wel weergegeven.
Het beeld verschijnt weer, zodra de rijsnelheid is gedaald tot onder ca. 6 km/h.
uitgangspositie. Met EXIT annuleert u uw
keuze en keert u terug naar de uitgangspositie (zonder een keuze te maken).
Met de bedieningselementen op de middenconsole kunt u navigeren in het eigen menu
van de DVD Video.
Van hoofdstuk of titel veranderen
Draai aan TUNE om de lijst met hoofdstukken
te openen en erin te navigeren (bij het afspelen van een film wordt de film gepauzeerd).
Druk op OK/MENU om een hoofdstuk te kiezen en terug te keren naar de uitgangspositie
(als eerder een film werd afgespeeld, wordt
deze film voortgezet). Druk op EXIT om de
titellijst te openen.
•
Audiosysteem en media - systeem bedienen (p. 384)
•
Afspelen en navigeren bij cd’s/dvd’s* (p.
433)
•
Camerahoek bij het afspelen van DVD
Video (p. 406)
•
Afspelen en navigeren bij zelfgebrande
schijven met audio-/videobestanden (p.
434)
•
•
Vooruit-/achteruitspoelen (p. 404)
•
Willekeurige afspeelvolgorde tracks of
audiobestanden (p. 404)
•
Mediaspeler - compatibele bestandsformaten (p. 407)
11
Tracks of audiobestanden scannen (p.
435)
In de titellijst kiest u een titel door te draaien
aan TUNE en bevestigt u uw keuze met OK/
MENU, waarna u terugkeert naar de lijst met
hoofdstukken. Druk op OK/MENU om uw
keuze te activeren en terug te keren naar de
21
Geldt alleen voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
405
11 Audio en media
Camerahoek bij het afspelen van DVD
Video
Met deze functie kunt u, op voorwaarde dat
de DVD Video dit ondersteunt, aangeven vanuit welke camerapositie een bepaalde scène
moet worden weergegeven22.
11
Ga in de stand DISC naar Diskmenu
Geavanceerde instellingen Hoek.
Gerelateerde informatie
•
Audiosysteem en media - systeem bedienen (p. 384)
•
Afspelen en navigeren bij DVD Video (p.
405)
DivX® Video On Demand
Beeldinstellingen
Het is mogelijk de mediaspeler te registreren
voor weergave van bestanden van het type
DivX VOD23 op zelfgebrande discs of een
USB-medium.
Het is mogelijk de volgende beeldinstellingen
voor helderheid en contrast24 te wijzigen (op
voorwaarde dat de auto stilstaat).
De registratiecode vindt u in het menusysteem MY CAR onder Instellingen
Informatie DivX® VOD-code. Voor algemene informatie over de menufuncties onder
MY CAR, zie MY CAR - bediening (p. 107).
Breng voor meer informatie een bezoek aan
www.divx.com/vod.
Gerelateerde informatie
406
2. Draai aan TUNE om de aan te passen
instelling te bereiken en bevestig uw
keuze met OK/MENU.
3. Pas de instelling aan door te draaien aan
TUNE en bevestig uw keuze met OK/
MENU.
•
Audiosysteem en media - systeem bedienen (p. 384)
Druk om terug te keren naar de lijst met
instellingen op OK/MENU of EXIT.
•
Afspelen en navigeren bij DVD Video (p.
405)
De fabriekswaarden voor de beeldinstellingen
zijn te herstellen met de optie Reset.
•
Afspelen en navigeren bij zelfgebrande
schijven met audio-/videobestanden (p.
434)
•
Afspelen en navigeren bij externe geluidsbron (p. 409)
Audiosysteem en media - systeem bedienen (p. 384)
•
Audio en media (p. 383)
•
22
23
24
1. Druk op OK/MENU, kies voor
Beeldinstellingen en bevestig uw keuze
met OK/MENU.
Geldt voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
Geldt voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
Geldt voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
Gerelateerde informatie
11 Audio en media
Mediaspeler - compatibele
bestandsformaten
Compatibele bestandsformaten via
USB-aansluiting
Externe geluidsbron via AUX/USB*ingang
De mediaspeler kan tal van bestandstypen
afspelen en is compatibel met de formaten in
de volgende tabellen.
Het systeem biedt ondersteuning voor de
audio- en videoformaten in de onderstaande
tabel bij weergave via de USB-aansluiting.
Op de geluidsinstallatie kan een externe
geluidsbron, bijvoorbeeld een iPod® of mp3speler, worden aangesloten.
Compatibele bestandsformaten voor
cd’s/dvd’s*
N.B.
divx, avi, asf
•
Afspelen en navigeren bij cd’s/dvd’s* (p.
433)
•
Als een cd een mix van mp3- en CD-DAbestanden bevat, worden alle mp3-tracks
genegeerd.
Afspelen en navigeren bij DVD Video (p.
405)
•
Afspelen en navigeren bij zelfgebrande
schijven met audio-/videobestanden (p.
434)
AudioformatenB
CD-Audio, mp3, wma,
aac, m4a
VideoformatenC
CD-Video, DVD-Video,
divx, avi, asf
11
Geldt alleen voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
Dubbelzijdige schijven van het zogeheten
dual format-type (DVD Plus, CD-DVD) zijn
dikker dan normale cd’s. Het is dan ook
niet zeker of dergelijke schijven kunnen
worden afgespeeld en storingen zijn
mogelijk.
CD-Audio, mp3, wma
25
mp3, wma, aac, m4a
VideoformatenA
A
AudioformatenA
A
B
C
Audioformaten
Gerelateerde informatie
•
Afspelen en navigeren bij externe geluidsbron (p. 409)
Geldt voor Performance.
Geldt niet voor Performance.
Geldt alleen voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
Een op de USB-ingang aangesloten geluidsbron is te bedienen25 via de geluidsregeling
van de auto. Een eenheid die is aangesloten
op de AUX-ingang valt echter niet te bedienen via de geluidsregeling van de auto.
Rechts achter aan de middenconsole zit een
uitsparing voor kabels, zodat u de klep kunt
sluiten zonder dat de kabels bekneld komen
te zitten.
Een iPod® of mp3-speler met oplaadbare batterijen wordt opgeladen (wanneer het contact
ingeschakeld is of de motor loopt), als het
Geldt alleen voor een mediabron die via de USB-aansluiting aangesloten is.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
407
11 Audio en media
||
apparaat aangesloten is op de USB-aansluiting.
USB-geheugen
11
Om het gebruik van een USB-geheugen te
vereenvoudigen is het beter alleen muziekbestanden in het geheugen op te slaan. Het
inlezen duurt aanzienlijk langer, wanneer er
behalve compatibele muziekbestanden nog
andere bestanden op het opslagmedium
staan.
N.B.
Het systeem biedt ondersteuning voor
draagbare media die werken met USB 2.0
en het bestandssysteem FAT32 en kan
1000 mappen aan met maximaal 254 submappen/bestanden in elke map. Een uitzondering daarop vormt het hoogste
niveau, dat tot 1000 submappen/bestanden kan bevatten.
kiest de USB-eenheid in de stand USB onder
USB-menu USB-apparaat kiezen.
Mp3-speler
Veel mp3-spelers werken met hun eigen
bestandssysteem die niet ondersteund worden door het Infotainmentsysteem. Om een
dergelijke mp3-speler te kunnen gebruiken
binnen het systeem, dient de speler in de
stand USB Removable device/Mass
Storage Device te staan.
iPod®
Een iPod® wordt middels de aansluitkabel bijgeladen en gevoed door de USB-aansluiting*.
N.B.
Het systeem ondersteunt alleen de weergave van audiobestanden van iPod®.
N.B.
N.B.
Bij gebruik van een langer USB-geheugen
wordt geadviseerd een USB-adapterkabel
te gebruiken. Dit om mechanische slijtage
aan de USB-ingang en het aangesloten
USB-geheugen tegen te gaan.
USB-hub
Er kan een USB-hub op de USB-aansluiting
worden aangesloten om op die manier meerdere USB-apparaten tegelijk aan te sluiten. U
408
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Wanneer u muziek op een aangesloten
iPod® beluistert, hanteert het infotainmentsysteem een menustructuur vergelijkbaar
met die van de iPod®.
Gerelateerde informatie
•
Audiosysteem en media - systeem bedienen (p. 384)
•
Externe geluidsbron via AUX/USB*ingang aansluiten (p. 409)
•
Afspelen en navigeren bij externe geluidsbron (p. 409)
11 Audio en media
Externe geluidsbron via AUX/USB*ingang aansluiten
Via een van de aansluitingen in de middenconsole is het mogelijk een externe geluidsbron (zoals een iPod® of mp3-speler) aan te
sluiten op het audiosysteem.
De tekst USB wordt gelezen verschijnt op
het display, terwijl het systeem de bestanden
op het opslagmedium inleest. Afhankelijk van
de bestandsstructuur en het aantal bestanden kan het enige tijd duren voordat alles
ingelezen is.
N.B.
Het systeem biedt ondersteuning voor de
meeste iPod®-modellen die in 2005 of later
gemaakt zijn.
N.B.
Om schade tegen te gaan wordt de USBaansluiting gedeactiveerd bij kortsluiting of
als een aangesloten USB-eenheid te veel
stroom afneemt (dit is mogelijk als de aangesloten eenheid niet aan de USB-standaard voldoet). Als de volgende keer dat u
het contact inschakelt, blijkt dat de storing
verdwenen is, wordt de USB-aansluiting
automatisch opnieuw geactiveerd.
Aansluitingspunten voor externe geluidsbronnen.
Geluidsbron aansluiten:
1. Druk op MEDIA, draai TUNE naar de
gewenste geluidsbron USB, iPod of AUX
en druk op OK/MENU.
> Als u USB kiest, verschijnt USB
aansluiten op het display.
2. Sluit uw geluidsbron aan op een van de
aansluitingen in het opbergvak van de
middenconsole (zie voorgaande afbeelding).
26
27
Afspelen en navigeren bij externe
geluidsbron
Afspelen en navigeren bij externe geluidsbron26
Voor elementaire afspeel- en navigatiefuncties, zie Audiosysteem en media - systeem
bedienen (p. 384). Hier volgt een gedetailleerde beschrijving.
Audiobestanden hebben het symbool
videobestanden27 hebben het symbool
en mappen hebben het symbool
.
11
,
Wanneer het afspelen van een bestand klaar
is, worden de andere bestanden (van hetzelfde type) in de actuele map afgespeeld. Er
Gerelateerde informatie
•
Externe geluidsbron via AUX/USB*ingang (p. 407)
•
Afspelen en navigeren bij externe geluidsbron (p. 409)
Geldt alleen voor USB-speler en iPod®.
Geldt voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
409
11 Audio en media
||
11
wordt automatisch van map gewisseld28,
wanneer alle bestanden in een de actuele
map afgespeeld zijn. Het systeem registreert
automatisch of er een eenheid met alleen
audiobestanden of alleen videobestanden op
de USB-aansluiting wordt aangesloten, past
de instellingen aan en speelt de bestanden
vervolgens af. Het systeem past de instelling
echter niet aan, als er een eenheid met een
mix van audio- en videobestanden op de
USB-aansluiting wordt aangesloten maar blijft
in dat geval het voorgaande bestandstype
afspelen.
Zoekfunctie26
Met behulp van de toetsenset op het bedieningspaneel van de middenconsole kunt u
een bestandsnaam in de actuele map zoeken.
U kunt de zoekfunctie bereiken door te
draaien aan TUNE (om de mapstructuur te
openen) of door te drukken op een van de lettertoetsen. Naarmate u meer letters of tekens
van de tekenreeks intypt worden de zoekresultaten steeds verder verfijnd.
U start de weergave van een bestand door te
drukken op OK/MENU.
28
26
29
30
410
Dit gebeurt niet, als Map herhalen geactiveerd is.
Geldt alleen voor USB-speler en iPod®.
Geldt alleen voor USB-speler.
Geldt niet voor iPod®
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Map herhalen29
Deze functie maakt het mogelijk om de weergave van de bestanden in een map eindeloos
te herhalen. Wanneer het laatste bestand
helemaal afgespeeld is, wordt het eerste
bestand opnieuw weergegeven.
1. Druk op OK/MENU
2. Draai aan TUNE totdat Map herhalen
verschijnt
3. Druk op OK/MENU om de functie te activeren/deactiveren.
Pauze
Als het volume wordt uitgedraaid of MUTE
wordt ingedrukt, pauzeert de mediaspeler.
Als het volume wordt verhoogd of MUTE nogmaals wordt ingedrukt, start de mediaspeler
weer. U kunt tevens pauzeren via het menusysteem30: druk op OK/MENU en kies Play/
pause.
Gerelateerde informatie
•
Audiosysteem en media - systeem bedienen (p. 384)
•
Externe geluidsbron via AUX/USB*ingang aansluiten (p. 409)
•
Externe geluidsbron via AUX/USB*ingang (p. 407)
•
•
Vooruit-/achteruitspoelen (p. 404)
•
Willekeurige afspeelvolgorde tracks of
audiobestanden (p. 404)
•
Mediaspeler - compatibele bestandsformaten (p. 407)
•
DivX® Video On Demand (p. 406)
Tracks of audiobestanden scannen (p.
435)
11 Audio en media
Geluidssterkte instellen voor externe
geluidsbron
Met deze functie kunt u het volume instellen
voor een externe geluidsbron. Als het volume
te hoog of te laag staat, kan de geluidskwaliteit achteruitgaan.
Gerelateerde informatie
•
Audio en media - geavanceerde audioinstellingen (p. 389)
•
Audio en media - menufuncties (p. 386)
Media Bluetooth®*
De mediaspeler (p. 403) in de auto is uitgerust
met Bluetooth®31 en kan draadloos ‘streaming
audio’-bestanden afspelen op externe eenheden met Bluetooth® zoals mobiele telefoons
en laptops.
Bij aansluiting van een externe geluidsbron
(zoals een mp3-speler of iPod®) op de AUXingang verschilt het ingestelde volume van
deze geluidsbron mogelijk van het volume
waarop het audiosysteem (bijvoorbeeld de
radio) speelt. Corrigeer dit door het ingangsvolume van de ingang aan te passen:
11
1. Druk op de toets MEDIA, draai aan TUNE
totdat u AUX bereikt en wacht enkele
seconden voordat u op OK/MENU drukt.
2. Druk op OK/MENU en draai vervolgens
aan TUNE totdat u AUX-ingangsvolume
bereikt. Bevestig uw keuze met OK/
MENU.
3. Draai aan TUNE om het volume voor de
AUX-ingang aan te passen.
N.B.
Als het volume van de externe geluidsbron
te hoog of te laag staat, kan de geluidskwaliteit achteruitgaan. De geluidskwaliteit
kan ook achteruitgaan, als de speler wordt
bijgeladen wanneer het infotainmentsysteem in stand AUX staat. Laad de speler in
dat geval niet via de 12V-aansluiting bij.
Bluetooth®-functies media, overzicht bedieningselementen.
U moet de eenheid eerst registreren en aan
de auto koppelen (p. 413).
Navigatie en regeling van het geluid zijn te
verrichten via de toetsen op de middenconsole of via de toetsenset* op het stuurwiel. Bij
sommige externe eenheden is het ook mogelijk op de eenheid zelf van track te wisselen.
Om audio weer te geven moet de mediaspeler van de auto eerst in stand Bluetooth worden gezet.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
411
11 Audio en media
||
Wanneer er een mobiele telefoon is aangesloten op de auto, kunt u tevens bepaalde
mobieltelefoonfuncties op afstand bedienen,
Bluetooth®-handsfreesysteem (p. 416). Wissel tussen de hoofdbronnen TEL en MEDIA
om de functies van de desbetreffende bronnen te gebruiken.
N.B.
11
Bluetooth®-mediaspelers moeten ondersteuning bieden voor de profielen Audio/
Video Remote Control Profile (AVRCP) en
Advanced Audio Distribution Profile
(A2DP). De speler dient AVRCP versie 1.3
en A2DP 1.2 te hanteren. Anders werken
bepaalde functies mogelijk niet.
Gerelateerde informatie
•
Audiosysteem en media - systeem bedienen (p. 384)
•
Bluetooth®*-eenheid aansluiten en loskoppelen (p. 412)
•
Tracks of audiobestanden scannen (p.
435)
•
Willekeurige afspeelvolgorde tracks of
audiobestanden (p. 404)
Niet alle verkrijgbare mobiele telefoons en
externe mediaspelers zijn volledig compatibel met de Bluetooth®-functie van de
mediaspeler van de auto. Volvo adviseert u
contact op te nemen met een erkende
Volvo-dealer of www.volvocars.com te
bezoeken voor informatie over compatibele telefoons en externe mediaspelers.
N.B.
De mediaspeler van de auto kan alleen
audiobestanden afspelen via de
Bluetooth®-functie.
Bluetooth®*-eenheid aansluiten en
loskoppelen
De auto is voorzien van Bluetooth®32 en kan
draadloos communiceren met andere
Bluetooth®-eenheden na registratie en aansluiting (p. 413).
U kunt maximaal tien externe Bluetooth®eenheden registreren. U hoeft een eenheid
slechts eenmaal te registreren. Na registratie
hoeft de eenheid niet langer zichtbaar/identificeerbaar te zijn.
Wanneer de Bluetooth®-functie actief is en de
laatst aangesloten eenheid binnen het bereik
ligt, vindt automatisch heraansluiting op de
auto plaats. Terwijl de auto op zoek is naar de
laatst aangesloten eenheid staat de naam van
deze eenheid op het display. Druk op EXIT
voor aansluiting op een andere eenheid en
kies van eenheid wisselen (p. 415).
De Bluetooth®-eenheid wordt automatisch
losgekoppeld, wanneer deze buiten het
bereik van de auto komt. U kunt een eenheid
ook handmatig loskoppelen (p. 415). Wilt u
een geregistreerde Bluetooth®-eenheid verwijderen, kies dan Bluetooth®*-eenheid verwijderen (p. 416). De auto zal daarna niet
meer automatisch naar deze eenheid zoeken.
U kunt twee Bluetooth®-eenheden tegelijk
hebben aangesloten. Bijvoorbeeld een tele-
31
32
412
Geldt voor High Performance, High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
Geldt voor High Performance, High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
11 Audio en media
foon en een media-eenheid en u kunt van
eenheid wisselen (p. 415). U kunt tevens
gebruik maken van de telefoon, terwijl u via
‘streaming audio’-bestanden beluistert.
Gerelateerde informatie
•
Audiosysteem en media - systeem bedienen (p. 384)
•
•
Media Bluetooth®* (p. 411)
Bluetooth®-handsfreesysteem
(p. 416)
Bluetooth®*-eenheid registreren
Bluetooth®-eenheden
U kunt twee
tegelijk
hebben aangesloten. Bijvoorbeeld een telefoon en een media-eenheid en u kunt van
eenheid wisselen. U kunt tevens gebruik
maken van de telefoon, terwijl u via ‘streaming
audio’-bestanden beluistert.
U kunt maximaal tien externe Bluetooth®eenheden registreren. U hoeft een eenheid
slechts eenmaal te registreren. Na registratie
hoeft de eenheid niet langer zichtbaar/identificeerbaar te zijn.
maar in dat geval is de hoofdbron MEDIA het
beginpunt.
U kunt op twee manieren eenheden aansluiten: ofwel zoekt u de externe eenheid vanuit
de auto ofwel zoekt u de auto vanaf de
externe eenheid. Als de ene manier niet
werkt, kunt u de andere proberen.
Als u zich niet in de normale weergave voor
de telefoon bevindt, drukt u op TEL in de
middenconsole.
11
N.B.
Als het besturingssysteem van de telefoon
wordt geüpdatet, wordt de registratie van
de telefoon mogelijkerwijs onderbroken.
Verwijder de telefoon dan, zie Bluetooth®*eenheid verwijderen (p. 416) en sluit hem
opnieuw aan, zie Bluetooth®*-eenheid
registreren (p. 413).
Hoe u een externe eenheid aansluit hangt af
van de vraag of dezelfde eenheid al dan niet
eerder aangesloten was. Bij de onderstaande
aansluitopties wordt ervan uitgegaan dat het
de eerste keer is dat de eenheid wordt aangesloten (geregistreerd) en dat er geen
andere eenheid is aangesloten. In de aansluitopties wordt aangegeven hoe u een telefoon
aansluit. Het aansluiten van een media-eenheid (p. 411) verloopt op dezelfde manier,
Voorbeeld van normale weergave voor de telefoon.
Alternatief 1 - externe eenheid zoeken
via het menusysteem in de auto
1. Maak de externe eenheid identificeerbaar/zichtbaar via Bluetooth®, zie daarvoor de gebruiksaanwijzing bij de externe
eenheid of bezoek www.volvocars.com.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
413
11 Audio en media
||
2. Druk op OK/MENU en volg de aanwijzingen op het display in de auto.
> De externe eenheid is daarmee aangesloten op de auto en kan via de auto
worden bediend.
11
Als de aansluiting is mislukt, drukt u twee
keer op EXIT en sluit u aan volgens Alternatief 2.
Alternatief 2 - Auto zoeken met het
Bluetooth®-systeem van de externe
eenheid
1. Maak de auto identificeerbaar/zichtbaar
via Bluetooth®. Draai aan TUNE naar
Telefooninstellingen, bevestig met OK/
MENU, kies Herkenbaar en bevestig uw
keuze met OK/MENU.
2. Kies My Volvo Car op het scherm van de
externe eenheid en volg de aanwijzingen.
•
Audiosysteem en media - systeem bedienen (p. 384)
•
Bluetooth®*-eenheid aansluiten en loskoppelen (p. 412)
Automatische aansluiting
Bluetooth®*-eenheid
Wanneer er een Bluetooth®-eenheid in de
auto geregistreerd (p. 413) staat, vindt er
automatische aansluiting plaats wanneer deze
eenheid binnen het bereik is.
Wanneer de Bluetooth®-functie actief is en de
laatst aangesloten eenheid binnen het bereik
ligt, vindt automatisch aansluiting plaats. Terwijl de auto op zoek is naar de laatst aangesloten eenheid staat de naam van deze eenheid op het display. Als de laatst aangesloten
eenheid niet beschikbaar is, probeert het systeem een eerder geregistreerde eenheid aan
te sluiten.
Druk op EXIT voor aansluiting op een andere
eenheid, kies voor nieuwe eenheid aansluiten
(p. 413) of andere geregistreerde eenheid kiezen (p. 415).
3. Voer een pincode naar keuze in op de
externe eenheid en kies daarna voor aansluiten.
Gerelateerde informatie
•
Audiosysteem en media - systeem bedienen (p. 384)
4. Druk op OK/MENU en voer daarna
dezelfde pincode in via de toetsenset op
de middenconsole van de auto.
•
Bluetooth®*-eenheid aansluiten en loskoppelen (p. 412)
Wanneer de externe eenheid is aangesloten,
verschijnt de Bluetooth®-naam van de
externe eenheid op het display van de auto
waarna de eenheid via de auto kan worden
bediend.
414
Gerelateerde informatie
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
11 Audio en media
Andere Bluetooth®*-eenheid kiezen
Als er meerdere aangesloten eenheden in de
auto aanwezig zijn, kunt u van eenheid wisselen. De eenheid moet eerst gekoppeld (p.
415) zijn aan de auto.
Andere media-eenheid kiezen
1. Controleer of de externe eenheid identificeerbaar/zichtbaar is via Bluetooth® (zie
de gebruiksaanwijzing bij de externe eenheid).
2. Druk op MEDIA, kies Bluetooth en
daarna Ander apparaat.
> De auto zoekt naar eerder aangesloten
eenheden. De gevonden externe eenheden verschijnen met hun
Bluetooth®-naam op het display van
de middenconsole.
3. Kies de aan te sluiten eenheid.
> De externe eenheid wordt vervolgens
aangesloten.
Van telefoon wisselen
1. Controleer of de externe eenheid identificeerbaar/zichtbaar is via Bluetooth® (zie
de gebruiksaanwijzing bij de externe eenheid).
33
2. Druk op TEL en kies daarna Telefoon
wijzigen.
> De auto zoekt naar eerder aangesloten
eenheden. De gevonden externe eenheden verschijnen met hun
Bluetooth®-naam op het display van
de middenconsole.
3. Kies de aan te sluiten eenheid.
> De externe eenheid wordt vervolgens
aangesloten.
Gerelateerde informatie
•
Audiosysteem en media - systeem bedienen (p. 384)
•
Bluetooth®*-eenheid aansluiten en loskoppelen (p. 412)
Bluetooth®*-eenheid loskoppelen
De Bluetooth®-eenheid wordt automatisch
losgekoppeld, wanneer deze buiten het bereik
van de auto komt. U kunt een telefoon ook
handmatig loskoppelen.
Wanneer de mobiele telefoon is losgekoppeld, kunt u een eventueel lopend gesprek
voortzetten met behulp van de ingebouwde
microfoon en luidspreker van de mobiele telefoon.
11
Het handsfree-systeem wordt gedeactiveerd
bij het afzetten van de motor en het openen
van een portier33.
Wilt u de registratie van een Bluetooth®-eenheid in de auto ongedaan maken, kies dan
Bluetooth®-eenheid verwijderen (p. 416). De
auto zal daarna niet meer automatisch naar
deze eenheid zoeken.
Telefoon handmatig loskoppelen
In de telefoonstand kunt u een telefoon handmatig loskoppelen onder Telefoonmenu
Telefoon uit.
Alleen Keyless drive.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
415
11 Audio en media
||
N.B.
Ook als de mobiele telefoon handmatig
wordt losgekoppeld, kunnen bepaalde
mobiele telefoons automatisch opnieuw
verbinding maken met de laatst aangesloten handsfree-eenheid, bijvoorbeeld bij het
starten van een nieuw gesprek.
11
Gerelateerde informatie
•
Audiosysteem en media - systeem bedienen (p. 384)
•
Bluetooth®*-eenheid aansluiten en loskoppelen (p. 412)
•
•
Media Bluetooth®* (p. 411)
Bluetooth®-handsfreesysteem (p. 416)
Bluetooth®*-eenheid verwijderen
Bluetooth®*-eenheid
Als u de geregistreerde
niet langer wenst te gebruiken, kunt u deze
verwijderen (registratie ongedaan maken). De
auto zal daarna niet meer automatisch naar
deze eenheid zoeken.
Media-eenheid verwijderen
Druk op MEDIA en kies Bluetooth
Bluetooth-apparaat verwijderen.
Telefoon verwijderen
Druk op TEL en kies Telefoonmenu
Bluetooth-apparaat verwijderen.
Gerelateerde informatie
•
Audiosysteem en media - systeem bedienen (p. 384)
•
Bluetooth®*-eenheid aansluiten en loskoppelen (p. 412)
•
•
Media Bluetooth®* (p. 411)
Bluetooth®-handsfreesysteem (p. 416)
Bluetooth®-handsfreesysteem
Een mobiele telefoon met Bluetooth® is
draadloos aan te sluiten op de auto34.
U moet de eenheid eerst registreren en aan
de auto koppelen (p. 413).
Het audio- en mediasysteem werkt dan als
handsfree en biedt u de mogelijkheid om
enkele functies van uw mobiele telefoon op
afstand te bedienen via de knoppen op de
middenconsole of via de toetsenset* op het
stuurwiel. U kunt de mobiele telefoon via de
knoppen op de telefoon bedienen of de telefoon nu aangesloten is of niet.
Wanneer er een andere Bluetooth®-eenheid is
aangesloten op de auto, kunt u tevens deze
media-eenheid gebruiken, zie Media
Bluetooth®* (p. 411). Wissel tussen de hoofdbronnen TEL en MEDIA om de functies van
de desbetreffende bronnen te gebruiken.
N.B.
Niet alle mobiele telefoons zijn volledig
compatibel met de handsfree-functie van
het audiosysteem. Volvo adviseert u contact op te nemen met een erkende Volvodealer voor informatie over compatibele
telefoons.
34
416
Geldt voor High Performance, High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
11 Audio en media
Activeren
Bij kort indrukken van TEL activeert/zoekt u
de laatst aangesloten telefoon. Als er al een
telefoon is aangesloten, verschijnt er bij het
indrukken van TEL een snelmenu met de
meest gebruikelijke menu-opties voor de telegeeft aan dat er
foon. Het symbool
telefoon is aangesloten.
•
Bluetooth®-handsfreesysteem - audioinstellingen (p. 419)
•
Bluetooth®*-handsfreesysteem overzicht
Informatie Bluetooth®-versie (p. 419)
Systeemoverzicht voor het Bluetooth®*-handsfreesysteem.
11
Bellen
1. Zorg dat het symbool
boven aan
het display staat en dat het handsfreesysteem in de telefoonstand staat.
2. Voer ofwel het gewenste nummer of snelnummer (p. 425) in. Of draai in de normaalweergave TUNE rechtsom voor toegang tot het telefoonboek of linksom voor
de gesprekslijst met alle gesprekken.
Voor informatie over het telefoonboek, zie
Telefoonboek (p. 420).
Systeemoverzicht
Mobiele telefoon
Microfoon
3. Druk op OK/MENU.
Toetsenset op stuurwiel
U beëindigt het gesprek met EXIT.
Bedieningspaneel op middenconsole
Gerelateerde informatie
•
Audiosysteem en media - systeem bedienen (p. 384)
•
Bluetooth®*-handsfreesysteem - overzicht
(p. 417)
•
Bluetooth®*-eenheid aansluiten en loskoppelen (p. 412)
•
Gespreksfuncties (p. 418)
Gerelateerde informatie
•
Audiosysteem en media - systeem bedienen (p. 384)
•
•
Bluetooth®-handsfreesysteem (p. 416)
Bluetooth®*-eenheid aansluiten en loskoppelen (p. 412)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
417
11 Audio en media
Gespreksfuncties
Gesprekslijsten
Gespreksfuncties en aanverwante functies.
De gesprekslijsten worden bij iedere nieuwe
aansluiting naar het handsfree-systeem gekopieerd en worden vervolgens tijdens de aansluiting bijgehouden. Draai in de normaalweergave TUNE linksom om de gesprekslijst
voor Alle gesprekken te zien.
•
Audiosysteem en media - systeem bedienen (p. 384)
•
Stembediening* mobiele telefoon - contactpersoon bellen (p. 432)
•
Met EXIT kunt u een gesprek weigeren of
beëindigen.
Stembediening* mobiele telefoon - bellen
via gesprekslijst (p. 431)
In de telefoonstand zijn onder Telefoonmenu
Bellijst alle gesprekslijsten te zien:
•
Stembediening* mobiele telefoon - voicemail beluisteren (p. 432)
Automatisch antwoord
•
•
•
•
•
•
•
Bluetooth®-handsfreesysteem (p. 416)
Inkomend gesprek
–
11
Druk op OK/MENU om een gesprek aan
te nemen, ook staat het audiosysteem in
de stand RADIO of MEDIA.
Met de functie Automatisch antwoord is het
mogelijk gesprekken automatisch te beantwoorden.
–
Activeer/deactiveer de functie in telefoonstand onder Telefoonmenu Belopties Automatisch opnemen.
Menu tijdens gesprek
Druk tijdens een gesprek op OK/MENU om
toegang te krijgen tot de volgende functies:
• Mute – Microfoon van het audiosysteem
uitschakelen.
• Mobiele telefoon - Gesprek doorscha-
kelen naar de mobiele telefoon. Bij sommige mobiele telefoons wordt de koppeling verbroken. Dit is volkomen normaal.
Het handsfree-systeem vraagt vervolgens
of u opnieuw wilt koppelen.
• Nummer kiezen - mogelijkheid om een
tweede gesprek te starten met behulp
van de cijfertoetsen (het eerste gesprek
wordt daarbij stand-by gezet).
418
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Alle gesprekken
Gemiste oproepen
Beantwoorde gesprekken
Gekozen nummers
Gespreksduur
N.B.
Sommige mobiele telefoons geven de lijst
met de laatst gebelde nummers in omgekeerde volgorde weer.
Voicemail
In de normaalweergave is het mogelijk een
snelnummer voor voicemail te programmeren
die u vervolgens kunt bereiken door lang te
drukken op 1.
Het nummer van de voicemail is in de telefoonstand te wijzigen onder Telefoonmenu
Bel-opties Voicemailnummer
Nummer wijzigen. Als er nog geen nummer
opgeslagen is, kunt u het bijbehorende menu
openen door lang op 1 te drukken.
Gerelateerde informatie
•
Bluetooth®-handsfreesysteem - audioinstellingen (p. 419)
Telefoonboek (p. 420)
11 Audio en media
Bluetooth®-handsfreesysteem audio-instellingen
Het is mogelijk het telefoongespreksvolume,
het volume van het audiosysteem, het
beltoonvolume aan te passen en van beltoon
te veranderen.
Belsignalen
In de telefoonstand kunt u een van de ingebouwde beltonen van het handsfree-systeem
kiezen onder Telefoonmenu
Telefooninstellingen Geluiden en volume
Beltonen Belsignaal 1 enz.
Tel.-gespreksvol.
N.B.
Het gespreksvolume is alleen tijdens een
gesprek te wijzigen. Gebruik de toetsenset*
op het stuurwiel of draai aan de knop VOL.
Voor bepaalde mobiele telefoons geldt dat
de belsignalen van de aangesloten mobiele telefoon niet worden uitgeschakeld bij
gebruik van de geïntegreerde signalen van
het handsfree-systeem.
Volume audiosysteem
Zolang er geen telefoongesprek wordt
gevoerd, kunt u het volume van het audiosysteem op de gebruikelijke wijze bijregelen door
te draaien aan VOL.
Het is mogelijk de weergave van een actieve
geluidsbron automatisch te onderdrukken bij
inkomende gesprekken. Activeer/deactiveer
de functie in telefoonstand onder
Telefoonmenu Telefooninstellingen
Geluiden en volume Mute radio .
Beltoonvolume
Ga in de telefoonstand naar Telefoonmenu
Telefooninstellingen Geluiden en
volume Beltoonvolume en draai aan VOL
om te wijzigen. Druk op OK/MENU om het
volume te horen. Druk op EXIT om op te
slaan.
35
Informatie Bluetooth®-versie
Geeft de actuele Bluetooth®-versie van de
auto aan.
De actuele Bluetooth®-versie van de auto is in
stand Bluetooth te bekijken onder Bluetoothmenu Bluetooth-softwareversie in auto.
Gerelateerde informatie
•
Audiosysteem en media - systeem bedienen (p. 384)
•
•
Bluetooth®-handsfreesysteem (p. 416)
11
Media Bluetooth®* (p. 411)
Ga om de beltonen35 van de aangesloten
telefoon te gebruiken in de telefoonstand naar
Telefoonmenu Telefooninstellingen
Geluiden en volume Beltonen GSMringtone.
Gerelateerde informatie
•
Audiosysteem en media - systeem bedienen (p. 384)
•
Bluetooth®-handsfreesysteem (p. 416)
Niet ondersteund door alle mobiele telefoons.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
419
11 Audio en media
Telefoonboek
N.B.
Er zijn twee telefoonboeken. Deze worden in
de auto samengevoegd en als één gemeenschappelijk telefoonboek in de auto getoond.
•
11
•
Bij wijzigingen van een post in het telefoonboek van de mobiele telefoon vanuit
het telefoonsysteem in de auto, wordt er
een nieuwe post in het telefoonboek van
de auto aangemaakt. De wijziging wordt
met andere woorden niet opgeslagen in de
mobiele telefoon. In de auto ziet u vervolgens dubbele posten, met verschillende
icoontjes. Let er tevens op dat het opslaan
van snelnummers of het wijzigen van een
contactpersoon een nieuwe post oplevert
in het telefoonboek van de auto.
De auto downloadt het telefoonboek van
de aangesloten mobiele telefoon en toont
dit telefoonboek alleen, wanneer de
mobiele telefoon waaruit het telefoonboek
afkomstig is aangesloten is.
Ook de auto heeft een ingebouwd telefoonboek. Hierin worden alle contactpersonen opgeslagen, onafhankelijk van de
vraag welke telefoon er tijdens de opslag
aangesloten. Deze contactpersonen zijn
zichtbaar voor alle gebruikers, ongeacht
de telefoon die aan de auto gekoppeld is.
Als een contactpersoon opgeslagen is in
het telefoonboek van de auto, verschijnt
vóór deze contactperhet symbool
soon.
Voor alle telefoonboekfuncties dient het symboven aan het display en het
bool
handsfree-systeem in de telefoonstand te
staan.
Het audio- en mediasysteem slaat een kopie
op van het telefoonboek van elke geregistreerde mobiele telefoon. Bij elke aansluiting
kan het telefoonboek automatisch naar het
audio- en mediasysteem worden gekopieerd.
–
Activeer/deactiveer de functie in telefoonstand onder Telefoonmenu
Telefooninstellingen Telefoonboek
downloaden.
Als het telefoonboek de contactgegevens
bevat van de persoon die belt, verschijnen
deze op het display.
420
Gerelateerde informatie
•
Audiosysteem en media - systeem bedienen (p. 384)
•
•
Bluetooth®-handsfreesysteem (p. 416)
•
Telefoonboek - tekentabel toetsenset op
middenconsole (p. 421)
•
Telefoonboek - contactpersonen zoeken
(p. 422)
•
Telefoonboek - nieuw contactpersoon (p.
423)
•
•
•
•
Telefoonboek - sneltoets (p. 425)
Telefoonboek - contactpersonen snel
zoeken (p. 421)
Telefoonboek - vCard ontvangen (p. 425)
Telefoonboek - geheugenstatus (p. 425)
Telefoonboek - wissen (p. 426)
11 Audio en media
Telefoonboek - contactpersonen snel
zoeken
Draai in de normaalweergave TUNE rechtsom
voor een lijst met contactpersonen.
Draai aan TUNE om een contactpersoon te
kiezen en druk op OK/MENU om te bellen.
Onder de naam van de contactpersoon staat
het telefoonnummer dat als standaardnummer is gekozen. Als rechts van de contactpersoon het symbool > staat, zijn er meerdere
telefoonnummers van de contactpersoon
opgeslagen. Druk op OK/MENU om de nummers weer te geven. Kies een ander nummer
dan het standaardnummer en bel door te
draaien aan de knop TUNE. Druk op OK/
MENU om te bellen.
U kunt de lijst met contactpersonen doorzoeken door via de toetsenset van de middenconsole de eerste letter(s) van de naam van
de contactpersoon in te typen, zie Tekentabel
toetsenset op middenconsole (p. 421) voor
de functie van de toetsen.
De lijst met contactpersonen is vanaf de normaalweergave ook te bereiken door op de
toetsenset van de middenconsole de toets in
te drukken met de eerste letter van de naam
van de gezochte contactpersoon. Zo biedt
lang indrukken van de toets 6 rechtstreeks
toegang tot dat deel van de lijst waar de contactpersonen liggen die beginnen met de letter M.
Gerelateerde informatie
•
Audiosysteem en media - systeem bedienen (p. 384)
•
•
•
Bluetooth®-handsfreesysteem (p. 416)
•
Telefoonboek - contactpersonen zoeken
(p. 422)
Telefoonboek (p. 420)
Telefoonboek - tekentabel toetsenset op
middenconsole (p. 421)
•
Telefoonboek - nieuw contactpersoon (p.
423)
•
•
•
•
Telefoonboek - sneltoets (p. 425)
Telefoonboek - vCard ontvangen (p. 425)
Telefoonboek - tekentabel toetsenset
op middenconsole
Tekentabel met mogelijke tekens om in het
telefoonboek te gebruiken.
Toets
Functie
Spatie . , - ? @ : ; / ( ) 1
ABCÅÄÆÀÇ2
11
DEFÈΔ3
GHIÌ4
Telefoonboek - geheugenstatus (p. 425)
Telefoonboek - wissen (p. 426)
JKL5
MNOΚØÑÒ6
PQRSΤ7
TUVÜÙ8
WXYZ9
Wisselen tussen hoofdletters en
kleine letters.
421
11 Audio en media
||
Toets
Functie
+0pw
Telefoonboek - contactpersonen
zoeken
Contactgegevens zoeken in telefoonboek.
#*
Gerelateerde informatie
11
•
Audiosysteem en media - systeem bedienen (p. 384)
•
•
Bluetooth®-handsfreesysteem (p. 416)
•
•
422
Telefoonboek (p. 420)
•
Telefoonboek - nieuw contactpersoon (p.
423)
•
•
•
•
Telefoonboek - sneltoets (p. 425)
36
1. Draai aan36 TUNE tot de gewenste letter
verschijnt en druk ter bevestiging op OK/
MENU. Ook de cijfer- en lettertoetsen
van het bedieningspaneel op de middenconsole zijn te gebruiken.
Telefoonboek - contactpersonen snel
zoeken (p. 421)
Telefoonboek - contactpersonen zoeken
(p. 422)
Telefoonboek - vCard ontvangen (p. 425)
Telefoonboek - geheugenstatus (p. 425)
Telefoonboek - wissen (p. 426)
N.B.
Bij de uitvoering High Performance ontbreekt het tekstwiel, zodat u TUNE niet
kunt gebruiken voor de invoer van tekens
maar aangewezen bent op de cijfer- en lettertoetsen op het bedieningspaneel van de
middenconsole.
Contactpersonen zoeken met het tekstwiel.
Tekenlijst
Invoerstand wijzigen (zie onderstaande
tabel)
Telefoonboek
Ga om een contactpersoon te zoeken of te
bewerken in de telefoonstand naar
Telefoonmenu Telefoonboek Zoeken.
Geldt alleen voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
2. Ga verder met de volgende letter enz. In
het telefoonboek (3) verschijnt het resultaat van de zoekopdracht.
3. Om over te schakelen op de invoer van
cijfers of speciale tekens of het telefoonboek te openen dient u aan TUNE te
draaien, totdat een van de opties (zie verklaring in onderstaande tabel) in de lijst
voor het wisselen van invoerstand (2) verschijnt en druk vervolgens op OK/MENU.
11 Audio en media
123/ABC
Met OK/MENU kunt u wisselen tussen cijfers en letters.
Gerelateerde informatie
•
Overige
Met OK/MENU kunt u overschakelen op de invoer van
speciale tekens.
Audiosysteem en media - systeem bedienen (p. 384)
•
•
•
Bluetooth®-handsfreesysteem (p. 416)
•
Telefoonboek - contactpersonen snel
zoeken (p. 421)
•
Telefoonboek - nieuw contactpersoon (p.
423)
Opent het telefoonboek (3).
Draai aan TUNE om een contactpersoon te kiezen en druk
op OK/MENU om opgeslagen
nummers en overige informatie
te bekijken.
Bij kort indrukken van EXIT wist u het laatst
ingevoerde teken. Bij lang indrukken van
EXIT wist u alle ingevoerde tekens.
Bij het indrukken van een cijfertoets op de
middenconsole tijdens de weergave van het
tekstwiel (zie bovenstaande afbeelding), verschijnt op het display een tekenlijst (1). Druk
herhaalde malen op de cijfertoets totdat de
gewenste letter verschijnt en laat de toets
weer los. Ga verder met de volgende letter
enz. Met het indrukken van een volgende
toets bevestigt u de invoer van de voorgaande letter.
Houd om een cijfer in te voeren de toets met
het gewenste cijfer ingedrukt.
•
•
•
•
Telefoonboek - nieuw contactpersoon
Een nieuw contactpersoon in het telefoonboek aanmaken.
Telefoonboek (p. 420)
Telefoonboek - tekentabel toetsenset op
middenconsole (p. 421)
11
Telefoonboek - sneltoets (p. 425)
Telefoonboek - vCard ontvangen (p. 425)
Telefoonboek - geheugenstatus (p. 425)
Telefoonboek - wissen (p. 426)
Letters invoeren voor nieuwe contactpersoon.
Invoerstand wijzigen (zie onderstaande
tabel)
Invoerveld
Een nieuwe contactpersoon is in de telefoonstand toe te voegen onder Telefoonmenu
Telefoonboek Nieuw contact.
N.B.
Bij de uitvoering High Performance ontbreekt het tekstwiel, zodat u TUNE niet
kunt gebruiken voor de invoer van tekens
maar aangewezen bent op de cijfer- en lettertoetsen op het bedieningspaneel van de
middenconsole.
423
11 Audio en media
||
1. Druk, wanneer de regel Naam gemarkeerd staat, op OK/MENU om de invoerstand te openen (bovenstaande afbeelding).
11
2. Draai aan37 TUNE tot de gewenste letter
verschijnt en druk ter bevestiging op OK/
MENU. Ook de cijfer- en lettertoetsen
van het bedieningspaneel op de middenconsole zijn te gebruiken.
3. Ga verder met de volgende letter enz. In
het invoerveld (2) op het display staat de
ingevoerde naam.
Kies, wanneer alle gegevens ingevoerd zijn,
Contact opslaan in het menu om de contactpersoon op te slaan.
123/AB
C
Met OK/MENU kunt u wisselen tussen cijfers en letters.
Overige
Met OK/MENU kunt u overschakelen op de invoer van
speciale tekens.
OK
4. Om over te schakelen op de invoer van
cijfers en/of speciale tekens of te wisselen tussen grote/kleine letters e.d. dient u
aan TUNE te draaien, totdat een van de
opties (zie verklaring in onderstaande
tabel) in de lijst (1) verschijnt; druk vervolgens op OK/MENU.
Kies, wanneer u de volledige naam ingevoerd
hebt, OK in de lijst op het display (1) en druk
op OK/MENU. Voer vervolgens het telefoonnummer in op hierboven beschreven manier.
Druk wanneer u het telefoonnummer hebt
ingevoerd op OK/MENU en geef het type
telefoonnummer aan (GSM, Home, Werk of
Algemeen). Druk ter bevestiging op OK/
MENU.
37
424
Geldt alleen voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
Met Contact toevoegen kunt
u opslaan en teruggaan naar
OK/MENU.
Met OK/MENU kunt u wisselen tussen hoofdletters en
kleine letters.
Druk op OK/MENU, de cursor
gaat naar het invoerveld (2)
boven aan het display. U kunt
de cursor vervolgens met
TUNE naar de gewenste positie verplaatsen om bijvoorbeeld nieuwe letters in te voegen of letters te wissen met
EXIT. Ga om nieuwe letters te
kunnen invoegen eerst terug
naar de invoerstand door te
drukken op OK/MENU.
Gerelateerde informatie
•
Audiosysteem en media - systeem bedienen (p. 384)
•
•
•
Bluetooth®-handsfreesysteem (p. 416)
•
Telefoonboek - tekentabel toetsenset op
middenconsole (p. 421)
•
Telefoonboek - contactpersonen zoeken
(p. 422)
•
•
•
•
Telefoonboek - sneltoets (p. 425)
Telefoonboek (p. 420)
Telefoonboek - contactpersonen snel
zoeken (p. 421)
Telefoonboek - vCard ontvangen (p. 425)
Telefoonboek - geheugenstatus (p. 425)
Telefoonboek - wissen (p. 426)
11 Audio en media
Telefoonboek - sneltoets
Telefoonboek - vCard ontvangen
Telefoonboek - geheugenstatus
Als sneltoets opslaan om een nummer of contactpersoon eenvoudig te kunnen bellen.
Ontvang elektronische visitekaartjes (vCard)
voor het telefoonboek van de auto.
Zie de geheugenstatus van het telefoonboek.
In de telefoonstand kunt u snelnummers
opslaan onder Telefoonmenu
Telefoonboek Verkort kiezen.
Het is mogelijk om vCards van andere mobiele telefoons (dan de eenheid die op dat
moment aangesloten op de auto) te ontvangen voor het telefoonboek van de auto. Om
dat mogelijk te maken dient u de auto identificeerbaar te maken voor Bluetooth®. De functie wordt in de telefoonstand geactiveerd
onder Telefoonmenu Telefoonboek
vCard ontvangen.
In de telefoonstand is verkort kiezen mogelijk
met de cijfertoetsen op de toetsenset van de
middenconsole, door een cijfertoets en vervolgens op OK/MENU in te drukken. Als er
geen contactpersoon opgeslagen ligt onder
het gekozen snelnummer, krijgt u de gelegenheid om alsnog een contactpersoon onder
het gekozen snelnummer op te slaan.
Gerelateerde informatie
•
Audiosysteem en media - systeem bedienen (p. 384)
•
•
•
Bluetooth®-handsfreesysteem (p. 416)
•
Telefoonboek - tekentabel toetsenset op
middenconsole (p. 421)
Telefoonboek (p. 420)
Telefoonboek - contactpersonen snel
zoeken (p. 421)
•
Telefoonboek - contactpersonen zoeken
(p. 422)
•
Telefoonboek - nieuw contactpersoon (p.
423)
•
•
•
Telefoonboek - vCard ontvangen (p. 425)
Gerelateerde informatie
•
Audiosysteem en media - systeem bedienen (p. 384)
•
•
•
Bluetooth®-handsfreesysteem (p. 416)
•
Telefoonboek - tekentabel toetsenset op
middenconsole (p. 421)
•
Telefoonboek - contactpersonen zoeken
(p. 422)
Telefoonboek (p. 420)
Telefoonboek - contactpersonen snel
zoeken (p. 421)
•
Telefoonboek - nieuw contactpersoon (p.
423)
•
•
•
Telefoonboek - sneltoets (p. 425)
De geheugenstatus van het telefoonboek van
de auto en die van het telefoonboek van de
aangesloten mobiele telefoon zijn in de telefoonstand te bekijken onder Telefoonmenu
Telefoonboek Geheugenstatus.
Gerelateerde informatie
•
Audiosysteem en media - systeem bedienen (p. 384)
•
•
•
Bluetooth®-handsfreesysteem (p. 416)
•
Telefoonboek - tekentabel toetsenset op
middenconsole (p. 421)
•
Telefoonboek - contactpersonen zoeken
(p. 422)
•
Telefoonboek - nieuw contactpersoon (p.
423)
•
•
•
Telefoonboek - sneltoets (p. 425)
11
Telefoonboek (p. 420)
Telefoonboek - contactpersonen snel
zoeken (p. 421)
Telefoonboek - vCard ontvangen (p. 425)
Telefoonboek - wissen (p. 426)
Telefoonboek - geheugenstatus (p. 425)
Telefoonboek - wissen (p. 426)
Telefoonboek - geheugenstatus (p. 425)
Telefoonboek - wissen (p. 426)
425
11 Audio en media
Telefoonboek - wissen
Het ingebouwde telefoonboek (p. 420) wissen.
Het is mogelijk het telefoonboek van de auto
te wissen; u doet dat in de telefoonstand
onder Telefoonmenu Telefoonboek
Telefoonboek wissen .
11
N.B.
•
•
Telefoonboek - vCard ontvangen (p. 425)
Stembediening* mobiele telefoon
Telefoonboek - geheugenstatus (p. 425)
De stembediening38 biedt u de mogelijkheid
om bepaalde functies van een mobiele telefoon met Bluetooth®-aansluiting of van
Volvo’s navigatiesysteem met uw stem te
bedienen.
N.B.
•
In dit gedeelte staat aangegeven hoe u
gesproken commando’s kunt gebruiken om een mobiele telefoon met
Bluetooth®-aansluiting te bedienen.
Zie Bluetooth®-handsfreesysteem (p.
416) voor gedetailleerde informatie
over het gebruik van een mobiele telefoon met Bluetooth®-aansluiting op het
infotainmentsysteem in de auto.
•
Volvo’s navigatiesysteem is voorzien
van een apart supplement met meer
informatie over spraakherkenning en
de mogelijke stemcommando’s voor
bediening van het systeem.
Bij het wissen van het telefoonboek van de
auto worden alleen de contactpersonen in
het telefoonboek van de auto verwijderd.
De contactpersonen in het telefoonboek
van de mobiele telefoon worden niet verwijderd.
Gerelateerde informatie
426
•
Audiosysteem en media - systeem bedienen (p. 384)
•
•
•
Bluetooth®-handsfreesysteem (p. 416)
•
Telefoonboek - tekentabel toetsenset op
middenconsole (p. 421)
•
Telefoonboek - contactpersonen zoeken
(p. 422)
•
Telefoonboek - nieuw contactpersoon (p.
423)
•
Telefoonboek - sneltoets (p. 425)
Telefoonboek (p. 420)
Telefoonboek - contactpersonen snel
zoeken (p. 421)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Het gebruik van stemcommando’s biedt
bedieningscomfort, leidt minder af en helpt u
om de aandacht op het verkeer vast te houden.
11 Audio en media
WAARSCHUWING
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige
manier bestuurt en de geldende verkeersregels in acht neemt.
De stembedieningsfunctie biedt u de mogelijkheid om bepaalde functies van een mobiele telefoon met Bluetooth®-aansluiting of van
Volvo’s navigatiesysteem met uw stem te
bedienen, zonder daarvoor uw handen van
het stuur te hoeven nemen. De input vindt in
dialoogvorm plaats met stemcommando’s
van de gebruiker en verbale antwoorden van
het systeem. De stembediening maakt
gebruik van dezelfde microfoon als het
Bluetooth®-handsfreesysteem (zie
Bluetooth®*-handsfreesysteem - overzicht (p.
417)) en geeft antwoord via de luidsprekers in
de auto.
Let op het volgende bij het gebruik van de
stembedieningsfunctie:
•
Spreek bij het geven van commando’s na
de toon, met normale stem in een normaal tempo.
•
Wacht met spreken, totdat het systeem
klaar is met antwoorden (zolang het systeem antwoordt, werkt de stembediening
namelijk niet).
•
•
Houd portieren en zijruiten dicht.
Toets voor stembediening
Voordat u een mobiele telefoon met stemcommando’s kunt bedienen, moet de mobiele
telefoon via het Bluetooth®-handsfreesysteem
zijn gekoppeld en aangesloten. Als u met een
stemcommando een telefoon probeert te
bedienen zonder dat er een mobiel aan het
systeem gekoppeld is, wordt u daarop attent
gemaakt. Voor informatie over het koppelen
en aansluiten van een mobiele telefoon, zie
Bluetooth®*-eenheid registreren (p. 413).
Druk op de knop voor stembediening (1)
om de functie te activeren en een dialoog
met stemcommando’s te starten. De
functie toont dan enkele veelvoorko-
11
Vermijd achtergrondgeluiden in de passagiersruimte.
Stuurtoetsen.
•
38
mende commando’s op het display van
de middenconsole.
Beknopte bedieningsinstructies voor
stembediening
N.B.
Bij twijfel over het te gebruiken commando
kunt u “Help” zeggen – het systeem geeft
dan enkele voorbeelden van commando’s
die u in de actuele situatie kunt gebruiken.
De gesproken commando’s zijn te annuleren door:
•
•
•
“Annuleren” te zeggen
•
op EXIT of een andere hoofdbronknop
(zoals MEDIA) te drukken.
niks te zeggen
lang op de stuurtoets voor spraakherkenning te drukken
Geldt alleen voor auto’s met Volvo’s navigatiesysteem.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
427
11 Audio en media
||
Gerelateerde informatie
11
•
Audiosysteem en media - systeem bedienen (p. 384)
•
Bluetooth®*-handsfreesysteem - overzicht
(p. 417)
•
Bluetooth®*-eenheid aansluiten en loskoppelen (p. 412)
•
Taalkeuze voor stembediening* mobiele
telefoon (p. 428)
•
Hulpfuncties voor stembediening* mobiele telefoon (p. 428)
•
Stembediening* mobiele telefoon gebruikersinstelling en stemvolume (p.
429)
•
Spraakherkenning* mobiele telefoon stemcommando’s (p. 430)
Taalkeuze voor stembediening*
mobiele telefoon
Hulpfuncties voor stembediening*
mobiele telefoon
U kunt een taalkeuze maken voor de stembediening* van de mobiele telefoon in het menusysteem MY CAR, zie MY CAR - steminstellingen (p. 114).
De hulpfuncties dienen om vertrouwd te raken
met het systeem en bieden het stembedieningssysteem de gelegenheid om uw stem en
uitspraak te leren kennen.
Talenlijst.
Stembediening is niet voor alle talen mogelijk.
De beschikbare talen voor stembediening zijn
in de talenlijst aangegeven met een picto. Het wijzigen van de taal doet u in
gram,
het menusysteem MY CAR, zie MY CAR (p.
106).
Gerelateerde informatie
428
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
•
Audiosysteem en media - systeem bedienen (p. 384)
•
•
Stembediening* mobiele telefoon (p. 426)
MY CAR - steminstellingen (p. 114)
•
Instructie: Een functie die u vertrouwd
maakt met de functie en de juiste manier
om commando’s te geven.
•
Stemtraining: Een functie die de stembedieningsfunctie de gelegenheid geeft uw
stem en uitspraak te leren kennen. De
functie kan de stemmen van twee verschillende gebruikersprofielen leren.
De hulpfuncties zijn te bereiken door te drukken op de knop MY CAR op het bedieningspaneel van de middenconsole en vervolgens
aan TUNE te draaien, totdat de menu-optie
van uw keuze verschijnt.
Instructie
De aanwijzingen zijn op twee manieren te
starten:
N.B.
Instructies en stemtraining zijn alleen te
activeren wanneer de auto geparkeerd
staat.
11 Audio en media
•
Druk op de knop voor stembediening (p.
384) en zeg ‘Steminstructies’.
•
Activeer de instructiefunctie in het menusysteem MY CAR onder Instellingen
Spraakinstellingen
Spraakintroductie. Voor een beschrijving
van het menusysteem, zie MY CAR (p.
106).
De instructie is opgesplitst in 3 lessen, die in
totaal zo’n 5 minuten duren. De functie start
met de eerste les. Om een les over te slaan
en naar de volgende te gaan, kunt u op de
knop voor stembediening drukken en ‘Volgende’ zeggen. U kunt teruggaan naar de
vorige les door ‘Vorige’ te zeggen.
Gerelateerde informatie
•
Audiosysteem en media - systeem bedienen (p. 384)
•
Stembediening* mobiele telefoon (p. 426)
Stembediening* mobiele telefoon gebruikersinstelling en stemvolume
Gebruikersprofiel en stemvolume zijn in te
stellen in het menusysteem MY CAR.
•
•
Beëindig de instructie door de knop voor
stembediening lang in te drukken.
Stemtraining
U krijgt tot vijftien zinnen te zien die u moet
inspreken. De stemtraining is te starten in het
menusysteem MY CAR onder Instellingen
Spraakinstellingen Spraaktraining.
Kies vervolgens uit Gebruiker 1 of
Gebruiker 2. Voor een beschrijving van het
menusysteem, zie MY CAR (p. 106).
Gebruikersinstelling – U kunt twee
gebruikersprofielen instellen. De functie is
te activeren in het menusysteem MY CAR
onder Instellingen Spraakinstellingen
Gebruikersinstelling spraaksystem.
Kies vervolgens uit Gebruiker 1 of
Gebruiker 2. Voor een beschrijving van
het menusysteem, zie MY CAR (p. 106).
11
Stemvolume – Te wijzigen in het menusysteem MY CAR onder Instellingen
Spraakinstellingen Volume
mededelingen. Voor een beschrijving
van het menusysteem, zie MY CAR (p.
106).
Gerelateerde informatie
•
Audiosysteem en media - systeem bedienen (p. 384)
•
Stembediening* mobiele telefoon (p. 426)
Vergeet na afloop van de stemtraining niet
om uw gebruikersprofiel in te stellen onder
Gebruikersinstelling spraaksystem.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
429
11 Audio en media
Spraakherkenning* mobiele telefoon stemcommando’s
Het is mogelijk om de mobiele telefoon met
vooraf gedefinieerde stemcommando’s met
de stem te bedienen.
11
U start een dialoog met stemcommando’s
door te drukken op de knop voor spraakherkenning (p. 426).
Zodra een dialoog gestart is, verschijnen
veelvoorkomende commando’s op het display. Grijs gearceerde teksten of teksten tussen haakjes maken geen deel uit van het
stemcommando.
Wanneer u vertrouwd bent met de functie,
kunt u de dialoog verkorten door systeemvragen over te slaan middels kort indrukken van
de knop voor spraakherkenning.
Commando’s zijn op meerdere
manieren te geven
Het commando ‘Telefoon bel contact’ kan bijvoorbeeld als volgt worden gegeven:
•
‘Telefoon > Bel contact’ – Zeg ‘Telefoon’,
wacht op antwoord van het systeem en
zeg vervolgens ‘Bel contact.’
of
•
430
‘Telefoon bel contact’ – Zeg het hele
commando in één keer.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Gerelateerde informatie
•
Audiosysteem en media - systeem bedienen (p. 384)
•
•
Stembediening* mobiele telefoon (p. 426)
•
Stembediening* mobiele telefoon - nummer bellen (p. 431)
•
Stembediening* mobiele telefoon - bellen
via gesprekslijst (p. 431)
•
Stembediening* mobiele telefoon - contactpersoon bellen (p. 432)
•
Stembediening* mobiele telefoon - voicemail beluisteren (p. 432)
Stembediening* mobiele telefoon - snelcommando’s (p. 430)
Stembediening* mobiele telefoon snelcommando’s
De stembediening* van de mobiele telefoon
werkt met enkele vooraf gedefinieerde snelcommando’s.
De snelcommando’s voor de telefoon zijn te
vinden in het menusysteem MY CAR onder
Instellingen Spraakinstellingen Lijst
van spraakcommando's
Telefooncommando's en Algemene
commando's. Voor een beschrijving van het
menusysteem, zie MY CAR (p. 106).
Gerelateerde informatie
•
Audiosysteem en media - systeem bedienen (p. 384)
•
Spraakherkenning* mobiele telefoon stemcommando’s (p. 430)
11 Audio en media
Stembediening* mobiele telefoon nummer bellen
U kunt als volgt een telefoonnummer aangeven via de stembediening van de mobiele
telefoon.
De functie begrijpt de cijfers 0 (nul) tot en met
9 (negen). Het nummer is aan te geven door
de cijfers van het nummer elk afzonderlijk uit
te spreken, in groepjes te verdelen of in één
keer achter elkaar te noemen. Getallen groter
dan 9 (negen) kan de functie niet hanteren. Zo
kunt u 10 (tien) of 11 (elf) niet gebruiken.
Hier volgt een voorbeeld van een dialoog met
stemcommando’s. De systeemreactie hangt
van de situatie af.
Gebruiker start de dialoog door het zeggen
van:
Noem de rest van de cijfers. Sluit wanneer u
klaar bent het commando af door ‘Bel’ te
zeggen.
•
U kunt het nummer ook aanpassen door
de commando’s ‘Correctie’ (verwijdert de
laatst genoemde groep cijfers) of ‘Wissen’
(wist het genoemde nummer in zijn
geheel) te geven.
Gerelateerde informatie
•
Audiosysteem en media - systeem bedienen (p. 384)
•
Spraakherkenning* mobiele telefoon stemcommando’s (p. 430)
Stembediening* mobiele telefoon bellen via gesprekslijst
U kunt de stembediening gebruiken om te
bellen via de gesprekslijst.
Met de onderstaande dialoog kunt u een
nummer bellen in de gesprekslijsten in uw
mobiele telefoon.
Gebruiker start de dialoog door het zeggen
van:
Telefoon > bel vanuit oproepregister
of
Telefoon bel vanuit oproepregister
Beantwoord de vervolgvragen die het systeem stelt.
Gerelateerde informatie
Telefoon > bel nummer
•
of
Audiosysteem en media - systeem bedienen (p. 384)
•
Spraakherkenning* mobiele telefoon stemcommando’s (p. 430)
Telefoon bel nummer
11
Systeemreactie
Nummer?
Gebruikersreactie
Noem de cijfers (eenheden zoals zes-achtzeven enz.) van het telefoonnummer. Als u
meerdere cijfers noemt en vervolgens pauzeert, zal het systeem ze herhalen en vervolgens ‘Doorgaan’ zeggen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
431
11 Audio en media
Stembediening* mobiele telefoon contactpersoon bellen
U kunt de stembediening gebruiken om een
contactpersoon te bellen.
Met het onderstaande dialoog kunt u de
geprogrammeerde contactpersonen in uw
mobiele telefoon bellen.
11
Gebruiker start de dialoog door het zeggen
van:
Telefoon > bel contact
•
Audiosysteem en media - systeem bedienen (p. 384)
•
Spraakherkenning* mobiele telefoon stemcommando’s (p. 430)
Stembediening* mobiele telefoon voicemail beluisteren
U kunt de stembediening gebruiken om uw
voicemail te beluisteren.
De onderstaande dialoog biedt u de mogelijk
uw voicemail te beluisteren om te controleren
of u berichten hebt ontvangen. Het telefoonnummer voor de voicemail moet geregistreerd zijn in het Bluetooth®-handsfreesysteem, zie Gespreksfuncties (p. 418).
of
Gebruiker start de dialoog door het zeggen
van:
Telefoon bel contact
Telefoon > bel voicemail
Beantwoord de vervolgvragen die het systeem stelt.
of
Let op het volgende bij het bellen van een
contact:
•
•
432
Gerelateerde informatie
Als er meerdere contactpersonen bestaan
met vergelijkbare namen, verschijnen
deze op genummerde regels op het
beeldscherm. Het systeem vraagt u een
regelnummer te kiezen.
Als alle beschikbare rijen niet tegelijkertijd
op het display kunnen worden getoond,
kunt u door ‘Omlaag’ te zeggen omlaagbladeren in de lijst (en door ‘Omhoog’ te
zeggen kunt u omhoogbladeren in de
lijst).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Telefoon bel voicemail
Beantwoord de vervolgvragen die het systeem stelt.
Gerelateerde informatie
•
Audiosysteem en media - systeem bedienen (p. 384)
•
Spraakherkenning* mobiele telefoon stemcommando’s (p. 430)
11 Audio en media
Opslaan als favoriet
Afspelen en navigeren bij cd’s/dvd’s*
Weergave onderbreken (pauzeren)
Sla veelgebruikte functies op onder favorieten. De functie is eenvoudig te starten met
een druk op de knop FAV.
Voor elementaire afspeel- en navigatiefuncties, zie Audiosysteem en media - systeem
bedienen (p. 384). Hier volgt een gedetailleerde beschrijving.
Als het volume wordt uitgedraaid of MUTE
wordt ingedrukt, pauzeert de mediaspeler.
Als het volume wordt verhoogd of MUTE nogmaals wordt ingedrukt, start de mediaspeler
weer. U kunt tevens pauzeren via het menusysteem39: druk op OK/MENU en kies Play/
pause.
Om een functie op te slaan als favoriet:
1. Kies een hoofdbron (bijvoorbeeld RADIO,
MEDIA).
2. Kies een frequentieband of bron (AM,
Disk, etc.).
3. Houd de toets FAV ingedrukt totdat het
‘favorietenmenu’ verschijnt.
4. Draai aan TUNE om een alternatief op de
lijst te kiezen en druk op OK/MENU om
het op te slaan.
> Wanneer de hoofdbron (bijvoorbeeld
RADIO, MEDIA) actief is, is met een
korte druk op FAV de opgeslagen
functie te activeren.
Gerelateerde informatie
•
Favorieten (p. 388)
Disc afspelen
Druk op de knop MEDIA, draai aan TUNE
totdat Disk verschijnt en druk op OK/MENU.
Als er een disc in de mediaspeler zit, wordt
deze disc automatisch afgespeeld. Anders
verschijnt Plaats disk op het display. Plaats
vervolgens een disc met de tekstzijde
omhoog. De cd wordt automatisch afgespeeld.
N.B.
Het is mogelijk dat de speler audiobestanden met kopieerbeveiliging van de platenmaatschappijen of zelfgebrande audiobestanden niet kan lezen.
Disc uitwerpen
Een disc blijft ca. 12 seconden lang in de uitgeworpen stand staan. Om veiligheidsredenen wordt de disc vervolgens automatisch
weer naar binnen getrokken.
11
Videoweergave is uitsluitend mogelijk wanneer de auto stilstaat. Wanneer de auto
sneller rijdt dan ca. 8 km/h, verschijnt er
geen beeld en staat Geen visuele media
tijdens het rijden op het beeldscherm.
Het geluid wordt echter wel weergegeven.
Het beeld verschijnt weer, zodra de rijsnelheid is gedaald tot onder ca. 6 km/h.
Wanneer er een disc met audio-/videobestanden in de speler wordt geplaatst, dient de
mapstructuur op de disc te worden ingelezen.
Afhankelijk van de kwaliteit van de disc en de
hoeveelheid gegevens die erop staan, kan het
enige tijd duren voordat de weergave van
start gaat.
Druk op de uitwerkknop (p. 384) om de disc
uit te werpen.
39
N.B.
Gerelateerde informatie
•
Audiosysteem en media - systeem bedienen (p. 384)
•
Afspelen en navigeren bij zelfgebrande
schijven met audio-/videobestanden (p.
434)
Geldt niet voor CD Audio
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
433
11 Audio en media
11
•
Afspelen en navigeren bij DVD Video (p.
405)
•
•
Vooruit-/achteruitspoelen (p. 404)
Afspelen en navigeren bij
zelfgebrande schijven met audio-/
videobestanden
Tracks of audiobestanden scannen (p.
435)
Afspelen en navigeren bij zelfgebrande schijven met audio-/videobestanden40.
•
Willekeurige afspeelvolgorde tracks of
audiobestanden (p. 404)
•
Mediaspeler - compatibele bestandsformaten (p. 407)
N.B.
Videoweergave is uitsluitend mogelijk wanneer de auto stilstaat. Wanneer de auto
sneller rijdt dan ca. 8 km/h, verschijnt er
geen beeld en staat Geen visuele media
tijdens het rijden op het beeldscherm.
Het geluid wordt echter wel weergegeven.
Het beeld verschijnt weer, zodra de rijsnelheid is gedaald tot onder ca. 6 km/h.
N.B.
434
Geldt alleen voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
Dit gebeurt niet, als Map herhalen geactiveerd is.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Deze functie maakt het mogelijk om de weergave van de bestanden in een map eindeloos
te herhalen. Wanneer het laatste bestand
helemaal afgespeeld is, wordt het eerste
bestand opnieuw weergegeven.
2. Draai aan TUNE totdat Map herhalen
verschijnt
3. Druk op OK/MENU om de functie te activeren/deactiveren.
,
Wanneer het afspelen van een bestand klaar
is, worden de andere bestanden (van hetzelfde type) in de actuele map afgespeeld. Er
wordt automatisch van map gewisseld41,
wanneer alle bestanden in een de actuele
40
41
Map herhalen
1. Druk op OK/MENU
Het is mogelijk dat de speler audiobestanden met kopieerbeveiliging van de platenmaatschappijen of zelfgebrande audiobestanden niet kan lezen.
Audiobestanden hebben het symbool
videobestanden40 hebben het symbool
en mappen hebben het symbool
.
map afgespeeld zijn. Het systeem registreert
automatisch of er een disc met alleen audiobestanden of alleen videobestanden in de
mediaspeler wordt geplaatst, past de instellingen aan en speelt de bestanden vervolgens
af. Het systeem past de instelling echter niet
aan, als er een disc met een mix van audioen videobestanden in de mediaspeler wordt
geplaatst maar blijft in dat geval het voorgaande bestandstype afspelen.
Gerelateerde informatie
•
Audiosysteem en media - systeem bedienen (p. 384)
•
Afspelen en navigeren bij cd’s/dvd’s* (p.
433)
•
Afspelen en navigeren bij DVD Video (p.
405)
11 Audio en media
•
•
Vooruit-/achteruitspoelen (p. 404)
Tracks of audiobestanden scannen
TV - instelling*
Tracks of audiobestanden scannen (p.
435)
•
Willekeurige afspeelvolgorde tracks of
audiobestanden (p. 404)
Bij activering van deze functie worden van
elk(e) track/audiobestand42 de eerste tien
seconden weergegeven.
•
Mediaspeler - compatibele bestandsformaten (p. 407)
Tv-weergave is uitsluitend mogelijk wanneer
de auto stilstaat. Wanneer de auto sneller rijdt
dan ca. 6 km/h, verschijnt er geen beeld maar
het geluid wordt wel weergegeven. Het beeld
komt terug wanneer de auto tot stilstand is
gekomen.
•
DivX®
Video On Demand (p. 406)
Om de gekozen bron te scannen:
1. Druk op OK/MENU
2. Draai aan TUNE totdat Scan verschijnt
> Van alle tracks of audiobestanden worden de eerste 10 seconden weergegeven.
11
3. Beëindig de scanfunctie met EXIT,
waarna de weergave van het actuele
nummer of audiobestand op de disc
wordt voortgezet.
Gerelateerde informatie
42
•
Audiosysteem en media - systeem bedienen (p. 384)
•
Afspelen en navigeren bij cd’s/dvd’s* (p.
433)
•
Afspelen en navigeren bij externe geluidsbron (p. 409)
•
Media Bluetooth®* (p. 411)
Tv-functies, overzicht bedieningselementen.
N.B.
Dit systeem ondersteunt alleen tv-signalen
in die landen die in mpeg2- of mpeg4-formaat uitzenden volgens de DVB-T-standaard. Het systeem biedt geen ondersteuning voor analoge tv-signalen.
Geldt niet voor DVD Video. Bij via de AUX/USB-poort aangesloten externe geluidsbronnen geldt dit alleen voor USB en iPod®. Wordt niet door alle mobiele telefoons ondersteund.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
435
11 Audio en media
||
N.B.
Tv-weergave is uitsluitend mogelijk wanneer de auto stilstaat. Wanneer de auto
sneller rijdt dan ca. 6 km/h, verschijnt er
geen beeld en staat Geen visuele media
tijdens het rijden op het beeldscherm.
Het geluid wordt echter wel weergegeven.
Het beeld komt terug wanneer de auto tot
stilstand is gekomen.
11
N.B.
De ontvangst hangt niet alleen af van de
signaalsterkte maar ook van de signaalkwaliteit. Er kunnen storingen optreden
wanneer de zendersignalen bijvoorbeeld
gehinderd worden door hoge gebouwen of
van zeer grote afstand komen. De dekkingsgraad kan eveneens variëren afhankelijk van waar u zich bevindt.
BELANGRIJK
Voor het gebruik van dit product is mogelijk kijk- en luistergeld verschuldigd.
Tv kijken
–
436
Druk op MEDIA, draai aan TUNE totdat
TV op het display verschijnt en druk op
OK/MENU.
> Er wordt een zoekfunctie gestart en
kort daarna verschijnt het laatst bekeken kanaal.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Van kanaal veranderen
N.B.
U kunt als volgt van kanaal veranderen:
Als na bediening van de sneltoetsen geen
beeld verschijnt, kan dat komen doordat
de auto zich mogelijk niet meer bevindt in
het land waar naar tv-zenders werd
gezocht (u bent bijvoorbeeld van Duitsland
naar Frankrijk gereden). U moet dan
mogelijk een ander land selecteren en
opnieuw naar kanalen zoeken starten.
•
Draai aan TUNE, waarna een lijst verschijnt met alle beschikbare kanalen in
het gebied. Als een van deze kanalen al
eerder werd opgeslagen als voorkeurskanaal, verschijnt rechts van de kanaalnaam
het sneltoetsnummer. Draai aan TUNE
totdat u het gewenste kanaal bereikt en
druk op OK/MENU.
•
•
Door te drukken op de sneltoetsen (0–9).
Gerelateerde informatie
Door kort op de toetsen
/
te
drukken, waarna het eerstvolgende
beschikbare kanaal in het gebied verschijnt.
•
Audiosysteem en media - systeem bedienen (p. 384)
•
Tv*-kanalen zoeken/Voorkeurslijst (p.
437)
N.B.
Als u van locatie verandert binnen het land
en bijvoorbeeld naar een andere stad rijdt,
zijn de voorkeurskanalen niet per definitie
beschikbaar omdat het frequentiegebied
mogelijk gewijzigd is. U moet dan opnieuw
zoeken en een nieuwe voorkeurslijst
opslaan, zie Beschikbare tv-zenders
opslaan als voorkeurskanalen (p. 437).
•
•
•
•
•
Tv* - voorkeur kijker (p. 437)
Informatie over actueel tv*-programma (p.
438)
Teletekst* (p. 439)
Beeldinstellingen (p. 406)
Ontvangst van tv* - kanaalwegval (p.
439)
11 Audio en media
Tv*-kanalen zoeken/Voorkeurslijst
Wanneer u op tv-kanalen zoekt, worden alle
beschikbare kanalen in een voorkeurslijst
opgeslagen.
1. Druk in stand TV op OK/MENU.
2. Draai aan TUNE totdat u TV-menu
bereikt en druk op OK/MENU.
3. Draai aan TUNE totdat u Land kiezen
bereikt en druk op OK/MENU.
> Als er eerder een of meer landen werden geselecteerd, dan verschijnen
deze in een lijst.
4. Draai aan TUNE totdat u Andere landen
bereikt of een van de eerder gekozen landen. Druk op OK/MENU.
> Er verschijnt een lijst met al de
beschikbare landen.
5. Draai aan TUNE totdat u het land van uw
keuze (bijvoorbeeld Zweden) bereikt en
druk op OK/MENU.
> Er wordt automatisch gezocht naar de
beschikbare tv-kanalen. Deze zoekopdracht duurt even. Tijdens het zoeken
wordt het beeld weergegeven van alle
kanalen die zijn gevonden en als voorkeurskanaal worden vastgelegd. Er
verschijnt een melding wanneer de
zoekopdracht afgerond is en het beeld
verschijnt dat bij het gekozen kanaal
hoort. Daarmee is een voorkeurslijst
(max. 30 voorkeuren) aangemaakt en
beschikbaar. Om van kanaal te veranderen, zie TV - instelling* (p. 435).
Het zoeken en vastleggen van voorkeuren
kan worden geannuleerd met EXIT.
Gerelateerde informatie
•
Audiosysteem en media - systeem bedienen (p. 384)
•
•
TV - instelling* (p. 435)
Tv* - voorkeur kijker (p. 437)
Tv* - voorkeur kijker
De voorkeurslijst is te bewerken. U kunt de
volgorde van de kanalen in de voorkeurslijst
wijzigen. Een tv-kanaal kan op meerdere
plaatsen in de voorkeurslijst voorkomen. De
onderlinge positie van de tv-kanalen in de lijst
kan bovendien variëren.
Om de volgorde binnen de lijst met voorkeuren te wijzigen dient u in stand TV te gaan
naar TV-menu Presets sorteren.
11
1. Draai aan TUNE totdat u het te verplaatsen kanaal in de lijst bereikt en bevestig
uw keuze met OK/MENU.
> Het gekozen kanaal staat gemarkeerd.
2. Draai aan TUNE totdat u de nieuwe positie binnen de lijst bereikt en bevestig uw
keuze met OK/MENU.
> De kanalen wisselen vervolgens van
plaats.
Na de voorkeurskanalen (max. 30 stuks) volgen al de resterende kanalen in het gebied.
Het is mogelijk een van deze kanalen in de
lijst met voorkeuren te zetten.
Beschikbare tv-kanalen opslaan als
voorkeurskanalen
Als de auto van locatie is veranderd binnen
het land en bijvoorbeeld naar een andere stad
is gereden, zijn de voorkeurskanalen niet per
definitie beschikbaar omdat het frequentiegebied mogelijk gewijzigd is. Start in dat geval
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
437
11 Audio en media
||
een nieuwe zoekopdracht om een nieuwe
voorkeurslijst op te slaan.
1. Druk in stand TV op OK/MENU.
2. Draai aan TUNE totdat u TV-menu
bereikt en druk op OK/MENU.
11
3. Draai aan TUNE totdat u Autostore
bereikt en druk op OK/MENU.
> Er wordt automatisch gezocht naar de
beschikbare tv-kanalen. Deze zoekopdracht duurt even. Tijdens het zoeken
wordt het beeld weergegeven van alle
kanalen die zijn gevonden en als voorkeurskanaal worden vastgelegd. Er
verschijnt een melding wanneer de
zoekopdracht afgerond is en het beeld
verschijnt dat bij het gekozen kanaal
hoort. Daarmee is een voorkeurslijst
(max. 30 voorkeuren) aangemaakt en
beschikbaar. Om van kanaal te veranderen, zie TV - instelling* (p. 435).
Tv-kanalen scannen
Deze functie doorzoekt het actuele frequentiebereik automatisch op alle beschikbare
kanalen in het gebied waar u zich bevindt.
Wanneer er een kanaal is gevonden, wordt
deze ca. 10 seconden lang weergegeven
voordat de zoekfunctie wordt voortgezet. U
kunt de zoekfunctie stopzetten met EXIT,
waarna het laatst bekeken kanaal opnieuw
wordt weergegeven. De zoekfunctie is niet
van invloed op de voorkeurslijst.
438
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Activeer de scanfunctie in stand TV onder
TV-menu Scan.
Gerelateerde informatie
•
Audiosysteem en media - systeem bedienen (p. 384)
•
•
TV - instelling* (p. 435)
Tv*-kanalen zoeken/Voorkeurslijst (p. 437)
Informatie over actueel tv*programma
Druk op de INFO-toets (p. 384) om informatie
te bekijken over het actuele programma, het
volgende programma alsmede het starttijdstip.
Wanneer u nogmaals op de toets INFO drukt,
valt soms meer informatie over het actuele
programma te bekijken (zoals de tijd dat het
begint en eindigt) alsmede een korte beschrijving van het actuele programma te lezen.
Om terug te keren naar het tv-beeld dient u
enkele seconden te wachten of te drukken op
EXIT.
Gerelateerde informatie
•
Audiosysteem en media - systeem bedienen (p. 384)
•
TV - instelling* (p. 435)
11 Audio en media
Teletekst*
Ontvangst van tv* - kanaalwegval
Afstandsbediening*
U kunt als volgt teletekst bekijken:
Als de signalen van het bekeken tv-kanaal
wegvalt, bevriest het beeld. Wanneer er
opnieuw signalen binnenkomen, is er weer
bewegend beeld.
De afstandsbediening is te gebruiken voor alle
functies van het audio- en mediasysteem. De
knoppen op de afstandsbediening hebben
dezelfde functies als de knoppen op de middenconsole of de stuurtoetsen.
Ga als volgt te werk:
1. Druk op de knop
bediening.
van de afstands-
2. Typ het paginanummer (3 cijfers) in met
de cijfertoetsen (0–9) om een pagina te
kiezen.
> De pagina verschijnt automatisch.
Voer een ander paginanummer in of druk op
/
op de afstandsbediening
de toetsen
om van pagina te veranderen.
Keer terug naar het tv-beeld met EXIT of
bedien de toets
op de afstandsbediening.
Teletekst is ook te bedienen met de
gekleurde knoppen op de afstandsbediening.
Gerelateerde informatie
•
Audiosysteem en media - systeem bedienen (p. 384)
•
•
TV - instelling* (p. 435)
Afstandsbediening* (p. 439)
Als de signalen van het bekeken tv-kanaal
wegvalt, bevriest het beeld. Kort daarna verschijnt een melding die aangeeft dat de signalen van het actuele tv-kanaal zijn weggevallen en dat er opnieuw naar het kanaal wordt
gezocht. Wanneer er opnieuw signalen binnenkomen, wordt het tv-kanaal meteen weergegeven. Wanneer de melding verschijnt,
kunt u uiteraard ook van kanaal veranderen.
11
Als de melding Geen ontvangst, zoeken
verschijnt, heeft het systeem geregistreerd
dat de signalen voor alle tv-kanalen zijn weggevallen. U bent mogelijk een landsgrens
gepasseerd zonder de landinstelling van het
systeem aan te passen. Stel in dat geval het
juiste land in zoals aangegeven onder Tv*kanalen zoeken/Voorkeurslijst (p. (p. 437)).
Gerelateerde informatie
•
Audiosysteem en media - systeem bedienen (p. 384)
•
TV - instelling* (p. 435)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
439
11 Audio en media
||
F. Richt de afstandsbediening vervolgens op
de IR-ontvanger, die rechts van de knop (p.
384) INFO op de middenconsole zit.
WAARSCHUWING
Bewaar losse voorwerpen, zoals een
mobiele telefoon, camera, afstandsbediening voor extra uitrusting e.d., in het dashboardkastje of andere opbergruimten. Bij
krachtig afremmen of een botsing kunnen
deze anders inzittenden verwonden.
11
N.B.
Leg de afstandsbediening niet in de felle
zon (zoals op het dashboard) – dan kunnen
er problemen met de batterijen ontstaan.
Gerelateerde informatie
Afstandsbediening* - functies
Te regelen functies vanaf de afstandsbediening*.
Toets
Functie
F = Beeldscherm voorin
Overschakelen op navigatie*
Overschakelen op radiobron
(AM, FM1 etc.)
Overschakelen op mediabron
(Disk, TV* etc.)
Overschakelen op Bluetooth®handsfree*
•
Audiosysteem en media - systeem bedienen (p. 384)
Achteruitbladeren/-spoelen, van
track/nummer wisselen.
•
•
Afstandsbediening* - functies (p. 440)
Afspelen/Pauzeren
Afstandsbediening* - batterij vervangen
(p. 441)
Stoppen
Vooruitbladeren/-spoelen, van
track/nummer wisselen
Komt overeen met TUNE op de middenconsole.
Druk bij gebruik van de afstandsbediening de
op de afstandsbediening in stand
knop
440
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Menu
Teruggaan, functie beëindigen,
ingevoerde tekens wissen
11 Audio en media
Toets
Functie
Omhoog/omlaag
Naar rechts/links
Keuze bevestigen of menusysteem voor gekozen bron openen
Volume verlagen
Volume verhogen
0–9
Voorkeurskanalen kiezen, cijfers/letters invoeren
Gerelateerde informatie
•
Audiosysteem en media - systeem bedienen (p. 384)
•
Afstandsbediening* (p. 439)
Afstandsbediening* - batterij
vervangen
Hoe u de batterijen in de afstandsbediening
voor het audio- en mediasysteem vervangt
N.B.
De batterijen gaan normaal 1–4 jaar mee,
afhankelijk van het gebruik van de
afstandsbediening.
11
De afstandsbediening werkt op vier batterijen
van het type AA/LR6.
Neem bij lange ritten extra batterijen mee.
Sneltoets voor ingestelde favorieten
Informatie over actueel programma, nummer etc. Tevens te
gebruiken als er meer informatie
beschikbaar is dan op het
beeldscherm kan worden weergegeven.
Taal geluidstrack kiezen
Ondertiteling, ondertitelingstaal
kiezen
Teletekst*, aan/uit
1. Duw de vergrendeling van het dekseltje
op het batterijvakje in en duw het deksel
in de richting van het IR-oog.
2. Verwijder de lege batterijen en leg de
nieuwe batterijen op de aangegeven
manier in het batterijvakje.
3. Plaats het dekseltjes terug.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
441
11 Audio en media
||
N.B.
Lege batterijen moet u op een milieuvriendelijke manier inzamelen.
Gerelateerde informatie
•
Afstandsbediening* (p. 439)
11
Audio en media - menu-overzicht
Menu-overzicht - AM
Overzicht van mogelijke opties en instellingen
voor het audio- en mediasysteem.
Overzicht van mogelijke opties en instellingen
voor AM-radio.
RADIO
•
•
•
Hoofdmenu AM
Zie pagina
Menu-overzicht - FM (p. 443)
Presets weergeven
(p. 394)
Menu-overzicht - digitale radio (DAB)* (p.
444)
Zie voetnoot A
Menu-overzicht - AM (p. 442)
Scan
(p. 400)
Menu-overzicht - CD Audio (p. 445)
Audio-instellingen
(p. 389)
Menu-overzicht - CD/DVD Data (p. 444)
Zie voetnoot B
MEDIA
•
•
•
•
•
•
•
•
Menu-overzicht - DVD Video (p. 445)
Klankpodium
Menu-overzicht - iPod (p. 446)
Menu-overzicht - USB (p. 447)
Zie voetnoot C
Menu-overzicht - Media Bluetooth (p.
447)
Equalizer
Menu-overzicht - AUX (p. 448)
Volumecompensatie
Menu-overzicht - Bluetooth-handsfreesysteem (p. 448)
Alle audio-instellingen resetten
Gerelateerde informatie
•
•
442
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Audiosysteem en media - systeem bedienen (p. 384)
Audio en media - menufuncties (p. 386)
(p. 390)
Zie voetnoot D
Menu-overzicht - tv (p. 449)
TEL.
•
(p. 390)
A
B
C
D
(p. 390)
(p. 389)
Geldt alleen voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
De menu-opties voor de audio-instellingen zijn identiek
voor alle geluidsbronnen.
Geldt alleen voor Premium Sound Multimedia.
Geldt niet voor Performance.
11 Audio en media
Gerelateerde informatie
•
•
Audio en media - menu-overzicht (p. 442)
Audio en media - menufuncties (p. 386)
Menu-overzicht - FM
Alle FM-instellingen resetten
Overzicht van mogelijke opties en instellingen
voor FM-radio.
Hoofdmenu FM1/FM2
Zie pagina
TP
(p. 396)
Radiotekst tonen
(p. 399)
Presets tonen
Zie voetnoot
Audio-instellingen
Klankpodium
Equalizer
(p. 394)
(p. 400)
Nieuws-instellingen
(p. 397)
Volumecompensatie
Alle audio-instellingen resetten
Geavanceerde instellingen
EON
TP-favoriet instellen
PTY-instellingen
(p. 390)
11
(p. 390)
Zie voetnoot C
Scan
Alternatieve
frequentie
(p. 389)
Zie voetnoot B
A
REG
(p. 400)
(p. 399)
(p. 399)
(p. 396)
A
B
C
(p. 390)
(p. 389)
Geldt alleen voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
Geldt alleen voor Premium Sound Multimedia.
Geldt niet voor Performance.
Gerelateerde informatie
•
•
Audio en media - menu-overzicht (p. 442)
Audio en media - menufuncties (p. 386)
(p. 396)
(p. 397)
443
11 Audio en media
Menu-overzicht - digitale radio (DAB)*
Alle DAB-instellingen resetten
Overzicht van mogelijke opties en instellingen
voor DAB-radio*.
11
Hoofdmenu DAB1*/DAB2*
Zie pagina
Ensemble programmeren
(p. 401)
PTY-filter
(p. 397)
PTY-filter uitschakelen
Audio-instellingen
Klankpodium
Presets tonen
(p. 394)
Equalizer
Volumecompensatie
Alle audio-instellingen resetten
Zie voetnoot A
(p. 400)
Subkanalen
PTY-tekst weergeven
444
A
B
C
Geavanceerde instellingen
DAB-band
(p. 390)
(p. 402)
(p. 402)
(p. 402)
(p. 390)
(p. 389)
Geldt alleen voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
Geldt alleen voor Premium Sound Multimedia.
Geldt niet voor Performance.
Gerelateerde informatie
•
•
Menu-overzicht - CD/DVD Data
Overzicht van mogelijke opties en instellingen
voor DD/DVD43 Data.
Hoofdmenu CD/DVDA Data
(Diskmenu)
Zie pagina
Afspelen
(p. 433)
Pause
(p. 390)
Zie voetnoot C
(p. 398)
DAB-verbinding
(p. 389)
Zie voetnoot B
(p. 397)
Radiotekst tonen
Scan
(p. 403)
Audio en media - menu-overzicht (p. 442)
Audio en media - menufuncties (p. 386)
Stop
(p. 433)
Willekeurige weergave
(p. 404)
Map herhalen
(p. 434)
Volgende titel
(p. 433)
Volgende audiotrack
(p. 433)
Scan
(p. 435)
Audio-instellingen
(p. 389)
Klankpodium
Zie voetnoot B
Equalizer
(p. 397)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
(p. 390)
Zie voetnoot C
(p. 390)
11 Audio en media
Volumecompensatie
Alle audio-instellingen resetten
A
B
C
(p. 390)
(p. 389)
Menu-overzicht - CD Audio
Menu-overzicht - DVD Video
Overzicht van mogelijke opties en instellingen
voor CD Audio.
Overzicht van mogelijke opties en instellingen
voor DVD Video44.
Geldt alleen voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
Geldt alleen voor Premium Sound Multimedia.
Geldt niet voor Performance.
Gerelateerde informatie
•
•
Audio en media - menu-overzicht (p. 442)
Hoofdmenu CD Audio (Diskmenu)
Zie pagina
Hoofdmenu DVDA Video
(Diskmenu)
Zie pagina
Willekeurige weergave
(p. 404)
DVD-menu
(p. 405)
Scan
(p. 435)
Play/pause/verder
(p. 405)
Audio-instellingen
(p. 389)
Stop
(p. 405)
(p. 390)
Ondertitels
(p. 405)
Taal van audiospoor kiezen
(p. 405)
Audio en media - menufuncties (p. 386)
Klankpodium
Zie voetnoot A
Equalizer
(p. 390)
Geavanceerde instellingen
Zie voetnoot B
Volumecompensatie
Alle audio-instellingen resetten
A
B
(p. 390)
Hoek
(p. 389)
DivX® VOD-code
Geldt alleen voor Premium Sound Multimedia.
Geldt niet voor Performance.
Audio-instellingen
Klankpodium
Gerelateerde informatie
•
•
43
Audio en media - menu-overzicht (p. 442)
11
Equalizer
(p. 406)
(p. 406)
(p. 389)
(p. 390)
(p. 390)
Audio en media - menufuncties (p. 386)
Geldt alleen voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
445
11 Audio en media
||
Volumecompensatie
Alle audio-instellingen resetten
(p. 389)
Gerelateerde informatie
•
•
Audio en media - menu-overzicht (p. 442)
Audio en media - menufuncties (p. 386)
Menu-overzicht - iPod
Overzicht van mogelijke opties en instellingen
voor iPod®45.
Geldt alleen voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
A
11
(p. 390)
Pop-upmenuA*video en tv*
Druk op OK/MENU terwijl u
een videobestand afspeelt of
tv* kijkt om het pop-upmenu
te openen.
Zie
pagina
Zie pagina
Willekeurig
(p. 404)
Scan
(p. 435)
Audio-instellingen
(p. 389)
Klankpodium
Beeldinstellingen
(p. 406)
Bronmenu
(p. 386)
Equalizer
A
B
(p. 405)
Volumecompensatie
(p. 405)
Alle audio-instellingen resetten
C
44
45
446
Geldt alleen bij het weergeven van videobestanden en het
kijken van tv.
De inhoud van het pop-upmenu voor het bronmenu hangt
af van wat er afgespeeld of weergegeven wordt, bijvoorbeeld Menu gegevens-CD/-DVD of USB-menu.
Geldt alleen voor DVD Video.
Geldt alleen voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
Geldt niet voor Performance.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
(p. 390)
Zie voetnoot C
Zie voetnoot C
DVD-hoofdmenuC
(p. 390)
Zie voetnoot B
Zie voetnoot B
DVD-hoofdmenu
Hoofdmenu iPodA
A
B
C
(p. 390)
(p. 389)
Geldt niet voor Performance.
Geldt alleen voor Premium Sound Multimedia.
Geldt niet voor Performance.
Gerelateerde informatie
•
•
Audio en media - menu-overzicht (p. 442)
Audio en media - menufuncties (p. 386)
11 Audio en media
Menu-overzicht - USB
Equalizer
Overzicht van mogelijke opties en instellingen
voor USB46.
Hoofdmenu USBA
Zie pagina
Afspelen
(p. 409)
Zie voetnoot C
Volumecompensatie
Alle audio-instellingen resetten
Pause
Stop
(p. 409)
Willekeurig
(p. 404)
Map herhalen
(p. 409)
USB-apparaat kiezen
(p. 407)
Volgende titel
(p. 409)
Volgende audiotrack
(p. 409)
Scan
(p. 435)
Audio-instellingen
(p. 389)
Klankpodium
(p. 390)
(p. 390)
A
B
C
(p. 390)
(p. 389)
Geldt niet voor Performance.
Geldt alleen voor Premium Sound Multimedia.
Geldt niet voor Performance.
Gerelateerde informatie
•
•
Audio en media - menu-overzicht (p. 442)
Audio en media - menufuncties (p. 386)
Menu-overzicht - Media Bluetooth
Overzicht van mogelijke opties en instellingen
voor Media Bluetooth®47.
Hoofdmenu Media BluetoothA
Zie pagina
Willekeurig
(p. 404)
Ander apparaat
(p. 415)
Bluetooth-apparaat verwijderen
(p. 416)
Scan
(p. 435)
Bluetooth-softwareversie in auto
(p. 419)
Audio-instellingen
(p. 389)
Klankpodium
11
(p. 390)
Zie voetnoot B
Equalizer
(p. 390)
Zie voetnoot C
Zie voetnoot B
46
47
Geldt niet voor Performance.
Geldt niet voor Performance.
447
11 Audio en media
||
Volumecompensatie
Alle audio-instellingen resetten
11
A
B
C
(p. 390)
(p. 389)
Menu-overzicht - AUX
Overzicht van mogelijke opties en instellingen
voor AUX.
Geldt niet voor Performance.
Geldt alleen voor Premium Sound Multimedia.
Geldt niet voor Performance.
Zie pagina
AUX-ingangsvolume
(p. 411)
Hoofdmenu Bluetooth®handsfreeA (Telefoonmenu)
Zie pagina
Audio-instellingen
(p. 389)
Bellijst
(p. 418)
Audio en media - menu-overzicht (p. 442)
Klankpodium
Audio en media - menufuncties (p. 386)
Overzicht van mogelijke opties en instellingen
voor Bluetooth®-handsfreesysteem48.
Hoofdmenu AUX
Gerelateerde informatie
•
•
Menu-overzicht - Bluetoothhandsfreesysteem
(p. 390)
Alle gesprekken
Zie voetnoot A
Equalizer
(p. 390)
Zie voetnoot B
Volumecompensatie
Alle audio-instellingen resetten
A
B
(p. 390)
(p. 389)
Geldt alleen voor Premium Sound Multimedia.
Geldt niet voor Performance.
Gerelateerde informatie
•
•
Audio en media - menu-overzicht (p. 442)
Gemiste oproepen
Beantwoorde
gesprekken
Gekozen nummers
Gespreksduur
Telefoonboek
Zoeken
Audio en media - menufuncties (p. 386)
Nieuw contact
48
448
Geldt niet voor Performance.
(p. 418)
(p. 418)
(p. 418)
(p. 418)
(p. 418)
(p. 420)
(p. 422)
(p. 423)
11 Audio en media
Verkorte nummers
vCard ontvangen
Geheugenstatus
Telefoonboek wissen
(p. 425)
Automatisch
opnemen
(p. 425)
Voicemailnummer
(p. 425)
(p. 426)
Telefoon wijzigen
(p. 415)
Bluetooth-apparaat verwijderen
(p. 416)
Telefoon uit
A
(p. 418)
Menu-overzicht - tv
Overzicht van mogelijke opties en instellingen
voor tv*.
(p. 418)
(p. 415)
Geldt niet voor Performance.
Gerelateerde informatie
•
•
Hoofdmenu TV*
Zie pagina
Land kiezen
(p. 437)
Presets sorteren
(p. 437)
Autostore
(p. 437)
Scan
(p. 437)
Audio-instellingen
(p. 389)
Audio en media - menu-overzicht (p. 442)
Audio en media - menufuncties (p. 386)
Telefooninstellingen
Herkenbaar
Geluiden en volume
Telefoonboek
downloaden
Bluetooth-softwareversie in auto
Bel-opties
Klankpodium
(p. 413)
11
(p. 390)
Zie voetnoot A
(p. 419)
Equalizer
(p. 390)
Zie voetnoot B
(p. 420)
Volumecompensatie
(p. 419)
Alle audio-instellingen resetten
A
B
(p. 390)
(p. 389)
Geldt alleen voor Premium Sound Multimedia.
Geldt niet voor Performance.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
449
11 Audio en media
||
Pop-upmenuA*video en tv*
Druk op OK/MENU terwijl u
een videobestand afspeelt of
tv* kijkt om het pop-upmenu
te openen.
11
Zie
pagina
Beeldinstellingen
(p. 406)
Bronmenu
(p. 386)
Zie voetnoot
B
DVD-hoofdmenu
Zie voetnoot
DVD-hoofdmenuC
A
B
C
(p. 405)
C
(p. 405)
Geldt alleen bij het weergeven van videobestanden en het
kijken van tv.
De inhoud van het pop-upmenu voor het bronmenu hangt
af van wat er afgespeeld of weergegeven wordt, bijvoorbeeld Menu gegevens-CD/-DVD of USB-menu.
Geldt alleen voor DVD Video.
Gerelateerde informatie
•
•
450
Audio en media - menu-overzicht (p. 442)
Audio en media - menufuncties (p. 386)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
SPECIFICATIES
12 Specificaties
Type-aanduidingen
Positie van stickers en plaatjes
12
452
Type-aanduiding, chassisnummer e.d. (voertuigspecifieke informatie) staan aangegeven
op een sticker in de auto.
12 Specificaties
Wanneer u contact opneemt met uw erkende
Volvo-werkplaats of vervangende onderdelen
of accessoires wilt bestellen, kan het handig
zijn om de type-aanduiding, het chassisnummer en het motornummer bij de hand te hebben.
Type-aanduiding, chassisnummer, maximaal toelaatbaar gewicht, kleurcodes
voor lak en bekleding en typegoedkeuringsnummer. Bij het openen van het
rechter achterportier is de sticker zichtbaar.
Sticker voor A/C-systeem.
Sticker voor standverwarming.
N.B.
De in het instructieboekje afgebeelde stickers hoeven niet per definitie overeen te
komen met de stickers die in of op uw
auto aanwezig zijn. De afbeeldingen zijn
alleen bedoeld om aan te geven hoe de
stickers er in grote lijnen uitzien en waar u
ze ongeveer kunt aantreffen. Op de stickers van uw auto vindt u de informatie die
op uw auto van toepassing is.
Gerelateerde informatie
•
•
Gewichten (p. 455)
Motorspecificaties (p. 458)
12
Motorcode en serienummer van de
motor.
Sticker voor motorolie.
Type-aanduiding en serienummer van de
versnellingsbak.
Handgeschakelde versnellingsbak
Automatische versnellingsbak
Identificatienummer van de auto (VIN,
Vehicle Identification Number)
De typegoedkeuring van de auto bevat meer
informatie over de auto.
453
12 Specificaties
Maten
In de tabel ziet u de maten van de auto wat de
lengte, hoogte e.d. betreft.
12
Maten
mm
A
Wielbasis
2647
B
Lengte
4369
C
454
Laadlengte, vloer, achterbank
neergeklapt
D
Laadlengte, vloer
E
Hoogte
F
Laadhoogte
1508
G
H
Maten
mm
Spoorbreedte vooras
1546A
Spoorbreedte achteras
Maten
mm
J
Breedte
1802
1551B
K
Breedte incl. buitenspiegels
2041
1559C
L
Breedte incl. ingeklapte buitenspiegels
1857
1533A
684
1538B
1420
1546C
532
I
Laadbreedte, vloer
960
A
B
C
Offset 52,5 mm.
Offset 50 mm.
Offset 46 mm.
12 Specificaties
Gewichten
Het maximale totaalgewicht staat aangegeven
op een sticker in de auto.
Bij het rijklaar gewicht zijn het gewicht van de
bestuurder, dat van de brandstoftank die voor
90 % gevuld is en dat van de resterende
oliën/vloeistoffen inbegrepen.
Het gewicht van de passagiers en de gemonteerde accessoires alsmede de kogeldruk (p.
456) (bij gebruik van een aanhanger) zijn van
invloed op het laadvermogen en zijn niet
inbegrepen bij het rijklaar gewicht.
Toelaatbare maximumbelading = totaalgewicht – rijklaar gewicht.
N.B.
Het gedocumenteerde rijklare gewicht
geldt voor een auto in de basisuitvoering,
dus een auto zonder extra uitrusting of
opties. Dat houdt in dat voor elke optie die
wordt toegevoegd, de laadcapaciteit van
de auto met het gewicht van de optie
afneemt.
Voorbeelden van opties die de laadcapaciteit verminderen, zijn de uitrustingsniveaus
Kinetic/Momentum/Summum en andere
opties zoals Trekhaak, Lastdrager, Dakbox, Geluidsinstallatie, Verstralers, GPS,
Verwarming op brandstof, Veiligheidsrek,
Matten, Bagagerolhoes, Elektrisch bedienbare stoelen, enz.
Voor informatie over de positie van de sticker, zie
Type-aanduidingen (p. 452).
De auto wegen is een veilige manier om te
weten te komen wat het rijklare gewicht
van uw auto is.
Max. treingewicht (auto + aanhanger)
Max. voorasdruk
Max. achterasdruk
WAARSCHUWING
Het rijgedrag van de auto verandert door
hoe zwaar de auto beladen is en hoe de
lading is geplaatst.
12
Max. totaalgewicht
Uitrustingsniveau
Max. belasting: Zie typegoedkeuring.
Max. dakbelasting: 75 kg.
Gerelateerde informatie
•
Trekgewicht en kogeldruk (p. 456)
455
12 Specificaties
Trekgewicht en kogeldruk
Het trekgewicht en de kogeldruk voor het rijden met een aanhanger staan in de tabellen.
Max. gewicht geremde aanhanger
12
A
456
Motor
MotorcodeA
Versnellingsbak
Max. gewicht geremde aanhanger (kg)
Max. kogeldruk (kg)
T2
B4164T4
Handgeschakeld, B6
1300
75
T3
B4164T3
Handgeschakeld, B6
1300
75
T4
B4164T
Handgeschakeld, B6
1300
75
T4
B4164T
Automaat, MPS6
1500
75
T4
B5204T8
Automaat, TF-80SD
1500
75
T5
B5204T9
Automaat, TF-80SD
1500
75
T5
B5254T12
Automaat, TF-80SD
1500
75
T5
B5254T14
Automaat, TF-80SD
1500
75
D2
D4162T
Handgeschakeld, B6
1300
75
D2
D4162T
Automaat, MPS6
1300
75
D3
D5204T6
Handgeschakeld, M66
1500
75
D3
D5204T6
Automaat, TF-80SD
1500
75
D4
D5204T4
Handgeschakeld, M66
1500
75
D4
D5204T4
Automaat, TF-80SD
1500
75
Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op de motor, zie Type-aanduidingen (p. 452).
12 Specificaties
Max. gewicht ongeremde aanhanger
Motor
MotorcodeA
Versnellingsbak
Max. gewicht ongeremde aanhanger (kg)
Max. kogeldruk (kg)
T2
B4164T4
Handgeschakeld, B6
650
50
T3
B4164T3
Handgeschakeld, B6
650
50
T4
B4164T
Handgeschakeld, B6
650
50
T4
B4164T
Automaat, MPS6
700
50
T4
B5204T8
Automaat, TF-80SD
700
50
T5
B5204T9
Automaat, TF-80SD
700
50
T5
B5254T12
Automaat, TF-80SD
700
50
T5
B5254T14
Automaat, TF-80SD
700
50
D2
D4162T
Handgeschakeld, B6
650
50
D2
D4162T
Automaat, MPS6
700
50
D3
D5204T6
Handgeschakeld, M66
700
50
D3
D5204T6
Automaat, TF-80SD
750
50
D4
D5204T4
Handgeschakeld, M66
700
50
D4
D5204T4
Automaat, TF-80SD
750
50
A
12
Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op de motor, zie Type-aanduidingen (p. 452).
Gerelateerde informatie
•
•
•
Gewichten (p. 455)
Rijden met een aanhanger (p. 308)
Trailer Stability Assist (TSA) (p. 315)
457
12 Specificaties
Motorspecificaties
N.B.
De motorspecificaties (vermogen enz.) voor
de verschillende motoralternatieven staan in
de tabel.
12
Niet alle motoren zijn verkrijgbaar op alle
markten.
Motor
MotorcodeA
Vermogen
(kW bij
omw/min)
Vermogen
(pk bij
omw/min)
Motorkoppel (Nm
bij omw/min)
Aantal
cilinders
Cilinderboring
(mm)
Slaglengte
(mm)
Slagvolume
(liter)
Compressieverhouding
T2
B4164T4
88/4500
120/4500
240/1600-3000
4
79
81,4
1,596
10,0:1
T3
B4164T3
110/5700
150/5700
240/1600–4000
4
79
81,4
1,596
10,0:1
T4
B4164T
132/5700
180/5700
240/1600–5000
4
79
81,4
1,596
10,0:1
T4
B5204T8
132/5000
180/5000
300/2700–4000
5
81,0
77
1,984
10,5:1
T5
B5204T9
157/6000
213/6000
300/2700–5000
5
81,0
77
1,984
10,5:1
T5
B5254T12
187/5400
254/5400
360/1800–4200
5
83
92,3
2,497
9,5:1
T5
B5254T14
183/5400
249/5400
360/1800–4200
5
83
92,3
2,497
9,5:1
D2
D4162T
84/3600
115/3600
270/1750–2500
4
75
88,3
1,560
16,0:1
D3
D5204T6
110/3500
150/3500
350/1500–2750
5
81,0
77
1,984
16,5:1
D4
D5204T4
130/3500
177/3500
400/1750–2750
5
81,0
77
1,984
16,5:1
A
Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op de motor, zie Type-aanduidingen (p. 452).
Gerelateerde informatie
458
•
Koelvloeistof - kwaliteit en hoeveelheid (p.
462)
•
Motorolie - kwaliteit en hoeveelheid (p.
460)
12 Specificaties
Motorolie - ongunstige
rijomstandigheden
BELANGRIJK
Om aan de vereisten voor de gespecificeerde service-intervallen te voldoen worden alle motoren in de fabriek gevuld met
een speciaal aangepaste, synthetische
motorolie. De oliesoort werd met grote
zorg geselecteerd lettend op de levensduur van de motor, de startgewilligheid,
het brandstofverbruik en de milieu-impact.
In ongunstige rijomstandigheden kunnen de
olietemperatuur en het olieverbruik abnormaal
toenemen. Hier volgen enkele voorbeelden
van ongunstige rijomstandigheden.
Controleer het oliepeil (p. 346), vaker tijdens
langere ritten:
Het bovenstaande geldt ook tijdens kortere
ritten bij lage temperaturen.
Om de aanbevolen service-intervallen aan
te kunnen houden dient u een goedgekeurde motoroliesoort te gebruiken.
Gebruik alleen een oliesoort van de voorgeschreven kwaliteit en dat zowel bij het
bijvullen als bij het verversen van olie. Een
negatieve invloed op de levensduur van de
motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact is anders niet
uitgesloten.
Kies een volsynthetische motorolie bij ongunstige rijomstandigheden. Ze bieden de motor
extra bescherming.
Volvo Car Corporation wijst alle garantieclaims af bij gebruik van een motoroliesoort die niet voldoet aan de voorgeschreven kwaliteits- en viscositeitseisen.
Volvo adviseert:
Volvo adviseert de olie in een erkende
Volvo-werkplaats te laten verversen.
•
met een caravan of aanhanger achter de
auto
•
•
•
in bergachtig gebied
op hoge snelheden
in temperaturen lager dan –30 °C of
hoger dan +40 °C
12
Gerelateerde informatie
•
Motorolie - kwaliteit en hoeveelheid (p.
460)
•
Motorolie - algemeen (p. 345)
459
12 Specificaties
Motorolie - kwaliteit en hoeveelheid
De geadviseerde motoroliekwaliteit en de
hoeveelheid voor de verschillende motoralternatieven staan in de tabel.
Volvo adviseert:
12
Motor
MotorcodeA
Oliekwaliteit
Hoeveelheid,
incl. oliefilter
(liter)
T2
B4164T4
In de fabriek bijgevulde en gecertificeerde olie: Oliekwaliteit WSS-M2C925-A
ca. 4,1
T3
B4164T3
alternatief tijdens servicebeurt:
ca. 4,1
T4
B4164T
Oliekwaliteit: ACEA A5/B5
Viscositeit: SAE 5W-30
ca. 4,1
Oliekwaliteit: ACEA A5/B5
Viscositeit: SAE 5W-30
D2
D4162T
Voor de variant met een geringe emissie (maximale bandbreedte 205) wordt
ACEA A5/B5 SAE 0W-30 geadviseerd voor een zo laag mogelijk brandstofverbruik.
Bij ritten onder ongunstige omstandigheden ACEA A5/B5 SAE 0W-30 gebruiken.
460
ca. 3,8
12 Specificaties
Motor
MotorcodeA
Oliekwaliteit
Hoeveelheid,
incl. oliefilter
(liter)
A
D3
D5204T6
Oliekwaliteit: ACEA A5/B5
ca. 5,9
D4
D5204T4
Viscositeit: SAE 0W–30
ca. 5,9
T4
B5204T8
Oliekwaliteit: ACEA A5/B5
ca. 5,5
T5
B5204T9
Viscositeit: SAE 0W–30
ca. 5,5
T5
B5254T12
ca. 5,5
T5
B5254T14
ca. 5,5
12
Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op de motor, zie Type-aanduidingen (p. 452).
Gerelateerde informatie
•
Motorolie - ongunstige rijomstandigheden
(p. 459)
•
Motorolie - controleren en bijvullen (p.
346)
461
12 Specificaties
Koelvloeistof - kwaliteit en
hoeveelheid
Gerelateerde informatie
•
In de tabel ziet u de aan te houden hoeveelheid koelvloeistof voor de verschillende
motortypes.
Voorgeschreven kwaliteit: Door Volvo aanbevolen koelvloeistof aangelengd met 50 %
water1, zie verpakking.
MotorA
Hoeveelheid
(liter)
12
462
T2
B4164T4
T3
B4164T3
T4
B4164T
D2
D4162T
D3
D5204T6
D4
D5204T4
T4
B5204T8
T5
B5204T9
T5
B5254T12
T5
B5254T14
7,0
10,0
8,0
8,0
A
Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor
vindt u op de motor, zie Type-aanduidingen (p. 452).
1
De waterkwaliteit dient te voldoen aan de norm STD 1285,1.
Koelvloeistof - peil (p. 349)
12 Specificaties
Transmissieolie - kwaliteit en
hoeveelheid
De voorgeschreven transmissieolie en de
hoeveelheid voor de verschillende versnellingsbakopties staan in de tabel.
Handgeschakelde versnellingsbak
Handgeschakelde versnellingsbak
Hoeveelheid (liter)
B6
1,6
M66
1,9
Voorgeschreven versnellingsbakolie
BOT 350M3
Automatische versnellingsbak
Automatische versnellingsbak
12
Hoeveelheid (liter)
Voorgeschreven versnellingsbakolie
TF-80SD
7,0
AW1
MPS6
7,3
BOT 341
N.B.
Onder normale rijomstandigheden hoeft de
versnellingsbakolie niet te worden ververst
zolang de versnellingsbak meegaat. Onder
ongunstige rijomstandigheden moet de
olie mogelijk wel worden ververst.
Gerelateerde informatie
•
Motorolie - ongunstige rijomstandigheden
(p. 459)
•
Type-aanduidingen (p. 452)
463
12 Specificaties
12
Remvloeistof - kwaliteit en
hoeveelheid
Sproeiervloeistof - kwaliteit en
hoeveelheid
Remvloeistof is de naam van het middel in
een hydraulisch remsysteem, dat wordt
gebruikt om kracht over te brengen vanuit bijvoorbeeld een rempedaal via een hoofdremcilinder naar een of meerdere hulpcilinders die
op hun beurt een mechanische rem beïnvloeden.
De sproeiervloeistof wordt gebruikt om samen
met de voor- en achterruitwisser (p. 95) de
ruiten en koplampen van de auto schoon te
houden en voor goed zicht tijdens het rijden
te zorgen.
Voorgeschreven kwaliteit: DOT 4
Voorgeschreven kwaliteit: Door Volvo aanbevolen sproeiervloeistof, met antivries bij
koud weer en onder het vriespunt.
Hoeveelheid: 0,6 liter
Hoeveelheid:
Gerelateerde informatie
•
•
•
Rem- en koppelingsvloeistof - peil (p.
350)
Auto’s met koplampsproeiers: 5,5 liter.
Auto’s zonder koplampsproeiers: 3,2
liter.
Gerelateerde informatie
•
•
464
Sproeiervloeistof - bijvullen (p. 361)
Wisserbladen (p. 359)
12 Specificaties
Brandstoftank - inhoud
De inhoud van de brandstof voor de verschillende motoralternatieven staan in de tabel.
Motor
4-cilinder benzine
Hoeveelheid (liter)
Voorgeschreven kwaliteit
ca. 62
Benzine: Brandstof - benzine (p. 304)
4-cilinder diesel
ca. 52
Dieselolie: Brandstof - diesel (p. 305)
5-cilinder diesel
ca. 60
5-cilinder benzine
Gerelateerde informatie
•
•
Brandstof tanken (p. 303)
12
Motorspecificaties (p. 458)
465
12 Specificaties
Airconditioning, vloeistof hoeveelheid en kwaliteit
De voorgeschreven kwaliteit en de hoeveelheden van de vloeistoffen in de airco-installatie
staan in de tabel.
Vloeistof
Compressorolie
Koudemiddel
WAARSCHUWING
12
In de installatie voor airconditioning zit
koudemiddel R134a onder druk. Service
en reparatie aan het systeem mogen uitsluitend door een erkende werkplaats worden uitgevoerd.
Gerelateerde informatie
•
466
Klimaatregeling - storingen opsporen en
verhelpen (p. 351)
Hoeveelheid (liter)
0,11
0,65 kg
Voorgeschreven kwaliteit
PAG-olie
R134a
12 Specificaties
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot
Het brandstofverbruik voor een auto wordt
gemeten in liter per 100 km en de CO2-uitstoot in gram per km.
T2 (B4164T4)
158
6,8
105
4,5
124
5,3
T3 (B4164T3)
158
6,8
105
4,5
124
5,3
12
T4 (B4164T)
164
7,0
109
4,7
129
5,5
T4A (B4164T)
191
8,2
117
5,0
144
6,2
T4 (B4164T)
184
7,9
120
5,1
143
6,1
T4A (B4164T)
192
8,3
125
5,4
149
6,4
T4 (B5204T8)
243
10,4
135
5,8
174
7,5
T5 (B5204T9)
243
10,4
135
5,8
174
7,5
T5 (B5254T12)
263
11,3
140
6,0
185
7,9
}}
467
12 Specificaties
||
12
468
T5A (B5254T12)
268
11,5
144
6,2
189
8,1
D2B (D4162T)
100
3,8
82
3,1
88
3,4
D2C (D4162T)
107
4,1
90
3,4
96
3,7
D2B (D4162T)
115
4,4
95
3,6
102
3,9
D2C (D4162T)
116
4,4
99
3,8
105
4,0
D3 (D5204T6)
139
5,3
100
3,8
114
4,3
D3A (D5204T6)
165
6,3
108
4,1
129
4,9
D3 (D5204T6)
179
6,9
112
4,3
136
5,2
D3A (D5204T6)
179
6,8
122
4,6
143
5,4
D4 (D5204T4)
139
5,3
100
3,8
114
4,3
D4A (D5204T4)
165
6,3
108
4,1
129
4,9
12 Specificaties
A
B
C
D4 (D5204T4)
179
6,9
112
4,3
136
5,2
D4A (D5204T4)
179
6,8
122
4,6
143
5,4
Geldt alleen voor een auto met 19"-wielen.
Geldt alleen voor de variant met een geringe emissie.
Geldt niet voor de variant met een geringe emissie.
Uitleg
gram/km
liter/100 km
stadsverkeer
snelwegrit
combinatierit
2
De brandstofverbruiks- en emissiewaarden in
de bovenstaande tabel zijn gebaseerd op
speciale EU-rijcycli2, die gelden voor een auto
met rijklaar gewicht in standaarduitvoering
zonder extra uitrusting. Afhankelijk van de uitrusting neemt het autogewicht toe. Dit alsook
de mate van belading van de auto zorgt voor
een verhoging van het brandstofverbruik en
de uitstoot van kooldioxide. Zie de informatie
over Gewichten (p. 455).
Er zijn meerdere oorzaken aan te geven voor
een verhoogd brandstofverbruik ten opzichte
van de tabelwaarden. Daarbij valt te denken
aan factoren als:
•
•
Uw rijstijl.
•
De grotere luchtweerstand bij hogere
snelheden.
•
De brandstofkwaliteit, de weg- en verkeersomstandigheden, de weersgesteldheid en de staat van de auto.
12
De grotere rolweerstand als u kiest voor
grotere wielen dan de standaardwielen op
de basisuitvoering van het model.
Ook wanneer u slechts enkele van de hier
genoemde tips opvolgt, is al een aanzienlijk
lager brandstofverbruik mogelijk. Raadpleeg
voor meer informatie de richtlijnen waar eerder aan gerefereerd werd2.
De officiële brandstofverbruikscijfers zijn gebaseerd op twee gestandaardiseerde rijcycli in laboratoriummilieu (‘EU-rijcycli’) conform EU Regulation no 692/2008 alsmede 715/2007 (Euro 5 / Euro
6) en UN ECE Regulation no 101. Deze richtlijnen bevatten informatie over de rijcycli stadsverkeer en snelwegrit. - Stadsverkeer - de meting begint met een koude start van de motor. Het betreft
hier een gesimuleerde rit. - Snelwegrit - de auto moet optrekken en afremmen bij snelheden van 0–120 km/h. Het betreft hier een gesimuleerde rit. - Bij auto’s met een handgeschakelde versnellingsbak geldt de 2e versnelling als wegrijversnelling (betreft auto’s met een velgmaat tot 18 inch). De waarde voor combinatierit, die in de tabel staat, is zoals wettelijk bepaald een combinatie van
een stadsrit en een snelwegrit. CO2-uitstoot - om de uitstoot van kooldioxide te berekenen tijdens de twee rijcycli worden alle uitlaatgassen opgevangen. Deze worden vervolgens geanalyseerd en
leiden tot de gespecificeerde waarde voor de CO2-uitstoot.
}}
469
12 Specificaties
||
Er zijn grote afwijkingen in het brandstofverbruik mogelijk bij een vergelijking met de EUrijcycli2 die gehanteerd worden bij certificering van de auto en waarop de verbruikscijfers in de tabel gebaseerd zijn.
Bij gebruik van brandstof met een octaangetal van 91 RON neemt het brandstofverbruik
toe, terwijl het motorvermogen lager wordt.
N.B.
Bij extreme weersomstandigheden,
gebruik van een aanhanger/caravan of ritten op grote hoogte kan, afhankelijk van
de gebruikte brandstofkwaliteit, het prestatievermogen van de auto te wensen
overlaten.
12
Gerelateerde informatie
•
•
•
2
470
Zuinig rijden (p. 307)
Brandstof - benzine (p. 304)
Brandstof - diesel (p. 305)
De officiële brandstofverbruikscijfers zijn gebaseerd op twee gestandaardiseerde rijcycli in laboratoriummilieu (‘EU-rijcycli’) conform EU Regulation no 692/2008 alsmede 715/2007 (Euro 5 / Euro
6) en UN ECE Regulation no 101. Deze richtlijnen bevatten informatie over de rijcycli stadsverkeer en snelwegrit. - Stadsverkeer - de meting begint met een koude start van de motor. Het betreft
hier een gesimuleerde rit. - Snelwegrit - de auto moet optrekken en afremmen bij snelheden van 0–120 km/h. Het betreft hier een gesimuleerde rit. - Bij auto’s met een handgeschakelde versnellingsbak geldt de 2e versnelling als wegrijversnelling (betreft auto’s met een velgmaat tot 18 inch). De waarde voor combinatierit, die in de tabel staat, is zoals wettelijk bepaald een combinatie van
een stadsrit en een snelwegrit. CO2-uitstoot - om de uitstoot van kooldioxide te berekenen tijdens de twee rijcycli worden alle uitlaatgassen opgevangen. Deze worden vervolgens geanalyseerd en
leiden tot de gespecificeerde waarde voor de CO2-uitstoot.
12 Specificaties
Banden - goedgekeurde
bandenspanning
De goedgekeurde bandenspanningen voor de
verschillende motoralternatieven staan in de
tabel.
Motor
Bandenmaat
Snelheid
(km/h)
195/65 R15
T2 (B4164T4)
205/55 R16
T3 (B4164T3)
205/50 R17
T4 (B4164T)
225/45 R17
D2 (D4162T)
225/40 R18
Tot 160
Belading (1–3 inzittenden)
Max. belading
ECO-bandenspanningA
Voor
Achter
Voor
Achter
Voor/achter
(kPa)B
(kPa)
(kPa)
(kPa)
(kPa)
230
230
260
260
260 (270C, 280D)
12
160 +
230
230
270
270
–
235/35 R19
}}
471
12 Specificaties
||
Motor
Bandenmaat
Snelheid
(km/h)
T4 (B5204T8)
205/55 R16
T5 (B5204T9)
205/50 R17
T5 (B5254T12)
225/45 R17
T5 (B5254T14)
D3 (D5204T6)
D4 (D5204T4)
12
225/40 R18
235/35 R19
Compact reservewiel (Temporary Spare)
A
B
C
D
N.B.
Gerelateerde informatie
472
Banden - maten (p. 324)
Banden - bandenspanning (p. 330)
Type-aanduidingen (p. 452)
Max. belading
ECO-bandenspanningA
Voor
Achter
Voor
Achter
Voor/achter
(kPa)B
(kPa)
(kPa)
(kPa)
(kPa)
Tot 160
230
230
260
260
260
160 +
290
240
310
270
–
Tot 160
240
240
260
260
260
160 +
290
240
310
280
–
max. 80
420
420
420
420
–
Zuinig rijden.
In sommige landen wordt de bandenspanning ook wel in bar aangegeven in plaats van in pascal (1 bar = 100 kPa).
Geldt alleen voor 16"-velgen op de D2 met automaatbak, variant met een lage emissie.
Geldt alleen voor 15"-velgen op de D2, variant met een lage emissie.
Alle motoren, banden of combinaties daarvan zijn niet altijd beschikbaar op alle
markten.
•
•
•
Belading (1–3 inzittenden)
12 Specificaties
Elektrisch systeem
Het elektrische systeem is enkelpolig en
gebruikt het chassis en het motorblok als
geleiders.
Op de auto zit een wisselstroomdynamo met
spanningsregelaar.
De afmetingen, het type en de prestaties van
de accu zijn afhankelijk van de uitrusting in de
auto en de functie.
BELANGRIJK
Als de startaccu wordt vervangen, moet u
erop letten dat u een accu met hetzelfde
koudestartvermogen en dezelfde reservecapaciteit en van hetzelfde type gebruikt
als de originele accu (zie de sticker op de
accu).
12
Gerelateerde informatie
•
•
•
Startaccu - specificatie (p. 474)
Startaccu - vervangen (p. 363)
Startaccu (p. 361)
473
12 Specificaties
Startaccu - specificatie
De startaccu wordt gebruikt om de startmotor
en andere elektrische uitrusting in de auto aan
te drijven.
Motor
12
A
B
Spanning (V)
Reservecapaciteit
CCA, Cold Cranking Amperes
(A)
(minuten)
Benzine
12
520–800
100–160
Dieselolie
12
700–800
135–160
Benzine/Diesel, handgeschakelde versnellingsbak met
Start/Stop-systeem
12
720A
130
Benzine/Diesel, automatische versnellingsbak met Start/Stopsysteem
12
800B
140
Voor auto’s met een handgeschakelde versnellingsbak en een Start/Stop-systeem dient een accu type EFB (Enhanced Flooded Battery) te worden gebruikt.
Voor auto’s met een automatische versnellingsbak en een Start/Stop-systeem dient een accu type AGM (Absorbed Glass Mat) te worden gebruikt.
BELANGRIJK
N.B.
Als de startaccu wordt vervangen, moet u
erop letten dat u een accu met hetzelfde
koudestartvermogen en dezelfde reservecapaciteit en van hetzelfde type gebruikt
als de originele accu (zie de sticker op de
accu).
•
De grootte van de batterijbehuizing
dient overeen te komen met de afmetingen van de originele batterij.
•
De hoogte van de batterij hangt af van
de afmetingen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
474
Koudestartvermogen,
Startaccu - vervangen (p. 363)
Startaccu (p. 361)
Accu - Start/Stop (p. 363)
12 Specificaties
Typegoedkeuring transpondersleutelsysteem
De typegoedkeuring voor het transpondersleutelsysteem staat in de tabel.
Land/regio
China
Land/
regio
Vergrendelingssysteem standaard
Land/regio
EU, China
Typegoedkeuring - radarsysteem
De typegoedkeuring voor het radarsysteem
staat in de tabel.
Hongkong
Singapore
IDA: Infocomm Development
Authority of Singapore.
12
Brazilië
Sleutelloos vergrendelingssysteem
(Keyless drive)
Land/regio
EU
Korea
Gerelateerde informatie
•
Transpondersleutel met sleutelblad (p.
163)
Europa
Hierbij verklaart Delphi
Electronics & Safety dat
L2C0038TR en L2C0049TR in
overeenstemming zijn met de
essentiële eigenschappen en
overige relevante bepalingen
zoals beschreven in de EUrichtlijn 1999/5/EG. De verklaring van overeenstemming ligt
ter inzage bij Delphi Electronics
& Safety / One Corporate Center / Kokomo, Indiana
46904-9005 USA.
475
12 Specificaties
||
Gerelateerde informatie
•
12
476
Radarsensor (p. 215)
12 Specificaties
Typegoedkeuring - Bluetooth®
De typegoedkeuring voor Bluetooth® staat in
de tabel.
12
}}
477
12 Specificaties
||
Verklaring van overeenstemming (Declaration of Conformity)
Land/
regio
Landen binnen de EU:
Exportland: Japan
Producent: Alpine Electronics Inc.
Type uitrusting: Bluetooth®-eenheid
Breng voor meer informatie een bezoek aan http://ec.europa.eu/enterprise/rtte/faq.htm#informing
12
478
12 Specificaties
Land/
regio
Tsjechië:
Alpine Electronics, Inc. tímto prohlašuje, že tento Bluetooth® Module je ve shodě se základními požadavky a dalšími příslušnými
ustanoveními směrnice 1999/5/ES.
Denemarken:
Undertegnede Alpine Electronics, Inc. erklærer herved, at følgende udstyr Bluetooth® Module overholder de væsentlige krav og
øvrige relevante krav i direktiv 1999/5/EF.
Duitsland:
Hiermit erklärt Alpine Electronics, Inc., dass sich das Gerät Bluetooth® Module in Übereinstimmung mit den grundlegenden
Anforderungen und den übrigen einschlägigen Bestimmungen der Richtlinie 1999/5/EG befindet.
Estland:
Käesolevaga kinnitab Alpine Electronics, Inc. seadme Bluetooth® Module vastavust direktiivi 1999/5/EÜ põhinõuetele ja
nimetatud direktiivist tulenevatele teistele asjakohastele sätetele.
Bluetooth®
Groot-Brittannië:
Hereby, Alpine Electronics, Inc., declares that this
relevant provisions of Directive 1999/5/EC.
Spanje:
Por medio de la presente Alpine Electronics, Inc. declara que el Bluetooth® Module cumple con los requisitos esenciales y
cualesquiera otras disposiciones aplicables o exigibles de la Directiva 1999/5/CE.
Griekenland:
ΜΕ ΗΝ ΠΑΡΟ ΣΑ Alpine Electronics, Inc. ΗΛΩΝΕ Ο Bluetooth® Module Σ ΜΜΟΡΦΩΝΕ Α ΠΡΟΣ
ΑΠΑ ΗΣΕ Σ Α Σ ΛΟ ΠΕΣ ΣΧΕ
ΕΣ Α ΑΞΕ Σ ΗΣ Ο Η ΑΣ 1999/5/Ε .
Frankrijk:
Par la présente Alpine Electronics, Inc. déclare que l'appareil Bluetooth® Module est conforme aux exigences essentielles et aux
autres dispositions pertinentes de la directive 1999/5/CE.
Italië:
Con la presente Alpine Electronics, Inc. dichiara che questo Bluetooth® Module è conforme ai requisiti essenziali ed alle altre
disposizioni pertinenti stabilite dalla direttiva 1999/5/CE.
Letland:
Ar šo Alpine Electronics, Inc. deklarē, ka Bluetooth® Module atbilst Direktīvas 1999/5/EK būtiskajām prasībām un citiem ar to
saistītajiem noteikumiem.
Litouwen:
Šiuo Alpine Electronics, Inc. deklaruoja, kad šis Bluetooth® Module atitinka esminius reikalavimus ir kitas 1999/5/EB Direktyvos
nuostatas.
12
Module is in compliance with the essential requirements and other
ΣΟ ΣΩ ΕΣ
}}
479
12 Specificaties
||
Land/
regio
Nederland:
Hierbij verklaart Alpine Electronics, Inc. dat het toestel Bluetooth® Module in overeenstemming is met de essentiële eisen en de
andere relevante bepalingen van richtlijn 1999/5/EG.
Malta:
Hawnhekk, Alpine Electronics, Inc., jiddikjara li dan Bluetooth® Module jikkonforma mal-ħtiġijiet essenzjali u ma provvedimenti
oħrajn relevanti li hemm fid-Dirrettiva 1999/5/EC.
Hongarije:
Alulírott, Alpine Electronics, Inc. nyilatkozom, hogy a Bluetooth® Module megfelel a vonatkozó alapvetõ követelményeknek és az
1999/5/EC irányelv egyéb elõírásainak.
Polen:
Niniejszym Alpine Electronics, Inc. oświadcza, że Bluetooth® Module jest zgodny z zasadniczymi wymogami oraz pozostałymi
stosownymi postanowieniami Dyrektywy 1999/5/EC.
Portugal:
Alpine Electronics, Inc. declara que este Bluetooth® Module está conforme com os requisitos essenciais e outras disposições da
Directiva 1999/5/CE.
Slovenië:
Alpine Electronics, Inc. izjavlja, da je ta Bluetooth® Module v skladu z bistvenimi zahtevami in ostalimi relevantnimi določili direktive 1999/5/ES.
Slowakije:
Alpine Electronics, Inc. týmto vyhlasuje, že Bluetooth® Module spĺňa základné požiadavky a všetky príslušné ustanovenia Smernice 1999/5/ES.
Finland:
Alpine Electronics, Inc. vakuuttaa täten että Bluetooth® Module tyyppinen laite on direktiivin 1999/5/EY oleellisten vaatimusten ja
sitä koskevien direktiivin muiden ehtojen mukainen.
Zweden:
Härmed intygar Alpine Electronics, Inc. att denna Bluetooth® Module står I överensstämmelse med de väsentliga egenskapskrav
och övriga relevanta bestämmelser som framgår av direktiv 1999/5/EG.
IJsland:
Hierbij verklaart Alpine Electronics, Inc. dat deze Bluetooth®-module in overeenstemming is met de essentiële eigenschappen en
overige relevante bepalingen zoals beschreven in de EU-richtlijn 1999/5/EG.
Noorwegen:
Alpine Electronics, Inc. erklærer herved at utstyret Bluetooth® Module er i samsvar med de grunnleggende krav og øvrige
relevante krav i direktiv 1999/5/EF.
12
480
12 Specificaties
Land/
regio
China:
第十三条
进口和生产厂商在其产品的说明书或使用手册中,应刊印下述有关内容
1. 标明附件中所规定的技术指标和使用范围,说明所有控制
■ 使用频率
2.4 - 2.4835 GHz
■ 等效全向辐射
■ 最大
率(EIRP)
率谱密度
■ 载频容限
天线增益
天线增益
10dBi 时
10dBi 时
≤100 mW 或≤20 dBm
①
≤20 dBm / MHz(EIRP) ①
20 ppm
■ 杂散发射(辐射)
•
•
•
•
•
调整及开关等使用方法
率(对应载波±2.5 倍信道带宽以外)
12
≤-36 dBm / 100 kHz (30 - 1000 MHz)
≤-33 dBm / 100 kHz (2.4 - 2.4835 GHz)
≤-40 dBm / 1 MHz (3.4 - 3.53 GHz)
≤-40 dBm / 1 MHz (5.725 - 5.85 GHz)
≤-30 dBm / 1 MHz (其它 1 - 12.75 GHz)
2. 不得擅自更改发射频率
大发射
率(包括额外
3. 使用时不得对各种合法的无线电通信业
继续使用
4. 使用微
率无线电设备,必须忍
装射频
产生有害干扰
各种无线电业
率放大器),不得擅自外接天线或改用其它发射天线
一旦发现有干扰现象时,应立即停止使用,并采
的干扰或工业
措施消除干扰后方可
科学及医疗应用设备的辐射干扰
5. 不得在飞机和机场附近使用
}}
481
12 Specificaties
||
Land/
regio
Taiwan:
低効率電波輻射性電機管理辧法第十条
第十二條
經型式認證合格之低功率射頻電機,非經許可,公司
商號或使用者均不得擅自 變更頻率
加大功率或變更原設計之特性及功能
第十四條
低功率射頻電機之使用不得影響飛航安全及干擾合法通信;經發現有干擾現象時, 應立即停用,並改善至無干擾時方得繼續使用
前項合法通信,指依電信法規定 作業之無線電通信 低功率射頻電機須忍受合法通信或工業 科學及醫療用電波 輻射性電機設備之
干擾
12
482
12 Specificaties
Land/
regio
Zuid-Korea:
제품 정보
Volvo Car Korea
신청자 코드: KCC-CMM-N25-IAM21L3, KCC-CMM-N25-IAM21L2 and KCC-CMM-N25-IAM21L1
제품 명: Bluetooth Audio Navigation Radio
모델 명: IAM2.1
산 날짜: March/2010
Alpine Electronics, Inc
Made in Japan
12
고객 정보
Volvo Car Korea
볼보자동차코리아
서울시 용산구 한남 2 동 726-173 볼보빌딩 4 층
볼보자동차 고객센터 1588-1777
http://www.volvocars.com/kr
사용자 주의사항
※당해 무선설비는 전파혼신 가능성이 있으므로 인명안전과 관련된 서비스는 할 수 없습니다
}}
483
12 Specificaties
||
Land/
regio
Verenigde
Arabische
Emiraten:
Zuid-Afrika:
12
Jamaica:
Approved for use in Jamaica SMA EI: IAM2.1
Thailand:
This telecommunication equipment conforms to NTC technical requirement.
Oman
Gerelateerde informatie
•
•
484
Bluetooth®-handsfreesysteem (p. 416)
Media Bluetooth®* (p. 411)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
12 Specificaties
Licenties
Sensus software
This software uses parts of sources from
clib2 and Prex Embedded Real-time OS Source (Copyright (c) 1982, 1986, 1991,
1993, 1994), and Quercus Robusta (Copyright
(c) 1990, 1993), The Regents of the University
of California. All or some portions are derived
from material licensed to the University of
California by American Telephone and
Telegraph Co. or Unix System Laboratories,
Inc. and are reproduced herein with the
permission of UNIX System Laboratories, Inc.
Redistribution and use in source and binary
forms, with or without modification, are
permitted provided that the following
conditions are met: Redistributions of source
code must retain the above copyright notice,
this list of conditions and the following
disclaimer. Redistributions in binary form
must reproduce the above copyright notice,
this list of conditions and the following
disclaimer in the documentation and/or other
materials provided with the distribution.
Neither the name of the <ORGANIZATION>
nor the names of its contributors may be
used to endorse or promote products derived
from this software without specific prior
written permission. THIS SOFTWARE IS
PROVIDED BY THE COPYRIGHT HOLDERS
AND CONTRIBUTORS "AS IS" AND ANY
EXPRESS OR IMPLIED WARRANTIES,
INCLUDING, BUT NOT LIMITED TO, THE
IMPLIED WARRANTIES OF
MERCHANTABILITY AND FITNESS FOR A
PARTICULAR PURPOSE ARE DISCLAIMED.
IN NO EVENT SHALL THE COPYRIGHT
OWNER OR CONTRIBUTORS BE LIABLE
FOR ANY DIRECT, INDIRECT, INCIDENTAL,
SPECIAL, EXEMPLARY, OR
CONSEQUENTIAL DAMAGES (INCLUDING,
BUT NOT LIMITED TO, PROCUREMENT OF
SUBSTITUTE GOODS OR SERVICES; LOSS
OF USE, DATA, OR PROFITS; OR BUSINESS
INTERRUPTION) HOWEVER CAUSED AND
ON ANY THEORY OF LIABILITY, WHETHER
IN CONTRACT, STRICT LIABILITY, OR TORT
(INCLUDING NEGLIGENCE OR OTHERWISE)
ARISING IN ANY WAY OUT OF THE USE OF
THIS SOFTWARE, EVEN IF ADVISED OF THE
POSSIBILITY OF SUCH DAMAGE.
This software is based in part on the work of
the Independent JPEG Group.
This software uses parts of sources from
"libtess". The Original Code is: OpenGL
Sample Implementation, Version 1.2.1,
released January 26, 2000, developed by
Silicon Graphics, Inc. The Original Code is
Copyright (c) 1991-2000 Silicon Graphics,
Inc. Copyright in any portions created by third
parties is as indicated elsewhere herein. All
Rights Reserved. Copyright (C) [1991-2000]
Silicon Graphics, Inc. All Rights Reserved.
Permission is hereby granted, free of charge,
to any person obtaining a copy of this
software and associated documentation files
(the "Software"), to deal in the Software
without restriction, including without limitation
the rights to use, copy, modify, merge,
publish, distribute, sublicense, and/or sell
copies of the Software, and to permit persons
to whom the Software is furnished to do so,
subject to the following conditions: The
above copyright notice including the dates of
first publication and either this permission
notice or a reference to http://oss.sgi.com/
projects/FreeB/ shall be included in all copies
or substantial portions of the Software. THE
SOFTWARE IS PROVIDED "AS IS",
WITHOUT WARRANTY OF ANY KIND,
EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT
NOT LIMITED TO THE WARRANTIES OF
MERCHANTABILITY, FITNESS FOR A
PARTICULAR PURPOSE AND
NONINFRINGEMENT. IN NO EVENT SHALL
SILICON GRAPHICS, INC. BE LIABLE FOR
ANY CLAIM, DAMAGES OR OTHER
LIABILITY, WHETHER IN AN ACTION OF
CONTRACT, TORT OR OTHERWISE,
ARISING FROM, OUT OF OR IN
CONNECTION WITH THE SOFTWARE OR
THE USE OR OTHER DEALINGS IN THE
SOFTWARE. Except as contained in this
notice, the name of Silicon Graphics, Inc.
shall not be used in advertising or otherwise
to promote the sale, use or other dealings in
this Software without prior written
authorization from Silicon Graphics, Inc.
12
}}
485
12 Specificaties
||
This software is based in parts on the work of
the FreeType Team.
This software uses parts of SSLeay Library:
Copyright (C) 1995-1998 Eric Young
(eay@cryptsoft.com). All rights reserved
Combined Instrument Panel Software
Open Source Software Notice
12
This product uses certain free / open source
and other software originating from third
parties, that is subject to the GNU General
Public License version 2 and 3 (GPLv2/
GPLv3), GNU Lesser General Public License
version 3 (LGPLv3), The FreeType Project
License (“FreeType License”) and other
different and/or additional copyright licenses,
disclaimers and notices. The links how to
access the exact terms of GPLv2, GPLv3,
LGPLv3, and the other open source software
licenses, disclaimers, acknowledgements and
notices are provided to you below. Please
refer to the exact terms of the relevant
License, regarding your rights under said
licenses. Volvo Car Corporation (VCC) offers
to provide the source code of said free/open
source software to you for a charge covering
the cost of performing such distribution, such
as the cost of media, shipping and handling,
upon written request. Please contact your
nearest Volvo Dealer.
This offer is valid for a period of at least three
(3) years from the date of the distribution of
486
this product by VCC / or for as long as VCC
offers spare parts or customer support.
GNU Lesser General Public License (LGPL),
etc.
Portions of this product uses software
copyrighted © v2.4.3/2010 The
FreeTypeProject (www.freetype.org). All rights
reserved.
You have the right of acquisition,
modification, and distribution of the source
code of the GPL/LGPL software.
This product includes software under
following licenses:
GPL v2 : http://www.gnu.org/licenses/oldlicenses/gpl-2.0.html
•
•
•
Linux kernel (merge between MontaVista
2.6.31 kernel and kernel from
L2.6.31_MX51_ER_1007 BSP)
uBoot (based on v2009.08)
busybox (based on version 1.13.2.)
GCC runtime library exception: http://
www.gnu.org/licenses/gcc-exception.html
•
libgcc_s.so.1
LGPL v3: http://www.gnu.org/licenses/
lgpl.html
•
You may download Source Code from the
following website at no charge: http://
www.embedded-carmultimedia.jp/linux/oss/
download/TVM_8351_013
The website provides the Source Code "As
Is" and without warranty of any kind.
By downloading Source Code, you expressly
assume all risk and liability associated with
downloading and using the Source Code and
complying with the user agreements that
accompany each Source Code.
Please note that we cannot respond to any
inquiries regarding the source code.
DivX®
Libc.so.6, libpthread.so.0, Librt.so.1
The FreeType Project License: http://
www.freetype.org/FTL.TXT
•
libfreetype.so.6 (version 2.4.3)
Linux software
This product contains software licensed
under GNU General Public License (GPL) or
DivX Certified® to play DivX® video. DivX®,
DivX Certified® and associated logos are
12 Specificaties
registered trademarks of DivX, Inc. and are
used under license. ABOUT DIVX VIDEO:
DivX® is a digital video format created by
DivX, Inc. This is an official DivX Certified
device that plays DivX video. Visit
www.divx.com for more information and
software tools to convert your files into DivX
video.
Displaysymbolen
ABOUT DIVX VIDEO-ON-DEMAND: This DivX
Certified® device must be registered in order
to play DivX Video-on-Demand (VOD)
content. To generate the registration code,
locate the DivX VOD section in the device
setup menu. Go to http://vod.divx.com with
this code to complete the registration
process and learn more about DivX VOD.
Covered by one or more of the following U.S.
Patents: 7,295,673; 7,460,668; 7,515,710;
7,519,274.
- Rood waarschuwingssymbool dat
gaat branden, wanneer er een storing geregistreerd is die mogelijk van invloed is op de
veiligheid en/of rijeigenschappen van de auto.
Er verschijnt tegelijkertijd een verklarende
tekstmelding op het instrumentenpaneel.
Gerelateerde informatie
•
Volvo Sensus (p. 70)
Er worden tal van displaysymbolen gebruikt in
de auto. De symbolen zijn onderverdeeld in
waarschuwings-, controle- en informatiesymbolen. Hier volgt een overzicht van de meest
voorkomende symbolen met hun betekenis en
een verwijzing naar de pagina(’s) in de handleiding waar u meer informatie kunt vinden.
- Informatiesymbool, gaat branden, in
combinatie met een verklarende tekst op het
instrumentenpaneel, wanneer er een afwijking
in een van de autosystemen is opgetreden.
Het oranje informatiesymbool kan ook gaan
branden in combinatie met andere symbolen.
Waarschuwingssymbolen op
instrumentenpaneel
Symbool
Symbool
Zie
Lage oliedruk
(p. 67)
Parkeerrem ingeschakeld, digitaal
instrument
(p. 67),
(p. 298)
Zie
Parkeerrem ingeschakeld, analoog instrument
(p. 67)
Airbags (SRS)
(p. 28),
(p. 67)
Gordelwaarschuwing
(p. 24),
(p. 67)
Dynamo laadt
niet bij
(p. 67)
Storing in remsysteem
(p. 67),
(p. 296)
Waarschuwing,
Safety mode
(p. 28),
(p. 38),
(p. 67)
12
Controlesymbolen op
instrumentenpaneel
Symbool
Betekenis
Betekenis
Betekenis
Zie
Storing in ABL*
(p. 65), (p.
85)
Uitlaatgasreinigingssysteem
(p. 65)
Storing in ABS
(p. 65), (p.
296)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
487
12 Specificaties
||
Symbool
12
488
Betekenis
Zie
Mistachterlicht
aan
(p. 65), (p.
86)
Stabiliteitsregeling, DSTC; Trailer Stability
Assist*
(p. 65), (p.
192), (p.
315)
Stabiliteitsregeling, Sport-stand
(p. 65), (p.
192)
Voorgloeifunctie
motor (diesel)
(p. 65)
Laag peil in
brandstoftank
(p. 65), (p.
146)
Informatie, lees
displaymelding
(p. 65)
Groot licht aan
(p. 65), (p.
83)
Richtingaanwijzers links
(p. 65)
Richtingaanwijzers rechts
(p. 65)
Start/Stop*, de
motor is automatisch gestopt
(p. 65), (p.
288)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Informatiesymbolen op
instrumentenpaneel
Symbool
Symbool
Betekenis
Zie
Groot licht met
automatisch dimmen - AHB*
(p. 84)
Camerasensor*
(p. 84)
Adaptieve cruisecontrol*
(p. 219)
Adaptieve cruisecontrol*
(p. 209),
(p. 219)
Adaptieve cruisecontrol*;
afstandswaarschuwing* (Distance Alert)
(p. 219),
(p. 221)
Adaptieve cruisecontrol*
(p. 208)
Adaptieve cruisecontrol*
(p. 209)
Cruisecontrol*
(p. 200)
Snelheidsbegrenzer
(p. 197)
Betekenis
Zie
Radarsensor*
(p. 219),
(p. 223),
(p. 241)
Start/Stop*
(p. 294)
Start/Stop*
(p. 294)
Start/Stop*
(p. 294)
Start/Stop*
(p. 294)
Camerasensor*;
lasersensor*
(p. 230),
(p. 241),
(p. 245),
(p. 251)
Afstandswaarschuwing* (Distance Alert); City
SafetyTM; Collision Warning*;
Auto Brake*
(p. 223),
(p. 230),
(p. 241)
12 Specificaties
Symbool
Betekenis
Zie
Motor- en interieurverwarming*
Geactiveerde
timer*
Geactiveerde
timer*
Betekenis
Zie
(p. 146)
Driver Alert System*; Tijd voor
pauze
(p. 244),
(p. 245)
(p. 146)
Schakelindicator,
handgeschakelde
versnellingsbak
(p. 281)
Automatische
schakelstanden
(p. 281)
(p. 146)
Symbool
ABL*
(p. 85)
Geregistreerde
snelheidsinformatie*
(p. 194)
Accuspanning
laag
(p. 146)
Oliepeil meten
(p. 346)
Actieve parkeerhulp – PAP*
(p. 260)
Regensensor*
(p. 95)
Rijbaanassistent*
(p. 249)
Driver Alert System*, Rijbaanassistent*
(p. 245),
(p. 251)
Informatiesymbolen op display
plafondconsole
Symbool
Betekenis
Zie
Gordelwaarschuwing
(p. 27)
Airbag passagiersstoel, geactiveerd
(p. 31)
Airbag passagiersstoel, gedeactiveerd
(p. 31)
12
Gerelateerde informatie
•
Instrumentenpaneel - betekenis controlesymbolen (p. 65)
•
Instrumentenpaneel - betekenis waarschuwingssymbolen (p. 67)
•
Meldingen - functies (p. 106)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
489
13 Alfabetisch register
Actieve xenonkoplampen.......................... 85
A
Aanbevolen kinderzitjes
tabel...................................................... 44
Aanhanger...............................................
kabel...................................................
pendelbeweging.................................
rijden met een aanhanger...................
308
308
315
308
Aanrijding................................................... 38
ACC - Adaptieve cruisecontrol................ 205
Achterbank
elektrische verwarming....................... 136
Achterklep
vergrendelen/ontgrendelen................ 181
13
Achterlichten
positie................................................. 356
Achterruit, elektrische verwarming.......... 100
Achteruitkijkspiegel.................................. 101
autodimfunctie.................................... 101
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
Kompas.............................................. 102
Actief groot licht........................................ 84
Actieve parkeerhulp.................................
bediening............................................
Beperkingen.......................................
functie.................................................
Symbolen en meldingen.....................
490
260
262
263
261
265
Active Bending Lights (ABL)...................... 85
Adaptieve cruisecontrol...........................
functie.................................................
inhalen................................................
overzicht.............................................
Radarsensor.......................................
snelheid instellen................................
stand-bystand....................................
Storingzoeken.....................................
tijdelijk deactiveren.............................
uitschakelen........................................
van cruisecontrolfunctie wisselen.......
volgtijd instellen..................................
205
206
212
208
215
209
211
218
211
212
214
210
Afdichtmiddel........................................... 339
Afneembare trekhaak
opbergen............................................ 311
Afsluitbare wielbouten............................. 322
Afstandsbediening................................... 439
batterij vervangen............................... 441
Airbag
activeren/deactiveren, PACOS............. 31
bestuurderszijde............................. 30, 37
passagierszijde......................... 30, 31, 37
AIRBAG ..................................................... 30
Airbagsysteem........................................... 29
waarschuwingssymbool....................... 28
Airconditioning......................................... 139
Airconditioning, vloeistof
hoeveelheid en kwaliteit..................... 466
alarm........................................ 185, 187, 188
alarm controleren................................ 168
alarmindicatie..................................... 186
alarmsignalen...................................... 188
beperkt alarmniveau........................... 188
Alarm
automatische activering..................... 187
automatische herinschakeling............ 187
transpondersleutel defect................... 187
Alarm bij ernstige ongelukken of calamiteiten........................................................ 396
Alarmlichten............................................... 87
Alcoholslot............................................... 272
Ambient Surround Sound................ 383, 389
Antislipregeling........................................ 190
Antispin.................................................... 190
Approach-verlichting......................... 91, 166
Audio en media
het systeem bedienen........................
inleiding..............................................
menufuncties......................................
menu-overzicht...................................
overzicht.............................................
384
383
386
442
384
13 Alfabetisch register
Audiosysteem.......................................... 383
functies............................................... 388
overzicht............................................. 384
Automatische hervergrendeling............... 178
Automatische schakelblokkering deactiveren........................................................ 286
Automatische versnellingsbak......... 281, 284
aanhanger........................................... 309
handmatige schakelstanden (Geartronic)...................................................... 282
slepen en bergen................................ 316
Automatische wasstraat.......................... 375
Autoverzorging......................................... 375
Autoverzorging, leren bekleding.............. 378
AUX-ingang..................................... 384, 407
B
bagageruimte
bagagenet........................................... 159
Bagageruimte
bevestigingspunten............................ 157
Hoedenplank...................................... 161
Verlichting............................................. 90
Bagage verankeren (Lading vervoeren)... 157
Banden
band afdichten.................................... 332
draairichting........................................ 320
onderhoud.......................................... 320
profieldiepte........................................ 323
slijtage-indicator................................. 322
spanning..................................... 330, 471
specificaties........................................ 471
Winterbanden..................................... 323
Bandenmaat............................................ 324
Bandenspanningstabel............................ 330
Batterij.....................................................
afstandsbediening..............................
onderhoud..........................................
starten met hulpaccu..........................
Symbolen op de accu.........................
transpondersleutel/PCC.....................
Waarschuwingssymbolen...................
361
441
361
278
362
171
362
Bedieningselementen
middenconsole................................... 384
Bedrijfsrem...................................... 296, 297
Beeldinstellingen...................................... 406
Blokkering achteruitversnelling................ 280
Bluetooth®
gesprek naar mobiel...........................
handsfree............................................
media..................................................
microfoon uit.......................................
streaming audio..................................
418
416
411
418
411
Boordcomputer............... 116, 122, 125, 126
analoog instrumentenpaneel.............. 118
Botsing, zie Aanrijding............................... 38
Brandstof......................................... 304, 305
brandstofbesparing............................ 330
brandstoffilter..................................... 305
brandstofverbruik............................... 467
Brandstoftank
inhoud................................................. 465
13
Buitenmaten............................................ 454
Buitenspiegels........................................... 99
elektrische verwarming....................... 100
elektrisch inklapbaar........................... 100
Buitentemperatuurmeter............................ 69
Bekleding................................................. 378
Bellen....................................................... 416
Benzinekwaliteit....................................... 304
Bergen..................................................... 318
BLIS................................................. 265, 266
C
Camerasensor................................. 226, 239
CD............................................................ 404
City Safety™............................................ 224
491
13 Alfabetisch register
Claxon........................................................ 79
Clean Zone Interior Package (CZIP)........ 130
CO2-uitstoot............................................. 467
Collision Warning............................. 231, 232
algemene beperkingen....................... 238
bediening............................................ 236
Radarsensor............................... 215, 224
voetgangersdetectie........................... 235
werking............................................... 232
Collision Warning met Auto Brake........... 231
Compact reservewiel....................... 325, 326
13
Condens
Condens in koplamp.......................... 375
ruiten ontdoen van -........................... 128
Condens in koplamp................................ 375
Controlesymbolen......................... 61, 63, 65
Corner Traction Control........................... 190
Cruisecontrol...........................................
ingestelde snelheid hervatten.............
snelheid instellen................................
tijdelijk deactiveren.............................
uitschakelen........................................
200
204
201
203
205
CTA.......................................................... 268
CZIP (Clear Zone Interior Package)......... 130
492
D
E
DAB-radio........................................ 391, 400
ECC, elektronische klimaatregeling......... 134
Dagrijlicht................................................... 82
ECO-bandenspanning..................... 330, 471
Dagteller op nul stellen.... 120, 121, 123, 124
EcoGuide................................................... 64
Dagtellers................................................... 69
Eerste hulp............................................... 332
Dakbelasting, max. gewicht..................... 455
EHBO-kit.................................................. 332
Dashboardkastje...................................... 153
koeling................................................ 154
vergrendelen....................................... 180
Elektrisch bedienbare ruiten...................... 97
Diesel
brandstofgebrek................................. 305
Dieselolie................................................. 305
Digitale radio (DAB).................................. 400
Distance Alert.......................................... 221
Beperkingen....................................... 222
Symbolen en meldingen..................... 223
Elektrisch bedienbare stoel....................... 75
Elektrisch bedienbare zijruiten resetten..... 98
Elektrische aansluiting............................. 155
bagageruimte...................................... 158
Elektrische verwarming
Achterruit............................................ 100
spiegels............................................... 100
Stoelen en achterbank........................ 136
Elektrisch inklapbare buitenspiegels....... 100
Doorluchtfunctie.............................. 128, 180
Elektrisch systeem................................... 473
Doorwaaddiepte...................................... 299
Elektronische klimaatregeling, ECC......... 134
Draairichting............................................. 320
Elektronische startblokkering.................. 165
Driver Alert Control.................................. 243
bediening............................................ 244
Elektronische temperatuurregeling - ETC 135
Driver Alert System.................................. 243
DVD.......................................................... 404
Equalizer.................................................. 390
ETC, elektronische temperatuurregeling. 135
Etiketten................................................... 452
13 Alfabetisch register
Extra verwarming
elektrisch.................................... 147, 148
op brandstof............................... 147, 148
Gesprek
functies............................................... 416
inkomend............................................ 416
Gevarendriehoek..................................... 331
Hill Start Assist........................................ 287
Hoedenplank........................................... 161
Hogedruksproeiers koplampen................. 96
Hoge motortemperatuur.......................... 308
F
Gewichten
rijklaar gewicht.................................... 455
Fietserdetectie......................................... 233
Gladde wegen.......................................... 302
File-assistent............................................ 213
Gladheid.................................................. 302
Hoofdsteun
inklappen.............................................. 77
middelste zitplaats achterbank............. 77
voorstoel............................................... 74
Follow Me Home-verlichting...................... 90
Glazen
gelaagd/versterkt.................................. 22
Houder voor boodschappentassen ........ 157
opklapbaar.......................................... 158
Foutmeldingen
Adaptieve cruisecontrol......................
Driver Alert Control.............................
LKA.....................................................
zie Meldingen en symbolen................
219
245
251
219
Foutmeldingen BLIS................................ 270
FSC, milieulabel......................................... 22
Glazen dak, rolgordijn.............................. 102
Gloeilampen, zie Verlichting.................... 352
Gordelspanner........................................... 37
Gordelspanners......................................... 27
IAQS - Interior Air Quality System........... 131
Gordelwaarschuwing................................. 27
In de was zetten....................................... 376
Groot licht, automatische activering.......... 84
Informatiedisplay................................. 60, 61
Groot licht/dimlicht, zie Verlichting............ 83
Informatietoets, PCC............................... 168
H
Infotainment
brontoetsen........................................ 384
spraakherkenning............................... 426
G
Geartronic................................................ 282
Geheugenfunctie stoel............................... 75
Gelaagd glas.............................................. 22
Geluid
Ambient Surround Sound........... 383, 389
Instellingen.......................................... 388
Geluidspodium........................................ 390
I
handgeschakelde versnellingsbak........... 280
schakelindicatie (GSI)......................... 281
slepen en bergen................................ 316
Handgeschakelde versnellingsbak
aanhanger........................................... 309
Handmatige schakelstanden (Geartronic) 282
13
Infotainment (Audio en media)................. 383
Inlegmatten.............................................. 154
Inparkeerhulp - PAP................................ 260
Instructieboekje, milieulabel...................... 22
Instrumenten, schakelaars en
bediening............................................. 54, 57
493
13 Alfabetisch register
Instrumentenoverzicht
auto met stuur links.............................. 54
auto met stuur rechts........................... 57
Instrumentenpaneel............................. 60, 61
Instrumentenverlichting, zie Verlichting..... 81
Interieurluchtfilter..................................... 130
Interieurverlichting
automatische functie............................ 90
Interieurverlichting, zie Verlichting............. 89
Interieurverwarming................................. 144
Interior Air Quality System (IAQS)............ 131
luchtreiniging...................................... 131
Intervalfunctie wisser................................. 95
13
iPod®, aansluiting.................................... 409
Kinderen
kinderslot.............................................. 42
kinderzitje en airbag............................. 48
kinderzitje en SIPS-airbag.................... 34
plaats in de auto................................... 48
veiligheid......................................... 34, 42
Kinderslot......................................... 184, 185
Kinderveiligheidszitje.................................
aanbevolen...........................................
afmetingscategorieën voor kinderzitjes
met ISOFIX-bevestigingssysteem........
bovenste bevestigingspunten voor kinderzitjes................................................
ISOFIX-bevestigingssysteem voor kinderzitjes................................................
types.....................................................
42
44
49
48
50
Kleurcode, lak.......................................... 380
Katalysator
Bergen................................................ 317
Keuzehendelblokkering........................... 286
Keyless drive 172, 173, 174, 175, 176,
177,
277
Keyless - ontgrendelen............................ 175
Keyless - vergrendelen............................ 174
Klimaat
algemene informatie...........................
automatische regeling........................
persoonlijke instellingen.....................
sensoren.............................................
temperatuurregeling...........................
werkelijke temperatuur.......................
Koelvloeistof, controleren en bijvullen..... 349
Kofferbak
lading vervoeren................................. 155
Kompas................................................... 102
kalibreren............................................ 103
Koplampen.............................................. 352
Koudemiddel........................................... 351
Krik........................................................... 323
L
Laag oliepeil............................................. 345
128
138
131
129
138
129
Lading vervoeren
algemene informatie................... 155, 157
bagageruimte.............................. 155, 157
bevestigingspunten............................ 157
lading op het dak................................ 157
lange lading........................................ 156
Klimaatregeling
reparatie.............................................. 351
Lak
kleurcode............................................ 380
lakschade en herstel ervan................. 380
Klok, instellen............................................. 69
494
Koelvloeistof
hoeveelheid en kwaliteit..................... 462
Koplamphoogteregeling............................ 81
52
Kledinghaak............................................. 152
K
Koelsysteem............................................ 300
oververhitting...................................... 300
13 Alfabetisch register
Lampen, zie Verlichting............................ 351
Lasersensor............................................. 228
Meldingen
informatiedisplay................................ 105
Lastindex................................................. 324
Meldingen BLIS....................................... 270
Leren bekleding, reinigingsvoorschriften. 378
Lichtsignalen, PCC.................................. 168
Meldingen en symbolen
Adaptieve cruisecontrol...................... 219
Collision Warning with Auto
Brake.......................................... 230, 241
Driver Alert Control............................. 245
LKA..................................................... 251
Motor- en interieurverwarming........... 146
LKA, rijstrookassistent............................. 247
Meldingsfuncties...................................... 106
Motor afzetten......................................... 278
Luchtreiniging
materiaal............................................. 131
passagiersruimte................ 129, 130, 131
Menufuncties
Instrumentenpaneel............................ 103
menu-overzicht, analoog.................... 104
menu-overzicht, digitaal..................... 104
Motor- en interieurverwarming
meldingen........................................... 146
meteen in-/uitschakelen..................... 145
timer.................................................... 145
Menufuncties audio en media................. 386
Motorkap, openen................................... 344
Meters
brandstofmeter............................... 60, 61
snelheidsmeter............................... 60, 61
toerenteller...................................... 60, 61
Motorolie.......................................... 345, 459
filter..................................................... 345
kwaliteit en hoeveelheid..................... 460
ongunstige rijomstandigheden........... 459
Microfoon................................................. 417
Motoroliepeil controleren......................... 345
Middenconsole........................................ 152
Motorremregeling.................................... 190
Milieulabel, FSC, instructieboekje............. 22
Motorruimte
koelvloeistof........................................ 349
olie...................................................... 345
overzicht............................................. 344
Lichtbundel, aanpassen............................. 92
Lichtbundel aanpassen.............................. 92
Active Bending Lights .......................... 92
Halogeenkoplampen............................. 92
Luchtverdeling......................................... 132
recirculatie.......................................... 140
tabel.................................................... 142
M
Make-upspiegel................................. 89, 154
Maten....................................................... 454
Max. dakbelasting................................... 455
Media Bluetooth®..................................... 411
Mediaspeler..................................... 391, 403
compatibele bestandsformaten.......... 407
Mistverlichting
achter.................................................... 86
Mobiele telefoon
aansluiten...........................................
handsfree............................................
spraakherkenning...............................
telefoon registreren.............................
413
416
426
413
Motor
oververhitting......................................
Start/Stop...........................................
starten.................................................
uitschakelen........................................
308
287
276
278
13
Motorspecificaties................................... 458
Motorverwarming..................................... 144
495
13 Alfabetisch register
MY CAR 106, 107, 108, 110, 112, 113,
114,
115,
116
Ontgrendelen met sleutelblad................. 175
Partikelfilter.............................................. 306
Ontwaseming........................................... 139
PCC, Personal Car Communicator
Actieradius.................................. 169, 173
functies............................................... 166
Op afstand bediende startblokkering...... 166
Opbergmogelijkheden passagiersruimte. 150
N
Nieuwsuitzendingen................................. 397
Noodreparatieset banden................ 332, 333
onderdelen terugplaatsen................... 338
13
Noodreparatieset voor banden
afdichtmiddel......................................
band oppompen.................................
overzicht.............................................
positie.................................................
resultaat controleren...........................
uitvoering............................................
339
338
334
333
337
335
Nooduitrusting
EHBO-kit............................................. 332
gevarendriehoek................................. 331
Opbergmogelijkheid
bestuurderszijde.................................
dashboardkastje.................................
Kledinghaak........................................
tunnelconsole.....................................
152
153
152
152
Opblaasgordijn.................................... 34, 37
Oververhitting.......................................... 308
P
Olie, zie ook Motorolie..................... 459, 460
Onderhoud
roestwering......................................... 378
Ontgrendelen
van de binnenzijde.............................. 179
van de buitenzijde............................... 177
496
Poetsen.................................................... 376
Positie buitenspiegels herstellen............. 100
Powermeter............................................... 64
Powershift-versnellingsbak.............. 284, 316
Profieldiepte............................................. 323
Programmatypes radio (PTY)................... 397
Q
PACOS....................................................... 31
Paneelverlichting....................................... 81
Queue Assist............................................ 213
Paniekfunctie........................................... 166
PAP - Actieve parkeerhulp....................... 260
O
Peilstok, elektronisch............................... 348
Park Assist...............................................
aan achterzijde...................................
functie.................................................
sensoren voor Park Assist..................
storingsindicatie.................................
253
254
253
256
256
R
Radarsensor............................................ 206
Beperkingen............................... 215, 216
Radio....................................................... 391
DAB............................................ 391, 400
Parkeerhulpcamera.................................. 257
Instellingen.......................................... 259
RDS.......................................................... 395
Parkeerrem.............................................. 298
Regeneratie.............................................. 306
Regeling, licht............................................ 80
13 Alfabetisch register
Regensensor.............................................. 95
Richtingaanwijzers..................................... 88
Reinigen
Automatische wasstraat.....................
bekleding............................................
veiligheidsgordels...............................
Velgen.................................................
wasstraat............................................
Rijadviezen............................................... 301
375
378
380
376
375
Relais- en zekeringenkastje, zie Zekeringen........................................................... 365
Rem- en koppelingsvloeistof................... 350
Remlichten................................................. 87
Rijbaanassistent
bediening............................................ 249
Rijden.......................................................
koelsysteem........................................
met een aanhanger.............................
met geopende achterklep...................
301
300
308
300
Rijden met een aanhanger
kogeldruk............................................ 456
trekgewicht......................................... 456
S
Safelock-functie....................................... 183
deactiveren......................................... 183
tijdelijk deactiveren............................. 183
Safety mode.............................................. 38
auto verrijden........................................ 40
startpoging........................................... 39
Schakelblokkering, mechanische
vrijgave..................................................... 286
Schakelindicatie (GSI).............................. 281
Remmen.......................................... 296, 297
antiblokkeerremsysteem, ABS........... 297
noodremlichten..................................... 87
parkeerrem......................................... 298
remkrachtverhoging bij noodstops,
EBA .................................................... 298
Remlichten............................................ 87
remsysteem................................ 296, 297
remvloeistof bijvullen.......................... 350
symbolen op instrumentenpaneel...... 296
Rijden tijdens de winter........................... 302
Schakelindicator...................................... 281
Rijeigenschappen aanpassen.................. 270
Sensus....................................................... 70
Rijklaar gewicht........................................ 455
Serviceprogramma.................................. 341
Rijstrookassistent, LKA............................ 247
Servicestand............................................ 359
Ritstatistiek.............................................. 126
Sfeerverlichting.......................................... 90
Roestwering............................................. 378
Signaalingang, extern...................... 384, 407
Roetfilter dieselmotor.............................. 306
SIPS-airbag............................................... 33
ROETFILTER VOL.................................... 306
Sleepoog.................................................. 317
Remvloeistof
kwaliteit en hoeveelheid..................... 464
Rolgordijn voor glazen dak...................... 102
Slepen...................................................... 316
sleepoog............................................. 317
Reservewiel
erbij nemen......................................... 326
monteren............................................ 329
Rugleuning................................................. 74
voorstoel, omklappen........................... 74
Resetten dagteller............ 120, 121, 123, 124
Ruitenwisser voor...................................... 95
Regensensor......................................... 95
Richtingaanwijzer....................................... 88
Ruggedeelte(n) achterbank, omklappen.... 78
Ruiten en spiegels............................. 22, 377
13
Sleutel...................................... 163, 164, 176
Sleutelblad....................................... 169, 170
Sleutelloos startsysteem (keyless
drive)........ 172, 173, 174, 175, 176, 177, 277
Sleutelstanden........................................... 71
497
13 Alfabetisch register
Slijtage-indicator...................................... 322
Stadslichten vóór en achterlichten............ 81
Stuurslotfout............................................ 278
Slot
kinder-.................................................. 42
Start/Stop................................................ 287
Functie en bediening.......................... 288
motorafslag werkt niet........................ 290
Stuurwiel.................................................... 79
Stuur afstellen....................................... 79
Toetsenset.................................... 79, 384
Startaccu......................................... 301, 474
overbelasting...................................... 301
specificaties........................................ 474
Stuurwiel afstellen...................................... 79
Snelheidsbegrenzer................................. 197
alarm overschrijding snelheid............. 200
beknopte bedieningsinstructies. 197, 198
tijdelijk deactiveren............................. 199
uitschakelen........................................ 200
13
Starten met hulpaccu.............................. 278
Spiegel
achteruitkijk-....................................... 101
Steenslagplekken en krassen.................. 380
Spiegels
buiten-.................................................. 99
Stoel, zie Stoelen en achterbank............... 73
Stickers.................................................... 452
Sproeier
Achterruit.............................................. 96
sproeiervloeistof, bijvullen.................. 361
Voorruit................................................. 96
Stoelen en achterbank............................... 73
elektrisch bediend................................ 75
elektrische verwarming....................... 136
Hoofdsteunen achterbank.................... 77
Ruggedeelte(n) achterbank neerklappen........................................................ 78
ruggedeelte(n) achterbank vooroverklappen................................................. 74
Sproeiervloeistof
hoeveelheid........................................ 464
Stoffen die allergieën en/of astma kunnen
verwekken................................................ 130
Sproeiervloeistof bijvullen........................ 361
Storingsdiagnose van camerasensor...... 227
Stabiliteits- en tractieregeling.......... 190, 192
Storingzoeken
Adaptieve cruisecontrol...................... 218
Spin control............................................. 190
Spraakherkenning mobiele telefoon........ 426
Sproeien voorruit....................................... 96
Stabiliteits- en tractieregelsysteem
bediening............................................ 191
stabiliteitsregeling.................................... 190
498
Startblokkering........................................ 165
Snelheidsklassen, banden....................... 325
Stuurkracht, snelheidsafhankelijk............ 270
Stuurkrachtniveau, zie Stuurkracht.......... 270
Symbolen
Controlesymbolen.................... 61, 63, 65
Waarschuwingssymbolen............... 61, 63
Symbolen en meldingen
Adaptieve cruisecontrol...................... 219
Collision Warning with Auto
Brake.......................................... 230, 241
Driver Alert Control............................. 245
LKA..................................................... 251
Systeem
is afgegaan........................................... 37
T
Tanken............................................. 182, 306
Bijvullen.............................................. 303
bijvullen met jerrycan met reservebrandstof............................................ 306
tankklep.............................................. 302
13 Alfabetisch register
tankvulklep, handmatig openen......... 303
tankvulklep, vergrendeling.................. 182
Telefoon
aansluiten...........................................
bellen..................................................
gesprekken aannemen.......................
handsfree............................................
inkomend gesprek..............................
spraakherkenning...............................
telefoonboek.......................................
telefoonboek, snelkoppeling..............
telefoon registreren.............................
413
416
418
416
416
426
420
420
413
Temperatuur
werkelijke temperatuur....................... 129
functies............................................... 166
zoekgeraakt........................................ 163
Transpondersleutelsysteem, typegoedkeuring..................................................... 475
Uitstoot van kooldioxide.......................... 467
Trekgewicht en kogeldruk....................... 456
USB-ingang............................................. 407
Trekhaak.......................................... 310, 311
afneembaar, aanbrengen.................... 312
afneembaar, verwijderen.................... 313
specificaties........................................ 311
Trekhaak, zie Trekinrichting..................... 310
Trekhaak - afneembaar
monteren/demonteren................ 312, 313
Trillingsdemper........................................ 310
Temperatuurregeling............................... 138
TSA, Trailer Stability Assist ............. 190, 315
Toeteren..................................................... 79
Tunnelconsole
12V-aansluiting................................... 155
aansteker en asbak............................ 153
armleuning.......................................... 153
Toetsensets op stuurwiel................... 79, 384
Totaalgewicht.......................................... 455
Traction Control....................................... 190
Trailer Stability Assist...................... 190, 315
Transmissie.............................................. 280
Transponder.............................................. 18
Transpondersleutel.......................... 163, 164
Actieradius.................................. 167, 173
afneembaar sleutelblad.............. 169, 170
batterij vervangen............................... 171
U
USB, aansluiting...................................... 409
V
Veiligheidsgordel.......................................
Achterbank...........................................
gordelspanner.......................................
gordelwaarschuwing............................
losnemen..............................................
omdoen.................................................
zwangerschap......................................
24
27
27
27
26
25
26
Velg, maten.............................................. 324
Velgen
Reinigen.............................................. 376
Tunneldetectie........................................... 83
Ventilatie.................................................. 132
TV............................................................. 435
Ventilator
ECC.................................................... 137
ETC..................................................... 137
Typeaanduidingen................................... 452
Typegoedkeuring
Bluetooth®.......................................... 477
radarsysteem...................................... 475
transpondersleutelsysteem................ 475
13
Vergrendelen/ontgrendelen
achterklep........................................... 181
binnenzijde.......................................... 179
499
13 Alfabetisch register
Vergrendeling
handmatig vergrendelen..................... 178
ontgrendelen............................... 177, 179
vergrendelen....................................... 177
Vergrendelingsindicatie .................. 164, 165
Verkeersbordinformatie........................... 194
bediening............................................ 194
Beperkingen....................................... 196
Verkeersinformatie (TP) ........................... 396
13
Verlichting................................................ 351
Actieve xenonkoplampen..................... 85
Approach-verlichting.................... 91, 166
automatische verlichting, interieur........ 90
Bedieningselementen........................... 89
dagrijlicht.............................................. 82
Follow Me Home-verlichting................. 90
gloeilampen, specificaties.................. 358
groot licht/dimlicht................................ 83
in interieur............................................. 89
Koplamphoogteregeling....................... 81
mistachterlicht...................................... 86
stads-/parkeerlicht................................ 81
tunneldetectie....................................... 83
Verlichting display................................. 81
Verlichting instrumentenpaneel............ 81
Verlichting, gloeilampen vervangen......... 352
dagrijlicht............................................ 356
dimlicht (auto's met halogeen-koplampen)..................................................... 354
500
grootlicht (auto's met actieve xenonkoplampen).........................................
grootlicht (auto's met halogeenkoplampen).........................................
lamphouder achter: richtingaanwijzer,
rem- en achteruitrijlicht.......................
make-upspiegel..................................
mistachterlicht....................................
richtingaanwijzers, voor......................
stads-/parkeerlicht..............................
Voetgangersbescherming........................ 231
354
354
356
358
357
355
355
Verlichting display...................................... 81
Verlichtingsbediening................................ 80
Vermogen................................................ 458
Versnellingsbak........................................ 280
automaat..................................... 281, 284
handgeschakeld................................. 280
Versnellingsbakolie
hoeveelheid en kwaliteit..................... 463
Verwarming op brandstof
meteen in-/uitschakelen..................... 145
timer.................................................... 145
Vlekken.................................................... 378
Vloeistoffen, hoeveelheden 462, 463,
464,
465,
466
Vloeistoffen en oliën......... 462, 463, 464, 466
Voetgangersairbag..................................... 40
auto verrijden........................................ 41
opvouwen............................................. 42
Volgtijd instellen....................................... 221
Volume.....................................................
beltoon, telefoon.................................
externe geluidsbron............................
snelheids-/geluidscompensatie..........
Telefoon..............................................
telefoon/mediaspeler..........................
384
419
411
390
419
419
Volvo Sensus............................................. 70
Voorruit
elektrische verwarming....................... 139
Voorruit, elektrische verwarming............. 100
Voorstoel
hoofdsteun............................................ 74
W
Waarschuwingsgeluid
Collision Warning................................ 236
Waarschuwingslampje
adaptieve cruisecontrol...................... 206
Collision Warning................................ 236
stabiliteits- en tractieregeling............. 190
Waarschuwingslampjes
airbags (SRS)........................................ 67
dynamo laadt niet bij............................ 67
gordelwaarschuwing...................... 27, 67
13 Alfabetisch register
Lage oliedruk........................................
parkeerrem ingeschakeld.....................
storing in remsysteem..........................
Waarschuwing......................................
67
67
67
67
Servicestand....................................... 359
vervangen........................................... 359
Wissers en -sproeiers................................ 95
Waarschuwingssymbolen.............. 61, 63, 67
Warmtereflecterende voorruit.................... 18
Wasstraat................................................. 375
Water- en vuilafstotende laag.................. 377
Water- en vuilafstotende laag, reinigen... 377
Whiplash, WHIPS....................................... 35
WHIPS
kinderzitje/verhogingskussen............... 36
WHIPS-systeem............................. 35, 37
zithouding............................................. 36
Wielbouten............................................... 322
afsluitbare........................................... 322
Z
Zekeringen...............................................
algemene informatie...........................
motorruimte........................................
onder het dashboardkastje.................
onder rechter voorstoel......................
vervangen...........................................
365
365
367
370
373
365
Zekeringenkastje..................................... 366
Zij-airbag, SIPS.................................... 33, 37
Zuinig rijden............................................. 307
13
Wielen
compact reservewiel........................... 325
demonteren........................................ 327
Sneeuwkettingen................................ 323
Wielen en banden.................................... 325
Wielen verwisselen.................................. 326
Winterbanden.......................................... 323
Wisserblad............................................... 359
achterruit vervangen........................... 360
Reinigen.............................................. 360
501
13 Alfabetisch register
13
502
Volvo Car Corporation TP 16775 (Dutch), AT 1348, Printed in Sweden, Göteborg 2013, Copyright © 2000-2013 Volvo Car Corporation
Was this manual useful for you? yes no
Thank you for your participation!

* Your assessment is very important for improving the work of artificial intelligence, which forms the content of this project

Download PDF

advertising