Volvo | V50 | Gebruikershandleiding | Volvo V50 2008 Gebruikershandleiding

Volvo V50 2008 Gebruikershandleiding
VOLVO V50
Instructieboekje
WEB EDITION
Beste Volvo-bezitter,
DANK U DAT U GEKOZEN HEBT VOOR VOLVO!
Wij hopen dat u jarenlang rijplezier van uw Volvo zult hebben.
Bij het ontwerp hebben veiligheid en comfort van u en uw
medepassagiers vooropgestaan. Een Volvo is een van de
veiligste auto’s ter wereld. Uw Volvo is ook ontworpen om aan
alle geldende veiligheidsvoorschriften en milieueisen te voldoen.
Om nog meer plezier van uw auto te hebben, raden wij u aan om
vertrouwd te raken met de uitrusting, de instructies en de
onderhoudsinformatie in dit instructieboekje.
Inhoud
2
00 Inleiding
01 Veiligheid
Inleiding ............................................6
Volvo Car Corporation en het milieu ..........................................7
Veiligheidsgordels .......................... 12
Airbagsysteem ............................... 15
Airbags (SRS) ................................. 16
Airbag (SRS) activeren/deactiveren 18
SIPS-airbags (zij-airbags) ............... 20
Opblaasgordijn (IC-systeem) .......... 22
WHIPS-systeem ............................. 23
Activering van de veiligheidssystemen ....................... 25
Crash mode .................................... 26
Kinderen en veiligheid .................... 27
02 Instrumenten, schakelaars
en bediening
Overzicht auto’s met het stuur links 34
Overzicht auto’s met het stuur rechts ............................................... 36
Bedieningspaneel op bestuurdersportier ........................... 38
Instrumentenpaneel ........................ 39
Controle- en waarschuwingslampjes ................... 40
Informatiedisplay ............................. 44
Elektrische aansluiting ..................... 45
Verlichtingspaneel ........................... 46
Linker stuurhendel ........................... 49
Rechter stuurhendel ........................ 51
Cruisecontrol (optie) ........................ 53
Toetsenset op stuurwiel (optie) ........ 54
Stuurwielverstelling, alarmlichten .... 55
Handrem .......................................... 56
Elektrisch bedienbare zijruiten ........ 57
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels ................................. 59
Elektrisch bedienbaar schuifdak (optie) .............................................. 63
Persoonlijke instellingen .................. 65
Inhoud
03 Klimaatregeling
04 Interieur
05 Sloten en alarm
Algemene informatie over de klimaatregeling ............................... 70
Handmatige klimaatregeling met
airconditioning, AC ......................... 72
Elektronische klimaatregeling, ECC
(optie) ............................................. 75
Luchtverdeling ................................ 78
Standverwarming op brandstof (optie) ............................................. 79
Voorstoelen .................................... 84
Interieurverlichting ......................... 86
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte ........................... 88
Achterbank ..................................... 92
Bagageruimte ................................ 94
Afstandsbediening met sleutelblad ....................................100
Vergrendelingspunten ...................103
Keyless Drive (optie) .....................104
Batterij in afstandsbediening ........107
Vergrendelen en ontgrendelen ......108
Kinderslot ..................................... 111
Alarm (optie) ................................. 112
3
Inhoud
4
06 Starten en rijden
07 Wielen en banden
08 Verzorging
Algemene informatie ..................... 118
Tanken ..........................................120
Motor starten ................................121
Motor starten – FlexiFuel ..............123
Keyless Drive (optie) .....................124
Handgeschakelde versnellingsbak 125
Automatische versnellingsbak ...... 127
Vierwielaandrijving ........................130
Remsysteem .................................131
Stabiliteits- en tractieregelsysteem 133
Park Assist (optie) .........................135
BLIS (Blind Spot Information System) (optie) ..............................138
Slepen en bergen .........................142
Starten met hulpaccu ...................144
Rijden met een aanhanger ............145
Trekhaak .......................................147
Afneembare trekhaak ...................149
Lading vervoeren ..........................154
Lichtbundel aanpassen ................155
Algemene informatie .................... 158
Bandenspanning .......................... 162
Gevarendriehoek en reservewiel .. 164
Wielen verwisselen ....................... 165
Provisorische bandenreparatie .... 167
Schoonmaken ............................... 174
Lakschade herstellen ....................177
Roestwering ..................................178
Inhoud
09 Onderhoud en service
10 Infotainment
11 Specificaties
Volvo Service ................................ 182
Onderhoud ................................... 183
Motorkap en motorruimte ............ 184
Dieselolie ...................................... 185
Oliën en vloeistoffen ..................... 186
Wisserbladen ................................ 191
Accu ............................................. 192
Gloeilampen vervangen ................ 194
Zekeringen ................................... 201
Algemene informatie .................... 210
Audiofuncties ................................211
Radiofuncties ............................... 214
Cd-functies .................................. 218
Menusysteem – audiosysteem .... 220
Telefoonfuncties (optie) ................ 221
Menusysteem – telefoon .............. 228
Type-aanduiding ...........................234
Maten en gewichten .....................235
Motorspecificaties ........................237
Motorolie .......................................239
Vloeistoffen en smeermiddelen ....243
Brandstof ......................................245
Katalysator ....................................249
Elektrisch systeem ........................250
Typegoedkeuring ..........................252
5
Inleiding
Inleiding
Instructieboekje
Een goede manier om vertrouwd te raken met
uw nieuwe auto is om het instructieboekje te
lezen, idealiter voordat u uw eerste rit maakt.
Zo maakt u kennis met nieuwe functies, krijgt
u tips voor hoe u het beste in verschillende
situaties met de auto kunt omgaan en leert
u hoe u optimaal gebruik kunt maken van alle
mogelijkheden die de auto biedt. Besteed ook
aandacht aan de veiligheidsinstructies in het
boekje:
WAARSCHUWING
Waarschuwingsteksten geven aan dat er
gevaar voor persoonlijk letsel bestaat, als u
de instructies niet opvolgt.
gemonteerde uitrusting) en bepaalde accessoires (extra’s) beschreven.
N.B.
De uitrusting van de auto’s van Volvo hangt
af van de verschillende behoeften op de
diverse markten en de landelijke en/of
regionale wet- en regelgeving. Neem contact op met de erkende Volvo-werkplaats
voor informatie over de standaarduitrusting,
opties en accessoires.
De specificaties, constructiegegevens en
afbeeldingen in dit instructieboekje zijn niet
bindend. We behouden ons het recht voor om
zonder voorafgaande mededeling wijzigingen
aan te brengen.
© Volvo Car Corporation
BELANGRIJK
“Belangrijk!”-teksten geven aan dat het gevaar bestaat dat de auto beschadigd raakt
als u de instructies niet opvolgt.
De in het instructieboekje beschreven uitrusting is niet op alle modellen aanwezig. Als aanvulling op de standaarduitrusting worden in dit
instructieboekje ook de opties (af fabriek
6
Inleiding
Volvo Car Corporation en het milieu
Milieubeleid van Volvo Car Corporation
Zorg voor het milieu, veiligheid en kwaliteit zijn
de drie kernwaarden van Volvo Car Corporation die van invloed zijn op alle activiteiten. We
zijn ervan overtuigd dat onze klanten onze
zorg voor het milieu delen.
Uw Volvo voldoet aan strenge internationale
milieueisen en is bovendien geproduceerd in
een fabriek die zeer schoon is en efficiënt met
hulpbronnen omgaat.
De Volvo Car Corporation is gecertificeerd
volgens de milieunorm ISO 14001 voor fabrieken, centrale functies en de meeste andere
eenheden. We eisen bovendien van onze
samenwerkingspartners dat ze systematisch
aan milieuzorg doen.
meen een geringere uitstoot op van het broeikasgas kooldioxide.
Alle Volvo-modellen gaan vergezeld van een
milieuverklaring (EPI of Environmental Product
Information). Daarin staat de impact aangegeven die de auto gedurende zijn hele levenscyclus op het milieu heeft.
U als bestuurder kunt uw steentje bijdragen
aan een verlaging van het brandstofverbruik.
Lees voor meer informatie de tekst onder het
kopje Spaar het milieu op pagina 8.
Lees meer op: www.volvocars.com/EPI.
Brandstofverbruik
De auto’s van Volvo zijn concurrerend in hun
klasse wat het brandstofverbruik betreft. Een
lager brandstofverbruik levert over het alge-
7
Inleiding
Volvo Car Corporation en het milieu
Efficiënte uitlaatgasreiniging
Textielnorm
Uw Volvo is gebouwd volgens het concept
Schoon aan binnen- en buitenkant – een
concept dat een schone passagiersruimte
combineert met een uitermate efficiënt uitlaatgasreinigingssysteem. In veel gevallen liggen
de uitlaatgasemissies ver onder de geldende
normen.
Het interieur van een Volvo werd dusdanig
vormgegeven dat het gezellig en comfortabel
is – ook voor mensen met contactallergieën of
astma. Alle stoelhoezen en bekledingsstoffen
zijn getest op stoffen en emissies die schadelijk zijn voor de gezondheid en allergische
reacties kunnen veroorzaken. Dit betekent dat
alle stoffen voldoen aan de eisen van de textielnorm Öko-Tex 1002 – een enorme stap op
weg naar een gezonder milieu in de passagiersruimte.
Het Öko-Tex-label stelt regels aan bijvoorbeeld de veiligheidsgordels, de vloerbekleding
en de gebruikte stoffen. De leren bekledingsvarianten zijn chroomvrij gelooid met plantaardige stoffen en voldoen aan de gestelde certificeringseisen.
Schone lucht in passagiersruimte
Het interieurfilter zorgt dat stofdeeltjes en pollen niet via de luchtinlaatopening in de passagiersruimte kunnen dringen.
Een geavanceerd luchtreinigingssysteem,
IAQS1 (Interior Air Quality System), zorgt
ervoor dat de lucht die de passagiersruimte
binnenkomt schoner is dan de lucht buiten in
het verkeer.
Het systeem bestaat uit een elektronische
sensor en een koolstoffilter. De binnenkomende lucht wordt continu gecontroleerd en
als het gehalte aan schadelijke gassen zoals
koolmonoxide te hoog oploopt, wordt de luchtinlaat gesloten. Iets dergelijks kan zich voordoen in bijvoorbeeld druk verkeer, files of tunnels.
Het koolstoffilter zorgt ervoor dat stikstofoxiden, laaghangend ozon en koolwaterstoffen
niet binnendringen.
1 Optie
8
Erkende Volvo-werkplaatsen en het
milieu
Met regelmatig onderhoud kunt u de voorwaarden scheppen voor een lange levensduur
en een laag brandstofverbruik. Op die manier
draagt u bij aan een schoner milieu. Wanneer
u de reparaties en het onderhoud aan de auto
toevertrouwt aan de werkplaatsen van Volvo,
wordt de auto een onderdeel van ons systeem. We stellen duidelijke milieueisen aan de
outillage van onze werkplaatsen om te voor2 Op
www.oekotex.com vindt u meer informatie
komen dat er schadelijke stoffen vrijkomen in
het milieu. Het personeel in de werkplaatsen
van Volvo beschikt over de kennis en het
gereedschap om optimale zorg voor het milieu
te kunnen garanderen.
Spaar het milieu
U kunt eenvoudig meehelpen het milieu te
beschermen door zuinig te rijden, milieuvriendelijke autoverzorgingsproducten te kopen en
de auto te onderhouden of te laten onderhouden aan de hand van de aanwijzingen in het
instructieboekje.
Hieronder volgen enkele tips voor hoe u het
milieu kunt ontzien (zie pagina 118 voor meer
tips om het milieu te ontzien en zuinig te rijden):
• Verlaag het brandstofverbruik door de
zogeheten ECO-bandenspanning aan te
houden (zie pagina 162).
• Lading op het dak en een
skibox resulteren in een
grotere luchtweerstand
waardoor het brandstofverbruik aanzienlijk toeneemt. Verwijder ze
daarom meteen na het
gebruik.
• Laat spullen niet onnodig in de auto liggen.
Hoe groter de belasting van de auto, des te
hoger het brandstofverbruik.
Inleiding
Volvo Car Corporation en het milieu
• Gebruik altijd de motorverwarming voor
een koudestart, als de auto hiermee is
uitgerust. Hierdoor nemen het brandstofverbruik en de uitstoot af.
• Rijd rustig en vermijd krachtig remmen.
• Rijd in de hoogst mogelijke versnelling. Een lager
toerental zorgt voor een
lager verbruik.
• Rem op de motor af om
vaart te minderen.
• Voorkom stationair
draaien. Houd u aan de plaatselijke voorschriften. Zet de motor af wanneer u langere tijd stilstaat in een file.
• Hanteer afvalstoffen die
schadelijk voor het milieu
zijn, zoals accu’s en olie,
op een milieuontlastende
manier. Neem contact op
met een erkende Volvowerkplaats als u niet zeker
weet hoe u dergelijk afval moet verwerken.
• Onderhoud uw auto regelmatig.
• Bij hoge snelheden neemt het verbruik aanzienlijk toe vanwege de grotere luchtweerstand. Bij een verdubbeling van de snelheid
neemt de luchtweerstand met een factor
vier toe.
Door deze tips op te volgen kan het brandstofverbruik worden verlaagd zonder dat dit van
invloed is op de reistijd of het plezier in het
autorijden. U spaart uw auto, bespaart geld en
gebruikt minder van de hulpbronnen op aarde.
9
Veiligheidsgordels .................................................................................... 12
Airbagsysteem ......................................................................................... 15
Airbags (SRS) ........................................................................................... 16
Airbag (SRS) activeren/deactiveren .......................................................... 18
SIPS-airbags (zij-airbags) .........................................................................20
Opblaasgordijn (IC-systeem) .................................................................... 22
WHIPS-systeem .......................................................................................23
Activering van de veiligheidssystemen .................................................................................25
Crash mode ..............................................................................................26
Kinderen en veiligheid ..............................................................................27
10
VEILIGHEID
01
01 Veiligheid
01
Veiligheidsgordels
Draag altijd een veiligheidsgordel
G020104
Veiligheidsgordel losmaken
Heupgordel uittrekken. De gordel moet laag
gedragen worden.
Remmen kan ernstige gevolgen hebben als de
veiligheidsgordel niet wordt gedragen. Let er
daarom op dat alle passagiers hun veiligheidsgordel om hebben. Voor optimale bescherming door de veiligheidsgordel is het van
belang dat de gordel goed tegen het lichaam
ligt. Laat de rugleuning niet te ver achteroverhellen. De veiligheidsgordel biedt de beste
bescherming bij een normale rijhouding.
De veiligheidsgordel omdoen:
– Trek de veiligheidsgordel langzaam uit en
maak deze vast door de borglip in de
sluiting te steken. Een duidelijke “klik” geeft
aan dat de veiligheidsgordel vastzit.
12
WAARSCHUWING
– Druk op de rode knop van de sluiting en
laat het oprolmechanisme de veiligheidsgordel naar binnen trekken. Als de veiligheidsgordel niet volledig wordt opgerold,
moet u de gordel handmatig zo ver terugrollen dat deze niet langer slap hangt.
De veiligheidsgordel is geblokkeerd en kan
niet verder worden uitgetrokken:
De veiligheidsgordel en de airbag werken
samen. Als de veiligheidsgordel niet of
onjuist wordt gebruikt, kan de bescherming
die de airbag bij een aanrijding biedt afnemen waardoor u als klant ernstig letsel kunt
oplopen.
• wanneer u de gordel te snel uittrekt
• wanneer u remt of optrekt
• als de auto sterk overhelt.
Elke veiligheidsgordel is bestemd ter
bescherming van slechts één persoon.
Let erop dat:
• u geen klemmen of andere accessoires
gebruikt waardoor u de veiligheidsgordel
niet strak langs uw lichaam kunt trekken
• er geen slagen in de veiligheidsgordel zitten
en dat hij nergens achter blijft steken
• de heupgordel laag moet zitten (niet over
de buik)
• u de heupgordel over de heupen spant
door aan de diagonale schoudergordel te
trekken zoals afgebeeld.
WAARSCHUWING
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen aan de veiligheidsgordels aan en probeer ze nooit zelf te
repareren. Neem contact op met een
erkende Volvo-werkplaats. Als een veiligheidsgordel aan grote krachten heeft blootgestaan zoals tijdens een aanrijding, moet u
de veiligheidsgordel in zijn geheel vervangen. De veiligheidsgordel kan een deel van
zijn beschermende eigenschappen hebben
verloren, zelfs als de veiligheidsgordel
ogenschijnlijk niet beschadigd is. Vervang
de veiligheidsgordel ook als deze versleten
of beschadigd is. De nieuwe veiligheidsgordel moet zijn goedgekeurd en bedoeld voor
montage op dezelfde positie als de vervangen veiligheidsgordel.
01 Veiligheid
Veiligheidsgordels
Veiligheidsgordel en zwangerschap
Gordelwaarschuwing
Wanneer u zwanger bent, is het belangrijk dat
u de veiligheidsgordel altijd op de juiste
manier draagt. De veiligheidsgordel moet
strak langs de schouder lopen, waarbij het
diagonale deel van de veiligheidsgordel tussen de borsten en tegen de zijkant van de buik
ligt. Het heupgedeelte van de veiligheidsgordel moet vlak tegen de buitenkant van de
bovenbenen liggen en zo ver mogelijk onder
de buik liggen. Het mag nooit over de buik
omhoog kunnen glijden. De veiligheidsgordel
moet zo strak mogelijk over het lichaam lopen
zonder onnodige speling. Controleer ook of de
veiligheidsgordel nergens gedraaid zit.
G018084
G020105
Naarmate de zwangerschap vordert moeten
zwangere bestuurders de stoel en het stuur
dusdanig verstellen dat ze de auto volledig
onder controle hebben (wat inhoudt dat ze
met gemak bij het stuur en de pedalen moeten
kunnen komen). Streef ernaar de afstand tussen de buik en het stuur zo groot mogelijk te
maken.
01
Er gaan waarschuwingslampjes branden en er
worden geluidssignalen afgegeven wanneer
iemand de veiligheidsgordel niet draagt. Of er
geluidssignalen klinken, hangt af van de snelheid. De waarschuwingslampjes zitten in de
plafondconsole en op het instrumentenpaneel.
Het gordelwaarschuwingssysteem geldt niet
voor kinderzitjes.
Achterbank
De functie van de gordelwaarschuwing voor
de achterbank is tweeledig:
• Aangeven welke veiligheidsgordels van de
achterbank er worden gebruikt. De waar-
13
01 Veiligheid
01
Veiligheidsgordels
schuwing wordt gegeven bij het gebruik
van de veiligheidsgordels of bij het openen
van een van de achterportieren. Dit gebeurt
met behulp van een melding op het informatiedisplay. De melding wordt na
ca. 30 seconden automatisch gewist, maar
kan ook handmatig worden bevestigd door
op de knop READ te drukken.
• Waarschuwen dat iemand op de achterbank de veiligheidsgordel heeft losgenomen. Er wordt gewaarschuwd met een
melding op het informatiedisplay in combinatie met een geluidssignaal en een waarschuwingslampje. De waarschuwing stopt
wanneer de veiligheidsgordel weer is
omgedaan, maar kan ook handmatig worden bevestigd door op de knop READ te
drukken.
De melding op het informatiedisplay, die aangeeft welke veiligheidsgordels er gebruikt
worden, is altijd beschikbaar. Druk op de knop
READ om de opgeslagen meldingen te zien.
Bepaalde markten
Er gaan waarschuwingslampjes branden en er
worden geluidssignalen afgegeven wanneer
iemand de gordel niet draagt. Bij lage snelheid
vallen de geluidssignalen na zes seconden stil.
14
Gordelspanners
Alle veiligheidsgordels zijn uitgerust met gordelspanners. Dit is een mechanisme dat bij
een voldoende krachtige aanrijding de veiligheidsgordel rond het lichaam spant. De veiligheidsgordel kan de passagier daarmee beter
in de stoel gedrukt houden.
01 Veiligheid
Airbagsysteem
Waarschuwingslampje op het
instrumentenpaneel
G020107
Behalve het brandende waarschuwingslampje verschijnt
er, in die gevallen waarin dat
nodig is, een melding op het
display. Als het waarschuwingslampje niet werkt, gaat
het waarschuwingsdriehoekje
branden en verschijnt er SRSAIRBAG SERVICE VEREIST
of SRS-AIRBAG SERVICE
SPOED op het display. Neem zo spoedig
mogelijk contact op met een erkende Volvowerkplaats.
Het airbagsysteem1 wordt continu gecontroleerd door de regelmodule. Het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel gaat
branden, wanneer u de contactsleutel naar
stand I, II of III draait. Het lampje dooft na ca.
6 seconden, wanneer de regelmodule heeft
vastgesteld dat het airbagsysteem geen storingen1 vertoont.
1 Omvat
01
WAARSCHUWING
Als het waarschuwingslampje voor het airbagsysteem blijft branden of tijdens het rijden kortstondig oplicht, betekent dit dat het
airbagsysteem niet naar behoren werkt.
Het lampje kan ook duiden op een storing in
de gordelspanners, het SIPS-, het SRSof het IC-systeem. Neem zo spoedig mogelijk contact op met een erkende Volvowerkplaats.
SRS en gordelspanners, SIPS en IC.
15
01 Veiligheid
01
Airbags (SRS)
Airbag (SRS) aan de bestuurderszijde
Airbag (SRS) aan de passagierszijde
WAARSCHUWING
Om de kans op letsel bij activering van de
airbags te beperken, moeten de passagiers
zo rechtop mogelijk zitten met hun voeten
op de vloer en hun rug tegen de rugleuning.
De veiligheidsgordel moet goed vastzitten.
Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordel
aan de bestuurderszijde ook een airbag (SRS Supplemental Restraint System) in het stuurwiel. De airbag zit opgevouwen in het midden
van het stuurwiel. Het stuurwiel is voorzien
van het opschrift SRS AIRBAG.
G020109
G020108
WAARSCHUWING
Als aanvulling op de veiligheidsgordel van de
passagiersstoel heeft uw auto ook een passagiersairbag1 die ligt opgevouwen in een ruimte
boven het dashboardkastje. Het paneel is
voorzien van het opschrift SRS AIRBAG.
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en de airbag werken
samen. Als de veiligheidsgordel niet of
onjuist wordt gebruikt, kan de bescherming
die de airbag bij een aanrijding biedt afnemen waardoor u als klant ernstig letsel kunt
oplopen.
16
1
Niet alle auto’s hebben een airbag (SRS) aan
de passagierszijde. Deze kan optioneel worden weggelaten bij de verkoop.
Zet nooit een kind in een kinderzitje op de
passagiersstoel als de airbag (SRS) is geactiveerd.1
Laat kinderen nooit voor de passagierstoel
zitten of staan. Personen die kleiner zijn dan
1,40 m mogen nooit op de passagiersstoel
plaatsnemen, als de airbag (SRS) geactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren voor uw kind.
1 Zie
pagina 18 voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag (SRS).
01 Veiligheid
Airbags (SRS)
01
SRS-systeem, auto met het stuur links
Het systeem bestaat uit airbags en sensoren.
Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren de sensoren, waarna de airbag wordt
opgeblazen. Daarbij wordt de airbag warm.
Om de klap op te vangen loopt de airbag leeg
wanneer de inzittende de airbag raakt. Daarbij
treedt er rookvorming in de auto op. Dit is volkomen normaal. Het totale verloop, van het
opblazen tot het leeglopen van de airbag,
neemt enkele tienden van een seconde in
beslag.
WAARSCHUWING
Reparaties mogen alleen door een erkende
Volvo-werkplaats worden uitgevoerd.
Ingrepen in het airbagsysteem kunnen storingen in de werking en ernstig letsel veroorzaken.
G020113
G020111
G020110
Airbagsysteem
SRS-systeem, auto met het stuur rechts
N.B.
De reactie van de sensoren hangt af van de
ernst van de aanrijding en van het feit of de
veiligheidsgordel aan de bestuurderszijde
of de passagierszijde vooraan wordt gedragen of niet.
Het kan dan ook zijn dat er bij ongelukken
slechts één (of geen enkele) van de airbags
wordt opgeblazen. Het airbagsysteem registreert de botskracht waaraan de auto
blootstaat en stemt de activering van een of
meerdere airbags daarop af.
Ook de capaciteit van de airbags wordt afgestemd op de botskracht waaraan de auto
blootstaat.
Positie van de passagiersairbag in een auto met
het stuur links of rechts
WAARSCHUWING
Plaats geen voorwerpen voor of boven op
het dashboard in het gebied waar de passagiersairbag is aangebracht.
17
01 Veiligheid
01
Airbag (SRS) activeren/deactiveren
PACOS1 (optie)
passagierszijde voorin geactiveerd is (zie
bovenstaande afbeelding).
Zie de onderstaande tekst voor informatie
over het gebruik van de schakelaar.
2
Hiermee wordt aangeduid dat de airbag (SRS)
aan de passagierszijde gedeactiveerd is.
De airbag (SRS) aan de passagierszijde voorin
kan gedeactiveerd worden met een schakelaar als de auto is uitgerust met PACOS (Passenger Airbag Cut Off Switch) (zie pagina 19).
Meldingen
Een tekstmelding en een brandend symbool
op het plafondpaneel op de plafondconsole
geven aan dat de airbag (SRS) aan de passagierszijde gedeactiveerd is (zie bovenstaande
afbeelding).
1 PACOS
18
(Passenger Airbag Cut Off Switch)
G018083
G018082
Activeren/deactiveren
Hiermee wordt aangeduid dat de airbag (SRS)
aan de passagierszijde geactiveerd is.
N.B.
Bij het omdraaien van de transpondersleutel naar stand II of III brandt ca. 6 seconden
lang het waarschuwingslampje voor de airbags op het instrumentenpaneel (zie
pagina 15).
Daarna gaat de indicator op de plafondconsole branden die de status van de passagiersairbag aangeeft. Zie pagina 122 voor
meer informatie over de verschillende standen van het contactslot.
Een waarschuwingssymbool op de plafondconsole geeft aan dat de airbag (SRS) aan de
De schakelaar voor activering/deactivering
van de passagiersairbag, PACOS (Passenger
Airbag Cut Off Switch) zit aan de passagierszijde aan de zijkant van het dashboard en u
kunt erbij door het portier aan die kant te openen (zie onder het kopje “Schakelaar voor
activering/deactivering passagiersairbag,
PACOS” op de volgende pagina). Controleer
of de schakelaar in de gewenste stand staat.
Volvo adviseert u het sleutelblad te gebruiken
om de stand te wijzigen.
Zie pagina 101 voor informatie over het sleutelblad. (U kunt ook andere voorwerpen
gebruiken die qua vorm op een sleutel lijken.)
WAARSCHUWING
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren.
01 Veiligheid
Airbag (SRS) activeren/deactiveren
WAARSCHUWING
Als de auto is uitgerust met een airbag (SRS)
aan de passagierszijde maar geen PACOS
heeft, is de airbag altijd geactiveerd.
Schakelaar voor activering/deactivering
passagiersairbag, PACOS
1
WAARSCHUWING
WAARSCHUWING
Laat geen passagier op de passagiersstoel
plaatsnemen, als het waarschuwingslampje
voor het airbagsysteem op het instrumentenpaneel oplicht terwijl de tekst op het plafondpaneel aangeeft dat de airbag (SRS)
aan die kant gedeactiveerd is. Het duidt op
een ernstige storing. Bezoek onmiddellijk
een erkende Volvo-werkplaats.
2
G019800
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen op de passagiersstoel, als het brandende symbool op de plafondconsole aangeeft dat de
passagiersairbag geactiveerd is. Het niet
opvolgen van deze aanbeveling kan levensgevaarlijke situaties opleveren voor het kind.
01
WAARSCHUWING
Geactiveerde airbag (passagierszijde):
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen op de passagiersstoel als de airbag geactiveerd is. Laat
evenmin personen die kleiner zijn dan
1,40 m op deze stoel plaatsnemen.
Gedeactiveerde airbag (passagiersstoel):
Laat personen die groter zijn dan 1,40 m
nooit plaatsnemen op de passagiersstoel
wanneer de passagiersairbag gedeactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren.
Locatie van de schakelaar voor activering/deactivering van de passagiersairbag
– De airbag is geactiveerd (1). Met de schakelaar in deze stand kunnen passagiers
groter dan 1,40 m op de voorstoel aan de
passagierszijde zitten, maar kinderen in een
kinderzitje of op een kussen beslist niet.
– De airbag is gedeactiveerd (2). Met de
schakelaar in deze stand kunnen kinderen
in een kinderzitje of op een kussen op de
voorstoel aan de passagierszijde zitten,
maar passagiers groter dan 1,40 m beslist
niet.
19
01 Veiligheid
01
SIPS-airbags (zij-airbags)
SIPS-airbags (zij-airbags)
Kinderzitjes en SIPS-airbags
WAARSCHUWING
Reparaties mogen alleen door een erkende
Volvo-werkplaats worden uitgevoerd.
Ingrepen in de SIPS-airbags kunnen storingen in de werking veroorzaken en leiden tot
ernstig letsel.
Een SIPS-airbag heeft wat kinderzitjes betreft
geen negatieve gevolgen voor de beschermende functies van de auto.
Het is mogelijk een kinderzitje/comfortkussen
op de voorstoel te plaatsen, als de auto aan
de passagierszijde niet is uitgerust met een
geactiveerde1 airbag.
G020118
WAARSCHUWING
Positie van de SIPS-airbags
Een groot deel van de botskracht wordt door
het SIPS-systeem (Side Impact Protection
System) over balken, stijlen, vloer, dak en
andere delen van de carrosserie verspreid.
De SIPS-airbags aan de bestuurders- en de
passagierszijde beschermen de borstkas en
vormen een belangrijk onderdeel van het
SIPS-systeem. De SIPS-airbags zijn aangebracht in de frames van de rugleuning van
de voorstoelen.
Leg geen voorwerpen tussen de stoelen en
de portierpanelen, omdat dit gebied binnen
de actieradius van de SIPS-airbag ligt.
WAARSCHUWING
Gebruik alleen door Volvo goedgekeurde
stoelhoezen. Andere stoelhoezen kunnen
de SIPS-airbags in hun werking hinderen.
WAARSCHUWING
De SIPS-airbags vormen een aanvulling op
de veiligheidsgordel. Draag altijd een veiligheidsgordel.
1
20
Zie pagina 18 voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag (SRS).
01 Veiligheid
SIPS-airbags (zij-airbags)
01
Bestuurdersplaats, auto met stuur links
Het SIPS-systeem bestaat uit SIPS-airbags en
sensoren. Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren de sensoren, die op hun beurt
de gasgeneratoren activeren. De SIPS-airbags
worden vervolgens opgeblazen tussen de
inzittende en het portierpaneel. Daarmee vangen de SIPS-airbags de klap van de aanrijding
op voor de inzittende, waarna de airbags weer
leeglopen. De airbag loopt weer leeg wanneer
de inzittende de airbag raakt. De SIPS-airbag
wordt normaal gesproken alleen opgeblazen
aan de kant van de aanrijding.
Passagiersplaats, auto met het stuur links
G020343
G020121
G020120
SIPS-airbags
Positie van airbagsticker in voorportieropening
aan passagierszijde
21
01 Veiligheid
01
Opblaasgordijn (IC-systeem)
Eigenschappen
G019985
WAARSCHUWING
Het opblaasgordijn van het IC-systeem (Inflatable Curtain) vormt een aanvulling op het
SIPS-systeem en de airbags. Het zit verborgen achter de plafondbekleding langs beide
zijden van de auto en beschermt inzittenden
op de buitenste zitplaatsen, zowel voor- als
achterin. Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren de sensoren, waarna de
opblaasgordijnen worden geactiveerd. Het
systeem helpt voorkomen dat de bestuurder
en eventuele passagiers bij een botsing met
hun hoofd tegen de binnenkant van de auto
slaan.
22
Hang of bevestig nooit zware voorwerpen
aan de handgrepen aan het plafond. De
haak is alleen bedoeld voor de lichtere kledingstukken (en niet voor harde voorwerpen
zoals paraplu’s).
Schroef of bevestig geen onderdelen op de
plafondbekleding, de portierstijlen of de zijpanelen van de auto. Ze kunnen daarbij hun
beschermende werking verliezen. Er mogen
uitsluitend originele Volvo-onderdelen, bestemd voor montage op deze plaatsen,
worden gebruikt.
WAARSCHUWING
Zorg dat de lading in de auto niet uitsteekt
boven de denkbeeldige, horizontale lijn op
50 mm onder de bovenkant van de zijruiten.
Anders is het mogelijk dat het opblaasgordijn dat schuilgaat achter de plafondbekleding geen bescherming meer biedt.
WAARSCHUWING
Het opblaasgordijn vormt een aanvulling op
de veiligheidsgordel.
Draag altijd de veiligheidsgordel.
01 Veiligheid
WHIPS-systeem
01
G020347
Bescherming tegen whiplash-letsel, WHIPS
Het WHIPS-systeem (Whiplash Protection
System) bestaat uit energieabsorberende rugleuningen en speciaal voor het systeem ontwikkelde hoofdsteunen voor de beide voorstoelen. Het systeem wordt geactiveerd bij
een aanrijding van achteren, afhankelijk van
de hoek waaronder en de snelheid waarmee
het achteropkomende voertuig de auto raakt
en de materiaaleigenschappen van dat voertuig.
WAARSCHUWING
Het WHIPS-systeem vormt een aanvulling
op de veiligheidsgordel. Draag altijd een
veiligheidsgordel.
Eigenschappen van de stoel
WHIPS-systeem en kinderzitjes
Als het WHIPS-systeem wordt geactiveerd,
klappen de rugleuningen van de voorstoelen
naar achteren zodat de zithouding van de
bestuurder en de passagier op de voorstoelen
verandert. Zo wordt de kans op zogeheten
whiplash-letsel beperkt.
Het WHIPS-systeem heeft geen nadelige
invloed op de beschermende werking van de
kinderzitjes.
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen in de stoel of
het WHIPS-systeem aan en probeer ze
nooit zelf te repareren. Neem contact op
met een erkende Volvo-werkplaats.
Juiste zithouding
Voor optimale bescherming moeten de
bestuurder en de voorpassagier zoveel mogelijk in het midden van de stoel plaatsnemen en
de afstand tussen het hoofd en de hoofdsteun
zo klein mogelijk houden.
23
01 Veiligheid
01
WHIPS-systeem
Zorg dat u de werking van het WHIPSsysteem niet beïnvloedt
G020125
G020126
WAARSCHUWING
WAARSCHUWING
WAARSCHUWING
Plaats geen koffer of iets dergelijks tussen
het zitgedeelte van de achterbank en de
rugleuning van de voorstoelen. Let erop dat
u de werking van het WHIPS-systeem niet
beïnvloedt.
24
Als u een van de ruggedeelten van de achterbank hebt neergeklapt, moet u de voorstoel aan dezelfde kant naar voren schuiven
zodat de rugleuning van de stoel niet tegen
het neergeklapte ruggedeelte van de achterbank aankomt.
Als de stoel heeft blootgestaan aan grote
krachten zoals bij een aanrijding van achteren, moet u het WHIPS-systeem laten controleren in een erkende Volvo-werkplaats.
Het WHIPS-systeem kan een deel van zijn
beschermende eigenschappen hebben
verloren, zelfs als de stoel ogenschijnlijk
intact is.
Neem contact op met een erkende Volvowerkplaats om het systeem te laten controleren, ook na een lichte aanrijding van
achteren.
01 Veiligheid
Activering van de veiligheidssystemen
Systeem
Activering
Gordelspanners voorstoelen
Bij een frontale botsing en/of aanrijding in de zij en/of van achteren.
Gordelspanners buitenste zitplaatsen achterbank
Bij een frontale botsing.
Airbags (SRS)
Bij een frontale botsing.1
SIPS-airbags
Bij een aanrijding in de zij.1
Opblaasgordijnen (IC-systeem)
Bij een aanrijding in de zij.1
WHIPS-systeem
Bij een aanrijding van achteren.
01
1Het
is mogelijk dat de airbags niet worden opgeblazen, ondanks dat de carrosserie van de auto danig vervormd raakt. Enkele factoren zoals de stijfheid en het
gewicht van het lichaam waarmee de auto in botsing komt, de snelheid van de auto, de hoek waaronder de botsing plaatsvindt e.d. zijn van invloed op de wijze van
activering van de verschillende veiligheidssystemen op de auto.
Na activering van de airbags adviseren wij u
het volgende:
• Sleep de auto naar een erkende Volvowerkplaats. Rijd nooit met geactiveerde
airbags.
• Laat de onderdelen van het veiligheidssysteem in de auto door een erkende Volvowerkplaats vervangen.
• Neem altijd contact op met een arts.
N.B.
WAARSCHUWING
De regelmodule van het airbagsysteem zit
in de middenconsole. Als de middenconsole doorweekt geraakt is, moet u de accukabels loskoppelen. Probeer de auto niet te
starten, omdat de airbags daarbij geactiveerd kunnen worden. Sleep de auto naar
een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Rijd nooit met geactiveerde airbags. Ze kunnen u bij het sturen danig in de weg zitten.
Ook de andere veiligheidssystemen kunnen
beschadigd zijn. Langdurige blootstelling
aan de rook en het stof die vrijkomen bij activering van de airbags kan oog- en huidirritatie veroorzaken. Spoel bij irritatie met koud
water. De snelheid waarmee de airbags/gordijnen worden opgeblazen kan in combinatie
met de toegepaste materialen resulteren in
schaaf- en brandwonden.
De SRS-, SIPS-, IC-systemen en de gordelspanners worden bij een botsing slechts
eenmaal geactiveerd.
25
01 Veiligheid
01
Crash mode
Rijden na een aanrijding
Als alles normaal lijkt en u hebt vastgesteld
dat er geen brandstof lekt, kunt u proberen de
motor te starten.
G020127
Haal de contactsleutel uit het contact en steek
hem er opnieuw in. De elektronica van de auto
probeert te resetten naar de normale stand.
Probeer vervolgens de auto te starten. Als
CRASH MODE nog op het display staat, mag
u niet met de auto rijden en hem niet verslepen. Verborgen schade kan de auto tijdens
het rijden onbestuurbaar maken, zelfs als het
lijkt dat u nog met de auto kunt rijden.
Als de auto betrokken is geweest bij een aanrijding, kan de tekst CRASH MODE ZIE
HANDLEIDING op het informatiedisplay verschijnen. Dit betekent dat de functionaliteit
van de auto is verminderd. CRASH MODE is
een veiligheidsfunctie die in werking treedt
wanneer de aanrijding een belangrijke functie
in de auto, bijvoorbeeld brandstofleidingen,
sensoren voor een van de veiligheidssystemen of het remsysteem, kan hebben beschadigd.
Auto proberen te starten
Controleer eerst of er geen brandstof uit de
auto is gelopen. Er mag geen brandstofgeur
aanwezig zijn.
26
Auto verzetten
Als de melding NORMAL MODE wordt weergegeven nadat de CRASH MODE is gereset,
mag de auto voorzichtig uit de huidige,
gevaarlijke positie worden verreden. Verrijd de
auto niet verder dan nodig.
WAARSCHUWING
Probeer nooit zelf de auto te repareren of de
elektronische onderdelen te resetten nadat
de auto in de CRASH MODE heeft gestaan.
Dit kan aanleiding geven tot letsel of een
slechte functie van de auto. Laat de auto
altijd in een erkende Volvo-werkplaats controleren en naar de NORMAL MODE resetten nadat CRASH MODE is verschenen.
WAARSCHUWING
Probeer onder geen beding de auto
opnieuw te starten, als u brandstof ruikt terwijl de melding CRASH MODE wordt weergegeven. Verlaat de auto onmiddellijk.
WAARSCHUWING
De auto mag niet worden weggesleept
zolang deze in de CRASH MODE staat.
De auto moet van zijn huidige plaats
worden vervoerd naar een erkende Volvowerkplaats.
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Kinderen moeten comfortabel en
veilig zitten
Kinderzitjes
Laat de rugleuning van het kinderzitje tegen
het dashboard steunen. Dit geldt voor auto’s
zonder passagiersairbag of auto’s waarvan de
airbag gedeactiveerd is.
De plaats van het kind in de auto en de vereiste uitrusting zijn afhankelijk van het gewicht
en de lengte van het kind (zie pagina 29 voor
meer informatie).
Positie van kinderzitjes
Het volgende kan worden gebruikt:
N.B.
De veiligheidsuitrusting voor kinderen die
Volvo biedt, is afgestemd op het gebruik in uw
auto. Door het gebruik van originele Volvoonderdelen bent u er zeker van dat de bevestigingspunten en bevestigingsonderdelen op de
juiste wijze zijn aangebracht en sterk genoeg
zijn.
N.B.
Bij problemen tijdens de montage van kinderveiligheidsproducten kunt u contact opnemen met de fabrikant voor nadere
inlichtingen over de montage.
G020128
De wettelijke bepalingen voor het vervoer
van kinderen in de auto verschillen van land
tot land. Ga na welke regels er in uw land
van kracht zijn.
Ongeacht leeftijd en lengte moeten kinderen
altijd met de gordel goed om in de auto zitten.
Laat kinderen nooit bij passagiers op schoot
zitten.
01
Kinderzitjes en airbags gaan niet samen
Volvo heeft veiligheidsuitrusting voor kinderen die afgestemd is op uw Volvo en uitvoerig
door Volvo getest is.
• een kinderzitje/comfortkussen op de passagiersstoel, mits de passagiersairbag is
gedeactiveerd1.
• een achterstevoren gemonteerd kinderzitje
op de achterbank dat tegen de rugleuning
van de voorstoel steunt.
Plaats een kind altijd op de achterbank als de
passagiersairbag geactiveerd is. Als de airbag wordt geactiveerd, kan een kind aan de
passagierszijde ernstig letsel oplopen.
WAARSCHUWING
Zet nooit een kind in een kinderzitje op de
passagiersstoel als de airbag (SRS) is geactiveerd.
Personen kleiner dan 1,40 m mogen nooit
op de passagiersstoel plaatsnemen als de
airbag (SRS) geactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren voor uw kind.
N.B.
Bij gebruik van andere op de markt verkrijgbare kinderveiligheidsproducten is het van
belang dat u de bijgeleverde montageinstructies zorgvuldig doorleest en nauwkeurig opvolgt.
Zet de bevestigingsbanden van het kinderzitje
nooit vast aan de hendel waarmee u de voorstoel in de lengterichting verstelt of aan veren,
rails of balken onder de stoel. Scherpe randen
kunnen de bevestigingsbanden beschadigen.
1
Zie pagina 18 voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag (SRS).
27
01 Veiligheid
01
Kinderen en veiligheid
WAARSCHUWING
Sticker airbag
Sticker op zijwand dashboard.
28
G018620
G018564
Gebruik geen kinderzitjes met stalen beugels of andere constructies die tegen de
ontgrendelingsknop van de gordelsluiting
kunnen aankomen. Dit om te voorkomen
dat de gordels plotseling losschieten.
Zorg dat het kinderzitje niet met de bovenkant tegen de voorruit aankomt.
Sticker op zijwand dashboard (alleen Australië).
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
Plaats van kinderen in de auto
Buitenste zitplaats van de
achterbank
Gewicht/Leeftijd
Voorstoel1
Groep 0
max. 10 kg
(tot 9 maanden)
Groep 0+
max. 13 kg
Volvo kinderzitje – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband. Gebruik een
veiligheidskussen tussen het kinderzitje en
het dashboard.
Volvo kinderzitje – achterstevoren gemon- Volvo kinderzitje – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel, bevestigingsband en steun. heidsgordel, bevestigingsband en steun.
Typegoedkeuring: E5 03135
Britax Baby Safe Plus – achterstevoren
gemonteerd babyzitje bevestigd met ISOFIXsysteem.
Typegoedkeuring: E5 03135
Britax Baby Safe Plus – achterstevoren
gemonteerd babyzitje bevestigd met
ISOFIX-systeem.
Typegoedkeuring: E5 03135
Britax Baby Safe Plus – achterstevoren
gemonteerd babyzitje bevestigd met veiligheidsgordel.
Typegoedkeuring: E1 03301146
Volvo kinderzitje – achterstevoren gemonteerd
kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en
bevestigingsband. Gebruik een veiligheidskussen tussen het kinderzitje en het
dashboard.
Typegoedkeuring: E1 03301146
Volvo kinderzitje – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel, bevestigingsband en steun.
Typegoedkeuring: E1 03301146
Volvo kinderzitje – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel, bevestigingsband en steun.
Typegoedkeuring: E5 03135
Britax Freeway – achterstevoren gemonteerd
kinderzitje bevestigd met ISOFOX-systeem en
bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 03135
Typegoedkeuring: E5 03135
Britax Freeway – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met ISOFOXsysteem en bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 03171
Volvo comfortkussen – met of zonder
rugleuning.
Typegoedkeuring: E5 03171
Volvo comfortkussen – met of zonder
rugleuning.
Typegoedkeuring: E5 03139
Typegoedkeuring: E5 03139
Geïntegreerd Volvo kinderzitje –
verkrijgbaar als fabrieksoptie.
Groep 1
9–18 kg
(9–36 maanden)
Groep 2/3
15–36 kg
(3–12 jaar)
Middelste zitplaats achterbank
Volvo comfortkussen – met of zonder
rugleuning.
Typegoedkeuring: E5 03139
Typegoedkeuring: E5 03168
1Zie
pagina 18 voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag (SRS).
Om andere zitjes te kunnen gebruiken dient uw auto op de lijst van de producent te staan of een universele goedkeuring te hebben conform ECE R44.
29
01 Veiligheid
01
Kinderen en veiligheid
Geïntegreerde kinderzitjes (optie)
Geïntegreerd kinderzitje uitklappen
De geïntegreerde kinderzitjes van Volvo op de
beide buitenste zitplaatsen achterin zijn speciaal ontworpen om kinderen maximale
bescherming te bieden. In combinatie met de
aanwezige veiligheidsgordels zijn de geïntegreerde kinderzitjes goedgekeurd voor kinderen met een gewicht van 15 tot 36 kg.
2
G020808
G015013
1
3
– Trek aan de handgreep zodat het kinderzitje omhoogkomt (1).
– Pak het zitje met beide handen vast en duw
het naar achteren (2).
– Druk het zo ver achteruit dat het
vergrendelt (3).
WAARSCHUWING
Het kinderzitje moet in de vergrendelde
stand staan voordat u het kind in het zitje
aanbrengt.
Zorg dat:
• het kinderzitje in de vergrendelde stand
staat
30
• de veiligheidsgordel goed strak langs het
lichaam van het kind loopt, nergens slap
hangt of verdraaid is en dat de veiligheidsgordel goed over de schouder ligt
• de heupgordel laag over het bekken loopt
om maximale bescherming te bieden
• de veiligheidsgordel niet tegen de nek van
het kind aankomt of onder de schouder
langs loopt
• stel de stand van de hoofdsteun zorgvuldig
af op de lengte van het kind.
WAARSCHUWING
Reparatie of vervanging dient alleen te worden uitgevoerd door een erkende Volvowerkplaats. Verricht zelf geen wijzigingen in
of aanpassingen aan het geïntegreerde kinderzitje.
Als een geïntegreerd kinderzitje aan grote
krachten heeft blootgestaan zoals tijdens
een aanrijding, moet u het geïntegreerde
kinderzitje in zijn geheel vervangen. Ook al
ziet het geïntegreerde kinderzitje er intact
uit, kunnen er toch beschermende eigenschappen verloren zijn gegaan. Het geïntegreerde kinderzitje moet ook worden
vervangen als het erg versleten is.
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
ISOFIX-bevestigingssysteem voor
kinderzitjes (optie)
Kinderzitje inklappen
1
– Trek aan de handgreep (1).
– Duw het kussen zo ver omlaag dat het
vastklikt (2).
N.B.
Let erop dat u het geïntegreerde kinderzitje
eerst moet inklappen voordat u de ruggedeelten van de achterbank voorover kunt
klappen.
G015268
G014507
2
Achter de onderkant van de ruggedeelten op
de beide buitenste zitplaatsen van de achterbank gaan de bevestigingspunten voor het
ISOFIX-systeem schuil.
Symbolen op de bekleding van de ruggedeelten (zie bovenstaande afbeelding) geven de
positie van deze bevestigingspunten aan.
Duw het zitgedeelte van de zitplaats omlaag
om bij de bevestigingspunten te komen.
Houd u altijd aan de montage-instructies van
de fabrikant, wanneer u een kinderzitje/
babyzitje aan de ISOFIX-bevestigingspunten
vastzet.
31
Overzicht auto’s met het stuur links ........................................................... 34
Overzicht auto’s met het stuur rechts ........................................................ 36
Bedieningspaneel op bestuurdersportier ................................................... 38
Instrumentenpaneel .................................................................................... 39
Controle- en waarschuwingslampjes ......................................................... 40
Informatiedisplay ........................................................................................ 44
Elektrische aansluiting ................................................................................ 45
Verlichtingspaneel ...................................................................................... 46
Linker stuurhendel ...................................................................................... 49
Rechter stuurhendel ................................................................................... 51
Cruisecontrol (optie) ................................................................................... 53
Toetsenset op stuurwiel (optie) ................................................................... 54
Stuurwielverstelling, alarmlichten ............................................................... 55
Handrem ..................................................................................................... 56
Elektrisch bedienbare zijruiten ................................................................... 57
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels ....................................................... 59
Elektrisch bedienbaar schuifdak (optie) ..................................................... 63
Persoonlijke instellingen ............................................................................. 65
32
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
02
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto’s met het stuur links
02
9
10
11
19
20
18
21
17
16
15
22
12 13 14
7
28
7
23 24 25 26 27
8
8
7
7
6
29
5
4
30
3
3
2
31
1
32
34
34
G019488
33
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto’s met het stuur links
1. Stuurwielverstelling
2. Motorkapontgrendeling
3. Bedieningspaneel
4. Richtingaanwijzers, groot licht, boordcomputer
5. Verlichting, ontgrendeling tankvulklep
6. Openingshandgreep portier, vergrendelingsknop
7. Blaasmonden in het dashboard
8. Blaasmond zijruit
9. Cruisecontrol
10. Claxon, airbag
11. Instrumentenpaneel
12. Toetsenset voor infotainment
13. Ruitenwissers en -sproeiers, koplampsproeiers
14. Contactslot
15. Bediening, schuifdak
16. Geen functie
17. Uitschakelen van alarmsensoren, Safelock
18. Interieurverlichting, schakelaar
19. Leeslampje, linkerzijde
20. Leeslampje, rechterzijde
21. Gordelwaarschuwing en indicatie voor passagiersairbag
22. Achteruitkijkspiegel
23. Display voor klimaatregeling en infotainment
24. Infotainment
25. Instellingen voor klimaatregeling, infotainment en persoonlijke
instellingen
26. Klimaatregeling
27. Versnellingspook
28. Alarmlichten
29. Portierhandgreep
30. Dashboardkastje
31. Handrem
32. Elektrische aansluiting/aansteker
33. BLIS, Blind Spot Information System
34. Schakelaars, extra uitrusting
35
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto’s met het stuur rechts
18
19
16
17
21
20
15
22
02
10 11 12 13 14
9
29
9
23 24 25
26
27
28
8
8
9
9
7
30
31
6
32
5
5
3
33
4
34
1
36
G019489
2
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto’s met het stuur rechts
1. Elektrische aansluiting, aansteker
2. BLIS, Blind Spot Information System
3. Schakelaars, extra uitrusting
4. Handrem
5. Bedieningspaneel
6. Dashboardkastje
7. Portierhandgreep
8. Blaasmond, zijruit
9. Blaasmonden in het dashboard
10. Versnellingspook
11. Klimaatregeling
12. Instellingen voor klimaatregeling, infotainment en persoonlijke
instellingen
13. Infotainment
14. Display voor klimaatregeling en infotainment
15. Achteruitkijkspiegel
16. Gordelwaarschuwing en indicatie voor passagiersairbag
17. Interieurverlichting, schakelaar
18. Leeslampje, linkerzijde
19. Leeslampje, rechterzijde
20. Geen functie
21. Uitschakelen van alarmsensoren, Safelock
22. Bediening, schuifdak
23. Contactslot
24. Ruitenwissers en -sproeiers, koplampsproeiers
25. Cruisecontrol
26. Instrumentenpaneel
27. Claxon, airbag
28. Toetsenset voor infotainment
29. Alarmlichten
30. Openingshandgreep portier, vergrendelingsknop
31. Verlichting, ontgrendeling tankvulklep
32. Richtingaanwijzers, groot licht, boordcomputer
33. Motorkapontgrendeling
34. Stuurwielverstelling
37
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Bedieningspaneel op bestuurdersportier
Bedieningspaneel op
bestuurdersportier
1
2
2
3
4
5
G017435
02
1. Elektrisch bedienbare zijruiten achterin
blokkeren (standaard)/Elektrisch kinderslot
(optie)
2. Elektrisch bedienbare zijruiten
3. Buitenspiegel, linkerzijde
4. Buitenspiegels, instelling
5. Buitenspiegel, rechterzijde
38
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Instrumentenpaneel
1
2
3
4
5
6
7
8
1.
2.
3.
4.
Snelheidsmeter
Richtingaanwijzer, links
Waarschuwingslampje
Informatiedisplay – Op het display verschijnen informatieve teksten en waarschuwingsmeldingen en de
buitentemperatuur. Wanneer de temperatuur tussen –5 C en +2 C ligt, verschijnt er een sneeuwvlokje op het
display. Het lampje wijst op het gevaar
voor gladheid. Als de auto heeft stilgestaan, kan de buitentemperatuurmeter
een te hoge waarde aangeven.
5. Informatielampje
6. Richtingaanwijzer, rechts
9
10
11
12
13
14
7. Toerenteller – Geeft het motortoerental
aan in duizenden toeren per minuut.
8. Controle- en informatielampjes
9. Brandstofmeter
10. Knop voor de dagteller – Wordt gebruikt
om korte afstanden te meten. Door kort
op de knop te drukken, kunt u van
dagteller T1 en T2 wisselen. Als u de
knop lang indrukt (meer dan
2 seconden), gaat de geactiveerde dagteller op nul.
11. Display – Geeft de schakelstanden van
de automatische versnellingsbak, regensensor, kilometerteller, dagteller en cruisecontrol aan.
G018182
02
12. Grootlichtindicatie
13. Temperatuurmeter – De temperatuurmeter van het koelsysteem van de motor.
Op het display verschijnt een melding,
als de temperatuur abnormaal hoog is
en de naald tot in het rode gebied
uitslaat. Let erop dat bijvoorbeeld extra
koplampen voor de luchtinlaat bij een
hoge buitentemperatuur en een zware
belasting van de motor het koelvermogen verminderen.
14. Controle- en waarschuwingslampjes
39
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingslampjes
02
Alle controle- en waarschuwingslampjes1
gaan branden wanneer u de contactsleutel
voor het starten naar stand II draait. De werking van de lampjes wordt dan gecontroleerd.
Alle lampjes moeten weer uitgaan als de
motor is aangeslagen, behalve het lampje
voor de handrem. Dit gaat pas uit, als de auto
van de handrem wordt gehaald.
Als de motor niet binnen
vijf seconden aanslaat, gaan alle
lampjes uit, behalve het lampje
voor storingen in het uitlaatgasreinigingssysteem van de auto en
dat voor een lage oliedruk.
Afhankelijk van de uitrusting van
de auto is het mogelijk dat
bepaalde lampjes geen functie hebben.
1
40
Bij bepaalde motortypes is het lampje voor een
lage oliedruk niet in gebruik! Er verschijnt in
plaats daarvan een displaytekst (zie pagina 186).
Lampjes in het midden van het
dashboard
1. Stop op een veilige plek. Rijd niet verder
met de auto.
2. Lees de informatie op het informatiedisplay. Voer de handeling uit die de melding op het display u voorschrijft. Wis de
melding met de knop READ.
Als de auto sneller rijdt dan 7 km/h, gaat het
waarschuwingslampje branden.
G020136
Functietest, lampjes
Het rode waarschuwingslampje
gaat branden, wanneer er een
storing is geregistreerd die van
invloed kan zijn op de veiligheid
en/of de rijeigenschappen van de
auto. Er verschijnt tegelijkertijd een verklarende melding op het informatiedisplay. Het
waarschuwingslampje blijft branden totdat de
storing is verholpen, maar de melding kunt u
verwijderen met de knop READ (zie
pagina 44). Het waarschuwingslampje kan
ook gaan branden in combinatie met andere
lampjes.
Als er een afwijking is in één van
de systemen in de auto, gaat het
oranje informatielampje branden
en verschijnt er tekst op het display. U verwijdert de melding met
behulp van de knop READ (zie pagina 44). Dit
gebeurt automatisch als u enige tijd niets doet
(hoe lang hangt van de bewuste functie af).
Het oranje informatielampje kan ook gaan
branden in combinatie met andere lampjes.
Als de auto langzamer rijdt dan 7 km/h, gaat
het informatielampje branden.
N.B.
Wanneer de servicemelding verschijnt, kunt
u het lampje doven en de melding verwijderen met de knop READ. Ook als u niets doet
gebeurt dat enige tijd later automatisch.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingslampjes
Controlelampjes, – linkerzijde
4
– Breng de auto op een veilige plaats tot
stilstand en zet de motor af.
– Start de motor opnieuw.
– Als het lampje echter blijft branden, moet u
de auto naar een erkende Volvo-werkplaats
rijden om het ABS-systeem te laten controleren.
5
3. Mistachterlicht
1
2
3
7. Laag peil in brandstoftank
Wanneer dit lampje gaat branden, zit er bij benzinemodellen
nog ca. 8 liter en bij dieselmodellen nog ca. 7 liter brandstof in de
tank.
02
Dit lampje brandt wanneer u het
mistachterlicht hebt ingeschakeld.
6
G020137
7
4. Stabiliteitssysteem STC of DSTC
Zie pagina 133 voor informatie
over de functies en lampjes van
het systeem.
1. Storing in
uitlaatgasreinigingssysteem
Rijd de auto naar een erkende
Volvo-werkplaats om het systeem te laten controleren.
5. Geen functie
6. Voorgloeifunctie motor (diesel)
Het lampje brandt als de motor
wordt voorverwarmd. De voorverwarming start als de temperatuur
lager wordt dan –2 C. De auto
kan worden gestart als het lampje
2. Storing in ABS
Als het lampje brandt, werkt het
systeem niet. Het normale remsysteem van de auto werkt dan
nog wel, zij het zonder ABSregeling.
gedoofd is.
41
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingslampjes
Controlelampjes, rechterzijde
5. Gordelwaarschuwing
N.B.
1
Het lampje geeft alleen aan dát u de handrem hebt aangetrokken maar niet hoe hard!
2
3
02
4
5
6
G020138
7
3. Airbags – SRS
Als het lampje tijdens het rijden
oplicht of blijft branden, is er een
storing in de gordelsluiting of in
het SRS-, SIPS- of IC-systeem
geregistreerd. Rijd de auto zo snel
mogelijk naar een erkende Volvo-werkplaats
om het systeem te laten controleren.
Het lampje knippert, wanneer u de
richtingaanwijzers op de auto en
de aanhanger gebruikt. Als het
lampje niet knippert, is een van de
lampen op de auto of de aanhanger defect.
Als het lampje tijdens het rijden
oplicht, is de druk van de motorolie te laag. Zet de motor onmiddellijk af en controleer het motoroliepeil. Vul zo nodig olie bij. Als het
lampje oplicht terwijl het oliepeil in orde is,
moet u contact opnemen met een erkende
Volvo-werkplaats.
2. Handrem aangetrokken
Het lampje brandt, wanneer de
handrem is aangetrokken. Haal de
handremhendel bij het aantrekken altijd volledig omhoog.
42
6. Dynamo laadt niet bij
Als het lampje tijdens het rijden
gaat branden, is er sprake van een
storing in het elektrische systeem.
Neem contact op met een
erkende Volvo-werkplaats.
7. Storing in remsysteem
4. Te lage oliedruk1
1. Controlelampje voor aanhanger
Het lampje brandt als de bestuurder of de voorpassagier geen veiligheidsgordel draagt of als
iemand op de achterbank de gordel heeft losgenomen.
1
Bij bepaalde motortypes is het lampje voor een
lage oliedruk niet in gebruik! Er verschijnt in
plaats daarvan een displaytekst (zie pagina 186).
Als het lampje oplicht, is het remvloeistofpeil mogelijk te laag.
– Breng de auto op een veilige plaats tot
stilstand en controleer het peil in het remvloeistofreservoir. Zie pagina 189. Als het
peil lager is dan het MIN-streepje van het
remvloeistofreservoir, kunt u beter niet verder rijden met de auto. Laat de auto naar
een erkende Volvo-werkplaats slepen om
het remsysteem te laten controleren.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingslampjes
Als de waarschuwingslampjes
voor het remsysteem en ABS
tegelijkertijd branden, kan er een
storing in de remkrachtverdeling
zijn opgetreden.
Waarschuwing, portieren niet
gesloten
Als een van de portieren, de motorkap1 of de
achterklep niet goed afgesloten is, wordt u
daarop attent gemaakt.
Lage snelheid
– Breng de auto op een veilige plaats tot
stilstand en zet de motor af.
– Start de motor opnieuw.
– Rijd verder als beide lampjes uitgaan.
– Als de lampjes echter blijven branden, moet
u het peil in het remvloeistofreservoir controleren (zie pagina 189).
– Als de lampjes blijven branden ondanks dat
het peil van de remvloeistof in orde is, moet
u de auto uiterst voorzichtig naar een
erkende Volvo-werkplaats rijden om het
remsysteem te laten controleren.
– Als het peil lager is dan het MIN-streepje
van het remvloeistofreservoir dient u niet
verder te rijden met de auto. Laat de auto
naar een erkende Volvo-werkplaats slepen
om het remsysteem te laten controleren.
Als de auto met een snelheid van
maximaal 7 km/h rijdt, gaat het
informatielampje branden en verschijnt een van de volgende meldingen op het display:
BESTUURDERSPORTIER OPEN,
PASSAGIERSPORTIER OPEN,
ACHTERPORTIER LINKS OPEN,
MOTORKAP OPEN of
ACHTERPORTIER RECHTS OPEN. Breng
de auto op een veilige plaats tot stilstand en
sluit het portier dat of de achterklep die open
is.
Waarschuwing achterklep
Als de achterklep open is, gaat
het informatielampje branden en
op het display verschijnt
ACHTERKLEP OPEN.
02
Hoge snelheid
Als de auto sneller rijdt dan
7 km/h, gaat het lampje branden
en wordt tegelijkertijd een van de
meldingen uit de vorige alinea op
het display weergegeven.
WAARSCHUWING
Als de waarschuwingslampjes voor het
remsysteem en ABS tegelijkertijd branden,
bestaat het gevaar dat de achtertrein bij
krachtig remmen gaat slippen.
1 Alleen
auto’s met alarm
43
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Informatiedisplay
Meldingen
Wanneer er een waarschuwings- of controlelampje oplicht, verschijnt er tevens een aanvullende melding op het informatiedisplay.
– Druk op de knop READ (1).
Blader met de knop READ de meldingen
door. Meldingen blijven in het geheugen
opgeslagen totdat u de onderliggende storing
hebt laten verhelpen.
1
Als er een waarschuwingsmelding verschijnt als de boordcomputer wordt
gebruikt, moet u de melding lezen (druk op
de knop READ) voordat u de eerdere activiteit kunt hervatten.
G019617
02
N.B.
Melding
Betekenis
STOP AUTO Z.S.M.
ZET MOTOR UIT
SERVICE SPOED
ZIE HANDLEIDING
SERVICE VEREIST
RUIM TIJD IN V. ONDERHOUD
TIJD VOOR REG. SERVICE
Breng de auto op veilige wijze tot stilstand en zet de motor af. Grote kans op schade.
Breng de auto op veilige wijze tot stilstand en zet de motor af. Grote kans op schade.
Laat de auto onmiddellijk nakijken door een erkende Volvo-werkplaats.
Lees het instructieboekje
Laat de auto zo spoedig mogelijk nakijken door een erkende Volvo-werkplaats.
Het is tijd een afspraak te maken voor een servicebeurt bij een erkende Volvo-werkplaats.
Het is tijd voor een servicebeurt bij een erkende Volvo-werkplaats. Het moment hangt af van de
afgelegde afstand, het aantal maanden dat sinds de laatste servicebeurt is verstreken, het aantal
draaiuren van de motor en de oliekwaliteit.
Als u de onderhoudstermijn niet respecteert, vallen beschadigde onderdelen niet langer onder de
garantie. Bezoek voor het onderhoud een erkende Volvo-werkplaats.
Controleer het oliepeil. De melding verschijnt om de 10.000 km (bepaalde motortypes). Zie pagina 187
voor informatie over het controleren van het oliepeil.
Het roetfilter van dieselmodellen is aan regeneratie toe (zie pagina 121).
Er gelden beperkingen voor het stabiliteits- en tractieregelsysteem (zie pagina 134 voor meer varianten).
ONDERHOUD TE LAAT
CONTR. OLIEPEIL
ROETFILTER VOL – ZIE GEBR. HANDL.
STC/DSTC SPIN CONTROL UIT
44
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrische aansluiting
12V-aansluiting
Aansteker (optie)
Elektrische aansluiting achterin
U activeert de aansteker door de knop in te
drukken. Wanneer de aansteker heet genoeg
is, veert de knop automatisch uit. Haal de aansteker uit de opening en gebruik het roodgloeiende deel om bijvoorbeeld een sigaret
mee aan te steken.
U kunt de elektrische aansluiting voor verschillende accessoires gebruiken die op een
spanning van 12 V werken, zoals een mobiele
telefoon of koelbox. U kunt maximaal 10 A via
de aansluiting afnemen. De contactsleutel
moet ten minste in stand I staan, anders geeft
de aansluiting geen stroom.
WAARSCHUWING
Laat de plug altijd in de aansluiting zitten als
u deze niet gebruikt.
G017438
G019621
02
U kunt de elektrische aansluiting voor verschillende accessoires gebruiken, zoals een
mobiele telefoon of koelbox.
N.B.
De aansteker werkt niet in deze aansluiting.
De aansluiting is bedoeld om 12 V af te
nemen. De maximale stroomsterkte is 10 A.
Het contact moet ten minste in stand I staan,
anders geeft de aansluiting geen stroom.
WAARSCHUWING
Laat de plug altijd in de aansluiting zitten als
u deze niet gebruikt.
45
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Verlichtingspaneel
Koplamphoogteverstelling
1
2
Door de belading van de auto wordt de
hoogte van de koplampen gewijzigd, zodat
u tegemoetkomend verkeer kunt verblinden.
U kunt dat voorkomen door de koplamphoogte bij te stellen.
3
4
Stand
5
6
G020139
02
Betekenis
Automatisch/uitgeschakeld
dimlicht. Alleen grootlichtsignalen.
Stadslichten/parkeerlichten vóór
en achterlichten
Automatisch dimlicht. In deze
stand werken het groot licht en de
grootlichtsignalen.
– Draai de contactsleutel naar stand II.
– Draai de verlichtingsdraaiknop (2) naar een
van de eindstanden.
– Draai het duimwiel (1) omhoog of omlaag
om de koplampen hoger of lager af te
stellen.
Auto’s met Bi-Xenonkoplampen1 zijn uitgerust
met automatische koplamphoogteverstelling,
zodat het duimwiel (1) ontbreekt.
Stadslichten vóór en achterlichten
U kunt de stadslichten/parkeerlichten vóór en
de achterlichten altijd inschakelen, ongeacht
de stand van de contactsleutel.
– Draai de verlichtingsdraaiknop (2) naar de
middelste stand.
Met de contactsleutel in stand II staan de
stadslichten/parkeerlichten vóór, de achterlichten en de kentekenplaatverlichting altijd
aan.
1
46
Optie
Koplampen
Automatisch dimlicht
(bepaalde landen)
Het dimlicht gaat automatisch aan, wanneer u
de contactsleutel naar stand II draait, behalve
wanneer de verlichtingsdraaiknop (2) in de
middelste stand staat. U kunt het automatische dimlicht zo nodig in een erkende Volvowerkplaats buiten werking laten stellen.
Automatisch dimlicht, groot licht
– Draai de contactsleutel naar stand II.
– U schakelt het dimlicht in door de
verlichtingsdraaiknop (2) helemaal
rechtsom te draaien.
– U schakelt het groot licht in door de linker
stuurhendel tot in de eindstand naar het
stuur toe te halen en de hendel weer los te
laten (zie pagina 49).
De verlichting wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u de contactsleutel naar stand I
of 0 draait.
Instrumentenverlichting
De instrumentenverlichting brandt, wanneer
de contactsleutel in stand II staat en de
verlichtingsdraaiknop (2) in een van de eindstanden. De verlichting wordt bij daglicht
automatisch gedimd en valt bij donker handmatig te regelen.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Verlichtingspaneel
– Draai het duimwiel (3) omhoog of omlaag
voor een fellere of zwakkere verlichting.
Uitgebreide displayverlichting
Om de afleesbaarheid te verhogen van de
kilometerteller, dagteller, klok en buitentemperatuurmeter, springt de verlichting van deze
displayfuncties korte tijd aan bij het ontgrendelen van de auto en het verwijderen van de
contactsleutel. Bij het vergrendelen van de
auto dooft de verlichting van de displayfuncties.
– Druk op de knop (6).
Het controlelampje voor het mistachterlicht op
het instrumentenpaneel en het lampje in de
knop (6) branden, wanneer het mistachterlicht
ingeschakeld is.
Tankvulklep
Druk op de knop (5) om de tankvulklep te openen, wanneer de auto onvergrendeld staat (zie
pagina 108).
Active Bi-Xenon Lights (optie)
kruisingen om op die manier de veiligheid te
verhogen.
De led
brandt, wanneer de functie
actief is. Bij een storing knippert de led en
verschijnt er een foutmelding op het informatiedisplay. De functie is uitsluitend actief bij
schemer of donker en dan alleen als de auto
rijdt.
02
De functie is te deactiveren/activeren met de
verlichtingsdraaiknop.
Mistlichten
N.B.
De regels voor het gebruik van de mistlichten verschillen van land tot land.
– Druk op de knop (4).
Het lampje in de knop (4) brandt, wanneer
u de mistlampen vóór hebt ingeschakeld.
Mistachterlicht
Het mistachterlicht is alleen in te schakelen
wanneer de koplampen branden wel of niet
gecombineerd met de mistlampen vóór.
Verlichtingspaneel voor Active Bi-Xenon Lights
Als de auto is uitgerust met actieve koplampen (Active Bi-Xenon Lights, ABL) draaien de
lichtbundels van de koplampen mee om optimale verlichting te verkrijgen in bochten en op
G020789
De mistlampen vóór zijn in te schakelen in
combinatie met het groot licht/dimlicht of de
stadslichten/parkeerlichten vóór en de achterlichten.
G018073
Mistlampen vóór (optie)
Lichtbundel bij gedeactiveerde (links) en geactiveerde (rechts) functie
47
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Verlichtingspaneel
Remlicht
De remlichten gaan automatisch branden
wanneer u remt.
Noodremlichten en automatische
02
alarmlichten, EBL1
Bij krachtig remmen of ABS-regeling worden
de noodremlichten (EBL, Emergency Brake
Lights) geactiveerd. Dit houdt in dat de remlichten knipperen om het achteropkomend
verkeer onmiddellijk te waarschuwen.
Het systeem wordt geactiveerd als het ABS
meer dan 0,5 seconden achtereen actief is of
bij krachtig afremmen, maar alleen bij snelheden hoger dan 50 km/h. Wanneer de snelheid
van de auto tot onder de 30 km/h is gedaald,
branden de remlichten weer op de normale
manier en worden de alarmlichten automatisch ingeschakeld. De alarmlichten blijven
knipperen totdat u weer wegrijdt, maar zijn uit
te schakelen met de knop voor de alarmlichten (zie pagina 55).
1 Bepaalde
48
markten
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Linker stuurhendel
Standen stuurhendel
worden of veert automatisch terug bij het
terugdraaien van het stuurwiel.
Korte serie knippersignalen
– Haal de stuurhendel omhoog of omlaag
naar stand (1) en laat de hendel vervolgens
los.
De richtingaanwijzers lichten driemaal op
waarna de stuurhendel terugveert naar de
uitgangspositie.
2
1
3
4
– Neem de sleutel uit het contactslot.
– Haal de stuurhendel tot in de eindstand (4)
naar het stuurwiel toe en laat de hendel los.
– Stap uit de auto en vergrendel het portier.
02
Wisselen tussen groot licht en
dimlicht
G019618
1
2
laten doen na vergrendeling van de auto. De
inschakelduur bedraagt 30 seconden,1 maar
is te wijzigen in 60 of 90 seconden (zie
pagina 66).
1. Korte serie knippersignalen, richtingaanwijzers
2. Onafgebroken serie knippersignalen,
richtingaanwijzers
3. Grootlichtsignalen
4. Wisselen tussen groot licht en dimlicht
en Follow-Me-Home-verlichting
Richtingaanwijzers
Onafgebroken serie knippersignalen
– Haal de stuurhendel omhoog of omlaag
naar de eindstand (2).
De hendel blijft in de eindstand staan en kan
handmatig in de uitgangspositie teruggezet
De contactsleutel moet in stand II staan om
het groot licht te kunnen inschakelen.
– Draai de verlichtingsdraaiknop rechtsom
naar de eindstand (zie pagina 46).
– Haal de stuurhendel tot in de eindstand (4)
naar het stuurwiel toe en laat de hendel los.
Grootlichtsignalen
– Haal de hendel lichtjes tot in stand (3) naar
het stuurwiel toe.
Het groot licht blijft vervolgens branden, totdat
u de hendel weer loslaat. Grootlichtsignalen
zijn alleen mogelijk wanneer de contactsleutel
in het contactslot steekt.
Follow-Me-Home-verlichting
Het is mogelijk om een deel van de buitenverlichting enige tijd ingeschakeld te houden en
als Follow-Me-Home-verlichting dienst te
1 Fabrieksinst.
49
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Linker stuurhendel
Boordcomputer (optie)
Functies
De boordcomputer toont de volgende informatie:
C
A
•
•
•
•
•
•
02
G019619
B
Bediening
Om toegang te krijgen tot de informatie in de
boordcomputer, moet u het duimwiel (B) in
stappen omhoog- of omlaagdraaien. Wanneer
u na het laatste menu nogmaals aan het wieltje
draait, keert u terug naar de uitgangspositie.
N.B.
Als er een waarschuwingsmelding verschijnt terwijl de boordcomputer in gebruik
is, moet u de melding bevestigen. Doe dat
door op de knop READ (A) te drukken
waarna u naar de boordcomputerfunctie
terugkeert.
50
GEM. SNELHEID
HUIDIGE SNELHEID MPH
HUIDIG
GEMIDDELD
KILOMETER TOT LEGE TANK
STC/DSTC, zie pagina 133
GEM. SNELHEID
Wanneer u het contact uitschakelt, wordt de
gemiddelde snelheid opgeslagen om als uitgangswaarde te dienen bij het vervolg van de
rit. U kunt de waarde met de knop RESET (C)
op nul stellen.
HUIDIGE SNELHEID MPH1
De actuele snelheid wordt weergegeven in
mph.
HUIDIG
Het huidige brandstofverbruik wordt eenmaal
per seconde berekend. De waarde op het display wordt om de paar seconden bijgewerkt.
Wanneer de auto stilstaat, geeft het display “----” aan. Tijdens regeneratie2 van het roetfilter kan het brandstofverbruik tijdelijk stijgen
(zie pagina 121).
1
Bepaalde landen
2
Geldt alleen voor dieselmodellen met roetfilter.
GEMIDDELD
Wanneer u het contact uitzet, wordt het
gemiddelde brandstofverbruik vastgelegd.
Het blijft bewaard, totdat u de functie op nul
stelt. Stel de waarde op nul met de knop
RESET (C).
N.B.
Er kunnen onjuiste waarden verschijnen, als
u een standverwarming op brandstof hebt
gebruikt.
KILOMETER TOT LEGE TANK
Het bereik tot lege brandstoftank (d.w.z. de
actieradius) wordt berekend aan de hand van
het gemiddelde brandstofverbruik over de
laatste 30 km. Wanneer de actieradius kleiner
is dan 20 km, geeft het display “----” aan.
N.B.
Er kunnen onjuiste waarden verschijnen, als
u bijvoorbeeld van rijstijl bent veranderd of
een standverwarming op brandstof hebt
gebruikt.
Op nul stellen
– Selecteer GEM. SNELHEID of
GEMIDDELD.
– Houd de knop RESET (C) ten minste vijf
seconden lang ingedrukt om de gemiddelde snelheid en het gemiddelde brandstofverbruik gelijktijdig te resetten.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Rechter stuurhendel
Ruitenwissers
Intervalstand
B
C
U kunt de wissnelheid in de intervalstand bijstellen. Draai het
duimwiel (C) omhoog voor een
korter wisinterval. Draai het
omlaag om het interval te verlen-
D
0
0
gen.
A
Ononderbroken wissen
De wissers bewegen op normale
snelheid.
G019620
De wissers bewegen op hoge snelheid.
A. Ruiten- en koplampsproeiers
B. Regensensor, aan/uit
C. Duimwiel
D. Ruitenwisser en sproeier achterklep
Ruitenwissers uitgeschakeld
De ruitenwissers zijn uitgeschakeld
als de hendel in stand 0 staat.
Enkele slag
Beweeg de hendel omhoog om
een enkele slag te maken.
BELANGRIJK
Controleer alvorens de ruitenwissers tijdens
de winter in te schakelen of de wisserbladen
niet zijn vastgevroren en de voorruit (alsmede de achterruit) sneeuw- en ijsvrij zijn.
BELANGRIJK
Sproei een royale hoeveelheid ruitensproeiervloeistof op de voorruit wanneer de
ruitenwissers werken. De voorruit moet nat
zijn bij gebruik van de ruitenwissers.
Ruiten-/koplampsproeiers
U activeert de sproeiers van de voorruit en de
koplampen door de hendel naar het stuurwiel
toe te trekken. De wissers maken nog enkele
slagen nadat u de hendel hebt losgelaten.
Hogedruksproeiers koplampen (optie op
bepaalde markten)
De hogedruksproeiers van de koplampen verbruiken een grote hoeveelheid ruitensproeiervloeistof. Om vloeistof te besparen, worden de
koplampen als volgt gesproeid:
Dimlicht ingeschakeld met de knop op het verlichtingspaneel:
De eerste keer dat u de voorruit sproeit, worden ook de koplampen gesproeid. Vervolgens
worden de koplampen iedere vijfde sproeibeurt
van de voorruit gesproeid, zolang er maximaal
tien minuten tussen de eerste en vijfde sproeibeurt zit. Bij langere intervallen worden de koplampen iedere keer gesproeid.
Stadslichten/parkeerlichten vóór en achterlichten ingeschakeld met de knop op het verlichtingspaneel:
• Bi-Xenonkoplampen worden slechts iedere
vijfde sproeibeurt gesproeid, ongeacht de
tijd die is verstreken.
• Halogeenkoplampen worden niet gesproeid.
De draaiknop op het verlichtingspaneel in
stand 0:
02
• Bi-Xenonkoplampen worden slechts iedere
vijfde sproeibeurt gesproeid, ongeacht de
tijd die is verstreken.
• Halogeenkoplampen worden niet
gesproeid.
51
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Rechter stuurhendel
Ruitenwissers en-sproeier, achterklep
A
terklep echter al op normale snelheid werkt,
vindt er geen wijziging plaats.
De intervalfunctie tijdens het achteruitrijden
kunt u desgewenst uitschakelen. Neem contact
op met een erkende Volvo-werkplaats.
Regensensor (optie)
02
0
0
Wanneer u de hendel naar voren haalt, activeert u de ruitenwisser/-sproeier van de achterklep. De ruitenwisser maakt na het sproeien
een extra slag. De knop aan het uiteinde van
de hendel is een schakelaar met drie mogelijke
standen:
A. Intervalstand: Druk het bovenste gedeelte
van de schakelaar in.
0. Neutrale stand: Wisser/sproeier uitgeschakeld.
B. Continu wissen: Druk het onderste gedeelte
van de schakelaar in.
Ruitenwisser achterklep, achteruitrijden
Als u de auto in de achteruitversnelling zet terwijl de voorste ruitenwissers actief zijn, zal de
ruitenwisser van de achterklep de intervalstand innemen. Als de ruitenwisser van de ach-
52
G018188
G018188
G021418
B
De regensensor registreert de hoeveelheid
regen op de voorruit en activeert automatisch
de ruitenwissers op de voorruit. De gevoeligheid van de regensensor is in te stellen met het
duimwiel (C) (zie afbeelding op pagina 51).
Draai het duimwiel omhoog voor een grotere
gevoeligheid en omlaag voor een lagere gevoeligheid. (De wissers maken een extra slag, als u
het duimwiel omhoog draait.)
Aan/Uit
Om de regensensor te activeren dient het contact/de contactsleutel in stand I of II te staan
en de hendel van de ruitenwissers in stand 0.
Regensensor activeren:
– Druk op de knop (B) (zie pagina 51). Een
displaysymbool geeft aan dat de regensensor actief is.
U schakelt de regensensor op een van de volgende manieren weer uit:
– druk op de knop (B)
– haal de hendel omlaag naar een ander
wisprogramma. Als u de hendel omhoogduwt, blijft de regensensor actief. De wissers maken een extra slag en keren terug
naar de regensensorstand, wanneer u de
hendel laat terugveren naar stand 0 (niet
geactiveerd) (zie pagina 51).
De regensensor wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u de sleutel uit het contactslot
neemt of vijf minuten nadat u de auto van het
contact hebt gezet.
BELANGRIJK
In automatische wasstraten: Schakel de
regensensor uit door op knop (B) te drukken,
terwijl de contactsleutel in stand I of II staat.
De ruitenwissers kunnen anders in beweging
komen en daarbij beschadigd raken.
Duimwiel
Met het duimwiel kunt u de wisfrequentie
instellen (als u de intervalstand hebt geselecteerd) of de gevoeligheid van de regensensor
(als u de regensensor hebt geactiveerd).
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Cruisecontrol (optie)
Inschakelen
Snelheid verhogen of verlagen
Tijdelijk uitschakelen
De bedieningsorganen voor de cruisecontrol
vindt u links op het stuurwiel.
Gewenste snelheid instellen:
– Druk op de knop CRUISE. Op het instrumentenpaneel verschijnt de tekst CRUISE.
– Druk op + of – om de snelheid van de auto
vast te zetten. Op het instrumentenpaneel
verschijnt CRUISE-ON.
De cruisecontrol kan niet worden ingeschakeld bij snelheden lager dan 30 km/h of hoger
dan 200 km/h.
G018249
G020141
– Druk op 0 om de cruisecontrol tijdelijk uit te
schakelen. Op het instrumentenpaneel verschijnt CRUISE. De eerder ingestelde snelheid blijft na een tijdelijke uitschakeling in
het geheugen opgeslagen.
De cruisecontrol wordt bovendien tijdelijk uitgeschakeld, als:
– U kunt de snelheid verhogen of verlagen
door de knop + of – in te drukken. De
snelheid die de auto heeft op het moment
dat u de knop loslaat, zal vervolgens worden geprogrammeerd.
Kort indrukken (minder dan een halve
seconde) op + of – komt overeen met een
snelheidswijziging van 1,6 km/h of (1 mph1).
N.B.
Een tijdelijke verhoging van de snelheid
(korter dan een minuut) met het gaspedaal,
zoals bij het inhalen, is niet van invloed op
de instelling van de cruisecontrol. Als u het
gaspedaal loslaat, neemt de auto automatisch de ingestelde snelheid weer aan.
02
• u het rempedaal of koppelingspedaal
bedient;
• de snelheid heuvelop lager wordt dan
25–30 km/h1;
• u de keuzehendel in stand N zet;
• als de wielen de neiging hebben te gaan
slippen of blokkeren;
• een tijdelijke snelheidsverhoging langer dan
een minuut heeft geduurd.
Snelheid hervatten
– Druk op de knop om de eerder ingestelde snelheid te hervatten. Op het instrumenten-
paneel verschijnt CRUISE-ON.
Uitschakelen
– Druk op CRUISE om de cruisecontrol uit te
schakelen. CRUISE-ON verdwijnt van het
instrumentenpaneel.
1
Afhankelijk van het motortype
53
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Toetsenset op stuurwiel (optie)
knop ENTER om de telefoonfuncties met de
pijltoetsen te kunnen bedienen.
Druk op EXIT om de instellingen van het
audiosysteem te hervatten.
G020142
02
Met de vier toetsen onder aan de toetsenset
op het stuurwiel kunt u zowel het audiosysteem als de telefoon regelen. De functie van
de toetsen hangt af van het systeem dat u
geactiveerd hebt. Met de toetsenset op het
stuur kunt u het volume regelen, een andere
zender of een andere track op een cd selecteren.
– Houd een van de pijltoetsen ingedrukt om
versneld voor- of achteruit te spoelen of
een bepaalde zender te zoeken.
Om instellingen voor het audiosysteem te kunnen verrichten moet de telefoon ingeschakeld
zijn. De telefoon moet zijn geactiveerd met de
54
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Stuurwielverstelling, alarmlichten
Stuurwielafstelling
pagina 48). U kunt de functie uitschakelen met
een druk op de knop.
WAARSCHUWING
Stel het stuurwiel in, voordat u gaat rijden.
Doe dit nooit tijdens het rijden. Controleer
voordat u wegrijdt, of het stuurwiel in de
gekozen stand geblokkeerd staat.
N.B.
De regels voor het gebruik van de alarmlichten verschillen van land tot land.
02
G020143
Alarmlichten
– Trek de hendel naar u toe om het stuur vrij
te maken.
– Zet het stuurwiel vervolgens in de
gewenste stand.
– Duw de hendel vervolgens terug om het
stuurwiel in de nieuwe stand te blokkeren.
Als dit moeite kost, kunt u lichtjes op het
stuurwiel drukken en tegelijkertijd de hendel naar terugduwen.
G020144
U kunt het stuurwiel zowel in de hoogte als in
de lengte verstellen.
Gebruik de alarmlichten (alle richtingaanwijzers knipperen), wanneer u de auto noodgedwongen tot stilstand moet brengen op een
plaats waar deze gevaar of hinder voor het
verkeer kan opleveren. Druk op de knop om
de functie te activeren.
Bij een voldoende krachtige aanrijding of een
krachtige remmanoeuvre worden de alarmlichten automatisch ingeschakeld (zie
55
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Handrem
Handrem (parkeerrem)
– Als de auto wegrolt dient u de handremhendel strakker aan te trekken.
Zet de versnellingspook/keuzehendel bij het
parkeren altijd in de 1e versnelling (handbak)
of in stand P (automaat).
Op een helling parkeren
02
G018260
Draai bij het parkeren op een oplopende helling de wielen van de trottoirband af, als de
neus van de auto naar de top van helling wijst.
Draai bij het parkeren op een aflopende helling
de wielen naar de trottoirband toe, als de neus
van de auto naar de voet van de helling wijst.
Handrem lossen
De handremhendel zit tussen de voorstoelen.
N.B.
Het brandende waarschuwingslampje op
het instrumentenpaneel geeft alleen aan dát
u de handrem hebt aangetrokken maar niet
hoe hard!
Handrem aanzetten
– Trap het rempedaal stevig in.
– Trek de handremhendel stevig tot in de
eindstand omhoog.
– Laat het rempedaal los en controleer of de
auto volledig stilstaat.
56
– Trap het rempedaal stevig in.
– Trek de handremhendel iets omhoog, druk
de knop in, duw de handrem omlaag en laat
de knop weer los.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bedienbare zijruiten
Bediening
Met de knoppen op de portieren kunt u de
ruiten elektrisch bedienen. De ruiten zijn te
bedienen wanneer de contactsleutel in stand I
of II staat.
Ook wanneer de auto stilstaat en u de contactsleutel hebt uitgenomen, kunt u de ruiten
nog steeds enige tijd openen en sluiten zolang
geen van de portieren wordt geopend. Bedien
de ruiten altijd onder toezicht.
Handmatige bediening
WAARSCHUWING
Zorg er bij het sluiten van de zijruiten voor
dat kinderen of andere inzittenden niet
bekneld kunnen raken. Houd de zijruiten in
de achterportieren goed in de gaten, wanneer u ze met de knoppen op het bestuurdersportier of met de afstandsbediening
sluit.
Bestuurdersportier
Zijruit openen:
– Druk het voorste deel van de schakelaar
omlaag.
Zijruit sluiten:
B
A
Druk een van de bedieningsknoppen (A) of (B)
voorzichtig omlaag of trek er één voorzichtig
omhoog. De elektrisch bedienbare zijruiten
komen steeds verder omhoog of omlaag
zolang u de schakelaar bedient.
Automatische bediening
02
Druk een van de bedieningsknoppen (A)
omlaag of trek er een omhoog en laat deze
vervolgens los. De zijruiten gaan dan automatisch open of dicht. Als de zijruiten door iets
worden geblokkeerd, wordt de op- of neergaande beweging van de zijruiten afgebroken.
WAARSCHUWING
– Trek het voorste deel van de schakelaar
omhoog.
De beveiliging tegen overbelasting van de
zijruiten werkt zowel bij automatisch sluiten
als bij handmatig sluiten, maar uiteraard
niet meer wanneer de beveiliging eenmaal
in werking is getreden.
Afstandsbediening en
vergrendelingsknoppen
G017439
Zie pagina 100 en 109 voor het bedienen van
de elektrisch bedienbare ruiten met de vergrendelingsknoppen en de afstandsbediening.
Knoppen voor elektrisch bedienbare ruiten
voorin (A) en achterin (B).
Vanaf de bestuurdersstoel kunt u alle zijruiten
elektrisch bedienen.
U kunt de zijruiten op twee manieren openen
en sluiten:
WAARSCHUWING
Als er kinderen in de auto zitten:
Let er bij het verlaten van de auto op dat u
de stroomtoevoer naar de elektrisch bedienbare zijruiten verbreekt door auto de
contactsleutel uit te nemen.
Zorg er bij het sluiten van de zijruiten voor
dat kinderen of andere inzittenden niet bekneld kunnen raken.
57
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bedienbare zijruiten
Elektrisch bedienbare zijruiten in
achterportieren blokkeren
Elektrisch bedienbare zijruiten in de
achterportieren
N.B.
Als de auto beschikt over een elektrisch
bedienbaar kinderslot op de achterportieren, geeft het lampje tevens aan of dit kinderslot geactiveerd is. De portieren kunnen
dan niet van de binnenzijde worden geopend. Als het elektrisch bedienbare kinderslot geactiveerd is, verschijnt er een tekst
op het display.
02
G019512
G017440
Passagiersstoel, voorin
Elektrisch bedienbare zijruiten blokkeren en
elektrisch bedienbaar kinderslot1.
Het lampje in de schakelaar brandt
De zijruiten in de achterportieren zijn alleen
vanaf het bestuurdersportier te bedienen.
De zijruiten in de achterportieren zijn zowel
met de knoppen op de portieren als met de
knoppen op het bestuurdersportier te bedienen.
1 Optie
58
G019511
Het lampje in de schakelaar is uit
Passagiersstoel, voor
Met de knop voor de elektrische bediening
van de ruit op het passagiersportier kunt u
alleen die ruit bedienen.
De zijruiten in de achterportieren zijn zowel
met de schakelaars op de verschillende achterportieren als met de schakelaar op het
bestuurdersportier te bedienen. Als het lampje
brandt in de schakelaar waarmee u de elektrische bediening van de achterste zijruiten
blokkeert (op het bedieningspaneel op het
bestuurdersportier), zijn de zijruiten in de achterportieren alleen vanaf het bestuurdersportier te bedienen. U kunt de zijruiten in de achterportieren op dezelfde manier bedienen als
de zijruiten in de voorportieren.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
Achteruitkijkspiegel
Achteruitkijkspiegel met kompas
(optie op bepaalde markten)
Kompas kalibreren
02
Fel licht van achteren kan hinderlijke reflecties
in de achteruitkijkspiegel veroorzaken en u
verblinden. Zet de spiegel in de dimstand,
wanneer u de verlichting van het achteropkomend verkeer als hinderlijk ervaart.
Dimfunctie
1. Hendeltje voor dimfunctie
2. Normale stand
3. Dimstand.
Autodimfunctie (optie)
Als het licht dat van achteren in de spiegel valt
te fel is, wordt de achteruitkijkspiegel automatisch gedimd. Het hendeltje (1) is niet aanwezig op spiegels met autodimfunctie.
1
In de rechter bovenhoek van de achteruitkijkspiegel zit een display waarop wordt aangegeven in welke richting de voorkant van de
auto wijst. Er worden acht verschillende richtingen met Engelse afkortingen weergegeven:
N (Noord), NE (Noordoost), E (Oost),
SE (Zuidoost), S (Zuid), SW (Zuidwest),
W (West) en NW (Noordwest).
G020149
3
G020148
2
G020146
1
De aarde is in 15 magnetische zones verdeeld. Het kompas is afgesteld op het geografische gebied waarin de auto werd afgeleverd.
Het kompas dient te worden gekalibreerd, als
u met de auto meerdere magnetische zones
doorkruist.
– Breng de auto op een groot en open terrein
tot stilstand en laat de motor stationair lopen.
– Houd het knopje (1) ten minste 6 seconden
lang ingedrukt, waarna het teken C verschijnt (het knopje is verzonken, zodat u
bijvoorbeeld een paperclip moet gebruiken
om het in te drukken).
– Houd het knopje (1) ten minste 3 seconden
ingedrukt. Het cijfer van de huidige magnetische zone verschijnt.
59
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
1
12
5
7
11
10
6
7
8
9
11
12
13
14
Magnetische zones, Azië
6
9
8
5
3
2
7
6
5
8
5
4
3
2
7
1
Magnetische zones, Australië
11
12
10
89
10 9
13
14
7
13
3
G020150
8
11
12
4
G020152
14
Magnetische zones, Europa
Magnetische zones, Zuid-Amerika
60
9
15
Magnetische zones, Afrika
G020154
13
12
11 10
4
6
10
G020153
3 2
4
G020151
02
– Druk herhaaldelijk op het knopje (1) totdat
het nummer van de gewenste magnetische
zone (1–15) verschijnt (zie de kaart met de
magnetische zones van het kompas).
– Wacht totdat het teken C weer op het display verschijnt.
– Houd het knopje vervolgens 9 seconden
lang ingedrukt en kies L bij auto’s met het
stuur links en R bij auto’s met het stuur
rechts.
– Rijd langzaam een rondje in de auto met
een snelheid van hoogstens 10 km/h, totdat er een kompasrichting op het display
verschijnt. Dit geeft aan dat de kalibratie
afgerond is.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
Buitenspiegels
Elektrisch inklapbare buitenspiegels
(optie)
– Laat de knoppen los. De spiegels stoppen
automatisch, als ze volledig zijn uitgeklapt.
Bij het parkeren of in nauwe straatjes kunt u
de buitenspiegels inklappen. Dat is mogelijk
als de contactsleutel in stand I of II staat.
In neutrale stand terugzetten
Spiegels inklappen
– Druk tegelijkertijd op de knoppen L en R.
– Laat de knoppen los. De spiegels stoppen
automatisch, als ze volledig zijn ingeklapt.
G018252
BELANGRIJK
De schakelaars waarmee u de twee buitenspiegels bedient, vindt u voor op de armsteun
van het bestuurdersportier. De buitenspiegels
zijn te bedienen met het contact in stand I
of II.
– Druk op knop L voor de buitenspiegel links
of op R voor de buitenspiegel rechts. Het
lampje in de knop brandt.
– U kunt de stand afstellen met het hendeltje
in het midden.
– Druk nogmaals op knop L of R. Het lampje
dooft.
Gebruik geen ijskrabber om de spiegels van
ijs te ontdoen, omdat er daarbij krassen op
het glas kunnen ontstaan en de water- en
vuilafstotende laag1 beschadigd kan raken.
Gebruik in plaats daarvan de elektrische
verwarming om de buitenspiegels van ijs te
ontdoen (zie pagina 73).
1Optie
WAARSCHUWING
Beide buitenspiegels zijn groothoekig voor
optimaal zicht. Voorwerpen kunnen verder
weg lijken dan ze in werkelijkheid zijn.
Spiegels die uit positie zijn geraakt door
invloeden van buitenaf, moeten in de neutrale
stand worden teruggezet zodat het elektrisch
in- en uitklappen weer werkt.
02
– Klap de spiegels in met behulp van de
knoppen L en R.
– Klap de spiegels weer uit met behulp van
de knoppen L en R. De spiegels staan vervolgens weer in de neutrale stand.
Approach-verlichting en Follow-MeHome-verlichting
De lampjes op de buitenspiegels (optie) gaan
branden, als u de Approach-verlichting of de
Follow-Me-Home-verlichting activeert.
BLIS, Blind Spot Information System
(optie)
BLIS is een informatiesysteem dat de bestuurder in bepaalde omstandigheden waarschuwt,
wanneer er zich een voertuig in de zogeheten
dode hoek bevindt en in dezelfde richting rijdt
(zie pagina 138).
Spiegels uitklappen
– Druk tegelijkertijd op de knoppen L en R.
61
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
Water- en vuilafstotende laag (optie)
02
De voorste zijruiten en/of de buitenspiegels zijn voorzien van een speciale laag die bij hevige regenval
voor een beter zicht zorgen. Zie
pagina 175 voor informatie over het onderhoud.
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
In bepaalde weersomstandigheden werkt de
vuilafstotende laag beter, als u de elektrische
verwarming van de buitenspiegels inschakelt
(zie pagina 73 of pagina 77).
Verwarm de buitenspiegels:
• als er sneeuw of ijs op de spiegels zit;
• bij hevige regenval of vieze wegen;
• bij beslagen spiegels.
BELANGRIJK
Gebruik geen metalen ijskrabber om de ruiten van ijs te ontdoen. De water- en vuilafstotende laag kan beschadigd raken.
Gebruik de elektrische verwarming om de
buitenspiegels van ijs te ontdoen. Een ijskrabber kan krassen op het spiegelglas veroorzaken!
62
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bedienbaar schuifdak (optie)
Openingsstanden
Vanuit ventilatiestand naar volledig geopend
schuifdak:
A
– Trek de knop achteruit naar de
eindstand (1) en laat hem los.
Schuifstand
Automatische bediening
1
5
B
2
6
G007503
4
G020156
3
02
– Trek de knop voorbij het
weerstandspunt (2) in de achterste
eindstand (1) of voorbij het
weerstandspunt (3) in de voorste
eindstand (4) en laat hem vervolgens los.
Het schuifdak opent of sluit volledig.
Handmatige bediening
Openen:
De bedieningsknoppen voor het schuifdak zitten aan het plafond. U kunt het schuifdak kan
in twee standen openen:
A. Ventilatiestand, achterkant omhoog
B. Schuifstand, achteruit/vooruit
De contactsleutel moet daarbij in stand I of II
staan.
WAARSCHUWING
Als er kinderen in de auto zitten:
Verbreek bij het verlaten van de auto de
stroomtoevoer naar het schuifdak door de
contactsleutel uit te nemen.
1.
2.
3.
4.
5.
6.
Openen, automatisch
Openen, handmatig
Sluiten, handmatig
Sluiten, automatisch
Openen, ventilatiestand
Sluiten, ventilatiestand
Ventilatiestand
Openen:
– Duw de achterkant van de knop (5)
omhoog.
Sluiten:
– Trek de achterkant van de knop (6) omlaag.
– Trek de knop achteruit naar het
weerstandspunt (2). Het schuifdak schuift
steeds verder open zolang u de knop in
deze stand vasthoudt.
Sluiten:
– Duw de knop vooruit naar het
weerstandspunt (3). Het schuifdak schuift
steeds verder dicht zolang u de knop in
deze stand vasthoudt.
WAARSCHUWING
De beveiliging tegen overbelasting van het
schuifdak werkt alleen bij automatisch sluiten, niet bij handmatig sluiten.
63
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bedienbaar schuifdak (optie)
Sluiten met afstandsbediening of
vergrendelingsknop
Zonnescherm
Aan de binnenkant van het schuifdak zit een
handbediend zonnescherm. Het zonnescherm
glijdt automatisch naar achteren bij het openen van het schuifdak. Pak de handgreep vast
en schuif het scherm naar voren om het te
sluiten.
02
G020157
Beveiliging tegen overbelasting
Het schuifdak is voorzien van een beveiliging
tegen overbelasting die wordt geactiveerd, als
het schuifdak door een voorwerp wordt gehinderd. Het schuifdak komt dan tot stilstand en
keert vervolgens automatisch terug naar de
laatst gebruikte, geopende stand.
WAARSCHUWING
– Houd de vergrendelingsknop lang ingedrukt
om het schuifdak en alle zijruiten te sluiten.
De portieren en de achterklep worden vergrendeld.
Als u het sluiten moet onderbreken:
– Druk nogmaals op de vergrendelingsknop.
WAARSCHUWING
Zorg ervoor dat kinderen of andere inzittenden niet bekneld raken, wanneer u het
schuifdak met de afstandsbediening sluit.
Bedien het schuifdak alleen onder toezicht.
64
De beveiliging tegen overbelasting van het
schuifdak werkt alleen bij automatisch sluiten, niet bij handmatig sluiten.
Let er bij het sluiten van het schuifdak op
dat niemand bekneld raakt.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Persoonlijke instellingen
A
Mogelijke instellingen
Klok instellen
Voor sommige functies in de auto zijn persoonlijke instellingen mogelijk. Dit geldt voor
de sloten en de klimaatregelings- en audiofuncties. Zie pagina 210 voor audiofuncties.
U kunt de uur- en minuutaanduiding elk apart
instellen.
Bedieningspaneel
A. Display
B. MENU
C. EXIT
D. ENTER
E
B
D
C
E. Navigatie
Toepassing
G019551
De instellingen worden weergegeven op het
display (A).
Bedieningspaneel
Open het menu om instellingen te verrichten:
– Druk op de knop MENU (B).
– Ga bijvoorbeeld naar Instellingen van de
auto met behulp van de navigatieknop (E).
– Druk op ENTER (D).
– Selecteer een optie met behulp van de
navigatieknop (E).
– Activeer uw keuze met ENTER.
Menu sluiten:
– Houd de knop EXIT (C) ongeveer één
seconde ingedrukt.
– Gebruik de cijfers van de toetsenset of de
“pijl-omhoog” of de “pijl-omlaag” van de
navigatieknop (E).
– Markeer het te wijzigen cijfer met de “pijlrechts” of de “pijl-links” van de navigatieknop.
– Druk op ENTER om de klok te starten.
02
N.B.
Bij een klok met 12-uursaanduiding kies u
na het instellen van het aantal minuten
voor AM/PM met de “pijl-omhoog” of de
“pijl-omlaag”.
Klimaatinstellingen
Automatische blower afstellen
Op auto’s met elektronische klimaatregeling
(ECC) kunt u de ventilatorsnelheid in de stand
AUTOM. instellen:
– U kunt kiezen uit Laag, Normaal en Hoog.
Timer recirculatie
Wanneer de timer actief is, wordt de lucht in
de auto afhankelijk van de buitentemperatuur
3 – 12 minuten lang gerecirculeerd.
65
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Persoonlijke instellingen
– Selecteer Aan/Uit als de recirculatietimer
actief moet zijn of niet.
Reset alles...
De fabrieksinstellingen voor de klimaatregelingsopties herstellen.
02
Instellingen van de auto
Verlichting auto is ontgrendeld
Als u de auto met de afstandsbediening ontgrendelt, kunnen u de richtingaanwijzers van
de auto laten knipperen. De opties Aan/Uit
zijn mogelijk.
Verlichting auto is vergrendeld
Als u de auto met de afstandsbediening vergrendelt, kunt u de richtingaanwijzers laten
knipperen. De opties Aan/Uit zijn mogelijk.
Automatische vergrendeling – portieren
Het is mogelijk de portieren en de achterklep
automatisch te vergrendelen bij snelheden
hoger dan 7 km/h. U hebt de keuze uit de
opties Aan/Uit. Door tweemaal aan de openingshandgreep te trekken kunt u de portieren
van de binnenzijde ontgrendelen en openen.
Portieren ontgrendelen
Er bestaan twee opties voor het ontgrendelen:
66
• Alle portieren – beide portieren en de
achterklep ontgrendelen met één druk op
de afstandsbediening.
• 1st chauffeur, dan rest – het bestuurdersportier ontgrendelen met één druk op de
afstandsbediening. Als u nog een keer
drukt, worden alle portieren alsmede de
achterklep ontgrendeld.
Op afstand openen (optie op bepaalde
markten)
• Alle portieren – alle portieren worden tegelijkertijd ontgrendeld.
• Portieren aan één kant – voor- en achterportier aan dezelfde kant worden tegelijkertijd ontgrendeld.
• Beide voorportieren – beide voorportieren
worden tegelijkertijd ontgrendeld.
• Eén voorportier – voorportier of achterklep
(naar keuze) wordt apart ontgrendeld.
Alle ruiten gelijktijdig sluiten/openen
Voor de werking van de vergrendelingsknop
op de afstandsbediening, de vergrendelingsknoppen op de voorportieren en bij auto’s met
Keyless Drive de ontgrendelingsknop aan de
buitenkant van de portieren is de volgende
functie te selecteren:
• Auto. alle vensters afsl. – bij lang indrukken van de vergrendelingsknop worden alle
ruiten alsmede het schuifdak gelijktijdig
gesloten.
Voor de ontgrendelingsknop op de afstandsbediening en de ontgrendelingsknoppen op
de voorportieren is de volgende functie te
selecteren:
• Auto. alle venst. openen – bij lang indrukken van de ontgrendelingsknop worden alle
ruiten gelijktijdig geopend.
Approach-verlichting
U kunt de tijd aangegeven die de verlichting
moet branden bij een druk op de knop voor
Approach-verlichting op de afstandsbediening. U kunt de volgende opties selecteren:
30/60/90 seconden.
Follow-Me-Home-verlichting
U kunt de tijd aangeven dat de verlichting van
de auto moet branden, als u de linker stuurhendel naar achteren trekt na het uitnemen
van de contactsleutel. U kunt de volgende
opties selecteren: 30/60/90 seconden.
Informatie
• VIN - is het unieke identificatienummer van
de auto (Vehicle Identification Number).
• Aantal sleutels - geeft het aantal sleutels
weer dat voor de auto geregistreerd is.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
02
67
Algemene informatie over de klimaatregeling ..........................................70
Handmatige klimaatregeling met airconditioning, AC ..............................72
Elektronische klimaatregeling, ECC (optie) ..............................................75
Luchtverdeling ..........................................................................................78
Standverwarming op brandstof (optie) .....................................................79
68
KLIMAATREGELING
03
03 Klimaatregeling
Algemene informatie over de klimaatregeling
03
Airconditioning
Koudemiddel
De klimaatregeling koelt of verwarmt de lucht
in de passagiersruimte en ontdoet deze van
vocht. De auto is voorzien van een handmatige klimaatregeling met airconditioning (AC)
of een automatische klimaatregeling
(ECC, Electronic Climate Control).
De airconditioning maakt gebruik van het koudemiddel R134a. Het bevat geen chloor,
waardoor het koudemiddel onschadelijk voor
de ozonlaag is. Gebruik bij het bijvullen/verversen van koudemiddel alleen R134a. Laat
dergelijke werkzaamheden over aan een
erkende Volvo-werkplaats.
N.B.
U kunt de airconditioning uitschakelen.
Voor optimale luchtkwaliteit in de passagiersruimte en om te voorkomen dat de ruiten beslaan, moet u de airconditioning
echter altijd aan laten staan.
Beslagen ruiten
Maak in eerste instantie gebruik van de ontwasemingsfunctie om condens van de binnenkant van de ruiten te verwijderen.
Poets de binnenzijde van de ruiten schoon om
de kans te beperken dat ze beslaan.
Sneeuw en ijs
Veeg sneeuw en ijs van de luchtinlaat voor de
klimaatregeling (de opening tussen de motorkap en de voorruit).
Storingen opsporen en verhelpen
Laat controle- en reparatiewerkzaamheden
aan de klimaatregeling alleen uitvoeren door
een erkende Volvo-werkplaats.
70
Interieurfilter
Alle lucht die de passagiersruimte binnenkomt
wordt gereinigd door een filter. U moet het filter regelmatig vervangen. Raadpleeg het
Onderhoudsprogramma van Volvo voor het
aanbevolen vervangingsinterval. In zeer sterk
verontreinigde gebieden moet u het filter
mogelijk vaker vervangen.
N.B.
Er bestaan twee verschillende soorten interieurfilters. Let erop dat u het juiste filter
aanbrengt.
Display
Er zit een display boven het klimaatregelingspaneel. Hier worden de door u ingevoerde klimaatinstellingen weergegeven.
Persoonlijke instellingen
U kunt twee functies van het klimaatregelingssysteem naar wens instellen:
• De ventilatorsnelheid in de stand AUTOM.
(geldt alleen voor auto’s met ECC).
• De door de timer geregelde recirculatie van
de lucht in de passagiersruimte.
Zie pagina 65 voor meer informatie over het
verrichten van instellingen.
03 Klimaatregeling
Algemene informatie over de klimaatregeling
Blaasmonden in dashboard
Optrekken
Werkelijke temperatuur
Wanneer u volgas optrekt, wordt de airconditioning tijdelijk uitgeschakeld. De temperatuur
kan dan korte tijd iets oplopen.
De ingestelde temperatuur komt overeen met
de gevoelstemperatuur op basis van de heersende omstandigheden in en rond de auto wat
de luchtsnelheid, de luchtvochtigheidsgraad,
de ingestraalde warmte enz. betreft.
A
D
C
ECC (optie)
C
Positie van de sensoren
D
G019942
B
A. Open
B. Dicht
C. Luchtstroom naar links of rechts
D. Luchtstroom omhoog of omlaag
Richt de buitenste blaasmonden op de voorste zijruiten om ze te ontwasemen.
Bij koud weer: Sluit de middelste blaasmonden om de temperatuur in de auto zo comfortabel mogelijk te houden en de zijruiten optimaal te ontwasemen.
Condensatie
In warme weersomstandigheden kan er ter
hoogte van de airconditioning een plasje
water onder de auto ontstaan. Dit is volkomen
normaal.
03
• De zonnesensor zit boven op het dashboard.
• De interieurtemperatuursensor zit achter
het bedieningspaneel van de klimaatregeling.
• De buitentemperatuursensor zit op de buitenspiegel.
• De vochtsensor zit in de
achteruitkijkspiegel.
N.B.
Dek de sensoren niet met kleding of andere
voorwerpen af.
Zijruiten en schuifdak
Voor een goede werking van de airconditioning moet u de zijruiten en een eventueel
schuifdak gesloten houden.
71
03 Klimaatregeling
Handmatige klimaatregeling met airconditioning, AC
Bedieningspaneel
2
8
3
4
1
9
03
4
7
6
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
Ventilator
Recirculatie
Ontwaseming
Luchtverdeling
AC ON/OFF – Airconditioning Aan/Uit
Stoelverwarming linkerzijde
Stoelverwarming rechterzijde
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming
9. Temperatuur
72
G019515
5
Functies
2. Recirculatie
1. Ventilator
De recirculatie houdt vieze
lucht, uitlaatgassen en dergelijke buiten. De lucht in de
passagiersruimte wordt dan
gerecirculeerd. Er komt geen
lucht van buiten de auto in
wanneer deze functie geactiveerd is. Bij gebruik van de recirculatie (in
combinatie met de airconditioning) wordt de
lucht in de passagiersruimte bij warm weer
sneller afgekoeld. Als de lucht in de auto te
lang recirculeert, kan de binnenzijde van de
ruiten beslaan.
Verhoog of verlaag de ventilatorsnelheid door aan de
knop te draaien.
Als u de knop linksom hebt
gedraaid en de ventilatorindicatie op het display gedoofd
is, zijn de ventilator en de airconditioning uitgeschakeld. Het display geeft het ventilatorlampje en OFF weer.
03 Klimaatregeling
Handmatige klimaatregeling met airconditioning, AC
Timer
Met de timerfunctie beperkt u (wanneer de
recirculatiefunctie geselecteerd is) de kans op
ijs, beslagen ruiten en een slechte luchtkwaliteit. Zie pagina 65 om deze functie in- of uit te
schakelen. Wanneer u de ontwaseming (3)
selecteert, wordt de recirculatie altijd uitgeschakeld.
3. Ontwaseming
Met deze knop kunt u de
voorruit en de zijruiten snel
ontwasemen en ontdooien.
De ventilator draait dan op
hoge snelheid en stuurt lucht
naar de ruiten. Het lampje in
de ontwasemingsknop
brandt, wanneer de functie ingeschakeld is.
Bij activering van de ontwasemingsfunctie
vindt bovendien het volgende plaats om de
lucht in het interieur zoveel mogelijk van vocht
te ontdoen:
• de airconditioning (AC) wordt automatisch
ingeschakeld (uit te schakelen met de knop
AC (5));
• de recirculatie wordt automatisch uitgeschakeld.
Bij het uitschakelen van de ontwaseming hervat de klimaatregeling de voorgaande instellingen.
4. Luchtverdeling
Door op de knoppen voor de
luchtverdeling te drukken,
kunt u de luchtstroom naar
wens verdelen over de ruiten,
de passagiersruimte en de
vloer.
Een symbool op het display boven het bedieningspaneel van de klimaatregeling en een
brandend lampje in de bijbehorende knop
geven aan welke functie u hebt geselecteerd.
Zie de tabel op pagina 78.
5. AC, Aan/Uit
ON: De airconditioning staat
aan. De airconditioning wordt
automatisch geregeld. De
binnenkomende lucht wordt
dan automatisch afgekoeld
en van vocht ontdaan.
OFF: De airconditioning staat uit.
Bij het activeren van ontwasemingsfunctie
wordt automatisch ook de airconditioning ingeschakeld (uit te schakelen met de knop AC).
6 en 7. Elektrisch verwarmde
voorstoelen
(optie op bepaalde markten)
– Hoog verwarmingsniveau
Eenmaal op de knop drukken
– beide lampjes branden.
– Laag verwarmingsniveau
Een tweede keer op de knop
drukken – één lampje brandt.
– Verwarming uit
Een derde keer op de knop drukken – geen
van de lampjes brandt.
03
8. Elektrische achterruit- en
buitenspiegelverwarming
Schakel de elektrische verwarming in om ijs en wasem
van de achterruit en de buitenspiegels te verwijderen.
Wanneer u op de schakelaar
drukt, wordt de verwarming
van de achterruit en de buitenspiegels geactiveerd. Het brandende
lampje in de schakelaar geeft aan dat de functie actief is.
Uitschakeling verloopt handmatig of automatisch. Druk voor handmatige uitschakeling op
de knop. Afhankelijk van de buitentemperatuur wordt de verwarming van de achterruit en
de buitenspiegels na 12–20 minuten automatisch uitgeschakeld.
73
03 Klimaatregeling
Handmatige klimaatregeling met airconditioning, AC
03
Bij koud weer blijft de verwarming echter langer dan 20 minuten actief om te voorkomen
dat de achterruit en buitenspiegels bevriezen
of beslaan.1 De verwarmingsstand wordt
afgestemd op de buitentemperatuur. In dat
geval is uitschakelen alleen handmatig mogelijk.
9. Temperatuur
Met deze knop kunt u koele
of warme lucht selecteren
voor zowel de bestuurdersals de passagierszijde.
1 Afhankelijk
74
van de markt en de gekozen opties
03 Klimaatregeling
Elektronische klimaatregeling, ECC (optie)
Bedieningspaneel
2
3
9
4
5
1
10
03
5
7
AUTOM.
Ventilator
Recirculatie/Interior Air Quality System
Ontwaseming
Luchtverdeling
AC ON/OFF – Airconditioning Aan/Uit
Elektrische stoelverwarming, links
Elektrische stoelverwarming, rechts
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming
10. Temperatuurknop
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
9.
8
G019518
6
Functies
1. AUTOM.
Bij activering van de functie
AUTOM. wordt de klimaatregeling automatisch dusdanig
ingesteld dat de gewenste
temperatuur wordt bereikt. De
automatische functie regelt
de verwarming, de airconditioning, de ventilatorsnelheid, de recirculatie en
de luchtverdeling. Als u een of meer handmatige functies selecteert, worden de overige
functies nog steeds automatisch geregeld. Alle
handmatige instellingen worden uitgeschakeld, wanneer u de functie AUTOM. activeert.
Op het display verschijnt AUTOM. KLIMAAT.
2. Ventilator
U kunt de snelheid waarmee
de ventilator draait verhogen
of verlagen door aan de knop
te draaien. De ventilatorsnelheid wordt automatisch geregeld, als u AUTOM. selecteert. De eerder ingestelde
ventilatorsnelheid wordt dan genegeerd.
N.B.
Als u de knop zo ver linksom draait dat de
ventilatorindicatie op het display uitgaat,
zijn de ventilator en de airconditioning uitgeschakeld. Het display geeft het ventilatorlampje en OFF weer.
75
03 Klimaatregeling
Elektronische klimaatregeling, ECC (optie)
3. Recirculatie
03
Deze functie kan worden
ingeschakeld als u vieze
lucht, uitlaatgassen en dergelijke buiten wilt houden. De
lucht in de passagiersruimte
wordt dan gerecirculeerd. Er
komt met andere woorden
geen lucht van buiten de auto in, wanneer
deze functie actief is. Als de lucht in de auto te
lang recirculeert, kan de binnenzijde van de
ruiten beslaan.
Timer
Met de timerfunctie beperkt u (wanneer de
recirculatiefunctie geselecteerd is), de kans op
ijs, beslagen ruiten en een slechte luchtkwaliteit. Zie Persoonlijke instellingen, pagina 65
voor het in- en uitschakelen van deze functie.
N.B.
Wanneer u de ontwaseming (4) selecteert,
wordt de recirculatie altijd uitgeschakeld.
3. Interior Air Quality System (optie)
(dezelfde knop als de recirculatie)
Het Interior Air Quality System bestaat uit een combifilter met een Air Quality Sensor. Het combifilter ontdoet
de binnenkomende lucht van gassen en stof-
76
deeltjes en beperkt zo hinderlijke geurtjes en
verontreinigingen in de passagiersruimte.
Wanneer de sensor een verhoogde concentratie meet, wordt de luchtinlaat afgesloten
zodat de lucht in de passagiersruimte recirculeert. Wanneer de Air Quality Sensor actief is,
brandt het groene lampje (A) in de knop.
Air Quality Sensor activeren:
– druk op AUTO (1) om de Air Quality Sensor
te activeren (normale instelling).
Of:
– Selecteer een van de volgende drie functies
door verschillende malen op de recirculatieknop te drukken.
• De Air Quality Sensor is actief – het
lampje (A) brandt.
• De recirculatie is niet actief (tenzij dit nodig
is voor koeling bij warm weer) – geen van
de lampjes brandt.
• De recirculatie is actief – het lampje (M)
brandt.
Let erop dat:
• U de Air Quality Sensor het beste altijd
ingeschakeld moet laten staan.
• Er bij koud weer beperkingen voor de recirculatiefunctie gelden om te voorkomen dat
de ruiten beslaan.
• U beter de ontwaseming voor de voorruit,
achterruit en zijruiten kunt inschakelen,
wanneer de ruiten beslaan.
4. Ontwaseming
Met deze knop kunt u de
voorruit en de zijruiten snel
ontwasemen en ontdooien.
De ventilator draait dan op
hoge snelheid en stuurt lucht
naar de ruiten. Het lampje in
de ontwasemingsknop
brandt, wanneer de functie ingeschakeld is.
Bij activering van de ontwasemingsfunctie
vindt bovendien het volgende plaats om de
lucht in het interieur zoveel mogelijk van vocht
te ontdoen:
• de airconditioning (AC) wordt automatisch
ingeschakeld (uit te schakelen met de
knop AC (5);
• de recirculatie wordt automatisch uitgeschakeld.
Bij het uitschakelen van de ontwaseming hervat de klimaatregeling de voorgaande instellingen.
5. Luchtverdeling
Door op de knoppen voor de
luchtverdeling te drukken,
kunt u de luchtstroom naar
wens verdelen over de ruiten,
de passagiersruimte en de
vloer.
Een symbool op het display boven het bedieningspaneel van de klimaatregeling en een
03 Klimaatregeling
Elektronische klimaatregeling, ECC (optie)
brandend lampje in de bijbehorende knop
geven aan welke functie u hebt geselecteerd.
7 en 8. Elektrisch verwarmde
voorstoelen
Zie de tabel op pagina 78.
(optie op bepaalde markten)
6. AC – Aan/Uit (ON/OFF)
ON: De airconditioning staat
Doe het volgende om de
voorstoel te verwarmen:
aan. De airconditioning wordt
automatisch geregeld. De
binnenkomende lucht wordt
dan automatisch afgekoeld
en van vocht ontdaan.
OFF: De airconditioning staat uit.
Bij het activeren van ontwasemingsfunctie
wordt automatisch ook de airconditioning ingeschakeld (uit te schakelen met de knop AC).
N.B.
Het effect van de ontwasemingsfunctie van
de klimaatregeling met vochtsensor neemt
sterk af, wanneer u de airconditioning hebt
uitgeschakeld (OFF) of handmatig een
bepaalde luchtverdeling en ventilatorsnelheid hebt gekozen.
– Hoog verwarmingsniveau
Eenmaal op de knop drukken
– beide lampjes branden.
– Laag verwarmingsniveau
Een tweede keer op de knop drukken – één
lampje brandt.
– Verwarming uit
Een derde keer op de knop drukken – geen
van de lampjes brandt.
9. Elektrische achterruit- en
buitenspiegelverwarming
Schakel de elektrische verwarming in om ijs en wasem
van de achterruit en de buitenspiegels te verwijderen.
Wanneer u op de schakelaar
drukt, wordt de verwarming
van de achterruit en de buitenspiegels geactiveerd. Het brandende
lampje in de schakelaar geeft aan dat de functie actief is.
Uitschakeling verloopt handmatig of automatisch. Druk voor handmatige uitschakeling op
de knop. Afhankelijk van de buitentemperatuur wordt de verwarming van de achterruit en
de buitenspiegels na 12–20 minuten automatisch uitgeschakeld.
Bij koud weer blijft de verwarming echter langer dan 20 minuten actief om te voorkomen
dat de achterruit en buitenspiegels bevriezen
of beslaan.1 De verwarmingsstand wordt afgestemd op de buitentemperatuur. In dat geval is
uitschakelen alleen handmatig mogelijk.
10. Temperatuurknop
03
Met deze knop kunt u de
temperatuur aan de bestuurders- en passagierszijde
onafhankelijk van elkaar worden instellen.
Met een druk op de knop,
activeert u slechts één zijde
geactiveerd. Wanneer u de knop nogmaals
indrukt, activeert u de andere zijde. Bij een
derde keer indrukken zijn beide zijden weer
geactiveerd.
Het lampje in de knop en het display boven
het klimaatregelingspaneel geven aan welke
zijde actief is.
Bij het starten van de motor wordt de laatst
verrichte instelling hervat.
N.B.
Let erop dat de passagiersruimte niet sneller warm of koud wordt, wanneer u een
hoger of lagere temperatuur kiest dan de
gewenste.
1
Afhankelijk van de markt en de gekozen opties
77
03 Klimaatregeling
Luchtverdeling
03
78
Luchtverdeling
Toepassing:
Luchtverdeling
Toepassing:
Lucht naar de ruiten.
Er komt een bepaalde
hoeveelheid lucht uit de
blaasmonden. De lucht
wordt niet gerecirculeerd.
De airconditioning is altijd
ingeschakeld.
Om snel te ontdooien
en te ontwasemen.
Lucht naar de vloer en de
ruiten. Er komt een
bepaalde hoeveelheid
lucht uit de blaasmonden
in het dashboard.
Om een comfortabel
klimaat en een goede
ontwaseming te
verkrijgen bij koud weer.
Lucht naar de voorruit en
de zijruiten. Er komt een
bepaalde hoeveelheid lucht
uit de blaasmonden.
Om wasem en
ijsvorming bij koud en
vochtig weer te
voorkomen (niet voor
lage ventilatorsnelheid).
Lucht naar de vloer en uit
de blaasmonden in het
dashboard.
Bij zonnig weer en
matige buitentemperaturen.
Luchtstroom naar de ruiten
en uit de blaasmonden van
het dashboard.
Om een comfortabel
klimaat te verkrijgen bij
warm en droog weer.
Lucht naar de vloer.
Er komt een bepaalde
hoeveelheid lucht uit de
blaasmonden in het
dashboard en op de ruiten.
Om warme lucht naar
de voeten te sturen.
Luchtstroom op hoofd- en
borsthoogte uit de blaasmonden in het dashboard.
Om een efficiënte
koeling te verkrijgen bij
warm weer.
Luchtstroom naar de
ruiten, uit de blaasmonden
in het dashboard en naar
de vloer.
Om koele lucht naar de
voeten te sturen of
warme lucht naar de
rest van het lichaam bij
koud weer of bij warm
en droog weer.
03 Klimaatregeling
Standverwarming op brandstof (optie)
U kunt de standverwarming meteen inschakelen of twee verschillende uitschakeltijden
instellen met TIMER AM en TIMER PM.
Onder de uitschakeltijd wordt het tijdstip verstaan waarop de auto op de gewenste temperatuur is. De elektronica van de auto rekent
aan de hand van de buitentemperatuur zelf uit
wanneer de verwarming moet worden uitgeschakeld. Bij een buitentemperatuur hoger
dan 25 C wordt de verwarming niet geactiveerd. Bij temperaturen van –10 C en lager is
de maximale bedrijfstijd van de standverwarming 60 minuten.
Verwarming inschakelen
WAARSCHUWING
Schakel voor het tanken de standverwarming op brandstof uit. Gemorste brandstof
kan ontvlammen.
Controleer op het informatiedisplay of de
verwarming uit is. Als de standverwarming
werkt, verschijnt er PARK.VERW AAN op
het informatiedisplay.
03
B
– Geef het tijdstip aan waarop u de auto wilt
gebruiken. Druk op RESET (C) om de uren
en minuten in te stellen.
– Houd de knop RESET (C) ingedrukt, totdat
de timer is geactiveerd.
Op een helling parkeren
G007632
Wanneer u de auto op een steile helling parkeert, moet u ervoor zorgen dat de voorkant
van de auto omlaagwijst. Zo krijgt de standverwarming altijd voldoende brandstof.
WAARSCHUWING
Bij gebruik van de standverwarming op
benzine of dieselolie moet de auto in de
buitenlucht staan.
C
A
G020196
Algemene informatie over
verwarmingen
Waarschuwingssticker op tankvulklep
Standverwarming meteen inschakelen
– Gebruik het duimwiel (B) om naar
DIRECTE START te gaan.
– Druk op de knop RESET (C) om een van de
opties AAN of UIT te selecteren.
– Selecteer AAN. De verwarming zal
60 minuten lang blijven werken. De interieurverwarming gaat van start, zodra de
koelvloeistof in de motor een temperatuur
van 30 ºC heeft bereikt.
79
03 Klimaatregeling
Standverwarming op brandstof (optie)
03
Standverwarming meteen uitschakelen
TIMER AM en PM instellen
– Gebruik het duimwiel (B) om naar
DIRECTE START te gaan.
– Druk op de knop RESET (C) om een van de
opties AAN of UIT te selecteren.
– Kies voor UIT.
Om veiligheidsredenen kunt u uitsluitend tijden voor het komende etmaal programmeren
en dus niet voor meerdere dagen tegelijk.
N.B.
Het is mogelijk de motor starten en weg te
rijden, terwijl de standverwarming nog aanstaat.
Accu en brandstof
Als de accu onvoldoende opgeladen is of als
het brandstofpeil te laag is, wordt de standverwarming automatisch uitgeschakeld. Er
verschijnt dan een melding op het informatiedisplay. Bevestig deze melding door op de
knop READ (A) te drukken.
BELANGRIJK
Herhaaldelijk gebruik van de standverwarming bij korte ritten kan ertoe leiden dat de
accu uitgeput raakt en startproblemen opleveren. Bij regelmatig gebruik van de standverwarming moet u even lang in de auto
rijden als de verwarming aanstond. Dit om
te zorgen dat de dynamo evenveel energie
kan bijladen als de verwarming verbruikt.
80
– Ga met het duimwiel naar TIMER.
– Druk kort op de knop RESET zodat de
uuraanduiding gaat knipperen.
– Gebruik het duimwiel om het gewenste
tijdstip in uren aan te geven.
– Druk kort op de knop RESET, zodat de
minuutaanduiding gaat knipperen.
– Gebruik het duimwiel om het gewenste
tijdstip in minuten aan te geven.
– Druk kort op de knop RESET om de instelling te bevestigen.
– Druk op de knop RESET om de timer te
activeren. Wanneer u TIMER AM hebt
ingesteld, kunt u een tweede uitschakeltijd
programmeren onder TIMER PM door aan
het duimwiel te draaien. U stelt de andere
uitschakeltijd op dezelfde manier in als bij
TIMER AM.
Displaymelding
Wanneer u de instellingen voor TIMER AM,
TIMER PM en DIRECTE START activeert,
gaat het informatielampje op het instrumentenpaneel branden. Op het informatiedisplay
verschijnt bovendien een verklarende tekst.
Het display geeft ook aan welke timer actief is,
wanneer u bij het verlaten van de auto de sleutel uit het contact neemt.
Klok/timer
Als u na het instellen van de timer(s) van de
verwarming de klok van de auto bijstelt, worden alle timerinstellingen geannuleerd.
Extra verwarming (diesel)
(bepaalde landen)
Bij koud weer kan extra verwarming nodig zijn
om de passagiersruimte voldoende te verwarmen.
De extra verwarming wordt automatisch ingeschakeld wanneer er extra warmte nodig is als
de motor loopt. Deze wordt automatisch uitgeschakeld wanneer het voldoende warm is of
wanneer de motor wordt uitgezet.
03 Klimaatregeling
03
81
Voorstoelen ..............................................................................................84
Interieurverlichting ....................................................................................86
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte .............................................88
Achterbank ...............................................................................................92
Bagageruimte ...........................................................................................94
82
INTERIEUR
04
04 Interieur
Voorstoelen
Zithouding
5. Hellingshoek rugleuning wijzigen, aan de
knop draaien.
6. Bedieningspaneel voor elektrisch
bedienbare stoelen (optie).
WAARSCHUWING
4
Stel de stand van de bestuurdersstoel in
voordat u gaat rijden (zie pagina 12). Doe dit
nooit tijdens het rijden.
Controleer of de stoel in zijn stand vergrendeld staat.
5
04
1
2
3
G020197
6
Rugleuning voorstoel omklappen
(optie)
1
84
Geldt ook voor elektrisch bedienbare stoelen.
Vloermatten (optie)
Volvo biedt vloermatten die speciaal voor de
auto vervaardigd zijn.
WAARSCHUWING
Zorg dat de vloermat voor de bestuurdersstoel goed in de bevestigingsklemmen op
de vloer vastzit om te voorkomen dat de
mat kan gaan glijden en achter of onder de
pedalen blijft haken.
G014805
De bestuurders- en passagiersstoel kunnen
worden ingesteld voor een optimale zit- en rijhouding.
1. Vooruit/achteruit, de hendel omhoogtillen
om de juiste afstand tot het stuurwiel en
de pedalen in te stellen. Controleer of de
stoel na het afstellen in de nieuwe stand
geblokkeerd staat.
2. Voorkant zitting hoger/lager zetten,
omhoog-/omlaagpompen (optie passagierszijde).
3. Stoel hoger/lager zetten, omhoog-/
omlaagpompen (optie passagierszijde).
4. Lendensteun wijzigen 1, aan de knop
draaien (optie passagierszijde).
– Schuif de stoel zo ver mogelijk naar achteren.
– Zet de rugleuning rechtop (90 graden).
– Trek de pallen aan de achterzijde van de
rugleuning tijdens het omklappen naar
voren.
– Duw de stoel zo ver naar voren dat de
hoofdsteun onder het dashboardkastje
“vast” komt te zitten.
De rugleuning van de passagiersstoel kan
worden omgeklapt om ruimte te maken voor
lange lading.
04 Interieur
Voorstoelen
Elektrisch bedienbare voorstoel
(optie)
wachten voordat u de stoel opnieuw probeert
te verstellen. U kunt slechts één verstelfunctie
van de stoel tegelijk activeren.
Noodstop
Als de stoel per ongeluk in beweging komt,
kunt u op een willekeurige knop drukken om
de stoel tot stilstand te brengen.
Geheugenfunctie
WAARSCHUWING
2
3
4
Tot enige tijd nadat u het portier met de
afstandsbediening hebt ontgrendeld blijft het
mogelijk de stoel te verstellen ook al steekt er
geen sleutel in het contactslot. Het is altijd
mogelijk de stoel te verstellen, wanneer de
contactsleutel in stand I of II staat.
1. Voorkant zitting omhoog/omlaag
2. Stoel vooruit/achteruit
3. Stoel omhoog/omlaag
4. Hellingshoek rugleuning
Er wordt een beveiliging tegen overbelasting
geactiveerd, als een van de stoelen wordt
geblokkeerd. Wanneer dit het geval is, dient u
het contact uit te schakelen en enige tijd te
04
Geheugen van transpondersleutel
G020200
1
G020199
Beknellingsgevaar! Laat kinderen niet met
de schakelaars spelen.
Zorg dat er geen voorwerpen voor, achter
of onder de stoel liggen tijdens het verstellen.
Zorg er tevens voor dat geen van de passagiers op de achterbank bekneld kan raken.
Knoppen voor geheugenfunctie
Instelling vastleggen
– Verstel de stoel.
– Houd knop M ingedrukt, terwijl u knop 1,
2 of 3 indrukt.
Stoel in vastgelegde stand zetten
Houd een van de geheugenknoppen 1 – 3
De instellingen van de bestuurdersstoel worden vastgelegd, wanneer u de auto met de
transpondersleutel vergrendelt. Een volgende
keer dat u de auto met dezelfde transpondersleutel ontgrendelt, neemt de bestuurdersstoel bij het openen van het bestuurdersportier de positie in die bij de vastgelegde instellingen hoort.
N.B.
Het sleutelgeheugen werkt onafhankelijk
van de geheugenfunctie van de stoel.
ingedrukt, totdat de stoel tot stilstand komt.
Bij het loslaten van de knop wordt de instelling
van de stoel onmiddellijk beëindigd.
85
04 Interieur
Interieurverlichting
Leeslampjes voorin en
interieurverlichting
Verlichting bagageruimte
4
De verlichting in het interieur en de bagageruimte gaan aan bij het openen van de achterklep en blijven 5 minuten lang branden.
5
De verlichting dooft:
• als de achterklep wordt gesloten
• als de knop (2) in stand Uit wordt gezet
Automatische verlichting
04
De interieurverlichting wordt automatisch inen uitgeschakeld wanneer de knop (2) in de
neutrale stand staat.
3
Interieurverlichting voorin en leeslampjes
1. Leeslampje linksvoor, aan/uit
2. Interieurverlichting voor- en achterin
3. Leeslampje rechtsvoor, aan/uit
Met de knop (2) kunt u drie verlichtingsstanden selecteren voor de interieurverlichting:
• Uit (0) – rechterkant ingedrukt, automatische interieurverlichting uitgeschakeld.
• Neutrale stand – interieurverlichting gaat
branden bij het openen van een portier en
dooft weer bij het sluiten ervan. De dimfunctie is actief.
• Aan – linkerkant ingedrukt, interieurverlichting brandt.
86
G020763
2
G020201
1
Leeslampjes achterin
4. Leeslampje linksachter, aan/uit
5. Leeslampje rechtsachter, aan/uit
De leeslampjes zijn te activeren met het contactslot in stand I of II en wanneer de motor
loopt. De lampjes kunnen ook tot 30 minuten
na het afzetten van de motor of na het openen
of sluiten van een portier worden ingeschakeld.
De interieurverlichting wordt ingeschakeld en
blijft 30 seconden lang branden, als:
• u de auto van de buitenzijde met de sleutel
of afstandsbediening ontgrendelt
• u de motor hebt afgezet en de contactsleutel naar stand 0 hebt gedraaid
De interieurverlichting dooft, wanneer:
• u de motor start
• u de auto van de buitenzijde met de sleutel
of afstandsbediening vergrendelt
De interieurverlichting gaat aan en blijft
5 minuten lang branden, als een van de portieren openstaat.
De interieurverlichting kan binnen 30 minuten
nadat u de contactsleutel naar stand 0 hebt
gedraaid in- of uitgeschakeld worden door op
de knop (2) te drukken. De verlichting blijft
04 Interieur
Interieurverlichting
vervolgens 5 minuten lang branden, tenzij u
deze zelf eerder uitschakelt.
Make-upspiegel1
G020210
04
Het lampje gaat automatisch aan, wanneer u
het klepje optilt.
1 Optie
op bepaalde markten
87
04 Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
1
2
3
4
5
04
10
9
6
7
G019513
8
88
04 Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
WAARSCHUWING
Zorg dat er geen harde, scherpe of zware
voorwerpen in de weg liggen of uitsteken
om te voorkomen dat ze verwondingen veroorzaken bij een krachtige remmanoeuvre.
Maak grote en zware voorwerpen altijd vast
met een van de veiligheidsgordels of een
bagageband.
1
Opbergvak op bepaalde markten
Dashboardkastje
1
Kledinghaak
2
3
04
Hier kunt u het instructieboekje en kaarten
opbergen. Er zijn ook houders voor munten,
pennen en tankkaarten. Het dashboardkastje
kan worden vergrendeld met het afneembare
sleutelblad in de afstandsbediening. Zie
pagina 101 voor meer informatie.
G018137
1. Opbergvak aan de achterkant van de voorstoelen
2. Vak in portierpaneel met bekerhouder en
houder voor ijskrabber
3. Parkeerkaarthouder
4. Opbergvak aan de voorkant van de
voorstoelzittingen
5. Dashboardkastje
6. Opbergvak (bijvoorbeeld voor cd’s) en
bekerhouders1
7. Flessenhouder (optie)
8. Kledinghaak (alleen voor de lichtere kledingstukken)
9. Opbergvakken en bekerhouders
10. Opbergvak aan de voorkant van de middelste zitplaats achterin (optie)
G020034
Opbergmogelijkheden
De hoofdsteun van de passagiersstoel is voorzien van een kledinghaak. Hang alleen lichtere
kledingstukken aan deze haak.
Dashboardkastje vergrendelen:
1. Steek het sleutelblad in het sleutelgat.
2. Draai de sleutel een kwartslag
(90 graden) rechtsom.
3. Neem de sleutel uit. Het sleutelgat staat
horizontaal in de vergrendelde stand.
Voer het bovenstaande in omgekeerde volgorde uit om het dashboardkastje te ontgrendelen.
89
04 Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
Houder voor ijskrabber
Opbergvak onder de armsteun voorin
Bekerhouder in middenconsole
Achter in het opbergvak in de voorportieren zit
een geïntegreerde houder voor een ijskrabber.
Schuif de ijskrabber in de houder. De ijskrabber moet van het type zijn dat uit een rechthoekig stuk kunststof bestaat met een dikte
van ca. 3 mm. Het gebied vóór de ijskrabber
biedt plaats aan een blikje frisdrank.
Onder de armsteun zit een opbergvak. In
de deelbare armsteun zit tevens een kleiner
opbergvak. Druk op de kleine knop en licht
de armsteun op om het ondiepe opbergvak
te openen. Druk op de grote knop en licht
de armsteun om het diepere opbergvak te
openen.
G018372
G018371
G018370
04
In het vakje onder het schuifklepje kan een
dubbele bekerhouder worden aangebracht.
Wanneer u de bekerhouder verwijdert, kunt u
andere spullen in het vakje opbergen. Licht
daarvoor de bekerhouder aan de achterkant,
bij de uitsparing, op.
Breng bij het aanbrengen van de bekerhouder
eerst de twee stuurnokken aan in de twee uitsparingen voor in het vakje en duw daarna de
achterkant van de bekerhouder omlaag.
Sluit het schuifklepje door het aan de voorkant
beet te pakken en naar voren toe dicht te
schuiven.
90
04 Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
Opbergvak achter versnellingspook
Flessenhouder (optie)
Asbak (optie)
Wanneer de auto geen knoppen heeft voor
Park Assist en BLIS (zie pagina 136 en
pagina 138) is de ruimte voor de ontbrekende
knoppen te benutten als opbergvak.
Er zit een flessenhouder achter in de middenconsole om de grotere flessen in te zetten.
G019622
G017441
G019623
04
Er zit een asbak achter in de middenconsole.
Open deze asbak door de bovenkant van het
klepje naar buiten te trekken.
Asbak legen:
1. Duw de pal omlaag (zie afbeelding) om het
klepje omlaag te kantelen.
2. Til de asbak vervolgens tevoorschijn.
91
04 Interieur
Achterbank
Hoofdsteunen achterbank
Ruggedeelte achterbank omklappen
De ruggedeelten van de achterbank kunnen,
allebei of ieder apart, worden omgeklapt om
lange voorwerpen gemakkelijker te kunnen
vervoeren. Om te voorkomen dat de veiligheidsgordels beschadigd raken of vastgeklemd worden bij het omklappen of rechtop
zetten van de ruggedeelten, kunt u ze aan de
haak van de handgreep hangen.
G020765
G020790
04
Alle hoofdsteunen van de achterbank kunt u in
de hoogte afstellen op de lengte van de passagier. Zorg dat de bovenkant van de hoofdsteun
halverwege de achterkant van het hoofd komt
te zitten. Trek de hoofdsteun zo ver omhoog
als nodig is. Als u de hoofdsteun lager wilt zetten, moet u de pal achter de rechter poot
indrukken terwijl u de hoofdsteun omlaagduwt.
Om de hoofdsteun te verwijderen moet u ook
de pal achter de rechter poot indrukken en de
hoofdsteun omhoog lostrekken.
92
BELANGRIJK
De hoofdsteunen kunnen beschadigd raken,
als u ze voor het inladen niet verwijdert. Ook
de middelste hoofdsteun moet bij het vervoer van zware lading verwijderd worden.
– Hang de veiligheidsgordel op voordat u de
ruggedeelten omklapt of rechtop zet.
– Til de zitgedeelten aan de achterkant (1) op
om ze naar voren te klappen.
04 Interieur
Achterbank
N.B.
2
De rode markering mag niet langer zichtbaar zijn, wanneer het ruggedeelte weer
rechtop staat. Het ruggedeelte staat niet
geblokkeerd, als de rode markering wel
zichtbaar is.
1
3
WAARSCHUWING
Vergeet niet de gordel weer te verwijderen
nadat u de ruggedeelten rechtop hebt
gezet.
04
G014845
4
Ruggedeelte omklappen
– Trek de pal naar voren toe omhoog (2) om
het ruggedeelte te ontgrendelen. Een rode
markering bij de pal geeft aan dat het
ruggedeelte niet langer geblokkeerd staat.
– Klap de ruggedeelten (3) half om en verwijder de hoofdsteunen op de beide buitenste
zitplaatsen. U verwijdert de hoofdsteun op
de middelste zitplaats alleen om een geheel
vlakke laadvloer te krijgen.
– Plaats de hoofdsteunen in de kunststof
hulzen onder aan de omgeklapte
zitgedeelten (4).
93
04 Interieur
Bagageruimte
Veiligheidsrek (optie)
Verwijderen
Bagagerolhoes (optie)
G014730
04
Het veiligheidsrek voorkomt dat bagage of
huisdieren bij krachtige remmanoeuvres de
passagiersruimte in worden geslingerd.
U moet het rek voor de veiligheid altijd op
de juiste manier bevestigen en verankeren.
Opklappen
Als het veiligheidsrek in de weg zit, kunt u het
tegen het plafond opklappen:
– Neem het veiligheidsrek onderaan aan de
boog vast.
– Trek het rek recht naar achteren toe en
omhoog. Laat het vervolgens los. De gasveren zorgen dat het rek niet omlaagkomt.
Om het rek uit te klappen moet u de punten in
omgekeerde volgorde uitvoeren.
94
– Klap de ruggedeelten van de achterbank
iets voorover (om de gasveren te ontlasten).
– Verwijder de beschermdoppen van de
moeren waarmee het veiligheidsrek aan
weerszijden vastzit.
– Draai de moeren zo ver los dat de draadwindingen even hoog liggen als de rand
van de moeren.
– Draai het rek iets naar de achterkant van de
auto om het van de bekleding los te maken.
Houd het rek niet te schuin, omdat het dan
klem kan komen te zitten waarna het moeilijk te verwijderen is.
– Doe hetzelfde bij de andere bevestiging en
til het rek vervolgens uit de auto.
Aanbrengen
Doe het volgende om het veiligheidsrek aan te
brengen:
– Volg de punten in omgekeerde volgorde uit.
– Haal de beide moeren met 24 Nm aan.
Bij twijfel over de juiste manier van verwijderen
of aanbrengen van het veiligheidsrek moet u
contact opnemen met een erkende Volvowerkplaats.
G020766
Verwijder het veiligheidsrek als volgt:
Bagagerolhoes
Bagagerolhoes aanbrengen.
Doe het volgende om de bagagerolhoes te
monteren:
– Haal het voorste gedeelte van de bagagerolhoes over de cassette heen naar achteren.
– Plaats de bagagerolhoes vervolgens in de
daarvoor bestemd uitsparingen in de zijpanelen, achter in de bagageruimte.
– Duw de knop naar voren zodat de borghaken worden ingetrokken. Druk de bagagerolhoes daarna omlaag in de uitsparing.
– De knop veert terug, zodra de bagagerolhoes in de juiste positie vastklikt.
04 Interieur
Bagageruimte
– Herhaal de procedure aan de tegenoverliggende zijde.
Toepassing
Bagagenet
Trek de bagagerolhoes over de bagage heen
uit en bevestig de haken in de openingen die
in de achterste stijlen van de bagageruimte
zitten.
Bagagerolhoes verwijderen:
G020767
– Til het voorste gedeelte van de bagagerolhoes omhoog, haal het naar achteren en
laat het omlaaghangen.
– Duw aan de ene kant de knop naar voren
en til de bagagerolhoes op. Herhaal dit aan
de andere kant. Verwijder vervolgens de
bagagerolhoes.
– Controleer of de bagagerolhoes goed vastzit in de bagageruimte.
– Breng het voorste gedeelte van de bagagerolhoes in de wigvormige uitsparingen, aan
de kant van de achterbank aan.
– De bagagerolhoes is daarmee klaar voor
gebruik.
WAARSCHUWING
Leg geen voorwerpen op de bagagerolhoes
of op de cassette ervan.
G020768
04
Verschillende varianten
Auto’s met als optie een bagagerolhoes zijn
uitgerust met type A of type B.
Monteer de opbergcassette van het afrolbare
bagagenet1 op de achterkant van het ruggedeelte.
Gebruik van bagagenet bij
rechtopstaande ruggedeelten
– Trek het bagagenet recht naar achteren toe
uit. Trek de rechter bevestigingspen uit,
houd hem in deze stand vast en steek de
pen in het grote gedeelte van de opening in
de achterste bevestiging aan het plafondpaneel. Duw de pen vervolgens naar het
voorste gedeelte van de opening. U moet
de pen zo ver in de opening duwen, dat de
1 Optie
op bepaalde markten
95
04 Interieur
Bagageruimte
“nok” voorbij het smalle gedeelte tussen de
voorste en achterste opening komt.
– Doe hetzelfde aan de tegengestelde overzijde. De bevestigingspennen veren in,
zodat u het net naar links moet duwen om
de rechter pen aan te kunnen brengen.
– Controleer of de bevestigingen van het
bagagenet goed vastzitten in de bevestigingen aan het plafondpaneel.
Bagagenet gebruiken in combinatie
met bagagerolhoes
N.B.
De rode markering mag niet langer zichtbaar zijn, wanneer het ruggedeelte weer
rechtop staat. Het ruggedeelte staat niet
geblokkeerd, als de rode markering wel
zichtbaar is.
Het bagagenet is tevens te gebruiken wanneer
de ruggedeelten zijn omgeklapt. Maak in dat
geval gebruik van de voorste bevestigingen
aan het plafond.
Bagagenet verwijderen
– Haal de ene bevestigingspen van het bagagenet naar het achterste, grotere gedeelte
van de opening en trek de pen naar buiten.
– Haal de andere pen op dezelfde manier los.
Opbergcassette van bagagenet
verwijderen
– Klap de beide ruggedeelten om.
– Duw de cassette zo ver naar buiten dat
deze uit de bevestigingsconsoles loskomt.
WAARSCHUWING
Ook bij correcte montage van het bagagenet moet de bagage in de bagageruimte
altijd goed worden verankerd.
96
G020769
Gebruik bij omgeklapte ruggedeelten
04
– Klap de ruggedeelten iets voorover om bij
de opbergcassette van het bagagenet te
komen. Begin met het smalle ruggedeelte
(à 40 %).
– Trek het bagagenet schuin naar achteren
toe uit.
– Zet de ruggedeelten weer rechtop.
– Haak het net aan de plafondbevestigingen
vast op de manier die geldt bij rechtopstaande ruggedeelten.
04 Interieur
Bagageruimte
Verankeringsogen
Elektrische aansluiting bagageruimte
(optie)
Houder voor boodschappentassen
(optie)
De verankeringsogen1 in de bagageruimte
gebruikt u om bagagebanden of een bagagenet aan vast te zetten.
Open het klepje om bij de elektrische aansluiting te komen. De aansluiting werkt onafhankelijk van de stand van het contactslot.
Let erop dat u de elektrische aansluiting niet
gebruikt met het contact uit. De accu loopt
anders de kans uitgeput te raken.
1
G014756
G014731
G014757
04
De houder voor boodschappentassen houdt
tassen op hun plek en voorkomt dat ze omvallen en hun inhoud over de bagageruimte verspreiden.
– Open het luik in de bagageruimte.
– Span de boodschappentassen vast met de
bagageband.
Optie op bepaalde markten
97
Afstandsbediening met sleutelblad ........................................................ 100
Vergrendelingspunten ............................................................................ 103
Keyless Drive (optie) ............................................................................... 104
Batterij in afstandsbediening ................................................................. 107
Vergrendelen en ontgrendelen ............................................................... 108
Kinderslot ................................................................................................111
Alarm (optie) ........................................................................................... 112
98
SLOTEN EN ALARM
05
05 Sloten en alarm
Afstandsbediening met sleutelblad
Bij de auto worden twee afstandsbedieningen
geleverd. Deze doen tevens dienst als contactsleutel. De afstandsbedieningen bevatten
afneembare metalen sleutelbladen voor het
mechanisch vergrendelen/ontgrendelen van
het bestuurdersportier en het dashboardkastje.
De unieke code van de sleutels is bekend bij
de erkende Volvo-werkplaatsen, waar ook
nieuwe sleutels kunnen worden besteld.
05
Er kunnen maximaal zes afstandsbedieningen/sleutels voor één en dezelfde auto worden geprogrammeerd en gebruikt.
Knippersignalen bij vergrendelen/
ontgrendelen
Wanneer u de auto ontgrendelt met het
Keyless Drive-systeem of een afstandsbediening, lichten de richtingaanwijzers van de auto
tweemaal korte tijd op om aan te geven dat de
auto op de juiste manier ontgrendeld is.
Bij het vergrendelen lichten de richtingaanwijzers lang op en dit alleen als alle portieren alsmede de achterklep na het sluiten correct zijn
vergrendeld.
Onder de persoonlijke instellingen is het
mogelijk om de lichtsignalen via de richtingaanwijzers uit te schakelen. U krijgt dan niet
langer een bevestiging dat de vergrendeling
100
op de juiste manier heeft plaatsgevonden (zie
pagina 66).
Functies afstandsbediening
Zoekgeraakte afstandsbediening
Als een van de afstandsbedieningen zoekraakt, moet u de auto samen met de resterende afstandsbedieningen naar een erkende
Volvo-werkplaats brengen. Ter voorkoming
van diefstal moet de code van de zoekgeraakte afstandsbediening uit het systeem worden gewist.
2
1
4
3
5
Elektronische startblokkering
De afstandsbedieningen zijn voorzien van
gecodeerde chips. De code moet overeenkomen met die van de lezer (ontvanger) in het
contactslot. U kunt de auto alleen starten
wanneer u een afstandsbediening met de
juiste code gebruikt.
G019402
Afstandsbediening
1. Vergrendelen — Alle portieren en de achterklep vergrendelen. Wanneer u de knop
lang ingedrukt houdt, worden tevens de
zijruiten en een het schuifdak gesloten.
2. Ontgrendelen — Alle portieren en de
achterklep ontgrendelen. Wanneer u de
knop lang ingedrukt houdt, worden tevens
de zijruiten geopend.
3. Approach-verlichting — Doe het volgende, wanneer u op de auto toeloopt:
druk op de gele knop van de afstandsbediening om de interieurverlichting, de
stadslichten/parkeerlichten vóór en de
achterlichten, de kentekenplaatverlichting en de verlichting in de buitenspiegels (optie) in te schakelen. De
verlichting schakelt na 30, 60 of
90 seconden automatisch uit.
05 Sloten en alarm
Afstandsbediening met sleutelblad
Zie pagina 66 voor het instellen van een
passende inschakelduur.
4. Achterklep — Wanneer u de knop eenmaal indrukt, ontgrendelt u alleen de
achterklep.
Afneembaar sleutelblad
Sleutelblad verwijderen
Haal het sleutelblad als volgt uit de afstandsbediening:
– Duw de veerbelaste pal (1) opzij, terwijl u
het sleutelblad (2) recht naar achteren trekt.
N.B.
Sleutelblad aanbrengen
Wees voorzichtig wanneer u het sleutelblad in
de afstandsbediening terugplaatst.
BELANGRIJK
1
G019403
5. Paniekfunctie — U kunt de paniekfunctie
gebruiken om in noodgevallen de aandacht van anderen te trekken.
Als u de rode knop ten minste drie seconden lang indrukt of tweemaal achtereen
binnen drie seconden indrukt, worden de
richtingaanwijzers, de interieurverlichting
en de claxon geactiveerd.
U kunt deze functie met dezelfde knop
weer uitschakelen, als de functie minimaal 5 seconden actief geweest is.
Als u niets doet, wordt de functie na
30 seconden automatisch uitgeschakeld.
2
Bij gebruik van deze knop gaat de achterklep niet open.
– Houd de afstandsbediening met de puntige
kant omlaag en laat het sleutelblad in de
groef vallen.
– Druk lichtjes op het sleutelblad om het in
positie te blokkeren. U hoort daarbij een
klik.
05
U kunt het afneembare sleutelblad van de
afstandsbediening gebruiken om:
• het bestuurdersportier handmatig te openen, als de centrale vergrendeling niet te
bedienen is vanaf de afstandsbediening (zie
pagina 102 en pagina 105);
• de toegang tot het dashboardkastje te
blokkeren (zie pagina 102).
Het smalle gedeelte van de afstandsbediening is extra gevoelig omdat zich daar de
chip bevindt. U kunt de auto niet starten, als
de chip beschadigd is.
101
05 Sloten en alarm
Afstandsbediening met sleutelblad
Portier ontgrendelen met sleutelblad
Als de centrale vergrendeling niet op de
afstandsbediening reageert (omdat de batterijen bijvoorbeeld leeg zijn), kunt u het
bestuurdersportier op de volgende manier
ontgrendelen en openen.
Dashboardkastje vergrendelen
1
N.B.
De afstandsbediening zonder sleutelblad
geeft geen toegang tot het dashboardkastje.
Deze functie is bestemd voor als u de auto
afgeeft voor een onderhoudsbeurt of als u
hem bij een hotel of iets dergelijks laat parkeren.
2
3
– Steek het sleutelblad in het sleutelgat van
het bestuurdersportier.
– Draai het blad 45 graden rechtsom en open
het portier.
– Houd voor het ontgrendelen de omgekeerde volgorde aan.
In de ontgrendelde stand staat het sleutelgat verticaal.
05
Wanneer u het bestuurdersportier met het
sleutelblad ontgrendelt en vervolgens
opent, gaat het alarm af. U schakelt het
alarm uit door de afstandsbediening in het
contactslot te steken (zie pagina 113).
G020034
N.B.
U kunt het dashboardkastje alleen vergrendelen/ontgrendelen met het afneembare sleutelblad van de afstandsbediening. Zie
pagina 101 voor informatie over het verwijderen van het sleutelblad.
– Vergrendel het dashboardkastje door de
sleutel een kwartslag (90 graden) rechtsom
te draaien.
Het sleutelgat staat horizontaal wanneer
het kastje vergrendeld is.
102
05 Sloten en alarm
Vergrendelingspunten
2
G019450
1
05
1. Vergrendelingspunten voor afstandsbediening met sleutelblad.
2. Vergrendelingspunten voor afstandsbediening zonder sleutelblad.
103
05 Sloten en alarm
Keyless Drive (optie)
Vergrendelings- en startsysteem
zonder sleutel
afstandsbedieningen met Keyless-functie
hanteren.
Afstandsbediening binnen een straal
van 1,5 m rond de auto
G019451
Om een portier of de achterklep te kunnen
openen moet de afstandsbediening zich binnen een straal van maximaal 1,5 m rond de
portierhandgrepen of de achterklep bevinden.
05
Dekkingsgebied van Keyless-functie
Met het Keyless Drive-systeem kunt u zonder
een sleutel te gebruiken de auto ontgrendelen,
starten en vergrendelen. U hoeft de afstandsbediening alleen in een binnenzak of tas bij u
te dragen.
Het systeem maakt het eenvoudiger om de
auto te openen wanneer u bijvoorbeeld met
boodschappentassen in de ene hand en uw
kind aan de andere hand staat. U hoeft dan
niet langer de afstandsbediening erbij te
nemen of op te zoeken.
De twee afstandsbedieningen van de auto
ondersteunen de Keyless-functie. U kunt er
meer bijbestellen. Het systeem kan tot zes
104
Dit betekent dat u de afstandsbediening bij u
moet dragen om een portier te openen. Wanneer u aan de ene kant van de auto staat, is
het niet mogelijk om met de afstandsbediening een portier aan de andere kant te openen.
Het grijs gearceerde gebied op de afbeelding
geeft het dekkingsgebied van de systeemantennes aan.
Als iemand bij het verlaten van de auto een
afstandsbediening met Keyless-functie meeneemt, verschijnt er een waarschuwingsmelding op het informatiedisplay en klinkt er een
geluidssignaal. De waarschuwingsmelding
verdwijnt, wanneer de afstandsbediening
weer in de auto wordt gelegd of wanneer u de
startknop naar stand 0 hebt gedraaid. De
waarschuwing wordt alleen gegeven, als de
startknop in stand I of II staat nadat er een
portier geopend of gesloten werd.
Wanneer de afstandsbediening weer in de
auto is gelegd, verdwijnen de waarschuwingsmelding en het geluidssignaal nadat een van
de volgende handelingen is uitgevoerd:
• een deur is geopend of gesloten
• de startknop is naar stand 0 gedraaid;
• de knop READ is ingedrukt.
Nooit een afstandsbediening in de auto
achterlaten
Als u een afstandsbediening met Keylessfunctie in de auto laat liggen, wordt de
afstandsbediening bij het vergrendelen van de
auto gepassiveerd. Onbevoegden kunnen het
portier er dan niet meer mee openen.
Als er echter ingebroken wordt en iemand de
afstandsbediening in de auto vindt, kan deze
worden geactiveerd waarna deze opnieuw te
gebruiken is. Pas daarom goed op al uw
afstandsbedieningen.
Storingen in de functie van de
afstandsbediening
De Keyless-functie kan verstoord worden
door elektromagnetische afschermingen en
magnetische velden. Doe het volgende om dit
te voorkomen: leg de afstandsbediening
bijvoorbeeld niet dicht bij een mobiele telefoon, metalen voorwerpen of in een metalen
attachékoffer.
05 Sloten en alarm
Keyless Drive (optie)
Als er desondanks toch storingen optreden,
moet u de afstandsbediening en het sleutelblad op de gebruikelijke manier gebruiken
(zie pagina 100).
Vergrendelen
Bij het vergrendelen van de auto komen de
vergrendelingsknoppen aan de binnenkant
van de portieren omlaag.
N.B.
Bij een auto met een automatische versnellingsbak en het Keyless Drive-systeem
dient de keuzehendel in stand P te worden
gezet en de startknop naar stand 0 te worden gedraaid, aangezien de auto anders
niet kan worden vergrendeld of op alarm
kan worden gezet.
Elektrisch bedienbare stoel (optie) –
geheugenfunctie van
afstandsbediening
Als meerdere personen met elk hun eigen
afstandsbediening met Keyless-functie in de
auto stappen, neemt de bestuurdersstoel de
stand in die de persoon die als eerste een portier opent heeft gekozen.
Portier ontgrendelen met sleutelblad
Bij auto’s met Keyless Drive-systeem zit er een
knop op de buitenhandgreep van de portieren
U kunt de portieren en de achterklep als volgt
vergrendelen, wanneer de afstandsbediening
zich binnen het dekkingsgebied van de systeemantennes bevindt:
– druk op de vergrendelingsknop op een van
de portierhandgrepen.
Alle portieren moeten zijn gesloten, voordat u
op de vergrendelingsknop drukt. Anders vindt
er geen vergrendeling plaats.
05
Wanneer de afstandsbediening zich binnen
het dekkingsgebied van de systeemantennes
bevindt:
– Open de portieren door aan de portierhandgrepen te trekken.
– Open de achterklep door de openingsknop
op de achterklep onderhands in te drukken
en de achterklep op te tillen.
Als de Keyless-functie van de afstandsbediening om wat voor reden dan ook niet werkt,
kunt u de auto ontgrendelen met de ontgrendelingsknop op de afstandsbediening (zie
pagina 100).
G020225
020033
Ontgrendelen
Als de centrale vergrendeling niet op de
afstandsbediening reageert (omdat de batterijen bijvoorbeeld leeg zijn), kunt u het
bestuurdersportier op de volgende manier
openen.
– Om bij het sleutelgat te komen: werk de kunststof afdekking van de hand-
105
05 Sloten en alarm
Keyless Drive (optie)
greep los door het sleutelblad in de opening aan de onderkant van de afdekking te
steken.
– ontgrendel het portier met het sleutelblad.
Locatie antennes
1
2
WAARSCHUWING
3
Dragers van een pacemaker dienen minstens 22 cm afstand te houden tot de
antennes van het Keyless Drive-systeem.
Dit om eventuele storingen in de pacemaker
als gevolg van het Keyless Drive-systeem
uit te sluiten.
N.B.
Wanneer u het bestuurdersportier met het
sleutelblad ontgrendelt en vervolgens
opent, gaat het alarm af. U schakelt het
alarm uit door de afstandsbediening in het
contactslot te steken (zie pagina 113).
4
5
6
G020074
Persoonlijke instellingen
05
Het Keyless Drive-systeem werkt met een
aantal antennes die op verschillende locaties
ingebouwd zijn in de auto.
1. Achterbumper, aan de binnenkant in het
midden
2. Portierhandgreep, linksachter
3. Bagageruimte, in het midden, helemaal
voorin, onder de vloer
4. Portierhandgreep, rechtsachter
5. Middenconsole, onder achterstuk
6. Middenconsole, onder voorstuk
106
U kunt de Keyless-functies naar wens afstellen (zie pagina 66).
05 Sloten en alarm
Batterij in afstandsbediening
Batterij in afstandsbediening bijna
leeg
Batterij in afstandsbediening
vervangen
– Plaats de afdekking terug en duw deze
vast.
Zorg dat de oude batterij op een milieuontlastende wijze wordt afgevoerd.
G019406
Wanneer de batterij bijna leeg is zodat de
afstandsbediening niet langer optimaal functioneert, begint het informatiesymbool te
branden en verschijnt de melding SLEUTEL
BATTERIJ LAGE SPANNING op het display.
05
Als de sloten herhaalde malen achtereen niet
meer op de gebruikelijke afstand reageren op
signalen van de afstandsbediening, moet u de
batterij vervangen (type CR 2450, 3 V).
– Leg de afstandsbediening met de knoppen
omlaag neer en werk de afdekking met een
kleine schroevendraaier los.
– Verwijder de afdekking.
– Let op de positie van de plus- (+) en
minpool (–) (zie de afbeelding aan de onderkant van de afdekking).
– Werk de batterij los en vervang deze. Kom
niet met uw vingers aan de polen van de
batterij of de contactvlakken.
107
05 Sloten en alarm
Vergrendelen en ontgrendelen
Auto van de buitenzijde vergrendelen/
ontgrendelen
Zie pagina 104 voor auto’s met het Keyless
Drive-systeem.
Ontgrendelen
Met de ontgrendelingsknop op de afstandsbediening kunt u de auto op twee verschillende
manieren ontgrendelen (afhankelijk van de
persoonlijke instellingen, zie pagina 66):
05
• bij eenmaal indrukken worden de portieren
en de achterklep ontgrendeld;
• bij de eerste keer indrukken wordt het
bestuurdersportier ontgrendeld en bij de
twee keer indrukken de rest van de portieren alsmede de achterklep.
Vergrendelen
Met de afstandsbediening kunt u beide portieren en de achterklep tegelijkertijd vergrendelen. De vergrendelingsknoppen op de portieren en de portierhandgrepen aan de binnenzijde zijn dan niet meer te bedienen.1
De tankvulklep is niet meer te openen, wanneer u de auto met de afstandsbediening
vergrendeld hebt.
1 Geldt
108
voor bepaalde markten
N.B.
Ook als een van de portieren of de achterklep openstaat is het mogelijk de auto te
vergrendelen. Wanneer u het geopende
portier of de achterklep vervolgens sluit
bestaat het gevaar dat u zich buitensluit
met de sleutels nog in de auto.
(Alleen bepaalde markten).
WAARSCHUWING
Let erop dat inzittenden in de auto kunnen
worden opgesloten, als u de auto van de
buitenzijde vergrendelt. De auto is dan
namelijk niet meer met een afstandsbediening in de auto te ontgrendelen.
Doorluchtfunctie
Bij lang indrukken van de ontgrendelings- of
vergrendelingsknop worden alle zijruiten tegelijk korte tijd geopend en weer gesloten (daarbij wordt een openstaand schuifdak ook
gesloten).
U kunt de functie bijvoorbeeld gebruiken om
bij warm weer snel voor frisse lucht in de auto
te zorgen.
Zie pagina 66 voor de verschillende persoonlijke instellingen die te verrichten zijn.
Achterklep
Ontgrendelen
Alleen achterklep ontgrendelen:
– Druk op de knop van de afstandsbediening
waarmee u de achterklep ontgrendelt.
Vergrendelen
Als de achterklep openstaat bij het vergrendelen van de portieren, blijft de achterklep ook
na sluiting onvergrendeld staan. Vergrendel
met de afstandsbediening of van de binnenzijde om beide portieren en de achterklep te
vergrendelen.
Automatische hervergrendeling
Als u geen van de portieren noch de achterklep binnen twee minuten na ontgrendeling
opent, worden alle sloten automatisch weer
vergrendeld (geldt niet bij vergrendeling van
de binnenzijde). Deze functie beperkt de kans
dat u de auto per ongeluk onvergrendeld kunt
laten staan. Zie pagina 113 voor auto’s met
alarmsysteem.
05 Sloten en alarm
Vergrendelen en ontgrendelen
Auto van de binnenzijde vergrendelen/
ontgrendelen
Bij lang indrukken worden ook de zijruiten
en het schuifdak gesloten.
Alle portieren zijn handmatig te vergrendelen
met de vergrendelingsknop op de portieren.
Automatische vergrendeling
Portieren openen
Wanneer deze functie actief is, kunt u vergrendelde portieren op een van de volgende twee
manieren openen:
Als de portieren van de binnenzijde vergrendeld zijn:
G007451
– Trek tweemaal aan de handgreep om de
portieren te ontgrendelen, waarna u ze kunt
openen.
Het is mogelijk om de portieren en de achterklep automatisch te laten vergrendelen bij rijsnelheden hoger dan 7 km/h.
• trek tweemaal aan een van de openingshandgrepen
• druk op de ontgrendelingsknop bij de openingshandgreep.
U kunt de functie activeren/deactiveren onder
Persoonlijke instellingen (zie pagina 66).
05
Met de vergrendelingsknop bij de portierhandgreep kunt u de portieren en de achterklep
tegelijkertijd vergrendelen of ontgrendelen.
Ontgrendelen
– Druk op het bovenste gedeelte van de
vergrendelingsknop.
Als u de knop lang indrukt, worden ook alle
zijruiten geopend.
U kunt de portieren niet ontgrendelen door de
vergrendelingsknop omhoog te trekken.
Vergrendelen
– Druk op het onderste gedeelte van de
vergrendelingsknop.
109
05 Sloten en alarm
Vergrendelen en ontgrendelen
Safelock-functie
Tijdelijk deactiveren
Het lampje in de knop licht op en blijft branden, totdat u de auto met de sleutel of de
afstandsbediening vergrendelt.
Bij activering van de zogeheten Safelockfunctie zijn de portieren niet meer van de binnenzijde te openen, als ze eenmaal vergrendeld zijn.
N.B.
Bij auto’s met alarmsysteem:
let erop dat de auto bij het vergrendelen op
alarm wordt gezet.
Wanneer een van de portieren van de binnenzijde wordt geopend, gaat het alarm af.
Met de afstandsbediening activeert u de Safelock-functie die 25 seconden na vergrendeling
van de portieren in werking treedt.
05
1
2
G020226
Bij Safelock is de auto alleen met de afstandsbediening te ontgrendelen. De portieren zijn
tevens van de buitenzijde te openen met
behulp van het sleutelblad.
1. Safelock-functie en alarmsensoren deactiveren 2. Geen functie
Als u de portieren van de buitenzijde wilt vergrendelen terwijl er iemand in de auto achterblijft, kunt u de Safelock-functie tijdelijk deactiveren. U doet dat als volgt:
– Steek de sleutel in het contactslot, draai
deze naar stand II en vervolgens terug naar
stand I of 0.
– Druk op de knop (1).
Als de auto uitgerust is met een alarmsysteem
met bewegingsmelders en niveausensoren,
worden ook deze tegelijkertijd gedeactiveerd
(zie pagina 114).
110
Er verschijnt een melding op het display
zolang de sleutel in het contactslot steekt.
De volgende keer dat u de motor start, worden
de Safelock-functie en sensoren weer
geactiveerd.
WAARSCHUWING
Laat niemand in de auto achter zonder eerst
de Safelock-functie te deactiveren. Zo
voorkomt u dat iemand opgesloten raakt.
05 Sloten en alarm
Kinderslot
Handbediend kinderslot
achterportieren
Elektrisch kinderslot achterportieren
en achterste zijruiten (optie)
N.B.
Op auto’s met het elektrische kinderslot zit
geen handmatig kinderslot.
WAARSCHUWING
Laat de portieren tijdens het rijden altijd ontgrendeld staan. Bij ongelukken kunnen
hulpverleners dan snel in de auto komen.
Als het kinderslot ingeschakeld is, kunnen
de achterportieren niet van de binnenzijde
worden geopend.
A
Handbediend kinderslot op linker achterportier
De bedieningscilinders van het handbediende
kinderslot zitten achter op de korte kant van
de achterportieren, zodat ze alleen bereikbaar
zijn wanneer de portieren openstaan.
Doe het volgende om het handbediende kinderslot te activeren of deactiveren:
1. Verwijder het afneembare sleutelblad uit
de afstandsbediening.
2. Draai de bedieningscilinder om met het
sleutelblad.
A. Het portier kan niet van de binnenzijde
worden geopend.
B. Het portier kan van de binnenzijde worden
geopend.
G017440
G014697
B
05
Wanneer het elektrische kinderslot actief is:
• zijn de achterste zijruiten alleen vanaf het
bestuurdersportier te bedienen;
• zijn de achterportieren niet van de binnenzijde te openen.
1. Het kinderslot wordt geactiveerd wanneer
de contactsleutel in stand I of II staat.
2. Druk op de knop op het bestuurdersportier.
Op het display van het instrumentenpaneel verschijnt een melding.
Het lampje in de knop brandt, zolang het
elektrische kinderslot actief is.
111
05 Sloten en alarm
Alarm (optie)
Alarmsysteem
Alarmlampje op dashboard
Wanneer het alarm is ingeschakeld, worden
alle beveiligde onderdelen continu gecontroleerd.
N.B.
Voer nooit zelf reparaties aan of wijzigingen
in het alarmsysteem uit. Dergelijke ingrepen
kunnen van invloed zijn op de verzekeringsvoorwaarden.
Het alarm gaat af, als:
05
Alarmfunctie inschakelen
G020227
• een portier, de motorkap of de achterklep
wordt geopend
• het contactslot wordt omgedraaid met een
verkeerde sleutel of wordt gemanipuleerd
• er beweging in de passagiersruimte wordt
waargenomen (als er een bewegingsmelder
aanwezig is)
• de auto wordt opgetakeld of weggesleept
(op auto’s met een niveausensor)
• de accukabel wordt ontkoppeld
• iemand de sirene probeert los te koppelen.
Een lampje op het dashboard geeft de status
van het alarmsysteem aan:
• het lampje is uit – het alarm is uitgeschakeld.
• het lampje knippert snel vanaf het moment
van uitschakelen van het alarm tot aan het
moment van aanzetten van het contact –
het alarm is afgegaan.
• Het lampje licht om de twee seconden
eenmaal op nadat de richtingaanwijzers
van de auto een lang lichtsignaal hebben
afgegeven: het alarm is ingeschakeld.
Als er een storing in het alarmsysteem is
opgetreden, verschijnt er een melding op het
informatiedisplay. Neem in dat geval contact
op met een erkende Volvo-werkplaats.
112
– Druk op de vergrendelingsknop van de
afstandsbediening. De richtingaanwijzers
van de auto geven een lang lichtsignaal af
ter bevestiging dat het alarm is ingeschakeld en dat de portieren zijn vergrendeld.
BELANGRIJK
De richtingaanwijzers van de auto geven
een lang lichtsignaal af en het lampje op het
dashboard licht om de twee seconden eenmaal op ter bevestiging dat het alarm volledig is ingeschakeld.
Alarmfunctie uitschakelen
– Druk op de ontgrendelingsknop van de
afstandsbediening. De richtingaanwijzers
van de auto geven twee korte lichtsignalen
af ter bevestiging dat het alarm is uitgeschakeld en dat de portieren zijn ontgrendeld.
05 Sloten en alarm
Alarm (optie)
Automatische inschakeling van het
alarm
Afstandsbediening werkt niet
De functie voorkomt dat u de auto per ongeluk
verlaat zonder het alarm in te schakelen.
Als u geen van de portieren noch de achterklep binnen twee minuten na uitschakeling
van het alarm opent (en de auto werd met de
afstandsbediening ontgrendeld), dan wordt
het alarm automatisch weer ingeschakeld.
De auto wordt tegelijkertijd vergrendeld.
– Druk op de ontgrendelingsknop van de
afstandsbediening of steek de sleutel in het
contactslot.
De richtingaanwijzers van de auto geven ter
bevestiging twee korte lichtsignalen af.
Alarmsignalen
Bij alarm gebeurt het volgende:
• Er klinkt 25 seconden lang een sirene. Deze
beschikt over een eigen accu die wordt
ingeschakeld, als de accu van de auto te
weinig vermogen heeft of ontkoppeld is.
• Alle richtingaanwijzers knipperen vijf minuten lang of korter wanneer u het alarm
volgens de bovenstaande aanwijzingen
eerder uitschakelt.
G019420
Geactiveerd alarm uitschakelen
05
Ook als de afstandsbediening om wat voor
reden dan ook niet werkt, kunt u het alarm nog
steeds uitschakelen en de motor als volgt
starten:
– Open het bestuurdersportier met het sleutelblad. Het alarm gaat af en de sirene
klinkt.
– Bij auto’s met Keyless Drive moet u eerst
de startknop verwijderen door de pal (1) in
te duwen en de knop los te trekken (2).
– Steek de afstandsbediening in het contactslot (3). Het alarm wordt uitgeschakeld. Het
alarmlampje knippert snel totdat u de contactsleutel naar stand II draait.
113
05 Sloten en alarm
Alarm (optie)
Beperkt alarmniveau
Bij auto’s met Safelock-functie wordt ook
deze functie gedeactiveerd (zie pagina 110).
De volgende keer dat u de motor start, worden
de sensoren alsmede de Safelock-functie
weer geactiveerd.
2
G020226
1
05
1. Safelock-functie en alarmsensoren
deactiveren.
2. Geen functie.
Om te voorkomen dat het alarm per ongeluk
afgaat, bijvoorbeeld op een veerboot, kunt u
de bewegingsmelder en de niveausensoren
tijdelijk uitschakelen.
– Draai de contactsleutel naar stand II en
vervolgens terug naar stand 0. Neem de
sleutel uit.
– Druk op de knop (1). Het lampje in de knop
blijft branden, totdat u de auto vergrendelt.
Zolang de sleutel in het contact steekt (of tot
één minuut na het uitnemen van de sleutel),
staat er een melding op het display.
114
05 Sloten en alarm
Alarm (optie)
Alarmsysteem testen
Bewegingsmelder in passagiersruimte
testen
– Open alle zijruiten.
– Activeer het alarm. Het lampje knippert
langzaam om aan te geven dat het alarm
ingeschakeld is.
– Wacht 30 seconden.
– Test de bewegingsmelder in de passagiersruimte door een tas of iets dergelijks van de
stoel te pakken. Er moet nu een sirene
afgaan en tegelijkertijd moeten alle richtingaanwijzers knipperen.
– Deactiveer het alarm door de auto via de
afstandsbediening te ontgrendelen.
Motorkap testen
– Ga in de auto zitten en deactiveer de
bewegingsmelder.
– Activeer het alarm. Blijf in de auto zitten en
vergrendel de portieren met de knop op de
afstandsbediening.
– Wacht 30 seconden.
– Ontgrendel de motorkap met de hendel
onder het dashboard. Er moet nu een
sirene afgaan en tegelijkertijd moeten alle
richtingaanwijzers knipperen.
– Deactiveer het alarm door de auto via de
afstandsbediening te ontgrendelen.
05
Portieren testen
– Activeer het alarm.
– Wacht 30 seconden.
– Ontgrendel de auto met de sleutel aan de
bestuurderszijde.
– Open een van de portieren. Er moet nu een
sirene afgaan en tegelijkertijd moeten alle
richtingaanwijzers knipperen.
– Deactiveer het alarm door de auto via de
afstandsbediening te ontgrendelen.
115
Algemene informatie .............................................................................. 118
Tanken .................................................................................................... 120
Motor starten ......................................................................................... 121
Motor starten – FlexiFuel ........................................................................ 123
Keyless Drive (optie) ............................................................................... 124
Handgeschakelde versnellingsbak ......................................................... 125
Automatische versnellingsbak ............................................................... 127
Vierwielaandrijving ................................................................................. 130
Remsysteem .......................................................................................... 131
Stabiliteits- en tractieregelsysteem .......................................................... 133
Park Assist (optie) ................................................................................... 135
BLIS (Blind Spot Information System) (optie) ....................................................................................... 138
Slepen en bergen ................................................................................... 142
Starten met hulpaccu ............................................................................. 144
Rijden met een aanhanger ..................................................................... 145
Trekhaak ................................................................................................. 147
Afneembare trekhaak ............................................................................. 149
Lading vervoeren .................................................................................... 154
Lichtbundel aanpassen .......................................................................... 155
116
STARTEN EN RIJDEN
06
06 Starten en rijden
Algemene informatie
Zuinig rijden
Zuinig rijden houdt in dat u anticiperend en
rustig rijdt, en uw rijstijl en snelheid afstemt op
de verkeerssituatie.
06
• Laat de motor zo snel mogelijk op bedrijfstemperatuur komen.
• Laat de motor niet stationair lopen, maar
rijd zo snel mogelijk met lichte belasting.
• Een koude motor verbruikt meer brandstof
dan een warme.
• Vermijd krachtig remmen.
• Laat zware lading niet onnodig lang in de
auto liggen.
• Gebruik geen winterbanden op sneeuwvrije
wegen.
• Verwijder de lastdrager wanneer u deze
niet nodig hebt.
• Rijd niet met open zijruiten.
Nieuwe auto’s en gladde wegen
Oefen onder gecontroleerde omstandigheden
om te testen hoe de nieuwe auto bij gladheid
reageert.
Motor en koelsysteem
In bepaalde omstandigheden, bijvoorbeeld tijdens het rijden op steile hellingen en bij het
vervoer van een zware lading, bestaat het
gevaar dat de motor en het koelsysteem oververhit raken.
118
Vermijd oververhitting van het
koelsysteem
• Houd een lage snelheid aan, wanneer u met
een aanhanger achter de auto een lange en
steile helling oprijdt.
• Na een zware rit moet u de motor niet
meteen afzetten, maar nog enige tijd stationair laten lopen.
• Verwijder verstralers die voor de grille zitten, als u bij extreem warm weer rijdt.
Vermijd oververhitting van de motor
Laat de motor geen hogere toeren maken dan
4500 omw/min (dieselmotor: 3500 omw/min),
wanneer u met een aanhanger of caravan achter de auto in heuvelachtig gebied rijdt. Anders
kan de olietemperatuur te hoog oplopen.
Open achterklep
Rijd niet met een geopende achterklep. Als u
toch en stukje met een geopende achterklep
moet rijden, kunt u het volgende doen:
– Doe alle ruiten dicht.
– Stuur de lucht naar de voorruit en de vloer
en laat de ventilator op de hoogste snelheid
draaien.
WAARSCHUWING
Rijd niet met een geopende achterklep. Er
kunnen giftige gassen via de bagageruimte
de passagiersruimte in worden gezogen.
Doorwaaddiepte
U kunt met de auto door waterpartijen van
maximaal 25 cm diep rijden met een maximumsnelheid van 10 km/h. Wees extra voorzichtig bij het doorwaden van stromend water.
BELANGRIJK
Er kan schade aan de motor ontstaan, als er
water in het luchtfilter dringt.
Bij diepere waterpartijen kan er water in de
transmissie dringen. De smerende eigenschappen van de oliën nemen daarbij af,
waardoor de genoemde systemen minder
lang meegaan.
Houd een lage snelheid aan tijdens het waden
en breng de auto niet in het water tot stilstand.
Trap na het passeren van de waterpartij lichtjes op het rempedaal om te controleren of de
remwerking in orde is. Bij water en vuil op de
remblokken kunnen er vertragingen in de remwerking optreden.
Maak de aansluitingen voor de elektrische
motorverwarming en de aanhangerkoppeling
schoon na ritten in water en modder.
06 Starten en rijden
Algemene informatie
BELANGRIJK
Laat de auto niet langdurig in water staan
dat tot boven de dorpelbalken komt om
elektrische storingen te voorkomen.
Probeer de motor na afslag in een waterpartij niet opnieuw te starten. Sleep de auto uit
de waterpartij.
systemen uit of verlaagt de belasting van de
accu door bijvoorbeeld de interieurventilator
lager te zetten en de geluidsinstallatie uit te
schakelen. U laadt de accu op door de motor
te starten.
Accu niet overmatig belasten
De elektrische functies van de auto belasten
de accu in verschillende mate. Laat de contactsleutel niet te lang achtereen in stand II
staan, als u de motor hebt afgezet. Gebruik
liever stand I, omdat er op die manier minder
stroom wordt afgenomen.
Voorbeelden van onderdelen/systemen die
veel stroom afnemen zijn:
• interieurventilator
• ruitenwissers
• audiosysteem (hoog volume)
• stadslichten.
Let er tevens op dat de verschillende accessoires het elektrische systeem belasten. Maak
daarom geen gebruik van functies die veel
stroom afnemen, wanneer u de motor hebt
afgezet.
06
Als de accuspanning laag is, verschijnt er een
melding op het display. De energiebesparingsfunctie schakelt bepaalde onderdelen/
119
06 Starten en rijden
Tanken
Tankvulklep openen
2. Draai de dop tot aan de aanslag voorbij
de weerstand.
3. Trek de dop uit de vulopening.
4. Hang hem aan de binnenkant van de
tankvulklep op.
N.B.
Plaats de tankdop na het tanken terug.
Draai de dop zo ver dicht dat u een of meer
duidelijke klikken hoort.
G015313
Brandstof tanken
Schakel voordat u gaat tanken de standverwarming op brandstof uit.
06
Open de tankvulklep met de knop op het verlichtingspaneel (zie pagina 47). De klep kan
niet worden geopend wanneer de motor loopt.
De tankvulklep zit op het rechter achterspatbord.
Sluiten
Duw de klep dusdanig in dat u die hoort klikken.
Tankdop
1. Draai de tankdop zo ver los dat u een
merkbare weerstand voelt.
120
Giet de tank niet te vol door het vulpistool na
de eerste afslag uit de vulopening te halen.
N.B.
Een te volle tank kan bij warm weer
overlopen.
Gebruik geen brandstof met een slechtere
kwaliteit dan aangegeven op pagina 247,
omdat dit een nadelige invloed kan hebben op
het motorvermogen en het brandstofverbruik.
WAARSCHUWING
Gemorste brandstof kan door de hete uitlaatgassen ontvlammen.
Schakel voordat u gaat tanken de standverwarming op brandstof uit.
Schakel voordat u gaat tanken uw mobiele
telefoon uit. Het belsignaal kan aanleiding
geven tot vonkvorming en daarbij de brandstofdampen ontsteken met gevaar voor
brand en verwondingen.
Benzine
BELANGRIJK
Voeg nooit reinigende additieven (dopes)
aan de benzine toe zonder het uitdrukkelijke
advies van Volvo.
Dieselolie
Bij lage temperaturen (–5 C tot –40 C) kan
de paraffine in de dieselolie uitvlokken, wat
aanleiding kan geven tot startproblemen.
BELANGRIJK
Gebruik speciale winterbrandstof tijdens de
wintermaanden.
06 Starten en rijden
Motor starten
Voordat de motor wordt gestart
– Trek de handrem aan.
Automatische versnellingsbak
– Zet de keuzehendel in stand P of N.
Handgeschakelde versnellingsbak
Zet de versnellingspook in de neutrale stand
en houd het koppelingspedaal volledig ingedrukt. Dit is met name van belang bij strenge
vorst.
WAARSCHUWING
Neem de contactsleutel nooit tijdens het rijden uit het contactslot, ook niet als de auto
gesleept wordt. U loopt anders het gevaar
dat het stuurslot wordt geactiveerd, waardoor de auto onbestuurbaar wordt.
Bij het slepen moet de contactsleutel in
stand II staan.
N.B.
Tijdens de koude start is het mogelijk dat
het motortoerental merkbaar hoger ligt dan
normaal is voor bepaalde motortypes. Dit
omdat ernaar wordt gestreefd het uitlaatgasreinigingssysteem zo snel mogelijk op
bedrijfstemperatuur te brengen en tegelijkertijd de uitstoot te beperken van stoffen
die schadelijk zijn voor het milieu.
Motor starten
Benzine
– Draai de contactsleutel naar stand III.
Als de motor niet binnen 5–10 seconden
aanslaat, moet u de sleutel loslaten en een
nieuwe startpoging doen.
Dieselolie
1. Draai de contactsleutel naar stand II.
Een controlelampje op het instrumentenpaneel gaat branden om aan te geven dat de
motor wordt voorverwarmd (zie pagina 41).
2. Draai de sleutel naar stand III, wanneer
het controlelampje uitgaat.
Automatisch starten (5 cilindermotor)
Met de functie automatisch starten hoeft u de
contactsleutel (of de startknop op modellen
met Keyless Drive, zie pagina 104) niet langer
in de startstand (stand III) vast te houden totdat de motor is aangeslagen.
Draai de contactsleutel naar de startstand en
laat de sleutel weer los. De startmotor blijft
vervolgens automatisch draaien totdat de
motor is aangeslagen.
N.B.
Als u bij strenge vorst een dieselmotor start
zonder de voorgloeifunctie af te wachten, is
het mogelijk dat de automatische startfunctie enkele seconden uitgesteld wordt.
Roetfilter dieselmotor (DPF)1
Dieselmodellen zijn mogelijk uitgerust met een
roetfilter, waardoor een nog efficiëntere uitlaatgasreiniging mogelijk is. Onder normale
rijomstandigheden blijven de roetdeeltjes uit
de uitlaatgassen in het filter achter. Om de
roetdeeltjes te verbranden en het filter te legen
wordt een zogeheten regeneratie gestart.
Daarvoor moet de motor de normale bedrijfstemperatuur hebben.
Afhankelijk van de rijomstandigheden wordt
het filter om de 300–900 kilometer geregenereerd. De regeneratie duurt normaal 10 tot
20 minuten. Gedurende deze tijd kan het
brandstofverbruik ietwat stijgen.
Om de motor tijdens de regeneratie zwaarder
te belasten is het mogelijk dat de achterruitverwarming zonder verdere indicatie spontaan
aanslaat.
06
Regeneratie bij koud weer
Als u bij koud weer vaak korte afstanden rijdt,
komt de motor niet voldoende op temperatuur
en wordt het roetfilter niet geregenereerd en
het filter niet geleegd.
Wanneer het filter voor ca. 80 % met roetdeeltjes gevuld is, licht een oranje informatiesymbool op het instrumentenpaneel op en verschijnt de melding
1 Bepaalde
markten
121
06 Starten en rijden
Motor starten
ROETFILTER VOL ZIE GEBR. HANDL. op
het display van het instrumentenpaneel.
U start de regeneratie van het filter door met
de auto op een secundaire weg of op een
snelweg te rijden totdat de motor voldoende
op temperatuur is gekomen. Daarna rijdt u
nog ca. 20 minuten verder.
0 – Blokkeerstand
Na afloop van de regeneratie verdwijnt de
melding automatisch.
I – Radiostand
BELANGRIJK
Als het filter helemaal met deeltjes gevuld
is, kan het onbruikbaar worden. De motor
start dan moeilijk en de kans bestaat dat het
filter moet worden vervangen.
06
Contact- en stuurslot
Gebruik bij koud weer de standverwarming
(optie), zodat de motor sneller op temperatuur
komt.
Contactsleutels en elektronische
startblokkering
Laat de contactsleutel nooit samen met
andere sleutels of metalen voorwerpen aan
dezelfde sleutelbos hangen. Als u dat wel
doet, kan de elektronische startblokkering per
ongeluk worden geactiveerd.
Het stuurslot blokkeert het
stuurwiel, wanneer u de
sleutel uit het contactslot
neemt.
Sommige onderdelen van
het elektrische systeem kunnen worden ingeschakeld.
Het elektrische systeem van
de motor is echter uitgeschakeld.
II – Rijstand
De stand waarin de contactsleutel tijdens het rijden
staat. Het elektrische systeem van de auto is ingeschakeld.
III – Startstand
De startmotor wordt ingeschakeld. Wanneer u nadat
de motor is aangeslagen de
sleutel loslaat, veert deze
automatisch terug in de rijstand.
Als de sleutel tussen twee standen in staat
kan er een tikkend geluid te horen zijn. Draai
de sleutel in dat geval eerst naar stand II en
122
daarna terug om het geluid te laten verdwijnen.
Bij een geactiveerd stuurslot
Als de voorwielen dusdanig staan dat het
stuurslot belast wordt, kan er een waarschuwing op het informatiedisplay verschijnen met
de melding dat de motor niet kan worden
gestart.
1. Neem in dat geval de sleutel uit en draai
aan het stuurwiel, zodat het stuurslot
opgeheven wordt.
2. Houd het stuurwiel in dezelfde stand
vast terwijl u de sleutel weer in het
contactslot steekt en een nieuwe startpoging doet.
WAARSCHUWING
Neem de contactsleutel nooit tijdens het rijden of het slepen uit het contactslot. U
loopt anders het gevaar dat het stuurslot
wordt geactiveerd, waardoor de auto onbestuurbaar wordt.
WAARSCHUWING
Neem bij het verlaten van de auto altijd de
contactsleutel uit het contactslot. Dit geldt
in het bijzonder wanneer er kinderen in de
auto achterblijven.
Zorg dat het stuurslot actief is, wanneer u de
auto verlaat. Zo beperkt u de kans op diefstal.
06 Starten en rijden
Motor starten – FlexiFuel
• Laat de startmotor nooit meer dan
30 seconden achtereen draaien.
• Laat de contactsleutel los zodra de motor
aanslaat.
• Bij herhaalde startpogingen treedt de startblokkering in werking. Om een nieuwe
startpoging te doen moet u de sleutel eerst
terugdraaien naar stand I of 0.
Bij startproblemen
Doe het volgende, wanneer de motor niet aanslaat:
– Trap het gaspedaal voor ongeveer 1/3 tot
de helft van de pedaalweg in.
– Draai de contactsleutel naar stand III.
– Laat de sleutel los zodra de motor aanslaat
en verminder de druk op het gaspedaal
naarmate het motortoerental oploopt.
Als de motor dan nog niet aanslaat:
– Trap het gaspedaal volledig in en herhaal
de laatste twee stappen van het voorgaande stukje.
Starten bij lage buitentemperaturen
Motorverwarming
Als de te verwachten temperatuur lager is
dan –10 C, wordt geadviseerd de hoeveelheid benzine in de tank te verhogen door zo
mogelijk loodvrije benzine (RON 95) bij te vullen.
Bij gebruik van ca. 10 liter benzine (RON 95)
zal het gehalte aan bio-ethanol E 85 in een
tank die voor driekwart gevuld is, afnemen van
85 % tot 70 %. Dit verbetert de koudestarteigenschappen aanmerkelijk.
N.B.
Als u bij extreme vorst geen gebruik maakt
van de motorverwarming, zal de auto startproblemen vertonen wanneer er alleen bioethanol E 85 in de tank zit.
Rijeigenschappen, adaptatie
Wanneer u de accu loskoppelde of van brandstofsoort veranderde, kan de stationairloop
onregelmatig zijn. De motor past zich echter
na verloop van tijd aan de nieuwe brandstofsoort aan: er vindt met andere woorden
adaptatie plaats.
Bij het overschakelen op een andere brandstofsoort neemt de adaptatie enige tijd in
beslag. Als de auto stroomloos is geweest,
dient u er iets langer in te rijden.
9754
Algemene informatie over het starten
van een FlexiFuel-motor
Aansluiting voor motorverwarming
Als de te verwachten temperatuur lager is
dan –10 C, wordt u geadviseerd de motorverwarming te gebruiken om de motor sneller
te kunnen starten wanneer er bio-ethanol E 85
in de tank zit.
06
Tot de standaarduitrusting van een FlexiFuelmodel behoort een elektrische motorverwarming1. Een voorverwarmde motor slaat sneller
aan en loopt beter, wat een aanzienlijke
beperking van de emissies en het brandstofverbruik inhoudt. Maak daarom tijdens de wintermaanden zoveel mogelijk gebruik van de
motorverwarming.
Op pagina 247 kunt u meer lezen over de
FlexiFuel-brandstof bio-ethanol (E 85).
1
Optie op de overige motoren
123
06 Starten en rijden
Keyless Drive (optie)
Algemene informatie
Auto starten
Starten met afstandsbediening
– Bedien het koppelingspedaal (auto met
handbak) of het rempedaal (auto met automaat).
Benzinemotor
– Druk op de startknop en draai deze naar
stand III.
Met het Keyless Drive-systeem kunt u zonder
een sleutel te gebruiken de auto ontgrendelen,
starten en vergrendelen (zie pagina 104).
06
124
De startknop van het contactslot werkt op
dezelfde manier als een contactsleutel. U kunt
de motor alleen starten, wanneer een van de
afstandsbedieningen van de auto in de passagiersruimte of de bagageruimte ligt.
1. Draai eerst de startknop naar stand II en
wacht totdat het dieselcontrolelampje op
het instrumentenpaneel (zie pagina 41) is
gedoofd.
2. Draai de startknop vervolgens naar
stand III.
G019420
G019410
Dieselmotor
Als de batterij in de afstandsbediening leeg is,
werkt de Keyless Drive-functie niet. Start de
motor in dat geval door de afstandsbediening
als startknop te gebruiken.
1. Duw de pal op de startknop in.
2. Trek de startknop uit het contactslot.
3. Steek de afstandsbediening in het contactslot en start op dezelfde manier als
bij het gebruik van de startknop.
06 Starten en rijden
Handgeschakelde versnellingsbak
Trap het koppelingspedaal tijdens het schakelen altijd zo ver mogelijk in. Haal uw voet na
het schakelen weer van het koppelingspedaal
af! Houd u aan het aangegeven schakelpatroon.
Om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te
houden, moet u zoveel mogelijk gebruik
maken van hoge versnellingen.
Schakel de achteruitversnelling alleen in als de
auto stilstaat. Om de achteruitversnelling in te
schakelen moet u de versnellingspook eerst in
de neutrale stand N zetten. Door de blokkering van de achteruitversnelling kunt u de versnellingspook niet rechtstreeks vanuit de
vijfde versnelling in de achteruitversnelling
zetten.
G018258
Schakelstanden, zesversnellingsbak
(benzine)
G018257
Blokkering achteruitversnelling,
vijfversnellingsbak
G018256
Schakelstanden, vijfversnellingsbak
Trap het koppelingspedaal tijdens het schakelen altijd zo ver mogelijk in. Haal uw voet na
het schakelen weer van het koppelingspedaal
af! Houd u aan het aangegeven schakelpatroon.
06
Om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te
houden, moet u zoveel mogelijk gebruik
maken van hoge versnellingen.
Het kan problemen geven de schakelstanden
voor de vijfde en zesde versnelling te vinden,
wanneer de auto stilstaat. Dit omdat de blokkering van de achteruitversnelling (die dwarsslagen blokkeert) dan niet geactiveerd is.
125
06 Starten en rijden
Handgeschakelde versnellingsbak
Schakel de achteruitversnelling alleen in, wanneer de auto stilstaat.
06
N.B.
De achteruitversnelling wordt elektronisch
geblokkeerd, als de auto sneller rijdt dan
20 km/h.
Trap het koppelingspedaal tijdens het schakelen altijd zo ver mogelijk in. Haal uw voet na
het schakelen weer van het koppelingspedaal
af! Houd u aan het aangegeven schakelpatroon.
Om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te
houden, moet u zoveel mogelijk gebruik
maken van hoge versnellingen.
1 Bepaalde
126
markten
Blokkering achteruitversnelling,
zesversnellingsbak (diesel)
G018262
G018261
Schakelstanden, zesversnellingsbak
(diesel)1
G018259
Blokkering achteruitversnelling,
zesversnellingsbak (benzine)
Schakel de achteruitversnelling alleen in, wanneer de auto stilstaat. Duw de versnellingspook omlaag en haal deze naar links om de
achteruitversnelling in te schakelen.
06 Starten en rijden
Automatische versnellingsbak
In stand P is de versnellingsbak mechanisch
geblokkeerd. Trek bij het parkeren altijd de
handrem aan.
Automatisch schakelen met
Geartronic
R – Achteruitrijstand
De auto moet stilstaan wanneer u de hendel in
stand R zet.
G018264
N – Vrijstand
In deze stand kunt u de motor starten, maar er
is geen versnelling ingeschakeld. Trek de
handrem aan, wanneer de auto stilstaat en de
keuzehendel in stand N staat.
P – Parkeerstand
Selecteer stand P, wanneer u de motor start
of de auto parkeert.
BELANGRIJK
De auto moet stilstaan wanneer u de hendel
in stand P zet.
N.B.
U moet het rempedaal bedienen om de keuzehendel uit stand P te kunnen halen.
D – Rijstand
Stand D is de normale rijstand. De versnellingsbak schakelt automatisch op en terug,
afhankelijk van de stand van het gaspedaal en
de snelheid. Zorg dat de auto stilstaat, voordat u de keuzehendel vanuit stand R in
stand D zet.
Handmatig schakelen met
Geartronics
Met de automatische versnellingsbak Geartronic kunt u ook handmatig schakelen. Bij het
loslaten van het gaspedaal wordt de auto op
de motor afgeremd.
Handmatig schakelen is te activeren door de
hendel vanuit stand D helemaal naar rechts in
stand M te zetten. Op het informatiedisplay
verandert het teken D in een van de cijfers 1–6
afhankelijk van de ingeschakelde versnelling
(zie pagina 39).
Duw de hendel naar voren naar de + (plus) om
een hogere versnelling in te schakelen en laat
de hendel weer los. De hendel veert terug naar
de neutrale stand M. Trek de hendel naar achteren naar de – (min)
om een lagere versnelling in te schakelen en
laat de hendel weer los.
06
Handmatig schakelen M kan op elk moment
tijdens het rijden geactiveerd worden.
Om de automatische rijstand te hervatten
dient u de hendel helemaal naar links in
stand D te zetten.
Om schokken en afslaan van de motor te voorkomen, schakelt Geartronic automatisch terug
als de bestuurder langzamer gaat rijden dan
wat voor de gekozen versnelling gepast is.
127
06 Starten en rijden
Automatische versnellingsbak
Kickdown1
Mechanische keuzehendelblokkering
Als u het gaspedaal volledig intrapt (tot voorbij
de normale volgasstand), schakelt de versnellingsbak automatisch terug naar een lagere
versnelling. Dit is de zogeheten kickdown.
Auto’s met een automatische versnellingsbak
zijn uitgerust met een aantal speciale beveiligingssystemen:
Sleutelblokkering, Keylock
De keuzehendel moet in stand P staan om de
Wanneer u het gaspedaal uit de kickdownstand loslaat, schakelt de versnellingsbak
automatisch op.
contactsleutel te kunnen uitnemen. In alle
andere standen is de sleutel geblokkeerd.
Gebruik de kickdown om zo snel mogelijk te
accelereren zoals bij het inhalen.
Parkeerstand (stand P)
Stilstaande auto met draaiende motor:
06
Geartronic staat geen terugschakeling/kickdown toe die tot een dusdanig hoog toerental
leidt dat de motor kan worden beschadigd.
Wanneer u bij hoge motortoeren toch probeert
een dergelijke kickdown uit te voeren, gebeurt
er niets. De auto blijft in de oorspronkelijke
versnelling rijden.
Bij kickdown kan de auto afhankelijk van het
motortoerental één of meer versnellingen
terugschakelen. Om schade aan de motor te
voorkomen schakelt de auto op wanneer de
motor het maximumtoerental heeft bereikt.
1
128
Niet tijdens handmatig schakelen bij dieselmodellen.
G020237
Beveiligingsfunctie
Om overtoeren van de motor te voorkomen, is
het stuurprogramma van de versnellingsbak
voorzien van een terugschakelblokkering
waardoor de zogeheten kickdown niet mogelijk is.
Automatische schakelblokkering
– Houd uw voet op het rempedaal terwijl u de
keuzehendel verzet.
U kunt de hendel altijd ongehinderd heen en
weer halen tussen de standen N en D. Om de
hendel in een van de overige standen te zetten, moet u een blokkering opheffen door op
de blokkeerknop op de keuzehendel te drukken.
Elektrische schakelblokkering –
Shiftlock Parkeerstand (stand P)
Om de keuzehendel uit stand P te kunnen
halen, moet de contactsleutel in stand II staan
Wanneer u de blokkeerknop indrukt, kunt u de
hendel vooruit- of achteruitbewegen tussen
de standen P, R, N en D.
Schakelblokkering, vrijstand (stand N)
Als de keuzehendel in stand N staat en de
en moet het rempedaal worden bediend.
auto heeft minstens drie seconden stilgestaan (of de motor nu loopt of niet), is de keuzehendel geblokkeerd in stand N.
Om de keuzehendel uit stand N te halen, moet
het rempedaal worden bediend en moet de
contactsleutel in stand II staan.
06 Starten en rijden
Automatische versnellingsbak
Automatische schakelblokkering
deactiveren
Koude start
Als u bij koud weer wegrijdt, is het mogelijk
dat het schakelen ietwat stug gaat. Dit komt
omdat de versnellingsbakolie bij lagere temperaturen stroperiger wordt. Om de uitstoot
van uitlaatgassen te beperken schakelt de
versnellingsbak later op dan normaal, wanneer u bij lage temperaturen wegrijdt.
G018263
N.B.
In bepaalde gevallen moet u de auto kunnen
verzetten, wanneer er niet in gereden kan worden zoals bij een lege accu. Doe het volgende
om de auto in dat geval te verzetten:
Afhankelijk van de motortemperatuur tijdens de start is het mogelijk dat het motortoerental van bepaalde motortypen na een
koude start iets hoger is dan normaal.
06
1. Er zit een dekplaatje onder het paneel met
P-R-N-D op de keuzehendel. Open het
aan de achterzijde.
2. Steek het sleutelblad van de afstandsbediening zo ver mogelijk in de opening
omlaag.
3. Houd het sleutelblad ingedrukt, terwijl
u de keuzehendel uit stand P haalt.
129
06 Starten en rijden
Vierwielaandrijving
Vierwielaandrijving, AWD (All Wheel
Drive)
De vierwielaandrijving is permanent ingeschakeld.
Bij vierwielaandrijving worden alle vier de wielen van de auto tegelijk aangedreven. Het
motorkoppel wordt automatisch over de vooren achterwielen verdeeld. Een elektronisch
gestuurd koppelingssysteem verdeelt het vermogen over het wielpaar dat op dat moment
de beste grip op het wegdek heeft. Dit om
optimale wegligging te verkrijgen en te voorkomen dat de wielen doorslippen.
Bij normaal rijden worden de voorwielen naar
verhouding iets sterker aangedreven dan de
achterwielen.
06
130
Vierwielaandrijving verhoogt de rijveiligheid tijdens regen- en sneeuwval en bij ijzel.
06 Starten en rijden
Remsysteem
Rembekrachtiging
Als de auto rolt of wordt gesleept met een uitgeschakelde motor, moet u ongeveer vijfmaal
zoveel druk uitoefenen op het rempedaal als
wanneer de motor loopt. Als u bij het starten
van de motor op het rempedaal trapt, kan het
rempedaal iets omlaagkomen. Dit is volkomen
normaal omdat de rembekrachtiging geactiveerd wordt. Bij een auto met EBA (Emergency Brake Assistance) kan dit nog duidelijker te merken zijn.
WAARSCHUWING
De rembekrachtiging werkt alleen, als de
motor loopt.
N.B.
Als geremd moet worden met een uitgeschakelde motor, trap dan eenmaal hard en
resoluut op het rempedaal – dus niet pompen.
Remkringen
Het nevenstaande symbool licht
op, wanneer er een remkring
defect is.
Als er een storing in een van de
remkringen optreedt, is remmen nog steeds
mogelijk. U moet het rempedaal echter verder
intrappen en het pedaal kan minder stug aan-
voelen. U moet harder op het pedaal trappen
om de normale remkracht te verkrijgen.
Vocht kan de remeigenschappen
beïnvloeden
Door opspattend water (bij hevige regenval, in
waterplassen of tijdens een wasbeurt) worden
de onderdelen van het remsysteem nat. Daardoor kunnen de wrijvingseigenschappen van
de remblokken gewijzigd worden, zodat u een
bepaalde verlenging van de aanspreekduur
van de remmen kunt merken.
Trap zo nu en dan lichtjes op het rempedaal,
als u lange afstanden in de regen of sneeuwmodder aflegt. Doe dit ook bij zeer vochtig of
koud weer. Op die manier verwarmt u de remblokken waardoor het vocht verdampt. Deze
procedure is ook aan te raden voordat u de
auto voor langere tijd in dergelijke weersomstandigheden parkeert.
Als de remmen zwaar belast worden
De remmen van de auto worden zwaar belast,
wanneer u in de bergen of op wegen met vergelijkbare niveauverschillen rijdt; zelfs als u
niet bijzonder hard op het rempedaal trapt.
Omdat de snelheid in dergelijke omstandigheden vaak laag is, worden de remmen niet even
goed gekoeld als bij snelle ritten op vlakke
wegen.
Om de remmen niet overmatig te belasten,
kunt u tijdens het afdalen beter terugschakelen dan het rempedaal gebruiken. Gebruik
dezelfde versnelling die u zou gebruiken wanneer u een helling oprijdt. Op die manier kunt u
beter op de motor afremmen en hoeft u de
rem slechts korte tijd te gebruiken.
Let erop dat u de remmen nog meer belast,
wanneer u met een aanhanger rijdt.
Antiblokkeerremsysteem (ABS)
Het ABS (Anti-lock Braking System) voorkomt dat de wielen tijdens het remmen geblokkeerd
raken.
Zo blijft de auto bestuurbaar,
waardoor het bijvoorbeeld makkelijker is om
obstakels te ontwijken.
Wanneer u na het starten van de motor wegrijdt en een snelheid van ca. 20 km/h hebt
bereikt, gaat er een korte zelftest van het ABS
van start. Dit kunt u zowel horen als voelen
aan de pulsaties in het rempedaal.
06
Om het ABS maximaal te benutten:
1. Trap zo hard mogelijk op het rempedaal (er
zijn pulsaties voelbaar).
2. Stuur de auto in de rijrichting en blijf
druk op het rempedaal uitoefenen.
131
06 Starten en rijden
Remsysteem
Aarzel niet om op een terrein zonder verkeer te
testen hoe het ABS in verschillende weersomstandigheden reageert.
Het waarschuwingslampje voor ABS licht
twee seconden op, als er de vorige keer dat
de motor liep een storing in het ABS is opgetreden.
Remkrachtverhoging – EBA
06
132
(Emergency Brake Assistance) Het EBA is
dusdanig geconstrueerd dat u, wanneer u
krachtig moet remmen, altijd meteen het
maximale remvermogen kunt afnemen. Het
systeem registreert het moment waarop u
krachtig wilt afremmen door de snelheid te
meten waarmee u op het rempedaal trapt. Blijf
remmen zonder het rempedaal los te laten.
Het systeem wordt uitgeschakeld, wanneer u
het rempedaal loslaat. Het systeem is altijd
actief. U kunt het dan ook niet uitschakelen.
WAARSCHUWING
Als de waarschuwingslampjes voor het
remsysteem en het ABS tegelijkertijd
oplichten, kan er een storing zijn opgetreden in het remsysteem. Als het remvloeistofpeil in dat geval in orde is, moet u de
auto voorzichtig naar de dichtstbijzijnde
erkende Volvo-werkplaats rijden om het
remsysteem te laten controleren.
Als de remvloeistof lager staat dan het MINstreepje van het remvloeistofreservoir, dan
dient u niet verder te rijden met de auto
voordat er remvloeistof is bijgevuld.
Controleer tevens de oorzaak van het remvloeistofverlies.
N.B.
Wanneer het EBA geactiveerd wordt, zakt
het rempedaal iets verder omlaag dan normaal. Bedien het rempedaal zolang dat
nodig is. Zodra u het rempedaal loslaat,
worden de remmen volledig gelost.
06 Starten en rijden
Stabiliteits- en tractieregelsysteem
Algemene informatie
Het stabiliteits- en tractieregelsysteem (STC/
DSTC, (Dynamic) Stability and Traction Control) helpt de bestuurder voorkomen dat de
wielen doorslippen en verbetert de tractie van
de auto.
Antispinregeling
Tractieregeling
Deze regeling voorkomt dat de aangedreven
wielen tijdens het optrekken doorslippen.
Deze regeling is actief op lage snelheden en
brengt de aandrijfkracht van een slippend
aandrijfwiel over op een aandrijfwiel dat niet
slipt.
Beperkte functie
Bij een ingreep van het systeem kunnen er
merkbare pulsaties optreden in het rem- of
gaspedaal. Bij het geven van gas kan de auto
bovendien langzamer dan verwacht optrekken.
Functie/systeem
STC
Antislipregeling
DSTC
X
A
G020349
Afhankelijk van de markt is de auto uitgerust
met STC of DSTC. In de tabel staan de bijbehorende regelingen van de verschillende systemen aangegeven.
B
Antispinregeling
X
X
Iedere keer dat u de auto start, wordt het stabiliteitssysteem automatisch geactiveerd.
Tractieregeling
X
X
Het is mogelijk de werking van het systeem te
beperken, wanneer de wielen doorslippen en
u gas geeft.
Antislipregeling
Deze regeling beperkt de aandrijfkracht en
remkracht van elk van de afzonderlijke wielen
om de auto op die manier te stabiliseren.
06
Het systeem grijpt bij doorslippende wielen
dan later in, zodat er een hogere mate van
doorslippen mogelijk is. Dit levert een grotere
bedieningsvrijheid op bij dynamisch rijden.
133
06 Starten en rijden
Stabiliteits- en tractieregelsysteem
De aandrijving in diepe lagen sneeuw of zand
wordt verbeterd, omdat er dan geen beperkingen meer gelden voor de te geven hoeveelheid gas.
N.B.
Lampjes op instrumentenpaneel
DSTC AAN verschijnt enkele seconden op
brandt iedere
het display en het lampje
keer dat u de motor start.
DSTC-systeem
Bediening
– Draai aan het duimwiel (A) totdat het menu
STC/DSTC verschijnt.
DSTC AAN betekent dat de werking van het
systeem ongewijzigd is.
DSTC SPIN CONTROL UIT betekent dat er
beperkingen gelden voor de werking van het
systeem.
– Houd RESET (B) ingedrukt totdat het menu
STC/DSTC wordt gewijzigd.
06
Het lampje
brandt tegelijkertijd om u
eraan te herinneren dat er beperkingen voor
het systeem gelden. De beperkingen voor de
werking van het systeem blijven van kracht
totdat u de motor een volgende keer opnieuw
start.
WAARSCHUWING
Er kunnen wijzigingen optreden in de rijeigenschappen van de auto, als de werking
van het systeem wordt beperkt.
134
Meldingen op informatiedisplay
Informatie
TRACTIECONTROLE TIJDELIJK UIT betekent dat de functie van de regeling tijdelijk
beperkt is wegens een te hoge remtemperatuur.
De regeling wordt automatisch opnieuw ingeschakeld, wanneer de remmen weer zijn afgekoeld.
ANTI-SKID SERVICE VEREIST betekent dat
de regeling door een storing werd uitgeschakeld.
– Breng de auto op een veilige plaats tot
stilstand en zet de motor af.
Als de melding een volgende keer dat u motor
start opnieuw verschijnt, moet u de auto naar
een erkende Volvo-werkplaats rijden.
Lees de melding op het informatiedisplay, als
de lampjes
en
Als alleen het lampje
het volgende:
gelijktijdig oplichten.
oplicht, betekent dat
• een knipperend lampje geeft aan dat het
STC/DSTC op dat moment ingrijpt;
• een lampje dat twee seconden brandt geeft
aan dat de systeemtest bij het starten van
de motor loopt;
• een lampje dat na het starten van de motor
of tijdens het rijden oplicht duidt op een
storing in het STC/DSTC-systeem.
• Een lampje dat na uitschakeling continu
blijft branden herinnert u eraan dat er
beperkingen gelden voor het STC/DSTC.
06 Starten en rijden
Park Assist (optie)
Algemene informatie over Park
Assist1
WAARSCHUWING
Hoewel Park Assist handig is bij het parkeren, bent u nog altijd schadeplichtig bij
eventuele fouten. Wanneer er obstakels in
de dode hoeken van de sensoren zitten, zal
het systeem ze niet kunnen ontdekken.
Houd kinderen en dieren in de buurt van de
auto in de gaten.
Varianten
Park Assist is verkrijgbaar in twee varianten:
G020294
• Park Assist aan de achterzijde
• Park Assist aan de voor- en achterzijde
Park Assist voor- en achterzijde
Park Assist (parkeerhulp) is bedoeld als hulpmiddel tijdens het parkeren. Geluidssignalen
geven de afstand tot een waargenomen
obstakel aan.
1 Afhankelijk
van de markt is Park Assist een
standaardfunctie, optie of accessoire.
Functie
Hoe dichter u het obstakel achter of voor de
auto nadert, des te sneller volgen de geluidssignalen elkaar op. Wanneer u ondertussen
naar het audiosysteem luistert, wordt het
volume daarvan tijdelijk verlaagd.
Bij een afstand van ca. 30 cm bestaat het
geluidssignaal uit een ononderbroken toon.
Als er zowel voor als achter de auto obstakels
binnen deze afstand liggen, komen de
geluidssignalen beurtelings uit de luidsprekers
aan linker- en rechterzijde.
Park Assist aan de achterzijde
Het systeem wordt bij het starten van de
motor automatisch ingeschakeld.
Park Assist aan de achterzijde wordt geactiveerd bij het inschakelen van de achteruitversnelling waarna de melding Park Assist actief
Exit is deactiveren op het audiodisplay verschijnt.
Als het systeem uitgeschakeld is, verschijnt
op het display de melding Park Assist inactief Enter is activeren zodra u de achteruitversnelling inschakelt. Zie pagina 66 voor het
wijzigen van de instelling.
Het meetbereik strekt tot ca. 1,5 m recht achter de auto. De geluidssignalen komen uit de
luidsprekers achterin.
Beperkingen
Bij het achteruitrijden met bijvoorbeeld een
aanhanger achter de auto of een fietsdrager
op de trekhaak moet u het systeem uitschakelen. Als u dat niet doet, reageren de sensoren
op de aanhanger of fietsdrager.
06
N.B.
Park Assist aan de achterzijde wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u een aanhanger achter de auto hebt hangen die met
een originele aanhangerkabel van Volvo
aangesloten is.
135
06 Starten en rijden
Park Assist (optie)
Park Assist aan voor- en achterzijde
Het meetbereik strekt tot ca. 0,8 m recht voor
de auto. De geluidssignalen bij obstakels vóór
de auto komen uit de luidsprekers voorin.
Beperkingen
Het is niet mogelijk Park Assist te combineren
met verstralers, omdat de sensoren op de verstralers reageren.
Park Assist aan de achterzijde
G018270
Park Assist aan de achterzijde wordt geactiveerd bij het inschakelen van de achteruitversnelling.
Aan/Uit-knop (rechter knop op afbeelding)
06
Bij het starten van de motor wordt het systeem automatisch geactiveerd wat wordt aangegeven door het brandende lampje in de
Aan/Uit-knop. Wanneer u de Park Assist met
deze knop uitschakelt, dooft het lampje.
Park Assist aan de voorzijde
Park Assist aan de voorzijde is actief bij snelheden tot 15 km/h. Bij hogere snelheden
wordt het systeem gedeactiveerd. Het systeem wordt opnieuw geactiveerd bij snelheden lager dan 10 km/h.
136
Het meetbereik strekt tot ca. 1,5 m recht achter de auto. De geluidssignalen bij obstakels
achter de auto komen uit de luidsprekers achterin.
Beperkingen
Zie het voorgaande gedeelte Park Assist aan
de achterzijde.
Aanduiding voor systeemstoringen
Als het informatiesymbool continu brandt en op het display de
melding PARKEERHULP
SERVICE VEREIST verschijnt,
dan is Park Assist defect. Neem
contact op met een erkende Volvo-werkplaats
om het systeem te laten repareren.
BELANGRIJK
In bepaalde omstandigheden kan Park Assist ten onrechte waarschuwingssignalen
afgeven. Dit komt door externe geluidsbronnen met ultrasone geluidssignalen van
dezelfde frequentie als de sensoren van het
systeem.
Voorbeelden van dergelijke geluidsbronnen
zijn onder meer claxons, natte banden op
asfaltwegen, luchtdrukremmen en uitlaten
van motorfietsen e.d.
06 Starten en rijden
Park Assist (optie)
G020770
Sensoren schoonmaken
Sensoren voor Park Assist
De sensoren werken alleen naar behoren,
wanneer u ze regelmatig schoonmaakt met
water en autoshampoo.
06
N.B.
Vuil, sneeuw en ijs op de sensoren kunnen
ten onrechte aanleiding geven tot waarschuwingssignalen.
137
06 Starten en rijden
BLIS (Blind Spot Information System) (optie)
Algemene informatie
BLIS is een informatiesysteem dat de bestuurder in bepaalde omstandigheden waarschuwt,
wanneer er zich een voertuig in de zogeheten
dode hoek bevindt en in dezelfde richting rijdt.
Dode hoeken
B
Het systeem werkt het best in druk verkeer op
meerbaanswegen.
2
A
BLIS is gebaseerd op digitale cameratechniek. De camera’s (1) zitten onder de buitenspiegels.
Buitenspiegel met BLIS-systeem
06
1. BLIS-camera
2. Controlelampje
3. BLIS-symbool
Wanneer een camera een voertuig heeft
waargenomen in de dode hoek, licht een
controlelampje (2) op dat continu blijft branden.
N.B.
Het lampje gaat branden aan die kant van
de auto waar het voertuig is waargenomen.
Als de auto aan weerszijden wordt ingehaald, gaan dan ook beide lampjes branden.
138
A = ca. 3,0 m, B = ca. 9,5 m.
Wanneer BLIS werkt
Het systeem is alleen actief bij snelheden
hoger dan 10 km/h.
Inhalen
WAARSCHUWING
Het systeem vormt een aanvulling op – geen
vervanging voor – een veilige rijstijl en het
gebruik van de buitenspiegels. De bestuurder moet altijd oplettend en verantwoord
blijven rijden. De bestuurder is er altijd verantwoordelijk voor dat er op een veilige
manier van rijstrook wordt gewisseld.
G020296
1
G020295
3
BLIS informeert de bestuurder bij een fout in
het systeem. Als de camera’s van het systeem
bijvoorbeeld zijn afgedekt, knippert het controlelampje voor BLIS en verschijnt er een
melding op het display van het instrumentenpaneel. Controleer de cameralenzen in dat
geval en maak ze zo nodig schoon. U kunt het
systeem zo nodig tijdelijk uitschakelen met
een druk op de knop BLIS (zie pagina 139).
Het systeem reageert als het snelheidsverschil
tussen u en het ingehaalde voertuig kleiner is
dan 10 km/h.
06 Starten en rijden
BLIS (Blind Spot Information System) (optie)
Het systeem reageert als het snelheidsverschil
tussen u en het inhalende voertuig kleiner is
dan 70 km/h.
achter een auto of vrachtwagen, omdat daar
geen brandende koplampen op zitten.
Activeren/deactiveren
BLIS werkt niet in scherpe bochten.
BLIS werkt niet wanneer u achteruitrijdt.
Een brede aanhanger achter de auto kan
het zicht ontnemen op andere voertuigen
op aangrenzende rijstroken. Dit kan ertoe
leiden dat BLIS geen voertuigen in dit afgeschermde gebied kan waarnemen.
Daglicht en donker
Bij daglicht reageert het systeem op de contouren van omringende voertuigen. Het systeem is geconstrueerd om motorvoertuigen
zoals auto’s, vrachtwagens, bussen en motorfietsen waar te nemen.
Bij donker reageert het systeem op de koplampen van omringende voertuigen. Als een
voertuig de koplampen niet heeft ontstoken,
zal het systeem dit voertuig dan ook niet kunnen waarnemen. Dit houdt in dat het systeem
bijvoorbeeld niet reageert op een aanhanger
Het systeem reageert niet op fietsers en
bromfietsers.
De BLIS-camera’s kunnen hinder ondervinden van de aanwezigheid van felle lichtbronnen of juist de afwezigheid van
lichtbronnen (wegenverlichting of voertuigverlichting) bij ritten in het donker. Het systeem kan uit de afwezigheid van licht ten
onrechte opmaken dat de camera’s zijn afgedekt.
In beide gevallen verschijnt er een melding
op het informatiepaneel.
Bij ritten in dergelijke omstandigheden is
het mogelijk dat het systeem tijdelijk minder
goed kan presteren (zie pagina 140), waarbij een displaymelding verschijnt.
Wanneer de displaymelding spontaan verdwijnt, werkt het BLIS weer naar behoren.
De BLIS-camera’s kennen ongeveer dezelfde beperkingen als het menselijk oog. Dit
houdt in dat ze bijvoorbeeld minder goed
“zien” bij hevige sneeuwval en dichte mist.
G018270
WAARSCHUWING
WAARSCHUWING
Knop voor activering/deactivering
BLIS wordt bij het starten van de motor automatisch geactiveerd. De controlelampjes op
de portierpanelen lichten driemaal op bij het
activeren van BLIS.
06
U kunt het systeem deactiveren/heractiveren
door op BLIS te drukken.
Het lampje in de knop dooft, wanneer het systeem gedeactiveerd wordt. Er verschijnt
bovendien een displaymelding op het instrumentenpaneel.
Bij het heractiveren van BLIS brandt het
lampje in de knop, verschijnt er een nieuwe
displaymelding en lichten de controlelampjes
op de portierpanelen driemaal op. Druk op de
139
06 Starten en rijden
BLIS (Blind Spot Information System) (optie)
knop READ om de displaymelding te laten
verdwijnen. Zie pagina 44 voor meer informatie over de meldingsfuncties.
Systeemmeldingen BLIS
06
140
Displaymelding
Betekenis
BLIS AAN
BLIS-systeem is
ingeschakeld
BLIS WERKING
GEREDUCEERD
De BLIS-camera
wordt gehinderd door
bijvoorbeeld mist of
fel zonlicht recht in de
camera.
De camera herstelt
zichzelf zodra de
omstandigheden weer
normaal zijn.
BLIS CAMERA
GEBLOKKEERD
Een of meer camera’s
zijn afgedekt.
Maak de lenzen
schoon.
BLIS SERVICE
VEREIST
BLIS werkt niet.
Neem contact op met
een erkende Volvowerkplaats.
BLIS UIT
BLIS-systeem is
uitgeschakeld
BELANGRIJK
Laat reparaties van de onderdelen van het
BLIS-systeem over aan een erkende Volvowerkplaats.
Schoonmaken
BLIS werkt alleen optimaal, als de lenzen van
de BLIS-camera’s schoon zijn. U kunt de lenzen schoonmaken met een zachte doek of een
vochtige spons. Maak de lenzen voorzichtig
schoon om krassen te voorkomen.
BELANGRIJK
De lenzen zijn elektrisch verwarmd om ze
van sneeuw en ijs te kunnen ontdoen. Veeg
zo nodig sneeuw van de lenzen af.
06 Starten en rijden
BLIS (Blind Spot Information System) (optie)
Beperkingen
Soms kan het controlelampje voor BLIS
oplichten zonder dat u voertuigen in de dode
hoeken kunt waarnemen.
G018177
N.B.
Als het controlelampje voor BLIS soms
oplicht zonder dat u andere voertuigen in de
dode hoeken kunt waarnemen, betekent dit
niet dat het systeem een storing vertoont.
Bij een storing in het BLIS-systeem verschijnt op het display de melding BLIS
SERVICE VEREIST.
Eigen schaduwen op grote, lichtgekleurde en
gladde oppervlakken zoals geluidsschermen of
betonnen wegen
G018178
Hier volgen enkele afbeeldingen van situaties
waarin het controlelampje voor BLIS kan gaan
branden, hoewel er zich geen voertuigen in de
dode hoek bevinden.
06
G018176
Laag staande zon in de camera
Reflecties op een glad en nat wegdek
141
06 Starten en rijden
Slepen en bergen
Probeer de motor nooit aan te slepen
Gebruik een hulpaccu als de accu leeg is en
de motor niet wil starten. Probeer de auto niet
te starten door hem te slepen.
De snelheidslimiet voor het wegslepen van
een auto met automatische versnellingsbak is
80 km/h. U mag de auto over een afstand van
maximaal 80 km verslepen. Sleep de auto
altijd met de voorkant van de auto in de
rijrichting.
Sleepoog
BELANGRIJK
Slepen
Controleer voordat u de auto gaat slepen wat
de toegestane maximumsnelheid is voor slepen.
06
– Draai de sleutel in het contactslot naar
stand II en hef het stuurslot op, zodat de
auto bestuurbaar is (zie pagina 122).
– Laat de sleutel tijdens het slepen in stand II
staan.
Automatische versnellingsbak:
– Zet de keuzehendel in stand N.
Handgeschakelde versnellingsbak:
– Zet de versnellingspook in de neutrale
stand.
– Zorg dat de sleepkabel altijd strak staat om
schokken te voorkomen. Houd uw voet op
het rempedaal.
142
WAARSCHUWING
1
Het stuurslot blijft in de stand staan die het
had toen de spanning werd verbroken. Het
stuurslot moet worden opgeheven, voordat
u de auto sleept.
De contactsleutel moet in stand II staan.
Neem de contactsleutel nooit tijdens het rijden of slepen uit het contactslot.
N.B.
Als de accu van de auto uitgeput is, moet u
voordat u de auto kunt wegslepen het
stuurslot opheffen.
WAARSCHUWING
De rembekrachtiging en de stuurbekrachtiging werken niet wanneer de motor uitgeschakeld is. U moet ongeveer vijfmaal zo
hard op het rempedaal trappen en de auto
stuurt aanzienlijk zwaarder dan normaal.
2
3
G021297
De katalysator kan beschadigd raken als u
de auto probeert aan te slepen.
Gebruik het sleepoog als de auto over de weg
moet worden versleept. U bevestigt het
sleepoog in de opening aan de rechterzijde
van de voor- of achterbumper.
Sleepoog monteren
1. Neem het sleepoog erbij dat onder het
vloerluik in de bagageruimte ligt.
2. Haal het afdekking (1) in de bumper los
door op het merkje onder aan de afdekking te drukken.
3. Schroef het sleepoog (3) stevig vast, tot
aan de flens. Gebruik de wielsleutel om
het sleepoog vast te draaien.
4. Draai het sleepoog na gebruik los en
plaats het terug in de bagageruimte.
06 Starten en rijden
Slepen en bergen
Plaats de afdekking weer terug in de
bumper.
BELANGRIJK
Het sleepoog is alleen bedoeld voor het slepen over de weg en niet geschikt voor berging wanneer de auto bijvoorbeeld in een
sloot is gereden. Roep professionele hulp in
voor berging.
Bergen
De toelaatbare maximumsnelheid voor het
bergen van modellen met een automatische
versnellingsbak is 80 km/h (met geheven
vooras). De maximaal toelaatbare afstand
bedraagt 80 km. Berg de auto altijd zo dat de
wielen in de rijrichting draaien.
N.B.
Bij sommige auto’s met een afneembare
trekhaak kunt u het sleepoog niet in de achterste bevestiging aanbrengen, wanneer het
kogelsegment gemonteerd is. Bevestig de
sleepkabel in dat geval aan de trekhaak.
Om die reden wordt geadviseerd het kogelsegment van de afneembare trekhaak in de
auto te bewaren, wanneer u de trekhaak
niet nodig hebt (zie pagina 152).
06
143
06 Starten en rijden
Starten met hulpaccu
Starten met een hulpaccu
–
–
–
G020298
–
06
Als de accu leeg is, kunt de stroom van een
losse accu of van de accu in een andere auto
gebruiken. Controleer altijd of de klemmen
van de startkabels goed vastzitten en of er
geen vonken kunnen ontstaan tijdens de startpoging.
Als u een hulpaccu gebruikt bij het starten
adviseren wij u de volgende stappen aan te
houden om explosiegevaar te voorkomen:
– Draai de contactsleutel naar stand 0.
– Zorg dat de hulpaccu een spanning van
12 volt levert.
– Als de hulpaccu zich in een andere auto
bevindt, moet u de motor van die auto
144
–
–
afzetten. Zorg ervoor dat de auto’s elkaar
niet raken.
Sluit de rode startkabel aan tussen de
pluspool (1+) van de hulpaccu en de
pluspool (2+) van de lege accu.
Sluit de ene klem van de zwarte kabel aan
op de minpool (3–) van de hulpaccu.
Sluit de andere klem van de zwarte kabel
aan op het massapunt (4–) dat op bij de
linker veerpoot zit.
Start de motor van de “hulpauto”. Laat de
motor enkele minuten draaien op een toerental dat iets hoger ligt dan normaal,
1500 omw/min.
Start de motor van de auto met de lege
accu.
Verwijder de startkabels. Verwijder eerst de
zwarte kabel en daarna de rode. Zorg dat
geen van de klemmen aan de zwarte startkabel contact kan maken met de pluspool
van de accu of met de klem die op de rode
startkabel is aangesloten.
BELANGRIJK
Raak de aansluitingen niet aan tijdens de
startpoging. Er bestaat namelijk gevaar
voor vonkvorming.
WAARSCHUWING
Accu’s kunnen een zeer explosief knalgas
produceren. Een enkele vonk, veroorzaakt
door een onjuiste aansluiting van de startkabels, is voldoende om de accu tot ontploffing te brengen.
Accu’s bevatten tevens zwavelzuur dat ernstige chemische brandwonden kan veroorzaken. Als u accuzuur in uw ogen krijgt of
op uw huid of kleren morst, moet u ze onmiddellijk met grote hoeveelheden water
spoelen.
Neem onmiddellijk contact op met een arts,
als u accuzuur in uw ogen krijgt.
06 Starten en rijden
Rijden met een aanhanger
Algemene informatie
Het laadvermogen is afhankelijk van de extra
accessoires die op de auto gemonteerd zijn,
zoals een trekhaak, lastdragers, skibox e.d.
alsmede van het totaalgewicht van de inzittenden en kogeldruk. Het laadvermogen van de
auto moet tevens worden verminderd met het
gewicht van het aantal inzittenden.
Als de trekhaak in een erkende Volvo-werkplaats wordt gemonteerd, is de auto bij aanlevering voorzien van de benodigde randuitrusting voor het gebruik van een aanhanger.
• De trekhaak van de auto moet van een
goedgekeurd type zijn.
• Bij montage achteraf moet u contact opnemen met de erkende Volvo-werkplaats om
te controleren of uw auto van de nodige
uitrusting is voorzien om met een aanhanger te kunnen rijden.
• Verdeel de lading in de aanhanger dusdanig dat de druk op de trekhaak de maximale kogeldruk niet overschrijdt.
• Verhoog de bandenspanning tot de aanbevolen druk voor maximale belading. Zie
pagina 162 voor de positie van de bandenspanningstabel.
• Maak de trekhaak regelmatig schoon en vet
de kogel1 regelmatig in.
• Rijd niet met een zware aanhanger, wanneer de auto nog helemaal nieuw is. Wacht
hiermee totdat de auto ten minste
1000 kilometer heeft gereden.
• Bij het afdalen op lange en steile hellingen
worden de remmen veel zwaarder belast
dan normaal. Schakel dan terug naar een
lagere versnelling en pas uw snelheid aan.
• Bij het gebruik van een aanhanger wordt de
motor zwaarder belast dan normaal.
• Wanneer de auto bij warm weer zwaar
belast wordt, kunnen de motor en de versnellingsbak oververhit raken. Als de temperatuurmeter voor de koelvloeistof op het
instrumentenpaneel tot in het rode gebied
uitslaat, moet u de auto stoppen en de
motor enkele minuten stationair laten
draaien. De automatische versnellingsbak
reageert met een ingebouwde beveiligingsfunctie. Zie de melding op het informatiedisplay. Bij oververhitting kan de
airconditioning zichzelf tijdelijk uitschakelen.
• Rijd om veiligheidsredenen niet sneller dan
80 km/h, ook al staat de wetgeving in
bepaalde landen een hogere snelheid toe.
• Zet de keuzehendel in de parkeerstand P,
wanneer u een automaat met aanhanger
parkeert. Gebruik altijd de handrem.
Gebruik wielblokken, als u een auto met
aanhanger op een steile helling parkeert.
Aanhangergewichten
Zie pagina 236 voor informatie over de toelaatbare aanhangergewichten.
WAARSCHUWING
Houd u aan de opgegeven aanbevelingen
voor het aanhangergewicht. De aanhanger
en de auto kunnen anders moeilijk bestuurbaar worden tijdens uitwijk- en remmanoeuvres.
N.B.
De aangegeven maximaal toelaatbare aanhangergewichten zijn door Volvo bepaald.
Let erop dat er op grond van de wetgeving
voor motorvoertuigen in uw land verdere
beperkingen van het aanhangergewicht en
de snelheid kunnen gelden. Het is bovendien mogelijk dat de trekhaak gespecificeerd is voor hogere gewichten dan het
maximaal toelaatbare aanhangergewicht
van de auto.
06
1 Geldt
niet voor de trekhaak bij gebruik van
een kogelsegment met trillingsdemper.
145
06 Starten en rijden
Rijden met een aanhanger
Automatische versnellingsbak, rijden
met een aanhanger
Op een helling parkeren
1. Trek de handrem (parkeerrem) aan.
2. Zet de keuzehendel in de
parkeerstand P.
Op een helling wegrijden
1. Zet de keuzehendel in de rijstand D.
2. Haal de auto van de handrem (parkeerrem).
Steile hellingen
06
146
• Kies bij het omhoogrijden op steile hellingen of in langzaam rijdend verkeer de juiste
handmatige lage versnellingsstand. Zo
voorkomt u dat de versnellingsbak opschakelt en houdt u de versnellingsbakolie koel.
• Schakel geen hogere, handmatige versnelling in dan de motor “aankan”. Rijden in
hoge versnellingen is niet altijd zuinig.
• Vermijd hellingen met een percentage van
meer dan 15 % bij het gebruik van een
aanhanger.
Dieselmotor 1.6D met handbak, rijden
met een aanhanger
Wanneer de auto bij warm weer zwaar belast
wordt, kunt u de koelventilator van de motor
laten vervangen door een exemplaar met een
grotere capaciteit. Informeer bij de dichtstbijzijnde erkende Volvo-werkplaats naar de
mogelijkheden voor uw auto.
06 Starten en rijden
Trekhaak
Trekhaken
Aanhangerkabel
U moet de kogel regelmatig schoonmaken en
met vet insmeren. Wanneer u een trekhaak
met trillingsdemper gebruikt, hoeft de kogel
niet te worden ingevet.
Als de auto is uitgerust met een afneembare
trekhaak, moeten de montagevoorschriften
voor het monteren van het kogelsegment zorgvuldig worden opgevolgd (zie pagina 149).
WAARSCHUWING
Let op het volgende als uw auto is uitgerust
met de afneembare trekhaak van Volvo:
Volg de montagevoorschriften voor het kogelsegment nauwkeurig op.
Zorg dat het kogelsegment met de sleutel
vergrendeld is voordat u begint te rijden.
Controleer of het controlevenster groen van
kleur is.
G014589
WAARSCHUWING
Let erop dat u de veiligheidskabel van de
aanhanger aan de daarvoor bestemde
bevestiging vastmaakt.
Als de trekhaak van de auto een 13-polig
elektrisch contact heeft en de aanhanger een
7-polig contact, hebt u een adapter nodig.
Gebruik een door Volvo goedgekeurde adapterkabel. Zorg dat de kabel niet over de grond
sleept.
06
N.B.
Neem na gebruik altijd het kogelsegment
los. Bewaar het in de bagageruimte.
147
06 Starten en rijden
Trekhaak
Specificaties
B
C
E
F
D
G
1
H
H
I
J
G010393
K
J
G010388
2
G010387
A
2 1
Afmetingen voor
bevestigingspunten (mm)
06
148
A
B
C
Vaste trekhaak in standaarduitvoering
1104
90
Vaste trekhaak met Nivomat
1100
96
Afneembare trekhaak in standaarduitvoering
1104
90
Afneembare trekhaak met Nivomat
1100
96
1
Langsligger
2
Middelpunt kogel
D
E
F
G
H
I
J
K
100
140
113
964
482
40
141
542
150
63
06 Starten en rijden
Afneembare trekhaak
Kogelsegment monteren
2
2
1
– Verwijder de afdekking.
– Controleer of het mechanisme in de ontgrendelde stand staat door de sleutel
rechtsom te draaien.
3
G020302
G020301
G017317
1
– Controleer of het controlevenster (3) rood
van kleur is. Als het venster niet rood van
kleur is, moet u (1) indrukken en de borgknop linksom (2) draaien totdat u een klik
hoort.
06
149
06 Starten en rijden
– Breng het kogelsegment aan en duw het
naar binnen totdat u een klik hoort.
06
150
– Controleer of het controlevenster groen van
kleur is.
G020307
G020306
G020304
Afneembare trekhaak
– Draai de sleutel linksom in de vergrendelde
stand. Neem de sleutel uit het slot.
06 Starten en rijden
G020309
G020310
Afneembare trekhaak
N.B.
Controleer of het kogelsegment vastzit door
het omhoog, omlaag en naar achteren te
trekken. Als het kogelsegment niet goed zit,
moet u het verwijderen en het opnieuw
monteren zoals eerder werd beschreven.
N.B.
De veiligheidskabel van de aanhanger moet
worden vastgemaakt aan het bevestigingsoog van de trekhaak.
06
BELANGRIJK
Vet alleen de kogel in waarop de aanhangerkoppeling wordt geplaatst. Houd de rest
van het kogelsegment vetvrij en droog.
151
06 Starten en rijden
Afneembare trekhaak
Kogelsegment verwijderen
2
– Steek de sleutel in het slot en draai deze
rechtsom in de ontgrendelde stand.
06
G020314
G020312
G020301
1
– Druk de vergrendelingsknop (1) in en draai
deze linksom (2) totdat u een klik hoort.
– Draai de vergrendelingsknop volledig
omlaag totdat deze niet verder kan. Houd
de knop in deze stand vast terwijl u het
kogelsegment schuin naar achteren toe
omhoogtrekt.
WAARSCHUWING
Zet het losse kogelsegment goed vast,
wanneer u het in de bagageruimte van de
auto bewaart.
152
06 Starten en rijden
G017318
Afneembare trekhaak
– Duw de afdekking erop.
06
153
06 Starten en rijden
Lading vervoeren
Algemene informatie
Het laadvermogen is afhankelijk van de extra
accessoires die op de auto gemonteerd zijn,
zoals een trekhaak, lastdragers, skibox e.d.
alsmede van het totaalgewicht van de inzittenden en kogeldruk. Het laadvermogen van de
auto moet tevens worden verminderd met het
gewicht van het aantal inzittenden. Zie
pagina 236 voor informatie over de toelaatbare gewichten.
WAARSCHUWING
Afhankelijk van de belading van de auto en
het zwaartepunt van de lading treden er wijzigingen in de rijeigenschappen op.
Lading vervoeren in bagageruimte
06
Zet de motor af en trek de handrem aan bij het
in- en uitladen van lange voorwerpen. Wanneer u met de lange bagage tegen de versnellingspook/keuzehendel aankomt, kan de auto
in beweging komen.
U kunt de passagiersstoel/achterbank neerklappen en de hoofdsteunen verwijderen om
de bagageruimte te verlengen (zie pagina 92).
Plaats de bagage stevig tegen de rugleuning
van de stoel ervoor.
• U kunt de hoofdsteunen verwijderen om
beschadiging te voorkomen.
154
• Breng brede voorwerpen in het midden
aan.
• Zware voorwerpen moet u zo laag mogelijk
aanbrengen. Plaats geen zware voorwerpen op het neergeklapte ruggedeelte.
• Dek scherpe randen met iets zachts af om
de bekleding en het grote glazen oppervlak
van de achterklep te beschermen.
• Zet alle bagage met riemen of bevestigingsbanden aan de verankeringsogen
vast.
WAARSCHUWING
Vergeet niet dat een voorwerp met een
gewicht van 20 kg tijdens een frontale botsing bij een snelheid van 50 km/h zich kan
gedragen als een voorwerp met een
gewicht van 1000 kg.
WAARSCHUWING
Zorg dat de lading nooit boven de ruggedeelten uitsteekt.
Anders biedt het opblaasgordijn dat schuilgaat achter de plafondbekleding mogelijk
geen bescherming meer.
Zorg dat u de bagage altijd goed verankert.
Bij krachtig remmen kan de bagage namelijk
gaan schuiven en inzittenden verwonden.
Lastdragers gebruiken
Om schade aan de auto te voorkomen en voor
maximale veiligheid tijdens het rijden wordt u
geadviseerd de lastdragers te gebruiken die
door Volvo voor uw auto ontwikkeld zijn.
Volg de montagevoorschriften die bij de lastdragers worden geleverd nauwkeurig op.
• Controleer regelmatig of de lastdragers en
de lading goed vastzitten. Zet de lading
stevig vast met sjorbanden.
• Verdeel het gewicht van de lading gelijkmatig over de lastdragers. Leg de zwaarste
voorwerpen onderop.
• Naarmate u meer lading op het dak vervoert, vangt de auto meer wind en neemt
het brandstofverbruik toe.
• Rijd rustig. Trek bij voorkeur niet te snel op,
rem niet te hard en maak niet te scherpe
bochten.
WAARSCHUWING
Bij het vervoer van lading op het dak verschuift het zwaartepunt en treden er wijzigingen op in de rijeigenschappen van de
auto.
06 Starten en rijden
Lichtbundel aanpassen
Juiste lichtbundel voor rechts- of
linksrijdend verkeer
A
Koplampen met halogeenlampen
Koplampen met Bi-Xenonlampen
B
A. Lichtbundel voor linksrijdend verkeer
B. Lichtbundel voor rechtsrijdend verkeer
U kunt de lichtbundel van de koplampen aanpassen om te voorkomen dat u tegenliggers
verblindt. Bij de juiste lichtbundel wordt ook
de berm beter verlicht.
B
De hendel van de koplamp moet in stand (A)
staan bij linksrijdend verkeer en in stand (B) bij
rechtsrijdend verkeer.
A
G021422
A
G021421
G020317
B
De hendel van de koplamp moet in stand (A)
staan bij linksrijdend verkeer en in stand (B) bij
rechtsrijdend verkeer.
WAARSCHUWING
06
Als de auto is voorzien van Bi-Xenonkoplampen, moet u de lamp door een erkende
Volvo-werkplaats laten vervangen. Omdat
de Bi-Xenonkoplampen voorzien zijn van
een ontstekingsgedeelte dat een hoge
spanning opwekt, dient u er voorzichtig
mee om te gaan.
155
Algemene informatie .............................................................................. 158
Bandenspanning .................................................................................... 162
Gevarendriehoek en reservewiel ............................................................ 164
Wielen verwisselen ................................................................................. 165
Provisorische bandenreparatie .............................................................. 167
156
WIELEN EN BANDEN
07
07 Wielen en banden
Algemene informatie
Rijeigenschappen en banden
Snelheidsaanduidingen
Nieuwe banden
De banden zijn van grote invloed op de rijeigenschappen van de auto. Zowel het type,
de maat, de bandenspanning als de snelheidsaanduiding zijn belangrijk voor het rijgedrag van de auto.
Uw auto is voorzien van een typegoedkeuring
voor de uitvoering waarin deze werd aangeleverd. Dat betekent dat u niet mag afwijken van
de afmetingen en snelheidsaanduidingen die
staan aangegeven op de typegoedkeuring van
de auto. De enige uitzondering daarop vormt
het gebruik van winterbanden (zowel spijkerbanden als banden zonder spijkers). Bij
gebruik van dergelijke banden mag u niet
sneller rijden dan de maximumsnelheid die
voor het gebruikte bandentype geldt (voor
aanduiding Q geldt bijvoorbeeld een maximumsnelheid van 160 km/h).
Banden hebben een
beperkte houdbaarheidsdatum. Na enkele jaren worden
de banden hard en neemt
de grip op het wegdek
stukje bij beetje af. Gebruik
bij het verwisselen van banden altijd zo nieuw mogelijke banden. Dit geldt
in het bijzonder voor winterbanden. De week
en het jaar van productie worden aangeduid
met de DOT-code (Department of Transportation) bestaande uit vier cijfers, bijvoorbeeld
1502. De band op de afbeelding is in de
15e week van het jaar 2002 geproduceerd.
Let er bij het verwisselen van banden op dat
de nieuwe banden op alle vier de wielen van
hetzelfde type zijn, dezelfde afmeting hebben
en van hetzelfde merk zijn. Houd de aanbevolen bandenspanning aan die op de bandenspanningsticker staat (zie pagina 162 voor de
plaatsing).
Maataanduiding
Op alle autobanden staat een bepaalde maataanduiding. Een voorbeeld van een dergelijke
aanduiding is 205/55R16 91 W.
07
205
Breedte van de band (mm)
55
Verhouding tussen de hoogte en
breedte van de band (%)
R
Aanduiding voor radiaalbanden
16
Velgdiameter van de band (")
91
Aanduiding van het draagvermogen
van de band (in dit geval 615 kg)
W
158
Aanduiding van de snelheidslimiet
van de band (in dit geval 270 km/h)
Let erop dat de gesteldheid van het wegdek
bepalend is voor uw maximumsnelheid en niet
de snelheidsaanduiding van de banden.
Let erop dat de aangegeven snelheid de maximumsnelheid is.
Q
160 km/h (alleen voor winterbanden)
T
190 km/h
H
210 km/h
V
240 km/h
W
270 km/h
Y
300 km/h
Leeftijd van de banden
Alle banden die ouder zijn dan zes jaar moet
u door een vakman laten controleren, ook al
zien ze er intact uit. Dit omdat het materiaal
waarvan banden gemaakt zijn ook veroudert
en afgebroken wordt, als banden zelden of
nooit worden gebruikt. Daarbij kan de werking
van de band worden aangetast, in welk geval
u de band niet meer dient te gebruiken. Dit
geldt ook voor reservebanden, winterbanden
en banden die u voor toekomstig gebruik hebt
opgeslagen. Scheurvorming of verkleuring zijn
de zichtbare kenmerken van een band die
ongeschikt is voor gebruik.
De leeftijd van een band valt af te lezen uit de
DOT-code (zie bovenstaande afbeelding).
07 Wielen en banden
Algemene informatie
Gelijkmatige slijtage en onderhoud
Banden met slijtage-indicatoren
G020323
Slijtage-indicatoren zijn smalle ophogingen
die dwars op het profiel van de band staan.
De letters TWI (Tread Wear Indicator) op de
zijkant van de band geven aan dat een band is
uitgerust met slijtage-indicatoren. De indicatoren zijn duidelijk zichtbaar, wanneer een band
dusdanig versleten is dat slechts 1,6 mm van
het profiel over is. Vervang de banden dan zo
spoedig mogelijk. Let erop dat een band met
een gering profiel zeer weinig grip op het wegdek heeft bij regen of sneeuw.
De juiste bandenspanning levert gelijkmatige
slijtage op (zie pagina 163). Voor optimale
rijeigenschappen en een gelijkmatige bandenslijtage wordt geadviseerd de banden van
tijd tot tijd van voor naar achter of omgekeerd
te verwisselen (nooit van links naar rechts of
omgekeerd). Verwissel de banden de eerste
keer van voor naar achter (of omgekeerd) na
5000 km en daarna om de 10000 km. Monteer
de banden met het diepste profiel altijd op de
achteras om het gevaar voor slippen te verminderen. Neem contact op met een erkende
Volvo-werkplaats als u niet zeker bent van de
profieldiepte.
Bewaar de wielen hangend of liggend. Laat ze
nooit rechtop staan.
Winterbanden
Volvo adviseert winterbanden met bepaalde
afmetingen. Deze staan in een bandenspanningstabel (zie pagina 162 voor de positie).
De bandenmaat is afhankelijk van de motorvariant. Gebruik winterbanden altijd op alle vier
de wielen.
N.B.
Neem contact op met een erkende Volvowerkplaats voor advies over de beste soort
velgen en banden.
Banden met “spikes”
gaan de banden en vooral de “spikes” langer
mee.
N.B.
De wettelijke bepalingen voor het gebruik
van banden met “spikes” verschillen van
land tot land.
Profieldiepte
Ritten bij ijs, sneeuw(modder) en lage temperaturen vergen meer van de banden dan
zomerse ritten. Daarom wordt er een minimale
profieldiepte van vier mm voor winterbanden
geadviseerd.
Sneeuwkettingen
Het gebruik van sneeuwkettingen is alleen
toegestaan op de voorwielen. Dit geldt ook
voor modellen met voorwielaandrijving.
Rijd nooit sneller dan 50 km/h met sneeuwkettingen. Rijd evenmin op sneeuwvrije wegen,
omdat zowel de sneeuwkettingen als de banden daardoor overmatig slijten. Maak nooit
gebruik van sneeuwkettingen met zogeheten
snelsluitingen, omdat de ruimte tussen de
schijfremmen en de wielen te gering is.
07
Winterbanden met “spikes” moeten de eerste
500–1000 km rustig worden ingereden, zodat
de “spikes” hun positie in kunnen nemen. Zo
159
07 Wielen en banden
Algemene informatie
met 130 Nm. Controleer het aanhaalmoment
met een momentsleutel.
BELANGRIJK
Gebruik originele sneeuwkettingen van Volvo of vergelijkbare sneeuwkettingen die zijn
afgestemd op het model en de band- en
velgafmetingen. Vraag een erkende Volvowerkplaats om advies.
BELANGRIJK
U moet de wielmoeren aanhalen met
130 Nm. Als u ze te strak aanhaalt, kan de
boutverbinding beschadigd raken.
Velgen en wielmoeren
Stalen velgen, korte wielmoer (1)
Stalen velgen worden normaal gesproken
vastgezet met het korte type wielmoer, hoewel
voor stalen velgen ook het lange type gebruikt
mag worden.
2
1
WAARSCHUWING
G020324
Gebruik nooit het korte type moer voor aluminium velgen. Het wiel kan losraken.
07
Korte (1) en lange (2) wielmoer
Gebruik alleen velgen die getest en goedgekeurd zijn door Volvo en deel uitmaken van de
originele accessoires van Volvo. Er bestaan
verschillende soorten wielmoeren voor stalen
en aluminium velgen. Haal de wielmoeren aan
Aluminium velgen, lange wielmoer (2)
Gebruik alleen het lange type wielmoer voor
aluminium velgen. Het lange type is duidelijk
te herkennen aan de draaiende, conische
drukring.
Afsluitbare wielmoeren
Afsluitbare wielmoeren zijn te gebruiken op
zowel aluminium als stalen velgen. Als u stalen
velgen met afsluitbare wielmoeren combineert
met wieldoppen, moet u de afsluitbare wielmoeren op het tapeind bevestigen dat het
dichtst bij het ventiel zit. U kunt de wieldop
anders niet op het wiel aanbrengen.
Compact reservewiel (Temporary
Spare)
U mag het compacte reservewiel1 alleen
gebruiken gedurende de korte tijd die nodig is
om het normale wiel te repareren of te vervangen. Gebruik zo spoedig mogelijk weer een
normaal wiel. Het rijgedrag van de auto kan
zich wijzigen bij het gebruik van een compact
reservewiel.
Rijd nooit sneller dan 80 km/h bij gebruik van
een compact reservewiel.
BELANGRIJK
Rijd nooit met meer dan één compact reservewiel (Temporary Spare) tegelijk.
N.B.
Dit type mag ook voor stalen velgen worden
gebruikt.
1 Bepaalde
160
varianten en markten
07 Wielen en banden
Algemene informatie
Zomer- en winterbanden
nen de banden regen, sneeuw en drab minder
goed afvoeren.
Monteer de banden met het diepste profiel
altijd op de achteras (om het gevaar voor slippen te verminderen).
Bewaar de wielen hangend of liggend. Laat ze
nooit rechtop staan.
G020325
Neem contact op met een erkende Volvowerkplaats als u niet zeker bent van de profieldiepte.
De pijl geeft de draairichting van de band aan
Wanneer u de zomerbanden vervangt door
winterbanden of andersom, moet u op de
banden noteren waar ze zaten: bijvoorbeeld
L voor links, R voor rechts. Bij banden met
een speciaal profiel dat alleen goed werkt
wanneer de banden in een bepaalde richting
draaien, staat deze richting aangegeven met
een pijl op de zijkant van de band.
07
Zorg dat de banden altijd dezelfde draairichting hebben. Banden mogen alleen van voor
naar achter verwisseld worden, nooit van links
naar rechts of omgekeerd.
Als u de banden verkeerd aanbrengt, nemen
de remeigenschappen van de auto af en kun-
161
07 Wielen en banden
Bandenspanning
Aanbevolen bandenspanning
Bandenspanning controleren
Controleer regelmatig de bandenspanning.
N.B.
G020791
Het is een natuurlijk gegeven dat de bandenspanning na verloop van tijd afneemt.
De bandenspanning varieert ook naargelang van de omgevingstemperatuur.
Op de sticker staan:
Onvoldoende opgepompte banden hebben
een negatieve inwerking op het brandstofverbruik, de levensduur van de banden en de
rijeigenschappen van de auto. Wanneer u met
een te lage bandenspanning rijdt, kunnen de
banden oververhit raken en kapotgaan.
• Bandenspanning bij gebruik van de aanbevolen bandenmaat
• ECO-bandenspanning
• Bandenspanning compact reservewiel
(Temporary Spare)
Zie de bandenspanningstabel op pagina 163
voor meer informatie over de juiste bandenspanning. De aangegeven bandenspanning
geldt bij koude banden (kan verschillen naargelang van de buitentemperatuur).
In de bandenspanningstabel voor op de portierstijl aan de bestuurderszijde staat de juiste
bandenspanning voor uw auto aangegeven bij
verschillende belading en snelheid.
07
162
Al na enkele kilometers rijden worden de banden warm en loopt de spanning op. Laat
daarom geen lucht uit de banden ontsnappen
als u de spanning controleert bij warme banden. Als de spanning bij warme banden echter
te laag is, moet u de band harder oppompen.
Brandstofbesparing,
ECO-bandenspanning
Om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te
houden wordt geadviseerd de aangegeven
bandenspanning bij maximale belading aan te
houden bij snelheden tot 160 km/h.
De bandenspanning is van invloed op het rijcomfort, de stuureigenschappen en de geproduceerde weggeluiden.
07 Wielen en banden
Bandenspanning
Bandenspanningstabel
Type
Bandenmaat
1.6
1.8
2.0
1.6D
195/65 R15 91V
205/55 R16 91V/W
195/65 R15 91Q/T/H/V M+S
205/55 R16 91Q/T/H/V M+S
205/50 R17 93W Extra Load
215/45 R18 93W Extra Load
205/50 R17 93Q/T/H/V M+S Extra Load
205/55 R16 91W
205/55 R16 91Q/T/H/V M+S
205/50 R17 93W Extra Load
215/45 R18 93W Extra Load
205/50 R17 93Q/T/H/V M+S Extra Load
205/55 R16 91W
205/55 R16 91Q/T/H/V M+S
205/50 R17 93W Extra Load
215/45 R18 93W Extra Load
205/50 R17 93Q/T/H/V M+S Extra Load
205/55 R16 91 V/W
205/50 R17 93W Extra Load
215/45 R18 93W Extra Load
205/55 R16 91Q/T/H/V M+S
205/50 R17 93Q/T/H/V M+S Extra Load
Alle
T125/85R16 99M
2.4
2.4i
2.0D
T5
D5
Alle
Reservewiel3
Snelheid
(km/h)
Belading (1–3 inzittenden)
Achterin (kPa)
Voorin (kPa)1
Max. belading
Voorin (kPa) Achterin (kPa)
0–160
160+
210
250
210
210
250
280
250
260
0–160
160 +
220
260
220
220
250
280
250
260
0–160
160+
0–160
160+
210
250
220
260
210
210
220
220
250
280
250
280
250
260
250
260
0–160
160+
0–160
160+
210
260
220
270
210
210
220
220
250
280
250
290
250
260
250
270
0–160
160+
230
270
220
220
250
290
250
270
0–160
0–80
2502
420
2502
420
2502
420
2502
420
1
In sommige landen wordt de bandenspanning ook wel in bar aangegeven in plaats van in pascal (1 bar = 100 kPa).
2
ECO-bandenspanning pagina 162
3Compact
07
reservewiel
163
07 Wielen en banden
Gevarendriehoek en reservewiel
Gevarendriehoek
7
3
2
5
4
1
G020792
8
6
Volg de geldende bepalingen voor het gebruik
van een gevarendriehoek1. Zet de gevarendriehoek op een passend punt achter de auto
op om achteropkomend verkeer tijdig te waarschuwen.
07
– Haal de houder met de gevarendriehoek los
die met klittenband vastzit. Neem de gevarendriehoek uit de houder.
– Klap de steunpoten van de gevarendriehoek uit.
Zorg dat de houder met de gevarendriehoek
na gebruik stevig in de bagageruimte vastzit.
1
164
Bepaalde markten
Reservewiel en krik
– Verwijder de krik met de slinger en de
wielmoersleutel.
Originele krik
Gebruik de originele krik2 alleen voor het verwisselen van banden. Houd de schroef van de
krik altijd goed ingevet. U vindt het reservewiel
met krik en wielmoersleutel onder de vloer in
de bagageruimte.
Reservewiel erbij nemen:
– Pak de vloermat aan de achterzijde beet en
klap deze naar voren toe op.
– Haal het reservewiel los en til het naar
buiten.
2
Bepaalde varianten en markten
Reservewiel en krik in bagageruimte
aanbrengen:
– Draai de krik (1) voor de helft omlaag. De
aanduiding op de ring (2) moet in het verlengde van de aanduiding op de arm (3)
liggen om de krik liggend in de bevestiging
te kunnen aanbrengen.
– Klap de slinger (4) in en leg de
wielmoersleutel (5) boven op de krik.
– Plaats de krik (1) in de rechter opening (6).
Bevestig het reservewiel (7) in de linker
opening (8).
07 Wielen en banden
Wielen verwisselen
Zet een gevarendriehoek op, als u langs een
drukke weg een wiel moet vervangen. Zorg
ervoor dat de auto en de krik op een stevige
en horizontale ondergrond staan.
– Neem het reservewiel, de krik en de wielmoersleutel erbij die onder de mat in de
bagageruimte liggen.
– Haal de handrem aan en schakel de eerste
versnelling in of zet de keuzehendel in
stand P, als de auto een automatische versnellingsbak heeft.
– Plaats wielblokken voor en achter de wielen
die op de grond blijven staan. Gebruik
grote houten blokken of grote stenen.
– Auto’s met stalen velgen hebben afneembare wieldoppen. Wrik de wieldop los met
het uiteinde van een wielmoersleutel of trek
hem met de hand los.
– Draai de wielmoeren ½–1 slag linksom los
met de wielmoersleutel.
G007497
G020332
G020331
Wielen demonteren
– Er zitten twee kriksteunpunten aan weerszijden van de auto. Draai de voet van de
krik met de slinger zo ver omlaag dat de
voet plat tegen de grond aankomt. Controleer of de krik goed aan het kriksteunpunt
bevestigd is (zie afbeelding) en zorg dat de
voet recht onder het krikpunt zit.
– Breng de auto zo ver omhoog dat het wiel
van de grond komt. Verwijder de wielmoeren en til het wiel eraf.
07
165
07 Wielen en banden
Wielen verwisselen
Wielen monteren
– Reinig de contactvlakken op het wiel en de
naaf.
– Breng het wiel aan. Draai de wielmoeren
vast.
– Breng de auto zo ver omlaag dat de wielen
niet meer ongehinderd kunnen draaien.
– Draai de wielmoeren kruiselings vast. Het is
belangrijk dat u de wielmoeren stevig aanhaalt. Haal ze aan met 130 Nm. Controleer
het aanhaalmoment met een momentsleutel.
– Breng de wieldop (stalen velgen) aan.
WAARSCHUWING
07
166
Kruip nooit onder de auto als deze op de
krik staat.
Laat eventuele passagiers uit de auto stappen, voordat u de auto opkrikt.
Geef eventuele passagiers te kennen dat ze
dusdanig moeten gaan staan dat de auto en
liever nog een vangrail tussen hen en het
verkeer op de weg zit.
07 Wielen en banden
Provisorische bandenreparatie
Algemene informatie
De bandenreparatieset1 wordt gebruikt om
een lek te dichten alsook om de bandenspanning te controleren en zo nodig tijdelijk te corrigeren. De set bestaat uit een compressor en
een bus met afdichtmiddel. De set dient om
noodreparaties uit te voeren. De bus met het
afdichtmiddel moet worden vervangen voordat de houdbaarheidsdatum is verstreken en
tevens na het gebruik.
achterbank en in de bagageruimte2. Gebruik
de elektrische aansluiting die het dichtst bij de
lekke band zit.
WAARSCHUWING
Rijd nooit sneller dan 80 km/h wanneer u de
bandenreparatieset voor een noodreparatie hebt gebruikt. Bezoek een erkende
Volvo-werkplaats om de afgedichte band te
laten controleren (maximale rijafstand
200 km). Het personeel bepaalt of de band
kan worden gerepareerd of moet worden
vervangen.
Het afdichtmiddel dicht banden met een lek in
het loopvlak effectief af.
N.B.
De bandenreparatieset is uitsluitend
bedoeld voor het afdichten van banden met
een lek in het loopvlak.
N.B.
De krik is optioneel op auto’s uitgerust met
de bandenreparatieset.
Bandenreparatieset erbij nemen
De bandenreparatieset met compressor en
gereedschap zit onder de vloer in de bagageruimte.
– Pak de vloermat aan de achterzijde beet en
klap deze naar voren toe op.
– Til de bandenreparatieset op.
07
De bandenreparatieset leent zich minder goed
voor banden met een gat in het zijvlak. Probeer
geen banden met de set te repareren die grote
groeven, scheuren en dergelijke vertonen.
Een 12V-aansluiting voor de compressor zit
voorin bij de middenconsole, achterin bij de
1
Bepaalde varianten en markten
2
Optie
167
07 Wielen en banden
Provisorische bandenreparatie
Overzicht
5
6
3
7
2
4
8
– De compressor moet uitstaan. Zorg dat de
knop in stand 0 staat en neem de kabel en
de luchtslang erbij.
– Draai het ventieldopje van het wiel los en
schroef de ventielaansluiting van de luchtslang zo ver mogelijk op het ventiel van de
band.
– Sluit de kabel aan op een van de 12Vaansluitingen in de auto en start de motor.
WAARSCHUWING
9
07
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
9.
G020400
1
Sticker, toegestane maximumsnelheid
Knop
Kabel
Bushouder (oranje deksel)
Beschermdop
Drukreduceerventiel
Luchtslang
Bus met afdichtmiddel
Manometer
Band oppompen
De compressor is berekend op het oppompen
van de originele banden die op de auto zitten.
168
Het inademen van uitlaatgassen kan
levensgevaarlijk zijn. Laat de motor nooit
draaien in ruimten die zijn afgesloten of
onvoldoende geventileerd zijn.
– Schakel de compressor in door de knop in
stand I te zetten.
– Pomp de band op tot de druk die in de
bandenspanningstabel staat aangegeven.
(Laat eventueel lucht ontsnappen met het
drukreduceerventiel, als de bandenspanning te hoog is.)
BELANGRIJK
Er bestaat gevaar voor oververhitting. De
compressor mag niet langer dan
10 minuten achtereen werken.
– Schakel de compressor uit. Koppel de
luchtslang en de kabel los.
– Plaats het ventieldopje terug.
07 Wielen en banden
Provisorische bandenreparatie
Lekke band repareren
– Draai de oranje beschermdop los evenals
de dop op de bus met afdichtmiddel.
N.B.
80
50
Verbreek de verzegeling van de bus niet
handmatig. Bij het indraaien van de bus
wordt de verzegeling automatisch verbroken.
N.B.
Bij het inschakelen van de compressor kan
de spanning aanvankelijk oplopen tot 6 bar,
maar zal na ca. 30 seconden weer dalen.
– Vul de band 7 minuten lang met
afdichtmiddel.
BELANGRIJK
– Draai de bus in de bushouder vast.
G019723
WAARSCHUWING
Zie de afbeelding op pagina 168 voor informatie
over de werking van de onderdelen
– Open het deksel van de bandenreparatieset.
– Haal de sticker met de toegestane maximumsnelheid uit de set en bevestig de
sticker op het stuurwiel.
– Controleer of de knop in stand 0 staat en
neem de kabel en de luchtslang erbij.
WAARSCHUWING
Het afdichtmiddel kan aanleiding geven tot
huidirritatie. Was bij huidcontact het getroffen gebied onmiddellijk schoon met water
en zeep.
Draai de bus niet los. De bus is voorzien van
een pakking die lekkage tegengaat.
– Draai het ventieldopje van het wiel los en
schroef de ventielaansluiting van de luchtslang zo ver mogelijk op het ventiel van de
band.
– Sluit de kabel op een 12V-aansluiting aan
en start de motor.
– Zet de knop in stand I.
WAARSCHUWING
Ga nooit naast de band staan terwijl de
compressor aan het pompen is. Bij barsten,
oneffenheden en dergelijke dient u de compressor onmiddellijk uit te schakelen.
Beëindig in dat geval de rit. Neem contact
op met een erkende Volvo-werkplaats.
Er bestaat gevaar voor oververhitting.
De compressor mag niet langer dan
10 minuten achtereen werken.
– Schakel de compressor uit om de bandenspanning van de manometer af te lezen. De
bandenspanning dient minimaal 1,8 bar en
maximaal 3,5 bar te bedragen.
WAARSCHUWING
Als de bandenspanning lager is dan 1,8 bar,
is het gat in de band te groot. Beëindig in
dat geval de rit. Neem contact op met een
erkende Volvo-werkplaats.
– Schakel de compressor uit en trek de kabel
los uit de 12V-aansluiting.
– Koppel de slang los van het ventiel en
plaats het ventieldopje terug.
– Leg zo spoedig mogelijk na de reparatie
ca. 3 km af bij een snelheid van maximaal
80 km/h, zodat het afdichtmiddel de band
kan afdichten.
07
169
07 Wielen en banden
Provisorische bandenreparatie
Reparatieresultaat en bandenspanning
controleren
– Sluit de uitrusting opnieuw aan.
– Lees de bandenspanning van de manometer af.
– Als de spanning lager is dan 1,3 bar, werd
de band onvoldoende afgedicht. Beëindig
in dat geval de rit. Neem contact op met
een erkende Volvo-werkplaats.
– Als de bandenspanning hoger is dan
1,3 bar, moet u de band oppompen tot de
spanning die staat aangegeven in de bandenspanningstabel. Laat lucht uit de band
ontsnappen, als de bandenspanning te
hoog is.
– Schakel de compressor uit. Koppel de
luchtslang en de kabel los. Plaats het ventieldopje terug.
WAARSCHUWING
Draai de bus niet los. De bus is voorzien van
een pakking die lekkage tegengaat.
07
– Leg de bandenreparatieset in de bagageruimte terug.
N.B.
Vervang de bus met afdichtmiddel en de
slang na gebruik. Laat het vervangen over
aan een erkende Volvo-werkplaats.
170
WAARSCHUWING
Controleer de bandenspanning regelmatig.
– Rijd naar de dichtstbijzijnde erkende Volvowerkplaats om de beschadigde band te
laten vervangen/repareren. Geef aan het
werkplaatspersoneel door dat er afdichtmiddel in de band zit.
WAARSCHUWING
Rijd nooit sneller dan 80 km/h wanneer u de
bandenreparatieset voor een noodreparatie hebt gebruikt. Bezoek een erkende
Volvo-werkplaats om de afgedichte band te
laten controleren (maximale rijafstand
200 km). Het personeel bepaalt of de band
kan worden gerepareerd of moet worden
vervangen.
Spuitbus met afdichtmiddel vervangen
Vervang de bus voordat de houdbaarheidsdatum verstreken is. Behandel de vervangen bus
als klein chemisch afval (KCA).
BELANGRIJK
Lees de veiligheidsvoorschriften aan de onderkant van de bus.
07 Wielen en banden
07
171
Schoonmaken ........................................................................................ 174
Lakschade herstellen ............................................................................. 177
Roestwering ........................................................................................... 178
172
VERZORGING
08
08 Verzorging
Schoonmaken
Auto wassen
Was de auto zodra deze vuil geworden is.
Gebruik hiervoor autoshampoo. Vuil en strooizout kunnen aanleiding geven tot corrosie.
• Was de auto niet in direct zonlicht, omdat
de lak daarbij blijvende schade kan
oplopen. Zorg dat de auto op een spoelvloer met afvoerscheiding staat.
• Spoel zorgvuldig het vuil van het onderstel
van de auto.
• Spoel de auto in zijn geheel af om het vuil
los te weken. Let op het volgende bij
gebruik van een hogedrukreiniger: Houd bij
het wassen de spuitkop van de hogedrukreiniger ten minste 30 cm van de carrosserie af. Spuit niet direct in de richting van de
sloten.
• Was de auto met een spons, autoshampoo
en een ruime hoeveelheid lauw water.
• Als het vuil hardnekkig is, kunt u de auto
met een koud ontvettingsmiddel wassen.
• Droog de auto af met een schoon en zacht
stuk zeemleer of een trekker.
• Reinig de wisserbladen met een lauwe zeepoplossing of autoshampoo.
N.B.
Bij de externe verlichting zoals de koplampen, mistlampen en achterlichten kan tijdelijk
condens optreden aan de binnenkant van
het lampglas. Dit is een natuurlijk verschijnsel en alle externe verlichting is erop
gebouwd om dit zoveel mogelijk te voorkomen. Condens verdwijnt normaal uit het lamphuis, wanneer de lamp enige tijd brandt.
Vogelpoep verwijderen
Verwijder vogelpoep zo spoedig mogelijk van
de lak. Vogelpoep bevat namelijk stoffen die
de lak aantasten en deze zeer snel doen verkleuren. Een dergelijke verkleuring is alleen te
herstellen door de vakman.
Verchroomde velgen
BELANGRIJK
Velgreinigingsmiddelen kunnen vlekken
veroorzaken op verchroomde velgen. Was
de auto met een spons, autoshampoo en
een ruime hoeveelheid lauw water.
Automatische wasstraten
08
174
WAARSCHUWING
Laat het schoonmaken van de motor altijd
over aan een werkplaats. Als de motor heet
is, bestaat er gevaar voor brand.
In een automatische wasstraat kunt u de auto
snel en eenvoudig schoonmaken. Let er echter op dat een wasbeurt in een automatische
wasstraat nooit een alternatief vormt voor een
gedegen wasbeurt met de hand, omdat de
borstels van de wasstraat niet overal even
goed bij kunnen.
WAARSCHUWING
Test na het wassen van de auto altijd de
remmen (en dus ook de handrem) om te
voorkomen dat vocht en corrosie de remblokken aantasten, waardoor de remwerking afneemt.
BELANGRIJK
Voor de lak is het beter om de auto met de
hand te wassen dan in een automatische
wasstraat. Een nieuwe laklaag is bovendien
kwetsbaarder dan een oude laag. U wordt
daarom geadviseerd de eerste maanden na
aankoop van een nieuwe auto deze alleen
met de hand te wassen.
Bedien zo nu en dan voorzichtig het rempedaal, wanneer u lange periodes door regen of
sneeuwmodder rijdt. Zo verwarmt en droogt u
de remblokken. Doe dit ook bij het wegrijden
onder zeer vochtige of koude weersomstandigheden.
Kunststof en rubber exterieuronderdelen
en sieronderdelen
Voor het schoonmaken van gekleurde kunststof onderdelen, rubber onderdelen en sieronderdelen (zoals glimmende strips), wordt
geadviseerd het speciale reinigingsmiddel te
08 Verzorging
Schoonmaken
gebruiken dat bij de erkende Volvo-werkplaats
verkrijgbaar is. Volg bij het gebruik van dit reinigingsmiddel de gebruiksvoorschriften nauwkeurig op.
BELANGRIJK
Onderdelen van kunststof en rubber niet in
de was zetten of oppoetsen.
Bij het poetsen van glimmende strips kunt u
de glimmende laag beschadigen of verwijderen.
Gebruik geen schurende poetsmiddelen.
Poetsen en in de was zetten
Poets de auto en zet deze in de was, wanneer
de lak er dof uitziet of u deze extra bescherming wilt bieden.
U hoeft een nieuwe auto pas na een jaar te
poetsen. In de was zetten kunt u eerder doen.
Zorg dat de auto bij het poetsen of in de was
zetten niet in direct zonlicht staat.
Was de auto en droog deze zorgvuldig af,
voordat u begint te poetsen of de was aanbrengt. Verwijder asfalt- en teervlekken met
terpentine. U kunt hardnekkige vlekken met
een speciaal voor autolak bestemde, fijne
schuurpasta (“rubbing compound”) verwijderen.
Poets de lak eerst op en behandel deze
daarna met was in vloeibare of vaste vorm.
Volg de aanwijzingen op de verpakking nauwkeurig op. Veel preparaten bevatten zowel
poetsmiddel als was.
BELANGRIJK
Lakbehandelingen zoals lakconservering,
verzegeling, bescherming, glansverzegeling
e.d. kunnen lakschade veroorzaken.
Lakschade als gevolg van het gebruik van
dergelijke behandelingen valt niet onder de
Volvo-garantie.
Buitenspiegels en voorste zijruiten
met water- en vuilafstotende laag
(optie) schoonmaken
Gebruik nooit producten zoals autowas, ontvetters e.d. op de spiegels of de ruiten, omdat
de water- en vuilafstotende laag daardoor
beschadigd kan raken.
Wees voorzichtig tijdens het schoonmaken
om te voorkomen dat er krassen in het glasoppervlak ontstaan.
Om schade aan het glas te voorkomen dient u
voor het verwijderen van ijs alleen een krabber
van kunststof te gebruiken.
De waterafstotende laag staat bloot aan
natuurlijke slijtage.
Om de waterafstotende eigenschappen te
behouden, wordt geadviseerd de behandeling te vernieuwen met een nabehandelingsmiddel dat verkrijgbaar is bij de erkende
Volvo-werkplaats. Gebruik het middel de
eerste keer na drie jaar en daarna ieder jaar.
08
175
08 Verzorging
Schoonmaken
Interieur reinigen
Behandeling van vlekken op stoffen
bekleding
De erkende Volvo-werkplaats heeft een speciaal reinigingsmiddel voor stoffen bekleding.
Andere reinigingsmiddelen kunnen de brandvertragende eigenschappen van de bekleding
aantasten.
BELANGRIJK
Scherpe voorwerpen en klittenband kunnen
de stoffen bekleding beschadigen.
Behandeling van vlekken op leren
bekleding
De leren bekleding van Volvo is chroomvrij en
voldoet aan de norm Öko-Tex 100.
08
176
Het leer wordt veredeld en bewerkt zodat het
zijn natuurlijke eigenschappen houdt. Het leer
is voorzien van een beschermende toplaag,
maar om de goede eigenschappen en het
fraaie uiterlijk te behouden is regelmatige verzorging van het leer vereist. Volvo biedt een
universeel leerverzorgingsproduct waarmee u
leren bekleding kunt schoonmaken en de
beschermende laag kunt herstellen mits u het
volgens de instructies opvolgt.
Na enig tijd in gebruikt te zijn geweest krijgt
het leer zijn natuurlijke patina, afhankelijk van
de oppervlaktestructuur. Een dergelijk patina
maakt deel van het natuurlijke verouderingsproces van het leer en geeft aan dat het om
een natuurproduct gaat.
Voor de beste resultaten adviseert Volvo de
beschermende crème één- à viermaal per jaar
(zo nodig vaker) op te brengen. Vraag bij de
erkende Volvo-werkplaats naar het speciale
leerverzorgingsproduct van Volvo.
BELANGRIJK
Gebruik nooit sterke oplosmiddelen. Dergelijke middelen kunnen bekleding van textiel,
vinyl en leer beschadigen.
BELANGRIJK
Let erop dat de stoffen bekleding kan verkleuren bij gebruik van materialen die afgeven (nieuwe spijkerbroek, gekleurde suède
kleding e.d.).
Reinigingsvoorschriften voor leren
bekleding
– Breng wat van het leerreinigingsproduct op
een vochtige spons aan en knijp erin om
een dikke laag schuim te krijgen.
– Behandel de vlek voorzichtig met cirkelende bewegingen.
– Dep de vlek zorgvuldig met de spons. Laat
de vlek in de spons trekken. Wrijf niet!
– Veeg het behandelde gebied met een stuk
zacht papier of een doek af en laat het leer
volledig drogen.
Beschermende laag aanbrengen op
leren bekleding
– Breng wat van de beschermende crème
op de vilten doek aan en wrijf de crème in
cirkelende bewegingen voorzichtig in het
leer.
– Laat het leer 20 minuten drogen alvorens
erop plaats te nemen.
Daarmee is het leer beter beschermd tegen
vlekken en uv-straling.
Behandeling van vlekken op
interieuronderdelen van kunststof,
metaal en hout
Voor het schoonmaken van interieuronderdelen en -panelen van kunststof wordt een speciaal reinigingsmiddel geadviseerd, dat verkrijgbaar is bij de erkende Volvo-werkplaats.
Krab of wrijf nooit over een vlek. Gebruik nooit
sterke vlekkenmiddelen.
Veiligheidsgordel schoonmaken
Gebruik water en een synthetisch wasmiddel
en dan met name het textielreinigingsmiddel
dat bij de erkende Volvo-werkplaats verkrijgbaar is. Zorg dat de gordel droog is, voordat
deze weer wordt opgerold.
08 Verzorging
Lakschade herstellen
Lak
Steenslagplekken en krassen
wijdering van het vuil de ontbrekende lak aan
te brengen.
De lak vormt een belangrijk onderdeel van de
roestwering van de auto en moet daarom
regelmatig worden gecontroleerd. Om roestvorming te voorkomen moet u lakschade meteen herstellen. De meest voorkomende soorten lakschade zijn bijvoorbeeld steenslagplekken, krassen en plekjes op de spatbordranden
en portieren.
Als de steenslagplek wel tot op het
blanke plaatwerk is doorgedrongen
1
G020346
G020345
Kleurcode
Typeplaatje
Het is belangrijk dat u de juiste lakkleur
gebruikt. De code voor de autolak (1) staat op
het typeplaatje (zie pagina 234).
Vóór het herstel van lakschade moet u de
auto schoonmaken en goed laten drogen.
Zorg er bovendien voor dat de auto warmer
is dan 15 C.
– Plak een stuk afplaktape over het beschadigde gebied heen. Trek de tape weer van
de lak af om zoveel mogelijk lakresten te
verwijderen.
– Roer de grondlak (primer) zorgvuldig om
en breng deze met een fijn kwastje of een
lucifer aan. Breng de lak met een kwastje
aan, wanneer de primer droog is.
– Krassen kunt u op dezelfde manier herstellen, maar dek ter bescherming de onbeschadigde lak rond de kras af.
– Poets na enkele dagen de herstelde lak op.
Gebruik daarvoor een zachte doek met een
geringe hoeveelheid schuurpasta.
Benodigdheden
•
•
•
•
Grondlak (primer) in een bus
Lak in een bus of een lakstift
Kwastje
Afplaktape
Steenslagplekken en krassen
Als de steenslagplek niet tot op het blanke
plaatwerk is doorgedrongen en er nog een
intacte laklaag over is, volstaat het om na ver-
08
177
08 Verzorging
Roestwering
Controleren en onderhouden
Uw auto heeft in de fabriek een uiterst grondige en complete roestwerende behandeling
ondergaan. De carrosserie bestaat ten dele uit
gegalvaniseerd plaatwerk. Het onderstel is
voorzien van een slijtvaste bodembescherming. In de balken, holten en gesloten profielen werd een dunne, doordringende roestwerende vloeistof gespoten.
U kunt de roestwering van de auto als volgt
onderhouden:
• Houd de auto schoon. Spoel het onderstel
af. Houd bij gebruik van een hogedrukreiniger de spuitkop ten minste 30 cm van
gelakte onderdelen af.
• Controleer de roestwering regelmatig en
werk deze zo nodig bij.
De roestwering van de auto hoeft normaal
gesproken pas na ca. 12 jaar te worden nabehandeld. Laat de auto daarna om de drie jaar
een nabehandeling ondergaan. Neem contact
op met een erkende Volvo-werkplaats, als de
auto een nabehandeling nodig heeft.
08
178
08 Verzorging
08
179
Volvo Service .......................................................................................... 182
Onderhoud ............................................................................................. 183
Motorkap en motorruimte ...................................................................... 184
Dieselolie ................................................................................................ 185
Oliën en vloeistoffen ............................................................................... 186
Wisserbladen ......................................................................................... 191
Accu ....................................................................................................... 192
Gloeilampen vervangen .......................................................................... 194
Zekeringen ............................................................................................. 201
180
ONDERHOUD EN SERVICE
09
09 Onderhoud en service
09
Volvo Service
Onderhoudsprogramma van Volvo
Voordat de auto de fabriek verliet, werd deze
uitvoerig getest. De auto werd nogmaals
gecontroleerd naar de normen van Volvo Car
Corporation, net voordat de auto aan u werd
geleverd.
Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid
en betrouwbaarheid van uw Volvo op een
hoog peil te houden, moet u de voorschriften
van het Onderhoudsprogramma van Volvo
opvolgen zoals die omschreven staan in het
Service- en garantieboekje van Volvo. Laat
service- en reparatiewerkzaamheden door
een erkende Volvo-werkplaats uitvoeren.
Volvo-werkplaatsen beschikken over het personeel, het speciale gereedschap en de servicehandboeken waardoor zij u een zo hoog
mogelijke servicekwaliteit kunnen
garanderen.
BELANGRIJK!
Voor de geldigheid van de garantie is het
van belang dat u het Service- en garantieboekje van Volvo controleert en de aanwijzingen opvolgt.
Speciale servicewerkzaamheden
Bepaalde servicewerkzaamheden aan het elektrisch systeem van de auto kunnen alleen worden uitgevoerd met speciaal ontwikkelde elek-
182
tronische apparatuur. Neem daarom
altijd contact op met een erkende Volvowerkplaats, voordat u servicewerkzaamheden
aan het elektrische systeem laat uitvoeren.
Installatie van accessoires
Een verkeerde aansluiting en montage van
accessoires kan een nadelige invloed hebben
op de werking van de elektronische systemen
van de auto. Bepaalde accessoires werken
alleen, wanneer de bijbehorende software in
de elektronische systemen van de auto wordt
geladen. Neem daarom altijd contact op met
een erkende Volvo-werkplaats, voordat u
accessoires monteert die in verbinding staan
met of van invloed zijn op het elektrische systeem.
Vastlegging van voertuiggegevens
Er kunnen één of meer computers in uw Volvo
zitten die gedetailleerde informatie kunnen
opslaan. Deze informatie is bestemd voor
onderzoek ter verbetering van de veiligheid en
voor het opsporen van storingen in de autosystemen. De informatie kan gegevens bevatten over zaken als het gebruik van de veiligheidsgordel door de bestuurder en de passagier(s), gegevens over de werking van verschillende autosystemen en - modules en
informatie over de status van de motor, gasklep, besturing, remmen en andere systemen.
De informatie kan tevens gegevens bevatten
over de rijstijl van de bestuurder. Dergelijke
informatie kan gegevens bevatten (maar niet
uitsluitend) als de rijsnelheid, het gebruik van
het rem- of gaspedaal en de stuuruitslag. De
laatstgenoemde informatie kan voor een
begrensde tijd tijdens het rijden, tijdens een
aanrijding of bij een bijna-ongeluk worden
vastgelegd. Volvo Car Corporation zal de
opgeslagen informatie niet zonder uw toestemming vrijgeven. Volvo Car Corporation
kan echter op last van de nationale wetgeving
gedwongen worden om bepaalde informatie
te verstrekken. Voor de rest geldt dat alleen
Volvo Car Corporation de informatie kan uitlezen en gebruiken.
Ongunstige rijomstandigheden
Controleer het oliepeil vaker bij lange ritten:
• met een caravan of aanhanger achter de
auto
• in bergachtig gebied
• op hoge snelheden
• in temperaturen lager dan –30 C of hoger
dan +40 C.
Controleer het oliepeil eveneens vaker bij
korte ritten (over afstanden kleiner dan 10 km)
bij lage temperaturen (onder +5 C).
In dergelijke omstandigheden kunnen de olietemperatuur en het olieverbruik abnormaal
toenemen.
09 Onderhoud en service
Onderhoud
Voordat u met werkzaamheden begint
Regelmatig controleren
Accu
Controleer regelmatig het volgende, bijvoorbeeld bij het tanken:
Controleer of de accukabels op de juiste
manier zijn aangesloten en stevig vastzitten.
Ontkoppel de accu nooit terwijl de motor loopt
(bij het vervangen van de accu bijvoorbeeld).
Gebruik nooit een snellader voor het opladen
van de accu. Zorg dat de accukabels zijn ontkoppeld tijdens het opladen.
De accu bevat een zuur dat zowel giftig als
corrosief is. Het is daarom van belang dat u de
accu op een milieuvriendelijke manier verwerkt. Neem hiervoor contact op met de
erkende Volvo-werkplaats.
09
• Koelvloeistof – De vloeistof moet tussen het
MIN- en MAX-streepje op het expansiereservoir staan.
• Motorolie – De olie moet tussen het MINen MAX-streepje staan.
• Stuurbekrachtigingsvloeistof – De vloeistof
moet tussen het MIN- en MAX-streepje
staan.
• Ruitensproeiervloeistof – Het reservoir
moet goed gevuld zijn. Vul bij met antivries
bij temperaturen rond het vriespunt.
• Rem- en koppelingsvloeistof – De vloeistof
moet tussen het MIN- en MAX-streepje
staan.
WAARSCHUWING!
Het ontstekingssysteem wekt zeer hoge
spanningen op. De spanning van het ontstekingssysteem is levensgevaarlijk. Zet
daarom altijd de auto van het contact bij
werkzaamheden in de motorruimte.
Raak bougies of bobine niet aan, wanneer
het contact aanstaat of als de motor warm is.
WAARSCHUWING!
Let erop dat de koelventilator tot enige tijd
na het afzetten van de motor nog automatisch kan aanslaan.
Laat het schoonmaken van de motor altijd
over aan een werkplaats. Als de motor heet
is, bestaat er gevaar voor brand.
183
09 Onderhoud en service
09
Motorkap en motorruimte
Motorkap openen
1
8
2
9
3
10
4
11
5
12
6
13
– Trek aan de ontgrendelingshandgreep
helemaal links onder het dashboard (of
helemaal rechts afhankelijk bij een auto met
het stuur rechts). U hoort dat de slotpal
losschiet.
– Steek uw hand in het midden onder de
voorkant van de motorkap en duw de slotpal naar rechts.
– Open de motorkap.
WAARSCHUWING!
Controleer bij het sluiten of de motorkap
goed in het slot valt.
Motorruimte
1. Reservoir voor ruitensproeiervloeistof
(4-cil.)
2. Expansiereservoir voor koelsysteem
3. Reservoir voor stuurbekrachtigingsvloeistof (verborgen achter de koplamp)
4. Peilstok voor motorolie1
5. Radiateur
6. Koelventilator
7. Reservoir voor ruitensproeiervloeistof
(5-cil.)
1 Afhankelijk
184
G020793
7
van het motortype
8. Reservoir voor rem- en koppelingsvloeistof (auto met stuur rechts)
9. Vulopening voor motorolie1
10. Reservoir voor rem- en koppelingsvloeistof (auto met stuur links)
11. Accu
12. Relais- en zekeringenkastje, motorruimte
13. Luchtfilter1
09 Onderhoud en service
Dieselolie
Brandstofsysteem
Dieselmotoren zijn gevoelig voor verontreinigingen zoals een te hoog gehalte aan zwaveldeeltjes. Maak alleen gebruik van dieselolie
van gerenommeerde oliemaatschappijen. Giet
nooit dieselolie van dubieuze kwaliteit in de
tank.
Bij lage temperaturen (–40 C tot –6 C) kan
de paraffine in de dieselolie uitvlokken, wat
aanleiding kan geven tot startproblemen. De
grote oliemaatschappijen produceren speciale
dieselolie bestemd voor gebruik bij buitentemperaturen rond het vriespunt. Dergelijke dieselolie is dunner bij lage temperaturen en
beperkt de kans op vlokvorming.
Het risico van condens in de brandstoftank
neemt af, als u de tank altijd goed gevuld
houdt. Houd tijdens het tanken het gebied
rond de vulpijp goed schoon. Voorkom morsen op gelakte oppervlakken. Maak als u
gemorst hebt het gebied met water en zeep
schoon.
BELANGRIJK!
Het is alleen toegestaan brandstof te gebruiken die voldoet aan de Europese norm
voor dieselolie (zie pagina 247).
09
Condenswater uit brandstoffilter
aftappen
BELANGRIJK!
Maak geen gebruik van de volgende dieselolieachtige brandstoffen: speciale toevoegingen (dopes), scheepsolie, stookolie,
RME1 (biodiesel) of plantaardige olie. Dergelijke brandstoffen voldoen niet aan de
kwaliteitseisen die Volvo stelt en geven aanleiding tot verhoogde vormen van slijtage
en motorschade die niet worden gedekt
door de garanties van Volvo.
1Dieselolie kan een bepaalde hoeveelheid RME
bevatten. Het is niet toegestaan meer toe te
voegen.
Om motorstoringen tegen te gaan, ontdoet
het brandstoffilter de brandstof van condenswater.
Houd u voor het aftappen van het condenswater aan de specificaties die in uw Service- en
garantieboekje staan aangegeven. Ook wanneer u vermoedt dat er vervuilde brandstof is
gebruikt, moet u het brandstoffilter aftappen.
BELANGRIJK!
Sommige speciale toevoegingen verwijderen het verzamelde vocht uit het brandstoffilter.
BELANGRIJK!
Bij modeljaar 2006 en hoger mag het zwavelgehalte maximaal 50 ppm zijn.
Wanneer u de tank leegrijdt
U hoeft geen speciale maatregelen te nemen,
wanneer u de brandstoftank hebt leeggereden. Het brandstofsysteem wordt automatisch ontlucht, als u de contactsleutel ca.
60 seconden lang in stand II laat staan voordat u een nieuwe startpoging doet.
185
09 Onderhoud en service
09
Oliën en vloeistoffen
Engine oil quality: XXX
Viscosity: XXX
Olie verversen en oliefilter vervangen
xxxxxxxx
Sticker voor oliekwaliteit in
motorruimte
Volvo adviseert olieproducten van Castrol.
Houd voor het verversen van de olie en het
vervangen van het oliefilter de intervallen aan
die staan aangegeven in het Service- en
garantieboekje.
G020338
G020341
BELANGRIJK!
Peilstok, benzinemotoren
BELANGRIJK!
Het is toegestaan een oliesoort te gebruiken
met een hogere kwaliteit dan aangegeven.
Voor ritten onder ongunstige omstandigheden adviseert Volvo u een oliesoort te gebruiken met een hogere kwaliteit dan de sticker in
de motorruimte vermeldt (zie pagina 239).
186
G020340
Gebruik altijd olie van de aanbevolen kwaliteit (zie sticker in motorruime). Controleer
het oliepeil vaak en ververs de olie regelmatig. De motor raakt beschadigd, wanneer u
olie gebruikt van minder goede kwaliteit dan
wordt voorgeschreven of wanneer u met
een te laag oliepeil rondrijdt.
Peilstok, dieselmotoren
Om aan vereisten voor de gespecificeerde
service-intervallen te voldoen worden alle
motoren in de fabriek gevuld met een speciaal aangepaste, synthetische motorolie.
De oliesoort werd met grote zorg geselecteerd lettend op de levensduur van de motor, de startgewilligheid, het
brandstofverbruik en de milieu-impact.
Om de aanbevolen service-intervallen aan
te kunnen houden dient u een goedgekeurde motoroliesoort te gebruiken. Gebruik alleen een oliesoort van de voorgeschreven
kwaliteit (zie sticker in motorruimte) en dat
zowel bij het bijvullen als bij het verversen
van olie. Een negatieve invloed op de levensduur van de motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieuimpact is anders niet uitgesloten.
Volvo Car Corporation wijst alle garantieclaims af bij gebruik van een motorolie die
niet voldoet aan de voorgeschreven kwaliteits- en viscositeitseisen.
Volvo hanteert uiteenlopende systemen om te
waarschuwen voor een laag oliepeil of een
lage oliedruk. Bij de modellen die zijn voorzien
van een oliedruksensor wordt gebruik
09 Onderhoud en service
Oliën en vloeistoffen
gemaakt van een waarschuwingslampje voor
de oliedruk. Bij modellen met een olieniveausensor wordt gewaarschuwd met een waarschuwingslampje midden op het instrumentenpaneel en met displayteksten. Op
bepaalde modellen zijn beide systemen aanwezig. Neem voor meer informatie contact op
met een erkende Volvo-werkplaats.
Peil controleren
Volvo adviseert u het oliepeil om de 2500 km
te controleren. De beste meting wordt verkregen bij een koude motor vóór de start. Meteen
na het afzetten van de motor krijgt u een verkeerd resultaat. De peilstok geeft dan een te
laag peil aan, omdat de olie geen tijd heeft
gehad om terug te lopen naar het oliecarter.
Oliepeil controleren bij een warme
motor:
G020336
Bij een nieuwe auto is het belangrijk om het
oliepeil te controleren, voordat de olie voor de
eerste keer volgens schema moet worden ververst. Het Service- en garantieboekje geeft
aan bij welke kilometerstand u de olie moet
verversen.
09
De olie moet binnen het gemarkeerde gebied op
de peilstok staan
Oliepeil controleren bij een koude
motor:
– Veeg de peilstok schoon, voordat u gaat
meten.
– Controleer het oliepeil met de peilstok.
De olie moet tussen het MIN- en MAXstreepje staan.
– Als de olie dichter bij het MIN-streepje ligt,
kunt u eerst 0,5 liter olie bijvullen. Vul bij
totdat de olie dichter bij het MAX-streepje
dan bij het MIN-streepje op de peilstok ligt.
Zie pagina 239–240 voor de aan te houden
hoeveelheid.
– Parkeer de auto op een vlakke ondergrond,
zet de motor af en wacht ten minste
10–15 minuten zodat de olie naar het carter
terug kan lopen.
– Veeg de peilstok schoon, voordat u gaat
meten.
– Controleer het oliepeil met de peilstok.
De olie moet tussen het MIN- en MAXstreepje staan.
Als de olie dichter bij het MIN-streepje ligt,
kunt u eerst 0,5 liter olie bijvullen. Vul bij totdat
de olie dichter bij het MAX-streepje dan bij het
MIN-streepje op de peilstok ligt. Zie
pagina 239–240 voor de aan te houden
hoeveelheid.
WAARSCHUWING!
Mors geen olie op het hete uitlaatspruitstuk,
omdat er gevaar voor brand bestaat.
BELANGRIJK!
Vul niet meer olie bij dan tot aan het MAXstreepje. Het olieverbruik kan toenemen, als
u te veel olie in de motor giet.
187
09 Onderhoud en service
09
Oliën en vloeistoffen
Ruitensproeiervloeistof bijvullen
Gebruik tijdens de wintermaanden ruitensproeier-antivries in het reservoir om te voorkomen dat de vloeistof in de pomp, het reservoir en de slangen bevriest.
1
Koelvloeistof controleren en bijvullen
N.B.
Meng het antivries met water, voordat u
koelvloeistof bijvult.
G020335
Positie van reservoir voor ruitensproeiervloeistof1
De sproeiers van de voorruit en de koplampen
staan in verbinding met hetzelfde vloeistofreservoir.
Zie pagina 244 voor de hoeveelheden.
1. Vulopening op viercilinder- en dieselmodellen.
2. Vulopening op vijfcilindermodellen
1 Afhankelijk
188
van het motortype
G020334
TIP! Maak bij het bijvullen van ruitensproeiervloeistof ook meteen de wisserbladen schoon.
2
Volg de aanwijzingen op de verpakking op.
Het is belangrijk dat u verhouding tussen koelvloeistof en water afstemt op de heersende
weersomstandigheden. Vul het reservoir nooit
alleen met schoon water. Het gevaar voor
bevriezing neemt toe, zowel wanneer het percentage koelvloeistof te laag is als wanneer
het te hoog is.
09 Onderhoud en service
Oliën en vloeistoffen
Het is uitermate belangrijk dat u een koelvloeistof met roestwerende eigenschappen
gebruikt volgens de aanbevelingen van Volvo. Een nieuwe auto is voorzien van koelvloeistof die bestand is tegen temperaturen
tot ca. –35 C.
Zie pagina 244 voor de hoeveelheden.
twee jaar of iedere tweede geplande servicebeurt.
N.B.
BELANGRIJK!
De motor mag alleen draaien met een goed
gevuld koelsysteem. De temperaturen kunnen plaatselijk hoog oplopen, wat schade
(scheurvorming) aan de cilinderkop kan veroorzaken.
Rem- en koppelingsvloeistof
controleren en bijvullen
Controleer de koelvloeistof regelmatig!
De koelvloeistof moet tussen het MIN- en
MAX-streepje op het expansiereservoir staan.
Zie pagina 240 voor de aan te houden hoeveelheden en de aanbevolen kwaliteit van de
remvloeistof.
Wanneer u vaak met uw auto in de bergen of in
landen met een tropisch klimaat en een hoge
relatieve luchtvochtigheidsgraad rijdt, dient u
de remvloeistof ieder jaar te verversen.
WAARSCHUWING!
Als de remvloeistof onder het MIN-streepje
van het reservoir staat, mag u niet verder rijden voordat u remvloeistof hebt bijgevuld.
Controleer tevens de oorzaak van het remvloeistofverlies.
Als u het reservoir niet goed gevuld houdt, kan
de temperatuur in het systeem plaatselijk dusdanig hoog oplopen dat er gevaar voor
schade (scheurvorming) in de cilinderkop ontstaat. Vul koelvloeistof bij, wanneer het peil tot
onder het MIN-streepje is gezakt.
G020333
WAARSCHUWING!
De koelvloeistof kan bijzonder heet zijn. Als
u moet bijvullen terwijl de motor op bedrijfstemperatuur is, moet u langzaam de dop
van het expansiereservoir losdraaien om de
overdruk te laten ontsnappen.
09
De rem- en koppelingsvloeistof zitten in hetzelfde reservoir1. De vloeistof moet tussen het
MIN- en MAX-streepje staan. Controleer het
peil regelmatig. Ververs de remvloeistof om de
1
Positie verschilt op auto’s met het stuur links
en rechts
189
09 Onderhoud en service
09
Oliën en vloeistoffen
Stuurbekrachtigingsvloeistof
controleren en bijvullen
N.B.
Controleer tijdens iedere servicebeurt ook
het vloeistofpeil.
U hoeft de vloeistof niet te verversen. Zie
pagina 240 voor de hoeveelheden en de aanbevolen vloeistofkwaliteit.
Ook als er een storing optreedt in de stuurbekrachtiging of als de stroom wegvalt en u de
auto moet laten wegslepen, blijft de auto
bestuurbaar. De auto zal echter veel zwaarder
dan normaal sturen en er is meer kracht nodig
om het stuurwiel te verdraaien.
190
09 Onderhoud en service
Wisserbladen
Wisserbladen voorruit vervangen
09
Wisserblad achterruit vervangen
1
G020330
G014732
2
– Klap de wisserarm uit.
– Trek het wisserblad naar de achterklep toe
los.
– Druk het nieuwe wisserblad vast. Controleer of het goed vastzit.
– Klap de wisserarm in positie terug.
N.B.
De wisserbladen zijn niet allebei even lang.
Het blad aan de bestuurderszijde is langer
dan dat aan de passagierszijde.
G020329
3
– Klap de wisserarm omhoog.
– Druk op de knop die op de wisserbladbevestiging zit en trek het blad, evenwijdig
aan de wisserarm, recht naar buiten (1).
– Schuif het nieuwe wisserblad naar
binnen (2) totdat het vastklikt.
– Controleer (3) of het blad goed vastzit.
– Klap de wisserarm omlaag.
191
09 Onderhoud en service
09
Accu
Onderhoud van de accu
De rijomstandigheden, de rijstijl, het aantal
startpogingen, de weersomstandigheden e.d.
zijn van invloed op de levensduur en de werking van de accu.
N.B.
Zamel oude accu’s op een milieuvriendelijke manier in, omdat ze lood bevatten.
Symbolen op de accu
Draag een veiligheidsbril.
Zie voor meer informatie het
instructieboekje dat bij de
auto hoort.
WAARSCHUWING!
Accu’s kunnen het zeer explosieve knalgas
produceren. Een enkele vonk, veroorzaakt
door een onjuiste aansluiting van de startkabels, is voldoende om de accu tot ontploffing te brengen, en zo schade aan de
auto en letsel te veroorzaken. De accu
bevat ook zwavelzuur, wat ernstige chemische brandwonden kan veroorzaken. Als u
accuzuur in de ogen krijgt, of op uw huid of
uw kleren morst, moet u meteen met grote
hoeveelheden water spoelen. Neem onmiddellijk contact op met een arts, als u accuzuur in de ogen krijgt.
N.B.
Hoe vaker de accu ontladen raakt, des te
minder lang gaat de accu mee.
192
Bewaar accu’s buiten het
bereik van kinderen.
De accu bevat een bijtend
zuur.
Vermijd vonken en open
vuur.
Explosiegevaar.
09 Onderhoud en service
Accu
09
Accu vervangen
Accu verwijderen
– Zet het contact uit en neem de sleutel uit.
– Wacht ten minste 5 minuten, voordat u een
van de elektrische aansluitingen aanraakt
(zo kan de informatie in de elektrische
systemen van de auto worden opgeslagen
in de verschillende regelmodules).
– Verwijder de afdekking.
– Koppel de minkabel los.
– Koppel de pluskabel los.
– Haal met een schroevendraaier het voorpaneel van de accubak los.
– Haal de klem los waarmee de accu vastzit.
– Til de accu uit de auto.
Accu aanbrengen
– Til de accu op zijn plaats.
– Breng de klem aan waarmee de accu vastzit.
– Plaats het voorpaneel van de accubak
terug.
– Sluit de pluskabel aan.
– Sluit de minkabel aan.
– Breng de afdekking op de accu aan.
193
09 Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
Algemene informatie
Op pagina 251 staan alle gloeilampen van de
auto vermeld.
Gloeilampen in koplamphuis
vervangen
1
Gloeilampen en puntverlichting van een bijzonder type of lampen die alleen in een werkplaats te vervangen zijn:
3
4
2
G019599
• interieurverlichting aan het plafond
• leeslampjes en verlichting dashboardkastje
• richtingaanwijzers, buitenspiegelverlichting
en Approach-verlichting
• remlichten
• Bi-Xenonkoplampen
WAARSCHUWING!
Als de auto is voorzien van Bi-Xenonkoplampen, moet u de xenonlamp door een
erkende Volvo-werkplaats laten vervangen.
Omdat de Bi-Xenonkoplampen voorzien
zijn van een ontstekingsgedeelte dat een
hoge spanning opwekt, dient u er voorzichtig mee om te gaan.
BELANGRIJK!
Raak het glas van gloeilampen nooit met
blote vingers aan. De vetten en oliën op uw
vingers kunnen door de hitte verdampen.
Dit zorgt voor aanslag op de reflector, waardoor deze al snel kapotgaan.
194
BELANGRIJK!
Trek alleen aan de connector en niet aan de
kabel.
Alle gloeilampen in de koplamphuizen
(behalve die voor het dimlicht) zijn te vervangen door het lamphuis via de motorruimte los
te maken en het in zijn geheel te verwijderen.
Lamphuis losmaken:
– Neem de contactsleutel uit en draai de
verlichtingsdraaiknop naar stand 0.
– Trek de borgpen (1) van het lamphuis
omhoog.
– Trek het lamphuis opzij en vervolgens naar
voren (2).
G019600
09
– Koppel de connector los door de clip met
uw duim (3) in te drukken en tegelijkertijd
met uw andere hand de connector (4) los te
halen.
– Til het lamphuis naar buiten en leg het op
een zachte ondergrond neer om krassen op
de lens te voorkomen.
Lamphuis aanbrengen:
– Sluit de connector aan en plaats het lamphuis alsmede de borgpen terug. Controleer
of u de borgpen op de juiste manier hebt
ingebracht.
09 Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
09
Grootlicht, halogeen
– Controleer de verlichting.
Het lamphuis moet zijn aangesloten en in
positie vastzitten, voordat u de verlichting
inschakelt of de contactsleutel in het contactslot steekt.
G019136
G019133
Dimlicht
Op de afbeelding staat een halogeenlamp
G019131
Nieuwe gloeilamp aanbrengen
Afdekking en gloeilamp vervangen
– Haal het lamphuis in zijn geheel los (zie
pagina 194).
– Haal de borgklemmen opzij en verwijder de
afdekking.
– Koppel de connector van de gloeilamp los.
– Maak de veerklem los waarmee de gloeilamp vastzit. Duw de klem naar binnen/
omlaag.
– Trek de gloeilamp naar buiten.
– Breng de nieuwe gloeilamp aan. De lamp
kan slechts op één manier worden aangebracht.
– Duw de klemveer naar binnen/omhoog en
vervolgens iets naar rechts, zodat deze in
positie vastklikt.
– Duw de connector in positie terug.
– Plaats de kunststof afdekking terug.
– Plaats het lamphuis terug (zie pagina 194).
– Haal het lamphuis in zijn geheel los (zie
pagina 194).
– Haal de afdekking, boven op het lamphuis,
los door het linksom te draaien.
– Linker koplamp:
Draai de lamphouder linksom.
Rechter koplamp:
Draai de lamphouder rechtsom.
195
09 Onderhoud en service
09
Gloeilampen vervangen
Stadslichten vóór en achterlichten
Richtingaanwijzers
N.B.
– Haal het lamphuis los (zie pagina 194).
– Haal de afdekking, boven op het lamphuis,
los door het linksom te draaien.
– Trek de lamphouder naar buiten toe en
vervang de gloeilamp.
– Duw de lamphouder terug. Een klikgeluid
geeft aan dat de lamphouder goed zit.
– Plaats de afdekking, boven op het lamphuis, terug door het rechtsom te draaien.
– Plaats het lamphuis terug (zie pagina 194).
N.B.
Een lamphuis met Active Bi-Xenon Light
(optie) bevat een stadslicht (type led) dat u
niet kunt vervangen.
196
G019150
– Trek de lamphouder naar buiten toe en
vervang de gloeilamp.
– Plaats de lamphouder terug. De lamphouder kan slechts op één manier worden
teruggeplaatst.
– Plaats de afdekking, boven op het lamphuis, terug door het rechtsom te draaien.
– Plaats het lamphuis terug (zie pagina 194).
G019145
Bij een auto met ABL- of GDL-lampen heeft
de grootlichtlamp een andere lampvoet.
Trek de lamp in dat geval recht naar buiten
toe.
– Haal het lamphuis los (zie pagina 194).
– Draai de lamphouder linksom en verwijder
deze.
– Verwijder de gloeilamp uit de lamphouder
door de lamp in te drukken en tegelijkertijd
linksom te draaien.
– Breng een nieuwe gloeilamp in de lamphouder aan en plaats de lamphouder in het
lamphuis terug.
– Plaats het lamphuis terug (zie pagina 194).
09 Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
Mistlampen
– Haal het lamphuis los (zie pagina 194).
– Draai de gloeilamp linksom, trek hem naar
buiten en vervang de gloeilamp.
– Plaats de lamphouder terug. De lamphouder kan slechts op één manier worden
aangebracht.
– Plaats het lamphuis terug (zie pagina 194).
de lamphouder komt overeen met dat van
de lampvoet.)
– Plaats de lamphouder terug. Zorg dat het
opschrift TOP op de lamphouder omhoogwijst.
G019605
G018050
Sidemarker
09
– Schakel alle lichten uit en draai de contactsleutel naar stand 0.
– Maak de afdekking los door zoals afgebeeld een schroevendraaier (verticaal) in de
afdekking te steken en verticaal druk uit te
oefenen om zo de clip achter de afdekking
los te krijgen.
– Pak de afdekking aan de rand beet en trek
de afdekking recht naar buiten toe los.
– Draai het boutje uit het lamphuis los en
verwijder het lamphuis.
– Draai de lamp linksom en verwijder deze.
– Breng een nieuwe lamp aan door deze
rechtsom vast te draaien. (Het profiel van
197
09 Onderhoud en service
09
Gloeilampen vervangen
Lamphouder achterlamphuis
verwijderen
– Sluit de connector aan.
– Duw de lamphouder in positie en plaats het
luikje (A of B) terug.
N.B.
Als de foutmelding STORING LAMPJE/
CONTROLEER REMLICHT niet verdwijnt
nadat de kapotte gloeilamp is vervangen,
dient u een erkende Volvo-werkplaats te
bezoeken.
A
G019166
B
– Alle gloeilampen in het achterlamphuis zijn
via de bagageruimte te vervangen.
– Schakel alle lichten uit en draai de contactsleutel naar stand 0.
– Open het luikje (A of B) rechts en links in de
bekleding om toegang tot de lampen te
krijgen.
– De gloeilampen zitten in afzonderlijke lamphouders.
– Koppel de connector van de lamphouder
los.
– Duw de borghaken bijeen en trek de lamphouder naar buiten.
– Vervang de gloeilamp.
198
09 Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
Positie van gloeilampen in
achterlamphuis
Instapverlichting
3. Stadslichten/parkeerlichten vóór en
achterlichten
4. Richtingaanwijzer
5. Achteruitrijlicht
6. Mistachterlicht (één zijde)
A
1
09
Kentekenplaatverlichting
2
G020795
B
3
6
Lamphouder
BELANGRIJK!
De kabel voor de leds van de remlichten is
vastgegoten aan de bovenste gloeilamphouder. Verwijder de kabel dan ook niet.
G018058
5
G014849
4
– Schakel alle lichten uit en draai de contactsleutel naar stand 0.
– Draai de boutjes los met een schroevendraaier.
– Haal het glas voorzichtig los.
– Vervang de gloeilamp.
– Plaats het glas terug en schroef het vast.
– De instapverlichting vindt u onder het dashboard aan de bestuurders- en passagierszijde.
– Steek een schroevendraaier achter het lamphuis en verdraai deze iets, zodat de lens
loskomt.
– Verwijder de kapotte gloeilamp.
– Breng een nieuwe gloeilamp aan.
– Plaats de lens terug.
1. Remlicht (led)
2. Achterlicht
199
09 Onderhoud en service
09
Gloeilampen vervangen
Bagageruimte
Verlichting make-upspiegel
Spiegelglas aanbrengen:
G014852
G020253
– Duw eerst de drie borgnokjes aan de
bovenkant van het spiegelglas weer terug.
– Duw vervolgens de onderste drie vast.
– Steek een schroevendraaier achter het lamphuis en verdraai deze iets, zodat het lamphuis loskomt.
– Verwijder de kapotte gloeilamp.
– Breng een nieuwe gloeilamp aan.
200
Spiegelglas verwijderen:
– Steek in het midden aan de onderkant een
schroevendraaier achter het glas. Wrik het
borgnokje op de rand voorzichtig los.
– Steek de schroevendraaier aan zowel de
linker- als rechterzijde achter het glas (bij
de zwarte rubberdelen). Wrik voorzichtig,
zodat de onderkant van het glas loskomt.
– Maak het spiegelglas voorzichtig los en
verwijder het compleet met afdekklep.
– Verwijder de kapotte gloeilamp en vervang
deze.
09 Onderhoud en service
Zekeringen
Algemene informatie
Vervangen
Om te voorkomen dat het elektrisch systeem
van de auto beschadigd raken door kortsluiting of overbelasting, zijn alle verschillende
elektrische functies en onderdelen door een
aantal zekeringen beschermd.
Als een van de elektrische onderdelen of functies niet werkt, is het mogelijk dat de bijbehorende zekering overbelast werd en daardoor
gesmolten is.
De zekeringen zitten op twee verschillende
plaatsen in de auto:
• Relais- en zekeringenkastje in de motorruimte
• Relais- en zekeringenkastje in de passagiersruimte
09
– Zoek in de zekeringentabel op waar de
zekering zit.
– Trek de zekering naar buiten en bekijk deze
van opzij om te kijken of het gebogen
draadje soms doorgebrand is.
– Breng in dat geval een nieuwe zekering aan
met dezelfde kleur en hetzelfde amperage.
In de zekeringenkastjes is plaats voor een
aantal reservezekeringen. Als dezelfde zekering herhaaldelijk doorbrandt, betekent dit dat
het bijbehorende onderdeel een storing vertoont. Neem contact op met een erkende
Volvo-werkplaats voor het uitvoeren van een
controle.
201
09 Onderhoud en service
09
Zekeringen
G007446
Relais- en zekeringenkastje in motorruimte
Het zekeringenkastje biedt plaats aan
36 zekeringen. Let erop dat u een doorgebrande zekering altijd vervangt door een
nieuwe zekering met dezelfde kleur en hetzelfde amperage.
• 19—36 zijn van type “MiniFuse”.
• 7—18 zijn van het type “JCASE” en moeten
worden vervangen door een erkende
Volvo-werkplaats.
• 1—6 zijn van het type “Midi Fuse” en
moeten worden vervangen door een
erkende Volvo-werkplaats.
202
Aan de binnenkant van het deksel zit een speciale trekker waarmee u de zekeringen gemakkelijker kunt verwijderen en aanbrengen.
09 Onderhoud en service
Zekeringen
1. Koelventilator .............................................................................. 50 A
2. Stuurbekrachtiging (niet 1.6 litermotor) ................................ 80 A
3. Voeding voor relais- en zekeringenkastje in
passagiersruimte ................................................................. 60 A
4. Voeding voor relais- en zekeringenkastje in
passagiersruimte ................................................................. 60 A
5. Element klimaatregeling, extra verwarming PTC (optie) ........ 80 A
6. Gloeibougies (4-cil. diesel) ................................................... 60 A
Gloeibougies (5-cil. diesel) ................................................... 70 A
7. ABS-pomp ........................................................................... 30 A
8. ABS-ventielen ...................................................................... 20 A
9. Motorfuncties....................................................................... 30 A
10. Ventilator klimaatregeling ..................................................... 40 A
11. Koplampsproeiers ................................................................ 20 A
09
12. Voeding voor elektrische achterruitverwarming .................... 30 A
13. Relais startmotor ................................................................. 30 A
14. Bedrading aanhanger........................................................... 40 A
15. Reservepositie ........................................................................... 16. Voeding voor infotainment ................................................... 30 A
17. Ruitenwissers ...................................................................... 30 A
18. Voeding voor relais- en zekeringenkastje in
passagiersruimte ................................................................. 40 A
19. Reservepositie ........................................................................... 20. Claxon ................................................................................. 15 A
21. Standverwarming op brandstof, interieurverwarming ........... 20 A
22. Reservepositie ........................................................................... 23. Motorregelmodule ECM (5-cil. benzine) transmissie (TCM) ... 10 A
203
09 Onderhoud en service
09
Zekeringen
24. Elektrisch verwarmd brandstoffilter, PTC-element olievanger (5-cil. diesel) .................................. 20 A
25. Reservepositie .......................................................................... 26. Contactslot .......................................................................... 15 A
27. Compressor voor airconditioning ......................................... 10 A
28. Reservepositie .......................................................................... 29. Mistlampen vóór .................................................................. 15 A
30. Motorregelmodule ECM (1.6 l benzine, 2.0 l diesel).................3 A
31. Spanningsregelaar dynamo 4-cil. ......................................... 10 A
32. Injectoren (5-cil. benzine), lambdasonde (4-cil. benzine),
intercooler (4-cil. diesel), luchtmassameter en turboregeling (5-cil. diesel) ................................................... 10 A
33. Lambdasonde en vacuümpomp (5-cil. benzine), motorregelmodule (5-cil. diesel), dieselfilterverwarming (4-cil. diesel)...................................... 20 A
34. Bobines (benzine), injectoren (1.6 l benzine), brandstofpomp (4-cil. diesel), drukverklikker klimaatregeling (5-cil.), gloeibougies en uitlaatgasreiniging EGR (5-cil. diesel) .......... 10 A
35. Motorsensor voor kleppen, relaisspoel airconditioning,
PTC-element olievanger (5-cil. benzine), motorregelmodule ECM (5-cil. diesel), koolstoffilter (benzine),
injectoren (1.8/2.0 l benzine), MAF luchtmassameter (5-cil. benzine, 4-cil. diesel), turboregeling (4-cil. diesel), drukverklikker stuurbekrachtiging (1.6 l benzine), uitlaatgasreiniging EGR (4-cil. diesel) ................................... 15 A
36. Motorregelmodule ECM (niet 5-cil. diesel), gaspedaalsensor,
lambdasonde (5-cil. diesel) .................................................. 10 A
204
09 Onderhoud en service
Zekeringen
09
Relais- en zekeringenkastje in passagiersruimte
1
2
G020601
3
Er is plaats voor 50 zekeringen. De zekeringen
zitten onder het dashboardkastje. Er is tevens
plaats voor een aantal reservezekeringen. In
het relais- en zekeringenkastje in de motorruimte vindt u een speciale trekker waarmee u
de zekeringen kunt vervangen (zie pagina 202).
Zekering vervangen:
– Verwijder de interieurbekleding die het
zekeringenkastje afdekt door eerst de middelste pen in de bevestigingsclips (1)
ca. één cm in te duwen en deze vervolgens
naar buiten te trekken.
– Draai beide vleugelbouten (terwijl u het
zekeringenkastje vasthoudt) (2) linksom totdat ze los zijn.
– Klap het zekeringenkastje (3) tot halverwege omlaag. Trek het zo ver in de richting
van de stoel dat het niet verder kan. Klap
het vervolgens volledig omlaag. Het zekeringenkastje kan in zijn geheel losgehaakt
worden.
– Sluit het zekeringenkastje in omgekeerde
volgorde.
– Trek de middelste pen volledig uit de
bevestigingsclips, zet de bekleding met de
bevestigingsclips vast en duw de losse pen
weer in de bevestigingsclips. De bevesti-
gingsclips zetten dan uit, waardoor de
bekleding vast komt te zitten.
205
09 Onderhoud en service
Zekeringen
G020246
09
37. Reservepositie .......................................................................... 38. Reservepositie .......................................................................... 39. Reservepositie .......................................................................... 40. Reservepositie .......................................................................... 41. Reservepositie .......................................................................... 42. Reservepositie .......................................................................... 43. Telefoon, audio, RTI (optie) .................................................. 15 A
44. SRS-systeem, motorregelmodule ECM (5-cil.) ...................... 10 A
45. Elektrische aansluiting ......................................................... 15 A
46. Verlichting passagiersruimte, verlichting dashboardkastje en
instapverlichting.....................................................................5 A
47. Interieurverlichting .................................................................5 A
206
48. Sproeiers, achterruitwissers................................................. 15 A
49. SRS-systeem ....................................................................... 10 A
50. Reservepositie ........................................................................... 51. Extra verwarming voor passagiersruimte, AWD,
brandstoffilterrelais elektrische verwarming ......................... 10 A
52. Regelmodule transmissie (TCM), ABS-systeem ...................... 5 A
53. Stuurbekrachtiging .............................................................. 10 A
54. Park Assist, Bi-Xenon (optie) ................................................ 10 A
55. Regelmodule Keyless Drive.................................................. 20 A
56. Regelmodule afstandsbediening, regelmodule sirene ........... 10 A
57. Diagnoseaansluiting, remlichtschakelaar ............................. 15 A
58. Groot licht rechts, relaisspoel verstralers ............................ 7,5 A
09 Onderhoud en service
Zekeringen
59. Groot licht, links .................................................................. 7,5 A
60. Stoelverwarming bestuurderszijde ....................................... 15 A
61. Stoelverwarming passagierszijde ......................................... 15 A
62. Schuifdak............................................................................ 20 A
63. Voeding achterportier, rechterzijde....................................... 20 A
64. RTI (optie) ..............................................................................5 A
65. Infotainment ...........................................................................5 A
66. Regelmodule voor Infotainment (ICM), klimaatregeling ......... 10 A
67. Reservepositie .......................................................................... 68. Cruisecontrol .........................................................................5 A
69. Klimaatregeling, regensensor, BLIS-knop...............................5 A
70. Reservepositie .......................................................................... 71. Reservepositie .......................................................................... 72. Reservepositie .......................................................................... 73. Schuifdak, console voor interieurverlichting (OHC),
gordelwaarschuwing achterin, autodimfunctie spiegel............5 A
74. Relais brandstofpomp .......................................................... 15 A
75. Reservepositie .......................................................................... 76. Reservepositie .......................................................................... 77. Elektrische aansluiting bagageruimte, regelmodule
accessoires (AEM)................................................................ 15 A
78. Reservepositie .......................................................................... 79. Achteruitrijlicht .......................................................................5 A
80. Reservepositie .......................................................................... 81. Voeding achterportier, linkerzijde ......................................... 20 A
82. Voeding voorportier, rechterzijde ......................................... 25 A
83. Voeding voorportier, linkerzijde ............................................ 25 A
09
84. Elektrisch bedienbare passagiersstoel ................................. 25 A
85. Elektrisch bedienbare bestuurdersstoel ............................... 25 A
86. Interieurverlichting, bagageruimteverlichting, elektrisch
bedienbare stoelen, brandstofmeter (1.8F) ............................. 5 A
207
Algemene informatie .............................................................................. 210
Audiofuncties ......................................................................................... 211
Radiofuncties ......................................................................................... 214
Cd-functies ............................................................................................ 218
Menusysteem – audiosysteem ............................................................... 220
Telefoonfuncties (optie) .......................................................................... 221
Menusysteem – telefoon ........................................................................ 228
208
INFOTAINMENT
10
10 Infotainment
Algemene informatie
Infotainment
3
2
10
audiosysteem ingeschakeld totdat u de sleutel
uit het contactslot neemt. De volgende keer dat
u de sleutel naar stand I draait, zal het audiosysteem automatisch worden ingeschakeld.
Menufuncties
1
4
5
G020245
6
7
Het Infotainmentsysteem heeft geïntegreerde
audio-1 en telefoonfuncties. Het Infotainmentsysteem is eenvoudig te bedienen vanaf het
bedieningspaneel en de toetsenset1 op het
stuurwiel (zie pagina 54). Op het display (2)
verschijnen meldingen en informatie over de
actieve functie.
Audiosysteem
Aan/uit
Met POWER (1) schakelt u het audiosysteem
in of uit. Als het audiosysteem actief is terwijl u
de contactsleutel naar stand 0 draait, blijft het
1 Optie
210
Sommige Infotainmentfuncties zijn toegankelijk via een menusysteem. Het actuele menuniveau staat rechts bovenaan op het display.
De menu-opties staan in het midden van het
display.
• Met MENU (4) opent u het menusysteem.
• Met de pijl-omlaag/pijl-omhoog van de
navigatieknop (5) loopt u de menu-opties
door.
• Met ENTER (7) kiest u of activeert/deactiveert u een menu-optie.
• Met EXIT (6) gaat u een stap terug binnen
het menusysteem. Bij lang indrukken
van EXIT verlaat u het menusysteem.
Sound. Alle uitvoeringen zijn echter uitgerust
met AM/FM-radio met RDS en een cd-speler.
Dolby Surround Pro Logic II
Dolby Surround Pro Logic II2 verdeelt de twee
kanalen van het stereogeluid over de luidsprekers links, midden, rechts en achterin. Dit
levert een realistischer geluidsweergave op
dan bij normale tweekanaals stereo.
Dolby Surround Pro Logic II en het
Dolby-logo zijn handelsmerken van
Dolby Laboratories Licensing
Corporation.
Dolby Surround Pro Logic II System is vervaardigd onder licentie van Dolby Laboratories Licensing Corporation.
Sneltoetsen
De menu-opties zijn genummerd en kunnen
rechtstreeks worden gekozen via de
toetsenset (3).
Uitrusting
Het audiosysteem is te verkrijgen met verschillende opties en in verschillende uitvoeringen. De verkrijgbare uitvoeringen zijn: Performance, High Performance en Premium
2 Premium
Sound
10 Infotainment
Audiofuncties
herhaalde malen indrukken van MODE loopt u
de standen CD en AUX door.
Bediening audiofuncties
1
2
3
4
5
AUX
Het is mogelijk een mp3-speler op de AUXingang aan te sluiten.
6
hoog is, kan de geluidskwaliteit verslechteren. U kunt dat tegengaan door het ingangsvolume van de externe geluidsbron (AUX) aan
te passen:
10
– Zet het audiosysteem in de stand AUX met
de knop MODE.
– Druk op MENU en daarna op ENTER.
– Ga naar AUX volume en druk op ENTER.
– Draai aan TUNING of druk op de pijlrechts/pijl-links van de navigatieknop.
USB-/iPod-aansluiting (optie)
VOLUME – Draaiknop
AM/FM – Geluidsbron kiezen
MODE – Geluidsbron kiezen, CD/AUX
TUNING – Draaiknop
SOUND – Toets
Volume
Gebruik VOLUME (1) of de toetsenset op het
stuurwiel om het volume te regelen (zie
pagina 54). De geluidssterkte wordt automatisch afgestemd op de snelheid van de auto
(zie. pagina 213).
Geluidsbron kiezen
Bij herhaalde malen indrukken van AM/FM
loopt u de standen FM1, FM2 en AM door. Bij
Ingang voor externe geluidsbron (AUX) 3,5 mm
N.B.
De geluidskwaliteit kan verslechteren, als
de speler wordt opgeladen terwijl het audiosysteem in stand AUX staat. Laad de speler
in dat geval niet op tijdens het beluisteren.
Soms wijkt het volume waarop de externe
geluidsbron (AUX) wordt weergegeven af van
dat van de interne geluidsbronnen. Als de
geluidssterkte van de externe geluidsbron te
G019823
1.
2.
3.
4.
5.
G021296
G019805
Via de aansluiting in de middenconsole kunt u
een iPod en/of USB-geheugen aansluiten op
het Infotainmentsysteem van de auto.
Kies afhankelijk van het aangesloten type
opslagmedium als volgt de geluidsbron:
211
10 Infotainment
Audiofuncties
10
– Kies iPod of USB met MODE. De melding
Apparaat aansl. verschijnt op het display.
– Sluit het opslagmedium van uw keuze aan
via de aansluiting in het opbergvak van de
middenconsole (zie bovenstaande afbeelding).
De tekst Aan het laden verschijnt op het display, wanneer het systeem bezig is met het
indexeren van de bestanden op het opslagmedium. Dit duurt enige tijd.
Na het indexeren verschijnen de trackgegevens op het display, waarna u een bepaalde
track kunt selecteren.
U kunt op een van de volgende twee manieren
een track selecteren:
• draai de knop TUNING (4) links- of
rechtsom
• of maak gebruik van de pijl-links of pijlrechts van de navigatieknoppen (6) om
naar de track van uw keuze te springen.
Als de auto is uitgerust met een toetsenset op
het stuurwiel, kunt u ook via de toetsenset van
track veranderen.
N.B.
Het systeem biedt ondersteuning van
muziekbestanden in de meest voorkomende formaten zoals mp3, wma en wav.
Er zijn met andere woorden muziekformaten die niet door het systeem worden
ondersteund.
212
USB-geheugen
Om het gebruik van een USB-geheugen te
vereenvoudigen is het beter alleen muziekbestanden in het geheugen op te slaan. Het
indexeren duurt aanzienlijk langer, wanneer er
behalve compatibele muziekbestanden nog
andere bestanden op het opslagmedium
staan.
Mp3-speler
Veel mp3-spelers werken met hun eigen
bestandssysteem die niet ondersteund worden
door het Infotainmentsysteem. Om een dergelijke mp3-speler te kunnen aansluiten op het
systeem, dient de speler in de stand USB
Removable device/Mass Storage Device staan.
iPod-speler
De iPod wordt bijgeladen en gevoed door het
systeem middels de aansluitkabel. Als de batterij in de iPod echter helemaal uitgeput is,
dient u deze eerst op te laden alvorens de
iPod aan te sluiten.
N.B.
Wanneer u muziek op een aangesloten iPod
beluistert, hanteert het Infotainmentsysteem een menustructuur vergelijkbaar met
die van de iPod. Zie de gebruiksaanwijzing
bij de iPod voor gedetailleerde informatie.
Zie het instructieboekje bij het accessoire
USB-/iPod-interface voor meer informatie.
Audio-instellingen
Audio-instellingen bijregelen
Door te drukken op de knop SOUND kunt u
de onderstaande opties doorlopen. U stelt de
opties in door aan de TUNING te draaien.
• BAS – Niveau van de lage tonen.
• TREBLE – Niveau van de hoge tonen.
• FADER – Balans tussen de luidsprekers
voor- en achterin.
• BALANS – Balans tussen de luidsprekers
links en rechts.
• SUBWOOFER 1 – Niveau voor lagetonenluidspreker. De subwoofer moet ingeschakeld zijn om het niveau bij te kunnen
regelen (zie pagina 213).
• MIDDEN 2 – Niveau voor de middenluidspreker. Driekanaals stereoweergave of
Pro Logic II moet zijn ingeschakeld om het
niveau bij te kunnen regelen (zie pagina 213).
• SURROUND 2 – Niveau voor de zogeheten
Ambient Surround Sound. Driekanaals stereoweergave of Pro Logic II moet zijn ingeschakeld om het niveau bij te kunnen
regelen (zie pagina 213).
1 Optie
2
Premium Sound
10 Infotainment
Audiofuncties
Subwoofer activeren/deactiveren
– Druk op MENU en daarna op ENTER.
– Ga naar Audio-instellingen en druk
op ENTER.
– Ga naar Subwoofer en druk op ENTER.
Surround
De Surround-instellingen2 zijn bepalend voor het ruimtelijke effect van
de geluidsweergave. De instellingen
voor de verschillende geluidsbronnen worden elk apart vastgelegd.
Het Dolby-symbool op het display geeft aan
dat Dolby Pro Logic II actief is. De Surroundfunctie kent drie verschillende standen:
• Pro Logic II
• 3-kanaals
• Uit – 2-kanaals
Surround-functie activeren/deactiveren
– Druk op MENU en daarna op ENTER.
– Ga naar Audio-instellingen en druk
op ENTER.
– Ga naar Surround FM/AM/CD/AUX en
druk op ENTER.
– Ga naar Pro Logic II 1, 3-kanaals of Uit en
druk op ENTER.
Equalizer vóór/achter
Met de equalizer2 kunt u de geluidsweergave
vóór en achter apart bijregelen.
Equalizer bijregelen
– Druk op MENU en daarna op ENTER.
– Ga naar Audio-instellingen en druk
op ENTER.
– Ga naar Equalizer voor of
Equalizer achter en druk op ENTER.
– De balken op het display geven het geluidsniveau van de verschillende frequenties
aan.
– Stel het niveau bij met TUNING (4) of met
de pijl-omlaag/pijl-omhoog van de navigatieknop. Met de pijl-links/pijl-rechts van de
navigatieknop kunt u andere frequenties
kiezen.
– Sla de instelling op met ENTER of annuleer
uw keuze met EXIT.
Automatische volumeregeling
Automatische volumeregeling houdt in dat het
volume van de beluisterde geluidsbron wordt
afgestemd op de snelheid van de auto. U hebt
de keuze uit drie standen 3: Laag, Medium en
Hoog.
2 Bepaalde
1
Niet beschikbaar in de standen AM en FM
3
Automatische volumeregeling instellen
– Druk op MENU en daarna op ENTER.
– Ga naar Audio-instellingen en druk
op ENTER.
– Ga naar Automatische volumeregeling en
druk op ENTER.
– Ga naar Laag, Medium of Hoog en druk
op ENTER.
10
Optimale geluidsweergave
Het audiosysteem is gekalibreerd voor optimale geluidsweergave met behulp van digitale
signaalverwerking. Voor ieder automodel wordt
het audiosysteem tijdens de kalibratie perfect
afgestemd op de luidsprekers, de versterker,
de akoestiek in de auto, de positie van de luisteraar e.d. Er is tevens een dynamische kalibratie waarbij rekening wordt gehouden met de
stand van de volumeknop, de radio-ontvangst
en de rijsnelheid. De regelfuncties die in dit
instructieboekje nader verklaard worden (zoals
Bas, Treble en Equalizer) zijn uitsluitend
bedoeld om u de mogelijkheid te bieden de
geluidsweergave naar wens af te stellen.
systeemuitvoeringen
Uitgezonderd Performance Sound
213
10 Infotainment
Radiofuncties
Bediening radiofuncties
10
1
7
2
3
4
6
G019806
5
1. FM/AM – Frequentieband kiezen
2. Voorkeurtoetsen
3. TUNING – Draaiknop voor het zoeken van
zenders
4. SCAN – Scannen
5. Navigatieknop – Zenders zoeken en
menusysteem gebruiken
6. EXIT – Actieve functie beëindigen
7. AUTO – Automatisch voorkeurszenders
vastleggen
Zenders zoeken
214
Handmatig zenders zoeken
– Kies de frequentieband met AM/FM (1).
functie is met name handig in gebieden waar u
de radiozenders en hun frequenties niet kent.
– Stel de frequentie bij door aan de knop
TUNING (3) te draaien.
Het is ook mogelijk een zender vast te leggen
door lang op de pijl-links of pijl-rechts van de
navigatieknop te drukken of via de toetsenset
op het stuurwiel:
– Houd de pijl-links of pijl-rechts van de navigatieknop ingedrukt totdat de gewenste frequentie op het display verschijnt.
Wanneer de frequentiebalk nog op het display
staat kunt u verder zoeken door de pijl-links of
pijl-rechts van de navigatieknop (5) kort in te
drukken.
Automatische vastlegfunctie starten
– Kies de frequentieband met AM/FM (1).
– Houd AUTO (7) ingedrukt, totdat Autom.
Voorkeurzenders vastleggen
U kunt per frequentieband tien voorkeurzenders vastleggen. De FM-band heeft twee
geheugenbanken met voorkeurzenders: FM1
en FM2. U kiest een voorkeurzender met de
voorkeurtoetsen (2) of met de toetsenset op het
stuurwiel.
Handmatig voorkeurzenders vastleggen
– Stem af op een zender.
– Houd een van de voorkeurtoetsen ingedrukt,
totdat de melding Zender opgeslagen op
het display verschijnt.
Automatisch zenders zoeken
– Kies de frequentieband met AM/FM (1).
Automatisch voorkeurzenders
vastleggen
Met AUTO (7) kunt u tot tien goed te ontvan-
– Druk kort op de pijl-links of pijl-rechts van de
navigatieknop (5).
gen radiozenders opzoeken en ze automatisch
vastleggen in een aparte geheugenbank. Deze
opslaan op het display verschijnt.
Wanneer Autom. opslaan van het display verdwijnt, zijn de zenders vastgelegd. De radio
gaat over op de automatische stand en de
tekst Autom. verschijnt op het display. De
automatisch vastgelegde voorkeurzenders zijn
vervolgens rechtstreeks te kiezen met de
voorkeurtoetsen (2).
Automatische vastlegfunctie beëindigen
– Druk op EXIT (6).
Automatisch vastgelegde voorkeurzenders kiezen
Wanneer u de radio in de stand Auto zet, kunt u
gebruik maken van de automatisch vastgelegde voorkeurzenders.
– Druk kort op AUTO (7).
De tekst Autom. verschijnt op het display.
– Druk op een voorkeurtoets (2).
De radio blijft in de automatische stand staan,
totdat u de toetsen AUTO (7), EXIT (6) of AM/
FM (1) korte tijd indrukt.
Automatisch vastgelegde voorkeurzenders in andere geheugenbank opslaan
Het is mogelijk een automatisch vastgelegde
voorkeurzender over te brengen naar de
geheugenbanken voor FM of AM.
10 Infotainment
Radiofuncties
– Druk kort op de toets AUTO (7).
De tekst Autom. verschijnt op het display.
– Druk op een voorkeurtoets.
– Druk op de voorkeurtoets waaraan u de
voorkeurzender wilt koppelen en houd de
toets ingedrukt, totdat de melding
Zender opgeslagen op het display verschijnt.
De radio verlaat de automatische stand waarna
u de vastgelegde voorkeurzender kunt gebruiken.
Scannen
Met SCAN (4) wordt een frequentieband automatisch doorzocht op goed te ontvangen zenders. Wanneer er een zender is gevonden,
wordt deze ca. acht seconden lang weergegeven voordat de zoekfunctie wordt voortgezet.
Scan-functie activeren/deactiveren
– Kies de frequentieband met AM/FM.
– Druk op SCAN om de functie te activeren.
De tekst SCAN verschijnt op het display.
Beëindig de functie met een druk op SCAN of
EXIT.
Gevonden zender als voorkeurzender
vastleggen
Terwijl de functie Scan actief is, kunt u een
gevonden zender als voorkeurzender vastleggen.
– Druk op een voorkeurtoets en houd deze
ingedrukt, totdat de melding
Zender opgeslagen op het display verschijnt.
De Scan-functie wordt beëindigd waarna u de
vastgelegde zender als voorkeurzender kunt
gebruiken.
RDS-functies
RDS (Radio Data System) verbindt FM-zenders
in een netwerk met elkaar. Een FM-zender in
een dergelijk netwerk verstuurt bepaalde informatie, zodat een RDS-radio onder meer de volgende mogelijkheden biedt:
• Automatisch overschakelen op een beter
doorkomende zender als de ontvangst in
een bepaald gebied slecht is.
• Zoeken op programmatype zoals zenders
die verkeersinformatie of nieuws doorgeven.
• Weergeven van informatieve tekst over het
beluisterde radioprogramma.
Sommige radiozenders maken geen gebruik
van RDS of alleen in beperkte mate.
Programmafuncties
Met de radio in de stand FM kunt u radiozenders met een bepaald programmatype zoeken.
Als er een zender met het gewenste programmatype is aangetroffen, kan de radio vervolgens op deze zender overschakelen en de
weergave van de actieve geluidsbron onderbreken. Als de cd-speler bijvoorbeeld actief is,
wordt de weergave daarvan tijdelijk onderbroken. De uitzending met het gekozen programmatype wordt weergegeven op een vooraf
bepaald volume (zie pagina 217). Na afloop van
de uitzending van het gekozen programmatype
geeft de radio de voorgaande geluidsbron
opnieuw weer op het volume dat u daarvoor
had ingesteld.
De programmafuncties alarm (ALARM),
verkeersinformatie (TP), nieuws (NEWS) en
programmatypes (PTY) worden in volgorde van
belangrijkheid weergegeven, waarbij geldt dat
alarm de hoogste prioriteit geniet en de programmatypes de laagste. Zie EON en REG op
pagina 217 voor meer informatie over het
onderbreken van uitzendingen. U kunt van programmafunctie veranderen via het menusysteem (zie pagina 210).
10
Weergave van onderbroken geluidsbron
hervatten
Druk op EXIT om de weergave van de onderbroken geluidsbron te hervatten.
Alarm
De functie wordt gebruikt om de bevolking
attent te maken op ernstige ongelukken of
calamiteiten. U kunt de functie alarm niet tijdelijk onderbreken of deactiveren. De melding
ALARM! verschijnt op het display, wanneer er
een alarmmelding wordt verzonden.
Verkeersinformatie, TP
Bij activering van deze functie wordt
de weergave van de actieve geluidsbron onderbroken voor een uitzending met verkeersinformatie via het
RDS-netwerk van de zender waarop is afge-
215
10 Infotainment
Radiofuncties
10
stemd. De tekst TP geeft aan dat de functie
actief is. Als de zender waarop u hebt afgestemd verkeersinformatie kan doorgeven, staat
er
op het display.
TP activeren/deactiveren
– Druk op MENU en daarna op ENTER.
– Ga naar TP en druk op ENTER.
TP via beluisterde zender/alle zenders
De radio kan de weergave van de actieve
geluidsbron onderbreken voor verkeersinformatie via de (actuele) zender die u beluistert of
via alle zenders.
– Kies een FM-zender.
– Druk op MENU en daarna op ENTER.
– Ga naar Geavanc. radio-instellingen en
druk op ENTER.
– Ga naar TP en druk op ENTER.
– Ga naar TP-zender en druk op ENTER.
Een van de meldingen TP van deze zender of
TP van alle zenders verschijnt op het display.
– Druk op ENTER.
TP zoeken activeren/deactiveren
De functie TP zoeken is handig wanneer u tijdens lange ritten een andere geluidsbron dan
de radio beluistert. De functie speurt dan automatisch verschillende RDS-netwerken af op
zoek naar verkeersinformatie.
– Druk op MENU en daarna op ENTER.
– Ga naar Geavanc. radio-instellingen en
druk op ENTER.
– Ga naar TP en druk op ENTER.
216
– Ga naar TP zoeken en druk op ENTER.
Programmatype, PTY
Nieuws
Met de functie PTY is het mogelijk
verschillende programmatypes te
kiezen zoals Popmuziek en
Klassieke muziek. Het symbool
PTY geeft aan dat de functie actief is. Bij activering van de functie wordt de weergave van
de actieve geluidsbron onderbroken voor een
uitzending van het gekozen programmatype via
het RDS-netwerk van de zender waarop is
afgestemd.
Bij activering van deze functie wordt
de weergave van de actieve geluidsbron onderbroken voor een uitzending met nieuws via het RDS-netwerk
van de zender waarop is afgestemd. De tekst
NEWS geeft aan dat de functie actief is.
Nieuws activeren/deactiveren
– Druk op MENU en daarna op ENTER.
– Ga naar Nieuws en druk op ENTER.
Nieuws via beluisterde zender/alle
zenders
De radio kan de weergave van de actieve
geluidsbron onderbreken voor een nieuwsuitzending via de (actuele) zender die u beluistert
of via alle zenders.
– Kies een FM-zender.
– Druk op MENU en daarna op ENTER.
– Ga naar Geavanc. radio-instellingen en
druk op ENTER.
– Ga naar Nieuwszender en druk op ENTER.
Een van de meldingen
Nieuws van deze zender of
Nieuws van alle zenders verschijnt op het
display.
– Druk op ENTER.
PTY activeren/deactiveren
Kies FM1 of FM2 met de toets FM/AM.
Druk op MENU en daarna op ENTER.
Ga naar PTY en druk op ENTER.
Ga naar PTY selecteren en druk
op ENTER.
Er verschijnt een lijst met programmatypes:
Actualiteiten, Informatie enz. U activeert de
functie PTY door een programmatype te kiezen
en deactiveert de functie door alle PTY’s te
wissen.
– U kunt de gewenste programmatypes kiezen of Alle PTY’s wissen.
–
–
–
–
PTY zoeken
Bij activering van deze functie wordt de gehele
frequentieband doorzocht op uitzendingen van
het gekozen programmatype.
– Activeer de functie PTY.
– Druk op MENU en daarna op ENTER.
– Ga naar PTY en druk op ENTER.
– Ga naar PTY zoeken en druk op ENTER.
10 Infotainment
Radiofuncties
Als de radio een uitzending van een van de
gekozen programmatypes vindt, verschijnt
>| Om te zoeken op het display. Met een druk
op de pijl-rechts van de navigatieknop wordt
verder gezocht naar een andere uitzending van
een van de gekozen programmatypes.
voor een bepaalde radiozender. Soms moet de
radio de gehele FM-band doorzoeken om een
sterk zendersignaal te vinden. In dat geval valt
de radio stil en verschijnt de tekst PI
zoeken Exit is annuleren op het display.
Programmatype weergeven
AF activeren/deactiveren
– Druk op MENU en daarna op ENTER.
Het is mogelijk het programmatype van de zender die u op dat moment beluistert op het display weer te geven.
– Ga naar Geavanc. radio-instellingen en
druk op ENTER.
– Ga naar AF en druk op ENTER.
N.B.
Niet alle radiozenders ondersteunen deze
functie.
Weergave activeren/deactiveren
– Druk op MENU en daarna op ENTER.
– Ga naar PTY en druk op ENTER.
– Ga naar PTY weergeven en druk
op ENTER.
Radiotekst
Sommige RDS-zenders geven informatie door
over de inhoud van de uitzendingen, uitvoerende artiesten e.d. Deze informatie kan op het
display worden weergegeven.
Radiotekst activeren/deactiveren
– Druk op MENU en daarna op ENTER.
– Ga naar Radiotekst en druk op ENTER.
Automatische afstemfunctie, AF
Bij activering van de afstemfunctie AF wordt er
automatisch afgestemd op het sterkste signaal
Regionale radioprogramma’s, REG
De functie REG maakt het mogelijk
om op een bepaalde zender afgestemd te blijven ondanks dat het signaal zwak is. De tekst REG op het
display geeft aan dat de functie actief is. De
functie REG is normaal gesproken uitgeschakeld.
voor uitzendingen van een bepaald programmatype.
• Plaatselijk – Alleen onderbreking wanneer
de zendmast van de radiozender dichtbij is.
• Afstand 1 – Ook onderbreking als de zendmast van de zender ver weg staat en zijn
signaal storingen vertoont.
• Uit – Geen onderbreking voor een uitzending van een bepaald programmatype via
andere zenders.
EON activeren/deactiveren
– Druk op MENU en daarna op ENTER.
– Ga naar Geavanc. radio-instellingen en
druk op ENTER.
– Ga naar EON en druk op ENTER.
– Ga naar Plaatselijk, Afstand of Uit en druk
op ENTER.
RDS-functies resetten
– Ga naar Geavanc. radio-instellingen en
druk op ENTER.
– Ga naar Regionaal en druk op ENTER.
Met de functie Reset alles... kunt u alle fabriekinstellingen voor RDS herstellen.
– Druk op MENU en daarna op ENTER.
– Ga naar Geavanc. radio-instellingen en
druk op ENTER.
– Ga naar Reset alles... en druk op ENTER.
EON (Enhanced Other Networks)
Volumeregeling programmatypes
De functie EON is met name handig in stedelijke gebieden met een groot aantal regionale
radiozenders. Bij activering van de functie is de
afstand tot de zendmast van een radiozender
bepalend voor de vraag of de weergave van de
actieve geluidsbron kan worden onderbroken
De onderbrekende uitzendingen van het gekozen programmatype worden weergegeven op
het volume dat voor het programmatype is
gekozen. Als u het volume tijdens de onderbreking bijregelt, wordt het nieuwe volume opgeslagen voor de volgende onderbreking.
REG activeren/deactiveren
– Druk op MENU en daarna op ENTER.
10
1
Default/Fabrieksinstelling
217
10 Infotainment
Cd-functies
Bediening cd-functies
cd in de invoeropening en schakel over op de
stand CD door op MODE te drukken.
10
Weergave starten (cd-wisselaar)
4
5
Als er een cd-sleuf met een muziek-cd is gekozen, gaat de weergave automatisch van start
wanneer u het audiosysteem inschakelt. Schakel als dat niet het geval is over op de cd-wisselaarstand met MODE en selecteer een cd
met de cijfertoetsen 1–6 of gebruik de pijlomhoog/pijl-omlaag van de navigatieknop.
6
Cd aanbrengen (cd-wisselaar)
3
G019807
2
1
1. Navigatieknop – Vooruit-/achteruitspoelen,
track selecteren en navigeren in menusysteem
2. Positie in cd-wisselaar kiezen1
3. Cd aanbrengen en uitwerpen
4. Opening voor het invoeren en uitwerpen
van cd’s
5. MODE – Geluidsbron selecteren (CD of
AUX)1
6. TUNING – Draaiknop voor het kiezen van
een track
Weergave starten (cd-speler)
Een eventuele muziek-cd in de speler wordt
automatisch afgespeeld, wanneer u het audiosysteem in de stand CD zet. Steek anders een
1 High
218
Performance en Premium Sound
Pauzeren
Wanneer u het volume helemaal omlaagdraait,
wordt de weergave van de cd-speler gepauzeerd. Bij het verhogen van het volume wordt
er verder gespeeld.
Muziekbestanden1
De cd-speler ondersteunt ook muziekbestanden in mp3- en wma-formaat.
N.B.
Sommige muziekbestanden met kopieerbeveiliging kan de speler niet lezen.
– Kies een lege sleuf met de cijfertoetsen 1–6
of met de pijl-omlaag/pijl-omhoog van de
navigatieknop.
Op het display staat aangegeven welke sleuf
leeg is. De tekst Disc plaatsen geeft aan dat u
een volgende cd kunt aanbrengen. De cd-wisselaar biedt plaats aan zes cd’s.
– Steek een cd in de invoeropening van de cdwisselaar.
Wanneer u een cd met muziekbestanden in de
speler aanbrengt, wordt een eventuele mapstructuur op de cd automatisch geladen.
Afhankelijk van de kwaliteit van de cd kan het
enige tijd duren voordat de weergave van start
gaat.
Cd uitwerpen
Navigeren en afspelen
U hebt 12 seconden de tijd om een uitgeworpen cd uit te nemen. Als de cd na afloop van
deze periode nog in de cd-speler zit, wordt de
cd weer ingenomen en verder afgespeeld.
Met een korte druk op de uitwerpknop (3) kunt
u één enkele cd uitwerpen.
Met een lange druk op de uitwerpknop kunt u
alle cd’s uitwerpen. Alle cd’s in het magazijn
worden dan één voor één uitgeworpen. Op het
display verschijnt de tekst Werp uit alles.
geduid met het symbool
Als er een disc met muziekbestanden in de cdspeler zit, kunt u met ENTER de mapstructuur
openen. U navigeert op dezelfde manier in de
mapstructuur als in de menustructuur van het
audiosysteem. Muziekbestanden worden aanen mappen
met
. Met een druk op ENTER gaat het
afspelen van de muziekbestanden van start.
Wanneer een bepaald muziekbestand helemaal
afgespeeld is, worden de overige bestanden in
dezelfde map weergegeven. Nadat alle bestan-
10 Infotainment
Cd-functies
den in een bepaalde map zijn afgespeeld,
wordt er automatisch van map gewisseld.
Druk op de pijl-links/pijl-rechts van de navigatieknop, als het display niet breed genoeg is om
de naam van het muziekbestand in zijn geheel
weer te geven.
Versneld vooruit-/achteruitspoelen/Van
track en muziekbestand wisselen
Door kort op de pijl-rechts/pijl-links van de
navigatieknop te drukken kunt u de tracks op
een cd doornemen. Door lang op dezelfde toetsen te drukken kunt u tracks op een cd versneld vooruit-/achteruitspoelen. U kunt daarvoor ook gebruik maken van TUNING (of van
de toetsenset op het stuurwiel).
Cd doorzoeken
Bij activering van deze functie worden van alle
tracks/muziekbestanden op een cd de eerste
tien seconden weergegeven. Druk op SCAN
om de functie te activeren. Beëindig de functie
met EXIT of SCAN om de weergave van de/
het actuele track/muziekbestand voort te
zetten.
Willekeurige afspeelvolgorde
Bij activering van deze functie speelt de speler
de tracks in willekeurige volgorde af. U kunt de
willekeurig gekozen tracks op de cd op de
gebruikelijke manier doorbladeren.
N.B.
Bij gebruik van de pijl-links of pijl-rechts
wordt alleen een nieuwe willekeurige track op
de afgespeelde cd geselecteerd.
Op het display verschijnt een bepaalde melding
afhankelijk van het type willekeurige afspeelvolgorde dat geselecteerd is:
• RANDOM houdt in dat de tracks op slechts
een van de muziek-cd’s worden afgespeeld.
• RND ALL houdt in dat alle tracks op alle
muziek-cd’s in de cd-speler worden afgespeeld.
• RANDOM FOLDER houdt in dat de
muziekbestanden in een willekeurige map
op de gekozen cd worden afgespeeld.
Activeren/deactiveren (cd-speler)
– Tijdens het afspelen van een normale
muziek-cd:
– Druk op MENU en daarna op ENTER.
– Ga naar Random en druk op ENTER.
Tijdens het afspelen van een cd met muziekbestanden:
– Druk op MENU en daarna op ENTER.
– Ga naar Random en druk op ENTER.
– Ga naar Folder of Disc en druk op ENTER.
Activeren/deactiveren (cd-wisselaar)
Tijdens het afspelen van een normale muziekcd:
– Druk op MENU en daarna op ENTER.
– Ga naar Random en druk op ENTER.
– Ga naar Enkele disc of Alle discs en druk
op ENTER.
Het alternatief Alle discs geldt alleen voor de
muziek-cd’s die in de cd-wisselaar zitten.
10
Tijdens het afspelen van een cd met muziekbestanden:
– Druk op MENU en daarna op ENTER.
– Ga naar Random en druk op ENTER.
– Ga naar Enkele disc of Folder en druk op
ENTER.
Wanneer u een andere cd kiest, wordt de functie gedeactiveerd.
Disctekst
Eventuele titelgegevens op de cd kunnen via
het display worden weergegeven1.
Activeren/deactiveren
– Start de weergave van een cd.
– Druk op MENU en daarna op ENTER.
– Ga naar Tekst disc en druk op ENTER.
Cd’s
Bij gebruik van cd’s met een slechte kwaliteit is
het mogelijk dat het geluid te wensen overlaat
of zelfs helemaal uitblijft.
BELANGRIJK
Speel uitsluitend standaard-cd’s met een
diameter van 12 cm af. Gebruik geen cd’s
met een opgeplakt etiket. Door warmteontwikkeling in de cd-speler kan het etiket losraken en schade aan de cd-speler
veroorzaken.
1
Geldt alleen voor de cd-wisselaar
219
10 Infotainment
Menusysteem – audiosysteem
10
Menu FM
Menu AUX
1.
2.
3.
4.
5.
6.
1.
2.
3.
4.
Nieuws
TP
PTY
Radiotekst
Geavanc. radio-instellingen
Audio-instellingen1
Menu AM
1. Audio-instellingen1
Menu CD
1.
2.
3.
4.
5.
Willekeurige afspeelvolgorde
Nieuws
TP
Disctekst
Audio-instellingen1
Menu cd-wisselaar
1.
2.
3.
4.
5.
Willekeurige afspeelvolgorde
Nieuws
TP
Disctekst
Audio-instellingen1
1 Bepaalde
220
systeemuitvoeringen
AUX-volume
Nieuws
TP
Audio-instellingen1
10 Infotainment
Telefoonfuncties (optie)
10
Onderdelen van het telefoonsysteem
221
10 Infotainment
Telefoonfuncties (optie)
10
1. Antenne
2. Toetsenset op stuurwiel (optie)
Met de toetsenset kunt u de meeste functies
van het telefoonsysteem regelen (zie
pagina 223).
3. Microfoon
De microfoon voor handsfree bellen is in de
plafondconsole bij de achteruitkijkspiegel
geïntegreerd.
4. Bedieningspaneel op middenconsole
Via het bedieningspaneel kunt u alle functies
van het telefoonsysteem (behalve het
gespreksvolume) regelen.
5. Handset (optie)
6. Simkaartlezer
Algemene informatie
• De verkeersveiligheid staat altijd voorop.
• Als u als bestuurder gebruik wilt maken van
de handset, moet u de auto eerst op een
veilige plaats parkeren.
• Schakel het telefoonsysteem uit tijdens het
tanken.
222
• Schakel het systeem uit in gebieden waar
met explosieven wordt gewerkt.
• Laat reparatiewerkzaamheden aan het telefoonsysteem over aan een erkende Volvowerkplaats.
Simkaart
Noodoproepen
Ook zonder een simkaart is het mogelijk het
alarmnummer te bellen. Uw auto moet zich
echter wel binnen het dekkingsgebied van een
gsm-provider bevinden.
Noodoproep doen
– Activeer het telefoonsysteem.
– Kies het alarmnummer van het land waarin
u zich bevindt (112 binnen de EU).
– Druk op ENTER.
IDIS
Met het IDIS-systeem (Intelligent Driver Information System) kunt u een vertraging inbouwen voor telefoongesprekken en sms-berichten, zodat u zich op het rijden kunt concentreren. Inkomende gesprekken en sms-berichten kunnen vijf seconden worden vertraagd,
voordat er verbinding tot stand wordt
gebracht. De gemiste gesprekken verschijnen
op het display. IDIS kan worden uitgeschakeld
met menufunctie 5.6.2 (zie pagina 229).
G020244
Onderdelen van het telefoonsysteem
Het telefoonsysteem is alleen te gebruiken in
combinatie met een geldige simkaart (Subscriber Identity Module). De kaart is verkrijgbaar bij verschillende providers. Neem bij problemen met de simkaart contact op met de
netwerkprovider.
N.B.
De geïntegreerde telefoon kan geen simkaart van het type 3G lezen. Een gecombineerde simkaart voor 3G én gsm werkt
echter wel. Neem contact op met uw netwerkprovider om na te gaan of u van simkaart moet veranderen.
10 Infotainment
Telefoonfuncties (optie)
Twee simkaarten
Veel netwerkproviders bieden een extra simkaart voor hetzelfde telefoonnummer aan. De
extra simkaart kunt u in de auto gebruiken.
Bediening telefoon
1
Toetsenset op stuurwiel
1
2
10
2
Simkaart aanbrengen
Menufuncties
Op pagina 210 vindt u een beschrijving van de
wijze waarop u de telefoonfuncties via het
menusysteem kunt sturen.
Verkeersveiligheid
Om veiligheidsredenen zijn bepaalde delen
van het menusysteem voor de telefoon niet
toegankelijk bij snelheden hoger dan 8 km/h.
U kunt een begonnen activiteit in het
menusysteem echter nog wel beëindigen.
Deze snelheidsbegrenzing kan worden opgeheven met de menufunctie
5.6.1 Menuvergrend. (zie pagina 228).
7
3
6
4
5
Bedieningspaneel in middenconsole
1. VOLUME – Het achtergrondvolume van
de radio e.d. regelen tijdens een gesprek
2. Cijfer- en lettertoetsen
3. MENU – Hoofdmenu openen
4. EXIT – Gesprekken beëindigen/weigeren, ingevoerde tekens wissen
5. Navigatieknop – Navigeren in menu’s en
tekenregels
6. ENTER – Gesprekken aannemen, telefoon activeren die stand-by staat
7. PHONE – Aan/uit en stand-by
4
G020243
3
G019809
– Schakel het telefoonsysteem uit en open
het dashboardkastje.
– Trek de simkaarthouder (1) uit de simkaartlezer.
– Plaats de simkaart dusdanig in de houder
dat de kant met het metaal zichtbaar is.
Zorg dat de afgeschuinde hoek van de
simkaart overeenkomt met die van de simkaarthouder.
– Duw de simkaarthouder voorzichtig weer
naar binnen.
Wanneer de telefoon in de actieve stand staat,
kunt u met de toetsenset op het stuurwiel
alleen de telefoonfuncties regelen. Als u de
toetsen wilt gebruiken om instellingen in het
audiosysteem te verrichten, moet u eerst de
telefoon stand-by zetten.
1. ENTER – Dezelfde functie als de overeenkomstige toets op het bedieningspaneel
2. EXIT – Dezelfde functie als de overeenkomstige toets op het bedieningspaneel
3. Gespreksvolume – Verhogen/verlagen
4. Navigatietoetsen – Menu’s doornemen
223
10 Infotainment
Telefoonfuncties (optie)
Aan/uit
10
Wanneer het telefoonsysteem actief is of
stand-by staat, staat er een hoorn op het display. Als u de contactsleutel naar stand 0
draait terwijl het telefoonsysteem actief is of
stand-by staat, zal het telefoonsysteem eveneens actief zijn of stand-by staan wanneer u
de contactsleutel opnieuw naar stand I of II
draait.
Telefoonsysteem activeren
U kunt alleen gebruik maken van de functies
van het telefoonsysteem, wanneer de telefoon
in de actieve stand staat.
– Druk op PHONE.
– Voer (zo nodig) de pincode in en druk op
ENTER.
Telefoonsysteem deactiveren
Wanneer het telefoonsysteem gedeactiveerd
is kunt u geen gesprekken beantwoorden.
– Houd de toets PHONE ingedrukt totdat de
telefoon geactiveerd is.
Stand-by
In stand-by is het mogelijk het audiosysteem
te beluisteren in afwachting van een inkomend
gesprek. In stand-by is het echter niet mogelijk zelf te bellen.
224
Telefoon stand-by zetten
U kunt de telefoon alleen vanuit de actieve
stand stand-by zetten.
– Druk op PHONE of op EXIT.
Activeren vanuit stand-by
– Druk op PHONE.
Gespreksfuncties
Als de handset is opgenomen bij het begin
van een telefoongesprek, zal het geluid via de
handsfree worden weergegeven. Zie
pagina 227 voor het wisselen tussen handset
en handsfree.
Bellen
– Activeer (zo nodig) het telefoonsysteem.
– Voer het gewenste nummer in of gebruik
het telefoonboek (zie pagina 226).
– Druk op ENTER of neem de handset op. U
moet de handset omlaagduwen om deze te
kunnen opnemen.
Gesprekken aannemen
Zie menu-optie 4.3 op pagina 228 voor het
automatisch aannemen.
– Druk op ENTER of neem de handset op. U
moet de handset omlaagduwen om deze te
kunnen opnemen.
Gesprekken weigeren
– Druk op EXIT.
Wisselgesprek
Als er tijdens een lopend telefoongesprek een
nieuwe oproep inkomt, hoort u twee signalen.
Op het display verschijnt de tekst Antwoorden?. U kunt het tweede gesprek weigeren of
aannemen op de gebruikelijke manier. Als u
het tweede gesprek aanneemt, wordt het eerste gesprek in de wacht gezet.
Gesprekken in de wacht zetten/
hervatten
– Druk op MENU.
– Ga naar Wacht of Wacht uit en druk op
ENTER.
Ruggespraak tijdens lopende
gesprekken
– Zet het eerste gesprek in de wacht.
– Voer het telefoonnummer van de derde
partij in.
Wisselen tussen gesprekspartners
– Druk op MENU.
– Ga naar Swap en druk op ENTER.
Conferentiegesprek starten
Gesprekken beëindigen
– Druk op EXIT of leg de handset op.
Bij een conferentiegesprek kunnen minstens
drie gesprekspartners met elkaar praten.
Wanneer een conferentiegesprek eenmaal
10 Infotainment
Telefoonfuncties (optie)
gestart is, kunnen er geen nieuwe gesprekspartners worden aangesloten. Alle lopende
gesprekken worden beëindigd bij het afsluiten van een conferentiegesprek.
– Begin twee telefoongesprekken.
– Druk op MENU.
– Ga naar Koppelen en druk op ENTER.
Volume
Het telefoonsysteem maakt gebruik van de
luidspreker in het bestuurdersportier of van de
middenluidspreker1.
Gespreksvolume
U regelt het gespreksvolume
met de toetsenset op het
stuurwiel.
Bij gebruik van de handset
kunt u het gespreksvolume
regelen met een draaiknop
op de zijkant van de handset.
Volume audiosysteem
Tijdens een telefoongesprek wordt het volume
van het audiosysteem tijdelijk verlaagd. Na
afloop van het gesprek speelt het audiosysteem op het oude volume verder. Als u het
volume van het audiosysteem bijregelt tijdens
het gesprek, speelt het audiosysteem na
afloop van het gesprek op het nieuwe volume
1
verder. Het is ook mogelijk om het geluid van
het audiosysteem bij telefoongesprekken
automatisch uit te zetten (zie menu 5.5.3 op
pagina 229). Deze mogelijkheid geldt alleen
voor het geïntegreerde telefoonsysteem van
Volvo.
1
spatie 1 - ? ! , . : " ' ( )
2
abc2äåàæç
3
def3èé
4
ghi4ì
5
jkl5
Tekst invoeren
6
mno6ñöòØ
U kunt tekst invoeren met de toetsenset op de
telefoon.
7
pqrs7ß
8
tuv8üù
– Druk op de toets met het teken van uw
keuze: druk eenmaal om het eerste teken
op de toets in te voeren, tweemaal om het
tweede teken in te voeren enz. (zie tabel).
– Druk op de 1 om een spatie in te voegen.
Om tweemaal achtereen hetzelfde teken op
de toets in te voeren moet u * drukken of
enige seconden wachten.
Bij kort indrukken van EXIT wist u het laatst
ingevoerde teken. Bij lang indrukken van EXIT
wist u alle ingevoerde tekens.
9
wxyz9
*
Om tweemaal achtereen hetzelfde
teken op de toets in te voeren
0
+0@*#&$£/%
#
wisselen tussen hoofdletters en
kleine letters.
10
Nummerfuncties
Laatst gekozen nummers
Het telefoonsysteem slaat automatisch de
laatst gekozen telefoonnummers op.
– Druk op ENTER.
– Ga naar een van de opgeslagen nummers
en druk op ENTER.
Telefoonboek
Als het telefoonboek contactgegevens bevat
over het nummer waar een inkomend gesprek
vandaan komt, verschijnen gegevens deze op
het display. De contactgegevens kunnen op
Premium Sound
225
10 Infotainment
Telefoonfuncties (optie)
de simkaart en in het telefoongeheugen worden vastgelegd.
10
Contactgegevens vastleggen in telefoonboek
– Druk op MENU.
– Ga naar Telefoonboek en druk op ENTER.
– Ga naar Nieuwe invoer en druk op
ENTER.
– Voer een naam in en druk op ENTER.
– Voer een nummer in en druk op ENTER.
– Ga naar SIM-kaart of Telefoon en druk op
ENTER.
Contactgegevens zoeken in telefoonboek
Wanneer u op de pijl-omlaag van de navigatieknop drukt in plaats van op de toets MENU,
gaat u rechtstreeks naar het menu Zoeken
naar.
Druk op MENU.
Ga naar Telefoonboek en druk op ENTER.
Ga naar Zoeken naar en druk op ENTER.
Voer de eerste letter in van de post die u
zoekt en druk vervolgens op ENTER of
druk meteen op ENTER.
– Ga naar de post die u zoekt en druk op
ENTER.
–
–
–
–
Kopiëren tussen simkaart en
telefoonboek
– Druk op MENU.
226
– Ga naar Telefoonboek en druk op ENTER.
– Ga naar Alles kopie en druk op ENTER.
– Ga naar SIM naar tel of Tel naar SIM en
druk op ENTER.
Contactgegevens verwijderen uit telefoonboek
– Druk op MENU.
– Ga naar Telefoonboek en druk op ENTER.
– Ga naar Zoeken naar en druk op ENTER.
– Voer de eerste letter in van de post die u
zoekt en druk vervolgens op ENTER of
druk meteen op ENTER.
– Ga naar de post die u wilt verwijderen en
druk op ENTER.
– Ga naar Wissen en druk op ENTER.
Alle posten wissen
– Druk op MENU.
– Ga naar Telefoonboek en druk op ENTER.
– Ga naar SIM wissen of Wis telefoon en
druk op ENTER.
Toets zo nodig de telefooncode in. De
fabriekscode is 1234.
Verkort kiezen
– Ga naar Telefoonboek en druk op ENTER.
– Ga naar One-key bell. en druk op ENTER.
– Ga naar Nummer kiezen en druk
op ENTER.
– Ga naar het cijfer van de toets waaraan u
het telefoonnummer wilt koppelen en druk
op ENTER.
– Voer de eerste letter in van de post die u
zoekt en druk vervolgens op ENTER of
druk meteen op ENTER.
– Ga naar de post die u zoekt en druk
op ENTER.
– Houd EXIT ingedrukt om het menusysteem
te verlaten.
Verkort kiezen
– Houd de gewenste toets van de toetsenset
ca. twee seconden lang ingedrukt of druk
kort op de toets gevolgd door ENTER.
N.B.
Na inschakeling van de telefoon duurt het
enkele seconden, voordat u gebruik kunt
maken van de functie verkort kiezen.
Om verkort te kunnen kiezen moet de optie
One-key bell. in het menu Telefoonboek (zie
pagina 230) geactiveerd zijn.
Aan de cijfertoetsen van de toetsenset (1–9)
kunt u een telefoonnummer koppelen van een
van de contactgegevens in het telefoonboek.
Bellen via telefoonboek
– Druk op MENU.
– Druk op MENU.
10 Infotainment
Telefoonfuncties (optie)
– Ga naar Telefoonboek en druk op ENTER.
Alle posten in het telefoonboek worden weergegeven. U kunt het aantal weergegeven posten verkleinen door een deel van de naam van
de post in te voeren die u zoekt.
– Ga naar een post en druk op ENTER.
N.B.
Druk op ENTER om te bellen.
Functies tijdens lopende gesprekken
Tijdens een lopend gesprek staan u meerdere
functies ter beschikking. Sommige functies
zijn alleen te activeren als een gesprek in de
wacht staat.
Druk op MENU om het gespreksmenu te openen en ga naar een van de volgende opties:
• Mute/Mute uit – Ruggespraakstand
• Wacht/Wacht uit – Lopend gesprek in de
wacht zetten of hervatten
• Handsfree/Handset – Handsfree of handset gebruiken
• Telefoonboek – Telefoonboek weergeven
• Koppelen – Telefonische vergadering voeren (mogelijk bij aansluiting van minimaal
drie partijen)
• Swap – Wisselen tussen twee gesprekken
(mogelijk bij aansluiting van maximaal drie
partijen)
Sms (Short Message Service)
Sms lezen
– Druk op MENU.
– Ga naar Berichten en druk op ENTER.
– Ga naar Lezen en druk op ENTER.
– Ga naar een bericht en druk op ENTER.
De inhoud van het bericht verschijnt op het
display. U krijgt andere opties te zien wanneer
u ENTER indrukt. Houd EXIT ingedrukt om
het menusysteem te verlaten.
Specificaties
Vermogen
2W
Simkaart
Klein
Geheugenposities
2551
Sms (Short Message Service)
Ja
Data/Fax
Nee
Dualband (900/1800 MHz)
Ja
10
1
Het aantal geheugenposities op de simkaart
verschilt per abonnement.
Schrijven en verzenden
– Druk op MENU.
–
–
–
–
–
Ga naar Berichten en druk op ENTER.
Ga naar Opstellen en druk op ENTER.
Schrijf de tekst en druk op ENTER.
Ga naar Verzenden en druk op ENTER.
Voer een telefoonnummer in en druk
op ENTER.
IMEI-nummer
Om de telefoon te blokkeren moet u het IMEInummer van de telefoon aan uw netwerkprovider doorgeven. Dit nummer is een serienummer bestaande uit 15 cijfers dat in de telefoon
geprogrammeerd is. Toets *#06# op uw telefoon in om het nummer op het display te zien.
Noteer het nummer en bewaar het op een veilige plaats.
227
10 Infotainment
Menusysteem – telefoon
Overzicht
10
1. Logboek
1.1. Gemist
1.2. Ontvangen
1.3. Gebeld
1.4. Wis bellijst
1.4.1.
Alle gespr.
1.4.2.
Gemist
1.4.3.
Ontvangen
1.4.4.
Gebeld
1.5. Belduur
1.5.1.
Laatste gespr.
1.5.2.
Gespreksteller
1.5.3.
Totale tijd
1.5.4.
Reset timers
2. Berichten
2.1. Lezen
2.2. Opstellen
2.3. Bericht inst.
2.3.1.
SMSC nummer
2.3.2.
Geldigh.duur
2.3.3.
Soort bericht
228
3. Telefoonboek
3.1. Nieuwe invoer
3.2. Zoeken
3.3. Alles kopie
3.3.1.
SIM naar tel
3.3.2.
Tel naar SIM
3.4. One-key bell.
3.4.1.
Actief
3.4.2.
Nummer kiezen
3.5. SIM wissen
3.6. Wis telefoon
3.7. Geheugengebr.
4. Belopties
4.1. Nummer verz.
4.2. Oproep wacht
4.3. Autom. antw.
4.4. Autom. herh.
4.5. Doorschakel.
4.5.1.
Alle gespr.
4.5.2.
Indien bezet
4.5.3.
Niet beantw.
4.5.4.
Niet bereikb.
4.5.5.
Faxoproepen
4.5.6.
Data-gesprek
4.5.7.
Alles annul.
5. Instellingen
5.1. Netwerk
5.1.1.
Automatisch
5.1.2.
Handm. kiezen
5.2. Taal
5.2.1.
English UK
5.2.2.
English US
5.2.3.
Español
5.2.4.
Français CAN
5.2.5.
Français FR
5.2.6.
Italiano
5.2.7.
Nederlands
5.2.8.
Português BR
5.2.9.
Português P
5.2.10. Suomi
5.2.11. Svenska
5.2.12. Dansk
5.2.13. Deutsch
5.3. SIM beveil.
5.3.1.
Aan
5.3.2.
Uit
5.3.3.
Automatisch
5.4. Code bewerk.
5.4.1.
PIN-code
5.4.2.
Telefooncode
5.5. Geluiden
5.5.1.
Belvolume
5.5.2.
Belsignaal
10 Infotainment
Menusysteem – telefoon
5.5.3.
Radio mute
5.5.4.
Berichttoon
5.6. Rij veilig
5.6.1.
Menuvergrend.
5.6.2.
IDIS
5.7. Fabrieksinst.
Beschrijving van menu-opties
1. Logboek
1.1. Gemist
Lijst met gemiste oproepen. U kunt de bijbehorende nummers bellen, wissen of in het
telefoonboek opslaan.
1.2. Ontvangen
Lijst met beantwoorde gesprekken. U kunt de
bijbehorende nummers bellen, wissen of in het
telefoonboek opslaan.
1.3. Gebeld
Lijst met eerder gebelde nummers. U kunt de
bijbehorende nummers bellen, wissen of in het
telefoonboek opslaan.
1.4. Wis bellijst
De lijsten wissen in de menu’s 1.1, 1.2 en 1.3
zoals hieronder beschreven.
1.4.1.
Allemaal
1.4.2.
Gemist
1.4.3.
Ontvangen
1.4.4.
Gebeld
1.5. Belduur
De duur van alle gesprekken of van het laatste
gesprek. Om de gespreksteller te resetten
hebt u de telefooncode nodig (zie menu 5.4).
1.5.1.
1.5.2.
Laatste gespr.
Gespreksteller
1.5.3.
1.5.4.
Totale tijd
Reset timers
10
2. Berichten
2.1. Lezen
Ontvangen sms-berichten. U kunt de gelezen
berichten (of delen ervan) wissen, doorsturen,
wijzigen of opslaan.
2.2. Opstellen
Met de toetsenset een bericht invoeren.
U kunt het bericht vervolgens opslaan of
versturen.
2.3. Bericht inst.
Het nummer (SMSC-nummer) van de mailbox
aangeven, waarnaar u uw berichten wilt doorschakelen. Neem contact op met uw netwerkprovider voor informatie over de instellingen
en het SMSC-nummer. U hoeft de instellingen
normaal gesproken niet te wijzigen.
2.3.1.
2.3.2.
2.3.3.
SMSC nummer
Geldigh.duur
Soort bericht
3. Telefoonboek
3.1. Nieuwe invoer
Namen en telefoonnummers vastleggen in het
telefoonboek (zie pagina 225).
229
10 Infotainment
Menusysteem – telefoon
3.2. Zoeken
10
Namen in het telefoonboek zoeken.
3.3. Alles kopie
Telefoonnummers en namen op de simkaart
kopiëren naar het geheugen van de telefoon.
3.3.1.
Van het geheugen op de
simkaart naar dat van de
telefoon
3.3.2.
Van het geheugen van de
telefoon naar dat op de simkaart
3.4. One-key bell.
Nummers die zijn vastgelegd in het telefoonboek koppelen aan een sneltoets voor verkort
kiezen.
3.5. SIM wissen
Het geheugen op de simkaart geheel wissen.
3.6. Wis telefoon
Het complete geheugen van de telefoon wissen.
3.7. Geheugengebr.
Bekijken hoeveel geheugenposities er in
beslag genomen worden in het geheugen van
de simkaart en in dat van de telefoon. In de
tabel staat aangegeven hoeveel van de
beschikbare positie er in gebruik zijn
(bijvoorbeeld 100 (250)).
230
4. Belopties
4.1. Nummer verz.
4.5.6.
4.5.7.
Aangeven of uw eigen telefoonnummer wel of
niet op het display van de gebelde persoon
moet verschijnen. Neem contact op met de
netwerkprovider voor een permanent geheim
nummer.
5. Instellingen
5.1. Netwerk
4.2. Oproep wacht
Aangeven of u wel of geen signaal wilt ontvangen, wanneer er tijdens een lopend gesprek
een tweede gesprek wacht.
4.3. Autom. antw.
Inkomende gesprekken automatisch beantwoorden.
4.4. Autom. herh.
Een eerder gekozen nummer bellen.
4.5. Doorschakel.
Aangeven welke soorten gesprekken er moeten worden doorgeschakeld naar het gespecificeerde telefoonnummer en wanneer.
4.5.1.
4.5.2.
4.5.3.
4.5.4.
4.5.5.
Alle gespr. (de instelling geldt
alleen tijdens het lopende
gesprek)
Indien bezet
Niet beantw.
Niet bereikb.
Faxoproepen
Data-gesprek
Alles annul.
Aangeven of u automatisch of handmatig netwerken wilt selecteren. De geselecteerde provider verschijnt tijdens het inschakelen van het
telefoonsysteem op het display.
5.1.1.
Auto
5.1.2.
Handm. kiezen
5.2. Taal
De taal van het telefoonsysteem aangeven.
5.2.1.
5.2.2.
5.2.3.
5.2.4.
5.2.5.
5.2.6.
5.2.7.
5.2.8.
5.2.9.
5.2.10.
5.2.11.
5.2.12.
5.2.13.
English UK
English US
Español
Français CAN
Français FR
Italiano
Nederlands
Português BR
Português P
Suomi
Svenska
Dansk
Deutsch
10 Infotainment
Menusysteem – telefoon
5.3. SIM beveil.
Aangeven of de invoer van de pincode actief
of inactief moet zijn of automatisch moet verlopen.
5.3.1.
Aan
5.3.2.
Uit
5.3.3.
Automatisch
5.4. Code bewerk.
De pincode of telefooncode wijzigen. Noteer
de codes en bewaar ze op een veilige plek.
5.4.1.
5.4.2.
PIN-code
Telefooncode. De fabrieksinstelling voor de telefooncode is
1234 geldt zolang u de code
niet hebt gewijzigd. U hebt de
telefooncode nodig om de
gespreksteller te resetten.
5.5. Geluiden
5.5.1.
Belvolume. Het volume van het
belsignaal regelen.
5.5.2.
Belsignaal. Uit zeven verschillende belsignalen kiezen.
5.5.3.
Radio mute: On/off
5.5.4.
Berichttoon
5.6. Rij veilig
5.6.1.
Menuvergrend. Bij het opheffen
van de menuvergrendeling hebt
u tijdens het rijden toegang tot
alle delen van het
menusysteem.
5.6.2.
IDIS. Als u de functie IDIS
uitschakelt, worden inkomende
gesprekken ongeacht de rijsituatie zonder vertraging
doorgegeven.
5.7. Fabrieksinst.
10
De fabriekinstellingen van het systeem
herstellen.
231
Type-aanduiding ..................................................................................... 234
Maten en gewichten ............................................................................... 235
Motorspecificaties .................................................................................. 237
Motorolie ................................................................................................ 239
Vloeistoffen en smeermiddelen .............................................................. 243
Brandstof ............................................................................................... 245
Katalysator ............................................................................................. 249
Elektrisch systeem ................................................................................. 250
Typegoedkeuring .................................................................................... 252
232
SPECIFICATIES
11
11 Specificaties
Type-aanduiding
Wanneer u contact opneemt met de erkende
Volvo-werkplaats of vervangende onderdelen
of accessoires wilt bestellen, kan het handig
zijn om de type-aanduiding, het chassisnummer en het motornummer bij de hand te hebben.
1
11
2
1. Type-aanduiding, chassisnummer, maximaal toelaatbaar gewicht, kleurcodes voor
lak en bekleding en typegoedkeuringsnummer.
2. Sticker voor standverwarming
3. Type-aanduiding, onderdeel- en serienummer van de motor
4. Sticker voor motorolie
5. Type-aanduiding en serienummer van
de versnellingsbak:
(a) handgeschakelde versnellingsbak
HFGDOIHV
HFGJJFFO
I
BFDRYOIHV
Gfdr_urtvb
Seyj_tu
Fkfu
Ohtk_jdtr
Mgdh_ ytegf
Seyj_tu
Fkfu
Ehdfjljl_ncy
3
B5254S
1234567
(b), (c) automatische versnellingsbak
P9480743
P 1208632
M56L
T 100001
3,77
AISIN AW
MADE IN JAPAN
CO
55-50
5a
234
1064012010
6. VIN (type- en modeljaaraanduiding alsmede chassisnummer)
De typegoedkeuring van de auto bevat meer
informatie over de auto.
6
LTD
XXXXX
XXXXX XX
XXXXX
SERIAL NO
YV1LS5502N2000327
5b
5c
G010573
Engine oil quality: XXX
Viscosity: XXX
xxxxxxxx
4
11 Specificaties
Maten en gewichten
Maten
C
D
11
E
G
H
I
G017205
A
F
B
Positie op afbeelding
Maten
A
Wielbasis
2640
mm
B
Lengte
4522
C
Laadlengte, vloer,
achterbank neergeklapt
1766
D
Laadlengte, vloer
989
E
Hoogte
1457
F
Spoorbreedte vooras
1535
G
Spoorbreedte achteras
1531
H
Breedte
1770
I
Breedte incl. buitenspiegels
2022
235
11 Specificaties
Maten en gewichten
Gewichten
Geremde aanhanger
1
2
3
4
5
WAARSCHUWING
Afhankelijk van de belading van de auto en
het zwaartepunt van de lading treden er wijzigingen in de rijeigenschappen op.
Zie pagina 234 voor de positie van de sticker.
1. Max. totaalgewicht
2. Max. treingewicht (auto + aanhanger)
3. Max. voorasdruk
4. Max. achterasdruk
5. Uitrustingsniveau
Max. belasting: zie typegoedkeuring.
Max. dakbelasting: 75 kg
236
Max. aanhangergewicht (kg)
Max.
kogeldruk (kg)
1.6 1200
1.6D 1300
1.8 1300
2.0 1350
overige 1500
75
Ongeremde aanhanger
G016008
11
Bij het rijklaar gewicht zijn het gewicht van de
bestuurder, dat van de brandstoftank die voor
90 % gevuld is en dat van de resterende oliën/
vloeistoffen e.d. inbegrepen. Het gewicht van
de passagiers en de gemonteerde accessoires zoals een trekhaak (en de kogeldruk daarvan bij gebruik van een aanhanger (zie tabel)),
lastdragers, skibox e.d. zijn van invloed op de
laadcapaciteit en zijn niet inbegrepen bij het
rijklaar gewicht. Toelaatbare belasting (zonder
bestuurder) = totaalgewicht – rijklaar gewicht.
Max. aanhangergewicht (kg)
Max.
kogeldruk (kg)
700
50
11 Specificaties
Motorspecificaties
1.6
1.8
1.8F
2.0
2.4
2.4i
T5
Motoraanduiding
B4164S3
B4184S11
B4184S8
B4204S3
B5244S5
B5244S4
B5254T7
Vermogen (kW bij omw/min)
74/6000
92/6000
92/6000
107/6000
103/5000
125/6000
169/5000
(pk bij omw/min)
100/6000
125/6000
125/6000
145/6000
140/5000
170/6000
230/5000
Motorkoppel (Nm bij omw/min)
150/4000
165/4000
165/4000
185/4500
220/4000
230/4400
320/1500–5000
Aantal cilinders
4
4
4
4
5
5
5
Cilinderboring (mm)
79
83
83
87
83
83
83
Slaglengte (mm)
81,4
83,1
83,1
83,0
90,0
90,0
93,2
Cilinderinhoud (liter)
1,60
1,80
1,80
1,99
2,44
2,44
2,52
Compressieverhouding
11,0:1
10,8:1
10,8:1
10,8:1
10,3:1
10,3:1
9,0:1
11
Type-aanduiding, onderdeel- en serienummer
van de motor vindt u op de motor (zie
pagina 234).
237
11 Specificaties
Motorspecificaties
11
1.6D
2.0D
Motoraanduiding
D4164T
D4204T
D5244T9
Vermogen (kW bij omw/min)
80/4000
100/4000
120/5500
132/4000
(pk bij omw/min)
109/4000
136/4000
163/5500
180/4000
Motorkoppel (Nm bij omw/min)
240/-
320/2000
340/1750-2750
350/1750-3250
Aantal cilinders
4
4
5
5
Cilinderboring (mm)
75
85
81
81
Slaglengte (mm)
88,3
88,0
93,2
93,2
Cilinderinhoud (liter)
1,56
2,00
2,40
2,40
Compressieverhouding
18,3:1
18,5:1
17,0:1
17,0:1
1België
Type-aanduiding, onderdeel- en serienummer
van de motor vindt u op de motor (zie
pagina 234).
238
2.4D
D5
1
D5244T8
11 Specificaties
Motorolie
Ongunstige rijomstandigheden
• met een caravan of aanhanger achter de
auto
• in bergachtig gebied
• op hoge snelheden
• in temperaturen lager dan –30 C of hoger
dan +40 C
In dergelijke omstandigheden kunnen de olietemperatuur en het olieverbruik abnormaal
toenemen.
Controleer het oliepeil eveneens vaker bij
korte ritten (over afstanden kleiner dan 10 km)
bij lage temperaturen (onder +5 C).
Kies een volsynthetische motorolie bij ongunstige rijomstandigheden. Ze bieden de motor
extra bescherming.
Volvo adviseert olieproducten van Castrol.
Viscositeitsdiagram
BELANGRIJK
Om aan vereisten voor de gespecificeerde
service-intervallen te voldoen worden alle
motoren in de fabriek gevuld met een speciaal aangepaste, synthetische motorolie.
De oliesoort werd met grote zorg geselecteerd lettend op de levensduur van de motor, de startgewilligheid, het
brandstofverbruik en de milieu-impact.
Om de aanbevolen service-intervallen aan
te kunnen houden dient u een goedgekeurde motoroliesoort te gebruiken. Gebruik alleen een oliesoort van de voorgeschreven
kwaliteit (zie sticker in motorruimte) en dat
zowel bij het bijvullen als bij het verversen
van olie. Een negatieve invloed op de levensduur van de motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieuimpact is anders niet uitgesloten.
Volvo Car Corporation wijst alle garantieclaims af bij gebruik van een motorolie die
niet voldoet aan de voorgeschreven kwaliteits- en viscositeitseisen.
11
G020236
Controleer het oliepeil vaker bij lange ritten:
239
11 Specificaties
Motorolie
Oliesticker
xxxxxxxx
Oliekwaliteit: ACEA A3/B3/B4
Viscositeit: SAE 0W–30
G020235
Engine oil quality: ACEA A3/B3/B4
Viscosity: SAE 0W-30
11
Bij ritten onder ongunstige omstandigheden
ACEA A5/B5 SAE 0W-30 gebruiken.
Motortype
Bij te vullen hoeveelheid tussen
MIN–MAX (liter)
Hoeveelheid1
(liter)
2.4
B5244S52
1,3
5,8
2.4i
B5244S42
T5
B5254T72
1Inclusief
2
240
Wanneer de nevenstaande oliesticker in de
motorruimte zit (zie pagina 234 voor de positie), geldt het volgende:
hoeveelheid in filter
Geldt niet voor Europa. Zie pagina 242 voor Europa.
11 Specificaties
Motorolie
Oliesticker
Wanneer de nevenstaande oliesticker in de
motorruimte zit (zie pagina 234 voor de positie), geldt het volgende:
xxxxxxxx
Viscositeit: SAE 5W–30
G020234
Engine oil quality: WSS-M2C913-B
Viscosity: SAE 5W-30
Oliekwaliteit: WSS-M2C913-B
Bij ritten onder ongunstige omstandigheden
ACEA A5/B5 SAE 0W-30 gebruiken.
Motortype
Bij te vullen hoeveelheid tussen
MIN–MAX (liter)
Hoeveelheid1
(liter)
1.6
B4164S3
0,75
4,0
1.8
B4184S11
1.8F
B4184S8
2.0
B4204S3
1.6D
D4164T
1,0
3,7
2.0D
D4204T
2,0
5,5
1
11
4,3
Inclusief hoeveelheid in filter
241
11 Specificaties
Motorolie
Oliesticker
Wanneer de nevenstaande oliesticker in de
motorruimte zit (zie pagina 234 voor de positie), geldt het volgende:
Motortype
242
2.4
B5244S52
2.4i
B5244S4
2
T5
B5254T72
D5
D5244T8
2.4D
D5244T93
xxxxxxxx
11
Viscositeit: SAE 0W–30
G020233
Engine oil quality: ACEA A5/B5
Viscosity: SAE 0W-30
Oliekwaliteit: ACEA A5/B5
Bij te vullen hoeveelheid tussen
MIN–MAX (liter)
Hoeveelheid1
(liter)
1,3
5,5
1,5
6
1
Inclusief hoeveelheid in filter
2
Geldt alleen voor Europa. Zie pagina 240 voor de overige markten.
3
België
11 Specificaties
Vloeistoffen en smeermiddelen
Vloeistof
Systeem
Hoeveelheid (liter)
Aanbevolen kwaliteit
Versnellingsbakolie
1.6 Handgeschakelde vijfversnellingsbak
2,1
Versnellingsbakolie: WSD-M2C200-C
1.8 Handgeschakelde vijfversnellingsbak
1,9
1.6D Handgeschakelde vijfversnellingsbak
1,9
1.8F Handgeschakelde vijfversnellingsbak
1,9
2.0 Handgeschakelde vijfversnellingsbak
1,9
2.0D Handgeschakelde zesversnellingsbak
1,7
Versnellingsbakolie: WSD-M2C200-C
D5 automatische versnellingsbak
7,75
Versnellingsbakolie: JWS 3309
2.4 Automatische versnellingsbak
7,75
Versnellingsbakolie: JWS 3309
2.4i Handgeschakelde vijfversnellingsbak
2,1
Versnellingsbakolie: MTF 97309-10
2.4i Automatische versnellingsbak
7,75
Versnellingsbakolie: JWS 3309
T5 Handgeschakelde zesversnellingsbak
2,0
Versnellingsbakolie: MTF 97309-10
T5 Automatische versnellingsbak
7,75
Versnellingsbakolie: JWS 3309
BELANGRIJK
Om schade aan de versnellingsbak te voorkomen moet u de aanbevolen kwaliteit versnellingsbakolie gebruiken en geen
verschillende merken met elkaar vermengen. Neem contact op met de dichtstbijzijnde erkende Volvo-werkplaats voor service,
als er een andere oliesoort werd gebruikt.
11
N.B.
Onder normale rijomstandigheden hoeft de
versnellingsbakolie niet te worden ververst
zolang de versnellingsbak meegaat. Onder
ongunstige rijomstandigheden moet de olie
mogelijk wel worden ververst (zie
pagina 239).
243
11 Specificaties
Vloeistoffen en smeermiddelen
Vloeistof
Systeem
Hoeveelheid
(liter)
Koelvloeistof
5-cil., handgeschakelde versnellingsbak
9,5
5-cil. automatische versnellingsbak
10,0
4-cil. benzine (1.8, 1.8F en 2.0)
7,5
4-cil. diesel (2.0D)
9,5
4-cil. benzine (1.6)
6,2
4-cil. Diesel (1.6D)
7,2
11
Koelvloeistof met corrosiewerende dope aangelengd met water (zie verpakking). Thermostaat
opent bij:
benzinemotoren, 90 ºC, dieselmotoren 82 ºC benzinemotor (1.6) 82 ºC dieselmotor (1.6D) 83 ºC.
180–200 gram
Compressorolie PAG
500–600 gram
Koudemiddel R134a (HFC134a)
Remvloeistof
0,6
DOT 4+
Stuurbekrachtiging
1–1,2
Stuurbekrachtigingsvloeistof: WSS M2C204-A of
een soortgelijk product met dezelfde specificaties
4-cil. benzine/diesel
4,0
5-cil. benzine
6,5
Bij vorst wordt u geadviseerd een door Volvo
aanbevolen antivries aangelengd met water te
gebruiken.
Airconditioning1
Ruitensproeiervloeistof
Brandstoftank
1
244
Aanbevolen kwaliteit
Zie pagina 245
Het gewicht hangt af van het motortype. Neem contact op met een erkende Volvo-werkplaats voor de juiste gegevens.
11 Specificaties
Brandstof
Verbruik, uitstoot en tankinhoud
Motor
Versnellingsbak
Verbruik
liter/100 km
Uitstoot van kooldioxide
(CO2) in g/km
Tankinhoud
liter
55
1.6
B4164S3
Handgeschakelde vijfversnellingsbak (IB5)
7,2
171
1.8
B4184S11
Handgeschakelde vijfversnellingsbak (MTX75)
7,3
174
1.8F
B4184S8
Handgeschakelde vijfversnellingsbak (MTX75)
7,4
177
2.0
B4204S3
Handgeschakelde vijfversnellingsbak (MTX75)
7,4
177
2.4
B5244S5
Automatische versnellingsbak (AW55-50/51)
9,1
217
2.4i
B5244S4
Handgeschakelde vijfversnellingsbak (M56H)
8,5
203
Automatische versnellingsbak (AW55-50/51)
9,1
217
T5
B5254T7
Handgeschakelde zesversnellingsbak (M66)
8,7
208
Automatische versnellingsbak (AW55-50/51)
9,5
227
Handgeschakelde zesversnellingsbak (M66)
9,6
229
Automatische versnellingsbak (AW55-50/51)
10,1
241
T5
AWD
11
62
57
245
11 Specificaties
Brandstof
Motor
11
Versnellingsbak
Uitstoot van kooldioxide Tankinhoud
(CO2) in g/km
liter
1.6D
D4164T (EURO3) (EURO4)
Handgeschakelde vijfversnellingsbak (MTX75)
5,0
132
2.0D
D4204T (EURO3)
Handgeschakelde zesversnellingsbak (MMT6)
5,7
153
5,8
153
(EURO4)
D5
D5244T8
Automatische versnellingsbak
(AW55-51)
7,0
184
2.4D
D5244T91
Automatische versnellingsbak
(AW55-51)
7,0
184
1
52
60
België
Motor
Bio-ethanol
Versnellingsbak
Verbruik
liter/100 km
Uitstoot van kooldioxide
(CO2) in g/km
Tankinhoud
liter
1.8F1
B4184S8
Handgeschakelde vijfversnellingsbak (MTX75)
10,42
-
55
1FlexiFuel-motoren
2
246
Verbruik
liter/100 km
kunnen op een willekeurige soort loodvrije benzine (RON 95) of op bio-ethanol E 85 rijden of op een mengsel daarvan.
De auto neemt meer bij gebruik van bio-ethanol E 85 dan bij gebruik van benzine. Dit komt doordat bio-ethanol een lagere energie-inhoud heeft dan gewone benzine.
11 Specificaties
Brandstof
Brandstofverbruik en uitstoot van
kooldioxide
De officiële brandstofverbruikscijfers zijn
gebaseerd op een gestandaardiseerde rijcyclus conform EU-richtlijn 80/1268 combinatierit. Het gebruik van extra accessoires kan de
verbruikscijfers beïnvloeden, omdat de accessoires het gewicht van de auto verhogen. Ook
de rijstijl en andere niet-technische factoren
kunnen van invloed zijn op het brandstofverbruik. Bij gebruik van brandstof met een
octaangetal van 91 (RON), neemt het brandstofverbruik toe terwijl het motorvermogen
lager wordt.
N.B.
Bij extreme weersomstandigheden, gebruik
van een aanhanger of ritten op grote hoogte
kan, afhankelijk van de gebruikte brandstofkwaliteit, het prestatievermogen van de
auto te wensen overlaten.
Benzine
De meeste motoren lopen op benzine met een
octaangetal van 91, 95 en 98 (RON).
• 98 (RON) wordt geadviseerd voor maximale
prestaties tegen een minimaal brandstofverbruik.
Voor ritten bij temperaturen hoger dan +38 ºC
wordt u geadviseerd een brandstofsoort met
een zo hoog mogelijk octaangetal te gebruiken. Dit om optimale prestaties en een zo laag
mogelijk brandstofverbruik te verkrijgen.
Benzine – norm NEN-EN 228.
BELANGRIJK
Tank alleen loodvrije benzine om schade
aan te katalysator te voorkomen. Giet nooit
alcohol bij de benzine, omdat het brandstofsysteem daardoor schade kan oplopen
en de Volvo-garantie vervalt.
Bio-ethanol E85
Breng geen wijzigingen aan in het brandstofsysteem of de onderdelen daarvan en vervang de onderdelen evenmin door componenten die niet speciaal geconstrueerd zijn voor
gebruik in combinatie met bio-ethanol.
11
WAARSCHUWING
Het gebruik van methanol is niet toegestaan. De sticker aan de binnenkant van de
tankvulklep geeft de juiste soort alternatieve
brandstof aan.
Het gebruik van onderdelen die niet bestemd zijn voor bio-ethanolmotoren kan
brand, lichamelijk letsel of motorschade
veroorzaken.
Dieselolie
De dieselolie moet voldoen aan de norm
NEN-EN 590 of JIS K2204. Het brandstofsysteem van een dieselmotor is gevoelig voor
verontreinigingen (zie pagina 185).
• 91 (RON) mag u niet gebruiken voor
4 cilindermotoren en slechts bij hoge
uitzondering in de overige motortypes.
• 95 (RON) is te gebruiken in de normale
rijomstandigheden.
247
11 Specificaties
Brandstof
WAARSCHUWING
11
Zorg altijd dat u geen brandstofdampen
inadement of brandstofspatten in de ogen
krijgt.
Mocht u toch brandstof in de ogen krijgen,
neem dan eventuele contactlenzen uit en
spoel de ogen ten minste 15 minuten lang
met een ruime hoeveelheid schoon water
en roep medische hulp in.
Brandstof nooit inslikken. Brandstoffen
zoals benzine, bio-ethanol of mengsels
ervan zijn uitermate giftig en kunnen bij inwendig gebruik aanleiding geven tot blijvend letsel met mogelijk dodelijke afloop.
Roep onmiddellijk medische hulp in bij het
inslikken van brandstof.
BELANGRIJK
Gebruik van andere brandstoffen kan aanleiding geven tot motorschade en slechtere
prestaties. Ook de Volvo-garanties en eventuele aanvullende onderhoudsovereenkomsten vervallen dan.
Om corrosie tegen te gaan dient u de tank
met benzine te vullen, voordat u de auto
langdurig parkeert. Bio-ethanol E85 kan namelijk geringe hoeveelheden bijtende verontreinigingen bevatten.
248
Jerrycan
Giet een jerrycan in de auto vol met benzine
(zie pagina 123).
WAARSCHUWING
Ethanol is gevoelig voor vonkvorming en er
kunnen explosieve dampen ontstaan in een
jerrycan die met ethanol gevuld wordt.
11 Specificaties
Katalysator
Algemene informatie
LambdasondeTM (zuurstofsensor)
De katalysator heeft tot taak de uitlaatgassen
te reinigen. De katalysator is dicht bij de motor
in het uitlaatsysteem gemonteerd om snel op
temperatuur te komen. De katalysator bestaat
uit een monoliet (keramiek of metaal) met
kanalen. De wanden van de kanalen zijn
bekleed met platina/rodium/palladium. Deze
edelmetalen hebben een katalytische werking,
d.w.z. ze versnellen een chemische reactie
zonder dat ze daar zelf actief aan deelnemen.
De lambdasonde maakt deel uit van het regelsysteem dat tot taak heeft de uitstoot te
beperken en de energie-inhoud van de brandstof beter te benutten.
Een zuurstofsensor registreert het zuurstofgehalte van de uitlaatgassen die de motor verlaten. De meetwaarde van de uitlaatgasanalyse
wordt doorgegeven aan het elektronische systeem dat continu de injectoren afregelt. Het
lucht-brandstofmengsel dat de motor krijgt,
wordt continu bijgesteld. De regeling schept
de ideale omstandigheden voor een effectieve
verbranding van de schadelijke stoffen (koolwaterstoffen, koolmonoxide en stikstofoxiden)
in de driewegkatalysator.
11
249
11 Specificaties
Elektrisch systeem
Algemene informatie
12V-systeem met wisselstroomdynamo en
spanningsregelaar. Enkelpolig systeem waarbij het chassis en het motorblok als geleiders
worden gebruikt.
11
Accu
Spanning
12 V
12 V
12 V
Koudestartcapaciteit (SAE)
590 A
600 A1
700 A2
Reservecapaciteit (RC)
100 min.
120 min.
135 min.
Capaciteit (Ah)
60
70
80
1
Auto’s met een audiosysteem in de uitvoering High Performance
2
Auto’s met een dieselmotor, Keyless Drive, audiosysteem in de uitvoering Premium Sound,
standverwarming op brandstof of RTI.
Let er bij het vervangen van de accu op, dat
de nieuwe accu dezelfde koudestartcapaciteit en reservecapaciteit als de originele accu
heeft (zie sticker op de accu).
250
11 Specificaties
Elektrisch systeem
Gloeilampen
Verlichting
Vermogen W
Soort
Dimlicht
55
H7
Groot licht (specifiek voor halogeenlampen)
55
H9
Extra groot licht (specifiek voor Bi-Xenon- en ABL-lampen)
55
H7
Remlichten, achteruitrijlichten, mistachterlicht
21
P21W
Richtingaanwijzers voor (specifiek voor Bi-Xenon- en
halogeenlampen), richtingaanwijzers achter
21
PY21W
Richtingaanwijzers voor (specifiek voor ABL-lampen)
24
PY24W
Achterlichten/parkeerlichten en sidemarkers (bovenste
lampvoet)
5
P21/5W
Achterlichten/parkeerlichten (onderste lampvoet)
5
R5W
Instapverlichting, bagageruimteverlichting, kentekenplaatverlichting
5
C5W
Make-upspiegel
1,2
Buislampje
Stadslichten/parkeerlichten vóór, sidemarkers vóór
5
W5W
Mistlampen
35
H8
Verlichting dashboardkastje
3
Buislampje
11
251
11 Specificaties
Typegoedkeuring
Afstandsbedieningssysteem
1Hierbij verklaart Delphi dat het gebruikte
afstandsbedieningssysteem in overeenstemming
is met de essentiële eigenschappen en overige
relevante bepalingen zoals beschreven in de
EU-richtlijn 1999/5/EG.
Land
11
A, B, CY, CZ,
D, DK, E, EST,
F, FIN, GB, GR,
H, I, IRL, L, LT,
LV, M, NL, P,
PL, S, SK, SLO
1
2
IS, LI, N, CH
1. Het systeem mag geen schadelijke storingen
veroorzaken.
HR
2. Het systeem is bestand tegen storingen, met
inbegrip van storingen die een negatieve
inwerking hebben op het systeem.
ROK
Delphi 15-07-2003,
Duitsland R-LPD1-03-0151
BR
2
RC
ETC093LPD0155
252
USA-FCC ID: KR55WK48952, KR55WK48964
N.B.
Dit afstandsbedieningssysteem is in overeenstemming met hoofdstuk 15 van de FCC Rules.
Aan de werking ervan worden de volgende twee
voorwaarden gesteld:
Belangrijk!
Ongeoorloofde wijzigingen in het systeem
kunnen ertoe leiden dat het afstandsbedieningsysteem niet meer werkt.
Siemens VDO
5WK48891
Uit gedocumenteerde tests blijkt dat het
systeem voldoet aan de eigenschapseisen die
FCC stelt voor gebruik in een personenauto.
11 Specificaties
11
253
Alfabetisch register
A
A/C
elektronische klimaatregeling ................77
handmatige klimaatregeling ...................73
Aanhanger
aanhangergewicht ................................236
kabel ....................................................147
rijden met een aanhanger ....................145
Aanrijding
aanrijdingssensoren ...............................22
Crash mode ...........................................26
gordijnairbag ..........................................22
IC-systeem .............................................22
Aansteker
voorin .....................................................45
ABL, actieve koplampen .............................47
ABS ...........................................................131
storing in het ABS ..................................41
AC ...............................................................72
Accu
onderhoud ............................................192
overbelasting ........................................119
starten met een hulpaccu ....................144
symbolen op de accu ..........................192
vervangen ............................................193
Achterklep
rijden met een geopende klep .............118
vergrendelen/ontgrendelen ..........100, 108
254
Achteruitkijkspiegel .................................... 59
kompas .................................................. 59
Actieve koplampen ..................................... 47
Active Bi-Xenon Lights ............................... 47
AF – automatische afstemfunctie ............. 217
Afstandsbediening .................................... 100
batterij vervangen ................................ 107
functies ................................................ 100
Keyless Drive ....................................... 104
Afstandsbedieningssysteem, typegoedkeuring ....................................... 252
Afstemfunctie, automatisch ...................... 217
Airbag
bestuurders- en passagierszijde ........... 16
deactiveren ............................................ 19
Airconditioning ........................................... 72
algemene informatie .............................. 70
ECC ....................................................... 75
Alarm
alarmlampje ......................................... 112
alarmsignalen ...................................... 113
alarmsysteem testen ........................... 115
algemene informatie ............................ 112
automatische inschakeling van het alarm .................................................... 113
geactiveerd alarm uitschakelen ........... 113
inschakelen ......................................... 112
uitschakelen ........................................ 112
Alarm, radiofuncties ................................. 215
Alarmlichten ................................................ 55
Antislipregeling ......................................... 133
Antispinregeling ........................................ 133
Approach-verlichting
actieve verlichting .................................. 61
instellen .................................................. 66
Audio, zie ook Geluidssysteem ................. 211
AUTO
voorkeurzenders vastleggen ................ 214
Auto wassen ............................................. 174
Autobekleding ........................................... 176
Autodimfunctie ............................................ 59
Auto-instellingen ......................................... 66
AUTOM.
klimaatinstelling ..................................... 75
AUTOM.-stand klimaatregeling .................. 75
Automatisch starten .................................. 121
Automatische hervergrendeling ................ 108
Automatische vergrendeling ..................... 109
Automatische versnellingsbak .................. 129
aanhanger .................................... 145, 146
beveiligingssystemen .......................... 128
slepen en bergen ................................. 142
Automatische volumeregeling .................. 213
Automatische wasstraat ........................... 174
AWD .......................................................... 130
B
Bagagenet ................................................... 95
Bagagerolhoes ............................................ 94
Alfabetisch register
Bagageruimte
bagagenet ..............................................95
bagagerolhoes .......................................94
elektrische aansluiting ............................97
houder voor boodschappentassen ........97
lading vervoeren .............................97, 154
veiligheidsrek .........................................94
verankeringsogen ...................................97
verlichting ...............................................86
Banden
algemene informatie ............................158
bandenreparatie ...................................167
draairichting .........................................161
ECO-bandenspanning .........................163
maataanduiding ...................................158
rijeigenschappen ..................................158
slijtage-indicatoren ...............................159
snelheidsaanduidingen ........................158
spanning ..............................................162
winterbanden .......................................159
zomer- en winterbanden ......................161
Batterij
batterij van afstandsbediening vervangen ............................................107
Bedieningspaneel
persoonlijke instellingen .........................64
Bedieningspaneel op bestuurdersportier
bediening ...............................................57
overzicht .................................................38
“Belangrijk!”-teksten .....................................6
Bellen ........................................................ 224
Benzinekwaliteit ........................................ 247
Bergen ...................................................... 142
Beslagen ruiten
achterruit ............................................... 73
ontwasemen .............................. 70, 73, 76
timerfunctie, A/C ................................... 73
timerfunctie, ECC .................................. 76
Beveiliging tegen overbelasting, schuifdak 64
Bio-ethanol E85 ........................................ 247
Blaasmonden ............................................. 71
BLIS-systeem (Blind Spot Information System) ..................................................... 138
Blokkering achteruitversnelling
vijfversnellingsbak ............................... 125
zesversnellingsbak (benzine) ............... 126
Boordcomputer .......................................... 50
Botsing, zie Aanrijding ................................ 22
Brandstof
brandstofbesparing ............................. 162
brandstoffilter ...................................... 185
brandstofsysteem ................................ 185
brandstofverbruik, aanduiding .............. 50
niveaulampje ......................................... 41
standverwarming ................................... 80
tanken .................................................. 120
verbruik ............................................ 7, 245
Brandstofmeter ........................................... 39
Buitenspiegels ............................................ 61
elektrisch inklapbare .............................. 61
Buitentemperatuurmeter ............................. 39
C
Cd’s
opbergvak .............................................. 89
Cd-functies ............................................... 218
Condenswater ........................................... 185
Contactsleutel ........................................... 122
Controles
vloeistoffen en oliën ..................... 183, 186
Cruisecontrol .............................................. 53
D
Dagteller ...................................................... 39
Dashboardkastje ......................................... 89
vergrendelen ........................................ 102
Diesel ........................................................ 185
voorgloeifunctie ..................................... 41
Dieselfilter ................................................. 185
Dimlicht ................................................. 46, 49
Disctekst ................................................... 219
Display
meldingen ........................................ 43, 44
Displayverlichting ........................................ 47
Dolby Surround Pro Logic II ............. 210, 213
Doorluchtfunctie ....................................... 108
Doorwaaddiepte ....................................... 118
255
Alfabetisch register
DSTC, zie ook Stabiliteitssysteem ............133
deactiveren/activeren ...........................134
lampje ....................................................41
E
ECC, elektronische klimaatregeling ............71
ECO-bandenspanning ..............................163
brandstofbesparing ..............................162
Elektrisch bedienbare stoel .........................85
Elektrisch bedienbare zijruiten ....................57
achterbank .............................................58
blokkeren ...............................................58
passagiersplaats ....................................58
Elektrische aansluiting
achterin ..................................................45
bagageruimte .........................................97
middenconsole ......................................45
Elektrische verwarming
achterruit ................................................73
buitenspiegels ........................................73
voorstoelen ......................................73, 77
Elektronische startblokkering ....................100
EON – Enhanced Other Networks ............217
Equalizer ...................................................213
Extra verwarming ........................................80
F
FlexiFuel ....................................................123
Follow-Me-Home-verlichting ................49, 61
instellen ..................................................66
256
G
H
Geïntegreerd kinderzitje ............................. 30
inklappen ............................................... 31
uitklappen .............................................. 30
Gelijkzetten, klok ........................................ 65
Geluidssterkte
audiosysteem ...................................... 211
automatische volumeregeling ............. 213
mediaspeler ......................................... 211
programmatypes ................................. 217
Geluidssysteem
audio-instellingen ................................ 211
geluidsbron .......................................... 211
Gemiddeld brandstofverbruik ..................... 50
Gesprek in de wacht zetten ...................... 224
Gesprekken
functies tijdens lopende gesprekken ... 227
gespreksfuncties ................................. 224
volume handset ................................... 225
Gesprekken weigeren ............................... 224
Gevarendriehoek ...................................... 164
Gloeilampen
specificaties ........................................ 251
vervangen ............................................ 194
Gordelwaarschuwing .................................. 13
Groot licht ................................................... 49
aan/uit ................................................... 46
wisselen groot licht en dimlicht ............. 49
Handgeschakelde versnellingsbak ........... 125
Handrem ............................................... 42, 56
Hoofdsteun, middelste zitplaats achterbank .................................................. 92
I
IDIS ........................................................... 222
IMEI-nummer ............................................ 227
In de was zetten ........................................ 175
Informatiedisplay ........................................ 43
Infotainment
menufuncties ....................................... 210
Inkomende gesprekken ............................ 224
Instellen, klok .............................................. 65
Instellingen, zie Persoonlijke instellingen .... 65
Instrumentenoverzicht
auto met het stuur links ......................... 34
auto met het stuur rechts ...................... 36
Instrumentenpaneel .................................... 39
Instrumentenverlichting .............................. 46
Interieurfilter ................................................ 70
Interieurverlichting ...................................... 86
Interior Air Quality System, ECC ................. 76
Intervalstand ............................................... 51
iPod, aansluiting ....................................... 211
ISOFIX
bevestigingssysteem ............................. 31
Alfabetisch register
K
Katalysator ................................................249
bergen ..................................................142
Keyless Drive ............................................104
auto starten ..........................................124
Kickdown
automatische versnellingsbak ..............128
Kinderen
kinderslot .............................................111
kinderzitjes en airbags ...........................27
kinderzitjes en SIPS-airbags ..................20
positie in de auto, tabel ..........................29
veiligheid ................................................30
veiligheidsuitrusting ...............................27
Kinderzitje, geïntegreerd .............................30
Kleurcode, lak ...........................................177
Klimaatinstelling
AUTOM. .................................................75
Klimaatregeling
algemene informatie ..............................70
persoonlijke instellingen .........................65
Knalgas .....................................................144
Koelsysteem ..............................................118
Koelvloeistof, controleren en bijvullen ......188
Kompas .......................................................59
kalibreren ...............................................59
Koplampen
aan/uit ....................................................46
koplampsproeiers ..................................51
Koppelingsvloeistof, controleren en bijvullen ..................................................... 189
Koude start
automatische versnellingsbak ............. 129
Koudemiddel .............................................. 70
Kruissnelheidsregeling ............................... 53
L
Lading vervoeren
algemene informatie ............................ 154
bagageruimte ........................................ 97
laadvermogen ...................................... 154
Lagetonenluidspreker ............................... 212
Lak
kleurcode ............................................. 177
lakschade en schade herstellen .......... 177
Lambdasonde .......................................... 249
Lamphouder
kentekenplaatverlichting ..................... 199
positie van gloeilampen ....................... 199
verwijderen .......................................... 198
Lampjes .................................................... 134
controlelampjes ..................................... 41
waarschuwingslampjes ......................... 40
Leeslampjes ............................................... 86
Leren bekleding, reinigingsvoorschriften . 176
Lichtbundel ............................................... 155
Luchtverdeling ............................................ 78
ECC ....................................................... 76
M
Maataanduiding ........................................ 158
Maten ........................................................ 235
Meldingen op informatiedisplay .................. 43
Mensysteem
telefoon, overzicht ............................... 228
Menufuncties
audiosysteem ...................................... 210
Menusysteem
mediaspeler ......................................... 220
telefoon, menu-opties .......................... 229
Milieubeleid ................................................... 7
Mistlichten
aan/uit .................................................... 47
Motor ........................................................ 184
Motor starten ............................................ 121
Keyless Drive ....................................... 124
Motorkap .................................................. 184
Motorolie ................................................... 186
filter ...................................................... 186
hoeveelheden ...................... 240, 241, 242
oliedruk .................................................. 42
oliekwaliteit .......................................... 239
rijden onder ongunstige rijomstandigheden ............................... 239
vervangen ............................................ 186
Motorruimte .............................................. 184
Motorspecificaties .................................... 237
Motorverwarming ...................................... 123
257
Alfabetisch register
N
P
“N.B.”-teksten ...............................................6
NEWS ........................................................216
Nieuwsuitzending ......................................216
Noodoproepen ..........................................222
PACOS ....................................................... 18
Park Assist ................................................ 135
sensor voor Park Assist ....................... 137
Parkeerkaarthouder .................................... 89
Parkeerlichten ............................................. 46
Parkeerrem ................................................. 56
Persoonlijke instellingen ............................. 65
Approach-verlichting ............................. 66
automatische blower afstellen ............... 65
automatische vergrendeling .................. 66
Follow-Me-Home-verlichting ................. 66
op afstand openen ................................ 66
portieren ontgrendelen .......................... 66
timer recirculatie .................................... 65
verlichting auto is ontgrendeld .............. 66
verlichting auto is vergrendeld .............. 66
Poetsen .................................................... 175
Portieren op afstand openen ...................... 66
Programmafuncties .................................. 215
Provisorische bandenreparatie ................. 167
PTY – Programmatype ............................. 216
O
Olie, zie ook Motorolie
oliedruk ..................................................42
Onderhoud
eigen onderhoud ..................................183
roestwering ..........................................178
Onderhoudsprogramma ............................182
Ontgrendelen
achterklep ............................................108
van de binnenzijde ...............................109
van de buitenzijde ................................108
zonder sleutel .......................................108
Ontgrendeling
instellingen .............................................66
Ontwaseming ..............................................73
Op afstand openen, portieren .....................66
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte 88
Opbergvak ..................................................89
cd’s ........................................................89
Opbergvakken .............................................88
258
R
Radio
radio-instellingen ................................. 214
radiozenders ........................................ 214
Radiotekst ................................................ 217
RDS-functies ............................................. 215
resetten ................................................ 217
Recirculatie ................................................. 72
ECC ....................................................... 76
REG – Regionale radioprogramma’s ........ 217
Regensensor ............................................... 52
Reinigen
bekleding ............................................. 176
Relais- en zekeringenkastje
in motorruimte ..................................... 202
in passagiersruimte .............................. 205
Remlichten .................................................. 48
Remmen
handrem ................................................. 56
noodremlichten, EBL ............................. 48
remlichten .............................................. 48
Remsysteem ..................................... 131, 189
Remvloeistof, controleren en bijvullen ...... 189
Reservewiel ............................................... 164
compact reservewiel ............................ 160
Richtingaanwijzers ...................................... 49
Rijden
gladde wegen ...................................... 118
in waterpartijen .................................... 118
koelsysteem ......................................... 118
met een aanhanger .............................. 145
met een geopende achterklep ............. 118
ongunstige rijomstandigheden ............ 182
zuinig ................................................... 118
Alfabetisch register
Rijden tijdens de winter .............................121
Rijklaar gewicht .........................................236
Roestwering ..............................................178
Roetfilter ..............................................44, 121
roetfilter vol ..........................................121
Ruggedeelte
achterbank, omklappen .........................92
Ruitensproeiervloeistof bijvullen ...............188
Ruitenwissers
regensensor ...........................................52
Ruitenwissers en -sproeiers ........................51
S
Safelock-functie ........................................110
alarmsensoren tijdelijk deactiveren ......114
tijdelijk deactiveren ..............................110
SCAN
cd- en muziekbestanden .....................219
radiozenders ........................................215
Schoon aan binnen- en buitenkant ...............8
Schoonmaken
automatische wasstraat .......................174
veiligheidsgordels ................................176
wassen, auto ........................................174
water- en vuilafstotende laag ...............175
Schuifdak ....................................................63
beveiliging tegen overbelasting .............64
sluiten met afstandsbediening ...............64
zonnescherm .........................................64
Simkaart ................................................... 222
SIPS-airbags .............................................. 20
Sleepoog .................................................. 142
Slepen ...................................................... 142
Sleutel ....................................................... 100
afstandsbediening ............................... 100
sleutelloos vergrendelings- en startsysteem ........................................ 104
Sleutelblad
vergrendelingspunten .......................... 103
Smeermiddelen, hoeveelheden ........ 243, 244
Sms
lezen .................................................... 227
schrijven .............................................. 227
Snelheidsaanduidingen, banden .............. 158
Snelheidsmeter ........................................... 39
Sneltoetsen ............................................... 226
Spiegel
achteruitkijk- .......................................... 59
Spiegels
buiten- ................................................... 61
Spin Control ............................................. 133
Sproeier
achterklep .............................................. 52
Sproeiers
voorruit en koplampen .......................... 51
SRS-systeem
algemene informatie .............................. 17
schakelaar ............................................. 19
Stabiliteitssysteem .................................... 133
indicatie ................................................. 41
Stadslichten vóór ........................................ 46
Stand-by, telefoon .................................... 224
Standverwarming
accu en brandstof .................................. 80
algemeen ............................................... 79
op een helling parkeren ......................... 79
tijd instellen ............................................ 80
Startblokkering .................................. 100, 122
Starthulp ................................................... 144
STC ........................................................... 134
Steenslagplekken en krassen ................... 177
Stoel
elektrisch bedienbaar ............................ 85
handmatig verstellen ............................. 84
sleutelgeheugen ..................................... 85
Stuurbekrachtigingsvloeistof, controleren en bijvullen ............................. 190
Stuurslot .................................................... 122
Stuurwiel
cruisecontrol .......................................... 53
stuurwielverstelling ................................ 55
toetsenset ............................................ 223
toetsenset linkerzijde ............................. 53
toetsenset rechterzijde .......................... 54
Subwoofer ................................................ 212
Surround ........................................... 210, 213
259
Alfabetisch register
T
Tanken
bijvullen ................................................120
tankvulklep ...........................................120
Tankinhoud ...............................................245
Telefoon ....................................................223
aan/uit ..................................................224
bellen via telefoonboek ........................227
tekstinvoer ...........................................225
Telefoon, stand-by ....................................224
Telefoonboek
nummerfuncties ...................................225
Temperatuur
interieur, elektronische klimaatregeling .77
interieur, handmatige klimaatregeling ....74
werkelijke temperatuur ...........................71
Timer
A/C .........................................................73
ECC ........................................................76
Toerenteller .................................................39
Totaalgewicht ............................................236
TP – verkeersinformatie ............................215
Tractieregeling ..........................................133
Traction Control ........................................133
Trekhaak
algemene informatie ............................147
demonteren ..........................................152
monteren ..............................................149
specificaties .........................................148
260
Trekinrichting, zie Trekhaak ...................... 147
Type-aanduiding ...................................... 234
Typegoedkeuring, afstandsbedieningssysteem ..................... 252
U
Uitlaatgasreiniging ........................................ 8
foutmelding ........................................... 41
Uitstoot ..................................................... 245
kooldioxide .......................................... 247
USB, aansluiting ....................................... 211
V
Veiligheid .................................................... 12
veiligheidssystemen, tabel .................... 25
Veiligheidsgordel ........................................ 12
achterbank ............................................ 13
zwangerschap ....................................... 13
Veiligheidsrek ............................................. 94
Ventilatie ..................................................... 71
Ventilator .................................................... 72
ECC ....................................................... 75
Vergrendelen ............................................ 108
ontgrendelen ....................................... 108
van de binnenzijde .............................. 109
van de buitenzijde ............................... 108
Verkeersinformatie .................................... 215
Verlichting
automatische verlichting, dimlicht ......... 46
automatische verlichting, interieur ........ 86
bagageruimte ......................................... 86
dimlicht .................................................. 46
displayverlichting ................................... 47
exterieur ................................................. 46
Follow-Me-Home-verlichting ........... 49, 61
gloeilampen vervangen, algemene informatie ............................................. 194
gloeilampen, specificaties ................... 251
groot licht/dimlicht ................................. 49
grootlichtsignalen .................................. 49
in interieur .............................................. 86
instrumentenverlichting ......................... 47
koplamphoogteverstelling ..................... 46
leeslampjes ............................................ 86
mistachterlicht ....................................... 47
mistlichten ............................................. 47
stads-/parkeerlichten vóór en achterlichten .......................................... 46
verlichtingspaneel .................................. 46
Verlichting, gloeilampen vervangen
achterlicht ............................................ 198
bagageruimte ....................................... 200
dimlicht ................................................ 195
groot licht ............................................. 195
instapverlichting ................................... 199
knipperlichten ...................................... 196
make-upspiegel ................................... 200
mistlampen .......................................... 197
parkeerlichten ...................................... 196
positie van gloeilampen in lamphouder .......................................... 199
Alfabetisch register
richtingaanwijzers ................................196
sidemarker ...........................................197
stadslichten vóór ..................................196
voorzijde ...............................................194
Versneld kiezen .........................................226
Versneld vooruit-/achteruitspoelen ...........219
Versnellingsbak
automatisch .........................................129
handgeschakeld ...................................125
Verzorging, leren bekleding ......................176
Vierwielaandrijving ....................................130
Vlekken ......................................................176
Vloeistoffen en oliën
controles ......................................183, 186
Vloeistoffen, hoeveelheden ...............243, 244
Vloermatten .................................................84
Voertuiggegevens .....................................182
Volume
telefoon/mediaspeler ...........................225
Volume, zie ook Geluidssterkte ................211
Voorkeurzenders vastleggen, handmatig en automatisch .......................214
W
Waarschuwingslampje
stabiliteits- en tractieregelsysteem ......133
Waarschuwingslampje, airbagsysteem .......15
Waarschuwingsteksten .................................6
Wassen, auto ............................................174
Water- en vuilafstotende laag
schoonmaken ...................................... 175
Whiplash-letsel WHIPS .............................. 23
WHIPS ........................................................ 23
kinderzitje/comfortkussen ..................... 23
Wielen
demonteren ......................................... 165
monteren ............................................. 166
velgen .................................................. 160
Willekeurige afspeelvolgorde, cd- en muziekbestanden .......................... 219
Winterbanden ........................................... 159
Wisselgesprek .......................................... 224
Wisser
achterklep .............................................. 52
Wisserblad
vervangen, achterruit ........................... 191
vervangen, voorruit .............................. 191
Zenders zoeken ........................................ 214
Zij-airbags ................................................... 20
Zonnescherm, schuifdak ............................ 64
Zuinig rijden .............................................. 118
Zwangere vrouwen
veiligheid ................................................ 13
Z
Zekeringen
algemene informatie ............................ 201
relais- en zekeringenkastje in motorruimte ......................................... 202
relais- en zekeringenkastje in passagiersruimte ................................. 205
vervangen ............................................ 201
Zekeringentabel
zekeringen in interieur ......................... 206
zekeringen in motorruimte ................... 203
261
Volvo Car Corporation TP 9180 (Dutch), AT 0720, Printed in Sweden, Göteborg 2007, Copyright © 2000-2007 Volvo Car Corporation
Was this manual useful for you? yes no
Thank you for your participation!

* Your assessment is very important for improving the work of artificial intelligence, which forms the content of this project

Download PDF

advertising