Volvo | V50 | Gebruikershandleiding | Volvo V50 2012 Gebruikershandleiding

Volvo V50 2012 Gebruikershandleiding
VOLVO V50
Instructieboekje
Web Edition
BESTE VOLVO-BEZITTER,
DANK U DAT U GEKOZEN HEBT VOOR VOLVO!
Wij hopen dat u jarenlang rijplezier van uw Volvo zult hebben. Bij het
ontwerp hebben veiligheid en comfort van u en uw passagiers vooropgestaan. Een Volvo is een van de veiligste auto’s ter wereld. Uw
Volvo is ook ontworpen om aan alle geldende veiligheidsvoorschriften en milieueisen te voldoen.
Om nog meer plezier van uw auto te hebben, raden wij u aan om
vertrouwd te raken met de uitrusting, de instructies en de onderhoudsinformatie in dit instructieboekje.
Inhoud
00 01 02
00 Inleiding
01 Veiligheid
Belangrijke informatie................................. 8
Volvo en het milieu.................................... 12
Veiligheidsgordels.....................................
Airbagsysteem..........................................
Airbags......................................................
Airbag activeren/deactiveren*...................
SIPS-airbags (zij-airbags).........................
Opblaasgordijnen (IC-systeem)................
WHIPS-systeem........................................
Activering van de veiligheidssystemen.....
Crash mode..............................................
Kinderen en veiligheid...............................
18
21
22
24
27
29
30
32
34
35
02 Instrumenten, schakelaars en
bediening
Overzicht auto’s met het stuur links.........
Overzicht auto’s met het stuur rechts.......
Bedieningspaneel op bestuurdersportier..
Instrumentenpaneel..................................
Controle- en waarschuwingslampjes........
Informatiedisplay.......................................
Elektrische aansluiting..............................
Verlichtingspaneel.....................................
Linker stuurhendel....................................
Rechter stuurhendel..................................
Cruisecontrol*...........................................
Toetsensets op stuurwiel*.........................
Stuurwielverstelling, alarmlichten.............
Handrem...................................................
Elektrisch bedienbare ruiten.....................
Ruiten en spiegels.....................................
Elektrisch bedienbaar schuifdak* .............
Persoonlijke instellingen...........................
50
52
54
55
57
61
63
65
69
72
75
77
78
79
80
83
87
89
HomeLinkŸ *.............................................. 92
2
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Inhoud
03 04 05
03 Klimaat
04 Interieur
Algemene informatie over de klimaatregeling............................................................ 98
Handmatige klimaatregeling met airconditioning, AC.............................................. 100
Elektronische klimaatregeling, ECC*...... 103
Luchtverdeling........................................ 107
Motor- en interieurverwarming op brandstof*......................................................... 108
Extra verwarming op brandstof* (diesel). 111
Voorstoelen.............................................
Interieurverlichting...................................
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte......................................................
Achterbank..............................................
Bagageruimte..........................................
05 Sloten en alarm
114
117
120
124
126
Transpondersleutel met sleutelblad........
Vergrendelingspunten.............................
Keyless drive*..........................................
Batterij in transpondersleutel..................
Vergrendelen en ontgrendelen................
Kinderslot................................................
Alarm*.....................................................
132
135
136
139
140
143
144
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
3
Inhoud
06 07 08
06 Starten en rijden
Algemene informatie...............................
Tanken....................................................
Alcoholslot*.............................................
Motor starten..........................................
Motor starten, FlexiFuel..........................
Keyless drive*..........................................
Handgeschakelde versnellingsbak.........
Automatische versnellingsbak................
DRIVe Start/Stop*...................................
Remsysteem...........................................
DSTC (stabiliteits- en tractieregeling)*....
Parkeerhulp*............................................
BLIS* – Blind Spot Information System. .
Slepen en bergen....................................
Starten met hulpaccu..............................
Rijden met een aanhanger......................
Trekhaak*................................................
Afneembare trekhaak* ...........................
Lading vervoeren....................................
Lichtbundel aanpassen...........................
4
07 Wielen en banden
150
152
156
160
162
164
165
167
172
176
178
180
183
187
190
192
194
196
200
201
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Algemene informatie...............................
Bandenspanning.....................................
Gevarendriehoek* en reservewiel* .........
Wielen verwisselen..................................
Noodreparatie banden*...........................
08 Verzorging
204
208
210
212
214
Schoonmaken......................................... 220
Lakschade herstellen.............................. 225
Roestwering............................................ 226
Inhoud
09 10 11
09 Onderhoud en service
Volvo Service..........................................
Onderhoud..............................................
Motorkap en motorruimte.......................
Oliën en vloeistoffen...............................
Wisserbladen..........................................
Startaccu.................................................
Gloeilampen vervangen..........................
Zekeringen..............................................
10 Infotainment
230
231
233
235
241
243
247
254
Algemene informatie...............................
Audiofuncties..........................................
Radiofuncties..........................................
Cd-functies.............................................
Menusysteem, audiosysteem.................
Telefoonfuncties*....................................
Menusysteem, telefoon*.........................
Bluetooth handsfree*..............................
11 Specificaties
264
266
271
277
280
281
289
293
Type-aanduiding.....................................
Maten en gewichten................................
Motorspecificaties...................................
Motorolie.................................................
Vloeistoffen en smeermiddelen...............
Brandstof................................................
Wielen en banden, maten en spanning ..
Elektrisch systeem..................................
Typegoedkeuring....................................
Displaysymbolen.....................................
302
304
307
308
310
313
315
317
319
320
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
5
Inhoud
12
12 Alfabetisch register
Alfabetisch register................................. 324
6
Inhoud
7
Inleiding
Belangrijke informatie
Instructieboekje lezen
Inleiding
Een goede manier om vertrouwd te raken met
uw nieuwe auto is om het instructieboekje te
lezen, idealiter voordat u uw eerste rit maakt.
Zo maakt u kennis met nieuwe functies, krijgt
u tips hoe u het beste in verschillende situaties
met de auto kunt omgaan en leert u hoe u optimaal gebruik kunt maken van alle mogelijkheden die uw auto biedt. Besteed ook aandacht
aan de veiligheidsinstructies in het boekje.
De specificaties, constructiegegevens en
afbeeldingen in dit instructieboekje zijn niet
bindend. We behouden ons het recht voor om
zonder voorafgaande mededeling wijzigingen
aan te brengen.
©
Volvo Car Corporation
Optie
Alle soorten opties staan aangegeven met een
sterretje* in het instructieboekje.
Als aanvulling op de standaarduitrusting worden in dit instructieboekje ook de opties (van
fabriekswege gemonteerde uitrusting) en
bepaalde accessoires (ingebouwde extra uitrusting) beschreven.
De uitrusting die in het instructieboek wordt
beschreven is niet op alle auto’s aanwezig –
welke uitrusting aanwezig is, hangt af van de
8
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
verschillende behoeften op de diverse markten
en de landelijke en/of regionale wet- en regelgeving.
naar verwijst. Als de voetnoot naar tekst in een
tabel verwijst, worden letters gebruikt in plaats
van cijfers.
Neem bij twijfel over de standaarduitrusting of
opties/accessoires contact op met een Volvodealer.
Displaymeldingen
Speciale teksten
WAARSCHUWING
Teksten met het kopje WAARSCHUWING
geven aan dat er gevaar voor letsel bestaat.
BELANGRIJK
Teksten met het kopje BELANGRIJK geven
aan dat er gevaar voor materiële schade
bestaat.
N.B.
Teksten met het kopje N.B. duiden op tips
en adviezen die het gebruik van bepaalde
mogelijkheden en functies vergemakkelijken.
Voetnoot
In het instructieboekje komt informatie voor in
de vorm van een voetnoot onder aan de
pagina. Deze informatie vormt een aanvulling
op de tekst waar het nummer van de voetnoot
In de auto zijn displays aanwezig waarop meldingen kunnen worden weergegeven. Deze
displaymeldingen worden in het instructieboekje in iets groter formaat en in het grijs
weergegeven. Voorbeelden daarvan vindt u in
de menuteksten en displaymeldingen van het
informatiedisplay (bijvoorbeeld AUDIOINSTELLINGEN).
Stickers
Er zitten verschillende soorten stickers in de
auto om belangrijke informatie op een simpele
en duidelijke manier over te dragen. De stickers
in de auto zijn van de onderstaande aflopende
waarschuwings-/informatiegraad.
Inleiding
Belangrijke informatie
G031590
Zwarte ISO-symbolen in een oranje waarschuwingsveld, witte tekst/afbeelding in een zwart
tekstveld. Worden gebruikt om te attenderen
op een risico dat, bij het negeren van de waarschuwing, kan resulteren in ernstig letsel met
mogelijk dodelijke afloop.
Informatie
Witte ISO-symbolen en een witte tekst/afbeelding in een zwart of blauw waarschuwings- en
tekstveld. Worden gebruikt om te attenderen
op een risico dat, bij het negeren van de waarschuwing, kan resulteren in materiële schade.
G031593
Gevaar voor materiële schade
G031592
Gevaar voor lichamelijk letsel
Witte ISO-symbolen en een witte tekst/afbeelding in een zwart tekstveld.
N.B.
Het is mogelijk dat de stickers die in de
instructieboek staan geen exacte kopieën
zijn van de stickers die in de auto zitten. Ze
dienen alleen om aan te geven hoe de stickers er bij benadering uitzien en waar ze
ongeveer zitten. De informatie die voor uw
auto geldt staat op de desbetreffende stickers in/op uw auto.
9
Inleiding
Belangrijke informatie
Procedurelijsten
Opsommingslijsten
Procedures met handelingen die in een
bepaalde volgorde moeten worden uitgevoerd,
staan genummerd in het instructieboekje.
Bij opsommingen in het instructieboekje wordt
gebruik gemaakt van een opsommingslijst.
• Koelvloeistof
• Motorolie
Als voor de instructies bij een reeks afbeeldingen de onderlinge volgorde niet relevant is, worden de instructies voorafgegaan door letters.
een hoofdstuk wordt voortgezet op de volgende pagina.
Er komen genummerde en ongenummerde
pijlen voor. Ze worden gebruikt om een
bepaalde beweging weer te geven.
Wanneer er geen reeks afbeeldingen bij een
stapsgewijze instructie bestaat, zijn de verschillende stappen op de standaardmanier
genummerd met normale cijfers.
Positielijsten
Op overzichtsfiguren die de positie van
onderdelen aangeven worden rode cirkels
met daarin een cijfer gebruikt. Hetzelfde
cijfer wordt gehanteerd in de positielijst bij
de afbeelding, met een beschrijving van de
weergegeven objecten.
10
Bijvoorbeeld:
Wanneer er een reeks afbeeldingen bij een
stapsgewijze instructie bestaat, zijn de verschillende stappen van de instructie op
dezelfde manier genummerd als de bijbehorende afbeeldingen.
Zie ommezijde
`` Dit symbool staat rechts onderaan wanneer
Vastlegging van gegevens
Uw auto is voorzien van enkele computers met
als taak de werking en functionaliteit van de
auto continue te bewaken. Bepaalde computers leggen mogelijk ook gegevens vast bij
registratie van een storing tijdens normale ritten. Bovendien worden er gegevens opgeslagen bij een aanrijding of bijna-aanrijding. Vastlegging van de gegevens is enerzijds bedoeld
om technici te helpen bij het vaststellen en verhelpen van storingen in de auto en anderzijds
om ervoor te zorgen dat Volvo voldoet aan de
geldende wet- en regelgeving. Volvo gebruikt
de gegevens bovendien voor onderzoek ter
verbetering van de kwaliteit en veiligheid, daar
de gegevens kunnen bijdragen tot een groter
inzicht in de omstandigheden waarin ongelukken en/of letsel ontstaan. De gegevens kunnen
duidelijkheid geven over de status en werking
van verschillende autosystemen en -modulen
waaronder die voor de motor, gasklep, besturing en remmen. De gegevens kunnen informatie bevatten over de rijstijl van de bestuurder, zoals de rijsnelheid, het gebruik van het
rem- of gaspedaal en de stuuruitslag en het wel
of niet dragen van de veiligheidsgordel door
bestuurder en eventuele passagier(s). De
gegevens kunnen om de eerder vermelde
redenen voor een begrensde tijd worden vastgelegd tijdens het rijden, tijdens een aanrijding
of bij een bijna-ongeluk. Volvo kan de gegevens opslaan zolang deze kunnen bijdragen tot
een verbetering en verdere verhoging van de
veiligheid en kwaliteit en zolang de wet- en
regelgeving waaraan Volvo gehouden is dit
voorschrijft.
Volvo zal de bovengenoemde gegevens niet
zonder de toestemming van de eigenaar van
de auto vrijgeven aan derden. Volvo Car Corporation kan echter op last van de nationale
wet- en regelgeving gedwongen worden om
dergelijke gegevens te verstrekken aan instanties, zoals de politie, of anderen die krachtens
de wet de gegevens kunnen opeisen.
Om de door de computers van de auto vastgelegde gegevens te kunnen uitlezen en interpreteren is speciale technische apparatuur vereist die alleen beschikbaar is bij Volvo, en de
werkplaatsen die een contract hebben met
Inleiding
Belangrijke informatie
Volvo. Volvo ziet erop toe dat de gegevens, die
in verband met reparatie en onderhoud worden
doorgegeven aan Volvo, zorgvuldig worden
opgeslagen en gehanteerd en dat ze in overeenstemming met de geldende wetgeving worden gebruikt. Neem voor meer informatie contact op met een Volvo-dealer.
erkende Volvo-werkplaats. Zie ook “Beveiligingscode wijzigen” in het instructieboekje bij
Volvo On Call.
Informatie op internet
Op www.volvocars.com vindt u meer informatie over uw auto.
Accessoires en opties
Een verkeerde aansluiting en montage van
accessoires kan een nadelige invloed hebben
op de werking van de elektronische systemen
van de auto. Bepaalde accessoires werken
alleen, wanneer de bijbehorende software in de
computersystemen van de auto wordt geladen. U wordt daarom altijd geadviseerd contact op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats, voordat u accessoires monteert die in
verbinding staan met of van invloed zijn op het
elektrische systeem.
Verkoop van auto met Volvo On Call *
Volvo On Call is een aanvullend pakket met
veiligheids-, beveiligings- en comfortdiensten.
Als een auto met Volvo On Call van eigenaar
verandert, is het uitermate belangrijk dat deze
diensten worden beëindigd zodat de vorige
eigenaar niet langer gebruik kan blijven maken
van deze diensten. Neem contact op met het
On Call-center via een druk op de ON CALLtoets in de auto of breng een bezoek aan een
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
11
Inleiding
Volvo en het milieu
G000000
Milieubeleid van Volvo Car Corporation
Zorg voor het milieu is een van de kernwaarden
van Volvo Car Corporation die van invloed zijn
op alle activiteiten. We zijn ervan overtuigd dat
onze klanten onze zorg voor het milieu delen.
Uw Volvo voldoet aan strenge internationale
milieueisen en is bovendien geproduceerd in
een fabriek die zeer schoon is en efficiënt met
hulpbronnen omgaat. Volvo Car Corporation is
gecertificeerd volgens de milieunorm ISO
14001 voor alle fabrieken en de meeste andere
eenheden. We eisen bovendien van onze
samenwerkingspartners dat ze systematisch
aan milieuzorg doen.
12
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Brandstofverbruik
De auto’s van Volvo zijn concurrerend in hun
klasse wat het brandstofverbruik betreft. Een
lager brandstofverbruik levert over het algemeen een geringere uitstoot van het broeikasgas kooldioxide op.
U als bestuurder kunt uw steentje bijdragen
aan een verlaging van het brandstofverbruik.
Lees voor meer informatie de tekst onder het
kopje Spaar het milieu.
Efficiënte uitlaatgasreiniging
Uw Volvo is gebouwd volgens het concept
“Schoon aan binnen- en buitenkant” – een
concept dat een schone passagiersruimte
combineert met een uitermate efficiënte uitlaatgasreiniging. In veel gevallen liggen uitlaatgasemissies ver onder de geldende normen.
Schone lucht in passagiersruimte
Het interieurfilter zorgt dat stofdeeltjes en pollen niet via de luchtinlaatopening in de passagiersruimte kunnen dringen.
Een geavanceerd luchtreinigingssysteem,
IAQS* (Interior Air Quality System), zorgt ervoor
dat de lucht die de passagiersruimte binnenkomt schoner is dan de lucht buiten in het verkeer.
Inleiding
Volvo en het milieu
Het systeem bestaat uit een elektronische sensor en een koolstoffilter. De binnenkomende
lucht wordt continu gecontroleerd en als het
gehalte aan bepaalde schadelijke gassen zoals
koolmonoxide te hoog oploopt, wordt de luchtinlaat gesloten. Iets dergelijks kan zich voordoen in bijvoorbeeld druk verkeer, files of tunnels.
Het koolstoffilter zorgt ervoor dat stikstofoxiden, laaghangend ozon en koolwaterstoffen
niet binnendringen.
Interieur
Het interieur van een Volvo werd dusdanig
vormgegeven dat het gerieflijk en comfortabel
is – ook voor mensen met contactallergieën of
astma. Er is extra veel aandacht besteed aan
de selectie van milieuvriendelijke materialen.
Erkende Volvo-werkplaatsen en het
milieu
Met regelmatig onderhoud kunt u de voorwaarden scheppen voor een lange levensduur en
een laag brandstofverbruik. Op die manier
draagt u bij aan een schoner milieu. Wanneer
u de reparaties en het onderhoud aan de auto
toevertrouwt aan de werkplaatsen van Volvo,
wordt de auto een onderdeel van ons systeem.
We stellen duidelijke milieu-eisen aan de outillage van onze werkplaatsen om te voorkomen
dat er schadelijke stoffen vrijkomen in het
milieu. Het personeel in de werkplaatsen van
Volvo beschikt over de kennis en het gereedschap om optimale zorg voor het milieu te kunnen garanderen.
Spaar het milieu
U kunt eenvoudig meehelpen het milieu te
beschermen – hier volgen enkele tips:
• Voorkom stationair draaien – zet de motor
af wanneer u langere tijd stilstaat. Houdt u
zich aan de plaatselijke voorschriften.
• Rijd economisch – rijd anticiperend.
• Voer service en onderhoud uit volgens de
aanwijzingen in het instructieboekje – houd
de geadviseerde intervallen in het Serviceen garantieboekje aan.
• Gebruik vóór een koude start altijd de
motorverwarming*, als de auto hiermee is
uitgerust – dit verbetert de startgewilligheid, beperkt de slijtage bij koud weer en
zorgt ervoor dat de motor sneller op
bedrijfstemperatuur komt, waardoor het
brandstofverbruik en de uitstoot afnemen.
• Bij hoge snelheden neemt het verbruik
aanzienlijk toe vanwege de grotere luchtweerstand – bij een verdubbeling van de
snelheid neemt de luchtweerstand met een
factor vier toe.
juiste manier van verwerken van dergelijk
afval – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
Wanneer u deze tips opvolgt, kunt u geld
besparen, zuiniger omspringen met de hulpbronnen op aarde en uw auto langer doen
meegaan. Zie pagina 150 en 313 voor meer
informatie en meer tips.
Recycling
Milieumatig verantwoorde recycling van de
auto vormt een belangrijk aspect van de milieuzorg van Volvo. De auto is nagenoeg geheel
te recyclen. De laatste eigenaar van de auto
wordt daarom verzocht contact op te nemen
met een dealer voor de locatie van een gecertificeerd/erkend recyclingsbedrijf.
Milieu-aspecten van het
instructieboekje
Het Forest Stewardship CouncilŸ-symbool
geeft aan dat de papiervezels waarvan deze
publicatie gemaakt is afkomstig zijn uit FSCŸgecertificeerde bossen of andere gecontroleerde bronnen.
• Hanteer afvalstoffen die schadelijk voor het
milieu zijn, zoals accu’s en olie, op een
milieuvriendelijke manier. Neem contact
op met een werkplaats bij twijfel over de
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
13
Inleiding
Volvo en het milieu
14
Inleiding
15
Veiligheidsgordels...................................................................................
Airbagsysteem........................................................................................
Airbags....................................................................................................
Airbag activeren/deactiveren*.................................................................
SIPS-airbags (zij-airbags)........................................................................
Opblaasgordijnen (IC-systeem)..............................................................
WHIPS-systeem......................................................................................
Activering van de veiligheidssystemen...................................................
Crash mode............................................................................................
Kinderen en veiligheid.............................................................................
16
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
18
21
22
24
27
29
30
32
34
35
VEILIGHEID
01 Veiligheid
Veiligheidsgordels
01
Algemene informatie
ting te steken. Een duidelijke “klik” geeft
aan dat de veiligheidsgordel vastzit.
Veiligheidsgordel losmaken
–
Druk op de rode knop van de sluiting en
laat het oprolmechanisme de veiligheidsgordel naar binnen trekken. Als de gordel
niet volledig wordt opgerold, moet u de
veiligheidsgordel handmatig zo ver terugrollen dat deze niet langer slap hangt.
G020104
De veiligheidsgordel is geblokkeerd en kan
niet verder worden uitgetrokken:
Heupgordel uittrekken. De gordel moet laag
gedragen worden.
Remmen kan ernstige gevolgen hebben als de
veiligheidsgordel niet wordt gedragen. Let er
daarom op dat alle passagiers hun veiligheidsgordel omhebben. Voor optimale bescherming
door de veiligheidsgordel is het van belang dat
de gordel goed tegen het lichaam ligt. Laat de
rugleuning niet te ver achteroverhellen. De veiligheidsgordel biedt de beste bescherming bij
een normale rijhouding.
De veiligheidsgordel omdoen
–
18
Trek de veiligheidsgordel langzaam uit en
maak deze vast door de borglip in de slui-
• wanneer u de gordel te snel uittrekt
• wanneer u remt of optrekt
• als de auto sterk overhelt.
Let erop dat
• u geen klemmen of andere accessoires
gebruikt waardoor u de veiligheidsgordel
niet strak langs uw lichaam kunt trekken
• er geen slagen in de veiligheidsgordel zitten en dat hij nergens achter blijft steken
• de heupgordel laag moet zitten (niet over
de buik)
• u de heupgordel over de heupen spant
door aan de diagonale schoudergordel te
trekken zoals afgebeeld.
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en de airbag werken
samen. Als de veiligheidsgordel niet of
onjuist wordt gebruikt, kan de bescherming
die de airbag bij een aanrijding biedt afnemen waardoor u als klant ernstig letsel kunt
oplopen.
WAARSCHUWING
Elke veiligheidsgordel is bestemd ter
bescherming van slechts één persoon.
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen aan de veiligheidsgordels aan en probeer ze nooit zelf te
repareren. Volvo adviseert u daarvoor contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats. Als een veiligheidsgordel aan
grote krachten heeft blootgestaan zoals tijdens een aanrijding, moet u de veiligheidsgordel in zijn geheel vervangen. De veiligheidsgordel kan een deel van zijn beschermende eigenschappen hebben verloren,
zelfs als de veiligheidsgordel ogenschijnlijk
niet beschadigd is. Vervang de veiligheidsgordel ook als deze versleten of beschadigd
is. De nieuwe veiligheidsgordel moet zijn
goedgekeurd en bedoeld voor montage op
dezelfde positie als de vervangen veiligheidsgordel.
01 Veiligheid
Veiligheidsgordels
Veiligheidsgordel en zwangerschap
Naarmate de zwangerschap vordert moeten
zwangere bestuurders de stoel en het stuur
dusdanig verstellen dat ze de auto volledig
onder controle hebben (wat inhoudt dat ze met
gemak bij het stuur en de pedalen moeten kunnen komen). Streef ernaar de afstand tussen de
buik en het stuur zo groot mogelijk te maken.
G020105
Het heupgedeelte van de veiligheidsgordel
moet vlak tegen de buitenkant van de bovenbenen liggen en zo ver mogelijk onder de buik
liggen. Het mag nooit over de buik omhoog
kunnen glijden. De veiligheidsgordel moet zo
strak mogelijk over het lichaam lopen zonder
onnodige speling. Controleer ook of de gordel
nergens gedraaid zit.
Het gordelwaarschuwingssysteem geldt niet
voor kinderzitjes.
Achterbank
De functie van de gordelwaarschuwing voor de
achterbank is tweeledig:
• Aangeven welke veiligheidsgordels van de
achterbank er worden gebruikt. Bij gebruik
van de veiligheidsgordels of het openen
van een van de achterportieren verschijnt
er een melding op het informatiedisplay.
De melding verdwijnt automatisch na ca.
30 seconden rijden, maar kan ook handmatig worden verwijderd door op de knop
READ op de richtingaanwijzerhendel te
drukken.
Gordelwaarschuwing
• Waarschuwen dat iemand op de achter-
G018084
Wanneer u zwanger bent, is het belangrijk dat
u de veiligheidsgordel draagt. Nog belangrijker
is het dat u de veiligheidsgordel dan op de
juiste manier draagt. De veiligheidsgordel moet
strak langs de schouder lopen, waarbij het diagonale deel van de veiligheidsgordel tussen de
borsten en tegen de zijkant van de buik ligt.
01
Er gaan waarschuwingslampjes branden en er
worden geluidssignalen afgegeven wanneer
iemand de gordel niet draagt. Of er geluidssignalen klinken, hangt af van de snelheid. De
waarschuwingslampjes zitten in de plafondconsole en op het instrumentenpaneel.
bank de veiligheidsgordel heeft losgenomen. Er wordt gewaarschuwd met een
melding op het informatiedisplay in combinatie met een geluidssignaal en een
waarschuwingslampje. De waarschuwing
stopt wanneer de veiligheidsgordel weer is
omgedaan, maar kan ook handmatig worden bevestigd door op de knop READ te
drukken.
De melding op het informatiedisplay, die aangeeft welke veiligheidsgordels er gebruikt worden, is altijd beschikbaar. Druk op de knop
READ om de opgeslagen meldingen te zien.
``
19
01 Veiligheid
01
Veiligheidsgordels
Bepaalde markten
Er gaat een waarschuwingslampje branden en
er worden geluidssignalen afgegeven wanneer
de bestuurder de gordel niet draagt. Op lage
snelheden klinkt de eerste 6 seconden lang een
geluidssignaal.
Gordelspanners
De veiligheidsgordels voorin alsmede die van
de buitenste zitplaatsen op de achterbank zijn
uitgerust met gordelspanners. Dit is een
mechanisme dat bij een voldoende krachtige
aanrijding de veiligheidsgordel rond het
lichaam spant. De veiligheidsgordel kan de
passagier daarmee beter in de stoel gedrukt
houden.
WAARSCHUWING
De gesp van de veiligheidsgordel aan passagierszijde nooit aanbrengen in de gordelsluiting aan bestuurderszijde. De gesp van
de veiligheidsgordel altijd aanbrengen in de
gordelsluiting aan de juiste zijde. De veiligheidsgordels nooit beschadigen en geen
vreemde voorwerpen aanbrengen in de gordelsluiting. De veiligheidsgordels en de gordelsluiting werken anders mogelijk niet naar
behoren tijdens een aanrijding. Er bestaat
gevaar voor ernstige verwondingen.
20
01 Veiligheid
Airbagsysteem
Waarschuwingslampje op het
instrumentenpaneel
01
Behalve het brandende waarschuwingslampje verschijnt er, in die
gevallen waarin dat nodig is, een
melding op het display. Als het
waarschuwingslampje niet werkt,
gaat het waarschuwingsdriehoekje branden en verschijnt er
SRS-AIRBAG SERVICE
VEREIST of SRS-AIRBAG
SERVICE SPOED op het display. Volvo adviseert u zo spoedig mogelijk contact op te
nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel gaat branden, wanneer u de transpondersleutel naar sleutelstand I, II of III draait.
Het symbool dooft na ca. 6 seconden, wanneer
de regelmodule heeft vastgesteld dat het airbagsysteem geen storingen vertoont.
Als het waarschuwingslampje voor het airbagsysteem blijft branden of tijdens het rijden korte tijd oplicht, betekent dit dat het
airbagsysteem niet naar behoren werkt. Het
lampje kan ook duiden op een storing in de
gordelspanners, het SIPS-, het SRS- of het
IC-systeem. Volvo adviseert u zo spoedig
mogelijk contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats.
21
01 Veiligheid
01
Airbags
Airbagsysteem
WAARSCHUWING
N.B.
G020111
Volvo adviseert u voor reparatie contact op
te nemen met een erkende Volvo-werkplaats. Verkeerde ingrepen in het airbagsysteem kunnen aanleiding geven tot storingen in de werking met mogelijk ernstig
lichamelijk letsel tot gevolg.
22
Het is dan ook mogelijk dat er bij ongelukken slechts één (of geen enkele) van de airbags wordt opgeblazen. Het SRS-systeem
registreert de botskracht waaraan de auto
blootstaat en stemt de activering van een of
meerdere airbags daarop af.
Ook de capaciteit van de airbags wordt
afgestemd op de botskracht waaraan de
auto blootstaat.
G020110
SRS-systeem, auto met het stuur links
Het SRS-systeem bestaat uit airbags en sensoren. Bij een voldoende krachtige aanrijding
reageren de sensoren, waarna één of meer airbags worden opgeblazen. Daarbij worden de
airbags warm. Om de klap op te vangen loopt
de airbag leeg wanneer de inzittende de airbag
raakt. Daarbij treedt er rookvorming in de auto
op. Dit is volkomen normaal. Het totale verloop, van het opblazen tot het leeglopen van de
airbag, neemt enkele tienden van een seconde
in beslag.
De reactie van de sensoren hangt af van de
ernst van de aanrijding en van het feit of de
veiligheidsgordel aan de bestuurderszijde
of de passagierszijde vooraan wordt gedragen of niet.
SRS-systeem, auto met het stuur rechts
01 Veiligheid
Airbags
Airbag aan de bestuurderszijde
Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordel aan
de bestuurderszijde ook een airbag in het
stuurwiel. Deze zit opgevouwen in het midden
van het stuurwiel. Het stuurwiel is voorzien van
het opschrift SRS AIRBAG.
01
WAARSCHUWING
Om de kans op letsel bij het opblazen van
de airbags te beperken, moeten de passagiers zo rechtop mogelijk zitten met hun
voeten op de vloer en hun rug tegen de rugleuning. De veiligheidsgordel moet goed
vastzitten.
G020113
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en de airbag werken
samen. Als de veiligheidsgordel niet of
onjuist wordt gebruikt, kan de bescherming
die de airbag bij een aanrijding biedt afnemen waardoor u als klant ernstig letsel kunt
oplopen.
Positie van de airbag aan de passagierszijde in een
auto met het stuur links of rechts.
Airbag aan de passagierszijde
WAARSCHUWING
Plaats geen voorwerpen voor of boven op
het dashboard in het gebied waar de passagiersairbag is aangebracht.
1
Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordels
aan de passagierszijde ook een airbag in het
stuurwiel. Deze zit opgevouwen in een ruimte
boven het dashboardkastje. Het paneel is
voorzien van het opschrift SRS AIRBAG.
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen voorin, wanneer de
airbag aan die kant geactiveerd is.1
Laat nooit iemand voor de passagierstoel
zitten of staan. Kinderen kleiner dan 1,40 m
mogen nooit op de passagiersstoel plaatsnemen als de airbag geactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren.
Voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag, zie pagina 24.
23
01 Veiligheid
01
Airbag activeren/deactiveren*
PACOS deactiveren met sleutel*
Algemene informatie
De passagiersairbag (SRS) voorin kan gedeactiveerd worden met een schakelaar als de auto
is uitgerust met PACOS (Passenger Airbag Cut
Off Switch). Zie de tekst onder het kopje Activeren/deactiveren voor informatie over activering/deactivering.
Schakelaar voor deactivering met sleutel
De schakelaar voor activering/deactivering van
de passagiersairbag, PACOS (Passenger Airbag Cut Off Switch) zit aan de passagierszijde
aan de zijkant van het dashboard en u kunt erbij
door het portier aan die kant te openen (zie
onder het kopje “Activeren/Deactiveren” verderop).
Controleer of de schakelaar in de gewenste
stand staat. Volvo adviseert u het sleutelblad
te gebruiken om de stand te wijzigen.
Voor informatie over het sleutelblad, zie
pagina 133.
WAARSCHUWING
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren.
24
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
WAARSCHUWING
Activeren/deactiveren
Als de auto is uitgerust met een airbag aan
de passagierszijde maar geen schakelaar
(PACOS) heeft, is de airbag altijd geactiveerd.
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen op de passagiersstoel, als het brandende symbool
op
de plafondconsole aangeeft dat de passagiersairbag geactiveerd is. Het niet opvolgen van de bovenstaande aanbeveling kan
levensgevaarlijke situaties opleveren voor
het kind.
Locatie van de schakelaar voor activering/deactivering van de passagiersairbag
WAARSCHUWING
Laat geen passagier op de passagiersstoel
plaatsnemen als het waarschuwingslampje
voor het airbagsysteem op het instrumentenpaneel oplicht terwijl de melding op de
plafondconsole aangeeft dat de airbag aan
die kant gedeactiveerd is. Dit duidt op een
ernstige storing. Volvo adviseert u zo spoedig mogelijk een erkende Volvo-werkplaats
te bezoeken.
De airbag is geactiveerd. Met de schakelaar in deze stand kunnen kinderen groter
dan 1,40 m aan de passagierszijde op de
voorstoel zitten, maar kinderen in een kinderzitje of op een comfortkussen beslist
niet.
De airbag is gedeactiveerd. Met de schakelaar in deze stand kunnen kinderen in
een kinderzitje of op een comfortkussen
aan de passagierszijde op de voorstoel zitten, maar passagiers groter dan 1,40 m
beslist niet.
01 Veiligheid
Airbag activeren/deactiveren*
WAARSCHUWING
01
Berichten
Geactiveerde airbag (passagiersstoel):
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen op de passagiersstoel, wanneer de airbag aan die kant geactiveerd is. Laat evenmin personen die kleiner zijn dan 1,40 m op deze stoel plaatsnemen.
2
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren.
G018082
Personen groter dan 1,40 m mogen nooit op
de passagiersstoel plaatsnemen, als de airbag gedeactiveerd is.
Hiermee wordt aangeduid dat de airbag aan de
passagierszijde gedeactiveerd is.
Een tekstmelding en een brandend symbool op
de plafondconsole geven aan dat de airbag
aan de passagierszijde gedeactiveerd is (zie
voorgaande afbeelding).
G018083
Gedeactiveerde airbag (passagiersstoel):
Hiermee wordt aangeduid dat de airbag aan de
passagierszijde geactiveerd is.
Een waarschuwingssymbool op de plafondconsole geeft aan dat de passagiersairbag
voorin geactiveerd is (zie voorgaande afbeelding).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
25
01 Veiligheid
01
Airbag activeren/deactiveren*
N.B.
Bij het omdraaien van de transpondersleutel
naar sleutelstand II of III brandt ca. 6 seconden lang het waarschuwingssymbool voor
de airbags op het instrumentenpaneel, zie
pagina 21.
Daarna gaat de indicator op de plafondconsole branden die de status van de passagiersairbag aangeeft. Voor meer informatie
over de verschillende sleutelstanden van
het contactslot (zie pagina 161).
26
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
01 Veiligheid
SIPS-airbags (zij-airbags)
SIPS-airbag
G020118
WAARSCHUWING
•
Volvo adviseert u reparaties over te
laten aan een erkende Volvo-werkplaats. Verkeerde ingrepen in het SIPSairbagsysteem kunnen aanleiding
geven tot storingen in de werking met
mogelijk ernstig lichamelijk letsel tot
gevolg.
•
Plaats geen voorwerpen tussen de
stoelen en de portierpanelen, omdat dit
gebied binnen de actieradius van de
SIPS-airbag ligt.
•
Volvo adviseert u alleen stoelhoezen te
gebruiken die door Volvo zijn goedgekeurd. Andere stoelhoezen kunnen de
SIPS-airbags in hun werking hinderen.
•
De SIPS-airbag vormt een aanvulling op
de veiligheidsgordel. Draag altijd de veiligheidsgordel.
Positie van de SIPS-airbags.
Bij een aanrijding in de zij wordt een groot deel
van de botskracht door het SIPS-systeem
(Side Impact Protection System) over balken,
stijlen, vloer, dak en andere delen van de carrosserie verdeeld. De SIPS-airbags aan de
bestuurders- en de passagierszijde beschermen de borstkas en vormen een belangrijk
onderdeel van het SIPS-systeem. De SIPS-airbags zijn aangebracht in de frames van de rugleuning van de voorstoelen.
1
01
Positie
Bestuurdersplaats, auto met het stuur links.
Kinderzitjes en SIPS-airbags
De SIPS-airbags beïnvloeden de beschermende werking van kinderzitje en/of comfortkussen niet negatief.
Het is mogelijk een kinderzitje/comfortkussen
op de voorstoel te plaatsen, als de auto aan de
passagierszijde niet is uitgerust met een geactiveerde1 airbag.
Voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag (SRS), zie pagina 24.
27
01 Veiligheid
01
SIPS-airbags (zij-airbags)
Passagiersplaats, auto met het stuur links.
Het SIPS-systeem bestaat uit SIPS-airbags en
sensoren. Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren de sensoren, die op hun beurt
de gasgeneratoren activeren. De SIPS-airbags
worden vervolgens opgeblazen tussen de
inzittende en het portierpaneel. Daarmee vangen de SIPS-airbags de klap van de aanrijding
op voor de inzittende, waarna de airbags weer
leeglopen. De SIPS-airbag wordt normaal
gesproken alleen opgeblazen aan de kant van
de aanrijding.
28
01 Veiligheid
Opblaasgordijnen (IC-systeem)
Eigenschappen
01
WAARSCHUWING
Hang of bevestig nooit zware voorwerpen
aan de plafondhandgrepen. De haak is
alleen bedoeld voor niet al te zware kledingstukken (en niet voor harde voorwerpen
zoals paraplu’s).
G019985
Schroef of bevestig geen onderdelen op de
plafondbekleding, portierstijlen of de zijpanelen van de auto. Ze kunnen daarbij hun
beschermende werking verliezen. Volvo
adviseert u uitsluitend originele Volvoonderdelen, bestemd voor montage op
deze plaatsen, te gebruiken.
De opblaasgordijnen van het IC-systeem (Inflatable Curtain) maken deel uit van het SIPSsysteem en de airbags. Ze zitten verborgen
achter de plafondbekleding langs beide zijden
van de auto en beschermen inzittenden op de
buitenste zitplaatsen van de auto. Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren de sensoren, die op hun beurt de opblaasgordijnen
activeren. Het systeem helpt voorkomen dat
de bestuurder en eventuele passagiers bij een
botsing met hun hoofd tegen de binnenkant
van de auto slaan.
WAARSCHUWING
Zorg dat de lading in de auto niet uitsteekt
boven de denkbeeldige, horizontale lijn op
50 mm onder de bovenkant van de zijruiten.
Anders is het mogelijk dat de opblaasgordijnen die schuilgaan achter de plafondbekleding geen beschermingen meer bieden.
WAARSCHUWING
De opblaasgordijnen vormen een aanvulling
op de veiligheidsgordel.
Draag altijd de veiligheidsgordel.
29
01 Veiligheid
01
WHIPS-systeem
G020347
Bescherming tegen whiplash-letsel, WHIPS
Het WHIPS-systeem (Whiplash Protection
System) bestaat uit energieabsorberende rugleuningen en speciaal voor het systeem ontwikkelde hoofdsteunen voor de beide voorstoelen. Het systeem wordt geactiveerd bij een
aanrijding van achteren, afhankelijk van de
hoek waaronder en de snelheid waarmee het
achteropkomende voertuig de auto raakt en de
materiaaleigenschappen van dat voertuig.
WAARSCHUWING
Het WHIPS-systeem vormt een aanvulling
op de veiligheidsgordels. Draag altijd de veiligheidsgordel.
30
Eigenschappen van de stoel
WHIPS-systeem en kinderzitjes
Als het WHIPS-systeem wordt geactiveerd,
klappen de rugleuningen van de voorstoelen
naar achteren zodat de zithouding van de
bestuurder en de passagier op de voorstoelen
verandert. Zo wordt de kans op zogeheten whiplash-letsel beperkt.
Het WHIPS-systeem beïnvloedt de beschermende werking van kinderzitje en/of comfortkussen niet negatief.
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen in de stoel of het
WHIPS-systeem aan en probeer ze nooit
zelf te repareren. Volvo adviseert u daarvoor
contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats.
Juiste zithouding
Voor optimale bescherming moeten de
bestuurder en de voorpassagier zoveel mogelijk in het midden van de stoel plaatsnemen en
de afstand tussen het hoofd en de hoofdsteun
zo klein mogelijk houden.
01 Veiligheid
WHIPS-systeem
Zorg dat u de werking van het WHIPSsysteem niet beïnvloedt
01
WAARSCHUWING
Als de stoel heeft blootgestaan aan grote
krachten zoals bij een aanrijding van achteren, moet u het WHIPS-systeem laten
controleren. Volvo adviseert u het te laten
controleren door een erkende Volvo-werkplaats.
G020125
G020126
Het WHIPS-systeem kan een deel van zijn
beschermende eigenschappen hebben verloren, zelfs als de stoel ogenschijnlijk intact
is.
Plaats geen voorwerpen op de vloer achter de
bestuurders- of passagiersstoel die het WHIPSsysteem kunnen hinderen.
WAARSCHUWING
Plaats geen koffer of iets dergelijks tussen
het zitgedeelte van de achterbank en de
rugleuning van de voorstoelen. Let erop dat
u de werking van het WHIPS-systeem niet
beïnvloedt.
Plaats geen voorwerpen op de achterbank die het
WHIPS-systeem kunnen hinderen.
Volvo adviseert u contact op te nemen met
een erkende Volvo-werkplaats voor een
controle van het systeem, ook na een lichte
aanrijding van achteren.
WAARSCHUWING
Als u een van de ruggedeelten van de achterbank hebt neergeklapt, moet u de voorstoel aan dezelfde kant naar voren schuiven
zodat de rugleuning van de stoel niet tegen
het neergeklapte ruggedeelte van de achterbank aankomt.
31
01 Veiligheid
Activering van de veiligheidssystemen
01
Activering van de systemen
A
Systeem
Activering
Gordelspanners voorstoelen
Bij een frontale botsing en/of aanrijding in de zij en/of van achteren
Gordelspanners buitenste zitplaatsen achterbank
Bij een frontale botsing
Airbags
Bij een frontale botsing.A
SIPS-airbags
Bij een aanrijding in de zijA
Opblaasgordijnen (IC-systeem)
Bij een aanrijding in de zijA
WHIPS-systeem
Bij een aanrijding van achteren
Het is mogelijk dat de airbags niet worden opgeblazen, ondanks dat de carrosserie van de auto danig vervormd raakt. Enkele factoren zoals de stijfheid en het gewicht van het lichaam waarmee de
auto in botsing komt, de snelheid van de auto, de hoek waaronder de botsing plaatsvindt e.d. zijn van invloed op de wijze van activering van de verschillende veiligheidssystemen in de auto.
Na activering van de airbags adviseren wij u het
volgende:
• Laat de auto wegslepen. Volvo adviseert u
de te auto te laten wegslepen naar een
erkende Volvo-werkplaats. Rijd niet met
opgeblazen airbags.
• Volvo adviseert u het vervangen van de
onderdelen van de veiligheidssystemen in
de auto over te laten aan een erkende
Volvo-werkplaats.
• Neem altijd contact op met een arts.
32
N.B.
De airbags, het SIPS-systeem, het IC-systeem en de gordelspanners worden bij een
botsing slechts eenmaal geactiveerd.
WAARSCHUWING
De regeleenheid van het airbagsysteem zit
in de middenconsole. Als de middenconsole doorweekt geraakt is, moet u de accukabels loskoppelen. Probeer de auto niet te
starten, omdat de airbags daarbij geactiveerd kunnen worden. Laat de auto wegslepen. Volvo adviseert u de te auto te laten
wegslepen naar een erkende Volvo-werkplaats.
01 Veiligheid
Activering van de veiligheidssystemen
01
WAARSCHUWING
Rijd nooit met opgeblazen airbags. Ze kunnen u bij het sturen danig in de weg zitten.
Ook de andere veiligheidssystemen kunnen
beschadigd zijn. Langdurige blootstelling
aan de rook- en stofdeeltjes die vrijkomen
bij het opblazen van de airbags kan oog- en
huidirritatie veroorzaken. Spoel bij irritatie
met koud water. De snelheid waarmee de
airbags/gordijnen worden opgeblazen kan
in combinatie met de toegepaste materialen
resulteren in schaaf- en brandwonden aan
de huid.
33
01 Veiligheid
01
Crash mode
Rijden na een aanrijding
G029042
Als alles normaal lijkt en u hebt vastgesteld dat
er geen brandstof lekt, kunt u proberen de
motor te starten.
Als de auto betrokken is geweest bij een aanrijding, kan de melding CRASH MODE ZIE
HANDLEIDING op het informatiedisplay verschijnen. Dit betekent dat de functionaliteit van
de auto is verminderd. Crash mode is een veiligheidsfunctie die in werking treedt wanneer
de aanrijding belangrijke onderdelen van de
auto zoals de brandstofleidingen, de sensoren
voor een van de veiligheidssystemen of het
remsysteem, kan hebben beschadigd.
Auto proberen te starten
Controleer eerst of er geen brandstof uit de
auto is gelopen. Er mag evenmin een brandstofgeur waarneembaar zijn.
34
Haal de transpondersleutel uit het contact en
steek hem er opnieuw in. De elektronica van de
auto probeert te resetten naar de normale
stand. Probeer vervolgens de auto te starten.
Als CRASH MODE ZIE HANDLEIDING nog
steeds op het display staat, mag u niet met de
auto rijden en hem evenmin verslepen. Verborgen schade kan de auto tijdens het rijden onbestuurbaar maken, zelfs als het lijkt dat u nog
met de auto kunt rijden.
Auto verzetten
Als de melding NORMAL MODE wordt weergegeven nadat de CRASH MODE ZIE
HANDLEIDING is gereset, mag u de auto
voorzichtig uit de huidige, gevaarlijke positie
verrijden. Verrijd de auto niet verder dan nodig.
WAARSCHUWING
Probeer nooit zelf de auto te repareren of de
elektronische onderdelen te resetten nadat
de auto in de aanrijdingsstand heeft
gestaan. Dit kan aanleiding geven tot letsel
of een slechte functie van de auto. Volvo
adviseert u de auto altijd in een erkende
Volvo-werkplaats te laten controleren en
naar NORMAL MODE te laten resetten
nadat de melding CRASH MODE ZIE
HANDLEIDING is verschenen.
WAARSCHUWING
Probeer in geen geval de auto opnieuw te
starten, als u een brandstofgeur waarneemt
terwijl de melding CRASH MODE ZIE
HANDLEIDING getoond wordt. Verlaat de
auto onmiddellijk.
WAARSCHUWING
De auto mag niet worden weggesleept
zolang deze in de CRASH MODE staat. De
auto moet worden weggesleept. Volvo adviseert u de te auto te laten wegslepen naar
een erkende Volvo-werkplaats.
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Kinderen moeten comfortabel en veilig
kunnen zitten
Volvo adviseert u kinderen zo lang mogelijk te
vervoeren in een achterstevoren gemonteerd
kinderzitje (in ieder geval tot een leeftijd van
3–4 jaar) en daarna tot een leeftijd van 10 jaar
op/in een comfortkussen of een kinderzitje dat
in de rijrichting geplaatst is.
De plaats van het kind in de auto en de vereiste
uitrusting zijn afhankelijk van het gewicht en de
lengte van het kind (voor meer informatie, zie
pagina 37).
optimale voorwaarden voor een veilig vervoer
van uw kind(eren), u weet bovendien zeker dat
de producten passen en eenvoudig in het
gebruik zijn.
N.B.
Neem voor duidelijker instructies voor de
bevestiging van kinderveiligheidsproducten
contact op met de producent.
Kinderzitjes
N.B.
01
N.B.
Bij gebruik van andere op de markt verkrijgbare kinderveiligheidsproducten is het van
belang dat u de bijgeleverde montageinstructies zorgvuldig doorleest en nauwkeurig opvolgt.
Zet de bevestigingsbanden van het kinderzitje
nooit vast aan de hendel waarmee u de voorstoel in de lengterichting verstelt of aan veren,
rails of balken onder de stoel. Door scherpe
randen kunnen de bevestigingsbanden
beschadigd raken.
Raadpleeg voor de juiste montage de montage-instructies bij het kinderzitje.
De wettelijke bepalingen voor het vervoer
van kinderen in de auto verschillen van land
tot land. Ga na welke regels er in uw land
van kracht zijn.
Positie van kinderzitjes
Het volgende kan worden gebruikt:
• een kinderzitje/comfortkussen op de passagiersstoel, zolang de airbag aan de passagierszijde gedeactiveerd1 is.
Ongeacht leeftijd en lengte moeten kinderen
altijd met de gordel goed om in de auto zitten.
Laat kinderen nooit bij passagiers op schoot
zitten.
1
G020128
Volvo beschikt over kinderveiligheidsproducten (kinderzitjes, comfortkussen en bevestigingsmaterialen) die speciaal voor uw auto zijn
ontwikkeld. Wanneer u voor kinderveiligheidsproducten van Volvo kiest schept u niet alleen
• en of meer kinderzitjes/comfortkussen op
Kinderzitjes en airbags gaan niet samen.
de achterbank.
Plaats kinderzitjes/comfortkussens altijd op de
achterbank als de airbag aan de passagierszijde geactiveerd is. Als de airbag wordt geactiveerd, kan een kind aan de passagierszijde
ernstig letsel oplopen.
Voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag, zie pagina 24.
35
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen voorin, wanneer de
airbag aan die kant geactiveerd is2.
Personen kleiner dan 1,40 m mogen nooit
op de passagiersstoel voorin plaatsnemen,
als de airbag geactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren.
2
36
WAARSCHUWING
Sticker airbag
Gebruik geen kinderzitjes met stalen beugels of andere constructies die tegen de
ontgrendelingsknop van de gordelsluiting
kunnen aankomen. Dit om te voorkomen
dat de gordels plotseling losschieten.
Zorg dat het kinderzitje niet met de bovenkant tegen de voorruit aankomt.
Voor informatie over het activeren/deactiveren van de airbag, zie pagina 24.
Sticker aan passagierszijde, op de korte kant van
het dashboard, zie afbeelding op pagina 24.
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
Aanbevolen kinderzitjes3
Gewicht
VoorstoelA
Groep 0
Buitenste zitplaats achterbank
Middelste zitplaats achterbank
Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje
bevestigd met ISOFIX-systeem.
max. 10 kg
Groep 0+
Typegoedkeuring: E1 04301146
max. 13 kg
(L)
Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje
bevestigd met veiligheidsgordel
Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje
bevestigd met veiligheidsgordel
Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje
bevestigd met veiligheidsgordel.
Typegoedkeuring: E1 04301146
Typegoedkeuring: E1 04301146
Typegoedkeuring: E1 03301146
(U)
(U)
(U)
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje
(Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Gebruik een veiligheidskussen tussen
het kinderzitje en het dashboard.
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje
(Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel, bevestigingsband en steun.
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje
(Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel, bevestigingsband en steun.
Typegoedkeuring: E5 03135
Typegoedkeuring: E5 03135
(L)
(L)
Kinderzitjes met universele goedkeuring.
Kinderzitjes met universele goedkeuring.
Kinderzitjes met universele goedkeuring.
(U)
(U)
(U)
Typegoedkeuring: E5 03135
(L)
3
Om andere zitjes te kunnen gebruiken dient de auto op de lijst van de producent te staan of een universele goedkeuring te hebben conform ECE R44.
``
37
01 Veiligheid
01
Kinderen en veiligheid
Gewicht
VoorstoelA
Buitenste zitplaats achterbank
Groep 1
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar
Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible
Child Seat) – achterstevoren gemonteerd
kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar
Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible
Child Seat) – achterstevoren gemonteerd
kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 04192
Typegoedkeuring: E5 04192
(L)
(L)
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje
(Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Gebruik een veiligheidskussen tussen
het kinderzitje en het dashboard.
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje
(Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel, bevestigingsband en steun.
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje
(Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel, bevestigingsband en steun.
Typegoedkeuring: E5 03135
Typegoedkeuring: E5 03135
(L)
(L)
9–18 kg
Typegoedkeuring: E5 03135
Middelste zitplaats achterbank
(L)
Britax Fixway – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met ISOFIXsysteem en bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 03171
(L)
38
Kinderzitjes met universele goedkeuring.
Kinderzitjes met universele goedkeuring.
Kinderzitjes met universele goedkeuring.
(U)
(U)
(U)
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Gewicht
VoorstoelA
Buitenste zitplaats achterbank
Groep 2
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar
Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible
Child Seat) – achterstevoren gemonteerd
kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar
Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible
Child Seat) – achterstevoren gemonteerd
kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband
Typegoedkeuring: E5 04192
Typegoedkeuring: E5 04192
(L)
(L)
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar
Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible
Child Seat) – in rijrichting gemonteerd
kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel.
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar
Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible
Child Seat) – in rijrichting gemonteerd
kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel.
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar
Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible
Child Seat) – in rijrichting gemonteerd
kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel.
Typegoedkeuring: E5 04191
Typegoedkeuring: E5 04191
Typegoedkeuring: E5 04191
(L)
(L)
(L)
15–25 kg
01
Middelste zitplaats achterbank
``
39
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
Gewicht
VoorstoelA
Buitenste zitplaats achterbank
Middelste zitplaats achterbank
Groep 2/3
Volvo-comfortkussen met rugleuning
(Volvo Booster Seat with backrest).
Volvo-comfortkussen met rugleuning
(Volvo Booster Seat with backrest).
Volvo-comfortkussen met rugleuning
(Volvo Booster Seat with backrest).
Typegoedkeuring: E1 04301169
Typegoedkeuring: E1 04301169
Typegoedkeuring: E1 04301169
(UF)
(UF)
(UF)
Kinderzitje met of zonder rugleuning
(Booster Cushion with and without
backrest).
Kinderzitje met of zonder rugleuning
(Booster Cushion with and without
backrest).
Kinderzitje met of zonder rugleuning
(Booster Cushion with and without
backrest).
Typegoedkeuring: E5 03139
Typegoedkeuring: E5 03139
Typegoedkeuring: E5 03139
(UF)
(UF)
(UF)
15–36 kg
Geïntegreerd kinderzitje (Integrated
Booster Cushion) – verkrijgbaar als
fabrieksoptie.
Typegoedkeuring: E5 03168
(B)
L: Geschikt voor specifieke kinderzitjes. Deze kinderzitjes kunnen bestemd zijn voor een bepaald automerk, voor een beperkte groep merken of
semi-universeel zijn.
U: Geschikt voor kinderzitjes in deze gewichtscategorie met universele goedkeuring.
UF: Geschikt voor in rijrichting gemonteerde kinderzitjes in deze gewichtscategorie met universele goedkeuring.
B: Geïntegreerde kinderzitjes goedgekeurd voor deze gewichtscategorie.
A
40
Voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag, zie pagina 24.
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen voorin, wanneer de
airbag aan die kant geactiveerd is4.
Personen kleiner dan 1,40 m mogen nooit
op de passagiersstoel voorin plaatsnemen,
als de airbag geactiveerd is.
De geïntegreerde kinderzitjes van Volvo op de
beide buitenste zitplaatsen achterin zijn speciaal ontworpen om kinderen maximale bescherming te bieden. In combinatie met de aanwezige veiligheidsgordels zijn de geïntegreerde
kinderzitjes goedgekeurd voor kinderen met
een gewicht van 15 tot 36 kg.
01
Druk het zo ver achteruit dat het vergrendelt.
WAARSCHUWING
Het kinderzitje moet in de vergrendelde
stand staan voordat u het kind in het zitje
aanbrengt.
Geïntegreerd kinderzitje opklappen
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren.
Zorg dat:
• het kinderzitje in de vergrendelde stand
staat
• de veiligheidsgordel goed strak langs het
Geïntegreerde kinderzitjes*
lichaam van het kind loopt, nergens slap
hangt of verdraaid is en dat de veiligheidsgordel goed over de schouder ligt
• de heupgordel laag over het bekken loopt
om maximale bescherming te bieden
G020808
• de veiligheidsgordel niet tegen de nek van
het kind aankomt of onder de schouder
langs loopt
• Stel de stand van de hoofdsteun zorgvul-
G015013
dig af op de lengte van het kind.
4
Trek aan de handgreep zodat het kinderzitje omhoogkomt.
Pak het zitje met beide handen vast en duw
het naar achteren.
Voor informatie over het activeren/deactiveren van de airbag, zie pagina 24.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
41
01 Veiligheid
01
Kinderen en veiligheid
WAARSCHUWING
Kinderslot achterportieren
Kinderzitje inklappen
De bedieningsknoppen voor de ruiten in de
achterportieren en de openingshandgrepen op
de achterportieren zijn te blokkeren, zodat de
achterportieren en de zijruiten niet meer van de
binnenzijde kunnen worden geopend. Voor
meer informatie, zie pagina 143.
Laat reparatie of vervanging over aan een
werkplaats. Volvo adviseert u daarvoor contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats. Verricht zelf geen wijzigingen in
of aanpassingen aan het geïntegreerde kinderzitje.
Als een geïntegreerd kinderzitje aan grote
krachten heeft blootgestaan zoals tijdens
een aanrijding, moet u het geïntegreerde
kinderzitje in zijn geheel vervangen. Ook als
het geïntegreerde kinderzitje er intact uitziet, kunnen er toch beschermende eigenschappen verloren zijn gegaan. Het geïntegreerde kinderzitje moet ook worden vervangen als het erg versleten is.
G014507
ISOFIX-bevestigingssysteem voor
kinderzitjes
Trek aan de handgreep.
Duw het kussen zo ver omlaag dat het
vastklikt.
G015268
N.B.
Let erop dat u het geïntegreerde kinderzitje
eerst moet inklappen voordat u de ruggedeelten van de achterbank voorover kunt
klappen.
Achter de onderkant van de ruggedeelten op
de beide buitenste zitplaatsen van de achterbank gaan de bevestigingspunten voor het
ISOFIX-systeem schuil.
42
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Symbolen op de bekleding van de ruggedeelten (zie bovenstaande afbeelding) geven de
positie van deze bevestigingspunten aan.
Duw het zitgedeelte van de zitplaats omlaag
om bij de bevestigingspunten te komen.
AfmeBeschrijving
tingscategorie
B1
Beperkte grootte (optie 2), in
rijrichting gemonteerd kinderzitje
C
Normale grootte, achterstevoren gemonteerd kinderzitje
Afmetingscategorieën
D
Veiligheidszitjes kunnen net als auto’s verschillende afmetingen hebben. Kinderzitjes passen
daardoor niet op alle zitplaatsen van de verschillende modellen.
Beperkte grootte, achterstevoren gemonteerd kinderzitje
E
Achterstevoren gemonteerd
babyzitje
F
Overdwars gemonteerd
babyzitje, links
G
Overdwars gemonteerd
babyzitje, rechts
Houd u altijd aan de montage-instructies van
de fabrikant, wanneer u een kinderzitje/babyzitje aan de ISOFIX-bevestigingspunten vastzet.
Voor kinderzitjes met een ISOFIX-bevestigingssysteem zijn er daarom afmetingscategorieën om gebruikers te helpen bij het kiezen
van het juiste kinderzitje (zie volgende tabel).
AfmeBeschrijving
tingscategorie
A
Normale grootte, in rijrichting
gemonteerd kinderzitje
B
Beperkte grootte (optie 1), in
rijrichting gemonteerd kinderzitje
01
N.B.
Als een ISOFIX-kinderzitje geen afmetingscategorie heeft, dient uw model op de lijst
met auto’s te staan waarvoor het kinderzitje
zich leent.
N.B.
Volvo adviseert u contact op te nemen met
een Volvo-werkplaats over de ISOFIX-kinderzitjes die Volvo aanbeveelt.
WAARSCHUWING
Plaats een kind nooit op de passagiersstoel
voorin, als de auto is uitgerust met een
geactiveerde airbag aan die kant.
43
01 Veiligheid
01
Kinderen en veiligheid
Verschillende soorten ISOFIX-veiligheidszitjes
Type kinderzitje
Babyzitje, overdwars
Babyzitje, achterstevoren
Gewicht
max. 10 kg
max. 10 kg
Afmetingscategorie
Zitplaatsen voor montage ISOFIX-kinderzitje
Voorstoel
Buitenste zitplaats achterbank
F
X
X
G
X
X
E
X
OK
(IL)
Babyzitje, achterstevoren
max. 13 kg
E
X
OK
(IL)
D
X
OKA
(IL)
C
X
OKA
(IL)
Veiligheidszitje, achterstevoren
9–18 kg
D
X
OKA
(IL)
C
X
OKA
(IL)
44
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Type kinderzitje
Kinderzitje, in rijrichting
Gewicht
9–18 kg
Afmetingscategorie
B
01
Zitplaatsen voor montage ISOFIX-kinderzitje
Voorstoel
Buitenste zitplaats achterbank
X
OKB
(IUF)
B1
X
OKB
(IUF)
A
X
OKB
(IUF)
X: De ISOFIX-stand leent zich niet voor ISOFIX-kinderzitjes in deze gewichts- en/of afmetingscategorie.
IL: Geschikt voor specifieke ISOFIX-kinderzitjes. Deze kinderzitjes kunnen bestemd zijn voor een bepaald automerk, voor een beperkte groep
merken of semi-universeel zijn.
IUF: Geschikt voor in rijrichting gemonteerd ISOFIX-kinderzitje met universele goedkeuring voor deze gewichtscategorie.
A
B
Om het baby-/kinderzitje op de achterbank te kunnen plaatsen dient de passagiersstoel voorin voor iets meer dan de helft naar voren te worden geschoven.
Volvo adviseert een achterstevoren gemonteerd veiligheidszitje voor deze categorie.
``
45
01 Veiligheid
01
Kinderen en veiligheid
Bovenste bevestigingspunten voor
kinderzitjes
N.B.
Bij auto’s met hoofdsteunen op de beide
buitenste zitplaatsen van de achterbank
gaat het monteren van dergelijke veiligheidszitjes makkelijker, als u deze hoofdsteunen omklapt.
N.B.
G029703
Bij een bagageruimte die met een bagagerolhoes kan worden afgedekt, dient de rolhoes te worden verwijderd voordat er een
kinderzitje aan de bevestigingspunten kan
worden vastgezet.
Positie bovenste bevestigingspunten.
De auto is uitgerust met bovenste bevestigingspunten voor kinderzitjes. Deze bevestigingspunten zitten achter op de achterbank.
De bovenste bevestigingspunten zijn voornamelijk bestemd om een in de rijrichting gemonteerd kinderzitje aan te bevestigen. Volvo adviseert u kleine kinderen zo lang mogelijk in een
achterstevoren gemonteerd kinderzitje te blijven vervoeren.
De bevestigingsband van het kinderzitje moet
tussen de hoofdsteun en het ruggedeelte liggen.
46
Zie de aanwijzingen van de fabrikant van het
kinderzitje voor gedetailleerde informatie over
de manier waarop u het zitje aan de bovenste
bevestigingspunten vastzet.
WAARSCHUWING
De bevestigingsband van het kinderzitje
altijd door de opening in de ene poot van de
hoofdsteun halen, alvorens de band aan het
bevestigingspunt vast te zetten.
01 Veiligheid
01
47
Overzicht auto’s met het stuur links.......................................................
Overzicht auto’s met het stuur rechts.....................................................
Bedieningspaneel op bestuurdersportier................................................
Instrumentenpaneel................................................................................
Controle- en waarschuwingslampjes......................................................
Informatiedisplay.....................................................................................
Elektrische aansluiting............................................................................
Verlichtingspaneel...................................................................................
Linker stuurhendel..................................................................................
Rechter stuurhendel................................................................................
Cruisecontrol*.........................................................................................
Toetsensets op stuurwiel*.......................................................................
Stuurwielverstelling, alarmlichten............................................................
Handrem.................................................................................................
Elektrisch bedienbare ruiten...................................................................
Ruiten en spiegels...................................................................................
Elektrisch bedienbaar schuifdak* ...........................................................
Persoonlijke instellingen..........................................................................
50
52
54
55
57
61
63
65
69
72
75
77
78
79
80
83
87
89
HomeLinkŸ *............................................................................................ 92
48
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto’s met het stuur links
02
50
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto’s met het stuur links
Stuurwielafstelling
Leeslampje, linkerzijde
Motorkapontgrendeling
Leeslampje, rechterzijde
Bedieningspaneel
Gordelwaarschuwing en indicatie voor
passagiersairbag
Richtingaanwijzers, groot licht, boordcomputer
Verlichting, ontgrendeling tankvulklep
Openingshandgreep portier, vergrendelingsknop.
Blaasmonden in het dashboard
Blaasmond zijruit
Cruisecontrol
Claxon, airbag
Instrumentenpaneel
Toetsenset voor infotainment
02
Achteruitkijkspiegel
Display voor klimaatregeling en infotainment
Infotainment
Instellingen voor klimaatregeling, infotainment en persoonlijke instellingen
Klimaatregeling
Versnellingspook
Alarmlichten
Portierhandgreep
Dashboardkastje
Ruitenwissers en -sproeiers, koplampsproeiers
Handrem
Contactslot
Elektrische aansluiting/aansteker
Bediening, schuifdak
BLIS, Blind Spot Information System
Geen functie
Schakelaars, extra uitrusting
Geen functie
Interieurverlichting, schakelaar
51
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto’s met het stuur rechts
G028204
02
52
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto’s met het stuur rechts
Elektrische aansluiting, aansteker
Leeslampje, rechterzijde
BLIS, Blind Spot Information System
Geen functie
Schakelaars, extra uitrusting
Geen functie
Handrem
Bediening, schuifdak
Bedieningspaneel
Contactslot
Dashboardkastje
Ruitenwissers en -sproeiers, koplampsproeiers
Portierhandgreep
Blaasmond, zijruit
Blaasmonden in het dashboard
Versnellingspook
Klimaatregeling
Instellingen voor klimaatregeling, infotainment en persoonlijke instellingen
Infotainment
Display voor klimaatregeling en infotainment
Achteruitkijkspiegel
Gordelwaarschuwing en indicatie voor
passagiersairbag
02
Cruisecontrol
Instrumentenpaneel
Claxon, airbag
Toetsenset voor infotainment
Alarmlichten
Openingshandgreep portier, vergrendelingsknop
Verlichting, ontgrendeling tankvulklep
Richtingaanwijzers, groot licht, boordcomputer
Motorkapontgrendeling
Stuurwielafstelling
Interieurverlichting, schakelaar
Leeslampje, linkerzijde
53
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Bedieningspaneel op bestuurdersportier
02
Bedieningspaneel op
bestuurdersportier
Elektrisch bedienbare zijruiten achterin
blokkeren. Elektrisch kinderslot*
Elektrisch bedienbare zijruiten
Buitenspiegel, linkerzijde
Buitenspiegels, instelling
Buitenspiegel, rechterzijde
54
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Instrumentenpaneel
G029046
02
Snelheidsmeter.
Richtingaanwijzer, rechts.
Richtingaanwijzer, links.
Toerenteller – Geeft het motortoerental aan
in duizenden toeren per minuut.
Waarschuwingslampje.
Informatiedisplay – Geeft informatieve teksten en waarschuwingsmeldingen weer
alsmede de buitentemperatuur en de tijd.
Wanneer de buitentemperatuur tusse
n –5 °C en +2 °C ligt, verschijnt er een
sneeuwvlokje op het display. Het lampje
wijst op het gevaar voor gladheid. Als de
auto heeft stilgestaan, kan de buitentemperatuurmeter een te hoge waarde aangeven.
Controle- en informatielampjes.
Brandstofmeter (zie ook boordcomputer
op pagina 70).
Grootlichtindicatie.
Tevens schakelindicatie (GSI) en schakelstandindicatie bij D2 en DRIVe, zie
pagina 165.
Knop voor dagteller – Wordt gebruikt om
korte afstanden te meten. Door kort op de
knop te drukken, kunt u van dagteller T1 en
T2 wisselen. Als u de knop lang indrukt
(meer dan 2 seconden), zet u de geactiveerde dagteller op nul.
Display – Geeft de schakelstanden van de
automatische versnellingsbak, regensensor, kilometerteller, dagteller en cruisecontrol aan.
Informatielampje.
``
55
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Instrumentenpaneel
02
Temperatuurmeter – De temperatuurmeter
van het koelsysteem van de motor. Op het
display verschijnt een melding, als de temperatuur abnormaal hoog is en de naald tot
in het rode gebied uitslaat. Let erop dat bijvoorbeeld verstralers voor de luchtinlaat bij
een hoge buitentemperatuur en een zware
belasting van de motor het koelvermogen
verminderen.
Controle- en waarschuwingslampjes.
56
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingslampjes
Als de motor niet binnen vijf seconden aanslaat, gaan alle lampjes uit
behalve de lampjes voor storingen
in het uitlaatgasreinigingssysteem
van de auto en een te lage oliedruk.
Afhankelijk van de uitrusting van
de auto is het mogelijk dat
bepaalde lampjes geen functie
hebben.
1
Lampjes in het midden van het
dashboard
Wanneer het lampje brandt:
1. Stop zo spoedig mogelijk. Rijd niet verder
met de auto.
02
2. Lees de informatie op het informatiedisplay. Voer de handeling uit die de melding
op het display u voorschrijft. Wis de melding met de knop READ.
G030755
Functietest, lampjes
Alle controle- en waarschuwingslampjes1 gaan
branden, wanneer u de transpondersleutel
voor het starten naar stand II draait. De werking
van de lampjes wordt dan gecontroleerd. Alle
symbolen moeten weer uitgaan als de motor
wordt gestart, behalve het symbool voor de
parkeerrem. Dit gaat pas uit als de auto van de
parkeerrem wordt gehaald.
Het rode waarschuwingslampje
gaat branden, wanneer er een storing is geregistreerd die van
invloed kan zijn op de veiligheid
en/of de rijeigenschappen van de
auto. Er verschijnt tegelijkertijd een verklarende melding op het informatiedisplay. Het
waarschuwingssymbool blijft branden totdat
de storing is verholpen, maar de melding kunt
u verwijderen met de knop READ, zie
pagina 61. Het waarschuwingssymbool kan
ook gaan branden in combinatie met andere
symbolen.
Het oranje informatielampje gaat
branden en er verschijnt een melding op het informatiedisplay. U
verwijdert de melding met behulp
van de knop READ, zie
pagina 61. Dit gebeurt automatisch als u
enige tijd niets doet (hoe lang hangt van de
bewuste functie af).
Het oranje informatielampje kan ook gaan
branden in combinatie met andere lampjes.
N.B.
Wanneer de servicemelding verschijnt, kunt
u het lampje doven en de melding verwijderen met de knop READ. Ook als u niets doet
gebeurt dat enige tijd later automatisch.
Bij bepaalde motortypes is het lampje voor een lage oliedruk niet in gebruik. Er verschijnt in plaats daarvan een displaymelding, zie pagina 61.
57
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingslampjes
Controlelampjes – linkerzijde
Uitlaatgasreinigingssysteem
Bij een storing in het uitlaatgasreinigingssysteem kan het lampje
gaan branden. Volvo adviseert dat
u ter controle een erkende Volvowerkplaats bezoekt.
02
Storing in ABS
G029048
Als het lampje brandt, is het systeem defect. Het normale remsysteem van de auto werkt dan nog
wel, zij het zonder ABS-regeling.
1. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en zet de motor af.
2. Start de motor opnieuw.
Storing in uitlaatgasreinigingssysteem
Stabiliteitsregeling DSTC
3. Als het lampje echter blijft branden, moet u
de auto naar een werkplaats rijden om het
ABS-systeem te laten controleren. Volvo
adviseert dat u daarvoor een erkende
Volvo-werkplaats bezoekt.
Geen functie
Mistachterlicht
Storing in ABS
Mistachterlicht
Voorgloeifunctie motor (diesel)
Laag peil in brandstoftank
58
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Dit lampje brandt wanneer u het
mistachterlicht hebt ingeschakeld.
Stabiliteitsregeling DSTC*
Voor informatie over de functies en
lampjes van het systeem, zie
pagina 178.
Voorgloeifunctie motor (diesel)
Het lampje gaat branden wanneer
de motor wordt voorverwarmd. De
voorverwarming start als de temperatuur lager wordt dan –2°C. De
auto kan worden gestart als het
lampje gedoofd is.
Laag peil in brandstoftank
Wanneer het lampje gaat branden
is het brandstofpeil te laag. Tank
dan zo spoedig mogelijk.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingslampjes
Controlelampjes, rechterzijde
Controlelampje voor aanhanger
Te lage oliedruk2
Het lampje knippert wanneer u de
richtingaanwijzers gebruikt met
een aanhanger achter de auto. Als
het lampje niet knippert, is een van
de lampjes op de auto of op de
aanhanger defect.
Als het lampje tijdens het rijden
oplicht, is de druk van de motorolie
te laag. Zet de motor onmiddellijk
af en controleer het motoroliepeil.
Vul zo nodig olie bij. Als het symbool oplicht terwijl het oliepeil in orde is, adviseert Volvo u contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats.
Handrem aangetrokken
G029049
Het lampje brandt, wanneer de
handrem is aangetrokken. Haal de
handremhendel bij het aantrekken
altijd volledig omhoog.
Controlelampje voor aanhanger
Gordelwaarschuwing
Het lampje brandt als de bestuurder of de voorpassagier geen veiligheidsgordel draagt of als
iemand op de achterbank de gordel heeft losgenomen.
N.B.
Het lampje geeft alleen aan dát u de handrem hebt aangetrokken maar niet hoe hard!
Dynamo laadt niet bij
Handrem aangetrokken
Airbags – SRS
Te lage oliedruk
Gordelwaarschuwing
Dynamo laadt niet bij
Storing in remsysteem
2
Als het lampje tijdens het rijden
oplicht, is er sprake van een storing in het elektrisch systeem.
Volvo adviseert u een erkende
Volvo-werkplaats te bezoeken.
Airbags – SRS
Als het lampje tijdens het rijden
oplicht of blijft branden, is er een
storing in de gordelsluiting of in het
SRS-, SIPS- of IC-systeem geregistreerd. Volvo adviseert u zo
spoedig mogelijk naar een erkende Volvowerkplaats te rijden om het systeem te laten
controleren.
02
Storing in remsysteem
Als het lampje oplicht, is het remvloeistofpeil mogelijk te laag.
Bij bepaalde motortypes is het lampje voor een lage oliedruk niet in gebruik. Er verschijnt in plaats daarvan een displaymelding, zie pagina 61.
59
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingslampjes
–
02
Breng de auto op een veilige plaats tot stilstand en controleer het peil in het remvloeistofreservoir, zie pagina 240. Als de
vloeistof onder het MIN-merkje van het
reservoir staat, kunt u beter niet verder rijden met de auto. Volvo adviseert u de auto
naar een erkende Volvo-werkplaats te
laten slepen voor een controle van het remsysteem.
Als de waarschuwingslampjes
voor het remsysteem en ABS tegelijkertijd branden, kan er een storing in de remkrachtverdeling zijn
opgetreden.
moet u de auto uiterst voorzichtig naar een
werkplaats rijden om het remsysteem te
laten controleren. Volvo adviseert dat u
daarvoor een erkende Volvo-werkplaats
bezoekt.
6. Als de vloeistof lager staat dan het MINstreepje van het remvloeistofreservoir
dient u niet verder te rijden met de auto.
Laat de auto naar een werkplaats slepen
om het remsysteem te laten controleren.
Volvo adviseert dat u daarvoor een
erkende Volvo-werkplaats bezoekt.
WAARSCHUWING
Als de waarschuwingslampjes voor het
remsysteem en ABS tegelijkertijd branden,
bestaat het gevaar dat de achtertrein bij
krachtig remmen gaat slippen.
1. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en zet de motor af.
2. Start de motor opnieuw.
3. Rijd verder als beide lampjes uitgaan.
4. Als de lampjes echter blijven branden,
moet u het peil in het remvloeistofreservoir
controleren, zie pagina 240.
5. Als de lampjes blijven branden ondanks
dat het peil van de remvloeistof in orde is,
3
60
Alleen auto’s met alarm.
Waarschuwing, portieren niet gesloten
Als een van de portieren, de motorkap3 of de
achterklep niet goed afgesloten is, wordt u
daarop attent gemaakt.
Lage snelheid
Als de auto met een snelheid van
maximaal 5 km/h rijdt, gaat het
informatielampje branden en verschijnt een van de volgende meldingen op het display:
BESTUURDERS- PORTIER OPEN,
PASSAGIERS- PORTIER OPEN,
ACHTERPORTIER LINKS OPEN,
MOTORKAP OPEN of ACHTERPORTIER
RECHTS OPEN . Breng de auto zo spoedig
mogelijk tot stilstand en sluit het portier dat of
de motorkap die openstaat.
Hoge snelheid
Als de auto sneller rijdt dan
10 km/h, gaat het lampje branden
en wordt tegelijkertijd een van de
meldingen uit de vorige alinea op
het display weergegeven.
Waarschuwing achterklep
Als de achterklep openstaat, gaat
het informatielampje branden en
op het display verschijnt
ACHTERKLEP OPEN.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Informatiedisplay
Berichten
N.B.
Betekenis
MOTORTEMP.
HOOG ZET
MOTOR UIT
Breng de auto op
veilige wijze tot stilstand en zet de
motor af. Grote kans
op schade.
Melding
Betekenis
RUIM TIJD IN V.
ONDERHOUD
STOP AUTO
Z.S.M.A
Breng de auto op
veilige wijze tot stilstand en zet de
motor af. Grote kans
op schade.
Tijd om een servicebeurt in te plannen.
Volvo adviseert u de
service over te laten
aan een erkende
Volvo-werkplaats.
SERVICE SPOEDA
Volvo adviseert u de
auto onmiddellijk te
laten controleren
door een erkende
Volvo-werkplaats.
TIJD VOOR REG.
SERVICE
ZIE INSTRUCTIEB.A
Lees het instructieboekje.
SERVICE VEREISTA
Volvo adviseert u de
auto zo spoedig
mogelijk te laten
controleren door
een erkende Volvowerkplaats.
Tijd voor een servicebeurt. Volvo adviseert u de service
over te laten aan een
erkende Volvowerkplaats. Het
moment hangt af
van de afgelegde
afstand, het aantal
maanden dat sinds
de laatste servicebeurt is verstreken,
het aantal draaiuren
van de motor en de
oliekwaliteit.
G029050
Melding
Als er een waarschuwingsmelding verschijnt bij gebruik van de boordcomputer,
moet u de melding lezen (druk op de knop
READ) voordat u de eerdere activiteit kunt
hervatten.
Wanneer een waarschuwings- of controlelampje oplicht, verschijnt er tevens een aanvullende melding op het informatiedisplay.
–
Druk op de knop READ (1).
Blader met de knop READ de meldingen door.
Meldingen blijven in het geheugen vastgelegd
totdat u de onderliggende storing hebt laten
verhelpen.
02
61
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Informatiedisplay
02
62
Melding
Betekenis
Melding
Betekenis
Melding
Betekenis
ONDERHOUD TE
LAAT
Als u de onderhoudstermijn niet
respecteert, vallen
beschadigde onderdelen niet langer
onder de garantie.
Volvo adviseert u de
service over te laten
aan een erkende
Volvo-werkplaats.
ROETFILTER VOL
ZIE GEBR. HANDL.
Het roetfilter van
dieselmodellen is
aan regeneratie toe
(zie pagina 155).
VERSNELLINGSBAK HOGE OLIETEMP.
DSTC SPIN CONTROL UIT
Er gelden beperkingen voor de stabiliteits- en tractieregeling (zie pagina 179
voor meer varianten).
Rijd voorzichtiger of
breng de auto zo
spoedig mogelijk tot
stilstand. Zet de versnellingsbak in de
neutraal en laat de
motor stationair
draaien totdat de
melding verdwijnt.
Voor meer informatie, zie pagina 170.
VERSNELLINGSBAK LAAG VERMOGEN
De versnellingsbak
werkt niet op maximale capaciteit. Rijd
voorzichtig totdat de
melding verdwijnt
(zie pagina 170).
TEMP.
VERSN.OLIE STOP
AUTO Z.S.M.
Kritieke storing.
Breng de auto zo
spoedig mogelijk tot
stilstand. Volvo
adviseert u contact
op te nemen met
een erkende Volvowerkplaats.B
VERSNELLINGSBAK OLIE VERVERSEN
Volvo adviseert u de
auto zo spoedig
mogelijk te laten
controleren door
een erkende Volvowerkplaats.
HERINNERING
CONTR. OLIEPEIL
Controleer het oliepeil. De melding verschijnt om de
10.000 km
(bepaalde motortypes). Voor informatie
over het controleren
van het oliepeil, zie
pagina 235.
Als de meldingen
meerdere malen verschijnt, adviseert
Volvo u een erkende
Volvo-werkplaats te
bezoeken.
A
B
Deel van een melding, verschijnt samen met gegevens over
de locatie van de storing.
Voor meer meldingen met betrekking tot de automatische
versnellingsbak, zie pagina 170.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrische aansluiting
12V-aansluiting
BELANGRIJK
U kunt maximaal 10 A (120 W) via de aansluiting afnemen bij gebruik van één aansluiting tegelijk. Bij gelijktijdig gebruik van
de beide aansluitingen geldt een waarde
van 7,5 A (90 W) per aansluiting.
is, veert de knop automatisch uit. Haal de aansteker uit de opening en gebruik het roodgloeiende deel om bijvoorbeeld een sigaret mee aan
te steken.
02
Elektrische aansluiting achterin
WAARSCHUWING
Elektrische aansluiting en aansteker.
U kunt de elektrische aansluiting voor verschillende accessoires gebruiken die op een spanning van 12 V werken, zoals beeldschermen,
mediaspelers of mobiele telefoons. De transpondersleutel moet ten minste in stand I staan,
anders geeft de aansluiting geen stroom, zie
pagina 161.
N.B.
Extra uitrusting en accessoires – zoals
beeldschermen, mediaspelers en mobiele
telefoons – die zijn aangesloten op een van
de 12V-aansluitingen in de passagiersruimte worden mogelijk geactiveerd door de
klimaatregeling, ook al is de transpondersleutel uitgenomen of de auto vergrendeld,
als bijvoorbeeld de standverwarming ingesteld is om op een bepaalde tijd in te schakelen.
Trek daarom wanneer u de extra uitrusting
of accessoires niet gebruikt de stekkers uit
de elektrische aansluitingen, omdat de startaccu anders uitgeput kan raken!
G029082
G019621
Laat de plug altijd in de aansluiting zitten als
u deze niet gebruikt.
Elektrische aansluiting achterin.
De elektrische aansluiting achterin is te gebruiken voor uiteenlopende accessoires, zie “12Vaansluiting” boven.
N.B.
De aansteker werkt niet in deze aansluiting.
Aansteker*
U activeert de aansteker door de knop in te
drukken. Wanneer de aansteker heet genoeg
De elektrische aansluiting is bedoeld voor
accessoires die op 12 V werken. De transpon-
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
63
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrische aansluiting
02
dersleutel moet ten minste in stand I staan,
anders geeft de aansluiting geen stroom, zie
pagina 161.
WAARSCHUWING
Laat de plug altijd in de aansluiting zitten als
u deze niet gebruikt.
64
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Verlichtingspaneel
Algemene informatie
G020139
Stand
Duimwiel voor koplamphoogteregeling
Bedieningspaneel verlichting
Duimwiel voor het afstellen van de verlichting van het display en het instrumentenpaneel
Mistlampen voorzijde*
Tankvulklep openen
Mistachterlicht
Betekenis
Stadslichten/parkeerlichten vóór en
achterlichten
Automatisch/uitgeschakeld
dimlicht. Alleen grootlichtsignalen.
U kunt de stadslichten/parkeerlichten vóór en
de achterlichten altijd inschakelen, ongeacht
de stand van de transpondersleutel.
Stadslichten/parkeerlichten
vóór en achterlichten
–
Automatisch dimlicht. In deze
stand werken het groot licht en
de grootlichtsignalen.
Met de transpondersleutel in stand II staan de
stadslichten/parkeerlichten vóór, de achterlichten en de kentekenplaatverlichting altijd
aan.
Koplamphoogteverstelling
Door de belading van de auto wordt de hoogte
van de koplampen gewijzigd, zodat u tegemoetkomend verkeer mogelijk verblindt. U
kunt dat voorkomen door de koplamphoogte
bij te stellen.
1. Draai de transpondersleutel naar stand II.
2. Draai de verlichtingsdraaiknop (2) naar een
van de eindstanden.
3. Draai het duimwiel (1) omhoog of omlaag
om de koplampen hoger of lager af te stellen.
Auto’s met actieve xenonkoplampen, ABL* zijn
uitgerust met automatische koplamphoogteregeling, zodat het duimwiel (1) ontbreekt.
02
Draai de verlichtingsdraaiknop (2) naar de
middelste stand.
Koplampen
Automatisch dimlicht*
Het dimlicht gaat automatisch aan, wanneer u
de transpondersleutel naar stand II draait,
behalve wanneer de verlichtingsdraaiknop (2)
in de middelste stand staat. U kunt het automatische dimlicht zo nodig buiten werking
laten stellen. Volvo adviseert u dit over te laten
aan een erkende Volvo-werkplaats.
Automatisch dimlicht, groot licht
1. Draai de transpondersleutel naar stand II.
2. U schakelt het dimlicht in door de verlichtingsdraaiknop (2) helemaal rechtsom te
draaien.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
65
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Verlichtingspaneel
De verlichting wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u de transpondersleutel naar
stand I of 0 draait.
Instrumentenverlichting
De instrumentenverlichting brandt, wanneer de
transpondersleutel in stand II staat en de verlichtingsdraaiknop (2) in een van de eindstanden. De verlichting wordt bij daglicht automatisch gedimd en valt bij donker handmatig te
regelen.
–
Draai het duimwiel (3) omhoog of omlaag
voor een fellere of zwakkere verlichting.
Uitgebreide displayverlichting
Om de afleesbaarheid te verhogen van de kilometerteller, dagteller, klok en buitentemperatuurmeter, springt de verlichting van deze displayfuncties korte tijd aan bij het ontgrendelen
van de auto en het verwijderen van de transpondersleutel. Bij het vergrendelen van de auto
dooft de verlichting van de displayfuncties.
Mistlichten
N.B.
De regels voor het gebruik van de mistlichten verschillen van land tot land.
Tankvulklep
Druk op de knop (5) om de tankvulklep te openen, wanneer de auto onvergrendeld staat, zie
pagina 140.
Actieve xenonkoplampen*
Mistlampen voorzijde*
De mistlampen vóór zijn in te schakelen in
combinatie met het groot licht/dimlicht of de
stadslichten/parkeerlichten vóór en de achterlichten.
–
Druk op de knop (4).
Het lampje in de knop (4) brandt, wanneer u de
mistlampen vóór hebt ingeschakeld.
Mistachterlicht
Het mistachterlicht is alleen in te schakelen
wanneer de koplampen branden wel of niet
gecombineerd met de mistlampen vóór.
–
Druk op de knop (6).
Het controlelampje voor het mistachterlicht op
het instrumentenpaneel en het lampje in de
knop (6) branden, wanneer het mistachterlicht
ingeschakeld is.
G026507
02
3. U schakelt het groot licht in door de linker
stuurhendel tot in de eindstand naar het
stuur toe te halen en de hendel weer los te
laten, zie pagina 69.
Verlichtingspaneel, voor actieve xenonkoplampen
Als de auto is uitgerust met actieve xenonkoplampen (Active Bending Lights, ABL), draaien
de lichtbundels van de koplampen mee om
optimale verlichting te verkrijgen in bochten en
op kruisingen om op die manier de veiligheid
te verhogen.
brandt, wanneer de functie actief
De led
is. Bij een storing knippert de led en verschijnt
66
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Verlichtingspaneel
er een foutmelding op het informatiedisplay.
De functie is uitsluitend actief bij schemer of
donker en dan alleen als de auto rijdt.
De functie is te deactiveren/activeren met de
verlichtingsdraaiknop.
Dagrijlicht (DRL)*
Stand
Om stroom te besparen is het overdag mogelijk
het dagrijlicht (DRL, Daytime Running Light) te
kiezen in plaats van het dimlicht. De in de spoiler gemonteerde dagrijlichten maken gebruik
van de krachtige en zuinige led-techniek.
Betekenis
Koplamplichten en stadslichten
02
Dagrijlicht tijdens rijden overdag. Automatisch overschakelen naar koplamplichten en
stadslichten bij slechte weersomstandigheden en wanneer
de ruitenwisser of het mistachterlicht is geactiveerd.
G020789
Als de auto met actieve Xenonkoplampen (Active Bending
Lights, ABL) is uitgerust, wordt
deze functie ook geactiveerd.
Lichtbundel bij gedeactiveerde (links) en geactiveerde (rechts) functie.
Stand A voor automatisch dagrijlicht (DRL).
Stand
Betekenis
Dagrijlicht
Dagrijlicht als de auto rijdt.
Automatisch overschakelen
naar parkeerlicht als de auto
wordt geparkeerd.
Met de verlichtingsdraaiknop in stand A worden het dagrijlicht overdag automatisch ingeschakeld. Een lichtsensor zorgt ervoor dat er
bij schemering of onvoldoende daglicht wordt
overgeschakeld van het dagrijlicht op het dimlicht.
N.B.
Om het stroomverbruik zoveel mogelijk te
beperken worden ook de achterlichten
gedoofd bij automatische overschakeling
van dimlicht op dagrijlicht (DRL).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
67
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Verlichtingspaneel
WAARSCHUWING
02
Dit is een stroombesparingsfunctie die niet
in alle gevallen kan bepalen wanneer de
omgevingsverlichting voldoende of onvoldoende is bij mist en regen bijvoorbeeld.
Als bestuurder bent u verplicht om de verlichting van de auto altijd af te stemmen op
de heersende omstandigheden en de geldende verkeerswetgeving.
Remlichten
De remlichten gaan automatisch branden wanneer u remt. Voor informatie over de noodremlichten en de automatische alarmlichten, zie
pagina 177.
68
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Linker stuurhendel
Standen stuurhendel
Richtingaanwijzers
Wisselen tussen grootlicht en dimlicht
Korte serie knippersignalen
–
–
2
1
4
3
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag
naar stand (1) en laat de hendel vervolgens
los.
> De richtingaanwijzers lichten 3 keer op
waarna de stuurhendel terugveert naar
de uitgangspositie.
Onafgebroken serie knippersignalen
–
2
G026380
1
Richtingaanwijzer - korte serie knippersignalen
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag
naar de eindstand (2).
> De hendel blijft in de eindstand staan en
kan handmatig in de uitgangspositie
teruggezet worden of veert automatisch
terug bij het terugdraaien van het stuurwiel.
Richtingaanwijzer - onafgebroken serie
knippersignalen
Grootlichtsignalen
Grootlichtsignalen
–
Follow-Me-Home-verlichting en wisselen
tussen grootlicht en dimlicht.
Haal de hendel lichtjes tot in stand (3) naar
het stuurwiel toe.
> Het groot licht blijft vervolgens branden,
totdat u de hendel weer loslaat.
Breng de stuurhendel naar de eindstand (4)
en laat de hendel los.
02
Om het groot licht te kunnen inschakelen moet
de transpondersleutel in stand II staan en de
verlichtingsdraaiknop in de eindstand, zie
pagina 65.
“Follow Me Home”-verlichting
Het is mogelijk om een deel van de buitenverlichting enige tijd ingeschakeld te houden en
als “Follow Me Home”-verlichting dienst te
laten doen na vergrendeling van de auto. De
inschakelduur bedraagt 301 seconden, maar is
te wijzigen in 60 of 90 seconden, zie
pagina 90.
1. Neem de transpondersleutel uit het contactslot.
2. Haal de stuurhendel tot in stand (3) naar het
stuurwiel toe en laat de hendel los.
3. Stap uit de auto en vergrendel het portier.
Grootlichtsignalen zijn alleen mogelijk wanneer
de transpondersleutel in het contactslot steekt.
1
Fabrieksinstelling.
``
69
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Linker stuurhendel
Boordcomputer*
N.B.
Als er een waarschuwingsmelding verschijnt terwijl de boordcomputer in gebruik
is, moet u de melding bevestigen. Doe dat
door op de knop READ te drukken waarna
u naar de boordcomputerfunctie terugkeert.
02
Functies
G029052
Op de boordcomputer staat de volgende informatie:
READ - bevestigen
Duimwiel2
--.- KM/L HUIDIG
Het gemiddelde brandstofverbruik wordt berekend op basis van de laatste keer dat er met
de RESET-knop op nul is gesteld.
N.B.
Er kunnen onjuiste waarden verschijnen, als
u een standverwarming op brandstof hebt
gebruikt.
--- KILOMETER TOT LEGE TANK
KILOMETER TOT LEGE TANK
DSTC AAN SPIN CONTROL AAN*, zie
pagina 178
Het bereik tot lege tank (d.w.z. de actieradius)
wordt berekend aan de hand van het gemiddelde brandstofverbruik over de laatste 30 km.
Wanneer “--- KILOMETER TOT LEGE
TANK ” op het display staat, zijn geen garanties meer te geven voor de resterende actieradius. Tank dan zo spoedig mogelijk.
RESET2 - op nul stellen
GEM. SNELHEID
De gemiddelde snelheid wordt berekend op
basis van de laatste keer dat er met de
RESET-knop op nul is gesteld.
HUIDIG
Het momentane (actuele) brandstofverbruik
wordt eenmaal per seconde berekend. De
waarde op het display wordt om de paar
Niet in gebruik bij auto’s zonder boordcomputer, brandstofkachel of stabiliteits- en tractieregeling.
Bepaalde markten.
Geldt alleen voor dieselmodellen met roetfilter.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
GEMIDDELD
--.- L/100 KM GEMIDDELD
• --- MPH HUIDIGE SNELHEID3
Om toegang te krijgen tot de informatie in de
boordcomputer, moet u het duimwiel in stappen omhoog- of omlaagdraaien. De menu's
vormen een eindeloze lus.
70
--- KM/U GEM. SNELHEID
– menu’s en opties binnen de
cruisecontrol-lijst doorbladeren.
Bedieningsknoppen
2
3
4
•
•
•
•
•
seconden bijgewerkt. Wanneer de auto stilstaat, geeft het display “--.-” aan. Tijdens regeneratie4 van het roetfilter kan het brandstofverbruik tijdelijk stijgen, zie pagina 155.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Linker stuurhendel
N.B.
Er kunnen onjuiste waarden verschijnen, als
u bijvoorbeeld van rijstijl bent veranderd of
een standverwarming op brandstof hebt
gebruikt.
02
MPH HUIDIGE SNELHEID3
De actuele snelheid wordt weergegeven in
mph.
Op nul stellen
1. Selecteer --- KM/U GEM. SNELHEID of
--.- L/100 KM GEMIDDELD
2. Zet op nul door op de RESET-knop te
drukken.
3. Als de RESET-knop lang wordt ingedrukt
(minimaal 5 seconden) wordt zowel de
gemiddelde snelheid als het gemiddelde
verbruik op nul gesteld.
3
Bepaalde markten.
71
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Rechter stuurhendel
Ruitenwissers
Enkele slag
Beweeg de hendel omhoog om
een enkele slag te maken.
02
Intervalstand
U kunt de wissnelheid in de intervalstand bijstellen. Draai het duimwiel (C) omhoog voor een korter
wisinterval. Draai het omlaag om
het interval te verlengen.
Ononderbroken wissen
De wissers bewegen op normale
snelheid.
Ruiten- en koplampsproeiers
Regensensor, aan/uit
Duimwiel
Ruitenwisser en -sproeier, achterklep
Ruitenwissers uitgeschakeld
De ruitenwissers zijn uitgeschakeld als de hendel in stand 0 staat.
De wissers bewegen op hoge snelheid.
BELANGRIJK
Controleer alvorens de ruitenwissers tijdens
de winter in te schakelen of de wisserbladen
niet zijn vastgevroren en de voorruit (alsmede de achterruit) sneeuw- en ijsvrij is.
BELANGRIJK
Spuit een ruime hoeveelheid ruitensproeiervloeistof op de voorruit, wanneer de ruitenwissers werken. De voorruit moet nat zijn bij
gebruik van de ruitenwissers.
72
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Ruiten-/koplampsproeiers
U activeert de sproeiers van de voorruit en de
koplampen door de hendel naar het stuurwiel
toe te trekken. De wissers maken nog enkele
slagen nadat u de hendel hebt losgelaten.
Hogedruksproeiers koplampen*
De hogedruksproeiers van de koplampen verbruiken een grote hoeveelheid sproeiervloeistof. Om vloeistof te besparen worden de
koplampen op een van de onderstaande
manieren gesproeid.
Dimlicht ingeschakeld met de knop op het verlichtingspaneel:
De eerste keer dat u de voorruit sproeit, worden ook de koplampen gesproeid. Vervolgens
worden de koplampen iedere vijfde sproeibeurt van de voorruit gesproeid, zolang er
maximaal tien minuten tussen de eerste en
vijfde sproeibeurt zitten. Bij langere intervallen
worden de koplampen iedere keer gesproeid.
Stadslichten/parkeerlichten vóór en achterlichten ingeschakeld met de knop op het verlichtingspaneel:
• De actieve xenonkoplampen worden
slechts iedere vijfde sproeibeurt
gesproeid, ongeacht de tijd die is verstreken.
• Halogeenkoplampen worden niet
gesproeid.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Rechter stuurhendel
De draaiknop op het verlichtingspaneel in
stand 0:
Intervalstand: Druk het bovenste gedeelte
van de knop in.
• De actieve xenonkoplampen worden
Neutrale stand: Wisser/sproeier uitgeschakeld.
slechts iedere vijfde sproeibeurt
gesproeid, ongeacht de tijd die is verstreken.
• Halogeenkoplampen worden niet
Regensensor*
02
Continu wissen: Druk het onderste
gedeelte van de knop in.
Ruitenwisser achterklep, achteruitrijden
gesproeid.
De intervalfunctie tijdens het achteruitrijden
kunt u desgewenst uitschakelen. Volvo adviseert u contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats.
G021418
0
Draai het omlaag om het interval te verlengen.
De ruitenwisser maakt na het sproeien nog
enkele extra slagen. De knop aan het uiteinde
van de hendel is een schakelaar met drie
mogelijke standen:
G029053
Als u de auto in de achteruitversnelling zet terwijl de voorste ruitenwissers actief zijn, zal de
ruitenwisser van de achterklep de intervalstand
innemen. Als de ruitenwisser van de achterklep
echter al op normale snelheid werkt, vindt er
geen wijziging plaats.
Ruitenwisser en -sproeier, achterklep
De regensensor registreert de hoeveelheid
regen op de voorruit en activeert automatisch
de ruitenwissers op de voorruit. De gevoeligheid van de regensensor is in te stellen met het
duimwiel (C), zie pagina 72.
Draai het duimwiel omhoog voor een grotere
gevoeligheid en omlaag voor een lagere
gevoeligheid. (De wissers maken een extra
slag, als u het duimwiel omhoogdraait.)
Aan/Uit
Om de regensensor te activeren dient de contactsleutel in stand I of II te staan en de hendel
van de ruitenwissers in stand 0 (niet geactiveerd).
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
73
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Rechter stuurhendel
02
Regensensor activeren:
Duimwiel
–
Met het duimwiel kunt u de wisfrequentie
instellen (als u de intervalstand hebt geselecteerd) of de gevoeligheid van de regensensor
(als u de regensensor hebt geactiveerd).
Druk op de knop (B), zie pagina 72. Een
displaysymbool geeft aan dat de regensensor actief is.
U schakelt de regensensor op een van de volgende manieren weer uit:
1. Druk op de knop (B)
2. Haal de hendel omlaag naar een ander wisprogramma. Als u de hendel omhoogduwt,
blijft de regensensor actief. De wissers
maken een extra slag en keren terug naar
de regensensorstand, wanneer u de hendel laat terugveren naar stand 0 (niet geactiveerd), zie pagina 72.
De regensensor wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u de transpondersleutel uit het
contactslot neemt of vijf minuten nadat u de
auto van het contact hebt gezet.
BELANGRIJK
In automatische wasstraten: Schakel de
regensensor uit met een druk op knop (B),
terwijl de transpondersleutel in stand I of II
staat. De ruitenwissers op de voorruit kunnen anders in werking treden en beschadigd raken.
74
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Cruisecontrol*
Inschakelen
Snelheid verhogen of verlagen
N.B.
Een tijdelijke verhoging van de snelheid
(korter dan een minuut) met het gaspedaal,
zoals bij het inhalen, is niet van invloed op
de instelling van de cruisecontrol. Als u het
gaspedaal loslaat, neemt de auto automatisch de ingestelde snelheid weer aan.
02
Tijdelijk uitschakelen
G020141
G029054
–
De bedieningsorganen voor de cruisecontrol
vindt u links op het stuurwiel.
Gewenste snelheid instellen:
1. Druk op de knop CRUISE. Op het instrumentenpaneel verschijnt de tekst
CRUISE.
2. Druk op + of – om de snelheid van de auto
vast te zetten. Op het instrumentenpaneel
verschijnt CRUISE ON.
De cruisecontrol kan niet worden ingeschakeld
bij snelheden lager dan 30 km/h of hoger dan
200 km/h.
1
–
U kunt de snelheid verhogen of verlagen
door de knop + of – in te drukken. De snelheid die de auto heeft op het moment dat
u de knop loslaat, zal vervolgens worden
geprogrammeerd.
Een korte druk (minder dan een halve seconde)
op + of – komt overeen met een snelheidswijziging van 1 km/h of 1 mph1.
Druk op 0 om de cruisecontrol tijdelijk uit
te schakelen. Op het instrumentenpaneel
verschijnt CRUISE. De eerder ingestelde
snelheid blijft na een tijdelijke uitschakeling
in het geheugen opgeslagen.
De cruisecontrol wordt bovendien tijdelijk uitgeschakeld, als:
• u het rempedaal of koppelingspedaal
bedient;
• de snelheid heuvelop lager wordt dan
25–30 km/h1;
• u de keuzehendel in stand N zet;
• als de wielen de neiging hebben te gaan
slippen of blokkeren;
• een tijdelijke snelheidsverhoging langer
dan een minuut heeft geduurd.
Afhankelijk van het motortype.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
75
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Cruisecontrol*
Snelheid hervatten
– Druk op de knop om de eerder
ingestelde snelheid te hervatten.
Op het instrumentenpaneel verschijnt CRUISE ON.
02
Uitschakelen
–
76
Druk op CRUISE om de cruisecontrol uit te
schakelen. CRUISE ON verdwijnt van het
instrumentenpaneel.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Toetsensets op stuurwiel*
Toetsfuncties
PHONE zodat u het telefoonsysteem vervolgens kunt gebruiken met de pijltjestoetsen.
02
Druk op EXIT. om de instellingen van het
audiosysteem te hervatten. Druk nogmaals op
EXIT om terug te gaan naar het telefoonmenu.
Met de toets ENTER kunt u menu-opties kiezen, activeren en deactiveren. U kunt de toets
ook gebruiken om de mapstructuur te openen
en de weergave te starten van audiobestanden, als er een schijf met audiobestanden in de
cd-speler/cd-wisselaar* zit. Voor meer informatie, zie pagina 278.
De toetsenset is verkrijgbaar in twee uitvoeringen,
afhankelijk van de uitrusting in de auto.
Met de onderste vier toetsen van de toetsenset
op het stuurwiel kunt u zowel de radio als de
telefoon regelen. De functie van de toetsen
hangt af van het systeem dat u geactiveerd
hebt. Met de toetsenset op het stuur kunt u een
andere radiozender selecteren of een andere
track op een cd en het volume regelen.
–
Houd een van de pijltjestoetsen ingedrukt
om versneld voor- of achteruit te spoelen
of een bepaalde zender te zoeken.
Om instellingen in het telefoonsysteem te kunnen verrichten moet de telefoon zijn geactiveerd. Activeer de telefoonfunctie met de toets
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
77
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Stuurwielverstelling, alarmlichten
Stuurwielafstelling
WAARSCHUWING
Stel het stuurwiel af voordat u gaat rijden en
nooit tijdens het rijden. Controleer of het
stuurwiel in de gekozen stand geblokkeerd
staat.
02
ten automatisch ingeschakeld, zie
pagina 177. U kunt de functie uitschakelen
met een druk op de knop.
N.B.
De regels voor het gebruik van de alarmlichten verschillen van land tot land.
G020143
Alarmlichten
1. Trek de hendel naar u toe om het stuur vrij
te maken.
2. Zet het stuurwiel vervolgens in de gewenste stand.
3. Duw de hendel vervolgens terug om het
stuurwiel in de nieuwe stand te blokkeren.
Als dit moeite kost, kunt u lichtjes op het
stuurwiel drukken en tegelijkertijd de hendel terugduwen.
G020144
U kunt het stuurwiel zowel in de hoogte als in
de lengte verstellen.
Gebruik de alarmlichten (alle richtingaanwijzers knipperen), wanneer u de auto noodgedwongen tot stilstand moet brengen op een
plaats waar deze gevaar of hinder voor het verkeer kan opleveren. Druk op de knop om de
functie te activeren.
Bij een voldoende krachtige aanrijding of een
krachtige remmanoeuvre worden de alarmlich-
78
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Handrem
Algemene informatie
> Het waarschuwingslampje op het dashboard gaat branden.
N.B.
Het brandende waarschuwingslampje op
het instrumentenpaneel geeft alleen aan dát
u de handrem hebt aangetrokken maar niet
hoe hard!
WAARSCHUWING
Maak er gewoonte van om bij het parkeren
op een helling altijd de parkeerrem aan te
zetten – het inschakelen van een versnelling
bij een handbak of stand P bij een automaat
is niet voldoende om de auto in alle situaties
stil te houden.
02
Handrem lossen
3. Laat het rempedaal los en controleer of de
auto volledig stilstaat.
4. Als de auto beweegt dient u de hendel minstens één tandje strakker aan te trekken.
• Zet de versnellingspook/keuzehendel bij
Waarschuwingslampje op dashboard en sticker
die wijst op het risico van beknelling.
De handremhendel zit tussen de voorstoelen.
WAARSCHUWING
Zorg dat kinderen, andere passagiers of
voorwerpen niet bekneld raken bij het aanhalen of lossen van de handrem.
Handrem aanzetten
het parkeren altijd in de 1e versnelling
(handbak) of in stand P (automaat).
1. Trap het rempedaal stevig in.
2. Trek de handremhendel iets omhoog, duw,
terwijl u de knop ingedrukt houdt, de hendel omlaag en laat de knop weer los.
> Het waarschuwingslampje op het dashboard dooft.
Op een helling parkeren
Bij het parkeren van de auto op een oplopende
helling:
• Draai de wielen van de trottoirband af.
Bij het parkeren van de auto op een aflopende
helling:
• Draai de wielen naar de trottoirband toe.
1. Trap het rempedaal stevig in.
2. Trek de handremhendel stevig omhoog.
79
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bedienbare ruiten
Bediening
02
Met de schakelaars op de portieren kunt u de
ruiten elektrisch bedienen. De ruiten zijn te
bedienen in sleutelstand I en II.
Ook wanneer de auto stilstaat en u de transpondersleutel hebt uitgenomen, kunt u de ruiten nog steeds enige tijd openen en sluiten
zolang geen van de portieren wordt geopend.
Bedien de ruiten altijd onder toezicht.
Zijruit openen:
–
WAARSCHUWING
Zorg er bij het sluiten van de zijruiten voor
dat kinderen of andere inzittenden niet
bekneld kunnen raken. Houd de zijruiten in
de achterportieren goed in de gaten, wanneer u ze met de knoppen op het bestuurdersportier of met de afstandsbediening
sluit.
Bestuurdersportier
Druk het voorste deel van de knop omlaag.
N.B.
U kunt de rijwindgeluiden tijdens ritten met
geopende achterportierruiten beperken
door ook de voorportierruiten een stukje te
openen.
Zie pagina 132 en 140 voor het bedienen van
de elektrisch bedienbare zijruiten met de vergrendelingsknoppen en de afstandsbediening.
Druk een van de bedieningsknoppen (1) of (2)
voorzichtig omlaag of trek er één voorzichtig
omhoog. De elektrisch bedienbare zijruiten
komen steeds verder omhoog of omlaag
zolang u de schakelaar bedient.
WAARSCHUWING
Knoppen voor elektrisch bedienbare zijruiten.
Knop voor elektrisch bedienbare zijruiten
achterin
Knop voor elektrisch bedienbare zijruiten
voorin
80
Handmatige bediening
Druk een van de bedieningsknoppen (2)
omlaag of trek er één omhoog en laat deze
vervolgens los. De zijruiten gaan dan automatisch open of dicht. Als een zijruit door iets
worden geblokkeerd, wordt de op- of neergaande beweging van die zijruit afgebroken.
Trek het voorste deel van de knop
omhoog.
Afstandsbediening en
vergrendelingsknoppen
U kunt de zijruiten op twee manieren openen
en sluiten:
Automatische bediening
Zijruit sluiten:
–
Vanaf de bestuurdersstoel kunt u alle zijruiten
elektrisch bedienen.
De beveiliging tegen overbelasting van de
zijruiten werkt zowel bij automatisch sluiten
als bij handmatig sluiten, maar uiteraard niet
meer wanneer de beveiliging eenmaal in
werking is getreden.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bedienbare ruiten
WAARSCHUWING
Het lampje in de knop brandt
Als er kinderen in de auto zitten:
De ruiten in de achterportieren zijn alleen vanaf
het bestuurdersportier te bedienen.
Let erop dat u altijd de stroomtoevoer naar
de elektrisch bedienbare ruiten verbreekt
door de transpondersleutel te verwijderen.
Het lampje in de knop is uit
Let er bij het sluiten van de zijruiten op dat
kinderen of andere inzittenden niet bekneld
kunnen raken.
Passagiersstoel, voorin
02
De zijruiten in de achterportieren zijn zowel met
de knoppen op de portieren als met de knoppen op het bestuurdersportier te bedienen.
N.B.
Elektrisch bedienbare zijruiten in
achterportieren blokkeren
Als de auto beschikt over een elektrisch
bedienbaar kinderslot op de achterportieren, geeft het lampje tevens aan of dit kinderslot geactiveerd is. De portieren kunnen
dan niet van de binnenzijde worden
geopend. Als het elektrisch bedienbare kinderslot geactiveerd is, verschijnt er een
tekst op het display.
Passagiersstoel, voorin.
Met de knop voor de elektrische bediening van
de ruit op het passagiersportier kunt u alleen
die ruit bedienen.
Elektrisch bedienbare zijruiten blokkeren en elektrisch bedienbaar kinderslot*.
81
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bedienbare ruiten
02
Elektrisch bedienbare zijruiten in de
achterportieren
De zijruiten in de achterportieren zijn zowel met
de knoppen op de achterportieren als met de
knoppen op het bestuurdersportier te bedienen. Als het lampje brandt in de knop waarmee
u de elektrische bediening van de achterste zijruiten blokkeert (op het bedieningspaneel op
het bestuurdersportier), zijn de zijruiten in de
achterportieren alleen vanaf het bestuurdersportier te bedienen. U kunt de zijruiten in de
achterportieren op dezelfde manier bedienen
als de zijruiten in de voorportieren.
82
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Ruiten en spiegels
Achteruitkijkspiegel
tisch gedimd. Het hendeltje (1) is niet aanwezig
op spiegels met autodimfunctie.
Kompas kalibreren
02
Fel licht van achteren kan hinderlijke reflecties
in de achteruitkijkspiegel veroorzaken en u verblinden. Zet de spiegel in de autodimstand,
wanneer u de verlichting van het achteropkomende verkeer als hinderlijk ervaart.
Dimfunctie
Hendeltje voor dimfunctie
Normale stand
Dimstand.
Autodimfunctie*
Als het licht dat van achteren in de spiegel valt
te fel is, wordt de achteruitkijkspiegel automa-
G031043
G031045
Achteruitkijkspiegel met kompas*
In de rechter bovenhoek van de achteruitkijkspiegel zit een display waarop wordt aangegeven in welke richting de voorkant van de auto
wijst. Er worden acht verschillende richtingen
met Engelse afkortingen weergegeven: N
(noord), NE (noordoost), E (oost), SE (zuidoost), S (zuid), SW (zuidwest), W (west) en
NW (noordwest).
De aarde is in 15 magnetische zones verdeeld.
Het kompas is ingesteld op het geografische
gebied waarin de auto werd afgeleverd. Het
kompas dient te worden gekalibreerd, als u
met de auto meerdere magnetische zones
doorkruist.
1. Breng de auto op een groot en open terrein
tot stilstand en laat de motor lopen.
2. Houd het knopje (1) ten minste 6 seconden
lang ingedrukt. Het teken C verschijnt vervolgens (het knopje is verzonken, zodat u
bijvoorbeeld een paperclip moet gebruiken
om het in te drukken).
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
83
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Ruiten en spiegels
02
3. Houd het knopje (1) ten minste 3 seconden
lang ingedrukt. Het cijfer van de huidige
magnetische zone verschijnt.
4. Druk meerdere malen op het knopje (1) totdat het nummer van de gewenste magnetische zone (1–15) verschijnt (zie de kaart
met de magnetische zones van het kompas).
Magnetische zones, Europa.
G020152
6. Houd het knopje vervolgens 9 seconden
lang ingedrukt en kies L bij auto’s met het
stuur links en R bij auto’s met het stuur
rechts.
G020150
5. Wacht totdat het teken C weer op het display verschijnt.
Magnetische zones, Zuid-Amerika.
Magnetische zones, Azië.
84
G020153
G020151
7. Rijd langzaam een rondje in de auto met
een snelheid van hoogstens 10 km/h, totdat een kompasrichting op het display verschijnt. Dit geeft aan dat de kalibratie afgerond is.
Magnetische zones, Australië.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Ruiten en spiegels
Buitenspiegels
Elektrisch inklapbare buitenspiegels*
U kunt de buitenspiegels inklappen bij het parkeren en als u op smalle wegen rijdt. Dat is
mogelijk in sleutelstand I en II.
02
Spiegels inklappen
1. Druk tegelijkertijd op de knoppen L en R.
2. Laat de knoppen los. De spiegels stoppen
automatisch, als ze volledig zijn ingeklapt.
G020154
WAARSCHUWING
De buitenspiegel aan bestuurderszijde is
groothoekig voor een optimaal zicht. Voorwerpen kunnen verder weg lijken dan ze in
werkelijkheid zijn.
Magnetische zones, Afrika.
De knoppen waarmee u de twee buitenspiegels bedient, vindt u vóór op de armleuning van
het bestuurdersportier. De buitenspiegels zijn
te bedienen in sleutelstand I en II.
1. Druk op knop L voor de buitenspiegel links
of op R voor de buitenspiegel rechts. Het
lampje op de knop brandt.
2. U kunt de stand afstellen met het hendeltje
in het midden.
3. Druk opnieuw op knop L of R. Het lampje
dooft.
Spiegels uitklappen
1. Druk tegelijkertijd op de knoppen L en R.
2. Laat de knoppen los. De spiegels stoppen
automatisch, als ze volledig zijn uitgeklapt.
Automatisch in-/uitklappen
Wanneer u de auto vanaf de afstandsbediening
of via het Keyless Drive-systeem, zie
pagina 136, vergrendelt/ontgrendelt, worden
de buitenspiegels automatisch in- of uitgeklapt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
85
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Ruiten en spiegels
N.B.
02
Bij ontgrendeling worden de buitenspiegels
niet automatisch uitgeklapt, als deze met
behulp van de knoppen op het portier werden ingeklapt.
Als de auto via de afstandsbediening werd
vergrendeld en vervolgens wordt gestart,
zullen de buitenspiegels echter wel uitgeklapt worden.
U kunt de functie is activeren/deactiveren
onder Instellingen van de auto… Spiegels
inkl. bij afsl., zie pagina 90 voor een beschrijving van het menusysteem.
In neutrale stand terugzetten
Spiegels die uit positie zijn geraakt door invloeden van buitenaf, moeten eerst in de neutrale
stand worden teruggezet zodat het elektrisch
in- of uitklappen weer werkt.
1. Klap de spiegels in met behulp van de
knoppen L en R.
2. Klap de spiegels weer uit met behulp van
de knoppen L en R. De spiegels staan vervolgens weer in de neutrale stand.
86
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
“Approach”-verlichting en “Follow Me
Home”-verlichting
De lampjes* in de buitenspiegels gaan branden, als de “Approach”-verlichting of de “Follow Me Home”-verlichting wordt geactiveerd.
BLIS, Blind Spot Information System*
BLIS is een informatiesysteem dat de bestuurder in bepaalde omstandigheden waarschuwt,
wanneer er zich een voertuig in de zogeheten
dode hoek bevindt en in dezelfde richting rijdt,
zie pagina 183.
Water- en vuilafstotende laag*
De voorste zijruiten zijn voorzien van
een speciale laag die bij hevige regenval voor een beter zicht zorgt. Voor informatie
over het onderhoud, zie pagina 221.
BELANGRIJK
Gebruik geen metalen ijskrabber om de ruiten van ijs te ontdoen. Er kan daarbij schade
aan de waterafstotende laag ontstaan.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bedienbaar schuifdak*
Openingsstanden
Ventilatiestand
WAARSCHUWING
Openen:
Als er kinderen in de auto zitten:
Verbreek bij het verlaten van de auto de
stroomtoevoer naar het schuifdak door de
transpondersleutel uit te nemen.
–
02
Duw de achterkant van de knop (5)
omhoog.
Sluiten:
–
Trek de achterkant van de knop (6) omlaag.
Vanuit ventilatiestand naar volledig geopend
schuifdak:
G007503
–
Schuifstand
Automatische bediening
–
G029222
De bedieningsknoppen voor het schuifdak zitten aan het plafond. U kunt het schuifdak in
twee standen openen:
Ventilatiestand, achterkant omhoog
Schuifstand, achteruit/vooruit
De transpondersleutel moet daarbij in stand I
of II staan.
Trek de knop achteruit naar de eindstand
(1) en laat hem los.
Trek de knop voorbij het weerstandspunt
(2) in de achterste eindstand (1) of voorbij
het weerstandspunt (3) in de voorste eindstand (4) en laat hem vervolgens los. Het
schuifdak opent of sluit volledig.
Handmatige bediening
Openen, automatisch
Openen:
Openen, handmatig
–
Sluiten, handmatig
Sluiten, automatisch
Openen, ventilatiestand
Sluiten, ventilatiestand
Trek de knop achteruit naar het weerstandspunt (2). Het schuifdak schuift
steeds verder open zolang u de knop in
deze stand vasthoudt.
Sluiten:
–
Duw de knop vooruit naar het weerstandspunt (3). Het schuifdak schuift steeds ver-
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
87
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bedienbaar schuifdak*
der dicht zolang u de knop in deze stand
vasthoudt.
02
WAARSCHUWING
Als u het sluiten moet onderbreken:
–
Druk nogmaals op de vergrendelingsknop.
WAARSCHUWING
De beveiliging tegen overbelasting van het
schuifdak werkt alleen bij automatisch sluiten, niet bij handmatig sluiten.
Zorg ervoor dat kinderen of andere inzittenden niet bekneld raken, wanneer u het
schuifdak met de afstandsbediening sluit.
Bedien het schuifdak alleen onder toezicht.
WAARSCHUWING
De beveiliging tegen overbelasting van het
schuifdak werkt alleen bij automatisch sluiten, niet bij handmatig sluiten.
Let er bij het sluiten van het schuifdak op dat
niemand bekneld raakt.
Windscherm
Sluiten met afstandsbediening of
vergrendelingsknop
Zonnescherm
Aan de binnenkant van het schuifdak zit een
handbediend zonnescherm. Het zonnescherm
glijdt automatisch naar achteren bij het openen
van het schuifdak. Pak de handgreep vast en
schuif het scherm naar voren om het te sluiten.
G020157
Beveiliging tegen overbelasting
–
88
Houd de vergrendelingsknop lang ingedrukt om het schuifdak en alle zijruiten te
sluiten. De portieren en de achterklep worden vergrendeld.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Het schuifdak is voorzien van een beveiliging
tegen overbelasting die wordt geactiveerd, als
het schuifdak door een voorwerp wordt gehinderd. Het schuifdak komt dan tot stilstand en
keert vervolgens automatisch terug naar de
laatst gebruikte, geopende stand.
Bij het schuifdak hoort een windscherm dat
opgeklapt wordt bij een geopend schuifdak.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Persoonlijke instellingen
Mogelijke instellingen
Display
Instellen, klok
Voor sommige autofuncties zijn persoonlijke
instellingen mogelijk. Dit geldt voor de sloten
en de klimaatregelings- en audiofuncties. Voor
de audiofuncties, zie pagina 266.
MENU
U kunt de uur- en minuutaanduiding elk apart
instellen.
EXIT
ENTER
Bedieningspaneel
Navigatie
Toepassing
De instellingen worden weergegeven op het
display (A).
02
1. Gebruik de cijfers van de toetsenset of de
“pijl-omhoog” of de “pijl-omlaag” van de
navigatieknop (E).
2. Markeer het te wijzigen cijfer met de “pijlrechts” of de “pijl-links” van de navigatieknop.
3. Druk op ENTER om de klok te starten.
Open het menu om instellingen te verrichten:
N.B.
1. Druk op de knop MENU (B).
Bij een klok met 12-uursaanduiding kies u
na het instellen van het aantal minuten voor
AM/PM met de “pijl-omhoog” of de “pijlomlaag”.
2. Ga bijvoorbeeld naar Instellingen van de
auto… met behulp van de navigatieknop
(E).
3. Druk op ENTER (D).
4. Selecteer een optie met behulp van de
navigatieknop (E).
Klimaatinstellingen
5. Activeer uw keuze met ENTER.
Bij auto’s met elektronische klimaatregeling
(ECC) kunt u de ventilatorsnelheid in de stand
AUTO instellen:
Een geactiveerde functie wordt op het dis. Een gedeactiplay aangegeven met
veerde functie wordt op het display aangegeven met
.
Bedieningspaneel.
Autom. blower afstellen
–
U kunt kiezen uit Laag, Normaal en
Hoog.
Menu sluiten:
–
Houd de knop EXIT (C) ongeveer één
seconde ingedrukt.
89
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Persoonlijke instellingen
Timer recirculatie
02
Wanneer de timer actief is, wordt de lucht in de
auto afhankelijk van de buitentemperatuur
3–12 minuten lang gerecirculeerd.
–
Selecteer Aan/Uit als de recirculatietimer
actief moet zijn of niet.
Reset alles
De fabrieksinstellingen voor de klimaatregelingsopties herstellen.
Instellingen van de auto
Spiegels in bij vegrend*
U kunt de buitenspiegels bij het vergrendelen/
ontgrendelen van de auto automatisch laten
inklappen c.q. uitklappen. U hebt de keuze uit
de opties Aan/Uit.
auto laten knipperen. U hebt de keuze uit de
opties Aan/Uit.
Auto is op slot, lampje
Als u de auto met de afstandsbediening vergrendelt, kunt u de richtingaanwijzers van de
auto laten knipperen. U hebt de keuze uit de
opties Aan/Uit.
Het is mogelijk de Safelock-functie tijdelijk te
deactiveren en het alarmniveau tijdelijk te verlagen, als er bijvoorbeeld iemand in de auto
achterblijft nadat de portieren van de buitenzijde zijn vergrendeld. U hebt de keuze uit
Eenmaal activeren en Vraag bij verlaten, zie
pagina 141 en 145.
Auto is open, lampje
Als u de auto met de afstandsbediening ontgrendelt, kunt u de richtingaanwijzers van de
90
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
tegelijkertijd ontgrendeld.
• Portieren aan één kant - voor- en achterportier aan dezelfde kant worden tegelijkertijd ontgrendeld.
• Beide voorportieren - beide voorportieren worden tegelijkertijd ontgrendeld.
Portieren autom op slot
Het is mogelijk om de portieren en de achterklep automatisch te laten vergrendelen bij een
rijsnelheid hoger dan 7 km/h. U hebt de keuze
uit de opties Aan/Uit. Door tweemaal aan de
openingshandgreep te trekken kunt u de portieren van de binnenzijde ontgrendelen en openen.
Portieren ontgrendelen
Er bestaan twee opties voor het ontgrendelen:
Guard beperkt*
Op afstand openen*
• Alle portieren - alle portieren worden
• Alle portieren - alle portieren en de achterklep ontgrendelen met één druk op de
afstandsbediening.
• 1st chauffeur, dan rest - het bestuurdersportier ontgrendelen met één druk op
de afstandsbediening. Als u nog een keer
drukt, worden alle portieren en de achterklep ontgrendeld.
• Elk portier – voorportier (naar keuze) of
achterklep wordt apart ontgrendeld.
Alle ruiten gelijktijdig sluiten/openen
Voor de werking van de vergrendelingsknop op
de afstandsbediening, de vergrendelingsknoppen op de voorportieren en bij auto’s met Keyless Drive de ontgrendelingsknop aan de buitenkant van de portieren is de volgende functie
te selecteren:
• Auto. alle vensters afsl. – bij lang indrukken van de vergrendelingsknop worden
alle ruiten alsmede het schuifdak gelijktijdig gesloten.
Voor de ontgrendelingsknop op de afstandsbediening en de ontgrendelingsknoppen op de
voorportieren is de volgende functie te selecteren:
• Auto. alle venst. openen – bij lang indrukken van de ontgrendelingsknop worden
alle ruiten gelijktijdig geopend.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Persoonlijke instellingen
“Approach”-verlichting
U kunt de tijd aangegeven die de verlichting
moet blijven branden bij een druk op de knop
voor “Approach”-verlichting op de afstandsbediening - zie pagina 132.
02
U hebt de keuze uit de volgende opties:
• 30 seconden
• 60 seconden
• 90 seconden
“Follow Me Home”-verlichting
U kunt de tijd aangeven dat de verlichting van
de auto moet branden, als u de linker stuurhendel naar achteren trekt na het uitnemen van
de transpondersleutel - zie pagina 69.
U hebt de keuze uit de volgende opties:
• 30 seconden
• 60 seconden
• 90 seconden
Informatie
• VIN-nummer… - (Vehicle Identification
Number) is het unieke identificatienummer
van de auto.
• Aantal sleutels… - geeft het aantal sleutels weer dat voor de auto geregistreerd is.
91
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
HomeLinkŸ *
Algemene informatie
N.B.
HomeLinkŸ is dusdanig geconstrueerd dat
het niet werkt als de auto van de buitenzijde
vergrendeld is.
02
Let erop dat u de originele afstandsbedieningen wel goed bewaart voor eventuele
programmering in een later stadium (zoals
bij de aankoop van een nieuwe auto).
G030070
Wis de programmering van de knoppen
wanneer u de auto verkoopt.
HomeLinkŸ is een programmeerbare afstandsbediening waarmee u tot drie verschillende
systemen (bijvoorbeeld elektrische garagedeur, alarmsysteem, huis- en tuinverlichting)
kunt bedienen en daarmee de originele
afstandsbedieningen vervangt. HomeLinkŸ
wordt geleverd in een uitvoering die ingebouwd is in de linker zonneklep.
Het HomeLinkŸ-paneel bestaat uit drie programmeerbare knoppen en een controlelampje.
Gebruik geen zonwering bestaande uit
metaalfolie op auto’s die zijn uitgerust met
HomeLinkŸ. Het gebruik ervan kan namelijk
negatieve gevolgen hebben voor de werking.
Bediening
Zodra HomeLinkŸ geprogrammeerd is, vormt
het een vervanging voor de afzonderlijke originele afstandsbedieningen.
Druk de geprogrammeerde knop in voor activering van de elektrische garagedeur, het
alarmsysteem etc. Het controlelampje brandt
zolang u de knop ingedrukt houdt.
N.B.
Als het contact niet wordt ingeschakeld,
blijft HomeLinkŸ tot 30 minuten na opening
van het bestuurdersportier werken.
92
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Uiteraard kunt u de originele afstandsbedieningen naast HomeLinkŸ blijven gebruiken.
WAARSCHUWING
Als u HomeLinkŸ gebruikt om een garagedeur of toegangshek te bedienen, dient u
erop toe te zien dat er niemand in de buurt
van de garagedeur of het toegangshek is
tijdens de bediening.
Maak geen gebruik van de HomeLinkŸafstandsbediening voor een elektrische
garagedeur zonder veiligheidsstop en veiligheidsretour. De garagedeur dient onmiddellijk te reageren bij registratie van een
obstakel, tot stilstand te komen en meteen
de omgekeerde beweging te maken. Een
garagedeur die dat niet doet kan aanleiding
geven tot lichamelijk letsel. Neem voor meer
informatie contact op met de leverancier via
internet: www.homelink.com.
Eerste keer programmeren
Bij stap 1 wordt het complete geheugen van
HomeLinkŸ gewist. Voer dit punt dan ook
alleen uit, wanneer u slechts één knop wilt
omprogrammeren.
1. Druk de buitenste twee knoppen in en laat
deze ca. 20 seconden later los wanneer het
controlelampje gaat knipperen. Het knipperende lampje geeft aan dat HomeLinkŸ
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
HomeLinkŸ *
in de “inleerstand” staat en klaar is voor
programmering.
2. Leg de originele afstandsbediening op
5–30 cm afstand van HomeLinkŸ. Houd het
controlelampje in de gaten.
De juiste afstand tussen de originele
afstandsbediening en HomeLinkŸ hangt af
van de programmering van het te bedienen
systeem. Er zijn mogelijk meerdere pogingen op verschillende afstand nodig. Laat
de afstandsbediening bij iedere poging ca.
15 seconden op dezelfde afstand liggen
voordat u een andere afstand probeert.
deur, het toegangshek e.d. moet vervolgens geactiveerd worden bij het indrukken van de bijbehorende HomeLinkŸknop.
• Brandt niet continu: Het controlelampje knippert eerst ca. 2 seconden
lang snel en brandt daarna ca. 3 seconden continu. Dit herhaalt zich ca. 20
seconden lang en geeft aan dat het te
kopiëren systeem een zogeheten rollende code gebruikt. De garagedeur,
het toegangshek e.d. worden niet geactiveerd bij het indrukken van de bijbehorende HomeLinkŸ-knop. Vervolg in
dat geval de programmering als volgt.
3. Druk de te programmeren knop van
HomeLinkŸ en de te kopiëren knop van de
originele afstandsbediening gelijktijdig in.
Laat de knoppen pas los wanneer het controlelampje dat langzaam knippert sneller
gaat knipperen. Een snel knipperend
lampje geeft aan dat de programmering
gelukt is.
5. Zoek de “inleerknop1” van de ontvanger
van bijv. de garagedeur op (meestal in de
buurt van de antennevoet op de ontvanger). Raadpleeg als u de knop niet kunt
vinden, de gebruiksaanwijzing van de leverancier of neem contact op met de leverancier via internet: www.homelink.com.
4. Test de programmering door de geprogrammeerde knop van HomeLinkŸ in te
drukken en op het controlelampje te letten:
6. Druk de “inleerknop” in en laat deze los. De
knop knippert ca. 30 seconden en binnen
deze periode moet u het volgende punt uitvoeren.
• Brandt continu: Het controlelampje
brandt continu terwijl u de knop ingedrukt houdt, wat aangeeft dat de programmering afgerond is. De garage1
7. Druk op de geprogrammeerde knop van
HomeLinkŸ terwijl de “inleerknop” van het
te bedienen systeem nog knippert. Houd
de HomeLink-knop ca. 3 seconden lang
ingedrukt en laat deze vervolgens los. Herhaal deze volgorde van indrukken, vasthouden en loslaten tot driemaal achtereen
om de programmering te beëindigen.
02
Afzonderlijke knop programmeren
Doe het volgende om één afzonderlijke knop te
programmeren:
1. Druk op de gewenste knop van
HomeLinkŸ en houd deze ingedrukt totdat
punt 3 afgerond is.
2. Plaats wanneer het controlelampje van
HomeLinkŸ begint te knipperen (na ca. 20
seconden) de originele afstandsbediening
op 5–30 cm afstand van HomeLinkŸ. Houd
het controlelampje in de gaten.
De juiste afstand tussen de originele
afstandsbediening en HomeLink hangt af
van de programmering van het te bedienen
systeem. Er zijn mogelijk meerdere pogingen op verschillende afstand nodig. Laat
de afstandsbediening bij iedere poging ca.
15 seconden op dezelfde afstand liggen
voordat u een andere afstand probeert.
3. Druk de te kopiëren knop op de originele
afstandsbediening in. Het controlelampje
De aanduiding en kleur van deze knop verschillen per producent.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
93
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
HomeLinkŸ *
begint te knipperen. Laat beide knoppen
weer los, wanneer het lampje dat langzaam
knipperde sneller gaat knipperen. Een snel
knipperend lampje geeft aan dat de programmering gelukt is.
buurt van de antennevoet op de ontvanger). Raadpleeg als u de knop niet kunt
vinden, de gebruiksaanwijzing van de leverancier of neem contact op met de leverancier via internet: www.homelink.com.
4. Test de programmering door de geprogrammeerde knop van HomeLink in te
drukken en op het controlelampje te letten:
6. Druk de “inleerknop” in en laat deze los. De
knop knippert ca. 30 seconden en binnen
deze periode moet u het volgende punt uitvoeren.
02
• Brandt continu: Het controlelampje
brandt continu terwijl u de knop ingedrukt houdt, wat aangeeft dat de programmering afgerond is. De garagedeur, het toegangshek e.d. moet vervolgens geactiveerd worden bij het indrukken van de bijbehorende HomeLinkŸknop.
• Brandt niet continu: Het controlelampje knippert eerst ca. 2 seconden
lang snel en brandt daarna ca. 3 seconden continu. Dit herhaalt zich ca. 20
seconden lang en geeft aan dat het te
kopiëren systeem een zogeheten rollende code gebruikt. De garagedeur,
het toegangshek e.d. worden niet geactiveerd bij het indrukken van de bijbehorende HomeLinkŸ-knop. Vervolg in
dat geval de programmering als volgt.
5. Zoek de “inleerknop2” van de ontvanger
van bijv. de garagedeur op (meestal in de
2
94
De aanduiding en kleur van deze knop verschillen per producent.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
7. Druk op de geprogrammeerde knop van
HomeLinkŸ terwijl de “inleerknop” van het
te bedienen systeem nog knippert. Houd
de HomeLink-knop ca. 3 seconden lang
ingedrukt en laat deze vervolgens los. Herhaal deze volgorde van indrukken, vasthouden en loslaten tot driemaal achtereen
om de programmering te beëindigen.
Programmering wissen
Het is alleen mogelijk de programmering van
alle HomeLinkŸ-knoppen tegelijk te wissen en
niet van één bepaalde knop afzonderlijk.
–
Druk de buitenste twee knoppen in en laat
deze ca. 20 seconden later los wanneer het
controlelampje gaat knipperen.
> HomeLinkŸ staat vervolgens in de
“Learn Mode” waarna deze opnieuw
geprogrammeerd kan worden, zie
pagina 92.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
02
95
Algemene informatie over de klimaatregeling......................................... 98
Handmatige klimaatregeling met airconditioning, AC........................... 100
Elektronische klimaatregeling, ECC*..................................................... 103
Luchtverdeling...................................................................................... 107
Motor- en interieurverwarming op brandstof*....................................... 108
Extra verwarming op brandstof* (diesel)............................................... 111
96
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
KLIMAAT
03 Klimaat
Algemene informatie over de klimaatregeling
03
Airconditioning
Sneeuw en ijs
De klimaatregeling zorgt ervoor dat de lucht in
het interieur gekoeld, verwarmd of van vocht
ontdaan wordt. De auto is voorzien van een
handmatige klimaatregeling met airconditioning (AC) of een automatische klimaatregeling
(ECC, Electronic Climate Control).
Veeg sneeuw en ijs van de luchtinlaat voor de
klimaatregeling (de opening tussen de motorkap en de voorruit).
N.B.
U kunt de airconditioning uitschakelen. Voor
optimale luchtkwaliteit in de passagiersruimte en om te voorkomen dat de ruiten
beslaan, moet u de airconditioning echter
altijd aan laten staan.
Storingen opsporen en verhelpen
Volvo adviseert u controle- en reparatiewerkzaamheden aan de klimaatregeling over te
laten aan een erkende Volvo-werkplaats.
Koudemiddel
Maak in eerste instantie gebruik van de ontwasemingsfunctie om condens van de binnenkant van de ruiten te verwijderen.
De airconditioning maakt gebruik van het koudemiddel R134a. Het bevat geen chloor, waardoor het koudemiddel onschadelijk voor de
ozonlaag is. Voor het bijvullen/verversen van
koudemiddel mag alleen R134a worden
gebruikt, zie ook pagina 310. Volvo adviseert
u om dit werk over te laten aan een erkende
Volvo-werkplaats.
Poets de binnenzijde van de ruiten schoon om
de kans te beperken dat ze beslaan.
Interieurfilter
Beslagen ruiten
Alle lucht die de passagiersruimte binnenkomt
wordt eerst gereinigd door een filter. U moet
het filter regelmatig vervangen. Raadpleeg het
Serviceprogramma van Volvo voor het aanbevolen vervangingsinterval. In zeer sterk verontreinigde gebieden moet u het filter mogelijk
vaker vervangen.
98
N.B.
Er bestaan twee verschillende soorten interieurfilters. Let erop dat u het juiste filter
aanbrengt.
Display
Er zit een display boven het klimaatregelingspaneel. Hier worden de door u verrichte klimaatinstellingen weergegeven.
Persoonlijke instellingen
U kunt twee functies van het klimaatregelingssysteem naar wens instellen:
• de ventilatorsnelheid in de stand AUTO
(geldt alleen voor auto’s met ECC).
• De door de timer geregelde recirculatie van
de lucht in de passagiersruimte.
Voor meer informatie over het verrichten van
instellingen, zie pagina 89.
03 Klimaat
Algemene informatie over de klimaatregeling
Blaasmonden in dashboard
ECC*
Zijruiten en schuifdak
Werkelijke temperatuur
Voor een goede werking van de airconditioning
moet u de zijruiten en een eventueel schuifdak
gesloten houden.
G019942
De ingestelde temperatuur komt overeen met
de gevoelstemperatuur op basis van de heersende omstandigheden in en rond de auto wat
de luchtsnelheid, de luchtvochtigheidsgraad,
de ingestraalde warmte enz. betreft.
Het systeem beschikt over een zonnesensor
die de stand van de zon registreert. Daardoor
kan de temperatuur van de lucht uit de blaasmonden links en rechts afwijken, ondanks dat
de temperatuurknoppen voor de beide zijden
in dezelfde stand staan.
Optrekken
Wanneer u volgas optrekt, wordt de airconditioning tijdelijk uitgeschakeld. De temperatuur
kan dan korte tijd iets oplopen.
03
Condensatie
In warme weersomstandigheden kan er ter
hoogte van de airconditioning een plasje water
onder de auto ontstaan. Dit is volkomen normaal.
Positie van de sensoren
Open
Dicht
Luchtstroom naar links of rechts
Luchtstroom omhoog of omlaag
Richt de buitenste blaasmonden op de voorste
zijruiten om ze te ontwasemen.
Bij koud weer – Sluit de middelste blaasmonden om de temperatuur in de auto zo comfortabel mogelijk te houden en de zijruiten optimaal te ontwasemen.
• De zonnesensor zit boven op het dashboard.
• De interieurtemperatuursensor zit achter
het bedieningspaneel van de klimaatregeling.
• De buitentemperatuursensor zit op de buitenspiegel.
• De vochtsensor zit in de achteruitkijkspiegel.
N.B.
Dek de sensoren niet met kleding of andere
voorwerpen af.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
99
03 Klimaat
Handmatige klimaatregeling met airconditioning, AC
Bedieningspaneel
03
Ventilator
Functies
2. Recirculatie
Recirculatie
1. Ventilator
De recirculatie houdt vieze
lucht, uitlaatgassen en dergelijke buiten. De lucht in de
passagiersruimte wordt dan
gerecirculeerd. Er wordt geen
lucht van buiten aangezogen.
Bij gebruik van de recirculatie
(in combinatie met de airconditioning) wordt de
lucht in de passagiersruimte bij warm weer
sneller afgekoeld. Als de lucht in de auto te lang
recirculeert, kan de binnenzijde van de ruiten
beslaan.
Ontwaseming
Luchtverdeling
AC ON/OFF – Airconditioning Aan/Uit
Stoelverwarming linkerzijde
Stoelverwarming rechterzijde
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming
Temperatuur
100
Verhoog of verlaag de ventilatorsnelheid door aan de
knop te draaien.
Als u de knop linksom hebt
gedraaid en de ventilatorindicatie op het display gedoofd
is, zijn de ventilator en de airconditioning uitgeschakeld. Het display geeft het ventilatorsymbool en UIT weer.
03 Klimaat
Handmatige klimaatregeling met airconditioning, AC
Timer
Met de timerfunctie beperkt u (wanneer de
recirculatiefunctie geselecteerd is) de kans op
ijs, beslagen ruiten en een slechte luchtkwaliteit. Zie pagina 89 om de functie te activeren/
deactiveren. Wanneer u de ontwaseming (3)
selecteert, wordt de recirculatie altijd uitgeschakeld.
3. Ontwaseming
U gebruikt de ontwaseming
om de voorruit en de zijruiten
snel te ontwasemen en te ontdooien. De ventilator draait
dan op hoge snelheid en
stuurt lucht naar de ruiten. Het
lampje in de ontwasemingsknop brandt, wanneer de functie ingeschakeld
is.
Bij activering van de ontwasemingsfunctie
vindt bovendien het volgende plaats om de
lucht in het interieur zoveel mogelijk van vocht
te ontdoen:
• de airconditioning (AC) wordt automatisch
ingeschakeld (uit te schakelen met de knop
AC (5))
• de recirculatie wordt automatisch uitgeschakeld.
Bij het uitschakelen van de ontwaseming hervat de klimaatregeling de voorgaande instellingen.
4. Luchtverdeling
Door op de knoppen voor de
luchtverdeling te drukken,
kunt u de luchtstroom naar
wens verdelen over de ruiten,
de passagiersruimte en de
vloer.
Een symbool op het display boven het bedieningspaneel van de klimaatregeling en een
brandend lampje in de bijbehorende knop
geven aan welke functie u hebt geselecteerd.
Zie de tabel op pagina 107.
5. AC, Aan/Uit (ON/OFF)
ON: De airconditioning staat
aan. De airconditioning wordt
automatisch geregeld. De
binnenkomende lucht wordt
dan automatisch afgekoeld
en van vocht ontdaan.
OFF: De airconditioning staat uit.
Bij het activeren van ontwasemingsfunctie
wordt automatisch ook de airconditioning
ingeschakeld (uit te schakelen met de knop
AC). Een brandend lampje boven ON of OFF
op de knop geeft aan welke functie gekozen is.
6 en 7. Elektrisch verwarmde
voorstoelen*
03
Hoog verwarmingsniveau:
–
Eenmaal op de knop drukken – beide
lampjes branden.
Laag verwarmingsniveau:
–
Een tweede keer op de knop drukken – één
lampje brandt.
Verwarming uit:
–
Een derde keer op de knop drukken – geen
van de lampjes brandt.
8. Elektrische achterruit- en
buitenspiegelverwarming
Gebruik de elektrische verwarming om de achterruit en
de buitenspiegels snel te ontwasemen en te ontdooien.
Met één druk op de knop
schakelt u de gelijktijdige verwarming van de achterruit en
de buitenspiegels in. Het brandende lampje in
de schakelaar geeft aan dat de functie actief is.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
101
03 Klimaat
Handmatige klimaatregeling met airconditioning, AC
Uitschakeling verloopt handmatig of automatisch. Druk voor handmatige uitschakeling op
de knop. Afhankelijk van de buitentemperatuur
wordt de verwarming van de achterruit en de
buitenspiegels na 12–20 minuten automatisch
uitgeschakeld.
03
Bij koud weer blijft de verwarming* echter langer dan 20 minuten actief om te voorkomen dat
de achterruit en buitenspiegels bevriezen of
beslaan. De verwarmingsstand wordt afgestemd op de buitentemperatuur. In dat geval is
uitschakelen alleen handmatig mogelijk.
9. Temperatuur
Met deze knop kunt u koele of
warme lucht selecteren voor
zowel de bestuurders- als de
passagierszijde.
102
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
03 Klimaat
Elektronische klimaatregeling, ECC*
Bedieningspaneel
03
AUTO
Ventilator
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming
Temperatuurknop
Recirculatie/Interior Air Quality System
Ontwaseming
Luchtverdeling
AC ON/OFF – Airconditioning Aan/Uit
Elektrische stoelverwarming, links
Elektrische stoelverwarming, rechts
Functies
1. AUTOM.
Bij activering van de functie
AUTO wordt de klimaatregeling automatisch dusdanig
ingesteld dat de gewenste
temperatuur wordt bereikt.
De automatische functie
regelt de verwarming, de airconditioning, de ventilatorsnelheid, de recirculatie en de luchtverdeling.
Als u een of meer handmatige functies selecteert, worden de overige functies nog steeds
automatisch geregeld. Alle handmatige instellingen worden uitgeschakeld, wanneer u de
functie AUTO activeert. Op het display verschijnt AUTOM. KLIMAAT.
2. Ventilator
Draai aan de knop om de ventilatorsnelheid te verhogen of
te verlagen. De ventilatorsnelheid wordt automatisch geregeld, als u AUTO selecteert.
De eerder ingestelde ventilatorsnelheid wordt dan genegeerd.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
103
03 Klimaat
Elektronische klimaatregeling, ECC*
N.B.
Als de knop linksom is gedraaid en de ventilatorindicatie op het display uit is gegaan,
zijn de ventilator en de airco uitgeschakeld.
Het display toont het symbool voor ventilator en UIT.
03
3. Recirculatie
U kunt deze functie inschakelen als u vieze lucht, uitlaatgassen en dergelijke buiten
wilt houden. De lucht in de
passagiersruimte wordt dan
gerecirculeerd. Er komt met
andere woorden geen lucht
van buiten de auto in, wanneer deze functie
actief is. Als de lucht in de auto te lang recirculeert, kan de binnenzijde van de ruiten
beslaan.
3. Interior Air Quality System*
Dezelfde knop als de recirculatie.
Het Interior Air Quality System
bestaat uit een combifilter
met een Air Quality Sensor.
Het combifilter ontdoet de
binnenkomende lucht van gassen en stofdeeltjes en beperkt zo hinderlijke geurtjes en verontreinigingen in de passagiersruimte. Wanneer de sensor een verhoogde concentratie
meet, wordt de luchtinlaat afgesloten zodat de
lucht in de passagiersruimte recirculeert. Wanneer de Interior Air Quality Sensor actief is,
brandt het groene lampje (A) in de knop.
Air Quality Sensor activeren:
–
Timer
Of:
Met de timerfunctie beperkt u (wanneer de
recirculatiefunctie geselecteerd is) de kans op
ijs, beslagen ruiten en een slechte luchtkwaliteit. Voor het in- en uitschakelen van deze functie, zie pagina 89.
–
N.B.
Wanneer u de ontwaseming (4) selecteert,
wordt de recirculatie altijd uitgeschakeld.
Druk op AUTO (1) om de Air Quality Sensor
te activeren (normale instelling).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
• U de Air Quality Sensor het beste altijd
ingeschakeld moet laten staan.
• Er bij koud weer beperkingen voor de recirculatiefunctie gelden om te voorkomen dat
de ruiten beslaan.
• U beter de ontwaseming voor de voorruit,
achterruit en zijruiten kunt inschakelen,
wanneer de ruiten beslaan.
4. Ontwaseming
U gebruikt de ontwaseming
om de voorruit en de zijruiten
snel te ontwasemen en te ontdooien. De ventilator draait
dan op hoge snelheid en
stuurt lucht naar de ruiten. Het
lampje in de ontwasemingsknop brandt, wanneer de functie ingeschakeld
is.
Selecteer een van de volgende drie functies door verschillende malen op de recirculatieknop te drukken.
Bij activering van de ontwasemingsfunctie
vindt bovendien het volgende plaats om de
lucht in het interieur zoveel mogelijk van vocht
te ontdoen:
• De Air Quality Sensor is actief – het lampje
• de airconditioning (AC) wordt automatisch
(A) brandt.
• De recirculatie is niet actief (tenzij dit nodig
is voor koeling bij warm weer) – geen van
de lampjes brandt.
• De recirculatie is actief – het lampje (M)
brandt.
104
Let erop dat:
ingeschakeld (uit te schakelen met de knop
AC (6))
• de recirculatie wordt automatisch uitgeschakeld.
03 Klimaat
Elektronische klimaatregeling, ECC*
Bij het uitschakelen van de ontwaseming hervat de klimaatregeling de voorgaande instellingen.
N.B.
Het effect van de ontwasemingsfunctie van
de klimaatregeling met vochtsensor neemt
sterk af, wanneer u de airconditioning hebt
uitgeschakeld (OFF) of handmatig een
bepaalde luchtverdeling en ventilatorsnelheid hebt gekozen.
5. Luchtverdeling
Door op de knoppen voor de
luchtverdeling te drukken,
kunt u de luchtstroom naar
wens verdelen over de ruiten,
de passagiersruimte en de
vloer.
7 en 8. Elektrisch verwarmde
voorstoelen*
Doe het volgende om de voorstoel te verwarmen:
Een symbool op het display boven het bedieningspaneel van de klimaatregeling en een
brandend lampje in de bijbehorende knop
geven aan welke functie u hebt geselecteerd.
Zie de tabel op pagina 107.
6. AC, Aan/Uit (ON/OFF)
ON: De airconditioning staat
aan. De airconditioning wordt
automatisch geregeld. De
binnenkomende lucht wordt
dan automatisch afgekoeld
en van vocht ontdaan.
Hoog verwarmingsniveau:
–
Laag verwarmingsniveau:
–
OFF: Uit
Bij het activeren van ontwasemingsfunctie
wordt automatisch ook de airconditioning
ingeschakeld (uit te schakelen met de knop
AC).
Eenmaal op de knop drukken – beide
lampjes branden.
Een tweede keer op de knop drukken – één
lampje brandt.
Verwarming uit:
–
Een derde keer op de knop drukken – geen
van de lampjes brandt.
9. Elektrische achterruit- en
buitenspiegelverwarming
Gebruik de elektrische verwarming om de achterruit en
de buitenspiegels snel te ontwasemen en te ontdooien.
Met één druk op de knop
schakelt u de gelijktijdige verwarming van de achterruit en
de buitenspiegels in. Het brandende lampje in
de schakelaar geeft aan dat de functie actief is.
03
Uitschakeling verloopt handmatig of automatisch. Druk voor handmatige uitschakeling op
de knop. Afhankelijk van de buitentemperatuur
wordt de verwarming van de achterruit en de
buitenspiegels na 12–20 minuten automatisch
uitgeschakeld.
Bij koud weer blijft de verwarming* echter langer dan 20 minuten actief om te voorkomen dat
de achterruit en buitenspiegels bevriezen of
beslaan. De verwarmingsstand wordt afgestemd op de buitentemperatuur. In dat geval is
uitschakelen alleen handmatig mogelijk.
10. Temperatuurknop
Met deze knop kunt u de temperatuur aan de bestuurdersen passagierszijde onafhankelijk van elkaar worden
instellen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
105
03 Klimaat
Elektronische klimaatregeling, ECC*
Met een druk op de knop, activeert u slechts
één zijde. Wanneer u de knop nogmaals
indrukt, activeert u de andere zijde. Bij een
derde keer indrukken zijn beide zijden geactiveerd.
03
Het lampje in de knop en het display boven het
klimaatregelingspaneel geven aan welke zijde
actief is.
Bij het starten van de motor wordt de laatst
verrichte instelling hervat.
N.B.
Let erop dat de passagiersruimte niet sneller warm of koud wordt, wanneer u een
hoger of lagere temperatuur kiest dan de
gewenste.
106
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
03 Klimaat
Luchtverdeling
Luchtverdeling
Toepassing:
Luchtverdeling
Toepassing:
Lucht naar de ruiten. Er komt
een bepaalde hoeveelheid
lucht uit de blaasmonden.
De lucht wordt niet gerecirculeerd. De airconditioning
is altijd ingeschakeld.
om snel te ontdooien
en te ontwasemen.
Lucht naar de vloer en de ruiten. Er komt een bepaalde
hoeveelheid lucht uit de
blaasmonden in het dashboard.
om een comfortabel
klimaat en een goede
ontwaseming te verkrijgen bij koud weer.
Lucht naar de voorruit en de
zijruiten. Er komt een
bepaalde hoeveelheid lucht
uit de blaasmonden.
om wasem en ijsvorming bij koud en
vochtig weer te voorkomen (niet voor lage
ventilatorsnelheid).
Lucht naar de vloer en uit de
blaasmonden in het dashboard.
bij zonnig weer en
matige buitentemperaturen.
Luchtstroom naar de ruiten
en uit de blaasmonden van
het dashboard.
om een comfortabel
klimaat te verkrijgen
bij warm en droog
weer.
Lucht naar de vloer. Er komt
een bepaalde hoeveelheid
lucht uit de blaasmonden in
het dashboard en op de ruiten.
om warme lucht naar
de voeten te sturen.
Luchtstroom op hoofd- en
borsthoogte uit de blaasmonden in het dashboard.
om een efficiënte
koeling te verkrijgen
bij warm weer.
Luchtstroom naar de ruiten,
uit de blaasmonden in het
dashboard en naar de vloer.
om koele lucht naar de
voeten te sturen of
warme lucht naar de
rest van het lichaam bij
koud weer of bij warm
en droog weer.
03
107
03 Klimaat
Motor- en interieurverwarming op brandstof*
Algemene informatie over
verwarmingen
Tanken
Als de accu onvoldoende opgeladen is of als
het brandstofpeil te laag is, wordt de standverwarming automatisch uitgeschakeld en er verschijnt een melding op het display.
U kunt de standverwarming die de motor en
het interieur verwarmt meteen inschakelen of
vertraagd met een timerfunctie.
03
–
U kunt twee verschillende uitschakeltijden
instellen met de timerfunctie. Onder de uitschakeltijd wordt het tijdstip verstaan waarop
de auto de gewenste temperatuur bereikt
heeft. De elektronica van de auto rekent aan de
hand van de buitentemperatuur zelf uit wanneer de verwarming moet worden ingeschakeld.
Bij temperaturen van –10 °C of lager is de maximale bedrijfstijd van de standverwarming 50
minuten.
WAARSCHUWING
Bij gebruik van de standverwarming op benzine of dieselolie moet de auto in de buitenlucht staan.
N.B.
Bij gebruik van de standverwarming is het
volkomen normaal dat er rook onder de auto
vandaan komt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Bevestig deze melding door op de knop
READ op de richtingaanwijzerhendel te
drukken.
BELANGRIJK
Herhaaldelijk gebruik van de standverwarming bij korte ritten kan ertoe leiden dat de
accu uitgeput raakt en startproblemen opleveren.
Waarschuwingssticker op tankvulklep.
WAARSCHUWING
Gemorste brandstof kan ontvlammen.
Schakel voordat u gaat tanken de standverwarming op brandstof uit.
Controleer op het informatiedisplay of de
standverwarming uit is. Wanneer de verwarming aanstaat, staat op het informatiedisplay de melding PARK.VERW. AAN.
Op een helling parkeren
Wanneer u de auto op een steile helling parkeert, moet u ervoor zorgen dat de voorkant
van de auto omlaagwijst. Zo krijgt de standverwarming altijd voldoende brandstof.
108
Accu en brandstof
Bij regelmatig gebruik van de standverwarming moet u even lang in de auto rijden als
de standverwarming aanstond. Dit om te
zorgen dat de dynamo evenveel energie kan
bijladen als de standverwarming verbruikt.
03 Klimaat
Motor- en interieurverwarming op brandstof*
Lampjes en displaymeldingen
Verwarming inschakelen
G029052
Wanneer u de instellingen van een
van de timers of Directe start activeert, gaat het informatielampje op
het instrumentenpaneel branden
en op het informatiedisplay verschijnt een verklarende melding.
Knop READ
Duimwiel1
Knop
RESET1
Display
Betekenis
BRANDSTOFVERWARMING
AAN
De verwarming is
ingeschakeld en
werkt.
TIMER INGESTELD OP B.VERWARMING
Herinnering aan de
ingestelde uitschakeltijd voor de verwarming tijdens het
uitnemen van de
transpondersleutel.
Display
Betekenis
VERWARMING
STOP ACCUSPANN. LAAG
De verwarming werd
uitgeschakeld om te
zorgen dat er voldoende stroom is
om de motor te starten.
VERWARMING
STOP BR.ST.NIV.
LAAG
03
De verwarming werd
uitgeschakeld om te
zorgen dat er na het
starten nog 50 km
kan worden gereden.
Meteen inschakelen/uitschakelen
1. Gebruik het duimwiel om naar DIRECTE
START PARK.VERW. UIT of DIRECTE
START PARK.VERW. AAN te gaan.
2. Als de RESET-knop lang wordt ingedrukt,
wordt er gewisseld tussen de beide alternatieven.
DIRECTE START PARK.VERW. AAN: De
standverwarming is handmatig of via de timerfunctie ingeschakeld.
DIRECTE START PARK.VERW. UIT: De
standverwarming is uitgeschakeld.
1
Niet in gebruik bij auto’s zonder boordcomputer, brandstofkachel of stabiliteits- en tractieregelsysteem.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
109
03 Klimaat
Motor- en interieurverwarming op brandstof*
03
Bij directe start van de standverwarming zal
deze 50 minuten lang geactiveerd blijven.
6. Druk kort op de knop RESET om de instelling te bevestigen.
De interieurverwarming gaat van start, zodra
de koelvloeistof in de motor de juiste temperatuur heeft bereikt.
7. Druk op de knop RESET om de timers te
activeren.
N.B.
Het is mogelijk de motor starten en weg te
rijden, terwijl de standverwarming aanstaat.
Timers instellen
Met de timers geeft u het tijdstip aan dat de
auto op temperatuur moet zijn omdat u die
wenst te gebruiken.
U stelt de andere uitschakeltijd op dezelfde
manier in als bij TIMER 1.
Timergestuurde verwarming voortijdig
uitschakelen
U kunt de timergestuurde verwarming uitschakelen voordat de timer dat doet: Doe dat als
volgt:
Kies uit TIMER 1 en TIMER 2.
1. Druk op de knop READ.
1. Gebruik het duimwiel om naar TIMER
PARK.VERW --:-- AAN te gaan.
2. Ga met het duimwiel naar TIMER
PARK.VERW 1 of TIMER PARK.VERW
2.
2. Druk langdurig (ca. 2 seconden) op de
RESET-knop om naar de knipperende tijdinstelling te gaan.
3. Stel de gewenste uuraanduiding in met het
duimwiel.
4. Druk kort op de knop RESET, zodat de
minuutaanduiding gaat knipperen.
5. Stel de gewenste minuutaanduiding in met
het duimwiel.
110
Wanneer u TIMER 1 hebt ingesteld, kunt u een
tweede uitschakeltijd programmeren onder
TIMER 2 door aan het duimwiel te draaien.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
De tekst AAN knippert op het display.
3. Druk op RESET.
De tekst UIT brandt continu en de verwarming wordt uitgeschakeld.
Een timergestuurde verwarming is ook uit te
schakelen volgens de instructies in het
gedeelte “Meteen inschakelen/uitschakelen”.
Klok/timer
De timers van de verwarming zijn gekoppeld
aan de klok in de auto.
N.B.
Als u de klok van de auto bijstelt, worden
eventuele timerinstellingen gewist.
03 Klimaat
Extra verwarming op brandstof* (diesel)
Extra verwarming (diesel)
Bij koud weer moet de extra verwarming wellicht worden ingeschakeld om motor en passagiersruimte voldoende te verwarmen.
De extra verwarming wordt automatisch ingeschakeld wanneer er extra warmte nodig is terwijl de motor loopt.
03
De verwarming wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer het warm genoeg is of wanneer
de motor wordt afgezet.
N.B.
De extra verwarming valt niet handmatig
worden in of uit te schakelen, maar wordt
geheel elektronisch gestuurd.
Bij gebruik van de extra verwarming is het
volkomen normaal dat er rook onder de auto
vandaan komt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
111
Voorstoelen...........................................................................................
Interieurverlichting.................................................................................
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte..........................................
Achterbank............................................................................................
Bagageruimte........................................................................................
112
114
117
120
124
126
INTERIEUR
04 Interieur
Voorstoelen
Zithouding, handmatig bedienbare
stoel
Stoel (bestuurderszijde en passagierszijde*) hoger/lager zetten, omhoog-/
omlaagpompen.
Zithouding, elektrisch bedienbare
stoel*
Lendensteun wijzigen1 (bestuurdersstoel
en passagiersstoel*), aan de knop draaien.
Hellingshoek rugleuning wijzigen – aan de
knop draaien.
Bedieningspaneel voor elektrisch bedienbare stoel*.
04
WAARSCHUWING
De bestuurders- en passagiersstoel kunnen
worden ingesteld voor een optimale zit- en rijhouding.
Vooruit/achteruit, de hendel omhoogtillen
om de juiste afstand tot het stuurwiel en de
pedalen in te stellen. Controleer of de stoel
na het bijstellen in de nieuwe stand geblokkeerd staat.
Voorkant zitting (bestuurdersstoel en passagiersstoel*) hoger/lager zetten,
omhoog-/omlaagpompen.
1
114
Geldt ook voor een elektrisch bedienbare stoel.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Controleer of de stoel in zijn stand vergrendeld staat.
G020199
Zet de bestuurdersstoel in de juiste stand en
stel de veiligheidsgordel af (zie pagina 18)
voordat u gaat rijden en nooit tijdens het rijden.
Tot enige tijd nadat u het portier met de transpondersleutel hebt ontgrendeld blijft het
mogelijk de stoel te verstellen, ook al steekt er
geen sleutel in het contactslot. Het is altijd
mogelijk de stoel te verstellen in sleutelstand I
of II.
Voorkant zitting omhoog/omlaag
Stoel vooruit/achteruit
Stoel omhoog/omlaag
Hellingshoek rugleuning
04 Interieur
Voorstoelen
Er wordt een beveiliging tegen overbelasting
geactiveerd, als een van de stoelen wordt
geblokkeerd. Als dit het geval is, moet u het
contact uitschakelen en enige tijd wachten
voordat u de stoel opnieuw probeert te verstellen. U kunt slechts één verstelfunctie van
de stoel tegelijk activeren.
Stoel in vastgelegde stand zetten
Druk op een van de geheugenknoppen 1–3,
totdat de stoel tot stilstand komt. Bij het loslaten van de knop zal de instelling van de stoel
onmiddellijk worden beëindigd.
Noodstop
Als de stoel per ongeluk in beweging komt,
kunt u op een van de instellings- of geheugenknoppen van de stoel drukken om de stoel tot
stilstand te brengen.
Geheugenfunctie
N.B.
Het geheugen van de transpondersleutel
werkt onafhankelijk van het geheugen van
de stoel.
Rugleuning voorstoelen omklappen*
04
WAARSCHUWING
Beknellingsgevaar! Laat kinderen niet met
de schakelaars spelen.
Zorg dat er geen voorwerpen voor, achter of
onder de stoel liggen tijdens het verstellen.
G020200
Zorg er tevens voor dat geen van de achterpassagiers bekneld kan raken.
Knoppen voor geheugenfunctie.
Instelling vastleggen
1. Verstel de stoel.
2. Houd de knop M ingedrukt, terwijl u knop
1, 2 of 3 indrukt.
Geheugenfunctie van
transpondersleutel
De stand van de bestuurdersstoel wordt vastgelegd in het geheugen van de transpondersleutel waarmee u de auto vergrendelt. Een
volgende keer dat de auto met dezelfde transpondersleutel wordt ontgrendeld en het
bestuurdersportier wordt geopend, neemt de
bestuurdersstoel de vastgelegde stand in.
De rugleuning van de passagiersstoel kan worden omgeklapt om ruimte te maken voor lange
lading.
1. Schuif de stoel zo ver mogelijk naar achteren.
2. Zet de rugleuning rechtop (90 graden).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
115
04 Interieur
Voorstoelen
3. Trek de pallen aan de achterzijde van de
rugleuning tijdens het omklappen naar
voren.
4. Duw de stoel zo ver naar voren dat de
hoofdsteun onder het dashboardkastje
“vast” komt te zitten.
Inlegmatten*
04
Volvo biedt inlegmatten die speciaal voor de
auto vervaardigd zijn.
WAARSCHUWING
Controleer voordat u wegrijdt of de inlegmat
voor de bestuurdersstoel goed ligt en aan
de pennen vastzit zodat hij niet naast of
onder de pedalen klem kan komen te zitten.
116
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Interieur
Interieurverlichting
• de motor afgezet is en de transponder-
Leeslampjes voorin en
interieurverlichting
sleutel in stand 0 is gezet
• de auto ontgrendeld is zonder dat de motor
is gestart.
De leeslampjes achterin worden in- en uitgeschakeld met een druk op de bijbehorende
knoppen.
Instapverlichting
De instapverlichting (alsmede de interieurverlichting) wordt in- en uitgeschakeld bij het openen c.q. sluiten van een portier.
Plafondverlichting voorin
De leeslampjes voorin worden in- en uitgeschakeld met een druk op de bijbehorende
knoppen op de plafondconsole.
Make-upspiegel*
Plafondverlichting achterin
G020201
04
Knoppen op plafondconsole voor bediening leeslampjes voorin en interieurverlichting.
Leeslampje linksvoor, aan/uit
Alle lampjes in het interieur kunnen worden
ingeschakeld in sleutelstand I en II en ook wanneer de motor loopt. De verlichting kan ook
worden ingeschakeld binnen 30 minuten
nadat:
G030855
Leeslampje rechtsvoor, aan/uit
Leeslampjes achterin.
Leeslampje linksachter, aan/uit
G020210
Interieurverlichting
Het lampje gaat automatisch aan of uit, wanneer u het klepje optilt c.q. sluit.
Leeslampje rechtsachter, aan/uit
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
117
04 Interieur
Interieurverlichting
Verlichting dashboardkastje
• u de auto met de transpondersleutel ont-
De verlichting in het dashboardkastje wordt inen uitgeschakeld bij het openen en sluiten van
de klep van het kastje.
• u de motor hebt afgezet en de transpon-
grendelt;
dersleutel naar stand 0. hebt gedraaid.
De interieurverlichting dooft, wanneer:
Bagageruimteverlichting
De bagageruimteverlichting wordt bij het openen en sluiten van de achterklep automatisch
in- en uitgeschakeld.
04
of transpondersleutel.
Automatische verlichting
De interieurverlichting gaat aan en blijft 5 minuten lang branden, wanneer een van de portieren openstaat.
Met de knop (2), zie pagina 117, kunt u drie
verlichtingsstanden selecteren voor de verlichting in het interieur:
Als u een bepaalde verlichtingsfunctie handmatig inschakelt, zal deze na 5 minuten automatisch worden uitgeschakeld.
• Uit – rechterkant (met opschrift 0) ingedrukt, automatische bediening interieurverlichting uitgeschakeld.
• Neutrale stand – automatische verlichting
ingeschakeld. De dimfunctie is actief.
• Aan – linkerkant ingedrukt, interieurverlichting brandt.
Neutrale stand
Met de knop (2) in de neutrale stand wordt de
interieurverlichting als volgt automatisch in- en
uitgeschakeld.
De interieurverlichting wordt ingeschakeld en
blijft 30 seconden lang branden, als:
118
• u de motor start
• de auto wordt vergrendelt met een sleutel
04 Interieur
Interieurverlichting
04
119
04 Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
Opbergmogelijkheden
04
120
04 Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
Opbergvak aan de achterkant van de voorstoelen.
Dashboardkastje
Kledinghaak
Opbergvak in portierpaneel met bekerhouder.
Parkeerkaarthouder
Opbergvak aan de voorkant van de voorstoelzittingen.
Dashboardkastje
Flessenhouder*
Kledinghaak (alleen voor de lichtere kledingstukken).
Opbergvakken en bekerhouders.
Opbergvak* aan voorkant zitgedeelte van
middelste zitplaats achterin.
WAARSCHUWING
04
G024208
Opbergvak (bijvoorbeeld voor cd’s) en
bekerhouders* en opbergvak achter de
middenconsole.
Hier kunt u bijvoorbeeld het instructieboekje en
eventuele kaarten opbergen. Er zijn ook houders voor parkeergeld, pennen en tankkaarten.
De hoofdsteun van de passagiersstoel is voorzien van een kledinghaak. Hang alleen lichtere
kledingstukken aan deze haak.
Het dashboardkastje kan handmatig worden
vergrendeld met behulp van het afneembare
sleutelblad van de transpondersleutel. Meer
informatie staat op pagina 133.
Zorg dat er geen harde, scherpe of zware
voorwerpen in de weg liggen of uitsteken
om te voorkomen dat ze verwondingen veroorzaken bij een krachtige remmanoeuvre.
Maak grote en zware voorwerpen altijd vast
met een van de veiligheidsgordels of een
bagageband.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
121
04 Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
Opbergvak onder de armsteun voorin
Bekerhouder in middenconsole
Onder de armsteun zit een opbergvak. In de
deelbare armsteun zit tevens een kleiner
opbergvak. Druk op de kleine knop en licht de
armsteun op om het ondiepe opbergvak te
openen. Druk op de grote knop en licht de
armsteun op om het diepere opbergvak te openen.
Het diepe vak biedt plaats aan 10 cd-hoesjes
van standaardformaat. Om 10 hoesjes te kunnen opbergen dient u ze met de korte kant
omlaag aan te brengen.
G018372
G026704
G018371
04
In het vakje onder het schuifklepje kan een
dubbele bekerhouder worden aangebracht.
Wanneer u de bekerhouder verwijdert, kunt u
andere spullen in het vakje opbergen. Licht
daarvoor de bekerhouder aan de achterkant,
bij de uitsparing, op.
Breng bij het aanbrengen van de bekerhouder
eerst de twee stuurnokken aan in de twee uitsparingen voor in het vakje en duw daarna de
achterkant van de bekerhouder omlaag.
Sluit het schuifklepje door het aan de voorkant
beet te pakken en naar voren toe dicht te schuiven.
122
04 Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
Opbergvak achter versnellingspook
Flessenhouder*
Asbak*
Wanneer de auto geen knoppen heeft voor
Park Assist en BLIS, zie pagina 181 en 183, is
de ruimte voor de ontbrekende knoppen te
benutten als opbergvak.
Er zit een flessenhouder achter in de middenconsole om de grotere flessen in te zetten.
G019622
G017441
04
Er zit een asbak achter in de middenconsole.
Open deze asbak door de bovenkant van het
klepje naar buiten te trekken.
Asbak legen:
WAARSCHUWING
Eventuele voorwerpen in de opbergvakken
mogen een aangetrokken handremhendel
niet in de weg zitten.
1. Duw de pal omlaag (zie bovenstaande
afbeelding) om het klepje omlaag te kantelen.
2. Til de asbak vervolgens tevoorschijn.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
123
04 Interieur
Achterbank
Hoofdsteunen achterbank
Ruggedeelte achterbank omklappen
BELANGRIJK
Bij het neerklappen van de achterbank
mogen er zich geen voorwerpen op de achterbank bevinden. De veiligheidsgordels
mogen evenmin zijn ingestoken. Schade
aan de bekleding van de achterbank is
anders namelijk niet uitgesloten.
BELANGRIJK
De hoofdsteunen kunnen beschadigd
raken, als u ze voor het inladen niet verwijdert. Ook de middelste hoofdsteun moet bij
het vervoer van zware lading verwijderd
worden.
04
Als u de hoofdsteun lager wilt zetten, moet u
de pal achter de rechter poot indrukken terwijl
u de hoofdsteun omlaagduwt. Om de hoofdsteun te verwijderen moet u ook de pal achter
de rechter poot indrukken en de hoofdsteun
omhoog lostrekken.
G020790
Alle hoofdsteunen van de achterbank kunt u in
de hoogte afstellen op de lengte van de passagier. Zorg dat de bovenkant van de hoofdsteun halverwege de achterkant van het hoofd
komt te zitten. Trek de hoofdsteun zo ver
omhoog als nodig is.
Ruggedeelte omklappen.
Achterkant zitgedeelte
Pal
Ruggedeelte omklappen
Hoofdsteun onder zitgedeelte plaatsen
124
De ruggedeelten van de achterbank kunnen,
allebei of ieder apart, worden omgeklapt om
lange voorwerpen gemakkelijker te kunnen
vervoeren. Om te voorkomen dat de veiligheidsgordels beschadigd raken of vastgeklemd worden bij het omklappen of rechtop
zetten van de ruggedeelten, kunt u ze aan de
haak van de handgreep hangen.
04 Interieur
Achterbank
1. Hang de veiligheidsgordel op voordat u de
ruggedeelten omklapt of rechtop zet.
2. Til de zitgedeelten aan de achterkant (1) op
om ze naar voren te klappen.
3. Trek de pal (2) naar voren toe omhoog om
het ruggedeelte te ontgrendelen. Een rode
markering bij de pal geeft aan dat het ruggedeelte niet langer geblokkeerd staat.
4. Klap de ruggedeelten (3) half om en verwijder de hoofdsteunen op de beide buitenste zitplaatsen. U verwijdert de hoofdsteun op de middelste zitplaats alleen om
een geheel vlakke laadvloer te krijgen.
04
5. Plaats de hoofdsteunen in de kunststof
hulzen onder aan de omgeklapte zitgedeelten (4).
N.B.
De rode markering mag niet langer zichtbaar zijn, wanneer het ruggedeelte weer
rechtop staat. Het ruggedeelte staat niet
geblokkeerd, als de rode markering wel
zichtbaar is.
WAARSCHUWING
Vergeet niet de gordel weer te verwijderen
nadat u de ruggedeelten rechtop hebt
gezet.
125
04 Interieur
Bagageruimte
Bagagenet*
gedeelte tussen de voorste en achterste
uitsparing komt.
2. Doe hetzelfde aan de tegengestelde overzijde. De bevestigingspennen veren in,
zodat u het net naar links moet duwen om
de rechter pen aan te kunnen brengen.
3. Controleer of de bevestigingen van het
bagagenet goed vastzitten in de bevestigingen aan het plafondpaneel.
Veiligheidsrek*
Gebruik bij omgeklapte ruggedeelten
Monteer de opbergcassette van het afrolbare
bagagenet op de achterkant van het ruggedeelte.
Gebruik van bagagenet bij
rechtopstaande ruggedeelten.
1. Trek het bagagenet schuin recht naar achteren toe uit. Trek de rechter bevestigingspen uit, houd hem in deze stand vast en
steek de pen in het grote gedeelte van de
uitsparing in de achterste bevestiging aan
het plafondpaneel. Duw de pen vervolgens
naar het voorste gedeelte van de uitsparing. U moet de pen zo ver in de uitsparing
duwen, dat de “nok” voorbij het smalle
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Het bagagenet is tevens te gebruiken wanneer
de ruggedeelten zijn omgeklapt. Maak in dat
geval gebruik van de voorste bevestigingen
aan het plafond.
Bagagenet verwijderen
1. Haal de ene bevestigingspen van het
bagagenet naar het achterste, grotere
gedeelte van de uitsparing en trek de pen
naar buiten.
2. Haal de andere pen op dezelfde manier los.
Opbergcassette van bagagenet
verwijderen.
1. Klap de beide ruggedeelten om.
2. Duw de cassette zo ver naar buiten dat
deze uit de bevestigingsconsoles loskomt.
G014730
G020768
04
126
WAARSCHUWING
Ook bij correcte montage van het bagagenet moet de bagage in de bagageruimte
altijd goed worden verankerd.
Het veiligheidsrek voorkomt dat bagage of
huisdieren bij krachtige remmanoeuvres de
passagiersruimte in worden geslingerd. U
moet het rek voor de veiligheid altijd op de
juiste manier bevestigen en verankeren.
04 Interieur
Bagageruimte
Opklappen
Bevestigen
Bagagerolhoes aanbrengen.
Als het veiligheidsrek in de weg zit, kunt u het
tegen het plafond opklappen:
Doe het volgende om het veiligheidsrek aan te
brengen:
Doe het volgende om de bagagerolhoes te
monteren:
1. Neem het veiligheidsrek onderaan aan de
boog vast.
1. Volg de punten in omgekeerde volgorde
uit.
2. Trek het rek recht naar achteren toe en
omhoog. Laat het vervolgens los. De gasveren zorgen dat het rek niet omlaagkomt.
2. Haal de beide moeren met 24 Nm aan.
1. Haal het voorste gedeelte van de bagagerolhoes over de cassette heen naar achteren.
Om het rek uit te klappen moet u de punten in
omgekeerde volgorde uitvoeren.
Verwijderen
Verwijder het veiligheidsrek als volgt:
Bij twijfel over de juiste manier van verwijderen
of bevestigen van het veiligheidsrek moet u
contact opnemen met een werkplaats - geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Bagagerolhoes*
2. Plaats de bagagerolhoes vervolgens in de
daarvoor bestemde uitsparingen in de zijpanelen, achter in de bagageruimte.
3. Duw de knop naar voren zodat de borghaken worden ingetrokken. Druk de bagagerolhoes daarna omlaag in de uitsparing.
04
4. De knop veert terug, zodra de bagagerolhoes in de juiste positie vastklikt.
1. Klap de ruggedeelten van de achterbank
iets voorover (om de gasveren te ontlasten).
5. Herhaal de procedure aan de tegenoverliggende zijde.
2. Verwijder de beschermdoppen van de
moeren waarmee het veiligheidsrek aan
weerszijden vastzit.
4. Draai het rek iets naar de achterkant van
de auto om het van de bekleding los te
maken. Houd het rek niet te schuin, omdat
het dan klem kan komen te zitten waarna
het moeilijk te verwijderen is.
G020766
3. Draai de moeren zo ver los dat de draadwindingen even hoog liggen als de rand
van de moeren.
Bagagerolhoes.
5. Doe hetzelfde bij de andere bevestiging en
til het rek vervolgens uit de auto.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
127
04 Interieur
Bagageruimte
Toepassing
Trek de bagagerolhoes over de bagage heen
uit en bevestig de haken in de openingen die in
de achterste stijlen van de bagageruimte zitten.
Bagagenet gebruiken in combinatie
met bagagerolhoes
Bagagerolhoes verwijderen.
1. Til het voorste gedeelte van de bagagerolhoes omhoog, haal het naar achteren en
laat het omlaaghangen.
2. Duw aan de ene kant de knop naar voren
en til de bagagerolhoes op. Herhaal dit aan
de tegenoverliggende zijde. Verwijder vervolgens de bagagerolhoes.
G020769
G020767
04
6. Controleer of de bagagerolhoes goed vastzit in de bagageruimte.
7. Breng het voorste gedeelte van de bagagerolhoes in de wigvormige uitsparingen,
aan de kant van de achterbank aan.
8. De bagagerolhoes is daarmee klaar voor
gebruik.
WAARSCHUWING
Leg geen voorwerpen op de bagagerolhoes
of op de cassette ervan.
128
1. Klap de ruggedeelten iets voorover om bij
de opbergcassette van het bagagenet te
komen. Begin met het smalle ruggedeelte
(à 40 %).
2. Trek het bagagenet schuin naar achteren
toe uit.
3. Zet de ruggedeelten weer rechtop.
4. Haak het net aan de plafondbevestigingen
vast op de manier die geldt bij rechtopstaande ruggedeelten.
04 Interieur
Bagageruimte
Elektrische aansluiting in
bagageruimte*
N.B.
De rode markering mag niet langer zichtbaar zijn, wanneer het ruggedeelte weer
rechtop staat. Het ruggedeelte staat niet
geblokkeerd, als de rode markering wel
zichtbaar is.
Houder voor boodschappentassen*
Verankeringsogen*
G014756
04
G014757
Open het klepje om bij de elektrische aansluiting te komen. De aansluiting werkt onafhankelijk van de stand van het contactslot.
De verankeringsogen in de bagageruimte
gebruikt u om bagagebanden of een bagagenet aan vast te zetten.
N.B.
Denk eraan dat als de elektrische aansluiting word gebruikt als de motor uit is, de
startaccu van de auto kan ontladen.
De houder voor boodschappentassen houdt
tassen op hun plek en voorkomt dat ze omvallen en hun inhoud over de bagageruimte verspreiden.
1. Open het luik in de bagageruimte.
2. Span de boodschappentassen vast met de
bagageband.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
129
Transpondersleutel met sleutelblad......................................................
Vergrendelingspunten...........................................................................
Keyless drive*........................................................................................
Batterij in transpondersleutel................................................................
Vergrendelen en ontgrendelen..............................................................
Kinderslot..............................................................................................
Alarm*....................................................................................................
130
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
132
135
136
139
140
143
144
SLOTEN EN ALARM
05 Sloten en alarm
Transpondersleutel met sleutelblad
Bij de auto worden twee transpondersleutels
geleverd.
De transpondersleutels bevatten afneembare
metalen sleutelbladen voor het mechanisch
vergrendelen/ontgrendelen van het bestuurdersportier en het dashboardkastje.
De unieke code van de sleutelbladen is bekend
bij de erkende Volvo-werkplaatsen, waar ook
nieuwe sleutelbladen kunnen worden besteld.
Er kunnen maximaal zes transpondersleutels/
sleutelbladen voor één en dezelfde auto worden geprogrammeerd en gebruikt.
05
Knippersignalen bij vergrendelen/
ontgrendelen
Wanneer u de auto ontgrendelt met een transpondersleutel of het Keyless drive-systeem,
lichten de richtingaanwijzers van de auto tweemaal korte tijd op om aan te geven dat de auto
op de juiste manier ontgrendeld is.
Bij het vergrendelen lichten de richtingaanwijzers lang op en dit alleen als alle portieren alsmede de achterklep na het sluiten correct zijn
vergrendeld.
Onder de persoonlijke instellingen in het menusysteem is het mogelijk om de lichtsignalen via
de richtingaanwijzers uit te schakelen. U krijgt
dan niet langer een signaal dat de vergrende-
132
ling op de juiste manier heeft plaatsgevonden,
zie pagina 90.
Functies transpondersleutel
Zoekgeraakte transpondersleutel
Als een van de transpondersleutels zoekraakt,
moet u de auto samen met de resterende
transpondersleutels naar een Volvo-werkplaats, bij voorkeur een erkende Volvo-werkplaats, brengen. Ter voorkoming van diefstal
moet de code van de zoekgeraakte transpondersleutel uit het systeem worden gewist.
G019402
Transpondersleutel
Elektronische startblokkering
De transpondersleutels zijn voorzien van gecodeerde chips. De code moet overeenkomen
met die van de lezer (ontvanger) in het contactslot. U kunt de motor alleen starten, wanneer u een transpondersleutel met de juiste
code gebruikt.
Vergrendelen – alle portieren en de achterklep vergrendelen. Bij lang indrukken
(ten minste 2 seconden) worden ook de zijruiten en het schuifdak tegelijkertijd gesloten.
WAARSCHUWING
Controleer of niemand met de handen
bekneld raakt wanneer u het schuifdak en
de zijruiten vanaf de transpondersleutel
sluit.
05 Sloten en alarm
Transpondersleutel met sleutelblad
“Approach”-verlichting – verlichting op
afstand inschakelen om het gebied rond de
auto op een slecht verlichte parkeerplaats
beter te zien. Met één druk op de knop
gaan interieurverlichting, stadslichten vóór
en achterlichten, kentekenplaatverlichting
en buitenspiegelverlichting (optie) branden. De verlichting schakelt na 30, 60 of 90
seconden automatisch uit. Voor het instellen van een passende inschakelduur, zie
pagina 90.
Achterklep - wanneer u de knop eenmaal
indrukt, ontgrendelt u alleen de achterklep1.
Paniekfunctie – bestemd om in noodgevallen de aandacht van anderen te trekken.
Als u de rode toets ten minst
e drie seconden lang ingedrukt houdt o
f tweemaal achtereen binne
n drie seconden indrukt, worden de richtingaanwijzers, de interieurverlichting en
de claxon geactiveerd. U kunt het alarm
met dezelfde knop weer uitschakelen,
nadat het minimaal 5 seconden actief is
geweest. Als u niets doet, wordt het na 30
seconden automatisch uitgeschakeld.
Afneembaar sleutelblad
G019403
Ontgrendelen – alle portieren en de achterklep ontgrendelen. Bij lang indrukken
(ten minste 4 seconden) worden ook de zijruiten geopend.
BELANGRIJK
Het smalle gedeelte van de afstandsbediening is extra gevoelig omdat zich daar de
chip bevindt. U kunt de motor niet starten,
als de chip beschadigd is.
05
U kunt het afneembare sleutelblad van de
transpondersleutel gebruiken om:
• het bestuurdersportier handmatig te openen, als de centrale vergrendeling niet te
bedienen is vanaf de afstandsbediening,
zie pagina 138.
• de toegang tot het dashboardkastje te
blokkeren, zie pagina 134.
• het mechanische kinderslot op de achterportieren te activeren/deactiveren, zie
pagina 143.
• PACOS* te activeren/deactiveren, zie
pagina 24.
1
Bij gebruik van deze functie wordt het kofferdeksel alleen ontgrendeld en niet geopend.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
133
05 Sloten en alarm
Transpondersleutel met sleutelblad
Sleutelblad verwijderen
Haal het sleutelblad als volgt uit de transpondersleutel:
Duw de veerbelaste pal opzij.
Trek tegelijkertijd het sleutelblad naar buiten.
Sleutelblad bevestigen
Wees voorzichtig wanneer u het sleutelblad in
de transpondersleutel terugplaatst.
Zie ook de afbeelding en de overige informatie
op pagina 138.
Wanneer u het bestuurdersportier met het
sleutelblad ontgrendelt en vervolgens
opent, gaat het alarm af. Het wordt uitgeschakeld door de transpondersleutel in het
contactslot te steken, zie pagina 145.
Dashboardkastje vergrendelen
Houd voor het ontgrendelen de omgekeerde volgorde aan.
Dit is handig voor als u de auto afgeeft voor
een onderhoudsbeurt of als u hem bij een
hotel of iets dergelijks laat parkeren.
G020034
Als de centrale vergrendeling niet op de transpondersleutel reageert (omdat de batterijen bijvoorbeeld leeg zijn), kunt u het bestuurdersportier op de volgende manier ontgrendelen en
openen:
134
–
Met een transpondersleutel zonder sleutelblad is ontgrendelen van het dashboardkastje niet mogelijk.
Portier ontgrendelen met sleutelblad
2. Draai het blad 45 graden rechtsom en open
het portier.
Neem het sleutelblad uit.
N.B.
2. Druk lichtjes op het sleutelblad om het in
positie te blokkeren. U hoort daarbij een
klik.
1. Steek het sleutelblad in het sleutelgat van
het bestuurdersportier.
Draai het sleutelblad 90 graden rechtsom.
Het sleutelgat staat horizontaal wanneer
het kastje vergrendeld is.
N.B.
1. Houd de transpondersleutel met de puntige kant omlaag en laat het sleutelblad in
de groef vallen.
05
Duw het sleutelblad in het slot van het
dashboardkastje.
Het dashboardkastje wordt vergrendeld.
Het dashboardkastje valt alleen te vergrendelen/ontgrendelen met het afneembare sleutelblad van de transpondersleutel. (Voor informatie over het sleutelblad, zie pagina 133.)
05 Sloten en alarm
G019450
Vergrendelingspunten
Vergrendelingspunten voor transpondersleutel met sleutelblad.
05
Vergrendelingspunten voor transpondersleutel met verwijderd sleutelblad.
135
05 Sloten en alarm
Keyless drive*
Vergrendelings- en startsysteem
zonder sleutel
De twee transpondersleutels van de auto
ondersteunen de Keyless-functie. U kunt er
meer bijbestellen. Het systeem kan tot zes
transpondersleutels met Keyless-functie hanteren.
Transpondersleutel binnen een straal
van 1,5 m rond de auto
G019451
Om een portier of de achterklep te kunnen openen moet de transpondersleutel zich binnen
een straal van maximaal 1,5 m rond de portierhandgrepen of de achterklep bevinden.
05
Dekkingsgebied van Keyless-functie
Met het Keyless drive-systeem kunt u zonder
een sleutel te gebruiken de auto ontgrendelen,
starten en vergrendelen. U hoeft de transpondersleutel alleen in een binnenzak of tas bij u te
dragen.
Het systeem maakt het eenvoudiger om de
auto te openen, wanneer u bijvoorbeeld met
boodschappentassen in de ene hand en uw
kind aan de andere hand staat. U hoeft dan niet
langer de transpondersleutel erbij te nemen of
op te zoeken.
136
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Dit betekent dat u de transpondersleutel bij
zich moet dragen om een portier te openen.
Wanneer u aan de ene kant van de auto staat,
is het niet mogelijk om met de transpondersleutel een portier aan de andere kant te openen.
Het grijs gearceerde gebied op de afbeelding
geeft het dekkingsgebied van de systeemantennes aan.
Als iemand bij het verlaten van de auto een
transpondersleutel met Keyless-functie meeneemt, verschijnt er een waarschuwingsmelding op het informatiedisplay en klinkt er een
geluidssignaal. De waarschuwingsmelding
verdwijnt, wanneer de transpondersleutel weer
in de auto wordt gelegd of wanneer u de startknop naar stand 0 hebt gedraaid. De waarschuwing wordt alleen gegeven, als de start-
knop in stand I of II staat bij het openen of sluiten van een portier.
Wanneer de transpondersleutel weer in de auto
is gelegd, verdwijnen de waarschuwingsmelding en het geluidssignaal nadat een van de
volgende handelingen is uitgevoerd:
• een deur is geopend of gesloten
• de startknop is naar stand 0 gedraaid
• de knop READ is ingedrukt.
Nooit een transpondersleutel in de auto
achterlaten
Als u een transpondersleutel met Keylessfunctie in de auto laat liggen, wordt deze bij het
vergrendelen van de auto tijdelijk gedeactiveerd. Onbevoegden kunnen het portier er dan
niet meer mee openen.
Als er echter ingebroken wordt en iemand de
transpondersleutel in de auto vindt, kan deze
worden geactiveerd waarna deze opnieuw te
gebruiken is. Pas daarom goed op al uw transpondersleutels.
Storingen in de functie van de
transpondersleutel
De Keyless drive-functie kan verstoord worden
door elektromagnetische velden en afschermingen.
05 Sloten en alarm
Keyless drive*
N.B.
Plaats/bewaar de transpondersleutel niet in
de buurt van een mobiele telefoon of metalen voorwerpen. Houd een minimale afstand
aan van 10-15 cm.
Als er desondanks toch storingen optreden,
moet u de transpondersleutel en het sleutelblad op de normale manier gebruiken, zie
pagina 132.
Vergrendelen
zich binnen het dekkingsgebied van de systeemantennes bevindt:
–
Druk op de vergrendelingsknop op een van
de portierhandgrepen.
Alle portieren moeten zijn gesloten, voordat u
op de vergrendelingsknop drukt. Anders vindt
er geen vergrendeling plaats.
Bij het vergrendelen van de auto komen de
vergrendelingsknoppen aan de binnenkant van
de portieren omlaag.
N.B.
Bij een auto met een automatische versnellingsbak en het Keyless drive-systeem dient
de keuzehendel in stand P te worden gezet
en de startknop naar stand 0 te worden
gedraaid, aangezien de auto anders niet kan
worden vergrendeld of op alarm kan worden
gezet.
2. Open de achterklep door de openingsknop
op de achterklep onderhands in te drukken
en de achterklep op te tillen.
Als de Keyless-functie van de transpondersleutel om wat voor reden dan ook niet werkt,
kunt u de auto ontgrendelen met de ontgrendelingsknop op de transpondersleutel, zie
pagina 132.
Elektrisch bedienbare stoel –
geheugenfunctie van transpondersleutel
Als meerdere personen met elk hun eigen
transpondersleutel met Keyless-functie in de
auto stappen, neemt de bestuurdersstoel de
stand in die de persoon die als eerste een portier opent heeft gekozen.
05
G020033
Ontgrendelen
Bij auto’s met Keyless drive-systeem zit er een
knop op de buitenhandgreep van de portieren.
Wanneer de transpondersleutel zich binnen het
dekkingsgebied van de systeemantennes
bevindt:
1. Open de portieren door aan de portierhandgrepen te trekken.
U kunt de portieren en de achterklep als volgt
vergrendelen, wanneer de transpondersleutel
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
137
05 Sloten en alarm
Keyless drive*
Portier ontgrendelen met sleutelblad
N.B.
Wanneer u het bestuurdersportier met het
sleutelblad ontgrendelt en vervolgens
opent, gaat het alarm af. Het wordt uitgeschakeld door de transpondersleutel in het
contactslot te steken, zie pagina 145.
Bagageruimte, in het midden, helemaal
voorin, onder de vloer
Portierhandgreep, rechtsachter
Middenconsole, onder achterstuk
Middenconsole, onder voorstuk
WAARSCHUWING
Locatie antennes
G020225
Dragers van een pacemaker dienen minstens 22 cm afstand te houden tot de antennes van het Keyless drive-systeem. Dit om
eventuele storingen in de pacemaker als
gevolg van het Keyless drive-systeem uit te
sluiten.
05
Als de centrale vergrendeling niet op de transpondersleutel reageert (omdat de batterijen bijvoorbeeld leeg zijn), kunt u het bestuurdersportier op de volgende manier ontgrendelen en
openen:
2. Ontgrendel het portier met het sleutelblad.
U kunt de Keyless-functies naar wens afstellen
(zie pagina 90).
G020074
1. Om bij het sleutelgat te komen: Werk de
kunststof afdekking van de handgreep
voorzichtig los door het sleutelblad in de
opening aan de onderkant van de afdekking te steken.
Persoonlijke instellingen
Het Keyless drive-systeem werkt met een aantal antennes die op verschillende locaties ingebouwd zijn in de auto:
Achterbumper, aan de binnenkant in het
midden
Portierhandgreep, linksachter
138
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
05 Sloten en alarm
Batterij in transpondersleutel
Uitgeputte batterij in
transpondersleutel
signalen van de transpondersleutel, moet u de
batterij vervangen (type CR 2450, 3 V).
Wanneer de batterij bijna leeg is zodat de
afstandsbediening niet langer optimaal functe
tioneert, begint het informatiesymbool
branden en verschijnt op het display de melding SLEUTEL BATTERIJ LAGE
SPANNING of SLEUTEL BATTERIJ LAGE
SPANNING.
1. Leg de transpondersleutel met de knoppen
omlaag neer en werk de afdekking met een
kleine schroevendraaier los.
Batterij in transpondersleutel
vervangen
4. Werk de batterij los en vervang deze. Kom
niet met uw vingers aan de polen van de
batterij of de contactvlakken.
2. Verwijder de afdekking.
3. Let op de positie van de plus (+) en minpool (–) (zie de afbeelding aan de onderkant van de afdekking).
05
G019406
5. Plaats de afdekking terug en duw deze
vast.
> Zorg ervoor dat de oude batterij op een
milieuontlastende wijze wordt afgevoerd.
Als de sloten herhaalde malen achtereen niet
meer op de gebruikelijke afstand reageren op
139
05 Sloten en alarm
Vergrendelen en ontgrendelen
Auto van de buitenzijde vergrendelen/
ontgrendelen
WAARSCHUWING
Let op het risico van opsluiting in de auto,
als u de auto van de buitenzijde vergrendelt
– de portieren zijn dan namelijk niet meer
van de binnenzijde te openen met de portierhandgrepen. Lees meer daarover in het
onderdeel “Safelock-functie” elders in dit
boekje.
Voor auto’s met Keyless Drive-functie (zie
pagina 136).
Ontgrendelen
• bij eenmaal indrukken worden de portieren
en de achterklep ontgrendeld
• bij de eerste keer indrukken wordt het
05
bestuurdersportier ontgrendeld en bij de
twee keer indrukken de rest van de portieren alsmede de achterklep.
Vergrendelen
De vergrendelingsknop op de transpondersleutel vergrendelt alle portieren en de achterklep.
N.B.
Ook als de achterklep openstaat is het
mogelijk de auto te vergrendelen – wanneer
u het kofferdeksel vervolgens sluit bestaat
het gevaar dat u zich buitensluit met de
sleutels nog in de auto*.
140
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Als u geen van de portieren noch de achterklep
binnen 2 minuten na ontgrendeling opent, worden alle sloten automatisch weer vergrendeld
(geldt niet bij vergrendeling van de binnenzijde). Deze functie beperkt de kans dat u de
auto per ongeluk onvergrendeld kunt laten
staan. (Voor auto’s met alarmsysteem, zie
pagina 145.)
Versneld sluiten
Bij lang indrukken (ten minste 2 seconden) van
de vergrendelingsknop op de transpondersleutel worden alle zijruiten en het schuifdak*
tegelijkertijd gesloten.
Auto van de binnenzijde vergrendelen/
ontgrendelen
Achterklep
Ontgrendelen
Alleen achterklep ontgrendelen:
–
Druk op de knop van de transpondersleutel
waarmee u de achterklep ontgrendelt.
Vergrendelen
Als de achterklep openstaat bij het vergrendelen van de portieren, blijft de achterklep ook na
sluiting onvergrendeld staan. Vergrendel met
de vergrendelingsknop op de transpondersleutel of van de binnenzijde met de knop voor
centrale vergrendeling om zowel de portieren
als de achterklep te vergrendelen.
G007451
Met de ontgrendelingsknop op de transpondersleutel kunt u de auto op twee verschillende
manieren ontgrendelen (afhankelijk van de persoonlijke instellingen, zie pagina 90):
Automatische hervergrendeling
Met de knop voor de centrale vergrendeling op
het bestuurdersportier kunt u alle portieren en
05 Sloten en alarm
Vergrendelen en ontgrendelen
de achterklep tegelijkertijd vergrendelen of
ontgrendelen.
Ontgrendelen
U kunt een portier niet ontgrendelen door de
bijbehorende vergrendelingsknop omhoog te
trekken.
–
Druk op het bovenste gedeelte van de ver.
grendelingsknop
Doorluchtfunctie
–
Druk op het bovenste gedeelte van de vergrendelingsknop
.
Bij lang indrukken (ten minste 4 seconden)
worden ook alle zijruiten tegelijk geopend
– om bijv. bij warm weer snel voor frisse
lucht in de auto te zorgen.
Vergrendelen
–
Safelock-functie*1
Als de portieren van de binnenzijde vergrendeld zijn:
Bij activering van de zogeheten Safelock-functie zijn de portieren niet meer van de binnenzijde te openen, als ze eenmaal vergrendeld
zijn vanaf de transpondersleutel.
–
Trek tweemaal aan de handgreep om het
portier te ontgrendelen, waarna u het kunt
openen.
Automatische vergrendeling
Het is mogelijk om de portieren en de achterklep automatisch te laten vergrendelen bij rijsnelheden hoger dan 7 km/h.
Wanneer deze functie actief is, kunt u vergrendelde portieren op een van de volgende twee
manieren openen:
• trek tweemaal aan een van de openingshandgrepen
• Druk op de bovenkant van de knop voor
Druk op het onderste gedeelte van de vergrendelingsknop
.
centrale vergrendeling
en trek aan de
openingshandgreep op het portier.
Bij lang indrukken (ten minste 2 seconden)
worden ook alle zijruiten en het schuifdak* tegelijkertijd gesloten.
U kunt de functie activeren/deactiveren onder
Persoonlijke instellingen (zie pagina 90).
Alle portieren zijn handmatig te vergrendelen
met de vergrendelingsknop op de portieren.
1
Portieren openen
Met de transpondersleutel activeert u de Safelock-functie die 10–25 seconden na vergrendeling van de portieren in werking treedt.
Bij Safelock is de auto alleen met de transpondersleutel te ontgrendelen. Het bestuurdersportier is ook handmatig te ontgrendelen met
het afneembare sleutelblad van de transpondersleutel - zie pagina 133.
WAARSCHUWING
05
Laat niemand in de auto zitten zonder eerst
de Safelock-functie te deactiveren om te
voorkomen dat u iemand opsluit.
Tijdelijk deactiveren
Als u de portieren van de buitenzijde wilt vergrendelen terwijl er iemand in de auto achterblijft, kunt u de Safelock-functie tijdelijk uitschakelen.
Alleen in combinatie met een alarmsysteem.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
141
05 Sloten en alarm
Vergrendelen en ontgrendelen
Deactiveren gaat als volgt:
1. Open het menusysteem en ga naar
INSTELLINGEN VAN DE AUTO (voor een
gedetailleerde beschrijving van het menusysteem, zie pagina 90).
2. Kies GUARD BEPERKT.
3. Kies Eenmaal activeren: Op het display
van het instrumentenpaneel verschijnt de
melding GUARD BEPERKT ZIE
HANDLEIDING en de Safelock-functie
wordt uitgeschakeld bij vergrendeling van
de auto.
05
Geactiveerde menu-opties staan aangekruist.
Display
Navigatie
142
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
De volgende keer dat u de transpondersleutel
naar sleutelstand II draait, wordt het systeem
gereset, waarna op het display van het instrumentenpaneel de melding GUARD
VOLLEDIG verschijnt. Daarmee zijn de Safelock-functie en de bewegingsmelders en
niveausensoren* van het alarmsysteem
opnieuw ingeschakeld.
of
Kies Vraag bij verlaten: Iedere keer dat u
de sleutel naar stand 0 draait, verschijnt op
het display van het audiosysteem de melding Vraag beperkt Guard bij verlaten
Druk ENTER om guard te beperken tot
de motor start. Druk op EXIT om te
annuleren. – kies dan een van de alternatieven:
• Als u geen wijzigingen in het vergrende-
N.B.
•
Let erop dat het alarm wordt geactiveerd bij vergrendeling van de auto.
•
Als een van de portieren van de binnenzijde wordt geopend, gaat het alarm af.
ENTER
Druk op ENTER en vergrendel de auto. Let
erop dat ook de* bewegingsmelders en
niveausensoren van het alarmsysteem
worden uitgeschakeld, zie pagina 145.
of
MENU
EXIT
• Als u de Safelock-functie wilt uitschakelen:
lingssysteem wenst: Vergrendel de auto
zonder een keuze te maken. Of druk op
EXIT en vergrendel de auto.
05 Sloten en alarm
Kinderslot
Handbediend kinderslot
achterportieren
2. Draai de bedieningscilinder om met het
sleutelblad.
Elektrisch kinderslot op
achterportieren en achterste zijruiten*
2. Druk op de knop op het bestuurdersportier.
Op het informatiedisplay verschijnt een
melding.
Het lampje in de knop brandt, wanneer het
slot geactiveerd is.
N.B.
G014697
Op auto’s met het elektrische kinderslot zit
geen handmatig kinderslot.
05
Handbediend kinderslot op linker achterportier.
Het portier kan niet van de binnenzijde
worden geopend.
Het portier kan van de binnenzijde worden
geopend.
De bedieningscilinders van het handbediende
kinderslot zitten achter op de korte kant van de
achterportieren, zodat ze alleen bereikbaar zijn
wanneer de portieren openstaan.
Doe het volgende om het handbediende kinderslot te activeren of deactiveren:
1. Verwijder het afneembare sleutelblad uit
de transpondersleutel.
Bedieningspaneel op het bestuurdersportier.
Wanneer het elektrische kinderslot actief is,
zijn de achterste:
• zijruiten alleen vanaf het bestuurdersportier te bedienen
• portieren niet van de binnenkant te openen.
1. Het kinderslot wordt geactiveerd wanneer
de contactsleutel in stand I of II staat.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
143
05 Sloten en alarm
Alarm*
Alarmsysteem
Alarmindicatie
N.B.
Wanneer het alarm is ingeschakeld, worden
alle beveiligde onderdelen continu gecontroleerd.
Voer nooit zelf reparaties aan of wijzigingen
in het alarmsysteem uit. Dergelijke ingrepen
kunnen van invloed zijn op de verzekeringsvoorwaarden.
Het alarm gaat af, als:
• een portier, de motorkap of de achterklep
wordt geopend
Alarmfunctie inschakelen
–
• het contactslot wordt omgedraaid met een
verkeerde sleutel of wordt gemanipuleerd
• er beweging in de passagiersruimte wordt
G020227
waargenomen (als er een bewegingsmelder aanwezig is)
• de auto wordt opgetakeld of weggesleept
05
BELANGRIJK
(op auto’s met een niveausensor)
• een kabel van de startaccu wordt losgekoppeld
• iemand de sirene probeert los te koppelen.
De richtingaanwijzers van de auto geven
een lang lichtsignaal af en de led op het
dashboard licht om de twee seconden eenmaal op ter bevestiging dat het alarm volledig is ingeschakeld.
Een rode led op de bovenkant van het dashboard geeft de status van het alarmsysteem
aan:
• De led is uit – het alarm is uitgeschakeld.
• De led licht om de twee seconden eenmaal
op – het alarm is ingeschakeld;
• De led knippert snel vanaf het moment van
uitschakelen van het alarm tot aan het activeren van sleutelstand II – het alarm is
afgegaan.
Als er een storing in het alarmsysteem is opgetreden, verschijnt er een displaymelding. Neem
dan contact op met een werkplaats – een
erkende Volvo-werkplaats wordt geadviseerd.
144
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Druk op de vergrendelingsknop op de
transpondersleutel. De richtingaanwijzers
van de auto geven een lang lichtsignaal af
ter bevestiging dat het alarm is ingeschakeld en dat de portieren zijn vergrendeld.
Alarmfunctie uitschakelen
–
Druk op de ontgrendelingsknop op de
transpondersleutel. De richtingaanwijzers
van de auto geven twee korte lichtsignalen
af ter bevestiging dat het alarm is uitgeschakeld en dat de portieren zijn ontgrendeld.
05 Sloten en alarm
Alarm*
Automatische herinschakeling van het
alarm
Transpondersleutel defect
transpondersleutel naar sleutelstand II
draait.
De functie voorkomt dat u de auto verlaat zonder het alarm uit te schakelen.
Alarmsignalen
Bij alarm gebeurt het volgende:
Als u geen van de portieren noch de achterklep
binnen twee minuten na uitschakeling van het
alarm opent wanneer de auto met de transpondersleutel ontgrendeld (en het alarm
gedeactiveerd) werd, wordt het alarm automatisch opnieuw ingeschakeld. De auto wordt
bovendien opnieuw vergrendeld.
–
Druk op de ontgrendelingsknop van de
transpondersleutel of steek de sleutel in
het contactslot.
De richtingaanwijzers van de auto geven ter
bevestiging twee korte lichtsignalen af.
Als de batterijen in de transpondersleutel leeg
zijn, kunt u het alarm uitschakelen door het
bestuurdersportier handmatig te ontgrendelen, de transpondersleutel in het contactslot te
steken en naar stand II te draaien.
schakelt. Bij inactiviteit gaat de sirene na
25 seconden lang automatisch uit. De
sirene heeft zijn eigen accu en werkt volledig onafhankelijk van de startaccu in de
auto.
G019420
Geactiveerd alarm uitschakelen
• Er klinkt een sirene totdat u het alarm uit-
• Alle richtingaanwijzers knipperen totdat u
het alarm uitschakelt. Bij inactiviteit gaan
ze na vijf minuten automatisch uit.
05
Als u het alarm niet kunt uitschakelen met de
transpondersleutel (als bijv. de batterij van de
sleutel leeg is), kunt u de auto als volgt ontgrendelen, het alarmsysteem deactiveren en
de motor starten:
1. Open het bestuurdersportier met het
afneembare sleutelblad. Het alarm gaat af
en de sirene klinkt.
2. Bij auto’s met Keyless Drive moet u eerst
de startknop verwijderen door de pal (1) in
te duwen en de knop los te trekken (2).
Beperkt alarmniveau
Om te voorkomen dat het alarm afgaat – wanneer er bijv. een hond in een vergrendelde auto
wordt achtergelaten of bij gebruik van een
autotrein of een veerverbinding – dient u de
bewegingsmelder en de niveausensoren tijdelijk uit te schakelen.
De te volgen procedure is identiek aan die bij
tijdelijke uitschakeling van de Safelock-functie
- zie pagina 141
3. Steek de transpondersleutel in het contactslot (3). Het alarm wordt uitgeschakeld.
Het alarmlampje knippert snel totdat u de
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
145
05 Sloten en alarm
Alarm*
Alarmsysteem testen
Bewegingsmelder* in passagiersruimte
testen
1. Open alle zijruiten.
2. Activeer het alarmsysteem met de vergrendelingsknop op de transpondersleutel. Een
langzaam knipperende alarmindicatie
vormt de bevestiging dat het alarmsysteem actief is.
3. Wacht 30 seconden.
05
4. Test de bewegingsmelder door een tas of
iets dergelijks van de stoel te pakken.
> Er moet dan een sirene afgaan en tegelijkertijd moeten alle richtingaanwijzers
knipperen.
5. Deactiveer het alarm door de auto via de
transpondersleutel te ontgrendelen.
Alarm op portieren testen
1. Activeer het alarmsysteem met de vergrendelingsknop op de transpondersleutel.
2. Wacht 30 seconden.
3. Ontgrendel het bestuurdersportier met het
afneembare sleutelblad.
4. Open een van de portieren.
146
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
> Er moet dan een sirene afgaan en tegelijkertijd moeten alle richtingaanwijzers
knipperen.
5. Deactiveer het alarm door de auto via de
transpondersleutel te ontgrendelen.
Alarm op motorkap testen
1. Ga in de auto zitten en deactiveer de bewegingsmelder, zie het onderdeel “Beperkt
alarmniveau” eerder in dit boekje.
2. Blijf in de auto zitten en activeer het alarmsysteem met de vergrendelingsknop op de
transpondersleutel.
3. Wacht 30 seconden.
4. Ontgrendel de motorkap met de handgreep onder het dashboard.
> Er moet dan een sirene afgaan en tegelijkertijd moeten alle richtingaanwijzers
knipperen.
5. Deactiveer het alarm door de auto via de
transpondersleutel te ontgrendelen.
05 Sloten en alarm
05
147
Algemene informatie.............................................................................
Tanken..................................................................................................
Alcoholslot*...........................................................................................
Motor starten........................................................................................
Motor starten, FlexiFuel........................................................................
Keyless drive*........................................................................................
Handgeschakelde versnellingsbak.......................................................
Automatische versnellingsbak..............................................................
DRIVe Start/Stop*.................................................................................
Remsysteem.........................................................................................
DSTC (stabiliteits- en tractieregeling)*..................................................
Parkeerhulp*..........................................................................................
BLIS* – Blind Spot Information System................................................
Slepen en bergen..................................................................................
Starten met hulpaccu............................................................................
Rijden met een aanhanger....................................................................
Trekhaak*..............................................................................................
Afneembare trekhaak* ..........................................................................
Lading vervoeren..................................................................................
Lichtbundel aanpassen.........................................................................
148
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
150
152
156
160
162
164
165
167
172
176
178
180
183
187
190
192
194
196
200
201
STARTEN EN RIJDEN
06 Starten en rijden
Algemene informatie
Zuinig rijden
Zuinig rijden houdt in dat u anticiperend en
rustig rijdt, en uw rijstijl en snelheid afstemt op
de verkeerssituatie.
• Rijd in de hoogst mogelijke versnelling,
afhankelijk van de verkeerssituatie en de
weggesteldheid – lagere toeren leveren
een lager brandstofverbruik op.
• Rijd niet met open zijruiten.
• Vermijd onnodig snel optrekken en krachtig remmen.
• Neem geen spullen in de auto mee die u
niet gebruikt – hoe groter de belading, des
te hoger het brandstofverbruik.
Zie pagina 13 en 314 voor meer informatie en
meer tips.
WAARSCHUWING
Zet de motor nooit af tijdens het rijden (zoals
op een aflopende helling), omdat daarbij
belangrijke systemen zoals de stuur- en
rembekrachtiging wegvallen.
Doorwaaddiepte
U kunt met de auto door waterpartijen van
maximaal 25 cm diep rijden met een maximumsnelheid van 10 km/h. Wees extra voorzichtig bij het doorwaden van stromend water.
• Rem af op de motor, wanneer dat zonder
gevaar voor medeweggebruikers mogelijk
is.
06
• Lading op het dak en een skibox resulteren
in een grotere luchtweerstand waardoor
het brandstofverbruik toeneemt – verwijder
lastdagers die u niet gebruikt.
• Laat de motor niet stationair warmdraaien,
maar belast de motor in plaats daarvan zo
snel mogelijk licht – een koude motor verbruikt meer brandstof dan een warme.
• Bij auto’s met motortype D2, een zestraps
handbak en Start/Stop*-systeem geldt in
normale omstandigheden op een vlakke
ondergrond de 2e versnelling als wegrijversnelling.
150
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
BELANGRIJK
Er kan schade aan de motor ontstaan, als er
water in het luchtfilter dringt.
Bij diepe waterpartijen kan er water in de
transmissie dringen. De smerende eigenschappen van de oliën nemen daarbij af,
waardoor de genoemde systemen minder
lang meegaan.
Houd een lage snelheid aan tijdens het waden
en breng de auto niet in het water tot stilstand.
Trap na het passeren van de waterpartij lichtjes
op het rempedaal om te controleren of de remwerking in orde is. Bij water en vuil op de rem-
blokken kunnen er vertragingen in de remwerking optreden.
• Maak de aansluitingen voor de elektrische
motorverwarming en de aanhangerkoppeling schoon na ritten in water en modder.
BELANGRIJK
Laat de auto niet langdurig in water staan
dat tot boven de dorpelbalken reikt om elektrische storingen te voorkomen.
Probeer de motor na afslag in een waterpartij niet opnieuw te starten. Sleep de auto
uit de waterpartij.
Motor, versnellingsbak en
koelsysteem
In bepaalde omstandigheden, bijvoorbeeld op
steile hellingen en bij het vervoer van een zware
lading, bestaat het gevaar dat de motor en het
koelsysteem oververhit raken.
Voor aanvullende informatie over oververhitting bij gebruik van een aanhanger/caravan zie pagina 193.
• Verwijder verstralers voor de grille bij ritten
in gebieden met een warm klimaat.
• Bij gevaar voor oververhitting wordt een
ingebouwde beveiliging geactiveerd die er
onder meer voor zorgt dat het oranje informatielampje op het instrumentenpaneel
06 Starten en rijden
Algemene informatie
gaat branden en dat er een melding met
een advies verschijnt – volg het advies op.
• Als de temperatuurmeter voor de koelvloeistof tot in het rode gebied uitslaat,
dient u de auto te stoppen en de motor
enkele minuten stationair te laten draaien.
• Bij oververhitting kan de airconditioning
Open achterklep
WAARSCHUWING
Rijd niet met een geopende achterklep. Er
kunnen giftige uitlaatgassen via de bagageruimte de passagiersruimte in worden gezogen.
zichzelf tijdelijk uitschakelen.
• Na een zware rit moet u de motor niet
meteen afzetten, maar nog enige tijd stationair laten lopen.
N.B.
Het is normaal dat de koelventilator na het
afzetten van de motor nog enige tijd kan
blijven werken.
Dieselmotor
Wanneer de auto frequent zwaar belast wordt
bij warm weer, kunt u de koelventilator van de
motor laten vervangen door een exemplaar
met een grotere capaciteit1. Informeer bij de
dichtstbijzijnde erkende Volvo-werkplaats naar
de mogelijkheden voor uw auto.
Accu niet overmatig belasten
De elektrische functies van de auto belasten de
startaccu in verschillende mate. Laat de transpondersleutel niet te lang achtereen in sleutelstand II staan, als u de motor hebt afgezet.
Maak in plaats daarvan gebruik van de stand
I – het stroomverbruik is dan minder.
Let erop dat de 12V-aansluiting in de bagageruimte ook spanning levert, wanneer u de
transpondersleutel uit het contactslot hebt
genomen.
• audiosysteem (hoog volume)
• koplampen.
Als de accuspanning laag is, verschijnt op het
informatiedisplay de melding ACCUSPANN.
LAAG STROOMBESPARING. De energiebesparingsfunctie schakelt vervolgens bepaalde
onderdelen/systemen uit of verlaagt de belasting van de accu door bijvoorbeeld de interieurventilator lager te zetten en/of het audiosysteem uit te schakelen.
–
Laad de startaccu dan op door de motor te
starten en deze minstens 15 minuten lang
te laten lopen – de accu wordt beter opgeladen tijdens het rijden dan bij stilstand met
een stationair lopende motor.
Nieuwe auto’s en gladde wegen
Oefen onder gecontroleerde omstandigheden
om te testen hoe de auto bij gladheid reageert.
06
Let er tevens op dat de verschillende accessoires het elektrisch systeem belasten. Schakel onderdelen/systemen die veel stroom
nemen uit, wanneer u de motor hebt afgezet.
Voorbeelden van dergelijke onderdelen/systemen zijn:
• interieurventilator
• ruitenwisser
1
Voor bepaalde motoren.
151
06 Starten en rijden
Tanken
Tankvulklep openen
2. Draai de dop tot aan de aanslag voorbij de
weerstand.
3. Trek de dop uit de vulopening.
4. Hang hem aan de binnenkant van de tankvulklep op.
N.B.
Plaats de tankdop na het tanken terug.
Draai de dop zo ver dicht dat u een of meer
duidelijke klikken hoort.
Brandstof tanken
Vergeet niet de standverwarming op brandstof uit
te schakelen alvorens te tanken!
06
Open de tankvulklep met de knop op het verlichtingspaneel (zie pagina 66). De klep kan niet
worden geopend wanneer de motor loopt. De
tankvulklep zit op het rechter achterspatbord.
Sluiten
Duw de klep dusdanig in dat u die hoort klikken.
Tankdop
1. Draai de tankdop zo ver los dat u een merkbare weerstand voelt.
152
Giet de tank niet te vol door het vulpistool na
de eerste afslag uit de vulopening te halen.
N.B.
Een te volle tank kan bij warm weer overlopen.
Gebruik geen brandstof met een slechtere
kwaliteit dan aangegeven, omdat dit een nadelige invloed kan hebben op het motorvermogen
en het brandstofverbruik (zie het volgende
hoofdstuk Brandstof voor meer informatie).
Algemene informatie over brandstof
WAARSCHUWING
Zorg altijd dat u geen brandstofdampen
inademt of brandstofspatten in de ogen
krijgt.
Bij brandstof in de ogen eventuele contactlenzen uitnemen en de ogen ten minste 15
minuten lang spoelen met een ruime hoeveelheid schoon water en medische hulp
inroepen.
Brandstof nooit inslikken. Brandstoffen
zoals benzine, bio-ethanol, mengsels ervan
en dieselolie zijn uitermate giftig en kunnen
bij inwendig gebruik aanleiding geven tot
blijvend letsel met mogelijk dodelijke afloop.
Roep onmiddellijk medische hulp in bij het
inslikken van brandstof.
WAARSCHUWING
Gemorste brandstof kan door de hete uitlaatgassen ontvlammen.
Schakel voordat u gaat tanken de standverwarming op brandstof uit.
Schakel voordat u gaat tanken uw mobiele
telefoon uit. De beltoon kan aanleiding
geven tot vonkvorming en daarbij de brandstofdampen ontsteken met gevaar voor
brand en verwondingen.
06 Starten en rijden
Tanken
BELANGRIJK
Bij menging van verschillende soorten
brandstof of gebruik van een andere brandstofkwaliteit dan aanbevolen, vervallen de
garanties van Volvo en eventuele aanvullende servicecontracten; dit geldt voor alle
motoren. N.B. Dit geldt niet voor auto’s met
een motor die is aangepast voor het gebruik
van ethanol (E85).
Voor informatie over brandstofverbruik, CO2uitstoot en tankinhoud, zie pagina 314.
Katalysator
De katalysator heeft tot taak de uitlaatgassen
te reinigen. Hij is dicht bij de motor in het uitlaatsysteem gemonteerd om snel op temperatuur te komen. De katalysator bestaat uit een
monoliet (keramiek of metaal) met kanalen. De
wanden van de kanalen zijn bekleed met platina/rodium/palladium. Deze edelmetalen hebben een katalytische werking, d.w.z. ze versnellen een chemische reactie zonder dat ze
daar zelf actief aan deelnemen.
LambdasondeTM (zuurstofsensor)
De lambdasonde maakt deel uit van het regelsysteem dat tot taak heeft de uitstoot te beperken en de energie-inhoud van de brandstof
beter te benutten.
ten. De meetwaarde van de uitlaatgasanalyse
wordt doorgegeven aan het elektronische systeem dat continu de injectoren afregelt. Het
lucht-brandstofmengsel dat de motor krijgt,
wordt continu bijgesteld. De regeling schept de
ideale omstandigheden voor een effectieve
verbranding van de schadelijke stoffen (koolwaterstoffen, koolmonoxide en stikstofoxiden)
in de driewegkatalysator.
Benzine
Benzine dient te voldoen aan de norm NENEN 228. De meeste motoren kunnen op benzine met een octaangetal van 91, 95 en
98 RON lopen.
BELANGRIJK
•
Tank alleen loodvrije benzine om
schade aan te katalysator te voorkomen.
•
Giet geen additieven (dopes) in de benzine zonder het uitdrukkelijke advies
van Volvo.
Bio-ethanol (E 85)
Breng geen wijzigingen aan in het brandstofsysteem of de onderdelen daarvan en vervang
ze evenmin door componenten die niet speciaal geconstrueerd zijn voor gebruik in combinatie met bio-ethanol.
• 91 RON mag u niet gebruiken voor viercilindermotoren en slechts bij hoge uitzondering in de overige motortypes.
• 95 RON is te gebruiken in normale rijomstandigheden.
• 98 RON wordt geadviseerd voor een maximale prestaties tegen een minimaal brandstofverbruik.
Voor ritten bij temperaturen hoger dan +38 °C
wordt u geadviseerd een brandstofsoort met
een zo hoog mogelijk octaangetal te gebruiken.
Dit om optimale prestaties en een zo laag
mogelijk brandstofverbruik te verkrijgen.
WAARSCHUWING
Het gebruik van methanol is niet toegestaan. De sticker aan de binnenkant van de
tankvulklep geeft de juiste soort alternatieve
brandstof aan.
06
Het gebruik van onderdelen die niet
bestemd zijn voor bio-ethanolmotoren kan
brand, lichamelijk letsel of motorschade
veroorzaken.
Jerrycan
Houd een eventuele jerrycan in de auto gevuld
met benzine, zie N.B.-kader op pagina 162.
Een zuurstofsensor registreert het zuurstofgehalte van de uitlaatgassen die de motor verla-
153
06 Starten en rijden
Tanken
BELANGRIJK
Zorg dat de jerrycan met brandstof goed
vastgezet is en dat de dop goed dichtgedraaid is.
WAARSCHUWING
Ethanol is gevoelig voor vonkvorming en er
kunnen explosieve dampen ontstaan in een
jerrycan die met ethanol gevuld wordt.
Dieselolie
De dieselolie moet voldoen aan de norm NENEN 590 of JIS K2204.
BELANGRIJK
Het is alleen toegestaan brandstof te
gebruiken die voldoet aan de Europese
norm voor dieselolie.
06
1
154
BELANGRIJK
Maak geen gebruik van de volgende dieselolie-achtige brandstoffen: speciale toevoegingen (dopes), scheepsolie, stookolie,
RME1 (biodiesel) of plantaardige olie. Dergelijke brandstoffen voldoen niet aan de
kwaliteitseisen die Volvo stelt en geven aanleiding tot verhoogde vormen van slijtage en
motorschade die niet worden gedekt door
de garanties van Volvo.
Dieselmotoren zijn gevoelig voor verontreinigingen zoals een te hoog gehalte aan zwaveldeeltjes. Maak alleen gebruik van dieselolie
van gerenommeerde oliemaatschappijen. Giet
nooit dieselolie van twijfelachtige kwaliteit in de
tank.
Bij lage temperaturen (–40 °C tot –6 °C) kan de
paraffine in de dieselolie uitvlokken. Dit kan tot
startproblemen leiden. De grote oliemaatschappijen produceren speciale dieselolie
bestemd voor gebruik bij buitentemperaturen
rond het vriespunt. Deze brandstof is dunner
bij lage temperaturen en beperkt de kans op
vlokvorming in het brandstofsysteem.
Dieselolie kan een bepaalde hoeveelheid RME bevatten. Het is niet toegestaan meer toe te voegen.
BELANGRIJK
Gebruik speciale winterbrandstof tijdens de
wintermaanden.
De kans op condensatie in de brandstoftank
neemt af, als u de tank altijd goed gevuld
houdt. Houd tijdens het tanken het gebied rond
de vulpijp goed schoon. Voorkom morsen op
gelakte oppervlakken. Maak als u gemorst
hebt het gebied met water en zeep schoon.
BELANGRIJK
Het zwavelgehalte mag maximaal 50 ppm
zijn.
Wanneer u de tank leegrijdt
Op grond van zijn constructie moet het brandstofsysteem mogelijk eerst ontlucht worden
om een dieselmotor na bijtanken opnieuw te
kunnen starten.
Na motoruitval door brandstofgebrek heeft het
brandstofsysteem enige tijd nodig om een controle uit te voeren. Doe in dat geval (ná bijtanken met dieselolie) het volgende, voordat u de
motor start:
06 Starten en rijden
Tanken
1. Steek de transpondersleutel in het contactslot en draai deze naar sleutelstand II
(zie pagina 161).
2. Wacht ca. 1 minuut.
3. Om de motor te starten: Bedien rem- en/of
koppelingspedaal en draai de transpondersleutel naar de startstand III.
Condenswater uit brandstoffilter
aftappen
Het brandstoffilter ontdoet de brandstof van
condenswater. Condenswater kan anders aanleiding geven tot motorstoringen.
Houd u voor het aftappen van het condenswater aan de specificaties die in uw Service- en
garantieboekje staan aangegeven. Ook wanneer u vermoedt dat er vervuilde brandstof is
gebruikt, moet u het brandstoffilter aftappen.
BELANGRIJK
Sommige speciale toevoegingen verwijderen het verzamelde vocht uit het brandstoffilter.
Roetfilter dieselmotor (DPF)
Dieselmodellen zijn mogelijk uitgerust met een
roetfilter, waardoor een nog efficiëntere uitlaatgasreiniging mogelijk is. Onder normale rijomstandigheden blijven de roetdeeltjes uit de uitlaatgassen in het filter achter. Om de roetdeel-
tjes te verbranden en het filter te legen wordt
een zogeheten regeneratie gestart. Daarvoor
moet de motor de normale bedrijfstemperatuur
hebben.
N.B.
Tijdens de regeneratie is tijdelijk mogelijk
een geringe beperking van het motorvermogen te bespeuren.
De regeneratie van het filter vindt automatisch
plaats en duurt normaal 10–20 minuten. Bij een
lage gemiddelde snelheid kan dit iets langer
duren. Gedurende de regeneratie kan het
brandstofverbruik iets stijgen.
Na afloop van de regeneratie verdwijnt de melding automatisch.
Om de motor tijdens de regeneratie zwaarder
te belasten is het mogelijk dat de achterruitverwarming zonder verdere indicatie spontaan
aanslaat.
Als het filter helemaal met deeltjes gevuld is,
kan het onbruikbaar worden. De motor start
dan moeilijk en de kans bestaat dat het filter
moet worden vervangen.
BELANGRIJK
Regeneratie bij koud weer
Als u bij koud weer vaak korte afstanden rijdt,
komt de motor niet voldoende op temperatuur.
Dit betekent dat het roetfilter niet geregenereerd en niet geleegd wordt.
Wanneer u bij koud weer de standverwarming* inschakelt, bereikt de motor sneller de
normale bedrijfstemperatuur.
06
Wanneer het filter voor ca. 80 % met roetdeeltjes gevuld is, licht het oranje informatiesymbool op het instrumentenpaneel op en verschijnt de melding ROETFILTER VOL ZIE
GEBR. HANDL. op het display van het instrumentenpaneel.
U start de regeneratie van het filter door met de
auto op een secundaire weg of op een snelweg
te rijden tot de motor voldoende op temperatuur is gekomen. Daarna rijdt u nog ca. 20
minuten verder.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
155
06 Starten en rijden
Alcoholslot*
Algemene informatie over het
alcoholslot
Functies
Batterij
Het alcoholslot1 voorkomt dat bestuurders die
onder invloed zijn in de auto kunnen rijden.
Voordat de motor kan worden gestart, moet u
een blaastest afgeven om vast te stellen dat u
niet onder de invloed van alcohol bent. Het
alcoholslot wordt gekalibreerd ten opzichte
van de grenswaarde voor verkeersdeelname
die in uw land geldt.
Het controlelampje (4) van de blaasunit geeft
de ladingstoestand van de batterij aan:
WAARSCHUWING
Het alcoholslot is een hulpmiddel dat u niet
ontslaat van uw verantwoordelijkheden als
bestuurder. De bestuurder dient altijd nuchter te blijven en de auto op een veilige
manier te besturen.
Bediening
Controlelampje
(4)
Ladingstoestand
batterij
Knippert groen
Wordt opgeladen
Groen
Volledig opgeladen
Oranje
Half opgeladen
Rood
Ontladen – plaats de
lader in de houder of
sluit de voedingskabel uit het dashboardkastje aan.
1. Mondstuk voor blaastest.
2. Schakelaar.
3. Zendertoets.
06
4. Lampje voor ladingstoestand batterij.
5. Lampje voor resultaat blaastest.
6. Lampje dat aangeeft dat het systeem
gereed is voor een blaastest.
1
156
Wordt ook wel Alcoguard genoemd.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
N.B.
Bewaar de blaasunit in zijn houder. Zo blijft
de ingebouwde batterij opgeladen en kan
het alcoholslot automatisch worden geactiveerd bij het openen van de auto.
06 Starten en rijden
Alcoholslot*
Alvorens de motor te starten
Resultaat van de blaastest
De blaasunit wordt automatisch geactiveerd
en gereedgemaakt voor gebruik bij het ontgrendelen van de auto.
1. Wanneer het controlelampje (6) groen
oplicht, is de blaasunit klaar voor gebruik.
2. Neem de blaasunit uit de houder. Als de
blaasunit zich buiten de auto bevindt tijdens het ontgrendelen, dan dient u de unit
eerst te activeren met de schakelaar (2).
3. Klap het mondstuk (1) omhoog, haal diep
adem en blaas gelijkmatig totdat er
ca. 5 seconden later een “klikgeluid” klinkt.
Het resultaat is een van de alternatieven in
de volgende tabel Resultaat van de
blaastest.
4. Als er geen melding verschijnt, kan er wat
mis zijn gegaan tijdens de gegevensoverdracht naar de auto – druk in dat geval op
de toets (3) om de testgegevens handmatig naar de auto te zenden.
5. Klap het mondstuk omlaag en plaats de
blaasunit terug in de houder.
6. Start vervolgens binnen 5 minuten na een
goedgekeurde blaastest de motor – anders
is een nieuwe blaastest vereist.
2
Controlelampje
(5) + displaymelding
Betekenis
Groen lampje +
ALCOGUARD
GOEDGEK.TEST
Start de motor –
geen alcohol gemeten.
Oranje lampje +
ALCOGUARD
GOEDGEK.TEST
Motor kan worden
gestart – gemeten
promillage boven
0,1 promille maar
onder de geldende
grenswaardeA.
Rood lampje +
AFGEKEURDE
TEST WACHT 1
MINUUT
A
Waar u op moet letten
Alvorens een blaastest te doen
Voor een goede werking en een zo nauwkeurig
mogelijk meetresultaat:
Motor kan niet worden gestart – gemeten promillage
boven de geldende
grenswaardeA.
De grenswaarde verschilt van land tot land (ga na wat er in
uw land geldt). Zie ook het gedeelte Algemene informatie
over het alcoholslot op pagina156.
N.B.
Binnen 30 minuten na afloop van een rit kan
de motor opnieuw gestart worden zonder
dat er een nieuwe blaastest nodig is.
• Ca. 5 minuten voor de blaastest niet eten
of drinken.
• De voorruit niet te lang sproeien – de alcohol in de sproeiervloeistof kan een verkeerd meetresultaat opleveren.
Van bestuurder wisselen
Om bij het wisselen van bestuurder een nieuwe
blaastest te kunnen doen schakelaar (2) en de
zendtoets (3) gelijktijdig ca. 3 seconden lang
ingedrukt houden. De startblokkering van de
auto wordt dan opnieuw geactiveerd, zodat er
eerst een goedgekeurde blaastest nodig is
voordat de motor kan worden gestart.
Kalibreren en onderhoud plegen
06
Het alcoholslot dient om de 12 maanden in een
werkplaats2 gecontroleerd en gekalibreerd te
worden.
Wanneer er nog 30 dagen resteren tot aan een
geplande kalibratiebeurt, verschijnt
ALCOGUARD KALIBR. VEREIST op het display. Als er niet binnen 30 dagen gekalibreerd
wordt, dan kan de motor niet langer op de nor-
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
157
06 Starten en rijden
Alcoholslot*
male wijze gestart worden – de motor is dan
alleen te starten via de bypass-functie, zie
pagina 158, gedeelte over Noodsituatie.
De melding is te verwijderen met een druk op
de zendtoets (3). De melding verdwijnt anders
spontaan na ca. 2 minuten maar verschijnt
iedere keer dat de motor gestart wordt
opnieuw – alleen bij herkalibratie in een werkplaats2 verdwijnt de melding permanent.
aan op de blaasunit en wacht totdat het controlelampje (6) groen oplicht.
de noodfunctie. Deze instelling is achteraf nog
te wijzigen in een werkplaats2.
Bij extreme koude kunt u de opwarmtijd verkorten door de blaasunit mee naar binnen te
nemen.
Bypass-functie activeren
Noodsituatie
In noodsituaties of wanneer het alcoholslot
defect is, kunt u het alcoholslot omzeilen om
toch in de auto te kunnen rijden.
Koud en warm weer
Hoe kouder het buiten is, hoe langer het duurt
voordat de blaasunit gereed is voor gebruik:
Temperatuur (°C)
06
Maximale
opwarmtijd
(seconden)
+10 tot +85
10
-5 tot +10
60
-40 tot -5
180
Bij temperaturen lager dan –20 °C of hoger dan
+60 ’C is extra voeding voor de blaasunit vereist. Op het display verschijnt ALCOG.
INZETSTUK STROOMKABEL. Sluit de voedingskabel uit het dashboardkastje in dat geval
2
158
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
N.B.
Alle activeringen via een doorverbinding
(bypass) worden geregistreerd en opgeslagen in een geheugen, zie pagina 10 in het
hoofdstuk Vastlegging van gegevens.
Na activering van de bypass-functie blijft
ALCOGUARD BYPASS AAN op het display
staan totdat het systeem gereset wordt in een
werkplaats2.
Het is mogelijk de bypass-functie te testen
zonder dat er een foutmelding wordt aangemaakt – loop in dat geval alle stappen door
maar start de motor niet. De foutmelding wordt
gewist bij het vergrendelen van de auto.
Bij installatie van het alcoholslot geeft u aan of
omzeilen mogelijk moet zijn via de bypass- of
• Houd de knop READ op de linker stuurhendel en de knop voor de alarmknipperlichten ca. 5 seconden lang ingedrukt – op
het display verschijnen achtereenvolgens
BYPASS GEACTIV. WACHT 1 MINUUT
en ALCOGUARD BYPASS AAN – daarna
kunt u de motor starten.
Deze functie is meerdere malen te activeren.
De foutmelding die verschijnt tijdens het rijden
is echter alleen te wissen in een werkplaats2.
Noodfunctie activeren
• Houd de knop READ op de linker stuurhendel en de knop voor de alarmknipperlichten ca. 5 seconden lang ingedrukt – op
het display verschijnt ALCOGUARD
BYPASS AAN waarna u de motor kunt
starten.
Deze functie is eenmaal te gebruiken en moet
daarna gereset worden in een werkplaats2.
06 Starten en rijden
Alcoholslot*
Symbolen en displayteksten
Naast de eerder beschreven meldingen kan
ook het volgende op het display van het instrumentenpaneel verschijnen:
2
Displaymelding
Betekenis/Maatregel
ALCOGUARD
HERSTART KAN
Motor stond minder
dan 30 minuten af –
motor kan worden
gestart zonder
nieuwe blaastest.
ALCOGUARD
SERVICE VEREIST
Bezoek een werkplaats2.
ALCOGUARD
GEEN SIGNAAL
Overdracht mislukt –
verstuur het resultaat handmatig via
toets (3) of doe een
nieuwe blaastest.
ALCOGUARD
ONGELDIGE TEST
De test is mislukt –
doe een nieuwe
blaastest.
ALCOGUARD
LANGER BLAZEN
U blies te kort –
blaas langer.
Displaymelding
Betekenis/Maatregel
ALCOGUARD
ZACHTER BLAZEN
U blies te hard –
blaas minder hard.
ALCOGUARD
HARDER BLAZEN
U blies niet hard
genoeg – blaas harder.
ALCOGUARD
WACHT VOORVERWARMING
Opwarming niet
gereed – wacht de
melding ALCOGUARD BLAAS 5
SECONDEN af.
06
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
159
06 Starten en rijden
Motor starten
Voordat de motor wordt gestart
–
Tijdens de koude start is het mogelijk dat het
motortoerental merkbaar hoger ligt dan normaal is voor bepaalde motortypes. Dit
omdat ernaar wordt gestreefd het uitlaatgasreinigingssysteem zo snel mogelijk op
bedrijfstemperatuur te brengen en tegelijkertijd de uitstoot te beperken van stoffen
die schadelijk zijn voor het milieu.
Let erop dat u bij een auto met alcoholslot eerst
een goedgekeurde blaastest moet afgeven,
voordat de motor kan worden gestart, zie
pagina 156.
Automatische versnellingsbak
–
Zet de keuzehendel in stand P of N.
Handgeschakelde versnellingsbak
Zet de versnellingspook in de neutrale stand en
houd het koppelingspedaal volledig ingedrukt.
Dit is met name van belang bij strenge vorst.
Motor starten
BELANGRIJK
Als de motor na 3 pogingen niet gestart is,
wacht u 3 minuten voordat u een nieuwe
poging doet. Het startvermogen neemt toe
als de startaccu zich kan herstellen.
WAARSCHUWING
06
Neem de transpondersleutel nooit tijdens
het rijden uit het contactslot, ook niet als de
auto gesleept wordt. U loopt anders het
gevaar dat het stuurslot wordt geactiveerd,
waardoor de auto onbestuurbaar wordt.
Bij het slepen moet de transpondersleutel in
sleutelstand II staan.
Benzine
–
Draai de transpondersleutel naar sleutelstand III. Als de motor niet binnen
5–10 seconden aanslaat, moet u de sleutel
loslaten en een nieuwe startpoging doen.
Dieselolie
1. Draai de transpondersleutel naar sleutelstand II.
> Een controlelampje op het instrumentenpaneel gaat branden om aan te
160
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
geven dat de motor wordt voorverwarmd, zie pagina 58.
N.B.
Trek de handrem aan.
2. Draai de sleutel naar stand III, wanneer het
controlelampje uitgaat.
Automatisch starten *
Met de functie automatisch starten hoeft u de
transpondersleutel (of de startknop op modellen met Keyless Drive, zie pagina 136) niet langer in de sleutelstand ( III) vast te houden totdat
de motor is aangeslagen.
–
Draai de sleutel naar de sleutelstand III en
laat de sleutel weer los. De startmotor blijft
vervolgens automatisch draaien totdat de
motor is aangeslagen.
N.B.
Als u bij strenge vorst een dieselmotor start
zonder de voorgloeifunctie af te wachten, is
het mogelijk dat de automatische startfunctie enkele seconden uitgesteld wordt.
06 Starten en rijden
Motor starten
Sleutelstanden
0 – Blokkeerstand
Het stuurslot wordt geactiveerd, wanneer u de transpondersleutel uit het contactslot neemt.
I – Radiostand
Het stuurslot is uitgeschakeld. U kunt bepaalde functies gebruiken. Het elektrische systeem van de motor is
echter uitgeschakeld.
II – Rijstand
De stand waarin de transpondersleutel tijdens het rijden
staat. Het complete elektrische systeem is geactiveerd.
III – Startstand
De startmotor wordt geactiveerd. Wanneer u de transpondersleutel loslaat zodra
de motor is aangeslagen,
veert de sleutel terug naar de
rijstand.
Als de sleutel tussen twee standen in staat kan
er een tikkend geluid te horen zijn – draai de
sleutel in dat geval eerst naar stand II en daarna
terug om het geluid te laten verdwijnen.
Bij een geactiveerd stuurslot
Als de voorwielen dusdanig staan dat het
stuurslot belast wordt, kan er een waarschuwing op het informatiedisplay verschijnen met
de melding dat de motor niet kan worden
gestart. Doe in dat geval het volgende:
1. Neem de transpondersleutel uit het contactslot en draai aan het stuurwiel, zodat
het stuurslot opgeheven wordt.
WAARSCHUWING
Neem de transpondersleutel nooit tijdens
het rijden uit het contactslot, ook niet als de
auto gesleept wordt. U loopt anders het
risico dat het stuurslot wordt geactiveerd,
waardoor de auto onbestuurbaar wordt.
WAARSCHUWING
Neem bij het verlaten van de auto altijd de
transpondersleutel uit het contactslot, met
name wanneer er kinderen in de auto achterblijven.
Transpondersleutels en elektronische
startblokkering
Laat de transpondersleutel nooit samen met
andere sleutels of metalen voorwerpen aan
dezelfde sleutelbos hangen. Als u dat wel doet,
kan de elektronische startblokkering onbedoeld worden geactiveerd.
06
2. Houd het stuurwiel in dezelfde stand vast
terwijl u de sleutel weer in het contactslot
steekt en een nieuwe startpoging doet.
161
06 Starten en rijden
Motor starten, FlexiFuel
Algemene informatie over het starten
van een FlexiFuel-motor
De motor wordt op dezelfde manier gestart als
een benzinemotor, zie pagina 160.
Als de motor dan nog niet aanslaat
–
Wacht één minuut, trap het gaspedaal volledig in en herhaal de voorgaande stap.
BELANGRIJK
N.B.
Bij herhaalde startpogingen treedt de startblokkering in werking. Om een nieuwe startpoging te doen moet u de contactsleutel/
startknop eerst terugdraaien naar stand I of
0.
Neem, als de motor ondanks herhaalde
startpogingen niet aanslaat, contact op met
een werkplaats – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
Motorverwarming*
Bij startproblemen
Doe het volgende, wanneer de motor niet bij de
eerste startpoging aanslaat:
3. Verminder, zodra de motor is aangeslagen,
de druk op het gaspedaal naarmate het
motortoerental oploopt.
–
162
Draai de transpondersleutel/startknop
naar sleutelstand III totdat de motor aanslaat (echter niet langer 60 seconden achtereen).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Auto’s bestemd voor bio-ethanol E 85 zijn uitgerust met een elektrische motorverwarming*.
Een voorverwarmde motor slaat sneller aan en
loopt beter, wat een aanzienlijke beperking van
de emissies en het brandstofverbruik inhoudt.
Maak daarom tijdens de wintermaanden
zoveel mogelijk gebruik van de motorverwarming.
De motorverwarming werkt op een hoge
spanning. Laat controle- en reparatiewerkzaamheden aan een elektrische motorverwarming en de elektrische aansluitingen
ervan uitvoeren door een werkplaats –
geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
2. Draai de transpondersleutel/startknop
naar sleutelstand III.
Tweede startpoging, als de motor niet
binnen 10 seconden aanslaat
Hoe lager de buitentemperatuur hoe langer de
inschakelduur van de motorverwarming. Bij
–20 °C dient u de verwarming ca. 3 uur in te
schakelen.
WAARSCHUWING
1. Trap het gaspedaal voor ongeveer een
derde tot de helft van de pedaalweg in.
06
sneller te kunnen starten wanneer er bio-ethanol E 85 in de tank zit.
Aansluiting voor motorverwarming.
Als de te verwachten temperatuur lager is dan
–10 °C, wordt u geadviseerd de motorverwarming ca. 2 uur in te schakelen om de motor
06 Starten en rijden
Motor starten, FlexiFuel
N.B.
Waar u op moet letten als u een jerrycan met
brandstof wilt meenemen:
•
Wanneer u de brandstoftank hebt leeggereden en bio-ethanol (E 85) bijvult uit
een jerrycan is het bij strenge vorst niet
uitgesloten dat de motor startproblemen vertoont. U kunt dit voorkomen
door de jerrycan gevuld te houden met
benzine (95 RON).
BELANGRIJK
Na wijzigingen in het brandstofmengsel in
de tank dient een adaptatie plaats te vinden.
Dit gebeurt wanneer u ca. 15 minuten lang
op gelijkmatige snelheid rijdt.
Als de startaccu ontladen of losgekoppeld is
geweest, moet er voor een correcte adaptatie
iets langer worden gereden aangezien het
geheugen van de elektronica werd gewist.
Voor meer informatie over de FlexiFuel-brandstof bio-ethanol, E 85, zie pagina 153.
Brandstofadaptatie
Wanneer u de brandstoftank hebt volgegoten
met benzine nadat u op bio-ethanol (E 85) hebt
gereden (of omgekeerd), kan de motor enige
tijd ietwat onregelmatig lopen. Het is daarom
belangrijk dat de motor de gelegenheid krijgt
tot aanpassing (adaptatie) aan het nieuwe
brandstofmengsel.
06
Een dergelijke adaptatie gaat automatisch van
start, wanneer u korte tijd op gelijkmatige snelheid in de auto rijdt.
163
06 Starten en rijden
Keyless drive*
Algemene informatie
Auto starten
–
Starten met transpondersleutel
Bedien het koppelingspedaal (auto met
handbak) of het rempedaal (auto met automaat).
Benzinemotor
–
Druk op de startknop en draai deze naar
sleutelstand III.
Met het Keyless drive-systeem kunt u zonder
een sleutel te gebruiken de auto ontgrendelen,
starten en vergrendelen (zie pagina 136).
06
164
De startknop van het contactslot werkt op
dezelfde manier als een transpondersleutel. U
kunt de motor alleen starten, wanneer een van
de transpondersleutels van de auto in de passagiersruimte of de bagageruimte ligt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
1. Draai eerst de startknop naar sleutelstand
II en wacht totdat het dieselcontrolelampje
op het instrumentenpaneel is gedoofd, zie
pagina 58.
G019420
G019410
Dieselmotor
2. Draai de startknop vervolgens naar stand
III.
Als de batterij in de transpondersleutel leeg is,
werkt de Keyless drive-functie niet. Start de
motor in dat geval door de transpondersleutel
als startknop te gebruiken.
1. Duw de pal op de startknop in.
2. Trek de startknop uit het contactslot.
3. Steek de transpondersleutel in het contactslot en start op dezelfde manier als bij
het gebruik van de startknop.
06 Starten en rijden
Handgeschakelde versnellingsbak
Schakelstanden
WAARSCHUWING
Maak er een gewoonte van om bij het parkeren op een helling altijd de parkeerrem
aan te zetten. Een ingeschakelde versnelling is niet voldoende om de auto in alle situaties stil te houden.
Schakelindicatie, GSI*
Schakelpatroon zesversnellingsbak.
Schakelpatroon vijfversnellingsbak.
De zesversnellingsbak bestaat in twee verschillende uitvoeringen – het verschil is de
positie voor de achteruit. Zie het desbetreffende schakelpatroon dat in de pookknop
geslagen is.
• Trap het koppelingspedaal tijdens het
schakelen altijd zo ver mogelijk in.
• Haal uw voet na het schakelen weer van
het koppelingspedaal af!
De schakelindicatie (GSI,
Gear Shift Indicator) geeft aan
wanneer u het beste kunt
schakelen. Op het onderste
informatiedisplay van het
instrumentenpaneel verschijnt dan een pijl-omhoog
voor opschakelen en een pijl-omlaag voor
terugschakelen, zie pagina 55.
Blokkering achteruitversnelling
De blokkering van de achteruitversnelling
beperkt het risico dat u tijdens het vooruitrijden
op normale snelheid onbedoeld de achteruitversnelling inschakelt.
06
• Begin vanuit de neutraalstand N en schakel alleen de achteruitversnelling R in, wanneer de auto stilstaat.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
165
06 Starten en rijden
Handgeschakelde versnellingsbak
N.B.
Bij het schakelpatroon voor een zestraps
versnellingsbak (zie voorgaande afbeelding)
de versnellingspook eerst omlaagduwen in
stand N alvorens de achteruitversnelling in
te schakelen.
06
166
06 Starten en rijden
Automatische versnellingsbak
Handmatig schakelen met Geartronic
N.B.
U moet het rempedaal bedienen om de keuzehendel uit stand P te kunnen halen.
In stand P is de versnellingsbak mechanisch
geblokkeerd. Trek bij het parkeren altijd de
handrem aan.
G018264
WAARSCHUWING
D: automatisch schakelen. M (+/–): handmatig
schakelen.
Het informatiedisplay geeft de stand van de
keuzehendel aan met behulp van de volgende
tekens: P, R, N, D, 1, 2, 3, 4, 5 of 6, zie
pagina 55.
P – Parkeerstand
Selecteer stand P, wanneer u de motor start of
de auto parkeert.
BELANGRIJK
De auto moet stilstaan wanneer u de hendel
in stand P zet.
Maak er een gewoonte van om bij het parkeren op een helling altijd de parkeerrem
aan te zetten – stand P bij een automaat is
niet voldoende om de auto in alle situaties
stil te houden.
R – Achteruitrijstand
De auto moet stilstaan wanneer u de hendel in
stand R zet.
N – Vrijstand
In deze stand kunt u de motor starten en er is
geen versnelling ingeschakeld. Trek de handrem aan, wanneer de auto stilstaat en de keuzehendel in stand N staat.
N.B.
Wanneer de auto langer dan 3 seconden
stilgestaan heeft, moet u het rempedaal
bedienen om de keuzehendel uit stand N te
kunnen halen.
D – Rijstand
Stand D is de normale rijstand. De versnellingsbak schakelt automatisch op en terug,
afhankelijk van de stand van het gaspedaal en
de snelheid. Zorg ervoor dat de auto stilstaat,
voordat u de keuzehendel vanuit stand R in
stand D zet.
Handmatig schakelen met Geartronic
(+/–)
Met de automatische versnellingsbak Geartronic kunt u ook handmatig schakelen. Bij het
loslaten van het gaspedaal wordt de auto op
de motor afgeremd.
Handmatig schakelen is te activeren door de
hendel vanuit stand D helemaal naar rechts in
stand +/– te zetten. Op het informatiedisplay
verandert het teken D in een van de cijfers “1–
6” afhankelijk van de ingeschakelde versnelling, zie pagina 55.
06
• Duw de hendel naar voren naar de + (plus)
om een hogere versnelling in te schakelen
en laat de hendel weer los – de hendel veert
terug naar de neutrale stand tussen + en
–.
of
• Trek de hendel naar achteren naar de –
(min) om een lagere versnelling in te schakelen en laat de hendel weer los.
167
06 Starten en rijden
Automatische versnellingsbak
Handmatig schakelen (+/–) kan op elk moment
tijdens het rijden geactiveerd worden.
Om schokken en afslaan van de motor te voorkomen, schakelt Geartronic automatisch terug
als de bestuurder langzamer gaat rijden dan
wat voor de gekozen versnelling gepast is.
Om de automatische rijstand te hervatten:
• Zet de hendel helemaal naar links in stand
D.
leidt dat de motor kan worden beschadigd.
Wanneer u bij hoge motortoeren toch probeert
een dergelijke kickdown uit te voeren, gebeurt
er niets. De auto blijft in de oorspronkelijke versnelling rijden.
Bij kickdown kan de auto afhankelijk van het
motortoerental één of meer versnellingen
terugschakelen. Om schade aan de motor te
voorkomen schakelt de auto op wanneer de
motor het maximumtoerental heeft bereikt.
moet u een blokkering opheffen door op de
blokkeerknop op de keuzehendel te drukken.
Met de blokkeerknop ingedrukt kunt u de hendel vooruit of achteruit bewegen tussen de
standen P, R, N en D.
Automatische schakelblokkering
Auto’s met een automatische versnellingsbak
zijn uitgerust met een aantal speciale beveiligingssystemen:
Kickdown
Als u het gaspedaal volledig intrapt (tot voorbij
de normale volgasstand), schakelt de versnellingsbak automatisch terug naar een lagere
versnelling. Dit is de zogeheten kickdown.
Mechanische keuzehendelblokkering
De keuzehendel moet in stand P staan om de
transpondersleutel te kunnen uitnemen. In alle
andere standen is de sleutel geblokkeerd.
Wanneer u het gaspedaal uit de kickdownstand loslaat, schakelt de versnellingsbak
automatisch op.
06
Parkeerstand (stand P)
Stilstaande auto met draaiende motor:
–
Gebruik de kickdown om zo snel mogelijk te
accelereren zoals bij het inhalen.
Geartronic staat geen terugschakeling/kickdown toe die tot een dusdanig hoog toerental
168
Houd uw voet op het rempedaal terwijl u
de keuzehendel verzet.
Elektrische schakelblokkering –
Shiftlock Parkeerstand (stand P)
G020237
Beveiligingsfunctie
Om overtoeren van de motor te voorkomen, is
het stuurprogramma van de versnellingsbak
voorzien van een terugschakelblokkering
waardoor de zogeheten kickdown niet mogelijk is.
Sleutelblokkering, Keylock
U kunt de hendel altijd ongehinderd heen en
weer halen tussen de standen N en D. Om de
hendel in een van de overige standen te zetten,
Om de keuzehendel uit stand P te kunnen
halen, moet de transpondersleutel in stand II
staan en moet het rempedaal worden bediend.
Schakelblokkering, vrijstand (stand N)
Als de keuzehendel in stand N staat en de auto
heeft minstens drie seconden stilgestaan (of de
06 Starten en rijden
Automatische versnellingsbak
motor nu loopt of niet), is de keuzehendel
geblokkeerd in stand N.
Om de keuzehendel uit stand N te halen, moet
het rempedaal worden bediend en moet de
transpondersleutel in stand II staan.
2. Steek het sleutelblad van de transpondersleutel zo ver mogelijk in de opening
omlaag.
Automatische versnellingsbak
Powershift*
3. Houd het sleutelblad ingedrukt, terwijl u de
keuzehendel uit stand P haalt.
Koude start
Automatische schakelblokkering
deactiveren
G018263
N.B.
In bepaalde gevallen moet u de auto kunnen
verzetten, wanneer er niet in gereden kan worden zoals bij een lege accu. Doe het volgende
om de auto in dat geval te verzetten:
1. Er zit een dekplaatje onder het keuzehendelpaneel met P-R-N-D. Open het aan de
achterzijde.
Afhankelijk van de motortemperatuur tijdens de start is het mogelijk dat het motortoerental van bepaalde motortypen na een
koude start iets hoger is dan normaal.
G018264
Als u bij koud weer wegrijdt, is het mogelijk dat
het schakelen ietwat stug gaat. Dit komt omdat
de versnellingsbakolie bij lagere temperaturen
stroperiger wordt. Wanneer u bij lage temperaturen wegrijdt, schakelt de versnellingsbak
later op dan normaal om de uitstoot van uitlaatgassen te beperken.
D: automatisch schakelen. M (+/–): handmatig
schakelen.
Powershift is een zestraps automaat die in
tegenstelling tot een conventionele automatische versnellingsbak voorzien is van dubbele
mechanische lamellenkoppelingen. Een conventionele automatische versnellingsbak heeft
echter een hydraulische koppelomvormer die
de kracht van de motor overbrengt op de versnellingsbak.
06
Een Powershift-versnellingsbak werkt verder
op dezelfde manier en heeft bedieningselementen en functies die vergelijkbaar zijn met
die van de automatische versnellingsbak
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
169
06 Starten en rijden
Automatische versnellingsbak
Geartronic, die in het voorgaande gedeelte
werd besproken.
Wanneer u niet zeker weet of uw auto wel of
niet is uitgerust met een Powershift-versnellingsbak, kunt u dit controleren aan de hand
van de aanduiding op sticker nr. (5) onder de
motorkap - zie pagina 302. De aanduiding ”MPS6” houdt in dat het om een
Powershift-bak gaat. Anders is het een
Geartronic-automaat.
Waar u op moet letten
De dubbele koppeling van de versnellingsbak
is voorzien van een overlastbeveiling die geactiveerd wordt, als de versnellingsbak te warm
wordt – bijvoorbeeld als u de auto te lang met
het gaspedaal stilhoudt op een oplopende helling.
06
170
Een te warme versnellingsbak uit zich in een
auto die gaat schudden en trillen, een waar-
schuwingssymbool dat gaat branden en een
melding op het informatiedisplay. Ook bij langzaam fileverkeer (10 km/h of lager) op oplopende hellingen of met een aanhanger/caravan
achter de auto kan de versnellingsbak te warm
worden. De versnellingsbak koelt af tijdens stilstand, wanneer het rempedaal bediend wordt
en de motor stationair loopt.
Oververhitting tijdens langzaam fileverkeer is te
voorkomen door in etappes te rijden: Sta stil en
wacht met uw voet op het rempedaal totdat de
afstand tot uw voorliggers lang genoeg is om
een stukje verder vooruit te rijden, rem en
wacht weer enige tijd met uw voet op het rempedaal.
BELANGRIJK
Bedien de bedrijfsrem om de auto stil te
houden op oplopende hellingen – maak
geen gebruik van het gaspedaal. De versnellingsbak kan dan oververhit raken.
Zie voor belangrijke informatie over de Powershift-bak en slepen - zie pagina 187.
Displaymelding en maatregel
In bepaalde situaties kan er een bepaalde melding op het display verschijnen in combinatie
met een brandend lampje.
De tabel schetst drie gevallen van oververhitting van de versnellingsbak met verschillende
ernstigheidsgraad. De elektronica waarschuwt
de bestuurder niet alleen met een displaymelding maar ook middels tijdelijke veranderingen
in het rijgedrag. Volg in het voorkomende geval
de aanwijzingen op het informatiedisplay.
06 Starten en rijden
Automatische versnellingsbak
Lampje
A
Display
Rijeigenschappen
Maatregel
TRANSM. TE HEET REM AF
Problemen om snelheid constant te houden bij hetzelfde toerental.
Versnellingsbak oververhit. Houd de auto
stil met het rempedaalA.
TRANSM. TE HEET VEILIG PARKEREN
Auto rijdt met hevige schokkerige bewegingen vooruit.
Versnellingsbak oververhit. Parkeer de
auto zo spoedig mogelijk.
KOELING VERSN.B. LAAT MOTOR
LOPEN
Geen aandrijving wegens oververhitting
van de versnellingsbak.
Versnellingsbak oververhit. Voor optimale
koeling: Laat de motor stationair lopen met
de keuzehendel in stand N of stand P, totdat de melding verdwijnt.
Voor optimale koeling: Laat de motor stationair lopen met de keuzehendel in stand N of stand P, totdat de melding verdwijnt.
N.B.
De voorbeelden in de tabel duiden niet op
defecten in de auto, maar geven aan dat een
beveiligingsfunctie geactiveerd werd om
schade aan autocomponenten te voorkomen.
WAARSCHUWING
Als u het waarschuwingssymbool met de
tekst TRANSM. TE HEET VEILIG
PARKEREN negeert, kan de versnellingsbaktemperatuur dusdanig oplopen dat de
krachtoverbrenging tussen de motor en de
versnellingsbak tijdelijk wordt verbroken om
te voorkomen dat de koppeling defect raakt
– de auto wordt dan niet meer aangedreven
totdat de versnellingsbaktemperatuur tot
een aanvaardbaar niveau is gedaald.
Voor andere displaymeldingen en de voorgestelde maatregelen bij auto’s met een automatische versnellingsbak, zie pagina 61.
06
Na uitvoering van de maatregel verdwijnt de
displaymelding automatisch. U kunt de melding ook eerder doen verdwijnen met een druk
op de knop READ van de richtingaanwijzerhendel.
171
06 Starten en rijden
DRIVe Start/Stop*
Algemene informatie
Start/Stop
Stiller en schoner
Met het Start/Stop-systeem kunt u actiever en
milieubewuster rijden doordat u de auto, wanneer nodig, uit de versnelling kunt halen en
automatische motorafslag kunt toestaan.
Intelligente oplaadvoorziening
Tijdens het afremmen op de motor wordt de
bewegingsenergie van de auto benut en omgezet in elektriciteit die in de startaccu van de
auto wordt opgeslagen.
Aangepaste stuurbekrachtiging
06
Milieuzorg vormt een van de kernwaarden van
Volvo Car Corporation en geeft richting aan al
onze activiteiten. Dit resulteerde in de DRIVeuitvoeringen: een concept bestaande in een
synergetisch geheel van uiteenlopende energiebesparende functies met als doel het brandstofverbruik te verlagen en daarmee ook de
uitlaatgasemissie te beperken.
De dieselmotor van uw auto is niet alleen
betrouwbaar en zuinig, maar heeft ook een
Start/Stop-systeem dat de motor afzet, wanneer u in een file staat of voor verkeerslichten
moet wachten – zie de gedetailleerde beschrijving op de volgende pagina.
De automatische startprocedure van de motor
verloopt dusdanig probleemloos, dat u nauwelijks merkt dat de motor niet liep. Het is alsof
de motor de hele tijd blijft draaien, maar dat
buitengewoon geruisloos doet en op een lager
stationair toerental.
1
172
Het aanbod verschilt per markt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Een andere DRIVe-functie behelst de aanpassing van de energiebehoefte van de stuurbekrachtiging. Door het gebruik van een energiebesparende functie en optimalisering kan de
energiebehoefte worden verlaagd, wanneer er
geen stuurbekrachtiging (hulp bij het verdraaien van het stuurwiel) nodig is.
Aerodynamische vormgeving
Het DRIVe-concept omvat tevens een verlaagd
chassis, een voor- en achterspoiler met een
lage luchtweerstand en speciaal ontwikkelde
velgen1.
06 Starten en rijden
DRIVe Start/Stop*
Functie en bediening
De displaymelding MOTOR
IN AUTO START en het brandende groene lampje herinneren u eraan – en attenderen u
erop – dat er automatische
motorafslag heeft plaatsgevonden.
N.B.
Na een reguliere sleutelstart en na iedere
auto-stop van de motor, dient de auto eerst
een snelheid van 5 km/h te hebben bereikt
voordat het automatische Start/Stop-systeem opnieuw geactiveerd kan worden –
bovendien moet aan andere voorwaarden
zijn voldaan (zie daarvoor onder “Auto-stop
motor werkt niet”).
Automatische motorstart
Met de schakelhendel in de neutrale stand:
Aan/Uit-knop en displaymelding AUTO STARTSTOP AAN.
Het Start/Stop-systeem wordt automatisch
geactiveerd, wanneer u de motor met een sleutel start. De bestuurder wordt op het systeem
geattendeerd door het brandende groene
lampje in de Aan/Uit-knop.
Alle normale autosystemen waaronder verlichting, radio e.d. werken ook bij een automatisch
afgezette motor normaal, zij het dat er mogelijk
tijdelijke beperkingen gelden voor bepaalde
uitrusting (zoals het geval kan zijn voor de ventilatorsnelheid van de klimaatregeling of het
volume van het audiosysteem).
Automatische motorafslag
Om de motor automatisch te laten afslaan,
moet de auto stilstaan. De Start/Stop-functie
accepteert echter langzaam rollen, overeenkomend met stapvoets rijden:
•
Zet de versnellingspookin de neutrale
stand en laat het koppelingspedaal opkomen. De motor slaat automatisch af.
• Bedien het koppelingspedaal. De motor
start automatisch.
of
• Bedien het gaspedaal. De motor start automatisch.
Bij een helling omlaag kan de motor ook op de
volgende manier automatisch worden gestart:
• Laat het rempedaal los en laat de auto
wegrollen. De motor start automatisch als
de snelheid hoger wordt dan stapvoets.
06
Na het starten van de motor:
• Schakel een passende versnelling in en
vervolg de rit.
Schakelindicator
Belangrijk voor een milieubewuste rijstijl is het
kiezen van de juiste versnelling en tijdig schakelen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
173
06 Starten en rijden
DRIVe Start/Stop*
Daarvoor beschikt u over de
schakelindicator (GSI (Gear
Shift Indicator)), die het optimale tijdstip voor op- en
terugschakelen aangeeft.
De indicator maakt gebruik
van een pijl omhoog of omlaag op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel.
Start/Stop-systeem deactiveren
Het Start/Stop-systeem blijft gedeactiveerd,
totdat het opnieuw geactiveerd wordt met de
knop of de volgende keer dat de motor wordt
gestart met de sleutel.
Beperkingen
Automatische motorafslag werkt niet
Ook als het Start/Stop-systeem geactiveerd is,
zal de automatische motorafslag niet werken
als:
• de bestuurder de veiligheidsgordel heeft
losgenomen;
• de auto niet helemaal stopt.
• u de auto achteruitgereden en uit de ach-
Automatische motorstart
Een motor die automatisch werd afgezet kan in
bepaalde gevallen automatisch worden gestart
voordat u hebt aangegeven de rit te willen
voortzetten. In de volgende gevallen wordt de
motor automatisch gestart ook al hebt u het
koppelingspedaal niet bediend om te kunnen
schakelen:
• De gordelsluiting van de bestuurder wordt
geopend.
• Er wordt condens gevormd op de ruiten;
• De buitentemperatuur zakt onder het vriespunt of komt boven de ca. 30 °C.
• Er wordt tijdelijk veel stroom afgenomen of
de capaciteit van de startaccu is onder de
toelaatbare ondergrens gezakt.
teruitversnelling gehaald hebt;
• de motor niet op de normale bedrijfstem-
• De auto begint sneller te rollen dan stap-
peratuur is;
06
Het informatiedisplay geeft hier aan dat het Start/
Stop-systeem uitgeschakeld is.
In bepaalde situaties is het
mogelijk beter om het automatische Start/Stop-systeem
tijdelijk te deactiveren. Dit is
mogelijk met een druk op
deze knop, waarbij het lampje
in de knop uitgaat.
Een melding die ca. 5 seconden op het informatiedisplay verschijnt, geeft aan dat het
Start/Stop-systeem gedeactiveerd is.
174
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
• de buitentemperatuur onder het vriespunt
voets.
• U bedient het rempedaal met pompende
of boven ca. 30 °C is.
bewegingen.
• de omstandigheden in de passagiersruimte afwijken van de ingestelde waarden
– wat te merken is aan het hoge toerental
van de interieurventilator;
• de capaciteit van de startaccu onder de
toelaatbare ondergrens is gedoken;
• de startaccu een temperatuur onder het
vriespunt of boven ca. 55 °C heeft.
WAARSCHUWING
Motorkap niet openen na een auto-stop van
de motor – een auto-start van de motor is
mogelijk. Om auto-start van de motor te
voorkomen bij een geopende motorkap:
•
Schakel naar een versnelling en zet de
parkeerrem aan.
06 Starten en rijden
DRIVe Start/Stop*
Geen automatische motorstart
Displaymelding
In de volgende gevallen vindt geen automatische motorstart plaats, nadat de motor automatisch werd afgezet:
Het Start/Stop-systeem kan in
bepaalde situaties aanleiding
geven tot displaymeldingen op het
informatiedisplay en een brandend
controlelampje. Bij enkele daarvan
moet een aanbevolen maatregel worden genomen. In de volgende tabel staan enkele voorbeelden.
• De bestuurder heeft de gordelsluiting
geopend – een displaymelding dringt er bij
u op aan om de motor op de normale wijze
te starten;
• Er is een versnelling ingeschakeld zonder
het koppelingspedaal te bedienen – een
displaymelding dringt er bij u op aan om de
schakelhendel in de neutrale stand te zetten en automatische motorstart mogelijk te
maken.
Melding
AUTO STARTSTOP AAN
Blijft
ca. 5 seconden
branden na activering van Start/Stop.
AUTO STARTSTOP UIT
Blijft
ca. 5 seconden
branden na deactivering van Start/
Stop.
Onvoorziene motoruitval
Doe het volgende als de automatische motorstart mislukt en de motor uitvalt:
1. Bedien het koppelingspedaal nogmaals –
de motor wordt automatisch gestart nadat
u de schakelhendel in de neutrale stand
hebt gezet. Daarvóór verschijnt op het
informatiedisplay de melding STAND N
KIEZEN OM TE STARTEN.
Melding
DRAAI SLEUTEL
OM TE STARTEN
Geen automatische
motorstart mogelijkA – voer een reguliere sleutelstart uit.
STAND N KIEZEN
OM TE STARTEN
Zet de versnellingspook in de neutrale
standB.
A
B
TRAP KOPPELING
IN OM TE STARTEN
De motor is gereed
voor automatische
start – wacht op
bediening van de
koppeling.
AUTO STARTSTOP SERVICE
VEREIST
Start/Stop-functie
buiten werking.
Neem contact op
met een werkplaats.
Verschijnt als bijvoorbeeld de veiligheidsgordel wordt losgemaakt na automatische motorafslag.
Verschijnt als na automatische motorafslag een versnelling
wordt ingeschakeld zonder te ontkoppelen.
Als een melding na het nemen van de maatregel niet verdwijnt, neemt u contact op met een
werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats, ook voor alle technische
ondersteuning die u verder nodig hebt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
06
175
06 Starten en rijden
Remsysteem
Rembekrachtiging
Als de auto rolt of wordt gesleept met een uitgeschakelde motor, moet u ongeveer vijfmaal
zoveel druk uitoefenen op het rempedaal als
wanneer de motor loopt. Als u bij het starten
van de motor op het rempedaal trapt, kan het
rempedaal iets omlaagkomen. Dit is volkomen
normaal omdat de rembekrachtiging geactiveerd wordt. Bij een auto met EBA (Emergency
Brake Assistance) kan dit nog duidelijker te
merken zijn.
WAARSCHUWING
De rembekrachtiging werkt alleen, als de
motor loopt.
N.B.
06
176
Als geremd moet worden met een uitgeschakelde motor, trap dan eenmaal hard en
resoluut op het rempedaal – dus niet pompen.
Remkringen
Het nevenstaande symbool licht
op, wanneer er een remkring
defect is.
Als er een storing in een van de
remkringen optreedt, is remmen nog steeds
mogelijk. U moet het rempedaal echter verder
intrappen en het pedaal kan minder stug aanvoelen. U moet harder op het pedaal trappen
om de normale remkracht te verkrijgen.
Vocht kan de remeigenschappen
beïnvloeden
Door opspattend water (bij hevige regenval, in
waterplassen of tijdens een wasbeurt) worden
de onderdelen van het remsysteem nat. Daardoor kunnen de wrijvingseigenschappen van
de remblokken gewijzigd worden, zodat u een
bepaalde verlenging van de aanspreekduur
van de remmen kunt merken.
Trap zo nu en dan lichtjes op het rempedaal,
als u lange afstanden in de regen of sneeuwmodder aflegt. Doe dit ook bij zeer vochtig of
koud weer. Op die manier verwarmt u de remblokken waardoor het vocht verdampt. Deze
procedure is ook aan te raden voordat u de
auto voor langere tijd in dergelijke weersomstandigheden parkeert.
Als de remmen zwaar belast worden
De remmen van de auto worden zwaar belast,
wanneer u in de bergen of op wegen met vergelijkbare niveauverschillen rijdt; zelfs als u niet
bijzonder hard op het rempedaal trapt.
Omdat de snelheid in dergelijke omstandigheden vaak laag is, worden de remmen niet even
goed gekoeld als bij snelle ritten op vlakke
wegen.
Om de remmen niet overmatig te belasten,
kunt u tijdens het afdalen beter terugschakelen
dan het rempedaal gebruiken. Gebruik
dezelfde versnelling die u zou gebruiken wanneer u een helling oprijdt. Op die manier kunt u
beter op de motor afremmen en hoeft u de rem
slechts korte tijd te gebruiken.
Let erop dat u de remmen nog meer belast,
wanneer u met een aanhanger rijdt.
Antiblokkeerremsysteem, ABS
Het ABS (Anti-lock Braking System) voorkomt dat de wielen tijdens het remmen geblokkeerd
raken.
Zo blijft de auto bestuurbaar, waardoor het bijvoorbeeld makkelijker is om obstakels te ontwijken.
06 Starten en rijden
Remsysteem
Wanneer u na het starten van de motor wegrijdt
en een snelheid van ca. 20 km/h hebt bereikt,
gaat er een korte zelftest van het ABS van start.
Dit kunt u zowel horen als voelen aan de pulsaties in het rempedaal.
Om het ABS maximaal te benutten:
1. Trap zo hard. Mogelijk op het rempedaal
(er zijn pulsaties voelbaar).
2. Stuur de auto in de rijrichting. Blijf druk op
het rempedaal uitoefenen.
Aarzel niet om op een terrein zonder verkeer te
testen hoe het ABS in verschillende weersomstandigheden reageert.
Remkrachtverhoging bij noodstops,
EBA
Het EBA (Emergency Brake Assist) is dusdanig
geconstrueerd dat u, wanneer u krachtig moet
remmen, altijd meteen het maximale remvermogen kunt afnemen. Het systeem registreert
het moment waarop u krachtig wilt afremmen
door de snelheid te meten waarmee u het rempedaal bedient.
Breng gedurende de totale remmanoeuvre
evenveel druk aan op het rempedaal – het systeem wordt uitgeschakeld, wanneer u de druk
van het rempedaal haalt.
Het systeem is altijd actief. U kunt het dan ook
niet uitschakelen.
WAARSCHUWING
Als de waarschuwingslampjes voor het
remsysteem en ABS tegelijkertijd branden,
kan er een storing in het remsysteem zijn
opgetreden. Als het remvloeistofpeil in dat
geval in orde is, moet u de auto voorzichtig
naar de dichtstbijzijnde erkende werkplaats
rijden om het remsysteem te laten controleren – een erkende Volvo-werkplaats wordt
geadviseerd.
Als de remvloeistof onder het MIN-streepje
van het reservoir staat, mag u niet verder
rijden voordat u remvloeistof hebt bijgevuld.
remt. Daarbij knipperen de remlichten in plaats
van dat ze continu branden, zoals bij normaal
remmen.
De noodremlichten worden geactiveerd bij
snelheden hoger dan 50 km/h als het ABS
actief is en/of bij krachtig remmen. Wanneer de
auto is afgeremd tot een rijsnelheid lager dan
10 km/h, gaan de remlichten continu branden
in plaats van te knipperen. Ondertussen worden de alarmlichten geactiveerd en deze blijven knipperen totdat u het motortoerental met
het gaspedaal wijzigt of de alarmlichten uitschakelt met de bijbehorende knop, zie
pagina 78.
Controleer tevens de oorzaak van het remvloeistofverlies.
N.B.
06
Wanneer het EBA geactiveerd wordt, zakt
het rempedaal iets verder omlaag dan normaal. Bedien het rempedaal zolang dat
nodig is. Zodra u het rempedaal loslaat,
worden de remmen volledig gelost.
Noodremlichten en automatische
alarmlichten
De noodremlichten worden geactiveerd om
achterliggers erop te attenderen dat u krachtig
177
06 Starten en rijden
DSTC (stabiliteits- en tractieregeling)*
Algemene informatie
Beperkte functie
wordt eveneens verbeterd, omdat er dan geen
beperkingen meer gelden voor de te geven
hoeveelheid gas.
De stabiliteits- en tractieregeling DSTC
( (Dynamic Stability and Traction Control)) helpt
de bestuurder voorkomen dat de wielen doorslippen en verbetert de tractie van de auto.
Bediening
1. Draai aan het duimwiel totdat het menu
DSTC wordt geopend.
Bij een ingreep van het systeem kunnen er
merkbare pulsaties optreden in het rem- of
gaspedaal. Tijdens het gas geven kan de auto
langzamer optrekken dan u verwacht.
DSTC AAN SPIN CONTROL AAN betekent dat de werking van het systeem ongewijzigd is.
Antislipregeling
Antispinregeling
Deze regeling voorkomt dat de aangedreven
wielen tijdens het optrekken doorslippen.
06
Tractieregeling
Deze regeling is actief op lage snelheden en
brengt de aandrijfkracht van een slippend aandrijfwiel over op een aandrijfwiel dat niet slipt.
1
178
G029057
Deze regeling beperkt de aandrijfkracht en
remkracht van elk van de afzonderlijke wielen
om de auto op die manier te stabiliseren.
Bediening en informatiedisplay.
Duimwiel1
Knop RESET1
Iedere keer dat u de auto start, wordt de stabiliteitsregeling automatisch geactiveerd.
Het is mogelijk de werking van het systeem te
beperken, wanneer de wielen doorslippen en u
gas geeft. Het systeem grijpt bij doorslippende
wielen dan later in, zodat er een hogere mate
van doorslippen mogelijk is. Dit levert een grotere bedieningsvrijheid op bij dynamisch rijden.
De aandrijving in diepe lagen sneeuw of zand
Niet in gebruik bij auto’s zonder boordcomputer, brandstofkachel of stabiliteits- en tractieregeling.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
DSTC SPIN CONTROL UIT betekent dat
er beperkingen gelden voor de werking van
het systeem.
2. Houd de knop RESET ingedrukt totdat het
menu DSTC zich wijzigt.
Er blijven beperkingen gelden voor het systeem, totdat u de motor afzet – de volgende keer dat u de motor start, staat het
DSTC weer in de normale stand.
WAARSCHUWING
Er kunnen wijzigingen optreden in de rijeigenschappen van de auto, als de werking
van het systeem wordt beperkt.
06 Starten en rijden
DSTC (stabiliteits- en tractieregeling)*
N.B.
DSTC AAN SPIN CONTROL AAN verschijnt iedere keer dat u de motor start
enkele seconden op het display.
Meldingen op informatiedisplay
Lampjes op instrumentenpaneel
DSTC-systeem
Informatie
TRACTIECONTROLE TIJDELIJK UIT geeft
aan dat de functie van de regeling tijdelijk
beperkt is wegens een te hoge remtemperatuur.
Als de lampjes
–
• Lees de melding op het informatiedisplay.
De regeling wordt automatisch opnieuw
ingeschakeld, wanneer de remmen weer
zijn afgekoeld.
ANTI-SKID SERVICE VEREIST betekent dat
het systeem wegens een storing werd uitgeschakeld.
–
Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en zet de motor af.
> Als de melding een volgende keer dat u
motor start opnieuw verschijnt, rijd de
auto dan naar een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
en
Als alleen het lampje
het volgende:
gelijktijdig branden:
oplicht, betekent dat
• Een knipperend lampje geeft aan dat het
DSTC op dat moment ingrijpt.
• Een symbool dat 2 seconden brandt geeft
06
aan dat de systeemtest bij het starten van
de motor loopt.
• Een lampje dat na het starten van de motor
of tijdens het rijden oplicht duidt op een
storing in het DSTC-systeem.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
179
06 Starten en rijden
Parkeerhulp*
Algemene informatie over Parkeerhulp
Varianten
Parkeerhulp is verkrijgbaar in twee varianten:
• Park Assist aan de achterzijde.
• Park Assist aan de voor- en achterzijde.
Functie
Hoe dichter u het obstakel achter of voor de
auto nadert, des te sneller volgen de geluidssignalen elkaar op. Wanneer u ondertussen
een andere geluidsbron van het audiosysteem
beluistert, wordt het volume daarvan tijdelijk
verlaagd.
Parkeerhulp voor- en achterzijde.
06
De Park Assist is bedoeld als hulpmiddel tijdens het parkeren. Geluidssignalen geven de
afstand tot een waargenomen obstakel aan.
Bij een afstand van ca. 30 cm bestaat het
geluidssignaal uit een ononderbroken toon. Als
er zowel voor als achter de auto obstakels binnen deze afstand liggen, komen de geluidssignalen beurtelings uit de luidsprekers aan linkeren rechterzijde.
Parkeerhulp aan de achterzijde
WAARSCHUWING
Hoewel de Park Assist handig is bij het parkeren, bent u nog altijd schadeplichtig bij
eventuele fouten. Wanneer er obstakels in
de dode hoeken van de sensoren zitten, zal
het systeem ze niet kunnen ontdekken.
Houd kinderen en dieren in de buurt van de
auto in de gaten.
Het systeem wordt bij het starten van de motor
automatisch ingeschakeld.
Parkeerhulp aan de achterzijde wordt geactiveerd bij het inschakelen van de achteruitversnelling en de melding Parkeerhulp actief
EXIT: deactiveren wordt weergegeven op het
display van het audiosysteem.
Als het systeem uitgeschakeld is, verschijnt op
het display de melding Parkeerhulp
180
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
uitgeschakeld ENTER: activeren zodra u de
achteruitversnelling inschakelt. Voor het wijzigen van de instelling, zie pagina 90.
Het meetbereik strekt tot ca. 1,5 m recht achter
de auto. De geluidssignalen komen uit de luidsprekers achterin.
Beperkingen
Bij het achteruitrijden met bijvoorbeeld een
aanhanger achter de auto of een fietsdrager op
de trekhaak moet u het systeem uitschakelen.
Als u dat niet doet, reageren de sensoren op
de aanhanger of fietsdrager.
N.B.
Park Assist aan de achterzijde wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u een aanhanger achter de auto hebt hangen die met
een originele aanhangerkabel van Volvo
aangesloten is.
06 Starten en rijden
Parkeerhulp*
Parkeerhulp aan voor- en achterzijde
Het meetbereik strekt tot ca. 0,8 m recht voor
de auto. De geluidssignalen bij obstakels vóór
de auto komen uit de luidsprekers voorin.
Beperkingen
Het is niet mogelijk Park Assist te combineren
met verstralers, omdat de sensoren op de verstralers reageren.
Park Assist aan de achterzijde
Park Assist aan de achterzijde wordt geactiveerd bij het inschakelen van de achteruitversnelling.
Het meetbereik strekt tot ca. 1,5 m recht achter
de auto. De geluidssignalen bij obstakels achter de auto komen uit de luidsprekers achterin.
Aan/Uit-knop (positie van de knop afhankelijk van
de overige uitrusting).
Bij het starten van de motor wordt het systeem
automatisch geactiveerd wat wordt aangegeven door het brandende lampje in de Aan/Uitknop. Wanneer u de Park Assist met deze knop
uitschakelt, dooft het lampje.
Park Assist aan de voorzijde
De Park Assist aan de voorzijde is actief bij
snelheden tot 15 km/h. Bij hogere snelheden
wordt het systeem gedeactiveerd. Het systeem wordt opnieuw geactiveerd bij snelheden
lager dan 10 km/h.
BELANGRIJK
In bepaalde omstandigheden kan Park
Assist ten onrechte waarschuwingssignalen
afgeven. Dit komt door externe geluidsbronnen met ultrasone geluidssignalen van
dezelfde frequentie als de sensoren van het
systeem.
Voorbeelden van dergelijke geluidsbronnen
zijn onder meer claxons, natte banden op
asfaltwegen, luchtdrukremmen en uitlaten
van motorfietsen e.d.
Sensoren schoonmaken
Beperkingen
Zie het voorgaande gedeelte Parkeerhulp aan
de achterzijde.
06
Aanduiding voor systeemstoringen
Als het informatiesymbool continu
brandt en op het display de melding PARKEERHULP SERVICE
VEREIST verschijnt, dan is Park
Assist defect. Neem voor service
contact op met een werkplaats – geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Sensoren voor Park Assist.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
181
06 Starten en rijden
Parkeerhulp*
De sensoren werken alleen naar behoren, wanneer u ze regelmatig schoonmaakt met water
en autoshampoo.
N.B.
Vuil, sneeuw en ijs op de sensoren kunnen
ten onrechte aanleiding geven tot waarschuwingssignalen.
06
182
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
06 Starten en rijden
BLIS* – Blind Spot Information System
Algemene informatie
BLIS is een informatiesysteem dat de bestuurder in bepaalde omstandigheden waarschuwt,
wanneer er zich een voertuig in de zogeheten
dode hoek bevindt en in dezelfde richting rijdt.
Dode hoeken
Het systeem werkt het best in druk verkeer op
meerbaanswegen.
BLIS is gebaseerd op cameratechniek. De
camera’s (1) zitten onder de buitenspiegels.
G020295
Wanneer een camera een voertuig heeft waargenomen in de dode hoek, licht een controlelampje (2) op dat continu blijft branden.
Buitenspiegel met BLIS-systeem.
BLIS-camera
Controlelampje
BLIS-symbool
WAARSCHUWING
Het systeem vormt een aanvulling op – geen
vervanging voor – een veilige rijstijl en het
gebruik van de buitenspiegels. De bestuurder moet altijd oplettend en verantwoord
blijven rijden. De bestuurder is er altijd verantwoordelijk voor dat er op een veilige
manier van rijstrook wordt gewisseld.
N.B.
Het lampje gaat branden aan die kant van
de auto waar het voertuig is waargenomen.
Als de auto aan weerszijden wordt ingehaald, gaan dan ook beide lampjes branden.
BLIS informeert de bestuurder bij een fout in
het systeem. Als de camera’s van het systeem
bijvoorbeeld zijn afgedekt, knippert het controlelampje voor BLIS en verschijnt er een melding op het display van het informatiepaneel.
Controleer de cameralenzen in dat geval en
maak ze zo nodig schoon. U kunt het systeem
tijdelijk uitschakelen met een druk op de knop
BLIS, zie pagina 184.
A = ca. 3,0 m, B = ca. 9,5 m.
Wanneer BLIS werkt
Het systeem is alleen actief bij snelheden hoger
dan 10 km/h.
06
Inhalen
Het systeem reageert als het snelheidsverschil
tussen u en het ingehaalde voertuig kleiner is
dan 10 km/h.
Het systeem reageert als het snelheidsverschil
tussen u en het inhalende voertuig kleiner is
dan 70 km/h.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
183
06 Starten en rijden
BLIS* – Blind Spot Information System
WAARSCHUWING
BLIS werkt niet in scherpe bochten.
BLIS werkt niet wanneer u achteruitrijdt.
Een brede aanhanger achter de auto kan het
zicht ontnemen op andere voertuigen op
aangrenzende rijstroken. Dit kan ertoe leiden dat BLIS geen voertuigen in dit afgeschermde gebied kan waarnemen.
Daglicht en donker
WAARSCHUWING
Het systeem reageert niet op fietsers en
bromfietsers.
De BLIS-camera’s kennen ongeveer
dezelfde beperkingen als het menselijk oog.
Dit houdt in dat ze bijvoorbeeld minder goed
“zien” bij hevige sneeuwval, fel tegenlicht en
dichte mist.
Activeren/deactiveren
Bij daglicht reageert het systeem op de contouren van omringende voertuigen. Het systeem is geconstrueerd om motorvoertuigen
zoals auto’s, vrachtwagens, bussen en motorfietsen waar te nemen.
06
Bij donker reageert het systeem op de koplampen van omringende voertuigen. Als een voertuig de koplampen niet heeft ontstoken, zal het
systeem dit voertuig dan ook niet kunnen waarnemen. Dit houdt in dat het systeem bijvoorbeeld niet reageert op een aanhanger achter
een auto of vrachtwagen, omdat daar geen
brandende koplampen op zitten.
Aan/Uit-knop (positie van de knop afhankelijk van
de overige uitrusting).
BLIS wordt bij het starten van de motor automatisch geactiveerd. De controlelampjes op
de portierpanelen lichten driemaal op bij het
activeren van BLIS.
184
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
U kunt het systeem deactiveren/heractiveren
door op de knop BLIS te drukken.
Het lampje in de knop dooft, wanneer het BLIS
gedeactiveerd wordt. Er verschijnt bovendien
een displaymelding op het instrumentenpaneel.
Bij het heractiveren van BLIS brandt het lampje
in de knop, verschijnt er een nieuwe displaymelding en lichten de controlelampjes op de
portieren driemaal op. Druk op de knop
READ om de displaymelding te laten verdwijnen. Voor meer informatie over de meldingsfuncties, zie pagina 61.
06 Starten en rijden
BLIS* – Blind Spot Information System
Systeemmeldingen BLIS
Displaymelding
Betekenis
BLIS AAN
BLIS-systeem geactiveerd.
BLIS WERKING
GEREDUCEERD
Beperkte gegevensoverdracht tussen
de camera van het
BLIS-systeem en
het elektrische systeem van de auto.
De camera wordt
automatisch gereset, wanneer de
gegevensoverdracht tussen de
camera van het
BLIS-systeem en
het elektrische systeem van de auto
weer normaal wordt.
BLIS CAMERA
GEBLOKKEERD
Een of meer
camera’s – maak de
lenzen schoon.
Displaymelding
Betekenis
BLIS SERVICE
VEREIST
BLIS werkt niet –
neem contact op
met een werkplaats.
BLIS UIT
BLIS-systeem uitgeschakeld.
BELANGRIJK
Laat reparaties van de onderdelen van het
BLIS-systeem over aan een werkplaats –
geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
Schoonmaken
BLIS werkt alleen optimaal, als de lenzen van
de BLIS-camera’s schoon zijn. U kunt de lenzen schoonmaken met een zachte doek of een
vochtige spons. Maak de lenzen voorzichtig
schoon om krassen te voorkomen.
Beperkingen
Soms kan het controlelampje voor BLIS oplichten zonder dat u voertuigen in de dode hoeken
kunt waarnemen.
N.B.
Als het BLIS-controlelampje zo nu en dan
gaat branden terwijl er geen ander voertuig
in de dode hoek aanwezig is, betekent dit
niet dat er een storing is opgetreden in het
systeem.
Bij een storing in het BLIS-systeem toont
het display de tekst BLIS SERVICE
VEREIST.
Hier volgen enkele afbeeldingen van situaties
waarin het controlelampje voor BLIS kan gaan
branden, hoewel er zich geen voertuigen in de
dode hoek bevinden.
06
BELANGRIJK
De lenzen zijn elektrisch verwarmd om ze
van sneeuw en ijs te kunnen ontdoen. Veeg
zo nodig sneeuw van de lenzen af.
Reflecties op een glad en nat wegdek.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
185
06 Starten en rijden
G018177
BLIS* – Blind Spot Information System
Eigen schaduwen op grote, lichtgekleurde en
gladde oppervlakken zoals geluidsschermen of
betonnen wegen.
Laag staande zon in de camera.
06
186
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
06 Starten en rijden
Slepen en bergen
Starten met hulpaccu
WAARSCHUWING
Gebruik een hulpaccu als de startaccu dusdanig ontladen is dat de motor niet kan worden
gestart. Probeer de motor niet aan te slepen,
zie pagina 190.
•
•
BELANGRIJK
De katalysator kan beschadigd raken als u
de auto probeert aan te slepen.
•
Het stuurslot moet eraf zijn gehaald
voordat er wordt gesleept. Het slot blijft
in de positie die het had toen de spanning werd onderbroken.
De transpondersleutel moet in sleutelstand II staan. In stand I zijn alle airbags
gedeactiveerd.
Haal nooit de sleutel uit het contactslot
als de auto wordt gesleept.
Slepen
N.B.
Kijk voordat u de auto gaat slepen wat de wettelijke maximumsnelheid voor slepen is.
Als de accu van de auto uitgeput is, moet u
voordat u de auto kunt wegslepen het stuurslot opheffen.
1. Draai de transpondersleutel naar stand II
en hef het stuurslot op zodat de auto
bestuurbaar is, zie pagina 161.
WAARSCHUWING
2. Laat de sleutel tijdens het slepen in het
contactslot zitten.
De rembekrachtiging en de stuurbekrachtiging werken niet wanneer de motor uitgeschakeld is. U moet ongeveer vijfmaal zo
hard op het rempedaal trappen en de auto
stuurt aanzienlijk zwaarder dan normaal.
3. Houd, wanneer de slepende auto afremt,
de sleepkabel altijd strak door met uw voet
lichte druk op het rempedaal uit te oefenen
– zo voorkomt u schokken.
4. Sta klaar om te remmen om de auto tot
stilstand te brengen.
Handgeschakelde versnellingsbak
Alvorens te slepen:
–
Zet de versnellingspook in de neutrale
stand en los de handrem.
Automatische versnellingsbak
Geartronic
Alvorens te slepen:
–
Zet de keuzehendel in stand N en los de
handrem.
BELANGRIJK
Let erop dat u de auto altijd dusdanig wegsleept dat de wielen in de rijrichting draaien.
•
De snelheidslimiet voor het wegslepen
van een auto met automatische versnellingsbak is 80 km/h. U mag de auto over
een afstand van maximaal 80 km verslepen.
Automatische versnellingsbak
Powershift
Bij het model met Powershift-versnellingsbak
moet de motor lopen voor voldoende smering
van de versnellingsbak en daarom mag dit
model niet worden gesleept. Als de auto toch
moet worden gesleept, dan dient dit over een
zo kort mogelijke afstand en op zeer lage snelheid te gebeuren.
06
Wanneer u niet zeker weet of uw auto wel of
niet is uitgerust met een Powershift-versnellingsbak, kunt u dit controleren aan de hand
van de aanduiding op sticker nr. (5) onder de
motorkap - zie pagina 302. De aanduiding
187
06 Starten en rijden
Slepen en bergen
“MPS6” houdt in dat het om een Powershiftbak gaat. Anders is het een Geartronic-bak.
Sleepoog
• Bij de andere versie zit er een markering
BELANGRIJK
langs de ene zijde of in een hoek: Duw
met uw vinger op deze markering terwijl
u de tegenoverliggende zijde/hoek met
een muntstuk of iets dergelijks openklapt – de afdekking klapt rond de middellijn open en kan vervolgens worden
verwijderd.
Vermijd slepen.
06
•
Een auto die op een gevaarlijke plek in
het verkeer staat, mag echter over een
korte afstand (tot 10 km) en op lage
snelheid (tot 10 km/h) worden versleept.
Berg de auto altijd zo dat de wielen in
de rijrichting draaien.
•
Om de auto over afstanden groter dan
10 km te verslepen, dienen de aangedreven wielen geheven te worden – het
wordt geadviseerd een professioneel
bergingsbedrijf in te schakelen.
Schroef het sleepoog tot aan de flens naar
binnen. Draai het oog stevig vast met bijvoorbeeld een wielsleutel.
Alvorens te slepen:
Het sleepoog dient te worden vastgeschroefd
in een draadbus achter een afdekking in de
bumper, voor of achter.
–
Sleepoog monteren
Zet de keuzehendel in stand N en los de
handrem.
Neem het sleepoog (1) erbij dat onder het
vloerluik in de bagageruimte ligt.
De afdekking op het bevestigingspunt voor
het sleepoog bestaat in twee versies die op
verschillende manieren moeten worden
geopend:
• U opent de versie met een uitsparing
door een muntstuk of iets dergelijks in
de uitsparing aan te brengen en de
188
afdekking los te werken. Klap de afdekking daarna helemaal los en verwijder
deze.
Draai het sleepoog na gebruik los en leg
het weer op zijn plek.
Plaats de afdekking tot slot weer in de
bumper terug.
BELANGRIJK
Het sleepoog is alleen bedoeld voor het slepen over de weg en niet geschikt voor berging wanneer de auto bijvoorbeeld in een
sloot is gereden of vast is komen te zitten.
Roep professionele hulp in voor berging.
06 Starten en rijden
Slepen en bergen
N.B.
Bij sommige auto’s met een afneembare
trekhaak kunt u het sleepoog niet in de achterste bevestiging aanbrengen, wanneer het
kogelsegment gemonteerd is. Bevestig de
sleepkabel in dat geval aan de trekhaak.
Om die reden wordt geadviseerd het kogelsegment van de afneembare trekhaak in de
auto te bewaren, wanneer u de trekhaak niet
nodig hebt (zie pagina 194).
Bergen
Roep professionele hulp in voor berging.
Berg de auto altijd zo dat de wielen in de rijrichting draaien.
BELANGRIJK
Auto’s met een automatische versnellingsbak mogen alleen worden geborgen met de
aangedreven wielen geheven.
06
189
06 Starten en rijden
Starten met hulpaccu
Starten met een hulpaccu
afzetten en ervoor zorgen dat de beide
auto’s elkaar niet raken.
4. Bevestig de ene klem van de rode startkabel aan de pluspool (1) van de hulpaccu.
BELANGRIJK
Wees voorzichtig bij het aansluiten van de
startkabels om kortsluiting met andere
onderdelen in de motorruimte te voorkomen.
5. Bevestig de andere klem van de rode startkabel aan de pluspool (2) van de auto.
BELANGRIJK
Raak de aansluitingen niet aan tijdens de
startpoging. Er bestaat namelijk gevaar voor
vonkvorming.
11. Verwijder de startkabels in omgekeerde
volgorde - eerst de zwarte kabel en daarna
de rode.
> Zorg dat geen van de aansluitklemmen
aan de zwarte startkabel contact kan
maken met de pluspool van de accu of
met de aangesloten klem van de rode
startkabel.
6. Bevestig de ene klem van de zwarte startkabel aan de minpool (3) van de hulpaccu.
Als de startaccu uitgeput is, kunt u de auto
starten met stroom van een hulpaccu.
06
Als u een hulpaccu gebruikt bij het starten
wordt geadviseerd de volgende stappen aan te
houden om kortsluiting en andere schade te
voorkomen:
1. Draai de transpondersleutel naar sleutelstand 0.
190
7. Bevestig de andere klem aan een massapunt, bijv. de linker veerpoot (4).
8. Controleer of de aansluitklemmen van de
startkabels goed vastzitten om te voorkomen dat er tijdens de startpoging vonken
ontstaan.
2. Controleer of de hulpaccu een spanning
van 12 V levert.
9. Start de motor van de “hulpauto” en laat
deze enkele minuten draaien op een toerental dat iets hoger ligt dan normaal,
ca. 1500 omw/min.
3. Als de hulpaccu in een andere auto is
gemonteerd, moet u de motor van die auto
10. Start de motor in de auto met de uitgeputte
accu.
WAARSCHUWING
•
De startaccu kan het zeer explosieve
knalgas produceren. Eén enkele vonk,
veroorzaakt door een onjuiste aansluiting van een startkabel, kan volstaan om
de accu tot ontploffing te brengen.
•
De startaccu bevat tevens zwavelzuur
dat ernstige chemische brandwonden
kan veroorzaken.
•
Als u accuzuur in uw ogen krijgt of op
uw huid of kleren morst, moet u onmiddellijk met grote hoeveelheden water
spoelen. Neem onmiddellijk contact op
met een arts, als u accuzuur in uw ogen
krijgt.
06 Starten en rijden
Starten met hulpaccu
Zie voor meer informatie over de startaccu van
de auto - zie pagina 243.
06
191
06 Starten en rijden
Rijden met een aanhanger
Algemene informatie
Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar
gewicht van de auto. Het laadvermogen dient
te worden verminderd met de som van het
gewicht van eventuele inzittenden en dat van
gemonteerde accessoires, zoals een trekhaak.
Voor gedetailleerde informatie over de gewichten, zie pagina 305.
Als de trekhaak in een erkende Volvo-werkplaats wordt gemonteerd, is de auto bij aanlevering voorzien van de benodigde randuitrusting voor het gebruik van een aanhanger/caravan.
• De trekhaak van de auto moet van een
goedgekeurd type zijn.
•
06
Bij montage achteraf moet u contact opnemen met een erkende Volvo-werkplaats
om te controleren of uw auto van de nodige
uitrusting is voorzien om met een aanhanger/caravan te kunnen rijden.
• Verdeel de lading in de aanhanger/caravan
dusdanig dat de druk op de trekhaak de
maximale kogeldruk niet overschrijdt.
• Verhoog de bandenspanning tot de aanbevolen druk bij maximale belading. Voor
de positie van de bandenspanningstabel,
zie pagina 208.
1
192
• Maak de trekhaak regelmatig schoon en
vet de kogel1 van tijd tot tijd in.
• Bij het gebruik van een aanhanger/caravan
wordt de motor zwaarder belast dan normaal.
• Rijd niet met een zware aanhanger, wanneer de auto nog helemaal nieuw is. Wacht
hiermee totdat de auto ten minste
1000 kilometer heeft gereden.
• Bij het afdalen op lange en steile hellingen
worden de remmen veel zwaarder belast
dan normaal. Schakel dan terug naar een
lagere versnelling en pas uw snelheid aan.
• Vermijd hellingen met een percentage van
meer dan 12 % bij het gebruik van een
aanhanger/caravan.
• Om veiligheidsredenen dient u de toelaatbare maximumsnelheid voor auto’s met
een aanhanger/caravan niet te overschrijden. Neem de geldende bepalingen ten
aanzien van de toelaatbare snelheden en
gewichten in acht.
• Houd een lage snelheid aan, wanneer u
met een aanhanger/caravan achter de auto
een lange en steile helling oprijdt.
Geldt niet voor de kogel bij gebruik van een aanhangerkoppeling met trillingsdemper.
Aanhangergewichten
Voor informatie over de aanhangergewichten
die Volvo toestaat, zie pagina 305.
N.B.
De aangegeven maximaal toelaatbare aanhangergewichten zijn door Volvo bepaald.
Let erop dat er op grond van de wetgeving
voor motorvoertuigen in uw land verdere
beperkingen van het aanhangergewicht en
de snelheid kunnen gelden. Het is bovendien mogelijk dat de trekhaak gespecificeerd is voor hogere gewichten dan het
maximaal toelaatbare aanhangergewicht
van de auto.
WAARSCHUWING
Houd u aan de opgegeven aanbevelingen
voor het aanhangergewicht. De aanhanger
en de auto kunnen anders moeilijk bestuurbaar worden tijdens uitwijk- en remmanoeuvres.
06 Starten en rijden
Rijden met een aanhanger
Handgeschakelde versnellingsbak
Oververhitting
Bij het slepen van een aanhanger/caravan in
heuvelachtig terrein bestaat er mogelijk gevaar
voor oververhitting.
• Laat de motor geen hogere toeren maken
dan 4500 omw/min (3500 omw/min bij dieselmotoren), omdat de olietemperatuur
anders te hoog kan oplopen.
Dieselmotor 5-cil.
• Als de motor oververhit dreigt te raken,
verschijnt er een melding op het instrumentenpaneel met het advies terug te
schakelen – volg het advies op.
Steile hellingen
• Blokkeer een automatische versnellingsbak niet met een hogere versnelling dan de
motor “aankan” – rijden in een hoge versnelling bij een laag motortoerental is niet
altijd zuinig.
BELANGRIJK
Zie tevens de specifieke informatie over
langzaam rijden met een aanhanger voor
auto’s met een automatische versnellingsbak van het type Powershift op pagina
170.
Op een helling parkeren
• Bij gevaar voor oververhitting dient u het
1. Trap het rempedaal in.
optimale motortoerental van 2300–3000
omw/min aan te houden voor optimale
koelvloeistofcirculatie.
2. Trek de handrem aan.
3. Zet de keuzehendel in de parkeerstand P.
4. Haal uw voet van het rempedaal.
Automatische versnellingsbak
Oververhitting
06
• Zet de keuzehendel in de parkeerstand P,
wanneer u een automaat met aanhanger
parkeert. Gebruik altijd de handrem.
Bij het slepen van een aanhanger/caravan in
heuvelachtig terrein bestaat er mogelijk gevaar
voor oververhitting.
• Gebruik wielblokken, als u een auto met
• Een automatische versnellingsbak kiest
Op een helling wegrijden
altijd de juiste versnelling voor de motorbelasting en het motortoerental.
4. Haal uw voet van het rempedaal en rijd
weg.
aanhanger op een steile helling parkeert.
1. Trap het rempedaal in.
2. Zet de keuzehendel in de rijstand D.
3. Los de handrem.
193
06 Starten en rijden
Trekhaak*
Trekhaak
Aanhangerkabel
Trekhaak opbergen
Als de auto is uitgerust met een afneembare
trekhaak, moeten de montagevoorschriften
voor het bevestigen van het afneembare
gedeelte zorgvuldig worden opgevolgd, zie
pagina 196.
WAARSCHUWING
06
Volg de montage-instructies nauwkeurig op.
•
Zorg dat het afneembare gedeelte met
de sleutel vergrendeld is voordat u
begint te rijden.
•
Controleer of het controlevenster groen
van kleur is.
Belangrijke controlepunten
• U moet de kogel van de trekhaak regelmatig schoonmaken en met vet insmeren.
N.B.
Wanneer u een trekhaak met trillingsdemper
gebruikt, hoeft de kogel niet te worden ingevet.
194
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Opbergruimte trekhaak.
BELANGRIJK
Neem na gebruik altijd de trekhaak los en
berg deze op de daarvoor bestemde plaats
op, goed vastgezet met de bijbehorende
riem.
G014589
•
G031118
Als de auto is uitgerust met de afneembare
trekhaak van Volvo:
Als de trekhaak van de auto een 13-polig elektrisch contact heeft en de aanhanger een 7polig contact, hebt u een adapter nodig.
Gebruik een door Volvo goedgekeurde adapterkabel. Zorg dat de kabel niet over de grond
sleept.
06 Starten en rijden
Trekhaak*
G010393
G010387
G010388
Specificaties
Afmetingen voor bevestigingspunten (mm)
Vaste trekhaak in standaarduitvoering
A
B
1115
81
C
D
E
F
G
H
I
J
K
06
113
Vaste trekhaak met Nivomat
1111
76
Afneembare trekhaak in standaarduitvoering
1115
81
Afneembare trekhaak met Nivomat
1111
77
1
Langsligger
2
Middelpunt kogel
964
482
40
141
542
150
100
140
63
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
195
06 Starten en rijden
Afneembare trekhaak*
1. Verwijder de afdekking door de pal in te
drukken
en de afdekking vervolgens
recht naar achteren te trekken
.
06
196
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
2. Controleer of het mechanisme in de ontgrendelde stand staat door de sleutel
rechtsom te draaien.
G020302
G020301
G017317
Trekhaak monteren
3. Controleer of het controlevenster (3) rood
van kleur is. Als het venster niet rood van
kleur is, moet u
indrukken en de borgdraaien totdat u een klik
knop linksom
hoort.
06 Starten en rijden
4. Breng de trekhaak aan en duw deze naar
binnen totdat u een klik hoort.
5. Controleer of het controlevenster groen
van kleur is.
G020307
G020306
G020304
Afneembare trekhaak*
6. Draai de sleutel linksom naar de vergrendelde stand. Neem de sleutel uit het slot.
06
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
197
06 Starten en rijden
Afneembare trekhaak*
7. Controleer of de trekhaak vastzit door deze
stevig omhoog, omlaag en naar achteren
te bewegen.
06
WAARSCHUWING
Als de trekhaak niet goed zit, moet u deze
verwijderen en opnieuw monteren zoals
eerder werd beschreven.
BELANGRIJK
Vet alleen de kogel in waarop de aanhangerkoppeling wordt geplaatst; houd de rest
van het kogelsegment vetvrij en droog.
198
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
G020301
G020310
G020309
Trekhaak verwijderen
8. Veiligheidskabel.
WAARSCHUWING
Let erop dat u de veiligheidskabel van de
aanhanger aan de daarvoor bestemde
bevestiging vastmaakt.
1. Steek de sleutel in het slot en draai deze
rechtsom in de ontgrendelde stand.
06 Starten en rijden
2. Druk de vergrendelingsknop
in en draai
deze linksom
totdat u een klik hoort.
3. Draai de vergrendelingsknop volledig
omlaag totdat deze niet verder kan. Houd
de knop in deze stand vast terwijl u de
trekhaak schuin naar achteren toe
omhoogtrekt.
G017318
G020314
G020312
Afneembare trekhaak*
4. Duw de afdekking erop.
06
WAARSCHUWING
Zet de trekhaak goed vast, wanneer u deze
in de auto bewaart, zie pagina 194.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
199
06 Starten en rijden
Lading vervoeren
Algemene informatie
Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar
gewicht van de auto. Het laadvermogen dient
te worden verminderd met de som van het
gewicht van eventuele inzittenden en dat van
gemonteerde accessoires. Voor gedetailleerde
informatie over de gewichten, zie pagina 305.
WAARSCHUWING
Afhankelijk van de belading van de auto en
het zwaartepunt van de lading treden er wijzigingen in de rijeigenschappen op.
Lading in de bagageruimte
06
Zet de motor af en trek de handrem aan bij het
in- en uitladen van lange voorwerpen. Wanneer
u met de lange bagage tegen de versnellingspook/keuzehendel aankomt, kan de auto in
beweging komen.
U kunt de passagiersstoel/achterbank neerklappen en de hoofdsteunen verwijderen om
de bagageruimte te verlengen (zie
pagina 124).
Plaats de bagage stevig tegen de rugleuning
van de stoel ervoor.
• U kunt de hoofdsteunen verwijderen om
beschadiging te voorkomen.
• Breng brede voorwerpen in het midden
aan.
200
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
• Breng zware voorwerpen zo laag mogelijk
aan. Plaats geen zware voorwerpen op het
neergeklapte ruggedeelte.
• Dek scherpe randen met iets zachts af om
de bekleding en het glazen oppervlak van
de achterklep te beschermen.
• Zet alle bagage met riemen of bevestigingsbanden aan de verankeringsogen
vast.
WAARSCHUWING
Vergeet niet dat een voorwerp met een
gewicht van 20 kg tijdens een frontale botsing bij een snelheid van 50 km/h zich kan
gedragen als een voorwerp met een gewicht
van 1000 kg.
WAARSCHUWING
Zorg dat de lading nooit boven de ruggedeelten uitsteekt.
Anders bieden de opblaasgordijnen die
schuilgaan achter de plafondbekleding
mogelijk geen bescherming meer.
Zorg dat u de bagage altijd goed verankert.
Bij krachtig remmen kan de bagage namelijk
gaan schuiven en inzittenden verwonden.
Lastdragers gebruiken*
Om schade aan de auto te voorkomen en voor
maximale veiligheid tijdens het rijden wordt u
geadviseerd de lastdragers te gebruiken die
door Volvo voor uw auto ontwikkeld zijn.
Volg de montagevoorschriften die bij de lastdragers worden geleverd nauwkeurig op.
• Controleer regelmatig of de lastdragers en
de lading goed vastzitten. Zet de lading
stevig vast met sjorbanden.
• Verdeel het gewicht van de lading gelijkmatig over de lastdragers. Leg de zwaarste
voorwerpen onderop.
• Naarmate u meer lading op het dak vervoert, vangt de auto meer wind en neemt
het brandstofverbruik toe.
• Rijd rustig. Trek bij voorkeur niet te snel op,
rem niet te hard en maak niet te scherpe
bochten.
WAARSCHUWING
Bij het vervoer van lading op het dak verschuift het zwaartepunt en treden er wijzigingen op in de rijeigenschappen van de
auto.
06 Starten en rijden
Lichtbundel aanpassen
G020317
Lichtbundel voor linksrijdend verkeer.
Koplampen met Active Bending Lights
G021421
Koplampen met halogeenlampen
G021422
Juiste lichtbundel voor rechts- of
linksrijdend verkeer
Linksrijdend verkeer.
Linksrijdend verkeer.
Lichtbundel voor rechtsrijdend verkeer.
Lichtbundel voor rechtsrijdend verkeer.
Lichtbundel voor rechtsrijdend verkeer.
Met een knopje op de beide koplamphuizen
kunt u de lichtbundel van de koplampen aanpassen om te voorkomen dat u tegenliggers
verblindt.
Bij de juiste lichtbundel wordt ook de berm
beter verlicht.
WAARSCHUWING
06
Als de auto is voorzien van xenonkoplampen, moet u de xenonlampen door een
werkplaats laten vervangen – geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats. Werkzaamheden aan de Xenonkoplampen vergen de nodige voorzichtigheid, aangezien
dergelijke koplampen zijn voorzien van een
ontstekingsgedeelte dat een hoge spanning
opwekt.
201
Algemene informatie.............................................................................
Bandenspanning...................................................................................
Gevarendriehoek* en reservewiel* .......................................................
Wielen verwisselen................................................................................
Noodreparatie banden*.........................................................................
202
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
204
208
210
212
214
WIELEN EN BANDEN
07 Wielen en banden
Algemene informatie
Rijeigenschappen en banden
Snelheidsaanduidingen
De banden zijn van grote invloed op de rijeigenschappen van de auto. Zowel het type, de
maat, de bandenspanning als de snelheidsaanduiding zijn belangrijk voor het rijgedrag
van de auto.
De auto is voorzien van een typegoedkeuring
voor de uitvoering waarin deze werd aangeleverd. Dat betekent dat u niet mag afwijken van
de afmetingen en snelheidsaanduidingen die
staan aangegeven op de typegoedkeuring van
de auto. De enige uitzondering daarop vormt
het gebruik van winterbanden (zowel banden
met als zonder “spikes”). Bij gebruik van dergelijke banden mag u niet sneller rijden dan de
maximumsnelheid die voor het gebruikte bandentype geldt (voor aanduiding Q geldt bijvoorbeeld een maximumsnelheid van
160 km/h).
Let er bij het verwisselen van banden op dat de
nieuwe banden op alle vier de wielen van hetzelfde type zijn, dezelfde afmetingen hebben
en van hetzelfde merk zijn. Houd de aanbevolen bandenspanning aan die in de bandenspanningstabel staat, zie pagina 208.
Maataanduiding
Op alle autobanden staat een bepaalde maataanduiding. Een voorbeeld van een dergelijke
aanduiding is 205/55R16 91 W.
07
205
Breedte van de band (mm)
55
Verhouding tussen de hoogte en
breedte van de band (%)
R
Aanduiding voor radiaalbanden
16
Velgdiameter van de band (")
91
Aanduiding van het draagvermogen
van de band (in dit geval 615 kg)
W
204
Aanduiding van de snelheidslimiet
van de band (in dit geval 270 km/h).
Let erop dat de gesteldheid van het wegdek
bepalend is voor uw maximumsnelheid en niet
de snelheidsaanduiding van de banden.
Let erop dat de aangegeven snelheid de maximumsnelheid is.
Q
160 km/h (alleen voor winterbanden)
T
190 km/h
H
210 km/h
V
240 km/h
W
270 km/h
Y
300 km/h
Nieuwe banden
Banden hebben een beperkte houdbaarheidsdatum. Na enkele jaren worden de banden
hard en neemt de grip op het wegdek stukje bij
beetje af. Gebruik bij het verwisselen van banden altijd zo nieuw mogelijke banden. Dit geldt
in het bijzonder voor winterbanden. De laatste
cijfers van de cijferreeks geven de week en het
jaar van productie aan. Het is de zogeheten
DOT-code (Department of Transportation) van
de band en bestaat uit vier cijfers, bijvoorbeeld
1510. De band op de afbeelding is de 15e week
van het jaar 2010 geproduceerd.
Leeftijd van de banden
Alle banden die ouder zijn dan zes jaar moet u
door een vakman laten controleren, ook al zien
07 Wielen en banden
Algemene informatie
ze er intact uit. Dit omdat het materiaal waarvan
banden gemaakt zijn ook veroudert en afgebroken wordt, als banden zelden of nooit worden gebruikt. Daarbij kan de werking van de
band worden aangetast. In dit geval dient u de
band niet meer te gebruiken. Dit geldt ook voor
reservebanden, winterbanden en banden die u
voor toekomstig gebruik hebt opgeslagen.
Scheurvorming of verkleuring zijn de zichtbare
kenmerken van een band die ongeschikt is
voor gebruik.
sleten banden altijd op de achteras te zitten.
Slippende voorwielen zijn makkelijker te corrigeren dan slippende achterwielen, omdat de
auto rechtuit blijft rijden in plaats van uit te breken met de achterkant waarbij u mogelijk de
controle over de auto verliest. Daarom is
belangrijk dat de achterwielen nooit vóór de
voorwielen grip verliezen.
rust met slijtage-indicatoren. De indicatoren
zijn duidelijk zichtbaar, wanneer een band dusdanig versleten is dat slechts 1,6 mm van het
profiel over is. Vervang de banden dan zo
spoedig mogelijk. Let erop dat een band met
een gering profiel zeer weinig grip op het wegdek heeft bij regen of sneeuw.
Bewaar de wielen hangend of liggend. Laat ze
nooit rechtop staan.
Winterbanden
De leeftijd van een band valt af te lezen uit de
DOT-code (zie bovenstaande afbeelding).
Banden met slijtage-indicatoren
Volvo raadt winterbanden met bepaalde winterbandenmaten aan. De bandenmaat is
afhankelijk van de motorvariant. Gebruik altijd
het juiste type winterbanden op alle vier de
wielen.
Gelijkmatige slijtage en onderhoud
N.B.
Volvo adviseert u contact op te nemen met
een erkende Volvo-werkplaats voor advies
over de beste soort velgen en banden.
Banden met “spikes”
G020323
De juiste bandenspanning levert een gelijkmatiger slijtage op, zie pagina 208. De rijstijl, de
bandenspanning, het klimaat en de staat van
de wegen zijn van invloed op de snelheid waarmee de banden verouderen en slijten. Om verschillen in profieldiepte te voorkomen en slijtpatronen tegen te gaan kunt u de wielen op de
voor- en achteras onderling van plaats verwisselen. Voer de eerste wissel na ca. 5.000 km uit
en doe dat daarna om de 10.000 km opnieuw.
Volvo adviseert u contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats als u niet zeker bent
van de profieldiepte. Als er al een duidelijk verschil zit in de slijtage (>1 mm verschil in profieldiepte) van de banden, dienen de minst ver-
Slijtage-indicatoren.
Winterbanden met “spikes” moeten de eerste
500–1000 km rustig worden ingereden, zodat
de “spikes” hun positie kunnen innemen. Zo
gaan de banden en vooral de “spikes” langer
mee.
07
Slijtage-indicatoren zijn smalle ophogingen die
dwars op het profiel van de band staan. De letters TWI (Tread Wear Indicator) op de zijkant
van de band geven aan dat een band is uitge-
205
07 Wielen en banden
Algemene informatie
N.B.
De wettelijke bepalingen voor het gebruik
van banden met “spikes” verschillen van
land tot land.
Velgen en wielmoeren
Gebruik alleen velgen die getest en goedgekeurd zijn door Volvo en deel uitmaken van de
originele accessoires van Volvo.
BELANGRIJK
U dient de wielmoeren aan te halen, (1) met
resp. 110 Nm en (2) 130 Nm. Als u ze te strak
aanhaalt, kan de boutverbinding beschadigd raken.
Profieldiepte
Stalen velgen, korte wielmoer (1)
Ritten bij ijs, sneeuw(modder) en lage temperaturen vergen meer van de banden dan
zomerse ritten. Daarom wordt geadviseerd een
minimale profieldiepte van 4 mm aan te houden
voor winterbanden.
Stalen velgen worden normaal gesproken
vastgezet met het korte type wielmoer, hoewel
voor stalen velgen ook het lange type gebruikt
mag worden.
Sneeuwkettingen
WAARSCHUWING
Het gebruik van sneeuwkettingen is alleen toegestaan op de voorwielen. Dit geldt ook voor
modellen met voorwielaandrijving.
Rijd nooit sneller dan 50 km/h met sneeuwkettingen. Rijd evenmin op sneeuwvrije wegen,
omdat zowel de sneeuwkettingen als de banden daardoor overmatig slijten.
Gebruik nooit het korte type moer voor aluminium velgen. Het wiel kan losraken.
Aluminium velgen, lange wielmoer (2)
Korte wielmoer.
Lange wielmoer.
WAARSCHUWING
07
206
Gebruik originele Volvo-sneeuwkettingen of
vergelijkbare sneeuwkettingen die zijn afgestemd op het model en op de band- en velgafmetingen. Bij twijfel adviseert Volvo u
een erkende Volvo-werkplaats om advies te
vragen. Een verkeerde sneeuwketting kan
ernstige schade aan de auto veroorzaken en
aanleiding geven tot een ongeluk.
Er bestaan verschillende soorten wielmoeren
afhankelijk van de vraag of de velgen gemaakt
zijn van stalen of aluminium.
1. Haal de wielmoeren van het type (1) aan
met 110 Nm. Haal de wielmoeren van het
type (2) aan met 130 Nm.
2. Controleer het aanhaalmoment met een
momentsleutel.
Gebruik alleen het lange type wielmoer voor
aluminium velgen.
N.B.
Dit type mag ook voor stalen velgen worden
gebruikt.
Afsluitbare wielmoeren
Afsluitbare wielmoeren zijn te gebruiken op
zowel aluminium als stalen velgen. Als u stalen
velgen met afsluitbare wielmoeren combineert
met wieldoppen, moet u de afsluitbare wiel-
07 Wielen en banden
Algemene informatie
moeren op het tapeind bevestigen dat het
dichtst bij het ventiel zit. U kunt de wieldop
anders niet op het wiel aanbrengen.
banden met een speciaal profiel dat alleen
goed werkt wanneer de banden in een
bepaalde richting draaien, staat deze richting
aangegeven met een pijl op de zijkant van de
band.
BELANGRIJK
Rijd nooit sneller dan 80 km/h bij gebruik
van een compact reservewiel.
N.B.
Compact reservewiel (Temporary
Spare)*
Een compact reservewiel (Temporary Spare) is
alleen bestemd voor tijdelijk gebruik en dient
dan ook zo spoedig mogelijk door een normaal
wiel te worden vervangen. Het rijgedrag van de
auto kan zich wijzigen bij het gebruik van een
compact reservewiel. Het compacte reservewiel is kleiner dan een normaal wiel. De bodemspeling verandert er daarom door. Wees voorzichtig bij hoge trottoirbanden en reinig de auto
niet in een autowasstraat. Als het reservewiel
op de vooras zit, kunt u evenmin sneeuwkettingen omleggen. Bij vierwielaangedreven
auto’s is de achterwielaandrijving uit te schakelen. Het reservewiel mag niet worden gerepareerd. In de bandenspanningstabel, zie
pagina 315, staat de juiste bandenspanning
voor het reservewiel.
BELANGRIJK
Rijd nooit met meer dan één compact reservewiel (Temporary Spare) tegelijk.
Zorg dat de banden altijd dezelfde draairichting
hebben. Banden mogen alleen van voor naar
achter verwisseld worden, nooit van links naar
rechts of omgekeerd.
Als u de banden verkeerd aanbrengt, nemen de
remeigenschappen van de auto af en kunnen
de banden regen, sneeuw en drab minder goed
afvoeren.
Zomer- en winterbanden
Monteer de banden met het diepste profiel
altijd op de achteras (om het gevaar voor slippen te verminderen).
Volvo adviseert u contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats als u niet zeker bent
van de profieldiepte.
G020325
Haal de afsluitbare wielmoeren aan met
110 Nm.
07
De pijl geeft de draairichting van de band aan.
Wanneer u de zomerbanden vervangt door
winterbanden of andersom, zie pagina 212,
moet u op de banden noteren waar ze zaten:
bijvoorbeeld L voor links, R voor rechts. Bij
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
207
07 Wielen en banden
Bandenspanning
Aanbevolen bandenspanning
N.B.
G020791
Het is een natuurlijk gegeven dat de bandenspanning na verloop van tijd afneemt.
De bandenspanning varieert ook naargelang van de omgevingstemperatuur.
In de bandenspanningstabel voor op de portierstijl aan de bestuurderszijde staat de juiste
bandenspanning voor uw auto aangegeven bij
verschillende belading en snelheid.
• Bandenspanning bij gebruik van de aanbevolen bandenmaat
07
• ECO-bandenspanning1
• Bandenspanning compact reservewiel
(Temporary Spare).
Bandenspanning controleren
Controleer regelmatig de bandenspanning.
1
2
208
De ECO-bandenspanning levert brandstofbesparing op.
De adviesspanning bij maximale belading.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
bandenspanning bij maximale belading aan te
houden bij snelheden tot 160 km/h.
De bandenspanning is van invloed op het rijcomfort, de stuureigenschappen en de geproduceerde weggeluiden.
Al na enkele kilometers rijden worden de banden warm en loopt de spanning op. Laat
daarom geen lucht uit de banden ontsnappen
als u de spanning controleert bij warme banden. Als de spanning bij warme banden echter
te laag is, moet u de band harder oppompen.
DRIVe*
Onvoldoende opgepompte banden hebben
een negatieve inwerking op het brandstofverbruik, de levensduur van de banden en de rijeigenschappen van de auto. Wanneer u met
een te lage bandenspanning rijdt, kunnen de
banden oververhit raken en kapotgaan.
Bij montage van nieuwe banden wordt geadviseerd banden van hetzelfde type en hetzelfde
merk te gebruiken als die waarmee de auto af
fabriek werd geleverd – dergelijke banden zijn
ontwikkeld voor een laag brandstofverbruik.
Zie de bandenspanningstabel voor de juiste
bandenspanning. De aangegeven bandenspanning geldt bij koude banden (kan verschillen naargelang van de buitentemperatuur).
Brandstofbesparing, ECObandenspanning
Om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te
houden wordt geadviseerd de aangegeven
Voor een milieubewuste rijstijl is het gebruik
van de juiste bandensoort en de juiste bandenspanning een belangrijk gegeven.
Maten
De bandenmaten 195/65 R15 en 205/55 R16
leveren over het algemeen een iets lager
brandstofverbruik op dan bredere branden.
Bandenspanning
Bij te zacht opgepompte banden neemt het
brandstofverbruik toe. Controleer daarom
regelmatig de bandenspanning.
Gebruik van de zogeheten ECO-bandenspanning2 beperkt het brandstofverbruik. Dit mag
dan merkbare wijzigingen opleveren wat rij-
07 Wielen en banden
Bandenspanning
comfort, weggeluiden en stuureigenschappen
betreft, maar is niet van invloed op de veiligheid.
Zie de sticker met de aanbevolen bandenspanning op de portierstijl aan bestuurderszijde.
07
209
07 Wielen en banden
Gevarendriehoek* en reservewiel*
Gevarendriehoek
Volg de geldende bepalingen voor het gebruik
van een gevarendriehoek*. Zet de gevarendriehoek op een passend punt achter de auto op
om achteropkomend verkeer tijdig te waarschuwen.
07
1. Haal de houder met de gevarendriehoek
los die met klittenband vastzit. Neem de
gevarendriehoek uit de houder.
2. Klap de steunpoten van de gevarendriehoek uit.
Zorg dat de houder met de gevarendriehoek na
gebruik stevig in de bagageruimte vastzit.
210
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Reservewiel* en krik*
Originele krik*
Gebruik de originele krik alleen voor het verwisselen van banden. Houd de schroef van de
krik altijd goed ingevet. U vindt het reservewiel* met krik* en wielsleutel* onder de vloer in
de bagageruimte.
N.B.
Volvo adviseert u alleen de krik te gebruiken* die bij de auto hoort, zoals aangegeven
op de kriksticker.
Op de sticker staat tevens de maximale hefcapaciteit bij de vermelde minimale hefhoogte.
Reservewiel erbij nemen
1. Pak de vloermat aan de achterzijde beet en
klap deze naar voren toe op.
2. Haal het reservewiel los en til het naar buiten.
07 Wielen en banden
Gevarendriehoek* en reservewiel*
3. Verwijder de krik* met de slinger en de
wielsleutel*.
Reservewiel* en krik*, positie in
bagageruimte
EHBO*
Onder de vloer in de bagageruimte ligt een
EHBO-kit.
1. Draai de krik (3) voor de helft omlaag zodat
de krik liggend in de bevestiging past.
2. Klap de slinger (6) in en leg de wielsleutel
(2) boven op de krik.
3. Plaats de krik (3) in de rechter opening (4).
Bevestig het reservewiel (1) in de linker
opening (5).
Gereedschap, terugplaatsen
Gereedschap en krik* dienen na gebruik op de
juiste wijze te worden opgeborgen.
• Bij auto’s met een reservewiel dient de krik
dusdanig omlaaggedraaid te worden dat
deze in het reservewiel past.
• Bij auto’s met een set voor noodreparatie
van banden dient de krik volledig omlaaggedraaid te worden en teruggelegd te worden in het schuimrubber blok.
07
BELANGRIJK
Bewaar gereedschap en krik* op de daarvoor bestemde plaats in de bagageruimte
wanneer u ze niet nodig hebt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
211
07 Wielen en banden
Wielen verwisselen
Wielen demonteren
N.B.
Volvo adviseert u alleen de krik te gebruiken* die bij de auto hoort, zoals aangegeven
op de kriksticker.
Op de sticker staat tevens de maximale hefcapaciteit bij de vermelde minimale hefhoogte.
Zet de gevarendriehoek op, als u een wiel langs
een drukke weg moet verwisselen. Zorg ervoor
dat de auto en de krik op een stevige en horizontale ondergrond staan.
WAARSCHUWING
07
Controleer of de krik intact is, goed
gesmeerde schroefdraadwindingen heeft
en vrij van vuil is.
2. Haal de handrem aan en schakel de eerste
achteruitversnelling in of zet de keuzehendel in stand P, als de auto een automatische versnellingsbak heeft.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Telescopische wielmoersleutel
WAARSCHUWING
3. Plaats wielblokken voor en achter de wielen die op de grond blijven staan. Gebruik
daarvoor grote houten blokken of grote
stenen.
Leg nooit iets tussen de krik en de ondergrond en evenmin tussen de krik en het kriksteunpunt van de auto.
4. Auto’s met stalen velgen hebben afneembare wieldoppen. Werk de wieldop los met
het uiteinde van een wielsleutel of trek hem
met de hand los.
6. Er zitten twee kriksteunpunten aan weerszijden van de auto. Bij elk steunpunt zit een
uitsparing in de kunststof afdekking. Draai
de voet van de krik met de slinger zo ver
omlaag dat de voet plat tegen de grond
aankomt. Controleer of de krik goed in het
kriksteunpunt vastzit (zoals afgebeeld) en
of de voet van de krik loodrecht onder het
steunpunt staat.
5. Draai de wielmoeren ½–1 slag linksom los
met de wielsleutel.
212
G020332
G020331
1. Neem het reservewiel*, de krik* en de wielsleutel* erbij die onder de mat in de bagageruimte liggen. Bij gebruik van een andere
krik, zie pagina 231.
07 Wielen en banden
Wielen verwisselen
Wielen monteren
1. Reinig de contactvlakken tussen het wiel
en de naaf.
2. Breng het wiel aan. Draai de wielmoeren
vast.
3. Breng de auto zo ver omlaag dat de wielen
niet meer ongehinderd kunnen draaien.
4. Draai de wielmoeren kruiselings vast. Het
is belangrijk dat u de wielmoeren stevig
aanhaalt.
• Standaardwielmoeren – aanhaalmoment: 110 Nm
• Wielmoeren met bolle kop – aanhaalBELANGRIJK
De ondergrond dient vast en egaal te zijn en
niet te hellen.
moment: 130 Nm
Controleer het aanhaalmoment met een
momentsleutel.
5. Breng de wieldop (stalen velgen) aan.
7. Breng de auto zo ver omhoog dat het wiel
van de grond komt. Verwijder de wielmoeren en til het wiel eraf.
WAARSCHUWING
Kruip nooit onder de auto als deze op de krik
staat.
07
Laat eventuele passagiers uit de auto stappen, voordat u de auto opkrikt.
Geef eventuele passagiers te kennen dat ze
dusdanig moeten gaan staan dat de auto en
liever nog een vangrail tussen hen en het
verkeer op de weg zit.
213
07 Wielen en banden
Noodreparatie banden*
Noodreparatie banden, algemene
informatie
N.B.
De bandenreparatieset is uitsluitend
bedoeld voor het afdichten van banden met
een lek in het loopvlak.
1. Klap de vloer in de bagageruimte omhoog.
2. Til de noodreparatieset op.
Overzicht
De noodreparatieset leent zich minder goed
voor banden met een gat in het zijvlak. Probeer
geen banden met de set voor noodreparatie te
repareren die grote groeven, scheuren en dergelijke vertonen.
07
De noodreparatieset wordt gebruikt om een lek
te dichten alsook om de bandenspanning te
controleren en zo nodig tijdelijk te corrigeren.
De set bestaat uit een compressor en een bus
met afdichtmiddel. De set dient om noodreparaties uit te voeren. De bus met het afdichtmiddel moet worden vervangen voordat de
houdbaarheidsdatum is verstreken en tevens
na het gebruik.
Het afdichtmiddel dicht banden met een lek in
het loopvlak effectief af.
WAARSCHUWING
Rijd nooit sneller dan 80 km/h, nadat u de
noodreparatieset hebt gebruikt. Volvo adviseert een erkende Volvo-werkplaats te
bezoeken om de afgedichte band te laten
controleren (maximale rijafstand 200 km).
Het personeel kan bepalen of de band kan
worden gerepareerd of moet worden vervangen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Sticker, toegestane maximumsnelheid
Knop
Kabel
Bushouder (oranje deksel)
Beschermdop
Noodreparatieset erbij nemen
De noodreparatieset met compressor en
gereedschap zit onder de vloer in de bagageruimte.
214
G020400
12V-aansluitingen voor de compressor zitten
voorin bij de middenconsole, achterin bij de
achterbank en in de bagageruimte*. Gebruik de
elektrische aansluiting die het dichtst bij de
lekke band zit.
Drukreduceerventiel
Luchtslang
07 Wielen en banden
Noodreparatie banden*
Bus met afdichtmiddel
WAARSCHUWING
Manometer
Het afdichtmiddel kan aanleiding geven tot
huidirritatie. Was bij huidcontact het getroffen gebied onmiddellijk schoon met water
en zeep.
Lekke band repareren
3. Controleer of de knop in stand 0 staat en
neem de kabel en de luchtslang erbij.
N.B.
G019723
Voor het gebruik de verzegeling van de bus
niet verbreken. Bij het indraaien van de bus
wordt de verzegeling automatisch verbroken.
Voor informatie over de werking van de onderdelen (zie voorgaande afbeelding).
1. Open het deksel van de noodreparatieset.
2. Haal de sticker met de toegestane maximumsnelheid uit de set en bevestig de sticker op het stuurwiel.
4. Draai de oranje beschermdop los evenals
de dop op de bus met afdichtmiddel.
WAARSCHUWING
Draai de bus niet los. De bus is voorzien van
een pakking die lekkage tegengaat.
WAARSCHUWING
Laat geen kinderen zonder toezicht in de
auto achter, terwijl de motor loopt.
7. Sluit de kabel op een 12V-aansluiting aan
en start de motor.
WAARSCHUWING
Ga nooit naast de band staan terwijl de
compressor aan het pompen is. Bij barsten,
oneffenheden en dergelijke dient u de compressor onmiddellijk uit te schakelen. Beëindig in dat geval de rit. Het wordt dan geadviseerd een erkende bandenwerkplaats te
bezoeken.
N.B.
Bij het inschakelen van de compressor kan
de spanning aanvankelijk oplopen tot 6 bar,
maar zal na ca. 30 seconden weer dalen.
8. Zet de knop in stand I.
07
5. Draai de bus in de bushouder vast.
6. Draai het ventieldopje van het wiel los en
schroef de ventielaansluiting van de luchtslang zo ver mogelijk op het ventiel van de
band.
BELANGRIJK
Er bestaat gevaar voor oververhitting. De
compressor mag niet langer dan 10 minuten
achtereen werken.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
215
07 Wielen en banden
Noodreparatie banden*
9. Vul de band 7 minuten lang met afdichtmiddel.
WAARSCHUWING
Als de bandenspanning lager is dan 1,8 bar,
is het gat in de band te groot. Beëindig in
dat geval de rit. Het wordt dan geadviseerd
een erkende bandenwerkplaats te bezoeken.
10. Schakel de compressor uit om de bandenspanning van de manometer af te lezen. De
bandenspanning dient minimaal 1,8 bar en
maximaal 3,5 bar te bedragen.
11. Schakel de compressor uit en trek de kabel
los uit de 12V-aansluiting.
12. Koppel de slang los van het ventiel en
plaats het ventieldopje terug.
13. Leg zo spoedig mogelijk na de reparatie
ca. 3 km af bij een snelheid van maximaal
80 km/h, zodat het afdichtmiddel de band
kan afdichten.
07
Reparatieresultaat en bandenspanning
controleren
1. Sluit de uitrusting opnieuw aan.
2. Lees de bandenspanning van de manometer af.
216
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
3. Als de spanning lager is dan 1,3 bar, werd
de band onvoldoende afgedicht. Beëindig
in dat geval de rit. Neem contact op met
een Volvo-werkplaats.
4. Als de bandenspanning hoger is dan
1,3 bar, moet u de band oppompen tot de
spanning die staat aangegeven in de bandenspanningstabel. Laat lucht uit de band
ontsnappen, als de bandenspanning te
hoog is.
WAARSCHUWING
Draai de bus niet los. De bus is voorzien van
een pakking die lekkage tegengaat.
5. Schakel de compressor uit. Koppel de
luchtslang en de kabel los. Plaats het ventieldopje terug.
N.B.
Vervang de bus met afdichtmiddel en de
slang na gebruik. Volvo adviseert u het vervangen over te laten aan een erkende Volvowerkplaats.
WAARSCHUWING
Controleer de bandenspanning regelmatig.
6. Leg de noodreparatieset in de bagageruimte terug.
7. Volvo adviseert u naar de dichtstbijzijnde
erkende Volvo-werkplaats te rijden om de
beschadigde band te laten vervangen/
repareren. Geef aan het werkplaatspersoneel door dat er afdichtmiddel in de band
zit.
WAARSCHUWING
Rijd nooit sneller dan 80 km/h, nadat u de
noodreparatieset hebt gebruikt. Volvo adviseert een erkende Volvo-werkplaats te
bezoeken om de afgedichte band te laten
controleren (maximale rijafstand 200 km).
Het personeel kan bepalen of de band kan
worden gerepareerd of moet worden vervangen.
Band oppompen
De compressor is berekend op het oppompen
van de originele banden die op de auto zitten.
1. De compressor moet uitstaan. Zorg dat de
knop in stand 0 staat en neem de kabel en
de luchtslang erbij.
2. Draai het ventieldopje van het wiel los en
schroef de ventielaansluiting van de luchtslang zo ver mogelijk op het ventiel van de
band.
07 Wielen en banden
Noodreparatie banden*
WAARSCHUWING
Het inademen van uitlaatgassen kan levensgevaarlijk zijn. Laat de motor daarom nooit
draaien in ruimten die zijn afgesloten of
onvoldoende geventileerd zijn.
WAARSCHUWING
Laat geen kinderen zonder toezicht in de
auto achter, terwijl de motor loopt.
3. Sluit de kabel aan op een van de
12V-aansluitingen in de auto en start de
motor.
4. Schakel de compressor in door de knop in
stand I te zetten.
BELANGRIJK
Er bestaat gevaar voor oververhitting. De
compressor mag niet langer dan 10 minuten
achtereen werken.
7. Plaats het ventieldopje terug.
Spuitbus met afdichtmiddel vervangen
Vervang de bus voordat de houdbaarheidsdatum verstreken is. Behandel de vervangen bus
als klein chemisch afval (KCA).
WAARSCHUWING
De bus bevat 1,2-ethanol en natuurrubberlatex.
Gevaarlijk bij inwendig gebruik. Kan aanleiding geven tot overgevoeligheid bij huidcontact.
Contact met huid en ogen vermijden.
Buiten bereik van kinderen bewaren.
N.B.
Geef de bus af bij een inzamelingsstation
voor opslag van KCA.
5. Pomp de band op tot de druk die in de
bandenspanningstabel staat aangegeven.
(Laat eventueel lucht ontsnappen met het
drukreduceerventiel, als de bandenspanning te hoog is.)
07
6. Schakel de compressor uit. Koppel de
luchtslang en de kabel los.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
217
Schoonmaken....................................................................................... 220
Lakschade herstellen............................................................................ 225
Roestwering.......................................................................................... 226
218
VERZORGING
08 Verzorging
Schoonmaken
Auto wassen
Was de auto zodra deze vuil geworden is.
Gebruik autoshampoo. Vuil en strooizout kunnen aanleiding geven tot corrosie.
• Was de auto niet in direct zonlicht, omdat
de lak daarbij blijvende schade kan oplopen. Zorg dat de auto op een spoelvloer
met afvoerscheiding staat.
• Spoel het onderstel zorgvuldig schoon.
• Was de auto met een spons, autoshampoo
en een ruime hoeveelheid lauw water.
• Als het vuil hardnekkig is, kunt u de auto
met een koud ontvettingsmiddel wassen.
• Droog de auto af met een schoon en zacht
N.B.
Bij de externe verlichting zoals de koplampen, mistlampen en achterlichten kan tijdelijk condens optreden aan de binnenkant
van het lampglas. Dit is een natuurlijk verschijnsel en alle externe verlichting is erop
gebouwd om dit zoveel mogelijk te voorkomen. Condens verdwijnt normaal uit het
lamphuis, wanneer de lamp enige tijd
brandt.
Wisserbladen schoonmaken
Door teer-, stof- en zoutresten op de wisserbladen en insecten, ijs e.d. op de voorruit gaan
wisserbladen minder lang mee.
stuk zeemleer of een trekker.
N.B.
WAARSCHUWING
Laat het schoonmaken van de motor altijd
over aan een werkplaats. Als de motor heet
is, bestaat er gevaar voor brand.
BELANGRIJK
Vuile koplampen werken minder goed.
Maak ze daarom regelmatig schoon, tijdens
het tanken bijvoorbeeld.
08
220
Reinig de wisserbladen en de voorruit regelmatig met een lauwe zeepoplossing of autoshampoo.
Gebruik geen sterke oplosmiddelen.
Vogelpoep verwijderen
Verwijder vogelpoep zo spoedig mogelijk van
de lak. Vogelpoep bevat namelijk stoffen die de
lak aantasten en deze zeer snel doen verkleuren. Een dergelijke verkleuring is alleen te herstellen door de vakman.
Verchroomde velgen
BELANGRIJK
Velgreinigingsmiddelen kunnen vlekken
veroorzaken op verchroomde velgen. Was
de auto met een spons, autoshampoo en
een ruime hoeveelheid lauw water.
Automatische wasstraten
In een automatische wasstraat kunt u de auto
snel en eenvoudig schoonmaken. Let er echter
op dat een wasbeurt in een automatische wasstraat nooit een alternatief vormt voor een
gedegen wasbeurt met de hand. Dit omdat de
borstels van de wasstraat niet overal even
goed bij kunnen.
BELANGRIJK
Een nieuwe laklaag is bovendien kwetsbaarder dan een oude laag. U wordt daarom
geadviseerd de eerste maanden na aankoop van een nieuwe auto deze alleen met
de hand te wassen.
Hogedrukreinigers
Let er bij gebruik van een hogedrukreiniger op
dat u cirkelende bewegingen maakt en de
spuitkop op minstens 30 cm afstand van de
auto houdt (geldt voor alle exterieuronderdelen).
08 Verzorging
Schoonmaken
BELANGRIJK
Spoel de auto in zijn geheel af om het vuil
los te weken. Let op het volgende bij gebruik
van een hogedrukreiniger: Houd bij het wassen de spuitkop van de hogedrukreiniger
ten minste 30 cm van de carrosserie af.
Spuit niet rechtstreeks in de richting van de
sloten.
Remmen testen
WAARSCHUWING
Test na het wassen van de auto altijd de
remmen (en dus ook de handrem) om te
voorkomen dat vocht en corrosie de remblokken aantasten, waardoor de remwerking afneemt.
Trap zo nu en dan lichtjes op het rempedaal,
als u lange afstanden in de regen of sneeuwmodder aflegt. Zo verwarmt en droogt u de
remblokken. Doe hetzelfde bij zeer vochtig of
koud weer.
Kunststof en rubber exterieuronderdelen
en sieronderdelen
Voor het schoonmaken en onderhouden van
gekleurde kunststof onderdelen, rubber onderdelen en sieronderdelen (zoals glimmende
strips), wordt geadviseerd het speciale reini-
gingsmiddel te gebruiken dat bij de erkende
Volvo-werkplaats verkrijgbaar is. Volg bij het
gebruik van dit reinigingsmiddel de gebruiksvoorschriften nauwkeurig op.
BELANGRIJK
Onderdelen van kunststof en rubber niet in
de was zetten of oppoetsen.
Bij gebruik van ontvetters op kunststof en
rubber onderdelen waar nodig alleen voorzichtig wrijven. Gebruik een zachte schoonmaakspons.
Bij het poetsen van glimmende strips kunt u
de glimmende laag beschadigen of verwijderen.
Gebruik geen schurende poetsmiddelen.
Poetsen en in de was zetten
Poets de auto en zet deze in de was, wanneer
de lak er dof uitziet of als u deze extra bescherming wilt bieden.
U hoeft een nieuwe auto pas na een jaar te
poetsen. In de was zetten kunt u eerder doen.
Zorg dat de auto bij het poetsen of in de was
zetten niet in direct zonlicht staat.
Was de auto en droog deze zorgvuldig af, voordat u begint te poetsen of de was aanbrengt.
Verwijder asfalt- en teervlekken met een teerverwijderaar of met terpentine. U kunt hard-
nekkige vlekken met een speciaal voor autolak
bestemde, fijne schuurpasta (“rubbing compound”) verwijderen.
Poets de lak eerst op en behandel deze daarna
met was in vloeibare of vaste vorm. Volg de
aanwijzingen op de verpakking nauwkeurig op.
Veel preparaten bevatten zowel poetsmiddel
als was.
BELANGRIJK
Alleen lakbehandelingen uitvoeren die door
Volvo geadviseerd worden. Andere behandelingen zoals lakconservering, verzegeling, bescherming, glansverzegeling e.d.
kunnen lakschade veroorzaken. Lakschade
als gevolg van dergelijke behandelingen valt
niet onder de Volvo-garantie.
Waterafstotende laag*
Gebruik nooit producten zoals autowas, ontvetters e.d. op het glasoppervlak, omdat de waterafstotende laag daardoor beschadigd kan raken.
Wees voorzichtig bij het schoonmaken om te
voorkomen dat er krassen in het glasoppervlak
ontstaan.
Om schade aan het glas te voorkomen dient u
voor het verwijderen van ijs alleen een krabber
van kunststof te gebruiken.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
08
221
08 Verzorging
Schoonmaken
De waterafstotende laag staat bloot aan
natuurlijke slijtage.
N.B.
Om de waterafstotende eigenschappen te
behouden, wordt geadviseerd de behandeling te vernieuwen met een nabehandelingsmiddel dat verkrijgbaar is bij de erkende
Volvo-werkplaats. Gebruik het middel de
eerste keer na drie jaar en daarna ieder jaar.
Interieur reinigen
Gebruik alleen reinigingsmiddelen en autoverzorgingsproducten die door Volvo geadviseerd
worden. Maak de bekleding regelmatig schoon
en volg daarbij de gebruiksaanwijzingen bij het
autoverzorgingsproduct op.
Het is belangrijk te stofzuigen voordat u een
reinigingsmiddel gebruikt.
Matten en bagageruimte
Haal de inlegmatten uit de auto om de vloerbekleding en de inlegmatten ieder apart
schoon te kunnen maken. Gebruik een stofzuiger om vuil en stof te verwijderen.
Elk van beide inlegmatten zit met pennen vast.
08
222
–
Pak de inlegmat bij elk van beide pennen
vast en til de mat recht omhoog.
Breng de inlegmat aan door deze bij beide
pennen vast te drukken.
WAARSCHUWING
Controleer voordat u wegrijdt of de inlegmat
voor de bestuurdersstoel goed ligt en aan
de pennen vastzit zodat hij niet naast of
onder de pedalen klem kan komen te zitten.
Voor vlekken op de vloermat wordt geadviseerd het speciale reinigingsmiddel voor stoffen bekleding te gebruiken nadat u hebt gestofzuigd. U dient vloermatten te reinigen met de
door uw Volvo-dealer geadviseerde producten!
Behandeling van vlekken op stoffen
bekleding en hemelbekleding
Om de brandvertragende eigenschappen van
de bekleding niet aan te tasten wordt geadviseerd een speciaal reinigingsmiddel voor stoffen bekleding te gebruiken dat verkrijgbaar is
bij erkende Volvo-werkplaatsen.
BELANGRIJK
Scherpe voorwerpen en klittenband kunnen
de stoffen bekleding beschadigen.
Behandeling van vlekken op leren
bekleding
De leren bekleding van Volvo is chroomvrij en
is behandeld om de bekleding in oorspronkelijke staat te bewaren.
Naarmate leren bekleding ouder wordt, krijgt
het een fraai patina. Het leer wordt veredeld en
bewerkt zodat het zijn natuurlijke eigenschappen houdt. Het leer is voorzien van een
beschermende toplaag, maar om de goede
eigenschappen en het fraaie uiterlijk te behouden is regelmatige verzorging van het leer vereist. Volvo biedt een universeel leerverzorgingsproduct waarmee u leren bekleding kunt
schoonmaken en de beschermende laag kunt
herstellen, mits u de instructies opvolgt. Na
enig tijd in gebruikt te zijn geweest krijgt het
leer zijn natuurlijke patina, afhankelijk van de
oppervlaktestructuur. Een dergelijk patina
maakt deel van het natuurlijke verouderingsproces van het leer en geeft aan dat het om een
natuurproduct gaat.
Voor de beste resultaten adviseert Volvo eenà viermaal per jaar (zo nodig vaker) beschermende crème op te brengen. De Volvo Leather
Care-set is verkrijgbaar bij de Volvo-dealer.
08 Verzorging
Schoonmaken
BELANGRIJK
•
Sommige geverfde kledingstukken
(zoals spijkerbroeken en suède kleding)
kunnen afgeven en voor verkleuring van
de bekleding zorgen.
•
Gebruik nooit sterke oplosmiddelen.
Dergelijke middelen kunnen bekleding
van textiel, vinyl en leer beschadigen.
Reinigingsvoorschriften voor leren
bekleding
1. Breng een weinig van het leerreinigingsproduct op een vochtige spons aan en
knijp erin om een dikke laag schuim te krijgen.
2. Behandel de vlek voorzichtig met cirkelende bewegingen.
3. Dep de vlek zorgvuldig met de spons. Laat
de vlek in de spons trekken. Wrijf niet.
4. Veeg het behandelde gebied met een stuk
zacht papier of een doek af en laat het leer
volledig drogen.
Beschermende laag aanbrengen op
leren bekleding
Groep 1 (inkt, wijn, koffie, melk, zweet en
bloed)
Het is belangrijk te stofzuigen voordat u een
leerverzorgingsmiddel gebruikt.
–
1. Breng wat van de beschermende crème op
de vilten doek aan en wrijf de crème in cirkelende bewegingen voorzichtig in het
leer.
2. Laat het leer 20 minuten drogen alvorens
erop plaats te nemen.
Daarmee is het leer beter beschermd tegen
vlekken en uv-straling.
BELANGRIJK
Scherpe voorwerpen kunnen het leer
beschadigen. (Ringen bijvoorbeeld.)
Reinigingsvoorschriften voor leren
bekleding
• Verwijder vuil en stof met een ietwat vochtige spons en een neutrale zeepoplossing.
• Leer moet kunnen ademen. Dek het leren
stuurwiel nooit af met kunststof bescherming.
• Gebruik natuurlijke oliën. Voor het beste
resultaat wordt geadviseerd het leerverzorgingsmiddel van Volvo te gebruiken.
Bij vlekken op het stuurwiel:
Gebruik een zachte doek of spons. Neem
een ammoniaoplossing in een concentratie
van 5 %. (Gebruik voor bloedvlekken een
oplossing van 2 dl water en 25 g zout.)
Groep 2 (vet, olie, saus en chocolade)
1. Dezelfde procedure als voor groep I.
2. Dep met een absorberende papieren of
stoffen doek.
Groep 3 (vuil, stof in droge vorm)
1. Gebruik een zachte borstel om het vuil te
verwijderen.
2. Dezelfde procedure als voor groep I.
Behandeling van vlekken op
interieuronderdelen van kunststof,
metaal en hout
Voor het reinigen van interieuronderdelen en panelen wordt een speciaal reinigingsmiddel
geadviseerd dat verkrijgbaar is bij de erkende
Volvo-werkplaats. Krab of wrijf nooit over een
vlek. Gebruik nooit sterke vlekkenmiddelen.
Veiligheidsgordel schoonmaken
Gebruik water en een synthetisch wasmiddel
en dan met name het textielreinigingsmiddel
dat bij de erkende Volvo-werkplaats verkrijg-
08
223
08 Verzorging
Schoonmaken
baar is. Zorg dat de gordel droog is, voordat
deze weer wordt opgerold.
08
224
08 Verzorging
Lakschade herstellen
Lak
Steenslagplekken en krassen
wijdering van het vuil de ontbrekende lak aan
te brengen.
De lak vormt een belangrijk onderdeel van de
roestwering van de auto en moet daarom
regelmatig worden gecontroleerd. Om roestvorming te voorkomen moet u lakschade
meteen herstellen. De meest voorkomende
soorten lakschade zijn bijvoorbeeld steenslagplekken, krassen en plekjes op de spatbordranden en portieren.
Als de steenslagplek wel tot op het
blanke plaatwerk is doorgedrongen
1. Plak een stuk afplaktape over het beschadigde gebied heen. Trek de tape weer van
de lak af om zoveel mogelijk lakresten te
verwijderen.
G020345
Kleurcode
Vóór het herstel van lakschade moet u de auto
schoonmaken en goed laten drogen. Zorg er
bovendien voor dat de auto warmer is dan
15 °C.
2. Roer de grondlak (primer) zorgvuldig om en
breng deze met een fijn kwastje of een lucifer aan. Breng de lak met een kwastje aan,
wanneer de primer droog is.
3. Krassen kunt u op dezelfde manier herstellen, maar dek ter bescherming de onbeschadigde lak rond de kras af.
4. Poets de herstelde lak na enkele dagen op.
Gebruik daarvoor een zachte doek met een
geringe hoeveelheid schuurpasta.
Benodigdheden
Typeplaatje.
Kleurcode van de auto
Het is belangrijk dat u de juiste lakkleur
gebruikt. Voor de positie van de productsticker, zie pagina 302.
1
• Grondlak (primer) in een bus
• Spuitbus of bijwerkpen1
• Afplaktape.
Steenslagplekken en krassen
Als de steenslagplek niet tot op het blanke
plaatwerk is doorgedrongen en er nog een
intacte laklaag over is, volstaat het om na ver-
08
Volg de aanwijzingen die bij de verpakking van de bijwerkpen werden geleverd.
225
08 Verzorging
Roestwering
Controleren en onderhouden
Uw auto heeft in de fabriek een uiterst grondige
en complete roestwerende behandeling ondergaan. De carrosserie bestaat ten dele uit gegalvaniseerd plaatwerk. Het onderstel is voorzien
van een slijtvaste bodembescherming. In de
balken, holten en gesloten profielen werd een
dunne, doordringende roestwerende vloeistof
gespoten.
U kunt de roestwering van de auto als volgt
onderhouden.
• Houd de auto schoon. Spoel het onderstel
af. Houd bij het gebruik van een hogedrukreiniger de spuitkop ten minste 30 cm van
gelakte onderdelen af.
• Controleer de roestwering regelmatig en
werk deze zo nodig bij.
De roestwering van de auto hoeft normaal
gesproken pas na ca. 12 jaar te worden nabehandeld. De auto moet daarna om de drie jaar
een nabehandeling ondergaan. Volvo adviseert
u contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats, als de auto aan een nabehandeling
toe is.
08
226
08 Verzorging
08
227
Volvo Service........................................................................................
Onderhoud............................................................................................
Motorkap en motorruimte.....................................................................
Oliën en vloeistoffen..............................................................................
Wisserbladen........................................................................................
Startaccu...............................................................................................
Gloeilampen vervangen........................................................................
Zekeringen............................................................................................
228
230
231
233
235
241
243
247
254
ONDERHOUD EN SERVICE
09 Onderhoud en service
09
Volvo Service
Onderhoudsprogramma van Volvo
Speciale servicewerkzaamheden
Voordat de auto de fabriek verliet, werd deze
zorgvuldig getest. De auto werd nogmaals
gecontroleerd naar de normen van Volvo Car
Corporation, net voordat de auto aan u werd
geleverd.
Bepaalde servicewerkzaamheden aan het
elektrisch systeem van de auto kunnen alleen
worden uitgevoerd met speciaal ontwikkelde
elektronische apparatuur. Daarom adviseert
Volvo u altijd contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats, voordat u servicewerkzaamheden aan het elektrische systeem
laat uitvoeren.
Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid en
betrouwbaarheid van uw Volvo op een hoog
peil te houden, dient u de voorschriften van het
Serviceprogramma van Volvo op te volgen
zoals die omschreven staan in het Service- en
garantieboekje van Volvo. Volvo adviseert u om
ook service- en onderhoudswerkzaamheden
over te laten aan een erkende Volvo-werkplaats. Volvo-werkplaatsen beschikken over
het personeel, het speciale gereedschap en de
servicehandboeken waardoor zij u een zo hoog
mogelijke servicekwaliteit kunnen garanderen.
BELANGRIJK
Voor de geldigheid van de garantie is het
van belang dat u het Service- en garantieboekje van Volvo controleert en de aanwijzingen opvolgt.
230
09 Onderhoud en service
Onderhoud
Voordat u met werkzaamheden begint
Auto omhoogbrengen
Startaccu
kan glijden. Maak altijd gebruik van steunbokken of vergelijkbare hulpmiddelen.
Als u de auto met een tweekoloms hefbrug
omhoogbrengt, moet u ervoor zorgen dat de
voorste en achterste dragerarmen onder de
steunpunten komen te zitten. Zie voorgaande
afbeelding.
Controleer of de accukabels op de juiste
manier zijn aangesloten en stevig vastzitten.
Ontkoppel de accu nooit terwijl de motor loopt
(bij het vervangen van de accu bijvoorbeeld).
Gebruik nooit een snellader voor het opladen
van de accu. Zorg dat de accukabels zijn ontkoppeld tijdens het opladen.
Regelmatig controleren
Controleer regelmatig het volgende, bijvoorbeeld bij het tanken:
De accu bevat een zuur dat zowel giftig als
corrosief is. Het is daarom van belang dat u de
accu op een milieubewuste manier verwerkt.
Neem hiervoor contact op met de erkende
Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
09
• Koelvloeistof – De vloeistof moet tussen
het MIN- en MAX-streepje op het expansiereservoir staan.
• Motorolie – De olie moet tussen het MINN.B.
De spanning en het vermogen van het ontstekingssysteem zijn zeer hoog. De spanning in het ontstekingssysteem is levensgevaarlijk. De ontsteking moet daarom altijd
zijn uitgeschakeld bij werkzaamheden in de
motorruimte.
Volvo adviseert u alleen de krik te gebruiken
die bij de auto hoort. Volg bij gebruik van
een andere krik dan door Volvo geadviseerd
de gebruiksaanwijzingen die bij deze krik
werden geleverd.
Raak geen bougies of bobines aan als de
ontsteking is ingeschakeld of als de motor
warm is.
Als u de auto met een garagekrik omhoogbrengt, moet u de krik tegen de voorkant van
het subframe van de motor aanbrengen.
Zorg dat de spatplaat onder de motor niet
beschadigd raakt. Let erop dat u de garagekrik
dusdanig aanbrengt, dat de auto er niet van af
en MAX-streepje staan.
• Stuurbekrachtigingsvloeistof – De vloeistof
moet tussen het MIN- en MAX-streepje
staan.
• Ruitensproeiervloeistof – Het reservoir
moet goed gevuld zijn. Vul bij temperaturen rond het vriespunt sproeiervloeistof
met antivries bij.
• Rem- en koppelingsvloeistof – De vloeistof
moet tussen het MIN- en MAX-streepje
staan.
231
09 Onderhoud en service
09
Onderhoud
WAARSCHUWING
Vergeet niet dat de radiateurventilator (vóór
in de motorruimte achter de radiateur) enige
tijd na uitschakeling van de motor automatisch kan starten.
Laat de motorreiniging altijd uitvoeren door
een werkplaats. Als de motor warm is,
bestaat er brandgevaar.
232
09 Onderhoud en service
Motorkap en motorruimte
09
G020793
Motorkap openen
Op de afbeelding staat een auto met het stuur links.
1. Trek aan de vergrendelingshandgreep
uiterst links onder het dasboard. (Bij auto’s
met het stuur rechts zit de handgreep
uiterst rechts.) Het is duidelijk te horen dat
de vergrendeling wordt opgeheven.
2. Steek uw hand in het midden onder de
voorkant van de motorkap en duw de slotpal naar rechts.
3. Open de motorkap.
WAARSCHUWING
Controleer bij het sluiten of de motorkap
goed in het slot valt.
Motorruimte
Reservoir voor ruitensproeiervloeistof (4cil.)
Expansiereservoir voor koelsysteem
Peilstok1 voor motorolie2
Radiateur
Koelventilator
Reservoir voor ruitensproeiervloeistof (5cil.)
Reservoir voor rem- en koppelingsvloeistof
(auto met stuur rechts)
Motorolie bijvullen2
Reservoir voor stuurbekrachtigingsvloeistof (verborgen achter de koplamp)
1
2
Bij motoren met elektronische oliepeilaanduiding ontbreekt de peilstok (5-cil. diesel).
De positie hangt van het motortype af.
233
09 Onderhoud en service
Motorkap en motorruimte
09
Reservoir voor rem- en koppelingsvloeistof
(auto met stuur links)
Startaccu
Relais- en zekeringenkastje
Luchtfilter2
2
234
De positie hangt van het motortype af.
09 Onderhoud en service
Oliën en vloeistoffen
Oliepeil motor controleren
BELANGRIJK
Om aan de vereisten voor de gespecificeerde service-intervallen te voldoen worden alle motoren in de fabriek gevuld met
een speciaal aangepaste, synthetische
motorolie. De oliesoort werd met grote zorg
geselecteerd lettend op de levensduur van
de motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact.
Volvo adviseert olieproducten van Castrol.
BELANGRIJK
Gebruik altijd olie van de voorgeschreven
kwaliteit. Controleer frequent het oliepeil en
ververs de olie regelmatig. Het gebruik van
olie van lagere kwaliteit dan aangegeven of
het rijden met een te laag oliepeil is schadelijk voor de motor.
Voor ritten onder ongunstige omstandigheden,
zie pagina 308.
Om de aanbevolen service-intervallen aan
te kunnen houden dient u een goedgekeurde motoroliesoort te gebruiken.
Gebruik alleen een oliesoort van de voorgeschreven kwaliteit en dat zowel bij het bijvullen als bij het verversen van olie. Een
negatieve invloed op de levensduur van de
motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact is anders niet
uitgesloten.
Volvo Car Corporation wijst alle garantieclaims af bij gebruik van een motoroliesoort
die niet voldoet aan de voorgeschreven
kwaliteits- en viscositeitseisen.
09
gemaakt van een waarschuwingslampje voor
de oliedruk. Bij modellen met een oliepeilsensor wordt gewaarschuwd met een waarschuwingslampje midden op het instrumentenpaneel en met displaymeldingen. Op bepaalde
modellen zijn beide systemen aanwezig. Neem
voor meer informatie contact op met een
erkende Volvo-werkplaats.
Houd voor het verversen van de motorolie en
het vervangen van het oliefilter de intervallen
aan die staan aangegeven in het Service- en
garantieboekje.
Het is toegestaan een oliesoort te gebruiken
met een hogere kwaliteit dan aangegeven. Bij
rijden onder ongunstige omstandigheden adviseert Volvo een olie van een hogere kwaliteit,
zie pagina 308.
Voor de bij te vullen hoeveelheid (zie
pagina 309 en verder).
Volvo adviseert de olie in een erkende
Volvo-werkplaats te laten verversen.
Volvo hanteert uiteenlopende systemen om te
waarschuwen voor een laag/hoog oliepeil of
een lage/hoge oliedruk. Bij de modellen die zijn
voorzien van een oliedruksensor wordt gebruik
235
09 Onderhoud en service
Oliën en vloeistoffen
Motor met oliepeilstok1
geen tijd heeft gehad om terug te lopen naar
het oliecarter.
G020336
09
Dieselmotor.
Benzinemotor.
Peilstok, benzinemotoren.
Vulbuis motorolie.
Peilstok, viercilinderdieselmotoren.
Vulbuis motorolie.
Bij een nieuwe auto is het belangrijk om het
oliepeil te controleren, voordat de olie voor de
eerste keer volgens schema moet worden ververst.
Volvo adviseert u het oliepeil om de 2500 km
te controleren. De betrouwbaarste meting
wordt verkregen bij een koude motor vóór de
start. Meteen na het afzetten van de motor
krijgt u een verkeerd resultaat. De peilstok
geeft dan een te laag peil aan, omdat de olie
1
236
Geldt alleen benzine- en 4-cil. dieselmotor.
De olie moet binnen het gemarkeerde gebied op
de peilstok staan.
Peil meten en zo nodig corrigeren
1. Zorg dat de auto op een vlakke ondergrond
geparkeerd staat. Het is belangrijk dat u na
het afzetten van de motor ten minste
5 minuten wacht, zodat de olie weer kan
teruglopen in het oliecarter.
2. Trek de peilstok tevoorschijn en veeg deze
schoon.
3. Steek de peilstok weer naar binnen.
09 Onderhoud en service
Oliën en vloeistoffen
4. Trek de peilstok tevoorschijn en controleer
het peil.
09
Voor motoren met elektronische
oliepeilsensor2
5. Als de olie dichter bij het MIN-streepje ligt,
dient u 0,5 liter bij te vullen. Als de olie daar
ver onder staat, moet u wellicht meer bijvullen.
6. Als u het peil daarna nogmaals wenst te
controleren, moet u dat na enige tijd rijden
doen. Herhaal vervolgens de stappen 1–4.
WAARSCHUWING
Vul nooit bij tot boven de MAX-aanduiding.
De olie mag nooit boven MAX of onder
MIN staan om motorschade tegen te gaan.
WAARSCHUWING
Mors geen olie op het hete uitlaatspruitstuk,
omdat er gevaar voor brand bestaat.
Melding en grafische weergave op display.
Melding
Vulpijp.3
U hoeft het motoroliepeil niet aan te passen,
voordat er een melding op het display verschijnt, zie onderstaande afbeelding.
Motoroliepeil
Wanneer de motor afgezet is, kunt u het duimwiel gebruiken om het oliepeil te laten controleren door de elektronische peilaanduiding, zie
pagina 70.
WAARSCHUWING
Bij het verschijnen van de melding Oliepeil
Service vereist een werkplaats opzoeken.
Het oliepeil is mogelijk te hoog.
2
3
Geldt alleen voor 5-cil. dieselmodel.
Bij motoren met elektronische oliepeilaanduiding ontbreekt de peilstok (5-cil. diesel).
237
09 Onderhoud en service
Oliën en vloeistoffen
BELANGRIJK
Vul bij het verschijnen van de melding
Oliepeil laag Olie bijvullen slechts 0,5 liter
bij.
N.B.
Het systeem detecteert het oliepeil alleen
tijdens het rijden. Na het bijvullen of aftappen van olie duurt het even voordat het systeem wijzigingen in het oliepeil kan waarnemen. De auto dient ca. 30 km te rijden, voordat het weergegeven oliepeil correct is.
Oliepeil meten
Ruitensproeiervloeistof bijvullen
Voor controle van het oliepeil de onderstaande
volgorde aanhouden.
1. Activeer sleutelstand II, zie pagina 161.
2. Draai het duimwiel op de linker stuurhendel
naar stand Motoroliepeil Een
ogenblik....
> Vervolgens verschijnt informatie over
het motoroliepeil.
G020335
09
WAARSCHUWING
Positie van reservoir voor ruitensproeiervloeistof4.
Vul niet meer olie bij, als niveau (3) of (4) verschijnt zoals aangegeven op de afbeelding.
De olie mag nooit boven MAX of onder
MIN staan om motorschade tegen te gaan.
De sproeiers van de voorruit en de koplampen
staan in verbinding met hetzelfde vloeistofreservoir.
Voor de aan te houden hoeveelheden, zie de
tabel Vloeistoffen op pagina 311.
WAARSCHUWING
Vulopening op viercilinder- en dieselmodellen.
Mors geen olie op het hete uitlaatspruitstuk,
omdat er gevaar voor brand bestaat.
De cijfers 1–4 geven het niveau aan. Vul niet meer
olie bij, als niveau (3) of (4) staat aangegeven. Het
aanbevolen niveau is 4.
4
238
Afhankelijk van het motortype.
Vulopening op vijfcilindermodellen.
Giet tijdens de wintermaanden sproeiervloeistof met antivries in het reservoir om te voor-
09 Onderhoud en service
Oliën en vloeistoffen
komen dat de vloeistof in de pomp, het reservoir en de slangen bevriest.
N.B.
Vermeng het water met geconcentreerde
sproeiervloeistof voordat u gaat bijvullen.
TIP! Maak bij het bijvullen van ruitensproeiervloeistof ook meteen de wisserbladen schoon.
met schoon water. Het gevaar voor bevriezing
neemt toe, zowel wanneer de concentratie
koelvloeistof te laag is als wanneer deze te
hoog is.
BELANGRIJK
•
Hoge concentraties chloor, chloriden
en andere zoutverbindingen kunnen
aanleiding geven tot corrosie in het
koelsysteem.
•
Gebruik altijd een koelvloeistof met
roestwerende eigenschappen volgens
de aanbevelingen van Volvo.
•
Let erop dat het koelvloeistofmengsel
altijd voor 50 % uit water en voor
50 % uit koelvloeistof bestaat.
•
Leng de koelvloeistof aan met leidingwater van goede kwaliteit. Gebruik bij
twijfel over de waterkwaliteit altijd een
kant-en-klare koelvloeistof volgens de
aanbevelingen van Volvo.
•
Wanneer u overstapt op een ander
soort koelvloeistof of een nieuw koelsysteemonderdeel hebt gemonteerd,
dient u het koelsysteem schoon te
spoelen met leidingwater van goede
kwaliteit of met kant-en-klare koelvloeistof.
•
De motor mag alleen draaien met een
goed gevuld koelsysteem. Als dat niet
het geval is, kunnen er te hoge temperaturen optreden met gevaar voor
beschadiging (barsten) van de cilinderkop.
G020334
Koelvloeistof controleren en bijvullen
Volg de aanwijzingen op de verpakking op. Het
is belangrijk dat u verhouding tussen koelvloeistof en water afstemt op de heersende weersomstandigheden. Vul het reservoir nooit alleen
09
239
09 Onderhoud en service
Oliën en vloeistoffen
09
Voor de aan te houden hoeveelheden en de
aanbevolen vloeistofkwaliteit, zie pagina 311.
Rem- en koppelingsvloeistof
controleren en bijvullen
relatieve luchtvochtigheidsgraad rijdt, dient u
de remvloeistof ieder jaar te verversen.
Controleer de koelvloeistof regelmatig!
WAARSCHUWING
De koelvloeistof moet tussen het MIN- en
MAX-streepje op het expansiereservoir staan.
Als u het reservoir niet goed gevuld houdt, kan
de temperatuur in het systeem plaatselijk dusdanig hoog oplopen dat er gevaar voor schade
(scheurvorming) aan de cilinderkop ontstaat.
Vul koelvloeistof bij, wanneer het peil tot onder
het MIN-streepje is gezakt.
Als de remvloeistof onder het MIN-streepje
van het reservoir staat, mag u niet verder
rijden voordat u remvloeistof hebt bijgevuld.
Controleer tevens de oorzaak van het remvloeistofverlies.
Stuurbekrachtigingsvloeistof
controleren en bijvullen
De koelvloeistof kan bijzonder heet zijn. Als
u moet bijvullen terwijl de motor warm is,
dient u langzaam de dop van het expansiereservoir los te draaien om de overdruk te
laten ontsnappen.
N.B.
De motor mag alleen draaien met een goed
gevuld koelsysteem. Als dat niet het geval
is, kunnen er te hoge temperaturen optreden met gevaar voor beschadiging (barsten)
van de cilinderkop.
5
240
Positie verschilt op auto met het stuur links of rechts.
G020333
WAARSCHUWING
De rem- en koppelingsvloeistof zit in één reservoir5. De vloeistof moet tussen het MIN- en
MAX-streepje staan. Controleer het peil regelmatig. Ververs de remvloeistof om de twee jaar
of iedere tweede geplande servicebeurt.
Voor de aan te houden hoeveelheden en de
aanbevolen kwaliteit van de remvloeistof, zie
de tabel Vloeistoffen op pagina 311.
Wanneer u vaak met uw auto in de bergen of
in landen met een tropisch klimaat en een hoge
N.B.
Controleer tijdens iedere servicebeurt ook
het vloeistofpeil.
U hoeft de vloeistof niet te verversen. Voor de
aanbevolen vloeistofkwaliteit en aan te houden
hoeveelheden, zie pagina 311.
Ook als er een storing optreedt in de stuurbekrachtiging of als de stroom wegvalt en u de
auto moet laten wegslepen, blijft de auto
bestuurbaar. De auto zal echter veel zwaarder
dan normaal sturen en er is meer kracht nodig
om het stuurwiel te verdraaien.
09 Onderhoud en service
Wisserbladen
Wisserbladen
Wisserbladen voorruit vervangen
09
1. Klap de wisserarm omhoog.
2. Druk op de knop die op de wisserbladbevestiging zit en trek het blad, evenwijdig
aan de wisserarm, recht naar buiten (1).
3. Schuif het nieuwe wisserblad naar binnen
(2) totdat het vastklikt.
> Controleer (3) of het blad goed vastzit en
klap de wisserarm omlaag.
G020330
Wisserblad achterruit vervangen
N.B.
G014732
De wisserbladen zijn niet allebei even lang.
Het blad aan de bestuurderszijde is langer
dan dat aan de passagierszijde.
Schoonmaken
Voor het schoonmaken van de wisserbladen
en de voorruit, zie pagina 220.
1. Klap de wisserarm uit.
BELANGRIJK
Controleer regelmatig de wisserbladen. Bij
achterstallig onderhoud gaan de wisserbladen minder lang mee.
2. Trek het wisserblad naar de achterklep toe
los.
3. Duw het nieuwe wisserblad vast.
241
09 Onderhoud en service
09
Wisserbladen
> Controleer of het goed vastzit en klap de
wisserarm weer terug.
242
09 Onderhoud en service
Startaccu
Gebruik
De rijomstandigheden, de rijstijl, het aantal
startpogingen, de weersomstandigheden e.d.
zijn van invloed op de levensduur en de werking van de startaccu.
• Koppel de startaccu nooit los, terwijl de
motor loopt.
• Controleer of de kabels van de startaccu
op de juiste manier zijn aangesloten en stevig vastzitten.
WAARSCHUWING
•
De startaccu kan het zeer explosieve
knalgas produceren. Eén enkele vonk,
veroorzaakt door een onjuiste aansluiting van een startkabel, kan volstaan om
de accu tot ontploffing te brengen.
•
De startaccu bevat tevens zwavelzuur
dat ernstige chemische brandwonden
kan veroorzaken.
•
Als u accuzuur in uw ogen krijgt of op
uw huid of kleren morst, moet u onmiddellijk met grote hoeveelheden water
spoelen. Neem onmiddellijk contact op
met een arts, als u accuzuur in uw ogen
krijgt.
N.B.
Hoe vaker de accu ontladen raakt, des te
minder lang gaat de accu mee.
De levensduur van de accu wordt bepaald
door uiteenlopende factoren, waaronder de
rijomstandigheden en het klimaat. De accu
verliest na verloop van tijd aan startcapaciteit en moet daarom bijgeladen worden, als
er langere tijd achtereen niet of slechts korte
afstanden met de auto wordt gereden. Ook
bij strenge vorst neemt de startcapaciteit af.
Om de accu in optimale conditie te houden
wordt geadviseerd wekelijks minstens
15 minuten met de auto te rijden of de accu
aan te sluiten op een acculader met automatische druppellading.
09
Symbolen op de accu
Draag een veiligheidsbril.
Zie voor meer informatie
het instructieboekje dat
bij de auto hoort.
Bewaar accu’s buiten het
bereik van kinderen.
Voor de maximale levensduur dient de accu
altijd volledig opgeladen te blijven.
De accu bevat een bijtend
zuur.
243
09 Onderhoud en service
09
Startaccu
Vermijd vonken en open
vuur.
Accu vervangen
Demonteren
1. Neem de transpondersleutel uit het contactslot.
Explosiegevaar.
4. Plaats het voorpaneel van de accubak
terug.
3. Verwijder de afdekking.
6. Sluit de zwarte minkabel aan.
4. Koppel de zwarte minkabel los.
7. Bevestig de dekplaat op de accu.
WAARSCHUWING
De plus- en minkabels in de juiste volgorde
loskoppelen en/of aansluiten.
5. Koppel de rode pluskabel los.
N.B.
6. Haal met een schroevendraaier het voorpaneel van de accubak los.
7. Koppel de ontluchtingsslang van de accu
los.
8. Haal de klem los waarmee de accu vastzit.
9. Til de accu uit de auto.
Monteren
1. Til de accu op zijn plaats.
244
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
3. Sluit de ontluchtingsslang aan.
> Controleer of deze correct is aangesloten tussen de accu en de afvoeropening
in de carrosserie.
2. Wacht ten minste 5 minuten, voordat u een
van de elektrische aansluitingen aanraakt.
> Het elektrische systeem van de auto
dient belangrijke gegevens weg te
schrijven naar de regelmodules.
Bestemd voor inzameling.
Zamel oude accu’s op een milieubewuste
manier in, omdat ze lood bevatten.
2. Schroef de klem vast waarmee de accu
vastzit.
5. Sluit de rode pluskabel aan.
Voor meer informatie over de startaccu van de
auto - zie pagina 190 en 317.
DRIVe Start/Stop*
Een auto met Start/Stop-systeem is voorzien
van twee 12V-accu’s – één extra krachtige
startaccu en een hulpaccu die gebruikt wordt
voor de startprocedure middels het
Start/Stop-systeem.
Voor meer informatie over Start/Stop - zie
pagina 172.
09 Onderhoud en service
Startaccu
Accu
Hulp
KoudestartcapaciteitA,
CCA (A)
760
AfmetingenB, l×b×h
(mm)
278×175×19
0
150×90×106
70
8
Capaciteit
(Ah)
A
B
Start
120
Tijdelijke deactivering van het Start/Stop-systeem op grond van een hoge stroomafname
houdt het volgende in:
• Auto-start van de motor1 werkt zonder dat
de bestuurder de koppeling bedient.
Locatie accu’s
Conform SAE-norm.
Grootst mogelijke afmetingen.
09
BELANGRIJK
Bij het negeren van het volgende valt het
Start/Stop-systeem mogelijk tijdelijk uit na
aansluiting van een externe startaccu of
acculader:
•
De minpool van de startaccu in de auto
mag nooit worden gebruikt voor aansluiting van een externe startaccu of
acculader – alleen het autochassis
dient als massapunt te worden gebruikt.
Zie het gedeelte “Starten met hulpaccu”
voor een beschrijving van de locatie van de
kabelklemmen en de manier van aansluiten.
N.B.
1
2
•
Hoe hoger de stroomafname in de auto
(extra koeling/verwarming e.d.), hoe
meer de accu’s moeten worden bijgeladen = hoe hoger het brandstofverbruik.
•
Wanneer de capaciteit van de startaccu
tot onder de ondergrens is gedaald,
wordt het Start/Stop-systeem uitgeschakeld.
1. Startaccu2 2. Hulpaccu.
De hulpaccu vergt doorgaans niet meer service
dan de normale startaccu. Neem bij vragen of
problemen contact op met een werkplaats geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Auto-start is alleen mogelijk als de versnellingspook in de neutrale stand staat.
De startaccu staat uitvoerig beschreven in het reguliere instructieboekje 243.
245
09 Onderhoud en service
09
Startaccu
N.B.
Als de startaccu dermate ontladen is dat
alles "zwart" is en alle elektrische standaardsystemen van de auto’s nagenoeg uitgeschakeld zijn en u de motor vervolgens
start met een externe accu of acculader, zal
het Start/Stop-systeem actief zijn. Autostop van de motor is in dat geval mogelijk,
maar het Start/Stop-systeem kan na autostop van de motor mogelijk geen auto-start
uitvoeren door onvoldoende capaciteit van
de startaccu.
Voor een geslaagde auto-start ná auto-stop
dient de accu eerst te worden opgeladen.
Bij een buitentemperatuur van +15 °C moet
de accu ten minste 1 uur lang worden opgeladen. Bij lagere buitentemperaturen wordt
een laadduur geadviseerd van 3–4 uur.
Geadviseerd wordt de accu op te laden met
een externe acculader.
Als iets dergelijks niet voorhanden is, wordt
geadviseerd het Start/Stop-systeem uit te
schakelen totdat de startaccu voldoende
bijgeladen is.
Zie voor informatie over het opladen van de
startaccu het gedeelte “Accu” in het hoofdstuk “Onderhoud en service”.
246
09 Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
Algemene informatie
Op pagina 317 staan alle gloeilampen van de
auto vermeld.
Gloeilampen en andere lichtbronnen van een
bijzonder type of lampen die alleen in een
werkplaats te vervangen zijn te vinden in:
Lamphuis losmaken
BELANGRIJK
Raak het glas van de gloeilampen nooit met
blote vingers aan. De vetten en oliën op uw
vingers kunnen door de hitte verdampen.
Dit zorgt voor aanslag op de reflector, waardoor deze al snel kapotgaat.
lampen)
1. Neem de transpondersleutel uit en draai de
verlichtingsdraaiknop naar stand 0.
2. Trek de borgpen van het lamphuis
omhoog.
BELANGRIJK
• Actieve xenonkoplampen - ABL (xenon• Xenonkoplampen (xenonlampen)
• Dagrijlicht (DRL) in spoiler
• Richtingaanwijzers, buitenspiegelverlich-
09
Gloeilampen in koplamphuis
vervangen
Trek alleen aan de connector en niet aan de
kabel.
3. Trek het lamphuis opzij en vervolgens naar
voren.
ting en “Approach”-verlichting
4. Koppel de connector los door de clip met
uw duim in te drukken en tegelijkertijd met
uw andere hand de connector los te halen.
• Leeslampjes, instapverlichting en verlichting dashboardkastje
• Interieurverlichting aan het plafond
• Remlichten
Alle gloeilampen in de koplamphuizen (behalve
die voor het dimlicht) zijn te vervangen door het
lamphuis via de motorruimte los te maken en
het in zijn geheel te verwijderen.
G019600
G019599
WAARSCHUWING
Als de auto is voorzien van xenonkoplampen, moet u de xenonlampen door een
werkplaats laten vervangen – geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats. Werkzaamheden aan de Xenonkoplampen vergen de nodige voorzichtigheid, aangezien
dergelijke koplampen zijn voorzien van een
ontstekingsgedeelte dat een hoge spanning
opwekt.
247
09 Onderhoud en service
09
Gloeilampen vervangen
2. Duw de klemveer naar binnen/omhoog en
vervolgens iets naar rechts, zodat deze in
positie vastklikt.
5. Til het lamphuis naar buiten en leg het op
een zachte ondergrond neer om krassen
op de lens te voorkomen.
Afdekking en gloeilamp vervangen
Lamphuis aanbrengen
2. Haal de borgklemmen opzij en verwijder de
afdekking.
3. Duw de connector in positie terug.
3. Koppel de connector van de gloeilamp los.
5. Plaats het lamphuis terug, zie pagina 247.
4. Maak de veerklem los waarmee de gloeilamp vastzit. Duw de klem naar binnen/
omlaag.
Groot licht, halogeen
1. Sluit de connector aan en plaats het lamphuis alsmede de borgpen terug. Controleer
of u de borgpen op de juiste manier hebt
ingebracht.
2. Controleer de verlichting.
Het lamphuis moet zijn aangesloten en in positie vastzitten, voordat u de verlichting inschakelt of de transpondersleutel in het contactslot
steekt.
1. Haal het lamphuis in zijn geheel los, zie
pagina 247.
4. Plaats de kunststof afdekking terug.
5. Trek de gloeilamp naar buiten.
G019133
G019136
Dimlicht
G019131
Nieuwe gloeilamp aanbrengen
248
1. Breng de nieuwe gloeilamp aan. U kunt
hem slechts op één manier aanbrengen.
Op de afbeelding staat een halogeenlamp.
1. Haal het lamphuis in zijn geheel los, zie
pagina 247.
2. Haal de afdekking, boven op het lamphuis,
los door het linksom te draaien.
09 Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
3. Linker koplamp:
Draai de lamphouder linksom.
Stadslichten/parkeerlichten vóór en
achterlichten
09
N.B.
ABL-koplampen* bevatten een stadslicht
(type led) dat u niet kunt vervangen.
Rechter koplamp:
Draai de lamphouder rechtsom.
Richtingaanwijzer
4. Trek de lamphouder naar buiten toe en vervang de gloeilamp.
5. Plaats de lamphouder terug. U kunt hem
slechts op één manier terugplaatsen.
6. Plaats de afdekking, boven op het lamphuis, terug door het rechtsom te draaien.
G019145
7. Plaats het lamphuis terug, zie pagina 247.
G019150
1. Haal het lamphuis los, zie pagina 247.
2. Haal de afdekking, boven op het lamphuis,
los door het linksom te draaien.
3. Trek de lamphouder naar buiten toe en vervang de gloeilamp.
4. Duw de lamphouder terug. Een klikgeluid
geeft aan dat de lamphouder goed zit.
5. Plaats de afdekking, boven op het lamphuis, terug door het rechtsom te draaien.
6. Plaats het lamphuis terug, zie pagina 247.
1. Haal het lamphuis los, zie pagina 247.
2. Draai de lamphouder linksom en verwijder
deze.
3. Verwijder de gloeilamp uit de lamphouder
door de lamp in te drukken en tegelijkertijd
linksom te draaien.
4. Breng een nieuwe gloeilamp in de lamphouder aan en plaats de lamphouder in het
lamphuis terug.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
249
09 Onderhoud en service
09
Gloeilampen vervangen
5. Plaats het lamphuis terug, zie pagina 247.
Mistlampen
6. Breng een nieuwe lamp aan door deze
rechtsom vast te draaien. (Het profiel van
de lamphouder komt overeen met dat van
de lampvoet.)
Sidemarker
7. Plaats de lamphouder terug. Zorg dat het
opschrift TOP op de lamphouder omhoogwijst.
1. Haal het lamphuis los, zie pagina 247.
2. Draai de gloeilamp linksom, trek hem naar
buiten en vervang de gloeilamp.
3. Plaats de lamphouder terug. U kunt hem
slechts op één manier aanbrengen.
4. Plaats het lamphuis terug, zie pagina 247.
1. Schakel alle lichten uit en draai de transpondersleutel naar stand 0.
2. Maak de afdekking los door zoals afgebeeld een schroevendraaier (verticaal) in
de afdekking te steken en verticaal druk uit
te oefenen om zo de clip achter de afdekking los te krijgen.
3. Pak de afdekking aan de rand beet en trek
de afdekking recht naar buiten toe los.
4. Draai het boutje uit het lamphuis los en
verwijder het lamphuis.
5. Draai de lamp linksom en verwijder deze.
250
G019166
G018050
G019605
Lamphouder losmaken
Alle gloeilampen in het achterlamphuis zijn via
de bagageruimte te vervangen.
1. Schakel alle lichten uit en draai de transpondersleutel naar stand 0.
09 Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
2. Open het luikje (A of B) links en rechts in de
bekleding om toegang tot de lampen te
krijgen.
Positie van gloeilampen in lamphouder
achter
09
Remlicht (led)
Achterlicht
3. De gloeilampen zitten in afzonderlijke
lamphouders.
Stadslichten/parkeerlichten vóór en achterlichten
4. Koppel de connector van de lamphouder
los.
Richtingaanwijzer
Achteruitrijlicht
5. Duw de borghaken bijeen en trek de lamphouder naar buiten.
Mistachterlicht (één zijde)
6. Vervang de gloeilamp.
N.B.
7. Sluit de connector aan.
Alleen het mistachterlicht in het linker achterlamphuis brandt bij auto’s met het stuur
links en dat in het rechter achterlamphuis bij
auto’s met het stuur rechts.
8. Duw de lamphouder in positie en plaats het
luikje (A of B) terug.
N.B.
G018058
Als een foutmelding niet verdwijnt nadat de
kapotte gloeilamp is vervangen, dan wordt
u geadviseerd een erkende Volvo-werkplaats te bezoeken.
Lamphouder.
BELANGRIJK
De kabel voor de leds van de remlichten is
vastgegoten aan de gloeilamphouder. Verwijder de kabel dan ook niet.
251
09 Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
1. Schakel alle lichten uit en draai de transpondersleutel naar stand 0.
2. Draai de boutjes los met een schroevendraaier.
3. Haal het glas voorzichtig los.
4. Vervang de gloeilamp.
5. Plaats het glas terug en schroef het vast.
Verlichting make-upspiegel*
1. Steek een schroevendraaier achter het
lamphuis en verdraai deze iets, zodat het
lamphuis loskomt.
2. Verwijder de kapotte gloeilamp.
3. Breng een nieuwe gloeilamp aan.
G020253
Bagageruimte
G014849
Kentekenplaatverlichting
G014852
09
Spiegelglas verwijderen
1. Steek in het midden aan de onderkant een
schroevendraaier achter het glas. Wrik het
borgnokje op de rand voorzichtig los.
2. Steek de schroevendraaier aan zowel de
linker- als rechterzijde achter het glas (bij
de zwarte rubberdelen). Wrik voorzichtig,
zodat de onderkant van het glas loskomt.
3. Maak het spiegelglas voorzichtig los en
verwijder het compleet met afdekklep.
4. Verwijder de kapotte gloeilamp en vervang
deze.
252
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
09 Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
09
Spiegelglas aanbrengen
1. Duw eerst de drie borgnokjes aan de
bovenkant van het spiegelglas weer terug.
2. Duw vervolgens de onderste drie vast.
253
09 Onderhoud en service
09
Zekeringen
Algemene informatie
Om te voorkomen dat het elektrisch systeem
van de auto beschadigd raken door kortsluiting
of overbelasting, zijn alle verschillende elektrische functies en onderdelen door een aantal
zekeringen beschermd.
De zekeringen zitten op twee verschillende
plaatsen in de auto:
• Relais- en zekeringenkastje in de motorruimte.
• Relais- en zekeringenkastje in de passagiersruimte.
Vervangen
Als een van de elektrische onderdelen of functies niet werkt, is het mogelijk dat de bijbehorende zekering overbelast werd en daardoor
gesmolten is.
1. Zoek in de zekeringentabel op waar de
zekering zit.
2. Trek de zekering naar buiten en bekijk deze
van opzij om te kijken of het gebogen
draadje soms doorgebrand is.
3. Breng in dat geval een nieuwe zekering aan
met dezelfde kleur en hetzelfde amperage.
In de zekeringenkastjes is plaats voor een aantal reservezekeringen. Als dezelfde zekering
254
herhaaldelijk doorbrandt, betekent dit dat het
bijbehorende onderdeel een storing vertoont.
Volvo adviseert u in dat geval ter controle een
bezoek te brengen aan een erkende Volvowerkplaats.
WAARSCHUWING
Vervang een zekering nooit door vreemde
voorwerpen of een zekering met een hoger
amperage dan gespecificeerd is. Anders
zijn aanzienlijke schade aan het elektrische
systeem en brand niet uitgesloten.
09 Onderhoud en service
Zekeringen
09
G007446
Relais- en zekeringenkastje in motorruimte
Het kastje biedt plaats aan 36 zekeringen. Let
erop dat u een doorgebrande zekering altijd
vervangt door een nieuwe zekering met
dezelfde kleur en hetzelfde amperage.
• De zekeringen 19–36 is van het type “MiniFuse”.
• De zekeringen 1–6 zijn van het type “MidiFuse” en mogen alleen door een werkplaats worden vervangen.1
Aan de binnenkant van het deksel zit een speciale trekker waarmee u de zekeringen gemakkelijker kunt verwijderen en aanbrengen.
• De zekeringen 7–18 zijn van het type
“JCASE” en moeten worden vervangen
door een werkplaats.1
1
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
``
255
09 Onderhoud en service
Zekeringen
G020250
09
1.
Koelventilator
50 A
2.
Stuurbekrachtiging
80 A
3.
Voeding voor relais- en zekeringenkastje in passagiersruimte
4.
5.
256
Voeding voor relais- en zekeringenkastje in passagiersruimte
PTC-element luchtvoorverwarming*
60 A
60 A
80 A
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
6.
Gloeibougies (DRIVe)
60 A
Gloeibougie (5-cil. diesel)
70 A
7.
ABS-pomp
40 A
8.
ABS-ventielen
20 A
9.
Motorfuncties
30 A
10.
Interieurventilator
40 A
11.
Koplampsproeiers
20 A
12.
Elektrische achterruitverwarming
30 A
13.
Bedieningsmagneet startmotor
30 A
14.
Bedrading aanhanger*
40 A
15.
Reservepositie
16.
Infotainment
30 A
17.
Ruitenwissers
30 A
18.
Voeding voor relais- en zekeringenkastje in passagiersruimte
40 A
19.
Reservepositie
–
–
09 Onderhoud en service
Zekeringen
20.
21.
Claxon
Standverwarming op brandstof, interieurverwarming*
22.
Reservepositie
23.
Motorregelmodule (5-cil. benzine), transmissieregelmodule
(5-cil.)
Transmissieregelmodule (4cil.)
24.
15 A
20 A
32.
10 A
Centrale elektronicamodule
(CEM) (Start/Stop)
10 A
26.
Contactslot
15 A
27.
compressor voor airconditioning
10 A
Reservepositie
29.
Mistlampen
Dagrijlicht (DRL)*
33.
–
15 A
Koelvloeistofpomp (Start/
Stop)
10 A
Spanningsregelaar dynamo (4cil. benzine)
10 A
34.
35.
Verstuivers (5-cil. benzine), turboregelklep (5-cil. diesel), oliepeilaanduiding (5-cil. diesel)
Regelklep brandstofstroom
(DRIVe), luchtmassameter
(DRIVe), regelmotor turbo
(DRIVe)
15 A
20 A
28.
31.
–
Elektrisch verwarmd brandstoffilter (5-cil. diesel), PTCelement olievanger (5-cil. diesel)
25.
30.
10 A
Vacuümpomp (5-cil. benzine),
relaisspoel relais vacuümpomp (5-cil. benzine), motorregelmodule (5-cil. diesel),
elektrisch verwarmd brandstoffilter (DRIVe)
20 A
Bobines (benzine), drukverklikker klimaatregeling (5-cil.),
regelmodule gloeibougies (5cil. diesel), uitlaatgasreiniging
EGR (5-cil. diesel), brandstofpomp (DRIVe), lambdasonde
(DRIVe), motorregelmodule
(Start/Stop), relaisspoelen
relais Start/Stop
10 A
36.
Relaisspoel relais klimaatregeling, PTC-element olievanger
(5-cil. benzine), luchtmassameter (5-cil. benzine), turboregelklep (5-cil. benzine), solenoïden variabele klepbediening (5-cil. benzine), verstuivers (2,0 liter benzine), EVAPklep (2,0 liter benzine), klep
lucht-brandstofmengsel (2,0
liter benzine), regelklep brandstofdruk (5-cil. diesel), motorregelmodule (5-cil. diesel),
EGR motor (DRIVe)
15 A
Motorregelmodule (benzine,
DRIVe), gaspedaalsensor (5cil. diesel), lambdasonde (5-cil.
diesel)
10 A
09
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
257
09 Onderhoud en service
09
Zekeringen
DRIVe Start/Stop*
Locatie zekeringen voor Start/Stop-systeem.
Nr.
Onderdeel
A
11M/1
Relais- en zekeringhouder motorruimte
125
11M/2
Sensor accubewaking
15
Centrale elektronicamodule (CEM) (referentiespanning hulpaccu), dieselmotor
10
25
Voor meer informatie over DRIVe Start/Stop zie pagina 172.
258
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
09 Onderhoud en service
Zekeringen
09
G020601
Relais- en zekeringenkastje in passagiersruimte
Het kastje biedt plaats aan 50 zekeringen. De
zekeringen zitten onder het dashboardkastje.
Er is tevens plaats voor een aantal reservezekeringen. In het relais- en zekeringenkastje in
de motorruimte vindt u een speciale trekker
waarmee u de zekeringen kunt vervangen, zie
pagina 255.
Zekeringen vervangen
1. Verwijder de interieurbekleding die het
zekeringenkastje afdekt door eerst de middelste pen in de bevestigingsclips (1) ca.
één cm in te duwen en deze vervolgens
naar buiten te trekken.
2. Draai beide vleugelbouten (terwijl u het
zekeringenkastje vasthoudt) (2) linksom
totdat ze los zijn.
3. Klap het zekeringenkastje (3) tot halverwege omlaag. Trek het zo ver in de richting
van de stoel dat het niet verder kan. Klap
het vervolgens volledig omlaag. Het zekeringenkastje kan in zijn geheel losgehaakt
worden.
4. Sluit het zekeringenkastje in omgekeerde
volgorde.
5. Trek de middelste pen volledig uit de
bevestigingsclips, zet de bekleding met de
bevestigingsclips vast en duw de losse pen
weer in de bevestigingsclips. De bevestigingsclips zetten dan uit, waardoor de
bekleding vast komt te zitten.
259
09 Onderhoud en service
09
Zekeringen
43.
44.
45.
46.
47.
260
Telematica*, audio, RTI*,
Bluetooth*
15 A
SRS-systeem, motorregelmodule (5-cil., DRIVe)
10 A
Elektrische aansluiting interieur
Verlichting passagiersruimte,
verlichting dashboardkastje
en instapverlichting
Interieurverlichting, op
afstand bediende garagedeur*
48.
Sproeiers, achterruitwissers
15 A
49.
SRS-systeem
10 A
50.
Reservepositie
–
51.
PTC-element luchtvoorverwarming*, relaisspoel relais
elektrisch verwarmd brandstoffilter (5-cil. diesel), AWD
10 A
Transmissieregelmodule,
ABS
5A
Stuurbekrachtiging
10 A
15 A
5A
52.
53.
5A
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
54.
Park Assist*, Xenon-koplampen*
10 A
55.
Regelmodule Keyless*
20 A
56.
Ontvanger afstandsbediening(en), sirene*
10 A
Diagnoseaansluiting, remlichtschakelaar
15 A
Groot licht rechts, relaisspoel
relais verstralers*
7,5 A
Groot licht, links
7,5 A
57.
58.
59.
09 Onderhoud en service
Zekeringen
60.
Stoelverwarming bestuurderszijde
15 A
Stoelverwarming passagierszijde
15 A
62.
Schuifdak*
20 A
63.
Voeding achterportier, rechterzijde
20 A
61.
73.
5A
74.
Brandstofpomp
15 A
75.
Reservepositie
–
76.
Reservepositie
–
77.
Elektrische aansluiting bagageruimte, regelmodule accessoires*
64.
Reservepositie
65.
Audiosysteem, Infotainment
5A
66.
Audiosysteem, Infotainment,
klimaatregeling
10 A
78.
Reservepositie
–
79.
Achteruitrijlichten, dimfunctie
achteruitkijkspiegel (signaal)
67.
Reservepositie
68.
Cruisecontrol
69.
Klimaatregeling, regensensor,
knoppen voor BLIS*, Park
Assist*, DRIVe
–
Schuifdak*, console voor interieurverlichting, gordelwaarschuwing achterpassagiers,
dimfunctie achteruitkijkspiegel*
5A
5A
70.
Reservepositie
–
71.
Reservepositie
–
72.
Reservepositie
–
85.
86.
5A
5A
81.
Voeding achterportier, linkerzijde
20 A
Voeding voorportier, rechterzijde
25 A
Voeding voorportier, linkerzijde
25 A
Elektrisch bedienbare passagiersstoel
25 A
84.
Interieurverlichting, bagageruimteverlichting, elektrisch
bedienbare stoelen, brandstofmeter (2.0F)
–
Reservepositie
83.
25 A
15 A
80.
82.
Elektrisch bedienbare
bestuurdersstoel
09
-
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
261
Algemene informatie.............................................................................
Audiofuncties........................................................................................
Radiofuncties........................................................................................
Cd-functies...........................................................................................
Menusysteem, audiosysteem...............................................................
Telefoonfuncties*..................................................................................
Menusysteem, telefoon*.......................................................................
Bluetooth handsfree*............................................................................
262
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
264
266
271
277
280
281
289
293
INFOTAINMENT
10 Infotainment
Algemene informatie
Infotainment
systeem is eenvoudig te bedienen vanaf het
bedieningspaneel en de toetsenset* op het
stuurwiel, zie pagina 77. Op het display (2) verschijnen meldingen en informatie over de
actieve functie.
10
Audiosysteem
G020245
Aan/uit
POWER – Drukknop, audiosysteem aan/
uit
Display
Menufuncties
Toetsenset
Sommige Infotainmentfuncties zijn toegankelijk via een menusysteem. Het actuele menuniveau staat rechts bovenaan op het display. De
menu-opties staan in het midden van het display.
MENU – Menusysteem openen
Navigatieknoppen
EXIT – Menusysteem verlaten
ENTER – Kiezen/activeren/deactiveren
Het Infotainmentsysteem heeft geïntegreerde
audio- en telefoonfuncties*. Het Infotainment-
264
Met POWER (1) schakelt u het audiosysteem
in of uit. Als het audiosysteem actief is terwijl u
de transpondersleutel naar stand 0 draait, blijft
het audiosysteem ingeschakeld totdat u de
transpondersleutel uit het contactslot neemt.
De volgende keer dat u de transpondersleutel
naar stand I draait, zal het audiosysteem automatisch worden ingeschakeld.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
• Met MENU (4) opent u het menusysteem.
• Met de pijl-omhoog/pijl-omlaag van de
navigatieknop (5) loopt u de menu-opties
door.
• Met ENTER (7) kiest u of activeert/deactiveert u een menu-optie.
• Met EXIT (6) gaat u een stap terug binnen
het menusysteem. Bij lang indrukken van
EXIT verlaat u het menusysteem.
Sneltoetsen
De menu-opties zijn genummerd en kunnen
rechtstreeks worden gekozen via de toetsenset (3). Druk eerst op MENU en vervolgens op
het cijfer c.q. de cijfers van de gewenste menuopties.
Uitrusting
Het audiosysteem is te verkrijgen met verschillende opties en in verschillende uitvoeringen.
De drie verkrijgbare uitvoeringen zijn:
• Performance,
• High Performance* of
• Premuim Sound*
Alle uitvoeringen zijn echter uitgerust met FMradio met RDS, AM-radio en een cd-speler.
10 Infotainment
Algemene informatie
Dolby Surround Pro Logic IIŸ1
Dolby Surround Pro Logic IIŸ verdeelt de twee
kanalen van het stereogeluid over de luidsprekers links, midden, rechts en achterin. Dit levert
een realistischer geluidsweergave op dan bij
normale tweekanaals stereo.
10
Dolby Surround Pro Logic IIŸ en het Dolby-logo
zijn handelsmerken van Dolby
Laboratories Licensing Corporation.
Dolby Surround Pro Logic II SystemŸ is vervaardigd onder licentie van Dolby Laboratories
Licensing Corporation.
1
Premium Sound.
265
10 Infotainment
Audiofuncties
Bediening audiofuncties
10
pagina 77. Het volume wordt automatisch
afgestemd op de snelheid van de auto, zie
pagina 269.
Geluidsbron kiezen
Externe geluidsbronnen
AUX, USB*
Algemene informatie
Bij herhaalde malen indrukken van AM/FM
loopt u de standen FM1, FM2 en AM door.
Bij herhaalde malen indrukken van MODE
loopt u de standen CD, USB, AUX en BT door.
VOLUME – Draaiknop
AM/FM – Geluidsbron kiezen
MODE - Geluidsbron kiezen: CD, AUX,
USB (zoals iPodŸ)1 of BT*
TUNING – Draaiknop
SOUND – Toets
Navigatieknop - Menufuncties
Volume
Gebruik VOLUME (1) of de toetsenset op het
stuurwiel om het volume te regelen, zie
1
266
AUX-ingang
USB-ingang*
De AUX- en USB-ingangen bieden de mogelijk
een externe geluidsbron aan te sluiten, zoals
een iPodŸ1 of mp3-speler.
Als u ervoor kiest om een iPodŸ, mp3-speler of
USB-geheugen aan te sluiten op de USB-aansluiting, kunt u het geluidsmedium bedienen
via de geluidsregeling van de auto.
Alleen de uitvoeringen High Performance en Premium Sound hebben een USB-aansluiting. iPod is het gedeponeerde handelsmerk van Apple Computer Inc.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
10 Infotainment
Audiofuncties
Met de knop MODE kiest u de te beluisteren
externe geluidsbron.
1. Als u USB kiest, verschijnt Apparaat
aansl. op het display.
2. Sluit uw iPodŸ, mp3-speler of USB-geheugen aan op de USB-aansluiting in het
opbergvak van de middenconsole (zie
voorgaande afbeelding).
> De tekst Aan het laden verschijnt op
het display, wanneer het systeem de
bestandshiërarchie op het opslagmedium inleest. Dit duurt enige tijd.
Na het inlezen verschijnen de trackgegevens
op het display, waarna u een bepaalde track
kunt selecteren.
U kunt op een van de volgende drie manieren
een track selecteren:
• Draai de knop TUNING (4) links- of
rechtsom.
• Gebruik de linker of rechter toets van de
navigatiebediening (6) om naar de gewenste track te bladeren.
• Gebruik de toetsenset op het stuurwiel.
In de USB- of iPodŸ-stand werkt het Infotainmentsysteem op dezelfde manier als bij het
beluisteren van audiobestanden op een cd in
de cd-speler. Voor meer informatie, zie
pagina 277.
N.B.
Het systeem biedt ondersteuning van
muziekbestanden in de muziekformaten
mp3, wma en wav. Er zijn echter muziekformaten die niet door het systeem worden
ondersteund. Het systeem biedt verder
ondersteuning voor de meeste iPodŸmodellen die in 2005 of later gemaakt zijn.
iPodŸ Shuffle wordt echter niet ondersteund.
dergelijke mp3-speler te kunnen gebruiken
binnen het systeem, dient de speler in de stand
USB Removable device/Mass Storage
Device te staan.
iPodŸ
Een iPodŸ wordt middels de aansluitkabel bijgeladen en gevoed door de USB-aansluiting.
Als de batterij van de speler echter helemaal
uitgeput is, dient u deze eerst op te laden alvorens de speler aan te sluiten.
USB-geheugen
Om het gebruik van een USB-geheugen te vereenvoudigen is het beter alleen audiobestanden in het geheugen op te slaan. Het inlezen
duurt aanzienlijk langer, wanneer er behalve
afspeelbare audiobestanden nog andere
bestanden op het opslagmedium staan.
10
N.B.
Wanneer u muziek op een aangesloten
iPodŸ beluistert, hanteert het infotainmentsysteem een menustructuur vergelijkbaar
met die van de iPodŸ.
AUX
N.B.
Het systeem biedt ondersteuning voor
draagbare media die werken met USB 2.0
en het bestandssysteem FAT32 en kan
maximaal 500 mappen en 64.000 bestanden aan. Het geheugen dient een grootte
van minimaal 256 MB te hebben.
Soms wijkt het volume waarop de externe
geluidsbron wordt weergegeven af van dat van
de interne geluidsbronnen zoals de cd-speler.
Als de geluidssterkte van de externe geluidsbron te hoog is, kan de geluidskwaliteit verslechteren. U kunt dat tegengaan door het
ingangsvolume van de externe geluidsbron
aan te passen.
Mp3-speler
Veel mp3-spelers werken met hun eigen
bestandssysteem die niet ondersteund worden door het Infotainmentsysteem. Om een
267
10 Infotainment
Audiofuncties
N.B.
De geluidskwaliteit kan verslechteren, als
de speler wordt opgeladen terwijl het audiosysteem in stand AUX staat. Laad de speler
in dat geval niet op tijdens het beluisteren.
10
Streaming audio via BluetoothŸ*
N.B.
De mobiele telefoon met BluetoothŸ moet
ondersteuning bieden voor de profielen
Audio/Video Remote Control Profile
(AVRCP) en Advanced Audio Distribution
Profile (A2DP). De telefoon dient AVRCP
versie 1.3 en A2DP 1.2 te hanteren. Anders
werken bepaalde functies mogelijk niet.
• Draai de knop TUNING (4) links- of
rechtsom.
• Gebruik toetsen
of
van de navigatiebediening (6) om naar het gewenste
audiobestand te bladeren.
• Met de toetsen
of
van de toetsenset
op het stuurwiel.
Algemene informatie
Als de auto is uitgerust met BluetoothŸ-handsfree* en er een mobiele telefoon is aangesloten, kunnen er draadloos “streaming audio”bestanden op de mobiele telefoon worden
weergegeven via het audiosysteem. Navigatie
en regeling van het geluid zijn in dat geval te
verrichten via de toetsen op de middenconsole
of via de toetsenset* op het stuurwiel. Bij sommige mobiele telefoons is het ook mogelijk op
de telefoon zelf van track te wisselen.
Voor weergave van de audiobestanden moet
er eerst een telefoon aan het systeem gekoppeld en op de auto aangesloten worden. Voor
informatie over het koppelen en aansluiten, zie
pagina 293. Ook moet u BT als geluidsbron
hebben gekozen, zie pagina 266.
N.B.
Niet alle verkrijgbare mobiele telefoons zijn
volledig compatibel met de BluetoothŸfunctie van het audiosysteem in de auto.
Volvo adviseert u contact op te nemen met
een erkende Volvo-dealer of
www.volvocars.com te bezoeken voor
informatie over compatibele telefoons en
externe mediaspelers.
Audio-instellingen
Audio-instellingen bijregelen
Door te drukken op SOUND (5) kunt u de
onderstaande opties doorbladeren. U stelt de
opties in door aan TUNING te draaien.
• BAS – Niveau van de lage tonen.
• TREBLE - Niveau van de hoge tonen.
• FADER – Balans tussen luidsprekers voor
en achter.
Afspelen
Druk herhaalde malen op MODE om BT als
geluidsbron te kiezen.
U kunt op een van de volgende drie manieren
een audiobestand selecteren:
• BALANS – Balans tussen luidsprekers
links en rechts.
• SUBWOOFER* – Niveau voor de lagetonenluidspreker. De subwoofer moet ingeschakeld zijn om het niveau bij te kunnen
regelen, zie onder het kopje Subwoofer
activeren/deactiveren verderop.
• MIDDEN2 – Niveau voor de middenluidspreker. Driekanaals stereoweergave of
Pro Logic IIŸ moet zijn ingeschakeld om
2
268
Premium Sound.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
10 Infotainment
Audiofuncties
het niveau bij te kunnen regelen, zie onder
het kopje Surround-functie activeren/
deactiveren verderop.
• SURROUND2 – Niveau voor de zogeheten
Ambient Surround Sound. Pro Logic IIŸ
moet zijn ingeschakeld om het niveau bij te
kunnen regelen, zie onder het kopje Audioinstellingen verderop.
Subwoofer activeren/deactiveren
• Druk op MENU en daarna op ENTER.
• Ga naar Audio-instellingen… en druk op
ENTER.
• Ga naar Subwoofer en druk op ENTER.
Surround2
G021216
De Surround-instellingen zijn bepalend voor het ruimtelijke effect van de
geluidsweergave. De instellingen en
activering/deactivering ervan worden
voor elk van de geluidsbronnen apart vastgelegd.
Het DolbyŸ-pictogram op het display geeft aan
dat Dolby Pro Logic IIŸ actief is. De Surroundfunctie kent drie verschillende standen:
2
3
4
5
• Dolby Pro Logic II
• 3-kanaals
• Uit – 2-kanaals.
Surround-functie activeren/deactiveren
1. Druk op MENU en daarna op ENTER.
2. Ga naar Audio-instellingen… en druk op
ENTER.
3. Ga naar Surround FM…, Surround
AM…, Surround CD…of Surround
AUX… en druk op ENTER.
4. Ga naar Dolby Pro Logic II3, 3-kanaals
of Uit en druk op ENTER.
Equalizer vóór/achter4
Met de equalizer kunt u de niveaus voor de
verschillende frequentiebanden ieder apart
instellen.
Equalizer bijregelen
1. Druk op MENU en daarna op ENTER.
2. Ga naar Audio-instellingen… en druk op
ENTER.
3. Ga naar Equalizer voor… of Equalizer
achter… en druk op ENTER.
10
4. De balken op het display geven het
geluidsniveau van de verschillende frequenties aan.
5. Stel het niveau bij met TUNING (4) of met
de pijl-omhoog/pijl-omlaag van de navigatieknop. Met de pijl-links/pijl-rechts van de
navigatieknop kunt u andere frequenties
kiezen.
6. Leg de instelling vast met ENTER of annuleer uw keuze met EXIT zonder de instellingen op te slaan.
Autom. volumeregeling5
Automatische volumeregeling houdt in dat het
volume van de beluisterde geluidsbron wordt
afgestemd op de snelheid van de auto. U hebt
de keuze uit drie standen: Laag, Medium en
Hoog.
Automatische volumeregeling instellen
1. Druk op MENU en daarna op ENTER.
2. Ga naar Audio-instellingen… en druk op
ENTER.
Premium Sound.
Niet beschikbaar in de standen AM en FM.
Bepaalde systeemuitvoeringen.
Geldt niet voor Performance
``
269
10 Infotainment
Audiofuncties
3. Ga naar Autom. volumeregeling… en
druk op ENTER.
10
4. Ga naar Laag, Medium of Hoog en druk
op ENTER.
Optimale geluidsweergave
Het audiosysteem is gekalibreerd voor optimale geluidsweergave met behulp van digitale
signaalverwerking.
Voor ieder automodel wordt het audiosysteem
tijdens de kalibratie perfect afgestemd op de
luidsprekers, de versterker, de akoestiek in de
auto, de positie van de luisteraar e.d.
Er is tevens een dynamische kalibratie waarbij
rekening wordt gehouden met de stand van de
volumeknop, de radio-ontvangst en de rijsnelheid.
De regelfuncties die in dit instructieboekje
nader verklaard worden (zoals lage tonen,
hoge tonen en equalizer*) zijn uitsluitend
bedoeld om u de mogelijkheid te bieden de
geluidsweergave naar wens af te stellen.
270
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
10 Infotainment
Radiofuncties
Zenders zoeken
Bediening radiofuncties
Voorkeurzenders vastleggen
Automatisch zenders zoeken
1. Kies de frequentieband met AM/FM (1).
2. Druk kort op
of
.
De radio zoekt dan automatisch de eerstvolgende sterke zender op.
Handmatig zenders zoeken
G019806
1. Kies de frequentieband met AM/FM (1).
FM/AM – Frequentieband kiezen
Sneltoetsen
TUNING – Draaiknop voor het zoeken van
zenders
SCAN – Scannen
Navigatieknop – Zenders zoeken en menusysteem gebruiken
EXIT – Lopende functie annuleren
AUTO – Automatisch voorkeurzenders
vastleggen
U kunt per frequentieband tien voorkeurzenders vastleggen. De FM-band heeft twee
geheugenbanken met voorkeurzenders: FM1
en FM2. U kiest een voorkeurzender met de
sneltoetsen (2) of met de toetsenset op het
stuurwiel.
Handmatig voorkeurzenders vastleggen
1. Stem af op een zender.
2. Stel de frequentie bij door aan de knop
TUNING (3) te draaien.
2. Houd een van de sneltoetsen ingedrukt,
totdat de melding Zender opgeslagen op
het display verschijnt.
Het is ook mogelijk een zender vast te leggen
of
te drukken. U kunt daardoor lang op
voor ook de toetsenset op het stuurwiel gebruiken:
Automatisch voorkeurzenders
vastleggen
–
Houd
of
van de navigatieknop ingedrukt totdat de gewenste frequentie op het
display verschijnt.
Wanneer de frequentiebalk nog op het display
staat kunt u verder zoeken door
of
kort
in te drukken.
10
Met AUTO (7) kunt u tot tien goed te ontvangen
radiozenders opzoeken en ze automatisch
vastleggen in een aparte geheugenbank. Deze
functie is vooral handig in gebieden, waar u de
radiozenders en hun frequenties niet kent.
Automatische vastlegfunctie starten
1. Kies de frequentieband met AM/FM (1).
2. Houd AUTO (7) ingedrukt, totdat Autom.
opslaan op het display verschijnt.
Wanneer Autom. opslaan van het display verdwijnt, zijn de zenders vastgelegd. De radio
gaat over op de automatische stand en de melding Auto verschijnt op het display. De automatisch vastgelegde voorkeurzenders zijn ver``
271
10 Infotainment
Radiofuncties
volgens rechtstreeks te kiezen met de sneltoetsen (2).
10
Automatische vastlegfunctie beëindigen
–
Druk op EXIT (6).
Automatisch vastgelegde
voorkeurzenders kiezen
Wanneer u de radio in de stand Auto zet, kunt
u gebruik maken van de automatisch vastgelegde voorkeurzenders.
1. Druk kort op de toets AUTO (7).
> De tekst Auto verschijnt op het display.
2. Druk op een sneltoets (2).
> De radio blijft in de automatische stand
staan, totdat u de automatische stand
annuleert met de toetsen AUTO (7),
EXIT (6) of AM/FM (1) korte tijd indrukt.
Automatisch vastgelegde
voorkeurzenders in andere
geheugenbank opslaan
Scannen
De functie SCAN (4) doorzoekt een frequentieband automatisch op goed te ontvangen zenders. Wanneer er een zender is gevonden,
wordt deze ca. 8 seconden lang weergegeven
voordat de zoekfunctie wordt voortgezet.
Scan-functie activeren/deactiveren
1. Kies de frequentieband met AM/FM.
2. Druk op SCAN om de functie te activeren.
> De tekst SCAN verschijnt op het display. Druk tot slot op SCAN of EXIT.
Het is mogelijk een automatisch vastgelegde
voorkeurzender over te brengen naar de
geheugenbanken voor FM of AM.
Gevonden zender als voorkeurzender
vastleggen
Tijdens de functie SCAN kunt u een gevonden
1. Druk kort op de toets AUTO (7).
> De tekst Auto verschijnt op het display.
zender als voorkeurzender vastleggen.
2. Druk op de sneltoets met de te verplaatsen
zender.
1
272
3. Druk op de sneltoets waaraan u de voorkeurzender wilt koppelen en houd de toets
ingedrukt, totdat de melding Zender
opgeslagen op het display verschijnt.
> De radio verlaat de automatische stand
waarna u de vastgelegde voorkeurzender kunt gebruiken.
Welke RDS-functies beschikbaar zijn hangt af van de markt.
–
Druk op een sneltoets en houd deze ingedrukt, totdat de melding Zender
opgeslagen op het display verschijnt.
> De scanfunctie wordt beëindigd,
waarna u de vastgelegde zender als
voorkeurzender kunt gebruiken.
RDS-functies1
Radio Data System – RDS verbindt FM-zenders in een netwerk met elkaar. Een FM-zender
in een dergelijk netwerk verstuurt bepaalde
informatie, zodat een RDS-radio onder meer
de volgende mogelijkheden biedt:
• Automatisch overschakelen op een beter
doorkomende zender als de ontvangst in
een bepaald gebied slecht is.
• Zoeken op programmatype zoals zenders
die verkeersinformatie of nieuws doorgeven.
• Weergeven van informatieve tekst over het
beluisterde radioprogramma.
Sommige radiozenders maken geen gebruik
van RDS of alleen in beperkte mate.
10 Infotainment
Radiofuncties
Programmafuncties
Alarm
Met de radio in de stand FM kunt u radiozenders met een bepaald programmatype zoeken.
Als er een zender met het gewenste programmatype is gevonden, kan de radio vervolgens
op deze zender overschakelen en de weergave
van de actieve geluidsbron onderbreken. Als
de cd-speler bijvoorbeeld actief is, wordt de
weergave daarvan tijdelijk onderbroken. De
uitzending met het gekozen programmatype
wordt weergegeven op een vooraf bepaald
volume, zie pagina 275. Na afloop van de uitzending van het gekozen programmatype
geeft de radio de voorgaande geluidsbron
opnieuw weer op het volume dat u daarvoor
had ingesteld.
De functie wordt gebruikt om de bevolking
attent te maken op ernstige ongelukken of
calamiteiten. U kunt de functie alarm niet tijdelijk onderbreken of deactiveren. De melding
ALARM! verschijnt op het display, wanneer er
een alarmmelding wordt verzonden.
De programmafuncties alarm (ALARM!), verkeersinformatie (TP), nieuws (Nieuws) en programmatype (PTY) worden in volgorde van
belangrijkheid weergegeven, waarbij geldt dat
alarm de hoogste prioriteit geniet en de programmatypes de laagste.
Om de onderbroken geluidsbron te hervatten,
voordat u de melding of het programmatype
hebt beëindigd, drukt u op EXIT.
Voor meer instellingen die te maken hebben
met het onderbreken van uitzendingen, zie
EON en REG zie pagina 274. De programmafuncties zijn te wijzigen aan de hand van het
menusysteem, zie pagina 264.
Verkeersinformatie, TP
G021220
Bij activering van deze functie wordt
de weergave van de actieve geluidsbron onderbroken voor een uitzending met verkeersinformatie via het
RDS-netwerk van de zender waarop is afgestemd. De melding TP geeft aan dat de functie
actief is. Als de zender waarop u hebt afgestemd verkeersinformatie kan doorgeven,
op het display.
staat er
TP activeren/deactiveren
1. Druk op MENU en daarna op ENTER.
2. Ga naar TP en druk op ENTER.
TP via beluisterde zender/alle zenders
De radio kan de weergave van de actieve
geluidsbron onderbreken voor verkeersinformatie via de (actuele) zender die u beluistert of
via alle zenders.
3. Ga naar Geav. radio-instellingen… en
druk op ENTER.
4. Ga naar TP en druk op ENTER.
10
5. Ga naar TP-zender… en druk op
ENTER.
> Een van de meldingen TP van deze
zender of TP van alle zenders verschijnt op het display.
6. Druk op ENTER.
TP zoeken activeren/deactiveren
De functie TP zoeken is handig wanneer u tijdens lange ritten een andere geluidsbron dan
de radio beluistert. De functie speurt dan automatisch verschillende RDS-netwerken af op
zoek naar verkeersinformatie.
1. Druk op MENU en daarna op ENTER.
2. Ga naar Geav. radio-instellingen… en
druk op ENTER.
3. Ga naar TP en druk op ENTER.
4. Ga naar TP zoeken en druk op ENTER.
1. Kies een FM-zender.
2. Druk op MENU en daarna op ENTER.
``
273
10 Infotainment
Radiofuncties
1. Activeer de functie PTY.
Met de functie PTY is het mogelijk
verschillende programmatypes te
kiezen zoals Popmuziek en
Klassieke muziek. Het
symbool PTY geeft aan dat de functie actief is.
Bij activering van deze functie wordt de weergave van de actieve geluidsbron onderbroken
voor een uitzending van het gekozen programmatype via het RDS-netwerk van de zender
waarop is afgestemd.
2. Druk op MENU en daarna op ENTER.
Nieuws activeren/deactiveren
1. Druk op MENU en daarna op ENTER.
2. Ga naar Nieuws en druk op ENTER.
Nieuws via beluisterde zender/alle
zenders
De radio kan de weergave van de actieve
geluidsbron onderbreken voor een nieuwsuitzending via de (actuele) zender die u beluistert
of via alle zenders.
1. Kies een FM-zender.
2. Druk op MENU en daarna op ENTER.
3. Ga naar Geav. radio-instellingen… en
druk op ENTER.
4. Ga naar Nieuwszender… en druk op
ENTER.
> Een van de meldingen Nieuws van
deze zender of Nieuws van alle
zenders verschijnt op het display.
5. Druk op ENTER.
274
G021222
Programmatype, PTY
Bij activering van deze functie wordt
de weergave van de actieve geluidsbron onderbroken voor een uitzending met nieuws via het
RDS-netwerk van de zender waarop is afgestemd. De melding Nieuws geeft aan dat de
functie actief is.
G021221
10
Nieuws
PTY activeren/deactiveren
1. Kies FM1 of FM2 met FM/AM.
2. Druk op MENU en daarna op ENTER.
3. Ga naar PTY en druk op ENTER.
4. Ga naar PTY selecteren… en druk op
ENTER.
> Er verschijnt een lijst met programmatypes: Actualiteit, Informatie enz. U
activeert de functie PTY door een programmatype te kiezen en deactiveert de
functie door alle PTY’s te wissen.
3. Ga naar PTY en druk op ENTER.
4. Ga naar PTY zoeken en druk op ENTER.
Als de radio een uitzending van een van de
gekozen programmatypes vindt, verschijnt >|
om te zoeken op het display. Met een druk op
van de navigatieknop wordt verder gezocht
naar een andere uitzending van een van de
gekozen programmatypes.
Programmatype weergeven
Het is mogelijk het programmatype van de zender die u op dat moment beluistert op het display weer te geven.
N.B.
Niet alle radiozenders ondersteunen deze
functie.
Weergave activeren/deactiveren
5. U kunt de gewenste programmatypes kiezen of Alle PTY's wissen…
1. Druk op MENU en daarna op ENTER.
PTY zoeken
3. Ga naar PTY weergeven en druk op
ENTER.
Bij activering van deze functie wordt de gehele
frequentieband doorzocht op uitzendingen van
het gekozen programmatype.
2. Ga naar PTY en druk op ENTER.
10 Infotainment
Radiofuncties
Regionale radioprogramma’s, REG
De functie REG maakt het mogelijk
om op een bepaalde zender afgestemd te blijven ondanks dat het signaal zwak is. De tekst Regionaal op
het display geeft aan dat de functie actief is. De
functie REG is normaal gesproken gedeactiveerd.
Radiotekst activeren/deactiveren
1. Druk op MENU en daarna op ENTER.
2. Ga naar Radiotekst en druk op ENTER.
Automatische afstemfunctie, AF
Bij activering van de functie AF wordt er automatisch afgestemd op het sterkste signaal
voor een bepaalde radiozender. Soms moet de
radio de gehele FM-band doorzoeken om een
sterk zendersignaal te vinden. In dat geval valt
de radio stil en verschijnt de tekst PI
zoekenEXIT is afbreken op het display.
AF activeren/deactiveren
1. Druk op MENU en daarna op ENTER.
2. Ga naar Geav. radio-instellingen… en
druk op ENTER.
3. Ga naar AF en druk op ENTER.
G021223
Radiotekst
Sommige RDS-zenders geven informatie door
over de inhoud van de uitzendingen, uitvoerende artiesten e.d. Deze informatie kan op het
display worden weergegeven.
• Uit – Geen onderbreking voor een uitzending van een bepaald programmatype via
andere zenders.
EON activeren/deactiveren
1. Druk op MENU en daarna op ENTER.
2. Ga naar Geav. radio-instellingen… en
druk op ENTER.
REG activeren/deactiveren
3. Ga naar EON… en druk op ENTER.
1. Druk op MENU en daarna op ENTER.
4. Ga naar Plaatselijk, Afstand of Uit en
druk op ENTER.
2. Ga naar Geav. radio-instellingen… en
druk op ENTER.
3. Ga naar Regionaal en druk op ENTER.
EON (Enhanced Other Networks)
De functie EON is vooral handig in stedelijke
gebieden met een groot aantal regionale radiozenders. Bij activering van de functie is de
afstand tot de zendmast van een radiozender
bepalend voor de vraag of de weergave van de
actieve geluidsbron kan worden onderbroken
voor uitzendingen van een bepaald programmatype.
10
RDS-functies resetten
Met de functie Reset alles kunt u alle fabrieksinstellingen voor RDS herstellen.
1. Druk op MENU en daarna op ENTER.
2. Ga naar Geav. radio-instellingen… en
druk op ENTER.
3. Ga naar Reset alles… en druk op
ENTER.
• Plaatselijk – Alleen onderbreking wanneer
de zendmast van de radiozender dichtbij
is.
• Afstand – Ook onderbreking als de zendmast van de zender ver weg staat en zijn
signaal storingen vertoont.
275
10 Infotainment
Radiofuncties
Volumeregeling programmatypes
10
276
De onderbrekende uitzendingen van het gekozen programmatype worden weergegeven op
het volume dat voor het programmatype is
gekozen. Als u het volume tijdens de onderbreking bijregelt, wordt het nieuwe volume
opgeslagen voor een volgende onderbreking.
10 Infotainment
Cd-functies
Bediening cd-functies
Weergave starten (cd-speler)
Een eventuele muziek-cd in de speler wordt
automatisch afgespeeld, wanneer u het audiosysteem in de stand CD zet. Steek anders een
cd in de invoeropening en schakel over op de
stand CD door op MODE te drukken.
G019807
Weergave starten (cd-wisselaar*)
Navigatieknop – Vooruit-/achteruitspoelen, track selecteren en navigeren in menusysteem
Positie in cd-wisselaar kiezen*
Cd aanbrengen en uitwerpen
Opening voor het invoeren en uitwerpen
van cd’s
Als er een cd-sleuf met een muziek-cd is gekozen, gaat de weergave automatisch van start
wanneer u het audiosysteem inschakelt. Schakel als dat niet het geval is over op de
cd-wisselaarstand met MODE en selecteer
een cd met de cijfertoetsen 1–6 of gebruik de
pijl-omhoog/pijl-omlaag van de navigatieknop.
wordt de schijf weer ingenomen en verder
afgespeeld.
Met een korte druk op de uitwerpknop (3) kunt
u één enkele cd uitwerpen.
Met een lange druk op de uitwerptoets kunt u
alle cd’s uitwerpen. Alle cd’s in het magazijn
worden dan één voor één uitgeworpen. Op het
display verschijnt de tekst WERP UIT ALLE.
Pauzeren
Wanneer u het volume helemaal omlaagdraait,
wordt de weergave van de cd-speler gepauzeerd. Bij het verhogen van het volume wordt
er verder gespeeld.
Cd aanbrengen
Audiobestanden*
1. Kies een lege sleuf met de cijfertoetsen 1–
6 of met de pijl-omhoog/pijl-omlaag van de
navigatieknop.
> Op het display staat aangegeven welke
sleuf leeg is. De melding Disc
plaatsen geeft aan dat u een volgende
cd kunt aanbrengen. De cd-wisselaar
biedt plaats aan 6 cd’s.
De cd-speler/cd-wisselaar* ondersteunt ook
audiobestanden in mp3- en wma-formaat.
MODE – Geluidsbron kiezen (CD, AUX,
USB*)
2. Breng een cd aan in de cd-wisselaar.
TUNING – Draaiknop voor het kiezen van
een track
U hebt ca. 12 seconden de tijd om een uitgeworpen disc uit te nemen. Als de schijf na
afloop van deze periode nog in de cd-speler zit,
Cd uitwerpen
10
N.B.
Sommige muziekbestanden met kopieerbeveiliging kan de speler niet lezen.
Wanneer u een cd met audiobestanden in de
speler aanbrengt, wordt een eventuele mapstructuur op de schijf automatisch geladen.
Afhankelijk van de kwaliteit van de schijf kan
het enige tijd duren voordat de schijf wordt
afgespeeld.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
277
10 Infotainment
Cd-functies
Navigeren en afspelen
10
Als er een schijf met audiobestanden in de
cd-speler zit, kunt u de mapstructuur van de
schijf tonen met een druk op ENTER. U navigeert op dezelfde manier in de mapstructuur
als in het menusysteem van het audiosysteem.
Audiobestanden worden aangeduid met het
en mappen met
. Met een druk
symbool
op ENTER gaat het afspelen van de audiobestanden van start.
Wanneer een bepaald audiobestand helemaal
afgespeeld is, worden de overige bestanden in
dezelfde map weergegeven. Nadat alle
bestanden in een bepaalde map zijn afgespeeld, wordt er automatisch van map gewisseld.
Druk op de pijl-links/pijl-rechts van de navigatieknop, als het display niet breed genoeg is
om de naam van het audiobestand in zijn
geheel weer te geven.
Versneld vooruit-/achteruitspoelen/Van
track en audiobestand wisselen
Door kort op de pijl-rechts/pijl-links van de
navigatieknop te drukken kunt u de
tracks/audiobestanden op een cd doornemen.
Door lang op dezelfde toetsen te drukken kunt
u tracks/audiobestanden op een cd versneld
vooruit-/achteruitspoelen. U kunt daarvoor ook
1
278
Geldt voor de cd-wisselaar.
gebruik maken van TUNING (of van de toetsenset op het stuurwiel).
• RANDOM houdt in dat de tracks op
Cd doorzoeken
• RND ALL houdt in dat alle tracks op alle
Bij activering van deze functie worden van alle
tracks/audiobestanden op een cd de eerste
10 seconden weergegeven. Druk op SCAN om
de functie te activeren. Beëindig de functie met
EXIT of SCAN om de weergave van de track/
het audiobestand op de cd voort te zetten.
Willekeurige afspeelvolgorde
Bij activering van deze functie speelt de speler
de tracks/audiobestanden in willekeurige volgorde af. U kunt de willekeurig gekozen tracks/
audiobestanden op de cd op de gebruikelijke
manier doorbladeren.
N.B.
Bij gebruik van de pijl-links of pijl-rechts
wordt alleen een nieuwe willekeurige track
op de afgespeelde cd geselecteerd1.
slechts een van de muziek-cd’s worden
afgespeeld
muziek-cd’s in de cd-speler worden afgespeeld.
• RND FLD houdt in dat de audiobestanden
in een willekeurige map op de gekozen cd
worden afgespeeld.
Willekeurige afspeelvolgorde activeren/
deactiveren (cd-speler)
Tijdens het afspelen van een normale
muziek-cd:
1. Druk op MENU en daarna op ENTER.
2. Ga naar Random en druk op ENTER.
Tijdens het afspelen van een cd met audiobestanden:
1. Druk op MENU en daarna op ENTER.
2. Ga naar Random en druk op ENTER.
3. Ga naar Map of Disc en druk op ENTER.
Op het display verschijnt een bepaalde melding afhankelijk van het type willekeurige
afspeelvolgorde dat geselecteerd is:
Willekeurige afspeelvolgorde activeren/
deactiveren (cd-wisselaar)
Tijdens het afspelen van een normale
muziek-cd:
1. Druk op MENU en daarna op ENTER.
10 Infotainment
Cd-functies
2. Ga naar Random en druk op ENTER.
Cd’s
3. Ga naar Enkele disc of Alle discs en druk
op ENTER.
Bij gebruik van cd’s met een slechte kwaliteit
is het mogelijk dat het geluid te wensen overlaat of zelfs helemaal uitblijft.
Het alternatief Alle discs geldt alleen voor de
muziek-cd’s die in de cd-wisselaar zitten.
Tijdens het afspelen van een cd met audiobestanden:
1. Druk op MENU en daarna op ENTER.
2. Ga naar Random en druk op ENTER.
3. Ga naar Enkele disc of Map en druk op
ENTER.
10
BELANGRIJK
Speel uitsluitend standaard-cd’s af (met een
diameter van 12 cm). Gebruik geen cd’s met
een opgeplakt etiket. Door warmteontwikkeling in de cd-speler kan het etiket losraken en schade aan de cd-speler veroorzaken.
Wanneer u een andere cd kiest, wordt de functie gedeactiveerd.
Tekst disc
Eventuele trackinformatie op de muziek-cd kan
via het display worden weergegeven2.
Activeren/deactiveren
1. Start de weergave van een cd.
2. Druk op MENU en daarna op ENTER.
3. Ga naar Tekst disc en druk op ENTER.
2
Geldt voor de cd-wisselaar.
279
10 Infotainment
Menusysteem, audiosysteem
Overzicht
10
FM-MENU1
4.
TP
1.
AUX-ingangsvolume…
5.
Tekst disc
2.
Nieuws
6.*
Audio-instellingen…
3.
TP
4.*
Audio-instellingen…
Nieuws
2.
TP
3.
PTY…
4.
Radiotekst
5.
Geav. radio-instellingen…
Bij cd-wisselaar* met cd-schijf geselecteerd.
6.*
Audio-instellingen…
1.
Random…
2.
Nieuws
3.
TP
4.
Tekst disc
5.*
Audio-instellingen…
1.*
Audio-instellingen…
CD-MENU
Bij cd-speler met cd-schijf.
1.
Random
2.
Nieuws
3.
TP
4.
Tekst disc
5.*
Audio-instellingen…
CD-MENU
Bij cd-speler met mp3-schijf.
280
Nieuws
1.
AM-MENU
1
3.
1.
Afspeellijst
2.
Random…
Welke RDS-functies beschikbaar zijn hangt af van de markt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
CD-MENU
CD-MENU
Bij cd-wisselaar* met mp3-schijf geselecteerd.
1.
Afspeellijst
2.
Random…
3.
Nieuws
4.
TP
5.
Tekst disc
6.*
Audio-instellingen…
AUX-MENU
USB-MENU*
1.
Afspeellijst
2.
Random…
3.
Nieuws
4.
TP
5.
Nummerinformatie
6.
Audio-instellingen…
10 Infotainment
Telefoonfuncties*
10
Onderdelen van het telefoonsysteem.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
281
10 Infotainment
Telefoonfuncties*
Antenne1
10
Toetsenset op stuurwiel. Met de toetsenset kunt u de meeste functies van het telefoonsysteem regelen, zie pagina 283.
Microfoon. De microfoon voor de handsfree-functie zit aan het plafond bij de zonneklep.
Bedieningspaneel op middenconsole.
Via het bedieningspaneel kunt u alle functies van het telefoonsysteem (behalve het
gespreksvolume) regelen.
Simkaartlezer
Algemene informatie
• De verkeersveiligheid staat altijd voorop.
• Schakel het telefoonsysteem uit tijdens het
tanken.
• Schakel het systeem uit in gebieden waar
met explosieven wordt gewerkt.
• Volvo adviseert u servicewerkzaamheden
aan het telefoonsysteem over te laten aan
een erkende Volvo-werkplaats.
1
282
Alleen voor geïntegreerde telefoon of RTI.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Noodoproepen
Ook zonder een simkaart is het mogelijk het
alarmnummer te bellen. Uw auto moet zich
echter wel binnen het dekkingsgebied van een
netwerkprovider bevinden.
In het menu 6.5 kunt u IDIS opheffen, zie
pagina 289.
Simkaart
Noodoproep doen
1. Activeer het telefoonsysteem.
2. Kies het alarmnummer van het land waarin
u zich bevindt (112 binnen de EU).
3. Druk op ENTER.
IDIS
Met het IDIS-systeem (Intelligent Driver
Information System) kunt u, wanneer IDIS
inschat dat de verkeerssituatie alle aandacht
vergt, een vertraging inbouwen voor telefoongesprekken en sms-berichten, zodat u zich
geheel op het rijden kunt concentreren.
Inkomende gesprekken en sms-berichten kunnen 5 seconden worden vertraagd, voordat ze
worden doorgegeven. Als de heersende verkeerssituatie daarna nog alle aandacht van de
bestuurder vergt, kan het inkomende gesprek
worden doorgeschakeld naar de voicemail. De
gemiste oproepen verschijnen op het display.
G020244
Onderdelen van het telefoonsysteem
Het telefoonsysteem is alleen te gebruiken in
combinatie met een geldige simkaart
(Subscriber Identity Module). Meerdere netwerkproviders bieden simkaarten aan. Neem
bij problemen met de simkaart contact op met
de netwerkprovider.
10 Infotainment
Telefoonfuncties*
N.B.
De geïntegreerde telefoon kan geen simkaart van het type 3G lezen. Een gecombineerde simkaart voor 3G én gsm werkt echter wel. Neem contact op met uw netwerkprovider om na te gaan of u van simkaart
moet veranderen.
Extra simkaart
Veel netwerkproviders bieden een extra simkaart voor hetzelfde telefoonnummer aan. De
extra simkaart kunt u in de auto gebruiken.
Menufuncties
MENU – Hoofdmenu openen
Op pagina 289 vindt u een beschrijving van de
wijze waarop u de telefoonfuncties via het
menusysteem kunt sturen.
EXIT – Gesprekken beëindigen/weigeren,
ingevoerde tekens wissen
Verkeersveiligheid
Om veiligheidsredenen zijn delen van het
menusysteem voor de telefoon niet toegankelijk bij snelheden hoger dan 8 km/h.
10
Navigatieknop – Navigeren in menu’s en
tekenregels
ENTER – Gesprek aannemen. Met een
druk op de toets ziet u de laatst gekozen
nummers
PHONE – Aan/uit en stand-by
Bediening telefoon
Toetsenset op stuurwiel
Simkaart aanbrengen
1. Schakel het telefoonsysteem uit en open
het dashboardkastje.
2. Trek de simkaarthouder uit de simkaartlezer (zie afbeelding op pagina 282).
4. Duw de simkaarthouder voorzichtig weer
naar binnen.
G020243
G019809
3. Plaats de simkaart dusdanig in de houder
dat de kant met het metaal zichtbaar is.
Zorg dat de afgeschuinde hoek van de
simkaart overeenkomt met die van de simkaarthouder.
Bedieningspaneel op middenconsole.
VOLUME – Het achtergrondvolume van de
radio e.d. regelen tijdens een gesprek
Cijfer- en lettertoetsen
Wanneer de telefoon in de actieve stand staat,
kunt u met de toetsenset op het stuurwiel
alleen de telefoonfuncties regelen. Als u de
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
283
10 Infotainment
Telefoonfuncties*
10
toetsen wilt gebruiken om instellingen in het
audiosysteem te verrichten, moet u eerst de
telefoon standby zetten.
ENTER – Gesprek aannemen. Met een
druk op de toets ziet u de laatst gekozen
nummers.
EXIT – Gesprekken beëindigen/weigeren,
ingevoerde tekens wissen. Wisselen tussen audiomenu en telefoonmenu.
–
Wanneer het telefoonsysteem gedeactiveerd
is, kunt u geen gesprekken beantwoorden.
Gesprekken beëindigen
–
Houd de toets PHONE ingedrukt totdat de
telefoon gedeactiveerd is.
standby
Gespreksvolume – Verhogen/verlagen
In stand-by is het mogelijk het audiosysteem te
beluisteren in afwachting van een inkomend
gesprek. In stand-by is het echter niet mogelijk
zelf te bellen.
Navigatietoetsen – Menu’s doornemen
Telefoon stand-by zetten
Aan/uit
Wanneer het telefoonsysteem actief is of
standby staat, staat er een hoorn op het display. Als u de transpondersleutel naar stand 0
draait terwijl het telefoonsysteem actief is of
stand-by staat, zal het telefoonsysteem de volgende keer dat u de transpondersleutel naar
stand I of II draait, opnieuw actief zijn of standby staan.
Telefoonsysteem activeren
U kunt alleen gebruik maken van de functies
van het telefoonsysteem, wanneer de telefoon
in de actieve stand staat.
1. Druk op PHONE.
2. Voer (zo nodig) de pincode in en druk op
ENTER.
284
Telefoonsysteem deactiveren
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
U kunt de telefoon alleen vanuit de actieve
stand stand-by zetten.
–
Druk op EXIT.
Gesprekken weigeren
–
Druk op EXIT.
Wisselgesprek
Als er tijdens een lopend telefoongesprek een
nieuwe oproep inkomt, hoort u twee signalen.
Op het display verschijnt Antwoorden?. U
kunt het tweede gesprek op de gebruikelijke
manier weigeren of aannemen. Als u het
tweede gesprek aanneemt, wordt het eerste
gesprek in de wacht gezet.
Druk op PHONE.
Activeren vanuit stand-by
–
–
Druk op ENTER.
Druk op PHONE.
Gespreksfuncties
Bellen
1. Activeer (zo nodig) het telefoonsysteem.
2. Voer het gewenste nummer in of gebruik
het telefoonboek, zie pagina 287.
Gesprekken in de wacht zetten/
hervatten
1. Druk op MENU of op ENTER.
2. Ga naar Pauze of Hervatten en druk op
ENTER.
Ruggespraak tijdens lopende
gesprekken
1. Zet het eerste gesprek in de wacht.
3. Druk op ENTER.
2. Voer het telefoonnummer van de derde
partij in.
Gesprekken aannemen
Wisselen tussen gesprekspartners
Zie menu-optie 4.3 zie pagina 289 voor het
automatisch aannemen.
1. Druk op MENU of op ENTER.
2. Ga naar Wisselen en druk op ENTER.
10 Infotainment
Telefoonfuncties*
Conferentiegesprek starten
Bij een conferentiegesprek kunnen drie
gesprekspartners met elkaar praten. Wanneer
een conferentiegesprek eenmaal gestart is,
kunnen er geen nieuwe gesprekspartners worden aangesloten. Bij het afsluiten van een conferentiegesprek worden alle lopende gesprekken beëindigd.
het gesprek, speelt het audiosysteem na
afloop van het gesprek op het nieuwe volume
verder. Het is ook mogelijk om het geluid van
het audiosysteem bij telefoongesprekken
automatisch uit te zetten (zie menu 6.4.3 op
pagina 289). De functie geldt alleen voor het
geïntegreerde telefoonsysteem van Volvo.
Tekst invoeren
2. Druk op MENU of op ENTER.
U kunt tekst invoeren met de toetsenset op de
telefoon.
Volume
Het telefoonsysteem maakt gebruik van de
luidspreker in het bestuurdersportier.
Gespreksvolume
U regelt het gespreksvolume
met de toetsenset op het
stuurwiel.
Volume audiosysteem
Tijdens een telefoongesprek wordt het volume
van het audiosysteem tijdelijk verlaagd. Na
afloop van het gesprek speelt het audiosysteem op het oude volume verder. Als u het
volume van het audiosysteem bijregelt tijdens
Functie
def3èé
10
ghi4ì
jkl5
1. Begin twee telefoongesprekken.
3. Ga naar Deelnemen en druk op ENTER.
Knop
1. Druk op de toets met het teken van uw
keuze: druk eenmaal om het eerste teken
op de toets in te voeren, tweemaal om het
tweede teken in te voeren enz. (zie tabel).
2. Druk op de 1 om een spatie in te voegen.
Om tweemaal achtereen hetzelfde teken
op de toets in te voeren moet u op * drukken of enige seconden wachten.
Bij kort indrukken van EXIT wist u het laatst
ingevoerde teken. Bij lang indrukken van
EXIT wist u alle ingevoerde tekens.
Knop
Functie
mno6ñöòØ
pqrs7ß
tuv8üù
wxyz9
Kort indrukken om twee
tekens op dezelfde toets na
elkaar in te voeren.
+0@*#&$£/%
Wisselen tussen hoofdletters en kleine letters.
spatie 1 - ? ! , . : " ' ( )
abc2äåàæç
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
285
10 Infotainment
Telefoonfuncties*
Nummerfuncties
10
Laatst gekozen nummers
Het telefoonsysteem slaat automatisch de
laatst gekozen telefoonnummers op.
1. Druk op ENTER.
2. Ga naar een van de opgeslagen nummers
en druk op ENTER.
Telefoonboek
Als het telefoonboek de contactgegevens
bevat van de persoon die belt, verschijnen
deze op het display. Contactgegevens kunnen
op de simkaart en in het telefoongeheugen
worden vastgelegd.
Contactgegevens vastleggen in
telefoonboek
1. Druk op MENU.
2. Ga naar Telefoonboek… en druk op
ENTER.
3. Ga naar Nieuwe contactpersoon en druk
op ENTER.
4. Voer een naam in en druk op ENTER.
5. Voer een nummer in en druk op ENTER.
6. Ga naar SIM-kaart of
Telefoongeheugen en druk op ENTER.
Contactgegevens zoeken in
telefoonboek
2. Ga naar Telefoonboek… en druk op
ENTER.
Wanneer u op de pijl-omlaag van de navigatieknop drukt in plaats van op de toets
MENU, gaat u rechtstreeks naar het menu
Zoeken.
3. Ga naar Zoeken en druk op ENTER.
1. Druk op MENU.
2. Ga naar Telefoonboek… en druk op
ENTER.
3. Ga naar Zoeken en druk op ENTER.
4. Voer de eerste letter in van de post die u
zoekt en druk vervolgens op ENTER of
druk meteen op ENTER.
5. Ga naar de post die u zoekt en druk op
ENTER.
Kopiëren tussen simkaart en
telefoonboek
1. Druk op MENU.
2. Ga naar Telefoonboek… en druk op
ENTER.
3. Ga naar Alles kopiëren… en druk op
ENTER.
4. Ga naar SIM naar telefoon of Telefoon
naar SIM en druk op ENTER.
Contactgegevens verwijderen uit
telefoonboek
1. Druk op MENU.
286
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
4. Voer de eerste letter in van de post die u
zoekt en druk vervolgens op ENTER of
druk meteen op ENTER.
5. Ga naar de post die u wilt verwijderen en
druk op ENTER.
6. Ga naar Wissen en druk op ENTER.
Alle posten wissen
1. Druk op MENU.
2. Ga naar Telefoonboek… en druk op
ENTER.
3. Ga naar SIM wissen of Telefoon wissen
en druk op ENTER.
Toets zo nodig de telefooncode in. De fabriekscode is 1234.
One-key dial
Aan de cijfertoetsen van de toetsenset (1–9)
kunt u een telefoonnummer koppelen van een
van de contactgegevens in het telefoonboek.
1. Druk op MENU.
2. Ga naar Telefoonboek… en druk op
ENTER.
10 Infotainment
Telefoonfuncties*
3. Ga naar Sneltoets verk. kiezen… en druk
op ENTER.
Bellen via telefoonboek
Functies tijdens lopende gesprekken
1. Druk op MENU.
4. Ga naar Selecteer nummers en druk op
ENTER.
2. Ga naar Telefoonboek… en druk op
ENTER.
> Alle posten in het telefoonboek worden
weergegeven. U kunt het aantal weergegeven posten verkleinen door een
deel van de naam van de post in te voeren die u zoekt.
Tijdens een lopend gesprek staan u meerdere
functies ter beschikking. Sommige functies zijn
alleen te activeren als een gesprek in de wacht
staat.
5. Ga naar het cijfer van de toets waaraan u
het telefoonnummer wilt koppelen en druk
op ENTER.
6. Voer de eerste letter in van de post die u
zoekt en druk vervolgens op ENTER of
druk meteen op ENTER.
7. Ga naar de post die u zoekt en druk op
ENTER.
8. Houd EXIT ingedrukt om het menusysteem te verlaten.
Verkort kiezen
–
Druk kort op de voorkeurtoets van uw
keuze en daarna op de toets ENTER.
N.B.
3. Ga naar de post die u zoekt en druk op
ENTER.
N.B.
Druk op ENTER om te bellen.
N.B.
Houd de gewenste letter/toets van de toetsenset ca. 2 seconden ingedrukt om het
telefoonboek bij de bijbehorende letter te
openen.
10
Druk op MENU of op ENTER om het gespreksmenu te openen en ga naar een van de volgende opties:
1. Microfoon mute/Microfoon
ingeschakeld – Ruggespraakstand.
2. Pauze/Hervatten – Lopend gesprek in de
wacht zetten of hervatten.
3. Telefoonboek – Telefoonboek bekijken.
4. Deelnemen – Telefonische vergadering
voeren (mogelijk bij aansluiting van meer
dan twee partijen)
5. Wisselen – Wisselen tussen twee
gesprekken (mogelijk bij aansluiting van
maximaal drie partijen).
Na activering van de telefoon moet u enkele
seconden wachten, voordat u gebruik kunt
maken van de functie verkort kiezen.
Om verkort te kunnen kiezen moet de optie
Sneltoets verk. kiezen… in het menu
Telefoonboek…, zie pagina 291 geactiveerd
zijn.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
287
10 Infotainment
Telefoonfuncties*
Sms (Short Message Service)
10
Sms lezen
1. Druk op MENU.
2. Ga naar Berichten… en druk op ENTER.
3. Ga naar Lezen en druk op ENTER.
4. Ga naar het bericht van uw keuze en druk
op ENTER.
> De inhoud van het bericht verschijnt op
het display. Wanneer u nogmaals op
ENTER drukt, verschijnen meer opties.
Houd EXIT ingedrukt om het menusysteem te verlaten.
IMEI-nummer
Om de telefoon te blokkeren moet u het IMEInummer van de telefoon aan uw netwerkprovider doorgeven. Dit nummer is een serienummer bestaande uit 15 cijfers dat in de telefoon
geprogrammeerd is. Toets *#06# op uw telefoon in om het nummer op het display te zien.
Noteer dit nummer en bewaar het goed.
Specificaties
Schrijven en verzenden
1. Druk op MENU.
2. Ga naar Berichten… en druk op ENTER.
3. Ga naar Nieuw bericht schrijven en druk
op ENTER.
Vermogen
2W
Simkaart
Klein
Geheugenposities
250A
Sms (Short Message Service)
Ja
Data/Fax
Nee
Dualband (900/1800 MHz)
Ja
4. Schrijf de tekst en druk op ENTER.
A
5. Ga naar Verzenden en druk op ENTER.
6. Voer een telefoonnummer in en druk op
ENTER.
288
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
In de telefoon, plus het aantal geheugenpositie op de simkaart.
10 Infotainment
Menusysteem, telefoon*
Hoofdmenu
1.
Sneltoets verk. kiezen…
4.6.2.
Indien bezet
Oproepregister…
2.4.1.
Actief
4.6.3.
Geen antwoord
1.1.
Laatste 10 gemiste opr.
2.4.2.
Selecteer nummers
4.6.4.
Niet bereikbaar
1.2.
Laatste 10 ontv. opr.
2.5.
SIM wissen
4.6.5.
Fax oproepen
1.3.
Laatste 10 gebelde nrs.
2.6.
Telefoon wissen
4.6.6.
Datagesprekken
1.4.
Lijst wissen…
2.7.
Geheugenstatus
4.6.7.
Alles annuleren
1.5.
2.
1
2.4.
1.4.1.
Alle oproepen
1.4.2.
Gemiste oproepen
3.1.
Lezen
5.1.
Autotelefoon
1.4.3.
Ontvangen oproepen
3.2.
Nieuw bericht schrijven
5.2.
Telefoon toevoegen
1.4.4.
Gekozen nummers
3.3.
Berichtinstellingen…
5.3–7. Toegevoegde telefoons1
3.
Berichten…
5.
Gespreksduur…
3.3.1.
SMSC-nummer
1.5.1.
Laatste oproep
3.3.2.
Geldigheidsduur…
1.5.2.
Aantal oproepen
3.3.3.
Type bericht…
1.5.3.
Totale tijd
1.5.4.
Reset timers
4
Belopties…
4.1.
Verzend mijn nummer
Telefoonboek…
4.2.
Wisselgesprek
2.1.
4.3.
Automatisch antwoord
Zoeken
2.2.
Nieuwe contactpersoon
4.4.
Auto re-dial
2.3.
Alles kopiëren…
4.5.
Nummer voicemail
2.3.1.
SIM naar telefoon
4.6.
Omleidingen…
2.3.2.
Telefoon naar SIM
4.6.1.
Alle oproepen
10
Verwissel telefoon
N.B.
Het bovenstaande menu geldt alleen voor
auto’s met BluetoothTM-handsfree.
6.
Instellingen telefoon…
6.1.
6.2.
Netwerkselectie…
6.1.1.
Automatisch
6.1.2.
Handmatige selectie
SIM-beveiliging…
6.2.1.
Aan
6.2.2.
Uit
Maximaal 5 telefoons.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
289
10 Infotainment
Menusysteem, telefoon*
6.2.3.
10
Automatisch
6.3.
PIN-code bewerken
6.4.
Geluid en volume…
6.4.1.
Belvolume
6.4.2.
Beltonen…
6.4.3.
Radio mute
6.4.4.
Pieptoon bij bericht
6.5.
IDIS
6.6.
Reset telefooninstellingen
2.3.1.
SIM naar telefoon
De lijsten wissen in de menu’s 1.1, 1.2 en 1.3
zoals hieronder beschreven.
2.3.2.
Telefoon naar SIM
1.4.1.
Alle oproepen
2.4. Sneltoetsfunctie
1.4.2.
Gemiste oproepen
1.4.3.
Ontvangen oproepen
Nummers die zijn vastgelegd in het telefoonboek koppelen aan een sneltoets voor verkort
kiezen.
1.4.4.
Gekozen nummers
2.4.1
Actief
2.4.2
Selecteer nummers
1.5. Belduur
De duur van alle gesprekken of van het laatste
gesprek. Zie menu 1.5.4 voor het resetten van
de gesprekstellers.
2.5. SIM wissen
1.5.1.
Laatste oproep
1.5.2.
Aantal oproepen
Het complete geheugen van de telefoon wissen.
1.5.3.
Totale tijd
2.7. Geheugengebr.
Lijst met gemiste oproepen. U kunt de bijbehorende nummers bellen, wissen of in het telefoonboek opslaan.
1.5.4.
Reset timers
1.2. Laatste 10 beantwoorde
2.1. Zoeken
Lijst met beantwoorde oproepen. U kunt de
bijbehorende nummers bellen, wissen of in het
telefoonboek opslaan.
Namen in het telefoonboek zoeken.
Bekijken hoeveel geheugenposities er in
beslag genomen worden in het geheugen van
de simkaart en in dat van de telefoon. In de
tabel staat aangegeven hoeveel van de
beschikbare positie er in gebruik zijn (bijvoorbeeld 100 (250)).
2.2. Nieuw contact
3. Berichten
Namen en telefoonnummers vastleggen in het
telefoonboek, zie pagina 286.
3.1. Lezen
Beschrijving van menu-opties
1. Gespreklijst
1.1. Laatste 10 gemiste
1.3. Laatste 10 gekozen
Lijst met eerder gebelde nummers. U kunt de
bijbehorende nummers bellen, wissen of in het
telefoonboek opslaan.
290
1.4. Lijst wissen
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
2. Telefoonboek
2.3. Alles kopie
Telefoonnummers en namen op de simkaart
kopiëren naar het geheugen van de telefoon.
Het geheugen op de simkaart geheel wissen.
2.6. Telefoon wissen
Ontvangen sms-berichten. U kunt de gelezen
berichten (of delen ervan) wissen, doorsturen,
wijzigen of opslaan.
10 Infotainment
Menusysteem, telefoon*
3.2. Nieuw opstellen
4.3. Autom. antw.
5.2. Telefoon toevoegen
Met de toetsenset een bericht invoeren. U kunt
het bericht vervolgens opslaan of versturen.
Inkomende gesprekken automatisch beantwoorden.
Mobiele telefoons toevoegen aan de lijst Toegevoegde telefoons.
3.3. Berichtinstellingen
4.4 Autom. herkiezen
5.3–7. Toegevoegde telefoons
Het nummer (SMSC nummer) van de berichtencentrale aangeven waarnaar u uw berichten
wilt doorschakelen en de tijd specificeren dat
de berichten moeten blijven liggen. Neem contact op met uw netwerkprovider voor informatie over de instellingen voor de berichtencentrale. U hoeft de instellingen normaal gesproken niet te wijzigen.
Automatisch een eerder gekozen nummer bellen.
Verbinding maken met een van de toegevoegde telefoons (maximaal 5 telefoons).
3.3.1.
SMSC-nummer
3.3.2.
Geldigheidsduur…
3.3.3.
Type bericht…
4.5. Voicemail-nummer
N.B.
Het nummer van voicemail opslaan.
4.6. Doorschakelen
Het bovenstaande menu geldt alleen voor
auto’s met BluetoothTM-handsfree.
Aangeven welke soorten gesprekken er moeten worden doorgeschakeld naar het gespecificeerde telefoonnummer en wanneer.
6. Telefooninstellingen
4.6.1.
6.1 Kies netwerk
Alle oproepen
4. Belopties
4.6.2
Indien bezet
Aangeven of u automatisch of handmatig netwerken wilt selecteren. De geselecteerde provider verschijnt tijdens het inschakelen van het
telefoonsysteem op het display.
4.1. Verzend mijn nummer
4.6.3.
Geen antwoord
6.1.1.
Automatisch
Aangeven of uw eigen telefoonnummer wel of
niet op het telefoondisplay van de gebelde persoon moet verschijnen. Neem contact op met
de netwerkprovider voor een permanent
geheim nummer.
4.6.4.
Niet bereikbaar
6.1.2.
Handmatige selectie
4.6.5.
Fax oproepen
4.6.6.
Datagesprekken
4.6.7.
Alles annuleren
De instelling geldt alleen tijdens het lopende
gesprek.
4.2. Oproep wacht
Aangeven of u wel of geen signaal wilt ontvangen, wanneer er tijdens een lopend gesprek
een tweede gesprek wacht.
6.2. SIM beveil.
Aangeven of de invoer van de pincode actief of
inactief moet zijn of automatisch moet verlopen.
5. Verwissel telefoon
6.2.1.
Aan
5.1. Autotelefoon
6.2.2.
Uit
6.2.3.
Automatisch
Geïntegreerde telefoon kiezen.
10
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
291
10 Infotainment
Menusysteem, telefoon*
6.3. PIN-code bewerken
10
Pincode wijzigen. Code noteren en goed
bewaren.
6.4. Geluid en volume
6.4.1.
Belvolume
Het volume van het belsignaal regelen.
6.4.2.
Beltonen…
Uit zeven verschillende belsignalen kiezen.
6.4.3.
Radio mute
Radio uit-/inschakelen.
6.4.4.
Pieptoon bij bericht
6.5. IDIS
Als u de functie IDIS uitschakelt, worden inkomende gesprekken ongeacht de rijsituatie zonder vertraging doorgegeven.
6.6. Reset Telefooninst
De fabrieksinstellingen van het systeem herstellen.
292
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
10 Infotainment
Bluetooth handsfree*
Algemene informatie
telefoon bedienen of de telefoon nu aangesloten is of niet.
N.B.
Niet alle mobiele telefoons zijn volledig
compatibel met de handsfree-functie van
het audiosysteem. Volvo adviseert u contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats of www.volvocars.com te
bezoeken voor informatie over compatibele
telefoons.
Menu’s en bedieningstoetsen
U regelt de menufuncties vanaf de middenconsole (3), zie pagina 283.
Systeemoverzicht.
Mobiele telefoon
Microfoon
Middenconsole
BluetoothTM
Een mobiele telefoon met BluetoothTM is
draadloos aan te sluiten op het audiosysteem.
Het audiosysteem werkt dan als handsfree en
biedt u de mogelijkheid om enkele functies van
uw mobiele telefoon op afstand te bedienen.
De microfoon zit in de plafondconsole (2). U
kunt de mobiele telefoon via de knoppen op de
Beknopte bedieningsinstructies
U regelt de menufuncties vanaf de middenconsole of via de toetsenset op het stuurwiel. Voor
algemene informatie over de menufuncties, zie
pagina 289.
N.B.
Als de auto is uitgerust met zowel
BluetoothTM handsfree als een geïntegreerde telefoon, bevat het telefoonmenu
een extra menu, zie pagina 289.
Activeren/deactiveren
Wanneer u kort op PHONE drukt, activeert u
de handsfree-functie. De melding
TELEFOON boven aan het display geeft aan
dat het systeem in de telefoonstand staat. Het
symbool
geeft aan dat de handsfreefunctie actief is.
10
Wanneer u PHONE lang indrukt, deactiveert u
de handsfree-functie en koppelt u een aangesloten telefoon los.
Mobiele telefoon aansluiten
Hoe u een mobiele telefoon aansluit hangt af
van de vraag of dezelfde mobiele telefoon al
dan niet eerder aangesloten was. Als het de
eerste keer is dat u de mobiele telefoon aansluit, dan moet u de onderstaande instructies
volgen:
Alternatief 1 – via het menusysteem van de
auto
1. Maak de mobiele telefoon identificeerbaar/
zichtbaar via BluetoothTM (zie daarvoor de
gebruiksaanwijzing bij de mobiele telefoon
of www.volvocars.com).
2. Activeer de handsfree-functie met
PHONE.
> De menu-optie Telefoon toevoegen
verschijnt op het display. Als u al eerder
een of meer mobiele telefoons hebt
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
293
10 Infotainment
Bluetooth handsfree*
geregistreerd, worden ook deze weergegeven.
10
3. Kies Telefoon toevoegen.
> Het audiosysteem zoekt naar mobiele
telefoons in de nabije omgeving. Er
wordt ongeveer 30 seconden gezocht.
De gevonden mobiele telefoons verschijnen met hun BluetoothTM-naam op
het display. De handsfree-functie verschijnt onder de BluetoothTM-naam My
Volvo Car op de mobiele telefoon.
4. Kies een van de mobiele telefoons op het
display van het audiosysteem.
5. Voer via het toetsenblok van de te registreren mobiele telefoon de cijfercode in die
op het display van het audiosysteem staat.
Alternatief 2 – via het menusysteem van de
telefoon
1. Activeer de handsfree-functie met
PHONE. Schakel een eventueel eerder
aangesloten telefoon uit.
2. Zoek met de BluetoothTM-functie van de
mobiele telefoon (zie gebruiksaanwijzing
bij de mobiele telefoon).
3. Kies My Volvo Car in de lijst met gevonden eenheden op uw mobiele telefoon.
1
294
Geldt voor Keyless Drive.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
4. Voer de pincode '1234' in op uw mobiele
telefoon, als er om de pincode wordt
gevraagd.
Mobiele telefoon uitschakelen
5. Kies voor aansluiting op My Volvo Car
vanaf de mobiele telefoon.
De mobiele telefoon wordt automatisch losgekoppeld, als de telefoon buiten het bereik van
het audiosysteem komt. Voor meer informatie
over de aansluiting, zie pagina 296.
De mobiele telefoon wordt vervolgens geregistreerd en automatisch aangesloten op het
audiosysteem, terwijl de melding
Synchroniseert op het display staat. Voor
meer informatie over het registreren van mobiele telefoons, zie pagina 296.
U kunt een aansluiting handmatig verbreken
wanneer u de handsfree-functie deactiveert
door PHONE lang in te drukken. De handsfreefunctie wordt eveneens gedeactiveerd bij het
afzetten van de motor of het openen van een
portier1.
Wanneer er een aansluiting tot stand gebracht
en de
is, verschijnen het symbool
BluetoothTM-naam op het display. U kunt de
mobiele telefoon vervolgens bedienen via het
audiosysteem.
Wanneer de mobiele telefoon is losgekoppeld,
kunt u een eventueel lopend gesprek voortzetten via de ingebouwde microfoon en luidspreker van de mobiele telefoon.
Bellen
1. Controleer of de melding TELEFOON
boven aan het display staat en of het symbool
zichtbaar is.
2. Voer het gewenste nummer in of gebruik
het telefoonboek, zie pagina 296.
3. Druk op ENTER.
U beëindigt het gesprek met EXIT.
N.B.
Bij sommige mobiele telefoons moet u om
over te schakelen van de handsfree op de
handset eerst ter bevestiging op het toetsenblok van de mobiel drukken.
10 Infotainment
Bluetooth handsfree*
Gespreksfuncties
Inkomend gesprek
U neemt een gesprek aan met ENTER, ook al
staat het audiosysteem in bijvoorbeeld de
stand CD of FM. Met EXIT kunt u een gesprek
weigeren of beëindigen.
N.B.
Bij sommige mobiele telefoons wordt de
aansluiting verbroken bij gebruik van de
ruggespraakfunctie (dempen). Dit is volkomen normaal. De handsfree-functie stelt
vervolgens de vraag of u opnieuw wilt aansluiten.
Automatisch antw.
Met de functie Automatisch antwoord is het
mogelijk gesprekken automatisch te beantwoorden. Activeer/deactiveer de functie onder
Telefoonmenu… Belopties…
Automatisch antw..
Menu ontvangen oproepen
Druk tijdens een gesprek op MENU of op
ENTER om toegang te krijgen tot de volgende
functies:
• Microfoon mute – Microfoon van het
audiosysteem uitschakelen.
• Gespr. n. mob. doorsch. – Gesprek door-
• Telefoonboek – In het telefoonboek van
de mobiele telefoon zoeken.
N.B.
Tijdens een lopend gesprek is het niet
mogelijk een tweede gesprek te beginnen.
Audio-instellingen
Gespreksvolume
U kunt het gespreksvolume bijregelen tijdens
het bellen. Maak gebruik van de toetsenset op
het stuurwiel.
Instellingen telefoon…
volume… Radio mute.
Geluid en
10
Belvolume
Ga naar Telefoonmenu… Instellingen
telefoon… Geluid en volume…
Belvolume en stel bij met
/
van de navigatietoets.
Beltonen
U kunt een van de ingebouwde beltonen van
de handsfree-functie kiezen onder
Telefoonmenu… Instellingen telefoon…
Geluid en volume… Beltonen…
Beltoon 1 enz.
N.B.
Ook bij gebruik van een van de ingebouwde
beltonen van het handsfree-systeem, zijn de
beltonen van de aangesloten mobiele telefoon nog altijd hoorbaar.
schakelen naar de mobiele telefoon.
Volume audiosysteem
In de telefoonstand (TELEFOON) is het volume
van het audiosysteem op de gebruikelijke wijze
bij te regelen met VOLUME.
Het is mogelijk de weergave van de actieve
geluidsbron te onderdrukken bij inkomende
telefoongesprekken onder Telefoonmenu…
2
Ga om de beltonen2 van de aangesloten telefoon te gebruiken naar Telefoonmenu…
Instellingen telefoon… Geluid en
volume… Beltonen… Signaal mob. tel.
gebr..
Niet ondersteund door alle mobiele telefoons.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
295
10 Infotainment
Bluetooth handsfree*
10
Meer informatie over registratie en
aansluiting
foon door het menusysteem als volgt te gebruiken.
Er kunnen maximaal drie mobiele telefoons
worden geregistreerd. U hoeft een mobiele
telefoon slechts eenmaal te registreren. Na
registratie staat de mobiele telefoon in de lijst
met toegevoegde telefoons. U kunt slechts één
mobiele telefoon tegelijk aansluiten. Het is
mogelijk de registratie van een telefoon te verwijderen onder Telefoonmenu…
Bluetooth… Verwijder telefoon.
Welke van de twee mogelijke versies van het
menusysteem er op uw auto zit, hangt af van
de vraag of de auto alleen voorzien is van
BluetoothTM of ook een geïntegreerde telefoon.
Automatische aansluiting
Wanneer de handsfree-functie actief is en de
laatst aangesloten mobiele telefoon binnen het
bereik ligt, wordt deze telefoon automatisch
opnieuw aangesloten. Terwijl het audiosysteem op zoek is naar de laatst aangesloten
telefoon staat de naam van deze telefoon op
het display. Druk op EXIT om handmatig een
andere telefoon aan te sluiten.
Handmatige aansluiting
Ga als volgt te werk, als u in plaats van de laatst
aangesloten mobiele telefoon een nieuwe
mobiele telefoon wilt aansluiten of wilt overschakelen op een andere eerder aangesloten
mobiele telefoon:
Zet het audiosysteem in de telefoonstand
(TELEFOON) en volg de aanwijzingen op het
display of wissel van aangesloten mobiele tele-
296
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
• Bij auto’s met alleen
BluetoothTM
verricht u
de aansluiting onder Telefoonmenu…
Bluetooth… Verwissel telefoon
Telefoon toevoegen of kies een van de
eerder aangesloten telefoons.
• Bij auto’s met zowel een geïntegreerde
BluetoothTM
telefoon als
verricht u de aansluiting onder Telefoonmenu…
Verwissel telefoon Telefoon
toevoegen of kies een van de eerder aangesloten telefoons.
Telefoonboek
Voor alle telefoonboekfuncties geldt dat de
melding TELEFOON boven aan het display
moet staan en dat het symbool
zichtbaar
moet zijn.
Het audiosysteem slaat van elk van de geregistreerde mobiele telefoons een kopie van het
telefoonboek op. Het telefoonboek wordt bij
iedere aansluiting automatisch naar het audiosysteem gekopieerd. Deactiveer de functie
onder Instellingen telefoon…
Telefoonboek synchr.. Bij het zoeken van
contacten werkt u alleen met het telefoonboek
van de aangesloten mobiele telefoon.
N.B.
Als de mobiele telefoon geen ondersteuning
biedt voor het kopiëren van het telefoonboek, verschijnt na afloop van het kopiëren
de melding Lijst is leeg.
Als het telefoonboek de contactgegevens
bevat van de persoon die belt, verschijnen
deze op het display.
Contacten zoeken
U kunt het eenvoudigst naar bepaalde gegevens in het telefoonboek zoeken door de knoppen 2–9 lang in te drukken. Het telefoonboek
wordt dan doorzocht op posten die beginnen
met de eerste letter van de ingedrukte toets.
Het telefoonboek is eveneens te bereiken met
/
van de navigatietoets of met
/
van de toetsenset op het stuurwiel. U een zoekopdracht tevens starten vanuit het zoekmenu
van het telefoonboek onder Telefoonboek…
Zoeken:
1. Voer de eerste letter in van het contact dat
u zoekt en druk op ENTER. Of druk alleen
op ENTER.
10 Infotainment
Bluetooth handsfree*
2. Ga naar het contact van uw keuze en druk
op ENTER om het bijbehorende nummer
te bellen.
Spraakherkenning
U kunt gebruik maken van de spraakherkenningsfunctie (voice tags) van de mobiele telefoon door ENTER ingedrukt te houden.
N.B.
Niet alle mobiele telefoons zijn volledig
compatibel met de spraakherkenningsfunctie. Volvo adviseert u contact op te nemen
met een erkende Volvo-dealer of
www.volvocars.com te bezoeken voor
informatie over compatibele telefoons.
Voicemail-nummer
U kunt het voicemail-nummer wijzigen onder
Belopties… Nummer voicemail. Als er nog
geen nummer opgeslagen is, kunt u het bijbehorende menu openen door lang op 1 te drukken. Druk vervolgens lang op 1 om het ingevoerde nummer te gebruiken.
ting bijgehouden. Druk op ENTER om de laatst
gebelde nummers te bekijken. De overige
gesprekslijsten staan onder
Oproepregister….
N.B.
Sommige mobiele telefoons geven de lijst
met laatst gekozen nummers in omgekeerde volgorde weer.
Tekst invoeren
Menusysteem - BluetoothTMhandsfree
Het menusysteem voor BluetoothTM-handsfree is verkrijgbaar in twee versies. Eén
voor auto’s met alleen BluetoothTM-handsfree en één voor auto’s met een geïntegreerde telefoon en BluetoothTM-handsfree.
1.
Met de toetsenset op de middenconsole kunt
u tekst invoeren. Druk eenmaal om het eerste
teken op de toets in te voeren, tweemaal om
het tweede teken in te voeren enz. (zie tabel op
pagina 285).
Bij kort indrukken van EXIT wist u het laatst
ingevoerde teken. Bij lang indrukken van
EXIT wist u alle ingevoerde tekens. Gebruik
/
van de navigatietoets om de verschillende tekens te doorlopen.
2.
3.
Oproepregister…
1.1.
Laatste 10 gemiste opr.
1.2.
Laatste 10 ontv. opr.
1.3.
Laatste 10 gebelde nrs.
Telefoonboek…
2.1.
Zoeken
2.2.
Van mob. tel. kopiëren
Bluetooth…
3.1.
3
Verwissel telefoon
3.1.1.
Gesprekslijsten
De gesprekslijsten worden bij iedere nieuwe
aansluiting naar de handsfree-functie gekopieerd en worden vervolgens tijdens de aanslui-
10
N.B.
Telefoon toevoegen
3.1.2–6.Toegevoegde telefoons3
3.2.
Verwijder telefoon
3.3.
Vanaf mob. tel. verbinden
Maximaal 5 telefoons.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
297
10 Infotainment
Bluetooth handsfree*
3.4.
10
4.
5.
Bluetooth info auto
3.
Bluetooth…
Belopties…
3.1.
Verwijder telefoon
4.1.
Automatisch antw.
3.2.
Vanaf mob. tel. verbinden
4.2.
Nummer voicemail
3.3.
Bluetooth info auto
Instellingen telefoon…
5.1.
5.2.
4.
Belopties…
Geluid en volume…
4.1.
Automatisch antw.
5.1.1.
Belvolume
4.2.
Nummer voicemail
5.1.2.
Beltonen…
5.1.3.
Radio mute
5.
Telefoonboek synchr.
Verwissel telefoon
5.1.
Autotelefoon
5.2.
Telefoon toevoegen
5.3–7. Toegevoegde telefoons3
Menusysteem - BluetoothTMhandsfree en geïntegreerde telefoon
1.
2.
3
298
6.
Instellingen telefoon…
6.1.
Oproepregister…
1.1.
Laatste 10 gemiste opr.
1.2.
Laatste 10 ontv. opr.
1.3.
Laatste 10 gebelde nrs.
Telefoonboek…
2.1.
Zoeken
2.2.
Van mob. tel. kopiëren
Maximaal 5 telefoons.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
6.2.
Geluid en volume…
6.1.1.
Belvolume
6.1.2.
Beltonen…
6.1.3.
Radio mute
Telefoonboek synchr.
10 Infotainment
10
299
Type-aanduiding...................................................................................
Maten en gewichten..............................................................................
Motorspecificaties.................................................................................
Motorolie...............................................................................................
Vloeistoffen en smeermiddelen.............................................................
Brandstof..............................................................................................
Wielen en banden, maten en spanning ................................................
Elektrisch systeem................................................................................
Typegoedkeuring..................................................................................
Displaysymbolen...................................................................................
300
302
304
307
308
310
313
315
317
319
320
SPECIFICATIES
11 Specificaties
Type-aanduiding
11
302
11 Specificaties
Type-aanduiding
Wanneer u contact opneemt met de erkende
Volvo-werkplaats of vervangende onderdelen
of accessoires wilt bestellen, kan het handig
zijn om de type-aanduiding, het chassisnummer en het motornummer bij de hand te hebben.
Type-aanduiding, chassisnummer, maximaal toelaatbare gewichten, kleurcodes
voor lak en bekleding en typegoedkeuringsnummer.
S40 en V50: Bij het openen van het rechter
achterportier is de sticker zichtbaar. C30
en C70: Bij het openen van het rechter portier is de sticker zichtbaar.
N.B.
Het is mogelijk dat de stickers die in de
instructieboek staan geen exacte kopieën
zijn van de stickers die in de auto zitten. Ze
dienen alleen om aan te geven hoe de stickers er bij benadering uitzien en waar ze
ongeveer zitten. De informatie die voor uw
auto geldt staat op de desbetreffende stickers in/op uw auto.
11
Sticker voor standverwarming.
Motorcode, onderdeel- en serienummer.
Sticker voor motorolie.
Type-aanduiding en serienummer van de
versnellingsbak:
handgeschakelde versnellingsbak
,
automatische versnellingsbak
Identificatienummer van de auto (VIN –
Vehicle Identification Number).
De typegoedkeuring van de auto bevat meer
informatie over de auto.
303
11 Specificaties
Maten en gewichten
Maten
11
Maten
A
304
Wielbasis
B
Lengte
C
Laadlengte, vloer, achterbank neergeklapt
mm
2640
Maten
G
Spoorbreedte vooras
H
Spoorbreedte achteras
1766
Laadlengte, vloer
989
E
Laadhoogte
685
F
Hoogte
1457
1548A
K
1535B
4522
D
mm
1531B
I
Laadbreedte, vloer
J
Breedte
L
1544A
1002
1770 (1785C)
A
B
C
Maten
mm
Breedte incl. buitenspiegels
2022
Breedte incl. ingeklapte
buitenspiegels
1845
met 15"-wielen
met 16"- en 17"-wielen
met Keyless Drive*
11 Specificaties
Maten en gewichten
Gewichten
Inbegrepen bij het rijklaar gewicht zijn het
gewicht van de bestuurder, dat van de brandstoftank die voor 90 % gevuld is en dat van de
resterende oliën/vloeistoffen.
Het gewicht van de passagiers en de gemonteerde accessoires alsmede de kogeldruk (bij
gebruik van een aanhanger (zie tabel)) zijn van
invloed op het laadvermogen en zijn niet inbegrepen bij het rijklaar gewicht.
Toelaatbare maximumbelading = totaalgewicht – rijklaar gewicht.
N.B.
Het gedocumenteerde rijklaar gewicht geldt
voor een auto in standaarduitvoering –
d.w.z. een auto zonder extra uitrusting of
accessoires. Dit betekent dat voor ieder
accessoire dat wordt toegevoegd het laadvermogen van de auto met het gewicht van
het desbetreffende accessoire moet worden verminderd.
Voorbeelden van accessoires die een vermindering van het laadvermogen betekenen
zijn auto’s in de uitvoeringen Kinetic,
Momentum en Summum alsmede zaken als
trekhaken, lastdragers, skiboxen, audiosystemen, verstralers, gps-systemen, brandstofkachels, veiligheidsrekken, matten,
bagagerolhoezen/-afdekkingen, elektrisch
bediende stoelen, etc.
Een weegbrug is een betrouwbaar instrument om het rijklaar gewicht voor uw auto
te bepalen.
WAARSCHUWING
Afhankelijk van de belading van de auto en
het zwaartepunt van de lading treden er wijzigingen in de rijeigenschappen op.
11
Voor de positie van de sticker, zie pagina 302.
Max. totaalgewicht
Max. treingewicht (auto+aanhanger)
Max. voorasdruk
Max. achterasdruk
Uitrustingsniveau
Max. belasting: Zie typegoedkeuring.
Max. dakbelasting: 75 kg.
305
11 Specificaties
Maten en gewichten
Trekgewicht en kogeldruk
11
306
Motor
Max. gewicht, geremde aanhanger (kg)
Max. kogeldruk (kg)
1.6
1200
50
DRIVe
1300
75
D2
1300
75
2.0F
1350
75
2.0
1350
75
overige
1500
75
Motor
Max. gewicht, ongeremde aanhanger (kg)
Max. kogeldruk (kg)
1.6, 2.0 en 2.0F
650
50
overige
700
50
11 Specificaties
Motorspecificaties
Overzicht
N.B.
Niet alle motoren zijn verkrijgbaar op alle
markten.
11
A
Motor
MotorcodeA
Vermogen
(kW bij
omw/min)
Vermogen
(pk bij
omw/min)
Motorkoppel (Nm bij
omw/min)
Aantal
cilinders
Cilinderboring
(mm)
Slaglengte
(mm)
Cilinderinhoud
(liter)
Compressieverhouding
1.6
B4164S3
74/6000
100/6000
150/4000
4
79
81,4
1,596
11,0:1
2.0F
B4204S4
107/6000
145/6000
185/4500
4
87,5
83,1
1,999
10,8:1
2.0
B4204S3
107/6000
145/6000
185/4500
4
87,5
83,1
1,999
10,8:1
T5
B5254T7
169/5000
230/5000
320/1500–
5000
5
83
93,2
2,521
9,0:1
DRIVe
D4162T
84/3600
115/3600
270/1750–
2500
4
75
88,3
1,560
16,0:1
D2
D4162T
84/3600
115/3600
270/1750–
2500
4
75
88,3
1,560
16,0:1
D3
D5204T5
110/3500
150/3500
350/1500–
2750
5
81
77
1,984
16,5:1
D4
D5204T
130/3500
177/3500
400/1750–
2750
5
81
77
1,984
16,5:1
Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op de motor, zie pagina 302.
307
11 Specificaties
Motorolie
Ongunstige rijomstandigheden
In ongunstige rijomstandigheden kunnen de
olietemperatuur en het olieverbruik abnormaal
toenemen. Hier volgen enkele voorbeelden van
ongunstige rijomstandigheden.
11
Controleer het oliepeil vaker bij lange ritten:
• met een caravan of aanhanger achter de
auto
• in bergachtig gebied
• op hoge snelheden
• in temperaturen lager dan –30 °C of hoger
dan +40 °C
Het bovenstaande geldt ook tijdens kortere ritten bij lage temperaturen.
Kies een volsynthetische motorolie bij ongunstige rijomstandigheden. Ze bieden de motor
extra bescherming.
Volvo adviseert olieproducten van Castrol.
BELANGRIJK
Om aan de vereisten voor de gespecificeerde service-intervallen te voldoen worden alle motoren in de fabriek gevuld met
een speciaal aangepaste, synthetische
motorolie. De oliesoort werd met grote zorg
geselecteerd lettend op de levensduur van
de motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact.
Om de aanbevolen service-intervallen aan
te kunnen houden dient u een goedgekeurde motoroliesoort te gebruiken.
Gebruik alleen een oliesoort van de voorgeschreven kwaliteit en dat zowel bij het bijvullen als bij het verversen van olie. Een
negatieve invloed op de levensduur van de
motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact is anders niet
uitgesloten.
Volvo Car Corporation wijst alle garantieclaims af bij gebruik van een motoroliesoort
die niet voldoet aan de voorgeschreven
kwaliteits- en viscositeitseisen.
Volvo adviseert de olie in een erkende
Volvo-werkplaats te laten verversen.
308
11 Specificaties
Motorolie
Motoroliekwaliteit
Motor
Motorcode
Aanbevolen oliekwaliteit
Hoeveelheid, incl. oliefilter
(liter)
1.6
B4164S3
Oliekwaliteit: ACEA A5/B5
ca 4,0
2.0F
B4204S4
Viscositeit: SAE 5W-30
ca 4,3
2.0
B4204S3
ca 4,3
DRIVe
D4162T
ca 3,8
D2
D4162T
ca 3,8
T5
B5254T7
Oliekwaliteit: ACEA A5/B5
ca 5,8
D3
D5204T5
Viscositeit: SAE 0W-30
ca 5,9
D4
D5204T
11
ca 5,9
Voor het bijvullen van motorolie, zie
pagina 235.
309
11 Specificaties
Vloeistoffen en smeermiddelen
Overzicht
BELANGRIJK
11
Om schade aan de versnellingsbak te voorkomen moet u de aanbevolen kwaliteit versnellingsbakolie gebruiken en geen verschillende merken met elkaar vermengen.
Neem contact op met de dichtstbijzijnde
werkplaats voor service, als er een andere
oliesoort werd gebruikt. Volvo adviseert u
contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats.
Versnellingsbakolie
Handgeschakelde versnellingsbak
IB5
2,1
B6
1,6
MTX75
1,8
M66
1,9
Automatische versnellingsbak
310
Hoeveelheid (liter)
Hoeveelheid (liter)
Voorgeschreven versnellingsbakolie
BOT 130 M
BOT 350M3
Voorgeschreven versnellingsbakolie
MPS6
7,3
BOT 341
AW55-51
7,7
JWS 3309
TF-80SC
7,0
AW1
11 Specificaties
Vloeistoffen en smeermiddelen
Vloeistoffen
Vloeistof
Systeem
Hoeveelheid
(liter)
Koelvloeistof
1.6
5,8
2.0 en 2.0F
6,5
T5, automatische
versnellingsbak
7,5
D2 en DRIVe
6,2
D3 en D4
8,5
Aanbevolen kwaliteit
Door Volvo aanbevolen koelvloeistof aangelengd met 50 % waterA, zie verpakking. Thermostaat opent bij:
11
benzinemotor (1.6), 82°C
benzinemotoren 90 °C
dieselmotoren 82 °C
dieselmotor (D2) 83 °C
Koudemiddel
Airconditioning
B
R134a (HFC134a)
Olie: PAG
Remvloeistof
Remsysteem
0,6
Stuurbekrachtigingsvloeistof
Stuurbekrachtiging
1,0–1,2
Ruitensproeiervloeistof
4-cil. benzine/diesel
4,0
5-cil. benzine/diesel
6,5
DOT 4+
WSS M2C204-A of een vergelijkbaar product met dezelfde specificatie.
Door Volvo aanbevolen sproeiervloeistof, met antivries bij koud weer en onder het vriespunt.
``
311
11 Specificaties
Vloeistoffen en smeermiddelen
11
A
B
312
Vloeistof
Systeem
Hoeveelheid
(liter)
Brandstof
Benzine: 1.6, 2.0,
2.0F
ca. 55
Benzine: T5
ca. 62
Diesel: D2 en
DRIVe
ca. 52
Diesel: D3 en D4
ca. 60
Aanbevolen kwaliteit
Benzine: zie pagina 153
Diesel: zie pagina 154
De waterkwaliteit dient te voldoen aan de norm STD 1285,1.
De hoeveelheid koudemiddel verschilt per motortype. Voor de juiste informatie adviseert Volvo u contact op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
11 Specificaties
Brandstof
CO2-uitstoot en brandstofverbruik
A
A
B
C
2.0F
254 (242A)
10,9 (14,8A)
137 (135A)
5,9 (8,2A)
180 (174A)
7,7 (10,6A)
2.0
251
10,8
133
5,7
176
7,6
T5
315
13,5
151
6,5
211
9,0
DRIVe
112
4,3
92
3,5
99
3,8
D2
137
5,2
101
3,8
114
4,3
D3
183
7,0
106
4,0
134
5,1
D3
210
7,9
122
4,6
154
5,8
D4
183
7,0
106
4,0
134
5,1
D4
210
7,9
122
4,6
154
5,8
11
E85
``
313
11 Specificaties
Brandstof
: gram/km
: liter/100 km
A = stadsverkeer
11
B = snelwegrit
C = combinatierit
Brandstofverbruik en uitstoot van
kooldioxide
De brandstofverbruiks- en emissiewaarden in
de bovenstaande tabel zijn gebaseerd op speciale EU-rijcycli1, die gelden voor een auto met
rijklaar gewicht in standaarduitvoering zonder
extra uitrusting. Afhankelijk van de uitrusting
neemt het autogewicht toe. Dit alsook de mate
van belading van de auto zorgt voor een verhoging van het brandstofverbruik en de uitstoot van kooldioxide.
Er zijn meerdere oorzaken aan te geven voor
een verhoogd brandstofverbruik ten opzichte
van de tabelwaarden. Daarbij valt te denken
aan factoren als:
1
314
• Uw rijstijl.
• De grotere rolweerstand als u kiest voor
grotere wielen dan de standaardwielen op
de basisuitvoering van het model.
• De grotere luchtweerstand bij hogere snelheden.
• De brandstofkwaliteit, de weg- en verkeersomstandigheden, de weersgesteldheid en de staat van de auto.
Ook wanneer u slechts enkele van de hier
genoemde tips opvolgt, is al een aanzienlijk
lager brandstofverbruik mogelijk. Raadpleeg
voor meer informatie de richtlijnen waar eerder
aan gerefereerd werd.
• Rijd rustig en voorkom onnodig optrekken
en krachtig remmen.
• Houd de juiste bandenspanning aan en
controleer regelmatig of dat nog steeds zo
is – houd voor de beste resultaten de zogeheten ECO-bandenspanning aan, zie de
bandenspanningstabel op pagina 315.
• De bandenkeuze is mogelijk van invloed op
het brandstofverbruik – informeer bij uw
dealer naar passende banden.
Voor meer informatie en tips zie pagina 13 en
150.
Zie pagina 152 voor meer algemene informatie
over brandstof.
Er zijn grote afwijkingen in het brandstofverbruik mogelijk bij een vergelijking met de EUrijcycli die gehanteerd worden bij certificering
van de auto en waarop de verbruikscijfers in de
tabel gebaseerd zijn.
Waar u op moet letten
Tips voor de bestuurder om het brandstofverbruik te beperken:
De officiële brandstofverbruikscijfers zijn gebaseerd op twee gestandaardiseerde rijcycli in laboratoriummilieu (“EU-rijcycli”) conform de EU-richtlijn 80/1268/EEC (Euro 4), EU Regulation no 692/2008
(Euro 5) alsmede UN ECE Regulation no 101. Deze richtlijnen bevatten informatie over de rijcycli stadsverkeer en snelwegrit. - Stadsverkeer – de meting begint met een koude start van de motor.
Het betreft hier een gesimuleerde rit. - Snelwegrit - de auto moet optrekken en afremmen bij snelheden van 0–120 km/h. Het betreft hier een gesimuleerde rit. Bij een auto met D2-motor in combinatie
met een zestraps handbak met Start/Stop geldt de 2e versnelling als wegrijversnelling. De waarde voor combinatierit, die in de tabel staat, is zoals wettelijk bepaald werd een combinatie van een
stadsrit en een snelwegrit. CO2-uitstoot - om de uitstoot van kooldioxide te berekenen tijdens de twee rijcycli worden alle uitlaatgassen opgevangen. Deze worden vervolgens geanalyseerd en leiden
tot de gespecificeerde waarde voor de CO2-uitstoot.
11 Specificaties
Wielen en banden, maten en spanning
Goedgekeurde bandenspanningswaarden
Motor
Bandenmaat
Snelheid
(km/h)
Belading, 1–3 inzittenden
Voor (kPa)A
Max. belasting
Max. belasting
Achter
(kPa)
Voor (kPa)
Achter (kPa)
ECO-bandenspanningB
0–160
210
210
270
270
270
160+
250
210
280
260
-
0–160
210
210
250
250
250
160+
250
210
280
260
-
0–160
220
220
250
250
250
160+
260
220
280
260
-
195/65 R15
0–160
210
210
250
250
250
205/55 R16
160+
250
210
280
260
-
205/50 R17
0–160
220
220
250
250
250
215/45 R18C
160+
260
220
280
260
-
0–160
210
210
250
250
250
160+
260
210
280
260
-
205/50 R17
0–160
220
220
250
250
250
215/45 R18
160+
270
220
290
270
-
11
195/65 R15
D2
DRIVe
205/55 R16
205/50 R17
1.6
2.0
2.0F
205/55 R16
T5
``
315
11 Specificaties
Wielen en banden, maten en spanning
Motor
Bandenmaat
Snelheid
(km/h)
Belading, 1–3 inzittenden
Max. belasting
Max. belasting
Voor (kPa)A
Achter
(kPa)
Voor (kPa)
Achter (kPa)
ECO-bandenspanningB
0–160
230
220
250
250
250
160+
270
220
290
270
-
0–80
420
420
420
420
-
11
D3
D4
205/55 R16
205/50 R17
215/45 R18
Compact reservewiel (Temporary Spare)
A
B
C
In sommige landen wordt de bandenspanning ook wel in bar aangegeven in plaats van in pascal (1 bar = 100 kPa).
Zuinig rijden, zie pagina 208.
Voor de 1.6 vormt deze bandenmaat geen optie.
N.B.
Alle motoren, banden of combinaties daarvan zijn niet altijd beschikbaar op alle markten.
316
11 Specificaties
Elektrisch systeem
Algemene informatie
Op de auto zit een wisselstroomdynamo met
spanningsregelaar. Het elektrische systeem is
enkelpolig en gebruikt het chassis en het
motorblok als geleiders.
taccu is het dan ook erg belangrijk om een accu
te kiezen met dezelfde capaciteit als die van de
oorspronkelijke (zie sticker op accu).
De accucapaciteit is afhankelijk van de uitrusting op de auto. Bij vervanging van de star-
11
Startaccu
Spanning (V)
Koudestartcapaciteit,
Reservecapaciteit
CCA - Cold Cranking Amperes (A)
(minuten)
590
Capaciteit (Ah)
100
60
760
A
120
70
700
B
135
80
12
12
A
B
Auto’s met een audiosysteem in de uitvoering High Performance.
Auto’s met een dieselmotor, Keyless Drive, audiosysteem in de uitvoering Premium Sound, standverwarming op brandstof of RTI.
Gloeilampen
Verlichting
Vermogen (W)
Soort
Dimlicht, halogeen
55
H7 LL
Groot licht, halogeen
55
H9
Verstralers, Dual Xenon/ABL
55
H7 LL
Richtingaanwijzers vóór, halogeen/Dual Xenon
21
PY21W LL
Richtingaanwijzers vóór, ABL
24
PY24W SV
``
317
11 Specificaties
Elektrisch systeem
Verlichting
Vermogen (W)
Soort
Stadslichten/parkeerlichten vóór (Dual Xenon/halogeen), sidemarkers vóór
5
W5W LL
Mistlampen
35
H8
Zijrichtingaanwijzers, buitenspiegels
5
WY5W LL
Instapverlichting vóór
3
Lampvoet T10; W2,1x9,5d
Verlichting dashboardkastje
3
Lampvoet T10; W2,1x9,5d
Verlichting make-upspiegel*
1,2
Lampvoet SV5.5; lengte 35 mm
Verlichting bagageruimte
10
Lampvoet SV8.5; lengte 43 mm
Verlichting kentekenplaat
5
C5W LL
Richtingaanwijzers achter
21
PY21W LL
Achterlichten/sidemarkers achter
5
P21/5W LL
Achteruitrijlichten, mistachterlicht
21
P21 LL
11
318
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
11 Specificaties
Typegoedkeuring
Transpondersleutelsysteem
Land en gebied
A, B, CY, CZ, D, DK,
E, EST, F, FIN, GB,
GR, H, I, IRL, L, LT,
LV, M, NL, P, PL, S,
SK, SLO
IS, LI, N, CH
HR
ROK
Hierbij verklaart Delphi dat het
gebruikte transpondersleutelsysteem in
overeenstemming is
met de essentiële
eigenschappen en
overige relevante
bepalingen zoals
beschreven in de
EU-richtlijn 1999/5/
EG.
Certificering Keyless drive
Hierbij verklaart Siemens VDO Automotive
A.G. dat de uitrusting van het type 5WK48952,
5WK48956, 5WK48812 in overeenstemming is
met de essentiële eigenschappen en overige
relevante bepalingen zoals beschreven in de
EU-richtlijn 1999/5/EG.
11
Delphi 15-07-2003,
Duitsland RLPD1-03-0151
BR
TW
ETC093LPD0155
319
11 Specificaties
Displaysymbolen
Algemene informatie
11
Er worden tal van verschillende displaysymbolen gebruikt in de auto. De symbolen zijn
onderverdeeld in waarschuwings-, controleen informatiesymbolen. Hier volgt een overzicht van de meest voorkomende symbolen
met hun betekenis en een verwijzing naar de
pagina(’s) in het boek waar u meer informatie
kunt vinden. Voor meer informatie over de symbolen en displaymeldingen, zie pagina 57 en
61.
- Rood waarschuwingssymbool dat gaat
branden, wanneer er een storing geregistreerd
is die mogelijk van invloed is op de veiligheid
en/of rijeigenschappen van de auto. Er verschijnt bovendien een verklarende tekst op het
informatiedisplay.
- Oranje informatiesymbool dat gaat
branden in combinatie met een verklarende
tekst op het informatiedisplay, wanneer er een
afwijking in een van de autosystemen is opgetreden. Het oranje informatiesymbool kan ook
gaan branden in combinatie met ander symbolen.
320
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Displaysymbolen
Controle- en waarschuwingssymbolen
op instrumentenpaneel
Symbool
Betekenis
Pagina
Waarschuwing
21, 34, 57, 60,
170
Informatie
57, 60, 170,
179, 181
Uitlaatgas57, 58
reinigingssysteem
Storing in het
ABS
58, 59
Mistachterlicht
58
Symbool
Betekenis
Pagina
Stabiliteitsregeling,
DSTC*
58, 178, 179
Voorgloeifunctie (diesel)
58
Brandstofvoorraad
laag
58
Controlesymbool
voor aanhanger
59
Handrem
aangetrokken
59
Airbags SRS
21, 59
11 Specificaties
Displaysymbolen
Pagina
Oliedruk laag
57, 59
18, 59
Dynamo
laadt niet bij
59
Betekenis
Pagina
Richtingaanwijzers links
55
Richtingaanwijzers
rechts
Informatiesymbolen op display
middenconsole
Symbool
55
Betekenis
Pagina
Surround-functie
(alleen Premium
Sound)
269
Nieuws
273
Programmatypes
274
Regionale radioprogramma’s
275
Audiobestanden
278
Map op cd
278
Verkeersinformatie
273
Telefoon*
293
BluetoothTM-handsfree*
293
11
G021221
Gordelwaarschuwing
Symbool
G021216
Betekenis
59, 176
Grootlichtsignalen
55
Betekenis
Pagina
Regensensor*
73
Cruisecontrol*
75
Schakelindicatie*
165
G021222
Symbool
G021223
Storing in het
remsysteem
Overige informatiesymbolen op
instrumentenpaneel
G021220
Symbool
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
321
11 Specificaties
Displaysymbolen
Informatiesymbolen op display
plafondconsole
Symbool
11
322
Betekenis
Pagina
Gordelwaarschuwing
19
Airbag passagiersstoel, geactiveerd
24, 25
Airbag passagiersstoel, gedeactiveerd
25
11 Specificaties
11
323
12 Alfabetisch register
A
Achteruitkijkspiegel.................................... 83
autodimfunctie...................................... 83
Aanbevolen kinderzitjes ............................ 35
Aanhanger............................................... 192
kabel................................................... 194
Aanrijding
crash mode........................................... 34
opblaasgordijnen (IC-systeem)............. 29
12
Aanstekeropening
voorstoel............................................... 63
ABS, storing in het ABS..................... 58, 176
Actieve koplampen.................................... 66
Actieve koplampen (ABL).......................... 66
Adaptatie................................................. 163
AF, automatische afstemfunctie.............. 275
Afstandsbediening................................... 132
batterij vervangen............................... 139
elektronische klimaatregeling............. 105
handmatige klimaatregeling....... 100, 101
Accu......................................................... 243
onderhoud.................................. 231, 243
overbelasting...................................... 151
specificaties........................................ 317
starten met hulpaccu.......................... 190
symbolen op de accu......................... 243
waarschuwingssymbolen................... 243
Achterbank ............................................. 124
Achterklep
rijden met een geopende achterklep. . 151
vergrendelen/ontgrendelen........ 132, 140
145
146
145
145
145
144
144
273
Alarmlichten............................................... 78
Alarmsysteem testen............................... 146
Afstandsbediening
programmeerbaar ................................ 92
Alcoholslot............................................... 156
Afstemfunctie, automatische................... 275
Antennelocatie, Keyless drive.................. 138
Airbag........................................................
activeren/deactiveren, PACOS.............
bestuurders- en passagierszijde..........
deactiveren met sleutel.........................
Approach-verlichting......................... 86, 132
instellen................................................. 91
HomeLinkŸ
AC
324
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
automatisch in-/uitklappen............. 85, 90
alarmsignalen......................................
alarmsysteem testen..........................
automatische inschakeling van het
alarm...................................................
beperkt alarmniveau...........................
geactiveerd alarm uitschakelen..........
inschakelen.........................................
uitschakelen........................................
verkeersmelding RDS.........................
22
24
23
24
AIRBAG ..................................................... 22
Airbagsysteem........................................... 22
Airconditioning......................................... 100
algemene informatie............................. 98
ECC.................................................... 103
Alarm........................................................ 144
activeren............................................. 144
alarmindicatie..................................... 144
Algemene informatie over brandstof....... 152
Audio, zie ook Geluidssysteem............... 266
Auto
klimaatinstelling.................................. 103
AUTO
voorkeurzenders vastleggen.............. 271
Autobekleding.......................................... 222
Autom. klimaat......................................... 103
Automatische hervergrendeling............... 140
12 Alfabetisch register
Automatische schakelblokkering deactiveren............................................................ 169
Automatische vergrendeling.................... 141
Automatische versnellingsbak
aanhanger................................... 192, 193
handmatig schakelen (Geartronic)...... 167
slepen en bergen................................ 187
Automatische volumeregeling................. 269
Automatische wasstraten........................ 220
Automatisch starten................................. 160
Auto wassen............................................ 220
B
Bagagenet....................................... 126, 128
Bagagerolhoes................................. 127, 128
Bagageruimte.......................................... 126
bagagenet................................... 126, 128
bagagerolhoes............................ 127, 128
lading vervoeren................................. 200
veiligheidsrek...................................... 126
verlichting........................................... 118
Banden
algemene informatie........................... 204
bandenreparatie................................. 214
draairichting........................................ 207
onderhoud.......................................... 204
rijeigenschappen................................ 204
slijtage-indicator................................. 205
snelheidsaanduidingen....................... 204
spanning..................................... 208, 315
specificaties........................................ 204
winterbanden...................................... 207
Batterij
batterij in transpondersleutel vervangen...................................................... 139
BLIS, Blind Spot Information System 86, 183
BLIS-systeem (Blind Spot Information System).......................................................... 183
Blokkering achteruitversnelling................ 165
Bluetooth
gesprek naar mobiel........................... 295
handsfree............................................ 293
microfoon dempen............................. 295
BluetoothŸ
media.................................................. 268
streaming audio.................................. 268
Bedieningspaneel op bestuurdersportier........................................................ 54, 80
Boordcomputer......................................... 70
Bellen............................................... 284, 294
Botsing, zie Aanrijding............................... 34
Benzinekwaliteit....................................... 153
Bovenste bevestigingspunten, kinderzitjes............................................................. 46
Beslaande koplampglazen
condens.............................................. 220
Beslagen ruiten
achterruit............................................. 101
ontwasemen......................... 98, 101, 104
timerfunctie................................. 101, 104
Brandstof
brandstofbesparing............................ 208
brandstoffilter..................................... 155
brandstofverbruik, aanduiding.............. 70
CO2-uitstoot........................................ 313
Bevestigingspunten (kinderzitjes).............. 46
niveaulampje......................................... 58
standverwarming................................ 108
tanken................................................. 152
verbruik............................................... 313
Bio-ethanol E 85...................................... 153
Buitenafmetingen..................................... 304
Beveiliging tegen overbelasting, schuifdak............................................................. 88
12
Blaasmonden............................................. 99
325
12 Alfabetisch register
Buitenspiegels........................................... 85
Buitenspiegels resetten............................. 86
Displayverlichting....................................... 66
Dolby Surround Pro Logic II............ 265, 269
Doorluchtfunctie...................................... 141
C
Cd-functies.............................................. 277
Cd’s
opbergvak........................................... 122
12
Doorwaaddiepte...................................... 150
DSTC, zie ook Stabiliteitssysteem........... 178
lampje................................................... 58
Elektrische aansluiting
achterbank............................................ 63
bagageruimte...................................... 129
middenconsole..................................... 63
Elektrische verwarming
achterruit..................................... 101, 105
buitenspiegels............................. 101, 105
voorstoelen................................. 101, 105
E
Elektrisch systeem................................... 317
Condens aan binnenkant lampglazen..... 220
Contactsleutels........................................ 161
ECC, elektronische klimaatregeling........... 99
EON, Enhanced Other Networks............. 275
Controleren en bijvullen, koelvloeistof..... 239
ECO-bandenspanning............................. 208
tabel............................................ 208, 315
Equalizer.................................................. 269
Eco Start/Stop DRIVe.............................. 172
Extra verwarming..................................... 111
EHBO-set................................................. 211
Extra verwarming (diesel)......................... 111
Controles
vloeistoffen en oliën............................ 235
Cruisecontrol............................................. 75
Elektronische startblokkering.................. 132
Extra matten............................................ 116
Elektrisch bedienbaar schuifdak................ 87
D
Elektrisch bedienbare ruiten...................... 80
Dakbelasting, max. gewicht .................... 305
Elektrisch bedienbare zijruiten
achterin................................................. 82
blokkeren.............................................. 81
passagiersplaats................................... 81
Dashboardkastje...................................... 121
vergrendelen....................................... 134
Diesel, voorgloeifunctie............................. 58
326
Elektrisch bedienbare stoel..................... 114
F
FlexiFuel................................................... 162
adaptatie............................................. 163
Follow Me home-verlichting................ 69, 86
Dieselolie................................................. 154
Follow Me Home-verlichting
instellen................................................. 91
Display, meldingen.................................... 61
FSC, milieulabel......................................... 13
12 Alfabetisch register
G
Gloeilampen
vervangen........................................... 247
Geartronic................................................ 167
Gloeilampen, zie Verlichting............ 247, 317
Geïntegreerd kinderzitje............................. 41
Gordelwaarschuwing................................. 19
Geluiden
audio-instellingen....................... 266, 268
geluidsbron......................................... 266
volume................................................ 266
Groot licht
grootlichtsignalen................................. 69
Geluidssterkte
beltoon, telefoon................................. 295
telefoon....................................... 285, 295
telefoon/mediaspeler.......................... 295
Gemiddeld brandstofverbruik.................... 70
Gereedschap........................................... 210
Gesprek in de wacht zetten..................... 284
Gesprekken
functies tijdens lopende gesprekken.............................................. 284, 287
gebruik........................................ 284, 294
inkomende.......................................... 294
telefoonvolume................................... 285
Gesprekken weigeren.............................. 284
Gevarendriehoek..................................... 210
Gewichten
rijklaar gewicht.................................... 305
I
IDIS – Intelligent Driver Information System........................................................... 282
IMEI-nummer........................................... 288
In de was zetten....................................... 221
Groot licht/dimlicht, zie Verlichting............ 65
Informatiedisplay....................................... 61
Grootlichtsignalen...................................... 69
Informatie over brandstof........................ 152
Guard beperkt
instellingen............................................ 90
Infotainment
menufuncties...................................... 264
12
Inlegmatten.............................................. 116
H
handgeschakelde versnellingsbak
schakelindicatie (GSI)................. 165, 173
Instellen, klok............................................. 89
Instellingen van de auto............................. 90
Instructieboekje, milieulabel...................... 13
Handgeschakelde versnellingsbak.......... 165
slepen en bergen................................ 187
Instrumentenoverzicht
auto met stuur links.............................. 50
auto met stuur rechts........................... 52
Handmatig schakelen (Geartronic).......... 167
Instrumentenpaneel................................... 55
Handrem.............................................. 59, 79
Instrumentenverlichting............................. 66
Hogedruksproeiers koplampen................. 72
Interieurfilter............................................... 98
HomeLinkŸ ................................................ 92
Interieurverlichting, zie Verlichting........... 117
Hoofdsteunen.......................................... 124
Interieurverwarming
op brandstof....................................... 108
Houder voor boodschappentassen......... 129
Interior Air Quality System, ECC.............. 104
327
12 Alfabetisch register
Intervalstand.............................................. 72
Kledinghaak............................................. 121
iPodŸ, aansluiting.................................... 266
Kleurcode, lak.......................................... 225
ISOFIX-bevestigingssysteem voor kinderzitjes........................................................... 42
Klimaat
persoonlijke instellingen....................... 89
K
12
Klimaatregeling
algemene informatie............................. 98
Lading vervoeren
algemene informatie........................... 200
laadvermogen..................................... 200
verankeringsogen............................... 129
Lagetonenluidspreker.............................. 268
Knalgas.................................................... 190
Lak
kleurcode............................................ 225
schade en herstel............................... 225
Keuzehendelblokkering........................... 168
Knipperlichten............................................ 69
Lambdasonde.......................................... 153
Keyless drive............................ 136, 164, 319
auto starten......................................... 164
Koelsysteem............................................ 150
Koelvloeistof............................................ 239
Lamphouder
verwijderen......................................... 250
Kickdown
automatische versnellingsbak............ 168
Kofferbak ................................................ 126
Lampjes................................................... 179
Kompas..................................................... 83
kalibreren.............................................. 83
zone instellen........................................ 83
Lampjes en displaymeldingen
standverwarming................................ 109
Koplampen................................................ 65
Lekke band, zie Banden.................. 210, 212
Koppelingsvloeistof, controleren en bijvullen............................................................ 240
Leren bekleding, reinigingsvoorschriften. 222
Katalysator............................................... 153
bergen................................................. 187
Kinderen.................................................... 35
kinderslot...................................... 42, 143
kinderzitjes en SIPS-airbags................. 27
plaats in de auto, tabel......................... 36
positie in de auto.................................. 35
veiligheid............................................... 35
Kinderslot................................................. 143
Kinderzitje.................................................. 35
neerklappen.......................................... 42
opklappen............................................. 41
Kinderzitje, geïntegreerd............................ 41
328
Klimaatinstelling
autom.................................................. 103
L
Koudemiddel............................................. 98
Koude start.............................................. 169
automatische versnellingsbak............ 169
Krik........................................................... 210
Leeslampjes, zie Verlichting.................... 117
Lichtbundel aanpassen............................ 201
Active Bending Lights (ABL) .............. 201
halogeenkoplampen........................... 201
Lopende gesprekken, functies................ 287
Luchtverdeling......................................... 107
ECC.................................................... 105
12 Alfabetisch register
Luchtverdeling, AC.................................. 101
M
Max. dakbelasting .................................. 305
Meldingen op informatiedisplay................. 61
Meldingen voor BLIS............................... 185
Menufuncties
audiosysteem..................................... 264
Menustructuur........................................... 89
Menusysteem
mediaspeler........................................ 280
telefoon, menu-opties......................... 290
telefoon, overzicht.............................. 289
Meters op het instrumentenpaneel
brandstofmeter.....................................
buitentemperatuurmeter.......................
dagteller................................................
snelheidsmeter.....................................
toerenteller............................................
55
55
55
55
55
Milieulabel, FSC, instructieboekje............. 13
Mistlichten
achter.................................................... 66
Mistlichten, aan/uit.................................... 66
Mobiele telefoon
aansluiten........................................... 296
handsfree............................................ 293
telefoon registreren............................. 293
Motorolie.......................................... 235, 308
filter..................................................... 235
hoeveelheden..................................... 308
oliedruk................................................. 59
oliekwaliteit......................................... 308
ongunstige rijomstandigheden........... 308
Motoroliepeil controleren......................... 235
Motorruimte.............................................
koelvloeistof........................................
olie......................................................
stuurbekrachtigingsvloeistof...............
233
239
235
240
Motorspecificaties................................... 307
Motor starten........................................... 160
Keyless drive.............................. 136, 164
Motorverwarming..................................... 162
op brandstof....................................... 108
N
Nooduitrusting
gevarendriehoek................................. 210
O
Olie, zie ook Motorolie..................... 235, 308
Oliepeil laag............................................. 235
Omklappen, ruggedeelte achterbank...... 124
Onderhoud............................................... 231
onderhoud.......................................... 231
roestwering......................................... 226
12
One-key bell............................................. 286
Ontgrendelen................................... 137, 140
instellingen............................................ 90
Ontwaseming........................................... 101
Op afstand openen.................................... 90
Op afstand openen, portieren.................... 90
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte....................................................... 120
Opbergvak............................................... 120
cd’s..................................................... 122
Opblaasgordijnen...................................... 29
NEWS...................................................... 274
Openen, motorkap................................... 233
Noodoproepen......................................... 282
329
12 Alfabetisch register
P
R
PACOS....................................................... 24
Radio
afstemfunctie......................................
EON....................................................
NEWS.................................................
programmatypes................................
radio-instellingen................................
radiozenders.......................................
REG....................................................
PACOS, schakelaar voor activering/deactivering....................................................... 24
Park Assist............................................... 180
sensoren voor Park Assist.................. 181
Parkeerrem................................................ 79
12
Remsysteem............................................ 176
Reservewiel.............................................. 210
compact reservewiel................... 207, 210
Richtingaanwijzers..................................... 69
RDS-functies........................................... 272
resetten............................................... 275
Rijden
in waterpartijen...................................
koelsysteem........................................
met een aanhanger.............................
nieuwe auto’s en gladde wegen.........
zuinig..................................................
Recirculatie
AC....................................................... 100
ECC.................................................... 104
Rijden met een aanhanger
kogeldruk............................................ 305
trekgewicht......................................... 305
REG, regionale radioprogramma’s.......... 275
Rijklaar gewicht........................................ 305
Regensensor.............................................. 73
Roestwering............................................. 226
Roetfilter............................................ 61, 155
Powershift-versnellingsbak.............. 169, 187
Relais- en zekeringenkastje, zie Zekeringen........................................................... 254
Programmatype....................................... 274
Rem- en koppelingsvloeistof................... 240
Provisorische bandenreparatie................ 214
Remlichten................................................. 68
PTY, programmatype.............................. 274
Remmen
antiblokkeerremsysteem, ABS........... 176
noodremlichten................................... 177
Peilstok, elektronisch............................... 237
89
91
91
90
89
90
90
90
90
90
Radio, zenders zoeken............................ 271
Poetsen.................................................... 221
Persoonlijke instellingen............................
"Approach"-verlichting.........................
"Follow Me Home"-verlichting..............
auto is op slot, lampje..........................
autom. blower afstellen........................
automatische vergrendeling.................
ontgrendelen, portieren........................
op afstand openen................................
timer recirculatie...................................
verlichting auto is ontgrendeld.............
330
275
275
274
273
271
271
275
parkeerrem........................................... 79
remkrachtverhoging bij noodstops,
EBA .................................................... 177
remlichten............................................. 68
Radiotekst................................................ 275
150
150
192
151
150
Roetfilter vol............................................. 155
Ruggedeelte achterbank omklappen ...... 124
Rugleuning
voorstoel, omklappen......................... 115
Ruitensproeiervloeistof, bijvullen............. 238
12 Alfabetisch register
Ruitenwissers............................................ 72
regensensor.......................................... 73
SIPS-airbag............................................... 27
SIPS-airbags.............................................. 27
Sleepoog.................................................. 188
S
Slepen...................................................... 187
sleepoog............................................. 188
Safelock-functie....................................... 141
deactiveren......................................... 141
tijdelijk deactiveren............................. 141
Sleutel
transpondersleutel.............................. 132
vergrendelings- en startsysteem zonder sleutel........................................... 136
SCAN
cd- en muziekbestanden.................... 278
radiozenders....................................... 272
Sleutelblad....................................... 133, 138
vergrendelingspunten......................... 135
Schakelindicatie (GSI)...................... 165, 173
Sleutelloos starten (Keyless drive)........... 136
Schoonmaken
automatische wasstraten...................
auto wassen.......................................
bekleding............................................
veiligheidsgordels...............................
velgen.................................................
Sleutelstanden......................................... 161
Sproeiers
achterruit............................................... 73
koplampen............................................ 72
sproeiervloeistof, bijvullen.................. 238
voorruit.................................................. 72
SRS-systeem
algemene informatie............................. 22
Stabiliteits- en tractieregelsysteem......... 178
Stand-by, telefoon................................... 284
Standverwarming
accu en brandstof...............................
algemene informatie...........................
lampjes en displaymeldingen.............
op een helling parkeren......................
tijd instellen.........................................
108
108
109
108
110
220
220
222
223
220
Sloten
vergrendelen....................................... 140
Startaccu................................................. 317
Smeermiddelen........................................ 310
Startblokkering................................ 132, 161
Smeermiddelen, hoeveelheden............... 310
Starten met hulpaccu.............................. 190
Schuifdak................................................... 87
beveiliging tegen overbelasting............ 88
openen en sluiten........................... 87, 88
ventilatiestand....................................... 87
zonnescherm........................................ 88
Sms.......................................................... 288
lezen................................................... 288
schrijven.............................................. 288
Steenslagplekken en krassen.................. 225
Serviceprogramma.................................. 230
Simkaart................................................... 282
Spiegels
achteruitkijk-.........................................
buiten-..................................................
elektrisch inklapbare.............................
kompas.................................................
83
85
85
83
12
Stoel
elektrisch bedienbare......................... 114
handmatig verstelling......................... 114
Stoelen en achterbank
hoofdsteunen achterbank................... 124
ruggedeelte achterbank omklappen... 124
rugleuning voorstoel omklappen........ 115
331
12 Alfabetisch register
Stoel met geheugenfunctie...................... 115
Tekst disc................................................ 279
Storingsmeldingen voor BLIS.................. 185
Telefoon
aan/uit.................................................
aansluiten...........................................
bediening............................................
bellen..................................................
bellen via telefoonboek.......................
gesprek beantwoorden.......................
handsfree............................................
inkomende gesprekken......................
one-key bell........................................
stand-by.............................................
tekst invoeren.....................................
telefoonboek.......................................
telefoonboek, sneltoets......................
telefoon registreren.............................
verkeersveiligheid...............................
streaming audio....................................... 268
Stuurbekrachtigingsvloeistof, controleren
en bijvullen............................................... 240
Stuurslot.................................................. 161
12
Stuurwiel
cruisecontrol......................................... 75
stuurwielafstelling................................. 78
toetsenset............................... 75, 77, 283
Subwoofer............................................... 268
Surround.......................................... 265, 269
Symbolen
controlesymbolen........................... 58, 59
waarschuwingssymbolen..................... 57
T
Tanken
tankdop............................................... 152
tanken................................................. 152
tankvulklep, elektrisch openen........... 152
Tankinhoud.............................................. 310
Technische gegevens, motor.................. 307
332
284
296
283
294
287
295
293
294
286
284
285
296
296
293
283
Telefoonboek
nummerfuncties.................................. 286
Telefoonsysteem..................................... 282
Temperatuur
interieur, elektronische klimaatregeling...................................................... 105
interieur, handmatige klimaatregeling 102
werkelijke temperatuur......................... 99
Timer
AC....................................................... 101
ECC.................................................... 104
Toetsensets op stuurwiel............. 75, 77, 283
Totaalgewicht.......................................... 305
TP, verkeersinformatie............................. 273
Traction Control....................................... 178
Transpondersleutel..................................
afneembaar sleutelblad......................
batterij vervangen...............................
functies...............................................
161
133
139
132
Transpondersleutelsysteem, typegoedkeuring..................................................... 319
Trekgewicht............................................. 305
Trekhaak..................................................
monteren............................................
specificaties........................................
verwijderen.........................................
194
196
195
198
Trekinrichting, zie Trekhaak..................... 194
Trillingsdemper........................................ 194
Type-aanduidingen.................................. 302
Typegoedkeuring, transpondersleutelsysteem......................................................... 319
12 Alfabetisch register
U
Ventilatie.................................................... 99
Uitlaatgasreiniging
foutmelding........................................... 58
Ventilator
AC....................................................... 100
ECC.................................................... 103
USB, aansluiting...................................... 266
Verankeringsogen.................................... 129
Vergrendelen............................................ 137
ontgrendelen....................................... 140
V
Veiligheid
veiligheidssystemen, tabel.................... 32
Veiligheidsgordel
gordelspanners..................................... 20
zwangerschap...................................... 19
Veiligheidsgordels...................................... 18
Veiligheidsrek........................................... 126
Veiligheidszitje...........................................
afmetingscategorieën voor veiligheidszitjes met ISOFIX-bevestigingssysteem......................................................
bovenste bevestigingspunten voor kinderzitjes................................................
ISOFIX-bevestigingssysteem voor kinderzitjes................................................
35
43
46
42
Velgen
schoonmaken..................................... 220
Vergrendelen/ontgrendelen..................... 140
aan de binnenzijde.............................. 140
van de buitenzijde............................... 140
Verkeersinformatie................................... 273
Verlichting
"Approach"-verlichting................. 86, 132
Actieve xenonkoplampen..................... 66
automatische verlichting..................... 118
automatische verlichting, dimlicht........ 65
bagageruimte...................................... 118
dimlicht................................................. 65
displayverlichting.................................. 66
Follow Me Home-verlichting........... 69, 86
gloeilampen, specificaties.................. 317
groot licht/dimlicht.......................... 65, 69
in interieur........................................... 117
koplamphoogteverstelling.................... 65
leeslampjes......................................... 117
mistachterlicht...................................... 66
mistlichten............................................ 66
stadslichten/parkeerlichten vóór en
achterlichten......................................... 65
verlichtingspaneel, interieur.................. 65
Verlichting, gloeilampen vervangen.........
achterlamphuis...................................
achterlicht...........................................
bagageruimte......................................
dimlicht...............................................
groot licht, halogeen...........................
kentekenplaatverlichting.....................
make-upspiegel..................................
mistlampen vóór.................................
richtingaanwijzer.................................
sidemarker..........................................
stadslichten........................................
voorzijde.............................................
247
251
249
252
248
248
252
252
250
249
250
249
247
12
Versneld vooruit-/achteruitspoelen.......... 278
Versnellingsbak
handgeschakelde............................... 165
Verzorging................................................ 220
Verzorging, leren bekleding..................... 222
Vlekken.................................................... 222
Vloeistoffen, hoeveelheden...................... 310
Vloeistoffen en oliën......................... 235, 310
Vloeistoffen en oliën, algemene informatie............................................................. 235
333
12 Alfabetisch register
Vloeistoffen en oliën, controles motorruimte....................................................... 235
Vloermatten............................................. 116
Volume
audiosysteem.....................................
automatische volumeregeling.............
mediaspeler........................................
programmatypes................................
12
266
269
266
276
Wielen
aanbrengen.........................................
demonteren........................................
reservewiel..........................................
sneeuwkettingen.................................
velgen.................................................
verwisselen.........................................
Zuinig rijden............................................. 150
213
212
210
206
206
212
Willekeurige afspeelvolgorde, cd- en
muziekbestanden.................................... 278
Voorkeurzenders vastleggen, handmatig
en automatisch........................................ 271
Winterbanden.......................................... 207
Voorstoelen, elektrisch verwarmde......... 101
Wisser
achterruit............................................... 73
W
Wisserbladen...........................................
schoonmaken.....................................
vervangen, voorruit.............................
vervangen achterklep.........................
Waarschuwingslampje
stabiliteits- en tractieregelsysteem..... 178
Waarschuwingssymbool, airbagsysteem. . 21
Water- en vuilafstotende laag.................... 86
Water- en vuilafstotende laag, schoonmaken........................................................... 221
Whiplash-letsel.......................................... 30
WHIPS
kinderzitje/comfortkussen.................... 30
whiplash-letsel...................................... 30
241
241
241
241
Z
Zekeringen...............................................
algemene informatie...........................
kastje in motorruimte..........................
relais- en zekeringenkastje in passagiersruimte..........................................
vervangen...........................................
254
254
255
259
254
Zonnescherm, schuifdak........................... 88
334
Zwangere vrouwen, veiligheidsgordel....... 19
Kdakd8Vg8dgedgVi^dc51 %VUDI "5 1SJOUFEJO4XFEFO (zUFCPSH $PQZSJHIU©7PMWP$BS$PSQPSBUJPO
Was this manual useful for you? yes no
Thank you for your participation!

* Your assessment is very important for improving the work of artificial intelligence, which forms the content of this project

Download PDF

advertising