Volvo | V40 Cross Country | Gebruikershandleiding | Volvo V40 Cross Country 2014 Early Gebruikershandleiding

Volvo V40 Cross Country 2014 Early Gebruikershandleiding
V40 CROSS
COUNTRY
WEB EDITION
Instructieboekje
BESTE VOLVO-BEZITTER,
DANK U DAT U GEKOZEN HEBT VOOR VOLVO!
Wij hopen dat u jarenlang rijplezier van uw Volvo
zult hebben. Bij het ontwerp hebben veiligheid en
comfort van u en uw passagiers vooropgestaan.
Een Volvo is een van de veiligste auto’s ter
wereld. Uw Volvo is ook ontworpen om aan alle
geldende veiligheidsvoorschriften en milieueisen
te voldoen.
Om nog meer plezier van uw auto te hebben,
raden wij u aan om vertrouwd te raken met de uitrusting, de instructies en de onderhoudsinformatie in dit instructieboekje.
Inhoud
00 Inleiding
01 Veiligheid
Belangrijke informatie................................. 6
Volvo en het milieu.................................... 10
Veiligheidsgordels ....................................
Airbags......................................................
Airbag activeren/deactiveren*...................
SIPS-airbags (zij-airbags) ........................
Opblaasgordijnen (IC-systeem) ...............
WHIPS ......................................................
Activering van de veiligheidssystemen ....
Safety mode..............................................
Voetgangersairbag (Pedestrian Airbag)*...
Kinderen en veiligheid...............................
02 Sloten en alarm
16
19
22
24
25
26
28
29
31
33
Transpondersleutel/sleutelblad.................
Batterij vervangen transpondersleutel/
PCC*.........................................................
Keyless*....................................................
Vergrendelen/ontgrendelen......................
Kinderslot..................................................
Alarm*.......................................................
00 01 02
2
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
44
51
53
57
63
64
Inhoud
03 Bedieningsinstructies
bestuurder
Instrumenten, schakelaars en bediening.. 68
Volvo Sensus ........................................... 80
Sleutelstanden.......................................... 81
Stoelen en achterbank.............................. 83
Stuurwiel................................................... 88
Verlichting................................................. 89
Wissers en -sproeiers............................. 101
Ruiten en spiegels................................... 104
Kompas*................................................. 110
Alcoholslot*............................................. 112
Motor starten.......................................... 116
Motor starten, hulpaccu.......................... 118
Versnellingsbakken................................. 120
Start/Stop*.............................................. 127
Vierwielaandrijving – AWD*..................... 133
Bedrijfsrem.............................................. 134
Afdalingsregeling, HDC (Hill Descent
Control)................................................... 136
Parkeerrem.............................................. 138
04 Bestuurdersondersteuning
Stabiliteits- en tractieregelsysteem,
DSTC.......................................................
Road Sign Information – RSI*.................
Snelheidsbegrenzer*...............................
Cruisecontrol*.........................................
Adaptieve cruisecontrol*.........................
Afstandswaarschuwing*..........................
City Safety™...........................................
Collision Warning met Auto Brake en
voetgangersbescherming.*.....................
Driver Alert System*................................
Driver Alert System – DAC*.....................
Driver Alert System - Rijbaanassistent*..
Park Assist*.............................................
Park Assist-camera*...............................
Actieve parkeerhulp – PAP*....................
BLIS en CTA*..........................................
05 Comfort en rijplezier
144
147
150
152
155
167
170
Menu- en meldingsfuncties....................
Menugroep MY CAR...............................
Klimaatregeling.......................................
Motor- en interieurverwarming*..............
Extra verwarming*...................................
Boordcomputer.......................................
Rijeigenschappen aanpassen.................
Interieurcomfort......................................
03 04 05
214
217
226
237
242
244
252
253
176
185
186
189
193
197
201
206
HomeLink® *............................................ 139
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
3
Inhoud
06 Infotainment
Algemene informatie over infotainment..
Radio.......................................................
Mediaspeler............................................
Externe geluidsbron via AUX/
USB*-ingang...........................................
07 Tijdens het rijden
260
271
279
Rijadviezen..............................................
Tanken....................................................
Brandstof................................................
Lading vervoeren....................................
Bagageruimte..........................................
Rijden met een aanhanger......................
Slepen en bergen....................................
08 Wielen en banden
312
315
317
321
325
327
334
Algemeen ...............................................
Wielen verwisselen .................................
Bandenspanning ....................................
Gevarendriehoek en EHBO-set*.............
Noodreparatieset voor banden (TMK)* ..
340
344
348
349
350
06 07 08
284
Media Bluetooth®* ................................. 287
Bluetooth®-handsfree*............................
Spraakherkenning* mobiele telefoon......
TV - instelling*.........................................
Afstandsbediening* ................................
4
290
299
303
307
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Inhoud
09 Onderhoud en service
Motorruimte............................................
Gloeilampen............................................
Wisserbladen en sproeiervloeistof..........
Accu........................................................
Zekeringen..............................................
Verzorging...............................................
10 Specificaties
358
365
372
375
379
388
Type-aanduidingen.................................
Maten en gewichten................................
Motorspecificaties...................................
Motorolie.................................................
Vloeistoffen en smeermiddelen...............
Brandstof................................................
Wielen en banden, maten en spanning ..
Elektrisch systeem..................................
Typegoedkeuring....................................
Licenties..................................................
Displaysymbolen.....................................
11 Alfabetisch register
396
398
402
403
405
408
411
412
413
422
425
Alfabetisch register................................. 428
09 10 11
5
Inleiding
Belangrijke informatie
Instructieboekje lezen
Inleiding
Een goede manier om vertrouwd te raken met
uw nieuwe auto is om het instructieboekje te
lezen, idealiter voordat u uw eerste rit maakt.
Zo maakt u kennis met nieuwe functies, krijgt
u tips hoe u het beste in verschillende situaties met de auto kunt omgaan en leert u hoe
u optimaal gebruik kunt maken van alle
mogelijkheden die uw auto biedt. Besteed
ook aandacht aan de veiligheidsinstructies in
het boekje.
De specificaties, constructiegegevens en
afbeeldingen in dit instructieboekje zijn niet
bindend. We behouden ons het recht voor
om zonder voorafgaande mededeling wijzigingen aan te brengen.
©
noot naar verwijst. Als de voetnoot naar tekst
in een tabel verwijst, worden letters gebruikt
in plaats van cijfers.
Neem bij twijfel over de standaarduitrusting of
opties/accessoires contact op met een Volvodealer.
Tekstmeldingen kunnen worden weergegeven
op het instrumentenpaneel op het beeldscherm. Deze tekstmeldingen worden in het
instructieboekje in iets groter formaat en in
het grijs weergegeven. Voorbeelden daarvan
vindt u in de menuteksten en tekstmeldingen
van het beeldscherm (bijvoorbeeld Audioinstellingen ).
Speciale teksten
WAARSCHUWING
Waarschuwingsteksten geven informatie
over kans op letsel.
BELANGRIJK
Belangrijk-teksten geven informatie over
kans op materiële schade.
Volvo Car Corporation
Optie
Alle soorten opties staan aangegeven met
een sterretje* in het instructieboekje.
Als aanvulling op de standaarduitrusting worden in dit instructieboekje ook de opties (van
fabriekswege gemonteerde uitrusting) en
bepaalde accessoires (ingebouwde extra uitrusting) beschreven.
De uitrusting die in het instructieboek wordt
beschreven is niet op alle auto’s aanwezig –
6
welke uitrusting aanwezig is hangt af van de
verschillende behoeften op de diverse markten en de landelijke en/of regionale wet- en
regelgeving.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
N.B.
Teksten met het kopje N.B. duiden op tips
en adviezen die het gebruik van bepaalde
mogelijkheden en functies vergemakkelijken.
Voetnoot
In het instructieboekje komt informatie voor in
de vorm van een voetnoot onder aan de
pagina. Deze informatie vormt een aanvulling
op de tekst waar het nummer van de voet-
Tekstmeldingen
Stickers
Er zitten verschillende soorten stickers in de
auto om belangrijke informatie op een simpele en duidelijke manier over te dragen. De
stickers in de auto zijn van de onderstaande
aflopende waarschuwings-/informatiegraad.
Inleiding
Belangrijke informatie
Informatie
G031593
Gevaar voor materiële schade
G031592
Gevaar voor lichamelijk letsel
G031590
Zwarte ISO-symbolen in een oranje waarschuwingsveld, witte tekst/afbeelding in een
zwart tekstveld. Worden gebruikt om te attenderen op een risico dat, bij het negeren van
de waarschuwing, kan resulteren in ernstig
letsel met mogelijk dodelijke afloop.
Witte ISO-symbolen en een witte tekst/
afbeelding in een zwart of blauw waarschuwings- en tekstveld. Worden gebruikt om te
attenderen op een risico dat, bij het negeren
van de waarschuwing, kan resulteren in materiële schade.
Witte ISO-symbolen en een witte tekst/
afbeelding in een zwart tekstveld.
N.B.
De in het instructieboekje afgebeelde stickers hoeven niet per definitie overeen te
komen met de stickers die in of op uw
auto aanwezig zijn. De afbeeldingen zijn
alleen bedoeld om aan te geven hoe de
stickers er in grote lijnen uitzien en waar u
ze ongeveer kunt aantreffen. Op de stickers van uw auto vindt u de informatie die
op uw auto van toepassing is.
7
Inleiding
Belangrijke informatie
Procedurelijsten
Positielijsten
Procedures met handelingen die in een
bepaalde volgorde moeten worden uitgevoerd, staan genummerd in het instructieboekje.
Wanneer er een reeks afbeeldingen bij
een stapsgewijze instructie bestaat, zijn
de verschillende stappen van de instructie op dezelfde manier genummerd als de
bijbehorende afbeeldingen.
Opsommingslijsten
Als voor de instructies bij een reeks
afbeeldingen de onderlinge volgorde niet
relevant is, worden de instructies voorafgegaan door letters.
Bijvoorbeeld:
Er komen genummerde en ongenummerde pijlen voor. Ze worden gebruikt om
een bepaalde beweging weer te geven.
Pijlen met een letter dienen om een
beweging weer te geven waarbij de
onderlinge volgorde niet van belang is.
Wanneer er geen reeks afbeeldingen bij een
stapsgewijze instructie bestaat, zijn de verschillende stappen op de standaardmanier
genummerd met normale cijfers.
8
Op overzichtsfiguren die de positie van
onderdelen aangeven worden rode cirkels
met daarin een cijfer gebruikt. Hetzelfde
cijfer wordt gehanteerd in de positielijst
bij de afbeelding, met een beschrijving
van de weergegeven objecten.
Bij opsommingen in het instructieboekje
wordt gebruik gemaakt van een opsommingslijst.
•
•
Koelvloeistof
Motorolie
Afbeeldingen
De afbeeldingen in het boekje zijn soms schematisch en kunnen dan ook afwijken van uw
uitvoering van de auto afhankelijk van het uitrustingsniveau en de markt.
Zie ommezijde
}} Dit symbool staat rechts onderaan wanneer een hoofdstuk wordt voortgezet op de
volgende pagina.
Vastlegging van gegevens
Uw auto is voorzien van enkele computers
met als taak de werking en functionaliteit van
de auto continue te bewaken. Bepaalde computers leggen mogelijk ook gegevens vast bij
registratie van een storing tijdens normale ritten. Bovendien worden er gegevens opgeslagen bij een aanrijding of bijna-aanrijding.
Vastlegging van de gegevens is enerzijds
bedoeld om technici te helpen bij het vaststellen en verhelpen van storingen in de auto
en anderzijds om ervoor te zorgen dat Volvo
voldoet aan de geldende wet- en regelgeving.
Volvo gebruikt de gegevens bovendien voor
onderzoek ter verbetering van de kwaliteit en
veiligheid, daar de gegevens kunnen bijdragen tot een groter inzicht in de omstandigheden waarin ongelukken en/of letsel ontstaan.
De gegevens kunnen duidelijkheid geven over
de status en werking van verschillende autosystemen en -modulen waaronder die voor
de motor, gasklep, besturing en remmen. De
gegevens kunnen informatie bevatten over de
rijstijl van de bestuurder, zoals de rijsnelheid,
het gebruik van het rem- of gaspedaal en de
stuuruitslag en het wel of niet dragen van de
veiligheidsgordel door bestuurder en eventuele passagier(s). De gegevens kunnen om de
eerder vermelde redenen voor een begrensde
tijd worden vastgelegd tijdens het rijden, tijdens een aanrijding of bij een bijna-ongeluk.
Inleiding
Belangrijke informatie
Volvo kan de gegevens opslaan zolang deze
kunnen bijdragen tot een verbetering en verdere verhoging van de veiligheid en kwaliteit
en zolang de wet- en regelgeving waaraan
Volvo gehouden is dit voorschrijft.
Volvo zal de bovengenoemde gegevens niet
zonder de toestemming van de eigenaar van
de auto vrijgeven aan derden. Volvo Car Corporation kan echter op last van de nationale
wet- en regelgeving gedwongen worden om
dergelijke gegevens te verstrekken aan
instanties, zoals de politie, of anderen die
krachtens de wet de gegevens kunnen opeisen.
Om de door de computers van de auto vastgelegde gegevens te kunnen uitlezen en
interpreteren is speciale technische apparatuur vereist die alleen beschikbaar is bij
Volvo, en de werkplaatsen die een contract
hebben met Volvo. Volvo ziet erop toe dat de
gegevens, die in verband met reparatie en
onderhoud worden doorgegeven aan Volvo,
zorgvuldig worden opgeslagen en gehanteerd
en dat ze in overeenstemming met de geldende wetgeving worden gebruikt. Neem
voor meer informatie contact op met een
Volvo-dealer.
Accessoires en extra uitrusting
Informatie op internet
Een verkeerde aansluiting en montage van
accessoires kan een nadelige invloed hebben
op de werking van de elektronische systemen
van de auto. Bepaalde accessoires werken
alleen, wanneer de bijbehorende software in
de computersystemen van de auto wordt
geladen. Volvo adviseert u daarom altijd contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats, voordat u accessoires monteert
die in verbinding staan met of van invloed zijn
op het elektrische systeem.
Op www.volvocars.com vindt u meer informatie over uw auto.
Voor het uitlezen van de QR-code is een QRcodelezer nodig die als accessoire verkrijgbaar is voor verschillende mobiele telefoons.
QR-codelezers zijn te downloaden via App
Store of Google Play.
Verkoop van auto met Volvo On Call*
Volvo On Call is een aanvullend pakket met
veiligheids-, beveiligings- en comfortdiensten.
Als een auto met Volvo On Call van eigenaar
verandert, is het uitermate belangrijk dat deze
diensten worden beëindigd of overgeschreven op de nieuwe eigenaar. Neem contact op
met een erkende Volvo-dealer bij verkoop van
de auto.
QR-code
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
9
Inleiding
Volvo en het milieu
G000000
Milieubeleid van Volvo Car Corporation
Milieuzorg is een van de kernwaarden van
Volvo Car Corporation die van invloed zijn op
alle activiteiten. We zijn ervan overtuigd dat
onze klanten onze zorg voor het milieu delen.
Uw Volvo voldoet aan strenge internationale
milieueisen en is bovendien geproduceerd in
een fabriek die zeer schoon is en efficiënt met
hulpbronnen omgaat. Volvo Car Corporation
is gecertificeerd volgens de milieunorm ISO
14001 voor alle fabrieken en de meeste
andere eenheden. We eisen bovendien van
onze samenwerkingspartners dat ze systematisch aan milieuzorg doen.
10
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Brandstofverbruik
De auto’s van Volvo zijn concurrerend in hun
klasse wat het brandstofverbruik betreft. Een
lager brandstofverbruik levert over het algemeen een geringere uitstoot van het broeikasgas kooldioxide op.
U als bestuurder kunt uw steentje bijdragen
aan een verlaging van het brandstofverbruik.
Lees voor meer informatie de tekst onder het
kopje Spaar het milieu.
Efficiënte uitlaatgasreiniging
Uw Volvo is gebouwd volgens het concept
“Schoon aan binnen- en buitenkant” – een
concept dat een schone passagiersruimte
combineert met een uitermate efficiënte uitlaatgasreiniging. In veel gevallen liggen uitlaatgasemissies ver onder de geldende normen.
Schone lucht in passagiersruimte
Het interieurfilter zorgt dat stofdeeltjes en pollen niet via de luchtinlaatopening in de passagiersruimte kunnen dringen.
Een geavanceerd luchtreinigingssysteem,
IAQS* (Interior Air Quality System), zorgt
ervoor dat de lucht die de passagiersruimte
binnenkomt schoner is dan de lucht buiten in
het verkeer.
Inleiding
Volvo en het milieu
Het systeem bestaat uit een elektronische
sensor en een koolstoffilter. De binnenkomende lucht wordt continu gecontroleerd en
als het gehalte aan bepaalde schadelijke gassen zoals koolmonoxide te hoog oploopt,
wordt de luchtinlaat gesloten. Iets dergelijks
kan zich voordoen in bijvoorbeeld druk verkeer, files of tunnels.
Het koolstoffilter zorgt ervoor dat stikstofoxiden, laaghangend ozon en koolwaterstoffen
niet binnendringen.
Interieur
Het interieur van een Volvo werd dusdanig
vormgegeven dat het gerieflijk en comfortabel
is – ook voor mensen met contactallergieën
of astma. Er is extra veel aandacht besteed
aan de selectie van milieuvriendelijke materialen.
vrijkomen in het milieu. Het personeel in de
werkplaatsen van Volvo beschikt over de kennis en het gereedschap om optimale zorg
voor het milieu te kunnen garanderen.
Spaar het milieu
U kunt eenvoudig meehelpen het milieu te
beschermen – hier volgen enkele tips:
•
Voorkom stationair draaien – zet de motor
af wanneer u langere tijd stilstaat. Houdt
u zich aan de plaatselijke voorschriften.
•
•
Rijd economisch – rijd anticiperend.
•
Gebruik vóór een koude start altijd de
motorverwarming*, als de auto hiermee is
uitgerust – dit verbetert de startgewilligheid, beperkt de slijtage bij koud weer en
zorgt ervoor dat de motor sneller op
bedrijfstemperatuur komt, waardoor het
brandstofverbruik en de uitstoot afnemen.
Erkende Volvo-werkplaatsen en het
milieu
Met regelmatig onderhoud kunt u de voorwaarden scheppen voor een lange levensduur en een laag brandstofverbruik. Op die
manier draagt u bij aan een schoner milieu.
Wanneer u de reparaties en het onderhoud
aan de auto toevertrouwt aan de werkplaatsen van Volvo, wordt de auto een onderdeel
van ons systeem. Volvo stelt duidelijke milieueisen aan de outillage van onze werkplaatsen
om te voorkomen dat er schadelijke stoffen
Voer service en onderhoud uit volgens de
aanwijzingen in het instructieboekje –
houd de geadviseerde intervallen in het
Service- en garantieboekje aan.
•
Bij hoge snelheden neemt het verbruik
aanzienlijk toe vanwege de grotere luchtweerstand – bij een verdubbeling van de
snelheid neemt de luchtweerstand met
een factor vier toe.
•
Hanteer afvalstoffen die schadelijk voor
het milieu zijn, zoals accu’s en olie, op
een milieuvriendelijke manier. Neem con-
tact op met een werkplaats bij twijfel over
de juiste manier van verwerken van dergelijk afval – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
Wanneer u deze tips opvolgt, kunt u geld
besparen, zuiniger omspringen met de hulpbronnen op aarde en uw auto langer doen
meegaan. Zie pagina 312 en 408 voor meer
informatie en meer tips.
Recycling
Milieumatig verantwoorde recycling van de
auto vormt een belangrijk aspect van de milieuzorg van Volvo. De auto is nagenoeg
geheel te recyclen. De laatste eigenaar van
de auto wordt daarom verzocht contact op te
nemen met een dealer voor de locatie van
een gecertificeerd/erkend recyclingbedrijf.
Milieu-aspecten van het
instructieboekje
Het Forest Stewardship Council®-symbool
geeft aan dat de papiervezels waarvan deze
publicatie gemaakt is afkomstig zijn uit FSC®gecertificeerde bossen of andere gecontroleerde bronnen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
11
Inleiding
Volvo en het milieu
12
Inleiding
13
Veiligheidsgordels ..................................................................................
Airbags....................................................................................................
Airbag activeren/deactiveren*.................................................................
SIPS-airbags (zij-airbags) .......................................................................
Opblaasgordijnen (IC-systeem) .............................................................
WHIPS ....................................................................................................
Activering van de veiligheidssystemen ..................................................
Safety mode............................................................................................
Voetgangersairbag (Pedestrian Airbag)*.................................................
Kinderen en veiligheid.............................................................................
14
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
16
19
22
24
25
26
28
29
31
33
VEILIGHEID
01 Veiligheid
01
Veiligheidsgordels
Algemene informatie
Goede positie veiligheidsgordel.
Remmen kan ernstige gevolgen hebben als
de veiligheidsgordel niet wordt gedragen. Let
er daarom op dat alle passagiers hun veiligheidsgordel om hebben.
Op de achterbank past de borglip van de veiligheidsgordel op de middelste zitplaats
alleen in de bijbehorende sluiting.
Voor optimale bescherming van de veiligheidsgordel is het van belang dat de gordel
goed tegen het lichaam ligt. Laat de rugleuning niet te ver achteroverhellen. De veiligheidsgordel biedt de beste bescherming bij
een normale rijhouding.
Veiligheidsgordel omdoen
Trek de gordel langzaam uit en maak deze
vast door de borglip in de gordelsluiting te
steken. Een duidelijke ‘klik’ geeft aan dat de
gordel vastzit.
16
Hoogte-instelling van de veiligheidsgordel. Druk
de knop in en zet de gordel hoger of lager. Zet
de gordel zo hoog mogelijk zonder dat de gordel
daarbij langs de nek schuurt.
Veiligheidsgordel losmaken
Verkeerde positie veiligheidsgordel. De veiligheidsgordel moet over de schouder lopen.
Druk op de rode knop van de gordelsluiting
en laat het oprolmechanisme de gordel naar
binnen trekken. Als de gordel niet volledig
wordt opgerold, moet u de gordel handmatig
zo ver terugrollen dat deze niet langer slap
hangt.
De veiligheidsgordel is geblokkeerd en kan
niet verder worden uitgetrokken:
01 Veiligheid
Veiligheidsgordels
wanneer u de gordel te snel uittrekt
wanneer u remt of optrekt
als de auto sterk overhelt.
Let erop dat:
•
u geen klemmen of andere accessoires
gebruikt waardoor u de veiligheidsgordel
niet strak langs uw lichaam kunt trekken
•
er geen slagen in de veiligheidsgordel zitten en dat hij nergens achter blijft steken
•
de heupgordel laag moet zitten (niet over
de buik)
•
u de heupgordel over de heupen spant
door de diagonale schoudergordel in de
richting van de schouder omhoog te trekken.
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en airbag werken
samen. Als de veiligheidsgordel niet of verkeerd wordt gebruikt, kan dit bij een botsing van invloed zijn op het effect van de
airbag.
WAARSCHUWING
Elke veiligheidsgordel is bedoeld voor
slechts één persoon.
WAARSCHUWING
Veiligheidsgordel en zwangerschap
Breng nooit zelf wijzigingen in de veiligheidsgordels aan en probeer ze nooit zelf
te repareren. Volvo adviseert u daarvoor
contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats.
Als een veiligheidsgordel aan grote krachten heeft blootgestaan zoals tijdens een
aanrijding, moet u de veiligheidsgordel in
zijn geheel vervangen. De veiligheidsgordel
kan een deel van zijn beschermende
eigenschappen hebben verloren, zelfs als
de veiligheidsgordel ogenschijnlijk niet
beschadigd is. Vervang de veiligheidsgordel ook als deze versleten of beschadigd
is. De nieuwe veiligheidsgordel moet zijn
goedgekeurd en bedoeld voor montage op
dezelfde positie als de vervangen veiligheidsgordel.
G020998
•
•
•
01
Wanneer u zwanger bent, is het belangrijk de
veiligheidsgordel altijd op de juiste manier te
dragen. De veiligheidsgordel moet strak langs
de schouder lopen, waarbij het diagonale
deel van de veiligheidsgordel tussen de borsten en tegen de zijkant van de buik ligt.
Het heupgedeelte van de veiligheidsgordel
moet vlak tegen de buitenkant van de bovenbenen liggen en zo ver mogelijk onder de buik
liggen. Het mag nooit over de buik omhoog
kunnen glijden. De veiligheidsgordel moet zo
strak mogelijk over het lichaam lopen zonder
onnodige speling. Controleer ook of de veiligheidsgordel nergens gedraaid zit.
Naarmate de zwangerschap vordert moeten
zwangere bestuurders de stoel en het stuur
dusdanig verstellen dat ze de auto volledig
17
01 Veiligheid
01
Veiligheidsgordels
onder controle hebben (wat inhoudt dat ze
met gemak bij het stuur en de pedalen moeten kunnen komen). Streef ernaar de afstand
tussen de buik en het stuur zo groot mogelijk
te maken.
Achterbank
Gordelspanners
De functie van de gordelwaarschuwing voor
de achterbank is tweeledig:
De veiligheidsgordels aan de bestuurderszijde, de passagierszijde en op de buitenste
zitplaatsen achterin zijn voorzien van gordelspanners. Dit is een mechanisme dat bij een
voldoende krachtige aanrijding de veiligheidsgordel rond het lichaam spant. De veiligheidsgordel kan de passagier daarmee beter in de
stoel gedrukt houden.
•
Gordelwaarschuwing
•
Er gaan waarschuwingssymbolen branden en
er worden geluidssignalen afgegeven wanneer iemand de gordel niet draagt. Of er
geluidssignalen klinken, hangt af van de snelheid. De waarschuwingssymbolen zitten in de
plafondconsole en op het instrumentenpaneel.
Het gordelwaarschuwingssysteem geldt niet
voor kinderzitjes.
18
Aangeven welke veiligheidsgordels van
de achterbank er worden gebruikt. Bij
gebruik van de veiligheidsgordels of het
openen van een van de achterportieren
verschijnt er een melding op het instrumentenpaneel. De melding verdwijnt
automatisch na ca. 30 seconden rijden of
bij bediening van de knop OK op de richtingaanwijzerhendel. Als een van de inzittenden de gordel niet draagt, is de melding alleen handmatig weg te halen door
op de knop OK van de richtingaanwijzerhendel te drukken.
Waarschuwen dat iemand op de achterbank de veiligheidsgordel heeft losgenomen. Er wordt gewaarschuwd met een
melding op het instrumentenpaneel in
combinatie met een geluidssignaal en een
waarschuwingssymbool. De waarschuwing stopt wanneer de gordel weer is
omgedaan, maar kan ook handmatig worden bevestigd door op de knop OK te
drukken.
Op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel, zie pagina 71, wordt weergegeven welke gordels worden gebruikt. Deze
informatie is altijd beschikbaar.
WAARSCHUWING
De gesp van de veiligheidsgordel aan passagierszijde nooit aanbrengen in de gordelsluiting aan bestuurderszijde. De gesp
van de veiligheidsgordel altijd aanbrengen
in de gordelsluiting aan de juiste zijde. De
veiligheidsgordels nooit beschadigen en
geen vreemde voorwerpen aanbrengen in
de gordelsluiting. De veiligheidsgordels en
de gordelsluiting werken anders mogelijk
niet naar behoren tijdens een aanrijding. Er
bestaat gevaar voor ernstige verwondingen.
01 Veiligheid
Airbags
Analoog instrumentenpaneel.
transpondersleutel in sleutelstand II staat.
Iedere keer dat het contact wordt ingeschakeld, vindt er een storingsdiagnose plaats.
Het lampje dooft na ca. 6 seconden, wanneer
de regelmodule heeft vastgesteld dat het airbagsysteem geen storingen vertoont.
Het waarschuwingssymbool verschijnt, als er
tijdens de storingsdiagnose een storing wordt
geconstateerd of als het systeem geactiveerd
is. Waar nodig verschijnt het waarschuwingssymbool in combinatie met een melding op
het informatiedisplay. Als het waarschuwingssymbool niet werkt, gaat het waarschuwingsdriehoekje branden en verschijnt er SRS
airbag Service vereist of SRS airbag
Service spoed op het display. Volvo adviseert u zo spoedig mogelijk contact op te
nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
Airbagsysteem
G018665
Waarschuwingssymbool op
instrumentenpaneel
01
Airbagsysteem, van bovenaf gezien bij een auto
met het stuur links.
Digitaal instrumentenpaneel.
Het waarschuwingssymbool op het instrumentenpaneel gaat branden, wanneer de
Als het waarschuwingslampje voor het airbagsysteem blijft branden of tijdens het rijden korte tijd oplicht, betekent dit dat het
airbagsysteem niet naar behoren werkt.
Het symbool kan ook duiden op een storing in het airbagsysteem, de gordelspanners, het SIPS- en het IC-systeem of op
een andere storing in het systeem. Volvo
adviseert u zo spoedig mogelijk contact op
te nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
G018666
WAARSCHUWING
Airbagsysteem, van bovenaf gezien bij een auto
met het stuur rechts.
19
01 Veiligheid
01
Airbags
Het SRS-systeem bestaat uit airbags en sensoren. Bij een voldoende krachtige aanrijding
reageren de sensoren, waarna een of meer
airbags worden opgeblazen en warm worden.
De airbags vangen de klap van de aanrijding
op voor de inzittende. De airbags lopen vervolgens weer leeg. Daarbij treedt er rookvorming in de auto op. Dit is volkomen normaal.
Het totale verloop, van het opblazen tot het
leeglopen van de airbag, neemt enkele tienden van een seconde in beslag.
WAARSCHUWING
Volvo adviseert u om voor reparatie contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats. Een verkeerde ingreep in het
airbagsysteem kan tot een onjuiste werking leiden met ernstig letsel als gevolg.
20
N.B.
De sensoren reageren verschillend, afhankelijk van het verloop van de botsing en of
er al dan niet een veiligheidsgordel wordt
gebruikt. Geldt voor alle zitplaatsen
behalve de middelste zitplaats achterin.
Er kunnen dus ongelukken ontstaan als
slechts één (of geen) van de airbags wordt
geactiveerd. De sensoren registreren de
kracht waaraan de auto bij de botsing
wordt blootgesteld en passen zich hierop
aan, zodat een of meer airbags worden
opgeblazen.
Airbags aan de bestuurderszijde
Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordel
aan de bestuurderszijde ook twee airbags.
Een van de airbags zit opgevouwen in het
hart van het stuurwiel, zie de afbeelding op
pagina 19. Het stuurwiel is voorzien van het
opschrift AIRBAG.
Knieairbag aan de bestuurderszijde bij een auto
met het stuur links.
De andere airbag (op kniehoogte) zit onder in
het dashboard aan de bestuurderszijde. Het
dashboard is voorzien van het opschrift
AIRBAG.
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en airbags werken
samen. Als de gordel niet of verkeerd
wordt gebruikt, kan dit bij een botsing van
invloed zijn op het effect van de airbags.
01 Veiligheid
Airbags
Airbag aan de passagierszijde
Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordel
aan de passagierszijde ook een airbag in het
stuurwiel. Deze zit opgevouwen in een ruimte
boven het dashboardkastje. Het paneel is
voorzien van het opschrift AIRBAG.
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en airbag werken
samen. Als de gordel niet of verkeerd
wordt gebruikt, kan dit bij een botsing van
invloed zijn op het effect van de airbag.
Positie van de passagiersairbag in een auto met
het stuur links.
Om geen letsel op te lopen wanneer de
airbag wordt opgeblazen, moet de passagier zo rechtop mogelijk zitten met de voeten op de vloer en de rug tegen de rugleuning. De veiligheidsgordel moet vast zitten.
01
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen voorin, wanneer de
airbag aan die kant geactiveerd is.
Laat nooit iemand voor de passagierstoel
zitten of staan.
Personen kleiner dan 1,40 m mogen nooit
op de passagiersstoel voorin plaatsnemen,
als de airbag geactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren.
WAARSCHUWING
Plaats geen voorwerpen vóór of bovenop
het dashboard op de plek waar de airbag
voor de passagiersstoel zit.
Positie van de passagiersairbag in een auto met
het stuur rechts.
21
01 Veiligheid
01
Airbag activeren/deactiveren*
PACOS deactiveren met sleutel*
Algemene informatie
De passagiersairbag (SRS) voorin kan
gedeactiveerd worden met een schakelaar als
de auto is uitgerust met PACOS (Passenger
Airbag Cut Off Switch). Zie de tekst onder het
kopje Activeren/deactiveren voor informatie
over activering/deactivering.
Schakelaar voor deactivering met
sleutel
De schakelaar voor activering/deactivering
van de passagiersairbag, PACOS (Passenger
Airbag Cut Off Switch) zit aan de passagierszijde aan de zijkant van het dashboard en u
kunt erbij door het portier aan die kant te
openen (zie onder het navolgende kopje ‘Activering/deactivering’).
Controleer of de schakelaar in de gewenste
stand staat. Gebruik het sleutelblad van de
transpondersleutel om van stand te veranderen.
Voor informatie over het sleutelblad, zie
pagina 49.
WAARSCHUWING
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties voor de passagiers opleveren.
22
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
WAARSCHUWING
Activeren/deactiveren
Als de auto is uitgerust met een airbag aan
de passagierszijde maar geen PACOSschakelaar (Passenger Airbag Cut Off
Switch) heeft, is de airbag altijd geactiveerd.
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen voorin wanneer de
airbag aan die kant geactiveerd is en het
symbool
in de plafondconsole
brandt. Het niet opvolgen van deze aanbeveling kan levensgevaarlijke situaties voor
het kind opleveren.
WAARSCHUWING
Laat geen passagier op de passagiersstoel
plaatsnemen als het waarschuwingssymbool voor het airbagsysteem op het instrumentenpaneel oplicht, terwijl de melding
op de plafondconsole (zie pagina 23)
aangeeft dat de airbag aan die kant
gedeactiveerd is. Dit duidt op een ernstige
storing. Bezoek zo spoedig mogelijk een
werkplaats. Volvo adviseert u daarvoor
contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats.
Positie van de airbagsticker en de schakelaar.
De airbag is geactiveerd. Met de schakelaar in deze stand kunnen passagiers groter dan 1,40 m aan de passagierszijde op
de voorstoel zitten, maar kinderen in een
kinderzitje of op een kussen beslist niet.
De airbag is gedeactiveerd. Met de schakelaar in deze stand kunnen kinderen in
een kinderzitje of op een kussen aan de
passagierszijde op de voorstoel zitten,
maar passagiers groter dan 1,40 m
beslist niet.
01 Veiligheid
Airbag activeren/deactiveren*
WAARSCHUWING
Geactiveerde airbag
Gedeactiveerde airbag
Hiermee wordt aangegeven dat de airbag aan de
passagierszijde geactiveerd is.
Hiermee wordt aangeduid dat de airbag aan de
passagierszijde gedeactiveerd is.
Een melding en een waarschuwingssymbool
op de plafondconsole geven aan dat de airbag aan de passagierszijde geactiveerd is (zie
voorgaande afbeelding).
Een melding en een brandend lampje op de
plafondconsole geven aan dat de airbag aan
de passagierszijde gedeactiveerd is (zie voorgaande afbeelding).
01
Geactiveerde airbag (passagiersstoel):
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen op de passagiersstoel, wanneer de airbag aan die kant
geactiveerd is. Laat evenmin personen die
kleiner zijn dan 1,40 m op deze stoel
plaatsnemen.
Gedeactiveerde airbag (passagiersstoel):
Personen groter dan 1,40 m mogen nooit
op de passagiersstoel plaatsnemen, als de
airbag gedeactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren.
N.B.
Wanneer de transpondersleutel in sleutelstand II staat, brandt ca. 6 seconden lang
het waarschuwingssymbool voor de airbag
op het instrumentenpaneel (zie pagina 19).
Daarna gaat de indicator op de plafondconsole branden die de status van de passagiersairbag aangeeft. Voor meer informatie over de verschillende sleutelstanden
van de transpondersleutel, zie pagina 81.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
23
01 Veiligheid
01
SIPS-airbags (zij-airbags)
SIPS-airbag
Positie
airbags worden vervolgens opgeblazen tussen de inzittende en het portierpaneel. De airbags lopen vervolgens weer leeg. De SIPSairbag wordt normaal gesproken alleen opgeblazen aan de kant van de aanrijding.
Kinderzitjes en SIPS-airbags
De SIPS-airbags beïnvloeden de beschermende werking van kinderzitje en/of comfortkussen niet negatief.
WAARSCHUWING
Bij een aanrijding in de zij wordt een groot
deel van de botskracht door het SIPS-systeem (Side Impact Protection System) verdeeld over balken, stijlen, vloer, dak en
andere delen van de carrosserie. De SIPS-airbags aan de bestuurders- en de passagierszijde beschermen de borstkas en de heupen
en vormen een belangrijk onderdeel van het
SIPS-systeem.
Het SIPS-systeem bestaat uit twee hoofdonderdelen: de SIPS-airbags en de sensoren.
De SIPS-airbags zijn aangebracht in de rugleuningframes van de voorstoelen.
Bestuurdersplaats, auto met het stuur links.
Volvo adviseert u de reparatie uitsluitend door een erkende Volvo-werkplaats te laten uitvoeren. Een verkeerde ingreep in het SIPS-systeem
kan tot een onjuiste werking leiden
met ernstig letsel als gevolg.
•
Plaats geen voorwerpen in het gebied
tussen de buitenzijde van de stoel en
het portierpaneel, aangezien dit gebied
door de zijairbag kan worden beïnvloed.
•
Volvo adviseert om uitsluitend door
Volvo goedgekeurde overtrekbekleding te gebruiken. Andere bekleding
kan de werking van de zijairbags hinderen.
•
De zijairbag vormt een aanvulling op
de veiligheidsgordel. Gebruik de veiligheidsgordel altijd.
Passagiersplaats, auto met het stuur links.
Het SIPS-systeem bestaat uit SIPS-airbags
en sensoren. Bij een voldoende krachtige
aanrijding reageren de sensoren, die op hun
beurt de gasgeneratoren activeren. De SIPS-
24
•
01 Veiligheid
Opblaasgordijnen (IC-systeem)
Eigenschappen
01
WAARSCHUWING
Hang of bevestig nooit zware voorwerpen
aan de plafondhandgrepen. De haak is
alleen bedoeld voor niet al te zware kledingstukken (en niet voor harde voorwerpen zoals paraplu’s).
Schroef of bevestig geen onderdelen op
de plafondbekleding, portierstijlen of de
zijpanelen van de auto. Ze kunnen daarbij
hun beschermende werking verliezen.
Volvo adviseert u uitsluitend originele
Volvo-onderdelen, bestemd voor montage
op deze plaatsen, te gebruiken.
De opblaasgordijnen maken deel uit van het
IC-systeem (Inflatable Curtain). Ze zitten verborgen achter de plafondbekleding langs
beide zijden van de auto en beschermen
inzittenden op de buitenste zitplaatsen van de
auto. Bij een voldoende krachtige aanrijding
reageren de sensoren, die op hun beurt de
opblaasgordijnen activeren. Het systeem
helpt voorkomen dat de bestuurder en eventuele passagiers bij een botsing met hun
hoofd tegen de binnenkant van de auto stoten.
WAARSCHUWING
De auto mag niet zo worden beladen dat
de lading hoger dan 50 mm onder de
bovenkant van de portierruiten uitkomt.
Anders kan het beschermende vermogen
van het opblaasgordijn, dat in de hemelbekleding verborgen zit, uitblijven.
WAARSCHUWING
Het opblaasgordijn vormt een aanvulling
op de veiligheidsgordel.
Gebruik de veiligheidsgordel altijd.
25
01 Veiligheid
01
WHIPS
Bescherming tegen whiplash-letsel,
WHIPS
Het WHIPS-systeem (Whiplash Protection
System) bestaat uit energieabsorberende rugleuningen en speciaal voor het systeem ontwikkelde hoofdsteunen voor de beide voorstoelen. Het systeem wordt geactiveerd bij
een aanrijding van achteren, afhankelijk van
de hoek waaronder en de snelheid waarmee
het achteropkomende voertuig de auto raakt
en de materiaaleigenschappen van dat voertuig.
WAARSCHUWING
Het WHIPS-systeem vormt een aanvulling
op de veiligheidsgordel. Gebruik de veiligheidsgordel altijd.
WHIPS-systeem en kinderzitjes
Het WHIPS-systeem beïnvloedt de beschermende werking van kinderzitje en/of comfortkussen niet negatief.
Juiste zithouding
Voor optimale bescherming moeten de
bestuurder en de voorpassagier zoveel
mogelijk in het midden van de stoel plaatsnemen en de afstand tussen het hoofd en de
hoofdsteun zo klein mogelijk houden.
Zorg dat u de werking van het WHIPSsysteem niet nadelig beïnvloedt
Eigenschappen van de stoel
Als het WHIPS-systeem wordt geactiveerd,
klappen de rugleuningen van de voorstoelen
naar achteren zodat de zithouding van de
bestuurder en de passagier op de voorstoelen verandert. Zo wordt de kans op zogeheten whiplash-letsel beperkt.
WAARSCHUWING
Voer zelf nooit wijzigingen of reparaties
aan de stoel of het WHIPS-systeem uit.
Volvo adviseert u daarvoor contact op te
nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
26
Plaats geen voorwerpen op de vloer achter de
bestuurders- of passagiersstoel die het WHIPSsysteem kunnen hinderen.
01 Veiligheid
WHIPS
WAARSCHUWING
Plaats dozen e.d. niet zodanig, dat deze
vastgeklemd zitten tussen het zitkussen
van de achterbank en de rugleuning van
de voorstoel. Denk eraan dat u de werking
van het WHIPS-systeem niet hindert.
01
WAARSCHUWING
Als de stoel aan een krachtige belasting is
blootgesteld, bijv. bij een botsing van achteren, moet het WHIPS-systeem worden
gecontroleerd. Volvo adviseert om dit door
een erkende Volvo-werkplaats te laten
controleren.
De beschermende eigenschappen van het
WHIPS-systeem kunnen deels verloren zijn
gegaan, ook als de stoel onbeschadigd
lijkt.
Volvo adviseert dat u contact opneemt
met een erkende Volvo-werkplaats om het
systeem te laten controleren, ook bij zachtere aanrijdingen van achteren.
Plaats geen voorwerpen op de achterbank die
het WHIPS-systeem kunnen hinderen.
WAARSCHUWING
Als een rugleuning van de achterbank is
neergeklapt, moet de bijbehorende voorstoel naar voren worden verplaatst zodat
deze niet in contact komt met de neergeklapte rugleuning.
27
01 Veiligheid
Activering van de veiligheidssystemen
01
Activering van de veiligheidssystemen
Systeem
Activering
Gordelspanners voorstoelen
Bij een frontale botsing
en/of aanrijding in de zij,
van achteren en/of kantelen
Gordelspanners achterbankA
Bij een frontale botsing
en/of aanrijding in de zij
en/of kantelen
Airbags
Bij een frontale botsing.B
(stuurwiel-,
knie-, passagiersairbag)
A
B
28
Wanneer de airbags werden opgeblazen,
adviseert Volvo u het volgende:
•
Laat de auto wegslepen. Volvo adviseert
u hem te laten wegslepen naar een
erkende Volvo-werkplaats. Rijd niet met
opgeblazen airbags.
•
Volvo adviseert u het vervangen van de
onderdelen van de veiligheidssystemen in
de auto over te laten aan een erkende
Volvo-werkplaats.
•
Neem altijd contact op met een arts.
N.B.
SIPS-airbags
Bij een aanrijding in de
zijB
Opblaasgordijnen (IC)
Bij een aanrijding in de
zij en/of kantelen en/of
bepaalde frontale aanrijdingenB
WHIPS-systeem
van de auto, de hoek waaronder de botsing plaatsvindt
e.d. zijn van invloed op de wijze van activering van de verschillende veiligheidssystemen in de auto.
Bij aanrijdingen van achteren
De middelste zitplaats van de achterbank is niet voorzien
van een gordelspanner.
Het is mogelijk dat de airbags niet worden opgeblazen,
ondanks dat de carrosserie van de auto danig vervormd
raakt. Enkele factoren zoals de stijfheid en het gewicht van
het lichaam waarmee de auto in botsing komt, de snelheid
De airbags en de gordelspanners worden
bij een botsing slechts eenmaal geactiveerd.
WAARSCHUWING
De regeleenheid van het airbagsysteem zit
in de middenconsole. Als de middenconsole doorweekt geraakt is, moet u de
accukabels loskoppelen. Probeer de auto
niet te starten, omdat de airbags daarbij
geactiveerd kunnen worden. Laat de auto
wegslepen. Volvo adviseert u de te auto te
laten wegslepen naar een erkende Volvowerkplaats.
WAARSCHUWING
Rijd nooit met opgeblazen airbags. Dat
kan het besturen van de auto bemoeilijken.
Ook andere veiligheidssystemen kunnen
beschadigd zijn. De rook en stof die bij het
opblazen van de airbags worden gevormd,
kunnen bij een intensieve blootstelling irritaties aan de huid en ogen/letsel veroorzaken. Bij last met koud water wassen. Het
snelle opblazen kan ook, in combinatie
met het materiaal van de airbag, voor wrijvings- en brandwonden op de huid zorgen.
01 Veiligheid
Safety mode
Rijden na een aanrijding
Als de auto betrokken is geweest bij een aanrijding, kan de melding Veiligheidsstand Zie
instructieboekje op het informatiedisplay
verschijnen. Dit betekent dat de functionaliteit
van de auto is verminderd. Safety mode is
een veiligheidsfunctie die in werking treedt,
wanneer tijdens de aanrijding mogelijk
belangrijke onderdelen zijn beschadigd zoals
de brandstofleidingen, de sensoren voor de
veiligheidssysteem of het remsysteem.
Auto proberen te starten
Het waarschuwingssymbool op het analoge
instrumentenpaneel.
Controleer eerst of er geen brandstof uit de
auto is gelopen. Er mag evenmin een brandstofgeur waarneembaar zijn.
Als alles normaal lijkt en u hebt vastgesteld
dat er geen brandstof lekt, kunt u proberen
de motor te starten.
Neem de transpondersleutel uit en open het
bestuurdersportier. Als er vervolgens een
melding verschijnt dat het contact ingeschakeld is, dient u op de startknop te drukken.
Sluit het portier vervolgens en plaats de
transpondersleutel terug. De elektronica van
de auto probeert nu te resetten naar de normale stand. Probeer vervolgens de auto te
starten.
Het waarschuwingssymbool op het digitale
instrumentenpaneel.
Als de melding Veiligheidsstand Zie
instructieboekje nog steeds op het display
staat, mag u niet met de auto rijden en hem
evenmin verslepen. Verborgen schade kan de
01
auto tijdens het rijden onbestuurbaar maken,
zelfs als het lijkt dat u nog met de auto kunt
rijden.
Auto verzetten
Als de melding Normal mode wordt weergegeven nadat de Veiligheidsstand Zie
instructieboekje is gereset, mag u de auto
voorzichtig uit de huidige, gevaarlijke positie
verrijden. Verrijd de auto niet verder dan
nodig.
WAARSCHUWING
Probeer nooit zelf de auto te repareren of
de elektronische onderdelen te resetten
nadat de auto in de Safety mode heeft
gestaan. Dit kan aanleiding geven tot letsel
of een slechte functie van de auto. Volvo
adviseert u de auto altijd in een erkende
Volvo-werkplaats te laten controleren en
naar Normal Mode te laten resetten nadat
de melding Veiligheidsstand Zie
instructieboekje is verschenen.
WAARSCHUWING
Probeer in geen geval de auto opnieuw te
starten, als u een brandstofgeur waarneemt terwijl de melding
Veiligheidsstand Zie instructieboekje
getoond wordt. Verlaat de auto onmiddellijk.
29
01 Veiligheid
01
Safety mode
WAARSCHUWING
Als de auto nog in de Safety mode staat,
mag deze niet worden gesleept. De auto
moet door een berger worden opgehaald.
Volvo adviseert u de auto te laten wegslepen naar een erkende Volvo-werkplaats.
30
01 Veiligheid
Voetgangersairbag (Pedestrian Airbag)*
Eigenschappen
WAARSCHUWING
Monteer geen accessoires op de voorkant
van de auto en breng evenmin wijzigingen
in dit gebied aan bij een auto met voetgangersairbag (Pedestrian Airbag). Een
onjuiste ingreep in het front kan tot een
foutieve werking van het systeem leiden
waardoor ernstig letsel en materiële
schade aan de auto kan ontstaan.
01
WAARSCHUWING
Volvo adviseert u om, na activering van de
airbag, onmiddellijk contact opneemt met
een erkende Volvo-werkplaats.
Airbag (Pedestrian Airbag) opvouwen
Volvo adviseert om originele wisserarmen
te gebruiken en deze alleen door originele
onderdelen te vervangen.
De airbag (Pedestrian Airbag) zit onder de
motorkap bij de voorruit. Bij een frontale aanrijding met een voetganger reageren de sensoren in de voorbumper en de airbag wordt
opgeblazen als de kracht van de aanrijding
als voldoende hoog wordt beoordeeld. De
sensoren zijn actief bij een snelheid van
ongeveer 20–50 km/h en een omgevingstemperatuur tussen –20 en +70 °C.
Wat te doen na activering
Als een van de andere airbags in de passagiersruimte is geactiveerd, wordt de auto in
de safety mode gezet, zie pagina 29.
Als alleen de airbag voor voetgangers is
geactiveerd:
1. Rijd de auto naar de dichtstbijzijnde veilige plek.
Bij activering van de airbag (Pedestrian
Airbag)
2. Vouw de airbag op volgens de aanwijzingen onder het navolgende kopje “Airbag
(Pedestrian Airbag) opvouwen”.
•
wordt het achterste gedeelte van de
motorkap opgetild en in deze stand vergrendeld
3. Ga naar de dichtstbijzijnde werkplaats.
•
•
worden de alarmlichten geactiveerd
wordt het remsysteem voorbereid om in
noodgevallen af te remmen.
Airbag (Pedestrian Airbag)
Airbagbehuizing
Klittenband, passagierszijde
Klittenband, bestuurderszijde
Er kan wat rook uit de airbag komen en deze
kan warm aanvoelen, maar dit is normaal. Het
opvouwen gaat als volgt:
1. Zoek het klittenband aan de
bestuurderszijde (4) op.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
31
01 Veiligheid
01
Voetgangersairbag (Pedestrian Airbag)*
2. Verzamel eerst de stof van de airbag aan
de bestuurderszijde in de lengterichting
en vouw daarna de verzamelde stof naar
het midden. Wikkel het klittenband (dubbelzijdig) rond zoveel mogelijk stof en
maak de band vast.
3. Druk het omwikkelde deel van de airbag
omlaag in de airbagbehuizing (2).
4. Herhaal de punten 1–3 voor de passagierszijde. Het is wellicht nodig de verzamelde stof aan deze kant twee keer dubbel te vouwen voordat u het klittenband
eromheen wikkelt.
5. De afdekking van de airbagbehuizing blijft
openstaan en dat is volledig normaal.
32
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Kinderen moeten comfortabel en
veilig kunnen zitten
Volvo adviseert u kinderen zo lang mogelijk te
vervoeren in een achterstevoren gemonteerd
kinderzitje (in ieder geval tot een leeftijd van
3–4 jaar) en daarna tot een leeftijd van 10 jaar
op/in een comfortkussen of een kinderzitje
dat in de rijrichting geplaatst is.
De plaats van het kind in de auto en de vereiste uitrusting zijn afhankelijk van het
gewicht en de lengte van het kind (voor meer
informatie, zie pagina 35).
alleen optimale voorwaarden voor een veilig
vervoer van uw kind(eren), u weet bovendien
zeker dat de producten passen en eenvoudig
in het gebruik zijn.
WAARSCHUWING
Bij vragen over de montage van kinderveiligheidsproducten neemt u voor duidelijke
aanwijzingen contact op met de producent.
Zet de bevestigingsband van het kinderzitje niet aan de lengteverstelstang, veren
of rails en balken onder de stoel vast.
Scherpe randen kunnen de bevestigingsband beschadigen.
Kinderzitjes
Raadpleeg voor de juiste montage de montage-instructies bij het kinderzitje.
De wettelijke bepalingen voor hoe een kind
in de auto moet worden geplaatst, verschillen per land. Stel u op de hoogte van
wat van toepassing is.
Positie van kinderzitjes
Het volgende kan worden gebruikt:
G020739
Ongeacht leeftijd en lengte moeten kinderen
altijd met de gordel goed om in de auto zitten. Laat kinderen nooit bij passagiers op
schoot zitten.
1
N.B.
Bij gebruik van kinderveiligheidsproducten
is het belangrijk om de meegeleverde
montagehandleiding te lezen.
N.B.
N.B.
Volvo beschikt over kinderveiligheidsproducten (kinderzitjes, comfortkussen en bevestigingsmaterialen) die speciaal voor uw auto
zijn ontwikkeld. Wanneer u voor kinderveiligheidsproducten van Volvo kiest schept u niet
01
Kinderzitjes en airbags gaan niet samen.
•
een kinderzitje/comfortkussen op de passagiersstoel, zolang de airbag aan de
passagierszijde gedeactiveerd1 is.
•
en of meer kinderzitjes/comfortkussen op
de achterbank.
Plaats kinderzitjes/comfortkussens altijd op
de achterbank als de airbag aan de passagierszijde geactiveerd is. Als de airbag wordt
Voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag, zie pagina 22.
33
01 Veiligheid
01
Kinderen en veiligheid
opgeblazen, kan een kind op de passagiersstoel ernstig letsel oplopen.
WAARSCHUWING
Zet nooit een kind in een kinderzitje op de
passagiersstoel als de airbag (SRS) is
geactiveerd.
Personen kleiner dan 1,40 m mogen nooit
op de passagiersstoel voorin plaatsnemen,
als de airbag (SRS) geactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren.
34
WAARSCHUWING
Comfortkussens/kinderzitjes met stalen
beugels of andere constructies die tegen
de openingsknop van de gordelsluiting aan
kunnen liggen, mogen niet worden
gebruikt aangezien ze ervoor kunnen zorgen dat de veiligheidsgordel per ongeluk
open gaat.
Laat het bovengedeelte van het kinderzitje
niet tegen de voorruit leunen.
Sticker airbag
De sticker is zichtbaar bij het openen van het
passagiersportier, zie afbeelding op pagina 22.
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
Aanbevolen kinderzitjes2
Gewicht
Voorstoel (met gedeactiveerde airbag)
Groep 0
Typegoedkeuring: E1 04301146
Groep 0+
(L)
max. 13 kg
max. 10 kg
Middelste zitplaats achterbank
Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) - achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met ISOFIX-systeem.
max. 10 kg
Groep 0
Buitenste zitplaats achterbank
Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel.
Groep 0+
Typegoedkeuring: E1 04301146
max. 13 kg
(U)
Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel.
Typegoedkeuring: E1 04301146
(U)
Volvo-babyzitje
(Volvo Infant
Seat) – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel.
Typegoedkeuring: E1
04301146
(U)
2
Om andere kinderzitjes te kunnen gebruiken dient uw auto op de lijst van de producent te staan of een universele goedkeuring te hebben conform ECE R44.
}}
35
01 Veiligheid
01
Kinderen en veiligheid
Gewicht
Voorstoel (met gedeactiveerde airbag)
Buitenste zitplaats achterbank
Groep 0
Kinderzitjes met universele goedkeuring.A
Kinderzitjes met universele goedkeuring.
max. 10 kg
(U)
(U)
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible Child Seat) – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel
en bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 04192
Typegoedkeuring: E5 04192
(L)
(L)
Groep 0+
max. 13 kg
Groep 1
9–18 kg
Groep 1
Kinderzitjes met universele
9–18 kg
(U)
(U)
Groep 2
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible Child Seat) – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel
en bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 04192
Typegoedkeuring: E5 04192
(L)
(L)
15–25 kg
36
goedkeuring.A
Kinderzitjes met universele goedkeuring.
Middelste zitplaats achterbank
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Gewicht
Voorstoel (met gedeactiveerde airbag)
Buitenste zitplaats achterbank
Groep 2
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible Child Seat) – in rijrichting
gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel.
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible Child Seat) – in rijrichting gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel.
15–25 kg
Typegoedkeuring: E5 04191
(U)
Groep 2/3
15–36 kg
Groep 2/3
15–36 kg
01
Middelste zitplaats achterbank
Typegoedkeuring: E5 04191
(U)
Volvo-comfortkussen met rugleuning (Volvo
Booster Seat with backrest).
Volvo-comfortkussen met rugleuning (Volvo Booster
Seat with backrest).
Typegoedkeuring: E1 04301169
Typegoedkeuring: E1 04301169
(UF)
(UF)
Kinderzitje met of zonder rugleuning (Booster
Cushion with and without backrest).
Kinderzitje met of zonder rugleuning (Booster Cushion
with and without backrest).
Typegoedkeuring: E5 04216
Typegoedkeuring: E5 04216
(UF)
(UF)
L: Geschikt voor specifieke kinderzitjes. Deze kinderzitjes kunnen bestemd zijn voor een bepaald automerk, voor een beperkte groep merken of
semi-universeel zijn.
U: Geschikt voor kinderzitjes in deze gewichtscategorie met universele goedkeuring.
UF: Geschikt voor in rijrichting gemonteerde kinderzitjes in deze gewichtscategorie met universele goedkeuring.
B: Geïntegreerde kinderzitjes met goedkeuring voor deze gewichtscategorie.
A
Alleen voor een achterstevoren gemonteerd kinderzitje. Zet de rugleuning van de zitplaats rechtop.
}}
37
01 Veiligheid
01
Kinderen en veiligheid
Kinderslot achterportieren
De bedieningsknoppen voor de ruiten in de
achterportieren en de openingshandgrepen
op de achterportieren zijn te blokkeren, zodat
de achterportieren en de zijruiten niet meer
van de binnenzijde kunnen worden geopend.
Voor meer informatie, zie pagina 63.
ISOFIX-bevestigingssysteem voor
kinderzitjes
Houd u altijd aan de montage-instructies van
de fabrikant, wanneer u een kinderzitje/babyzitje aan de ISOFIX-bevestigingspunten vastzet.
Afmetingscategorieën
Kinderzitjes kunnen net als auto’s verschillende afmetingen hebben. Kinderzitjes passen daardoor niet op alle zitplaatsen van de
verschillende modellen.
Voor kinderzitjes met een ISOFIX-bevestigingssysteem zijn er daarom afmetingscategorieën om u te helpen bij het kiezen van het
juiste kinderzitje (zie volgende tabel).
Afmetingscategorie
U vindt de bevestigingspunten voor het ISOFIX-systeem onder aan de rugleuning van de
achterbank op de beide buitenste zitplaatsen.
Symbolen op de bekleding van de ruggedeelten (zie voorgaande afbeelding) geven de
positie van deze bevestigingspunten aan.
38
Beschrijving
A
Normale grootte, in rijrichting
gemonteerd kinderzitje
B
Beperkte grootte (optie 1), in
rijrichting gemonteerd kinderzitje
B1
Beperkte grootte (optie 2), in
rijrichting gemonteerd kinderzitje
Afmetingscategorie
Beschrijving
C
Normale grootte, achterstevoren gemonteerd kinderzitje
D
Beperkte grootte, achterstevoren gemonteerd kinderzitje
E
Achterstevoren gemonteerd
babyzitje
F
Overdwars gemonteerd babyzitje, links
G
Overdwars gemonteerd babyzitje, rechts
WAARSCHUWING
Zet het kind nooit op de passagiersplaats
als de auto met een geactiveerde airbag is
uitgerust.
N.B.
Als een ISOFIX-kinderzitje geen afmetingscategorie heeft, moet het automodel op de
voertuiglijst van het kinderzitje staan.
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
N.B.
Volvo raadt u aan contact op te nemen
met een erkende Volvo-dealer om te weten
te komen welk ISOFIX-kinderzitje Volvo
aanbeveelt.
Verschillende soorten ISOFIX-kinderzitjes
Type kinderzitje
Babyzitje, overdwars
Babyzitje, achterstevoren
Gewicht
max. 10 kg
max. 10 kg
Afmetingscategorie
Zitplaatsen voor montage ISOFIX-kinderzitje
Voorstoel
Buitenste zitplaats achterbank
F
X
X
G
X
X
E
X
OK
(IL)
Babyzitje, achterstevoren
max. 13 kg
E
X
OK
(IL)
D
X
OK
(IL)
C
X
OK
(IL)
39
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
Type kinderzitje
Kinderzitje, achterstevoren
Gewicht
9–18 kg
Afmetingscategorie
D
Zitplaatsen voor montage ISOFIX-kinderzitje
Voorstoel
Buitenste zitplaats achterbank
X
OK
(IL)
C
X
OK
(IL)
Kinderzitje, in rijrichting
9–18 kg
B
X
OKA
(IUF)
B1
X
OKA
(IUF)
A
X
OKA
(IUF)
X: De ISOFIX-stand leent zich niet voor ISOFIX-kinderzitjes in deze gewichts- en/of afmetingscategorie.
IL: Geschikt voor specifieke ISOFIX-kinderzitjes. Deze kinderzitjes kunnen bestemd zijn voor een bepaald automerk, voor een beperkte groep
merken of semi-universeel zijn.
IUF: Geschikt voor in rijrichting gemonteerd ISOFIX-kinderzitje met universele goedkeuring voor deze gewichtscategorie.
A
40
Volvo adviseert een achterstevoren gemonteerd kinderzitje voor deze categorie.
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Bovenste bevestigingspunten voor
kinderzitjes
01
N.B.
Klap de hoofdsteunen omlaag om het
monteren van dit type kinderzitje te vereenvoudigen bij auto’s met neerklapbare
hoofdsteunen op de beide buitenste zitplaatsen.
N.B.
In auto's met een bagagerolhoes over de
bagageruimte moet deze worden verwijderd voordat het kinderzitje in de bevestigingspunten kan worden gemonteerd.
De auto is uitgerust met bovenste bevestigingspunten voor bepaalde kinderzitjes die in
de rijrichting worden gemonteerd. Deze
bevestigingspunten zitten achter op het zitgedeelte van de achterbank.
De bovenste bevestigingspunten zijn voornamelijk bestemd om een in de rijrichting
gemonteerd kinderzitje aan te bevestigen.
Volvo adviseert u kleine kinderen zo lang
mogelijk in een achterstevoren gemonteerd
kinderzitje te blijven vervoeren.
Zie de aanwijzingen van de fabrikant van het
kinderzitje voor gedetailleerde informatie over
de manier waarop u het zitje aan de bovenste
bevestigingspunten vastzet.
WAARSCHUWING
De bevestigingsband van het kinderzitje
altijd door de opening in de ene poot van
de hoofdsteun halen, alvorens de band
aan het bevestigingspunt vast te zetten.
41
Transpondersleutel/sleutelblad...............................................................
Batterij vervangen transpondersleutel/PCC*..........................................
Keyless*..................................................................................................
Vergrendelen/ontgrendelen....................................................................
Kinderslot................................................................................................
Alarm*......................................................................................................
42
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
44
51
53
57
63
64
SLOTEN EN ALARM
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutelblad
Algemeen
02
Bij de auto zijn twee transpondersleutels
geleverd (in standaarduitvoering of met Keyless-functie). U gebruikt ze voor het starten/
uitzetten en vergrendelen/ontgrendelen van
de auto.
De transpondersleutel bevat een uit afneembaar, metalen sleutelblad. Het zichtbare deel
bestaat in twee uitvoeringen om de transponders van elkaar te kunnen onderscheiden.
U kunt meerdere transpondersleutels nabestellen – voor dezelfde auto kunnen tot
zes stuks worden geprogrammeerd en
gebruikt.
Er zijn vier varianten transpondersleutels:
•
Transpondersleutel in standaarduitvoering1
•
•
•
Transpondersleutel met Keyless start1
Transpondersleutel met Keyless drive1
PCC met Keyless drive2
Voor informatie over de functieknoppen van
de transpondersleutel zie pagina 46.
1
2
3
44
De PCC en transpondersleutel met Keylessfunctie hebben extra functies t.o.v. de transpondersleutel in standaarduitvoering. In dit
hoofdstuk worden de functies beschreven die
alle varianten hebben.
WAARSCHUWING
Als er kinderen in de auto aanwezig zijn:
Denk eraan altijd de stroom naar de elektrisch bedienbare ramen te onderbreken
door de transpondersleutel eruit te halen
wanneer de bestuurder de auto verlaat.
Zoekgeraakte transpondersleutel
sleutels. Voor een beschrijving van het
menusysteem, zie pagina 217.
Sleutelgeheugen3 – buitenspiegels,
bestuurdersstoel en stuurbekrachtiging
De instellingen worden automatisch gekoppeld aan de transpondersleutel die op dat
moment in gebruik is, zie de pagina’s 84,
106 en 252. Het ingestelde thema van het
instrumentenpaneel kan bij vergrendeling
worden opgeslagen in de transpondersleutel,
zie pagina 72 en 219.
De functie is te activeren/deactiveren in het
menusysteem MY CAR onder Instellingen
Auto-instellingen Sleutelgeheugen.
Bij verlies van een transpondersleutel kunt u
een nieuwe bestellen bij een werkplaats –
geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats. Neem de resterende transpondersleutels mee naar de werkplaats. Ter voorkoming
van diefstal moet de code van de zoekgeraakte transpondersleutel uit het systeem
worden gewist.
Knippersignalen bij vergrendelen/
ontgrendelen
Hoeveel sleutels er voor de auto geprogrammeerd zijn kunt u controleren in het menusysteem MY CAR onder Informatie Aantal
Wanneer u de auto vergrendelt of ontgrendelt
met een transpondersleutel, lichten de richtingaanwijzers een bepaald aantal malen op
5-knops sleutel
6-knops sleutel
Alleen in combinatie met elektrisch bedienbare bestuurdersstoel en elektrisch inklapbare buitenspiegels.
Voor een beschrijving van het menusysteem,
zie pagina 217.
Zie voor transpondersleutels met Keylessfunctie, zie pagina 53.
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutelblad
om aan te geven dat de auto op de juiste
manier vergrendeld/ontgrendeld is.
•
Vergrendelen – eenmaal oplichten en de
buitenspiegels worden ingeklapt4.
•
Ontgrendelen – tweemaal oplichten en de
buitenspiegels worden uitgeklapt4.
Vergrendelingsindicatie
De onderstaande foutmeldingen op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel
houden verband met de elektronische startblokkering:
02
N.B.
Let op het gevaar voor buitensluiten met
de transpondersleutel nog in de auto.
Bij het vergrendelen vindt de indicatie alleen
plaats als alle sloten zijn vergrendeld en alle
portieren zijn gesloten. Er vindt ook indicatie
plaats als het laatste portier wordt gesloten.
Functie kiezen
In het menusysteem van de auto zijn verschillende opties in te stellen voor bevestiging bij
vergrendeling/ontgrendeling middels lichtsignalen, zie pagina 217.
Ga in het menusysteem MY CAR naar
Instellingen Auto-instellingen
Lichtinstellingen en markeer Lichtsignaal
deurvergrendeling en/of Lichtsignaal bij
ontgrendeling.
4
Dezelfde diode als de alarmindicatie, zie
pagina 64.
Een knipperende diode bij de voorruit geeft
aan dat de auto is vergrendeld.
N.B.
Ook auto’s zonder alarm zijn uitgerust met
deze indicatie.
Elektronische startblokkering
Elke transpondersleutel heeft zijn eigen,
unieke code. U kunt de auto alleen starten,
wanneer u een transpondersleutel met de
juiste code gebruikt.
Alleen auto’s met elektrisch inklapbare buitenspiegels.
45
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutelblad
02
Melding
Betekenis
Plaats sleutel
Storing tijdens het uitlezen
van de transpondersleutel
tijdens het starten. Sleutel
uit het contactslot trekken,
er weer in drukken en een
nieuwe startpoging doen.
Autosleutel
niet gevonden
Storing tijdens het uitlezen
van de transpondersleutel
tijdens het starten. Nieuwe
startpoging doen.
(Geldt alleen
voor auto’s
met Keyless
drive, zie
pagina 55.)
Startblokkering Start
opnieuw
Als de storing aanhoudt:
Transpondersleutel in het
contactsleutel duwen en
een nieuwe startpoging
doen.
Storing in het startblokkeringssysteem tijdens het
starten. Als de storing aanhoudt: Neem dan contact
op met een werkplaats.
Geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
Functies
5-knops transpondersleutel
Vergrendelen
Transpondersleutel met PCC* - Personal Car
Communicator.
Informatie
Ontgrendelen
Functietoetsen
‘Approach’-verlichting
Vergrendelen – Vergrendelt de portieren
en de achterklep en activeert het alarm.
Achterklep
Paniekfunctie
Met een lange druk (ten minste 2 seconden)
worden ook alle ruiten tegelijkertijd gesloten.
WAARSCHUWING
Als de ruiten met de transpondersleutel
worden gesloten, moet u controleren of er
geen handen bekneld raken.
Voor het starten van de auto, zie pagina 116.
Ontgrendelen – Ontgrendelt de portieren en de achterklep en deactiveert het alarm.
46
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutelblad
Bij lang indrukken (ten minste 4 seconden)
worden alle zijruiten tegelijkertijd geopend.
De gelijktijdige ontgrendeling van alle portieren is dusdanig te wijzigen dat bij eenmaal
indrukken van de knop eerst het bestuurdersportier ontgrendeld wordt en bij de tweede
maal indrukken – één en ander binnen 10
seconden – de resterende portieren te ontgrendelen.
De functie is te wijzigingen in het menusysteem van MY CAR onder Instellingen
Auto-instellingen Slotinstellingen
Deuren open met de beide opties Alle
deuren en Bestuurdersdeur: dan alle. Voor
een beschrijving van het menusysteem, zie
pagina 217.
Tijdsduur ‘Approach’-verlichting –
Bestemd om de verlichting van de auto op
afstand in te schakelen. Voor meer informatie,
zie pagina 97.
Achterklep – Ontgrendelt alleen de achterklep en deactiveert de alarmfunctie voor de
achterklep. Voor meer informatie, zie
pagina 60.
Paniekfunctie – bestemd om in noodgevallen de aandacht van anderen te trekken.
nen 3 seconden indrukt, worden de richtingaanwijzers, de interieurverlichting en de claxon geactiveerd.
Unieke PCC-functies*
02
U kunt deze functie met dezelfde toets weer
uitschakelen, als de functie minimaal
5 seconden actief geweest is. Als u niets
doet, wordt de functie na 2 minuten en
45 seconden automatisch uitgeschakeld.
Bereik transpondersleutel
De functies van de transpondersleutel zijn tot
op ca. 20 m afstand van de auto te gebruiken.
Als de auto niet reageert bij bediening van
een toets – probeer het dan op minder grote
afstand opnieuw.
N.B.
Er kunnen storingen optreden in de transpondersleutelfuncties door radiogolven in
de lucht, omringende gebouwen, topografische omstandigheden e.d. Het is altijd
mogelijk de auto te vergrendelen/ontgrendelen met het sleutelblad, zie pagina 49.
Transpondersleutel met PCC* - Personal Car
Communicator.
Informatietoets
Controlelampjes
Na een druk op de informatietoets kunt u
bepaalde informatie over de auto uitlezen aan
de hand van de controlelampjes.
Gebruik van de informatietoets
–
Druk op de informatietoets
.
> Ca. 7 seconden lang lichten de controlelampjes op de PCC om de beurt op.
Dit geeft aan dat informatie over de
auto wordt uitgelezen.
Als u de toets ten minste 3 seconden lang
ingedrukt houdt of tweemaal achtereen bin}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
47
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutelblad
02
Als u gedurende dit tijdsbestek op een
van de andere toetsen drukt, wordt de
uitlezing beëindigd.
Als de auto niet reageert bij bediening van
een toets – probeer het dan op minder grote
afstand opnieuw.
N.B.
Als bij herhaaldelijk gebruik van de
informatietoets – op verschillende tijdstippen en verschillende plaatsen – blijkt dat
geen van de controlelampjes gaat branden
(en dat evenmin na 7 seconden alsook
nadat de controlelampjes op de PCC om
de beurt oplichtten), dient u contact op te
nemen met een werkplaats – geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats.
De controlelampjes verstrekken informatie
zoals aangegeven op de volgende afbeelding:
N.B.
Er kunnen storingen optreden in de functie
van de informatieknop door radiogolven in
de lucht, omringende gebouwen, topografische omstandigheden e.d.
Buiten bereik PCC
Continu groen licht: de auto is vergrendeld.
Continu oranje licht: de auto is ontgrendeld.
Continu rood licht: het alarm is afgegaan
na vergrendeling van de auto.
De beide rode controlelampjes lichten
beurtelings rood op: het alarm is minder
dan 5 minuten geleden afgegaan.
Bereik PCC
Het bereik van de PCC voor ontgrendeling en
bediening van de achterklep is ca. 20 m rond
de auto – voor de overige functies geldt een
maximumbereik van ca. 100 m.
48
Als de PCC op dermate grote afstand van de
auto is dat er geen informatie over de auto
kan worden uitgelezen, wordt de laatst
bekende status van de auto weergegeven
zonder dat de lampjes op de PCC om de
beurt oplichten.
Als er meerdere PCC’s voor de auto in
gebruik zijn, geeft uitsluitend de PCC waarmee de auto de laatste keer vergrendeld/
ontgrendeld werd de juiste status aan.
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutelblad
bedienen is vanaf de transpondersleutel,
zie pagina 55.
N.B.
Als bij herhaaldelijk gebruik van de
informatietoets – op verschillende tijdstippen en verschillende plaatsen – blijkt dat
geen van de controlelampjes gaat branden
(en dat evenmin na 7 seconden alsook
nadat de controlelampjes op de PCC om
de beurt oplichtten), dient u contact op te
nemen met een werkplaats – geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Afneembaar sleutelblad
De transpondersleutel bevat een afneembaar
metalen sleutelblad waarmee u enkele functies kunt activeren en bepaalde handelingen
kunt uitvoeren.
•
•
het mechanische kinderslot op de achterportieren te activeren/deactiveren, zie
pagina 63.
het rechter voorportier en de achterportieren handmatig te vergrendelen bij bijvoorbeeld stroomuitval, zie pagina 57.
•
het slot van het dashboardkastje* te openen zie pagina 59.
•
de airbag voor de voorpassagier
(PACOS)* te activeren/deactiveren, zie
pagina 22.
Sleutelblad verwijderen
De unieke code van de sleutelbladen is
bekend bij de erkende Volvo-werkplaatsen,
waar ook nieuwe sleutelbladen kunnen worden besteld.
02
1. Houd de transpondersleutel met de gleuf
omhoog en laat het sleutelblad in de gleuf
zakken.
2. Duw voorzichtig tegen het sleutelblad. U
hoort een klikgeluid wanneer het sleutelblad goed vastzit.
Portier ontgrendelen met sleutelblad
Als de centrale vergrendeling niet op de
transpondersleutel reageert (omdat de batterijen bijvoorbeeld leeg zijn), kunt u het linker
voorportier op de volgende manier ontgrendelen en openen:
Voor een afbeelding en meer informatie,
zie pagina 55.
U kunt het afneembare sleutelblad van de
transpondersleutel gebruiken om:
het linker voorportier handmatig te openen, als de centrale vergrendeling niet te
Plaats het sleutelblad voorzichtig terug in de
transpondersleutel.
1. Ontgrendel het linker voorportier met het
sleutelblad in de slotcilinder van de portierhandgreep.
Functies sleutelblad
•
Sleutelblad aanbrengen
N.B.
Haal de veerbelaste pal opzij.
Wanneer u het portier met het sleutelblad
ontgrendeld hebt en vervolgens opent,
gaat het alarm af.
Trek tegelijkertijd het sleutelblad naar
achteren.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
49
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutelblad
02
50
2. Schakel het alarm uit door de transpondersleutel in het contactslot te steken.
Voor auto’s met Keyless drive, zie
pagina 55.
02 Sloten en alarm
Batterij vervangen transpondersleutel/PCC*
Batterij vervangen
N.B.
Vervang de batterijen, als:
•
Keer de transpondersleutel met de knoppen naar boven om te voorkomen dat de
batterijen eruit vallen als deze wordt
geopend.
het informatiesymbool op het instrumentenpaneel oplicht en Afst.bediening
batterij raakt leeg. Vervang de batterij.
verschijnt op het bijbehorende informatiedisplay
BELANGRIJK
en/of
•
02
Raak nieuwe accu's en hun contactvlakken niet met uw vingers aan, aangezien de
werking hierdoor kan verslechteren.
de sloten herhaalde malen achtereen niet
reageren op het signaal van een transpondersleutel die zich binnen een straal
van 20 m rond de auto bevindt.
Batterij vervangen
Let erop hoe de batterij(en) aan de binnenzijde van de afdekking vastzit(ten). Let
daarop op de pluszijde + en de minzijde
–.
Transpondersleutel met 1 batterij
Openen
Haal de veerbelaste pal opzij.
Trek tegelijkertijd het sleutelblad naar
achteren.
Steek een kruiskopschroevendraaier
met een dikte van 3 mm in de opening
achter de veerbelaste pal en werk de
transpondersleutel voorzichtig open.
1. Werk de batterij voorzichtig los.
2. Plaats een nieuwe met de pluszijde (+)
omlaag.
Transpondersleutel en PCC* met 2
batterijen
1. Werk de batterijen voorzichtig los.
2. Plaats eerst een nieuwe met de pluszijde
(+) omhoog.
3. Leg het witte plasticvel op de geplaatste
nieuwe batterij en breng daarna nog een
nieuwe batterij aan met de pluszijde (+)
omlaag.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
51
02 Sloten en alarm
Batterij vervangen transpondersleutel/PCC*
Batterijtype
02
Gebruik batterijen met de code CR2430, 3 V.
In elkaar zetten
1. Druk de afdekking weer op de transpondersleutel vast.
2. Houd de transpondersleutel met de gleuf
omhoog en laat het sleutelblad in de gleuf
zakken.
3. Duw voorzichtig tegen het sleutelblad. U
hoort een klikgeluid wanneer het sleutelblad goed vastzit.
BELANGRIJK
Let erop dat lege batterijen op een milieuvriendelijke manier worden verwerkt.
52
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
02 Sloten en alarm
Keyless*
Vergrendelings- en startsysteem
zonder sleutel*
Algemeen
Beide transpondersleutels van de auto hebben de Keyless-functie. Er kunnen meer
transpondersleutels worden bijbesteld, zie zie
pagina 44.
Het elektrische systeem van de auto kan met
de transpondersleutel in 3 verschillende
niveaus worden gezet (sleutelstanden) – 0, I
en II, zie pagina 81.
Bereik transpondersleutel1
Hieronder worden transpondersleutels
beschreven met de Keyless drive- en Keyless
start-functie. Auto’s met Keyless start-functie
kunnen worden gestart zonder dat de transpondersleutel in het contactslot zit. Auto’s
met de Keyless drive-functie kunnen worden
ontgrendeld en vergrendeld zonder de knoppen op de transpondersleutel in te drukken
en gestart zonder dat de sleutel in het contactslot zit. Het systeem maakt het eenvoudiger om de auto te openen wanneer u bijvoorbeeld uw handen vol hebt.
1
Om een portier of de achterklep te kunnen
openen zonder knoppen op de transpondersleutel in te drukken, moet de transpondersleutel zich binnen een straal van 1,5 m rond
de portierhandgrepen of de achterklep bevinden. Dit betekent dat u de transpondersleutel
bij u moet dragen om een portier te vergrendelen of ontgrendelen. Wanneer u aan de ene
kant van de auto staat, is het niet mogelijk om
met de transpondersleutel een portier aan de
andere kant te ver- of ontgrendelen.
De rode cirkels op de nevenstaande afbeelding geven het dekkingsgebied van de systeemantennes aan.
Als alle transpondersleutels uit de auto worden gehaald terwijl de motor draait of als een
portier wordt geopend en vervolgens gesloten terwijl de sleutelstand I of II actief is (zie
pagina 81), verschijnt op het informatiedis-
play van het instrumentenpaneel een waarschuwingsmelding en klinkt er een geluidssignaal.
02
Wanneer de transpondersleutel weer in de
auto wordt geplaatst, dooft de waarschuwingsmelding en houdt het geluidssignaal op
als:
•
•
er een portier geopend of gesloten is
•
de knop OK op de richtingaanwijzerhendel is ingedrukt.
de transpondersleutel in het contactslot
wordt gestoken
Veilig gebruik van transpondersleutel
met Keyless-functie
Als u een transpondersleutel met keylessfunctie in de auto laat liggen, wordt de sleutel
bij het vergrendelen van de auto tijdelijk
gedeactiveerd. Onbevoegden kunnen de portieren er dan niet meer mee openen.
Als er echter ingebroken wordt en iemand de
transpondersleutel in de auto vindt, wordt de
sleutel weer geactiveerd. Pas daarom extra
goed op al uw transpondersleutels.
Geldt niet voor auto’s met Keyless start
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
53
02 Sloten en alarm
Keyless*
BELANGRIJK
Vergrendelen2
Wanneer u het portier met het sleutelblad
ontgrendeld hebt en vervolgens opent,
gaat het alarm af.
02
N.B.
Als u (terwijl de motor is afgezet) de transpondersleutel met keyless-functie uit de
auto haalt en de auto niet vergrendelt door
een van de portierhandgrepen aan te
raken of de vergrendeltoets op de transpondersleutel te bedienen, gebeurt het
volgende:
Storingen in de functie van de
transpondersleutel
De Keyless-functie kan gestoord worden door
elektromagnetische velden en afschermingen.
N.B.
Plaats/bewaar de transpondersleutel met
keyless-functie niet in de buurt van een
mobiele telefoon of metalen voorwerpen.
Houd een minimale afstand aan van 10-15
cm.
Als er desondanks toch storingen optreden,
moet u de transpondersleutel en het sleutelblad als traditionele transpondersleutel
gebruiken, zie pagina 46.
Auto’s met Keyless-drive-systeem zijn voorzien
van een aanraakgevoelige zone op de buitenhandgreep van de portieren alsook een met rubber beklede knop naast het eveneens met rubber
beklede drukplaatje op de achterklep.
Vergrendel de portieren en de achterklep
door een van de portierhandgrepen vast te
pakken of op de kleinste van de beide met
rubber beklede knoppen op de achterklep te
drukken – de vergrendelingsindicatie onder
aan de voorruit gaat knipperen om aan te
geven dat er vergrendeling heeft plaatsgevonden, zie pagina 45.
Alle portieren inclusief de achterklep moeten
zijn gesloten, voordat u de auto kunt vergren-
2
54
Geldt niet voor transpondersleutel met keyless start
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
delen – de auto wordt anders niet vergrendeld.
Na ca. 1½–2 minuten wordt het alarm
geactiveerd en gaat de alarmdiode op de
voorruit knipperen – het alarm staat daarmee op scherp maar de auto is niet vergrendeld.
N.B.
Op auto's met een automatische versnellingsbak moet de keuzehendel in de Pstand staan. Anders kan de auto niet worden vergrendeld of op alarm worden
gezet.
Ontgrendelen2
Er wordt ontgrendeld met Keyless-drive wanneer iemand een portierhandgreep beetpakt
of op het met rubber beklede drukplaatje van
02 Sloten en alarm
Keyless*
de achterklep drukt – open het portier of de
achterklep op de normale manier.
N.B.
Normaal registreren de portierhandgrepen
het wanneer u met uw hand de handgreep
beetpakt, maar als u dikke handschoenen
draagt of de handbeweging te snel uitvoert, moet u de beweging mogelijk een
tweede keer uitvoeren of de handschoen
uittrekken.
Ontgrendelen met sleutelblad
rijen bijvoorbeeld leeg zijn), kunt u het linker
voorportier openen met het afneembare sleutelblad van de transponder (zie pagina 49).
Om bij de slotcilinder te komen dient de
kunststof afdekking van de portierhandgreep
te worden verwijderd – ook dit doet u met het
sleutelblad:
1. Duw het sleutelblad ca. 1 cm recht
omhoog in de opening aan de onderkant
van de portierhandgreep/afdekking – niet
wrikken.
> De kunststof afdekking komt automatisch los, wanneer u het blad recht
omhoog de opening induwt.
2. Steek het sleutelblad vervolgens in de
slotcilinder en ontgrendel het portier.
Sleutelgeheugen3 – bestuurdersstoel,
buitenspiegels en stuurbekrachtiging
Geheugenfunctie in transpondersleutel
met keyless-functie
Als meerdere personen met elk hun eigen
transpondersleutel naar de auto lopen,
nemen de bestuurdersstoel en de buitenspiegels de stand in die ligt opgeslagen in de
sleutel van degene die het bestuurdersportier
opent.
Als het bestuurdersportier bijvoorbeeld werd
geopend door persoon A met transpondersleutel A, maar persoon B met transpondersleutel B zal gaan rijden, zijn de instellingen
als volgt te wijzigen:
•
Staand naast het bestuurdersportier of
zittend achter het stuur drukt persoon B
op de ontgrendelingstoets van zijn transpondersleutel, zie pagina 46.
•
Kies een van de drie mogelijk positiegeheugens voor de stoel met de stoelknoppen 1–3, zie pagina 84.
•
Zet de stoel en de spiegels handmatig in
de juiste stand (zie pagina 84 en 106).
•
Stel de stuurbekrachtiging af in het menusysteem MY CAR, zie pagina 219.
3. Plaats de kunststof afdekking na ontgrendeling terug.
N.B.
Opening voor het sleutelblad - voor het afnemen
van de afdekking.
Als de centrale vergrendeling niet op de
transpondersleutel reageert (omdat de batte3
Wanneer u het linker voorportier met het
sleutelblad ontgrendeld hebt en vervolgens opent, gaat het alarm af. Het wordt
uitgeschakeld door de transpondersleutel
in het contactslot te steken, zie
pagina 65.
02
Alleen in combinatie met elektrisch bedienbare bestuurdersstoel en elektrisch inklapbare buitenspiegels.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
55
02 Sloten en alarm
Keyless*
Vergrendelingsinstellingen
02
De Keyless-drive-functie is aan te passen
door in het menusysteem MY CAR aan te
geven welke portieren er ontgrendeld moeten
worden; dit onder Auto-instellingen
Slotinstellingen Instappen zonder
sleutel – kies vervolgens uit Alle deuren
open, Willekeurige deur, Deuren aan één
kant en Beide voordeuren.
Voor een beschrijving van het menusysteem,
zie pagina 217.
Locatie antennes
Het Keyless-systeem werkt met enkele antennes die op verschillende locaties ingebouwd
zijn in de auto:
56
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Achterbumper, in het midden
Portierhandgreep, linksachter
Bagageruimte, in het midden, helemaal
voorin, onder de vloer
Portierhandgreep, rechtsachter
Middenconsole, onder achterstuk
Middenconsole, onder voorstuk.
WAARSCHUWING
Personen met een pacemaker mogen niet
dichter dan 22 cm bij de antennes van het
Keyless-systeem komen. Hierdoor voorkomt u storingen tussen de pacemaker en
het Keyless-systeem.
02 Sloten en alarm
Vergrendelen/ontgrendelen
Van de buitenzijde
N.B.
Met de transpondersleutel kunt u alle portieren, de achterklep en de tankvulklep vergrendelen/ontgrendelen. Het is mogelijk een
andere ontgrendelingsvolgorde te kiezen, zie
‘Ontgrendelen met transpondersleutel’ 46.
Let erop dat het alarm afgaat, wanneer het
portier na ontgrendeling met het sleutelblad wordt geopend – het alarm wordt uitgeschakeld, wanneer de transpondersleutel in het contactslot wordt geplaatst.
Om de ontgrendelingsprocedure te kunnen
activeren moet het bestuurdersportier dichtstaan – als een van de overige portieren of de
achterklep openstaat, wordt dit/deze pas na
het sluiten vergrendeld en inbegrepen in het
alarmsysteem. Bij het Keyless drive*-systeem
dienen alle portieren en de achterklep dicht te
staan.
Let op het risico van opsluiting in de auto,
als u de auto van de buitenzijde vergrendelt – de portieren zijn dan namelijk niet
meer van de binnenzijde te openen met de
portierhandgrepen. Voor meer informatie,
zie pagina 61, Safelock.
N.B.
Let op het gevaar voor buitensluiten met
de transpondersleutel nog in de auto.
Als u niet met de transpondersleutel kunt vergrendelen/ontgrendelen is de batterij mogelijk
leeg – vergrendel/ontgrendel het linker voorportier dan met het afneembare sleutelblad,
zie pagina 49.
WAARSCHUWING
Het linker voorportier is te vergrendelen met
de bijbehorende slotcilinder en het afneembare sleutelblad van de transpondersleutel,
zie pagina 55.
02
De overige portieren hebben geen slotcilinders, maar zijn voorzien van een vergrendeling op de zijkant van het portier die moet
worden ingedrukt met het sleutelblad, waarna
het portier mechanisch is vergrendeld en niet
meer van buitenaf kan worden geopend. De
portieren zijn echter nog steeds vanaf de binnenzijde te openen.
Automatische hervergrendeling
Als u geen van de portieren noch de achterklep binnen 2 minuten na ontgrendeling van
de buitenzijde met de transpondersleutel
opent, worden alle sloten automatisch weer
vergrendeld. Deze functie beperkt de kans
dat u de auto per ongeluk onvergrendeld kunt
laten staan. (Voor auto’s met alarmsysteem,
zie pagina 64.)
Handmatig vergrendelen
In bepaalde gevallen moet de auto handmatig
kunnen worden vergrendeld, zoals bij stroomuitval.
Portier handmatig vergrendelen. Niet te verwarren met het kinderslot, zie pagina 63.
–
Verwijder het afneembare sleutelblad uit
de transpondersleutel, zie pagina 49.
Steek het sleutelblad in de vergrendelo-
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
57
02 Sloten en alarm
Vergrendelen/ontgrendelen
pening en druk de sleutel er helemaal in,
ca. 12 mm.
02
Het portier is zowel vanaf de buitenzijde
als vanaf de binnenzijde te openen.
Van de binnenzijde
Ontgrendelen
Centrale vergrendeling
Een portier kan op twee manieren van de binnenkant worden ontgrendeld:
•
Het portier is niet vanaf de buitenzijde te
openen. Om terug te keren naar stand A
moet de binnenhandgreep van het portier
worden geopend.
Bij lang indrukken (ten minste 4 seconden)
worden alle zijruiten* tegelijkertijd geopend.
•
De portieren zijn ook te ontgrendelen met de
ontgrendelingstoets op de transpondersleutel
of de knop voor centrale vergrendeling op het
bestuurdersportier.
58
Trek aan de openingshandgreep en open
het portier – het portier wordt in een keer
ontgrendeld en geopend.
Vergrendelen
•
N.B.
Centrale vergrendeling.
•
De vergrendeling van een portier dient
alleen om het desbetreffende portier te
vergrendelen – dus niet alle portieren.
•
Een handmatig vergrendeld achterportier waarvan ook het mechanische kinderslot geactiveerd is, kan noch van
de buitenzijde noch van de binnenzijde
worden geopend, zie pagina 63. Een
achterportier dat op deze manier vergrendeld is kan alleen ontgrendeld
worden met de transpondersleutel of
de toets voor centrale vergrendeling.
Met de knop voor de centrale vergrendeling
op het bestuurdersportier kunt u alle portieren
en de achterklep tegelijkertijd vergrendelen of
ontgrendelen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Bij het indrukken van de knop voor centrale vergrendeling
.
•
Druk de rechterkant
van de knop in
om te vergrendelen en de linkerkant
om te ontgrendelen.
Lampje in vergrendelingsknop
Wanneer het lampje in de knop voor centrale
vergrendeling op het bestuurdersportier
brandt, zijn alle portieren vergrendeld.
Beide voorportieren moeten gesloten zijn
om ze centraal te kunnen vergrendelen.
Druk op de knop voor centrale vergrendeling
– alle portieren worden vergrendeld. Als een van de achterportieren nog
open is, wordt deze vergrendeld als het
portier wordt gesloten.
Met een lange druk (ten minste 2 seconden)
worden ook alle zijruiten tegelijkertijd gesloten.
Doorluchtfunctie
Bij lang indrukken van de knop voor centrale
vergrendeling
(ten minste 4 seconden)
worden alle zijruiten tegelijkertijd geopend –
om bijvoorbeeld bij warm weer snel voor
frisse lucht in de auto te zorgen.
02 Sloten en alarm
Vergrendelen/ontgrendelen
Automatische vergrendeling
Dashboardkastje vergrendelen:
Bij het wegrijden worden de portieren en de
achterklep automatisch vergrendeld.
Duw het sleutelblad in de slotcilinder van
het dashboardkastje.
De functie is te activeren/deactiveren in het
menusysteem MY CAR onder Instellingen
Auto-instellingen Slotinstellingen
Automatische vergrendeling. Voor een
beschrijving van het menusysteem, zie
pagina 217.
Draai het sleutelblad 90 graden rechtsom.
Het sleutelgat staat horizontaal wanneer
het kastje vergrendeld is.
Slotcilinder dashboardkastje*
•
Houd voor het ontgrendelen de omgekeerde volgorde aan.
Handmatig openen
02
2. Til de buitenste handgreep helemaal
omhoog om de klep te openen.
BELANGRIJK
Neem het sleutelblad uit.
Achterklep
Het dashboardkastje valt alleen te vergrendelen/ontgrendelen met het afneembare sleutelblad van de transpondersleutel. Voor informatie over het sleutelblad, zie pagina 49.
1. Druk lichtjes op het breedste van de met
rubber beklede drukplaatjes onder de
buitenhandgreep - de vergrendeling
wordt vrijgegeven.
•
De achterklep is met heel weinig
kracht te ontgrendelen – druk gewoon
lichtjes op het met rubber beklede platje.
•
Breng geen druk aan op het met rubber beklede plaatje bij het openen van
de achterklep – maar til de handgreep
op. Bij te veel druk kan de elektrische
schakelaar in het met rubber beklede
plaatje beschadigd raken.
Met rubber bekleed plaatje met elektrische schakelaar.
De achterklep wordt dichtgehouden door een
elektrische vergrendeling. Om te openen:
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
59
02 Sloten en alarm
Vergrendelen/ontgrendelen
Ontgrendelen met transpondersleutel
02
Met de toets
op de transpondersleutel is
het mogelijk om de alarmfunctie voor de achterklep te deactiveren* zodat u de achterklep
apart kunt ontgrendelen.
De vergrendelingsindicatie op het instrumentenpaneel stopt met knipperen om aan te
geven dat de auto niet volledig vergrendeld is
en dat de niveausensoren en bewegingsmelders van het alarmsysteem* alsmede de sensoren voor opening van de achterklep buiten
werking gesteld zijn.
De portieren blijven vergrendeld en beveiligd.
De achterklep kan op twee verschillende
manieren worden geopend met de transpondersleutel:
60
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Eenmaal drukken – De klep wordt weliswaar
ontgrendeld maar blijft dichtstaan – druk
lichtjes tegen op het met rubber bekleding
drukplaatje onder de buitenhandgreep en
open de klep. Als de klep niet binnen 2 minuten na ontgrendeling wordt geopend, wordt
de klep weer vergrendeld en het alarm
opnieuw geactiveerd.
Tweemaal drukken – De klep wordt ontgrendeld en de vergrendeling wordt vrijgegeven
waarna de klep enkele centimeters omhoogkomt – til de buitenhandgreep omhoog om de
klep te openen. Bij zware regen- of sneeuwval, vorst of ijzel komt de klep echter mogelijk
niet uit de vergrendeling los.
Van de binnenzijde openen
Om de achterklep te openen:
–
N.B.
•
•
Wanneer de klep met 2 keer indrukken
of vanaf de binnenkant van de auto
werd ontgrendeld, is automatische
hervergrendeling niet mogelijk omdat
de klep openstaat – u dient de klep
handmatig te sluiten.
Na het sluiten is de klep onvergrendeld
en niet opgenomen in het alarmsysop
teem – met de vergrendeltoets
de transpondersleutel kunt u de klep
opnieuw vergrendelen en opnemen in
het alarmsysteem.
Druk op de knop op het verlichtingspaneel.
> Het slot ontgrendelt en de klep opent
een paar centimeter.
Vergrendelen met transpondersleutel
–
Druk op de toets voor vergrendeling op
de transpondersleutel
, zie pagina 46.
> De vergrendelingsindicatie op het
instrumentenpaneel begint te knipperen, wat inhoudt dat de auto vergrendeld en het alarmsysteem* geactiveerd
is.
02 Sloten en alarm
Vergrendelen/ontgrendelen
Tankvulklep
Met de knop
op de transpondersleutel
wordt de tankvulklep geopend. De tankvulklep blijft ontgrendeld totdat de auto wordt
vergrendeld met de knop
op de transpondersleutel. Als de auto tijdens de rit of
met de knoppen in de passagiersruimte
wordt vergrendeld, blijft de tankvulklep ontgrendeld.
De vergrendellogica van de tankvulklep is
bovendien ondergeschikt aan keyless-drive
en eventuele vergrendeling of ontgrendeling
via de centrale vergrendeling. De tankvulklep
wordt altijd met een vertraging van 10 minuten vergrendeld.
N.B.
Tijdelijk deactiveren
Als er binnen deze vertragingsperiode een
van de portieren wordt geopend, wordt de
functie geannuleerd en het alarm gedeactiveerd.
02
Bij Safelock is de auto alleen met de transpondersleutel te ontgrendelen. Het linker
voorportier is ook te ontgrendelen met het
afneembare sleutelblad.
WAARSCHUWING
Laat niemand in de auto zitten zonder
eerst de Safelock-functie te deactiveren
om te voorkomen dat u iemand opsluit.
Geactiveerde menu-opties staan aangekruist.
MY CAR
OK MENU
Safelock-functie*1
Bij activering van de Safelock-functie worden
alle openingshandgrepen mechanisch losgekoppeld, wat het openen van de portieren van
de binnenzijde onmogelijk maakt.
Met de transpondersleutel activeert u de
Safelock-functie die ca. 10 seconden na vergrendeling van de portieren in werking treedt.
1
Draaiknop TUNE
EXIT
Als u de portieren van de buitenzijde wilt vergrendelen terwijl er iemand in de auto achterblijft, kunt u de Safelock-functie tijdelijk uitschakelen. Dat gaat als volgt:
1. Open het menusysteem MY CAR en ga
naar Instellingen Auto-instellingen
Minder bescherming (voor een gede-
Alleen in combinatie met een alarmsysteem.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
61
02 Sloten en alarm
Vergrendelen/ontgrendelen
02
2. Kies Eén keer activeren.
> Op het instrumentenpaneel verschijnt
de melding Sloten en alarm
Beveiliging beperkt en de Safelockfunctie wordt uitgeschakeld bij vergrendeling van de auto.
of
–
Kies Vragen bij uitstappen.
> Iedere keer dat u de motor afzet, verschijnt op het beeldscherm van de
middenconsole de melding Lagere
beveiliging activeren tot motor
opnieuw is gestart? gevolgd door de
opties Bevestigen met OK en
Stoppen met EXIT.
Als u de Safelock-functie wilt uitschakelen
–
62
functie en de bewegingsmelders en
niveausensoren van het alarmsysteem
opnieuw ingeschakeld.
tailleerde beschrijving van het menusysteem (zie pagina 217)).
Druk op OK/MENU en vergrendel de
auto. (Let erop dat ook de bewegingsmelders en niveausensoren* van het alarmsysteem worden uitgeschakeld, zie
pagina 65.)
> De volgende keer dat u de motor start,
wordt het systeem gereset waarna op
het instrumentenpaneel de melding
Sloten en alarm Beveiliging volledig
verschijnt. Daarmee zijn de Safelock-
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Als u geen wijzigingen in het vergrendelingssysteem wenst
Druk op EXIT en vergrendel de auto.
–
N.B.
•
Let erop dat het alarm wordt geactiveerd bij vergrendeling van de auto.
•
Als een van de portieren van de binnenzijde wordt geopend, gaat het
alarm af.
02 Sloten en alarm
Kinderslot
Handmatig kinderslot op
achterportieren
Het portier is niet vanaf de binnenzijde te
openen.
Het kinderslot voorkomt dat kinderen een
achterportier vanaf de binnenzijde openen.
Het portier is zowel vanaf de buitenzijde
als vanaf de binnenzijde te openen.
N.B.
Mechanisch kinderslot. Niet te verwarren met de
mechanische portiervergrendeling, zie pagina 57.
•
De vergrendelbus van een portier dient
alleen om het desbetreffende portier te
vergrendelen – dus niet beide achterportieren.
•
Op auto’s met een elektrisch kinderslot zit geen handmatig kinderslot.
Elektrisch kinderslot op
achterportieren* en achterste zijruiten
Het kinderslot is in alle slotstanden anders
dan 0 - zie pagina 81 te activeren/deactiveren en dat binnen 2 minuten na het afzetten
van de motor, op voorwaarde dat er geen
portier wordt geopend.
02
Doe het volgende om het kinderslot te activeren:
1. Start de motor of kies een slotstand
anders dan 0.
2. Druk op de bijbehorende knop van het
bedieningspaneel op het bestuurdersportier.
> Op het informatiedisplay staat de melding Kinderslot actief en het lampje
in de knop brandt - het slot is geactiveerd.
Wanneer het elektrische kinderslot actief is,
zijn de achterste:
De bedieningscilinders van het kinderslot zitten achter op de korte kant van de achterportieren, zodat ze alleen bereikbaar zijn wanneer de portieren openstaan.
•
zijruiten alleen vanaf het bedieningspaneel op het bestuurdersportier te bedienen
Doe het volgende om het kinderslot te activeren/deactiveren:
•
portieren niet van de binnenkant te openen.
–
Bij het afzetten van de motor wordt de
actuele instelling vastgelegd – als het kinderslot geactiveerd was tijdens het afzetten van
de motor, dan is de functie de volgende keer
dat u de motor start eveneens actief.
Maak gebruik van het afneembare sleutelblad van de transpondersleutel om de
cilinder te verdraaien - zie pagina 49.
Bedieningspaneel bestuurdersportier.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
63
02 Sloten en alarm
Alarm*
Algemeen
02
Een geactiveerd alarmsysteem gaat af als:
•
een portier, de motorkap of de achterklep
wordt geopend
•
er beweging in de passagiersruimte wordt
waargenomen (als er een bewegingsmelder* aanwezig is)
•
de auto wordt opgetakeld of weggesleept
(op auto’s met een niveausensor*)
•
een kabel van de startaccu wordt losgekoppeld
•
de sirene wordt losgekoppeld.
Als er een storing in het alarmsysteem is
opgetreden, verschijnt er een melding op het
informatiedisplay van het instrumentenpaneel.
Neem dan contact op met een werkplaats –
geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
N.B.
Alarmindicatie
De bewegingsmelders laten het alarm
afgaan bij bewegingen in de passagiersruimte – ook eventuele luchtstromen worden geregistreerd. Het alarm kan dan ook
afgaan als u de auto met een ruit open laat
staan of als u de interieurverwarming
gebruikt.
Om dat te voorkomen: Sluit bij het verlaten
van de auto alle ruiten. Bij gebruik van de
geïntegreerde interieurverwarming van de
auto (of een draagbare variant daarvan op
stroom) dan dient u de blaasmonden dusdanig af te stellen dat deze niet omhoogwijzen. U kunt ook gebruik maken van het
beperkte alarmniveau, zie pagina 65.
N.B.
Probeer niet zelf de onderdelen van het
alarmsysteem te repareren of te wijzigen.
Dergelijke pogingen kunnen van invloed
zijn op de verzekeringsvoorwaarden.
Dezelfde diode als de vergrendelingsindicatie, zie
pagina 45.
Een rode led op het dashboard geeft de status van het alarmsysteem aan:
•
•
•
De led is uit – het alarm is uitgeschakeld
De led licht om de twee seconden eenmaal op – het alarm is ingeschakeld
De led knippert snel vanaf het moment
van uitschakelen van het alarm (tot aan
het moment dat u de transpondersleutel
in het contactslot steekt en sleutelstand I
wordt bereikt) – het alarm is afgegaan.
Alarm activeren
–
64
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Druk op de vergrendelingstoets op de
transpondersleutel.
02 Sloten en alarm
Alarm*
Alarm deactiveren
Transpondersleutel defect
–
Als u het alarm niet kunt uitschakelen met de
transpondersleutel (als bijvoorbeeld de batterij van de sleutel leeg is), kunt u de auto als
volgt ontgrendelen, het alarmsysteem deactiveren en de motor starten:
Druk op de ontgrendelingstoets op de
transpondersleutel.
Geactiveerd alarm uitschakelen
–
Druk op de ontgrendelingstoets op de
transpondersleutel of steek de transpondersleutel in het contactslot.
Overige alarmfuncties
Automatische herinschakeling van het
alarm
1. Open het linker voorportier met het
afneembare sleutelblad – zie pagina 55.
> Het alarmsysteem gaat af, de richtingaanwijzers knipperen en de sirene
klinkt.
De functie voorkomt dat u de auto verlaat
zonder het alarm uit te schakelen.
Als u geen van de portieren noch de achterklep binnen twee minuten na uitschakeling
van het alarm opent wanneer de auto met de
transpondersleutel ontgrendeld (en het alarm
gedeactiveerd) werd, wordt het alarm automatisch opnieuw ingeschakeld. De auto
wordt bovendien opnieuw vergrendeld.
•
•
Er klinkt een sirene totdat u het alarm uitschakelt. Bij inactiviteit gaat de sirene na
30 seconden lang automatisch uit. De
sirene heeft zijn eigen accu en werkt volledig onafhankelijk van de startaccu in de
auto.
02
Alle richtingaanwijzers knipperen totdat u
het alarm uitschakelt. Bij inactiviteit gaan
ze na vijf minuten automatisch uit.
Beperkt alarmniveau
Om te voorkomen dat het alarmsysteem
onbedoeld afgaat als er bijvoorbeeld een
hond in een vergrendelde auto wordt achtergelaten of bij gebruik van een autotrein of een
veerverbinding, dienen de bewegingsmelder
en de niveausensoren tijdelijk te worden
gedeactiveerd.
De te volgen procedure is identiek aan die bij
tijdelijke uitschakeling van de Safelock-functie, zie pagina 61.
Automatische activering van het alarm
In bepaalde landen wordt het alarmsysteem
na enige vertraging automatisch geactiveerd,
wanneer het bestuurdersportier werd
geopend en gesloten maar daarna niet werd
vergrendeld.
2. Steek de transpondersleutel in het contactslot.
> Het alarm wordt uitgeschakeld.
Alarmsignalen
Bij alarm gebeurt het volgende:
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
65
Instrumenten, schakelaars en bediening................................................ 68
Volvo Sensus ......................................................................................... 80
Sleutelstanden........................................................................................ 81
Stoelen en achterbank............................................................................ 83
Stuurwiel................................................................................................. 88
Verlichting............................................................................................... 89
Wissers en -sproeiers........................................................................... 101
Ruiten en spiegels................................................................................. 104
Kompas*................................................................................................ 110
Alcoholslot*........................................................................................... 112
Motor starten........................................................................................ 116
Motor starten, hulpaccu........................................................................ 118
Versnellingsbakken............................................................................... 120
Start/Stop*............................................................................................ 127
Vierwielaandrijving – AWD*................................................................... 133
Bedrijfsrem............................................................................................ 134
Afdalingsregeling, HDC (Hill Descent Control)...................................... 136
Parkeerrem............................................................................................ 138
HomeLink® *.......................................................................................... 139
66
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
BEDIENINGSINSTRUCTIES BESTUURDER
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Instrumenten, schakelaars en bediening
Instrumentenoverzicht
03
Auto met het stuur links.
68
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Instrumenten, schakelaars en bediening
Functie
Pagina
Functie
Pagina
Menu- en meldingsfuncties, richtingaanwijzers, groot licht/
dimlicht, boordcomputer
214, 95,
91, 244
Alarmlichten
94
Bedieningspaneel
voor infotainment en
menufuncties
261, 263,
217
Cruisecontrol*
152,155
229
Claxon, airbag
88,20
Bedieningspaneel
voor klimaatregeling
Keuze-/schakelhendel
120
Instrumentenpaneel
71
Parkeerrem
138
Menufuncties, bediening audio, bediening
telefoon*
217, 261,
263, 290
Wissers en -sproeiers
101,102
Stuurwielafstelling
88
Knop START/STOP
ENGINE
116
358
Contactslot
81
Ontgrendeling motorkap
261, 261,
217
Verlichtingsdraaiknop,
opener achterklep
89,59
Beeldscherm voor
infotainment en weergave van menu’s
Stoelverstelling*
84
Openingshandgreep
portier
–
Bedieningspaneel
58, 63, 104,
106
03
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
69
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Instrumenten, schakelaars en bediening
03
Auto met het stuur rechts.
70
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Instrumenten, schakelaars en bediening
Informatiedisplay instrumentenpaneel
Functie
Pagina
Functie
Pagina
Wissers en -sproeiers
101,102
229
Menufuncties, bediening audio, bediening
telefoon*
217, 261,
263, 290
Bedieningspaneel
voor klimaatregeling
Keuze-/schakelhendel
120
Claxon, airbag
88,19
Parkeerrem
138
Instrumentenpaneel
71
214, 95,
91, 244
Cruisecontrol*
152,155
Knop START/STOP
ENGINE
116
Menu- en meldingsfuncties, richtingaanwijzers, groot licht/
dimlicht, boordcomputer
Stuurwielafstelling
88
Contactslot
81
358
Beeldscherm voor
infotainment en weergave van menu’s
261, 261,
217
Ontgrendeling motorkap
Verlichtingsdraaiknop,
opener achterklep
89,59
Openingshandgreep
portier
–
Stoelverstelling*
84
Bedieningspaneel
58, 63, 104,
106
Alarmlichten
94
Informatiedisplay, digitaal instrument.
261, 263,
217
Op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel verschijnt informatie over bepaalde
functies van de auto zoals de cruisecontrol,
Bedieningspaneel
voor infotainment en
menufuncties
03
Informatiedisplay, analoog instrument.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
71
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Instrumenten, schakelaars en bediening
boordcomputer en meldingen. De informatie
wordt weergegeven in de vorm van symbolen
en tekst.
Gedetailleerder informatie vindt u onder de
functies die gebruik maken van het display.
03
ook boordcomputer pagina 244, en tan฀
ken pagina 315.
Eco meter. De meter geeft een beeld van
hoe zuinig er in de auto wordt gereden.
Hoe groter de wijzeruitslag, hoe zuiniger.
Snelheidsmeter
Meters en wijzers, analoog instrument
Druk om een thema te kiezen op de knop OK
op de linker stuurhendel en kies daarna
menu-optie Thema's door aan het duimwiel
van dezelfde hendel te draaien. Bevestig de
keuze met een druk op de knop OK. Zie voor
meer informatie over de menufuncties zie
pagina 214.
Toerenteller. De meter geeft het motortoerental in duizenden omwentelingen per
minuut aan.
Schakelindicator2 / Schakelstandindicator3. Zie ook versnellingsbakken pagina
120.
Meters en wijzers, digitaal instrument
Brandstofmeter. Wanneer de aanduiding
is gedaald tot slechts één witte markering1, gaat het oranje controlesymbool
voor een laag brandstofpeil branden. Zie
1
2
3
4
72
Voor het digitale instrumentenpaneel zijn verschillende thema’s te kiezen. De mogelijke
thema's zijn ‘Elegance’, ‘Eco’ en
‘Performance’. Het ingestelde thema kan bij
vergrendeling van de auto worden opgeslagen in het geheugen van de transpondersleutel, zie pagina 44 en 219.
Het is alleen mogelijk een thema te kiezen,
wanneer de motor loopt.
Wanneer de aanduiding Afstand tot lege tank: op het display verandert in ----, wordt de markering rood van kleur.
Handgeschakelde versnellingsbak
Automatische versnellingsbak
Wanneer de aanduiding Afstand tot lege tank: op het display verandert in ----, wordt de markering rood van kleur.
Meters en wijzers, thema ‘Elegance’.
Brandstofmeter. Wanneer de aanduiding
is gedaald tot slechts één witte markering4, gaat het oranje controlesymbool
voor een laag brandstofpeil branden. Zie
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Instrumenten, schakelaars en bediening
ook boordcomputer pagina 244, en tanken pagina 315.
Temperatuurmeter koelvloeistof motor
Snelheidsmeter
Toerenteller. De meter geeft het motortoerental in duizenden omwentelingen per
minuut aan.
Schakelindicator5 /Schakelstandindicator6. Zie ook versnellingsbakken pagina
120.
voor een laag brandstofpeil branden. Zie
ook boordcomputer pagina 244, en tanken pagina 315.
Eco guide. Zie ook pagina 74.
Snelheidsmeter
Toerenteller. De meter geeft het motortoerental in duizenden omwentelingen per
minuut aan.
Schakelindicator5 /Schakelstandindicator6. Zie ook versnellingsbakken pagina
120.
ring4, gaat het oranje controlesymbool
voor een laag brandstofpeil branden. Zie
ook boordcomputer pagina 244, en tanken pagina 315.
Temperatuurmeter koelvloeistof motor
Snelheidsmeter
03
Toerenteller. De meter geeft het motortoerental in duizenden omwentelingen per
minuut aan.
Power guide. Zie ook pagina 74.
Schakelindicator5 / Schakelstandindicator6. Zie ook versnellingsbakken pagina
120.
Eco guide & Power guide*
Algemeen
De instrumenten Eco guide en Power guide
helpen u de auto zo zuinig mogelijk te besturen.
Meters en wijzers, thema ‘Eco’.
Brandstofmeter. Wanneer de aanduiding
is gedaald tot slechts één witte markering4, gaat het oranje controlesymbool
5
6
4
Meters en wijzers, thema ‘Performance’.
De auto slaat ook statistiek op van gereden
ritten die wordt verwerkt in staafdiagrammen,
zie pagina 250.
Brandstofmeter. Wanneer de aanduiding
is gedaald tot slechts één witte marke-
Handgeschakelde versnellingsbak
Automatische versnellingsbak
Wanneer de aanduiding Afstand tot lege tank: op het display verandert in ----, wordt de markering rood van kleur.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
73
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Instrumenten, schakelaars en bediening
Eco guide
Deze meter geeft een beeld van hoe zuinig er
in de auto wordt gereden.
Kies ‘Eco’ om deze functie te kunnen zien, zie
pagina 73.
03
Geadviseerd wordt een optimale snelheid
(50–80 km/h) en een laag toerental aan te
houden. Bij gas geven en remmen dalen de
wijzers.
Bij zeer lage actuele waarden licht het rode
gebied van de meter (met enige vertraging)
op, wat betekent dat u onzuinig rijdt. U dient
dit te voorkomen.
Gemiddelde waarde
De gemiddelde waarde volgt de actuele
waarde langzaam en beschrijft hoe de afgelopen tijd in de auto is gereden. Hoe groter de
uitslag van de wijzers op de schaal, hoe zuiniger u hebt gereden.
Power guide
Actuele waarde
Gemiddelde waarde
Actuele waarde
Hier wordt de actuele waarde getoond; hoe
groter de uitslag op de schaal, hoe beter.
De actuele waarde wordt berekend op basis
van snelheid, motortoerental, benut motorvermogen en het gebruik van het rempedaal.
7
74
Het vermogen is afhankelijk van het motortoerental.
Dit instrument geeft de relatie aan tussen het
benutte en het beschikbare vermogen
(Power) van de motor.
Kies ‘Performance’ om deze functie te kunnen zien, zie pagina 73.
Beschikbaar motorvermogen
Benut vermogen
Beschikbaar vermogen
De kleinere wijzer bovenaan toont het
beschikbare motorvermogen7. Hoe groter de
uitslag op de schaal, hoe meer vermogen er
beschikbaar is in de actuele versnelling.
Benut vermogen
De grotere wijzer onderaan toont het benutte
motorvermogen7. Hoe groter de uitslag op de
schaal, hoe meer motorvermogen er benut
wordt.
Een groot verschil tussen de beide wijzers
duidt op een grote vermogensreserve.
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en
waarschuwingssymbolen
nen 5 seconden alle symbolen uit behalve het
lampje voor storingen in het uitlaatgasreinigingssysteem en dat voor een lage oliedruk.
Controlesymbolen
Symbool
Betekenis
Storing in ABL
03
Uitlaatgasreinigingssysteem
Controle- en waarschuwingssymbolen, digitaal
instrument.
Controle- en waarschuwingssymbolen, analoog
instrument.
Controlesymbolen
Controle- en waarschuwingssymbolen
Waarschuwingssymbolen8
Storing in ABS
Controlesymbolen
Mistachterlicht aan
Controle- en waarschuwingssymbolen
Stabiliteitsregeling
Waarschuwingssymbolen8
Functietest
Alle controle- en waarschuwingssymbolen
gaan branden in sleutelstand II of wanneer u
de motor start. Alle symbolen moeten weer
uitgaan als de motor is aangeslagen, behalve
het lampje voor de parkeerrem. Dit gaat pas
uit, als de auto van de parkeerrem wordt
gehaald.
Stabiliteitsregeling, Sportstand
Voorgloeifunctie motor (diesel)
Laag peil in brandstoftank
Informatie, lees tekstmelding
Als de motor niet start of als de functietest
wordt uitgevoerd in sleutelstand II, gaan bin8
Bij bepaalde motortypes is het lampje voor een lage oliedruk niet in gebruik. Er verschijnt in plaats daarvan een tekstmelding, zie pagina 359.
}}
75
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Instrumenten, schakelaars en bediening
Symbool
Betekenis
Groot licht aan
Richtingaanwijzers links
03
Richtingaanwijzers rechts
Start/Stop, motor is automatisch afgezet, zie pagina 127
Storing in ABL
Het lampje brandt, als er een storing is opgetreden in het ABL-systeem (Active Bending
Lights).
Uitlaatgasreinigingssysteem
Bij een storing in het uitlaatgasreinigingssysteem kan het lampje gaan branden. Rijd voor
een controle naar een werkplaats. Volvo adviseert dat u daarvoor een erkende Volvo-werkplaats bezoekt.
Storing in ABS
Als het lampje brandt, is het systeem defect.
Het normale remsysteem van de auto werkt
dan nog wel, zij het zonder ABS-regeling.
1. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot
stilstand en zet de motor af.
2. Start de motor opnieuw.
76
3. Als het lampje blijft branden, rijd dan naar
een werkplaats om het ABS te laten controleren. Volvo adviseert dat u daarvoor
een erkende Volvo-werkplaats bezoekt.
Mistachterlicht aan
Het symbool brandt, wanneer het mistachterlicht is ingeschakeld.
Stabiliteitsregeling
Het knipperende lampje geeft aan dat de stabiliteitsregeling werkt. Als het lampje continu
brandt is er sprake van een storing in het systeem.
Stabiliteitsregeling, Sport-stand
De Sport-stand maakt een actievere rijervaring mogelijk. Het systeem registreert dan of
de gaspedaal- en stuurwielbediening alsook
het bochtenwerk aan te merken zijn als actiever dan normaal, waarna het systeem toestaat dat de achtertrein een gecontroleerde
vorm van slippen vertoont voordat het ingrijpt
en de auto stabiliseert.
Voorgloeifunctie motor (diesel)
Het lampje gaat branden wanneer de motor
wordt voorverwarmd. Voorverwarmen
gebeurt meestal bij een lage temperatuur.
Laag peil in brandstoftank
Wanneer het lampje gaat branden is het
brandstofpeil te laag. Tank dan zo spoedig
mogelijk.
Informatie, lees tekstmelding
Als er een afwijking is in een van de systemen
in de auto, gaat het informatiesymbool branden en verschijnt er een melding op het display. U verwijdert de melding met behulp van
de knop OK, zie pagina 214. Dit gebeurt
automatisch als u enige tijd niets doet (hoe
lang hangt van de bewuste functie af). Het
informatiesymbool kan ook gaan branden in
combinatie met andere symbolen.
N.B.
Als de servicemelding verschijnt kunt u het
symbool en de melding met behulp van de
OK-knop doven. Na een tijdje doven ze
ook automatisch.
Groot licht aan
Het lampje brandt, wanneer u het groot licht
voert of grootlichtsignalen geeft.
Richtingaanwijzers links/rechts
Beide richtingaanwijzersymbolen knipperen
bij gebruik van de alarmlichten.
Start/Stop
Het lampje brandt als de motor automatisch
is afgezet.
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Instrumenten, schakelaars en bediening
Waarschuwingssymbolen
Symbool
Betekenis
Lage oliedrukA
Parkeerrem ingeschakeld
Parkeerrem ingeschakeld,
alternatief symbool
Airbags (SRS)
Gordelwaarschuwing
Dynamo laadt niet bij
Storing in remsysteem
Waarschuwing
A
Bij bepaalde motortypes is het lampje voor een lage oliedruk niet in gebruik. Er verschijnt in plaats daarvan een
tekstmelding (zie pagina 359 en 361).
Lage oliedruk
Als het lampje tijdens het rijden oplicht, is de
druk van de motorolie te laag. Zet de motor
onmiddellijk af en controleer het motoroliepeil. Vul zo nodig olie bij. Als het lampje
oplicht terwijl het oliepeil in orde is, moet u
contact opnemen met een werkplaats. Volvo
adviseert dat u daarvoor een erkende Volvowerkplaats bezoekt.
plaats tot stilstand en controleer het peil in
het remvloeistofreservoir, zie pagina 364.
Parkeerrem ingeschakeld
Als de waarschuwingssymbolen voor het
remsysteem en ABS tegelijkertijd branden,
kan er een storing in de remkrachtverdeling
zijn opgetreden.
Het lampje brandt continu, wanneer u de parkeerrem hebt aangezet. Het lampje brandt tijdens het aanzetten. Voor meer informatie, zie
pagina 138.
Airbags (SRS)
Als het lampje tijdens het rijden oplicht of blijft
branden, is er een storing geregistreerd in de
gordelsluiting of in het SRS-, SIPS- of IC-systeem. Rijd de auto zo spoedig mogelijk naar
een werkplaats om het systeem te laten controleren. Volvo adviseert dat u daarvoor een
erkende Volvo-werkplaats bezoekt.
Gordelwaarschuwing
Het lampje brandt als u of de voorpassagier
geen veiligheidsgordel draagt of als iemand
op de achterbank de gordel heeft losgenomen.
Dynamo laadt niet bij
Het lampje gaat tijdens het rijden branden, als
er sprake is van een storing in het elektrisch
systeem. Bezoek een werkplaats. Volvo adviseert dat u daarvoor een erkende Volvo-werkplaats bezoekt.
1. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot
stilstand en zet de motor af.
03
2. Start de motor opnieuw.
•
Rijd verder als beide symbolen uitgaan.
•
Als de symbolen echter blijven branden, moet u het peil in het remvloeistofreservoir controleren, zie
pagina 364. Als de symbolen blijven
branden ondanks dat het peil van de
remvloeistof in orde is, moet u de auto
uiterst voorzichtig naar een werkplaats
rijden om het remsysteem te laten controleren. Volvo adviseert dat u daarvoor een erkende Volvo-werkplaats
bezoekt.
Storing in remsysteem
Als het lampje oplicht, is het remvloeistofpeil
mogelijk te laag. Breng de auto op een veilige
}}
77
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Instrumenten, schakelaars en bediening
WAARSCHUWING
Als de remvloeistof onder het MIN-niveau
in het remvloeistofreservoir ligt, mag u pas
verder rijden als de remvloeistof is bijgevuld.
03
Het remvloeistofverlies moet door een
werkplaats worden gecontroleerd. Volvo
adviseert u daarvoor contact op te nemen
met een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Als de rem- en ABS-symbolen tegelijkertijd
branden, bestaat de kans dat de achtertrein bij krachtig afremmen slipt.
Waarschuwing
Het rode waarschuwingssymbool gaat branden, wanneer er een storing is geregistreerd
die van invloed kan zijn op de veiligheid en/of
de rijeigenschappen van de auto. Er verschijnt tegelijkertijd een verklarende tekstmelding op het informatiedisplay. Het waarschuwingssymbool blijft branden totdat de storing
is verholpen, maar de melding kunt u verwijderen met de knop OK, zie pagina 215. Het
waarschuwingssymbool kan ook gaan branden in combinatie met andere symbolen.
9 Alleen auto’s met alarm*.
10 Het uiterlijk van het display
78
Actie:
1. Stop zo spoedig mogelijk. Rijd niet verder
met de auto.
2. Lees de informatie op het informatiedisplay. Voer de handeling uit die de melding
op het display u voorschrijft. Wis de melding met de knop OK.
Dagtellers
Waarschuwing, portieren niet gesloten
Als een van de portieren niet goed dichtstaat,
gaat het informatie- of waarschuwingssymbool branden en verschijnt er een verklarende
afbeelding op het informatiedisplay. Breng de
auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en sluit
het portier dat openstaat.
Als de auto met een snelheid van
maximaal 7 km/h rijdt, gaat het informatiesymbool branden.
Als de auto met een snelheid van
maximaal 7 km/h rijdt, gaat het waarschuwingssymbool branden.
Als de motorkap9 niet goed dichtstaat, gaat
het waarschuwingssymbool branden en verschijnt er een verklarende afbeelding op het
informatiedisplay. Breng de auto zo spoedig
mogelijk tot stilstand en sluit de motorkap.
kan afhankelijk van de variant variëren.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Als de achterklep niet goed dichtstaat, gaat
het informatiesymbool branden en verschijnt
er een verklarende afbeelding op het informatiedisplay. Breng de auto zo spoedig mogelijk
tot stilstand en sluit de achterklep.
Dagtellers.
Display voor dagtellers10
De beide dagtellers T1 en T2 worden gebruikt
voor het meten van kortere ritten. De afgelegde afstand staat op het display.
Draai aan het duimwiel van de linker stuurhendel om de gewenste meter te tonen.
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Instrumenten, schakelaars en bediening
6. Draai aan TUNE om het vakje voor OK te
markeren en druk op OK/MENU – de
instelling is gereed.
Bij lang indrukken (totdat er een wijziging
plaatsvindt) van de knop RESET op de linker
stuurhendel wordt de getoonde dagteller
gereset. Voor meer informatie, zie
pagina 244.
Met de menu-optie Instellingen
Systeemopties Tijdopmaak kiest u uit
een 24- of 12-uursaanduiding (AM/PM).
Klok
1. Ga naar Instellingen
Tijd.
03
Systeemopties
2. De cursor gaat op het eerste vakje voor
de uuraanduiding staan: Druk op OK/
MENU – het vakje wordt geactiveerd.
Klok, digitaal instrument.
Display voor de tijdaanduiding11
Klok instellen
De klok is in te stellen in het menusysteem
MY CAR, zie voor meer informatie zie
pagina 217.
11 Bij
3. Draai aan TUNE om de juiste uuraanduiding in te stellen en druk op OK/MENU –
het vakje wordt gedeactiveerd.
4. Draai aan TUNE om het vakje voor de
minuutaanduiding (A) te markeren en druk
op OK/MENU – het vakje wordt geactiveerd.
5. Draai aan TUNE om de juiste minuutaanduiding in te stellen en druk op OK/
MENU – het vakje wordt gedeactiveerd.
een analoog instrument wordt de tijd midden op het instrument weergegeven.
79
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Volvo Sensus
Algemeen
03
Met de knoppen en bedieningselementen op
de middenconsole en het rechter toetsenblok* op het stuurwiel kunt u functies activeren en deactiveren en tal van instellingen verrichten.
Bedieningspaneel op middenconsole
Navigatie* - NAV, zie desbetreffend
instructieboekje (Road and Traffic Information System - RTI).
Infotainment (RADIO, MEDIA, TEL*), zie
pagina 261.
Instellingen van de auto - MY CAR, zie
pagina 217.
Klimaatregeling, zie pagina 226.
Park Assist-camera - CAM*, zie
pagina 197.
Volvo Sensus is te beschouwen als het
besturingssysteem van uw auto, het middelpunt van uw persoonlijke Volvo-beleving.
Volvo Sensus presenteert tal van functies van
uiteenlopende autosystemen op overzichte-
80
lijke wijze op het beeldscherm van de middenconsole. Volvo Sensus biedt de mogelijkheid tot personalisering van de auto met een
eenvoudig te hanteren bedieningsinterface. Er
zijn instellingen te verrichten onder Instellingen van de auto, Infotainment, Klimaat e.d.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Bij het bedienen van MY CAR worden alle
instellingen getoond die verband houden met
het besturen en bedienen van de auto, zoals
City Safety, sloten en alarm, instellen van de
klok e.d.
Bij het indrukken van RADIO, MEDIA, TEL*,
NAV* en CAM* kunt u andere bronnen, systemen en functies activeren, zoals AM, FM1,
CD, DVD*, TV*, Bluetooth*, navigatie* en Park
Assist-camera*.
Zie voor meer informatie over alle functies/
systemen het desbetreffende hoofdstuk in het
instructieboekje.
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Sleutelstanden
Transpondersleutel aanbrengen en
verwijderen
BELANGRIJK
Vreemde voorwerpen in het contactslot
kunnen tot functiestoringen leiden of
schade aan het slot toebrengen.
Niveau
0
•
Contactslot met transpondersleutel uitgetrokken/
ingeduwd.
N.B.
Bij auto’s met Keyless*-functie hoeft de
sleutel niet in het contactslot te worden
gestoken, maar kan deze bijvoorbeeld in
een binnenzak worden bewaard. Voor
meer informatie over Keyless-functies, zie
pagina 53.
Sleutel aanbrengen
1. Houd de transpondersleutel beet aan de
kant van het afneembare sleutelblad en
plaats de sleutel in het contactslot.
Pak de transpondersleutel beet en trek
deze uit het contactslot.
Functies bij verschillende niveaus
Om het gebruik van een beperkt aantal functies bij uitgezette motor mogelijk te maken,
kan het elektrisch systeem van de auto met
de transpondersleutel in 3 verschillende
niveaus (sleutelstanden) worden gezet - 0, I
en II. In dit instructieboekje worden deze
niveaus, of "sleutelstanden", uitgebreid
beschreven.
Kilometerteller, klok en temperatuurmeter worden verlicht.
Elektrisch bedienbare stoelen
kunnen worden bediend.
De transpondersleutel niet verkeerd om
insteken – pak de sleutel beet aan het uiteinde met het afneembare sleutelblad. zie
pagina 49.
Sleutel verwijderen
Functies
Het audiosysteem kan beperkte
tijd worden gebruikt – zie
pagina 260.
I
03
Zonnescherm voor glazen dak,
elektrisch bedienbare ramen, 12
V-contact in passagiersruimte,
RTI, telefoon, interieurventilator
en ruitenwisser kunnen worden
gebruikt.
De volgende tabel geeft aan welke functies
beschikbaar zijn in de verschillende sleutelstanden/niveaus.
2. Duw de sleutel vervolgens tot aan de
aanslag in het slot.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
81
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Sleutelstanden
Niveau
II
Om niveau I of II te realiseren zonder dat
de motor wordt gestart, trapt u niet het
rem-/koppelingspedaal in als u deze sleutelstanden wilt selecteren.
De koplampen worden ontstoken.
Waarschuwings-/controlelampjes branden 5 seconden lang.
03
Meerdere andere systemen
worden geactiveerd. De stoelverwarming en achterruitverwarming kunnen echter pas na het
starten van de motor worden
geactiveerd.
- Deze sleutelstand vraag veel
stroom van de startaccu en
moet daarom worden vermeden!
Sleutelstand/niveau kiezen
Sleutelstand 0
•
Ontgrendel de auto – nu heeft het elektrisch systeem van de auto niveau 0.
Sleutelstand I
•
1
2
82
N.B.
Functies
Met de transpondersleutel volledig in het
contactslot geduwd1 – Druk kort op
START/STOP ENGINE.
Niet nodig voor auto's met Keyless*-functie.
Ca. 2 seconden.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Sleutelstand II
•
Met de transpondersleutel volledig in het
contactslot geduwd1 – druk lang2 op
START/STOP ENGINE.
Terug naar sleutelstand 0
•
Om terug te gaan naar sleutelstand 0
vanuit stand II en I – druk kort op START/
STOP ENGINE.
Audiosysteem
Zie voor informatie over de functie van het
audiosysteem bij een uitgenomen transpondersleutel zie pagina 260.
Motor starten en afzetten
Zie voor informatie over het starten/afzetten
van de motor zie pagina 116.
Slepen
Zie voor belangrijke informatie over de transpondersleutel bij het slepen zie pagina 334.
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Stoelen en achterbank
Voorstoelen
WAARSCHUWING
De stand van de bestuurdersstoel instellen
voordat u gaat rijden en nooit tijdens het
rijden. Controleer of de stoel vergrendeld
staat om letsel te voorkomen bij hard
afremmen of een aanrijding.
De hoofdsteun kan in drie verschillende standen worden afgesteld.
Rugleuning voorstoel omklappen*
03
Hoofdsteun op voorstoelen afstellen
Lendensteun* wijzigen, aan de knop1
draaien.
Vooruit/achteruit, de hendel omhoogtillen
om de juiste afstand tot het stuurwiel en
de pedalen in te stellen. Controleer of de
stoel na het afstellen in de nieuwe stand
geblokkeerd staat.
Voorkant zitting hoger/lager* zetten,
omhoog-/omlaagpompen.
Hellingshoek rugleuning wijzigen, aan de
knop draaien.
Stoel* hoger/lager zetten, omhoog-/
omlaagpompen.
Bedieningspaneel voor elektrisch bedienbare stoel*.
1
De rugleuning van de passagiersstoel kan
worden omgeklapt om ruimte te maken voor
lange lading.
De hoogte van de hoofdsteun op de voorstoelen
kan worden afgesteld.
Stem de hoofdsteun af op de lengte van de
persoon, zodat deze zo mogelijk het hele
achterhoofd bedekt.
Om de hoogte af te stellen, moet u de knop
(zie afbeelding) indrukken terwijl u de hoofdsteun omhoog of omlaag afstelt.
Zet de stoel zo ver mogelijk naar achteren
en omlaag.
Zet de rugleuning rechtop.
Trek de pallen aan de achterzijde van de
rugleuning omhoog tijdens het omklappen.
Geldt ook voor een elektrisch bedienbare stoel.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
83
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Stoelen en achterbank
4. Duw de stoel zo ver naar voren dat de
hoofdsteun onder het dashboardkastje
“vast” komt te zitten.
Elektrisch bedienbare stoel*
Tot enige tijd nadat u het portier met de
transpondersleutel hebt ontgrendeld blijft het
mogelijk de stoel te verstellen, ook al steekt
er geen sleutel in het contactslot. U verstelt
de stoel normaal gesproken in sleutelstand I.
Wanneer de motor loopt, is dat altijd mogelijk.
Houd voor het rechtop zetten de omgekeerde
volgorde aan.
03
WAARSCHUWING
Stoel met geheugenfunctie*
Maak geen gebruik van de zitplaats achter
de voorstoel of de middelste zitplaats achterin, wanneer u de rugleuning van de
voorstoel hebt neergeklapt.
WAARSCHUWING
Pak het ruggedeelte nadat u het rechtop
gezet hebt beet en controleer of het stevig
vergrendeld staat om letsel te voorkomen
bij hard afremmen of een aanrijding.
Voorkant zitting omhoog/omlaag
Stoel vooruit/achteruit en omhoog/
omlaag
Hellingshoek rugleuning
De elektrisch bedienbare stoelen zijn voorzien
van een beveiliging tegen overbelasting, die
geactiveerd wordt als een van de stoelen
door een obstakel wordt geblokkeerd. Als dit
het geval is, moet u de sleutel in stand I of 0
zetten en enige tijd wachten voordat u de
stoel opnieuw probeert te verstellen.
U kunt slechts één verstelfunctie van de stoel
tegelijk activeren (vooruit/achteruit/omhoog/
omlaag).
84
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Voorbereidingen
Instelling vastleggen
Geheugenknop
Geheugenknop
Geheugenknop
Knop voor vastlegging van de instelling
1. Stel de stoel en de buitenspiegels in.
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Stoelen en achterbank
2. Houd de knop voor vastlegging van de
instelling ingedrukt, terwijl u op de geheugenknop van uw keuze drukt.
•
•
Stoel in vastgelegde stand zetten
Houd een van de geheugenknoppen ingedrukt, totdat de stoel en de buitenspiegels tot
stilstand komen. Bij het loslaten van de knop
zal de instelling van de stoel onmiddellijk worden beëindigd.
Geheugen* van transpondersleutel2
•
Stel de stoel naar wens in.
de ontgrendelingsknop op de transpondersleutel te bedienen. Het bestuurdersportier
dient daarbij open te staan.
Vergrendel de auto zoals gebruikelijk door
de vergrendelknop op de transpondersleutel in te drukken. Daarmee ligt de
stoelpositie opgeslagen in het geheugen
van de transpondersleutel4.
WAARSCHUWING
Beknellingsgevaar! Zorg ervoor dat kinderen niet met de bediening spelen. Controleer of er bij het instellen geen voorwerpen
voor, achter of onder de stoel liggen. Controleer of geen van de passagiers op de
achterbank bekneld kan raken.
Ontgrendel de auto (door op de ontgrendelknop op dezelfde transpondersleutel
te drukken) en open het bestuurdersportier. De bestuurdersstoel neemt automatisch de positie in die in het geheugen
van de transpondersleutel is opgeslagen
(als de stand van de stoel na vergrendeling van de auto werd gewijzigd).
03
Stoelen met elektrische verwarming
Voor stoelen met elektrische verwarming, zie
pagina 230.
U kunt het sleutelgeheugen activeren/deactiveren in het menusysteem MY CAR onder
Instellingen Auto-instellingen
Sleutelgeheugen. Voor een beschrijving van
het menusysteem, zie pagina 217.
Noodstop
In alle transpondersleutels kunnen de instellingen voor de bestuurdersstoel en de buitenspiegels3 voor verschillende bestuurders worden opgeslagen. Ga als volgt te werk:
2
3
4
Als de stoel per ongeluk in beweging komt,
kunt u op een van de instellingsknoppen of
geheugenknoppen van de stoel drukken om
de stoel tot stilstand te brengen.
Om de stoel dan opnieuw in de in het sleutelgeheugen vastgelegde stand te zetten dient u
Zie voor het sleutelgeheugen bij de Keyless-functie zie pagina 55.
Alleen als de auto is uitgerust met elektrisch bedienbare bestuurdersstoel met geheugen en elektrisch inklapbare buitenspiegels.
Deze instelling is niet van invloed op de instellingen die zijn opgeslagen met de geheugenfunctie voor de elektrisch bediende stoel.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
85
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Stoelen en achterbank
Achterbank
Middelste hoofdsteun achterbank
Buitenste hoofdsteunen achterbank
handmatig omklappen
Ruggedeelte achterbank omklappen
BELANGRIJK
Als de rugleuning moet worden neergeklapt, mogen de bekerhouders van de
achterbank niet open zijn en mogen er
geen voorwerpen op de achterbank liggen.
De veiligheidsgordels mogen evenmin zijn
ingestoken. Schade aan de bekleding van
de achterbank is anders namelijk niet uitgesloten.
03
De twee ruggedeelten zijn op verschillende
manieren neer te klappen.
Stem de hoofdsteun af op de lengte van de
passagier zodat deze zo mogelijk het hele
achterhoofd bedekt. Trek de hoofdsteun zo
ver omhoog als nodig is.
Als u de hoofdsteun lager wilt zetten, moet u
de knop (zie afbeelding) indrukken terwijl u de
hoofdsteun voorzichtig omlaagduwt.
De hoofdsteun kan in vijf verschillende standen worden afgesteld.
N.B.
Ga niet op de middelste zitplaats van de
achterbank zitten, wanneer de hoofdsteun
volledig neergeklapt is.
86
Trek aan de pal bij de hoofdsteun om de
hoofdsteun om te klappen.
N.B.
Zet de voorstoelen zo nodig naar voren
en/of de rugleuningen ervan rechtop,
zodat u de ruggedeelten van de achterbank helemaal kunt neerklappen.
De hoofdsteun wordt met de hand teruggezet.
WAARSCHUWING
De hoofdsteunen moeten na het rechtop
zetten in de vergrendelde stand staan.
•
Beide delen kunnen apart worden neergeklapt.
•
Voor het omklappen van de complete
rugleuning dienen de verschillende
gedeelten ieder apart omgeklapt te worden.
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Stoelen en achterbank
N.B.
Duw bij het neerklappen van de ruggedeelten de hoofdsteunen naar voren om te
voorkomen dat ze in contact komen met
het zitgedeelte.
Houd voor het rechtop zetten de omgekeerde
volgorde aan.
03
N.B.
Als de rugleuning is teruggeklapt, mag de
rode indicatie niet langer zichtbaar zijn. Als
deze toch zichtbaar is, is de rugleuning
niet vergrendeld.
WAARSCHUWING
Bij het omklappen van het rechter ruggedeelte moet u de hoofdsteun van de middelste zitplaats vrijgeven en lager zetten,
zie pagina 86.
Controleer of de rugleuningen en hoofdsteunen van de achterbank na het rechtop
zetten goed vergrendeld zijn.
De buitenste hoofdsteunen worden automatisch neergeklapt wanneer u de ruggedeelten omklapt. Trek de blokkeerhandgreep
van het ruggedeelte omhoog en
klap het ruggedeelte om. Een rode margeeft aan dat het rugkering bij de pal
gedeelte niet langer geblokkeerd staat.
87
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Stuurwiel
Instellen
WAARSCHUWING
Claxon
Stel het stuurwiel vóór vertrek in en zet
deze vast.
Bij auto’s met snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging* is de vereiste stuurkracht in te
stellen, zie pagina 252.
03
Toetsensets*
Stuurwiel afstellen.
Claxon.
Ontgrendelingshendel, stuurwielafstelling
Druk op het midden van het stuurwiel om te
claxonneren.
Mogelijke stuurwielstanden
U kunt het stuurwiel zowel in de hoogte als in
de diepte verstellen:
1. Beweeg de hendel naar voren om het
stuurwiel te ontkoppelen.
2. Zet het stuurwiel vervolgens in de gewenste stand.
3. Trek de hendel naar achteren om het
stuurwiel in de nieuwe stand te blokkeren.
Als dit moeite kost, kunt u lichtjes op het
stuurwiel drukken en tegelijkertijd de hendel terugduwen.
88
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Toetsensets op stuurwiel.
Cruisecontrol, zie pagina 152
Adaptieve cruisecontrol, zie pagina 155
Audio- en telefoonfuncties, zie
pagina 261.
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Verlichting
Bedieningspaneel verlichting
Standen draaiknop
Stand
Betekenis
DagrijlichtA wanneer het elektrische systeem van de auto in
sleutelstand II staat of als de
motor warm is.
Grootlichtsignalering mogelijk.
Overzicht bedieningspaneel verlichting.
Duimwiel voor het afstellen van de display- en instrumentenpaneelverlichting
alsook de sfeerverlichting*
Knop voor mistachterlicht
Draaiknop voor koplampen en stadslichten vóór/achterlichten
Duimwiel1 voor koplamphoogteregeling
Dagrijlicht en stadslichten/
parkeerlichten/sidemarkers,
wanneer het elektrische systeem
van de auto in sleutelstand II
staat of als de motor warm is.
Automatisch overschakelen naar
stadslichten/parkeerlichten/sidemarkers bij het parkeren van de
auto.
Grootlichtsignalering mogelijk.
Stand
Betekenis
Dagrijlicht en stadslichten/
parkeerlichten/sidemarkers
overdag, wanneer het elektrische systeem van de auto in
sleutelstand II staat of als de
motor warm is.
03
Automatisch overschakelen op
dimlicht en stadslichten/
parkeerlichten/sidemarkers in
slechte lichtomstandigheden of
als de ruitenwissers of het mistachterlicht zijn geactiveerd.
De functie ‘Tunneldetectie’* is
geactiveerd, zie pagina 91.
De functie ‘Actief groot licht’* is
te gebruiken, zie pagina 92.
U kunt het groot licht inschakelen, wanneer u het dimlicht
voert.
Grootlichtsignalering mogelijk.
1
Niet aanwezig bij auto’s met actieve xenonkoplampen*.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
89
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Verlichting
Stand
Betekenis
stellen. Stel de koplampen lager af als de
auto zwaar beladen is.
Dimlicht en stadslichten/
parkeerlichten/sidemarkers.
1. Laat de motor draaien of zet het elektrische systeem van de auto in de sleutelstand I.
Groot licht kan worden geactiveerd.
03
Grootlichtsignalering mogelijk.
A
Auto’s met actieve xenonkoplampen* zijn uitgerust met automatische koplamphoogteregeling, zodat het duimwiel ontbreekt.
Stadslichten vóór en achterlichten
2. Draai het duimwiel omhoog of omlaag om
de koplampen hoger of lager af te stellen.
Aangebracht in of onder de voorbumper.
Volvo adviseert u de stand
te gebruiken
zolang de verkeerssituatie of de weersgesteldheid niet ongunstig zijn voor ‘Actief groot
licht‘*.
Instrumentenverlichting
Afhankelijk van de sleutelstand worden
bepaalde displays en instrumenten verlicht,
zie pagina 81.
De displayverlichting wordt bij donker automatisch gedimd. De gevoeligheidsgraad van
deze functie is in te stellen met het duimwiel.
Ook de sterkte waarmee het instrumentenpaneel verlicht wordt stelt u in met het duimwiel.
Koplamphoogteregeling
Door de belading van de auto wordt de
hoogte van de koplampen gewijzigd, zodat u
tegenliggers mogelijk verblindt. U kunt dat
voorkomen door de koplamphoogte bij te
90
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Verlichtingsdraaiknop in stand voor stadslichten
vóór en achterlichten.
Duimwielstanden bij uiteenlopende belading.
Alleen bestuurder
Bestuurder en voorpassagier
Inzittenden op alle zitplaatsen
Inzittenden op alle zitplaatsen en maximale belading in bagageruimte
Bestuurder plus maximale belading in
bagageruimte
Zet de draaiknop in de stand voor stadslichten vóór en achterlichten (ook de kentekenverlichting wordt ingeschakeld).
Als het elektrische systeem van de auto in
sleutelstand II staat of als de motor loopt,
gaat het dagrijlicht eveneens branden.
Wanneer het buiten donker is en de achterklep wordt geopend, gaan de achterlichten/
parkeerlichten achter branden om achteropkomend verkeer te waarschuwen. Dit gebeurt
altijd, ongeacht de stand van de draaiknop of
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Verlichting
de sleutelstand van het elektrische systeem
van de auto.
Dagrijlicht DRL
WAARSCHUWING
Groot licht/dimlicht
Dit is een stroombesparingsfunctie die niet
in alle gevallen kan bepalen wanneer de
omgevingsverlichting voldoende of onvoldoende is bij mist en regen bijvoorbeeld.
Als bestuurder bent u verplicht om de verlichting van de auto altijd af te stemmen op
de heersende omstandigheden en de geldende verkeerswetgeving.
03
Tunneldetectie*
Verlichtingsdraaiknop in stand AUTO.
Met de verlichtingsdraaiknop in stand
wordt het dagrijlicht (Daytime Running Lights
- DRL) automatisch ingeschakeld bij autoritten overdag. Een lichtsensor boven op het
dashboard schakelt over van dagrijlicht op
dimlicht, wanneer het gaat schemeren of bij
donker weer. Overschakelen op dimlicht gaat
ook automatisch als de ruitenwissers of het
mistachterlicht zijn geactiveerd.
De functie is aanwezig op een auto met een
regensensor*. Wanneer u een tunnel binnenrijdt, registreert de sensor dit en wordt overgeschakeld van dagrijlicht naar dimlicht. Ca.
20 seconden na het verlaten van de tunnel,
wordt weer overgeschakeld op dagrijlicht. Als
u na afloop van deze tijd een andere tunnel
inrijdt, blijft het dimlicht branden. Op deze
manier wordt voorkomen dat de lichtinstelling
van de auto te vaak wordt gewijzigd.
Let erop dat de tunneldetectie alleen werkt,
als de verlichtingsdraaiknop in stand
staat.
Stuurhendel en verlichtingsdraaiknop.
Stand voor grootlichtsignalen
Stand voor groot licht
Dimlicht
Met de draaiknop in de stand
wordt het
dimlicht automatisch geactiveerd als het gaat
schemeren of bij donker weer. Het dimlicht
wordt ook automatisch geactiveerd als de ruitenwissers of het mistachterlicht zijn geactiveerd.
Met de draaiknop in de stand
brandt
altijd het dimlicht, wanneer de motor loopt of
als de sleutelstand II actief is.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
91
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Verlichting
Grootlichtsignalen
Trek de stuurhendel voorzichtig tot in de
stand voor grootlichtsignalen naar het stuurwiel toe. Het groot licht brandt totdat u de
hendel loslaat.
03
Groot licht
Het groot licht is te ontsteken met de draai2 of
knop in stand
. Schakel het
groot licht in of uit door de stuurhendel tot in
de eindstand naar het stuurwiel te halen en
vervolgens los te laten. Het groot licht is
eveneens uit te schakelen door de stuurhendel lichtjes in de richting van het stuurwiel te
duwen.
Wanneer er geen invallend licht van voor-/
tegenliggers meer wordt waargenomen,
schakelt de verlichting enkele seconden later
weer over naar groot licht.
Activeren/deactiveren
AHB kan worden geactiveerd, wanneer de
staat.
verlichtingsdraaiknop in de stand
Actief groot licht (Active High Beam – AHB) is
een functie waarbij met een camerasensor in
de bovenrand van de voorruit de koplampen
van tegenliggers of de achterlichten van voorliggers worden geregistreerd en wordt overgeschakeld van groot licht naar dimlicht. De
functie kan ook rekening houden met de
straatverlichting.
2
92
Wanneer het dimlicht brandt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Wanneer AHB geactiveerd is, brandt het symop het informatiedisplay van het
bool
instrumentenpaneel.
Wanneer het groot licht ontstoken is, brandt
op het instrumenten-
Auto met digitaal instrumentenpaneel
Wanneer AHB geactiveerd is, brandt het symbool
op het informatiedisplay van het
instrumentenpaneel wit.
Als het groot licht ontstoken is, brandt het
symbool blauw.
op het instrumentenpa-
Actief groot licht - AHB*
Auto met analoog instrumentenpaneel
ook het symbool
paneel.
Wanneer het groot licht ontstoken is, brandt
het symbool
neel.
deactiveren van het groot licht wordt direct
overgeschakeld naar dimlicht.
Handmatige bediening
Stuurhendel en verlichtingsdraaiknop in stand
AUTO.
De functie kan starten bij ritten in het donker,
wanneer de auto op een snelheid van 20
km/h of hoger rijdt.
Schakel het AHB in of uit door de linker stuurhendel tot in de eindstand naar het stuurwiel
te halen en vervolgens los te laten. Na het
N.B.
Houd de voorruit in het gebied vóór de
camerasensor vrij van ijs, sneeuw, condens en vuil.
Plak of monteer niets op de voorruit vóór
de camerasensor, aangezien één of meer
camera's voor het systeem hierdoor slechter of niet meer werken.
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Verlichting
Als de melding Active high beam Tijdelijk
niet beschikb. Schakel handmat. op het
informatiedisplay van het instrumentenpaneel
verschijnt, moet u handmatig overschakelen
tussen groot licht en dimlicht. De verlichtingsstaan.
draaiknop kan echter in stand
Hetzelfde geldt, als de melding
Voorruitsensoren afgedekt Zie
verinstructieboek en het symbool
schijnen. Het symbool
dooft, wanneer
deze melding verschijnt.
AHB is mogelijk tijdelijk niet beschikbaar,
zoals in dichte mist of bij zware regenval.
Wanneer AHB weer beschikbaar is of als de
voorruitsensoren niet langer geblokkeerd zijn,
verdwijnt de melding en gaat het symbool
branden.
WAARSCHUWING
AHB is een systeem dat u helpt om in
ongunstige omstandigheden de optimale
verlichting te kiezen.
Als bestuurder bent u echter altijd verplicht
om handmatig te wisselen tussen groot
licht en dimlicht, als dat gezien de verkeerssituatie en/of weersgesteldheid vereist is.
BELANGRIJK
Actieve xenonkoplampen ABL*
Voorbeelden van situaties waarin u mogelijk moet wisselen tussen groot licht en
dimlicht:
•
•
•
•
•
in zware regen of dichte mist
bij ijsregen
03
bij stuifsneeuw of sneeuwmodder
bij maanlicht
bij ritten in zwak verlichte bebouwde
gebieden
•
bij voorliggers met een zwakke voertuigverlichting
•
•
bij voetgangers op of naast de weg
•
als de verlichting van tegenliggers
schuilgaat achter bijv. vangrails
•
•
bij verkeer op verbindingswegen
•
in scherpe bochten.
bij sterk reflecterende voorwerpen
zoals borden in de buurt van de weg
op het hoogste punt van heuvels en
het laagste punt van dalen
Zie voor meer informatie over de beperkingen
van de camerasensor zie pagina 181.
Lichtbundel bij gedeactiveerde (links) en geactiveerde (rechts) functie.
Als de auto is uitgerust met actieve xenonkoplampen (Active Bending Lights – ABL)
draaien de lichtbundels van de koplampen
mee om optimale verlichting te verkrijgen in
bochten en op kruisingen om op die manier
de veiligheid te verhogen.
De functie wordt automatisch geactiveerd bij
het starten van de motor (mits de functie niet
is gedeactiveerd in het menusysteem
MY CAR). Wanneer de functie een storing
vertoont, brandt het symbool
op het
instrumentenpaneel en op het informatiedisplay verschijnen een verklarende tekst plus
een ander brandend symbool.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
93
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Verlichting
Symbool
Display
Storing
koplampsysteem
Service
vereist
03
Betekenis
Mistachterlicht
Het systeem is
defect. Bezoek
een werkplaats
als de melding
niet verdwijnt.
Volvo adviseert u
contact op te
nemen met een
erkende Volvowerkplaats.
De functie is uitsluitend actief bij schemer of
donker en dan alleen als de auto rijdt.
U kunt de functie3 (de)activeren in het menusysteem MY CAR onder Instellingen
Auto-instellingen Lichtinstellingen
Act. bochtverlichting. Voor een beschrijving
van het menusysteem, zie pagina 218.
Remlichten
De remlichten gaan automatisch branden
wanneer u remt. Voor informatie over de
noodremlichten en de automatische alarmlichten, zie pagina 134.
Alarmlichten
Knop voor mistachterlicht.
Het mistachterlicht is alleen in te schakelen,
wanneer de verlichtingsdraaiknop in stand
of
staat en het contactslot in de
stand II of wanneer de motor draait.
Druk op de knop voor in-/uitschakeling. Het
controlesymbool voor het mistachterlicht
op het instrumentenpaneel en het
lampje in de knop branden, wanneer het mistachterlicht ingeschakeld is.
Wanneer u de motor afzet of de verlichtingsdraaiknop naar stand
of
draait,
wordt het mistachterlicht automatisch uitgeschakeld.
3
94
Geactiveerd bij levering vanuit de fabriek.
N.B.
De voorschriften voor het gebruik van een
mistachterlicht verschillen per land.
Knop voor alarmlichten.
Druk op de knop om de alarmlichten te activeren. Beide richtingaanwijzersymbolen op
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Verlichting
het instrumentenpaneel knipperen bij gebruik
van de alarmlichten.
Wanneer de auto dermate hard is afgeremd
dat de noodremlichten in werking zijn getreden, worden, zodra de snelheid van de auto
tot onder de 10 km/h is gedaald, automatisch
de alarmlichten ingeschakeld. Ook nadat de
auto tot stilstand is gekomen, blijven de
alarmlichten knipperen. Wanneer u weer wegrijdt, worden ze automatisch uitgeschakeld. U
kunt ook op de knop voor de alarmlichten
drukken. Voor meer informatie over de noodremlichten en de automatische alarmlichten,
zie pagina 134.
Richtingaanwijzers/knipperlichten
Korte serie knippersignalen
Verlichting in interieur
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag
naar de eerste stand en laat de hendel
vervolgens los. De richtingaanwijzers lichten driemaal op. U kunt de functie activeren/deactiveren in het menusysteem
MY CAR onder Instellingen Autoinstellingen Lichtinstellingen
Driemaal
richtingaanwijzer. Voor een beschrijving
van het menusysteem, zie pagina 218.
03
Onafgebroken serie knippersignalen
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag
naar de tweede stand.
Knoppen op plafondconsole voor bediening
leeslampjes en interieurverlichting voorin.
Leeslampje linkerzijde
De hendel blijft in deze stand staan en kan
handmatig in de uitgangspositie teruggezet
worden of veert automatisch terug bij het
terugdraaien van het stuurwiel.
Interieurverlichting (vloerverlichting* en
plafondverlichting) - Aan/Uit
Automatische bediening voor interieurverlichting
Richtingaanwijzersymbolen
Voor richtingaanwijzersymbolen, zie
pagina 75.
Leeslampje rechterzijde
Alle verlichting in het interieur kan handmatig
in- en uitgeschakeld worden binnen 30 minuten nadat:
Richtingaanwijzers/knipperlichten.
•
de motor is afgezet en het elektrische
systeem van de auto in 0 staat
•
de auto ontgrendeld is zonder dat de
motor is gestart.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
95
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Verlichting
Leeslampjes voorin*
De leeslampjes worden in- en uitgeschakeld
met een korte druk op de bijbehorende knop
op de plafondconsole.
03
De lichtsterkte wordt aangepast door de knop
ingedrukt te houden.
Leeslampjes achterin*
Vloerverlichting en
achtergrondverlichting*
Automatische bediening voor
interieurverlichting
Voor een betere interieurverlichting tijdens het
rijden is het mogelijk een gedempte vorm van
vloerverlichting te activeren.
De automatische bediening is geactiveerd
wanneer het lampje in de knop AUTO brandt.
De intensiteit van de vloerverlichting kan worden gewijzigd in het menusysteem MY CAR
onder Instellingen Auto-instellingen
Lichtinstellingen Binnenverlichting
Vloerverlichting. U kunt kiezen uit Uit, Laag
en Hoog. Voor meer informatie over het
menusysteem MY CAR, zie pagina 219.
Verlichting in de opbergvakken van de
voorportieren*
De verlichting in de opbergvakken gaat branden wanneer de motor start.
Verlichting dashboardkastje
Leeslampjes achterin.
De lampjes worden in- en uitgeschakeld met
een korte druk op de bijbehorende knop.
De lichtsterkte wordt aangepast door de knop
ingedrukt te houden.
De verlichting in het dashboardkastje wordt
in- en uitgeschakeld bij het openen en sluiten
van de klep van het kastje.
Verlichting make-upspiegel
De verlichting van de make-upspiegel, zie
pagina 255, wordt bij het openen en sluiten
van het klepje in- en uitgeschakeld.
Verlichting in bagageruimte
De bagageruimteverlichting wordt bij het openen en sluiten van de achterklep automatisch
in- en uitgeschakeld.
96
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
De interieurverlichting wordt dan volgens het
onderstaande in- en uitgeschakeld.
De interieurverlichting wordt ingeschakeld en
blijft 30 seconden lang branden, als:
•
u de auto met de afstandsbediening ontgrendelt (zie pagina 46 of 49)
•
de motor is afgezet en het elektrische
systeem van de auto in 0 staat.
De interieurverlichting dooft, wanneer:
•
•
u de motor start
de auto wordt vergrendeld.
De interieurverlichting wordt in- en uitgeschakeld bij het openen en sluiten van een portier.
De verlichting gaat aan en blijft twee minuten
lang branden, wanneer een van de portieren
openstaat.
Als u een bepaalde verlichtingsfunctie handmatig inschakelt, zal deze na twee minuten
automatisch worden uitgeschakeld.
Sfeerverlichting*
Wanneer de reguliere interieurverlichting is
uitgegaan en de motor draait, brandt er een
ledje op de voorste of achterste plafondcon-
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Verlichting
sole voor een zwakke sfeerverlichting tijdens
de rit. Bovendien kunt u door de verlichting in
het donker de voorwerpen in de opbergvakken enz. beter zien. U kunt de lichtsterkte wijzigen in het menusysteem MY CAR onder
Instellingen Auto-instellingen
Lichtinstellingen Binnenverlichting
Omgevingslicht. U kunt kiezen uit Uit, Laag
en Hoog. Deze verlichting dooft wanneer de
motor wordt afgezet.
Ook de kleur van de verlichting is in te stellen
in het menusysteem MY CAR onder
Instellingen Auto-instellingen
Lichtinstellingen Binnenverlichting
Kleuren omgevingslicht. Als u
Temperatuur selecteert, dan wisselt de kleur
tussen warm wit en koud wit, afhankelijk van
de temperatuur in de auto. Ook kunt u uit verschillende kleurthema’s kiezen. De beschikbare kleurthema’s zijn Frosty White,
Toscana White, Ember Gold, Red Sunset,
Rainforest, Glacier Blue en Violet Purple.
Voor meer informatie over het menusysteem
MY CAR, zie pagina 219.
‘Follow Me Home’-verlichting
‘Approach’-verlichting
Het is mogelijk om een deel van de buitenverlichting enige tijd ingeschakeld te houden en
als ‘Follow Me Home’-verlichting dienst te
laten doen na vergrendeling van de auto.
U activeert de ‘Approach’-verlichting met de
transpondersleutel, zie pagina 46, om de verlichting van de auto op afstand in te schakelen.
1. Neem de transpondersleutel uit het contactslot.
Wanneer de functie is geactiveerd vanaf de
afstandsbediening, gaan de dimlichten, de
parkeerlichten, de richtingaanwijzers, de verlichting van de buitenspiegels, de kentekenplaatverlichting, de plafondlampjes in het
interieur en de instapverlichting branden.
2. Haal de linker stuurhendel tot in de eindstand naar het stuurwiel toe en laat de
hendel los. De functie is op dezelfde
manier te activeren als de grootlichtsignalen, zie pagina 91.
3. Stap uit de auto en vergrendel het portier.
Wanneer de functie is geactiveerd, branden
de dimlichten, de parkeerlichten, de verlichting van de buitenspiegels, de kentekenplaatverlichting, de plafondverlichting in het interieur en de vloerverlichting.
03
De duur van de ‘Approach’-verlichting kan
worden ingesteld in het menusysteem
MY CAR onder Instellingen Autoinstellingen Lichtinstellingen
Tijdsduur 'approach'-verl.. Voor een
beschrijving van het menusysteem, zie
pagina 218.
De duur van de ‘Follow Me Home’-verlichting
kan worden ingesteld in het menusysteem
MY CAR onder Instellingen Autoinstellingen Lichtinstellingen
Tijdsduur 'follow me home'-verl.. Voor een
beschrijving van het menusysteem, zie
pagina 218.
}}
97
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Verlichting
Lichtbundel aanpassen
aanpassen voor links- en rechtsrijdend verkeer.
Actieve xenonkoplampen*
De lichtbundel hoeft niet te worden aangepast. De lichtbundel is dusdanig dat tegenliggers niet worden verblind.
03
G021151
Halogeenkoplampen
Koplampen afplakken
Lichtbundel linksrijdend verkeer.
G021152
1. Trek de mallen A en B over voor een auto
met het stuur links of de mallen C en D
voor een auto met het stuur rechts, zie
pagina 100. De mallen hebben een
schaal van 1:2. Gebruik bijvoorbeeld een
kopieerapparaat met vergrotingsfunctie
en vergroot de mallen tot 200%:
Lichtbundel rechtsrijdend verkeer.
Om verblinding van tegenliggers te voorkomen kunt u de lichtbundel van de koplampen
98
Bij halogeenkoplampen past u de lichtbundel
aan door bepaalde delen van het koplampglas af te plakken. De sterkte van de lichtbundel neemt daardoor iets af.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
•
A = LHD Right (auto met het stuur
links, rechter koplampglas)
•
B = LHD Left (auto met het stuur links,
linker koplampglas)
•
C = RHD Right (auto met het stuur
rechts, rechter koplampglas)
•
D = RHD Left (auto met het stuur
rechts, linker koplampglas)
2. Breng de mallen over op een stuk zelfklevend en watervast materiaal en knip ze
uit.
3. Neem de designstrepen op de koplampglazen als uitgangspunt, zie de lijnen op
pagina 99. Plaats de zelfklevende mallen met behulp van de afbeelding naast
de designstrepen.
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Verlichting
Positie van de mallen
03
Bovenste regel: auto met stuur links, mallen A en B. Onderste regel: auto met stuur rechts, mallen C en D.
}}
99
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Verlichting
Mallen voor halogeenkoplampen
03
100
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Wissers en -sproeiers
Ruitenwissers1
Intervalstand
Regensensor*
Met het duimwiel kunt u het aantal
wisslagen per eenheid van tijd
instellen wanneer u de intervalstand
hebt geselecteerd.
De regensensor registreert de hoeveelheid
regen op de voorruit en schakelt automatisch
de ruitenwissers op de voorruit in. De gevoeligheid van de regensensor is in te stellen met
het duimwiel.
Ononderbroken wissen
De wissers bewegen op normale
snelheid.
De wissers bewegen op hoge snelheid.
Ruitenwissers en -sproeiers.
Regensensor aan/uit
Duimwiel gevoeligheid regensensor/snelheid ruitenwissers
Ruitenwissers uitgeschakeld
Haal de hendel naar stand 0 om de
ruitenwissers uit te schakelen.
Enkele slag
Haal de hendel omhoog en laat
deze los om de wissers een enkele
slag te laten maken.
BELANGRIJK
Voordat u de wissers in de winter activeert, moet u controleren of de wisserbladen niet zijn vastgevroren en of evt.
sneeuw of ijs op de voorruit (en achterruit)
is weggehaald.
BELANGRIJK
Gebruik voldoende sproeiervloeistof als de
wissers de voorruit schoonmaken. De
voorruit moet nat zijn als de ruitenwissers
werken.
Servicestand wisserbladen
Wanneer de regensensor actief is, brandt het
lampje in de bijbehorende knop en verschijnt
het regensensorsymbool
mentenpaneel.
03
op het instru-
Activeren en gevoeligheid instellen
Om de regensensor te activeren dient de
motor te lopen of de transpondersleutel in
stand I of II te staan en de ruitenwisserhendel
in stand 0 of die voor een enkele wisslag.
Activeer de regensensor door op de knop
te drukken. De ruitenwissers maken
een slag.
Als u de hendel omhooghaalt, maken de ruitenwissers een extra slag.
Draai het duimwiel omhoog voor een grotere
gevoeligheid en omlaag voor een lagere
gevoeligheid. (de wissers maken een extra
slag, als u het duimwiel omhoogdraait.)
Bij reiniging van voorruit/wisserbladen en vervanging van wisserbladen, zie pagina 372 en
388.
1
Wisserbladen vervangen zie pagina 372, servicestand wisserbladen zie pagina 372 en sproeiervloeistof bijvullen zie pagina 374.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
101
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Wissers en -sproeiers
Deactiveren
Koplamp- en ruitensproeiers
Deactiveer de regensensor met een druk op
Wanneer er nog ca. 1 liter sproeiervloeistof in
het reservoir zit en op het instrumentenpaneel
de melding verschijnt dat u sproeiervloeistof
moet bijvullen, worden de koplampen en de
achterruit niet langer schoongesproeid. Dit
omdat de sproeifunctie van de voorruit en
een goed zicht door de voorruit de voorrang
hebben.
of haal de hendel omlaag naar
de knop
een ander wisprogramma.
03
De regensensor wordt automatisch gedeactiveerd wanneer u de transpondersleutel uit het
contactslot neemt of vijf minuten nadat u de
motor hebt afgezet.
Achterruitwisser en -sproeier
BELANGRIJK
In de wasstraat kunnen de ruitenwissers
van de voorruit starten en beschadigd
raken. Schakel de regensensor uit terwijl
de auto loopt of de transpondersleutel in
stand I of II staat. Het symbool op het
instrumentenpaneel en het lampje in de
knop doven.
Gereduceerde sproeifunctie
Sproeierfunctie.
Ruitensproeiers voorruit
U activeert de sproeiers van de voorruit en de
koplampen door de hendel naar het stuurwiel
toe te trekken.
Nadat u de hendel hebt losgelaten maken de
ruitenwissers op de voorruit nog enkele slagen en worden de koplampen gesproeid.
Hogedruksproeiers koplampen*
De hogedruksproeiers van de koplampen verbruiken een grote hoeveelheid sproeiervloeistof. Om vloeistof te besparen, worden de
koplampen alleen iedere vijfde keer dat u de
voorruitsproeiers activeert gesproeid.
102
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Ruitenwisser achterklep – intervalstand
Ruitenwisser achterklep – continu wissen
Wanneer u de hendel naar voren haalt (zie pijl
op bovenstaande afbeelding), activeert u de
ruitenwisser/-sproeier van de achterklep.
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Wissers en -sproeiers
N.B.
De achterruitwisser is beveiligd tegen
oververhitting zodat de wissermotor wordt
uitgeschakeld bij oververhitting. De achterruitwisser werkt weer na een periode van
afkoelen (30 seconden of langer afhankelijk van de motor- en de omgevingstemperatuur).
03
Ruitenwisser achterklep, achteruitrijden
Als u de auto in de achteruitversnelling zet
terwijl de voorste ruitenwissers actief zijn, zal
de intervalstand van de ruitenwisser op de
achterklep starten2. Bij het inschakelen van
een andere versnelling valt de ruitenwisser op
de achterklep stil.
Als de ruitenwisser op de achterklep echter al
op continue snelheid werkt, vindt er geen wijziging plaats.
N.B.
Op auto's met een regensensor wordt bij
achteruitrijden de achterruitwisser geactiveerd, op voorwaarde dat de sensor geactiveerd is en het regent.
2
Deze functie (intervalstand tijdens het achteruitrijden) kunt u desgewenst uitschakelen. Bezoek een werkplaats. Volvo adviseert u daarvoor contact op te nemen met een erkende Volvo-dealer.
103
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Ruiten en spiegels
Algemeen
Warmtereflecterende voorruit*
Gelaagd glas
03
Het glas is verstevigd voor een verbeterde inbraakbeveiliging en
geluidsisolatie van het interieur. De
voorruit bestaat uit gelaagd glas.
Voor optimale werking van dient de elektronische uitrusting dan ook gemonteerd te worden op dat deel van de voorruit waar geen
warmtereflecterende film is aangebracht (zie
gemarkeerd veld op bovenstaande afbeelding).
Elektrisch bedienbare ruiten
Water- en vuilafstotende laag*
De ruiten zijn voorzien van een speciale laag die bij zware neerslag
voor een beter zicht zorgt. Voor het
onderhoud, zie pagina 390.
BELANGRIJK
Gebruik geen metalen ijskrabber om de
ruiten van ijs te ontdoen. Gebruik de elektrische verwarming om de buitenspiegels
van ijs te ontdoen, zie pagina 107.
Veld waar geen IR-film is aangebracht.
Maten
A
65 mm
B
150 mm
C
125 mm
De voorruit is voorzien van een warmtereflecterende film (IR) die de ingestraalde warmte in
de passagiersruimte beperkt.
Montage van elektronische uitrusting, zoals
een transponder, achter een ruit met een
warmtereflecterende film heeft mogelijk een
negatieve invloed op de werking en prestaties
van de uitrusting.
104
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Bedieningspaneel op bestuurdersportier.
Elektrisch kinderslot op achterportieren*
en achterste zijruiten, zie pagina 63.
Bedieningsknoppen achterste zijruiten
Bedieningsknoppen voorste zijruiten
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Ruiten en spiegels
WAARSCHUWING
Bediening
Controleer of er geen passagier op de achterbank bekneld raakt als de ramen vanaf
het bestuurdersportier worden gesloten.
WAARSCHUWING
Controleer of kinderen of andere passagiers niet bekneld raken als de ramen worden gesloten, ook als de transpondersleutel wordt gebruikt.
WAARSCHUWING
Als er kinderen in de auto aanwezig zijn,
moet altijd de stroom naar de elektrisch
bedienbare ruiten worden onderbroken
door te kiezen voor sleutelstand 0 en vervolgens de transpondersleutel mee te
nemen uit de auto. Voor informatie over
sleutelstanden, zie pagina 82.
Bedieningsknoppen elektrisch bedienbare zijruiten.
Handmatige bediening
Automatische bediening
Met het bedieningspaneel van het bestuurdersportier kunnen alle elektrisch bedienbare
ruiten worden bediend. De bedieningspanelen van de overige portieren kunnen alleen de
ruit van het desbetreffende portier bedienen.
Er kan slechts één bedieningspaneel tegelijk
worden bediend.
Om de elektrisch bedienbare ruiten te kunnen
gebruiken moet de sleutelstand minimaal I
zijn, zie pagina 81. Wanneer u na het afzetten
van de motor de transpondersleutel uitneemt,
kunt u de elektrisch bedienbare ruiten nog
enkele minuten bedienen, maar niet wanneer
er een portier is geopend.
De ruiten komen tot stilstand en worden
geopend, als ze tijdens het sluiten in hun
beweging worden gehinderd. Wanneer sluiten
onmogelijk is door bijvoorbeeld ijsvorming,
kan de beveiliging tegen overbelasting worden opgeheven. Wanneer de zijruiten tweemaal achtereen niet konden worden gesloten,
wordt de beveiliging tegen overbelasting
korte tijd gedeactiveerd. Sluiten is daarna
mogelijk door de bedieningsknop omhoog te
trekken en vast te houden.
03
N.B.
Om het pulserende windgeluid te verminderen als de beide achterruiten open
staan, kunt u de voorste ruiten ook een
stukje openen.
Handmatige bediening
Trek voorzichtig een van de bedieningsknoppen omhoog of duw er een omlaag. De elektrisch bedienbare zijruiten komen steeds verder omhoog of omlaag zolang u de bedieningsknop bedient.
Automatische bediening
Trek een van de bedieningsknoppen omhoog
of duw er een omlaag en laat deze vervolgens
105
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Ruiten en spiegels
los. De bijbehorende zijruit gaat automatisch
volledig open of dicht.
Buitenspiegels
De stand van de buitenspiegels en de
bestuurdersstoel worden vastgelegd, wanneer u de auto met de transpondersleutel vergrendelt. Een volgende keer dat de auto met
dezelfde transpondersleutel wordt ontgrendeld en het bestuurdersportier wordt
geopend, nemen de buitenspiegels en de
bestuurdersstoel de vastgelegde standen in.
Bediening met transpondersleutel en
centrale vergrendeling
03
Om de elektrisch bedienbare zijruiten vanaf
de buitenzijde te bedienen met de transpondersleutel of vanaf de binnenzijde met de
centrale vergrendeling, zie pagina 46 en 58.
Resetten
Als de accu losgekoppeld is geweest, werkt
de automatische openingsfunctie pas weer
naar behoren wanneer u deze hebt gereset.
1. Trek de knop aan de voorkant omhoog
om de ruit helemaal te sluiten en houd de
knop een seconde in deze stand vast.
2. Laat de knop korte tijd los.
3. Trek de voorkant van de knop opnieuw
een seconde omhoog.
WAARSCHUWING
Resetten is nodig om de klembeveiliging te
laten werken.
Bedieningsknoppen buitenspiegels.
Instellen
1. Druk op knop L voor de buitenspiegel
links of op R voor de buitenspiegel
rechts. Het lampje in de knop brandt.
2. U kunt de stand afstellen met het hendeltje in het midden.
3. Druk opnieuw op knop L of R. Het lampje
mag niet langer branden.
WAARSCHUWING
De spiegel aan bestuurderszijde is groothoekig voor een optimaal zicht. Voorwerpen kunnen verder weg lijken dan ze in
werkelijkheid zijn.
1
106
Stand vastleggen1
Alleen in combinatie met een elektrisch bedienbare stoel met geheugen, zie pagina 84.
U kunt de functie activeren/deactiveren in het
menusysteem MY CAR onder Instellingen
Auto-instellingen Sleutelgeheugen
Persoonlijke instellingen in
hoofdgeheugen. Voor een beschrijving van
het menusysteem, zie pagina 218.
Buitenspiegel kantelen bij parkeren1
De buitenspiegels kunnen omlaaggekanteld
worden, zodat u bijvoorbeeld tijdens het parkeren de kant van de weg te kan zien.
–
Schakel de achteruitversnelling in en druk
op de knop L of R.
Bij het inschakelen van een andere versnelling nemen de gekantelde buitenspiegels na
ca. 10 seconden de oorspronkelijke stand
weer in. Dat gebeurt eerder als u op de knop
L of R drukt.
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Ruiten en spiegels
Automatisch kantelende buitenspiegel
bij parkeren1
Bij het inschakelen van de achteruitversnelling worden de buitenspiegels automatisch
omlaaggekanteld, zodat u bijvoorbeeld tijdens het parkeren de kant van de weg kan
zien. Wanneer de auto uit de achteruitversnelling wordt gehaald, neemt de buitenspiegel
na enige tijd automatisch de oorspronkelijke
stand weer in.
U kunt de functie activeren/deactiveren in het
menusysteem MY CAR onder Instellingen
Auto-instellingen Instellingen
zijspiegel Linkerspiegel hellen of
Rechterspiegel hellen. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie pagina 218.
Automatische inklapfunctie bij
vergrendelen1
Wanneer u de auto vanaf de transpondersleutel vergrendelt/ontgrendelt worden de buitenspiegels automatisch in- of uitgeklapt.
U kunt de functie activeren/deactiveren in het
menusysteem MY CAR onder Instellingen
Auto-instellingen Instellingen
zijspiegel Spiegels inklappen. Voor een
beschrijving van het menusysteem, zie
pagina 218.
1
In neutrale stand terugzetten
Spiegels die uit positie zijn geraakt door
invloeden van buitenaf, moeten eerst elektrisch in de neutrale stand worden teruggezet
zodat het elektrisch in- en uitklappen weer
correct werkt:
1. Klap de spiegels in met de knoppen L en
R.
2. Klap de spiegels weer uit met de knoppen L en R.
‘Approach’-verlichting en ‘Follow Me
Home’-verlichting
De lampjes op de buitenspiegels gaan branden, als u de ‘Approach’-verlichting of de
‘Follow Me Home’-verlichting selecteert, zie
pagina 97.
03
Elektrische voorruit-*, achterruit- en
buitenspiegelverwarming
3. Herhaal de bovenstaande procedure zo
nodig.
De spiegels staan daarmee weer in de neutrale stand.
Elektrisch inklapbare buitenspiegels*
U kunt de buitenspiegels inklappen bij het
parkeren en als u op smalle wegen rijdt:
1. Druk de knoppen L en R gelijktijdig in
(sleutelstand minimaal I).
2. Laat ze na ca. 1 seconde los. De spiegels
stoppen automatisch, als ze volledig zijn
ingeklapt.
Klap de spiegels uit door de knoppen L en R
tegelijkertijd in te drukken. De spiegels stoppen automatisch, als ze volledig zijn uitgeklapt.
Elektrische voorruitverwarming
Elektrische voorruit-, achterruit- en buitenspiegelverwarming
Gebruik de functie om voorruit, achterruit en
buitenspiegels te ontwasemen en te ontdooien.
Alleen in combinatie met een elektrisch bedienbare stoel met geheugen, zie pagina 84.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
107
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Ruiten en spiegels
03
Bij eenmaal indrukken van de desbetreffende
knop gaat de verwarming van start. Het brandende lampje in de knop geeft aan dat de
functie actief is. Schakel de verwarming uit
zodra het ijs/de condens verdwenen is om de
accu niet onnodig te belasten. Als u echter
niets doet, wordt de functie na enige tijd
automatisch uitgeschakeld.
Achteruitkijkspiegel
De achteruitkijkspiegel is voorzien van twee
sensoren (één aan de voorkant en één aan de
achterkant) die samenwerken om hinderlijke
lichtinval te identificeren en te verhelpen. De
sensor aan de voorkant registreert omgevingslicht, terwijl de sensor aan de achterkant
de koplampen van achterliggers registreert.
Zie ook het gedeelte ‘Elektrische voorruitverwarming en maximale ontwaseming’ op
pagina 233.
De buitenspiegels en de achterruit worden
automatisch van condens/ijsvorming ontdaan, als de auto wordt gestart bij een buitentemperatuur lager dan +7 °C. Automatische ontwaseming is te selecteren in het
menusysteem MY CAR onder Instellingen
Klimaatinstellingen
Achterruitverwarming start autom.. Kies
vervolgens uit Aan of Uit. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie pagina 218.
Het kompas wordt gedeactiveerd als de elektrische voorruitverwarming wordt geactiveerd.
Als de elektrische voorruitverwarming wordt
gedeactiveerd, schakelt het kompas weer in.
N.B.
Hendeltje voor dimfunctie
Handmatige dimfunctie
Fel licht van achteren kan hinderlijke reflecties
in de achteruitkijkspiegel veroorzaken en u
verblinden. Zet de spiegel met het hendeltje
in de dimstand, wanneer u de verlichting van
het achteropkomende verkeer als hinderlijk
ervaart:
1. Activeer de dimfunctie door het hendeltje
naar u toe te halen.
2. Deactiveer de dimfunctie door het hendeltje naar de voorruit toe te duwen.
Autodimfunctie*
Als het licht dat van achteren in de spiegel
valt te fel is, wordt de achteruitkijkspiegel
108
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
automatisch gedimd. Bij een spiegel met
autodimfunctie ontbreekt het hendeltje voor
handmatig dimmen.
Als de sensoren door bijvoorbeeld parkeervergunningen, transponders, zonnekleppen of voorwerpen op de achterbank
of in de bagageruimte dusdanig worden
gehinderd dat er geen licht op de sensoren
valt, gelden er beperkingen voor de autodimfunctie van de achteruitkijkspiegel.
Een kompas* is alleen een optie voor een
achteruitkijkspiegel met autodimfunctie, zie
pagina 110.
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Ruiten en spiegels
Glazen dak*
Het glazen dak zit vast, maar het rolgordijn
kan in de sleutelstand I of II worden bediend
met de bedieningsknoppen in de plafondconsole. Zie voor informatie over de sleutelstanden – zie pagina 81.
BELANGRIJK
•
Raak het rolgordijn niet met de handen
aan, omdat dit dan beschadigd kan
raken.
•
Gebruik voor bediening van het rolgordijn alleen de knoppen op de plafondconsole.
03
Automatisch openen tot de eindstand
Handmatig openen tot de knop wordt losgelaten
Handmatig sluiten tot de knop wordt losgelaten
Automatisch sluiten tot de eindstand
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
109
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Kompas*
Bediening
Het kompas wordt gedeactiveerd als de elektrische voorruitverwarming wordt geactiveerd.
Als de elektrische voorruitverwarming wordt
gedeactiveerd, schakelt het kompas weer in.
Kalibreren
Achteruitkijkspiegel met kompas.
In de rechter bovenhoek van de achteruitkijkspiegel zit een display waarop wordt aangegeven in welke richting de voorkant van de
auto wijst. Er worden acht verschillende richtingen met Engelse afkortingen weergegeven:
N (noord), NE (noordoost), E (oost), SE (zuidoost), S (zuid), SW (zuidwest), W (west) en
NW (noordwest).
Het kompas wordt automatisch geactiveerd
wanneer u de motor start of wanneer sleutelstand II actief is, zie pagina 81. Om het kompas handmatig uit of in te schakelen kunt u
een paperclip of iets dergelijks nemen en het
knopje aan de achterzijde van de achteruitkijkspiegel indrukken.
110
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
1. Breng de auto tot stilstand op een groot
en open terrein waar geen stalen constructies of hoogspanningsdraden zijn.
2. Start de motor.
N.B.
Voor de beste kalibratie moet u alle elektrische uitrusting (klimaatinstallatie, ruitenwissers enz.) uitschakelen en erop letten
dat alle portieren gesloten zijn.
3. Houd het knopje aan de achterzijde van
de achteruitkijkspiegel ca. 3 seconden
lang ingedrukt. Het cijfer van de huidige
magnetische zone verschijnt.
G030295
De aarde is in 15 magnetische zones verdeeld. Het kompas is ingesteld op het geografische gebied waarin de auto werd afgeleverd. Het kompas dient te worden gekalibreerd, als u met de auto meerdere magnetische zones doorkruist. Ga als volgt te werk:
03
Magnetische zones.
4. Druk meerdere malen op het knopje totdat het nummer van de gewenste magnetische zone (1–15) verschijnt (zie de kaart
met de magnetische zones van het kompas).
5. Wacht totdat het teken C weer op het
display verschijnt of houd het knopje aan
de onderzijde van de achteruitkijkspiegel
ca. 6 seconden lang ingedrukt (met een
rechtgebogen paperclip bijvoorbeeld),
totdat het teken C verschijnt.
6. Rijd langzaam een rondje in de auto met
een snelheid van hoogstens 10 km/h, totdat een kompasrichting op het display
verschijnt. Dit geeft aan dat de kalibratie
afgerond is. Rijd daarna nog 2 rondjes om
de kalibratie fijn af te stellen.
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Kompas*
7. Herhaal de bovenstaande procedure zo
nodig.
03
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
111
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Alcoholslot*
Algemene informatie over het
alcoholslot
03
Functies
Batterij
Het alcoholslot1 voorkomt dat bestuurders
die onder invloed zijn in de auto kunnen rijden. Voordat de motor kan worden gestart,
moet u een blaastest afgeven om vast te stellen dat u niet onder de invloed van alcohol
bent. Het alcoholslot wordt gekalibreerd ten
opzichte van de grenswaarde voor verkeersdeelname die in uw land geldt.
Het controlelampje (4) van de blaasunit geeft
de ladingstoestand van de batterij aan:
WAARSCHUWING
Het alcoholslot is een hulpmiddel dat u
niet ontslaat van uw verantwoordelijkheden als bestuurder. De bestuurder dient
altijd nuchter te blijven en de auto op een
veilige manier te besturen.
Bediening
Mondstuk voor blaastest.
Schakelaar.
Controlelampje (4)
Ladingstoestand batterij
Knippert
groen
Wordt opgeladen
Groen
Volledig opgeladen
Oranje
Half opgeladen
Rood
Ontladen – plaats de lader
in de houder of sluit de
voedingskabel uit het
dashboardkastje aan.
Zendertoets.
Lampje voor ladingstoestand batterij.
Lampje voor resultaat blaastest.
Lampje dat aangeeft dat het systeem
gereed is voor een blaastest.
1
112
Wordt ook wel Alcoguard genoemd.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
N.B.
Bewaar de blaasunit in zijn houder. Zo blijft
de ingebouwde batterij opgeladen en kan
het alcoholslot automatisch worden geactiveerd bij het openen van de auto.
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Alcoholslot*
Bewaren
1. Wanneer het controlelampje (6) groen
oplicht, is de blaasunit klaar voor gebruik.
Resultaat van de blaastest
2. Neem de blaasunit uit de houder. Als de
blaasunit zich buiten de auto bevindt tijdens het ontgrendelen, dan dient u de
unit eerst te activeren met de schakelaar
(2).
3. Klap het mondstuk (1) omhoog, haal diep
adem en blaas gelijkmatig totdat er
ca. 5 seconden later een ‘klikgeluid’
klinkt. Het resultaat is een van de alternatieven in de volgende tabel Resultaat van
de blaastest.
Handeenheid bewaren en laadstation.
•
De handeenheid van het alcoholslot
wordt verwijderd door de eenheid licht in
de houder te drukken en los te laten,
waarna de houder opveert en uit de houder kan worden genomen.
•
Plaats de handeenheid terug in de houder
tot de eenheid vastklikt.
•
Bewaar de handeenheid in de houder.
Dat biedt de beste bescherming en
garandeert dat de batterijen steeds volledig opgeladen zijn.
Alvorens de motor de starten
De blaasunit wordt automatisch geactiveerd
en gereedgemaakt voor gebruik bij het ontgrendelen van de auto.
4. Als er geen melding verschijnt, kan er wat
mis zijn gegaan tijdens de gegevensoverdracht naar de auto – druk in dat geval op
de toets (3) om de testgegevens handmatig naar de auto te zenden.
5. Klap het mondstuk omlaag en plaats de
blaasunit terug in de houder.
6. Start vervolgens binnen 5 minuten na een
goedgekeurde blaastest de motor –
anders is een nieuwe blaastest vereist.
A
Controlelampje (5) +
tekstmelding
Betekenis
Groen lampje +
Alcoguard Test
goedgekeurd
Start de motor – geen
alcohol gemeten.
Oranje lampje +
Alcoguard Test
goedgekeurd
Motor kan worden
gestart – gemeten
promillage boven
0,1 promille maar
onder de geldende
grenswaardeA.
Rood lampje +
Test afgekeurd
Wacht 1 minuut
Motor kan niet worden
gestart – gemeten
promillage boven de
geldende grenswaardeA.
03
De grenswaarde verschilt van land tot land (ga na wat er in
uw land geldt). Zie ook het gedeelte Algemene informatie
over het alcoholslot op pagina 112
N.B.
Binnen 30 minuten na afloop van een rit
kan de motor opnieuw gestart worden
zonder dat er een nieuwe blaastest nodig
is.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
113
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Alcoholslot*
Waar u op moet letten
Alvorens een blaastest te doen
Voor een goede werking en een zo nauwkeurig mogelijk meetresultaat:
03
•
Ca. 5 minuten voor de blaastest niet eten
of drinken.
•
De voorruit niet te lang sproeien – de
alcohol in de sproeiervloeistof kan een
verkeerd meetresultaat opleveren.
Van bestuurder wisselen
Om bij het wisselen van bestuurder een
nieuwe blaastest te kunnen doen schakelaar
(2) en de zendtoets (3) gelijktijdig
ca. 3 seconden lang ingedrukt houden. De
startblokkering van de auto wordt dan
opnieuw geactiveerd, zodat er eerst een
goedgekeurde blaastest nodig is voordat de
motor kan worden gestart.
Kalibreren en onderhoud plegen
Het alcoholslot dient om de 12 maanden in
een werkplaats2 gecontroleerd en gekalibreerd te worden.
Wanneer er nog 30 dagen resteren tot aan
een geplande kalibratiebeurt, verschijnt
Alcoguard Kalibr. vereist op het instrumentenpaneel. Als er niet binnen 30 dagen gekali-
2
114
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
breerd wordt, dan kan de motor niet langer
op de normale wijze gestart worden – de
motor is dan alleen te starten via de bypassfunctie, zie pagina 114, gedeelte over Noodsituatie.
De melding is te verwijderen met een druk op
de zendtoets (3). De melding verdwijnt anders
spontaan na ca. 2 minuten maar verschijnt
iedere keer dat de motor gestart wordt
opnieuw – alleen bij herkalibratie in een werkplaats2 verdwijnt de melding permanent.
Koud en warm weer
Hoe kouder het buiten is, hoe langer het duurt
voordat de blaasunit gereed is voor gebruik:
Temperatuur
(°C)
Maximale
opwarmtijd
(seconden)
+10 tot +85
10
-5 tot +10
60
-40 tot -5
180
Bij temperaturen lager dan –20 °C of hoger
dan +60 °C is extra voeding voor de blaasunit
vereist. Op het instrumentenpaneel verschijnt
Alcoguard Stroom kabel aansluiten. Sluit
de voedingskabel uit het dashboardkastje in
dat geval aan op de blaasunit en wacht totdat
het controlelampje (6) groen oplicht.
Bij extreme koude kunt u de opwarmtijd verkorten door de blaasunit mee naar binnen te
nemen.
Noodsituatie
In noodsituaties of wanneer het alcoholslot
defect is, kunt u het alcoholslot omzeilen om
toch in de auto te kunnen rijden.
N.B.
Alle activeringen via een doorverbinding
(bypass) worden geregistreerd en opgeslagen in een geheugen, zie pagina 8 in het
hoofdstuk Vastlegging van gegevens.
Na activering van de bypass-functie blijft
Alcoguard Bypass actief op het instrumentenpaneel staan, totdat het systeem gereset
wordt in een werkplaats2.
Het is mogelijk de bypass-functie te testen
zonder dat er een foutmelding wordt aangemaakt – loop in dat geval alle stappen door
maar start de motor niet. De foutmelding
wordt gewist bij het vergrendelen van de
auto.
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Alcoholslot*
Bij installatie van het alcoholslot geeft u aan
of omzeilen mogelijk moet zijn via de bypassof de noodfunctie. Deze instelling is achteraf
nog te wijzigen in een werkplaats2.
Bypass-functie activeren
•
Houd de knop OK op de linker stuurhendel en de knop voor de alarmknipperlichten ca. 5 seconden lang ingedrukt – op
het instrumentenpaneel verschijnen achtereenvolgens Bypass actief Wacht 1
minuut en Alcoguard Bypass actief –
daarna kunt u de motor starten.
Deze functie is meerdere malen te activeren.
De foutmelding die verschijnt tijdens het rijden is echter alleen te wissen in een werkplaats2.
Noodfunctie activeren
•
Houd de knop OK op de linker stuurhendel en de knop voor de alarmknipperlichten ca. 5 seconden lang ingedrukt – op
het instrumentenpaneel verschijnt
Alcoguard Bypass actief waarna u de
motor kunt starten.
Deze functie is eenmaal te gebruiken en moet
daarna gereset worden in een werkplaats2.
2
Symbolen en tekstmeldingen
Benevens de eerder beschreven meldingen
kan ook het volgende verschijnen:
Tekstmelding
Betekenis/Maatregel
Alcoguard
Her- start
mogelijk
Motor stond minder dan
30 minuten af – motor
kan worden gestart zonder nieuwe blaastest.
Alcoguard
Service vereist
Bezoek een werkplaats2.
Alcoguard
Geen signaal
Overdracht mislukt – verstuur het resultaat handmatig via toets (3) of doe
een nieuwe blaastest.
Alcoguard
Test ongeldig
De test is mislukt – doe
een nieuwe blaastest.
Alcoguard
Blaas langer
U blies te kort – blaas
langer.
Alcoguard
Blaas zachter
U blies te hard – blaas
minder hard.
Tekstmelding
Betekenis/Maatregel
Alcoguard
Blaas harder
U blies niet hard genoeg
– blaas harder.
Alcoguard
wacht Verwarmt voor
Opwarming niet gereed –
wacht de melding Alcoguard Blaas 5 seconden af.
03
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
115
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Motor starten
Benzine- en dieselmotoren
2. Houd het koppelingspedaal volledig ingedrukt1. (Bij auto’s met automatische versnellingsbak – bedien het rempedaal.)
3. Druk op de knop START/STOP ENGINE
en laat deze vervolgens los.
De startmotor draait, totdat de motor aanslaat
of totdat de beveiliging tegen oververhitting in
werking treedt.
03
BELANGRIJK
Contactslot met transpondersleutel uitgetrokken/
ingeduwd en knop START/STOP ENGINE.
BELANGRIJK
De transpondersleutel niet verkeerd om
insteken – pak de sleutel beet aan het uiteinde met het afneembare sleutelblad. zie
pagina 49.
1. Plaats de transpondersleutel in het contactslot en duw deze tot aan de aanslag
naar binnen. Let erop dat u bij een auto
met alcoholslot eerst een goedgekeurde
blaastest moet uitvoeren, voordat de
motor kan worden gestart, zie
pagina 112.
1
116
Als de motor na 3 pogingen niet gestart is,
wacht u 3 minuten voordat u een nieuwe
poging doet. Het startvermogen neemt toe
als de startaccu zich kan herstellen.
WAARSCHUWING
Haal altijd de transpondersleutel uit het
contactslot als u uit de auto stapt en zorg
ervoor dat de sleutelstand 0 is, in het bijzonder als er kinderen in de auto aanwezig
zijn. Voor informatie over hoe u dit doet,
zie pagina 81.
Als de auto rolt is het indrukken van de knop START/STOP ENGINE voldoende om de motor te starten.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
N.B.
Voor bepaalde motortypen kan het stationaire toerental bij een koude start duidelijk
hoger dan normaal zijn. Dit gebeurt om het
uitlaatgasreinigingssysteem zo snel mogelijk op de normale bedrijfstemperatuur te
krijgen waardoor de uitlaatgasemissies
afnemen en het milieu wordt ontzien.
Keyless drive*
Loop de punten 2–3 door voor benzine- en
dieselmotoren. Voor meer informatie over
Keyless drive, zie pagina 53.
N.B.
Om de motor te kunnen starten dient één
van de transpondersleutels met Keyless
drive-functie in de passagiers- of bagageruimte aanwezig te zijn.
WAARSCHUWING
Haal nooit de transpondersleutel uit de
auto tijdens rijden of slepen.
Motor afzetten
Om de motor af te zetten:
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Motor starten
•
Druk op START/STOP ENGINE – de
motor slaat af.
•
Als de auto een automatische versnellingsbak heeft en de keuzehendel niet in
stand P staat of als de auto rijdt – druk
tweemaal op de knop of houd de knop
START/STOP ENGINE ingedrukt totdat
de motor afslaat.
03
Stuurslotfout
Er is mogelijk een mechanisch geluid waarneembaar, wanneer het stuurslot wordt opgeheven of ingeschakeld.
•
Het stuurslot ontgrendelt als de transpondersleutel in het contactslot zit2 en de
START/STOP ENGINE-knop wordt ingedrukt.
•
Het stuurslot wordt geactiveerd, wanneer
u na het afzetten van de motor het
bestuurdersportier opent.
Sleutelstanden
Voor informatie over de verschillende standen
van de transpondersleutel, zie pagina 81
2
Auto’s met Keyless moeten een transpondersleutel in de passagiersruimte hebben.
117
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Motor starten, hulpaccu
Starten met hulpaccu
4. Bevestig de ene klem van de rode startkabel aan de pluspool (1) van de hulpaccu.
BELANGRIJK
Wees voorzichtig bij het aansluiten van de
startkabels om kortsluiting met andere
onderdelen in de motorruimte te voorkomen.
03
5. Haal de clips op de voorste dekplaat van
de uitgeputte accu los en verwijder de
dekplaat.
Als de startaccu uitgeput is, kunt u de auto
starten met stroom van een hulpaccu.
Als u een hulpaccu gebruikt bij het starten
wordt geadviseerd de volgende stappen aan
te houden om kortsluiting en andere schade
te voorkomen:
1. Zet de transpondersleutel in sleutelstand 0, zie pagina 81.
2. Controleer of de hulpaccu een spanning
van 12 V levert.
3. Als de hulpaccu in een andere auto is
gemonteerd, moet u de motor van die
auto afzetten en ervoor zorgen dat de
beide auto’s elkaar niet raken.
118
6. Bevestig de andere klem van de rode
startkabel aan de pluspool (2) van de
auto.
7. Bevestig de ene klem van de zwarte startkabel aan de minpool (3) van de hulpaccu.
8. Bevestig de andere klem aan een massapunt, bijv. een van de hijsogen (4) op de
motor.
9. Controleer of de aansluitklemmen van de
startkabels goed vastzitten om te voorkomen dat er tijdens de startpoging vonken
ontstaan.
10. Start de motor van de “hulpauto” en laat
deze enkele minuten draaien op een toe-
rental dat iets hoger ligt dan normaal,
ca. 1500 omw/min.
11. Start de motor in de auto met de uitgeputte accu.
BELANGRIJK
Raak de aansluitingen bij een startpoging
niet aan - er kan dan vonkvorming ontstaan.
12. Verwijder de startkabels in omgekeerde
volgorde - eerst de zwarte kabel en
daarna de rode.
> Zorg dat geen van de aansluitklemmen
aan de zwarte startkabel contact kan
maken met de pluspool van de accu of
met de aangesloten klem van de rode
startkabel!
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Motor starten, hulpaccu
WAARSCHUWING
•
De startaccu kan het zeer explosieve
knalgas produceren. Eén enkele vonk,
veroorzaakt door een onjuiste aansluiting van een startkabel, kan volstaan
om de accu tot ontploffing te brengen.
•
De startaccu bevat tevens zwavelzuur
dat ernstige chemische brandwonden
kan veroorzaken.
•
Als u accuzuur in uw ogen krijgt of op
uw huid of kleren morst, moet u
onmiddellijk met grote hoeveelheden
water spoelen. Neem onmiddellijk contact op met een arts, als u accuzuur in
uw ogen krijgt.
03
Zie voor meer informatie over de startaccu
van de auto - zie pagina 375.
119
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Versnellingsbakken
Algemeen
Handgeschakelde versnellingsbak
De blokkering van de achteruitversnelling
beperkt het risico dat u tijdens het vooruitrijden op normale snelheid onbedoeld de achteruitversnelling inschakelt.
BELANGRIJK
03
Om schade aan onderdelen van de aandrijflijn te voorkomen wordt de bedrijfstemperatuur van de versnellingsbak gecontroleerd. Bij gevaar voor oververhitting gaat er
een waarschuwingssymbool op het instrumentenpaneel branden en verschijnt er
een displaymelding – volg in dat geval het
gegeven advies.
Hellingrem - HSA*
U hoeft het rempedaal niet te bedienen wanneer u wegrijdt of achteruit een helling oprijdt
- het HSA-systeem (Hill Start Assist) voorkomt dat de auto achteruitrolt
Het systeem zorgt ervoor dat de pedaaldruk
enkele seconden lang op peil blijft, wanneer u
uw voet van het rempedaal naar het gaspedaal verplaatst.
De tijdelijke remwerking wordt na enige
seconden opgeheven of eerder bij het bedienen van het gaspedaal.
120
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Blokkering achteruitversnelling
Schakelpatroon
Zie het desbetreffende schakelpatroon dat in
de pookknop geslagen is.
•
Trap het koppelingspedaal tijdens het
schakelen altijd zo ver mogelijk in.
•
Haal uw voet na het schakelen weer van
het koppelingspedaal af.
WAARSCHUWING
Gebruik altijd de parkeerrem bij parkeren
op een hellende ondergrond - een ingeschakelde versnelling is niet voldoende om
de auto in alle situaties vast te houden.
•
Volg het schakelpatroon dat in de versnellingspook is geslagen en begin in de
neutrale stand N. Druk hierna de versnellingspook omlaag voordat u de pook in
stand R duwt duwt.
•
Schakel de achteruitversnelling alleen in
als de auto stilstaat.
Schakelindicator*
Belangrijk voor een milieubewuste rijstijl is het
kiezen van de juiste versnelling en tijdig schakelen.
Bepaalde uitvoeringen zijn voorzien van een
indicator - GSI (Gear Shift Indicator) - die
aangeeft, wanneer u moet opschakelen of
terugschakelen om het brandstofverbruik
minimaal te houden. Met het oog op eigenschappen als de prestaties en een trillingsvrije motorloop is het soms beter op iets
hogere toeren te schakelen. Het omcirkelde
cijfer geeft de actuele versnelling aan.
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Versnellingsbakken
Handgeschakelde versnellingsbak
In het midden van het instrumentenpaneel ‘Analog’ worden de schakelstanden en
richtingaanwijzerpijlen
getoond.
Schakelindicator voor handgeschakelde versnellingsbak.
Er brandt slechts één lamp
tegelijk – bij normaal rijden
brandt alleen de middelste
lamp.
Als op- of terugschakelen wordt geadviseerd,
brandt de bovenste bij ‘+’ of de onderste bij
‘-’, op de afbeelding met rood gemarkeerd.
Automatische versnellingsbak
Geartronic*
Schakelstanden
De automatische schakelstanden worden rechts op
het instrumentenpaneel
getoond. (Er brandt maar één
lampje tegelijk - dat van de
actuele keuzehendelstand.)
03
Symbool ‘S’ voor Sport-stand is ORANJE,
indien geactiveerd.
P – Parkeerstand
Selecteer stand P, wanneer u de motor start
of de auto wordt geparkeerd.
Automatische versnellingsbak
•
Om de keuzehendel uit stand P te kunnen
halen moet u eerst het rempedaal ver
genoeg intrappen.
In stand P is de versnellingsbak mechanisch
geblokkeerd. Activeer voor de zekerheid ook
de parkeerrem, zie pagina 138.
N.B.
D: automatisch schakelen. +/–: handmatig schakelen. S: Sport-stand*.1
Instrumentenpaneel ‘Digital’ met schakelindicator.
1
Het instrumentenpaneel geeft de stand van
de keuzehendel aan met behulp van de volgende tekens: P, R, N, D, S*, 1, 2, 3 enz.
De keuzehendel moet in de P-stand staan
om de auto te kunnen vergrendelen en op
alarm te zetten.
Het schakelpatroon van de hendel hangt van het gekozen motortype af.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
121
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Versnellingsbakken
BELANGRIJK
De auto moet stilstaan als stand P wordt
gekozen.
WAARSCHUWING
03
Gebruik altijd de parkeerrem bij parkeren
op een hellende ondergrond - de P-stand
van de automatische versnellingsbak is
niet voldoende om de auto in alle situaties
vast te houden.
R – Achteruitrijstand
De auto moet stilstaan wanneer u de hendel
in stand R zet.
Geartronic - Handmatig schakelen (+/–)
Met de automatische versnellingsbak
Geartronic kunt u ook handmatig schakelen.
Bij het loslaten van het gaspedaal wordt de
auto op de motor afgeremd.
U activeert de handmatige schakelstand door
de hendel zijwaarts vanuit de stand D naar de
eindstand bij ‘+/-’ te bewegen. Het symbool
‘+/-’ op het instrumentenpaneel verkleurt van
WIT naar ORANJE en de cijfers 1, 2, 3 enz.
worden in een kader getoond en komen overeen met de zojuist ingeschakelde versnelling.
•
N – Vrijstand
In deze stand kunt u de motor starten en er is
geen versnelling ingeschakeld. Zet de parkeerrem aan, wanneer de auto stilstaat en de
keuzehendel in stand N staat.
D – Rijstand
Stand D is de normale rijstand. De versnellingsbak schakelt automatisch op en terug
afhankelijk van de stand van het gaspedaal
en de snelheid. Zorg ervoor dat de auto stilstaat, voordat u de keuzehendel vanuit stand
D in stand R zet.
Duw de hendel naar voren naar de ‘+’
(plus) om een hogere versnelling in te
schakelen en laat deze weer los – de hendel veert terug naar de neutrale stand
tussen ‘+’ en ‘–’.
of
•
Trek de hendel naar achteren naar de ‘–’
(min) om een lagere versnelling in te
schakelen en laat deze weer los.
Handmatig schakelen ‘+/-’ kan op elk
moment tijdens het rijden geactiveerd worden.
Om schokken en afslaan van de motor te
voorkomen schakelt Geartronic automatisch
terug, als u langzamer gaat rijden dan wat
voor de gekozen versnelling gepast is.
Om de automatische rijstand te hervatten:
122
•
Zet de hendel helemaal naar links in
stand D.
N.B.
Als de versnellingsbak een sportstand
kent, is handmatig schakelen pas te activeren wanneer u de hendel vooruit of achter in de stand "+/-" hebt gezet. Op het
instrumentenpaneel verandert de S dan in
een van de tekens 1, 2, 3 enz. om aan te
geven welke versnelling er ingeschakeld is.
Geartronic - Sportstand (S)
De sportstand levert een sportiever
rijgedrag op en maakt het mogelijk
om hogere toeren te maken in de
versnellingen. De motor reageert
bovendien sneller op de commando’s die u
met het gaspedaal geeft. Bij inschakeling van
de sportstand wordt tevens de voorkeur
gegeven aan de lagere versnellingen, zodat er
met enige vertraging wordt opgeschakeld.
Om de Sport-stand te activeren:
•
Duw de hendel zijwaarts, vanuit stand D
helemaal naar rechts in stand ‘+S–’. Op
het instrumentenpaneel verandert het
teken D in S.
De sportstand kan op elk moment tijdens het
rijden geactiveerd worden.
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Versnellingsbakken
Om bij gladheid gemakkelijker weg te kunnen
komen is het soms beter handmatig de 3e
versnelling in te schakelen.
1. Bedien het rempedaal en haal de keuzehendel vanuit stand D helemaal naar
stand ‘+/–’. Het symbool D op het instrumentenpaneel verandert in het cijfer 12.
2. Schakel op naar de 3e versnelling door
de hendel twee keer naar voren naar de
‘+’ (plus) te duwen. Op het instrumentenpaneel verandert de 1 in een 3.
3. Laat het rempedaal los en geef voorzichtig gas.
Bij activering van de ‘winterstand’ van de versnellingsbak rijdt de auto met een lager
motortoerental en minder kracht op de aandrijfwielen weg.
Kickdown
Als u het gaspedaal volledig intrapt (tot voorbij de normale volgasstand), schakelt de versnellingsbak automatisch terug naar een
lagere versnelling. Dit is de zogeheten kickdown.
Wanneer u het gaspedaal uit de kickdownstand loslaat, schakelt de versnellingsbak
automatisch op.
2
Gebruik de kickdown om zo snel mogelijk te
accelereren zoals bij het inhalen.
Mechanische schakelblokkering
Beveiligingsfunctie
Om overtoeren van de motor te voorkomen,
is het stuurprogramma van de versnellingsbak voorzien van een terugschakelblokkering
waardoor de zogeheten kickdown niet mogelijk is.
Geartronic staat geen terugschakeling/kickdown toe die tot een dusdanig hoog toerental
leidt dat de motor kan worden beschadigd.
Wanneer u bij hoge motortoeren toch probeert een dergelijke kickdown uit te voeren,
gebeurt er niets. De auto blijft in de oorspronkelijke versnelling rijden.
Bij kickdown kan de auto afhankelijk van het
motortoerental een of meer versnellingen
terugschakelen. Om schade aan de motor te
voorkomen schakelt de auto op wanneer de
motor het maximumtoerental heeft bereikt.
03
G021351
Geartronic - Winterstand
U kunt de hendel altijd ongehinderd heen en
weer halen tussen de standen N en D. Om de
hendel in een van de overige standen te zetten, moet u een blokkering opheffen door op
de blokkeerknop op de keuzehendel te drukken.
Met de blokkeerknop ingedrukt kunt u de
hendel vooruit of achteruit bewegen tussen
de standen P, R, N en D.
Automatische schakelblokkering
De automatische versnellingsbak kent enkele
bijzondere beveiligingsfuncties:
Parkeerstand (P)
Stilstaande auto met draaiende motor:
Bij een auto met Sport-stand* verschijnt eerst ‘S’.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
123
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Versnellingsbakken
•
Houd uw voet op het rempedaal terwijl u
de keuzehendel verzet.
Automatische schakelblokkering
deactiveren
Automatische versnellingsbak
Powershift*
Elektrische schakelblokkering, Shiftlock
parkeerstand (P)
03
Om de keuzehendel uit stand P te kunnen
halen, moet u het rempedaal bedienen terwijl
de transpondersleutel in stand II staat, zie
pagina 81.
Schakelblokkering, vrijstand (N)
Als de keuzehendel in stand N staat en de
auto heeft minstens 3 seconden stilgestaan
(of de motor nu loopt of niet), is de keuzehendel geblokkeerd.
Om de keuzehendel uit stand N te kunnen
halen, moet de transpondersleutel in stand II
staan en moet het rempedaal worden
bediend, zie pagina 81.
Als er niet met de auto kan worden gereden
zoals het geval is bij een uitgeputte accu,
moet u de keuzehendel uit stand P halen
voordat u de auto kunt verslepen.
Verwijder het schaalvormige insteekelement uit het vak achter de middenconsole en zoek de verende knop onder in
het vak op.
Druk de knop in en houd deze ingedrukt.
Haal de keuzehendel uit stand P en laat
de knop los.
4. Plaats het insteekelement terug in het
opbergvak.
3
4
124
D: automatisch schakelen. +/–: handmatig schakelen. S: Sport-stand*.3
De automatische Powershift-versnellingsbak
brengt de aandrijfkracht van de motor middels dubbele mechanische lamellenkoppelingen over op de aandrijfwielen. Dit in tegenstelling tot de Geartronic-versnellingsbak die
hiervoor een conventionele hydraulische koppelomvormer gebruikt.
Een Powershift-versnellingsbak werkt verder
op dezelfde manier4 en heeft bedieningselementen en functies die vergelijkbaar zijn met
die van de automatische Geartronic-versnel-
Het schakelpatroon van de hendel hangt van het gekozen motortype af.
Een uitzondering is de rubriek ‘Geartronic - Winterstand’: met Powershift kunt u bij gladheid sneller wegkomen, als handmatig de 2e versnelling inschakelt in plaats van de 3e.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Versnellingsbakken
lingsbak, zoals besproken in het voorgaande
gedeelte.
Powershift of Geartronic?
Wanneer u niet zeker weet of uw auto wel of
niet is uitgerust met een Powershift-versnellingsbak, kunt u dit controleren aan de hand
van de aanduiding op de versnellingsbaksticker onder de motorkap - zie pagina 396. De
aanduiding ”MPS6” houdt in dat het om een
Powershift-bak gaat. Anders is het een
Geartronic-automaat.
Waar u op moet letten
De dubbele koppeling van de versnellingsbak
is voorzien van een beveiliging tegen overbelasting die geactiveerd wordt, als de versnellingsbak te warm wordt – bijvoorbeeld als u
de auto te lang met het gaspedaal stilhoudt
op een oplopende helling.
Een te warme versnellingsbak uit zich in een
auto die gaat schudden en trillen, een waarschuwingssymbool dat gaat branden en een
melding op het instrumentenpaneel. Ook bij
langzaam fileverkeer (10 km/h of lager) op
oplopende hellingen of met een aanhanger/
caravan achter de auto kan de versnellingsbak te warm worden. De versnellingsbak
koelt af tijdens stilstand, wanneer het rempedaal bediend wordt en de motor stationair
loopt.
Oververhitting tijdens langzaam fileverkeer is
te voorkomen door in etappes te rijden:
•
Sta stil en wacht met uw voet op het rempedaal totdat de afstand tot uw voorliggers lang genoeg is om een stukje verder
vooruit te rijden, rem en wacht weer enige
tijd met uw voet op het rempedaal.
BELANGRIJK
Bedien de bedrijfsrem om de auto stil te
houden op oplopende hellingen – maak
geen gebruik van het gaspedaal. De versnellingsbak kan dan oververhit raken.
Zie voor belangrijke informatie over de
Powershift en slepen – zie pagina 334.
03
Tekstmelding en maatregel
In bepaalde situaties kan er een bepaalde
melding op het instrumentenpaneel verschijnen in combinatie met een brandend symbool.
125
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Versnellingsbakken
Symbool
03
A
Melding
Rijeigenschappen
Maatregel
Oververh versnb zet
auto stil
Problemen om snelheid constant te houden bij hetzelfde toerental.
Versnellingsbak oververhit. Houd de auto stil met het rempedaal.A
Oververh versnb
Stop auto z.s.m.
Auto rijdt met hevige schokkerige bewegingen vooruit.
Versnellingsbak oververhit. Parkeer de auto zo spoedig
mogelijk.A
Koeling versn.b. laat
motor lopen
Geen aandrijving wegens oververhitting
van de versnellingsbak.
Versnellingsbak oververhit. Voor optimale koeling: Laat de
motor stationair lopen met de keuzehendel in stand N of
stand P, totdat de melding verdwijnt.
Voor optimale koeling: Laat de motor stationair lopen met de keuzehendel in stand N of stand P, totdat de melding verdwijnt.
De tabel schetst drie gevallen van oververhitting van de versnellingsbak met verschillende
ernstigheidsgraad. De elektronica waarschuwt u niet alleen met een melding maar
ook via tijdelijke veranderingen in de rijeigenschappen. Neem in het voorkomende geval
de melding in acht.
N.B.
De voorbeelden in de tabel geven niet aan
dat de auto defect is, maar geven aan dat
er een veiligheidsfunctie is geactiveerd om
schade aan onderdelen van de auto te
voorkomen.
WAARSCHUWING
Als u het waarschuwingssymbool met de
tekst Oververh versnb Stop auto z.s.m.
negeert, kan de versnellingsbaktemperatuur dusdanig oplopen dat de krachtoverbrenging tussen de motor en de versnellingsbak tijdelijk wordt verbroken om te
voorkomen dat de koppeling defect raakt –
de auto wordt dan niet meer aangedreven
totdat de versnellingsbaktemperatuur tot
een aanvaardbaar niveau is gedaald.
Voor andere meldingen en de voorgestelde
maatregelen bij auto’s met een automatische
versnellingsbak, zie pagina 215.
Na uitvoering van de maatregel verdwijnt de
melding automatisch. U kunt de melding ook
126
eerder verwijderen met een druk op de knop
OK van de richtingaanwijzerhendel.
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Start/Stop*
Stiller en schoner
Milieuzorg vormt een van de kernwaarden
van Volvo Car Corporation en geeft richting
aan al onze activiteiten. Dit resulteerde in uiteenlopende energiebesparende systemen
waaronder Start/Stop die stuk voor stuk
bedoeld zijn om het brandstofverbruik te verlagen en daarmee ook de uitlaatgasemissie te
beperken.
Algemene informatie over Start/Stop
De motor wordt afgezet – voor een stillere en
schonere rit....
Auto’s met een bepaalde combinatie van
motor en versnellingsbak zijn voorzien van
een Start/Stop-systeem dat in werking treedt,
als de auto bijvoorbeeld stilstaat in een file of
wacht voor een verkeerslicht. De motor wordt
dan tijdelijk afgezet en start automatisch als
er moet worden doorgereden.
Met het Start/Stop-systeem kunt u actiever
milieubewust rijden doordat de motor, waar
mogelijk, automatisch te laten afslaan.
Automatische motorstop
Voor automatische motorafslag geldt het volgende:
Voorwaarden
Handbak of automaat
M/A
A
03
Let erop dat er verschillen zijn in het
Start/Stop-systeem, afhankelijk van de vraag
of de auto een handbak of een automaat
heeft.
Bedien de koppeling, zet de hendel in de neutrale stand en laat het
koppelingspedaal opkomen. De
motor slaat automatisch af.
M
Functie en bediening
Zet de auto stil met het rempedaal
en houd uw voet op het pedaal. De
motor slaat automatisch af.
A
Start/StopHet -systeem
wordt automatisch geactiveerd, wanneer u de motor
met een sleutel start. U
wordt op het systeem gewezen doordat op het instrumentenpaneel het symbool
voor de Aan/Uit-knop gaat
branden en het lampje in de
Aan/Uit-knop oplicht.
Alle normale autosystemen waaronder verlichting, radio e.d. werken ook bij een automatische motorstop normaal, zij het dat er
mogelijk tijdelijke beperkingen gelden voor
bepaalde uitrusting (zoals het geval kan zijn
voor de ventilatorsnelheid van de klimaatregeling of het volume van het audiosysteem).
A
M = handbak, A = automaatbak.
In bepaalde gevallen vindt automatische
motorstop plaats, voordat de auto volledig
stilstaat.
Ter bevestiging en herinnering aan
de automatische motorstop gaan de
symbolen voor het Start/Stop-systeem op het instrumentenpaneel
branden.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
127
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Start/Stop*
Automatische motorstart
Voorwaarden
Met de schakelhendel in de neutrale
stand:
03
M/
AA
M
1. Trap het koppelingspedaal of
het gaspedaal in – de motor
start.
Kijk voor meer informatie over HSA op pagina
120.
2. Schakel een passende versnelling in en rijd weg.
Op een aflopende helling bestaat
ook deze mogelijkheid:
Start/Stop-systeem deactiveren
M
Laat het rempedaal los en laat de
auto wegrollen. De motor start dan
automatisch als de snelheid hoger
wordt dan normaal stapvoets.
Laat het rempedaal los. De motor
start automatisch en u kunt doorrijden.
A
A
In bepaalde situaties is het
mogelijk beter om het automatische Start/Stop-systeem
tijdelijk te deactiveren – dit is
mogelijk met een druk op
deze knop.
Bij uitschakeling van het systeem
gaan de Start/Stop-symbolen op
het instrumentenpaneel en het
lampje in de knop uit.
M = handbak, A = automaatbak.
Hellingrem HSA
Het rempedaal kan ook bij oplopende hellingen worden losgelaten voor automatische
motorstart. Het HSA-systeem (Hill Start
Assist) zorgt ervoor dat de auto niet achteruitrolt.
128
HSA zorgt ervoor dat de pedaaldruk enkele
seconden lang op peil blijft als u uw voet van
het rempedaal naar het gaspedaal verplaatst
voordat u wegrijdt na een automatische
motorstop. De tijdelijke remwerking wordt na
enkele seconden opgeheven, of eerder bij het
bedienen van het gaspedaal.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Het Start/Stop-systeem blijft gedeactiveerd,
totdat het opnieuw geactiveerd wordt met de
knop of de volgende keer dat de motor wordt
gestart met de sleutel.
Beperkingen
Automatische motorstop werkt niet
Ook als het Start/Stop-systeem geactiveerd
is, zal de automatische motorstop niet werken als:
Voorwaarden
M/AA
de auto nog geen ca. 5 km/h rijdt
(= stapvoets) na start met sleutel
of laatste autostop.
M+A
u de gordelsluiting hebt geopend.
M+A
de capaciteit van de startaccu
onder de toelaatbare ondergrens
is gedoken.
M+A
de motor niet op de normale
bedrijfstemperatuur is.
M+A
de buitentemperatuur onder het
vriespunt of boven ca. 30 °C is.
M+A
de elektrische voorruitwarming
wordt geactiveerd.
M+A
de omstandigheden in de passagiersruimte afwijken van de ingestelde waardenB – wat te merken
is aan het hoge toerental van de
interieurventilator.
M+A
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Start/Stop*
Voorwaarden
M/AA
Voorwaarden
er achteruit wordt gereden met de
auto.
M+A
het bestuurdersportier is geopend
met de keuzehendel in stand D.
A
de capaciteit van de startaccu
onder de toelaatbare ondergrens
is gedoken.
M+A
de keuzehendel vanuit stand D in
stand SC of ‘+/-’ wordt gezet.
A
u grotere stuurbewegingen maakt.
M+A
het roetfilter van het uitlaatsysteem vol is. Pas nadat er een
automatische reinigingscyclus is
uitgevoerd (zie pagina 319), wordt
het tijdelijk uitgeschakelde
Start/Stop-systeem weer geactiveerd.
M+A
de weg erg steil is.
M+A
een aanhanger elektrisch is verbonden met het elektrische systeem van de auto.
M+A
de atmosferische luchtdruk onder
het niveau voor ca. 1500–2400
boven zeeniveau ligt. De actuele
luchtdruk varieert afhankelijk van
het weertype.
M+A
de file-assistent van de adaptieve
cruisecontrol is geactiveerd.
A
A
B
C
M/AA
M = handbak, A = automaatbak.
Auto met ECC.
Sportstand.
Automatische motorstart
Een motor die automatisch werd afgezet kan
in bepaalde gevallen automatisch worden
gestart voordat u hebt aangegeven de rit te
willen voortzetten. In de volgende gevallen
start de motor automatisch, ook als u het
koppelingspedaal niet hebt ingetrapt (handgeschakelde bak) of uw voet niet van het
rempedaal haalt (automaat):
Voorwaarden
M/AA
er wordt condens gevormd op de
ruiten.
M+A
het milieu in de passagiersruimte
wijkt af van de voorgeselecteerde
waardenB.
M+A
A
Voorwaarden
M/AA
de buitentemperatuur zakt onder
het vriespunt of komt boven de
ca. 30 °C.
M+A
er wordt tijdelijk veel stroom afgenomen of de capaciteit van de
startaccu is onder de toelaatbare
ondergrens gezakt.
M+A
u bedient het rempedaal met
pompende bewegingen.
M+A
de auto begint sneller te rollen
dan stapvoets.
M
De gordelsluiting van de bestuurder is geopend met de keuzehendel in stand D of N.
A
Stuurbewegingen.
A
de keuzehendel wordt vanuit
stand D in ‘+/-’ of R gezet.
A
Het bestuurdersportier wordt
geopend met de keuzehendel in
stand D.
A
03
M = handbak, A = automaatbak.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
129
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Start/Stop*
WAARSCHUWING
Open de motorkap niet als de motor automatisch afgeslagen is. De motor kan plotseling automatisch starten. Voer eerst een
normale motoruitschakeling uit met de
START/STOP ENGINE-knop voordat u de
motorkap omhoog doet.
03
Automatische motorstart werkt niet
In de volgende gevallen werkt de automatische motorstart niet nadat de motor automatisch werd afgezet:
A
130
Voorwaarden
M/
AA
er is een versnelling ingeschakeld
zonder het koppelingspedaal te
bedienen – een tekstmelding dring
er bij u op aan om de schakelhendel in de neutrale stand te zetten en
automatische motorstart mogelijk te
maken.
M
De bestuurder draagt geen gordel,
de keuzehendel staat in stand P en
het bestuurdersportier is open – de
motor moet op de normale manier
worden gestart.
A
M = handbak, A = automaatbak.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Onvrijwillige motorstop bij
handgeschakelde versnellingsbak
Doe het volgende als de automatische motorstart mislukt en de motor uitvalt:
1. Bedien het koppelingspedaal opnieuw –
de motor start automatisch.
2. In bepaalde gevallen moet u de versnellingspook in de neutrale stand zetten. Op
het instrumentenpaneel verschijnt dan de
tekst Zet versnelling in vrij
Meer informatie en instellingen
In het menusysteem MY CAR vindt u onder
het kopje DRIVe een introductie van Volvo’s
Start-Stop-systeem en adviezen voor een
energiezuinige rijtechniek - zie pagina 218.
Symbolen en meldingen
Het Start/Stop-systeem kan soms
aanleiding geven tot meldingen op
het instrumentenpaneel en een
brandend controlelampje. Bij enkele daarvan
dient u een aanbevolen maatregel te nemen.
In de volgende tabel staan enkele voorbeelden.
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Start/Stop*
Symbool
Melding
Informatie/maatregel
M/AA
Motor in Auto Start
Blijft enkele seconden branden na activering van Start/Stop.
M+A
Eco DRIVe UIT
Blijft enkele seconden branden na deactivering van Start/Stop.
M+A
Auto Start/Stop Service vereist
Start/Stop werkt niet. Neem contact op met een werkplaats – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
M+A
Motormanagement
Er vindt een automatische controle van de werking plaats.
M+A
Autostart Motor loopt +
akoestisch signaal
Wordt geactiveerd, als u het bestuurdersportier opent na auto-stop van de motor.
M+A
Motor in Auto Start
Motor klaar voor automatische start. Wacht op bediening van het koppelings- of rempedaal.
M
Druk op Start-knop
Geen automatische motorstart mogelijk. Voer een reguliere motorstart uit met de knop
START/STOP ENGINE.
M
Trap koppeling in om te starten
Motor klaar voor automatische start – wacht op bediening van het koppelingspedaal.
M
Trap rempedaal in om te starten
Motor klaar voor automatische start – wacht op bediening van het rempedaal.
M
Rem en ontkoppel om te
starten
Motor klaar voor automatische start – wacht op bediening van het koppelings- of rempedaal.
M
03
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
131
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Start/Stop*
Symbool
03
A
Melding
Informatie/maatregel
Stand N kiezen om te starten
Er is geschakeld zonder te ontkoppelen – bedien het koppelingspedaal om de schakelhendel in de neutrale stand te zetten.
M
Motor in Auto Start
Motor klaar voor automatische start. Wacht totdat het rempedaal wordt losgelaten.
A
Kies stand P of N om te starten
Start/Stop is gedeactiveerd. Zet de keuzehendel in stand N of P en voer een normale
motorstart uit met de knop START/STOP ENGINE.
A
Druk op Start-knop
De motor zal niet automatisch starten. Voer een normale motorstart uit met de knop
START/STOP ENGINE en de keuzehendel in P of N.
A
M = handbak, A = automaatbak.
Als een tekstmelding na het uitvoeren van de
voorgestelde maatregel niet verdwijnt, dient u
contact op te nemen met een werkplaats –
geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
132
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
M/AA
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Vierwielaandrijving – AWD*
De vierwielaandrijving is altijd
ingeschakeld
03
Principeschets AWD1.
Bij vierwielaandrijving (AWD – All Wheel Drive)
wordt de auto aangedreven door alle vier de
wielen.
Het motorkoppel wordt automatisch over de
voor- en achterwielen verdeeld. Een elektronisch gestuurd koppelingssysteem verdeelt
het vermogen over het wielpaar dat op dat
moment de beste grip op het wegdek heeft.
Dit om optimale wegligging te verkrijgen en
wielspin te voorkomen. Bij normaal rijden
worden de voorwielen naar verhouding iets
sterker aangedreven dan de achterwielen.
Vierwielaandrijving verhoogt de rijveiligheid
tijdens regen- en sneeuwval en bij ijzel.
1
De afbeelding is schematisch - afhankelijk van de markt en het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
133
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Bedrijfsrem
Algemeen
03
De auto is uitgerust met twee remcircuits. Als
een van de remcircuits defect raakt, betekent
dit dat de remmen pas later worden aangesproken zodat u het rempedaal dieper moet
intrappen voor dezelfde remmende werking.
De druk die u uitoefent op het rempedaal
wordt versterkt door de rembekrachtiging.
WAARSCHUWING
De rembekrachtiging werkt alleen als de
motor draait.
Wanneer u met de motor afgezet remt doet
het rempedaal stug aan en kost het u meer
kracht om de auto te remmen.
In bergachtig gebied of bij het rijden met een
zware belading kunt u de remmen ontzien
door op de motor af te remmen. U benut de
remmende werking van de motor het best,
wanneer u tijdens het afdalen dezelfde versnelling inschakelt als bij het oprijden van een
helling.
Voor algemener informatie over een zware
belasting van de auto, zie pagina 403.
Antiblokkeerremsysteem
De auto is uitgerust met ABS (Anti-lock
Braking System) dat voorkomt dat de wielen
134
blokkeren tijdens het remmen. Zo blijft de
auto bestuurbaar, waardoor het bijvoorbeeld
makkelijker is om obstakels te ontwijken. Bij
activering van deze functie kunt u trillingen in
het rempedaal voelen. Dit is volkomen normaal.
Wanneer u het rempedaal loslaat nadat de
motor is aangeslagen, gaat een kortdurende,
automatische test van het ABS van start. Het
is mogelijk dat er opnieuw een automatisch
test van het ABS plaatsvindt, wanneer de
auto een snelheid van 10 km/h bereikt. Ook
deze test kan waarneembaar zijn in de vorm
van trillingen in het rempedaal.
Noodremlichten en automatische
alarmlichten
De noodremlichten worden geactiveerd om
achterliggers erop te attenderen dat u krachtig remt. Daarbij knipperen de remlichten in
plaats van dat ze continu branden, zoals bij
normaal remmen.
De noodremlichten worden geactiveerd bij
snelheden hoger dan 50 km/h als het ABS
actief is en/of bij krachtig remmen. Nadat de
snelheid van de auto is teruggebracht tot
minder dan 10 km/h knippert het remlicht niet
langer, maar brandt het weer gewoon constant. Tegelijkertijd worden de alarmlichten
geactiveerd en blijven deze knipperen totdat
u weer optrekt tot minimaal 20 km/h, zie
pagina 94.
Remschijven schoonmaken
Vuil en water op de remschijven kunnen ertoe
leiden dat de aanspreekduur van de remmen
wordt verlengd. Door de remblokken schoon
te maken beperkt u deze verlenging.
U wordt geadviseerd de remschijven handmatig schoon te maken, wanneer u op natte
wegen rijdt, de auto net hebt gewassen of op
het punt staat deze langdurig te parkeren. U
maakt de remschijven handmatig schoon
door korte tijd licht te remmen.
Remkrachtverhoging bij noodstops
De remkrachtverhoging bij noodstops (EBA,
Emergency Brake Assist) helpt de remkracht
verhogen om op die manier de remweg te
verkorten. Het EBA registreert de wijze
waarop u het rempedaal bedient en verhoogt
zo nodig de remkracht. De remkracht kan
worden verhoogd tot aan het niveau waarbij
het ABS ingrijpt. De EBA-regeling wordt uitgeschakeld, wanneer u de druk op het rempedaal verlaagt.
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Bedrijfsrem
N.B.
Als EBA wordt geactiveerd, gaat het rempedaal iets verder omlaag dan normaal.
Druk het rempedaal in zo lang als dat
nodig is. Als u het rempedaal loslaat, stopt
al het afremmen.
Onderhoud
Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid
en betrouwbaarheid van de auto op een hoog
peil te houden dient u de service-intervallen
van Volvo aan te houden zoals omschreven in
het Service- en garantieboekje van Volvo, zie
pagina 358.
BELANGRIJK
Symbolen op instrumentenpaneel
Symbool
Betekenis
Brandt continu – controleer
het remvloeistofpeil. Vul remvloeistof bij als het peil te laag
ligt en controleer tevens de
oorzaak van het remvloeistofverlies.
03
Brandt tijdens het starten van
de motor 2 seconden continu
- automatische functietest.
WAARSCHUWING
De onderdelen van het remsystemen moeten regelmatig op slijtage worden gecontroleerd.
Als
en
tegelijk branden, kan
er een storing in het remsysteem zijn ontstaan.
Informeer bij een werkplaats hoe dat in zijn
werk gaat of laat de controle over aan de
werkplaats – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
Als het niveau in het remvloeistofreservoir
in dat geval normaal is, moet u voorzichtig
naar de dichtstbijzijnde werkplaats rijden
om het remsysteem te laten controleren geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
Als de remvloeistof onder het MIN-niveau
in het remvloeistofreservoir ligt, mag u pas
verder rijden als de remvloeistof is bijgevuld.
De oorzaak van het remvloeistofverlies
moet worden gecontroleerd.
135
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Afdalingsregeling, HDC (Hill Descent Control)
Algemeen
03
HDC is te vergelijken met een automatische
motorrem. Wanneer u op een aflopende helling het gaspedaal loslaat, wordt de auto normaal gesproken op de motor afgeremd doordat deze in dat geval een laag stationair toerental nastreeft. Naarmate de helling steiler en
de auto zwaarder beladen is, rolt de auto
ondanks de motorrem sneller omlaag. Om in
dergelijke gevallen snelheid te minderen dient
u bij te remmen met het rempedaal.
WAARSCHUWING
HDC werkt niet in alle situaties, maar is uitsluitend bedoeld als een aanvullend hulpmiddel.
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige
manier bestuurt.
Functie
Met het HDC-systeem is het mogelijk om op
steile aflopende hellingen de snelheid te verhogen/verlagen met het gaspedaal, zonder
het rempedaal te gebruiken. De gevoeligheid
van het gaspedaal neemt af, doordat het
motortoerental tot aan de maximale pedaalweg alleen binnen een beperkt toerentalgebied te regelen valt. Het remsysteem grijpt in
en zorgt voor een lage en gelijkmatige snelheid, zodat u zich volledig kunt richten op de
besturing.
HDC is vooral handig op steile aflopende hellingen met een oneffen oppervlak en op
gladde weggedeelten. Denk bijvoorbeeld aan
een boot op een trailer die u vanaf een boothelling achteruit te water laat.
136
Het systeem werkt alleen in de eerste versnelling en in de achteruitversnelling. Bij een
automatische versnellingsbak geldt dat de 1 e
versnelling moet zijn ingeschakeld, wat wordt
aangegeven met het cijfer 1 op het instrumentenpaneel, zie pagina 121.
N.B.
HDC kan niet worden geactiveerd op een
automatische versnellingsbak met de keuzehendel in stand D.
Bediening
HDC is met een schakelaar op de middenconsole naar wens in en uit te schakelen. Het
lampje in de schakelaar brandt wanneer de
functie ingeschakeld is.
Wanneer HDC actief is, brandt het
desbetreffende symbool op het
instrumentenpaneel en verschijnt de melding
Afdalingsrem- regeling AAN.
Bij een geactiveerd HDC-systeem kan de
auto bij het afremmen op de motor maximaal
10 km/h voorruit rijden en 7 km/h achteruit.
Met het gaspedaal kunt u echter een willekeurige andere snelheid binnen het snelheidsinterval kiezen dat bij de ingeschakelde versnelling hoort. Zodra u het gaspedaal loslaat
wordt de rijsnelheid snel verlaagd tot 10 of
7 km/h, ongeacht de hellingshoek en zonder
dat u daarvoor het rempedaal hoeft te bedienen.
Bij activering van het systeem gaan automatisch de remlichten branden. Met het rempedaal kunt u de auto altijd remmen of helemaal
tot stilstand brengen.
HDC wordt gedeactiveerd:
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Afdalingsregeling, HDC (Hill Descent Control)
•
bij het indrukken van de aan/uit-knop op
de middenconsole
•
bij het inschakelen van een hogere versnelling dan de 1 e bij een handgeschakelde versnellingsbak
•
bij het inschakelen van een hogere versnelling dan de 1 e bij een automatische
versnellingsbak of bij het inschakelen van
stand D.
03
Het systeem is op ieder moment uit te schakelen. Als u dit op een steile aflopende helling
doet, zal het remvermogen niet meteen maar
geleidelijk worden verlaagd.
N.B.
Met HDC geactiveerd kunt u soms een
vertraging tussen gasgeven en motorrespons ervaren.
137
03 Bedieningsinstructies bestuurder
Parkeerrem
Algemeen
> Het waarschuwingssymbool op het
instrumentenpaneel gaat branden.
WAARSCHUWING
03
Gebruik altijd de parkeerrem bij parkeren
op een hellende ondergrond - een ingeschakelde versnelling of de P-stand van
een automatische versnellingsbak is niet
voldoende om de auto in alle situaties vast
te houden.
N.B.
- Het waarschuwingssymbool op
het instrumentenpaneel brandt ongeacht
hoe hard de parkeerrem is aangehaald.
3. Laat het rempedaal los en controleer of
de auto volledig stilstaat.
4. Als de auto beweegt, dient u de hendel
minimaal één klik strakker aan te trekken.
•
Zet de versnellingspook bij het parkeren
altijd in de 1e versnelling (handbak) en de
keuzehendel in stand P (automaat).
Op een helling parkeren
Bij het parkeren van de auto op een oplopende helling:
•
Waarschuwingssymbool op instrumentenpaneel.
De handremhendel zit tussen de voorstoelen.
Parkeerrem aanzetten
1. Trap het rempedaal stevig in.
2. Trek de hendel stevig omhoog.
138
Draai de wielen van de trottoirband af.
Bij het parkeren van de auto op een aflopende helling:
•
Draai de wielen naar de trottoirband toe.
Parkeerrem lossen
1. Trap het rempedaal stevig in.
2. Trek de handremhendel iets omhoog,
druk de knop in, duw de handrem omlaag
en laat de knop weer los.
> Het waarschuwingssymbool op het
instrumentenpaneel dooft.
Als u vergeet de auto van de parkeerrem te
halen, wordt u daar niet alleen op gewezen
via het brandende waarschuwingslampje
maar u krijgt bij een rijsnelheid hoger dan 10
km/h bovendien een belsignaal te horen en
een melding op het instrumentenpaneel te
zien.
03 Bedieningsinstructies bestuurder
HomeLink® *
Algemeen
WAARSCHUWING
•
HomeLink®1 is een programmeerbare
afstandsbediening, ingebouwd in de achteruitkijkspiegel, die tot drie verschillende systemen (bijvoorbeeld een garagedeuropener,
alarmsysteem, huis- en tuinverlichting) op
afstand kan bedienen en daarmee de originele afstandsbedieningen vervangt. Naast de
drie programmeerbare knoppen zit er ook een
controlelampje op het paneel. HomeLink® kan
niet worden geactiveerd als de auto vanaf de
buitenkant is vergrendeld. Breng voor meer
informatie over HomeLink® een bezoek aan:
www.homelink.com of bel
00 8000 466 354 65 (of het betaalnummer
+49 6838 907 277).
1
Als u HomeLink® gebruikt voor bediening van een garagedeur of toegangshek, let er dan op dat er zich niemand
in de buurt van de bewegende deur of
het bewegende hek bevindt.
•
Zorg dat de auto buiten de garage
staat tijdens het programmeren van de
garagedeuropener.
•
Gebruik HomeLink® niet voor een elektrische garagedeur zonder veiligheidsstop en -retour.
Let erop dat u de originele afstandsbedieningen goed bewaart voor eventuele programmering in een later stadium (zoals bij aankoop
van een nieuwe auto of gebruik in een andere
auto). Het wordt tevens geadviseerd om de
programmering van de knoppen te wissen bij
verkoop van de auto. Zie het onderdeel
‘HomeLink®-knoppen herstellen’ op pagina
141.
HomeLink® programmeren
N.B.
Bij bepaalde auto’s moet het contact zijn
ingeschakeld of in de ‘accessoirestand’
staan, voordat HomeLink® kan worden
geprogrammeerd of gebruikt. Plaats gerust
nieuwe batterijen in de afstandsbediening
die HomeLink® moet vervangen, omdat de
programmering dan mogelijk sneller verloopt en het radiosignaal sterker is. Herstel
de HomeLink®-knoppen alvorens te programmeren. HomeLink® staat vervolgens
in de ‘inleermodus’ en is klaar voor programmering.
03
1. Druk de gewenste HomeLink®-knop in en
houd deze ingedrukt totdat het controlelampje geel knippert. Dit duidt erop dat
de knop klaar is om te worden geprogrammeerd.
2. Richt de originele afstandsbediening op
de te programmeren HomeLink®-knop en
houd de afstandsbediening op 5–30 cm
van de knop. Blokkeer het controlelampje
van HomeLink® niet.
3. Druk de knop op de originele afstandsbediening in en laat deze niet los voordat
het controlelampje van geel naar rood of
HomeLink en het symbool met het HomeLink-huis zijn geregistreerde handelsmerken van Johnson Controls, Inc.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
139
03 Bedieningsinstructies bestuurder
HomeLink® *
groen licht is gegaan. Bij rood licht - doe
een nieuwe poging en houd de originele
afstandsbediening op een andere afstand
van de HomeLink®-knop. Groen licht
geeft aan dat het programmeren is gelukt.
03
4. Druk op de te programmeren
HomeLink®-knop, houd deze
5 seconden lang ingedrukt en laat de
knop weer los. Herhaal dit zo nodig, totdat de garagedeur reageert. Als de deur
niet reageert, druk dan op de geprogrammeerde HomeLink®-knop, houd deze
ingedrukt en controleer het controlelampje.
> Brandt continu groen: Het controlelampje brandt continu terwijl u de knop
ingedrukt houdt, wat aangeeft dat de
programmering afgerond is. De garagedeur, het toegangshek e.d. moet
vervolgens geactiveerd worden bij het
indrukken van de bijbehorende
HomeLink®-knop.
Knipperend groen: Het controlelampje knippert als de knop ingedrukt
wordt gehouden. Ga in dat geval verder met de programmeringspunten 5–7
om de programmering af te ronden bij
2
3
140
De aanduiding en kleur van deze knop verschillen per producent.
Het controlelampje brandt zolang u de knop ingedrukt houdt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
een systeem met rollende code (veelal
een garagedeuropener).
5. Zoek de
van de ontvanger
van bijv. de garagedeur op (meestal in de
buurt van de antennevoet op de ontvanger).
“inleerknop2”
6. Druk de “inleerknop” van de ontvanger in
en laat deze los. De knop knippert
ca. 30 seconden en binnen deze periode
moet u het volgende punt uitvoeren.
7. Druk op de te programmeren HomeLink®knop, terwijl de “inleerknop” van de ontvanger nog knippert. Houd de HomeLinkknop ca. 3 seconden lang ingedrukt en
laat deze vervolgens los. Herhaal deze
volgorde van indrukken, vasthouden en
loslaten tot driemaal achtereen om de
programmering te beëindigen.
Bediening
Zodra HomeLink® geprogrammeerd is, vormt
het een vervanging voor de afzonderlijke originele afstandsbedieningen.
Druk op de geprogrammeerde knop3 en houd
deze ingedrukt, totdat de garagedeur, het
alarmsysteem e.d. reageert (kan enkele
seconden duren). Uiteraard kunt u de originele afstandsbedieningen naast HomeLink®
blijven gebruiken.
N.B.
Als het contact niet is uitgeschakeld, blijft
HomeLink® tot 30 minuten na opening van
het bestuurdersportier werken.
Neem bij aanhoudende programmeringsproblemen contact op met HomeLink® op:
www.homelink.com of bel
00 8000 466 354 65 (of het betaalnummer
+49 6838 907 277).
03 Bedieningsinstructies bestuurder
HomeLink® *
HomeLink®-knoppen herstellen
U kunt de HomeLink®-knoppen alleen allemaal tegelijk herstellen en dus niet slechts
één ervan. Herprogrammeren van slechts één
knop is echter wel mogelijk, zie het volgende
gedeelte “Afzonderlijke knop programmeren”.
www.homelink.com of bel
00 8000 466 354 65 (of het betaalnummer
+49 6838 907 277).
03
1. Druk de twee buitenste knoppen op
HomeLink® in en laat deze niet los voordat het controlelampje van geel naar
groen licht is gegaan.
2. Laat de knoppen los.
> HomeLink® staat daarmee in de
“inleerstand” en is klaar voor programmering, zie het gedeelte “HomeLink®
programmeren” op pagina 139.
Afzonderlijke knop programmeren
Doe het volgende om één afzonderlijke
HomeLink®-knop te programmeren:
1. Druk op de gewenste knop en houd deze
ingedrukt.
2. Als het controlelampje op HomeLink®
geel begint te knipperen, na ongeveer 10
seconden, laat u de knop los en begint u
met stap 2 in het gedeelte "HomeLink®
programmeren" op pagina 139.
Breng voor meer informatie over HomeLink®
of bij op- en aanmerkingen een bezoek aan:
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
141
142
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
144
147
150
152
155
167
170
176
185
186
189
193
197
201
206
G000000
Stabiliteits- en tractieregelsysteem, DSTC...........................................
Road Sign Information – RSI*...............................................................
Snelheidsbegrenzer*.............................................................................
Cruisecontrol*.......................................................................................
Adaptieve cruisecontrol*.......................................................................
Afstandswaarschuwing*........................................................................
City Safety™.........................................................................................
Collision Warning met Auto Brake en voetgangersbescherming.*.......
Driver Alert System*..............................................................................
Driver Alert System – DAC*...................................................................
Driver Alert System - Rijbaanassistent*................................................
Park Assist*...........................................................................................
Park Assist-camera*..............................................................................
Actieve parkeerhulp – PAP*..................................................................
BLIS en CTA*........................................................................................
BESTUURDERSONDERSTEUNING
04 Bestuurdersondersteuning
Stabiliteits- en tractieregelsysteem, DSTC
Algemene informatie over DSTC
De stabiliteits- en tractieregeling DSTC
((Dynamic Stability & Traction Control)) helpt u
voorkomen dat de wielen doorslippen en verbetert de tractie van de auto.
04
Tijdens het afremmen kunnen de ingrepen
van het systeem waarneembaar zijn in de
vorm van pulserende geluiden. Tijdens het
gas geven kan de auto langzamer optrekken
dan u verwacht.
WAARSCHUWING
Het stabiliteits- en tractieregelsysteem is
slechts een aanvullend hulpmiddel – het
kan niet alle situaties en alle wegomstandigheden aan.
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige
manier bestuurt en dat u zich aan de geldende verkeersregels en voorschriften
houdt.
Antislipregeling
Deze regeling beperkt de aandrijfkracht en
remkracht van elk van de afzonderlijke wielen
om de auto op die manier te stabiliseren.
Antispinregeling
Deze regeling beperkt de aandrijfkracht en
remkracht van elk van de afzonderlijke wielen
om de auto op die manier te stabiliseren.
144
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Tractieregeling
Deze regeling is actief op lage snelheden en
brengt de aandrijfkracht van een slippend
aandrijfwiel over op een aandrijfwiel dat niet
slipt.
Motorremregeling, EDC
EDC (Engine Drag Control) voorkomt ongewenste blokkering van de wielen, zoals na
terugschakeling of bij gladheid tijdens het
afremmen op de motor in een lage versnelling.
Een van de gevolgen van ongewenste blokkering van de wielen is dat u de auto moeilijk
onder controle kunt houden.
Corner Traction Control, CTC
CTC zorgt voor compensatie van eventueel
onderstuur in een bocht en maakt het mogelijk om sneller op te trekken dan normaal zonder dat het binnenste wiel doorslipt zoals bij
een gebogen oprit om zo sneller in te kunnen
voegen in de verkeersstroom.
Stuuradvies - DSR
DSR (Driver Steering Recommendation) helpt
u om de auto in de juiste richting te sturen bij
beperkte grip op het wegdek of bij een
ingreep van het ABS.
DSR is voornamelijk bedoeld om u te helpen
de auto in de juiste richting te sturen, wanneer de auto eenmaal slipt.
DSR grijpt in door het stuurwiel met enige
kracht in de richting te draaien, waarin u moet
sturen om optimale grip te verkrijgen/handhaven en de auto te stabiliseren.
Trailer Stability Assist*, TSA
Het systeem heeft tot taak de auto met een
aanhanger/caravan te stabiliseren wanneer
de combinatie de neiging tot slingeren vertoont, zie pagina 327.
N.B.
De functie wordt gedeactiveerd als u de
Sport-stand kiest.
Bediening
Niveau kiezen, Sport-stand
Het DSTC-systeem is altijd geactiveerd – uitschakelen is niet mogelijk.
U kunt echter de Sport-stand kiezen voor een
actievere rijervaring. In de Sport-stand registreert het systeem of de gaspedaal- en stuurwielbediening alsook het bochtenwerk als
actiever dan normaal aan te merken zijn,
waarna het systeem toestaat dat de achtertrein een gecontroleerde vorm van slippen
04 Bestuurdersondersteuning
Stabiliteits- en tractieregelsysteem, DSTC
vertoont voordat het ingrijpt en de auto stabiliseert.
een zachte ondergrond (zoals zand of een
dikke laag sneeuw) rijdt.
Als u de gecontroleerde vorm van slippen
beëindigt door het gaspedaal te bedienen,
grijpt het DSTC-systeem in om de auto te
stabiliseren.
Kies als volgt de Sport-stand:
De Sport-stand maakt maximale aandrijving
mogelijk, als de auto is blijven steken of over
1. Druk op de middenconsole de knop MY
CAR in en zoek in het menusysteem op
het beeldscherm My V40 DSTC op.
(Voor informatie over het menusysteem,
zie pagina 217).
2. Vink het vakje uit en verlaat het menusysteem met EXIT.
> Het systeem maakt vervolgens een
sportievere rijstijl mogelijk.
De Sport-stand is actief, totdat u de stand
verlaat of de motor afzet – de volgende keer
dat u de motor start, staat het DSTC-systeem
weer in de normale stand.
04
Symbolen en tekstmeldingen
SymboolA
Melding
Betekenis
DSTC Tijdelijk UIT
Wegens een te hoge temperatuur van de remschijven gelden er tijdelijk beperkingen voor het DSTCsysteem. Het systeem wordt automatisch opnieuw ingeschakeld, wanneer de remmen voldoende zijn
afgekoeld.
DSTC Service vereist
Het DSTC-systeem is defect.
•
•
‘Melding’
Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand, zet de motor af en start deze opnieuw.
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
Er staat een melding op het instrumentenpaneel – lees deze!
en
}}
145
04 Bestuurdersondersteuning
Stabiliteits- en tractieregelsysteem, DSTC
SymboolA
Melding
Betekenis
Brandt 2 seconden lang
continu.
Systeemtest bij het starten van de motor.
Knippert.
Het DSTC-systeem grijpt in.
De Sport-stand is geactiveerd.
A
04
146
De symbolen zijn schematisch.
04 Bestuurdersondersteuning
Road Sign Information – RSI*
Algemene informatie over RSI
Samen met het symbool
voor de geldende snelheidsbeperking kan (indien van
toepassing) ook een bord
met inhaalverbod worden
getoond.
WAARSCHUWING
RSI werkt niet in alle situaties, maar is uitsluitend bedoeld als een aanvullend hulpmiddel.
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige
manier bestuurt en dat u zich aan de geldende verkeersregels en voorschriften
houdt.
Bediening
Voorbeelden van leesbare, snelheidsgerelateerde1 borden.
1
Wanneer het RSI een bord registreert dat het
einde van een snelheidsbeperking aangeeft
(of andere snelheidsgerelateerde informatie
zoals het einde van een snelweg), verschijnt
het desbetreffende verkeersbord
ca. 10 seconden lang op het instrumentenpaneel:
04
Voorbeelden van dergelijke borden zijn:
Het Road Sign Information-systeem (RSI –
Road Sign Information) helpt u te onthouden
welke verkeersborden de auto is gepasseerd
aan de hand van informatie over o.a. de
actuele snelheid, of een snel- of autoweg
begint of eindigt en of er een inhaalverbod
geldt.
Als zowel een bord met snel-/autoweg en een
bord met de maximumsnelheid wordt gepasseerd, toont RSI alleen het bordsymbool voor
de maximumsnelheid.
Einde snelheidsbeperking of snelweg
Einde snelheidsbeperkingen.
Einde snelweg.
Geregistreerde snelheidsinformatie1.
Als RSI een verkeersbord registreert met de
geldende snelheid, geeft het instrumentenpaneel dat bord als symbool weer.
Welke verkeersborden er op het instrumentenpaneel verschijnen hangt van de markt af – de afbeeldingen in het boekje zijn slechts voorbeelden.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
147
04 Bestuurdersondersteuning
Road Sign Information – RSI*
Op bepaalde markten wordt
de geldende snelheid op een
afrit aangegeven met een
aanvullend bord met een pijl.
Vervolgens wordt er geen verkeersbordinformatie weergegeven, totdat het volgende snelheidsbord wordt geregistreerd.
Aanvullende borden
Het snelheidsbord dat aan
dit type aanvullend bord is
gekoppeld, wordt alleen getoond als u de
richtingaanwijzer gebruikt.
Sommige snelheden gelden
bijvoorbeeld alleen een
bepaald traject of op een
bepaalde tijd van de dag. U
wordt hierop geattendeerd
met een symbool voor een
aanvullend bord onder het
snelheidssymbool.
04
Voorbeelden van aanvullende borden1.
Weergave van aanvullende informatie
Soms kent een en dezelfde weg verschillende
snelheidsbeperkingen – een aanvullend bord
geeft dan aan onder welke omstandigheden
de snelheden gelden. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om een gevaarlijke weg zoals bij
regen en/of mist.
Het aanvullende bord met betrekking tot
regen wordt alleen getoond als de ruitenwissers zijn geactiveerd.
1
148
king.
Een leeg vakje onder het
snelheidssymbool op het
instrumentenpaneel geeft
aan dat het RSI een bord
heeft geregistreerd met aanvullende informatie over de
geldende snelheidsbeper-
Instelling in MY CAR
De beschikbare opties voor het RSI vindt u in
het menusysteem MY CAR, zie pagina 219.
Road Sign Information Aan/Uit
De weergave van snelheidssymbolen op het
instrumentenpaneel kan worden gedeactiveerd. Om het RSI-systeem uit te schakelen:
•
Vink de optie Informatie over
verkeersborden (Road Sign Information
On) uit in Instellingen Autoinstellingen Informatie over
verkeersborden en verlaat het menu met
EXIT.
Welke verkeersborden er op het instrumentenpaneel verschijnen hangt van de markt af – de afbeeldingen in het boekje zijn slechts voorbeelden.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Bestuurdersondersteuning
Road Sign Information – RSI*
Speed Alert
Beperkingen
De camerasensor van het RSI-systeem kent
ongeveer dezelfde beperkingen als het menselijk oog – kijk voor meer informatie op
pagina 181.
Borden die indirect informeren over snelheidsbeperkingen, zoals naamborden van
steden/dorpen, worden niet geregistreerd
door het RSI-systeem.
U kunt aangeven of u een waarschuwing wilt
krijgen bij het met 5 km/h of meer overschrijden van de snelheidsbeperking. De waarschuwing bestaat uit een tijdelijke knippering
van het symbool voor de maximumsnelheid
als de snelheid wordt overschreden.
Om Speed Alert in te schakelen:
•
Vink de optie Snelheidswaarschuwing
(Speed Alert) aan in Instellingen Autoinstellingen Snelheidswaarschuwing
en verlaat het menu met EXIT.
Hieronder volgen andere voorbeelden die de
werking kunnen storen:
•
•
•
•
•
04
Verbleekte borden
Borden in een bocht
Verdraaide of beschadigde borden
Verscholen of slecht geplaatste borden
Borden die deels of geheel zijn bedekt
met ijs, sneeuw en/of vuil.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
149
04 Bestuurdersondersteuning
Snelheidsbegrenzer*
04
Algemene informatie over
snelheidsbegrenzer
Activeren en maximumsnelheid aanpassen.
Een snelheidsbegrenzer (Speed Limiter) is te
beschouwen als een omgekeerde cruisecontrol – u regelt de snelheid met het gaspedaal,
terwijl de snelheidsbegrenzer voorkomt dat u
per ongeluk de vooraf gekozen/ingestelde
snelheid overschrijdt.
Ingestelde snelheid
Bediening
Snelheidsbegrenzer actief
Inschakelen en activeren
Wanneer de snelheidsbegrenzer actief is, verschijnt op het instrumentenpaneel het bijbehorende symbool (6) samen met een
markering (5) bij de ingestelde maximumsnelheid.
Zowel tijdens het rijden als bij stilstand is het
mogelijk een maximumsnelheid in te stellen
en op te slaan in het geheugen.
Bij stilstand
1. Druk op de stuurtoets
om de snelheidsbegrenzer in te schakelen.
2. Druk meerdere malen op de toets
totdat op het instrumentenpaneel bij de
gewenste maximumsnelheid een
markering (5) verschijnt.
> Nu is de cruisecontrol actief en de
gekozen maximumsnelheid is opgeslagen in het geheugen.
Snelheid wijzigen
Om de opgeslagen snelheid te wijzigen:
•
Tijdens het rijden
1. Druk op de stuurtoets
om de snelheidsbegrenzer in te schakelen.
> Het symbool (6) voor de snelheidsbegrenzer gaat branden op het instrumentenpaneel.
Stuurtoetsen en instrumentpaneel (Digital c.q.
Analog).
Snelheidsbegrenzer - Aan/Uit.
De stand-bystand wordt beëindigd en de
ingestelde snelheid wordt hervat.
Stand-by zetten
150
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
2. Wanneer de auto op de gewenste maximumsnelheid rijdt: Druk op een van de
of
, totdat op het
stuurtoetsen
instrumentenpaneel bij de gewenste
maximumsnelheid een markering (5) verschijnt.
> Nu is de cruisecontrol actief en de
gekozen maximumsnelheid is opgeslagen in het geheugen.
Stel af met een korte druk op
of
elke druk zorgt voor +/- 5 km/h. De laatst
verrichte aanpassing wordt in het geheugen opgeslagen.
Om +/- 1 km/h af te stellen:
•
Houd de knop ingedrukt en laat los als op
het instrumentenpaneel bij de gewenste
maximumsnelheid een markering (5) verschijnt.
Tijdelijk deactiveren – stand-bystand
Om de snelheidsbegrenzer tijdelijk te deactiveren en stand-by te zetten:
–
Druk op
.
04 Bestuurdersondersteuning
Snelheidsbegrenzer*
> De markering (5) op het instrumentenpaneel verkleurt van GROEN naar WIT
(Digital) of van WIT naar GRIJS (Analog), waarna u tijdelijk de ingestelde
maximumsnelheid kunt overschrijden.
U kunt de snelheidsbegrenzer opnieuw
inschakelen met een druk op
,
waarna de markering (5) verkleurt van
WIT naar GROEN (Digital) of van
GRIJS naar WIT (Analog) om aan te
geven dat er opnieuw een maximumsnelheid voor de auto geldt.
Tijdelijk deactiveren met gaspedaal
De snelheidsbegrenzer is ook met het gaspedaal stand-by te zetten, bijvoorbeeld om in
noodgevallen snel te kunnen accelereren:
–
Trap het gaspedaal volledig in.
> Op het instrumentenpaneel staat de
opgeslagen maximumsnelheid met een
gekleurde markering (5) en u kunt de
ingestelde maximumsnelheid tijdelijk
overschrijden – de markering (5) verkleurt dan van GROEN naar WIT (Digital) of van WIT naar GRIJS (Analog).
De snelheidsbegrenzer wordt automatisch opnieuw geactiveerd nadat u het
gaspedaal hebt losgelaten en de auto
is afgeremd tot een snelheid onder de
gekozen/opgeslagen maximumsnelheid – de markering (5) verkleurt van
WIT naar GROEN (Digital) of van
GRIJS naar WIT (Analog) en de maximumsnelheid van de auto is opnieuw
van kracht.
Alarm overschrijding snelheid
Op steile aflopende hellingen volstaat de
motorrem mogelijk niet zodat de gekozen
maximumsnelheid wordt overschreden. U
wordt in dat geval hierop geattendeerd door
een geluidssignaal.
snelheid is vervolgens uit het geheugen gewist, waarna deze niet meer te
.
hervatten is met de toets
U kunt daarna weer zonder beperkingen de snelheid regelen met het gaspedaal.
04
Het signaal is hoorbaar totdat u de auto hebt
afgeremd tot een snelheid onder de gekozen
maximumsnelheid.
N.B.
Het alarm wordt pas na 5 seconden geactiveerd, als de snelheid met minimaal
3 km/h wordt overschreden en de afgelopen 30 seconden geen van de toetsen
of
werd bediend.
Uitschakelen
Om de snelheidsbegrenzer uit te schakelen:
–
Druk op de stuurtoets
.
> Het snelheidsbegrenzersymbool (6) op
het instrumentenpaneel en de markering voor de ingestelde snelheid (5)
doven. De gekozen en opgeslagen
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
151
04 Bestuurdersondersteuning
Cruisecontrol*
Algemene informatie over CC
Bediening
De cruisecontrol (CC – Cruise Control) helpt u
een gelijkmatige snelheid te houden, wat
zorgt voor een comfortabeler rijervaring op
lange ritten op snelwegen en lange, rechte
hoofdwegen met een gelijkmatige verkeersstroom.
WAARSCHUWING
De bestuurder dient altijd rekening te houden met de verkeersomstandigheden en in
te grijpen, wanneer de cruisecontrol geen
passende snelheid en/of afstand aanhoudt.
04
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige
manier bestuurt.
Toetsenset op het stuurwiel en instrumentenpaneel bij een auto zonder cruisecontrol1.
Toetsenset op het stuurwiel en instrumentenpaneel bij een auto net cruisecontrol1.
Cruisecontrol – Aan/Uit.
De stand-bystand wordt beëindigd en de
ingestelde snelheid wordt hervat.
Stand-by zetten
Activeren en snelheid aanpassen.
Gekozen snelheid (GRIJS = stand-by).
Cruisecontrol actief – WIT symbool
(GRIJS = stand-by).
Activeren en snelheid instellen
Om de cruisecontrol aan te zetten:
•
1
152
Een Volvo-dealer kan u informeren over wat er op uw markt geldt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Druk op de stuurtoets
04 Bestuurdersondersteuning
Cruisecontrol*
>
Het cruisecontrolsymbool (6) op het
instrumentenpaneel verkleurt van GRIJS
naar WIT om aan te geven dat de cruisecontrol stand-by staat.
Om de cruisecontrol in te schakelen:
•
>
Wanneer u tijdelijk gas geeft via het gaspedaal zoals bij een inhaalmanoeuvre, blijft de
instelling van de cruisecontrol ongewijzigd –
de auto hervat de ingestelde snelheid zodra u
het gaspedaal loslaat.
Druk bij de gewenste snelheid op de
of
.
stuurtoets
N.B.
Als u een knop van de cruisecontrol meerdere minuten ingedrukt houdt, wordt de
cruisecontrol geblokkeerd en uitgeschakeld. Om de cruisecontrol weer te kunnen
activeren, moet de auto stilstaan en de
motor worden herstart.
De actuele snelheid wordt in het geheugen opgeslagen en de markering (5) op
het instrumentenpaneel brandt bij de
ingestelde snelheid.
N.B.
De cruisecontrol kan niet worden ingeschakeld bij snelheden lager dan 30 km/h.
Tijdelijk deactiveren – stand-bystand
Om de cruisecontrol tijdelijk uit te schakelen
en stand-by te zetten:
Snelheid wijzigen
•
Druk op
Om de opgeslagen snelheid te wijzigen:
>
De markering (5) en het symbool (6) op
het instrumentenpaneel verkleuren van
WIT naar GRIJS.
•
Stel af met een korte druk op
of
elke druk zorgt voor +/- 5 km/h. De laatst
verrichte aanpassing wordt in het geheugen opgeslagen.
.
Automatische stand-bystand
Om +/- 1 km/h af te stellen:
De cruisecontrol wordt tijdelijk uitgeschakeld
en stand-by gezet, als:
•
•
de wielen hun grip op het wegdek verliezen
•
het rempedaal wordt bediend
2
Houd de knop ingedrukt en laat los bij de
gewenste snelheid.
•
•
de snelheid daalt tot onder ca. 30 km/h
het koppelingspedaal meer dan 1 minuut2
lang wordt bediend
•
de keuze-/schakelhendel in de neutrale
stand N wordt gezet (automatische versnellingsbak)
•
u meer dan 1 minuut lang een hogere
snelheid aanhoudt dan ingesteld.
U dient vervolgens zelf uw snelheid aan te
passen.
04
Ingestelde snelheid hervatten
Om de cruisecontrol te heractiveren vanuit
stand-by:
•
Druk op de stuurtoets
>
De markering (5) en het symbool (6) op
het instrumentenpaneel verkleuren van
GRIJS naar WIT en de laatst ingestelde
snelheid wordt hervat.
.
N.B.
Nadat de snelheid weer met
is hervat,
kan er een markante snelheidstoename
volgen.
Bij ontkoppelen en opschakelen of terugschakelen wordt de cruisecontrol niet stand-by gezet.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
153
04 Bestuurdersondersteuning
Cruisecontrol*
Uitschakelen
De cruisecontrol wordt gedeactiveerd bij
gebruik van de stuurtoets (1) of bij het afzetten van de motor – de ingestelde snelheid
wordt uit het geheugen verwijderd en valt niet
.
langer te hervatten met de toets
04
154
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Bestuurdersondersteuning
Adaptieve cruisecontrol*
Algemene informatie over ACC
De adaptieve cruisecontrol (ACC – Adaptive
Cruise Control) helpt u om een veilige afstand
tot voorliggers te houden. De adaptieve
cruisecontrol biedt u een comfortabeler rijervaring op lange ritten op snelwegen en lange,
rechte hoofdwegen met een gelijkmatige verkeersstroom.
U stelt de gewenste snelheid en het tijdsverschil ten opzichte van de voorligger. Wanneer
de radarsensor een voorligger registreert die
langzamer rijdt dan u, wordt uw snelheid
automatisch aangepast. Wanneer de weg
voor u weer vrij is, hervat de auto de ingestelde snelheid.
Als de auto een voorligger te dicht nadert terwijl de adaptieve cruisecontrol gedeactiveerd
is of stand-by staat, wordt u in plaats daarvan
door Distance Alert (zie pagina 167) geattendeerd op de korte afstand.
WAARSCHUWING
De bestuurder dient altijd rekening te houden met de verkeersomstandigheden en in
te grijpen, wanneer de adaptieve cruisecontrol geen passende snelheid of afstand
aanhoudt.
met een zogeheten file-assistent, zie
pagina 161.
Functie
De adaptieve cruisecontrol leent zich niet
voor alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
Neem dit gedeelte helemaal door om
inzicht te krijgen in de beperkingen van de
adaptieve cruisecontrol en daarmee rekening te kunnen houden, voordat u de
adaptieve cruisecontrol inschakelt.
De bestuurder is er altijd verantwoordelijk
voor dat de juiste afstand en snelheid worden aangehouden, ook bij gebruik van de
adaptieve cruisecontrol.
BELANGRIJK
Laat het onderhoud van de onderdelen van
de adaptieve cruisecontrol over aan een
werkplaats – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
Automatische versnellingsbak
04
Functie-overzicht1.
Waarschuwingslampje – afremmen noodzakelijk
Toetsenset stuurwiel
Radarsensor
De adaptieve cruisecontrol bestaat uit een
cruisecontrol die gekoppeld is aan een
afstandshouder.
Bij auto’s met een automatische versnellingsbak is de adaptieve cruisecontrol uitgebreid
1
N.B. De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
155
04 Bestuurdersondersteuning
Adaptieve cruisecontrol*
WAARSCHUWING
De adaptieve cruisecontrol is geen systeem dat botsingen voorkomt. Grijp zelf in
zodra u merkt dat het systeem een voorligger niet registreert.
De adaptieve cruisecontrol reageert niet
op voetgangers of dieren noch op kleinere
voertuigen, zoals fietsen of motorfietsen
e.d. Tegenliggers, langzaam rijdende en
stilstaande voertuigen of vaste obstakels
worden eveneens genegeerd.
04
Gebruik de adaptieve cruisecontrol niet in
stadsverkeer of verkeersdrukte, op kruisingen, bij gladheid, hevige regen- of sneeuwval of slecht zicht en evenmin op weggedeelten met een dikke laag water of
sneeuwmodder, op bochtige wegen of op
op- en afritten.
De afstand tot het verkeer voor u wordt in
principe gemeten met een radarsensor. De
cruisecontrol regelt de snelheid door de stand
van de gasklep aan te passen en zo nodig af
te remmen. Het is volkomen normaal dat de
remmen enige geluiden produceren, wanneer
de adaptieve cruisecontrol ze aanspreekt.
WAARSCHUWING
Het rempedaal beweegt als de cruisecontrol remt. Laat uw voet niet onder het rempedaal rusten, aangezien deze dan
bekneld raakt.
De adaptieve cruisecontrol streeft ernaar de
door u ingestelde volgtijd ten opzichte van
voorliggers in dezelfde rijstrook aan te houden. Als de radarsensor geen voorligger
registreert, houdt de auto in plaats daarvan
de snelheid aan die op de cruisecontrol werd
ingesteld. Dit gebeurt ook als de snelheid van
de voorligger de ingestelde snelheid van de
adaptieve cruisecontrol overschrijdt.
De adaptieve cruisecontrol streeft ernaar de
snelheid zo weinig mogelijk aan te passen. In
situaties waarin krachtig moet worden
geremd, dient u dan ook zelf te remmen. Dit
is bijvoorbeeld het geval bij grote snelheidsverschillen of als het voertuig dat voor u rijdt
krachtig remt. Door beperkingen van de
radarsensor is het mogelijk dat er onverwachts of helemaal niet wordt geremd (zie
pagina 162).
De adaptieve cruisecontrol is te activeren om
een volgtijd aan te houden ten opzichte van
een voorligger bij snelheden vanaf 30 km/h2
2
156
De file-assistent (auto’s met een automatische versnellingsbak) kan een interval aan van 0–200 km/h, zie pagina 161.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
tot een maximumsnelheid van 200 km/h. Als
de snelheid tot onder 30 km/h daalt of als het
motortoerental te laag wordt, wordt de
cruisecontrol stand-by gezet, waarna er niet
langer automatisch wordt afgeremd – u moet
dan zelf remmen om een veilige afstand te
houden tot voorliggers.
Waarschuwingslampje – afremmen
noodzakelijk
Het remvermogen van de adaptieve cruisecontrol bedraagt meer dan 40 % van de
totale remcapaciteit van de auto.
Als de auto harder moet worden afgeremd
dan de cruisecontrol aankan en u remt zelf
niet bij, dan maakt de cruisecontrol u er middels het waarschuwingslampje van Collision
Warning en een waarschuwingsgeluid (zie de
afbeelding op pagina 176) attent op dat u
onmiddellijk moet ingrijpen.
N.B.
Bij felle zon of bij gebruik van een zonnebril kan het waarschuwingslampje moeilijk
te zien zijn.
04 Bestuurdersondersteuning
Adaptieve cruisecontrol*
WAARSCHUWING
MET Snelheidsbegrenzer
ZONDER Snelheidsbegrenzer
De cruisecontrol waarschuwt alleen voor
voertuigen die de radarsensor heeft gedetecteerd. Daarom kan de waarschuwing
uitblijven of met een bepaalde vertraging
plaatsvinden. Wacht een waarschuwing
niet af, maar rem als dat nodig is.
Steile wegen en/of zware belading
Let erop dat de adaptieve cruisecontrol in
eerste instantie bestemd is voor gebruik tijdens ritten op vlakke weggedeelten. De
cruisecontrol heeft mogelijk moeite om de
juiste volgafstand ten opzichte van voorliggers aan te houden bij ritten op steile hellingen omlaag, bij vervoer van zware lading of
met een aanhanger/caravan achter de auto –
blijf dan extra alert en rem zo nodig zelf.
Bediening
De toetsenset op het stuurwiel verschilt,
afhankelijk van of de auto wel of niet is uitgerust met een Snelheidsbegrenzer3.
3
04
Cruisecontrol – Aan/Uit.
De stand-bystand wordt beëindigd en de
ingestelde snelheid wordt hervat.
De stand-bystand wordt beëindigd en de
ingestelde snelheid wordt hervat.
Cruisecontrol – Aan/Uit of stand-bystand.
Stand-by zetten
Volgtijd – Verlengen/verkorten.
Volgtijd – Verlengen/verkorten.
Activeren en snelheid aanpassen.
Activeren en snelheid aanpassen.
(Wordt niet gebruikt)
Groene markering bij opgeslagen snelheid (WIT = stand-by).
Groene markering bij opgeslagen snelheid (WIT = stand-by).
Volgtijd
Volgtijd
ACC is actief bij GROEN symbool (WIT =
stand-by).
ACC is actief bij GROEN symbool (WIT =
stand-by).
Een Volvo-dealer kan u informeren over wat er op uw markt geldt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
157
04 Bestuurdersondersteuning
Adaptieve cruisecontrol*
Activeren en snelheid instellen
Tegelijkertijd wordt een snelheidsinterval gemarkeerd:
Om de cruisecontrol aan te zetten:
•
04
• de hogere snelheid met de
GROENE markering (6) is de
voorgeprogrammeerde snelheid
Druk op de stuurtoets
– op het instrumentenpaneel (6) gaat een vergelijkbaar
WIT symbool branden om aan te geven
dat de cruisecontrol stand-by staat.
Om de cruisecontrol in te schakelen:
•
Druk bij de gewenste snelheid op de
stuurtoets
of
.
>
De actuele snelheid wordt opgeslagen in
het geheugen, het instrumentenpaneel
toont korte tijd een ‘vergrootglas’ rond de
gekozen snelheid en de bijbehorende
markering (6) verkleurt van WIT naar
GROEN.
• de lagere snelheid is de snelheid van de
voorligger.
In bepaalde situaties is het niet mogelijk de
adaptieve cruisecontrol te activeren. Op
het instrumentenpaneel verschijnt dan
ACC niet beschikbaar, zie pagina 165.
Snelheid wijzigen
Om de opgeslagen snelheid te wijzigen:
•
Stel af met een korte druk op
of
elke druk zorgt voor +/- 5 km/h. De laatst
verrichte aanpassing wordt in het geheugen opgeslagen.
Als u de snelheid verhoogt met het gas/
indrukt,
pedaal voordat u de knop
slaat de cruisecontrol de actuele rijsnelheid op die geldt bij het indrukken van de
knop.
Als dit symbool van WIT naar
GROEN verkleurt, is de cruisecontrol actief en houdt deze de auto op
de ingestelde snelheid.
Alleen als het symbool voor
een ander voertuig verschijnt, wordt de afstand tot
de voorligger geregeld door
de cruisecontrol.
N.B.
Als u een knop van de cruisecontrol meerdere minuten ingedrukt houdt, wordt de
cruisecontrol geblokkeerd en uitgeschakeld. Om de cruisecontrol weer te kunnen
activeren, moet de auto stilstaan en de
motor worden herstart.
Om +/- 1 km/h af te stellen:
•
Houd de knop ingedrukt en laat los bij de
gewenste snelheid.
Volgtijd instellen
U kunt verschillende volgtijden ten opzichte van voorliggers kiezen en deze worden
op het instrumentenpaneel
weergegeven met 1–5 horizontale streepjes – hoe meer
streepjes, hoe langer de
volgtijd. Eén streepje komt overeen met
ca. 1 seconde ten opzichte van de voorligger
en 5 streepjes met ca. 3 seconden.
Om de volgtijd in te stellen/te wijzigen:
•
Draai aan het duimwiel van de stuurtoetsenset (of gebruik de knoppen
/
voor
auto zonder cruisecontrol).
Bij lage snelheden (en korte tijden) vergroot
de adaptieve cruisecontrol de volgtijd iets.
158
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Bestuurdersondersteuning
Adaptieve cruisecontrol*
Om voorliggers soepel en comfortabel te kunnen blijven volgen staat de adaptieve cruisecontrol in bepaalde situaties aanzienlijke
variaties in de volgtijd toe.
Let erop dat korte volgtijden u bij plotselinge
wijzigingen in de verkeersstroom minder tijd
geven om te reageren en in te grijpen.
Hetzelfde symbool verschijnt ook wanneer
Distance Alert geactiveerd is, zie pagina 167.
N.B.
Houd alleen een volgtijd aan die niet in
strijd is met de geldende verkeersregels.
Als de cruisecontrol bij activering niet lijkt
te reageren, kan dat komen doordat de
volgtijd tot de voorligger een snelheidstoename belet.
Hoe hoger de snelheid, hoe langer de
volgafstand in meters voor een bepaalde
volgtijd.
Tijdelijk deactiveren – stand-bystand
Dit symbool en de markering voor de
ingestelde snelheid verkleuren dan
van GROEN naar WIT.
Toetsenset zonder snelheidsbegrenzer*
Om de cruisecontrol tijdelijk uit te schakelen
en stand-by te zetten:
•
Druk op de stuurtoets
.
Stand-bystand door actief ingrijpen van
uw kant
•
•
het rempedaal wordt bediend
het koppelingspedaal meer dan 1 minuut4
lang wordt bediend
Automatische deactivering is mogelijk, wanneer:
•
de keuze-/schakelhendel in de neutrale
stand N wordt gezet (automatische versnellingsbak)
•
•
•
De adaptieve cruisecontrol wordt tijdelijk
gedeactiveerd en automatisch stand-by
gezet, als:
•
u meer dan 1 minuut lang een hogere
snelheid aanhoudt dan ingesteld.
U dient vervolgens zelf uw snelheid aan te
passen.
•
Wanneer u tijdelijk gas geeft via het gaspedaal zoals bij een inhaalmanoeuvre, blijft de
instelling van de cruisecontrol ongewijzigd –
4
5
Automatische stand-bystand
De adaptieve cruisecontrol is afhankelijk van
andere systemen zoals DSTC (zie
pagina 144). Als een van dergelijke systeem
uitvalt, wordt de cruisecontrol automatisch
uitgeschakeld.
Bij automatische deactivering klinkt een
waarschuwingssignaal en op het instrumentenpaneel verschijnt de melding ACC
gedeactiveerd. U moet in dat geval zelf
ingrijpen om de snelheid en afstand ten
opzichte van de voorligger aan te passen.
Om de adaptieve cruisecontrol tijdelijk uit te
schakelen en stand-by te zetten:
Druk op de stuurtoets
de auto hervat de laatst ingestelde snelheid
zodra u het gaspedaal loslaat.
•
•
04
de bestuurder het portier opent
de bestuurder zijn/haar gordel afdoet
het toerental van de motor te laag/hoog
wordt
de snelheid gedaald is tot onder 30 km/h5
de wielen hun grip op het wegdek verliezen
Bij ontkoppelen en opschakelen of terugschakelen wordt de cruisecontrol niet stand-by gezet.
Geldt niet voor een auto met file-assistent – bij een dergelijke auto werkt het systeem tot aan stilstand.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
159
04 Bestuurdersondersteuning
Adaptieve cruisecontrol*
•
•
de remmen een hoge temperatuur hebben
de radarsensor wordt gehinderd door
natte sneeuw of hevige regenval (de
radargolven worden geblokkeerd).
Ingestelde snelheid hervatten
04
Een adaptieve cruisecontrol in stand-bystand
is opnieuw te activeren bij een druk op de
stuurtoets
– in dat geval wordt de laatst
ingestelde snelheid hervat.
N.B.
Nadat de snelheid weer met
is hervat,
kan er een markante snelheidstoename
volgen.
Een ander voertuig inhalen
Als de auto een ander voertuig volgt en u met
de richtingaanwijzer6 aangeeft te willen inhalen, helpt de adaptieve cruisecontrol door de
auto kort te versnellen ten opzichte van de
voorligger.
WAARSCHUWING
Let erop dat deze functie bij meer situaties
dan bij inhalen kan worden geactiveerd,
bijv. als de richtingaanwijzer wordt
gebruikt om het wisselen van rijbaan of
een afslag naar een andere weg aan te
geven. De auto accelereert dan kort.
160
Toetsenset met snelheidsbegrenzer
De adaptieve cruisecontrol schakelt uit met
een korte druk op de stuurtoets
. Daarbij
wordt de ingestelde snelheid gewist waarna
deze niet meer te hervatten is met de toets
.
Toetsenset zonder snelheidsbegrenzer
Bij kort indrukken van de stuurtoets
zet u
de adaptieve cruisecontrol stand-by. Bij nogmaals indrukken schakelt u de cruisecontrol
uit. Daarbij wordt de ingestelde snelheid
gewist waarna deze niet meer te hervatten is
.
met de toets
Alleen bij richtingaanwijzer naar links in een auto met het stuur links of richtingaanwijzer naar rechts in auto met het stuur rechts.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
•
Druk lang op de stuurtoets
– het symbool op het instrumentenpaneel verkleurt
naar
.
van
>
Nu is de standaard cruisecontrol CC
(Cruise
Control) geactiveerd, zie pagina 152.
Uitschakelen
De functie werkt bij snelheden
hoger dan 70 km/h.
6
Wisselen van ACC naar CC
Met een druk op de knop kan het adaptieve
deel (afstandshouder) van de adaptieve
cruisecontrol worden gedeactiveerd, waarna
de auto alleen de ingestelde snelheid aanhoudt.
WAARSCHUWING
Na een wisseling van ACC naar CC remt
de auto niet langer automatisch - deze
volgt alleen de ingestelde snelheid.
Wisselen van CC naar ACC
Schakel CC uit door 1–2 keer te drukken op
, zie het vorige kopje ‘Uitschakelen’. De
volgende keer dat u het systeem inschakelt,
wordt ACC geactiveerd.
04 Bestuurdersondersteuning
Adaptieve cruisecontrol*
File-assistent
De file-assistent biedt de volgende functies:
•
•
•
Uitgebreid snelheidsinterval – ook onder
30 km/h en stilstaand
Van doelvoertuig veranderen
Beëindiging automatische remfunctie bij
stilstand
Let erop dat 30 km/h de minimumsnelheid is
waarop de adaptieve cruisecontrol kan worden ingesteld – ook al kan de cruisecontrol
een voorligger volgen tot aan stilstand, is het
niet mogelijk een lagere snelheid te kiezen.
Groter snelheidsinterval
N.B.
Om de cruisecontrol te kunnen activeren
moet u het bestuurdersportier hebben
gesloten en de veiligheidsgordel hebben
omgedaan.
Met een automatische versnellingsbak kan de
adaptieve cruisecontrol een ander voertuig
volgen in het interval 0–200 km/h.
Van doelvoertuig veranderen
N.B.
Bij auto’s met een automatische versnellingsbak is de adaptieve cruisecontrol aangevuld
met de functie file-assistent (ook wel "Queue
Assist" genoemd).
Om de cruisecontrol te kunnen activeren
bij een snelheid onder 30 km/h mag er binnen redelijke afstand geen voorligger te
bekennen zijn.
Na korte stops tot ca. 3 seconden tijdens filerijden of voor verkeerslichten rijdt de auto
automatisch verder. Duurt het langer voordat
een voorligger weer gaat rijden, dan wordt de
cruisecontrol in de stand-bystand met automatische remfunctie gezet. U dient deze vervolgens op een van de volgende manieren
opnieuw te activeren:
•
Druk op de stuurtoets
.
of
•
Trap het gaspedaal in.
>
De cruisecontrol zal dan de voorligger
opnieuw volgen.
N.B.
De file-assistent kan de auto maximaal
4 minuten stilstaand houden - daarna lossen de remmen.
Voor meer informatie, zie het volgende
kopje "Stoppen van automatisch remmen
bij stilstaand voertuig".
Als het actuele doelvoertuig plotseling afslaat,
kan het gebeuren dat een stilstaande voorligger
het nieuwe doelvoertuig wordt.
04
Wanneer de adaptieve cruisecontrol eerst een
rijdende voorligger volgt bij snelheden lager
dan 30 km/h, vervolgens van doelvoertuig
verandert en een stilstaand voertuig volgt, zal
de cruisecontrol voor het stilstaande voertuig
remmen.
WAARSCHUWING
Wanneer de cruisecontrol een rijdende
voorligger volgt bij snelheden boven
30 km/h, van doelvoertuig verandert en
vervolgens een stilstaand voertuig volgt,
zal de cruisecontrol het stilstaande voertuig negeren en de opgeslagen snelheid
aanhouden.
•
U dient dan zelf in te grijpen en te remmen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
161
04 Bestuurdersondersteuning
Adaptieve cruisecontrol*
Automatische stand-bystand bij
wijziging van doelvoertuig
BELANGRIJK
De file-assistent kan de auto maximaal
4 minuten stilstaand houden - daarna lossen de remmen.
De adaptieve cruisecontrol wordt uitgeschakeld en stand-by gezet:
•
04
•
wanneer u langzamer rijdt dan 5 km/h en
de cruisecontrol niet kan registreren of
het doelobject een stilstaand voertuig is
of een ander object, zoals een verkeersdrempel.
In de volgende situaties onderbreekt de fileassistent automatisch remmen bij stilstaand
voertuig:
de bestuurder het portier opent
de bestuurder zijn/haar gordel afdoet
Dat betekent dat de remmen worden gelost
en de auto begint te rollen – u moet daarom
ingrijpen en zelf remmen om de auto op zijn
plaats te houden.
162
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Bij modificatie van de radarsensor is het
mogelijk dat het gebruik ervan onwettig
wordt.
1. Akoestisch alarm (belsignaal) en een
displaymelding.
wanneer u langzamer rijdt dan 5 km/h en
de voorligger afslaat, zodat de cruisecontrol geen voorligger meer heeft om te volgen.
Stoppen van automatisch remmen bij
stilstaand voertuig
•
•
U wordt hierop in meerdere stappen met
een toenemende intensiteit attent
gemaakt:
De radarsensor dient om personenauto’s of
grotere voertuigen te registreren die in
dezelfde richting als u en in dezelfde rijstrook
rijden.
2. Er komt een knipperend waarschuwingslampje in de voorruit bij.
3. Er komt "hakkend" remmen bij.
De file-assistent lost het rempedaal en staat
ook in deze situaties stand-by:
•
•
•
•
u het rempedaal bedient
u de keuzehendel in stand P, N of R zet
u de cruisecontrol stand-by zet
u de parkeerrem aanzet.
Radarsensor en de beperkingen ervan
De radarsensor wordt, naast de adaptieve
cruisecontrol, ook gebruikt door de functies:
•
Collision Warning met Auto Brake,zie
pagina 176
•
Afstandswaarschuwing, zie pagina 167.
BELANGRIJK
Bij zichtbare schade aan de grille van de
auto of het vermoeden dat de radarsensor
beschadigd is:
•
Neem contact op met een werkplaats
– geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
Als de grille, de radarsensor of de console
ervan beschadigd of losgeraakt is, kan de
functie ervan geheel of gedeeltelijk wegvallen of storingen vertonen.
04 Bestuurdersondersteuning
Adaptieve cruisecontrol*
WAARSCHUWING
WAARSCHUWING
De bestuurder dient altijd rekening te houden met de verkeersomstandigheden en in
te grijpen, wanneer de adaptieve cruisecontrol geen passende snelheid of afstand
aanhoudt.
De adaptieve cruisecontrol is geen systeem dat botsingen voorkomt. Grijp zelf in
zodra u merkt dat het systeem een voorligger niet registreert.
De adaptieve cruisecontrol reageert niet
op voetgangers of dieren noch op kleinere
voertuigen, zoals fietsen of motorfietsen
e.d. Tegenliggers, langzaam rijdende en
stilstaande voertuigen of vaste obstakels
worden eveneens genegeerd.
De adaptieve cruisecontrol leent zich niet
voor alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
Neem dit gedeelte helemaal door om
inzicht te krijgen in de beperkingen van de
adaptieve cruisecontrol en daarmee rekening te kunnen houden, voordat u de
adaptieve cruisecontrol inschakelt.
Accessoires of andere voorwerpen, zoals
bijv. verstralers, mogen niet vóór de grille
worden gemonteerd.
als de snelheid van de voorligger te veel
afwijkt van die van uw eigen auto.
Voorbeeldsituaties waarin de
cruisecontrol niet optimaal werkt
De radarsensor heeft een beperkt bereik. In
bepaalde gevallen wordt een voertuig niet
ontdekt of later dan verwacht.
04
Gebruik de adaptieve cruisecontrol niet in
stadsverkeer of verkeersdrukte, op kruisingen, bij gladheid, hevige regen- of sneeuwval of slecht zicht en evenmin op weggedeelten met een dikke laag water of
sneeuwmodder, op bochtige wegen of op
op- en afritten.
De bestuurder is er altijd verantwoordelijk
voor dat de juiste afstand en snelheid worden aangehouden, ook bij gebruik van de
adaptieve cruisecontrol.
WAARSCHUWING
•
De radarsensor heeft veel meer moeite om
een voertuig voor u te ontdekken:
•
als de radarsensor gehinderd wordt door
bijvoorbeeld hevige regenval of als
sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken.
N.B.
Houd het oppervlak vóór de radarsensor
schoon - zie "Onderhoud" op pagina 180
Blikveld van de ACC.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
163
04 Bestuurdersondersteuning
Adaptieve cruisecontrol*
Soms kan de radarsensor een voertuig op
korte afstand pas laat registreren, bijvoorbeeld als een inhalend voertuig invoegt
tussen u en uw voorligger.
Ook kleine voertuigen, zoals motorfietsen
of voertuigen die niet in het midden van
de rijstrook rijden, kunnen onopgemerkt
blijven.
04
164
In bochten kan de radarsensor op het
verkeerde voertuig reageren of een eerder
opgemerkt voertuig uit het zicht verliezen.
Storingen opsporen en verhelpen
Als op het instrumentenpaneel de melding
Radar afgedekt Zie instructieb. verschijnt,
worden de radarsignalen van de radarsensor
gehinderd zodat voorliggers niet kunnen worden geregistreerd.
Dit betekent dat noch de adaptieve cruisecontrol noch Distance Alert en Collision Warning met Auto Brake werken.
In de volgende tabel staan voorbeelden van
mogelijke oorzaken van het verschijnen van
de melding en passende maatregelen.
Oorzaak
Maatregel
Het radaroppervlak van de grille is vuil of bedekt met sneeuw of
ijs.
Ontdoe het radaroppervlak van de grille van vuil, sneeuw en ijs.
De radarsignalen worden gehinderd door hevige regen- of sneeuwval.
Valt niets aan te doen. Bij hevige neerslag werkt de radar soms niet.
De radarsignalen worden gehinderd door opspattend water en
opdwarrelende sneeuw van het wegdek.
Valt niets aan te doen. Op weggedeelten met een dikke laag water of
sneeuw werkt de radar soms niet.
De melding blijft ook na schoonmaak van het radaroppervlak
staan.
Wacht even. Het kan enige minuten duren voordat de radar doorheeft dat
de radarsignalen niet langer worden geblokkeerd.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Bestuurdersondersteuning
Adaptieve cruisecontrol*
Symbolen en tekstmeldingen
SymboolA
Melding
Betekenis
Het lampje is WIT
De adaptieve cruisecontrol staat stand-by.
Het lampje is GROEN
De auto houdt de opgeslagen snelheid aan.
De standaard cruisecontrol is handmatig gekozen.
DSTC normaal voor ACC
De adaptieve cruisecontrol kan pas worden geactiveerd als DSTC in de normale stand is gezet –
zie pagina 144.
ACC gedeactiveerd
De adaptieve cruisecontrol werd gedeactiveerd – u dient zelf uw snelheid aan te passen.
ACC niet beschikbaar
De adaptieve cruisecontrol kan niet worden geactiveerd.
04
Dit kan onder meer gebeuren wanneer:
•
•
Radar afgedekt Zie
instructieb.
de remmen een hoge temperatuur hebben
de radarsensor wordt gehinderd door natte sneeuw of regen.
De adaptieve cruisecontrol werkt tijdelijk niet.
•
De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren. Bijvoorbeeld wanneer deze wordt
gehinderd door hevige regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken.
U kunt dan kiezen voor de standaard cruisecontrol (CC), zie pagina 160 – een tekstmelding informeert over passende alternatieven.
Voor meer informatie over de beperkingen van de radarsensor, zie pagina 162.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
165
04 Bestuurdersondersteuning
Adaptieve cruisecontrol*
SymboolA
Melding
Betekenis
ACC Service vereist
De adaptieve cruisecontrol werkt niet.
•
Remmen om stil te blijven
staan + akoestisch alarm +
waarschuwingslampje aan
binnenkant voorruit + ‘schokkerig’ remmen
04
Neem contact op met een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
De auto staat stil en de adaptieve cruisecontrol lost het rempedaal, waarna de auto direct begint te
rollen.
•
U moet zelf remmen. De melding blijft staan en het geluidssignaal klinkt, totdat u het rempedaal
of gaspedaal bedient.
(Alleen auto met file-assistent)
Onder 30 km/h alleen volgen
Verschijnt wanneer u de adaptieve cruisecontrol probeert te activeren bij een snelheid onder
30 km/h en er geen voorligger binnen de activeringsafstand (ca. 30 meter) te bekennen is.
(Alleen auto met file-assistent)
A
166
De symbolen zijn schematisch.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Bestuurdersondersteuning
Afstandswaarschuwing*
Algemeen
De afstandswaarschuwing (Distance Alert) is
een functie die u inlicht over de volgtijd ten
opzichte van de voorligger.
Distance Alert is actief bij snelheden hoger
dan 30 km/h en reageert uitsluitend op voorliggers die in dezelfde richting als u rijden.
Voor voertuigen die langzaam in tegengestelde richting rijden of stilstaan wordt geen
afstandsinformatie gegeven.
N.B.
De afstandswaarschuwing is uitgeschakeld, zolang de adaptieve cruisecontrol
actief is.
WAARSCHUWING
Distance Alert reageert alleen, als de
afstand tot voorliggers korter is dan de
ingestelde waarde – de rijsnelheid wordt
niet aangepast.
lampje in de schakelaar geeft aan dat de
functie geactiveerd is.
Bij bepaalde combinaties van opties is er
geen plek vrij voor een knop op de middenconsole – in dat geval is de functie te bedienen via het menusysteem MY CAR, onder
Instellingen Auto-instellingen
Afstandswaarschuwing. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie pagina 217.
Volgtijd instellen
04
Bediening
Oranje waarschuwingslampje1.
Er brandt continu een oranje waarschuwingslampje op de voorruit, als de afstand tot de
voorligger gelijk is aan de ingestelde volgtijd.
1
Bedieningselementen en symbool voor volgtijd.
Volgtijd – Verlengen/verkorten.
Met de knop op de middenconsole kunt u de
functie in- en uitschakelen. Het brandende
Volgtijd - Aan.
N.B. De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
167
04 Bestuurdersondersteuning
Afstandswaarschuwing*
U kunt verschillende volgtijden ten opzichte van voorliggers kiezen en deze worden
op het instrumentenpaneel
weergegeven met 1–5 horizontale streepjes – hoe meer
streepjes, hoe langer de
volgtijd. Eén streepje komt overeen met
ca. 1 seconde ten opzichte van de voorligger
en 5 streepjes met ca. 3 seconden.
04
Hetzelfde symbool verschijnt ook wanneer de
adaptieve cruisecontrol geactiveerd is.
N.B.
Hoe hoger de snelheid, hoe langer de
volgafstand in meters voor een bepaalde
volgtijd.
De ingestelde volgtijd wordt ook gebruikt
door de adaptieve cruisecontrol, zie
pagina 155.
Houd alleen een volgtijd aan die niet in
strijd is met de geldende verkeersregels.
168
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
N.B.
Beperkingen
Het systeem maakt gebruik van dezelfde
radarsensor als de adaptieve cruisecontrol en
de Collision Warning met Auto Brake. Voor
meer informatie de radarsensor en de beperkingen ervan, zie pagina 162.
In de felle zon en bij lichtschitteringen of
grote variaties in de lichtsterkte alsook het
gebruik van een zonnebril is het op de
voorruit geprojecteerde waarschuwingslampje soms moeilijk waar te nemen.
In slechte weersomstandigheden en op
slingerende wegen heeft de radarsensor
soms moeite om voorliggers te registreren.
Ook voorliggers met geringe afmetingen
(zoals motorfietsen) zijn soms moeilijk te
ontdekken. Dat kan betekenen dat het
geprojecteerde waarschuwingslampje pas
bij kortere volgtijden oplicht of dat helemaal niet gaat branden.
Op zeer hoge snelheden is het mogelijk
dat het lampje door beperkingen in het
bereik van de sensor op kortere afstand
oplicht.
04 Bestuurdersondersteuning
Afstandswaarschuwing*
Symbolen en tekstmeldingen
SymboolA
Melding
Betekenis
Radar afgedekt Zie
instructieb.
De afstandswaarschuwing werkt tijdelijk niet.
De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren. Bijvoorbeeld wanneer deze wordt gehinderd door
hevige regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken.
Voor meer informatie over de beperkingen van de radarsensor, zie pagina 162.
CWS-systeem Service vereist
A
De afstandswaarschuwing en Collision Warning met Auto Brake werken niet of gedeeltelijk.
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
04
De symbolen zijn schematisch.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
169
04 Bestuurdersondersteuning
City Safety™
Algemeen
City Safety™ is een hulpmiddel om u te helpen een aanrijding te voorkomen tijdens filerijden e.d., waarbij plotselinge wijzigingen in
het verkeer vóór u gekoppeld aan onoplettendheid tot bijna-ongelukken kunnen leiden.
04
De functie die actief is bij een snelheid tot
50 km/h helpt u door automatisch te remmen,
wanneer het gevaar voor een botsing met een
voorligger reëel is en u zelf niet snel genoeg
remt en/of uitwijkt.
City Safety™ wordt geactiveerd in situaties
waar u eigenlijk al veel eerder had moeten
remmen, zodat de functie niet altijd uitkomst
biedt.
City Safety™ is erop gebouwd om zo laat
mogelijk geactiveerd te worden om onnodige
ingrepen te voorkomen.
Gebruik City Safety™ niet om uw rijgedrag
aan te passen – als u er blind op vertrouwt
dat City Safety™ remt, raakt u vroeg of laat
betrokken bij een aanrijding.
U en eventuele passagiers zullen normaal
alleen merken dat City Safety™ actief is,
wanneer een aanrijding dreigt.
170
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Bij auto’s met Collision Warning met Auto
Brake* vullen de beide systemen elkaar aan.
Voor meer informatie over het Collision Warning met Auto Brake, zie pagina 176.
BELANGRIJK
Onderhoud en vervanging van onderdelen
in City Safety™ mogen uitsluitend door
een werkplaats worden uitgevoerd - geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
City Safety™ werkt niet in alle rijsituaties,
verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
City Safety™ reageert niet op voertuigen
die in een andere richting dan de eigen
auto rijden, op kleine voertuigen, op
motorfietsen of op mensen en dieren.
City Safety™ kan botsingen voorkomen bij
een snelheidsverschil lager dan 15 km/h bij een hoger snelheidsverschil kan de
impactsnelheid alleen worden gereduceerd. Voor een volledig remvermogen
moet u zelf het rempedaal intrappen.
Wacht nooit af totdat City Safety™ ingrijpt.
U bent er altijd zelf verantwoordelijk voor
dat u de juiste afstand en snelheid aanhoudt.
04 Bestuurdersondersteuning
City Safety™
Functie
Bij een snelheidsverschil van meer dan
15 km/h tussen de voertuigen kan City
Safety™ een aanrijding niet geheel op eigen
kracht voorkomen – voor het maximale remvermogen dient u zelf het rempedaal te
bedienen. In dat geval is het ook bij snelheidsverschillen groter dan 15 km/h mogelijk
een aanrijding te voorkomen.
bebladerde takken langs de motorkap en
voorruit kunnen schampen.
Na het starten van de motor is City Safety™
op een van de volgende manieren uit te schakelen:
•
Wanneer het systeem ingrijpt en remt, verschijnt op het instrumentenpaneel de melding
dat het systeem actief is/was.
Zend- en ontvangstoog van de lasersensor1.
City Safety™ registreert het verkeer vóór de
auto middels een lasersensor boven aan de
voorruit. Wanneer het gevaar voor een aanrijding reëel is, zal City Safety™ automatisch
remmen, wat aandoet als een krachtige remmanoeuvre.
Bij een snelheidsverschil van 4–15 km/h ten
opzichte van de voorligger kan City Safety™
een aanrijding geheel voorkomen.
City Safety™ start een korte, krachtige remmanoeuvre en zorgt er normaliter voor dat u
net achter uw voorligger tot stilstand komt.
Voor veel bestuurders die dit niet gewend zijn
is een dergelijke remmanoeuvre onprettig.
1
N.B.
Bediening
WAARSCHUWING
N.B.
Aan en Uit
04
De volgende keer dat de motor wordt
gestart is de functie echter weer actief,
ook al stond het systeem uit toen de
motor werd afgezet.
Als City Safety™ remt, gaan de remlichten
branden.
De functie City Safety™ is na het starten
van de motor via sleutelstand I en II (zie
pagina 81 voor de sleutelstanden) altijd
ingeschakeld.
Zoek aan de hand van het menusysteem
van MY CAR op het display van de middenconsole Instellingen Autoinstellingen Rij-assistentiesystemen
City Safety op. Kies de optie Uit. Voor
meer informatie over het menusysteem
MY CAR, zie pagina 217.
De lasersensor zendt laserlicht uit, ook als
City Safety™ handmatig is uitgeschakeld.
Om City Safety™ opnieuw in te schakelen:
•
Volg de dezelfde procedure als bij het uitschakelen, maar kies nu de optie Aan.
Soms is het handig om City Safety™ uit te
kunnen schakelen, bijvoorbeeld wanneer
N.B. De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
171
04 Bestuurdersondersteuning
City Safety™
Beperkingen
De City Safety™-sensor is erop gebouwd om
auto’s en andere voertuigen vóór u te ontdekken, zowel overdag als ’s nachts.
04
De sensor kent echter beperkingen en werkt
bijvoorbeeld minder goed (of zelfs helemaal
niet) bij hevige sneeuw- of regenval, in dichte
mist of in dikke stofwolken of stuifsneeuw.
Condens, vuil, sneeuw en ijs op de voorruit
kunnen voor storingen in de werken zorgen.
Hangende voorwerpen zoals vlaggen/
wimpels die uitstekende lading markeren of
accessoires zoals verstralers en frontbars die
boven de motorkap uitsteken.
Het laserlicht van de sensor in City Safety™
meet hoe het licht reflecteert. De sensor kan
geen obstakels met een gering reflecterend
vermogen waarnemen. De achterkant van
voertuigen weerkaatst veelal voldoende licht
dankzij de kentekenplaat en de achterlichtreflectoren.
Bij gladheid is de remweg langer waardoor
City Safety™ minder goed in staat is aanrijdingen te voorkomen. In dergelijke situaties
zullen het ABS en DSTC voor het maximale
remvermogen zorgen met behoud van de stabiliteit.
Als de eigen auto achteruitrijdt, is City
Safety™ tijdelijk gedeactiveerd.
172
City Safety™ wordt niet geactiveerd op lage
snelheden (onder 4 km/h), wat betekent dat
het systeem niet ingrijpt in situaties waarbij u
een voorligger uiterst langzaam nadert zoals
tijdens het parkeren.
De commando’s die u zelf geeft hebben altijd
voorrang, wat betekent dat City Safety™ niet
ingrijpt in situaties waarbij u duidelijke commando’s geeft via stuurwiel of gaspedaal,
zelfs al is een aanrijding onvermijdelijk.
Nadat City Safety™ een aanrijding met een
stilstaand obstakel heeft voorkomen, blijft de
auto maximaal 1,5 seconde stilstaan. Als de
auto wordt afgeremd wegens een rijdende
voorligger, wordt de snelheid begrensd tot
dezelfde snelheid als die van de voorligger.
Bij een auto met een handgeschakelde versnellingsbak slaat de motor af wanneer City
Safety™ de auto tot stilstand heeft gebracht,
tenzij u er in slaagt om het koppelingspedaal
voor die tijd in te drukken.
N.B.
•
Houd de voorruit in het gebied vóór de
lasersensor vrij van sneeuw, ijs, condens en vuil (zie de afbeelding met de
positie van de sensor op pagina 171).
•
Plak of bevestig geen zaken op de
voorruit vóór de lasersensor
•
Haal sneeuw en ijs van de motorkap –
de laag sneeuw en ijs mag niet dikker
zijn dan 5 cm.
Storingen opsporen en verhelpen
Bij de melding Voorruitsensoren afgedekt
Zie instructieboek op het instrumentenpa-
neel verschijnt, worden de lasersensoren
gehinderd zodat ze geen voorliggers kunnen
registreren. Dit betekent op zijn beurt dat City
Safety™ niet werkt.
De melding Voorruitsensoren afgedekt Zie
instructieboek verschijnt echter niet in alle
situaties waarbij de sensoren gehinderd worden – let er daarom op dat u de voorruit en
vooral het gebied vóór de lasersensor zorgvuldig schoonhoudt.
In de volgende tabel staan mogelijke oorzaken van het verschijnen van de melding en
suggesties voor passende maatregelen.
04 Bestuurdersondersteuning
City Safety™
Oorzaak
Maatregel
Het voorruitoppervlak vóór de lasersensoren is vuil of
bedekt met sneeuw
of ijs.
Ontdoe het voorruitoppervlak vóór
de lasersensor van
vuil, sneeuw en ijs.
Het blikveld van de
lasersensor wordt
gehinderd.
Verwijder het voorwerp dat het zicht
blokkeert.
BELANGRIJK
Als het voorruitoppervlak vóór een van
beide ‘ogen’ barsten, krassen of sterren
vertoont van ca. 0,5 × 3,0 mm (of groter),
neem dan contact op met een erkende
werkplaats om de voorruit te laten vervangen (zie de afbeelding met de positie van
de sensor op pagina 171) – geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Als u niets doet, presteert City Safety™
mogelijk minder goed.
Om te voorkomen dat City Safety™ helemaal niet, onjuist of in beperkte mate
werkt, geldt tevens het volgende:
•
Volvo adviseert u scheurtjes, krassen
of sterren in het gebied vóór de lasersensor niet te repareren, maar de complete voorruit te vervangen.
•
Voordat de voorruit wordt vervangen,
moet u contact opnemen met een
erkende Volvo-werkplaats om te controleren of de juiste voorruit wordt
besteld en gemonteerd.
•
Monteer bij vervanging van de ruitenwissers hetzelfde type of een ander
type, door Volvo goedgekeurde ruitenwissers.
Lasersensor
Het City Safety™-systeem maakt gebruik van
een sensor die laserlicht uitzendt. Neem contact op met een gekwalificeerde werkplaats
als de lasersensor een storing vertoont of
nagekeken moet worden – geadviseerd wordt
een erkende Volvo-werkplaats. Het is daarom
essentieel dat u de aangegeven instructies
opvolgt bij het hanteren van de lasersensor.
De volgende twee Engelstalige stickers zijn
direct op de eenheid van de lasersensor aangebracht:
04
De bovenste sticker op de afbeelding
beschrijft de classificatie van het laserlicht:
•
Laserstraling - Niet rechtstreeks in de
straal kijken met optische instrumenten Klasse 1M laserproduct.
173
04 Bestuurdersondersteuning
City Safety™
De onderste sticker op de afbeelding
beschrijft de fysische gegevens van het laserlicht:
•
04
IEC 60825-1:1993 + A2:2001. Voldoet
aan de normen van de FDA (Amerikaanse
keuringsdienst van waren) betreffende de
uitvoering van laserproducten met uitzondering van de afwijkingen conform ‘Laser
Notice No. 50’, d.d. 26 juli 2001.
Stralingsgegevens voor lasersensor
De fysische gegevens staan nader omschreven in de volgende tabel.
Maximale pulsenergie
2,64 µJ
Maximaal gem. vermogen
45 mW
Pulsduur
Divergentie (horizontaal × verticaal)
33 ns
Als u de instructies in dit boekje niet
opvolgt, bestaat er gevaar voor oogletsel!
•
Kijk nooit van een afstand van 100 mm
of minder in de lasersensor (waaruit
uiteenlopende, onzichtbare laserstralen komen) met vergrotende optiek
zoals een vergrootglas, microscoop,
objectief of soortgelijke optische
instrumenten.
•
Laat tests, reparaties, demontage,
afstelling en/of vervanging van de
lasersensor of delen ervan alleen uitvoeren door een erkende werkplaats –
geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
•
Stel de lasersensor niet bij en voer
geen onderhoud uit dat niet uitdrukkelijk in dit boekje staat aangegeven om
blootstelling aan schadelijke straling
tegen te gaan.
28° × 12°
•
•
174
monteerde lasersensor is een laserproduct klasse 3B volgens de IEC-norm
60825-1. Een laserproduct klasse 3B
is niet veilig voor de ogen en houdt
dan ook een gevaar voor oogletsel in.
WAARSCHUWING
De reparateur dient de speciaal opgestelde werkplaatsinformatie voor de
lasersensor te volgen.
Demonteer de lasersensor niet (en verwijder de lenzen evenmin). Een gede-
•
Koppel de connector van de lasersensor los, voordat u deze van de voorruit
demonteert.
•
Zorg dat de lasersensor op de voorruit
gemonteerd is alvorens de connector
aan te sluiten.
•
De lasersensor zendt laserlicht uit
wanneer de transpondersleutel in
stand II staat, ook al is de motor afgezet (zie pagina 81 voor de sleutelstanden).
Symbolen en tekstmeldingen
Terwijl City Safety™ automatisch remt, kunnen een of meer symbolen op het instrumentenpaneel gaan branden in combinatie met
een tekstmelding.
Meldingen kunt u van het display halen door
de knop OK op de richtingaanwijzerhendel
kort in te drukken.
04 Bestuurdersondersteuning
City Safety™
SymboolA
Melding
Betekenis/Maatregel
Autom. remmen door City
Safety
City Safety™ remt op dit moment of remde eerder automatisch.
Voorruitsensoren afgedekt
Zie instructieboek
De lasersensor werkt tijdelijk niet doordat deze door iets gehinderd wordt.
•
Verwijder het voorwerp dat de sensoren hindert en/of maak het voorruitoppervlak vóór de
sensoren schoon.
Voor meer informatie over de beperkingen van de lasersensoren, zie pagina 172.
City Safety Service vereist
City Safety™ werkt niet.
•
A
04
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
De symbolen zijn schematisch.
175
04 Bestuurdersondersteuning
Collision Warning met Auto Brake en voetgangersbescherming.*
Twee systeemniveaus
Algemeen
‘Collision Warning met Auto Brake en voetgangersbescherming’ is een hulpmiddel dat
bedoeld is om u te waarschuwen wanneer het
gevaar bestaat dat u op een voetganger of
een (stilstaande of rijdende) voorligger botst.
04
Collision Warning met Auto Brake en voetgangersbescherming wordt geactiveerd in
situaties waar u eigenlijk al veel eerder had
moeten remmen, zodat de functie niet altijd
uitkomst biedt.
Collision Warning met Auto Brake en voetgangersbescherming is erop gebouwd om zo
laat mogelijk geactiveerd te worden om onnodige ingrepen te voorkomen.
Collision Warning met Auto Brake en voetgangersbescherming kan een aanrijding voorkomen of de impactsnelheid verlagen.
Gebruik Collision Warning met Auto Brake en
voetgangersbescherming niet om uw rijgedrag aan te passen – als u er blind op vertrouwt dat Collision Warning met Auto Brake
remt, raakt u vroeg of laat betrokken bij een
aanrijding.
1
2
176
Niveau 1
U wordt alleen met visuele en akoestische
signalen gewaarschuwd voor obstakels – er
wordt niet automatisch geremd, u moet zelf
remmen.
Niveau 2
U wordt met visuele en akoestische signalen
gewaarschuwd voor obstakels – de auto remt
automatisch als u niet zelf binnen een redelijke tijd reageert.
BELANGRIJK
Onderhoud aan de onderdelen van Collision Warning met Auto Brake & voetgangersbescherming mag uitsluitend worden
uitgevoerd in een werkplaats - geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats.
N.B. De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
Alleen met systeem Niveau 2.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Functie
Afhankelijk van het uitrustingsniveau van de
auto kan de functie Collision Warning met
Auto Brake en voetgangersdetectie in twee
uitvoeringen voorkomen: Uitvoering 1 en
Uitvoering 2.
Functie-overzicht1.
Audiovisueel waarschuwingssignaal bij
gevaar voor een botsing.
Radarsensor2
Camerasensor
Collision Warning met Auto Brake voert drie
onderdelen uit in de volgende volgorde:
1. Collision Warning
2. Brake Support2
3. Auto Brake2
04 Bestuurdersondersteuning
Collision Warning met Auto Brake en voetgangersbescherming.*
Collision Warning en City Safety™ vullen elkaar aan. Zie voor meer informatie over City
Safety™ zie pagina 170.
1 – Collision Warning
Eerst wordt u gewaarschuwd voor een dreigende aanrijding.
Collision Warning registreert voetgangers
vóór de auto en (stilstaande of rijdende) voorliggers.
Bij gevaar voor een aanrijding met een voetganger of voertuig wordt uw aandacht
getrokken met een rood knipperend, op de
voorruit geprojecteerd waarschuwingslampje
(nr. [1] op de afbeelding op pagina 176) en
een geluidssignaal
2 – Brake Support2
Als het gevaar voor een aanrijding na de Collision Warning verder is toegenomen, treedt
de Brake Support in werking.
Dit houdt in dat het remsysteem wordt voorbereid op snel remmen door de remmen licht
aan te zetten wat u als een lichte schok voelt.
Als u het rempedaal met een bepaalde snelheid bedient, wordt het maximale remvermogen geleverd.
2
Brake Support helpt u eveneens bij het remmen, als het systeem ervan uitgaat dat de
remmanoeuvre alleen niet voldoende is om
een botsing te voorkomen.
3 – Auto Brake2
Op het laatste moment wordt de automatische remfunctie geactiveerd.
Als u in dan nog niet uitwijkt en er een aanrijding dreigt, schakelt de automatische remfunctie in, ongeacht of u remt of niet. De auto
wordt daarbij maximaal afgeremd om de
botssnelheid te beperken of zoveel als nodig
is om een aanrijding te voorkomen.
WAARSCHUWING
Collision Warning werkt niet in alle rijsituaties, verkeers-, weers- en wegomstandigheden. Collision Warning reageert niet op
tegenliggers noch op dieren.
Er wordt alleen gewaarschuwd wanneer de
kans op een botsing groot is. In het onderdeel “Functie” en “Beperkingen” wordt
geïnformeerd over de beperkingen die u
als bestuurder moet kennen, voordat u de
Collision Warning met Auto Brake gebruikt.
Er wordt niet gewaarschuwd noch geremd
voor voetgangers bij een rijsnelheid hoger
dan 80 km/h.
04
In het donker en in tunnels kan niet worden gewaarschuwd noch geremd voor
voetgangers - zelfs al brandt de straatverlichting.
Auto Brake kan een botsing geheel voorkomen of de botssnelheid verlagen. Voor
maximale remwerking altijd het rempedaal
bedienen – ook al wordt er automatisch
geremd.
Nooit een waarschuwingssignaal van de
Collision Warning afwachten. U bent altijd
verantwoordelijk de juiste afstand en snelheid aan te houden – ook bij gebruik van
de Collision Warning met Auto Brake.
Alleen met systeem Niveau 2.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
177
04 Bestuurdersondersteuning
Collision Warning met Auto Brake en voetgangersbescherming.*
Voetgangersdetectie
•
Een voetganger is alleen te ontdekken
wanneer deze helemaal zichtbaar is en
een lengte heeft van minimaal 80 cm.
•
Het systeem kan geen voetgangers ontdekken die grote voorwerpen dragen.
•
Bij zonsondergang en -opgang kan de
camerasensor voetgangers minder goed
registreren – vergelijkbaar met het menselijke oog.
•
De camerasensor is niet in staat voetgangers te registreren bij ritten in het donker
of in tunnels – zelfs al brandt de straatverlichting.
04
Ideaalvoorbeelden van wat het systeem als voetgangers met herkenbare lichaamscontouren
beschouwt.
Voor optimale prestaties van het systeem
dient de systeemfunctie die verantwoordelijk
is voor identificatie van voetgangers zo uniform mogelijke informatie over de lichaamscontouren ontvangen – dat houdt in dat kenmerkende lichaamsdelen zoals hoofd, armen,
schouders, benen, borstkas en buik moeten
kunnen worden waargenomen evenals een
bewegingspatroon dat voor mensen als normaal te beschouwen is.
Het systeem kan een voetganger niet ontdekken, als de camera grote delen van het
lichaam niet kan waarnemen.
178
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
WAARSCHUWING
Bediening
Via een menusysteem van MY CAR op het
display van de middenconsole zijn eventuele
instellingen te verrichten. Voor informatie over
het gebruik van het menusysteem, zie
pagina 217.
Waarschuwingssignalen Aan en Uit
U kunt aangeven of de geluidssignalen en het
geprojecteerde waarschuwingslampje voor
de Collision Warning moeten zijn in- of uitgeschakeld.
Bij het starten van de motor geldt automatisch de instelling die actief was toen de
motor werd afgezet.
Collision Warning met Auto Brake & voetgangersbescherming is een hulpmiddel.
De functie is niet in staat om in alle situaties alle voetgangers te detecteren en ziet
bijvoorbeeld geen deels verborgen voetgangers, personen met kleding die de
lichaamscontouren verhult of voetgangers
die kleiner zijn dan 80 cm.
•
U bent er altijd zelf verantwoordelijk
voor dat u de auto op de juiste wijze
bestuurt en voldoende afstand houdt
afhankelijk van de rijsnelheid.
N.B.
De functies Brake Support en Auto Brake
zijn altijd geactiveerd - ze kunnen niet uitgeschakeld worden.
Waarschuwingslampje en
geluidssignaal
Om het waarschuwingslampje en het geluidssignaal uit te schakelen:
•
Ga naar Instellingen Autoinstellingen Rij-assistentiesystemen
Botswaarschuwing – vink het desbetreffende vakje uit.
04 Bestuurdersondersteuning
Collision Warning met Auto Brake en voetgangersbescherming.*
Als u het waarschuwingslampje en het
geluidssignaal van de Collision Warning hebt
ingeschakeld, wordt het waarschuwingslampje (nr. [1] op de afbeelding op pagina
176) bij iedere motorstart getest. Daarbij gaan
de verschillende lichtpunten van het waarschuwingslampje korte tijd branden.
Geluidssignaal
Het waarschuwingsgeluid kan apart worden
ge(de)activeerd:
•
Kies Aan of Uit in het menusysteem
onder Instellingen Auto-instellingen
Rij-assistentiesystemen
Botswaarschuwing Signaaltoon.
Waarschuwingsafstand instellen
De waarschuwingsafstand is de afstand
waarbij een visueel signaal en een geluidssignaal worden afgegeven.
•
Kies Lang, Normaal of Kort in het
menusysteem MY CAR onder
Instellingen Auto-instellingen Rijassistentiesystemen
Botswaarschuwing
Waarschuwingsafstand
Lang, maar als deze instelling te vaak tot
waarschuwingen leidt (wat in bepaalde situaties als hinderlijk kan worden ervaren) kunt u
overgaan op de waarschuwingsafstand
Normaal.
Maak alleen in uitzonderingsgevallen zoals bij
dynamisch rijden gebruik van de waarschuwingsafstand Kort.
N.B.
Bij gebruik van de adaptieve cruisecontrol
worden het waarschuwingslampje en de
waarschuwingszoemer door de cruisecontrol gehanteerd, ook al hebt u de Collision
Warning gedeactiveerd.
De Collision Warning waarschuwt u bij
gevaar voor een botsing, maar de functie
is niet in staat uw reactietijd te verkorten.
Voor een optimale werking van de Collision Warning dient u de Afstandswaarschuwing altijd in te stellen op volgtijd 4-5,
zie pagina 167.
N.B.
Ook als u de waarschuwingsafstand hebt
ingesteld op Lang, kunnen de waarschuwingen voor uw gevoel soms laat worden
afgegeven. Bijvoorbeeld bij grote snelheidsverschillen of als de voorligger krachtig remt.
WAARSCHUWING
Geen enkel automatisch systeem kan in
alle situaties een 100 % feilloze werking
garanderen. Test Collision Warning met
Auto Brake daarom nooit uit op mensen of
voertuigen - dat kan namelijk tot ernstig
letsel/ernstige schade en levensgevaarlijke
situaties leiden.
04
Instellingen controleren
U kunt de actuele instellingen controleren op
het display van de middenconsole. Ga in het
menusysteem MY CAR naar Instellingen
Auto-instellingen Rijassistentiesystemen
Botswaarschuwing, zie pagina 217.
De waarschuwingsafstand is bepalend voor
de gevoeligheid van het systeem. Bij de
waarschuwingsafstand Lang wordt eerder
gewaarschuwd. Ga altijd uit van de instelling
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
179
04 Bestuurdersondersteuning
Collision Warning met Auto Brake en voetgangersbescherming.*
Onderhoud
Beperkingen
Collision Warning met Auto Brake en voetgangersdetectie is actief vanaf ca. 4 km/h.
Het visuele waarschuwingssignaal (nr. [1] in
afbeelding op pagina 176) kan in de felle zon
en bij lichtschitteringen alsook het gebruik
van een zonnebril soms moeilijk te ontdekken
zijn. Dat is ook mogelijk als u niet recht vooruit kijkt. Houd de waarschuwingszoemer
daarom altijd ingeschakeld.
04
Camera- en radarsensor.
De sensoren werken alleen naar behoren
wanneer u vuil, ijs en sneeuw verwijdert en ze
regelmatig schoonmaakt met water en autoshampoo.
N.B.
Als vuil, ijs en sneeuw de sensoren bedekken, neemt de functie af en kan meten
onmogelijk worden gemaakt.
180
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Bij gladheid is de remweg langer waardoor
het systeem minder goed in staat is aanrijdingen te voorkomen. In dergelijke situaties zullen het ABS en DSTC voor het maximale remvermogen zorgen met behoud van de stabiliteit.
N.B.
Het visuele waarschuwingssignaal kan
korte tijd buiten werking worden gesteld,
wanneer de temperatuur in het interieur
bijvoorbeeld door de felle zon te hoog is
opgelopen. Als dit gebeurt, wordt er een
waarschuwingszoemer afgegeven ook al
hebt u deze uitgeschakeld via het menusysteem.
•
Waarschuwingen kunnen eveneens
uitblijven bij een zeer geringe afstand
tot de voorligger of bij relatief grote
stuur- en pedaalbewegingen zoals bij
een zeer actieve rijstijl.
04 Bestuurdersondersteuning
Collision Warning met Auto Brake en voetgangersbescherming.*
WAARSCHUWING
Als de radar- of camerasensor op grond
van de verkeerssituatie of anderszins problemen heeft voetgangers of voorliggers te
ontdekken, is het mogelijk dat het systeem
pas laat, onterecht of helemaal geen waarschuwing geeft en remt.
De sensoren hebben een beperkt bereik
voor voetgangers wat inhoudt dat het systeem efficiënt waarschuwt en remingrepen
verricht bij rijsnelheden tot 50 km/h. Voor
stilstaande of langzaam rijdende voorliggers wordt efficiënt gewaarschuwd en
geremd bij rijsnelheden tot 70 km/h.
In het donker of bij slecht zicht wordt er
mogelijk niet gewaarschuwd voor langzaam rijdende of stilstaande voorliggers.
Er wordt niet gewaarschuwd noch geremd
voor voetgangers bij een rijsnelheid hoger
dan 80 km/h.
De Collision Warning maakt gebruik van
dezelfde radarsensor als die van de adaptieve
cruisecontrol. Voor meer informatie over de
radarsensor en de beperkingen ervan, zie
pagina 162.
Als u vindt dat er te vaak wordt gewaarschuwd en de signalen als storend ervaart,
kunt u de waarschuwingsafstand verkleinen.
Dit betekent dat het systeem later waarschuwt, wat het totaal aantal waarschuwin-
gen verkleint, zie het hoofdstuk ‘Waarschuwingsafstand instellen’ pagina 179.
•
Met geactiveerde achteruitversnelling is de
Collision Warning met Auto Brake tijdelijk
gedeactiveerd.
•
•
•
Collision Warning met Auto Brake wordt niet
geactiveerd op lage snelheden (onder
4 km/h), wat betekent dat het systeem niet
ingrijpt in situaties waarbij uw auto een voorligger uiterst langzaam nadert zoals tijdens
het parkeren.
In situaties waarin u actief en bewust rijgedrag laat zien, wordt Collision Warning minder actief.
Nadat Auto Brake een aanrijding met een stilstaand obstakel heeft voorkomen, blijft de
auto maximaal 1,5 seconde stilstaan. Als de
auto wordt afgeremd wegens een rijdende
voorligger, wordt de snelheid begrensd tot
dezelfde snelheid als die van de voorligger.
Bij een auto met een handgeschakelde versnellingsbak slaat de motor af wanneer Auto
Brake de auto tot stilstand heeft gebracht,
tenzij u daarvoor het koppelingspedaal weet
te bedienen.
Beperkingen van de camerasensor
De camerasensor van de auto wordt naast de
Collision Warning met Auto Brake ook
gebruikt door de functies:
Automatische dimfunctie groot licht/
dimlicht - zie pagina 92
Road Sign Information – zie pagina 147.
Driver Alert Control – zie pagina 186
Rijbaanassistent - zie pagina 189
N.B.
Houd de voorruit in het gebied vóór de
camerasensor vrij van ijs, sneeuw, condens en vuil.
Plak of monteer niets op de voorruit vóór
de camerasensor, aangezien één of meer
camera's voor het systeem hierdoor slechter of niet meer werken.
04
De camerasensor kent ongeveer dezelfde
beperkingen als het menselijk oog. Dit houdt
in dat de sensor minder goed ‘ziet’ bij hevige
regen- of sneeuwval en in dichte mist. In dergelijke omstandigheden kunnen functies die
gebruik maken van de camera grote beperkingen ondervinden of tijdelijk gedeactiveerd
worden.
Ook fel tegenlicht, reflecties op het wegdek,
besneeuwde of beijzelde wegen, verontreinigde of onduidelijke rijstrookmarkeringen
kunnen aanleiding geven tot grote beperkingen voor de functies die van de camera
gebruik maken om bijvoorbeeld het wegdek
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
181
04 Bestuurdersondersteuning
Collision Warning met Auto Brake en voetgangersbescherming.*
af te tasten en andere voertuigen en voetgangers te ontdekken.
Het zichtveld van de camerasensor is
beperkt, zodat voetgangers en voertuigen in
bepaalde situaties niet kunnen worden geregistreerd of later worden ontdekt dan verwacht.
04
Bij zeer hoge temperaturen werkt de camera
de eerste ca. 15 minuten na het starten van
de motor niet om de camerafunctie te ontzien.
Storingen opsporen en verhelpen
Als op het instrumentenpaneel de melding
Voorruitsensoren afgedekt staat, betekent
dit dat de camerasensor afgedekt is en geen
voetgangers, voertuigen of rijstrookmarkeringen vóór de auto kan ontdekken.
Dit houdt bovendien in dat niet alleen Collision Warning met Auto Brake maar ook de
182
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
systemen Automatische dimfunctie groot
licht/dimlicht, Road Sign Information, Driver
Alert Control en de Rijbaanassistent niet voor
de volle 100 % zullen werken.
In de volgende tabel staan mogelijke oorzaken van het verschijnen van de melding en
passende maatregelen.
Oorzaak
Maatregel
Het voorruitoppervlak vóór de
camera is vuil of
bedekt met sneeuw
of ijs.
Ontdoe het voorruitoppervlak vóór de
camera van vuil,
sneeuw en ijs.
Bij dichte mist en
hevige regen- of
sneeuwval heeft de
camera een minder
goed zicht.
Valt niets aan te
doen. Bij hevige
neerslag werkt de
camera soms niet.
Oorzaak
Maatregel
Het voorruitoppervlak vóór de
camera is schoongemaakt, maar de
melding blijft.
Wacht even. Het kan
enige minuten duren
voordat de camera
het zicht opnieuw
heeft gemeten.
Er is vuil tussen de
binnenkant van de
voorruit en de
camera gekomen.
Bezoek een werkplaats om de binnenkant van de
voorruit achter de
camerabehuizing te
laten schoonmaken
– geadviseerd wordt
een erkende Volvowerkplaats.
04 Bestuurdersondersteuning
Collision Warning met Auto Brake en voetgangersbescherming.*
Symbolen en tekstmeldingen
SymboolA
Melding
Betekenis
CWS-systeem UIT
Collision Warning is uitgeschakeld.
Verschijnt bij het starten van de motor.
De melding dooft automatisch na ca. 5 seconden of eerder wanneer u op de toets OK drukt.
CWS-systeem niet
beschikbaar
Het is niet mogelijk Collision Warning te activeren.
Verschijnt wanneer u de functie toch probeert te activeren.
De melding dooft automatisch na ca. 5 seconden of eerder wanneer u op de toets OK drukt.
Remassistent geactiveerd
De Auto Brake was actief.
Voorruitsensoren
afgedekt Zie instructieboek
De camerasensor werkt tijdelijk niet.
04
De melding verdwijnt na bediening van de toets OK.
Verschijnt bijvoorbeeld bij sneeuw, ijs of vuil op de voorruit.
•
Maak het voorruitoppervlak vóór de camerasensor schoon.
Voor meer informatie over de beperkingen van de camerasensor - zie pagina 181.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
183
04 Bestuurdersondersteuning
Collision Warning met Auto Brake en voetgangersbescherming.*
SymboolA
Melding
Betekenis
Radar afgedekt Zie
instructieb.
Collision Warning met Auto Brake werkt tijdelijk niet.
De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren. Bijvoorbeeld wanneer deze wordt gehinderd
door hevige regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken.
Voor meer informatie over de beperkingen van de radarsensor, zie pagina 162.
CWS-systeem Service vereist
04
A
184
Collision Warning met Auto Brake werkt niet of gedeeltelijk.
•
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
De symbolen zijn schematisch - afhankelijk van de markt en het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Bestuurdersondersteuning
Driver Alert System*
Algemene informatie over Driver Alert
System
Driver Alert System is bestemd om u te helpen als de auto op een ongecontroleerde
manier wordt bestuurd of op het punt staat
de rijstrookmarkering te overschrijden.
Driver Alert System bestaat uit verschillende
functies die tegelijk of apart in te schakelen
zijn:
•
Driver Alert Control – DAC, zie
pagina 186.
•
Rijbaanassistent - LKA, zie pagina 189.
WAARSCHUWING
Driver Alert System werkt niet in alle situaties, maar is uitsluitend bedoeld als een
aanvullend hulpmiddel.
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige
manier bestuurt.
Status hulpmiddel bestuurder
04
Een ingeschakelde functie wordt pas daadwerkelijk geactiveerd bij snelheden hoger dan
65 km/h. Bij lagere snelheden staat de functie
stand-by.
De functie wordt weer uitgeschakeld, zodra
de snelheid onder de 60 km/h daalt.
De functies maken gebruik van een camera
die alleen rijstroken met belijning kan aftasten.
De actuele status voor alle hulpmiddelen voor
de bestuurder kan worden gecontroleerd in
MY CAR, zie pagina 219.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
185
04 Bestuurdersondersteuning
Driver Alert System – DAC*
Algemene informatie over DAC
DAC is bedoeld om langzame wijzigingen in
het rijgedrag te bespeuren, in eerste instantie
op de grotere wegen. De functie is niet
bedoeld voor gebruik in het stadsverkeer.
Soms treden er ondanks vermoeidheid geen
merkbare wijzigingen op in het rijgedrag. In
dat geval wordt er dan ook niet gewaarschuwd. Het is daarom van groot belang dat
u bij opkomende vermoeidheid de auto op
een geschikte plek parkeert om een pauze in
te lassen, ongeacht de vraag of DAC nu wel
of niet heeft gewaarschuwd.
04
N.B.
Het DAC-systeem (Driver Alert Control) is
bedoeld om uw aandacht te trekken, wanneer
de auto op een ongecontroleerde manier
bestuurd wordt (omdat u bijvoorbeeld afgeleid wordt of bijna in slaap valt).
Een camera tast de geschilderde rijstrookmarkeringen af en vergelijkt de wegrichting
met uw stuurbewegingen. U wordt gewaarschuwd wanneer de auto de wegrichting op
een ongecontroleerde manier volgt.
N.B.
De camerasensor heeft zijn beperkingen zie pagina 181.
186
Bediening
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
De functie mag niet worden gebruikt om
de rijtijd te verlengen. Plan altijd regelmatig
pauzes in en zorg ervoor dat u bent uitgerust.
Beperkingen
Soms kan het systeem ten onrechte waarschuwen voor ongecontroleerde stuurbewegingen. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren bij:
•
•
zijdelingse rukwinden.
spoorvorming in het wegdek.
Het instellen gaat via het menusysteem op
het display van de middenconsole. Voor
informatie over het gebruik van het menusysteem, zie pagina 217.
Aan/Uit
Om Driver Alert in de stand-bystand te zetten:
•
Zoek in MY CAR naar Auto-instellingen
Rij-assistentiesystemen Driver
Alert en vink het vakje aan – Geen vinkje
in het vakje: Functie uitgeschakeld.
Functie
Driver Alert wordt geactiveerd bij een snelheid
hoger dan 65 km/h en blijft actief zolang de
snelheid boven 60 km/h ligt.
04 Bestuurdersondersteuning
Driver Alert System – DAC*
Als de auto slingert, wordt u
gewaarschuwd met een geluidssignaal en de tekstmelding Driver
Alert Tijd voor pauze – tegelijkertijd gaat het bijbehorende symbool op het
instrumentenpaneel branden. Als u uw rijgedrag niet corrigeert wordt enige tijd later
opnieuw gewaarschuwd.
Het waarschuwingssymbool kan worden
gedeactiveerd:
•
Druk op de knop OK van de linker stuurhendel.
WAARSCHUWING
Neem een waarschuwing altijd serieus,
omdat u bij slaperigheid uw lichamelijke
conditie vaak minder goed kunt inschatten.
04
Breng bij een waarschuwing of een gevoel
van vermoeidheid de auto zo spoedig
mogelijk tot stilstand om rust te houden.
Studies hebben aangetoond dat rijden bij
vermoeidheid even gevaarlijk is in het verkeer als rijden onder invloed.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
187
04 Bestuurdersondersteuning
Driver Alert System – DAC*
Symbolen en meldingen
Instrumentenpaneel
SymboolA
04
Melding
Betekenis
Driver Alert Tijd voor pauze
De auto vertoont zwalkend rijgedrag – u wordt gewaarschuwd met een zoemersignaal en een
tekstmelding.
Voorruitsensoren afgedekt
Zie instructieboek
De camerasensor werkt tijdelijk niet.
Verschijnt bijvoorbeeld bij sneeuw, ijs of vuil op de voorruit.
•
Maak het voorruitoppervlak vóór de camerasensor schoon.
Voor meer informatie over de beperkingen van de camerasensor, zie pagina 181.
Driver Alert-systeem Service
vereist
A
Het systeem is defect.
•
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
De symbolen zijn schematisch.
Display
Symbool
188
Melding
Betekenis
Driver Alert UIT
De functie is uitgeschakeld.
Driver Alert Beschikbaar
De functie is geactiveerd.
Driver Alert stand-by <65km/h
De functie is stand-by gezet omdat de rijsnelheid onder 65 km/h ligt.
Driver Alert niet beschikbaar
De weg is niet voorzien van duidelijke markeringsstrepen of de camerasensor werkt tijdelijk niet.
Voor meer informatie over de beperkingen van de camerasensor, zie pagina 181.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Bestuurdersondersteuning
Driver Alert System - Rijbaanassistent*
WAARSCHUWING
Algemene informatie over de
Rijbaanassistent
LKA is alleen een hulpmiddel voor de
bestuurder en werkt niet in alle rijsituaties,
verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
U bent er altijd zelf verantwoordelijk voor
dat u de auto op de juiste wijze bestuurt
en dat u zich aan de geldende wetgeving
en verkeersregels houdt.
Functie
De functie Rijbaanassistent - ook wel LKA
(Lane Keeping Aid) genoemd, is bedoeld voor
gebruik op snelwegen, motorwegen enz. en
verkleint de kans op het in bepaalde situaties
onbedoeld verlaten van de eigen rijbaan.
Een camera tast de zijlijnen van de weg/de rijbaan af. Als de auto een zijlijn dreigt te overschrijden, wordt de Rijbaanassistent actief en
stuurt de auto met een geringe stuurbeweging terug de rijbaan.
Als de auto een zijlijn bereikt of passeert,
waarschuwt de Rijbaanassistent u bovendien
met pulserende trillingen in het stuurwiel.
De Rijbaanassistent is actief in het snelheidsinterval 65-200 km/h op wegen met goed
zichtbare zijlijnen. Op smalle wegen, als de
rijbaan minder dan 2,6 meter tussen de zijlijnen is, wordt de functie tijdelijk uitgeschakeld.
Aan & Uit
Met de knop op de middenconsole kunt u de
functie activeren of uitschakelen. Het brandende lampje in de schakelaar geeft aan dat
de functie geactiveerd is.
Bij bepaalde combinaties van opties is er
geen plek vrij voor een Aan/Uit-knop op de
middenconsole – in dat geval is de functie
echter te bedienen via het menusysteem MY
CAR. Ga als volgt te werk:
•
Kies Aan of Uit in Instellingen Autoinstellingen Rijbaanassistentie.
04
Voor een beschrijving van het menusysteem,
zie pagina 217.
In MY CAR kan bovendien o.a. het volgende
worden gekozen:
•
Waarschuwing met trillingen in het stuurwiel: Alleen vibratie - Aan of Uit.
•
Actief sturen: Alleen stuurhulp - Aan of
Uit.
•
Zowel Waarschuwing met trillingen in het
stuurwiel als Actief sturen: Volledige
functie - Aan of Uit.
Actief sturen
De Rijbaanassistent probeert de auto binnen
de zijlijnen van de eigen rijbaan te houden.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
189
04 Bestuurdersondersteuning
Driver Alert System - Rijbaanassistent*
Waarschuwing met trillingen in het
stuurwiel
Dynamisch nemen van bochten
LKA stuurt en waarschuwt met pulserende stuurwieltrillingen1.
In bepaalde gevallen staat de Rijbaanassistent toe dat de zijlijnen worden overschreden
zonder in te grijpen met actief sturen of waarschuwen met pulserende trillingen in het
stuurwiel. Het bij goed zicht benutten van de
aangrenzende rijbaan voor dynamisch bochtenwerk is een voorbeeld van zo’n geval.
04
LKA grijpt in en stuurt weg.
Als de auto de linker of rechter zijlijn van de
rijbaan nadert zonder dat de richtingaanwijzer
is geactiveerd, wordt de auto teruggestuurd.
LKA grijpt niet in scherpe binnenbochten in.
Als de auto een zijlijn passeert, waarschuwt
de Rijbaanassistent hiervoor met pulserende
trillingen in het stuurwiel. Dit gebeurt ongeacht of de auto wel of niet actief wordt teruggestuurd door een opgelegd stuurmoment.
1
190
De afbeelding toont 3 pulserende trillingen als de zijlijn wordt gepasseerd.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Bestuurdersondersteuning
Driver Alert System - Rijbaanassistent*
Bediening
N.B.
De functie wordt aangevuld met eenvoudige,
grafische weergaven in verschillende situaties. Hier volgen enkele voorbeelden:
In bepaalde omstandigheden heeft het
LKA moeite om u goed te helpen – geadviseerd wordt om het LKA dan uit te schakelen.
N.B.
Voorbeelden van dergelijke omstandigheden zijn:
Het LKA staat uit zolang u de richtingaanwijzerhendel bedient.
LKA grijpt aan de rechterkant in (rood gemarkeerd op de figuur).
De Rijbaanassistent grijpt in en stuurt weg
van de zijlijn – wordt aangeduid met:
•
RODE lijn voor de desbetreffende kant.
Beperkingen
•
LKA ‘ziet’ en volgt de zijlijnen (rood gemarkeerd
op de figuur).
Wanneer de Rijbaanassistent actief is en de
zijlijnen detecteert/‘ziet’, wordt dit aangegeven doordat het LKA-symbool WITTE lijnen
heeft.
•
De camerasensor van de Rijbaanassistent
heeft beperkingen, net als het menselijk
oog. Voor meer informatie (zie
pagina 181).
•
•
•
•
•
wegwerkzaamheden
winterse wegen
slecht wegdek
04
extreem sportieve rijstijl
slecht weer in combinatie met een
beperkt zicht.
De handen op het stuurwiel
Een voorwaarde voor het functioneren van de
Rijbaanassistent is dat u uw handen op het
stuurwiel houdt. LKA controleert dit voortdurend. Als dit niet het geval is, wordt u met een
tekstmelding aangespoord om de auto actief
te sturen.
Als u de aansporing om te gaan sturen niet
opvolgt, wordt de Rijbaanassistent stand-by
gezet. De functie is dan uitgeschakeld totdat
u weer begint te sturen.
GRIJZE zijlijn - De Rijbaanassistent ziet
geen lijn aan deze kant van de auto.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
191
04 Bestuurdersondersteuning
Driver Alert System - Rijbaanassistent*
Symbolen en tekstmeldingen
In situaties waarbij het LKA-systeem uitblijft
of wordt onderbroken, kan er een symbool op
SymboolA
04
het instrumentenpaneel verschijnen in combinatie met een verklarende melding. Neem een
eventueel advies in acht.
Voorbeelden van meldingen:
Melding
Betekenis
Rijstrookassistent Niet beschikbaar bij deze snelheid
De Rijbaanassistent is stand-by gezet omdat de rijsnelheid onder 65 km/h ligt.
Rijstrookassistent Niet beschikb.
voor huidige markeringen
De rijbaan is niet voorzien van duidelijke zijlijnen of de camerasensor werkt tijdelijk niet.
Voor meer informatie over de beperkingen van de camerasensor, zie pagina 181.
Rijstrookassistent Beschikbaar
De functie tast de zijlijnen van de rijbaan af.
Voorruitsensoren afgedekt Zie
instructieboek
De camerasensor werkt tijdelijk niet.
Verschijnt bijvoorbeeld bij sneeuw, ijs of vuil op de voorruit.
•
Maak het voorruitoppervlak vóór de camerasensor schoon.
Voor meer informatie over de beperkingen van de camerasensor, zie pagina 181.
Lane Keeping Aid Service vereist
Het systeem is defect.
•
Lane Keeping Aid onderbroken
A
192
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
LKA is uitgeschakeld en stand-by gezet. De lijnen van het LKA-symbool geven aan wanneer de functie weer actief is.
De symbolen in de tabel zijn schematisch - de op het instrumentenpaneel weergegeven symbolen kunnen er iets anders uitzien.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Bestuurdersondersteuning
Park Assist*
WAARSCHUWING
Algemeen
Park Assist is bedoeld als hulpmiddel tijdens
het parkeren. Geluidssignalen en symbolen
op het beeldscherm van de middenconsole
geven de afstand aan tot een waargenomen
obstakel.
Het Park Assist-volume is tijdens de weergave van geluidssignalen bij te stellen met de
draaiknop VOL op de middenconsole of in
het menusysteem MY CAR van de auto – zie
pagina 217.
•
Hoewel de Park Assist handig is bij het
parkeren, bent u nog altijd schadeplichtig bij eventuele fouten.
•
Wanneer er obstakels in de dode hoeken van de sensoren zitten, zal het
systeem ze niet kunnen ontdekken.
•
Houd mensen, dieren e.d. in de buurt
van de auto daarom in de gaten.
Assist met deze knop uitschakelt, dooft het
lampje.
04
Functie
Park Assist is verkrijgbaar in twee varianten:
•
•
Beeldschermweergave - toont linksvoor en
rechtsachter een obstakel.
Park Assist aan de achterzijde
Park Assist aan de voor- en achterzijde.
Op het beeldscherm van de middenconsole
verschijnt een schematische weergave van de
onderlinge posities van de auto en een eventueel obstakel.
N.B.
Als er een trekhaak met het elektrische
systeem van de auto is geconfigureerd,
wordt de uitsteeklengte van de trekhaak bij
het meten van de parkeerruimte meegerekend.
Aan/Uit sensoren voor Park Assist en CTA1.
Bij het starten van de motor wordt het systeem automatisch geactiveerd – het lampje in
de Aan/Uit-knop brandt. Wanneer u Park
1
De gemarkeerde sector(en) geeft/geven aan
welke van de vier sensoren een obstakel
heeft/hebben waargenomen. De gemarkeerde
sector ligt dichter bij het autosymbool, naarmate de afstand tussen de auto en het waargenomen obstakel kleiner is.
Hoe dichter u het obstakel achter of voor de
auto nadert, des te sneller volgen de geluids-
Cross Traffic Alert, zie pagina 209
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
193
04 Bestuurdersondersteuning
Park Assist*
signalen elkaar op. Wanneer u ondertussen
de geluidsinstallatie beluistert, wordt het
volume daarvan tijdelijk verlaagd.
04
Bij een afstand tot 30 cm bestaat het geluidssignaal uit een ononderbroken toon en is de
sensorsector die het dichtst bij de auto ligt
geheel gevuld. Als er zowel voor als achter de
auto obstakels binnen deze afstand zijn waargenomen, komen de geluidssignalen beurtelings uit de luidsprekers aan linker- en rechterzijde.
BELANGRIJK
Park Assist aan de achterzijde
Voorwerpen zoals kettingen, smalle glanzende palen of lage obstakels kunnen
‘afgeschaduwd’ worden en worden in dat
geval tijdelijk niet geregistreerd door de
sensoren – het onderbroken geluidssignaal
kan dan plotseling wegvallen in plaats van
over te gaan in het verwachte ononderbroken geluidssignaal.
De sensoren kunnen geen hoge voorwerpen ontdekken, zoals uitstekende laadperrons.
•
Wees in dergelijke gevallen extra voorzichtig en bedien/verrijd de auto erg
langzaam of breek de parkeermanoeuvre af – er bestaat groot gevaar
voor materiële schade aan de auto of
de omgeving, aangezien de sensoren
dan tijdelijk niet optimaal werken.
Het meetbereik strekt tot ca. 1,5 m recht achter de auto. Bij obstakels achter de auto
komen de geluidssignalen uit een van de luidsprekers achterin.
Park Assist aan de achterzijde wordt geactiveerd bij het inschakelen van de achteruitversnelling.
Bij het achteruitrijden met bijvoorbeeld een
aanhanger achter de auto wordt de Park
Assist automatisch uitgeschakeld – anders
reageren de sensoren op de aanhanger.
194
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Bestuurdersondersteuning
Park Assist*
N.B.
Bij het achteruitrijden met een aanhanger
achter de auto of een fietsdrager op de
trekhaak – zonder een originele aanhangerkabel van Volvo – moet u de Park Assist
mogelijk handmatig uitschakelen om te
voorkomen dat de sensoren erop reageren.
Park Assist aan de voorzijde
actief is. Het systeem wordt opnieuw geactiveerd bij snelheden lager dan 10 km/h.
Sensoren schoonmaken
BELANGRIJK
Bij montage van verstralers: Denk eraan
dat deze de sensoren niet mogen hinderen
- de verstralers kunnen dan als obstakel
worden gezien.
Aanduiding voor systeemstoringen
Als het informatiesymbool op het
instrumentenpaneel continu brandt
en de melding Park Assist Service
vereist verschijnt, dan is Park Assist defect.
04
Positie van de voorste sensoren.
BELANGRIJK
Onder bepaalde omstandigheden kunnen
de parkeersensoren valse waarschuwingssignalen geven door externe geluidsbronnen, die dezelfde ultrasoonfrequenties
afgeven als waar het systeem mee werkt.
Het meetbereik strekt tot ca. 0,8 m recht voor
de auto. Bij obstakels voor de auto komen de
geluidssignalen uit een van de luidsprekers
voorin.
Park Assist aan de voorzijde is actief bij snelheden tot 10 km/u. Het lampje in de knop
brandt om aan te geven dat het systeem
Voorbeelden van dergelijke bronnen zijn
o.a. claxons, natte banden op asfalt, pneumatische remmen en uitlaatgeluid van
motorfietsen.
Positie van de achterste sensoren.
De sensoren werken alleen naar behoren,
wanneer u ze regelmatig schoonmaakt met
water en autoshampoo.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
195
04 Bestuurdersondersteuning
Park Assist*
N.B.
Als vuil, ijs en sneeuw de sensoren bedekken, neemt de functie af en kan meten
onmogelijk worden gemaakt.
04
196
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Bestuurdersondersteuning
Park Assist-camera*
Algemeen
Functie en bediening
De Park Assist-camera is een hulpsysteem
dat automatisch geactiveerd wordt bij het
inschakelen van de achteruitversnelling (de
functie is te wijzigen in het instellingenmenu,
zie pagina 217).
De cameraweergave verschijnt op het display
van de middenconsole.
N.B.
Als er een trekhaak met het elektrische
systeem van de auto is geconfigureerd,
wordt de uitsteeklengte van de trekhaak bij
het meten van de parkeerruimte meegerekend.
WAARSCHUWING
•
De parkeercamera is een hulpmiddel
en kan nooit in de plaats komen van
de verantwoordelijkheid van de
bestuurder bij het achteruitrijden.
•
Wanneer er obstakels in de dode hoeken van de camera zitten, zal het systeem ze niet kunnen ontdekken.
•
Houd mensen en dieren in de buurt
van de auto daarom in de gaten.
Positie van de knop CAM.
De camera toont wat er achter de auto is en
of er iets of iemand van de zijkanten opduikt.
De camera beslaat een breed gebied achter
de auto alsook een deel van de bumper en
een eventuele trekhaak.
Voorwerpen op het displays lijken mogelijk
over te hellen – dit is volkomen normaal.
automatisch over om de cameraweergave te
tonen.
Bij het inschakelen van de achteruitversnelling wordt met behulp van ononderbroken lijnen grafisch aangegeven waar de achterwielen van de auto uitkomen bij de actuele stuuruitslag – dit vereenvoudigt het achteruit inparkeren, achteruitrijden in nauwe ruimten en
aankoppelen van aanhangers. Ook de buitenmaten van de auto worden globaal getoond
met twee streepjeslijnen. De hulplijnen kunnen in het instellingenmenu worden gedeactiveerd.
04
Als de auto tevens uitgerust is met Park
Assist-sensoren*, illustreren gekleurde velden
op grafische wijze de afstand tot geregistreerde obstakels, zie pagina 193.
De camera wordt ca. 5 seconden na uitschakeling van de achteruitversnelling gedeactiveerd, of eerder als de rijsnelheid oploopt tot
boven 10 km/h vooruit of 35 km/h achteruit.
N.B.
Voorwerpen op het beeldscherm kunnen
dichter bij de auto zijn dan dat ze op het
scherm lijken te zijn.
Als een andere schermweergave actief is,
neemt de parkeercamerafunctie het scherm
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
197
04 Bestuurdersondersteuning
Park Assist-camera*
Hulplijnen
04
Camerapositie bij de openingshandgreep.
Lichtomstandigheden
De cameraweergave wordt automatisch aangepast aan de heersende lichtomstandigheden. Dit kan ertoe leiden dat de beeldweergave ietwat kan variëren wat lichtsterkte en
kwaliteit betreft. Slechte lichtomstandigheden
leveren mogelijk een iets slechtere beeldkwaliteit op.
N.B.
Houd voor optimale werking de cameralens vrij van vuil, sneeuw en ijs. Dit is
vooral van belang in slechte lichtomstandigheden.
198
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Voorbeeld van hoe hulplijnen voor de bestuurder
getoond worden.
De lijnen op het scherm worden geprojecteerd als stonden ze op de grond achter de
auto. De lijnen zijn bovendien afhankelijk van
de stuuruitslag, zodat u ook tijdens het
draaien kunt zien welke baan de auto zal
nemen.
N.B.
•
Bij het achteruitrijden met een aanhanger/caravan geven de lijnen op het
scherm de baan van de auto aan –
niet die van de aanhanger/caravan.
•
Er verschijnen geen lijnen op het
scherm, wanneer er een aanhanger/
caravan is aangesloten op het elektrische systeem van de auto.
•
De Park Assist-camera wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u een
aanhanger/caravan achter de auto
hebt hangen die met originele trekhaakbedrading van Volvo aangesloten
is.
BELANGRIJK
Let op: het schermbeeld toont alleen het
gebied achter de auto - let dus op de zijkanten en voorkant van de auto als u bij
achteruitrijden aan het stuurwiel draait.
04 Bestuurdersondersteuning
Park Assist-camera*
Grenslijnen
Auto’s met Park Assist-sensoren
achter*
Kleur
Afstand (meter)
Oranje
0,3–0,5
Rood
0–0,3
Instellingen
Druk op OK/MENU wanneer een cameraweergave getoond wordt. Voer de gewenste
instellingen uit.
Overig
•
De standaardinstelling is dat de camera
wordt geactiveerd bij het inschakelen van
de achteruitversnelling.
•
Bij indrukken van CAM wordt de camera
geactiveerd, ook al is de achteruitversnelling niet ingeschakeld.
•
Wissel tussen de normale en ingezoomde
weergave door te draaien aan TUNE of te
drukken op CAM.
De verschillende lijnen van het systeem.
Grenslijn vrije achteruitrijzone
De afstand wordt aangegeven met gekleurde
velden (4 stuks, voor elke sensor één).
“Wielsporen”
Als de auto ook is uitgerust met Park Assistsensoren (zie pagina 193), kan de afstand
nauwkeuriger worden weergegeven en geven
gekleurde velden aan welke van de 4 sensoren een obstakel registreert/registreren.
De onderbroken lijn (1) grenst een zone af die
tot ca. 1,5 m achter de achterbumper strekt.
Het vormt tegelijkertijd de grens voor de uitstekende delen van de auto, zoals buitenspiegels en hoeken – ook tijdens het maken van
een bocht.
De brede “wielsporen” (2) tussen de zijlijnen
geven aan waar de wielen zich zullen bevinden en kunnen tot ca. 3,2 m achter de achterbumper reiken zolang er geen obstakel in de
weg staat.
De kleur van de velden verandert naarmate
de afstand tot het obstakel afneemt – van
lichtgeel via geel en oranje naar rood.
04
Trekhaak
Kleur
Afstand (meter)
Lichtgeel
0,7–1,5
De camera leent zich bij uitstek voor het aankoppelen van een aanhanger/caravan. Op het
display kan een hulplijn verschijnen voor de
geplande “baan” van de trekhaak naar de
aanhanger – dat geldt ook voor de “wielsporen”.
Oranje
0,5–0,7
•
Voor nauwkeurig manoeuvreren is inzoomen op de trekhaak mogelijk door op
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
199
04 Bestuurdersondersteuning
Park Assist-camera*
CAM te drukken. Nogmaals drukken
levert de normaalweergave op.
De hulplijn voor de trekhaak is te activeren in
het menusysteem MY CAR, waar u kunt kiezen uit weergave van de “wielsporen” of de
baan van de trekhaak – beide opties kunnen
niet gelijktijdig worden weergegeven.
Beperkingen
N.B.
04
Fietsdragers of andere accessoires die
achter op de auto zijn gemonteerd, kunnen
het zicht van de camera belemmeren.
Let erop dat ook als het geblokkeerde gebied
er op het scherm relatief klein uitziet, het werkelijke, verborgen gebied dusdanig groot kan
zijn dat obstakels pas worden geregistreerd
wanneer u er bijna bovenop zit.
Waar u op moet letten
200
•
Houd de cameralens vrij van vuil, sneeuw
en ijs.
•
Maak de cameralens regelmatig schoon
met lauw water en autoshampoo – wees
voorzichtig om geen krassen in de lens te
maken.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Bestuurdersondersteuning
Actieve parkeerhulp – PAP*
grond, zie de pagina’s 134 en 144 voor
meer informatie.
WAARSCHUWING
Algemeen
PAP werkt niet in alle situaties, maar is uitsluitend bedoeld als een aanvullend hulpmiddel.
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige
manier bestuurt en het gebied rond de
auto goed in de gaten houdt om naderende of passerende verkeersdeelnemers
tijdig op te merken.
•
Er mag geen aanhanger aan de auto zijn
gekoppeld.
•
De snelheid moet lager zijn dan 50 km/h.
04
Functie
N.B.
De Aan/Uit-knop zit op de middenconsole.
Het PAP-systeem meet de beschikbare
ruimte en verricht de vereiste stuurbewegingen. Aan u de taak om de aanwijzingen
op het instrumentenpaneel op te volgen,
een versnelling (achteruit/vooruit) in te
schakelen, af te remmen en de auto tot
stilstand te brengen.
De actieve parkeerhulp (PAP – Park Assist
Pilot) helpt u bij het parkeren door eerst te
controleren of het vak groot genoeg is en
daarna het stuurwiel te draaien en de auto in
het vak te parkeren. Het instrumentenpaneel
geeft met symbolen, grafische beelden en
teksten aan, wanneer u iets moet doen.
N.B.
Als er een trekhaak met het elektrische
systeem van de auto is geconfigureerd,
wordt de uitsteeklengte van de trekhaak bij
het meten van de parkeerruimte meegerekend.
PAP kan worden geactiveerd als na het starten van de motor aan de volgende criteria is
voldaan:
•
De functies DSTC of ABS mogen niet
ingrijpen als het PAP-systeem actief is –
deze kunnen worden geactiveerd op bijvoorbeeld een steile of gladde onder-
Principe voor PAP.
Het PAP-systeem parkeert de auto aan de
hand van de volgende deelmomenten:
1. Het parkeervak wordt gezocht en gemeten (A & B) - bij het meten mag de snelheid niet hoger zijn dan 30 km/h.
2. De auto wordt achterwaarts in het vak
gestuurd (C & D).
3. De auto wordt in het vak gefixeerd door
voor- en achteruit te rijden (E & F).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
201
04 Bestuurdersondersteuning
Actieve parkeerhulp – PAP*
Bediening
1. Activeer PAP met een druk
op deze knop en rijd niet
sneller dan 30 km/h.
U krijgt eenvoudige en heldere instructies op
het instrumentenpaneel – met grafische beelden en teksten.
2 – Achterwaarts inparkeren
N.B.
04
Denk eraan dat het stuurwiel in bepaalde
standen de aanwijzingen op het instrumentenpaneel kan verbergen als het tijdens de parkeermanoeuvre wordt verdraaid.
2. Let op het instrumentenpaneel en stop de
auto als dit met grafische beelden en teksten van u verlangd wordt.
3. Stop de auto als hierom met grafische
beelden en meldingen wordt verzocht.
1 – Zoeken en meten
N.B.
PAP zoekt een mogelijke parkeerruimte
aan de passagierszijde van de straat, geeft
instructies en stuurt de auto in positie.
Desgewenst kunt u de auto ook aan de
bestuurderszijde van de straat parkeren:
•
Het PAP-systeem zoekt een parkeervak en
meet of dit vak groot genoeg is. Doe het volgende:
202
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Haal de richtingaanwijzerhendel naar
de bestuurderszijde – de auto wordt
vervolgens aan de bestuurderszijde
van de straat geparkeerd.
Bij het achterwaarts inparkeren stuurt PAP de
auto in het parkeervak. Ga als volgt te werk:
1. Controleer of de ruimte achter u vrij is en
schakel de achteruitversnelling in.
2. Rijd langzaam en voorzichtig achteruit en
raak het stuurwiel niet aan – rijd niet sneller dan ca. 7 km/h.
3. Let op het instrumentenpaneel en stop de
auto als dit met grafische beelden en teksten van u verlangd wordt.
04 Bestuurdersondersteuning
Actieve parkeerhulp – PAP*
N.B.
•
•
•
Houd uw handen weg van het stuurwiel als de PAP-functie is geactiveerd.
Let erop dat het stuurwiel niet door
iets wordt gehinderd en vrij kan
draaien.
Wacht voor het beste resultaat totdat
het stuurwiel is uitgedraaid, voordat u
achteruit/vooruit rijdt.
3 – Fixeren
1. Schakel de 1e versnelling in of D, wacht
totdat het stuurwiel is gedraaid en rijd
voorzichtig vooruit.
2. Stop de auto als hierom met grafische
beelden en een melding wordt verzocht.
3. Schakel de achteruitversnelling in en rijd
voorzichtig achteruit tot met grafische
beelden en meldingen wordt verzocht om
te stoppen.
De functie wordt automatisch gedeactiveerd
na afronding van het inparkeren, waarna met
grafische beelden en meldingen wordt aangegeven dat het inparkeren is voltooid. U moet
mogelijk later corrigeren - alleen u kunt
beoordelen of de auto goed geparkeerd
staat.
BELANGRIJK
De waarschuwingsafstand is korter wanneer de sensoren worden gebruikt door
Actieve parkeerhulp dan wanneer Park
Assist de sensoren gebruikt.
Als de auto achterwaarts in het vak is ingeparkeerd, wordt de auto recht gezet en gefixeerd.
Beperkingen
De PAP-regeling wordt beëindigd:
•
•
•
als te snel met de auto wordt gereden –
meer dan 7 km/h
als u het stuurwiel aanraakt
bij een ingreep van het ABS- of DSTCsysteem – bijvoorbeeld als een wiel grip
verliest op een gladde ondergrond.
Een melding informeert waarom de PAPregeling werd beëindigd.
04
N.B.
Als vuil, ijs en sneeuw de sensoren bedekken, neemt de functie af en kan meten
onmogelijk worden gemaakt.
BELANGRIJK
Onder bepaalde omstandigheden kan PAP
geen parkeerplaatsen vinden - een reden
kan zijn dat de sensoren worden verstoord
door externe geluidsbronnen, die dezelfde
ultrasoonfrequenties afgeven als waar het
systeem mee werkt.
Voorbeelden van dergelijke bronnen zijn
o.a. claxons, natte banden op asfalt, pneumatische remmen en uitlaatgeluid van
motorfietsen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
203
04 Bestuurdersondersteuning
Actieve parkeerhulp – PAP*
Waar u op moet letten
Let erop dat de Actieve parkeerhulp een hulpmiddel is - niet een onfeilbare volautomatische functie. Daarom moet u voorbereid zijn
om het parkeren te onderbreken. Er zijn ook
een paar details waar u bij het parkeren op
moet letten, bijvoorbeeld:
•
04
•
•
•
1
204
PAP gaat uit van de onderlinge positie
van de geparkeerde voertuigen - als deze
minder goed geparkeerd staan, kunnen
de banden en velgen van uw auto
beschadigd raken bij contact met de
stoeprand.
PAP is bedoeld voor parkeren op rechte
straten - niet met sterke slingeringen of
bochten. Zorg daarom dat de auto evenwijdig staat het parkeervak, wanneer het
PAP de beschikbare ruimte meet.
Parkeervakken in smalle straten kunnen
niet altijd worden aangeboden, aangezien
de benodigde ruimte voor het manoeuvreren onvoldoende is - het kan dan handig zijn om zo dicht mogelijk naar de kant
van de straat te rijden waar het parkeervak zich bevindt.
Let erop dat de voorkant van de auto tijdens het parkeren kan uitzwenken naar
het tegemoetkomende verkeer.
•
Voorwerpen boven het detectiegebied
van de sensoren worden niet meegenomen bij het berekenen van de parkeermanoeuvre, waardoor PAP mogelijk te vroeg
het parkeervak indraait. Vermijd daarom
parkeervakken met dergelijke hoge voorwerpen.
•
U moet bepalen of het vak dat PAP voorstelt geschikt is om in te parkeren.
•
Gebruik goedgekeurde banden1 met de
juiste bandenspanning - dit is van invloed
op de parkeermogelijkheden van PAP.
•
Hevige regen of sneeuwval kan ertoe leiden dat het parkeervak niet op een juiste
manier wordt gemeten.
•
Gebruik PAP niet als u sneeuwkettingen
of een reservewiel hebt gemonteerd.
•
Gebruik PAP niet als er lading buiten de
auto steekt.
Onderhoud
De PAP-sensoren zijn in de bumpers aangebracht - 6 voor en 4 achter.
Om te zorgen dat het PAP-systeem naar
behoren werkt, moeten de bijbehorende sensoren regelmatig worden schoongemaakt met
water en een autoshampoo – de Parkeerhulp
gebruikt dezelfde sensoren zie pagina 195.
BELANGRIJK
Als bij montage van een andere goedgekeurde velgmaat de bandenomtrek zich
wijzigt, moet u de parameters van het
PAP-systeem mogelijk bijwerken. Informeer bij een werkplaats – geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Met ‘goedgekeurde banden’ wordt bedoeld: banden van hetzelfde type en merk als die bij levering af fabriek origineel waren gemonteerd.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Bestuurdersondersteuning
Actieve parkeerhulp – PAP*
Symbolen en tekstmeldingen
Het instrumentenpaneel kan verschillende
symbool- en tekstcombinaties met uiteenlopende betekenis tonen – soms met een
advies voor een geschikte oplossing.
Als een melding aangeeft dat PAP buiten
werking is, wordt geadviseerd contact op te
nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
04
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
205
04 Bestuurdersondersteuning
BLIS en CTA*
WAARSCHUWING
Algemene informatie over BLIS en
CTA
De functie BLIS (Blind Spot Information
System) is bedoeld voor rijden in druk verkeer
op wegen met meerdere rijbanen in dezelfde
richting. BLIS is een hulpmiddel om u te
waarschuwen voor:
04
•
•
voertuigen in de dode hoek
snel inhalende voertuigen in de linker en
rechter rijbaan in de buurt van de eigen
auto.
BLIS en CTA zijn slechts aanvullende hulpmiddelen en werken niet in alle situaties.
BLIS en CTA vormen geen vervanging
voor een veilige rijstijl en het gebruik van
de buitenspiegels.
Ook met BLIS en CTA moet u altijd oplettend en verantwoord blijven rijden - u bent
er altijd verantwoordelijk voor dat u op een
veilige manier achteruitrijdt en van rijstrook
wisselt.
Het BLIS-systeem CTA (Cross Traffic Alert) is
een hulpmiddel om u te waarschuwen voor:
•
Bediening
kruisend verkeer als u achteruitrijdt met
de auto.
Positie BLIS-lamp1.
Controlelampje
BLIS-symbool
N.B.
Het lampje gaat branden aan de kant van
de auto waar het systeem het voertuig
heeft ontdekt. Als de auto aan beide kanten tegelijkertijd wordt ingehaald, gaan
beide lampjes branden.
1
206
N.B. De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Bestuurdersondersteuning
BLIS en CTA*
Functie
BLIS en CTA worden geactiveerd bij een
motorstart en dat wordt bevestigd doordat de
controlelampjes op de portierpanelen één
keer knipperen.
BLIS activeren/deactiveren
•
Selecteer Aan of Uit met Instellingen
Auto-instellingen BLIS.
Wanneer BLIS werkt
Bij deactivering/activering van BLIS dooft/
brandt het lampje in de knop en het instrumentenpaneel bevestigt de wijziging met een
tekstmelding - bij activering lichten de controlelampjes op de portierpanelen eenmaal op.
Om de melding uit te schakelen:
•
Druk op de knop OK van de linker stuurhendel.
04
of
•
Wacht ongeveer 5 seconden - de melding
verdwijnt.
Principe voor BLIS: 1. Zone in dode hoek. 2.
Zone voor snel inhalende voertuigen.
Het BLIS-systeem is actief bij snelheden
hoger dan ongeveer 10 km/h.
Het systeem reageert als:
Knop voor activering/deactivering.
•
Het BLIS-systeem kan worden gedeactiveerd/geactiveerd met een druk op de knop
BLIS op de middenconsole.
de eigen auto wordt ingehaald door
andere voertuigen
•
de eigen auto snel wordt ingehaald door
andere voertuigen.
Bij bepaalde combinaties van opties is er
geen plek vrij voor een knop op de middenconsole - in dat geval is de functie te bedienen via het menusysteem MY CAR2:
2
Als BLIS een voertuig binnen zone 1 of een
snel inhalend voertuig in zone 2 ontdekt,
brandt het BLIS-lampje op het portierpaneel
constant. Als u in deze stand de richtingaanwijzer activeert aan de kant waarvoor de
waarschuwing wordt gegeven, schakelt het
Zie voor informatie over het menusysteem zie pagina 217.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
207
04 Bestuurdersondersteuning
BLIS en CTA*
BLIS-lampje over van constant branden op
knipperen met een feller licht.
WAARSCHUWING
BLIS werkt niet in scherpe bochten.
BLIS werkt niet als de auto achteruitrijdt.
•
Ga naar Instellingen Autoinstellingen BLIS Cross Traffic
Alert en haal het vinkje weg - daarna is
het CTA-systeem gedeactiveerd. BLIS is
echter nog steeds geactiveerd.
•
Een geluidssignaal waarschuwt als CTA
ontdekt dat iets vanaf de zijkant nadert het geluid komt uit de linker of rechter
luidsprekers, afhankelijk van uit welke
richting het object nadert.
•
CTA waarschuwt ook doordat de BLISlampjes gaan branden.
•
Er wordt ook een waarschuwing gegeven
met een brandend pictogram in de grafische PAS-voorstelling op het beeldscherm, zie pagina 193.
Wanneer CTA werkt
CTA activeren/deactiveren
04
CTA is alleen actief tijdens het achteruitrijden
en wordt automatisch geactiveerd als de achteruitversnelling wordt geactiveerd.
Bij auto’s met Park Assist (zie pagina 193)
kunt u het CTA-systeem uitschakelen/aanzetten met de Aan/Uit-knop van de Park Assist.
Beperkingen
Principe voor CTA.
Aan/Uit voor de sensoren voor Parkeerhulp en
CTA.
CTA kan alleen als volgt worden uitgeschakeld in het menusysteem MY CAR2:
2
208
Zie voor informatie over het menusysteem zie pagina 217.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
CTA vormt een aanvulling op het BLIS-systeem door bij achteruitrijden het kruisende
verkeer vanaf de zijkant te kunnen zien, bijvoorbeeld als de auto achteruit een parkeervak verlaat.
CTA is bedoeld om in de eerste plaats voertuigen te ontdekken - in gunstige gevallen
kunnen ook kleinere voorwerpen zoals fietsen
en voetgangers worden ontdekt.
Het CTA werkt niet in alle situaties optimaal,
maar heeft zijn beperkingen – zo kunnen de
CTA-sensoren niet ‘door’ andere geparkeerde
voertuigen of voorwerpen die het zicht blokkeren heen kijken.
Hier volgen enkele voorbeelden van situaties
waar het ‘blikveld’ van het CTA aanvankelijk
beperkt is, zodat naderende voertuigen pas
op het laatste moment geregistreerd worden:
04 Bestuurdersondersteuning
BLIS en CTA*
•
BLIS en CTA worden gedeactiveerd als
een aanhanger op het elektrisch systeem
van de auto wordt aangesloten.
BELANGRIJK
Onderdelen van het BLIS-en CTA-systeem
mogen uitsluitend in een werkplaats worden gerepareerd – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
Onderhoud
De auto staat ver naar achteren in een parkeervak.
Dode hoek CTA.
Detectiegebied/‘blikveld’ CTA.
04
In schuine parkeervakken valt de ene kant van de
auto mogelijk helemaal binnen de dode hoek van
het CTA.
Naarmate u verder achteruitrijdt, verandert de
hoek ten opzichte van de auto/het obstakel
die/dat in de weg zit zodat de dode hoek snel
in grootte afneemt.
Voorbeelden van andere beperkingen:
•
•
Vuil, ijs en sneeuw die de sensoren
bedekken, kunnen de functies verminderen en waarschuwingen onmogelijk
maken. BLIS en CTA kunnen deze toestand niet detecteren.
Bevestig geen voorwerpen, tape of stickers binnen het oppervlak van de sensoren.
Positie van de BLIS- en CTA-sensor.
De sensoren voor het BLIS- en CTA-systeem
zitten aan beide kanten aan de binnenkant
van het achterspatbord/de bumper.
•
Voor een optimale werking is het belangrijk dat de oppervlakken vóór de sensoren
schoon worden gehouden.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
209
04 Bestuurdersondersteuning
BLIS en CTA*
Berichten
In situaties waarbij het BLIS- en CTA-systeem
uitblijven of worden onderbroken, kan er een
symbool op het instrumentenpaneel verschijnen in combinatie met een verklarende melding. Neem een eventueel advies in acht.
Voorbeelden van meldingen:
04
Melding
Betekenis
CTA UIT
CTA is handmatig uitgeschakeld - BLIS is actief.
BLIS en
CTA UIT
Aanhanger
aangekoppeld
BLIS en CTA zijn tijdelijk
buiten werking, omdat een
aanhanger op het elektrisch
systeem van de auto is
aangesloten.
BLIS en
CTA Service vereist
BLIS en CTA zijn buiten
werking.
•
Bezoek een werkplaats
als de melding niet verdwijnt – geadviseerd
wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
Meldingen kunt u van het display halen door
de knop OK op de richtingaanwijzerhendel
kort in te drukken.
210
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Bestuurdersondersteuning
04
211
Menu- en meldingsfuncties...................................................................
Menugroep MY CAR.............................................................................
Klimaatregeling.....................................................................................
Motor- en interieurverwarming*............................................................
Extra verwarming*.................................................................................
Boordcomputer.....................................................................................
Rijeigenschappen aanpassen...............................................................
Interieurcomfort.....................................................................................
212
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
214
217
226
237
242
244
252
253
COMFORT EN RIJPLEZIER
05 Comfort en rijplezier
Menu- en meldingsfuncties
Instrumentenpaneel
Menu-overzicht
Voor sommige van de onderstaande menuopties dient de auto te zijn uitgerust met de
bijbehorende functie en software.
Analoog instrumentenpaneel
Digit. snlhd.
Verwarming*
Extra verw.*
TC-opties
05
Informatiedisplay (analoog instrumentenpaneel)
en bedieningsknoppen voor menufuncties.
Informatiedisplays (digitaal instrumentenpaneel)
en bedieningsknoppen voor menufuncties.
OK - menu openen en meldingen en
menu-opties bevestigen.
Duimwiel – menu-opties doorbladeren.
RESET - data in de gekozen boordcomputerstap resetten en ‘teruggaan’ in de
menustructuur.
Met de linker stuurhendel bedient u de
menu’s die op het display van het instrumentenpaneel verschijnen. Welke menu’s er verschijnen hangt af van de sleutelstand, zie
pagina 81. Als er een melding is, moet u deze
eerst bevestigen met de knop OK voordat u
de menu’s kunt bekijken.
1
2
214
Bepaalde motoren.
Het aantal meldingen staat tussen haakjes.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Servicestatus
Oliepeil1
Meldingen (##)2
Digitaal instrumentenpaneel
Instellingen*
Thema's
Contraststand/Kleurstand
Servicestatus
Meldingen2
Oliepeil1
Standkachel*
Boordcomp reset
05 Comfort en rijplezier
Menu- en meldingsfuncties
Melding
Wanneer er een waarschuwings-, informatieof controlesymbool oplicht, verschijnt er
tevens een aanvullende melding op het display. Foutmeldingen blijven in het geheugen
opgeslagen, totdat de onderliggende storing
is verholpen.
Druk op OK (zie afbeelding in het hoofdstuk
‘Instrumentenpaneel’ op pagina 214) om een
melding te bevestigen3. Gebruik het duimwiel
om door de meldingen te bladeren.
N.B.
Als er een waarschuwingsmelding verschijnt als de boordcomputer wordt
gebruikt, moet de melding worden gelezen
(druk op OK) voordat de eerdere activiteit
kan worden hervat.
3
Melding
Betekenis
Melding
Betekenis
Stop auto
z.s.m.A
Breng de auto tot stilstand en zet de motor af.
Grote kans op schade –
bezoek een werkplaatsB.
Tijd voor
periodiek
onderhoud
Zet motor
afA
Breng de auto tot stilstand en zet de motor af.
Grote kans op schade –
bezoek een werkplaatsB.
Service
spoedA
Bezoek een werkplaatsB
om de auto onmiddellijk
te laten controleren.
Het is tijd voor een servicebeurt – bezoek een
werkplaatsB. Het moment
hangt af van de afgelegde
afstand, het aantal maanden dat sinds de laatste
servicebeurt is verstreken, het aantal draaiuren
van de motor en de
gebruikte oliekwaliteit.
Service vereistA
Bezoek een werkplaatsB
om de auto zo spoedig
mogelijk te laten controleren.
Onderhoudstermijn verstreken
Als u de onderhoudstermijn niet respecteert, vallen beschadigde onderdelen niet langer onder de
garantie – bezoek een
werkplaatsB.
Zie instructieb.A
Lees het instructieboekje.
Versnellingsbak Olie verversen
Bespreek tijd
voor onderhoud
Het is tijd om een
afspraak te maken voor
een servicebeurt –
bezoek een werkplaatsB.
Bezoek een werkplaatsB
om de auto zo spoedig
mogelijk te laten controleren.
05
Een melding kan ook met het duimwiel of de knop RESET worden bevestigd.
215
05 Comfort en rijplezier
Menu- en meldingsfuncties
Melding
Betekenis
Melding
Betekenis
Versnellingsbak
Beperkte
werking
De versnellingsbak werkt
niet op maximale capaciteit. Rijd voorzichtig totdat de melding verdwijntC.
Tijdelijk uitgeschakeldA
De bijbehorende functie is
tijdelijk uitgeschakeld en
wordt na enige tijd rijden
of de volgende keer dat u
de motor start automatisch opnieuw ingeschakeld.
Accuspanning laag
Spaarstand
Het audiosysteem is uitgeschakeld om stroom te
besparen. Laad de accu
bij.
Bezoek bij herhaaldelijke
verschijning een werkplaatsB.
Versnellingsbak heet Rijd
langzamer
05
Versnellingsbak heet
Stop auto
z.s.m. Wachten op
afkoelen
216
Rijd voorzichtiger of
breng de auto zo spoedig
mogelijk tot stilstand. Zet
de versnellingsbak in de
neutraal en laat de motor
stationair draaien totdat
de melding verdwijntC.
Kritieke storing. Breng de
auto zo spoedig mogelijk
tot stilstand en bezoek
een werkplaatsB.
A
B
C
Deel van een melding, verschijnt samen met gegevens
over de locatie van de storing.
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Voor meer meldingen met betrekking tot de automatische
versnellingsbak, zie pagina 125.
05 Comfort en rijplezier
Menugroep MY CAR
Bediening
Algemene informatie over MY CAR
sloten.
In deze menugroep zijn tal van autofuncties te regelen, zoals het instellen
van de klok, de buitenspiegels en de
Bedieningselementen op
middenconsole
Navigatie in deze menu’s vindt plaats met
knoppen op de middenconsole of met de
stuurtoetsen rechts.
menuniveau dat gebeurt, is een van de volgende dingen mogelijk:
•
•
•
•
•
Sommige functies behoren tot de standaarduitrusting, andere zijn zogeheten opties – het
aanbod verschilt per markt.
telefoongesprekken worden geweigerd
de actuele functie wordt beëindigd
de ingevoerde tekens worden gewist
de laatste gemaakte keuze wordt geannuleerd
u gaat een stap omhoog binnen het
menusysteem.
Ook ‘kort’ en ‘lang’ indrukken levert mogelijk
verschillende resultaten op.
Bedieningselementen voor menufuncties op middenconsole.
Bij lang indrukken springt u naar het hoogste
menuniveau (Moederweergave), van waaruit u
alle functies/menugroepen van de auto kunt
bereiken, zie pagina 263.
05
Druk op MY CAR om de menu’s te openen onder MY CAR.
Druk op OK MENU om de gemarkeerde
menu-optie te kiezen/aan te vinken of de
gekozen functie in het geheugen op te
slaan.
Draai aan TUNE om een stap omhoog/
omlaag te gaan door de menu-opties.
EXIT
Functies EXIT
Afhankelijk van de functie die de cursor markeert bij het indrukken van EXIT en op welk
}}
217
05 Comfort en rijplezier
Menugroep MY CAR
Toetsenset* op stuurwiel
Instellingen Auto-instellingen
Slotinstellingen Deuren open
Bestuurdersdeur: dan alle.
Hier volgt een voorbeeld van de wijze waarop
u een functie kunt opzoeken en aanpassen
met de toetsenset op de middenconsole:
1. Druk op de knop MY CAR op de middenconsole.
De toetsenset kan verschillen afhankelijk van het
audiosysteem, zie pagina 260.
05
Draai aan het duimwiel om een stap
omhoog/omlaag te gaan door de menuopties.
Druk op het duimwiel om de gemarkeerde menu-optie te kiezen/aan te vinken of de gekozen functie in het geheugen op te slaan.
EXIT (zie het kopje ‘Functies EXIT’ op
pagina 217).
Paden
Het actuele menuniveau staat rechts bovenaan op het beeldscherm van de middenconsole. De paden naar de menufuncties worden
als volgt weergegeven:
218
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
2. Ga naar het gewenste menu, bijvoorbeeld
Instellingen, met het duimwiel (1) en
druk vervolgens op het duimwiel – er
wordt een submenu geopend.
EXIT (2) telkens kort in te drukken of deze
eenmaal lang in te drukken.
De procedure verloopt geheel identiek met de
knoppen op de middenconsole – zie
pagina 217: OK MENU (2), EXIT (4) en de
draaiknop TUNE (3).
MY CAR
Onder menugroep MY CAR vindt u de volgende opties:
3. Ga naar het gewenste menu, bijvoorbeeld
Auto-instellingen, en druk op het duimwiel – er wordt een submenu geopend.
4. Ga naar Slotinstellingen en druk op het
duimwiel – er wordt een nieuw submenu
geopend.
5. Ga naar Deuren open en druk op het
duimwiel – er wordt een submenu met te
selecteren functies geopend.
6. Kies uit de opties Alle deuren en
Bestuurdersdeur: dan alle en druk op
het duimwiel – er verschijnt een kruisje in
het lege vakje van de optie.
7. Sluit de programmering af door de
menu’s één voor één te verlaten door
•
•
•
•
•
My V40
Verbruiksinfo (Trip statistics)
DRIVe
Hulpsystemen (Support systems)
Instellingen (Settings)
05 Comfort en rijplezier
Menugroep MY CAR
My V40
Hier volgt een introductie van Volvo’s StartStop-systeem en adviezen voor een energiezuinige rijtechniek.
• Start/Stop
• Milieutips
Menuniveau 1
Menuniveau 2
Menuniveau 4
Voor meer informatie – zie pagina 127.
Bestuurdersondersteunende systemen
MY CAR
Uit: Leeg vakje.
MY CAR
•
Verbruiksinformatie
DRIVe
DRIVe
05
Aan: Aangevinkt vakje.
Rijstatistiek
Op het beeldscherm verschijnen historische
gegevens over het gemiddelde stroom- en
brandstofverbruik in de vorm van staafdiagrammen, zie pagina 250.
Hier verschijnen de eerste 4 menuniveaus
onder MY CAR Instellingen. Voor enkele
menu’s bestaan submenu’s – deze worden in
dat geval uitvoerig beschreven in het desbetreffende tekstgedeelte.
Wanneer u kunt kiezen uit activering/Aan of
deactivering/Uit van een bepaalde functie,
verschijnt er een vakje:
My V40
Op het beeldscherm staan alle bestuurdersondersteunende systemen aangegeven – u
kunt ze hiervandaan activeren of deactiveren.
MY CAR
p. ....
Menuniveau 3
MY CAR
Hulpsystemen
(MY CAR > Support systems)
Op het beeldscherm staat het actuele statusoverzicht van de bestuurdersondersteunende systemen.
Instellingen - menu’s
Kies Aan/Uit met OK – verlaat het menu
vervolgens met EXIT.
Auto-instellingen
Sleutelgeheugen
Aan
Uit
p.
84
en
106
De opbouw van de menu’s is als volgt:
}}
219
05 Comfort en rijplezier
Menugroep MY CAR
Slotinstellingen
Automatische vergrendeling
Aan
Uit
p.
46,
56
en
59
Deuren open
Bestuurdersdeur: dan alle
Instappen zonder sleutel
Uit
Linkerspiegel hellen
30 sec.
Rechterspiegel hellen
Beide voordeuren
90 sec.
p.96
Binnenverlichting
p.97
Tijdsduur 'follow me home'-verl.
Vloerverlichting
30 sec.
60 sec.
90 sec.
Driemaal richtingaanwijzer
Aan
Akoestisch signaal
Uit
Lichtsignaal bij ontgrendeling
Uit
Aan
p.
61
en
65
Tijdelijk linksrijdend verkeer
Uit
Aan
Uit
of
Tijdelijk rechtsrijdend verkeer
Aan
Uit
220
p.95
Aan
Uit
Aan
p.
46
en
97
60 sec.
p.44
Lichtsignaal deurvergrendeling
Deuren aan één kant
Vragen bij uitstappen
Tijdsduur 'approach'-verl.
Kleuren omgevingslicht
Willekeurige deur
Eén keer activeren
p.
106
Omgevingslicht
Alle deuren
Minder bescherming
Spiegels inklappen
Lichtinstellingen
Alle deuren
05
Instellingen zijspiegel
p.98
05 Comfort en rijplezier
Menugroep MY CAR
Actieve bochtverlichting
p.93
Aan
Aan
Uit
Extra koplampen
p.91
Aan
Laag
Midden
p.
252
p.
176
Rijbaanassistentie
Aan
Uit
Uit
Waarschuwingsafstand
Aan bij starten
Lang
Aan
Normaal
Uit
Kort
Uit
Stuurkracht
Botswaarschuwing
Hogere gevoeligheid*
Signaaltoon
Aan
Aan
Uit
Uit
Alternatieve assistentie
Alleen vibratie
Hoog
Uit
05
Alleen stuurhulp
Volledige functie
Autosnelheid in infotainm.scherm
Aan
p.
189
Informatie over verkeersborden
Aan
p.
147
Uit
Auto-instellingen resetten
Van alle menu’s onder Autoinstellingen worden de fabrieksinstellingen hervat.
Snelheidswaarschuwing
Aan
Uit
Rij-assistentiesystemen
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
221
05 Comfort en rijplezier
Menugroep MY CAR
DSTC
Aan
p.
144
Uit
City Safety
Aan
p.
170
Tijd
Tijdopmaak
Aan
p.
206
Bij selectie van deze optie wordt de
schermweergave automatisch vervangen door een leeg scherm,
wanneer u enige tijd geen schermfunctie gebruikt.
Cross Traffic Alert
Aan
Uit
Afstandswaarschuwing
Aan
p.
167
Uit
Driver Alert
Aan
Uit
Systeemopties
222
Aan
Uit
Uit
05
Uit
p.79
24u
Screensaver
p.
186
De actuele schermweergave verschijnt echter weer, wanneer u
gebruik maakt van een van de
knoppen of bedieningselementen
van het beeldscherm.
Taal
Geeft de taal voor de menuteksten
aan.
Hulptekst weergeven
Aan
12u
Uit
BLIS
p.79
Hier stelt u de klok in op het instrumentenpaneel.
Bij markering van deze optie verschijnt uitleg bij de actuele schermweergave.
Afstands-/ verbruikseenheid
p.
217
MPG (UK)
p.
244
MPG (US)
km/l
l/100km
Temperatuureenheid
Celsius
Fahrenheit
Geeft de eenheid aan voor weergave van de buitentemperatuur en
instelling van de klimaatregeling.
Volumes
Volume mededelingen
Volume voor parkeerhulp vóór
Volume voor parkeerhulp achter
Beltoonvolume
05 Comfort en rijplezier
Menugroep MY CAR
Systeemopties resetten
Van alle menu’s onder Systeemopties worden de fabrieksinstellingen hervat.
Spraakinstellingen
Alleen in een auto met Volvo gpsnavigatiesysteem RTI* – zie desbetreffend boekje.
Spraakintroductie
Deze menu-optie + OK levert
gesproken informatie op over de
werking van het systeem.
Lijst van spraakcommando's
Telefooncommando's
Telefoon
Telefoon kies contact
Telefoon kies nummer
Navigatiecommando's
Navigatie
Navigatie herhaal
spraakbegeleiding
Navigatie ga naar adres
Algemene commando's
gesproken commando’s in het
navigatiesysteem.
Gebruikersinstelling
spraaksystem
Standaardinstellingen
Gebruiker 1
Gebruiker 2
Hier kunt u een tweede gebruikersprofiel aanmaken – handig wanneer
meerdere personen regelmatig
gebruik maken van de auto en het
systeem. Standaardinstellingen
herstelt de fabrieksinstellingen.
Help
05
Annuleer
Spraakintroductie
De menu-opties onder Telefooncommando's geven enkele voorbeelden van de beschikbare
gesproken commando’s – alleen in
combinatie met een geïnstalleerde
mobiele telefoon met Bluetooth®aansluiting. Voor meer (gedetailleerde) informatie, zie pagina 290.
De menu-opties onder Navigatiecommando's geven enkele voorbeelden van de beschikbare
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
223
05 Comfort en rijplezier
Menugroep MY CAR
Spraaktraining
Gebruiker 1
Gebruiker 2
05
Met Spraaktraining biedt u de
spraakherkenning de gelegenheid
om bekend te raken met uw stem
en uitspraak. Op het scherm verschijnen enkele zinnen die u vervolgens moet inspreken. Zodra het
systeem bekend is met uw manier
van spreken, verschijnen er geen
zinnen meer. Daarna kunt u bijvoorbeeld Gebruiker 1 in Gebruikersinstelling spraaksystem kiezen om te zorgen dat het systeem
naar de commando’s van de juiste
gebruiker luistert.
Autom. ventilatorinstellingen
Wijzig lijst
Normaal
Het aantal faciliteiten is groot en
verschilt per markt. Er kunnen
maximaal 30 favoriete faciliteiten
worden opslagen in deze lijst.
Laag
Timer voor hercirculatie
Aan
Voor meer informatie over faciliteiten en spraakherkenning – zie het
instructieboekje bij het navigatiesysteem.
Audio-instellingen
Klimaatinstellingen
Uit
Aut. achterruitverwarming
p.
260
Aan
Uit
Luchtkwaliteitssysteem
Aan
Uit
Klimaatinstellingen resetten
Er verschijnt een volumeregeling
op het scherm – doe in dat geval
het volgende:
Van alle menu’s onder Klimaatinstellingen worden de fabrieksinstellingen hervat.
1. Stel het volume bij met het
duimwiel.
Favorieten (FAV)
3. Met EXIT kunt u de instelling
opslaan en het menu verlaten.
p.
231
Hoog
Volume mededelingen
2. Met OK kunt u bij wijze van
proef een stukje beluisteren.
224
POI-lijst voor spraaksysteem
Volvo On Call
Staat in een apart boekje beschreven.
p.
264
05 Comfort en rijplezier
Menugroep MY CAR
Informatie
Aantal sleutels
p.44
VIN-nummer
p.
396
DivX® VOD-code
p.
282
Bluetooth-softwareversie in auto
p.
289
Kaart- en softwareversie*
Alleen in een auto met Volvo gpsnavigatiesysteem – zie desbetreffend boekje.
05
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
225
05 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
Algemeen
Klimaatregeling
De auto is voorzien van elektronische klimaatregeling. De klimaatregeling zorgt ervoor dat
de lucht in het interieur gekoeld, verwarmd of
van vocht ontdaan wordt.
N.B.
U kunt de airconditioning (AC) uitschakelen, maar voor optimaal klimaatcomfort in
de passagiersruimte en om te voorkomen
dat de ruiten beslaan dient u de airconditioning altijd te laten aanstaan.
05
Werkelijke temperatuur
De ingestelde temperatuur komt overeen met
de gevoelstemperatuur op basis van de heersende omstandigheden in en rond de auto
wat de luchtsnelheid, de luchtvochtigheidsgraad, de ingestraalde warmte enz. betreft.
Het systeem beschikt over een zonnesensor
die de stand van de zon registreert. Daardoor
kan1 de temperatuur van de lucht uit de
blaasmonden links en rechts afwijken,
ondanks dat de temperatuurknoppen voor de
beide zijden in dezelfde stand staan.
1
226
Geldt alleen voor ECC.
Positie van de sensoren
•
De zonnesensor zit boven op het dashboard.
•
De interieurtemperatuursensor zit onder
het bedieningspaneel van de klimaatregeling.
•
De buitentemperatuursensor zit in de buitenspiegel.
N.B.
Bedek of blokkeer de sensoren niet met
kledingstukken of andere voorwerpen.
ling oprijdt), is het mogelijk dat de airconditioning tijdelijk wordt uitgeschakeld. Er kan dan
een tijdelijke temperatuurstijging optreden.
Condenswater
In warme weersomstandigheden kan er ter
hoogte van de airconditioning een plasje
water onder de auto ontstaan. Dit is volkomen normaal.
Sneeuw en ijs
Veeg sneeuw en ijs van de luchtinlaat voor de
klimaatregeling (de opening tussen de motorkap en de voorruit).
Zijruiten
Doorluchtfunctie
Voor optimale werking van de airconditioning
moet u de zijruiten gesloten houden.
Bij warm weer kunt u de doorluchtfunctie
gebruiken om alle zijruiten tegelijk korte tijd te
openen en weer te sluiten en op die manier
snel voor frisse lucht in de auto te zorgen, zie
pagina 58.
Beslagen ruiten
Maak in eerste instantie gebruik van de ontwasemingsfunctie om condens van de binnenkant van de ruiten te verwijderen.
Houd de binnenzijde van de ruiten schoon
om de kans te beperken dat ze beslaan.
Tijdelijke uitschakeling van
airconditioning
Wanneer de motor het maximale vermogen
nodigt heeft (bijvoorbeeld als u volgas optrekt
of met een aanhanger achter de auto een hel-
Interieurfilter
Alle lucht die de passagiersruimte binnenkomt wordt gereinigd door een filter. U moet
het filter regelmatig vervangen. Raadpleeg
het Serviceprogramma van Volvo voor het
aanbevolen vervangingsinterval. In zeer sterk
verontreinigde gebieden moet u het filter
mogelijk vaker vervangen.
05 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
N.B.
Er zijn verschillende soorten interieurfilters.
Let erop dat het juiste filter wordt gemonteerd.
Clean Zone Interior Package (CZIP)*
Wanneer u voor deze optie hebt gekozen zijn
er nog minder stoffen in het interieur verwerkt
die aanleiding kunnen geven tot allergieën of
astma. Zie voor meer informatie over CZIP de
brochure die u bij aankoop hebt ontvangen.
Het volgende is inbegrepen:
•
•
Een geavanceerde ventilatorfunctie die
inhoudt dat de ventilator aanslaat wanneer de auto via de transpondersleutel
wordt ontgrendeld. De ventilator vult het
interieur op die manier met verse lucht.
De functie start als dat nodig is en stopt
na bij het openen van een van de portieren. Bij inactiviteit wordt de functie na
enige tijd automatisch beëindigd.
Het Interior Air Quality System (IAQS) is
een volautomatisch systeem dat de lucht
in de passagiersruimte ontdoet van verontreinigingen in de vorm van stofdeeltjes, koolwaterstoffen, stikstofoxiden en
laaghangend ozon.
N.B.
Om de CZIP-standaard in auto’s met CZIP
te behouden, dient het IAQS-luchtfilter om
de 15.000 km of tenminste eenmaal per
jaar te worden vervangen (afhankelijk van
wat het eerst wordt bereikt). Echter, maximaal 75.000 km per 5 jaar. In auto's zonder CZIP en als de klant niet de CZIP-standaard wil behouden, moet het IAQS-filter
bij een normale servicebeurt worden vervangen.
Gebruik van beproefde materialen in het
interieur.
De gebruikte materialen zijn erop geselecteerd de hoeveelheid stof in de passagiersruimte te beperken, zodat de passagiersruimte gemakkelijker schoon te houden is. De
vloerbekleding in zowel de passagiersruimte
als de bagageruimte is eenvoudig te verwijderen en schoon te maken. Gebruik daarvoor
schoonmaakmiddelen en autoverzorgingsproducten die door Volvo worden geadviseerd, zie pagina 390.
•
Ventilatorstand bij automatische klimaatregeling*, zie pagina 232.
•
•
Recirculatietimer, zie pagina 234.
•
Interior Air Quality System*, zie
pagina 235
Automatische achterruitverwarming, zie
pagina 107.
De basisinstellingen voor de klimaatregelingsfuncties zijn te herstellen via het menusysteem MY CAR en wel onder: Instellingen
Klimaatinstellingen Klimaatinstellingen
resetten.
Luchtverdeling
05
Menu-instellingen
Het is mogelijk de basisinstellingen voor vier
van de klimaatregelingsfuncties te activeren/
deactiveren of wijzigen via de middenconsole. Voor algemene informatie over de
menufuncties, zie pagina 218:
De binnenkomende lucht wordt verdeeld over
uiteenlopende blaasmonden verspreid over
het interieur.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
227
05 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
In de stand AUTO* vindt de luchtverdeling
geheel automatisch plaats.
De luchtverdeling valt zo nodig handmatig bij
te regelen, zie pagina 236.
Blaasmonden in dashboard
05
Open
Dicht
Luchtstroom naar links of rechts
Luchtstroom omhoog of omlaag
Richt de blaasmonden op de zijruiten om
deze te ontwasemen.
N.B.
Denk eraan dat kleine kinderen gevoelig
kunnen zijn voor luchtstromen en tocht.
228
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
05 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
Elektronische klimaatregeling, ECC*
05
Ventilator
AUTO
Elektrisch verwarmde voorstoel, links
Temperatuurregeling linker-/rechterkant
instellen
Elektrisch verwarmde voorstoel, rechts
Temperatuurregeling
Elektrische voorruitverwarming* en maximale ontwaseming
Recirculatie
Luchtverdeling - ventilatie vloer
AC – Airconditioning aan/uit
Luchtverdeling - blaasmond dashboard
Luchtverdeling - ontwaseming voorruit
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming,zie pagina 107
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
229
05 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
Elektronische temperatuurregeling, ETC
05
Ventilator
Recirculatie
Gebruik bedieningselementen
Elektrisch verwarmde voorstoel, links
Elektrisch verwarmde voorstoel, rechts
AC – Airconditioning aan/uit
Temperatuurregeling
Elektrisch verwarmde stoelen/
achterbank*
Elektrische voorruitverwarming* en maximale ontwaseming
Luchtverdeling - ventilatie vloer
Luchtverdeling - blaasmond dashboard
Luchtverdeling - ontwaseming voorruit
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming,zie pagina 107
230
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
WAARSCHUWING
Een elektrisch verwarmde stoel mag niet
worden gebruikt door personen die niet
goed kunnen voelen dat de temperatuur
toeneemt of die om een andere reden
moeilijkheden hebben om de elektrisch
verwarmde stoel te bedienen. Er kunnen
dan namelijk brandwonden ontstaan.
05 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
Voorstoelen
•
Laagste verwarmingsstand - er brandt
één oranje veld op het beeldscherm.
•
Verwarming uitschakelen - geen van de
velden brandt.
Achterbank
Ventilator
N.B.
Als de ventilator volledig uitgeschakeld is,
start de airconditioning niet – wat kans op
beslagen ruiten kan geven.
Ventilatorknop voor ECC*
Draai aan de knop om de
ventilatorsnelheid te verhogen of te verlagen, AUTO
schakelt uit. Als AUTO wordt
gekozen, wordt de ventilatorsnelheid automatisch geregeld. De eerder ingestelde
ventilatorsnelheid wordt gedeactiveerd.
Het beeldscherm van de middenconsole geeft
het actuele verwarmingsniveau aan.
De lampjes in de drukknoppen geven het actuele
verwarmingsniveau aan:
Druk herhaalde malen op de knop voor het
volgende:
Druk herhaalde malen op de knop voor het
volgende:
•
Hoogste verwarmingsstand - er branden
drie lampjes.
•
Hoogste verwarmingsstand - er branden
drie oranje velden op het beeldscherm
van de middenconsole (zie bovenstaande
afbeelding).
•
Lagere verwarmingsstand - er branden
twee lampjes.
•
Lagere verwarmingsstand - er branden
twee oranje velden op het beeldscherm.
Laagste verwarmingsstand - er brandt
één lampje.
•
Verwarming uitschakelen - geen van de
lampjes brandt.
•
05
Ventilatorknop voor ETC
Draai aan de knop om de
ventilatorsnelheid te verhogen of te verlagen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
231
05 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
Luchtverdeling
U kunt de ventilatorsnelheid in de automatische stand instellen in het menusysteem MY
CAR onder Instellingen
Klimaatinstellingen Autom.
ventilatorinstellingen. Kies uit Laag,
Normaal of Hoog :
• Laag - Automatische ventilatorregeling.
Geringe luchtstroom geniet de prioriteit.
• Normaal - Automatische ventilatorregeling.
Luchtverdeling - ontwaseming voorruit
05
Luchtverdeling - blaasmond dashboard
Luchtverdeling - ventilatie vloer
De gestileerde menselijke gedaante op de
nevenstaande afbeelding bestaat uit drie
knoppen. Bij bediening van de knoppen gaat
op het beeldscherm het desbetreffende
gedeelte van de gestiliseerde menselijke
gedaante (zie onderstaande afbeelding) branden samen met een pijl vóór dit gedeelte om
aan te geven welke luchtverdelingsstand er
gekozen is. Voor meer informatie over de
luchtverdeling, zie pagina 236.
1
232
Geldt alleen voor ECC.
Het beeldscherm van de middenconsole geeft
de gekozen luchtverdelingsstand aan.
AUTO1
De functie AUTO regelt automatisch de temperatuur, de
airconditioning, de ventilatorsnelheid, de recirculatie en
de luchtverdeling.
Als u een of meer handmatige functies selecteert, worden de overige functies nog steeds
automatisch geregeld. Alle handmatige instellingen worden uitgeschakeld, wanneer u op
de knop AUTO drukt. Op het beeldscherm
verschijnt AUTO-KLIMAAT.
• Hoog - Automatische ventilatorregeling.
Grotere luchtstroom geniet de prioriteit.
Voor een beschrijving van het menusysteem,
zie pagina 218.
Temperatuurregeling
Bij het starten van de motor wordt de laatst
verrichte instelling hervat.
N.B.
Het is niet mogelijk om het opwarmen/
afkoelen te versnellen door een hogere/
lagere temperatuur te kiezen dan die
eigenlijk gewenst is.
05 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
Temperatuurregeling ECC*
Temperatuurregeling ETC
Met deze draaiknop kunt u
de temperatuur in de passagiersruimte instellen.
Elektrische voorruitverwarming* en
maximale ontwaseming
AC – Airconditioning AAN/UIT
De actuele temperatuur voor beide zones staat
aangegeven op het beeldscherm van de middenconsole.
Met deze knop kunt u de
temperatuur aan de bestuurders- en passagierszijde
onafhankelijk van elkaar
instellen. Druk meerdere
keren op L/R van de knop
om de instelling voor links,
rechts of beide kanten te kiezen. Stel de temperatuur in met de draaiknop – de gekozen
temperatuur voor beide kanten verschijnt op
het display van de middenconsole.
Wanneer het lampje in de
knop AC brandt, wordt de
airconditioning geheel automatisch geregeld. De binnenkomende lucht wordt dan
zo nodig afgekoeld en van
vocht ontdaan.
Wanneer het lampje in de knop AC gedoofd
is, is de airconditioning uitgeschakeld. De
overige functies worden nog steeds automatisch geregeld. Bij activering van de maximale
ontwaseming wordt automatisch de airconditioning ingeschakeld, zodat de lucht optimaal
gedroogd wordt.
Het display van de middenconsole geeft de
gekozen instelling aan.
05
Elektrische verwarming*
Maximale ontwaseming
U gebruikt de ontwaseming
om de voor- en zijruiten snel
te ontwasemen en te ontdooien. Het lampje in de ontwasemingsknop brandt,
wanneer de functie is ingeschakeld.
Druk voor activering van de functies herhaalde malen op de knop.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
233
05 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
Voor auto’s zonder elektrische voorruitverwarming:
•
Er stroomt lucht naar de ruiten - op het
beeldscherm brandt het symbool (2).
•
Functie uitschakelen - geen van de symbolen brandt.
N.B.
Aan de beide uiteinden van de voorruit zitten driehoekige gebieden zonder elektrische verwarming, zodat het ontdooien
daar mogelijk langer duurt.
N.B.
Voor auto’s met elektrische voorruitverwarming:
•
Elektrische voorruitverwarming2 inschakelen - op het beeldscherm brandt een
symbool (1).
•
Elektrische voorruitverwarming2 inschakelen en lucht naar de ruiten sturen - op
het beeldscherm branden de symbolen
(1) en (2).
Als de functie actief is, vindt bovendien het
volgende plaats om de lucht in de passagiersruimte zoveel mogelijk van vocht te ontdoen:
•
Functie uitschakelen - geen van de symbolen brandt.
•
de airconditioning wordt automatisch
ingeschakeld
•
de recirculatie en het Interior Air Quality
System worden automatisch uitgeschakeld.
05
N.B.
Elektrische voorruitverwarming en een
eventuele IR-film, zie pagina 104, kunnen
de prestaties van transponders en andere
communicatie-apparatuur beïnvloeden.
2
234
De elektrische voorruitverwarming is niet
beschikbaar, wanneer de motor automatisch is afgezet, zie pagina 127.
N.B.
De ventilator maakt meer geluid wanneer
de ventilator op maximale snelheid draait.
Het kompas is uit wanneer de elektrische voorruitverwarming is geactiveerd.
Bij het uitschakelen van de ontwaseming hervat de klimaatregeling de voorgaande instellingen.
Recirculatie
Wanneer de recirculatie
actief is, brandt het oranje
lampje in de knop. U kunt
deze functie inschakelen als
u vieze lucht, uitlaatgassen
en dergelijke buiten wilt houden. De lucht in de passagiersruimte wordt dan gerecirculeerd. Er komt
met andere woorden geen lucht van buiten
de auto in, wanneer deze functie actief is.
BELANGRIJK
Als de lucht in de auto te lang recirculeert,
kan de binnenzijde van de ruiten beslaan.
Timer
Bij een geactiveerde timerfunctie zal de klimaatregeling afhankelijk van de buitentemperatuur na een bepaalde tijd de handmatig
geactiveerde recirculatiestand verlaten. Dit
beperkt de kans op ijs, beslagen ruiten en
een slechte luchtkwaliteit. U kunt de functie
activeren/deactiveren in het menusysteem
MY CAR onder Instellingen
05 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
Klimaatinstellingen Timer voor
hercirculatie. Voor een beschrijving van het
menusysteem, zie pagina 218.
N.B.
Wanneer u voor maximale ontwaseming
kiest, wordt de recirculatie altijd uitgeschakeld.
Interior Air Quality System*
Het Interior Air Quality System (IAQS) ontdoet
de binnenkomende lucht van gassen en stofdeeltjes om zo hinderlijke geurtjes en veront-
reinigingen in de passagiersruimte te beperken. Als de Air Quality Sensor een verhoogde
concentratie van verontreinigingen in de buitenlucht meet, wordt de luchtinlaat afgesloten
waarna de lucht in de passagiersruimte wordt
gerecirculeerd.
U kunt de functie activeren/deactiveren in het
menusysteem MY CAR onder Instellingen
Klimaatinstellingen
Luchtkwaliteitssysteem. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie pagina 218.
Auto’s met Start/Stop*
Bij automatische motorstop gelden er mogelijk beperkingen voor de werking van
bepaalde apparatuur (zoals de airconditioning
van de klimaatregeling en de ventilatorsnelheid). Zie voor meer informatie zie
pagina 127.
N.B.
Voor de beste lucht in het interieur moet
de luchtkwaliteitssensor altijd zijn ingeschakeld.
05
In een koud klimaat is de automatische
recirculatie beperkt om het beslaan van de
ruiten te voorkomen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
235
05 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
Luchtverdelingstabel
05
236
Luchtverdeling
Toepassing
Luchtverdeling
Toepassing
Er stroomt een grote hoeveelheid warme lucht naar
de ruiten.
om snel te ontdooien en te ontwasemen.
Lucht naar de vloer en de
ruiten. Er komt een
bepaalde hoeveelheid lucht
uit de blaasmonden in het
dashboard.
om een comfortabel
klimaat en een goede
ontwaseming te verkrijgen bij koud weer.
Lucht naar de voorruit, via
de blaasmond voor ontwaseming, en de zijruiten.
Er komt een bepaalde
hoeveelheid lucht uit de
blaasmonden.
om wasem en ijsvorming bij koud en
vochtig weer te
voorkomen (niet te
lage ventilatorsnelheid).
Lucht naar de vloer en uit
de blaasmonden in het
dashboard.
bij zonnig weer en
matige buitentemperaturen.
Luchtstroom naar de ruiten en uit de blaasmonden van het dashboard.
om een comfortabel
klimaat te verkrijgen
bij warm en droog
weer.
Lucht naar de vloer. Er
komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de blaasmonden in het dashboard
en op de ruiten.
om warme of koude
lucht naar de vloer te
sturen.
Luchtstroom op hoofden borsthoogte uit de
blaasmonden in het dashboard.
om een efficiënte
koeling te verkrijgen
bij warm weer.
Luchtstroom naar de ruiten,
uit de blaasmonden in het
dashboard en naar de
vloer.
om koele lucht naar de
vloer te sturen of
warme lucht naar de
rest van het lichaam bij
koud weer of bij warm
en droog weer.
05 Comfort en rijplezier
Motor- en interieurverwarming*
Algemeen
De standverwarming (op brandstof) bereidt
de motor en het interieur voor ter beperking
van de slijtage en het stroomverbruik tijdens
de rit. Bij voorverwarming van de auto verlengt u tevens de actieradius.
De verwarming is direct in te schakelen of
vertraagd met een timerfunctie.
N.B.
Bij gebruik van de verwarming op brandstof komt er mogelijk rook vanonder de
auto, wat volkomen normaal is.
Tanken
Verwarming op brandstof
WAARSCHUWING
Maak geen gebruik van de verwarming op
brandstof in een afgesloten ruimte. Er
komen uitlaatgassen vrij.
Wanneer u de auto op een steile helling parkeert, moet u ervoor zorgen dat de voorkant
van de auto omlaagwijst. Zo krijgt de verwarming op brandstof altijd voldoende brandstof.
Accu en brandstof
Als de accu onvoldoende opgeladen is of als
het brandstofpeil te laag is, wordt de verwarming automatisch uitgeschakeld en er verschijnt een melding op het display. Bevestig
deze melding door op de knop OK op de
richtingaanwijzerhendel te drukken, zie
pagina 238.
U kunt twee verschillende uitschakeltijden
instellen met de timerfunctie. Onder de uitschakeltijd wordt het tijdstip verstaan waarop
de auto de gewenste temperatuur bereikt
heeft. De elektronica van de auto rekent aan
de hand van de buitentemperatuur zelf uit
wanneer de verwarming moet worden ingeschakeld.
Bij een buitentemperatuur hoger dan 15 °C
wordt de verwarming op brandstof niet geactiveerd. Bij temperaturen van –5 °C of lager is
de maximale bedrijfstijd van de verwarming
50 minuten.
Op een helling parkeren
BELANGRIJK
Waarschuwingssticker op tankvulklep.
WAARSCHUWING
Gemorste brandstof kan vlam vatten.
Schakel voordat u gaat tanken de verwarming op brandstof uit.
Controleer op het instrumentenpaneel of
de verwarming is uitgeschakeld; wanneer
deze werkt, verschijnt het verwarmingssymbool.
05
Frequent gebruik van de verwarming tijdens korte ritten kan aanleiding geven tot
een geringe ladingstoestand van de startaccu, waardoor de verwarming mogelijk
wordt uitgeschakeld of helemaal niet aanslaat. In het ergste geval is het niet mogelijk de motor te starten.
Om te garanderen dat de startaccu met
evenveel energie wordt opgeladen als de
verwarming verbruikt, moet u bij regelmatig gebruik van de verwarming net zolang
met de auto rijden als de verwarming
wordt gebruikt. De verwarming wordt telkens maximaal 50 minuten ingeschakeld.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
237
05 Comfort en rijplezier
Motor- en interieurverwarming*
Bediening
Symbolen en meldingen
Wanneer de verwarming ingeschakeld is, brandt het verwarmingssymbool op het display.
Wanneer een van de timerfuncties actief is,
brandt het symbool voor een geactiveerde
timer op het display met de ingestelde tijd
ernaast.
05
Informatiedisplay (analoog instrumentenpaneel)
en bedieningsknoppen voor menufuncties.
Informatiedisplays (digitaal instrumentenpaneel)
en bedieningsknoppen voor menufuncties.
Knop OK
Duimwiel
RESET
Voor meer informatie over het display en OK,
zie de pagina’s 71 en 214.
238
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Symbool voor een geactiveerde
timer op een analoog instrumentenpaneel.
Symbool voor een geactiveerde
timer op een digitaal instrumentenpaneel.
In de onderstaande tabel staan de voorkomende symbolen en tekstmeldingen.
05 Comfort en rijplezier
Motor- en interieurverwarming*
Symbool
Display
Betekenis
De verwarming is ingeschakeld en werkt.
Verwarmingstimer geactiveerd bij uitnemen transpondersleutel en verlaten van de auto – motor en passagiersruimte warm op ingesteld tijdstip.
Brandstofkachel
gestopt Zuinige stand
De verwarming werd uitgeschakeld om te zorgen dat er voldoende stroom is om de motor te starten.
Brandstofkachel
gestopt Brandstofpeil
laag
De verwarming kan niet worden geactiveerd door een te laag brandstofpeil – dit om het mogelijk te
maken de motor te starten en nog ca. 50 km te rijden.
Brandstofkachel Service vereist
Verwarming defect. Neem voor reparatie contact op met een werkplaats. Volvo adviseert u contact op
te nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
05
Een tekstmelding verdwijnt automatisch na
enige tijd. U kunt een melding ook eerder
laten verdwijnen met een druk op de knop
OK van de richtingaanwijzerhendel.
Meteen inschakelen/uitschakelen
Bij directe start van de standverwarming zal
deze 50 minuten lang geactiveerd blijven.
De interieurverwarming gaat van start, zodra
de koelvloeistof in de motor de juiste temperatuur heeft bereikt.
N.B.
De auto kan worden gestart en rijden, terwijl de verwarming aan is.
1. Druk op de knop OK om het menu te
openen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
239
05 Comfort en rijplezier
Motor- en interieurverwarming*
2. Gebruik het duimwiel om naar
Verwarming te gaan en maak een keuze
met OK.
3. Ga in het volgende menu naar Directe
start/Stop om de verwarming te activeren/deactiveren en bevestig uw keuze
met OK.
7. Stel de gewenste minuutaanduiding in
met het duimwiel.
2. Gebruik het duimwiel om naar
Verwarming te gaan en maak een keuze
met OK.
> Als een timer is ingesteld maar niet is
geactiveerd, staat er een klokpictogram naast de ingestelde tijd.
8. Druk op OK1 om de instelling te bevestigen.
9. ‘Teruggaan’ in de menustructuur met
RESET.
Timer
10. Kies de andere timer (ga door vanaf punt
2) of verlaat het menu met RESET.
Timers instellen
1. Druk op de knop OK om het menu te
openen.
2. Gebruik het duimwiel om naar
Verwarming te gaan en maak een keuze
met OK.
3. Kies een van de beide timers met het
duimwiel en bevestig met OK.
4. Druk kort op OK zodat de uuraanduiding
gaat branden.
5. Stel de gewenste uuraanduiding in met
het duimwiel.
1
240
1. Druk op de knop OK om het menu te
openen.
4. Verlaat het menu met RESET.
Met de timers geeft u het tijdstip aan dat de
auto op temperatuur moet zijn omdat u die
wenst te gebruiken.
05
6. Druk kort op OK zodat de minuutaanduiding gaat branden.
Als u nog een keer op OK drukt, activeert de timer.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Timer starten
1. Druk op de knop OK om het menu te
openen.
2. Gebruik het duimwiel om naar
Verwarming te gaan en maak een keuze
met OK.
3. Kies een van de beide timers met het
duimwiel en activeer deze met OK.
4. Verlaat het menu met RESET.
Timer uitschakelen
U kunt de timergestuurde verwarming uitschakelen voordat de timer dat doet. Doe dat
als volgt:
3. Kies een van de beide timers met het
duimwiel en bevestig met OK.
4. Schakel de timer uit door op de volgende
knop te drukken:
•
•
lang op OK of
kort op OK om verder in het menu te
komen. Kies er vervolgens voor om de
timer te stoppen en bevestig de keuze
met OK.
5. Verlaat het menu met RESET.
Een timergestuurde verwarming is ook uit te
schakelen volgens de instructies in het
gedeelte ‘Meteen inschakelen/uitschakelen’
op pagina 239.
Klok/timer
De verwarmingstimers zijn gekoppeld aan de
klok in de auto.
05 Comfort en rijplezier
Motor- en interieurverwarming*
N.B.
Als de klok van de auto wordt verzet,
wordt een eventuele programmering van
de timer gewist.
05
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
241
05 Comfort en rijplezier
Extra verwarming*
Algemene informatie over de extra
verwarming
Voor auto’s met dieselmotor die in landen
worden verkocht met een koud klimaat1 is
wellicht een extra verwarming vereist om de
motor op bedrijfstemperatuur te brengen en
een behaaglijke temperatuur in de passagiersruimte te realiseren.
De auto is in dat geval voorzien van een:
•
•
extra verwarming op stroom of een
extra verwarming op brandstof2.
Extra verwarming op stroom
05
De verwarming is niet handmatig te regelen,
maar wordt nadat de motor is aangeslagen
automatisch geactiveerd bij buitentemperaturen lager dan 9 °C en wordt gedeactiveerd
wanneer de ingestelde interieurtemperatuur is
bereikt.
1
2
242
Extra verwarming op brandstof
De extra verwarming wordt automatisch ingeschakeld, wanneer er extra warmte nodig is
terwijl de motor loopt.
De verwarming wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer het warm genoeg is of wanneer de motor wordt afgezet.
N.B.
Als de extra verwarming actief is, kan er
rook onder de auto vandaan komen. Dat is
volledig normaal.
Automatische stand of uitschakelen
De automatische startprocedure van de
motor kan desgewenst worden geannuleerd.
Een erkende Volvo-dealer kan u informeren over de desbetreffende geografische gebieden.
Zie voor auto’s met standverwarming zie pagina 237.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Informatiedisplay (analoog instrumentenpaneel)
en bedieningsknoppen voor menufuncties.
05 Comfort en rijplezier
Extra verwarming*
4. Kies een van de opties AAN of UIT met
het duimwiel en bevestig uw keuze met
OK.
5. Verlaat het menu met RESET.
N.B.
De menu-opties zijn alleen zichtbaar in
contactslotstand I – verricht eventuele
aanpassingen daarom voordat u de motor
start.
Informatiedisplays (digitaal instrumentenpaneel)
en bedieningsknoppen voor menufuncties.
Knop OK
05
Duimwiel
Knop RESET
1. Alvorens de motor te starten: Kies de
sleutelstand I, zie pagina 82.
2. Druk op de knop OK om het menu te
openen.
3. Gebruik het duimwiel om naar Extra
verw.3 of Instellingen4 te gaan en maak
een keuze met OK.
3
4
Analoog instrumentenpaneel.
Digitaal instrumentenpaneel.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
243
05 Comfort en rijplezier
Boordcomputer
Algemeen
Na de automatische activering van het instrumentenpaneel bij ontgrendeling zijn bediening
en instelling meteen mogelijk. Als u na het
openen van het bestuurdersportier niet binnen ca. 30 seconden op een van de boordcomputerknoppen drukt, dooft het instrument, waarna om opnieuw de boordcomputer
te kunnen bedienen eerst sleutelstand II1 of
motorstart vereist is.
•
•
Functies
Functies
Rubriek op instrumentenpaneel
Doe het volgende om functies te openen en
regelen/aanpassen:
De functies of alternatieve rubrieken van de
boordcomputer volgen elkaar op in elk hun
eigen lus (loop).
Instrumentenpaneel "Analog"
2. Druk op OK - de lus met de verschillende
functies wordt geopend.
3. Blader de functies door met het duimwiel
en kies/bevestig uw keuze met OK.
N.B.
Als er een waarschuwingsmelding verschijnt tijdens het gebruik van de boordcomputer, dient u deze melding eerst te
bevestigen voordat u de boordcomputer
weer kunt activeren.
05
•
Bevestig deze melding door de knop
OK op de richtingaanwijzerhendel kort
in te drukken.
Groepsmenu’s
De boordcomputer heeft twee verschillende
groepsmenu’s:
4. Sluit af door na de bediening/aanpassing
2 keer op RESET te drukken.
De volgende tabel geeft een overzicht van de
verschillende boordcomputerfuncties:
Informatiedisplay en bedieningselementen.
OK - Lus met de boordcomputerfuncties
starten en gemarkeerde optie activeren.
Duimwiel - Lus met de boordcomputerfuncties starten en opties doorbladeren.
RESET - Gekozen functie annuleren,
resetten of verlaten.
1
244
Zie voor informatie over de sleutelstanden – zie pagina 81.
1. Om er zeker van dat geen van de bedieningselementen zich midden in een procedure bevindt, moet u ze eerst ‘resetten’
door 2 keer drukken op RESET te drukken.
05 Comfort en rijplezier
Boordcomputer
Functies
Informatie
Digit. snlhd.
Geeft de rijsnelheid digitaal weer in het midden van het instrumentenpaneel:
- km/h
•
- mph
Open een functie met OK, kies een optie met het duimwiel, bevestig met OK en verlaat
de functie met ENTER.
- Geen aanduiding
Verwarming*
Voor een beschrijving van de timerprogrammering, zie pagina 237.
- Directe start
- Timer 1 - voert naar het menu voor selectie
van het tijdstip.
- Timer 2 - voert naar het menu voor selectie
van het tijdstip.
Extra verw.*
05
Voor meer informatie, zie pagina 242.
– Aut Aan
– Uit
TC-opties
- Actieradius op tank
- Brandstofverbruik
Gemiddelde snelheid
Dagtellers T1 en tot afst
Dagtellers T2 en tot afst
Hier kiest/activeert u de opties die als boordcomputerrubrieken beschikbaar moeten zijn. De
symbolen voor reeds gekozen rubrieken zijn WIT en voorzien van een ‘vinkje’, bij de rest die
GRIJS is ontbreekt het ‘vinkje’.
1. Open de functie met OK, blader met het duimwiel de optiesymbolen door en stop met
bladeren bij het symbool van uw keuze om het te markeren.
2. Bevestig met OK - het symbool verkleurt van GRIJS naar WIT en wordt voorzien van een
‘vinkje’.
3. Kies meer functiesymbolen met het duimwiel of sluit af met RESET.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
245
05 Comfort en rijplezier
Boordcomputer
A
Functies
Informatie
Servicestatus
Geef het resterend aantal maanden en het aantal kilometers tot de eerstvolgende servicebeurt
aan.
OliepeilA
Voor meer informatie, zie pagina 361.
Meldingen (##)
Voor meer informatie, zie pagina 215.
Bepaalde motoren.
Rubrieken
05
246
U kunt een van de rubrieken in de volgende
tabel uitkiezen voor constante weergave op
het instrumentenpaneel. Doe het volgende
om een keuze te maken:
1. Om er zeker van dat geen van de bedieningselementen zich midden in een procedure bevindt, moet u ze eerst ‘resetten’
door 2 keer drukken op RESET te drukken.
3. Stop met bladeren bij de rubriek van uw
keuze.
2. Draai aan het duimwiel - de te kiezen
boordcomputerrubrieken liggen in een
lus.
Boordcomputerrubriek op instrumentenpaneel
Informatie
Dagtellers T1 en tot afst
•
RESET lang indrukken om dagteller T1 op nul te stellen.
Dagtellers T2 en tot afst
•
RESET lang indrukken om dagteller T2 op nul te stellen.
Afst. tot leeg
Voor meer informatie - zie pagina 250, ‘Actieradius’.
Brandstofvrbr
Huidig verbruik.
05 Comfort en rijplezier
Boordcomputer
Boordcomputerrubriek op instrumentenpaneel
Informatie
Gem. snelh.
•
Geen boordcomputerinformatie.
Bij deze optie blijft het display leeg - dit geeft tevens het ‘begin’/‘einde’ van de lus aan.
Tijdens het rijden kunt u op ieder gewenst
moment een andere boordcomputerrubriek
voor het instrumentenpaneel kiezen: Ga als
volgt te werk:
•
Druk lang op RESET om Gem. snelh. op nul te stellen.
Instrumentenpaneel "Digital"
Functies
Doe het volgende om functies te openen en
regelen/aanpassen:
1. Om er zeker van dat geen van de bedieningselementen zich midden in een procedure bevindt, moet u ze eerst ‘resetten’
door 2 keer drukken op RESET te drukken.
Draai aan het duimwiel - stop met bladeren bij de rubriek van uw keuze.
2. Druk op OK - de lus met de verschillende
functies wordt geopend.
05
3. Blader de functies door met het duimwiel
en kies/bevestig uw keuze met OK.
Informatiedisplays en bedieningselementen.
OK - Lus met de boordcomputerfuncties
starten en gemarkeerde optie activeren.
Duimwiel - Lus met de boordcomputerfuncties starten en opties doorbladeren.
4. Sluit af door na de bediening/aanpassing
2 keer op RESET te drukken.
De volgende tabel geeft een overzicht van de
verschillende boordcomputerfuncties:
RESET - Gekozen functie annuleren,
resetten of verlaten.
}}
247
05 Comfort en rijplezier
Boordcomputer
Functies
Informatie
Boordcomp reset
N.B. Bij deze functie worden de beide dagtellers T1 en T2 niet op nul gesteld - zie de tabel
in het gedeelte ‘Rubrieken’ op pagina 249 of de rubriek ‘Op nul stellen bij Digital’ op
pagina 250 voor informatie hierover.
Gemiddeld
Gemiddelde snelheid
Meldingen
Voor meer informatie, zie pagina 215.
Thema's
Hier kiest u het uiterlijk van het instrumentenpaneel, zie pagina 72.
Instellingen*
Selecteer Aut Aan of Uit.
Voor meer informatie, zie pagina 242.
05
Contraststand/Kleurstand
Lichtsterkte en kleurtemperatuur van het instrumentenpaneel instellen.
Standkachel*
Voor een beschrijving van de timerprogrammering, zie pagina 237.
– Directe start
- Symbool timer 1 - voert naar het menu voor
selectie van het tijdstip.
- Symbool timer 2 - voert naar het menu voor
selectie van het tijdstip.
A
248
Servicestatus
Geef het resterend aantal maanden en het aantal kilometers tot de eerstvolgende servicebeurt aan.
OliepeilA
Voor meer informatie, zie pagina 361.
Bepaalde motoren.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
05 Comfort en rijplezier
Boordcomputer
Rubrieken
Er kunnen drie boordcomputerrubrieken tegelijk worden weergegeven: één op elk van drie
‘vensters’ (zie voorgaande afbeelding).
U kunt een van de rubriekcombinaties in de
volgende tabel uitkiezen voor constante
weergave op het instrumentenpaneel. Doe
het volgende om een keuze te maken:
1. Om er zeker van dat geen van de bedieningselementen zich midden in een procedure bevindt, moet u ze eerst ‘resetten’
door 2 keer drukken op RESET te drukken.
2. Draai aan het duimwiel - de te kiezen
rubriekcombinaties worden in een lus
weergegeven.
3. Stop met bladeren bij de rubriekcombinatie van uw keuze.
Rubriekcombinaties
Informatie
Gemiddeld
Dagteller T1 + Kilometerstand
Gemiddelde snelheid
•
RESET lang indrukken om dagteller T1 op nul te stellen.
Huidig verbruik
Dagteller T2 + Kilometerstand
Actieradius op tank
•
RESET lang indrukken om dagteller T2 op nul te stellen.
Huidig verbruik
Kilometerstand
kmh<>mph
Geen boordcomputerinformatie.
Tijdens het rijden kunt u op ieder gewenst
moment een andere rubriekcombinatie voor
de boordcomputer op het instrumentenpaneel kiezen: Ga als volgt te werk:
•
Draai aan het duimwiel - stop met bladeren bij de rubriek van uw keuze.
kmh<>mph - zie ‘Digitale snelheidsaanduiding’ op pagina 250.
05
Bij deze optie doven alle drie de boordcomputerdisplays - dit geeft
tevens het ‘begin’/‘einde’ aan van de lus.
Aanvullende informatie
Gemiddelde snelheid
Gemiddeld
De gemiddelde snelheid voor de afgelegde
afstand sinds de laatste nulstelling van de
waarde.
Het gemiddelde brandstofverbruik sinds de
laatste maal dat de waarde op nul gesteld
werd.
N.B.
Er kunnen onjuiste waarden verschijnen
als er een verwarming op brandstof* is
gebruikt.
Huidig verbruik
De waarde voor het huidige verbruik wordt
voortdurend (ongeveer eenmaal per seconde)
bijgewerkt. Op lage snelheden wordt het verbruik weergegeven per eenheid van tijd – op
hoge snelheden verschijnt het verbruik per
eenheid van lengte.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
249
05 Comfort en rijplezier
Boordcomputer
U kunt verschillende eenheden (km/miles) kiezen voor de aanduiding – zie onder het kopje
‘Eenheid wijzigen’, pagina 250.
Bereik - actieradius op tank
De boordcomputer geeft de afstand aan die
bij benadering kan worden afgelegd met de
resterende hoeveelheid brandstof in de tank.
Wanneer de melding Afst. tot leeg ‘----’ verschijnt, zijn geen garanties meer te geven
voor de resterende actieradius.
•
05
Tank dan zo spoedig mogelijk.
De actieradius wordt berekend aan de hand
van het gemiddelde brandstofverbruik over
de laatste 30 km en de resterende hoeveelheid brandstof.
N.B.
Er kunnen onjuiste waarden verschijnen,
als u van rijstijl bent veranderd.
- l/100 km
Resetten bij "Analog"
3. Sluit af met RESET.
Dagteller en gemiddelde snelheid
Eenheid wijzigen
Met de actuele boordcomputerrubriek - Dagteller T1, Dagteller T2 of Gemiddelde snelheid
- op het instrumentenpaneel:
•
RESET lang indrukken - gekozen rubriek
wordt op nul gesteld.
U moet iedere rubriek apart op nul stellen.
Resetten bij "Digital"
Dagtellers
Draai met het duimwiel naar de rubriekcombinatie die de op nul te stellen dagteller
bevat:
•
RESET lang indrukken - gekozen dagteller wordt op nul gesteld.
Een zuinige rijstijl betekent doorgaans een
langere actieradius. Voor meer informatie
over de wijze waarop het brandstofverbruik
kan worden beperkt, zie pagina 10.
Gemiddelde snelheid &
Brandstofverbruik
1. Kies de functie Boordcomp
reset en activeer deze met OK.
Snelheidsaanduiding Digital2
2. Kies een van de volgende opties met het
duimwiel en activeer deze met OK:
De snelheid wordt weergegeven in de eenheid (km/h / mph) die niet op het hoofdinstru2
250
ment wordt gebruikt. Gebruik het hoofdinstrument mph als eenheid, dan wordt de snelheid
in km/h weergegeven op de boordcomputer
en omgekeerd.
Alleen voor instrumentenpaneel "Digital".
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
- km/h
- Allebei resetten
Om de eenheid (km/miles) te wijzigen waarin
de afstand en snelheid worden weergegeven
– ga naar MY CAR Instellingen
Systeemopties Afstands-/
verbruikseenheid, zie pagina 217.
N.B.
Een wijziging van deze eenheden is niet
alleen van toepassing op de boordcomputer maar ook op het RTI-navigatiesysteem
van Volvo.
Ritstatistiek*
Er wordt informatie vastgelegd over het
gemiddelde brandstofverbruik en de gemiddelde snelheid tijdens eerdere ritten. Deze
informatie is weer te geven op het beeldscherm in de vorm van een staafdiagram.
05 Comfort en rijplezier
Boordcomputer
• Nieuwe rit starten – met ENTER wordt
Functie
alle eerdere statistiek gewist. Verlaat het
menu met EXIT.
• Elke rijcyclus resetten – vink het vakje
met ENTER aan en verlaat het menu met
EXIT.
Met het alternatief ‘Elke rijcyclus resetten’
aangevinkt, wordt alle statistiek automatisch
gewist als de rit is afgelopen en na 4 uur stilgestaan te hebben. Bij de volgende keer starten van de motor begint de ritstatistiek weer
vanaf nul.
Ritstatistiek3.
Afhankelijk van de gekozen schaalverdeling
symboliseert elke staaf een afgelegde afstand
van 1 km of 10 km - de staaf uiterst rechts
geeft de waarde aan voor de actuele kilometer of 10 km.
Met de knop TUNE kunt u voor elke staaf van
schaal wisselen tussen 1 km en 10 km – de
aanwijzer rechts beweegt afhankelijk van de
gekozen schaal omhoog of omlaag.
Als er met een nieuwe rijcyclus wordt begonnen voordat de 4 uur zijn verstreken, moet de
actuele periode eerst handmatig worden
gewist met het alternatief ‘Nieuwe rit
starten’.
05
Zie ook de informatie over Eco guide op
pagina 74.
Bediening
In het menusysteem MY CAR kan een instelling worden verricht:
MY CAR
3
My V40
Verbruiksinfo:
De afbeelding is schematisch – afhankelijk van de softwareversie en de markt zijn afwijkingen mogelijk.
251
05 Comfort en rijplezier
Rijeigenschappen aanpassen
Snelheidsafhankelijke
stuurbekrachtiging*
Naarmate de rijsnelheid hoger wordt neemt
de stuurbekrachtiging af, waardoor u een
beter gevoel met de weg krijgt. Op snelwegen
stuurt de auto zwaarder en directer. Bij het
parkeren en op lage snelheden is de auto
lichter en met minder moeite te besturen.
05
252
U hebt de keuze uit drie niveaus van stuurbekrachtiging voor een maximum aan weggevoel en stuurgevoeligheid. Open het menusysteem MY CAR en ga naar Instellingen
Auto-instellingen Stuurkracht en kies uit
Laag, Midden of Hoog.
Voor een beschrijving van het menusysteem,
zie pagina 217. Dit menu is niet te openen
wanneer de auto rijdt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
05 Comfort en rijplezier
Interieurcomfort
Opbergmogelijkheden
05
}}
253
05 Comfort en rijplezier
Interieurcomfort
Opbergvak1 in portierpaneel
Opbergvak, bestuurderszijde
Parkeerkaarthouder
Opbergvak
Opbergvak, bestuurderszijde
WAARSCHUWING
Bewaar geen scherpe voorwerpen of voorwerpen die uitsteken in het vak.
Dashboardkastje
Kledinghaak
Opbergvakken, bekerhouder
De kledinghaak is alleen bestemd voor niet al
te zware kledingstukken.
Kledinghaak
Bekerhouder* in achterbank
Middenconsole
Opbergvak2
05
Opbergvak, achterbank
WAARSCHUWING
Bewaar losse voorwerpen, zoals mobiele
telefoon, camera, afstandsbediening voor
extra uitrusting e.d., in het dashboardkastje of andere opbergruimten. Bij krachtig afremmen of een botsing kunnen deze
anders inzittenden verwonden.
Opbergvak (voor bijvoorbeeld cd’s) en
USB*/AUX-ingang onder de armsteun.
Bevat een bekerhouder voor u en een
voorpassagier. (Als u voor een asbak en
1
2
254
Met ruitenkrabberhouder aan bestuurderszijde.
Geldt niet voor stoffen bekleding.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
aansteker hebt gekozen, zit er een aan฀
steker op de plaats van de 12V-aansluiting voorin, zie pagina 256, en een uitneembare asbak in de bekerhouder.)
Armleuning
In de gesloten stand is de armleuning in de
lengte verstelbaar*.
Aansteker en asbak*
De asbak in de middenconsole is te verwijderen door deze recht omhoog te tillen.
U activeert de aansteker door de knop in te
drukken. Wanneer de aansteker heet genoeg
is, veert de knop automatisch uit. Haal de
aansteker uit de opening en gebruik het roodgloeiende deel om bijvoorbeeld een sigaret
mee aan te steken.
05 Comfort en rijplezier
Interieurcomfort
Dashboardkastje
De koelfunctie werkt alleen, wanneer de klimaatregeling actief is. D.w.z. in de sleutelstand II of wanneer de motor loopt.
Make-upspiegel
Inlegmatten*
Volvo biedt inlegmatten die speciaal vervaardigd zijn.
WAARSCHUWING
Hier kunt u bijvoorbeeld het instructieboekje
en eventuele kaarten opbergen. Aan de binnenkant van de klep zit een houder voor pennen. Het dashboardkastje kan worden vergrendeld* met het sleutelblad, zie de pagina’s
49 en 59.
Controleer voordat u wegrijdt of de inlegmat voor de bestuurdersstoel goed ligt en
aan de pennen vastzit zodat hij niet naast
of onder de pedalen klem kan komen te
zitten.
Make-upspiegel met verlichting.
Het lampje gaat automatisch aan, wanneer u
het klepje optilt.
05
Koelen3
Het dashboardkastje kan ook worden
gebruikt als gekoelde ruimte.
Schakel de koelfunctie in door de knop
tot in de eindstand richting passagiersruimte te bewegen.
Schakel de koelfunctie uit door de knop
tot in de eindstand vooruit te bewegen.
3
Geldt alleen voor auto’s met ECC.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
255
05 Comfort en rijplezier
Interieurcomfort
12V-aansluiting
N.B.
Extra uitrusting en accessoires – zoals
beeldschermen, mediaspelers en mobiele
telefoons – die zijn aangesloten op een van
de 12V-aansluitingen in de passagiersruimte, worden mogelijk geactiveerd door
de klimaatregeling, ook al is de transpondersleutel uitgenomen of de auto vergrendeld, als bijvoorbeeld de standverwarming* ingesteld is om op een bepaalde tijd
in te schakelen.
12V-aansluiting in middenconsole, voorin.
05
U kunt de elektrische aansluitingen voor verschillende accessoires gebruiken die op een
spanning van 12V werken, zoals beeldschermen, mediaspelers of mobiele telefoons. De
transpondersleutel moet ten minste in sleutelstand I staan, anders geven de aansluitingen
geen stroom, zie pagina 81.
WAARSCHUWING
Laat de plug altijd in de aansluiting zitten,
als u deze niet gebruikt.
Trek daarom wanneer u de extra uitrusting
of accessoires niet gebruikt de stekkers uit
de elektrische aansluitingen, omdat de
startaccu anders uitgeput kan raken!
BELANGRIJK
Max. 10 A (120 W) in beide aansluitingen.
N.B.
De compressor voor provisorische bandenreparatie is door Volvo getest en goedgekeurd. Voor informatie over het gebruik
van de aanbevolen provisorische bandenreparatie (TMK) van Volvo, zie pagina 350.
Elektrische aansluiting in
bagageruimte*
Voor meer informatie, zie pagina 323.
256
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
05 Comfort en rijplezier
05
257
Algemene informatie over infotainment................................................
Radio.....................................................................................................
Mediaspeler..........................................................................................
Externe geluidsbron via AUX/USB*-ingang..........................................
260
271
279
284
Media Bluetooth®* ................................................................................ 287
Bluetooth®-handsfree*..........................................................................
Spraakherkenning* mobiele telefoon....................................................
TV - instelling*.......................................................................................
Afstandsbediening* ..............................................................................
258
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
290
299
303
307
INFOTAINMENT
06 Infotainment
Algemene informatie over infotainment
Algemeen
Het infotainmentsysteem bestaat uit een
radio, mediaspeler, tv* en een functie voor
communicatie met een mobiele telefoon*. De
informatie verschijnt op een scherm van 5 of
7 inch* boven aan de middenconsole. De
functies zijn te bedienen via knoppen op het
stuurwiel, op de middenconsole onder het
kleurenscherm of via een afstandsbediening*.
N.B.
Haal de transpondersleutel uit het contactslot als u het infotainmentsysteem gebruikt
terwijl de motor afgezet is. Dit om te voorkomen dat de accu onnodig ontladen
raakt.
Dolby, Pro Logic
Geldt alleen voor Premium Sound Multimedia.
Bij de ontwikkeling en instelling van het geluid
werd gebruik gemaakt van het Audyssey MultEQ-systeem om een eersteklas geluidsweergave te garanderen.
Als het infotainmentsysteem actief is bij het
afzetten van de motor, wordt het de volgende
keer dat u de sleutel in sleutelstand I of hoger
draait, automatisch ingeschakeld en geeft het
dezelfde geluidsbron (bijv. radio) weer als bij
het afzetten van de motor (bij auto’s met vergrendeling op Keyless drive-systeem* dient
het bestuurdersportier dicht te staan).
06
Wanneer de transpondersleutel niet in het
contactslot steekt, is het infotainment 15
minuten achtereen te gebruiken door op de
knop Aan/Uit te drukken.
Bij het starten van de motor wordt het infotainmentsysteem tijdelijk uitgeschakeld en
weer ingeschakeld wanneer de motor is aangeslagen.
260
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Vervaardigd onder licentie van Dolby
Laboratories. Dolby, Pro Logic en de dubbele
D zijn geregistreerde handelsmerken van
Dolby Laboratories.
Audyssey MultEQ
Geldt alleen voor Premium Sound Multimedia.
06 Infotainment
Algemene informatie over infotainment
Overzicht
Installatie bedienen
Vooruit/achteruit/zoeken - Kort indrukken om naar de/het volgende/vorige track op
een cd, voorkeurzender van de radio (geldt
niet voor DAB) of hoofdstuk (alleen bij dvd’s)
te gaan. Lang indrukken om een track op
een cd vooruit/achteruit te spoelen of de
eerstvolgende goed doorkomende radiozender te zoeken.
SOUND - indrukken op de audio-instellingen (lage tonen, hoge tonen e.d.) te openen.
Voor meer informatie, zie pagina 265.
AUX (alleen Performance) en USB (geldt
niet voor Performance), ingangen voor
externe geluidsbronnen (bijv. iPod®).
Toetsenset op stuurwiel (met*/zonder
duimwiel).
Beeldscherm. Het beeldscherm is verkrijgbaar in twee afmetingen: 5 en 7 inch.
In het boekje staat het beeldscherm van 7
inch afgebeeld.
Bedieningspaneel op middenconsole.
VOL - het geluidsniveau verhogen of verlagen.
ON/OFF/MUTE - Bij kort indrukken
wordt de installatie ingeschakeld en bij lang
indrukken (totdat het scherm zwart wordt)
vindt uitschakeling plaats. Let erop dat het
complete Sensus-systeem (incl. navigatie-*
en telefoonfuncties*) altijd gelijktijdig wordt
in-/uitgeschakeld. Kort indrukken om het
geluid uit te schakelen (MUTE-functie) of
opnieuw in te schakelen, als het geluid uitstond.
06
Opening voor het plaatsen/uitwerpen van
een disc.
Disc uitwerpen.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
261
06 Infotainment
Algemene informatie over infotainment
Hoofdbron - indrukken om een hoofdbron
(RADIO, MEDIA) te kiezen. De laatst geactiveerde bron (bijv. FM1) verschijnt. Als u zich
in RADIO of MEDIA bevindt en op de hoofdbronknop drukt, verschijnt er een bronweergave. Als u zich in TEL* of NAV* bevindt en
op de hoofdbronknop drukt, verschijnt er een
snelmenu met de meest gebruikelijke menuopties.
OK/MENU - u drukt op het duimwiel in
het stuurwiel of de knop in de middenconsole
om de keuze in menu’s te accepteren. Als u
zich in de normale weergave bevindt en op
OK/MENU drukt, verschijnt er een menu voor
de gekozen bron (bijv. RADIO of MEDIA). Er
verschijnt een pijl naar rechts op het scherm,
als er onderliggende menu’s zijn.
06
TUNE - draai aan het duimwiel in het
stuurwiel of de draaiknop in de middenconsole om door de tracks/mappen, radio- en
tv*-zenders of telefooncontacten* te bladeren
of door de keuzes op het beeldscherm te
navigeren.
EXIT - kort indrukken om omhoog te
gaan in het menusysteem, een actieve functie
te annuleren, telefoongesprekken te beëindigen/weigeren of ingevoerde tekens te wissen.
Lang indrukken om de normaalweergave of
het hoogste menuniveau (hoofdbronweer-
262
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
gave) te openen met dezelfde hoofdbronknoppen als op de middenconsole (7).
INFO - als er meer informatie beschikbaar
is dan op het scherm kan worden weergegeven, druk dan op de knop INFO om de resterende informatie te zien.
Sneltoetsen – Cijfers en letters invoeren.
FAV - Sneltoets voor favoriete instellingen.
De toets is te programmeren voor activering
van veelgebruikte functies in AM, FM e.d.
Voor meer informatie, zie pagina 264.
MUTE (auto’s zonder navigatie) - indrukken om het geluid van de radio/mediabron uit
te schakelen of opnieuw in te schakelen, als
het geluid uitstond.
Spraakherkenning (auto’s met navigatie)
- indrukken om spraakherkenning te activeren
(voor Bluetooth®-aangesloten mobiele telefoon en navigatiesysteem*).
06 Infotainment
Algemene informatie over infotainment
Menufuncties
06
Het voorbeeld geeft aan hoe u de verschillende functies bereikt tijdens het afspelen van een schijf. (1) Hoofdbronknop, (2) Normaalweergave, (3) Snelkoppelings-/Bronmenu, (4) Snelmenu, (5) Bronmenu
}}
263
06 Infotainment
Algemene informatie over infotainment
Kies een hoofdbron door te drukken op een
hoofdbronknop (1) (RADIO, MEDIA, TEL).
Gebruik om door de menu’s van de bron te
navigeren de bedieningsknoppen TUNE, OK/
MENU, EXIT of de hoofdbronknop (1).
Voor Menu-overzicht, zie pagina 266.
N.B.
Snelmenu - snelstand bij draaien aan
TUNE om bijv. van track, radiozender e.d. te
veranderen.
Bronmenu - voor menufuncties (te bereiken door te drukken op OK/MENU).
FAV - favoriet opslaan
Als de auto is uitgerust met een toetsenset
in het stuurwiel met duimwiel* kunt u deze
gebruiken in plaats van de bediening in de
middenconsole (TUNE, OK/MENU, EXIT),
zie pagina 261.
Normale weergave - normale stand voor
de bron.
Snelkoppelings-/Bronmenu - toont de
meest voorkomende menu-opties van de
hoofdbronnen, bijv. TEL en MEDIA (te bereiken door op de hoofdbronknop (1) van de
actieve bron te drukken).
264
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
•
•
•
•
•
•
DISC
USB*
iPod*
Bluetooth*
AUX
TV - instelling*
Om een functie onder de toets FAV op te
slaan:
Het uiterlijk is afhankelijk van de bron, de uitrusting in de auto, instellingen e.d.
Hoofdbronknop - indrukken om van
hoofdbron te wisselen of het Snelkoppelings-/Bronmenu in de actieve bron te tonen.
DAB1*/DAB2*
Het is tevens mogelijk een favoriet te kiezen
en op te slaan voor MY CAR, CAM* en NAV*.
Favorieten zijn eveneens te kiezen en op te
slaan onder MY CAR. Voor meer informatie
over het menusysteem MY CAR, zie
pagina 217.
Menu’s en weergaven op het
beeldscherm
06
•
In de MEDIA-stand:
De toets FAV is te gebruiken om functies op
te slaan die u vaak gebruikt, waarna u de
functies eenvoudig kunt starten door te drukken op FAV. Voor elke van de onderstaande
functies is een favoriet (bijvoorbeeld
Equalizer) op te slaan:
In de RADIO-stand:
•
•
AM
FM1/FM2
1. Kies een hoofdbron (bijv. RADIO,
MEDIA).
2. Kies een frequentieband of bron (AM,
Disk, etc.).
3. Houd de toets FAV ingedrukt totdat het
“favorietenmenu” verschijnt.
4. Draai aan TUNE om een alternatief op de
lijst te kiezen en druk op OK/MENU om
het op te slaan.
> Wanneer de hoofdbron (bijvoorbeeld
RADIO, MEDIA) actief is, is met een
06 Infotainment
Algemene informatie over infotainment
korte druk op FAV de opgeslagen
functie te activeren.
Algemene audio-instellingen
Druk op SOUND om het menu met audioinstellingen (Bass, Treble, etc.) te openen.
Ga verder met SOUND of OK/MENU naar
het alternatief van uw keuze (bijv. Treble).
Pas de instelling aan door te draaien aan
TUNE en sla de instelling op met OK/MENU.
• Fader – Balans tussen luidsprekers voor
en achter.
• Balans – Balans tussen luidsprekers links
en rechts.
• Subwoofer*1 – Niveau voor de lagetonenluidspreker.
• DPL II-middenlevel/3-kanaals
middenlevel1 – Volume voor middenluidspreker.
• DPL II-surroundlevel1, 2 – Niveau voor
de zogeheten Ambient Surround Sound.
Druk opnieuw meerdere malen op SOUND of
OK/MENU om de overige alternatieven te
bereiken:
Geavanceerde audio-instellingen
•
Equalizer3
Surround1
– Is Aan/Uit te zetten. Wanneer u voor Aan hebt gekozen, hanteert
het systeem de instelling voor optimale
geluidsweergave. Normaal is dat DPLII en
in dat geval verschijnt
op het beeldscherm. Als de opname werd gemaakt
met Dolby Digital-techniek, vindt de
weergave plaats met deze instelling en
verschijnt
op het beeldscherm.
Wanneer u voor Uit hebt gekozen, is de
driekanaals stereoweergave actief.
• Bass – Niveau van de lage tonen.
• Treble - Niveau van de hoge tonen.
1
2
3
Er zijn aparte geluidsniveaus voor de verschillende frequentiebanden in te stellen.
1. Druk op OK/MENU om Audioinstellingen te openen en kies voor
Equalizer.
2. Kies een frequentieband door te draaien
aan TUNE en bevestig uw keuze met OK/
MENU.
3. Pas de audio-instelling aan door te
draaien aan TUNE en bevestig uw keuze
met OK/MENU. Doe hetzelfde voor de
andere frequentiebanden die u wenst aan
te passen.
4. Druk, wanneer u klaar bent met de audioinstelling, op EXIT om te bevestigen en
terug te gaan naar de normaalweergave.
Voor algemene informatie over menufuncties
en menusystemen, zie pagina 263 en het
menu-overzicht, zie pagina 266.
Geluidspodium1
De geluidsweergave is dusdanig in te stellen
dat deze optimaal is voor de bestuurder, voor
de inzittenden voorin of voor de achterpassagiers. Als er zowel voor- als achterin passagiers zitten wordt de optie beide voorstoelen
geadviseerd. De opties zijn te kiezen onder
Audio-instellingen
Klankpodium.
Voor algemene informatie over menufuncties
en menusystemen, zie pagina 263 en het
menu-overzicht, zie pagina 266.
06
Geluidssterkte en automatische
volumeregeling
Het audiosysteem zorgt voor compensatie
van hinderlijke rijgeluiden in de passagiersruimte door het volume aan te passen ten
Alleen Premium Sound Multimedia.
Alleen wanneer Surround-functie geactiveerd is.
Geldt niet voor Performance.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
265
06 Infotainment
Algemene informatie over infotainment
opzichte van de rijsnelheid. U hebt de keuze
uit de alternatieven: laag, medium, hoog en
uit. Kies een niveau onder Audio-instellingen
Volumecompensatie.
Voor algemene informatie over menufuncties
en menusystemen, zie pagina 263 en het
menu-overzicht, zie pagina 266.
Geluidssterkte externe geluidsbron
Bij aansluiting van een externe geluidsbron
(zoals een mp3-speler of iPod®) op de AUXingang verschilt het ingestelde volume van
deze geluidsbron mogelijk van het volume
waarop het audiosysteem (bijv. de radio)
speelt. Corrigeer dit door het ingangsvolume
van de ingang aan te passen:
06
1. Druk op de toets MEDIA, draai aan TUNE
totdat u AUX bereikt en wacht enkele
seconden voordat u op OK/MENU drukt.
2. Druk op OK/MENU en draai vervolgens
aan TUNE totdat u AUX-ingangsvolume
bereikt. Bevestig uw keuze met OK/
MENU.
3. Draai aan TUNE om het volume voor de
AUX-ingang aan te passen.
266
N.B.
Als het volume van de externe geluidsbron
te hoog of te laag staat, kan de geluidskwaliteit achteruitgaan. De geluidskwaliteit
kan ook achteruitgaan, als de speler wordt
bijgeladen wanneer het infotainmentsysteem in stand AUX staat. Laad de speler in
dat geval niet via de 12V-aansluiting bij.
Optimale geluidsweergave
Het audiosysteem is voorgekalibreerd voor
optimale geluidsweergave met behulp van
digitale signaalverwerking.
Voor ieder automodel wordt het audiosysteem tijdens de kalibratie perfect afgestemd
op de luidsprekers, de versterker, de akoestiek in de auto, de positie van de luisteraar
e.d.
Er is tevens een dynamische kalibratie waarbij
rekening wordt gehouden met de stand van
de volumeknop, de radio-ontvangst en de rijsnelheid.
De regelfuncties die in dit instructieboekje
nader verklaard worden (zoals Bass, Treble
en Equalizer) zijn uitsluitend bedoeld om u
de mogelijkheid te bieden de geluidsweergave naar wens af te stellen.
Menu-overzicht
In de hoofdbronnen RADIO, MEDIA en TEL
hebt u de volgende menu’s. Voor informatie
over de menufuncties, zie pagina 263.
Menu’s RADIO
Hoofdmenu AM
Presets weergeven
Zie
p.273
voetnootA
Scan
p.276
Audio-instellingen
p.265
Zie
voetnootB
Klankpodium
p.265
Zie voetnootC
Equalizer
Zie voetnootD
p.265
06 Infotainment
Algemene informatie over infotainment
Volumecompensatie
Alle audio-instellingen resetten
A
B
C
D
p.265
EON
p.265
TP-favoriet instellen
Geldt alleen voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
De menu-opties voor de audio-instellingen zijn identiek
voor alle geluidsbronnen.
Geldt alleen voor Premium Sound Multimedia.
Geldt niet voor Performance.
PTY-instellingen
Alle FM-instellingen resetten
Audio-instellingen
Hoofdmenu FM1/FM2
TP
A
p.275
Presets tonen
p.273
Zie
voetnootA
Scan
Nieuws-instellingen
REG
Alternatieve frequentie
B
p.275
p.278
DAB-verbinding
DAB-band
p.275
Subkanalen
p.265
PTY-tekst weergeven
Alle DAB-instellingen resetten
Hoofdmenu DAB1*/DAB2*
PTY-filter
Audio-instellingen
p.276
p.277
Zie
A
B
PTY-filter uitschakelen
p.275
Geavanceerde instellingen
p.274
p.274
Geavanceerde instellingen
p.277
Geldt alleen voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
Voor submenu’s, zie ‘Hoofdmenu AM’.
Ensemble programmeren
p.276
p.274
Scan
Zie voetnootB
p.274
Radiotekst tonen
p.274
p.277
Radiotekst tonen
p.273
Presets tonen
p.277
p.278
p.278
p.278
p.278
p.278
p.265
voetnootB
06
Geldt alleen voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
Voor submenu’s, zie ‘Hoofdmenu AM’.
Menu’s MEDIA
Hoofdmenu CD Audio (Diskmenu)
Willekeurige weergave
p.281
Zie voetnootA
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
267
06 Infotainment
Algemene informatie over infotainment
Scan
p.281
Hoofdmenu DVDA Video (Diskmenu)
Scan
p.281
Audio-instellingen
p.265
DVD-menu
Audio-instellingen
p.265
Zie
A
voetnootA
Play/pause/verder
Voor submenu’s, zie ‘Hoofdmenu AM’.
Hoofdmenu CD/DVDA Data (Diskmenu)
Afspelen
Stop
06
Willekeurige weergave
p.281
Map herhalen
p.281
Volgende titel
p.280
Volgende audiotrack
p.280
Scan
p.281
Audio-instellingen
p.265
Zie voetnootB
A
B
268
p.282
Ondertitels
p.282
Taal van audiospoor kiezen
p.282
Geavanceerde instellingen
p.280
Geldt alleen voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
Voor submenu’s, zie ‘Hoofdmenu AM’.
Hoek
DivX® VOD-code
Audio-instellingen
Zie
A
B
p.282
p.282
p.282
p.265
voetnootB
Geldt alleen voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
Voor submenu’s, zie ‘Hoofdmenu AM’.
Hoofdmenu iPodA
Willekeurig
Zie
p.282
Stop
p.280
Pause
p.279
p.281
A
B
voetnootB
Geldt niet voor Performance.
Voor submenu’s, zie ‘Hoofdmenu AM’.
Hoofdmenu USBA
Afspelen
p.285
Pause
Stop
p.285
Willekeurig
p.281
Map herhalen
p.281
USB-apparaat kiezen
p.286
Volgende titel
p.285
Volgende audiotrack
p.285
06 Infotainment
Algemene informatie over infotainment
Scan
Audio-instellingen
p.281
p.265
Zie voetnootB
A
B
A
Hoofdmenu Media BluetoothA
Willekeurig
p.289
Ander apparaat
p.288
Bluetooth-apparaat verwijderen
p.288
Scan
p.289
Bluetooth-softwareversie in auto
p.289
Zie voetnootB
A
B
Geldt niet voor Performance.
Voor submenu’s, zie ‘Hoofdmenu AM’.
Bronmenu
AUX-ingangsvolume
p.266
Zie voetnootB
Audio-instellingen
p.265
DVD-hoofdmenu
DVD-hoofdmenuC
Voor submenu’s, zie ‘Hoofdmenu AM’.
A
Hoofdmenu TV*
B
p.282
Geldt alleen bij het weergeven van videobestanden en het
kijken van tv.
De inhoud van het pop-upmenu voor het bronmenu hangt
af van wat er afgespeeld of weergegeven wordt, bijvoorbeeld Menu gegevens-CD/-DVD of USB-menu.
Geldt alleen voor dvd-videodiscs.
p.304
Presets sorteren
p.305
Autostore
p.305
Hoofdmenu Bluetooth®-handsfreeA
(Telefoonmenu)
Scan
p.305
Bellijst
Audio-instellingen
p.265
Zie
A
p.282
Land kiezen
C
p.265
p.263
Zie voetnootC
Zie voetnootA
Geldt niet voor Performance.
Voor submenu’s, zie ‘Hoofdmenu AM’.
Audio-instellingen
Hoofdmenu AUX
voetnootA
Voor submenu’s, zie ‘Hoofdmenu AM’.
Alle gesprekken
Gemiste oproepen
Pop-upmenuAvideo en tv*
Druk op OK/MENU terwijl u een videobestand afspeelt of tv* kijkt om het popupmenu te openen.
Beeldinstellingen
Menu’s TEL
Beantwoorde gesprekken
Gekozen nummers
p.293
p.293
06
p.293
p.293
p.293
p.283
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
269
06 Infotainment
Algemene informatie over infotainment
Gespreksduur
Telefoonboek
Zoeken
Nieuw contact
Verkorte nummers
vCard ontvangen
Geheugenstatus
Telefoonboek wissen
p.293
p.294
Voicemailnummer
Telefoon uit
p.298
p.298
p.292
Bluetooth-apparaat verwijderen
p.293
Telefooninstellingen
270
Automatisch opnemen
p.298
p.298
p.291
p.294
p.294
p.298
Bel-opties
p.297
Telefoon wijzigen
Geluiden en volume
Bluetooth-softwareversie in auto
p.296
06
Herkenbaar
Telefoonboek downloaden
A
Geldt niet voor Performance.
p.293
p.294
p.292
06 Infotainment
Radio
Algemeen
N.B.
Als de auto is uitgerust met een toetsenset* op het stuurwiel en/of een afstandsbediening*, kunt u deze meestal gebruiken in
plaats van de toetsen op de middenconsole. Voor een beschrijving van de toetsenset op het stuurwiel, zie zie pagina 261.
Voor een beschrijving van de afstandsbediening, zie pagina 307.
Menufuncties
Middenconsole, bedieningselementen voor radiofuncties.
RADIO-toets voor het kiezen van frequentieband (AM, FM1, FM2, DAB1*,
DAB2*).
Sneltoetsen (0–9)
Uw keuze bevestigen of het radiomenu
openen door te drukken op OK/MENU.
De gewenste frequentie/zender kiezen of
door het radiomenu navigeren door te
draaien aan TUNE.
Toets ingedrukt houden voor de volgende/voorgaande zender. Kort indrukken voor de voorkeurzenders.
1
U regelt de menufuncties van RADIO vanaf
de middenconsole of via de toetsenset* op
het stuurwiel. Voor algemene informatie over
menufuncties en menusystemen, zie
pagina 263 en het menu-overzicht, zie
pagina 266.
Radio AM/FM
Zenders zoeken
N.B.
De ontvangst hangt niet alleen af van de
signaalsterkte maar ook van de signaalkwaliteit. Er kunnen storingen optreden
wanneer de zendersignalen bijvoorbeeld
gehinderd worden door hoge gebouwen of
van zeer grote afstand komen. De dekkingsgraad kan eveneens variëren afhankelijk van waar u zich bevindt.
Automatisch zenders zoeken
1. Druk op RADIO, draai aan TUNE totdat
de gewenste frequentieband (AM, FM1
e.d.) verschijnt en druk op OK/MENU.
2. Houd
/
op de middenconsole
ingedrukt (of gebruik de toetsenset* op
het stuurwiel). De radio zoekt de volgende/voorgaande beschikbare zender.
06
Zenderlijst1
De radio stelt automatisch een lijst op met de
FM-zenders met de best doorkomende signalen. Dat biedt u de mogelijkheid een zender
te zoeken in gebieden waar u de radiozenders en hun frequenties niet kent.
Geldt niet voor Performance.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
271
06 Infotainment
Radio
Om de lijst te openen en een zender te kiezen:
1. Kies de gewenste frequentieband (FM1 of
FM2).
2. Draai TUNE één stap links- of rechtsom.
Er verschijnt dan een lijst met alle
beschikbare zenders in het gebied waar u
zich bevindt. De zender waarop is afgestemd staat met een groter lettertype in
de lijst gemarkeerd.
3. Draai TUNE weer links- of rechtsom om
een zender in de lijst te kiezen.
4. Bevestig uw keuze met OK/MENU.
06
N.B.
•
De lijst vermeldt alleen de frequenties
van de zenders waarop u hebt afgestemd en vormt dan ook geen complete lijst met alle beschikbare radiofrequenties op de frequentieband van
uw keuze.
•
Als de zender waarop u hebt afgestemd een zwak signaal heeft, kan de
radio de zenderlijst mogelijk niet bijwerken. Druk in dat geval op de knop
(terwijl de zenderlijst op het
beeldscherm staat) om over te schakelen op handmatig zoeken en zelf een
frequentie in te stellen. Draai, als de
zenderlijst niet langer getoond wordt,
TUNE één stap links- of rechtsom om
de zenderlijst weer te tonen en druk op
om te wisselen.
De lijst verdwijnt na enkele seconden van het
display.
Als de zenderlijst niet langer getoond wordt,
kunt u TUNE één stap links- of rechtsom
draaien en op de toets
op de middenconsole drukken om over te schakelen op
handmatig zenders zoeken (of om over te
schakelen van handmatig zenders zoeken op
de functie voor “Zenderlijst”).
272
Handmatig zenders zoeken
Weergave van de zenderlijst met de best
doorkomende signalen bij het draaien aan
TUNE (zie gedeelte “Zenderlijst”, pagina 271)
behoort tot de fabrieksinstellingen van de
radio. Druk terwijl de zenderlijst wordt
getoond op de toets
van de middenconsole om over te schakelen op handmatig
zenders zoeken. U kunt dan een frequentie
zoeken uit de lijst met beschikbare radiofrequenties op de gekozen frequentieband. Als u
bijvoorbeeld bij handmatig zoeken TUNE één
stap rechtsom draait, wordt de frequentie
gewijzigd van 93,3 MHz in 93,4 MHz.
Om handmatig een zender te kiezen:
1. Druk op de knop RADIO, draai aan TUNE
tot de gewenste frequentieband (AM,
FM1 enz.) verschijnt en druk op OK/
MENU.
2. Draai aan TUNE om een frequentie te kiezen.
06 Infotainment
Radio
N.B.
Weergave van de zenderlijst met de best
doorkomende signalen in het huidige
gebied behoort tot de fabriekinstellingen
van de radio (zie het eerdere gedeelte
“Zenderlijst”).
Als u echter bent overgestapt op het handmatig zoeken van zenders (door te drukken op de toets
van de middenconsole toen de zenderlijst getoond werd), is
de volgende keer dat u de radio inschakelt
de functie voor het handmatig zoeken van
zenders opnieuw actief. Om weer over te
schakelen op de functie “Zenderlijst” dient
u TUNE een stap te verdraaien (om de
complete zenderlijst te zien) en vervolgens
te drukken.
op de toets
Let erop dat de functie INFO geactiveerd
wordt, als u op
drukt wanneer de
zenderlijst niet getoond wordt. Voor meer
informatie over deze functie, zie
pagina 261.
Voorkeuren
U kunt per frequentieband (AM, FM1 etc.) 10
voorkeurzenders vastleggen.
U kiest een voorkeurzender met de sneltoetsen.
2
1. Stem af op een zender (zie “Zenders zoeken”, pagina 271).
2. Houd een van de sneltoetsen enkele
seconden ingedrukt. Het geluid verdwijnt
zolang maar keert terug wanneer de zender opgeslagen is. De sneltoets is vervolgens te gebruiken.
U kunt een lijst met voorkeurzenders tonen2
op het display. De functie is in stand FM/AM
te activeren/deactiveren onder FM-menu
Presets tonen of AM-menu Presets
weergeven.
RDS-functies
RDS (Radio Data System) verbindt FM-zenders in een netwerk met elkaar. Een FM-zender in een dergelijk netwerk verstuurt
bepaalde informatie, zodat een RDS-radio
onder meer de volgende mogelijkheden biedt:
•
Automatisch overschakelen op een beter
doorkomende zender als de ontvangst in
een bepaald gebied slecht is.
•
Zoeken op programmatype zoals zenders
die verkeersinformatie of nieuws doorgeven.
•
Weergeven van informatieve tekst over
het beluisterde radioprogramma.
N.B.
Bepaalde radiostations gebruiken geen
RDS of slechts bepaalde onderdelen van
deze functie.
Als er een zender met het gewenste programmatype is aangetroffen, kan de radio vervolgens op deze zender overschakelen en de
weergave van de actieve geluidsbron onderbreken. Als de cd-speler bijvoorbeeld actief
is, wordt de weergave daarvan tijdelijk onderbroken. De uitzending met het gekozen programmatype wordt weergegeven op een
vooraf bepaald volume, zie pagina 276. Na
afloop van de uitzending van het gekozen
programmatype geeft de radio de voorgaande geluidsbron opnieuw weer op het
volume dat u daarvoor had ingesteld.
De programmafuncties alarm (ALARM!), verkeersinformatie (TP), nieuws (NEWS) en programmatype (PTY) worden in volgorde van
belangrijkheid weergegeven, waarbij geldt dat
alarm de hoogste prioriteit geniet en de programmatypes de laagste. Voor meer instellingen die te maken hebben met het onderbreken van uitzendingen (EON EON Distant en
EON EON Local), zie navolgend gedeelte
“EON (Enhanced Other Networks)”. Druk op
EXIT om de onderbroken weergave van de
06
Geldt alleen voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
273
06 Infotainment
Radio
geluidsbron te hervatten en druk op OK/
MENU om de melding te verwijderen.
Alarm
De functie wordt gebruikt om de bevolking
attent te maken op ernstige ongelukken of
calamiteiten. U kunt de functie alarm niet tijdelijk onderbreken of deactiveren. De melding
ALARM! verschijnt op het display, wanneer
er een alarmmelding wordt verzonden.
–
–
Activeer/deactiveer de functie door in
stand FM een van de alternatieven te kiezen onder FM-menu Geavanceerde
instellingen EON:
Activeer/deactiveer deze functie in de
stand FM onder FM-menu Nieuwsinstellingen Nieuws.
Nieuws via beluisterde zender/alle
zenders
Bij activering van deze functie wordt de weergave van de actieve geluidsbron onderbroken
voor een uitzending met verkeersinformatie
via het RDS-netwerk van de zender waarop is
afgestemd. Het symbool TP geeft aan dat de
functie actief is. Als de zender waarop u hebt
afgestemd verkeersinformatie kan doorgeven,
wordt dat aangegeven met een fel verlicht TP
op het display. TP is anders grijs van kleur.
• EON Distant3 – Ook onderbreking als de
De radio kan alleen de weergave van de
beluisterde zender onderbreken voor nieuws
of de weergave van alle zenders in het RDSnetwerk.
–
–
Activeer/deactiveer deze functie in de
stand FM onder FM-menu TP.
EON (Enhanced Other Networks)
Deze functie is vooral handig in stedelijke
gebieden met een groot aantal regionale
radiozenders. Bij activering van de functie is
de afstand tot de zendmast van een radiozender bepalend voor de vraag of de weer3
274
werk van de zender waarop is afgestemd. Het
symbool NEWS geeft aan dat de functie
actief is.
• EON Local – Alleen onderbreking wan-
Verkeersinformatie, TP
06
gave van de actieve geluidsbron kan worden
onderbroken voor uitzendingen van een
bepaald programmatype.
Fabrieksstandaard.
neer de zendmast van de radiozender
dichtbij is.
zendmast van de zender ver weg staat en
zijn signaal storingen vertoont.
TP via beluisterde zender/alle zenders
De radio kan alleen de weergave van de
beluisterde zender onderbreken voor verkeersinformatie of de weergave van alle zenders binnen het RDS-netwerk.
Ga in stand FM naar FM-menu
Geavanceerde instellingen TPfavoriet instellen om wijzigingen aan te
brengen.
Nieuws
Bij activering van deze functie wordt de weergave van de actieve geluidsbron onderbroken
voor een nieuwsuitzending via het RDS-net-
–
Ga in stand FM naar FM-menu
Nieuws-instellingen Nieuws-favoriet
instellen om wijzigingen aan te brengen.
Programmatype, PTY
Met de functie PTY is het mogelijk en of meer
programmatypes te kiezen zoals popmuziek
en klassieke muziek. Het symbool PTY geeft
aan dat de functie actief is. Bij activering van
deze functie wordt de weergave van de
actieve geluidsbron onderbroken voor een
uitzending van het gekozen programmatype
via het RDS-netwerk van de zender waarop is
afgestemd.
06 Infotainment
Radio
1. Activeer de functie door in stand FM eerst
programmatypes te kiezen onder FMmenu Geavanceerde instellingen
PTY-instellingen PTY kiezen.
2. Vervolgens dient u de PTY-functie te activeren onder FM-menu Geavanceerde
instellingen PTY-instellingen
Verkeersinfo van andere zenders
ontvangen.
1. Kies in stand FM een of meer PTY onder
FM-menu Geavanceerde instellingen
PTY-instellingen PTY kiezen.
–
2. Ga naar FM-menu Geavanceerde
instellingen PTY-instellingen PTY
zoeken.
Automatische afstemfunctie, AF
Druk op EXIT om te stoppen met zoeken.
–
Er verschijnt een indicatie op het display wanneer PTY geactiveerd is.
U deactiveert de PTY-functie in stand FM
onder FM-menu Geavanceerde
instellingen PTY-instellingen
Verkeersinfo van andere zenders
ontvangen. De gekozen programmatypes
(PTY) worden niet gereset.
Resetten en verwijderen van PTY is mogelijk
onder FM-menu Geavanceerde
instellingen PTY-instellingen PTY
kiezen Alles wissen.
PTY zoeken
Bij activering van deze functie wordt de
gehele frequentieband doorzocht op uitzendingen van het gekozen programmatype.
4
Alleen auto’s met 7"-scherm.
Druk op
of
om verder te zoeken
naar een andere uitzending van een van
de gekozen programmatypes.
De functie stemt af op het best doorkomende
zendersignaal voor de beluisterde zender.
Om een sterk zendersignaal op te kunnen
sporen moet de functie soms de gehele FMband doorzoeken.
–
Programmatype weergeven
Het is mogelijk het programmatype van de
zender die u op dat moment beluistert op het
display weer te geven.
–
Activeer/deactiveer deze functie in de
stand FM onder FM-menu
Geavanceerde instellingen PTYinstellingen PTY-tekst tonen.
Radiotekst4
Sommige RDS-zenders geven informatie
door over de inhoud van de uitzendingen, uitvoerende artiesten e.d. Deze informatie kan
op het display worden weergegeven.
Activeer/deactiveer deze functie in de
stand FM onder FM-menu Radiotekst
tonen.
Activeer/deactiveer deze functie in de
stand FM onder FM-menu
Geavanceerde instellingen
Alternatieve frequentie.
Regionale radioprogramma’s, REG
Deze functie maakt het mogelijk om op een
bepaalde regionale zender afgestemd te blijven ondanks dat het signaal zwak is. Het
symbool REG geeft aan dat de handsfreefunctie actief is.
–
06
Activeer/deactiveer deze functie in de
stand FM onder FM-menu
Geavanceerde instellingen REG.
RDS-functies resetten
Met deze kunt u alle fabrieksinstellingen voor
RDS herstellen.
}}
275
06 Infotainment
Radio
–
Reset in de stand FM onder FM-menu
Geavanceerde instellingen Alle FMinstellingen resetten.
Volumeregeling programmatypes
De onderbrekende uitzendingen van het
gekozen programmatype (bijvoorbeeld
NEWS of TP) worden weergegeven op het
volume dat voor het programmatype is gekozen. Als u het volume tijdens de onderbreking
bijregelt, wordt het nieuwe volume opgeslagen voor een volgende onderbreking.
Frequentieband doorzoeken
06
Er wordt automatisch naar de beschikbare
kanalen gezocht, eventueel gefilterd op programmatype. Wanneer er een zender is
gevonden, wordt deze ca. 10 seconden lang
weergegeven voordat de zoekfunctie wordt
voortgezet. Bij het beluisteren van een zender
is de zender op de normale manier op te
slaan als een van de voorkeuren, zie het
gedeelte Voorkeuren, pagina 273.
–
Om de scanfunctie te starten dient u in
stand FM/AM te gaan naar FM-menu
Scan of AM-menu Scan.
N.B.
Bij het opslaan van een zender wordt de
scanfunctie beëindigd.
276
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Digitale radio (DAB)*
Algemeen
DAB (Digital Audio Broadcasting) is een systeem voor digitale overdracht van radiosignalen. Dit systeem ondersteunt DAB, DAB+ en
DMB.
N.B.
Er is niet overal dekking voor DAB. Als er
geen dekking is, verschijnt de melding
Geen ontvangst op het beeldscherm.
Service en Ensemble
•
Service – Kanaal, radiokanaal (het systeem biedt alleen ondersteuning voor
geluidsdiensten).
•
Ensemble – Een groep radiokanalen die
op dezelfde frequentie zenden.
Radiokanalen programmeren (Groep
leren)
Wanneer de auto een nieuw zendgebied binnenrijdt dient het systeem mogelijk de gelegenheid te krijgen om de te ontvangen
kanaalgroepen te programmeren.
Tijdens het programmeren van de kanaalgroepen wordt een bijgewerkte lijst van al de
te beluisteren kanaalgroepen aangemaakt. De
lijst wordt niet automatisch bijgewerkt.
De programmeerfunctie is uit te voeren in het
menusysteem in stand DAB onder DABmenu Ensemble programmeren. Programmeren kan ook als volgt worden uitgevoerd:
1. Draai TUNE één stap links- of rechtsom.
> Ensemble programmeren verschijnt
boven aan de lijst met beschikbare
kanaalgroepen.
2. Druk op OK/MENU.
> Er gaat een nieuwe programmeringsopdracht van start.
De programmeringsfunctie is te annuleren
met EXIT.
Navigeren in kanaalgroepenlijst
(Ensemble)
De kanaalgroepenlijst is door te bladeren en
te openen door aan TUNE te draaien. Bovenaan op het display staat de naam van het
ensemble. Wanneer u wisselt naar een nieuw
ensemble, wordt de nieuwe naam weergegeven.
•
Service – Geeft de kanalen weer ongeacht de kanaalgroep waartoe ze behoren.
De lijst is tevens te filteren door een programmatype te kiezen (PTY-filter ), zie
onder.
06 Infotainment
Radio
Scannen
Deze functie doorzoekt de actuele frequentieband automatisch op goed te ontvangen zenders. Wanneer er een zender is gevonden,
wordt deze ca. 10 seconden lang weergegeven voordat de zoekfunctie wordt voortgezet.
Bij het beluisteren van een zender is de zender op de normale manier op te slaan als een
van de voorkeuren. Voor meer informatie over
voorkeuren, zie “Voorkeuren” hieronder.
–
Ga in stand DAB naar DAB-menu
Scan om de scanfunctie te starten.
N.B.
Bij het opslaan van een zender wordt de
scanfunctie beëindigd.
De scanfunctie is ook te kiezen in de stand
DAB-PTY. Dan worden uitsluitend kanalen
van het gekozen programmatype weergegeven.
Programmatype (PTY)
Met de functie programmatype kunt u verschillende soorten radioprogramma’s kiezen.
Er bestaan verschillende programmatypes
voor uiteenlopende soorten programmacategorieën. Wanneer u een bepaald programmatype hebt gekozen, navigeert u uitsluitend
5
binnen de kanalen die programma’s van het
gekozen type uitzenden.
U kiest een programmatype in stand DAB
onder DAB-menu PTY-filter . Verlaat deze
stand als volgt:
–
Druk op EXIT.
> Er verschijnt een indicatie op het display wanneer PTY geactiveerd is.
Bij gebruik van DAB-links tussen kanalen (zie
onder) is het mogelijk dat de DAB-radio de
PTY-stand verlaat.
Voorkeuren
U kunt per band 10 voorkeurzenders vastleggen. DAB heeft 2 geheugenbanken met voorkeurzenders: DAB1 en DAB2. Opslag van
voorkeurzenders vindt plaats door lang op de
gewenste sneltoets te drukken, voor meer
informatie zie pagina 273. U kiest een voorkeurzender met de sneltoetsen.
Een voorkeur bestaat uit een kanaal zonder
eventuele subkanalen. Als er tijdens het
beluisteren van een subkanaal een voorkeurkanaal vastgelegd wordt, wordt uitsluitend
het hoofdkanaal geregistreerd. Dit komt
omdat de subkanalen van tijdelijke aard zijn.
Bij activering van het bijbehorende voorkeurkanaal zal dan ook het hoofdkanaal worden
weergegeven waartoe het subkanaal
behoorde. De voorkeurkanalen zijn niet
gebonden aan de kanalenlijst.
U kunt een lijst met voorkeurzenders tonen5
op het display. De functie is in stand DAB te
activeren/deactiveren onder DAB-menu
Presets tonen.
N.B.
Het DAB-systeem van de geluidsinstallatie
ondersteunt niet alle functies die in de
DAB-standaard zitten.
Radiotekst
Sommige radiozenders geven informatie door
over de inhoud van de uitzendingen, uitvoerende artiesten e.d. Deze informatie wordt het
display weergegeven.
De functie is in stand DAB te activeren/deactiveren onder DAB-menu Radiotekst
tonen.
06
Geldt alleen voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia
277
06 Infotainment
Radio
N.B.
Er kan telkens slechts een van de functies
“Radiotekst tonen” en “Presets tonen”
geactiveerd zijn. Wanneer een van de
functies wordt ingeschakeld terwijl de
andere al actief is, wordt de eerder geactiveerde functie automatisch uitgeschakeld.
Beide functies zijn mogelijk gedeactiveerd.
Geavanceerde instellingen
DAB naar DAB link
06
‘DAB naar DAB link’ houdt in dat de DABradio van een kanaal dat slecht of helemaal
niet te ontvangen is kan overschakelen op
hetzelfde kanaal in een andere kanaalgroep
met een betere ontvangst. Bij het veranderen
van kanaalgroep kan enige vertraging in de
geluidsweergave optreden. Vanaf het
moment dat het huidige kanaal verdwijnt en
het nieuwe kanaal toegankelijk wordt kan het
geluid dan ook enige tijd stilvallen.
De functie is in stand DAB te activeren/deactiveren onder DAB-menu Geavanceerde
instellingen DAB-verbinding.
Frequentieband
DAB is in staat op twee6 frequentiebanden uit
te zenden:
6
278
• Band III - dekt de meeste gebieden.
• LBand - alleen beschikbaar voor een
Subkanalen zijn uitsluitend te bereiken via het
gekozen hoofdkanaal en niet via een ander
kanaal.
Wanneer u alleen voor Band III kiest, verloopt het programmeren van kanalen sneller
dan als u voor zowel Band III als LBand hebt
gekozen. Het is echter niet zeker dat alle
kanaalgroepen ook daadwerkelijk worden
gevonden. De gekozen frequentieband is niet
van invloed op de opgeslagen voorkeuren.
De weergave van subkanalen is in stand DAB
te deactiveren/activeren onder DAB-menu
Geavanceerde instellingen
Subkanalen
paar gebieden.
De frequentieband is in stand DAB te deactiveren/activeren onder DAB-menu
Geavanceerde instellingen DAB-band.
Subkanaal
Secundaire componenten worden vaak aangeduid als subkanalen. Dergelijke componenten zijn van tijdelijke aard en kunnen bijvoorbeeld uit vertalingen van het hoofdprogramma bestaan.
Als er een of meer subkanalen bestaan verschijnt het symbool
links van de kanaalnaam op het display. Als er slechts één subkanaal bestaat verschijnt het symbool - links
van de kanaalnaam op het display.
Druk op
De beide frequentiebanden zijn niet in alle gebieden/landen in gebruik.
om het menu met subkanalen.
PTY-tekst
Sommige radiozenders versturen informatie
over programmatype en programmacategorie, voor informatie over Programmatype,
PTY, zie pagina 274. Deze informatie wordt
het display weergegeven.
De functie is in stand DAB te activeren/deactiveren onder DAB-menu Geavanceerde
instellingen PTY-tekst weergeven.
DAB-instellingen herstellen
Met deze kunt u alle fabrieksinstellingen voor
DAB herstellen.
–
Reset in de stand DAB onder DAB-menu
Geavanceerde instellingen Alle
DAB-instellingen resetten.
06 Infotainment
Mediaspeler
Algemeen
CD/DVD1-functies
De mediaspeler kan geluids- en videobestanden op schijven in de cd-/dvd-speler* weergeven, op externe mediabronnen die via de
AUX/USB-poort* zijn aangesloten of geluidsbestanden op externe media ‘streamen’ via
Bluetooth®. Met behulp van bepaalde mediaspelers kunt u tv* te kijken en communiceren
met een mobiele telefoon (zie pagina 290)*
via Bluetooth®.
Disctrack voor-/achteruitspoelen en van
disctrack of hoofdstuk2 veranderen.
De mediaspeler ondersteunt de volgende
soorten discs en bestanden en kan deze met
andere woorden afspelen:
Bedieningspaneel op middenconsole.
Opening voor het invoeren/uitwerpen van
een disc
Disc uitwerpen
Knop MEDIA, activeert de laatst geactiveerde mediabron. Als er een mediabron
is geactiveerd, verschijnt er bij het indrukken MEDIA een snelmenu met de meest
gebruikelijke menu-opties.
Cijfers en letters invoeren.
Uw keuze bevestigen of het menu voor
de gekozen mediabron openen door te
drukken op OK/MENU.
1
2
Tracks/mappen kiezen of menu-opties
doorbladeren door te draaien aan TUNE.
•
•
Voorbespeelde cd-discs (CD Audio).
•
•
Voorbespeelde video-dvd’s1.
Zelfgebrande cd’s met audio- en/of videobestanden1.
Zelfgebrande dvd’s1 met audio- en/of
videobestanden.
Voor meer informatie over de ondersteunde
formaten, zie pagina 283.
N.B.
Als de auto is uitgerust met een toetsenset* op het stuurwiel en/of een afstandsbediening*, kunt u deze meestal gebruiken in
plaats van de toetsen op de middenconsole. Voor een beschrijving van de toetsenset op het stuurwiel, zie zie pagina 261.
Voor een beschrijving van de afstandsbediening, zie pagina 307.
06
Geldt alleen voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
Geldt alleen voor dvd-discs.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
279
06 Infotainment
Mediaspeler
Menufuncties
Pauze
U regelt de menufuncties van MEDIA vanaf
de middenconsole of via de toetsenset* op
het stuurwiel. Voor algemene informatie over
menufuncties en menusystemen, zie
pagina 263 en het menu-overzicht, zie
pagina 266.
Als het volume wordt uitgedraaid of MUTE
wordt ingedrukt, pauzeert de mediaspeler.
Als het volume wordt verhoogd of MUTE nogmaals wordt ingedrukt, start de mediaspeler
weer. U kunt tevens pauzeren via het menusysteem3: druk op OK/MENU en kies Play/
pause.
Disc afspelen
Druk op de knop MEDIA, draai aan TUNE tot
Disk verschijnt en druk op OK/MENU. Als er
een disc in de mediaspeler zit, wordt deze
disc automatisch afgespeeld. Anders verschijnt Plaats disk op het display. Plaats vervolgens een disc met de tekstzijde omhoog.
De cd wordt automatisch afgespeeld.
06
Wanneer er een disc met audio-/videobestanden in de speler wordt geplaatst, dient de
mapstructuur op de disc te worden ingelezen.
Afhankelijk van de kwaliteit van de disc en de
hoeveelheid gegevens die erop staan, kan het
enige tijd duren voordat de weergave van
start gaat.
Disc uitwerpen
Een disc blijft ca. 12 seconden lang in de uitgeworpen stand staan. Om veiligheidsredenen wordt de disc vervolgens automatisch
weer naar binnen getrokken.
3
1
4
280
Afspelen en navigeren
Audio-cd’s
Draai aan TUNE om de speellijst van de disc
te bekijken en door de lijst te navigeren. Met
OK/MENU wordt de trackkeuze bevestigd en
de weergave gestart. Druk op EXIT om te
annuleren en de speellijst te verlaten. Lang
indrukken van EXIT voert u naar het hoofdniveau van de speellijst.
Wisselen van disctrack is ook mogelijk door
te drukken op
/
op de middenconsole of op de toetsenset* op het stuurwiel.
Zelfgebrande discs met audio-/
videobestanden1
Draai aan TUNE om de speellijst/mapstructuur van de disc te openen en door de lijst/
structuur te navigeren. Met OK/MENU wordt
de gekozen submap bevestigd of de weer-
Geldt niet voor audio-cd’s
Geldt alleen voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
Dit gebeurt niet, als Map herhalen geactiveerd is.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
gave van het gekozen audio-/videobestand
gestart. Druk op EXIT om te annuleren en de
speellijst te verlaten of een stap omhoog
(terug) te zetten in de mapstructuur. Lang
indrukken van EXIT voert u naar het hoofdniveau van de speellijst.
Wisselen van audio-/videobestand is ook
mogelijk door te drukken op
/
op de
middenconsole of op de toetsenset* op het
stuurwiel.
Audiobestanden hebben het symbool
videobestanden1 hebben het symbool
en mappen hebben het symbool
.
,
Wanneer het afspelen van een bestand klaar
is, worden de andere bestanden (van hetzelfde type) in de actuele map afgespeeld. Er
wordt automatisch van map gewisseld4, wanneer alle bestanden in een de actuele map
afgespeeld zijn. Het systeem registreert automatisch of er een disc met alleen audiobestanden of alleen videobestanden in de
mediaspeler wordt geplaatst, past de instellingen aan en speelt de bestanden vervolgens
af. Het systeem past de instelling echter niet
aan, als er een disc met zowel audio- als
videobestanden in de mediaspeler wordt
06 Infotainment
Mediaspeler
geplaatst maar blijft in dat geval het voorgaande bestandstype afspelen.
N.B.
Videoweergave is uitsluitend mogelijk wanneer de auto stilstaat. Wanneer de auto
sneller rijdt dan ca. 8 km/h, verschijnt er
geen beeld en staat Geen visuele media
tijdens het rijden op het beeldscherm.
Het geluid wordt echter wel weergegeven.
Het beeld verschijnt weer, zodra de rijsnelheid is gedaald tot onder ca. 6 km/h.
N.B.
Het is mogelijk dat de speler audiobestanden met kopieerbeveiliging van de platenmaatschappijen of zelfgebrande audiobestanden niet kan lezen.
Video-dvd’s1
Voor het afspelen van video-dvd’s, zie
pagina 282.
Vooruit-/achteruitspoelen
Houd de toetsen
/
ingedrukt om
vooruit/achteruit te spoelen. Voor audiobestanden geldt één snelheid, terwijl videobestanden op meerdere snelheden voor- en
1
5
6
achteruit te spoelen zijn. Druk herhaalde
malen achtereen op de toetsen
/
om
bij videobestanden sneller voor- of achteruit
te spoelen. Laat de toets weer los om de
video weer op normale snelheid weer te
geven.
Scannen5
Bij activering van deze functie worden van
alle disctracks/audiobestanden de eerste tien
seconden weergegeven. Om te scannen:
1. Druk op OK/MENU
2. Draai aan TUNE totdat Scan verschijnt
> Van alle tracks of muziekbestanden
worden de eerste 10 seconden weergegeven.
3. Beëindig de scanfunctie met EXIT,
waarna de weergave van het actuele
nummer of muziekbestand op de disc
wordt voortgezet.
Willekeurige afspeelvolgorde5
Bij activering van deze functie speelt de speler de tracks/muziekbestanden in willekeurige
volgorde af. Om de tracks in willekeurige
volgorde te beluisteren:
1. Druk op OK/MENU
2. Draai aan TUNE totdat Willekeurige
weergave verschijnt
3. Druk op OK/MENU om de functie te activeren/deactiveren.
Wisselen van disctrack/audiobestand is
mogelijk door te drukken op
/
op de
middenconsole of op de toetsenset* op het
stuurwiel.
Map herhalen6
Deze functie maakt het mogelijk om de weergave van de bestanden in een map eindeloos
te herhalen. Wanneer het laatste bestand
helemaal afgespeeld is, wordt het eerste
bestand opnieuw weergegeven.
1. Druk op OK/MENU
2. Draai aan TUNE totdat Map herhalen
verschijnt
06
3. Druk op OK/MENU om de functie te activeren/deactiveren.
Geldt alleen voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
Geldt niet voor video-dvd’s.
Geldt alleen voor audio-/videobestanden op zelfgebrande discs of een USB-speler.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
281
06 Infotainment
Mediaspeler
Video-dvd’s afspelen1
Navigeren in eigen menu video-dvd
Afspelen
Tijdens het afspelen van een video-dvd verschijnt er mogelijk een discmenu op het display. Via het discmenu hebt u toegang tot
extra functies en instellingen om bijvoorbeeld
ondertitels, geluidstracks, scènes te kiezen.
Wisselen van hoofdstuk is ook mogelijk door
te drukken op
/
op de middenconsole of op de toetsenset* op het stuurwiel.
N.B.
Videoweergave is uitsluitend mogelijk wanneer de auto stilstaat. Wanneer de auto
sneller rijdt dan ca. 8 km/h, verschijnt er
geen beeld en staat Geen visuele media
tijdens het rijden op het beeldscherm.
Het geluid wordt echter wel weergegeven.
Het beeld verschijnt weer, zodra de rijsnelheid is gedaald tot onder ca. 6 km/h.
Geavanceerde instellingen7
Hoek
Met de bedieningselementen op de middenconsole kunt u navigeren in het eigen menu
van de video-dvd.
Van hoofdstuk of titel veranderen
Draai aan TUNE om de lijst met hoofdstukken
te openen en erin te navigeren (bij het afspelen van een film wordt de film gepauzeerd).
Druk op OK/MENU om een hoofdstuk te kiezen en terug te keren naar de uitgangspositie
(als eerder een film werd afgespeeld, wordt
deze film voortgezet). Druk op EXIT om de
titellijst te openen.
06
In de titellijst kiest u een titel door te draaien
aan TUNE en bevestigt u uw keuze met OK/
1
7
282
Geldt alleen voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
Geldt voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
MENU, waarna u terugkeert naar de lijst met
hoofdstukken. Druk op OK/MENU om uw
keuze te activeren en terug te keren naar de
uitgangspositie. Met EXIT annuleert u uw
keuze en keert u terug naar de uitgangspositie (zonder een keuze te maken).
Met deze functie kunt u, op voorwaarde dat
de video-dvd dit ondersteunt, aangeven vanuit welke camerapositie een bepaalde scène
moet worden weergegeven. Ga in de stand
DISC naar Diskmenu Geavanceerde
instellingen Hoek.
DivX® Video On Demand
Het is mogelijk de mediaspeler te registreren
voor weergave van bestanden van het type
DivX VOD op zelfgebrande discs of een USBmedium. De registratiecode vindt u in het
menusysteem MY CAR onder Instellingen
Informatie DivX® VOD-code. Voor
algemene informatie over de menufuncties
onder MY CAR, zie pagina 217.
06 Infotainment
Mediaspeler
Breng voor meer informatie een bezoek aan
www.divx.com/vod.
Beeldinstellingen7
Het is mogelijk de volgende instellingen voor
helderheid en contrast te wijzigen (op voorwaarde dat de auto stilstaat).
Compatibele formaten
De mediaspeler kan tal van bestandstypen
afspelen en is compatibel met de formaten in
de volgende tabel.
N.B.
Dubbelzijdige schijven van het zogeheten
dual format-type (DVD Plus, CD-DVD) zijn
dikker dan normale cd’s. Het is dan ook
niet zeker of dergelijke schijven kunnen
worden afgespeeld en storingen zijn
mogelijk.
1. Druk op OK/MENU, kies voor
Beeldinstellingen en bevestig uw keuze
met OK/MENU.
2. Draai aan TUNE om de aan te passen
instelling te bereiken en bevestig uw
keuze met OK/MENU.
Als een cd een mix van mp3- en CD-DAbestanden bevat, worden alle mp3-tracks
genegeerd.
3. Pas de instelling aan door te draaien aan
TUNE en bevestig uw keuze met OK/
MENU.
Druk om terug te keren naar de lijst met
instellingen op OK/MENU of EXIT.
De fabriekswaarden voor de beeldinstellingen
zijn te herstellen met de optie Reset.
A
B
C
7
AudioformatenA
CD-Audio, mp3, wma
AudioformatenB
CD-Audio, mp3, wma,
aac, m4a
VideoformatenC
CD-Video, DVD-Video,
divx, avi, asf
06
Geldt voor Performance.
Geldt niet voor Performance.
Geldt alleen voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
Geldt voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
283
06 Infotainment
Externe geluidsbron via AUX/USB*-ingang
Algemeen
N.B.
Als de auto is uitgerust met een toetsenset* op het stuurwiel en/of een afstandsbediening*, kunt u deze meestal gebruiken in
plaats van de toetsen op de middenconsole. Voor een beschrijving van de toetsenset op het stuurwiel, zie zie pagina 261.
Voor een beschrijving van de afstandsbediening, zie pagina 307.
Aansluitingspunten voor externe geluidsbronnen.
06
Via een van de aansluitingen in de middenconsole is het mogelijk een externe geluidsbron (zoals een iPod® of mp3-speler) aan te
sluiten op het audiosysteem. Een op de USBingang aangesloten geluidsbron is vervolgens
te bedienen1 via de geluidsregeling van de
auto. Een eenheid die is aangesloten op de
AUX-ingang valt echter niet te bedienen via
de geluidsregeling van de auto.
Rechts achter aan de middenconsole zit een
uitsparing voor kabels, zodat u de klep kunt
sluiten zonder dat de kabels bekneld komen
te zitten.
1
284
Een iPod® of mp3-speler met oplaadbare batterijen wordt opgeladen (wanneer het contact
ingeschakeld is of de motor loopt), als het
apparaat aangesloten is op de USB-aansluiting.
Geluidsbron aansluiten:
1. Druk op MEDIA, draai aan TUNE tot de
gewenste geluidsbron USB, iPod of AUX
en druk op OK/MENU.
> Als u USB kiest, verschijnt USB
aansluiten op het beeldscherm.
2. Sluit uw geluidsbron aan op een van de
aansluitingen in het opbergvak van de
middenconsole (zie voorgaande afbeelding).
De tekst USB wordt gelezen verschijnt op
het beeldscherm, terwijl het systeem de
Geldt alleen voor een mediabron die via de USB-aansluiting aangesloten is.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
bestanden op het opslagmedium inleest.
Afhankelijk van de bestandsstructuur en het
aantal bestanden kan het enige tijd duren
voordat alles ingelezen is.
N.B.
Het systeem biedt ondersteuning voor de
meeste iPod®-modellen die in 2005 of later
gemaakt zijn.
N.B.
Om schade tegen te gaan wordt de USBaansluiting gedeactiveerd bij kortsluiting of
als een aangesloten USB-eenheid te veel
stroom afneemt (dit is mogelijk als de aangesloten eenheid niet aan de USB-standaard voldoet). Als de volgende keer dat u
het contact inschakelt, blijkt dat de storing
verdwenen is, wordt de USB-aansluiting
automatisch opnieuw geactiveerd.
Menufuncties
U regelt de menufuncties van MEDIA vanaf
de middenconsole of via de toetsenset* op
het stuurwiel. Voor algemene informatie over
menufuncties en menusystemen, zie
pagina 263 en het menu-overzicht, zie
pagina 266.
06 Infotainment
Externe geluidsbron via AUX/USB*-ingang
Afspelen en navigeren2
Draai aan TUNE om de speellijst/mapstructuur te openen en door de lijst/structuur te
navigeren. Met OK/MENU wordt de gekozen
submap bevestigd of de weergave van het
gekozen audio-/videobestand gestart. Druk
op EXIT om te annuleren en de speellijst te
verlaten of een stap omhoog (terug) te zetten
in de mapstructuur. Lang indrukken van EXIT
voert u naar het hoofdniveau van de speellijst.
Wisselen van audio-/videobestand is ook
/
op de
mogelijk door te drukken op
middenconsole of op de toetsenset* op het
stuurwiel.
Audiobestanden hebben het symbool
videobestanden3 hebben het symbool
en mappen hebben het symbool
.
,
Wanneer het afspelen van een bestand klaar
is, worden de andere bestanden (van hetzelfde type) in de actuele map afgespeeld. Er
wordt automatisch van map gewisseld4, wanneer alle bestanden in een de actuele map
afgespeeld zijn. Het systeem registreert automatisch of er een eenheid met alleen audio-
2
3
4
5
6
bestanden of alleen videobestanden op de
USB-aansluiting wordt aangesloten, past de
instellingen aan en speelt de bestanden vervolgens af. Het systeem past de instelling
echter niet aan, als er een eenheid met een
mix van audio- en videobestanden op de
USB-aansluiting wordt aangesloten maar blijft
in dat geval het voorgaande bestandtype
afspelen.
Vooruit-/achteruitspoelen2
Zie pagina 281.
Scannen2
Zie pagina 281.
Willekeurige afspeelvolgorde2
Zie pagina 281.
Zoekfunctie2
Met behulp van de toetsenset op het bedieningspaneel van de middenconsole kunt u
een bestandsnaam in de actuele map zoeken.
U kunt de zoekfunctie bereiken door te
draaien aan TUNE (om de mapstructuur te
openen) of door te drukken op een van de lettertoetsen. Naarmate u meer letters of tekens
van de tekenreeks intypt worden de zoekresultaten steeds verder verfijnd.
U start de weergave van een bestand door te
drukken op OK/MENU.
Map herhalen5
Zie pagina 281.
Pauze
Als het volume wordt uitgedraaid of MUTE
wordt ingedrukt, pauzeert de mediaspeler.
Als het volume wordt verhoogd of MUTE nogmaals wordt ingedrukt, start de mediaspeler
weer. U kunt tevens pauzeren via het menusysteem6: druk op OK/MENU en kies Play/
pause.
Geluidsbronnen
USB-geheugen
Om het gebruik van een USB-geheugen te
vereenvoudigen is het beter alleen muziekbestanden in het geheugen op te slaan. Het
inlezen duurt aanzienlijk langer, wanneer er
behalve compatibele muziekbestanden nog
Geldt alleen voor USB-speler en iPod®.
Geldt voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
Dit gebeurt niet, als Map herhalen geactiveerd is.
Geldt alleen voor USB-speler.
Geldt niet voor iPod®
06
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
285
06 Infotainment
Externe geluidsbron via AUX/USB*-ingang
andere bestanden op het opslagmedium
staan.
N.B.
Het systeem biedt ondersteuning voor
draagbare media die werken met USB 2.0
en het bestandssysteem FAT32 en kan
1000 mappen aan met maximaal 254 submappen/bestanden in elke map. Een uitzondering daarop vormt het hoogste
niveau, dat tot 1000 submappen/bestanden kan bevatten.
dergelijke mp3-speler te kunnen gebruiken
binnen het systeem, dient de speler in de
stand USB Removable device/Mass
Storage Device te staan.
iPod®
Een iPod® wordt middels de aansluitkabel bijgeladen en gevoed door de USB-aansluiting*.
N.B.
Het systeem ondersteunt alleen de weergave van audiobestanden van iPod®.
N.B.
N.B.
Bij gebruik van een langer USB-geheugen
wordt geadviseerd een USB-adapterkabel
te gebruiken. Dit om mechanische slijtage
aan de USB-ingang en het aangesloten
USB-geheugen tegen te gaan.
Wanneer u muziek op een aangesloten
iPod® beluistert, hanteert het infotainmentsysteem een menustructuur vergelijkbaar
met die van de iPod®.
06
USB-hub
Er kan een USB-hub op de USB-aansluiting
worden aangesloten om op die manier meerdere USB-apparaten tegelijk aan te sluiten. U
kiest de USB-eenheid in de stand USB onder
USB-menu USB-apparaat kiezen.
286
Compatibele bestandsformaten bij
USB-aansluiting
Het systeem biedt ondersteuning voor de
audio- en videoformaten in de onderstaande
tabel bij weergave via de USB-aansluiting.
Mp3-speler
Audioformaten
mp3, wma, aac, m4a
Veel mp3-spelers werken met hun eigen
bestandssysteem die niet ondersteund worden door het Infotainmentsysteem. Om een
VideoformatenA
divx, avi, asf
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
A
Geldt alleen voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
06 Infotainment
Media Bluetooth®*
Algemeen
De mediaspeler in de auto is uitgerust met
Bluetooth®1 en kan draadloos “streaming
audio”-bestanden afspelen op externe eenheden met Bluetooth® zoals mobiele telefoons
en laptops. Navigatie en regeling van het
geluid zijn in dat geval te verrichten via de
toetsen op de middenconsole of via de toetsenset* op het stuurwiel. Bij sommige externe
eenheden is het ook mogelijk op de eenheid
zelf van track te wisselen.
Om audio weer te geven moet de mediaspeler van de auto eerst in stand Bluetooth worden gezet.
Wanneer er een mobiele telefoon is aangesloten op de auto, kunt u tevens bepaalde
mobieltelefoonfuncties op afstand bedienen,
zie pagina 290. Wissel tussen de hoofdbronnen TEL en MEDIA om de functies van de
desbetreffende bronnen te gebruiken.
N.B.
Bluetooth®-mediaspelers moeten ondersteuning bieden voor de profielen Audio/
Video Remote Control Profile (AVRCP) en
Advanced Audio Distribution Profile
(A2DP). De speler dient AVRCP versie 1.3
en A2DP 1.2 te hanteren. Anders werken
bepaalde functies mogelijk niet.
Niet alle verkrijgbare mobiele telefoons en
externe mediaspelers zijn volledig compatibel met de Bluetooth®-functie van de
mediaspeler van de auto. Volvo adviseert u
contact op te nemen met een erkende
Volvo-dealer of www.volvocars.com te
bezoeken voor informatie over compatibele telefoons en externe mediaspelers.
N.B.
De mediaspeler van de auto kan alleen
audiobestanden afspelen via de
Bluetooth®-functie.
Menufuncties
U regelt de menufuncties van MEDIA vanaf
de middenconsole of via de toetsenset* op
het stuurwiel. Voor algemene informatie over
menufuncties en menusystemen, zie
pagina 263 en het menu-overzicht, zie
pagina 266.
1
Overzicht
Bedieningspaneel op middenconsole.
VOL – volume.
Knop MEDIA. De laatst geactiveerde
bron (bijvoorbeeld iPod®) wordt automatisch geactiveerd. Als er een bron is
geactiveerd, verschijnt er bij het indrukken MEDIA een snelmenu met de meest
gebruikelijke menu-opties.
06
Uw keuze bevestigen of het menu openen door te drukken op OK/MENU.
Navigeren door het menu door te draaien
aan TUNE.
Geldt voor High Performance, High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
287
06 Infotainment
Media Bluetooth®*
EXIT – Omhoog in het menusysteem,
annuleert de actuele functie.
Bij kort indrukken loopt u de audiobestanden door. Bij lang indrukken spoelt
u de audiobestanden voor- of achteruit.
N.B.
Als de auto is uitgerust met een toetsenset* op het stuurwiel en/of een afstandsbediening*, kunt u deze meestal gebruiken in
plaats van de toetsen op de middenconsole. Voor een beschrijving van de toetsenset op het stuurwiel, zie zie pagina 261.
Voor een beschrijving van de afstandsbediening, zie pagina 307.
Aan de slag
06
Externe Bluetooth®-eenheid aansluiten
U kunt maximaal tien externe eenheden koppelen. Aansluiting vindt op dezelfde plaats als
voor een telefoon, zie Externe Bluetooth®eenheid aansluiten, pagina 291.
Automatische aansluiting
Wanneer het Bluetooth®-systeem actief is en
de laatst aangesloten externe eenheid binnen
het bereik ligt, wordt deze automatisch
opnieuw aangesloten. Terwijl het infotainment
op zoek is naar de laatst aangesloten eenheid
staat de naam van deze eenheid op het dis-
288
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
play. Druk op EXIT voor aansluiting op een
andere eenheid. Sluit een nieuwe externe
eenheid aan, zie “Andere externe eenheid kiezen” hieronder.
Andere externe eenheid kiezen
Als er meerdere eenheden in de auto aanwezig zijn, kunt u van externe eenheid wisselen.
De eenheid moet echter wel eerst aan het
systeem gekoppeld zijn, zie “Externe Bluetooth®-eenheid aansluiten” eerder. Om een
andere eenheid te kiezen:
1. Druk op MEDIA, draai aan TUNE tot
Bluetooth verschijnt en druk op OK/
MENU.
2. Controleer of de externe eenheid identificeerbaar/zichtbaar is via Bluetooth® (zie
de gebruiksaanwijzing bij de externe eenheid).
3. Druk op OK/MENU.
4. Draai aan TUNE totdat Ander apparaat
verschijnt en bevestig uw keuze met OK/
MENU.
> Na enige tijd verschijnt de naam van
de externe eenheid op het display. Als
er meerdere externe eenheden gekoppeld zijn, verschijnen ook deze.
5. Kies de aan te sluiten eenheid door te
draaien aan TUNE en bevestig uw keuze
met OK/MENU.
> De externe eenheid wordt vervolgens
aangesloten.
Wissel van audiobestand door te drukken op
/
op de middenconsole of door
gebruik te maken van de toetsenset* op het
stuurwiel.
Eenheid loskoppelen
De externe eenheid wordt automatisch losgekoppeld, als de externe telefoon buiten het
bereik van het infotainmentsysteem komt.
Voor meer informatie over de aansluiting, zie
pagina 288.
Aangesloten eenheid verwijderen
1. Druk in stand Bluetooth op OK/MENU.
2. Draai aan TUNE totdat Bluetoothapparaat verwijderen verschijnt en
bevestig uw keuze met OK/MENU.
3. Kies de te verwijderen eenheid door te
draaien aan TUNE en bevestig uw keuze
met OK/MENU.
> Op het display verschijnt de vraag of u
de aansluiting wilt verwijderen.
4. Druk ter bevestiging op OK/MENU.
Druk op EXIT om te annuleren.
06 Infotainment
Media Bluetooth®*
Willekeurige afspeelvolgorde2
Versie-informatie Bluetooth®
Bij activering van deze functie worden de
audiobestanden op de externe eenheid in willekeurige volgorde afgespeeld. Activeer/deactiveer de willekeurige afspeelvolgorde in
stand Bluetooth onder Bluetooth-menu
Willekeurige weergave.
De actuele Bluetooth®-versie van de auto is in
stand Bluetooth te bekijken onder Bluetoothmenu Bluetooth-softwareversie in auto.
Wissel van audiobestand door te drukken op
/
op de middenconsole of door
gebruik te maken van de toetsenset* op het
stuurwiel.
Audiobestanden op externe eenheid
scannen2
Bij activering van deze functie worden van elk
audiobestand de eerste tien seconden weergegeven. Activeer/deactiveer de functie in
stand Bluetooth onder Bluetooth-menu
Scan.
06
Beëindig de functie scannen met EXIT.
2
Niet ondersteund door alle mobiele telefoons.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
289
06 Infotainment
Bluetooth®-handsfree*
Algemeen
Menufuncties
Een mobiele telefoon met Bluetooth® is
draadloos aan te sluiten op het infotainmentsysteem1. Het infotainmentsysteem werkt dan
als handsfree en biedt u de mogelijkheid om
enkele functies van uw mobiele telefoon op
afstand te bedienen. De microfoon waarvan
het systeem gebruik maakt zit bij de zonneklep (2) aan bestuurderszijde. U kunt de
mobiele telefoon via de knoppen op de telefoon bedienen of de telefoon nu aangesloten
is of niet.
U regelt de menufuncties van TEL vanaf de
middenconsole of via de toetsenset* op het
stuurwiel. Voor algemene informatie over
menufuncties en menusystemen, zie
pagina 263 en het menu-overzicht, zie
pagina 266.
Overzicht
N.B.
Wanneer er een mobiele telefoon is aangesloten op de auto, kunt u tevens geluidsbestanden op de telefoon ‘streamen’, zie
pagina 287. Wissel tussen de hoofdbronnen
TEL en MEDIA om de functies van de desbetreffende bronnen te gebruiken.
1
290
Bedieningspaneel op middenconsole.
Niet alle mobiele telefoons zijn volledig
compatibel met de handsfree-functie van
het audiosysteem. Volvo adviseert u contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats of www.volvocars.com te
bezoeken voor informatie over compatibele telefoons.
06
Cijfer- en lettertoetsen
Systeemoverzicht
Mobiele telefoon.
Microfoon.
Toetsenset op stuurwiel.
Bedieningspaneel op middenconsole.
Geldt voor High Performance, High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Telefoonfuncties, overzicht
bedieningselementen
Knop TEL, activeert/zoekt de laatst aangesloten telefoon. Als er al een telefoon is
aangesloten, verschijnt er bij het indrukken van TEL een snelmenu met de meest
gebruikelijke menu-opties voor de telefoon.
Beantwoord inkomende gesprekken,
bevestig uw keuze of open het telefoonmenu door te drukken op OK/MENU.
TUNE – In de normaalweergave rechtsom
draaien voor toegang tot het telefoonboek en linksom voor de gesprekslijst
06 Infotainment
Bluetooth®-handsfree*
met alle gesprekken. Tevens te gebruiken
om de opties op het display door te bladeren.
EXIT - Telefoongesprekken beëindigen/
weigeren, ingevoerde tekens wissen,
omhoog in het menusysteem en actieve
functie annuleren.
N.B.
Als de auto is uitgerust met een toetsenset* op het stuurwiel en/of een afstandsbediening*, kunt u deze meestal gebruiken in
plaats van de toetsen op de middenconsole. Voor een beschrijving van de toetsenset op het stuurwiel, zie zie pagina 261.
Voor een beschrijving van de afstandsbediening, zie pagina 307.
Beknopte bedieningsinstructies
Activeren
Bij kort indrukken van TEL activeert/zoekt u
de laatst aangesloten telefoon. Als er al een
telefoon is aangesloten, verschijnt er bij het
indrukken van TEL een snelmenu met de
meest gebruikelijke menu-opties voor de telefoon. Het symbool
geeft aan dat er
telefoon is aangesloten.
Externe Bluetooth®-eenheid aansluiten
U kunt maximaal tien externe eenheden koppelen. U hoeft een eenheid slechts eenmaal
te registreren. Na registratie hoeft de eenheid
niet langer zichtbaar/identificeerbaar te zijn.
externe eenheid. Als de ene manier niet
werkt, kunt u de andere proberen.
N.B.
Tijdens een update van het besturingssysteem van de telefoon, wordt de registratie
van de telefoon mogelijk onderbroken.
Verwijder de telefoon dan, zie pagina 293
en sluit hem opnieuw aan, zie pagina 291.
U kunt twee Bluetooth®-eenheden tegelijk
hebben aangesloten. Bijvoorbeeld een telefoon en een media-eenheid en u kunt tussen
de eenheden wisselen, zie pagina 292 of zie
pagina 288. U kunt tevens gebruik maken van
de telefoon, terwijl u via ‘streaming audio’
bestanden op de media-eenheid beluistert.
Hoe u een externe eenheid aansluit hangt af
van de vraag of dezelfde eenheid al dan niet
eerder aangesloten was. De onderstaande
aansluitopties gaan ervan uit dat het de eerste keer is dat de eenheid moet worden aangesloten en dat er geen andere eenheid is
aangesloten.
U kunt op twee manieren eenheden aansluiten: ofwel zoekt u de externe eenheid vanuit
de auto ofwel zoekt u de auto vanaf de
Voorbeeld van normale weergave voor de telefoon.
Als u zich al in de normale weergave bevindt,
drukt u op TEL in de middenconsole.
Alternatief 1 - externe eenheid zoeken via
het menusysteem in de auto
06
1. Maak de externe eenheid identificeerbaar/zichtbaar via Bluetooth®, zie daarvoor de gebruiksaanwijzing bij de externe
eenheid of bezoek www.volvocars.com.
2. Druk op OK/MENU volgens de aanwijzingen op het display van de auto.
> De externe eenheid is nu aangesloten
en kan via de auto worden bediend.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
291
06 Infotainment
Bluetooth®-handsfree*
Als het aansluiten is mislukt, drukt u twee
keer op EXIT en sluit u aan volgens Alternatief 2.
Alternatief 2 - Zoek naar de auto met het
Bluetooth®-systeem van de externe eenheid
1. Maak de auto identificeerbaar/zichtbaar
via Bluetooth®. Draai aan TUNE naar
Telefooninstellingen, bevestig met OK/
MENU, kies Herkenbaar en bevestig uw
keuze met OK/MENU.
2. Selecteer My Volvo Car op het scherm
van de externe eenheid volgens de aanwijzingen.
3. Voer een pincode naar keuze in de
externe eenheid in en kies daarna voor
aansluiten.
06
4. Druk op OK/MENU en voer daarna
dezelfde pincode in via de toetsenset van
de auto in de middenconsole.
Als de externe eenheid is aangesloten, verschijnt de Bluetooth®-naam van de externe
eenheid op het display van de auto en de
eenheid kan via de auto worden bediend.
Automatische aansluiting
Wanneer de handsfree-functie actief is en de
laatst aangesloten mobiele telefoon binnen
het bereik ligt, wordt deze telefoon automatisch opnieuw aangesloten. Als de laatst aangesloten mobiele telefoon niet beschikbaar is,
292
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
probeert het systeem een eerder gekoppelde
mobiele telefoon aan te sluiten. Terwijl het
audiosysteem op zoek is naar de laatst aangesloten eenheid staat de naam van deze
telefoon op het display.
Handmatige aansluiting
Ga om van aangesloten mobiele telefoon te
wisselen in de telefoonstand naar
Telefoonmenu Telefoon wijzigen.
Andere externe eenheid kiezen
Als er meerdere eenheden in de auto aanwezig zijn, kunt u van externe eenheid wisselen.
De eenheid moet daarvoor wel eerst gekoppeld zijn aan de auto, zie Externe Bluetooth®-eenheid aansluiten. Om een andere
eenheid te kiezen:
1. Controleer of de externe eenheid identificeerbaar/zichtbaar is via Bluetooth® (zie
de gebruiksaanwijzing bij de externe eenheid).
2. Druk op TEL en kies daarna Telefoon
wijzigen.
> De auto zoekt naar eerder aangesloten
eenheden. De gevonden externe eenheden verschijnen met hun
Bluetooth®-naam op het display van
de middenconsole.
3. Kies de aan te sluiten eenheid door te
draaien aan TUNE en bevestig uw keuze
met OK/MENU.
> De externe eenheid wordt vervolgens
aangesloten.
Bellen
1. Zorg dat het symbool
boven aan
het display staat en dat de handsfreefunctie in de telefoonstand staat.
2. Voer ofwel het gewenste nummer of snelnummer in, zie pagina 298. Of draai in de
normaalweergave TUNE rechtsom voor
toegang tot het telefoonboek of linksom
voor de gesprekslijst met alle gesprekken. Voor informatie over het telefoonboek, zie pagina 294.
3. Druk op OK/MENU.
U beëindigt het gesprek met EXIT.
Mobiele telefoon uitschakelen
De mobiele telefoon wordt automatisch losgekoppeld, als de telefoon buiten het bereik
van het audiosysteem komt. De koppeling
met de mobiele telefoon is handmatig te verbreken in de telefoonstand onder
Telefoonmenu Telefoon uit. Voor meer
informatie over de aansluiting, zie pagina 291.
06 Infotainment
Bluetooth®-handsfree*
De handsfree-functie wordt gedeactiveerd bij
het afzetten van de motor en het openen van
een portier2.
Wanneer de mobiele telefoon is losgekoppeld, kunt u een eventueel lopend gesprek
voortzetten met behulp van de ingebouwde
microfoon en luidspreker van de mobiele telefoon.
N.B.
Ook als de mobiele telefoon handmatig
wordt losgekoppeld, kunnen bepaalde
mobiele telefoons automatisch opnieuw
verbinding maken met de laatst aangesloten handsfree-eenheid, bijvoorbeeld bij het
starten van een nieuw gesprek.
Eenheid verwijderen
Een aangesloten mobiele telefoon is te ontkoppelen en te verwijderen. U doet dat in de
telefoonstand onder Telefoonmenu
Bluetooth-apparaat verwijderen.
Gespreksfuncties
tweede gesprek te starten met behulp
van de cijfertoetsen (het eerste gesprek
wordt daarbij stand-by gezet).
Inkomend gesprek
–
Druk op OK/MENU om een gesprek aan
te nemen, ook staat het audiosysteem in
de stand RADIO of MEDIA.
Met EXIT kunt u een gesprek weigeren of
beëindigen.
Automatisch antwoord
Met de functie Automatisch antwoord is het
mogelijk gesprekken automatisch te beantwoorden.
–
Activeer/deactiveer de functie in telefoonstand onder Telefoonmenu Belopties Automatisch opnemen.
Menu tijdens gesprek
Druk tijdens een gesprek op OK/MENU om
toegang te krijgen tot de volgende functies:
• Mute – Microfoon van het audiosysteem
uitschakelen.
• Mobiele telefoon - Gesprek doorscha-
kelen naar de mobiele telefoon. Bij sommige mobiele telefoons wordt de koppeling verbroken. Dit is volkomen normaal.
Het handsfree-systeem vraagt vervolgens
of u opnieuw wilt koppelen.
2
• Nummer kiezen - mogelijkheid om een
Gesprekslijsten
De gesprekslijsten worden bij iedere nieuwe
aansluiting naar de handsfree-functie gekopieerd en worden vervolgens tijdens de aansluiting bijgehouden. Draai in de normaalweergave TUNE linksom om de gesprekslijst voor
Alle gesprekken te zien.
In de telefoonstand zijn onder Telefoonmenu
Bellijst alle gesprekslijsten te zien:
•
•
•
•
•
Alle gesprekken
Gemiste oproepen
Beantwoorde gesprekken
Gekozen nummers
Gespreksduur
06
N.B.
Sommige mobiele telefoons geven de lijst
met de laatst gebelde nummers in omgekeerde volgorde weer.
Alleen Keyless drive.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
293
06 Infotainment
Bluetooth®-handsfree*
Voicemail
In de normaalweergave is het mogelijk een
snelnummer voor voicemail te programmeren
die u vervolgens kunt bereiken door lang te
drukken op 1.
Het nummer van de voicemail is in de telefoonstand te wijzigen onder Telefoonmenu
Bel-opties Voicemailnummer
Nummer wijzigen. Als er nog geen nummer
opgeslagen is, kunt u het bijbehorende menu
openen door lang op 1 te drukken.
Audio-instellingen
Tel.-gespreksvol.
Het gespreksvolume is alleen tijdens een
gesprek te wijzigen. Gebruik de toetsenset*
op het stuurwiel of draai aan de knop VOL.
06
Volume audiosysteem
Zolang er geen telefoongesprek wordt
gevoerd, kunt u het volume van het audiosysteem op de gebruikelijke wijze bijregelen door
te draaien aan VOL.
Het is mogelijk de weergave van een actieve
geluidsbron automatisch te onderdrukken bij
inkomende gesprekken. Activeer/deactiveer
de functie in telefoonstand onder
3
294
Niet ondersteund door alle mobiele telefoons.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Telefoonmenu Telefooninstellingen
Geluiden en volume Mute radio .
Beltoonvolume
Ga in de telefoonstand naar Telefoonmenu
Telefooninstellingen Geluiden en
volume Beltoonvolume en draai aan VOL
om te wijzigen. Druk op OK/MENU om het
volume te horen. Druk op EXIT om op te
slaan.
Geluiden en volume
ringtone.
N.B.
Voor bepaalde mobiele telefoons geldt dat
de belsignalen van de aangesloten mobiele telefoon niet worden uitgeschakeld bij
gebruik van de geïntegreerde signalen van
het handsfree-systeem.
Ga om de beltonen3 van de aangesloten telefoon te gebruiken in de telefoonstand naar
Telefoonmenu Telefooninstellingen
GSM-
Telefoonboek
Er zijn twee telefoonboeken. Deze worden in
de auto samengevoegd en als één gemeenschappelijk telefoonboek in de auto getoond.
•
De auto downloadt het telefoonboek van
de aangesloten mobiele telefoon en toont
dit telefoonboek alleen, wanneer de
mobiele telefoon waaruit het telefoonboek
afkomstig is aangesloten is.
•
Ook de auto heeft een ingebouwd telefoonboek. Hierin worden alle contactpersonen opgeslagen, onafhankelijk van de
vraag welke telefoon er tijdens de opslag
aangesloten. Deze contactpersonen zijn
zichtbaar voor alle gebruikers, ongeacht
de telefoon die aan de auto gekoppeld is.
Als een contactpersoon opgeslagen is in
het telefoonboek van de auto, verschijnt
het symbool
vóór deze contactpersoon.
Belsignalen
In de telefoonstand kunt u een van de ingebouwde beltonen van de handsfree-functie
kiezen onder Telefoonmenu
Telefooninstellingen Geluiden en volume
Beltonen Belsignaal 1 enz.
Beltonen
06 Infotainment
Bluetooth®-handsfree*
N.B.
Bij wijzigingen van een post in het telefoonboek van de mobiele telefoon vanuit
het telefoonsysteem in de auto, wordt er
een nieuwe post in het telefoonboek van
de auto aangemaakt. De wijziging wordt
met andere woorden niet opgeslagen in de
mobiele telefoon. In de auto ziet u vervolgens dubbele posten, met verschillende
icoontjes. Let er tevens op dat het opslaan
van snelnummers of het wijzigen van een
contactpersoon een nieuwe post oplevert
in het telefoonboek van de auto.
Voor alle telefoonboekfuncties dient het symbool
boven aan het display en de handsfree-functie in de telefoonstand te staan.
Het audiosysteem slaat van elk van de
gekoppelde mobiele telefoons een kopie van
het telefoonboek op. Het telefoonboek kan bij
iedere aansluiting automatisch naar het
audiosysteem worden gekopieerd.
–
Activeer/deactiveer de functie in telefoonstand onder Telefoonmenu
Telefooninstellingen Telefoonboek
downloaden.
Als het telefoonboek de contactgegevens
bevat van de persoon die belt, verschijnen
deze op het display.
Snelzoekfunctie contactpersonen
Draai in de normaalweergave TUNE rechtsom
om een lijst met contactpersonen te openen.
Draai aan TUNE om een contactpersoon te
kiezen en druk op OK/MENU om te bellen.
Onder de naam van de contactpersoon staat
het telefoonnummer dat als standaardnummer is gekozen. Als rechts van de contactpersoon het symbool > staat, zijn er meerdere
telefoonnummers van de contactpersoon
opgeslagen. Druk op OK/MENU om de nummers weer te geven. Kies een ander nummer
dan het standaardnummer en bel door te
draaien aan de knop TUNE. Druk op OK/
MENU om te bellen.
Doorzoek de lijst met contactpersoon door
via de toetsenset van de middenconsole de
eerste letter(s) van de naam van de contactpersoon in te typen (zie “Tekentabel toetsenset op middenconsole” voor de functie van
de toetsen).
De lijst met contactpersonen is vanaf de normaalweergave ook te bereiken door op de
toetsenset van de middenconsole de toets in
te drukken met de eerste letter van de naam
van de gezochte contactpersoon. Zo biedt
lang indrukken van de toets 6 rechtstreeks
toegang tot dat deel van de lijst waar de contactpersonen liggen die beginnen met de letter M.
Tekentabel toetsenset op
middenconsole
Toets
Functie
Spatie . , - ? @ : ; / ( ) 1
ABCÅÄÆÀÇ2
DEFÈΔ3
GHIÌ4
JKL5
MNOΚØÑÒ6
PQRSΤ7
06
TUVÜÙ8
WXYZ9
Wisselen tussen hoofdletters en
kleine letters.
+0pw
#*
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
295
06 Infotainment
Bluetooth®-handsfree*
Contactpersonen zoeken
N.B.
Bij de uitvoering High Performance ontbreekt het tekstwiel, zodat u TUNE niet
kunt gebruiken voor de invoer van tekens
maar aangewezen bent op de cijfer- en lettertoetsen op het bedieningspaneel van de
middenconsole.
Contactpersonen zoeken met het tekstwiel.
Tekenlijst
Invoerstand wijzigen (zie onderstaande
tabel)
Telefoonboek
06
Ga om een contactpersoon te zoeken of te
bewerken in de telefoonstand naar
Telefoonmenu Telefoonboek Zoeken.
1. Draai aan4 TUNE tot de gewenste letter
verschijnt en druk ter bevestiging op OK/
MENU. Ook de cijfer- en lettertoetsen
van het bedieningspaneel op de middenconsole zijn te gebruiken.
123/ABC
Met OK/MENU kunt u wisselen tussen cijfers en letters.
Overige
Met OK/MENU kunt u overschakelen op de invoer van
speciale tekens.
Opent het telefoonboek (3).
Draai aan TUNE om een contactpersoon te kiezen en druk
op OK/MENU om opgeslagen
nummers en overige informatie
te bekijken.
2. Ga verder met de volgende letter enz. In
het telefoonboek (3) verschijnt het resultaat van de zoekopdracht.
Bij kort indrukken van EXIT wist u het laatst
ingevoerde teken. Bij lang indrukken van
EXIT wist u alle ingevoerde tekens.
3. Om over te schakelen op de invoer van
cijfers of speciale tekens of het telefoonboek te openen dient u aan TUNE te
draaien, totdat een van de opties (zie verklaring in onderstaande tabel) in de lijst
voor het wisselen van invoerstand (2) verschijnt en druk vervolgens op OK/MENU.
Bij het indrukken van een cijfertoets op de
middenconsole tijdens de weergave van het
tekstwiel (zie bovenstaande afbeelding), verschijnt op het display een tekenlijst (1). Druk
herhaalde malen op de cijfertoets totdat de
gewenste letter verschijnt en laat de toets
weer los. Ga verder met de volgende letter
enz. Met het indrukken van een volgende
toets bevestigt u de invoer van de voorgaande letter.
Houd om een cijfer in te voeren de toets met
het gewenste cijfer ingedrukt.
4
296
Geldt alleen voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
06 Infotainment
Bluetooth®-handsfree*
Nieuw contact
N.B.
Bij de uitvoering High Performance ontbreekt het tekstwiel, zodat u TUNE niet
kunt gebruiken voor de invoer van tekens
maar aangewezen bent op de cijfer- en lettertoetsen op het bedieningspaneel van de
middenconsole.
1. Druk, wanneer de regel Naam gemarkeerd staat, op OK/MENU om de invoerstand te openen (bovenstaande afbeelding).
Letters invoeren voor nieuwe contactpersoon.
Invoerstand wijzigen (zie onderstaande
tabel)
Invoerveld
Een nieuwe contactpersoon is in de telefoonstand toe te voegen onder Telefoonmenu
Telefoonboek Nieuw contact.
2. Draai aan4 TUNE tot de gewenste letter
verschijnt en druk ter bevestiging op OK/
MENU. Ook de cijfer- en lettertoetsen
van het bedieningspaneel op de middenconsole zijn te gebruiken.
3. Ga verder met de volgende letter enz. In
het invoerveld (2) op het display staat de
ingevoerde naam.
4. Om over te schakelen op de invoer van
cijfers en/of speciale tekens of te wisselen tussen grote/kleine letters e.d. dient u
aan TUNE te draaien, totdat een van de
opties (zie verklaring in onderstaande
tabel) in de lijst (1) verschijnt; druk vervolgens op OK/MENU.
4
Kies, wanneer u de volledige naam ingevoerd
hebt, OK in de lijst op het display (1) en druk
op OK/MENU. Voer vervolgens het telefoonnummer in op hierboven beschreven manier.
Druk wanneer u het telefoonnummer hebt
ingevoerd op OK/MENU en geef het type
telefoonnummer aan (GSM, Home, Werk of
Algemeen). Druk ter bevestiging op OK/
MENU.
Kies, wanneer alle gegevens ingevoerd zijn,
Contact opslaan in het menu om de contactpersoon op te slaan.
123/AB
C
Met OK/MENU kunt u wisselen tussen cijfers en letters.
Overige
Met OK/MENU kunt u overschakelen op de invoer van
speciale tekens.
OK
Met Contact toevoegen kunt
u opslaan en teruggaan naar
OK/MENU.
06
Geldt alleen voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
297
06 Infotainment
Bluetooth®-handsfree*
Met OK/MENU kunt u wisselen tussen hoofdletters en
kleine letters.
Druk op OK/MENU, de cursor
gaat naar het invoerveld (2)
boven aan het display. U kunt
de cursor vervolgens met
TUNE naar de gewenste positie verplaatsen om bijvoorbeeld nieuwe letters in te voegen of letters te wissen met
EXIT. Ga om nieuwe letters te
kunnen invoegen eerst terug
naar de invoerstand door te
drukken op OK/MENU.
Snelnummers
06
In de telefoonstand kunt u snelnummers
opslaan onder Telefoonmenu
Telefoonboek Verkort kiezen.
In de telefoonstand is verkort kiezen mogelijk
met de cijfertoetsen op de toetsenset van de
middenconsole, door een cijfertoets en vervolgens op OK/MENU in te drukken. Als er
geen contactpersoon opgeslagen ligt onder
het gekozen snelnummer, krijgt u de gelegenheid om alsnog een contactpersoon onder
het gekozen snelnummer op te slaan.
298
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
vCard ontvangen
Het is mogelijk om vCards van andere mobiele telefoons (dan de eenheid die op dat
moment aangesloten op de auto) te ontvangen voor het telefoonboek van de auto. Om
dat mogelijk te maken dient u de auto identificeerbaar te maken voor Bluetooth®. De functie wordt in de telefoonstand geactiveerd
onder Telefoonmenu Telefoonboek
vCard ontvangen.
Geheugenstatus
De geheugenstatus van het telefoonboek van
de auto en die van het telefoonboek van de
aangesloten mobiele telefoon zijn in de telefoonstand te bekijken onder Telefoonmenu
Telefoonboek Geheugenstatus.
Telefoonboek wissen
Het is mogelijk het telefoonboek van de auto
te wissen; u doet dat in de telefoonstand
onder Telefoonmenu Telefoonboek
Telefoonboek wissen .
N.B.
Bij het wissen van het telefoonboek van de
auto worden alleen de contactpersonen in
het telefoonboek van de auto verwijderd.
De contactpersonen in het telefoonboek
van de mobiele telefoon worden niet verwijderd.
Versie-informatie Bluetooth®
De actuele Bluetooth®-versie van de auto is in
de telefoonstand te bekijken onder
Telefoonmenu Telefooninstellingen
Bluetooth-softwareversie in auto.
06 Infotainment
Spraakherkenning* mobiele telefoon
Algemeen
De spraakherkenningsfunctie1 van het infotainmentsysteem biedt u de mogelijkheid om
bepaalde functies van een mobiele telefoon
met Bluetooth®-aansluiting of van Volvo’s
navigatiesysteem, RTI (Road and Traffic
Information System) met uw stem te bedienen.
N.B.
•
•
1
In dit gedeelte staat aangegeven hoe u
gesproken commando’s kunt gebruiken om een mobiele telefoon met
Bluetooth®-aansluiting te bedienen.
Voor gedetailleerde informatie over het
gebruik van een mobiele telefoon met
Bluetooth®-aansluiting op het infotainmentsysteem in de auto, zie
pagina 290.
Volvo’s navigatiesysteem – RTI (Road
and Traffic Information System) – is
voorzien van een apart instructieboekje met meer informatie over
spraakherkenning en de mogelijke
gesproken commando’s voor bediening van het systeem.
Het gebruik van stemcommando’s biedt
bedieningscomfort, leidt minder af en helpt u
om de aandacht op het verkeer vast te houden.
Taal
WAARSCHUWING
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige
manier bestuurt en de geldende verkeersregels in acht neemt.
De spraakherkenningsfunctie biedt u de
mogelijkheid om bepaalde functies van een
mobiele telefoon met Bluetooth®-aansluiting
of van Volvo’s navigatiesysteem, RTI (Road
and Traffic Information System) met uw stem
te bedienen, zonder daarvoor uw handen van
het stuur te hoeven nemen. De input vindt in
dialoogvorm plaats met stemcommando’s
van de gebruiker en verbale antwoorden van
het systeem. De spraakherkenningsfunctie
maakt gebruik van dezelfde microfoon als het
Bluetooth®-handsfreesysteem (zie afbeelding
op pagina 290) en geeft antwoord via de luidsprekers in de auto.
Talenlijst.
Spraakherkenning is niet voor alle talen
mogelijk. De beschikbare talen voor spraakherkenning zijn in de talenlijst aangegeven
. Het wijzigen van de
met een pictogram,
taal doet u in het menusysteem MY CAR, zie
pagina 219.
06
Geldt alleen voor auto’s met Volvo’s navigatiesysteem, RTI (Road and Traffic Information System).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
299
06 Infotainment
Spraakherkenning* mobiele telefoon
Beknopte bedieningsinstructies
mende commando’s op het display van
de middenconsole.
Let op het volgende bij het gebruik van de
spraakherkenningsfunctie:
Toetsenset op stuurwiel.
•
Spreek bij het geven van commando’s na
de toon, met normale stem in een normaal tempo.
•
Wacht met spreken, totdat het systeem
klaar is met antwoorden (zolang het systeem antwoordt, werkt de spraakherkenning namelijk niet).
•
•
Houd portieren en zijruiten dicht.
Vermijd achtergrondgeluiden in de passagiersruimte.
Toets voor spraakherkenning
N.B.
Systeem activeren
06
Voordat u een mobiele telefoon met stemcommando’s kunt bedienen, moet de mobiele
telefoon via het Bluetooth®-handsfreesysteem
zijn gekoppeld en aangesloten. Als u met een
stemcommando een telefoon probeert te
bedienen zonder dat er een mobiel aan het
systeem gekoppeld is, wordt u daarop attent
gemaakt. Voor informatie over het koppelen
en aansluiten van een mobiele telefoon, zie
pagina 291.
•
300
Druk op de knop voor spraakherkenning
(1) om de functie te activeren en een dialoog met stemcommando’s te starten. De
functie toont dan enkele veelvoorko-
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Bij twijfel over het te gebruiken commando
kunt u “Help” zeggen – het systeem geeft
dan enkele voorbeelden van commando’s
die u in de actuele situatie kunt gebruiken.
Hulpfuncties spraakherkenning
•
Instructie: Een functie die u vertrouwd
maakt met de functie en de juiste manier
om commando’s te geven.
•
Stemtraining: Een functie die de spraakherkenningsfunctie de gelegenheid geeft
uw stem en uitspraak te leren kennen. De
functie kan de stemmen van twee verschillende gebruikersprofielen leren.
De hulpfuncties zijn te bereiken door te drukken op de knop MY CAR op het bedieningspaneel van de middenconsole en vervolgens
aan TUNE te draaien, totdat de menu-optie
van uw keuze verschijnt.
Instructie
De aanwijzingen zijn op twee manieren te
starten:
N.B.
Instructies en stemtraining zijn alleen te
activeren wanneer de auto geparkeerd
staat.
De gesproken commando’s zijn te annuleren door:
•
•
•
“Annuleren” te zeggen
•
op EXIT of een andere hoofdbronknop
(zoals MEDIA) te drukken.
niks te zeggen
lang op de stuurtoets voor spraakherkenning te drukken
•
Druk op de knop voor spraakherkenning
en zeg ‘Steminstructies’.
•
Activeer de instructiefunctie in het menusysteem MY CAR onder Instellingen
Spraakinstellingen
Spraakintroductie. Voor een beschrijving
van het menusysteem, zie pagina 217.
06 Infotainment
Spraakherkenning* mobiele telefoon
De instructie is opgesplitst in 3 lessen, die in
totaal zo’n 5 minuten duren. De functie start
met de eerste les. Om een les over te slaan
en naar de volgende te gaan, kunt u op de
knop voor spraakherkenning drukken en ‘Volgende’ zeggen. U kunt teruggaan naar de
vorige les door ‘Vorige’ te zeggen.
Beëindig de instructie door de knop voor
spraakherkenning lang in te drukken.
Stemtraining
U krijgt tot vijftien zinnen te zien die u moet
inspreken. De stemtraining is te starten in het
menusysteem MY CAR onder Instellingen
Spraakinstellingen Spraaktraining.
Kies Gebruiker 1 of Gebruiker 2. Voor een
beschrijving van het menusysteem, zie
pagina 217.
Vergeet na afloop van de stemtraining niet
om uw gebruikersprofiel in te stellen onder
Gebruikersinstelling spraaksystem.
Meer instellingen in MY CAR
•
Gebruikersinstelling – U kunt twee
gebruikersprofielen instellen. De functie is
te activeren in het menusysteem MY CAR
onder Instellingen Spraakinstellingen
Gebruikersinstelling spraaksystem.
Kies Gebruiker 1 of Gebruiker 2. Voor
een beschrijving van het menusysteem,
zie pagina 217.
•
Stemvolume – Te wijzigen in het menusysteem MY CAR onder Instellingen
Spraakinstellingen Volume
mededelingen. Voor een beschrijving
van het menusysteem, zie pagina 217.
Stemcommando’s gebruiken
U start een dialoog met stemcommando’s
door te drukken op de knop voor spraakherkenning (zie afbeelding op pagina 300).
Zodra een dialoog gestart is, verschijnen
veelvoorkomende commando’s op het display. Grijs gearceerde teksten of teksten tussen haakjes maken geen deel uit van het
stemcommando.
Wanneer u vertrouwd bent met de functie,
kunt u de dialoog verkorten door systeemvragen over te slaan middels kort indrukken van
de knop voor spraakherkenning.
Commando’s zijn op meerdere manieren
te geven
Het commando ‘Telefoon bel contact’ kan bijvoorbeeld als volgt worden gegeven:
•
‘Telefoon > Bel contact’ – Zeg ‘Telefoon’,
wacht op antwoord van het systeem en
zeg vervolgens ‘Bel contact.’
of
•
‘Telefoon bel contact’ – Zeg het hele
commando in één keer.
Snelcommando’s
De snelcommando’s voor de telefoon zijn te
vinden in het menusysteem MY CAR onder
Instellingen Spraakinstellingen Lijst
van spraakcommando's
Telefooncommando's en Algemene
commando's. Voor een beschrijving van het
menusysteem, zie pagina 217.
Nummer bellen
De functie begrijpt de cijfers 0 (nul) tot en met
9 (negen). Het nummer is aan te geven door
de cijfers van het nummer elk afzonderlijk uit
te spreken, in groepjes te verdelen of in één
keer achter elkaar te noemen. Getallen groter
dan 9 (negen) kan de functie niet hanteren. Zo
kunt u 10 (tien) of 11 (elf) niet gebruiken.
06
Hier volgt een voorbeeld van een dialoog met
stemcommando’s. De systeemreactie hangt
van de situatie af.
Gebruiker start de dialoog door het
zeggen van:
Telefoon > bel nummer
of
Telefoon bel nummer
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
301
06 Infotainment
Spraakherkenning* mobiele telefoon
Systeemreactie
Contactpersoon bellen
Nummer?
Met het onderstaande dialoog kunt u de
geprogrammeerde contactpersonen in uw
mobiele telefoon bellen.
Gebruikersreactie
Noem de cijfers (eenheden zoals zes-achtzeven enz.) van het telefoonnummer. Als u
meerdere cijfers noemt en vervolgens pauzeert, zal het systeem ze herhalen en vervolgens ‘Doorgaan’ zeggen.
Gebruiker start de dialoog door het
zeggen van:
Noem de rest van de cijfers. Sluit wanneer u
klaar bent het commando af door ‘Bel’ te
zeggen.
•
U kunt het nummer ook aanpassen door
de commando’s ‘Correctie’ (verwijdert de
laatst genoemde groep cijfers) of ‘Wissen’
(wist het genoemde nummer in zijn
geheel) te geven.
Met de onderstaande dialoog kunt u een
nummer bellen in de gesprekslijsten in uw
mobiele telefoon.
Gebruiker start de dialoog door het
zeggen van:
Telefoon > bel vanuit oproepregister
of
302
Telefoon > bel voicemail
of
of
Telefoon bel voicemail
Telefoon bel contact
Beantwoord de vervolgvragen die het systeem stelt.
Beantwoord de vervolgvragen die het systeem stelt.
Let op het volgende bij het bellen van een
contact:
•
Als er meerdere contactpersonen bestaan
met vergelijkbare namen, verschijnen
deze op genummerde regels op het
beeldscherm. Het systeem vraagt u een
regelnummer te kiezen.
•
Als alle beschikbare rijen niet tegelijkertijd
op het display kunnen worden getoond,
kunt u door ‘Omlaag’ te zeggen omlaagbladeren in de lijst (en door ‘Omhoog’ te
zeggen kunt u omhoogbladeren in de
lijst).
Telefoon bel vanuit oproepregister
Voicemail bellen
Beantwoord de vervolgvragen die het systeem stelt.
De onderstaande dialoog biedt u de mogelijk
uw voicemail te beluisteren om te controleren
of u berichten hebt ontvangen. Het telefoon-
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Gebruiker start de dialoog door het
zeggen van:
Telefoon > bel contact
Bellen vanuit oproepregister
06
nummer voor de voicemail moet geregistreerd zijn in het Bluetooth®-handsfreesysteem, zie pagina 294.
06 Infotainment
TV - instelling*
Algemeen
N.B.
Dit systeem ondersteunt alleen tv-signalen
in die landen die in mpeg2- of mpeg4-formaat uitzenden volgens de DVB-T-standaard. Het systeem biedt geen ondersteuning voor analoge tv-signalen.
N.B.
Tv-weergave is uitsluitend mogelijk wanneer de auto stilstaat. Wanneer de auto
sneller rijdt dan ca. 6 km/h, verschijnt er
geen beeld en staat Geen visuele media
tijdens het rijden op het beeldscherm.
Het geluid wordt echter wel weergegeven.
Het beeld komt terug wanneer de auto tot
stilstand is gekomen.
BELANGRIJK
Voor het gebruik van dit product is mogelijk kijk- en luistergeld verschuldigd.
Menufuncties
U regelt de menufuncties van MEDIA vanaf
de middenconsole of via de toetsenset* op
het stuurwiel. Voor algemene informatie over
menufuncties en menusystemen, zie
pagina 263 en het menu-overzicht, zie
pagina 266.
Overzicht
Uw keuze bevestigen of het menu openen door te drukken op OK/MENU.
In kanaallijsten of menu’s navigeren door
te draaien aan TUNE.
EXIT – Omhoog in het menusysteem,
annuleert de actuele functie.
Het volgende beschikbare kanaal is te
/
.
bekijken door te drukken op
N.B.
Als de auto is uitgerust met een toetsenset* op het stuurwiel en/of een afstandsbediening*, kunt u deze meestal gebruiken in
plaats van de toetsen op de middenconsole. Voor een beschrijving van de toetsenset op het stuurwiel, zie zie pagina 261.
Voor een beschrijving van de afstandsbediening, zie pagina 307.
N.B.
De ontvangst hangt niet alleen af van de
signaalsterkte maar ook van de signaalkwaliteit. Er kunnen storingen optreden
wanneer de zendersignalen bijvoorbeeld
gehinderd worden door hoge gebouwen of
van zeer grote afstand komen. De dekkingsgraad kan eveneens variëren afhankelijk van waar u zich bevindt.
geactiveerd. Als er een bron is geacti฀
veerd, verschijnt er bij het indrukken
MEDIA een snelmenu met de meest
gebruikelijke menu-opties.
06
Bedieningspaneel op middenconsole.
Sneltoetsen, invoeren van cijfers.
Knop MEDIA. De laatst geactiveerde
bron (bijvoorbeeld iPod® of tv) wordt
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
303
06 Infotainment
TV - instelling*
Tv kijken
–
Druk op MEDIA, draai aan TUNE tot TV
in het display verschijnt en druk op OK/
MENU.
> Er wordt een zoekfunctie gestart en
kort daarna verschijnt het laatst bekeken kanaal.
Van kanaal veranderen
U kunt als volgt van kanaal veranderen:
•
06
•
•
Draai aan TUNE, waarna een lijst verschijnt met alle beschikbare kanalen in
het gebied. Als een van deze kanalen al
eerder werd opgeslagen als voorkeur,
verschijnt rechts van de kanaalnaam het
sneltoetsnummer. Draai aan TUNE totdat
u het gewenste kanaal bereikt en druk op
OK/MENU.
Door te drukken op de sneltoetsen (0–9).
Door kort op de toetsen
/
te
drukken, waarna het eerstvolgende
beschikbare kanaal in het gebied verschijnt.
N.B.
Als u van locatie verandert binnen het land
en bijvoorbeeld naar een andere stad rijdt,
zijn de voorkeurskanalen niet per definitie
beschikbaar omdat het frequentiegebied
mogelijk gewijzigd is. Start in dat geval een
nieuwe zoekopdracht om een nieuwe
voorkeurslijst op te slaan, zie de functie
“Beschikbare tv-kanalen opslaan als voorkeurskanalen”, pagina 305.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
4. Draai aan TUNE totdat u Andere landen
bereikt of een van de eerder gekozen landen. Druk op OK/MENU.
> Er verschijnt een lijst met al de
beschikbare landen.
1. Druk in stand TV op OK/MENU.
5. Draai aan TUNE totdat u het land van uw
keuze (bijvoorbeeld Zweden) bereikt en
druk op OK/MENU.
> Er wordt automatisch gezocht naar de
beschikbare tv-kanalen. Deze zoekopdracht duurt even. Tijdens het zoeken
wordt het beeld weergegeven van alle
gevonden en als voorkeur vastgelegde
kanalen. Er verschijnt een melding
wanneer de zoekopdracht afgerond is
en het beeld verschijnt dat bij het
gekozen kanaal hoort. Daarmee is een
voorkeurslijst (max. 30 voorkeuren)
aangemaakt en beschikbaar. Om van
kanaal te veranderen, zie pagina 304.
2. Draai aan TUNE totdat u TV-menu
bereikt en druk op OK/MENU.
Het zoeken en vastleggen van voorkeuren
kan worden geannuleerd met EXIT.
N.B.
Als na bediening van de sneltoetsen geen
beeld verschijnt, kan dat komen doordat
de auto zich mogelijk niet meer bevindt in
het land waar naar tv-zenders werd
gezocht (u bent bijvoorbeeld van Duitsland
naar Frankrijk gereden). U moet dan
mogelijk een ander land selecteren en
opnieuw naar kanalen zoeken starten.
Tv-kanalen zoeken/Voorkeurslijst
3. Draai aan TUNE totdat u Land kiezen
bereikt en druk op OK/MENU.
304
> Als er eerder een of meer landen werden geselecteerd, dan verschijnen
deze in een lijst.
06 Infotainment
TV - instelling*
Voorkeur kijker
De voorkeurslijst is te bewerken. U kunt de
volgorde van de kanalen in de voorkeurslijst
wijzigen. Een tv-kanaal kan op meerdere
plaatsen in de voorkeurslijst voorkomen. De
onderlinge positie van de tv-kanalen in de lijst
kan bovendien variëren.
Om de volgorde binnen de lijst met voorkeuren te wijzigen dient u in stand TV te gaan
naar TV-menu Presets sorteren.
1. Draai aan TUNE totdat u het te verplaatsen kanaal in de lijst bereikt en bevestig
uw keuze met OK/MENU.
> Het gekozen kanaal staat gemarkeerd.
2. Draai aan TUNE totdat u de nieuwe positie binnen de lijst bereikt en bevestig uw
keuze met OK/MENU.
> De kanalen wisselen vervolgens van
plaats.
Na de voorkeurskanalen (max. 30 stuks) volgen al de resterende kanalen in het gebied.
Het is mogelijk een van deze kanalen in de
lijst met voorkeuren te zetten.
Beschikbare tv-kanalen opslaan als
voorkeurskanalen
Als de auto van locatie is veranderd binnen
het land en bijvoorbeeld naar een andere stad
is gereden, zijn de voorkeurskanalen niet per
definitie beschikbaar omdat het frequentiegebied mogelijk gewijzigd is. Start in dat geval
een nieuwe zoekopdracht om een nieuwe
voorkeurslijst op te slaan.
waarna het laatst bekeken kanaal opnieuw
wordt weergegeven. De zoekfunctie is niet
van invloed op de voorkeurslijst.
1. Druk in stand TV op OK/MENU.
Activeer de scanfunctie in stand TV onder
TV-menu Scan.
2. Draai aan TUNE totdat u TV-menu
bereikt en druk op OK/MENU.
Teletekst
3. Draai aan TUNE totdat u Autostore
bereikt en druk op OK/MENU.
> Er wordt automatisch gezocht naar de
beschikbare tv-kanalen. Deze zoekopdracht duurt even. Tijdens het zoeken
wordt het beeld weergegeven van alle
gevonden en als voorkeur vastgelegde
kanalen. Er verschijnt een melding
wanneer de zoekopdracht afgerond is
en het beeld verschijnt dat bij het
gekozen kanaal hoort. Daarmee is een
voorkeurslijst (max. 30 voorkeuren)
aangemaakt en beschikbaar. Om van
kanaal te veranderen, zie pagina 304.
Tv-kanalen scannen
Deze functie doorzoekt het actuele frequentiebereik automatisch op alle beschikbare
kanalen in het gebied waar u zich bevindt.
Wanneer er een kanaal is gevonden, wordt
deze ca. 10 seconden lang weergegeven
voordat de zoekfunctie wordt voortgezet. U
kunt de zoekfunctie stopzetten met EXIT,
U kunt als volgt teletekst bekijken:
1. Druk op de toets
diening.
op de afstandsbe-
2. Typ het paginanummer (3 cijfers) in met
de cijfertoetsen (0–9) om een pagina te
kiezen.
> De pagina verschijnt automatisch.
Voer een ander paginanummer in of druk op
/
op de afstandsbediening
de toetsen
om van pagina te veranderen.
06
Keer terug naar het tv-beeld met EXIT of
bedien de toets
op de afstandsbediening.
Teletekst is ook te bedienen met de
gekleurde knoppen op de afstandsbediening.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
305
06 Infotainment
TV - instelling*
Informatie over actueel programma
Druk op de toets INFO om informatie te bekijken over het actuele programma, het volgende programma alsmede het starttijdstip.
Wanneer u nogmaals op de toets INFO drukt,
valt soms meer informatie over het actuele
programma te bekijken (zoals de tijd dat het
begint en eindigt) alsmede een korte beschrijving van het actuele programma te lezen.
Voor meer informatie over de toets INFO, zie
pagina 261.
Om terug te keren naar het tv-beeld dient u
enkele seconden te wachten of te drukken op
EXIT.
Beeldinstellingen
06
Het is mogelijk de instellingen voor helderheid
en contrast te wijzigen. Voor meer informatie,
zie pagina 283.
Wegvallende signalen
Als de signalen van het bekeken tv-kanaal
wegvalt, bevriest het beeld. Kort daarna verschijnt een melding die aangeeft dat de signalen van het actuele tv-kanaal zijn weggevallen en dat er opnieuw naar het kanaal wordt
gezocht. Wanneer er opnieuw signalen binnenkomen, wordt het tv-kanaal meteen weergegeven. Wanneer de melding verschijnt,
kunt u uiteraard ook van kanaal veranderen.
306
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Als de melding Geen ontvangst, zoeken
verschijnt, heeft het systeem geregistreerd
dat de signalen voor alle tv-kanalen zijn weggevallen. U bent mogelijk een landsgrens
gepasseerd zonder de landinstelling van het
systeem aan te passen. Stel in dat geval het
juiste land in zoals aangegeven onder ‘Tvkanalen zoeken/Voorkeurslijst’, zie
pagina 304.
06 Infotainment
Afstandsbediening*
Algemeen
De afstandsbediening is te gebruiken voor
alle functies van het infotainmentsysteem. De
toetsen op de afstandsbediening hebben
dezelfde functies als de overeenkomstige
toetsen op de middenconsole of de toetsenset* op het stuurwiel.
Druk bij gebruik van de afstandsbediening de
op de afstandsbediening in stand
knop
F. Richt de afstandsbediening vervolgens op
de IR-ontvanger, die rechts van de knop
INFO (zie pagina 261) op de middenconsole
zit.
WAARSCHUWING
Bewaar losse voorwerpen, zoals een
mobiele telefoon, camera, afstandsbediening voor extra uitrusting e.d., in het dashboardkastje of andere opbergruimten. Bij
krachtig afremmen of een botsing kunnen
deze anders inzittenden verwonden.
N.B.
Leg de afstandsbediening niet in de felle
zon (zoals op het dashboard) – dan kunnen
er problemen met de batterijen ontstaan.
Functies
Toets
Functie
F = Display voorin
Overschakelen op navigatie*
Overschakelen op radiobron
(AM, FM1 etc.)
Overschakelen op mediabron
(Disk, TV* etc.)
Overschakelen op Bluetooth®handsfree*
Achteruitbladeren/-spoelen, van
track/nummer wisselen
Afspelen/Pauzeren
06
Stoppen
Vooruitbladeren/-spoelen, van
track/nummer wisselen
Menu
Teruggaan, functie beëindigen,
ingevoerde tekens wissen
Komt overeen met TUNE op de middenconsole.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
307
06 Infotainment
Afstandsbediening*
Toets
Functie
Omhoog/omlaag
Batterijen in afstandsbediening
vervangen
N.B.
Naar rechts/links
Keuze bevestigen of menusysteem voor gekozen bron openen
Volume verlagen
Volume verhogen
0–9
De batterijen gaan normaal 1–4 jaar mee,
afhankelijk van het gebruik van de
afstandsbediening.
De afstandsbediening werkt op vier batterijen
van het type AA/LR6.
Neem bij lange ritten extra batterijen mee.
Voorkeurskanalen kiezen, cijfers/letters invoeren
Sneltoets voor ingestelde favorieten
06
Informatie over actueel programma, nummer etc. Tevens te
gebruiken als er meer informatie
beschikbaar is dan op het display kan worden weergegeven
Taal geluidstrack kiezen
Ondertiteling, ondertitelingstaal
kiezen
Teletekst*, aan/uit
308
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
1. Duw de vergrendeling van het dekseltje
op het batterijvakje in en duw het deksel
in de richting van het IR-oog.
2. Verwijder de lege batterijen en leg de
nieuwe batterijen op de aangegeven
manier in het batterijvakje.
3. Plaats het dekseltjes terug.
N.B.
Lege batterijen moet u op een milieuvriendelijke manier inzamelen.
06 Infotainment
06
309
Rijadviezen............................................................................................
Tanken..................................................................................................
Brandstof..............................................................................................
Lading vervoeren..................................................................................
Bagageruimte........................................................................................
Rijden met een aanhanger....................................................................
Slepen en bergen..................................................................................
310
312
315
317
321
325
327
334
TIJDENS HET RIJDEN
07 Tijdens het rijden
Rijadviezen
Algemeen
Zuinig rijden
Zuinig rijden houdt in dat u anticiperend en
rustig rijdt, en uw rijstijl en snelheid afstemt
op de verkeerssituatie.
•
•
•
07
Neem geen spullen in de auto mee die u
niet gebruikt – hoe groter de belading,
des te hoger het brandstofverbruik.
•
Rem af op de motor, wanneer dat zonder
gevaar voor medeweggebruikers mogelijk
is.
•
Lading op het dak en een skibox resulteren in een grotere luchtweerstand waardoor het brandstofverbruik toeneemt –
verwijder lastdragers die u niet gebruikt.
•
Laat de motor niet stationair warmdraaien, maar belast de motor in plaats
daarvan zo snel mogelijk licht – een
koude motor verbruikt meer brandstof
dan een warme.
312
Bij auto’s met een handgeschakelde versnellingsbak geldt in normale omstandig-
BELANGRIJK
Als er water in het luchtfilter komt, kan er
motorschade ontstaan.
WAARSCHUWING
Bij een diepte groter dan 30 cm kan er
water in de transmissie komen. Het smerende vermogen van de oliën neemt dan
af, waardoor de levensduur van deze systemen korter wordt.
Zet de motor nooit af tijdens het rijden
(zoals op een aflopende helling), omdat
daarbij belangrijke systemen zoals de
stuur- en rembekrachtiging wegvallen.
Rijd niet met open zijruiten.
Vermijd onnodig snel optrekken en krachtig remmen.
sche storingen zijn anders niet uitgesloten.
Zie pagina 11 en 408 voor meer informatie en
meer tips.
Rijd in de hoogst mogelijke versnelling,
afhankelijk van de verkeerssituatie en de
weggesteldheid – lagere toeren leveren
een lager brandstofverbruik op.
•
•
heden op een vlakke ondergrond de 2e
versnelling als wegrijversnelling.
Bij een motorstop in water moet u niet proberen opnieuw te starten. Laat de auto uit
het water naar de werkplaats slepen geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats. Kans op motorschade.
Doorwaaddiepte
U kunt met de auto door waterpartijen van
maximaal 30 cm diep rijden met een maximumsnelheid van 10 km/h. Wees extra voorzichtig bij het doorwaden van stromend
water.
Motor, versnellingsbak en koelsysteem
Houd een lage snelheid aan tijdens het
waden en breng de auto niet in het water tot
stilstand. Trap na het passeren van de waterpartij lichtjes op het rempedaal om te controleren of de remwerking in orde is. Bij water en
vuil op de remblokken kunnen er vertragingen
in de remwerking optreden.
In bepaalde omstandigheden, bij zware
belasting op steile hellingen en warm weer,
bestaat het gevaar dat de motor en de aandrijflijn oververhit raken – vooral bij het vervoer van een zware lading.
•
•
Verwijder verstralers die voor de grille zitten tijdens ritten bij warm weer.
•
Als de temperatuur in het koelsysteem
van de motor te hoog oploopt, gaat een
waarschuwingssymbool branden en ver-
•
Maak de aansluitingen voor de elektrische motorverwarming en de aanhangerkoppeling schoon na ritten in water en
modder.
Laat de auto niet langdurig in water staan
dat tot boven de dorpelbalken – elektri-
Voor informatie over oververhitting bij het
gebruik van een aanhanger, zie pagina 328.
07 Tijdens het rijden
Rijadviezen
schijnt op het informatiedisplay van het
instrumentenpaneel de melding
Motortemp. hoog Stop auto z.s.m. –
breng de auto in dat geval zo spoedig
mogelijk tot stilstand en laat de motor
enkele minuten stationair lopen zodat
deze kan afkoelen.
•
•
N.B.
Het is normaal dat de koelventilator van de
motor een tijdje werkt nadat de motor is
uitgeschakeld.
Geopende achterklep
Als de tekstmelding Motortemp. hoog
Zet motor af of Koelvl.peil laag Zet
motor af verschijnt, dient u nadat de
auto tot stilstand is gekomen ook de
motor af te zetten.
Bij oververhitting van de versnellingsbak
wordt een ingebouwde beveiliging geactiveerd, wat wordt aangegeven met een
waarschuwingssymbool op het instrumentenpaneel en de tekstmelding
Versn.bak heet Rijd langzamer of
Versn.bak heet Stop auto z.s.m. – volg
het gegeven advies op en verlaag de
snelheid of breng de auto op een veilige
manier tot stilstand en laat enkele minuten stationair draaien om deze te laten
afkoelen.
•
Bij oververhitting kan de airconditioning
zichzelf tijdelijk uitschakelen.
•
Na een zware rit moet u de motor niet
meteen afzetten, maar nog enige tijd stationair laten lopen.
WAARSCHUWING
Rijd niet met een geopende achterklep. Via
de bagageruimte kunnen er giftige uitlaatgassen in de auto worden gezogen.
Als de spanning van de startaccu laag is, verschijnt op het informatiedisplay van het
instrumentenpaneel de tekst Accuspann.
laag Spaarstand. De energiebesparingsfunctie schakelt vervolgens bepaalde onderdelen/systemen uit of verlaagt de belasting
van de accu door bijvoorbeeld de interieurventilator lager te zetten en/of het audiosysteem uit te schakelen.
–
Accu niet overmatig belasten
De elektrische functies van de auto belasten
de startaccu in verschillende mate. Laat het
contactslot niet te lang achtereen in sleutelstand II staan, wanneer u de motor hebt afgezet. Maak in plaats daarvan gebruik van de
stand I – het stroomverbruik is dan minder.
Laad de startaccu dan op door de motor
te starten en deze minstens 15 minuten
lang te laten lopen – de accu wordt beter
opgeladen tijdens het rijden dan bij stilstand met een stationair lopende motor.
Voorbereidingen bij lange reizen
•
Controleer of de motor naar behoren
functioneert en of het brandstofverbruik in
orde is.
•
Let er tevens op dat de verschillende accessoires het elektrisch systeem belasten. Schakel onderdelen/systemen die veel stroom
nemen uit, wanneer u de motor hebt afgezet.
Voorbeelden van dergelijke onderdelen/systemen zijn:
Zorg dat er geen sprake is van lekkage
(brandstof, olie of andere vloeistoffen).
•
Controleer alle lampen en de profieldiepte
van de banden.
•
In sommige landen bent u wettelijk verplicht een gevarendriehoek mee te
nemen.
•
•
•
•
Rijden tijdens de winter
interieurventilator
koplampen
ruitenwisser
07
Let voor aanvang van de winter in het bijzonder op het volgende:
audiosysteem (hoog volume).
313
07 Tijdens het rijden
Rijadviezen
•
De koelvloeistof van de motor moet ten
minste 50 % glycol bevatten. Bij een dergelijke concentratie is de motor
beschermd tegen stukvriezen tot
ca. –35 °C. Voor optimale bescherming
tegen vorst is het zaak geen verschillende
soorten glycol met elkaar te mengen.
•
Houd de tank altijd goed gevuld om condens in de brandstoftank tegen te gaan.
•
De viscositeit van de motorolie is belangrijk. Wanneer u oliesoorten met een
lagere viscositeit (dunnere oliën) gebruikt,
slaat de motor bij koud weer gemakkelijker aan en neemt bovendien het brandstofverbruik tijdens de koude start af.
Voor meer informatie over geschikte oliesoorten (zie pagina 403).
BELANGRIJK
Gebruik geen olie met een lage viscositeitsaanduiding bij zware rijomstandigheden of warm weer.
07
314
•
Controleer de algehele conditie en de
ladingstoestand van de accu. De accu
wordt zwaarder belast bij koud weer en
ook de accucapaciteit neemt af bij vorst.
•
Giet sproeiervloeistof in het sproeiervloeistofreservoir om ijsvorming te voorkomen.
Voor optimale grip bij gevaar voor sneeuw of
ijs adviseert Volvo u om de auto rondom van
winterbanden te voorzien.
N.B.
In sommige landen is het gebruik van winterbanden verplicht. Banden met spikes
zijn niet in alle landen toegestaan.
Nieuwe auto’s en gladde wegen
Oefen onder gecontroleerde omstandigheden
om te testen hoe de auto bij gladheid reageert.
07 Tijdens het rijden
Tanken
Tanken
Tankvulklep handmatig openen
De brandstoftank is voorzien van een doploos
brandstofvulsysteem.
Tankvulklep openen/sluiten
Open de tankvulklep door de achterkant
van de klep wat in te drukken.
Trek de klep open.
Sluit de klep na het tanken.
Voor vergrendeling/ontgrendeling van de
tankvulklep, zie pagina 61. De vergrendellogica van de tankvulklep is bovendien ondergeschikt aan keyless-drive en eventuele vergrendeling of ontgrendeling via de centrale
vergrendeling.
Brandstof tanken
De tankvulklep kan met de hand worden
geopend als van buitenaf openen niet mogelijk is.
Open/verwijder het zijluikje in de bagageruimte (aan de kant van de tankvulklep).
•
Steek het mondstuk van het vulpistool in
de brandstofvulopening. Let erop dat u
het mondstuk van het vulpistool op de
juiste wijze in de vulbuis steekt. De vulbuis bevat twee afdekkingen die te openen zijn. Zorg dat u het mondstuk van het
vulpistool door de beide afdekkingen
hebt gestoken, voordat u begint met tanken.
•
Giet de tank niet te vol door het vulpistool
na de eerste afslag uit de vulopening te
halen.
Trek de lijn voorzichtig recht naar achteren. De klep kan nu van buitenaf worden geopend.
BELANGRIJK
Trek voorzichtig aan de lus – er is slechts
weinig kracht nodig om de klep te ontgrendelen.
07
315
07 Tijdens het rijden
Tanken
N.B.
Een overvolle tank kan bij warm weer overstromen.
N.B.
Voorkom morsen door na het tanken ca.
5–8 seconden te wachten en daarna het
vulpistool voorzichtig te verwijderen.
Bijvullen met jerrycan
Gebruik bij het bijvullen met een jerrycan de
trechter die onder het vloerluik in de bagageruimte ligt. Let erop dat u de trechter op de
juiste wijze in de vulbuis steekt. De vulbuis
bevat twee afdekkingen die te openen zijn.
Zorg dat u de trechter door de beide afdekkingen hebt gestoken, voordat u begint met
bijvullen.
07
316
07 Tijdens het rijden
Brandstof
Algemene informatie over brandstof
Gebruik geen brandstof met een slechtere
kwaliteit dan Volvo adviseert, omdat dit een
nadelige invloed kan hebben op het motorvermogen en het brandstofverbruik.
WAARSCHUWING
Zorg er altijd voor dat u geen brandstofdampen inademt of brandstofspatten in de
ogen krijgt.
Bij brandstof in de ogen eventuele contactlenzen uitnemen en de ogen ten minste
15 minuten lang spoelen met een ruime
hoeveelheid schoon water en medische
hulp inroepen.
Brandstof nooit inslikken. Brandstoffen
zoals benzine en dieselolie zijn uitermate
giftig en kunnen bij inwendig gebruik aanleiding geven tot blijvend letsel met mogelijk dodelijke afloop. Roep onmiddellijk
medische hulp in bij het inslikken van
brandstof.
WAARSCHUWING
Op de grond gemorste brandstof kan vlam
vatten.
Schakel de verwarming op brandstof uit
voordat u gaat tanken.
Heb nooit een ingeschakelde mobiele telefoon bij u als u staat te tanken. Door het
belsignaal kan er vonkvorming ontstaan
waardoor de benzinedampen ontsteken en
dat kan tot brand en letsel leiden.
BELANGRIJK
Door mengsels van verschillende soorten
brandstoffen of het gebruik van niet aanbevolen brandstof vervallen de garanties
van Volvo en evt. aanvullende serviceovereenkomsten. Dit geldt voor alle motoren.
N.B.
Bij extreme weersomstandigheden, rijden
met een aanhanger/caravan of ritten op
grote hoogte kan, afhankelijk van de
gebruikte brandstofkwaliteit, het prestatievermogen van de auto te wensen overlaten.
in het uitlaatsysteem gemonteerd om snel op
temperatuur te komen.
De katalysatoren bestaan uit een monoliet
(keramiek of metaal) met kanalen. De wanden
van de kanalen zijn bekleed met platina/
rodium/palladium. Deze edelmetalen hebben
een katalytische werking, d.w.z. ze versnellen
een chemische reactie zonder dat ze daar zelf
actief aan deelnemen.
LambdasondeTM (zuurstofsensor)
De lambdasonde maakt deel uit van het
regelsysteem dat tot taak heeft de uitstoot te
beperken en de energie-inhoud van de
brandstof beter te benutten.
Een zuurstofsensor registreert het zuurstofgehalte van de uitlaatgassen die de motor verlaten. De meetwaarde van de uitlaatgasanalyse
wordt doorgegeven aan het elektronische
systeem dat continu de verstuivers afregelt.
Het lucht-brandstofmengsel dat de motor
krijgt, wordt continu bijgesteld. De regeling
schept de ideale omstandigheden voor een
effectieve verbranding van de schadelijke
stoffen (koolwaterstoffen, koolmonoxide en
stikstofoxiden) in de driewegkatalysator.
07
Katalysatoren
De katalysatoren hebben tot taak de uitlaatgassen te reinigen. Ze zijn dicht bij de motor
317
07 Tijdens het rijden
Brandstof
Benzine
Dieselolie
Benzine dient te voldoen aan de norm NENEN 228. De meeste motoren kunnen op benzine met een octaangetal van 95 en 98 RON
lopen. 91 RON mag alleen in uitzonderlijke
gevallen worden gebruikt.
Maak alleen gebruik van dieselolie van gerenommeerde oliemaatschappijen. Giet nooit
dieselolie van twijfelachtige kwaliteit in de
tank. Diesel moet voldoen aan de norm
EN 590 of JIS K2204. Dieselmotoren zijn
gevoelig voor verontreiniging in de brandstof,
zoals een te grote hoeveelheid zwaveldeeltjes.
•
95 RON is te gebruiken in normale rijomstandigheden.
•
98 RON wordt geadviseerd voor een
maximaal rendement tegen een minimaal
brandstofverbruik.
Voor ritten bij temperaturen hoger dan +38 °C
wordt u geadviseerd een brandstofsoort met
een zo hoog mogelijk octaangetal te gebruiken. Dit om optimale prestaties en een zo
laag mogelijk brandstofverbruik te verkrijgen.
BELANGRIJK
07
1
318
•
Gebruik alleen loodvrije benzine om
schade aan de katalysator tegen te
gaan.
•
Gebruik geen toevoegingen die niet
door Volvo zijn aanbevolen.
Bij lage temperaturen (–6 °C tot –40 °C) kan
de paraffine in de dieselolie uitvlokken. Dit
kan tot startproblemen leiden. De grote oliemaatschappijen produceren speciale dieselolie bestemd voor gebruik bij buitentemperaturen rond het vriespunt. Deze dieselolie is
dunner bij lage temperaturen en beperkt de
kans op vlokvorming in het brandstofsysteem.
De kans op condensatie in de brandstoftank
neemt af, als u de tank altijd goed gevuld
houdt. Houd tijdens het tanken het gebied
rond de vulbuis goed schoon. Voorkom morsen op gelakte oppervlakken. Maak als u
gemorst hebt het gebied met water en zeep
schoon.
Dieselolie kan een bepaalde hoeveelheid FAME bevatten. Het is niet toegestaan meer toe te voegen.
BELANGRIJK
Er mag uitsluitend brandstof, die aan de
Europese dieselstandaard voldoet, worden
gebruikt.
Het zwavelgehalte mag maximaal 50 ppm
zijn.
BELANGRIJK
Maak geen gebruik van de volgende dieselolie-achtige brandstoffen:
•
•
•
•
speciale toevoegingen (dopes)
scheepsolie
stookolie
FAME1 (Fatty Acid Methyl Ester) of
plantaardige olie.
Dergelijke brandstoffen voldoen niet aan
de kwaliteitseisen die Volvo stelt en geven
aanleiding tot verhoogde vormen van slijtage en motorschade die niet worden
gedekt door de garanties van Volvo.
Wanneer u de tank leegrijdt
Op grond van zijn constructie moet het
brandstofsysteem mogelijk eerst ontlucht
worden om een dieselmotor na bijtanken
opnieuw te kunnen starten.
07 Tijdens het rijden
Brandstof
Na motoruitval door brandstofgebrek heeft
het brandstofsysteem enige tijd nodig om een
controle uit te voeren. Doe in dat geval (ná
bijtanken met dieselolie) het volgende, voordat u de motor start:
1. Plaats de transpondersleutel in het contactslot en duw deze tot aan de aanslag
naar binnen (zie pagina 81).
2. Druk op de knop START zonder remen/of koppelingspedaal te bedienen.
3. Wacht ca. 1 minuut.
4. Om de motor te starten: Bedien remen/of koppelingspedaal en druk nogmaals
op de knop START.
N.B.
Alvorens brandstof te tanken bij een leeggereden tank:
•
Breng de auto tot stilstand op een zo
egaal/horizontaal mogelijke ondergrond – als de auto overhelt, bestaat
er gevaar voor luchtbellen in de brandstoftoevoer.
Condenswater uit brandstoffilter
aftappen
Het brandstoffilter ontdoet de brandstof van
condenswater. Condenswater kan anders
aanleiding geven tot motorstoringen.
Houd u voor het aftappen van het condenswater aan de specificaties die in uw Serviceen garantieboekje staan aangegeven. Ook
wanneer u vermoedt dat er verontreinigde
brandstof is gebruikt, moet u het brandstoffilter aftappen.
BELANGRIJK
Bepaalde speciale toevoegingen verwijderen de waterafscheiding in het brandstoffilter.
Roetfilter dieselmotor (DPF)
Dieselmodellen zijn uitgerust met een roetfilter, waardoor een nog effectievere uitlaatgasreiniging mogelijk is. Onder normale rijomstandigheden blijven de roetdeeltjes uit de
uitlaatgassen in het filter achter. Om de roetdeeltjes te verbranden en het filter te legen
wordt een zogeheten regeneratie gestart.
Daarvoor moet de motor de normale bedrijfstemperatuur hebben.
De regeneratie van het filter gaat automatisch
en duurt normaal gesproken 10-20 minuten.
Bij een lage gemiddelde snelheid kan dit iets
langer duren. Gedurende de regeneratie kan
het brandstofverbruik iets stijgen.
Regeneratie bij koud weer
Als u bij koud weer vaak korte afstanden rijdt,
komt de motor onvoldoende op temperatuur.
Dit betekent dat het roetfilter niet geregenereerd en niet geleegd wordt.
Wanneer het filter voor ca. 80 % met roetdeeltjes gevuld is, verschijnt een oranje waarschuwingsdriehoek op het instrumentenpaneel en staat de melding Roetfilter vol Zie
instructieb. op het informatiedisplay.
U start de regeneratie van het filter door met
de auto op een secundaire weg of op een
snelweg te rijden totdat de motor voldoende
op temperatuur is gekomen. Daarna rijdt u
nog 20 minuten verder.
N.B.
Tijdens de regeneratie is het volgende
mogelijk:
•
een tijdelijke en geringe beperking van
het motorvermogen,
•
een tijdelijke verhoging van het brandstofverbruik,
•
een brandgeur.
Wanneer het filter geregenereerd is, verdwijnt
de waarschuwingsmelding automatisch.
07
Wanneer u bij koud weer de standverwarming* inschakelt, bereikt de motor sneller de
normale bedrijfstemperatuur.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
319
07 Tijdens het rijden
Brandstof
BELANGRIJK
Als het filter helemaal vol deeltjes zit, kan
het moeilijk zijn om de motor te starten en
het filter wordt onbruikbaar. De kans
bestaat dan dat het filter moet worden vervangen.
Brandstofverbruik en uitstoot van
kooldioxide
Het gebruik van extra accessoires kan de verbruikscijfers beïnvloeden, omdat de accessoires het gewicht van de auto verhogen. Zie de
informatie over gewichten op pagina 399 en
de tabel op pagina 408.
Ook de rijstijl en andere niet-technische factoren kunnen van invloed zijn op het brandstofverbruik.
Bij gebruik van brandstof met een octaangetal van 91 RON neemt het brandstofverbruik
toe, terwijl het motorvermogen lager wordt.
07
320
N.B.
Bij extreme weersomstandigheden,
gebruik van een aanhanger/caravan of ritten op grote hoogte kan, afhankelijk van
de gebruikte brandstofkwaliteit, het prestatievermogen van de auto te wensen
overlaten.
07 Tijdens het rijden
Lading vervoeren
Algemene informatie over vervoer van
lading
Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar gewicht van de auto. Het laadvermogen
dient te worden verminderd met de som van
het gewicht van eventuele inzittenden en dat
van gemonteerde accessoires. Voor gedetailleerde informatie over de gewichten, zie
pagina 399.
De achterklep is te openen met de
knop op het verlichtingspaneel of
met de transpondersleutel, zie
pagina 59.
WAARSCHUWING
Afhankelijk van het gewicht en de positie
van de lading verandert het rijgedrag van
de auto.
Aandachtspunten bij in-/uitladen
•
Plaats de bagage stevig tegen de rugleuning van de achterbank.
Let erop dat het WHIPS niet door voorwerpen
mag worden gehinderd, als een of meer van
de ruggedeelte van de achterbank zijn neergeklapt, zie pagina 26.
•
•
Plaats de last in het midden.
Breng zware voorwerpen zo laag mogelijk
aan. Plaats geen zware voorwerpen op
neergeklapte ruggedeelten.
•
Dek scherpe randen met iets zachts af
om de bekleding te beschermen.
•
Zet alle bagage met riemen of bevestigingsbanden aan de verankeringsogen
vast.
WAARSCHUWING
Een los voorwerp van 20 kg kan bij een
frontale botsing bij een snelheid van
50 km/h tijdens de beweging met een
gewicht van 1000 kg overeenkomen.
WAARSCHUWING
Zorg dat u de bagage altijd goed verankert. Bij krachtig remmen kan de bagage
namelijk gaan schuiven en inzittenden verwonden.
Dek scherpe randen en hoeken af met iets
zachts.
Zet de motor af en schakel de parkeerrem
in bij het in- en uitladen van lange voorwerpen. Lange voorwerpen kunnen namelijk tegen de versnellingspook of keuzehendel aan komen en zo per ongeluk een
versnelling inschakelen – de auto kan dan
in beweging komen.
Voorstoel
WAARSCHUWING
Anders bieden de opblaasgordijnen die
schuilgaan achter de plafondbekleding
mogelijk geen bescherming meer.
•
Zorg dat de lading nooit boven de ruggedeelten uitsteekt.
Voor het vervoer van extra lange lading kunt u
ook de rugleuning van de passagiersstoel
omklappen, zie pagina 83.
Lading op het dak
Lastdragers gebruiken
Om schade aan de auto te voorkomen en
voor maximale veiligheid tijdens het rijden,
wordt u geadviseerd de lastdragers te gebruiken die door Volvo ontwikkeld zijn.
07
Volg de montage-instructies die bij de lastdragers worden geleverd nauwkeurig op.
321
07 Tijdens het rijden
Lading vervoeren
•
Monteer lastdragers altijd op de voorziene aluminiumrail.
Ruggedeelte achterbank omklappen
•
Controleer regelmatig of de lastdragers
en de lading goed vastzitten. Zet de
lading stevig vast met sjorbanden.
•
Om het in- en uitladen van de bagageruimte
te vereenvoudigen kunt u de ruggedeelten
van de achterbank neerklappen, zie
pagina 86.
Verdeel het gewicht van de lading gelijkmatig over de lastdragers. Leg de zwaarste voorwerpen onderop.
Verankeringsogen
•
Naarmate u meer lading op het dak vervoert, vangt de auto meer wind en neemt
het brandstofverbruik toe.
•
Rijd rustig. Trek bij voorkeur niet te snel
op, rem niet te hard en maak niet te
scherpe bochten.
Houder voor boodschappentassen
Met de houders voor boodschappentassen
kunt u draagtassen vastzetten om te voorkomen dat ze omvallen en hun inhoud over de
vloer van de kofferbak verspreiden. De belasting van de houder is max. 3 kg.
WAARSCHUWING
Bij het vervoer van lading op het dak verschuift het zwaartepunt en treden er wijzigingen op in de rijeigenschappen van de
auto. Voor informatie over de maximale
dakbelasting, inclusief lastdragers en een
eventuele skibox, zie pagina 399.
07
Houder voor boodschappentassen
De verankeringsogen in de bagageruimte
gebruikt u om bagagebanden aan vast te zetten.
WAARSCHUWING
Harde, scherpe en/of zware voorwerpen
die liggen of uitsteken kunnen bij krachtig
afremmen letsel veroorzaken.
Zet grote en zware voorwerpen altijd met
de veiligheidsgordel of een spanband vast.
322
07 Tijdens het rijden
Lading vervoeren
12V-uitgang*
Opklapbare houder voor
boodschappentassen*
Opklapbare houder voor boodschappentassen
De opklapbare houder voor boodschappentassen in de vloer kan in drie standen worden
uitgeklapt. De houder heeft twee standen en
een zogeheten servicestand (recht omhoog).
De houder is verkrijgbaar met twee vloercombinatievarianten: een met afstelstanden in de
bak onder de vloer en een met afstelstanden
in kunststof rails. Bij het uitklappen zoals hieronder afgebeeld komt de afstelstand in de
bak onder de vloer aan het licht.
De middelste houder kan met max. 3 kg worden belast en de buitenste met max. 10 kg.
Til de bovenvloer op aan de handgreep*
en klap de vloer op.
Duw de vloer in een passende stand en
plaats deze in de verstelgroef.
3. In de servicestand wordt de vloer helemaal tegen de rugleuning van de achterbank in de kunststof steun in het midden
gezet.
Open het klepje om bij de elektrische aansluiting te komen.
•
Via de aansluiting is ook stroom af te
nemen, wanneer de transpondersleutel
niet in het contactslot steekt.
BELANGRIJK
Max. 10 A (120 W).
N.B.
07
Denk eraan dat als de elektrische aansluiting word gebruikt als de motor uit is, de
startaccu van de auto kan ontladen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
323
07 Tijdens het rijden
Lading vervoeren
N.B.
De compressor voor provisorische bandenreparatie is door Volvo getest en goedgekeurd. Voor informatie over het gebruik
van de aanbevolen provisorische bandenreparatie (TMK) van Volvo, zie pagina 350.
07
324
07 Tijdens het rijden
Bagageruimte
Bagagenet*
Aanbrengen
N.B.
U monteert het bagagenet het eenvoudigst
via het ene achterportier.
WAARSCHUWING
U dient te controleren of de bovenste
bevestigingen van het bagagenet goed
gemonteerd zijn en of de trekbanden goed
vastzitten. Een beschadigd net mag niet
worden gebruikt.
Het bagagenet wordt aan vier bevestigingspunten vastgezet.
Het bagagenet in de bagageruimte voorkomt
dat bagage bij krachtige remmanoeuvres de
passagiersruimte in wordt geslingerd. U moet
het bagagenet, uit voorzorg, altijd op de juiste
manier bevestigen en verankeren. Het net is
gemaakt van sterk nylon en wordt achter de
rugleuning van de voorstoelen vastgemaakt.
WAARSCHUWING
Lading in de bagageruimte moet goed
worden vastgezet, ook met een correct
gemonteerd bagagenet.
1. Vouw het bagagenet open en zorg dat de
gedeelde bovenste stang in uitgeklapte
stand geblokkeerd wordt.
2. Haak het ene uiteinde van de stang vast
aan de plafondbevestiging, met de sluiting van de spanbanden naar u toe.
3. Haak het andere uiteinde van de stang
vast aan de plafondbevestiging aan de
tegenoverliggende zijde – de bevestigingshaken met telescoopveren maken
het aanbrengen eenvoudiger. Let erop dat
u de bevestigingshaken van de stang in
de voorste eindstand van de beide plafondbevestigingen duwt.
4. Haak de spanbanden van het bagagenet
vast in de verankeringsogen achter op de
stoelrails – dit gaat eenvoudiger als u de
rugleuningen rechtop zet en de stoelen
iets verder naar voren zet.
Let erop dat u de stoel/rugleuning niet te
hard tegen het net duwt bij het terugduwen van de stoel – zorg dat de stoel/
rugleuning het net precies raakt.
BELANGRIJK
Als u de stoel/rugleuning hard naar achteren tegen het bagagenet drukt, kunnen
het net en/of zijn plafondbevestigingen
beschadigd raken.
07
5. Span het bagagenet aan met de spanbanden.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
325
07 Tijdens het rijden
Bagageruimte
Demonteren en opbergen
Pak tot slot de plafondbevestigingshaak
uit de plafondbevestiging.
Hoedenplank
4. Klap de stang in het midden dubbel en rol
het net op.
Doe het net in de opbergzak.
Het opgevouwen bagagenet wordt in de zak
in de bagageruimte bewaard.
Het bagagenet is eenvoudig te demonteren en in
te klappen.
Haal de spanning van het net door de
knop op de sluiting van de spanband in te
drukken en de spanband een stukje te
vieren.
Duw de borghaak in en neem de beide
haken van de spanband los.
07
326
Haak de stang los van de plafondbevestigingen door de stang achterwaarts te
trekken naar de achterste eindstand van
de bevestigingen en de stang naar een
willekeurige kant te drukken, zodat de
haak in de stang veert en tegelijkertijd de
haak aan de andere kant loskomt.
Voor extra laadruimte kunt u de hoedenplank
verwijderen.
Hoedenplank verwijderen
Maak de hefogen aan beide kanten van
de hoedenplank los.
Haak de voorkant van de hoedenplank
los en verwijder de hoedenplank.
07 Tijdens het rijden
Rijden met een aanhanger
Algemeen
Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar gewicht van de auto. Het laadvermogen
dient te worden verminderd met de som van
het gewicht van eventuele inzittenden en dat
van gemonteerde accessoires, zoals een
trekhaak. Voor gedetailleerde informatie over
de gewichten, zie pagina 399.
Wacht hiermee totdat de auto ten minste
1000 kilometer heeft gereden.
•
Richtingaanwijzers en remlichten op
aanhanger
Bij het afdalen op lange en steile hellingen
worden de remmen veel zwaarder belast
dan normaal. Schakel dan terug naar een
lagere versnelling en pas uw snelheid
aan.
•
Om veiligheidsredenen dient u de toelaatbare maximumsnelheid voor auto’s met
een aanhanger/caravan niet te overschrijden. Neem de geldende bepalingen in
acht ten aanzien van de toelaatbare snelheden en gewichten.
Als een van de richtingaanwijzers op de aanhanger defect is, knippert het richtingaanwijzersymbool op het instrumentenpaneel sneller dan normaal en op het informatiedisplay
verschijnt de tekst Lampfout - Knip- perl.
aanhanger.
Als de trekhaak door Volvo is gemonteerd,
wordt de auto compleet aangeleverd met de
benodigde randuitrusting voor het gebruik
van een aanhanger.
•
De trekhaak van de auto moet van een
goedgekeurd type zijn.
•
Bij montage achteraf moet u contact
opnemen met uw erkende Volvo-werkplaats om te controleren of uw auto van
de nodige uitrusting is voorzien om met
een aanhanger te kunnen rijden.
•
Verdeel de lading in de aanhanger dusdanig dat de druk op de trekhaak de maximale kogeldruk niet overschrijdt.
•
Verhoog de bandenspanning tot de aanbevolen druk bij maximale belading. Voor
de positie van de bandenspanningstabel,
zie pagina 348.
•
Bij het gebruik van een aanhanger wordt
de motor zwaarder belast dan normaal.
•
Rijd niet met een zware aanhanger, wanneer de auto nog helemaal nieuw is.
•
Houd een lage snelheid aan, wanneer u
met een aanhanger achter de auto een
lange en steile helling oprijdt.
•
Vermijd hellingen met een percentage van
meer dan 12 % bij het gebruik van een
aanhanger.
Trekhaakbedrading
Als de trekhaak van de auto een 13-polig
elektrisch contact heeft en de aanhanger een
7-polig contact, hebt u een adapter nodig.
Gebruik een door Volvo goedgekeurde adapterkabel. Zorg dat de kabel niet over de grond
sleept.
Als een van de remlichten op de aanhanger
defect is, dan verschijnt de tekst Lampfout Rem- licht aanhanger.
Niveauregeling*
Als uw auto is uitgerust met automatische
niveauregeling nemen de achterste schokdempers tijdens het rijden altijd dezelfde rijhoogte in ongeacht de belading (tenzij het
maximaal toelaatbare gewicht wordt overschreden). Wanneer de auto stilstaat, zakt de
achtertrein omlaag.
Aanhangergewichten
Voor informatie over de toelaatbare aanhangergewichten die Volvo hanteert, zie
pagina 400.
07
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
327
07 Tijdens het rijden
Rijden met een aanhanger
N.B.
De vermelde maximaal toegestane aanhangergewichten zijn door Volvo toegestaan. De toelaatbare maximumsnelheid
voor auto's met aanhanger is 100 km/h.
Het gewicht van de aanhanger en de snelheid kunnen verder worden beperkt door
nationale voorschriften voor voertuigen. De
trekhaken kunnen zijn gecertificeerd voor
hogere trekgewichten dan wat de auto
mag trekken.
WAARSCHUWING
Volg de vermelde aanbevelingen voor het
aanhangergewicht. Anders is het mogelijk
dat de hele combinatie bij uitwijkmanoeuvres en afremmen moeilijk onder controle
is te houden.
Dieselmotor 5-cil.
•
07
Wanneer u bij warm weer een aanhanger
sleept in heuvelachtig terrein, bestaat er
mogelijk gevaar voor oververhitting.
•
328
Laat de motor geen hogere toeren maken
dan 4500 omw/min (3500 omw/min bij
dieselmotoren) – anders kan de olietemperatuur te hoog oplopen.
Zie tevens de specifieke informatie over
langzaam rijden met een aanhanger voor
auto’s met een automatische versnellingsbak van het type Powershift op pagina
125.
Automatische versnellingsbak
Oververhitting
Wanneer u bij warm weer een aanhanger
sleept in heuvelachtig terrein, bestaat er
mogelijk gevaar voor oververhitting.
•
Een automatische versnellingsbak kiest
altijd de juiste versnelling voor het motortoerental.
•
Bij gevaar voor oververhitting gaat een
waarschuwingssymbool op het instrumentenpaneel branden en verschijnt er
een tekstmelding op het informatiedisplay
– volg het gegeven advies op.
Handgeschakelde versnellingsbak
Oververhitting
BELANGRIJK
Bij gevaar voor oververhitting dient u het
optimale motortoerental van 2300–3000
omw/min aan te houden voor optimale
koelvloeistofcirculatie.
Steile hellingen
•
Blokkeer een automatische versnellingsbak niet met een hogere versnelling dan
de motor ‘aankan’ – rijden in een hoge
versnelling bij een laag motortoerental is
niet altijd zuinig.
Op een helling parkeren
1. Trap het rempedaal in.
2. Activeer de parkeerrem.
3. Zet de keuzehendel in stand P.
4. Haal uw voet van het rempedaal.
•
Zet de keuzehendel in de parkeerstand P,
wanneer u een automaat met aanhanger
parkeert. Gebruik altijd de parkeerrem.
•
Gebruik wielblokken, als u een auto met
aanhanger op een steile helling parkeert.
Op een helling wegrijden
1. Trap het rempedaal in.
2. Zet de keuzehendel in de rijstand D.
3. Los de parkeerrem.
4. Haal uw voet van het rempedaal en rijd
weg.
07 Tijdens het rijden
Rijden met een aanhanger
Trekhaak
Als de auto is uitgerust met een afneembare
trekhaak, dienen de montagevoorschriften
voor het bevestigen van het afneembare
gedeelte zorgvuldig te worden opgevolgd, zie
pagina 330.
N.B.
Specificaties
Als er een koppeling met trillingsdemper
wordt gebruikt, mag de trekkogel niet worden gesmeerd.
Afneembare trekhaak opbergen
WAARSCHUWING
•
Volg de montage-instructies nauwkeurig op.
•
Zorg dat het afneembare gedeelte met
de sleutel vergrendeld is voordat u
begint te rijden.
•
Controleer of het controlevenster
groen van kleur is.
Belangrijke controlepunten
•
U moet de kogel van de trekhaak regelmatig schoonmaken en met vet insmeren.
WAARSCHUWING
De bewegende onderdelen van de
afneembare trekhaak mogen niet worden
gesmeerd/ingevet. Hierdoor kan het veiligheidsniveau namelijk afnemen.
G021485
Als de auto is uitgerust met de afneembare
trekhaak van Volvo:
Opbergmogelijkheid voor de afneembare trekhaak.
BELANGRIJK
Neem na gebruik altijd de afneembare
trekhaak los en berg deze op de daarvoor
bestemde plaats op.
07
329
07 Tijdens het rijden
Rijden met een aanhanger
G021488
Afneembare trekhaak bevestigen
07
330
887
B
73
C
881
D
441
E
109
F
306
G
Langsligger
H
Middelpunt kogel
Het controlevenster moet rood van kleur
zijn.
G021489
A
G021487
Afmetingen, bevestigingspunten
(mm)
Verwijder de afdekking door de pal in te
drukken
en de afdekking vervolgens
recht naar achteren te trekken
.
Controleer of het mechanisme in de ontgrendelde stand staat door de sleutel
rechtsom te draaien.
Breng het kogelsegment aan en duw het
naar binnen totdat u een klik hoort.
07 Tijdens het rijden
Het controlevenster moet groen van kleur
zijn.
Controleer of het kogelsegment vastzit
door het stevig omhoog, omlaag en naar
achteren te bewegen.
WAARSCHUWING
G000000
Als het kogelgedeelte niet goed zit, moet u
het verwijderen en opnieuw monteren
zoals eerder werd beschreven.
Draai de sleutel linksom naar de vergrendelde stand. Neem de sleutel uit het slot.
G021495
G021494
G021490
Rijden met een aanhanger
Veiligheidskabel.
WAARSCHUWING
Controleer of de veiligheidskabel van de
aanhanger in de juiste bevestiging vastzit.
Afneembare trekhaak verwijderen
BELANGRIJK
Vet alleen de kogel in waarop de aanhangerkoppeling wordt geplaatst; houd de
rest van het kogelsegment vetvrij en
droog.
07
Steek de sleutel in het slot en draai deze
rechtsom in de ontgrendelde stand.
331
07 Tijdens het rijden
Rijden met een aanhanger
WAARSCHUWING
Zet de afneembare trekhaak goed vast,
wanneer u deze in de auto bewaart, zie
pagina 329.
slingeren optreden. Doorgaans treedt het verschijnsel pas bij hoge snelheden op. Als de
aanhanger/caravan echter overmatig beladen
is of als het gewicht van de lading verkeerd
verdeeld is (bijvoorbeeld te ver naar achteren), bestaat er ook op lagere snelheden
van 70–90 km/h gevaar voor slingeren.
Slingeren begint altijd met een van de onderstaande factoren, zoals:
Druk de vergrendelingsknop
in en
draai deze linksom
totdat u een klik
hoort.
Duw de afdekking er zo ver op dat deze
vastklikt.
Trailer Stability Assist (TSA)*
07
Draai de vergrendelingsknop volledig
omlaag totdat deze niet verder kan. Houd
de knop in deze stand vast terwijl u het
kogelsegment schuin naar achteren toe
omhoogtrekt.
Het TSA-systeem (Trailer Stability Assist)
heeft tot taak de auto met een aanhanger/
caravan te stabiliseren wanneer de combinatie de neiging tot slingeren vertoont.
De TSA-regeling maakt deel uit van het
DSTC-systeem (Dynamic Stability and
Traction Control), zie pagina 144.
Functie
Bij alle combinaties van auto en aanhanger/
caravan kan het bekende verschijnsel met
332
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
•
De auto met aanhanger/caravan staat
bloot aan rukwinden.
•
De auto met aanhanger/caravan rijdt over
een oneffen wegdek of over hobbels.
•
Grote stuurbewegingen.
Bediening
Slingeren is vaak niet of nauwelijks te dempen, waardoor de combinatie moeilijk
bestuurbaar wordt en het gevaar bestaat op
de verkeerde weghelft of naast de weg te
belanden.
Het TSA-systeem houdt continu de bewegingen van de auto in de gaten en in het bijzonder de dwarsbewegingen. Als een neiging tot
slingeren geregistreerd wordt, worden de
voorwielen ieder afzonderlijk dusdanig afgeremd dat de combinatie gestabiliseerd wordt.
Vaak is dit voldoende om de auto weer onder
controle te krijgen.
07 Tijdens het rijden
Rijden met een aanhanger
Als de slingering ondanks de eerste ingreep
van het TSA-systeem niet wordt gedempt,
worden alle wielen van de combinatie afgeremd en wordt de aandrijfkracht van de motor
verlaagd. Wanneer de slingering vervolgens
stukje bij beetje verminderd is en de combinatie weer stabiel is, beëindigt het TSA-systeem de regeling waarna u de auto weer volledig onder controle hebt.
Overig
Het TSA-systeem kan ingrijpen bij snelheden
van 65–160 km/h.
N.B.
De TSA-functie wordt uitgeschakeld, als u
de Sport-stand kiest, zie pagina 144.
Het TSA-systeem grijpt mogelijk niet in als u
met grote stuurbewegingen de slingering zelf
tracht op te heffen, aangezien het TSA-systeem dan niet kan bepalen of de slingering
wordt veroorzaakt door de aanhanger/caravan of door uzelf.
07
Wanneer het TSA-systeem actief is,
knippert het DSTC-symbool op het
instrumentenpaneel.
333
07 Tijdens het rijden
Slepen en bergen
Slepen
WAARSCHUWING
Ga voordat u gaat slepen na wat de wettelijk
voorgeschreven maximumsnelheid voor slepen is.
1. Ontgrendel het stuurslot door de transpondersleutel in het contactslot te plaatsen en de knop START/STOP ENGINE
lang in te drukken. Sleutelstand II wordt
geactiveerd, zie pagina 81 voor meer
informatie over sleutelstanden.
2. Laat de transpondersleutel tijdens het
slepen in het contactslot zitten.
3. Houd, wanneer de slepende auto afremt,
de sleepkabel altijd strak door met uw
voet lichte druk op het rempedaal uit te
oefenen – zo voorkomt u schokken.
De rem- en stuurbekrachtiging werken niet
als de motor is uitgeschakeld. Er moet
ca. 5 keer zo hard op het rempedaal worden getrapt en de besturing gaat aanzienlijk zwaarder dan normaal.
Handgeschakelde versnellingsbak
Alvorens te slepen:
–
Automatische versnellingsbak
Geartronic
BELANGRIJK
Sleep de auto altijd zo dat de wielen in de
rijrichting draaien.
4. Sta klaar om te remmen om de auto tot
stilstand te brengen.
•
WAARSCHUWING
07
•
Controleer voordat u gaat slepen of
het stuurslot eraf is.
•
De transpondersleutel moet in sleutelstand II staan. In stand I zijn alle airbags gedeactiveerd.
•
334
Haal nooit de transpondersleutel uit
het contactslot als de auto wordt
gesleept.
Zet de versnellingspook in de neutrale
stand en los de parkeerrem.
Sleep auto's met een automatische
versnellingsbak niet met een hogere
snelheid dan 80 km/h en niet verder
dan 80 km. Houd de toegestane rijsnelheden aan.
Alvorens te slepen:
–
Zet de keuzehendel in stand N en los de
parkeerrem.
Automatische versnellingsbak
Powershift
Bij het model met een Powershift-versnellingsbak moet de motor lopen voor voldoende smering van de versnellingsbak en
daarom mag dit model niet worden gesleept.
Als de auto toch moet worden gesleept, dan
dient dit over een zo kort mogelijke afstand
en op zeer lage snelheid te gebeuren.
Wanneer u niet zeker weet of uw auto wel of
niet is uitgerust met een Powershift-versnellingsbak, kunt u dit controleren aan de hand
van de aanduiding op de versnellingsbaksticker onder de motorkap - zie pagina 396. De
aanduiding ”MPS6” houdt in dat het om een
Powershift-bak gaat knop – anders is het een
Geartronic-automaat.
07 Tijdens het rijden
Slepen en bergen
BELANGRIJK
Vermijd slepen.
•
•
Een auto die op een gevaarlijke plek in
het verkeer staat, mag echter over een
korte afstand (tot 10 km) en op lage
snelheid (tot 10 km/h) worden versleept. Berg de auto altijd zo dat de
wielen in de rijrichting draaien.
Om de auto over afstanden groter dan
10 km te verslepen, dienen de aangedreven wielen geheven te worden –
het wordt geadviseerd een professioneel bergingsbedrijf in te schakelen.
Alvorens te slepen:
–
Zet de keuzehendel in stand N en los de
parkeerrem.
Starten met hulpaccu
Probeer de motor niet aan te slepen. Gebruik
een hulpaccu als de startaccu dusdanig ontladen is dat de motor niet kan worden
gestart, zie pagina 118.
BELANGRIJK
De katalysator kan beschadigd raken bij
pogingen om de motor via slepen aan het
draaien te krijgen.
Sleepoog
Neem het sleepoog erbij dat onder het
vloerluik in de bagageruimte ligt.
Het sleepoog dient te worden vastgeschroefd
in een draadbus achter een afdekking in de
bumper, voor of achter.
Sleepoog bevestigen
N.B.
Om bij het sleepoog/de wielsleutel in het
schuimblok te komen:
•
Versie 1: Til de compressoreenheid van
de bandenreparatieset (punt 5) op om
bij de wielsleutel te komen. Til de bus
met afdichtmiddel eruit (punt 6) om bij
het sleepoog te komen.
•
Versie 2: Til de compressoreenheid van
de bandenreparatieset (punt 5) om bij
het sleepoog te komen. De wielsleutel
ligt onder de krik.
De afdekking op het bevestigingspunt
voor het sleepoog bestaat in twee versies
die u als volgt kunt openen:
•
•
U opent de afdekking in de achterbumper door een muntstuk of iets dergelijks in de uitsparing aan te brengen
en de afdekking voorzichtig los te werken. Klap de afdekking daarna helemaal los en verwijder deze.
07
De afdekking in de voorbumper is
voorzien van een markering langs de
ene zijde of in een van de hoeken: Duw
met uw vinger op deze markering terwijl u de tegenoverliggende zijde/hoek
335
07 Tijdens het rijden
Slepen en bergen
openklapt – de afdekking klapt rond de
middellijn open en kan vervolgens worden verwijderd.
Schroef het sleepoog tot aan de flens
naar binnen. Draai het oog stevig vast
met bijvoorbeeld een wielsleutel.
Na gebruik wordt het sleepoog weer losgedraaid. Leg het sleepoog terug op zijn
plek.
Plaats de afdekking tot slot weer in de
bumper terug.
BELANGRIJK
Het sleepoog is alleen bedoeld voor het
slepen over de weg en niet geschikt voor
berging wanneer de auto bijvoorbeeld in
een sloot is gereden of vast is komen te
zitten. Roep professionele hulp in voor
berging.
Bergen
07
336
Roep professionele hulp in voor berging.
BELANGRIJK
Berg de auto altijd zo dat de wielen in de
rijrichting draaien.
•
Voor auto’s met vierwielaandrijving
(AWD) gelden, bij het bergen met een
geheven vooras, zowel een maximale
snelheid van 70 km/h als een maximale afstand van 50 km.
07 Tijdens het rijden
07
337
Algemeen .............................................................................................
Wielen verwisselen ...............................................................................
Bandenspanning ..................................................................................
Gevarendriehoek en EHBO-set*...........................................................
Noodreparatieset voor banden (TMK)* ................................................
338
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
340
344
348
349
350
WIELEN EN BANDEN
08 Wielen en banden
Algemeen
Rijeigenschappen
Banden zijn van grote invloed op de rijeigenschappen van de auto. Zowel het type, de
maat, de bandenspanning als de snelheidsklasse zijn belangrijk voor het rijgedrag van
de auto.
de banden regen, sneeuw en drab minder
goed afvoeren.
Nieuwe banden
Monteer de banden met het diepste profiel
altijd op de achteras (om het gevaar voor slippen te verminderen).
N.B.
Draairichting
Let erop dat u hetzelfde type, dezelfde
maat en ook hetzelfde merk voor beide
wielparen hebt.
Houd de aanbevolen bandenspanning aan
die in de bandenspanningstabel staat, zie
pagina 411.
G021778
Onderhoud van banden
De pijl geeft de draairichting van de band aan.
08
340
Bij banden met een speciaal profiel dat alleen
goed werkt wanneer de banden in een
bepaalde richting draaien, staat deze richting
aangegeven met een pijl op de zijkant van de
band. Zorg dat de banden altijd dezelfde
draairichting hebben. Banden mogen alleen
van voor naar achter verwisseld worden,
nooit van links naar rechts of omgekeerd. Als
u de banden verkeerd aanbrengt, nemen de
remeigenschappen van de auto af en kunnen
Leeftijd van de banden
Alle banden die ouder zijn dan 6 jaar moet u
door een vakman laten controleren, ook al
zien ze er intact uit. Dit omdat het materiaal
waarvan banden gemaakt zijn ook veroudert
en afgebroken wordt, als banden zelden of
nooit worden gebruikt. Daarbij kan de werking van de band worden aangetast. Dit geldt
voor alle banden die u voor toekomstig
gebruik hebt opgeslagen. Scheurvorming of
verkleuring zijn de zichtbare kenmerken van
een band die ongeschikt is voor gebruik.
Banden hebben een beperkte houdbaarheidsdatum. Na enkele jaren worden de banden hard en neemt de grip op het wegdek
stukje bij beetje af. Gebruik bij het verwisselen van banden altijd zo nieuw mogelijke banden. Dit geldt in het bijzonder voor winterbanden. De laatste cijfers van de cijferreeks
geven de week en het jaar van productie aan.
Het is de zogeheten DOT-code (Department
of Transportation) van de band en bestaat uit
vier cijfers, bijvoorbeeld 1510. De band op de
afbeelding is de 15e week van het jaar 2010
geproduceerd.
Zomer- en winterbanden
Wanneer u de zomerbanden vervangt door
winterbanden of andersom, moet u op de
08 Wielen en banden
Algemeen
Slijtage en onderhoud
De juiste bandenspanning levert een gelijkmatiger slijtage op, zie pagina 348. De rijstijl,
de bandenspanning, het klimaat en de staat
van de wegen zijn van invloed op de snelheid
waarmee de banden verouderen en slijten.
Om verschillen in profieldiepte te voorkomen
en slijtpatronen tegen te gaan kunt u de wielen op de voor- en achteras onderling van
plaats verwisselen. Voer de eerste wissel na
ca. 5000 km uit en doe dat daarna om de
10.000 km opnieuw. Volvo adviseert u contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats als u niet zeker bent van de profieldiepte. Als er al een duidelijk verschil zit in
de slijtage (>1 mm verschil in profieldiepte)
van de banden, dienen de minst versleten
banden altijd op de achteras te zitten. Slippende voorwielen zijn makkelijker te corrigeren dan slippende achterwielen, omdat de
auto rechtuit blijft rijden in plaats van uit te
breken met de achterkant waarbij u mogelijk
de controle over de auto verliest. Daarom is
belangrijk dat de achterwielen nooit vóór de
voorwielen grip verliezen.
Bewaar de wielen hangend of liggend. Laat
ze nooit rechtop staan.
Velgen en wielbouten
WAARSCHUWING
Een beschadigde band kan voor een
oncontroleerbare auto zorgen.
Banden met slijtage-indicatoren
Lage wielbout
Hoge wielbout
G021829
band noteren waar de band zat: bijvoorbeeld
L voor links, R voor rechts.
Afsluitbare wielbouten
Slijtage-indicatoren.
Aanhaalmoment:
Slijtage-indicatoren zijn smalle ophogingen
die dwars op het profiel van de band staan.
De letters TWI (Tread Wear Indicator) op de
zijkant van de band geven aan dat een band
is uitgerust met slijtage-indicatoren. De indicatoren zijn duidelijk zichtbaar, wanneer een
band dusdanig versleten is dat slechts
1,6 mm van het profiel over is. Vervang de
banden dan zo spoedig mogelijk. Let erop dat
een band met een gering profiel zeer weinig
grip op het wegdek heeft bij regen of sneeuw.
•
•
Type 1-wielbout (stalen velg): 110 Nm
•
Afsluitbare type 3-wielbout (stalen/
aluminium velg): 110 Nm
Type 2-wielbout (aluminium velg): 130
Nm
Gebruik alleen velgen die getest en goedgekeurd zijn door Volvo en deel uitmaken van
de originele accessoires van Volvo. Controleer het aanhaalmoment met een momentsleutel.
08
341
08 Wielen en banden
Algemeen
Afsluitbare wielbouten*
Profieldiepte
Afsluitbare wielbouten* zijn te gebruiken op
zowel aluminium als stalen velgen. Onder de
vloer in de bagageruimte is ruimte om de dop
voor de afsluitbare wielbouten in op te bergen.
Ritten bij ijs, sneeuw(modder) en lage temperaturen vergen meer van de banden dan
zomerse ritten. Daarom adviseert Volvo een
minimale profieldiepte van 4 mm voor winterbanden.
Winterbanden
Volvo adviseert winterbanden met bepaalde
afmetingen. De bandenmaat is afhankelijk van
de motorvariant. Gebruik altijd het juiste type
winterbanden op alle vier de wielen.
N.B.
Volvo adviseert u om met een Volvo-dealer
te overleggen over welke velg en welk type
band het best geschikt zijn.
Banden met “spikes”
Winterbanden met “spikes” moeten de eerste
500–1000 km rustig worden ingereden, zodat
de “spikes” hun positie in kunnen nemen. Zo
gaan de banden en vooral de “spikes” langer
mee.
Sneeuwkettingen gebruiken
08
342
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Afmetingen wiel (velg)
Wielen (velgen) zijn voorzien van een maataanduiding, bijvoorbeeld: 7Jx16x50.
Het gebruik van sneeuwkettingen is alleen
toegestaan op de voorwielen (geldt ook voor
modellen met voorwielaandrijving).
7
Velgbreedte in inch
J
Profiel velgrand
Rijd nooit sneller dan 50 km/h met sneeuwkettingen. Rijd evenmin op sneeuwvrije
wegen, omdat zowel de sneeuwkettingen als
de banden daardoor overmatig slijten.
16
Velgdiameter van de band
50
Bolling in mm (afstand tussen de verticale aslijn door het wiel en het contactvlak met de naaf)
WAARSCHUWING
Gebruik originele Volvo-sneeuwkettingen
of vergelijkbare sneeuwkettingen die zijn
afgestemd op het model en op de banden velgafmetingen. Bij twijfel adviseert
Volvo u een erkende Volvo-werkplaats om
advies te vragen. Een verkeerde sneeuwketting kan ernstige schade aan de auto
veroorzaken en aanleiding geven tot een
ongeluk.
N.B.
De wettelijke voorschriften voor het
gebruik van banden met spikes verschillen
per land.
verd. Dat betekent dat niet alle velg- en bandcombinaties goedgekeurd zijn. Voor de toegestane combinaties, zie pagina 411
Specificaties
De auto is voorzien van een typegoedkeuring
voor de uitvoering waarin deze werd aangele-
Bandenmaten
Op alle autobanden staat een bepaalde maataanduiding. Een voorbeeld van een dergelijke
aanduiding: 215/55R16 97W
205
Breedte van de band (mm)
50
Verhouding tussen de hoogte en
breedte van de band (%)
R
Aanduiding voor radiaalbanden
17
Velgdiameter van de band (")
08 Wielen en banden
Algemeen
93
Aanduiding van het draagvermogen
van de band, lastindex (LI)
W
Aanduiding van de snelheidslimiet
van de band, snelheidsklasse (SS).
(In dit geval 270 km/h).
Lastindex
Iedere band heeft een bepaald draagvermogen, wat wordt aangeduid met de lastindex
(LI). Het gewicht van de auto bepaalt het
draagvermogen van de banden. De minimaal
toelaatbare index staat in de tabel, zie
pagina 411.
Snelheidsklassen
Iedere band is berekend op een bepaalde
maximumsnelheid, wat wordt aangeduid met
de snelheidsklasse (Speed Symbol: SS).
De snelheidsklasse van de banden dient minimaal overeen te komen met de topsnelheid
van de auto. De minimaal toelaatbare snelheidsklasse staat in de tabel, zie pagina 411.
De enige uitzondering hierop vormen winterbanden (zowel banden met als zonder
‘spikes’), waarvoor een lagere snelheidsklasse gebruikt mag worden. Bij gebruik van
dergelijke banden mag u niet sneller rijden
dan de maximumsnelheid die voor het
gebruikte bandentype geldt (voor aanduiding
Q geldt bijvoorbeeld een maximumsnelheid
van 160 km/h).
De gesteldheid van het wegdek is bepalend
voor de maximumsnelheid en niet de snelheidsklasse op de banden.
N.B.
In de tabel staat de maximaal toegestane
snelheid.
Q
160 km/h (alleen voor winterbanden)
T
190 km/h
H
210 km/h
V
240 km/h
W
270 km/h
Y
300 km/h
WAARSCHUWING
De auto moet worden uitgerust met banden die minimaal de gespecificeerde lastindex (LI) en snelheidsklasse (SS) hebben.
Bij gebruik van banden met een te lage
lastindex of snelheidsklasse kunnen de
banden oververhit raken.
08
343
08 Wielen en banden
Wielen verwisselen
Reservewiel*1
Een compact reservewiel (Temporary Spare)
is alleen bestemd voor tijdelijk gebruik en
dient dan ook zo spoedig mogelijk door een
normaal wiel te worden vervangen. De rijeigenschappen van de auto kunnen zich wijzigen bij het gebruik van een compact reservewiel. Het compacte reservewiel is kleiner dan
een normaal wiel. De bodemspeling verandert
er daarom door. Wees voorzichtig bij hoge
trottoirbanden en reinig de auto niet in een
autowasstraat. Als het reservewiel op de
vooras zit, kunt u evenmin sneeuwkettingen
omleggen. Bij vierwielaangedreven auto’s is
de achterwielaandrijving uit te schakelen. Het
reservewiel mag niet worden gerepareerd. In
de bandenspanningstabel, zie pagina 411,
staat de juiste bandenspanning voor het
reservewiel.
BELANGRIJK
•
Rijd met een reservewiel op de auto
nooit sneller dan 80 km/u.
•
Er mag nooit met de auto worden
gereden als deze van meer dan één
reservewiel van het type "Temporary
Spare" is voorzien.
4. Draai de bevestigingsbouten los en pak
het schuimblok met krik en gereedschap
weg.
5. Pak het reservewiel aan de buitenkant
vast en til op. Duw het reservewiel iets
naar voren en til het uit de opbergruimte.
6. Pak wielsleutel, krik en sleepoog uit het
schuimblok.
N.B.
Reservewiel erbij nemen
U vindt het reservewiel* met krik* en wielsleutel* onder de vloer in de bagageruimte.
344
Gebruik de originele krik alleen voor het verwisselen van het reservewiel. Houd de
schroef van de krik altijd goed ingevet.
2. Pak het opbergvak (accessoire) weg –
alleen voor modellen met gelede laadvloer.
Verwijderen
3. Til de ondervloer weg (alleen voor modellen met gelede laadvloer).
Zie als de auto is voorzien van een noodreparatieset voor banden pagina 350 voor informatie.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Krik*
1. Til de achterkant van de laadvloer op (bij
modellen met gelede laadvloer: pak de
handgreep vast, til de vloer op en beweeg
de achterkant van de vloer naar voren).
08
1
De krik moet eruit worden getild om bij het
sleepoog te komen.
Zet een gevarendriehoek zie pagina 349 op,
als u een wiel langs een drukke weg moet
verwisselen. Zorg ervoor dat de auto en de
krik* op een stevige en horizontale ondergrond staan.
08 Wielen en banden
Wielen verwisselen
1. Haal de parkeerrem aan en schakel de
achteruitversnelling in of zet de keuzehendel in stand P, als de auto een automatische versnellingsbak heeft.
reedschap in dat geval vast de volledige
wieldoppen om ze vervolgens los te trekken. De wieldoppen zijn ook met de hand
in één snelle beweging los te trekken.
WAARSCHUWING
Controleer of de krik onbeschadigd is, of
de schroefdraden goed zijn gesmeerd en
of deze vrij van vuil is.
N.B.
Wielsleutel en sleepoog
Volvo adviseert u alleen de krik te gebruiken* die bij de auto hoort, zoals aangegeven op de kriksticker.
Op de sticker staat tevens de maximale
hefcapaciteit bij de vermelde hefhoogte.
2. Pak het reservewiel en het gereedschap
(zie beschrijving op pagina 344). Er is ook
een verpakking met handschoenen en
een plastic zak voor de lekke band aanwezig.
3. Plaats wielblokken voor en achter de wielen die op de grond blijven staan. Gebruik
daarvoor bijvoorbeeld grote houten blokken of grote stenen.
4. Auto’s met stalen velgen hebben afneembare wieldoppen. Haak het demontagege-
BELANGRIJK
5. Schroef het sleepoog tot aan de aanslag
in de wielsleutel* vast zoals in de volgende afbeelding.
Het sleepoog dient volledig in de wielsleutel te worden gedraaid.
6. Draai de wielbouten ½–1 slag linksom los
met de wielsleutel.
WAARSCHUWING
Leg nooit iets tussen de krik en de ondergrond en evenmin tussen de krik en het
kriksteunpunt van de auto.
7. Er zitten twee kriksteunpunten aan weerszijden van de auto.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
08
345
08 Wielen en banden
Wielen verwisselen
WAARSCHUWING
Kruip nooit onder de auto als deze op een
krik staat.
3. Breng de auto zo ver omlaag dat het wiel
niet meer ongehinderd kan draaien.
Laat nooit passagiers in de auto zitten als
deze op een krik staat.
Parkeer de auto zodanig dat de passagiers
de auto of liever een vangrail tussen zichzelf en de weg hebben.
N.B.
BELANGRIJK
De grond onder de krik dient vast en egaal
te zijn en niet te hellen.
8. Breng de krik omhoog, zodat de flens in
de carrosserie in de groef in de kop van
de krik valt.
9. Breng de auto zo ver omhoog dat het wiel
van de grond komt. Verwijder de wielbouten en til het wiel eraf.
De normale krik van de auto is alleen
bestemd voor sporadisch en kortstondig
gebruik zoals bij het verwisselen van een
lekke band, monteren van winterbanden/
zomerbanden e.d. Hef de auto alleen met
een krik die voor het desbetreffende model
bestemd is. Als de auto vaker moet worden opgekrikt of voor langere tijd zoals bij
het onderling roteren van de banden wordt
het gebruik van een garagekrik geadviseerd. Volg in dat geval de gebruiksaanwijzing van de desbetreffende krik.
Aanbrengen
1. Reinig de contactvlakken tussen het wiel
en de naaf.
08
346
2. Breng het wiel aan. Haal de wielbouten
stevig aan.
4. Draai de wielbouten kruiselings vast. Het
is belangrijk dat u de wielbouten stevig
aanhaalt (zie zie pagina 341 voor aanhaalmoment). Controleer het aanhaalmoment
met een momentsleutel.
5.
08 Wielen en banden
Wielen verwisselen
Reservewiel* en krik*, terugplaatsen in
bagageruimte
Plaats een volledige wieldop terug (indien
aanwezig).
N.B.
De ventieluitsparing in de wieldop bij het
monteren aanbrengen over het ventiel in
de velg.
•
dopsleutel (boven de krik)
3. Bij gebruik van het reservewiel kunt u de
lekke band in de plastic zak doen die u in
de verpakking met de handschoenen
vindt. Leg het schuimblok terug in het
opbergvak en draai de bevestigingsbout
vast in de vloer van het opbergvak
Leg, als u het reservewiel niet hebt
gebruikt, het schuimblok terug in het
reservewiel, plaats het reservewiel terug
in het opbergvak en draai de bevestigingsbout vast in de vloer van het
opbergvak
Plaats het gereedschap en de krik* na gebruik
op de juiste manier terug in het schuimblok.
1. Draai het sleepoog uit de wielsleutel.
2. Leg het gebruikte gereedschap in de
onderstaande volgorde terug in de
beoogde vakken in het schuimblok:
•
sleepoog/trechter/torx-sleutel/
dopsleutel voor vergrendelbare wielbout/gereedschap voor wieldop
•
krik (met de slinger zo ver omlaagdraaien dat deze in het desbetreffende
vak van het schuimblok blok past, de
slinger over de voet heen en in de
groef van het schuimblok plaatsen)
4. Plaats de afneembare trekhaak terug
BELANGRIJK
Bewaar gereedschap en krik* op de daarvoor bestemde plaats in de bagageruimte,
wanneer u ze niet nodig hebt.
08
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
347
08 Wielen en banden
Bandenspanning
Bandenspanning
Brandstofbesparing, ECObandenspanning
Voor een zo laag mogelijk brandstofverbruik
bij snelheden tot 160 km/h wordt de ECObandenspanning geadviseerd (zowel bij maximale als bij lichte belading - zie pagina 411).
Bandenspanning controleren
G021830
Controleer iedere maand de bandenspanning.
Op de sticker voor op de portierstijl aan de
bestuurderszijde (tussen voor- en achterportier) staat de juiste bandenspanning voor uw
auto aangegeven bij verschillende belading
en snelheid. De bandenspanning staat ook in
de bandenspanningstabel, zie pagina 411.
•
Bandenspanning bij gebruik van de aanbevolen bandenmaat
•
ECO-bandenspanning1
N.B.
Temperatuurverschillen veranderen de
bandenspanning.
08
1
348
De ECO-bandenspanning levert brandstofbesparing op.
Controleer de bandenspanning wanneer de
banden koud zijn. De aangegeven bandenspanning geldt bij koude banden (kan verschillen naargelang van de buitentemperatuur). Al na enkele kilometers rijden worden
de banden warm en loopt de spanning op.
Een te lage bandenspanning heeft een negatieve inwerking op het brandstofverbruik, de
levensduur van de banden en de rijeigenschappen van de auto. Wanneer u met een te
lage bandenspanning rijdt, kunnen de banden
oververhit en beschadigd raken. De bandenspanning is van invloed op het rijcomfort, de
stuureigenschappen en de geproduceerde
weggeluiden.
N.B.
In de loop van de tijd daalt de bandenspanning. Dit is een natuurlijk verschijnsel.
De bandenspanning schommelt ook door
de omgevingstemperatuur.
08 Wielen en banden
Gevarendriehoek en EHBO-set*
Gevarendriehoek
Til het vloerluik op (of schuif de achterkant van de laadvloer naar voren bij
modellen met een gelede vloer en til
hierna de ondervloer op) en pak de gevarendriehoek.
Neem de gevarendriehoek uit de houder,
klap de driehoek uit en bevestig de twee
losse zijden aan elkaar.
Klap de steunpoten van de gevarendriehoek uit.
Volg de geldende bepalingen voor het
gebruik van een gevarendriehoek. Zet de
gevarendriehoek op een passend punt achter
de auto op om achteropkomend verkeer tijdig
te waarschuwen.
Zorg dat de houder met de gevarendriehoek
na gebruik stevig in de bagageruimte vastzit.
EHBO-set*
Links in de kofferbak zit een EHBO-tas.
08
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
349
08 Wielen en banden
Noodreparatieset voor banden (TMK)*
Algemeen
leren en zo nodig tijdelijk te corrigeren. De set
bestaat uit een compressor en een bus met
afdichtmiddel. De set dient om noodreparaties uit te voeren. De fles met het afdichtmiddel moet worden vervangen voordat de houdbaarheidsdatum is verstreken en tevens na
het gebruik.
Noodreparatieset voor banden en
gevarendriehoek plaatsen
Het afdichtmiddel dicht banden met een lek
in het loopvlak effectief af.
1. Til de achterkant van de laadvloer op (bij
modellen met gelede laadvloer: pak de
handgreep vast, til de vloer op en beweeg
de achterkant van de vloer naar voren).
N.B.
Versie 1.
De bandenreparatieset is uitsluitend
bedoeld voor het repareren van banden
met een lek in het loopvlak.
De noodreparatieset voor banden leent zich
minder goed voor banden met een gat in het
zijvlak. Probeer geen banden met de noodreparatieset voor banden af te dichten die grote
groeven, scheuren en dergelijke vertonen.
Sluit de compressor aan op een van de 12Vuitgangen van de auto, zie de pagina’s 256
en 323. Gebruik de aansluiting die het dichtst
bij de lekke band zit.
Versie 2.
08
350
U gebruikt de noodreparatieset voor banden
(TMK: Temporary Mobility Kit) om een lek te
dichten en om de bandenspanning te contro-
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
N.B.
De compressor voor provisorische bandenreparatie is door Volvo getest en goedgekeurd.
Zet een gevarendriehoek op bij het afdichten
van een band langs een drukke weg. De
gevarendriehoek en de noodreparatieset voor
banden zitten onder de vloer in de bagageruimte.
2. Pak het opbergvak (accessoire) weg –
alleen voor modellen met gelede laadvloer.
3. Til de ondervloer weg (alleen voor modellen met gelede laadvloer).
4. Haak het elastische deel van de band
over de linkerkant van de TMK-compressor los.
5. Til de TMK-compressor recht omhoog.
6. Om bij de fles met afdichtmiddel te
komen, moet de fles naar links worden
geschoven tot de fles uit het schuimblok
kan worden getild.
08 Wielen en banden
Noodreparatieset voor banden (TMK)*
N.B.
Overzicht
Lekke band repareren
Om bij het sleepoog/de wielsleutel in het
schuimblok te komen:
•
Versie 1: Til de compressoreenheid
van de bandenreparatieset (punt 5) op
om bij de wielsleutel te komen. Til de
bus met afdichtmiddel eruit (punt 6)
om bij het sleepoog te komen.
•
Versie 2: Til de compressoreenheid
van de bandenreparatieset (punt 5) om
bij het sleepoog te komen. De wielsleutel ligt onder de krik.
Na gebruik moet de band weer aan de linkerkant worden vastgehaakt.
Sticker, toegestane maximumsnelheid
Knop
Versie 1: de band moet achter het schuimblok langs worden getrokken (niet eroverheen).
Kabel
Versie 2: de band moet in de vork achter op
het schuimblok liggen.
Beschermdop
Bushouder (oranje deksel)
Drukreduceerventiel
Luchtslang
Bus met afdichtmiddel
Manometer
Voor informatie over de werking van de onderdelen (zie voorgaande afbeelding).
1. Verwijder de sticker met de toegestane
maximumsnelheid (die aan de ene kant
van de compressor zit) en bevestig deze
op het stuurwiel.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
08
351
08 Wielen en banden
Noodreparatieset voor banden (TMK)*
WAARSCHUWING
De snelheid mag niet hoger dan 80 km/h
zijn nadat de provisorische bandenreparatie is gebruikt. Volvo adviseert u om een
erkende Volvo-werkplaats te bezoeken
voor een inspectie van de gerepareerde
band (maximaal 200 km rijden). Het personeel kan bepalen of de band kan worden
gemaakt of moet worden vervangen.
WAARSCHUWING
Het afdichtmiddel kan de huid irriteren. Bij
huidcontact het middel direct met zeep en
water afspoelen.
2. Controleer of de knop in stand 0 staat en
neem de kabel en de luchtslang erbij.
N.B.
Voor het gebruik de verzegeling van de
bus niet verbreken. Bij het indraaien van
de bus wordt de verzegeling automatisch
verbroken.
3. Draai de oranje beschermdop los evenals
de dop op de bus met afdichtmiddel.
08
352
4. Draai de bus in de bushouder vast.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
WAARSCHUWING
N.B.
Draai de bus niet los, aangezien deze een
blokkering heeft om lekkage te voorkomen.
Als de compressor start, kan de druk tot 6
bar toenemen. De druk daalt echter na ca.
30 seconden.
5. Draai het ventieldopje van het wiel los en
schroef de ventielaansluiting van de
luchtslang zo ver mogelijk op het ventiel
van de band.
8. Vul de band 7 minuten lang met afdichtmiddel.
6. Sluit de kabel op een 12V-aansluiting aan
en start de motor.
Kans op oververhitting. De compressor
mag niet langer dan 10 minuten werken.
WAARSCHUWING
Laat kinderen niet zonder toezicht in de
auto achter als de motor draait.
7. Zet de knop in stand I.
WAARSCHUWING
Ga nooit naast de band staan terwijl de
compressor aan het pompen is. Bij barsten, oneffenheden en dergelijke dient u
de compressor onmiddellijk uit te schakelen. Beëindig in dat geval de rit. Het wordt
dan geadviseerd een erkende bandenwerkplaats te bezoeken.
BELANGRIJK
9. Schakel de compressor uit om de bandenspanning van de manometer af te
lezen. De bandenspanning dient minimaal
1,8 bar en maximaal 3,5 bar te bedragen.
(Laat eventueel lucht ontsnappen met het
drukreduceerventiel, als de bandenspanning te hoog is.)
WAARSCHUWING
Als de bandenspanning lager is dan 1,8
bar, is het gat in de band te groot. Beëindig in dat geval de rit. Het wordt dan geadviseerd een erkende bandenwerkplaats te
bezoeken.
10. Schakel de compressor uit en trek de
kabel los uit de 12V-aansluiting.
08 Wielen en banden
Noodreparatieset voor banden (TMK)*
11. Koppel de slang los van het ventiel en
plaats het ventieldopje terug.
12. Leg zo spoedig mogelijk na de reparatie
ca. 3 km af bij een snelheid van maximaal
80 km/h, zodat het afdichtmiddel de band
kan afdichten.
Reparatieresultaat en bandenspanning
controleren
1. Sluit de uitrusting opnieuw aan.
2. Lees de bandenspanning van de manometer af.
•
•
Als de spanning lager is dan 1,3 bar,
werd de band onvoldoende afgedicht.
Beëindig in dat geval de rit. Neem contact op met een erkende Volvo-werkplaats.
Als de bandenspanning hoger is dan
1,3 bar, moet u de band oppompen tot
de spanning die staat aangegeven in
de bandenspanningstabel, zie
pagina 411 (1 bar = 100 kPa). Laat
lucht uit de band ontsnappen, als de
bandenspanning te hoog is.
WAARSCHUWING
Draai de bus niet los, aangezien deze een
blokkering heeft om lekkage te voorkomen.
3. Zorg dat de compressor uitstaat. Koppel
de luchtslang en de kabel los. Plaats het
ventieldopje terug.
4. Vouw de slang in de bak een laat de fles
liggen. Leg de TMK in de bagageruimte.
N.B.
Vervang de bus met afdichtmiddel en de
slang na gebruik. Volvo adviseert u het
vervangen over te laten aan een erkende
Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Controleer de bandenspanning regelmatig.
U wordt geadviseerd om naar de dichtstbijzijnde erkende Volvo-werkplaats te rijden en
er de beschadigde band te laten vervangen/
repareren. Geef aan het werkplaatspersoneel
door dat er afdichtmiddel in de band zit.
WAARSCHUWING
De snelheid mag niet hoger dan 80 km/h
zijn nadat de provisorische bandenreparatie is gebruikt. Volvo adviseert u om een
erkende Volvo-werkplaats te bezoeken
voor een inspectie van de gerepareerde
band (maximaal 200 km rijden). Het personeel kan bepalen of de band kan worden
gemaakt of moet worden vervangen.
Band oppompen
De compressor is berekend op het oppompen van de originele banden die op de auto
zitten.
1. De compressor moet uitstaan. Zorg dat
de knop in stand 0 staat en neem de
kabel en de luchtslang erbij.
2. Draai het ventieldopje van het wiel los en
schroef de ventielaansluiting van de
luchtslang zo ver mogelijk op het ventiel
van de band.
WAARSCHUWING
Het inademen van uitlaatgassen kan
levensgevaarlijk zijn. Laat de motor nooit
draaien in ruimten die afgesloten zijn of
onvoldoende ventilatie hebben.
WAARSCHUWING
Laat kinderen niet zonder toezicht in de
auto achter als de motor draait.
3. Sluit de kabel aan op een van de 12Vaansluitingen in de auto en start de
motor.
4. Schakel de compressor in door de knop
in stand I te zetten.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
08
353
08 Wielen en banden
Noodreparatieset voor banden (TMK)*
BELANGRIJK
Kans op oververhitting. De compressor
mag niet langer dan 10 minuten werken.
Plaats de onderdelen in de aangegeven volgorde terug in het schuimblok:
5. Krik
1. Sleepoog/dopsleutel
Bus met afdichtmiddel vervangen
2. Bus (vanaf de zijkant naar binnen duwen)
Vervang de bus voordat de houdbaarheidsdatum verstreken is. Behandel de vervangen
bus als klein chemisch afval (KCA).
5. Pomp de band op tot de druk die op/in
de bandenspanningstabel staat aangegeven, zie pagina 411. (Laat eventueel lucht
ontsnappen met het drukreduceerventiel,
als de bandenspanning te hoog is.)
3. TMK-set
6. Schakel de compressor uit. Koppel de
luchtslang en de kabel los.
7. Trekhaak
4. Trechter
5. Krik
6. Torx-sleutel
Gevaarlijk bij inname. Kan bij huidcontact
allergie veroorzaken.
7. Plaats het ventieldopje terug.
Contact met de huid en ogen vermijden.
Buiten bereik van kinderen bewaren.
Onderdelen terugplaatsen in het
schuimblok
Versie 2
Plaats de onderdelen in de aangegeven volgorde terug in het schuimblok:
1. Dopsleutel
08
2. Sleepoog
Versie 1
3. Bus
4. TMK-set
354
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
WAARSCHUWING
De bus bevat 1,2-Ethanol en natuurrubberlatex.
08 Wielen en banden
08
355
Motorruimte..........................................................................................
Gloeilampen..........................................................................................
Wisserbladen en sproeiervloeistof........................................................
Accu......................................................................................................
Zekeringen............................................................................................
Verzorging.............................................................................................
356
358
365
372
375
379
388
ONDERHOUD EN SERVICE
09 Onderhoud en service
Motorruimte
09
Algemeen
Serviceprogramma van Volvo
Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid
en betrouwbaarheid van de auto op een hoog
peil te houden, dient u de voorschriften van
het Serviceprogramma van Volvo op te volgen zoals die omschreven staan in het Service- en garantieboekje van Volvo. Volvo
adviseert u om service- en onderhoudswerkzaamheden over te laten aan een erkende
Volvo-werkplaats. Volvo-werkplaatsen
beschikken over het personeel, het speciale
gereedschap en de servicehandboeken waardoor zij u een zo hoog mogelijke servicekwaliteit kunnen garanderen.
WAARSCHUWING
Vergeet niet dat de radiateurventilator
(vóór in de motorruimte achter de radiateur) enige tijd na uitschakeling van de
motor automatisch kan starten.
Laat de motorreiniging altijd uitvoeren door
een werkplaats. Als de motor warm is,
bestaat er brandgevaar.
Motorkap openen en sluiten
Haal de borghaak naar links om de
motorkap te openen. (De borghaak zit
tussen de koplamp en de grille zoals
afgebeeld.)
BELANGRIJK
WAARSCHUWING
Om de garantie van Volvo te laten gelden,
moet u het Service- en garantieboekje
controleren en volgen.
Regelmatig controleren
Controleer regelmatig de volgende oliën en
vloeistoffen, bijvoorbeeld tijdens het tanken:
•
•
•
358
Koelvloeistof
Motorolie
Sproeiervloeistof
Draai de handgreep ca. 20–25 graden
rechtsom. Het is duidelijk te horen dat
vergrendeling wordt opgeheven.
De handgreep voor ontgrendeling van de motorkap zit altijd aan de linkerzijde.
Controleer of de motorkap bij sluiten goed
vergrendelt.
09 Onderhoud en service
Motorruimte
Motorruimte, overzicht
Relais- en zekeringenkastje
09
Oliepeil motor controleren
Luchtfilter
WAARSCHUWING
De spanning en het vermogen van het ontstekingssysteem zijn zeer hoog. De spanning in het ontstekingssysteem is levensgevaarlijk. Zorg dat het elektrische systeem van de auto altijd in sleutelstand 0
staat bij werkzaamheden in de motorruimte, zie pagina 81.
Afhankelijk van het motortype kan de motorruimte er anders uitzien.
Expansiereservoir voor koelsysteem
Raak bougies of bobine niet aan, wanneer
het elektrische systeem van de auto in
sleutelstand II staat of als de motor warm
is.
Vulopening voor sproeiervloeistof
Volvo adviseert olieproducten van Castrol.
Voor ritten onder ongunstige omstandigheden, zie pagina 403.
Radiateur
Peilstok voor motorolie1
Motorolie bijvullen
Reservoir voor rem- en koppelingsvloeistof (aan bestuurderszijde)
Startaccu
1
Bij motoren met elektronische oliepeilaanduiding ontbreekt de peilstok (5-cil. diesel).
359
09 Onderhoud en service
Motorruimte
09
BELANGRIJK
Om aan de vereisten voor de gespecificeerde service-intervallen te voldoen worden alle motoren in de fabriek gevuld met
een speciaal aangepaste, synthetische
motorolie. De oliesoort werd met grote
zorg geselecteerd lettend op de levensduur van de motor, de startgewilligheid,
het brandstofverbruik en de milieu-impact.
Om de aanbevolen service-intervallen aan
te kunnen houden dient u een goedgekeurde motoroliesoort te gebruiken.
Gebruik alleen een oliesoort van de voorgeschreven kwaliteit en dat zowel bij het
bijvullen als bij het verversen van olie. Een
negatieve invloed op de levensduur van de
motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact is anders niet
uitgesloten.
Volvo Car Corporation wijst alle garantieclaims af bij gebruik van een motoroliesoort die niet voldoet aan de voorgeschreven kwaliteits- en viscositeitseisen.
Volvo adviseert de olie in een erkende
Volvo-werkplaats te laten verversen.
Volvo hanteert uiteenlopende systemen om te
waarschuwen voor een laag/hoog oliepeil of
een lage/hoge oliedruk. Bij varianten met een
oliedruksensor wordt gebruikt gemaakt van
2
360
Geldt alleen benzine- en 4-cil. dieselmotor.
het waarschuwingssymbool voor een lage
oliedruk op het instrumentenpaneel. Bij varianten met een olieniveausensor wordt u geïnformeerd via een waarschuwingssymbool
Motor met oliepeilstok2
op het instrumentenpaneel en met displayteksten. Bepaalde varianten zijn voorzien
van allebei. Neem voor meer informatie contact op met een erkende Volvo-werkplaats.
Houd voor het verversen van de motorolie en
het vervangen van het oliefilter de intervallen
aan die staan aangegeven in het Service- en
garantieboekje.
Het is toegestaan een oliesoort te gebruiken
met een hogere kwaliteit dan aangegeven. Bij
rijden onder ongunstige omstandigheden
adviseert Volvo een olie van een hogere kwaliteit, zie pagina 403.
Voor de bij te vullen hoeveelheid (zie
pagina 404 en verder).
Peilstok en vulbuis.
Bij een nieuwe auto is het belangrijk om het
oliepeil te controleren, voordat de olie voor de
eerste keer volgens schema moet worden
ververst.
Volvo adviseert u het oliepeil om de 2500 km
te controleren. De betrouwbaarste meting
wordt verkregen bij een koude motor vóór de
start. Meteen na het afzetten van de motor
krijgt u een verkeerd resultaat. De peilstok
geeft dan een te laag peil aan, omdat de olie
geen tijd heeft gehad om terug te lopen naar
het oliecarter.
09 Onderhoud en service
Motorruimte
olie daar ver onder staat, moet u wellicht
meer bijvullen.
09
Motor met elektronische
oliepeilaanduiding3
6. Als u het peil daarna nogmaals wenst te
controleren, moet u dat na enige tijd rijden doen. Herhaal vervolgens de stappen
1–4.
G021737
WAARSCHUWING
De olie moet tussen het MIN- en MAX-streepje
staan.
Peil meten en zo nodig corrigeren
1. Zorg dat de auto op een vlakke ondergrond geparkeerd staat. Het is belangrijk
dat u na het afzetten van de motor ten
minste 5 minuten wacht, zodat de olie
weer kan teruglopen in het oliecarter.
Vul nooit bij tot boven de MAX-aanduiding. De olie mag nooit boven MAX of
onder MIN staan om motorschade tegen
te gaan.
WAARSCHUWING
Mors geen olie op de hete uitlaatspruitstukken, aangezien er dan brand kan ontstaat.
Vulbuis
U hoeft het motoroliepeil niet aan te passen,
voordat er een melding op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel verschijnt,
zie onderstaande afbeelding.
2. Trek de peilstok tevoorschijn en veeg
deze schoon.
3. Steek de peilstok weer naar binnen.
4. Trek de peilstok tevoorschijn en controleer het peil.
5. Als de olie dichter bij het MIN-streepje
ligt, dient u 0,5 liter bij te vullen. Als de
3
Geldt alleen voor 5-cil. dieselmodel.
361
09 Onderhoud en service
09
Motorruimte
BELANGRIJK
Vul bij het verschijnen van de melding
Oliepeil laag 0,5 liter bijvullen slechts
0,5 liter bij.
N.B.
Melding en grafische weergave op display. Het
linker display toont een digitaal instrumentenpaneel en het rechter een analoog.
Melding
Motoroliepeil
Bij sommige auto’s kunt u wanneer de motor
afgezet is, het duimwiel gebruiken om het
oliepeil te controleren door de elektronische
peilaanduiding, zie pagina 362.
WAARSCHUWING
Bij het verschijnen van de melding
Olieservice vereist een werkplaats
opzoeken. Het oliepeil is mogelijk te hoog.
362
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Het systeem detecteert het oliepeil alleen
tijdens het rijden. Na het bijvullen of aftappen van olie duurt het even voordat het
systeem wijzigingen in het oliepeil kan
waarnemen. De auto dient ca. 30 km te rijden, voordat het weergegeven oliepeil correct is.
Oliepeil meten*
Voor controle van het oliepeil de onderstaande volgorde aanhouden.
1. Activeer sleutelstand II, zie pagina 81.
2. Draai het duimwiel op de linker stuurhendel naar stand Oliepeil.
> Vervolgens verschijnt informatie over
het motoroliepeil.
WAARSCHUWING
Vul niet meer olie bij, als niveau (3) of (4)
verschijnt zoals aangegeven op de afbeelding. De olie mag nooit boven MAX of
onder MIN staan om motorschade tegen
te gaan.
WAARSCHUWING
Mors geen olie op de hete uitlaatspruitstukken, aangezien er dan brand kan ontstaat.
De cijfers 1–4 geven het niveau aan. Vul niet
meer olie bij, als niveau (3) of (4) staat aangegeven. Het aanbevolen niveau is 4. Melding en grafische weergave op display. Het linker display
toont een digitaal instrumentenpaneel en het
rechter een analoog.
09 Onderhoud en service
Motorruimte
Koelvloeistof
Peil controleren en bijvullen
Voor de aan te houden hoeveelheden en de
aanbevolen vloeistofkwaliteit, zie pagina 405.
Controleer de koelvloeistof regelmatig
De koelvloeistof moet tussen het MIN- en
MAX-streepje op het expansiereservoir staan.
Als u het reservoir niet goed gevuld houdt,
kan de temperatuur in het systeem dusdanig
hoog oplopen dat er gevaar voor motorschade ontstaat.
Volg de aanwijzingen op de verpakking op.
Het is belangrijk dat u verhouding tussen
koelvloeistof en water afstemt op de heersende weersomstandigheden. Vul het reservoir nooit alleen met schoon water. Het
gevaar voor bevriezing neemt toe, zowel wanneer de concentratie koelvloeistof te laag is
als wanneer deze te hoog is.
WAARSCHUWING
De koelvloeistof kan zeer heet zijn. Als er
moet worden bijgevuld terwijl de motor
warm is, moet u de dop voorzichtig van
het expansievat draaien zodat de overdruk
verdwijnt.
09
BELANGRIJK
•
Hoge concentraties chloor, chloriden
en andere zoutverbindingen kunnen
aanleiding geven tot corrosie in het
koelsysteem.
•
Gebruik altijd een koelvloeistof met
roestwerende eigenschappen volgens
de aanbevelingen van Volvo.
•
Let erop dat het koelvloeistofmengsel
altijd voor 50 % uit water en voor
50 % uit koelvloeistof bestaat.
•
Leng de koelvloeistof aan met leidingwater van goede kwaliteit. Gebruik bij
twijfel over de waterkwaliteit altijd een
kant-en-klare koelvloeistof volgens de
aanbevelingen van Volvo.
•
Wanneer u overstapt op een ander
soort koelvloeistof of een nieuw koelsysteemonderdeel hebt gemonteerd,
dient u het koelsysteem schoon te
spoelen met leidingwater van goede
kwaliteit of met kant-en-klare koelvloeistof.
•
De motor mag alleen draaien met een
goed gevuld koelsysteem. Als dat niet
het geval is, kunnen er hoge temperaturen optreden met gevaar voor
beschadiging (barsten) van de cilinderkop.
363
09 Onderhoud en service
09
Motorruimte
Rem- en koppelingsvloeistof
Bijvullen
Peil controleren
Storingen opsporen en verhelpen
De rem- en koppelingsvloeistof zitten in hetzelfde reservoir. De vloeistof moet tussen het
MIN- en MAX-streepje staan die aan de buitenkant van het reservoir zichtbaar zijn. Controleer het peil regelmatig.
De airconditioning bevat een fluorescerend
traceermiddel. Gebruik ultraviolet licht voor
het zoeken van lekkage.
Volvo raadt aan contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats.
Ververs de remvloeistof om de twee jaar of
iedere tweede geplande servicebeurt.
Voor de aan te houden hoeveelheden en de
aanbevolen kwaliteit van de remvloeistof, zie
pagina 405. Wanneer u vaak met uw auto in
de bergen rijdt of in landen met een tropisch
klimaat en een hoge relatieve luchtvochtigheidsgraad, moet u de remvloeistof ieder jaar
verversen.
WAARSCHUWING
Als de remvloeistof onder het MIN-niveau
in het remvloeistofreservoir ligt, mag u pas
verder rijden als de remvloeistof is bijgevuld. Volvo adviseert om de oorzaak voor
het remvloeistofverlies door een erkende
Volvo-werkplaats te laten controleren.
364
Klimaatregeling
WAARSCHUWING
Het vloeistofreservoir zit aan de bestuurderszijde.
Draai de dop van het reservoir los en vul
vloeistof bij. De vloeistof moet tussen het
MIN- en MAX-streepje staan (aan de binnenkant van het reservoir).
BELANGRIJK
Denk eraan de afdekking te plaatsen.
In de installatie voor airconditioning zit
koudemiddel R134a onder druk. Service
en reparatie aan het systeem mogen uitsluitend door een erkende werkplaats worden uitgevoerd.
09 Onderhoud en service
Gloeilampen
Algemeen
De gloeilampen zijn gespecificeerd, zie
pagina 371. Gloeilampen en andere lichtbronnen van een bijzonder type zoals led1lampen of lampen die u om andere redenen
alleen in een werkplaats moet laten vervangen, zijn die in:
•
Actieve xenonkoplampen - ABL (xenonlampen)
•
•
•
Stadslichten/parkeerlichten vóór2
•
•
•
•
•
•
•
1
2
Dagrijlicht2
Zijdelings gemonteerde richtingaanwijzers, buitenspiegels2
‘Approach’-verlichting, buitenspiegels
Verlichting interieur en bagageruimte
Verlichting dashboardkastje
Achterlichten/parkeerlichten achter
Sidemarkers achter
Derde remlicht
Kentekenplaatverlichting.
WAARSCHUWING
Als de auto is voorzien van xenonkoplampen, moet u de xenonlampen door een
werkplaats laten vervangen – geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Werkzaamheden aan de xenonkoplampen
vergen de nodige voorzichtigheid, aangezien dergelijke koplampen zijn voorzien
van een ontstekingsgedeelte dat een hoge
spanning opwekt.
WAARSCHUWING
Bij het vervangen van een lamp moet het
elektrische systeem van de auto in sleutelstand 0 staan, zie pagina 81.
09
N.B.
Als een foutmelding niet verdwijnt nadat
de kapotte gloeilamp is vervangen, dan
wordt u geadviseerd een erkende Volvowerkplaats te bezoeken.
N.B.
Bij de externe verlichting zoals de koplampen, mistlampen en achterlichten kan tijdelijk condens optreden aan de binnenkant van het lampglas. Dit is een natuurlijk
verschijnsel en alle externe verlichting is
erop gebouwd om dit zoveel mogelijk te
voorkomen. Condens verdwijnt normaal uit
het lamphuis, wanneer de lamp enige tijd
brandt.
BELANGRIJK
Raak het glas van de gloeilampen nooit
rechtstreeks met uw vingers aan. Vet van
uw vingers wordt door de warmte verdampt en zorgt voor een laagje op de
reflector die dan kapot kan gaan.
Lichtdioden (Light Emitting Diode)
Bepaalde varianten
365
09 Onderhoud en service
09
Gloeilampen
Positie gloeilampen koplamphuizen
Koplampen
Alle gloeilampen in het koplamphuis zijn te
vervangen door het complete koplamphuis
via de motorruimte los te nemen en te verwijderen.
BELANGRIJK
Wees voorzichtig bij het eruit tillen van de
koplamp, zodat er geen onderdelen
beschadigd raken.
5.
Druk de borghaak omlaag.
Koppel de connector los.
Leg de koplamp op een zachte ondergrond neer om krassen op de lens te
voorkomen.
BELANGRIJK
Stadslichten/parkeerlichten (led bij
xenon-koplampen)
Trek niet aan de kabel, maar alleen aan de
connector.
Groot licht bij halogeen-koplampen/
Verstralers bij xenon-koplampen
Dimlicht bij halogeen-koplampen/Xenonverlichting bij xenon-koplampen
Richtingaanwijzer
Sidemarker
Dagrijlicht (led* of gloeilamp afhankelijk
van de variant)
366
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
1.
2.
3.
Verwijder de motorkapvergrendeling.
Draai de schroef los met een torxsleutel (T30).
Draai de borgpen rechtsom.
Trek de borgpen weg.
4.
Haal het koplamphuis los door het
beurtelings te kantelen en naar buiten te
trekken.
6. Vervang de desbetreffende gloeilamp volgens de aanwijzingen.
De koplamp moet gemonteerd zijn en de connector moet correct zijn aangesloten voordat
de verlichting wordt geactiveerd of van sleutelstand wordt gewisseld.
09 Onderhoud en service
Gloeilampen
Afdekking lampen groot licht/dimlicht
Dimlicht3
Groot licht3
1.
1. Haal het koplamphuis los, zie pagina 366.
1. Haal het koplamphuis los, zie pagina 366.
2. Maak de afdekking los, zie pagina 367.
2. Maak de afdekking los, zie pagina 367.
3.
3.
Druk de haken in.
Beweeg de afdekking onder een hoek
naar buiten.
2. Vervang de desbetreffende gloeilamp volgens de aanwijzingen.
Druk de lamphouder omhoog totdat
deze loskomt.
Trek de lamphouder naar buiten.
4. Vervang de gloeilamp en monteer de
onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
3
Auto’s met halogeenkoplampen
09
Draai de lamphouder linksom.
Trek de lamphouder naar buiten.
4. Vervang de gloeilamp en monteer de
onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
}}
367
09 Onderhoud en service
Gloeilampen
09
Verstraler*4
Richtingaanwijzers
Stads-/parkeerlichten5
1. Haal het koplamphuis los, zie pagina 366.
1. Haal het koplamphuis los, zie pagina 366.
1. Haal het koplamphuis los, zie pagina 366.
2. Maak de afdekking los, zie pagina 367.
2.
Maak de afdekking los.
2.
3.
3.
Druk de borghaak in.
Druk de lamphouder omhoog totdat
deze loskomt.
Trek de lamphouder naar buiten.
4. Vervang de gloeilamp en monteer de
onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
4
5
368
Trek de lamphouder naar buiten.
4. Vervang de gloeilamp en monteer de
onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
Auto’s met xenonkoplampen
Geldt niet voor auto’s met xenonkoplampen, omdat deze zijn voorzien van led-lampen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Draai de lamphouder linksom.
Trek de lamphouder naar buiten.
3. Vervang de gloeilamp en monteer de
onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
09 Onderhoud en service
Gloeilampen
Sidemarker
Dagrijlicht6
1. Haal het koplamphuis los, zie pagina 366.
1.
Maak de afdekking los.
2.
Maak de afdekking los.
2.
Draai de lamphouder linksom.
3.
Trek de lamphouder omlaag.
4. Vervang de gloeilamp en monteer de
onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
Trek de lamphouder naar buiten.
3. Vervang de gloeilamp en monteer de
onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
09
Positie gloeilampen achterlamphuis
Remlicht (led)
Achterlicht/parkeerlicht (led)
Remlichten
Sidemarkers (led)
Richtingaanwijzer
Achteruitrijlicht
Mistachterlicht
6
Geldt alleen voor dagrijlicht met gloeilampen.
}}
369
09 Onderhoud en service
09
Gloeilampen
Achterlamphuis
Mistachterlicht
Draai de lamphouder linksom.
Trek de lamphouder naar buiten.
3. Vervang de gloeilamp en monteer de
onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
Verlichting make-upspiegel
Richtingaanwijzers, rem- en achteruitrijlicht
worden van binnenuit de bagageruimte vervangen.
1. Verwijder het klepje in de bekleding (1)
aan de kant waar de kapotte gloeilamp
zit.
2.
Druk de borghaak opzij.
Trek de lamphouder naar buiten.
3. Haal de kapotte gloeilamp los door deze
in te duwen en linksom te draaien.
4. Vervang de gloeilamp en monteer de
onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
370
Steek een stomp, op een mes lijkend
voorwerp, zoals een tafelmes, (ca. 20
mm) bij de driehoek naar binnen.
Werk de borgnok voorzichtig los.
BELANGRIJK
Wees voorzichtig, zodat er geen onderdelen beschadigd raken.
1. Steek een schroevendraaier achter het
lampglas om de borgnok aan de rand
voorzichtig los te werken.
2. Haal het lampglas voorzichtig los en verwijder het.
3. Trek de gloeilamp met een rondbektang
recht opzij. Klem de tang niet te hard,
anders kan het glas van de lamp kapot
gaan.
09 Onderhoud en service
Gloeilampen
4. Vervang de gloeilamp en monteer de
onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
Verlichting
Specificaties van gloeilampen
Verlichting
[W]A
Type
55
H7 LL
65
H9
VerstralerC
55
H7 LL
Richtingaanwijzers
voorzijde
21
HY21W
Stadslichten/
parkeerlichten
vóórB
5
W5W LL
Sidemarkers voor
5
WY5W LL
DagrijlichtD
19
PW19W
Zijdelings gemonteerde richtingaanwijzers, buitenspiegelsD
5
WY5W LL
Richtingaanwijzers
achter
21
PY21W LL
Remlichten
21
P21W LL
DimlichtB
Groot
lichtB
A
B
C
D
[W]A
Type
Achteruitrijlicht
21
P21W LL
Mistachterlicht
21
H21W LL
Verlichting makeupspiegel
1,2
Lampvoet
T5; W2x4,6d
09
Watt
Auto’s met halogeenkoplampen
Auto’s met xenonkoplampen
Bepaalde varianten
371
09 Onderhoud en service
Wisserbladen en sproeiervloeistof
09
Wisserbladen
Servicestand
STOP ENGINE om het elektrisch systeem van de auto in de sleutelstand I te
zetten. (Zie voor meer informatie over de
sleutelstanden zie pagina 81.)
2. Druk nogmaals kort op de knop START/
STOP ENGINE om het elektrisch systeem van de auto in de sleutelstand 0 te
zetten.
3. Beweeg binnen 3 seconden de rechter
stuurhendel omhoog en houd deze
ca. 1 seconde in deze stand.
> De ruitenwisserarmen gaan dan verticaal staan.
Wisserbladen in servicestand.
De wisserbladen dienen in de servicestand te
staan om ze te kunnen vervangen, reinigen of
optillen (bijvoorbeeld om ijs van de voorruit te
krabben).
BELANGRIJK
Voordat de wisserbladen in de servicestand worden gezet, moet u controleren of
ze niet vastgevroren zijn.
1. Steek de transpondersleutel in het contactslot1 en druk kort op de knop START/
1
372
Niet noodzakelijk in auto met Keyless-functie.
De wisserbladen keren terug naar de beginstand met een korte druk op de knop START/
STOP ENGINE om het elektrisch systeem
van de auto in de sleutelstand I te zetten (of
bij het starten van de auto).
BELANGRIJK
Als de wisserarmen in de servicestand van
de voorruit af zijn gehaald, moeten ze
tegen de voorruit worden teruggeklapt
voordat de wissers weer naar de oorspronkelijke stand terug mogen keren. Dit
gebeurt om te voorkomen dat de lak op de
motorkap beschadigd raakt.
Wisserbladen vervangen
09 Onderhoud en service
Wisserbladen en sproeiervloeistof
Klap de wisserarm omhoog als deze in de
servicestand staat. Druk op de knop die
op de wisserbladhouder zit en trek het
wisserblad evenwijdig aan de wisserarm
los.
Duw het nieuwe wisserblad zo ver naar
binnen dat u een klik hoort.
N.B.
De wisserbladen hebben een verschillende
lengte. Het blad aan de bestuurderskant is
langer dan dat aan de passagierskant.
WAARSCHUWING
Controleer of het blad goed vastzit.
4. Klap de wisserarm terug op de voorruit.
G021763
De wisserbladen keren terug vanuit de servicestand naar de beginstand met een korte
druk op de knop START/STOP ENGINE om
het elektrisch systeem van de auto in de sleutelstand I te zetten (of bij het starten van de
auto).
Als de auto is uitgerust met een voetgangersairbag (Pedestrian Airbag) adviseert
Volvo u om originele wisserarmen te
gebruiken en deze alleen door originele
onderdelen te vervangen.
Wisserbladen vervangen, achterklep
09
3. Draai het wisserblad linksom om de aanslag op de wisserarm als hefboom te
gebruiken zodat het wisserblad makkelijker loskomt.
4. Duw het nieuwe wisserblad vast. Controleer of het goed vastzit.
5. Klap de wisserarm terug.
Schoonmaken
Voor het schoonmaken van de wisserbladen
en de voorruit, zie pagina 388 en verder.
BELANGRIJK
Controleer de bladen regelmatig. Verwaarloosd onderhoud verkort de levensduur
van de bladen.
1. Klap de wisserarm uit.
2. Pak het wisserblad aan de binnenkant (bij
de pijl) beet.
373
09 Onderhoud en service
09
Wisserbladen en sproeiervloeistof
Vulopening voor sproeiervloeistof
De sproeiers van de voorruit en de koplampen staan in verbinding met hetzelfde vloeistofreservoir.
BELANGRIJK
Gebruik in de winter sproeiervloeistof met
antivries, zodat de vloeistof niet vastvriest
in pomp, reservoir en slangen.
Voor de hoeveelheden, zie pagina 405.
374
09 Onderhoud en service
Accu
Gebruik
De rijomstandigheden, de rijstijl, het aantal
startpogingen, de weersomstandigheden e.d.
zijn van invloed op de levensduur en de werking van de accu.
•
Koppel de startaccu nooit los, terwijl de
motor loopt.
•
Controleer of de kabels van de startaccu
op de juiste manier zijn aangesloten en
stevig vastzitten.
WAARSCHUWING
•
De startaccu kan het zeer explosieve
knalgas produceren. Eén enkele vonk,
veroorzaakt door een onjuiste aansluiting van een startkabel, kan volstaan
om de accu tot ontploffing te brengen.
•
De startaccu bevat tevens zwavelzuur
dat ernstige chemische brandwonden
kan veroorzaken.
•
Als u accuzuur in uw ogen krijgt of op
uw huid of kleren morst, moet u
onmiddellijk met grote hoeveelheden
water spoelen. Neem onmiddellijk contact op met een arts, als u accuzuur in
uw ogen krijgt.
N.B.
Als de startaccu vaak ontladen wordt,
heeft dat een negatief effect op zijn levensduur.
De levensduur van de startaccu wordt
door meerdere factoren beïnvloed, o.a. de
rijomstandigheden en het klimaat. De
startcapaciteit van de accu daalt in de
loop van de tijd geleidelijk en daarom moet
de accu worden opgeladen als de auto
langere tijd niet wordt gebruikt of als er
alleen korte ritten mee worden gemaakt.
Extreme kou beperkt de startcapaciteit
ook.
Om de startaccu in een goede conditie te
houden, adviseren wij om minimaal 15
minuten per week te rijden of de accu aan
te sluiten op een acculader met automatisch onderhoudsladen.
09
BELANGRIJK
Bij het negeren van het volgende valt na
aansluiting van een externe startaccu of
acculader de energiebesparingsfunctie
voor het infotainmentsysteem mogelijk tijdelijk uit en/of verschijnt er tijdelijk geen
melding over de ladingstoestand van de
startaccu op het informatiedisplay van het
instrumentenpaneel:
•
De minpool van de startaccu in de
auto mag nooit worden gebruikt voor
aansluiting van een externe startaccu
of acculader – alleen het autochassis
dient als massapunt te worden
gebruikt.
Zie het gedeelte “Starten met hulpaccu’
voor een beschrijving van de locatie van
de kabelklemmen en de manier van aansluiten.
Een startaccu die constant volledig opgeladen wordt gehouden, heeft een maximale levensduur.
BELANGRIJK
Voor het opladen van de startaccu mag
nooit een snellader worden gebruikt.
375
09 Onderhoud en service
09
Accu
Symbolen op de accu
Vermijd vonken en open
vuur.
Draag een veiligheidsbril.
Explosiegevaar.
Zie voor meer informatie
het instructieboekje dat
bij de auto hoort.
Bestemd voor inzameling.
Bewaar accu’s buiten het
bereik van kinderen.
Startaccu vervangen
Volvo adviseert accu’s te laten vervangen
door een erkende werkplaats – geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats. Voor
meer informatie over de startaccu van de
auto -zie pagina 118
Start/Stop
Een auto met Start/Stop-systeem is voorzien
van twee 12V-accu’s – één extra krachtige
startaccu en een hulpaccu die gebruikt wordt
voor de startprocedure middels het Start/
Stop-systeem.
Voor meer informatie over Start/Stop - zie
pagina 127.
Voor meer informatie over de startaccu van
de auto - zie pagina 118 en 412.
De accu bevat een bijtend zuur.
376
N.B.
Een defecte startaccu moet op een milieuvriendelijke manier worden verwerkt - deze
bevat namelijk lood.
09 Onderhoud en service
Accu
Accu
KoudestartvermogenA,
CCA (A)
AfmetingenD,
l×b×h
(mm)
Capaciteit (Ah)
A
B
C
D
Start
Hulp
760B
120B
800C
180C
278×175×190B
150×90×106B
315×175×190C
150×90×130C
70B
8B
80C
10C
Volgens EN-norm.
Handgeschakelde versnellingsbak.
Automatische versnellingsbak.
Maximale afmetingen.
BELANGRIJK
Bij vervanging van de accu’s in een auto
met Start/Stop-systeem dient u accu’s
type AGM1 te monteren.
1
2
3
N.B.
•
Hoe hoger de stroomafname in de
auto (extra koeling/verwarming e.d.),
hoe meer de accu’s moeten worden
bijgeladen = hoe hoger het brandstofverbruik.
•
Wanneer de capaciteit van de startaccu tot onder de ondergrens is
gedaald, wordt het Start/Stop-systeem
uitgeschakeld.
Een tijdelijke functiebeperking van het
Start/Stop-systeem op grond van een hoge
stroomafname houdt het volgende in:
•
Auto-start motor2 werkt zonder dat u de
koppeling bedient (handmatige versnellingsbak).
•
De motor start automatisch zonder dat u
uw voet van het rempedaal haalt (automatische versnellingsbak).
09
Locatie accu’s
(1) Startaccu3 (2) Hulpaccu
De hulpaccu vergt doorgaans niet meer service dan de normale startaccu. Neem bij vragen of problemen contact op met een werkplaats - geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
Absorbed Glass Mat
Auto-start is alleen mogelijk, als de versnellingspook in de neutraal staat.
De startaccu staat uitvoerig beschreven op pagina 376.
377
09 Onderhoud en service
09
Accu
BELANGRIJK
Bij het negeren van het volgende valt het
Start/Stop-systeem mogelijk tijdelijk uit na
aansluiting van een externe startaccu of
acculader:
•
De minpool van de startaccu in de
auto mag nooit worden gebruikt voor
aansluiting van een externe startaccu
of acculader – alleen het autochassis
dient als massapunt te worden
gebruikt.
Zie het gedeelte “Starten met hulpaccu”
voor een beschrijving van de locatie van
de kabelklemmen en de manier van aansluiten.
N.B.
Als de startaccu dermate ontladen is dat
alles "zwart" is en alle elektrische standaardsystemen van de auto’s nagenoeg
uitgeschakeld zijn en u de motor vervolgens start met een externe accu of acculader, zal het Start/Stop-systeem actief zijn.
Auto-stop van de motor is in dat geval
mogelijk, maar het Start/Stop-systeem kan
na auto-stop van de motor mogelijk geen
auto-start uitvoeren door onvoldoende
capaciteit van de startaccu.
Voor een geslaagde auto-start ná autostop dient de accu eerst te worden opgeladen. Bij een buitentemperatuur van
+15 °C moet de accu ten minste 1 uur lang
worden opgeladen. Bij lagere buitentemperaturen wordt een laadduur geadviseerd
van 3–4 uur. Geadviseerd wordt de accu
op te laden met een externe acculader.
Als iets dergelijks niet voorhanden is,
wordt geadviseerd het Start/Stop-systeem
uit te schakelen totdat de startaccu voldoende bijgeladen is.
Zie voor informatie over het opladen van
de startaccu het gedeelte “Accu” in het
hoofdstuk “Onderhoud en service”.
378
09 Onderhoud en service
Zekeringen
Algemeen
Om te voorkomen dat de elektrische systemen van de auto beschadigd raken door kortsluiting of overbelasting, worden alle verschillende elektrische functies en onderdelen door
enkele zekeringen beschermd.
Als een van de elektrische onderdelen of
functies niet werkt, is het mogelijk dat de bijbehorende zekering overbelast werd en daardoor gesmolten is. Als dezelfde zekering herhaaldelijk doorbrandt, betekent dit dat het bijbehorende onderdeel een storing vertoont. U
wordt dan geadviseerd een bezoek te brengen aan een erkende Volvo-werkplaats voor
een controle.
WAARSCHUWING
09
Onder de rechter voorstoel
Gebruik nooit een vreemd voorwerp of een
zekering met meer ampère dan gespecificeerd om een zekering te vervangen. Dit
kan aanzienlijke schade aan het elektrische systeem veroorzaken en mogelijk tot
brand leiden.
Positie relais- en zekeringhouders
Vervangen
1. Zoek in de zekeringentabel op waar de
zekering zit.
2. Trek de zekering naar buiten en bekijk
deze van opzij om te kijken of het gebogen draadje soms doorgebrand is.
3. Breng in dat geval een nieuwe zekering
aan met dezelfde kleur en hetzelfde
amperage.
Positie van de relais- en zekeringhouders,
auto met het stuur links – bij auto’s met het
stuur rechts zit de relais- en zekeringhouder
onder het dashboardkastje aan de andere
kant.
Motorruimte
Onder dashboardkastje
379
09 Onderhoud en service
09
Zekeringen
Motorruimte
Aan de binnenkant van het deksel zit een
speciale trekker waarmee u de zekeringen
gemakkelijker kunt verwijderen en aanbrengen.
Deksel verwijderen
Neem het deksel recht omhoog eraf.
In de relais- en zekeringhouder is tevens
plaats voor enkele reservezekeringen.
Zekeringen vervangen
De zekeringen zijn te bereiken, wanneer u het
deksel van de startaccu en het deksel van de
relais- en zekeringhouder hebt verwijderd.
380
Haal de borgnokken naar buiten toe
die aan de zijkanten van het deksel op de
startaccu zitten.
Haal de borgnok opzij die op de zijkant
van de relais- en zekeringhouder zit.
09 Onderhoud en service
Zekeringen
Draai het deksel omhoog, totdat de
borgnokken (1) loskomen.
Functie
A
Functie
A
ABS-pomp
40
Claxon
15
ABS-ventielen
30
Remlichten
5
Koplampsproeiers*
20
-
-
Interieurventilator
40
Verlichtingsdraaiknop
5
-
Interne relaisspoelen
5
12V-aansluiting middenconsole
voor
15
Transmissieregelmodule
15
40
Magneetkoppeling A/C (benzine,
4-cil. diesel)
15
-
12V-aansluiting middenconsole
achter
15
Klimaatsensor*; klepmotoren
luchtinlaat
10
Motorregelmodule (5-cil.)
5
Elektrisch bedienbare stoel,
rechts*
20
Klap het deksel naar de motor toe open
om bij de zekeringen te komen.
Hoofdzekering voor de zekeringen 32–36
Deksel terugplaatsen
-
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde terug.
Elektrische voorruitverwarming,
rechterkant*
Posities
-
De sticker in het deksel toont de plaats van
de zekeringen.
•
•
1
De zekeringen 7–18 zijn van het type
‘JCASE’ en moeten worden vervangen
door een werkplaats1.
De zekeringen 19–45 en 47–48 zijn van
het type ‘MiniFuse’.
30
-
Elektrische voorruitverwarming,
linkerkant*
40
Standverwarming*
20
Ruitenwissers
20
Centrale elektronicamodule,
referentiespanning hulpaccu
5
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
09
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
381
09 Onderhoud en service
09
382
Zekeringen
Functie
A
Functie
A
Functie
A
Relaisspoel in relais voor koelventilator (4-cil., 5-cil. diesel);
lambdasondes (4-cil. benzine);
luchtmassameter (diesel);
omloopklep EGR-koeling (diesel); regelklep brandstofstroom
(5-cil. diesel); regelklep brandstofdruk (5-cil. diesel)
10
Kleppen (4-cil. benzine); magneetkleppen (4-cil. benzine); verstuivers (5-cil. benzine); lambdasonde (5-cil. diesel); verwarming
carterventilatie (5-cil. diesel)
10
Collision Warning
5
Gaspedaalsensor
5
Laadpunt hulpaccu
-
Bougies (benzine)
10
-
-
20
Verwarming dieselfilter; regelmodule gloeibougies (5-cil. diesel)
15
Relaisspoel in relais voor koelventilator (5-cil. benzine); lambdasondes (5-cil. benzine)
Koelvloeistofpomp (bij auto zonder standverwarming)
Motorregelmodule (4-cil.)
10
Oliepomp automaatbak (5-cil.);
luchtmassameter (benzine);
EVAP-klep (4-cil. benzine); kleppen (5-cil, benzine); magneetkleppen (5-cil. benzine); verwarming carterventilatie (5-cil. benzine); regelmotor turbo (4-cil.
diesel); regelklep brandstofstroom (4-cil. diesel); regelmodule radiateurafdekking (4-cil.
diesel); magneetklep zuigerkoeling (5-cil. diesel); regelklep
turbo (5-cil. diesel); oliepeilsensor (5-cil. diesel); magneetkoppeling A/C (5-cil.)
10
Motorregelmodule (5-cil.); gasklepeenheid (5-cil. benzine)
15
ABS
5
Motorregelmodule; transmissieregelmodule; airbags
10
Koplamphoogteregeling*
10
Elektrische stuurbekrachtiging
5
Centrale elektronicamodule
15
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
-
-
-
-
10
09 Onderhoud en service
Zekeringen
09
Onder dashboardkastje
Aan de binnenkant van het deksel naar
relais- en zekeringenhouder in de motorruimte zit een speciale trekker waarmee u de
zekeringen gemakkelijker kunt verwijderen en
aanbrengen.
In de relais- en zekeringenhouder in de
motorruimte is tevens plaats voor enkele
reservezekeringen.
Zekeringen vervangen
De zekeringen zijn toegankelijk als een
beschermkap is losgemaakt van de relais- en
zekeringenhouder.
Kap demonteren
1. Pak de uitsparing vast en trek tot de
borgnokjes aan de onderkant van de kap
loslaten van de relais- en zekeringenhouder.
2. Verwijder de kap.
N.B.
Er is een relatief grote trekkracht nodig om
de borgnokjes aan de bovenkant van de
kap eerst los te maken vanuit de relais- en
zekeringhouder.
383
09 Onderhoud en service
09
Zekeringen
Kap monteren
Functie
A
Functie
A
Brandstofpomp
20
Instrumentenpaneel
5
Centrale vergrendeling tankvulklepB
10
Bedieningspaneel klimaatregeling
10
Stuurwieleenheid
7,5
-
1. Pas de onderste borgnokjes in.
2. Draai de kap omhoog totdat de bovenste
nokjes vastklikken.
N.B.
Let erop dat de bovenste borgnokjes goed
in de groeven van de relais- en zekeringhouder worden geleid.
384
-
Achterruitwisser
15
Interieurverlichting; plafondconsole voorste leeslampjes en
interieurverlichting voorin
5
Interieurverlichting; elektrisch
bedienbare stoelen
10
Sirene alarm*; diagnoseaansluiting OBDII
5
Rolgordijn glazen dak*
10
Groot licht
15
Regensensor*; automatisch
dimmende achteruitkijkspiegel*;
vochtsensor*
5
-
Collision Warning*
5
-
10
Posities
Ontgrendelen achterklepA
De sticker in de kap toont de positie van de
zekeringen.
-
-
De zekeringen zijn van het type ‘MiniFuse’.
Reservepositie 3, continue
spanning
5
Stuurslot
15
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
-
Achteruitrijlicht
10
VoorruitsproeierC; achterruitsproeierC
20
Startblokkering
5
Reservepositie 1, continue
spanning
15
Reservepositie 2, continue
spanning
20
09 Onderhoud en service
Zekeringen
A
B
C
D
E
F
Functie
A
Bewegingsmelder alarm*;
afstandsontvanger
5
VoorruitsproeierD; achterruitsproeierD
20
Centrale vergrendeling tankvulklepE
10
Ontgrendelen achterklepF
10
Elektrische extra verwarming*;
knop achterbankverwarming*
7,5
Airbags; voetgangersairbag*
10
Reservepositie 4, continue
spanning
7,5
-
-
-
-
09
Zie ook zekering 84.
Zie ook zekering 83.
Zie ook zekering 82.
Zie ook zekering 77.
Zie ook zekering 70.
Zie ook zekering 65.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
385
09 Onderhoud en service
Zekeringen
09
Onder de rechter voorstoel
Aan de binnenkant van het deksel naar
relais- en zekeringenhouder in de motorruimte zit een speciale trekker waarmee u de
zekeringen gemakkelijker kunt verwijderen en
aanbrengen.
De zekeringen 24–28 zijn van het type
‘JCASE’ en moeten worden vervangen
door een werkplaats2.
•
De zekeringen 1–23 en 29–46 zijn van het
type ‘MiniFuse’.
In de relais- en zekeringenhouder in de
motorruimte is tevens plaats voor enkele
reservezekeringen.
Functie
A
-
-
Posities
Keyless*
10
Portierhandgrepen (Keyless*)
5
De sticker in het deksel toont de plaats van
de zekeringen.
2
386
•
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Functie
A
Bedieningspaneel portier linksvoor
25
Bedieningspaneel portier rechtsvoor
25
Bedieningspaneel portier linksachter
25
Bedieningspaneel portier rechtsachter
25
09 Onderhoud en service
Zekeringen
Functie
A
Functie
A
Functie
A
-
-
Trekhaakaansluiting 2*
20
-
-
Hoofdzekering voor zekeringen
12–16: Infotainment
40
-
-
Elektrisch bedienbare stoel,
links*
20
-
-
-
-
Interne relaisspoel
5
Trekhaakaansluiting 1*
40
Audioregelmodule (versterker)*
5
Elektrische achterruitverwarming
30
-
-
-
-
Telematica*; Bluetooth*
5
BLIS*
5
Audio; Infotainmentregelmodule
15
Park Assist*
5
Digitale radio*; tv*
10
Parkeercamera*
5
12V-aansluiting bagageruimte
15
-
-
-
-
-
-
-
-
15
-
-
Stoelverwarming bestuurderszijde
-
Stoelverwarming passagierszijde
15
-
-
-
Verwarming zitplaats achterbank
rechts*
15
Verwarming zitplaats achterbank
links*
15
Regelmodule AWD*
15
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
09
-
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
387
09 Onderhoud en service
Verzorging
09
Auto wassen
Was de auto zodra deze vuil geworden is.
Zorg dat de auto op een spoelvloer met olieafscheider staat. Gebruik autoshampoo.
•
•
•
•
388
Verwijder vogelpoep zo spoedig mogelijk
van de lak. Vogelpoep bevat namelijk
stoffen die de lak aantasten en deze zeer
snel doen verkleuren. U wordt geadviseerd een dergelijke verkleuring te laten
herstellen door een erkende Volvo-werkplaats.
Spoel het onderstel af.
Spoel de hele auto af tot al het losse vuil
is verwijderd om de kans op waskrassen
te beperken. Spuit niet rechtstreeks in de
richting van de sloten.
Gebruik zo nodig een koudontvetter voor
hardnekkig vuil. Let op dat de oppervlakken dan niet door de zon opgewarmd
mogen zijn!
•
Was de auto met een spons, autoshampoo en een ruime hoeveelheid lauw
water.
•
Reinig de wisserbladen met een lauwe
zeepoplossing of autoshampoo.
•
Droog de auto af met een schoon en
zacht stuk zeemleer of een trekker. Door
waterdruppels niet in felle zon te laten
opdrogen, verkleint u de kans op watervlekken die moeten worden gepolijst.
WAARSCHUWING
Laat de motorreiniging altijd uitvoeren door
een werkplaats. Als de motor warm is,
bestaat er brandgevaar.
BELANGRIJK
Vuile koplampen werken slechter. Maak ze
regelmatig schoon, bijvoorbeeld als u
tankt.
Gebruik geen bijtende reinigingsmiddelen,
maar water en een niet krassende spons.
N.B.
Bij de externe verlichting zoals de koplampen, mistlampen en achterlichten kan tijdelijk condens optreden aan de binnenkant van het lampglas. Dit is een natuurlijk
verschijnsel en alle externe verlichting is
erop gebouwd om dit zoveel mogelijk te
voorkomen. Condens verdwijnt normaal uit
het lamphuis, wanneer de lamp enige tijd
brandt.
Bij het reinigen:
–
Zet de wisserbladen in de servicestand,
zie pagina 372.
N.B.
Reinig de wisserbladen en voorruit regelmatig met een lauw sopje of autoshampoo.
Gebruik geen sterke oplosmiddelen.
Automatische wasstraten
In een automatische wasstraat kunt u de auto
weliswaar snel en eenvoudig schoonmaken,
maar de borstels van de wasstraat kunnen
niet overal even goed bij. Voor het beste
resultaat wordt u geadviseerd de auto met de
hand te wassen.
N.B.
De eerste maanden mag de auto alleen
met de hand worden gewassen. De reden
hiervoor is dat de lak gevoeliger is als deze
nieuw is.
Wisserbladen schoonmaken
Door teer-, stof- en zoutresten op de wisserbladen en insecten, ijs e.d. op de voorruit
gaan wisserbladen minder lang mee.
Hogedrukreinigers
Let er bij gebruik van een hogedrukreiniger op
dat u cirkelende bewegingen maakt en de
spuitkop op minstens 30 cm afstand van de
auto houdt (geldt voor alle exterieuronderde-
09 Onderhoud en service
Verzorging
len). Spuit niet rechtstreeks in de richting van
de sloten.
Remmen testen
WAARSCHUWING
Test de rem na het wassen altijd, ook de
parkeerrem, zodat vocht en corrosie de
remvoering niet aantasten en de remmen
verslechteren.
Trap zo nu en dan lichtjes op het rempedaal,
als u lange afstanden in de regen of sneeuwmodder aflegt. Door de wrijving worden de
remblokken warm, zodat het vocht verdampt.
Doe hetzelfde bij zeer vochtig of koud weer.
Kunststof en rubber sieronderdelen
exterieur
Voor het schoonmaken en verzorgen van
gekleurde kunststof onderdelen, rubber
onderdelen en sieronderdelen zoals glimmende strips, wordt geadviseerd het speciale
reinigingsmiddel te gebruiken dat bij de
Volvo-werkplaats verkrijgbaar is. Volg bij het
gebruik van dit reinigingsmiddel de gebruiksvoorschriften nauwkeurig op.
BELANGRIJK
Waxen en polijsten op kunststof en rubber
is niet toegestaan.
Bij gebruik van ontvettingsmiddel op
kunststof en rubber mag u, als dat nodig
is, slechts met lichte druk wrijven. Gebruik
een zachte spons.
Door het polijsten van glimmende strips
kan de glimmende oppervlaktelaag wegslijten of beschadigd raken.
Gebruik geen poetsmiddel dat schuurmiddel bevat.
Velgen
Gebruik alleen de velgreinigingsmiddelen die
Volvo adviseert.
Sterke velgreinigingsmiddelen kunnen het
oppervlak beschadigen en vlekken veroorzaken op verchroomde lichtmetalen velgen.
09
Was de auto en droog deze zorgvuldig af,
voordat u begint te poetsen of de was aanbrengt. Verwijder asfalt- en teervlekken met
een teerverwijderaar of terpentine. U kunt
hardnekkige vlekken met een speciaal voor
autolak bestemde, fijne schuurpasta (“rubbing compound”) verwijderen.
Poets de lak eerst op en behandel deze
daarna met was in vloeibare of vaste vorm.
Volg de aanwijzingen op de verpakking nauwkeurig op. Veel preparaten bevatten zowel
poetsmiddel als was.
BELANGRIJK
Alleen lakbehandelingen uitvoeren die door
Volvo geadviseerd worden. Andere behandelingen zoals lakconservering, verzegeling, bescherming, glansverzegeling e.d.
kunnen lakschade veroorzaken. Lakschade als gevolg van dergelijke behandelingen valt niet onder de Volvo-garantie.
Poetsen en in de was zetten
Poets de auto en zet deze in de was, wanneer de lak er dof uitziet of als u deze extra
bescherming wilt bieden.
U hoeft een nieuwe auto pas na een jaar te
poetsen. In de was zetten kunt u eerder doen.
Zorg dat de auto bij het poetsen of in de was
zetten niet in direct zonlicht staat.
389
09 Onderhoud en service
09
Verzorging
Waterafstotende laag*
Gebruik nooit producten zoals autowas, ontvetters e.d. op het glasoppervlak, omdat de waterafstotende
laag daardoor beschadigd kan raken.
Wees voorzichtig bij het schoonmaken om te
voorkomen dat er krassen in het glasoppervlak ontstaan.
Om schade aan het glas te voorkomen dient
u voor het verwijderen van ijs alleen een krabber van kunststof te gebruiken.
De waterafstotende laag staat bloot aan
natuurlijke slijtage.
Om de waterafstotende eigenschappen te
behouden, wordt geadviseerd de behandeling
te vernieuwen met een nabehandelingsmiddel
dat verkrijgbaar is bij een erkende Volvowerkplaats. Gebruik het middel de eerste
keer na drie jaar en daarna ieder jaar.
Roestwering, controleren en
onderhouden
De auto heeft in de fabriek een uiterst grondige en complete roestwerende behandeling
ondergaan. De carrosserie bestaat ten dele
uit gegalvaniseerd plaatwerk. Het onderstel is
voorzien van een slijtvaste bodembescherming. In de balken, holten en gesloten profie-
390
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
len werd een dunne, doordringende roestwerende vloeistof gespoten.
Elk van beide inlegmatten zit met pennen
vast.
De roestwering van de auto hoeft normaal
gesproken pas na ca. 12 jaar voor het eerst te
worden nabehandeld. De auto moet daarna
om de drie jaar een nabehandeling ondergaan. U wordt geadviseerd om contact op te
nemen met een erkende Volvo-werkplaats,
als de auto een nabehandeling nodig heeft.
–
Vuil en strooizout kunnen aanleiding geven
tot corrosie. Het is daarom belangrijk de auto
schoon te houden. Om de roestwering van de
auto in optimale staat te houden moet u de
beschermlaag regelmatig controleren en zo
nodig bijwerken.
Interieur reinigen
Gebruik alleen reinigingsmiddelen en autoverzorgingsproducten die door Volvo geadviseerd worden. Maak de bekleding regelmatig
schoon en volg daarbij de gebruiksaanwijzingen bij het autoverzorgingsproduct op.
Het is belangrijk te stofzuigen voordat u een
reinigingsmiddel gebruikt.
Matten en bagageruimte
Haal de inlegmatten uit de auto om de vloerbekleding en de inlegmatten ieder apart
schoon te kunnen maken. Gebruik een stofzuiger om vuil en stof te verwijderen.
Pak de inlegmat bij elk van beide pennen
vast en til de mat recht omhoog.
Breng de inlegmat aan door deze bij beide
pennen vast te drukken.
WAARSCHUWING
Controleer voordat u wegrijdt of de inlegmat voor de bestuurdersstoel goed ligt en
aan de pennen vastzit zodat hij niet naast
of onder de pedalen klem kan komen te
zitten.
Voor vlekken op de vloermat wordt geadviseerd het speciale reinigingsmiddel voor stoffen bekleding te gebruiken nadat u hebt
gestofzuigd. U dient vloermatten te reinigen
met de door uw Volvo-dealer geadviseerde
producten!
Vlekken op stoffen bekleding en
plafondbekleding
Om de brandvertragende eigenschappen van
de bekleding niet aan te tasten wordt geadviseerd een speciaal reinigingsmiddel voor
stoffen bekleding te gebruiken dat verkrijgbaar is bij erkende Volvo-werkplaatsen.
09 Onderhoud en service
Verzorging
BELANGRIJK
Scherpe voorwerpen en klittenbandsluitingen kunnen de stoffen bekleding van de
auto beschadigen.
Behandeling van vlekken op leren
bekleding
De leren bekleding van Volvo is chroomvrij en
is behandeld om de bekleding in oorspronkelijke staat te bewaren.
Naarmate leren bekleding ouder wordt, krijgt
het een fraai patina. Het leer wordt veredeld
en bewerkt zodat het zijn natuurlijke eigenschappen houdt. Het leer is voorzien van een
beschermende toplaag, maar om de goede
eigenschappen en het fraaie uiterlijk te
behouden is regelmatige verzorging van het
leer vereist. Volvo biedt een universeel leerverzorgingsproduct waarmee u leren bekleding kunt schoonmaken en de beschermende
laag kunt herstellen, mits u de instructies
opvolgt. Na enig tijd in gebruikt te zijn
geweest krijgt het leer zijn natuurlijke patina,
afhankelijk van de oppervlaktestructuur. Een
dergelijk patina maakt deel van het natuurlijke
verouderingsproces van het leer en geeft aan
dat het om een natuurproduct gaat.
Voor de beste resultaten adviseert Volvo eenà viermaal per jaar (zo nodig vaker) bescher-
mende crème op te brengen. De Volvo Leather Care-set is verkrijgbaar bij de Volvo-dealer.
BELANGRIJK
•
Sommige geverfde kledingstukken
(zoals spijkerbroeken en suède kleding) kunnen afgeven en voor verkleuring van de bekleding zorgen.
•
Gebruik nooit sterke oplosmiddelen.
Dergelijke middelen kunnen bekleding
van textiel, vinyl en leer beschadigen.
Reinigingsvoorschriften voor leren
bekleding
1. Breng een weinig van het leerreinigingsproduct op een vochtige spons aan en
knijp erin om een dikke laag schuim te
krijgen.
2. Behandel de vlek voorzichtig met cirkelende bewegingen.
3. Dep de vlek zorgvuldig met de spons.
Laat de vlek in de spons trekken. Wrijf
niet.
4. Veeg het behandelde gebied met een
stuk zacht papier of een doek af en laat
het leer volledig drogen.
09
Beschermende laag aanbrengen op
leren bekleding
1. Breng wat van de beschermende crème
op de vilten doek aan en wrijf de crème in
cirkelende bewegingen voorzichtig in het
leer.
2. Laat het leer 20 minuten drogen alvorens
erop plaats te nemen.
Daarmee is het leer beter beschermd tegen
vlekken en uv-straling.
Reinigingsvoorschriften voor leren
stuurwiel
•
Verwijder vuil en stof met een ietwat
vochtige spons en een neutrale zeepoplossing.
•
Leer moet kunnen ademen. Dek het leren
stuurwiel nooit af met kunststof bescherming.
•
Gebruik natuurlijke oliën. Voor het beste
resultaat wordt geadviseerd het leerverzorgingsmiddel van Volvo te gebruiken.
Bij vlekken op het stuurwiel:
Groep 1 (inkt, wijn, koffie, melk, zweet en
bloed)
–
Gebruik een zachte doek of spons. Neem
een ammoniakoplossing in een concentratie van 5 %. (Gebruik voor bloedvlekken een oplossing van 2 dl water en 25 g
zout.)
391
09 Onderhoud en service
Verzorging
09
Groep 2 (vet, olie, saus en chocolade)
1. Dezelfde procedure als voor groep 1.
2. Dep met een absorberende papieren of
stoffen doek.
Groep 3 (vuil, stof in droge vorm)
1. Gebruik een zachte borstel om het vuil te
verwijderen.
2. Dezelfde procedure als voor groep 1.
Behandeling van vlekken op
interieuronderdelen van kunststof,
metaal en hout
Voor het reinigen van interieuronderdelen en panelen van kunststof worden met water
bevochtigde splitfiber- of microvezeldoeken
geadviseerd, die verkrijgbaar zijn bij een
erkende Volvo-werkplaats.
Krab of wrijf nooit over een vlek. Gebruik
nooit sterke vlekkenmiddelen. Voor de hardnekkige vlekken kunt u een speciaal reinigingsmiddel gebruiken dat verkrijgbaar is bij
de erkende Volvo-werkplaats.
baar is. Zorg dat de gordel droog is, voordat
deze weer wordt opgerold.
Geringe lakschade herstellen
De lak vormt een belangrijk onderdeel van de
roestwering van de auto en moet daarom
regelmatig worden gecontroleerd. Om roestvorming te voorkomen moet u lakschade
direct herstellen. De meest voorkomende
soorten lakschade zijn bijvoorbeeld steenslagplekken, krassen en plekjes op de spatbordranden, portieren en bumpers.
Benodigdheden
•
grondlak (primer)1 – voor bijvoorbeeld met
kunststof beklede bumpers is een aparte
hechtprimer in spuitbus verkrijgbaar
•
basislak en heldere lak – verkrijgbaar in
spuitbussen of als bijwerkpen/-stift2
•
•
afplaktape
fijn schuurlinnen1.
Veiligheidsgordel schoonmaken
Gebruik water en een synthetisch wasmiddel
en in het bijzonder het textielreinigingsmiddel
dat bij de erkende Volvo-werkplaats verkrijg1
2
392
Kleurcode (lakcode)
Eventueel.
Volg de aanwijzingen die bij de verpakking van de bijwerkpen/-stift werden geleverd.
Kleurcode van de auto
Het is belangrijk dat u de juiste kleur gebruikt.
Voor de positie van de productsticker, zie
pagina 396.
09 Onderhoud en service
Verzorging
Kleine lakbeschadigingen als
steenslagplekken en krassen repareren
09
2. Voor het lakken kan zo nodig (bijvoorbeeld bij ongelijkmatige kanten) lokaal
zeer licht worden opgeschuurd met een
zeer fijn schuurmiddel. Maak het oppervlak goed schoon en laat drogen.
G021832
3. Roer de grondlak (primer) goed door en
breng deze met een fijn kwastje, een lucifer of iets dergelijks aan. Werk als de
grondlak droog is af met basislak en heldere lak.
Vóór het herstel van lakschade moet u de
auto schoonmaken en goed laten drogen.
Zorg er bovendien voor dat de auto warmer is
dan 15 °C.
1. Plak een stuk afplaktape over het
beschadigde gebied heen. Trek de tape
weer van de lak af om eventuele lakresten
te verwijderen.
4. Krassen kunt u op dezelfde manier herstellen, maar dek ter bescherming de
onbeschadigde lak rond de kras af.
N.B.
Als de steenslag niet tot het metalen
oppervlak (het plaatwerk) is gekomen en er
nog steeds een onbeschadigde laklaag
aanwezig is, moet u de basislak en heldere
lak direct aanbrengen nadat het oppervlak
is gereinigd.
Als de beschadiging tot op het metaal
(plaat) zit, moet een grondlak (primer)
worden gebruikt. Bij beschadiging van
een kunststof oppervlak moet voor een
optimaal resultaat een hechtprimer worden gebruikt – spray in het deksel van de
sprayfles en strijk dun op.
393
Type-aanduidingen...............................................................................
Maten en gewichten..............................................................................
Motorspecificaties.................................................................................
Motorolie...............................................................................................
Vloeistoffen en smeermiddelen.............................................................
Brandstof..............................................................................................
Wielen en banden, maten en spanning ................................................
Elektrisch systeem................................................................................
Typegoedkeuring..................................................................................
Licenties................................................................................................
Displaysymbolen...................................................................................
394
396
398
402
403
405
408
411
412
413
422
425
SPECIFICATIES
10 Specificaties
Type-aanduidingen
Positie van stickers en plaatjes
10
396
10 Specificaties
Type-aanduidingen
Wanneer u contact opneemt met uw erkende
Volvo-werkplaats of vervangende onderdelen
of accessoires wilt bestellen, kan het handig
zijn om de type-aanduiding, het chassisnummer en het motornummer bij de hand te hebben.
Type-aanduiding, chassisnummer, maximaal toelaatbaar gewicht, kleurcodes
voor lak en bekleding en typegoedkeuringsnummer. Bij het openen van het
rechter achterportier is de sticker zichtbaar.
N.B.
De in het instructieboekje afgebeelde stickers hoeven niet per definitie overeen te
komen met de stickers die in of op uw
auto aanwezig zijn. De afbeeldingen zijn
alleen bedoeld om aan te geven hoe de
stickers er in grote lijnen uitzien en waar u
ze ongeveer kunt aantreffen. Op de stickers van uw auto vindt u de informatie die
op uw auto van toepassing is.
10
Sticker voor A/C-systeem.
Sticker voor standverwarming.
Motorcode en serienummer van de
motor.
Sticker voor motorolie.
Type-aanduiding en serienummer van de
versnellingsbak.
Handgeschakelde versnellingsbak
Automatische versnellingsbak
Identificatienummer van de auto (VIN,
Vehicle Identification Number)
De typegoedkeuring van de auto bevat meer
informatie over de auto.
397
10 Specificaties
Maten en gewichten
Maten
10
A
B
C
398
Maten
mm
Wielbasis
2646
Lengte
Laadlengte, vloer, achterbank
neergeklapt
D
Laadlengte, vloer
E
Hoogte
F
Laadhoogte
Maten
G
Spoorbreedte vooras
4370
H
Spoorbreedte achteras
1508
684
1458
532
mm
1552A
1547B
1540A
1535B
I
Laadbreedte, vloer
J
Breedte
960
1802
A
B
Maten
mm
K
Breedte incl. buitenspiegels
2041
L
Breedte incl. ingeklapte buitenspiegels
1857
Offset 50 mm.
Offset 52,5 mm.
10 Specificaties
Maten en gewichten
Gewichten
Inbegrepen bij het rijklaar gewicht zijn het
gewicht van de bestuurder, dat van de brandstoftank die voor 90 % gevuld is en dat van
de resterende oliën/vloeistoffen.
Het gewicht van de passagiers en de gemonteerde accessoires alsmede de kogeldruk (bij
gebruik van een aanhanger (zie tabel op
pagina 400)) zijn van invloed op het laadvermogen en zijn niet inbegrepen bij het rijklaar
gewicht.
Toelaatbare maximumbelading = totaalgewicht – rijklaar gewicht.
N.B.
Het gedocumenteerde rijklare gewicht
geldt voor een auto in de basisuitvoering,
dus een auto zonder extra uitrusting of
opties. Dat houdt in dat voor elke optie die
wordt toegevoegd, de laadcapaciteit van
de auto met het gewicht van de optie
afneemt.
Voorbeelden van opties die de laadcapaciteit verminderen, zijn de uitrustingsniveaus
Kinetic/Momentum/Summum en andere
opties zoals Trekhaak, Lastdrager, Dakbox, Geluidsinstallatie, Verstralers, GPS,
Verwarming op brandstof, Veiligheidsrek,
Matten, Bagagerolhoes, Elektrisch bedienbare stoelen, enz.
De auto wegen is een veilige manier om te
weten te komen wat het rijklare gewicht
van uw auto is.
WAARSCHUWING
Het rijgedrag van de auto verandert door
hoe zwaar de auto beladen is en hoe de
lading is geplaatst.
10
Voor informatie over de positie van de sticker, zie
pagina 396.
Max. totaalgewicht
Max. treingewicht (auto + aanhanger)
Max. voorasdruk
Max. achterasdruk
Uitrustingsniveau
Max. belasting: Zie typegoedkeuring.
Max. dakbelasting: 75 kg.
399
10 Specificaties
Maten en gewichten
Trekgewicht en kogeldruk
10
A
400
Motor
MotorcodeA
Versnellingsbak
Max. gewicht geremde aanhanger (kg)
Max. kogeldruk (kg)
T4
B4164T
Handgeschakeld, B6
1300
75
T4
B4164T
Automaat, MPS6
1500
75
T4
B5204T8
Automaat, TF-80SD
1500
75
T4 AWD
B5204T8
Automaat, TF-80SD
1500
75
T5
B5204T9
Automaat, TF-80SD
1500
75
T5 AWD
B5204T9
Automaat, TF-80SD
1500
75
T5
B5254T12
Automaat, TF-80SD
1500
75
T5 AWD
B5254T12
Automaat, TF-80SD
1500
75
T5
B5254T14
Automaat, TF-80SD
1500
75
T5 AWD
B5254T14
Automaat, TF-80SD
1500
75
D2
D4162T
Handgeschakeld, B6
1300
75
D2
D4162T
Automaat, MPS6
1300
75
D3
D5204T6
Handgeschakeld, M66
1500
75
D3
D5204T6
Automaat, TF-80SD
1500
75
D4
D5204T4
Handgeschakeld, M66
1500
75
D4
D5204T4
Automaat, TF-80SD
1500
75
Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op de motor, zie pagina 396.
10 Specificaties
Maten en gewichten
Max. gewicht ongeremde aanhanger (kg)
A
Motor
MotorcodeA
Versnellingsbak
Max. gewicht ongeremde aanhanger (kg)
Max. kogeldruk (kg)
T4
B4164T
Handgeschakeld, B6
650
50
T4
B4164T
Automaat, MPS6
700
50
T4
B5204T8
Automaat, TF-80SD
700
50
T4 AWD
B5204T8
Automaat, TF-80SD
750
50
T5
B5204T9
Automaat, TF-80SD
700
50
T5 AWD
B5204T9
Automaat, TF-80SD
750
50
T5
B5254T12
Automaat, TF-80SD
700
50
T5 AWD
B5254T12
Automaat, TF-80SD
750
50
T5
B5254T14
Automaat, TF-80SD
700
50
T5 AWD
B5254T14
Automaat, TF-80SD
750
50
D2
D4162T
Handgeschakeld, B6
650
50
D2
D4162T
Automaat, MPS6
700
50
D3
D5204T6
Handgeschakeld, M66
700
50
D3
D5204T6
Automaat, TF-80SD
750
50
D4
D5204T4
Handgeschakeld, M66
700
50
D4
D5204T4
Automaat, TF-80SD
750
50
10
Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op de motor, zie pagina 396.
401
10 Specificaties
Motorspecificaties
Motorspecificaties
10
N.B.
Niet alle motoren zijn verkrijgbaar op alle
markten.
A
402
Motor
MotorcodeA
Vermogen
(kW bij
omw/min)
Vermogen
(pk bij
omw/min)
Motorkoppel
(Nm bij omw/
min)
Aantal
cilinders
Cilinderboring
(mm)
Slaglengte
(mm)
Slagvolume
(liter)
Compressieverhouding
T4
B4164T
132/5700
180/5700
240/1600–5000
4
79
81,4
1,596
10,0:1
T4
B5204T8
132/5000
180/5000
300/2700–4000
5
81,0
77
1,984
10,5:1
T5
B5204T9
157/6000
213/6000
300/2700–5000
5
81,0
77
1,984
10,5:1
T5
B5254T12
187/5400
254/5400
360/1800–4200
5
83
92,3
2,497
9,5:1
T5
B5254T14
183/5400
249/5400
360/1800–4200
5
83
92,3
2,497
9,5:1
D2
D4162T
84/3600
115/3600
270/1750–2500
4
75
88,3
1,560
16,0:1
D3
D5204T6
110/3500
150/3500
350/1500–2750
5
81,0
77
1,984
16,5:1
D4
D5204T4
130/3500
177/3500
400/1750–2750
5
81,0
77
1,984
16,5:1
Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op de motor, zie pagina 396.
10 Specificaties
Motorolie
Ongunstige rijomstandigheden
In ongunstige rijomstandigheden kunnen de
olietemperatuur en het olieverbruik abnormaal
toenemen. Hier volgen enkele voorbeelden
van ongunstige rijomstandigheden.
Controleer het oliepeil vaker bij lange ritten:
•
met een caravan of aanhanger achter de
auto
•
•
•
in bergachtig gebied
op hoge snelheden
in temperaturen lager dan –30 °C of
hoger dan +40 °C
Het bovenstaande geldt ook tijdens kortere
ritten bij lage temperaturen.
Kies een volsynthetische motorolie bij ongunstige rijomstandigheden. Ze bieden de motor
extra bescherming.
10
Volvo adviseert olieproducten van Castrol.
BELANGRIJK
Om aan de vereisten voor de gespecificeerde service-intervallen te voldoen worden alle motoren in de fabriek gevuld met
een speciaal aangepaste, synthetische
motorolie. De oliesoort werd met grote
zorg geselecteerd lettend op de levensduur van de motor, de startgewilligheid,
het brandstofverbruik en de milieu-impact.
Om de aanbevolen service-intervallen aan
te kunnen houden dient u een goedgekeurde motoroliesoort te gebruiken.
Gebruik alleen een oliesoort van de voorgeschreven kwaliteit en dat zowel bij het
bijvullen als bij het verversen van olie. Een
negatieve invloed op de levensduur van de
motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact is anders niet
uitgesloten.
Volvo Car Corporation wijst alle garantieclaims af bij gebruik van een motoroliesoort die niet voldoet aan de voorgeschreven kwaliteits- en viscositeitseisen.
Volvo adviseert de olie in een erkende
Volvo-werkplaats te laten verversen.
403
10 Specificaties
Motorolie
Motoroliekwaliteit
10
Motor
MotorcodeA
Aanbevolen oliekwaliteit
Hoeveelheid, incl. oliefilter
(liter)
In de fabriek bijgevulde en gecertificeerde olie: Oliekwaliteit WSS-M2C925-A
T4
B4164T
alternatief tijdens servicebeurt:
Oliekwaliteit: ACEA A5/B5
ca. 4,1
Viscositeit: SAE 5W-30
Oliekwaliteit: ACEA A5/B5
D2
D4162T
Viscositeit: SAE 5W-30
ca. 3,8
Bij ritten onder ongunstige omstandigheden ACEA A5/B5 SAE 0W-30 gebruiken.
A
D3
D5204T6
Oliekwaliteit: ACEA A5/B5
ca. 5,9
D4
D5204T4
Viscositeit: SAE 0W-30
ca. 5,9
T4
B5204T8
Oliekwaliteit: ACEA A5/B5
ca. 5,5
T5
B5204T9
Viscositeit: SAE 0W-30
ca. 5,5
T5
B5254T12
ca. 5,5
T5
B5254T14
ca. 5,5
Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op de motor, zie pagina 396.
Voor het bijvullen van motorolie, zie
pagina 359.
404
10 Specificaties
Vloeistoffen en smeermiddelen
Koelvloeistof
Voorgeschreven kwaliteit: Door Volvo aanbevolen koelvloeistof aangelengd met 50 %
water1, zie verpakking.
MotorA
Hoeveelheid
Hoeveelheid
MotorA
MotorA
D3
D5204T6
D4
D5204T4
(liter)
8,0
(liter)
T4
D2
B4164T
D4162T
Hoeveelheid
(liter)
7,0
A
10,0
T4
B5204T8
T5
B5204T9
T5
B5254T12
T5
B5254T14
10
8,0
Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor
vindt u op de motor, zie pagina 396.
Overige vloeistoffen en smeermiddelen
Handgeschakelde versnellingsbak
B6
1,6
M66
1,9
Automatische versnellingsbak
1
Hoeveelheid (liter)
Hoeveelheid (liter)
Voorgeschreven versnellingsbakolie
BOT 350M3
Voorgeschreven versnellingsbakolie
TF-80SD
7,0
AW1
MPS6
7,3
BOT 341
De waterkwaliteit dient te voldoen aan de norm STD 1285,1.
}}
405
10 Specificaties
Vloeistoffen en smeermiddelen
N.B.
10
Onder normale rijomstandigheden hoeft de
versnellingsbakolie niet te worden ververst
zolang de versnellingsbak meegaat. Onder
ongunstige rijomstandigheden moet de
olie mogelijk wel worden ververst, zie
pagina 403.
Vloeistof
Systeem
Remvloeistof
Remsysteem
0,6
DOT 4
Sproeiervloeistof
Auto’s met koplampsproeiers
5,5
Auto’s zonder koplampsproeiers
3,2
Door Volvo aanbevolen sproeiervloeistof, met antivries bij koud
weer en onder het vriespunt.
Brandstof
4-cilinder benzine
Hoeveelheid (liter)
ca. 62
Voorgeschreven kwaliteit
Benzine:zie pagina 318
5-cilinder benzine (FWD)
406
5-cilinder benzine (AWD)
ca. 57
4-cilinder diesel
ca. 52
5-cilinder diesel
ca. 60
Compressorolie
Airconditioning
0,11
Koudemiddel
Airconditioning
0,65 kg
Diesel:zie pagina 318
PAG-olie
R134a
10 Specificaties
Vloeistoffen en smeermiddelen
WAARSCHUWING
In de installatie voor airconditioning zit
koudemiddel R134a onder druk. Service
en reparatie aan het systeem mogen uitsluitend door een erkende werkplaats worden uitgevoerd.
10
407
10 Specificaties
Brandstof
CO2-uitstoot en brandstofverbruik
10
408
T4 (B4164T)
164
7,0
109
4,7
129
5,5
T4 (B4164T)
184
7,9
120
5,1
143
6,1
T4 AWD (B5204T8)
259
11,1
146
6,3
187
8,0
T5 (B5204T9)
243
10,4
135
5,8
174
7,5
T5 AWD (B5204T9)
259
11,1
146
6,3
187
8,0
T5 (B5254T12)
259
11,1
138
5,9
182
7,8
T5 AWD (B5254T12)
270
11,6
150
6,4
194
8,3
D2 (D4162T)
110
4,2
93
3,5
99
3,8
D2 (D4162T)
118
4,5
103
3,9
108
4,1
10 Specificaties
Brandstof
10
D3 (D5204T6)
140
5,3
103
3,9
117
4,4
D3 (D5204T6)
178
6,8
114
4,3
137
5,2
D4 (D5204T4)
140
5,3
103
3,9
117
4,4
D4 (D5204T4)
178
6,8
114
4,3
137
5,2
Uitleg
Snelwegrit
gram/km
Combinatierit
liter/100 km
Stadsverkeer
N.B.
Als de gegevens over brandstofverbruik en
emissie ontbreken, staan deze in het bijgeleverde supplement.
1
Brandstofverbruik en uitstoot van
kooldioxide
De brandstofverbruiks- en emissiewaarden in
de bovenstaande tabel zijn gebaseerd op
speciale EU-rijcycli1, die gelden voor een auto
met rijklaar gewicht in standaarduitvoering
zonder extra uitrusting. Afhankelijk van de uitrusting neemt het autogewicht toe. Dit alsook
de mate van belading van de auto zorgt voor
De officiële brandstofverbruikscijfers zijn gebaseerd op twee gestandaardiseerde rijcycli in laboratoriummilieu (‘EU-rijcycli’) conform de EU-richtlijn 80/1268/EEC (Euro 4), EU Regulation no
692/2008 alsmede 715/2007 (Euro 5) en UN ECE Regulation no 101. Deze richtlijnen bevatten informatie over de rijcycli stadsverkeer en snelwegrit. - Stadsverkeer - de meting begint met een
koude start van de motor. Het betreft hier een gesimuleerde rit. - Snelwegrit - de auto moet optrekken en afremmen bij snelheden van 0–120 km/h. Het betreft hier een gesimuleerde rit. – Bij een
auto met handgeschakelde versnellingsbak geldt de 2e versnelling als wegrijversnelling. De waarde voor combinatierit, die in de tabel staat, is zoals wettelijk bepaald werd een combinatie van
een stadsrit en een snelwegrit. CO2-uitstoot - om de uitstoot van kooldioxide te berekenen tijdens de twee rijcycli worden alle uitlaatgassen opgevangen. Deze worden vervolgens geanalyseerd
en leiden tot de gespecificeerde waarde voor de CO2-uitstoot.
409
10 Specificaties
Brandstof
10
een verhoging van het brandstofverbruik en
de uitstoot van kooldioxide.
•
Rijd rustig en voorkom onnodig optrekken
en krachtig remmen.
Er zijn meerdere oorzaken aan te geven voor
een verhoogd brandstofverbruik ten opzichte
van de tabelwaarden. Daarbij valt te denken
aan factoren als:
•
Houd de juiste bandenspanning aan en
controleer regelmatig of dat nog steeds
zo is – houd voor de beste resultaten de
zogeheten ECO-bandenspanning aan, zie
de bandenspanningstabel op pagina
411.
De grotere rolweerstand als u kiest voor
grotere wielen dan de standaardwielen op
de basisuitvoering van het model.
•
•
De bandenkeuze is mogelijk van invloed
op het brandstofverbruik – informeer bij
uw dealer naar passende banden.
De grotere luchtweerstand bij hogere
snelheden.
•
Voor meer informatie en tips zie pagina 11 en
312.
De brandstofkwaliteit, de weg- en verkeersomstandigheden, de weersgesteldheid en de staat van de auto.
Zie pagina 317 voor meer algemene informatie over brandstof.
•
•
Uw rijstijl.
Ook wanneer u slechts enkele van de hier
genoemde tips opvolgt, is al een aanzienlijk
lager brandstofverbruik mogelijk. Raadpleeg
voor meer informatie de richtlijnen waar eerder aan gerefereerd werd.
Er zijn grote afwijkingen in het brandstofverbruik mogelijk bij een vergelijking met de EUrijcycli die gehanteerd worden bij certificering
van de auto en waarop de verbruikscijfers in
de tabel gebaseerd zijn.
Waar u op moet letten
Tips voor u om het brandstofverbruik te
beperken:
410
10 Specificaties
Wielen en banden, maten en spanning
Goedgekeurde bandenspanningswaarden
Motor
Bandenmaat
Snelheid
(km/h)
205/60 R16
Alle
Belading, 1–3 inzittenden
Max. belading
ECO-bandenspanningA
Voor
Achter
Voor
Achter
Voor/achter
(kPa)B
(kPa)
(kPa)
(kPa)
(kPa)
Tot 160
240
230
260
260
260
160 +
260
240
280
280
-
max. 80
420
420
420
420
-
10
225/50 R17
225/45 R18
225/40 R19
Compact reservewiel (Temporary Spare)
A
B
Zuinig rijden.
In sommige landen wordt de bandenspanning ook wel in bar aangegeven in plaats van in pascal (1 bar = 100 kPa).
N.B.
Alle motoren, banden of combinaties daarvan zijn niet altijd beschikbaar op alle
markten.
411
10 Specificaties
Elektrisch systeem
Elektrisch systeem
10
Op de auto zit een wisselstroomdynamo met
spanningsregelaar. Het elektrische systeem is
enkelpolig en gebruikt het chassis en het
motorblok als geleiders.
De accucapaciteit is afhankelijk van de uitrusting op de auto.
BELANGRIJK
Als de startaccu wordt vervangen, moet u
erop letten dat u een accu met hetzelfde
koudestartvermogen en dezelfde reservecapaciteit gebruikt als de originele accu
(zie de sticker op de accu).
Accu
Motor
A
Koudestartvermogen,
Reservecapaciteit
CCA, Cold Cranking Amperes (A)
(minuten)
Benzine
12
520–800
100–160
Dieselolie
12
700–800
135–160
Benzine/Diesel met Start/Stop-systeem
12
760A
135
Voor auto’s met Start/Stop-systeem dient een accu type AGM (Absorbed Glass Mat) te worden gebruikt.
N.B.
412
Spanning (V)
•
De grootte van de batterijbehuizing
dient overeen te komen met de afmetingen van de originele batterij.
•
De hoogte van de batterij hangt af van
de afmetingen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Start/Stop*
Voor informatie over accu’s in auto’s met
Start/Stop, zie pagina 376.
10 Specificaties
Typegoedkeuring
Transpondersleutelsysteem
Land
Vergrendelingssysteem standaard
China
Land
Radarsysteem
Land
10
Singapore
EU, China
Hong Kong
IDA: Infocomm Development
Authority of Singapore.
Brazilië
Sleutelloos vergrendelingssysteem
(Keyless drive)
Land
EU
Korea
Europa
Hierbij verklaart Delphi
Electronics & Safety dat
L2C0038TR en L2C0049TR in
overeenstemming zijn met de
essentiële eigenschappen en
overige relevante bepalingen
zoals beschreven in de EUrichtlijn 1999/5/EG. De verklaring van overeenstemming ligt
ter inzage bij Delphi Electronics
& Safety / One Corporate Center / Kokomo, Indiana
46904-9005 USA.
}}
413
10 Specificaties
Typegoedkeuring
Bluetooth®
10
Verklaring van overeenstemming (Declaration of Conformity)
Land
Landen
binnen de
EU:
Exportland: Japan
Producent: Alpine Electronics Inc.
Type uitrusting: Bluetooth®-eenheid
Breng voor meer informatie een bezoek aan http://ec.europa.eu/enterprise/rtte/faq.htm#informing
414
10 Specificaties
Typegoedkeuring
Land
10
Tsjechië:
Alpine Electronics, Inc. tímto prohlašuje, že tento Bluetooth® Module je ve shodě se základními požadavky a dalšími příslušnými
ustanoveními směrnice 1999/5/ES.
Denemarken:
Undertegnede Alpine Electronics, Inc. erklærer herved, at følgende udstyr Bluetooth® Module overholder de væsentlige krav og
øvrige relevante krav i direktiv 1999/5/EF.
Duitsland:
Hiermit erklärt Alpine Electronics, Inc., dass sich das Gerät Bluetooth® Module in Übereinstimmung mit den grundlegenden
Anforderungen und den übrigen einschlägigen Bestimmungen der Richtlinie 1999/5/EG befindet.
}}
415
10 Specificaties
Typegoedkeuring
Land
10
416
Estland:
Käesolevaga kinnitab Alpine Electronics, Inc. seadme Bluetooth® Module vastavust direktiivi 1999/5/EÜ põhinõuetele ja
nimetatud direktiivist tulenevatele teistele asjakohastele sätetele.
Groot-Brittannië:
Hereby, Alpine Electronics, Inc., declares that this Bluetooth® Module is in compliance with the essential requirements and other
relevant provisions of Directive 1999/5/EC.
Spanje:
Por medio de la presente Alpine Electronics, Inc. declara que el Bluetooth® Module cumple con los requisitos esenciales y
cualesquiera otras disposiciones aplicables o exigibles de la Directiva 1999/5/CE.
Griekenland:
ΜΕ ΗΝ ΠΑΡΟ ΣΑ Alpine Electronics, Inc. ΗΛΩΝΕ Ο Bluetooth® Module Σ ΜΜΟΡΦΩΝΕ Α ΠΡΟΣ
ΑΠΑ ΗΣΕ Σ Α Σ ΛΟ ΠΕΣ ΣΧΕ
ΕΣ Α ΑΞΕ Σ ΗΣ Ο Η ΑΣ 1999/5/Ε .
Frankrijk:
Par la présente Alpine Electronics, Inc. déclare que l'appareil Bluetooth® Module est conforme aux exigences essentielles et aux
autres dispositions pertinentes de la directive 1999/5/CE.
Italië:
Con la presente Alpine Electronics, Inc. dichiara che questo Bluetooth® Module è conforme ai requisiti essenziali ed alle altre
disposizioni pertinenti stabilite dalla direttiva 1999/5/CE.
Letland:
Ar šo Alpine Electronics, Inc. deklarē, ka Bluetooth® Module atbilst Direktīvas 1999/5/EK būtiskajām prasībām un citiem ar to
saistītajiem noteikumiem.
Litouwen:
Šiuo Alpine Electronics, Inc. deklaruoja, kad šis Bluetooth® Module atitinka esminius reikalavimus ir kitas 1999/5/EB Direktyvos
nuostatas.
Nederland:
Hierbij verklaart Alpine Electronics, Inc. dat het toestel Bluetooth® Module in overeenstemming is met de essentiële eisen en de
andere relevante bepalingen van richtlijn 1999/5/EG.
Malta:
Hawnhekk, Alpine Electronics, Inc., jiddikjara li dan Bluetooth® Module jikkonforma mal-ħtiġijiet essenzjali u ma provvedimenti
oħrajn relevanti li hemm fid-Dirrettiva 1999/5/EC.
Hongarije:
Alulírott, Alpine Electronics, Inc. nyilatkozom, hogy a Bluetooth® Module megfelel a vonatkozó alapvetõ követelményeknek és az
1999/5/EC irányelv egyéb elõírásainak.
ΣΟ ΣΩ ΕΣ
10 Specificaties
Typegoedkeuring
Land
Polen:
Niniejszym Alpine Electronics, Inc. oświadcza, że Bluetooth® Module jest zgodny z zasadniczymi wymogami oraz pozostałymi
stosownymi postanowieniami Dyrektywy 1999/5/EC.
Portugal:
Alpine Electronics, Inc. declara que este Bluetooth® Module está conforme com os requisitos essenciais e outras disposições da
Directiva 1999/5/CE.
Slovenië:
Alpine Electronics, Inc. izjavlja, da je ta Bluetooth® Module v skladu z bistvenimi zahtevami in ostalimi relevantnimi določili direktive 1999/5/ES.
Slowakije:
Alpine Electronics, Inc. týmto vyhlasuje, že Bluetooth® Module spĺňa základné požiadavky a všetky príslušné ustanovenia Smernice 1999/5/ES.
Finland:
Alpine Electronics, Inc. vakuuttaa täten että Bluetooth® Module tyyppinen laite on direktiivin 1999/5/EY oleellisten vaatimusten ja
sitä koskevien direktiivin muiden ehtojen mukainen.
Zweden:
Härmed intygar Alpine Electronics, Inc. att denna Bluetooth® Module står I överensstämmelse med de väsentliga egenskapskrav
och övriga relevanta bestämmelser som framgår av direktiv 1999/5/EG.
IJsland:
Hierbij verklaart Alpine Electronics, Inc. dat deze Bluetooth®-module in overeenstemming is met de essentiële eigenschappen en
overige relevante bepalingen zoals beschreven in de EU-richtlijn 1999/5/EG.
Noorwegen:
Alpine Electronics, Inc. erklærer herved at utstyret Bluetooth® Module er i samsvar med de grunnleggende krav og øvrige
relevante krav i direktiv 1999/5/EF.
10
}}
417
10 Specificaties
Typegoedkeuring
Land
10
China:
第十三条
进口和生产厂商在其产品的说明书或使用手册中,应刊印下述有关内容
1. 标明附件中所规定的技术指标和使用范围,说明所有控制
■ 使用频率
■ 等效全向辐射
■ 最大
天线增益
天线增益
≤100 mW 或≤20 dBm
①
≤20 dBm / MHz(EIRP) ①
率(对应载波±2.5 倍信道带宽以外)
≤-36 dBm / 100 kHz (30 - 1000 MHz)
≤-33 dBm / 100 kHz (2.4 - 2.4835 GHz)
≤-40 dBm / 1 MHz (3.4 - 3.53 GHz)
≤-40 dBm / 1 MHz (5.725 - 5.85 GHz)
≤-30 dBm / 1 MHz (其它 1 - 12.75 GHz)
2. 不得擅自更改发射频率
大发射
率(包括额外
3. 使用时不得对各种合法的无线电通信业
继续使用
4. 使用微
率无线电设备,必须忍
5. 不得在飞机和机场附近使用
418
10dBi 时
10dBi 时
20 ppm
■ 杂散发射(辐射)
•
•
•
•
•
率(EIRP)
率谱密度
■ 载频容限
调整及开关等使用方法
2.4 - 2.4835 GHz
装射频
产生有害干扰
各种无线电业
率放大器),不得擅自外接天线或改用其它发射天线
一旦发现有干扰现象时,应立即停止使用,并采
的干扰或工业
科学及医疗应用设备的辐射干扰
措施消除干扰后方可
10 Specificaties
Typegoedkeuring
Land
Taiwan:
10
低効率電波輻射性電機管理辧法第十条
第十二條
經型式認證合格之低功率射頻電機,非經許可,公司
商號或使用者均不得擅自 變更頻率
加大功率或變更原設計之特性及功能
第十四條
低功率射頻電機之使用不得影響飛航安全及干擾合法通信;經發現有干擾現象時, 應立即停用,並改善至無干擾時方得繼續使用
前項合法通信,指依電信法規定 作業之無線電通信 低功率射頻電機須忍受合法通信或工業 科學及醫療用電波 輻射性電機設備之
干擾
}}
419
10 Specificaties
Typegoedkeuring
Land
10
Zuid-Korea:
제품 정보
Volvo Car Korea
신청자 코드: KCC-CMM-N25-IAM21L3, KCC-CMM-N25-IAM21L2 and KCC-CMM-N25-IAM21L1
제품 명: Bluetooth Audio Navigation Radio
모델 명: IAM2.1
산 날짜: March/2010
Alpine Electronics, Inc
Made in Japan
고객 정보
Volvo Car Korea
볼보자동차코리아
서울시 용산구 한남 2 동 726-173 볼보빌딩 4 층
볼보자동차 고객센터 1588-1777
http://www.volvocars.com/kr
사용자 주의사항
※당해 무선설비는 전파혼신 가능성이 있으므로 인명안전과 관련된 서비스는 할 수 없습니다
420
10 Specificaties
Typegoedkeuring
Land
10
Verenigde
Arabische
Emiraten:
Zuid-Afrika:
Jamaica:
Approved for use in Jamaica SMA EI: IAM2.1
Thailand:
This telecommunication equipment conforms to NTC technical requirement.
Oman
421
10 Specificaties
Licenties
Sensus software
10
422
This software uses parts of sources from
clib2 and Prex Embedded Real-time OS Source (Copyright (c) 1982, 1986, 1991,
1993, 1994), and Quercus Robusta (Copyright
(c) 1990, 1993), The Regents of the University
of California. All or some portions are derived
from material licensed to the University of
California by American Telephone and
Telegraph Co. or Unix System Laboratories,
Inc. and are reproduced herein with the
permission of UNIX System Laboratories, Inc.
Redistribution and use in source and binary
forms, with or without modification, are
permitted provided that the following
conditions are met: Redistributions of source
code must retain the above copyright notice,
this list of conditions and the following
disclaimer. Redistributions in binary form
must reproduce the above copyright notice,
this list of conditions and the following
disclaimer in the documentation and/or other
materials provided with the distribution.
Neither the name of the <ORGANIZATION>
nor the names of its contributors may be
used to endorse or promote products derived
from this software without specific prior
written permission. THIS SOFTWARE IS
PROVIDED BY THE COPYRIGHT HOLDERS
AND CONTRIBUTORS "AS IS" AND ANY
EXPRESS OR IMPLIED WARRANTIES,
INCLUDING, BUT NOT LIMITED TO, THE
IMPLIED WARRANTIES OF
MERCHANTABILITY AND FITNESS FOR A
PARTICULAR PURPOSE ARE DISCLAIMED.
IN NO EVENT SHALL THE COPYRIGHT
OWNER OR CONTRIBUTORS BE LIABLE
FOR ANY DIRECT, INDIRECT, INCIDENTAL,
SPECIAL, EXEMPLARY, OR
CONSEQUENTIAL DAMAGES (INCLUDING,
BUT NOT LIMITED TO, PROCUREMENT OF
SUBSTITUTE GOODS OR SERVICES; LOSS
OF USE, DATA, OR PROFITS; OR BUSINESS
INTERRUPTION) HOWEVER CAUSED AND
ON ANY THEORY OF LIABILITY, WHETHER
IN CONTRACT, STRICT LIABILITY, OR TORT
(INCLUDING NEGLIGENCE OR OTHERWISE)
ARISING IN ANY WAY OUT OF THE USE OF
THIS SOFTWARE, EVEN IF ADVISED OF THE
POSSIBILITY OF SUCH DAMAGE.
This software is based in part on the work of
the Independent JPEG Group.
This software uses parts of sources from
"libtess". The Original Code is: OpenGL
Sample Implementation, Version 1.2.1,
released January 26, 2000, developed by
Silicon Graphics, Inc. The Original Code is
Copyright (c) 1991-2000 Silicon Graphics,
Inc. Copyright in any portions created by third
parties is as indicated elsewhere herein. All
Rights Reserved. Copyright (C) [1991-2000]
Silicon Graphics, Inc. All Rights Reserved.
Permission is hereby granted, free of charge,
to any person obtaining a copy of this
software and associated documentation files
(the "Software"), to deal in the Software
without restriction, including without limitation
the rights to use, copy, modify, merge,
publish, distribute, sublicense, and/or sell
copies of the Software, and to permit persons
to whom the Software is furnished to do so,
subject to the following conditions: The
above copyright notice including the dates of
first publication and either this permission
notice or a reference to http://oss.sgi.com/
projects/FreeB/ shall be included in all copies
or substantial portions of the Software. THE
SOFTWARE IS PROVIDED "AS IS",
WITHOUT WARRANTY OF ANY KIND,
EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT
NOT LIMITED TO THE WARRANTIES OF
MERCHANTABILITY, FITNESS FOR A
PARTICULAR PURPOSE AND
NONINFRINGEMENT. IN NO EVENT SHALL
SILICON GRAPHICS, INC. BE LIABLE FOR
ANY CLAIM, DAMAGES OR OTHER
LIABILITY, WHETHER IN AN ACTION OF
CONTRACT, TORT OR OTHERWISE,
ARISING FROM, OUT OF OR IN
CONNECTION WITH THE SOFTWARE OR
THE USE OR OTHER DEALINGS IN THE
SOFTWARE. Except as contained in this
notice, the name of Silicon Graphics, Inc.
shall not be used in advertising or otherwise
10 Specificaties
Licenties
to promote the sale, use or other dealings in
this Software without prior written
authorization from Silicon Graphics, Inc.
as the cost of media, shipping and handling,
upon written request. Please contact your
nearest Volvo Dealer.
This software is based in parts on the work of
the FreeType Team.
This offer is valid for a period of at least three
(3) years from the date of the distribution of
this product by VCC / or for as long as VCC
offers spare parts or customer support.
This software uses parts of SSLeay Library:
Copyright (C) 1995-1998 Eric Young
(eay@cryptsoft.com). All rights reserved
Combined Instrument Panel Software
Open Source Software Notice
This product uses certain free / open source
and other software originating from third
parties, that is subject to the GNU General
Public License version 2 and 3 (GPLv2/
GPLv3), GNU Lesser General Public License
version 3 (LGPLv3), The FreeType Project
License (“FreeType License”) and other
different and/or additional copyright licenses,
disclaimers and notices. The links how to
access the exact terms of GPLv2, GPLv3,
LGPLv3, and the other open source software
licenses, disclaimers, acknowledgements and
notices are provided to you below. Please
refer to the exact terms of the relevant
License, regarding your rights under said
licenses. Volvo Car Corporation (VCC) offers
to provide the source code of said free/open
source software to you for a charge covering
the cost of performing such distribution, such
The FreeType Project License: http://
www.freetype.org/FTL.TXT
•
libfreetype.so.6 (version 2.4.3)
10
DivX®
Portions of this product uses software
copyrighted © v2.4.3/2010 The
FreeTypeProject (www.freetype.org). All rights
reserved.
This product includes software under
following licenses:
GPL v2 : http://www.gnu.org/licenses/oldlicenses/gpl-2.0.html
•
•
•
Linux kernel (merge between MontaVista
2.6.31 kernel and kernel from
L2.6.31_MX51_ER_1007 BSP)
uBoot (based on v2009.08)
busybox (based on version 1.13.2.)
GCC runtime library exception: http://
www.gnu.org/licenses/gcc-exception.html
•
libgcc_s.so.1
LGPL v3: http://www.gnu.org/licenses/
lgpl.html
•
Libc.so.6, libpthread.so.0, Librt.so.1
DivX Certified® to play DivX® video. DivX®,
DivX Certified® and associated logos are
registered trademarks of DivX, Inc. and are
used under license. ABOUT DIVX VIDEO:
DivX® is a digital video format created by
DivX, Inc. This is an official DivX Certified
device that plays DivX video. Visit
www.divx.com for more information and
software tools to convert your files into DivX
video.
ABOUT DIVX VIDEO-ON-DEMAND: This DivX
Certified® device must be registered in order
to play DivX Video-on-Demand (VOD)
content. To generate the registration code,
locate the DivX VOD section in the device
}}
423
10 Specificaties
Licenties
10
424
setup menu. Go to http://vod.divx.com with
this code to complete the registration
process and learn more about DivX VOD.
Covered by one or more of the following U.S.
Patents: 7,295,673; 7,460,668; 7,515,710;
7,519,274.
10 Specificaties
Displaysymbolen
Algemeen
Er worden tal van displaysymbolen gebruikt
in de auto. De symbolen zijn onderverdeeld in
waarschuwings-, controle- en informatiesymbolen. Hier volgt een overzicht van de meest
voorkomende symbolen met hun betekenis
en een verwijzing naar de pagina(’s) in het
boek waar u meer informatie kunt vinden.
Voor meer informatie over de symbolen en
tekstmeldingen, zie pagina 75 en 215.
Displaysymbolen
Controlesymbolen op
instrumentenpaneel
Waarschuwingssymbolen op
instrumentenpaneel
Symbool
Symbool
Betekenis
Pagina
Betekenis
Pagina
Lage oliedruk
77
Storing in ABLsysteem*
75,93
Handrem aangetrokken
77,138
Uitlaatgasreinigingssysteem
75
- Rood waarschuwingssymbool dat
gaat branden, wanneer er een storing geregistreerd is die mogelijk van invloed is op de
veiligheid en/of rijeigenschappen van de auto.
Er verschijnt tegelijkertijd een verklarende
tekstmelding op het instrumentenpaneel.
Handrem aangetrokken,
alternatief symbool
77
Storing in ABSsysteem
75,135
Mistachterlicht
aan
75,94
Airbags - SRS
19,77
- Informatiesymbool, gaat branden, in
combinatie met een verklarende tekst op het
instrumentenpaneel, wanneer er een afwijking
in een van de autosystemen is opgetreden.
Het oranje informatiesymbool kan ook gaan
branden in combinatie met andere symbolen.
Gordelwaarschuwing
16,77
Stabiliteitsregeling, DSTC; Trailer Stability
Assist*
75, 145,
332
Dynamo laadt
niet bij
77
Stabiliteitsregeling, Sport-stand
75,145
Storing in remsysteem
77,135
Voorgloeifunctie
motor (diesel)
75
Waarschuwing,
Safety mode
19, 29, 77,
125
Laag peil in
brandstoftank
75,238
Informatie, lees
tekstmelding
75
10
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
425
10 Specificaties
Displaysymbolen
10
Symbool
Betekenis
Pagina
Groot licht aan
75,92
Richtingaanwijzers links
75
Richtingaanwijzers rechts
Start/Stop*, de
motor is automatisch gestopt
Betekenis
Pagina
Adaptieve
cruisecontrol*;
afstandswaarschuwing* (Distance Alert)
158,167
75
Adaptieve
cruisecontrol*
157
75,127
Adaptieve
cruisecontrol*
157
Cruisecontrol*
152
Snelheidsbegrenzer
150
Radarsensor*
165, 169,
183
Informatiesymbolen op
instrumentenpaneel
Symbool
426
Betekenis
Pagina
Groot licht met
automatisch
dimmen - AHB*
92
Camerasensor*
92
Adaptieve
cruisecontrol*
165
Adaptieve
cruisecontrol*
158, 159,
165
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Symbool
Start/Stop*
Start/Stop*
130
130
Symbool
Betekenis
Pagina
Start/Stop*
130
Start/Stop*
130
Camerasensor*;
lasersensor*
174, 183,
188, 192
Afstandswaarschuwing* (Distance Alert); City
SafetyTM; Collision Warning*;
Auto Brake*
169, 174,
183
Motor- en interieurverwarming*
238
Geactiveerde
timer*
238
Geactiveerde
timer*
238
10 Specificaties
Displaysymbolen
Symbool
Betekenis
Pagina
ABL*
Symbool
Betekenis
Pagina
93
Automatische
schakelstanden
121
Accuspanning
laag
238
147
Actieve parkeerhulp - PAP*
201
Geregistreerde
snelheidsinformatie*
Oliepeil meten
361
Regensensor*
101
Rijbaanassistent*
191
10
Informatiesymbolen op display
plafondconsole
Symbool
Betekenis
Pagina
Driver Alert System*, Rijbaanassistent*
188,192
Gordelwaarschuwing
18
Driver Alert System*; Tijd voor
pauze
186,188
Airbag passagiersstoel, geactiveerd
23
Schakelindicator,
handgeschakelde versnellingsbak
120
Airbag passagiersstoel, gedeactiveerd
23
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
427
11 Alfabetisch register
11
Actieve xenonkoplampen.......................... 93
Aanbevolen veiligheidzitjes, tabel.............. 35
Adaptieve cruisecontrol........................... 155
radarsensor......................................... 162
storingen opsporen............................ 164
Alarmlichten............................................... 94
Afdalingsregeling (Hill Descent Control).. 136
Allergenen................................................ 227
Afstandsbediening .................................. 307
batterij vervangen .............................. 308
All Wheel Drive (vierwielaandrijving)........ 133
Afstandsbediening HomeLink®
programmeerbaar .............................. 139
Antispin ................................................... 144
Aanhanger...............................................
kabel...................................................
pendelbeweging.................................
rijden met een aanhanger...................
327
327
332
327
Aanpassen, lichtbundel............................. 98
Aanrijding................................................... 29
Aanstekeropening.................................... 254
ACC – Adaptieve cruisecontrol................ 155
ACC gedeactiveerd.................................. 152
Accu................................................. 375, 412
onderhoud.......................................... 375
starten met hulpaccu.......................... 118
symbolen op de accu......................... 376
transpondersleutel/PCC....................... 51
waarschuwingssymbolen................... 376
Achterklep
vergrendelen/ontgrendelen.................. 59
Achterruit, elektrische verwarming.......... 107
Achteruitkijkspiegel.................................. 108
autodimfunctie.................................... 108
Actieve koplampen (ABL).......................... 93
Actieve parkeerhulp................................. 201
428
beperkt alarmniveau............................. 65
geactiveerd alarm uitschakelen............ 65
A
Airbag
activeren/deactiveren, PACOS............. 22
bestuurders- en passagierszijde.......... 20
deactiveren met sleutel......................... 22
AIRBAG ............................................... 20, 21
Airbagsysteem .......................................... 19
Airconditioning......................................... 233
algemene informatie........................... 226
Airconditioning, AC.................................. 233
alarm
deactiveren........................................... 65
Alarm..........................................................
activeren...............................................
alarmindicatie.......................................
alarmsignalen........................................
alarmsysteem controleren....................
64
64
64
65
47
Alcoholslot............................................... 112
Antislipregeling........................................ 144
Approach-verlichting........................... 46, 97
Audio
instellingen.......................................... 265
surround............................................. 260
Audiosysteem.......................................... 260
functies............................................... 265
overzicht............................................. 261
Auto
klimaatinstelling.................................. 232
Autobekleding.......................................... 390
Automatische hervergrendeling................. 57
Automatische motorrem.......................... 136
Automatische schakelblokkering deactiveren........................................................ 124
Automatische vergrendeling...................... 59
11 Alfabetisch register
Automatische versnellingsbak.................
aanhanger...........................................
handmatig schakelen (Geartronic)......
slepen en bergen................................
121
328
122
334
Automatische wasstraten........................ 388
Auto wassen............................................ 388
AUX-ingang..................................... 261, 284
AWD, vierwielaandrijving......................... 133
spanning..................................... 348, 411
specificaties................................ 342, 411
winterbanden...................................... 342
Batterij
afstandsbediening ............................. 308
Bedieningselementen
middenconsole .................................. 261
bagageruimte
bagagenet........................................... 325
Bagageruimte.................................. 321, 325
Hoedenplank...................................... 326
krikpunten........................................... 322
verlichting............................................. 96
Bagage verankeren (Lading vervoeren)... 322
Banden
bandenreparatie.................................
draairichting........................................
onderhoud..........................................
rijeigenschappen................................
slijtage-indicator.................................
snelheidsaanduidingen.......................
350
340
340
340
341
343
BLIS......................................................... 206
BLIS-systeem (Blind Spot Information
System).................................................... 207
Blokkering achteruitversnelling................ 120
Bedrijfsrem.............................................. 134
Bluetooth®
gesprek naar mobiel ..........................
handsfree ...........................................
media .................................................
microfoon uit ......................................
streaming audio .................................
Bellen....................................................... 292
Boordcomputer....................................... 244
Benzinekwaliteit....................................... 318
Botsing, zie Aanrijding............................... 29
Bergen..................................................... 336
Brandstof.................................................
brandstofbesparing............................
brandstoffilter.....................................
brandstofverbruik...............................
Bedieningsknoppen
middenconsole................................... 217
Bedieningspaneel verlichting..................... 89
B
Blaasmonden........................................... 228
Berichten en symbolen
afstandscontrole................................. 169
Collision Warning met Auto
Brake.......................................... 174, 183
Driver Alert Control............................. 188
Beslaande koplampglazen
condens.............................................. 388
Beslagen ruiten........................................
ontwasemen.......................................
ontwasemen met blaasmonden.........
timerfunctie.........................................
11
293
290
287
293
287
317
348
319
408
Buitenafmetingen..................................... 398
Buitenspiegels......................................... 106
Buitenspiegels resetten........................... 107
233
226
236
234
429
11 Alfabetisch register
11
C
D
E
Camerasensor................................. 172, 181
DAB-radio................................................ 276
ECC, elektronische klimaatregeling......... 229
CD ........................................................... 279
Dagrijlicht................................................... 91
ECO-bandenspanning..................... 348, 411
City Safety™............................................ 170
Dagteller op nul stellen............ 246, 249, 250
EcoGuide................................................... 73
Claxon........................................................ 88
Dagtellers................................................... 78
EHBO-kit ................................................. 349
Claxonneren............................................... 88
Dakbelasting, max. gewicht .................... 399
EHBO-set................................................. 349
Clean Zone Interior Package (CZIP)........ 227
Dashboardkastje...................................... 255
vergrendelen......................................... 59
Elektrisch bedienbare ruiten.................... 104
Collision Warning............................. 176, 177
radarsensor......................... 162, 171, 176
Dieselolie................................................. 318
Elektrisch bedienbare stoel....................... 84
Displayverlichting....................................... 90
elektrische aansluiting............................. 256
Collision Warning met Auto Brake........... 176
Distance Alert.......................................... 167
Condens aan binnenkant lampglazen..... 388
Dolby Surround Pro Logic II.................... 260
Contactsleutels.......................................... 81
Doorluchtfunctie................................ 58, 226
Elektrische aansluiting
bagageruimte...................................... 323
voorstoel............................................. 256
Controleren en bijvullen, koelvloeistof..... 363
Doorwaaddiepte...................................... 312
Controlesymbolen..................................... 75
Driver Alert Control.................................. 186
Corner Traction Control .......................... 144
Driver Alert System.................................. 185
Elektrische verwarming
achterruit............................................. 107
buitenspiegels..................................... 107
stoelen en achterbank........................ 230
Cruisecontrol........................................... 152
DSTC, zie ook Stabiliteitssysteem........... 145
Elektrisch inklapbare buitenspiegels....... 107
CZIP (Clear Zone Interior Package)......... 227
DVD ......................................................... 279
Elektronische startblokkering.................... 45
CO2-uitstoot ............................................ 408
Elektrisch bedienbare ruiten resetten...... 106
ETC, elektronische temperatuurregeling
230
Etiketten................................................... 396
Extra verwarming..................................... 242
Extra verwarming (diesel)......................... 242
430
11 Alfabetisch register
F
Glazen
gelaagd/verstevigd............................. 104
File-assistent............................................ 161
Glazen dak, rolgordijn.............................. 109
Follow Me home-verlichting...................... 97
Global opening........................................ 226
Foutmeldingen
Adaptieve cruisecontrol...................... 165
LKA..................................................... 192
Gloeilampen, zie Verlichting.................... 366
FSC, milieulabel......................................... 11
Gloeilampen achterlamphuis:
positie................................................. 369
Gordelwaarschuwing................................. 18
Groot licht, automatische activering.......... 92
G
Groot licht/dimlicht, zie Verlichting............ 91
Geluid
Ambient Surround Sound .................. 265
Geluidssterkte
beltoon, telefoon................................. 294
telefoon............................................... 294
telefoon/mediaspeler.......................... 294
Hoofdsteun
middelste zitplaats achterbank............. 86
omklappen............................................ 86
voorstoel............................................... 83
Houder voor boodschappentassen ........ 322
11
I
IAQS – Interior Air Quality System........... 227
IC-systeem – Inflatable Curtain................. 25
Geartronic................................................ 122
Gelaagd glas............................................ 104
HomeLink® .............................................. 139
In de was zetten....................................... 389
H
Informatiedisplay....................................... 71
handgeschakelde versnellingsbak
schakelindicatie (GSI)......................... 120
Informatietoets, PCC................................. 47
Handgeschakelde versnellingsbak.......... 120
slepen en bergen................................ 334
Handmatig schakelen (Geartronic).......... 122
Gesprekken
gebruik................................................ 292
inkomende.......................................... 292
Handrem.................................................. 138
Gevarendriehoek..................................... 349
Hogedruksproeiers koplampen............... 102
Gewichten
rijklaar gewicht.................................... 399
Hoge motortemperatuur.......................... 327
HDC......................................................... 136
Hoedenplank........................................... 326
Infotainment ............................................
brontoetsen .......................................
menufuncties .....................................
overzicht ............................................
spraakherkenning...............................
260
261
263
261
299
Inlegmatten.............................................. 255
Inparkeerhulp - PAP................................ 201
Instructieboekje, milieulabel...................... 11
Instrumenten, schakelaars en bediening... 68
431
11 Alfabetisch register
Instrumentenoverzicht
auto met stuur links.............................. 68
auto met stuur rechts........................... 70
Instrumentenverlichting, zie Verlichting..... 90
Kinderen....................................................
kinderslot..............................................
kinderzitjes en SIPS-airbags.................
positie in de auto..................................
veiligheid...............................................
Interieurcomfort....................................... 253
Kinderslot................................................... 63
Interieurfilter............................................. 226
Kinderzitje.................................................. 33
Interieurverlichting
automatische functie............................ 96
Kleurcode, lak.......................................... 392
Instrumentenpaneel........................... 71, 214
meldingen........................................... 215
11
Interieurverlichting, zie Verlichting............. 95
Interieurverwarming
op brandstof....................................... 237
Interior Air Quality System (IAQS) ........... 235
Intervalstand............................................ 101
iPod®, aansluiting.................................... 284
K
Katalysator............................................... 317
bergen................................................. 335
Keuzehendelblokkering........................... 123
Keuzehendelblokkering, mechanisch uitschakelen................................................. 124
432
Keyless drive...................................... 53, 116
Klimaatregeling........................................
algemene informatie...........................
reparatie..............................................
sensoren.............................................
33
38
24
33
33
L
Lading vervoeren
algemene informatie...........................
bagageruimte......................................
krikpunten...........................................
lading op het dak................................
321
321
322
321
Lak
kleurcode............................................ 392
schade en herstel............................... 392
226
226
364
226
Lampen, zie Verlichting............................ 365
Klok, instellen............................................. 79
Leren bekleding, reinigingsvoorschriften. 391
Knipperlichten............................................ 95
Lichtbundel aanpassen.............................. 98
Active Bending Lights .......................... 98
halogeenkoplampen............................. 98
Knippersignalen, PCC............................... 47
Koelsysteem............................................ 312
Kompas................................................... 110
kalibreren............................................ 110
Koplampen.............................................. 366
positie................................................. 366
Koplamphoogteregeling............................ 90
Koudemiddel........................................... 364
Lampjes................................................... 145
Lasersensor............................................. 173
LKA, rijstrookassistent............................. 189
Luchtverdeling................................. 227, 236
M
Make-upspiegel................................. 96, 255
Max. dakbelasting .................................. 399
Media Bluetooth® .................................... 287
11 Alfabetisch register
Motor
oververhitting...................................... 327
starten................................................. 116
O
Oliepeil laag............................................. 359
Menu- en meldingsfuncties..................... 214
Motorolie.......................................... 359, 403
filter..................................................... 359
hoeveelheden..................................... 403
oliekwaliteit......................................... 403
ongunstige rijomstandigheden........... 403
Menufuncties infotainment ..................... 263
Motoroliepeil controleren......................... 359
Menusysteem MY CAR........................... 217
Motorremregeling ................................... 144
Menu’s/functies....................................... 219
Motorruimte
koelvloeistof........................................ 363
olie...................................................... 359
overzicht............................................. 359
Mediaspeler ............................................ 279
Meldingen en symbolen
Adaptieve cruisecontrol...................... 165
LKA..................................................... 192
Meldingen op informatiedisplay............... 145
Meldingen voor BLIS............................... 210
Meters
brandstofmeter..................................... 72
snelheidsmeter..................................... 72
toerenteller............................................ 72
Microfoon................................................. 290
Motorspecificaties................................... 402
Middenconsole........................................ 217
Motorverwarming
op brandstof....................................... 237
Milieulabel, FSC, instructieboekje............. 11
MY CAR................................................... 217
Mistlichten
achter.................................................... 94
Mobiele telefoon
aansluiten...........................................
handsfree............................................
spraakherkenning...............................
telefoon registreren.............................
291
290
299
291
Olie, zie ook Motorolie............................. 403
Omklappen, ruggedeelte achterbank........ 86
Onderhoud
roestwering......................................... 390
11
Ontgrendelen
van de binnenzijde................................ 58
van de buitenzijde................................. 57
Ontwaseming........................................... 233
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte....................................................... 253
opblaasgordijn........................................... 25
Openen, motorkap................................... 358
Oververhitting.......................................... 327
P
N
PACOS....................................................... 22
Nooduitrusting
gevarendriehoek................................. 349
PACOS, schakelaar voor activering/deactivering....................................................... 22
Paniekfunctie............................................. 46
PAP - Actieve parkeerhulp....................... 201
433
11 Alfabetisch register
Park Assist............................................... 193
sensoren voor Park Assist.................. 195
R
Parkeerhulpcamera.................................. 197
Radarsensor............................................ 155
beperkingen........................................ 162
Parkeerrem.............................................. 138
11
Passagiersruimte..................................... 253
PCC (Personal Car Communicator)
bereik transpondersleutel............... 47, 48
functies................................................. 46
Peilstok, elektronisch............................... 361
Poetsen.................................................... 389
Powermeter............................................... 73
Powershift-versnellingsbak.............. 124, 334
Provisorische bandenreparatie................ 350
Q
Queue Assist............................................ 161
Radio ...................................................... 271
AM/FM ............................................... 271
DAB ................................................... 276
Rijadviezen............................................... 312
Rijden.......................................................
koelsysteem........................................
met een aanhanger.............................
met geopende achterklep...................
312
312
327
313
Regeling, licht............................................ 89
Rijden met een aanhanger
kogeldruk............................................ 399
trekgewicht......................................... 399
Regensensor............................................ 101
Rijden tijdens de winter........................... 313
Relais- en zekeringenkastje, zie Zekeringen........................................................... 379
Rijklaar gewicht........................................ 399
Rem- en koppelingsvloeistof................... 364
Ritstatistiek.............................................. 250
Remlichten................................................. 94
Roestwering............................................. 390
Remmen.................................................. 134
antiblokkeerremsysteem, ABS........... 134
noodremlichten..................................... 94
parkeerrem......................................... 138
remkrachtverhoging bij noodstops,
EBA .................................................... 134
remlichten............................................. 94
remsysteem........................................ 134
remvloeistof bijvullen.......................... 364
symbolen op instrumentenpaneel...... 135
Roetfilter.................................................. 319
Reservewiel.............................................. 344
Ruitenwissers.......................................... 101
regensensor........................................ 101
Recirculatie.............................................. 234
Resetten dagteller.................... 246, 249, 250
434
Richtingaanwijzers..................................... 95
Rijstrookassistent, LKA............................ 189
Roetfilter vol............................................. 319
Rolgordijn voor glazen dak...................... 109
Rugleuning................................................. 83
voorstoel, omklappen........................... 83
Ruiten en spiegels................................... 104
Ruitensproeiers........................................ 102
Ruitensproeiervloeistof, bijvullen............. 374
11 Alfabetisch register
Sleutelloos starten (Keyless drive)..... 53, 116
S
Safelock-functie......................................... 61
deactiveren........................................... 61
tijdelijk deactiveren............................... 61
Sleutelstanden........................................... 81
Standverwarming.....................................
accu en brandstof...............................
op een helling parkeren......................
tijd instellen.........................................
237
237
237
240
Safety mode.............................................. 29
Sloten
automatische vergrendeling................. 57
ontgrendelen......................................... 57
vergrendelen......................................... 57
Schakelindicatie (GSI).............................. 120
Smeermiddelen........................................ 405
Starten met hulpaccu.............................. 118
Schoonmaken
automatische wasstraten...................
auto wassen.......................................
bekleding............................................
veiligheidsgordels...............................
velgen.................................................
Smeermiddelen, hoeveelheden............... 405
Steenslagplekken en krassen.................. 392
Snelheidsbegrenzer................................. 150
Stickers.................................................... 396
Stoel, zie Stoelen en achterbank............... 83
Serviceprogramma.................................. 358
Spiegels
achteruitkijk-.......................................
buiten-................................................
elektrische verwarming.......................
elektrisch inklapbare...........................
kompas...............................................
Servicestand............................................ 372
Spin Control............................................. 144
Stoelen en achterbank............................... 83
elektrische bediening............................ 84
elektrische verwarming....................... 230
hoofdsteunen achterbank..................... 86
ruggedeelte achterbank omklappen..... 86
rugleuning voorstoel omklappen.......... 83
Sfeerverlichting.......................................... 96
Spraakherkenning mobiele telefoon........ 299
Stoel met geheugenfunctie........................ 84
Signaalingang, externe.................... 261, 284
Sproeiers
achterruit............................................. 102
sproeiervloeistof, bijvullen.................. 374
voorruit................................................ 102
Storingen in de camerasensor
opsporen.......................................... 172, 182
388
388
390
392
389
Sensus....................................................... 80
SIPS-airbag............................................... 24
SIPS-airbags.............................................. 24
Sleepoog.................................................. 335
Slepen...................................................... 334
sleepoog............................................. 335
Sleutel........................................................ 44
Sleutelblad................................................. 49
108
106
107
107
110
Start/Stop................................................ 127
Startblokkering.......................................... 45
Stabiliteits- en tractieregelsysteem......... 144
Storingsmeldingen
Driver Alert Control............................. 188
zie Berichten en symbolen................. 165
Stabiliteitssysteem................................... 144
Storingsmeldingen voor BLIS.................. 210
Stadslichten vóór en achterlichten............ 90
Storingsmeldingen voor de afstandscontrole.......................................................... 169
11
435
11 Alfabetisch register
11
Transponder............................................ 104
Storingzoeken
Adaptieve cruisecontrol...................... 164
T
Stuurbekrachtiging, snelheidsafhankelijke........................................................... 252
Tanken............................................... 61, 315
tanken................................................. 315
tankklep.............................................. 315
tankvulklep, handmatig openen......... 315
tankvulklep, vergrendeling.................... 61
Stuurkrachtniveau, zie Stuurbekrachtiging.......................................................... 252
Stuurslot.................................................. 117
Stuurwiel.................................................... 88
stuurwielafstelling................................. 88
toetsenset..................... 88, 152, 218, 261
toetsenset adaptieve cruisecontrol.... 157
Stuurwiel afstellen...................................... 88
Surround.......................................... 260, 265
Symbolen
controlesymbolen................................. 75
waarschuwingssymbolen..................... 75
Symbolen en meldingen
Adaptieve cruisecontrol...................... 165
Afstandscontrole................................ 169
Botswaarschuwing met brake
support....................................... 174, 183
Driver Alert Control............................. 188
LKA..................................................... 192
Telefoon
aansluiten...........................................
bellen..................................................
gesprek beantwoorden.......................
handsfree............................................
inkomende gesprekken......................
spraakherkenning...............................
telefoonboek.......................................
telefoonboek, sneltoets......................
telefoon registreren.............................
291
292
293
290
292
299
294
294
291
Temperatuur
werkelijke temperatuur....................... 226
Temperatuurregeling............................... 232
Timer........................................................ 234
Toetsensets op stuurwiel... 88, 152, 218, 261
Totaalgewicht.......................................... 399
Traction Control....................................... 144
Trailer Stability Assist ..................... 144, 332
Transmissie.............................................. 120
436
Transpondersleutel....................................
afneembaar sleutelblad........................
batterij vervangen.................................
bereik transpondersleutel.....................
functies.................................................
44
49
51
47
46
Transpondersleutelsysteem, typegoedkeuring..................................................... 413
Trekgewicht............................................. 399
Trekhaak..................................................
afneembaar, aanbrengen ...................
afneembaar, verwijderen ...................
specificaties........................................
329
330
331
329
Trekinrichting, zie Trekhaak..................... 329
Trillingsdemper........................................ 329
TSA, Trailer Stability Assist ............. 144, 332
Tunneldetectie........................................... 91
TV............................................................. 303
Type-aanduidingen.................................. 396
Typegoedkeuring, transpondersleutelsysteem......................................................... 413
11 Alfabetisch register
Uitstoot van kooldioxide.......................... 320
Vergrendelen/ontgrendelen
aan de binnenzijde................................ 57
achterklep............................................. 59
USB, aansluiting...................................... 284
Vergrendelingsindicatie ............................ 44
U
Verkeersbordinformatie........................... 147
V
Veiligheidsgordel
achterbank............................................ 18
gordelspanners..................................... 18
Veiligheidsgordels...................................... 16
Veiligheidszitje...........................................
aanbevolen...........................................
afmetingscategorieën voor veiligheidszitjes met ISOFIX-bevestigingssysteem......................................................
bovenste bevestigingspunten voor kinderzitjes................................................
ISOFIX-bevestigingssysteem voor kinderzitjes................................................
33
35
38
41
38
Velgen
schoonmaken..................................... 389
Ventilatie.................................................. 227
Ventilator.................................................. 231
Verlichting................................................ 365
"Approach"-verlichting................... 46, 97
Actieve xenonkoplampen..................... 93
automatische verlichting, interieur........ 96
bedieningsknoppen.............................. 95
dagrijlicht.............................................. 91
displayverlichting.................................. 90
Follow Me Home-verlichting................. 97
gloeilampen, specificaties.................. 371
groot licht/dimlicht................................ 91
in interieur............................................. 95
instrumentenverlichting........................ 90
koplamphoogteverstelling.................... 90
mistachterlicht...................................... 94
stadslichten/parkeerlichten vóór en
achterlichten......................................... 90
tunneldetectie....................................... 91
Verlichting, gloeilampen vervangen......... 366
dagrijlicht............................................ 369
dimlicht (auto's met halogeen-koplampen)..................................................... 367
grootlicht (auto's met actieve xenonkoplampen).........................................
grootlicht (auto's met halogeenkoplampen).........................................
lamphouder achter: richtingaanwijzer,
rem- en achteruitrijlicht.......................
make-upspiegel..................................
mistachterlicht....................................
richtingaanwijzers, voor......................
sidemarker, voor.................................
stadslichten/parkeerlichten vóór........
368
367
370
370
370
368
369
368
11
Verlichting instrumentenpaneel................. 90
Versnellingsbak........................................ 120
automatische...................................... 121
handgeschakelde............................... 120
Verwarming.............................................. 232
Verzorging................................................ 388
Verzorging, leren bekleding..................... 391
Vierwielaandrijving, AWD......................... 133
Vlekken.................................................... 390
Vloeistoffen, hoeveelheden...................... 405
Vloeistoffen en oliën................................. 405
Voetgangersbescherming........................ 176
Volgtijd instellen....................................... 167
437
11 Alfabetisch register
11
Volume .................................................... 261
snelheids-/geluidscompensatie.......... 265
Waarschuwingssymbool, airbagsysteem.. 19
Volvo Sensus............................................. 80
Water- en vuilafstotende laag.................. 104
Voorruit
elektrische verwarming............... 107, 233
Water- en vuilafstotende laag, schoonmaken........................................................... 390
Voorstoel
hoofdsteun............................................ 83
Whiplash-letsel, WHIPS............................. 26
W
Waarschuwingsgeluid
Collision Warning................................ 178
Waarschuwingslampje
adaptieve cruisecontrol...................... 155
Collision Warning................................ 178
stabiliteits- en tractieregelsysteem..... 144
Waarschuwingslampjes
airbags (SRS)........................................
dynamo laadt niet bij............................
gordelwaarschuwing............................
lage oliedruk.........................................
parkeerrem aangezet............................
storing in remsysteem..........................
waarschuwing.......................................
WHIPS
kinderzitje/comfortkussen.................... 26
whiplash-letsel...................................... 26
Wielen
aanbrengen.........................................
reservewiel..........................................
sneeuwkettingen.................................
velgen.................................................
verwisselen.........................................
346
344
342
341
344
Wielen en banden.................................... 340
Winterbanden.......................................... 342
77
77
77
77
77
77
77
Waarschuwingssymbolen.......................... 75
438
Warmtereflecterende voorruit.................. 104
Wisserbladen...........................................
schoonmaken.....................................
servicestand.......................................
vervangen...........................................
vervangen achterklep.........................
372
373
372
372
373
Wissers en -sproeiers.............................. 101
Z
Zekeringen...............................................
algemene informatie...........................
motorruimte........................................
onder het dashboardkastje.................
onder rechter voorstoel......................
vervangen...........................................
379
379
380
383
386
379
Zekeringenkastje..................................... 379
Zuinig rijden............................................. 312
Zwangere vrouwen, veiligheidsgordel....... 17
Volvo Car Corporation TP 16069 (Dutch), AT 1320, Printed in Sweden, Göteborg 2013, Copyright © 2000-2013 Volvo Car Corporation
Was this manual useful for you? yes no
Thank you for your participation!

* Your assessment is very important for improving the work of artificial intelligence, which forms the content of this project

Download PDF

advertising