Volvo | V40 | Gebruikershandleiding | Volvo V40 2013 Gebruikershandleiding

Volvo V40 2013 Gebruikershandleiding
V40
Instructieboekje
L:7:9>I>DC
BESTE VOLVO-BEZITTER,
DANK U DAT U GEKOZEN HEBT VOOR VOLVO!
Wij hopen dat u jarenlang rijplezier van uw Volvo zult hebben. Bij het
ontwerp hebben veiligheid en comfort van u en uw passagiers vooropgestaan. Een Volvo is een van de veiligste auto’s ter wereld. Uw
Volvo is ook ontworpen om aan alle geldende veiligheidsvoorschriften en milieueisen te voldoen.
Om nog meer plezier van uw auto te hebben, raden wij u aan om
vertrouwd te raken met de uitrusting, de instructies en de onderhoudsinformatie in dit instructieboekje.
Inhoud
00 01 02
2
00 Inleiding
01 Veiligheid
Belangrijke informatie................................. 6
Volvo en het milieu.................................... 10
Veiligheidsgordels ....................................
Airbags......................................................
Airbag activeren/deactiveren*...................
SIPS-airbags (zij-airbags) ........................
Opblaasgordijnen (IC-systeem) ...............
WHIPS ......................................................
Activering van de veiligheidssystemen ....
Safety mode..............................................
Voetgangerairbag (Pedestrian Airbag)......
Kinderen en veiligheid...............................
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
02 Sloten en alarm
16
19
22
24
26
27
29
30
31
33
Transpondersleutel/sleutelblad.................
Batterij vervangen transpondersleutel/
PCC*.........................................................
Keyless*....................................................
Vergrendelen/ontgrendelen......................
Kinderslot..................................................
Alarm*.......................................................
44
51
53
57
63
64
Inhoud
03 04 05
03 Bestuurdersmilieu
04 Bestuurdersondersteuning
05 Comfort en rijplezier
Instrumenten, schakelaars en bediening. . 68
Volvo Sensus ........................................... 79
Sleutelstanden.......................................... 81
Stoelen en achterbank.............................. 83
Stuurwiel................................................... 88
Verlichting................................................. 89
Wissers en -sproeiers............................. 100
Ruiten en spiegels................................... 103
Kompas*................................................. 109
Alcoholslot*............................................. 111
Motor starten.......................................... 115
Motor starten, hulpaccu.......................... 117
Versnellingsbakken................................. 119
Eco Guide & Power*................................ 126
Start/Stop *............................................. 128
Bedrijfsrem.............................................. 134
Parkeerrem.............................................. 136
Stabiliteits- en tractieregelsysteem,
DSTC....................................................... 142
Road Sign Information – RSI*................. 145
Snelheidsbegrenzer*............................... 147
Cruisecontrol*......................................... 149
Adaptieve cruisecontrol*......................... 151
Afstandswaarschuwing*.......................... 162
City Safety™........................................... 165
Collision Warning met Auto Brake en voetgangersbescherming.*............................ 171
Driver Alert System*................................ 179
Driver Alert System – DAC*..................... 180
Driver Alert System - Rijbaanassistent*. . 184
Park Assist*............................................. 189
Park Assist-camera*............................... 192
Actieve parkeerhulp – PAP*.................... 196
BLIS en CTA*.......................................... 201
Menu- en meldingsfuncties....................
Menugroep MY CAR...............................
Klimaatregeling.......................................
Motor- en interieurverwarming op brandstof*.........................................................
Extra verwarming*...................................
Boordcomputer.......................................
Rijeigenschappen aanpassen.................
Interieurcomfort......................................
208
211
220
231
235
237
241
242
HomeLinkŸ *............................................ 137
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
3
Inhoud
06 07 08
06 Infotainment
Algemene informatie over infotainment. .
Radio.......................................................
Mediaspeler............................................
Externe geluidsbron via AUX/USB*ingang.....................................................
07 Tijdens het rijden
248
258
266
271
Media BluetoothŸ* ................................. 274
BluetoothŸ-handsfree*............................
Spraakherkenning* mobiele telefoon......
TV - instelling*.........................................
Afstandsbediening* ................................
4
277
286
290
294
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Rijadviezen..............................................
Tanken....................................................
Brandstof................................................
Lading vervoeren....................................
Bagageruimte..........................................
Rijden met een aanhanger......................
Slepen en bergen....................................
08 Wielen en banden
298
301
303
307
311
313
320
Algemeen ...............................................
Wielen verwisselen .................................
Bandenspanning ....................................
Gevarendriehoek en EHBO-set*.............
Provisorische bandenreparatie (TMK)* . .
326
330
334
335
336
Inhoud
09 10 11
09 Onderhoud en service
Motorruimte............................................
Gloeilampen............................................
Wisserbladen en ruitensproeiervloeistof.
Accu........................................................
Zekeringen..............................................
Verzorging...............................................
10 Specificaties
344
351
357
360
364
373
Type-aanduidingen.................................
Maten en gewichten................................
Motorspecificaties...................................
Motorolie.................................................
Vloeistoffen en smeermiddelen...............
Brandstof................................................
Wielen en banden, maten en spanning ..
Elektrisch systeem..................................
Typegoedkeuring....................................
Displaysymbolen.....................................
11 Alfabetisch register
382
384
387
388
390
393
395
396
397
409
Alfabetisch register................................. 412
5
Inleiding
Belangrijke informatie
Instructieboekje lezen
Inleiding
Een goede manier om vertrouwd te raken met
uw nieuwe auto is om het instructieboekje te
lezen, idealiter voordat u uw eerste rit maakt.
Zo maakt u kennis met nieuwe functies, krijgt
u tips hoe u het beste in verschillende situaties
met de auto kunt omgaan en leert u hoe u optimaal gebruik kunt maken van alle mogelijkheden die uw auto biedt. Besteed ook aandacht
aan de veiligheidsinstructies in het boekje.
De specificaties, constructiegegevens en
afbeeldingen in dit instructieboekje zijn niet
bindend. We behouden ons het recht voor om
zonder voorafgaande mededeling wijzigingen
aan te brengen.
©
tabel verwijst, worden letters gebruikt in plaats
van cijfers.
Neem bij twijfel over de standaarduitrusting of
opties/accessoires contact op met een Volvodealer.
In de auto zijn displays aanwezig waarop meldingen kunnen worden weergegeven. Deze
displaymeldingen worden in het instructieboekje in iets groter formaat en in het grijs
weergegeven. Voorbeelden daarvan vindt u in
de menuteksten en displaymeldingen van het
informatiedisplay (bijvoorbeeld Audioinstellingen ).
Speciale teksten
WAARSCHUWING
Waarschuwingsteksten geven informatie
over kans op letsel.
Alle soorten opties staan aangegeven met een
sterretje* in het instructieboekje.
Als aanvulling op de standaarduitrusting worden in dit instructieboekje ook de opties (van
fabriekswege gemonteerde uitrusting) en
bepaalde accessoires (ingebouwde extra uitrusting) beschreven.
De uitrusting die in het instructieboek wordt
beschreven is niet op alle auto’s aanwezig –
welke uitrusting aanwezig is hangt af van de
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Displaymeldingen
Stickers
BELANGRIJK
Belangrijk-teksten geven informatie over
kans op materiële schade.
Volvo Car Corporation
Optie
6
verschillende behoeften op de diverse markten
en de landelijke en/of regionale wet- en regelgeving.
N.B.
Teksten met het kopje N.B. duiden op tips
en adviezen die het gebruik van bepaalde
mogelijkheden en functies vergemakkelijken.
Voetnoot
In het instructieboekje komt informatie voor in
de vorm van een voetnoot onder aan de
pagina. Deze informatie vormt een aanvulling
op de tekst waar het nummer van de voetnoot
naar verwijst. Als de voetnoot naar tekst in een
Er zitten verschillende soorten stickers in de
auto om belangrijke informatie op een simpele
en duidelijke manier over te dragen. De stickers
in de auto zijn van de onderstaande aflopende
waarschuwings-/informatiegraad.
Inleiding
Belangrijke informatie
G031590
Zwarte ISO-symbolen in een oranje waarschuwingsveld, witte tekst/afbeelding in een zwart
tekstveld. Worden gebruikt om te attenderen
op een risico dat, bij het negeren van de waarschuwing, kan resulteren in ernstig letsel met
mogelijk dodelijke afloop.
Informatie
Witte ISO-symbolen en een witte tekst/afbeelding in een zwart of blauw waarschuwings- en
tekstveld. Worden gebruikt om te attenderen
op een risico dat, bij het negeren van de waarschuwing, kan resulteren in materiële schade.
G031593
Gevaar voor materiële schade
G031592
Gevaar voor lichamelijk letsel
Witte ISO-symbolen en een witte tekst/afbeelding in een zwart tekstveld.
N.B.
De in het instructieboekje afgebeelde stickers hoeven niet per definitie overeen te
komen met de stickers die in of op uw auto
aanwezig zijn. De afbeeldingen zijn alleen
bedoeld om aan te geven hoe de stickers er
in grote lijnen uitzien en waar u ze ongeveer
kunt aantreffen. Op de stickers van uw auto
vindt u de informatie die op uw auto van
toepassing is.
7
Inleiding
Belangrijke informatie
Procedurelijsten
Procedures met handelingen die in een
bepaalde volgorde moeten worden uitgevoerd,
staan genummerd in het instructieboekje.
Wanneer er een reeks afbeeldingen bij een
stapsgewijze instructie bestaat, zijn de verschillende stappen van de instructie op
dezelfde manier genummerd als de bijbehorende afbeeldingen.
Als voor de instructies bij een reeks afbeeldingen de onderlinge volgorde niet relevant is, worden de instructies voorafgegaan door letters.
Er komen genummerde en ongenummerde
pijlen voor. Ze worden gebruikt om een
bepaalde beweging weer te geven.
Pijlen met een letter dienen om een beweging weer te geven waarbij de onderlinge
volgorde niet van belang is.
Wanneer er geen reeks afbeeldingen bij een
stapsgewijze instructie bestaat, zijn de verschillende stappen op de standaardmanier
genummerd met normale cijfers.
8
Positielijsten
Op overzichtsfiguren die de positie van
onderdelen aangeven worden rode cirkels
met daarin een cijfer gebruikt. Hetzelfde
cijfer wordt gehanteerd in de positielijst bij
de afbeelding, met een beschrijving van de
weergegeven objecten.
Opsommingslijsten
Bij opsommingen in het instructieboekje wordt
gebruik gemaakt van een opsommingslijst.
Bijvoorbeeld:
• Koelvloeistof
• Motorolie
Zie ommezijde
`` Dit symbool staat rechts onderaan wanneer
een hoofdstuk wordt voortgezet op de volgende pagina.
Vastlegging van gegevens
Uw auto is voorzien van enkele computers met
als taak de werking en functionaliteit van de
auto continue te bewaken. Bepaalde computers leggen mogelijk ook gegevens vast bij
registratie van een storing tijdens normale ritten. Bovendien worden er gegevens opgeslagen bij een aanrijding of bijna-aanrijding. Vastlegging van de gegevens is enerzijds bedoeld
om technici te helpen bij het vaststellen en ver-
helpen van storingen in de auto en anderzijds
om ervoor te zorgen dat Volvo voldoet aan de
geldende wet- en regelgeving. Volvo gebruikt
de gegevens bovendien voor onderzoek ter
verbetering van de kwaliteit en veiligheid, daar
de gegevens kunnen bijdragen tot een groter
inzicht in de omstandigheden waarin ongelukken en/of letsel ontstaan. De gegevens kunnen
duidelijkheid geven over de status en werking
van verschillende autosystemen en -modulen
waaronder die voor de motor, gasklep, besturing en remmen. De gegevens kunnen informatie bevatten over de rijstijl van de bestuurder, zoals de rijsnelheid, het gebruik van het
rem- of gaspedaal en de stuuruitslag en het wel
of niet dragen van de veiligheidsgordel door
bestuurder en eventuele passagier(s). De
gegevens kunnen om de eerder vermelde
redenen voor een begrensde tijd worden vastgelegd tijdens het rijden, tijdens een aanrijding
of bij een bijna-ongeluk. Volvo kan de gegevens opslaan zolang deze kunnen bijdragen tot
een verbetering en verdere verhoging van de
veiligheid en kwaliteit en zolang de wet- en
regelgeving waaraan Volvo gehouden is dit
voorschrijft.
Volvo zal de bovengenoemde gegevens niet
zonder de toestemming van de eigenaar van
de auto vrijgeven aan derden. Volvo Car Corporation kan echter op last van de nationale
wet- en regelgeving gedwongen worden om
Inleiding
Belangrijke informatie
dergelijke gegevens te verstrekken aan instanties, zoals de politie, of anderen die krachtens
de wet de gegevens kunnen opeisen.
Om de door de computers van de auto vastgelegde gegevens te kunnen uitlezen en interpreteren is speciale technische apparatuur vereist die alleen beschikbaar is bij Volvo, en de
werkplaatsen die een contract hebben met
Volvo. Volvo ziet erop toe dat de gegevens, die
in verband met reparatie en onderhoud worden
doorgegeven aan Volvo, zorgvuldig worden
opgeslagen en gehanteerd en dat ze in overeenstemming met de geldende wetgeving worden gebruikt. Neem voor meer informatie contact op met een Volvo-dealer.
Accessoires en extra uitrusting
Een verkeerde aansluiting en montage van
accessoires kan een nadelige invloed hebben
op de werking van de elektronische systemen
van de auto. Bepaalde accessoires werken
alleen, wanneer de bijbehorende software in de
computersystemen van de auto wordt geladen. Volvo adviseert u daarom altijd contact op
te nemen met een erkende Volvo-werkplaats,
voordat u accessoires monteert die in verbinding staan met of van invloed zijn op het elektrische systeem.
Verkoop van auto met Volvo On Call*
Volvo On Call is een aanvullend pakket met
veiligheids-, beveiligings- en comfortdiensten.
Als een auto met Volvo On Call van eigenaar
verandert, is het uitermate belangrijk dat deze
diensten worden beëindigd zodat de vorige
eigenaar niet langer gebruik kan blijven maken
van deze diensten. Neem contact op met het
On Call-center via een druk op de ON CALLtoets in de auto of breng een bezoek aan een
erkende Volvo-werkplaats. Zie ook “Beveiligingscode wijzigen” in het instructieboekje bij
Volvo On Call.
Informatie op internet
Op www.volvocars.com vindt u meer informatie over uw auto.
Voor het uitlezen van de QR-code is een QRcode reader nodig die als accessoire verkrijgbaar is voor verschillende mobiele telefoons.
De QR-code reader kan worden gedownload
via App Store of Android Market.
QR-code
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
9
Inleiding
Volvo en het milieu
G000000
Milieubeleid van Volvo Car Corporation
Milieuzorg is een van de kernwaarden van
Volvo Car Corporation die van invloed zijn op
alle activiteiten. We zijn ervan overtuigd dat
onze klanten onze zorg voor het milieu delen.
Uw Volvo voldoet aan strenge internationale
milieueisen en is bovendien geproduceerd in
een fabriek die zeer schoon is en efficiënt met
hulpbronnen omgaat. Volvo Car Corporation is
gecertificeerd volgens de milieunorm ISO
14001 voor alle fabrieken en de meeste andere
eenheden. We eisen bovendien van onze
samenwerkingspartners dat ze systematisch
aan milieuzorg doen.
10
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Brandstofverbruik
De auto’s van Volvo zijn concurrerend in hun
klasse wat het brandstofverbruik betreft. Een
lager brandstofverbruik levert over het algemeen een geringere uitstoot van het broeikasgas kooldioxide op.
U als bestuurder kunt uw steentje bijdragen
aan een verlaging van het brandstofverbruik.
Lees voor meer informatie de tekst onder het
kopje Spaar het milieu.
Efficiënte uitlaatgasreiniging
Uw Volvo is gebouwd volgens het concept
“Schoon aan binnen- en buitenkant” – een
concept dat een schone passagiersruimte
combineert met een uitermate efficiënte uitlaatgasreiniging. In veel gevallen liggen uitlaatgasemissies ver onder de geldende normen.
Schone lucht in passagiersruimte
Het interieurfilter zorgt dat stofdeeltjes en pollen niet via de luchtinlaatopening in de passagiersruimte kunnen dringen.
Een geavanceerd luchtreinigingssysteem,
IAQS* (Interior Air Quality System), zorgt ervoor
dat de lucht die de passagiersruimte binnenkomt schoner is dan de lucht buiten in het verkeer.
Inleiding
Volvo en het milieu
Het systeem bestaat uit een elektronische sensor en een koolstoffilter. De binnenkomende
lucht wordt continu gecontroleerd en als het
gehalte aan bepaalde schadelijke gassen zoals
koolmonoxide te hoog oploopt, wordt de luchtinlaat gesloten. Iets dergelijks kan zich voordoen in bijvoorbeeld druk verkeer, files of tunnels.
Het koolstoffilter zorgt ervoor dat stikstofoxiden, laaghangend ozon en koolwaterstoffen
niet binnendringen.
Interieur
Het interieur van een Volvo werd dusdanig
vormgegeven dat het gerieflijk en comfortabel
is – ook voor mensen met contactallergieën of
astma. Er is extra veel aandacht besteed aan
de selectie van milieuvriendelijke materialen.
Erkende Volvo-werkplaatsen en het
milieu
Met regelmatig onderhoud kunt u de voorwaarden scheppen voor een lange levensduur en
een laag brandstofverbruik. Op die manier
draagt u bij aan een schoner milieu. Wanneer
u de reparaties en het onderhoud aan de auto
toevertrouwt aan de werkplaatsen van Volvo,
wordt de auto een onderdeel van ons systeem.
Volvo stelt duidelijke milieu-eisen aan de outillage van onze werkplaatsen om te voorkomen
dat er schadelijke stoffen vrijkomen in het
milieu. Het personeel in de werkplaatsen van
Volvo beschikt over de kennis en het gereedschap om optimale zorg voor het milieu te kunnen garanderen.
Spaar het milieu
U kunt eenvoudig meehelpen het milieu te
beschermen – hier volgen enkele tips:
• Voorkom stationair draaien – zet de motor
af wanneer u langere tijd stilstaat. Houdt u
zich aan de plaatselijke voorschriften.
• Rijd economisch – rijd anticiperend.
• Voer service en onderhoud uit volgens de
aanwijzingen in het instructieboekje – houd
de geadviseerde intervallen in het Serviceen garantieboekje aan.
• Gebruik vóór een koude start altijd de
motorverwarming*, als de auto hiermee is
uitgerust – dit verbetert de startgewilligheid, beperkt de slijtage bij koud weer en
zorgt ervoor dat de motor sneller op
bedrijfstemperatuur komt, waardoor het
brandstofverbruik en de uitstoot afnemen.
• Bij hoge snelheden neemt het verbruik
aanzienlijk toe vanwege de grotere luchtweerstand – bij een verdubbeling van de
snelheid neemt de luchtweerstand met een
factor vier toe.
juiste manier van verwerken van dergelijk
afval – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
Wanneer u deze tips opvolgt, kunt u geld
besparen, zuiniger omspringen met de hulpbronnen op aarde en uw auto langer doen
meegaan. Zie pagina 298 en 393 voor meer
informatie en meer tips.
Recycling
Milieumatig verantwoorde recycling van de
auto vormt een belangrijk aspect van de milieuzorg van Volvo. De auto is nagenoeg geheel
te recyclen. De laatste eigenaar van de auto
wordt daarom verzocht contact op te nemen
met een dealer voor de locatie van een gecertificeerd/erkend recyclingbedrijf.
Milieu-aspecten van het
instructieboekje
Het Forest Stewardship CouncilŸ-symbool
geeft aan dat de papiervezels waarvan deze
publicatie gemaakt is afkomstig zijn uit FSCŸgecertificeerde bossen of andere gecontroleerde bronnen.
• Hanteer afvalstoffen die schadelijk voor het
milieu zijn, zoals accu’s en olie, op een
milieuvriendelijke manier. Neem contact
op met een werkplaats bij twijfel over de
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
11
Inleiding
Volvo en het milieu
12
Inleiding
13
Veiligheidsgordels ..................................................................................
Airbags....................................................................................................
Airbag activeren/deactiveren*.................................................................
SIPS-airbags (zij-airbags) .......................................................................
Opblaasgordijnen (IC-systeem) .............................................................
WHIPS ....................................................................................................
Activering van de veiligheidssystemen ..................................................
Safety mode............................................................................................
Voetgangerairbag (Pedestrian Airbag)....................................................
Kinderen en veiligheid.............................................................................
14
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
16
19
22
24
26
27
29
30
31
33
VEILIGHEID
01 Veiligheid
01
Veiligheidsgordels
Algemene informatie
Goede positie veiligheidsgordel.
Remmen kan ernstige gevolgen hebben als de
veiligheidsgordel niet wordt gedragen. Let er
daarom op dat alle passagiers hun veiligheidsgordel omhebben.
Op de achterbank past de borglip van de veiligheidsgordel op de middelste zitplaats alleen
in de bijbehorende sluiting.
Voor optimale bescherming van de veiligheidsgordel is het van belang dat de gordel goed
tegen het lichaam ligt. Laat de rugleuning niet
te ver achteroverhellen. De veiligheidsgordel
biedt de beste bescherming bij een normale
rijhouding.
Veiligheidsgordel omdoen
Trek de gordel langzaam uit en maak deze vast
door de borglip in de gordelsluiting te steken.
Een duidelijke “klik” geeft aan dat de gordel
vastzit.
16
Hoogte-instelling van de veiligheidsgordel. Druk
de knop in en zet de gordel hoger of lager. Zet de
gordel zo hoog mogelijk zonder dat de gordel
daarbij langs de nek schuurt.
Veiligheidsgordel losmaken
Druk op de rode knop van de gordelsluiting en
laat het oprolmechanisme de gordel naar binnen trekken. Als de gordel niet volledig wordt
opgerold, moet u de gordel handmatig zo ver
terugrollen dat deze niet langer slap hangt.
Verkeerde positie veiligheidsgordel. De veiligheidsgordel moet over de schouder lopen.
De veiligheidsgordel is geblokkeerd en kan
niet verder worden uitgetrokken:
• wanneer u de gordel te snel uittrekt
• wanneer u remt of optrekt
• als de auto sterk overhelt.
01 Veiligheid
Veiligheidsgordels
• u geen klemmen of andere accessoires
gebruikt waardoor u de veiligheidsgordel
niet strak langs uw lichaam kunt trekken
• er geen slagen in de veiligheidsgordel zitten en dat hij nergens achter blijft steken
• de heupgordel laag moet zitten (niet over
de buik)
• u de heupgordel over de heupen spant
door de diagonale schoudergordel in de
richting van de schouder omhoog te trekken.
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en airbag werken
samen. Als de veiligheidsgordel niet of verkeerd wordt gebruikt, kan dit bij een botsing
van invloed zijn op het effect van de airbag.
WAARSCHUWING
Elke veiligheidsgordel is bedoeld voor
slechts één persoon.
WAARSCHUWING
Veiligheidsgordel en zwangerschap
Breng nooit zelf wijzigingen in de veiligheidsgordels aan en probeer ze nooit zelf te
repareren. Volvo adviseert u daarvoor contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats.
Als een veiligheidsgordel aan grote krachten heeft blootgestaan zoals tijdens een
aanrijding, moet u de veiligheidsgordel in
zijn geheel vervangen. De veiligheidsgordel
kan een deel van zijn beschermende eigenschappen hebben verloren, zelfs als de veiligheidsgordel ogenschijnlijk niet beschadigd is. Vervang de veiligheidsgordel ook
als deze versleten of beschadigd is. De
nieuwe veiligheidsgordel moet zijn goedgekeurd en bedoeld voor montage op dezelfde
positie als de vervangen veiligheidsgordel.
G020998
Let erop dat:
01
Wanneer u zwanger bent, is het belangrijk de
veiligheidsgordel altijd op de juiste manier te
dragen. De veiligheidsgordel moet strak langs
de schouder lopen, waarbij het diagonale deel
van de veiligheidsgordel tussen de borsten en
tegen de zijkant van de buik ligt.
Het heupgedeelte van de veiligheidsgordel
moet vlak tegen de buitenkant van de bovenbenen liggen en zo ver mogelijk onder de buik
liggen. Het mag nooit over de buik omhoog
kunnen glijden. De veiligheidsgordel moet zo
strak mogelijk over het lichaam lopen zonder
onnodige speling. Controleer ook of de veiligheidsgordel nergens gedraaid zit.
Naarmate de zwangerschap vordert moeten
zwangere bestuurders de stoel en het stuur
dusdanig verstellen dat ze de auto volledig
17
01 Veiligheid
01
Veiligheidsgordels
onder controle hebben (wat inhoudt dat ze met
gemak bij het stuur en de pedalen moeten kunnen komen). Streef ernaar de afstand tussen de
buik en het stuur zo groot mogelijk te maken.
Achterbank
Gordelspanners
De functie van de gordelwaarschuwing voor de
achterbank is tweeledig:
De veiligheidsgordels aan de bestuurderskant,
de passagierskant en buitenplaatsen op de
achterbank zijn voorzien van gordelspanners.
Dit is een mechanisme dat bij een voldoende
krachtige aanrijding de veiligheidsgordel rond
het lichaam spant. De veiligheidsgordel kan de
passagier daarmee beter in de stoel gedrukt
houden.
• Aangeven welke veiligheidsgordels van de
achterbank er worden gebruikt. Bij gebruik
van de veiligheidsgordels of het openen
van een van de achterportieren verschijnt
er een melding op het informatiedisplay.
De melding verdwijnt automatisch na ca.
30 seconden rijden, maar kan ook handmatig worden verwijderd door op de knop
OK op de richtingaanwijzerhendel te drukken.
Gordelwaarschuwing
•
Er gaan waarschuwingslampjes branden en er
worden geluidssignalen afgegeven wanneer
iemand de gordel niet draagt. Of er geluidssignalen klinken, hangt af van de snelheid. De
waarschuwingslampjes zitten in de plafondconsole en op het instrumentenpaneel.
Het gordelwaarschuwingssysteem geldt niet
voor kinderzitjes.
18
Waarschuwen dat iemand op de achterbank de veiligheidsgordel heeft losgenomen. Er wordt gewaarschuwd met een
melding op het informatiedisplay in combinatie met een geluidssignaal en een
waarschuwingslampje. De waarschuwing
stopt wanneer de gordel weer is omgedaan, maar kan ook handmatig worden
bevestigd door op de knop OK te drukken.
Op het informatiedisplay, zie pagina 71,
wordt weergegeven welke gordels worden
gebruikt. Deze informatie is altijd beschikbaar.
WAARSCHUWING
De gesp van de veiligheidsgordel aan passagierszijde nooit aanbrengen in de gordelsluiting aan bestuurderszijde. De gesp van
de veiligheidsgordel altijd aanbrengen in de
gordelsluiting aan de juiste zijde. De veiligheidsgordels nooit beschadigen en geen
vreemde voorwerpen aanbrengen in de gordelsluiting. De veiligheidsgordels en de gordelsluiting werken anders mogelijk niet naar
behoren tijdens een aanrijding. Er bestaat
gevaar voor ernstige verwondingen.
01 Veiligheid
Airbags
Analoog instrumentenpaneel.
Airbagsysteem
Als het waarschuwingslampje voor het airbagsysteem blijft branden of tijdens het rijden korte tijd oplicht, betekent dit dat het
airbagsysteem niet naar behoren werkt. Het
symbool kan ook duiden op een storing in
het airbagsysteem, de gordelspanners, het
SIPS- en het IC-systeem of op een andere
storing in het systeem. Volvo adviseert u zo
spoedig mogelijk contact op te nemen met
een erkende Volvo-werkplaats.
Behalve het brandende waarschuwingssymbool verschijnt er, in die gevallen waarin dat
nodig is, een melding op het informatiedisplay.
Als het waarschuwingssymbool niet werkt,
gaat het waarschuwingsdriehoekje branden en
verschijnt er SRS airbag Service vereist of
SRS airbag Service spoed op het display.
Volvo adviseert u zo spoedig mogelijk contact
op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
Airbagsysteem, van bovenaf gezien in een auto
met stuur links.
G018666
Het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel1 gaat branden, wanneer u de transpondersleutel in sleutelstand II. Het symbool
dooft na ca. 6 seconden, wanneer de regelmodule heeft vastgesteld dat het airbagsysteem
geen storingen vertoont.
WAARSCHUWING
G018665
Waarschuwingssymbool op
instrumentenpaneel
01
Airbagsysteem, van bovenaf gezien in een auto
met stuur rechts.
1
Zie ook pagina 71 voor verschillende varianten van het instrumentenpaneel.
19
01 Veiligheid
01
Airbags
Het SRS-systeem bestaat uit airbags en sensoren. Bij een voldoende krachtige aanrijding
reageren de sensoren, waarna één of meer airbags worden opgeblazen en warm worden.
Om de klap op te vangen loopt de airbag leeg
wanneer de inzittende de airbag raakt. Daarbij
treedt er rookvorming in de auto op. Dit is volkomen normaal. Het totale verloop, van het
opblazen tot het leeglopen van de airbag,
neemt enkele tienden van een seconde in
beslag.
WAARSCHUWING
Volvo adviseert u om voor reparatie contact
op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats. Een verkeerde ingreep in het airbagsysteem kan tot een onjuiste werking leiden
met ernstig letsel als gevolg.
N.B.
De sensoren reageren verschillend, afhankelijk van het verloop van de botsing en of
de veiligheidsgordel aan de bestuurderskant resp. passagierskant voorin wel of niet
wordt gebruikt.
Er kunnen dus ongelukken ontstaan als
slechts één (of geen) van de airbags wordt
geactiveerd. Het airbagsysteem registreert
de kracht waaraan de auto bij de botsing
wordt blootgesteld en past zich hierop aan,
zodat één of meer airbags worden opgeblazen.
Ook afzonderlijke airbags worden aangepast aan de kracht waaraan de auto bij de
botsing wordt blootgesteld.
Airbags aan de bestuurderszijde
Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordel aan
de bestuurderszijde ook twee airbags. Eén van
de airbags zit opgevouwen in het centrum van
het stuurwiel, zie de afbeelding op pagina 19.
Het stuurwiel is voorzien van het opschrift
AIRBAG.
20
Knieairbag aan de bestuurderszijde in een auto
met stuur links.
De andere airbag (op kniehoogte) zit onderin
het dashboard aan de bestuurderskant. Het
dashboard is voorzien van het opschrift
AIRBAG.
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en airbags werken
samen. Als de gordel niet of verkeerd wordt
gebruikt, kan dit bij een botsing van invloed
zijn op het effect van de airbags.
01 Veiligheid
Airbags
Airbag aan de passagierszijde
Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordel aan
de passagierszijde ook een airbag in het stuurwiel. Deze zit opgevouwen in een ruimte boven
het dashboardkastje. Het paneel is voorzien
van het opschrift AIRBAG.
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en airbag werken
samen. Als de gordel niet of verkeerd wordt
gebruikt, kan dit bij een botsing van invloed
zijn op het effect van de airbag.
Positie van de passagiersairbag in een auto met
het stuur links.
Om geen letsel op te lopen wanneer de airbag wordt opgeblazen, moet de passagier
zo rechtop mogelijk zitten met de voeten op
de vloer en de rug tegen de rugleuning. De
veiligheidsgordel moet vast zitten.
01
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen voorin, wanneer de
airbag aan die kant geactiveerd is.
Laat nooit iemand voor de passagierstoel
zitten of staan.
Personen kleiner dan 1,40 m mogen nooit
op de passagiersstoel voorin plaatsnemen,
als de airbag geactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren.
WAARSCHUWING
Plaats geen voorwerpen vóór of bovenop
het dashboard op de plek waar de airbag
voor de passagiersstoel zit.
Positie van de passagiersairbag in een auto met
het stuur rechts.
21
01 Veiligheid
01
Airbag activeren/deactiveren*
PACOS deactiveren met sleutel*
Algemene informatie
De passagiersairbag (SRS) voorin kan gedeactiveerd worden met een schakelaar als de auto
is uitgerust met PACOS (Passenger Airbag Cut
Off Switch). Zie de tekst onder het kopje Activeren/deactiveren voor informatie over activering/deactivering.
Schakelaar voor deactivering met sleutel
De schakelaar voor activering/deactivering van
de passagiersairbag, PACOS (Passenger Airbag Cut Off Switch) zit aan de passagierszijde
aan de zijkant van het dashboard en u kunt erbij
door het portier aan die kant te openen (zie
onder het navolgende kopje “Activering/deactivering”).
Controleer of de schakelaar in de gewenste
stand staat. Volvo adviseert u het sleutelblad
van de transpondersleutel te gebruiken om de
stand te wijzigen.
Voor informatie over het sleutelblad, zie
pagina 49.
WAARSCHUWING
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties voor de passagiers opleveren.
22
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
WAARSCHUWING
Activeren/deactiveren
Als de auto is uitgerust met een airbag aan
de passagierszijde maar geen PACOSschakelaar (Passenger Airbag Cut Off
Switch) heeft, is de airbag altijd geactiveerd.
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen voorin wanneer de
airbag aan die kant geactiveerd is en het
symbool
in de plafondconsole brandt.
Het niet opvolgen van deze aanbeveling kan
levensgevaarlijke situaties voor het kind
opleveren.
WAARSCHUWING
Laat geen passagier op de passagiersstoel
plaatsnemen als het waarschuwingslampje
voor het airbagsysteem op het instrumentenpaneel oplicht, terwijl de melding op de
plafondconsole (zie pagina 23) aangeeft
dat de airbag aan die kant gedeactiveerd is.
Dit duidt op een ernstige storing. Bezoek zo
spoedig mogelijk een werkplaats. Volvo
adviseert u daarvoor contact op te nemen
met een erkende Volvo-werkplaats.
Positie van de airbagsticker en de schakelaar.
De airbag is geactiveerd. Met de schakelaar in deze stand kunnen passagiers groter dan 1,40 m aan de passagierszijde op
de voorstoel zitten, maar kinderen in een
kinderzitje of op een kussen beslist niet.
De airbag is gedeactiveerd. Met de schakelaar in deze stand kunnen kinderen in
een kinderzitje of op een kussen aan de
passagierszijde op de voorstoel zitten,
maar passagiers groter dan 1,40 m beslist
niet.
01 Veiligheid
Airbag activeren/deactiveren*
WAARSCHUWING
Geactiveerde airbag
Gedeactiveerde airbag
Hiermee wordt aangegeven dat de airbag aan de
passagierszijde geactiveerd is.
Hiermee wordt aangeduid dat de airbag aan de
passagierszijde gedeactiveerd is.
Een tekstmelding en een waarschuwingslampje op de plafondconsole geven aan dat de
airbag aan de passagierszijde geactiveerd is
(zie voorgaande afbeelding).
Een tekstmelding en een brandend symbool op
de plafondconsole geven aan dat de airbag
aan de passagierszijde gedeactiveerd is (zie
voorgaande afbeelding).
01
Geactiveerde airbag (passagiersstoel):
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen op de passagiersstoel, wanneer de airbag aan die kant geactiveerd is. Laat evenmin personen die kleiner zijn dan 1,40 m op deze stoel plaatsnemen.
Gedeactiveerde airbag (passagiersstoel):
Personen groter dan 1,40 m mogen nooit op
de passagiersstoel plaatsnemen, als de airbag gedeactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren.
N.B.
Als de transpondersleutel in sleutelstand II
staat, brandt ca. 6 seconden lang het waarschuwingssymbool voor de airbag op het
instrumentenpaneel (zie pagina 19).
Daarna gaat de indicator op de plafondconsole branden die de status van de passagiersairbag aangeeft. Voor meer informatie
over de verschillende sleutelstanden van de
transpondersleutel, zie pagina 81.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
23
01 Veiligheid
SIPS-airbags (zij-airbags)
01
SIPS-airbag
Bij een aanrijding in de zij wordt een groot deel
van de botskracht door het SIPS-systeem
(Side Impact Protection System) over balken,
stijlen, vloer, dak en andere delen van de carrosserie verdeeld. De SIPS-airbags aan de
bestuurders- en de passagierszijde beschermen de borstkas en de heupen en vormen een
belangrijk onderdeel van het SIPS-systeem.
Het SIPS-systeem bestaat uit twee hoofdonderdelen: de SIPS-airbags en de sensoren. De
SIPS-airbags zijn aangebracht in de rugleuningframes van de voorstoelen.
1
24
WAARSCHUWING
•
Volvo adviseert u de reparatie uitsluitend door een erkende Volvo-werkplaats te laten uitvoeren. Een verkeerde
ingreep in het SIPS-systeem kan tot een
onjuiste werking leiden met ernstig letsel als gevolg.
•
Plaats geen voorwerpen in het gebied
tussen de buitenzijde van de stoel en
het portierpaneel, aangezien dit gebied
door de zijairbag kan worden beïnvloed.
•
Volvo adviseert om uitsluitend door
Volvo goedgekeurde overtrekbekleding
te gebruiken. Andere bekleding kan de
werking van de zijairbags hinderen.
•
Positie
Bestuurdersplaats, auto met stuur links.
De zijairbag vormt een aanvulling op de
veiligheidsgordel. Gebruik de veiligheidsgordel altijd.
Kinderzitjes en SIPS-airbags
De SIPS-airbags beïnvloeden de beschermende werking van kinderzitje en/of comfortkussen niet negatief.
Het is mogelijk een kinderzitje/comfortkussen
op de voorstoel te plaatsen, als de auto aan de
passagierszijde niet is uitgerust met een geactiveerde1 airbag.
Voor informatie over het activeren/deactiveren van de airbag, zie pagina 22.
Passagiersplaats, auto met stuur links.
Het SIPS-systeem bestaat uit SIPS-airbags en
sensoren. Bij een voldoende krachtige aanrij-
01 Veiligheid
SIPS-airbags (zij-airbags)
01
ding reageren de sensoren, die op hun beurt
de gasgeneratoren activeren. De SIPS-airbags
worden vervolgens opgeblazen tussen de
inzittende en het portierpaneel. Daarmee vangen de SIPS-airbags de klap van de aanrijding
op voor de inzittende, waarna de airbags weer
leeglopen. De SIPS-airbag wordt normaal
gesproken alleen opgeblazen aan de kant van
de aanrijding.
25
01 Veiligheid
01
Opblaasgordijnen (IC-systeem)
Eigenschappen
WAARSCHUWING
Hang of bevestig nooit zware voorwerpen
aan de plafondhandgrepen. De haak is
alleen bedoeld voor niet al te zware kledingstukken (en niet voor harde voorwerpen
zoals paraplu’s).
Schroef of bevestig geen onderdelen op de
plafondbekleding, portierstijlen of de zijpanelen van de auto. Ze kunnen daarbij hun
beschermende werking verliezen. Volvo
adviseert u uitsluitend originele Volvoonderdelen, bestemd voor montage op
deze plaatsen, te gebruiken.
De opblaasgordijnen van het IC-systeem (Inflatable Curtain) maken deel uit van het SIPSsysteem en de airbags. Ze zitten verborgen
achter de plafondbekleding langs beide zijden
van de auto en beschermen inzittenden op de
buitenste zitplaatsen van de auto. Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren de sensoren, die op hun beurt de opblaasgordijnen
activeren. Het systeem helpt voorkomen dat
de bestuurder en eventuele passagiers bij een
botsing met hun hoofd tegen de binnenkant
van de auto slaan.
WAARSCHUWING
De auto mag niet zo worden beladen dat de
lading hoger dan 50 mm onder de bovenkant van de portierruiten uitkomt. Anders
kan het beschermende vermogen van het
opblaasgordijn, dat in de hemelbekleding
verborgen zit, uitblijven.
WAARSCHUWING
Het opblaasgordijn vormt een aanvulling op
de veiligheidsgordel.
Gebruik de veiligheidsgordel altijd.
26
01 Veiligheid
WHIPS
Bescherming tegen whiplash-letsel,
WHIPS
Het WHIPS-systeem (Whiplash Protection
System) bestaat uit energieabsorberende rugleuningen en speciaal voor het systeem ontwikkelde hoofdsteunen voor de beide voorstoelen. Het systeem wordt geactiveerd bij een
aanrijding van achteren, afhankelijk van de
hoek waaronder en de snelheid waarmee het
achteropkomende voertuig de auto raakt en de
materiaaleigenschappen van dat voertuig.
WAARSCHUWING
Het WHIPS-systeem vormt een aanvulling
op de veiligheidsgordel. Gebruik de veiligheidsgordel altijd.
01
WHIPS-systeem en kinderzitjes
Het WHIPS-systeem beïnvloedt de beschermende werking van kinderzitje en/of comfortkussen niet negatief.
Juiste zithouding
Voor optimale bescherming moeten de
bestuurder en de voorpassagier zoveel mogelijk in het midden van de stoel plaatsnemen en
de afstand tussen het hoofd en de hoofdsteun
zo klein mogelijk houden.
Zorg dat u de werking van het WHIPSsysteem niet nadelig beïnvloedt
Eigenschappen van de stoel
Als het WHIPS-systeem wordt geactiveerd,
klappen de rugleuningen van de voorstoelen
naar achteren zodat de zithouding van de
bestuurder en de passagier op de voorstoelen
verandert. Zo wordt de kans op zogeheten whiplash-letsel beperkt.
WAARSCHUWING
Voer zelf nooit wijzigingen of reparaties aan
de stoel of het WHIPS-systeem uit. Volvo
adviseert u daarvoor contact op te nemen
met een erkende Volvo-werkplaats.
Plaats geen voorwerpen op de vloer achter de
bestuurders- of passagiersstoel die het WHIPSsysteem kunnen hinderen.
27
01 Veiligheid
01
WHIPS
WAARSCHUWING
Plaats dozen e.d. niet zodanig, dat deze
vastgeklemd zitten tussen het zitkussen van
de achterbank en de rugleuning van de
voorstoel. Denk eraan dat u de werking van
het WHIPS-systeem niet hindert.
WAARSCHUWING
Als de stoel aan een krachtige belasting is
blootgesteld, bijv. bij een botsing van achteren, moet het WHIPS-systeem worden
gecontroleerd. Volvo adviseert om dit door
een erkende Volvo-werkplaats te laten controleren.
De beschermende eigenschappen van het
WHIPS-systeem kunnen deels verloren zijn
gegaan, ook als de stoel onbeschadigd lijkt.
Volvo adviseert dat u contact opneemt met
een erkende Volvo-werkplaats om het systeem te laten controleren, ook bij zachtere
aanrijdingen van achteren.
Plaats geen voorwerpen op de achterbank die het
WHIPS-systeem kunnen hinderen.
WAARSCHUWING
Als een rugleuning van de achterbank is
neergeklapt, moet de bijbehorende voorstoel naar voren worden verplaatst zodat
deze niet in contact komt met de neergeklapte rugleuning.
28
01 Veiligheid
Activering van de veiligheidssystemen
Activering van de veiligheidssystemen
Systeem
Activering
Gordelspanners
voorstoelen
Bij een frontale botsing en/of aanrijding
in de zij, van achteren en/of kantelen
Gordelspanners
achterbankA
Bij een frontale botsing en/of aanrijding
in de zij en/of kantelen
Airbags
Bij een frontale botsing.B
(Stuurwiel-, knie-,
passagiersairbag)
A
B
Wanneer de airbags werden opgeblazen, adviseert Volvo u het volgende:
• Laat de auto wegslepen. Volvo adviseert u
hem te laten wegslepen naar een erkende
Volvo-werkplaats. Rijd niet met opgeblazen airbags.
• Volvo adviseert u het vervangen van de
onderdelen van de veiligheidssystemen in
de auto over te laten aan een erkende
Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Rijd nooit met opgeblazen airbags. Dat kan
het besturen van de auto bemoeilijken. Ook
andere veiligheidssystemen kunnen
beschadigd zijn. De rook en stof die bij het
opblazen van de airbags worden gevormd,
kunnen bij een intensieve blootstelling irritaties aan de huid en ogen/letsel veroorzaken. Bij last met koud water wassen. Het
snelle opblazen kan ook, in combinatie met
het materiaal van de airbag, voor wrijvingsen brandwonden op de huid zorgen.
• Neem altijd contact op met een arts.
N.B.
SIPS-airbags
Bij een aanrijding in
de zijB
Opblaasgordijnen
(IC)
Bij een aanrijding in
de zij en/of kantelen
en/of bepaalde frontale aanrijdingenB
WHIPS-systeem
zijn van invloed op de wijze van activering van de verschillende veiligheidssystemen in de auto.
01
Bij aanrijdingen van
achteren
De middelste zitplaats van de achterbank is niet voorzien van
een gordelspanner.
Het is mogelijk dat de airbags niet worden opgeblazen,
ondanks dat de carrosserie van de auto danig vervormd
raakt. Enkele factoren zoals de stijfheid en het gewicht van
het lichaam waarmee de auto in botsing komt, de snelheid
van de auto, de hoek waaronder de botsing plaatsvindt e.d.
De airbags en de gordelspanners worden bij
een botsing slechts eenmaal geactiveerd.
WAARSCHUWING
De regeleenheid van het airbagsysteem zit
in de middenconsole. Als de middenconsole doorweekt geraakt is, moet u de accukabels loskoppelen. Probeer de auto niet te
starten, omdat de airbags daarbij geactiveerd kunnen worden. Laat de auto wegslepen. Volvo adviseert u de te auto te laten
wegslepen naar een erkende Volvo-werkplaats.
29
01 Veiligheid
Safety mode
01
Rijden na een aanrijding
Auto proberen te starten
Controleer eerst of er geen brandstof uit de
auto is gelopen. Er mag evenmin een brandstofgeur waarneembaar zijn.
Als alles normaal lijkt en u hebt vastgesteld dat
er geen brandstof lekt, kunt u proberen de
motor te starten.
Het waarschuwingslampje in het analoge instrumentenpaneel1.
Als de auto betrokken is geweest bij een aanrijding, kan de melding Veiligheidsstand Zie
instructieboekje op het informatiedisplay
verschijnen. Dit betekent dat de functionaliteit
van de auto is verminderd. Safety mode is een
veiligheidsfunctie die in werking treedt wanneer de aanrijding belangrijke onderdelen van
de auto zoals de brandstofleidingen, de sensoren voor een van de veiligheidssystemen of
het remsysteem, kan hebben beschadigd.
1
30
Neem de transpondersleutel uit en open het
bestuurdersportier. Als er vervolgens een melding verschijnt dat het contact ingeschakeld is,
dient u op de startknop te drukken. Sluit het
portier vervolgens en plaats de transpondersleutel terug. De elektronica van de auto probeert nu te resetten naar de normale stand.
Probeer vervolgens de auto te starten.
voorzichtig uit de huidige, gevaarlijke positie
verrijden. Verrijd de auto niet verder dan nodig.
WAARSCHUWING
Probeer nooit zelf de auto te repareren of de
elektronische onderdelen te resetten nadat
de auto in de Safety mode heeft gestaan. Dit
kan aanleiding geven tot letsel of een
slechte functie van de auto. Volvo adviseert
u de auto altijd in een erkende Volvo-werkplaats te laten controleren en naar Normal
Mode te laten resetten nadat de melding
Veiligheidsstand Zie instructieboekje is
verschenen.
WAARSCHUWING
Als de melding Veiligheidsstand Zie
instructieboekje nog steeds op het display
staat, mag u niet met de auto rijden en hem
evenmin verslepen. Verborgen schade kan de
auto tijdens het rijden onbestuurbaar maken,
zelfs als het lijkt dat u nog met de auto kunt
rijden.
Probeer in geen geval de auto opnieuw te
starten, als u een brandstofgeur waarneemt
terwijl de melding Veiligheidsstand Zie
instructieboekje getoond wordt. Verlaat
de auto onmiddellijk.
Auto verzetten
Als de melding Normal mode wordt weergegeven nadat de Veiligheidsstand Zie
instructieboekje is gereset, mag u de auto
Als de auto nog in de Safety mode staat,
mag deze niet worden gesleept. De auto
moet door een berger worden opgehaald.
Volvo adviseert u de auto te laten wegslepen naar een erkende Volvo-werkplaats.
Zie ook pagina 71 voor verschillende varianten van het instrumentenpaneel.
WAARSCHUWING
01 Veiligheid
Voetgangerairbag (Pedestrian Airbag)
Eigenschappen
WAARSCHUWING
01
De airbag (Pedestrian Airbag) opvouwen
Monteer geen accessoires op de voorkant
van de auto en breng evenmin wijzigingen
in dit gebied aan. Een onjuiste ingreep in het
front kan tot een foutieve werking van het
systeem leiden waardoor ernstig letsel en
materiële schade aan de auto kan ontstaan.
Volvo adviseert om originele wisserarmen te
gebruiken en deze alleen door originele
onderdelen te vervangen.
Wat te doen na activering
De airbag (Pedestrian Airbag) zit onder de
motorkap bij de voorruit. Bij een frontale aanrijding met een voetganger reageren de sensoren in de voorbumper en de airbag wordt
opgeblazen als de kracht van de aanrijding als
voldoende hoog wordt beoordeeld. De sensoren zijn actief bij een snelheid van ongeveer
20-50 km/h en een omgevingstemperatuur
tussen -20 en +70 °C.
Bij activering van de airbag (Pedestrian
Airbag):
• wordt het achterste gedeelte van de
motorkap opgetild en in deze stand vergrendeld
• wordt het remsysteem voorbereid voor het
naderende afremmen in noodgevallen.
Als één van de andere airbags in de passagiersruimte is geactiveerd, wordt de auto in zijn
safety mode gezet, zie pagina 30.
Airbag (Pedestrian Airbag)
Als alleen de airbag voor voetgangers is geactiveerd:
Klittenband, passagierszijde
1. Verplaats de auto naar de dichtstbijzijnde
veilige plek.
2. Vouw de airbag op volgens de aanwijzingen onder het navolgende kopje "De airbag (Pedestrian Airbag) opvouwen".
3. Ga naar de dichtstbijzijnde werkplaats.
WAARSCHUWING
Volvo adviseert u om, na activering van de
airbag, onmiddellijk contact opneemt met
een erkende Volvo-werkplaats.
Airbagbehuizing
Klittenband, bestuurderszijde
Er kan wat rook uit de airbag komen en deze
kan warm aanvoelen, maar dit is normaal. Het
opvouwen gaat als volgt:
1. Zoek de klittenband aan de
bestuurderszijde (4) op.
2. Verzamel eerst de stof van de airbag aan
de bestuurderszijde in de lengterichting en
vouw daarna de verzamelde stof naar het
midden. Wikkel de klittenband (dubbelzijdig) rond zoveel mogelijk stof en maak de
band vast.
31
01 Veiligheid
01
Voetgangerairbag (Pedestrian Airbag)
3. Druk het omwikkelde deel van de airbag
omlaag in de airbagbehuizing (2).
4. Herhaal de punten 1-3 voor de passagierszijde. Het kan nodig zijn om de verzamelde
stof aan deze kant twee keer te vouwen
voordat de klittenband er omheen wordt
gewikkeld.
5. De afdekking van de airbagbehuizing blijft
openstaan en dat is volledig normaal.
32
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Kinderen moeten comfortabel en veilig
kunnen zitten
Volvo adviseert u kinderen zo lang mogelijk te
vervoeren in een achterstevoren gemonteerd
kinderzitje (in ieder geval tot een leeftijd van
3–4 jaar) en daarna tot een leeftijd van 10 jaar
op/in een comfortkussen of een kinderzitje dat
in de rijrichting geplaatst is.
De plaats van het kind in de auto en de vereiste
uitrusting zijn afhankelijk van het gewicht en de
lengte van het kind (voor meer informatie, zie
pagina 35).
optimale voorwaarden voor een veilig vervoer
van uw kind(eren), u weet bovendien zeker dat
de producten passen en eenvoudig in het
gebruik zijn.
01
N.B.
Bij gebruik van kinderveiligheidsproducten
is het belangrijk om de meegeleverde montagehandleiding te lezen.
N.B.
Bij vragen over de montage van kinderveiligheidsproducten neemt u voor duidelijke
aanwijzingen contact op met de producent.
Kinderzitjes
WAARSCHUWING
Zet de bevestigingsband van het kinderzitje
niet aan de lengteverstelstang, veren of rails
en balken onder de stoel vast. Scherpe
randen kunnen de bevestigingsband
beschadigen.
Raadpleeg voor de juiste montage de montage-instructies bij het kinderzitje.
N.B.
De wettelijke bepalingen voor hoe een kind
in de auto moet worden geplaatst, verschillen per land. Stel u op de hoogte van wat
van toepassing is.
Positie van kinderzitjes
Het volgende kan worden gebruikt:
• een kinderzitje/comfortkussen op de pasOngeacht leeftijd en lengte moeten kinderen
altijd met de gordel goed om in de auto zitten.
Laat kinderen nooit bij passagiers op schoot
zitten.
Volvo beschikt over kinderveiligheidsproducten (kinderzitjes, comfortkussen en bevestigingsmaterialen) die speciaal voor uw auto zijn
ontwikkeld. Wanneer u voor kinderveiligheidsproducten van Volvo kiest schept u niet alleen
1
G020739
sagiersstoel, zolang de airbag aan de passagierszijde gedeactiveerd1 is.
• en of meer kinderzitjes/comfortkussen op
de achterbank.
Kinderzitjes en airbags gaan niet samen.
Plaats kinderzitjes/comfortkussens altijd op de
achterbank als de airbag aan de passagierszijde geactiveerd is. Als de airbag wordt opgeblazen, kan een kind op de passagiersstoel
ernstig letsel oplopen.
Voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag, zie pagina 22.
33
01 Veiligheid
01
Kinderen en veiligheid
WAARSCHUWING
Zet nooit een kind in een kinderzitje op de
passagiersstoel als de airbag (SRS) is geactiveerd.
Personen kleiner dan 1,40 m mogen nooit
op de passagiersstoel voorin plaatsnemen,
als de airbag (SRS) geactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren.
34
WAARSCHUWING
Sticker airbag
Comfortkussens/kinderzitjes met stalen
beugels of andere constructies die tegen de
openingsknop van de gordelsluiting aan
kunnen liggen, mogen niet worden gebruikt
aangezien ze ervoor kunnen zorgen dat de
veiligheidsgordel per ongeluk open gaat.
Laat het bovengedeelte van het kinderzitje
niet tegen de voorruit leunen.
De sticker is zichtbaar bij het openen van het passagiersportier, zie afbeelding op pagina 22.
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
Aanbevolen kinderzitjes2
Gewicht
Voorstoel (met gedeactiveerde
airbag)
Groep 0
Buitenste zitplaats achterbank
Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) achterstevoren gemonteerd kinderzitje
bevestigd met ISOFIX-systeem.
max. 10 kg
Groep 0+
Typegoedkeuring: E5 04301146
max. 13 kg
(L)
Groep 0
Middelste zitplaats achterbank
Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) –
achterstevoren gemonteerd kinderzitje
bevestigd met veiligheidsgordel.
Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) –
achterstevoren gemonteerd kinderzitje
bevestigd met veiligheidsgordel.
Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) –
achterstevoren gemonteerd kinderzitje
bevestigd met veiligheidsgordel.
Groep 0+
Typegoedkeuring: E1 04301146
Typegoedkeuring: E1 04301146
Typegoedkeuring: E1 04301146
max. 13 kg
(U)
(U)
(U)
max. 10 kg
Groep 0
max. 10 kg
Kinderzitjes met universele goedkeuring.
(U)
Groep 0+
max. 13 kg
2
Om andere kinderzitjes te kunnen gebruiken dient uw auto op de lijst van de producent te staan of een universele goedkeuring te hebben conform ECE R44.
``
35
01 Veiligheid
01
Kinderen en veiligheid
Gewicht
Voorstoel (met gedeactiveerde
airbag)
Buitenste zitplaats achterbank
Groep 1
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo
Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd
met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo
Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd
met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 04192
Typegoedkeuring: E5 04192
(L)
(L)
9–18 kg
Groep 1
Kinderzitjes met universele goedkeuring.
9–18 kg
(U)
Groep 2
15–25 kg
36
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo
Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd
met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo
Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd
met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 04192
Typegoedkeuring: E5 04192
(L)
(L)
Middelste zitplaats achterbank
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Gewicht
Voorstoel (met gedeactiveerde
airbag)
Buitenste zitplaats achterbank
Groep 2
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo
Convertible Child Seat) – in rijrichting
gemonteerd kinderzitje bevestigd met
veiligheidsgordel.
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo
Convertible Child Seat) – in rijrichting
gemonteerd kinderzitje bevestigd met
veiligheidsgordel.
Typegoedkeuring: E5 04191
Typegoedkeuring: E5 04191
(L)
(L)
Volvo-comfortkussen met rugleuning
(Volvo Booster Seat with backrest).
Volvo-comfortkussen met rugleuning
(Volvo Booster Seat with backrest).
Typegoedkeuring: E1 04301169
Typegoedkeuring: E1 04301169
(UF)
(UF)
Kinderzitje met of zonder rugleuning
(Booster Cushion with and without
backrest).
Kinderzitje met of zonder rugleuning
(Booster Cushion with and without
backrest).
Typegoedkeuring: E5 03139
Typegoedkeuring: E5 03139
(UF)
(UF)
15–25 kg
Groep 2/3
15–36 kg
Groep 2/3
15–36 kg
01
Middelste zitplaats achterbank
L: Geschikt voor specifieke kinderzitjes. Deze kinderzitjes kunnen bestemd zijn voor een bepaald automerk, voor een beperkte groep merken of
semi-universeel zijn.
U: Geschikt voor kinderzitjes in deze gewichtscategorie met universele goedkeuring.
UF: Geschikt voor in rijrichting gemonteerde kinderzitjes in deze gewichtscategorie met universele goedkeuring.
B: Geïntegreerde kinderzitjes met goedkeuring voor deze gewichtscategorie.
``
37
01 Veiligheid
01
Kinderen en veiligheid
Kinderslot achterportieren
De bedieningsknoppen voor de ruiten in de
achterportieren en de openingshandgrepen op
de achterportieren zijn te blokkeren, zodat de
achterportieren en de zijruiten niet meer van de
binnenzijde kunnen worden geopend. Voor
meer informatie, zie pagina 63.
ISOFIX-bevestigingssysteem voor
kinderzitjes
Houdt u zich altijd aan de montage-instructies
van de fabrikant, wanneer u een kinderzitje/
babyzitje aan de ISOFIX-bevestigingspunten
vastzet.
Afmetingscategorieën
Kinderzitjes kunnen net als auto’s verschillende afmetingen hebben. Kinderzitjes passen
daardoor niet op alle zitplaatsen van de verschillende modellen.
Voor kinderzitjes met een ISOFIX-bevestigingssysteem zijn er daarom afmetingscategorieën om gebruikers te helpen bij het kiezen
van het juiste kinderzitje (zie volgende tabel).
AfmeBeschrijving
tingscategorie
AfmeBeschrijving
tingscategorie
C
Normale grootte, achterstevoren gemonteerd kinderzitje
D
Beperkte grootte, achterstevoren gemonteerd kinderzitje
E
Achterstevoren gemonteerd
babyzitje
F
Overdwars gemonteerd
babyzitje, links
G
Overdwars gemonteerd
babyzitje, rechts
WAARSCHUWING
U vindt de bevestigingspunten voor het ISOFIX-systeem onderaan de rugleuning van de
achterbank op de beide buitenste zitplaatsen.
Symbolen op de bekleding van de ruggedeelten (zie voorgaande afbeelding) geven de positie van deze bevestigingspunten aan.
38
A
Normale grootte, in rijrichting
gemonteerd kinderzitje
B
Beperkte grootte (optie 1), in
rijrichting gemonteerd kinderzitje
B1
Beperkte grootte (optie 2), in
rijrichting gemonteerd kinderzitje
Zet het kind nooit op de passagiersplaats
als de auto met een geactiveerde airbag is
uitgerust.
N.B.
Als een ISOFIX-kinderzitje geen afmetingscategorie heeft, moet het automodel op de
voertuiglijst van het kinderzitje staan.
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
N.B.
Volvo raadt u aan contact op te nemen met
een erkende Volvo-dealer om te weten te
komen welk ISOFIX-kinderzitje Volvo aanbeveelt.
Verschillende soorten ISOFIX-kinderzitjes
Type kinderzitje
Babyzitje, overdwars
Babyzitje, achterstevoren
Gewicht
max. 10 kg
max. 10 kg
Afmetingscategorie
Zitplaatsen voor montage ISOFIX-kinderzitje
Voorstoel
Buitenste zitplaats achterbank
F
X
X
G
X
X
E
X
OK
(IL)
Babyzitje, achterstevoren
max. 13 kg
E
X
OK
(IL)
D
X
OK
(IL)
C
X
OK
(IL)
39
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
Type kinderzitje
Kinderzitje, achterstevoren
Gewicht
Afmetingscategorie
9–18 kg
D
Zitplaatsen voor montage ISOFIX-kinderzitje
Voorstoel
Buitenste zitplaats achterbank
X
OK
(IL)
C
X
OK
(IL)
Kinderzitje, in rijrichting
9–18 kg
B
X
OKA
(IUF)
B1
X
OKA
(IUF)
A
X
OKA
(IUF)
X: De ISOFIX-stand leent zich niet voor ISOFIX-kinderzitjes in deze gewichts- en/of afmetingscategorie.
IL: Geschikt voor specifieke ISOFIX-kinderzitjes. Deze kinderzitjes kunnen bestemd zijn voor een bepaald automerk, voor een beperkte groep
merken of semi-universeel zijn.
IUF: Geschikt voor in rijrichting gemonteerd ISOFIX-kinderzitje met universele goedkeuring voor deze gewichtscategorie.
A
40
Volvo adviseert een achterstevoren gemonteerd kinderzitje voor deze categorie.
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Bovenste bevestigingspunten voor
kinderzitjes
01
N.B.
Klap de hoofdsteunen omlaag om het monteren van dit type kinderzitje te vereenvoudigen bij auto’s met neerklapbare hoofdsteunen op de beide buitenste zitplaatsen.
N.B.
In auto's met een bagagerolhoes over de
bagageruimte moet deze worden verwijderd voordat het kinderzitje in de bevestigingspunten kan worden gemonteerd.
De auto is uitgerust met bovenste bevestigingspunten voor bepaalde kinderzitjes die in
de rijrichting worden gemonteerd. Deze bevestigingspunten zitten achter op het zitgedeelte
van de achterbank.
De bovenste bevestigingspunten zijn voornamelijk bestemd om een in de rijrichting gemonteerd kinderzitje aan te bevestigen. Volvo adviseert u kleine kinderen zo lang mogelijk in een
achterstevoren gemonteerd kinderzitje te blijven vervoeren.
Zie de aanwijzingen van de fabrikant van het
kinderzitje voor gedetailleerde informatie over
de manier waarop u het zitje aan de bovenste
bevestigingspunten vastzet.
WAARSCHUWING
De bevestigingsband van het kinderzitje
altijd door de opening in de ene poot van de
hoofdsteun halen, alvorens de band aan het
bevestigingspunt vast te zetten.
41
Transpondersleutel/sleutelblad...............................................................
Batterij vervangen transpondersleutel/PCC*..........................................
Keyless*..................................................................................................
Vergrendelen/ontgrendelen....................................................................
Kinderslot................................................................................................
Alarm*......................................................................................................
42
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
44
51
53
57
63
64
SLOTEN EN ALARM
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutelblad
Algemeen
02
WAARSCHUWING
Bij de auto worden 2 transpondersleutels of
transpondersleutels met keyless-functie geleverd. U gebruikt ze om de auto te starten en
deze te vergrendelen en ontgrendelen.
De transpondersleutel bevat een uit afneembaar, metalen sleutelblad. Het zichtbare deel
bestaat in twee uitvoeringen om de transponders van elkaar te kunnen onderscheiden.
U kunt meerdere transpondersleutels nabestellen – voor dezelfde auto kunnen tot
6 stuks worden geprogrammeerd en gebruikt.
Er zijn vier varianten transpondersleutels:
•
•
•
•
Standaard transpondersleutel1
Transpondersleutel met Keyless start1
Transpondersleutel met Keyless drive1
PCC met Keyless drive
2
Voor informatie over de functieknoppen van de
transpondersleutel zie pagina 47.
De PCC en transpondersleutel met keylessfunctie hebben extra functies t.o.v. de standaard transpondersleutel. In dit hoofdstuk
worden de functies beschreven die alle varianten hebben.
1
2
3
4
44
Als er kinderen in de auto aanwezig zijn:
Denk eraan altijd de stroom naar de elektrisch bedienbare ramen te onderbreken
door de transpondersleutel eruit te halen
wanneer de bestuurder de auto verlaat.
Zoekgeraakte transpondersleutel
Bij verlies van een transpondersleutel kunt u
een nieuwe bestellen bij een werkplaats –
geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats. Neem de resterende transpondersleutels mee naar de werkplaats. Ter voorkoming
van diefstal moet de code van de zoekgeraakte
transpondersleutel uit het systeem worden
gewist.
Hoeveel sleutels er voor de auto geprogrammeerd zijn kunt u controleren in het menusysteem MY CAR onder Informatie Aantal
sleutels. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie pagina 211.
Sleutelgeheugen3
– buitenspiegels,
bestuurderstoel en stuurbekrachtiging
De instellingen worden automatisch gekoppeld aan de transpondersleutel die op dat
5-knops sleutel
6-knops sleutel
Alleen in combinatie met elektrisch bedienbare bestuurdersstoel en elektrisch inklapbare buitenspiegels.
Alleen auto’s met elektrisch inklapbare buitenspiegels.
moment in gebruik is, zie de pagina's 84,
105 en 241.
De functie is te activeren/deactiveren in het
menusysteem MY CAR onder Instellingen
Auto-instellingen Sleutelgeheugen.
Voor een beschrijving van het menusysteem,
zie pagina 211.
Zie voor transpondersleutels met keylessfunctie zie pagina 53.
Knippersignalen bij vergrendelen/
ontgrendelen
Wanneer u de auto vergrendelt of ontgrendelt
met een transpondersleutel, lichten de richtingaanwijzers een bepaald aantal malen op
om aan te geven dat de auto op de juiste
manier vergrendeld/ontgrendeld is.
• Vergrendelen – eenmaal oplichten en de
buitenspiegels worden ingeklapt4.
• Ontgrendelen – tweemaal oplichten en de
buitenspiegels worden uitgeklapt4.
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutelblad
N.B.
Vergrendelingsindicatie
Let op het gevaar voor buitensluiten met de
transpondersleutel nog in de auto.
den verband met de elektronische startblokkering:
02
Bij het vergrendelen vindt de indicatie alleen
plaats als alle sloten zijn vergrendeld en alle
portieren zijn gesloten. Er vindt ook indicatie
plaats als het laatste portier wordt gesloten.
Functie kiezen
In het menusysteem van de auto zijn verschillende opties in te stellen voor bevestiging bij
vergrendeling/ontgrendeling middels lichtsignalen, zie pagina 211.
Ga in het menusysteem MY CAR naar
Instellingen Auto-instellingen
Lichtinstellingen en markeer Lichtsignaal
deurvergrendeling en/of Lichtsignaal bij
ontgrendeling.
Dezelfde diode als de alarmindicatie, zie
pagina 64.
Een knipperende diode bij de voorruit geeft aan
dat de auto is vergrendeld.
N.B.
Ook auto’s zonder alarm zijn uitgerust met
deze indicatie.
Elektronische startblokkering
Elke transpondersleutel heeft zijn eigen, unieke
code. U kunt de auto alleen starten, wanneer u
een transpondersleutel met de juiste code
gebruikt.
De onderstaande foutmeldingen op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel hou-
45
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutelblad
02
Melding
Betekenis
Melding
Betekenis
Plaats sleutel
Storing tijdens het
uitlezen van de
transpondersleutel
tijdens het starten.
Sleutel uit het contactslot trekken, er
weer in drukken en
een nieuwe startpoging doen.
Startblokkering
Start opnieuw
Autosleutel niet
gevonden
Storing tijdens het
uitlezen van de
transpondersleutel
tijdens het starten.
Nieuwe startpoging
doen.
Storing in het startblokkeringssysteem
tijdens het starten.
Als de storing aanhoudt: Neem dan
contact op met een
werkplaats. Geadviseerd wordt een
erkende Volvowerkplaats.
(Geldt alleen voor
auto's met Keyless.)
Als de storing aanhoudt: Transpondersleutel in het
contactsleutel
duwen en een
nieuwe startpoging
doen.
46
Voor het starten van de auto, zie pagina 115.
Functies
5-knops transpondersleutel
Vergrendelen
Ontgrendelen
“Approach”-verlichting
Achterklep
Paniekfunctie
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutelblad
Transpondersleutel met PCC* - Personal Car
Communicator.
Informatie
Functietoetsen
Vergrendelen – Vergrendelt de portieren
en de achterklep en activeert het alarm.
Met een lange druk (ten minste 2 seconden)
worden ook alle ruiten tegelijkertijd gesloten.
WAARSCHUWING
Als de ruiten met de transpondersleutel
worden gesloten, moet u controleren of er
geen handen bekneld raken.
Ontgrendelen – Ontgrendelt de portieren
en de achterklep en deactiveert het alarm.
Bij lang indrukken (ten minste 4 seconden)
worden alle zijruiten tegelijkertijd geopend.
zers, de interieurverlichting en de claxon geactiveerd.
De gelijktijdige ontgrendeling van alle portieren
is dusdanig te wijzigen dat bij eenmaal indrukken van de knop eerst het bestuurdersportier
ontgrendeld wordt en bij de tweede maal
indrukken – één en ander binnen 10 seconden
– de resterende portieren te ontgrendelen.
U kunt deze functie met dezelfde toets weer
uitschakelen, als de functie minimaal 5 seconden actief geweest is. Als u niets doet, wordt
de functie na 2 minuten en 45 seconden automatisch uitgeschakeld.
De functie is te wijzigingen in het menusysteem
van MY CAR onder Instellingen Autoinstellingen Slotinstellingen Deuren
open met de beide opties Alle deuren en
Bestuurdersdeur: dan alle. Voor een
beschrijving van het menusysteem, zie
pagina 211.
De functies van de transpondersleutel zijn tot
op ca. 20 m afstand van de auto te gebruiken.
Duur naderingslicht – Bestemd om de
verlichting van de auto op afstand in te schakelen. Voor meer informatie, zie pagina 96.
Achterklep – Ontgrendelt alleen de achterklep en deactiveert de alarmfunctie voor de
achterklep. Voor meer informatie, zie
pagina 60.
02
Bereik transpondersleutel
Als de auto niet reageert bij bediening van een
toets – probeer het dan op minder grote
afstand opnieuw.
N.B.
Er kunnen storingen optreden in de transpondersleutelfuncties door radiogolven in
de lucht, omringende gebouwen, topografische omstandigheden e.d. Het is altijd
mogelijk de auto te vergrendelen/ontgrendelen met het sleutelblad, zie pagina 50.
Paniekfunctie – bestemd om in noodgevallen de aandacht van anderen te trekken.
Als u de toets ten minste 3 seconden lang ingedrukt houdt of tweemaal achtereen binnen 3
seconden indrukt, worden de richtingaanwij-
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
47
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutelblad
Unieke PCC-functies*
Als u gedurende dit tijdsbestek op een
van de andere toetsen drukt, wordt de
uitlezing beëindigd.
02
N.B.
Transpondersleutel met PCC* - Personal Car
Communicator.
De controlelampjes verstrekken informatie
zoals aangegeven op de volgende afbeelding:
Informatietoets
Controlelampjes
Na een druk op de informatietoets kunt u
bepaalde informatie over de auto uitlezen aan
de hand van de controlelampjes.
Gebruik van de informatietoets
–
Druk op de informatietoets
.
> Ca. 7 seconden lang lichten de controlelampjes op de PCC om de beurt op.
Dit geeft aan dat informatie over de auto
wordt uitgelezen.
48
Als bij herhaaldelijk gebruik van de
informatietoets – op verschillende tijdstippen en verschillende plaatsen – blijkt dat
geen van de controlelampjes gaat branden
(en dat evenmin na 7 seconden alsook
nadat de controlelampjes op de PCC om de
beurt oplichtten), dient u contact op te
nemen met een werkplaats – geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Continu groen licht: de auto is vergrendeld.
Continu oranje licht: de auto is ontgrendeld.
Continu rood licht: het alarm is afgegaan
na vergrendeling van de auto.
De beide rode controlelampjes lichten
beurtelings rood op: het alarm is minder
dan 5 minuten geleden afgegaan.
Bereik PCC
Het bereik van de PCC voor ontgrendeling en
bediening van de achterklep is ca. 20 m rond
de auto – voor de overige functies geldt een
maximumbereik van ca. 100 m.
Als de auto niet reageert bij bediening van een
toets – probeer het dan op minder grote
afstand opnieuw.
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutelblad
N.B.
Er kunnen storingen optreden in de functie
van de informatieknop door radiogolven in
de lucht, omringende gebouwen, topografische omstandigheden e.d.
Buiten bereik PCC
Als de PCC op dermate grote afstand van de
auto is dat er geen informatie over de auto kan
worden uitgelezen, wordt de laatst bekende
status van de auto weergegeven zonder dat de
lampjes op de PCC om de beurt oplichten.
Als er meerdere PCC’s voor de auto in gebruik
zijn, geeft uitsluitend de PCC waarmee de auto
de laatste keer vergrendeld/ontgrendeld werd
de juiste status aan.
N.B.
Als bij herhaaldelijk gebruik van de
informatietoets – op verschillende tijdstippen en verschillende plaatsen – blijkt dat
geen van de controlelampjes gaat branden
(en dat evenmin na 7 seconden alsook
nadat de controlelampjes op de PCC om de
beurt oplichtten), dient u contact op te
nemen met een werkplaats – geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Afneembaar sleutelblad
Sleutelblad verwijderen
De transpondersleutel bevat een afneembaar
metalen sleutelblad waarmee u enkele functies
kunt activeren en bepaalde handelingen kunt
uitvoeren.
02
De unieke code van de sleutelbladen is bekend
bij de erkende Volvo-werkplaatsen, waar ook
nieuwe sleutelbladen kunnen worden besteld.
Functies sleutelblad
U kunt het afneembare sleutelblad van de
transpondersleutel gebruiken om:
• het linker voorportier handmatig te openen, als de centrale vergrendeling niet te
bedienen is vanaf de transpondersleutel,
zie pagina 55.
• het mechanische kinderslot op de achterportieren te activeren/deactiveren, zie
pagina 63.
• het rechter voorportier en de achterportieren handmatig te vergrendelen bij bijv.
stroomuitval, zie pagina 57.
• het slot van het dashboardkastje* te openen zie pagina 59.
• de airbag voor de voorpassagier
(PACOS)* te activeren/deactiveren, zie
pagina 22.
Haal de veerbelaste pal opzij.
Trek tegelijkertijd het sleutelblad naar achteren.
Sleutelblad aanbrengen
Plaats het sleutelblad voorzichtig terug in de
transpondersleutel.
1. Houd de transpondersleutel met de gleuf
omhoog en laat het sleutelblad in de gleuf
zakken.
2. Duw voorzichtig tegen het sleutelblad. U
hoort een klikgeluid wanneer het sleutelblad goed vastzit.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
49
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutelblad
Portier ontgrendelen met sleutelblad
02
Als de centrale vergrendeling niet op de transpondersleutel reageert (omdat de batterijen bijvoorbeeld leeg zijn), kunt u het linker voorportier op de volgende manier ontgrendelen en
openen:
1. Ontgrendel het linker voorportier met het
sleutelblad in de slotcilinder van de portierhandgreep.
Zie ook de afbeelding en de overige informatie op zie pagina 55.
N.B.
Wanneer u het portier met het sleutelblad
ontgrendeld hebt en vervolgens opent, gaat
het alarm af.
2. Schakel het alarm uit door de transpondersleutel in het contactslot te steken.
Zie voor auto’s met Keyless-systeem zie
pagina 55.
50
02 Sloten en alarm
Batterij vervangen transpondersleutel/PCC*
Accu vervangen
Batterij vervangen
Let erop hoe de batterij(en) aan de binnenzijde van de afdekking vastzit(ten). Let
daarop op de pluszijde + en de minzijde –.
Vervang de batterijen, als:
• het informatiesymbool oplicht en
Afst.bediening batterij raakt leeg.
Vervang de batterij. op het display staat
Transpondersleutel met 1 batterij
en/of
1. Werk de batterij voorzichtig los.
• de sloten herhaalde malen achtereen niet
2. Plaats een nieuwe met de pluszijde (+)
omlaag.
reageren op het signaal van een transpondersleutel die zich binnen een straal van
20 m rond de auto bevindt.
02
Openen
Haal de veerbelaste pal opzij.
Trek tegelijkertijd het sleutelblad naar
achteren.
Steek een kruiskopschroevendraaier
met een dikte van 3 mm in de opening achter de veerbelaste pal en werk de transpondersleutel voorzichtig open.
Transpondersleutel en PCC* met 2
batterijen
1. Werk de batterijen voorzichtig los.
2. Plaats eerst een nieuwe met de pluszijde
(+) omhoog.
3. Leg het witte plasticvel op de geplaatste
nieuwe batterij en breng daarna nog een
nieuwe batterij aan met de pluszijde (+)
omlaag.
Batterijtype
N.B.
Keer de transpondersleutel met de knoppen
naar boven om te voorkomen dat de batterijen eruit vallen als deze wordt geopend.
BELANGRIJK
Raak nieuwe accu's en hun contactvlakken
niet met uw vingers aan, aangezien de werking hierdoor kan verslechteren.
Gebruik batterijen met de code CR2430, 3 V.
In elkaar zetten
1. Druk de afdekking weer op de transpondersleutel vast.
2. Houd de transpondersleutel met de gleuf
omhoog en laat het sleutelblad in de gleuf
zakken.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
51
02 Sloten en alarm
Batterij vervangen transpondersleutel/PCC*
02
3. Duw voorzichtig tegen het sleutelblad. U
hoort een klikgeluid wanneer het sleutelblad goed vastzit.
BELANGRIJK
Let erop dat lege batterijen op een milieuvriendelijke manier worden verwerkt.
52
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
02 Sloten en alarm
Keyless*
Vergrendelings- en startsysteem
zonder sleutel*
Algemeen
Beide transpondersleutels van de auto hebben
de Keyless-functie. Er kunnen meer transpondersleutels worden bijbesteld, zie zie
pagina 44.
Het elektrisch systeem van de auto kan met de
transpondersleutel in 3 verschillende niveaus
worden gezet (sleutelstanden) – 0, I en II, zie
pagina 81.
Bereik transpondersleutel1
Hieronder worden transpondersleutels
beschreven met de Keyless drive- en Keyless
start-functie. Auto's met Keyless start-functie
kunnen worden gestart zonder dat de transpondersleutel in het contactslot zit. Auto's met
de Keyless drive-functie kunnen worden ontgrendeld en vergrendeld zonder de knoppen
op de transpondersleutel in te drukken en
gestart zonder dat de sleutel in het contactslot
zit. Het systeem maakt het eenvoudiger om de
auto te openen wanneer u bijvoorbeeld uw
handen vol hebt.
1
Om een portier of de achterklep te kunnen openen zonder knoppen op de transpondersleutel
in te drukken, moet de transpondersleutel zich
binnen een straal van 1,5 m rond de portierhandgrepen of de achterklep bevinden. Dit
betekent dat u de transpondersleutel bij u moet
dragen om een portier te vergrendelen of ontgrendelen. Wanneer u aan de ene kant van de
auto staat, is het niet mogelijk om met de transpondersleutel een portier aan de andere kant
te ver- of ontgrendelen.
De rode cirkels op de nevenstaande afbeelding
geven het dekkingsgebied van de systeemantennes aan.
Als alle transpondersleutels uit de auto worden
gehaald als de motor draait of de sleutelstand
I of II actief is (zie pagina 81) en een portier
is geopend en vervolgens gesloten, toont het
informatiedisplay een waarschuwingsbericht
en klinkt een geluidssignaal.
Als de transpondersleutel weer in de auto
wordt geplaatst, gaat het waarschuwingsbericht uit en houdt het geluidssignaal op als:
02
• er is een portier geopend of gesloten
• de transpondersleutel in het contactslot
wordt gestoken
• De OK-knop op de richtingaanwijzerhendel is ingedrukt.
Veilig gebruik van transpondersleutel
met keyless-functie
Als u een transpondersleutel met keyless-functie in de auto laat liggen, wordt de sleutel bij het
vergrendelen van de auto tijdelijk gedeactiveerd. Onbevoegden kunnen de portieren er
dan niet meer mee openen.
Als er echter ingebroken wordt en iemand de
transpondersleutel in de auto vindt, wordt de
sleutel weer geactiveerd. Pas daarom extra
goed op al uw transpondersleutels.
BELANGRIJK
Wanneer u het portier met het sleutelblad
ontgrendeld hebt en vervolgens opent, gaat
het alarm af.
Geldt niet voor auto's met keyless start
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
53
02 Sloten en alarm
Keyless*
02
Storingen in de functie van de
transpondersleutel
Vergrendelen2
De Keyless-functie kan verstoord worden door
elektromagnetische velden en afschermingen.
N.B.
Plaats/bewaar de transpondersleutel met
keyless-functie niet in de buurt van een
mobiele telefoon of metalen voorwerpen.
Houd een minimale afstand aan van 10-15
cm.
Als er desondanks toch storingen optreden,
moet u de transpondersleutel en het sleutelblad als traditionele transpondersleutel gebruiken, zie pagina 46.
Na ca. 1½–2 minuten wordt het alarm geactiveerd en gaat de alarmdiode op de voorruit
knipperen – het alarm staat daarmee op
scherp maar de auto is niet vergrendeld.
Auto’s met Keyless-drive-systeem zijn voorzien
van een aanraakgevoelige zone op de buitenhandgreep van de portieren alsook een met rubber
beklede knop naast het eveneens met rubber
beklede drukplaatje op de achterklep.
Vergrendel de portieren en de achterklep door
een van de portierhandgrepen vast te pakken
of op de kleinste van de beide met rubber
beklede knoppen op de achterklep te drukken
– de vergrendelingsindicatie onder aan de
voorruit gaat knipperen om aan te geven dat er
vergrendeling heeft plaatsgevonden, zie
pagina 45.
Alle portieren inclusief de achterklep moeten
zijn gesloten, voordat u de auto kunt vergrendelen – de auto wordt anders niet vergrendeld.
2
54
Geldt niet voor transpondersleutel met keyless start
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
N.B.
Als u (terwijl de motor is afgezet) de transpondersleutel met keyless-functie uit de
auto haalt en de auto niet vergrendelt door
een van de portierhandgrepen aan te raken
of de vergrendeltoets op de transpondersleutel te bedienen, gebeurt het volgende:
N.B.
Op auto's met een automatische versnellingsbak moet de keuzehendel in de Pstand staan. Anders kan de auto niet worden vergrendeld of op alarm worden gezet.
Ontgrendelen2
Er wordt ontgrendeld met Keyless-drive wanneer iemand een portierhandgreep beetpakt of
op het met rubber beklede drukplaatje van de
achterklep drukt – open het portier of de achterklep op de normale manier.
02 Sloten en alarm
Keyless*
N.B.
Normaal registreren de portierhandgrepen
het wanneer u met uw hand de handgreep
beetpakt, maar als u dikke handschoenen
draagt of de handbeweging te snel uitvoert,
moet u de beweging mogelijk een tweede
keer uitvoeren of de handschoen uittrekken.
Ontgrendelen met sleutelblad
Om bij de slotcilinder te komen dient de kunststof afdekking van de portierhandgreep te worden verwijderd – ook dit doet u met het sleutelblad:
Sleutelgeheugen3 – bestuurdersstoel,
buitenspiegels en stuurbekrachtiging
1. Duw het sleutelblad ca. 1 cm recht
omhoog in de opening aan de onderkant
van de portierhandgreep/afdekking – niet
wrikken.
> De kunststof afdekking komt automatisch los, wanneer u het blad recht
omhoog de opening induwt.
Als meerdere personen met elk hun eigen
transpondersleutel naar de auto lopen, nemen
de bestuurdersstoel en de buitenspiegels de
stand in die ligt opgeslagen in de sleutel van
degene die het bestuurdersportier opent.
2. Steek het sleutelblad vervolgens in de slotcilinder en ontgrendel het portier.
3. Plaats de kunststof afdekking na ontgrendeling terug.
N.B.
Opening voor het sleutelblad - voor het afnemen
van de afdekking.
Wanneer u het linker voorportier met het
sleutelblad ontgrendeld hebt en vervolgens
opent, gaat het alarm af. Het wordt uitgeschakeld door de transpondersleutel in het
contactslot te steken, zie pagina 65.
Als de centrale vergrendeling niet op de transpondersleutel reageert (omdat de batterijen bijvoorbeeld leeg zijn), kunt u het linker voorportier openen met het afneembare sleutelblad
van de transponder (zie pagina 49).
3
02
Geheugenfunctie in transpondersleutel
met keyless-functie
Als het bestuurdersportier bijvoorbeeld werd
geopend door persoon A met transpondersleutel A, maar persoon B met transpondersleutel B zal gaan rijden, zijn de instellingen als
volgt te wijzigen:
• Staand naast het bestuurdersportier of zittend achter het stuur drukt persoon B op
de ontgrendelingstoets van zijn transpondersleutel, zie pagina 46.
• Kies een van de drie mogelijk positiegeheugens voor de stoel met de stoelknoppen 1–3, zie pagina 84.
• Zet de stoel en de spiegels handmatig in
de juiste stand (zie pagina 84 en 105).
• Stel de stuurbekrachtiging af in het menusysteem MY CAR, zie pagina 213.
Alleen in combinatie met elektrisch bedienbare bestuurdersstoel en elektrisch inklapbare buitenspiegels.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
55
02 Sloten en alarm
Keyless*
Vergrendelingsinstellingen
02
De Keyless-drive-functie is aan te passen door
in het menusysteem MY CAR aan te geven
welke portieren er ontgrendeld moeten worden; dit onder Auto-instellingen
Slotinstellingen Instappen zonder
sleutel – kies vervolgens uit Alle deuren
open, Willekeurige deur, Deuren aan één
kant en Beide voordeuren.
Voor een beschrijving van het menusysteem,
zie pagina 211.
Locatie antennes
Het Keyless-systeem werkt met een aantal
antennes die op verschillende locaties ingebouwd zijn in de auto:
56
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Achterbumper, in het midden
Portierhandgreep, linksachter
Bagageruimte, in het midden, helemaal
voorin, onder de vloer
Portierhandgreep, rechtsachter
Middenconsole, onder achterstuk
Middenconsole, onder voorstuk.
WAARSCHUWING
Personen met een pacemaker mogen niet
dichter dan 22 cm bij de antennes van het
Keyless-systeem komen. Hierdoor voorkomt u storingen tussen de pacemaker en
het Keyless-systeem.
02 Sloten en alarm
Vergrendelen/ontgrendelen
Van de buitenzijde
Met de transpondersleutel kunt u alle portieren,
de achterklep en de tankvulklep vergrendelen/
ontgrendelen. Het is mogelijk een andere ontgrendelingsvolgorde te kiezen, zie ‘Ontgrendelen met transpondersleutel’ 47.
Om de ontgrendelingsprocedure te kunnen
activeren moet het bestuurdersportier dichtstaan – als een van de overige portieren of de
achterklep openstaat, wordt dit/deze pas na
het sluiten vergrendeld en inbegrepen in het
alarmsysteem. Bij het Keyless drive*-systeem
dienen alle portieren en de achterklep dicht te
staan.
N.B.
Let op het gevaar voor buitensluiten met de
transpondersleutel nog in de auto.
Als u niet met de transpondersleutel kunt vergrendelen/ontgrendelen is de batterij mogelijk
leeg – vergrendel/ontgrendel het linker voorportier dan met het afneembare sleutelblad, zie
pagina 49.
N.B.
Let erop dat het alarm afgaat, wanneer het
portier na ontgrendeling met het sleutelblad
wordt geopend – het alarm wordt uitgeschakeld, wanneer de transpondersleutel in
het contactslot wordt geplaatst.
WAARSCHUWING
Let op het risico van opsluiting in de auto,
als u de auto van de buitenzijde vergrendelt
– de portieren zijn dan namelijk niet meer
van de binnenzijde te openen met de portierhandgrepen. Voor meer informatie, zie
pagina 61, Safelock.
sleutelblad van de transpondersleutel, zie
pagina 55.
De overige portieren hebben geen slotcilinders, maar zijn voorzien van een vergrendeling
op de zijkant van het portier die moet worden
ingedrukt met het sleutelblad, waarna het portier mechanisch is vergrendeld en niet meer
van buitenaf kan worden geopend. De portieren zijn echter nog steeds vanaf de binnenzijde
te openen.
02
Automatische hervergrendeling
Als u geen van de portieren noch de achterklep
binnen 2 minuten na ontgrendeling van de buitenzijde met de transpondersleutel opent, worden alle sloten automatisch weer vergrendeld.
Deze functie beperkt de kans dat u de auto per
ongeluk onvergrendeld kunt laten staan. (Voor
auto’s met alarmsysteem, zie pagina 64.)
Handmatig vergrendelen
In bepaalde gevallen moet de auto handmatig
kunnen worden vergrendeld, zoals bij stroomuitval.
Portier handmatig vergrendelen. Niet te verwarren
met het kinderslot, zie pagina 63.
–
Pak het afneembare sleutelblad uit de
transpondersleutel, zie pagina 49. Steek
het sleutelblad in de vergrendelopening en
druk de sleutel er helemaal in, ca. 12 mm.
Het linker voorportier is te vergrendelen met de
bijbehorende slotcilinder en het afneembare
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
57
02 Sloten en alarm
Vergrendelen/ontgrendelen
Het portier is zowel vanaf de buitenzijde als
vanaf de binnenzijde te openen.
02
Het portier is niet vanaf de buitenzijde te
openen. Om terug te keren naar stand A
moet de binnenhandgreep van het portier
worden geopend.
Van de binnenzijde
Centrale vergrendeling
• Een brandend lampje houdt in dat alle portieren vergrendeld zijn.
Met een knop voor centrale vergrendeling op
beide voorportieren en op elk van beide achterportieren een knop voor elektrische vergrendeling:
N.B.
•
De vergrendeling van een portier dient
alleen om het desbetreffende portier te
vergrendelen – dus niet alle portieren.
•
Een handmatig vergrendeld achterportier waarvan ook het mechanische kinderslot geactiveerd is, kan noch van de
buitenzijde noch van de binnenzijde
worden geopend, zie pagina 63. Een
achterportier dat op deze manier vergrendeld is kan alleen ontgrendeld worden met de transpondersleutel of de
toets voor centrale vergrendeling.
• Een brandend lampje houdt in dat alleen
het desbetreffende portier vergrendeld is.
Wanneer de lampjes in alle knoppen branden, zijn alle portieren vergrendeld.
Centrale vergrendeling.
• Bij het indrukken van de knop voor centrale
• Druk de rechterkant
Bij lang indrukken (ten minste 4 seconden)
worden alle zijruiten* tegelijkertijd geopend.
van de knop in om
te vergrendelen en de linkerkant
om te
ontgrendelen.
De centrale vergrendeling is verkrijgbaar in
twee uitvoeringen – de betekenis van het
lampje in de knop voor centrale vergrendeling
op het bestuurdersportier is afhankelijk van de
uitvoering.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Ontgrendelen
Een portier kan op twee manieren van de binnenkant worden ontgrendeld:
Met de knop voor de centrale vergrendeling op
het bestuurdersportier kunt u alle portieren en
de achterklep tegelijkertijd vergrendelen of
ontgrendelen.
Lampje in vergrendelingsknop
58
Met een knop voor centrale vergrendeling
alleen op het bestuurdersportier, bij de overige
portieren ontbreekt een dergelijke knop:
vergrendeling
.
• Trek aan de openingshandgreep en open
het portier – het portier wordt in een keer
ontgrendeld en geopend.
Vergrendelen
• Beide voorportieren moeten gesloten zijn
om ze centraal te kunnen vergrendelen.
Druk op de knop voor centrale vergrendeling
– alle portieren worden vergren-
02 Sloten en alarm
Vergrendelen/ontgrendelen
deld. Als één van de achterportieren nog
open is, wordt deze vergrendeld als het
portier wordt gesloten.
Slotcilinder dashboardkastje*
Achterklep
Handmatig openen
02
Met een lange druk (ten minste 2 seconden)
worden ook alle zijruiten tegelijkertijd gesloten.
Doorluchtfunctie
Bij lang indrukken van de knop voor centrale
vergrendeling
(ten minste 4 seconden)
worden alle zijruiten tegelijkertijd geopend –
om bijv. bij warm weer snel voor frisse lucht in
de auto te zorgen.
Automatische vergrendeling
Bij het wegrijden worden de portieren en de
achterklep automatisch vergrendeld.
De functie is te activeren/deactiveren in het
menusysteem MY CAR onder Instellingen
Auto-instellingen Slotinstellingen
Automatische vergrendeling. Voor een
beschrijving van het menusysteem, zie
pagina 211.
Het dashboardkastje valt alleen te vergrendelen/ontgrendelen met het afneembare sleutelblad van de transpondersleutel. Voor informatie over het sleutelblad, zie pagina 49.
Dashboardkastje vergrendelen:
Duw het sleutelblad in de slotcilinder van
het dashboardkastje.
Draai het sleutelblad 90 graden rechtsom.
Het sleutelgat staat horizontaal wanneer
het kastje vergrendeld is.
Met rubber bekleed plaatje met elektrische schakelaar.
De achterklep wordt dichtgehouden door een
elektrische vergrendeling. Om te openen:
1. Druk lichtjes op het breedste van de met
rubber beklede drukplaatjes onder de buitenhandgreep - de vergrendeling wordt
vrijgegeven.
2. Til de buitenste handgreep helemaal
omhoog om de klep te openen.
Neem het sleutelblad uit.
• Houd voor het ontgrendelen de omgekeerde volgorde aan.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
59
02 Sloten en alarm
Vergrendelen/ontgrendelen
BELANGRIJK
02
•
De achterklep is met heel weinig kracht
te ontgrendelen – druk gewoon lichtjes
op het met rubber beklede plaatje.
•
Breng geen druk aan op het met rubber
beklede plaatje bij het openen van de
achterklep – maar til de handgreep op.
Bij te veel druk kan de elektrische schakelaar in het met rubber beklede plaatje
beschadigd raken.
Ontgrendelen met transpondersleutel
Met de toets
op de transpondersleutel is
het mogelijk om de alarmfunctie voor de achterklep te deactiveren* zodat u de achterklep
apart kunt ontgrendelen.
De vergrendelingsindicatie op het instrumentenpaneel stopt met knipperen om aan te
geven dat de auto niet volledig vergrendeld is
en dat de niveausensoren en bewegingsmelders van het alarmsysteem* alsmede de sensoren voor opening van het kofferdeksel buiten
werking gesteld zijn.
N.B.
De portieren blijven vergrendeld en beveiligd.
De achterklep kan op twee verschillende
manieren worden geopend met de transpondersleutel:
Eenmaal drukken – Het kofferdeksel wordt
weliswaar ontgrendeld maar blijft dichtstaan –
druk lichtjes tegen op het met rubber bekleding
drukplaatje onder de buitenhandgreep en open
het kofferdeksel. Als de klep niet binnen 2
minuten na ontgrendeling wordt geopend,
wordt de klep weer vergrendeld en het alarm
opnieuw geactiveerd.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
•
Na het sluiten is de klep onvergrendeld
en niet opgenomen in het alarmsysteem
op de
– met de vergrendeltoets
transpondersleutel kunt u de klep
opnieuw vergrendelen en opnemen in
het alarmsysteem.
Van binnenuit openen
Tweemaal drukken – Het kofferdeksel wordt
ontgrendeld en de vergrendeling wordt vrijgegeven waarna het kofferdeksel enkele centimeters omhoogkomt – til de buitenhandgreep
omhoog om het deksel te openen. Bij zware
regen- of sneeuwval, vorst of ijzel komt de klep
echter mogelijk niet uit de vergrendeling los.
Om de achterklep te openen:
–
60
•
Wanneer de klep met 2 keer indrukken
of vanaf de binnenkant van de auto
werd ontgrendeld, is automatische hervergrendeling niet mogelijk omdat de
klep openstaat – u dient de klep handmatig te sluiten.
Druk op de knop op het verlichtingspaneel.
02 Sloten en alarm
Vergrendelen/ontgrendelen
> Het slot ontgrendelt en de klep opent
een paar centimeter.
Vergrendelen met transpondersleutel
–
Druk op de toets voor vergrendeling op de
transpondersleutel
, zie pagina 46.
> De vergrendelingsindicatie op het
instrumentenpaneel begint te knipperen, wat inhoudt dat de auto vergrendeld en het alarmsysteem* geactiveerd
is.
Tankvulklep
Met de
-knop op de transpondersleutel
wordt de tankvulklep geopend. De tankvulklep
blijft ontgrendeld totdat de auto wordt vergrendeld met de
-knop op de transpondersleutel. Als de auto tijdens de rit of met de knoppen
in de passagiersruimte wordt vergrendeld, blijft
de tankvulklep ontgrendeld.
De vergrendellogica van de tankvulklep volgt
ook keyless-drive en de vergrendeling resp.
ontgrendeling van de centrale vergrendeling.
De tankvulklep wordt altijd met een vertraging
van 10 minuten vergrendeld.
1
Safelock-functie*1
Tijdelijk deactiveren
Bij activering van de Safelock-functie worden
alle openingshandgrepen mechanisch losgekoppeld, wat het openen van de portieren van
de binnenzijde onmogelijk maakt.
02
Met de transpondersleutel activeert u de Safelock-functie die ca. 10 seconden na vergrendeling van de portieren in werking treedt.
N.B.
Als er binnen deze vertragingsperiode een
van de portieren wordt geopend, wordt de
functie geannuleerd en het alarm gedeactiveerd.
Bij Safelock is de auto alleen met de transpondersleutel te ontgrendelen. Het linker voorportier is ook te ontgrendelen met het afneembare
sleutelblad.
WAARSCHUWING
Laat niemand in de auto zitten zonder eerst
de Safelock-functie te deactiveren om te
voorkomen dat u iemand opsluit.
Geactiveerde menu-opties staan aangekruist.
MY CAR
OK MENU
Draairing TUNE
EXIT
Als u de portieren van de buitenzijde wilt vergrendelen terwijl er iemand in de auto achterblijft, kunt u de Safelock-functie tijdelijk uitschakelen. Dat gaat als volgt:
1. Open het menusysteem MY CAR en ga
naar Instellingen Auto-instellingen
Minder bescherming (voor een gedetail-
Alleen in combinatie met een alarmsysteem.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
61
02 Sloten en alarm
Vergrendelen/ontgrendelen
van het alarmsysteem opnieuw ingeschakeld.
leerde beschrijving van het menusysteem
(zie pagina 211)).
02
2. Kies Eén keer activeren.
> Op het display van het instrumentenpaneel verschijnt de melding Beveil.
verlaagd Zie instructieb. en de Safelock-functie wordt uitgeschakeld bij
vergrendeling van de auto.
of
–
Kies Vragen bij uitstappen.
> Iedere keer dat u de motor afzet, verschijnt op het scherm van de middenconsole de melding Lagere
beveiliging activeren tot motor
opnieuw is gestart? gevolgd door de
opties Bevestigen met OK en
Stoppen met EXIT.
Als u de Safelock-functie wilt uitschakelen
–
62
Druk op OK/MENU en vergrendel de auto.
(Let erop dat ook de bewegingsmelders en
niveausensoren* van het alarmsysteem
worden uitgeschakeld, zie pagina 65.)
> De volgende keer dat u de motor start,
wordt het systeem gereset waarna op
het display van het instrumentenpaneel
de melding Beveil. volledig verschijnt.
Daarmee zijn de Safelock-functie en de
bewegingsmelders en niveausensoren
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Als u geen wijzigingen in het vergrendelingssysteem wenst
–
Druk op EXIT en vergrendel de auto.
N.B.
•
Let erop dat het alarm wordt geactiveerd bij vergrendeling van de auto.
•
Als een van de portieren van de binnenzijde wordt geopend, gaat het alarm af.
02 Sloten en alarm
Kinderslot
Handmatig kinderslot op
achterportieren
Het portier is niet vanaf de binnenzijde te
openen.
Het kinderslot voorkomt dat kinderen een achterportier vanaf de binnenzijde openen.
Het portier is zowel vanaf de buitenzijde als
vanaf de binnenzijde te openen.
N.B.
•
•
De vergrendelbus van een portier dient
alleen om het desbetreffende portier te
vergrendelen – dus niet beide achterportieren.
Op auto’s met een elektrisch kinderslot
zit geen handmatig kinderslot.
Elektrisch kinderslot op
achterportieren* en achterste zijruiten
Het kinderslot is in alle slotstanden anders dan
0 - zie pagina 81 te activeren/deactiveren en
dat binnen 2 minuten na het afzetten van de
motor, op voorwaarde dat er geen portier
wordt geopend.
Doe het volgende om het kinderslot te activeren:
1. Start de motor of kies een slotstand anders
dan 0.
2. Druk op de bijbehorende knop van het
bedieningspaneel op het bestuurdersportier.
> Op het informatiedisplay staat de melding Kinderslot actief en het lampje in
de knop brandt - het slot is geactiveerd.
Mechanisch kinderslot. Niet te verwarren met de
mechanische portiervergrendeling, zie pagina 57.
Wanneer het elektrische kinderslot actief is,
zijn de achterste:
De bedieningscilinders van het kinderslot zitten
achter op de korte kant van de achterportieren,
zodat ze alleen bereikbaar zijn wanneer de portieren openstaan.
• zijruiten alleen vanaf het bedieningspaneel
op het bestuurdersportier te bedienen
• portieren niet van de binnenkant te openen.
Doe het volgende om het kinderslot te activeren/deactiveren:
–
02
Bij het afzetten van de motor wordt de actuele
instelling vastgelegd – als het kinderslot geactiveerd was tijdens het afzetten van de motor,
dan is de functie de volgende keer dat u de
motor start eveneens actief.
Maak gebruik van het afneembare sleutelblad van de transpondersleutel om de cilinder te verdraaien - zie pagina 49.
Bedieningspaneel bestuurdersportier.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
63
02 Sloten en alarm
Alarm*
Algemeen
02
Een geactiveerd alarmsysteem gaat af als:
• een portier, de motorkap of de achterklep
wordt geopend
• er beweging in de passagiersruimte wordt
waargenomen (als er een bewegingsmelder* aanwezig is)
• de auto wordt opgetakeld of weggesleept
(op auto’s met een niveausensor*)
• een kabel van de startaccu wordt losgekoppeld
• de sirene wordt losgekoppeld.
Als er een storing in het alarmsysteem is opgetreden, verschijnt er een melding op het informatiedisplay. Neem dan contact op met een
werkplaats – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
N.B.
Alarmindicatie
De bewegingsmelders laten het alarm
afgaan bij bewegingen in de passagiersruimte – ook eventuele luchtstromen worden geregistreerd. Het alarm kan dan ook
afgaan als u de auto met een raam open laat
staan of als u de interieurverwarming
gebruikt.
Om dat te voorkomen: Sluit bij het verlaten
van de auto alle ramen. Bij gebruik van de
geïntegreerde interieurverwarming van de
auto (of een draagbare variant daarvan op
stroom) dan dient u de blaasmonden dusdanig af te stellen dat deze niet omhoogwijzen.
N.B.
Probeer niet zelf de onderdelen van het
alarmsysteem te repareren of te wijzigen.
Dergelijke pogingen kunnen van invloed zijn
op de verzekeringsvoorwaarden.
Dezelfde diode als de vergrendelingsindicatie, zie
pagina 45.
Een rode led op het dashboard geeft de status
van het alarmsysteem aan:
• De led is uit – het alarm is uitgeschakeld
• De led licht om de twee seconden eenmaal
op – het alarm is ingeschakeld
• De led knippert snel vanaf het moment van
uitschakelen van het alarm (tot aan het
moment dat u de transpondersleutel in het
contactslot steekt en sleutelstand I wordt
bereikt) – het alarm is afgegaan.
Alarm activeren
–
64
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Druk op de vergrendelingstoets op de
transpondersleutel.
02 Sloten en alarm
Alarm*
Alarm deactiveren
Transpondersleutel defect
–
Als u het alarm niet kunt uitschakelen met de
transpondersleutel (als bijv. de batterij van de
sleutel leeg is), kunt u de auto als volgt ontgrendelen, het alarmsysteem deactiveren en
de motor starten:
Druk op de ontgrendelingstoets op de
transpondersleutel.
Geactiveerd alarm uitschakelen
–
Druk op de ontgrendelingstoets op de
transpondersleutel of steek de transpondersleutel in het contactslot.
Overige alarmfuncties
Automatische herinschakeling van het
alarm
1. Open het linker voorportier met het
afneembare sleutelblad – zie pagina 55.
> Het alarmsysteem gaat af, de richtingaanwijzers knipperen en de sirene
klinkt.
• Er klinkt een sirene totdat u het alarm uitschakelt. Bij inactiviteit gaat de sirene na
30 seconden lang automatisch uit. De
sirene heeft zijn eigen accu en werkt volledig onafhankelijk van de startaccu in de
auto.
02
• Alle richtingaanwijzers knipperen totdat u
het alarm uitschakelt. Bij inactiviteit gaan
ze na vijf minuten automatisch uit.
Beperkt alarmniveau
Om te voorkomen dat het alarmsysteem onbedoeld afgaat als er bijv. een hond in een vergrendelde auto wordt achtergelaten of bij
gebruik van een autotrein of een veerverbinding, dienen de bewegingsmelder en de
niveausensoren tijdelijk te worden gedeactiveerd.
De functie voorkomt dat u de auto verlaat zonder het alarm uit te schakelen.
Als u geen van de portieren noch de achterklep
binnen twee minuten na uitschakeling van het
alarm opent wanneer de auto met de transpondersleutel ontgrendeld (en het alarm
gedeactiveerd) werd, wordt het alarm automatisch opnieuw ingeschakeld. De auto wordt
bovendien opnieuw vergrendeld.
De te volgen procedure is identiek aan die bij
tijdelijke uitschakeling van de Safelock-functie,
zie pagina 61.
Automatische activering van het alarm
In bepaalde landen wordt het alarmsysteem na
enige vertraging automatisch geactiveerd,
wanneer het bestuurdersportier werd geopend
en gesloten maar daarna niet werd vergrendeld.
2. Steek de transpondersleutel in het contactslot.
> Het alarm wordt uitgeschakeld.
Alarmsignalen
Bij alarm gebeurt het volgende:
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
65
Instrumenten, schakelaars en bediening................................................ 68
Volvo Sensus ......................................................................................... 79
Sleutelstanden........................................................................................ 81
Stoelen en achterbank............................................................................ 83
Stuurwiel................................................................................................. 88
Verlichting............................................................................................... 89
Wissers en -sproeiers........................................................................... 100
Ruiten en spiegels................................................................................. 103
Kompas*................................................................................................ 109
Alcoholslot*........................................................................................... 111
Motor starten........................................................................................ 115
Motor starten, hulpaccu........................................................................ 117
Versnellingsbakken............................................................................... 119
Eco Guide & Power*.............................................................................. 126
Start/Stop *........................................................................................... 128
Bedrijfsrem............................................................................................ 134
Parkeerrem............................................................................................ 136
HomeLinkŸ *.......................................................................................... 137
66
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
BESTUURDERSMILIEU
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
Instrumentenoverzicht
03
Auto met stuur links.
68
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
Functie
Pagina
Functie
Pagina
Functie
Pagina
Menu- en meldingsfuncties,
richtingaanwijzers, groot licht/
dimlicht, boordcomputer
89, 94, 208,
237
Bedieningspaneel
58, 63, 103, 105
59, 89
Alarmlichten
94
Verlichtingsdraaiknop, opener achterklep
Stoelverstelling*
84
211, 249, 251
Cruisecontrol
149, 151
Bedieningspaneel voor infotainment en
menufuncties
Claxon, airbag
20, 88
71, 77
Bedieningspaneel voor klimaatregeling
223
Instrumentenpaneel
Menu-, audioen telefoonfuncties
211, 249, 277,
251
Versnellingspook/keuzehendel
119
START/STOP
ENGINE-knop
115
Parkeerrem
136
81
Wissers en sproeiers
100, 101
Contactslot
Display voor
infotainment en
menufuncties
211, 249, 249
Stuurwielafstelling
88
–
Ontgrendeling
motorkap
344
Openingshandgreep portier
03
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
69
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
03
Auto met stuur rechts.
70
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
Functie
Pagina
Functie
Pagina
Functie
Pagina
Wissers en sproeiers
100, 101
211, 249, 251
211, 249, 277,
251
Verlichtingsdraaiknop en
opener achterklep
59, 89
Menu-, audioen telefoonfuncties
Bedieningspaneel voor infotainment en
menufuncties
223
Stoelverstelling*
84
Claxon, airbag
19, 88
Bedieningspaneel voor klimaatregeling
Instrumentenpaneel
71, 77
119
Cruisecontrol
149, 151
Versnellingspook/keuzehendel
Parkeerrem
136
START/STOP
ENGINE-knop
115
Contactslot
81
89, 94, 208,
237
Display voor
infotainment en
menufuncties
211, 249, 249
Menu- en meldingsfuncties,
richtingaanwijzers, groot licht/
dimlicht, boordcomputer
Openingshandgreep portier
–
Stuurwielafstelling
88
Bedieningspaneel
58, 63, 103, 105
Ontgrendeling
motorkap
344
Alarmlichten
94
03
Informatiedisplays
Informatiedisplay, analoog instrument.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
71
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
Meters en wijzers, analoog instrument
Meters en wijzers, digitaal instrument
Voor het digitale instrumentenpaneel kunnen
verschillende thema's worden gekozen. Mogelijke thema's zijn Elegance, Eco en
Performance.
Druk om van thema te wisselen op de OK-knop
op de linker stuurhendel en kies hierna de
menu-optie Thema's met het duimwiel van de
hendel. Bevestig de keuze met een druk op de
OK-knop. Zie voor meer informatie over de
menufuncties zie pagina 208.
03
Informatiedisplays, digitaal instrument.
Op de informatiedisplays van het instrumentenpaneel verschijnt informatie over bepaalde
functies van de auto zoals de cruisecontrol,
boordcomputer en meldingen. De informatie
verschijnt in tekstvorm en met symbolen.
Brandstofmeter. Zie ook boordcomputer
(pagina 237) en tanken (pagina 301).
Gedetailleerder informatie vindt u onder de
functies die gebruik maken van de informatiedisplays.
Toerenteller. De meter geeft het motortoerental in duizenden omwentelingen per
minuut aan.
EcoGuide. Zie ook pagina 126.
Snelheidsmeter
Schakelindicator1/Schakelstandindicator2. Zie ook pagina 298.
1
2
72
Handgeschakelde versnellingsbak
Automatische versnellingsbak
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
03
Meters en wijzers, thema Elegance.
3
4
Meters en wijzers, thema Eco.
Meters en wijzers, thema Performance.
Brandstofmeter. Zie ook boordcomputer
(pagina 237) en tanken (pagina 301).
Brandstofmeter. Zie ook boordcomputer
(pagina 237) en tanken (pagina 301).
Brandstofmeter. Zie ook boordcomputer
(pagina 237) en tanken (pagina 301).
Temperatuurmeter koelvloeistof motor
EcoGuide. Zie ook pagina 126.
Temperatuurmeter koelvloeistof motor
Snelheidsmeter
Snelheidsmeter
Snelheidsmeter
Toerenteller. De meter geeft het motortoerental in duizenden omwentelingen per
minuut aan.
Toerenteller. De meter geeft het motortoerental in duizenden omwentelingen per
minuut aan.
Toerenteller. De meter geeft het motortoerental in duizenden omwentelingen per
minuut aan.
Schakelindicator3 /Schakelstandindicator4. Zie ook pagina 298.
Schakelindicator3 /Schakelstandindicator4. Zie ook pagina 298.
PowerMeter. Zie ook pagina 126.
Schakelindicator3/Schakelstandindicator4. Zie ook pagina 298.
Handgeschakelde versnellingsbak
Automatische versnellingsbak
``
73
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingssymbolen
symbool voor storingen in het uitlaatgasreinigingssysteem en dat voor een lage oliedruk.
Controlelampjes
Symbool
Betekenis
Storing in ABL
03
Uitlaatgasreinigingssysteem
Storing in ABS
Controle- en waarschuwingssymbolen, analoog
instrument.
Controle- en waarschuwingssymbolen, digitaal
instrument.
Controlelampjes
Controle- en waarschuwingssymbolen
Controle- en waarschuwingssymbolen
Waarschuwingslampjes5
Waarschuwingslampjes 5
Als de motor niet start of als de functietest
wordt uitgevoerd in sleutelstand II, gaan binnen 5 seconden alle symbolen uit behalve het
74
Stabiliteitsregeling
Stabiliteitsregeling, Sportstand
Functietest
Alle controle- en waarschuwingssymbolen
gaan branden in sleutelstand II of wanneer u
de motor start. Alle symbolen moeten weer uitgaan als de motor is aangeslagen, behalve het
symbool voor de parkeerrem. Dit gaat pas uit,
als de auto van de parkeerrem wordt gehaald.
5
Mistachterlicht aan
Controlelampjes
Bij bepaalde motortypes is het symbool voor een lage oliedruk niet in gebruik. Er verschijnt in plaats daarvan een displaymelding, zie pagina 345.
Voorgloeifunctie motor (diesel)
Laag peil in brandstoftank
Informatie, lees displaymelding
Groot licht aan
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
Symbool
Betekenis
troleren. Volvo adviseert dat u daarvoor
een erkende Volvo-werkplaats bezoekt.
Richtingaanwijzers links
Mistachterlicht aan
Richtingaanwijzers rechts
Dit symbool brandt wanneer u het mistachterlicht hebt ingeschakeld. Het mistachterlicht
bestaat uit twee lampen.
DRIVe - Start/Stop-, motor is
automatisch afgezet, zie
pagina 128
Storing in ABL
Het symbool brandt, als er een storing is opgetreden in het ABL-systeem (Active Bending
Lights).
Stabiliteitsregeling
Het knipperende symbool geeft aan dat de stabiliteitsregeling werkt. Als het symbool continu
brandt is er sprake van een storing in het systeem.
Stabiliteitsregeling, Sport-stand
Bij een storing in het uitlaatgasreinigingssysteem kan het symbool gaan branden. Rijd voor
een controle naar een werkplaats. Volvo adviseert dat u daarvoor een erkende Volvo-werkplaats bezoekt.
De Sport-stand maakt een actievere rijervaring
mogelijk. Het systeem registreert dan of de
gaspedaal- en stuurwielbediening alsook het
bochtenwerk aan te merken zijn als actiever
dan normaal, waarna het systeem toestaat dat
de achtertrein een gecontroleerde vorm van
slippen vertoont voordat het ingrijpt en de auto
stabiliseert.
Storing in ABS
Voorgloeifunctie motor (diesel)
Uitlaatgasreinigingssysteem
Informatie, lees displaymelding
Als er een afwijking is in een van de systemen
in de auto, gaat het informatiesymbool branden en verschijnt er een melding op het display. U verwijdert de melding met behulp van
de knop OK, zie pagina 208. Dit gebeurt automatisch als u enige tijd niets doet (hoe lang
hangt van de bewuste functie af). Het informatiesymbool kan ook gaan branden in combinatie met andere symbolen.
N.B.
Als de servicemelding verschijnt kunt u het
symbool en de melding met behulp van de
OK-knop doven. Na een tijdje doven ze ook
automatisch.
Groot licht aan
Het symbool brandt, wanneer u het groot licht
voert of grootlichtsignalen geeft.
Richtingaanwijzers links/rechts
Als het symbool brandt, is het systeem defect.
Het normale remsysteem van de auto werkt
dan nog wel, zij het zonder ABS-regeling.
Het symbool gaat branden wanneer de motor
wordt voorverwarmd. Voorverwarmen gebeurt
meestal bij een lage temperatuur.
Beide richtingaanwijzersymbolen knipperen bij
gebruik van de alarmlichten.
1. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en zet de motor af.
Laag peil in brandstoftank
Het symbool brandt als de motor automatisch
is afgezet.
2. Start de motor opnieuw.
Wanneer het symbool gaat branden is het
brandstofpeil te laag. Tank dan zo spoedig
mogelijk.
03
DRIVe – Start/Stop
3. Als het symbool blijft branden, rijd dan naar
een werkplaats om het ABS te laten con-
75
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
Waarschuwingslampjes
Symbool
Betekenis
Lage oliedrukA
Parkeerrem aangezet
03
Parkeerrem aangezet, alternatief symbool
Airbags (SRS)
Gordelwaarschuwing
Dynamo laadt niet
bij
Storing in remsysteem
Waarschuwing
A
Bij bepaalde motortypes is het symbool voor een lage oliedruk niet in gebruik. Er verschijnt in plaats daarvan een displaymelding (zie pagina 345 en 347).
Lage oliedruk
Als het symbool tijdens het rijden oplicht, is de
druk van de motorolie te laag. Zet de motor
onmiddellijk af en controleer het motoroliepeil.
76
Vul zo nodig olie bij. Als het symbool oplicht
terwijl het oliepeil in orde is, moet u contact
opnemen met een werkplaats. Volvo adviseert
dat u daarvoor een erkende Volvo-werkplaats
bezoekt.
Storing in remsysteem
Parkeerrem aangezet
Als de waarschuwingssymbolen voor het remsysteem en ABS tegelijkertijd branden, kan er
een storing in de remkrachtverdeling zijn opgetreden.
Het symbool brandt continu, wanneer u de parkeerrem hebt aangezet. Het symbool brandt
tijdens het aanzetten. Voor meer informatie, zie
pagina 136.
Airbags (SRS)
Als het symbool tijdens het rijden oplicht of
blijft branden, is er een storing geregistreerd in
de gordelsluiting of in het SRS-, SIPS- of ICsysteem. Rijd de auto zo spoedig mogelijk naar
een werkplaats om het systeem te laten controleren. Volvo adviseert dat u daarvoor een
erkende Volvo-werkplaats bezoekt.
Gordelwaarschuwing
Het symbool brandt als de bestuurder of de
voorpassagier geen veiligheidsgordel draagt of
als iemand op de achterbank de gordel heeft
losgenomen.
Dynamo laadt niet bij
Het symbool gaat tijdens het rijden branden,
als er sprake is van een storing in het elektrisch
systeem. Bezoek een werkplaats. Volvo adviseert dat u daarvoor een erkende Volvo-werkplaats bezoekt.
Als het symbool oplicht, is het remvloeistofpeil
mogelijk te laag. Breng de auto op een veilige
plaats tot stilstand en controleer het peil in het
remvloeistofreservoir, zie pagina 349.
1. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en zet de motor af.
2. Start de motor opnieuw.
• Rijd verder als beide symbolen uitgaan.
• Als de symbolen echter blijven branden,
moet u het peil in het remvloeistofreservoir controleren, zie pagina 349. Als de
symbolen blijven branden ondanks dat
het peil van de remvloeistof in orde is,
moet u de auto uiterst voorzichtig naar
een werkplaats rijden om het remsysteem te laten controleren. Volvo adviseert dat u daarvoor een erkende Volvowerkplaats bezoekt.
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
WAARSCHUWING
Als de remvloeistof onder het MIN-niveau in
het remvloeistofreservoir ligt, mag u pas
verder rijden als de remvloeistof is bijgevuld.
Het remvloeistofverlies moet door een
werkplaats worden gecontroleerd. Volvo
adviseert u daarvoor contact op te nemen
met een erkende Volvo-werkplaats.
Actie:
Dagtellers
1. Stop zo spoedig mogelijk. Rijd niet verder
met de auto.
2. Lees de informatie op het informatiedisplay. Voer de handeling uit die de melding
op het display u voorschrijft. Wis de melding met de knop OK.
03
Waarschuwing, portieren niet gesloten
WAARSCHUWING
Als de rem- en ABS-symbolen tegelijkertijd
branden, bestaat de kans dat de achtertrein
bij krachtig afremmen slipt.
Waarschuwing
Het rode waarschuwingssymbool gaat branden, wanneer er een storing is geregistreerd
die van invloed kan zijn op de veiligheid en/of
de rijeigenschappen van de auto. Er verschijnt
tegelijkertijd een verklarende melding op het
informatiedisplay. Het waarschuwingssymbool blijft branden totdat de storing is verholpen, maar de melding kunt u verwijderen met
de knop OK, zie pagina 208. Het waarschuwingssymbool kan ook gaan branden in combinatie met andere symbolen.
6
7
Als een van de portieren, de motorkap6 of de
achterklep niet goed afgesloten is, gaat het
informatie- of waarschuwingssymbool branden en verschijnt er een verklarende melding
op het instrumentenpaneel. Breng de auto zo
spoedig mogelijk tot stilstand en sluit het portier, het kofferdeksel of de motorkap dat/die
open is.
Als de auto met een snelheid van maximaal 7 km/h rijdt, gaat het informatiesymbool branden.
Als de auto met een snelheid van maximaal 7 km/h rijdt, gaat het waarschuwingssymbool branden.
Dagtellers.
Display voor dagtellers7
De beide dagtellers T1 en T2 worden gebruikt
voor het meten van kortere ritten. De afgelegde
afstand staat op het display.
Draai aan het duimwiel van de linker stuurhendel om de gewenste meter te tonen.
Met een lange druk (meer dan 1 seconde) op
de RESET-knop op de linker stuurhendel
wordt de getoonde dagteller gereset. Als er
langer wordt gedrukt (4 seconden), wordt de
boordcomputer gereset indien de auto is voorzien van een digitaal instrument. Voor meer
informatie, zie pagina 237.
Alleen auto’s met alarm*.
Het uiterlijk van het display kan afhankelijk van de variant variëren.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
77
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
Klok
RSI*
De RSI-functie (Road Sign Identification) helpt
de bestuurder om verkeersborden waar te
nemen met informatie over o.a. actuele snelheid, begin of eind van een autoweg of snelweg
en inhaalverboden. Zie voor gedetailleerde
informatie over RSI zie pagina 145.
03
Combined Instrument Panel Software
Klok, digitaal instrument.
"Combined Instrument Panel Software:
Portions of this software are copyright š 2.4.3
The FreeTypeProject (www.freetype.org). All
rights reserved."
Display voor de tijdaanduiding8
Klok instellen
De klok kan worden ingesteld in de menugroep
MY CAR, zie voor meer informatie zie
pagina 211.
8
78
Bij een analoog instrument wordt de tijd midden op het instrument weergegeven.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
03 Bestuurdersmilieu
Volvo Sensus
Algemeen
beeldscherm van de middenconsole. Volvo
Sensus biedt de mogelijkheid tot personalisering van de auto met een eenvoudig te hanteren bedieningsinterface. Er zijn instellingen te
verrichten onder Instellingen van de auto, Infotainment, Klimaat e.d.
Met de knoppen en bedieningselementen op
de middenconsole en het rechter toetsenblok* op het stuurwiel kunt u functies activeren
en deactiveren en tal van instellingen verrichten.
Bedieningspaneel op middenconsole
Navigatie* - NAV, zie desbetreffend
instructieboekje (Road and Traffic Information System - RTI).
Infotainment (RADIO, MEDIA, TEL*), zie
pagina 249.
Instellingen van de auto - MY CAR, zie
pagina 211.
Klimaatregeling, zie pagina 220.
Park Assist-camera - CAM*, zie
pagina 192.
Volvo Sensus is te beschouwen als besturingssysteem van uw auto, het middelpunt van uw
persoonlijke Volvo-beleving. Volvo Sensus
presenteert tal van functies van uiteenlopende
autosystemen op overzichtelijke wijze op het
Bij het bedienen van MY CAR worden alle
instellingen getoond die verband houden met
het besturen en bedienen van de auto, zoals
City Safety, sloten en alarm, instellen van de
klok e.d.
Bij het indrukken van RADIO, MEDIA, TEL*,
NAV* en CAM* kunt u andere bronnen, systemen en functies activeren, zoals AM, FM1, CD,
DVD*, TV*, Bluetooth*, navigatie* en Park
Assist-camera*.
Zie voor meer informatie over alle functies/systemen het desbetreffende hoofdstuk in het
instructieboekje.
Sensus software
This software uses parts of sources from clib2
and Prex Embedded Real-time OS - Source
(Copyright (c) 1982, 1986, 1991, 1993, 1994),
and Quercus Robusta (Copyright (c) 1990,
1993), The Regents of the University of
California. All rights reserved. (c) UNIX System
Laboratories, Inc. All or some portions are
derived from material licensed to the University
of California by American Telephone and
Telegraph Co. or Unix System Laboratories,
Inc. and are reproduced herein with the
permission of UNIX System Laboratories, Inc.
Redistribution and use in source and binary
forms, with or without modification, are
permitted provided that the following
conditions are met: Redistributions of source
code must retain the above copyright notice,
this list of conditions and the following
disclaimer. Redistributions in binary form must
reproduce the above copyright notice, this list
of conditions and the following disclaimer in
the documentation and/or other materials
provided with the distribution. Neither the
name of the <ORGANIZATION> nor the names
of its contributors may be used to endorse or
promote products derived from this software
without specific prior written permission. THIS
SOFTWARE IS PROVIDED BY THE
COPYRIGHT HOLDERS AND
CONTRIBUTORS "AS IS" AND ANY EXPRESS
03
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
79
03 Bestuurdersmilieu
Volvo Sensus
03
OR IMPLIED WARRANTIES, INCLUDING, BUT
NOT LIMITED TO, THE IMPLIED
WARRANTIES OF MERCHANTABILITY AND
FITNESS FOR A PARTICULAR PURPOSE ARE
DISCLAIMED. IN NO EVENT SHALL THE
COPYRIGHT OWNER OR CONTRIBUTORS
BE LIABLE FOR ANY DIRECT, INDIRECT,
INCIDENTAL, SPECIAL, EXEMPLARY, OR
CONSEQUENTIAL DAMAGES (INCLUDING,
BUT NOT LIMITED TO, PROCUREMENT OF
SUBSTITUTE GOODS OR SERVICES; LOSS
OF USE, DATA, OR PROFITS; OR BUSINESS
INTERRUPTION) HOWEVER CAUSED AND
ON ANY THEORY OF LIABILITY, WHETHER IN
CONTRACT, STRICT LIABILITY, OR TORT
(INCLUDING NEGLIGENCE OR OTHERWISE)
ARISING IN ANY WAY OUT OF THE USE OF
THIS SOFTWARE, EVEN IF ADVISED OF THE
POSSIBILITY OF SUCH DAMAGE.
This software is based in part on the work of
the Independent JPEG Group.
This software uses parts of sources from
"libtess". The Original Code is: OpenGL
Sample Implementation, Version 1.2.1,
released January 26, 2000, developed by
Silicon Graphics, Inc. The Original Code is
Copyright (c) 1991-2000 Silicon Graphics, Inc.
Copyright in any portions created by third
parties is as indicated elsewhere herein. All
Rights Reserved. Copyright (C) [1991-2000]
Silicon Graphics, Inc. All Rights Reserved.
80
Permission is hereby granted, free of charge,
to any person obtaining a copy of this software
and associated documentation files (the
"Software"), to deal in the Software without
restriction, including without limitation the
rights to use, copy, modify, merge, publish,
distribute, sublicense, and/or sell copies of the
Software, and to permit persons to whom the
Software is furnished to do so, subject to the
following conditions: The above copyright
notice including the dates of first publication
and either this permission notice or a reference
to http://oss.sgi.com/projects/FreeB/ shall be
included in all copies or substantial portions of
the Software. THE SOFTWARE IS PROVIDED
"AS IS", WITHOUT WARRANTY OF ANY KIND,
EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
LIMITED TO THE WARRANTIES OF
MERCHANTABILITY, FITNESS FOR A
PARTICULAR PURPOSE AND
NONINFRINGEMENT. IN NO EVENT SHALL
SILICON GRAPHICS, INC. BE LIABLE FOR
ANY CLAIM, DAMAGES OR OTHER
LIABILITY, WHETHER IN AN ACTION OF
CONTRACT, TORT OR OTHERWISE, ARISING
FROM, OUT OF OR IN CONNECTION WITH
THE SOFTWARE OR THE USE OR OTHER
DEALINGS IN THE SOFTWARE. Except as
contained in this notice, the name of Silicon
Graphics, Inc. shall not be used in advertising
or otherwise to promote the sale, use or other
dealings in this Software without prior written
authorization from Silicon Graphics, Inc.
This software is based in parts on the work of
the FreeType Team.
This software uses parts of SSLeay Library:
Copyright (C) 1995-1998 Eric Young
(eay@cryptsoft.com). All rights reserved
03 Bestuurdersmilieu
Sleutelstanden
Transpondersleutel aanbrengen en
verwijderen
BELANGRIJK
Vreemde voorwerpen in het contactslot
kunnen tot functiestoringen leiden of
schade aan het slot toebrengen.
Nivea
u
0
De transpondersleutel niet verkeerd om
insteken – pak de sleutel beet aan het uiteinde met het afneembare sleutelblad. zie
pagina 49.
N.B.
Bij auto’s met Keyless*-functie hoeft de
sleutel niet in het contactslot te worden
gestoken, maar kan deze bijvoorbeeld in
een binnenzak worden bewaard. Voor meer
informatie over Keyless-functies, zie
pagina 53.
Sleutel aanbrengen
Functies bij verschillende niveaus
Om het gebruik van een beperkt aantal functies
bij uitgezette motor mogelijk te maken, kan het
elektrisch systeem van de auto met de transpondersleutel in 3 verschillende niveaus (sleutelstanden) worden gezet - 0, I en II. In dit
instructieboekje worden deze niveaus, of
"sleutelstanden", uitgebreid beschreven.
03
Het audiosysteem kan beperkte
tijd worden gebruikt – zie
pagina 248.
• Pak de transpondersleutel beet en trek
Contactslot met transpondersleutel uitgetrokken/
ingeduwd.
Kilometerteller, klok en temperatuurmeter worden verlicht.
Elektrisch bedienbare stoelen
kunnen worden bediend.
Sleutel verwijderen
deze uit het contactslot.
Functies
I
Zonnescherm voor glazen dak,
elektrisch bedienbare ramen, 12
V-contact in passagiersruimte,
RTI, telefoon, interieurventilator
en ruitenwisser kunnen worden
gebruikt.
De volgende tabel geeft aan welke functies
beschikbaar zijn in de verschillende sleutelstanden/niveaus.
1. Houd de transpondersleutel beet aan de
kant van het afneembare sleutelblad en
plaats de sleutel in het contactslot.
2. Duw de sleutel vervolgens tot aan de aanslag in het slot.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
81
03 Bestuurdersmilieu
Sleutelstanden
Nivea
u
II
Functies
De koplampen worden ontstoken.
Waarschuwings-/controlelampjes branden 5 seconden lang.
03
Meerdere andere systemen worden geactiveerd. De stoelverwarming en achterruitverwarming
kunnen echter pas na het starten
van de motor worden geactiveerd.
- Deze sleutelstand vraag veel
stroom van de startaccu en
moet daarom worden vermeden!
N.B.
Om niveau I of II te realiseren zonder dat de
motor wordt gestart, trapt u niet het rem-/
koppelingspedaal in als u deze sleutelstanden wilt selecteren.
Sleutelstand II
• Met de transpondersleutel volledig in het
contactslot geduwd1 – druk lang2 op
START/STOP ENGINE.
Terug naar sleutelstand 0
• Om terug te gaan naar sleutelstand 0 vanuit stand II en I – druk kort op START/
STOP ENGINE.
Audiosysteem
Zie voor informatie over de functie van het
audiosysteem bij een uitgenomen transpondersleutel zie pagina 248.
Sleutelstand/niveau kiezen
Sleutelstand 0
•
Ontgrendel de auto – nu heeft het elektrisch systeem van de auto niveau 0.
Zie voor informatie over het starten/afzetten
van de motor zie pagina 115.
Sleutelstand I
Slepen
• Met de transpondersleutel volledig in het
Zie voor belangrijke informatie over de transpondersleutel bij het slepen zie pagina 320.
contactslot geduwd1 – Druk kort op
START/STOP ENGINE.
1
2
82
Motor starten en afzetten
Niet nodig voor auto's met Keyless*-functie.
Ca. 2 seconden.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
03 Bestuurdersmilieu
Stoelen en achterbank
Voorstoelen
WAARSCHUWING
De stand van de bestuurdersstoel instellen
voordat u gaat rijden en nooit tijdens het rijden. Controleer of de stoel vergrendeld
staat om letsel te voorkomen bij hard afremmen of een aanrijding.
De hoofdsteun kan in drie verschillende standen worden afgesteld.
Rugleuning voorstoel omklappen
03
Hoofdsteun op voorstoelen afstellen
Lendensteun* wijzigen, aan de knop1
draaien.
Vooruit/achteruit, de hendel omhoogtillen
om de juiste afstand tot het stuurwiel en de
pedalen in te stellen. Controleer of de stoel
na het afstellen in de nieuwe stand geblokkeerd staat.
Voorkant zitting hoger/lager* zetten,
omhoog-/omlaagpompen.
Hellingshoek rugleuning wijzigen, aan de
knop draaien.
Stoel* hoger/lager zetten, omhoog-/
omlaagpompen.
Bedieningspaneel voor elektrisch bedienbare stoel*.
1
De rugleuning van de passagiersstoel kan worden omgeklapt om ruimte te maken voor lange
lading.
De hoogte van de hoofdsteun op de voorstoelen
kan worden afgesteld.
Stem de hoofdsteun af op de lengte van de
persoon, zodat deze zo mogelijk het hele achterhoofd bedekt.
Om de hoogte af te stellen, moet u de knop (zie
afbeelding) indrukken terwijl u de hoofdsteun
omhoog of omlaag afstelt.
Zet de stoel zo ver mogelijk naar achteren
en omlaag.
Zet de rugleuning rechtop.
Trek de pallen aan de achterzijde van de
rugleuning omhoog tijdens het omklappen.
4. Duw de stoel zo ver naar voren dat de
hoofdsteun onder het dashboardkastje
“vast” komt te zitten.
Geldt ook voor een elektrisch bedienbare stoel.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
83
03 Bestuurdersmilieu
Stoelen en achterbank
Houd voor het rechtop zetten de omgekeerde
volgorde aan.
Elektrisch bedienbare stoel*
Tot enige tijd nadat u het portier met de transpondersleutel hebt ontgrendeld blijft het
mogelijk de stoel te verstellen, ook al steekt er
geen sleutel in het contactslot. U verstelt de
stoel normaal gesproken in sleutelstand I.
Wanneer de motor loopt, is dat altijd mogelijk.
WAARSCHUWING
03
Voorbereidingen
Maak geen gebruik van de zitplaats achter
de voorstoel of de middelste zitplaats achterin, wanneer u de rugleuning van de voorstoel hebt neergeklapt.
Stoel met geheugenfunctie*
WAARSCHUWING
Pak het ruggedeelte nadat u het rechtop
gezet hebt beet en controleer of het stevig
vergrendeld staat om letsel te voorkomen
bij hard afremmen of een aanrijding.
Voorkant zitting omhoog/omlaag
Stoel vooruit/achteruit en omhoog/omlaag
Hellingshoek rugleuning
De elektrisch bedienbare stoelen zijn voorzien
van een beveiliging tegen overbelasting, die
geactiveerd wordt als een van de stoelen door
een obstakel wordt geblokkeerd. Als dit het
geval is, moet u de sleutel in stand I of 0 zetten
en enige tijd wachten voordat u de stoel
opnieuw probeert te verstellen.
U kunt slechts één verstelfunctie van de stoel
tegelijk activeren (vooruit/achteruit/omhoog/
omlaag).
Instelling vastleggen
Geheugenknop
Geheugenknop
Geheugenknop
Knop voor vastlegging van de instelling
1. Stel de stoel en de buitenspiegels in.
84
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
03 Bestuurdersmilieu
Stoelen en achterbank
2. Houd de knop voor vastlegging van de
instelling ingedrukt, terwijl u op de geheugenknop van uw keuze drukt.
Stoel in vastgelegde stand zetten
Houd een van de geheugenknoppen ingedrukt,
totdat de stoel en de buitenspiegels tot stilstand komen. Bij het loslaten van de knop zal
de instelling van de stoel onmiddellijk worden
beëindigd.
Geheugen* van transpondersleutel2
• Stel de stoel naar wens in.
• Vergrendel de auto zoals gebruikelijk door
de ontgrendelingsknop op de transpondersleutel te bedienen. Het bestuurdersportier
dient daarbij open te staan.
de vergrendelknop op de transpondersleutel in te drukken. Daarmee ligt de stoelpositie opgeslagen in het geheugen van de
transpondersleutel4.
WAARSCHUWING
Beknellingsgevaar! Zorg ervoor dat kinderen niet met de bediening spelen. Controleer of er bij het instellen geen voorwerpen
voor, achter of onder de stoel liggen. Controleer of geen van de passagiers op de
achterbank bekneld kan raken.
• Ontgrendel de auto (door op de ontgrendelknop op dezelfde transpondersleutel te
drukken) en open het bestuurdersportier.
De bestuurdersstoel neemt automatisch
de positie in die in het geheugen van de
transpondersleutel is opgeslagen (als de
stand van de stoel na vergrendeling van de
auto werd gewijzigd).
03
Stoelen met elektrische verwarming
Voor stoelen met elektrische verwarming, zie
pagina 225.
U kunt het sleutelgeheugen activeren/deactiveren in het menusysteem MY CAR onder
Instellingen Auto-instellingen
Sleutelgeheugen. Voor een beschrijving van
het menusysteem, zie pagina 211.
Noodstop
In alle transpondersleutels kunnen de instellingen voor de bestuurdersstoel en de buitenspiegels3 voor verschillende bestuurders worden opgeslagen. Ga als volgt te werk:
2
3
4
Als de stoel per ongeluk in beweging komt,
kunt u op een van de instellingsknoppen of
geheugenknoppen van de stoel drukken om de
stoel tot stilstand te brengen.
Om de stoel dan opnieuw in de in het sleutelgeheugen vastgelegde stand te zetten dient u
Zie voor het sleutelgeheugen bij de Keyless-functie zie pagina 55.
Alleen als de auto is uitgerust met elektrisch bedienbare bestuurdersstoel met geheugen en elektrisch inklapbare buitenspiegels.
Deze instelling is niet van invloed op de instellingen die zijn opgeslagen met de geheugenfunctie voor de elektrisch bediende stoel.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
85
03 Bestuurdersmilieu
Stoelen en achterbank
Achterbank
Middelste hoofdsteun achterbank
Buitenste hoofdsteunen achterbank
handmatig omklappen
Ruggedeelte achterbank omklappen
BELANGRIJK
Als de rugleuning moet worden neergeklapt,
mogen de bekerhouders van de achterbank
niet open zijn en mogen er geen voorwerpen
op de achterbank liggen. De veiligheidsgordels mogen evenmin zijn ingestoken.
Schade aan de bekleding van de achterbank is anders namelijk niet uitgesloten.
03
De twee ruggedeelten zijn op verschillende
manieren neer te klappen.
Stem de hoofdsteun af op de lengte van de
passagier zodat deze zo mogelijk het hele achterhoofd bedekt. Trek de hoofdsteun zo ver
omhoog als nodig is.
Als u de hoofdsteun lager wilt zetten, moet u
de knop (zie afbeelding) indrukken terwijl u de
hoofdsteun voorzichtig omlaagduwt.
De hoofdsteun kan in vijf verschillende standen
worden afgesteld.
N.B.
Ga niet op de middelste zitplaats van de
achterbank zitten, wanneer de hoofdsteun
volledig neergeklapt is.
86
Trek aan de pal bij de hoofdsteun om de hoofdsteun om te klappen.
De hoofdsteun wordt met de hand teruggezet.
N.B.
Zet de voorstoelen zo nodig naar voren en/
of de rugleuningen ervan rechtop, zodat u
de ruggedeelten van de achterbank helemaal kunt neerklappen.
WAARSCHUWING
De hoofdsteunen moeten na het rechtop
zetten in de vergrendelde stand staan.
• Beide delen kunnen apart worden neergeklapt.
• Voor het omklappen van de complete rugleuning dienen de verschillende gedeelten
ieder apart omgeklapt te worden.
03 Bestuurdersmilieu
Stoelen en achterbank
N.B.
Duw bij het neerklappen van de ruggedeelten de hoofdsteunen naar voren om te voorkomen dat ze in contact komen met het zitgedeelte.
Houd voor het rechtop zetten de omgekeerde
volgorde aan.
03
N.B.
Als de rugleuning is teruggeklapt, mag de
rode indicatie niet langer zichtbaar zijn. Als
deze toch zichtbaar is, is de rugleuning niet
vergrendeld.
WAARSCHUWING
Bij het omklappen van het rechter ruggedeelte moet u de hoofdsteun van de middelste zitplaat vrijgeven en omlaag zetten,
zie pagina 86.
Controleer of de rugleuningen en hoofdsteunen van de achterbank na het rechtop
zetten goed vergrendeld zijn.
De buitenste hoofdsteunen worden automatisch neergeklapt wanneer u de ruggedeelten omklapt. Trek de blokkeerhandgreep
van het ruggedeelte omhoog en
klap het ruggedeelte om. Een rode markering bij de pal
geeft aan dat het ruggedeelte niet langer geblokkeerd staat.
87
03 Bestuurdersmilieu
Stuurwiel
Instellen
WAARSCHUWING
Claxon
Stel het stuurwiel vóór vertrek in en zet deze
vast.
Bij auto’s met snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging* is de vereiste stuurkracht in te stellen, zie pagina 241.
03
Toetsensets*
Stuurwiel afstellen.
Claxon.
Ontgrendelingshendel, stuurwielafstelling
Druk op het midden van het stuurwiel om te
claxonneren.
Mogelijke stuurwielstanden
U kunt het stuurwiel zowel in de hoogte als in
de diepte verstellen:
1. Beweeg de hendel naar voren om het
stuurwiel te ontkoppelen.
2. Zet het stuurwiel vervolgens in de gewenste stand.
3. Trek de hendel naar achteren om het stuurwiel in de nieuwe stand te blokkeren. Als
dit moeite kost, kunt u lichtjes op het stuurwiel drukken en tegelijkertijd de hendel
terugduwen.
88
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Toetsensets op stuurwiel.
Cruisecontrol, zie pagina 149
Adaptieve cruisecontrol, zie pagina 151
Audio- en telefoonfuncties, zie
pagina 249.
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
Bedieningspaneel verlichting
De displayverlichting wordt bij donker automatisch gedimd. De gevoeligheidsgraad van deze
functie is in te stellen met het duimwiel.
Groot licht/dimlicht
Ook de sterkte waarmee het instrumentenpaneel verlicht wordt stelt u in met het duimwiel.
Koplamphoogteregeling
03
Door de belading van de auto wordt de hoogte
van de koplampen gewijzigd, zodat u tegemoetkomend verkeer mogelijk verblindt. U
kunt dat voorkomen door de koplamphoogte
bij te stellen. Stel de koplampen lager af als de
auto zwaar beladen is.
Overzicht bedieningspaneel verlichting.
Duimwiel voor het afstellen van de displayen instrumentenverlichting, de plafondverlichting, de sfeerverlichting en de verlichting in de opbergvakken van de voorportieren*
Mistachterlicht
Bedieningspaneel verlichting
Duimwiel1 voor koplamphoogteregeling
Instrumentenverlichting
Afhankelijk van de sleutelstand worden
bepaalde displays en instrumenten verlicht, zie
pagina 81.
1
1. Laat de motor draaien of zet het elektrisch
systeem van de auto in de sleutelstand I.
2. Draai het duimwiel omhoog of omlaag om
de koplampen hoger of lager af te stellen.
Auto’s met actieve xenonkoplampen* zijn uitgerust met automatische koplamphoogteregeling, zodat het duimwiel ontbreekt.
Verlichtingsdraaiknop en stuurhendel.
Stand voor grootlichtsignalen
Stand voor groot licht
Stand
Betekenis
Dagrijlicht
Grootlichtsignaal is mogelijk in
deze stand.
Dagrijlicht als de auto rijdt. Automatisch overschakelen naar parkeerlicht als de auto wordt geparkeerd.
Niet aanwezig bij auto’s met actieve xenonkoplampen*.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
89
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
Stand
03
Betekenis
Dagrijlicht tijdens ritten overdag.
Automatisch overschakelen naar
het dimlicht bij slechte weersomstandigheden en wanneer de ruitenwisser of het mistachterlicht is
geactiveerd.
Het groot licht brandt totdat u de hendel loslaat.
Dagrijlicht DRL
WAARSCHUWING
Dit is een stroombesparingsfunctie die niet
in alle gevallen kan bepalen wanneer de
omgevingsverlichting voldoende of onvoldoende is bij mist en regen bijvoorbeeld.
De functie ‘Tunneldetectie’*
schakelt in slechte lichtomstandigheden het dimlicht in.
De functie ‘Actief groot licht’* is te
gebruiken.
Grootlichtsignaal is mogelijk in
deze stand.
Dimlicht
Grootlicht kan worden geactiveerd.
Grootlichtsignaal is mogelijk in
deze stand.
Volvo adviseert u de stand
te gebruiken
zolang de verkeerssituatie of de weersgesteldheid niet ongunstig zijn voor ‘Actief groot
licht’*.
N.B.
Om het stroomverbruik zoveel mogelijk te
beperken worden ook de achterlichten
gedoofd bij automatische overschakeling
van dimlicht op dagrijlicht (DRL).
Als bestuurder bent u verplicht om de verlichting van de auto altijd af te stemmen op
de heersende omstandigheden en de geldende verkeerswetgeving.
Verlichtingsdraaiknop in stand AUTO.
Met de verlichtingsdraaiknop in de stand
wordt het dagrijlicht (Daytime Running
Lights - DRL) overdag automatisch geactiveerd. Een lichtsensor zorgt ervoor dat er bij
schemering of onvoldoende daglicht wordt
overgeschakeld van het dagrijlicht op het dimlicht. Omschakelen naar dimlicht gaat ook
automatisch als de ruitenwissers of het mistachterlicht zijn geactiveerd.
Dimlicht
In de stand
wordt het dimlicht automatisch geactiveerd als het gaat schemeren of bij
donker weer. Het dimlicht wordt ook automatisch geactiveerd als de ruitenwissers of het
mistachterlicht zijn geactiveerd.
is het dimlicht altijd geactiIn de stand
veerd als de motor loopt of als de sleutelstand
II actief is.
Groot licht
Grootlichtsignalen
Trek de stuurhendel voorzichtig tot in de stand
voor grootlichtsignalen naar het stuurwiel toe.
90
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Het grootlicht kan worden geactiveerd met de
.
verlichtingsdraaiknop in de stand
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
Schakel het groot licht in of uit door de stuurhendel tot in de eindstand naar het stuurwiel te
halen en vervolgens los te laten. Het groot licht
is eveneens uit te schakelen door de stuurhendel lichtjes in de richting van het stuurwiel te
duwen.
In auto's met een analoog instrumentenpaneel:
Als AHB geactiveerd is, brandt het lampje
op het display van het instrument.
Wanneer het groot licht ontstoken is, brandt
op het instrument.
ook het lampje
Wanneer het groot licht ontstoken is, brandt
op het instrumentenpahet symbool
neel.
In auto's met een digitaal instrumentenpaneel:
Actief groot licht - AHB*
Als AHB geactiveerd is, brandt het lampje
Actief groot licht (Active High Beam – AHB) is
een functie waarbij met behulp van een camerasensor in de bovenrand van de voorruit de
koplampen van een tegenligger of de achterlichten van een voorligger worden ontdekt en
wordt overgeschakeld van groot licht naar dimlicht. De verlichting schakelt enkele seconden
nadat dergelijk invallend licht niet meer wordt
waargenomen weer over naar grootlicht.
Verlichtingsdraaiknop in stand AUTO.
Schakel het AHB in of uit door de linker stuurhendel tot in de eindstand naar het stuurwiel te
halen en vervolgens los te laten. Na het deactiveren van het grootlicht wordt direct overgeschakeld naar dimlicht.
03
op het display van het instrument wit.
Als het grootlicht ontstoken is, brandt het
lampje blauw.
N.B.
Houd de voorruit in het gebied vóór de
camerasensor vrij van ijs, sneeuw, condens
en vuil.
Plak of monteer niets op de voorruit vóór de
camerasensor, aangezien één of meer
camera's voor het systeem hierdoor slechter of niet meer werken.
De functie kan worden geactiveerd met de ver. Om de
lichtingsdraaiknop in de stand
functie te kunnen activeren, moet de motor
minimaal 20 seconden hebben gelopen en
moet de snelheid van de auto 20 km/u of meer
bedragen.
Verlichtingsdraaiknop en stuurhendel.
Als de melding Active high beam Tijdelijk
niet beschikb. Schakel handmat. op het display van het instrumentenpaneel staat, moet u
handmatig tussen groot licht en dimlicht schakelen. De verlichtingsdraaiknop kan echter nog
staan. Hetzelfde
steeds in de stand
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
91
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
geldt, als de melding Voorruitsensoren
afgedekt Zie instructieboek en het lampje
verschijnen. Het lampje
wanneer deze melding verschijnt.
03
dooft,
AHB is mogelijk tijdelijk niet beschikbaar, zoals
in dichte mist of bij zware regenval. Wanneer
AHB weer beschikbaar is of als de voorruitsensoren niet langer geblokkeerd zijn, verdwijnt de
melding en gaat het lampje
branden.
WAARSCHUWING
AHB is een systeem dat u helpt om in
ongunstige omstandigheden de optimale
verlichting te kiezen.
Als bestuurder bent u echter altijd verplicht
om handmatig te wisselen tussen groot licht
en dimlicht, als dat gezien de verkeerssituatie en/of weersgesteldheid vereist is.
•
•
•
•
•
in zware regen of dichte mist
bij ritten in zwak verlichte bebouwde
gebieden
licht als de auto bijv. een tunnel in rijdt. De verlichting schakelt dan binnen een seconde over
van dagrijlicht naar dimlicht (koplampen). Ca.
20 seconden na het verlaten van de tunnel
schakelt de verlichting weer over naar dagrijlicht. Als de auto binnen deze periode nog een
tunnel inrijdt, wordt er niet naar dagrijlicht
teruggeschakeld. Op deze manier wordt voorkomen dat de lichtinstelling van de auto te vaak
wordt gewijzigd. Let erop dat de tunneldetectie
alleen werkt, als de verlichtingsdraaiknop in
stand
staat.
•
bij voorliggers met een zwakke voertuigverlichting
Actieve xenonkoplampen ABL*
•
•
bij voetgangers op of naast de weg
BELANGRIJK
Voorbeelden van situaties waarin u mogelijk
moet wisselen tussen groot licht en dimlicht:
bij ijsregen
bij stuifsneeuw of sneeuwmodder
bij maanlicht
bij sterk reflecterende voorwerpen zoals
borden in de buurt van de weg
•
als de verlichting van tegenliggers
schuilgaat achter bijv. vangrails
•
•
bij verkeer op verbindingswegen
•
op het hoogste punt van heuvels en het
laagste punt van dalen
in scherpe bochten.
Zie voor meer informatie over de beperkingen
van de camerasensor zie pagina 176.
Tunneldetectie*
In auto's met een regensensor* registreert de
regensensor veranderingen qua hoeveelheid
92
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Lichtbundel bij gedeactiveerde (links) en geactiveerde (rechts) functie.
Als de auto is uitgerust met actieve xenonkoplampen (Active Bending Lights, ABL) draaien
de lichtbundels van de koplampen mee om
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
optimale verlichting te verkrijgen in bochten en
op kruisingen om op die manier de veiligheid
te verhogen.
De functie wordt automatisch geactiveerd bij
het starten van de motor (mits de functie niet is
gedeactiveerd in het menusysteem MY CAR).
Wanneer de functie een storing vertoont,
op het instrumenbrandt het symbool
tenpaneel en op het informatiedisplay verschijnen een verklarende melding plus een ander
brandend symbool.
De functie is uitsluitend actief bij schemer of
donker en dan alleen als de auto rijdt.
U kunt de functie2 (de)activeren in het menusysteem MY CAR onder Instellingen Autoinstellingen Lichtinstellingen Act.
bochtverlichting. Voor een beschrijving van
het menusysteem, zie pagina 212.
Stadslichten vóór en achterlichten
achterliggend verkeer te waarschuwen. Dit
gebeurt altijd, ongeacht de stand van de verlichtingsdraaiknop of de sleutelstand van het
elektrisch systeem van de auto.
Remlichten
De remlichten gaan automatisch branden wanneer u remt. Voor informatie over de noodremlichten en de automatische alarmlichten, zie
pagina 134.
03
Mistachterlicht
Symbool
2
Display
Betekenis
Koplampfout Service vereist
Het systeem
is defect.
Bezoek een
werkplaats
als de melding niet
verdwijnt.
Volvo adviseert u contact op te
nemen met
een erkende
Volvo-werkplaats.
Verlichtingsdraaiknop in stand voor stads-/parkeerlichten vóór en achterlichten.
Draai de verlichtingsdraaiknop naar de stads-/
parkeerlichten (kentekenplaatverlichting gaat
ook branden).
Als het buiten donker is en de achterklep wordt
geopend, gaan de achterlichten branden om
Knop voor mistachterlicht.
Het mistachterlicht dat uit twee lampen aan de
achterzijde van de auto bestaat, is alleen in te
Geactiveerd bij levering vanuit de fabriek.
``
93
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
schakelen wanneer u het groot licht/dimlicht
voert.
03
Druk op de knop voor in-/uitschakeling. Het
controlelampje voor het mistachterlicht
op het instrumentenpaneel en het lampje in de
knop branden, wanneer het mistachterlicht
ingeschakeld is.
Het mistachterlicht dooft automatisch bij het
afzetten van de motor.
N.B.
De voorschriften voor het gebruik van een
mistachterlicht verschillen per land.
Alarmlichten
Druk op de knop om de alarmlichten te activeren. Beide richtingaanwijzersymbolen op het
instrumentenpaneel knipperen bij gebruik van
de alarmlichten.
Wanneer de auto dermate hard is afgeremd dat
de noodremlichten in werking zijn getreden,
worden, zodra de snelheid van de auto tot
onder de 10 km/h is gedaald, automatisch de
alarmlichten ingeschakeld. Ook nadat de auto
tot stilstand is gekomen, blijven de alarmlichten knipperen. Wanneer u weer wegrijdt, worden ze automatisch uitgeschakeld. U kunt ook
op de knop voor de alarmlichten drukken. Voor
meer informatie over de noodremlichten en de
automatische alarmlichten, zie pagina 134.
Richtingaanwijzers/knipperlichten
Korte serie knippersignalen
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag
naar de eerste stand en laat de hendel vervolgens los. De richtingaanwijzers lichten
driemaal op. U kunt de functie activeren/
deactiveren in het menusysteem MY CAR
onder Instellingen Autoinstellingen Lichtinstellingen
Driemaal
richtingaanwijzer. Voor een beschrijving
van het menusysteem, zie pagina 212.
Onafgebroken serie knippersignalen
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag
naar de tweede stand.
De hendel blijft in deze stand staan en kan
handmatig in de uitgangspositie teruggezet
worden of veert automatisch terug bij het
terugdraaien van het stuurwiel.
Richtingaanwijzersymbolen
Voor de richtingaanwijzersymbolen, zie
pagina 74.
Knop voor alarmlichten.
94
Richtingaanwijzers/knipperlichten.
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
Verlichting in interieur
Leeslampjes voorin*
De leeslampjes worden in- en uitgeschakeld
met een korte druk op de bijbehorende knop
op de plafondconsole.
De lichtsterkte wordt aangepast door de knop
ingedrukt te houden.
De intensiteit van de vloerverlichting kan worden gewijzigd in het menusysteem MY CAR
onder Instellingen Auto-instellingen
Lichtinstellingen Binnenverlichting
Vloerverlichting. U kunt kiezen uit Uit, Laag
en Hoog. Voor meer informatie over het menusysteem MY CAR, zie pagina 213.
03
Leeslampjes achterin*
Verlichting in de opbergvakken van de
voorportieren*
De verlichting in de opbergvakken gaat branden als de motor start.
Verlichting dashboardkastje
Bedieningsknoppen op de plafondconsole voor
de leeslampjes en plafondverlichting voorin.
Leeslampje linkerzijde
De verlichting in het dashboardkastje wordt inen uitgeschakeld bij het openen en sluiten van
de klep van het kastje.
Interieurverlichting (vloerverlichting* en
plafondverlichting) - Aan/Uit
Make-upspiegel
Automatische bediening voor interieurverlichting
Leeslampje rechterzijde
Alle verlichting in het interieur kan handmatig
in- en uitgeschakeld worden binnen 30 minuten nadat:
• de motor is afgezet en het elektrisch systeem van de auto in 0 staat
•
de auto ontgrendeld is zonder dat de motor
is gestart.
Leeslampjes achterin.
De verlichting van de make-upspiegel, zie
pagina 244, wordt bij het openen en sluiten
van het klepje in- en uitgeschakeld.
De lampjes worden in- en uitgeschakeld met
een korte druk op de bijbehorende knop.
Bagageruimteverlichting
De lichtsterkte wordt aangepast door de knop
ingedrukt te houden.
De bagageruimteverlichting wordt bij het openen en sluiten van de achterklep automatisch
in- en uitgeschakeld.
Vloerverlichting* en plafondverlichting
De vloerverlichting en de plafondverlichting
worden in- en uitgeschakeld bij het openen c.q.
sluiten van een portier.
Automatische bediening voor
interieurverlichting
De automatische bediening is geactiveerd als
het lampje in de AUTO-knop brandt.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
95
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
De interieurverlichting wordt dan volgens het
onderstaande in- en uitgeschakeld.
De interieurverlichting wordt ingeschakeld en
blijft 30 seconden lang branden, als:
• u de auto met de afstandsbediening ont03
grendelt (zie pagina 46 of 50)
• de motor is afgezet en het elektrisch systeem van de auto in 0 staat.
De interieurverlichting dooft, wanneer:
• u de motor start
• de auto wordt vergrendeld.
De interieurverlichting gaat aan en blijft twee
minuten lang branden, wanneer een van de
portieren openstaat.
Als u een bepaalde verlichtingsfunctie handmatig inschakelt, zal deze na twee minuten
automatisch worden uitgeschakeld.
96
Binnenverlichting Omgevingslicht. U kunt
kiezen uit Uit, Laag en Hoog. Deze verlichting
dooft als de motor wordt afgezet.
del los. De functie is op dezelfde manier te
activeren als de grootlichtsignalen, zie
pagina 89.
Als de auto ook sfeerverlichting in de plafondconsole voor de achterste leeslampjes* heeft,
kan de kleur van het licht worden ingesteld in
het menusysteem MY CAR onder Instellingen
Auto-instellingen Lichtinstellingen
Binnenverlichting Kleuren
omgevingslicht. Als u Temperatuur selecteert, dan wisselt de kleur tussen warm wit en
koud wit, afhankelijk van de temperatuur in de
auto. Ook kunt u uit verschillende kleurthema's
kiezen. De beschikbare kleurthema's zijn
Frosty White, Toscana White, Ember Gold,
Red Sunset, Rainforest, Glacier Blue en
Violet Purple. Voor meer informatie over het
menusysteem MY CAR, zie pagina 213.
3. Stap uit de auto en vergrendel het portier.
De duur van de “Follow Me Home”-verlichting
kan worden ingesteld in het menusysteem
MY CAR onder Instellingen Autoinstellingen Lichtinstellingen
Tijdsduur 'follow me home'-verl.. Voor een
beschrijving van het menusysteem, zie
pagina 212.
“Approach”-verlichting
Sfeerverlichting
“Follow Me Home”-verlichting
Als de reguliere interieurverlichting is uitgegaan en de motor draait, brandt er een lichtdiode in de voorste plafondconsole om een zwak
licht te geven en de sfeer tijdens de rit te verbeteren. Bovendien kunt u door het licht in het
donker de voorwerpen in de opbergvakken
enz. beter zien. De intensiteit van het licht kan
worden gewijzigd in het menusysteem
MY CAR onder Instellingen Autoinstellingen Lichtinstellingen
Het is mogelijk om een deel van de buitenverlichting enige tijd ingeschakeld te houden en
als “Follow Me Home”-verlichting dienst te
laten doen na vergrendeling van de auto.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Wanneer de functie is geactiveerd, branden de
dimlichten, de parkeerlichten, de verlichting
van de buitenspiegels, de kentekenplaatverlichting, de plafondverlichting in het interieur en
de vloerverlichting.
1. Neem de transpondersleutel uit het contactslot.
2. Haal de linker stuurhendel tot in de eindstand naar het stuurwiel toe en laat de hen-
U activeert de “Approach”-verlichting met de
transpondersleutel, zie pagina 46, om de verlichting van de auto op afstand in te schakelen.
Wanneer de functie met de afstandsbediening
is geactiveerd, branden de parkeerlichten, de
verlichting van de buitenspiegels, de kentekenplaatverlichting, de plafondlampjes in het
interieur en de vloerverlichting.
De duur van de “Approach”-verlichting kan
worden ingesteld in het menusysteem
MY CAR onder Instellingen Auto-
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
apparaat met vergrotingsfunctie en kopieer de mallen naar 200%:
instellingen Lichtinstellingen
Tijdsduur 'approach'-verl.. Voor een
beschrijving van het menusysteem, zie
pagina 212.
• A = LHD Right (auto met het stuur links,
rechter koplampglas)
•
Lichtbundel aanpassen
B = LHD Left (auto met het stuur links,
linker koplampglas)
• C = RHD Right (auto met het stuur
03
G021152
rechts, rechter koplampglas)
Lichtbundel rechtsrijdend verkeer.
G021151
Om verblinding van tegenliggers te voorkomen
kunt u de lichtbundel van de koplampen aanpassen voor links- en rechtsrijdend verkeer.
Lichtbundel linksrijdend verkeer.
Actieve xenonkoplampen*
De lichtbundel hoeft niet te worden aangepast.
• D = RHD Left (auto met het stuur rechts,
linker koplampglas)
2. Breng de mallen over op een stuk zelfklevend en watervast materiaal en knip ze uit.
3. Neem de designstrepen op de koplampglazen als uitgangspunt, zie de lijnen op
pagina 98. Plaats de zelfklevende mallen
met behulp van de afbeelding naast de
designstrepen.
Halogeenkoplampen
Bij halogeenkoplampen past u de lichtbundel
aan door bepaalde delen van het koplampglas
af te plakken. De sterkte van de lichtbundel
neemt daardoor iets af.
Koplampen afplakken
1. Trek de mallen A en B over voor een auto
met het stuur links of de mallen C en D voor
een auto met het stuur rechts, zie
pagina 99. De mallen hebben een schaal
van 1:2. Gebruik bijvoorbeeld een kopieer``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
97
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
Positie van de mallen
03
Bovenste regel: auto met stuur links, mallen A en B. Onderste regel: auto met stuur rechts, mallen C en D.
98
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
Mallen voor halogeenkoplampen
03
99
03 Bestuurdersmilieu
Wissers en -sproeiers
Ruitenwissers1
Intervalstand
Regensensor*
Met het duimwiel kunt u het aantal
wisslagen per eenheid van tijd instellen wanneer u de intervalstand hebt geselecteerd.
De regensensor registreert de hoeveelheid
regen op de voorruit en schakelt automatisch
de ruitenwissers op de voorruit in. De gevoeligheid van de regensensor is in te stellen met
het duimwiel.
Ononderbroken wissen
03
De wissers bewegen op normale
snelheid.
De wissers bewegen op hoge snelheid.
Wanneer de regensensor actief is, brandt het
lampje in de bijbehorende knop en verschijnt
op het rechter
het regensensorsymbool
display van het instrumentenpaneel.
Activeren en gevoeligheid instellen
BELANGRIJK
Ruitenwissers en -sproeiers.
Regensensor aan/uit
Duimwiel gevoeligheid regensensor/snelheid ruitenwissers
Ruitenwissers uitgeschakeld
Haal de hendel naar stand 0 om de
ruitenwissers uit te schakelen.
Enkele slag
Haal de hendel omhoog en laat deze
los om de wissers een enkele slag te
laten maken.
Voordat u de wissers in de winter activeert,
moet u controleren of de wisserbladen niet
zijn vastgevroren en of evt. sneeuw of ijs op
de voorruit (en achterruit) is weggehaald.
BELANGRIJK
Gebruik voldoende sproeiervloeistof als de
wissers de voorruit schoonmaken. De voorruit moet nat zijn als de ruitenwissers werken.
Servicestand wisserbladen
Bij reiniging van voorruit/wisserbladen en vervanging van wisserbladen, zie pagina 357 en
373.
1
100
Wisserbladen vervangen zie pagina 357, servicestand wisserbladen zie pagina 357 en sproeiervloeistof bijvullen zie pagina 359.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Om de regensensor te activeren dient de motor
te lopen of de transpondersleutel in stand I of
II te staan en de ruitenwisserhendel in stand 0
of die voor een enkele wisslag.
Activeer de regensensor door op de knop
te drukken. De ruitenwissers maken een
slag.
Als u de hendel omhooghaalt, maken de ruitenwissers een extra slag.
Draai het duimwiel omhoog voor een grotere
gevoeligheid en omlaag voor een lagere
gevoeligheid. (de wissers maken een extra
slag, als u het duimwiel omhoogdraait.)
03 Bestuurdersmilieu
Wissers en -sproeiers
Deactiveren
Koplamp- en ruitensproeiers
Deactiveer de regensensor met een druk op de
of haal de hendel omlaag naar een
knop
ander wisprogramma.
Wanneer er nog ca. 1 liter ruitensproeiervloeistof in het reservoir zit en op het display van het
instrumentenpaneel de melding verschijnt dat
u sproeiervloeistof moet bijvullen, worden de
koplampen en de achterruit niet langer
schoongesproeid. Dit omdat de sproeifunctie
van de voorruit en een goed zicht door de voorruit de voorrang hebben.
De regensensor wordt automatisch gedeactiveerd als u de transpondersleutel uit het contactslot neemt of vijf minuten nadat u de motor
hebt afgezet.
03
Achterruitwisser en -sproeier
BELANGRIJK
In de wasstraat kunnen de ruitenwissers van
de voorruit starten en beschadigd raken.
Schakel de regensensor uit terwijl de auto
loopt of de transpondersleutel in stand I of
II staat. Het symbool op het instrumentenpaneel en het lampje in de knop doven.
Gereduceerde sproeifunctie
Sproeierfunctie.
Ruitensproeiers voorruit
U activeert de sproeiers van de voorruit en de
koplampen door de hendel naar het stuurwiel
toe te trekken.
Nadat u de hendel hebt losgelaten maken de
ruitenwissers op de voorruit nog enkele slagen
en worden de koplampen gesproeid.
Hogedruksproeiers koplampen*
De hogedruksproeiers van de koplampen verbruiken een grote hoeveelheid sproeiervloeistof. Om vloeistof te besparen, worden de
koplampen alleen iedere vijfde keer dat u de
voorruitsproeiers activeert gesproeid.
Ruitenwisser achterklep – intervalstand
Ruitenwisser achterklep – continu wissen
Wanneer u de hendel naar voren haalt (zie pijl
op bovenstaande afbeelding), activeert u de
ruitenwisser/-sproeier van de achterklep.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
101
03 Bestuurdersmilieu
Wissers en -sproeiers
N.B.
De achterruitwisser is beveiligd tegen oververhitting zodat de wissermotor wordt uitgeschakeld bij oververhitting. De achterruitwisser werkt weer na een periode van
afkoelen (30 seconden of langer afhankelijk
van de motor- en de omgevingstemperatuur).
03
Ruitenwisser achterklep, achteruitrijden
Als u de auto in de achteruitversnelling zet terwijl de voorste ruitenwissers actief zijn, zal de
intervalstand van de ruitenwisser op de achterklep starten2. Bij het inschakelen van een
andere versnelling valt de ruitenwisser op de
achterklep stil.
Als de ruitenwisser op de achterklep echter al
op continue snelheid werkt, vindt er geen wijziging plaats.
N.B.
Op auto's met een regensensor wordt bij
achteruitrijden de achterruitwisser geactiveerd, op voorwaarde dat de sensor geactiveerd is en het regent.
2
102
Deze functie (intervalstand tijdens het achteruitrijden) kunt u desgewenst uitschakelen. Bezoek een werkplaats. Volvo adviseert u daarvoor contact op te nemen met een erkende Volvo-dealer.
03 Bestuurdersmilieu
Ruiten en spiegels
Algemeen
Warmtereflecterende voorruit*
Gelaagd glas
Het glas is verstevigd voor een verbeterde inbraakbeveiliging en
geluidsisolatie van het interieur. De
voorruit en de overige ruiten zijn
gemaakt van gelaagd glas*.
Voor optimale werking van dient de elektronische uitrusting dan ook gemonteerd te worden
op dat deel van de voorruit waar geen warmtereflecterende film is aangebracht (zie gemarkeerd veld op bovenstaande afbeelding).
Elektrisch bedienbare ruiten
03
Water- en vuilafstotende laag*
De ruiten zijn voorzien van een speciale laag die bij hevige regenval voor
een beter zicht zorgt. Voor het onderhoud, zie
pagina 375.
Veld waar geen IR-film is aangebracht.
BELANGRIJK
Gebruik geen metalen ijskrabber om de ruiten van ijs te ontdoen. Gebruik de elektrische verwarming om de buitenspiegels van
ijs te ontdoen, zie pagina 106.
Maten
A
65 mm
B
150 mm
C
125 mm
Bedieningspaneel op bestuurdersportier.
De voorruit is voorzien van een warmtereflecterende film (IR) die de ingestraalde warmte in
de passagiersruimte beperkt.
Elektrisch kinderslot op achterportieren*
en achterste zijruiten, zie pagina 63.
Bedieningsknoppen achterste zijruiten
Bedieningsknoppen voorste zijruiten
Montage van elektronische uitrusting, zoals
een transponder, achter een ruit met een
warmtereflecterende film heeft mogelijk een
negatieve invloed op de werking en prestaties
van de uitrusting.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
103
03 Bestuurdersmilieu
Ruiten en spiegels
WAARSCHUWING
Bediening
Controleer of er geen passagier op de achterbank bekneld raakt als de ramen vanaf
het bestuurdersportier worden gesloten.
03
De ruiten komen tot stilstand en worden
geopend, als ze tijdens het sluiten in hun beweging worden gehinderd. Wanneer sluiten
onmogelijk is door bijvoorbeeld ijsvorming, kan
de beveiliging tegen overbelasting worden
opgeheven. Wanneer de zijruiten tweemaal
achtereen niet konden worden gesloten, wordt
de beveiliging tegen overbelasting korte tijd
gedeactiveerd. Sluiten is daarna mogelijk door
de bedieningsknop omhoog te trekken en vast
te houden.
WAARSCHUWING
Controleer of kinderen of andere passagiers
niet bekneld raken als de ramen worden
gesloten, ook als de transpondersleutel
wordt gebruikt.
WAARSCHUWING
Als er kinderen in de auto aanwezig zijn,
moet altijd de stroom naar de elektrisch
bedienbare ruiten worden onderbroken
door te kiezen voor sleutelstand 0 en vervolgens de transpondersleutel mee te
nemen uit de auto. Voor informatie over
sleutelstanden, zie pagina 82.
Bedieningsknoppen elektrisch bedienbare zijruiten.
Handmatige bediening
Automatische bediening
Met het bedieningspaneel van het bestuurdersportier kunnen alle elektrisch bedienbare
ruiten worden bediend. De bedieningspanelen
van de overige portieren kunnen alleen de ruit
van het betreffende portier bedienen. Er kan
slechts één bedieningspaneel tegelijk worden
bediend.
Om de elektrisch bedienbare ruiten te kunnen
gebruiken, moet de sleutelstand minimaal I
zijn, zie pagina 81. Na uitschakeling van de
motor kunnen de elektrisch bedienbare ruiten
gedurende enkele minuten na verwijdering van
104
de transpondersleutel worden bediend, maar
niet nadat er een portier is geopend.
N.B.
Om het pulserende windgeluid te verminderen als de beide achterruiten open staan,
kunt u de voorste ruiten ook een stukje openen.
Handmatige bediening
Trek voorzichtig een van de bedieningsknoppen omhoog of duw er een omlaag. De elektrisch bedienbare zijruiten komen steeds verder omhoog of omlaag zolang u de bedieningsknop bedient.
Automatische bediening
Trek een van de bedieningsknoppen omhoog
of duw er een omlaag en laat deze vervolgens
03 Bestuurdersmilieu
Ruiten en spiegels
los. De bijbehorende zijruit gaat automatisch
volledig open of dicht.
Buitenspiegels
De stand van de buitenspiegels en de bestuurdersstoel worden vastgelegd, wanneer u de
auto met de transpondersleutel vergrendelt.
Een volgende keer dat de auto met dezelfde
transpondersleutel wordt ontgrendeld en het
bestuurdersportier wordt geopend, nemen de
buitenspiegels en de bestuurdersstoel de vastgelegde standen in.
Bediening met transpondersleutel en
centrale vergrendeling
Om de elektrisch bedienbare zijruiten vanaf de
buitenzijde te bedienen met de transpondersleutel of vanaf de binnenzijde met de centrale
vergrendeling, zie pagina 47 en 58.
Resetten
Als de accu losgekoppeld is geweest, werkt de
automatische openingsfunctie pas weer naar
behoren wanneer u deze hebt gereset.
1. Trek de knop aan de voorkant omhoog om
de ruit helemaal te sluiten en houd de knop
een seconde in deze stand vast.
2. Laat de knop korte tijd los.
3. Trek de voorkant van de knop opnieuw een
seconde omhoog.
WAARSCHUWING
Resetten is nodig om de klembeveiliging te
laten werken.
Bedieningsknoppen buitenspiegels.
Instellen
1. Druk op knop L voor de buitenspiegel links
of op R voor de buitenspiegel rechts. Het
lampje in de knop brandt.
2. U kunt de stand afstellen met het hendeltje
in het midden.
3. Druk opnieuw op knop L of R. Het lampje
mag niet langer branden.
WAARSCHUWING
De spiegel aan bestuurderszijde is groothoekig voor een optimaal zicht. Voorwerpen
kunnen verder weg lijken dan ze in werkelijkheid zijn.
1
Stand vastleggen1
03
U kunt de functie activeren/deactiveren in het
menusysteem MY CAR onder Instellingen
Auto-instellingen Sleutelgeheugen
Persoonlijke instellingen in hoofdgeheugen.
Voor een beschrijving van het menusysteem,
zie pagina 212.
Buitenspiegel kantelen bij parkeren1
De buitenspiegels kunnen omlaaggekanteld
worden, zodat u bijvoorbeeld tijdens het parkeren de kant van de weg te kan zien.
–
Schakel de achteruitversnelling in en druk
op de knop L of R.
Bij het inschakelen van een andere versnelling
nemen de gekantelde buitenspiegels na
ca. 10 seconden de oorspronkelijke stand weer
in. Dat gebeurt eerder als u op de L- of R-knop
drukt.
Alleen in combinatie met een elektrisch bedienbare stoel met geheugen, zie pagina 84.
105
03 Bestuurdersmilieu
Ruiten en spiegels
Automatisch kantelende buitenspiegel
bij parkeren1
03
Bij het inschakelen van de achteruitversnelling
worden de buitenspiegels automatisch
omlaaggekanteld, zodat u bijvoorbeeld tijdens
het parkeren de kant van de weg kan zien.
Wanneer de auto uit de achteruitversnelling
wordt gehaald, neemt de buitenspiegel na
enige tijd automatisch de oorspronkelijke
stand weer in.
U kunt de functie activeren/deactiveren in het
menusysteem MY CAR onder Instellingen
Auto-instellingen Instellingen zijspiegel
Linkerspiegel hellen of Rechterspiegel
hellen. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie pagina 212.
Automatische inklapfunctie bij
vergrendelen1
Wanneer u de auto vanaf de transpondersleutel vergrendelt/ontgrendelt worden de buitenspiegels automatisch in- of uitgeklapt.
U kunt de functie activeren/deactiveren in het
menusysteem MY CAR onder Instellingen
Auto-instellingen Instellingen zijspiegel
Spiegels inklappen. Voor een beschrijving
van het menusysteem, zie pagina 212.
1
106
In neutrale stand terugzetten
Spiegels die uit positie zijn geraakt door invloeden van buitenaf, moeten eerst elektrisch in de
neutrale stand worden teruggezet zodat het
elektrisch in- en uitklappen weer correct werkt:
1. Klap de spiegels in met de knoppen L en
R.
2. Klap de spiegels weer uit met de knoppen
L en R.
De lampjes op de buitenspiegels gaan branden, als u de “Approach”-verlichting of de “Follow Me Home”-verlichting selecteert, zie
pagina 96.
Elektrische voorruit-*, achterruit- en
buitenspiegelverwarming
3. Herhaal de bovenstaande procedure zo
nodig.
De spiegels staan daarmee weer in de neutrale
stand.
Elektrisch inklapbare buitenspiegels*
U kunt de buitenspiegels inklappen bij het parkeren en als u op smalle wegen rijdt:
1. Druk de knoppen L en R gelijktijdig in (sleutelstand minimaal I).
2. Laat ze na ca. 1 seconde los. De spiegels
stoppen automatisch, als ze volledig zijn
ingeklapt.
Klap de spiegels uit door de knoppen L en R
tegelijkertijd in te drukken. De spiegels stoppen automatisch, als ze volledig zijn uitgeklapt.
Alleen in combinatie met een elektrisch bedienbare stoel met geheugen, zie pagina 84.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
“Approach”-verlichting en “Follow Me
Home”-verlichting
Elektrisch verwarmde voorrui- (1), achterruit en
buitenspiegels (2)
Gebruik de elektrische verwarming om de
voorruit, achterruit en de buitenspiegels te ontwasemen en te ontdooien.
Bij eenmaal indrukken van de knop gaat de
elektrische verwarming van start. Het bran-
03 Bestuurdersmilieu
Ruiten en spiegels
dende lampje in de knop geeft aan dat de functie actief is. Schakel de verwarming uit zodra
het ijs/de condens verdwenen is om de accu
niet onnodig te belasten. Als u echter niets
doet, wordt de verwarming na enige tijd automatisch uitgeschakeld.
Achteruitkijkspiegel
Een kompas* is alleen een optie voor een achteruitkijkspiegel met autodimfunctie, zie
pagina 109.
Zie ook het gedeelte "Elektrische voorruitverwarming en max. defroster" op pagina 227.
De buitenspiegels en de achterruit worden
automatisch van condens/ijsvorming ontdaan,
als de auto wordt gestart bij een buitentemperatuur lager dan +9 °C. Automatische ontwaseming is te selecteren in het menusysteem
MY CAR onder Instellingen
Klimaatinstellingen Aut.
achterruitverwarming. Kies vervolgens uit
Aan of Uit. Voor een beschrijving van het
menusysteem, zie pagina 212.
Het kompas wordt gedeactiveerd als de elektrische voorruitverwarming wordt geactiveerd.
Als de elektrische voorruitverwarming wordt
gedeactiveerd, schakelt het kompas weer in.
tisch gedimd. Het hendeltje is niet aanwezig op
spiegels met autodimfunctie.
Glazen dak*
03
Het glazen dak zit vast, maar het rolgordijn kan
in de sleutelstand I of II worden bediend met
de bedieningsknoppen in de plafondconsole.
Zie voor informatie over de sleutelstanden – zie
pagina 81.
Hendeltje voor dimfunctie
Handmatige dimfunctie
Fel licht van achteren kan hinderlijke reflecties
in de achteruitkijkspiegel veroorzaken en u verblinden. Zet de spiegel met het hendeltje in de
dimstand, wanneer u de verlichting van het
achteropkomende verkeer als hinderlijk
ervaart:
1. Activeer de dimfunctie door het hendeltje
naar u toe te halen.
2. Deactiveer de dimfunctie door het hendeltje naar de voorruit toe te duwen.
Automatisch openen tot de eindstand
Autodimfunctie*
Handmatig openen tot de knop wordt losgelaten
Als het licht dat van achteren in de spiegel valt
te fel is, wordt de achteruitkijkspiegel automa``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
107
03 Bestuurdersmilieu
Ruiten en spiegels
Handmatig sluiten tot de knop wordt losgelaten
Automatisch sluiten tot de eindstand
03
108
03 Bestuurdersmilieu
Kompas*
Bediening
Het kompas wordt gedeactiveerd als de elektrische voorruitverwarming wordt geactiveerd.
Als de elektrische voorruitverwarming wordt
gedeactiveerd, schakelt het kompas weer in.
Kalibreren
De aarde is in 15 magnetische zones verdeeld.
Het kompas is ingesteld op het geografische
gebied waarin de auto werd afgeleverd. Het
kompas dient te worden gekalibreerd, als u
met de auto meerdere magnetische zones
doorkruist. Ga als volgt te werk:
Achteruitkijkspiegel met kompas.
In de rechter bovenhoek van de achteruitkijkspiegel zit een display waarop wordt aangegeven in welke richting de voorkant van de auto
wijst. Er worden acht verschillende richtingen
met Engelse afkortingen weergegeven: N
(noord), NE (noordoost), E (oost), SE (zuidoost), S (zuid), SW (zuidwest), W (west) en
NW (noordwest).
Het kompas wordt automatisch geactiveerd
wanneer u de motor start of wanneer sleutelstand II actief is, zie pagina 81. Om het kompas
handmatig uit of in te schakelen kunt u een
paperclip of iets dergelijks nemen en het
knopje aan de achterzijde van de achteruitkijkspiegel indrukken.
1. Breng de auto tot stilstand op een groot en
open terrein waar geen stalen constructies
of hoogspanningsdraden zijn.
2. Start de motor.
N.B.
Voor de beste kalibratie moet u alle elektrische uitrusting (klimaatinstallatie, ruitenwissers enz.) uitschakelen en erop letten dat
alle portieren gesloten zijn.
3. Houd het knopje aan de achterzijde van de
achteruitkijkspiegel ca. 6 seconden lang
ingedrukt (met een rechtgebogen paperclip bijvoorbeeld), totdat het teken C verschijnt.
G030295
03
Magnetische zones.
4. Houd het knopje aan de achterzijde van de
achteruitkijkspiegel ca. 3 seconden lang
ingedrukt. Het cijfer van de huidige magnetische zone verschijnt.
5. Druk meerdere malen op het knopje totdat
het nummer van de gewenste magnetische
zone (1–15) verschijnt (zie de kaart met de
magnetische zones van het kompas).
6. Wacht totdat het teken C weer op het display verschijnt.
7. Rijd langzaam een rondje in de auto met
een snelheid van hoogstens 10 km/h, totdat een kompasrichting op het display verschijnt. Dit geeft aan dat de kalibratie afgerond is. Rijd daarna nog 2 rondjes om de
kalibratie fijn af te stellen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
109
03 Bestuurdersmilieu
Kompas*
8. Herhaal de bovenstaande procedure zo
nodig.
03
110
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
03 Bestuurdersmilieu
Alcoholslot*
Algemene informatie over het
alcoholslot
Functies
Batterij
Het alcoholslot1 voorkomt dat bestuurders die
onder invloed zijn in de auto kunnen rijden.
Voordat de motor kan worden gestart, moet u
een blaastest afgeven om vast te stellen dat u
niet onder de invloed van alcohol bent. Het
alcoholslot wordt gekalibreerd ten opzichte
van de grenswaarde voor verkeersdeelname
die in uw land geldt.
Het controlelampje (4) van de blaasunit geeft
de ladingstoestand van de batterij aan:
WAARSCHUWING
Het alcoholslot is een hulpmiddel dat u niet
ontslaat van uw verantwoordelijkheden als
bestuurder. De bestuurder dient altijd nuchter te blijven en de auto op een veilige
manier te besturen.
Bediening
Mondstuk voor blaastest.
Controlelampje
(4)
Ladingstoestand
batterij
Knippert groen
Wordt opgeladen
Groen
Volledig opgeladen
Oranje
Half opgeladen
Rood
Ontladen – plaats de
lader in de houder of
sluit de voedingskabel uit het dashboardkastje aan.
Schakelaar.
Zendertoets.
Lampje voor ladingstoestand batterij.
Lampje voor resultaat blaastest.
Lampje dat aangeeft dat het systeem
gereed is voor een blaastest.
1
03
N.B.
Bewaar de blaasunit in zijn houder. Zo blijft
de ingebouwde batterij opgeladen en kan
het alcoholslot automatisch worden geactiveerd bij het openen van de auto.
Wordt ook wel Alcoguard genoemd.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
111
03 Bestuurdersmilieu
Alcoholslot*
Bewaren
1. Wanneer het controlelampje (6) groen
oplicht, is de blaasunit klaar voor gebruik.
Resultaat van de blaastest
2. Neem de blaasunit uit de houder. Als de
blaasunit zich buiten de auto bevindt tijdens het ontgrendelen, dan dient u de unit
eerst te activeren met de schakelaar (2).
03
3. Klap het mondstuk (1) omhoog, haal diep
adem en blaas gelijkmatig totdat er
ca. 5 seconden later een “klikgeluid” klinkt.
Het resultaat is een van de alternatieven in
de volgende tabel Resultaat van de
blaastest.
Handeenheid bewaren en laadstation.
• De handeenheid van het alcoholslot wordt
verwijderd door de eenheid licht in de houder te drukken en los te laten, waarna de
houder opveert en uit de houder kan worden genomen.
• Plaats de handeenheid terug in de houder
tot de eenheid vastklikt.
• Bewaar de handeenheid in de houder. Dat
biedt de beste bescherming en garandeert
dat de batterijen steeds volledig opgeladen zijn.
Alvorens de motor de starten
De blaasunit wordt automatisch geactiveerd
en gereedgemaakt voor gebruik bij het ontgrendelen van de auto.
112
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
4. Als er geen melding verschijnt, kan er wat
mis zijn gegaan tijdens de gegevensoverdracht naar de auto – druk in dat geval op
de toets (3) om de testgegevens handmatig naar de auto te zenden.
5. Klap het mondstuk omlaag en plaats de
blaasunit terug in de houder.
6. Start vervolgens binnen 5 minuten na een
goedgekeurde blaastest de motor – anders
is een nieuwe blaastest vereist.
A
Controlelampje
(5) + displaymelding
Betekenis
Groen lampje +
Alcoguard Test
goedgekeurd
Start de motor –
geen alcohol gemeten.
Oranje lampje +
Alcoguard Test
goedgekeurd
Motor kan worden
gestart – gemeten
promillage boven
0,1 promille maar
onder de geldende
grenswaardeA.
Rood lampje + Test
afgekeurd Wacht 1
minuut
Motor kan niet worden gestart – gemeten promillage
boven de geldende
grenswaardeA.
De grenswaarde verschilt van land tot land (ga na wat er in
uw land geldt). Zie ook het gedeelte Algemene informatie
over het alcoholslot op pagina 111
N.B.
Binnen 30 minuten na afloop van een rit kan
de motor opnieuw gestart worden zonder
dat er een nieuwe blaastest nodig is.
03 Bestuurdersmilieu
Alcoholslot*
Waar u op moet letten
Alvorens een blaastest te doen
Voor een goede werking en een zo nauwkeurig
mogelijk meetresultaat:
• Ca. 5 minuten voor de blaastest niet eten
of drinken.
• De voorruit niet te lang sproeien – de alcohol in de sproeiervloeistof kan een verkeerd meetresultaat opleveren.
wijze gestart worden – de motor is dan alleen
te starten via de bypass-functie, zie
pagina 113, gedeelte over Noodsituatie.
De melding is te verwijderen met een druk op
de zendtoets (3). De melding verdwijnt anders
spontaan na ca. 2 minuten maar verschijnt
iedere keer dat de motor gestart wordt
opnieuw – alleen bij herkalibratie in een werkplaats2 verdwijnt de melding permanent.
op de blaasunit en wacht totdat het controlelampje (6) groen oplicht.
Bij extreme koude kunt u de opwarmtijd verkorten door de blaasunit mee naar binnen te
nemen.
Noodsituatie
03
In noodsituaties of wanneer het alcoholslot
defect is, kunt u het alcoholslot omzeilen om
toch in de auto te kunnen rijden.
Koud en warm weer
Van bestuurder wisselen
Om bij het wisselen van bestuurder een nieuwe
blaastest te kunnen doen schakelaar (2) en de
zendtoets (3) gelijktijdig ca. 3 seconden lang
ingedrukt houden. De startblokkering van de
auto wordt dan opnieuw geactiveerd, zodat er
eerst een goedgekeurde blaastest nodig is
voordat de motor kan worden gestart.
Hoe kouder het buiten is, hoe langer het duurt
voordat de blaasunit gereed is voor gebruik:
Temperatuur (°C)
Maximale
opwarmtijd
(seconden)
+10 tot +85
10
Kalibreren en onderhoud plegen
-5 tot +10
60
Het alcoholslot dient om de 12 maanden in een
werkplaats2 gecontroleerd en gekalibreerd te
worden.
-40 tot -5
180
Wanneer er nog 30 dagen resteren tot aan een
geplande kalibratiebeurt, verschijnt
Alcoguard Kalibr. vereist op het display. Als
er niet binnen 30 dagen gekalibreerd wordt,
dan kan de motor niet langer op de normale
2
Bij temperaturen lager dan –20 °C of hoger dan
+60 °C is extra voeding voor de blaasunit vereist. Op het display verschijnt Alcoguard
Stroom kabel aansluiten. Sluit de voedingskabel uit het dashboardkastje in dat geval aan
N.B.
Alle activeringen via een doorverbinding
(bypass) worden geregistreerd en opgeslagen in een geheugen, zie pagina 8 in het
hoofdstuk Vastlegging van gegevens.
Na activering van de bypass-functie blijft
Alcoguard Bypass actief op het display
staan totdat het systeem gereset wordt in een
werkplaats2.
Het is mogelijk de bypass-functie te testen
zonder dat er een foutmelding wordt aangemaakt – loop in dat geval alle stappen door
maar start de motor niet. De foutmelding wordt
gewist bij het vergrendelen van de auto.
Bij installatie van het alcoholslot geeft u aan of
omzeilen mogelijk moet zijn via de bypass- of
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
113
03 Bestuurdersmilieu
Alcoholslot*
de noodfunctie. Deze instelling is achteraf nog
te wijzigen in een werkplaats2.
Bypass-functie activeren
• Houd de OK-knop op de linker stuurhendel
en de knop voor de alarmknipperlichten
ca. 5 seconden lang ingedrukt – op het display verschijnen achtereenvolgens
Bypass actief Wacht 1 minuut en
Alcoguard Bypass actief – daarna kunt u
de motor starten.
03
Symbolen en displaymeldingen
Benevens de eerder beschreven meldingen
kan ook het volgende op het display van het
instrumentenpaneel verschijnen:
• Houd de OK-knop op de linker stuurhendel
en de knop voor de alarmknipperlichten
ca. 5 seconden lang ingedrukt – op het
display verschijnt Alcoguard Bypass
actief, waarna u de motor kunt starten.
114
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Alcoguard Blaas
zachter
U blies te hard –
blaas minder hard.
Betekenis/Maatregel
Alcoguard Blaas
harder
Alcoguard Herstart mogelijk
Motor stond minder
dan 30 minuten af –
motor kan worden
gestart zonder
nieuwe blaastest.
U blies niet hard
genoeg – blaas harder.
Alcoguard wacht
Verwarmt voor
Alcoguard Service
vereist
Bezoek een werkplaats2.
Opwarming niet
gereed – wacht de
melding Alcoguard
Blaas 5 seconden
af.
Alcoguard Geen
signaal
Overdracht mislukt –
verstuur het resultaat handmatig via
toets (3) of doe een
nieuwe blaastest.
Alcoguard Test
ongeldig
De test is mislukt –
doe een nieuwe
blaastest.
Alcoguard Blaas
langer
U blies te kort –
blaas langer.
Deze functie is eenmaal te gebruiken en moet
daarna gereset worden in een werkplaats2.
2
Betekenis/Maatregel
Displaymelding
Deze functie is meerdere malen te activeren.
De foutmelding die verschijnt tijdens het rijden
is echter alleen te wissen in een werkplaats2.
Noodfunctie activeren
Displaymelding
03 Bestuurdersmilieu
Motor starten
Benzine- en dieselmotoren
2. Houd het koppelingspedaal volledig ingedrukt1. (Bij auto’s met automatische versnellingsbak – bedien het rempedaal.)
3. Druk op de knop START/STOP ENGINE
en laat deze vervolgens los.
De startmotor draait totdat de motor aanslaat
of totdat de beveiliging tegen oververhitting in
werking treedt.
BELANGRIJK
Contactslot met transpondersleutel uitgetrokken/
ingeduwd en knop START/STOP ENGINE.
BELANGRIJK
De transpondersleutel niet verkeerd om
insteken – pak de sleutel beet aan het uiteinde met het afneembare sleutelblad. zie
pagina 49.
1. Plaats de transpondersleutel in het contactslot en duw deze tot aan de aanslag
naar binnen. Let erop dat u bij een auto met
alcoholslot eerst een goedgekeurde blaastest moet uitvoeren, voordat de motor kan
worden gestart, zie pagina 111.
1
Als de motor na 3 pogingen niet gestart is,
wacht u 3 minuten voordat u een nieuwe
poging doet. Het startvermogen neemt toe
als de startaccu zich kan herstellen.
WAARSCHUWING
Haal altijd de transpondersleutel uit het contactslot als u uit de auto stapt en zorg ervoor
dat de sleutelstand 0 is, in het bijzonder als
er kinderen in de auto aanwezig zijn. Voor
informatie over hoe u dit doet, zie
pagina 81.
N.B.
Voor bepaalde motortypen kan het stationaire toerental bij een koude start duidelijk
hoger dan normaal zijn. Dit gebeurt om het
uitlaatgasreinigingssysteem zo snel mogelijk op de normale bedrijfstemperatuur te
krijgen waardoor de uitlaatgasemissies
afnemen en het milieu wordt ontzien.
03
Keyless drive*
Loop de punten 2–3 door voor benzine- en dieselmotoren. Voor meer informatie over Keyless
drive, zie pagina 53.
N.B.
Om de auto te kunnen starten dient één van
de transpondersleutels met Keyless Drive*functie in de passagiersruimte of kofferbak
aanwezig te zijn.
WAARSCHUWING
Haal nooit de transpondersleutel uit de auto
tijdens rijden of slepen.
Motor afzetten
Om de motor af te zetten:
Als de auto rolt is het indrukken van de knop START/STOP ENGINE voldoende om de motor te starten.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
115
03 Bestuurdersmilieu
Motor starten
• Druk op START/STOP ENGINE – de
motor slaat af.
• Als de auto een automatische versnellingsbak heeft en de keuzehendel niet in stand
P staat of als de auto rijdt – druk tweemaal
op de knop of houd de knop START/STOP
ENGINE ingedrukt totdat de motor afslaat.
03
Stuurslotfout
Er is mogelijk een mechanisch geluid waarneembaar, wanneer het stuurslot wordt opgeheven of ingeschakeld.
• Het stuurslot ontgrendelt als de transpondersleutel in het contactslot zit2 en de
START/STOP ENGINE-knop wordt ingedrukt.
• Het stuurslot wordt geactiveerd, wanneer
u na het afzetten van de motor het bestuurdersportier opent.
Sleutelstanden
Voor informatie over de verschillende standen
van de transpondersleutel, zie pagina 81
2
116
Auto’s met Keyless moeten een transpondersleutel in de passagiersruimte hebben.
03 Bestuurdersmilieu
Motor starten, hulpaccu
Starten met hulpaccu
4. Bevestig de ene klem van de rode startkabel aan de pluspool (1) van de hulpaccu.
BELANGRIJK
Wees voorzichtig bij het aansluiten van de
startkabels om kortsluiting met andere
onderdelen in de motorruimte te voorkomen.
5. Haal de clips op de voorste dekplaat van
de uitgeputte accu los en verwijder de dekplaat.
Als de startaccu uitgeput is, kunt u de auto
starten met stroom van een hulpaccu.
Als u een hulpaccu gebruikt bij het starten
wordt geadviseerd de volgende stappen aan te
houden om kortsluiting en andere schade te
voorkomen:
1. Zet de transpondersleutel in sleutelstand 0, zie pagina 81.
6. Bevestig de andere klem van de rode startkabel aan de pluspool (2) van de auto.
7. Bevestig de ene klem van de zwarte startkabel aan de minpool (3) van de hulpaccu.
11. Start de motor in de auto met de uitgeputte
accu.
BELANGRIJK
Raak de aansluitingen bij een startpoging
niet aan - er kan dan vonkvorming ontstaan.
03
12. Verwijder de startkabels in omgekeerde
volgorde - eerst de zwarte kabel en daarna
de rode.
> Zorg dat geen van de aansluitklemmen
aan de zwarte startkabel contact kan
maken met de pluspool van de accu of
met de aangesloten klem van de rode
startkabel!
8. Bevestig de andere klem aan een massapunt, bijv. een van de hijsogen (4) op de
motor.
2. Controleer of de hulpaccu een spanning
van 12 V levert.
9. Controleer of de aansluitklemmen van de
startkabels goed vastzitten om te voorkomen dat er tijdens de startpoging vonken
ontstaan.
3. Als de hulpaccu in een andere auto is
gemonteerd, moet u de motor van die auto
afzetten en ervoor zorgen dat de beide
auto’s elkaar niet raken.
10. Start de motor van de “hulpauto” en laat
deze enkele minuten draaien op een toerental dat iets hoger ligt dan normaal,
ca. 1500 omw/min.
117
03 Bestuurdersmilieu
Motor starten, hulpaccu
WAARSCHUWING
03
•
De startaccu kan het zeer explosieve
knalgas produceren. Eén enkele vonk,
veroorzaakt door een onjuiste aansluiting van een startkabel, kan volstaan om
de accu tot ontploffing te brengen.
•
De startaccu bevat tevens zwavelzuur
dat ernstige chemische brandwonden
kan veroorzaken.
•
Als u accuzuur in uw ogen krijgt of op
uw huid of kleren morst, moet u onmiddellijk met grote hoeveelheden water
spoelen. Neem onmiddellijk contact op
met een arts, als u accuzuur in uw ogen
krijgt.
Zie voor meer informatie over de startaccu van
de auto - zie pagina 360.
118
03 Bestuurdersmilieu
Versnellingsbakken
Algemeen
Handgeschakelde versnellingsbak
HSA
• Volg het schakelpatroon dat in de versnel-
De HSA-functie (Hill Start Assist) is verkrijgbaar
voor handgeschakelde en automatische versnellingsbakken.
lingspook is geslagen en begin in de neutrale stand N. Druk hierna de versnellingspook omlaag voordat u de pook naar de
R-stand duwt.
De HSA-functie zorgt ervoor dat de pedaaldruk
enkele seconden lang op peil blijft als u uw voet
van het rempedaal naar het gaspedaal verplaatst voordat u wegrijdt of achteruitrijdt op
een oplopende helling.
De tijdelijke remwerking wordt na enige seconden opgeheven of eerder bij het bedienen van
het gaspedaal.
BELANGRIJK
Om schade aan onderdelen van de aandrijflijn te voorkomen wordt de bedrijfstemperatuur van de versnellingsbak gecontroleerd. Bij gevaar voor oververhitting gaat
een waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel branden en verschijnt er een
displaymelding – volg het gegeven advies.
op normale snelheid onbedoeld de achteruitversnelling inschakelt.
•
03
Schakel de achteruitversnelling alleen in
als de auto stilstaat.
Schakelindicator*
Schakelpatroon
Zie het desbetreffende schakelpatroon dat in
de pookknop geslagen is.
•
Trap het koppelingspedaal tijdens het
schakelen altijd zo ver mogelijk in.
• Haal uw voet na het schakelen weer van
het koppelingspedaal af.
WAARSCHUWING
Gebruik altijd de parkeerrem bij parkeren op
een hellende ondergrond - een ingeschakelde versnelling is niet voldoende om de
auto in alle situaties vast te houden.
Belangrijk voor een milieubewuste rijstijl is het
kiezen van de juiste versnelling en tijdig schakelen.
Als hulpmiddel is op bepaalde varianten een
indicator - GSI (Gear Shift Indicator) aanwezig
- deze laat de bestuurder weten wanneer het
handig is om op of terug te schakelen voor het
laagst denkbare brandstofverbruik. Met het
oog op eigenschappen als de prestaties en een
trillingsvrije motorloop is het soms beter op iets
hogere toeren te schakelen. Het omcirkelde
cijfer geeft de actuele versnelling aan.
Blokkering achteruitversnelling
De blokkering van de achteruitversnelling
beperkt het risico dat u tijdens het vooruitrijden
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
119
03 Bestuurdersmilieu
Versnellingsbakken
Automatische versnellingsbak
Geartronic*
daal bedienen om de keuzehendel uit de Pstand te kunnen halen.
In stand P is de versnellingsbak mechanisch
geblokkeerd. Activeer voor de zekerheid ook
de parkeerrem, zie pagina 136.
03
N.B.
De keuzehendel moet in de P-stand staan
om de auto te kunnen vergrendelen en op
alarm te zetten.
Dashboard "Digital" met schakelindicator.
Schakelindicator voor handgeschakelde versnellingsbak.
Er brandt slechts één lamp
tegelijk – bij normaal rijden
brandt alleen de middelste
lamp.
Als op- of terugschakelen wordt aangeraden,
brandt de bovenste bij "+" of de onderste bij
"-", in de afbeelding met rood gemarkeerd.
Op het dashboard "Analog"
worden de schakelstanden en
indicatorpijlen getoond in het
midden van het instrumentenpaneel.
120
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
BELANGRIJK
D: automatisch schakelen. +/–: handmatig schakelen.
Schakelstanden
De automatische schakelstanden worden op deze
manier rechts in het dashboard getoond. (Er brandt
maar één lampje tegelijk - die
van de actuele versnellingspookstand.)
Symbool S voor "Sportstand" is ORANJE,
indien geactiveerd.
De auto moet stilstaan als stand P wordt
gekozen.
WAARSCHUWING
Gebruik altijd de parkeerrem bij parkeren op
een hellende ondergrond - de P-stand van
de automatische versnellingsbak is niet voldoende om de auto in alle situaties vast te
houden.
R – Achteruitrijstand
De auto moet stilstaan wanneer u de hendel in
stand R zet.
P – Parkeerstand
N – Vrijstand
Selecteer stand P, wanneer u de motor start of
de auto wordt geparkeerd. U moet het rempe-
In deze stand kunt u de motor starten en er is
geen versnelling ingeschakeld. Zet de parkeer-
03 Bestuurdersmilieu
Versnellingsbakken
rem aan, wanneer de auto stilstaat en de keuzehendel in stand N staat.
D – Rijstand
• Trek de hendel naar achteren naar de –
(min) om een lagere versnelling in te schakelen en laat deze weer los.
ven aan de lagere versnellingen, zodat er met
enige vertraging wordt opgeschakeld.
De sportstand is te activeren door de hendel
zijwaarts vanuit stand D naar de eindstand bij
"+/-" te bewegen. Op het informatiedisplay
verandert het teken D in S.
Stand D is de normale rijstand. De versnellingsbak schakelt automatisch op en terug
afhankelijk van de stand van het gaspedaal en
de snelheid. Zorg ervoor dat de auto stilstaat,
voordat u de keuzehendel vanuit stand D in
stand R zet.
Handmatig schakelen "+/-" kan op elk moment
tijdens het rijden geactiveerd worden.
Om schokken en afslaan van de motor te voorkomen, schakelt Geartronic automatisch terug
als de bestuurder langzamer gaat rijden dan
wat voor de gekozen versnelling gepast is.
De sportstand kan op elk moment tijdens het
rijden geactiveerd worden.
Geartronic - Handmatig schakelen (+/–)
Om de automatische rijstand te hervatten:
Geartronic - Winterstand
Met de automatische versnellingsbak
Geartronic kunt u ook handmatig schakelen.
Bij het loslaten van het gaspedaal wordt de
auto op de motor afgeremd.
• Zet de hendel helemaal naar links in stand
U activeert de handmatige schakelstand door
de hendel zijwaarts vanuit de stand D naar de
eindstand bij "+/-" te bewegen. Het informatiedisplaysymbool "+/-" verkleurt van wit naar
oranje en de cijfers 1-6 worden in een kader
getoond en komen overeen met de zojuist
geactiveerde versnelling.
• Duw de hendel naar voren naar de + (plus)
om een hogere versnelling in te schakelen
en laat deze weer los – de hendel veert
terug naar de neutrale stand tussen + en
–.
of
D.
N.B.
Als de versnellingsbak een sportstand kent,
is handmatig schakelen pas te activeren
wanneer u de hendel vooruit of achter in de
stand "+/-" hebt gezet. Op het informatiedisplay verandert de S dan in een van de
tekens 1-6 om aan te geven welke versnelling er ingeschakeld is.
Geartronic - Sportstand (S)
De sportstand levert een sportiever rijgedrag
op en maakt het mogelijk om hogere toeren te
maken in de versnellingen. De motor reageert
bovendien sneller op de commando’s die u
met het gaspedaal geeft. Bij inschakeling van
de sportstand wordt tevens de voorkeur gege-
03
Om bij gladheid gemakkelijker weg te kunnen
komen is het soms beter handmatig de 3e versnelling in te schakelen.
1. Bedien het rempedaal en beweeg de versnellingspook zijwaarts vanuit stand D
naar de eindstand bij "+/-" – het symbool
D op het dashboarddisplay verandert in
een 1.
2. Schakel op naar de 3e versnelling door de
hendel twee keer naar voren naar de +
(plus) te duwen – op het display verandert
de 1 in een 3.
3. Laat het rempedaal los en geef voorzichtig
gas.
Bij activering van de “winterstand” van de versnellingsbak rijdt de auto met een lager motortoerental en minder kracht op de aandrijfwielen
weg.
121
03 Bestuurdersmilieu
Versnellingsbakken
Kickdown
Mechanische schakelblokkering
Elektrische schakelblokkering, Shiftlock
parkeerstand (P)
Als u het gaspedaal volledig intrapt (tot voorbij
de normale volgasstand), schakelt de versnellingsbak automatisch terug naar een lagere
versnelling. Dit is de zogeheten kickdown.
03
Om de keuzehendel uit stand P te kunnen
halen, moet u het rempedaal bedienen terwijl
de transpondersleutel in stand II staat, zie
pagina 81.
Wanneer u het gaspedaal uit de kickdownstand loslaat, schakelt de versnellingsbak
automatisch op.
Schakelblokkering, vrijstand (N)
G021351
Gebruik de kickdown om zo snel mogelijk te
accelereren zoals bij het inhalen.
Beveiligingsfunctie
Om overtoeren van de motor te voorkomen, is
het stuurprogramma van de versnellingsbak
voorzien van een terugschakelblokkering
waardoor de zogeheten kickdown niet mogelijk is.
Geartronic staat geen terugschakeling/kickdown toe die tot een dusdanig hoog toerental
leidt dat de motor kan worden beschadigd.
Wanneer u bij hoge motortoeren toch probeert
een dergelijke kickdown uit te voeren, gebeurt
er niets. De auto blijft in de oorspronkelijke versnelling rijden.
Bij kickdown kan de auto afhankelijk van het
motortoerental één of meer versnellingen
terugschakelen. Om schade aan de motor te
voorkomen schakelt de auto op wanneer de
motor het maximumtoerental heeft bereikt.
122
U kunt de hendel altijd ongehinderd heen en
weer halen tussen de standen N en D. Om de
hendel in een van de overige standen te zetten,
moet u een blokkering opheffen door op de
blokkeerknop op de keuzehendel te drukken.
Met de blokkeerknop ingedrukt kunt u de hendel vooruit of achteruit bewegen tussen de
standen P, R, N en D.
Automatische schakelblokkering
De automatische versnellingsbak kent enkele
bijzondere beveiligingsfuncties:
Parkeerstand (P)
Stilstaande auto met draaiende motor:
Houd uw voet op het rempedaal terwijl u de
keuzehendel verzet.
Als de keuzehendel in stand N staat en de auto
heeft minstens 3 seconden stilgestaan (of de
motor nu loopt of niet), is de keuzehendel
geblokkeerd.
Om de keuzehendel uit stand N te kunnen
halen, moet de transpondersleutel in stand II
staan en moet het rempedaal worden bediend,
zie pagina 81.
Automatische schakelblokkering
deactiveren
03 Bestuurdersmilieu
Versnellingsbakken
Als er niet met de auto kan worden gereden
zoals het geval is bij een uitgeputte accu, moet
u de keuzehendel uit stand P halen voordat u
de auto kunt verslepen.
Til de rubberen mat uit het vak achter de
middenconsole.
Druk de gele knop in de console omlaag en
laat deze los.
Haal de keuzehendel uit stand P.
4. Leg de rubberen mat terug.
Automatische versnellingsbak
Powershift*
Powershift is een automaat die in tegenstelling
tot een conventionele automatische versnellingsbak voorzien is van dubbele mechanische
lamellenkoppelingen. Een automatische versnellingsbak heeft echter een hydraulische
koppelomvormer die de kracht van de motor
overbrengt op de versnellingsbak.
Een Powershift-versnellingsbak werkt verder
op dezelfde manier en heeft bedieningselementen en functies die vergelijkbaar zijn met
die van de automatische versnellingsbak
Geartronic, die in het voorgaande gedeelte
werd besproken.
Powershift of Geartronic?
Wanneer u niet zeker weet of uw auto wel of
niet is uitgerust met een Powershift-versnellingsbak, kunt u dit controleren aan de hand
van de aanduiding op de versnellingsbaksticker onder de motorkap - zie pagina 382. De
aanduiding ”MPS6” houdt in dat het om een
Powershift –-bak gaat. Anders is het een
Geartronic-automaat.
Een te warme versnellingsbak uit zich in een
auto die gaat schudden en trillen, een waarschuwingssymbool dat gaat branden en een
melding op het informatiedisplay. Ook bij langzaam fileverkeer (10 km/h of lager) op oplopende hellingen of met een aanhanger/caravan
achter de auto kan de versnellingsbak te warm
worden. De versnellingsbak koelt af tijdens stilstand, wanneer het rempedaal bediend wordt
en de motor stationair loopt.
03
Oververhitting tijdens langzaam fileverkeer is te
voorkomen door in etappes te rijden:
• Sta stil en wacht met uw voet op het rempedaal totdat de afstand tot uw voorliggers
lang genoeg is om een stukje verder vooruit te rijden, rem en wacht weer enige tijd
met uw voet op het rempedaal.
BELANGRIJK
Bedien de bedrijfsrem om de auto stil te
houden op oplopende hellingen – maak
geen gebruik van het gaspedaal. De versnellingsbak kan dan oververhit raken.
Waar u op moet letten
D: automatisch schakelen. +/–: handmatig schakelen.
De dubbele koppeling van de versnellingsbak
is voorzien van een beveiliging tegen overbelasting die geactiveerd wordt, als de versnellingsbak te warm wordt – bijvoorbeeld als u de
auto te lang met het gaspedaal stilhoudt op een
oplopende helling.
Zie voor belangrijke informatie over de
Powershift en slepen – zie pagina 320.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
123
03 Bestuurdersmilieu
Versnellingsbakken
Displaymelding en maatregel
In bepaalde situaties kan er een bepaalde melding op het display verschijnen in combinatie
met een brandend symbool.
Symbool
03
A
Display
Rijeigenschappen
Maatregel
Oververh versnb zet auto stil
Problemen om snelheid constant te houden bij hetzelfde toerental.
Versnellingsbak oververhit. Houd de auto
stil met het rempedaal.A
Oververh versnb Stop auto z.s.m.
Auto rijdt met hevige schokkerige bewegingen vooruit.
Versnellingsbak oververhit. Parkeer de
auto zo spoedig mogelijk.A
Koeling versn.b. laat motor lopen
Geen aandrijving wegens oververhitting
van de versnellingsbak.
Versnellingsbak oververhit. Voor optimale
koeling: Laat de motor stationair lopen met
de keuzehendel in stand N of stand P, totdat de melding verdwijnt.
Voor optimale koeling: Laat de motor stationair lopen met de keuzehendel in stand N of stand P, totdat de melding verdwijnt.
De tabel schetst drie gevallen van oververhitting van de versnellingsbak met verschillende
ernstigheidsgraad. De elektronica waarschuwt
de bestuurder niet alleen met een displaymelding maar ook middels tijdelijke veranderingen
in het rijgedrag. Volg in het voorkomende geval
de aanwijzingen op het informatiedisplay.
124
N.B.
De voorbeelden in de tabel geven niet aan
dat de auto defect is, maar geven aan dat er
een veiligheidsfunctie is geactiveerd om
schade aan onderdelen van de auto te voorkomen.
WAARSCHUWING
Als u het waarschuwingssymbool met de
tekst Oververh versnb Stop auto z.s.m.
negeert, kan de versnellingsbaktemperatuur dusdanig oplopen dat de krachtoverbrenging tussen de motor en de versnellingsbak tijdelijk wordt verbroken om te
voorkomen dat de koppeling defect raakt –
de auto wordt dan niet meer aangedreven
totdat de versnellingsbaktemperatuur tot
een aanvaardbaar niveau is gedaald.
03 Bestuurdersmilieu
Versnellingsbakken
Voor andere displaymeldingen en de voorgestelde maatregelen bij auto’s met een automatische versnellingsbak, zie pagina 208.
Na uitvoering van de maatregel verdwijnt de
displaymelding automatisch. U kunt de melding ook eerder doen verdwijnen met een druk
op de knop OK van de richtingaanwijzerhendel.
03
125
03 Bestuurdersmilieu
Eco Guide & Power*
03
Algemeen
Actuele waarde
Power
Deze meters helpen de bestuurder de auto zo
zuinig mogelijk te besturen.
Hier wordt de actuele waarde getoond; hoe
verder de uitslag op de schaal, hoe beter.
Deze meter toont hoeveel vermogen de motor
levert en hoeveel beschikbaar vermogen er is.
Zie voor het (de)activeren van het tonen van
deze functies zie pagina 72.
De actuele waarde wordt berekend op basis
van snelheid, motortoerental, benut motorvermogen en het gebruik van het rempedaal.
De auto slaat ook statistiek op van gereden ritten die wordt verwerkt in staafdiagrammen, zie
pagina 240.
EcoGuide
Deze meter geeft een beeld van hoe zuinig er
in de auto wordt gereden.
Een optimale snelheid (50-80 km/h) en een laag
toerental worden aangemoedigd. Bij gasgeven
en remmen dalen de wijzers.
Zeer lage actuele waarden activeren het rode
gebied van de meter, wat betekent dat zeer
onzuinig wordt gereden. Dit moet worden
voorkomen.
Gemiddelde waarde
De gemiddelde waarde volgt de actuele
waarde langzaam en beschrijft hoe de afgelopen tijd in de auto is gereden. Hoe verder de
wijzers uitslaan op de schaal, hoe zuiniger er
door de bestuurder is gereden.
Beschikbaar motorvermogen
Benut motorvermogen
Beschikbaar vermogen
De kleinere, bovenste wijzer toont het beschikbare motorvermogen1. Hoe verder de uitslag
op de schaal, hoe meer vermogen er beschikbaar is in de actuele versnelling.
Benut vermogen
Actuele waarde
Gemiddelde waarde
1
126
Het vermogen is afhankelijk van het motortoerental.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
De grotere, onderste wijzer toont het benutte
motorvermogen1. Hoe verder de uitslag op de
03 Bestuurdersmilieu
Eco Guide & Power*
schaal, hoe meer vermogen van de motor
wordt benut.
Een groot gat tussen beide wijzers duidt op een
grote vermogensreserve.
03
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
127
03 Bestuurdersmilieu
Start/Stop *
Stiller en schoner
Algemene informatie over Start/Stop
Het Start/Stop-systeem
wordt automatisch geactiveerd, wanneer u de motor
met een sleutel start. De
bestuurder wordt op de functie gewezen doordat op het
dashboard kort dit symbool
gaat branden, de displaytekst Auto StartStop AAN wordt weergegeven en het groene
lampje op de Aan/Uit-knop brandt.
03
Milieuzorg vormt een van de kernwaarden van
Volvo Car Corporation en geeft richting aan al
onze activiteiten. Dit resulteerde in de DRIVeuitvoeringen: een concept bestaande in een
synergetisch geheel van uiteenlopende energiebesparende functies met als doel het brandstofverbruik te verlagen en daarmee ook de
uitlaatgasemissie te beperken.
De motor wordt afgezet – voor een stillere en schonere rit....
Auto’s met een bepaalde combinatie van
motor en versnellingsbak zijn voorzien van een
Start/Stop-systeem dat in werking treedt, als
de auto bijvoorbeeld stilstaat in een file of
wacht voor een stoplicht. De motor wordt dan
tijdelijk afgezet en start automatisch als er
moet worden doorgereden.
Met het Start/Stop-systeem kan de bestuurder
actiever milieubewust rijden doordat de motor,
wanneer dat kan, automatisch kan afslaan.
Handbak of automaat
Let erop dat er verschillen zijn in het
Start/Stop-systeem, afhankelijk van de vraag
of de auto een handbak of een automaat heeft.
128
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Functie en bediening
Alle normale autosystemen waaronder verlichting, radio e.d. werken ook bij een automatisch
afgeslagen motor normaal, zij het dat er mogelijk tijdelijke beperkingen gelden voor bepaalde
uitrusting (zoals het geval kan zijn voor de ventilatorsnelheid van de klimaatregeling of het
volume van het audiosysteem).
Automatische motorafslag
Voor automatische motorafslag dient de auto
volledig stil te staan:
03 Bestuurdersmilieu
Start/Stop *
Voorwaarden
A
M/AA
Ontkoppelen, zet de schakelhendel in de neutrale stand en laat het
koppelingspedaal opkomen. De
motor wordt afgezet.
M
Zet de auto stil met het rempedaal
en houd uw voet op het pedaal.
De motor slaat automatisch af.
A
Automatische motorstart
Voorwaarden
M = handbak, A = automaatbak.
Ter bevestiging en herinnering aan de
automatische motorafslag licht het
symbool voor AUTO START van het informatiedisplay op.
M/AA
Met de schakelhendel in de neutrale stand: Trap het koppelingspedaal of het gaspedaal in – de
motor start. Schakel een passende versnelling in en vervolg de
rit.
M
Bij een neergaande helling
bestaat ook deze mogelijkheid:
M
Kijk voor meer informatie over HSA op pagina
119.
A
03
Start/Stop-systeem deactiveren
Laat het rempedaal los en laat de
auto wegrollen. De motor start
dan automatisch als de snelheid
hoger wordt dan normaal stapvoets.
Laat het rempedaal los. De motor
start automatisch en u kunt doorrijden.
pedaal verplaatst voordat u wegrijdt na een
automatisch afgeslagen motor. De tijdelijke
remwerking wordt na enkele seconden opgeheven, of eerder bij het bedienen van het gaspedaal.
A
M = handbak, A = automaatbak.
Starten met hulpaccu HSA
Het rempedaal kan ook bij opgaande hellingen
worden losgelaten om de motor automatisch
te starten. De functie HSA zorgt ervoor dat de
auto niet naar achteren rolt.
In bepaalde situaties is het
mogelijk beter om het automatische Start/Stop-systeem
tijdelijk uit te schakelen. Dit is
mogelijk met een druk op
deze knop, waarbij het lampje
van de knop uitgaat.
Een gedoofd symbool op het informatiedisplay
geeft in combinatie met de melding Auto
Start-Stop UIT die enkele seconden verschijnt aan dat het Start/Stop-systeem
gedeactiveerd is. Ook het lampje in de knop
dooft.
Het Start/Stop-systeem blijft gedeactiveerd,
totdat het opnieuw geactiveerd wordt met de
knop of de volgende keer dat de motor wordt
gestart met de sleutel.
HSA (Hill Start Assist) zorgt ervoor dat de
pedaaldruk enkele seconden lang op peil blijft
als u uw voet van het rempedaal naar het gas``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
129
03 Bestuurdersmilieu
Start/Stop *
Beperkingen
Voorwaarden
M/AA
Voorwaarden
Automatische motorafslag werkt niet
de startaccu een temperatuur
onder het vriespunt of boven
ca. 55 °C heeft.
M+A
het bestuurdersportier is
geopend met de keuzehendel in
de D-stand.
A
de bestuurder grotere stuurbewegingen maakt.
M+A
de keuzehendel vanuit stand D in
stand SC of "+/-" wordt gezet.
A
het roetfilter van het uitlaatsysteem vol is. Pas nadat er een
automatische reinigingscyclus is
uitgevoerd (zie pagina 305),
wordt het tijdelijk uitgeschakelde
Start/Stop-systeem weer geactiveerd.
M+A
de weg erg steil is.
M+A
een aanhanger elektrisch is verbonden met het elektrisch systeem van de auto.
M+A
de atmosferische luchtdruk onder
het niveau voor ca. 1500–2400
boven zeeniveau ligt. De actuele
luchtdruk varieert afhankelijk van
het weertype.
M+A
de file-assistent van de adaptieve
cruisecontrol is geactiveerd.
A
Ook als het Start/Stop-systeem geactiveerd is,
zal de automatische motorafslag niet werken
als:
03
130
Voorwaarden
M/AA
de auto nog geen ca. 5 km/u rijdt
(= stapvoets) na start met sleutel
of laatste autostop.
M+A
u de gordelsluiting hebt geopend.
M+A
de capaciteit van de startaccu
onder de toelaatbare ondergrens
is gedoken.
M+A
de motor niet op de normale
bedrijfstemperatuur is.
M+A
de buitentemperatuur onder het
vriespunt of boven ca. 30 °C is.
M+A
de omstandigheden in de passagiersruimte afwijken van de ingestelde waardenB – wat te merken
is aan het hoge toerental van de
interieurventilator.
M+A
er achteruit wordt gereden met de
auto.
M+A
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
A
B
C
M/AA
M = handbak, A = automaatbak.
Auto met ECC.
Sportstand.
Automatische motorstart
Een motor die automatisch werd afgezet kan in
bepaalde gevallen automatisch worden gestart
voordat u hebt aangegeven de rit te willen
voortzetten. In de volgende gevallen start de
motor automatisch, ook als de bestuurder het
koppelingspedaal niet heeft ingetrapt (handgeschakelde bak) of zijn voet niet van het rempedaal haalt (automaat):
Voorwaarden
M/AA
er wordt condens gevormd op de
ruiten.
M+A
het milieu in de passagiersruimte
wijkt af van de voorgeselecteerde
waardenB.
M+A
03 Bestuurdersmilieu
Start/Stop *
A
Voorwaarden
M/AA
de buitentemperatuur zakt onder
het vriespunt of komt boven de
ca. 30 °C.
M+A
er wordt tijdelijk veel stroom afgenomen of de capaciteit van de
startaccu is onder de toelaatbare
ondergrens gezakt.
M+A
u bedient het rempedaal met
pompende bewegingen.
M+A
WAARSCHUWING
Open de motorkap niet als de motor automatisch afgeslagen is. De motor kan plotseling automatisch starten. Voer eerst een
normale motoruitschakeling uit met de
START/STOP ENGINE-knop voordat u de
motorkap omhoog doet.
Automatische motorstart werkt niet
de auto begint sneller te rollen
dan stapvoets.
M
De gordelsluiting van de bestuurder is geopend met de keuzehendel in de D- of N-stand.
A
Stuurbewegingen.
A
de keuzehendel wordt vanuit de
D-stand in “+/-” of R gezet.
A
Het bestuurdersportier wordt
geopend met de keuzehendel in
de D-stand.
A
In de volgende gevallen werkt de automatische
motorstart niet nadat de motor automatisch
werd afgezet:
Voorwaarden
M = handbak, A = automaatbak.
A
Onvrijwillige motorstop bij
handgeschakelde versnellingsbak
Doe het volgende als de automatische motorstart mislukt en de motor uitvalt:
1. Bedien het koppelingspedaal opnieuw – de
motor start automatisch.
2. In bepaalde gevallen moet u de versnellingspook in de neutrale stand zetten. Op
het informatiedisplay staat dan de tekst
Zet versnelling in vrij
03
Meer informatie en instellingen
M/AA
er is een versnelling ingeschakeld
zonder het koppelingspedaal te
bedienen – een displaymelding
dring er bij u op aan om de schakelhendel in de neutrale stand te
zetten en automatische motorstart mogelijk te maken.
M
De bestuurder draagt geen gordel, de keuzehendel staat in de
P-stand en het bestuurdersportier is open – de motor moet op
de normale manier worden
gestart.
A
In de menugroep MY CAR van de auto is een
instructieboekje raadpleegbaar, waarin het
DRIVe-concept uitvoering staat beschreven
compleet met instellingen en opties – zie
pagina 212.
M = handbak, A = automaatbak.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
131
03 Bestuurdersmilieu
Start/Stop *
Displaymelding
Het Start/Stop-systeem kan in
bepaalde situaties aanleiding geven
03
Symbool
AUTOSTOP
132
tot displaymeldingen op het informatiedisplay
en een brandend controlelampje. Bij enkele
daarvan dient u een aanbevolen maatregel te
nemen. In de volgende tabel staan enkele voorbeelden.
Melding
Informatie/maatregel
M/AA
Auto Start-Stop AAN
Blijft enkele seconden branden na activering van Start/Stop.
M+A
Auto Start-Stop UIT
Blijft enkele seconden branden na deactivering van Start/
Stop.
M+A
Auto Start-Stop Service vereist
Start/Stop werkt niet. Neem contact op met een werkplaats
– geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
M+A
Motormanagement
Er vindt een automatische controle van de werking plaats.
M+A
Motor in Auto Start
Motor klaar voor automatische start. Wacht op bediening van
het koppelings- of rempedaal.
M
Druk op Start-knop
Geen automatische motorstart mogelijk. Voer een reguliere
motorstart uit met de knop START/STOP ENGINE.
M
Trap koppeling in om te starten
Motor klaar voor automatische start – wacht op bediening van
het koppelingspedaal.
M
Trap rempedaal in om te starten
Motor klaar voor automatische start – wacht op bediening van
het rempedaal.
M
Rem en ontkoppel om te starten
Motor klaar voor automatische start – wacht op bediening van
het koppelings- of rempedaal.
M
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
03 Bestuurdersmilieu
Start/Stop *
Symbool
AUTOSTOP
A
M/AA
Melding
Informatie/maatregel
Zet versnelling in vrij
Er is geschakeld zonder te ontkoppelen – bedien het koppelingspedaal om de schakelhendel in de neutrale stand te zetten.
M
Motor in Auto Start
Motor klaar voor automatische start. Wacht tot het rempedaal
wordt losgelaten.
A
Kies stand P of N om te starten
Start/Stop is gedeactiveerd. Zet de keuzehendel in stand N
of P en voer een normale motorstart uit met de START/STOP
ENGINE-knop.
A
Druk op Start-knop
De motor zal niet automatisch starten. Voer een normale
motorstart uit met de START/STOP ENGINE-knop en de
keuzehendel in P of N.
A
03
M = handbak, A = automaatbak.
Als een displaymelding na het uitvoeren van de
voorgestelde maatregel niet verdwijnt, dient u
contact op te nemen met een werkplaats –
geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
133
03 Bestuurdersmilieu
Bedrijfsrem
Algemeen
De auto is uitgerust met twee remkringen. Als
een van de remkringen defect raakt, betekent
dit dat de remmen pas later worden aangesproken zodat u het rempedaal dieper moet
intrappen voor dezelfde remmende werking.
03
De druk die u uitoefent op het rempedaal wordt
versterkt door de rembekrachtiging.
WAARSCHUWING
De rembekrachtiging werkt alleen als de
motor draait.
Wanneer u met de motor afgezet remt doet het
rempedaal stug aan en kost het u meer kracht
om de auto te remmen.
In bergachtig gebied of bij het rijden met een
zware belading kunt u de remmen ontzien door
op de motor af te remmen. U benut de remmende werking van de motor het best, wanneer u tijdens het afdalen dezelfde versnelling
inschakelt als bij het oprijden van een helling.
Voor algemener informatie over een zware
belasting van de auto, zie pagina 388.
Antiblokkeerremsysteem
De auto is uitgerust met ABS (Anti-lock Braking
System) dat voorkomt dat de wielen blokkeren
tijdens het remmen. Zo blijft de auto bestuur-
134
baar, waardoor het bijvoorbeeld makkelijker is
om obstakels te ontwijken. Bij activering van
deze functie kunt u trillingen in het rempedaal
voelen. Dit is volkomen normaal.
Wanneer u het rempedaal loslaat nadat de
motor is aangeslagen, gaat een kortdurende,
automatische test van het ABS van start. Het
is mogelijk dat er opnieuw een automatisch
test van het ABS plaatsvindt, wanneer de auto
een snelheid van 10 km/h bereikt. Ook deze
test kan waarneembaar zijn in de vorm van trillingen in het rempedaal.
Remschijven schoonmaken
Vuil en water op de remschijven kunnen ertoe
leiden dat de aanspreekduur van de remmen
wordt verlengd. Door de remblokken schoon te
maken beperkt u deze verlenging.
U wordt geadviseerd de remschijven handmatig schoon te maken, wanneer u op natte
wegen rijdt, de auto net hebt gewassen of op
het punt staat deze langdurig te parkeren. U
maakt de remschijven handmatig schoon door
korte tijd licht te remmen.
Remkrachtverhoging bij noodstops
Noodremlichten en automatische
alarmlichten
De noodremlichten worden geactiveerd om
achterliggers erop te attenderen dat u krachtig
remt. Daarbij knipperen de remlichten in plaats
van dat ze continu branden, zoals bij normaal
remmen.
De noodremlichten worden geactiveerd bij
snelheden hoger dan 50 km/h als het ABS
actief is en/of bij krachtig remmen. Nadat de
snelheid van de auto is teruggebracht tot minder dan 10 km/u knippert het remlicht niet langer, maar brandt het weer gewoon constant.
Tegelijkertijd worden de alarmlichten geactiveerd en blijven deze knipperen tot de bestuurder weer optrekt tot minimaal 20km/u of de
alarmlichten worden gedeactiveerd met deze
knop, zie pagina 94.
De remkrachtverhoging bij noodstops (EBA,
Emergency Brake Assist) helpt de remkracht
verhogen om op die manier de remweg te verkorten. Het EBA registreert de wijze waarop u
het rempedaal bedient en verhoogt zo nodig de
remkracht. De remkracht kan worden verhoogd tot aan het niveau waarbij het ABS
ingrijpt. De EBA-regeling wordt uitgeschakeld
wanneer u de druk op het rempedaal verlaagt.
N.B.
Als EBA wordt geactiveerd, gaat het rempedaal iets verder omlaag dan normaal.
Druk het rempedaal in zo lang als dat nodig
is. Als u het rempedaal loslaat, stopt al het
afremmen.
03 Bestuurdersmilieu
Bedrijfsrem
Onderhoud
Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid en
betrouwbaarheid van de auto op een hoog peil
te houden, dient u de voorschriften van het
Serviceprogramma van Volvo op te volgen
zoals die omschreven staan in het Service- en
garantieboekje, zie pagina 344.
BELANGRIJK
De onderdelen van het remsystemen moeten regelmatig op slijtage worden gecontroleerd.
Informeer bij een werkplaats hoe dat in zijn
werk gaat of laat de controle over aan de
werkplaats – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
Symbolen op instrumentenpaneel
Symbool
Betekenis
Brandt continu – controleer het
remvloeistofpeil. Vul remvloeistof bij als het peil te laag ligt en
controleer tevens de oorzaak
van het remvloeistofverlies.
03
Brandt 2 seconden lang continu
bij het starten van de motor – er
is de laatste keer dat de motor
liep een storing in het ABS
opgetreden.
WAARSCHUWING
Als
en
tegelijk branden, kan er
een storing in het remsysteem zijn ontstaan.
Als het niveau in het remvloeistofreservoir in
dat geval normaal is, moet u voorzichtig
naar de dichtstbijzijnde werkplaats rijden
om het remsysteem te laten controleren geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
Als de remvloeistof onder het MIN-niveau in
het remvloeistofreservoir ligt, mag u pas
verder rijden als de remvloeistof is bijgevuld.
De oorzaak van het remvloeistofverlies
moet worden gecontroleerd.
135
03 Bestuurdersmilieu
Parkeerrem
Algemeen
> Het waarschuwingslampje op het dashboard gaat branden.
WAARSCHUWING
03
Gebruik altijd de parkeerrem bij parkeren op
een hellende ondergrond - een ingeschakelde versnelling of de P-stand van een
automatische versnellingsbak is niet voldoende om de auto in alle situaties vast te
houden.
N.B.
- Het waarschuwingssymbool in het
instrumentenpaneel brandt, ongeacht of de
parkeerrem licht of hard is aangehaald.
3. Laat het rempedaal los en controleer of de
auto volledig stilstaat.
4. Als de auto beweegt, dient u de hendel
minimaal één klik strakker aan te trekken.
• Zet de versnellingspook bij het parkeren
altijd in de 1e versnelling (handbak) en de
keuzehendel in stand P (automaat).
Op een helling parkeren
Bij het parkeren van de auto op een oplopende
helling:
• Draai de wielen van de trottoirband af.
Waarschuwingslampje dashboard.
De handremhendel zit tussen de voorstoelen.
Bij het parkeren van de auto op een aflopende
helling:
• Draai de wielen naar de trottoirband toe.
Parkeerrem aanzetten
1. Trap het rempedaal stevig in.
2. Trek de hendel stevig omhoog.
Parkeerrem lossen
1. Trap het rempedaal stevig in.
2. Trek de handremhendel iets omhoog, druk
de knop in, duw de handrem omlaag en
laat de knop weer los.
136
> Het waarschuwingslampje op het dashboard gaat uit.
Als de bestuurder vergeet de parkeerrem te
lossen, wordt hiervoor een waarschuwing
gegeven door - naast het al brandende waarschuwingslampje - een rinkelend geluid met
een melding op het dashboard als de rijsnelheid hoger dan 10 km/h is.
03 Bestuurdersmilieu
HomeLinkŸ *
Algemeen
WAARSCHUWING
•
HomeLinkŸ1 is een programmeerbare
afstandsbediening, ingebouwd in de achteruitkijkspiegel, die tot drie verschillende systemen
(bijvoorbeeld een garagedeuropener, alarmsysteem, huis- en tuinverlichting) op afstand
kan bedienen en daarmee de originele
afstandsbedieningen vervangt. Naast de drie
programmeerbare knoppen zit er ook een controlelampje op het paneel. HomeLinkŸ kan niet
worden geactiveerd als de auto vanaf de buitenkant is vergrendeld. Breng voor meer informatie over HomeLinkŸ een bezoek aan:
www.homelink.com of bel
00 8000 466 354 65 (of het betaalnummer
+49 6838 907 277).
1
Als u HomeLinkŸ gebruikt voor bediening van een garagedeur of toegangshek, let er dan op dat er zich niemand in
de buurt van de bewegende deur of het
bewegende hek bevindt.
•
Zorg dat de auto buiten de garage staat
tijdens het programmeren van de garagedeuropener.
•
Gebruik HomeLinkŸ niet voor een elektrische garagedeur zonder veiligheidsstop en -retour.
Let erop dat u de originele afstandsbedieningen goed bewaart voor eventuele programmering in een later stadium (zoals bij aankoop van
een nieuwe auto of gebruik in een andere auto).
Het wordt tevens geadviseerd om de programmering van de knoppen te wissen bij verkoop
van de auto. Zie het onderdeel ‘HomeLink®knoppen herstellen’ op pagina 138.
HomeLinkŸ programmeren
N.B.
Bij bepaalde auto’s moet het contact zijn
ingeschakeld of in de ‘accessoirestand’
staan, voordat HomeLinkŸ kan worden
geprogrammeerd of gebruikt. Plaats gerust
nieuwe batterijen in de afstandsbediening
die HomeLinkŸ moet vervangen, omdat de
programmering dan mogelijk sneller verloopt en het radiosignaal sterker is. Herstel
de HomeLinkŸ-knoppen alvorens te programmeren. HomeLinkŸ staat vervolgens in
de ‘inleermodus’ en is klaar voor programmering.
03
1. Druk de gewenste HomeLinkŸ-knop in en
houd deze ingedrukt totdat het controlelampje geel knippert. Dit duidt erop dat de
knop klaar is om te worden geprogrammeerd.
2. Richt de originele afstandsbediening op de
te programmeren HomeLinkŸ-knop en
houd de afstandsbediening op 5–30 cm
van de knop. Blokkeer het controlelampje
van HomeLinkŸ niet.
3. Druk de knop op de originele afstandsbediening in en laat deze niet los voordat het
controlelampje van geel naar rood of groen
HomeLink en het symbool met het HomeLink-huis zijn geregistreerde handelsmerken van Johnson Controls, Inc.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
137
03 Bestuurdersmilieu
HomeLinkŸ *
licht is gegaan. Bij rood licht - doe een
nieuwe poging en houd de originele
afstandsbediening op een andere afstand
van de HomeLinkŸ-knop. Groen licht geeft
aan dat het programmeren is gelukt.
03
4. Druk op de te programmeren
HomeLinkŸ-knop, houd deze
5 seconden lang ingedrukt en laat de
knop weer los. Herhaal dit zo nodig, totdat
de garagedeur reageert. Als de deur niet
reageert, druk dan op de geprogrammeerde HomeLinkŸ-knop, houd deze ingedrukt en controleer het controlelampje.
> Brandt continu groen: Het controlelampje brandt continu terwijl u de knop
ingedrukt houdt, wat aangeeft dat de
programmering afgerond is. De garagedeur, het toegangshek e.d. moet vervolgens geactiveerd worden bij het
indrukken van de bijbehorende
HomeLinkŸ-knop.
Knipperend groen: Het controlelampje
knippert als de knop ingedrukt wordt
gehouden. Ga in dat geval verder met
de programmeringspunten 5–7 om de
programmering af te ronden bij een systeem met rollende code (veelal een
garagedeuropener).
2
3
138
De aanduiding en kleur van deze knop verschillen per producent.
Het controlelampje brandt zolang u de knop ingedrukt houdt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
5. Zoek de “inleerknop2” van de ontvanger
van bijv. de garagedeur op (meestal in de
buurt van de antennevoet op de ontvanger).
afstandsbedieningen naast HomeLinkŸ blijven
gebruiken.
6. Druk de “inleerknop” van de ontvanger in
en laat deze los. De knop knippert
ca. 30 seconden en binnen deze periode
moet u het volgende punt uitvoeren.
Als het contact niet is uitgeschakeld, blijft
HomeLinkŸ tot 30 minuten na opening van
het bestuurdersportier werken.
7. Druk op de te programmeren HomeLinkŸknop, terwijl de “inleerknop” van de ontvanger nog knippert. Houd de HomeLinkknop ca. 3 seconden lang ingedrukt en laat
deze vervolgens los. Herhaal deze volgorde van indrukken, vasthouden en loslaten tot driemaal achtereen om de programmering te beëindigen.
Neem bij aanhoudende programmeringsproblemen contact op met HomeLinkŸ op:
www.homelink.com of bel
00 8000 466 354 65 (of het betaalnummer
+49 6838 907 277).
Bediening
Zodra HomeLinkŸ geprogrammeerd is, vormt
het een vervanging voor de afzonderlijke originele afstandsbedieningen.
Druk op de geprogrammeerde knop3 en houd
deze ingedrukt, totdat de garagedeur, het
alarmsysteem e.d. reageert (kan enkele seconden duren). Uiteraard kunt u de originele
N.B.
HomeLinkŸ-knoppen herstellen
U kunt de HomeLinkŸ-knoppen alleen allemaal
tegelijk herstellen en dus niet slechts één
ervan. Herprogrammeren van slechts één knop
is echter wel mogelijk, zie het volgende
gedeelte “Afzonderlijke knop programmeren”.
1. Druk de twee buitenste knoppen op
HomeLinkŸ in en laat deze niet los voordat
het controlelampje van geel naar groen
licht is gegaan.
2. Laat de knoppen los.
> HomeLinkŸ staat daarmee in de “inleerstand” en is klaar voor programmering,
03 Bestuurdersmilieu
HomeLinkŸ *
zie het gedeelte “HomeLink® programmeren” op pagina 137.
Afzonderlijke knop programmeren
Doe het volgende om één afzonderlijke
HomeLinkŸ-knop te programmeren:
03
1. Druk op de gewenste knop en houd deze
ingedrukt.
2. Als het controlelampje op HomeLinkŸ geel
begint te knipperen, na ongeveer 10
seconden, laat u de knop los en begint u
met stap 2 in het gedeelte "HomeLink®
programmeren" op pagina 137.
Breng voor meer informatie over HomeLinkŸ of
bij op- en aanmerkingen een bezoek aan:
www.homelink.com of bel
00 8000 466 354 65 (of het betaalnummer
+49 6838 907 277).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
139
140
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
142
145
147
149
151
162
165
171
179
180
184
189
192
196
201
G000000
Stabiliteits- en tractieregelsysteem, DSTC...........................................
Road Sign Information – RSI*...............................................................
Snelheidsbegrenzer*.............................................................................
Cruisecontrol*.......................................................................................
Adaptieve cruisecontrol*.......................................................................
Afstandswaarschuwing*........................................................................
City Safety™.........................................................................................
Collision Warning met Auto Brake en voetgangersbescherming.*.......
Driver Alert System*..............................................................................
Driver Alert System – DAC*...................................................................
Driver Alert System - Rijbaanassistent*................................................
Park Assist*...........................................................................................
Park Assist-camera*..............................................................................
Actieve parkeerhulp – PAP*..................................................................
BLIS en CTA*........................................................................................
BESTUURDERSONDERSTEUNING
04 Bestuurdersondersteuning
Stabiliteits- en tractieregelsysteem, DSTC
Algemene informatie over DSTC
De stabiliteits- en tractieregeling DSTC
((Dynamic Stability & Traction Control)) helpt de
bestuurder voorkomen dat de wielen doorslippen en verbetert de tractie van de auto.
04
Tijdens het afremmen kunnen de ingrepen van
het systeem waarneembaar zijn in de vorm van
pulserende geluiden. Tijdens het gas geven
kan de auto langzamer optrekken dan u verwacht.
WAARSCHUWING
Het stabiliteits- en tractieregelsysteem is
slechts een aanvullend hulpmiddel – het kan
niet alle situaties en alle wegomstandigheden aan.
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige
manier bestuurt en dat u zich aan de geldende verkeersregels en voorschriften
houdt.
Antislipregeling
Deze regeling beperkt de aandrijfkracht en
remkracht van elk van de afzonderlijke wielen
om de auto op die manier te stabiliseren.
142
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Antispinregeling
De functie verlaagt het motorvermogen als de
aandrijfwielen op de ondergrond slippen om de
stabiliteit en tractie te behouden.
Tractieregeling
Deze regeling is actief op lage snelheden en
brengt de aandrijfkracht van een slippend aandrijfwiel over op een aandrijfwiel dat niet slipt.
Motorremregeling, EDC
EDC (Engine Drag Control) voorkomt ongewenste blokkering van de wielen, zoals na
terugschakeling of bij gladheid tijdens het
afremmen op de motor in een lage versnelling.
Een van de gevolgen van ongewenste blokkering van de wielen is dat u de auto moeilijk
onder controle kunt houden.
De belangrijkste taak van de DSR-functie is de
bestuurder te helpen om in de juiste richting te
sturen als de auto gaat slippen.
DSR grijpt in door een zwak moment op het
stuurwiel te leggen in de richting waarin de
auto moet sturen om een zo maximaal mogelijke grip op het wegdek te behouden/bereiken
en om de auto te stabiliseren.
Trailer Stability Assist*, TSA
Het systeem heeft tot taak de auto met een
aanhanger/caravan te stabiliseren wanneer de
combinatie de neiging tot pendelbewegingen
vertoont, zie pagina 313.
N.B.
De functie wordt gedeactiveerd als u de
Sport-stand kiest.
Corner Traction Control, CTC
CTC zorgt voor compensatie van eventueel
onderstuur in een bocht en maakt het mogelijk
om sneller op te trekken dan normaal zonder
dat het binnenste wiel doorslipt zoals bij een
gebogen oprit om zo sneller in te kunnen voegen in de verkeersstroom.
Stuuraanbeveling - DSR
DSR (Driver Steering Recommendation) helpt
de bestuurder om de auto in de juiste richting
te sturen bij minder grip op het wegdek of bij
ABS-remmen.
Bediening
Niveau kiezen, Sport-stand
Het DSTC-systeem is altijd geactiveerd – uitschakelen is niet mogelijk.
U kunt echter de Sport-stand kiezen voor een
actievere rijervaring. In de Sport-stand registreert het systeem of de gaspedaal- en stuurwielbediening alsook het bochtenwerk als
actiever dan normaal aan te merken zijn,
waarna het systeem toestaat dat de achtertrein
04 Bestuurdersondersteuning
Stabiliteits- en tractieregelsysteem, DSTC
een gecontroleerde vorm van slippen vertoont
voordat het ingrijpt en de auto stabiliseert.
een zachte ondergrond (zoals zand of een
dikke laag sneeuw) rijdt.
Als u de gecontroleerde vorm van slippen
beëindigt door het gaspedaal te bedienen,
grijpt het DSTC-systeem in om de auto te stabiliseren.
Kies als volgt de Sport-stand:
1. Druk op de middenconsole de knop MY
CAR in en zoek in het menusysteem op het
beeldscherm My V40 DSTC op. (Voor
De Sport-stand maakt maximale aandrijving
mogelijk, als de auto is blijven steken of over
informatie over het menusysteem, zie
pagina 211).
2. Ontvink het vakje en verlaat het menusysteem met EXIT.
> Het systeem maakt vervolgens een
sportievere rijstijl mogelijk.
De Sport-stand is actief, totdat u de stand verlaat of de motor afzet – de volgende keer dat u
de motor start, staat het DSTC-systeem weer
in de normale stand.
04
Symbolen en meldingen op display
SymboolA
Melding
Betekenis
DSTC Tijdelijk UIT
Wegens een te hoge temperatuur van de remschijven gelden er tijdelijk beperkingen voor het DSTCsysteem. Het systeem wordt automatisch opnieuw ingeschakeld, wanneer de remmen voldoende zijn
afgekoeld.
DSTC Service vereist
Het DSTC-systeem is defect.
• Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand, zet de motor af en start deze opnieuw.
• Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
‘Melding’
Er staat een melding op het display van de snelheidsmeter – lees deze!
en
``
143
04 Bestuurdersondersteuning
Stabiliteits- en tractieregelsysteem, DSTC
SymboolA
Melding
Betekenis
Brandt 2 seconden lang continu.
Systeemtest bij het starten van de motor.
Knippert.
Het DSTC-systeem grijpt in.
De Sport-stand is geactiveerd.
04
144
A
De symbolen zijn schematisch.
04 Bestuurdersondersteuning
Road Sign Information – RSI*
Algemene informatie over RSI
WAARSCHUWING
RSI werkt niet in alle situaties, maar is uitsluitend bedoeld als een aanvullend hulpmiddel.
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige
manier bestuurt en dat u zich aan de geldende verkeersregels en voorschriften
houdt.
Samen met het symbool voor
de geldende snelheidsbeperking kan (indien van toepassing) ook een bord met inhaalverbod worden getoond.
Aanvullende borden
04
Bediening
Voorbeelden van leesbare, snelheidsgerelateerde1 borden.
De Road Sign Information-functie (RSI – Road
Sign Information) helpt de bestuurder te onthouden welke verkeersborden de auto is
gepasseerd aan de hand van informatie over
o.a. de actuele snelheid, of een snel- of autoweg begint of eindigt en of er een inhaalverbod
geldt.
Als zowel een bord met snel-/autoweg en een
bord met de maximumsnelheid wordt gepasseerd, toont RSI alleen het bordsymbool voor
de maximumsnelheid.
1
Voorbeelden van aanvullende borden1.
Geregistreerde snelheidsinformatie.
Als RSI een verkeersbord registreert met de
geldende snelheid, wordt dat bord als symbool
op het dashboard getoond.
Soms kent een en dezelfde weg verschillende
snelheidsbeperkingen – een aanvullend bord
geeft dan aan onder welke omstandigheden de
snelheden gelden. Het kan dan bijv. gaan om
een gevaarlijke weg bij bijv. regen en/of mist.
Het aanvullende bord m.b.t. regen wordt alleen
getoond als de ruitenwissers zijn geactiveerd.
De op het dashboard getoonde verkeersborden zijn marktafhankelijk – de afbeelding toont alleen voorbeelden.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
145
04 Bestuurdersondersteuning
Road Sign Information – RSI*
De geldende snelheid op een
afrit verschijnt met een aanvullend bord met een pijl. De
pijl wordt onder het symbool
met de snelheid getoond.
Instelling in MY CAR
• Vink Speed Alert in MY CAR Instellingen
Auto-instellingen
Snelheidswaarschuwing aan en verlaat
het menu met EXIT, zie pagina 213.
Het snelheidsbord dat aan dit
type aanvullend bord is gekoppeld, wordt
alleen getoond als de bestuurder de richtingaanwijzer gebruikt.
04
Bepaald traject of beperkte tijd van de
dag
Sommige snelheden gelden
pas na een bepaald traject of
op een bepaalde tijd van de
dag. De bestuurder wordt op
deze situatie geattendeerd
met een leeg kader onder het
snelheidssymbool.
Beperkingen
Keuzemogelijkheden in MY CAR.
Het tonen van snelheidssymbolen in het dashboard kan worden gedeactiveerd. Om de RSIfunctie uit te schakelen:
• Vink het alternatief in MY CAR
Instellingen Auto-instellingen
Informatie over verkeersborden aan en
verlaat het menu met EXIT, zie
pagina 213.
Speed Alert
(Speed Alert)
De bestuurder kan kiezen of hij een waarschuwing (Speed Alert) wil krijgen bij het met
5 km/h of meer overschrijden van de snelheidsbeperking. De waarschuwing bestaat uit een
tijdelijke knippering van het symbool m.b.t. de
maximumsnelheid als de snelheid wordt overschreden.
146
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Om Speed Alert in te schakelen:
De camerasensor van de RSI-functie kent
ongeveer dezelfde beperkingen als het menselijk oog – kijk voor meer informatie op pagina
176.
Borden die indirect informeren over snelheidsbeperkingen, bijv. naamborden van steden/
dorpen, worden niet geregistreerd door de
RSI-functie.
Hieronder volgen andere voorbeelden die de
functie kunnen storen:
•
•
•
•
•
Verbleekte borden
Borden in een bocht
Verdraaide of beschadigde borden
Verscholen of slecht geplaatste borden
Borden die deels of geheel zijn bedekt met
ijs, sneeuw en/of vuil.
04 Bestuurdersondersteuning
Snelheidsbegrenzer*
Algemene informatie over
snelheidsbegrenzer
Activeren en maximumsnelheid aanpassen.
Een Snelheidsbegrenzer (Speed Limiter) is te
beschouwen als een omgekeerde cruisecontrol – u regelt de snelheid met het gaspedaal,
terwijl de snelheidsbegrenzer voorkomt dat u
per ongeluk de vooraf gekozen/ingestelde
snelheid overschrijdt.
Gekozen snelheid
Bediening
Snelheidsbegrenzer actief
Inschakelen en activeren
Als de Snelheidsbegrenzer actief is, wordt dit
symbool (6) getoond in combinatie met een
markering (5) bij de ingestelde maximumsnelheid op het display.
Zowel tijdens het rijden als bij stilstand is het
mogelijk een maximumsnelheid in te stellen en
op te slaan in het geheugen.
Bij stilstand
1. Druk op de stuurtoets
om de snelheidsbegrenzer in te schakelen.
2. Druk meerdere malen op de toets
tot op
het dashboarddisplay bij de gewenste
maximumsnelheid een markering (5) staat.
> Nu is de cruisecontrol actief en de gekozen maximumsnelheid is opgeslagen in
het geheugen.
Snelheid wijzigen
• Stel af met een korte druk op
of
elke druk zorgt voor +/- 5 km/h. De laatst
verrichte aanpassing wordt in het geheugen opgeslagen.
Tijdens het rijden
1. Druk op de stuurtoets
om de snelheidsbegrenzer in te schakelen.
> Het symbool (6) voor de Snelheidsbegrenzer verschijnt op het dashboarddisplay.
De toetsenset op het stuurwiel en het dashboard
Digitaal resp. Analoog.
Snelheidsbegrenzer - Aan/Uit.
De stand-bystand wordt beëindigd en de
ingestelde snelheid wordt hervat.
Stand-by zetten
2. Wanneer de auto op de gewenste maximumsnelheid rijdt: Druk op een van de
stuurtoetsen
of , totdat op het dashboarddisplay bij de gewenste maximumsnelheid een markering (5) staat.
> Nu is de cruisecontrol actief en de gekozen maximumsnelheid is opgeslagen in
het geheugen.
04
Om de opgeslagen snelheid te wijzigen:
Om +/- 1 km/u af te stellen:
• Houd de knop ingedrukt en laat deze los
als op het dashboarddisplay bij de gewenste maximumsnelheid een markering (5)
staat.
Tijdelijk deactiveren – stand-bystand
Om de snelheidsbegrenzer tijdelijk te deactiveren en stand-by te zetten:
–
Druk op
.
> De markering (5) op het display verkleurt
van GROEN naar WIT (Digitaal) of van
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
147
04 Bestuurdersondersteuning
Snelheidsbegrenzer*
of van GRIJS naar WIT (Analoog)
waarna de maximumsnelheid van de
auto opnieuw van kracht is.
WIT naar GRIJS (Analoog) en de
bestuurder kan de ingestelde maximumsnelheid tijdelijk overschrijden.
De Snelheidsbegrenzer kan opnieuw
worden geactiveerd met een druk op
waarna de markering (5) op het display verkleurt van WIT naar GROEN
(Digitaal) of van GRIJS naar WIT (Analoog) waarna de maximumsnelheid van
de auto opnieuw van kracht is.
04
Tijdelijk deactiveren met gaspedaal
De snelheidsbegrenzer is ook met het gaspedaal stand-by te zetten, bijv. om in noodgevallen snel te kunnen accelereren:
–
Trap het gaspedaal volledig in.
> Het display toont de opgeslagen maximumsnelheid met een gekleurde
markering (5) en de bestuurder kan de
ingestelde maximumsnelheid tijdelijk
overschrijden - de markering (5) op het
display verkleurt ondertussen van
GROEN naar WIT (Digitaal) of van WIT
naar GRIJS (Analoog).
De Snelheidsbegrenzer wordt automatisch opnieuw geactiveerd nadat u het
gaspedaal hebt losgelaten en de auto is
afgeremd tot een snelheid onder de
gekozen/opgeslagen maximumsnelheid - de markering (5) op het display
verkleurt van WIT naar GROEN (Digitaal)
148
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Alarm overschrijding snelheid
Op steile aflopende hellingen volstaat de
motorrem mogelijk niet zodat de gekozen
maximumsnelheid wordt overschreden. U
wordt in dat geval hierop geattendeerd door
een geluidssignaal.
Het signaal is hoorbaar totdat u de auto hebt
afgeremd tot een snelheid onder de gekozen
maximumsnelheid.
N.B.
Het alarm wordt pas na 5 seconden geactiveerd, als de snelheid met minimaal
3 km/h wordt overschreden en de afgelopen
of
30 seconden geen van de toetsen
werd bediend.
Uitschakelen
Om de snelheidsbegrenzer uit te schakelen:
–
Druk op de stuurtoets
.
> Het Snelheidsbegrenzersymbool (6) op
het display en de markering voor de
ingestelde snelheid (5) doven. De gekozen en opgeslagen snelheid is vervolgens uit het geheugen gewist, waarna
deze niet meer te hervatten is met de
toets
.
U kunt daarna weer zonder beperkingen
de snelheid regelen met het gaspedaal.
04 Bestuurdersondersteuning
Cruisecontrol*
Algemene informatie over DCC
Bediening
De cruisecontrol (CC – Cruise Control) helpt de
bestuurder een gelijkmatige snelheid te houden, wat zorgt voor een comfortabeler rijervaring op lange ritten op snelwegen en lange,
rechte hoofdwegen met een gelijkmatige verkeersstroom.
WAARSCHUWING
De bestuurder dient altijd rekening te houden met de verkeersomstandigheden en in
te grijpen, wanneer de cruisecontrol geen
passende snelheid en/of afstand aanhoudt.
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige
manier bestuurt.
04
Toetsenset op het stuurwiel en display in de auto
zonder cruisecontrol1.
Toetsenset op het stuurwiel en display in de auto
met snelheidsbegrenzer1.
Cruisecontrol – Aan/Uit.
De stand-bystand wordt beëindigd en de
ingestelde snelheid wordt hervat.
Stand-by zetten
Activeren en snelheid aanpassen.
Gekozen snelheid (GRIJS = stand-by).
Cruisecontrol actief – WIT symbool (GRIJS
= stand-by).
Activeren en snelheid instellen
Om de cruisecontrol aan te zetten:
• Druk op de stuurtoets
1
Een Volvo-dealer kan u informeren over wat er op uw markt geldt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
149
04 Bestuurdersondersteuning
Cruisecontrol*
>
Symbool (6) in het display verkleurt van
GRIJS naar WIT en toont dat de cruisecontrole stand-by is.
Als u een knop van de cruisecontrol meerdere minuten ingedrukt houdt, wordt de
cruisecontrol geblokkeerd en uitgeschakeld. Om de cruisecontrol weer te kunnen
activeren, moet de auto stilstaan en de
motor worden herstart.
Om de cruisecontrole in te schakelen:
• Druk bij de gewenste snelheid op de stuurtoets
>
04
of
.
De actuele snelheid wordt in het geheugen
opgeslagen en de displaypunt (5) brandt bij
de ingestelde snelheid.
N.B.
De cruisecontrol kan niet worden ingeschakeld bij snelheden lager dan 30 km/h.
Tijdelijk deactiveren – stand-bystand
Om de cruisecontrol tijdelijk uit te schakelen en
stand-by te zetten:
• Druk op
>
.
De displaypunt (5) en het symbool (6) verkleuren van WIT naar GRIJS.
Om de cruisecontrol te heractiveren vanuit
stand-by:
• Druk op de stuurtoets
>
.
De displaypunt (5) en het symbool (6) verkleuren van GRIJS naar WIT en de snelheid
wordt verhoogd of verlaagd naar de laatst
opgeslagen snelheid.
N.B.
Nadat de snelheid weer met
is hervat,
kan er een markante snelheidstoename volgen.
Snelheid wijzigen
Automatische stand-bystand
Uitschakelen
Om de opgeslagen snelheid te wijzigen:
De cruisecontrol wordt tijdelijk uitgeschakeld
en stand-by gezet, als:
De cruisecontrol wordt gedeactiveerd bij
gebruik van de stuurtoets (1) of bij het afzetten
van de motor – de ingestelde snelheid wordt uit
het geheugen verwijderd en valt niet langer te
hervatten met de toets
.
• Stel af met een korte druk op
of
elke druk zorgt voor +/- 5 km/h. De laatst
verrichte aanpassing wordt in het geheugen opgeslagen.
Om +/- 1 km/u af te stellen:
• Houd de knop ingedrukt en laat los bij de
gewenste snelheid.
Wanneer u tijdelijk gas geeft via het gaspedaal
zoals bij een inhaalmanoeuvre, blijft de instelling van de cruisecontrol ongewijzigd – de auto
hervat de ingestelde snelheid zodra u het gaspedaal loslaat.
150
Ingestelde snelheid hervatten
N.B.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
•
•
•
•
•
de wielen hun grip op het wegdek verliezen
het rijpedaal wordt bediend
de snelheid daalt tot onder ca. 30 km/h
het koppelingspedaal wordt bediend
de keuzehendel in de neutraalstand wordt
gezet (automatische versnellingsbak)
• u meer dan 1 minuut lang een hogere snelheid aanhoudt dan ingesteld.
U dient vervolgens zelf uw snelheid aan te passen.
04 Bestuurdersondersteuning
Adaptieve cruisecontrol*
Algemene informatie over ACC
De adaptieve cruisecontrol (ACC – Adaptive
Cruise Control) helpt u om een veilige afstand
tot voorliggers te houden. De adaptieve cruisecontrol biedt u een comfortabeler rijervaring op
lange ritten op snelwegen en lange, rechte
hoofdwegen met een gelijkmatige verkeersstroom.
U stelt de gewenste snelheid en het tijdsverschil ten opzichte van de voorligger. Wanneer
de radarsensor een voorligger registreert die
langzamer rijdt dan u, wordt uw snelheid automatisch aangepast. Wanneer de weg voor u
weer vrij is, hervat de auto de ingestelde snelheid.
Als de auto een voorligger te dicht nadert terwijl
de adaptieve cruisecontrol gedeactiveerd is of
stand-by staat, wordt u in plaats daarvan door
Distance Alert (zie pagina 162) geattendeerd
op de korte afstand.
WAARSCHUWING
De bestuurder dient altijd rekening te houden met de verkeersomstandigheden en in
te grijpen, wanneer de adaptieve cruisecontrol geen passende snelheid of afstand aanhoudt.
met een zogeheten file-assistent, zie
pagina 156.
Functie
De adaptieve cruisecontrol leent zich niet
voor alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
Neem dit gedeelte helemaal door om inzicht
te krijgen in de beperkingen van de adaptieve cruisecontrol en daarmee rekening te
kunnen houden, voordat u de adaptieve
cruisecontrol inschakelt.
De bestuurder is er altijd verantwoordelijk
voor dat de juiste afstand en snelheid worden aangehouden, ook bij gebruik van de
adaptieve cruisecontrol.
04
Functie-overzicht1.
Waarschuwingslampje – afremmen noodzakelijk
BELANGRIJK
Laat het onderhoud van de onderdelen van
de adaptieve cruisecontrol over aan een
werkplaats – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
Toetsenset stuurwiel
Radarsensor
De adaptieve cruisecontrol bestaat uit een
cruisecontrol die gekoppeld is aan een
afstandshouder.
Automatische versnellingsbak
Bij auto’s met een automatische versnellingsbak is de adaptieve cruisecontrol uitgebreid
1
N.B. De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
151
04 Bestuurdersondersteuning
Adaptieve cruisecontrol*
WAARSCHUWING
04
De adaptieve cruisecontrol is geen systeem
dat botsingen voorkomt. Grijp zelf in zodra
u merkt dat het systeem een voorligger niet
registreert.
Het rempedaal beweegt als de cruisecontrol
remt. Laat uw voet niet onder het rempedaal
rusten, aangezien deze dan bekneld raakt.
De adaptieve cruisecontrol reageert niet op
voetgangers of dieren noch op kleinere
voertuigen, zoals fietsen of motorfietsen
e.d. Tegenliggers, langzaam rijdende en stilstaande voertuigen of vaste obstakels worden eveneens genegeerd.
De adaptieve cruisecontrol streeft ernaar de
door u ingestelde volgtijd ten opzichte van
voorliggers in dezelfde rijstrook aan te houden.
Als de radarsensor geen voorligger registreert,
houdt de auto in plaats daarvan de snelheid
aan die op de cruisecontrol werd ingesteld. Dit
gebeurt ook als de snelheid van de voorligger
de ingestelde snelheid van de adaptieve
cruisecontrol overschrijdt.
Gebruik de adaptieve cruisecontrol niet in
stadsverkeer of verkeersdrukte, op kruisingen, bij gladheid, hevige regen- of sneeuwval of slecht zicht en evenmin op weggedeelten met een dikke laag water of
sneeuwmodder, op bochtige wegen of op
op- en afritten.
De afstand tot het verkeer voor u wordt in principe gemeten met een radarsensor. De cruisecontrol regelt de snelheid door de stand van de
gasklep aan te passen en zo nodig af te remmen. Het is volkomen normaal dat de remmen
enige geluiden produceren, wanneer de adaptieve cruisecontrol ze aanspreekt.
2
152
WAARSCHUWING
De adaptieve cruisecontrol streeft ernaar de
snelheid zo weinig mogelijk aan te passen. In
situaties waarin krachtig moet worden geremd,
dient de bestuurder dan ook zelf te remmen.
Dit is bijvoorbeeld het geval bij grote snelheidsverschillen of als het voertuig dat voor u rijdt
krachtig remt. Door beperkingen van de radarsensor is het mogelijk dat er onverwachts of
helemaal niet wordt geremd (zie pagina 158).
De adaptieve cruisecontrol is te activeren om
een volgtijd aan te houden ten opzichte van
een voorligger bij snelheden vanaf 30 km/h2 tot
een maximumsnelheid van 200 km/h. Als de
snelheid tot onder 30 km/h daalt of als het
De file-assistent (auto’s met een automatische versnellingsbak) kan een interval aan van 0–200 km/h, zie pagina 156.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
motortoerental te laag wordt, wordt de cruisecontrol stand-by gezet, waarna er niet langer
automatisch wordt afgeremd – u moet dan zelf
remmen om een veilige afstand te houden tot
voorliggers.
Waarschuwingslampje – afremmen
noodzakelijk
Het remvermogen van de adaptieve cruisecontrol bedraagt meer dan 40 % van de totale
remcapaciteit van de auto.
Als de auto harder moet worden afgeremd dan
de cruisecontrol aankan en u remt zelf niet bij,
dan maakt de cruisecontrol u er middels het
waarschuwingslampje van Collision Warning
en een waarschuwingsgeluid (zie de afbeelding
op pagina 171) attent op dat u onmiddellijk
moet ingrijpen.
N.B.
Bij felle zon of bij gebruik van een zonnebril
kan het waarschuwingslampje moeilijk te
zien zijn.
04 Bestuurdersondersteuning
Adaptieve cruisecontrol*
WAARSCHUWING
MET Snelheidsbegrenzer
ZONDER Snelheidsbegrenzer
De cruisecontrol waarschuwt alleen voor
voertuigen die de radarsensor heeft gedetecteerd. Daarom kan de waarschuwing uitblijven of met een bepaalde vertraging
plaatsvinden. Wacht een waarschuwing niet
af, maar rem als dat nodig is.
Steile wegen en/of zware belading
Let erop dat de adaptieve cruisecontrol in eerste instantie bestemd is voor gebruik tijdens
ritten op vlakke weggedeelten. De cruisecontrol heeft mogelijk moeite om de juiste volgafstand ten opzichte van voorliggers aan te houden bij ritten op steile hellingen omlaag, bij vervoer van zware lading of met een aanhanger/
caravan achter de auto – blijf dan extra alert en
rem zo nodig zelf.
Bediening
De toetsenset op het stuurwiel verschilt, afhankelijk van of de auto wel of niet is uitgerust met
een Snelheidsbegrenzer3.
3
04
Cruisecontrol – Aan/Uit.
De stand-bystand wordt beëindigd en de
ingestelde snelheid wordt hervat.
De stand-bystand wordt beëindigd en de
ingestelde snelheid wordt hervat.
Cruisecontrol – Aan/Uit of stand-bystand.
Stand-by zetten
Volgtijd – Verlengen/verkorten.
Volgtijd – Verlengen/verkorten.
Activeren en snelheid aanpassen.
Activeren en snelheid aanpassen.
(Wordt niet gebruikt)
Groene markering bij opgeslagen snelheid
(WIT = stand-by).
Groene markering bij opgeslagen snelheid
(WIT = stand-by).
Volgtijd
Volgtijd
ACC is actief bij GROEN symbool (WIT =
stand-by).
ACC is actief bij GROEN symbool (WIT =
stand-by).
Een Volvo-dealer kan u informeren over wat er op uw markt geldt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
153
04 Bestuurdersondersteuning
Adaptieve cruisecontrol*
Activeren en snelheid instellen
Om de cruisecontrol aan te zetten:
• Druk op de stuurtoets
– in het display
(6) gaat een vergelijkbaar WIT symbool
branden om aan te geven dat de cruisecontrol stand-by staat.
Om de cruisecontrole in te schakelen:
• Druk bij de gewenste snelheid op de stuurtoets
04
>
of
.
De actuele snelheid wordt opgeslagen in
het geheugen, het display toont ca. een
seconde een "vergrootglas" rond de gekozen snelheid en de markering (6) verkleurt
van WIT naar GROEN.
Als dit displaysymbool van WIT naar
GROEN verkleurt, is de cruisecontrol
actief en houdt deze de auto de opgeslagen
snelheid.
Alleen als in het display de
afbeelding van een ander
voertuig verschijnt, wordt de
afstand tot de voorligger
geregeld door de cruisecontrol.
Tegelijkertijd wordt een snelheidsinterval gemarkeerd:
• de hogere snelheid met de
GROENE markering (6) is de
voorgeprogrammeerde snelheid
• de lagere snelheid is de snelheid van de voorligger.
Snelheid wijzigen
Om de opgeslagen snelheid te wijzigen:
• Stel af met een korte druk op
of
elke druk zorgt voor +/- 5 km/h. De laatst
verrichte aanpassing wordt in het geheugen opgeslagen.
Als u de snelheid verhoogt met het gaspedaal voordat u de knop
/
indrukt,
slaat de cruisecontrol de actuele rijsnelheid op die geldt bij het indrukken van de
knop.
Om +/- 1 km/u af te stellen:
• Houd de knop ingedrukt en laat los bij de
gewenste snelheid.
N.B.
Als u een knop van de cruisecontrol meerdere minuten ingedrukt houdt, wordt de
cruisecontrol geblokkeerd en uitgeschakeld. Om de cruisecontrol weer te kunnen
activeren, moet de auto stilstaan en de
motor worden herstart.
In bepaalde situaties is het niet mogelijk de
adaptieve cruisecontrol te activeren. Op het
display staat dan ACC niet beschikbaar,
zie pagina 160.
Volgtijd instellen
U kunt verschillende volgtijden ten opzichte van voorliggers kiezen en deze worden
op het display als 1–5 horizontale streepjes weergegeven – hoe meer streepjes, des
te langer de volgtijd. Eén
streepje komt overeen met ca. 1 seconde ten
opzichte van de voorligger en 5 streepjes met
ca. 3 seconden.
Om de volgtijd in te stellen/te wijzigen:
• Draai aan het duimwiel van de stuurtoetsenset (of gebruik de knoppen
auto zonder cruisecontrol).
/
voor
Bij lage snelheden (en korte tijden) vergroot de
adaptieve cruisecontrol de volgtijd iets.
154
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Bestuurdersondersteuning
Adaptieve cruisecontrol*
Om voorliggers soepel en comfortabel te kunnen blijven volgen staat de adaptieve cruisecontrol in bepaalde situaties aanzienlijke variaties in de volgtijd toe.
Let erop dat korte volgtijden u bij plotselinge
wijzigingen in de verkeersstroom minder tijd
geven om te reageren en in te grijpen.
Hetzelfde symbool verschijnt ook wanneer Distance Alert geactiveerd is, zie pagina 162.
N.B.
Houd alleen een volgtijd aan die niet in strijd
is met de geldende verkeersregels.
Als de cruisecontrol bij activering niet lijkt te
reageren, kan dat komen doordat de volgtijd tot de voorligger een snelheidstoename
belet.
Hoe hoger de snelheid, hoe langer de volgafstand in meters voor een bepaalde volgtijd.
Tijdelijk deactiveren – stand-bystand
Om de cruisecontrol tijdelijk uit te schakelen en
stand-by te zetten:
• Druk op de stuurtoets
4
5
Dit displaysymbool en de markering
van de opslagen snelheid verkleuren
dan van GROEN naar WIT.
Toetsenset zonder snelheidsbegrenzer*
Om de cruisecontrol tijdelijk uit te schakelen en
stand-by te zetten:
• Druk op de stuurtoets
.
Stand-bystand door actief ingrijpen van
uw kant
De cruisecontrol wordt tijdelijk gedeactiveerd
en automatisch stand-by gezet, als:
• het rijpedaal wordt bediend
• het koppelingspedaal meer dan 1 minuut4
lang wordt bediend
• de keuzehendel in stand N wordt gezet
Automatische stand-bystand
De adaptieve cruisecontrol is afhankelijk van
andere systemen zoals DSTC (zie pagina 142).
Als een van dergelijke systeem uitvalt, wordt de
cruisecontrol automatisch uitgeschakeld.
Bij automatische deactivering klinkt een waarschuwingssignaal en op het display verschijnt
de melding ACC gedeactiveerd. U moet in
dat geval zelf ingrijpen om de snelheid en
afstand ten opzichte van de voorligger aan te
passen.
• de bestuurder het portier opent
• de bestuurder zijn gordel afdoet
• het toerental van de motor te laag/hoog
(automatische versnellingsbak)
• u meer dan 1 minuut lang een hogere snelheid aanhoudt dan ingesteld.
U dient vervolgens zelf uw snelheid aan te passen.
Wanneer u tijdelijk gas geeft via het gaspedaal
zoals bij een inhaalmanoeuvre, blijft de instelling van de cruisecontrol ongewijzigd – de auto
hervat de laatst opgeslagen snelheid zodra u
het gaspedaal loslaat.
04
Automatische deactivering is mogelijk, wanneer:
wordt
•
•
•
•
de snelheid daalt tot onder 30 km/h5
de wielen hun grip op het wegdek verliezen
de remmen een hoge temperatuur hebben
de radarsensor wordt gehinderd door natte
sneeuw of hevige regenval (de radargolven
worden geblokkeerd).
Bij ontkoppelen en opschakelen of terugschakelen wordt de cruisecontrol niet stand-by gezet.
Geldt niet voor een auto met file-assistent – bij een dergelijke auto werkt het systeem tot aan stilstand.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
155
04 Bestuurdersondersteuning
Adaptieve cruisecontrol*
Ingestelde snelheid hervatten
Uitschakelen
Een cruisecontrol in stand-bystand is opnieuw
–
te activeren bij een druk op de stuurtoets
in dat geval wordt de laatst opgeslagen snelheid hervat.
Toetsenset met snelheidsbegrenzer
N.B.
Nadat de snelheid weer met
is hervat,
kan er een markante snelheidstoename volgen.
04
Een ander voertuig inhalen
Als de auto een ander voertuig volgt en de
bestuurder met de richtingaanwijzer6 aangeeft
te willen inhalen, helpt de cruisecontrol door de
auto kort te versnellen naar de voorligger.
De functie werkt bij snelheden
hoger dan 70 km/u.
WAARSCHUWING
Let erop dat deze functie bij meer situaties
dan bij inhalen kan worden geactiveerd,
bijv. als de richtingaanwijzer wordt gebruikt
om het wisselen van rijbaan of een afslag
naar een andere weg aan te geven. De auto
accelereert dan kort.
6
156
WAARSCHUWING
De adaptieve cruisecontrol schakelt uit met
een korte druk op de stuurtoets
. Daarbij
wordt de ingestelde snelheid gewist waarna
deze niet meer te hervatten is met de toets
.
Toetsenset zonder snelheidsbegrenzer
Bij kort indrukken van de stuurtoets
zet u
de cruisecontrol stand-by. Bij nogmaals
indrukken schakelt u de cruisecontrol uit. Daarbij wordt de ingestelde snelheid gewist waarna
deze niet meer te hervatten is met de toets
.
Wisselen van ACC naar CC
Met een druk op de knop kan het adaptieve
deel (afstandshouder) van de cruisecontrol
worden gedeactiveerd, waarna de auto alleen
de ingestelde snelheid volgt.
• Druk lang op de stuurtoets
playsymbool verkleurt van
>
– het disnaar
.
Nu is de standaard cruisecontrol CC
(Cruise
Control) geactiveerd, zie pagina 149.
Alleen bij richtingaanwijzer naar links in auto met stuur links resp. richtingaanwijzer naar rechts in auto met stuur rechts.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Na een wisseling van ACC naar CC remt de
auto niet langer automatisch - deze volgt
alleen de ingestelde snelheid.
Wisselen van CC naar ACC
Schakel CC uit met 1-2 keer drukken op , zie
het vorige kopje "Uitschakelen - Toetsenset
zonder Snelheidsbegrenzer". De volgende
keer dat het systeem wordt ingeschakeld,
wordt ACC geactiveerd.
File-assistent
Bij auto’s met een automatische versnellingsbak is de adaptieve cruisecontrol aangevuld
met de functie file-assistent (ook wel "Queue
Assist" genoemd).
De file-assistent biedt de volgende functies:
• Uitgebreid snelheidsinterval – ook onder
30 km/u en stilstaand
• Van doelvoertuig veranderen
• Beëindiging automatische remfunctie bij
stilstand
Let erop dat 30 km/h de minimumsnelheid is
waarop de cruisecontrol kan worden ingesteld
– ook al kan de cruisecontrol een voorligger
04 Bestuurdersondersteuning
Adaptieve cruisecontrol*
volgen tot aan stilstand, is het niet mogelijk een
lagere snelheid te kiezen.
Groter snelheidsinterval
N.B.
Om de cruisecontrol te kunnen activeren
moet u het bestuurdersportier hebben
gesloten en de veiligheidsgordel hebben
omgedaan.
Met een automatische versnellingsbak kan de
cruisecontrol een ander voertuig volgen in het
interval 0-200 km/u.
• Druk op de stuurtoets
.
of
• Trap het gaspedaal in.
>
De cruisecontrol zal dan de voorligger
opnieuw volgen.
N.B.
De file-assistent kan de auto maximaal
4 minuten stilstaand houden - daarna lossen de remmen.
Voor meer informatie, zie het volgende
kopje "Stoppen van automatisch remmen
bij stilstaand voertuig".
Wanneer de cruisecontrol een rijdende voorligger volgt bij snelheden onder 30 km/h, van
doelvoertuig verandert en een stilstaand voertuig volgt, zal de cruisecontrol voor het stilstaande voertuig remmen.
WAARSCHUWING
Wanneer de cruisecontrol een rijdende
voorligger volgt bij snelheden boven
30 km/h, van doelvoertuig verandert en vervolgens een stilstaand voertuig volgt, zal de
cruisecontrol het stilstaande voertuig negeren en de opgeslagen snelheid aanhouden.
•
04
U dient dan zelf in te grijpen en te remmen.
N.B.
Om de cruisecontrol te kunnen activeren bij
een snelheid onder 30 km/h mag er binnen
redelijke afstand geen voorligger te bekennen zijn.
Bij korte stops tijdens filerijden of voor verkeerslichten wordt de functie automatisch hervat, als de stop korter was dan
ca. 3 seconden – duurt het langer voordat een
voorligger weer gaat rijden, dan wordt de
cruisecontrol in de stand-bystand met automatische remfunctie gezet. U dient de cruisecontrol vervolgens op een van de volgende
manieren opnieuw te activeren:
Van doelvoertuig veranderen
Automatische stand-bystand bij
wijziging van doelvoertuig
De cruisecontrol wordt uitgeschakeld en
stand-by gezet:
• wanneer u langzamer rijdt dan 5 km/u en
de cruisecontrol niet kan registreren of het
doelobject een stilstaand voertuig is of een
ander object, zoals een verkeersdrempel.
• wanneer u langzamer rijdt dan 5 km/h en
Als het actuele doelvoertuig plotseling afslaat, kan
het gebeuren dat een stilstaande voorligger het
nieuwe doelvoertuig wordt.
de voorligger afslaat, zodat de cruisecontrol geen voorligger meer heeft om te volgen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
157
04 Bestuurdersondersteuning
Adaptieve cruisecontrol*
Stoppen van automatisch remmen bij
stilstaand voertuig
• u de cruisecontrol stand-by zet
• u de parkeerrem aanzet.
In de volgende situaties onderbreekt de fileassistent automatisch remmen bij stilstaand
voertuig:
Radarsensor en de beperkingen ervan
• de bestuurder het portier opent
• de bestuurder zijn gordel afdoet
04
Dat betekent dat de remmen worden gelost en
de auto begint te rollen – de bestuurder moet
daarom ingrijpen en zelf remmen om de auto
op zijn plaats te houden.
BELANGRIJK
De file-assistent kan de auto maximaal
4 minuten stilstaand houden - daarna lossen de remmen.
U wordt hierop in meerdere stappen met
een toenemende intensiteit attent gemaakt:
1. Akoestisch alarm (belsignaal) en een
displaymelding.
2. Er komt een knipperend waarschuwingslampje in de voorruit bij.
3. Er komt "hakkend" remmen bij.
De file-assistent lost het rempedaal en staat
ook in deze situaties stand-by:
• u het rempedaal bedient
• u de keuzehendel in stand P, N of R zet
158
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
De radarsensor wordt, naast de adaptieve
cruisecontrol, ook gebruikt door de functies:
• Collision Warning with Auto Brake, zie
pagina 171
• Afstandswaarschuwing, zie pagina 162.
De radarsensor dient om personenauto’s of
grotere voertuigen te registreren die in dezelfde
richting als u en in dezelfde rijstrook rijden.
Bij modificatie van de radarsensor is het mogelijk dat het gebruik ervan onwettig wordt.
WAARSCHUWING
De bestuurder dient altijd rekening te houden met de verkeersomstandigheden en in
te grijpen, wanneer de adaptieve cruisecontrol geen passende snelheid of afstand aanhoudt.
De adaptieve cruisecontrol leent zich niet
voor alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
Neem dit gedeelte helemaal door om inzicht
te krijgen in de beperkingen van de adaptieve cruisecontrol en daarmee rekening te
kunnen houden, voordat u de adaptieve
cruisecontrol inschakelt.
De bestuurder is er altijd verantwoordelijk
voor dat de juiste afstand en snelheid worden aangehouden, ook bij gebruik van de
adaptieve cruisecontrol.
WAARSCHUWING
Accessoires of andere voorwerpen, zoals
bijv. verstralers, mogen niet vóór de grille
worden gemonteerd.
04 Bestuurdersondersteuning
Adaptieve cruisecontrol*
WAARSCHUWING
De adaptieve cruisecontrol is geen systeem
dat botsingen voorkomt. Grijp zelf in zodra
u merkt dat het systeem een voorligger niet
registreert.
De adaptieve cruisecontrol reageert niet op
voetgangers of dieren noch op kleinere
voertuigen, zoals fietsen of motorfietsen
e.d. Tegenliggers, langzaam rijdende en stilstaande voertuigen of vaste obstakels worden eveneens genegeerd.
• als de snelheid van de voorligger te veel
afwijkt van die van uw eigen auto.
Voorbeeldsituaties waarin de
cruisecontrol niet optimaal werkt
De radarsensor heeft een beperkt bereik. In
bepaalde gevallen wordt een voertuig niet ontdekt of later dan verwacht.
Soms kan de radarsensor een voertuig op
korte afstand pas laat registreren, bijvoorbeeld als een inhalend voertuig invoegt
tussen u en uw voorligger.
Ook kleine voertuigen, zoals motorfietsen
of voertuigen die niet in het midden van de
rijstrook rijden, kunnen onopgemerkt blijven.
In bochten kan de radarsensor op het verkeerde voertuig reageren of een eerder
opgemerkt voertuig uit het zicht verliezen.
Gebruik de adaptieve cruisecontrol niet in
stadsverkeer of verkeersdrukte, op kruisingen, bij gladheid, hevige regen- of sneeuwval of slecht zicht en evenmin op weggedeelten met een dikke laag water of
sneeuwmodder, op bochtige wegen of op
op- en afritten.
04
Storingen opsporen en verhelpen
Als op het display de melding Radar afgedekt
Zie instructieb. verschijnt, worden de radarsignalen van de radarsensor gehinderd zodat
voorliggers niet kunnen worden geregistreerd.
Dit betekent dat noch de adaptieve cruisecontrol noch Distance Alert en Collision Warning
met Auto Brake werken.
De radarsensor heeft veel meer moeite om een
voertuig voor u te ontdekken:
In de volgende tabel staan mogelijke oorzaken
van het verschijnen van de melding en passende maatregelen.
• als de radarsensor gehinderd wordt door
bijvoorbeeld hevige regenval of als
sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken.
N.B.
Houd het oppervlak vóór de radarsensor
schoon - zie "Onderhoud" op pagina 175
Blikveld van de ACC.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
159
04 Bestuurdersondersteuning
Adaptieve cruisecontrol*
Oorzaak
Maatregel
Het radaroppervlak van de grille is vuil of bedekt met sneeuw of ijs.
Ontdoe het radaroppervlak van de grille van vuil, sneeuw en ijs.
De radarsignalen worden gehinderd door hevige regen- of sneeuwval.
Valt niets aan te doen. Bij hevige neerslag werkt de radar soms niet.
De radarsignalen worden gehinderd door opspattend water en opdwarrelende sneeuw van het wegdek.
Valt niets aan te doen. Op weggedeelten met een dikke laag water of
sneeuw werkt de radar soms niet.
De melding blijft ook na schoonmaak van het radaroppervlak staan.
Wacht even. Het kan enige minuten duren voordat de radar doorheeft
dat de radarsignalen niet langer worden geblokkeerd.
04
Symbolen en meldingen op display
SymboolA
Melding
Betekenis
Het symbool is WIT
De adaptieve cruisecontrol staat stand-by.
Het symbool is GROEN
De auto houdt de opgeslagen snelheid aan.
De standaard cruisecontrol is handmatig gekozen.
160
DSTC normaal voor ACC
De adaptieve cruisecontrol kan pas worden geactiveerd als DSTC in de normale stand is gezet
– zie pagina 142.
ACC gedeactiveerd
De adaptieve cruisecontrol werd gedeactiveerd – u dient zelf uw snelheid aan te passen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Bestuurdersondersteuning
Adaptieve cruisecontrol*
SymboolA
Melding
Betekenis
ACC niet beschikbaar
De adaptieve cruisecontrol kan niet worden geactiveerd.
Dit kan onder meer gebeuren wanneer:
• de remmen een hoge temperatuur hebben
• de radarsensor wordt gehinderd door natte sneeuw of regen.
Radar afgedekt Zie instructieb.
De adaptieve cruisecontrol werkt tijdelijk niet.
• De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren. Bijvoorbeeld wanneer deze wordt
04
gehinderd door hevige regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de
radarsensor afdekken.
De bestuurder kan dan kiezen voor de standaard cruisecontrol (CC), zie pagina 156 – een
displaymelding informeert over geschikte alternatieven.
Voor meer informatie over de beperkingen van de radarsensor, zie pagina 158.
ACC Service vereist
De adaptieve cruisecontrol werkt niet.
• Neem contact op met een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Remmen om stil te blijven staan +
akoestisch alarm + waarschuwingslampje in de voorruit + "schokkerig"
remmen
De auto staat stil en de adaptieve cruisecontrol lost het rempedaal, waarna de auto direct
begint te rollen.
• U moet zelf remmen. De melding blijft staan en het geluidssignaal klinkt, totdat u het
rempedaal of gaspedaal bedient.
(Alleen auto met file-assistent)
Onder 30 km/h alleen volgen
(Alleen auto met file-assistent)
A
Verschijnt wanneer u de adaptieve cruisecontrol probeert te activeren bij een snelheid onder
30 km/u en er geen voorligger binnen de activeringsafstand (ca. 30 meter) te bekennen is.
De symbolen zijn schematisch.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
161
04 Bestuurdersondersteuning
Afstandswaarschuwing*
Algemeen
De afstandswaarschuwing (Distance Alert) is
een functie die u inlicht over de volgtijd ten
opzichte van de voorligger.
Distance Alert is actief bij snelheden hoger dan
30 km/h en reageert uitsluitend op voorliggers
die in dezelfde richting als u rijden. Voor voertuigen die langzaam in tegengestelde richting
rijden of stilstaan wordt geen afstandsinformatie gegeven.
N.B.
De afstandswaarschuwing is uitgeschakeld,
zolang de adaptieve cruisecontrol actief is.
WAARSCHUWING
Distance Alert reageert alleen, als de
afstand tot voorliggers korter is dan de ingestelde waarde – de rijsnelheid wordt niet
aangepast.
Bij bepaalde combinaties van opties is er geen
plek vrij voor een knop op de middenconsole –
in dat geval is de functie te bedienen via het
menusysteem MY CAR, onder Instellingen
Auto-instellingen
Afstandswaarschuwing. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie pagina 211.
Volgtijd instellen
04
Bediening
Bedieningselementen en display voor volgtijd.
Volgtijd – Verlengen/verkorten.
Oranje waarschuwingslampje1.
Er brandt continu een oranje waarschuwingslampje op de voorruit, als de afstand tot de
voorligger gelijk is aan de ingestelde volgtijd.
1
162
Volgtijd – Aan (tijdens aanpassing).
Met de knop op de middenconsole kunt u de
functie in- en uitschakelen. Het brandende
lampje in de schakelaar geeft aan dat de functie geactiveerd is.
N.B. De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Bestuurdersondersteuning
Afstandswaarschuwing*
U kunt verschillende volgtijden ten opzichte van voorliggers kiezen en deze worden
op het display als 1–5 horizontale streepjes weergegeven – hoe meer streepjes, des
te langer de volgtijd. Eén
streepje komt overeen met ca. 1 seconde ten
opzichte van de voorligger en 5 streepjes met
ca. 3 seconden.
Hetzelfde symbool verschijnt ook wanneer de
adaptieve cruisecontrole geactiveerd is.
N.B.
Hoe hoger de snelheid, hoe langer de volgafstand in meters voor een bepaalde volgtijd.
De ingestelde volgtijd wordt ook gebruikt
door de adaptieve cruisecontrol, zie
pagina 151.
Houd alleen een volgtijd aan die niet in strijd
is met de geldende verkeersregels.
Beperkingen
De afstandswaarschuwing, adaptieve cruisecontrol en Collision Warning maakt gebruik van
dezelfde radarsensor. Voor meer informatie
over de radarsensor en de beperkingen ervan,
zie pagina 158.
Op zeer hoge snelheden is het mogelijk dat
het lampje door beperkingen in het bereik
van de sensor op kortere afstand oplicht.
N.B.
In de felle zon en bij lichtschitteringen of
grote variaties in de lichtsterkte alsook het
gebruik van een zonnebril is het op de voorruit geprojecteerde waarschuwingslampje
soms moeilijk waar te nemen.
04
In slechte weersomstandigheden en op slingerende wegen heeft de radarsensor soms
moeite om voorliggers te registreren.
Ook voorliggers met geringe afmetingen
(zoals motorfietsen) zijn soms moeilijk te
ontdekken. Dat kan betekenen dat het
geprojecteerde waarschuwingslampje pas
bij kortere volgtijden oplicht of dat helemaal
niet gaat branden.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
163
04 Bestuurdersondersteuning
Afstandswaarschuwing*
Symbolen en meldingen op display
SymboolA
Melding
Betekenis
Radar afgedekt Zie instructieb.
De afstandswaarschuwing werkt tijdelijk niet.
De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren. Bijvoorbeeld wanneer deze wordt
gehinderd door hevige regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken.
Voor meer informatie over de beperkingen van de radarsensor, zie pagina 158.
04
CWS-systeem Service vereist
De afstandswaarschuwing en Collision Warning met Auto Brake werken niet of gedeeltelijk.
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
A
164
De symbolen zijn schematisch.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Bestuurdersondersteuning
City Safety™
Algemeen
City Safety™ is een hulpmiddel om u te helpen
een aanrijding te voorkomen tijdens filerijden
e.d., waarbij plotselinge wijzigingen in het verkeer vóór u gekoppeld aan onoplettendheid tot
bijna-ongelukken kunnen leiden.
De functie die actief is bij een snelheid tot
50 km/h helpt u door automatisch te remmen,
wanneer het gevaar voor een botsing met een
voorligger reëel is en u zelf niet snel genoeg
remt en/of uitwijkt.
City Safety™ wordt geactiveerd in situaties
waar de bestuurder eigenlijk al veel eerder had
moeten remmen, zodat de functie niet altijd
uitkomst biedt.
City Safety™ is erop gebouwd om zo laat
mogelijk geactiveerd te worden om onnodige
ingrepen te voorkomen.
Gebruik City Safety™ niet om uw rijgedrag aan
te passen – als u er blind op vertrouwt dat City
Safety™ remt, raakt u vroeg of laat betrokken
bij een aanrijding.
U en eventuele passagiers zullen normaal
alleen merken dat City Safety™ actief is, wanneer een aanrijding dreigt.
Voor meer informatie over het Collision Warning with Auto Brake, zie pagina 171.
BELANGRIJK
Onderhoud en vervanging van onderdelen
in City Safety™ mogen uitsluitend door een
werkplaats worden uitgevoerd - geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
04
City Safety™ werkt niet in alle rijsituaties,
verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
City Safety™ reageert niet op voertuigen die
in een andere richting dan de eigen auto rijden, op kleine voertuigen, op motorfietsen
en fietsen of op mensen en dieren.
City Safety™ kan botsingen voorkomen bij
een snelheidsverschil lager dan 15 km/h - bij
een hoger snelheidsverschil kan de impactsnelheid alleen worden gereduceerd. Voor
een volledig remvermogen moet u zelf het
rempedaal intrappen.
Wacht nooit af totdat City Safety™ ingrijpt.
U bent er altijd zelf verantwoordelijk voor dat
u de juiste afstand en snelheid aanhoudt.
Bij auto’s met Collision Warning with Auto
Brake* vullen de beide systemen elkaar aan.
1
Functie
Zend- en ontvangstoog van de lasersensor1.
City Safety™ registreert het verkeer vóór de
auto middels een lasersensor boven aan de
voorruit. Wanneer het gevaar voor een aanrijding reëel is, zal City Safety™ automatisch
remmen, hetgeen aandoet als een krachtige
remmanoeuvre.
Bij een snelheidsverschil van 4–15 km/u ten
opzichte van de voorligger kan City Safety™
een aanrijding geheel voorkomen.
City Safety™ start een korte, krachtige remmanoeuvre en zorgt er normaliter voor dat u net
achter uw voorligger tot stilstand komt. Voor
veel bestuurders die dit niet gewend zijn is een
dergelijke remmanoeuvre onprettig.
N.B. De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
165
04 Bestuurdersondersteuning
City Safety™
Bij een snelheidsverschil van meer dan
15 km/u tussen de voertuigen kan City
Safety™ een aanrijding niet geheel op eigen
kracht voorkomen – voor het maximale remvermogen dient u zelf het rempedaal te bedienen. In dat geval is het ook bij snelheidsverschillen groter dan 15 km/u mogelijk een aanrijding te voorkomen.
04
Wanneer het systeem ingrijpt en remt, verschijnt op het display van het instrumentenpaneel de melding dat het systeem actief is/was.
N.B.
Als City Safety™ remt, gaan de remlichten
branden.
Bediening
N.B.
De functie City Safety™ is na het starten van
de motor via sleutelstand I en II (zie
pagina 81 voor de sleutelstanden) altijd
ingeschakeld.
Aan en Uit
Soms is het handig om City Safety™ uit te kunnen schakelen, bijvoorbeeld wanneer bebladerde takken langs de motorkap en voorruit
kunnen schampen.
166
Na het starten van de motor is City Safety™ op
een van de volgende manieren uit te schakelen:
• Zoek aan de hand van het menusysteem
van MY CAR op het beeldscherm van de
middenconsole Instellingen Autoinstellingen Rij-assistentiesystemen
City Safety op. Kies de optie Uit. Voor
meer informatie over het menusysteem MY
CAR, zie pagina 211.
De volgende keer dat de motor wordt
gestart is de functie echter weer actief, ook
al stond het systeem uit toen de motor
werd afgezet.
WAARSCHUWING
De lasersensor zendt laserlicht uit, ook als
City Safety™ handmatig is uitgeschakeld.
Om City Safety™ opnieuw in te schakelen:
• Volg de dezelfde procedure als bij het uitschakelen, maar kies nu de optie Aan.
Beperkingen
De City Safety™-sensor is erop gebouwd om
auto’s en andere voertuigen vóór u te ontdekken, zowel overdag als ’s nachts.
De sensor heeft echter beperkingen en werkt
slechter - of helemaal niet - bij bijv. hevige
regen of sneeuwval, in dichte mist of bij hevige
stof- of sneeuwrook. Condens, vuil, sneeuw en
ijs op de voorruit kunnen voor storingen in de
werken zorgen.
Hangende voorwerpen zoals vlaggen/wimpels
die uitstekende lading markeren of accessoires
zoals verstralers en frontbars die boven de
motorkap uitsteken.
Het laserlicht van de sensor in City Safety™
meet hoe het licht reflecteert. De sensor kan
geen obstakels met een gering reflecterend
vermogen waarnemen. De achterkant van
voertuigen weerkaatst veelal voldoende licht
dankzij de kentekenplaat en de achterlichtreflectoren.
Bij gladheid is de remweg langer waardoor City
Safety™ minder goed in staat is aanrijdingen
te voorkomen. In dergelijke situaties zullen het
ABS en DSTC voor het maximale remvermogen zorgen met behoud van de stabiliteit.
Als de eigen auto achteruitrijdt, is City
Safety™ tijdelijk gedeactiveerd.
04 Bestuurdersondersteuning
City Safety™
City Safety™ wordt niet geactiveerd op lage
snelheden (onder 4 km/u), wat betekent dat het
systeem niet ingrijpt in situaties waarbij u een
voorligger uiterst langzaam nadert zoals tijdens
het parkeren.
De commando’s die u zelf geeft hebben altijd
voorrang, wat betekent dat City Safety™ niet
ingrijpt in situaties waarbij u duidelijke commando’s geeft via stuurwiel of gaspedaal, zelfs
al is een aanrijding onvermijdelijk.
Nadat City Safety™ een aanrijding met een
stilstaand obstakel heeft voorkomt, blijft de
auto maximaal 1,5 seconde stilstaan. Als de
auto wordt afgeremd wegens een rijdende
voorligger, wordt de snelheid begrensd tot
dezelfde snelheid als die van de voorligger.
Bij een auto met een handgeschakelde versnellingsbak slaat de motor af wanneer City
Safety™ de auto tot stilstand heeft gebracht,
tenzij u er in slaagt om het koppelingspedaal
voor die tijd in te drukken.
N.B.
Oorzaak
Maatregel
•
Houd de voorruit in het gebied vóór de
lasersensor vrij van sneeuw, ijs, condens en vuil (zie de afbeelding met de
positie van de sensor op pagina 165).
Ontdoe het voorruitoppervlak vóór de
lasersensor van vuil,
sneeuw en ijs.
•
Plak of bevestig geen zaken op de voorruit vóór de lasersensor
Het voorruitoppervlak vóór de lasersensoren is vuil of
bedekt met sneeuw
of ijs.
•
Haal sneeuw en ijs van de motorkap –
de laag sneeuw en ijs mag niet dikker
zijn dan 5 cm.
Het blikveld van de
lasersensor wordt
gehinderd.
Verwijder het voorwerp dat het zicht
blokkeert.
04
Storingen opsporen en verhelpen
Als de melding Voorruitsensoren afgedekt
op het dashboarddisplay verschijnt, worden de
lasersensoren gehinderd zodat ze geen voertuigen vóór de auto kunnen registreren. Dit
betekent op zijn beurt dat City Safety™ niet
werkt.
De melding Voorruitsensoren afgedekt verschijnt echter niet in alle situaties waarbij de
sensoren gehinderd worden – let er daarom op
dat u de voorruit en vooral het gebied vóór de
lasersensor zorgvuldig schoonhoudt.
In de volgende tabel staan mogelijke oorzaken
van het verschijnen van de melding en suggesties voor passende maatregelen.
167
04 Bestuurdersondersteuning
City Safety™
BELANGRIJK
Als het voorruitoppervlak vóór een van
beide “ogen” van de lasersensor barsten,
krassen of steenslagschade vertoont van
0,5 × 3,0 mm (of groter), neem dan contact
op met een erkende werkplaats om de voorruit te laten repareren of vervangen (zie de
afbeelding met de positie van de sensor op
pagina 165) - geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
04
Als u niets doet, presteert City Safety™
mogelijk minder goed.
Om optimale prestaties van City Safety™ te
garanderen geldt bovendien het volgende:
•
•
Lasersensor
De City Safety™-functie maakt gebruik van
een sensor die laserlicht uitzendt. Neem contact op met een gekwalificeerde werkplaats als
de lasersensor een storing vertoont of nagekeken moet worden – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats. Het is daarom
essentieel dat u de aangegeven instructies
opvolgt bij het hanteren van de lasersensor.
De volgende twee Engelstalige stickers zijn
direct op de eenheid van de lasersensor aangebracht:
Voordat de voorruit wordt vervangen,
moet u contact opnemen met een
erkende Volvo-werkplaats om te controleren of de juiste voorruit wordt
besteld en gemonteerd. Bij gebruik van
een verkeerde voorruit kan de City
Safety-functie uitblijven of onjuist werken.
monteer bij vervanging van de ruitenwissers hetzelfde type of een ander
type, door Volvo goedgekeurde ruitenwissers.
• IEC 60825-1:1993 + A2:2001. Voldoet aan
de normen van de FDA (Amerikaanse keuringsdienst van waren) betreffende de uitvoering van laserproducten met uitzondering van de afwijkingen conform “Laser
Notice No. 50”, d.d. 26 juli 2001.
Stralingsgegevens voor lasersensor
De fysische gegevens staan nader omschreven in de volgende tabel.
Maximale pulsenergie
2,64 ¦J
Maximaal gem. vermogen
45 mW
Pulsduur
Divergentie (horizontaal × verticaal)
De bovenste sticker op de afbeelding beschrijft
de classificatie van het laserlicht:
• Laserstraling - Niet rechtstreeks in de
straal kijken met optische instrumenten Klasse 1M laserproduct.
168
De onderste sticker op de afbeelding beschrijft
de fysische gegevens van het laserlicht:
33 ns
28° × 12°
04 Bestuurdersondersteuning
City Safety™
boekje staat aangegeven om blootstelling aan schadelijke straling tegen te
gaan.
WAARSCHUWING
Als u de instructies in dit boekje niet opvolgt,
bestaat er gevaar voor oogletsel!
•
•
•
Kijk nooit van een afstand van 100 mm
of minder in de lasersensor (waaruit uiteenlopende, onzichtbare laserstralen
komen) met vergrotende optiek zoals
een vergrootglas, microscoop, objectief
of soortgelijke optische instrumenten.
Laat tests, reparaties, demontage,
afstelling en/of vervanging van de
lasersensor of delen ervan alleen uitvoeren door een erkende werkplaats –
geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
Stel de lasersensor niet bij en voer geen
onderhoud uit dat niet uitdrukkelijk in dit
•
De reparateur dient de speciaal opgestelde werkplaatsinformatie voor de
lasersensor te volgen.
•
Demonteer de lasersensor niet (en verwijder de lenzen evenmin). Een gedemonteerde lasersensor is een laserproduct klasse 3B volgens de IEC-norm
60825-1. Een laserproduct klasse 3B is
niet veilig voor de ogen en houdt dan
ook een gevaar voor oogletsel in.
•
Koppel de connector van de lasersensor los, voordat u deze van de voorruit
demonteert.
•
Zorg dat de lasersensor op de voorruit
gemonteerd is alvorens de connector
aan te sluiten.
•
De lasersensor zendt laserlicht uit wanneer de transpondersleutel in stand II
staat, ook al is de motor afgezet (zie
pagina 81 voor de sleutelstanden).
Symbolen en meldingen op display
Terwijl City Safety™ automatisch remt, kunnen
één of meer symbolen op het instrumentenpaneel gaan branden en meldingen op het bijbehorende display verschijnen.
Meldingen kunt u van het display halen door de
OK-knop op de richtingaanwijzerhendel kort in
te drukken.
04
169
04 Bestuurdersondersteuning
City Safety™
SymboolA
Melding
Betekenis/Maatregel
Autom. remmen door City Safety
City Safety™ remt op dit moment of remde eerder automatisch.
Voorruitsensoren afgedekt
04
De lasersensor werkt tijdelijk niet doordat deze door iets gehinderd wordt.
• Verwijder het voorwerp dat de sensoren hindert en/of maak het voorruitoppervlak vóór
de sensoren schoon.
Voor meer informatie over de beperkingen van de lasersensoren, zie pagina 166.
City Safety Service vereist
City Safety™ werkt niet.
• Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
A
170
De symbolen zijn schematisch.
04 Bestuurdersondersteuning
Collision Warning met Auto Brake en voetgangersbescherming.*
Algemeen
"Collision Warning met Auto Brake en voetgangersbescherming" is een hulpmiddel dat
bedoeld is om u te waarschuwen wanneer het
gevaar bestaat dat u op een voetganger of een
(stilstaande of rijdende) voorligger botst.
Collision Warning met Auto Brake en voetgangersbescherming wordt geactiveerd in situaties waar de bestuurder eigenlijk al veel eerder
had moeten remmen, zodat de functie niet
altijd uitkomst biedt.
Collision Warning met Auto Brake en voetgangersbescherming is erop gebouwd om zo laat
mogelijk geactiveerd te worden om onnodige
ingrepen te voorkomen.
Collision Warning met Auto Brake en voetgangersbescherming kan een aanrijding voorkomen of de impactsnelheid verlagen.
Brake en voetgangersdetectie in twee uitvoeringen voorkomen: Niveau 1 en Niveau 2.
Functie
Niveau 1
De bestuurder wordt alleen met visuele en
akoestische signalen gewaarschuwd voor
obstakels – er wordt niet automatisch geremd,
de bestuurder moet zelf remmen.
Niveau 2
De bestuurder wordt met visuele en akoestische signalen gewaarschuwd voor obstakels –
de auto remt automatisch als de bestuurder
niet zelf binnen een redelijke tijd reageert.
BELANGRIJK
Onderhoud aan de onderdelen van Collision
Warning met Auto Brake & voetgangersbescherming mag uitsluitend worden uitgevoerd in een werkplaats - geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gebruik Collision Warning met Auto Brake en
voetgangersbescherming niet om uw rijgedrag
aan te passen – als u er blind op vertrouwt dat
Collision Warning met Auto Brake remt, raakt
u vroeg of laat betrokken bij een aanrijding.
Twee systeemniveaus
04
Functie-overzicht1.
Audiovisueel waarschuwingssignaal bij
gevaar voor een botsing.
Radarsensor2
Camerasensor
Collision Warning met Auto Brake voert drie
onderdelen uit in de volgende volgorde:
1. Collision Warning
2. Brake Support2
3. Auto Brake2
Afhankelijk van het uitrustingsniveau van de
auto kan de functie Collision Warning met Auto
1
2
N.B. De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
Alleen met systeem Niveau 2.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
171
04 Bestuurdersondersteuning
Collision Warning met Auto Brake en voetgangersbescherming.*
Collision Warning en City Safety™ vullen elkaar
aan. Zie voor meer informatie over City
Safety™ zie pagina 165.
1 – Collision Warning
Eerst wordt de bestuurder gewaarschuwd voor
een naderende aanrijding.
Collision Warning registreert voetgangers vóór
de auto en (stilstaande of rijdende) voorliggers.
04
Bij kans op een aanrijding met een voetganger
of voertuig, wordt de aandacht getrokken van
de bestuurder met een rood knipperend, op de
voorruit geprojecteerd waarschuwingslampje
(nr. [1] in de afbeelding op pagina 171) en een
akoestisch signaal
2 – Brake Support2
Als het gevaar voor een aanrijding na de Collision Warning verder is toegenomen, treedt de
Brake Support in werking.
Dit houdt in dat het remsysteem wordt voorbereid op snel remmen door de remmen licht
aan te zetten wat u als een lichte schok voelt.
Als u het rempedaal met een bepaalde snelheid
bedient, wordt het maximale remvermogen
geleverd.
Brake Support helpt u eveneens bij het remmen, als het systeem ervan uitgaat dat de rem2
172
Alleen met systeem Niveau 2.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
manoeuvre alleen niet voldoende is om een
botsing te voorkomen.
3 – Auto Brake2
Op het laatste moment wordt de automatische
remfunctie geactiveerd.
Als de bestuurder in deze fase nog steeds niet
met een uitwijkmanoeuvre is begonnen en het
aanrijdingsgevaar urgent is, schakelt de automatische remfunctie in, ongeacht of de
bestuurder remt of niet. De auto wordt daarbij
maximaal afgeremd om de botssnelheid te
beperken of zoveel als nodig is om een aanrijding tegen te gaan.
WAARSCHUWING
Collision Warning werkt niet in alle rijsituaties, verkeers-, weers- en wegomstandigheden. Collision Warning reageert niet op
tegenliggers noch op dieren.
Er wordt alleen gewaarschuwd wanneer de
kans op een botsing groot is. In het onderdeel “Functie” en “Beperkingen” wordt
geïnformeerd over de beperkingen die u als
bestuurder moet kennen, voordat u de Collision Warning met Auto Brake gebruikt.
Er wordt niet gewaarschuwd noch geremd
voor voetgangers bij een rijsnelheid hoger
dan 80 km/h.
In het donker en in tunnels kan niet worden
gewaarschuwd noch geremd voor voetgangers - zelfs al brandt de straatverlichting.
Auto Brake kan een botsing geheel voorkomen of de botssnelheid verlagen. Voor
maximale remwerking altijd het rempedaal
bedienen – ook al wordt er automatisch
geremd.
Nooit een waarschuwingssignaal van de
Collision Warning afwachten. U bent altijd
verantwoordelijk de juiste afstand en snelheid aan te houden – ook bij gebruik van de
Collision Warning met Auto Brake.
04 Bestuurdersondersteuning
Collision Warning met Auto Brake en voetgangersbescherming.*
Voetgangersdetectie
• Een voetganger is alleen te ontdekken
wanneer deze helemaal zichtbaar is en een
lengte heeft van minimaal 80 cm.
• Het systeem kan geen voetgangers ontdekken die grote voorwerpen dragen.
• Bij zonsondergang en -ondergang kan de
camerasensor voetgangers minder goed
registreren – vergelijkbaar met het menselijke oog.
• De camerasensor is niet in staat voetgangers te registreren bij ritten in het donker of
in tunnels – zelfs al brandt de straatverlichting.
Ideaalvoorbeelden van wat het systeem als voetgangers met herkenbare lichaamscontouren
beschouwt.
Voor optimale prestaties van het systeem dient
de systeemfunctie die verantwoordelijk is voor
identificatie van voetgangers zo uniform mogelijke informatie over de lichaamscontouren ontvangen – dat houdt in dat kenmerkende
lichaamsdelen zoals hoofd, armen, schouders,
benen, borstkas en buik moeten kunnen worden waargenomen evenals een bewegingspatroon dat voor mensen als normaal te beschouwen is.
Het systeem kan een voetganger niet ontdekken, als de camera grote delen van het lichaam
niet kan waarnemen.
Bediening
Via een menusysteem van MY CAR op het
beeldscherm van de middenconsole zijn eventuele instellingen te verrichten. Voor informatie
over het gebruik van het menusysteem, zie
pagina 211.
Waarschuwingssignalen Aan en Uit
U kunt kiezen of de akoestische en visuele
waarschuwingssignalen van de Collision Warning in- of uitgeschakeld moeten zijn.
04
Bij het starten van de motor geldt automatisch
de instelling die actief was toen de motor werd
afgezet.
WAARSCHUWING
Collision Warning met Auto Brake & voetgangersbescherming is een hulpmiddel.
De functie is niet in staat om in alle situaties
alle voetgangers te detecteren en ziet bijvoorbeeld geen deels verborgen voetgangers, personen met kleding die de lichaamscontouren verhult of voetgangers die kleiner
zijn dan 80 cm.
•
U bent er altijd zelf verantwoordelijk
voor dat u de auto op de juiste wijze
bestuurt en voldoende afstand houdt
afhankelijk van de rijsnelheid.
N.B.
De functies Brake Support en Auto Brake
zijn altijd geactiveerd - ze kunnen niet uitgeschakeld worden.
Licht- en geluidssignaal
Om zowel het licht- als het geluidssignaal uit te
schakelen:
• Ga naar Instellingen
Auto-instellingen Rijassistentiesystemen
Botswaarschuwing - kies daar om het
vakje af te vinken.
Het waarschuwingslampje (nr. [1] in de afbeelding op pagina 171) wordt bij elke motorstart
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
173
04 Bestuurdersondersteuning
Collision Warning met Auto Brake en voetgangersbescherming.*
getest door de aparte lichtpunten van het
waarschuwingslampje kort te laten branden als
de licht- en geluidswaarschuwing van Collision
Warning geactiveerd zijn.
Geluidssignaal
Het waarschuwingsgeluid kan apart worden
ge(de)activeerd:
• Kies Aan of Uit in het menusysteem onder
04
Instellingen Auto-instellingen Rijassistentiesystemen
Botswaarschuwing Signaaltoon.
Waarschuwingsafstand instellen
De waarschuwingsafstand is de afstand waarbij een visueel signaal en een geluidssignaal
worden afgegeven.
• Kies Lang, Normaal of Kort in het menusysteem MY CAR onder Instellingen
Auto-instellingen Rijassistentiesystemen
Botswaarschuwing
Waarschuwingsafstand
De waarschuwingsafstand is bepalend voor de
gevoeligheid van het systeem. Bij de waarschuwingsafstand Lang wordt eerder gewaarschuwd. Ga altijd uit van de instelling Lang,
maar als deze instelling te vaak tot waarschuwingen leidt (wat in bepaalde situaties als hin-
174
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
derlijk kan worden ervaren) kunt u overgaan op
de waarschuwingsafstand Normaal.
Maak alleen in uitzonderingsgevallen zoals bij
dynamisch rijden gebruik van de waarschuwingsafstand Kort.
N.B.
Bij gebruik van de adaptieve cruisecontrol
worden het waarschuwingslampje en de
waarschuwingszoemer door de cruisecontrol gehanteerd, ook al hebt u de Collision
Warning gedeactiveerd.
De Collision Warning waarschuwt u bij
gevaar voor een botsing, maar de functie is
niet in staat uw reactietijd te verkorten.
Voor een optimale werking van de Collision
Warning dient u de Afstandswaarschuwing
altijd in te stellen op volgtijd 4-5, zie
pagina 162.
N.B.
Ook als u de waarschuwingsafstand hebt
ingesteld op Lang, kunnen de waarschuwingen voor uw gevoel soms laat worden
afgegeven. Bijvoorbeeld bij grote snelheidsverschillen of als de voorligger krachtig
remt.
WAARSCHUWING
Geen enkel automatisch systeem kan in alle
situaties een 100 % feilloze werking garanderen. Test Collision Warning met Auto
Brake daarom nooit uit op mensen of voertuigen - dat kan namelijk tot ernstig letsel/
ernstige schade en levensgevaarlijke situaties leiden.
Instellingen controleren
U kunt de actuele instellingen controleren op
het beeldscherm van de middenconsole. Ga in
het menusysteem MY CAR naar Instellingen
Auto-instellingen Rijassistentiesystemen
Botswaarschuwing, zie pagina 211.
04 Bestuurdersondersteuning
Collision Warning met Auto Brake en voetgangersbescherming.*
Onderhoud
Beperkingen
Collision Warning met Auto Brake en voetgangersdetectie is actief vanaf ca. 4 km/h.
Het visuele waarschuwingssignaal (nr. [1] in
afbeelding op pagina 171) kan in de felle zon
en bij lichtschitteringen alsook het gebruik van
een zonnebril soms moeilijk te ontdekken zijn.
Dat is ook mogelijk als u niet recht vooruit kijkt.
Houd de waarschuwingszoemer daarom altijd
ingeschakeld.
Camera- en radarsensor.
De sensoren werken alleen naar behoren wanneer u vuil, ijs en sneeuw verwijdert en ze regelmatig schoonmaakt met water en autoshampoo.
N.B.
Als vuil, ijs en sneeuw de sensoren bedekken, neemt de functie af en kan meten
onmogelijk worden gemaakt.
Bij gladheid is de remweg langer waardoor het
systeem minder goed in staat is aanrijdingen te
voorkomen. In dergelijke situaties zullen het
ABS en DSTC voor het maximale remvermogen zorgen met behoud van de stabiliteit.
N.B.
Het visuele waarschuwingssignaal kan
korte tijd buiten werking worden gesteld,
wanneer de temperatuur in het interieur bijvoorbeeld door de felle zon te hoog is opgelopen. Als dit gebeurt, wordt er een waarschuwingszoemer afgegeven ook al hebt u
deze uitgeschakeld via het menusysteem.
•
Waarschuwingen kunnen eveneens uitblijven bij een zeer geringe afstand tot
de voorligger of bij relatief grote stuuren pedaalbewegingen zoals bij een zeer
actieve rijstijl.
WAARSCHUWING
Als de radar- of camerasensor op grond van
de verkeerssituatie of anderszins problemen heeft voetgangers of voorliggers te
ontdekken, is het mogelijk dat het systeem
pas laat, onterecht of helemaal geen waarschuwing geeft en remt.
De sensoren hebben een beperkt bereik
voor voetgangers wat inhoudt dat het systeem efficiënt waarschuwt en remingrepen
verricht bij rijsnelheden tot 50 km/h. Voor
stilstaande of langzaam rijdende voorliggers
wordt efficiënt gewaarschuwd en geremd
bij rijsnelheden tot 70 km/h.
04
In het donker of bij slecht zicht wordt er
mogelijk niet gewaarschuwd voor langzaam
rijdende of stilstaande voorliggers.
Er wordt niet gewaarschuwd noch geremd
voor voetgangers bij een rijsnelheid hoger
dan 80 km/h.
De Collision Warning maakt gebruik van
dezelfde radarsensor als die van de adaptieve
cruisecontrol. Voor meer informatie over de
radarsensor en de beperkingen ervan, zie
pagina 158.
Als u vindt dat er te vaak wordt gewaarschuwd
en de signalen als storend ervaart, kunt u de
waarschuwingsafstand verkleinen. Dit betekent dat het systeem later waarschuwt, wat het
totaal aantal waarschuwingen verkleint, zie het
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
175
04 Bestuurdersondersteuning
Collision Warning met Auto Brake en voetgangersbescherming.*
04
hoofdstuk "Waarschuwingsafstand instellen"
pagina 174.
• Automatische dimfunctie groot-/dimlicht -
Met geactiveerde achteruitversnelling is de
Collision Warning met Auto Brake tijdelijk
gedeactiveerd.
• Road Sign Information – zie pagina 145.
• Driver Alert Control – zie pagina 180
• Rijbaanassistent - zie pagina 184
Collision Warning met Auto Brake wordt niet
geactiveerd op lage snelheden (onder 4 km/h),
wat betekent dat het systeem niet ingrijpt in
situaties waarbij uw auto een voorligger uiterst
langzaam nadert zoals tijdens het parkeren.
Houd de voorruit in het gebied vóór de
camerasensor vrij van ijs, sneeuw, condens
en vuil.
In situaties waarin de bestuurder actief en
bewust rijgedrag laat zien, kan een Collision
Warning wat worden vertraagd om onnodige
waarschuwingen te voorkomen.
Plak of monteer niets op de voorruit vóór de
camerasensor, aangezien één of meer
camera's voor het systeem hierdoor slechter of niet meer werken.
Nadat Auto Brake een aanrijding met een stilstaand obstakel heeft voorkomt, blijft de auto
maximaal 1,5 seconde stilstaan. Als de auto
wordt afgeremd wegens een rijdende voorligger, wordt de snelheid begrensd tot dezelfde
snelheid als die van de voorligger.
Bij een auto met een handgeschakelde versnellingsbak slaat de motor af wanneer Auto
Brake de auto tot stilstand heeft gebracht, tenzij u daarvoor het koppelingspedaal weet te
bedienen.
Beperkingen van de camerasensor
De camerasensor van de auto wordt naast de
Collision Warning met Auto Brake ook gebruikt
door de functies:
176
zie pagina 91
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
N.B.
De camerasensor kent ongeveer dezelfde
beperkingen als het menselijk oog. Dit houdt in
dat de sensor minder goed “ziet” bij hevige
regen- of sneeuwval en in dichte mist. In dergelijke omstandigheden kunnen functies die
gebruik maken van de camera grote beperkingen ondervinden of tijdelijk gedeactiveerd worden.
Ook fel tegenlicht, reflecties op het wegdek,
besneeuwde of beijzelde wegen, verontreinigde of onduidelijke rijstrookmarkeringen
kunnen aanleiding geven tot grote beperkingen
voor de functies die van de camera gebruik
maken om bijvoorbeeld het wegdek af te tasten
en andere voertuigen en voetgangers te ontdekken.
Het zichtveld van de camerasensor is beperkt,
zodat voetgangers en voertuigen in bepaalde
situaties niet kunnen worden geregistreerd of
later worden ontdekt dan verwacht.
Bij zeer hoge temperaturen werkt de camera
de eerste ca. 15 minuten na het starten van de
motor niet om de camerafunctie te ontzien.
Storingen opsporen en verhelpen
Als op het display de melding
Voorruitsensoren afgedekt staat, betekent
dit dat de camerasensor afgedekt is en geen
voetgangers, voertuigen of rijstrookmarkeringen vóór de auto kan ontdekken.
Dit houdt bovendien in dat niet alleen Collision
Warning met Auto Brake maar ook de functies
Automatische dimfunctie groot licht/dimlicht,
Road Sign Information, Driver Alert Control en
Rijbaanassistent niet voor de volle 100% zullen
werken.
In de volgende tabel staan mogelijke oorzaken
van het verschijnen van de melding en passende maatregelen.
04 Bestuurdersondersteuning
Collision Warning met Auto Brake en voetgangersbescherming.*
Oorzaak
Maatregel
Oorzaak
Maatregel
Oorzaak
Maatregel
Het voorruitoppervlak vóór de camera
is vuil of bedekt met
sneeuw of ijs.
Ontdoe het voorruitoppervlak vóór de
camera van vuil,
sneeuw en ijs.
Valt niets aan te
doen. Bij hevige
neerslag werkt de
camera soms niet.
Wacht even. Het kan
enige minuten duren
voordat de camera
het zicht opnieuw
heeft gemeten.
Er is vuil tussen de
binnenkant van de
voorruit en de
camera gekomen.
Bij dichte mist en
hevige regen- of
sneeuwval heeft de
camera een minder
goed zicht.
Het voorruitoppervlak vóór de camera
is schoongemaakt,
maar de melding
blijft.
Bezoek een werkplaats om de binnenkant van de
voorruit achter de
camerabehuizing te
laten schoonmaken
– geadviseerd wordt
een erkende Volvowerkplaats.
04
Symbolen en meldingen op display
SymboolA
Melding
Betekenis
CWS-systeem UIT
Collision Warning is uitgeschakeld.
Verschijnt bij het starten van de motor.
De melding dooft automatisch na ca. 5 seconden of eerder wanneer u op de toets OK drukt.
CWS-systeem niet beschikbaar
Het is niet mogelijk Collision Warning te activeren.
Verschijnt wanneer u de functie toch probeert te activeren.
De melding dooft automatisch na ca. 5 seconden of eerder wanneer u op de toets OK drukt.
Remassistent geactiveerd
De Auto Brake was actief.
De melding verdwijnt na bediening van de toets OK.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
177
04 Bestuurdersondersteuning
Collision Warning met Auto Brake en voetgangersbescherming.*
SymboolA
Melding
Betekenis
Voorruitsensoren afgedekt
De camerasensor werkt tijdelijk niet.
Verschijnt bijvoorbeeld bij sneeuw, ijs of vuil op de voorruit.
• Maak het voorruitoppervlak vóór de camerasensor schoon.
Voor meer informatie over de beperkingen van de camerasensor - zie pagina 176.
Radar afgedekt Zie instructieb.
Collision Warning met Auto Brake werkt tijdelijk niet.
De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren. Bijvoorbeeld wanneer deze wordt
gehinderd door hevige regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken.
04
Voor meer informatie over de beperkingen van de radarsensor, zie pagina 158.
CWS-systeem Service vereist
Collision Warning met Auto Brake werkt niet of gedeeltelijk.
• Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
A
178
De symbolen zijn schematisch.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Bestuurdersondersteuning
Driver Alert System*
Algemene informatie over Driver Alert
System
Status hulpmiddel bestuurder
Driver Alert System is bestemd om u te helpen
als de auto op een ongecontroleerde manier
wordt bestuurd of op het punt staat de rijstrookmarkering te overschrijden.
Driver Alert System bestaat uit verschillende
functies die tegelijk of apart in te schakelen zijn:
• Driver Alert Control – DAC, zie
pagina 180.
04
• Rijbaanassistent - LKA, zie pagina 184.
Een ingeschakelde functie wordt pas daadwerkelijk geactiveerd bij snelheden hoger dan
65 km/h. Bij lagere snelheden staat de functie
stand-by.
De actuele status voor alle hulpmiddelen voor
de bestuurder kan worden gecontroleerd in
MY CAR, zie pagina 213.
De functie wordt weer uitgeschakeld, zodra de
snelheid onder de 60 km/h daalt.
De functies maken gebruik van een camera die
alleen rijstroken met belijning kan aftasten.
WAARSCHUWING
Driver Alert System werkt niet in alle situaties, maar is uitsluitend bedoeld als een
aanvullend hulpmiddel.
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige
manier bestuurt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
179
04 Bestuurdersondersteuning
Driver Alert System – DAC*
Algemene informatie over DAC
Bediening
Soms treden er ondanks vermoeidheid geen
merkbare wijzigingen op in het rijgedrag. In dat
geval wordt er dan ook niet gewaarschuwd.
Het is daarom van groot belang dat u bij opkomende vermoeidheid de auto op een geschikte
plek parkeert om een pauze in te lassen, ongeacht de vraag of DAC nu wel of niet heeft
gewaarschuwd.
04
De DAC-functie (Driver Alert Control) is
bedoeld om de aandacht van de bestuurder te
trekken wanneer de auto op een ongecontroleerde manier bestuurd wordt (omdat u bijvoorbeeld afgeleid wordt of bijna in slaap valt).
Een camera tast de geschilderde rijstrookmarkeringen af en vergelijkt de wegrichting met uw
stuurbewegingen. U wordt gewaarschuwd
wanneer de auto de wegrichting op een ongecontroleerde manier volgt.
N.B.
De camerasensor heeft zijn beperkingen zie pagina 176.
180
DAC is bedoeld om langzame wijzigingen in het
rijgedrag te bespeuren, in eerste instantie op
de grotere wegen. De functie is niet bedoeld
voor gebruik in het stadsverkeer.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
N.B.
De functie mag niet worden gebruikt om de
rijtijd te verlengen. Plan altijd regelmatig
pauzes in en zorg ervoor dat u bent uitgerust.
Het instellen gaat via het menusysteem op het
display van de middenconsole. Voor informatie
over het gebruik van het menusysteem, zie
pagina 211.
Aan/Uit
Beperkingen
Om Driver Alert in de stand-bystand te zetten:
Soms kan het systeem ten onrechte waarschuwen voor ongecontroleerde stuurbewegingen.
Dit kan bijvoorbeeld gebeuren bij:
• Zoek in MY CAR naar Auto-instellingen
• zijdelingse rukwinden.
• spoorvorming in het wegdek.
Rij-assistentiesystemen Driver
Alert en vink de checkbox aan – Geen
vinkje in de checkbox: Functie uitgeschakeld.
Functie
Driver Alert wordt geactiveerd bij een snelheid
hoger dan 65 km/h en blijft actief zolang de
snelheid boven 60 km/h ligt.
04 Bestuurdersondersteuning
Driver Alert System – DAC*
Als de auto slingert, wordt de
bestuurder gewaarschuwd met een
geluidssignaal en een tekstmelding
Driver Alert Tijd voor pauze – tegelijkertijd gaat het bijbehorende symbool op het
dashboard branden. Als u uw rijgedrag niet
corrigeert wordt enige tijd later opnieuw
gewaarschuwd.
Het waarschuwingslampje kan worden
gedeactiveerd:
• Druk op de OK-knop van de linker stuurhendel.
WAARSCHUWING
Neem een waarschuwing altijd serieus,
omdat u bij slaperigheid uw lichamelijke
conditie vaak minder goed kunt inschatten.
Breng bij een waarschuwing of een gevoel
van vermoeidheid de auto zo spoedig
mogelijk tot stilstand om rust te houden.
Studies hebben aangetoond dat rijden bij
vermoeidheid even gevaarlijk is in het verkeer als rijden onder invloed.
04
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
181
04 Bestuurdersondersteuning
Driver Alert System – DAC*
Symbolen en meldingen
Dashboard
SymboolA
Melding
Betekenis
Driver Alert Tijd voor pauze
De auto vertoont zwalkend rijgedrag – u wordt gewaarschuwd met een zoemersignaal en een
displaymelding.
Voorruitsensoren afgedekt
De camerasensor werkt tijdelijk niet.
04
Verschijnt bijvoorbeeld bij sneeuw, ijs of vuil op de voorruit.
• Maak het voorruitoppervlak vóór de camerasensor schoon.
Voor meer informatie over de beperkingen van de camerasensor, zie pagina 176.
Driver Alert Sys Service vereist
Het systeem is defect.
• Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
A
De symbolen zijn schematisch.
Display
SymboolA
182
Melding
Betekenis
Driver Alert UIT
De functie is uitgeschakeld.
Driver Alert Beschikbaar
De functie is geactiveerd.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Bestuurdersondersteuning
Driver Alert System – DAC*
SymboolA
A
Melding
Betekenis
Driver Alert stand-by <65km/h
De functie is stand-by gezet omdat de rijsnelheid onder 65 km/h ligt.
Driver Alert niet beschikbaar
De weg is niet voorzien van duidelijke markeringsstrepen of de camerasensor werkt tijdelijk
niet. Voor meer informatie over de beperkingen van de camerasensor, zie pagina 176.
De symbolen zijn schematisch.
04
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
183
04 Bestuurdersondersteuning
Driver Alert System - Rijbaanassistent*
Algemene informatie over de
Rijbaanassistent
WAARSCHUWING
LKA is alleen een hulpmiddel voor de
bestuurder en werkt niet in alle rijsituaties,
verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
U bent er altijd zelf verantwoordelijk voor dat
u de auto op de juiste wijze bestuurt en dat
u zich aan de geldende wetgeving en verkeersregels houdt.
Functie
04
De functie Rijbaanassistent - ook wel LKA
(Lane Keeping Aid) genoemd, is bedoeld voor
gebruik op snelwegen, motorwegen enz. en
verkleint de kans op het in bepaalde situaties
onbedoeld verlaten van de eigen rijbaan.
Een camera tast de zijlijnen van de weg/de rijbaan af. Als de auto op weg is om een zijlijn te
kruisen, wordt de Rijbaanassistent actief en
stuurt de auto met een zwak stuurmoment in
het stuurwiel terug in de rijbaan.
Als de auto een zijlijn bereikt of passeert, waarschuwt de Rijbaanassistent de bestuurder
bovendien met pulserende trillingen in het
stuurwiel.
184
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
De Rijbaanassistent is actief in het snelheidsinterval 65-200 km/h op wegen met goed zichtbare zijlijnen. Op smalle wegen, als de rijbaan
minder dan 2,6 meter tussen de zijlijnen is,
wordt de functie tijdelijk uitgeschakeld.
Aan & Uit
Met de knop op de middenconsole kunt u de
functie activeren of uitschakelen. Het brandende lampje in de schakelaar geeft aan dat de
functie geactiveerd is.
Bij bepaalde combinaties van opties is er geen
plek vrij voor een Aan/Uit-knop op de middenconsole – in dat geval is de functie echter te
bedienen via het menusysteem MY CAR. Ga
als volgt te werk:
• Kies Aan of Uit in Instellingen
instellingen
AutoRijbaanassistentie.
Voor een beschrijving van het menusysteem,
zie pagina 211.
In MY CAR kan bovendien o.a. het volgende
worden gekozen:
• Waarschuwing met trillingen in het stuurwiel: Alleen vibratie - Aan of Uit.
• Actief sturen: Alleen stuurhulp - Aan of
•
Uit.
Zowel Waarschuwing met trillingen in het
stuurwiel als Actief sturen: Volledige
functie - Aan of Uit.
Actief sturen
De Rijbaanassistent probeert de auto binnen
de zijlijnen van de eigen rijbaan te houden.
04 Bestuurdersondersteuning
Driver Alert System - Rijbaanassistent*
Waarschuwing met trillingen in het
stuurwiel
Dynamisch nemen van bochten
04
LKA grijpt in en stuurt weg.
Als de auto de linker of rechter zijlijn van de rijbaan nadert zonder dat de richtingaanwijzer is
geactiveerd, wordt de auto teruggestuurd.
LKA grijpt niet in scherpe binnenbochten in.
LKA stuurt en waarschuwt met pulserende stuurwieltrillingen1.
Als de auto een zijlijn passeert, waarschuwt de
Rijbaanassistent hiervoor met pulserende trillingen in het stuurwiel. Dit gebeurt ongeacht of
de auto wel of niet actief wordt teruggestuurd
door een opgelegd stuurmoment.
1
In bepaalde gevallen staat de Rijbaanassistent
toe dat de zijlijnen worden gekruist zonder in te
grijpen met actief sturen of waarschuwen met
pulserende trillingen in het stuurwiel. Het bij
goed zicht benutten van de aangrenzende rijbaan voor het dynamisch nemen van bochten
is zo'n situatie.
De afbeelding toont 3 pulserende trillingen als de zijlijn wordt gepasseerd.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
185
04 Bestuurdersondersteuning
Driver Alert System - Rijbaanassistent*
Bediening
Beperkingen
De functie wordt aangevuld met eenvoudige,
grafische weergaven in verschillende situaties.
Hier volgen enkele voorbeelden:
• De camerasensor van de Rijbaanassistent
heeft beperkingen, net als het menselijk
oog. Voor meer informatie (zie pagina 176).
N.B.
N.B.
In bepaalde omstandigheden heeft het LKA
moeite om u goed te helpen – geadviseerd
wordt om het LKA dan uit te schakelen.
Het LKA staat uit zolang u de richtingaanwijzerhendel bedient.
Voorbeelden van dergelijke omstandigheden zijn:
04
LKA grijpt aan de rechterkant in.
De Rijbaanassistent grijpt in en stuurt weg van
de zijlijn – wordt aangeduid met:
• RODE lijn voor de betreffende kant.
•
•
•
•
•
wegwerkzaamheden
winterse wegen
slecht wegdek
extreem sportieve rijstijl
slecht weer in combinatie met een
beperkt zicht.
De handen op het stuurwiel
LKA "ziet" en volgt de zijlijnen.
Als de Rijbaanassistent actief is en de zijlijnen
detecteert/"ziet", wordt dit aangegeven doordat het LKA-symbool WITTE lijnen heeft.
• GRIJZE zijlijn - De Rijbaanassistent ziet
geen lijn aan deze kant van de auto.
186
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Een voorwaarde voor het functioneren van de
Rijbaanassistent is dat de bestuurder zijn handen op het stuurwiel houdt. LKA controleert dit
voortdurend. Als dit niet het geval is, wordt de
bestuurder met een displaymelding aangespoord om de auto actief te sturen.
Als de bestuurder de aansporing om te gaan
sturen niet opvolgt, wordt de Rijbaanassistent
stand-by gezet. De functie is dan uitgescha-
04 Bestuurdersondersteuning
Driver Alert System - Rijbaanassistent*
keld totdat de bestuurder weer begint te sturen.
Symbolen en meldingen
In situaties waarbij de LKA-functie uitblijft of
wordt onderbroken, kan er een symbool op het
dashboard verschijnen in combinatie met een
verklarende melding op het display of beeldscherm. Volg in voorkomende gevallen het
gegeven advies.
Voorbeelden van meldingen:
SymboolA
04
Melding
Betekenis
Rijstrookassistent Niet
beschikbaar bij deze snelheid
De Rijbaanassistent is stand-by gezet omdat de rijsnelheid onder 65 km/h ligt.
Rijstrookassistent Niet
beschikb. voor huidige
markeringen
De rijbaan is niet voorzien van duidelijke zijlijnen of de camerasensor werkt tijdelijk niet. Voor meer
informatie over de beperkingen van de camerasensor, zie pagina 176.
Rijstrookassistent
Beschikbaar
De functie tast de zijlijnen van de rijbaan af.
Voorruitsensoren afgedekt
De camerasensor werkt tijdelijk niet.
Verschijnt bijvoorbeeld bij sneeuw, ijs of vuil op de voorruit.
• Maak het voorruitoppervlak vóór de camerasensor schoon.
Voor meer informatie over de beperkingen van de camerasensor, zie pagina 176.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
187
04 Bestuurdersondersteuning
Driver Alert System - Rijbaanassistent*
SymboolA
Melding
Betekenis
Lane Keeping Aid Service
vereist
Het systeem is defect.
• Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
Lane Keeping Aid onderbroken
A
LKA is uitgeschakeld en stand-by gezet. De lijnen van het LKA-symbool geven aan wanneer de functie
weer actief is.
De symbolen in de tabel zijn schematisch - de op het display weergegeven symbolen kunnen er iets anders uitzien.
04
188
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Bestuurdersondersteuning
Park Assist*
Algemeen
Park Assist is bedoeld als hulpmiddel tijdens
het parkeren. Geluidssignalen en symbolen op
het beeldscherm van de middenconsole geven
de afstand aan tot een waargenomen obstakel.
Het Park Assist-volume is tijdens de weergave
van geluidssignalen bij te stellen met de draaiknop VOL op de middenconsole of in het
menusysteem MY CAR van de auto – zie
pagina 211.
WAARSCHUWING
•
Hoewel de Park Assist handig is bij het
parkeren, bent u nog altijd schadeplichtig bij eventuele fouten.
•
Wanneer er obstakels in de dode hoeken van de sensoren zitten, zal het systeem ze niet kunnen ontdekken.
•
Houd mensen, dieren e.d. in de buurt
van de auto daarom in de gaten.
Aan/Uit-knop brandt. Wanneer u Park Assist
met deze knop uitschakelt, dooft het lampje.
04
Park Assist is verkrijgbaar in twee varianten:
• Park Assist aan de achterzijde
• Park Assist aan de voor- en achterzijde.
Functie
Beeldschermweergave - toont linksvoor en
rechtsachter een obstakel.
N.B.
Op het beeldscherm van de middenconsole
verschijnt een schematische weergave van de
onderlinge posities van de auto en een eventueel obstakel.
Als er een trekhaak met het elektrische systeem van de auto is geconfigureerd, wordt
de uitsteeklengte van de trekhaak bij het
meten van de parkeerruimte meegerekend.
Aan/Uit sensoren voor Park Assist en CTA1.
Bij het starten van de motor wordt het systeem
automatisch geactiveerd – het lampje in de
1
De gemarkeerde sector(en) geeft/geven aan
welke van de vier sensoren een obstakel heeft/
hebben waargenomen. De gemarkeerde sector ligt dichter bij het autosymbool, naarmate
de afstand tussen de auto en het waargenomen obstakel kleiner is.
Hoe dichter u het obstakel achter of voor de
auto nadert, des te sneller volgen de geluids-
Cross Traffic Alert, zie pagina 203
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
189
04 Bestuurdersondersteuning
Park Assist*
signalen elkaar op. Wanneer u ondertussen de
geluidsinstallatie beluistert, wordt het volume
daarvan tijdelijk verlaagd.
04
Park Assist aan de achterzijde
N.B.
Bij het achteruitrijden met een aanhanger
achter de auto of een fietsdrager op de trekhaak – zonder een originele aanhangerkabel
van Volvo – moet u de Park Assist mogelijk
handmatig uitschakelen om te voorkomen
dat de sensoren reageren op de aanhanger
of fietsdrager.
Bij een afstand tot 30 cm bestaat het geluidssignaal uit een ononderbroken toon en is de
sensorsector die het dichtst bij de auto ligt
geheel gevuld. Als er zowel voor als achter de
auto obstakels binnen deze afstand zijn waargenomen, komen de geluidssignalen beurtelings uit de luidsprekers aan linker- en rechterzijde.
Park Assist aan de voorzijde
BELANGRIJK
190
Sommige voorwerpen zoals kettingen,
smalle glanzende palen of lage obstakels
kunnen ‘afgeschaduwd’ worden en worden
in dat geval tijdelijk niet geregistreerd door
de sensoren – het onderbroken geluidssignaal kan dan plotseling wegvallen in plaats
van over te gaan in het verwachte ononderbroken geluidssignaal.
Het meetbereik strekt tot ca. 1,5 m recht achter
de auto. Bij obstakels achter de auto komen de
geluidssignalen uit een van de luidsprekers
achterin.
•
Bij het achteruitrijden met bijvoorbeeld een
aanhanger achter de auto of een fietsdrager op
de trekhaak wordt het systeem automatisch
uitgeschakeld om te voorkomen dat de sensoren op de aanhanger of fietsdrager reageren.
Wees in dat geval extra voorzichtig en
bedien/verrijd de auto erg langzaam of
breek de parkeermanoeuvre af – er
bestaat groot gevaar voor materiële
schade aan de auto of de omgeving,
aangezien de sensoren dan tijdelijk niet
optimaal werken.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Park Assist aan de achterzijde wordt geactiveerd bij het inschakelen van de achteruitversnelling.
Het meetbereik strekt tot ca. 0,8 m recht voor
de auto. Bij obstakels voor de auto komen de
geluidssignalen uit een van de luidsprekers
voorin.
Park Assist aan de voorzijde is actief bij snelheden tot 10 km/u. Het lampje in de knop
brandt om aan te geven dat het systeem actief
04 Bestuurdersondersteuning
Park Assist*
is. Het systeem wordt opnieuw geactiveerd bij
snelheden lager dan 10 km/h.
Sensoren schoonmaken
N.B.
Als vuil, ijs en sneeuw de sensoren bedekken, neemt de functie af en kan meten
onmogelijk worden gemaakt.
BELANGRIJK
Bij montage van verstralers: Denk eraan dat
deze de sensoren niet mogen hinderen - de
verstralers kunnen dan als obstakel worden
gezien.
Aanduiding voor systeemstoringen
Als het informatiesymbool continu
brandt en op het informatiedisplay de
melding Park Assist Service vereist verschijnt, dan is Park Assist defect.
04
Positie van de voorste sensoren.
BELANGRIJK
Onder bepaalde omstandigheden kunnen
de parkeersensoren valse waarschuwingssignalen geven door externe geluidsbronnen, die dezelfde ultrasoonfrequenties
afgeven als waar het systeem mee werkt.
Voorbeelden van dergelijke bronnen zijn
o.a. claxons, natte banden op asfalt, pneumatische remmen en uitlaatgeluid van
motorfietsen.
Positie van de achterste sensoren.
De sensoren werken alleen naar behoren, wanneer u ze regelmatig schoonmaakt met water
en autoshampoo.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
191
04 Bestuurdersondersteuning
Park Assist-camera*
Algemeen
Functie en bediening
De Park Assist-camera is een hulpsysteem dat
automatisch geactiveerd wordt bij het inschakelen van de achteruitversnelling (de functie is
te wijzigen in het instellingenmenu, zie
pagina 211).
De cameraweergave verschijnt op het beeldscherm van de middenconsole.
WAARSCHUWING
04
•
•
•
De parkeercamera is een hulpmiddel en
kan nooit in de plaats komen van de
verantwoordelijkheid van de bestuurder
bij het achteruitrijden.
Wanneer er obstakels in de dode hoeken van de camera zitten, zal het systeem ze niet kunnen ontdekken.
Houd mensen en dieren in de buurt van
de auto daarom in de gaten.
Positie CAM-knop.
De camera toont wat er achter de auto is en of
er iets of iemand van de zijkanten opduikt.
De camera beslaat een breed gebied achter de
auto alsook een deel van de bumper en een
eventuele trekhaak.
Voorwerpen op het beeldschermen lijken
mogelijk over te hellen – dit is volkomen normaal.
N.B.
Voorwerpen op het beeldscherm kunnen
dichter bij de auto zijn dan dat ze op het
scherm lijken te zijn.
192
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Als een andere schermweergave actief is,
neemt de parkeercamerafunctie het scherm
automatisch over om de cameraweergave te
tonen.
Bij het inschakelen van de achteruitversnelling
wordt met behulp van ononderbroken lijnen
grafisch aangegeven waar de achterwielen van
de auto uitkomen bij de actuele stuuruitslag –
dit vereenvoudigt het achteruit inparkeren,
achteruitrijden in nauwe ruimten en aankoppelen van aanhangers. Ook de buitenmaten van
de auto worden globaal getoond met twee
streepjeslijnen. De hulplijnen kunnen in het
instellingenmenu worden gedeactiveerd.
Als de auto tevens uitgerust is met Park Assistsensoren*, illustreren gekleurde velden op grafische wijze de afstand tot geregistreerde
obstakels, zie pagina 189.
De camera wordt ca. 5 seconden na uitschakeling van de achteruitversnelling gedeactiveerd, of eerder als de rijsnelheid oploopt tot
boven 10 km/u.
04 Bestuurdersondersteuning
Park Assist-camera*
Hulplijnen
Camerapositie bij de openingshandgreep.
Lichtomstandigheden
Voorbeeld van hoe hulplijnen voor de bestuurder
getoond worden.
De cameraweergave wordt automatisch aangepast aan de heersende lichtomstandigheden. Dit kan ertoe leiden dat de beeldweergave
ietwat kan variëren wat lichtsterkte en kwaliteit
betreft. Slechte lichtomstandigheden leveren
mogelijk een iets slechtere beeldkwaliteit op.
De lijnen op het scherm worden geprojecteerd
als stonden ze op de grond achter de auto. De
lijnen zijn bovendien afhankelijk van de stuuruitslag, zodat u ook tijdens het draaien kunt
zien welke baan de auto zal nemen.
N.B.
•
Bij het achteruitrijden met een aanhanger/caravan geven de lijnen op het
scherm de baan van de auto aan – niet
die van de aanhanger/caravan.
•
Er verschijnen geen lijnen op het
scherm, wanneer er een aanhanger/
caravan is aangesloten op het elektrische systeem van de auto.
•
De Park Assist-camera wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u een
aanhanger/caravan achter de auto hebt
hangen die met originele trekhaakbedrading van Volvo aangesloten is.
04
BELANGRIJK
Let op: het schermbeeld toont alleen het
gebied achter de auto - let dus op de zijkanten en voorkant van de auto als u bij
achteruitrijden aan het stuurwiel draait.
N.B.
Houd voor optimale werking de cameralens
vrij van vuil, sneeuw en ijs. Dit is vooral van
belang in slechte lichtomstandigheden.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
193
04 Bestuurdersondersteuning
Park Assist-camera*
Grenslijnen
Auto’s met Park Assist-sensoren achter*
Kleur
Afstand (meter)
Oranje
0,3–0,5
Rood
0–0,3
Instellingen
Druk op OK/MENU wanneer een cameraweergave getoond wordt. Voer de gewenste instellingen uit.
Overig
04
• De standaardinstelling is dat de camera
De verschillende lijnen van het systeem.
Grenslijn vrije achteruitrijzone
“Wielsporen”
De onderbroken lijn (1) grenst een zone af die
tot ca. 1,5 m achter de achterbumper strekt.
Het vormt tegelijkertijd de grens voor de uitstekende delen van de auto, zoals buitenspiegels en hoeken – ook tijdens het maken van
een bocht.
De brede “wielsporen” (2) tussen de zijlijnen
geven aan waar de wielen zich zullen bevinden
en kunnen tot ca. 3,2 m achter de achterbumper reiken zolang er geen obstakel in de weg
staat.
194
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
De afstand wordt aangegeven met gekleurde
velden (4 st., voor elke sensor één).
Als de auto ook is uitgerust met Park Assistsensoren (zie pagina 189), kan de afstand
nauwkeuriger worden weergegeven en geven
gekleurde velden aan welke van de 4 sensoren
een obstakel registreert/registreren.
De kleur van de velden verandert naarmate de
afstand tot het obstakel afneemt – van lichtgeel
via geel en oranje naar rood.
Kleur
Afstand (meter)
Lichtgeel
0,7–1,5
Oranje
0,5–0,7
wordt geactiveerd bij het inschakelen van
de achteruitversnelling.
• Bij indrukken van CAM wordt de camera
geactiveerd, ook al is de achteruitversnelling niet ingeschakeld.
• Wissel tussen de normale en ingezoomde
weergave door te draaien aan TUNE of te
drukken op CAM.
• Als er meerdere camera’s* op de auto zijn
gemonteerd, kunt u van camera wisselen
door aan TUNE te draaien.
Trekhaak
De camera leent zich bij uitstek voor het aankoppelen van een aanhanger/caravan. Op het
display kan een hulplijn verschijnen voor de
geplande "baan" van de trekhaak naar de aanhanger – dat geldt ook voor de "wielsporen".
04 Bestuurdersondersteuning
Park Assist-camera*
• Voor nauwkeurig manoeuvreren is inzoomen op de trekhaak mogelijk door op
CAM te drukken. Nogmaals drukken levert
de normaalweergave op.
De hulplijn voor de trekhaak is te activeren in
het menusysteem MY CAR, waar u kunt kiezen
uit weergave van de “wielsporen” of de baan
van de trekhaak – beide opties kunnen niet
gelijktijdig worden weergegeven.
Beperkingen
04
N.B.
Fietsdragers of andere accessoires die achter op de auto zijn gemonteerd, kunnen het
zicht van de camera belemmeren.
Let erop dat ook als het geblokkeerde gebied
er op het scherm relatief klein uitziet, het werkelijke, verborgen gebied dusdanig groot kan
zijn dat obstakels pas worden geregistreerd
wanneer u er bijna bovenop zit.
Waar u op moet letten
• Houd de cameralens vrij van vuil, sneeuw
en ijs.
• Maak de cameralens regelmatig schoon
met lauw water en autoshampoo – wees
voorzichtig om geen krassen in de lens te
maken.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
195
04 Bestuurdersondersteuning
Actieve parkeerhulp – PAP*
Algemeen
WAARSCHUWING
PAP werkt niet in alle situaties, maar is uitsluitend bedoeld als een aanvullend hulpmiddel.
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige
manier bestuurt en het gebied rond de auto
goed in de gaten houdt om naderende of
passerende verkeersdeelnemers tijdig op te
merken.
04
De Aan/Uit-knop zit op de middenconsole.
De actieve parkeerhulp (PAP – Park Assist
Pilot) helpt de bestuurder bij het parkeren door
eerst te controleren of het vak groot genoeg is
en daarna het stuurwiel te draaien en de auto
in het vak te parkeren. Symbolen, grafische
beelden en meldingen in het instrumentenpaneeldisplay tonen wanneer de verschillende
momenten moeten worden gedaan.
N.B.
Als er een trekhaak met het elektrische systeem van de auto is geconfigureerd, wordt
de uitsteeklengte van de trekhaak bij het
meten van de parkeerruimte meegerekend.
196
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Functie
Principe voor PAP.
De PAP-functie draait het stuurwiel – de
bestuurder dient de versnelling te kiezen, de
snelheid te regelen en te remmen.
De PAP-functie parkeert de auto aan de hand
van de volgende deelmomenten:
PAP kan worden geactiveerd als na het starten
van de motor aan de volgende criteria is voldaan:
• De functies DSTC of ABS mogen niet ingrijpen als de PAP-functie actief is – deze kunnen worden geactiveerd op bijv. een steile
of gladde ondergrond, zie de pagina's
134 en 142 voor meer informatie.
• Er mag geen aanhanger aan de auto zijn
gekoppeld.
• De snelheid moet lager zijn dan 50 km/u.
1. Het parkeervak wordt gezocht en gemeten
(A & B) - bij het meten mag de snelheid niet
hoger zijn dan 30 km/h.
2. De auto wordt achterwaarts in het vak
gestuurd (C & D).
3. De auto wordt in het vak gefixeerd door
voor- en achteruit te rijden (E & F).
04 Bestuurdersondersteuning
Actieve parkeerhulp – PAP*
Bediening
1. Activeer PAP met een druk
op deze knop en rijd niet sneller dan 30 km/h.
De bestuurder krijgt eenvoudige en heldere
instructies via het dashboard – met grafische
beelden en meldingen.
2 – Achterwaarts inparkeren
N.B.
Let erop dat het stuurwiel u in bepaalde
standen mogelijk het zicht ontneemt op
eventuele instructies op het instrumentenpaneel.
2. Let op het dashboarddisplay en stop de
auto als hierom met grafische beelden en
meldingen wordt verzocht.
3. Stop de auto als hierom met grafische
beelden en meldingen wordt verzocht.
04
1 – Zoeken en meten
N.B.
PAP zoekt een mogelijke parkeerruimte aan
de passagierszijde van de straat, geeft
instructies en stuurt de auto in positie. Desgewenst kunt u de auto ook aan de bestuurderszijde van de straat parkeren:
•
Haal de richtingaanwijzerhendel naar de
bestuurderszijde – de auto wordt vervolgens aan de bestuurderszijde van de
straat geparkeerd.
Bij het achterwaarts inparkeren stuurt PAP de
auto in het parkeervak. Ga als volgt te werk:
1. Controleer of de ruimte achter u vrij is en
schakel de achteruitversnelling in.
2. Rijd langzaam en voorzichtig achteruit en
raak het stuurwiel niet aan – rijd niet sneller
dan ca. 10 km/u.
3. Let op het dashboarddisplay en stop de
auto als hierom met grafische beelden en
meldingen wordt verzocht.
De PAP-functie zoekt een parkeervak en meet
of dit vak groot genoeg is. Doe het volgende:
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
197
04 Bestuurdersondersteuning
Actieve parkeerhulp – PAP*
N.B.
•
Houd uw handen weg van het stuurwiel
als de PAP-functie is geactiveerd.
•
Let erop dat het stuurwiel niet door iets
wordt gehinderd en vrij kan draaien.
•
04
Wacht voor het beste resultaat totdat
het stuurwiel is uitgedraaid, voordat u
achteruit/vooruit rijdt.
3 – Fixeren
1. Schakel de 1e versnelling in of D, wacht tot
het stuurwiel is gedraaid en rijd voorzichtig
vooruit.
2. Stop de auto als hierom met grafische
beelden en een tekstmelding wordt verzocht.
3. Schakel de achteruitversnelling in en rijd
voorzichtig achteruit tot met grafische
beelden en tekstmeldingen wordt verzocht
om te stoppen.
De functie wordt automatisch gedeactiveerd
na afronding van het inparkeren, waarna met
grafische beelden en tekstmeldingen wordt
aangegeven dat het inparkeren is voltooid. De
bestuurder kan later een extra correctie nodig
vinden - alleen de bestuurder kan beoordelen
of de auto goed geparkeerd staat.
BELANGRIJK
De waarschuwingsafstand is korter wanneer de sensoren worden gebruikt door
Actieve parkeerhulp dan wanneer Park
Assist de sensoren gebruikt.
Als de auto achterwaarts in het vak is ingeparkeerd, wordt de auto recht gezet en gefixeerd.
198
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Beperkingen
De PAP-sequentie wordt afgebroken:
• als te snel met de auto wordt gereden –
meer dan 30 km/u
• als de bestuurder het stuurwiel aanraakt
• bij een ingreep van de ABS- of DSTC-functie – bijv. als een wiel grip verliest op een
gladde ondergrond.
• als een passagiersportier wordt geopend –
het bestuurdersportier kan wel worden
geopend.
Een tekstmelding informeert waarom de PAPsequentie werd afgebroken.
N.B.
Als vuil, ijs en sneeuw de sensoren bedekken, neemt de functie af en kan meten
onmogelijk worden gemaakt.
04 Bestuurdersondersteuning
Actieve parkeerhulp – PAP*
BELANGRIJK
Onder bepaalde omstandigheden kan PAP
geen parkeerplaatsen vinden - een reden
kan zijn dat de sensoren worden verstoord
door externe geluidsbronnen, die dezelfde
ultrasoonfrequenties afgeven als waar het
systeem mee werkt.
Voorbeelden van dergelijke bronnen zijn
o.a. claxons, natte banden op asfalt, pneumatische remmen en uitlaatgeluid van
motorfietsen.
Waar u op moet letten
De bestuurder moet in gedachten houden dat
de Actieve parkeerhulp een hulpmiddel is - niet
een onfeilbare volautomatische functie.
Daarom moet de bestuurder voorbereid zijn
om het parkeren te onderbreken. Er zijn ook
een paar details waar u bij het parkeren op
moet letten, bijv.:
• PAP gaat uit van de positie van geparkeerde voertuigen - als deze onhandig
geparkeerd staan, kan de auto bijv. op de
stoep terechtkomen.
• PAP is bedoeld voor parkeren op rechte
straten - niet met sterke slingeringen of
bochten.
de benodigde ruimte voor het manoeuvreren onvoldoende is - het kan dan handig
zijn om zo dicht mogelijk naar de kant van
de straat te rijden waar het parkeervak zich
bevindt.
Onderhoud
• Denk eraan dat de voorkant van de auto
tijdens het parkeren kan uitzwenken naar
het tegemoetkomende verkeer.
• Objecten die hoger dan het detectiegebied
van de sensoren liggen, worden niet meegenomen als de parkeermanoeuvre wordt
berekend en dat kan ertoe leiden dat PAP
te vroeg in het parkeervak draait.
• De bestuurder is ervoor verantwoordelijk
om te bepalen of het vak dat PAP aanbiedt
geschikt is voor parkeren.
• Gebruik goedgekeurde banden1 met de
juiste bandenspanning - dit is van invloed
op de parkeermogelijkheden van PAP.
• Hevige regen of sneeuwval kan ertoe leiden dat het parkeervak niet op een juiste
manier wordt gemeten.
04
Naast de Park Assist-sensoren in voor- en achterbumper gebruikt PAP ook een sensor in de zijkant
van beide voorschermen.
Om te zorgen dat de PAP-functie naar behoren
werkt, moeten deze sensoren regelmatig worden schoongemaakt met water en een autoshampoo – het zijn dezelfde sensoren als die
de Parkeerhulp gebruikt (zie pagina 191) en
een zijsensor.
• Gebruik PAP niet als u sneeuwkettingen of
een reservewiel hebt gemonteerd.
• Gebruik PAP niet als er lading buiten de
auto steekt.
• Parkeervakken in smalle straten kunnen
niet altijd worden aangeboden, aangezien
1
Met "goedgekeurde banden" wordt bedoeld: banden van hetzelfde type en merk als die bij levering af fabriek origineel waren gemonteerd.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
199
04 Bestuurdersondersteuning
Actieve parkeerhulp – PAP*
Symbolen en meldingen
Het dashboarddisplay kan verschillende symboolcombinaties en meldingen met verschillende inhoud tonen – soms met een advies
voor een geschikte oplossing.
Als een melding aangeeft dat PAP buiten werking is, wordt aangeraden contact op te nemen
met een erkende Volvo-werkplaats.
04
200
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Bestuurdersondersteuning
BLIS en CTA*
Algemene informatie over BLIS en CTA
Bediening
De functie BLIS (Blind Spot Information
System) is bedoeld voor rijden in druk verkeer
op wegen met meerdere rijbanen in dezelfde
richting. BLIS is een hulpmiddel voor de
bestuurder om hem te waarschuwen voor:
Functie
BLIS en CTA worden geactiveerd bij een
motorstart en dat wordt bevestigd doordat de
controlelampjes op de portierpanelen één keer
knipperen.
BLIS activeren/deactiveren
• voertuigen in de dode hoek
• snel inhalende voertuigen in de linker en
rechter rijbaan in de buurt van de eigen
auto.
De BLIS-functie CTA (Cross Traffic Alert) is een
hulpmiddel voor de bestuurder om hem te
waarschuwen voor:
• kruisend verkeer als er achteruit wordt
gereden met de auto.
04
Positie BLIS-lamp1.
Controlelampje
BLIS-symbool
WAARSCHUWING
BLIS en CTA vormen slechts een aanvulling
op – geen vervanging voor – een veilige rijstijl en het gebruik van de buitenspiegels. Ook
bij gebruik van de hulpmiddelen BLIS en
CTA moet u altijd oplettend en verantwoord
blijven rijden.
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u op een veilige manier van
rijstrook wisselt.
1
2
N.B.
Het lampje gaat branden aan de kant van de
auto waar het systeem het voertuig heeft
ontdekt. Als de auto aan beide kanten tegelijkertijd wordt ingehaald, gaan beide lampjes branden.
Knop voor activering/deactivering.
De BLIS-functie kan worden gedeactiveerd/
geactiveerd met een druk op de BLIS-knop op
de middenconsole.
Bij bepaalde combinaties van opties is er geen
plek vrij voor een knop op de middenconsole in dat geval is de functie te bedienen via het
menusysteem MY CAR2:
N.B. De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
Zie voor informatie over het menusysteem zie pagina 211.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
201
04 Bestuurdersondersteuning
BLIS en CTA*
• Selecteer Aan of Uit met Instellingen
Auto-instellingen
Wanneer BLIS werkt
BLIS.
Als BLIS wordt gedeactiveerd/geactiveerd
dooft/ontsteekt het lampje in de knop en het
dashboarddisplay bevestigt de wijziging met
een displaymelding - bij activering knipperen
de controlelampjes op de portierpanelen één
keer.
WAARSCHUWING
BLIS werkt niet in scherpe bochten.
BLIS werkt niet als de auto achteruitrijdt.
CTA activeren/deactiveren
Om de melding uit te schakelen:
04
In auto's uitgerust met Parkeerhulp (zie
pagina 189) kan de CTA-functie worden uitgeschakeld/aangezet met de PAS-knop:
• Druk op de OK-knop van de linker stuurhendel.
of
• Wacht ongeveer 5 seconden - de melding
verdwijnt.
van constant branden naar knipperen met een
intensiever licht.
Principe voor BLIS: 1. Zone in dode hoek. 2. Zone
voor snel inhalende voertuigen.
De BLIS-functie is actief bij snelheden hoger
dan ongeveer 10 km/h.
Het systeem reageert als:
• de eigen auto wordt ingehaald door andere
voertuigen
• de eigen auto snel wordt ingehaald door
andere voertuigen.
Als BLIS een voertuig binnen zone 1 of een snel
inhalend voertuig in zone 2 ontdekt, brandt het
BLIS-lampje op het portierpaneel constant. Als
de bestuurder in deze stand de richtingaanwijzer activeert aan de kant waar de waarschuwing wordt gegeven, wisselt het BLIS-lampje
2
202
Zie voor informatie over het menusysteem zie pagina 211.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Aan/Uit voor de sensoren voor Parkeerhulp en
CTA.
CTA kan alleen als volgt worden uitgeschakeld
in het menusysteem MY CAR2:
04 Bestuurdersondersteuning
BLIS en CTA*
• Ga naar Instellingen
Auto-instellingen BLIS Cross
Traffic Alert en haal het vinkje weg daarna is de CTA-functie gedeactiveerd.
BLIS is echter nog steeds geactiveerd.
Wanneer CTA werkt
CTA is alleen actief tijdens het achteruitrijden
en wordt automatisch geactiveerd als de achteruitversnelling wordt geactiveerd.
Onderhoud
• Een geluidssignaal waarschuwt als CTA
ontdekt dat iets vanaf de zijkant nadert het geluid komt uit de linker of rechter luidsprekers, afhankelijk van uit welke richting
het object nadert.
• CTA waarschuwt ook doordat de BLISlampjes gaan branden.
04
• Er wordt ook een waarschuwing met een
brandend pictogram in de PAS-grafiek op
het beeldscherm weergegeven.
WAARSCHUWING
CTA werkt niet in alle situaties, maar is uitsluitend bedoeld als een aanvullend hulpmiddel.
Principe voor CTA.
CTA vormt een aanvulling op de BLIS-functie
door bij achteruitrijden het kruisende verkeer
vanaf de zijkant te kunnen zien, bijv. als de auto
achteruit uit een parkeervak rijdt.
CTA is bedoeld om in de eerste plaats voertuigen te ontdekken - in gunstige gevallen kunnen
ook kleinere voorwerpen zoals fietsen en voetgangers worden ontdekt.
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige
manier bestuurt.
Positie van de BLIS- en CTA-sensor.
De sensoren voor de BLIS- en CTA-functies
zitten aan beide kanten aan de binnenkant van
het achterscherm/de bumper.
• Voor een optimale werking is het belangrijk
dat de oppervlakken vóór de sensoren
schoon worden gehouden.
Beperkingen
• BLIS en CTA worden gedeactiveerd als
een aanhanger op het elektrisch systeem
van de auto wordt aangesloten.
• Vuil, ijs en sneeuw die de sensoren bedekken, kunnen de functies verminderen en
waarschuwingen onmogelijk maken. BLIS
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
203
04 Bestuurdersondersteuning
BLIS en CTA*
en CTA kunnen deze toestand niet detecteren.
• Bevestig geen voorwerpen, tape of stickers binnen het oppervlak van de sensoren.
BELANGRIJK
04
Melding
Betekenis
BLIS AAN
BLIS-systeem geactiveerd.
BLIS en CTA Service vereist
BLIS en CTA zijn
buiten werking.
• Bezoek een
Onderdelen van het BLIS-en CTA-systeem
mogen uitsluitend in een werkplaats worden
gerepareerd – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
werkplaats als
de melding niet
verdwijnt –
geadviseerd
wordt een
erkende Volvowerkplaats.
Displaymeldingen
In situaties waarbij de BLIS- en CTA-functie
uitblijven of worden onderbroken, kan er een
symbool op het dashboard verschijnen en
wordt er een verklarende melding weergegeven. Volg het gegeven advies.
BLIS en CTA UIT
Aanhanger aangekoppeld
BLIS en CTA zijn tijdelijk buiten werking, omdat een
aanhanger op het
elektrisch systeem
van de auto is aangesloten.
BLIS UIT
BLIS en CTA zijn
handmatig uitgeschakeld.
CTA UIT
CTA is handmatig
uitgeschakeld BLIS is actief.
Voorbeelden van meldingen:
204
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Meldingen kunt u van het display halen door de
OK-knop op de richtingaanwijzerhendel kort in
te drukken.
04 Bestuurdersondersteuning
04
205
Menu- en meldingsfuncties...................................................................
Menugroep MY CAR.............................................................................
Klimaatregeling.....................................................................................
Motor- en interieurverwarming op brandstof*.......................................
Extra verwarming*.................................................................................
Boordcomputer.....................................................................................
Rijeigenschappen aanpassen...............................................................
Interieurcomfort.....................................................................................
206
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
208
211
220
231
235
237
241
242
COMFORT EN RIJPLEZIER
05 Comfort en rijplezier
Menu- en meldingsfuncties
Instrumentenpaneel1
eerst bevestigen met de knop OK voordat u de
menu’s kunt bekijken.
Oliepeil2
Voorconditionering*
Menu-overzicht
Boordcomp reset
Voor sommige van de onderstaande menuopties dient de auto te zijn uitgerust met de bijbehorende functie en software.
Melding
Analoog instrumentenpaneel
Digit. snlhd.
Verwarming*
Extra verw.*
Informatiedisplay (analoog instrumentenpaneel)
en bedieningsknoppen voor menufuncties.
05
OK - menu openen en meldingen en menuopties bevestigen.
Duimwiel – menu-opties doorbladeren.
RESET - data in de gekozen boordcomputerstap resetten en "teruggaan" in de
menustructuur.
Met de linker stuurhendel bedient u de menu’s
die op het informatiedisplay in het instrumentenpaneel verschijnen. Welke menu’s er verschijnen hangt af van de sleutelstand, zie
pagina 81. Als er een melding is, moet u deze
1
2
3
208
TC-opties
Servicestatus
Oliepeil2
Meldingen (##)3
Digitaal instrumentenpaneel
Instellingen*
Melding op informatiedisplay (analoog instrumentenpaneel).
Thema's
Wanneer er een waarschuwings-, informatieof controlesymbool oplicht, verschijnt er
tevens een aanvullende melding op het informatiedisplay. Foutmeldingen blijven in het
geheugen opgeslagen, totdat de onderliggende storing is verholpen.
Contraststand/Kleurstand
Servicestatus
Meldingen
Zie ook pagina 71 voor verschillende varianten van het instrumentenpaneel.
Bepaalde motoren.
Het aantal meldingen staat tussen haakjes.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
05 Comfort en rijplezier
Menu- en meldingsfuncties
Druk op OK om de meldingen te bevestigen4
en door te bladeren.
N.B.
Als er een waarschuwingsmelding verschijnt als de boordcomputer wordt
gebruikt, moet de melding worden gelezen
(druk op OK) voordat de eerdere activiteit
kan worden hervat.
Melding
Betekenis
Stop auto
z.s.m.A
Breng de auto tot stilstand en zet de motor
af. Grote kans op
schade – bezoek een
werkplaatsB.
Zet motor afA
Service spoedA
4
Melding
Betekenis
Melding
Betekenis
Service vereistA
Bezoek een werkplaatsB om de auto zo
spoedig mogelijk te
laten controleren.
Onderhoudstermijn verstreken
Zie instructieb.A
Lees het instructieboekje.
Als u de onderhoudstermijn niet respecteert,
vallen beschadigde
onderdelen niet langer
onder de garantie –
bezoek een werkplaatsB.
Bespreek tijd
voor onderhoud
Het is tijd om een
afspraak te maken voor
een servicebeurt –
bezoek een werkplaatsB.
Versnellingsbak Olie verversen
Bezoek een werkplaatsB om de auto zo
spoedig mogelijk te
laten controleren.
Tijd voor periodiek onderhoud
Het is tijd voor een servicebeurt – bezoek een
werkplaatsB. Het
moment hangt af van de
afgelegde afstand, het
aantal maanden dat
sinds de laatste servicebeurt is verstreken,
het aantal draaiuren van
de motor en de
gebruikte oliekwaliteit.
Versnellingsbak Beperkte
werking
De versnellingsbak
werkt niet op maximale
capaciteit. Rijd voorzichtig totdat de melding verdwijntC.
Breng de auto tot stilstand en zet de motor
af. Grote kans op
schade – bezoek een
werkplaatsB.
Bezoek een werkplaatsB om de auto
onmiddellijk te laten
controleren.
05
Bezoek bij herhaaldelijke verschijning een
werkplaatsB.
Een melding kan ook met het duimwiel of de RESET-knop worden bevestigd.
209
05 Comfort en rijplezier
Menu- en meldingsfuncties
05
A
B
C
210
Melding
Betekenis
Versnellingsbak heet Rijd
langzamer
Rijd voorzichtiger of
breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand. Zet de versnellingsbak in de neutraal
en laat de motor stationair draaien totdat de
melding verdwijntC.
Versnellingsbak heet Stop
auto z.s.m.
Wachten op
afkoelen
Kritieke storing. Breng
de auto zo spoedig
mogelijk tot stilstand en
bezoek een werkplaatsB.
Tijdelijk uitgeschakeldA
De bijbehorende functie
is tijdelijk uitgeschakeld
en wordt na enige tijd
rijden of de volgende
keer dat u de motor
start automatisch
opnieuw ingeschakeld.
Accuspanning
laag Spaarstand
Het audiosysteem is
uitgeschakeld om
stroom te besparen.
Laad de accu bij.
Deel van een melding, verschijnt samen met gegevens over
de locatie van de storing.
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Voor meer meldingen met betrekking tot de automatische
versnellingsbak, zie pagina 124.
05 Comfort en rijplezier
Menugroep MY CAR
Algemene informatie over MY CAR
In deze menugroep zijn tal van autofuncties te regelen, zoals het instellen
van de klok, de buitenspiegels en de
Bediening
Bedieningselementen op
middenconsole
sloten.
Navigatie in deze menu’s vindt plaats met
knoppen op de middenconsole of met de toetsenset rechts op het stuurwiel.
menuniveau dat gebeurt, is een van de volgende dingen mogelijk:
•
•
•
•
telefoongesprekken worden geweigerd
de actuele functie wordt beëindigd
de ingevoerde tekens worden gewist
de laatste gemaakte keuze wordt geannuleerd
• u gaat een stap omhoog binnen het menu-
Sommige functies behoren tot de standaarduitrusting, andere zijn zogeheten opties – het
aanbod verschilt per markt.
systeem.
Ook ‘kort’ en ‘lang’ indrukken levert mogelijk
verschillende resultaten op.
Bedieningselementen voor menufuncties op middenconsole.
Bij lang indrukken springt u naar het hoogste
menuniveau (Moederweergave), van waaruit u
alle functies/menugroepen van de auto kunt
bereiken, zie pagina 251.
05
Druk op MY CAR om de menu’s te openen
onder MY CAR.
Druk op OK MENU om de gemarkeerde
menu-optie te kiezen/aan te vinken of de
gekozen functie in het geheugen op te
slaan.
Draai aan TUNE om een stap omhoog/
omlaag te gaan door de menu-opties.
EXIT
Functies EXIT
Afhankelijk van de functie die de cursor markeert bij het indrukken van EXIT en op welk
``
211
05 Comfort en rijplezier
Menugroep MY CAR
Toetsenset* op stuurwiel
Instellingen Auto-instellingen
Slotinstellingen Deuren open
Bestuurdersdeur: dan alle.
Hier volgt een voorbeeld van de wijze waarop
u een functie kunt opzoeken en aanpassen met
de toetsenset op de middenconsole:
1. Druk op de knop MY CAR op de middenconsole.
De toetsenset kan per audioniveau verschillen, zie
pagina 248.
05
Draai aan het duimwiel om een stap
omhoog/omlaag te gaan door de menuopties.
Druk op het duimwiel om de gemarkeerde
menu-optie te kiezen/aan te vinken of de
gekozen functie in het geheugen op te
slaan.
EXIT (zie het kopje ‘Functies EXIT’ op
pagina 211).
Paden
Het actuele menuniveau staat rechts bovenaan
op het beeldscherm van de middenconsole. De
paden naar de menufuncties worden als volgt
weergegeven:
212
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
2. Ga naar het gewenste menu, bijvoorbeeld
Instellingen, met het duimwiel (1) en
druk vervolgens op het duimwiel – er wordt
een submenu geopend.
kens kort in te drukken of deze eenmaal
lang in te drukken.
De procedure verloopt geheel identiek met de
knoppen op de middenconsole – zie
pagina 211: OK MENU (2), EXIT (4) en de
draaiknop TUNE (3).
MY CAR
Onder menugroep MY CAR vindt u de volgende opties:
3. Ga naar het gewenste menu, bijvoorbeeld
Auto-instellingen, en druk op het duimwiel – er wordt een submenu geopend.
4. Ga naar Slotinstellingen en druk op het
duimwiel – er wordt een nieuw submenu
geopend.
5. Ga naar Deuren open en druk op het
duimwiel – er wordt een submenu met te
selecteren functies geopend.
6. Kies uit de opties Alle deuren en
Bestuurdersdeur: dan alle en druk op het
duimwiel – er verschijnt een kruisje in het
lege vakje van de optie.
7. Sluit de programmering af door de menu’s
één voor één te verlaten door EXIT (2) tel-
•
•
•
•
•
My V40
Verbruiksinfo
DRIVe*
Hulpsystemen (Support system status)
Instellingen (Settings)
05 Comfort en rijplezier
Menugroep MY CAR
My V40
Bestuurdersondersteunende systemen
Hier verschijnen de eerste 4 menuniveaus
onder MY CAR Instellingen. Voor enkele
menu’s bestaan submenu’s – deze worden in
dat geval uitvoerig beschreven in het desbetreffende tekstgedeelte.
Wanneer u kunt kiezen uit activering/Aan of
deactivering/Uit van een bepaalde functie, verschijnt er een vakje:
Aan: Aangevinkt vakje.
Uit: Leeg vakje.
• Kies Aan/Uit met OK – verlaat het menu
vervolgens met EXIT.
MY CAR
My V40
Op het beeldscherm staan alle bestuurdersondersteunende systemen aangegeven – u kunt
ze hiervandaan activeren of deactiveren.
My DRIVe*
Hier vindt u onder meer een beschrijving van
de opzet van Volvo’s DRIVe-concept.
• Start/Stop
• Milieutips
MY CAR
Hulpsystemen
Auto-instellingen
(MY CAR > Support system status)
Op het beeldscherm staat het actuele statusoverzicht van de bestuurdersondersteunende
systemen.
Sleutelgeheugen
Aan
05
p. 84
en 105
Uit
Instellingen - menu’s
De opbouw van de menu’s is als volgt:
Menuniveau 1
Voor meer informatie – zie pagina 128.
p. ....
Menuniveau 2
Menuniveau 3
Menuniveau 4
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
213
05 Comfort en rijplezier
Menugroep MY CAR
Slotinstellingen
Automatische vergrendeling
p. 47,
56 en
59
Aan
Instellingen zijspiegel
p. 105
Spiegels inklappen
Linkerspiegel hellen
Uit
Rechterspiegel hellen
30 sec.
Uit
Lichtinstellingen
Deuren open
Vloerverlichting
Bestuurdersdeur: dan alle
Willekeurige deur
Lichtsignaal deurvergrendeling
Deuren aan één
kant
Aan
Beide voordeuren
Uit
Lichtsignaal bij ontgrendeling
Akoestisch signaal
Aan
Aan
Uit
Uit
Vragen bij uitstappen
214
90 sec.
p. 61
en 65
p. 96
30 sec.
Kleuren omgevingslicht
Alle deuren
Eén keer activeren
60 sec.
Tijdsduur 'follow me
home'-verl.
Omgevingslicht
Instappen zonder sleutel
Minder bescherming
p. 96
p. 47
en 96
Binnenverlichting
Alle deuren
05
Tijdsduur 'approach'verl.
60 sec.
p. 44
90 sec.
Driemaal richtingaanwijzer
Aan
Uit
p. 94
05 Comfort en rijplezier
Menugroep MY CAR
Tijdelijk linksrijdend verkeer
p. 97
Autosnelheid in infotainm.scherm
Aan
Aan
Uit
Uit
of
Tijdelijk rechtsrijdend
verkeer
Aan
p. 92
Aan
Uit
Extra koplampen
p. 89
Uit
Aan bij starten
Auto-instellingen resetten
Aan
Van alle menu’s onder Autoinstellingen worden de fabrieksinstellingen hervat.
Uit
Botswaarschuwing
Laag
Midden
Hogere gevoeligheid*
Aan
p. 171
Alleen vibratie
Uit
Alleen stuurhulp
Waarschuwingsafstand
Volledige functie
Lang
Aan
Normaal
Uit
Kort
p. 241
Uit
Alternatieve assistentie
Aan
Signaaltoon
Stuurkracht
p. 184
Aan
Rij-assistentiesystemen
Uit
Actieve bochtverlichting
Rijbaanassistentie
Aan
Uit
Informatie over verkeersborden
05
p. 145
Aan
Uit
Snelheidswaarschuwing
Aan
Uit
Hoog
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
215
05 Comfort en rijplezier
Menugroep MY CAR
p. 142
DSTC
Aan
p. 78
Tijd
Hier stelt u de klok op het instrumentenpaneel in.
Uit
Tijdopmaak
City Safety
p. 165
Aan
Uit
p. 78
12u
Aan
24u
Uit
p. 201
Aan
Uit
05
Aan
Uit
p. 162
Aan
Uit
Driver Alert
Aan
Uit
Systeemopties
216
p. 180
p. 211
MPG (UK)
Aan
MPG (US)
Uit
km/l
Bij selectie van deze optie wordt
de schermweergave automatisch
vervangen door een leeg scherm,
wanneer u enige tijd geen
schermfunctie gebruikt.
Cross Traffic Alert
Afstandswaarschuwing
Bij markering van deze optie verschijnt uitleg bij de actuele
schermweergave.
Afstands-/ verbruikseenheid
Screensaver
BLIS
Hulptekst weergeven
De actuele schermweergave verschijnt echter weer, wanneer u
gebruik maakt van een van de
knoppen of bedieningselementen
van het beeldscherm.
Taal
Geeft de taal voor de menuteksten aan.
l/100km
Temperatuureenheid
Celsius
Fahrenheit
Geeft de eenheid aan voor weergave van de buitentemperatuur
en instelling van de klimaatregeling.
p. 237
05 Comfort en rijplezier
Menugroep MY CAR
Volumes
Volume mededelingen
Volume voor parkeerhulp
vóór
Volume voor parkeerhulp
achter
Beltoonvolume
Systeemopties resetten
Van alle menu’s onder Systeemopties worden de fabrieksinstellingen hervat.
Spraakinstellingen
Alleen in auto's met het Volvo
gps-navigatiesysteem RTI* - zie
het desbetreffend boekje.
Lijst van spraakcommando's
Telefooncommando's
Telefoon
Telefoon kies
contact
Telefoon kies
nummer
Navigatiecommando's
Navigatie
Navigatie herhaal
spraakbegeleiding
Navigatie ga naar
adres
Algemene commando's
Help
Spraakintroductie
Deze menu-optie + OK levert
gesproken informatie op over de
werking van het systeem.
Annuleer
Spraakintroductie
BluetoothŸ-aansluiting. Voor
meer (gedetailleerde) informatie,
zie pagina 277.
De menu-opties onder Navigatiecommando's geven enkele
voorbeelden van de beschikbare
gesproken commando's in het
Navigatiesysteem.
Gebruikersinstelling spraaksystem
Standaardinstellingen
Gebruiker 1
Gebruiker 2
05
Hier kunt u een tweede gebruikersprofiel aanmaken – handig
wanneer meerdere personen
regelmatig gebruik maken van de
auto en het systeem. Standaardinstellingen reset naar de
fabrieksinstellingen.
De menu-opties onder Telefooncommando's geven enkele
voorbeelden van de beschikbare
gesproken commando’s – alleen
in combinatie met een geïnstalleerde mobiele telefoon met
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
217
05 Comfort en rijplezier
Menugroep MY CAR
Spraaktraining
Gebruiker 1
Gebruiker 2
05
Met Spraaktraining biedt u het
spraakherkenningsysteem de
gelegenheid om bekend te raken
met uw stem en uitspraak. Op het
scherm verschijnen enkele zinnen
die u vervolgens moet inspreken.
Zodra het systeem bekend is met
uw manier van spreken, verschijnen er geen zinnen meer. Daarna
kunt u bijvoorbeeld Gebruiker 1
in Gebruikersinstelling spraaksystem kiezen om te zorgen dat
het systeem naar de commando’s van de juiste gebruiker
luistert.
Volume mededelingen
Autom. ventilatorinstellingen
Er verschijnt een volumeregeling
op het scherm – doe in dat geval
het volgende:
Normaal
Hoog
Laag
1. Stel het volume bij met het
duimwiel.
Timer voor hercirculatie
2. Met OK kunt u bij wijze van
proef een stukje beluisteren.
Aan
Uit
3. Met EXIT kunt u de instelling
opslaan en het menu verlaten.
Aut. achterruitverwarming
Aan
POI-lijst voor spraaksysteem
Uit
Wijzig lijst
Luchtkwaliteitssysteem
Het aantal faciliteiten is groot en
verschilt per markt. Er kunnen
maximaal 30 favoriete faciliteiten
worden opslagen in deze lijst.
Aan
Uit
Klimaatinstellingen resetten
Van alle menu’s onder Klimaatinstellingen worden de fabrieksinstellingen hervat.
Voor meer informatie over faciliteiten en spraakherkenning – zie
het instructieboekje bij het navigatiesysteem.
Audio-instellingen
Favorieten (FAV)
p. 248
Volvo On Call
Klimaatinstellingen
Staat in een apart boekje
beschreven.
Informatie
218
p. 225
p. 252
05 Comfort en rijplezier
Menugroep MY CAR
Aantal sleutels
p. 44
VIN-nummer
p. 382
DivX® VOD-code
p. 269
Bluetooth-softwareversie in
auto
p. 276
Kaart- en softwareversie*
Alleen in een auto met Volvo gpsnavigatiesysteem – zie desbetreffend boekje.
05
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
219
05 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
Algemeen
Klimaatregeling
De auto is voorzien van elektronische klimaatregeling. De klimaatregeling zorgt ervoor dat
de lucht in het interieur gekoeld, verwarmd of
van vocht ontdaan wordt.
N.B.
U kunt de airconditioning (AC) uitschakelen,
maar voor optimaal klimaatcomfort in de
passagiersruimte en om te voorkomen dat
de ruiten beslaan dient u de airconditioning
altijd te laten aanstaan.
05
Werkelijke temperatuur
De ingestelde temperatuur komt overeen met
de gevoelstemperatuur op basis van de heersende omstandigheden in en rond de auto wat
de luchtsnelheid, de luchtvochtigheidsgraad,
de ingestraalde warmte enz. betreft.
Het systeem beschikt over een zonnesensor
die de stand van de zon registreert. Daardoor
kan1 de temperatuur van de lucht uit de blaasmonden links en rechts afwijken, ondanks dat
de temperatuurknoppen voor de beide zijden
in dezelfde stand staan.
1
220
Geldt alleen voor ECC.
Positie van de sensoren
• De zonnesensor zit boven op het dashboard.
• De interieurtemperatuursensor zit onder
het bedieningspaneel van de klimaatregeling.
• De buitentemperatuursensor zit in de buitenspiegel.
N.B.
Bedek of blokkeer de sensoren niet met kledingstukken of andere voorwerpen.
ling oprijdt), is het mogelijk dat de airconditioning tijdelijk wordt uitgeschakeld. Er kan dan
een tijdelijke temperatuurstijging optreden.
Condenswater
In warme weersomstandigheden kan er ter
hoogte van de airconditioning een plasje water
onder de auto ontstaan. Dit is volkomen normaal.
Sneeuw en ijs
Veeg sneeuw en ijs van de luchtinlaat voor de
klimaatregeling (de opening tussen de motorkap en de voorruit).
Zijruiten
Doorluchtfunctie
Voor optimale werking van de airconditioning
moet u de zijruiten gesloten houden.
Bij warm weer kunt u de doorluchtfunctie
gebruiken om alle zijruiten tegelijk korte tijd te
openen en weer te sluiten en op die manier snel
voor frisse lucht in de auto te zorgen, zie
pagina 59.
Beslagen ruiten
Maak in eerste instantie gebruik van de ontwasemingsfunctie om condens van de binnenkant van de ruiten te verwijderen.
Houd de binnenzijde van de ruiten schoon om
de kans te beperken dat ze beslaan.
Tijdelijke uitschakeling van
airconditioning
Wanneer de motor het maximale vermogen
nodigt heeft (bijvoorbeeld als u volgas optrekt
of met een aanhanger achter de auto een hel-
Interieurfilter
Alle lucht die de passagiersruimte binnenkomt
wordt gereinigd door een filter. U moet het filter
regelmatig vervangen. Raadpleeg het Serviceprogramma van Volvo voor het aanbevolen
vervangingsinterval. In zeer sterk verontreinigde gebieden moet u het filter mogelijk vaker
vervangen.
05 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
N.B.
Er zijn verschillende soorten interieurfilters.
Let erop dat het juiste filter wordt gemonteerd.
Clean Zone Interior Package (CZIP)*
Wanneer u voor deze optie hebt gekozen zijn
er nog minder stoffen in het interieur verwerkt
die aanleiding kunnen geven tot allergieën of
astma. Zie voor meer informatie over CZIP de
brochure die u bij aankoop hebt ontvangen.
Het volgende is inbegrepen:
• Een geavanceerde ventilatorfunctie die
inhoudt dat de ventilator aanslaat wanneer
de auto via de transpondersleutel wordt
ontgrendeld. De ventilator vult het interieur
op die manier met verse lucht. De functie
start als dat nodig is en stopt na bij het
openen van een van de portieren. Bij inactiviteit wordt de functie na enige tijd automatisch beëindigd. De tijd dat de ventilatorfunctie werkt zal langzaam maar zeker
korter worden, totdat de auto 4 jaar oud is.
•
Het Interior Air Quality System (IAQS) is
een volautomatisch systeem dat de lucht
in de passagiersruimte ontdoet van verontreinigingen in de vorm van stofdeeltjes,
koolwaterstoffen, stikstofoxiden en laaghangend ozon.
N.B.
Om de CZIP-standaard in auto’s met CZIP
te behouden, dient het IAQS-luchtfilter om
de 15.000 km of tenminste eenmaal per jaar
te worden vervangen (afhankelijk van wat
het eerst wordt bereikt). Echter, maximaal
75.000 km per 5 jaar. In auto's zonder CZIP
en als de klant niet de CZIP-standaard wil
behouden, moet het IAQS-filter bij een normale servicebeurt worden vervangen.
Gebruik van beproefde materialen in het
interieur.
De gebruikte materialen zijn erop geselecteerd
de hoeveelheid stof in de passagiersruimte te
beperken, zodat de passagiersruimte gemakkelijker schoon te houden is. De vloerbekleding
in zowel de passagiersruimte als de bagageruimte zijn eenvoudig te verwijderen en schoon
te maken. Gebruik daarvoor schoonmaakmiddelen en autoverzorgingsproducten die door
Volvo worden geadviseerd, zie pagina 375.
• Ventilatorfunctie in automatische stand*,
zie pagina 226.
• De door de timer geregelde recirculatie van
de lucht in de passagiersruimte, zie
pagina 228.
• Automatische verwarming van de achterruit, zie pagina 106.
• Interior Air Quality System (IAQS)*, zie
pagina 229
De basisinstellingen voor de klimaatregelingsfuncties zijn te herstellen via het menusysteem
MY CAR en wel onder: Instellingen
Klimaatinstellingen Klimaatinstellingen
resetten.
05
Luchtverdeling
Menu-instellingen
Het is mogelijk de basisinstellingen voor vier
van de klimaatregelingsfuncties te activeren/
deactiveren of wijzigen via de middenconsole.
Voor algemene informatie over de menufuncties, zie pagina 212:
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
221
05 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
De binnenkomende lucht wordt verdeeld over
uiteenlopende blaasmonden verspreid over
het interieur.
In de stand AUTO* vindt de luchtverdeling
geheel automatisch plaats.
De luchtverdeling valt zo nodig handmatig bij
te regelen, zie pagina 230.
Blaasmonden in dashboard
05
Open
Dicht
Luchtstroom naar links of rechts
Luchtstroom omhoog of omlaag
Richt de blaasmonden op de zijruiten om deze
te ontwasemen.
222
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
N.B.
Denk eraan dat kleine kinderen gevoelig
kunnen zijn voor luchtstromen en tocht.
05 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
Elektronische klimaatregeling, ECC*
05
Ventilator
AUTO
Elektrisch verwarmde voorstoel, links
Temperatuurregeling linker-/rechterkant
instellen
Elektrisch verwarmde voorstoel, rechts
Temperatuurregeling
Elektrisch verwarmde voorruit* en max.
ontwaseming
Recirculatie
Luchtverdeling - ventilatie vloer
AC – Airconditioning aan/uit
Luchtverdeling - blaasmond dashboard
Luchtverdeling - ontwaseming voorruit
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming, zie pagina 106
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
223
05 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
Elektronische temperatuurregeling, ETC
05
Ventilator
Recirculatie
Elektrisch verwarmde voorstoel, links
Elektrisch verwarmde voorstoel, rechts
AC – Airconditioning aan/uit
Temperatuurregeling
Elektrisch verwarmde voorruit* en max.
ontwaseming
Luchtverdeling - ventilatie vloer
Luchtverdeling - blaasmond dashboard
Luchtverdeling - ontwaseming voorruit
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming, zie pagina 106
224
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
05 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
Gebruik bedieningselementen
Elektrisch verwarmde stoelen/
achterbank*
Voorstoelen
Drie keer op de knop drukken levert het laagste
verwarmingsniveau op - op het beeldscherm
brandt één oranje veld.
Eenmaal op de knop drukken levert het maximale verwarmingsniveau op – alle drie de
lampjes branden.
De vierde keer dat u op de knop drukt wordt de
verwarming uitgeschakeld - geen van de
velden brandt.
Tweemaal op de knop drukken levert een lager
verwarmingsniveau op – twee van de lampjes
branden.
WAARSCHUWING
Een elektrisch verwarmde stoel mag niet
worden gebruikt door personen die niet
goed kunnen voelen dat de temperatuur
toeneemt of die om een andere reden moeilijkheden hebben om de elektrisch verwarmde stoel te bedienen. Er kunnen dan
namelijk brandwonden ontstaan.
Het beeldscherm van de middenconsole geeft het
actuele verwarmingsniveau aan.
Een keer op de knop drukken
levert het hoogste verwarmingsniveau op - op het
beeldscherm van de middenconsole branden drie oranje
velden (zie bovenstaande
afbeelding).
Twee keer op de knop drukken levert een lager
verwarmingsniveau op - op het beeldscherm
branden twee oranje velden.
Achterbank
Driemaal op de knop drukken levert het laagste
verwarmingsniveau op – een van de lampjes
brandt.
De vierde maal dat u op de knop drukt wordt
de verwarming uitgeschakeld – geen van de
lampjes brandt.
Ventilator
05
N.B.
Als de ventilator volledig uitgeschakeld is,
start de airconditioning niet – wat kans op
beslagen ruiten kan geven.
Ventilatorknop voor ECC*
Draai aan de knop om de ventilatorsnelheid te verhogen of
te verlagen, AUTO schakelt
uit. Als AUTO wordt gekozen,
wordt de ventilatorsnelheid
automatisch geregeld. De
eerder ingestelde ventilatorsnelheid wordt gedeactiveerd.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
225
05 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
Ventilatorknop voor ETC
Draai aan de knop om de ventilatorsnelheid te verhogen of
te verlagen.
gedeelte van de gestiliseerde menselijke
gedaante (zie onderstaande afbeelding) branden samen met een pijl vóór dit gedeelte om
aan te geven welke luchtverdelingsstand er
gekozen is. Voor meer informatie over de luchtverdeling, zie pagina 230.
Als u een of meer handmatige functies selecteert, worden de overige functies nog steeds
automatisch geregeld. Alle handmatige instellingen worden uitgeschakeld, wanneer u op de
knop AUTO drukt. Op het beeldscherm verschijnt AUTO-KLIMAAT.
U kunt de ventilatorsnelheid in de automatische stand instellen in het menusysteem MY
CAR onder Instellingen
Klimaatinstellingen Autom.
ventilatorinstellingen. Kies uit Laag,
Normaal of Hoog :
Luchtverdeling
• Laag - Automatische ventilatorregeling.
Geringe luchtstroom geniet de prioriteit.
05
• Normaal - Automatische ventilatorregeling.
Het beeldscherm van de middenconsole geeft de
gekozen luchtverdelingsstand aan.
Luchtverdeling - ontwaseming voorruit
Luchtverdeling - blaasmond dashboard
Luchtverdeling - ventilatie vloer
De gestileerde menselijke gedaante op de
nevenstaande afbeelding bestaat uit drie
knoppen. Bij bediening van de knoppen gaat
op het beeldscherm het desbetreffende
1
226
Geldt alleen voor ECC.
• Hoog - Automatische ventilatorregeling.
Grotere luchtstroom geniet de prioriteit.
Voor een beschrijving van het menusysteem,
zie pagina 212.
AUTO1
De functie AUTO regelt automatisch de temperatuur, de
airconditioning, de ventilatorsnelheid, de recirculatie en de
luchtverdeling.
05 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
Temperatuurregeling
Temperatuurregeling ECC*
Met deze knop kunt u de temperatuur aan de bestuurdersen passagierszijde onafhankelijk van elkaar instellen.
Druk meerdere keren op L/R
in de knop om de instelling
voor links, rechts of beide
kanten te kiezen. Stel de temperatuur in met de
draaiknop – de gekozen temperatuur voor
beide kanten verschijnt in het display van de
middenconsole.
Wanneer het lampje in de knop AC gedoofd is,
is de airconditioning uitgeschakeld. De overige
functies worden nog steeds automatisch geregeld. Bij activering van de maximale ontwaseming wordt automatisch de airconditioning
ingeschakeld, zodat de lucht optimaal
gedroogd wordt.
Elektrisch verwarmde voorruit* en max.
ontwaseming
Temperatuurregeling ETC
Bij het starten van de motor wordt de laatst
verrichte instelling hervat.
Met deze draaiknop kunt u de
temperatuur in de passagiersruimte instellen.
05
N.B.
Het is niet mogelijk om het opwarmen/
afkoelen te versnellen door een hogere/
lagere temperatuur te kiezen dan die eigenlijk gewenst is.
AC – Airconditioning AAN/UIT
Wanneer het lampje in de
knop AC brandt, wordt de airconditioning geheel automatisch geregeld. De binnenkomende lucht wordt dan indien
nodig afgekoeld en van vocht
ontdaan.
Het display van de middenconsole geeft de gekozen instelling aan.
Elektrische verwarming*
Max. ontwaseming
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
227
05 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
U gebruikt de ontwaseming
om de voor- en zijruiten snel
te ontwasemen en te ontdooien. Het lampje in de ontwasemingsknop brandt, wanneer de functie is ingeschakeld.
Als de functie actief is, vindt bovendien het volgende plaats om de lucht in de passagiersruimte zoveel mogelijk van vocht te ontdoen:
• de airconditioning wordt automatisch
ingeschakeld
• de recirculatie en het Interior Air Quality
System worden automatisch uitgeschakeld.
Voor auto's zonder elektrisch verwarmde voorruit:
N.B.
• Eén druk op de knop zorgt ervoor dat de
lucht naar de ruiten stroomt – symbool (2)
brandt in het display.
De ventilator maakt meer geluid wanneer de
ventilator op maximale snelheid draait.
• Bij de tweede keer drukken schakelt de
functie uit – er brandt geen symbool.
05
Voor auto's met elektrisch verwarmde voorruit
werkt de functie als volgt:
Bij het uitschakelen van de ontwaseming hervat de klimaatregeling de voorgaande instellingen.
• Eén druk op de knop start de elektrische
verwarming van de voorruit2 – symbool (1)
brandt in het display.
• Bij twee drukken op de knop start de elektrische verwarming van de voorruit2 en
stroomt er lucht naar de ruiten – de symbolen (1) en (2) branden in het display.
• De derde maal dat u op de knop drukt,
wordt de functie gedeactiveerd – er brandt
geen symbool.
2
228
Het kompas is uit als de elektrisch verwarmde voorruit is geactiveerd.
Recirculatie
Recirculatie
Wanneer de recirculatie actief
is, brandt het oranje lampje in
de knop. U kunt deze functie
inschakelen als u vieze lucht,
uitlaatgassen en dergelijke
buiten wilt houden. De lucht in
de passagiersruimte wordt
dan gerecirculeerd. Er komt met andere woorden geen lucht van buiten de auto in, wanneer
deze functie actief is.
BELANGRIJK
Als de lucht in de auto te lang recirculeert,
kan de binnenzijde van de ruiten beslaan.
Timer
Bij een geactiveerde timerfunctie zal de klimaatregeling afhankelijk van de buitentemperatuur na een bepaalde tijd de handmatig geactiveerde recirculatiestand verlaten. Dit beperkt
de kans op ijs, beslagen ruiten en een slechte
luchtkwaliteit. U kunt de functie activeren/
deactiveren in het menusysteem MY CAR
onder Instellingen Klimaatinstellingen
Timer voor hercirculatie. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie pagina 212.
05 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
N.B.
Wanneer u voor maximale ontwaseming
kiest, wordt de recirculatie altijd uitgeschakeld.
Interior Air Quality System (IAQS)*
Het Interior Air Quality System ontdoet de binnenkomende lucht van gassen en stofdeeltjes
om zo hinderlijke geurtjes en verontreinigingen
in de passagiersruimte te beperken. Als de Air
Quality Sensor een verhoogde concentratie
van verontreinigingen in de buitenlucht meet,
wordt de luchtinlaat afgesloten waarna de
lucht in de passagiersruimte wordt gerecirculeerd.
U kunt de functie activeren/deactiveren in het
menusysteem MY CAR onder Instellingen
Klimaatinstellingen
Luchtkwaliteitssysteem. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie pagina 212.
Auto’s met Eco Start/Stop DRIVe*
Bij automatische afzetting van de motor gelden
er mogelijk beperkingen voor de werking van
bepaalde apparatuur (zoals de airconditioning
van de klimaatregeling en de ventilatorsnelheid). Zie voor meer informatie zie pagina 128.
N.B.
Voor de beste lucht in het interieur moet de
luchtkwaliteitssensor altijd zijn ingeschakeld.
In een koud klimaat is de automatische
recirculatie beperkt om het beslaan van de
ruiten te voorkomen.
05
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
229
05 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
Luchtverdelingstabel
05
230
Luchtverdeling
Toepassing
Luchtverdeling
Toepassing
Er stroomt een grote hoeveelheid warme lucht naar
de ruiten.
om snel te ontdooien en
te ontwasemen.
Lucht naar de vloer en de
ruiten. Er komt een
bepaalde hoeveelheid
lucht uit de blaasmonden
in het dashboard.
om een comfortabel klimaat en een goede ontwaseming te verkrijgen
bij koud weer.
Lucht naar de voorruit, via
de blaasmond voor ontwaseming, en de zijruiten.
Er komt een bepaalde
hoeveelheid lucht uit de
blaasmonden.
om wasem en ijsvorming bij koud en vochtig weer te voorkomen
(niet te lage ventilatorsnelheid).
Lucht naar de vloer en uit
de blaasmonden in het
dashboard.
bij zonnig weer en
matige buitentemperaturen.
Luchtstroom naar de ruiten en uit de blaasmonden van het dashboard.
om een comfortabel klimaat te verkrijgen bij
warm en droog weer.
Lucht naar de vloer. Er
komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de
blaasmonden in het dashboard en op de ruiten.
om warme of koude
lucht naar de vloer te
sturen.
Luchtstroom op hoofden borsthoogte uit de
blaasmonden in het dashboard.
om een efficiënte koeling te verkrijgen bij
warm weer.
Luchtstroom naar de ruiten, uit de blaasmonden
in het dashboard en naar
de vloer.
om koele lucht naar de
vloer te sturen of warme
lucht naar de rest van
het lichaam bij koud
weer of bij warm en
droog weer.
05 Comfort en rijplezier
Motor- en interieurverwarming op brandstof*
Verwarming op brandstof
Algemene informatie over de
standverwarming
U kunt de standverwarming die de motor en
het interieur verwarmt meteen inschakelen of
vertraagd met een timerfunctie.
N.B.
Als de standverwarming actief is, kan er
rook onder de auto vandaan komen. Dat is
volledig normaal.
Tanken
WAARSCHUWING
Accu en brandstof
BELANGRIJK
Waarschuwingssticker op tankvulklep.
WAARSCHUWING
De auto moet buiten staan als de standverwarming wordt gebruikt.
Wanneer u de auto op een steile helling parkeert, moet u ervoor zorgen dat de voorkant
van de auto omlaagwijst. Zo krijgt de standverwarming altijd voldoende brandstof.
Als de accu onvoldoende opgeladen is of als
het brandstofpeil te laag is, wordt de standverwarming automatisch uitgeschakeld en er verschijnt een melding op het display. Bevestig
deze melding door op de knop OK op de richtingaanwijzerhendel te drukken, zie
pagina 232.
U kunt twee verschillende uitschakeltijden
instellen met de timerfunctie. Onder de uitschakeltijd wordt het tijdstip verstaan waarop
de auto de gewenste temperatuur bereikt
heeft. De elektronica van de auto rekent aan de
hand van de buitentemperatuur zelf uit wanneer de verwarming moet worden ingeschakeld.
Bij een buitentemperatuur hoger dan 15 °C
wordt de verwarming niet geactiveerd. Bij temperaturen van –5 °C of lager is de maximale
bedrijfstijd van de standverwarming 50 minuten.
Op een helling parkeren
Gemorste brandstof kan vlam vatten. Schakel de verwarming op brandstof uit voordat
u gaat tanken.
05
Als de standverwarming herhaaldelijk en in
combinatie met korte ritten wordt gebruikt,
ontlaadt de accu met startproblemen als
gevolg.
Om te garanderen dat de accu met net zo
veel energie wordt opgeladen als de verwarming verbruikt, moet u bij regelmatig
gebruik van de verwarming net zo lang met
de auto rijden als dat de verwarming wordt
gebruikt.
Controleer op het informatiedisplay of de
standverwarming is uitgeschakeld. Als deze
werkt, toont het informatiedisplay Autom.
verw. AAN1.
1
Analoog instrumentenpaneel.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
231
05 Comfort en rijplezier
Motor- en interieurverwarming op brandstof*
Symbolen en displaymeldingen2
Wanneer u de instellingen van een
van de timers of Directe start activeert, gaat het informatiesymbool op het
instrumentenpaneel branden en op het informatiedisplay verschijnen een verklarende melding plus een ander brandend symbool. In de
onderstaande tabel staan de voorkomende
symbolen en displaymeldingen.
Symbool
G025102
Bediening
Display
Betekenis
Autom.
verw.
AAN
De verwarming is
ingeschakeld en
werkt.
Verwarmingstimer
geactiveerd bij uitnemen transpondersleutel en verlaten van de auto –
motor en passagiersruimte warm
op ingesteld tijdstip.
05
Knop OK
Duimwiel
RESET
Voor meer informatie over het informatiedisplay en OK, zie de pagina's 71 en 208.
2
232
Analoog instrumentenpaneel.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
- Het cijfer 2 in het symbool geeft
aan dat het om de andere klimaatregeling in
de auto gaat, waarbij de standaardklimaatregeling als nummer één geldt. Het cijfer 2
heeft niets te maken met de timers.
G025102
Informatiedisplay (analoog instrumentenpaneel)
en bedieningsknoppen voor menufuncties.
G025102
N.B.
Brandstofkachel
gestopt
Zuinige
stand
De verwarming
werd uitgeschakeld om te zorgen
dat er voldoende
stroom is om de
motor te starten.
05 Comfort en rijplezier
Motor- en interieurverwarming op brandstof*
G025102
G025102
Symbool
Display
Betekenis
Brandstofkachel
gestopt
Brandstofpeil
laag
De verwarming
kan niet worden
geactiveerd door
een te laag brandstofpeil – dit om
het mogelijk te
maken de motor te
starten en nog
ca. 50 km te rijden.
Brandstofkachel Service vereist
Verwarming
defect. Neem voor
reparatie contact
op met een werkplaats. Volvo adviseert u contact op
te nemen met een
erkende Volvowerkplaats.
Een displaymelding verdwijnt automatisch na
enige tijd. U kunt een melding ook eerder doen
verdwijnen met een druk op de knop OK van
de richtingaanwijzerhendel.
3
4
Meteen inschakelen/uitschakelen
Timer voor verwarming
Bij directe start van de standverwarming zal
deze 50 minuten lang geactiveerd blijven.
Met de timers geeft u het tijdstip aan dat de
auto op temperatuur moet zijn omdat u die
wenst te gebruiken.
De interieurverwarming gaat van start, zodra
de koelvloeistof in de motor de juiste temperatuur heeft bereikt.
N.B.
De auto kan worden gestart en rijden terwijl
de standverwarming aan is.
1. Gebruik het duimwiel om naar
Verwarming3 te gaan en maak een keuze
met OK.
2. Ga in het volgende menu verder naar
Directe start en maak een keuze met OK
om te activeren/deactiveren.
3. Verlaat het menu met RESET.
Timers instellen
1. Gebruik het duimwiel om naar
Verwarming3 te gaan en maak een keuze
met OK.
2. Kies één van de beide timers met behulp
van het duimwiel en bevestig met OK.
3. Druk kort op OK zodat de uuraanduiding
gaat branden.
4. Stel de gewenste uuraanduiding in met het
duimwiel.
05
5. Druk kort op OK zodat de minuutaanduiding gaat branden.
6. Stel de gewenste minuutaanduiding in met
het duimwiel.
7. Druk op OK4 om de instelling te bevestigen.
8. "Teruggaan" in de menustructuur met
RESET.
9. Kies de andere timer (ga door vanaf punt
2) of verlaat het menu met RESET.
Analoog instrumentenpaneel.
Als u nog een keer op OK drukt, activeert de timer.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
233
05 Comfort en rijplezier
Motor- en interieurverwarming op brandstof*
Timer starten
1. Gebruik het duimwiel om naar
Verwarming3 te gaan en maak een keuze
met OK.
2. Kies één van de beide timers met behulp
van het duimwiel en bevestig met OK.
Klok/timer
Timer uitschakelen
De timers van de verwarming zijn gekoppeld
aan de klok in de auto.
1. Druk op OK.
2. Gebruik het duimwiel om naar
Verwarming3 te gaan en maak een keuze
met OK.
> Als een timer is ingesteld maar niet is
geactiveerd, staat er een klokpictogram
naast de ingestelde tijd.
3. Kies één van de beide timers met behulp
van het duimwiel en bevestig met OK.
4. Schakel de timer uit door op de volgende
knop te drukken:
• lang op OK of
• kort op OK om verder in het menu te
komen. Kies er vervolgens voor om de
3
234
Een timergestuurde verwarming is ook uit te
schakelen volgens de instructies in het
gedeelte "Meteen inschakelen/uitschakelen"
op pagina 233.
3. Activeer de gemarkeerde timer met OK.
U kunt de timergestuurde verwarming uitschakelen voordat de timer dat doet. Doe dat als
volgt:
05
timer te stoppen en bevestig de keuze
met OK.
Analoog instrumentenpaneel.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
N.B.
Als de klok van de auto wordt verzet, wordt
een eventuele programmering van de timer
gewist.
05 Comfort en rijplezier
Extra verwarming*
Algemene informatie over de extra
verwarming
Voor auto's met dieselmotor die in landen worden verkocht met een koud klimaat1 is wellicht
een extra verwarming vereist om de motor op
bedrijfstemperatuur te brengen en een
behaaglijke temperatuur in de passagiersruimte te realiseren.
De auto is in dat geval voorzien van een:
• elektrisch aangedreven extra verwarming
of een
• brandstofaangedreven extra verwarming2.
Extra verwarming op elektriciteit
De verwarming is niet handmatig te regelen,
maar wordt nadat de motor is aangeslagen
automatisch geactiveerd bij buitentemperaturen lager dan 9 °C en wordt gedeactiveerd
wanneer de ingestelde interieurtemperatuur is
bereikt.
Extra verwarming op brandstof
De extra verwarming wordt automatisch ingeschakeld wanneer er extra warmte nodig is terwijl de motor loopt.
De verwarming wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer het warm genoeg is of wanneer
de motor wordt afgezet.
N.B.
Als de extra verwarming actief is, kan er
rook onder de auto vandaan komen. Dat is
volledig normaal.
Informatiedisplay (analoog instrumentenpaneel)
en bedieningsknoppen voor menufuncties.
Automatische stand of uitschakelen
Knop OK
De automatische startprocedure van de motor
kan desgewenst worden geannuleerd.
Duimwiel
05
Knop RESET
1. Alvorens de motor te starten: Kies de sleutelstand I, zie pagina 82.
2. Gebruik het duimwiel om naar Extra
verwarming auto te gaan.
3. Druk op RESET om te kiezen uit AAN en
UIT.
1
2
Een erkende Volvo-dealer kan u informeren over de desbetreffende geografische gebieden.
Zie voor auto's met standverwarming zie pagina 231.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
235
05 Comfort en rijplezier
Extra verwarming*
N.B.
De menu-opties zijn alleen zichtbaar in contactslotstand I – verricht eventuele aanpassingen daarom voordat u de motor start.
05
236
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
05 Comfort en rijplezier
Boordcomputer
Algemeen
De boordcomputer heeft twee varianten voor
de inhoud en het uiterlijk: "Analog" of "Digital".
N.B.
Als er een waarschuwingsmelding verschijnt tijdens het gebruik van de boordcomputer, dient u deze melding eerst te
bevestigen voordat u de boordcomputer
weer kunt activeren. Bevestig de waarschuwingsmelding met een korte druk op de
OK-knop van de richtingaanwijzerhendel.
De menu’s van de boordcomputer volgens elkaar op in een eindeloze lus. Een van de
"Analog"-opties is een leeg display – het geeft
tevens het begin/eind van de lus aan. In het
"Digital"-instrument komt dat overeen met dat
de beide displays van de boordcomputer verdwijnen.
Menu-optie
Informatie
Dashboard "Analog"
Digit. snlhd.
Kies "km/h" of
"mph".
Verwarming*
1. Selecteer het
vakje voor Uur of
Minuut met het
Duimwiel en
activeer het
vakje met OK.
- Directe start
- Timer 1 - u springt
naar het menu voor
de keuze van het
tijdstip.
Informatiedisplay "Analog" met bedieningsknoppen.
OK - Opent de menu's van de boordcomputer en activeert de actuele optie.
Duimwiel - Door de opties van de boordcomputer bladeren.
- Timer 2 - u springt
naar het menu voor
de keuze van het
tijdstip.
2. Selecteer het
cijfer met het
Duimwiel en
programmeer
het met OK.
3. Selecteer het
volgende vakje
of ga terug met
RESET.
Menu-optie
Informatie
Extra verw.*
Voor meer informatie (zie pagina 235).
– Aut Aan
– Uit
TC-opties
- Afst. tot leeg, km
actieradius
– Brandstofvrbr
– Gem. snelh.
- Dagteller T1 en tot
afst
Selecteer de optie
die op het display
moet worden
getoond:
• Blader door de
opties met het
Duimwiel en
selecteer met
OK.
05
- Dagteller T2 en tot
afst
– Best.onderst.
- Geen tekst - Start/
stop lus
Servicestatus
Toont het aantal
maanden en de
actieradius tot de
volgende service.
Voor meer informatie (zie pagina 231).
RESET - Annuleren of een stap teruggaan.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
237
05 Comfort en rijplezier
Boordcomputer
Menu-optie
Informatie
Motoroliepeil Een
ogenblik...A
Voor meer informatie (zie pagina 347).
Meldingen
A
Voor meer informatie (zie pagina 208).
Bepaalde motoren.
Dashboard "Digital"
In de displayversie "Digital" kunnen twee
boordcomputerfuncties tegelijkertijd worden
weergegeven - een functie op het linker en een
functie op het rechter display.
• "Gemiddeld" en "Gem. snelh."
• "Momentaan" en "Afstand tot lege tank:"
• "Momentaan" en "Digitale snelheidsweer• Geen tekst - Start/stop lus
Menu-optie
Informatie
Boordcomp reset
Selecteer de gewenste optie met het
Duimwiel en activeer met OK.
- l/100 km
- km/h
- Beide resetten
Meldingen
Informatiedisplay "Digital" met bedieningsknoppen.
OK - Opent de menu's van de boordcomputer en activeert de actuele optie.
Duimwiel - Door de opties van de boordcomputer bladeren.
RESET - Annuleren of een stap teruggaan.
238
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Informatie
Instellingen*
Selecteer Aut Aan
of Uit.
– Extra verw.
Met het Duimwiel kunt u naar de volgende
combinaties bladeren:
gave"
05
Menu-optie
Thema's
Voor meer informatie (zie pagina 208).
Hier kiest u het uiterlijk van het dashboard, zie
pagina 72.
Voor meer informatie (zie pagina 235).
Contraststand/
Kleurstand
Het uiterlijk van het
dashboard aanpassen.
Verwarming*
1. Selecteer het
vakje voor Uur of
Minuut met het
Duimwiel en
activeer het
vakje met OK.
– Directe start
- Timer 1 - u springt
naar het menu voor
de keuze van het
tijdstip.
- Timer 2 - u springt
naar het menu voor
de keuze van het
tijdstip.
2. Selecteer het
cijfer met het
Duimwiel en
programmeer
het met OK.
3. Selecteer het
volgende vakje
of ga terug met
RESET.
Voor meer informatie (zie pagina 231).
05 Comfort en rijplezier
Boordcomputer
Menu-optie
Servicestatus
Motoroliepeil Een
ogenblik...A
A
Informatie
Toont het aantal
maanden en de
actieradius tot de
volgende service.
Voor meer informatie (zie pagina 347).
Bepaalde motoren.
Functies
Hier volgt een beschrijving voor enkele functies
van de boordcomputer:
Gemiddeld
Het gemiddelde brandstofverbruik sinds de
laatste maal dat de waarde op nul gesteld
werd.
N.B.
Er kunnen onjuiste waarden verschijnen als
er een verwarming op brandstof* is gebruikt.
Gemiddelde snelheid
De gemiddelde snelheid sinds de laatste maal
dat de waarde op nul gesteld werd.
1
Momentaan
Het momentane (actuele) brandstofverbruik
wordt eenmaal per seconde berekend. De
waarde op het display wordt om de paar
seconden bijgewerkt. Wanneer de auto stilstaat, geeft het display ‘----’ aan.
Een auto met de Start/Stop-functie toont "0,0
L/100km" als de motor in de auto-stop-stand
staat.
Km actieradius
De actieradius wordt berekend aan de hand
van het gemiddelde brandstofverbruik over de
laatste 30 km en de resterende hoeveelheid
brandstof. Het display geeft de afstand aan die
bij benadering kan worden afgelegd met de
resterende hoeveelheid brandstof in de tank.
Een zuinige rijstijl betekent doorgaans een grotere actieradius. Voor meer informatie over het
beperken van het brandstofverbruik, zie
pagina 10.
Wanneer ‘---- km actieradius’ op het display
staat, zijn geen garanties meer te geven voor
de resterende actieradius. Tank dan zo spoedig mogelijk.
N.B.
Er kunnen onjuiste waarden verschijnen, als
u van rijstijl bent veranderd.
Digitale snelheidsweergave1
De snelheid wordt in de tegenovergestelde
eenheid (kmh/mph) ten opzichte van het
hoofdinstrument weergegeven. Als de snelheidsmeter op mph staat, kunt u naar km/h
wisselen.
Resetten met "Analog"
1. Selecteer --- km/h gem. snelheid of --.l/100km gemiddeld.
2. Met een korte druk (ongeveer 1 seconde)
op RESET reset u de gekozen functie.
05
Resetten met "Digital"
Ga naar "Resetten" in het menusysteem en
selecteer de optie.
U komt ook bij "Resetten" met een lange druk
(4 seconden) op RESET. Ook de weergegeven
dagteller (T1 of T2) wordt gereset.
Eenheid wijzigen
Om de eenheid te wijzigen (metrisch/Brits)
waarin de afstand en snelheid worden weergegeven – ga naar MY CAR Instellingen
Alleen voor dashboard "Digital".
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
239
05 Comfort en rijplezier
Boordcomputer
Systeemopties Afstands-/
verbruikseenheid, zie pagina 211.
N.B.
Een wijziging van deze eenheden is niet
alleen van toepassing op de boordcomputer maar ook op het RTI-navigatiesysteem
van Volvo.
Ritstatistiek*
05
De auto slaat informatie over de gemaakte ritten op, zoals het gemiddelde brandstofverbruik en de gemiddelde snelheid. Dit is met
staafdiagrammen op het beeldscherm te zien.
Functie
Elke staaf symboliseert 1 km of 10 km, afhankelijk van de gekozen schaal. Het diagram
toont 10 staven: De staven 1-9 tonen de laatst
gereden 9 of 90 km - de staaf helemaal rechts
toont de waarde voor de lopende kilometer of
10 km.
Met de TUNE-knop kunt u de schaal voor elke
staaf wisselen tussen 1 km en 10 km - met de
cursor helemaal rechts wisselt u tussen de
stand omhoog en omlaag, afhankelijk van de
gekozen schaal.
Bediening
In het menusysteem MY CAR kan een instelling worden verricht:
MY CAR
My V40
Verbruiksinfo:
• Nieuwe rit starten - met ENTER wordt
alle eerdere statistiek gewist, u verlaat het
menu met EXIT.
• Elke rijcyclus resetten - kruis het vakje
met ENTER aan en verlaat het menu met
EXIT.
Met de optie "Elke rijcyclus resetten" aangevinkt wordt alle statistiek na een rit en 4 uur
stilstand automatisch gewist. Bij de volgende
motorstart begint de Ritstatistiek weer bij nul.
Ritstatistiek.
240
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Als er een nieuwe rijcyclus moet plaatsvinden
voordat er 4 uur is verstreken, dan moet eerst
de actuele periode handmatig worden gewist
met de optie "Nieuwe rit starten".
Zie ook de informatie over Eco Guide op
pagina 126.
05 Comfort en rijplezier
Rijeigenschappen aanpassen
Snelheidsafhankelijke
stuurbekrachtiging*
Naarmate de rijsnelheid hoger wordt neemt de
stuurbekrachtiging af, waardoor u een beter
gevoel met de weg krijgt. Op snelwegen stuurt
de auto zwaarder en directer. Bij het parkeren
en op lage snelheden is de auto lichter en met
minder moeite te besturen.
U hebt de keuze uit drie niveaus van stuurbekrachtiging voor een maximum aan weggevoel
en stuurgevoeligheid. Open het menusysteem
MY CAR en ga naar Instellingen Autoinstellingen Stuurkracht en kies uit Laag,
Midden of Hoog.
05
Voor een beschrijving van het menusysteem,
zie pagina 211. Dit menu is niet te openen wanneer de auto rijdt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
241
05 Comfort en rijplezier
Interieurcomfort
Opbergmogelijkheden
05
242
05 Comfort en rijplezier
Interieurcomfort
Opbergvak1 in portierpaneel
Opbergvak, bestuurderskant
Parkeerkaarthouder
Opbergvak
Dashboardkastje
Opbergzak*2 aan de voorkant van de voorstoelzittingen
Opbergvak, bestuurderskant
WAARSCHUWING
Bewaar geen scherpe voorwerpen of voorwerpen die uitsteken in het vak.
Kledinghaak
De kledinghaak is alleen bestemd voor niet al
te zware kledingsstukken.
Opbergvakken, bekerhouder
Kledinghaak
Middenconsole
Bekerhouder* in achterbank
Opbergvak2
Opbergvak, achterbank
asbak en aansteker hebt gekozen, zit er
een aansteker op de plaats van de 12Vaansluiting voorin, zie pagina 244, en een
uitneembare asbak in de bekerhouder.)
Armleuning
In de gesloten stand is de armleuning in de
lengte verstelbaar*.
Aansteker en asbak*
De asbak in de middenconsole is te verwijderen door deze recht omhoog te tillen.
U activeert de aansteker door de knop in te
drukken. Wanneer de aansteker heet genoeg
is, veert de knop automatisch uit. Haal de aansteker uit de opening en gebruik het roodgloeiende deel om bijvoorbeeld een sigaret mee aan
te steken.
05
WAARSCHUWING
Bewaar losse voorwerpen, zoals mobiele
telefoon, camera, afstandsbediening voor
extra uitrusting e.d., in het dashboardkastje
of andere opbergruimten. Bij krachtig
afremmen of een botsing kunnen deze
anders inzittenden verwonden.
Opbergvak (voor bijvoorbeeld cd’s) en
USB*/AUX-ingang onder de armsteun.
Bevat een bekerhouder voor de bestuurder
en een voorpassagier. (Als u voor een
1
2
Met ruitenkrabberhouder aan bestuurderskant.
Geldt niet voor stoffen bekleding.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
243
05 Comfort en rijplezier
Interieurcomfort
Dashboardkastje
De koeling werkt als de klimaatregeling actief
is, d.w.z. in sleutelstand II of als de motor
draait.
Het lampje gaat automatisch aan, wanneer u
het klepje optilt.
12V-aansluiting
Inlegmatten*
Volvo biedt inlegmatten die speciaal vervaardigd zijn.
WAARSCHUWING
Controleer voordat u wegrijdt of de inlegmat
voor de bestuurdersstoel goed ligt en aan
de pennen vastzit zodat hij niet naast of
onder de pedalen klem kan komen te zitten.
05
Hier kunt u bijvoorbeeld het instructieboekje en
eventuele kaarten opbergen. Aan de binnenkant van de klep zit een houder voor pennen.
Het dashboardkastje kan worden vergrendeld* met het sleutelblad, zie de pagina's 49 en
59.
Make-upspiegel
12V-aansluiting in middenconsole, voorin.
U kunt de elektrische aansluitingen voor verschillende accessoires gebruiken die op een
spanning van 12V werken, zoals beeldschermen, mediaspelers of mobiele telefoons. De
transpondersleutel moet ten minste in sleutelstand I staan, anders geven de aansluitingen
geen stroom, zie pagina 81.
Koelen3
Het dashboardkastje kan ook worden gebruikt
als gekoelde ruimte.
Schakel het koelen in door de regeling richting de passagiersruimte naar de eindstand te bewegen.
Schakelt het koelen uit door de regeling
vooruit naar de eindstand te bewegen.
3
244
Geldt alleen voor auto's met ECC.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Make-upspiegel met verlichting.
05 Comfort en rijplezier
Interieurcomfort
WAARSCHUWING
Laat de plug altijd in de aansluiting zitten,
als u deze niet gebruikt.
N.B.
Extra uitrusting en accessoires – zoals
beeldschermen, mediaspelers en mobiele
telefoons – die zijn aangesloten op een van
de 12V-aansluitingen in de passagiersruimte worden mogelijk geactiveerd door de
klimaatregeling, ook al is de transpondersleutel uitgenomen of de auto vergrendeld,
als bijvoorbeeld de standverwarming ingesteld is om op een bepaalde tijd in te schakelen.
N.B.
De compressor voor provisorische bandenreparatie is door Volvo getest en goedgekeurd. Voor informatie over het gebruik van
de aanbevolen provisorische bandenreparatie (TMK) van Volvo, zie pagina 336.
Elektrische aansluiting in bagageruimte*
Voor meer informatie, zie pagina 309.
05
Trek daarom wanneer u de extra uitrusting
of accessoires niet gebruikt de stekkers uit
de elektrische aansluitingen, omdat de startaccu anders uitgeput kan raken!
BELANGRIJK
Max. 10 A (120 W) in beide aansluitingen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
245
Algemene informatie over infotainment................................................
Radio.....................................................................................................
Mediaspeler..........................................................................................
Externe geluidsbron via AUX/USB*-ingang..........................................
248
258
266
271
Media BluetoothŸ* ................................................................................ 274
BluetoothŸ-handsfree*..........................................................................
Spraakherkenning* mobiele telefoon....................................................
TV - instelling*.......................................................................................
Afstandsbediening* ..............................................................................
246
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
277
286
290
294
INFOTAINMENT
06 Infotainment
Algemene informatie over infotainment
Algemeen
Het infotainmentsysteem bestaat uit radio,
mediaspeler, tv* en de mogelijkheid voor communicatie met de mobiele telefoon*. De informatie verschijnt op een kleurenscherm van 5 of
7 inch* boven aan de middenconsole. De functie kan worden bediend via de knoppen in het
stuurwiel, in de middenconsole onder het kleurendisplay of via een afstandsbediening*. De
mobiele telefoon kan in sommige gevallen ook
met de stem worden bediend.
06
Bij het starten van de motor wordt het infotainmentsysteem tijdelijk uitgeschakeld en weer
1
Geldt alleen voor Premium Sound Multimedia.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Audyssey MultEQ1
N.B.
Haal de transpondersleutel uit het contactslot als u het infotainmentsysteem gebruikt
terwijl de motor afgezet is. Dit om te voorkomen dat de accu onnodig ontladen raakt.
Dolby, Pro Logic1
Bij de ontwikkeling en instelling van het geluid
werd gebruik gemaakt van het Audyssey MultEQ-systeem om een eersteklas geluidsweergave te garanderen.
Als het infotainmentsysteem actief is bij het
afzetten van de motor, wordt het de volgende
keer dat u de sleutel in sleutelstand I of hoger
draait, automatisch ingeschakeld en geeft het
dezelfde geluidsbron (bijv. radio) weer als bij
het afzetten van de motor (bij auto’s met vergrendeling op Keyless drive-systeem* dient het
bestuurdersportier dicht te staan).
Wanneer de transpondersleutel niet in het contactslot steekt, is het infotainment 15 minuten
achtereen te gebruiken door op de knop Aan/
Uit te drukken.
248
ingeschakeld wanneer de motor is aangeslagen.
Vervaardigd onder licentie van Dolby
Laboratories. Dolby, Pro Logic en de dubbele
D zijn geregistreerde handelsmerken van
Dolby Laboratories.
06 Infotainment
Algemene informatie over infotainment
Overzicht
Installatie bedienen
Bladeren/spoelen/zoeken - Kort indrukken door tracks op een cd of opgeslagen
radiozenders bladeren4. Lang indrukken om
een track op een cd vooruit/achteruit te spoelen of de eerstvolgende goed doorkomende
radiozender te zoeken.
SOUND - indrukken op de audio-instellingen (lage tonen, hoge tonen e.d.) te openen.
Voor meer informatie, zie pagina 253.
VOL - het geluidsniveau verhogen of verlagen.
AUX-2 en USB3-ingangen voor externe
geluidsbronnen (bijv. iPodŸ)
Toetsenset op stuurwiel (met*/zonder
duimwiel).
Beeldscherm. Het beeldscherm is verkrijgbaar in twee afmetingen: 5 en 7 inch. In het
boekje staat het beeldscherm van 7 inch
afgebeeld.
Bedieningspaneel in middenconsole
2
3
4
ON/OFF/MUTE - Bij kort indrukken
wordt de installatie ingeschakeld en bij lang
indrukken (totdat het scherm zwart wordt)
vindt uitschakeling plaats. Let erop dat het
complete Sensus-systeem (incl. navigatie-* en
telefoonfuncties*) altijd gelijktijdig wordt in-/
uitgeschakeld. Kort indrukken om het geluid uit
te schakelen (MUTE-functie) of opnieuw in te
schakelen, als het geluid uitstond.
06
Hoofdbron - indrukken om een hoofdbron
RADIO, MEDIA) te kiezen. De laatst geactiveerde bron (bijv. FM1) verschijnt. Als u zich in
RADIO of MEDIA bevindt en op de hoofdbronknop drukt, verschijnt er een bronweergave. Als u zich in TEL* of NAV* bevindt en op
Geldt alleen voor Performance
Geldt niet voor Performance
Geldt niet voor DAB.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
249
06 Infotainment
Algemene informatie over infotainment
de hoofdbronknop drukt, verschijnt er een
snelmenu met de meest gebruikelijke menuopties.
OK/MENU - u drukt op het duimwiel in het
stuurwiel of de knop in de middenconsole om
de keuze in menu's te accepteren. Als u zich in
de normale weergave bevindt en op OK/
MENU drukt, verschijnt er een menu voor de
gekozen bron (bijv. RADIO of MEDIA). Er verschijnt een pijl naar rechts op het scherm, als
er onderliggende menu’s zijn.
TUNE - draai aan het duimwiel in het stuurwiel of de draaiknop in de middenconsole om
door de tracks/mappen, radio- en tv*-zenders
of telefooncontacten* te bladeren of door de
keuzes op het beeldscherm te navigeren.
06
EXIT - kort indrukken om omhoog te gaan
in het menusysteem, een actieve functie te
annuleren, telefoongesprekken te beëindigen/
weigeren of ingevoerde tekens te wissen. Door
lang indrukken springt u naar de normale
weergave of als u zich in de normale weergave
bevindt naar het hoogste menuniveau (hoofdbronweergave) van waaruit u dezelfde hoofdbronknoppen bereikt als in de middenconsole
(4).
5
6
250
Auto's zonder navigatie.
Auto’s met navigatie*.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
INFO - als er meer informatie beschikbaar
is dan op het scherm kan worden weergegeven, druk dan op de knop INFO om de resterende informatie te zien.
Sneltoetsen – Cijfers en letters invoeren.
FAV - Sneltoets voor favoriete instellingen.
De toets is te programmeren voor activering
van veelgebruikte functies in AM, FM e.d. Voor
meer informatie, zie pagina 252.
MUTE5 - indrukken om het geluid van de
radio/mediabron uit te schakelen of opnieuw in
te schakelen, als het geluid uitstond.
Spraakherkenning6 - indrukken om
spraakherkenning te activeren (voor BluetoothŸ-aangesloten mobiele telefoon en navigatiesysteem*).
06 Infotainment
Algemene informatie over infotainment
Menufuncties
06
Het voorbeeld geeft aan hoe u de verschillende functies bereikt tijdens het afspelen van een schijf. (1) Hoofdbronknop, (2) Normaalweergave, (3) Snelkoppelings-/
Bronmenu, (4) Snelmenu, (5) Bronmenu
``
251
06 Infotainment
Algemene informatie over infotainment
Kies een hoofdbron door te drukken op een
hoofdbronknop (1) (RADIO, MEDIA, TEL).
Gebruik om door de menu's van de bron te
navigeren de bedieningsknoppen TUNE, OK/
MENU, EXIT of de hoofdbronknop (1).
Voor Menu-overzicht, zie pagina 254.
N.B.
Snelmenu - snelstand bij draaien aan
TUNE om bijv. van track, radiozender e.d. te
veranderen.
Bronmenu - voor menufuncties (te bereiken door te drukken op OK/MENU).
FAV - favoriet opslaan
Als de auto is uitgerust met een toetsenset
in het stuurwiel met duimwiel* kunt u deze
gebruiken in plaats van de bediening in de
middenconsole (TUNE, OK/MENU, EXIT),
zie pagina 249.
Normale weergave - normale stand voor
de bron.
Snelkoppelings-/Bronmenu - toont de
meest voorkomende menu-opties van de
hoofdbronnen, bijv. TEL en MEDIA (te bereiken door op de hoofdbronknop (1) van de
actieve bron te drukken).
252
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
DISC
USB*
iPod*
Bluetooth*
AUX
TV - instelling*
Om een functie onder de toets FAV op te slaan:
Het uiterlijk is afhankelijk van de bron, de uitrusting in de auto, instellingen e.d.
Hoofdbronknop - indrukken om van
hoofdbron te wisselen of het Snelkoppelings-/
Bronmenu in de actieve bron te tonen.
•
•
•
•
•
•
Het is tevens mogelijk een favoriet te kiezen en
op te slaan voor MY CAR, CAM* en NAV*.
Favorieten zijn eveneens te kiezen en op te
slaan onder MY CAR. Voor meer informatie
over het menusysteem MY CAR, zie
pagina 211.
Menu's en weergaven op het
beeldscherm
06
• DAB1*/DAB2*
In de MEDIA-stand:
1. Kies een hoofdbron (bijv. RADIO, MEDIA).
De toets FAV is te gebruiken om functies op te
slaan die u vaak gebruikt, waarna u de functies
eenvoudig kunt starten door te drukken op
FAV. Voor elke van de onderstaande functies
is een favoriet (bijvoorbeeld Equalizer) op te
slaan:
In de RADIO-stand:
• AM
• FM1/FM2
2. Kies een frequentieband of bron (AM,
Disk, etc.).
3. Houd de toets FAV ingedrukt totdat het
“favorietenmenu” verschijnt.
4. Draai aan TUNE om een alternatief op de
lijst te kiezen en druk op OK/MENU om het
op te slaan.
> Wanneer de hoofdbron (bijvoorbeeld
RADIO, MEDIA) actief is, is met een
korte druk op FAV de opgeslagen functie te activeren.
06 Infotainment
Algemene informatie over infotainment
Algemene audio-instellingen
Druk op SOUND om het menu met audioinstellingen (Bass, Treble, etc.) te openen. Ga
verder met SOUND of OK/MENU naar het
alternatief van uw keuze (bijv. Treble).
Pas de instelling aan door te draaien aan
TUNE en sla de instelling op met OK/MENU.
Druk opnieuw meerdere malen op SOUND of
OK/MENU om de overige alternatieven te
bereiken:
• Surround7 – Is Aan/Uit te zetten. Wanneer
u voor Aan hebt gekozen, hanteert het systeem de instelling voor optimale geluidsweergave. Normaal is dat DPLII en in dat
op het beeldscherm.
geval verschijnt
Als de opname werd gemaakt met Dolby
Digital-techniek, vindt de weergave plaats
met deze instelling en verschijnt
op het beeldscherm. Wanneer u voor Uit
hebt gekozen, is de driekanaals stereoweergave actief.
• Bass – Niveau van de lage tonen.
• Treble - Niveau van de hoge tonen.
• Fader – Balans tussen luidsprekers voor
en achter.
7
8
9
• Balans – Balans tussen luidsprekers links
en rechts.
• Subwoofer*7 – Niveau voor de lagetonenluidspreker.
• DPL II-middenlevel/3-kanaals
middenlevel7 – Volume voor middenluidspreker.
• DPL II-surroundlevel7, 8 – Niveau voor de
zogeheten Ambient Surround Sound.
Geavanceerde audio-instellingen
Equalizer9
Er zijn aparte geluidsniveaus voor de verschillende frequentiebanden in te stellen.
1. Druk op OK/MENU om Audioinstellingen te openen en kies voor
Equalizer.
2. Kies een frequentieband door te draaien
aan TUNE en bevestig uw keuze met OK/
MENU.
3. Pas de audio-instelling aan door te draaien
aan TUNE en bevestig uw keuze met OK/
MENU. Doe hetzelfde voor de andere frequentiebanden die u wenst aan te passen.
4. Druk, wanneer u klaar bent met de audioinstelling, op EXIT om te bevestigen en
terug te gaan naar de normaalweergave.
Voor algemene informatie over menufuncties
en menusystemen, zie pagina 251 en het
menu-overzicht, zie pagina 254.
Geluidspodium7
De geluidsweergave is dusdanig in te stellen
dat deze optimaal is voor de bestuurder, voor
de inzittenden voorin of voor de achterpassagiers. Als er zowel voor- als achterin passagiers zitten wordt de optie beide voorstoelen
geadviseerd. De opties zijn te kiezen onder
Klankpodium.
Audio-instellingen
Voor algemene informatie over menufuncties
en menusystemen, zie pagina 251 en het
menu-overzicht, zie pagina 254.
Geluidssterkte en automatische
volumeregeling
06
Het audiosysteem zorgt voor compensatie van
hinderlijke rijgeluiden in de passagiersruimte
door het volume aan te passen ten opzichte
van de rijsnelheid. U hebt de keuze uit de alternatieven: laag, medium, hoog en uit. Kies een
Alleen Premium Sound Multimedia.
Alleen wanneer Surround-functie geactiveerd is.
Geldt niet voor Performance.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
253
06 Infotainment
Algemene informatie over infotainment
niveau onder Audio-instellingen
Volumecompensatie.
Voor algemene informatie over menufuncties
en menusystemen, zie pagina 251 en het
menu-overzicht, zie pagina 254.
Geluidssterkte externe geluidsbron
Bij aansluiting van een externe geluidsbron
(zoals een mp3-speler of iPodŸ) op de AUXingang verschilt het ingestelde volume van
deze geluidsbron mogelijk van het volume
waarop het audiosysteem (bijv. de radio)
speelt. Corrigeer dit door het ingangsvolume
van de ingang aan te passen:
06
Als het volume van de externe geluidsbron
te hoog of te laag staat, kan de geluidskwaliteit achteruitgaan. De geluidskwaliteit kan
ook achteruitgaan, als de speler wordt bijgeladen wanneer het infotainmentsysteem
in stand AUX staat. Laad de speler in dat
geval niet via de 12V-aansluiting bij.
Optimale geluidsweergave
Menu-overzicht
Menu’s RADIO
Hoofdmenu AM
AM-menu
Presets weergeven10
Scan
Audio-instellingen 11
Het audiosysteem is voorgekalibreerd voor
optimale geluidsweergave met behulp van
digitale signaalverwerking.
Klankpodium12
Voor ieder automodel wordt het audiosysteem
tijdens de kalibratie perfect afgestemd op de
luidsprekers, de versterker, de akoestiek in de
auto, de positie van de luisteraar e.d.
Volumecompensatie
1. Druk op de toets MEDIA, draai aan TUNE
totdat u AUX bereikt en wacht enkele
seconden voordat u op OK/MENU drukt.
2. Druk op OK/MENU en draai vervolgens
aan TUNE totdat u AUX-ingangsvolume
bereikt. Bevestig uw keuze met OK/
MENU.
Er is tevens een dynamische kalibratie waarbij
rekening wordt gehouden met de stand van de
volumeknop, de radio-ontvangst en de rijsnelheid.
3. Draai aan TUNE om het volume voor de
AUX-ingang aan te passen.
De regelfuncties die in dit instructieboekje
nader verklaard worden (zoals Bass, Treble en
Equalizer) zijn uitsluitend bedoeld om u de
mogelijkheid te bieden de geluidsweergave
naar wens af te stellen.
10 Geldt alleen voor High Performance Multimedia en Premium
11 De menu-opties voor de audio-instellingen zijn identiek voor
12 Geldt alleen voor Premium Sound Multimedia.
13 Geldt niet voor Performance.
254
N.B.
Sound Multimedia.
alle geluidsbronnen.
Equalizer13
Alle audio-instellingen resetten
Hoofdmenu FM1/FM2
FM-menu
TP
Radiotekst tonen
Presets tonen10
Scan
Nieuws-instellingen
06 Infotainment
Algemene informatie over infotainment
Geavanceerde instellingen
REG
Alternatieve frequentie
PTY-tekst weergeven
Hoofdmenu DVD10 Video
Alle DAB-instellingen resetten
Diskmenu
Audio-instellingen 14
Play/pause/verder
EON
TP-favoriet instellen
PTY-instellingen
Alle FM-instellingen resetten
Audio-instellingen 14
Menu’s MEDIA
Stop
Hoofdmenu CD Audio
Ondertitels
Diskmenu
Taal van audiospoor kiezen
Willekeurige weergave
Hoofdmenu CD/DVD10 Data
Ensemble programmeren
Diskmenu
PTY-filter
PTY-filter uitschakelen
Presets
Scan
Geavanceerde instellingen
DAB-verbinding
DAB-band
Subkanalen
14 Voor submenu’s, zie ‘Hoofdmenu AM’.
10 Geldt alleen voor High Performance Multimedia
13 Geldt niet voor Performance.
Hoek
Audio-instellingen 14
DAB-menu
tonen10
Geavanceerde instellingen
Scan
Hoofdmenu DAB1*/DAB2*
Radiotekst tonen
DVD-menu
Afspelen/Pause
DivX® VOD-code
Audio-instellingen 14
Hoofdmenu iPod13
iPod-menu
Stop
Willekeurig
Willekeurige weergave
Scan
Map herhalen
Audio-instellingen 14
06
Volgende titel
Volgende audiotrack
Scan
Audio-instellingen 14
Hoofdmenu USB13
USB-menu
Afspelen/Pause
en Premium Sound Multimedia.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
255
06 Infotainment
Algemene informatie over infotainment
Stop
Hoofdmenu AUX
Willekeurig
AUX-menu
Map herhalen
AUX-ingangsvolume
USB-apparaat kiezen
Audio-instellingen 14
Volgende titel
Volgende audiotrack
Scan
Audio-instellingen
14
Hoofdmenu Media Bluetooth13
06
Gemiste oproepen
Land kiezen
Beantwoorde gesprekken
Presets sorteren
Gekozen nummers
Autostore
Gespreksduur
Pop-upmenu15 video en tv*
Bluetooth-apparaat verwijderen
Druk op OK/MENU terwijl u een videobestand
afspeelt of tv* kijkt om het pop-upmenu te openen.
Bluetooth-softwareversie in auto
Beeldinstellingen
Audio-instellingen 14
Bellijst
TV-menu
Ander apparaat
Scan
Telefoonmenu
Alle gesprekken
Audio-instellingen 14
Willekeurig
Hoofdmenu BluetoothŸ-handsfree13
Hoofdmenu TV*
Scan
Bluetooth-menu
Menu’s TEL
Telefoonboek
Zoeken
Nieuw contact
Verkorte nummers
vCard ontvangen
Geheugenstatus
Telefoonboek wissen
Bronmenu16
Telefoon wijzigen
DVD-hoofdmenu17
Bluetooth-apparaat verwijderen
DVD-hoofdmenu17
14 Voor submenu’s, zie ‘Hoofdmenu AM’.
13 Geldt niet voor Performance.
15 Geldt alleen bij het weergeven van videobestanden
16 De inhoud van het pop-upmenu voor het bronmenu
17 Geldt alleen voor dvd-videodiscs.
256
en het kijken van tv*.
hangt af van wat er afgespeeld of weergegeven wordt, bijvoorbeeld Menu gegevens-CD/-DVD of USB-menu.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
06 Infotainment
Algemene informatie over infotainment
Telefooninstellingen
Herkenbaar
Geluiden en volume
Telefoonboek downloaden
Bluetooth-softwareversie in
auto
Bel-opties
Automatisch opnemen
Voicemailnummer
Telefoon uit
06
257
06 Infotainment
Radio
Algemeen
N.B.
Als de auto is uitgerust met een toetsenset* op het stuurwiel en/of een afstandsbediening*, kunt u deze meestal gebruiken in
plaats van de toetsen op de middenconsole. Voor een beschrijving van de toetsenset op het stuurwiel, zie zie pagina 249. Voor
een beschrijving van de afstandsbediening,
zie pagina 294.
Menufuncties
Middenconsole, bedieningselementen voor radiofuncties.
RADIO-toets voor het kiezen van frequentieband (AM, FM1, FM2, DAB1*, DAB2*).
Sneltoetsen (0–9)
Uw keuze bevestigen of het radiomenu
openen door te drukken op OK/MENU.
06
De gewenste frequentie/zender kiezen of
door het radiomenu navigeren door te
draaien aan TUNE.
Toets ingedrukt houden voor de volgende/
voorgaande zender. Kort indrukken voor
de voorkeurzenders.
1
258
Geldt niet voor Performance.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
U regelt de menufuncties van RADIO vanaf de
middenconsole of via de toetsenset* op het
stuurwiel. Voor algemene informatie over
menufuncties en menusystemen, zie
pagina 251 en het menu-overzicht, zie
pagina 254.
Radio AM/FM
Zenders zoeken
N.B.
De ontvangst hangt niet alleen af van de
signaalsterkte maar ook van de signaalkwaliteit. Er kunnen storingen optreden wanneer
de zendersignalen bijvoorbeeld gehinderd
worden door hoge gebouwen of van zeer
grote afstand komen. De dekkingsgraad
kan eveneens variëren afhankelijk van waar
u zich bevindt.
Automatisch zenders zoeken
1. Druk op RADIO, draai aan TUNE totdat de
gewenste frequentieband (AM, FM1 e.d.)
verschijnt en druk op OK/MENU.
2. Houd
/
op de middenconsole
ingedrukt (of gebruik de toetsenset* op het
stuurwiel). De radio zoekt de volgende/
voorgaande beschikbare zender.
Zenderlijst1
De radio stelt automatisch een lijst op met de
FM-zenders met de best doorkomende signalen. Dat biedt u de mogelijkheid een zender te
zoeken in gebieden waar u de radiozenders en
hun frequenties niet kent.
06 Infotainment
Radio
Om de lijst te openen en een zender te kiezen:
1. Kies de gewenste frequentieband (FM1 of
FM2).
2. Draai TUNE één stap links- of rechtsom. Er
verschijnt dan een lijst met alle beschikbare zenders in het gebied waar u zich
bevindt. De zender waarop is afgestemd
staat met een groter lettertype in de lijst
gemarkeerd.
3. Draai TUNE weer links- of rechtsom om
een zender in de lijst te kiezen.
4. Bevestig uw keuze met OK/MENU.
N.B.
•
De lijst vermeldt alleen de frequenties
van de zenders waarop u hebt afgestemd en vormt dan ook geen complete
lijst met alle beschikbare radiofrequenties op de frequentieband van uw
keuze.
•
Als de zender waarop u hebt afgestemd
een zwak signaal heeft, kan de radio de
zenderlijst mogelijk niet bijwerken. Druk
(terwijl de
in dat geval op de toets
zenderlijst op het beeldscherm staat)
om over te schakelen op handmatig
zoeken en zelf een frequentie in te stellen. Draai, als de zenderlijst niet langer
getoond wordt, TUNE één stap links- of
rechtsom om de zenderlijst weer te
om te wisselen.
tonen en druk op
De lijst verdwijnt na enkele seconden van het
beeldscherm.
Handmatig zenders zoeken
Weergave van de zenderlijst met de best doorkomende signalen bij het draaien aan TUNE
(zie gedeelte “Zenderlijst”, pagina 258) behoort
tot de fabriekinstellingen van de radio. Druk
terwijl de zenderlijst wordt getoond op de toets
van de middenconsole om over te schakelen op handmatig zenders zoeken. U kunt
dan een frequentie zoeken uit de lijst met
beschikbare radiofrequenties op de gekozen
frequentieband. Als u bijv. bij handmatig zoeken TUNE één stap rechtsom draait, wordt de
frequentie gewijzigd van 93,3 MHz in 93,4
MHz.
Om handmatig een zender te kiezen:
1. Druk op de RADIO-knop, draai aan
TUNE tot de gewenste frequentieband
(AM, FM1 enz.) verschijnt en druk op OK/
MENU.
06
2. Draai aan TUNE om een frequentie te kiezen.
Als de zenderlijst niet langer getoond wordt,
kunt u TUNE één stap links- of rechtsom
op de middendraaien en op de toets
console drukken om over te schakelen op
handmatig zenders zoeken (of om over te
schakelen van handmatig zenders zoeken op
de functie voor “Zenderlijst”).
259
06 Infotainment
Radio
N.B.
Weergave van de zenderlijst met de best
doorkomende signalen in het huidige
gebied behoort tot de fabriekinstellingen
van de radio (zie het eerdere gedeelte “Zenderlijst”).
Als u echter bent overgestapt op het handmatig zoeken van zenders (door te drukken
op de toets
van de middenconsole
toen de zenderlijst getoond werd), is de volgende keer dat u de radio inschakelt de
functie voor het handmatig zoeken van zenders opnieuw actief. Om weer over te schakelen op de functie “Zenderlijst” dient u
TUNE een stap te verdraaien (om de complete zenderlijst te zien) en vervolgens op de
toets
te drukken.
Let erop dat de functie INFO geactiveerd
wordt, als u op
drukt wanneer de zenderlijst niet getoond wordt. Voor meer informatie over deze functie, zie pagina 249.
06
Voorkeuren
U kunt per frequentieband (AM, FM1 etc.) 10
voorkeurzenders vastleggen.
U kiest een voorkeurzender met de sneltoetsen.
1. Stem af op een zender (zie “Zenders zoeken”, pagina 258).
2. Houd een van de sneltoetsen enkele
seconden ingedrukt. Het geluid verdwijnt
zolang maar keert terug wanneer de zender opgeslagen is. De sneltoets is vervolgens te gebruiken.
U kunt een lijst met voorkeurzenders tonen2 op
het beeldscherm. De functie is in stand FM/AM
te activeren/deactiveren onder FM-menu
Presets tonen of AM-menu Presets
weergeven.
RDS-functies
RDS (Radio Data System) verbindt FM-zenders
in een netwerk met elkaar. Een FM-zender in
een dergelijk netwerk verstuurt bepaalde informatie, zodat een RDS-radio onder meer de volgende mogelijkheden biedt:
• Automatisch overschakelen op een beter
doorkomende zender als de ontvangst in
een bepaald gebied slecht is.
• Zoeken op programmatype zoals zenders
die verkeersinformatie of nieuws doorgeven.
• Weergeven van informatieve tekst over het
beluisterde radioprogramma.
2
260
Geldt alleen voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
N.B.
Bepaalde radiostations gebruiken geen
RDS of slechts bepaalde onderdelen van
deze functie.
Als er een zender met het gewenste programmatype is aangetroffen, kan de radio vervolgens op deze zender overschakelen en de
weergave van de actieve geluidsbron onderbreken. Als de cd-speler bijvoorbeeld actief is,
wordt de weergave daarvan tijdelijk onderbroken. De uitzending met het gekozen programmatype wordt weergegeven op een vooraf
bepaald volume, zie pagina 263. Na afloop van
de uitzending van het gekozen programmatype
geeft de radio de voorgaande geluidsbron
opnieuw weer op het volume dat u daarvoor
had ingesteld.
De programmafuncties alarm (ALARM!), verkeersinformatie (TP), nieuws (NEWS) en programmatype (PTY) worden in volgorde van
belangrijkheid weergegeven, waarbij geldt dat
alarm de hoogste prioriteit geniet en de programmatypes de laagste. Voor meer instellingen die te maken hebben met het onderbreken
van uitzendingen (EON EON Distant en EON
EON Local), zie navolgend gedeelte “EON
(Enhanced Other Networks)”. Druk op EXIT om
de onderbroken weergave van de geluidsbron
06 Infotainment
Radio
te hervatten en druk op OK/MENU om de melding te verwijderen.
Alarm
De functie wordt gebruikt om de bevolking
attent te maken op ernstige ongelukken of
calamiteiten. U kunt de functie alarm niet tijdelijk onderbreken of deactiveren. De melding
ALARM! verschijnt op het beeldscherm, wanneer er een alarmmelding wordt verzonden.
bepalend voor de vraag of de weergave van de
actieve geluidsbron kan worden onderbroken
voor uitzendingen van een bepaald programmatype.
voor een nieuwsuitzending via het RDS-netwerk van de zender waarop is afgestemd. Het
symbool NEWS geeft aan dat de functie actief
is.
–
–
• EON Local – Alleen onderbreking wanneer
de zendmast van de radiozender dichtbij
is.
Verkeersinformatie, TP
Bij activering van deze functie wordt de weergave van de actieve geluidsbron onderbroken
voor een uitzending met verkeersinformatie via
het RDS-netwerk van de zender waarop is
afgestemd. Het symbool TP geeft aan dat de
functie actief is. Als de zender waarop u hebt
afgestemd verkeersinformatie kan doorgeven,
wordt dat aangegeven met een fel verlicht TP
op het beeldscherm. TP is anders grijs van
kleur.
–
Activeer/deactiveer deze functie in de
stand FM onder FM-menu TP.
EON (Enhanced Other Networks)
Deze functie is vooral handig in stedelijke
gebieden met een groot aantal regionale radiozenders. Bij activering van de functie is de
afstand tot de zendmast van een radiozender
3
Activeer/deactiveer de functie door in
stand FM een van de alternatieven te kiezen onder FM-menu Geavanceerde
instellingen EON:
• EON Distant3 – Ook onderbreking als de
zendmast van de zender ver weg staat en
zijn signaal storingen vertoont.
TP via beluisterde zender/alle zenders
De radio kan alleen de weergave van de beluisterde zender onderbreken voor verkeersinformatie of de weergave van alle zenders binnen
het RDS-netwerk.
–
Ga in stand FM naar FM-menu
Geavanceerde instellingen TPfavoriet instellen om wijzigingen aan te
brengen.
Nieuws
Activeer/deactiveer deze functie in de
stand FM onder FM-menu Nieuwsinstellingen Nieuws.
Nieuws via beluisterde zender/alle
zenders
De radio kan alleen de weergave van de beluisterde zender onderbreken voor nieuws of de
weergave van alle zenders in het RDS-netwerk.
–
Ga in stand FM naar FM-menu
Nieuws-instellingen Nieuws-favoriet
instellen om wijzigingen aan te brengen.
Programmatype, PTY
Met de functie PTY is het mogelijk en of meer
programmatypes te kiezen zoals popmuziek
en klassieke muziek. Het symbool PTY geeft
aan dat de functie actief is. Bij activering van
deze functie wordt de weergave van de actieve
geluidsbron onderbroken voor een uitzending
van het gekozen programmatype via het RDSnetwerk van de zender waarop is afgestemd.
06
Bij activering van deze functie wordt de weergave van de actieve geluidsbron onderbroken
Fabrieksstandaard.
``
261
06 Infotainment
Radio
1. Activeer de functie door in stand FM eerst
programmatypes te kiezen onder FMmenu Geavanceerde instellingen
PTY-instellingen PTY kiezen.
2. Vervolgens dient u de PTY-functie te activeren onder FM-menu Geavanceerde
instellingen PTY-instellingen
Verkeersinfo van andere zenders
ontvangen.
1. Kies in stand FM een of meer PTY onder
FM-menu Geavanceerde instellingen
PTY-instellingen PTY kiezen.
–
2. Ga naar FM-menu Geavanceerde
instellingen PTY-instellingen PTY
zoeken.
Automatische afstemfunctie, AF
Druk op EXIT om te stoppen met zoeken.
–
Er verschijnt een indicatie op het beeldscherm
wanneer PTY geactiveerd is.
U deactiveert de PTY-functie in stand FM
onder FM-menu Geavanceerde
instellingen PTY-instellingen
Verkeersinfo van andere zenders
ontvangen. De gekozen programmatypes
(PTY) worden niet gereset.
06
Resetten en verwijderen van PTY is mogelijk
onder FM-menu Geavanceerde
instellingen PTY-instellingen PTY
kiezen Alles wissen.
PTY zoeken
Bij activering van deze functie wordt de gehele
frequentieband doorzocht op uitzendingen van
het gekozen programmatype.
4
262
Alleen auto’s met 7"-scherm.
Druk op
of
om verder te zoeken
naar een andere uitzending van een van de
gekozen programmatypes.
De functie stemt af op het best doorkomende
zendersignaal voor de beluisterde zender. Om
een sterk zendersignaal op te kunnen sporen
moet de functie soms de gehele FM-band
doorzoeken.
–
Programmatype weergeven
Het is mogelijk het programmatype van de zender die u op dat moment beluistert op het
beeldscherm weer te geven.
–
Activeer/deactiveer deze functie in de
stand FM onder FM-menu
Geavanceerde instellingen PTYinstellingen PTY-tekst tonen.
Radiotekst4
Sommige RDS-zenders geven informatie door
over de inhoud van de uitzendingen, uitvoerende artiesten e.d. Deze informatie kan op het
beeldscherm worden weergegeven.
Activeer/deactiveer deze functie in de
stand FM onder FM-menu Radiotekst
tonen.
Activeer/deactiveer deze functie in de
stand FM onder FM-menu
Geavanceerde instellingen
Alternatieve frequentie.
Regionale radioprogramma’s, REG
Deze functie maakt het mogelijk om op een
bepaalde regionale zender afgestemd te blijven ondanks dat het signaal zwak is. Het symbool REG geeft aan dat de handsfree-functie
actief is.
–
Activeer/deactiveer deze functie in de
stand FM onder FM-menu
Geavanceerde instellingen REG.
RDS-functies resetten
Met deze kunt u alle fabriekinstellingen voor
RDS herstellen.
06 Infotainment
Radio
–
Reset in de stand FM onder FM-menu
Geavanceerde instellingen Alle FMinstellingen resetten.
Volumeregeling programmatypes
De onderbrekende uitzendingen van het gekozen programmatype (bijv. NEWS of TP) worden weergegeven op het volume dat voor het
programmatype is gekozen. Als u het volume
tijdens de onderbreking bijregelt, wordt het
nieuwe volume opgeslagen voor een volgende
onderbreking.
Frequentieband doorzoeken
Er wordt automatisch naar de beschikbare
kanalen gezocht, eventueel gefilterd op programmatype. Wanneer er een zender is gevonden, wordt deze ca. 10 seconden lang weergegeven voordat de zoekfunctie wordt voortgezet. Bij het beluisteren van een zender is de
zender op de normale manier op te slaan als
een van de voorkeuren, zie het gedeelte Voorkeuren, pagina 260.
–
Om de scanfunctie te starten dient u in
stand FM/AM te gaan naar FM-menu
Scan of AM-menu Scan.
N.B.
Bij het opslaan van een zender wordt de
scanfunctie beëindigd.
Digitale radio (DAB)*
Algemeen
DAB (Digital Audio Broadcasting) is een systeem voor digitale overdracht van radiosignalen. Dit systeem ondersteunt DAB, DAB+ en
DMB.
N.B.
Er is niet overal dekking voor DAB. Als er
geen dekking is, verschijnt de melding
Geen ontvangst op het beeldscherm.
Service en Ensemble
•
Service – Kanaal, radiokanaal (het systeem biedt alleen ondersteuning voor
geluidsdiensten).
• Ensemble – Een groep radiokanalen die
op dezelfde frequentie zenden.
Radiokanalen programmeren (Groep
leren)
Wanneer de auto een nieuw zendgebied binnenrijdt dient het systeem mogelijk de gelegenheid te krijgen om de te ontvangen kanaalgroepen te programmeren.
Tijdens het programmeren van de kanaalgroepen wordt een bijgewerkte lijst van al de te
beluisteren kanaalgroepen aangemaakt. De
lijst wordt niet automatisch bijgewerkt.
De programmeerfunctie is uit te voeren in het
menusysteem in stand DAB onder DAB-menu
Ensemble programmeren. Programmeren
kan ook als volgt worden uitgevoerd:
1. Draai TUNE één stap links- of rechtsom.
> Ensemble programmeren verschijnt
boven aan de lijst met beschikbare
kanaalgroepen.
2. Druk op OK/MENU.
> Er gaat een nieuwe programmeringsopdracht van start.
De programmeringsfunctie is te annuleren met
EXIT.
Navigeren in kanaalgroepenlijst
(Ensemble)
De kanaalgroepenlijst is door te bladeren en te
openen door aan TUNE te draaien. Bovenaan
op het beeldscherm staat de naam van het
ensemble. Wanneer u wisselt naar een nieuw
ensemble, wordt de nieuwe naam weergegeven.
06
• Service – Geeft de kanalen weer ongeacht
de kanaalgroep waartoe ze behoren. De
lijst is tevens te filteren door een programmatype te kiezen (PTY-filter ), zie onder.
Scannen
Deze functie doorzoekt de actuele frequentieband automatisch op goed te ontvangen zen-
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
263
06 Infotainment
Radio
ders. Wanneer er een zender is gevonden,
wordt deze ca. 10 seconden lang weergegeven
voordat de zoekfunctie wordt voortgezet. Bij
het beluisteren van een zender is de zender op
de normale manier op te slaan als een van de
voorkeuren. Voor meer informatie over voorkeuren, zie “Voorkeuren” hieronder.
U kiest een programmatype in stand DAB
onder DAB-menu PTY-filter . Verlaat deze
stand als volgt:
–
Bij gebruik van DAB-links tussen kanalen (zie
onder) is het mogelijk dat de DAB-radio de
PTY-stand verlaten.
Ga in stand DAB naar DAB-menu
Scan om de scanfunctie te starten.
N.B.
Bij het opslaan van een zender wordt de
scanfunctie beëindigd.
De scanfunctie is ook te kiezen in de stand
DAB-PTY. Dan worden uitsluitend kanalen van
het gekozen programmatype weergegeven.
06
Programmatype (PTY)
Met de functie programmatype kunt u verschillende soorten radioprogramma’s kiezen. Er
bestaan verschillende programmatypes voor
uiteenlopende soorten programmacategorieën. Wanneer u een bepaald programmatype
hebt gekozen, navigeert u uitsluitend binnen de
kanalen die programma’s van het gekozen
type uitzenden.
5
264
–
Druk op EXIT.
> Er verschijnt een indicatie op het beeldscherm wanneer PTY geactiveerd is.
Voorkeuren
U kunt per band 10 voorkeurzenders vastleggen. DAB heeft 2 geheugenbanken met voorkeurzenders: DAB1 en DAB2. Opslag van
voorkeurzenders vindt plaats door lang op de
gewenste sneltoets te drukken, voor meer
informatie zie pagina 260. U kiest een voorkeurzender met de sneltoetsen.
Een voorkeur bestaat uit een kanaal zonder
eventuele subkanalen. Als er tijdens het beluisteren van een subkanaal een voorkeurkanaal
vastgelegd wordt, wordt uitsluitend het hoofdkanaal geregistreerd. Dit komt omdat de subkanalen van tijdelijke aard zijn. Bij activering
van het bijbehorende voorkeurkanaal zal dan
ook het hoofdkanaal worden weergegeven
waartoe het subkanaal behoorde. De voor-
Geldt alleen voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia
keurkanalen zijn niet gebonden aan de kanalenlijst.
U kunt een lijst met voorkeurzenders tonen5 op
het beeldscherm. De functie is in stand DAB te
activeren/deactiveren onder DAB-menu
Presets tonen.
N.B.
Het DAB-systeem van de geluidsinstallatie
ondersteunt niet alle functies die in de DABstandaard zitten.
Radiotekst
Sommige radiozenders geven informatie door
over de inhoud van de uitzendingen, uitvoerende artiesten e.d. Deze informatie wordt het
beeldscherm weergegeven.
De functie is in stand DAB te activeren/deactiveren onder DAB-menu Radiotekst tonen.
N.B.
Er kan telkens slechts een van de functies
“Radiotekst tonen” en “Presets tonen”
geactiveerd zijn. Wanneer een van de functies wordt ingeschakeld terwijl de andere al
actief is, wordt de eerder geactiveerde functie automatisch uitgeschakeld. Beide functies zijn mogelijk gedeactiveerd.
06 Infotainment
Radio
Geavanceerde instellingen
DAB naar DAB link
gekozen frequentieband is niet van invloed op
de opgeslagen voorkeuren.
‘DAB naar DAB link’ houdt in dat de DAB-radio
van een kanaal dat slecht of helemaal niet te
ontvangen is kan overschakelen op hetzelfde
kanaal in een andere kanaalgroep met een
betere ontvangst. Bij het veranderen van
kanaalgroep kan enige vertraging in de
geluidsweergave optreden. Vanaf het moment
dat het huidige kanaal verdwijnt en het nieuwe
kanaal toegankelijk wordt kan het geluid dan
ook enige tijd stilvallen.
De frequentieband is in stand DAB te deactiveren/activeren onder DAB-menu
Geavanceerde instellingen DAB-band.
De functie is in stand DAB te activeren/deactiveren onder DAB-menu Geavanceerde
instellingen DAB-verbinding.
Als er een of meer subkanalen bestaan verlinks van de kanaalschijnt het symbool
naam op het beeldscherm. Als er slechts één
subkanaal bestaat verschijnt het symbool links van de kanaalnaam op het beeldscherm.
Frequentieband
Subkanaal
Secundaire componenten worden vaak aangeduid als subkanalen. Dergelijke componenten zijn van tijdelijke aard en kunnen bijvoorbeeld uit vertalingen van het hoofdprogramma
bestaan.
DAB is in staat op twee6 frequentiebanden uit
te zenden:
Druk op
• Band III - dekt de meeste gebieden.
• LBand - alleen beschikbaar voor een paar
Subkanalen zijn uitsluitend te bereiken via het
gekozen hoofdkanaal en niet via een ander
kanaal.
gebieden.
Wanneer u alleen voor Band III kiest, verloopt
het programmeren van kanalen sneller dan als
u voor zowel Band III als LBand hebt gekozen.
Het is echter niet zeker dat alle kanaalgroepen
ook daadwerkelijk worden gevonden. De
6
voor informatie over Programmatype, PTY, zie
pagina 261. Deze informatie wordt het beeldscherm weergegeven.
De functie is in stand DAB te activeren/deactiveren onder DAB-menu Geavanceerde
instellingen PTY-tekst weergeven.
DAB-instellingen herstellen
Met deze kunt u alle fabriekinstellingen voor
DAB herstellen.
–
Reset in de stand DAB onder DAB-menu
Geavanceerde instellingen Alle
DAB-instellingen resetten.
om het menu met subkanalen.
06
De weergave van subkanalen is in stand DAB
te deactiveren/activeren onder DAB-menu
Geavanceerde instellingen Subkanalen
PTY-tekst
Sommige radiozenders versturen informatie
over programmatype en programmacategorie,
De beide frequentiebanden zijn niet in alle gebieden/landen in gebruik.
265
06 Infotainment
Mediaspeler
CD/DVD1-functies
Tracks/mappen kiezen of menu-opties
doorbladeren door te draaien aan TUNE.
Disctrack voor-/achteruitspoelen en van
disctrack of hoofdstuk2 veranderen.
De mediaspeler ondersteunt de volgende
soorten discs en bestanden en kan deze met
andere woorden afspelen:
• Voorbespeelde cd-discs (CD Audio).
• Zelfgebrande cd’s met audio- en/of videobestanden1.
Bedieningspaneel op middenconsole.
Opening voor het invoeren/uitwerpen van
een disc
• Voorbespeelde video-dvd’s1.
• Zelfgebrande dvd’s1 met audio- en/of
videobestanden.
Voor meer informatie over de ondersteunde
formaten, zie pagina 269.
Disc uitwerpen
Knop MEDIA, activeert de laatst geactiveerde mediabron. Als er een mediabron is
geactiveerd, verschijnt er bij het indrukken
MEDIA een snelmenu met de meest
gebruikelijke menu-opties.
06
Cijfers en letters invoeren.
Uw keuze bevestigen of het menu voor de
gekozen mediabron openen door te drukken op OK/MENU.
1
2
266
N.B.
Als de auto is uitgerust met een toetsenset* op het stuurwiel en/of een afstandsbediening*, kunt u deze meestal gebruiken in
plaats van de toetsen op de middenconsole. Voor een beschrijving van de toetsenset op het stuurwiel, zie zie pagina 249. Voor
een beschrijving van de afstandsbediening,
zie pagina 294.
Geldt alleen voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
Geldt alleen voor dvd-discs.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Menufuncties
U regelt de menufuncties van MEDIA vanaf de
middenconsole of via de toetsenset* op het
stuurwiel. Voor algemene informatie over
menufuncties en menusystemen, zie
pagina 251 en het menu-overzicht, zie
pagina 254.
Disc afspelen
Druk op de MEDIA-knop, draai aan TUNE tot
Disk verschijnt en druk op OK/MENU. Als er
een disc in de mediaspeler zit, wordt deze disc
automatisch afgespeeld. Anders verschijnt
Plaats disk op het beeldscherm. Plaats vervolgens een disc met de tekstzijde omhoog. De
cd wordt automatisch afgespeeld.
Wanneer er een disc met audio-/videobestanden in de speler wordt geplaatst, dient de mapstructuur op de disc te worden ingelezen.
Afhankelijk van de kwaliteit van de disc en de
hoeveelheid gegevens die erop staan, kan het
enige tijd duren voordat de weergave van start
gaat.
Disc uitwerpen
Een disc blijft ca. 12 seconden lang in de uitgeworpen stand staan. Om veiligheidsredenen
wordt de disc vervolgens automatisch weer
naar binnen getrokken.
06 Infotainment
Mediaspeler
Pauze
Als het volume wordt uitgedraaid of MUTE
wordt ingedrukt, pauzeert de mediaspeler. Als
het volume wordt verhoogd of MUTE nogmaals
wordt ingedrukt, start de mediaspeler weer. U
kunt tevens pauzeren via het menusysteem3:
druk op OK/MENU en kies Play/pause.
Afspelen en navigeren
Audio-cd’s
Draai aan TUNE om de speellijst van de disc te
bekijken en door de lijst te navigeren. Met OK/
MENU wordt de trackkeuze bevestigd en de
weergave gestart. Druk op EXIT om te annuleren en de speellijst te verlaten. Lang indrukken van EXIT voert u naar het hoofdniveau van
de speellijst.
Wisselen van disctrack is ook mogelijk door te
/
op de middenconsole of
drukken op
op de toetsenset* op het stuurwiel.
Zelfgebrande discs met audio-/
videobestanden1
Draai aan TUNE om de speellijst/mapstructuur
van de disc te openen en door de lijst/structuur
te navigeren. Met OK/MENU wordt de gekozen submap bevestigd of de weergave van het
gekozen audio-/videobestand gestart. Druk op
3
1
4
EXIT om te annuleren en de speellijst te verlaten of een stap omhoog (terug) te zetten in de
mapstructuur. Lang indrukken van EXIT voert
u naar het hoofdniveau van de speellijst.
Wisselen van audio-/videobestand is ook
mogelijk door te drukken op
/
op de
middenconsole of op de toetsenset* op het
stuurwiel.
Audiobestanden hebben het symbool
videobestanden1 hebben het symbool
en mappen hebben het symbool
.
N.B.
Videoweergave is uitsluitend mogelijk wanneer de auto stilstaat. Wanneer de auto
sneller rijdt dan ca. 8 km/h, verschijnt er
geen beeld en staat Geen visuele media
tijdens het rijden op het beeldscherm. Het
geluid wordt echter wel weergegeven. Het
beeld verschijnt weer, zodra de rijsnelheid is
gedaald tot onder ca. 6 km/h.
,
Wanneer het afspelen van een bestand klaar is,
worden de andere bestanden (van hetzelfde
type) in de actuele map afgespeeld. Er wordt
automatisch van map gewisseld4, wanneer alle
bestanden in een de actuele map afgespeeld
zijn. Het systeem registreert automatisch of er
een disc met alleen audiobestanden of alleen
videobestanden in de mediaspeler wordt
geplaatst, past de instellingen aan en speelt de
bestanden vervolgens af. Het systeem past de
instelling echter niet aan, als er een disc met
een mix van audio- en videobestanden in de
mediaspeler wordt geplaatst maar blijft in dat
geval het voorgaande bestandtype afspelen.
N.B.
Het is mogelijk dat de speler audiobestanden met kopieerbeveiliging van de platenmaatschappijen of zelfgebrande audiobestanden niet kan lezen.
Video-dvd’s1
Voor het afspelen van video-dvd’s, zie
pagina 268.
06
Vooruit-/achteruitspoelen
Houd de toetsen
/
ingedrukt om vooruit/achteruit te spoelen. Voor audiobestanden
geldt één snelheid, terwijl videobestanden op
meerdere snelheden voor- en achteruit te
spoelen zijn. Druk herhaalde malen achtereen
/
om bij videobestanden
op de toetsen
sneller voor- of achteruit te spoelen. Laat de
Geldt niet voor audio-cd’s
Geldt alleen voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
Dit gebeurt niet, als Map herhalen geactiveerd is.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
267
06 Infotainment
Mediaspeler
toets weer los om de video weer op normale
snelheid weer te geven.
3. Druk op OK/MENU om de functie te activeren/deactiveren.
Scannen5
Bij activering van deze functie worden van alle
disctracks/audiobestanden de eerste tien
seconden weergegeven. Om te scannen:
Wisselen van disctrack/audiobestand is mogelijk door te drukken op
/
op de middenconsole of op de toetsenset* op het stuurwiel.
1. Druk op OK/MENU
Map herhalen6
2. Draai aan TUNE totdat Scan verschijnt
> Van alle tracks of muziekbestanden
worden de eerste 10 seconden weergegeven.
Deze functie maakt het mogelijk om de weergave van de bestanden in een map eindeloos
te herhalen. Wanneer het laatste bestand helemaal afgespeeld is, wordt het eerste bestand
opnieuw weergegeven.
3. Beëindig de scanfunctie met EXIT, waarna
de weergave van het actuele nummer of
muziekbestand op de disc wordt voortgezet.
Willekeurige afspeelvolgorde5
06
Bij activering van deze functie speelt de speler
de tracks/muziekbestanden in willekeurige
volgorde af. Om de tracks in willekeurige volgorde te beluisteren:
1. Druk op OK/MENU
2. Draai aan TUNE totdat Willekeurige
weergave verschijnt
5
6
1
268
Navigeren in eigen menu video-dvd
1. Druk op OK/MENU
2. Draai aan TUNE totdat Map herhalen verschijnt
3. Druk op OK/MENU om de functie te activeren/deactiveren.
Video-dvd’s afspelen1
Afspelen
Tijdens het afspelen van een video-dvd verschijnt er mogelijk een discmenu op het beeldscherm. Via het discmenu hebt u toegang tot
extra functies en instellingen om bijv. ondertitels, geluidstracks, scènes te kiezen.
Geldt niet voor video-dvd’s.
Geldt alleen voor audio-/videobestanden op zelfgebrande discs of een USB-speler.
Geldt alleen voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
N.B.
Videoweergave is uitsluitend mogelijk wanneer de auto stilstaat. Wanneer de auto
sneller rijdt dan ca. 8 km/h, verschijnt er
geen beeld en staat Geen visuele media
tijdens het rijden op het beeldscherm. Het
geluid wordt echter wel weergegeven. Het
beeld verschijnt weer, zodra de rijsnelheid is
gedaald tot onder ca. 6 km/h.
Met de bedieningselementen op de middenconsole kunt u navigeren in het eigen menu van
de video-dvd.
06 Infotainment
Mediaspeler
Van hoofdstuk of titel veranderen
Draai aan TUNE om de lijst met hoofdstukken
te openen en erin te navigeren (bij het afspelen
van een film wordt de film gepauzeerd). Druk
op OK/MENU om een hoofdstuk te kiezen en
terug te keren naar de uitgangspositie (als eerder een film werd afgespeeld, wordt deze film
voortgezet). Druk op EXIT om de titellijst te
openen.
In de titellijst kiest u een titel door te draaien
aan TUNE en bevestigt u uw keuze met OK/
MENU, waarna u terugkeert naar de lijst met
hoofdstukken. Druk op OK/MENU om uw
keuze te activeren en terug te keren naar de
uitgangspositie. Met EXIT annuleert u uw
keuze en keert u terug naar de uitgangspositie
(zonder een keuze te maken).
Wisselen van hoofdstuk is ook mogelijk door te
/
op de middenconsole of
drukken op
op de toetsenset* op het stuurwiel.
Geavanceerde instellingen7
Hoek
Met deze functie kunt u, op voorwaarde dat de
video-dvd dit ondersteunt, aangeven vanuit
welke camerapositie een bepaalde scène moet
worden weergegeven. Ga in de stand DISC
7
naar Diskmenu Geavanceerde
instellingen Hoek.
Druk om terug te keren naar de lijst met instellingen op OK/MENU of EXIT.
DivXŸ Video On Demand
De fabriekswaarden voor de beeldinstellingen
zijn te herstellen met de optie Reset.
Het is mogelijk de mediaspeler te registreren
voor weergave van bestanden van het type
DivX VOD op zelfgebrande discs of een USBmedium. De registratiecode vindt u in het
menusysteem MY CAR onder Instellingen
Informatie DivX® VOD-code. Voor algemene informatie over de menufuncties onder
MY CAR, zie pagina 211.
Breng voor meer informatie een bezoek aan
www.divx.com/vod.
Beeldinstellingen7
Het is mogelijk de volgende instellingen voor
helderheid en contrast te wijzigen (op voorwaarde dat de auto stilstaat).
1. Druk op OK/MENU, kies voor
Beeldinstellingen en bevestig uw keuze
met OK/MENU.
Compatibele formaten
De mediaspeler kan tal van bestandstypen
afspelen en is compatibel met de formaten in
de volgende tabel.
N.B.
Dubbelzijdige schijven van het zogeheten
dual format-type (DVD Plus, CD-DVD) zijn
dikker dan normale cd’s. Het is dan ook niet
zeker of dergelijke schijven kunnen worden
afgespeeld en storingen zijn mogelijk.
Als een cd een mix van mp3- en CD-DAbestanden bevat, worden alle mp3-tracks
genegeerd.
06
2. Draai aan TUNE om de aan te passen
instelling te bereiken en bevestig uw keuze
met OK/MENU.
3. Pas de instelling aan door te draaien aan
TUNE en bevestig uw keuze met OK/
MENU.
Geldt voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
269
06 Infotainment
Mediaspeler
A
B
C
06
270
AudioformatenA
CD-Audio, mp3,
wma
AudioformatenB
CD-Audio, mp3,
wma, aac, m4a
VideoformatenC
CD-Video,
DVD-Video, divx,
avi, asf
Geldt voor Performance.
Geldt niet voor Performance.
Geldt alleen voor High Performance Multimedia en Premium
Sound Multimedia.
06 Infotainment
Externe geluidsbron via AUX/USB*-ingang
Algemeen
N.B.
Als de auto is uitgerust met een toetsenset* op het stuurwiel en/of een afstandsbediening*, kunt u deze meestal gebruiken in
plaats van de toetsen op de middenconsole. Voor een beschrijving van de toetsenset op het stuurwiel, zie zie pagina 249. Voor
een beschrijving van de afstandsbediening,
zie pagina 294.
Aansluitingspunten voor externe geluidsbronnen.
Via een van de aansluitingen in de middenconsole is het mogelijk een externe geluidsbron
(zoals een iPodŸ of mp3-speler) aan te sluiten
op het audiosysteem. Een op de USB-ingang
aangesloten geluidsbron is vervolgens te
bedienen1 via de geluidsregeling van de auto.
Een eenheid die is aangesloten op de AUXingang valt echter niet te bedienen via de
geluidsregeling van de auto.
Rechts achter aan de middenconsole zit een
uitsparing voor kabels, zodat u de klep kunt
sluiten zonder dat de kabels bekneld komen te
zitten.
1
Een iPodŸ of mp3-speler met oplaadbare batterijen wordt opgeladen (wanneer het contact
ingeschakeld is of de motor loopt), als het
apparaat aangesloten is op de USB-aansluiting.
Geluidsbron aansluiten:
1. Druk op MEDIA, draai aan TUNE tot de
gewenste geluidsbron USB, iPod of AUX
en druk op OK/MENU.
> Als u USB kiest, verschijnt USB
aansluiten op het beeldscherm.
2. Sluit uw geluidsbron aan op een van de
aansluitingen in het opbergvak van de middenconsole (zie voorgaande afbeelding).
De tekst USB wordt gelezen verschijnt op het
beeldscherm, terwijl het systeem de bestanden op het opslagmedium inleest. Afhankelijk
van de bestandsstructuur en het aantal
bestanden kan het enige tijd duren voordat
alles ingelezen is.
N.B.
Het systeem biedt ondersteuning voor de
meeste iPodŸ-modellen die in 2005 of later
gemaakt zijn.
N.B.
Om schade tegen te gaan wordt de USBaansluiting gedeactiveerd bij kortsluiting of
als een aangesloten USB-eenheid te veel
stroom afneemt (dit is mogelijk als de aangesloten eenheid niet aan de USB-standaard voldoet). Als de volgende keer dat u
het contact inschakelt, blijkt dat de storing
verdwenen is, wordt de USB-aansluiting
automatisch opnieuw geactiveerd.
06
Menufuncties
U regelt de menufuncties van MEDIA vanaf de
middenconsole of via de toetsenset* op het
stuurwiel. Voor algemene informatie over
menufuncties en menusystemen, zie
pagina 251 en het menu-overzicht, zie
pagina 254.
Geldt alleen voor een mediabron die via de USB-aansluiting aangesloten is.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
271
06 Infotainment
Externe geluidsbron via AUX/USB*-ingang
Afspelen en navigeren2
Draai aan TUNE om de speellijst/mapstructuur
te openen en door de lijst/structuur te navigeren. Met OK/MENU wordt de gekozen submap
bevestigd of de weergave van het gekozen
audio-/videobestand gestart. Druk op EXIT om
te annuleren en de speellijst te verlaten of een
stap omhoog (terug) te zetten in de mapstructuur. Lang indrukken van EXIT voert u naar het
hoofdniveau van de speellijst.
Wisselen van audio-/videobestand is ook
/
op de
mogelijk door te drukken op
middenconsole of op de toetsenset* op het
stuurwiel.
Audiobestanden hebben het symbool
videobestanden3 hebben het symbool
en mappen hebben het symbool
.
06
Wanneer het afspelen van een bestand klaar is,
worden de andere bestanden (van hetzelfde
type) in de actuele map afgespeeld. Er wordt
automatisch van map gewisseld4, wanneer alle
bestanden in een de actuele map afgespeeld
zijn. Het systeem registreert automatisch of er
een eenheid met alleen audiobestanden of
2
3
4
5
6
272
,
alleen videobestanden op de USB-aansluiting
wordt aangesloten, past de instellingen aan en
speelt de bestanden vervolgens af. Het systeem past de instelling echter niet aan, als er
een eenheid met een mix van audio- en videobestanden op de USB-aansluiting wordt aangesloten maar blijft in dat geval het voorgaande
bestandtype afspelen.
Vooruit-/achteruitspoelen2
Zie pagina 267.
Scannen2
Zie pagina 268.
Willekeurige afspeelvolgorde2
U start de weergave van een bestand door te
drukken op OK/MENU.
Map herhalen5
Zie pagina 268.
Pauze
Als het volume wordt uitgedraaid of MUTE
wordt ingedrukt, pauzeert de mediaspeler. Als
het volume wordt verhoogd of MUTE nogmaals
wordt ingedrukt, start de mediaspeler weer. U
kunt tevens pauzeren via het menusysteem6:
druk op OK/MENU en kies Play/pause.
Zie pagina 268.
Zoekfunctie2
Met behulp van de toetsenset op het bedieningspaneel van de middenconsole kunt u een
bestandsnaam in de actuele map zoeken.
U kunt de zoekfunctie bereiken door te draaien
aan TUNE (om de mapstructuur te openen) of
door te drukken op een van de lettertoetsen.
Naarmate u meer letters of tekens van de
Geldt alleen voor USB-speler en iPodŸ.
Geldt voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
Dit gebeurt niet, als Map herhalen geactiveerd is.
Geldt alleen voor USB-speler.
Geldt niet voor iPodŸ
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
tekenreeks intypt worden de zoekresultaten
steeds verder verfijnd.
Geluidsbronnen
USB-geheugen
Om het gebruik van een USB-geheugen te vereenvoudigen is het beter alleen muziekbestanden in het geheugen op te slaan. Het inlezen
duurt aanzienlijk langer, wanneer er behalve
compatibele muziekbestanden nog andere
bestanden op het opslagmedium staan.
06 Infotainment
Externe geluidsbron via AUX/USB*-ingang
N.B.
Het systeem biedt ondersteuning voor
draagbare media die werken met USB 2.0
en het bestandssysteem FAT32 en kan
1000 mappen aan met maximaal 254 submappen/bestanden in elke map. Een uitzondering daarop vormt het hoogste
niveau, dat tot 1000 submappen/bestanden
kan bevatten.
USB Removable device/Mass Storage
Device te staan.
iPodŸ
Een iPodŸ wordt middels de aansluitkabel bijgeladen en gevoed door de USB-aansluiting*.
N.B.
Het systeem ondersteunt alleen de weergave van audiobestanden van iPodŸ.
N.B.
Bij gebruik van een langer USB-geheugen
wordt geadviseerd een USB-adapterkabel
te gebruiken. Dit om mechanische slijtage
aan de USB-ingang en het aangesloten
USB-geheugen tegen te gaan.
N.B.
Wanneer u muziek op een aangesloten
iPodŸ beluistert, hanteert het infotainmentsysteem een menustructuur vergelijkbaar
met die van de iPodŸ.
USB-hub
Er kan een USB-hub op de USB-aansluiting
worden aangesloten om op die manier meerdere USB-apparaten tegelijk aan te sluiten. U
kiest de USB-eenheid in de stand USB onder
USB-menu USB-apparaat kiezen.
Compatibele bestandsformaten bij
USB-aansluiting
06
Het systeem biedt ondersteuning voor de
audio- en videoformaten in de onderstaande
tabel bij weergave via de USB-aansluiting.
Mp3-speler
Veel mp3-spelers werken met hun eigen
bestandssysteem die niet ondersteund worden door het Infotainmentsysteem. Om een
dergelijke mp3-speler te kunnen gebruiken
binnen het systeem, dient de speler in de stand
A
Audioformaten
mp3, wma, aac, m4a
VideoformatenA
divx, avi, asf
Geldt alleen voor High Performance Multimedia en Premium
Sound Multimedia.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
273
06 Infotainment
Media BluetoothŸ*
Algemeen
De mediaspeler in de auto is uitgerust met
BluetoothŸ1 en kan draadloos “streaming
audio”-bestanden afspelen op externe eenheden met BluetoothŸ zoals mobiele telefoons en
laptops. Navigatie en regeling van het geluid
zijn in dat geval te verrichten via de toetsen op
de middenconsole of via de toetsenset* op het
stuurwiel. Bij sommige externe eenheden is het
ook mogelijk op de eenheid zelf van track te
wisselen.
Om audio weer te geven moet de mediaspeler
van de auto eerst in stand Bluetooth worden
gezet.
N.B.
BluetoothŸ-mediaspelers moeten ondersteuning bieden voor de profielen Audio/
Video Remote Control Profile (AVRCP) en
Advanced Audio Distribution Profile (A2DP).
De speler dient AVRCP versie 1.3 en A2DP
1.2 te hanteren. Anders werken bepaalde
functies mogelijk niet.
Niet alle verkrijgbare mobiele telefoons en
externe mediaspelers zijn volledig compatibel met de BluetoothŸ-functie van de
mediaspeler van de auto. Volvo adviseert u
contact op te nemen met een erkende
Volvo-dealer of www.volvocars.com te
bezoeken voor informatie over compatibele
telefoons en externe mediaspelers.
N.B.
De mediaspeler van de auto kan alleen audiobestanden afspelen via de BluetoothŸfunctie.
06
Menufuncties
U regelt de menufuncties van MEDIA vanaf de
middenconsole of via de toetsenset* op het
stuurwiel. Voor algemene informatie over
menufuncties en menusystemen, zie
pagina 251 en het menu-overzicht, zie
pagina 254.
1
274
Geldt voor High Performance, High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Overzicht
Bedieningspaneel op middenconsole.
VOL – volume.
Knop MEDIA. De laatst geactiveerde bron
(bijv. iPodŸ) wordt automatisch geactiveerd. Als er een bron is geactiveerd, verschijnt er bij het indrukken MEDIA een
snelmenu met de meest gebruikelijke
menu-opties.
Uw keuze bevestigen of het menu openen
door te drukken op OK/MENU.
Navigeren door het menu door te draaien
aan TUNE.
06 Infotainment
Media BluetoothŸ*
EXIT – Omhoog in het menusysteem,
annuleert de actuele functie.
Bij kort indrukken loopt u de audiobestanden door. Bij lang indrukken spoelt u
de audiobestanden voor- of achteruit.
N.B.
Als de auto is uitgerust met een toetsenset* op het stuurwiel en/of een afstandsbediening*, kunt u deze meestal gebruiken in
plaats van de toetsen op de middenconsole. Voor een beschrijving van de toetsenset op het stuurwiel, zie zie pagina 249. Voor
een beschrijving van de afstandsbediening,
zie pagina 294.
Aan de slag
Externe BluetoothŸ-eenheid aansluiten
U kunt maximaal tien externe eenheden koppelen. Aansluiting vindt op dezelfde plaats als
voor een telefoon, zie Externe Bluetooth®eenheid aansluiten, pagina 278.
Automatische aansluiting
Wanneer de BluetoothŸ-functie actief is en de
laatst aangesloten externe eenheid binnen het
bereik ligt, wordt deze automatisch opnieuw
aangesloten. Terwijl het infotainment op zoek
is naar de laatst aangesloten eenheid staat de
naam van deze eenheid op het beeldscherm.
Druk op EXIT voor aansluiting op een andere
eenheid. Sluit een nieuwe externe eenheid aan,
zie “Andere externe eenheid kiezen” hieronder.
Andere externe eenheid kiezen
Als er meerdere eenheden in de auto aanwezig
zijn, kunt u van externe eenheid wisselen. De
eenheid moet echter wel eerst aan het systeem
gekoppeld zijn, zie “Externe Bluetooth®-eenheid aansluiten” eerder. Om een andere eenheid te kiezen:
1. Druk op MEDIA, draai aan TUNE tot
Bluetooth verschijnt en druk op OK/
MENU.
2. Controleer of de externe eenheid identificeerbaar/zichtbaar is via BluetoothŸ (zie de
gebruiksaanwijzing bij de externe eenheid).
3. Druk op OK/MENU.
4. Draai aan TUNE totdat Ander apparaat
verschijnt en bevestig uw keuze met OK/
MENU.
> Na enige tijd verschijnt de naam van de
externe eenheid op het beeldscherm.
Als er meerdere externe eenheden
gekoppeld zijn, verschijnen ook deze.
> De externe eenheid wordt vervolgens
aangesloten.
Wissel van audiobestand door te drukken op
/
op de middenconsole of door
gebruik te maken van de toetsenset* op het
stuurwiel.
Eenheid loskoppelen
De externe eenheid wordt automatisch losgekoppeld, als de externe telefoon buiten het
bereik van het infotainmentsysteem komt. Voor
meer informatie over de aansluiting, zie
pagina 275.
Aangesloten eenheid verwijderen
1. Druk in stand Bluetooth op OK/MENU.
2. Draai aan TUNE totdat Bluetoothapparaat verwijderen verschijnt en
bevestig uw keuze met OK/MENU.
3. Kies de te verwijderen eenheid door te
draaien aan TUNE en bevestig uw keuze
met OK/MENU.
> Op het beeldscherm verschijnt de vraag
of u de aansluiting wilt verwijderen.
06
4. Druk ter bevestiging op OK/MENU.
Druk op EXIT om te annuleren.
5. Kies de aan te sluiten eenheid door te
draaien aan TUNE en bevestig uw keuze
met OK/MENU.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
275
06 Infotainment
Media BluetoothŸ*
Willekeurige afspeelvolgorde2
Versie-informatie BluetoothŸ
Bij activering van deze functie worden de audiobestanden op de externe eenheid in willekeurige volgorde afgespeeld. Activeer/deactiveer
de willekeurige afspeelvolgorde in stand Bluetooth onder Bluetooth-menu Willekeurige
weergave.
De actuele BluetoothŸ-versie van de auto is in
stand Bluetooth te bekijken onder Bluetoothmenu Bluetooth-softwareversie in auto.
Wissel van audiobestand door te drukken op
/
op de middenconsole of door
gebruik te maken van de toetsenset* op het
stuurwiel.
Audiobestanden op externe eenheid
scannen2
06
Bij activering van deze functie worden van elk
audiobestand de eerste tien seconden weergegeven. Activeer/deactiveer de functie in
stand Bluetooth onder Bluetooth-menu
Scan.
Beëindig de functie scannen met EXIT.
2
276
Niet ondersteund door alle mobiele telefoons.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
06 Infotainment
BluetoothŸ-handsfree*
Algemeen
Overzicht
Een mobiele telefoon met BluetoothŸ is draadloos aan te sluiten op het infotainmentsysteem1. Het infotainmentsysteem werkt dan als
handsfree en biedt u de mogelijkheid om
enkele functies van uw mobiele telefoon op
afstand te bedienen. De microfoon waarvan
het systeem gebruik maakt zit bij de zonneklep
(2) aan bestuurderszijde. U kunt de mobiele
telefoon via de knoppen op de telefoon bedienen of de telefoon nu aangesloten is of niet.
Telefoonfuncties, overzicht
bedieningselementen
N.B.
Niet alle mobiele telefoons zijn volledig
compatibel met de handsfree-functie van
het audiosysteem. Volvo adviseert u contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats of www.volvocars.com te
bezoeken voor informatie over compatibele
telefoons.
Systeemoverzicht
Mobiele telefoon.
Microfoon.
Toetsenset op stuurwiel.
Bedieningspaneel op middenconsole.
Menufuncties
U regelt de menufuncties van TEL vanaf de
middenconsole of via de toetsenset* op het
stuurwiel. Voor algemene informatie over
menufuncties en menusystemen, zie
pagina 251 en het menu-overzicht, zie
pagina 254.
1
Bedieningspaneel op middenconsole.
Cijfer- en lettertoetsen
Knop TEL, activeert/zoekt de laatst aangesloten telefoon. Als er al een telefoon is
aangesloten, verschijnt er bij het indrukken
van TEL een snelmenu met de meest
gebruikelijke menu-opties voor de telefoon.
06
Beantwoord inkomende gesprekken,
bevestig uw keuze of open het telefoonmenu door te drukken op OK/MENU.
TUNE – In de normaalweergave rechtsom
draaien voor toegang tot het telefoonboek
en linksom voor de gesprekslijst met alle
Geldt voor High Performance, High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
277
06 Infotainment
BluetoothŸ-handsfree*
gesprekken. Tevens te gebruiken om de
opties op het beeldscherm door te bladeren.
EXIT - Telefoongesprekken beëindigen/
weigeren, ingevoerde tekens wissen,
omhoog in het menusysteem en actieve
functie annuleren.
N.B.
Als de auto is uitgerust met een toetsenset* op het stuurwiel en/of een afstandsbediening*, kunt u deze meestal gebruiken in
plaats van de toetsen op de middenconsole. Voor een beschrijving van de toetsenset op het stuurwiel, zie zie pagina 249. Voor
een beschrijving van de afstandsbediening,
zie pagina 294.
06
Beknopte bedieningsinstructies
Activeren
Bij kort indrukken van TEL activeert/zoekt u de
laatst aangesloten telefoon. Als er al een telefoon is aangesloten, verschijnt er bij het indrukken van TEL een snelmenu met de meest
gebruikelijke menu-opties voor de telefoon.
geeft aan dat er telefoon is
Het symbool
aangesloten.
Externe BluetoothŸ-eenheid aansluiten
U kunt maximaal tien externe eenheden koppelen. U hoeft een eenheid slechts eenmaal te
registreren. Na registratie hoeft de eenheid niet
langer zichtbaar/identificeerbaar te zijn.
U kunt twee BluetoothŸ-eenheden tegelijk
hebben aangesloten. Bijvoorbeeld een telefoon en een media-eenheid en u kunt tussen
de eenheden wisselen, zie pagina 279 of zie
pagina 275. U kunt tevens gebruik maken van
de telefoon, terwijl u via ‘streaming audio’
bestanden op de media-eenheid beluistert.
Hoe u een externe eenheid aansluit hangt af
van de vraag of dezelfde eenheid al dan niet
eerder aangesloten was. De onderstaande
aansluitopties gaan ervan uit dat het de eerste
keer is dat de eenheid moet worden aangesloten en dat er geen andere eenheid is aangesloten.
U kunt op twee manieren eenheden aansluiten:
ofwel zoekt u de externe eenheid vanuit de
auto ofwel zoekt u de auto vanaf de externe
eenheid. Als de ene manier niet werkt, kunt u
de andere proberen.
Voorbeeld van normale weergave voor de telefoon.
Als u zich al in de normale weergave bevindt,
drukt u op TEL in de middenconsole.
Alternatief 1 - externe eenheid zoeken via het
menusysteem in de auto
1. Maak de externe eenheid identificeerbaar/
zichtbaar via BluetoothŸ, zie daarvoor de
gebruiksaanwijzing bij de externe eenheid
of bezoek www.volvocars.com.
2. Druk op OK/MENU en volg de aanwijzingen op het beeldscherm van de auto.
> De externe eenheid is nu aangesloten
en kan via de auto worden bediend.
Als het aansluiten is mislukt, drukt u twee keer
op EXIT en sluit u aan volgens Alternatief 2.
278
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
06 Infotainment
BluetoothŸ-handsfree*
Alternatief 2 - Zoek naar de auto met de
BluetoothŸ-functie van de externe eenheid
1. Maak de auto identificeerbaar/zichtbaar
via BluetoothŸ. Draai aan TUNE naar
Telefooninstellingen, bevestig met OK/
MENU, kies Herkenbaar en bevestig met
OK/MENU.
2. Selecteer My Volvo Car op het scherm
van de externe eenheid en volg de aanwijzingen.
3. Voer een pincode naar keuze in de externe
eenheid in en kies daarna voor aansluiten.
4. Druk op OK/MENU en voer daarna
dezelfde pincode in via de toetsenset van
de auto in de middenconsole.
Als de externe eenheid is aangesloten, verschijnt de BluetoothŸ-naam van de externe
eenheid op het beeldscherm van de auto en de
eenheid kan via de auto worden bediend.
Automatische aansluiting
Wanneer de handsfree-functie actief is en de
laatst aangesloten mobiele telefoon binnen het
bereik ligt, wordt deze telefoon automatisch
opnieuw aangesloten. Als de laatst aangesloten mobiele telefoon niet beschikbaar is, probeert het systeem een eerder gekoppelde
mobiele telefoon aan te sluiten. Terwijl het
audiosysteem op zoek is naar de laatst aangesloten eenheid staat de naam van deze telefoon op het beeldscherm.
Handmatige aansluiting
Ga om van aangesloten mobiele telefoon te
wisselen in de telefoonstand naar
Telefoonmenu Telefoon wijzigen.
Andere externe eenheid kiezen
Als er meerdere eenheden in de auto aanwezig
zijn, kunt u van externe eenheid wisselen. De
eenheid moet daarvoor wel eerst gekoppeld
zijn aan de auto, zie Externe Bluetooth®-eenheid aansluiten. Om een andere eenheid te kiezen:
1. Controleer of de externe eenheid identificeerbaar/zichtbaar is via BluetoothŸ (zie de
gebruiksaanwijzing bij de externe eenheid).
2. Druk op TEL en kies daarna Telefoon
wijzigen.
> De auto zoekt naar eerder aangesloten
eenheden. De gevonden externe eenheden verschijnen met hun BluetoothŸnaam op het beeldscherm van de middenconsole.
3. Kies de aan te sluiten eenheid door te
draaien aan TUNE en bevestig uw keuze
met OK/MENU.
> De externe eenheid wordt vervolgens
aangesloten.
Bellen
1. Zorg dat het symbool
boven aan het
beeldscherm staat en dat de handsfreefunctie in de telefoonstand staat.
2. Voer ofwel het gewenste nummer of snelnummer in, zie pagina 285. Of draai in de
normaalweergave TUNE rechtsom voor
toegang tot het telefoonboek of linksom
voor de gesprekslijst met alle gesprekken.
Voor informatie over het telefoonboek, zie
pagina 281.
3. Druk op OK/MENU.
U beëindigt het gesprek met EXIT.
06
Mobiele telefoon uitschakelen
De mobiele telefoon wordt automatisch losgekoppeld, als de telefoon buiten het bereik van
het audiosysteem komt. De koppeling met de
mobiele telefoon is handmatig te verbreken in
de telefoonstand onder Telefoonmenu
Telefoon uit. Voor meer informatie over de
aansluiting, zie pagina 278.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
279
06 Infotainment
BluetoothŸ-handsfree*
De handsfree-functie wordt gedeactiveerd bij
het afzetten van de motor en het openen van
een portier2.
Wanneer de mobiele telefoon is losgekoppeld,
kunt u een eventueel lopend gesprek voortzetten met behulp van de ingebouwde microfoon
en luidspreker van de mobiele telefoon.
N.B.
Ook als de mobiele telefoon handmatig
wordt losgekoppeld, kunnen bepaalde
mobiele telefoons automatisch opnieuw
verbinding maken met de laatst aangesloten handsfree-eenheid, bijvoorbeeld bij het
starten van een nieuw gesprek.
Eenheid verwijderen
06
Een aangesloten mobiele telefoon is te ontkoppelen en te verwijderen. U doet dat in de
telefoonstand onder Telefoonmenu
Bluetooth-apparaat verwijderen.
Gespreksfuncties
–
Druk op OK/MENU om een gesprek aan te
nemen, ook staat het audiosysteem in de
stand RADIO of MEDIA.
Met EXIT kunt u een gesprek weigeren of
beëindigen.
Automatisch antwoord
Met de functie Automatisch antwoord is het
mogelijk gesprekken automatisch te beantwoorden.
–
Activeer/deactiveer de functie in telefoonstand onder Telefoonmenu
Bel-opties Automatisch opnemen.
Menu tijdens gesprek
Druk tijdens een gesprek op OK/MENU om
toegang te krijgen tot de volgende functies:
280
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Gesprekslijsten
De gesprekslijsten worden bij iedere nieuwe
aansluiting naar de handsfree-functie gekopieerd en worden vervolgens tijdens de aansluiting bijgehouden. Draai in de normaalweergave
TUNE linksom om de gesprekslijst voor Alle
gesprekken te zien.
In de telefoonstand zijn onder Telefoonmenu
Bellijst alle gesprekslijsten te zien:
•
•
•
•
•
Alle gesprekken
Gemiste oproepen
Beantwoorde gesprekken
Gekozen nummers
Gespreksduur
• Mute – Microfoon van het audiosysteem
•
Alleen Keyless drive.
tweede gesprek te starten met behulp van
de cijfertoetsen (het eerste gesprek wordt
daarbij stand-by gezet).
Inkomend gesprek
uitschakelen.
2
• Nummer kiezen - mogelijkheid om een
Mobiele telefoon - Gesprek doorschakelen naar de mobiele telefoon. Bij sommige
mobiele telefoons wordt de koppeling verbroken. Dit is volkomen normaal. Het
handsfree-systeem vraagt vervolgens of u
opnieuw wilt koppelen.
N.B.
Sommige mobiele telefoons geven de lijst
met de laatst gebelde nummers in omgekeerde volgorde weer.
06 Infotainment
BluetoothŸ-handsfree*
Voicemail
In de normaalweergave is het mogelijk een
snelnummer voor voicemail te programmeren
die u vervolgens kunt bereiken door lang te
drukken op 1.
Het nummer van de voicemail is in de telefoonstand te wijzigen onder Telefoonmenu Belopties Voicemailnummer Nummer
wijzigen. Als er nog geen nummer opgeslagen
is, kunt u het bijbehorende menu openen door
lang op 1 te drukken.
Audio-instellingen
Tel.-gespreksvol.
Het gespreksvolume is alleen tijdens een
gesprek te wijzigen. Gebruik de toetsenset* op
het stuurwiel of draai aan de knop VOL.
Volume audiosysteem
Zolang er geen telefoongesprek wordt
gevoerd, kunt u het volume van het audiosysteem op de gebruikelijke wijze bijregelen door
te draaien aan VOL.
Het is mogelijk de weergave van een actieve
geluidsbron automatisch te onderdrukken bij
inkomende gesprekken. Activeer/deactiveer
de functie in telefoonstand onder
3
Telefoonmenu Telefooninstellingen
Geluiden en volume Mute radio .
Beltoonvolume
Ga in de telefoonstand naar Telefoonmenu
Telefooninstellingen Geluiden en volume
Beltoonvolume en draai aan VOL om te
wijzigen. Druk op OK/MENU om het volume te
horen. Druk op EXIT om op te slaan.
Belsignalen
In de telefoonstand kunt u een van de ingebouwde beltonen van de handsfree-functie
kiezen onder Telefoonmenu
Telefooninstellingen Geluiden en volume
Beltonen Belsignaal 1 enz.
N.B.
Voor bepaalde mobiele telefoons geldt dat
de belsignalen van de aangesloten mobiele
telefoon niet worden uitgeschakeld bij
gebruik van de geïntegreerde signalen van
het handsfree-systeem.
Geluiden en volume
ringtone.
Beltonen
GSM-
Telefoonboek
Er zijn twee telefoonboeken. Deze worden in de
auto samengevoegd en als één gemeenschappelijk telefoonboek in de auto getoond.
• De auto downloadt het telefoonboek van
de aangesloten mobiele telefoon en toont
dit telefoonboek alleen, wanneer de mobiele telefoon waaruit het telefoonboek
afkomstig is aangesloten is.
• Ook de auto heeft een ingebouwd telefoonboek. Hierin worden alle contactpersonen opgeslagen, onafhankelijk van de
vraag welke telefoon er tijdens de opslag
aangesloten. Deze contactpersonen zijn
zichtbaar voor alle gebruikers, ongeacht
de telefoon die aan de auto gekoppeld is.
Als een contactpersoon opgeslagen is in
het telefoonboek van de auto, verschijnt
vóór deze contactperhet symbool
soon.
06
Ga om de beltonen3 van de aangesloten telefoon te gebruiken in de telefoonstand naar
Telefoonmenu Telefooninstellingen
Niet ondersteund door alle mobiele telefoons.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
281
06 Infotainment
BluetoothŸ-handsfree*
N.B.
Bij wijzigingen van een post in het telefoonboek van de mobiele telefoon vanuit het
telefoonsysteem in de auto, wordt er een
nieuwe post in het telefoonboek van de auto
aangemaakt. De wijziging wordt met andere
woorden niet opgeslagen in de mobiele
telefoon. In de auto ziet u vervolgens dubbele posten, met verschillende icoontjes.
Let er tevens op dat het opslaan van snelnummers of het wijzigen van een contactpersoon een nieuwe post oplevert in het
telefoonboek van de auto.
Voor alle telefoonboekfuncties dient het symbool
boven aan het beeldscherm en de
handsfree-functie in de telefoonstand te staan.
06
Het audiosysteem slaat van elk van de gekoppelde mobiele telefoons een kopie van het telefoonboek op. Het telefoonboek kan bij iedere
aansluiting automatisch naar het audiosysteem worden gekopieerd.
–
Activeer/deactiveer de functie in telefoonstand onder Telefoonmenu
Telefooninstellingen Telefoonboek
downloaden.
Als het telefoonboek de contactgegevens
bevat van de persoon die belt, verschijnen
deze op het beeldscherm.
282
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Snelzoekfunctie contactpersonen
Draai in de normaalweergave TUNE rechtsom
om een lijst met contactpersonen te openen.
Draai aan TUNE om een contactpersoon te
kiezen en druk op OK/MENU om te bellen.
Onder de naam van de contactpersoon staat
het telefoonnummer dat als standaardnummer
is gekozen. Als rechts van de contactpersoon
het symbool ! staat, zijn er meerdere telefoonnummers van de contactpersoon opgeslagen.
Druk op OK/MENU om de nummers weer te
geven. Kies een ander nummer dan het standaardnummer en bel door te draaien aan de
knop TUNE. Druk op OK/MENU om te bellen.
Doorzoek de lijst met contactpersoon door via
de toetsenset van de middenconsole de eerste
letter(s) van de naam van de contactpersoon in
te typen (zie “Tekentabel toetsenset op middenconsole” voor de functie van de toetsen).
De lijst met contactpersonen is vanaf de normaalweergave ook te bereiken door op de
toetsenset van de middenconsole de toets in
te drukken met de eerste letter van de naam
van de gezochte contactpersoon. Zo biedt lang
indrukken van de toets 6 rechtstreeks toegang
tot dat deel van de lijst waar de contactpersonen liggen die beginnen met de letter M.
Tekentabel toetsenset op
middenconsole
Toets
Functie
Spatie . , - ? @ : ; / ( ) 1
ABCÅÄÆÀÇ2
DEFÈÉ3
GHIÌ4
JKL5
MNOÖØÑÒ6
PQRSß7
TUVÜÙ8
WXYZ9
Wisselen tussen hoofdletters en
kleine letters.
+0pw
#*
06 Infotainment
BluetoothŸ-handsfree*
Contactpersonen zoeken
N.B.
Bij de uitvoering High Performance ontbreekt het tekstwiel, zodat u TUNE niet kunt
gebruiken voor de invoer van tekens maar
aangewezen bent op de cijfer- en lettertoetsen op het bedieningspaneel van de middenconsole.
aan4
Contactpersonen zoeken met het tekstwiel.
Tekenlijst
Invoerstand wijzigen (zie onderstaande
tabel)
Telefoonboek
Ga om een contactpersoon te zoeken of te
bewerken in de telefoonstand naar
Telefoonmenu Telefoonboek Zoeken.
1. Draai
TUNE tot de gewenste letter
verschijnt en druk ter bevestiging op OK/
MENU. Ook de cijfer- en lettertoetsen van
het bedieningspaneel op de middenconsole zijn te gebruiken.
2. Ga verder met de volgende letter enz. In
het telefoonboek (3) verschijnt het resultaat
van de zoekopdracht.
3. Om over te schakelen op de invoer van cijfers of speciale tekens of het telefoonboek
te openen dient u aan TUNE te draaien,
totdat een van de opties (zie verklaring in
onderstaande tabel) in de lijst voor het wisselen van invoerstand (2) verschijnt en druk
vervolgens op OK/MENU.
123/
ABC
Met OK/MENU kunt u wisselen
tussen cijfers en letters.
Overige
Met OK/MENU kunt u overschakelen op de invoer van speciale
tekens.
Opent het telefoonboek (3). Draai
aan TUNE om een contactpersoon te kiezen en druk op OK/
MENU om opgeslagen nummers
en overige informatie te bekijken.
Bij kort indrukken van EXIT wist u het laatst
ingevoerde teken. Bij lang indrukken van
EXIT wist u alle ingevoerde tekens.
Bij het indrukken van een cijfertoets op de middenconsole tijdens de weergave van het tekstwiel (zie bovenstaande afbeelding), verschijnt
op het beeldscherm een tekenlijst (1). Druk herhaalde malen op de cijfertoets totdat de
gewenste letter verschijnt en laat de toets weer
los. Ga verder met de volgende letter enz. Met
het indrukken van een volgende toets bevestigt
u de invoer van de voorgaande letter.
06
Houd om een cijfer in te voeren de toets met
het gewenste cijfer ingedrukt.
4
Geldt alleen voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
283
06 Infotainment
BluetoothŸ-handsfree*
Nieuw contact
N.B.
Bij de uitvoering High Performance ontbreekt het tekstwiel, zodat u TUNE niet kunt
gebruiken voor de invoer van tekens maar
aangewezen bent op de cijfer- en lettertoetsen op het bedieningspaneel van de middenconsole.
1. Druk, wanneer de regel Naam gemarkeerd
staat, op OK/MENU om de invoerstand te
openen (bovenstaande afbeelding).
Letters invoeren voor nieuwe contactpersoon.
Invoerstand wijzigen (zie onderstaande
tabel)
Invoerveld
06
Een nieuwe contactpersoon is in de telefoonstand toe te voegen onder Telefoonmenu
Telefoonboek Nieuw contact.
4
284
2. Draai aan4 TUNE tot de gewenste letter
verschijnt en druk ter bevestiging op OK/
MENU. Ook de cijfer- en lettertoetsen van
het bedieningspaneel op de middenconsole zijn te gebruiken.
3. Ga verder met de volgende letter enz. In
het invoerveld (2) op het beeldscherm staat
de ingevoerde naam.
4. Om over te schakelen op de invoer van cijfers en/of speciale tekens of te wisselen
tussen grote/kleine letters e.d. dient u aan
TUNE te draaien, totdat een van de opties
(zie verklaring in onderstaande tabel) in de
lijst (1) verschijnt; druk vervolgens op OK/
MENU.
Geldt alleen voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Kies, wanneer u de volledige naam ingevoerd
hebt, OK in de lijst op het beeldscherm (1) en
druk op OK/MENU. Voer vervolgens het telefoonnummer in op hierboven beschreven
manier.
Druk wanneer u het telefoonnummer hebt ingevoerd op OK/MENU en geef het type telefoonnummer aan (GSM, Home, Werk of
Algemeen). Druk ter bevestiging op OK/
MENU.
Kies, wanneer alle gegevens ingevoerd zijn,
Contact opslaan in het menu om de contactpersoon op te slaan.
123/
ABC
Met OK/MENU kunt u wisselen
tussen cijfers en letters.
Overige
Met OK/MENU kunt u overschakelen op de invoer van speciale
tekens.
OK
Met Contact toevoegen kunt u
opslaan en teruggaan naar OK/
MENU.
06 Infotainment
BluetoothŸ-handsfree*
Met OK/MENU kunt u wisselen
tussen hoofdletters en kleine letters.
Druk op OK/MENU, de cursor
gaat naar het invoerveld (2)
boven aan het beeldscherm. U
kunt de cursor vervolgens met
TUNE naar de gewenste positie
verplaatsen om bijv. nieuwe letters in te voegen of letters te wissen met EXIT. Ga om nieuwe letters te kunnen invoegen eerst
terug naar de invoerstand door te
drukken op OK/MENU.
Snelnummers
In de telefoonstand kunt u snelnummers
opslaan onder Telefoonmenu
Telefoonboek Verkort kiezen.
In de telefoonstand is verkort kiezen mogelijk
met de cijfertoetsen op de toetsenset van de
middenconsole, door een cijfertoets en vervolgens op OK/MENU in te drukken. Als er geen
contactpersoon opgeslagen ligt onder het
gekozen snelnummer, krijgt u de gelegenheid
om alsnog een contactpersoon onder het
gekozen snelnummer op te slaan.
vCard ontvangen
Versie-informatie BluetoothŸ
Het is mogelijk om vCards van andere mobiele
telefoons (dan de eenheid die op dat moment
aangesloten op de auto) te ontvangen voor het
telefoonboek van de auto. Om dat mogelijk te
maken dient u de auto identificeerbaar te
maken voor BluetoothŸ. De functie wordt in de
telefoonstand geactiveerd onder
Telefoonmenu Telefoonboek vCard
ontvangen.
De actuele BluetoothŸ-versie van de auto is in
de telefoonstand te bekijken onder
Telefoonmenu Telefooninstellingen
Bluetooth-softwareversie in auto.
Geheugenstatus
De geheugenstatus van het telefoonboek van
de auto en die van het telefoonboek van de
aangesloten mobiele telefoon zijn in de telefoonstand te bekijken onder Telefoonmenu
Telefoonboek Geheugenstatus.
Telefoonboek wissen
Het is mogelijk het telefoonboek van de auto te
wissen; u doet dat in de telefoonstand onder
Telefoonmenu Telefoonboek
Telefoonboek wissen .
06
N.B.
Bij het wissen van het telefoonboek van de
auto worden alleen de contactpersonen in
het telefoonboek van de auto verwijderd. De
contactpersonen in het telefoonboek van de
mobiele telefoon worden niet verwijderd.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
285
06 Infotainment
Spraakherkenning* mobiele telefoon
Algemeen
De spraakherkenningsfunctie1 van het infotainmentsysteem biedt u de mogelijkheid om
bepaalde functies van een mobiele telefoon
met BluetoothŸ-aansluiting of van Volvo’s
navigatiesysteem, RTI (Road and Traffic
Information System) met uw stem te bedienen.
N.B.
•
•
06
1
286
In dit gedeelte staat aangegeven hoe u
gesproken commando’s kunt gebruiken om een mobiele telefoon met
BluetoothŸ-aansluiting te bedienen.
Voor gedetailleerde informatie over het
gebruik van een mobiele telefoon met
BluetoothŸ-aansluiting op het infotainmentsysteem in de auto, zie
pagina 277.
Volvo’s navigatiesysteem – RTI (Road
and Traffic Information System) – is
voorzien van een apart instructieboekje
met meer informatie over spraakherkenning en de mogelijke gesproken
commando’s voor bediening van het
systeem.
Het gebruik van stemcommando’s biedt
bedieningscomfort, leidt minder af en helpt u
om de aandacht op het verkeer vast te houden.
WAARSCHUWING
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige
manier bestuurt en de geldende verkeersregels in acht neemt.
De spraakherkenningsfunctie biedt u de mogelijkheid om bepaalde functies van een mobiele
telefoon met BluetoothŸ-aansluiting of van
Volvo’s navigatiesysteem, RTI (Road and
Traffic Information System) met uw stem te
bedienen, zonder daarvoor uw handen van het
stuur te hoeven nemen. De input vindt in dialoogvorm plaats met stemcommando’s van de
gebruiker en verbale antwoorden van het systeem. De spraakherkenningsfunctie maakt
gebruik van dezelfde microfoon als het
BluetoothŸ-handsfreesysteem (zie afbeelding
op pagina 277) en geeft antwoord via de luidsprekers in de auto.
Geldt alleen voor auto’s met Volvo’s navigatiesysteem, RTI (Road and Traffic Information System).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Taal
Talenlijst.
Spraakherkenning is niet voor alle talen mogelijk. De beschikbare talen voor spraakherkenning zijn in de talenlijst aangegeven met een
pictogram,
. Het wijzigen van de taal doet u
in het menusysteem MY CAR, zie pagina 213.
06 Infotainment
Spraakherkenning* mobiele telefoon
commando’s op het beeldscherm van de
middenconsole.
Beknopte bedieningsinstructies
Let op het volgende bij het gebruik van de
spraakherkenningsfunctie:
• Spreek bij het geven van commando’s na
de toon, met normale stem in een normaal
tempo.
• Wacht met spreken, totdat het systeem
klaar is met antwoorden (zolang het systeem antwoordt, werkt de spraakherkenning namelijk niet).
Toetsenset op stuurwiel.
• Houd portieren en zijruiten dicht.
• Vermijd achtergrondgeluiden in de passagiersruimte.
Toets voor spraakherkenning
N.B.
Systeem activeren
Voordat u een mobiele telefoon met stemcommando’s kunt bedienen, moet de mobiele telefoon via het BluetoothŸ-handsfreesysteem zijn
gekoppeld en aangesloten. Als u met een
stemcommando een telefoon probeert te
bedienen zonder dat er een mobiel aan het
systeem gekoppeld is, wordt u daarop attent
gemaakt. Voor informatie over het koppelen en
aansluiten van een mobiele telefoon, zie
pagina 278.
• Druk op de knop voor spraakherkenning (1)
om de functie te activeren en een dialoog
met stemcommando’s te starten. De functie toont dan enkele veelvoorkomende
Bij twijfel over het te gebruiken commando
kunt u “Help” zeggen – het systeem geeft
dan enkele voorbeelden van commando’s
die u in de actuele situatie kunt gebruiken.
De gesproken commando’s zijn te annuleren door:
•
•
•
“Annuleren” te zeggen
•
op EXIT of een andere hoofdbronknop
(zoals MEDIA) te drukken.
niks te zeggen
lang op de stuurtoets voor spraakherkenning te drukken
Hulpfuncties spraakherkenning
• Instructie: Een functie die u vertrouwd
maakt met de functie en de juiste manier
om commando’s te geven.
• Stemtraining: Een functie die de spraakherkenningsfunctie de gelegenheid geeft
uw stem en uitspraak te leren kennen. De
functie kan de stemmen van twee verschillende gebruikersprofielen leren.
De hulpfuncties zijn te bereiken door te drukken op de knop MY CAR op het bedieningspaneel van de middenconsole en vervolgens
aan TUNE te draaien, totdat de menu-optie
van uw keuze verschijnt.
Instructie
De aanwijzingen zijn op twee manieren te starten:
N.B.
06
Instructies en stemtraining zijn alleen te
activeren wanneer de auto geparkeerd
staat.
• Druk op de knop voor spraakherkenning en
zeg “Steminstructies”.
• Activeer de instructiefunctie in het menusysteem MY CAR onder Instellingen
Spraakinstellingen
Spraakintroductie. Voor een beschrijving
van het menusysteem, zie pagina 211.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
287
06 Infotainment
Spraakherkenning* mobiele telefoon
De instructie is opgesplitst in 3 lessen, die in
totaal zo’n 5 minuten duren. De functie start
met de eerste les. Om een les over te slaan en
naar de volgende te gaan, kunt u op de knop
voor spraakherkenning drukken en “Volgende”
zeggen. U kunt teruggaan naar de vorige les
door “Vorige” te zeggen.
Beëindig de instructie door de knop voor
spraakherkenning lang in te drukken.
Stemtraining
U krijgt tot vijftien zinnen te zien die u moet
inspreken. De stemtraining is te starten in het
menusysteem MY CAR onder Instellingen
Spraakinstellingen Spraaktraining. Kies
Gebruiker 1 of Gebruiker 2. Voor een
beschrijving van het menusysteem, zie
pagina 211.
06
Vergeet na afloop van de stemtraining niet om
uw gebruikersprofiel in te stellen onder
Gebruikersinstelling spraaksystem.
Meer instellingen in MY CAR
• Gebruikersinstelling – U kunt twee
gebruikersprofielen instellen. De functie is
te activeren in het menusysteem MY CAR
onder Instellingen Spraakinstellingen
Gebruikersinstelling spraaksystem.
Kies Gebruiker 1 of Gebruiker 2. Voor
een beschrijving van het menusysteem, zie
pagina 211.
• Stemvolume – Te wijzigen in het menusysteem MY CAR onder Instellingen
Spraakinstellingen Volume
mededelingen. Voor een beschrijving van
het menusysteem, zie pagina 211.
Stemcommando’s gebruiken
De bestuurder start een dialoog met stemcommando’s door te drukken op de knop voor
spraakherkenning (zie afbeelding op pagina
287).
Zodra een dialoog gestart is, verschijnen veelvoorkomende commando’s op het beeldscherm. Grijs gearceerde teksten of teksten
tussen haakjes maken geen deel uit van het
stemcommando.
Wanneer de bestuurder vertrouwd is met de
functie, kan hij/zij de dialoog verkorten door
systeemvragen over te slaan middels kort
indrukken van de knop voor spraakherkenning.
Commando’s zijn op meerdere manieren te
geven
Het commando “Telefoon bel contact” kan bijvoorbeeld als volgt worden gegeven:
• “Telefoon > Bel contact” – Zeg “Telefoon”,
wacht op antwoord van het systeem en
zeg vervolgens “Bel contact.”
288
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
of
• “Telefoon bel contact” – Zeg het hele commando in één keer.
Snelcommando’s
De snelcommando’s voor de telefoon zijn te
vinden in het menusysteem MY CAR onder
Instellingen Spraakinstellingen Lijst
van spraakcommando's
Telefooncommando's en Algemene
commando's. Voor een beschrijving van het
menusysteem, zie pagina 211.
Nummer bellen
De functie begrijpt de cijfers 0 (nul) tot en met
9 (negen). Het nummer is aan te geven door de
cijfers van het nummer elk afzonderlijk uit te
spreken, in groepjes te verdelen of in één keer
achter elkaar te noemen. Getallen groter dan
9 (negen) kan de functie niet hanteren. Zo kunt
u 10 (tien) of 11 (elf) niet gebruiken.
Hier volgt een voorbeeld van een dialoog met
stemcommando’s. De systeemreactie hangt
van de situatie af.
Gebruiker start de dialoog door het
zeggen van:
Telefoon > bel nummer
of
Telefoon bel nummer
06 Infotainment
Spraakherkenning* mobiele telefoon
Systeemreactie
Contactpersoon bellen
Nummer?
Met het onderstaande dialoog kunt u de geprogrammeerde contactpersonen in uw mobiele
telefoon bellen.
Gebruikersreactie
Noem de cijfers (eenheden zoals zes-achtzeven enz.) van het telefoonnummer. Als u
meerdere cijfers noemt en vervolgens pauzeert, zal het systeem ze herhalen en vervolgens “Doorgaan” zeggen.
Noem de rest van de cijfers. Sluit wanneer u
klaar bent het commando af door “Bel” te zeggen.
• U kunt het nummer ook aanpassen door de
commando’s “Correctie” (verwijdert de
laatst genoemde groep cijfers) of “Wissen”
(wist het genoemde nummer in zijn geheel)
te geven.
Bellen vanuit oproepregister
Met de onderstaande dialoog kunt u een nummer bellen in de gesprekslijsten in uw mobiele
telefoon.
Gebruiker start de dialoog door het
zeggen van:
Telefoon > bel vanuit oproepregister
of
Telefoon bel vanuit oproepregister
Beantwoord de vervolgvragen die het systeem
stelt.
Gebruiker start de dialoog door het
zeggen van:
Telefoon > bel contact
zijn in het BluetoothŸ-handsfreesysteem, zie
pagina 281.
Gebruiker start de dialoog door het
zeggen van:
Telefoon > bel voicemail
of
Telefoon bel voicemail
of
Telefoon bel contact
Beantwoord de vervolgvragen die het systeem
stelt.
Beantwoord de vervolgvragen die het systeem
stelt.
Let op het volgende bij het bellen van een contact:
• Als er meerdere contactpersonen bestaan
met vergelijkbare namen, verschijnen deze
op genummerde regels op het display. Het
systeem vraagt u een regelnummer te kiezen.
06
• Als alle beschikbare rijen niet tegelijkertijd
op het display kunnen worden getoond,
kunt u door “Omlaag” te zeggen omlaagbladeren in de lijst (en door “Omhoog” te
zeggen kunt u omhoogbladeren in de lijst).
Voicemail bellen
De onderstaande dialoog biedt u de mogelijk
uw voicemail te beluisteren om te controleren
of u berichten hebt ontvangen. Het telefoonnummer voor de voicemail moet geregistreerd
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
289
06 Infotainment
TV - instelling*
Algemeen
N.B.
Dit systeem ondersteunt alleen tv-signalen
in die landen die in mpeg2-formaat uitzenden volgens de DVB-T-standaard. Het systeem biedt geen ondersteuning voor tv-signalen in mpeg-4-formaat of analoge tv-signalen.
N.B.
Tv-weergave is uitsluitend mogelijk wanneer de auto stilstaat. Wanneer de auto
sneller rijdt dan ca. 6 km/h, verschijnt er
geen beeld en staat Geen visuele media
tijdens het rijden op het beeldscherm. Het
geluid wordt echter wel weergegeven. Het
beeld komt terug wanneer de auto tot stilstand is gekomen.
BELANGRIJK
Voor het gebruik van dit product is mogelijk
kijk- en luistergeld verschuldigd.
Menufuncties
U regelt de menufuncties van MEDIA vanaf de
middenconsole of via de toetsenset* op het
stuurwiel. Voor algemene informatie over
menufuncties en menusystemen, zie
pagina 251 en het menu-overzicht, zie
pagina 254.
Overzicht
N.B.
Bedieningspaneel op middenconsole.
Sneltoetsen, invoeren van cijfers.
Knop MEDIA. De laatst geactiveerde bron
(bijv. iPodŸ of tv) wordt geactiveerd. Als er
290
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Uw keuze bevestigen of het menu openen
door te drukken op OK/MENU.
In kanaallijsten of menu’s navigeren door
te draaien aan TUNE.
EXIT – Omhoog in het menusysteem,
annuleert de actuele functie.
Het volgende beschikbare kanaal is te
bekijken door te drukken op
/
.
N.B.
Als de auto is uitgerust met een toetsenset* op het stuurwiel en/of een afstandsbediening*, kunt u deze meestal gebruiken in
plaats van de toetsen op de middenconsole. Voor een beschrijving van de toetsenset op het stuurwiel, zie zie pagina 249. Voor
een beschrijving van de afstandsbediening,
zie pagina 294.
06
De ontvangst hangt niet alleen af van de
signaalsterkte maar ook van de signaalkwaliteit. Er kunnen storingen optreden wanneer
de zendersignalen bijvoorbeeld gehinderd
worden door hoge gebouwen of van zeer
grote afstand komen. De dekkingsgraad
kan eveneens variëren afhankelijk van waar
u zich bevindt.
een bron is geactiveerd, verschijnt er bij het
indrukken MEDIA een snelmenu met de
meest gebruikelijke menu-opties.
06 Infotainment
TV - instelling*
Tv kijken
–
Druk op MEDIA, draai aan TUNE tot TV in
het display verschijnt en druk op OK/
MENU.
> Er wordt een zoekfunctie gestart en kort
daarna verschijnt het laatst bekeken
kanaal.
Van kanaal veranderen
U kunt als volgt van kanaal veranderen:
• Draai aan TUNE, waarna een lijst verschijnt
met alle beschikbare kanalen in het gebied.
Als een van deze kanalen al eerder werd
opgeslagen als voorkeur, verschijnt rechts
van de kanaalnaam het sneltoetsnummer.
Draai aan TUNE totdat u het gewenste
kanaal bereikt en druk op OK/MENU.
• Door te drukken op de sneltoetsen (0–9).
• Door kort op de toetsen
/
te drukken, waarna het eerstvolgende beschikbare kanaal in het gebied verschijnt.
N.B.
Als u van locatie verandert binnen het land
en bijvoorbeeld naar een andere stad rijdt,
zijn de voorkeurskanalen niet per definitie
beschikbaar omdat het frequentiegebied
mogelijk gewijzigd is. Start in dat geval een
nieuwe zoekopdracht om een nieuwe voorkeurslijst op te slaan, zie de functie
“Beschikbare tv-kanalen opslaan als voorkeurskanalen”, pagina 292.
> Als er eerder een of meer landen werden
geselecteerd, dan verschijnen deze in
een lijst.
4. Draai aan TUNE totdat u Andere landen
bereikt of een van de eerder gekozen landen. Druk op OK/MENU.
> Er verschijnt een lijst met al de beschikbare landen.
1. Druk in stand TV op OK/MENU.
5. Draai aan TUNE totdat u het land van uw
keuze (bijv. Zweden) bereikt en druk op
OK/MENU.
> Er wordt automatisch gezocht naar de
beschikbare tv-kanalen. Deze zoekopdracht duurt even. Tijdens het zoeken
wordt het beeld weergegeven van alle
gevonden en als voorkeur vastgelegde
kanalen. Er verschijnt een melding wanneer de zoekopdracht afgerond is en het
beeld verschijnt dat bij het gekozen
kanaal hoort. Daarmee is een voorkeurslijst (max. 30 voorkeuren) aangemaakt en beschikbaar. Om van kanaal
te veranderen, zie pagina 291.
2. Draai aan TUNE totdat u TV-menu bereikt
en druk op OK/MENU.
Het zoeken en vastleggen van voorkeuren kan
worden geannuleerd met EXIT.
N.B.
Als na bediening van de sneltoetsen geen
beeld verschijnt, kan dat komen doordat de
auto zich mogelijk niet meer bevindt in het
land waar naar tv-zenders werd gezocht (u
bent bijvoorbeeld van Duitsland naar Frankrijk gereden). U moet dan mogelijk een
ander land selecteren en opnieuw naar
kanalen zoeken starten.
Tv-kanalen zoeken/Voorkeurslijst
06
3. Draai aan TUNE totdat u Land kiezen
bereikt en druk op OK/MENU.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
291
06 Infotainment
TV - instelling*
Voorkeur kijker
De voorkeurslijst is te bewerken. U kunt de
volgorde van de kanalen in de voorkeurslijst
wijzigen. Een tv-kanaal kan op meerdere plaatsen in de voorkeurslijst voorkomen. De onderlinge positie van de tv-kanalen in de lijst kan
bovendien variëren.
Om de volgorde binnen de lijst met voorkeuren
te wijzigen dient u in stand TV te gaan naar TVmenu Presets sorteren.
1. Draai aan TUNE totdat u het te verplaatsen
kanaal in de lijst bereikt en bevestig uw
keuze met OK/MENU.
> Het gekozen kanaal staat gemarkeerd.
06
2. Draai aan TUNE totdat u de nieuwe positie
binnen de lijst bereikt en bevestig uw keuze
met OK/MENU.
> De kanalen wisselen vervolgens van
plaats.
Na de voorkeurskanalen (max. 30 stuks) volgen
al de resterende kanalen in het gebied. Het is
mogelijk een van deze kanalen in de lijst met
voorkeuren te zetten.
Beschikbare tv-kanalen opslaan als
voorkeurskanalen
Als de auto van locatie is veranderd binnen het
land en bijvoorbeeld naar een andere stad is
gereden, zijn de voorkeurskanalen niet per
292
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
definitie beschikbaar omdat het frequentiegebied mogelijk gewijzigd is. Start in dat geval
een nieuwe zoekopdracht om een nieuwe
voorkeurslijst op te slaan.
bekeken kanaal opnieuw wordt weergegeven.
De zoekfunctie is niet van invloed op de voorkeurslijst.
1. Druk in stand TV op OK/MENU.
Activeer de scanfunctie in stand TV onder TVmenu Scan.
2. Draai aan TUNE totdat u TV-menu bereikt
en druk op OK/MENU.
Teletekst
3. Draai aan TUNE totdat u Autostore
bereikt en druk op OK/MENU.
> Er wordt automatisch gezocht naar de
beschikbare tv-kanalen. Deze zoekopdracht duurt even. Tijdens het zoeken
wordt het beeld weergegeven van alle
gevonden en als voorkeur vastgelegde
kanalen. Er verschijnt een melding wanneer de zoekopdracht afgerond is en het
beeld verschijnt dat bij het gekozen
kanaal hoort. Daarmee is een voorkeurslijst (max. 30 voorkeuren) aangemaakt en beschikbaar. Om van kanaal
te veranderen, zie pagina 291.
Tv-kanalen scannen
Deze functie doorzoekt het actuele frequentiebereik automatisch op alle beschikbare kanalen in het gebied waar u zich bevindt. Wanneer
er een kanaal is gevonden, wordt deze ca. 10
seconden lang weergegeven voordat de zoekfunctie wordt voortgezet. U kunt de zoekfunctie stopzetten met EXIT, waarna het laatst
U kunt als volgt teletekst bekijken:
1. Druk op de toets
diening.
op de afstandsbe-
2. Typ het paginanummer (3 cijfers) in met de
cijfertoetsen (0–9) om een pagina te kiezen.
> De pagina verschijnt automatisch.
Voer een ander paginanummer in of druk op de
toetsen
/
op de afstandsbediening om
van pagina te veranderen.
Keer terug naar het tv-beeld met EXIT of
bedien de toets
op de afstandsbediening.
Teletekst is ook te bedienen met de gekleurde
knoppen op de afstandsbediening.
06 Infotainment
TV - instelling*
Informatie over actueel programma
Druk op de toets INFO om informatie te bekijken over het actuele programma, het volgende
programma alsmede het starttijdstip. Wanneer
u nogmaals op de toets INFO drukt, valt soms
meer informatie over het actuele programma te
bekijken (zoals de tijd dat het begint en eindigt)
alsmede een korte beschrijving van het actuele
programma te lezen. Voor meer informatie over
de toets INFO, zie pagina 249.
Als de melding Geen ontvangst, zoeken verschijnt, heeft het systeem geregistreerd dat de
signalen voor alle tv-kanalen zijn weggevallen.
U bent mogelijk een landsgrens gepasseerd
zonder de landinstelling van het systeem aan
te passen. Stel in dat geval het juiste land in
zoals aangegeven onder “Tv-kanalen zoeken/
Voorkeurslijst”, zie pagina 291.
Om terug te keren naar het tv-beeld dient u
enkele seconden te wachten of te drukken op
EXIT.
Beeldinstellingen
Het is mogelijk de instellingen voor helderheid
en contrast te wijzigen. Voor meer informatie,
zie pagina 269.
06
Wegvallende signalen
Als de signalen van het bekeken tv-kanaal
wegvalt, bevriest het beeld. Kort daarna verschijnt een melding die aangeeft dat de signalen van het actuele tv-kanaal zijn weggevallen
en dat er opnieuw naar het kanaal wordt
gezocht. Wanneer er opnieuw signalen binnenkomen, wordt het tv-kanaal meteen weergegeven. Wanneer de melding verschijnt, kunt u
uiteraard ook van kanaal veranderen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
293
06 Infotainment
Afstandsbediening*
Algemeen
De afstandsbediening is te gebruiken voor alle
functies van het infotainmentsysteem. De toetsen op de afstandsbediening hebben dezelfde
functies als de overeenkomstige toetsen op de
middenconsole of de toetsenset* op het stuurwiel.
Druk bij gebruik van de afstandsbediening de
knop
op de afstandsbediening in stand
F. Richt de afstandsbediening vervolgens op
de IR-ontvanger, die rechts van de knop
INFO (zie pagina 249) op de middenconsole zit.
WAARSCHUWING
Bewaar losse voorwerpen, zoals een mobiele telefoon, camera, afstandsbediening
voor extra uitrusting e.d., in het dashboardkastje of andere opbergruimten. Bij krachtig
afremmen of een botsing kunnen deze
anders inzittenden verwonden.
06
N.B.
Leg de afstandsbediening niet in de felle zon
(zoals op het dashboard) – dan kunnen er
problemen met de batterijen ontstaan.
Functies
Toets
Functie
F = Beeldscherm voorin
Overschakelen op navigatie*
Overschakelen op radiobron
(AM, FM1 etc.)
Overschakelen op mediabron
(Disk, TV* etc.)
Overschakelen op BluetoothŸhandsfree*
Achteruitbladeren/-spoelen, van
track/nummer wisselen.
Afspelen/Pauzeren
Stoppen
Vooruitbladeren/-spoelen, van
track/nummer wisselen
Menu
Teruggaan, functie beëindigen,
ingevoerde tekens wissen
Komt overeen met TUNE op de middenconsole.
294
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
06 Infotainment
Afstandsbediening*
Toets
Functie
Functie
Omhoog/omlaag
Ondertiteling, ondertitelingstaal
kiezen
Naar rechts/links
Teletekst*, aan/uit
Keuze bevestigen of menusysteem voor gekozen bron openen
Volume verlagen
Volume verhogen
0–9
Toets
Voorkeurskanalen kiezen, cijfers/
letters invoeren
Batterijen in afstandsbediening
vervangen
N.B.
De batterijen gaan normaal 1–4 jaar mee,
afhankelijk van het gebruik van de afstandsbediening.
1. Duw de vergrendeling van het dekseltje op
het batterijvakje in en duw het deksel in de
richting van het IR-oog.
Sneltoets voor ingestelde favorieten
De afstandsbediening werkt op vier batterijen
van het type AA/LR6.
2. Verwijder de lege batterijen en leg de
nieuwe batterijen op de aangegeven
manier in het batterijvakje.
Informatie over actueel programma, nummer etc. Tevens te
gebruiken als er meer informatie
beschikbaar is dan op het beeldscherm kan worden weergegeven
Neem bij lange ritten extra batterijen mee.
3. Plaats het dekseltjes terug.
06
N.B.
Lege batterijen moet u op een milieuvriendelijke manier inzamelen.
Taal geluidstrack kiezen
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
295
Rijadviezen............................................................................................
Tanken..................................................................................................
Brandstof..............................................................................................
Lading vervoeren..................................................................................
Bagageruimte........................................................................................
Rijden met een aanhanger....................................................................
Slepen en bergen..................................................................................
296
298
301
303
307
311
313
320
TIJDENS HET RIJDEN
07 Tijdens het rijden
Rijadviezen
Algemeen
Zuinig rijden
Zuinig rijden houdt in dat u anticiperend en
rustig rijdt, en uw rijstijl en snelheid afstemt op
de verkeerssituatie.
• Rijd in de hoogst mogelijke versnelling,
afhankelijk van de verkeerssituatie en de
weggesteldheid – lagere toeren leveren
een lager brandstofverbruik op.
• Rijd niet met open zijruiten.
• Vermijd onnodig snel optrekken en krachtig remmen.
• Neem geen spullen in de auto mee die u
niet gebruikt – hoe groter de belading, des
te hoger het brandstofverbruik.
• Rem af op de motor, wanneer dat zonder
gevaar voor medeweggebruikers mogelijk
is.
• Lading op het dak en een skibox resulteren
in een grotere luchtweerstand waardoor
het brandstofverbruik toeneemt – verwijder
lastdagers die u niet gebruikt.
07
• Laat de motor niet stationair warmdraaien,
maar belast de motor in plaats daarvan zo
snel mogelijk licht – een koude motor verbruikt meer brandstof dan een warme.
• Bij auto's met een handgeschakelde versnellingsbak geldt in normale omstandigheden op een vlakke ondergrond de 2e
versnelling als wegrijversnelling.
298
Zie pagina 11 en 393 voor meer informatie en
meer tips.
WAARSCHUWING
Zet de motor nooit af tijdens het rijden (zoals
op een aflopende helling), omdat daarbij
belangrijke systemen zoals de stuur- en
rembekrachtiging wegvallen.
Doorwaaddiepte
U kunt met de auto door waterpartijen van
maximaal 25 cm diep rijden met een maximumsnelheid van 10 km/h. Wees extra voorzichtig bij het doorwaden van stromend water.
Houd een lage snelheid aan tijdens het waden
en breng de auto niet in het water tot stilstand.
Trap na het passeren van de waterpartij lichtjes
op het rempedaal om te controleren of de remwerking in orde is. Bij water en vuil op de remblokken kunnen er vertragingen in de remwerking optreden.
• Maak de aansluitingen voor de elektrische
motorverwarming en de aanhangerkoppeling schoon na ritten in water en modder.
• Laat de auto niet langdurig in water staan
dat tot boven de dorpelbalken – elektrische
storingen zijn anders niet uitgesloten.
BELANGRIJK
Als er water in het luchtfilter komt, kan er
motorschade ontstaan.
Bij een diepte groter dan 25 cm kan er water
in de transmissie komen. Het smerende vermogen van de oliën neemt dan af, waardoor
de levensduur van deze systemen korter
wordt.
Bij een motorstop in water moet u niet proberen opnieuw te starten. Laat de auto uit
het water naar de werkplaats slepen - geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats. Kans op motorschade.
Motor, versnellingsbak en koelsysteem
In bepaalde omstandigheden, bij zware belasting op steile hellingen en warm weer, bestaat
het gevaar dat de motor en de aandrijflijn oververhit raken – vooral bij het vervoer van een
zware lading.
Voor informatie over oververhitting bij het
gebruik van een aanhanger, zie pagina 314.
• Verwijder verstralers die voor de grille zitten tijdens ritten bij warm weer.
• Als de temperatuur in het koelsysteem van
de motor te hoog oploopt, gaat het waarschuwingssymbool branden en verschijnt
op het informatiedisplay de melding
Motortemp. hoog Stop auto z.s.m. –
breng de auto in dat geval zo spoedig
07 Tijdens het rijden
Rijadviezen
mogelijk tot stilstand en laat de motor
enkele minuten stationair lopen zodat deze
kan afkoelen.
Geopende achterklep
WAARSCHUWING
• Als de displaymelding Motortemp. hoog
•
•
•
Zet motor af of Koelvl.peil laag Zet
motor af verschijnt, dient u nadat de auto
tot stilstand is gekomen ook de motor af te
zetten.
Bij oververhitting van de versnellingsbak
wordt een ingebouwde beveiliging geactiveerd die er onder meer voor zorgt dat het
waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel gaat branden en dat de melding
Versn.bak heet Rijd langzamer of
Versn.bak heet Stop auto z.s.m. verschijnt – volg het gegeven advies en verlaag de snelheid of breng de auto op een
veilige manier tot stilstand om de motor te
laten afkoelen door deze enkele minuten
stationair te laten draaien.
Bij oververhitting kan de airconditioning
zichzelf tijdelijk uitschakelen.
Na een zware rit moet u de motor niet
meteen afzetten, maar nog enige tijd stationair laten lopen.
N.B.
Het is normaal dat de koelventilator van de
motor een tijdje werkt nadat de motor is uitgeschakeld.
Rijd niet met een geopende achterklep. Via
de bagageruimte kunnen er giftige uitlaatgassen in de auto worden gezogen.
Accu niet overmatig belasten
De elektrische functies van de auto belasten de
startaccu in verschillende mate. Laat het contactslot niet te lang achtereen in sleutelstand
II staan, wanneer u de motor hebt afgezet.
Maak in plaats daarvan gebruik van de stand
I – het stroomverbruik is dan minder.
Let er tevens op dat de verschillende accessoires het elektrisch systeem belasten. Schakel onderdelen/systemen die veel stroom
nemen uit, wanneer u de motor hebt afgezet.
Voorbeelden van dergelijke onderdelen/systemen zijn:
•
•
•
•
interieurventilator
koplampen
ruitenwisser
audiosysteem (hoog volume).
Als de accuspanning laag is, verschijnt op het
informatiedisplay de melding Accuspann.
laag Spaarstand. De energiebesparingsfunctie schakelt vervolgens bepaalde onderdelen/
systemen uit of verlaagt de belasting van de
accu door bijvoorbeeld de interieurventilator
lager te zetten en/of het audiosysteem uit te
schakelen.
–
Laad de startaccu dan op door de motor te
starten en deze minstens 15 minuten lang
te laten lopen – de accu wordt beter opgeladen tijdens het rijden dan bij stilstand met
een stationair lopende motor.
Voorbereidingen bij lange reizen
• Controleer of de motor naar behoren functioneert en of het brandstofverbruik in orde
is.
• Zorg dat er geen sprake is van lekkage
(brandstof, olie of andere vloeistoffen).
• Controleer alle lampen en de profieldiepte
van de banden.
• In sommige landen bent u wettelijk verplicht een gevarendriehoek mee te nemen.
Rijden tijdens de winter
Let voor aanvang van de winter in het bijzonder
op het volgende:
• De koelvloeistof van de motor moet ten
07
minste 50 % glycol bevatten. Bij een dergelijke concentratie is de motor
beschermd tegen stukvriezen tot
ca. –35 °C. Voor optimale bescherming
299
07 Tijdens het rijden
Rijadviezen
tegen vorst is het zaak geen verschillende
soorten glycol met elkaar te mengen.
• Houd de tank altijd goed gevuld om condens in de brandstoftank tegen te gaan.
N.B.
In sommige landen is het gebruik van winterbanden verplicht. Banden met spikes zijn
niet in alle landen toegestaan.
• De viscositeit van de motorolie is belangrijk. Wanneer u oliesoorten met een lagere
viscositeit (dunnere oliën) gebruikt, slaat
de motor bij koud weer gemakkelijker aan
en neemt bovendien het brandstofverbruik
tijdens de koude start af. Voor meer informatie over geschikte oliesoorten (zie
pagina 388).
BELANGRIJK
Gebruik geen olie met een lage viscositeitsaanduiding bij zware rijomstandigheden of
warm weer.
• Controleer de algehele conditie en de
ladingstoestand van de accu. De accu
wordt zwaarder belast bij koud weer en
ook de accucapaciteit neemt af bij vorst.
• Giet ruitensproeiervloeistof in het sproei07
ervloeistofreservoir om ijsvorming te voorkomen.
Voor optimale grip bij gevaar voor sneeuw of
ijs adviseert Volvo u om de auto rondom van
winterbanden te voorzien.
300
Nieuwe auto’s en gladde wegen
Oefen onder gecontroleerde omstandigheden
om te testen hoe de auto bij gladheid reageert.
07 Tijdens het rijden
Tanken
Tanken
Tankvulklep handmatig openen
De brandstoftank is voorzien van een doploos
brandstofvulsysteem.
Tankvulklep openen/sluiten
Open de tankvulklep door de achterkant
van de klep wat in te drukken.
Trek de klep open.
Sluit de klep na het tanken.
Zie voor het ver-/ontgrendelen van de tankvulklep zie pagina 61. De vergrendellogica van de
tankvulklep volgt ook keyless-drive en de vergrendeling resp. ontgrendeling van de centrale
vergrendeling. De tankvulklep wordt altijd met
een vertraging van 10 minuten vergrendeld.
Brandstof tanken
De tankvulklep kan met de hand worden
geopend als van buitenaf openen niet mogelijk
is.
Open/verwijder het zijluikje in de bagageruimte (aan de kant van de tankvulklep).
Trek de lijn voorzichtig recht naar achteren.
De klep kan nu van buitenaf worden
geopend.
BELANGRIJK
Trek voorzichtig aan de lus – er is slechts
weinig kracht nodig om de klep te ontgrendelen.
• Steek het mondstuk van het vulpistool in
de brandstofvulopening. Let op dat het
mondstuk van het vulpistool correct in de
vulbuis wordt gestoken. De vulbuis bestaat
uit twee te openen doppen en het mondstuk moet langs de beide doppen worden
geleid voordat er kan worden getankt.
• Giet de tank niet te vol door het vulpistool
na de eerste afslag uit de vulopening te
halen.
07
N.B.
Een overvolle tank kan bij warm weer overstromen.
301
07 Tijdens het rijden
Tanken
N.B.
Voorkom morsen door na het tanken ca.
5–8 seconden te wachten en daarna het vulpistool voorzichtig te verwijderen.
Bijvullen met reservetank
Gebruik bij het bijvullen met een reservetank de
trechter die onder het vloerluik in de kofferbak
ligt. Let op dat de trechter correct in de vulbuis
wordt gestoken. De vulbuis bestaat uit twee te
openen doppen en de trechter moet langs de
beide doppen worden geleid voordat er kan
worden bijgevuld.
07
302
07 Tijdens het rijden
Brandstof
Algemene informatie over brandstof
Gebruik geen brandstof met een slechtere
kwaliteit dan Volvo adviseert, omdat dit een
nadelige invloed kan hebben op het motorvermogen en het brandstofverbruik.
WAARSCHUWING
Zorg er altijd voor dat u geen brandstofdampen inademt of brandstofspatten in de
ogen krijgt.
Bij brandstof in de ogen eventuele contactlenzen uitnemen en de ogen ten minste 15
minuten lang spoelen met een ruime hoeveelheid schoon water en medische hulp
inroepen.
Brandstof nooit inslikken. Brandstoffen
zoals benzine en dieselolie zijn uitermate
giftig en kunnen bij inwendig gebruik aanleiding geven tot blijvend letsel met mogelijk
dodelijke afloop. Roep onmiddellijk medische hulp in bij het inslikken van brandstof.
WAARSCHUWING
Op de grond gemorste brandstof kan vlam
vatten.
Schakel de verwarming op brandstof uit
voordat u gaat tanken.
Heb nooit een ingeschakelde mobiele telefoon bij u als u staat te tanken. Door het
belsignaal kan er vonkvorming ontstaan
waardoor de benzinedampen ontsteken en
dat kan tot brand en letsel leiden.
BELANGRIJK
Door mengsels van verschillende soorten
brandstoffen of het gebruik van niet aanbevolen brandstof vervallen de garanties van
Volvo en evt. aanvullende serviceovereenkomsten. Dit geldt voor alle motoren.
N.B.
Bij extreme weersomstandigheden, rijden
met een aanhanger/caravan of ritten op
grote hoogte kan, afhankelijk van de
gebruikte brandstofkwaliteit, het prestatievermogen van de auto te wensen overlaten.
het uitlaatsysteem gemonteerd om snel op
temperatuur te komen.
De katalysatoren bestaan uit een monoliet
(keramiek of metaal) met kanalen. De wanden
van de kanalen zijn bekleed met platina/
rodium/palladium. Deze edelmetalen hebben
een katalytische werking, d.w.z. ze versnellen
een chemische reactie zonder dat ze daar zelf
actief aan deelnemen.
LambdasondeTM (zuurstofsensor)
De lambdasonde maakt deel uit van het regelsysteem dat tot taak heeft de uitstoot te beperken en de energie-inhoud van de brandstof
beter te benutten.
Een zuurstofsensor registreert het zuurstofgehalte van de uitlaatgassen die de motor verlaten. De meetwaarde van de uitlaatgasanalyse
wordt doorgegeven aan het elektronische systeem dat continu de injectoren afregelt. Het
lucht-brandstofmengsel dat de motor krijgt,
wordt continu bijgesteld. De regeling schept de
ideale omstandigheden voor een effectieve
verbranding van de schadelijke stoffen (koolwaterstoffen, koolmonoxide en stikstofoxiden)
in de driewegkatalysator.
07
Katalysatoren
De katalysatoren hebben tot taak de uitlaatgassen te reinigen. Ze zijn dicht bij de motor in
303
07 Tijdens het rijden
Brandstof
Benzine
Dieselolie
Benzine dient te voldoen aan de norm NENEN 228. De meeste motoren kunnen op benzine met een octaangetal van 95 en 98 RON
lopen. 91 RON mag alleen in uitzonderlijke
gevallen worden gebruikt.
Maak alleen gebruik van dieselolie van gerenommeerde oliemaatschappijen. Giet nooit
dieselolie van twijfelachtige kwaliteit in de tank.
Diesel moet voldoen aan de norm EN 590 of
JIS K2204. Dieselmotoren zijn gevoelig voor
verontreiniging in de brandstof, zoals een te
grote hoeveelheid zwaveldeeltjes.
• 95 RON is te gebruiken in normale rijomstandigheden.
• 98 RON wordt geadviseerd voor een maximaal rendement tegen een minimaal
brandstofverbruik.
Voor ritten bij temperaturen hoger dan +38 °C
wordt u geadviseerd een brandstofsoort met
een zo hoog mogelijk octaangetal te gebruiken.
Dit om optimale prestaties en een zo laag
mogelijk brandstofverbruik te verkrijgen.
BELANGRIJK
07
•
Gebruik alleen loodvrije benzine om
schade aan de katalysator tegen te
gaan.
•
Gebruik geen toevoegingen die niet
door Volvo zijn aanbevolen.
Bij lage temperaturen (–6 °C tot –40 °C) kan de
paraffine in de dieselolie uitvlokken. Dit kan tot
startproblemen leiden. De grote oliemaatschappijen produceren speciale dieselolie
bestemd voor gebruik bij buitentemperaturen
rond het vriespunt. Deze dieselolie is dunner bij
lage temperaturen en beperkt de kans op vlokvorming in het brandstofsysteem.
De kans op condensatie in de brandstoftank
neemt af, als u de tank altijd goed gevuld
houdt. Houd tijdens het tanken het gebied rond
de vulpijp goed schoon. Voorkom morsen op
gelakte oppervlakken. Maak als u gemorst
hebt het gebied met water en zeep schoon.
BELANGRIJK
Er mag uitsluitend brandstof, die aan de
Europese dieselstandaard voldoet, worden
gebruikt.
Het zwavelgehalte mag maximaal 50 ppm
zijn.
BELANGRIJK
Maak geen gebruik van de volgende dieselolie-achtige brandstoffen:
•
•
•
•
speciale toevoegingen (dopes)
scheepsolie
stookolie
FAME1 (Fatty Acid Methyl Ester) of
plantaardige olie.
Dergelijke brandstoffen voldoen niet aan de
kwaliteitseisen die Volvo stelt en geven aanleiding tot verhoogde vormen van slijtage en
motorschade die niet worden gedekt door
de garanties van Volvo.
Wanneer u de tank leegrijdt
Op grond van zijn constructie moet het brandstofsysteem mogelijk eerst ontlucht worden
om een dieselmotor na bijtanken opnieuw te
kunnen starten.
1
304
Dieselolie kan een bepaalde hoeveelheid FAME bevatten. Het is niet toegestaan meer toe te voegen.
07 Tijdens het rijden
Brandstof
Na motoruitval door brandstofgebrek heeft het
brandstofsysteem enige tijd nodig om een controle uit te voeren. Doe in dat geval (ná bijtanken met dieselolie) het volgende, voordat u de
motor start:
1. Plaats de transpondersleutel in het contactslot en duw deze tot aan de aanslag
naar binnen (zie pagina 81).
2. Druk op de START-knop zonder rem- en/
of koppelingspedaal te bedienen.
3. Wacht ca. 1 minuut.
4. Om de motor te starten: Bedien rem- en/of
koppelingspedaal en druk nogmaals op de
START-knop.
N.B.
Alvorens brandstof te tanken bij een leeggereden tank:
•
Breng de auto tot stilstand op een zo
egaal/horizontaal mogelijke ondergrond – als de auto overhelt, bestaat er
gevaar voor luchtbellen in de brandstoftoevoer.
Condenswater uit brandstoffilter
aftappen
Het brandstoffilter ontdoet de brandstof van
condenswater. Condenswater kan anders aanleiding geven tot motorstoringen.
Houd u voor het aftappen van het condenswater aan de specificaties die in uw Service- en
garantieboekje staan aangegeven. Ook wanneer u vermoedt dat er verontreinigde brandstof is gebruikt, moet u het brandstoffilter
aftappen.
BELANGRIJK
Bepaalde speciale toevoegingen verwijderen de waterafscheiding in het brandstoffilter.
Roetfilter dieselmotor (DPF)
Dieselmodellen zijn uitgerust met een roetfilter,
waardoor een nog effectievere uitlaatgasreiniging mogelijk is. Onder normale rijomstandigheden blijven de roetdeeltjes uit de uitlaatgassen in het filter achter. Om de roetdeeltjes te
verbranden en het filter te legen wordt een
zogeheten regeneratie gestart. Daarvoor moet
de motor de normale bedrijfstemperatuur hebben.
De regeneratie van het filter gaat automatisch
en duurt normaal gesproken 10-20 minuten. Bij
een lage gemiddelde snelheid kan dit iets langer duren. Gedurende de regeneratie kan het
brandstofverbruik iets stijgen.
Dit betekent dat het roetfilter niet geregenereerd en niet geleegd wordt.
Wanneer het filter voor ca. 80 % met roetdeeltjes gevuld is, licht de oranje waarschuwingsdriehoek op het instrumentenpaneel op en verschijnt de melding Roetfilter vol Zie
instructieb. op het display van het instrumentenpaneel.
U start de regeneratie van het filter door met de
auto op een secundaire weg of op een snelweg
te rijden totdat de motor voldoende op temperatuur is gekomen. Daarna rijdt u nog
20 minuten verder.
N.B.
Tijdens de regeneratie is tijdelijk mogelijk
een geringe beperking van het motorvermogen te bespeuren.
Wanneer het filter geregenereerd is, verdwijnt
de waarschuwingsmelding automatisch.
Wanneer u bij koud weer de standverwarming* inschakelt, bereikt de motor sneller de
normale bedrijfstemperatuur.
07
Regeneratie bij koud weer
Als u bij koud weer vaak korte afstanden rijdt,
komt de motor onvoldoende op temperatuur.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
305
07 Tijdens het rijden
Brandstof
BELANGRIJK
Als het filter helemaal vol deeltjes zit, kan het
moeilijk zijn om de motor te starten en het
filter wordt onbruikbaar. De kans bestaat
dan dat het filter moet worden vervangen.
Brandstofverbruik en uitstoot van
kooldioxide
Het gebruik van extra accessoires kan de verbruikscijfers beïnvloeden, omdat de accessoires het gewicht van de auto verhogen. Zie de
informatie over gewichten op pagina 385 en
de tabel op pagina 393.
Ook de rijstijl en andere niet-technische factoren kunnen van invloed zijn op het brandstofverbruik.
Bij gebruik van brandstof met een octaangetal
van 91 RON neemt het brandstofverbruik toe,
terwijl het motorvermogen lager wordt.
N.B.
07
306
Bij extreme weersomstandigheden, gebruik
van een aanhanger/caravan of ritten op
grote hoogte kan, afhankelijk van de
gebruikte brandstofkwaliteit, het prestatievermogen van de auto te wensen overlaten.
07 Tijdens het rijden
Lading vervoeren
Algemene informatie over vervoer van
lading
• Dek scherpe randen met iets zachts af om
Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar
gewicht van de auto. Het laadvermogen dient
te worden verminderd met de som van het
gewicht van eventuele inzittenden en dat van
gemonteerde accessoires. Voor gedetailleerde
informatie over de gewichten, zie pagina 385.
• Zet alle bagage met riemen of bevesti-
De achterklep is te openen met de
knop op het verlichtingspaneel of
met de transpondersleutel, zie pagina 59.
de bekleding te beschermen.
gingsbanden aan de verankeringsogen
vast.
WAARSCHUWING
Een los voorwerp van 20 kg kan bij een frontale botsing bij een snelheid van 50 km/h tijdens de beweging met een gewicht van
1000 kg overeenkomen.
WAARSCHUWING
Afhankelijk van het gewicht en de positie
van de lading verandert het rijgedrag van de
auto.
WAARSCHUWING
Anders bieden de opblaasgordijnen die
schuilgaan achter de plafondbekleding
mogelijk geen bescherming meer.
•
Aandachtspunten bij in-/uitladen
• Plaats de bagage stevig tegen de rugleuning van de achterbank.
Let erop dat het WHIPS niet door voorwerpen
mag worden gehinderd, als een of meer van de
ruggedeelte van de achterbank zijn neergeklapt, zie pagina 27.
• Plaats de last in het midden.
• Breng zware voorwerpen zo laag mogelijk
aan. Plaats geen zware voorwerpen op
neergeklapte ruggedeelten.
Zorg dat de lading nooit boven de ruggedeelten uitsteekt.
WAARSCHUWING
Zorg dat u de bagage altijd goed verankert.
Bij krachtig remmen kan de bagage namelijk
gaan schuiven en inzittenden verwonden.
Dek scherpe randen en hoeken af met iets
zachts.
Zet de motor af en schakel de parkeerrem
in bij het in- en uitladen van lange voorwerpen. Lange voorwerpen kunnen namelijk
tegen de versnellingspook of keuzehendel
aan komen en zo per ongeluk een versnelling inschakelen – de auto kan dan in beweging komen.
Voorstoel
Voor het vervoer van extra lange lading kunt u
ook de rugleuning van de passagiersstoel
omklappen, zie pagina 83.
Lading op het dak
Lastdragers gebruiken
Om schade aan de auto te voorkomen en voor
maximale veiligheid tijdens het rijden, wordt u
geadviseerd de lastdragers te gebruiken die
door Volvo ontwikkeld zijn.
07
Volg de montage-instructies die bij de lastdragers worden geleverd nauwkeurig op.
307
07 Tijdens het rijden
Lading vervoeren
• Controleer regelmatig of de lastdragers en
Verankeringsogen
de lading goed vastzitten. Zet de lading
stevig vast met sjorbanden.
Houder voor boodschappentassen
Met de houders voor boodschappentassen
kunt u draagtassen vastzetten om te voorkomen dat ze omvallen en hun inhoud over de
vloer van de kofferbak verspreiden. De belasting van de houder is max. 3 kg.
• Verdeel het gewicht van de lading gelijkmatig over de lastdragers. Leg de zwaarste
voorwerpen onderop.
• Naarmate u meer lading op het dak vervoert, vangt de auto meer wind en neemt
het brandstofverbruik toe.
• Rijd rustig. Trek bij voorkeur niet te snel op,
rem niet te hard en maak niet te scherpe
bochten.
WAARSCHUWING
Bij het vervoer van lading op het dak verschuift het zwaartepunt en treden er wijzigingen op in de rijeigenschappen van de
auto. Voor informatie over de maximale
dakbelasting, inclusief lastdragers en een
eventuele skibox, zie pagina 385.
Ruggedeelte achterbank omklappen
07
308
Om het in- en uitladen van de bagageruimte te
vereenvoudigen kunt u de ruggedeelten van de
achterbank neerklappen, zie pagina 86.
De verankeringsogen in de bagageruimte
gebruikt u om bagagebanden aan vast te zetten.
WAARSCHUWING
Harde, scherpe en/of zware voorwerpen die
liggen of uitsteken kunnen bij krachtig
afremmen letsel veroorzaken.
Zet grote en zware voorwerpen altijd met de
veiligheidsgordel of een spanband vast.
Houder voor boodschappentassen
07 Tijdens het rijden
Lading vervoeren
12 V-uitgang*
Opklapbare houder voor
boodschappentassen*
Opklapbare houder voor boodschappentassen
De opklapbare houder voor boodschappentassen in de vloer kan in drie standen worden
uitgeklapt. De houder kent twee afstelstanden
en een zgn. servicestand (recht omhoog). De
houder is verkrijgbaar met twee vloercombinatievarianten: een met afstelstanden in de bak
onder de vloer en een met afstelstanden in
kunststof rails. Het uitkleppen hieronder toont
de afstelstand in de bak onder de vloer.
De belasting van de middelste houder is max.
3 kg en de buitenste houders max. 10 kg.
Til de bovenvloer op aan de handgreep* en
klap de vloer op.
Beweeg de vloer naar een geschikte stand
en plaats de vloer in het afstelspoor.
3. In de servicestand wordt de vloer helemaal
tegen de rugleuning van de achterbank in
de kunststof steun in het midden gezet.
Open het klepje om bij de elektrische aansluiting te komen.
• Via de aansluiting is ook stroom af te
nemen, wanneer de transpondersleutel
niet in het contactslot steekt.
BELANGRIJK
Max. 10 A (120 W).
07
N.B.
Denk eraan dat als de elektrische aansluiting word gebruikt als de motor uit is, de
startaccu van de auto kan ontladen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
309
07 Tijdens het rijden
Lading vervoeren
N.B.
De compressor voor provisorische bandenreparatie is door Volvo getest en goedgekeurd. Voor informatie over het gebruik van
de aanbevolen provisorische bandenreparatie (TMK) van Volvo, zie pagina 336.
07
310
07 Tijdens het rijden
Bagageruimte
Ladingnet*
Aanbrengen
N.B.
U monteert het bagagenet het eenvoudigst
via het ene achterportier.
WAARSCHUWING
U dient te controleren of de bovenste
bevestigingen van het bagagenet goed
gemonteerd zijn en of de trekbanden goed
vastzitten. Een beschadigd net mag niet
worden gebruikt.
Het ladingnet wordt aan vier bevestigingspunten
vastgezet.
Het ladingnet voorkomt dat bagage bij krachtige remmanoeuvres de passagiersruimte in
wordt geslingerd. U moet het ladingnet, uit
voorzorg, altijd op de juiste manier bevestigen
en verankeren. Het net is gemaakt van sterk
nylon en wordt achter de rugleuning van de
voorstoelen vastgemaakt.
WAARSCHUWING
Lading in de bagageruimte moet goed worden vastgezet, ook met een correct gemonteerd bagagenet.
1. Vouw het ladingnet open en zorg dat de
gedeelde bovenste stang in uitgeklapte
stand geblokkeerd wordt.
2. Haak het ene uiteinde van de stang vast
aan de plafondbevestiging, met de sluiting
van de spanbanden naar u toe.
3. Haak het andere uiteinde van de stang vast
aan de plafondbevestiging aan de tegenoverliggende zijde – de bevestigingshaken
met telescoopveren maken het aanbrengen eenvoudiger. Let erop dat u de bevestigingshaken van de stang in de voorste
eindstand van de beide plafondbevestigingen duwt.
4. Haak de spanbanden van het ladingnet
vast in de verankeringsogen achter op de
stoelrails – dit gaat eenvoudiger als u de
rugleuningen rechtop zet en de stoelen iets
verder naar voren zet.
Let erop dat u de stoel/rugleuning niet te
hard tegen het net duwt bij het terugduwen
van de stoel – zorg dat de stoel/rugleuning
het net precies raakt.
BELANGRIJK
07
Als u de stoel/rugleuning hard naar achteren
tegen het bagagenet drukt, kunnen het net
en/of zijn plafondbevestigingen beschadigd
raken.
5. Span het ladingnet aan met de spanbanden.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
311
07 Tijdens het rijden
Bagageruimte
Demonteren en opbergen
4. Klap de stang in het midden dubbel en rol
het net op.
Hoedenplank
Doe het net in de opbergzak.
Het opgevouwen ladingnet wordt in de zak in
de kofferbak bewaard.
Het ladingnet is eenvoudig te demonteren en in te
klappen.
Haal de spanning van het net door de knop
op de sluiting van de spanband in te drukken en de spanband een stukje te vieren.
Duw de borghaak in en neem de beide
haken van de spanband los.
07
Haak de stang los van de plafondbevestigingen door de stang achterwaarts te trekken naar de achterste eindstand van de
bevestigingen en de stang naar een willekeurige kant te drukken, zodat de haak in
de stang veert en tegelijkertijd de haak aan
de andere kant loskomt.
Pak tenslotte de plafondbevestigingshaak
uit de plafondbevestiging.
312
De hoedenplank kan worden verwijderd voor
extra laadruimte.
Hoedenplank verwijderen
Maak de hefogen aan beide kanten van de
hoedenplank los.
Haak de voorkant van de hoedenplank los
en verwijder de hoedenplank.
07 Tijdens het rijden
Rijden met een aanhanger
Algemeen
Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar
gewicht van de auto. Het laadvermogen dient
te worden verminderd met de som van het
gewicht van eventuele inzittenden en dat van
gemonteerde accessoires, zoals een trekhaak.
Voor gedetailleerde informatie over de gewichten, zie pagina 385.
Als de trekhaak door Volvo is gemonteerd,
wordt de auto compleet aangeleverd met de
benodigde randuitrusting voor het gebruik van
een aanhanger.
• De trekhaak van de auto moet van een
goedgekeurd type zijn.
• Bij montage achteraf moet u contact opnemen met uw erkende Volvo-werkplaats om
te controleren of uw auto van de nodige
uitrusting is voorzien om met een aanhanger te kunnen rijden.
•
Verdeel de lading in de aanhanger dusdanig dat de druk op de trekhaak de maximale kogeldruk niet overschrijdt.
• Verhoog de bandenspanning tot de aanbevolen druk bij maximale belading. Voor
de positie van de bandenspanningstabel,
zie pagina 334.
• Bij het gebruik van een aanhanger wordt de
motor zwaarder belast dan normaal.
• Rijd niet met een zware aanhanger, wan-
hiermee totdat de auto ten minste
1000 kilometer heeft gereden.
• Bij het afdalen op lange en steile hellingen
worden de remmen veel zwaarder belast
dan normaal. Schakel dan terug naar een
lagere versnelling en pas uw snelheid aan.
zersymbool op het instrumentenpaneel sneller
dan normaal en op het display verschijnt de
tekst Lampfout - Knip- perl. aanhanger.
Als een van de remlichten op de aanhanger
defect is, dan verschijnt de tekst Lampfout Rem- licht aanhanger.
• Om veiligheidsredenen dient u de toelaatbare maximumsnelheid voor auto’s met
een aanhanger/caravan niet te overschrijden. Neem de geldende bepalingen in acht
ten aanzien van de toelaatbare snelheden
en gewichten.
• Houd een lage snelheid aan, wanneer u
met een aanhanger achter de auto een
lange en steile helling oprijdt.
• Vermijd hellingen met een percentage van
meer dan 12 % bij het gebruik van een
aanhanger.
Trekhaakbedrading
Niveauregeling*
Als uw auto is uitgerust met automatische
niveauregeling nemen de achterste schokdempers tijdens het rijden altijd dezelfde rijhoogte in ongeacht de belading (tenzij het
maximaal toelaatbare gewicht wordt overschreden). Wanneer de auto stilstaat, zakt de
achtertrein omlaag.
Aanhangergewichten
Voor informatie over de toelaatbare aanhangergewichten die Volvo hanteert, zie
pagina 386.
Als de trekhaak van de auto een 13-polig elektrisch contact heeft en de aanhanger een 7polig contact, hebt u een adapter nodig.
Gebruik een door Volvo goedgekeurde adapterkabel. Zorg dat de kabel niet over de grond
sleept.
07
Richtingaanwijzers en remlichten op
aanhanger
Als een van de richtingaanwijzers op de aanhanger defect is, knippert het richtingaanwij-
neer de auto nog helemaal nieuw is. Wacht
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
313
07 Tijdens het rijden
Rijden met een aanhanger
N.B.
De vermelde maximaal toegestane aanhangergewichten zijn door Volvo toegestaan.
De toelaatbare maximumsnelheid voor
auto's met aanhanger is 100 km/h. Het
gewicht van de aanhanger en de snelheid
kunnen verder worden beperkt door nationale voorschriften voor voertuigen. De trekhaken kunnen zijn gecertificeerd voor
hogere trekgewichten dan wat de auto mag
trekken.
WAARSCHUWING
Volg de vermelde aanbevelingen voor het
aanhangergewicht. Anders is het mogelijk
dat de hele combinatie bij uitwijkmanoeuvres en afremmen moeilijk onder controle is
te houden.
Handgeschakelde versnellingsbak
Oververhitting
07
Wanneer u bij warm weer een aanhanger sleept
in heuvelachtig terrein, bestaat er mogelijk
gevaar voor oververhitting.
•
314
Laat de motor geen hogere toeren maken
dan 4500 omw/min (3500 omw/min bij dieselmotoren) – anders kan de olietemperatuur te hoog oplopen.
Dieselmotor 5-cil.
• Bij gevaar voor oververhitting dient u het
optimale motortoerental van 2300–3000
omw/min aan te houden voor optimale
koelvloeistofcirculatie.
BELANGRIJK
Zie tevens de specifieke informatie over
langzaam rijden met een aanhanger voor
auto’s met een automatische versnellingsbak van het type Powershift op pagina 123.
Automatische versnellingsbak
Op een helling parkeren
Oververhitting
1. Trap het rempedaal in.
Wanneer u bij warm weer een aanhanger sleept
in heuvelachtig terrein, bestaat er mogelijk
gevaar voor oververhitting.
2. Activeer de parkeerrem.
• Een automatische versnellingsbak kiest
4. Haal uw voet van het rempedaal.
altijd de juiste versnelling voor het motortoerental.
• Bij gevaar voor oververhitting gaat een
oranje informatielampje op het instrumentenpaneel branden en verschijnt er een displaymelding – volg het gegeven advies.
3. Zet de keuzehendel in stand P.
• Zet de keuzehendel in de parkeerstand P,
wanneer u een automaat met aanhanger
parkeert. Gebruik altijd de parkeerrem.
• Gebruik wielblokken, als u een auto met
aanhanger op een steile helling parkeert.
Op een helling wegrijden
Steile hellingen
• Blokkeer een automatische versnellingsbak niet met een hogere versnelling dan de
motor “aankan” – rijden in een hoge versnelling bij een laag motortoerental is niet
altijd zuinig.
1. Trap het rempedaal in.
2. Zet de keuzehendel in de rijstand D.
3. Los de parkeerrem.
4. Haal uw voet van het rempedaal en rijd
weg.
07 Tijdens het rijden
Rijden met een aanhanger
Trekhaak
Als de auto is uitgerust met een afneembare
trekhaak, dienen de montagevoorschriften
voor het bevestigen van het afneembare
gedeelte zorgvuldig te worden opgevolgd, zie
pagina 316.
N.B.
Specificaties
Als er een koppeling met trillingsdemper
wordt gebruikt, mag de trekkogel niet worden gesmeerd.
Afneembare trekhaak opbergen
WAARSCHUWING
•
Volg de montage-instructies nauwkeurig op.
•
Zorg dat het afneembare gedeelte met
de sleutel vergrendeld is voordat u
begint te rijden.
•
Controleer of het controlevenster groen
van kleur is.
Belangrijke controlepunten
G021485
Als de auto is uitgerust met de afneembare
trekhaak van Volvo:
Opbergmogelijkheid voor de afneembare trekhaak.
• U moet de kogel van de trekhaak regelmatig schoonmaken en met vet insmeren.
WAARSCHUWING
De bewegende onderdelen van de afneembare trekhaak mogen niet worden
gesmeerd/ingevet. Hierdoor kan het veiligheidsniveau namelijk afnemen.
BELANGRIJK
Neem na gebruik altijd de afneembare trekhaak los en berg deze op de daarvoor
bestemde plaats op.
07
315
07 Tijdens het rijden
Rijden met een aanhanger
G021488
Afneembare trekhaak bevestigen
07
316
887
B
79
C
881
D
441
E
109
F
306
G
Langsligger
H
Middelpunt kogel
Het controlevenster moet rood van kleur
zijn.
G021489
A
G021487
Afmetingen, bevestigingspunten
(mm)
Verwijder de afdekking door de pal in te
en de afdekking vervolgens
drukken
recht naar achteren te trekken
.
Controleer of het mechanisme in de ontgrendelde stand staat door de sleutel
rechtsom te draaien.
Breng het kogelsegment aan en duw het
naar binnen totdat u een klik hoort.
07 Tijdens het rijden
Het controlevenster moet groen van kleur
zijn.
Controleer of het kogelsegment vastzit
door het stevig omhoog, omlaag en naar
achteren te bewegen.
WAARSCHUWING
G021495
G021494
G021490
Rijden met een aanhanger
Veiligheidskabel.
WAARSCHUWING
Controleer of de veiligheidskabel van de
aanhanger in de juiste bevestiging vastzit.
G000000
Als het kogelgedeelte niet goed zit, moet u
het verwijderen en opnieuw monteren zoals
eerder werd beschreven.
Draai de sleutel linksom naar de vergrendelde stand. Neem de sleutel uit het slot.
Afneembare trekhaak verwijderen
BELANGRIJK
Vet alleen de kogel in waarop de aanhangerkoppeling wordt geplaatst; houd de rest
van het kogelsegment vetvrij en droog.
07
Steek de sleutel in het slot en draai deze
rechtsom in de ontgrendelde stand.
317
07 Tijdens het rijden
Rijden met een aanhanger
WAARSCHUWING
Zet de afneembare trekhaak goed vast,
wanneer u deze in de auto bewaart, zie
pagina 315.
delbewegingen optreden. Doorgaans treedt
het verschijnsel pas bij zeer hoge snelheden
op. Als de aanhanger/caravan echter overmatig beladen is of als het gewicht van de lading
verkeerd verdeeld is (bijvoorbeeld te ver naar
achteren), bestaat er ook op lagere snelheden
van 70–90 km/h gevaar voor pendelbewegingen.
Een pendelbeweging begint altijd met een van
de onderstaande factoren, zoals:
Druk de vergrendelingsknop
in en draai
deze linksom
totdat u een klik hoort.
• De auto met aanhanger/caravan staat
bloot aan rukwinden.
• De auto met aanhanger/caravan rijdt over
een oneffen wegdek of over hobbels.
Duw de afdekking er zo ver op dat deze
vastklikt.
Trailer Stability Assist (TSA)*
07
Draai de vergrendelingsknop volledig
omlaag totdat deze niet verder kan. Houd
de knop in deze stand vast terwijl u het
kogelsegment schuin naar achteren toe
omhoogtrekt.
Het TSA-systeem (Trailer Stability Assist) heeft
tot taak de auto met een aanhanger/caravan te
stabiliseren wanneer de combinatie de neiging
tot pendelbewegingen vertoont.
De TSA-regeling maakt deel uit van het DSTCsysteem (Dynamic Stability and Traction
Control), zie pagina 142.
Functie
Bij alle combinaties van auto en aanhanger/
caravan kan het bekende verschijnsel met pen-
318
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
• Grote stuurbewegingen.
Bediening
Een pendelbeweging is vaak niet of nauwelijks
te dempen, waardoor de combinatie moeilijk
bestuurbaar wordt en het gevaar bestaat op de
verkeerde weghelft of naast de weg te belanden.
Het TSA-systeem houdt continu de bewegingen van de auto in de gaten en in het bijzonder
de dwarsbewegingen. Als een neiging tot pendelbewegingen geregistreerd wordt, worden
de voorwielen ieder afzonderlijk dusdanig
afgeremd dat de combinatie gestabiliseerd
wordt. Vaak is dit voldoende om de auto weer
onder controle te krijgen.
07 Tijdens het rijden
Rijden met een aanhanger
Als de pendelbeweging ondanks de eerste
ingreep van het TSA-systeem niet wordt
gedempt, worden alle wielen van de combinatie afgeremd en wordt de aandrijfkracht van de
motor verlaagd. Wanneer de pendelbeweging
vervolgens stukje bij beetje verminderd is en de
combinatie weer stabiel is, beëindigt het TSAsysteem de regeling waarna u de auto weer
volledig onder controle hebt.
Overig
Het TSA-systeem kan ingrijpen bij snelheden
van 65–160 km/h.
N.B.
De TSA-functie wordt uitgeschakeld, als u
de Sport-stand kiest, zie pagina 142.
Het TSA-systeem grijpt mogelijk niet in als u
met grote stuurbewegingen de pendelbeweging zelf tracht op te heffen, aangezien het
TSA-niet dan niet kan bepalen of de pendelbeweging wordt veroorzaakt door de aanhanger/caravan of door de bestuurder.
07
Wanneer het TSA-systeem actief is,
knippert het DSTC-symbool op het
instrumentenpaneel.
319
07 Tijdens het rijden
Slepen en bergen
Slepen
WAARSCHUWING
Kijk voordat u met slepen begint wat de wettelijk voorgeschreven maximumsnelheid voor
slepen is.
1. Ontgrendel het stuurslot door de transpondersleutel in het contactslot te plaatsen en
de START/STOP ENGINE-knop lang in te
drukken. Sleutelstand II wordt geactiveerd, zie pagina 81 voor meer informatie
over sleutelstanden.
2. Laat de transpondersleutel tijdens het slepen in het contactslot zitten.
3. Houd, wanneer de slepende auto afremt,
de sleepkabel altijd strak door met uw voet
lichte druk op het rempedaal uit te oefenen
– zo voorkomt u schokken.
De rem- en stuurbekrachtiging werken niet
als de motor is uitgeschakeld. Er moet
ca. 5 keer zo hard op het rempedaal worden
getrapt en de besturing gaat aanzienlijk
zwaarder dan normaal.
Handgeschakelde versnellingsbak
Alvorens te slepen:
–
Automatische versnellingsbak
Geartronic
BELANGRIJK
Sleep de auto altijd zo dat de wielen in de
rijrichting draaien.
4. Sta klaar om te remmen om de auto tot
stilstand te brengen.
•
WAARSCHUWING
•
Controleer voordat u gaat slepen of het
stuurslot eraf is.
•
De transpondersleutel moet in sleutelstand II staan. In stand I zijn alle airbags
gedeactiveerd.
07
•
320
Haal nooit de transpondersleutel uit het
contactslot als de auto wordt gesleept.
Zet de versnellingspook in de neutrale
stand en los de parkeerrem.
Sleep auto's met een automatische versnellingsbak niet met een hogere snelheid dan 80 km/h en niet verder dan 80
km. Houd de toegestane rijsnelheden
aan.
Alvorens te slepen:
–
Zet de keuzehendel in stand N en los de
parkeerrem.
Automatische versnellingsbak
Powershift
Bij het model met een Powershift-versnellingsbak moet de motor lopen voor voldoende smering van de versnellingsbak en daarom mag dit
model niet worden gesleept. Als de auto toch
moet worden gesleept, dan dient dit over een
zo kort mogelijke afstand en op zeer lage snelheid te gebeuren.
Wanneer u niet zeker weet of uw auto wel of
niet is uitgerust met een Powershift-versnellingsbak, kunt u dit controleren aan de hand
van de aanduiding op de versnellingsbaksticker onder de motorkap - zie pagina 382. De
aanduiding ”MPS6” houdt in dat het om een
Powershift –-bak gaat. Anders is het een
Geartronic-automaat.
07 Tijdens het rijden
Slepen en bergen
BELANGRIJK
Vermijd slepen.
•
•
Een auto die op een gevaarlijke plek in
het verkeer staat, mag echter over een
korte afstand (tot 10 km) en op lage
snelheid (tot 10 km/h) worden versleept.
Berg de auto altijd zo dat de wielen in
de rijrichting draaien.
Om de auto over afstanden groter dan
10 km te verslepen, dienen de aangedreven wielen geheven te worden – het
wordt geadviseerd een professioneel
bergingsbedrijf in te schakelen.
Alvorens te slepen:
–
Zet de keuzehendel in stand N en los de
parkeerrem.
Starten met hulpaccu
Probeer de motor niet aan te slepen. Gebruik
een hulpaccu als de startaccu dusdanig ontladen is dat de motor niet kan worden gestart,
zie pagina 117.
BELANGRIJK
De katalysator kan beschadigd raken bij
pogingen om de motor via slepen aan het
draaien te krijgen.
Sleepoog
Neem het sleepoog erbij dat onder het
vloerluik in de bagageruimte ligt.
Het sleepoog dient te worden vastgeschroefd
in een draadbus achter een afdekking in de
bumper, voor of achter.
Sleepoog bevestigen
N.B.
Om bij het sleepoog/de wielsleutel in het
schuimblok te komen:
•
Versie 1: Til de compressoreenheid van
de bandenreparatieset (punt 5) op om bij
de wielsleutel te komen. Til de bus met
afdichtmiddel eruit (punt 6) om bij het
sleepoog te komen.
•
Versie 2: Til de compressoreenheid van
de bandenreparatieset (punt 5) om bij het
sleepoog te komen. De wielsleutel ligt
onder de krik.
De afdekking op het bevestigingspunt voor
het sleepoog bestaat in twee versies die op
verschillende manieren moeten worden
geopend:
• U opent de versie met een uitsparing
door een muntstuk of iets dergelijks in
de uitsparing aan te brengen en de
afdekking los te werken. Klap de afdekking daarna helemaal los en verwijder
deze.
07
• Bij de andere versie zit er een markering
langs de ene zijde of in een hoek: Duw
met uw vinger op deze markering terwijl
u de tegenoverliggende zijde/hoek met
321
07 Tijdens het rijden
Slepen en bergen
de schroevendraaier openklapt – de
afdekking klapt rond de middellijn open
en kan vervolgens worden verwijderd.
Schroef het sleepoog tot aan de flens naar
binnen. Draai het oog stevig vast met bijvoorbeeld een wielsleutel.
Na gebruik wordt het sleepoog weer losgedraaid. Leg het sleepoog terug op zijn
plek.
Plaats de afdekking tot slot weer in de
bumper terug.
BELANGRIJK
Het sleepoog is alleen bedoeld voor het slepen over de weg en niet geschikt voor berging wanneer de auto bijvoorbeeld in een
sloot is gereden of vast is komen te zitten.
Roep professionele hulp in voor berging.
N.B.
07
Bij sommige auto’s met een afneembare
trekhaak kunt u het sleepoog niet in de achterste bevestiging aanbrengen wanneer het
kogelsegment gemonteerd is. Bevestig de
sleepkabel in dat geval aan de trekhaak.
Om die reden wordt geadviseerd het kogelsegment van de afneembare trekhaak in de
auto te bewaren, wanneer u de trekhaak niet
nodig hebt.
322
Bergen
Roep professionele hulp in voor berging.
BELANGRIJK
Berg de auto altijd zo dat de wielen in de
rijrichting draaien.
07 Tijdens het rijden
07
323
Algemeen .............................................................................................
Wielen verwisselen ...............................................................................
Bandenspanning ..................................................................................
Gevarendriehoek en EHBO-set*...........................................................
Provisorische bandenreparatie (TMK)* ................................................
324
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
326
330
334
335
336
WIELEN EN BANDEN
08 Wielen en banden
Algemeen
Rijeigenschappen
Banden zijn van grote invloed op de rijeigenschappen van de auto. Zowel het type, de
maat, de bandenspanning als de snelheidsklasse zijn belangrijk voor het rijgedrag van de
auto.
schappen van de auto af en kunnen de banden
regen, sneeuw en drab minder goed afvoeren.
Nieuwe banden
Monteer de banden met het diepste profiel
altijd op de achteras (om het gevaar voor slippen te verminderen).
N.B.
Draairichting
Let erop dat u hetzelfde type, dezelfde maat
en ook hetzelfde merk voor beide wielparen
hebt.
Houd de aanbevolen bandenspanning aan die
in de bandenspanningstabel staat, zie
pagina 395.
G021778
Onderhoud van banden
De pijl geeft de draairichting van de band aan.
08
326
Bij banden met een speciaal profiel dat alleen
goed werkt wanneer de banden in een
bepaalde richting draaien, staat deze richting
aangegeven met een pijl op de zijkant van de
band. Zorg dat de banden altijd dezelfde draairichting hebben. Banden mogen alleen van
voor naar achter verwisseld worden, nooit van
links naar rechts of omgekeerd. Als u de banden verkeerd aanbrengt, nemen de remeigen-
Leeftijd van de banden
Alle banden die ouder zijn dan 6 jaar moet u
door een vakman laten controleren, ook al zien
ze er intact uit. Dit omdat het materiaal waarvan
banden gemaakt zijn ook veroudert en afgebroken wordt, als banden zelden of nooit worden gebruikt. Daarbij kan de werking van de
band worden aangetast. Dit geldt voor alle
banden die u voor toekomstig gebruik hebt
opgeslagen. Scheurvorming of verkleuring zijn
de zichtbare kenmerken van een band die
ongeschikt is voor gebruik.
Banden hebben een beperkte houdbaarheidsdatum. Na enkele jaren worden de banden
hard en neemt de grip op het wegdek stukje bij
beetje af. Gebruik bij het verwisselen van banden altijd zo nieuw mogelijke banden. Dit geldt
in het bijzonder voor winterbanden. De laatste
cijfers van de cijferreeks geven de week en het
jaar van productie aan. Het is de zogeheten
DOT-code (Department of Transportation) van
de band en bestaat uit vier cijfers, bijvoorbeeld
1510. De band op de afbeelding is de 15e week
van het jaar 2010 geproduceerd.
Zomer- en winterbanden
Wanneer u de zomerbanden vervangt door
winterbanden of andersom, moet u op de band
noteren waar de band zat: bijvoorbeeld L voor
links, R voor rechts.
08 Wielen en banden
Algemeen
De juiste bandenspanning levert een gelijkmatiger slijtage op, zie pagina 334. De rijstijl, de
bandenspanning, het klimaat en de staat van
de wegen zijn van invloed op de snelheid waarmee de banden verouderen en slijten. Om verschillen in profieldiepte te voorkomen en slijtpatronen tegen te gaan kunt u de wielen op de
voor- en achteras onderling van plaats verwisselen. Voer de eerste wissel na ca. 5000 km uit
en doe dat daarna om de 10.000 km opnieuw.
Volvo adviseert u contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats als u niet zeker bent
van de profieldiepte. Als er al een duidelijk verschil zit in de slijtage (>1 mm verschil in profieldiepte) van de banden, dienen de minst versleten banden altijd op de achteras te zitten.
Slippende voorwielen zijn makkelijker te corrigeren dan slippende achterwielen, omdat de
auto rechtuit blijft rijden in plaats van uit te breken met de achterkant waarbij u mogelijk de
controle over de auto verliest. Daarom is
belangrijk dat de achterwielen nooit vóór de
voorwielen grip verliezen.
Bewaar de wielen hangend of liggend. Laat ze
nooit rechtop staan.
WAARSCHUWING
Een beschadigde band kan voor een oncontroleerbare auto zorgen.
Banden met slijtage-indicatoren
Velgen en wielbouten
G021829
Slijtage en onderhoud
Slijtage-indicatoren.
Slijtage-indicatoren zijn smalle ophogingen die
dwars op het profiel van de band staan. De letters TWI (Tread Wear Indicator) op de zijkant
van de band geven aan dat een band is uitgerust met slijtage-indicatoren. De indicatoren
zijn duidelijk zichtbaar, wanneer een band dusdanig versleten is dat slechts 1,6 mm van het
profiel over is. Vervang de banden dan zo
spoedig mogelijk. Let erop dat een band met
een gering profiel zeer weinig grip op het wegdek heeft bij regen of sneeuw.
Lage wielbout
Hoge wielbout
Afsluitbare wielbouten
Aanhaalmoment:
• Type 1-wielbout (stalen velg): 110 Nm
• Type 2-wielbout (aluminium velg): 130
Nm
• Afsluitbare type 3-wielbout (stalen/aluminium velg): 110 Nm
Gebruik alleen velgen die getest en goedgekeurd zijn door Volvo en deel uitmaken van de
originele accessoires van Volvo. Controleer het
aanhaalmoment met een momentsleutel.
08
327
08 Wielen en banden
Algemeen
Afsluitbare wielbouten*
Profieldiepte
Afsluitbare wielbouten* zijn te gebruiken op
zowel aluminium als stalen velgen. Onder de
vloer in de bagageruimte is ruimte om de dop
voor de afsluitbare wielbouten in op te bergen.
Ritten bij ijs, sneeuw(modder) en lage temperaturen vergen meer van de banden dan
zomerse ritten. Daarom adviseert Volvo een
minimale profieldiepte van 4 mm voor winterbanden.
Sneeuwkettingen gebruiken
Volvo adviseert winterbanden met bepaalde
afmetingen. De bandenmaat is afhankelijk van
de motorvariant. Gebruik altijd het juiste type
winterbanden op alle vier de wielen.
7
Velgbreedte in inch
Het gebruik van sneeuwkettingen is alleen toegestaan op de voorwielen (geldt ook voor
modellen met voorwielaandrijving).
J
Profiel velgrand
16
Rijd nooit sneller dan 50 km/h met sneeuwkettingen. Rijd evenmin op sneeuwvrije wegen,
omdat zowel de sneeuwkettingen als de banden daardoor overmatig slijten.
Velgdiameter van de
band
50
Bolling in mm
(afstand tussen de
verticale aslijn door
het wiel en het contactvlak met de naaf)
Volvo adviseert u om met een Volvo-dealer
te overleggen over welke velg en welk type
band het best geschikt zijn.
Banden met “spikes”
Winterbanden met “spikes” moeten de eerste
500–1000 km rustig worden ingereden, zodat
de “spikes” hun positie in kunnen nemen. Zo
gaan de banden en vooral de “spikes” langer
mee.
WAARSCHUWING
Gebruik originele Volvo-sneeuwkettingen of
vergelijkbare sneeuwkettingen die zijn afgestemd op het model en op de band- en velgafmetingen. Bij twijfel adviseert Volvo u
een erkende Volvo-werkplaats om advies te
vragen. Een verkeerde sneeuwketting kan
ernstige schade aan de auto veroorzaken en
aanleiding geven tot een ongeluk.
N.B.
328
Afmetingen wiel (velg)
Wielen (velgen) zijn voorzien van een maataanduiding, bijvoorbeeld: 7Jx16x50.
Winterbanden
N.B.
08
combinaties goedgekeurd zijn. Voor de toegestane combinaties, zie pagina 395
De wettelijke voorschriften voor het gebruik
van banden met spikes verschillen per land.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Bandenmaten
Op alle autobanden staat een bepaalde maataanduiding. Een voorbeeld van een dergelijke
aanduiding: 215/55R16 97W
205
Breedte van de band (mm)
50
Verhouding tussen de hoogte en
breedte van de band (%)
R
Aanduiding voor radiaalbanden
17
Velgdiameter van de band (")
Specificaties
De auto is voorzien van een typegoedkeuring
voor de uitvoering waarin deze werd aangeleverd. Dat betekent dat niet alle velg- en band-
08 Wielen en banden
Algemeen
93
Aanduiding van het draagvermogen
van de band, lastindex (LI)
W
Aanduiding van de snelheidslimiet
van de band, snelheidsklasse (SS). (In
dit geval 270 km/h).
Lastindex
Iedere band heeft een bepaald draagvermogen, wat wordt aangeduid met de lastindex (LI).
Het gewicht van de auto bepaalt het draagvermogen van de banden. De minimaal toelaatbare index staat in de tabel, zie pagina 395.
Snelheidsklassen
Iedere band is berekend op een bepaalde
maximumsnelheid, wat wordt aangeduid met
de snelheidsklasse (Speed Symbol: SS).
De snelheidsklasse van de banden dient minimaal overeen te komen met de topsnelheid van
de auto. De minimaal toelaatbare snelheidsklasse staat in de tabel, zie pagina 395.
De enige uitzondering hierop vormen winterbanden (zowel banden met als zonder
‘spikes’), waarvoor een lagere snelheidsklasse
gebruikt mag worden. Bij gebruik van dergelijke banden mag u niet sneller rijden dan de
maximumsnelheid die voor het gebruikte bandentype geldt (voor aanduiding Q geldt bijvoorbeeld een maximumsnelheid van
160 km/h).
De gesteldheid van het wegdek is bepalend
voor de maximumsnelheid en niet de snelheidsklasse op de banden.
N.B.
In de tabel staat de maximaal toegestane
snelheid.
Q
160 km/h (alleen voor winterbanden)
T
190 km/h
H
210 km/h
V
240 km/h
W
270 km/h
Y
300 km/h
WAARSCHUWING
De auto moet worden uitgerust met banden
die minimaal de gespecificeerde lastindex
(LI) en snelheidsklasse (SS) hebben. Bij
gebruik van banden met een te lage lastindex of snelheidsklasse kunnen de banden
oververhit raken.
08
329
08 Wielen en banden
Wielen verwisselen
Reservewiel*1
Een compact reservewiel (Temporary Spare) is
alleen bestemd voor tijdelijk gebruik en dient
dan ook zo spoedig mogelijk door een normaal
wiel te worden vervangen. Het rijgedrag van de
auto kan zich wijzigen bij het gebruik van een
compact reservewiel. Het compacte reservewiel is kleiner dan een normaal wiel. De bodemspeling verandert er daarom door. Wees voorzichtig bij hoge trottoirbanden en reinig de auto
niet in een autowasstraat. Als het reservewiel
op de vooras zit, kunt u evenmin sneeuwkettingen omleggen. Bij vierwielaangedreven
auto’s is de achterwielaandrijving uit te schakelen. Het reservewiel mag niet worden gerepareerd. In de bandenspanningstabel, zie
pagina 395, staat de juiste bandenspanning
voor het reservewiel.
5. Pak het reservewiel aan de buitenkant vast
en til op. Schuif het reservewiel wat naar
voren en til het uit de opbergruimte.
6. Pak wielsleutel, krik en sleepoog uit het
schuimblok.
N.B.
De krik moet eruit worden getild om bij het
sleepoog te komen.
Krik*
Reservewiel erbij nemen
U vindt het reservewiel* met krik* en wielsleutel* onder de vloer in de kofferbak.
BELANGRIJK
1. Til de achterkant van de laadvloer op (bij
modellen met gelede laadvloer: pak de
handgreep vast, til de vloer op en beweeg
de achterkant van de vloer naar voren).
•
Rijd met een reservewiel op de auto
nooit sneller dan 80 km/u.
2. Pak het opbergvak (accessoire) weg –
alleen voor modellen met gelede laadvloer.
•
Er mag nooit met de auto worden gereden als deze van meer dan één reservewiel van het type "Temporary Spare"
is voorzien.
3. Til de ondervloer weg (alleen voor modellen met gelede laadvloer).
4. Draai de bevestigingsbouten los en pak het
schuimblok met krik en gereedschap weg.
08
1
330
Zie als de auto is voorzien van een tijdelijke bandenreparatieset pagina 336 voor informatie.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Gebruik de originele krik alleen voor het verwisselen van het reservewiel. Houd de schroef
van de krik altijd goed ingevet.
Verwijderen
Zet een gevarendriehoek zie pagina 335 op,
als u een wiel langs een drukke weg moet verwisselen. Zorg ervoor dat de auto en de krik*
op een stevige en horizontale ondergrond
staan.
1. Haal de parkeerrem aan en schakel de
achteruitversnelling in of zet de keuzehendel in stand P, als de auto een automatische versnellingsbak heeft.
08 Wielen en banden
Wielen verwisselen
BELANGRIJK
WAARSCHUWING
Controleer of de krik onbeschadigd is, of de
schroefdraden goed zijn gesmeerd en of
deze vrij van vuil is.
Het sleepoog dient volledig in de wielsleutel
te worden gedraaid.
6. Draai de wielbouten ½–1 slag linksom los
met de wielsleutel.
N.B.
Volvo adviseert u alleen de krik te gebruiken* die bij de auto hoort, zoals aangegeven
op de kriksticker.
Op de sticker staat tevens de maximale hefcapaciteit bij de vermelde minimale hefhoogte.
2. Pak het reservewiel en het gereedschap
(zie beschrijving op pagina 330). Er is ook
een verpakking met handschoenen en een
plastic zak voor de lekke band aanwezig.
WAARSCHUWING
Leg nooit iets tussen de krik en de ondergrond en evenmin tussen de krik en het kriksteunpunt van de auto.
5. Schroef het sleepoog tot aan de aanslag in
de wielsleutel* vast zoals in de volgende
afbeelding.
7. Er zitten twee kriksteunpunten aan weerszijden van de auto.
3. Plaats wielblokken voor en achter de wielen die op de grond blijven staan. Gebruik
daarvoor bijvoorbeeld grote houten blokken of grote stenen.
4. Auto’s met stalen velgen hebben afneembare wieldoppen. Haak het demontagegereedschap in dat geval vast de volledige
wielsierdoppen om ze vervolgens los te
trekken. De wieldoppen zijn ook met de
hand in één snelle beweging los te trekken.
Wielsleutel en sleepoog
08
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
331
08 Wielen en banden
Wielen verwisselen
BELANGRIJK
De grond onder de krik dient vast en egaal
te zijn en niet te hellen.
8. Breng de krik omhoog, zodat de flens in de
carrosserie in de groef in de kop van de krik
valt.
9. Breng de auto zo ver omhoog dat het wiel
van de grond komt. Verwijder de wielbouten en til het wiel eraf.
N.B.
De normale krik van de auto is alleen
bestemd voor sporadisch en kortstondig
gebruik zoals bij het verwisselen van een
lekke band, monteren van winterbanden/
zomerbanden e.d. Hef de auto alleen met
een krik die voor het desbetreffende model
bestemd is. Als de auto vaker moet worden
opgekrikt of voor langere tijd zoals bij het
onderling roteren van de banden wordt het
gebruik van een garagekrik geadviseerd.
Volg in dat geval de gebruiksaanwijzing van
de desbetreffende krik.
WAARSCHUWING
Kruip nooit onder de auto als deze op een
krik staat.
Laat nooit passagiers in de auto zitten als
deze op een krik staat.
Parkeer de auto zodanig dat de passagiers
de auto of liever een vangrail tussen zichzelf
en de weg hebben.
08
332
Aanbrengen
1. Reinig de contactvlakken tussen het wiel
en de naaf.
2. Breng het wiel aan. Haal de wielbouten
stevig aan.
3. Breng de auto zo ver omlaag dat het wiel
niet meer ongehinderd kan draaien.
4. Draai de wielbouten kruiselings vast. Het is
belangrijk dat u de wielbouten stevig aanhaalt (zie zie pagina 327 voor aanhaalmoment). Controleer het aanhaalmoment met
een momentsleutel.
5.
08 Wielen en banden
Wielen verwisselen
2. Draai de krik tot de helft in, zodat hij in het
schuimblok past. Leg de zwengel in het
vak in het schuimblok.
3. Leg het gebruikte gereedschap terug in de
resp. vakken in het schuimblok.
4. Leg als het reservewiel is gebruikt het
schuimblok terug in het opbergvak en
schroef de bevestigingsbouten vast in de
vloer van de opbergruimte. De lekke band
kan in de plastic zak worden gedaan die in
de verpakking met de handschoenen zit.
Plaats een volledige wielsierdop terug
(indien aanwezig).
N.B.
De ventieluitsparing in de wieldop bij het
monteren aanbrengen over het ventiel in de
velg.
Reservewiel* en krik*, terugplaatsen in
kofferbak
Leg als het reservewiel niet is gebruikt het
schuimblok terug in het reservewiel en leg
het reservewiel terug in het opbergvak.
Draai de bevestigingsbouten vast in de
vloer van het opbergvak.
BELANGRIJK
Bewaar gereedschap en krik* op de daarvoor bestemde plaats in de bagageruimte
wanneer u ze niet nodig hebt.
Plaats het gereedschap en de krik* na gebruik
op de juiste manier terug in het schuimblok.
1. Draai het sleepoog uit de wielsleutel en leg
het sleepoog in het vak onder in het
schuimblok.
08
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
333
08 Wielen en banden
Bandenspanning
Bandenspanning
Brandstofbesparing, ECObandenspanning
Voor een zo laag mogelijk brandstofverbruik
wordt geadviseerd de aangegeven ECO-spanning (zowel bij maximale als lichte belading zie
pagina 395-) aan te houden bij snelheden tot
160 km/u.
Bandenspanning controleren
G021830
Controleer iedere maand de bandenspanning.
Op de sticker voor op de portierstijl aan de
bestuurderszijde (tussen voor- en achterportier) staat de juiste bandenspanning voor uw
auto aangegeven bij verschillende belading en
snelheid. De bandenspanning staat ook in de
bandenspanningstabel, zie pagina 395.
• Bandenspanning bij gebruik van de aanbevolen bandenmaat
• ECO-bandenspanning1
N.B.
Temperatuurverschillen veranderen de
bandenspanning.
08
1
334
De ECO-bandenspanning levert brandstofbesparing op.
Controleer de bandenspanning wanneer de
banden koud zijn. De aangegeven bandenspanning geldt bij koude banden (kan verschillen naargelang van de buitentemperatuur). Al
na enkele kilometers rijden worden de banden
warm en loopt de spanning op.
Een te lage bandenspanning heeft een negatieve inwerking op het brandstofverbruik, de
levensduur van de banden en de rijeigenschappen van de auto. Wanneer u met een te
lage bandenspanning rijdt, kunnen de banden
oververhit en beschadigd raken. De bandenspanning is van invloed op het rijcomfort, de
stuureigenschappen en de geproduceerde
weggeluiden.
N.B.
In de loop van de tijd daalt de bandenspanning. Dit is een natuurlijk verschijnsel. De
bandenspanning schommelt ook door de
omgevingstemperatuur.
08 Wielen en banden
Gevarendriehoek en EHBO-set*
Gevarendriehoek
Til het vloerluik op (of schuif de achterkant
van de laadvloer naar voren bij modellen
met een gelede vloer en til hierna de ondervloer op) en pak de gevarendriehoek.
Neem de gevarendriehoek uit de houder,
klap de driehoek uit en bevestig de twee
losse zijden aan elkaar.
Klap de steunpoten van de gevarendriehoek uit.
Volg de geldende bepalingen voor het gebruik
van een gevarendriehoek. Zet de gevarendriehoek op een passend punt achter de auto op
om achteropkomend verkeer tijdig te waarschuwen.
Zorg dat de houder met de gevarendriehoek na
gebruik stevig in de bagageruimte vastzit.
EHBO-set*
Links in de kofferbak zit een EHBO-tas.
08
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
335
08 Wielen en banden
Provisorische bandenreparatie (TMK)*
Algemeen
en zo nodig tijdelijk te corrigeren. De set
bestaat uit een compressor en een bus met
afdichtmiddel. De set dient om noodreparaties
uit te voeren. De fles met het afdichtmiddel
moet worden vervangen voordat de houdbaarheidsdatum is verstreken en tevens na het
gebruik.
Het afdichtmiddel dicht banden met een lek in
het loopvlak effectief af.
N.B.
Versie 1.
De bandenreparatieset is uitsluitend
bedoeld voor het repareren van banden met
een lek in het loopvlak.
De bandenreparatieset leent zich minder goed
voor banden met een gat in het zijvlak. Probeer
geen banden met de provisorische bandenreparatieset af te dichten die grote groeven,
scheuren en dergelijke vertonen.
Sluit de compressor aan op een van de 12 Vuitgangen van de auto, zie de pagina's 244 en
309. Gebruik de aansluiting die het dichtst bij
de lekke band zit.
Versie 2.
08
336
De bandenreparatieset (TMK: Temporary
Mobility Kit) wordt gebruikt om een lek te dichten en om de bandenspanning te controleren
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
N.B.
De compressor voor provisorische bandenreparatie is door Volvo getest en goedgekeurd.
Bandenreparatieset en gevarendriehoek
plaatsen
Zet een gevarendriehoek op bij het afdichten
van een band langs een drukke weg. De gevarendriehoek en de bandenreparatieset zitten
onder de vloer in de kofferbak.
1. Til de achterkant van de laadvloer op (bij
modellen met gelede laadvloer: pak de
handgreep vast, til de vloer op en beweeg
de achterkant van de vloer naar voren).
2. Pak het opbergvak (accessoire) weg –
alleen voor modellen met gelede laadvloer.
3. Til de ondervloer weg (alleen voor modellen met gelede laadvloer).
4. Haak het elastische deel van de band over
de linkerkant van de TMK-compressor los.
5. Til de TMK-compressor recht omhoog.
6. Om bij de fles met afdichtmiddel te komen,
moet de fles naar links worden geschoven
tot de fles uit het schuimblok kan worden
getild.
08 Wielen en banden
Provisorische bandenreparatie (TMK)*
N.B.
Overzicht
Lekke band repareren
Om bij het sleepoog/de wielsleutel in het
schuimblok te komen:
Versie 1: Til de compressoreenheid van
de bandenreparatieset (punt 5) op om
bij de wielsleutel te komen. Til de bus
met afdichtmiddel eruit (punt 6) om bij
het sleepoog te komen.
•
Versie 2: Til de compressoreenheid van
de bandenreparatieset (punt 5) om bij
het sleepoog te komen. De wielsleutel
ligt onder de krik.
Na gebruik moet de band weer aan de linkerkant worden vastgehaakt.
Versie 1: de band moet achter het schuimblok
langs worden getrokken (niet eroverheen).
Versie 2: de band moet in de vork achter op
het schuimblok liggen.
WAARSCHUWING
De snelheid mag niet hoger dan 80 km/h zijn
nadat de provisorische bandenreparatie is
gebruikt. Volvo adviseert u om een erkende
Volvo-werkplaats te bezoeken voor een
inspectie van de gerepareerde band (maximaal 200 km rijden). Het personeel kan
bepalen of de band kan worden gemaakt of
moet worden vervangen.
Sticker, toegestane maximumsnelheid
Knop
Kabel
Bushouder (oranje deksel)
Beschermdop
Drukreduceerventiel
Luchtslang
Bus met afdichtmiddel
Manometer
G014338
•
Voor informatie over de werking van de onderdelen (zie voorgaande afbeelding).
1. Open het deksel van de bandenreparatieset.
2. Haal de sticker met de toegestane maximumsnelheid uit de set en bevestig de sticker op het stuurwiel.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
08
337
08 Wielen en banden
Provisorische bandenreparatie (TMK)*
WAARSCHUWING
Het afdichtmiddel kan de huid irriteren. Bij
huidcontact het middel direct met zeep en
water afspoelen.
3. Controleer of de knop in stand 0 staat en
neem de kabel en de luchtslang erbij.
7. Sluit de kabel op een 12V-aansluiting aan
en start de motor.
WAARSCHUWING
Laat kinderen niet zonder toezicht in de auto
achter als de motor draait.
8. Zet de knop in stand I.
N.B.
Voor het gebruik de verzegeling van de bus
niet verbreken. Bij het indraaien van de bus
wordt de verzegeling automatisch verbroken.
4. Draai de oranje beschermdop los evenals
de dop op de bus met afdichtmiddel.
WAARSCHUWING
Ga nooit naast de band staan terwijl de
compressor aan het pompen is. Bij barsten,
oneffenheden en dergelijke dient u de compressor onmiddellijk uit te schakelen. Beëindig in dat geval de rit. Het wordt dan geadviseerd een erkende bandenwerkplaats te
bezoeken.
5. Draai de bus in de bushouder vast.
WAARSCHUWING
Draai de bus niet los, aangezien deze een
blokkering heeft om lekkage te voorkomen.
08
338
6. Draai het ventieldopje van het wiel los en
schroef de ventielaansluiting van de luchtslang zo ver mogelijk op het ventiel van de
band.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
BELANGRIJK
Kans op oververhitting. De compressor mag
niet langer dan 10 minuten werken.
10. Schakel de compressor uit om de bandenspanning van de manometer af te lezen. De
bandenspanning dient minimaal 1,8 bar en
maximaal 3,5 bar te bedragen. (Laat eventueel lucht ontsnappen met het drukreduceerventiel, als de bandenspanning te
hoog is.)
WAARSCHUWING
Als de bandenspanning lager is dan 1,8 bar,
is het gat in de band te groot. Beëindig in
dat geval de rit. Het wordt dan geadviseerd
een erkende bandenwerkplaats te bezoeken.
N.B.
Als de compressor start, kan de druk tot 6
bar toenemen. De druk daalt echter na ca.
30 seconden.
9. Vul de band 7 minuten lang met afdichtmiddel.
11. Schakel de compressor uit en trek de kabel
los uit de 12V-aansluiting.
12. Koppel de slang los van het ventiel en
plaats het ventieldopje terug.
13. Leg zo spoedig mogelijk na de reparatie
ca. 3 km af bij een snelheid van maximaal
80 km/h, zodat het afdichtmiddel de band
kan afdichten.
08 Wielen en banden
Provisorische bandenreparatie (TMK)*
Reparatieresultaat en bandenspanning
controleren
1. Sluit de uitrusting opnieuw aan.
2. Lees de bandenspanning van de manometer af.
N.B.
Vervang de bus met afdichtmiddel en de
slang na gebruik. Volvo adviseert u het vervangen over te laten aan een erkende Volvowerkplaats.
• Als de spanning lager is dan 1,3 bar,
werd de band onvoldoende afgedicht.
Beëindig in dat geval de rit. Neem contact op met een erkende Volvo-werkplaats.
• Als de bandenspanning hoger is dan 1,3
bar, moet u de band oppompen tot de
spanning die staat aangegeven in de
bandenspanningstabel, zie pagina 395
(1 bar = 100 kPa). Laat lucht uit de band
ontsnappen, als de bandenspanning te
hoog is.
WAARSCHUWING
Draai de bus niet los, aangezien deze een
blokkering heeft om lekkage te voorkomen.
3. Zorg dat de compressor uitstaat. Koppel
de luchtslang en de kabel los. Plaats het
ventieldopje terug.
4. Vouw de slang in de bak een laat de fles
liggen. Leg de TMK in de kofferbak.
WAARSCHUWING
Controleer de bandenspanning regelmatig.
U wordt geadviseerd om naar de dichtstbijzijnde erkende Volvo-werkplaats te rijden en er
de beschadigde band te laten vervangen/repareren. Geef aan het werkplaatspersoneel door
dat er afdichtmiddel in de band zit.
WAARSCHUWING
De snelheid mag niet hoger dan 80 km/h zijn
nadat de provisorische bandenreparatie is
gebruikt. Volvo adviseert u om een erkende
Volvo-werkplaats te bezoeken voor een
inspectie van de gerepareerde band (maximaal 200 km rijden). Het personeel kan
bepalen of de band kan worden gemaakt of
moet worden vervangen.
Band oppompen
De compressor is berekend op het oppompen
van de originele banden die op de auto zitten.
1. De compressor moet uitstaan. Zorg dat de
knop in stand 0 staat en neem de kabel en
de luchtslang erbij.
2. Draai het ventieldopje van het wiel los en
schroef de ventielaansluiting van de luchtslang zo ver mogelijk op het ventiel van de
band.
WAARSCHUWING
Het inademen van uitlaatgassen kan levensgevaarlijk zijn. Laat de motor nooit draaien
in ruimten die afgesloten zijn of onvoldoende ventilatie hebben.
WAARSCHUWING
Laat kinderen niet zonder toezicht in de auto
achter als de motor draait.
3. Sluit de kabel aan op een van de 12V-aansluitingen in de auto en start de motor.
4. Schakel de compressor in door de knop in
stand I te zetten.
08
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
339
08 Wielen en banden
Provisorische bandenreparatie (TMK)*
BELANGRIJK
Kans op oververhitting. De compressor mag
niet langer dan 10 minuten werken.
5. Pomp de band op tot de druk die op/in de
bandenspanningstabel staat aangegeven,
zie pagina 395. (Laat eventueel lucht ontsnappen met het drukreduceerventiel, als
de bandenspanning te hoog is.)
6. Schakel de compressor uit. Koppel de
luchtslang en de kabel los.
7. Plaats het ventieldopje terug.
Bus met afdichtmiddel vervangen
Vervang de bus voordat de houdbaarheidsdatum verstreken is. Behandel de vervangen bus
als klein chemisch afval (KCA).
WAARSCHUWING
De bus bevat 1,2-Ethanol en natuurrubberlatex.
Gevaarlijk bij inname. Kan bij huidcontact
allergie veroorzaken.
Contact met de huid en ogen vermijden.
08
340
Buiten bereik van kinderen bewaren.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
08 Wielen en banden
08
341
Motorruimte..........................................................................................
Gloeilampen..........................................................................................
Wisserbladen en ruitensproeiervloeistof...............................................
Accu......................................................................................................
Zekeringen............................................................................................
Verzorging.............................................................................................
342
344
351
357
360
364
373
ONDERHOUD EN SERVICE
09 Onderhoud en service
09
Motorruimte
Algemeen
Serviceprogramma van Volvo
Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid en
betrouwbaarheid van de auto op een hoog peil
te houden, dient u de voorschriften van het
Serviceprogramma van Volvo op te volgen
zoals die omschreven staan in het Service- en
garantieboekje van Volvo. Volvo adviseert u om
service- en onderhoudswerkzaamheden over
te laten aan een erkende Volvo-werkplaats.
Volvo-werkplaatsen beschikken over het personeel, het speciale gereedschap en de servicehandboeken waardoor zij u een zo hoog
mogelijke servicekwaliteit kunnen garanderen.
WAARSCHUWING
Vergeet niet dat de radiateurventilator (vóór
in de motorruimte achter de radiateur) enige
tijd na uitschakeling van de motor automatisch kan starten.
Laat de motorreiniging altijd uitvoeren door
een werkplaats. Als de motor warm is,
bestaat er brandgevaar.
Motorkap openen en sluiten
Draai de handgreep ca. 20–25 graden
rechtsom. Het is duidelijk te horen dat vergrendeling wordt opgeheven.
Haal de borghaak naar links om de motorkap te openen. (De borghaak zit tussen de
koplamp en de grille zoals afgebeeld.)
BELANGRIJK
WAARSCHUWING
Om de garantie van Volvo te laten gelden,
moet u het Service- en garantieboekje controleren en volgen.
Controleer of de motorkap bij sluiten goed
vergrendelt.
Regelmatig controleren
Controleer regelmatig de volgende oliën en
vloeistoffen, bijvoorbeeld tijdens het tanken:
• Koelvloeistof
• Motorolie
• Ruitensproeiervloeistof
344
De handgreep voor ontgrendeling van de motorkap zit altijd aan de linkerzijde.
09 Onderhoud en service
Motorruimte
Motorruimte, overzicht
WAARSCHUWING
De spanning en het vermogen van het ontstekingssysteem zijn zeer hoog. De spanning in het ontstekingssysteem is levensgevaarlijk. Houd de transpondersleutel altijd in
stand 0 bij werkzaamheden in de motorruimte, zie pagina 81.
Raak bougies of bobine niet aan, wanneer
de transpondersleutel in stand II staat of als
de motor warm is.
Oliepeil motor controleren
Afhankelijk van het motortype kan de motorruimte
er anders uitzien.
Expansiereservoir voor koelsysteem
Vulopening voor ruitensproeiervloeistof
motorolie1
Motorolie bijvullen
1
Om de aanbevolen service-intervallen aan
te kunnen houden dient u een goedgekeurde motoroliesoort te gebruiken.
Gebruik alleen een oliesoort van de voorgeschreven kwaliteit en dat zowel bij het bijvullen als bij het verversen van olie. Een
negatieve invloed op de levensduur van de
motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact is anders niet
uitgesloten.
Volvo adviseert de olie in een erkende
Volvo-werkplaats te laten verversen.
Reservoir voor rem- en koppelingsvloeistof
(aan bestuurderszijde)
Startaccu
Volvo adviseert olieproducten van Castrol.
Relais- en zekeringenkastje
Voor ritten onder ongunstige omstandigheden,
zie pagina 388.
Luchtfilter
BELANGRIJK
Om aan de vereisten voor de gespecificeerde service-intervallen te voldoen worden alle motoren in de fabriek gevuld met
een speciaal aangepaste, synthetische
motorolie. De oliesoort werd met grote zorg
geselecteerd lettend op de levensduur van
de motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact.
Volvo Car Corporation wijst alle garantieclaims af bij gebruik van een motoroliesoort
die niet voldoet aan de voorgeschreven
kwaliteits- en viscositeitseisen.
Radiateur
Peilstok voor
09
Volvo hanteert uiteenlopende systemen om te
waarschuwen voor een laag/hoog oliepeil of
een lage/hoge oliedruk. Bij de modellen die zijn
voorzien van een oliedruksensor wordt gebruik
Bij motoren met elektronische oliepeilaanduiding ontbreekt de peilstok (5-cil. diesel).
345
09 Onderhoud en service
Motorruimte
09
gemaakt van een waarschuwingslampje voor
de oliedruk. Bij modellen met een olieniveausensor wordt gewaarschuwd met een waarschuwingssymbool midden op het instrumentenpaneel en met displaymeldingen. Op
bepaalde modellen zijn beide systemen aanwezig. Neem voor meer informatie contact op
met een erkende Volvo-werkplaats.
Motor met oliepeilstok2
Het is toegestaan een oliesoort te gebruiken
met een hogere kwaliteit dan aangegeven. Bij
rijden onder ongunstige omstandigheden adviseert Volvo een olie van een hogere kwaliteit,
zie pagina 388.
Voor de bij te vullen hoeveelheid (zie
pagina 389 en verder).
G021737
Houd voor het verversen van de motorolie en
het vervangen van het oliefilter de intervallen
aan die staan aangegeven in het Service- en
garantieboekje.
Peilstok en vulpijp.
Bij een nieuwe auto is het belangrijk om het
oliepeil te controleren, voordat de olie voor de
eerste keer volgens schema moet worden ververst.
Volvo adviseert u het oliepeil om de 2500 km
te controleren. De betrouwbaarste meting
wordt verkregen bij een koude motor vóór de
start. Meteen na het afzetten van de motor
krijgt u een verkeerd resultaat. De peilstok
geeft dan een te laag peil aan, omdat de olie
geen tijd heeft gehad om terug te lopen naar
het oliecarter.
De olie moet tussen het MIN- en MAX-streepje
staan.
Peil meten en zo nodig corrigeren
1. Zorg dat de auto op een vlakke ondergrond
geparkeerd staat. Het is belangrijk dat u na
het afzetten van de motor ten minste
5 minuten wacht, zodat de olie weer kan
teruglopen in het oliecarter.
2. Trek de peilstok tevoorschijn en veeg deze
schoon.
3. Steek de peilstok weer naar binnen.
4. Trek de peilstok tevoorschijn en controleer
het peil.
5. Als de olie dichter bij het MIN-streepje ligt,
dient u 0,5 liter bij te vullen. Als de olie daar
2
346
Geldt alleen benzine- en 4-cil. dieselmotor.
09 Onderhoud en service
Motorruimte
ver onder staat, moet u wellicht meer bijvullen.
09
Motor met elektronische
oliepeilaanduiding3
6. Als u het peil daarna nogmaals wenst te
controleren, moet u dat na enige tijd rijden
doen. Herhaal vervolgens de stappen 1–4.
WAARSCHUWING
Vul nooit bij tot boven de MAX-aanduiding.
De olie mag nooit boven MAX of onder
MIN staan om motorschade tegen te gaan.
WAARSCHUWING
Mors geen olie op de hete uitlaatspruitstukken, aangezien er dan brand kan ontstaat.
Vulpijp
U hoeft het motoroliepeil niet aan te passen,
voordat er een melding op het display verschijnt, zie onderstaande afbeelding.
Melding en grafische weergave op display. Het
linker display toont het instrumentenpaneel
Digital en het rechter Analog.
Melding
Motoroliepeil
Wanneer de motor afgezet is, kunt u het duimwiel gebruiken om het oliepeil van sommige
auto's te laten controleren door de elektronische peilaanduiding, zie pagina 348.Oliepeil
laag 0,5 liter bijvullen
WAARSCHUWING
Bij het verschijnen van de melding
Olieservice vereist een werkplaats opzoeken. Het oliepeil is mogelijk te hoog.
3
Geldt alleen voor 5-cil. dieselmodel.
347
09 Onderhoud en service
09
Motorruimte
BELANGRIJK
Vul bij het verschijnen van de melding
Oliepeil laag 0,5 liter bijvullen slechts 0,5
liter bij.
2. Draai het duimwiel op de linker stuurhendel
naar stand Motoroliepeil Een
ogenblik....
> Vervolgens verschijnt informatie over
het motoroliepeil.
Koelvloeistof
Peil controleren en bijvullen
N.B.
Het systeem detecteert het oliepeil alleen
tijdens het rijden. Na het bijvullen of aftappen van olie duurt het even voordat het systeem wijzigingen in het oliepeil kan waarnemen. De auto dient ca. 30 km te rijden, voordat het weergegeven oliepeil correct is.
WAARSCHUWING
Vul niet meer olie bij, als niveau (3) of (4) verschijnt zoals aangegeven op de afbeelding.
De olie mag nooit boven MAX of onder
MIN staan om motorschade tegen te gaan.
WAARSCHUWING
Mors geen olie op de hete uitlaatspruitstukken, aangezien er dan brand kan ontstaat.
De cijfers 1–4 geven het niveau aan. Vul niet meer
olie bij, als niveau (3) of (4) staat aangegeven. Het
aanbevolen niveau is 4. Melding en grafische
weergave op display. Het linker display toont het
instrumentenpaneel Digital en het rechter Analog.
Volg de aanwijzingen op de verpakking op. Het
is belangrijk dat u verhouding tussen koelvloeistof en water afstemt op de heersende weersomstandigheden. Vul het reservoir nooit alleen
met schoon water. Het gevaar voor bevriezing
neemt toe, zowel wanneer de concentratie
koelvloeistof te laag is als wanneer deze te
hoog is.
WAARSCHUWING
Oliepeil meten*
Voor controle van het oliepeil de onderstaande
volgorde aanhouden.
1. Activeer sleutelstand II, zie pagina 81.
348
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
De koelvloeistof kan zeer heet zijn. Als er
moet worden bijgevuld terwijl de motor
warm is, moet u de dop voorzichtig van het
expansievat draaien zodat de overdruk verdwijnt.
09 Onderhoud en service
Motorruimte
Voor de aan te houden hoeveelheden en de
aanbevolen vloeistofkwaliteit, zie pagina 390.
BELANGRIJK
•
Controleer de koelvloeistof regelmatig
De koelvloeistof moet tussen het MIN- en
MAX-streepje op het expansiereservoir staan.
Als u het reservoir niet goed gevuld houdt, kan
de temperatuur in het systeem dusdanig hoog
oplopen dat er gevaar voor motorschade ontstaat.
Hoge concentraties chloor, chloriden
en andere zoutverbindingen kunnen
aanleiding geven tot corrosie in het
koelsysteem.
•
Gebruik altijd een koelvloeistof met
roestwerende eigenschappen volgens
de aanbevelingen van Volvo.
•
Let erop dat het koelvloeistofmengsel
altijd voor 50 % uit water en voor
50 % uit koelvloeistof bestaat.
•
Leng de koelvloeistof aan met leidingwater van goede kwaliteit. Gebruik bij
twijfel over de waterkwaliteit altijd een
kant-en-klare koelvloeistof volgens de
aanbevelingen van Volvo.
•
Wanneer u overstapt op een ander
soort koelvloeistof of een nieuw koelsysteemonderdeel hebt gemonteerd,
dient u het koelsysteem schoon te
spoelen met leidingwater van goede
kwaliteit of met kant-en-klare koelvloeistof.
•
De motor mag alleen draaien met een
goed gevuld koelsysteem. Als dat niet
het geval is, kunnen er hoge temperaturen optreden met gevaar voor
beschadiging (barsten) van de cilinderkop.
09
Rem- en koppelingsvloeistof
Peil controleren
De rem- en koppelingsvloeistof zitten in hetzelfde reservoir. De vloeistof moet tussen het
MIN- en MAX-streepje staan die aan de buitenkant van het reservoir zichtbaar zijn. Controleer het peil regelmatig.
Ververs de remvloeistof om de twee jaar of
iedere tweede geplande servicebeurt.
Voor de aan te houden hoeveelheden en de
aanbevolen kwaliteit van de remvloeistof, zie
pagina 390. Wanneer u vaak met uw auto in
de bergen rijdt of in landen met een tropisch
klimaat en een hoge relatieve luchtvochtigheidsgraad, moet u de remvloeistof ieder jaar
verversen.
WAARSCHUWING
Als de remvloeistof onder het MIN-niveau in
het remvloeistofreservoir ligt, mag u pas
verder rijden als de remvloeistof is bijgevuld.
Volvo adviseert om de oorzaak voor het
remvloeistofverlies door een erkende Volvowerkplaats te laten controleren.
349
09 Onderhoud en service
09
Motorruimte
Bijvullen
Klimaatregeling
Storingen opsporen en verhelpen
De airconditioning bevat een fluorescerend traceermiddel. Gebruik ultraviolet licht voor het
zoeken van lekkage.
Volvo raadt aan contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Positie remvloeistofreservoir.
Het vloeistofreservoir gaat schuil achter de
dekplaat op de koude zone van de motorruimte. U moet het ronde deksel eerst verwijderen om bij de dop van het reservoir te komen.
1. Open het deksel dat in de dekplaat zit door
het te verdraaien.
2. Draai de dop van het reservoir los en vul
vloeistof bij. De vloeistof moet tussen het
MIN- en MAX-streepje staan (aan de binnenkant van het reservoir).
BELANGRIJK
Denk eraan de afdekking te plaatsen.
350
In de installatie voor airconditioning zit koudemiddel R134a onder druk. Service en
reparatie aan het systeem mogen uitsluitend door een erkende werkplaats worden
uitgevoerd.
09 Onderhoud en service
Gloeilampen
Algemeen
Alle gloeilampen van de auto zijn vermeld, zie
pagina 356. Gloeilampen en andere lichtbronnen van een bijzonder type of lampen die alleen
in een werkplaats te vervangen zijn te vinden
in:
• Actieve xenonkoplampen - ABL (xenonlampen)
• Zijdelings gemonteerde richtingaanwijzers, buitenspiegels1
•
•
•
•
•
•
“Approach”-verlichting, buitenspiegels
WAARSCHUWING
Bij het vervangen van een lamp moet het
elektrische systeem van de auto in sleutelstand 0 staan, zie pagina 81.
BELANGRIJK
Raak het glas van de gloeilampen nooit
rechtstreeks met uw vingers aan. Vet van
uw vingers wordt door de warmte verdampt
en zorgt voor een laagje op de reflector die
dan kapot kan gaan.
Sidemarkers achterzijde, achterlichten
Derde remlicht
Interieur- en kofferbakverlichting
Verlichting dashboardkastje
Alle led-lampen
09
N.B.
Pak het gereedschap (Torx 30) dat onder het
vloerluik in de bagageruimte ligt.
Als een foutmelding niet verdwijnt nadat de
kapotte gloeilamp is vervangen, dan wordt
u geadviseerd een erkende Volvo-werkplaats te bezoeken.
WAARSCHUWING
Als de auto is voorzien van xenonkoplampen, moet u de xenonlampen door een
werkplaats laten vervangen – geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats. Werkzaamheden aan de Xenonkoplampen vergen de nodige voorzichtigheid, aangezien
dergelijke koplampen zijn voorzien van een
ontstekingsgedeelte dat een hoge spanning
opwekt.
1
Koplampen
Alle gloeilampen in het koplamphuis zijn te vervangen door het complete koplamphuis via de
motorruimte los te nemen en te verwijderen.
1.
Til de motorkapbekleding weg.
Bepaalde modellen
351
09 Onderhoud en service
Gloeilampen
09
2.
3.
Draai de schroef met het gereedschap
(Torx 30) los.
Draai de borgpen rechtsom.
De koplamp moet gemonteerd zijn en de connector moet correct zijn aangesloten voordat
de verlichting wordt geactiveerd of van sleutelstand wordt gewisseld.
Dimlicht2
Trek de borgpen weg.
4.
Haal het koplamphuis los door het
beurtelings te kantelen en naar buiten te
trekken.
Afdekkap groot-/dimlichtlampen
BELANGRIJK
Wees voorzichtig bij het eruit tillen van de
koplamp, zodat er geen onderdelen
beschadigd raken.
5.
1. Haal het koplamphuis los, zie pagina 351.
2. Maak de afdekkap los, zie pagina 352.
Druk de borghaak omlaag.
3.
Koppel de connector los.
Leg de koplamp op een zachte ondergrond
neer om krassen op de lens te voorkomen.
BELANGRIJK
Trek niet aan de kabel, maar alleen aan de
connector.
6. Vervang de betreffende gloeilamp en volg
de aanwijzingen.
2
352
Auto's met halogeenkoplampen
1.
Druk de haken in.
Beweeg de afdekkap onder een hoek
naar buiten.
2. Vervang de betreffende gloeilamp en volg
de aanwijzingen.
Druk de lamphouder naar boven totdat
deze losgaat.
Trek de lamphouder naar buiten.
4. Vervang de gloeilamp en monteer de
onderdelen in omgekeerde volgorde terug.
09 Onderhoud en service
Gloeilampen
Groot licht2
Extra grootlicht*3
Richtingaanwijzers, voor
1. Haal het koplamphuis los, zie pagina 351.
1. Haal het koplamphuis los, zie pagina 351.
1. Haal het koplamphuis los, zie pagina 351.
2. Maak de afdekkap los, zie pagina 352.
2. Maak de afdekkap los, zie pagina 352.
2.
Maak de afdekkap los.
3.
3.
3.
Druk de borghaak in.
Draai de lamphouder linksom.
Trek de lamphouder naar buiten.
4. Vervang de gloeilamp en monteer de
onderdelen in omgekeerde volgorde terug.
2
3
Druk de lamphouder naar boven totdat
deze losgaat.
Trek de lamphouder naar buiten.
4. Vervang de gloeilamp en monteer de
onderdelen in omgekeerde volgorde terug.
09
Trek de lamphouder naar buiten.
4. Vervang de gloeilamp en monteer de
onderdelen in omgekeerde volgorde terug.
Auto's met halogeenkoplampen
Auto's met xenonkoplampen
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
353
09 Onderhoud en service
Gloeilampen
09
Stads-/parkeerlichten4
Sidemarker
Dagrijlicht5
1. Haal het koplamphuis los, zie pagina 351.
1. Haal het koplamphuis los, zie pagina 351.
1.
Maak de afdekkap los.
2.
Draai de lamphouder linksom.
2.
Maak de afdekkap los.
2.
Draai de lamphouder linksom.
Trek de lamphouder naar buiten.
3.
Trek de lamphouder omlaag.
3. Vervang de gloeilamp en monteer de
onderdelen in omgekeerde volgorde terug.
4
5
354
4. Vervang de gloeilamp en monteer de
onderdelen in omgekeerde volgorde terug.
Geldt niet voor auto's met xenonkoplampen, omdat deze zijn voorzien van led-lampen.
Geldt alleen voor dagrijlicht met halogeenlampen.
Trek de lamphouder naar buiten.
3. Vervang de gloeilamp en monteer de
onderdelen in omgekeerde volgorde terug.
09 Onderhoud en service
Gloeilampen
Positie gloeilampen achterlamphuis
Remlicht (led)
Parkeerlicht
Achterlamphuis
1. Verwijder het klepje in de bekleding (1) aan
de kant waar de kapotte gloeilamp zit.
Sidemarker
2.
Achteruitrijlicht
Mistachterlicht
Mistachterlicht
Richtingaanwijzers, rem- en achteruitrijlicht
worden van binnenuit de kofferbak vervangen.
Remlichten
Richtingaanwijzer
09
Druk de borghaak opzij.
Trek de lamphouder naar buiten.
3. Haal de kapotte gloeilamp los door deze in
te duwen en linksom te draaien.
4. Vervang de gloeilamp en monteer de
onderdelen in omgekeerde volgorde terug.
Steek (ongeveer 20 mm) een stomp, op
een mes lijkend voorwerp, bijv. een tafelmes, bij de driehoek naar binnen.
Voorzichtig loswerken totdat het borgnokje loslaat.
BELANGRIJK
Wees voorzichtig, zodat er geen onderdelen
beschadigd raken.
355
09 Onderhoud en service
09
Gloeilampen
Draai de lamphouder linksom.
4. Vervang de gloeilamp en monteer de
onderdelen in omgekeerde volgorde terug.
3. Vervang de gloeilamp en monteer de
onderdelen in omgekeerde volgorde terug.
Verlichting make-upspiegel
Specificatie gloeilampen
[W]A
Type
DimlichtB
55
H7 LL
Groot lichtB
65
H9
55
H7 LL
Richtingaanwijzers
voorzijde
21
HY21W
ParkeerlichtB
5
W5W LL
Sidemarker
5
WY5W LL
DagrijlichtB
19
PW19W
Zijdelings gemonteerde richtingaanwijzers, buitenspiegelsD
5
WY5W LL
Richtingaanwijzers
achter
21
PY21W LL
Remlichten
21
P21W LL
Achteruitrijlicht
21
P21W LL
Verlichting
Extra
1. Steek een schroevendraaier achter het
lampglas om het borgnokje aan de rand
voorzichtig los te werken.
2. Haal het lampglas voorzichtig los en verwijder het.
3. Trek de gloeilamp met een rondbektang
recht opzij. Klem de tang niet te hard,
anders kan het glas van de lamp kapot
gaan.
356
grootlichtC
[W]A
Type
Mistachterlicht
21
H21W LL
Verlichting makeupspiegel
1,2
Lampvoet T5;
W2x4,6d
Verlichting
Trek de lamphouder naar buiten.
A
B
C
D
Watt
Auto's met halogeenkoplampen
Auto's met xenonkoplampen
Bepaalde modellen
09 Onderhoud en service
Wisserbladen en ruitensproeiervloeistof
Wisserbladen
Servicestand
ENGINE-knop om het elektrisch systeem
van de auto in de sleutelstand I te zetten.
(Zie voor meer informatie over de sleutelstanden zie pagina 81.)
2. Druk nogmaals kort op de START/STOP
ENGINE-knop om het elektrisch systeem
van de auto in de sleutelstand 0 te zetten.
3. Beweeg binnen 3 seconden de rechter
stuurhendel omhoog en houd deze
ca. 1 seconde in deze stand.
> De ruitenwisserarmen gaan dan verticaal staan.
Wisserbladen in servicestand.
De wisserbladen dienen in de servicestand te
staan om ze te kunnen vervangen, reinigen of
optillen (bijvoorbeeld om ijs van de voorruit te
krabben).
09
N.B.
Nadat de wisserarmen in de servicestand
hebben gestaan, moeten de wissers worden geactiveerd en gedeactiveerd voordat
de servicestand opnieuw kan worden
gebruikt.
Wisserbladen vervangen
De wisserbladen keren terug naar de beginstand met een korte druk op de START/STOP
ENGINE-knop om het elektrisch systeem van
de auto in de sleutelstand I te zetten (of bij het
starten van de auto).
BELANGRIJK
BELANGRIJK
Voordat de wisserbladen in de servicestand
worden gezet, moet u controleren of ze niet
vastgevroren zijn.
1. Steek de transpondersleutel in het contactslot1 en druk kort op de START/STOP
1
Als de wisserarmen in de servicestand van
de voorruit af zijn gehaald, moeten ze tegen
de voorruit worden teruggeklapt voordat de
wissers weer naar de oorspronkelijke stand
terug mogen keren. Dit gebeurt om te voorkomen dat de lak op de motorkap beschadigd raakt.
Niet noodzakelijk in auto met Keyless-functie.
357
09 Onderhoud en service
09
Wisserbladen en ruitensproeiervloeistof
Klap de wisserarm omhoog als deze in de
servicestand staat. Druk op de knop die op
de wisserbladhouder zit en trek het wisserblad evenwijdig aan de wisserarm los.
Duw het nieuwe wisserblad zo ver naar
binnen dat u een klik hoort.
Controleer of het blad goed vastzit.
G021763
Wisserbladen vervangen, achterklep
N.B.
De wisserbladen hebben een verschillende
lengte. Het blad aan de bestuurderskant is
langer dan dat aan de passagierskant.
4. Klap de wisserarm terug op de voorruit.
De wisserbladen keren terug vanuit de servicestand naar de beginstand met een korte druk
op de START/STOP ENGINE-knop om het
elektrisch systeem van de auto in de sleutelstand I te zetten (of bij het starten van de auto).
WAARSCHUWING
Aangezien de auto is uitgerust met een
voetgangersairbag (Pedestrian Airbag)
adviseert Volvo u om originele wisserarmen
te gebruiken en deze alleen door originele
onderdelen te vervangen.
1. Klap de wisserarm uit.
2. Pak het wisserblad aan de binnenkant (bij
de pijl) beet.
3. Draai het wisserblad linksom om de aanslag op de wisserarm als hefboom te
gebruiken zodat het wisserblad makkelijker loskomt.
4. Duw het nieuwe wisserblad vast. Controleer of het goed vastzit.
5. Klap de wisserarm terug.
Schoonmaken
Voor het schoonmaken van de wisserbladen
en de voorruit, zie pagina 373 en verder.
358
09 Onderhoud en service
Wisserbladen en ruitensproeiervloeistof
09
BELANGRIJK
Controleer de bladen regelmatig. Verwaarloosd onderhoud verkort de levensduur van
de bladen.
Vulopening voor
ruitensproeiervloeistof
De sproeiers van de voorruit en de koplampen
staan in verbinding met hetzelfde vloeistofreservoir.
BELANGRIJK
Gebruik in de winter sproeiervloeistof met
antivries, zodat de vloeistof niet vastvriest in
pomp, reservoir en slangen.
Voor de hoeveelheden, zie pagina 390.
359
09 Onderhoud en service
09
Accu
Gebruik
De rijomstandigheden, de rijstijl, het aantal
startpogingen, de weersomstandigheden e.d.
zijn van invloed op de levensduur en de werking van de accu.
• Koppel de startaccu nooit los, terwijl de
motor loopt.
• Controleer of de kabels van de startaccu
op de juiste manier zijn aangesloten en stevig vastzitten.
WAARSCHUWING
360
•
De startaccu kan het zeer explosieve
knalgas produceren. Eén enkele vonk,
veroorzaakt door een onjuiste aansluiting van een startkabel, kan volstaan om
de accu tot ontploffing te brengen.
•
De startaccu bevat tevens zwavelzuur
dat ernstige chemische brandwonden
kan veroorzaken.
•
Als u accuzuur in uw ogen krijgt of op
uw huid of kleren morst, moet u onmiddellijk met grote hoeveelheden water
spoelen. Neem onmiddellijk contact op
met een arts, als u accuzuur in uw ogen
krijgt.
N.B.
Als de startaccu vaak ontladen wordt, heeft
dat een negatief effect op zijn levensduur.
De levensduur van de startaccu wordt door
meerdere factoren beïnvloed, o.a. de rijomstandigheden en het klimaat. De startcapaciteit van de accu daalt in de loop van de tijd
geleidelijk en daarom moet de accu worden
opgeladen als de auto langere tijd niet wordt
gebruikt of als er alleen korte ritten mee
worden gemaakt. Extreme kou beperkt de
startcapaciteit ook.
Om de startaccu in een goede conditie te
houden, adviseren wij om minimaal 15
minuten per week te rijden of de accu aan
te sluiten op een acculader met automatisch
onderhoudsladen.
Een startaccu die constant volledig opgeladen wordt gehouden, heeft een maximale
levensduur.
BELANGRIJK
Voor het opladen van de startaccu mag
nooit een snellader worden gebruikt.
BELANGRIJK
Bij het negeren van het volgende valt na
aansluiting van een externe startaccu of
acculader de energiebesparingsfunctie
voor het infotainmentsysteem mogelijk tijdelijk uit en/of verschijnt er tijdelijk geen
melding over de ladingstoestand van de
startaccu op het informatiedisplay:
•
De minpool van de startaccu in de auto
mag nooit worden gebruikt voor aansluiting van een externe startaccu of
acculader – alleen het autochassis
dient als massapunt te worden gebruikt.
Zie het gedeelte “Starten met hulpaccu”
voor een beschrijving van de locatie van de
kabelklemmen en de manier van aansluiten.
09 Onderhoud en service
Accu
Symbolen op de accu
Vermijd vonken en open
vuur.
Draag een veiligheidsbril.
09
Startaccu vervangen
Volvo raadt aan accu's te laten vervangen door
een erkende werkplaats – een erkende Volvowerkplaats wordt aangeraden. Voor meer
informatie over de startaccu van de auto - zie
pagina 117
Explosiegevaar.
Eco Start/Stop DRIVe*
Zie voor meer informatie
het instructieboekje dat
bij de auto hoort.
Bestemd voor inzameling.
Een auto met Start/Stop-systeem is voorzien
van twee 12V-accu’s – één extra krachtige
startaccu en een hulpaccu die gebruikt wordt
voor de startprocedure middels het
Eco Start/Stop DRIVe-systeem.
Voor meer informatie over Start/Stop - zie
pagina 128.
Bewaar accu’s buiten het
bereik van kinderen.
Voor meer informatie over de startaccu van de
auto - zie pagina 117 en 396.
De accu bevat een bijtend
zuur.
N.B.
Een defecte startaccu moet op een milieuvriendelijke manier worden verwerkt - deze
bevat namelijk lood.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
361
09 Onderhoud en service
Accu
09
Accu
KoudestartvermogenA,
CCA (A)
AfmetingenD,
l×b×h
(mm)
Capaciteit (Ah)
A
B
C
D
Start
Hulp
760 B
120B
800 C
180C
278×175×190B
150×90×106B
315×175×190C
150×90×130C
70B
8B
80C
10C
Volgens EN-standaard.
Handgeschakelde versnellingsbak.
Automatische versnellingsbak.
Maximale afmetingen.
BELANGRIJK
Bij vervanging van de accu’s in een auto met
Start/Stop-systeem dient u accu’s type
AGM1 te monteren.
1
2
3
362
N.B.
•
Hoe hoger de stroomafname in de auto
(extra koeling/verwarming e.d.), hoe
meer de accu’s moeten worden bijgeladen = hoe hoger het brandstofverbruik.
•
Wanneer de capaciteit van de startaccu
tot onder de ondergrens is gedaald,
wordt het Start/Stop-systeem uitgeschakeld.
Een tijdelijke functiebeperking van het
Start/Stop-systeem op grond van een hoge
stroomafname houdt het volgende in:
• Auto-start motor2 werkt zonder dat de
bestuurder de koppeling bedient (handmatige versnellingsbak).
• De motor start automatisch zonder dat de
bestuurder zijn voet van het rempedaal
haalt (automatische versnellingsbak).
Absorbed Glass Mat
Auto-start is alleen mogelijk, als de versnellingspook in de neutraal staat.
De startaccu staat uitvoerig beschreven op pagina 361.
Locatie accu’s
A: Auto met stuur links. B: Auto met stuur rechts.
1. Startaccu3. 2. Hulpaccu.
De hulpaccu vergt doorgaans niet meer service
dan de normale startaccu. Neem bij vragen of
problemen contact op met een werkplaats geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
09 Onderhoud en service
Accu
BELANGRIJK
Bij het negeren van het volgende valt het
Start/Stop-systeem mogelijk tijdelijk uit na
aansluiting van een externe startaccu of
acculader:
•
De minpool van de startaccu in de auto
mag nooit worden gebruikt voor aansluiting van een externe startaccu of
acculader – alleen het autochassis
dient als massapunt te worden gebruikt.
Zie het gedeelte “Starten met hulpaccu”
voor een beschrijving van de locatie van de
kabelklemmen en de manier van aansluiten.
09
N.B.
Als de startaccu dermate ontladen is dat
alles "zwart" is en alle elektrische standaardsystemen van de auto’s nagenoeg uitgeschakeld zijn en u de motor vervolgens
start met een externe accu of acculader, zal
het Start/Stop-systeem actief zijn. Autostop van de motor is in dat geval mogelijk,
maar het Start/Stop-systeem kan na autostop van de motor mogelijk geen auto-start
uitvoeren door onvoldoende capaciteit van
de startaccu.
Voor een geslaagde auto-start ná auto-stop
dient de accu eerst te worden opgeladen.
Bij een buitentemperatuur van +15 °C moet
de accu ten minste 1 uur lang worden opgeladen. Bij lagere buitentemperaturen wordt
een laadduur geadviseerd van 3–4 uur.
Geadviseerd wordt de accu op te laden met
een externe acculader.
Als iets dergelijks niet voorhanden is, wordt
geadviseerd het Start/Stop-systeem uit te
schakelen totdat de startaccu voldoende
bijgeladen is.
Zie voor informatie over het opladen van de
startaccu het gedeelte “Accu” in het hoofdstuk “Onderhoud en service”.
363
09 Onderhoud en service
09
Zekeringen
Algemeen
Om te voorkomen dat de elektrische systemen
van de auto beschadigd raken door kortsluiting
of overbelasting, worden alle verschillende
elektrische functies en onderdelen door een
aantal zekeringen beschermd.
Als een van de elektrische onderdelen of functies niet werkt, is het mogelijk dat de bijbehorende zekering overbelast werd en daardoor
gesmolten is. Als dezelfde zekering herhaaldelijk doorbrandt, betekent dit dat het bijbehorende onderdeel een storing vertoont. U wordt
dan geadviseerd een bezoek te brengen aan
een erkende Volvo-werkplaats voor een controle.
WAARSCHUWING
Gebruik nooit een vreemd voorwerp of een
zekering met meer ampère dan gespecificeerd om een zekering te vervangen. Dit kan
aanzienlijke schade aan het elektrische systeem veroorzaken en mogelijk tot brand leiden.
Positie relais- en zekeringhouders
Vervangen
1. Zoek in de zekeringentabel op waar de
zekering zit.
2. Trek de zekering naar buiten en bekijk deze
van opzij om te kijken of het gebogen
draadje soms doorgebrand is.
3. Breng in dat geval een nieuwe zekering aan
met dezelfde kleur en hetzelfde amperage.
Positie van de relais- en zekeringhouders, auto
met het stuur links – bij auto’s met het stuur
rechts zit de relais- en zekeringhouder onder
het dashboardkastje aan de andere kant.
Motorruimte
Onder dashboardkastje
Onder de rechter voorstoel
364
09 Onderhoud en service
Zekeringen
09
Motorruimte
Aan de binnenkant van het deksel zit een speciale trekker waarmee u de zekeringen gemakkelijker kunt verwijderen en aanbrengen.
• De zekeringen 7–18 zijn van het type
In de relais- en zekeringhouder is tevens plaats
voor een aantal reservezekeringen.
• De zekeringen 19–45 en 47–48 zijn van het
“JCASE” en moeten worden vervangen
door een werkplaats1.
type “MiniFuse”.
Posities
Functie
A
De sticker in het deksel toont de plaats van de
zekeringen.
ABS-pomp
40
ABS-ventielen
30
Koplampsproeiers*
20
1
Functie
A
Interieurventilator
40
-
-
Hoofdzekering voor de zekeringen 32-36
30
Bedieningsmagneet startmotor
(niet Start/Stop)
30
Elektrisch verwarmde voorruit,
rechterkant*
40
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
365
09 Onderhoud en service
09
366
Zekeringen
Functie
A
Functie
A
Functie
A
-
-
Klimaatsensor*; Luchtinlaat klepmotoren
10
10
Motorregelmodule (5-cil.)
5
Elektrisch bedienbare stoel,
rechts*
20
Kleppen (benzine); Magneetkleppen (benzine); Lambdasonde
(diesel); Carterventilatieverwarming (5-cil.); Luchtmassameter
(5-cil. benzine)
Bougies (benzine)
10
Relaisspoel in relais voor koelventilator (4-cil., 5-cil. diesel);
Lambdasondes (4-cil. benzine);
Luchtmassameter (diesel);
Omloopklep EGR-koeling (diesel); Regelklep brandstofstroom
(5-cil. diesel); Regelklep brandstofdruk (5-cil. diesel)
10
Dieselfilterverwarmer; Bougieeenheid (5-cil. diesel); Oliepomp
automatische versnellingsbak (5cil. diesel Start/Stop)
15
Motorregelmodule (4-cil.)
10
Motorregelmodule (5-cil.); Gasklepeenheid (5-cil. benzine)
15
Relaisspoel in relais voor koelventilator (5-cil. benzine); Lambdasondes (5-cil. benzine)
20
ABS
5
10
Motorregelmodule; transmissieregelmodule; airbags
10
Luchtmassameter (4-cil. benzine); EVAP-klep (4-cil. benzine);
Inspuitkleppen (5-cil. benzine);
Regelmotor turbo (4-cil. diesel);
Regelklep brandstofstroom (4cil. diesel); Magneetklep zuigerkoeling (5-cil. diesel); Turboregelklep (5-cil. diesel); Oliepeilsensor
(5-cil. diesel)
Koplamphoogteregeling*
10
Elektrische stuurbekrachtiging
5
Centrale elektronicamodule
15
Elektrisch verwarmde voorruit,
linkerkant*
40
Standverwarming*
20
Ruitenwissers
20
Centrale elektronicamodule,
referentiespanning hulpaccu
(Start/Stop)
5
Claxon
15
Remlichten
5
-
-
Verlichtingsdraaiknop
5
Interne relaisspoelen
5
12V-aansluiting middenconsole
voor
15
Transmissieregelmodule
15
Magneetkoppeling A/C
15
12V-aansluiting middenconsole
achter
15
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Koelvloeistofpomp (Start/Stop)
10
09 Onderhoud en service
Zekeringen
Functie
A
Collision Warning
5
Gaspedaalsensor
5
Laadpunt hulpaccu
-
-
-
-
-
09
``
367
09 Onderhoud en service
09
Zekeringen
Onder dashboardkastje
Aan de binnenkant van het deksel naar relaisen zekeringenhouder in de motorruimte zit
een speciale trekker waarmee u de zekeringen
gemakkelijker kunt verwijderen en aanbrengen.
In de relais- en zekeringenhouder in de
motorruimte is tevens plaats voor een aantal
reservezekeringen.
Zekeringen vervangen
De zekeringen zijn toegankelijk als een
beschermkap is losgemaakt van de relais- en
zekeringenhouder.
368
Kap demonteren
1. Pak de uitsparing vast en trek tot de borgnokjes aan de onderkant van de kap loslaten van de relais- en zekeringenhouder.
2. Verwijder de kap.
N.B.
Er is een relatief grote trekkracht nodig om
de borgnokjes aan de bovenkant van de kap
eerst los te maken vanuit de relais- en zekeringhouder.
09 Onderhoud en service
Zekeringen
Kap monteren
Functie
A
Functie
A
Brandstofpomp
20
Instrumentenpaneel
5
Centrale vergrendeling tankvulklepB
10
Bedieningspaneel klimaatregeling
10
Stuurwieleenheid
7,5
-
1. Pas de onderste borgnokjes in.
2. Draai de kap omhoog totdat de bovenste
nokjes vastklikken.
N.B.
Let erop dat de bovenste borgnokjes goed
in de groeven van de relais- en zekeringhouder worden geleid.
Achterruitwisser
15
Reservestand interieurverlichting
5
Interieurverlichting; Elektrisch
bedienbare stoelen
10
Rolgordijn glazen dak*
10
Regensensor*; Automatisch
dimmende achteruitkijkspiegel*;
Vochtsensor*
5
Collision Warning*
5
-
-
Ontgrendelen achterklepA
Posities
De sticker in de kap toont de positie van de
zekeringen.
De zekeringen zijn van het type “MiniFuse”.
-
Sirene alarm*; diagnoseaansluiting OBDII
5
Groot licht
15
-
10
-
-
Reservestand 3 continue spanning
5
Stuurslot
15
09
-
Achteruitrijlicht
10
VoorruitsproeierC; AchterruitsproeierC
20
Startblokkering
5
Reservestand 1 continue spanning
15
Reservestand 2 continue spanning
20
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
369
09 Onderhoud en service
Zekeringen
09
A
B
C
D
E
F
370
Functie
A
Bewegingssensor alarm*;
Remote ontvanger
5
VoorruitsproeierD; AchterruitsproeierD
20
Centrale vergrendeling tankvulklepE
10
Ontgrendelen achterklepF
10
PTC-element luchtvoorverwarmer*; Knop stoelverwarming
achter*
7,5
Airbags; Airbag voetganger
10
Reservestand 4 continue spanning
7,5
-
-
-
-
Zie ook zekering 84.
Zie ook zekering 83.
Zie ook zekering 82.
Zie ook zekering 77.
Zie ook zekering 70.
Zie ook zekering 65.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
09 Onderhoud en service
Zekeringen
09
Onder de rechter voorstoel
Aan de binnenkant van het deksel naar relaisen zekeringenhouder in de motorruimte zit
een speciale trekker waarmee u de zekeringen
gemakkelijker kunt verwijderen en aanbrengen.
• De zekeringen 24–28 zijn van het type
“JCASE” en moeten worden vervangen
door een werkplaats2.
• De zekeringen 1–23 en 29–46 zijn van het
type “MiniFuse”.
In de relais- en zekeringenhouder in de
motorruimte is tevens plaats voor een aantal
reservezekeringen.
Functie
A
-
-
Posities
Keyless*
10
De sticker in het deksel toont de plaats van de
zekeringen.
Portierhandgrepen (Keyless*)
5
2
Functie
A
Bedieningspaneel portier linksvoor
25
Bedieningspaneel portier rechtsvoor
25
Bedieningspaneel portier linksachter
25
Bedieningspaneel portier rechtsachter
25
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
371
09 Onderhoud en service
09
Zekeringen
Functie
A
Functie
A
Functie
A
-
-
Trekhaakaansluiting 2*
20
-
-
Hoofdzekering voor zekeringen
12-16: Infotainment
40
Verwarming zitplaats achterbank
rechts*
15
-
Verwarming zitplaats achterbank
links*
15
Regelmodule AWD*
15
Elektrisch bedienbare stoel,
links*
372
20
-
-
-
-
-
Trekhaakaansluiting 1*
40
Audioregelmodule (versterker)*
5
Elektrisch verwarmde achterruit
30
-
-
-
-
Telematica*; Bluetooth*
5
BLIS*
5
Audio; Infotainmentregelmodule
15
Park Assist*
5
Digitale radio*; tv*
10
Parkeercamera*
5
12V-aansluiting bagageruimte
15
-
-
-
-
-
-
-
-
Stoelverwarming bestuurderszijde
15
-
Stoelverwarming passagierszijde
15
-
-
-
-
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
09 Onderhoud en service
Verzorging
Auto wassen
Was de auto zodra deze vuil geworden is. Zorg
dat de auto op een spoelvloer met olieafscheider staat. Gebruik autoshampoo.
WAARSCHUWING
Laat de motorreiniging altijd uitvoeren door
een werkplaats. Als de motor warm is,
bestaat er brandgevaar.
• Spoel het onderstel af.
• Spoel de hele auto af tot al het losse vuil is
verwijderd om de kans op waskrassen te
beperken. Spuit niet rechtstreeks in de
richting van de sloten.
• Gebruik indien nodig een koudontvetter
voor hardnekkig vuil. Let op dat de oppervlakken dan niet door de zon opgewarmd
mogen zijn!
• Was de auto met een spons, autoshampoo
en een ruime hoeveelheid lauw water.
• Reinig de wisserbladen met een lauwe
zeepoplossing of autoshampoo.
• Droog de auto af met een schoon en zacht
stuk zeemleer of een trekker. Door waterdruppels niet in felle zon te laten opdrogen,
verkleint u de kans op watervlekken die
moeten worden gepolijst.
Bij het reinigen:
–
Zet de wisserbladen in de servicestand, zie
pagina 357.
N.B.
• Verwijder vogelpoep zo spoedig mogelijk
van de lak. Vogelpoep bevat namelijk stoffen die de lak aantasten en deze zeer snel
doen verkleuren. U wordt geadviseerd een
dergelijke verkleuring te laten herstellen
door een erkende Volvo-werkplaats.
09
BELANGRIJK
Vuile koplampen werken slechter. Maak ze
regelmatig schoon, bijvoorbeeld als u tankt.
Gebruik geen bijtende reinigingsmiddelen,
maar water en een niet krassende spons.
N.B.
Bij de externe verlichting zoals de koplampen, mistlampen en achterlichten kan tijdelijk condens optreden aan de binnenkant
van het lampglas. Dit is een natuurlijk verschijnsel en alle externe verlichting is erop
gebouwd om dit zoveel mogelijk te voorkomen. Condens verdwijnt normaal uit het
lamphuis, wanneer de lamp enige tijd
brandt.
Reinig de wisserbladen en voorruit regelmatig met een lauw sopje of autoshampoo.
Gebruik geen sterke oplosmiddelen.
Automatische wasstraten
In een automatische wasstraat kunt u de auto
weliswaar snel en eenvoudig schoonmaken,
maar de borstels van de wasstraat kunnen niet
overal even goed bij. Voor het beste resultaat
wordt u geadviseerd de auto met de hand te
wassen.
N.B.
De eerste maanden mag de auto alleen met
de hand worden gewassen. De reden hiervoor is dat de lak gevoeliger is als deze
nieuw is.
Wisserbladen schoonmaken
Door teer-, stof- en zoutresten op de wisserbladen en insecten, ijs e.d. op de voorruit gaan
wisserbladen minder lang mee.
Hogedrukreinigers
Let er bij gebruik van een hogedrukreiniger op
dat u cirkelende bewegingen maakt en de
spuitkop op minstens 30 cm afstand van de
auto houdt (geldt voor alle exterieuronderdelen). Spuit niet rechtstreeks in de richting van
de sloten.
373
09 Onderhoud en service
09
Verzorging
Remmen testen
WAARSCHUWING
Test de rem na het wassen altijd, ook de
parkeerrem, zodat vocht en corrosie de
remvoering niet aantasten en de remmen
verslechteren.
Trap zo nu en dan lichtjes op het rempedaal,
als u lange afstanden in de regen of sneeuwmodder aflegt. Door de wrijving worden de
remblokken warm, zodat het vocht verdampt.
Doe hetzelfde bij zeer vochtig of koud weer.
Kunststof en rubber sieronderdelen
exterieur
Voor het schoonmaken en verzorgen van
gekleurde kunststof onderdelen, rubber onderdelen en sieronderdelen zoals glimmende
strips, wordt geadviseerd het speciale reinigingsmiddel te gebruiken dat bij de Volvowerkplaats verkrijgbaar is. Volg bij het gebruik
van dit reinigingsmiddel de gebruiksvoorschriften nauwkeurig op.
BELANGRIJK
Waxen en polijsten op kunststof en rubber
is niet toegestaan.
Bij gebruik van ontvettingsmiddel op kunststof en rubber mag u, als dat nodig is,
slechts met lichte druk wrijven. Gebruik een
zachte spons.
Door het polijsten van glimmende strips kan
de glimmende oppervlaktelaag wegslijten of
beschadigd raken.
Gebruik geen poetsmiddel dat schuurmiddel bevat.
Velgen
Gebruik alleen de velgreinigingsmiddelen die
Volvo adviseert.
Sterke velgreinigingsmiddelen kunnen het
oppervlak beschadigen en vlekken veroorzaken op verchroomde lichtmetalen velgen.
Poetsen en in de was zetten
Poets de auto en zet deze in de was, wanneer
de lak er dof uitziet of als u deze extra bescherming wilt bieden.
U hoeft een nieuwe auto pas na een jaar te
poetsen. In de was zetten kunt u eerder doen.
Zorg dat de auto bij het poetsen of in de was
zetten niet in direct zonlicht staat.
374
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Was de auto en droog deze zorgvuldig af, voordat u begint te poetsen of de was aanbrengt.
Verwijder asfalt- en teervlekken met een teerverwijderaar of terpentine. U kunt hardnekkige
vlekken met een speciaal voor autolak
bestemde, fijne schuurpasta (“rubbing compound”) verwijderen.
Poets de lak eerst op en behandel deze daarna
met was in vloeibare of vaste vorm. Volg de
aanwijzingen op de verpakking nauwkeurig op.
Veel preparaten bevatten zowel poetsmiddel
als was.
BELANGRIJK
Alleen lakbehandelingen uitvoeren die door
Volvo geadviseerd worden. Andere behandelingen zoals lakconservering, verzegeling, bescherming, glansverzegeling e.d.
kunnen lakschade veroorzaken. Lakschade
als gevolg van dergelijke behandelingen valt
niet onder de Volvo-garantie.
09 Onderhoud en service
Verzorging
Waterafstotende laag*
Gebruik nooit producten zoals autowas, ontvetters e.d. op het glasoppervlak, omdat de waterafstotende laag daardoor beschadigd kan raken.
Wees voorzichtig bij het schoonmaken om te
voorkomen dat er krassen in het glasoppervlak
ontstaan.
Om schade aan het glas te voorkomen dient u
voor het verwijderen van ijs alleen een krabber
van kunststof te gebruiken.
De waterafstotende laag staat bloot aan
natuurlijke slijtage.
Om de waterafstotende eigenschappen te
behouden, wordt geadviseerd de behandeling
te vernieuwen met een nabehandelingsmiddel
dat verkrijgbaar is bij een erkende Volvo-werkplaats. Gebruik het middel de eerste keer na
drie jaar en daarna ieder jaar.
Roestwering, controleren en
onderhouden
De auto heeft in de fabriek een uiterst grondige
en complete roestwerende behandeling ondergaan. De carrosserie bestaat ten dele uit gegalvaniseerd plaatwerk. Het onderstel is voorzien
van een slijtvaste bodembescherming. In de
balken, holten en gesloten profielen werd een
dunne, doordringende roestwerende vloeistof
gespoten.
De roestwering van de auto hoeft normaal
gesproken pas na ca. 12 jaar voor het eerst te
worden nabehandeld. De auto moet daarna om
de drie jaar een nabehandeling ondergaan. U
wordt geadviseerd om contact op te nemen
met een erkende Volvo-werkplaats, als de auto
een nabehandeling nodig heeft.
Vuil en strooizout kunnen aanleiding geven tot
corrosie. Het is daarom belangrijk de auto
schoon te houden. Om de roestwering van de
auto in optimale staat te houden moet u de
beschermingslaag regelmatig controleren en
zo nodig bijwerken.
Interieur reinigen
Gebruik alleen reinigingsmiddelen en autoverzorgingsproducten die door Volvo geadviseerd
worden. Maak de bekleding regelmatig schoon
en volg daarbij de gebruiksaanwijzingen bij het
autoverzorgingsproduct op.
Het is belangrijk te stofzuigen voordat u een
reinigingsmiddel gebruikt.
Matten en bagageruimte
09
Elk van beide inlegmatten zit met pennen vast.
–
Pak de inlegmat bij elk van beide pennen
vast en til de mat recht omhoog.
Breng de inlegmat aan door deze bij beide
pennen vast te drukken.
WAARSCHUWING
Controleer voordat u wegrijdt of de inlegmat
voor de bestuurdersstoel goed ligt en aan
de pennen vastzit zodat hij niet naast of
onder de pedalen klem kan komen te zitten.
Voor vlekken op de vloermat wordt geadviseerd het speciale reinigingsmiddel voor stoffen bekleding te gebruiken nadat u hebt gestofzuigd. U dient vloermatten te reinigen met de
door uw Volvo-dealer geadviseerde producten!
Vlekken op stoffen bekleding en
plafondbekleding
Om de brandvertragende eigenschappen van
de bekleding niet aan te tasten wordt geadviseerd een speciaal reinigingsmiddel voor stoffen bekleding te gebruiken dat verkrijgbaar is
bij erkende Volvo-werkplaatsen.
Haal de inlegmatten uit de auto om de vloerbekleding en de inlegmatten ieder apart
schoon te kunnen maken. Gebruik een stofzuiger om vuil en stof te verwijderen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
375
09 Onderhoud en service
09
Verzorging
BELANGRIJK
Scherpe voorwerpen en klittenbandsluitingen kunnen de stoffen bekleding van de
auto beschadigen.
mende crème op te brengen. De Volvo Leather
Care-set is verkrijgbaar bij de Volvo-dealer.
BELANGRIJK
•
Behandeling van vlekken op leren
bekleding
De leren bekleding van Volvo is chroomvrij en
is behandeld om de bekleding in oorspronkelijke staat te bewaren.
Naarmate leren bekleding ouder wordt, krijgt
het een fraai patina. Het leer wordt veredeld en
bewerkt zodat het zijn natuurlijke eigenschappen houdt. Het leer is voorzien van een
beschermende toplaag, maar om de goede
eigenschappen en het fraaie uiterlijk te behouden is regelmatige verzorging van het leer vereist. Volvo biedt een universeel leerverzorgingsproduct waarmee u leren bekleding kunt
schoonmaken en de beschermende laag kunt
herstellen, mits u de instructies opvolgt. Na
enig tijd in gebruikt te zijn geweest krijgt het
leer zijn natuurlijke patina, afhankelijk van de
oppervlaktestructuur. Een dergelijk patina
maakt deel van het natuurlijke verouderingsproces van het leer en geeft aan dat het om een
natuurproduct gaat.
Voor de beste resultaten adviseert Volvo eenà viermaal per jaar (zo nodig vaker) bescher-
376
•
Sommige geverfde kledingstukken
(zoals spijkerbroeken en suède kleding)
kunnen afgeven en voor verkleuring van
de bekleding zorgen.
Gebruik nooit sterke oplosmiddelen.
Dergelijke middelen kunnen bekleding
van textiel, vinyl en leer beschadigen.
Reinigingsvoorschriften voor leren
bekleding
1. Breng een weinig van het leerreinigingsproduct op een vochtige spons aan en
knijp erin om een dikke laag schuim te krijgen.
2. Behandel de vlek voorzichtig met cirkelende bewegingen.
3. Dep de vlek zorgvuldig met de spons. Laat
de vlek in de spons trekken. Wrijf niet.
4. Veeg het behandelde gebied met een stuk
zacht papier of een doek af en laat het leer
volledig drogen.
Beschermende laag aanbrengen op
leren bekleding
1. Breng wat van de beschermende crème op
de vilten doek aan en wrijf de crème in cirkelende bewegingen voorzichtig in het
leer.
2. Laat het leer 20 minuten drogen alvorens
erop plaats te nemen.
Daarmee is het leer beter beschermd tegen
vlekken en uv-straling.
Reinigingsvoorschriften voor leren
stuurwiel
• Verwijder vuil en stof met een ietwat vochtige spons en een neutrale zeepoplossing.
• Leer moet kunnen ademen. Dek het leren
stuurwiel nooit af met kunststof bescherming.
• Gebruik natuurlijke oliën. Voor het beste
resultaat wordt geadviseerd het leerverzorgingsmiddel van Volvo te gebruiken.
Bij vlekken op het stuurwiel:
Groep 1 (inkt, wijn, koffie, melk, zweet en
bloed)
–
Gebruik een zachte doek of spons. Neem
een ammoniaoplossing in een concentratie
van 5 %. (Gebruik voor bloedvlekken een
oplossing van 2 dl water en 25 g zout.)
09 Onderhoud en service
Verzorging
Groep 2 (vet, olie, saus en chocolade)
1. Dezelfde procedure als voor groep 1.
2. Dep met een absorberende papieren of
stoffen doek.
Groep 3 (vuil, stof in droge vorm)
1. Gebruik een zachte borstel om het vuil te
verwijderen.
2. Dezelfde procedure als voor groep 1.
Behandeling van vlekken op
interieuronderdelen van kunststof,
metaal en hout
baar is. Zorg dat de gordel droog is, voordat
deze weer wordt opgerold.
09
Kleurcode (lakcode)
Geringe lakschade herstellen
De lak vormt een belangrijk onderdeel van de
roestwering van de auto en moet daarom
regelmatig worden gecontroleerd. Om roestvorming te voorkomen moet u lakschade direct
herstellen. De meest voorkomende soorten
lakschade zijn bijvoorbeeld steenslagplekken,
krassen en plekjes op de spatbordranden, portieren en bumpers.
Benodigdheden
Voor het reinigen van interieuronderdelen en panelen van kunststof worden met water
bevochtigde splitfiber- of microvezeldoeken
geadviseerd, die verkrijgbaar zijn bij een
erkende Volvo-werkplaats.
• grondlak (primer)1 – voor bijv. met kunst-
Krab of wrijf nooit over een vlek. Gebruik nooit
sterke vlekkenmiddelen. Voor de hardnekkige
vlekken kunt u een speciaal reinigingsmiddel
gebruiken dat verkrijgbaar is bij de erkende
Volvo-werkplaats.
• afplaktape
• fijn schuurlinnen1.
stof beklede bumpers is een aparte hechtprimer in spraybus verkrijgbaar
• basislak en heldere lak – verkrijgbaar in
Kleurcode van de auto
Het is belangrijk dat u de juiste kleur gebruikt.
Voor de positie van de productsticker, zie
pagina 382.
spraybussen of als bijwerkpen/-stift2
Veiligheidsgordel schoonmaken
Gebruik water en een synthetisch wasmiddel
en in het bijzonder het textielreinigingsmiddel
dat bij de erkende Volvo-werkplaats verkrijg1
2
Eventueel.
Volg de aanwijzingen die bij de verpakking van de bijwerkpen/-stift werden geleverd.
``
377
09 Onderhoud en service
09
Verzorging
Kleine lakbeschadigingen als
steenslagplekken en krassen repareren
2. Voor het lakken kan indien nodig (bijv. bij
ongelijkmatige kanten) lokaal zeer licht
worden opgeschuurd met een zeer fijn
schuurmiddel. Maak het oppervlak goed
schoon en laat drogen.
G021832
3. Roer de grondlak (primer) goed door en
breng deze met een fijn kwastje, een lucifer
of iets dergelijks aan. Werk als de grondlak
droog is af met basislak en heldere lak.
Vóór het herstel van lakschade moet u de auto
schoonmaken en goed laten drogen. Zorg er
bovendien voor dat de auto warmer is dan
15 °C.
1. Plak een stuk afplaktape over het beschadigde gebied heen. Trek de tape weer van
de lak af om eventuele lakresten te verwijderen.
Als de beschadiging tot op het metaal
(plaat) zit, moet een grondlak (primer) worden gebruikt. Bij beschadiging van een
kunststof oppervlak moet voor een optimaal resultaat een hechtprimer worden
gebruikt – spray in het deksel van de sprayfles en strijk dun op.
378
4. Krassen kunt u op dezelfde manier herstellen, maar dek ter bescherming de onbeschadigde lak rond de kras af.
N.B.
Als de steenslag niet tot het metalen oppervlak (het plaatwerk) is gekomen en er nog
steeds een onbeschadigde laklaag aanwezig is, moet u de basislak en heldere lak
direct aanbrengen nadat het oppervlak is
gereinigd.
09 Onderhoud en service
09
379
Type-aanduidingen...............................................................................
Maten en gewichten..............................................................................
Motorspecificaties.................................................................................
Motorolie...............................................................................................
Vloeistoffen en smeermiddelen.............................................................
Brandstof..............................................................................................
Wielen en banden, maten en spanning ................................................
Elektrisch systeem................................................................................
Typegoedkeuring..................................................................................
Displaysymbolen...................................................................................
380
382
384
387
388
390
393
395
396
397
409
SPECIFICATIES
10 Specificaties
Type-aanduidingen
Positie van stickers en plaatjes
10
382
10 Specificaties
Type-aanduidingen
Wanneer u contact opneemt met uw erkende
Volvo-werkplaats of vervangende onderdelen
of accessoires wilt bestellen, kan het handig
zijn om de type-aanduiding, het chassisnummer en het motornummer bij de hand te hebben.
Type-aanduiding, chassisnummer, maximaal toelaatbaar gewicht, kleurcodes voor
lak en bekleding en typegoedkeuringsnummer. Bij het openen van het rechter
achtportier is de sticker zichtbaar.
N.B.
De in het instructieboekje afgebeelde stickers hoeven niet per definitie overeen te
komen met de stickers die in of op uw auto
aanwezig zijn. De afbeeldingen zijn alleen
bedoeld om aan te geven hoe de stickers er
in grote lijnen uitzien en waar u ze ongeveer
kunt aantreffen. Op de stickers van uw auto
vindt u de informatie die op uw auto van
toepassing is.
10
Sticker voor A/C-systeem.
Sticker voor standverwarming.
Motorcode en serienummer van de motor.
Sticker voor motorolie.
Type-aanduiding en serienummer van de
versnellingsbak.
Handgeschakelde versnellingsbak
Automatische versnellingsbak
Identificatienummer van de auto (VIN,
Vehicle Identification Number)
De typegoedkeuring van de auto bevat meer
informatie over de auto.
383
10 Specificaties
Maten en gewichten
Maten
10
Maten
A
B
C
384
Wielbasis
Lengte
Laadlengte, vloer, achterbank
neergeklapt
D
Laadlengte, vloer
E
Hoogte
F
Laadhoogte
mm
2647
G
Maten
mm
Spoorbreedte vooras
1546A
1551B
4369
1559C
1508
H
Spoorbreedte achteras
1536A
684
1541B
1445
1549C
532
I
Laadbreedte, vloer
J
Breedte
960
1802
A
B
C
Maten
mm
K
Breedte incl. buitenspiegels
2041
L
Breedte incl. ingeklapte buitenspiegels
1857
Offset 46 mm.
Offset 50 mm.
Offset 52,5 mm.
10 Specificaties
Maten en gewichten
Gewichten
Inbegrepen bij het rijklaar gewicht zijn het
gewicht van de bestuurder, dat van de brandstoftank die voor 90 % gevuld is en dat van de
resterende oliën/vloeistoffen.
Het gewicht van de passagiers en de gemonteerde accessoires alsmede de kogeldruk (bij
gebruik van een aanhanger (zie tabel op pagina
386)) zijn van invloed op het laadvermogen en
zijn niet inbegrepen bij het rijklaar gewicht.
Toelaatbare maximumbelading = totaalgewicht – rijklaar gewicht.
N.B.
Het gedocumenteerde rijklare gewicht geldt
voor een auto in de basisuitvoering, dus een
auto zonder extra uitrusting of opties. Dat
houdt in dat voor elke optie die wordt toegevoegd, de laadcapaciteit van de auto met
het gewicht van de optie afneemt.
Voorbeelden van opties die de laadcapaciteit verminderen, zijn de uitrustingsniveaus
Kinetic/Momentum/Summum en andere
opties zoals Trekhaak, Lastdrager, Dakbox,
Geluidsinstallatie, Verstralers, GPS, Verwarming op brandstof, Veiligheidsrek, Matten, Bagagerolhoes, Elektrisch bedienbare
stoelen, enz.
De auto wegen is een veilige manier om te
weten te komen wat het rijklare gewicht van
uw auto is.
WAARSCHUWING
Het rijgedrag van de auto verandert door
hoe zwaar de auto beladen is en hoe de
lading is geplaatst.
10
Voor informatie over de positie van de sticker, zie
pagina 382.
Max. totaalgewicht
Max. treingewicht (auto + aanhanger)
Max. voorasdruk
Max. achterasdruk
Uitrustingsniveau
Max. belasting: Zie typegoedkeuring.
Max. dakbelasting: 75 kg.
385
10 Specificaties
Maten en gewichten
Trekgewicht en kogeldruk
10
Motor
Versnellingsbak
Max. gewicht geremde aanhanger (kg)
Max. kogeldruk (kg)
T3
Handgeschakeld, B6
1300
75
T4
Handgeschakeld, B6
1300
75
D2
Handgeschakeld, B6
1300
75
D3
Handgeschakeld, M66
1500
75
D3
Automaat, TF-80SD
1500
75
D4
Handgeschakeld, M66
1500
75
D4
Automaat, TF-80SD
1500
75
Max. gewicht ongeremde aanhanger (kg)
Max. kogeldruk (kg)
Max. gewicht ongeremde aanhanger (kg)
386
Motor
Versnellingsbak
T3
Handgeschakeld, B6
650
50
T4
Handgeschakeld, B6
650
50
D2
Handgeschakeld, B6
650
50
D3
Handgeschakeld, M66
700
50
D3
Automaat, TF-80SD
750
50
D4
Handgeschakeld, M66
700
50
D4
Automaat, TF-80SD
750
50
10 Specificaties
Motorspecificaties
Motorspecificaties
10
N.B.
Niet alle motoren zijn verkrijgbaar op alle
markten.
A
Motor
MotorcodeA
Vermogen
(kW bij
omw/min)
Vermogen
(pk bij
omw/min)
Motorkoppel (Nm bij
omw/min)
Aantal
cilinders
Cilinderboring
(mm)
Slaglengte
(mm)
Slagvolume (liter)
Compressieverhouding
T3
B4164T3
110/5700
150/5700
240/1600–
4000
4
79
81,4
1,596
10,0:1
T4
B4164T
132/5700
180/5700
240/1600–
5000
4
79
81,4
1,596
10,0:1
D2
D4162T
84/3600
115/3600
270/1750–
2500
4
75
88,3
1,560
16,0:1
D3
D5204T6
110/3500
150/3500
350/1500–
2750
5
81,0
77,0
1,984
16,5:1
D4
D5204T4
130/3500
177/3500
400/1750–
2750
5
81,0
77,0
1,984
16,5:1
Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op de motor, zie pagina 382.
387
10 Specificaties
Motorolie
Ongunstige rijomstandigheden
10
In ongunstige rijomstandigheden kunnen de
olietemperatuur en het olieverbruik abnormaal
toenemen. Hier volgen enkele voorbeelden van
ongunstige rijomstandigheden.
Controleer het oliepeil vaker bij lange ritten:
• met een caravan of aanhanger achter de
auto
• in bergachtig gebied
• op hoge snelheden
• in temperaturen lager dan –30 °C of hoger
dan +40 °C
Het bovenstaande geldt ook tijdens kortere ritten bij lage temperaturen.
Kies een volsynthetische motorolie bij ongunstige rijomstandigheden. Ze bieden de motor
extra bescherming.
Volvo adviseert olieproducten van Castrol.
BELANGRIJK
Om aan de vereisten voor de gespecificeerde service-intervallen te voldoen worden alle motoren in de fabriek gevuld met
een speciaal aangepaste, synthetische
motorolie. De oliesoort werd met grote zorg
geselecteerd lettend op de levensduur van
de motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact.
Om de aanbevolen service-intervallen aan
te kunnen houden dient u een goedgekeurde motoroliesoort te gebruiken.
Gebruik alleen een oliesoort van de voorgeschreven kwaliteit en dat zowel bij het bijvullen als bij het verversen van olie. Een
negatieve invloed op de levensduur van de
motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact is anders niet
uitgesloten.
Volvo Car Corporation wijst alle garantieclaims af bij gebruik van een motoroliesoort
die niet voldoet aan de voorgeschreven
kwaliteits- en viscositeitseisen.
Volvo adviseert de olie in een erkende
Volvo-werkplaats te laten verversen.
388
10 Specificaties
Motorolie
Motoroliekwaliteit
Motor
MotorcodeA
Aanbevolen oliekwaliteit
Hoeveelheid, incl. oliefilter
10
(liter)
T3
B4164T3
In de fabriek bijgevulde en gecertificeerde olie: Oliekwaliteit WSS-M2C925-A
ca 4,1
alternatief tijdens servicebeurt:
T4
B4164T
Oliekwaliteit: ACEA A5/B5
ca 4,1
Viscositeit: SAE 5W-30
Oliekwaliteit: ACEA A5/B5
D2
D4162T
Viscositeit: SAE 5W-30
ca 3,8
Bij ritten onder ongunstige omstandigheden ACEA A5/B5 SAE 0W-30 gebruiken.
A
D3
D5204T6
Oliekwaliteit: ACEA A5/B5
ca 5,9
D4
D5204T4
Viscositeit: SAE 0W-30
ca 5,9
Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op de motor, zie pagina 382.
Voor het bijvullen van motorolie, zie
pagina 345.
389
10 Specificaties
Vloeistoffen en smeermiddelen
Koelvloeistof
10
MotorA
Voorgeschreven kwaliteit: Door Volvo aanbevolen koelvloeistof aangelengd met 50 %
water1, zie verpakking.
MotorA
T3
(liter)
D2
D4162T
Hoeveelheid
D3
D5204T6
(liter)
D4
D5204T4
10,0
8,0
A
B4164T3
7,0
T4
Hoeveelheid
Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor vindt
u op de motor, zie pagina 382.
B4164T
Overige vloeistoffen en smeermiddelen
Handgeschakelde versnellingsbak
Hoeveelheid (liter)
B6
1,6
M66
1,9
Voorgeschreven versnellingsbakolie
BOT 350M3
Automatische versnellingsbak
TF-80SD
1
390
De waterkwaliteit dient te voldoen aan de norm STD 1285,1.
Hoeveelheid (liter)
7,0
Voorgeschreven versnellingsbakolie
AW1
10 Specificaties
Vloeistoffen en smeermiddelen
N.B.
Onder normale rijomstandigheden hoeft de
versnellingsbakolie niet te worden ververst
zolang de versnellingsbak meegaat. Onder
ongunstige rijomstandigheden moet de olie
mogelijk wel worden ververst, zie
pagina 388.
10
Vloeistof
Systeem
Remvloeistof
Remsysteem
0,6
DOT 4+
Ruitensproeiervloeistof
Auto’s met koplampsproeiers
5,5
Door Volvo aanbevolen sproeiervloeistof, met antivries bij koud
weer en onder het vriespunt.
Auto’s zonder koplampsproeiers
3,2
Brandstof
Hoeveelheid (liter)
Voorgeschreven kwaliteit
T3, T4
ca. 62
Benzine: zie pagina 304
D2
ca. 52
Dieselolie: zie pagina 304
D3, D4
ca. 60
Compressorolie
Airconditioning
0,11
Koudemiddel
Airconditioning
0,65 kg
PAG-olie
R134a
391
10 Specificaties
Vloeistoffen en smeermiddelen
WAARSCHUWING
10
392
In de installatie voor airconditioning zit koudemiddel R134a onder druk. Service en
reparatie aan het systeem mogen uitsluitend door een erkende werkplaats worden
uitgevoerd.
10 Specificaties
Brandstof
CO2-uitstoot en brandstofverbruik
10
A
B
T3
158
6,8
106
4,6
125
5,4
T4
164
7,0
109
4,7
129
5,5
D2A
105
4,0
88
3,4
94
3,6
D2B
110
4,2
93
3,6
99
3,8
D3
139
5,3
100
3,8
114
4,3
D3
179
6,9
112
4,3
136
5,2
D4
139
5,3
100
3,8
114
4,3
D4
179
6,9
112
4,3
136
5,2
94 gram/km CO2-versie, max. bandbreedte 205.
99 gram/km CO2-versie.
``
393
10 Specificaties
Brandstof
Uitleg
gram/km
10
liter/100 km
Stadsverkeer
Snelwegrit
Combinatierit
N.B.
Als de gegevens over brandstofverbruik en
emissie ontbreken, staan deze in het bijgeleverde supplement.
Brandstofverbruik en uitstoot van
kooldioxide
De brandstofverbruiks- en emissiewaarden in
de bovenstaande tabel zijn gebaseerd op speciale EU-rijcycli1, die gelden voor een auto met
rijklaar gewicht in standaarduitvoering zonder
extra uitrusting. Afhankelijk van de uitrusting
1
394
neemt het autogewicht toe. Dit alsook de mate
van belading van de auto zorgt voor een verhoging van het brandstofverbruik en de uitstoot van kooldioxide.
Er zijn meerdere oorzaken aan te geven voor
een verhoogd brandstofverbruik ten opzichte
van de tabelwaarden. Daarbij valt te denken
aan factoren als:
• Uw rijstijl.
• De grotere rolweerstand als u kiest voor
van de auto en waarop de verbruikscijfers in de
tabel gebaseerd zijn.
Waar u op moet letten
Tips voor de bestuurder om het brandstofverbruik te beperken:
• Rijd rustig en voorkom onnodig optrekken
en krachtig remmen.
• Houd de juiste bandenspanning aan en
grotere wielen dan de standaardwielen op
de basisuitvoering van het model.
controleer regelmatig of dat nog steeds zo
is – houd voor de beste resultaten de zogeheten ECO-bandenspanning aan, zie de
bandenspanningstabel op pagina 395.
• De grotere luchtweerstand bij hogere snel-
• De bandenkeuze is mogelijk van invloed op
heden.
• De brandstofkwaliteit, de weg- en verkeersomstandigheden, de weersgesteldheid en de staat van de auto.
Ook wanneer u slechts enkele van de hier
genoemde tips opvolgt, is al een aanzienlijk
lager brandstofverbruik mogelijk. Raadpleeg
voor meer informatie de richtlijnen waar eerder
aan gerefereerd werd1.
het brandstofverbruik – informeer bij uw
dealer naar passende banden.
Voor meer informatie en tips zie pagina 11 en
298.
Zie pagina 303 voor meer algemene informatie
over brandstof.
Er zijn grote afwijkingen in het brandstofverbruik mogelijk bij een vergelijking met de EUrijcycli1 die gehanteerd worden bij certificering
De officiële brandstofverbruikscijfers zijn gebaseerd op twee gestandaardiseerde rijcycli in laboratoriummilieu (“EU-rijcycli”) conform de EU-richtlijn 80/1268/EEC (Euro 4), EU Regulation no
692/2008 alsmede 715/2007 (Euro 5) en UN ECE Regulation no 101. Deze richtlijnen bevatten informatie over de rijcycli stadsverkeer en snelwegrit. - Stadsverkeer - de meting begint met een koude
start van de motor. Het betreft hier een gesimuleerde rit. - Snelwegrit - de auto moet optrekken en afremmen bij snelheden van 0–120 km/h. Het betreft hier een gesimuleerde rit. – Bij een auto met
handgeschakelde versnellingsbak geldt de 2e versnelling als wegrijversnelling. De waarde voor combinatierit, die in de tabel staat, is zoals wettelijk bepaald werd een combinatie van een stadsrit
en een snelwegrit. CO2-uitstoot - om de uitstoot van kooldioxide te berekenen tijdens de twee rijcycli worden alle uitlaatgassen opgevangen. Deze worden vervolgens geanalyseerd en leiden tot de
gespecificeerde waarde voor de CO2-uitstoot.
10 Specificaties
Wielen en banden, maten en spanning
Goedgekeurde bandenspanningswaarden
Motor
Bandenmaat
Snelheid
(km/h)
195/65 R15
T3
205/55 R16
T4
205/50 R17
D2
225/45 R17
Belading, 1–3 inzittenden
Max. belading
ECO-bandenspanningA
Voor
Achter
Voor
Achter
Voor/achter
(kPa)B
(kPa)
(kPa)
(kPa)
(kPa)
Tot 160
230
230
260
260
260
160 +
230
230
260
260
-
Tot 160
230
230
260
260
260
160 +
290
240
310
270
-
Tot 160
240
240
260
260
260
160 +
290
240
310
270
-
max. 80
420
420
420
420
-
10
225/40 R18
205/55 R16
205/50 R17
D3
225/45 R17
D4
225/40 R18
Compact reservewiel (Temporary Spare)
A
B
Zuinig rijden.
In sommige landen wordt de bandenspanning ook wel in bar aangegeven in plaats van in pascal (1 bar = 100 kPa).
N.B.
Alle motoren, banden of combinaties daarvan zijn niet altijd beschikbaar op alle markten.
395
10 Specificaties
Elektrisch systeem
Elektrisch systeem
10
Op de auto zit een wisselstroomdynamo met
spanningsregelaar. Het elektrische systeem is
enkelpolig en gebruikt het chassis en het
motorblok als geleiders.
De accucapaciteit is afhankelijk van de uitrusting op de auto.
BELANGRIJK
Als de startaccu wordt vervangen, moet u
erop letten dat u een accu met hetzelfde
koudestartvermogen en dezelfde reservecapaciteit gebruikt als de originele accu (zie
de sticker op de accu).
Accu
Motor
Reservecapaciteit
CCA, Cold Cranking Amperes (A)
(minuten)
12
520–800
100–160
Dieselolie
12
700–800
135–160
12
760A
135
Voor auto’s met Start/Stop-systeem dient een accu type AGM (Absorbed Glass Mat) te worden gebruikt.
N.B.
•
De grootte van de batterijbehuizing
dient overeen te komen met de afmetingen van de originele batterij.
•
De hoogte van de batterij hangt af van
de afmetingen.
Eco Start/Stop DRIVe*
Voor informatie over accu’s in auto’s met
Eco Start/Stop DRIVe, zie pagina 361.
396
Koudestartvermogen,
Benzine
Benzine/Diesel met Start/Stop-systeem
A
Spanning (V)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
10 Specificaties
Typegoedkeuring
Transpondersleutelsysteem
Land
Vergrendelingssysteem standaard
China
Land
Radarsysteem
Land
10
Singapore
EU, China
IDA: Infocomm Development
Authority of Singapore.
Hong Kong
Brazilië
Sleutelloos vergrendelingssysteem
(Keyless drive)
Land
EU
Korea
``
397
10 Specificaties
Typegoedkeuring
BluetoothŸ
10
Verklaring van overeenstemming (Declaration of Conformity)
Land
Landen
binnen de
EU:
Exportland: Japan
Producent: Alpine Electronics Inc.
Type uitrusting: BluetoothŸ-eenheid
Breng voor meer informatie een bezoek aan http://ec.europa.eu/enterprise/rtte/faq.htm#informing
398
10 Specificaties
Typegoedkeuring
Land
10
Tsjechië:
Alpine Electronics, Inc. tímto prohlašuje, že tento BluetoothŸ Module je ve shodě se základními požadavky a dalšími příslušnými
ustanoveními směrnice 1999/5/ES.
Denemarken:
Undertegnede Alpine Electronics, Inc. erklærer herved, at følgende udstyr BluetoothŸ Module overholder de væsentlige krav og øvrige
relevante krav i direktiv 1999/5/EF.
Duitsland:
Hiermit erklärt Alpine Electronics, Inc., dass sich das Gerät BluetoothŸ Module in Übereinstimmung mit den grundlegenden
Anforderungen und den übrigen einschlägigen Bestimmungen der Richtlinie 1999/5/EG befindet.
``
399
10 Specificaties
Typegoedkeuring
Land
10
400
Estland:
Käesolevaga kinnitab Alpine Electronics, Inc. seadme BluetoothŸ Module vastavust direktiivi 1999/5/EÜ põhinõuetele ja nimetatud
direktiivist tulenevatele teistele asjakohastele sätetele.
GrootBrittannië:
Hereby, Alpine Electronics, Inc., declares that this BluetoothŸ Module is in compliance with the essential requirements and other
relevant provisions of Directive 1999/5/EC.
Spanje:
Por medio de la presente Alpine Electronics, Inc. declara que el BluetoothŸ Module cumple con los requisitos esenciales y cualesquiera
otras disposiciones aplicables o exigibles de la Directiva 1999/5/CE.
Griekenland:
ΜΕ ΤΗΝ ΠΑΡΟΥΣΑ Alpine Electronics, Inc. ΔΗΛΩΝΕΙ ΟΤΙ BluetoothŸ Module ΣΥΜΜΟΡΦΩΝΕΤΑΙ ΠΡΟΣ ΤΙΣ ΟΥΣΙΩΔΕΙΣ ΑΠΑΙΤΗΣΕΙΣ
ΚΑΙ ΤΙΣ ΛΟΙΠΕΣ ΣΧΕΤΙΚΕΣ ΔΙΑΤΑΞΕΙΣ ΤΗΣ ΟΔΗΓΙΑΣ 1999/5/ΕΚ.
Frankrijk:
Par la présente Alpine Electronics, Inc. déclare que l'appareil BluetoothŸ Module est conforme aux exigences essentielles et aux autres
dispositions pertinentes de la directive 1999/5/CE.
Italië:
Con la presente Alpine Electronics, Inc. dichiara che questo BluetoothŸ Module è conforme ai requisiti essenziali ed alle altre
disposizioni pertinenti stabilite dalla direttiva 1999/5/CE.
Letland:
Ar šo Alpine Electronics, Inc. deklarē, ka BluetoothŸ Module atbilst Direktīvas 1999/5/EK būtiskajām prasībām un citiem ar to
saistītajiem noteikumiem.
Litouwen:
Šiuo Alpine Electronics, Inc. deklaruoja, kad šis BluetoothŸ Module atitinka esminius reikalavimus ir kitas 1999/5/EB Direktyvos
nuostatas.
Nederland:
Hierbij verklaart Alpine Electronics, Inc. dat het toestel BluetoothŸ Module in overeenstemming is met de essentiële eisen en de andere
relevante bepalingen van richtlijn 1999/5/EG.
Malta:
Hawnhekk, Alpine Electronics, Inc., jiddikjara li dan BluetoothŸ Module jikkonforma mal-ĘtiĒijiet essenzjali u ma provvedimenti oĘrajn
relevanti li hemm fid-Dirrettiva 1999/5/EC.
10 Specificaties
Typegoedkeuring
Land
Hongarije:
Alulírott, Alpine Electronics, Inc. nyilatkozom, hogy a BluetoothŸ Module megfelel a vonatkozó alapvetõ követelményeknek és az
1999/5/EC irányelv egyéb elõírásainak.
Polen:
Niniejszym Alpine Electronics, Inc. oświadcza, że BluetoothŸ Module jest zgodny z zasadniczymi wymogami oraz pozostałymi
stosownymi postanowieniami Dyrektywy 1999/5/EC.
Portugal:
Alpine Electronics, Inc. declara que este BluetoothŸ Module está conforme com os requisitos essenciais e outras disposições da
Directiva 1999/5/CE.
Slovenië:
Alpine Electronics, Inc. izjavlja, da je ta BluetoothŸ Module v skladu z bistvenimi zahtevami in ostalimi relevantnimi določili direktive
1999/5/ES.
Slowakije:
Alpine Electronics, Inc. týmto vyhlasuje, že BluetoothŸ Module spĺňa základné požiadavky a všetky príslušné ustanovenia Smernice
1999/5/ES.
Finland:
Alpine Electronics, Inc. vakuuttaa täten että BluetoothŸ Module tyyppinen laite on direktiivin 1999/5/EY oleellisten vaatimusten ja sitä
koskevien direktiivin muiden ehtojen mukainen.
Zweden:
Härmed intygar Alpine Electronics, Inc. att denna BluetoothŸ Module står I överensstämmelse med de väsentliga egenskapskrav och
övriga relevanta bestämmelser som framgår av direktiv 1999/5/EG.
IJsland:
Hierbij verklaart Alpine Electronics, Inc. dat deze BluetoothŸ-module in overeenstemming is met de essentiële eigenschappen en
overige relevante bepalingen zoals beschreven in de EU-richtlijn 1999/5/EG.
Noorwegen:
Alpine Electronics, Inc. erklærer herved at utstyret BluetoothŸ Module er i samsvar med de grunnleggende krav og øvrige relevante
krav i direktiv 1999/5/EF.
10
``
401
10 Specificaties
Typegoedkeuring
Land
10
China:
㄀कϝᴵǂ䖯ষ੠⫳ѻॖଚ೼݊ѻકⱘ䇈ᯢк៪Փ⫼᠟‫ݠ‬Ёˈᑨߞॄϟ䗄᳝݇‫ݙ‬ᆍ˖
ᷛᯢ䰘ӊЁ᠔㾘ᅮⱘᡔᴃᣛᷛ੠Փ⫼㣗ೈˈ䇈ᯢ᠔᳝᥻ࠊǃ䇗ᭈঞᓔ݇ㄝՓ⫼ᮍ⊩˗
ƵՓ⫼乥⥛˖*+]
Ƶㄝᬜܼ৥䕤ᇘࡳ⥛ (,53 ˖໽㒓๲Ⲟ˘ G%L ᯊ˖싨P:៪싨G%Pǂķ
Ƶ᳔໻ࡳ⥛䈅ᆚᑺ˖໽㒓๲Ⲟ˘ G%L ᯊ˖싨G%P0+] (,53 ķ
Ƶ䕑乥ᆍ䰤˖SSP
Ƶᴖᬷথᇘ 䕤ᇘ ࡳ⥛ ᇍᑨ䕑⊶f ‫ֵס‬䘧ᏺᆑҹ໪ ˖
•
•
•
•
•
싨G%PN+] 0+]
싨G%PN+] *+]
싨G%P0+] *+]
싨G%P0+] *+]
싨G%P0+] ݊ᅗ *+]
ϡᕫ᪙㞾᳈ᬍথᇘ乥⥛ǃࡴ໻থᇘࡳ⥛ ࣙᣀ乱໪ࡴ㺙ᇘ乥ࡳ⥛ᬒ໻఼ ˈϡᕫ᪙㞾໪᥹໽㒓៪ᬍ⫼݊ᅗথᇘ໽㒓˗
Փ⫼ᯊϡᕫᇍ৘⾡ড়⊩ⱘ᮴㒓⬉䗮ֵϮࡵѻ⫳᳝ᆇᑆᡄ˗ϔᮺথ⦄᳝ᑆᡄ⦄䈵ᯊˈᑨゟे‫ذ‬ℶՓ⫼ˈᑊ䞛প᥾ᮑ⍜䰸ᑆᡄৢᮍৃ㒻㓁
Փ⫼˗
Փ⫼ᖂࡳ⥛᮴㒓⬉䆒໛ˈᖙ乏ᖡফ৘⾡᮴㒓⬉Ϯࡵⱘᑆᡄ៪ᎹϮǃ⾥ᄺঞए⭫ᑨ⫼䆒໛ⱘ䕤ᇘᑆᡄ˗
ϡᕫ೼亲ᴎ੠ᴎഎ䰘䖥Փ⫼DŽ
402
10 Specificaties
Typegoedkeuring
Land
Taiwan:
‫܅‬㧤෷ሽंᘿ୴ࢤሽᖲጥ෻䏺ऄรԼ㦕
10
รԼԲය
ᆖী‫ڤ‬ᎁᢞ‫ٽ‬௑հ‫פ܅‬෷୴᙮ሽᖲΔॺᆖ๺‫ױ‬Δֆ‫׹‬Ε೸ᇆࢨࠌ‫݁ृش‬լ൓ᖐ۞!᧢‫ޓ‬᙮෷Ε‫ף‬Օ‫פ‬෷ࢨ᧢‫଺ޓ‬๻ૠհ௽ࢤ֗‫פ‬౨Ζ
รԼ؄ය
‫פ܅‬෷୴᙮ሽᖲհࠌ‫ش‬լ൓ᐙ᥼ଆ౰‫ڜ‬٤֗եឫ‫ٽ‬ऄຏॾΙᆖ࿇෼‫ڶ‬եឫ෼ွழΔ!ᚨ‫ܛم‬ೖ‫ش‬Δࠀ‫ޏ‬࿳۟ྤեឫழֱ൓ᤉᥛࠌ‫ش‬Ζছႈ
‫ٽ‬ऄຏॾΔਐࠉሽॾऄ๵ࡳ!‫܂‬ᄐհྤᒵሽຏॾΖ‫פ܅‬෷୴᙮ሽᖲႊ‫ٽ࠹ݴ‬ऄຏॾࢨՠᄐΕઝᖂ֗᠔᛭‫ش‬ሽं!ᘿ୴ࢤሽᖲ๻ໂհեឫΖ
CCAB10LP0230T7
``
403
10 Specificaties
Typegoedkeuring
Land
10
ZuidKorea:
⭧㟓#⭠‿
Volvo Car Korea
㐔㷡㣄G䂈☐aGuY\TphtYXWX}
㥐䖼G⮹aGi“œŒ›––›Ghœ‹–GuˆŽˆ›–•Gyˆ‹–
⯜⒬G⮹aGphtYUX
㇤G⇔㬐aGtˆ™ŠVYWXW
Alpine Electronics, Inc
Made in Japan
ါཨ#⭠‿
Volvo Car Korea
⸰⸨㣄┍㵜䂈⫠㙸
㉐㟬㐐G㟝㇤ẠG䚐⇜ Y ┍G^Y]TX^ZG⸰⸨⾀♝G[ 㽩
⸰⸨㣄┍㵜GḔᵑ㉰䉤GX\__TX^^^
http://www.volvocars.com/kr
⏷⧴⫛#ⱇ⪣⏷㢸
୔␭䚨Gⱨ㉔㉘⽸⏈G㤸䑀䝰㐔Gᴴ⏙㉥㢨G㢼㡰⳴⦐G㢬⮹㙼㤸ḰGḴ⥜═G㉐⽸㏘⏈G䚔G㍌G㛺㏩⏼␘
404
10 Specificaties
Typegoedkeuring
Land
10
Singapore:
Verenigde
Arabische
Emiraten:
Jordanië:
The product that contains the Bluetooth module is approved with the following certification number.
BT module certification number: TRC/LPD/2010/4.
BT module name: IAM2.1BT PWB EU
``
405
10 Specificaties
Typegoedkeuring
Land
10
ZuidAfrika:
Urugay:
406
This product contains URSEC approved transmitter [module name and model name (IAM2.1 BT PWB EU + BVJG905A, BVVE905A,
BVLV905A)]
10 Specificaties
Typegoedkeuring
Land
Jamaica:
Approved for use in Jamaica SMA EI: IAM2.1
Thailand:
This telecommunication equipment conforms to NTC technical requirement.
10
Nigeria:
Mexico:
Waarschuwing
"Este equipo opera a titulo secundario, consecuentemente, debe aceptar interferencias perjudiciales incluyendo equipos de la misma
clase y puede no causar interferencias a sistemas operando a titulo primario."
BluetoothŸ module installation information
This module board is to be installed only by the professional line operator and used only for car audio produced by ALPINE ELECTRONICS, INC. When this BluetoothŸ Module Board is installed in the Car Audio, we shall consider the following points; 1. Since
“IAM2.1 BT PWB US” owns its FCC ID/IC Number, we shall affix an exterior label on the outside of the product if the FCC ID is not
visible. The exterior label shall use wording such as either “Contains Transmitter Module Board FCC ID: A269ZUA130 / IC: 700BIAM2101” or “Contains FCC ID: A269ZUA130 / IC: 700B-IAM2101”. 2. “IAM2.1 BT PWB US” complies with requirements of subsections 15.19(a)(3) in FCC Rules Part 15 Subpart C. The manual statement 15.19 (a)(3) is included User Guide of the product.
COFETEL No. RCPALIA10-0353
``
407
10 Specificaties
Typegoedkeuring
Land
10
Botswana:
Kroatië:
408
10 Specificaties
Displaysymbolen
Algemeen
Er worden tal van verschillende displaysymbolen gebruikt in de auto. De lampjes zijn onderverdeeld in waarschuwings-, controle- en
informatielampjes. Hier volgt een overzicht van
de meest voorkomende lampjes met hun betekenis en een verwijzing naar de pagina(’s) in het
boek waar u meer informatie kunt vinden. Voor
meer informatie over de symbolen en displaymeldingen, zie pagina 74 en 208.
Displaysymbolen
Waarschuwingslampjes op het
instrumentenpaneel
Lampje
Controlelampjes op het
instrumentenpaneel
Lampje
10
Betekenis
Pagina
Storing in ABLsysteem*
74, 92
Betekenis
Pagina
Lage oliedruk
76
76, 136
Uitlaatgasreinigingssysteem
74
Handrem aangetrokken
74, 135
- Rood waarschuwingslampje dat gaat
branden, wanneer er een storing geregistreerd
is die mogelijk van invloed is op de veiligheid
en/of rijeigenschappen van de auto. Er verschijnt tegelijkertijd een verklarende melding
op het informatiedisplay.
Handrem aangetrokken,
alternatief
symbool
76
Storing in ABSsysteem
Mistachterlicht
aan
74, 93
Airbags - SRS
19, 76
74, 143, 318
- Informatielampje, gaat branden, in
combinatie met een verklarende tekst op het
informatiedisplay, wanneer er een afwijking in
een van de autosystemen is opgetreden. Het
oranje informatielampje kan ook gaan branden
in combinatie met andere lampjes.
Gordelwaarschuwing
16, 76
Stabiliteitsregeling, DSTC; Trailer Stability
Assist*
76
Stabiliteitsregeling, Sport-stand
74, 143
Dynamo laadt
niet bij
76, 135
Voorgloeifunctie
motor (diesel)
74
Storing in
remsysteem
19, 30, 76, 124
Laag peil in
brandstoftank
74, 232
Waarschuwing, Safety
mode
Informatie, lees
displaymelding
74
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
409
10 Specificaties
Displaysymbolen
10
Betekenis
Pagina
Groot licht aan
74, 90
Richtingaanwijzers links
74
Richtingaanwijzers rechts
74
DRIVe - Start/
Stop*, de motor
is automatisch
gestopt
74, 128
Informatielampjes op het
instrumentenpaneel
Lampje
Betekenis
Pagina
Groot licht met
automatisch dimmen - AHB*
91
Camerasensor*
91
Adaptieve cruisecontrol*
160
Adaptieve cruisecontrol*
154, 155,
160
Lampje
Betekenis
Pagina
Adaptieve cruisecontrol*; afstandswaarschuwing*
(Distance Alert)
154, 162
Adaptieve cruisecontrol*
160
Adaptieve cruisecontrol*
153
Adaptieve cruisecontrol*
Cruisecontrol*
Radarsensor*
410
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Start/Stop*, adaptieve cruisecontrol*
Lampje
Betekenis
Pagina
Snelheidsbegrenzer
147
Camerasensor*;
lasersensor*
169, 177,
182, 187
164, 169,
177
153
Auto Brake*;
afstandswaarschuwing* (Distance Alert); City
SafetyTM; Collision
Warning*
232
149
Motor- en interieurverwarming op
brandstof*
ABL*
92
Tankvulklep
rechts
301
Accuspanning
laag
232
G025102
Lampje
160, 164,
177
132, 160
10 Specificaties
Displaysymbolen
Lampje
Betekenis
Pagina
Actieve parkeerhulp - PAP*
Lampje
Betekenis
Pagina
196
Geregistreerde
snelheidsinformatie*
145
Regensensor*
100
Oliepeil meten
347
Rijbaanassistent*
186
10
Informatielampjes op display
plafondconsole
Driver Alert System*
182
Driver Alert System*, Rijbaanassistent*
187
Driver Alert System*; Tijd voor
pauze
180, 182,
187
Schakelindicator,
handgeschakelde
versnellingsbak
119
Automatische
schakelstanden
120
Lampje
Betekenis
Pagina
Gordelwaarschuwing
18
Airbag passagiersstoel, geactiveerd
23
Airbag passagiersstoel, gedeactiveerd
23
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
411
11 Alfabetisch register
A
Aanbevolen veiligheidzitjes, tabel.............. 35
11
Aanhanger...............................................
kabel...................................................
pendelbeweging.................................
rijden met een aanhanger...................
313
313
318
313
Aanpassen, lichtbundel............................. 97
Aanrijding................................................... 30
Aanstekeropening.................................... 243
ACC – Adaptieve cruisecontrol................ 151
ACC gedeactiveerd.................................. 149
Accu................................................. 360, 396
onderhoud.......................................... 360
starten met hulpaccu.......................... 117
symbolen op de accu......................... 361
transpondersleutel/PCC....................... 51
waarschuwingssymbolen................... 361
Achterklep
vergrendelen/ontgrendelen.................. 59
Achterruit, elektrische verwarming.......... 106
Achteruitkijkspiegel.................................. 107
autodimfunctie.................................... 107
Actieve koplampen (ABL).......................... 92
Actieve parkeerhulp................................. 196
412
Actieve xenonkoplampen.......................... 92
Alarmlichten............................................... 94
Adaptieve cruisecontrol........................... 151
radarsensor......................................... 158
storingen opsporen............................ 159
Alcoholslot............................................... 111
Afstandsbediening .................................. 294
batterij vervangen .............................. 295
Afstandsbediening HomeLinkŸ
programmeerbaar .............................. 137
Airbag
activeren/deactiveren, PACOS............. 22
bestuurders- en passagierszijde.......... 20
deactiveren met sleutel......................... 22
AIRBAG ............................................... 20, 21
Airbagsysteem .......................................... 19
Airconditioning......................................... 227
algemene informatie........................... 220
Airconditioning, AC.................................. 227
alarm
deactiveren........................................... 65
Alarm..........................................................
activeren...............................................
alarmindicatie.......................................
alarmsignalen........................................
alarmsysteem controleren....................
beperkt alarmniveau.............................
geactiveerd alarm uitschakelen............
64
64
64
65
48
65
65
Allergenen................................................ 221
Antislipregeling........................................ 142
Antispin ................................................... 142
Approach-verlichting........................... 47, 96
Audio
instellingen.......................................... 253
surround............................................. 248
Audiosysteem.......................................... 248
functies............................................... 253
overzicht............................................. 249
Auto
klimaatinstelling.................................. 226
Autobekleding.......................................... 375
Automatische hervergrendeling................. 57
Automatische schakelblokkering deactiveren............................................................ 122
Automatische vergrendeling...................... 59
Automatische versnellingsbak.................
aanhanger...........................................
handmatig schakelen (Geartronic)......
slepen en bergen................................
120
314
121
320
Automatische wasstraten........................ 373
11 Alfabetisch register
Bellen....................................................... 279
BluetoothŸ
gesprek naar mobiel ..........................
handsfree ...........................................
media .................................................
microfoon uit ......................................
streaming audio .................................
bagageruimte
Hoedenplank...................................... 312
Benzinekwaliteit....................................... 304
Boordcomputer....................................... 237
Bergen..................................................... 322
Botsing, zie Aanrijding............................... 30
Bagageruimte
krikpunten........................................... 308
Ladingnet............................................ 311
verlichting............................................. 95
Berichten en symbolen
afstandscontrole................................. 164
Collision Warning met Auto
Brake.......................................... 169, 177
Driver Alert Control............................. 182
Brandstof.................................................
brandstofbesparing............................
brandstoffilter.....................................
brandstofverbruik...............................
Auto wassen............................................ 373
AUX-ingang..................................... 249, 271
Bedieningsknoppen
middenconsole................................... 211
Bedieningspaneel verlichting..................... 89
Bedrijfsrem.............................................. 134
B
Bagage verankeren (Lading vervoeren)... 308
Banden
bandenreparatie.................................
draairichting........................................
onderhoud..........................................
rijeigenschappen................................
slijtage-indicator.................................
snelheidsaanduidingen.......................
spanning.............................................
specificaties........................................
winterbanden......................................
Berichten op instrumentenpaneel............ 208
336
326
326
326
327
329
334
328
328
280
277
274
280
274
303
334
305
393
Buitenafmetingen..................................... 384
Buitenspiegels......................................... 105
Beslaande koplampglazen
condens.............................................. 373
Buitenspiegels resetten........................... 106
Beslagen ruiten........................................
ontwasemen.......................................
ontwasemen met blaasmonden.........
timerfunctie.........................................
C
227
220
230
228
Blaasmonden........................................... 222
BLIS......................................................... 201
Batterij
afstandsbediening ............................. 295
BLIS-systeem (Blind Spot Information System).......................................................... 202
Bedieningselementen
middenconsole .................................. 249
Blokkering achteruitversnelling................ 119
11
Camerasensor................................. 166, 176
CD ........................................................... 266
City Safety™............................................ 165
Claxon........................................................ 88
Claxonneren............................................... 88
Clean Zone Interior Package (CZIP)........ 221
413
11 Alfabetisch register
11
CO2-uitstoot ............................................ 393
Dolby Surround Pro Logic II.................... 248
Collision Warning............................. 171, 172
radarsensor......................... 158, 165, 171
Doorwaaddiepte...................................... 298
Collision Warning met Auto Brake*.......... 171
Driver Alert Control.................................. 180
Condens aan binnenkant lampglazen..... 373
Driver Alert System.................................. 179
Contactsleutels.......................................... 81
DSTC, zie ook Stabiliteitssysteem........... 143
Controleren en bijvullen, koelvloeistof..... 348
DVD ......................................................... 266
Doorluchtfunctie................................ 59, 220
Controlesymbolen..................................... 74
Corner Traction Control .......................... 142
Cruisecontrol........................................... 149
CZIP (Clear Zone Interior Package)......... 221
Elektrisch inklapbare buitenspiegels....... 106
Elektronische startblokkering.................... 45
ETC, elektronische temperatuurregeling
224
Etiketten................................................... 382
Extra verwarming..................................... 235
E
ECC, elektronische klimaatregeling......... 223
ECO-bandenspanning............................. 334
Extra verwarming (diesel)......................... 235
F
D
Eco Start/Stop DRIVe.............................. 128
DAB-radio................................................ 263
EHBO-kit ................................................. 335
Dagrijlicht................................................... 90
EHBO-set................................................. 335
Dagtellers................................................... 77
Elektrisch bedienbare ruiten.................... 103
Foutmeldingen
Adaptieve cruisecontrol...................... 160
LKA..................................................... 187
Dakbelasting, max. gewicht .................... 385
Elektrisch bedienbare ruiten resetten...... 105
FSC, milieulabel......................................... 11
Dashboardkastje...................................... 244
vergrendelen......................................... 59
Dieselolie................................................. 304
Displayverlichting....................................... 89
Distance Alert.......................................... 162
414
Elektrische verwarming
achterruit............................................. 106
buitenspiegels..................................... 106
stoelen en achterbank........................ 225
EcoGuide................................................. 126
Elektrisch bedienbare stoel....................... 84
elektrische aansluiting............................. 244
Elektrische aansluiting
bagageruimte...................................... 309
voorstoel............................................. 244
File-assistent............................................ 156
Follow Me home-verlichting...................... 96
11 Alfabetisch register
G
Groot licht/dimlicht, zie Verlichting............ 89
Geartronic................................................ 121
Gelaagd glas............................................ 103
Geluid
Ambient Surround Sound .................. 253
Geluidssterkte
beltoon, telefoon................................. 281
telefoon............................................... 281
telefoon/mediaspeler.......................... 281
I
IAQS – Interior Air Quality System........... 221
H
handgeschakelde versnellingsbak
schakelindicatie (GSI)......................... 119
Handgeschakelde versnellingsbak.......... 119
slepen en bergen................................ 320
IC-systeem – Inflatable Curtain................. 26
In de was zetten....................................... 374
Informatiedisplays...................................... 71
Informatietoets, PCC................................. 48
Gesprekken
gebruik................................................ 279
inkomende.......................................... 279
Hoedenplank........................................... 312
Infotainment ............................................
brontoetsen .......................................
menufuncties .....................................
overzicht ............................................
spraakherkenning...............................
Hogedruksproeiers koplampen............... 101
Inlegmatten.............................................. 244
Gevarendriehoek..................................... 335
Hoge motortemperatuur.......................... 313
Inparkeerhulp - PAP................................ 196
Gewichten
rijklaar gewicht.................................... 385
HomeLinkŸ .............................................. 137
Instructieboekje, milieulabel...................... 11
Instrumenten, schakelaars en bediening... 68
Glazen dak, rolgordijn.............................. 107
Hoofdsteun
middelste zitplaats achterbank............. 86
omklappen............................................ 86
voorstoel............................................... 83
Global opening........................................ 220
Houder voor boodschappentassen ........ 308
Instrumentenpaneel........................... 71, 208
Glazen
gelaagd/verstevigd............................. 103
Gloeilampen, zie Verlichting.................... 351
Gloeilampen achterlamphuis:
positie................................................. 355
Gordelwaarschuwing................................. 18
Handmatig schakelen (Geartronic).......... 121
Handrem.................................................. 136
11
248
249
251
249
286
Instrumentenoverzicht
auto met stuur links.............................. 68
auto met stuur rechts........................... 70
Instrumentenverlichting, zie Verlichting..... 89
Interieurcomfort....................................... 242
Interieurfilter............................................. 220
Groot licht, automatische activering.......... 91
415
11 Alfabetisch register
Interieurverlichting
automatische functie............................ 95
Interieurverwarming
op brandstof....................................... 231
Klimaatregeling........................................
algemene informatie...........................
reparatie..............................................
sensoren.............................................
220
220
350
220
Lak
kleurcode............................................ 377
schade en herstel............................... 377
Interior Air Quality System (IAQS) ........... 229
Klok, instellen............................................. 78
Lampen, zie Verlichting............................ 351
Intervalstand............................................ 100
Knipperlichten............................................ 94
Lampjes................................................... 143
iPodŸ, aansluiting.................................... 271
Knippersignalen, PCC............................... 48
Lasersensor............................................. 168
Koelsysteem............................................ 298
Leren bekleding, reinigingsvoorschriften. 376
Kofferbak
lading vervoeren................................. 307
Lichtbundel aanpassen.............................. 97
Active Bending Lights .......................... 97
halogeenkoplampen............................. 97
Interieurverlichting, zie Verlichting............. 95
11
K
Katalysator............................................... 303
bergen................................................. 321
Keuzehendelblokkering........................... 122
Keuzehendelblokkering, mechanisch uitschakelen................................................. 122
Kompas................................................... 109
kalibreren............................................ 109
Koplampen.............................................. 351
Kinderen....................................................
kinderslot..............................................
kinderzitjes en SIPS-airbags.................
positie in de auto..................................
veiligheid...............................................
33
38
24
33
33
Kinderslot................................................... 63
Kinderzitje.................................................. 33
LKA, rijstrookassistent............................. 184
Luchtverdeling................................. 221, 230
Koplamphoogteregeling............................ 89
Koudemiddel........................................... 350
M
L
Make-upspiegel................................. 95, 244
Lading vervoeren
algemene informatie........................... 307
bagageruimte...................................... 307
Media BluetoothŸ .................................... 274
Keyless drive...................................... 53, 115
416
krikpunten........................................... 308
lading op het dak................................ 307
Kleurcode, lak.......................................... 377
Max. dakbelasting .................................. 385
Mediaspeler ............................................ 266
Meldingen en symbolen
Adaptieve cruisecontrol...................... 160
LKA..................................................... 187
11 Alfabetisch register
Meldingen op informatiedisplay............... 143
hoeveelheden..................................... 388
oliekwaliteit......................................... 388
ongunstige rijomstandigheden........... 388
Meldingen voor BLIS............................... 204
Menu- en meldingsfuncties..................... 208
Menufuncties infotainment ..................... 251
Menusysteem MY CAR........................... 211
Menu’s/functies....................................... 213
Meters
brandstofmeter..................................... 72
snelheidsmeter..................................... 72
toerenteller............................................ 72
Microfoon................................................. 277
Middenconsole........................................ 211
Motoroliepeil controleren......................... 345
Motorremregeling ................................... 142
Mobiele telefoon
aansluiten...........................................
handsfree............................................
spraakherkenning...............................
telefoon registreren.............................
278
277
286
278
Motor
oververhitting...................................... 313
starten................................................. 115
Motorolie.......................................... 345, 388
filter..................................................... 345
Ontgrendelen
van de binnenzijde................................ 58
van de buitenzijde................................. 57
Motorruimte
koelvloeistof........................................ 348
olie...................................................... 345
overzicht............................................. 345
Ontwaseming........................................... 227
Motorspecificaties................................... 387
Openen, motorkap................................... 344
Motorverwarming
op brandstof....................................... 231
Oververhitting.......................................... 313
11
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte....................................................... 242
opblaasgordijn........................................... 26
MY CAR................................................... 211
P
Milieulabel, FSC, instructieboekje............. 11
Mistlichten
achter.................................................... 93
Onderhoud
roestwering......................................... 375
N
Nooduitrusting
gevarendriehoek................................. 335
PACOS....................................................... 22
PACOS, schakelaar voor activering/deactivering....................................................... 22
Paniekfunctie............................................. 47
PAP - Actieve parkeerhulp....................... 196
O
Park Assist............................................... 189
sensoren voor Park Assist.................. 191
Olie, zie ook Motorolie............................. 388
Parkeerhulpcamera.................................. 192
Oliepeil laag............................................. 345
Parkeerrem.............................................. 136
Omklappen, ruggedeelte achterbank........ 86
Passagiersruimte..................................... 242
417
11 Alfabetisch register
11
PCC (Personal Car Communicator)
bereik transpondersleutel............... 47, 48
functies................................................. 46
Relais- en zekeringenkastje, zie Zekeringen........................................................... 364
Rijstrookassistent, LKA............................ 184
Rem- en koppelingsvloeistof................... 349
Roestwering............................................. 375
Peilstok, elektronisch............................... 347
Remlichten................................................. 93
Roetfilter.................................................. 305
Poetsen.................................................... 374
Remmen.................................................. 134
antiblokkeerremsysteem, ABS........... 134
noodremlichten..................................... 93
parkeerrem......................................... 136
remkrachtverhoging bij noodstops,
EBA .................................................... 134
remlichten............................................. 93
remsysteem........................................ 134
remvloeistof bijvullen.......................... 350
symbolen op instrumentenpaneel...... 135
Roetfilter vol............................................. 305
Power....................................................... 126
Powershift-versnellingsbak.............. 123, 320
Provisorische bandenreparatie................ 336
Q
Queue Assist............................................ 156
Reservewiel.............................................. 330
R
Richtingaanwijzers..................................... 94
Radarsensor............................................ 151
beperkingen........................................ 158
Rijden.......................................................
koelsysteem........................................
met een aanhanger.............................
met geopende achterklep...................
Radio ...................................................... 258
AM/FM ............................................... 258
DAB ................................................... 263
Rijadviezen............................................... 298
298
298
313
299
Regeling, licht............................................ 89
Rijden met een aanhanger
kogeldruk............................................ 385
trekgewicht......................................... 385
Regensensor............................................ 100
Rijden tijdens de winter........................... 299
Recirculatie.............................................. 228
Rijklaar gewicht........................................ 385
418
Ritstatistiek.............................................. 240
Rolgordijn voor glazen dak...................... 107
Rugleuning................................................. 83
voorstoel, omklappen........................... 83
Ruiten en spiegels................................... 103
Ruitensproeiers........................................ 101
Ruitensproeiervloeistof, bijvullen............. 359
Ruitenwissers.......................................... 100
regensensor........................................ 100
S
Safelock-functie......................................... 61
deactiveren........................................... 61
tijdelijk deactiveren............................... 61
Safety mode.............................................. 30
Schakelindicatie (GSI).............................. 119
Schoonmaken
automatische wasstraten................... 373
auto wassen....................................... 373
11 Alfabetisch register
bekleding............................................ 375
veiligheidsgordels............................... 377
velgen................................................. 374
Sensus....................................................... 79
Serviceprogramma.................................. 344
Servicestand............................................ 357
Sfeerverlichting.......................................... 96
Signaalingang, externe.................... 249, 271
SIPS-airbag............................................... 24
SIPS-airbags.............................................. 24
Sleepoog.................................................. 321
Slepen...................................................... 320
sleepoog............................................. 321
107
105
106
106
109
Stoelen en achterbank............................... 83
elektrische bediening............................ 84
elektrische verwarming....................... 225
hoofdsteunen achterbank..................... 86
ruggedeelte achterbank omklappen..... 86
rugleuning voorstoel omklappen.......... 83
Spin Control............................................. 142
Stoel met geheugenfunctie........................ 84
Spraakherkenning mobiele telefoon........ 286
Storingen in de camerasensor opsporen.................................................... 167, 176
Spiegels
achteruitkijk-.......................................
buiten-................................................
elektrische verwarming.......................
elektrisch inklapbare...........................
kompas...............................................
Sproeiers
achterruit............................................. 101
sproeiervloeistof, bijvullen.................. 359
voorruit................................................ 101
Storingsmeldingen voor BLIS.................. 204
Stabiliteitssysteem................................... 142
Storingsmeldingen voor de afstandscontrole.......................................................... 164
Sleutel........................................................ 44
Stadslichten vóór en achterlichten............ 93
Standverwarming.....................................
accu en brandstof...............................
op een helling parkeren......................
tijd instellen.........................................
Sleutelloos starten (Keyless drive)..... 53, 115
Sleutelstanden........................................... 81
Storingsmeldingen
Driver Alert Control............................. 182
zie Berichten en symbolen................. 160
Stabiliteits- en tractieregelsysteem......... 142
Sleutelblad................................................. 49
231
231
231
233
Storingzoeken
Adaptieve cruisecontrol...................... 159
Startblokkering.......................................... 45
Stuurbekrachtiging, snelheidsafhankelijke........................................................... 241
Sloten
automatische vergrendeling................. 57
ontgrendelen......................................... 57
vergrendelen......................................... 57
Starten met hulpaccu.............................. 117
Stuurkrachtniveau, zie Stuurbekrachtiging.......................................................... 241
Steenslagplekken en krassen.................. 377
Stuurslot.................................................. 116
Smeermiddelen........................................ 390
Stickers.................................................... 382
Smeermiddelen, hoeveelheden............... 390
Stoel, zie Stoelen en achterbank............... 83
Stuurwiel.................................................... 88
stuurwielafstelling................................. 88
toetsenset..................... 88, 149, 212, 249
toetsenset adaptieve cruisecontrol.... 153
Snelheidsbegrenzer................................. 147
11
419
11 Alfabetisch register
Stuurwiel afstellen...................................... 88
Surround.......................................... 248, 253
Symbolen
controlesymbolen................................. 74
waarschuwingssymbolen..................... 74
11
Symbolen en meldingen
Adaptieve cruisecontrol...................... 160
Afstandscontrole................................ 164
Botswaarschuwing met brake support............................................. 169, 177
Driver Alert Control............................. 182
LKA..................................................... 187
spraakherkenning...............................
telefoonboek.......................................
telefoonboek, sneltoets......................
telefoon registreren.............................
286
281
281
278
Temperatuur
werkelijke temperatuur....................... 220
Temperatuurregeling............................... 227
Timer........................................................ 228
Toetsensets op stuurwiel... 88, 149, 212, 249
Totaalgewicht.......................................... 385
afneembaar, verwijderen ................... 317
specificaties........................................ 315
Trekinrichting, zie Trekhaak..................... 315
Trillingsdemper........................................ 315
TSA, Trailer Stability Assist ............. 142, 318
Tunneldetectie........................................... 92
TV............................................................. 290
Type-aanduidingen.................................. 382
Typegoedkeuring, transpondersleutelsysteem......................................................... 397
Traction Control....................................... 142
Trailer Stability Assist ..................... 142, 318
420
Transmissie.............................................. 119
T
Transponder............................................ 103
Tanken............................................... 61, 301
tanken................................................. 301
tankklep.............................................. 301
tankvulklep, handmatig openen......... 301
tankvulklep, vergrendeling.................... 61
Transpondersleutel....................................
afneembaar sleutelblad........................
batterij vervangen.................................
bereik transpondersleutel.....................
functies.................................................
Telefoon
aansluiten...........................................
bellen..................................................
gesprek beantwoorden.......................
handsfree............................................
inkomende gesprekken......................
Transpondersleutelsysteem, typegoedkeuring..................................................... 397
278
279
280
277
279
44
49
51
47
46
Trekgewicht............................................. 385
Trekhaak.................................................. 315
afneembaar, aanbrengen ................... 316
U
Uitstoot van kooldioxide.......................... 306
USB, aansluiting...................................... 271
V
Veiligheidsgordel
achterbank............................................ 18
gordelspanners..................................... 18
Veiligheidsgordels...................................... 16
11 Alfabetisch register
Veiligheidszitje...........................................
aanbevolen...........................................
afmetingscategorieën voor veiligheidszitjes met ISOFIX-bevestigingssysteem
bovenste bevestigingspunten voor kinderzitjes................................................
ISOFIX-bevestigingssysteem voor kinderzitjes................................................
33
35
38
41
38
Velgen
schoonmaken..................................... 374
Ventilatie.................................................. 221
Ventilator.................................................. 225
Vergrendelen/ontgrendelen
aan de binnenzijde................................ 57
achterklep............................................. 59
Vergrendelingsindicatie ............................ 44
Verkeersbordinformatie........................... 145
Verlichting................................................ 351
"Approach"-verlichting................... 47, 96
Actieve xenonkoplampen..................... 92
automatische verlichting, interieur........ 95
bedieningsknoppen.............................. 95
dagrijlicht.............................................. 90
displayverlichting.................................. 89
Follow Me Home-verlichting................. 96
gloeilampen, specificaties.................. 356
groot licht/dimlicht................................
in interieur.............................................
instrumentenverlichting........................
koplamphoogteverstelling....................
mistachterlicht......................................
stadslichten/parkeerlichten vóór en
achterlichten.........................................
tunneldetectie.......................................
89
95
89
89
93
Verwarming.............................................. 227
Verzorging................................................ 373
Verzorging, leren bekleding..................... 376
Vlekken.................................................... 375
Vloeistoffen, hoeveelheden...................... 390
93
92
Verlichting, gloeilampen vervangen......... 351
dagrijlicht............................................ 354
dimlicht (auto's met halogeen-koplampen)..................................................... 352
grootlicht (auto's met actieve xenonkoplampen)......................................... 353
grootlicht (auto's met halogeenkoplampen)......................................... 353
lamphouder achter: richtingaanwijzer,
rem- en achteruitrijlicht....................... 355
make-upspiegel.................................. 356
mistachterlicht.................................... 355
richtingaanwijzers, voor...................... 353
sidemarker, voor................................. 354
stads-/parkeerlicht.............................. 354
11
Vloeistoffen en oliën................................. 390
Voetgangersbescherming........................ 171
Volgtijd instellen....................................... 162
Volume .................................................... 249
snelheids-/geluidscompensatie.......... 253
Volvo Sensus............................................. 79
Voorruit
elektrische verwarming....................... 227
Elektrische verwarming...................... 106
Voorstoel
hoofdsteun............................................ 83
Verlichting instrumentenpaneel................. 89
Versnellingsbak........................................ 119
automatische...................................... 120
handgeschakelde............................... 119
421
11 Alfabetisch register
W
Waarschuwingsgeluid
Collision Warning................................ 173
11
Waarschuwingslampje
adaptieve cruisecontrol...................... 151
Collision Warning................................ 173
stabiliteits- en tractieregelsysteem..... 142
Waarschuwingslampjes
airbags (SRS)........................................
dynamo laadt niet bij............................
gordelwaarschuwing............................
lage oliedruk.........................................
parkeerrem aangezet............................
storing in remsysteem..........................
waarschuwing.......................................
76
76
76
76
76
76
76
Waarschuwingssymbolen.......................... 74
Waarschuwingssymbool, airbagsysteem. . 19
Warmtereflecterende voorruit.................. 103
Water- en vuilafstotende laag.................. 103
Water- en vuilafstotende laag, schoonmaken........................................................... 375
Whiplash-letsel, WHIPS............................. 27
WHIPS
kinderzitje/comfortkussen.................... 27
whiplash-letsel...................................... 27
422
Wielen
aanbrengen.........................................
reservewiel..........................................
sneeuwkettingen.................................
velgen.................................................
verwisselen.........................................
Zwangere vrouwen, veiligheidsgordel....... 17
332
330
328
327
330
Wielen en banden.................................... 326
Winterbanden.......................................... 328
Wisserbladen...........................................
schoonmaken.....................................
servicestand.......................................
vervangen...........................................
vervangen achterklep.........................
357
358
357
357
358
Wissers en -sproeiers.............................. 100
Z
Zekeringen...............................................
algemene informatie...........................
motorruimte........................................
onder het dashboardkastje.................
onder rechter voorstoel......................
vervangen...........................................
364
364
365
368
371
364
Zekeringenkastje..................................... 364
Zuinig rijden............................................. 298
Kdakd8Vg8dgedgVi^dc51 %VUDI "5 1SJOUFEJO4XFEFO (zUFCPSH $PQZSJHIU©7PMWP$BS$PSQPSBUJPO
Was this manual useful for you? yes no
Thank you for your participation!

* Your assessment is very important for improving the work of artificial intelligence, which forms the content of this project

Download PDF

advertising