Volvo | V60 | Gebruikershandleiding | Volvo V60 2012 Early Gebruikershandleiding

Volvo V60 2012 Early Gebruikershandleiding
VOLVO V60
Instructieboekje
Web Edition
BESTE VOLVO-BEZITTER,
DANK U DAT U GEKOZEN HEBT VOOR VOLVO!
Wij hopen dat u jarenlang rijplezier van uw Volvo zult hebben. Bij het
ontwerp hebben veiligheid en comfort van u en uw passagiers vooropgestaan. Een Volvo is een van de veiligste auto’s ter wereld. Uw
Volvo is ook ontworpen om aan alle geldende veiligheidsvoorschriften en milieueisen te voldoen.
Om nog meer plezier van uw auto te hebben, raden wij u aan om
vertrouwd te raken met de uitrusting, de instructies en de onderhoudsinformatie in dit instructieboekje.
Inhoud
00 01 02
4
00 Inleiding
01 Veiligheid
Belangrijke informatie................................. 8
Volvo en het milieu.................................... 13
Veiligheidsgordels ....................................
Airbags......................................................
Airbag activeren/deactiveren*...................
SIPS-airbags (zij-airbags) ........................
Opblaasgordijnen (IC-systeem) ...............
WHIPS ......................................................
Activering van de veiligheidssystemen ....
Safety mode..............................................
Kinderen en veiligheid...............................
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
02 Sloten en alarm
18
21
24
26
28
29
31
32
33
Transpondersleutel/sleutelblad.................
Privacy locking*.........................................
Batterij vervangen transpondersleutel/
PCC*.........................................................
Keyless drive*............................................
Vergrendelen/ontgrendelen......................
Kinderslot..................................................
Alarm*.......................................................
48
54
56
58
62
68
70
Inhoud
03 04 05
03 Bestuurdersmilieu
04 Comfort en rijplezier
Instrumenten, schakelaars en bediening. . 76
Volvo Sensus ........................................... 85
Sleutelstanden.......................................... 86
Stoelen en achterbank.............................. 88
Stuurwiel................................................... 93
Verlichting................................................. 94
Wissers en -sproeiers............................. 104
Ruiten en spiegels................................... 107
Kompas*................................................. 112
Elektrisch bedienbaar schuifdak*............ 114
Alcoguard*.............................................. 116
Motor starten.......................................... 120
Motor starten, FlexiFuel.......................... 122
Motor starten, hulpaccu.......................... 124
Versnellingsbakken................................. 126
Eco DRIVe*.............................................. 132
Vierwielaandrijving, AWD (All Wheel
Drive)*...................................................... 139
Bedrijfsrem.............................................. 140
Parkeerrem.............................................. 142
Menu- en meldingsfuncties....................
Menugroep MY CAR...............................
Klimaatregeling.......................................
Motor- en interieurverwarming op brandstof*.........................................................
Extra verwarming*...................................
Boordcomputer.......................................
Stabiliteits- en tractieregelsysteem,
DSTC.......................................................
Rijeigenschappen aanpassen.................
Cruisecontrol*.........................................
Snelheidsbegrenzer ...............................
Adaptieve cruisecontrol*.........................
Afstandswaarschuwing*..........................
City Safety™...........................................
Collision Warning with Auto Brake en
Pedestrian detection*..............................
Driver Alert System – DAC*.....................
Driver Alert System – (LDW)*..................
Park Assist*.............................................
Park Assist-camera*...............................
BLIS* – Blind Spot Information System. .
Interieurcomfort......................................
HomeLinkŸ *............................................ 146
05 Infotainment
152
155
163
173
177
178
180
182
183
185
187
197
200
Algemene informatie over infotainment. .
Beknopte bedieningsinstructies.............
Algemene infotainmentfuncties..............
Radio.......................................................
Mediaspeler............................................
Externe geluidsbron via AUX/USB*ingang.....................................................
234
236
241
244
252
257
Media BluetoothŸ* ................................. 260
TV - instelling*......................................... 263
Afstandsbediening* ................................ 267
BluetoothŸ-handsfree*............................ 269
Spraakherkenning* mobiele telefoon...... 278
Menufuncties infotainment..................... 282
205
212
215
218
221
225
229
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
5
Inhoud
06 07 08
06 Tijdens het rijden
Rijadviezen..............................................
Tanken....................................................
Brandstof................................................
Lading vervoeren....................................
Bagageruimte..........................................
Rijden met een aanhanger......................
Slepen en bergen....................................
6
07 Wielen en banden
288
291
292
296
299
302
309
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Algemene informatie ..............................
Wielen verwisselen .................................
Bandenspanning ....................................
Gevarendriehoek en EHBO-set*.............
Bandenspanningscontrolesysteem
(TPMS)*...................................................
Provisorische bandenreparatie (TMK) ....
08 Onderhoud en service
314
318
321
322
323
325
Motorruimte............................................
Gloeilampen............................................
Wisserbladen en ruitensproeiervloeistof.
Accu........................................................
Zekeringen..............................................
Verzorging...............................................
332
339
345
347
352
363
Inhoud
09 10
09 Specificaties
Type-aanduidingen.................................
Maten en gewichten................................
Motorspecificaties...................................
Motorolie.................................................
Vloeistoffen en smeermiddelen...............
Brandstof................................................
Wielen en banden, maten en spanning ..
Elektrisch systeem..................................
Typegoedkeuring....................................
Displaysymbolen.....................................
10 Alfabetisch register
372
374
378
380
382
384
387
390
391
403
Alfabetisch register................................. 406
7
Inleiding
Belangrijke informatie
Instructieboekje lezen
Inleiding
Een goede manier om vertrouwd te raken met
uw nieuwe auto is om het instructieboekje te
lezen, idealiter voordat u uw eerste rit maakt.
Zo maakt u kennis met nieuwe functies, krijgt
u tips hoe u het beste in verschillende situaties
met de auto kunt omgaan en leert u hoe u optimaal gebruik kunt maken van alle mogelijkheden die uw auto biedt. Besteed ook aandacht
aan de veiligheidsinstructies in het boekje.
De specificaties, constructiegegevens en
afbeeldingen in dit instructieboekje zijn niet
bindend. We behouden ons het recht voor om
zonder voorafgaande mededeling wijzigingen
aan te brengen.
©
Volvo Car Corporation
Optie
Alle soorten opties staan aangegeven met een
sterretje* in het instructieboekje.
Als aanvulling op de standaarduitrusting worden in dit instructieboekje ook de opties (van
fabriekswege gemonteerde uitrusting) en
bepaalde accessoires (ingebouwde extra uitrusting) beschreven.
De uitrusting die in het instructieboek wordt
beschreven is niet op alle auto’s aanwezig –
welke uitrusting aanwezig is hangt af van de
8
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
verschillende behoeften op de diverse markten
en de landelijke en/of regionale wet- en regelgeving.
naar verwijst. Als de voetnoot naar tekst in een
tabel verwijst, worden letters gebruikt in plaats
van cijfers.
Neem bij twijfel over de standaarduitrusting of
opties/accessoires contact op met een Volvodealer.
Displaymeldingen
Speciale teksten
WAARSCHUWING
Teksten met het kopje WAARSCHUWING
geven aan dat er gevaar voor letsel bestaat.
BELANGRIJK
Teksten met het kopje BELANGRIJK geven
aan dat er gevaar voor materiële schade
bestaat.
N.B.
Teksten met het kopje N.B. duiden op tips
en adviezen die het gebruik van bepaalde
mogelijkheden en functies vergemakkelijken.
Voetnoot
In het instructieboekje komt informatie voor in
de vorm van een voetnoot onder aan de
pagina. Deze informatie vormt een aanvulling
op de tekst waar het nummer van de voetnoot
In de auto zijn displays aanwezig waarop meldingen kunnen worden weergegeven. Deze
displaymeldingen worden in het instructieboekje in iets groter formaat en in het grijs
weergegeven. Voorbeelden daarvan vindt u in
de menuteksten en displaymeldingen van het
informatiedisplay (bijvoorbeeld Audioinstellingen).
Stickers
Er zitten verschillende soorten stickers in de
auto om belangrijke informatie op een simpele
en duidelijke manier over te dragen. De stickers
in de auto zijn van de onderstaande aflopende
waarschuwings-/informatiegraad.
Inleiding
Belangrijke informatie
G031590
Zwarte ISO-symbolen in een oranje waarschuwingsveld, witte tekst/afbeelding in een zwart
tekstveld. Worden gebruikt om te attenderen
op een risico dat, bij het negeren van de waarschuwing, kan resulteren in ernstig letsel met
mogelijk dodelijke afloop.
Informatie
Witte ISO-symbolen en een witte tekst/afbeelding in een zwart of blauw waarschuwings- en
tekstveld. Worden gebruikt om te attenderen
op een risico dat, bij het negeren van de waarschuwing, kan resulteren in materiële schade.
G031593
Gevaar voor materiële schade
G031592
Gevaar voor lichamelijk letsel
Witte ISO-symbolen en een witte tekst/afbeelding in een zwart tekstveld.
N.B.
Het is mogelijk dat de stickers die in de
instructieboek staan geen exacte kopieën
zijn van de stickers die in de auto zitten. Ze
dienen alleen om aan te geven hoe de stickers er bij benadering uitzien en waar ze
ongeveer zitten. De informatie die voor uw
auto geldt staat op de desbetreffende stickers in/op uw auto.
9
Inleiding
Belangrijke informatie
Procedurelijsten
Opsommingslijsten
Procedures met handelingen die in een
bepaalde volgorde moeten worden uitgevoerd,
staan genummerd in het instructieboekje.
Bij opsommingen in het instructieboekje wordt
gebruik gemaakt van een opsommingslijst.
• Koelvloeistof
• Motorolie
Als voor de instructies bij een reeks afbeeldingen de onderlinge volgorde niet relevant is, worden de instructies voorafgegaan door letters.
een hoofdstuk wordt voortgezet op de volgende pagina.
Er komen genummerde en ongenummerde
pijlen voor. Ze worden gebruikt om een
bepaalde beweging weer te geven.
Wanneer er geen reeks afbeeldingen bij een
stapsgewijze instructie bestaat, zijn de verschillende stappen op de standaardmanier
genummerd met normale cijfers.
Positielijsten
Op overzichtsfiguren die de positie van
onderdelen aangeven worden rode cirkels
met daarin een cijfer gebruikt. Hetzelfde
cijfer wordt gehanteerd in de positielijst bij
de afbeelding, met een beschrijving van de
weergegeven objecten.
10
Bijvoorbeeld:
Wanneer er een reeks afbeeldingen bij een
stapsgewijze instructie bestaat, zijn de verschillende stappen van de instructie op
dezelfde manier genummerd als de bijbehorende afbeeldingen.
Zie ommezijde
`` Dit symbool staat rechts onderaan wanneer
Vastlegging van gegevens
Uw auto is voorzien van enkele computers met
als taak de werking en functionaliteit van de
auto continue te bewaken. Bepaalde computers leggen mogelijk ook gegevens vast bij
registratie van een storing tijdens normale ritten. Bovendien worden er gegevens opgeslagen bij een aanrijding of bijna-aanrijding. Vastlegging van de gegevens is enerzijds bedoeld
om technici te helpen bij het vaststellen en verhelpen van storingen in de auto en anderzijds
om ervoor te zorgen dat Volvo voldoet aan de
geldende wet- en regelgeving. Volvo gebruikt
de gegevens bovendien voor onderzoek ter
verbetering van de kwaliteit en veiligheid, daar
de gegevens kunnen bijdragen tot een groter
inzicht in de omstandigheden waarin ongelukken en/of letsel ontstaan. De gegevens kunnen
duidelijkheid geven over de status en werking
van verschillende autosystemen en -modulen
waaronder die voor de motor, gasklep, besturing en remmen. De gegevens kunnen informatie bevatten over de rijstijl van de bestuurder, zoals de rijsnelheid, het gebruik van het
rem- of gaspedaal en de stuuruitslag en het wel
of niet dragen van de veiligheidsgordel door
bestuurder en eventuele passagier(s). De
gegevens kunnen om de eerder vermelde
redenen voor een begrensde tijd worden vastgelegd tijdens het rijden, tijdens een aanrijding
of bij een bijna-ongeluk. Volvo kan de gegevens opslaan zolang deze kunnen bijdragen tot
een verbetering en verdere verhoging van de
veiligheid en kwaliteit en zolang de wet- en
regelgeving waaraan Volvo gehouden is dit
voorschrijft.
Volvo zal de bovengenoemde gegevens niet
zonder de toestemming van de eigenaar van
de auto vrijgeven aan derden. Volvo Car Corporation kan echter op last van de nationale
wet- en regelgeving gedwongen worden om
dergelijke gegevens te verstrekken aan instanties, zoals de politie, of anderen die krachtens
de wet de gegevens kunnen opeisen.
Om de door de computers van de auto vastgelegde gegevens te kunnen uitlezen en interpreteren is speciale technische apparatuur vereist die alleen beschikbaar is bij Volvo, en de
werkplaatsen die een contract hebben met
Inleiding
Belangrijke informatie
Volvo. Volvo ziet erop toe dat de gegevens, die
in verband met reparatie en onderhoud worden
doorgegeven aan Volvo, zorgvuldig worden
opgeslagen en gehanteerd en dat ze in overeenstemming met de geldende wetgeving worden gebruikt. Neem voor meer informatie contact op met een Volvo-dealer.
Accessoires en extra uitrusting
Een verkeerde aansluiting en montage van
accessoires kan een nadelige invloed hebben
op de werking van de elektronische systemen
van de auto. Bepaalde accessoires werken
alleen, wanneer de bijbehorende software in de
computersystemen van de auto wordt geladen. Volvo adviseert u daarom altijd contact op
te nemen met een erkende Volvo-werkplaats,
voordat u accessoires monteert die in verbinding staan met of van invloed zijn op het elektrische systeem.
erkende Volvo-werkplaats. Zie ook “Beveiligingscode wijzigen” in het instructieboekje bij
Volvo On Call.
Lasersensor
Op de onderste sticker staan de fysische
eigenschappen van het laserlicht:
• IEC 60825-1:1993 + A2:2001. Voldoet aan
de normen van de FDA (Amerikaanse keuringsdienst van waren) betreffende de uitvoering van laserproducten met uitzondering van de afwijkingen conform “Laser
Notice No. 50”, d.d. 26 juli 2001.
Deze auto is voorzien van een sensor die
laserstraling uitzendt. Het is daarom essentieel
dat u de aangegeven instructies opvolgt bij het
hanteren van de lasersensor.
Stralingsgegevens voor lasersensor
De volgende twee stickers met Engelse tekst
zitten op de lasersensormodule:
De fysische gegevens staan nader omschreven in de volgende tabel.
Maximale pulsenergie
2,64 μJ
Maximaal gem. vermogen
45 mW
Pulsduur
33 ns
Divergentie (horizontaal × verticaal)
28° × 12°
Verkoop van auto met Volvo On Call*
Volvo On Call is een aanvullend pakket met
veiligheids-, beveiligings- en comfortdiensten.
Als een auto met Volvo On Call van eigenaar
verandert, is het uitermate belangrijk dat deze
diensten worden beëindigd zodat de vorige
eigenaar niet langer gebruik kan blijven maken
van deze diensten. Neem contact op met het
On Call-center via een druk op de ON CALLtoets in de auto of breng een bezoek aan een
Op de bovenste sticker in de afbeelding staat
de classificatie van het laserlicht:
• Laserstraling - Niet rechtstreeks in de
straal kijken met optische instrumenten Klasse 1M laserproduct.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
11
Inleiding
Belangrijke informatie
WAARSCHUWING
Als u de instructies in dit boekje niet opvolgt,
is het gevaar voor oogletsel groot!
•
•
•
12
Kijk nooit van een afstand van 100 mm
of minder in de lasersensor (waaruit uiteenlopende, onzichtbare laserstralen
komen) met vergrotende optiek zoals
een vergrootglas, microscoop, objectief
of soortgelijke optische instrumenten.
Laat het testen, repareren, demonteren,
afstellen en/of vervangen van de lasersensor of delen ervan over aan een
erkende werkplaats, bij voorkeur aan
een erkende Volvo-werkplaats.
Stel de lasersensor niet bij en voer geen
onderhoud uit dat niet uitdrukkelijk in dit
boekje staat aangegeven om blootstelling aan schadelijke straling tegen te
gaan.
•
De reparateur dient de speciaal opgestelde werkplaatsinformatie voor de
lasersensor te volgen.
•
Demonteer de lasersensor niet (en verwijder de lenzen evenmin). Een gedemonteerde lasersensor is een laserproduct klasse 3B volgens de IEC-norm
60825-1. Een laserproduct klasse 3B is
niet veilig voor de ogen en houdt dan
ook een gevaar voor oogletsel in.
•
Koppel de connector van de lasersensor los voordat u deze van de voorruit
demonteert.
•
Zorg dat de lasersensor op de voorruit
gemonteerd is alvorens de connector
aan te sluiten.
•
De lasersensor zendt laserlicht uit wanneer de transpondersleutel in stand II
staat, ook al is de motor afgezet (zie
pagina 86 voor de sleutelstanden).
Voor meer informatie over de lasersensor, zie
pagina 200.
Informatie op internet
Op www.volvocars.com vindt u meer informatie over uw auto.
Inleiding
Volvo en het milieu
G000000
Milieubeleid van Volvo Car Corporation
Milieuzorg is een van de kernwaarden van
Volvo Car Corporation die van invloed zijn op
alle activiteiten. We zijn ervan overtuigd dat
onze klanten onze zorg voor het milieu delen.
Uw Volvo voldoet aan strenge internationale
milieueisen en is bovendien geproduceerd in
een fabriek die zeer schoon is en efficiënt met
hulpbronnen omgaat. Volvo Car Corporation is
gecertificeerd volgens de milieunorm ISO
14001 voor alle fabrieken en de meeste andere
eenheden. We eisen bovendien van onze
samenwerkingspartners dat ze systematisch
aan milieuzorg doen.
Brandstofverbruik
De auto’s van Volvo zijn concurrerend in hun
klasse wat het brandstofverbruik betreft. Een
lager brandstofverbruik levert over het algemeen een geringere uitstoot van het broeikasgas kooldioxide op.
U als bestuurder kunt uw steentje bijdragen
aan een verlaging van het brandstofverbruik.
Lees voor meer informatie de tekst onder het
kopje Spaar het milieu.
Efficiënte uitlaatgasreiniging
Uw Volvo is gebouwd volgens het concept
“Schoon aan binnen- en buitenkant” – een
concept dat een schone passagiersruimte
combineert met een uitermate efficiënte uitlaatgasreiniging. In veel gevallen liggen uitlaatgasemissies ver onder de geldende normen.
Schone lucht in passagiersruimte
Het interieurfilter zorgt dat stofdeeltjes en pollen niet via de luchtinlaatopening in de passagiersruimte kunnen dringen.
Een geavanceerd luchtreinigingssysteem,
IAQS* (Interior Air Quality System), zorgt ervoor
dat de lucht die de passagiersruimte binnenkomt schoner is dan de lucht buiten in het verkeer.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
13
Inleiding
Volvo en het milieu
Het systeem bestaat uit een elektronische sensor en een koolstoffilter. De binnenkomende
lucht wordt continu gecontroleerd en als het
gehalte aan bepaalde schadelijke gassen zoals
koolmonoxide te hoog oploopt, wordt de luchtinlaat gesloten. Iets dergelijks kan zich voordoen in bijvoorbeeld druk verkeer, files of tunnels.
Het koolstoffilter zorgt ervoor dat stikstofoxiden, laaghangend ozon en koolwaterstoffen
niet binnendringen.
Interieur
Het interieur van een Volvo werd dusdanig
vormgegeven dat het gerieflijk en comfortabel
is – ook voor mensen met contactallergieën of
astma. Er is extra veel aandacht besteed aan
de selectie van milieuvriendelijke materialen.
Erkende Volvo-werkplaatsen en het
milieu
Met regelmatig onderhoud kunt u de voorwaarden scheppen voor een lange levensduur en
een laag brandstofverbruik. Op die manier
draagt u bij aan een schoner milieu. Wanneer
u de reparaties en het onderhoud aan de auto
toevertrouwt aan de werkplaatsen van Volvo,
wordt de auto een onderdeel van ons systeem.
Volvo stelt duidelijke milieu-eisen aan de outillage van onze werkplaatsen om te voorkomen
dat er schadelijke stoffen vrijkomen in het
milieu. Het personeel in de werkplaatsen van
14
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Volvo beschikt over de kennis en het gereedschap om optimale zorg voor het milieu te kunnen garanderen.
Spaar het milieu
U kunt eenvoudig meehelpen het milieu te
beschermen – hier volgen enkele tips:
• Voorkom stationair draaien – zet de motor
af wanneer u langere tijd stilstaat. Houdt u
zich aan de plaatselijke voorschriften.
• Rijd economisch – rijd anticiperend.
• Voer service en onderhoud uit volgens de
aanwijzingen in het instructieboekje – houd
de geadviseerde intervallen in het Serviceen garantieboekje aan.
• Gebruik vóór een koude start altijd de
motorverwarming*, als de auto hiermee is
uitgerust – dit verbetert de startgewilligheid, beperkt de slijtage bij koud weer en
zorgt ervoor dat de motor sneller op
bedrijfstemperatuur komt, waardoor het
brandstofverbruik en de uitstoot afnemen.
• Bij hoge snelheden neemt het verbruik
aanzienlijk toe vanwege de grotere luchtweerstand – bij een verdubbeling van de
snelheid neemt de luchtweerstand met een
factor vier toe.
• Hanteer afvalstoffen die schadelijk voor het
milieu zijn, zoals accu’s en olie, op een
milieuvriendelijke manier. Neem contact
op met een werkplaats bij twijfel over de
juiste manier van verwerken van dergelijk
afval – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
Wanneer u deze tips opvolgt, kunt u geld
besparen, zuiniger omspringen met de hulpbronnen op aarde en uw auto langer doen
meegaan. Zie pagina 288 en 385 voor meer
informatie en meer tips.
Recycling
Milieumatig verantwoorde recycling van de
auto vormt een belangrijk aspect van de milieuzorg van Volvo. De auto is nagenoeg geheel
te recyclen. De laatste eigenaar van de auto
wordt daarom verzocht contact op te nemen
met een dealer voor de locatie van een gecertificeerd/erkend recyclingbedrijf.
Milieu-aspecten van het
instructieboekje
Het FSC-symbool geeft aan dat de papiervezels waarvan deze publicatie gemaakt is
afkomstig zijn uit FSC-gecertificeerde bossen
of andere gecontroleerde bronnen.
Inleiding
15
Veiligheidsgordels ..................................................................................
Airbags....................................................................................................
Airbag activeren/deactiveren*.................................................................
SIPS-airbags (zij-airbags) .......................................................................
Opblaasgordijnen (IC-systeem) .............................................................
WHIPS ....................................................................................................
Activering van de veiligheidssystemen ..................................................
Safety mode............................................................................................
Kinderen en veiligheid.............................................................................
16
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
18
21
24
26
28
29
31
32
33
VEILIGHEID
01 Veiligheid
Veiligheidsgordels
01
Algemene informatie
Goede positie veiligheidsgordel.
Remmen kan ernstige gevolgen hebben als de
veiligheidsgordel niet wordt gedragen. Let er
daarom op dat alle passagiers hun veiligheidsgordel omhebben.
Op de achterbank passen de borglippen van
de veiligheidsgordel alleen in de bijbehorende
sluitingen1.
Voor optimale bescherming van de veiligheidsgordel is het van belang dat de gordel goed
tegen het lichaam ligt. Laat de rugleuning niet
te ver achteroverhellen. De veiligheidsgordel
biedt de beste bescherming bij een normale
rijhouding.
Veiligheidsgordel omdoen
Trek de gordel langzaam uit en maak deze vast
door de borglip in de gordelsluiting te steken.
Een duidelijke “klik” geeft aan dat de gordel
vastzit.
1
18
Bepaalde markten.
Hoogteverstelling van de gordelgeleider. Druk de
knop in en zet de gordelgeleider hoger of lager. Zet
de gordelgeleider zo hoog mogelijk zonder dat de
gordel daarbij langs de nek schuurt.
Veiligheidsgordel losmaken
Druk op de rode knop van de gordelsluiting en
laat het oprolmechanisme de gordel naar binnen trekken. Als de gordel niet volledig wordt
opgerold, moet u de gordel handmatig zo ver
terugrollen dat deze niet langer slap hangt.
Verkeerde positie veiligheidsgordel. De veiligheidsgordel moet over de schouder lopen.
De veiligheidsgordel is geblokkeerd en kan
niet verder worden uitgetrokken:
01 Veiligheid
Veiligheidsgordels
Let erop dat:
• u geen klemmen of andere accessoires
gebruikt waardoor u de veiligheidsgordel
niet strak langs uw lichaam kunt trekken
• er geen slagen in de veiligheidsgordel zitten en dat hij nergens achter blijft steken
• de heupgordel laag moet zitten (niet over
de buik)
• u de heupgordel over de heupen spant
door de diagonale schoudergordel in de
richting van de schouder omhoog te trekken.
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en de airbag werken
samen. Als de veiligheidsgordel niet of
onjuist wordt gebruikt, kan de bescherming
die de airbag bij een aanrijding biedt afnemen waardoor u als klant ernstig letsel kunt
oplopen.
WAARSCHUWING
Elke veiligheidsgordel is bestemd ter
bescherming van slechts één persoon.
WAARSCHUWING
Veiligheidsgordel en zwangerschap
Breng nooit zelf wijzigingen aan de veiligheidsgordels aan en probeer ze nooit zelf te
repareren. Volvo adviseert u daarvoor contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats.
Als een veiligheidsgordel aan grote krachten heeft blootgestaan zoals tijdens een
aanrijding, moet u de veiligheidsgordel in
zijn geheel vervangen. De veiligheidsgordel
kan een deel van zijn beschermende eigenschappen hebben verloren, zelfs als de veiligheidsgordel ogenschijnlijk niet beschadigd is. Vervang de veiligheidsgordel ook
als deze versleten of beschadigd is. De
nieuwe veiligheidsgordel moet zijn goedgekeurd en bedoeld voor montage op dezelfde
positie als de vervangen veiligheidsgordel.
G020998
• wanneer u de gordel te snel uittrekt
• wanneer u remt of optrekt
• als de auto sterk overhelt.
01
Wanneer u zwanger bent, is het belangrijk dat
u de veiligheidsgordel altijd op de juiste manier
draagt. De veiligheidsgordel moet strak langs
de schouder lopen, waarbij het diagonale deel
van de veiligheidsgordel tussen de borsten en
tegen de zijkant van de buik ligt.
Het heupgedeelte van de veiligheidsgordel
moet vlak tegen de buitenkant van de bovenbenen liggen en zo ver mogelijk onder de buik
liggen. Het mag nooit over de buik omhoog
kunnen glijden. De veiligheidsgordel moet zo
strak mogelijk over het lichaam lopen zonder
onnodige speling. Controleer ook of de veiligheidsgordel nergens gedraaid zit.
Naarmate de zwangerschap vordert moeten
zwangere bestuurders de stoel en het stuur
dusdanig verstellen dat ze de auto volledig
``
19
01 Veiligheid
01
Veiligheidsgordels
onder controle hebben (wat inhoudt dat ze met
gemak bij het stuur en de pedalen moeten kunnen komen). Streef ernaar de afstand tussen de
buik en het stuur zo groot mogelijk te maken.
Achterbank
Bepaalde markten
De functie van de gordelwaarschuwing voor de
achterbank is tweeledig:
Er gaat een waarschuwingslampje branden en
er worden geluidssignalen afgegeven wanneer
de bestuurder en een eventuele voorpassagier
de gordel niet dragen. Op lage snelheden klinkt
de eerste 6 seconden lang een geluidssignaal.
• Aangeven welke veiligheidsgordels van de
achterbank er worden gebruikt. Bij gebruik
van de veiligheidsgordels of het openen
van een van de achterportieren verschijnt
er een melding op het informatiedisplay.
De melding verdwijnt automatisch na ca.
30 seconden rijden, maar kan ook handmatig worden verwijderd door op de knop
READ op de richtingaanwijzerhendel te
drukken.
Gordelwaarschuwing
G017726
• Waarschuwen dat iemand op de achter-
Er gaan waarschuwingslampjes branden en er
worden geluidssignalen afgegeven wanneer
iemand de gordel niet draagt. Of er geluidssignalen klinken, hangt af van de snelheid. De
waarschuwingslampjes zitten in de plafondconsole en op het instrumentenpaneel.
Het gordelwaarschuwingssysteem geldt niet
voor kinderzitjes.
20
bank de veiligheidsgordel heeft losgenomen. Er wordt gewaarschuwd met een
melding op het informatiedisplay in combinatie met een geluidssignaal en een
waarschuwingslampje. De waarschuwing
stopt wanneer de gordel weer is omgedaan, maar kan ook handmatig worden
bevestigd door op de knop READ te drukken.
De melding op het informatiedisplay, die aangeeft welke veiligheidsgordels er gebruikt worden, is altijd beschikbaar. Druk op de knop
READ om de opgeslagen meldingen te zien.
Gordelspanners
Alle veiligheidsgordels zijn uitgerust met gordelspanners. Dit is een mechanisme dat bij een
voldoende krachtige aanrijding de veiligheidsgordel rond het lichaam spant. De veiligheidsgordel kan de passagier daarmee beter in de
stoel gedrukt houden.
WAARSCHUWING
De gesp van de veiligheidsgordel aan passagierszijde nooit aanbrengen in de gordelsluiting aan bestuurderszijde. De gesp van
de veiligheidsgordel altijd aanbrengen in de
gordelsluiting aan de juiste zijde. De veiligheidsgordels nooit beschadigen en geen
vreemde voorwerpen aanbrengen in de gordelsluiting. De veiligheidsgordels en de gordelsluiting werken anders mogelijk niet naar
behoren tijdens een aanrijding. Er bestaat
gevaar voor ernstige verwondingen.
01 Veiligheid
Airbags
Het waarschuwingssymbool op het instrumentenpaneel gaat branden, wanneer u de transpondersleutel in sleutelstand II of III zet. Het
symbool dooft na ca. 6 seconden, wanneer de
regelmodule heeft vastgesteld dat het airbagsysteem geen storingen vertoont.
WAARSCHUWING
Airbagsysteem
Behalve het brandende waarschuwingssymbool verschijnt er, in die gevallen waarin dat
nodig is, een melding op het informatiedisplay.
Als het waarschuwingssymbool niet werkt,
gaat het waarschuwingsdriehoekje branden en
verschijnt er SRS airbag Service vereist of
SRS airbag Service spoed op het display.
Volvo adviseert u zo spoedig mogelijk contact
op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
G018665
Als het waarschuwingslampje voor het airbagsysteem blijft branden of tijdens het rijden korte tijd oplicht, betekent dit dat het
airbagsysteem niet naar behoren werkt. Het
symbool kan ook duiden op een storing in
de gordelspanners, het SIPS- en het IC-systeem of op een andere storing in het systeem. Volvo adviseert u zo spoedig mogelijk
contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats.
Airbagsysteem, auto met stuur links.
G018666
Waarschuwingssymbool op
instrumentenpaneel
01
Airbagsysteem, auto met stuur rechts.
Het SRS-systeem bestaat uit airbags en sensoren. Bij een voldoende krachtige aanrijding
reageren de sensoren, waarna één of meer air``
21
01 Veiligheid
01
Airbags
bags worden opgeblazen. Daarbij worden de
airbags warm. Om de klap op te vangen loopt
de airbag leeg wanneer de inzittende de airbag
raakt. Daarbij treedt er rookvorming in de auto
op. Dit is volkomen normaal. Het totale verloop, van het opblazen tot het leeglopen van de
airbag, neemt enkele tienden van een seconde
in beslag.
WAARSCHUWING
Volvo adviseert u voor reparatie contact op
te nemen met een erkende Volvo-werkplaats. Verkeerde ingrepen in het airbagsysteem kunnen aanleiding geven tot storingen in de werking met mogelijk ernstig
lichamelijk letsel tot gevolg.
N.B.
De reactie van de sensoren hangt af van de
ernst van de aanrijding en van het feit of de
veiligheidsgordel aan de bestuurderszijde
of de passagierszijde vooraan wordt gedragen of niet.
Het is dan ook mogelijk dat er bij ongelukken slechts één (of geen enkele) van de airbags wordt opgeblazen. Het airbagsysteem
registreert de botskracht waaraan de auto
blootstaat en stemt de activering van een of
meerdere airbags daarop af.
Ook de capaciteit van de airbags wordt
afgestemd op de botskracht waaraan de
auto blootstaat.
Positie van de passagiersairbag in een auto met
het stuur rechts.
Airbag aan de bestuurderszijde
Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordel aan
de bestuurderszijde ook een airbag in het
stuurwiel. Deze zit opgevouwen in het midden
van het stuurwiel. Het stuurwiel is voorzien van
het opschrift AIRBAG.
WAARSCHUWING
Positie van de passagiersairbag in een auto met
het stuur links.
22
De veiligheidsgordel en de airbag werken
samen. Als de veiligheidsgordel niet of
onjuist wordt gebruikt, kan de bescherming
die de airbag bij een aanrijding biedt afnemen waardoor u als klant ernstig letsel kunt
oplopen.
01 Veiligheid
Airbags
Airbag aan de passagierszijde
Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordel aan
de passagierszijde ook een airbag in het stuurwiel. Deze zit opgevouwen in een ruimte boven
het dashboardkastje. Het paneel is voorzien
van het opschrift AIRBAG.
WAARSCHUWING
Om de kans op letsel bij het opblazen van
de airbags te beperken, moeten de passagiers zo rechtop mogelijk zitten met hun
voeten op de vloer en hun rug tegen de rugleuning. De veiligheidsgordel moet goed
vastzitten.
01
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen voorin, wanneer de
airbag aan die kant geactiveerd is.
Laat nooit iemand voor de passagierstoel
zitten of staan.
Personen kleiner dan 1,40 m mogen nooit
op de passagiersstoel voorin plaatsnemen,
als de airbag geactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren.
WAARSCHUWING
Plaats geen voorwerpen voor of boven op
het dashboard in het gebied waar de passagiersairbag is aangebracht.
23
01 Veiligheid
01
Airbag activeren/deactiveren*
PACOS deactiveren met sleutel*
Algemene informatie
De passagiersairbag (SRS) voorin kan gedeactiveerd worden met een schakelaar als de auto
is uitgerust met PACOS (Passenger Airbag Cut
Off Switch). Zie de tekst onder het kopje Activeren/deactiveren voor informatie over activering/deactivering.
Schakelaar voor deactivering met sleutel
De schakelaar voor activering/deactivering van
de passagiersairbag, PACOS (Passenger Airbag Cut Off Switch) zit aan de passagierszijde
aan de zijkant van het dashboard en u kunt erbij
door het portier aan die kant te openen (zie
onder het navolgende kopje “Activering/deactivering”).
Controleer of de schakelaar in de gewenste
stand staat. Volvo adviseert u het sleutelblad
van de transpondersleutel te gebruiken om de
stand te wijzigen.
Voor informatie over het sleutelblad, zie
pagina 53.
WAARSCHUWING
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren voor de inzittenden.
24
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
WAARSCHUWING
Activeren/deactiveren
Als de auto is uitgerust met een airbag aan
de passagierszijde maar geen PACOSschakelaar (Passenger Airbag Cut Off
Switch) heeft, is de airbag altijd geactiveerd.
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen op de passagiersstoel, als het brandende symbool
op
de plafondconsole aangeeft dat de passagiersairbag geactiveerd is. Het niet opvolgen van deze aanbeveling kan levensgevaarlijke situaties opleveren voor het kind.
WAARSCHUWING
Laat geen passagier op de passagiersstoel
plaatsnemen, als het waarschuwingslampje
voor het airbagsysteem op het instrumentenpaneel oplicht terwijl de melding op de
plafondconsole (zie pagina 25) aangeeft
dat de airbag aan die kant gedeactiveerd is.
Dit duidt op een ernstige storing. Bezoek zo
spoedig mogelijk een werkplaats. Volvo
adviseert u daarvoor contact op te nemen
met een erkende Volvo-werkplaats.
Locatie van de schakelaar voor activering/deactivering van de passagiersairbag.
De airbag is geactiveerd. Met de schakelaar in deze stand kunnen passagiers groter dan 1,40 m aan de passagierszijde op
de voorstoel zitten, maar kinderen in een
kinderzitje of op een kussen beslist niet.
De airbag is gedeactiveerd. Met de schakelaar in deze stand kunnen kinderen in
een kinderzitje of op een kussen aan de
passagierszijde op de voorstoel zitten,
maar passagiers groter dan 1,40 m beslist
niet.
01 Veiligheid
Airbag activeren/deactiveren*
WAARSCHUWING
01
Berichten
Geactiveerde airbag (passagiersstoel):
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen op de passagiersstoel, wanneer de airbag aan die kant geactiveerd is. Laat evenmin personen die kleiner zijn dan 1,40 m op deze stoel plaatsnemen.
2
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren.
2
G017724
Personen groter dan 1,40 m mogen nooit op
de passagiersstoel plaatsnemen, als de airbag gedeactiveerd is.
G017800
Gedeactiveerde airbag (passagiersstoel):
Hiermee wordt aangeduid dat de airbag aan de
passagierszijde gedeactiveerd is.
Een tekstmelding en een brandend symbool op
het plafondpaneel op de plafondconsole geven
aan dat de airbag aan de passagierszijde
gedeactiveerd is (zie voorgaande afbeelding).
Hiermee wordt aangegeven dat de airbag aan de
passagierszijde geactiveerd is.
Een waarschuwingssymbool op de plafondconsole geeft aan of de passagiersairbag
voorin geactiveerd is (zie voorgaande afbeelding).
N.B.
Bij het omdraaien van de transpondersleutel
naar sleutelstand II of III brandt
ca. 6 seconden lang het waarschuwingssymbool voor de airbags op het instrumentenpaneel (zie pagina 21).
Daarna gaat de indicator op de plafondconsole branden die de status van de passagiersairbag aangeeft. Voor meer informatie
over de verschillende sleutelstanden van de
transpondersleutel, zie pagina 86.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
25
01 Veiligheid
SIPS-airbags (zij-airbags)
WAARSCHUWING
Volvo adviseert u reparatiewerk over te
laten aan een erkende Volvo-werkplaats. Verkeerde ingrepen in het SIPSairbagsysteem kunnen aanleiding
geven tot storingen in de werking met
mogelijk ernstig lichamelijk letsel tot
gevolg.
•
Plaats geen voorwerpen tussen de
stoelen en de portierpanelen, omdat dit
gebied binnen de actieradius van de
SIPS-airbag ligt.
•
Volvo adviseert u alleen stoelhoezen te
gebruiken die door Volvo zijn goedgekeurd. Andere stoelhoezen kunnen de
SIPS-airbags in hun werking hinderen.
•
De SIPS-airbag vormt een aanvulling op
de veiligheidsgordel. Draag altijd een
veiligheidsgordel.
G032949
•
Bij een aanrijding in de zij wordt een groot deel
van de botskracht door het SIPS-systeem
(Side Impact Protection System) over balken,
stijlen, vloer, dak en andere delen van de carrosserie verdeeld. De SIPS-airbags aan de
bestuurders- en de passagierszijde beschermen de borstkas en de heupen en vormen een
belangrijk onderdeel van het SIPS-systeem.
Het SIPS-systeem bestaat uit twee hoofdonderdelen: de SIPS-airbags en de sensoren. De
SIPS-airbags zijn aangebracht in de rugleuningframes van de voorstoelen.
1
26
Positie
G024377
SIPS-airbag
Bestuurdersplaats, auto met stuur links.
Kinderzitjes en SIPS-airbags
De SIPS-airbags beïnvloeden de beschermende werking van kinderzitje en/of comfortkussen niet negatief.
Het is mogelijk een kinderzitje/comfortkussen
op de voorstoel te plaatsen, als de auto aan de
passagierszijde niet is uitgerust met een geactiveerde1 airbag.
Voor informatie over het activeren/deactiveren van de airbag, zie pagina 24.
G024378
01
Passagiersplaats, auto met stuur links.
Het SIPS-systeem bestaat uit SIPS-airbags en
sensoren. Bij een voldoende krachtige aanrij-
01 Veiligheid
SIPS-airbags (zij-airbags)
01
ding reageren de sensoren, die op hun beurt
de gasgeneratoren activeren. De SIPS-airbags
worden vervolgens opgeblazen tussen de
inzittende en het portierpaneel. Daarmee vangen de SIPS-airbags de klap van de aanrijding
op voor de inzittende, waarna de airbags weer
leeglopen. De SIPS-airbag wordt normaal
gesproken alleen opgeblazen aan de kant van
de aanrijding.
27
01 Veiligheid
01
Opblaasgordijnen (IC-systeem)
Eigenschappen
WAARSCHUWING
Hang of bevestig nooit zware voorwerpen
aan de plafondhandgrepen. De haak is
alleen bedoeld voor niet al te zware kledingstukken (en niet voor harde voorwerpen
zoals paraplu’s).
Schroef of bevestig geen onderdelen op de
plafondbekleding, portierstijlen of de zijpanelen van de auto. Ze kunnen daarbij hun
beschermende werking verliezen. Volvo
adviseert u uitsluitend originele Volvoonderdelen, bestemd voor montage op
deze plaatsen, te gebruiken.
De opblaasgordijnen van het IC-systeem (Inflatable Curtain) maken deel uit van het SIPSsysteem en de airbags. Ze zitten verborgen
achter de plafondbekleding langs beide zijden
van de auto en beschermen inzittenden op de
buitenste zitplaatsen van de auto. Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren de sensoren, die op hun beurt de opblaasgordijnen
activeren. Het systeem helpt voorkomen dat
de bestuurder en eventuele passagiers bij een
botsing met hun hoofd tegen de binnenkant
van de auto slaan.
WAARSCHUWING
Zorg dat de lading in de auto niet uitsteekt
boven de denkbeeldige, horizontale lijn op
50 mm onder de bovenkant van de portierruiten. Anders is het mogelijk dat het
opblaasgordijn dat schuilgaat achter de plafondbekleding geen bescherming meer
biedt.
WAARSCHUWING
Het opblaasgordijn vormt een aanvulling op
de veiligheidsgordel.
Draag altijd de veiligheidsgordel.
28
01 Veiligheid
WHIPS
Bescherming tegen whiplash-letsel,
WHIPS
Het WHIPS-systeem (Whiplash Protection
System) bestaat uit energieabsorberende rugleuningen en speciaal voor het systeem ontwikkelde hoofdsteunen voor de beide voorstoelen. Het systeem wordt geactiveerd bij een
aanrijding van achteren, afhankelijk van de
hoek waaronder en de snelheid waarmee het
achteropkomende voertuig de auto raakt en de
materiaaleigenschappen van dat voertuig.
WAARSCHUWING
Het WHIPS-systeem vormt een aanvulling
op de veiligheidsgordels. Draag altijd de veiligheidsgordel.
01
WHIPS-systeem en kinderzitjes
Het WHIPS-systeem beïnvloedt de beschermende werking van kinderzitje en/of comfortkussen niet negatief.
Juiste zithouding
Voor optimale bescherming moeten de
bestuurder en de voorpassagier zoveel mogelijk in het midden van de stoel plaatsnemen en
de afstand tussen het hoofd en de hoofdsteun
zo klein mogelijk houden.
Zorg dat u de werking van het WHIPSsysteem niet nadelig beïnvloedt
Eigenschappen van de stoel
Als het WHIPS-systeem wordt geactiveerd,
klappen de rugleuningen van de voorstoelen
naar achteren zodat de zithouding van de
bestuurder en de passagier op de voorstoelen
verandert. Zo wordt de kans op zogeheten whiplash-letsel beperkt.
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen in de stoel of het
WHIPS-systeem aan en probeer ze nooit
zelf te repareren. Volvo adviseert u daarvoor
contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats.
Plaats geen voorwerpen op de vloer achter de
bestuurders- of passagiersstoel die het WHIPSsysteem kunnen hinderen.
``
29
01 Veiligheid
01
WHIPS
WAARSCHUWING
Plaats geen koffer of iets dergelijks tussen
het zitgedeelte van de achterbank en de
rugleuning van de voorstoelen. Let erop dat
u de werking van het WHIPS-systeem niet
beïnvloedt.
WAARSCHUWING
Als de stoel heeft blootgestaan aan grote
krachten zoals bij een aanrijding van achteren, moet u het WHIPS-systeem laten
controleren. Volvo adviseert u het te laten
controleren door een erkende Volvo-werkplaats.
Het WHIPS-systeem kan een deel van zijn
beschermende eigenschappen hebben verloren, zelfs als de stoel ogenschijnlijk intact
is.
Volvo adviseert u contact op te nemen met
een erkende Volvo-werkplaats voor een
controle van het systeem, ook na een lichte
aanrijding van achteren.
Plaats geen voorwerpen op de achterbank die het
WHIPS-systeem kunnen hinderen.
WAARSCHUWING
Als u een van de ruggedeelten van de achterbank hebt omgeklapt, moet u de voorstoel aan dezelfde kant naar voren schuiven
zodat de rugleuning van de stoel niet tegen
het omgeklapte ruggedeelte van de achterbank aankomt.
30
01 Veiligheid
Activering van de veiligheidssystemen
Activering van de veiligheidssystemen
Systeem
Activering
Gordelspanners
voorstoelen
Bij een frontale botsing en/of aanrijding
in de zij, van achteren en kantelen
Gordelspanners
achterbank
Bij een frontale botsing en/of aanrijding
in de zij en kantelen
Airbags (SRS)
Bij een frontale botsing.A
SIPS-airbags
Bij een aanrijding in
de zij
Opblaasgordijnen
(IC)
Bij een aanrijding in
de zij, kantelen en/of
een frontale botsing
waarbij de auto niet
geheel recht van
voren geraakt wordt
WHIPS-systeem
A
Bij aanrijdingen van
achteren
Het is mogelijk dat de airbags niet worden opgeblazen,
ondanks dat de carrosserie van de auto danig vervormd
raakt. Enkele factoren zoals de stijfheid en het gewicht van
het lichaam waarmee de auto in botsing komt, de snelheid
van de auto, de hoek waaronder de botsing plaatsvindt e.d.
zijn van invloed op de wijze van activering van de verschillende veiligheidssystemen in de auto.
Wanneer de airbags werden opgeblazen, adviseert Volvo u het volgende:
• Laat de auto wegslepen. Volvo adviseert u
hem te laten wegslepen naar een erkende
Volvo-werkplaats. Rijd niet met opgeblazen airbags.
• Volvo adviseert u het vervangen van de
onderdelen van de veiligheidssystemen in
de auto over te laten aan een erkende
Volvo-werkplaats.
• Neem altijd contact op met een arts.
01
WAARSCHUWING
Rijd nooit met opgeblazen airbags. Ze kunnen u bij het sturen danig in de weg zitten.
Ook de andere veiligheidssystemen kunnen
beschadigd zijn. Langdurige blootstelling
aan de rook- en stofdeeltjes die vrijkomen
bij het opblazen van de airbags kan oog- en
huidirritatie veroorzaken. Spoel bij irritatie
met koud water. De snelheid waarmee de
airbags/gordijnen worden opgeblazen kan
in combinatie met de toegepaste materialen
resulteren in schaaf- en brandwonden aan
de huid.
N.B.
De SRS-, SIPS-, IC-systemen en de gordelspanners worden bij een botsing slechts
eenmaal geactiveerd.
WAARSCHUWING
De regelmodule van het airbagsysteem zit
in de middenconsole. Als de middenconsole doorweekt geraakt is, moet u de accukabels loskoppelen. Probeer de auto niet te
starten, omdat de airbags daarbij geactiveerd kunnen worden. Laat de auto wegslepen. Volvo adviseert u hem te laten wegslepen naar een erkende Volvo-werkplaats.
31
01 Veiligheid
01
Safety mode
Rijden na een aanrijding
Als alles normaal lijkt en u hebt vastgesteld dat
er geen brandstof lekt, kunt u proberen de
motor te starten.
Neem de transpondersleutel uit en open het
bestuurdersportier. Als er vervolgens een melding verschijnt dat het contact ingeschakeld is,
dient u op de startknop te drukken. Sluit het
portier vervolgens en plaats de transpondersleutel terug. De elektronica van de auto probeert nu te resetten naar de normale stand.
Probeer vervolgens de auto te starten.
Als de auto betrokken is geweest bij een aanrijding, kan de melding Safety mode Zie
instructieb. op het informatiedisplay verschijnen. Dit betekent dat de functionaliteit van de
auto is verminderd. Safety mode is een veiligheidsfunctie die in werking treedt wanneer de
aanrijding belangrijke onderdelen van de auto
zoals de brandstofleidingen, de sensoren voor
een van de veiligheidssystemen of het remsysteem, kan hebben beschadigd.
Auto proberen te starten
Controleer eerst of er geen brandstof uit de
auto is gelopen. Er mag evenmin een brandstofgeur waarneembaar zijn.
32
Als de melding Safety mode Zie
instructieb. nog steeds op het display staat,
mag u niet met de auto rijden en hem evenmin
verslepen. Verborgen schade kan de auto tijdens het rijden onbestuurbaar maken, zelfs als
het lijkt dat u nog met de auto kunt rijden.
Auto verzetten
Als de melding Normal mode wordt weergegeven nadat de Safety mode Zie
instructieb. is gereset, mag u de auto voorzichtig uit de huidige, gevaarlijke positie verrijden. Verrijd de auto niet verder dan nodig.
WAARSCHUWING
Probeer nooit zelf de auto te repareren of de
elektronische onderdelen te resetten nadat
de auto in de Safety mode heeft gestaan. Dit
kan aanleiding geven tot letsel of een
slechte functie van de auto. Volvo adviseert
u de auto altijd in een erkende Volvo-werkplaats te laten controleren en naar Normal
Mode te laten resetten nadat de melding
Safety mode Zie instructieb. is verschenen.
WAARSCHUWING
Probeer in geen geval de auto opnieuw te
starten, als u een brandstofgeur waarneemt
terwijl de melding Safety mode Zie
instructieb. getoond wordt. Verlaat de auto
onmiddellijk.
WAARSCHUWING
De auto mag niet worden weggesleept
zolang deze in de Safety mode staat. De
auto moet worden weggesleept. Volvo adviseert u hem te laten wegslepen naar een
erkende Volvo-werkplaats.
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Kinderen moeten comfortabel en veilig
kunnen zitten
Volvo adviseert u kinderen zo lang mogelijk te
vervoeren in een achterstevoren gemonteerd
kinderzitje (in ieder geval tot een leeftijd van
3–4 jaar) en daarna tot een leeftijd van 10 jaar
op/in een comfortkussen of een kinderzitje dat
in de rijrichting geplaatst is.
De plaats van het kind in de auto en de vereiste
uitrusting zijn afhankelijk van het gewicht en de
lengte van het kind (voor meer informatie, zie
pagina 35).
optimale voorwaarden voor een veilig vervoer
van uw kind(eren), u weet bovendien zeker dat
de producten passen en eenvoudig in het
gebruik zijn.
N.B.
Neem voor duidelijker instructies voor de
bevestiging van kinderveiligheidsproducten
contact op met de producent.
Kinderzitjes
N.B.
Zet de bevestigingsbanden van het kinderzitje
nooit vast aan de hendel waarmee u de voorstoel in de lengterichting verstelt of aan veren,
rails of balken onder de stoel. Door scherpe
randen kunnen de bevestigingsbanden
beschadigd raken.
Positie van kinderzitjes
Het volgende kan worden gebruikt:
• een kinderzitje/comfortkussen op de pasG020739
Ongeacht leeftijd en lengte moeten kinderen
altijd met de gordel goed om in de auto zitten.
Laat kinderen nooit bij passagiers op schoot
zitten.
1
N.B.
Bij gebruik van op de markt verkrijgbare kinderveiligheidsproducten is het van belang
dat u de bijgeleverde montage-instructies
zorgvuldig doorleest en nauwkeurig
opvolgt.
Raadpleeg voor de juiste montage de montage-instructies bij het kinderzitje.
De wettelijke bepalingen voor het vervoer
van kinderen in de auto verschillen van land
tot land. Ga na welke regels er in uw land
van kracht zijn.
Volvo beschikt over kinderveiligheidsproducten (kinderzitjes, comfortkussen en bevestigingsmaterialen) die speciaal voor uw auto zijn
ontwikkeld. Wanneer u voor kinderveiligheidsproducten van Volvo kiest schept u niet alleen
01
Kinderzitjes en airbags gaan niet samen.
sagiersstoel, zolang de airbag aan de passagierszijde gedeactiveerd1 is.
• en of meer kinderzitjes/comfortkussen op
de achterbank.
Plaats kinderzitjes/comfortkussens altijd op de
achterbank als de airbag aan de passagierszijde geactiveerd is. Als de airbag wordt opge-
Voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag, zie pagina 24.
``
33
01 Veiligheid
01
Kinderen en veiligheid
blazen, kan een kind op de passagiersstoel
ernstig letsel oplopen.
WAARSCHUWING
Zet nooit een kind in een kinderzitje op de
passagiersstoel als de airbag (SRS) is geactiveerd.
Personen kleiner dan 1,40 m mogen nooit
op de passagiersstoel voorin plaatsnemen,
als de airbag (SRS) geactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren.
34
WAARSCHUWING
Sticker airbag
Gebruik geen kinderzitjes met stalen beugels of andere constructies die tegen de
ontgrendelingsknop van de gordelsluiting
kunnen aankomen. Dit om te voorkomen
dat de gordels plotseling losschieten.
Zorg dat het kinderzitje niet met de bovenkant tegen de voorruit aankomt.
Sticker aan passagierszijde, op de korte kant van
het dashboard, zie afbeelding op pagina 24.
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
Aanbevolen kinderzitjes2
Gewicht
Voorstoel (met gedeactiveerde
airbag)
Buitenste zitplaats achterbank
Groep 0
Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) achterstevoren gemonteerd kinderzitje
bevestigd met ISOFIX-systeem. Voor
de juiste montage bij deze bevestigingsoptie is een ISOFIX-console* vereist.
Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) achterstevoren gemonteerd kinderzitje
bevestigd met ISOFIX-systeem.
max. 10 kg
Groep 0+
max. 13 kg
Middelste zitplaats achterbank
Typegoedkeuring: E5 04301146
(L)
Typegoedkeuring: E5 04301146
(L)
2
Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) –
achterstevoren gemonteerd kinderzitje
bevestigd met veiligheidsgordel.
Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) –
achterstevoren gemonteerd kinderzitje
bevestigd met veiligheidsgordel.
Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) –
achterstevoren gemonteerd kinderzitje
bevestigd met veiligheidsgordel.
Typegoedkeuring: E1 04301146
Typegoedkeuring: E1 04301146
Typegoedkeuring: E1 04301146
(U)
(U)
(U)
Kinderzitjes met universele goedkeuring.
Kinderzitjes met universele goedkeuring.
Kinderzitjes met universele goedkeuring.
(U)
(U)
(U)
Om andere kinderzitjes te kunnen gebruiken dient uw auto op de lijst van de producent te staan of een universele goedkeuring te hebben conform ECE R44.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
35
01 Veiligheid
01
Kinderen en veiligheid
Gewicht
Voorstoel (met gedeactiveerde
airbag)
Buitenste zitplaats achterbank
Groep 1
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo
Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd
met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo
Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd
met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 04192
Typegoedkeuring: E5 04192
(L)
(L)
Kinderzitjes met universele goedkeuring.
Kinderzitjes met universele goedkeuring.
Kinderzitjes met universele goedkeuring.
(U)
(U)
(U)
9–18 kg
36
Middelste zitplaats achterbank
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Gewicht
Voorstoel (met gedeactiveerde
airbag)
Buitenste zitplaats achterbank
Groep 2
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo
Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd
met veiligheidsgordel en bevestigingsband
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo
Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd
met veiligheidsgordel en bevestigingsband
Typegoedkeuring: E5 04192
Typegoedkeuring: E5 04192
(L)
(L)
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo
Convertible Child Seat) – in rijrichting
gemonteerd kinderzitje bevestigd met
veiligheidsgordel.
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo
Convertible Child Seat) – in rijrichting
gemonteerd kinderzitje bevestigd met
veiligheidsgordel.
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo
Convertible Child Seat) – in rijrichting
gemonteerd kinderzitje bevestigd met
veiligheidsgordel.
Typegoedkeuring: E5 04191
Typegoedkeuring: E5 04191
Typegoedkeuring: E5 04191
(L)
(L)
(L)
15–25 kg
01
Middelste zitplaats achterbank
``
37
01 Veiligheid
01
Kinderen en veiligheid
Gewicht
Voorstoel (met gedeactiveerde
airbag)
Buitenste zitplaats achterbank
Middelste zitplaats achterbank
Groep 2/3
Volvo-comfortkussen met rugleuning
(Volvo Booster Seat with backrest).
Volvo-comfortkussen met rugleuning
(Volvo Booster Seat with backrest).
Volvo-comfortkussen met rugleuning
(Volvo Booster Seat with backrest).
Typegoedkeuring: E1 04301169
Typegoedkeuring: E1 04301169
Typegoedkeuring: E1 04301169
(UF)
(UF)
(UF)
Kinderzitje met of zonder rugleuning
(Booster Cushion with and without
backrest).
Kinderzitje met of zonder rugleuning
(Booster Cushion with and without
backrest).
Kinderzitje met of zonder rugleuning
(Booster Cushion with and without
backrest).
Typegoedkeuring: E5 03139
Typegoedkeuring: E5 03139
Typegoedkeuring: E5 03139
(UF)
(UF)
(UF)
15–36 kg
Geïntegreerd kinderzitje (Integrated
Booster Cushion) – verkrijgbaar als
fabrieksoptie.
Typegoedkeuring: E5 04189
(B)
L: Geschikt voor specifieke kinderzitjes. Deze kinderzitjes kunnen bestemd zijn voor een bepaald automerk, voor een beperkte groep merken of
semi-universeel zijn.
U: Geschikt voor kinderzitjes in deze gewichtscategorie met universele goedkeuring.
UF: Geschikt voor in rijrichting gemonteerde kinderzitjes in deze gewichtscategorie met universele goedkeuring.
B: Geïntegreerde kinderzitjes met goedkeuring voor deze gewichtscategorie.
38
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Geïntegreerde kinderzitjes met twee
standen*
De geïntegreerde kinderzitjes zijn speciaal ontworpen om kinderen optimale bescherming te
bieden. In combinatie met de aanwezige veiligheidsgordels zijn de kinderzitjes goedgekeurd voor kinderen met een gewicht van 15
tot 36 kg en een lengte van minimaal 95 cm.
01
Kinderzitje met twee standen uitklappen
Stand 1
Zorg alvorens weg te rijden dat:
• het geïntegreerde kinderzitje
met twee standen correct ingesteld (zie
onderstaande tabel) en vergrendeld is
• de veiligheidsgordel goed strak langs het
lichaam van het kind loopt en nergens slap
hangt of verdraaid is
Goede positie: de gordel loopt midden over de
schouder.
• de veiligheidsgordel niet tegen de nek van
het kind aankomt of onder de schouder
langs loopt (zie voorgaande afbeeldingen)
Trek de handgreep naar voren en omhoog
om het kinderzitje vrij te geven.
• de heupgordel laag over het bekken loopt,
zodat deze maximale bescherming biedt.
Gewicht
Stand 1
Stand 2
22–36 kg
15–25 kg
Verkeerde positie: de hoofdsteun moet even hoog
afgesteld zijn als het hoofd en de gordel mag niet
onder de schouder door lopen.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
39
01 Veiligheid
01
Kinderen en veiligheid
Duw het kinderzitje naar achteren om het te
vergrendelen.
Stand 2
Til het kinderzitje aan de voorkant op en
duw het achteruit tegen het ruggedeelte aan
om het te vergrendelen.
pen in het zitgedeelte. Het is echter niet mogelijk het kinderzitje vanuit de bovenste stand in
de onderste stand te zetten.
WAARSCHUWING
Werk vanuit de onderste stand. Druk op de
knop.
Volvo adviseert u reparatie- en vervangingswerk over te laten aan een erkende Volvowerkplaats. Verricht geen wijzigingen in of
aanpassingen aan het geïntegreerde kinderzitje. Als een geïntegreerd kinderzitje aan
grote krachten heeft blootgestaan zoals tijdens een aanrijding, moet u het geïntegreerde kinderzitje in zijn geheel vervangen.
Ook als het geïntegreerde kinderzitje er
intact uitziet, kunnen er toch beschermende
eigenschappen verloren zijn gegaan. Het
geïntegreerde kinderzitje moet ook worden
vervangen als het erg versleten is.
N.B.
Het is niet mogelijk het kinderzitje vanuit
stand 2 in stand 1 te zetten. U moet het zitje
dan eerst volledig neerklappen in het zitgedeelte. Zie de tekst onder het kopje Kinderzitje met twee standen neerklappen.
Kinderzitje met twee standen
neerklappen
Het kinderzitje is zowel vanuit de bovenste als
vanuit de onderste stand volledig neer te klap-
40
Trek de handgreep naar voren om het zitje
vrij te geven.
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Duw het zitje met uw hand omlaag om het
zitje te vergrendelen.
WAARSCHUWING
Als u de gebruiksinstructies voor het kinderzitje met twee standen niet opvolgt, is
het bij een aanrijding niet uitgesloten dat het
kind ernstig letsel oploopt.
BELANGRIJK
Kinderslot achterportieren
De bedieningsknoppen voor de ruiten in de
achterportieren en de openingshandgrepen op
de achterportieren zijn te blokkeren, zodat de
achterportieren en de zijruiten niet meer van de
binnenzijde kunnen worden geopend. Voor
meer informatie, zie pagina 68.
01
Duw het zitgedeelte van de zitplaats omlaag
om bij de bevestigingspunten te komen.
Houdt u zich altijd aan de montage-instructies
van de fabrikant, wanneer u een kinderzitje/
babyzitje aan de ISOFIX-bevestigingspunten
vastzet.
Afmetingscategorieën
ISOFIX-bevestigingssysteem voor
kinderzitjes
Controleer voordat u het kinderzitje weer
neerklapt of er geen losse voorwerpen
(zoals stukken speelgoed) in het gebied
onder het zitje liggen.
Kinderzitjes kunnen net als auto’s verschillende afmetingen hebben. Kinderzitjes passen
daardoor niet op alle zitplaatsen van de verschillende modellen.
Voor kinderzitjes met een ISOFIX-bevestigingssysteem zijn er daarom afmetingscategorieën om gebruikers te helpen bij het kiezen
van het juiste kinderzitje (zie volgende tabel).
N.B.
AfmeBeschrijving
tingscategorie
Bij het omklappen van het ruggedeelte van
de achterbank dient u eerst het kinderzitje
neer te klappen.
Achter de onderkant van de ruggedeelten op
de beide buitenste zitplaatsen van de achterbank gaan de bevestigingspunten voor het
ISOFIX-systeem schuil.
Symbolen op de bekleding van de ruggedeelten (zie voorgaande afbeelding) geven de positie van deze bevestigingspunten aan.
A
Normale grootte, in rijrichting
gemonteerd kinderzitje
B
Beperkte grootte (optie 1), in
rijrichting gemonteerd kinderzitje
B1
Beperkte grootte (optie 2), in
rijrichting gemonteerd kinderzitje
``
41
01 Veiligheid
01
Kinderen en veiligheid
AfmeBeschrijving
tingscategorie
N.B.
AfmeBeschrijving
tingscategorie
C
Normale grootte, achterstevoren gemonteerd kinderzitje
F
Overdwars gemonteerd
babyzitje, links
D
Beperkte grootte, achterstevoren gemonteerd kinderzitje
G
Overdwars gemonteerd
babyzitje, rechts
E
Achterstevoren gemonteerd
babyzitje
Als een ISOFIX-kinderzitje geen afmetingscategorie heeft, dient uw model op de lijst
met auto’s te staan waarvoor het kinderzitje
zich leent.
N.B.
Volvo adviseert u contact op te nemen met
een Volvo-werkplaats over de ISOFIX-kinderzitjes die Volvo aanbeveelt.
WAARSCHUWING
Plaats een kind nooit op de passagiersstoel
voorin, als de auto is uitgerust met een
geactiveerde airbag aan die kant.
Verschillende soorten ISOFIX-kinderzitjes
Type kinderzitje
Babyzitje, overdwars
Babyzitje, achterstevoren
Gewicht
max. 10 kg
max. 10 kg
Afmetingscategorie
Zitplaatsen voor montage ISOFIX-kinderzitje
Voorstoel
Buitenste zitplaats achterbank
F
X
X
G
X
X
E
X
OK
(IL)
42
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Type kinderzitje
Babyzitje, achterstevoren
Gewicht
max. 13 kg
Afmetingscategorie
E
01
Zitplaatsen voor montage ISOFIX-kinderzitje
Voorstoel
Buitenste zitplaats achterbank
X
OK
(IL)
D
X
OK
(IL)
C
X
OK
(IL)
Kinderzitje, achterstevoren
9–18 kg
D
X
OK
(IL)
C
X
OK
(IL)
``
43
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
Type kinderzitje
Kinderzitje, in rijrichting
Gewicht
Afmetingscategorie
9–18 kg
B
Zitplaatsen voor montage ISOFIX-kinderzitje
Voorstoel
Buitenste zitplaats achterbank
X
OKA
(IUF)
B1
X
OKA
(IUF)
A
X
OKA
(IUF)
X: De ISOFIX-stand leent zich niet voor ISOFIX-kinderzitjes in deze gewichts- en/of afmetingscategorie.
IL: Geschikt voor specifieke ISOFIX-kinderzitjes. Deze kinderzitjes kunnen bestemd zijn voor een bepaald automerk, voor een beperkte groep
merken of semi-universeel zijn.
IUF: Geschikt voor in rijrichting gemonteerd ISOFIX-kinderzitje met universele goedkeuring voor deze gewichtscategorie.
A
44
Volvo adviseert een achterstevoren gemonteerd kinderzitje voor deze categorie.
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Bovenste bevestigingspunten voor
kinderzitjes
01
N.B.
Bij auto’s met hoofdsteunen op de beide
buitenste zitplaatsen van de achterbank
gaat het monteren van dergelijke veiligheidszitjes makkelijker, als u deze hoofdsteunen omklapt.
N.B.
Bij een bagageruimte die met een bagagerolhoes kan worden afgedekt, dient de rolhoes te worden verwijderd voordat er een
kinderzitje aan de bevestigingspunten kan
worden vastgezet.
De auto is uitgerust met bovenste bevestigingspunten voor bepaalde kinderzitjes die in
de rijrichting worden gemonteerd. Deze bevestigingspunten zitten achter op het zitgedeelte
van de achterbank.
Zie de aanwijzingen van de fabrikant van het
kinderzitje voor gedetailleerde informatie over
de manier waarop u het zitje aan de bovenste
bevestigingspunten vastzet.
De bovenste bevestigingspunten zijn voornamelijk bestemd om een in de rijrichting gemonteerd kinderzitje aan te bevestigen. Volvo adviseert u kleine kinderen zo lang mogelijk in een
achterstevoren gemonteerd kinderzitje te blijven vervoeren.
De bevestigingsband van het kinderzitje
altijd door de opening in de ene poot van de
hoofdsteun halen, alvorens de band aan het
bevestigingspunt vast te zetten.
WAARSCHUWING
45
Transpondersleutel/sleutelblad...............................................................
Privacy locking*.......................................................................................
Batterij vervangen transpondersleutel/PCC*..........................................
Keyless drive*..........................................................................................
Vergrendelen/ontgrendelen....................................................................
Kinderslot................................................................................................
Alarm*......................................................................................................
46
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
48
54
56
58
62
68
70
SLOTEN EN ALARM
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutelblad
Algemene informatie
02
Bij de auto worden 2 transpondersleutels of
PCC’s (Personal Car Communicator geleverd.
U gebruikt ze om de auto te starten en deze te
vergrendelen en ontgrendelen.
U kunt extra transpondersleutels bestellen. Er
zijn maximaal 6 transpondersleutels voor één
en dezelfde auto te programmeren en te
gebruiken.
PCC’s kennen meer functies dan een transpondersleutel in standaarduitvoering. De rest
van dit hoofdstuk gaat over functies die voorkomen op zowel de PCC als op de transpondersleutel.
WAARSCHUWING
Als er kinderen in de auto zitten:
Let er bij het verlaten van de auto op dat u
de stroomtoevoer naar de elektrisch
bedienbare zijruiten en het schuifdak verbreekt door de transpondersleutel uit te
nemen.
Zoekgeraakte transpondersleutel
plaats. Neem de resterende transpondersleutels mee naar de werkplaats. Ter voorkoming
van diefstal moet de code van de zoekgeraakte
transpondersleutel uit het systeem worden
gewist.
Hoeveel sleutels er voor de auto geprogrammeerd zijn kunt u controleren in het menusysteem MY CAR onder Informatie Aantal
sleutels. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie pagina 155.
Sleutelgeheugen1,
buitenspiegels en
bestuurdersstoel
De instellingen worden automatisch gekoppeld aan de transpondersleutel die op dat
moment in gebruik is, zie pagina 89 en
109.
De functie is te activeren/deactiveren in het
menusysteem MY CAR onder Instellingen
Auto-instellingen Sleutelgeheugen.
Voor een beschrijving van het menusysteem,
zie pagina 155.
Voor auto’s met Keyless drive-systeem, zie
pagina 58.
Bij verlies van een transpondersleutel kunt u
een nieuwe bestellen bij een werkplaats –
geadviseerd wordt een erkende Volvo-werk-
1
2
48
Alleen in combinatie met elektrisch bedienbare bestuurdersstoel en elektrisch inklapbare buitenspiegels.
Alleen auto’s met elektrisch inklapbare buitenspiegels.
Knippersignalen bij vergrendelen/
ontgrendelen
Wanneer u de auto vergrendelt of ontgrendelt
met een transpondersleutel, lichten de richtingaanwijzers een bepaald aantal malen op
om aan te geven dat de auto op de juiste
manier vergrendeld/ontgrendeld is.
• Vergrendelen – eenmaal oplichten en de
buitenspiegels worden ingeklapt2.
• Ontgrendelen – tweemaal oplichten en de
buitenspiegels worden uitgeklapt2.
Bij het vergrendelen gebeurt dit alleen als alle
portieren na het sluiten correct zijn vergrendeld.
Functie kiezen
In het menusysteem van de auto zijn verschillende opties in te stellen voor bevestiging bij
vergrendeling/ontgrendeling middels lichtsignalen, zie pagina 155.
Ga in het menusysteem MY CAR naar
Instellingen Auto-instellingen
Lichtinstellingen en markeer Lichtsignaal
deurvergrendeling en/of Lichtsignaal bij
ontgrendeling.
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutelblad
Vergrendelingsindicatie
Dezelfde diode als de alarmindicatie, zie
pagina 70.
Een knipperende diode onder aan de voorruit
geeft aan dat de auto vergrendeld is.
N.B.
Ook auto’s zonder alarm zijn uitgerust met
deze indicatie.
den verband met de elektronische startblokkering:
Melding
Betekenis
Sleutelfout
Opnieuw insteken
Storing tijdens het
uitlezen van de
transpondersleutel
tijdens het starten –
Sleutel uitnemen,
opnieuw aanbrengen en een nieuwe
startpoging doen.
Autosleutel niet
gevonden
Storing tijdens het
uitlezen van de PCC
tijdens het starten –
Nieuwe startpoging
doen.
(Geldt alleen voor
Keyless drive met
PCC.)
02
Als de storing aanhoudt: Transpondersleutel in het
contactsleutel
duwen en een
nieuwe startpoging
doen.
Elektronische startblokkering
Elke transpondersleutel heeft zijn eigen, unieke
code. U kunt alleen in de auto rijden, wanneer
u een transpondersleutel met de juiste code
gebruikt.
De onderstaande foutmeldingen op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel hou``
49
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutelblad
Startblokkering
Start opnieuw
Storing in het startblokkeringssysteem
tijdens het starten.
Het wordt geadviseerd contact op te
nemen met een
erkende Volvowerkplaats, als de
storing aanhoudt.
Functies
Voor het starten van de auto, zie pagina 120.
Transpondersleutel, standaardversie.
Vergrendelen
G021079
Betekenis
G021078
02
Melding
Transpondersleutel met PCC* - Personal Car
Communicator.
Informatie
Ontgrendelen
Functietoetsen
“Approach”-verlichting
Vergrendelen – Vergrendelt de portieren
en de achterklep en activeert het alarm.
Achterklep
Paniekfunctie
Bij lang indrukken (ten minste 2 seconden)
worden alle zijruiten en het schuifdak* tegelijkertijd gesloten.
WAARSCHUWING
Controleer of niemand met de handen
bekneld raakt wanneer u het schuifdak en
de zijruiten vanaf de transpondersleutel
sluit.
50
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutelblad
Bij lang indrukken (ten minste 4 seconden)
worden alle zijruiten tegelijkertijd geopend.
De gelijktijdige ontgrendeling van alle portieren
is dusdanig te wijzigen dat bij eenmaal indrukken van de knop eerst het bestuurdersportier
ontgrendeld wordt en bij de tweede maal
indrukken – één en ander binnen 10 seconden
– de resterende portieren te ontgrendelen.
De functie is te wijzigingen in het menusysteem
van MY CAR onder Instellingen Autoinstellingen Slotinstellingen Deuren
open met de beide opties Alle deuren en
Enter current PIN. Voor een beschrijving van
het menusysteem, zie pagina 155.
Duur naderingslicht – Bestemd om de
verlichting van de auto op afstand in te schakelen. Voor meer informatie, zie pagina 99.
Achterklep – Ontgrendelt alleen de achterklep en deactiveert de alarmfunctie voor de
achterklep. Voor meer informatie, zie
pagina 65.
Paniekfunctie – bestemd om in noodgevallen de aandacht van anderen te trekken.
3 seconden indrukt, worden de richtingaanwijzers, de interieurverlichting en de claxon geactiveerd.
Unieke PCC-functies*
02
U kunt deze functie met dezelfde toets weer
uitschakelen, als de functie minimaal 5 seconden actief geweest is. Als u niets doet, wordt
de functie na 2 minuten en 45 seconden automatisch uitgeschakeld.
Bereik transpondersleutel
De functies van de transpondersleutel zijn tot
op ca. 20 m afstand van de auto te gebruiken.
Als de auto niet reageert bij bediening van een
toets – probeer het dan op minder grote
afstand opnieuw.
G021080
Ontgrendelen – Ontgrendelt de portieren
en de achterklep en deactiveert het alarm.
Transpondersleutel met PCC* - Personal Car
Communicator.
Informatietoets
N.B.
Er kunnen storingen optreden in de functies
van de transpondersleutel door radiogolven
in de lucht, omringende gebouwen, topografische omstandigheden e.d. Het is altijd
mogelijk de auto te vergrendelen/ontgrendelen met het sleutelblad, zie pagina 53.
Controlelampjes
Na een druk op de informatietoets kunt u
bepaalde informatie over de auto uitlezen aan
de hand van de controlelampjes.
Gebruik van de informatietoets
Druk op de informatietoets
.
> Ca. 7 seconden lang lichten de controlelampjes op de PCC om de beurt op.
Dit geeft aan dat informatie over de auto
wordt uitgelezen.
Als u de toets ten minste 3 seconden lang ingedrukt houdt of tweemaal achtereen binnen
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
51
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutelblad
02
Als de auto niet reageert bij bediening van een
toets – probeer het dan op minder grote
afstand opnieuw.
Als u gedurende dit tijdsbestek op een
van de andere toetsen drukt, wordt de
uitlezing beëindigd.
N.B.
Als bij herhaaldelijk gebruik van de
informatietoets – op verschillende tijdstippen en verschillende plaatsen – blijkt dat
geen van de controlelampjes gaat branden
(en dat evenmin na 7 seconden alsook
nadat de controlelampjes op de PCC om de
beurt oplichtten), dient u contact op te
nemen met een werkplaats – geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats.
De controlelampjes verstrekken informatie
zoals aangegeven op de volgende afbeelding:
N.B.
Er kunnen storingen optreden in de functie
van de informatietoets door radiogolven in
de lucht, omringende gebouwen, topografische omstandigheden e.d.
Buiten bereik PCC
Continu groen licht: de auto is vergrendeld.
Continu oranje licht: de auto is ontgrendeld.
Continu rood licht: het alarm is afgegaan
na vergrendeling van de auto.
De beide rode controlelampjes lichten
beurtelings rood op: het alarm is minder
dan 5 minuten geleden afgegaan.
Bereik PCC
Het bereik van de PCC voor vergrendeling,
ontgrendeling en bediening van de achterklep
is ca. 20 m rond de auto – voor de overige
functies geldt een maximumbereik van
ca. 100 m.
52
Als de PCC op dermate grote afstand van de
auto is dat er geen informatie over de auto kan
worden uitgelezen, wordt de laatst bekende
status van de auto weergegeven zonder dat de
lampjes op de PCC om de beurt oplichten.
Als er meerdere PCC’s voor de auto in gebruik
zijn, geeft uitsluitend de PCC waarmee de auto
de laatste keer vergrendeld/ontgrendeld werd
de juiste status aan.
N.B.
Als binnen het bereik van de PCC geen
van de controlelampjes brandt bij het
indrukken van de informatietoets, vertoont
de communicatie tussen de PCC en de auto
mogelijk storingen onder invloed van radiogolven in de lucht, omringende gebouwen,
topografische omstandigheden e.d.
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutelblad
Afneembaar sleutelblad
Portier ontgrendelen met sleutelblad
Sleutelblad verwijderen
Als de centrale vergrendeling niet op de transpondersleutel reageert (omdat de batterijen bijvoorbeeld leeg zijn), kunt u het linker voorportier op de volgende manier ontgrendelen en
openen:
De transpondersleutel bevat een afneembaar
metalen sleutelblad waarmee u enkele functies
kunt activeren en bepaalde handelingen kunt
uitvoeren.
De unieke code van de sleutelbladen is bekend
bij de erkende Volvo-werkplaatsen, waar ook
nieuwe sleutelbladen kunnen worden besteld.
1. Ontgrendel het linker voorportier met het
sleutelblad in de slotcilinder van de portierhandgreep.
G021082
Functies sleutelblad
U kunt het afneembare sleutelblad van de
transpondersleutel gebruiken om:
• het linker voorportier handmatig te openen, als de centrale vergrendeling niet te
bedienen is vanaf de transpondersleutel,
zie pagina 59.
• het mechanische kinderslot op de achterportieren te activeren/deactiveren, zie
pagina 68.
• het rechter voorportier en de achterportieren handmatig te vergrendelen bij bijv.
stroomuitval, zie pagina 62.
• de toegang tot het dashboardkastje en de
bagageruimte (Privacy locking*) te blokkeren, zie pagina 54.
• de airbag voor de voorpassagier
02
Haal de veerbelaste pal opzij.
Trek tegelijkertijd het sleutelblad naar achteren.
Zie ook de afbeelding en de overige informatie op pagina zie pagina 59.
N.B.
Wanneer u het portier met het sleutelblad
ontgrendeld hebt en vervolgens opent, gaat
het alarm af.
Sleutelblad aanbrengen
Plaats het sleutelblad voorzichtig terug in de
transpondersleutel.
2. Schakel het alarm uit door de transpondersleutel in het contactslot te steken.
1. Houd de transpondersleutel met de gleuf
omhoog en laat het sleutelblad in de gleuf
zakken.
Voor auto’s met Keyless drive-systeem, zie
pagina 59.
2. Duw voorzichtig tegen het sleutelblad. U
hoort een klikgeluid wanneer het sleutelblad goed vastzit.
(PACOS)* te activeren/deactiveren, zie
pagina 24.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
53
02 Sloten en alarm
Privacy locking*
De functie Privacy locking is bestemd voor als
u de auto afgeeft voor een onderhoudsbeurt of
als u hem bij een hotel of iets dergelijks laat
parkeren. Het dashboardkastje is dan vergrendeld en het achterklepslot is niet via de centrale
vergrendeling te openen – de achterklep is niet
meer te bedienen met de knoppen op de voorportieren of die op de transpondersleutel.
G017869
02
Algemene informatie over Privacy
locking
Vergrendelingspunten voor transpondersleutel
met sleutelblad.
Dit betekent dat de transpondersleutel zonder
het sleutelblad alleen kan worden gebruikt om
het alarm te activeren/deactiveren, de portieren te openen en in de auto te rijden.
De transpondersleutel zonder sleutelblad kunt
u vervolgens overhandigen aan service- of
hotelpersoneel – het losse sleutelblad houdt u
bij zich.
N.B.
G017870
Vergeet niet de bagagerolhoes over de
lading heen uit te rollen voordat u de achterklep sluit (zie pagina 301).
Vergrendelingspunten voor transpondersleutel
zonder sleutelblad (Privacy locking geactiveerd).
54
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Activeren/deactiveren
Privacy locking activeren.
Privacy locking activeren:
Duw het sleutelblad in de slotcilinder van
het dashboardkastje.
Draai het sleutelblad 180 graden rechtsom.
Bij een vergrendeld kastje staat het sleutelgat verticaal.
Neem het sleutelblad uit. Ondertussen verschijnt een melding op het informatiedisplay.
Het dashboardkastje is daarmee vergrendeld
en de achterklep is niet meer te ontgrendelen
via de transpondersleutel of de knop voor centrale vergrendeling.
02 Sloten en alarm
Privacy locking*
N.B.
Plaats het sleutelblad niet in de transpondersleutel terug, maar houd het bij u en
bewaar het goed.
02
• Houd voor het deactiveren de omgekeerde
volgorde aan.
Om alleen het dashboardkastje te vergrendelen, zie pagina 64.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
55
02 Sloten en alarm
Batterij vervangen transpondersleutel/PCC*
Accu vervangen
02
Batterij vervangen
Let erop hoe de batterij(en) aan de binnenzijde van de afdekking vastzit(ten). Let
daarop op de pluszijde + en de minzijde –.
Vervang de batterijen, als:
• het informatiesymbool oplicht en
Afst.bediening batterij raakt leeg.
Vervang de batterij. op het display staat
Transpondersleutel (1 batterij)
en/of
1. Werk de batterij voorzichtig los.
• de sloten herhaalde malen achtereen niet
2. Plaats een nieuwe met de pluszijde (+)
omlaag.
reageren op het signaal van een transpondersleutel die zich binnen een straal van
20 m rond de auto bevindt.
Openen
Haal de veerbelaste pal opzij.
Trek tegelijkertijd het sleutelblad naar
achteren.
Steek een kruiskopschroevendraaier
met een dikte van 3 mm in de opening achter de veerbelaste pal en werk de transpondersleutel voorzichtig open.
N.B.
Houd de transpondersleutel met de toetsen
omhoog om te voorkomen dat de batterijen
bij het openen van de afdekking op de grond
vallen.
BELANGRIJK
Kom niet met uw vingers aan de polen van
de batterijen of de contactvlakken, omdat
ze daardoor slechter kunnen presteren.
56
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
PCC* (2 batterijen)
1. Werk de batterijen voorzichtig los.
2. Plaats eerst een nieuwe met de pluszijde
(+) omhoog.
3. Leg het witte plasticvel op de geplaatste
nieuwe batterij en breng daarna nog een
nieuwe batterij aan met de pluszijde (+)
omlaag.
Batterijtype
Gebruik batterijen met het opschrift CR2430,
3 V (twee per transpondersleutel en twee per
PCC).
In elkaar zetten
1. Druk de afdekking weer op de transpondersleutel vast.
2. Houd de transpondersleutel met de gleuf
omhoog en laat het sleutelblad in de gleuf
zakken.
02 Sloten en alarm
Batterij vervangen transpondersleutel/PCC*
3. Duw voorzichtig tegen het sleutelblad. U
hoort een klikgeluid wanneer het sleutelblad goed vastzit.
02
BELANGRIJK
Zorg dat de oude batterij(en) wordt/worden
afgevoerd op een milieuontlastende manier.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
57
02 Sloten en alarm
Keyless drive*
02
Vergrendelings- en startsysteem
zonder sleutel (alleen PCC1)
Algemene informatie
maximaal 1,5 m rond de portierhandgrepen of
de achterklep bevinden. Dit betekent dat u de
PCC bij u moet dragen om een portier te vergrendelen of ontgrendelen. Wanneer u aan de
ene kant van de auto staat, is het niet mogelijk
om met de PCC een portier aan de andere kant
te vergrendelen of ontgrendelen.
De rode cirkels op de nevenstaande afbeelding
geven het dekkingsgebied van de systeemantennes aan.
Met de Keyless drive-functie van de PCC kunt
u zonder een sleutel te gebruiken de auto ontgrendelen, starten en vergrendelen. U hoeft de
PCC alleen bij u te dragen. Het systeem maakt
het eenvoudiger om de auto te openen wanneer u bijvoorbeeld uw handen vol hebt.
Beide PCC’s van de auto ondersteunen de
Keyless drive-functie. U kunt meer PCC’s bijbestellen, zie pagina 48.
Bereik PCC
Om een portier of de achterklep te kunnen openen moet de PCC zich binnen een straal van
1
58
Personal Car Communicator, zie pagina 51.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Als alle PCC’s uit de auto worden genomen
terwijl de motor loopt, sleutelstand II actief is
(zie pagina 86) of alle portieren worden gesloten, verschijnt er een waarschuwingsmelding
op het informatiedisplay en klinkt er een
geluidssignaal.
Wanneer een van de PCC’s weer in de auto is
gelegd, verdwijnen de waarschuwingsmelding
en het geluidssignaal nadat:
• er is een portier geopend of gesloten
• de transpondersleutel is in het contactslot
gestoken
• de knop READ is ingedrukt.
Veilig gebruik van uw PCC
Als u een PCC met Keyless drive-functie in de
auto laat liggen, wordt de PCC bij het vergrendelen van de auto tijdelijk gedeactiveerd.
Onbevoegden kunnen de portieren er dan niet
meer mee openen.
Als er echter ingebroken wordt en iemand de
PCC in de auto vindt, wordt de PCC weer
geactiveerd. Pas daarom goed op al uw PCC’s.
BELANGRIJK
Laat een PCC nooit onbeheerd in de auto
liggen.
Storingen in de functie van een PCC
De Keyless drive-functie kan verstoord worden
door elektromagnetische velden en afschermingen. Leg de PCC daarom niet dicht bij een
mobiele telefoon of metalen voorwerpen.
Als er desondanks toch storingen optreden,
moet u de PCC en het sleutelblad als transpondersleutel gebruiken, zie pagina 50.
02 Sloten en alarm
Keyless drive*
Vergrendelen
N.B.
Als u (terwijl de motor is afgezet) de PCC uit
de auto haalt en de auto niet vergrendelt
door een van de portierhandgrepen aan te
raken of de vergrendeltoets op de PCC te
bedienen, gebeurt het volgende:
Na ca. 1½–2 minuten wordt het alarm geactiveerd en gaat de alarmdiode op de voorruit
knipperen – het alarm staat daarmee op
scherp maar de auto is niet vergrendeld.
N.B.
Normaal registreren de portierhandgrepen
het wanneer u met uw hand de handgreep
beetpakt, maar als u dikke handschoenen
draagt of de handbeweging te snel uitvoert,
moet u de beweging mogelijk een tweede
keer uitvoeren of de handschoen uittrekken.
02
Ontgrendelen met sleutelblad
N.B.
Auto’s met Keyless drive-systeem zijn voorzien
van een drukgevoelige zone op de buitenhandgreep van de portieren alsook een met rubber
beklede knop naast het eveneens met rubber
beklede drukplaatje op de achterklep.
Vergrendel de portieren en de achterklep door
lang op de drukgevoelige zone van een van de
portierhandgrepen te drukken of druk op de
kleinste van de beide met rubber beklede
knoppen op de achterklep – de vergrendelingsindicatie onder aan de voorruit gaat knipperen om aan te geven dat er vergrendeling
heeft plaatsgevonden, zie pagina 49.
Alle portieren inclusief de achterklep moeten
zijn gesloten, voordat u de auto kunt vergrendelen – de auto wordt anders niet vergrendeld.
Bij een auto met een automatische versnellingsbak dient de keuzehendel in stand P te
worden gezet, aangezien de auto anders
niet vergrendeld of op alarm gezet kan worden.
Ontgrendelen
Er wordt ontgrendeld wanneer iemand een
portierhandgreep beetpakt of op het met rubber beklede drukplaatje van de achterklep
drukt – open het portier of de achterklep op de
normale manier.
Opening voor het sleutelblad - voor het afnemen
van de afdekking.
Als de centrale vergrendeling niet op de PCC
reageert (omdat de batterijen bijvoorbeeld leeg
zijn), kunt u het linker voorportier ontgrendelen
en openen met het afneembare sleutelblad van
de PCC (zie pagina 53).
Om bij de slotcilinder te komen dient de kunststof afdekking van de portierhandgreep te wor``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
59
02 Sloten en alarm
Keyless drive*
den verwijderd – ook dit vindt plaats met het
sleutelblad:
02
1. Duw het sleutelblad ca. 1 cm recht
omhoog in de opening aan de onderkant
van de portierhandgreep/afdekking – niet
wrikken.
> De kunststof afdekking komt automatisch los, wanneer u het blad recht
omhoog de opening induwt.
2. Steek het sleutelblad vervolgens in de slotcilinder en ontgrendel het portier.
3. Plaats de kunststof afdekking na ontgrendeling terug.
N.B.
Wanneer u het bestuurdersportier met het
sleutelblad ontgrendelt en vervolgens
opent, gaat het alarm af. Het wordt uitgeschakeld door de PCC in het contactslot te
steken, zie pagina 71.
Sleutelgeheugen2, bestuurdersstoel en
buitenspiegels
Geheugenfunctie van PCC
Als meerdere personen met elke hun eigen
PCC met Keyless drive-functie naar de auto
lopen, nemen de bestuurdersstoel en de bui-
2
60
tenspiegels de stand in die ligt opgeslagen in
de PCC van degene die het bestuurdersportier
opent.
Wanneer het bestuurdersportier bijvoorbeeld
werd geopend door persoon A met PCC A,
maar persoon B met PCC B zal gaan rijden, zijn
de instellingen als volgt te wijzigen:
• Staand naast het bestuurdersportier of zittend achter het stuur drukt persoon B op
de ontgrendelingstoets van zijn PCC, zie
pagina 50.
• Kies een van de drie mogelijk positiegeheugens voor de stoel met de stoelknoppen 1–3, zie pagina 89.
• Zet de stoel en de spiegels handmatig in
de juiste stand (zie pagina 89 en 109).
Vergrendelingsinstellingen
De Keyless drive-functie is aan te passen door
in het menusysteem MY CAR aan te geven
welke portieren er ontgrendeld moeten worden; dit onder Auto-instellingen
Slotinstellingen Instappen zonder
sleutel – kies vervolgens uit Alle deuren
open, Willekeurige deur, Deuren aan één
kant en Beide voordeuren.
Voor een beschrijving van het menusysteem,
zie pagina 155.
Alleen in combinatie met elektrisch bedienbare bestuurdersstoel en elektrisch inklapbare buitenspiegels.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Locatie antennes
Het Keyless drive-systeem werkt met een aantal antennes die op verschillende locaties ingebouwd zijn in de auto:
Achterbumper, in het midden
Portierhandgreep, linksachter
Plafond, in het midden, boven de achterbank
Bagageruimte, in het midden, helemaal
voorin, onder de vloer
Portierhandgreep, rechtsachter
Middenconsole, onder achterstuk
Middenconsole, onder voorstuk.
02 Sloten en alarm
Keyless drive*
WAARSCHUWING
Dragers van een pacemaker dienen minstens 22 cm afstand te houden tot de antennes van het Keyless drive-systeem. Dit om
eventuele storingen in de pacemaker als
gevolg van het Keyless drive-systeem uit te
sluiten.
02
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
61
02 Sloten en alarm
Vergrendelen/ontgrendelen
Van de buitenzijde
02
Met de transpondersleutel kunt u alle portieren
en de achterklep gelijktijdig vergrendelen/ontgrendelen. Het is mogelijk een andere ontgrendelingsvolgorde te kiezen, zie ‘Ontgrendelen
met transpondersleutel’ 50.
Om de ontgrendelingsprocedure te kunnen
activeren moet het bestuurdersportier dichtstaan – als een van de overige portieren of de
achterklep openstaat, wordt dit/deze pas na
het sluiten vergrendeld en inbegrepen in het
alarmsysteem. Bij het Keyless drive*-systeem
dienen alle portieren en de achterklep dicht te
staan.
N.B.
Let erop dat het alarm afgaat, wanneer het
portier na ontgrendeling met het sleutelblad
wordt geopend – het alarm wordt uitgeschakeld, wanneer de transpondersleutel in
het contactslot wordt geplaatst.
WAARSCHUWING
Let op het risico van opsluiting in de auto,
als u de auto van de buitenzijde vergrendelt
– de portieren zijn dan namelijk niet meer
van de binnenzijde te openen met de portierhandgrepen. Lees meer daarover in het
onderdeel “Safelock-functie” elders in dit
boekje.
Het linker voorportier is te vergrendelen met de
bijbehorende slotcilinder en het afneembare
sleutelblad van de transpondersleutel, zie
pagina 59.
De overige portieren zijn niet voorzien van een
slotcilinder maar hebben een vergrendelingsbus aan de korte kant achteraan die omgedraaid moet worden – de portieren zijn vervolgens mechanisch vergrendeld/geblokkeerd en
niet meer vanaf de buitenzijde te openen. De
portieren zijn echter nog steeds vanaf de binnenzijde te openen.
N.B.
Let op het gevaar voor buitensluiten met de
transpondersleutel nog in de auto.
Als u niet met de transpondersleutel kunt vergrendelen/ontgrendelen is de batterij mogelijk
leeg – vergrendel/ontgrendel het linker voorportier dan met het afneembare sleutelblad, zie
pagina 53.
Automatische hervergrendeling
Als u geen van de portieren noch de achterklep
binnen 2 minuten na ontgrendeling van de buitenzijde met de transpondersleutel opent, worden alle sloten automatisch weer vergrendeld.
Deze functie beperkt de kans dat u de auto per
ongeluk onvergrendeld kunt laten staan. (Voor
auto’s met alarmsysteem, zie pagina 70.)
Handmatig vergrendelen
In bepaalde gevallen moet de auto handmatig
kunnen worden vergrendeld, zoals bij stroomuitval.
62
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Portier handmatig vergrendelen. Niet te verwarren
met het kinderslot, zie pagina 68.
Maak gebruik van het afneembare sleutelblad van de transpondersleutel om de cilinder te verdraaien, zie pagina 53.
02 Sloten en alarm
Vergrendelen/ontgrendelen
Het portier is niet vanaf de buitenzijde te
openen.
Het portier is zowel vanaf de buitenzijde als
vanaf de binnenzijde te openen.
Van de binnenzijde
Centrale vergrendeling
Bij lang indrukken (ten minste 4 seconden)
worden alle zijruiten* tegelijkertijd geopend.
• Trek aan de openingshandgreep en open
02
het portier – het portier wordt in een keer
ontgrendeld en geopend.
N.B.
Lampje in vergrendelingsknop
•
De vergrendelbus van een portier dient
alleen om het desbetreffende portier te
vergrendelen – dus niet alle portieren.
•
Een handmatig vergrendeld achterportier waarvan ook het mechanische kinderslot geactiveerd is, kan noch van de
buitenzijde noch van de binnenzijde
worden geopend, zie pagina 68. Een
achterportier dat op deze manier vergrendeld is kan alleen ontgrendeld worden met de transpondersleutel of de
toets voor centrale vergrendeling.
De centrale vergrendeling is verkrijgbaar in
twee uitvoeringen – de betekenis van het
lampje in de knop voor centrale vergrendeling
op het bestuurdersportier is afhankelijk van de
uitvoering.
Met een knop voor centrale vergrendeling
alleen op het bestuurdersportier, bij de overige
portieren ontbreekt een dergelijke knop:
Centrale vergrendeling.
Met de knop voor de centrale vergrendeling op
het bestuurdersportier en het passagiersportier* kunt u alle portieren en de achterklep tegelijkertijd vergrendelen of ontgrendelen.
• Druk de rechterkant
van de knop in om
te vergrendelen en de linkerkant
om te
ontgrendelen.
Ontgrendelen
• Een brandend lampje houdt in dat alle portieren vergrendeld zijn.
Met een knop voor centrale vergrendeling op
beide voorportieren en op elk van beide achterportieren een knop voor elektrische vergrendeling:
• Een brandend lampje houdt in dat alleen
het desbetreffende portier vergrendeld is.
Wanneer de lampjes in alle knoppen branden, zijn alle portieren vergrendeld.
Een portier kan op twee manieren van de binnenkant worden ontgrendeld:
Vergrendelen
• Bij het indrukken van de knop voor centrale
• Druk op de knop voor centrale vergrende-
vergrendeling
.
ling
– alle gesloten portieren worden
vergrendeld.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
63
02 Sloten en alarm
Vergrendelen/ontgrendelen
02
Bij lang indrukken (ten minste 2 seconden)
worden alle zijruiten en het schuifdak* tegelijkertijd gesloten.
Vergrendelingsknop* achterportieren
om bijv. bij warm weer snel voor frisse lucht in
de auto te zorgen.
Automatische vergrendeling
Bij het wegrijden worden de portieren en de
achterklep automatisch vergrendeld.
De functie is te activeren/deactiveren in het
menusysteem MY CAR onder Instellingen
Auto-instellingen Slotinstellingen
Automatische vergrendeling. Voor een
beschrijving van het menusysteem, zie
pagina 155.
Dashboardkastje vergrendelen:
Duw het sleutelblad in de slotcilinder van
het dashboardkastje.
Draai het sleutelblad 90 graden rechtsom.
Het sleutelgat staat horizontaal wanneer
het kastje vergrendeld is.
Neem het sleutelblad uit.
• Houd voor het ontgrendelen de omgekeerde volgorde aan.
Voor meer informatie over Privacy locking, zie
pagina 54.
Dashboardkastje
Achterklep
Handmatig openen
Bij een vergrendeld portier brandt het lampje in de
knop.
Met de vergrendelingsknop op de beide achterportieren is alleen het desbetreffende achterportier te vergrendelen.
Om het portier te ontgrendelen:
• Trek aan de openingshandgreep – het portier wordt dan ontgrendeld en geopend.
Doorluchtfunctie
Bij lang indrukken van de knop voor centrale
vergrendeling
(ten minste 4 seconden)
worden alle zijruiten tegelijkertijd geopend –
64
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Het dashboardkastje valt alleen te vergrendelen/ontgrendelen met het afneembare sleutelblad van de transpondersleutel. Voor informatie over het sleutelblad, zie pagina 53.
Met rubber bekleed plaatje met elektrische schakelaar.
02 Sloten en alarm
Vergrendelen/ontgrendelen
De achterklep wordt dichtgehouden door een
elektrische vergrendeling. Om te openen:
plaatje onder de buitenhandgreep en open
de klep.
Ontgrendelen met transpondersleutel
Als de klep niet binnen 2 minuten na ontgrendeling wordt geopend, wordt de klep weer vergrendeld en het alarm opnieuw geactiveerd.
1. Druk lichtjes op het breedste van de met
rubber beklede drukplaatjes onder de buitenhandgreep - de vergrendeling wordt
vrijgegeven.
02
Van de binnenzijde ontgrendelen
2. Til de buitenste handgreep helemaal
omhoog om de klep te openen.
BELANGRIJK
•
De achterklep is met heel weinig kracht
te ontgrendelen – druk slechts lichtjes
op het met rubber beklede plaatje.
•
Breng geen druk aan op het met rubber
beklede plaatje bij het openen van de
achterklep – maar til de handgreep op.
Bij te veel druk kan de elektrische schakelaar in het met rubber beklede plaatje
beschadigd raken.
Met de toets
op de transpondersleutel is
het mogelijk om de alarmfunctie voor de achterklep te deactiveren* zodat u de achterklep
apart kunt ontgrendelen.
De vergrendelingsindicatie op het instrumentenpaneel stopt met knipperen om aan te
geven dat de auto niet volledig vergrendeld is
en dat de niveausensoren en bewegingsmelders van het alarmsysteem* alsmede de sensoren voor opening van het kofferdeksel buiten
werking gesteld zijn.
De portieren blijven vergrendeld en beveiligd.
Om de achterklep te ontgrendelen:
Druk op de knop (1) op het verlichtingspaneel.
> De klep wordt ontgrendeld en kan binnen 2 minuten worden geopend (als de
auto vanaf de binnenzijde vergrendeld
werd).
• De achterklep wordt weliswaar ontgrendeld maar blijft dichtstaan – druk lichtjes
tegen op het met rubber bekleding druk-
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
65
02 Sloten en alarm
Vergrendelen/ontgrendelen
Vergrendelen met transpondersleutel
02
Druk op de toets voor vergrendeling op de
, zie pagina 50.
transpondersleutel
> De vergrendelingsindicatie op het
instrumentenpaneel begint te knipperen, wat inhoudt dat de auto vergrendeld en het alarmsysteem* geactiveerd
is.
portier is ook te ontgrendelen met het afneembare sleutelblad.
WAARSCHUWING
Laat niemand in de auto zitten zonder eerst
de Safelock-functie te deactiveren om te
voorkomen dat u iemand opsluit.
Tijdelijk deactiveren
Safelock-functie*1
Met de transpondersleutel activeert u de Safelock-functie die ca. 10 seconden na vergrendeling van de portieren in werking treedt.
of
N.B.
Geactiveerde menu-opties staan aangekruist.
MY CAR
OK MENU
Bij Safelock is de auto alleen met de transpondersleutel te ontgrendelen. Het bestuurders-
Draairing TUNE
EXIT
1
66
Alleen in combinatie met een alarmsysteem.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
1. Open het menusysteem MY CAR en ga
naar Instellingen Auto-instellingen
Minder bescherming (voor een gedetailleerde beschrijving van het menusysteem (zie pagina 155)).
2. Kies Eén keer activeren.
> Op het display van het instrumentenpaneel verschijnt de melding Beveil.
verlaagd Zie instructieb. en de Safelock-functie wordt uitgeschakeld bij
vergrendeling van de auto.
Bij activering van de Safelock-functie worden
alle openingshandgrepen mechanisch losgekoppeld, wat het openen van de portieren van
de binnenzijde onmogelijk maakt.
Als er binnen deze vertragingsperiode een
van de portieren wordt geopend, wordt de
functie geannuleerd en het alarm gedeactiveerd.
Als u de portieren van de buitenzijde wilt vergrendelen terwijl er iemand in de auto achterblijft, kunt u de Safelock-functie tijdelijk uitschakelen. Dat gaat als volgt:
Kies Vragen bij uitstappen.
> Iedere keer dat u de motor afzet, verschijnt op het scherm van de middenconsole de melding Lagere
beveiliging activeren tot motor
opnieuw is gestart? gevolgd door de
opties Bevestigen met OK en
Stoppen met EXIT.
02 Sloten en alarm
Vergrendelen/ontgrendelen
Als u de Safelock-functie wilt uitschakelen
Druk op OK/MENU en vergrendel de auto.
(Let erop dat ook de bewegingsmelders en
niveausensoren* van het alarmsysteem
worden uitgeschakeld, zie pagina 71.)
> De volgende keer dat u de motor start,
wordt het systeem gereset waarna op
het display van het instrumentenpaneel
de melding Beveil. volledig verschijnt.
Daarmee zijn de Safelock-functie en de
bewegingsmelders en niveausensoren
van het alarmsysteem opnieuw ingeschakeld.
02
Als u geen wijzigingen in het vergrendelingssysteem wenst
Druk op EXIT en vergrendel de auto.
N.B.
•
Let erop dat het alarm wordt geactiveerd bij vergrendeling van de auto.
•
Als een van de portieren van de binnenzijde wordt geopend, gaat het alarm af.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
67
02 Sloten en alarm
Kinderslot
02
Handmatig kinderslot op
achterportieren
Het portier is niet vanaf de binnenzijde te
openen.
Het kinderslot voorkomt dat kinderen een achterportier vanaf de binnenzijde openen.
Het portier is zowel vanaf de buitenzijde als
vanaf de binnenzijde te openen.
Elektrisch kinderslot op
achterportieren* en achterste zijruiten
WAARSCHUWING
Elk van de achterportieren is voorzien van
twee vergrendelbussen – verwar de bus
voor het kinderslot niet met die voor het
mechanische portierslot, .
N.B.
•
Mechanisch kinderslot. Niet te verwarren met de
mechanische portiervergrendeling, zie pagina 62.
De bedieningscilinders van het kinderslot zitten
achter op de korte kant van de achterportieren,
zodat ze alleen bereikbaar zijn wanneer de portieren openstaan.
68
•
De vergrendelbus van een portier dient
alleen om het desbetreffende portier te
vergrendelen – dus niet beide achterportieren.
Op auto’s met een elektrisch kinderslot
zit geen handmatig kinderslot.
Bedieningspaneel bestuurdersportier.
Het kinderslot is in alle slotstanden anders dan
0 - zie pagina 86 te activeren/deactiveren en
dat binnen 2 minuten na het afzetten van de
motor, op voorwaarde dat er geen portier
wordt geopend.
Doe het volgende om het kinderslot te activeren:
Doe het volgende om het kinderslot te activeren/deactiveren:
1. Start de motor of kies een slotstand anders
dan 0.
2. Druk op de bijbehorende knop van het
bedieningspaneel op het bestuurdersportier.
Maak gebruik van het afneembare sleutelblad van de transpondersleutel om de cilinder te verdraaien - zie pagina 53.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
02 Sloten en alarm
Kinderslot
> Op het informatiedisplay staat de melding Kinderslot Actief en het lampje in
de knop brandt - het slot is geactiveerd.
02
Wanneer het elektrische kinderslot actief is,
zijn de achterste:
• zijruiten alleen vanaf het bedieningspaneel
op het bestuurdersportier te bedienen
• portieren niet van de binnenkant te openen.
Bij het afzetten van de motor wordt de actuele
instelling vastgelegd – als het kinderslot geactiveerd was tijdens het afzetten van de motor,
dan is de functie de volgende keer dat u de
motor start eveneens actief.
69
02 Sloten en alarm
Alarm*
Algemene informatie
02
Een geactiveerd alarmsysteem gaat af als:
• een portier, de motorkap of de achterklep
wordt geopend
• er beweging in de passagiersruimte wordt
waargenomen (als er een bewegingsmelder* aanwezig is)
• de auto wordt opgetakeld of weggesleept
(op auto’s met een niveausensor*)
• een kabel van de startaccu wordt losgekoppeld
• de sirene wordt losgekoppeld.
Als er een storing in het alarmsysteem is opgetreden, verschijnt er een melding op het informatiedisplay. Neem dan contact op met een
werkplaats – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
N.B.
Alarmindicatie
De bewegingsmelders laten het alarm
afgaan bij bewegingen in de passagiersruimte – ook eventuele luchtstromen worden geregistreerd. Het alarm kan dan ook
afgaan, als u de auto met een ruit of schuifdak open laat staan of als u de interieurverwarming gebruikt.
Om dat te voorkomen: Sluit bij het verlaten
van de auto alle ruiten en het schuifdak. Bij
gebruik van de geïntegreerde interieurverwarming van de auto (of een draagbare variant daarvan op stroom) dan dient u de
blaasmonden dusdanig af te stellen dat
deze niet omhoogwijzen.
N.B.
Voer nooit zelf reparaties aan of wijzigingen
in het alarmsysteem uit. Dergelijke ingrepen
kunnen van invloed zijn op de verzekeringsvoorwaarden.
Dezelfde diode als de vergrendelingsindicatie, zie
pagina 49.
Een rode led op het dashboard geeft de status
van het alarmsysteem aan:
• De led is uit – het alarm is uitgeschakeld
• De led licht om de twee seconden eenmaal
op – het alarm is ingeschakeld
• De led knippert snel vanaf het moment van
uitschakelen van het alarm (tot aan het
moment dat u de transpondersleutel in het
contactslot steekt en sleutelstand I wordt
bereikt) – het alarm is afgegaan.
Alarm activeren
70
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Druk op de vergrendelingstoets op de
transpondersleutel.
02 Sloten en alarm
Alarm*
Alarm deactiveren
Druk op de ontgrendelingstoets op de
transpondersleutel.
> Het alarm gaat af, de alarmindicatie
knippert snel en de sirene klinkt.
• Alle richtingaanwijzers knipperen totdat u
Druk op de ontgrendelingstoets op de
transpondersleutel of steek de transpondersleutel in het contactslot.
Beperkt alarmniveau
Om te voorkomen dat het alarm afgaat – wanneer er bijv. een hond in een vergrendelde auto
wordt achtergelaten of bij gebruik van een
autotrein of een veerverbinding – dient u de
bewegingsmelder en de niveausensoren tijdelijk uit te schakelen.
Overige alarmfuncties
Automatische herinschakeling van het
alarm
De functie voorkomt dat u de auto verlaat zonder het alarm uit te schakelen.
Als u geen van de portieren noch de achterklep
binnen twee minuten na uitschakeling van het
alarm opent wanneer de auto met de transpondersleutel ontgrendeld (en het alarm
gedeactiveerd) werd, wordt het alarm automatisch opnieuw ingeschakeld. De auto wordt
bovendien opnieuw vergrendeld.
Transpondersleutel defect
Als u het alarm niet kunt uitschakelen met de
transpondersleutel (als bijv. de batterij van de
sleutel leeg is), kunt u de auto als volgt ontgrendelen, het alarmsysteem deactiveren en
de motor starten:
1. Open het bestuurdersportier met het
afneembare sleutelblad - zie pagina 59.
02
het alarm uitschakelt. Bij inactiviteit gaan
ze na vijf minuten automatisch uit.
Geactiveerd alarm uitschakelen
dig onafhankelijk van de startaccu in de
auto.
2. Steek de transpondersleutel in het contactslot.
> Het alarm wordt gedeactiveerd en de
alarmindicatie gaat uit.
3. Start de motor.
De te volgen procedure is identiek aan die bij
tijdelijke uitschakeling van de Safelock-functie,
zie pagina 66.
Alarmsysteem testen
Alarmsignalen
Bewegingsmelder in passagiersruimte
testen
Bij alarm gebeurt het volgende:
1. Sluit alle zijruiten. Blijf in de auto zitten.
• Er klinkt een sirene totdat u het alarm uit-
2. Activeer het alarmsysteem met de vergrendelingsknop op de transpondersleutel.
schakelt. Bij inactiviteit gaat de sirene na
30 seconden lang automatisch uit. De
sirene heeft zijn eigen accu en werkt volle-
3. Wacht 15 seconden.
4. Laat het alarm afgaan door uw armen op te
heffen tot net boven de rugleuning en ze
vervolgens horizontaal heen en weer te
bewegen.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
71
02 Sloten en alarm
Alarm*
02
> Er moet dan een sirene afgaan en tegelijkertijd moeten alle richtingaanwijzers
knipperen.
5. Deactiveer het alarm door de auto via de
transpondersleutel te ontgrendelen.
Alarm op portieren testen
1. Activeer het alarmsysteem met de vergrendelingsknop op de transpondersleutel.
2. Wacht 15 seconden.
3. Ontgrendel het linker voorportier met het
afneembare sleutelblad.
4. Open het bestuurdersportier.
> Er moet dan een sirene afgaan en tegelijkertijd moeten alle richtingaanwijzers
knipperen.
5. Deactiveer het alarm door de auto via de
transpondersleutel te ontgrendelen.
Alarmsensoren op motorkap testen
1. Ga in de auto zitten en deactiveer de bewegingsmelder, zie het onderdeel “Beperkt
alarmniveau” eerder in dit boekje.
2. Blijf in de auto zitten en activeer het alarmsysteem met de vergrendelingsknop op de
transpondersleutel.
3. Wacht 15 seconden.
72
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
4. Ontgrendel de motorkap met de handgreep onder het dashboard.
> Er moet dan een sirene afgaan en tegelijkertijd moeten alle richtingaanwijzers
knipperen.
5. Deactiveer het alarm door de auto via de
transpondersleutel te ontgrendelen.
02 Sloten en alarm
02
73
Instrumenten, schakelaars en bediening................................................ 76
Volvo Sensus ......................................................................................... 85
Sleutelstanden........................................................................................ 86
Stoelen en achterbank............................................................................ 88
Stuurwiel................................................................................................. 93
Verlichting............................................................................................... 94
Wissers en -sproeiers........................................................................... 104
Ruiten en spiegels................................................................................. 107
Kompas*................................................................................................ 112
Elektrisch bedienbaar schuifdak*.......................................................... 114
Alcoguard*............................................................................................ 116
Motor starten........................................................................................ 120
Motor starten, FlexiFuel........................................................................ 122
Motor starten, hulpaccu........................................................................ 124
Versnellingsbakken............................................................................... 126
Eco DRIVe*............................................................................................ 132
Vierwielaandrijving, AWD (All Wheel Drive)*.......................................... 139
Bedrijfsrem............................................................................................ 140
Parkeerrem............................................................................................ 142
HomeLinkŸ *.......................................................................................... 146
74
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
BESTUURDERSMILIEU
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
Instrumentenoverzicht
03
Auto met stuur links.
76
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
Functie
Pagina
Functie
Pagina
Menu- en meldingsfuncties, richtingaanwijzers,
groot licht/dimlicht,
boordcomputer
94,
97, 152,
178
Bedieningspaneel voor
infotainment en menufuncties
155,
237, 282
183, 187
Bedieningspaneel voor
klimaatregeling
166
Cruisecontrol
Claxon, airbag
22, 93
Versnellingspook/keuzehendel
126
Instrumentenpaneel
79, 83
155,
239, 269,
282
Bedieningsknoppen
actieve chassisregeling
(FOUR-C)*
182
Menu-, audio- en telefoonfuncties
Wissers en -sproeiers
104, 105
Knop START/STOP
ENGINE
120
Stuurwielafstelling
93
Contactslot
86
Ontgrendeling motorkap
332
Display voor infotainment
en menufuncties
155,
236, 282
Parkeerrem
142
Stoelinstelling*
89
Openingshandgreep portier
–
64, 94,
291
Bedieningspaneel
63, 68,
107, 109
Bedieningsknoppen verlichting, ontgrendeling
tankvulklep en achterklep
Alarmlichten
97
03
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
77
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
03
Auto met stuur rechts.
78
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
Functie
Pagina
Functie
Pagina
Display voor infotainment
en menufuncties
155,
236, 282
Parkeerrem
142
Stuurwielafstelling
93
Contactslot
86
Knop START/STOP
ENGINE
120
94,
97, 152,
178
Cruisecontrol
183, 187
Menu- en meldingsfuncties, richtingaanwijzers,
groot licht/dimlicht,
boordcomputer
Instrumentenpaneel
79, 83
Versnellingspook/keuzehendel
126
Claxon, airbag
22, 93
182
Menu-, audio- en telefoonfuncties
155,
239, 269,
282
Bedieningsknoppen
actieve chassisregeling
(FOUR-C)*
Bedieningspaneel voor
klimaatregeling
166
Bedieningspaneel voor
infotainment en menufuncties
155,
237, 282
Alarmlichten
97
Ontgrendeling motorkap
332
Wissers en -sproeiers
104, 105
Openingshandgreep portier
–
Bedieningspaneel
63, 68,
107, 109
Bedieningsknoppen verlichting, ontgrendeling
tankvulklep en achterklep
64, 94,
291
Stoelinstelling*
89
Informatiedisplays
03
Op de informatiedisplays verschijnt informatie
over bepaalde functies van de auto zoals de
cruisecontrol, boordcomputer en meldingen.
De informatie verschijnt in tekstvorm en met
symbolen.
Gedetailleerder informatie vindt u onder de
functies die gebruik maken van de informatiedisplays.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
79
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
Meters
Controle-, informatie- en
waarschuwingssymbolen
Als de motor niet aanslaat of als de functietest
wordt uitgevoerd in sleutelstand II, gaan na
5 seconden alle symbolen uit behalve het symbool voor storingen in het uitlaatgasreinigingssysteem en dat voor een lage oliedruk.
Controle- en informatiesymbolen
03
Symbool
Betekenis
Storing in ABL
Uitlaatgasreinigingssysteem
Meters op het instrumentenpaneel.
Snelheidsmeter
Brandstofmeter. Zie ook boordcomputer
(pagina 178) en tanken (pagina 291).
Toerenteller. De meter geeft het motortoerental in duizenden omwentelingen per
minuut aan.
Storing in ABS
Controle- en waarschuwingssymbolen.
Symbolen groot licht en richtingaanwijzers
Controle- en
Symbool voor DRIVe – Start/Stop*, zie
pagina 132
Controle- en informatiesymbolen
Functietest
Alle controle- en waarschuwingssymbolen
gaan branden in sleutelstand II of wanneer u
de motor start. Alle symbolen moeten weer uitgaan als de motor is aangeslagen, behalve het
symbool voor de parkeerrem. Dit gaat pas uit,
als de auto van de parkeerrem wordt gehaald.
1
80
Bij bepaalde motortypes is het symbool voor een lage oliedruk niet in gebruik. Er verschijnt in plaats daarvan een displaymelding, zie pagina 333.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Mistachterlicht aan
waarschuwingssymbolen1
Stabiliteitsregeling
Stabiliteitsregeling, Sportstand
Voorgloeifunctie motor (diesel)
Laag peil in brandstoftank
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
Symbool
Betekenis
2. Start de motor opnieuw.
Laag peil in brandstoftank
Informatie, lees displaymelding
3. Als het symbool blijft branden, rijd dan naar
een werkplaats om het ABS te laten controleren. Volvo adviseert dat u daarvoor
een erkende Volvo-werkplaats bezoekt.
Wanneer het symbool gaat branden is het
brandstofpeil te laag. Tank dan zo spoedig
mogelijk.
Mistachterlicht aan
Als er een afwijking is in een van de systemen
in de auto, gaat het informatiesymbool branden en verschijnt er een melding op het display. U verwijdert de melding met behulp van
de knop READ, zie pagina 152. Dit gebeurt
automatisch als u enige tijd niets doet (hoe lang
hangt van de bewuste functie af). Het informatiesymbool kan ook gaan branden in combinatie met andere symbolen.
Groot licht aan
Richtingaanwijzers links
Richtingaanwijzers rechts
DRIVe - Start/Stop*
Storing in ABL
Het symbool brandt, als er een storing is opgetreden in het ABL-systeem (Active Bending
Lights).
Uitlaatgasreinigingssysteem
Bij een storing in het uitlaatgasreinigingssysteem kan het symbool gaan branden. Rijd voor
een controle naar een werkplaats. Volvo adviseert dat u daarvoor een erkende Volvo-werkplaats bezoekt.
Storing in ABS
Als het symbool brandt, is het systeem defect.
Het normale remsysteem van de auto werkt
dan nog wel, zij het zonder ABS-regeling.
1. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en zet de motor af.
Dit symbool brandt wanneer u het mistachterlicht hebt ingeschakeld. Er is slechts één mistachterlicht - dat zit aan de bestuurderszijde.
Stabiliteitsregeling
Het knipperende symbool geeft aan dat de stabiliteitsregeling werkt. Als het symbool continu
brandt is er sprake van een storing in het systeem.
Stabiliteitsregeling, Sport-stand
De Sport-stand maakt een actievere rijervaring
mogelijk. Het systeem registreert dan of de
gaspedaal- en stuurwielbediening alsook het
bochtenwerk aan te merken zijn als actiever
dan normaal, waarna het systeem toestaat dat
de achtertrein een gecontroleerde vorm van
slippen vertoont voordat het ingrijpt en de auto
stabiliseert.
Voorgloeifunctie motor (diesel)
Het symbool gaat branden wanneer de motor
wordt voorverwarmd. De voorverwarming start
als de temperatuur lager wordt dan 2 °C. De
auto kan worden gestart als het symbool
gedoofd is.
Informatie, lees displaymelding
03
N.B.
Wanneer de servicemelding verschijnt, kunt
u het lampje doven en de melding verwijderen met de knop READ. Ook als u niets doet
gebeurt dat enige tijd later automatisch.
Groot licht aan
Het symbool brandt, wanneer u het groot licht
voert of grootlichtsignalen geeft.
Richtingaanwijzers links/rechts
Beide richtingaanwijzersymbolen knipperen bij
gebruik van de alarmlichten.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
81
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingssymbolen
Symbool
Betekenis
Parkeerrem aangezet
Lage oliedrukA
03
dat u daarvoor een erkende Volvo-werkplaats
bezoekt.
Parkeerrem aangezet
Het symbool brandt continu, wanneer u de parkeerrem hebt aangezet. Het symbool knippert
tijdens het aanzetten en gaat daarna continu
branden.
Airbags (SRS)
Een knipperend symbool houdt in dat er een
storing is opgetreden. Lees de melding op het
informatiedisplay.
Gordelwaarschuwing
Airbags (SRS)
Dynamo laadt niet bij
Storing in remsysteem
Waarschuwing
Als het symbool tijdens het rijden oplicht of
blijft branden, is er een storing geregistreerd in
de gordelsluiting of in het SRS-, SIPS- of ICsysteem. Rijd de auto zo spoedig mogelijk naar
een werkplaats om het systeem te laten controleren. Volvo adviseert dat u daarvoor een
erkende Volvo-werkplaats bezoekt.
Gordelwaarschuwing
A
Bij bepaalde motortypes is het symbool voor een lage oliedruk niet in gebruik. Er verschijnt in plaats daarvan een displaymelding (zie pagina 333 en 335).
Lage oliedruk
Als het symbool tijdens het rijden oplicht, is de
druk van de motorolie te laag. Zet de motor
onmiddellijk af en controleer het motoroliepeil.
Vul zo nodig olie bij. Als het symbool oplicht
terwijl het oliepeil in orde is, moet u contact
opnemen met een werkplaats. Volvo adviseert
82
Het symbool brandt als de bestuurder of de
voorpassagier geen veiligheidsgordel draagt of
als iemand op de achterbank de gordel heeft
losgenomen.
Dynamo laadt niet bij
Het symbool gaat tijdens het rijden branden,
als er sprake is van een storing in het elektrisch
systeem. Bezoek een werkplaats. Volvo adviseert dat u daarvoor een erkende Volvo-werkplaats bezoekt.
Storing in remsysteem
Als het symbool oplicht, is het remvloeistofpeil
mogelijk te laag. Breng de auto op een veilige
plaats tot stilstand en controleer het peil in het
remvloeistofreservoir, zie pagina 337.
Als de waarschuwingssymbolen voor het remsysteem en ABS tegelijkertijd branden, kan er
een storing in de remkrachtverdeling zijn opgetreden.
1. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en zet de motor af.
2. Start de motor opnieuw.
• Rijd verder als beide symbolen uitgaan.
• Als de symbolen echter blijven branden,
moet u het peil in het remvloeistofreservoir controleren, zie pagina 337. Als de
symbolen blijven branden ondanks dat
het peil van de remvloeistof in orde is,
moet u de auto uiterst voorzichtig naar
een werkplaats rijden om het remsysteem te laten controleren. Volvo adviseert dat u daarvoor een erkende Volvowerkplaats bezoekt.
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
WAARSCHUWING
Als de remvloeistof onder het MIN-streepje
van het reservoir staat, mag u niet verder
rijden voordat u remvloeistof hebt bijgevuld.
Laat de oorzaak van het remvloeistofverlies
controleren door een werkplaats. Volvo
adviseert dat u daarvoor contact opneemt
met een erkende Volvo-werkplaats.
Actie:
Dagtellers
1. Stop zo spoedig mogelijk. Rijd niet verder
met de auto.
2. Lees de informatie op het informatiedisplay. Voer de handeling uit die de melding
op het display u voorschrijft. Wis de melding met de knop READ.
03
Waarschuwing, portieren niet gesloten
WAARSCHUWING
Als de waarschuwingssymbolen voor het
remsysteem en ABS tegelijkertijd branden,
bestaat het gevaar dat de achtertrein bij
krachtig remmen gaat slippen.
Waarschuwing
Het rode waarschuwingssymbool gaat branden, wanneer er een storing is geregistreerd
die van invloed kan zijn op de veiligheid en/of
de rijeigenschappen van de auto. Er verschijnt
tegelijkertijd een verklarende melding op het
informatiedisplay. Het waarschuwingssymbool blijft branden totdat de storing is verholpen, maar de melding kunt u verwijderen met
de knop READ, zie pagina 152. Het waarschuwingssymbool kan ook gaan branden in combinatie met andere symbolen.
2
Als een van de portieren, de motorkap2 of de
achterklep niet goed afgesloten is, gaat het
informatie- of waarschuwingssymbool branden en verschijnt er een verklarende melding
op het instrumentenpaneel. Breng de auto zo
spoedig mogelijk tot stilstand en sluit het portier, het kofferdeksel of de motorkap dat/die
open is.
Als de auto met een snelheid van maximaal 7 km/h rijdt, gaat het informatiesymbool branden.
Als de auto met een snelheid van maximaal 7 km/h rijdt, gaat het waarschuwingssymbool branden.
Dagteller en bedieningsknop.
Display voor dagtellers
Knop om te wisselen tussen de dagtellers
T1 en T2 alsook de dagtellers op nul te
stellen.
De dagtellers worden gebruikt om korte afstanden te meten.
Door kort op de knop te drukken, kunt u van
dagteller (T1 en T2) wisselen. Als u de knop
lang indrukt (meer dan 2 seconden), zet u de
geactiveerde dagteller op nul. De afgelegde
afstand staat op het display.
Alleen auto’s met alarm*.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
83
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
Klok
worden ingesteld in de menugroep MY CAR,
voor meer informatie zie pagina 155.
Met de menu-optie Instellingen
Systeemopties Tijdopmaak kiest u uit een
24- of 12-uursaanduiding (AM/PM).
03
Klok en instelknop.
Display voor de tijdaanduiding.
Knop om de klok in te stellen.
Draai de knop rechts- of linksom om de klok in
te stellen. Draai de knop eerst tot aan de aanslag en vervolgens nog eens ca. 1 mm door –
u hoort één ‘klik’ die tevens te voelen is in de
knop. Iedere ‘klik’ komt overeen met
1 minuut. Voor snelle wijziging de knop in de
‘klikstand’ vasthouden.
Bij een melding wordt de klok mogelijk tijdelijk
vervangen door een symbool, zie pagina 152.
Klok instellen in MY CAR
De klok is niet alleen handmatig/mechanisch in
te stellen op de voorgaande wijze maar kan
84
6. Draai aan TUNE om het vakje voor OK te
markeren en druk op OK – de instelling is
gereed.
1. Ga naar Instellingen
Tijd.
Systeemopties
2. De cursor gaat op het eerste vakje voor de
uuraanduiding staan: Druk op OK – het
vakje wordt geactiveerd.
3. Draai aan TUNE om de juiste uuraanduiding in te stellen en druk op OK – het vakje
wordt gedeactiveerd.
4. Draai aan TUNE om het vakje voor de
minuutaanduiding (A) te markeren en druk
op OK – het vakje wordt geactiveerd.
5. Draai aan TUNE om de juiste minuutaanduiding in te stellen en druk op OK – het
vakje wordt gedeactiveerd.
03 Bestuurdersmilieu
Volvo Sensus
Algemene informatie
beeldscherm van de middenconsole. Volvo
Sensus biedt de mogelijkheid tot personalisering van de auto met een eenvoudig te hanteren bedieningsinterface. Er zijn instellingen te
verrichten onder Instellingen van de auto, Infotainment, Klimaat e.d.
03
Met de knoppen en bedieningselementen op
de middenconsole en het rechter toetsenblok* op het stuurwiel kunt u functies activeren
en deactiveren en tal van instellingen verrichten.
Bedieningspaneel op middenconsole
Navigatie* - NAV, zie desbetreffend
instructieboekje (Road and Traffic Information System - RTI).
Infotainment (RADIO, MEDIA, TEL*), zie
pagina 236.
Instellingen van de auto - MY CAR, zie
pagina 155.
Park Assist-camera - CAM*, zie
pagina 221.
Klimaatregeling, zie pagina 163.
Bij het bedienen van MY CAR worden alle
instellingen getoond die verband houden met
het besturen en bedienen van de auto, zoals
City Safety, sloten en alarm, instellen van de
klok e.d.
Bij het indrukken van RADIO, MEDIA, TEL*,
NAV* en CAM* kunt u andere bronnen, systemen en functies activeren, zoals AM, FM1, CD,
DVD*, TV*, Bluetooth*, navigatie* en Park
Assist-camera*.
Zie voor meer informatie over alle functies/systemen het desbetreffende hoofdstuk in het
instructieboekje.
Volvo Sensus is te beschouwen als besturingssysteem van uw auto, het middelpunt van uw
persoonlijke Volvo-beleving. Volvo Sensus
presenteert tal van functies van uiteenlopende
autosystemen op overzichtelijke wijze op het
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
85
03 Bestuurdersmilieu
Sleutelstanden
Transpondersleutel aanbrengen en
verwijderen
BELANGRIJK
Vreemde voorwerpen in het contactslot
kunnen tot functiestoringen leiden of
schade aan het slot toebrengen.
De transpondersleutel niet verkeerd om
insteken – pak de sleutel beet aan het uiteinde met het afneembare sleutelblad. zie
pagina 53.
03
Contactslot met transpondersleutel uitgetrokken/
ingeduwd.
N.B.
Voor auto’s met Keyless drive-functie*, zie
pagina 58.
Sleutel aanbrengen
Houd de transpondersleutel beet aan de kant
van het afneembare sleutelblad en plaats de
sleutel in het contactslot. Duw de sleutel vervolgens tot aan de aanslag in het slot.
Sleutelstand II
Met de transpondersleutel volledig in het contactslot geduwd - Druk ca. 2 seconden op
START/STOP ENGINE.
Van sleutelstand II naar I
Pak de transpondersleutel beet en trek deze
naar buiten.
Met de transpondersleutel volledig in het contactslot geduwd - Druk kort op START/STOP
ENGINE.
Functies
Terug naar sleutelstand 0
De drie verschillende sleutelstanden – 0, I en
II – zijn te activeren zonder daarvoor de motor
te hoeven starten. De tabel geeft aan welke
functies beschikbaar zijn in de verschillende
sleutelstanden.
Om terug te gaan naar sleutelstand 0 vanuit
stand I – Open het bestuurdersportier.
N.B.
Om sleutelstand I of II te activeren zonder
de motor te starten – voer een van de volgende punten uit zonder het rem-/koppelingspedaal te bedienen.
Plaats de transpondersleutel in het contactslot
en duw deze tot aan de aanslag naar binnen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Met de transpondersleutel volledig in het contactslot geduwd - Druk kort op START/STOP
ENGINE.
Sleutel verwijderen
Sleutelstand 0
86
Sleutelstand I
03 Bestuurdersmilieu
Sleutelstanden
Stand
Functie
0
Kilometerteller, klok en temperatuurmeter worden verlicht. Het
audiosysteem is te gebruiken.
I
Schuifdak*, elektrisch bedienbare zijruiten, 12V-aansluitingen
in passagiersruimte, RTI*, telefoon*, interieurventilator, ECC en
ruitenwissers zijn te gebruiken.
Het stuurslot is opgeheven.
II
De koplampen worden ontstoken. Waarschuwings-/controlelampjes branden 5 seconden
lang. Alle uitrusting werkt,
behalve de elektrische verwarming van de stoel en die van de
achterruit die pas werken wanneer de motor loopt.
03
Voor informatie over de functie van het audiosysteem bij een uitgenomen transpondersleutel, zie pagina 234.
Motor starten en afzetten
Voor informatie over het starten/afzetten van
de motor, zie pagina 120.
Slepen
Voor belangrijke informatie over de transpondersleutel bij het slepen, zie pagina 309.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
87
03 Bestuurdersmilieu
Stoelen en achterbank
Voorstoelen
WAARSCHUWING
De stand van de bestuurdersstoel instellen
voordat u gaat rijden en nooit tijdens het rijden. Controleer of de stoel vergrendeld
staat om letsel te voorkomen bij hard afremmen of een aanrijding.
03
Rugleuning voorstoel omklappen
Trek de pallen aan de achterzijde van de
rugleuning omhoog tijdens het omklappen.
4. Duw de stoel zo ver naar voren dat de
hoofdsteun onder het dashboardkastje
“vast” komt te zitten.
Houd voor het rechtop zetten de omgekeerde
volgorde aan.
WAARSCHUWING
Pak het ruggedeelte nadat u het rechtop
gezet hebt beet en controleer of het stevig
vergrendeld staat om letsel te voorkomen
bij hard afremmen of een aanrijding.
Lendensteun wijzigen, aan de knop1
draaien.
Vooruit/achteruit, de hendel omhoogtillen
om de juiste afstand tot het stuurwiel en de
pedalen in te stellen. Controleer of de stoel
na het afstellen in de nieuwe stand geblokkeerd staat.
Voorkant zitting hoger/lager* zetten,
omhoog-/omlaagpompen.
Hellingshoek rugleuning wijzigen, aan de
knop draaien.
Stoel hoger/lager zetten, omhoog-/
omlaagpompen.
Bedieningspaneel voor elektrisch bedienbare stoel*.
1
88
Geldt ook voor een elektrisch bedienbare stoel.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
De rugleuning van de passagiersstoel kan worden omgeklapt om ruimte te maken voor lange
lading.
Zet de stoel zo ver mogelijk naar achteren
en omlaag.
Zet de rugleuning rechtop.
03 Bestuurdersmilieu
Stoelen en achterbank
Elektrisch bedienbare stoel*
Voorbereidingen
1. Stel de stoel en de buitenspiegels in.
Tot enige tijd nadat u het portier met de transpondersleutel hebt ontgrendeld blijft het
mogelijk de stoel te verstellen, ook al steekt er
geen sleutel in het contactslot. U verstelt de
stoel normaal gesproken in sleutelstand I.
Wanneer de motor loopt, is dat altijd mogelijk.
2. Houd de knop voor vastlegging van de
instelling ingedrukt, terwijl u op de geheugenknop van uw keuze drukt.
Stoel met geheugenfunctie*
Stoel in vastgelegde stand zetten
Houd een van de geheugenknoppen ingedrukt,
totdat de stoel en de buitenspiegels tot stilstand komen. Bij het loslaten van de knop zal
de instelling van de stoel onmiddellijk worden
beëindigd.
03
Geheugen* van transpondersleutel2
De stand van de bestuurdersstoel en de buitenspiegels3 wordt vastgelegd, wanneer u de
auto met de transpondersleutel vergrendelt.
Voorkant zitting omhoog/omlaag
Stoel vooruit/achteruit en omhoog/omlaag
Hellingshoek rugleuning
De elektrisch bedienbare stoelen zijn voorzien
van een beveiliging tegen overbelasting, die
geactiveerd wordt als een van de stoelen door
een obstakel wordt geblokkeerd. Als dit het
geval is, moet u de sleutel in stand I of 0 zetten
en enige tijd wachten voordat u de stoel
opnieuw probeert te verstellen.
U kunt slechts één verstelfunctie van de stoel
tegelijk activeren (vooruit/achteruit/omhoog/
omlaag).
2
3
Instelling vastleggen
Geheugenknop
Geheugenknop
Geheugenknop
Knop voor vastlegging van de instelling
Voor het sleutelgeheugen bij Keyless drive, zie pagina 60.
Alleen als de auto is uitgerust met elektrisch bedienbare bestuurdersstoel en elektrisch inklapbare buitenspiegels.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
89
03 Bestuurdersmilieu
Stoelen en achterbank
Een volgende keer dat de auto met dezelfde
transpondersleutel wordt ontgrendeld, nemen
de bestuurdersstoel en de buitenspiegels
automatisch de in het sleutelgeheugen vastgelegde standen in.
03
N.B.
De bestuurdersstoel en de buitenspiegels
worden niet verzet, als ze al in de opgeslagen stand staan.
Noodstop
Achterbank
Als de stoel per ongeluk in beweging komt,
kunt u op een van de knoppen drukken om de
stoel tot stilstand te brengen.
Middelste hoofdsteun achterbank
Om de stoel dan opnieuw in de in het sleutelgeheugen vastgelegde stand te zetten dient u
de ontgrendelingsknop op de transpondersleutel te bedienen. Het bestuurdersportier
dient daarbij open te staan.
WAARSCHUWING
U kunt de standen in het sleutelgeheugen ook
activeren door (terwijl het bestuurdersportier
openstaat) de ontgrendelingsknop op de
transpondersleutel te bedienen.
U kunt het sleutelgeheugen activeren/deactiveren in het menusysteem MY CAR onder
Instellingen Auto-instellingen
Sleutelgeheugen Deur, spiegels en stoel
opgeslagen in sleutel. Voor een beschrijving
van het menusysteem, zie pagina 155.
N.B.
Het geheugen van de twee transpondersleutels en de drie geheugens van de stoel
werken volledig onafhankelijk van elkaar.
90
Beknellingsgevaar! Laat kinderen niet met
de schakelaars spelen. Zorg dat er geen
voorwerpen voor, achter of onder de stoel
liggen tijdens het verstellen. Zorg er tevens
voor dat geen van de passagiers op de achterbank bekneld kan raken.
Stoelen met elektrische verwarming
Voor stoelen met elektrische verwarming, zie
pagina 168.
Stem de hoofdsteun af op de lengte van de
passagier zodat deze zo mogelijk het hele achterhoofd bedekt. Trek de hoofdsteun zo ver
omhoog als nodig is.
Als u de hoofdsteun lager wilt zetten, moet u
de knop (in het midden tussen het ruggedeelte
en de hoofdsteun, zie afbeelding) indrukken
terwijl u de hoofdsteun omlaagduwt.
03 Bestuurdersmilieu
Stoelen en achterbank
Buitenste hoofdsteunen achterbank
handmatig omklappen
De drie ruggedeelten zijn op verschillende
manieren neer te klappen.
N.B.
Zet de voorstoelen zo nodig naar voren en/
of de rugleuningen ervan rechtop, zodat u
de ruggedeelten van de achterbank helemaal kunt neerklappen.
• Het linker gedeelte is apart neer te klappen.
• Het middelste gedeelte is eveneens apart
neer te klappen.
• Het rechter gedeelte kan alleen samen met
Trek aan de pal bij de hoofdsteun om de hoofdsteun om te klappen.
Zet de hoofdsteun na afloop handmatig
rechtop totdat deze hoorbaar vastklikt.
Ruggedeelte achterbank omklappen
BELANGRIJK
Bij het neerklappen van de achterbank
mogen er zich geen voorwerpen op de achterbank bevinden. De veiligheidsgordels
mogen evenmin zijn ingestoken. Schade
aan de bekleding van de achterbank is
anders namelijk niet uitgesloten.
het middelste gedeelte worden neergeklapt.
• Voor het omklappen van de complete rugleuning dienen de verschillende gedeelten
ieder apart omgeklapt te worden.
03
Bij het omklappen van het middelste ruggedeelte dient u de middelste hoofdsteun
vrij te geven en omlaag te zetten, zie
pagina 90.
De buitenste hoofdsteunen worden automatisch neergeklapt, wanneer u de buitenste ruggedeelten omklapt. Trek de blokvan het ruggedeelte
keerhandgreep
omhoog en klap het ruggedeelte om. Een
rode markering bij de pal
geeft aan dat
het ruggedeelte niet langer geblokkeerd
staat.
N.B.
Duw bij het neerklappen van de ruggedeelten de hoofdsteunen naar voren om te voorkomen dat ze in contact komen met het zitgedeelte.
``
91
03 Bestuurdersmilieu
Stoelen en achterbank
Houd voor het rechtop zetten de omgekeerde
volgorde aan.
N.B.
03
De rode markering mag niet langer zichtbaar zijn, wanneer het ruggedeelte weer
rechtop staat. Het ruggedeelte staat niet
geblokkeerd, als de rode markering wel
zichtbaar is.
WAARSCHUWING
Controleer of de ruggedeelten en hoofdsteunen van de achterbank na het rechtop
zetten goed vergrendeld staan.
Buitenste hoofdsteunen achterbank
elektrisch omklappen*
92
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
1. De transpondersleutel moet in stand I of
II staan.
2. Druk op de knop om de beide buitenste
hoofdsteunen op de achterbank om te
klappen en het zicht naar achteren te verbeteren.
WAARSCHUWING
Klap de buitenste hoofdsteunen niet om, als
er iemand op een van beide buitenste zitplaatsen van de achterbank zit.
Zet de hoofdsteun na afloop handmatig
rechtop totdat deze hoorbaar vastklikt.
WAARSCHUWING
De hoofdsteunen moeten na het rechtop
zetten vergrendeld staan.
03 Bestuurdersmilieu
Stuurwiel
Instellen
WAARSCHUWING
Claxon
Stel het stuurwiel af voordat u gaat rijden en
controleer of het in de gekozen stand vergrendeld staat.
G021138
Bij auto’s met snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging* is de vereiste stuurkracht in te stellen, zie pagina 182.
03
Toetsensets*
Stuurwiel afstellen.
Claxon.
Ontgrendelingshendel, stuurwielafstelling
Druk op het midden van het stuurwiel om te
claxonneren.
Mogelijke stuurwielstanden
U kunt het stuurwiel zowel in de hoogte als in
de diepte verstellen:
1. Trek de hendel naar u toe om het stuur vrij
te geven.
2. Zet het stuurwiel vervolgens in de gewenste stand.
3. Duw de hendel vervolgens terug om het
stuurwiel in de nieuwe stand te blokkeren.
Als dit moeite kost, kunt u lichtjes op het
stuurwiel drukken en tegelijkertijd de hendel terugduwen.
Toetsensets op stuurwiel.
Cruisecontrol, zie pagina 183
Adaptieve cruisecontrol, zie pagina 187
Audio- en telefoonfuncties, zie
pagina 239.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
93
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
Bedieningspaneel verlichting
De displayverlichting wordt bij donker automatisch gedimd. De gevoeligheidsgraad van deze
functie is in te stellen met het duimwiel.
Groot licht/dimlicht
Ook de sterkte waarmee het instrumentenpaneel verlicht wordt stelt u in met het duimwiel.
Koplamphoogteregeling
03
Door de belading van de auto wordt de hoogte
van de koplampen gewijzigd, zodat u tegemoetkomend verkeer mogelijk verblindt. U
kunt dat voorkomen door de koplamphoogte
bij te stellen. Stel de koplampen lager af als de
auto zwaar beladen is.
Overzicht bedieningspaneel verlichting.
Duimwiel voor het afstellen van de verlichting van het display en het instrumentenpaneel
Mistachterlicht
Bedieningspaneel verlichting
Duimwiel1 voor koplamphoogteregeling
Instrumentenverlichting
Afhankelijk van de sleutelstand worden
bepaalde displays en instrumenten verlicht, zie
pagina 86.
1
94
Niet aanwezig bij auto’s met xenonkoplampen*.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
1. Laat de motor draaien of zet de transpondersleutel in stand I.
2. Draai het duimwiel omhoog of omlaag om
de koplampen hoger of lager af te stellen.
Auto’s met xenonkoplampen* zijn uitgerust
met automatische koplamphoogteregeling,
zodat het duimwiel ontbreekt.
Verlichtingsdraaiknop en stuurhendel.
Stand voor grootlichtsignalen
Stand voor grootlicht
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
Stand
Betekenis
Automatisch dimlicht. In deze
stand werken het groot licht en
de grootlichtsignalenA/Uitgeschakeld dimlicht.
Stadslichten vóór en achterlichten
Dimlicht. In deze stand werken
het groot licht en de grootlichtsignalen.
A
Geldt voor bepaalde markten.
Grootlichtsignalen
Trek de stuurhendel voorzichtig tot in de stand
voor grootlichtsignalen naar het stuurwiel toe.
Het groot licht brandt totdat u de hendel loslaat.
Dimlicht
Als de verlichtingsdraaiknop in stand2 staat,
gaat bij het starten van de motor het dimlicht
branden. U kunt het autoautomatisch
matische dimlicht zo nodig in een werkplaats
buiten werking laten stellen. Volvo adviseert u
contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats.
2
In stand
is het dimlicht altijd automatisch ingeschakeld wanneer de motor loopt of
als de transpondersleutel in stand II staat.
Actieve xenonkoplampen, ABL*
Groot licht
Het groot licht is te ontsteken met de verlich2 of
.
tingsdraaiknop in stand
Schakel het groot licht in of uit door de stuurhendel tot in de eindstand naar het stuurwiel te
halen en vervolgens los te laten. Het groot licht
is eveneens uit te schakelen door de stuurhendel lichtjes in de richting van het stuurwiel te
duwen.
Wanneer het groot licht ontstoken is, brandt
op het instrumentenpahet symbool
neel.
03
Lichtbundel bij gedeactiveerde (links) en geactiveerde (rechts) functie.
Als de auto is uitgerust met actieve xenonkoplampen (Active Bending Lights, ABL) draaien
de lichtbundels van de koplampen mee om
optimale verlichting te verkrijgen in bochten en
op kruisingen om op die manier de veiligheid
te verhogen.
De functie wordt automatisch ingeschakeld bij
het starten van de motor. Wanneer de functie
een storing vertoont, brandt het symbool
op het instrumentenpaneel en op het
informatiedisplay verschijnen een verklarende
melding plus een ander brandend symbool.
Geldt voor bepaalde markten.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
95
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
Symbool
03
Display
Betekenis
Koplampfout Service vereist
Het systeem
is defect.
Bezoek een
werkplaats
als de melding niet
verdwijnt.
Volvo adviseert u contact op te
nemen met
een erkende
Volvo-werkplaats.
De functie is uitsluitend actief bij schemer of
donker en dan alleen als de auto rijdt.
U kunt de functie3 deactiveren/activeren in het
menusysteem MY CAR onder My V60 Act.
bochtverlichting of onder Instellingen
Auto-instellingen Lichtinstellingen
Act. bochtverlichting. Voor een beschrijving
van het menusysteem, zie pagina 156.
Voor het aanpassen van de lichtbundel, zie
pagina 99.
3
96
Geactiveerd bij levering vanuit de fabriek.
Stadslichten vóór en achterlichten
Remlichten
De remlichten gaan automatisch branden wanneer u remt. Voor informatie over de noodremlichten en de automatische alarmlichten, zie
pagina 140.
Mistachterlicht
Verlichtingsdraaiknop in stand voor stads-/parkeerlichten vóór en achterlichten.
Draai de verlichtingsdraaiknop naar de middelste stand (ook de kentekenplaatverlichting
gaat branden).
Om het achteropkomende verkeer te waarschuwen worden de achterlichten ook bij het
openen van de achterklep automatisch ingeschakeld.
Knop voor mistachterlicht.
Het mistachterlicht dat uit een lamp aan de
achterzijde van de auto bestaat, is alleen in te
schakelen wanneer u het groot licht/dimlicht
voert.
Druk op de knop voor in-/uitschakeling. Het
controlesymbool voor het mistachterlicht
op het instrumentenpaneel en het lampje
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
in de knop branden, wanneer het mistachterlicht ingeschakeld is.
Het mistachterlicht dooft automatisch bij het
afzetten van de motor.
N.B.
De regels voor het gebruik van het mistachterlicht verschillen van land tot land.
Alarmlichten
zodra de snelheid van de auto tot onder de
30 km/h is gedaald, automatisch de alarmlichten ingeschakeld. Ook nadat de auto tot stilstand is gekomen, blijven de alarmlichten knipperen. Wanneer u weer wegrijdt, worden ze
automatisch uitgeschakeld. U kunt ook op de
knop voor de alarmlichten drukken. Voor meer
informatie over de noodremlichten en de automatische alarmlichten, zie pagina 140.
Richtingaanwijzers/knipperlichten
Korte serie knippersignalen
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag
naar de eerste stand en laat de hendel vervolgens los. De richtingaanwijzers lichten
driemaal op. U kunt de functie activeren/
deactiveren in het menusysteem MY CAR
onder Instellingen Autoinstellingen Lichtinstellingen Drie
maal
richtingaanwijzer . Voor een beschrijving
van het menusysteem, zie pagina 156.
03
Onafgebroken serie knippersignalen
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag
naar de tweede stand.
De hendel blijft in deze stand staan en kan
handmatig in de uitgangspositie teruggezet
worden of veert automatisch terug bij het
terugdraaien van het stuurwiel.
Richtingaanwijzersymbolen
Voor de richtingaanwijzersymbolen, zie
pagina 80.
Knop voor alarmlichten.
Richtingaanwijzers/knipperlichten.
Druk op de knop om de alarmlichten te activeren. Beide richtingaanwijzersymbolen op het
instrumentenpaneel knipperen bij gebruik van
de alarmlichten.
Als de auto dermate hard wordt afgeremd dat
de noodremlichten in werking treden, worden,
``
97
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
Verlichting in interieur
Plafondverlichting voorin
Make-upspiegel
De leeslampjes voorin worden in- en uitgeschakeld met een druk op de bijbehorende
knoppen op de plafondconsole.
De verlichting van de make-upspiegel, zie
pagina 231, wordt bij het openen en sluiten
van het klepje in- en uitgeschakeld.
Plafondverlichting achterin
Bagageruimteverlichting
De bagageruimteverlichting wordt bij het openen en sluiten van de achterklep automatisch
in- en uitgeschakeld.
03
Automatische verlichting
G021149
Met de knop voor de interieurverlichting kunt u
drie verlichtingsstanden selecteren:
• Uit – rechterkant ingedrukt, automatische
Knoppen op plafondconsole voor bediening leeslampjes en interieurverlichting voorin.
interieurverlichting gedeactiveerd.
G021150
Leeslampje linkerzijde
Leeslampje rechterzijde
Interieurverlichting
Alle verlichting in het interieur kan handmatig
in- en uitgeschakeld worden binnen 30 minuten nadat:
• u de motor hebt afgezet en de transpondersleutel in stand 0 staat
• de auto ontgrendeld is zonder dat de motor
is gestart.
Plafondverlichting achterin.
U kunt de lampjes in- en uitschakelen met een
druk op de bijbehorende knop.
Instapverlichting
De instapverlichting (alsmede de interieurverlichting) worden in- en uitgeschakeld bij het
openen c.q. sluiten van een portier, zie
pagina 94
Verlichting dashboardkastje
De verlichting in het dashboardkastje wordt inen uitgeschakeld bij het openen en sluiten van
de klep van het kastje.
98
• Neutrale stand – automatische verlichting
geactiveerd.
• Aan – linkerkant ingedrukt, interieurverlichting brandt.
Neutrale stand
Met de knop in de neutrale stand wordt de
interieurverlichting als volgt automatisch in- en
uitgeschakeld.
De interieurverlichting wordt ingeschakeld en
blijft 30 seconden lang branden, als:
• u de auto met de afstandsbediening ontgrendelt (zie pagina 50 of 53)
• u de motor hebt afgezet en de transpondersleutel in stand 0 staat.
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
De interieurverlichting dooft, wanneer:
• u de motor start
• de auto wordt vergrendeld.
De interieurverlichting gaat aan en blijft twee
minuten lang branden, wanneer een van de
portieren openstaat.
Als u een bepaalde verlichtingsfunctie handmatig inschakelt, zal deze na twee minuten
automatisch worden uitgeschakeld.
lampjes in het interieur en de instapverlichting
branden.
Lichtbundel aanpassen
De duur van de “Follow Me Home”-verlichting
kan worden ingesteld in het menusysteem
MY CAR onder Instellingen Autoinstellingen Lichtinstellingen Duur
thuisbrenglicht. Voor een beschrijving van het
menusysteem, zie pagina 156.
03
Het is mogelijk om een deel van de buitenverlichting enige tijd ingeschakeld te houden en
als “Follow Me Home”-verlichting dienst te
laten doen na vergrendeling van de auto.
1. Neem de transpondersleutel uit het contactslot.
2. Haal de linker stuurhendel tot in de eindstand naar het stuurwiel toe en laat de hendel los. De functie is op dezelfde manier te
activeren als de grootlichtsignalen, zie
pagina 94.
3. Stap uit de auto en vergrendel het portier.
Wanneer de functie wordt geactiveerd, gaan
de dimlichten, de parkeerlichten, de richtingaanwijzers, de verlichting van de buitenspiegels, de kentekenplaatverlichting, de plafond-
U activeert de “Approach”-verlichting met de
transpondersleutel, zie pagina 50, om de verlichting van de auto op afstand in te schakelen.
Lichtbundel linksrijdend verkeer.
Wanneer de functie met de afstandsbediening
wordt geactiveerd, gaan de parkeerlichten, de
verlichting van de buitenspiegels, de kentekenplaatverlichting, de plafondlampjes in het
interieur en de instapverlichting branden.
De duur van de “Approach”-verlichting kan
worden ingesteld in het menusysteem
MY CAR onder Instellingen Autoinstellingen Lichtinstellingen Duur
automatische verlichting. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie pagina 156.
G021152
“Follow Me Home”-verlichting
G021151
“Approach”-verlichting
Lichtbundel rechtsrijdend verkeer.
Om verblinding van tegenliggers te voorkomen
kunt u de lichtbundel van de koplampen aanpassen voor links- en rechtsrijdend verkeer. Bij
``
99
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
de juiste lichtbundel wordt ook de berm beter
verlicht.
Actieve xenonkoplampen*
03
Bij het aanpassen van de lichtbundel voor
links- of rechtsrijdend verkeer dient de auto stil
te staan.
1. Open het menusysteem MY CAR en ga
naar Instellingen Auto-instellingen
Lichtinstellingen.
2. Kies uit Tijdelijk rechtsrijdend verkeer
en Tijdelijk linksrijdend verkeer.
Voor een beschrijving van het menusysteem,
zie pagina 156
Halogeenkoplampen
Bij halogeenkoplampen past u de lichtbundel
aan door bepaalde delen van het koplampglas
af te plakken. De sterkte van de lichtbundel
neemt daardoor iets af.
Koplampen afplakken
1. Trek de mallen A en B over voor een auto
met het stuur links of de mallen C en D voor
een auto met het stuur rechts in een schaal
van 1:1, zie pagina 103:
• A = LHD Right (auto met het stuur links,
rechter koplampglas)
• B = LHD Left (auto met het stuur links,
linker koplampglas)
100
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
• C = RHD Right (auto met het stuur
rechts, rechter koplampglas)
• D = RHD Left (auto met het stuur rechts,
linker koplampglas)
2. Breng de mallen over op een stuk zelfklevend en watervast materiaal en knip ze uit.
3. Breng de zelfklevende mallen aan de hand
van de afbeelding, zie pagina 101, en de
afmetingen in de onderstaande lijst aan op
de juiste afstand tot de rand van de
koplampglazen:
• Mal A: horizontale lijn ca. 80 mm, verticale lijn ca. 20 mm
• Mal B: horizontale lijn ca. 80 mm, verticale lijn ca. 4 mm
• Mal C: horizontale lijn ca. 120 mm, verticale lijn ca. 4 mm
• Mal D: horizontale lijn ca. 85 mm, verticale lijn ca. 15 mm
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
Positie van de mallen
03
Bovenste regel: afgeplakte gebieden bij een auto met stuur links, mallen A en B. Onderste regel: afgeplakte gebieden bij een auto met het stuur rechts, mallen
``
101
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
C en D.
03
102
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
Mallen voor halogeenkoplampen
03
103
03 Bestuurdersmilieu
Wissers en -sproeiers
Ruitenwissers1
Intervalstand
Regensensor*
Met het duimwiel kunt u het aantal
wisslagen per eenheid van tijd instellen wanneer u de intervalstand hebt geselecteerd.
De regensensor registreert de hoeveelheid
regen op de voorruit en schakelt automatisch
de ruitenwissers op de voorruit in. De gevoeligheid van de regensensor is in te stellen met
het duimwiel.
Ononderbroken wissen
03
De wissers bewegen op normale
snelheid.
De wissers bewegen op hoge snelheid.
Wanneer de regensensor actief is, brandt het
lampje in de bijbehorende knop en verschijnt
op het rechter
het regensensorsymbool
display van het instrumentenpaneel.
Activeren en gevoeligheid instellen
BELANGRIJK
Ruitenwissers en -sproeiers.
Regensensor aan/uit
Duimwiel gevoeligheid regensensor/snelheid ruitenwissers
Ruitenwissers uitgeschakeld
Haal de hendel naar stand 0 om de
ruitenwissers uit te schakelen.
Enkele slag
Haal de hendel omhoog en laat deze
los om de wissers een enkele slag te
laten maken.
Controleer alvorens de ruitenwissers tijdens
de winter in te schakelen of de wisserbladen
niet zijn vastgevroren en de voorruit (alsmede de achterruit) sneeuw- en ijsvrij zijn.
BELANGRIJK
Spuit een ruime hoeveelheid ruitensproeiervloeistof op de voorruit, wanneer de ruitenwissers werken. De voorruit moet nat zijn bij
gebruik van de ruitenwissers.
Servicestand wisserbladen
Bij reiniging van voorruit/wisserbladen en vervanging van wisserbladen, zie pagina 345 en
363.
1
104
Wisserbladen vervangen zie pagina 345, servicestand wisserbladen zie pagina 345 en sproeiervloeistof bijvullen zie pagina 346.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Om de regensensor te activeren dient de motor
te lopen of de transpondersleutel in stand I of
II te staan en de ruitenwisserhendel in stand 0
of die voor een enkele wisslag.
Activeer de regensensor door op de knop
te drukken. De ruitenwissers maken een
slag.
Als u de hendel omhooghaalt, maken de ruitenwissers een extra slag.
Draai het duimwiel omhoog voor een grotere
gevoeligheid en omlaag voor een lagere
gevoeligheid. (de wissers maken een extra
slag, als u het duimwiel omhoogdraait.)
03 Bestuurdersmilieu
Wissers en -sproeiers
Deactiveren
Koplamp- en ruitensproeiers
Deactiveer de regensensor met een druk op de
of haal de hendel omlaag naar een
knop
ander wisprogramma.
stof. Om vloeistof te besparen, worden de
koplampen alleen iedere vijfde keer dat u de
voorruitsproeiers activeert gesproeid.
Ruitenwisser en sproeier achterklep
De regensensor wordt automatisch gedeactiveerd, wanneer u de transpondersleutel uit het
contactslot neemt of vijf minuten nadat u de
motor hebt afgezet.
03
BELANGRIJK
De ruitenwissers op de voorruit kunnen in
een automatische wasstraat spontaan
inschakelen en daarbij beschadigd raken.
Schakel de regensensor uit terwijl de motor
loopt of als de transpondersleutel in stand
I of II staat. Het symbool op het instrumentenpaneel en dat in de knop doven.
Sproeierfunctie.
Ruitensproeiers voorruit
U activeert de sproeiers van de voorruit en de
koplampen door de hendel naar het stuurwiel
toe te trekken.
Nadat u de hendel hebt losgelaten maken de
ruitenwissers op de voorruit nog enkele slagen
en worden de koplampen gesproeid.
Verwarmde sproeikoppen*
Ruitenwisser achterklep – intervalstand
Ruitenwisser achterklep – continu wissen
Wanneer u de hendel naar voren haalt (zie pijl
op bovenstaande afbeelding), activeert u de
ruitenwisser/-sproeier van de achterklep.
De sproeikoppen worden bij vorst automatisch
verwarmd om te voorkomen dat de ruitensproeiervloeistof bevriest.
Hogedruksproeiers koplampen*
De hogedruksproeiers van de koplampen verbruiken een grote hoeveelheid sproeiervloei``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
105
03 Bestuurdersmilieu
Wissers en -sproeiers
N.B.
De achterruitwisser is beveiligd tegen oververhitting zodat de wissermotor wordt uitgeschakeld bij oververhitting. De achterruitwisser werkt weer na een periode van
afkoelen (30 seconden of langer afhankelijk
van de motor- en de omgevingstemperatuur).
03
Ruitenwisser achterklep, achteruitrijden
Als u de auto in de achteruitversnelling zet terwijl de voorste ruitenwissers actief zijn, zal de
intervalstand van de ruitenwisser op de achterklep starten2. Bij het inschakelen van een
andere versnelling valt de ruitenwisser op de
achterklep stil.
Als de ruitenwisser op de achterklep echter al
op continue snelheid werkt, vindt er geen wijziging plaats.
N.B.
Bij auto’s met een geactiveerde regensensor wordt de ruitenwisser op de achterklep
automatisch geactiveerd, als u in de regen
achteruitrijdt.
2
106
Deze functie (intervalstand tijdens het achteruitrijden) kunt u desgewenst uitschakelen. Bezoek een werkplaats. Volvo adviseert u daarvoor contact op te nemen met een erkende Volvo-dealer.
03 Bestuurdersmilieu
Ruiten en spiegels
Algemene informatie
Warmtereflecterende voorruit*
Gelaagd glas
Het glas is verstevigd voor een verbeterde inbraakbeveiliging en
geluidsisolatie van het interieur. De
voorruit en de overige ruiten zijn
gemaakt van gelaagd glas*.
op dat deel van de voorruit waar geen warmtereflecterende film is aangebracht (zie gemarkeerd veld op bovenstaande afbeelding).
Elektrisch bedienbare ruiten
03
Water- en vuilafstotende laag*
De ruiten zijn voorzien van een speciale laag die bij hevige regenval voor
een beter zicht zorgt. Voor het onderhoud, zie
pagina 365.
Veld waar geen IR-film is aangebracht.
BELANGRIJK
Gebruik geen metalen ijskrabber om de ruiten van ijs te ontdoen. Gebruik de elektrische verwarming om de buitenspiegels van
ijs te ontdoen, zie pagina 110.
Maten
A
40 mm
B
80 mm
De voorruit is voorzien van een warmtereflecterende film (IR) die de ingestraalde warmte in
de passagiersruimte beperkt.
Montage van elektronische uitrusting, zoals
een transponder, achter een ruit met een
warmtereflecterende film heeft mogelijk een
negatieve invloed op de werking en prestaties
van de uitrusting.
Bedieningspaneel op bestuurdersportier.
Elektrisch kinderslot op achterportieren*
en achterste zijruiten, zie pagina 68.
Bedieningsknoppen achterste zijruiten
Bedieningsknoppen voorste zijruiten
WAARSCHUWING
Zorg ervoor dat achterpassagiers niet met
hun handen bekneld raken, wanneer u de
zijruiten vanaf het bestuurdersportier sluit.
Voor optimale werking van dient de elektronische uitrusting dan ook gemonteerd te worden
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
107
03 Bestuurdersmilieu
Ruiten en spiegels
WAARSCHUWING
Zorg er bij het sluiten van de zijruiten voor
dat kinderen of andere inzittenden niet met
hun handen bekneld raken. Dit geldt ook als
u gebruik maakt van de transpondersleutel.
03
WAARSCHUWING
Als er kinderen in de auto zitten: let er bij het
verlaten van de auto op dat u de stroomtoevoer naar de elektrisch bedienbare zijruiten verbreekt door de transpondersleutel
uit te nemen.
Bediening
Vanaf het bedieningspaneel op het bestuurdersportier kunt u alle ruiten tegelijk bedienen.
Vanaf het bedieningspaneel op een van de
overige portieren kunt u alleen de zijruit in dat
portier bedienen. De zijruiten zijn alleen te
bedienen vanaf één bedieningspaneel tegelijk.
Handmatige bediening
Om de elektrisch bedienbare ruiten te kunnen
gebruiken moet de transpondersleutel in stand
I of II staan. Ook als u na het afzetten van de
motor de transpondersleutel hebt verwijderd,
hebt u nog enkele minuten lang de tijd om de
ruiten te bedienen. Na het openen van een portier is dat echter niet meer mogelijk.
Automatische bediening
De ruiten komen tot stilstand en worden
geopend, als ze tijdens het sluiten in hun beweging worden gehinderd. Wanneer sluiten
onmogelijk is door bijvoorbeeld ijsvorming, kan
de beveiliging tegen overbelasting worden
opgeheven. Wanneer de zijruiten tweemaal
achtereen niet konden worden gesloten, wordt
de beveiliging tegen overbelasting korte tijd
gedeactiveerd. Sluiten is daarna mogelijk door
de bedieningsknop omhoog te trekken en vast
te houden.
Om de elektrisch bedienbare zijruiten vanaf de
buitenzijde te bedienen met de transpondersleutel of vanaf de binnenzijde met de centrale
vergrendeling, zie pagina 50 en 63
N.B.
Bedieningsknoppen elektrisch bedienbare zijruiten.
Handmatige bediening
Automatische bediening
108
U kunt de rijwindgeluiden tijdens ritten met
geopende achterportierruiten beperken
door ook de voorportierruiten een stukje te
openen.
Trek voorzichtig een van de bedieningsknoppen omhoog of duw er een omlaag. De elektrisch bedienbare zijruiten komen steeds verder omhoog of omlaag zolang u de bedieningsknop bedient.
Trek een van de bedieningsknoppen omhoog
of duw er een omlaag en laat deze vervolgens
los. De bijbehorende zijruit gaat automatisch
volledig open of dicht.
Bediening met transpondersleutel en
centrale vergrendeling
Resetten
Als de accu losgekoppeld is geweest, werkt de
automatische openingsfunctie pas weer naar
behoren wanneer u deze hebt gereset.
1. Trek de knop aan de voorkant omhoog om
de ruit helemaal te sluiten en houd de knop
een seconde in deze stand vast.
2. Laat de knop korte tijd los.
3. Trek de voorkant van de knop opnieuw een
seconde omhoog.
03 Bestuurdersmilieu
Ruiten en spiegels
WAARSCHUWING
De beveiliging tegen overbelasting werkt
alleen als de automatische openingsfunctie
voor zijruiten gereset is.
Buitenspiegels
WAARSCHUWING
De spiegel aan bestuurderszijde is groothoekig voor een optimaal zicht. Voorwerpen
kunnen verder weg lijken dan ze in werkelijkheid zijn.
Elektrisch inklapbare buitenspiegels*
Buitenspiegel kantelen bij parkeren1
U kunt de buitenspiegels inklappen bij het parkeren en als u op smalle wegen rijdt:
De buitenspiegels kunnen omlaaggekanteld
worden, zodat u bijvoorbeeld tijdens het parkeren de kant van de weg te kan zien.
1. Druk de knoppen L en R tegelijkertijd in (de
transpondersleutel moet minimaal in sleutelstand I staan).
2. Laat ze na ca. 1 seconde los. De spiegels
stoppen automatisch, als ze volledig zijn
ingeklapt.
Bedieningsknoppen buitenspiegels.
Instellen
1. Druk op knop L voor de buitenspiegel links
of op R voor de buitenspiegel rechts. Het
lampje in de knop brandt.
2. U kunt de stand afstellen met het hendeltje
in het midden.
3. Druk opnieuw op knop L of R. Het lampje
mag niet langer branden.
1
U kunt de functie activeren/deactiveren in het
menusysteem MY CAR onder Instellingen
Auto-instellingen Sleutelgeheugen
Deur, spiegels en stoel opgeslagen in
sleutel. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie pagina 156.
Klap de spiegels uit door de knoppen L en R
tegelijkertijd in te drukken. De spiegels stoppen automatisch, als ze volledig zijn uitgeklapt.
Stand vastleggen*
De stand van de buitenspiegels en de bestuurdersstoel worden vastgelegd, wanneer u de
auto met de transpondersleutel vergrendelt.
Een volgende keer dat de auto met dezelfde
transpondersleutel wordt ontgrendeld en het
bestuurdersportier wordt geopend, nemen de
buitenspiegels en de bestuurdersstoel de vastgelegde standen in.
03
Schakel de achteruitversnelling in en druk
op de knop L of R.
Bij het inschakelen van een andere versnelling
nemen de gekantelde buitenspiegels na ca.
10 seconden de oorspronkelijke stand weer in.
Dat gebeurt eerder als u de knop L of R drukt.
Automatisch kantelende buitenspiegel
bij parkeren1
Bij het inschakelen van de achteruitversnelling
worden de buitenspiegels automatisch
omlaaggekanteld, zodat u bijvoorbeeld tijdens
het parkeren de kant van de weg kan zien.
Wanneer de auto uit de achteruitversnelling
wordt gehaald, nemen de buitenspiegels na
enige tijd automatisch de oorspronkelijke
stand weer in.
U kunt de functie activeren/deactiveren in het
menusysteem MY CAR onder Instellingen
Alleen in combinatie met een elektrisch bedienbare stoel met geheugen, zie pagina 89.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
109
03 Bestuurdersmilieu
Ruiten en spiegels
Auto-instellingen Instellingen
zijspiegel Linkerspiegel hellen of
Rechterspiegel hellen. Voor een beschrijving
van het menusysteem, zie pagina 156.
03
Automatische inklapfunctie bij
vergrendelen
Wanneer u de auto vanaf de transpondersleutel vergrendelt/ontgrendelt worden de buitenspiegels automatisch in- of uitgeklapt.
“Approach”-verlichting en “Follow Me
Home”-verlichting
de verwarming na enige tijd automatisch uitgeschakeld.
De lampjes op de buitenspiegels gaan branden, als u de “Approach”-verlichting of de “Follow Me Home”-verlichting selecteert, zie
pagina 99.
De achterruit wordt automatisch van condens/
ijsvorming ontdaan als de auto wordt gestart
bij een buitentemperatuur lager dan +9 °C.
Automatische ontwaseming is te selecteren in
het menusysteem MY CAR onder Instellingen
Klimaatinstellingen Aut.
achterruitverwarming. Kies vervolgens uit
Aan of Uit. Voor een beschrijving van het
menusysteem, zie pagina 156.
Elektrische achterruit- en
buitenspiegelverwarming
U kunt de functie activeren/deactiveren in het
menusysteem MY CAR onder Instellingen
Auto-instellingen Instellingen
zijspiegel Spiegels inklappen. Voor een
beschrijving van het menusysteem, zie
pagina 156.
Achteruitkijkspiegel
In neutrale stand terugzetten
Spiegels die uit positie zijn geraakt door invloeden van buitenaf, moeten eerst elektrisch in de
neutrale stand worden teruggezet zodat het
elektrisch in- en uitklappen weer correct werkt:
1. Klap de spiegels in met de knoppen L
en R.
2. Klap de spiegels weer uit met de knoppen
L en R.
3. Herhaal de bovenstaande procedure zo
nodig.
De spiegels staan daarmee weer in de neutrale
stand.
110
Gebruik de elektrische verwarming om de achterruit en de buitenspiegels te ontwasemen en
te ontdooien.
Bij eenmaal indrukken van de knop gaat de
verwarming van start. Het brandende lampje in
de knop geeft aan dat de functie actief is.
Schakel de verwarming uit zodra het ijs/de
condens verdwenen is om de accu niet onnodig te belasten. Als u echter niets doet, wordt
Hendeltje voor dimfunctie
Handmatige dimfunctie
Fel licht van achteren kan hinderlijke reflecties
in de achteruitkijkspiegel veroorzaken en u ver-
03 Bestuurdersmilieu
Ruiten en spiegels
blinden. Zet de spiegel met het hendeltje in de
dimstand, wanneer u de verlichting van het
achteropkomende verkeer als hinderlijk
ervaart:
1. Activeer de dimfunctie door het hendeltje
naar u toe te halen.
03
2. Deactiveer de dimfunctie door het hendeltje naar de voorruit toe te duwen.
Autodimfunctie*
Als het licht dat van achteren in de spiegel valt
te fel is, wordt de achteruitkijkspiegel automatisch gedimd. Het hendeltje is niet aanwezig op
spiegels met autodimfunctie.
Een kompas* is alleen een optie voor een achteruitkijkspiegel met autodimfunctie, zie
pagina 112.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
111
03 Bestuurdersmilieu
Kompas*
Bediening
Kalibreren
De aarde is in 15 magnetische zones verdeeld.
Het kompas is ingesteld op het geografische
gebied waarin de auto werd afgeleverd. Het
kompas dient te worden gekalibreerd, als u
met de auto meerdere magnetische zones
doorkruist.
03
G030295
1. Breng de auto tot stilstand op een groot en
open terrein waar geen stalen constructies
of hoogspanningsdraden zijn.
2. Start de motor.
Magnetische zones.
Achteruitkijkspiegel met kompas.
In de rechter bovenhoek van de achteruitkijkspiegel zit een display waarop wordt aangegeven in welke richting de voorkant van de auto
wijst. Er worden acht verschillende richtingen
met Engelse afkortingen weergegeven: N
(noord), NE (noordoost), E (oost), SE (zuidoost), S (zuid), SW (zuidwest), W (west) en
NW (noordwest).
Het kompas wordt automatisch geactiveerd
wanneer u de motor start of wanneer sleutelstand II actief is, zie pagina 86. Om het kompas
handmatig uit of in te schakelen kunt u een
paperclip of iets dergelijks nemen en het
knopje aan de onderzijde van de achteruitkijkspiegel indrukken.
112
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
N.B.
Voor optimale kalibratie dient u alle elektrische apparatuur (klimaatregeling, ontwaseming e.d.) uit te schakelen en de portieren
dicht te houden.
3. Houd het knopje aan de onderzijde van de
achteruitkijkspiegel ca. 6 seconden lang
ingedrukt (met een rechtgebogen paperclip bijvoorbeeld), totdat het teken C verschijnt.
4. Houd het knopje aan de achterzijde van de
achteruitkijkspiegel ca. 3 seconden lang
ingedrukt. Het cijfer van de huidige magnetische zone verschijnt.
5. Druk meerdere malen op het knopje totdat
het nummer van de gewenste magnetische
zone (1–15) verschijnt (zie de kaart met de
magnetische zones van het kompas).
6. Wacht totdat het teken C weer op het display verschijnt.
7. Rijd langzaam een rondje in de auto met
een snelheid van hoogstens 10 km/h, totdat een kompasrichting op het display verschijnt. Dit geeft aan dat de kalibratie afgerond is. Rijd daarna nog 2 rondjes om de
kalibratie fijn af te stellen.
03 Bestuurdersmilieu
Kompas*
8. Herhaal de bovenstaande procedure zo
nodig.
03
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
113
03 Bestuurdersmilieu
Elektrisch bedienbaar schuifdak*
Algemene informatie
De bedieningsknoppen voor het schuifdak zitten aan het plafond. Het schuifdak is aan de
achterkant open te kantelen of horizontaal
open te schuiven. Het schuifdak is alleen te
openen in sleutelstand I of II.
03
Horizontaal openschuiven
knop vervolgens los om het schuifdak zo ver
mogelijk open te schuiven.
U kunt het schuifdak handmatig openen door
de bedieningsknop achteruit naar het weerstandspunt voor handmatig openen te trekken.
Het schuifdak schuift steeds verder open
zolang u de knop in deze stand vasthoudt.
Sluiten
U kunt het schuifdak handmatig sluiten door de
bedieningsknop vooruit naar het weerstandspunt voor handmatig sluiten te duwen. Het
schuifdak schuift steeds verder dicht zolang u
de knop in deze stand vasthoudt.
WAARSCHUWING
Als er kinderen in de auto zitten:
Let er bij het verlaten van de auto op dat u
de stroomtoevoer naar het schuifdak verbreekt door de transpondersleutel uit te
nemen.
Verticaal openkantelen
Beknellingsgevaar bij het sluiten van het
schuifdak. De beveiliging tegen overbelasting van het schuifdak werkt alleen bij automatisch sluiten, niet bij handmatig sluiten.
G028900
G017823
WAARSCHUWING
Horizontaal openschuiven, achteruit/vooruit.
Openen, automatisch
Openen, handmatig
Sluiten, handmatig
Sluiten, automatisch
Openen
Trek de bedieningsknop naar achteren in de
stand voor automatisch openen en laat de
114
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Het schuifdak gaat automatisch dicht, wanneer u de knop in de stand voor automatisch
sluiten duwt en vervolgens loslaat.
Wanneer u de transpondersleutel uit het contactslot neemt, wordt de spanning van het
schuifdak verbroken.
Verticaal openkantelen, achterkant omhoogkantelen.
Kantel het schuifdak open door de achterkant van de knop omhoog te duwen.
Kantel het schuifdak dicht door de achterkant van de knop omlaag te trekken.
03 Bestuurdersmilieu
Elektrisch bedienbaar schuifdak*
Sluiten met transpondersleutel of knop
voor centrale vergrendeling
van het schuifdak. Pak de handgreep vast en
schuif het scherm naar voren om het te sluiten.
Beveiliging tegen overbelasting
G021345
Het schuifdak is voorzien van een beveiliging
tegen overbelasting die wordt geactiveerd, als
het schuifdak door een obstakel wordt gehinderd. Het schuifdak komt dan tot stilstand en
keert vervolgens automatisch terug naar de
laatst gebruikte, geopende stand.
03
Windscherm
Houd de vergrendelingsknop lang ingedrukt
om het schuifdak en alle zijruiten te sluiten (zie
pagina 50 en 63). De portieren en de achterklep
worden vergrendeld. Druk nogmaals op de vergrendelingsknop om het sluiten te onderbreken.
WAARSCHUWING
Controleer of niemand met de handen
bekneld raakt wanneer u het schuifdak
vanaf de transpondersleutel sluit.
Bij het schuifdak hoort een windscherm dat
opgeklapt wordt bij een geopend schuifdak.
Zonnescherm
Aan de binnenkant van het schuifdak zit een
handbediend zonnescherm. Het zonnescherm
glijdt automatisch naar achteren bij het openen
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
115
03 Bestuurdersmilieu
Alcoguard*
Algemene informatie over het
alcoholslot
03
Functies
Batterij
Het alcoholslot voorkomt dat bestuurders die
onder invloed zijn in de auto kunnen rijden.
Voordat de motor kan worden gestart, moet u
een blaastest afgeven om vast te stellen dat u
niet onder de invloed van alcohol bent. Het
alcoholslot wordt gekalibreerd ten opzichte
van de grenswaarde voor verkeersdeelname
die in uw land geldt.
Het controlelampje (4) van de blaasunit geeft
de ladingstoestand van de batterij aan:
WAARSCHUWING
Het alcoholslot is een hulpmiddel dat u niet
ontslaat van uw verantwoordelijkheden als
bestuurder. De bestuurder dient altijd nuchter te blijven en de auto op een veilige
manier te besturen.
Bediening
1. Mondstuk voor blaastest.
Controlelampje
(4)
Ladingstoestand
batterij
Knippert groen
Wordt opgeladen
Groen
Volledig opgeladen
Oranje
Half opgeladen
Rood
Ontladen – plaats de
lader in de houder of
sluit de voedingskabel uit het dashboardkastje aan.
2. Schakelaar.
3. Zendertoets.
4. Lampje voor ladingstoestand batterij.
5. Lampje voor resultaat blaastest.
6. Lampje dat aangeeft dat het systeem
gereed is voor een blaastest.
N.B.
Bewaar de blaasunit in zijn houder. Zo blijft
de ingebouwde batterij opgeladen en kan
het alcoholslot automatisch worden geactiveerd bij het openen van de auto.
Alvorens de motor te starten
De blaasunit wordt automatisch geactiveerd
en gereedgemaakt voor gebruik bij het ontgrendelen van de auto.
116
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
03 Bestuurdersmilieu
Alcoguard*
1. Wanneer het controlelampje (6) groen
oplicht, is de blaasunit klaar voor gebruik.
Resultaat van de blaastest
2. Neem de blaasunit uit de houder. Als de
blaasunit zich buiten de auto bevindt tijdens het ontgrendelen, dan dient u de unit
eerst te activeren met de schakelaar (2).
3. Klap het mondstuk (1) omhoog, haal diep
adem en blaas gelijkmatig totdat er
ca. 5 seconden later een “klikgeluid” klinkt.
Het resultaat is een van de alternatieven in
de volgende tabel Resultaat van de
blaastest.
4. Als er geen melding verschijnt, kan er wat
mis zijn gegaan tijdens de gegevensoverdracht naar de auto – druk in dat geval op
de toets (3) om de testgegevens handmatig naar de auto te zenden.
Betekenis
Groen lampje +
Alcoguard Test
goedgekeurd
Start de motor –
geen alcohol gemeten.
Oranje lampje +
Alcoguard Test
goedgekeurd
Motor kan worden
gestart – gemeten
promillage boven
0,1 promille maar
onder de geldende
grenswaardeA.
Rood lampje + Test
afgekeurd Wacht 1
minuut
5. Klap het mondstuk omlaag en plaats de
blaasunit terug in de houder.
6. Start vervolgens binnen 5 minuten na een
goedgekeurde blaastest de motor – anders
is een nieuwe blaastest vereist.
Controlelampje
(5) + displaymelding
A
Alvorens een blaastest te doen
Voor een goede werking en een zo nauwkeurig
mogelijk meetresultaat:
Motor kan niet worden gestart – gemeten promillage
boven de geldende
grenswaardeA.
De grenswaarde verschilt van land tot land (ga na wat er in
uw land geldt). Zie ook het gedeelte Algemene informatie
over het alcoholslot op pagina 116
N.B.
Binnen 30 minuten na afloop van een rit kan
de motor opnieuw gestart worden zonder
dat er een nieuwe blaastest nodig is.
1
Waar u op moet letten
• Ca. 5 minuten voor de blaastest niet eten
of drinken.
03
• De voorruit niet te lang sproeien – de alcohol in de sproeiervloeistof kan een verkeerd meetresultaat opleveren.
Van bestuurder wisselen
Om bij het wisselen van bestuurder een nieuwe
blaastest te kunnen doen schakelaar (2) en de
zendtoets (3) gelijktijdig ca. 3 seconden lang
ingedrukt houden. De startblokkering van de
auto wordt dan opnieuw geactiveerd, zodat er
eerst een goedgekeurde blaastest nodig is
voordat de motor kan worden gestart.
Kalibreren en onderhoud plegen
Het alcoholslot dient om de 12 maanden in een
werkplaats1 gecontroleerd en gekalibreerd te
worden.
Wanneer er nog 30 dagen resteren tot aan een
geplande kalibratiebeurt, verschijnt
Alcoguard Kalibr. vereist op het display. Als
er niet binnen 30 dagen gekalibreerd wordt,
dan kan de motor niet langer op de normale
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
117
03 Bestuurdersmilieu
Alcoguard*
wijze gestart worden – de motor is dan alleen
te starten via de bypass-functie, zie
pagina 118, gedeelte over Noodsituatie.
03
De melding is te verwijderen met een druk op
de zendtoets (3). De melding verdwijnt anders
spontaan na ca. 2 minuten maar verschijnt
iedere keer dat de motor gestart wordt
opnieuw – alleen bij herkalibratie in een werkplaats1 verdwijnt de melding permanent.
op de blaasunit en wacht totdat het controlelampje (6) groen oplicht.
de noodfunctie. Deze instelling is achteraf nog
te wijzigen in een werkplaats1.
Bij extreme koude kunt u de opwarmtijd verkorten door de blaasunit mee naar binnen te
nemen.
Bypass-functie activeren
Noodsituatie
In noodsituaties of wanneer de blaasunit defect
of zoekgeraakt is, kunt u het alcoholslot omzeilen om toch in de auto te kunnen rijden.
Koud en warm weer
Hoe kouder het buiten is, hoe langer het duurt
voordat de blaasunit gereed is voor gebruik:
Temperatuur (°C)
Maximale
opwarmtijd
(seconden)
+10 – +85
10
–5 – +10
60
–40 – –5
180
Bij temperaturen lager dan –20 °C of hoger dan
+60 ’C is extra voeding voor de blaasunit vereist. Op het display verschijnt Alcoguard
Stroom kabel aansluiten. Sluit de voedingskabel uit het dashboardkastje in dat geval aan
1
118
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
N.B.
Alle activeringen via een doorverbinding
(bypass) worden geregistreerd en opgeslagen in een geheugen, zie pagina 10 in het
hoofdstuk Vastlegging van gegevens.
Na activering van de bypass-functie blijft
Alcoguard Bypass actief op het display
staan totdat het systeem gereset wordt in een
werkplaats1.
Het is mogelijk de bypass-functie te testen
zonder dat er een foutmelding wordt aangemaakt – loop in dat geval alle stappen door
maar start de motor niet. De foutmelding wordt
gewist bij het vergrendelen van de auto.
Bij installatie van het alcoholslot geeft u aan of
omzeilen mogelijk moet zijn via de bypass- of
• Houd de knop READ op de linker stuurhendel en de knop voor de alarmknipperlichten ca. 5 seconden lang ingedrukt – op
het display verschijnen achtereenvolgens
Bypass actief Wacht 1 minuut en
Alcoguard Bypass actief – daarna kunt u
de motor starten.
Deze functie is meerdere malen te activeren.
De foutmelding die verschijnt tijdens het rijden
is echter alleen te wissen in een werkplaats1.
Noodfunctie activeren
• Houd de knop READ op de linker stuurhendel en de knop voor de alarmknipperlichten ca. 5 seconden lang ingedrukt – op
het display verschijnt Alcoguard Bypass
actief waarna u de motor kunt starten.
Deze functie is eenmaal te gebruiken en moet
daarna gereset worden in een werkplaats1.
03 Bestuurdersmilieu
Alcoguard*
Symbolen en displayteksten
Naast de eerder beschreven meldingen kan
ook het volgende op het display van het instrumentenpaneel verschijnen:
1
Displaymelding
Betekenis/Maatregel
Alcoguard Blaas
zachter
U blies te hard –
blaas minder hard.
Displaymelding
Betekenis/Maatregel
Alcoguard Blaas
harder
Alcoguard Herstart mogelijk
Motor stond minder
dan 30 minuten af –
motor kan worden
gestart zonder
nieuwe blaastest.
U blies niet hard
genoeg – blaas harder.
Alcoguard wacht
Verwarmt voor
Alcoguard Service
vereist
Bezoek een werkplaats1.
Opwarming niet
gereed – wacht de
melding Alcoguard
Blaas 5 seconden
af.
Alcoguard Geen
signaal
Overdracht mislukt –
verstuur het resultaat handmatig via
toets (3) of doe een
nieuwe blaastest.
Alcoguard Test
ongeldig
De test is mislukt –
doe een nieuwe
blaastest.
Alcoguard Blaas
langer
U blies te kort –
blaas langer.
03
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
119
03 Bestuurdersmilieu
Motor starten
Benzine- en dieselmotoren
2. Houd het koppelingspedaal volledig ingedrukt1. (Bij auto’s met automatische versnellingsbak – bedien het rempedaal.)
3. Druk op de knop START/STOP ENGINE
en laat deze vervolgens los.
De startmotor draait totdat de motor aanslaat
of totdat de beveiliging tegen oververhitting in
werking treedt.
03
Als de motor niet aanslaat, kunt u een nieuwe
startpoging doen door de knop START/STOP
ENGINE ingedrukt te houden totdat de motor
wel aanslaat.
Contactslot met transpondersleutel uitgetrokken/
ingeduwd en knop START/STOP ENGINE.
BELANGRIJK
De transpondersleutel niet verkeerd om
insteken – pak de sleutel beet aan het uiteinde met het afneembare sleutelblad. zie
pagina 53.
WAARSCHUWING
Neem bij het verlaten van de auto altijd de
transpondersleutel uit het contactslot – met
name wanneer er kinderen in de auto achterblijven. Voor informatie over het verwijderen van de sleutel uit het contactslot, zie
pagina 86.
N.B.
Tijdens de koude start is het mogelijk dat het
motortoerental merkbaar hoger ligt dan normaal is voor bepaalde motortypes. Dit
omdat ernaar wordt gestreefd het uitlaatgasreinigingssysteem zo snel mogelijk op
bedrijfstemperatuur te brengen en tegelijkertijd de uitstoot te beperken van stoffen
die schadelijk zijn voor het milieu.
Keyless drive
Loop de punten 2–3 door voor benzine- en dieselmotoren. Voor meer informatie over Keyless
drive, zie pagina 58.
N.B.
Om de auto te kunnen starten dient één van
de transpondersleutels met Keyless Drive*functie in de passagiers- of bagageruimte
aanwezig te zijn.
WAARSCHUWING
1. Plaats de transpondersleutel in het contactslot en duw deze tot aan de aanslag
naar binnen. Let erop dat u bij een auto met
alcoholslot eerst een goedgekeurde blaastest moet afgeven, voordat de motor kan
worden gestart, zie pagina 116.
1
120
Als de auto rolt is het indrukken van de knop START/STOP ENGINE voldoende om de motor te starten.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Neem de transpondersleutel bij een auto
met Keyless drive-functie* nooit tijdens het
rijden of slepen uit het contactslot.
Motor afzetten
Om de motor af te zetten:
03 Bestuurdersmilieu
Motor starten
• Druk op START/STOP ENGINE – de
motor slaat af.
• Als de auto een automatische versnellingsbak heeft en de keuzehendel niet in stand
P staat of als de auto rijdt – druk tweemaal
op de knop of houd de knop START/STOP
ENGINE ingedrukt totdat de motor afslaat.
03
Stuurslotfout
Er is mogelijk een mechanisch geluid waarneembaar, wanneer het stuurslot wordt opgeheven of ingeschakeld.
• Het stuurslot wordt opgeheven bij het
indrukken van de knop START/STOP
ENGINE.
• Het stuurslot wordt geactiveerd, wanneer
u na het afzetten van de motor het bestuurdersportier opent.
Sleutelstanden
Voor informatie over de verschillende standen
van de transpondersleutel, zie pagina 86
121
03 Bestuurdersmilieu
Motor starten, FlexiFuel
Algemene informatie over het starten
van een FlexiFuel-motor
Motorverwarming*
zoveel mogelijk gebruik van de motorverwarming.
De motor wordt op dezelfde manier gestart als
een benzinemotor.
03
WAARSCHUWING
De motorverwarming werkt op een hoge
spanning. Laat controle- en reparatiewerkzaamheden aan een elektrische motorverwarming en de elektrische aansluitingen
ervan uitvoeren door een werkplaats –
geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
Bij startproblemen
Wanneer de motor niet bij de eerste startpoging aanslaat:
• Doe nog enkele startpogingen met behulp
van de knop START/STOP ENGINE.
Als de motor dan nog niet aanslaat
Aansluiting voor motorverwarming.
1. Sluit de elektrische motorverwarming minstens 1 uur lang aan.
Als de te verwachten temperatuur lager is dan
–10 °C, wordt u geadviseerd de motorverwarming ca. 2 uur in te schakelen om de motor
sneller te kunnen starten wanneer er bio-ethanol (E 85) in de tank zit.
2. Doe nog enkele startpogingen met behulp
van de knop START/STOP ENGINE.
BELANGRIJK
Als de motor ondanks herhaalde startpogingen niet aanslaat, wordt geadviseerd
contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats.
122
N.B.
Is de buitentemperatuur lager dan +5 °C:
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Hoe lager de temperatuur hoe langer de motorverwarming moet werken. Bij –20 °C dient u de
verwarming ca. 3 uur in te schakelen.
Auto’s bestemd voor bio-ethanol (E 85) zijn uitgerust met een elektrische motorverwarming*.
Een voorverwarmde motor slaat sneller aan en
loopt beter, wat een aanzienlijke beperking van
de emissies en het brandstofverbruik inhoudt.
Maak daarom tijdens de wintermaanden
Waar u op moet letten als u een jerrycan met
brandstof wilt meenemen:
•
Wanneer u de brandstoftank hebt leeggereden en bio-ethanol (E 85) bijvult uit
een jerrycan is het bij strenge vorst niet
uitgesloten dat de motor startproblemen vertoont. U kunt dit voorkomen
door de jerrycan gevuld te houden met
benzine (95 RON).
Voor meer informatie over de FlexiFuel-brandstof bio-ethanol (E 85), zie pagina 293 en
384.
03 Bestuurdersmilieu
Motor starten, FlexiFuel
Brandstofadaptatie
FlexiFuel-motoren kunnen op zowel loodvrije
benzine (95 RON) als op bio-ethanol (E85) rijden. Beide brandstofsoorten worden in de
gemeenschappelijke brandstoftank bijgevuld,
wat betekent dat alle mogelijke mengverhoudingen tussen de beide brandstofsoorten zijn
toegestaan.
03
Wanneer u de brandstoftank hebt volgegoten
met benzine nadat u op bio-ethanol (E 85) hebt
gereden (om omgekeerd), kan de motor enige
tijd ietwat onregelmatig lopen. Het is daarom
belangrijk dat de motor de gelegenheid krijgt
tot aanpassing (adaptatie) aan het nieuwe
brandstofmengsel.
Een dergelijke adaptatie gaat automatisch van
start, wanneer u korte tijd op gelijkmatige snelheid in de auto rijdt.
BELANGRIJK
Na wijzigingen in het brandstofmengsel in
de tank dient een adaptatie plaats te vinden.
Dit gebeurt wanneer u ca. 15 minuten lang
op gelijkmatige snelheid rijdt.
Als de startaccu ontladen of losgekoppeld is
geweest, moet er voor een correcte adaptatie
iets langer worden gereden aangezien het
geheugen van de elektronica werd gewist.
123
03 Bestuurdersmilieu
Motor starten, hulpaccu
Starten met hulpaccu
4. Bevestig de ene klem van de rode startkabel aan de pluspool (1) van de hulpaccu.
BELANGRIJK
Wees voorzichtig bij het aansluiten van de
startkabels om kortsluiting met andere
onderdelen in de motorruimte te voorkomen.
03
5. Haal de clips op de voorste dekplaat van
de uitgeputte accu los en verwijder de dekplaat, zie pagina 348.
Als de startaccu uitgeput is, kunt u de auto
starten met stroom van een hulpaccu.
Als u een hulpaccu gebruikt bij het starten
wordt geadviseerd de volgende stappen aan te
houden om kortsluiting en andere schade te
voorkomen:
1. Zet de transpondersleutel in sleutelstand 0, zie pagina 86.
124
6. Bevestig de andere klem van de rode startkabel aan de pluspool (2) van de auto.
7. Bevestig de ene klem van de zwarte startkabel aan de minpool (3) van de hulpaccu.
8. Bevestig de andere klem aan een massapunt, bijv. een van de hijsogen (4) op de
motor.
2. Controleer of de hulpaccu een spanning
van 12 V levert.
9. Controleer of de aansluitklemmen van de
startkabels goed vastzitten om te voorkomen dat er tijdens de startpoging vonken
ontstaan.
3. Als de hulpaccu in een andere auto is
gemonteerd, moet u de motor van die auto
afzetten en ervoor zorgen dat de beide
auto’s elkaar niet raken.
10. Start de motor van de “hulpauto” en laat
deze enkele minuten draaien op een toerental dat iets hoger ligt dan normaal,
ca. 1500 omw/min.
11. Start de motor in de auto met de uitgeputte
accu.
BELANGRIJK
Raak de aansluitingen niet aan tijdens de
startpoging. Er bestaat namelijk gevaar voor
vonkvorming.
12. Verwijder de startkabels in omgekeerde
volgorde - eerst de zwarte kabel en daarna
de rode.
> Zorg dat geen van de aansluitklemmen
aan de zwarte startkabel contact kan
maken met de pluspool van de accu of
met de aangesloten klem van de rode
startkabel!
03 Bestuurdersmilieu
Motor starten, hulpaccu
WAARSCHUWING
•
De startaccu kan het zeer explosieve
knalgas produceren. Eén enkele vonk,
veroorzaakt door een onjuiste aansluiting van een startkabel, kan volstaan om
de accu tot ontploffing te brengen.
•
De startaccu bevat tevens zwavelzuur
dat ernstige chemische brandwonden
kan veroorzaken.
•
Als u accuzuur in uw ogen krijgt of op
uw huid of kleren morst, moet u onmiddellijk met grote hoeveelheden water
spoelen. Neem onmiddellijk contact op
met een arts, als u accuzuur in uw ogen
krijgt.
03
Zie voor meer informatie over de startaccu van
de auto - zie pagina 347.
125
03 Bestuurdersmilieu
Versnellingsbakken
Handgeschakelde versnellingsbak
fende schakelpatroon dat in de pookknop
geslagen is.
Automatische versnellingsbak
Geartronic*
• Trap het koppelingspedaal tijdens het
schakelen altijd zo ver mogelijk in.
• Haal uw voet na het schakelen weer van
het koppelingspedaal af.
03
Blokkering achteruitversnelling
De blokkering van de achteruitversnelling
beperkt het risico dat u tijdens het vooruitrijden
op normale snelheid onbedoeld de achteruitversnelling inschakelt.
Schakelpatroon vijfversnellingsbak.
• Begin vanuit de neutraalstand N en schakel alleen de achteruitversnelling R in, wanneer de auto stilstaat.
N.B.
Bij het schakelpatroon voor een zestraps
versnellingsbak (zie voorgaande afbeelding)
de versnellingspook eerst omlaagduwen in
stand N alvorens de achteruitversnelling in
te schakelen.
D: automatisch schakelen. M (+/–): handmatig
schakelen.
Het informatiedisplay geeft de stand van de
keuzehendel aan met behulp van de volgende
tekens: P, R, N, D, S, 1, 2, 3, 4, 5 of 6, zie
pagina 79.
Schakelstanden
Parkeerstand (P)
Schakelpatroon zesversnellingsbak.
De zesversnellingsbak bestaat in twee verschillende uitvoeringen – het verschil zit hem in
de positie voor de achteruit. Zie het desbetref-
126
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Selecteer stand P, wanneer u de motor start of
de auto parkeert. U moet het rempedaal bedienen om de keuzehendel uit stand P te kunnen
halen.
In stand P is de versnellingsbak mechanisch
geblokkeerd. Activeer de elektrische parkeer-
03 Bestuurdersmilieu
Versnellingsbakken
rem met een druk op de knop, zie
pagina 142.
BELANGRIJK
De auto moet stilstaan wanneer u de hendel
in stand P zet.
Handmatig schakelen is te activeren door de
hendel vanuit stand D helemaal naar rechts in
stand +/– te zetten. Op het informatiedisplay
verandert het teken D in een van de cijfers 1–
6 afhankelijk van de ingeschakelde versnelling,
zie pagina 79.
• Duw de hendel naar voren naar de + (plus)
om een hogere versnelling in te schakelen
en laat deze weer los – de hendel veert
terug naar de neutrale stand tussen + en
–.
Achteruitrijstand (R)
De auto moet stilstaan wanneer u de hendel in
stand R zet.
Neutrale stand (N)
In deze stand kunt u de motor starten en er is
geen versnelling ingeschakeld. Zet de parkeerrem aan, wanneer de auto stilstaat en de keuzehendel in stand N staat.
Rijstand (D)
Stand D is de normale rijstand. De versnellingsbak schakelt automatisch op en terug
afhankelijk van de stand van het gaspedaal en
de snelheid. Zorg ervoor dat de auto stilstaat,
voordat u de keuzehendel vanuit stand D in
stand R zet.
Geartronic, handmatig schakelen (+/–)
Met de automatische versnellingsbak Geartronic kunt u ook handmatig schakelen. Bij het
loslaten van het gaspedaal wordt de auto op
de motor afgeremd.
1
N.B.
Als de versnellingsbak een sportstand kent,
is handmatig schakelen pas te activeren
wanneer u de keuzehendel vooruit of achter
in stand (+/–) hebt gezet. Op het informatiedisplay verandert de S dan in een van de
tekens 1–6 om aan te geven welke versnelling er ingeschakeld is.
Geartronic, Sportstand (S)1
Handmatig schakelen (+/–) kan op elk moment
tijdens het rijden geactiveerd worden.
De sportstand levert een sportiever rijgedrag
op en maakt het mogelijk om hogere toeren te
maken in de versnellingen. De motor reageert
bovendien sneller op de commando’s die u
met het gaspedaal geeft. Bij inschakeling van
de sportstand wordt tevens de voorkeur gegeven aan de lagere versnellingen, zodat er met
enige vertraging wordt opgeschakeld.
Om schokken en afslaan van de motor te voorkomen, schakelt Geartronic automatisch terug
als de bestuurder langzamer gaat rijden dan
wat voor de gekozen versnelling gepast is.
De Sport-stand is te activeren door de hendel
vanuit stand D helemaal naar rechts in stand
+/– te zetten. Op het informatiedisplay verandert het teken D in S.
Om de automatische rijstand te hervatten:
De sportstand kan op elk moment tijdens het
rijden ingeschakeld worden.
of
• Trek de hendel naar achteren naar de –
(min) om een lagere versnelling in te schakelen en laat deze weer los.
• Zet de hendel helemaal naar links in stand
D.
03
Geartronic, winterstand
Om bij gladheid gemakkelijker weg te kunnen
komen is het soms beter handmatig de 3e versnelling in te schakelen.
Alleen de modellen D5 en T6.
``
127
03 Bestuurdersmilieu
Versnellingsbakken
1. Bedien het rempedaal en haal de keuzehendel vanuit stand D naar stand +/– – het
symbool D op het display van het instrumentenpaneel verandert in een 1.
03
2. Schakel op naar de 3e versnelling door de
hendel twee keer naar voren naar de +
(plus) te duwen – op het display verandert
de 1 in een 3.
3. Laat het rempedaal los en geef voorzichtig
gas.
waardoor de zogeheten kickdown niet mogelijk is.
Geartronic staat geen terugschakeling/kickdown toe die tot een dusdanig hoog toerental
leidt dat de motor kan worden beschadigd.
Wanneer u bij hoge motortoeren toch probeert
een dergelijke kickdown uit te voeren, gebeurt
er niets. De auto blijft in de oorspronkelijke versnelling rijden.
Bij activering van de “winterstand” van de versnellingsbak rijdt de auto met een lager motortoerental en minder kracht op de aandrijfwielen
weg.
Bij kickdown kan de auto afhankelijk van het
motortoerental één of meer versnellingen
terugschakelen. Om schade aan de motor te
voorkomen schakelt de auto op wanneer de
motor het maximumtoerental heeft bereikt.
Kickdown
Mechanische schakelblokkering
Als u het gaspedaal volledig intrapt (tot voorbij
de normale volgasstand), schakelt de versnellingsbak automatisch terug naar een lagere
versnelling. Dit is de zogeheten kickdown.
128
Automatische schakelblokkering
De automatische versnellingsbak kent enkele
bijzondere beveiligingsfuncties:
Parkeerstand (P)
Stilstaande auto met draaiende motor:
Houd uw voet op het rempedaal terwijl u de
keuzehendel verzet.
Om de keuzehendel uit stand P te kunnen
halen, moet u het rempedaal bedienen terwijl
de transpondersleutel in stand II staat, zie
pagina 86.
Schakelblokkering, vrijstand (N)
G021351
Gebruik de kickdown om zo snel mogelijk te
accelereren zoals bij het inhalen.
Om overtoeren van de motor te voorkomen, is
het stuurprogramma van de versnellingsbak
voorzien van een terugschakelblokkering
Met de blokkeerknop ingedrukt kunt u de hendel vooruit of achteruit bewegen tussen de
standen P, R, N en D.
Elektrische schakelblokkering, Shiftlock
parkeerstand (P)
Wanneer u het gaspedaal uit de kickdownstand loslaat, schakelt de versnellingsbak
automatisch op.
Beveiligingsfunctie
hendel in een van de overige standen te zetten,
moet u een blokkering opheffen door op de
blokkeerknop op de keuzehendel te drukken.
U kunt de hendel altijd ongehinderd heen en
weer halen tussen de standen N en D. Om de
Als de keuzehendel in stand N staat en de auto
heeft minstens 3 seconden stilgestaan (of de
motor nu loopt of niet), is de keuzehendel
geblokkeerd.
Om de keuzehendel uit stand N te kunnen
halen, moet de transpondersleutel in stand II
staan en moet het rempedaal worden bediend,
zie pagina 86.
03 Bestuurdersmilieu
Versnellingsbakken
Automatische schakelblokkering
deactiveren
Automatische versnellingsbak
Powershift*2
tronic, die in het voorgaande gedeelte werd
besproken.
Powershift of Geartronic?
Wanneer u niet zeker weet of uw auto wel of
niet is uitgerust met een Powershift-versnellingsbak, kunt u dit controleren aan de hand
van de aanduiding op sticker nr. (5) onder de
motorkap - zie pagina 372. De aanduiding
“MPS6” houdt in dat het om een Powershiftbak gaat – anders is het een Geartronic-automaat.
03
HSA
Als er niet met de auto kan worden gereden
zoals het geval is bij een uitgeputte accu, moet
u de keuzehendel uit stand P halen voordat u
de auto kunt verslepen.
Til de rubbermat in het vak achter de middenconsole uit de auto en open het luikje.
Steek het sleutelblad zo ver mogelijk naar
binnen. Duw het sleutelblad omlaag en
houd het in deze stand vast. (Voor informatie over het sleutelblad, zie pagina 53.)
Haal de keuzehendel uit stand P.
2
D: automatisch schakelen. M (+/–): handmatig
schakelen.
Powershift is een zestraps automaat die in
tegenstelling tot een conventionele automatische versnellingsbak voorzien is van dubbele
mechanische lamellenkoppelingen. Een conventionele automatische versnellingsbak heeft
echter een hydraulische koppelomvormer die
de kracht van de motor overbrengt op de versnellingsbak.
Een Powershift-versnellingsbak werkt verder
op dezelfde manier en heeft bedieningselementen en functies die vergelijkbaar zijn met
die van de automatische versnellingsbak Gear-
HSA (Hill Start Assist) zorgt ervoor dat de remdruk enkele seconden lang op peil blijft als u
uw voet van het rempedaal naar het gaspedaal
verplaatst voordat u wegrijdt of achteruitrijdt
op een oplopende helling.
De tijdelijke remwerking wordt na enige seconden opgeheven of eerder bij het bedienen van
het gaspedaal.
Waar u op moet letten
De dubbele koppeling van de versnellingsbak
is voorzien van een beveiliging tegen overbelasting die geactiveerd wordt, als de versnellingsbak te warm wordt – bijvoorbeeld als u de
auto te lang met het gaspedaal stilhoudt op een
oplopende helling.
Modellen T3, T4, T4F en T5.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
129
03 Bestuurdersmilieu
Versnellingsbakken
03
Een te warme versnellingsbak uit zich in een
auto die gaat schudden en trillen, een waarschuwingssymbool dat gaat branden en een
melding op het informatiedisplay. Ook bij langzaam fileverkeer (10 km/h of lager) op oplopende hellingen of met een aanhanger/caravan
achter de auto kan de versnellingsbak te warm
worden. De versnellingsbak koelt af tijdens stilstand, wanneer het rempedaal bediend wordt
en de motor stationair loopt.
wacht met uw voet op het rempedaal totdat de
afstand tot uw voorliggers lang genoeg is om
een stukje verder vooruit te rijden, rem en
wacht weer enige tijd met uw voet op het rempedaal.
BELANGRIJK
A
In bepaalde situaties kan er een bepaalde melding op het display verschijnen in combinatie
met een brandend symbool.
Display
Rijeigenschappen
Maatregel
Oververh versnb zet auto stil
Problemen om snelheid constant te houden bij hetzelfde toerental.
Versnellingsbak oververhit. Houd de auto
stil met het rempedaal.A
Oververh versnb Stop auto z.s.m.
Auto rijdt met hevige schokkerige bewegingen vooruit.
Versnellingsbak oververhit. Parkeer de
auto zo spoedig mogelijk.A
Koeling versn.b. laat motor lopen
Geen aandrijving wegens oververhitting
van de versnellingsbak.
Versnellingsbak oververhit. Voor optimale
koeling: Laat de motor stationair lopen met
de keuzehendel in stand N of stand P, totdat de melding verdwijnt.
Voor optimale koeling: Laat de motor stationair lopen met de keuzehendel in stand N of stand P, totdat de melding verdwijnt.
De tabel schetst drie gevallen van oververhitting van de versnellingsbak met verschillende
ernstigheidsgraad. De elektronica waarschuwt
130
Displaymelding en maatregel
Bedien de bedrijfsrem om de auto stil te
houden op oplopende hellingen – maak
geen gebruik van het gaspedaal. De versnellingsbak kan dan oververhit raken.
Oververhitting tijdens langzaam fileverkeer is te
voorkomen door in etappes te rijden: Sta stil en
Symbool
Zie voor belangrijke informatie over de Powershift-bak en slepen - zie pagina 309.
de bestuurder niet alleen met een displaymelding maar ook middels tijdelijke veranderingen
in het rijgedrag. Volg in het voorkomende geval
de aanwijzingen op het informatiedisplay.
03 Bestuurdersmilieu
Versnellingsbakken
N.B.
De voorbeelden in de tabel duiden niet op
defecten in de auto, maar geven aan dat een
beveiligingsfunctie geactiveerd werd om
schade aan autocomponenten te voorkomen.
03
WAARSCHUWING
Als u het waarschuwingssymbool met de
tekst Oververh versnb Stop auto z.s.m.
negeert, kan de versnellingsbaktemperatuur dusdanig oplopen dat de krachtoverbrenging tussen de motor en de versnellingsbak tijdelijk wordt verbroken om te
voorkomen dat de koppeling defect raakt –
de auto wordt dan niet meer aangedreven
totdat de versnellingsbaktemperatuur tot
een aanvaardbaar niveau is gedaald.
Voor andere displaymeldingen en de voorgestelde maatregelen bij auto’s met een automatische versnellingsbak, zie pagina 152.
Na uitvoering van de maatregel verdwijnt de
displaymelding automatisch. U kunt de melding ook eerder doen verdwijnen met een druk
op de knop READ van de richtingaanwijzerhendel.
131
03 Bestuurdersmilieu
Eco DRIVe*
Algemene informatie
• een automatische versnellingsbak is voor-
Eco Cruise DRIVe
zien van Eco Cruise DRIVe.
Stiller en schoner
• een handgeschakelde versnellingsbak is
voorzien van Eco Start/Stop DRIVe.
Let erop dat de auto alleen is voorzien van een
van beide varianten – Eco Cruise DRIVe óf
Eco Start/Stop DRIVe – en dus niet allebei.
03
Meer informatie en instellingen
Milieuzorg vormt een van de kernwaarden van
Volvo Car Corporation en geeft richting aan al
onze activiteiten. Dit resulteerde in de DRIVeuitvoeringen: een concept bestaande in een
synergetisch geheel van uiteenlopende energiebesparende functies met als doel het brandstofverbruik te verlagen en daarmee ook de
uitlaatgasemissie te beperken.
De beide varianten Eco Cruise DRIVe en
Eco Start/Stop DRIVe kennen verschillende
energiebesparende functies afhankelijk van de
versnellingsbak die in de auto ligt.
Een auto met deze knop op
het dashboard en....
Algemene informatie over Eco Cruise
Met de functie Eco Cruise DRIVe wordt een
programma geactiveerd die u helpt om zuiniger
in de auto te rijden met een minimum aan
brandstofverbruik en uitlaatgasemissie.
In de praktijk betekent dit dat er minder op de
motor wordt afgeremd, waardoor de bewegingsenergie kan worden benut om de auto
over langere afstanden te laten uitrollen terwijl
de motor stationair draait.
Functie en bediening
In de menugroep MY CAR van de auto is een
instructieboekje raadpleegbaar, waarin het
DRIVe-concept uitvoering staat beschreven
compleet met instellingen en opties – zie
pagina 156.
Eco Cruise DRIVe Aan/Uit.
Brandt korte tijd bij activering en bij displaymeldingen.
(Wordt alleen gebruikt door de functie
Eco Start/Stop DRIVe).
132
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
03 Bestuurdersmilieu
Eco DRIVe*
Rijden bij gebruik cruisecontrol
Het Eco Cruise DRIVe-systeem zorgt bij een
geactiveerde cruisecontrol voor iets flexibeler
ritten – de ingestelde snelheid wordt bij hogere
belasting niet exact aangehouden, maar het
systeem hanteert een nauwelijks waarneembare vertraging aan het begin van een steile
helling bijvoorbeeld.
De aanleiding is dat Eco Cruise DRIVe langzamer gas geeft ter compensatie van bijvoorbeeld een verhoogde motorbelasting dan de
cruisecontrol doorgaans doet.
De compensatiemarge van de cruisecontrol
om het milieu te ontzien ligt tussen
0 en 2 km/h.
Eco Cruise DRIVe-systeem deactiveren
Bij het afzetten van de motor wordt de actuele
instelling opgeslagen – is Eco Cruise DRIVe
bijvoorbeeld ingeschakeld bij het afzetten van
de motor, dan zal het systeem een volgende
keer dat u de motor start opnieuw ingeschakeld worden.
In bepaalde situaties is het
beter om op de motor af te
remmen zoals op steile hellingen en in die gevallen is het
raadzaam om het
Eco Cruise DRIVe-systeem
tijdelijk uit te schakelen – u
doet dit met een druk op deze knop (1).
Wanneer het systeem is uitgeschakeld, verschijnt een displaymelding en het lampje in de
knop dooft.
Displaymelding
Het Eco Cruise DRIVe-systeem kan
in bepaalde situaties aanleiding
geven tot displaymeldingen op het informatiedisplay en een brandend controlelampje. In de
volgende tabel staan enkele voorbeelden.
Symbool
Melding
Informatie/
maatregel
Eco DRIVe
Aan
Blijft
ca. 5 seconden
branden na
activering van
Eco DRIVe.
Eco DRIVe Uit
03
Blijft
ca. 5 seconden
branden na
deactivering
van Eco DRIVe.
Als een displaymelding na het uitvoeren van de
voorgestelde maatregel niet verdwijnt, dient u
contact op te nemen met een werkplaats –
geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
133
03 Bestuurdersmilieu
Eco DRIVe*
Eco Start/Stop DRIVe
halen en automatische motorafslag kunt toestaan.
Algemene informatie over Start/Stop
Functie en bediening
03
De motor wordt afgezet – voor een stillere en schonere rit....
Bepaalde motoren zijn uit te rusten met het
Eco Start/Stop DRIVe-systeem, dat geactiveerd wordt in bijvoorbeeld in stilstaande files
of voor verkeerslichten.
De automatische startprocedure van de motor
verloopt dusdanig probleemloos, dat u nauwelijks merkt dat de motor wordt afgezet. Het is
alsof de motor de hele tijd blijft draaien, maar
dat buitengewoon geruisloos doet en op een
lager stationair toerental.
Met het Eco Start/Stop DRIVe-systeem kunt u
actiever en milieubewuster rijden doordat u de
auto, wanneer nodig, uit de versnelling kunt
134
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Eco Start/Stop DRIVe Aan/Uit.
Brandt korte tijd bij activering en bij displaymeldingen.
De motor is automatisch afgezet.
Het Eco Start/Stop DRIVe-systeem
wordt automatisch geactiveerd,
wanneer u de motor met een sleutel start. U
wordt gewaarschuwd dat het systeem actief is
door het symbool (2) op het dashboard dat
korte tijd oplicht en door dat het groene lampje
(1) in de knop Aan/Uit brandt.
N.B.
Na een reguliere sleutelstart en na iedere
auto-stop van de motor, dient de auto eerst
een snelheid van 5 km/h te hebben bereikt
voordat het automatische Start/Stop-systeem opnieuw geactiveerd kan worden –
bovendien moet aan andere voorwaarden
zijn voldaan (zie daarvoor onder “Auto-stop
motor werkt niet”).
Alle normale autosystemen waaronder verlichting, radio e.d. werken ook bij een automatisch
afgezette motor normaal, zij het dat er mogelijk
tijdelijke beperkingen gelden voor bepaalde
uitrusting (zoals het geval kan zijn voor de ventilatorsnelheid van de klimaatregeling of het
volume van het audiosysteem).
Automatische motorafslag
Voor automatische motorafslag dient de auto
stil te staan:
• Zet de schakelhendel in de neutrale stand
en laat het koppelingspedaal opkomen –
de motor wordt afgezet.
Ter bevestiging en herinnering aan de automatische
motorafslag licht dit symbool
(3) op het display op.
03 Bestuurdersmilieu
Eco DRIVe*
Automatische motorstart
Met de schakelhendel in de neutrale stand:
• Bedien het koppelingspedaal – de motor
slaat aan.
of
• Bedien het gaspedaal – de motor slaat aan.
Als de auto op een aflopende staat:
• Laat het rempedaal los en laat de auto op
hogere snelheid dan stapvoets omlaagrollen – de motor slaat aan.
Na het starten van de motor:
• Schakel een passende versnelling in en
vervolg de rit.
Schakelindicator
Een belangrijk gegeven voor een milieubewuste rijstijl is het kiezen van de juiste versnelling en tijdig schakelen.
Daarvoor beschikt u over de schakelindicator
(GSI (Gear Shift Indicator)), die het optimale
tijdstip voor op- en terugschakelen aangeeft.
De indicator maakt gebruik van een pijl
omhoog of omlaag op het informatiedisplay
van het instrumentenpaneel.
Eco Start/Stop DRIVe-systeem
deactiveren
In bepaalde situaties is het
mogelijk beter om het automatische Start/Stop-systeem
tijdelijk te deactiveren – dit is
mogelijk met een druk op
deze knop.
Een gedoofd symbool (2) op
het informatiedisplay geeft in
combinatie met de melding
Eco DRIVe Uit die
ca. 5 seconden verschijnt aan
dat het Start/Stop-systeem
gedeactiveerd is – ook het
lampje in de knop dooft.
Het Start/Stop-systeem blijft gedeactiveerd,
totdat het opnieuw geactiveerd wordt met de
knop of de volgende keer dat de motor wordt
gestart met de sleutel.
Beperkingen
Automatische motorafslag werkt niet
Ook als het Eco Start/Stop DRIVe-systeem
geactiveerd is, zal de automatische motorafslag niet werken als:
• u de gordelsluiting hebt geopend;
• de auto niet tot stilstand is gekomen – het
03
Start/Stop-systeem staat echter langzaam
rijden vergelijkbaar met stapvoets toe.
• de capaciteit van de startaccu onder de
toelaatbare ondergrens is gedoken.
• de motor niet op de normale bedrijfstemperatuur is.
• de buitentemperatuur onder 0 of boven
30 °C is.
• de omstandigheden in de passagiersruimte afwijken van de ingestelde waarden
– wat te merken is aan het hoge toerental
van de interieurventilator.
• u de auto achteruitgereden en uit de achteruitversnelling gehaald hebt.
• de startaccu een temperatuur onder 0 °C
of boven 55 °C heeft.
Motor start automatisch
Een motor die automatisch werd afgezet kan in
bepaalde gevallen automatisch worden gestart
voordat u hebt aangegeven de rit te willen
voortzetten.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
135
03 Bestuurdersmilieu
Eco DRIVe*
In de volgende gevallen wordt de motor automatisch gestart ook al hebt u het koppelingspedaal niet bediend om te kunnen schakelen:
• er wordt condens gevormd op de ruiten.
• de buitentemperatuur is onder 0 of boven
03
30 °C.
• er wordt tijdelijk veel stroom afgenomen of
de capaciteit van de startaccu is tot de
toelaatbare ondergrens gedaald.
• de auto rolt sneller dan stapvoets.
• u bedient het rempedaal met pompende
bewegingen.
WAARSCHUWING
Motorkap niet openen na een auto-stop van
de motor – een auto-start van de motor is
mogelijk. Om auto-start van de motor te
voorkomen bij een geopende motorkap:
•
Eerst een versnelling inschakelen en de
handrem aanhalen of de transpondersleutel uit het contactslot halen.
Automatische motorstart werkt niet
In de volgende gevallen werkt de automatische
motorstart niet nadat de motor automatisch
werd afgezet:
• de bestuurder heeft de gordelsluiting
geopend – een displaymelding dringt er bij
136
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
u op aan om de motor op de normale wijze
te starten.
Symbool
Melding
Informatie/maatregel
Eco DRIVe
Aan
Blijft
ca. 5 seconden
branden na
activering
van Eco
Start/Stop
DRIVe.
Eco DRIVe
Uit
Blijft
ca. 5 seconden
branden na
deactivering
van Eco
Start/Stop
DRIVe.
Ontkoppel
om te starten
Motor klaar
voor automatische
start – wacht
op bediening van het
koppelingspedaal.
• er is een versnelling ingeschakeld zonder
het koppelingspedaal te bedienen – een
displaymelding dring er bij u op aan om de
schakelhendel in de neutrale stand te zetten en automatische motorstart mogelijk te
maken.
Onvoorziene motoruitval
Doe het volgende als de automatische motorstart mislukt en de motor uitvalt:
1. Bedien het koppelingspedaal nogmaals –
de motor wordt automatisch gestart nadat
u de schakelhendel in de neutrale stand
hebt gezet. Daarvoor verschijnt op het
informatiedisplay de melding Zet
schakelhendel in neutraal.
Displaymelding
Het Eco Start/Stop DRIVe-systeem
kan in bepaalde situaties aanleiding
geven tot displaymeldingen op het informatiedisplay en een brandend controlelampje. Bij
enkele daarvan dient u een aanbevolen maatregel te nemen. In de volgende tabel staan
enkele voorbeelden.
03 Bestuurdersmilieu
Eco DRIVe*
Symbool
Melding
Informatie/maatregel
Bedien
rempedaal
om te starten
Motor klaar
voor automatische
start – wacht
op bediening van het
rempedaal.
Bedien
koppeling
of rem om
te starten
Motor klaar
voor automatische
start – wacht
op bediening van het
koppelingsof rempedaal.
Symbool
AUTOSTOP
Melding
Informatie/maatregel
Zet schakelhendel
in neutraal
Automatische motorafslag
Symbool
Melding
Informatie/maatregel
Er is geschakeld zonder
te ontkoppelen –
bedien het
koppelingspedaal om
de schakelhendel in de
neutrale
stand te zetten.
Auto StartStop Service vereist
Eco Start/
Stop DRIVe
werkt niet.
Neem contact op met
een werkplaats –
geadviseerd
wordt een
erkende
Volvo-werkplaats.
Motor klaar
voor automatische
start – wacht
op bediening van het
koppelingsof rempedaal.
Druk op
STARTknop
Geen automatische
motorstart
mogelijkA –
voer een
reguliere
motorstart
uit met de
knop
START/
STOP
ENGINE.
A
03
Verschijnt als de bestuurder na automatische motorafslag
bijvoorbeeld de veiligheidsgordel losmaakt.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
137
03 Bestuurdersmilieu
Eco DRIVe*
Als een displaymelding na het uitvoeren van de
voorgestelde maatregel niet verdwijnt, dient u
contact op te nemen met een werkplaats –
geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
03
138
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
03 Bestuurdersmilieu
Vierwielaandrijving, AWD (All Wheel Drive)*
De vierwielaandrijving is altijd
ingeschakeld
03
Bij vierwielaandrijving worden alle vier de wielen van de auto tegelijk aangedreven.
Het motorkoppel wordt automatisch over de
voor- en achterwielen verdeeld. Een elektronisch gestuurd koppelingssysteem verdeelt
het vermogen over het wielpaar dat op dat
moment de beste grip op het wegdek heeft. Dit
om optimale wegligging te verkrijgen en wielspin te voorkomen. Bij normaal rijden worden
de voorwielen naar verhouding iets sterker
aangedreven dan de achterwielen.
De vierwielaandrijving verhoogt de rijveiligheid
tijdens regen- en sneeuwval en bij ijzel.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
139
03 Bestuurdersmilieu
Bedrijfsrem
Algemene informatie
De auto is uitgerust met twee remkringen. Als
een van de remkringen defect raakt, betekent
dit dat de remmen pas later worden aangesproken zodat u het rempedaal dieper moet
intrappen voor dezelfde remmende werking.
03
De druk die u uitoefent op het rempedaal wordt
versterkt door de rembekrachtiging.
WAARSCHUWING
De rembekrachtiging werkt alleen, als de
motor loopt.
Wanneer u met de motor afgezet remt doet het
rempedaal stug aan en kost het u meer kracht
om de auto te remmen.
In bergachtig gebied of bij het rijden met een
zware belading kunt u de remmen ontzien door
op de motor af te remmen. U benut de remmende werking van de motor het best, wanneer u tijdens het afdalen dezelfde versnelling
inschakelt als bij het oprijden van een helling.
Voor algemener informatie over een zware
belasting van de auto, zie pagina 380.
Antiblokkeerremsysteem
De auto is uitgerust met ABS (Anti-lock Braking
System) dat voorkomt dat de wielen blokkeren
tijdens het remmen. Zo blijft de auto bestuur-
140
baar, waardoor het bijvoorbeeld makkelijker is
om obstakels te ontwijken. Bij activering van
deze functie kunt u trillingen in het rempedaal
voelen. Dit is volkomen normaal.
Wanneer u het rempedaal loslaat nadat de
motor is aangeslagen, gaat een kortdurende,
automatische test van het ABS van start. Het
is mogelijk dat er opnieuw een automatisch
test van het ABS plaatsvindt, wanneer de auto
een snelheid van 10 km/h bereikt. Ook deze
test kan waarneembaar zijn in de vorm van trillingen in het rempedaal.
Remschijven schoonmaken
Vuil en water op de remschijven kunnen ertoe
leiden dat de aanspreekduur van de remmen
wordt verlengd. Door de remblokken schoon te
maken beperkt u deze verlenging.
U wordt geadviseerd de remschijven handmatig schoon te maken, wanneer u op natte
wegen rijdt, de auto net hebt gewassen of op
het punt staat deze langdurig te parkeren. U
maakt de remschijven handmatig schoon door
korte tijd licht te remmen.
Remkrachtverhoging bij noodstops
Noodremlichten en automatische
alarmlichten
De noodremlichten worden geactiveerd om
achterliggers erop te attenderen dat u krachtig
remt. Daarbij knipperen de remlichten in plaats
van dat ze continu branden, zoals bij normaal
remmen.
De noodremlichten worden geactiveerd bij
snelheden hoger dan 50 km/h als het ABS
actief is en/of bij krachtig remmen. Wanneer de
auto is afgeremd tot een rijsnelheid lager dan
10 km/h, gaan de remlichten continu branden
in plaats van te knipperen. Ondertussen worden de alarmlichten geactiveerd en deze blijven knipperen totdat u het motortoerental met
het gaspedaal wijzigt of de alarmlichten uitschakelt met de bijbehorende knop, zie
pagina 97.
De remkrachtverhoging bij noodstops (EBA,
Emergency Brake Assist) helpt de remkracht
verhogen om op die manier de remweg te verkorten. Het EBA registreert de wijze waarop u
het rempedaal bedient en verhoogt zo nodig de
remkracht. De remkracht kan worden verhoogd tot aan het niveau waarbij het ABS
ingrijpt. De EBA-regeling wordt uitgeschakeld
wanneer u de druk op het rempedaal verlaagt.
N.B.
Wanneer het EBA geactiveerd wordt, zakt
het rempedaal iets verder omlaag dan normaal. Bedien het rempedaal zolang dat
nodig is. Zodra u het rempedaal loslaat,
worden de remmen volledig gelost.
03 Bestuurdersmilieu
Bedrijfsrem
Symbolen op instrumentenpaneel
Symbool
Betekenis
Brandt continu – controleer het
remvloeistofpeil. Vul remvloeistof bij als het peil te laag ligt en
controleer tevens de oorzaak
van het remvloeistofverlies.
03
Brandt 2 seconden lang continu
bij het starten van de motor – er
is de laatste keer dat de motor
liep een storing in het ABS
opgetreden.
WAARSCHUWING
Als
en
tegelijkertijd branden,
kan er een storing in het remsysteem zijn
opgetreden.
Als het remvloeistofpeil in dat geval in orde
is, moet u de auto voorzichtig naar de
dichtstbijzijnde werkplaats rijden om het
remsysteem te laten controleren – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Als de remvloeistof onder het MIN-streepje
van het reservoir staat, mag u niet verder
rijden voordat u remvloeistof hebt bijgevuld.
Controleer tevens de oorzaak van het remvloeistofverlies.
141
03 Bestuurdersmilieu
Parkeerrem
Handrem
hulpaccu aan, als de accuspanning te laag is,
zie pagina 124.
Parkeerrem aanzetten
In noodgevallen kunt u de parkeerrem ook tijdens het rijden aanzetten door de handgreep
ingedrukt te houden. Wanneer u de handgreep
loslaat of het gaspedaal bedient, wordt de parkeerrem gelost.
N.B.
03
Tijdens een noodstop bij snelheden hoger
dan 10 km/h klinkt er gedurende de hele
remmanoeuvre een geluidssignaal.
Op een helling parkeren
Bij het parkeren van de auto op een oplopende
helling:
Functie
Wanneer de elektrisch parkeerrem wordt geactiveerd, hoort u een zwak elektromotorgeluid.
Het geluid is tevens waarneembaar bij een
automatische functiecontrole van de parkeerrem.
Als de auto stilstaat wanneer u de parkeerrem
aanzet, werkt de rem alleen op de achterwielen. Als u de parkeerrem tijdens het rijden aanzet, wordt de normale bedrijfsrem geactiveerd.
Daarbij werkt de rem op alle vier de wielen.
Wanneer de auto bijna stilstaat, worden alleen
de achterwielen geremd.
Lage accuspanning
Als de accuspanning te laag is, kunt u de parkeerrem niet aanzetten noch lossen. Sluit een
142
Handgreep parkeerrem – aanzetten.
1. Trap het rempedaal stevig in.
2. Druk op de handgreep.
> Het lampje
op het instrumentenpaneel gaat knipperen – wanneer het
continu brandt, is de parkeerrem aangezet.
3. Laat het rempedaal los en controleer of de
auto volledig stilstaat.
• Zet de versnellingspook bij het parkeren
altijd in de 1e versnelling (handbak) en de
keuzehendel in stand P (automaat).
• Draai de wielen van de trottoirband af.
Bij het parkeren van de auto op een aflopende
helling:
• Draai de wielen naar de trottoirband toe.
WAARSCHUWING
Maak er gewoonte van om bij het parkeren
op een helling altijd de parkeerrem aan te
zetten – het inschakelen van een versnelling
bij een handbak of stand P bij een automaat
is niet voldoende om de auto in alle situaties
stil te houden.
03 Bestuurdersmilieu
Parkeerrem
Parkeerrem lossen
N.B.
De parkeerrem is ook handmatig te lossen
door het koppelingspedaal te bedienen in
plaats van het rempedaal. Volvo adviseert u
echter het rempedaal te gebruiken.
Automatisch lossen
1. Start de motor.
2. Schakel de 1 versnelling of de achteruitrijversnelling in.
Handgreep parkeerrem – lossen.
Auto met handgeschakelde
versnellingsbak
3. Laat de koppeling opkomen en geef gas.
> De parkeerrem wordt gelost en het
lampje
op het instrumentenpaneel dooft.
Handmatig lossen
Auto met automatische versnellingsbak
1. Steek de transpondersleutel in het contactslot1.
Handmatig lossen
2. Trap het rempedaal stevig in.
3. Trek aan de handgreep.
> De parkeerrem wordt gelost en het
op het instrumentenpalampje
neel dooft.
1
1. Steek de transpondersleutel in het contactslot1.
Automatisch lossen
1. Doe de veiligheidsgordel om.
2. Start de motor.
3. Trap het rempedaal stevig in.
4. Zet de keuzehendel in stand D of R en geef
gas.
> De parkeerrem wordt gelost en het
op het instrumentenpalampje
neel dooft.
03
N.B.
Om veiligheidsredenen wordt de parkeerrem alleen automatisch gelost wanneer bij
het starten van de motor is gebleken dat de
bestuurder de veiligheidsgordel draagt. Bij
auto’s met een automatische versnellingsbak wordt de parkeerrem onmiddellijk
gelost bij het bedienen van het gaspedaal
met de keuzehendel in stand D of R.
2. Trap het rempedaal stevig in.
Zware belading op oplopende hellingen
3. Trek aan de handgreep.
> De parkeerrem wordt gelost en het
op het instrumentenpalampje
neel dooft.
Bij een zware belading zoals een aanhanger is
het mogelijk dat de auto op een steile, oplopende helling achteruitrolt, wanneer de parkeerrem automatisch wordt gelost. U kunt dit
voorkomen door bij het wegrijden de handgreep ingedrukt te houden. Laat de handgreep
weer los zodra de koppeling aangrijpt.
Bij auto’s met Keyless drive-systeem: Druk op START/STOP ENGINE.
``
143
03 Bestuurdersmilieu
Parkeerrem
Remblokken vervangen
Laat de remblokken op de achterwielen vervangen in een werkplaats met het oog op de
constructie van de elektrische parkeerrem –
geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Symbolen en meldingen op display
03
Symbool
Melding
Betekenis/Maatregel
"Melding"
Lees de melding op het informatiedisplay
Een knipperend symbool houdt in dat de parkeerrem wordt aangezet.
Als het symbool in een andere situatie gaat knipperen, is er sprake van een storing. Lees de melding
op het informatiedisplay.
Parkeerrem niet geheel
gelost
Door een storing kan de parkeerrem niet worden gelost – probeer of u de rem kunt aanzetten en
lossen.
Als de storing ook na enkele pogingen aanhoudt: Bezoek een werkplaats – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
N.B. Als u bij deze foutmelding wegrijdt zonder de parkeerrem te lossen, klinkt er een waarschuwingszoemer.
144
03 Bestuurdersmilieu
Parkeerrem
Symbool
Melding
Betekenis/Maatregel
Parkeerrem niet aangezet
Door een storing kan de parkeerrem niet worden aangezet – probeer of u de rem kunt lossen en
aanzetten.
Als de storing ook na enkele pogingen aanhoudt: Bezoek een werkplaats – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
03
Dezelfde melding verschijnt ook op auto’s met een handbak, wanneer er langzaam wordt gereden
met het portier open. De melding maakt u erop attent dat de parkeerrem mogelijk onbedoeld werd
gelost.
Parkeerrem Service vereist
Er is een storing opgetreden – probeer of u de rem kunt aanzetten en lossen.
Als de storing ook na enkele pogingen aanhoudt: Bezoek een werkplaats – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
• Als u de auto moet parkeren voordat de
storing kon worden verholpen, dient u de
wielen net als bij het parkeren op een helling van de trottoirband/berm af te draaien
en de versnellingspook in de 1e versnelling
(handbak) te zetten en de keuzehendel in
stand P (automaat).
145
03 Bestuurdersmilieu
HomeLinkŸ *
Algemene informatie
N.B.
HomeLinkŸ is dusdanig geconstrueerd dat
het niet werkt als de auto van de buitenzijde
vergrendeld is.
Let erop dat u de originele afstandsbedieningen wel goed bewaart voor eventuele
programmering in een later stadium (zoals
bij de aankoop van een nieuwe auto).
03
Wis de programmering van de knoppen
wanneer u de auto verkoopt.
HomeLinkŸ is een programmeerbare afstandsbediening waarmee u tot drie verschillende
systemen (bijvoorbeeld elektrische garagedeur, alarmsysteem, huis- en tuinverlichting)
kunt bedienen en daarmee de originele
afstandsbedieningen vervangt. HomeLinkŸ
wordt geleverd in een uitvoering die ingebouwd is in de linker zonneklep.
Het HomeLinkŸ-paneel bestaat uit drie programmeerbare knoppen en een controlelampje.
Gebruik geen zonwering bestaande uit
metaalfolie op auto’s die zijn uitgerust met
HomeLinkŸ. Het gebruik ervan kan namelijk
negatieve gevolgen hebben voor de werking.
Bediening
Zodra HomeLinkŸ geprogrammeerd is, vormt
het een vervanging voor de afzonderlijke originele afstandsbedieningen.
Druk de geprogrammeerde knop in voor activering van de elektrische garagedeur, het
alarmsysteem etc. Het controlelampje brandt
zolang u de knop ingedrukt houdt.
N.B.
Als het contact niet wordt ingeschakeld,
blijft HomeLinkŸ tot 30 minuten na opening
van het bestuurdersportier werken.
146
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Uiteraard kunt u de originele afstandsbedieningen naast HomeLinkŸ blijven gebruiken.
WAARSCHUWING
Als u HomeLinkŸ gebruikt om een garagedeur of toegangshek te bedienen, dient u
erop toe te zien dat er niemand in de buurt
van de garagedeur of het toegangshek is
tijdens de bediening.
Maak geen gebruik van de HomeLinkŸafstandsbediening voor een elektrische
garagedeur zonder veiligheidsstop en veiligheidsretour. De garagedeur dient onmiddellijk te reageren bij registratie van een
obstakel, tot stilstand te komen en meteen
de omgekeerde beweging te maken. Een
garagedeur die dat niet doet kan aanleiding
geven tot lichamelijk letsel. Neem voor meer
informatie contact op met de leverancier via
internet: www.homelink.com.
Eerste keer programmeren
Bij stap 1 wordt het complete geheugen van
HomeLinkŸ gewist. Voer dit punt dan ook
alleen uit, wanneer u slechts één knop wilt
omprogrammeren.
1. Druk de buitenste twee knoppen in en laat
deze ca. 20 seconden later los wanneer het
controlelampje gaat knipperen. Het knipperende lampje geeft aan dat HomeLinkŸ
03 Bestuurdersmilieu
HomeLinkŸ *
in de “inleerstand” staat en klaar is voor
programmering.
2. Leg de originele afstandsbediening op
5–30 cm afstand van HomeLinkŸ. Houd het
controlelampje in de gaten.
De juiste afstand tussen de originele
afstandsbediening en HomeLinkŸ hangt af
van de programmering van het te bedienen
systeem. Er zijn mogelijk meerdere pogingen op verschillende afstand nodig. Laat
de afstandsbediening bij iedere poging ca.
15 seconden op dezelfde afstand liggen
voordat u een andere afstand probeert.
deur, het toegangshek e.d. moet vervolgens geactiveerd worden bij het indrukken van de bijbehorende HomeLinkŸknop.
• Brandt niet continu: Het controlelampje knippert eerst ca. 2 seconden
lang snel en brandt daarna ca. 3 seconden continu. Dit herhaalt zich ca. 20
seconden lang en geeft aan dat het te
kopiëren systeem een zogeheten rollende code gebruikt. De garagedeur,
het toegangshek e.d. worden niet geactiveerd bij het indrukken van de bijbehorende HomeLinkŸ-knop. Vervolg in
dat geval de programmering als volgt.
3. Druk de te programmeren knop van
HomeLinkŸ en de te kopiëren knop van de
originele afstandsbediening gelijktijdig in.
Laat de knoppen pas los wanneer het controlelampje dat langzaam knippert sneller
gaat knipperen. Een snel knipperend
lampje geeft aan dat de programmering
gelukt is.
5. Zoek de “inleerknop1” van de ontvanger
van bijv. de garagedeur op (meestal in de
buurt van de antennevoet op de ontvanger). Raadpleeg als u de knop niet kunt
vinden, de gebruiksaanwijzing van de leverancier of neem contact op met de leverancier via internet: www.homelink.com.
4. Test de programmering door de geprogrammeerde knop van HomeLinkŸ in te
drukken en op het controlelampje te letten:
6. Druk de “inleerknop” in en laat deze los. De
knop knippert ca. 30 seconden en binnen
deze periode moet u het volgende punt uitvoeren.
• Brandt continu: Het controlelampje
brandt continu terwijl u de knop ingedrukt houdt, wat aangeeft dat de programmering afgerond is. De garage1
7. Druk op de geprogrammeerde knop van
HomeLinkŸ terwijl de “inleerknop” van het
te bedienen systeem nog knippert. Houd
de HomeLink-knop ca. 3 seconden lang
ingedrukt en laat deze vervolgens los. Herhaal deze volgorde van indrukken, vasthouden en loslaten tot driemaal achtereen
om de programmering te beëindigen.
Afzonderlijke knop programmeren
Doe het volgende om één afzonderlijke knop te
programmeren:
03
1. Druk op de gewenste knop van
HomeLinkŸ en houd deze ingedrukt totdat
punt 3 afgerond is.
2. Plaats wanneer het controlelampje van
HomeLinkŸ begint te knipperen (na ca. 20
seconden) de originele afstandsbediening
op 5–30 cm afstand van HomeLinkŸ. Houd
het controlelampje in de gaten.
De juiste afstand tussen de originele
afstandsbediening en HomeLink hangt af
van de programmering van het te bedienen
systeem. Er zijn mogelijk meerdere pogingen op verschillende afstand nodig. Laat
de afstandsbediening bij iedere poging ca.
15 seconden op dezelfde afstand liggen
voordat u een andere afstand probeert.
3. Druk de te kopiëren knop op de originele
afstandsbediening in. Het controlelampje
De aanduiding en kleur van deze knop verschillen per producent.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
147
03 Bestuurdersmilieu
HomeLinkŸ *
03
begint te knipperen. Laat beide knoppen
weer los, wanneer het lampje dat langzaam
knipperde sneller gaat knipperen. Een snel
knipperend lampje geeft aan dat de programmering gelukt is.
buurt van de antennevoet op de ontvanger). Raadpleeg als u de knop niet kunt
vinden, de gebruiksaanwijzing van de leverancier of neem contact op met de leverancier via internet: www.homelink.com.
4. Test de programmering door de geprogrammeerde knop van HomeLink in te
drukken en op het controlelampje te letten:
6. Druk de “inleerknop” in en laat deze los. De
knop knippert ca. 30 seconden en binnen
deze periode moet u het volgende punt uitvoeren.
• Brandt continu: Het controlelampje
brandt continu terwijl u de knop ingedrukt houdt, wat aangeeft dat de programmering afgerond is. De garagedeur, het toegangshek e.d. moet vervolgens geactiveerd worden bij het indrukken van de bijbehorende HomeLinkŸknop.
• Brandt niet continu: Het controlelampje knippert eerst ca. 2 seconden
lang snel en brandt daarna ca. 3 seconden continu. Dit herhaalt zich ca. 20
seconden lang en geeft aan dat het te
kopiëren systeem een zogeheten rollende code gebruikt. De garagedeur,
het toegangshek e.d. worden niet geactiveerd bij het indrukken van de bijbehorende HomeLinkŸ-knop. Vervolg in
dat geval de programmering als volgt.
5. Zoek de “inleerknop2” van de ontvanger
van bijv. de garagedeur op (meestal in de
2
148
De aanduiding en kleur van deze knop verschillen per producent.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
7. Druk op de geprogrammeerde knop van
HomeLinkŸ terwijl de “inleerknop” van het
te bedienen systeem nog knippert. Houd
de HomeLink-knop ca. 3 seconden lang
ingedrukt en laat deze vervolgens los. Herhaal deze volgorde van indrukken, vasthouden en loslaten tot driemaal achtereen
om de programmering te beëindigen.
Programmering wissen
Het is alleen mogelijk de programmering van
alle HomeLinkŸ-knoppen tegelijk te wissen en
niet van één bepaalde knop afzonderlijk.
Druk de buitenste twee knoppen in en laat
deze ca. 20 seconden later los wanneer het
controlelampje gaat knipperen.
> HomeLinkŸ staat vervolgens in de
“Learn Mode” waarna deze opnieuw
geprogrammeerd kan worden, zie
pagina 146.
03 Bestuurdersmilieu
03
149
Menu- en meldingsfuncties...................................................................
Menugroep MY CAR.............................................................................
Klimaatregeling.....................................................................................
Motor- en interieurverwarming op brandstof*.......................................
Extra verwarming*.................................................................................
Boordcomputer.....................................................................................
Stabiliteits- en tractieregelsysteem, DSTC...........................................
Rijeigenschappen aanpassen...............................................................
Cruisecontrol*.......................................................................................
Snelheidsbegrenzer .............................................................................
Adaptieve cruisecontrol*.......................................................................
Afstandswaarschuwing*........................................................................
City Safety™.........................................................................................
Collision Warning with Auto Brake en Pedestrian detection*...............
Driver Alert System – DAC*...................................................................
Driver Alert System – (LDW)*................................................................
Park Assist*...........................................................................................
Park Assist-camera*..............................................................................
BLIS* – Blind Spot Information System................................................
Interieurcomfort.....................................................................................
150
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
152
155
163
173
177
178
180
182
183
185
187
197
200
205
212
215
218
221
225
229
COMFORT EN RIJPLEZIER
04 Comfort en rijplezier
Menu- en meldingsfuncties
Instrumentenpaneel
eerst bevestigen met de knop READ voordat u
de menu’s kunt bekijken.
Melding
Menu-overzicht
Voor sommige van de onderstaande menuopties dient de auto te zijn uitgerust met de bijbehorende functie en software.
---- km actieradius
--.- l/100km gemiddeld
--.- l/100km momentaan
04
--- km/h gem. snelheid
Informatiedisplay en bedieningselementen voor
menufuncties.
152
Melding op informatiedisplay.
Motoroliepeil Een ogenblik...*
Wanneer er een waarschuwings-, informatieof controlesymbool oplicht, verschijnt er
tevens een aanvullende melding op het informatiedisplay. Foutmeldingen blijven in het
geheugen opgeslagen, totdat de onderliggende storing is verholpen.
READ – meldingenlijst openen en meldingen bevestigen.
Bandenspanning Kalibratie*
Duimwiel – menu-opties doorbladeren.
Timer standkach --:-- ---*2
RESET – geactiveerde functie op nul stellen. Wordt in bepaalde gevallen gebruikt
om een functie te selecteren/activeren (zie
de uitleg bij de verschillende functies).
Met de linker stuurhendel bedient u de menu’s
die op de informatiedisplays van het instrumentenpaneel verschijnen. Welke menu’s er
verschijnen hangt af van de sleutelstand, zie
pagina 86. Als er een melding is, moet u deze
1
2
3
--- km/h actuele snelheid1
Directe start Standverw. AAN*3
Extra verwarming auto AAN*
Lane Depart Warn *
Driver Alert *
Alleen bepaalde markten.
Programmering alleen mogelijk met de motor afgezet.
Kan niet worden gekozen bij een ingeschakelde extra verwarming.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Druk op READ om de meldingen door te bladeren en te bevestigen.
04 Comfort en rijplezier
Menu- en meldingsfuncties
N.B.
Als er een waarschuwingsmelding verschijnt bij gebruik van de boordcomputer,
moet u de melding lezen (druk op de knop
READ) voordat u de eerdere activiteit kunt
hervatten.
Melding
Betekenis
Stop auto
z.s.m.A
Breng de auto tot stilstand en zet de motor
af. Grote kans op
schade – bezoek een
werkplaatsB.
Zet motor afA
Breng de auto tot stilstand en zet de motor
af. Grote kans op
schade – bezoek een
werkplaatsB.
Service spoedA
Bezoek een werkplaatsB om de auto
onmiddellijk te laten
controleren.
Service vereistA
Bezoek een werkplaatsB om de auto zo
spoedig mogelijk te
laten controleren.
Melding
Betekenis
Melding
Betekenis
Zie instructieb.A
Lees het instructieboekje.
Versn.olie Verversen
Bespreek tijd
voor onderhoud
Het is tijd om een
afspraak te maken voor
een servicebeurt –
bezoek een werkplaatsB.
Bezoek een werkplaatsB om de auto zo
spoedig mogelijk te
laten controleren.
Versnellingsbak beperkte
werking
Tijd voor periodiek onderhoud
Het is tijd voor een servicebeurt – bezoek een
werkplaatsB. Het
moment hangt af van de
afgelegde afstand, het
aantal maanden dat
sinds de laatste servicebeurt is verstreken,
het aantal draaiuren van
de motor en de
gebruikte oliekwaliteit.
De versnellingsbak
werkt niet op maximale
capaciteit. Rijd voorzichtig totdat de melding verdwijntC.
Onderhoudster- mijn verstreken
Als u de onderhoudstermijn niet respecteert,
vallen beschadigde
onderdelen niet langer
onder de garantie –
bezoek een werkplaatsB.
04
Bezoek bij herhaaldelijke verschijning een
werkplaatsB.
Versn.bak heet
Rijd langzamer
Rijd voorzichtiger of
breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand. Zet de versnellingsbak in de neutraal
en laat de motor stationair draaien totdat de
melding verdwijntC.
Versn.bak heet
Stop auto
z.s.m.
Kritieke storing. Breng
de auto zo spoedig
mogelijk tot stilstand en
bezoek een werkplaatsB.
``
153
04 Comfort en rijplezier
Menu- en meldingsfuncties
04
A
B
C
154
Melding
Betekenis
Tijdelijk UITA
De bijbehorende functie
is tijdelijk uitgeschakeld
en wordt na enige tijd
rijden of de volgende
keer dat u de motor
start automatisch
opnieuw ingeschakeld.
Accuspann.
laag Spaarstand
Het audiosysteem is
uitgeschakeld om
stroom te besparen.
Laad de accu bij.
Deel van een melding, verschijnt samen met gegevens over
de locatie van de storing.
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Voor meer meldingen met betrekking tot de automatische
versnellingsbak, zie pagina 130.
04 Comfort en rijplezier
Menugroep MY CAR
Algemene informatie over MY CAR
In deze menugroep zijn tal van autofuncties te regelen, zoals het instellen
van de klok, de buitenspiegels en de
Bediening
Bedieningselementen op
middenconsole
sloten.
gemaakte keuze. Hoe ‘ver’ de cursor verspringt hangt af van menuniveau waarop de
cursor zich bevindt bij bediening van EXIT,
wordt de cursor.
Ook ‘kort’ en ‘lang’ indrukken levert verschillende resultaten op.
Navigatie in deze menu’s vindt plaats met
knoppen op de middenconsole of met de toetsenset rechts op het stuurwiel.
• Bij kort indrukken van EXIT doet u een stap
terug binnen het actuele menusysteem.
• Bij lang drukken op EXIT opent u het
Sommige functies behoren tot de standaarduitrusting, andere zijn zogeheten opties – het
aanbod verschilt per markt.
groepsmenu van MY CAR.
• Bij lang indrukken van EXIT in het groeps-
Bedieningselementen voor menufuncties op middenconsole.
04
menu MY CAR verlaat u MY CAR en opent
u het hoofdmenu van het menusysteem
(moederweergave), van waaruit u alle functies/menugroepen van de auto kunt bereiken, zie pagina 238.
Druk op MY CAR om de menu’s te openen
onder MY CAR.
Druk op OK MENU om de gemarkeerde
menu-optie te kiezen/aan te vinken of de
gekozen functie in het geheugen op te
slaan.
Draai aan TUNE om een stap omhoog/
omlaag te gaan door de menu-opties.
EXIT
Functies EXIT
Met EXIT doet u een stap terug binnen het
menusysteem of annuleert u de laatst
``
155
04 Comfort en rijplezier
Menugroep MY CAR
Toetsenset* op stuurwiel
Instellingen Auto-instellingen
Slotinstellingen Deuren open
Bestuurdersdeur: dan alle.
Hier volgt een voorbeeld van de wijze waarop
u een functie kunt opzoeken en aanpassen met
de toetsenset op de middenconsole:
1. Druk op de knop MY CAR op de middenconsole.
04
De toetsenset kan per markt verschillen.
2. Ga naar het gewenste menu, bijv.
Instellingen, met het duimwiel (1) en
druk vervolgens op het duimwiel – er wordt
een submenu geopend.
Draai aan het duimwiel om een stap
omhoog/omlaag te gaan door de menuopties.
3. Ga naar het gewenste menu, bijv. Autoinstellingen, en druk op het duimwiel – er
wordt een submenu geopend.
Druk op het duimwiel om de gemarkeerde
menu-optie te kiezen/aan te vinken of de
gekozen functie in het geheugen op te
slaan.
4. Ga naar Slotinstellingen en druk op het
duimwiel – er wordt een nieuw submenu
geopend.
EXIT (zie de uitgebreide informatie op
pagina 155).
5. Ga naar Deuren open en druk op het
duimwiel – er wordt een submenu met te
selecteren functies geopend.
Paden
Het actuele menuniveau staat rechts bovenaan
op het beeldscherm van de middenconsole. De
paden naar de menufuncties worden als volgt
weergegeven:
6. Kies uit de opties Alle deuren en
Bestuurdersdeur: dan alle en druk op het
duimwiel – er verschijnt een kruisje in het
lege vakje van de optie.
7. Sluit de programmering af door de menu’s
één voor één te verlaten door EXIT (2) tel-
156
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
kens kort in te drukken of deze eenmaal
lang in te drukken.
De procedure verloopt geheel identiek met de
knoppen op de middenconsole – zie
pagina 155: OK MENU (2), EXIT (4) en de
draaiknop TUNE (3).
MY CAR
Onder menugroep MY CAR vindt u de volgende opties:
•
•
•
•
My V60
DRIVe*
Hulpsystemen (Support systems)
Instellingen (Settings)
04 Comfort en rijplezier
Menugroep MY CAR
My V60
Bestuurdersondersteunende systemen
Uit: Leeg vakje.
• Kies Aan/Uit met OK – verlaat het menu
vervolgens met EXIT.
Auto-instellingen
Sleutelgeheugen
Aan
p. 89
en 109
Uit
04
MY CAR
My V60
Op het beeldscherm staan alle bestuurdersondersteunende systemen aangegeven – u kunt
ze hiervandaan activeren of deactiveren.
My DRIVe*
Hier vindt u onder meer een beschrijving van
de opzet van Volvo’s DRIVe-concept.
• Start/Stop
• Milieutips
Voor meer informatie – zie pagina 132.
MY CAR
Hulpsystemen
(MY CAR > Support systems)
Op het beeldscherm staat het actuele statusoverzicht van de bestuurdersondersteunende
systemen.
Instellingen - menu’s
Hier verschijnen de eerste 4 menuniveaus
onder MY CAR Instellingen. Voor enkele
menu’s bestaan submenu’s – deze worden in
dat geval uitvoerig beschreven in het desbetreffende tekstgedeelte.
Wanneer u kunt kiezen uit activering/Aan of
deactivering/Uit van een bepaalde functie, verschijnt er een vakje:
Aan: Aangevinkt vakje.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
157
04 Comfort en rijplezier
Menugroep MY CAR
Slotinstellingen
Automatische vergrendeling
p. 50,
60 en
64
Instellingen zijspiegel
p. 109
Duur thuisbrenglicht
Spiegels inklappen
30 sec.
Linkerspiegel hellen
Aan
60 sec.
Rechterspiegel hellen
90 sec.
Uit
Lichtinstellingen
Deuren open
04
Bestuurdersdeur: dan alle
Aan
Uit
Beide voordeuren
Duur automatische verlichting
p. 66
en 71
Uit
Uit
p. 50
en 99
of
Tijdelijk rechtsrijdend
verkeer
30 sec.
Aan
60 sec.
Uit
90 sec.
158
Tijdelijk linksrijdend verkeer
Aan
Deuren aan één
kant
Vragen bij uitstappen
Uit
Lichtsignaal bij ontgrendeling
Willekeurige deur
p. 97
Aan
Uit
Alle deuren
Eén keer activeren
Driemaal richtingaanwijzer
Aan
Instappen zonder sleutel
Minder bescherming
p. 48
Lichtsignaal deurvergrendeling
Alle deuren
p. 99
p. 99
04 Comfort en rijplezier
Menugroep MY CAR
Actieve bochtverlichting
p. 95
Aan
Uit
Botswaarschuwing
p. 205
Botswaarschuwing
Aan
Aan
Uit
Uit
Bandenspanningsysteem*
p. 323
Waarschuwt bij lage bandenspanning
City Safety
Waarschuwingsafstand
Aan
Lang
Laag
p. 182
Uit
Aan
Uit
Lane Departure Warning
Afstandswaarschuwing
p. 215
Van alle menu’s onder Autoinstellingen worden de fabrieksinstellingen hervat.
Rij-assistentiesystemen
Aan
Uit
p. 197
Aan
Uit
Lane Departure Warning
Auto-instellngen resetten
04
Aan
Midden
Hoog
p. 225
BLIS
Kort
Signaaltoon
Stuurkracht
p. 11
en 200
Uit
Normaal
Bandenspanning kalibreren
p. 180
DSTC
Driver Alert
p. 212
Aan
Aan bij starten
Uit
Aan
Uit
Hogere gevoeligheid
Aan
Uit
Systeemopties
Tijd
p. 84
Hier stelt u de klok op het dashboard in.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
159
04 Comfort en rijplezier
Menugroep MY CAR
Tijdopmaak
Volumes
Aan
Volume mededelingen
24u
Uit
Volume voor parkeerhulp
vóór
Aan
Bij markering van deze optie verschijnt uitleg bij de actuele
schermweergave.
Uit
Afstands-/brandstofeenheid
Bij selectie van deze optie wordt
de schermweergave automatisch
vervangen door een leeg scherm,
wanneer u enige tijd geen
schermfunctie gebruikt.
De actuele schermweergave verschijnt echter weer, wanneer u
gebruik maakt van een van de
knoppen of bedieningselementen
van het beeldscherm.
Taal
Geeft de taal voor de menuteksten aan.
160
Hulptekst weergeven
12u
Screensaver
04
p. 84
p. 155
MPG (UK)
MPG (US)
km/l
l/100km
Volume voor parkeerhulp
achter
p. 178
Beltoonvolume
Systeemopties resetten
Van alle menu’s onder Systeemopties worden de fabrieksinstellingen hervat.
Spraakinstellingen
Temperatuureenheid
Celsius
Spraakintroductie
Fahrenheit
Deze menu-optie + OK levert
gesproken informatie op over de
werking van het systeem.
Geeft de eenheid aan voor weergave van de buitentemperatuur
en instelling van de klimaatregeling.
04 Comfort en rijplezier
Menugroep MY CAR
Lijst van spraakcommando's
Telefooncommando's
Telefoon
Telefoon kies
contact
Telefoon kies
nummer
Navigatiecommando's
Navigatie
Navigatie herhaal
spraakbegeleiding
Navigatie ga naar
adres
Algemene commando's
Help
Annuleer
Spraakintroductie
BluetoothŸ-aansluiting. Voor
meer (gedetailleerde) informatie,
zie pagina 269.
De menu-opties onder Navigatiecommando's geven enkele
voorbeelden van de beschikbare
gesproken commando’s – alleen
in combinatie met Volvo’s navigatiesysteem RTI* geïnstalleerd.
Gebruikersinstelling spraaksystem
Standaardinstellingen
Gebruiker 1
Gebruiker 2
Hier kunt u een tweede gebruikersprofiel aanmaken – handig
wanneer meerdere personen
regelmatig gebruik maken van de
auto en het systeem. Standaardinstellingen levert de fabrieksinstellingen op.
Spraaktraining
Gebruiker 1
Gebruiker 2
Met Spraaktraining biedt u het
spraakherkenningsysteem de
gelegenheid om bekend te raken
met de uw stem en uitspraak. Op
het scherm verschijnen enkele
zinnen die u vervolgens moet
inspreken. Zodra het systeem
bekend is met uw manier van
spreken, verschijnen er geen zinnen meer. Daarna kunt u bijvoorbeeld Gebruiker 1 in Gebruikersinstelling spraaksystem
kiezen om te zorgen dat het systeem naar de commando’s van
de juiste gebruiker luistert.
04
De menu-opties onder Telefooncommando's geven enkele
voorbeelden van de beschikbare
gesproken commando’s – alleen
in combinatie met een geïnstalleerde mobiele telefoon met
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
161
04 Comfort en rijplezier
Menugroep MY CAR
Klimaatinstellingen
Volume mededelingen
• Er verschijnt een volumere-
Autom. ventilatorinstellingen
geling op het scherm – doe in
dat geval het volgende:
Hoog
Laag
2. Met OK kunt u bij wijze van
proef een stukje beluisteren.
Timer voor hercirculatie
3. Met EXIT kunt u de instelling
opslaan en het menu verlaten.
Aan
p. 48
VIN-nummer
p. 372
DivX® VOD-code
p. 255
Bluetooth-softwareversie in
auto
p. 262
Kaart- en softwareversie*
Aut. achterruitverwarming
Alleen in een auto met Volvo gpsnavigatiesysteem – zie desbetreffend boekje.
Aan
Wijzig lijst
Uit
Het aantal faciliteiten is groot en
verschilt per markt. Er kunnen
maximaal 30 favoriete faciliteiten
worden opslagen in deze lijst.
Luchtkwaliteitssysteem
Aan
Uit
De menu-optie POI-lijst voor
spraaksysteem verschijnt
alleen, als Volvo’s navigatiesysteem RTI* geïnstalleerd is. Voor
meer informatie over faciliteiten
en spraakherkenning – zie het
instructieboekje bij het navigatiesysteem.
Klimaatinstellingen resetten
Van alle menu’s onder Klimaatinstellingen worden de fabrieksinstellingen hervat.
Favorieten (FAV)
p. 234
Volvo On Call
Staat in een apart boekje
beschreven.
162
Aantal sleutels
Uit
POI-lijst voor spraaksysteem
Audio-instellingen
p. 163
Normaal
1. Stel het volume bij met het
duimwiel.
04
Informatie
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
p. 241
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
Algemene informatie
Positie van de sensoren
• De zonnesensor1 zit boven op het dash-
Klimaatregeling
De auto is voorzien van elektronische klimaatregeling. De klimaatregeling zorgt ervoor dat
de lucht in het interieur gekoeld, verwarmd of
van vocht ontdaan wordt.
board.
•
De interieurtemperatuursensor zit onder
het bedieningspaneel van de klimaatregeling.
• De buitentemperatuursensor zit op de buitenspiegel.
N.B.
U kunt de airconditioning (AC) uitschakelen,
maar voor optimaal klimaatcomfort in de
passagiersruimte en om te voorkomen dat
de ruiten beslaan dient u de airconditioning
altijd te laten aanstaan.
• De vochtsensor* zit bij de achteruitkijkspiegel.
N.B.
Dek de sensoren niet met kleding of andere
voorwerpen af.
Werkelijke temperatuur
De ingestelde temperatuur komt overeen met
de gevoelstemperatuur op basis van de heersende omstandigheden in en rond de auto wat
de luchtsnelheid, de luchtvochtigheidsgraad,
de ingestraalde warmte enz. betreft.
zonnesensor1
Het systeem beschikt over een
die de stand van de zon registreert. Daardoor
kan de temperatuur van de lucht uit de blaasmonden links en rechts afwijken, ondanks dat
de temperatuurknoppen voor de beide zijden
in dezelfde stand staan.
1
Zijruiten en schuifdak*
Voor optimale werking van de airconditioning
moet u de zijruiten en een eventueel schuifdak* gesloten houden.
Beslagen ruiten
Maak in eerste instantie gebruik van de ontwasemingsfunctie om condens van de binnenkant van de ruiten te verwijderen.
Houd de binnenzijde van de ruiten schoon om
de kans te beperken dat ze beslaan.
Tijdelijke uitschakeling van
airconditioning
Wanneer de motor het maximale vermogen
nodigt heeft (bijvoorbeeld als u volgas optrekt
of met een aanhanger achter de auto een helling oprijdt), is het mogelijk dat de airconditioning tijdelijk wordt uitgeschakeld. Er kan dan
een tijdelijke temperatuurstijging optreden.
Condenswater
In warme weersomstandigheden kan er ter
hoogte van de airconditioning een plasje water
onder de auto ontstaan. Dit is volkomen normaal.
04
Sneeuw en ijs
Veeg sneeuw en ijs van de luchtinlaat voor de
klimaatregeling (de opening tussen de motorkap en de voorruit).
Storingen opsporen en verhelpen
Wendt u zich tot een werkplaats die gecertificeerd is om storingen in de klimaatregeling op
te sporen en te verhelpen. Volvo adviseert u
contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats.
Koudemiddel
De airconditioning maakt gebruik van een koudemiddel. Het bevat geen chloor, waardoor het
koudemiddel onschadelijk voor de ozonlaag is.
Geldt alleen voor ECC.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
163
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
Laat het bijvullen/vervangen van koudemiddel
over een gecertificeerde werkplaats. Volvo
adviseert u contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats.
astma. Zie voor meer informatie over CZIP de
brochure die u bij aankoop hebt ontvangen.
Het volgende is inbegrepen:
• Een geavanceerde ventilatorfunctie die
Doorluchtfunctie
Bij warm weer kunt u de doorluchtfunctie
gebruiken om alle zijruiten tegelijk korte tijd te
openen en weer te sluiten en op die manier snel
voor frisse lucht in de auto te zorgen, zie
pagina 64.
04
Interieurfilter
Alle lucht die de passagiersruimte binnenkomt
wordt gereinigd door een filter. U moet het filter
regelmatig vervangen. Raadpleeg het Serviceprogramma van Volvo voor het aanbevolen
vervangingsinterval. In zeer sterk verontreinigde gebieden moet u het filter mogelijk vaker
vervangen.
N.B.
Er bestaan twee verschillende soorten interieurfilters. Let erop dat u het juiste filter
aanbrengt.
Clean Zone Interior Package (CZIP)*
Wanneer u voor deze optie hebt gekozen zijn
er nog minder stoffen in het interieur verwerkt
die aanleiding kunnen geven tot allergieën of
164
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
inhoudt dat de ventilator aanslaat wanneer
de auto via de transpondersleutel wordt
ontgrendeld. De ventilator vult het interieur
op die manier met verse lucht. De functie
start als dat nodig is en stopt na bij het
openen van een van de portieren. Bij inactiviteit wordt de functie na enige tijd automatisch beëindigd. De tijd dat de ventilatorfunctie werkt zal langzaam maar zeker
korter worden, totdat de auto 4 jaar oud is.
• Het Interior Air Quality System (IAQS) is
een volautomatisch systeem dat de lucht
in de passagiersruimte ontdoet van verontreinigingen in de vorm van stofdeeltjes,
koolwaterstoffen, stikstofoxiden en laaghangend ozon.
N.B.
Om aan de CZIP-norm te blijven voldoen
dient het IAQS-luchtfilter bij auto’s met
CZIP om de 15.000 km of ten minste eenmaal per jaar te worden vervangen (afhankelijk van wat het eerst wordt bereikt). Echter, maximaal 75.000 km per 5 jaar. Bij
auto’s zonder CZIP en in die gevallen dat de
klant niet langer eist dat aan de CZIP-norm
wordt voldaan, kan het IAQS-filter met de
reguliere intervallen worden vervangen.
Gebruik van beproefde materialen in het
interieur.
De gebruikte materialen zijn erop geselecteerd
de hoeveelheid stof in de passagiersruimte te
beperken, zodat de passagiersruimte gemakkelijker schoon te houden is. De vloerbekleding
in zowel de passagiersruimte als de bagageruimte zijn eenvoudig te verwijderen en schoon
te maken. Gebruik daarvoor schoonmaakmiddelen en autoverzorgingsproducten die door
Volvo worden geadviseerd, zie pagina 365.
Menu-instellingen
Het is mogelijk de basisinstellingen voor vier
van de klimaatregelingsfuncties te activeren/
deactiveren of wijzigen via de middenconsole.
Voor algemene informatie over de menufuncties, zie pagina 156:
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
• Ventilatorfunctie in automatische stand*,
zie pagina 169.
• De door de timer geregelde recirculatie van
de lucht in de passagiersruimte, zie
pagina 171.
• Automatische verwarming van de achterruit, zie pagina 110.
• Interior Air Quality System (IAQS)*, zie
pagina 171
De binnenkomende lucht wordt verdeeld over
uiteenlopende blaasmonden verspreid over
het interieur.
Blaasmonden in portierstijlen
In de stand AUTO* vindt de luchtverdeling
geheel automatisch plaats.
De luchtverdeling valt zo nodig handmatig bij
te regelen, zie pagina 172.
Blaasmonden in dashboard
De basisinstellingen voor de klimaatregelingsfuncties zijn te herstellen via het menusysteem
MY CAR en wel onder: Instellingen
Klimaatinstellingen Klimaatinstellingen
resetten.
04
Dicht
Open
Luchtverdeling
Luchtstroom naar links of rechts
Luchtstroom omhoog of omlaag
Richt de blaasmonden bij koud weer op de
achterste zijruiten om deze te ontwasemen.
Open
Dicht
Richt de blaasmonden, bij warm weer, naar
binnen toe voor een behaaglijke temperatuur
achter in de auto.
Luchtstroom naar links of rechts
Luchtstroom omhoog of omlaag
Richt de buitenste blaasmonden op de voorste
zijruiten om deze te ontwasemen.
N.B.
Let erop dat kinderen gevoelig kunnen zijn
voor luchtstromen en tocht.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
165
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
Elektronische klimaatregeling, ECC*
04
Temperatuurregeling, linkerzijde
Luchtverdeling - blaasmond dashboard
Temperatuurregeling, rechterzijde
Elektrisch verwarmde voorstoel, links
Luchtverdeling - ontwaseming voorruit
Recirculatie
Max. ontwaseming
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming, zie pagina 110
AUTO
Ventilator
Luchtverdeling - ventilatie vloer
166
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Elektrisch verwarmde voorstoel, rechts
AC – Airconditioning aan/uit
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
Elektronische temperatuurregeling, ETC
04
Ventilator
Elektrisch verwarmde voorstoel, rechts
Elektrisch verwarmde voorstoel, links
Temperatuurregeling
AC – Airconditioning aan/uit
Max. ontwaseming
Luchtverdeling - ventilatie vloer
Luchtverdeling - blaasmond dashboard
Luchtverdeling - ontwaseming voorruit
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming, zie pagina 110
Recirculatie
``
167
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
Gebruik bedieningselementen
Elektrisch verwarmde stoelen/
achterbank*
Voorstoelen
Tweemaal op de knop drukken levert een lager
verwarmingsniveau op – op het beeldscherm
branden twee oranje lampjes.
Achterbank2
Driemaal op de knop drukken levert het laagste
verwarmingsniveau op – op het beeldscherm
brandt één oranje lampje.
De vierde maal dat u op de knop drukt wordt
de verwarming uitgeschakeld – geen van de
lampjes brandt.
04
WAARSCHUWING
Het beeldscherm van de middenconsole geeft het
actuele verwarmingsniveau aan.
De stoelverwarming niet gebruiken wanneer
u de temperatuurstijging door verminderde
gevoeligheid niet waarneemt of om enigerlei
reden de stoelverwarming niet goed weet te
bedienen. Brandwonden zijn anders niet uitgesloten.
Eenmaal op de knop drukken
levert het hoogste verwarmingsniveau op – op het
beeldscherm van de middenconsole branden drie oranje
lampjes (zie bovenstaande
afbeelding).
2
168
Vervalt als u voor een geïntegreerd kinderzitje met twee standen kiest.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Eenmaal op de knop drukken levert het maximale verwarmingsniveau op – alle drie de
lampjes branden.
Tweemaal op de knop drukken levert een lager
verwarmingsniveau op – twee van de lampjes
branden.
Driemaal op de knop drukken levert het laagste
verwarmingsniveau op – een van de lampjes
brandt.
De vierde maal dat u op de knop drukt wordt
de verwarming uitgeschakeld – geen van de
lampjes brandt.
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
Ventilator
Luchtverdeling
N.B.
Als de ventilator volledig uitgeschakeld is,
start de airconditioning niet – wat kans op
beslagen ruiten kan geven.
Ventilatorknop voor ECC*
Draai aan de knop om de ventilatorsnelheid te verhogen of
te verlagen. De ventilatorsnelheid wordt automatisch geregeld, als u AUTO selecteert.
De eerder ingestelde ventilatorsnelheid wordt dan gene-
04
Luchtverdeling - ontwaseming voorruit
Luchtverdeling - blaasmond dashboard
geerd.
Ventilatorknop voor ETC
Draai aan de knop om de ventilatorsnelheid te verhogen of
te verlagen.
1
Luchtverdeling - ventilatie vloer
De gestileerde menselijke gedaante op de
nevenstaande afbeelding bestaat uit drie
knoppen. Bij bediening van de knoppen gaat
op het beeldscherm het desbetreffende
gedeelte van de gestiliseerde menselijke
gedaante (zie onderstaande afbeelding) branden samen met een pijl vóór dit gedeelte om
aan te geven welke luchtverdelingsstand er
gekozen is. Voor meer informatie over de luchtverdeling, zie pagina 172.
Het beeldscherm van de middenconsole geeft de
gekozen luchtverdelingsstand aan.
AUTO1
De functie AUTO regelt automatisch de temperatuur, de
airconditioning, de ventilatorsnelheid, de recirculatie en de
luchtverdeling.
Als u een of meer handmatige functies selecteert, worden de overige functies nog steeds
automatisch geregeld. Alle handmatige instellingen worden uitgeschakeld, wanneer u op de
knop AUTO drukt. Op het beeldscherm verschijnt AUTO-KLIMAAT.
Geldt alleen voor ECC.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
169
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
U kunt de ventilatorsnelheid in de automatische stand instellen in het menusysteem MY
CAR onder Instellingen
Klimaatinstellingen Autom.
ventilatorinstellingen. Kies uit Laag,
Normaal of Hoog :
AC – Airconditioning AAN/UIT
Wanneer het lampje in de
knop AC brandt, wordt de airconditioning geheel automatisch geregeld. De binnenkomende lucht wordt dan automatisch afgekoeld en van
vocht ontdaan.
• Laag - Automatische ventilatorregeling.
Geringe luchtstroom geniet de prioriteit.
System worden automatisch uitgeschakeld.
N.B.
De ventilator maakt meer geluid wanneer de
ventilator op maximale snelheid draait.
Bij het uitschakelen van de ontwaseming hervat de klimaatregeling de voorgaande instellingen.
Voor een beschrijving van het menusysteem,
zie pagina 156.
Temperatuurregeling
Max. ontwaseming
Recirculatie
ling.
• Hoog - Automatische ventilatorregeling.
Grotere luchtstroom geniet de prioriteit.
U gebruikt de ontwaseming
om de voorruit en de zijruiten
snel te ontwasemen en te ontdooien. Er stroomt lucht naar
de ruiten. Het lampje in de
ontwasemingsknop brandt,
wanneer de functie is inge-
Met deze knop kunt u de temperatuur instellen. Bij ECC* is
de temperatuur aan bestuurderszijde en die aan passagierszijde apart te in te stellen.
Bij het starten van de motor
wordt de laatst verrichte instelling hervat.
N.B.
Let erop dat de passagiersruimte niet sneller warm of koud wordt, wanneer u een
hogere of lagere temperatuur kiest dan de
gewenste.
170
ingeschakeld
• de recirculatie en het Interior Air Quality
Wanneer het lampje in de knop AC gedoofd is,
is de airconditioning uitgeschakeld. De overige
functies worden nog steeds automatisch geregeld. Bij activering van de maximale ontwaseming wordt automatisch de airconditioning
ingeschakeld, zodat de lucht optimaal
gedroogd wordt.
• Normaal - Automatische ventilatorrege04
• de airconditioning wordt automatisch
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
schakeld.
Bij activering van deze functie vindt bovendien
het volgende plaats om de lucht in het interieur
zoveel mogelijk van vocht te ontdoen:
Recirculatie
Wanneer de recirculatie actief
is, brandt het oranje lampje in
de knop. U kunt deze functie
inschakelen als u vieze lucht,
uitlaatgassen en dergelijke
buiten wilt houden. De lucht in
de passagiersruimte wordt
dan gerecirculeerd. Er komt met andere woorden geen lucht van buiten de auto in, wanneer
deze functie actief is.
BELANGRIJK
Als de lucht in de auto te lang recirculeert,
kan de binnenzijde van de ruiten beslaan.
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
Timer
Bij een geactiveerde timerfunctie zal de klimaatregeling afhankelijk van de buitentemperatuur na een bepaalde tijd de handmatig geactiveerde recirculatiestand verlaten. Dit beperkt
de kans op ijs, beslagen ruiten en een slechte
luchtkwaliteit. U kunt de functie activeren/
deactiveren in het menusysteem MY CAR
onder Instellingen Klimaatinstellingen
Timer voor hercirculatie. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie pagina 156.
N.B.
Wanneer u voor maximale ontwaseming
kiest, wordt de recirculatie altijd uitgeschakeld.
Interior Air Quality System (IAQS)*
om zo hinderlijke geurtjes en verontreinigingen
in de passagiersruimte te beperken. Als de Air
Quality Sensor een verhoogde concentratie
van verontreinigingen in de buitenlucht meet,
wordt de luchtinlaat afgesloten waarna de
lucht in de passagiersruimte wordt gerecirculeerd.
Voor optimale kwaliteit van de lucht in de
passagiersruimte dient u de Air Quality Sensor ingeschakeld te houden.
U kunt de functie activeren/deactiveren in het
menusysteem MY CAR onder Instellingen
Klimaatinstellingen
Luchtkwaliteitssysteem. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie pagina 156.
Als de ruiten toch beslaan, moet u de Air
Quality Sensor uitschakelen en alle ruiten
(voorruit, zijruiten en achteruit) ontwasemen.
N.B.
Bij koud weer gelden er beperkingen voor
de recirculatiefunctie om te voorkomen dat
de ruiten beslaan.
04
Auto’s met Eco Start/Stop DRIVe*
Bij automatische afzetting van de motor gelden
er mogelijk beperkingen voor de werking van
bepaalde apparatuur (zoals het ventilatortoerental van de klimaatregeling). Zie voor meer
informatie zie pagina 134.
Het Interior Air Quality System ontdoet de binnenkomende lucht van gassen en stofdeeltjes
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
171
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
Luchtverdelingstabel
04
172
Luchtverdeling
Toepassing
Luchtverdeling
Toepassing
Lucht naar de ruiten. Er
komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de
blaasmonden. De lucht
wordt niet gerecirculeerd.
De airconditioning is altijd
ingeschakeld.
om snel te ontdooien en
te ontwasemen.
Lucht naar de vloer en de
ruiten. Er komt een
bepaalde hoeveelheid
lucht uit de blaasmonden
in het dashboard.
om een comfortabel klimaat en een goede ontwaseming te verkrijgen
bij koud weer.
Lucht naar de voorruit, via
de blaasmond voor ontwaseming, en de zijruiten.
Er komt een bepaalde
hoeveelheid lucht uit de
blaasmonden.
om wasem en ijsvorming bij koud en vochtig weer te voorkomen
(niet te lage ventilatorsnelheid).
Lucht naar de vloer en uit
de blaasmonden in het
dashboard.
bij zonnig weer en
matige buitentemperaturen.
Luchtstroom naar de ruiten en uit de blaasmonden van het dashboard.
om een comfortabel klimaat te verkrijgen bij
warm en droog weer.
Lucht naar de vloer. Er
komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de
blaasmonden in het dashboard en op de ruiten.
om warme of koude
lucht naar de vloer te
sturen.
Luchtstroom op hoofden borsthoogte uit de
blaasmonden in het dashboard.
om een efficiënte koeling te verkrijgen bij
warm weer.
Luchtstroom naar de ruiten, uit de blaasmonden
in het dashboard en naar
de vloer.
om koele lucht naar de
vloer te sturen of warme
lucht naar de rest van
het lichaam bij koud
weer of bij warm en
droog weer.
04 Comfort en rijplezier
Motor- en interieurverwarming op brandstof*
Verwarming op brandstof
Tanken
Als de accu onvoldoende opgeladen is of als
het brandstofpeil te laag is, wordt de standverwarming automatisch uitgeschakeld en er verschijnt een melding op het display. Bevestig
deze melding door op de knop READ op de
richtingaanwijzerhendel te drukken, zie
pagina 174.
Algemene informatie over de
standverwarming
U kunt de standverwarming die de motor en
het interieur verwarmt meteen inschakelen of
vertraagd met een timerfunctie.
U kunt twee verschillende uitschakeltijden
instellen met de timerfunctie. Onder de uitschakeltijd wordt het tijdstip verstaan waarop
de auto de gewenste temperatuur bereikt
heeft. De elektronica van de auto rekent aan de
hand van de buitentemperatuur zelf uit wanneer de verwarming moet worden ingeschakeld.
Bij een buitentemperatuur hoger dan 15 °C
wordt de verwarming niet geactiveerd. Bij temperaturen van –5 °C of lager is de maximale
bedrijfstijd van de standverwarming 50 minuten.
WAARSCHUWING
Bij gebruik van de standverwarming moet
de auto in de buitenlucht staan.
N.B.
Bij gebruik van de standverwarming is het
volkomen normaal dat er rook uit de rechter
wielkast komt.
Accu en brandstof
BELANGRIJK
Waarschuwingssticker op tankvulklep.
WAARSCHUWING
Gemorste brandstof kan ontvlammen.
Schakel voordat u gaat tanken de standverwarming op brandstof uit.
Herhaaldelijk gebruik van de standverwarming bij korte ritten kan ertoe leiden dat de
accu uitgeput raakt en startproblemen opleveren.
04
Bij regelmatig gebruik van de standverwarming moet u even lang in de auto rijden als
de standverwarming aanstond. Dit om te
zorgen dat de dynamo evenveel energie kan
bijladen als de standverwarming verbruikt.
Controleer op het informatiedisplay of de
standverwarming uit is. Wanneer de verwarming aanstaat, staat op het informatiedisplay de melding Standverw. AAN.
Op een helling parkeren
Wanneer u de auto op een steile helling parkeert, moet u ervoor zorgen dat de voorkant
van de auto omlaagwijst. Zo krijgt de standverwarming altijd voldoende brandstof.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
173
04 Comfort en rijplezier
Motor- en interieurverwarming op brandstof*
N.B.
Symbool
Symbool
Duimwiel
G025102
Knop READ
Symbolen en displaymeldingen
Wanneer u de instellingen van een
van de timers of Directe start activeert, gaat het informatiesymbool op het
instrumentenpaneel branden en op het informatiedisplay verschijnen een verklarende melding plus een ander brandend symbool. In de
onderstaande tabel staan de voorkomende
symbolen en displaymeldingen.
174
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
G025102
RESET - resetten/kiezen
Voor meer informatie over het informatiedisplay en de knop READ, zie pagina 152.
Display
Betekenis
Brandstofkachel AAN
De verwarming is
ingeschakeld en
werkt.
Timer
ingesteld
Brandstofkachel
Verwarmingstimer
geactiveerd bij uitnemen transpondersleutel en verlaten van de auto –
motor en passagiersruimte warm
op ingesteld tijdstip.
G025102
04
G025102
- Het cijfer 2 in het symbool geeft
aan dat het om de andere klimaatregeling in
de auto gaat, waarbij de standaardklimaatregeling als nummer één geldt. Het cijfer 2
heeft niets te maken met TIMER 1 of
TIMER 2.
G025102
G025102
Bediening
Display
Betekenis
Verwarming stop
Accuspann.
laag
De verwarming
werd uitgeschakeld om te zorgen
dat er voldoende
stroom is om de
motor te starten.
Verw niet
besch
Brandstofp.
laag
De verwarming
kan niet worden
ingeschakeld door
een te laag brandstofpeil (ca. 7 liter)
– dit om het mogelijk te maken de
motor te starten en
nog ca. 50 km te
rijden.
Standkachel Service vereist
Verwarming
defect. Neem voor
reparatie contact
op met een werkplaats. Volvo adviseert u contact op
te nemen met een
erkende Volvowerkplaats.
04 Comfort en rijplezier
Motor- en interieurverwarming op brandstof*
Een displaymelding verdwijnt automatisch na
enige tijd. U kunt een melding ook eerder doen
verdwijnen met een druk op de knop READ van
de richtingaanwijzerhendel.
Meteen inschakelen/uitschakelen
1. Gebruik het duimwiel om naar Directe
start Standverw. te gaan.
2. Druk op RESET om te kiezen uit AAN en
UIT.
AAN: De standverwarming is handmatig of via
de timerfunctie ingeschakeld.
Timers instellen
Met de timers geeft u het tijdstip aan dat de
auto op temperatuur moet zijn omdat u die
wenst te gebruiken.
Kies uit TIMER 1 en TIMER 2.
N.B.
De timers zijn alleen te programmeren wanneer de transpondersleutel in contactslotstand I staat, zie pagina 86 – programmeer
daarom voordat u de motor start.
UIT: De standverwarming is uitgeschakeld.
1. Gebruik het duimwiel om naar Timer
standkach 1 te gaan.
Bij directe start van de standverwarming zal
deze 50 minuten lang geactiveerd blijven.
2. Druk kort op de knop RESET zodat de uuraanduiding gaat knipperen.
De interieurverwarming gaat van start, zodra
de koelvloeistof in de motor de juiste temperatuur heeft bereikt.
3. Stel de gewenste uuraanduiding in met het
duimwiel.
N.B.
Het is mogelijk de motor starten en weg te
rijden, terwijl de standverwarming aanstaat.
4. Druk kort op de knop RESET, zodat de
minuutaanduiding gaat knipperen.
5. Stel de gewenste minuutaanduiding in met
het duimwiel.
6. Druk kort op de knop RESET om de instelling te bevestigen.
7. Druk op de knop RESET om de timer te
activeren.
Wanneer u Timer standkach 1 hebt ingesteld,
kunt u een tweede uitschakeltijd programmeren onder Timer standkach 2 door aan het
duimwiel te draaien.
U stelt de andere uitschakeltijd op dezelfde
manier in als bij Timer standkach 1.
Timergestuurde verwarming voortijdig
uitschakelen
U kunt de timergestuurde verwarming uitschakelen voordat de timer dat doet. Doe dat als
volgt:
04
1. Druk op READ.
2. Ga met het duimwiel naar Timer
standkach 1 of 2.
> De tekst AAN knippert op het display.
3. Druk op RESET.
> De tekst UIT brandt continu en de verwarming wordt uitgeschakeld.
Een timergestuurde verwarming is ook uit te
schakelen volgens de instructies in het
gedeelte “Meteen inschakelen/uitschakelen”,
zie pagina 175.
Klok/timer
De timers van de verwarming zijn gekoppeld
aan de klok in de auto.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
175
04 Comfort en rijplezier
Motor- en interieurverwarming op brandstof*
N.B.
Als u de klok van de auto bijstelt, worden
eventuele timerinstellingen gewist.
04
176
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Comfort en rijplezier
Extra verwarming*
Algemene informatie over de extra
verwarming
Interieurverwarming*
Als de extra verwarming wordt uitgebreid met
een timerfunctie, kan deze dienstdoen als interieurverwarming op brandstof, zie pagina 173.
In landen met een koud klimaat1 is wellicht een
extra verwarming vereist om de motor op
bedrijfstemperatuur te brengen en een
behaaglijke temperatuur in de passagiersruimte te realiseren.
Extra verwarming op elektriciteit
Bij auto’s met bepaalde benzinemotoren2 is
een extra verwarming op elektriciteit ingebouwd in de klimaatregeling.
Extra verwarming op brandstof
Op auto’s met een dieselmotor is een extra
verwarming op brandstof gemonteerd.
De extra verwarming wordt automatisch ingeschakeld wanneer er extra warmte nodig is terwijl de motor loopt.
De verwarming wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer het warm genoeg is of wanneer
de motor wordt afgezet.
N.B.
Bij gebruik van de extra verwarming is het
volkomen normaal dat er rook uit de rechter
wielkast komt.
Automatische stand of uitschakelen
De automatische startprocedure van de motor
kan desgewenst worden geannuleerd.
1
2
Knop READ
Duimwiel
Knop RESET
1. Alvorens de motor te starten: Kies de sleutelstand I, zie pagina 86.
In een gematigde1 klimaatzone worden dieselmodellen uitgerust met een extra verwarming
op elektriciteit in plaats van één op brandstof.
04
De verwarming is niet handmatig te regelen,
maar wordt nadat de motor is aangeslagen
automatisch geactiveerd bij buitentemperaturen lager dan 14 °C en wordt gedeactiveerd
wanneer de ingestelde interieurtemperatuur is
bereikt.
2. Gebruik het duimwiel om naar Extra
verwarming auto te gaan.
3. Druk op RESET om te kiezen uit AAN en
UIT.
N.B.
De menu-opties zijn alleen zichtbaar in contactslotstand I – verricht eventuele aanpassingen daarom voordat u de motor start.
Een erkende Volvo-dealer kan u informeren over de desbetreffende geografische gebieden.
Een erkende Volvo-dealer kan u informeren over de desbetreffende motoren.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
177
04 Comfort en rijplezier
Boordcomputer
Algemene informatie
Functies
N.B.
Als er een waarschuwingsmelding verschijnt tijdens het gebruik van de boordcomputer, dient u deze melding eerst te
bevestigen voordat u de boordcomputer
weer kunt activeren. Bevestig de waarschuwingsmelding door te drukken op READ.
04
Informatiedisplay en bedieningstoetsen.
READ – bevestigen.
Duimwiel – menu’s en opties binnen de
cruisecontrol-lijst doorbladeren.
RESET – op nul stellen.
De menu’s van de boordcomputer volgens elkaar op in een eindeloze lus. Een van de
menuopties is een gedoofd scherm – het geeft
tevens het begin/eind van de lus aan.
Om de eenheid te wijzigen waarin de afstand
en snelheid worden weergegeven – ga naar MY
CAR Instellingen Systeemopties
Afstands-/brandstofeenheid, zie
pagina 155.
Gemiddelde snelheid
De gemiddelde snelheid sinds de laatste maal
dat de waarde op nul gesteld werd. U stelt de
waarde op nul met RESET.
Gemiddeld
Het gemiddelde brandstofverbruik sinds de
laatste maal dat de waarde op nul gesteld
werd. U stelt de waarde op nul met RESET.
N.B.
Er kunnen onjuiste waarden verschijnen, als
u een extra verwarming en/of standverwarming* op brandstof hebt gebruikt.
Km actieradius
De actieradius wordt berekend aan de hand
van het gemiddelde brandstofverbruik over de
laatste 30 km en de resterende hoeveelheid
brandstof. Het display geeft de afstand aan die
bij benadering kan worden afgelegd met de
resterende hoeveelheid brandstof in de tank.
Momentaan
Een zuinige rijstijl betekent doorgaans een langere actieradius. Voor meer informatie over het
beperken van het brandstofverbruik, zie
pagina 13.
Het momentane (actuele) brandstofverbruik
wordt eenmaal per seconde berekend. De
waarde op het display wordt om de paar
seconden bijgewerkt. Wanneer de auto stilstaat, geeft het display “----” aan.
Wanneer “---- km actieradius” op het display
staat, zijn geen garanties meer te geven voor
de resterende actieradius. Tank dan zo spoedig mogelijk.
N.B.
Er kunnen onjuiste waarden verschijnen, als
u van rijstijl bent veranderd.
178
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Comfort en rijplezier
Boordcomputer
Op nul stellen
1. Selecteer --- km/h gem. snelheid of --.l/100km gemiddeld.
2. Houd RESET ca. 1 seconde ingedrukt om
de waarde voor de gekozen functie op nul
te stellen. Als u RESET ten minste
3 seconden lang ingedrukt houdt, stelt u de
gemiddelde snelheid en het gemiddelde
brandstofverbruik gelijktijdig op nul.
Actuele snelheid*1
04
Bij een snelheidsmeter met een kilometerschaal wordt overgeschakeld op weergave van
de actuele snelheid in mph (miles per hour). Bij
een snelheidsmeter met een milesschaal wordt
overgeschakeld op weergave van de actuele
snelheid in km/h.
1
Alleen bepaalde markten.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
179
04 Comfort en rijplezier
Stabiliteits- en tractieregelsysteem, DSTC
Algemene informatie over DSTC
De stabiliteits- en tractieregeling DSTC
(Dynamic Stability & Traction Control) helpt de
bestuurder voorkomen dat de wielen doorslippen en verbetert de tractie van de auto.
Een van de gevolgen van ongewenste blokkering van de wielen is dat u de auto moeilijk
onder controle kunt houden.
Corner Traction Control, CTC
Tijdens het afremmen kunnen de ingrepen van
het systeem waarneembaar zijn in de vorm van
pulserende geluiden. Tijdens het gas geven
kan de auto langzamer optrekken dan u verwacht.
CTC zorgt voor compensatie van eventueel
onderstuur in een bocht en maakt het mogelijk
om sneller op te trekken dan normaal zonder
dat het binnenste wiel doorslipt zoals bij een
gebogen oprit om zo sneller in te kunnen voegen in de verkeersstroom.
Antislipregeling
Trailer Stability Assist*, TSA
Deze regeling beperkt de aandrijfkracht en
remkracht van elk van de afzonderlijke wielen
om de auto op die manier te stabiliseren.
Het systeem heeft tot taak de auto met een
aanhanger/caravan te stabiliseren wanneer de
combinatie de neiging tot pendelbewegingen
vertoont, zie pagina 307.
04
Antispinregeling
Deze regeling voorkomt dat de aangedreven
wielen tijdens het optrekken doorslippen.
Tractieregeling
Deze regeling is actief op lage snelheden en
brengt de aandrijfkracht van een slippend aandrijfwiel over op een aandrijfwiel dat niet slipt.
Motorremregeling, EDC
EDC (Engine Drag Control) voorkomt ongewenste blokkering van de wielen zoals na
terugschakeling of bij gladheid tijdens het
afremmen op de motor in een lage versnelling.
N.B.
De functie wordt gedeactiveerd als u de
Sport-stand kiest.
Bediening
Niveau kiezen, Sport-stand
Het DSTC-systeem is altijd geactiveerd – uitschakelen is niet mogelijk.
U kunt echter de Sport-stand kiezen voor een
actievere rijervaring. In de Sport-stand registreert het systeem of de gaspedaal- en stuurwielbediening alsook het bochtenwerk als
actiever dan normaal aan te merken zijn,
waarna het systeem toestaat dat de achtertrein
een gecontroleerde vorm van slippen vertoont
voordat het ingrijpt en de auto stabiliseert.
Als u de gecontroleerde vorm van slippen
beëindigt door het gaspedaal te bedienen,
grijpt het DSTC-systeem in om de auto te stabiliseren.
De Sport-stand maakt maximale aandrijving
mogelijk, als de auto is blijven steken of over
een zachte ondergrond (zoals zand of een
dikke laag sneeuw) rijdt.
Kies als volgt de Sport-stand:
1. Druk op de middenconsole de knop MY
CAR in en zoek in het menusysteem op het
beeldscherm My V60 DSTC op. (Voor
informatie over het menusysteem, zie
pagina 155).
2. Ontvink het vakje en verlaat het menusysteem met EXIT.
180
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Comfort en rijplezier
Stabiliteits- en tractieregelsysteem, DSTC
> Het systeem maakt vervolgens een
sportievere rijstijl mogelijk.
De Sport-stand is actief, totdat u de stand verlaat of de motor afzet – de volgende keer dat u
de motor start, staat het DSTC-systeem weer
in de normale stand.
Symbolen en meldingen op display
Symbool
Melding
Betekenis
DSTC Tijdelijk UIT
Wegens een te hoge temperatuur van de remschijven gelden er tijdelijk beperkingen voor het DSTCsysteem. Het systeem wordt automatisch opnieuw ingeschakeld, wanneer de remmen voldoende zijn
afgekoeld.
DSTC Service vereist
04
Het DSTC-systeem is defect.
• Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand, zet de motor af en start deze opnieuw.
• Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
‘Melding’
Er staat een melding op het display van de snelheidsmeter – lees deze!
Brandt 2 seconden lang continu.
Systeemtest bij het starten van de motor.
Knippert.
Het DSTC-systeem grijpt in.
en
De Sport-stand is geactiveerd.
181
04 Comfort en rijplezier
Rijeigenschappen aanpassen
Actieve chassisregeling, Four-C*
Bediening
Het actieve chassissysteem FOUR-C
(Continously Controlled Chassis Concept)
stemt de eigenschappen van de schokdempers af op de gewenste rijeigenschappen van
de auto. U hebt de keuze uit drie standen:
Comfort, Sport en Advanced.
Voor een beschrijving van het menusysteem,
zie pagina 155. Dit menu is niet te openen wanneer de auto rijdt.
Comfort
04
In deze stand rijdt de auto comfortabeler op
een ruw en oneffen wegdek. De vering verloopt
soepel waardoor de bewegingen van de carrosserie minimaal en aangenaam zijn.
Sport
Bij deze stand die wordt geadviseerd voor een
actievere rijstijl heeft de auto een sportiever
karakter. De auto reageert sneller op de bewegingen van het stuurwiel dan in de stand
Comfort. De vering is stugger dan normaal en
de carrosserie volgt het wegdek om in bochten
de mate van overhellen te beperken.
Advanced
U wordt geadviseerd deze stand alleen te activeren op zeer rechte en vlakke wegen.
De bewegingen van de schokdempers zijn
geoptimaliseerd voor maximale grip en minimale overhelling in bochten.
Chassisstanden.
Gebruik de knoppen op de middenconsole om
van stand te veranderen. De chassisstand die
actief is bij het afzetten van de motor zal de
volgende keer dat u de motor start opnieuw
geactiveerd worden.
Snelheidsafhankelijke
stuurbekrachtiging*
Naarmate de rijsnelheid hoger wordt neemt de
stuurbekrachtiging af, waardoor u een beter
gevoel met de weg krijgt. Op snelwegen stuurt
de auto zwaarder en directer. Bij het parkeren
en op lage snelheden is de auto lichter en met
minder moeite te besturen.
U hebt de keuze uit drie niveaus van stuurbekrachtiging voor een maximum aan weggevoel
182
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
en stuurgevoeligheid. Open het menusysteem
MY CAR en ga naar Instellingen Autoinstellingen Stuurkracht en kies uit Laag,
Midden of Hoog.
04 Comfort en rijplezier
Cruisecontrol*
Bediening
De cruisecontrol is vervolgens te activeren met
of
, waarna de actuele snelheid in het
geheugen opgeslagen wordt – de melding (---)
km/h op het display maakt plaats voor de
gekozen snelheid, bijv. 100 km/h.
N.B.
Bij snelheden lager dan 30 km/h is het niet
mogelijk de cruisecontrol in te schakelen.
Snelheid wijzigen
Toetsenset op stuurwiel en display.
Cruisecontrol – Aan/Uit.
De stand-bystand wordt beëindigd en de
ingestelde snelheid wordt hervat.
Stand-by zetten
Activeren en snelheid aanpassen.
Gekozen snelheid (tussen haakjes = standbystand).
Activeren en snelheid instellen
Schakel de cruisecontrol in met een druk op de
stuurtoets
– het symbool
gaat branden
op het display (5) en de haakjes rond (---) km/
h geven aan dat de cruisecontrol stand-by
staat.
In de actieve stand kunt u de snelheid verhogen of verlagen door de knop
of
kort of
lang in te drukken – de laatst gewijzigde
waarde wordt opgeslagen in het geheugen.
Wanneer u tijdelijk gas geeft via het gaspedaal
zoals bij een inhaalmanoeuvre, blijft de instelling van de cruisecontrol ongewijzigd – de auto
hervat de ingestelde snelheid zodra u het gaspedaal loslaat.
Tijdelijk deactiveren – stand-bystand
Druk op
om de cruisecontrol tijdelijk uit te
schakelen en stand-by te zetten – de ingestelde snelheid verschijnt tussen haakjes op
het display (5), bijv. (100) km/h.
Automatische stand-bystand
De cruisecontrol wordt tijdelijk uitgeschakeld
en stand-by gezet, als:
•
•
•
•
•
de wielen hun grip op het wegdek verliezen
het rijpedaal wordt bediend
04
de snelheid daalt tot onder ca. 30 km/h
het koppelingspedaal wordt bediend
de keuzehendel in de neutraalstand wordt
gezet (automatische versnellingsbak)
• u meer dan 1 minuut lang een hogere snelheid aanhoudt dan ingesteld.
U dient vervolgens zelf uw snelheid aan te passen.
Ingestelde snelheid hervatten
N.B.
Als een van de toetsen van de cruisecontrol
langer dan ca. 1 minuut ingedrukt wordt,
wordt de cruisecontrol uitgeschakeld. Om
de cruisecontrol in dat geval te resetten
moet u de motor afzetten.
Een cruisecontrol in stand-bystand is opnieuw
te activeren bij een druk op de stuurtoets
–
in dat geval wordt de laatst opgeslagen snelheid hervat.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
183
04 Comfort en rijplezier
Cruisecontrol*
N.B.
Wanneer u de ingestelde snelheid hebt hervat met
kan er een duidelijke snelheidsverhoging optreden.
Uitschakelen
04
184
De cruisecontrol wordt uitgeschakeld bij
of bij het afzetten
gebruik van de stuurtoets
van de motor – de ingestelde snelheid wordt uit
het geheugen verwijderd en valt niet langer te
hervatten met de toets
.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Comfort en rijplezier
Snelheidsbegrenzer
Algemene informatie over
snelheidsbegrenzer
Een snelheidsbegrenzer (Speed Limiter) is te
beschouwen als een omgekeerde cruisecontrol – u regelt de snelheid met het gaspedaal,
terwijl de snelheidsbegrenzer voorkomt dat u
per ongeluk de vooraf gekozen/ingestelde
snelheid overschrijdt.
Bediening
Bij stilstand
Opgeslagen maximumsnelheid (tussen
haakjes = stand-bystand).
1. Druk op de stuurtoets
om de snelheidsbegrenzer in te schakelen.
Inschakelen en activeren
Wanneer de snelheidsbegrenzer actief is, verschijnt op
het display het bijbehorende
symbool met de ingestelde
maximumsnelheid.
Zowel tijdens het rijden als bij
stilstand is het mogelijk een maximumsnelheid
in te stellen en op te slaan in het geheugen.
Tijdens het rijden
Toetsenset op stuurwiel en display.
Snelheidsbegrenzer - Aan/Uit.
Stand-bystand beëindigd en de opgeslagen snelheid wordt hervat – iedere keer
drukken komt overeen met +1 km/h.
Stand-bystand.
zen en opgeslagen maximumsnelheid
aan.
Activeren en maximumsnelheid aanpassen (iedere keer indrukken komt overeen
met +/– 5 km/h).
1. Wanneer de auto op de gewenste maximumsnelheid rijdt: Druk op de stuurtoets
om de snelheidsbegrenzer in te schakelen.
> Het symbool voor de snelheidsbegrenzer verschijnt op het display van het
instrumentenpaneel.
2. Druk op een van de stuurtoetsen
of
, totdat de gewenste maximumsnelheid
op het display van het instrumentenpaneel
staat.
> De snelheidsbegrenzer is daarmee
actief en het display (5) geeft de geko-
2. Druk meerdere malen op de toets
, totdat de gewenste maximumsnelheid op het
display van het instrumentenpaneel staat.
> De snelheidsbegrenzer is daarmee
actief en het display (5) geeft de gekozen en opgeslagen maximumsnelheid
aan.
04
Tijdelijk deactiveren – stand-bystand
Om de snelheidsbegrenzer tijdelijk te deactiveren en stand-by te zetten:
Druk op
.
> De opgeslagen maximumsnelheid staat
tussen haakjes (5) op het display en het
is mogelijk de ingestelde maximumsnelheid tijdelijk te overschrijden.
De snelheidsbegrenzer is opnieuw te
, waarna
activeren met een druk op
de haakjes van het display verdwijnen
en de ingestelde maximumsnelheid
opnieuw van kracht is.
``
185
04 Comfort en rijplezier
Snelheidsbegrenzer
Tijdelijk deactiveren met gaspedaal
N.B.
De snelheidsbegrenzer is ook met het gaspedaal stand-by te zetten, bijv. om in noodgevallen snel te kunnen accelereren:
04
Trap het gaspedaal volledig in.
> De opgeslagen maximumsnelheid staat
tussen haakjes (5) op het display en het
is mogelijk de ingestelde maximumsnelheid tijdelijk te overschrijden.
De snelheidsbegrenzer wordt automatisch opnieuw geactiveerd nadat u het
gaspedaal hebt losgelaten en de auto is
afgeremd tot een snelheid onder de
gekozen/opgeslagen maximumsnelheid – de haakjes op het display verdwijnen waarna de maximumsnelheid
van de auto opnieuw van kracht is.
Alarm overschrijding snelheid
Op steile aflopende hellingen volstaat de
motorrem mogelijk niet zodat de gekozen
maximumsnelheid wordt overschreden. U
wordt in dat geval hierop geattendeerd door
een geluidssignaal.
Het signaal is hoorbaar totdat u de auto hebt
afgeremd tot een snelheid onder de gekozen
maximumsnelheid.
186
Het alarm wordt pas na 5 seconden geactiveerd, als de snelheid met minimaal
3 km/h wordt overschreden en de afgelopen
30 seconden geen van de toetsen
of
werd bediend.
Uitschakelen
Om de snelheidsbegrenzer uit te schakelen:
Druk op de stuurtoets
.
> Het snelheidsbegrenzersymbool op het
display en de ingestelde snelheid (5)
doven. De gekozen en opgeslagen snelheid is vervolgens uit het geheugen
gewist, waarna deze niet meer te hervatten is met de toets
.
U kunt daarna weer zonder beperkingen
de snelheid regelen met het gaspedaal.
04 Comfort en rijplezier
Adaptieve cruisecontrol*
Algemene informatie over ACC
De adaptieve cruisecontrol (ACC – Adaptive
Cruise Control) helpt u om een veilige afstand
tot voorliggers te houden. De adaptieve cruisecontrol biedt u een comfortabeler rijervaring op
lange ritten op snelwegen en lange, rechte
hoofdwegen met een gelijkmatige verkeersstroom.
U stelt de gewenste snelheid en het tijdsverschil ten opzichte van de voorligger. Wanneer
de radarsensor een voorligger registreert die
langzamer rijdt dan u, wordt uw snelheid automatisch aangepast. Wanneer de weg voor u
weer vrij is, hervat de auto de ingestelde snelheid.
Als de auto een voorligger te dicht nadert terwijl
de adaptieve cruisecontrol uitgeschakeld is of
stand-by staat, wordt u door Distance Alert (zie
pagina 197) geattendeerd op de korte afstand.
WAARSCHUWING
De bestuurder dient altijd rekening te houden met de verkeersomstandigheden en in
te grijpen, wanneer de adaptieve cruisecontrol geen passende snelheid of afstand aanhoudt.
met een zogeheten file-assistent, zie
pagina 192.
Functie
De adaptieve cruisecontrol leent zich niet
voor alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
Neem dit gedeelte helemaal door om inzicht
te krijgen in de beperkingen van de adaptieve cruisecontrol en daarmee rekening te
kunnen houden, voordat u de adaptieve
cruisecontrol inschakelt.
De bestuurder is er altijd verantwoordelijk
voor dat de juiste afstand en snelheid worden aangehouden, ook bij gebruik van de
adaptieve cruisecontrol.
04
Functie-overzicht1.
Waarschuwingslampje, afremmen noodzakelijk
BELANGRIJK
Laat het onderhoud van de onderdelen van
de adaptieve cruisecontrol over aan een
werkplaats – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
Toetsenset stuurwiel
Radarsensor
De adaptieve cruisecontrol bestaat uit een
cruisecontrol die gekoppeld is aan een
afstandshouder.
Automatische versnellingsbak
Bij auto’s met een automatische versnellingsbak is de adaptieve cruisecontrol uitgebreid
1
N.B. De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
187
04 Comfort en rijplezier
Adaptieve cruisecontrol*
WAARSCHUWING
De adaptieve cruisecontrol is geen systeem
dat botsingen voorkomt. Grijp zelf in zodra
u merkt dat het systeem een voorligger niet
registreert.
De adaptieve cruisecontrol reageert niet op
voetgangers of dieren noch op kleinere
voertuigen, zoals fietsen of motorfietsen
e.d. Tegenliggers, langzaam rijdende en stilstaande voertuigen of vaste obstakels worden eveneens genegeerd.
04
Gebruik de adaptieve cruisecontrol niet in
stadsverkeer of verkeersdrukte, op kruisingen, bij gladheid, hevige regen- of sneeuwval of slecht zicht en evenmin op weggedeelten met een dikke laag water of
sneeuwmodder, op bochtige wegen of op
op- en afritten.
De afstand tot het verkeer voor u wordt in principe gemeten met een radarsensor. De cruisecontrol regelt de snelheid door de stand van de
gasklep aan te passen en zo nodig af te remmen. Het is volkomen normaal dat de remmen
enige geluiden produceren, wanneer de adaptieve cruisecontrol ze aanspreekt.
2
188
WAARSCHUWING
Het rempedaal komt omlaag, wanneer de
cruisecontrol remt. Houd uw voet dan ook
niet onder het rempedaal om beknelling te
voorkomen.
De adaptieve cruisecontrol streeft ernaar de
door u ingestelde volgtijd ten opzichte van
voorliggers in dezelfde rijstrook aan te houden.
Als de radarsensor geen voorligger registreert,
houdt de auto in plaats daarvan de snelheid
aan die op de cruisecontrol werd ingesteld. Dit
gebeurt ook als de snelheid van de voorligger
de ingestelde snelheid van de adaptieve
cruisecontrol overschrijdt.
De cruisecontrol streeft ernaar de snelheid zo
weinig mogelijk aan te passen. In situaties
waarin krachtig moet worden geremd, dient de
bestuurder dan ook zelf te remmen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij grote snelheidsverschillen of als het voertuig dat voor u rijdt krachtig
remt. Door beperkingen van de radarsensor is
het mogelijk dat er onverwachts of helemaal
niet wordt geremd (zie pagina 193).
De adaptieve cruisecontrol is te activeren om
een volgtijd aan te houden ten opzichte van
een voorligger bij snelheden vanaf 30 km/h2 tot
een maximumsnelheid van 200 km/h. Als de
De file-assistent (auto’s met een automatische versnellingsbak) kan een interval aan van 0–200 km/h, zie pagina 192.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
snelheid tot onder 30 km/h daalt of als het
motortoerental te laag wordt, wordt de cruisecontrol stand-by gezet, waarna er niet langer
automatisch wordt afgeremd – u moet dan zelf
remmen om een veilige afstand te houden tot
voorliggers.
Waarschuwingslampje – afremmen
noodzakelijk
Het remvermogen van de adaptieve cruisecontrol bedraagt meer dan 40 % van de totale
remcapaciteit van de auto.
Als de auto harder moet worden afgeremd dan
de adaptieve cruisecontrol aankan en u remt
zelf niet bij, dan maakt de cruisecontrol u er
middels het waarschuwingslampje van Collision Warning en een geluidssignaal (zie
pagina 206) attent op dat u onmiddellijk moet
ingrijpen.
N.B.
Het waarschuwingslampje is soms moeilijk
te ontdekken in de felle zon of bij het gebruik
van een zonnebril.
04 Comfort en rijplezier
Adaptieve cruisecontrol*
WAARSCHUWING
Bediening
Volgtijd – Aan, tijdens aanpassing.
Volgtijd – Aan, ná aanpassing.
De adaptieve cruisecontrol waarschuwt
alleen voor de voertuigen die de radarsensor heeft geregistreerd. Het is dan ook
mogelijk dat een waarschuwing uitblijft of
pas na enige vertraging wordt gegeven.
Wacht een waarschuwing dan ook niet af,
maar rem zelf wanneer u dat nodig acht.
Steile wegen en/of zware belading
Let erop dat de adaptieve cruisecontrol in eerste instantie bestemd is voor gebruik tijdens
ritten op vlakke weggedeelten. De cruisecontrol heeft mogelijk moeite om de juiste volgafstand ten opzichte van voorliggers aan te houden bij ritten op steile wegen, bij vervoer van
zware belading of met een aanhanger/caravan
achter de auto – blijf dan extra alert en rem zo
nodig zelf.
04
Toetsenset3 op stuurwiel en display.
Cruisecontrol – Aan/Uit.
Stand-bystand beëindigd en de opgeslagen snelheid wordt hervat – iedere keer
drukken komt overeen met +1 km/h.
Stand-by zetten
Volgtijd – Verlengen/verkorten.
Activeren en snelheid aanpassen (iedere
keer indrukken komt overeen met +/– 5
km/h).
Gekozen snelheid (tussen haakjes = standbystand).
3
4
Toetsenset4 op stuurwiel en display.
De stand-bystand wordt beëindigd en de
ingestelde snelheid wordt hervat.
Cruisecontrol – Aan/Uit of stand-bystand.
Volgtijd – Verlengen/verkorten.
Activeren en snelheid aanpassen.
Gekozen snelheid (tussen haakjes = standbystand).
Volgtijd – Aan, tijdens aanpassing.
Volgtijd – Aan, ná aanpassing.
Auto’s met snelheidsbegrenzer.
Auto’s zonder snelheidsbegrenzer. Een Volvo-dealer kan u informeren over wat er op uw markt geldt.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
189
04 Comfort en rijplezier
Adaptieve cruisecontrol*
Activeren en snelheid instellen
Schakel de cruisecontrol in met een druk op de
– het symbool
gaat branden
stuurtoets
op het display. De haakjes (6) bij (---) geven
aan dat de cruisecontrol stand-by staat.
04
De cruisecontrol is vervolgens te activeren met
of
, waarna de actuele snelheid in het
geheugen opgeslagen wordt – de melding
(---) op het display maakt plaats voor de gekozen snelheid, bijv. 100 zonder haakjes.
Wanneer het symbool
verandert in
, heeft de radarsensor een voertuig geregistreerd.
Alleen wanneer het symbool
(met auto) brandt, regelt
de cruisecontrol de afstand tot voorliggers.
Snelheid wijzigen
In de actieve stand wordt de snelheid met 5
km/h gewijzigd, iedere keer dat u op
of
drukt. De knop
heeft dezelfde functie als
maar levert een minder grote snelheidsverhoging op. De laatst gewijzigde waarde wordt
opgeslagen in het geheugen.
N.B.
Als een van de toetsen van de cruisecontrol
langer dan ca. 1 minuut ingedrukt wordt,
wordt de cruisecontrol uitgeschakeld. Om
de cruisecontrol in dat geval te resetten
moet u de motor afzetten.
In bepaalde situaties is het niet mogelijk de
adaptieve cruisecontrol te activeren. Op het
display staat dan ACC niet beschikbaar,
zie pagina 195.
Volgtijd instellen
U kunt verschillende volgtijden ten opzichte van voorliggers kiezen en deze worden
op het display als 1–5 horizontale streepjes weergegeven – hoe meer streepjes, des
te langer de volgtijd. Eén
streepje komt overeen met ca. 1 seconde en 5
streepjes met ca. 2,5 seconden.
U kunt de volgtijd verlengen of verkorten met
het duimwiel van de stuurtoetsen (of de knoppen
/
(bij een auto zonder snelheidsbegrenzer)).
Bij lage snelheden (en korte tijden) vergroot de
adaptieve cruisecontrol de volgtijd iets.
Om voorliggers soepel en comfortabel te kunnen blijven volgen staat de adaptieve cruise-
190
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
control in bepaalde situaties aanzienlijke variaties in de volgtijd toe.
Let erop dat korte volgtijden u bij plotselinge
wijzigingen in de verkeersstroom minder tijd
geven om te reageren en in te grijpen.
Tijdens het instellen van de
volgtijd verschijnt het bijbehorende aantal horizontale
streepjes op het display. Deze
streepjes verdwijnen na
enkele seconden, waarna een
verkleinde uitvoering ervan
rechts op het display verschijnt. Hetzelfde
symbool verschijnt ook wanneer Distance Alert
geactiveerd is, zie pagina 197.
N.B.
Houd alleen een volgtijd aan die niet in strijd
is met de geldende verkeersregels.
Als de adaptieve cruisecontrol niet lijkt te
reageren na activering, is het mogelijk dat
de volgtijd tot de voorligger geen snelheidsverhoging toelaat.
Hoe hoger de snelheid, hoe langer de volgafstand in meters voor een bepaalde volgtijd.
04 Comfort en rijplezier
Adaptieve cruisecontrol*
Tijdelijk deactiveren – stand-bystand
Automatische stand-bystand
Druk op de stuurtoets
om de cruisecontrol
tijdelijk uit te schakelen en stand-by te zetten –
de ingestelde snelheid verschijnt tussen haakjes op het display, bijv. (100).
De adaptieve cruisecontrol is afhankelijk van
andere systemen zoals de stabiliteits- en tractieregeling (DSTC). Als een van dergelijke systeem uitvalt, wordt de cruisecontrol automatisch uitgeschakeld.
Toetsenset zonder snelheidsbegrenzer*
Druk op de stuurtoets
om de cruisecontrol
tijdelijk uit te schakelen en stand-by te zetten.
Stand-bystand door actief ingrijpen van
uw kant
De cruisecontrol wordt tijdelijk uitgeschakeld
en stand-by gezet, als:
• het rijpedaal wordt bediend
• het koppelingspedaal meer dan 1 minuut5
Bij automatische deactivering klinkt een waarschuwingssignaal en op het display verschijnt
de melding ACC gedeactiveerd. U moet in
dat geval zelf ingrijpen om de snelheid en
afstand ten opzichte van de voorligger aan te
passen.
Automatische deactivering is mogelijk, wanneer:
• het toerental van de motor te laag/hoog
wordt
lang wordt bediend
• de keuzehendel in stand N wordt gezet
(automatische versnellingsbak)
• u meer dan 1 minuut lang een hogere snelheid aanhoudt dan ingesteld
U dient vervolgens zelf uw snelheid aan te passen.
Wanneer u tijdelijk gas geeft via het gaspedaal
zoals bij een inhaalmanoeuvre, blijft de instelling van de cruisecontrol ongewijzigd – de auto
hervat de laatst opgeslagen snelheid zodra u
het gaspedaal loslaat.
5
6
•
•
•
•
de snelheid daalt tot onder 30
km/h6
de wielen hun grip op het wegdek verliezen
de remmen een hoge temperatuur hebben
de radarsensor wordt gehinderd door natte
sneeuw of hevige regenval (de radargolven
worden geblokkeerd).
in dat geval wordt de laatst opgeslagen snelheid hervat.
N.B.
Wanneer u de ingestelde snelheid hebt hervat met
kan er een duidelijke snelheidsverhoging optreden.
Uitschakelen
De cruisecontrol is uit te schakelen met de
stuurtoets
. Daarbij wordt de ingestelde
snelheid gewist waarna deze niet meer te her.
vatten is met de toets
04
Toetsenset zonder snelheidsbegrenzer
In de stand-bystand is de cruisecontrol uit te
schakelen met de stuurtoets
, in de actieve
stand bij lang indrukken van dezelfde toets.
Daarbij wordt de ingestelde snelheid gewist
waarna deze niet meer te hervatten is met de
.
toets
Ingestelde snelheid hervatten
Een cruisecontrol in stand-bystand is opnieuw
te activeren bij een druk op de stuurtoets
–
Bij ontkoppelen en opschakelen of terugschakelen wordt de cruisecontrol niet stand-by gezet.
Geldt niet voor een auto met file-assistent – bij een dergelijke auto werkt het systeem tot aan stilstand.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
191
04 Comfort en rijplezier
Adaptieve cruisecontrol*
File-assistent
Bij auto’s met een automatische versnellingsbak is de adaptieve cruisecontrol uitgebreid
met een file-assistent (ook wel "Queue
Assist" genoemd).
Van doelvoertuig veranderen
N.B.
Om de cruisecontrol te kunnen activeren bij
een snelheid onder 30 km/h mag er binnen
redelijke afstand geen voorligger te bekennen zijn.
De file-assistent biedt de volgende functies:
• Groter snelheidsinterval
• Van doelvoertuig veranderen
• Beëindiging automatische remfunctie bij
04
stilstand
• Automatische activering parkeerrem.
Let erop dat 30 km/h de minimumsnelheid is
waarop de cruisecontrol kan worden ingesteld
– ook al kan de cruisecontrol een voorligger
volgen tot aan stilstand, is het niet mogelijk een
lagere snelheid te kiezen.
Bij korte stops tijdens filerijden of voor verkeerslichten wordt de functie automatisch hervat als de stop korter was dan
ca. 3 seconden – duurt het langer voordat een
voorligger weer gaat rijden, dan wordt de
cruisecontrol stand-by gezet. U dient de
cruisecontrol vervolgens op een van de volgende manieren opnieuw te activeren:
• Druk op de stuurtoets
.
of
• Bedien het gaspedaal en accelereer tot
Groter snelheidsinterval
N.B.
Om de cruisecontrol te kunnen activeren
moet u het bestuurdersportier hebben
gesloten en de veiligheidsgordel hebben
omgedaan.
• Met een automatische versnellingsbak kan
de cruisecontrol een voorligger blijven volgen binnen een snelheidsinterval van
0–200 km/h – vanaf stilstand tot aan
200 km/h.
192
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Als het actuele doelvoertuig plotseling afslaat, kan
het gebeuren dat een stilstaande voorligger het
nieuwe doelvoertuig wordt.
Wanneer de cruisecontrol een rijdende voorligger volgt bij snelheden onder 30 km/h, van
doelvoertuig verandert en een stilstaand voertuig volgt, zal de cruisecontrol voor het stilstaande voertuig remmen.
minimaal 4 km/h (stapvoets).
De cruisecontrol zal dan de voorligger opnieuw
volgen.
N.B.
De cruisecontrol kan de auto maximaal 2
minuten stilhouden – daarna wordt de parkeerrem aangezet, waarna de cruisecontrol
wordt uitgeschakeld.
•
Voordat de cruisecontrol opnieuw kan
worden ingeschakeld, dient u de parkeerrem te lossen.
WAARSCHUWING
Wanneer de cruisecontrol een rijdende
voorligger volgt bij snelheden boven
30 km/h, van doelvoertuig verandert en vervolgens een stilstaand voertuig volgt, zal de
cruisecontrol het stilstaande voertuig negeren en de opgeslagen snelheid aanhouden.
•
U dient dan zelf in te grijpen en te remmen.
04 Comfort en rijplezier
Adaptieve cruisecontrol*
Automatische stand-bystand bij
wijziging van doelvoertuig
De cruisecontrol wordt uitgeschakeld en
stand-by gezet:
• wanneer u langzamer rijdt dan 15 km/h en
de cruisecontrol niet kan registreren of het
doelobject een stilstaand voertuig is of een
ander object, zoals een verkeersdrempel.
• wanneer u langzamer rijdt dan 15 km/h en
de voorligger afslaat, zodat de cruisecontrol geen voorligger meer heeft om te volgen.
Beëindiging automatische remfunctie bij
stilstand
In bepaalde situaties beëindigt de cruisecontrol de automatische remfunctie bij stilstand.
Dit houdt in dat het rempedaal wordt vrijgegeven en u zelf weer moet remmen.
De cruisecontrol geeft het rempedaal vrij en
wordt stand-by gezet, wanneer:
•
•
•
•
u het rempedaal bedient
u de parkeerrem aanzet
Dit vindt plaats, als:
• u het bestuurdersportier opent of de veiligheidsgordel losmaakt
• U het DSTC uit de Normal-stand haalt en
in de Sport-stand zet
• de cruisecontrol de auto al meer dan
2 minuten lang stil heeft gehouden
• de motor wordt afgezet
• de remmen oververhit zijn geraakt.
Radarsensor en de beperkingen ervan
De radarsensor wordt niet alleen gebruikt door
de adaptieve cruisecontrol maar ook door het
Collision Warning with Auto Brake (zie
pagina 205) en Distance Alert (zie
pagina 197). De radarsensor dient om personenauto’s of grotere voertuigen te registreren
die in dezelfde richting als u en in dezelfde rijstrook rijden.
Bij modificatie van de radarsensor is het mogelijk dat het gebruik ervan onwettig wordt.
WAARSCHUWING
De bestuurder dient altijd rekening te houden met de verkeersomstandigheden en in
te grijpen, wanneer de adaptieve cruisecontrol geen passende snelheid of afstand aanhoudt.
De adaptieve cruisecontrol leent zich niet
voor alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
Neem dit gedeelte helemaal door om inzicht
te krijgen in de beperkingen van de adaptieve cruisecontrol en daarmee rekening te
kunnen houden, voordat u de adaptieve
cruisecontrol inschakelt.
04
De bestuurder is er altijd verantwoordelijk
voor dat de juiste afstand en snelheid worden aangehouden, ook bij gebruik van de
adaptieve cruisecontrol.
WAARSCHUWING
Het is niet toegestaan accessoires of
andere voorwerpen voor de grille te monteren.
u de keuzehendel in stand P, N of R zet
u de cruisecontrol stand-by zet.
Automatische activering parkeerrem
In bepaalde situaties zet de cruisecontrol dan
de parkeerrem aan om te zorgen dat de auto
stil blijft staan.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
193
04 Comfort en rijplezier
Adaptieve cruisecontrol*
WAARSCHUWING
De adaptieve cruisecontrol is geen systeem
dat botsingen voorkomt. Grijp zelf in zodra
u merkt dat het systeem een voorligger niet
registreert.
04
De adaptieve cruisecontrol reageert niet op
voetgangers of dieren noch op kleinere
voertuigen, zoals fietsen of motorfietsen
e.d. Tegenliggers, langzaam rijdende en stilstaande voertuigen of vaste obstakels worden eveneens genegeerd.
• als de snelheid van de voorligger te veel
afwijkt van die van uw eigen auto.
Voorbeeldsituaties waarin de
cruisecontrol niet optimaal werkt
De radarsensor heeft een beperkt bereik. In
bepaalde gevallen wordt een voertuig niet ontdekt of later dan verwacht.
Storingen opsporen en verhelpen
Als op het display de melding Radar afgedekt
Zie instructieb. verschijnt, worden de radarsignalen van de radarsensor gehinderd zodat
voorliggers niet kunnen worden geregistreerd.
Dit betekent dat de adaptieve cruisecontrol,
Distance Alert en het Collision Warning with
Auto Brake evenmin werken.
De radarsensor heeft veel meer moeite om een
voertuig voor u te ontdekken:
In de volgende tabel staan mogelijke oorzaken
van het verschijnen van de melding en passende maatregelen.
• als de radarsensor gehinderd wordt door
bijvoorbeeld hevige regenval of als
sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken.
N.B.
194
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Ook kleine voertuigen, zoals motorfietsen
of voertuigen die niet in het midden van de
rijstrook rijden, kunnen onopgemerkt blijven.
In bochten kan de radarsensor op het verkeerde voertuig reageren of een eerder
opgemerkt voertuig uit het zicht verliezen.
Gebruik de adaptieve cruisecontrol niet in
stadsverkeer of verkeersdrukte, op kruisingen, bij gladheid, hevige regen- of sneeuwval of slecht zicht en evenmin op weggedeelten met een dikke laag water of
sneeuwmodder, op bochtige wegen of op
op- en afritten.
Houd het gebied voor de radarsensor
schoon.
Soms kan de radarsensor een voertuig op
korte afstand pas laat registreren, bijvoorbeeld als een inhalend voertuig invoegt
tussen u en uw voorligger.
Blikveld van de ACC.
04 Comfort en rijplezier
Adaptieve cruisecontrol*
Oorzaak
Maatregel
Het radaroppervlak van de grille is vuil of bedekt met sneeuw of ijs.
Ontdoe het radaroppervlak van de grille van vuil, sneeuw en ijs.
De radarsignalen worden gehinderd door hevige regen- of sneeuwval.
Valt niets aan te doen. Bij hevige neerslag werkt de radar soms niet.
De radarsignalen worden gehinderd door opspattend water en opdwarrelende sneeuw van het wegdek.
Valt niets aan te doen. Op weggedeelten met een dikke laag water of
sneeuw werkt de radar soms niet.
De melding blijft ook na schoonmaak van het radaroppervlak staan.
Wacht even. Het kan enige minuten duren voordat de radar doorheeft
dat de radarsignalen niet langer worden geblokkeerd.
04
Symbolen en meldingen op display
Symbool
Melding
Betekenis
Stand-bystand of geen voertuig ontdekt in actieve stand.
Voertuig ontdekt in actieve stand waarop de adaptieve cruisecontrol uw snelheid afstemt.
Volgtijd geactiveerd, tijdens aanpassing.
Volgtijd geactiveerd, na aanpassing.
DSTC Normaal voor activ.
cruise
De cruisecontrol kan alleen worden geactiveerd, wanneer de stabiliteits- en tractieregeling (DSTC) in
de normale stand staat – zie pagina 180.
ACC gedeactiveerd
De adaptieve cruisecontrol werd uitgeschakeld – u dient zelf uw snelheid aan te passen.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
195
04 Comfort en rijplezier
Adaptieve cruisecontrol*
Symbool
Melding
Betekenis
ACC niet beschikbaar
De adaptieve cruisecontrol kan niet worden ingeschakeld.
Dit kan onder meer gebeuren wanneer:
• de remmen een hoge temperatuur hebben
• de radarsensor wordt gehinderd door natte sneeuw of regen.
Radar afgedekt Zie
instructieb.
De adaptieve cruisecontrol werkt tijdelijk niet.
• De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren. Bijvoorbeeld wanneer deze wordt gehinderd door hevige regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor
afdekken.
04
Voor meer informatie over de beperkingen van de radarsensor, zie pagina 193.
ACC Service vereist
De adaptieve cruisecontrol werkt niet.
• Neem contact op met een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Remmen om stil te blijven
staan + geluidssignaal
(Alleen auto met file-assistent)
De auto staat stil en de cruisecontrol lost de bedrijfsrem, zodat de parkeerrem verder kan remmen en
de auto stil kan houden. Door een storing in de parkeerrem zal de auto echter spoedig in beweging
komen.
• U moet zelf remmen. De melding blijft staan en het geluidssignaal klinkt, totdat u het rempedaal
of gaspedaal bedient.
Onder 30 km/h alleen volgen
Verschijnt wanneer u de cruisecontrol probeert te activeren bij een snelheid onder 30 km/h en er geen
voorligger binnen de activeringsafstand (ca. 30 meter) te bekennen is.
(Alleen auto met file-assistent)
196
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Comfort en rijplezier
Afstandswaarschuwing*
Algemene informatie
De afstandswaarschuwing (Distance Alert) is
een functie die u inlicht over de volgtijd ten
opzichte van de voorligger.
Distance Alert is actief bij snelheden hoger dan
30 km/h en reageert uitsluitend op voorliggers
die in dezelfde richting als u rijden. Voor voertuigen die langzaam in tegengestelde richting
rijden of stilstaan wordt geen afstandsinformatie gegeven.
N.B.
De afstandswaarschuwing is uitgeschakeld,
zolang de adaptieve cruisecontrol actief is.
WAARSCHUWING
Distance Alert reageert alleen, als de
afstand tot voorliggers korter is dan de ingestelde waarde – de rijsnelheid wordt niet
aangepast.
Bij bepaalde combinaties van opties is er geen
plek vrij voor een knop op de middenconsole –
in dat geval is de functie te bedienen via het
menusysteem MY CAR, onder Instellingen
Auto-instellingen
Waarschuwingsafstand. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie pagina 155.
Volgtijd instellen
04
Bediening
Bedieningselementen en display voor volgtijd.
Volgtijd – Verlengen/verkorten. Voor verlengen omhoogduwen, voor verkorten
omlaagduwen.
Oranje waarschuwingslampje1.
Er brandt continu een oranje waarschuwingslampje op de voorruit, als de afstand tot de
voorligger gelijk is aan de ingestelde volgtijd.
1
Met de knop op de middenconsole kunt u de
functie in- en uitschakelen. Het brandende
lampje in de schakelaar geeft aan dat de functie geactiveerd is.
Volgtijd – Aan (tijdens aanpassing).
Volgtijd – Aan (ná aanpassing).
N.B. De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
197
04 Comfort en rijplezier
Afstandswaarschuwing*
U kunt verschillende volgtijden ten opzichte van voorliggers kiezen en deze worden
op het display als 1–5 horizontale streepjes weergegeven – hoe meer streepjes, des
te langer de volgtijd. Eén
streepje komt overeen met ca. 1 seconde ten
opzichte van de voorligger en 5 streepjes met
ca. 2,5 seconden.
04
N.B.
Hoe hoger de snelheid, hoe langer de volgafstand in meters voor een bepaalde volgtijd.
De ingestelde volgtijd wordt ook gebruikt
door de adaptieve cruisecontrol (zie
pagina 189).
Houd alleen een volgtijd aan die niet in strijd
is met de geldende verkeersregels.
Tijdens het instellen van de
volgtijd verschijnt het bijbehorende aantal horizontale
streepjes op het display. Deze
streepjes verdwijnen na
enkele seconden, waarna een
verkleinde uitvoering ervan
rechts op het display verschijnt. Hetzelfde
symbool verschijnt ook wanneer de adaptieve
cruisecontrole geactiveerd is.
Beperkingen
De afstandswaarschuwing, adaptieve cruisecontrol en Collision Warning maakt gebruik van
Melding
Betekenis
Ingestelde volgtijd tijdens regeling.
Ingestelde volgtijd ná regeling.
198
N.B.
In de felle zon en bij lichtschitteringen of
grote variaties in de lichtsterkte alsook het
gebruik van een zonnebril is het op de voorruit geprojecteerde waarschuwingslampje
soms moeilijk waar te nemen.
In slechte weersomstandigheden en op slingerende wegen heeft de radarsensor soms
moeite om voorliggers te registreren.
Ook voorliggers met geringe afmetingen
(zoals motorfietsen) zijn soms moeilijk te
ontdekken. Dat kan betekenen dat het
geprojecteerde waarschuwingslampje pas
bij kortere volgtijden oplicht of dat helemaal
niet gaat branden.
Op zeer hoge snelheden is het mogelijk dat
het lampje door beperkingen in het bereik
van de sensor op kortere afstand oplicht.
Symbolen en meldingen op display
Symbool
dezelfde radarsensor. Voor meer informatie
over de radarsensor en de beperkingen ervan,
zie pagina 193.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Comfort en rijplezier
Afstandswaarschuwing*
Symbool
Melding
Betekenis
Radar afgedekt Zie
instructieb.
De afstandswaarschuwing werkt tijdelijk niet.
De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren. Bijvoorbeeld wanneer deze wordt gehinderd
door hevige regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken.
Voor meer informatie over de beperkingen van de radarsensor, zie pagina 193.
CWS-systeem Service vereist
De afstandswaarschuwing en Collision Warning with Auto Brake werken niet of gedeeltelijk.
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04
199
04 Comfort en rijplezier
City Safety™
Algemene informatie
City Safety™ is een hulpmiddel om u te helpen
een botsing te voorkomen tijdens filerijden
e.d., waarbij plotselinge wijzigingen in het verkeer vóór u gekoppeld aan onoplettendheid tot
bijna-ongelukken kunnen leiden.
04
De functie die actief is bij een snelheid tot
30 km/h helpt u door automatisch te remmen,
wanneer het gevaar voor een botsing met een
voorligger reëel is en u zelf niet snel genoeg
remt en/of uitwijkt.
City Safety™ wordt geactiveerd in situaties
waar de bestuurder eigenlijk al veel eerder had
moeten remmen, zodat de functie niet altijd
uitkomst biedt.
City Safety™ is erop gebouwd om zo laat
mogelijk geactiveerd te worden om onnodige
ingrepen te voorkomen.
Gebruik City Safety™ niet om uw rijgedrag aan
te passen – als u er blind op vertrouwt dat City
Safety™ remt, raakt u vroeg of laat betrokken
bij een botsing.
U en eventuele passagiers zullen normaal
alleen merken dat City Safety™ actief is, wanneer een botsing dreigt.
Bij auto’s met Collision Warning with Auto
Brake* vullen de beide systemen elkaar aan.
1
200
Voor meer informatie over het Collision Warning with Auto Brake, zie pagina 205.
BELANGRIJK
Laat de onderdelen van City Safety™ alleen
onderhouden en vervangen in een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
City Safety™ werkt niet in alle rijsituaties,
verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
City Safety™ reageert niet op tegenliggers
noch op kleinere voertuigen zoals motorfietsen en fietsen of op voetgangers en dieren.
City Safety™ kan een botsing alleen voorkomen bij een snelheidsverschil kleiner dan
15 km/h tussen de beide voertuigen – bij
grotere snelheidsverschillen kan het systeem alleen de snelheid waarbij de botsing
plaatsvindt zoveel mogelijk beperken. Voor
maximale remwerking moet de bestuurder
het rempedaal bedienen.
Wacht nooit op het ingrijpen van City
Safety™. De bestuurder is er verantwoordelijk voor om voldoende afstand en de
juiste snelheid te houden.
N.B. De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Functie
Zend- en ontvangstoog van de lasersensor1.
City Safety™ registreert het verkeer vóór de
auto middels een lasersensor boven aan de
voorruit. Wanneer het gevaar voor een botsing
reëel is, zal City Safety™ automatisch remmen,
hetgeen aandoet als een krachtige remmannoeuvre.
Bij een snelheidsverschil van 4–15 km/h ten
opzichte van de voorligger kan City Safety™
een botsing geheel voorkomen.
City Safety™ start een korte, krachtige remmanoeuvre en zorgt er normaliter voor dat u net
achter uw voorligger tot stilstand komt. Voor
veel bestuurders die dit niet gewend zijn is een
dergelijke remmanoeuvre onprettig.
04 Comfort en rijplezier
City Safety™
Bij een snelheidsverschil van meer dan
15 km/h tussen de voertuigen kan City
Safety™ een botsing niet geheel op eigen
kracht voorkomen – voor het maximale remvermogen dient u zelf het rempedaal te bedienen. In dat geval is het ook bij snelheidsverschillen groter dan 15 km/h mogelijk een botsing te voorkomen.
Wanneer het systeem ingrijpt en remt, verschijnt op het display van het instrumentenpaneel de melding dat het systeem actief is/was.
Na het starten van de motor is City Safety™ op
een van de volgende manieren uit te schakelen:
Zoek aan de hand van het menusysteem van
MY CAR op het beeldscherm van de middenconsole Instellingen Auto-instellingen
Rij-assistentiesystemen City Safety op.
Kies de optie Uit. Voor meer informatie over het
menusysteem MY CAR, zie pagina 155.
De volgende keer dat de motor wordt gestart
is de functie echter weer actief, ook al stond
het systeem uit toen de motor werd afgezet.
N.B.
Wanneer City Safety™ remt, gaan de remlichten branden.
WAARSCHUWING
De lasersensor geeft ook laserlicht af, wanneer u City Safety™ handmatig uitgeschakeld hebt.
Bediening
Om City Safety™ opnieuw in te schakelen:
N.B.
De functie City Safety™ is na het starten van
de motor via sleutelstand I en II (zie
pagina 86 voor de sleutelstanden) altijd
ingeschakeld.
Aan en Uit
Soms is het handig om City Safety™ uit te kunnen schakelen, bijvoorbeeld wanneer bebladerde takken langs de motorkap en voorruit
kunnen schampen.
• Volg de dezelfde procedure als bij het uitschakelen, maar kies nu de optie Aan.
Beperkingen
De City Safety™-sensor is erop gebouwd om
auto’s en andere voertuigen vóór u te ontdekken, zowel overdag als ’s nachts.
De sensor kent echter beperkingen en werkt
bijv. minder goed bij hevige sneeuw- of regenval, in dichte mist of in dikke stofwolken of
stuifsneeuw. Condens, vuil, sneeuw en ijs op
de voorruit kunnen voor storingen in de werken
zorgen.
Hangende voorwerpen zoals vlaggen/wimpels
die uitstekende lading markeren of accessoires
zoals verstralers en frontbars die boven de
motorkap uitsteken.
04
Het infrarode licht van de City Safety™-sensor
meet de reflectie van het licht. De sensor kan
geen obstakels met een gering reflecterend
vermogen waarnemen. De achterkant van
voertuigen weerkaatst veelal voldoende licht
dankzij de kentekenplaat en de achterlichtreflectoren.
Bij gladheid is de remweg langer waardoor City
Safety™ minder goed in staat is aanrijdingen
te voorkomen. In dergelijke situaties zullen het
ABS en DSTC voor het maximale remvermogen zorgen met behoud van de stabiliteit.
City Safety™ kan niet worden geactiveerd,
wanneer u achteruitrijdt.
``
201
04 Comfort en rijplezier
City Safety™
City Safety™ wordt niet geactiveerd op lage
snelheden (onder 4 km/h), wat betekent dat het
systeem niet ingrijpt in situaties waarbij u een
voorligger uiterst langzaam nadert zoals tijdens
het parkeren.
De commando’s die u zelf geeft hebben altijd
voorrang, wat betekent dat City Safety™ niet
ingrijpt in situaties waarbij u duidelijke commando’s geeft via stuurwiel, rem- of gaspedaal, zelfs al is een botsing onvermijdelijk.
04
Nadat City Safety™ een aanrijding met een
stilstaand obstakel heeft voorkomt, blijft de
auto maximaal 1,5 seconde stilstaan. Als de
auto wordt afgeremd wegens een rijdende
voorligger, wordt de snelheid begrensd tot
dezelfde snelheid als die van de voorligger.
Bij een auto met een handgeschakelde versnellingsbak slaat de motor af wanneer City
Safety™ de auto tot stilstand heeft gebracht,
tenzij u daarvoor het koppelingspedaal weet te
bedienen.
N.B.
Oorzaak
Maatregel
•
Houd de voorruit in het gebied vóór de
lasersensor vrij van sneeuw, ijs, condens en vuil (zie de afbeelding met de
positie van de sensor op pagina 200).
Ontdoe het voorruitoppervlak vóór de
lasersensor van vuil,
sneeuw en ijs.
•
Plak of bevestig geen zaken op de voorruit vóór de lasersensor
Het voorruitoppervlak vóór de lasersensoren is vuil of
bedekt met sneeuw
of ijs.
•
Haal sneeuw en ijs van de motorkap –
de laag sneeuw en ijs mag niet dikker
zijn dan 5 cm.
Het blikveld van de
lasersensor wordt
gehinderd.
Verwijder het voorwerp dat het zicht
blokkeert.
Storingen opsporen en verhelpen
Als de melding Voorruitsensoren afgedekt
op het display van het instrumentenpaneel verschijnt, worden de lasersensoren gehinderd
zodat ze geen voertuigen vóór de auto kunnen
registreren. Dit betekent op zijn beurt dat City
Safety™ niet werkt.
De melding Voorruitsensoren afgedekt verschijnt echter niet in alle situaties waarbij de
sensoren gehinderd worden – let er daarom op
dat u de voorruit en vooral het gebied vóór de
lasersensor zorgvuldig schoonhoudt.
In de volgende tabel staan mogelijke oorzaken
van het verschijnen van de melding en suggesties voor passende maatregelen.
202
04 Comfort en rijplezier
City Safety™
BELANGRIJK
Als het voorruitoppervlak vóór een van
beide “ogen” barsten, krassen of steenslagschade vertoont van 0,5 × 3,0 mm (of groter), neem dan contact op met een erkende
werkplaats om de voorruit te laten repareren
of vervangen (zie de afbeelding met de positie van de sensor op pagina 200) – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Als u niets doet, presteert City Safety™
mogelijk minder goed.
Om optimale prestaties van City Safety™ te
garanderen geldt bovendien het volgende:
•
monteer bij vervanging van de voorruit
hetzelfde type of een ander type, door
Volvo goedgekeurde voorruit
•
monteer bij vervanging van de ruitenwissers hetzelfde type of een ander
type, door Volvo goedgekeurde ruitenwissers.
Lasersensor
Symbolen en meldingen op display
De functie City Safety™ maakt gebruik van een
sensor die laserlicht uitzendt. Neem contact op
met een gekwalificeerde werkplaats als de
lasersensor een storing vertoont of nagekeken
moet worden – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
Terwijl City Safety™ automatisch remt, kunnen
één of meer symbolen op het instrumentenpaneel gaan branden en meldingen op het bijbehorende display verschijnen.
WAARSCHUWING
Kijk nooit van een afstand van 100 mm of
minder in de lasersensor (waaruit uiteenlopende, onzichtbare laserstralen komen) met
vergrotende optiek zoals een vergrootglas,
microscoop, objectief of soortgelijke optische instrumenten – er bestaat gevaar voor
oogletsel (de afbeelding op pagina 200
geeft de positie van de sensor aan).
Meldingen kunt u van het display halen door de
READ-knop op de richtingaanwijzerhendel
kort in te drukken.
04
Voor meer informatie over de lasersensor, zie
pagina 11.
``
203
04 Comfort en rijplezier
City Safety™
Symbool
Melding
Betekenis/Maatregel
Autom. remmen door City
Safety
City Safety™ remt op dit moment of remde eerder automatisch.
Voorruitsensoren afgedekt
De lasersensor werkt tijdelijk niet doordat deze door iets gehinderd wordt.
• Verwijder het voorwerp dat de sensoren hindert en/of maak het voorruitoppervlak vóór de sensoren schoon.
04
Voor meer informatie over de beperkingen van de lasersensoren, zie pagina 201.
City Safety Service vereist
City Safety™ werkt niet.
• Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
204
04 Comfort en rijplezier
Collision Warning with Auto Brake en Pedestrian detection*
Algemene informatie
Het CWFAB met automatische rem en voetgangersdetectie (Collision Warning with Full
Auto Brake and Pedestrian Detection) is een
hulpmiddel dat bestemd is om u te waarschuwen wanneer het gevaar bestaat dat u op een
voetganger of een (stilstaande of rijdende)
voorligger botst.
Collision Warning kent drie hulpfuncties.
• Collision Warning – Waarschuwt voor een
naderende botsing.
Collision Warning with Auto Brake remt, raakt
u vroeg of laat betrokken bij een botsing.
Collision Warning en City Safety™ vullen elkaar
aan. Voor meer informatie over City Safety™,
zie pagina 200.
BELANGRIJK
Laat het onderhoud van de onderdelen van
de Collision Warning over aan een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
• Brake Support – Helpt u om efficiënt te
remmen in een kritieke situatie.
• Auto Brake – Remt de auto automatisch,
wanneer het gevaar voor een botsing met
een voetganger of voorligger reëel is en u
zelf niet snel genoeg remt en/of uitwijkt. De
Auto Brake kan een botsing voorkomen of
de botssnelheid beperken.
Collision Warning wordt geactiveerd in situaties waar de bestuurder eigenlijk al veel eerder
had moeten remmen, zodat de functie niet
altijd uitkomst biedt.
Collision Warning with Auto Brake is erop
gebouwd om zo laat mogelijk geactiveerd te
worden om onnodige ingrepen te voorkomen.
WAARSCHUWING
Geen enkel automatisch systeem kan in alle
situaties een 100 % feilloze werking garanderen. Probeer de Auto Brake-functie dan
ook nooit uit met mensen – ernstige en
mogelijk dodelijke verwondingen zijn niet
uitgesloten.
WAARSCHUWING
Collision Warning werkt niet in alle rijsituaties, verkeers-, weers- en wegomstandigheden. Collision Warning reageert niet op
tegenliggers noch op dieren.
Er wordt alleen gewaarschuwd wanneer de
kans op een botsing groot is. In het onderdeel Functie en de navolgende onderdelen
staat informatie over de beperkingen die u
moet kennen, voordat u de Collision Warning met Auto Brake gebruikt.
04
Er wordt niet gewaarschuwd noch geremd
voor voetgangers bij een rijsnelheid hoger
dan 80 km/h.
In het donker en in tunnels kan niet worden
gewaarschuwd noch geremd voor voetgangers – zelfs al brandt de straatverlichting.
Auto Brake kan een botsing geheel voorkomen of de botssnelheid verlagen. Voor
maximale remwerking altijd het rempedaal
bedienen – ook al wordt er automatisch
geremd.
Nooit een waarschuwingssignaal van de
Collision Warning afwachten. U bent altijd
verantwoordelijk de juiste afstand en snelheid aan te houden – ook bij gebruik van de
Collision Warning met Auto Brake.
Gebruik Collision Warning niet om uw rijgedrag
aan te passen – als u er blind op vertrouwt dat
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
205
04 Comfort en rijplezier
Collision Warning with Auto Brake en Pedestrian detection*
Functie
Brake Support
Bediening
Als het gevaar voor een botsing na de Collision
Warning verder toeneemt, treedt de Brake
Support in werking. De Brake Support treft de
nodige voorbereidingen voor een snelle remmanoeuvre waarna de remmen licht worden
aangezet. Dit is te merken aan een lichte schok.
Via een menusysteem van MY CAR op het
beeldscherm van de middenconsole zijn eventuele instellingen te verrichten. Voor informatie
over het gebruik van het menusysteem, zie
pagina 155.
Als u het rempedaal met een bepaalde snelheid
bedient, wordt het maximale remvermogen
geleverd.
G017382
04
Functie-overzicht1.
Visueel waarschuwingssignaal bij gevaar
voor een botsing
Radarsensor
Camerasensor
Collision Warning
De radarsensor registreert voetgangers vóór
de auto en (stilstaande of rijdende) voorliggers.
Brake Support helpt u eveneens bij het remmen, als het systeem ervan uitgaat dat de remmanoeuvre alleen niet voldoende is om een
botsing te voorkomen.
Auto Brake
Als u niet op de waarschuwing reageert treedt
– als een botsing onvermijdelijk is – de Auto
Brake in werking zonder dat u daarvoor het
rempedaal hoeft te bedienen. De auto wordt
daarbij maximaal afgeremd om de botssnelheid te beperken of zoveel als nodig is om een
botsing tegen te gaan.
Bij gevaar voor een botsing met een voetganger of voorligger wordt u daarop attent
gemaakt met behulp van een rood knipperend
waarschuwingssignaal en een waarschuwingszoemer.
1
206
N.B. De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
N.B.
De functies Brake Support en Auto Brake
zijn altijd actief – ze kunnen niet uitgeschakeld worden.
Aan en Uit
Doe het volgende om Collision Warning in- of
uit te schakelen: Ga met behulp van het menusysteem MY CAR via het beeldscherm van de
middenconsole naar Instellingen Autoinstellingen Rij-assistentiesystemen
Botswaarschuwing op. Voor informatie over
het menusysteem,zie pagina 155.
Bij het starten van de motor worden altijd alle
geactiveerde functies getest door de verschillende waarschuwingslampjes kort te laten
branden.
Bij het starten van de motor geldt automatisch
de instelling die actief was toen de motor werd
afgezet.
04 Comfort en rijplezier
Collision Warning with Auto Brake en Pedestrian detection*
Waarschuwingssignalen activeren/
deactiveren
Als bij het starten van de motor blijkt dat u
ervoor gekozen hebt het systeem in te schakelen, wordt het waarschuwingslampje automatisch geactiveerd.
De waarschuwingszoemer is apart te activeren/deactiveren via de opties Aan en Uit in het
menusysteem MY CAR onder Instellingen
Auto-instellingen Rijassistentiesystemen Signaaltoon bij
botsgevaar.
Waarschuwingsafstand instellen
De waarschuwingsafstand is de afstand waarbij het visuele waarschuwingssignaal en de
waarschuwingszoemer worden afgegeven.
Kies uit de opties Lang, Normaal of Kort in
het menusysteem MY CAR onder Instellingen
Auto-instellingen Rijassistentiesystemen Botswaarschuwing
Waarschuwingsafstand.
De waarschuwingsafstand is bepalend voor de
gevoeligheid van het systeem. Bij de waarschuwingsafstand Lang wordt eerder gewaarschuwd. Ga altijd uit van de instelling Lang,
maar als deze instelling te vaak tot waarschuwingen leidt (wat in bepaalde situaties als hinderlijk kan worden ervaren) kunt u overgaan op
de waarschuwingsafstand Normaal.
Maak alleen in uitzonderingsgevallen zoals bij
dynamisch rijden gebruik van de waarschuwingsafstand Kort.
N.B.
Bij gebruik van de adaptieve cruisecontrol
worden het waarschuwingslampje en de
waarschuwingszoemer door de cruisecontrol gehanteerd, ook al hebt u de Collision
Warning gedeactiveerd.
De Collision Warning waarschuwt u bij
gevaar voor een botsing, maar de functie is
niet in staat uw reactietijd te verkorten.
Voor een optimale werking van de Collision
Warning dient u de afstandscontrole altijd in
te stellen op volgtijd 4–5 (zie pagina 197).
N.B.
assistentiesystemen
Botswaarschuwing, zie pagina 155.
Beperkingen
Collision Warning is actief bij een snelheid
vanaf ca. 4 km/h.
In de felle zon en bij lichtschitteringen alsook
het gebruik van een zonnebril is het op de voorruit geprojecteerde waarschuwingslampje
soms moeilijk te ontdekken. Dat is ook mogelijk
als u niet recht vooruit kijkt. Houd de waarschuwingszoemer daarom altijd ingeschakeld.
04
Bij gladheid is de remweg langer waardoor het
systeem minder goed in staat is aanrijdingen te
voorkomen. In dergelijke situaties zullen het
ABS en DSTC voor het maximale remvermogen zorgen met behoud van de stabiliteit.
Ook als u de waarschuwingsafstand hebt
ingesteld op Lang, kunnen de waarschuwingen voor uw gevoel soms laat worden
afgegeven. Bijvoorbeeld bij grote snelheidsverschillen of als de voorligger krachtig
remt.
Instellingen controleren
U kunt de actuele instellingen controleren op
het beeldscherm van de middenconsole. Ga in
het menusysteem MY CAR naar Instellingen
Auto-instellingen Rij``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
207
04 Comfort en rijplezier
Collision Warning with Auto Brake en Pedestrian detection*
N.B.
Het visuele waarschuwingssignaal kan
korte tijd buiten werking worden gesteld,
wanneer de temperatuur in het interieur bijvoorbeeld door de felle zon te hoog is opgelopen. Als dit gebeurt, wordt er een waarschuwingszoemer afgegeven ook al hebt u
deze uitgeschakeld via het menusysteem.
•
04
Waarschuwingen kunnen eveneens uitblijven bij een zeer geringe afstand tot
de voorligger of bij relatief grote stuuren pedaalbewegingen zoals bij een zeer
actieve rijstijl.
WAARSCHUWING
Als de radar- of camerasensor op grond van
de verkeerssituatie of anderszins problemen heeft voetgangers of voorliggers te
ontdekken, is het mogelijk dat het systeem
pas laat, onterecht of helemaal geen waarschuwing geeft en remt.
De sensoren hebben een beperkt bereik
voor voetgangers wat inhoudt dat het systeem efficiënt waarschuwt en remingrepen
verricht bij rijsnelheden tot 50 km/h. Voor
stilstaande of langzaam rijdende voorliggers
wordt efficiënt gewaarschuwd en geremd
bij rijsnelheden tot 70 km/h.
In het donker of bij slecht zicht wordt er
mogelijk niet gewaarschuwd voor langzaam
rijdende of stilstaande voorliggers.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
De commando’s die u zelf geeft hebben altijd
voorrang, wat betekent dat Collision Warning
with Auto Brake niet ingrijpt in situaties waarbij
u duidelijke commando’s geeft via stuurwiel,
rem- of gaspedaal, zelfs al is een botsing
onvermijdelijk.
Nadat Auto Brake een aanrijding met een stilstaand obstakel heeft voorkomt, blijft de auto
maximaal 1,5 seconde stilstaan. Als de auto
wordt afgeremd wegens een rijdende voorligger, wordt de snelheid begrensd tot dezelfde
snelheid als die van de voorligger.
De Collision Warning maakt gebruik van
dezelfde radarsensor als die van de adaptieve
cruisecontrol. Voor meer informatie over de
radarsensor en de beperkingen ervan, zie
pagina 193.
Bij een auto met een handgeschakelde versnellingsbak slaat de motor af wanneer Auto
Brake de auto tot stilstand heeft gebracht, tenzij u daarvoor het koppelingspedaal weet te
bedienen.
Als u vindt dat er te vaak wordt gewaarschuwd
en de signalen als storend ervaart, kunt u de
waarschuwingsafstand verkleinen. Het systeem waarschuwt dan minder snel en minder
vaak.
Beperkingen van de camerasensor
Collision Warning with Auto Brake kan niet
worden geactiveerd, wanneer u achteruitrijdt.
208
Collision Warning with Auto Brake wordt niet
geactiveerd op lage snelheden (onder 4 km/h),
wat betekent dat het systeem niet ingrijpt in
situaties waarbij uw auto een voorligger uiterst
langzaam nadert zoals tijdens het parkeren.
De camerasensor van de auto maakt gebruikt
van de drie hulpfuncties Collision Warning with
Auto Brake, Driver Alert Control, zie
pagina 212, en Lane Departure Warning, zie
pagina 215.
04 Comfort en rijplezier
Collision Warning with Auto Brake en Pedestrian detection*
N.B.
Houd de voorruit vóór de camerasensor vrij
van sneeuw, ijs, condens en vuil.
Voetgangersdetectie (Pedestrian
detection)
• Een voetganger is alleen te ontdekken
wanneer deze helemaal zichtbaar is en een
lengte heeft van minimaal 80 cm.
• Het systeem kan geen voetgangers ont-
Plak of monteer geen stickers of andere
voorwerpen op de voorruit in het gebied
vóór de camerasensor, omdat één of meer
systemen die gebruik maken van de camera
daardoor mogelijk niet goed of helemaal
niet werken.
dekken die grote voorwerpen dragen.
• Bij zonsondergang en -ondergang kan de
camerasensor voetgangers minder goed
registreren – vergelijkbaar met het menselijke oog.
• De camerasensor is niet in staat voetganDe camerasensor kent ongeveer dezelfde
beperkingen als het menselijk oog. Dit houdt in
dat de sensor minder goed “ziet” bij hevige
regen- of sneeuwval en in dichte mist. In dergelijke omstandigheden kunnen functies die
gebruik maken van de camera grote beperkingen ondervinden of tijdelijk gedeactiveerd worden.
gers te registreren bij ritten in het donker of
in tunnels – zelfs al brandt de straatverlichting.
Ideaalvoorbeelden van wat het systeem als voetgangers met herkenbare lichaamscontouren
beschouwt.
Ook fel tegenlicht, reflecties op het wegdek,
besneeuwde of beijzelde wegen, verontreinigde of onduidelijke rijstrookmarkeringen
kunnen aanleiding geven tot grote beperkingen
voor de functies die van de camera gebruik
maken om bijvoorbeeld het wegdek af te tasten
en andere voertuigen en voetgangers te ontdekken.
Voor optimale prestaties van het systeem dient
de systeemfunctie die verantwoordelijk is voor
identificatie van voetgangers zo uniform mogelijke informatie over de lichaamscontouren ontvangen – dat houdt in dat kenmerkende
lichaamsdelen zoals hoofd, armen, schouders,
benen, borstkas en buik moeten kunnen worden waargenomen evenals een bewegingspatroon dat voor mensen als normaal te beschouwen is.
Bij zeer hoge temperaturen werkt de camera
de eerste ca. 15 minuten na het starten van de
motor niet om de camerafunctie te ontzien.
Het systeem kan een voetganger niet ontdekken, als de camera grote delen van het lichaam
niet kan waarnemen.
04
WAARSCHUWING
Collision Warning met Auto Brake &
Pedestrian detection is een hulpmiddel.
Het systeem kan niet altijd alle voetgangers
detecteren en heeft moeite met slechts
gedeeltelijk zichtbare voetgangers, voetgangers die kort van stuk zijn of kinderen
(met een lengte tot 80 cm) of voetgangers
die gekleed gaan in kleding die de lichaamscontouren verhult.
•
U bent er altijd zelf verantwoordelijk
voor dat u de auto op de juiste wijze
bestuurt en voldoende afstand houdt
afhankelijk van de rijsnelheid.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
209
04 Comfort en rijplezier
Collision Warning with Auto Brake en Pedestrian detection*
Storingen opsporen en verhelpen
Als op het display de melding
Voorruitsensoren afgedekt staat, betekent
dit dat de camerasensor afgedekt is en geen
voetgangers, voertuigen of rijstrookmarkeringen vóór de auto kan ontdekken.
Dit betekent ook dat er beperkingen gelden
voor de functies Collision Warning with Auto
Brake, Lane Departure Warning en Driver Alert
Control.
04
In de volgende tabel staan mogelijke oorzaken
van het verschijnen van de melding en passende maatregelen.
Oorzaak
Maatregel
Oorzaak
Maatregel
Het voorruitoppervlak vóór de camera
is vuil of bedekt met
sneeuw of ijs.
Ontdoe het voorruitoppervlak vóór de
camera van vuil,
sneeuw en ijs.
Bij dichte mist en
hevige regen- of
sneeuwval heeft de
camera een minder
goed zicht.
Valt niets aan te
doen. Bij hevige
neerslag werkt de
camera soms niet.
Het voorruitoppervlak vóór de camera
is schoongemaakt,
maar de melding
blijft.
Wacht even. Het kan
enige minuten duren
voordat de camera
het zicht opnieuw
heeft gemeten.
Er is vuil tussen de
binnenkant van de
voorruit en de
camera gekomen.
Bezoek een werkplaats om de binnenkant van de
voorruit achter de
camerabehuizing te
laten schoonmaken
– geadviseerd wordt
een erkende Volvowerkplaats.
Symbolen en meldingen op display
Symbool
Melding
Betekenis
CWS-systeem UIT
Collision Warning is uitgeschakeld.
Verschijnt bij het starten van de motor.
De melding dooft automatisch na ca. 5 seconden of eerder wanneer u op de toets READ drukt.
CWS-systeem niet
beschikbaar
210
Het is niet mogelijk Collision Warning te activeren.
Verschijnt wanneer u de functie toch probeert te activeren.
De melding dooft automatisch na ca. 5 seconden of eerder wanneer u op de toets READ drukt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Comfort en rijplezier
Collision Warning with Auto Brake en Pedestrian detection*
Symbool
Melding
Betekenis
Remassistent geactiveerd
De Auto Brake was actief.
Voorruitsensoren
afgedekt
De camerasensor werkt tijdelijk niet.
De melding verdwijnt na bediening van de toets READ.
Verschijnt bijvoorbeeld bij sneeuw, ijs of vuil op de voorruit.
• Maak het voorruitoppervlak vóór de camerasensor schoon.
Voor meer informatie over de beperkingen van de camerasensor - zie pagina 208.
Radar
afgedekt
Zie
instructieb.
Collision Warning with Auto Brake werkt tijdelijk niet.
CWS-systeem Service vereist
Collision Warning with Auto Brake werkt niet of gedeeltelijk.
04
De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren. Bijvoorbeeld wanneer deze wordt gehinderd door hevige
regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken.
Voor meer informatie over de beperkingen van de radarsensor, zie pagina 193.
• Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
211
04 Comfort en rijplezier
Driver Alert System – DAC*
Algemene informatie over Driver Alert
System
Driver Alert System is bestemd om u te helpen
als de auto op een ongecontroleerde manier
wordt bestuurd of op het punt staat de rijstrookmarkering te overschrijden.
Driver Alert System bestaat uit twee hulpfuncties die allebei tegelijk of ieder apart in te schakelen zijn:
04
• Driver Alert Control (DAC)
• Lane Departure Warning (LDW), zie
WAARSCHUWING
Driver Alert System heeft niet in alle situaties
het beoogde effect en is uitsluitend bedoeld
als hulpmiddel.
Ook de camerasensor kent zijn beperkingen
(zie pagina 208).
Algemene informatie over Driver Alert
Control (DAC)
DAC is bedoeld om langzame wijzigingen in het
rijgedrag te bespeuren, in eerste instantie op
de grotere wegen. De functie is niet bedoeld
voor gebruik in het stadsverkeer.
pagina 215.
Soms treden er ondanks vermoeidheid geen
merkbare wijzigingen op in het rijgedrag. In dat
geval wordt er dan ook niet gewaarschuwd.
Het is daarom van groot belang dat u bij opkomende vermoeidheid de auto op een geschikte
plek parkeert om een pauze in te lassen, ongeacht de vraag of DAC nu wel of niet heeft
gewaarschuwd.
De functie wordt weer uitgeschakeld, zodra de
snelheid onder de 60 km/h daalt.
Beide functies maken gebruik van een camera
die alleen rijstroken met aan weerszijden
geschilderde zijmarkeringen kan onderscheiden.
N.B.
De functie is bedoeld om de aandacht van de
bestuurder te trekken wanneer de auto op een
ongecontroleerde manier bestuurd wordt
(omdat u bijvoorbeeld afgeleid wordt of bijna in
slaap valt).
Een camera tast de geschilderde rijstrookmarkeringen af en vergelijkt de wegrichting met uw
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
N.B.
U als bestuurder bent er altijd verantwoordelijk voor dat de auto op een veilige manier
wordt bestuurd.
Een ingeschakelde functie wordt pas daadwerkelijk geactiveerd bij snelheden hoger dan
65 km/h. Bij lagere snelheden staat de functie
stand-by.
212
stuurbewegingen. U wordt gewaarschuwd
wanneer de auto de wegrichting op een ongecontroleerde manier volgt.
Gebruik de functie niet om langer achtereen
te kunnen rijden. Plan altijd op gezette tijden
rustpauzes in en zorg dat u uitgerust bent.
Beperkingen
Soms kan het systeem ten onrechte waarschuwen voor ongecontroleerde stuurbewegingen.
Dit kan bijvoorbeeld gebeuren bij:
04 Comfort en rijplezier
Driver Alert System – DAC*
• gebruik van de functie LDW.
• zijdelingse rukwinden.
• spoorvorming in het wegdek.
Bediening
Via het menusysteem op het beeldscherm van
de middenconsole zijn bepaalde instellingen te
verrichten. Voor informatie over het gebruik
van het menusysteem, zie pagina 155.
De actuele status valt te controleren op het
boordcomputerdisplay met behulp van de linker stuurhendel.
Duimwiel. Draai eraan totdat Driver
Alert op het display verschijnt. Op de
tweede regel staan de opties Uit, Driver
Alert stand-by <65km/h, Driver Alert
niet beschikbaar of Niveaumarkering.
READ bevestigt en wist een opgeslagen
waarschuwing.
Driver Alert Control activeren
Ga in het menusysteem MY CAR op het beeldscherm van de middenconsole naar Autoinstellingen Driver Alert. Kies de optie
Aan. Voor informatie over het gebruik van het
menusysteem, zie pagina 155.
De functie wordt geactiveerd bij een
snelheid hoger dan 65 km/h en blijft
actief, zolang de snelheid boven
60 km/h ligt.
Als de auto zwalkneigingen vertoont wordt u
gewaarschuwd met een zoemersignaal en de
displaymelding Driver Alert Tijd voor pauze.
Als u uw rijgedrag niet corrigeert wordt enige
tijd later opnieuw gewaarschuwd.
WAARSCHUWING
Neem een waarschuwing altijd serieus,
omdat u bij slaperigheid uw lichamelijke
conditie vaak minder goed kunt inschatten.
Breng bij een waarschuwing of een gevoel
van vermoeidheid de auto zo spoedig
mogelijk tot stilstand om rust te houden.
04
Studies hebben aangetoond dat rijden bij
vermoeidheid even gevaarlijk is in het verkeer als rijden onder invloed.
Op het display staat een niveaumarkering in de
vorm van 1–5 balkjes, waarbij een klein aantal
balkjes voor ongecontroleerd rijgedrag staat.
Omgekeerd geldt dat een groot aantal balkjes
voor stabiel rijgedrag staat.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
213
04 Comfort en rijplezier
Driver Alert System – DAC*
Symbolen en meldingen op display
Symbool
04
Melding
Betekenis
Driver Alert UIT
De functie is niet ingeschakeld.
Driver Alert stand-by
<65km/h
De functie is stand-by gezet omdat de rijsnelheid onder 65 km/h ligt.
Driver Alert niet beschikbaar
De weg is niet voorzien van duidelijke markeringsstrepen of de camerasensor werkt tijdelijk niet. Voor
meer informatie over de beperkingen van de camerasensor, zie pagina 208.
Driver Alert
De functie analyseert uw rijstijl.
Het aantal balkjes varieert van 1 tot 5, waarbij een klein aantal balkjes voor ongecontroleerd rijgedrag
staat. Omgekeerd geldt dat een groot aantal balkjes voor stabiel rijgedrag staat.
Driver Alert Tijd voor pauze
De auto vertoont zwalkend rijgedrag – u wordt gewaarschuwd met een zoemersignaal en een displaymelding.
Voorruitsensoren afgedekt
De camerasensor werkt tijdelijk niet.
Verschijnt bijvoorbeeld bij sneeuw, ijs of vuil op de voorruit.
• Maak het voorruitoppervlak vóór de camerasensor schoon.
Voor meer informatie over de beperkingen van de camerasensor, zie pagina 208.
Driver Alert Sys Service
vereist
Het systeem is defect.
• Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
214
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Comfort en rijplezier
Driver Alert System – (LDW)*
Algemene informatie over Lane
Departure Warning (LDW)
Bediening en functie
Als de camera de rijstrookmarkeringen op het
wegdek niet langer registreert verschijnt op het
display de melding Lane Depart Warn niet
beschikbaar.
Als de rijsnelheid tot onder de 60 km/h daalt,
neemt de functie de stand-bystand weer in en
verschijnt op het display de melding Lane
Depart Warn stand-by <65km/h.
Als de auto zonder duidelijke reden de linker of
rechter rijstrookmarkering overschrijdt wordt u
gewaarschuwd met een zoemersignaal.
De functie is bedoeld om het gevaar te beperken voor eenzijdige ongelukken, waarbij de
auto bijvoorbeeld de rijstrook verlaat en in de
wegberm of op de rijstrook voor tegemoetkomend verkeer dreigt terecht te komen.
LDW maakt gebruik van een camera die de
geschilderde rijstrookmarkeringen aftast. U
wordt gewaarschuwd met een zoemersignaal,
als de auto een rijstrookmarkering overschrijdt.
1
Wanneer gekozen is voor Hogere
U schakelt de functie in en uit met de bijbehorende schakelaar op de middenconsole. Het
lampje in de schakelaar brandt wanneer de
functie ingeschakeld is.
Wanneer de functie stand-by staat wegens een
rijsnelheid onder 65 km/h, verschijnt op het
boordcomputerdisplay de melding Lane
Depart Warn stand-by <65km/h.
Vanuit de stand-bystand wordt de functie LDW
automatisch geactiveerd, zodra de camera de
rijstrookmarkeringen heeft geregistreerd en de
rijsnelheid is opgelopen tot boven 65 km/h. Op
het boordcomputerdisplay staat in dat geval de
melding Lane Depart Warn beschikbaar.
04
In de volgende situaties wordt echter niet
gewaarschuwd:
•
•
•
•
•
Bij gebruik van de richtingaanwijzers
Bij bediening van het rempedaal1
Bij snelle bediening van het gaspedaal1
Bij snelle stuurbewegingen1
Bij dusdanig scherpe bochten dat de auto
overhelt.
Ook de camerasensor kent zijn beperkingen.
Voor meer informatie (zie pagina 208).
gevoeligheidwordt echter wel een waarschuwing gegeven, zie pagina 217.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
215
04 Comfort en rijplezier
Driver Alert System – (LDW)*
N.B.
Iedere keer dat de wielen een markeringsstreep passeren wordt er slechts eenmaal
gewaarschuwd. Er wordt dan ook niet meer
gewaarschuwd, wanneer u met één wiel aan
weerszijden zijden van de rijstrookmarkering blijft rijden.
Symbolen en meldingen op display
04
Symbool
Melding
Betekenis
Lane departure warning
AAN/Lane departure warning UIT
De functie is ingeschakeld/uitgeschakeld.
Verschijnt bij inschakeling/uitschakeling.
De melding verdwijnt automatisch na 5 seconden.
216
Lane Depart Warn standby <65km/h
De functie is stand-by gezet omdat de rijsnelheid onder 65 km/h ligt.
Lane Depart Warn niet
beschikbaar
De weg is niet voorzien van duidelijke markeringsstrepen of de camerasensor werkt tijdelijk niet. Voor
meer informatie over de beperkingen van de camerasensor, zie pagina 208.
Lane Depart Warn
beschikbaar
De functie tast de rijstrookmarkeringen af.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Comfort en rijplezier
Driver Alert System – (LDW)*
Symbool
Melding
Betekenis
Voorruitsensoren afgedekt
De camerasensor werkt tijdelijk niet.
Verschijnt bijvoorbeeld bij sneeuw, ijs of vuil op de voorruit.
• Maak het voorruitoppervlak vóór de camerasensor schoon.
Voor meer informatie over de beperkingen van de camerasensor, zie pagina 208.
Driver Alert Sys Service
vereist
Het systeem is defect.
• Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
Persoonlijke instellingen
Eventuele instellingen zijn te verrichten op het
beeldscherm van het middenconsole via het
menusysteem in MY CAR. Ga daar naar
Instellingen Auto-instellingen Rijassistentiesystemen Lane Departure
Warning. Voor informatie over het gebruik van
het menusysteem, zie pagina 155.
04
systeem, zodat er eerder wordt gewaarschuwd
en minder beperkingen gelden.
Kies uit de opties:
Aan bij starten – Wanneer u voor deze optie
kiest, staat de functie iedere keer dat u de
motor staat stand-by. Anders is de functiestatus bij het afzetten van de motor bepalend.
Hogere gevoeligheid – Wanneer u voor deze
optie kiest verhoogt u de gevoeligheid van het
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
217
04 Comfort en rijplezier
Park Assist*
Algemene informatie
Functie
Park Assist is bedoeld als hulpmiddel tijdens
het parkeren. Geluidssignalen en symbolen op
het beeldscherm van de middenconsole geven
de afstand aan tot een waargenomen obstakel.
Het Park Assist-volume is tijdens de weergave
van geluidssignalen bij te stellen met de draaiknop VOL op de middenconsole of in het
menusysteem MY CAR van de auto – zie
pagina 155.
04
Park Assist is verkrijgbaar in twee varianten:
• Park Assist aan de achterzijde
• Park Assist aan de voor- en achterzijde.
WAARSCHUWING
•
218
Hoewel de Park Assist handig is bij het
parkeren, bent u nog altijd schadeplichtig bij eventuele fouten.
•
Wanneer er obstakels in de dode hoeken van de sensoren zitten, zal het systeem ze niet kunnen ontdekken.
•
Houd mensen, dieren e.d. in de buurt
van de auto daarom in de gaten.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Beeldschermweergave - toont linksvoor en
rechtsachter een obstakel.
Bij het starten van de motor wordt het systeem
automatisch geactiveerd – het lampje in de
Aan/Uit-knop brandt. Wanneer u Park Assist
met deze knop uitschakelt, dooft het lampje.
Op het beeldscherm van de middenconsole
verschijnt een schematische weergave van de
onderlinge posities van de auto en een eventueel obstakel.
De gemarkeerde sector(en) geeft/geven aan
welke van de vier sensoren een obstakel heeft/
hebben waargenomen. De gemarkeerde sector ligt dichter bij het autosymbool, naarmate
de afstand tussen de auto en het waargenomen obstakel kleiner is.
Hoe dichter u het obstakel achter of voor de
auto nadert, des te sneller volgen de geluidssignalen elkaar op. Wanneer u ondertussen de
geluidsinstallatie beluistert, wordt het volume
daarvan tijdelijk verlaagd.
04 Comfort en rijplezier
Park Assist*
Bij een afstand tot 30 cm bestaat het geluidssignaal uit een ononderbroken toon en is de
sensorsector die het dichtst bij de auto ligt
geheel gevuld. Als er zowel voor als achter de
auto obstakels binnen deze afstand zijn waargenomen, komen de geluidssignalen beurtelings uit de luidsprekers aan linker- en rechterzijde.
Park Assist aan de achterzijde
N.B.
De Hulp bij parkeren wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u een aanhanger achter de auto hebt hangen die met originele
trekhaakbedrading van Volvo aangesloten
is.
Park Assist aan de voorzijde
BELANGRIJK
Sommige voorwerpen zoals kettingen,
smalle glanzende palen of lage obstakels
kunnen ‘afgeschaduwd’ worden en worden
in dat geval tijdelijk niet geregistreerd door
de sensoren – het onderbroken geluidssignaal kan dan plotseling wegvallen in plaats
van over te gaan in het verwachte ononderbroken geluidssignaal.
•
Wees in dat geval extra voorzichtig en
bedien/verrijd de auto erg langzaam of
breek de parkeermanoeuvre af – er
bestaat groot gevaar voor materiële
schade aan de auto of de omgeving,
aangezien de sensoren dan tijdelijk niet
optimaal werken.
04
Het meetbereik strekt tot ca. 1,5 m recht achter
de auto. Bij obstakels achter de auto komen de
geluidssignalen uit een van de luidsprekers
achterin.
Park Assist aan de achterzijde wordt geactiveerd bij het inschakelen van de achteruitversnelling.
Bij het achteruitrijden met bijvoorbeeld een
aanhanger achter de auto of een fietsdrager op
de trekhaak moet u het systeem uitschakelen
– anders reageren de sensoren op de aanhanger of fietsdrager.
Het meetbereik strekt tot ca. 0,8 m recht voor
de auto. Bij obstakels voor de auto komen de
geluidssignalen uit een van de luidsprekers
voorin.
Park Assist aan de voorzijde is actief bij snelheden tot 15 km/h. Het lampje in de knop
brandt om aan te geven dat het systeem actief
is. Het systeem wordt opnieuw geactiveerd bij
snelheden lager dan 10 km/h.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
219
04 Comfort en rijplezier
Park Assist*
N.B.
Sensoren schoonmaken
Park Assist aan de voorzijde wordt gedeactiveerd, wanneer u de parkeerrem zet of de
keuzehendel in stand P zet bij een auto met
automatische versnellingsbak.
BELANGRIJK
04
Bij auto’s met verstralers erop letten dat de
lampen de sensoren niet blokkeren en voor
obstakels worden gehouden.
Aanduiding voor systeemstoringen
Positie van de voorste sensoren.
Als het informatiesymbool continu
brandt en op het informatiedisplay de
melding Park Assist Service vereist verschijnt, dan is Park Assist defect.
BELANGRIJK
In bepaalde omstandigheden kan de parkeerhulp ten onrechte waarschuwingssignalen afgeven. Dit komt door externe
geluidsbronnen met ultrasone geluidssignalen van dezelfde frequentie als de sensoren van het systeem.
Voorbeelden van dergelijke geluidsbronnen
zijn onder meer claxons, natte banden op
asfaltwegen, luchtdrukremmen en uitlaten
van motorfietsen e.d.
220
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
N.B.
Vuil, sneeuw en ijs op de sensoren kunnen
ten onrechte aanleiding geven tot waarschuwingssignalen.
Positie van de achterste sensoren.
De sensoren werken alleen naar behoren, wanneer u ze regelmatig schoonmaakt met water
en autoshampoo.
04 Comfort en rijplezier
Park Assist-camera*
Algemene informatie
automatisch over om de cameraweergave te
tonen.
De Park Assist-camera is een hulpsysteem dat
automatisch geactiveerd wordt bij het inschakelen van de achteruitversnelling (de functie is
te wijzigen in het instellingenmenu, zie
pagina 155).
De cameraweergave verschijnt op het beeldscherm van de middenconsole.
WAARSCHUWING
•
De parkeercamera is alleen bedoeld als
hulpmiddel en zodat de bestuurder
eindverantwoordelijk blijft tijdens het
achteruitrijden.
•
De camera kent dode hoeken waarin
registratie van obstakels niet mogelijk
is.
•
Houd mensen en dieren in de buurt van
de auto in de gaten.
Positie CAM-knop.
De camera toont wat er achter de auto is en of
er iets of iemand van de zijkanten opduikt.
De camera beslaat een breed gebied achter de
auto alsook een deel van de bumper en een
eventuele trekhaak.
Voorwerpen op het beeldschermen lijken
mogelijk over te hellen – dit is volkomen normaal.
Bij het inschakelen van de achteruitversnelling
wordt met behulp van ononderbroken lijnen
grafisch aangegeven waar de achterwielen van
de auto uitkomen bij de huidige stuuruitslag –
dit vereenvoudigt het achteruit inparkeren,
achteruitrijden in nauwe ruimten en aankoppelen van aanhangers. Twee onderbroken lijnen
illustreren bij benadering de buitenmaten van
de auto – de hulplijnen zijn uit te schakelen in
het instellingenmenu.
04
Als de auto tevens uitgerust is met Park Assistsensoren*, illustreren gekleurde velden op grafische wijze de afstand tot geregistreerde
obstakels, zie pagina 218.
De camera wordt ca. 5 seconden na uitschakeling van de achteruitversnelling gedeactiveerd of eerder als de rijsnelheid oploopt tot
boven 10 km/h.
N.B.
Voorwerpen op het beeldscherm kunnen
dichterbij zijn dan ze lijken.
Als een andere schermweergave actief is,
neemt de parkeercamerafunctie het scherm
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
221
04 Comfort en rijplezier
Park Assist-camera*
Hulplijnen
04
Camerapositie bij de openingshandgreep.
Lichtomstandigheden
De cameraweergave wordt automatisch aangepast aan de heersende lichtomstandigheden. Dit kan ertoe leiden dat de beeldweergave
ietwat kan variëren wat lichtsterkte en kwaliteit
betreft. Slechte lichtomstandigheden leveren
mogelijk een iets slechtere beeldkwaliteit op.
N.B.
Houd voor optimale werking de cameralenzen vrij van vuil, sneeuw en ijs. Dit is met
name van belang in slechte lichtomstandigheden.
222
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Voorbeeld van hoe hulplijnen voor de bestuurder
getoond worden.
De lijnen op het scherm worden geprojecteerd
als stonden ze op de grond achter de auto. De
lijnen zijn bovendien afhankelijk van de stuuruitslag, zodat u ook bij het draaien kunt zien
welke baan de auto zal nemen.
N.B.
•
Bij het achteruitrijden met een aanhanger/caravan geven de lijnen op het
scherm de baan van de auto aan – niet
die van de aanhanger/caravan.
•
Er verschijnen geen lijnen op het
scherm, wanneer er een aanhanger/
caravan is aangesloten op het elektrische systeem van de auto.
•
De Park Assist-camera wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u een
aanhanger/caravan achter de auto hebt
hangen die met originele trekhaakbedrading van Volvo aangesloten is.
BELANGRIJK
Let erop dat de schermweergave alleen het
gebied recht achter de auto weergeeft –
houd de zijkanten en de voorkant van de
auto daarom goed in de gaten wanneer u
tijdens het achteruitrijden aan het stuurwiel
draait.
04 Comfort en rijplezier
Park Assist-camera*
Grenslijnen
per reiken zolang er geen obstakel in de weg
staat.
Auto’s met Park Assist-sensoren
achter*
Kleur
Afstand (meter)
Oranje
1,5–
Oranje
0,3–1,5
Rood
0–0,3
Instellingen
Druk op OK/MENU wanneer een cameraweergave getoond wordt. Voer de gewenste instellingen uit.
04
Overig
Lijnen van het systeem.
• De standaardinstelling is dat de camera
wordt geactiveerd bij het inschakelen van
de achteruitversnelling.
Grenslijn 30cm-zone achter auto
Grenslijn vrije achteruitrijzone
“Wielsporen”
De ononderbroken lijn (1) grenst een gebied af
dat minder dan ca. 30 cm verwijderd is van de
achterbumper.
De onderbroken lijn (2) grenst een zone af die
tot ca. 1,5 m achter de achterbumper strekt.
Het vormt tegelijkertijd de grens voor de uitstekende delen van de auto, zoals buitenspiegels en hoeken – ook tijdens het maken van
een bocht.
De afstand wordt aangegeven met gekleurde
velden (4 st., voor elke sensor één).
Als de auto ook is uitgerust met Park Assistsensoren (zie pagina 218), kan de afstand
nauwkeuriger worden weergegeven en geven
gekleurde velden aan welke van de 4 sensoren
een obstakel registreert/registreren.
De kleur van de velden verandert naarmate de
afstand tot het obstakel afneemt – van geel via
oranje in rood.
• Bij indrukken van CAM wordt de camera
geactiveerd, ook al is de achteruitversnelling niet ingeschakeld.
• Wissel tussen de normale en ingezoomde
weergave door te draaien aan TUNE of te
drukken op CAM.
• Als er meerdere camera’s* op de auto
gemonteerd zijn, kunt u van camera wisselen door aan TUNE te draaien.
De brede “wielsporen” (3) tussen de zijlijnen
geven aan waar de wielen zich zullen bevinden
en kunnen tot ca. 3,2 m achter de achterbum``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
223
04 Comfort en rijplezier
Park Assist-camera*
Beperkingen
N.B.
Fietsdragers of andere accessoires achter
op de auto kunnen het blikveld van de
camera blokkeren.
04
Let erop dat ook als het geblokkeerde gebied
er op het scherm relatief klein uitziet, het werkelijke, verborgen gebied dusdanig groot kan
zijn dat obstakels pas worden geregistreerd
wanneer u er bijna bovenop zit.
Waar u op moet letten
• Houd de cameralens vrij van vuil, sneeuw
en ijs.
• Maak de cameralens regelmatig schoon
met lauw water en autoshampoo – wees
voorzichtig om geen krassen in de lens te
maken.
224
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Comfort en rijplezier
BLIS* – Blind Spot Information System
Algemene informatie over BLIS
WAARSCHUWING
G021426
Het systeem vormt een aanvulling op – geen
vervanging voor – een veilige rijstijl en het
gebruik van de buitenspiegels. De bestuurder moet altijd oplettend en verantwoord
blijven rijden. De bestuurder is er altijd verantwoordelijk voor dat er op een veilige
manier van rijstrook wordt gewisseld.
BLIS-camera1
Controlelampje
BLIS-symbool
BLIS is een op cameratechniek gebaseerd
informatiesysteem dat de bestuurder in
bepaalde omstandigheden waarschuwt, wanneer er zich een voertuig in de zogeheten dode
hoek bevindt en in dezelfde richting rijdt.
Het systeem is desgewenst tijdelijk te deactiveren, zie het gedeelte Activeren/deactiveren.
Dode hoeken
Het systeem werkt het best in druk verkeer op
meerbaanswegen.
04
Wanneer een camera (1) een voertuig heeft
waargenomen in de dode hoek, licht een controlelampje (2) op dat continu blijft branden.
N.B.
Het lampje gaat branden aan die kant van
de auto waar het voertuig is waargenomen.
Als de auto aan weerszijden wordt ingehaald, gaan dan ook beide lampjes branden.
Afstand A = ca. 9,5 m en afstand B = ca. 3,0 m.
BLIS informeert de bestuurder bij een fout in
het systeem. Als de camera’s van het systeem
bijvoorbeeld zijn afgedekt, knippert het controlelampje voor BLIS en verschijnt er een melding op het display van het informatiepaneel.
Controleer de cameralenzen in dat geval en
maak ze zo nodig schoon.
1
N.B. De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
225
04 Comfort en rijplezier
BLIS* – Blind Spot Information System
Activeren/deactiveren
Bij het heractiveren van BLIS brandt het lampje
in de knop, verschijnt er een nieuwe displaymelding en lichten de controlelampjes in de
portieren 3 keer op. Druk op de knop READ om
de displaymelding te laten verdwijnen. (Voor
een beschrijving van de meldingsfuncties, zie
pagina 152).
04
Knop voor activering/deactivering.
BLIS wordt bij het starten van de motor automatisch geactiveerd. De controlelampjes op
de portierpanelen lichten driemaal op bij het
activeren van BLIS.
226
Het lampje in de knop dooft, wanneer het BLIS
gedeactiveerd wordt. Er verschijnt bovendien
een displaymelding op het instrumentenpaneel.
Wanneer BLIS werkt
Het systeem werkt alleen bij snelheden hoger
dan 10 km/h.
Inhalen
Het systeem reageert als:
Na het starten van de motor is het systeem te
deactiveren/heractiveren door op de knop
BLIS te drukken.
• het snelheidsverschil tussen u en het inge-
Bij bepaalde combinaties van opties is er geen
plek vrij voor een knop op de middenconsole –
in dat geval is de functie te bedienen via het
menusysteem MY CAR, onder Instellingen
Auto-instellingen BLIS. (Voor een
beschrijving van het menusysteem, zie
pagina 155).
lende voertuig kleiner is dan 70 km/h.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
haalde voertuig kleiner is dan 10 km/h
• het snelheidsverschil tussen u en het inha-
WAARSCHUWING
BLIS werkt niet in scherpe bochten.
BLIS werkt niet wanneer u achteruitrijdt.
Een brede aanhanger achter de auto kan het
zicht ontnemen op andere voertuigen op
aangrenzende rijstroken. Dit kan ertoe leiden dat BLIS geen voertuigen in dit afgeschermde gebied kan waarnemen.
Daglicht en donker
Bij daglicht reageert het systeem op de contouren van omringende voertuigen. Het systeem is geconstrueerd om motorvoertuigen
zoals auto’s, vrachtwagens, bussen en motorfietsen waar te nemen.
Bij donker reageert het systeem op de koplampen van omringende voertuigen. Als een voertuig de koplampen niet heeft ontstoken, zal het
systeem dit voertuig dan ook niet kunnen waarnemen. Dit houdt in dat het systeem bijvoorbeeld niet reageert op een aanhanger achter
een auto of vrachtwagen, omdat daar geen
brandende koplampen op zitten.
04 Comfort en rijplezier
BLIS* – Blind Spot Information System
WAARSCHUWING
Het systeem reageert niet op fietsers en
bromfietsers.
De BLIS-camera’s kennen ongeveer
dezelfde beperkingen als het menselijk oog.
Dit houdt in dat ze bijvoorbeeld minder goed
“zien” bij hevige sneeuwval, fel tegenlicht of
dichte mist.
Schoonmaken
BLIS werkt alleen optimaal, als de lenzen van
de BLIS-camera’s schoon zijn. U kunt de lenzen schoonmaken met een zachte doek of een
vochtige spons. Maak de lenzen voorzichtig
schoon om krassen te voorkomen.
BELANGRIJK
Displaymeldingen
Melding
Betekenis
BLIS AAN
BLIS-systeem geactiveerd.
BLIS Service vereist
BLIS werkt niet –
neem contact op
met een werkplaats.
BLIS-camera
afgedekt
De BLIS-camera is
bedekt met vuil,
sneeuw of ijs – maak
de lenzen schoon.
Melding
Betekenis
BLIS Beperkte
functie
Beperkte gegevensoverdracht tussen
de camera van het
BLIS en het elektrische systeem van
de auto.
De camera wordt
automatisch gereset, wanneer de
gegevensoverdracht tussen de
camera van het BLIS
en het elektrische
systeem van de auto
weer normaal wordt.
BLIS UIT
De lenzen zijn elektrisch verwarmd om ze
van sneeuw en ijs te kunnen ontdoen. Veeg
zo nodig sneeuw van de lenzen af.
04
BLIS-systeem uitgeschakeld.
BELANGRIJK
Laat reparaties van de onderdelen van het
BLIS-systeem over aan een werkplaats –
geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
227
04 Comfort en rijplezier
BLIS* – Blind Spot Information System
Beperkingen
Soms kan het controlelampje voor BLIS oplichten zonder dat u voertuigen in de dode hoeken
kunt waarnemen.
N.B.
Als het controlelampje voor BLIS soms
oplicht zonder dat u andere voertuigen in de
dode hoeken kunt waarnemen, betekent dit
niet dat het systeem een storing vertoont.
04
Bij een storing in het BLIS-systeem verschijnt op het display de melding BLIS
Service vereist.
Eigen schaduwen op grote, lichtgekleurde en
gladde oppervlakken zoals geluidsschermen of
betonnen wegen.
Op de volgende afbeeldingen staan voorbeeldsituaties waarin het controlelampje voor
BLIS kan gaan branden, terwijl er zich geen
voertuigen in de dode hoek bevinden.
Laag staande zon in de camera.
Reflecties op een glad en nat wegdek.
228
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Comfort en rijplezier
Interieurcomfort
Opbergmogelijkheden
04
``
229
04 Comfort en rijplezier
Interieurcomfort
Opbergvak in portierpaneel
Middenconsole
Dashboardkastje
Opbergzak* aan de voorkant van de voorstoelzittingen
Parkeerkaarthouder
Dashboardkastje
Opbergvak
Kledinghaak
04
Opbergvakken, bekerhouder
Bekerhouder* in armsteun, achterbank
Opbergvak
Kledinghaak
De kledinghaak is alleen bestemd voor niet al
te zware kledingsstukken.
WAARSCHUWING
Bewaar losse voorwerpen, zoals mobiele
telefoon, camera, afstandsbediening voor
extra uitrusting e.d., in het dashboardkastje
of andere opbergruimten. Bij krachtig
afremmen of een botsing kunnen deze
anders inzittenden verwonden.
230
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Opbergvak (voor bijvoorbeeld cd’s) en
USB*/AUX-ingang onder de armsteun.
Bevat een bekerhouder voor de bestuurder
en een voorpassagier. (Als u voor een
asbak en aansteker hebt gekozen, zit er
een aansteker op de plaats van de 12Vaansluiting voorin, zie pagina 231, en een
uitneembare asbak in de bekerhouder.)
Aansteker en asbak*
De asbak in de middenconsole is te verwijderen door deze recht omhoog te tillen.
U activeert de aansteker door de knop in te
drukken. Wanneer de aansteker heet genoeg
is, veert de knop automatisch uit. Haal de aansteker uit de opening en gebruik het roodgloeiende deel om bijvoorbeeld een sigaret mee aan
te steken.
Hier kunt u bijvoorbeeld het instructieboekje en
eventuele kaarten opbergen. Aan de binnenkant van de klep zit een houder voor pennen.
Het dashboardkastje kan worden vergrendeld
met behulp van het sleutelblad, zie pagina 53.
Inlegmatten*
Volvo biedt inlegmatten die speciaal vervaardigd zijn.
WAARSCHUWING
Controleer voordat u wegrijdt of de inlegmat
voor de bestuurdersstoel goed ligt en aan
de pennen vastzit zodat hij niet naast of
onder de pedalen klem kan komen te zitten.
04 Comfort en rijplezier
Interieurcomfort
12V-aansluiting
Make-upspiegel
WAARSCHUWING
Laat de plug altijd in de aansluiting zitten als
u deze niet gebruikt.
G021438
N.B.
Make-upspiegel met verlichting.
12V-aansluiting in middenconsole, voorin.
Het lampje gaat automatisch aan, wanneer u
het klepje optilt.
U kunt de elektrische aansluiting voor verschillende accessoires gebruiken die op een spanning van 12 V werken, zoals beeldschermen,
mediaspelers of mobiele telefoons. De transpondersleutel moet ten minste in sleutelstand
I staan, anders geeft de aansluiting geen
stroom, zie pagina 86.
Extra uitrusting en accessoires – zoals
beeldschermen, mediaspelers en mobiele
telefoons – die zijn aangesloten op een van
de 12V-aansluitingen in de passagiersruimte worden mogelijk geactiveerd door de
klimaatregeling, ook al is de transpondersleutel uitgenomen of de auto vergrendeld,
als bijvoorbeeld de standverwarming ingesteld is om op een bepaalde tijd in te schakelen.
04
Trek daarom wanneer u de extra uitrusting
of accessoires niet gebruikt de stekkers uit
de elektrische aansluitingen, omdat de startaccu anders uitgeput kan raken!
Elektrische aansluiting in bagageruimte*
Voor meer informatie, zie pagina 298.
BELANGRIJK
U kunt maximaal 10 A (120 W) via de aansluiting afnemen bij gebruik van één aansluiting tegelijk. Bij gelijktijdig gebruik van
de beide aansluitingen geldt een waarde
van 7,5 A (90 W) per aansluiting.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
231
Algemene informatie over infotainment................................................
Beknopte bedieningsinstructies............................................................
Algemene infotainmentfuncties.............................................................
Radio.....................................................................................................
Mediaspeler..........................................................................................
Externe geluidsbron via AUX/USB*-ingang..........................................
234
236
241
244
252
257
Media BluetoothŸ* ................................................................................ 260
TV - instelling*....................................................................................... 263
Afstandsbediening* .............................................................................. 267
BluetoothŸ-handsfree*.......................................................................... 269
Spraakherkenning* mobiele telefoon.................................................... 278
Menufuncties infotainment.................................................................... 282
232
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
INFOTAINMENT
05 Infotainment
Algemene informatie over infotainment
Algemene informatie
Het infotainmentsysteem in uw auto is verkrijgbaar in vier uitvoeringen:
Performance
•
•
•
•
•
•
•
05
5"-beeldscherm TFT
Toetsenset* op stuurwiel zonder duimwiel
AM/FM-radio
Cd
AUX-ingang
6 luidsprekers
4x20W-versterker
High Performance
•
•
•
•
•
•
•
•
5"-beeldscherm TFT
Toetsenset* op stuurwiel met duimwiel
AM/FM-radio
AUX- en USB-ingang (voor iPodŸ bijv.)
BluetoothŸ handsfree/streaming media
8 luidsprekers
4x40W-versterker
• 7"-beeldscherm TFT
• Toetsenset* op stuurwiel met duimwiel
234
AM/FM-radio
Cd/Dvd
AUX- en USB-ingang (voor iPodŸ bijv.)
BluetoothŸ handsfree/streaming media
Vervaardigd onder licentie van Dolby
Laboratories. Dolby, Pro Logic en de dubbele
D zijn geregistreerde handelsmerken van
Dolby Laboratories.
Audyssey MultEQ1
8 luidsprekers
4x40W-versterker
Premium Sound Multimedia
•
•
•
•
•
•
•
•
7"-beeldscherm TFT
Toetsenset* op stuurwiel met duimwiel
AM/FM-radio
Cd/Dvd
AUX- en USB-ingang (voor iPodŸ bijv.)
BluetoothŸ handsfree/streaming media
12 luidsprekers
5x130W-versterker
Bij de ontwikkeling en instelling van het geluid
werd gebruik gemaakt van het Audyssey MultEQ-systeem om een eersteklas geluidsweergave te garanderen.
Cd
High Performance Multimedia
1
•
•
•
•
•
•
Geldt alleen voor Premium Sound Multimedia.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Dolby, Pro Logic
Overige informatie
Als het infotainmentsysteem actief is bij het
afzetten van de motor, wordt het de volgende
keer dat u de sleutel in sleutelstand I of hoger
draait, automatisch ingeschakeld en geeft het
dezelfde geluidsbron (bijv. radio) weer als bij
het afzetten van de motor (bij auto’s met vergrendeling op Keyless drive-systeem* dient het
bestuurdersportier dicht te staan).
05 Infotainment
Algemene informatie over infotainment
Wanneer de transpondersleutel niet in het contactslot steekt, is het infotainment 15 minuten
achtereen te gebruiken door op de knop Aan/
Uit te drukken.
Bij het starten van de motor wordt het infotainmentsysteem tijdelijk uitgeschakeld en weer
ingeschakeld wanneer de motor is aangeslagen.
N.B.
Haal de transpondersleutel uit het contactslot als u het infotainmentsysteem gebruikt
terwijl de motor afgezet is. Dit om te voorkomen dat de accu onnodig ontladen raakt.
05
235
05 Infotainment
Beknopte bedieningsinstructies
Overzicht infotainment
Installatie bedienen
contacten* door te bladeren of de opties
op het beeldscherm (bijv. FM1, Disk) door
te nemen.
Brontoetsen
AUX- en USB1-ingangen voor externe
geluidsbronnen (bijv. iPodŸ)
05
Toetsenset* op stuurwiel
Beeldscherm. Het beeldscherm is verkrijgbaar in twee maten: 5" (Performance en
High Performance) en 7" (High Performance Multimedia en Premium Sound
Multimedia). In dit boekje wordt het beeldscherm van 7" getoond.
Bedieningspaneel in middenconsole
Bij kort indrukken wordt de installatie
ingeschakeld en bij lang indrukken vindt
uitschakeling plaats. Kort indrukken om
het geluid uit te schakelen (MUTE-functie)
of opnieuw in te schakelen, als het geluid
uitstond.
Kies een bron door te drukken op een van
de toetsen (bijv. RADIO, MEDIA etc.). Druk
herhaalde malen om de opties op het
beeldscherm door te bladeren (bijv. FM1).
Als u de toets vervolgens loslaat en even
wacht wordt de optie automatisch geaccepteerd. U kunt ook aan TUNE draaien en
uw keuze bevestigen met OK/MENU.
TUNE – Omdraaien om versneld tracks/
mappen, radio. en tv*-zenders, telefoon-
1
236
USB geldt alleen voor High Performance, High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Bedieningspaneel met toetsen voor bronkeuze.
RADIO – Kies bijvoorbeeld AM, FM1,
FM2, DAB1*, DAB2*
MEDIA – Kies bijvoorbeeld Disk, USB*,
iPod, AUX, Bluetooth*, TV*.
TEL – BluetoothŸ-handsfree*
MY CAR - Zie pagina 155.
05 Infotainment
Beknopte bedieningsinstructies
Basisfuncties infotainment
Middenconsole met bedieningselementen voor
basisfuncties.
SOUND – Menu voor audio-instellingen
(lage tonen, hoge tonen e.d.) openen. Voor
meer informatie, zie pagina 241.
VOL – Omdraaien om het volume te verhogen of te verlagen.
– Bij kort indrukken wordt de installatie
ingeschakeld en bij lang indrukken vindt
uitschakeling plaats. Kort indrukken om
het geluid uit te schakelen (MUTE-functie)
of opnieuw in te schakelen, als het geluid
uitstond.
Sneltoetsen – Cijfers en letters invoeren.
TUNE – Omdraaien om versneld tracks/
mappen, radio. en tv*-zenders, telefoon-
contacten* door te bladeren of de opties
op het beeldscherm.
• Normaalweergave - normale stand voor de
OK/MENU – Menu-opties accepteren.
Submenu’s openen voor de gekozen bron
(bijv. RADIO of MEDIA).
• Snelweergave - snelstand bij draaien aan
EXIT – Omhoog binnen het menusysteem,
actuele functie annuleren, telefoongesprek
weigeren en ingevoerde tekens wissen.
Lang indrukken om naar het hoogste
menuniveau (de moederweergave) te
gaan, zie pagina 238.
• Menuweergave - voor menufuncties
bron
TUNE om bijv. van track, radiozender e.d.
te veranderen.
Hoe de weergaven eruitzien hangt af van de
bron, uitrusting in de auto, instellingen e.d.
INFO – Toets indrukken om meer informatie te bekijken over een functie, track e.d.
Voor meer informatie, zie pagina 241
05
FAV – Sneltoets voor favoriete instellingen.
De toets is te programmeren voor activering van veelgebruikte functies in AM, FM
e.d. Voor meer informatie, zie pagina 241.
Weergaven op beeldscherm
Voorbeeld van normaalweergave (radio).
Algemene informatie over
beeldschermweergaven
Het systeem kent vier verschillende soorten
weergaven. Een voor alle bronnen gemeenschappelijk hoogste menuniveau, de zogeheten moederweergave, zie pagina 238. Voor
iedere bron gelden er weergaven in drie verschillende basistypes:
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
237
05 Infotainment
Beknopte bedieningsinstructies
Moederweergave
wiel en druk op het duimwiel om uw keuze
te bevestigen.
• Draai aan het duimwiel totdat een van de
opties (2) op het beeldscherm verschijnt
(bijv. FM1) en druk op het duimwiel om uw
keuze te bevestigen.
Dit voert u naar de gewenste bron (bijv.
RADIO/FM1).
Lang indrukken van EXIT voert u terug.
Voorbeeld van menuweergave (BluetoothŸ-handsfree).
05
NAV – Volvo’s navigatiesysteem
(RTI)*
Voorbeeld van moederweergave (radio).
Bronnen (bijv. RADIO, MEDIA etc.), zie
tabel.
RADIO – Radio
Bronmenu, (bijv. FM1, DISC etc.).
MEDIA – Media
Lang indrukken van EXIT op de toetsenset*
van het stuurwiel voert u naar het hoogste
menuniveau, de zogeheten moederweergave
(zie bovenstaande afbeelding). De functie biedt
een snelle manier om een (andere) bron te kiezen (bijv. RADIO, MEDIA etc.), rechtstreeks
via de toetsenset* op het stuurwiel zonder
daarvoor de handen van het stuur te hoeven
nemen. De functie is ook te bedienen via de
toetsen op het bedieningspaneel van de middenconsole.
• Kies een bron (1) door te draaien aan het
duimwiel op de toetsenset* op het stuur-
238
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
TEL – BluetoothŸ handsfree*
MY CAR - Instellingen van de auto
CAM - Park Assist-camera*
05 Infotainment
Beknopte bedieningsinstructies
Toetsenset* op stuurwiel
Toetsenset met duimwiel
De toetsenset is verkrijgbaar in verschillende
uitvoeringen afhankelijk van de extra’s en het
uitrustingsniveau van de auto.
gebruik van MENU) openen, een optie in
het menusysteem bevestigen (OK) of een
telefoongesprek aannemen.
MUTE – Geluid uitzetten
Toetsenset zonder duimwiel
Toetsenset met duimwiel, voor
spraakherkenning3
Kort indrukken om een disctrack of een
van de voorkeursradiozenders2 te selecteren. Bij lang indrukken spoelt u de disctracks voor- of achteruit.
Bij kort indrukken bladert u de tracks door
of zoekt u de eerstvolgende beschikbare
radiozender2. Bij lang indrukken spoelt u
de disctracks voor- of achteruit.
Volume
Volume
EXIT – Naar een hoger niveau binnen het
menusysteem. Actieve functie annuleren,
telefoongesprekken beëindigen/weigeren,
ingevoerde tekens wissen. Lang indrukken
om naar het hoogste menuniveau (de moederweergave) te gaan, zie pagina 238.
Duimwiel – Eraan draaien om een stap
omhoog/omlaag te doen binnen het menusysteem. Bij het indrukken van het duimwiel kunt u het actuele menu (net als bij
2
3
05
Kort indrukken om een disctrack of een
van de voorkeursradiozenders2 te selecteren. Bij lang indrukken spoelt u de disctracks voor- of achteruit.
Volume
EXIT – Naar een hoger niveau binnen het
menusysteem. Actieve functie annuleren,
telefoongesprekken beëindigen/weigeren,
Geldt niet voor DAB.
Alleen auto’s met navigatie.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
239
05 Infotainment
Beknopte bedieningsinstructies
ingevoerde tekens wissen. Lang indrukken
om naar het hoogste menuniveau (de moederweergave) te gaan, zie pagina 238.
Duimwiel – Eraan draaien om een stap
omhoog/omlaag te doen binnen het menusysteem. Bij het indrukken van het duimwiel kunt u het actuele menu (net als bij
gebruik van MENU) openen, een optie in
het menusysteem bevestigen (OK) of een
telefoongesprek aannemen.
Spraakherkenning (voor mobiele telefoons
met BluetoothŸ-aansluiting en het navigatiesysteem*)
05
240
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
05 Infotainment
Algemene infotainmentfuncties
FAV - favoriet opslaan
•
•
•
•
iPod*
INFO - aanvullende informatie tonen
Bluetooth*
AUX
TV - instelling*
Het is tevens mogelijk een favoriet te kiezen en
op te slaan voor TEL*, MY CAR, CAM* en
NAV*. Favorieten zijn eveneens te kiezen en op
te slaan onder MY CAR. Voor meer informatie
over het menusysteem MY CAR, zie
pagina 155.
Om een functie onder de toets FAV op te slaan:
De toets FAV is te gebruiken om functies op te
slaan die u vaak gebruikt, waarna u de functies
eenvoudig kunt starten door te drukken op
FAV. Voor elke van de onderstaande functies
is een favoriet (bijvoorbeeld Equalizer) op te
slaan:
In de RADIO-stand:
• AM
• FM1/FM2
• DAB1*/DAB2*
In de MEDIA-stand:
• DISC
• USB*
1. Kies een infotainmentbron (RADIO,
MEDIA etc.).
2. Kies een frequentieband of bron (AM,
Disk, etc.).
3. Houd de toets FAV ingedrukt totdat het
“favorietenmenu” verschijnt.
4. Draai aan TUNE om een alternatief op de
lijst te kiezen en druk op OK/MENU om het
op te slaan.
> Wanneer dezelfde bron (bijv. RADIO,
MEDIA etc.) actief is, is met een korte
druk op FAV de opgeslagen functie te
activeren.
In bepaalde gevallen is er meer informatie
beschikbaar (over een radiozender, track, uitvoerende artiest e.d.) dan op het beeldscherm
weergegeven wordt. Druk op de knop INFO
om meer informatie te bekijken.
05
Algemene audio-instellingen
Druk op SOUND om het menu met audioinstellingen (Bass, Treble, etc.) te openen. Ga
verder met SOUND of OK/MENU naar het
alternatief van uw keuze (bijv. Treble).
Pas de instelling aan door te draaien aan
TUNE en sla de instelling op met OK/MENU.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
241
05 Infotainment
Algemene infotainmentfuncties
Druk opnieuw meerdere malen op SOUND of
OK/MENU om de overige alternatieven te
bereiken:
• Surround1 – Is Aan/Uit te zetten. Wanneer
u voor Aan hebt gekozen, hanteert het systeem de instelling voor optimale geluidsweergave. Normaal is dat DPLII en in dat
op het beeldscherm.
geval verschijnt
Als de opname werd gemaakt met Dolby
Digital-techniek, vindt de weergave plaats
met deze instelling en verschijnt
op het beeldscherm. Wanneer u voor Uit
hebt gekozen, is de driekanaals stereoweergave actief.
05
• Bass – Niveau van de lage tonen.
• Treble - Niveau van de hoge tonen.
• Fader – Balans tussen luidsprekers voor
en achter.
• Balans – Balans tussen luidsprekers links
en rechts.
• DPL II-middenlevel/3-kanaals
middenlevel1 – Volume voor middenluidspreker.
• DPL
II-surroundlevel1, 2
– Niveau voor de
zogeheten Ambient Surround Sound.
1
2
3
242
Alleen Premium Sound Multimedia.
Alleen wanneer Surround-functie geactiveerd is.
Geldt niet voor Performance.
Geavanceerde audio-instellingen
Equalizer3
Er zijn aparte geluidsniveaus voor de verschillende frequentiebanden in te stellen.
1. Druk op OK/MENU om Audioinstellingen te openen en kies voor
Equalizer.
2. Kies een frequentieband door te draaien
aan TUNE en bevestig uw keuze met OK/
MENU.
3. Stel het geluidsniveau bij door te draaien
aan TUNE en bevestig uw keuze met OK/
MENU. Doe hetzelfde voor de overige frequentiebanden.
giers. Als er zowel voor- als achterin passagiers zitten wordt de optie beide voorstoelen
geadviseerd. De opties zijn te kiezen onder
Audio-instellingen
Klankpodium.
Voor algemene informatie over menufuncties
en menusystemen, zie pagina 282.
Geluidssterkte en automatische
volumeregeling
Het audiosysteem zorgt voor compensatie van
hinderlijke rijgeluiden in de passagiersruimte
door het volume aan te passen ten opzichte
van de rijsnelheid. U hebt de keuze uit de alternatieven: laag, medium, hoog en uit. Kies een
niveau onder Audio-instellingen
Volumecompensatie.
4. Draai wanneer u klaar bent met de instellingen aan TUNE totdat u OK bereikt en
bevestig uw keuze door te drukken op OK/
MENU of EXIT.
Voor algemene informatie over menufuncties
en menusystemen, zie pagina 282.
Voor algemene informatie over menufuncties
en menusystemen, zie pagina 282.
Bij aansluiting van een externe geluidsbron
(zoals een mp3-speler of iPodŸ) op de AUXingang verschilt het ingestelde volume van
deze geluidsbron mogelijk van het volume
waarop het audiosysteem (bijv. de radio)
speelt. Corrigeer dit door het ingangsvolume
van de ingang aan te passen:
Geluidspodium1
De geluidsweergave is dusdanig in te stellen
dat deze optimaal is voor de bestuurder, voor
de inzittenden voorin of voor de achterpassa-
Geluidssterkte externe geluidsbron
05 Infotainment
Algemene infotainmentfuncties
1. Druk op de toets MEDIA, draai aan TUNE
totdat u AUX bereikt en wacht enkele
seconden voordat u op OK/MENU drukt.
2. Druk op OK/MENU en draai vervolgens
aan TUNE totdat u AUX-ingangsvolume
bereikt. Bevestig uw keuze met OK/
MENU.
volumeknop, de radio-ontvangst en de rijsnelheid.
De regelfuncties die in dit instructieboekje
nader verklaard worden (zoals Bass, Treble en
Equalizer) zijn uitsluitend bedoeld om u de
mogelijkheid te bieden de geluidsweergave
naar wens af te stellen.
3. Draai aan TUNE om het volume voor de
AUX-ingang aan te passen.
N.B.
Als het volume van de externe geluidsbron
te hoog of te laag staat, kan de geluidskwaliteit achteruitgaan. De geluidskwaliteit kan
ook achteruitgaan, als de speler wordt bijgeladen wanneer het infotainmentsysteem
in stand AUX staat. Laad de speler in dat
geval niet via de 12V-aansluiting bij.
05
Optimale geluidsweergave
Het audiosysteem is voorgekalibreerd voor
optimale geluidsweergave met behulp van
digitale signaalverwerking.
Voor ieder automodel wordt het audiosysteem
tijdens de kalibratie perfect afgestemd op de
luidsprekers, de versterker, de akoestiek in de
auto, de positie van de luisteraar e.d.
Er is tevens een dynamische kalibratie waarbij
rekening wordt gehouden met de stand van de
243
05 Infotainment
Radio
Radiofuncties, algemeen
N.B.
Als de auto is uitgerust met een toetsenset* op het stuurwiel en/of een afstandsbediening*, kunt u deze meestal gebruiken in
plaats van de toetsen op de middenconsole. Voor een beschrijving van de toetsenset op het stuurwiel, zie zie pagina 239. Voor
een beschrijving van de afstandsbediening,
zie pagina 267.
Menufuncties
1. Kies de gewenste frequentieband (FM1 of
FM2).
Sneltoetsen (0–9)
Radio AM/FM
3. Draai TUNE weer links- of rechtsom om
een zender in de lijst te kiezen.
De gewenste frequentie/zender kiezen of
door het radiomenu navigeren door te
draaien aan TUNE.
Zenders zoeken
Uw keuze bevestigen of het radiomenu
openen door te drukken op OK/MENU.
Toets ingedrukt houden voor de volgende/
voorgaande zender. Kort indrukken voor
de voorkeurzenders.
244
Om de lijst te openen en een zender te kiezen:
2. Draai TUNE één stap links- of rechtsom. Er
verschijnt dan een lijst met alle beschikbare zenders in het gebied waar u zich
bevindt. De zender waarop is afgestemd
staat met een groter lettertype in de lijst
gemarkeerd.
RADIO-toets voor het kiezen van frequentieband (AM, FM1, FM2, DAB1*, DAB2*).
1
De radio stelt automatisch een lijst op met de
FM-zenders met de best doorkomende signalen. Dat biedt u de mogelijkheid een zender te
zoeken in gebieden waar u de radiozenders en
hun frequenties niet kent.
U regelt de menufuncties van RADIO vanaf de
middenconsole of via de toetsenset* op het
stuurwiel. Voor algemene informatie over
menufuncties en menusystemen, zie
pagina 282.
Middenconsole, bedieningselementen voor radiofuncties.
05
Zenderlijst1
Geldt alleen voor FM1/FM2.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Automatisch zenders zoeken
1. Druk meerdere keren op de toets RADIO
totdat de gewenste frequentieband (AM,
FM1 etc.) verschijnt, laat de toets los,
wacht even of druk op OK/MENU.
2. Houd
/
op de middenconsole
ingedrukt (of gebruik de toetsenset* op het
stuurwiel). De radio zoekt de volgende/
voorgaande beschikbare zender.
05 Infotainment
Radio
N.B.
•
De lijst vermeldt alleen de frequenties
van de zenders waarop u hebt afgestemd en vormt dan ook geen complete
lijst met alle beschikbare radiofrequenties op de frequentieband van uw
keuze.
•
Als de zender waarop u hebt afgestemd
een zwak signaal heeft, kan de radio de
zenderlijst mogelijk niet bijwerken. Druk
(terwijl de
in dat geval op de toets
zenderlijst op het beeldscherm staat)
om over te schakelen op handmatig
zoeken en zelf een frequentie in te stellen. Draai, als de zenderlijst niet langer
getoond wordt, TUNE één stap links- of
rechtsom om de zenderlijst weer te
om te wisselen.
tonen en druk op
De lijst verdwijnt na enkele seconden van het
beeldscherm.
Als de zenderlijst niet langer getoond wordt,
kunt u TUNE één stap links- of rechtsom
op de middendraaien en op de toets
console drukken om over te schakelen op
handmatig zenders zoeken (of om over te
schakelen van handmatig zenders zoeken op
de functie voor “Zenderlijst”).
Handmatig zenders zoeken
Weergave van de zenderlijst met de best doorkomende signalen bij het draaien aan TUNE
(zie gedeelte “Zenderlijst”, pagina 244) behoort
tot de fabriekinstellingen van de radio. Druk
terwijl de zenderlijst wordt getoond op de toets
van de middenconsole om over te schakelen op handmatig zenders zoeken. U kunt
dan een frequentie zoeken uit de lijst met
beschikbare radiofrequenties op de gekozen
frequentieband. Als u bijv. bij handmatig zoeken TUNE één stap rechtsom draait, wordt de
frequentie gewijzigd van 93,3 MHz in 93,4
MHz.
Om handmatig een zender te kiezen:
1. Druk meerdere keren op de toets RADIO
totdat de gewenste frequentieband (AM,
FM1 etc.) verschijnt, laat de toets los,
wacht even of druk op OK/MENU.
2. Draai aan TUNE om een frequentie te kiezen.
N.B.
Weergave van de zenderlijst met de best
doorkomende signalen in het huidige
gebied behoort tot de fabriekinstellingen
van de radio (zie het eerdere gedeelte “Zenderlijst”).
Als u echter bent overgestapt op het handmatig zoeken van zenders (door te drukken
op de toets
van de middenconsole
toen de zenderlijst getoond werd), is de volgende keer dat u de radio inschakelt de
functie voor het handmatig zoeken van zenders opnieuw actief. Om weer over te schakelen op de functie “Zenderlijst” dient u
TUNE een stap te verdraaien (om de complete zenderlijst te zien) en vervolgens op de
te drukken.
toets
05
Let erop dat de functie INFO geactiveerd
wordt, als u op
drukt wanneer de zenderlijst niet getoond wordt. Voor meer informatie over deze functie, zie pagina 241.
Voorkeuren
U kunt per frequentieband (AM, FM1 etc.) 10
voorkeurzenders vastleggen.
U kiest een voorkeurzender met de sneltoetsen.
``
245
05 Infotainment
Radio
1. Stem af op een zender (zie “Zenders zoeken”, pagina 244).
2. Houd een van de sneltoetsen enkele
seconden ingedrukt. Het geluid verdwijnt
zolang maar keert terug wanneer de zender opgeslagen is. De sneltoets is vervolgens te gebruiken.
U kunt een lijst met voorkeurzenders tonen2 op
het beeldscherm. De functie is in stand FM/AM
te activeren/deactiveren onder FM-menu
Presets tonen of AM-menu Presets
weergeven.
Frequentieband doorzoeken
05
Deze functie doorzoekt de actuele frequentieband automatisch op goed te ontvangen zenders. Wanneer er een zender is gevonden,
wordt deze ca. 8 seconden lang weergegeven
voordat de zoekfunctie wordt voortgezet. Bij
het beluisteren van een zender is de zender op
de normale manier op te slaan als een van de
voorkeuren, zie het gedeelte “Voorkeuren”
hierboven.
2
246
Om de scanfunctie te starten dient u in
stand FM/AM te gaan naar FM-menu
Scan of AM-menu Scan.
N.B.
Bij het opslaan van een zender wordt de
scanfunctie beëindigd.
RDS-functies
RDS (Radio Data System) verbindt FM-zenders
in een netwerk met elkaar. Een FM-zender in
een dergelijk netwerk verstuurt bepaalde informatie, zodat een RDS-radio onder meer de volgende mogelijkheden biedt:
• Automatisch overschakelen op een beter
doorkomende zender als de ontvangst in
een bepaald gebied slecht is.
• Zoeken op programmatype zoals zenders
die verkeersinformatie of nieuws doorgeven.
• Weergeven van informatieve tekst over het
beluisterde radioprogramma.
N.B.
Sommige radiozenders maken geen
gebruik van RDS of alleen in beperkte mate.
Als er een zender met het gewenste programmatype is aangetroffen, kan de radio vervolgens op deze zender overschakelen en de
weergave van de actieve geluidsbron onder-
Geldt alleen voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
breken. Als de cd-speler bijvoorbeeld actief is,
wordt de weergave daarvan tijdelijk onderbroken. De uitzending met het gekozen programmatype wordt weergegeven op een vooraf
bepaald volume, zie pagina 248. Na afloop van
de uitzending van het gekozen programmatype
geeft de radio de voorgaande geluidsbron
opnieuw weer op het volume dat u daarvoor
had ingesteld.
De programmafuncties alarm (ALARM!), verkeersinformatie (TP), nieuws (NEWS) en programmatype (PTY) worden in volgorde van
belangrijkheid weergegeven, waarbij geldt dat
alarm de hoogste prioriteit geniet en de programmatypes de laagste. Voor meer instellingen die te maken hebben met het onderbreken
van uitzendingen (EON EON Distant en EON
EON Local), zie navolgend gedeelte “EON
(Enhanced Other Networks)”. Druk op EXIT om
de onderbroken weergave van de geluidsbron
te hervatten en druk op OK/MENU om de melding te verwijderen.
Alarm
De functie wordt gebruikt om de bevolking
attent te maken op ernstige ongelukken of
calamiteiten. U kunt de functie alarm niet tijdelijk onderbreken of deactiveren. De melding
ALARM! verschijnt op het beeldscherm, wanneer er een alarmmelding wordt verzonden.
05 Infotainment
Radio
Verkeersinformatie, TP
Bij activering van deze functie wordt de weergave van de actieve geluidsbron onderbroken
voor een uitzending met verkeersinformatie via
het RDS-netwerk van de zender waarop is
afgestemd. Het symbool TP geeft aan dat de
functie actief is. Als de zender waarop u hebt
afgestemd verkeersinformatie kan doorgeven,
wordt dat aangegeven met een fel verlicht TP
op het beeldscherm. TP is anders grijs van
kleur.
Activeer/deactiveer deze functie in de
stand FM onder FM-menu TP.
• EON Local – Alleen onderbreking wanneer
de zendmast van de radiozender dichtbij
is.
• EON Distant3 – Ook onderbreking als de
zendmast van de zender ver weg staat en
zijn signaal storingen vertoont.
TP via beluisterde zender/alle zenders
De radio kan alleen de weergave van de beluisterde zender onderbreken voor verkeersinformatie of de weergave van alle zenders binnen
het RDS-netwerk.
EON (Enhanced Other Networks)
Deze functie is vooral handig in stedelijke
gebieden met een groot aantal regionale radiozenders. Bij activering van de functie is de
afstand tot de zendmast van een radiozender
bepalend voor de vraag of de weergave van de
actieve geluidsbron kan worden onderbroken
voor uitzendingen van een bepaald programmatype.
3
Activeer/deactiveer de functie door in
stand FM een van de alternatieven te kiezen onder FM-menu Geavanceerde
instellingen EON:
Ga in stand FM naar FM-menu
Geavanceerde instellingen TPfavoriet instellen om wijzigingen aan te
brengen.
Nieuws
Bij activering van deze functie wordt de weergave van de actieve geluidsbron onderbroken
voor een nieuwsuitzending via het RDS-netwerk van de zender waarop is afgestemd. Het
symbool NEWS geeft aan dat de functie actief
is.
Activeer/deactiveer deze functie in de
stand FM onder FM-menu Nieuwsinstellingen Nieuws.
Nieuws via beluisterde zender/alle
zenders
De radio kan alleen de weergave van de beluisterde zender onderbreken voor nieuws of de
weergave van alle zenders in het RDS-netwerk.
Ga in stand FM naar FM-menu
Nieuws-instellingen Nieuws-favoriet
instellen om wijzigingen aan te brengen.
Programmatype, PTY
Met de functie PTY is het mogelijk en of meer
programmatypes te kiezen zoals popmuziek
en klassieke muziek. Het symbool PTY geeft
aan dat de functie actief is. Bij activering van
deze functie wordt de weergave van de actieve
geluidsbron onderbroken voor een uitzending
van het gekozen programmatype via het RDSnetwerk van de zender waarop is afgestemd.
05
1. Activeer de functie door in stand FM eerst
programmatypes te kiezen onder FMmenu Geavanceerde instellingen
PTY-instellingen PTY kiezen.
2. Vervolgens dient u de PTY-functie te activeren onder FM-menu Geavanceerde
instellingen PTY-instellingen
Verkeersinfo van andere zenders
ontvangen.
Fabrieksstandaard.
``
247
05 Infotainment
Radio
Er verschijnt een indicatie op het beeldscherm
wanneer PTY geactiveerd is.
U deactiveert de PTY-functie in stand FM
onder FM-menu Geavanceerde
instellingen PTY-instellingen
Verkeersinfo van andere zenders
ontvangen. De gekozen programmatypes
(PTY) worden niet gereset.
Resetten en verwijderen van PTY is mogelijk
onder FM-menu Geavanceerde
instellingen PTY-instellingen PTY
kiezen Alles wissen.
05
PTY zoeken
Bij activering van deze functie wordt de gehele
frequentieband doorzocht op uitzendingen van
het gekozen programmatype.
1. Kies in stand FM een of meer PTY onder
FM-menu Geavanceerde instellingen
PTY-instellingen PTY kiezen.
2. Ga naar FM-menu Geavanceerde
instellingen PTY-instellingen PTY
zoeken.
Druk op EXIT om te stoppen met zoeken.
248
of
om verder te zoeken
Druk op
naar een andere uitzending van een van de
gekozen programmatypes.
Programmatype weergeven
Regionale radioprogramma’s, REG
Het is mogelijk het programmatype van de zender die u op dat moment beluistert op het
beeldscherm weer te geven.
Deze functie maakt het mogelijk om op een
bepaalde regionale zender afgestemd te blijven ondanks dat het signaal zwak is. Het symbool REG geeft aan dat de handsfree-functie
actief is.
Activeer/deactiveer deze functie in de
stand FM onder FM-menu
Geavanceerde instellingen PTYinstellingen PTY-tekst tonen.
Activeer/deactiveer deze functie in de
stand FM onder FM-menu
Geavanceerde instellingen REG.
Radiotekst
Sommige RDS-zenders geven informatie door
over de inhoud van de uitzendingen, uitvoerende artiesten e.d. Deze informatie kan op het
beeldscherm worden weergegeven.
Activeer/deactiveer deze functie in de
stand FM onder FM-menu Radiotekst
tonen.
Automatische afstemfunctie, AF
De functie stemt af op het best doorkomende
zendersignaal voor de beluisterde zender. Om
een sterk zendersignaal op te kunnen sporen
moet de functie soms de gehele FM-band
doorzoeken.
Activeer/deactiveer deze functie in de
stand FM onder FM-menu
Geavanceerde instellingen
Alternatieve frequentie.
RDS-functies resetten
Met deze kunt u alle fabriekinstellingen voor
RDS herstellen.
Reset in de stand FM onder FM-menu
Geavanceerde instellingen Alle FMinstellingen resetten.
Volumeregeling programmatypes
De onderbrekende uitzendingen van het gekozen programmatype (bijv. NEWS of TP) worden weergegeven op het volume dat voor het
programmatype is gekozen. Als u het volume
tijdens de onderbreking bijregelt, wordt het
nieuwe volume opgeslagen voor een volgende
onderbreking.
05 Infotainment
Radio
Digitale radio (DAB)*
Algemene informatie
DAB (Digital Audio Broadcasting) is een systeem voor digitale overdracht van radiosignalen.
N.B.
Dit systeem biedt geen ondersteuning voor
DAB+.
N.B.
Er is niet overal dekking voor DAB. Als er
geen dekking is, verschijnt de melding
Geen ontvangst op het beeldscherm.
Service en Ensemble
• Service – Kanaal, radiokanaal (het systeem biedt alleen ondersteuning voor
geluidsdiensten).
• Ensemble – Een groep radiokanalen die
op dezelfde frequentie zenden.
Radiokanalen programmeren (Groep
leren)
Wanneer de auto een nieuw zendgebied binnenrijdt dient het systeem mogelijk de gelegenheid te krijgen om de te ontvangen kanaalgroepen te programmeren.
Tijdens het programmeren van de kanaalgroepen wordt een bijgewerkte lijst van al de te
beluisteren kanaalgroepen aangemaakt. De
lijst wordt niet automatisch bijgewerkt.
De programmeerfunctie is uit te voeren in het
menusysteem in stand DAB onder DAB-menu
Ensemble programmeren. Programmeren
kan ook als volgt worden uitgevoerd:
1. Draai TUNE één stap links- of rechtsom.
> Ensemble programmeren verschijnt
boven aan de lijst met beschikbare
kanaalgroepen.
2. Druk op OK/MENU.
> Er gaat een nieuwe programmeringsopdracht van start.
De programmeringsfunctie is te annuleren met
EXIT.
Het kan tot één minuut duren voordat een
kanaalgroep geprogrammeerd is als u zowel
Band III als LBand hebt geselecteerd. Voor
meer informatie over de frequentieband, zie
pagina 250.
Navigeren in kanaalgroepenlijst
(Ensemble)
De kanaalgroepenlijst is door te bladeren en te
openen door aan TUNE te draaien. Bovenaan
op het beeldscherm staat de naam van het
ensemble. Wanneer u naar een nieuw ensem-
ble scrolt, wordt de nieuwe naam weergegeven. Een dikke grijze lijn scheidt de beide
kanaalgroepen van elkaar.
• Service – Geeft de kanalen weer ongeacht
de kanaalgroep waartoe ze behoren. De
lijst is tevens te filteren door een programmatype te kiezen (PTY-filter ), zie onder.
Scannen
Deze functie doorzoekt de actuele frequentieband automatisch op goed te ontvangen zenders. Wanneer er een zender is gevonden,
wordt deze ca. 8 seconden lang weergegeven
voordat de zoekfunctie wordt voortgezet. Bij
het beluisteren van een zender is de zender op
de normale manier op te slaan als een van de
voorkeuren. Voor meer informatie over voorkeuren, zie “Voorkeuren” hieronder.
05
Ga in stand DAB naar DAB-menu
Scan om de scanfunctie te starten.
N.B.
Bij het opslaan van een zender wordt de
scanfunctie beëindigd.
De scanfunctie is ook te kiezen in de stand
DAB-PTY. Dan worden uitsluitend kanalen van
het gekozen programmatype weergegeven.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
249
05 Infotainment
Radio
Programmatype (PTY)
Met de functie programmatype kunt u verschillende soorten radioprogramma’s kiezen. Er
bestaan verschillende programmatypes voor
uiteenlopende soorten programmacategorieën. Wanneer u een bepaald programmatype
hebt gekozen, navigeert u uitsluitend binnen de
kanalen die programma’s van het gekozen
type uitzenden.
U kiest een programmatype in stand DAB
onder DAB-menu PTY-filter . Verlaat deze
stand als volgt:
05
Druk op EXIT.
> Er verschijnt een indicatie op het beeldscherm wanneer PTY geactiveerd is.
Bij gebruik van DAB-links tussen kanalen (zie
onder) is het mogelijk dat de DAB-radio de
PTY-stand verlaten.
Voorkeuren
U kunt per band 10 voorkeurzenders vastleggen. DAB heeft 2 geheugenbanken met voorkeurzenders: DAB1 en DAB2. Opslag van
voorkeurzenders gebeurt op de normale
manier, voor meer informatie zie pagina 245. U
kiest een voorkeurzender met de sneltoetsen.
4
250
Een voorkeur bestaat uit een kanaal zonder
eventuele subkanalen. Als er tijdens het beluisteren van een subkanaal een voorkeurkanaal
vastgelegd wordt, wordt uitsluitend het hoofdkanaal geregistreerd. Dit komt omdat de subkanalen van tijdelijke aard zijn. Bij activering
van het bijbehorende voorkeurkanaal zal dan
ook het hoofdkanaal worden weergegeven
waartoe het subkanaal behoorde. De voorkeurkanalen zijn niet gebonden aan de kanalenlijst.
U kunt een lijst met voorkeurzenders tonen4 op
het beeldscherm. De functie is in stand DAB te
activeren/deactiveren onder DAB-menu
Presets tonen.
N.B.
De DAB-functie van het audiosysteem biedt
geen ondersteuning voor alle mogelijkheden van de DAB-standaard.
Radiotekst
Sommige radiozenders geven informatie door
over de inhoud van de uitzendingen, uitvoerende artiesten e.d. Deze informatie wordt het
beeldscherm weergegeven.
Geldt alleen voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia
De functie is in stand DAB te activeren/deactiveren onder DAB-menu Radiotekst
tonen.
N.B.
Er kan telkens slechts een van de functies
“Radiotekst tonen” en “Presets tonen”
geactiveerd zijn. Wanneer een van de functies wordt ingeschakeld terwijl de andere al
actief is, wordt de eerder geactiveerde functie automatisch uitgeschakeld. Beide functies zijn mogelijk gedeactiveerd.
Geavanceerde instellingen
DAB naar DAB link
Het is mogelijk om van een kanaal dat slecht of
helemaal niet te ontvangen is over te schakelen
op hetzelfde kanaal in een andere kanaalgroep
met een betere ontvangst. Bij het veranderen
van kanaalgroep kan enige vertraging in de
geluidsweergave optreden. Vanaf het moment
dat het huidige kanaal verdwijnt en het nieuwe
kanaal toegankelijk wordt kan het geluid dan
ook enige tijd stilvallen.
De functie is in stand DAB te activeren/deactiveren onder DAB-menu Geavanceerde
instellingen DAB-verbinding.
05 Infotainment
Radio
Frequentieband
DAB is in staat op twee5 frequentiebanden uit
te zenden:
• Band III – bestrijkt gebieden buiten de
grote steden
• LBand - Voornamelijk in de grote steden
Wanneer u alleen voor Band III kiest, verloopt
het programmeren van kanalen sneller dan als
u voor zowel Band III als LBand hebt gekozen.
Het is echter niet zeker dat alle kanaalgroepen
ook daadwerkelijk worden gevonden. De
gekozen frequentieband is niet van invloed op
de opgeslagen voorkeuren.
De frequentieband is in stand DAB te deactiveren/activeren onder DAB-menu
Geavanceerde instellingen DAB-band.
Subkanaal
Secundaire componenten worden vaak aangeduid als subkanalen. Dergelijke componenten zijn van tijdelijke aard en kunnen bijvoorbeeld uit vertalingen van het hoofdprogramma
bestaan.
Subkanalen zijn uitsluitend te bereiken via het
gekozen hoofdkanaal en niet via een ander
kanaal.
De weergave van subkanalen is in stand DAB
te deactiveren/activeren onder DAB-menu
Geavanceerde instellingen
Subkanalen.
PTY-tekst
Sommige radiozenders versturen informatie
over programmatype en programmacategorie.
Deze informatie wordt het beeldscherm weergegeven.
De functie is in stand DAB te activeren/deactiveren onder DAB-menu Geavanceerde
instellingen PTY-tekst weergeven.
05
DAB-instellingen herstellen
Met deze kunt u alle fabriekinstellingen voor
DAB herstellen.
Reset in de stand DAB onder DAB-menu
Geavanceerde instellingen Alle
DAB-instellingen resetten.
Als er een of meer subkanalen bestaan verschijnt het symbool > links van de kanaalnaam
op het beeldscherm. Als er slechts één subkanaal bestaat verschijnt het symbool - links van
de kanaalnaam op het beeldscherm.
5
De beide frequentiebanden zijn niet in alle gebieden/landen in gebruik.
251
05 Infotainment
Mediaspeler
CD/DVD1-functies
De mediaspeler ondersteunt de volgende
soorten discs en bestanden en kan deze met
andere woorden afspelen:
• Voorbespeelde cd-discs (CD Audio).
• Zelfgebrande cd’s met audio- en/of videobestanden1.
• Voorbespeelde video-dvd’s1.
• Zelfgebrande dvd’s1 met audio- en/of
videobestanden.
Voor meer informatie over de ondersteunde
formaten, zie pagina 255.
Bedieningspaneel op middenconsole.
Opening voor het invoeren/uitwerpen van
een disc
05
MEDIA-toets
Disc uitwerpen
Cijfers en letters invoeren.
Tracks/mappen kiezen of menu-opties
doorbladeren door te draaien aan TUNE.
Uw keuze bevestigen of het menu voor de
gekozen mediabron openen door te drukken op OK/MENU.
Disctrack voor-/achteruitspoelen en van
disctrack of hoofdstuk2 veranderen.
1
2
252
N.B.
Als de auto is uitgerust met een toetsenset* op het stuurwiel en/of een afstandsbediening*, kunt u deze meestal gebruiken in
plaats van de toetsen op de middenconsole. Voor een beschrijving van de toetsenset op het stuurwiel, zie zie pagina 239. Voor
een beschrijving van de afstandsbediening,
zie pagina 267.
Menufuncties
U regelt de menufuncties van MEDIA vanaf de
middenconsole of via de toetsenset* op het
stuurwiel. Voor algemene informatie over
menufuncties en menusystemen, zie
pagina 282.
Geldt alleen voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
Geldt alleen voor dvd-discs.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Disc afspelen
Druk meerdere keren op de toets MEDIA totdat Disk verschijnt, laat de toets los, wacht
even of druk op OK/MENU. Als er een disc in
de mediaspeler zit, wordt deze disc automatisch afgespeeld. Anders verschijnt Plaats
disk op het beeldscherm. Plaats vervolgens
een disc met de tekstzijde omhoog. De cd
wordt automatisch afgespeeld.
Wanneer er een disc met audio-/videobestanden in de speler wordt geplaatst, dient de mapstructuur op de disc te worden ingelezen.
Afhankelijk van de kwaliteit van de disc en de
hoeveelheid gegevens die erop staan, kan het
enige tijd duren voordat de weergave van start
gaat.
Disc uitwerpen
Een disc blijft ca. 12 seconden lang in de uitgeworpen stand staan. Om veiligheidsredenen
wordt de disc vervolgens automatisch weer
naar binnen getrokken.
Pauze
Wanneer u het volume helemaal omlaagdraait,
wordt de weergave op de mediaspeler gepauzeerd. Bij het verhogen van het volume wordt
er verder gespeeld.
05 Infotainment
Mediaspeler
Afspelen en navigeren
Audio-cd’s
Draai aan TUNE om de speellijst van de disc te
bekijken en door de lijst te navigeren. Met OK/
MENU wordt de trackkeuze bevestigd en de
weergave gestart. Druk op EXIT om te annuleren en de speellijst te verlaten. Lang indrukken van EXIT voert u naar het hoofdniveau van
de speellijst.
Wisselen van disctrack is ook mogelijk door te
/
op de middenconsole of
drukken op
op de toetsenset* op het stuurwiel.
Zelfgebrande discs met audio-/
videobestanden1
Draai aan TUNE om de speellijst/mapstructuur
van de disc te openen en door de lijst/structuur
te navigeren. Met OK/MENU wordt de gekozen submap bevestigd of de weergave van het
gekozen audio-/videobestand gestart. Druk op
EXIT om te annuleren en de speellijst te verlaten of een stap omhoog (terug) te zetten in de
mapstructuur. Lang indrukken van EXIT voert
u naar het hoofdniveau van de speellijst.
Wisselen van audio-/videobestand is ook
/
op de
mogelijk door te drukken op
middenconsole of op de toetsenset* op het
stuurwiel.
1
3
Audiobestanden hebben het symbool
videobestanden1 hebben het symbool
en mappen hebben het symbool
.
,
Wanneer het afspelen van een bestand klaar is,
worden de andere bestanden (van hetzelfde
type) in de actuele map afgespeeld. Er wordt
automatisch van map gewisseld3, wanneer alle
bestanden in een de actuele map afgespeeld
zijn. Het systeem registreert automatisch of er
een disc met alleen audiobestanden of alleen
videobestanden in de mediaspeler wordt
geplaatst, past de instellingen aan en speelt de
bestanden vervolgens af. Het systeem past de
instelling echter niet aan, als er een disc met
een mix van audio- en videobestanden in de
mediaspeler wordt geplaatst maar blijft in dat
geval het voorgaande bestandtype afspelen.
N.B.
Videoweergave is uitsluitend mogelijk wanneer de auto stilstaat. Wanneer de auto
sneller rijdt dan ca. 8 km/h, verschijnt er
geen beeld en staat Geen visuele media
tijdens het rijden op het beeldscherm. Het
geluid wordt echter wel weergegeven. Het
beeld verschijnt weer, zodra de rijsnelheid is
gedaald tot onder ca. 6 km/h.
N.B.
Het is mogelijk dat de speler audiobestanden met kopieerbeveiliging van de platenmaatschappijen of zelfgebrande audiobestanden niet kan lezen.
Video-dvd’s1
Voor het afspelen van video-dvd’s, zie
pagina 254.
Vooruit-/achteruitspoelen
Houd de toetsen
/
ingedrukt om vooruit/achteruit te spoelen. Voor audiobestanden
geldt één snelheid, terwijl videobestanden op
meerdere snelheden voor- en achteruit te
spoelen zijn. Druk herhaalde malen achtereen
/
om bij videobestanden
op de toetsen
sneller voor- of achteruit te spoelen. Laat de
toets weer los om de video weer op normale
snelheid weer te geven.
05
Muziekherkenning, GracenoteŸ
Als de auto is uitgerust met navigatie*, zit er
een harddisk in de auto met een database voor
muziekherkenning van audio-cd’s. De database bevat de populairste songs van dat
moment. Als de database een treffer oplevert,
geeft de mediaspeler de albumtitel en naam
van de uitvoerende artiest voor het actuele
Geldt alleen voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
Dit gebeurt niet, als Map herhalen geactiveerd is.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
253
05 Infotainment
Mediaspeler
medium weer en voor iedere track verschijnen
de tracktitel, de uitvoerende artiest en het
album. Als de audio-cd geen treffer in de database oplevert, wordt de cd-tekst op de cd zelf
gebruikt. Als er geen cd-tekst op de disc staat,
verschijnen alleen track 1, track 2 etc.
2. Draai aan TUNE totdat Willekeurige
weergave verschijnt
Afspelen
3. Druk op OK/MENU om de functie te activeren/deactiveren.
Wisselen van disctrack/audiobestand is moge/
op de midlijk door te drukken op
denconsole of op de toetsenset* op het stuurwiel.
1. Druk op OK/MENU
Map herhalen5
2. Draai aan TUNE totdat Scan verschijnt
> Van alle tracks of muziekbestanden
worden de eerste 10 seconden weergegeven.
Deze functie maakt het mogelijk om de weergave van de bestanden in een map eindeloos
te herhalen. Wanneer het laatste bestand helemaal afgespeeld is, wordt het eerste bestand
opnieuw weergegeven.
3. Beëindig de scanfunctie met EXIT, waarna
de weergave van het actuele nummer of
muziekbestand op de disc wordt voortgezet.
Willekeurige afspeelvolgorde4
Bij activering van deze functie speelt de speler
de tracks/muziekbestanden in willekeurige
volgorde af. Om de tracks in willekeurige volgorde te beluisteren:
4
5
1
254
Video-dvd’s afspelen1
Bij activering van deze functie worden van alle
disctracks/audiobestanden de eerste tien
seconden weergegeven. Om te scannen:
Scannen4
05
1. Druk op OK/MENU
1. Druk op OK/MENU
2. Draai aan TUNE totdat Map herhalen verschijnt
3. Druk op OK/MENU om de functie te activeren/deactiveren.
Geldt niet voor video-dvd’s.
Geldt alleen voor audio-/videobestanden op zelfgebrande discs of een USB-speler.
Geldt alleen voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Tijdens het afspelen van een video-dvd verschijnt er mogelijk een discmenu op het beeldscherm. Via het discmenu hebt u toegang tot
extra functies en instellingen om bijv. ondertitels, geluidstracks, scènes te kiezen.
N.B.
Videoweergave is uitsluitend mogelijk wanneer de auto stilstaat. Wanneer de auto
sneller rijdt dan ca. 8 km/h, verschijnt er
geen beeld en staat Geen visuele media
tijdens het rijden op het beeldscherm. Het
geluid wordt echter wel weergegeven. Het
beeld verschijnt weer, zodra de rijsnelheid is
gedaald tot onder ca. 6 km/h.
05 Infotainment
Mediaspeler
Navigeren in eigen menu video-dvd
hoofdstukken. Druk op OK/MENU om uw
keuze te activeren en terug te keren naar de
uitgangspositie. Met EXIT annuleert u uw
keuze en keert u terug naar de uitgangspositie
(zonder een keuze te maken).
Wisselen van hoofdstuk is ook mogelijk door te
drukken op
/
op de middenconsole of
op de toetsenset* op het stuurwiel.
Geavanceerde instellingen6
Hoek
Met de bedieningselementen op de middenconsole kunt u navigeren in het eigen menu van
de video-dvd.
Van hoofdstuk of titel veranderen
Draai aan TUNE om de lijst met hoofdstukken
te openen en erin te navigeren (bij het afspelen
van een film wordt de film gepauzeerd). Druk
op OK/MENU om een hoofdstuk te kiezen en
terug te keren naar de uitgangspositie (als eerder een film werd afgespeeld, wordt deze film
voortgezet). Druk op EXIT om de titellijst te
openen.
In de titellijst kiest u een titel door te draaien
aan TUNE en bevestigt u uw keuze met OK/
MENU, waarna u terugkeert naar de lijst met
6
Met deze functie kunt u, op voorwaarde dat de
video-dvd dit ondersteunt, aangeven vanuit
welke camerapositie een bepaalde scène moet
worden weergegeven. Ga in de stand DISC
naar Diskmenu Geavanceerde
instellingen Hoek.
DivXŸ Video On Demand
Het is mogelijk de mediaspeler te registreren
voor weergave van bestanden van het type
DivX VOD op zelfgebrande discs of een USBmedium. De registratiecode vindt u in het
menusysteem MY CAR onder Instellingen
Informatie DivX® VOD-code. Voor
algemene informatie over de menufuncties
onder MY CAR, zie pagina 155.
Beeldinstellingen6
Het is mogelijk de volgende instellingen voor
helderheid en contrast te wijzigen (op voorwaarde dat de auto stilstaat).
1. Druk op OK/MENU, kies voor
Beeldinstellingen en bevestig uw keuze
met OK/MENU.
2. Draai aan TUNE om de aan te passen
instelling te bereiken en bevestig uw keuze
met OK/MENU.
3. Pas de instelling aan door te draaien aan
TUNE en bevestig uw keuze met OK/
MENU.
Druk om terug te keren naar de lijst met instellingen op OK/MENU of EXIT.
05
De fabriekswaarden voor de beeldinstellingen
zijn te herstellen met de optie Reset.
Compatibele formaten
De mediaspeler kan tal van bestandstypen
afspelen en is compatibel met de formaten in
de volgende tabel.
Breng voor meer informatie een bezoek aan
www.divx.com/vod.
Geldt voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
255
05 Infotainment
Mediaspeler
N.B.
Dubbelzijdige schijven van het zogeheten
dual format-type (DVD Plus, CD-DVD) zijn
dikker dan normale cd’s. Het is dan ook niet
zeker of dergelijke schijven kunnen worden
afgespeeld en storingen zijn mogelijk.
Als een cd een mix van mp3- en CD-DAbestanden bevat, worden alle mp3-tracks
genegeerd.
AudioformatenA
CD-Audio, mp3,
wma
AudioformatenB
CD-Audio, mp3,
wma, aac, m4a
VideoformatenC
CD-Video,
DVD-Video, divx,
avi, asf
05
A
B
C
256
Geldt voor Performance.
Geldt niet voor Performance.
Geldt alleen voor High Performance Multimedia en Premium
Sound Multimedia.
05 Infotainment
Externe geluidsbron via AUX/USB*-ingang
AUX, USB1 en externe geluidsbron
Algemene informatie
Aansluitingspunten voor externe geluidsbronnen.
Via een van de aansluitingen in de middenconsole is het mogelijk een externe geluidsbron
(zoals een iPodŸ of mp3-speler) aan te sluiten
op het audiosysteem. Een op de USB-ingang
aangesloten geluidsbron is vervolgens te
bedienen2 via de geluidsregeling van de auto.
Een eenheid die is aangesloten op de AUXingang valt echter niet te bedienen via de
geluidsregeling van de auto.
1
2
N.B.
Als de auto is uitgerust met een toetsenset* op het stuurwiel en/of een afstandsbediening*, kunt u deze meestal gebruiken in
plaats van de toetsen op de middenconsole. Voor een beschrijving van de toetsenset op het stuurwiel, zie zie pagina 239. Voor
een beschrijving van de afstandsbediening,
zie pagina 267.
Een iPodŸ of mp3-speler met oplaadbare batterijen wordt opgeladen (wanneer het contact
ingeschakeld is of de motor loopt), als het
apparaat aangesloten is op de USB-aansluiting.
Geluidsbron aansluiten:
1. Druk meerdere keren op MEDIA om de
gewenste geluidsbron USB, iPod of AUX
te bereiken, laat de toets los, wacht even
of druk op OK/MENU.
> Als u USB kiest, verschijnt USB
aansluiten op het beeldscherm.
2. Sluit uw geluidsbron aan op een van de
aansluitingen in het opbergvak van de middenconsole (zie voorgaande afbeelding).
De tekst USB wordt gelezen verschijnt op het
beeldscherm, terwijl het systeem de bestanden op het opslagmedium inleest. Afhankelijk
van de bestandsstructuur en het aantal
bestanden kan het enige tijd duren voordat
alles ingelezen is.
N.B.
Het systeem biedt ondersteuning voor de
meeste iPodŸ-modellen die in 2005 of later
gemaakt zijn.
N.B.
Om schade tegen te gaan wordt de USBaansluiting gedeactiveerd bij kortsluiting of
als een aangesloten USB-eenheid te veel
stroom afneemt (dit is mogelijk als de aangesloten eenheid niet aan de USB-standaard voldoet). Als de volgende keer dat u
het contact inschakelt, blijkt dat de storing
verdwenen is, wordt de USB-aansluiting
automatisch opnieuw geactiveerd.
05
Menufuncties
U regelt de menufuncties van MEDIA vanaf de
middenconsole of via de toetsenset* op het
stuurwiel. Voor algemene informatie over
Geldt voor High Performance, High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
Geldt alleen voor een mediabron die via de USB-aansluiting aangesloten is.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
257
05 Infotainment
Externe geluidsbron via AUX/USB*-ingang
menufuncties en menusystemen, zie
pagina 282.
Afspelen en navigeren3
Draai aan TUNE om de speellijst/mapstructuur
te openen en door de lijst/structuur te navigeren. Met OK/MENU wordt de gekozen submap
bevestigd of de weergave van het gekozen
audio-/videobestand gestart. Druk op EXIT om
te annuleren en de speellijst te verlaten of een
stap omhoog (terug) te zetten in de mapstructuur. Lang indrukken van EXIT voert u naar het
hoofdniveau van de speellijst.
05
Wisselen van audio-/videobestand is ook
/
op de
mogelijk door te drukken op
middenconsole of op de toetsenset* op het
stuurwiel.
Audiobestanden hebben het symbool
videobestanden4 hebben het symbool
en mappen hebben het symbool
.
,
Wanneer het afspelen van een bestand klaar is,
worden de andere bestanden (van hetzelfde
type) in de actuele map afgespeeld. Er wordt
automatisch van map gewisseld5, wanneer alle
bestanden in een de actuele map afgespeeld
zijn. Het systeem registreert automatisch of er
3
4
5
6
258
een eenheid met alleen audiobestanden of
alleen videobestanden op de USB-aansluiting
wordt aangesloten, past de instellingen aan en
speelt de bestanden vervolgens af. Het systeem past de instelling echter niet aan, als er
een eenheid met een mix van audio- en videobestanden op de USB-aansluiting wordt aangesloten maar blijft in dat geval het voorgaande
bestandtype afspelen.
Vooruit-/achteruitspoelen3
Zie pagina 253.
Scannen3
Zie pagina 254.
Willekeurige afspeelvolgorde3
Zie pagina 254.
Zoekfunctie3
Met behulp van de toetsenset op het bedieningspaneel van de middenconsole kunt u een
bestandsnaam in de actuele map zoeken.
U kunt de zoekfunctie bereiken door te draaien
aan TUNE (om de mapstructuur te openen) of
door te drukken op een van de lettertoetsen.
Naarmate u meer letters of tekens van de
Geldt alleen voor USB-speler en iPodŸ.
Geldt voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
Dit gebeurt niet, als Map herhalen geactiveerd is.
Geldt alleen voor USB-speler.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
tekenreeks intypt worden de zoekresultaten
steeds verder verfijnd.
U start de weergave van een bestand door te
drukken op OK/MENU.
Map herhalen6
Zie pagina 254.
Geluidsbronnen
USB-geheugen
Om het gebruik van een USB-geheugen te vereenvoudigen is het beter alleen muziekbestanden in het geheugen op te slaan. Het inlezen
duurt aanzienlijk langer, wanneer er behalve
compatibele muziekbestanden nog andere
bestanden op het opslagmedium staan.
N.B.
Het systeem biedt ondersteuning voor
draagbare media die werken met USB 2.0
en het bestandssysteem FAT32 en kan
1000 mappen aan met maximaal 254 submappen/bestanden in elke map. Een uitzondering daarop vormt het hoogste
niveau, dat tot 1000 submappen/bestanden
kan bevatten.
05 Infotainment
Externe geluidsbron via AUX/USB*-ingang
N.B.
N.B.
Bij gebruik van een langer USB-geheugen
wordt geadviseerd een USB-adapterkabel
te gebruiken. Dit om mechanische slijtage
aan de USB-ingang en het aangesloten
USB-geheugen tegen te gaan.
USB-hub
Er kan een USB-hub op de USB-aansluiting
worden aangesloten om op die manier meerdere USB-apparaten tegelijk aan te sluiten. U
kiest de USB-eenheid in de stand USB onder
USB-menu USB-apparaat kiezen.
Wanneer u muziek op een aangesloten
iPodŸ beluistert, hanteert het infotainmentsysteem een menustructuur vergelijkbaar
met die van de iPodŸ.
Compatibele bestandsformaten bij USBaansluiting
Het systeem biedt ondersteuning voor de
audio- en videoformaten in de onderstaande
tabel bij weergave via de USB-aansluiting.
Audioformaten
mp3, wma, aac,
m4a
VideoformatenA
divx, avi, asf
Mp3-speler
Veel mp3-spelers werken met hun eigen
bestandssysteem die niet ondersteund worden door het Infotainmentsysteem. Om een
dergelijke mp3-speler te kunnen gebruiken
binnen het systeem, dient de speler in de stand
USB Removable device/Mass Storage
Device te staan.
A
05
Geldt alleen voor High Performance Multimedia en Premium
Sound Multimedia.
iPodŸ
Een iPodŸ wordt middels de aansluitkabel bijgeladen en gevoed door de USB-aansluiting*.
N.B.
Het systeem ondersteunt alleen de weergave van audiobestanden van iPodŸ.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
259
05 Infotainment
Media BluetoothŸ*
Streaming audio
Algemene informatie
De mediaspeler in de auto is uitgerust met
BluetoothŸ1 en kan draadloos “streaming
audio”-bestanden afspelen op externe eenheden met BluetoothŸ zoals mobiele telefoons en
laptops. Navigatie en regeling van het geluid
zijn in dat geval te verrichten via de toetsen op
de middenconsole of via de toetsenset* op het
stuurwiel. Bij sommige externe eenheden is het
ook mogelijk op de eenheid zelf van track te
wisselen.
05
Om audio weer te geven moet de mediaspeler
van de auto eerst in stand Bluetooth worden
gezet.
N.B.
Overzicht
BluetoothŸ-mediaspelers moeten ondersteuning bieden voor de profielen Audio/
Video Remote Control Profile (AVRCP) en
Advanced Audio Distribution Profile (A2DP).
De speler dient AVRCP versie 1.3 en A2DP
1.2 te hanteren. Anders werken bepaalde
functies mogelijk niet.
Niet alle verkrijgbare mobiele telefoons en
externe mediaspelers zijn volledig compatibel met de BluetoothŸ-functie van de
mediaspeler van de auto. Volvo adviseert u
contact op te nemen met een erkende
Volvo-dealer of www.volvocars.com te
bezoeken voor informatie over compatibele
telefoons en externe mediaspelers.
Bedieningspaneel op middenconsole.
VOL – volume
MEDIA-toets
N.B.
De mediaspeler van de auto kan alleen audiobestanden afspelen via de BluetoothŸfunctie.
Navigeren door het menu door te draaien
aan TUNE.
Uw keuze bevestigen of het menu openen
door te drukken op OK/MENU.
EXIT – Omhoog in het menusysteem,
annuleert de actuele functie.
Bij kort indrukken loopt u de audiobestanden door. Bij lang indrukken spoelt u
de audiobestanden voor- of achteruit.
1
260
Geldt voor High Performance, High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
05 Infotainment
Media BluetoothŸ*
N.B.
Als de auto is uitgerust met een toetsenset* op het stuurwiel en/of een afstandsbediening*, kunt u deze meestal gebruiken in
plaats van de toetsen op de middenconsole. Voor een beschrijving van de toetsenset op het stuurwiel, zie zie pagina 239. Voor
een beschrijving van de afstandsbediening,
zie pagina 267.
Menufuncties
U regelt de menufuncties van MEDIA vanaf de
middenconsole of via de toetsenset* op het
stuurwiel. Voor algemene informatie over
menufuncties en menusystemen, zie
pagina 282.
Externe eenheid koppelen en aansluiten
Hoe u een externe eenheid aansluit hangt af
van de vraag of dezelfde eenheid al dan niet
eerder gekoppeld was. Er kunnen maximaal 10
externe eenheden gekoppeld worden. Per
externe eenheid dient de koppeling eenmaal
uitgevoerd te worden. Als het de eerste keer is
dat u de eenheid aansluit, dan moet u de
onderstaande instructie volgen:
1. Druk meerdere keren op MEDIA totdat
Bluetooth verschijnt, laat de toets los,
wacht even of druk op OK/MENU.
2. Druk op OK/MENU.
3. Druk wanneer App. toevoegen verschijnt
op OK/MENU.
4. Controleer of de externe eenheid identificeerbaar/zichtbaar is via BluetoothŸ (zie de
gebruiksaanwijzing bij de externe eenheid).
5. Druk op OK/MENU.
> Het infotainmentsysteem zoekt naar
externe eenheden in de buurt. Het zoeken kan enige tijd duren. De gevonden
eenheden verschijnen met hun
BluetoothŸ-naam op het beeldscherm
van de middenconsole.
6. Kies de externe eenheid die u wilt koppelen
en druk op OK/MENU.
7. Voer via het toetsenblok van de te registreren externe eenheid de cijfercode in die
op het beeldscherm van de middenconsole staat en druk op de toets van de
externe eenheid waarmee u uw keuze
bevestigt.
De externe eenheid wordt gekoppeld en automatisch aangesloten op het infotainmentsysteem.
Wissel van audiobestand door te drukken op
/
op de middenconsole of door
gebruik te maken van de toetsenset* op het
stuurwiel.
Automatische aansluiting
Wanneer de BluetoothŸ-functie actief is en de
laatst aangesloten externe eenheid binnen het
bereik ligt, wordt deze automatisch opnieuw
aangesloten. Terwijl het infotainment op zoek
is naar de laatst aangesloten eenheid staat de
naam van deze eenheid op het beeldscherm.
Druk op EXIT voor aansluiting op een andere
eenheid. Sluit een nieuwe externe eenheid aan,
zie “Andere externe eenheid kiezen” hieronder.
Andere externe eenheid kiezen
Als er meerdere eenheden in de auto aanwezig
zijn, kunt u van externe eenheid wisselen. De
eenheid moet echter wel eerst aan het systeem
gekoppeld zijn, zie “Externe eenheid koppelen
en aansluiten” eerder. Om een andere eenheid
te kiezen:
05
1. Druk meerdere keren op MEDIA totdat
Bluetooth verschijnt, laat de toets los,
wacht even of druk op OK/MENU.
2. Controleer of de externe eenheid identificeerbaar/zichtbaar is via BluetoothŸ (zie de
gebruiksaanwijzing bij de externe eenheid).
3. Druk op OK/MENU.
4. Draai aan TUNE totdat Ander apparaat
verschijnt en bevestig uw keuze met OK/
MENU.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
261
05 Infotainment
Media BluetoothŸ*
> Na enige tijd verschijnt de naam van de
externe eenheid op het beeldscherm.
Als er meerdere externe eenheden
gekoppeld zijn, verschijnen ook deze.
5. Kies de aan te sluiten eenheid door te
draaien aan TUNE en bevestig uw keuze
met OK/MENU.
> De externe eenheid wordt vervolgens
aangesloten.
Wissel van audiobestand door te drukken op
/
op de middenconsole of door
gebruik te maken van de toetsenset* op het
stuurwiel.
05
Aangesloten eenheid verwijderen
1. Druk in stand Bluetooth op OK/MENU.
2. Draai aan TUNE totdat Bluetoothapparaat verwijderen verschijnt en
bevestig uw keuze met OK/MENU.
3. Kies de te verwijderen eenheid door te
draaien aan TUNE en bevestig uw keuze
met OK/MENU.
> Op het beeldscherm verschijnt de vraag
of u de aansluiting wilt verwijderen.
4. Druk ter bevestiging op OK/MENU.
Druk op EXIT om te annuleren.
262
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Eenheid loskoppelen
Versie-informatie BluetoothŸ
De externe eenheid wordt automatisch losgekoppeld, als de externe telefoon buiten het
bereik van het infotainmentsysteem komt. Voor
meer informatie over de aansluiting, zie
pagina 261.
De actuele BluetoothŸ-versie van de auto is in
stand Bluetooth te bekijken onder Bluetoothmenu Bluetooth-softwareversie in auto.
Willekeurige afspeelvolgorde
Bij activering van deze functie worden de audiobestanden op de externe eenheid in willekeurige volgorde afgespeeld. Activeer/deactiveer
de willekeurige afspeelvolgorde in stand Bluetooth onder Bluetooth-menu Willekeurige
weergave.
Wissel van audiobestand door te drukken op
/
op de middenconsole of door
gebruik te maken van de toetsenset* op het
stuurwiel.
Audiobestanden op externe eenheid
scannen
Bij activering van deze functie worden van elk
audiobestand de eerste tien seconden weergegeven. Activeer/deactiveer de functie in
stand Bluetooth onder Bluetooth-menu
Scan.
Beëindig de functie scannen met EXIT.
05 Infotainment
TV - instelling*
TV - instelling*
Algemene informatie
N.B.
Dit systeem ondersteunt alleen tv-signalen
in die landen die in mpeg2-formaat uitzenden volgens de DVB-T-standaard. Het systeem biedt geen ondersteuning voor tv-signalen in mpeg-4-formaat of analoge tv-signalen.
N.B.
Tv-weergave is uitsluitend mogelijk wanneer de auto stilstaat. Wanneer de auto
sneller rijdt dan ca. 6 km/h, verschijnt er
geen beeld en staat Geen visuele media
tijdens het rijden op het beeldscherm. Het
geluid wordt echter wel weergegeven. Het
beeld komt terug wanneer de auto tot stilstand is gekomen.
N.B.
Overzicht
De ontvangst hangt niet alleen af van de
signaalsterkte maar ook van de signaalkwaliteit. Er kunnen storingen optreden wanneer
de zendersignalen bijvoorbeeld gehinderd
worden door hoge gebouwen of van zeer
grote afstand komen. De dekkingsgraad
kan eveneens variëren afhankelijk van waar
u zich bevindt.
BELANGRIJK
Voor het gebruik van dit product is mogelijk
kijk- en luistergeld verschuldigd.
Bedieningspaneel op middenconsole.
MEDIA-toets.
05
Sneltoetsen, invoeren van cijfers
In kanaallijsten of menu’s navigeren door
te draaien aan TUNE.
Uw keuze bevestigen of het menu openen
door te drukken op OK/MENU.
EXIT – Omhoog in het menusysteem,
annuleert de actuele functie.
Het volgende beschikbare kanaal is te
bekijken door te drukken op
/
.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
263
05 Infotainment
TV - instelling*
N.B.
Als de auto is uitgerust met een toetsenset* op het stuurwiel en/of een afstandsbediening*, kunt u deze meestal gebruiken in
plaats van de toetsen op de middenconsole. Voor een beschrijving van de toetsenset op het stuurwiel, zie zie pagina 239. Voor
een beschrijving van de afstandsbediening,
zie pagina 267.
Menufuncties
05
U regelt de menufuncties van MEDIA vanaf de
middenconsole of via de toetsenset* op het
stuurwiel. Voor algemene informatie over
menufuncties en menusystemen, zie
pagina 282.
Tv kijken
De eerste keer dat u gebruik maakt van de tvfunctie of tv wilt kijken in het buitenland, dient
u de tv-kanalen in te stellen. Voor het instellen
van de tv-kanalen, zie het onderdeel “Tv-kanalen zoeken/Voorkeurslijst” op pagina 264.
264
Druk meerdere keren op MEDIA totdat
TV op het beeldscherm verschijnt, laat de
toets los, wacht even of druk op OK/
MENU.
> Er wordt een zoekfunctie gestart en kort
daarna verschijnt het laatst bekeken
kanaal.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Van kanaal veranderen
U kunt als volgt van kanaal veranderen:
• Draai aan TUNE, waarna een lijst verschijnt
met alle beschikbare kanalen in het gebied.
Als een van deze kanalen al eerder werd
opgeslagen als voorkeur, verschijnt rechts
van de kanaalnaam het sneltoetsnummer.
Draai aan TUNE totdat u het gewenste
kanaal bereikt en druk op OK/MENU.
• Door te drukken op de sneltoetsen (0–9).
• Door kort op de toetsen
/
te drukken, waarna het eerstvolgende beschikbare kanaal in het gebied verschijnt.
N.B.
Als u van locatie verandert binnen het land
en bijvoorbeeld naar een andere stad rijdt,
zijn de voorkeurskanalen niet per definitie
beschikbaar omdat het frequentiegebied
mogelijk gewijzigd is. Start in dat geval een
nieuwe zoekopdracht om een nieuwe voorkeurslijst op te slaan, zie de functie
“Beschikbare tv-kanalen opslaan als voorkeurskanalen”, pagina 265.
N.B.
Als na bediening van de sneltoetsen geen
beeld verschijnt, kan dat komen doordat de
auto zich mogelijk niet meer bevindt in het
land waar naar tv-zenders werd gezocht (u
bent bijvoorbeeld van Duitsland naar Frankrijk gereden). U moet dan mogelijk een
ander land selecteren en opnieuw naar
kanalen zoeken starten.
Tv-kanalen zoeken/Voorkeurslijst
1. Druk in stand TV op OK/MENU.
2. Draai aan TUNE totdat u TV-menu bereikt
en druk op OK/MENU.
3. Draai aan TUNE totdat u Land kiezen
bereikt en druk op OK/MENU.
> Als er eerder een of meer landen werden
geselecteerd, dan verschijnen deze in
een lijst.
4. Draai aan TUNE totdat u Andere landen
bereikt of een van de eerder gekozen landen. Druk op OK/MENU.
> Er verschijnt een lijst met al de beschikbare landen.
5. Draai aan TUNE totdat u het land van uw
keuze (bijv. Zweden) bereikt en druk op
OK/MENU.
> Er wordt automatisch gezocht naar de
beschikbare tv-kanalen. Deze zoekop-
05 Infotainment
TV - instelling*
dracht duurt even. Tijdens het zoeken
wordt het beeld weergegeven van alle
gevonden en als voorkeur vastgelegde
kanalen. Er verschijnt een melding wanneer de zoekopdracht afgerond is en het
beeld verschijnt dat bij het gekozen
kanaal hoort. Daarmee is een voorkeurslijst (max. 30 voorkeuren) aangemaakt en beschikbaar. Om van kanaal
te veranderen, zie pagina 264.
1. Draai aan TUNE totdat u het te verplaatsen
kanaal in de lijst bereikt en bevestig uw
keuze met OK/MENU.
> Het gekozen kanaal staat gemarkeerd.
Het zoeken en vastleggen van voorkeuren kan
worden geannuleerd met EXIT.
Na de voorkeurskanalen (max. 30 stuks) volgen
al de resterende kanalen in het gebied. Het is
mogelijk een van deze kanalen in de lijst met
voorkeuren te zetten.
N.B.
In het buitenland dient u een nieuwe zoekopdracht uit te voeren om de beschikbare
tv-kanalen te vinden.
Voorkeur kijker
De voorkeurslijst is te bewerken. U kunt de
volgorde van de kanalen in de voorkeurslijst
wijzigen. Een tv-kanaal kan op meerdere plaatsen in de voorkeurslijst voorkomen. De onderlinge positie van de tv-kanalen in de lijst kan
bovendien variëren.
Om de volgorde binnen de lijst met voorkeuren
te wijzigen dient u in stand TV te gaan naar TVmenu Presets sorteren.
2. Draai aan TUNE totdat u de nieuwe positie
binnen de lijst bereikt en bevestig uw keuze
met OK/MENU.
> De kanalen wisselen vervolgens van
plaats.
Beschikbare tv-kanalen opslaan als
voorkeurskanalen
Als de auto van locatie is veranderd binnen het
land en bijvoorbeeld naar een andere stad is
gereden, zijn de voorkeurskanalen niet per
definitie beschikbaar omdat het frequentiegebied mogelijk gewijzigd is. Start in dat geval
een nieuwe zoekopdracht om een nieuwe
voorkeurslijst op te slaan.
1. Druk in stand TV op OK/MENU.
2. Draai aan TUNE totdat u TV-menu bereikt
en druk op OK/MENU.
3. Draai aan TUNE totdat u Autostore
bereikt en druk op OK/MENU.
> Er wordt automatisch gezocht naar de
beschikbare tv-kanalen. Deze zoekopdracht duurt even. Tijdens het zoeken
wordt het beeld weergegeven van alle
gevonden en als voorkeur vastgelegde
kanalen. Er verschijnt een melding wanneer de zoekopdracht afgerond is en het
beeld verschijnt dat bij het gekozen
kanaal hoort. Daarmee is een voorkeurslijst (max. 30 voorkeuren) aangemaakt en beschikbaar. Om van kanaal
te veranderen, zie pagina 264.
Tv-kanalen scannen
Deze functie doorzoekt het actuele frequentiebereik automatisch op alle beschikbare kanalen in het gebied waar u zich bevindt. Wanneer
er een kanaal is gevonden, wordt deze ca. 10
seconden lang weergegeven voordat de zoekfunctie wordt voortgezet. U kunt de zoekfunctie stopzetten met EXIT, waarna het laatst
bekeken kanaal opnieuw wordt weergegeven.
De zoekfunctie is niet van invloed op de voorkeurslijst.
05
Activeer de scanfunctie in stand TV onder TVmenu Scan.
Teletekst
U kunt als volgt teletekst bekijken:
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
265
05 Infotainment
TV - instelling*
1. Druk op de toets
diening.
op de afstandsbe-
2. Typ het paginanummer (3 cijfers) in met de
cijfertoetsen (0–9) om een pagina te kiezen.
> De pagina verschijnt automatisch.
Voer een ander paginanummer in of druk op de
/
op de afstandsbediening om
toetsen
van pagina te veranderen.
Keer terug naar het tv-beeld met EXIT of
bedien de toets
op de afstandsbediening.
05
Teletekst is ook te bedienen met de gekleurde
knoppen op de afstandsbediening.
Informatie over actueel programma
Druk op de toets INFO om informatie te bekijken over het actuele programma, het volgende
programma alsmede het starttijdstip. Wanneer
u nogmaals op de toets INFO drukt, valt soms
meer informatie over het actuele programma te
bekijken (zoals de tijd dat het begint en eindigt)
alsmede een korte beschrijving van het actuele
programma te lezen. Voor meer informatie over
de toets INFO, zie pagina 241.
Om terug te keren naar het tv-beeld dient u
enkele seconden te wachten of te drukken op
EXIT.
266
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Beeldinstellingen
Het is mogelijk de instellingen voor helderheid
en contrast te wijzigen. Voor meer informatie,
zie pagina 255.
Wegvallende signalen
Als de signalen van het bekeken tv-kanaal
wegvalt, bevriest het beeld. Kort daarna verschijnt een melding die aangeeft dat de signalen van het actuele tv-kanaal zijn weggevallen
en dat er opnieuw naar het kanaal wordt
gezocht. Wanneer er opnieuw signalen binnenkomen, wordt het tv-kanaal meteen weergegeven. Wanneer de melding verschijnt, kunt u
uiteraard ook van kanaal veranderen.
Als de melding Geen ontvangst, zoeken verschijnt, heeft het systeem geregistreerd dat de
signalen voor alle tv-kanalen zijn weggevallen.
U bent mogelijk een landsgrens gepasseerd
zonder de landinstelling van het systeem aan
te passen. Stel in dat geval het juiste land in
zoals aangegeven onder “Tv-kanalen zoeken/
Voorkeurslijst”, zie pagina 264.
05 Infotainment
Afstandsbediening*
Afstandsbediening*
De afstandsbediening is te gebruiken voor alle
functies van het infotainmentsysteem. De toetsen op de afstandsbediening hebben dezelfde
functies als de overeenkomstige toetsen op de
middenconsole of de toetsenset* op het stuurwiel.
Druk bij gebruik van de afstandsbediening de
knop
op de afstandsbediening in stand
F. Richt de afstandsbediening vervolgens op
de IR-ontvanger, die rechts van de knop
INFO (zie pagina 241) op de middenconsole zit.
WAARSCHUWING
Bewaar losse voorwerpen, zoals mobiele
telefoon, camera, afstandsbediening voor
extra uitrusting e.d., in het dashboardkastje
of andere opbergruimten. Bij krachtig
afremmen of een botsing kunnen deze
anders inzittenden verwonden.
Toets
Functie
F = Beeldscherm voorin
Overschakelen op navigatie*
Overschakelen op radiobron
(AM, FM1 etc.)
Overschakelen op mediabron
(Disk, TV* etc.)
Overschakelen op BluetoothŸhandsfree*
Achteruitbladeren/-spoelen, van
track/nummer wisselen.
05
Afspelen/Pauzeren
Stoppen
N.B.
Leg de afstandsbediening niet in de felle zon
(zoals op het dashboard) – dan kunnen er
problemen met de batterijen ontstaan.
Vooruitbladeren/-spoelen, van
track/nummer wisselen.
Menu
Teruggaan, functie beëindigen,
ingevoerde tekens wissen
Scrolwiel, overeenkomend met TUNE op
de middenconsole.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
267
05 Infotainment
Afstandsbediening*
Toets
Functie
Toets
Functie
Omhoog/omlaag
Ondertiteling, ondertitelingstaal
kiezen
Naar rechts/links
Teletekst*, aan/uit
Keuze bevestigen of menusysteem voor gekozen bron openen
Volume verlagen
Batterijen in afstandsbediening
vervangen
N.B.
Volume verhogen
0–9
05
Voorkeurskanalen kiezen, cijfers/
letters invoeren
Sneltoets voor ingestelde favorieten.
Informatie over actueel programma, nummer etc. Tevens te
gebruiken als er meer informatie
beschikbaar is dan op het beeldscherm kan worden weergegeven.
Taal geluidstrack kiezen
268
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
De batterijen gaan normaal 1–4 jaar mee,
afhankelijk van het gebruik van de afstandsbediening.
1. Duw de vergrendeling van het dekseltje op
het batterijvakje in en duw het deksel in de
richting van het IR-oog.
De afstandsbediening werkt op vier batterijen
van het type AA/LR6.
2. Verwijder de lege batterijen en leg de
nieuwe batterijen op de aangegeven
manier in het batterijvakje.
Neem bij lange ritten extra batterijen mee.
3. Plaats het dekseltjes terug.
N.B.
Lege batterijen moet u op een milieuvriendelijke manier inzamelen.
05 Infotainment
BluetoothŸ-handsfree*
Algemene informatie
bestuurderszijde. U kunt de mobiele telefoon
via de knoppen op de telefoon bedienen of de
telefoon nu aangesloten is of niet.
Telefoonfuncties, overzicht
bedieningselementen
N.B.
Niet alle mobiele telefoons zijn volledig
compatibel met de handsfree-functie van
het audiosysteem. Volvo adviseert u contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats of www.volvocars.com te
bezoeken voor informatie over compatibele
telefoons.
Systeemoverzicht.
Mobiele telefoon
Microfoon
Toetsenset op stuurwiel
Menufuncties
U regelt de menufuncties van TEL vanaf de
middenconsole of via de toetsenset* op het
stuurwiel. Voor algemene informatie over
menufuncties en menusystemen, zie
pagina 282.
Bedieningspaneel in middenconsole
BluetoothŸ1
Een mobiele telefoon met BluetoothŸ is draadloos aan te sluiten op het infotainmentsysteem.
Het infotainmentsysteem werkt dan als handsfree en biedt u de mogelijkheid om enkele
functies van uw mobiele telefoon op afstand te
bedienen. De microfoon waarvan het systeem
gebruik maakt zit bij de zonneklep (2) aan
1
Bedieningspaneel op middenconsole.
Cijfer- en lettertoetsen
05
TEL – Activeren/Uitschakelen
TUNE – In de normaalweergave rechtsom
draaien voor toegang tot het telefoonboek
en linksom voor de gesprekslijst met alle
gesprekken. Tevens te gebruiken om de
opties op het beeldscherm door te bladeren.
Beantwoord inkomende gesprekken,
bevestig uw keuze of open het telefoonmenu door te drukken op OK/MENU.
EXIT - Telefoongesprekken beëindigen/
weigeren, ingevoerde tekens wissen,
Geldt voor High Performance, High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
269
05 Infotainment
BluetoothŸ-handsfree*
omhoog in het menusysteem en actieve
functie annuleren.
N.B.
Als de auto is uitgerust met een toetsenset* op het stuurwiel en/of een afstandsbediening*, kunt u deze meestal gebruiken in
plaats van de toetsen op de middenconsole. Voor een beschrijving van de toetsenset op het stuurwiel, zie zie pagina 239. Voor
een beschrijving van de afstandsbediening,
zie pagina 267.
Beknopte bedieningsinstructies
05
Activeren/deactiveren
Wanneer u kort op TEL drukt, activeert u de
handsfree-functie. Het symbool
geeft
aan dat de handsfree-functie actief is.
Mobiele telefoon aansluiten
Hoe u een mobiele telefoon aansluit hangt af
van de vraag of dezelfde mobiele telefoon al
dan niet eerder aangesloten was. Als het de
eerste keer is dat u de mobiele telefoon aansluit, dan moet u de onderstaande instructies
volgen:
Er zijn twee manieren om een mobiele telefoon
aan te sluiten: via het menusysteem van de
auto of via het menusysteem van de mobiele
270
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
telefoon. Als de ene manier niet werkt, kunt u
de andere proberen.
Alternatief 1 – via het menusysteem van de
auto
1. Maak de mobiele telefoon identificeerbaar/
zichtbaar via BluetoothŸ (zie daarvoor de
gebruiksaanwijzing bij de mobiele telefoon
of www.volvocars.com).
2. Activeer de handsfree-functie van de auto
door te drukken op TEL. Druk vervolgens
op OK/MENU.
3. Kies Telefoon wijzigen en druk op OK/
MENU.
> De menu-optie Telefoon toevoegen
wordt het beeldscherm weergegeven.
Als u al eerder een of meer mobiele telefoons hebt gekoppeld, worden ook
deze weergegeven. Druk op OK/
MENU.
4. Controleer of de BluetoothŸ-functie van de
mobiele telefoon actief is en druk op OK/
MENU.
> Het audiosysteem zoekt naar mobiele
telefoons in de nabije omgeving. Er
wordt ongeveer 30 seconden gezocht.
De gevonden mobiele telefoons verschijnen met hun BluetoothŸ-naam op
het beeldscherm van de middencon-
sole. De handsfree-functie verschijnt
onder de BluetoothŸ-naam My Volvo
Car op de mobiele telefoon.
5. Kies een van de mobiele telefoons op het
beeldscherm van de middenconsole.
6. Voer via het toetsenblok van de te registreren mobiele telefoon de cijfercode in die
op het beeldscherm van de middenconsole staat en druk op de toets van de mobiele telefoon waarmee u uw keuze bevestigt.
Alternatief 2 – via het menusysteem van de
mobiele telefoon
1. Activeer de handsfree-functie door te
drukken op TEL op de middenconsole.
Schakel een eventueel eerder aangesloten
telefoon uit.
2. Maak de mobiele telefoon identificeerbaar/
zichtbaar via BluetoothŸ, druk op OK/
MENU en activeer de optie
Telefooninstellingen Herkenbaar .
3. Zoek met de BluetoothŸ-functie van de
mobiele telefoon (zie gebruiksaanwijzing
bij de mobiele telefoon).
4. Kies My Volvo Car in de lijst met gevonden eenheden op uw mobiele telefoon.
05 Infotainment
BluetoothŸ-handsfree*
5. Voer een willekeurige pincode in via de
toetsenset van de mobiele telefoon, als er
om de pincode wordt gevraagd. Voer vervolgens dezelfde pincode in via de toetsenset in de auto.
6. Kies voor aansluiting op My Volvo Car
vanaf de mobiele telefoon.
De mobiele telefoon wordt vervolgens gekoppeld (geregistreerd) en automatisch aangesloten op het audiosysteem. Voor meer informatie
over het koppelen van mobiele telefoons, zie
pagina 273.
Wanneer er een aansluiting tot stand gebracht
is, verschijnen de BluetoothŸ-naam van de
mobiele telefoon op het beeldscherm. U kunt
de mobiele telefoon vervolgens bedienen via
het audiosysteem.
Bellen
1. Zorg dat het symbool
boven aan het
beeldscherm staat en dat de handsfreefunctie in de telefoonstand staat.
2. Voer ofwel het gewenste nummer of snelnummer in, zie pagina 277. Of draai in de
normaalweergave TUNE rechtsom voor
toegang tot het telefoonboek of linksom
voor de gesprekslijst met alle gesprekken.
2
Voor informatie over het telefoonboek, zie
pagina 273.
N.B.
Ook als de mobiele telefoon handmatig
wordt losgekoppeld, kunnen bepaalde
mobiele telefoons automatisch opnieuw
verbinding maken met de laatst aangesloten handsfree-eenheid, bijvoorbeeld bij het
starten van een nieuw gesprek.
3. Druk op OK/MENU.
U beëindigt het gesprek met EXIT.
Mobiele telefoon uitschakelen
De mobiele telefoon wordt automatisch losgekoppeld, als de telefoon buiten het bereik van
het audiosysteem komt. De koppeling met de
mobiele telefoon is handmatig te verbreken
door lang te drukken op TEL of in de telefoonstand onder Telefoonmenu Telefoon uit.
Voor meer informatie over de aansluiting, zie
pagina 273.
Gespreksfuncties
Inkomend gesprek
Druk op OK/MENU om een gesprek aan te
nemen, ook staat het audiosysteem in de
stand RADIO of MEDIA.
De handsfree-functie wordt gedeactiveerd bij
het afzetten van de motor of het openen van
een portier2.
Met EXIT kunt u een gesprek weigeren of
beëindigen.
Wanneer de mobiele telefoon is losgekoppeld,
kunt u een eventueel lopend gesprek voortzetten met behulp van de ingebouwde microfoon
en luidspreker van de mobiele telefoon.
Met de functie Automatisch antwoord is het
mogelijk gesprekken automatisch te beantwoorden.
05
Automatisch antwoord
Activeer/deactiveer de functie in telefoonstand onder Telefoonmenu
Bel-opties Automatisch opnemen.
Menu tijdens gesprek
Druk tijdens een gesprek op OK/MENU om
toegang te krijgen tot de volgende functies:
Alleen Keyless drive.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
271
05 Infotainment
BluetoothŸ-handsfree*
• Dempen – Microfoon van het audiosysteem uitschakelen.
• Mobiele telefoon - Gesprek doorschakelen naar de mobiele telefoon. Bij sommige
mobiele telefoons wordt de koppeling verbroken. Dit is volkomen normaal. Het
handsfree-systeem vraagt vervolgens of u
opnieuw wilt koppelen.
• Nummer kiezen - mogelijkheid om een
tweede gesprek te starten met behulp van
de cijfertoetsen (het eerste gesprek wordt
daarbij stand-by gezet).
Gesprekslijsten
05
272
De gesprekslijsten worden bij iedere nieuwe
aansluiting naar de handsfree-functie gekopieerd en worden vervolgens tijdens de aansluiting bijgehouden. Draai in de normaalweergave
TUNE linksom om de gesprekslijst voor Alle
gesprekken te zien.
N.B.
Sommige mobiele telefoons geven de lijst
met laatst gekozen nummers in omgekeerde volgorde weer.
Voicemail
In de normaalweergave is het mogelijk een
snelnummer voor voicemail te programmeren
die u vervolgens kunt bereiken door lang te
drukken op 1.
Het nummer van de voicemail is in de telefoonstand te wijzigen onder Telefoonmenu Belopties Voicemailnummer Nummer
wijzigen. Als er nog geen nummer opgeslagen
is, kunt u het bijbehorende menu openen door
lang op 1 te drukken.
Audio-instellingen
In de telefoonstand zijn onder Telefoonmenu
Bellijst alle gesprekslijsten te zien:
Tel.-gespreksvol.
•
•
•
•
•
Beantwoorde gesprekken
Volume audiosysteem
Gekozen nummers
Zolang er geen telefoongesprek wordt
gevoerd, kunt u het volume van het audiosys-
Alle gesprekken
Gemiste oproepen
Gespreksduur
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Het gespreksvolume is alleen tijdens een
gesprek te wijzigen. Gebruik de toetsenset* op
het stuurwiel of draai aan de knop VOL.
teem op de gebruikelijke wijze bijregelen door
te draaien aan VOL.
Het is mogelijk de weergave van een actieve
geluidsbron automatisch te onderdrukken bij
inkomende gesprekken. Activeer/deactiveer
de functie in telefoonstand onder
Telefoonmenu Telefooninstellingen
Geluiden en volume Radio dempen.
Beltoonvolume
Ga in de telefoonstand naar Telefoonmenu
Telefooninstellingen Geluiden en
volume Beltoonvolume en draai aan VOL
om te wijzigen. Druk op EXIT om op te slaan.
Belsignalen
In de telefoonstand kunt u een van de ingebouwde beltonen van de handsfree-functie
kiezen onder Telefoonmenu
Telefooninstellingen Geluiden en volume
Beltonen Belsignaal 1 enz.
05 Infotainment
BluetoothŸ-handsfree*
N.B.
Voor bepaalde mobiele telefoons geldt dat
de belsignalen van de aangesloten mobiele
telefoon niet worden uitgeschakeld bij
gebruik van de geïntegreerde signalen van
het handsfree-systeem.
Ga om de beltonen3 van de aangesloten telefoon te gebruiken in de telefoonstand naar
Telefoonmenu Telefooninstellingen
Geluiden en volume Beltonen GSMringtone.
Meer informatie over koppelen en
aansluiten
Er kunnen maximaal tien mobiele telefoons
worden gekoppeld (geregistreerd). U hoeft een
mobiele telefoon slechts eenmaal te koppelen.
Wanneer een mobiele telefoon eenmaal
gekoppeld is, hoeft deze niet langer zichtbaar/
identificeerbaar te zijn. U kunt slechts één
mobiele telefoon tegelijk aansluiten.
beert het systeem een eerder gekoppelde
mobiele telefoon aan te sluiten. Terwijl het
audiosysteem op zoek is naar de laatst aangesloten eenheid staat de naam van deze telefoon op het beeldscherm.
Handmatige aansluiting
Ga om van aangesloten mobiele telefoon te
wisselen in de telefoonstand naar
Telefoonmenu Telefoon wijzigen.
Telefoonboek
Er zijn twee telefoonboeken. Deze worden in de
auto samengevoegd en als één gemeenschappelijk telefoonboek in de auto getoond.
• De auto downloadt het telefoonboek van
de aangesloten mobiele telefoon en toont
dit telefoonboek alleen, wanneer de mobiele telefoon waaruit het telefoonboek
afkomstig is aangesloten is.
• Ook de auto heeft een ingebouwd teleEenheid verwijderen
Een aangesloten mobiele telefoon is te ontkoppelen en te verwijderen. U doet dat in de
telefoonstand onder Telefoonmenu
Bluetooth-apparaat verwijderen.
Versie-informatie BluetoothŸ
De actuele BluetoothŸ-versie van de auto is in
de telefoonstand te bekijken onder
Telefoonmenu Telefooninstellingen
Bluetooth-softwareversie in auto.
foonboek. Hierin worden alle contactpersonen opgeslagen, onafhankelijk van de
vraag welke telefoon er tijdens de opslag
aangesloten. Deze contactpersonen zijn
zichtbaar voor alle gebruikers, ongeacht
de telefoon die aan de auto gekoppeld is.
Als een contactpersoon opgeslagen is in
het telefoonboek van de auto, verschijnt
vóór deze contactperhet symbool
soon.
05
Automatische aansluiting
Wanneer de handsfree-functie actief is en de
laatst aangesloten mobiele telefoon binnen het
bereik ligt, wordt deze telefoon automatisch
opnieuw aangesloten. Als de laatst aangesloten mobiele telefoon niet beschikbaar is, pro3
Niet ondersteund door alle mobiele telefoons.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
273
05 Infotainment
BluetoothŸ-handsfree*
N.B.
Bij wijzigingen van een post in het telefoonboek van de mobiele telefoon vanuit het
telefoonsysteem in de auto, wordt er een
nieuwe post in het telefoonboek van de auto
aangemaakt. De wijziging wordt met andere
woorden niet opgeslagen in de mobiele
telefoon. In de auto ziet u vervolgens dubbele posten, met verschillende icoontjes.
Let er tevens op dat het opslaan van snelnummers of het wijzigen van een contactpersoon een nieuwe post oplevert in het
telefoonboek van de auto.
05
Draai in de normaalweergave TUNE rechtsom
om een lijst met contactpersonen te openen.
Draai aan TUNE om een contactpersoon te
kiezen en druk op OK/MENU om te bellen.
Voor alle telefoonboekfuncties dient het symbool
boven aan het beeldscherm en de
handsfree-functie in de telefoonstand te staan.
Onder de naam van de contactpersoon staat
het telefoonnummer dat als standaardnummer
is gekozen. Als rechts van de contactpersoon
staat, zijn er meerdere telehet symbool
foonnummers van de contactpersoon opgeslagen. Kies een ander nummer dan het standaardnummer en bel door te drukken op de
knop
op het bedieningspaneel van de
middenconsole. Draai aan TUNE om een contactpersoon te kiezen en druk op OK/MENU
om te bellen.
Het audiosysteem slaat van elk van de gekoppelde mobiele telefoons een kopie van het telefoonboek op. Het telefoonboek kan bij iedere
aansluiting automatisch naar het audiosysteem worden gekopieerd.
Doorzoek de lijst met contactpersoon door via
de toetsenset van de middenconsole de eerste
letter(s) van de naam van de contactpersoon in
te typen (zie “Tekentabel toetsenset op middenconsole” voor de functie van de toetsen).
De lijst met contactpersonen is vanaf de normaalweergave ook te bereiken door op de
toetsenset van de middenconsole de toets in
te drukken met de eerste letter van de naam
van de gezochte contactpersoon. Zo biedt lang
indrukken van de toets 6 rechtstreeks toegang
tot dat deel van de lijst waar de contactpersonen liggen die beginnen met de letter M.
Activeer/deactiveer de functie in telefoonstand onder Telefoonmenu
Telefooninstellingen Telefoonboek
downloaden.
Als het telefoonboek de contactgegevens
bevat van de persoon die belt, verschijnen
deze op het beeldscherm.
274
Snelzoekfunctie contactpersonen
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Tekentabel toetsenset op
middenconsole
Toets
Functie
Spatie . , - ? @ : ; / ( ) 1
ABCÅÄÆÀÇ2
DEFÈÉ3
GHIÌ4
JKL5
MNOÖØÑÒ6
PQRSß7
TUVÜÙ8
WXYZ9
Wisselen tussen hoofdletters en
kleine letters.
+0pw
#*
05 Infotainment
BluetoothŸ-handsfree*
Contactpersonen zoeken
N.B.
Bij de uitvoering High Performance ontbreekt het tekstwiel, zodat u TUNE niet kunt
gebruiken voor de invoer van tekens maar
aangewezen bent op de cijfer- en lettertoetsen op het bedieningspaneel van de middenconsole.
aan4
Contactpersonen zoeken met het tekstwiel.
Tekenlijst
Invoerstand wijzigen (zie onderstaande
tabel)
Telefoonboek
Ga om een contactpersoon te zoeken of te
bewerken in de telefoonstand naar
Telefoonmenu Telefoonboek Zoeken.
1. Draai
TUNE tot de gewenste letter
verschijnt en druk ter bevestiging op OK/
MENU. Ook de cijfer- en lettertoetsen van
het bedieningspaneel op de middenconsole zijn te gebruiken.
2. Ga verder met de volgende letter enz. In
het telefoonboek (3) verschijnt het resultaat
van de zoekopdracht.
3. Om over te schakelen op de invoer van cijfers of speciale tekens of het telefoonboek
te openen dient u aan TUNE te draaien,
totdat een van de opties (zie verklaring in
onderstaande tabel) in de lijst voor het wisselen van invoerstand (2) verschijnt en druk
vervolgens op OK/MENU.
123/
ABC
Met OK/MENU kunt u wisselen
tussen cijfers en letters.
Overige
Met OK/MENU kunt u overschakelen op de invoer van speciale
tekens.
Opent het telefoonboek (3). Draai
aan TUNE om een contactpersoon te kiezen en druk op OK/
MENU om opgeslagen nummers
en overige informatie te bekijken.
Bij kort indrukken van EXIT wist u het laatst
ingevoerde teken. Bij lang indrukken van
EXIT wist u alle ingevoerde tekens.
05
Bij het indrukken van een cijfertoets op de middenconsole tijdens de weergave van het tekstwiel (zie bovenstaande afbeelding), verschijnt
op het beeldscherm een tekenlijst (1). Druk herhaalde malen op de cijfertoets totdat de
gewenste letter verschijnt en laat de toets weer
los. Ga verder met de volgende letter enz. Met
het indrukken van een volgende toets bevestigt
u de invoer van de voorgaande letter.
Houd om een cijfer in te voeren de toets met
het gewenste cijfer ingedrukt.
4
Geldt alleen voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
275
05 Infotainment
BluetoothŸ-handsfree*
Nieuw contact
N.B.
Bij de uitvoering High Performance ontbreekt het tekstwiel, zodat u TUNE niet kunt
gebruiken voor de invoer van tekens maar
aangewezen bent op de cijfer- en lettertoetsen op het bedieningspaneel van de middenconsole.
1. Druk, wanneer de regel Naam gemarkeerd
staat, op OK/MENU om de invoerstand te
openen (bovenstaande afbeelding).
Letters invoeren voor nieuwe contactpersoon.
Invoerstand wijzigen (zie onderstaande
tabel)
05
Invoerveld
Een nieuwe contactpersoon is in de telefoonstand toe te voegen onder Telefoonmenu
Telefoonboek Nieuw contact.
4
276
2. Draai aan4 TUNE tot de gewenste letter
verschijnt en druk ter bevestiging op OK/
MENU. Ook de cijfer- en lettertoetsen van
het bedieningspaneel op de middenconsole zijn te gebruiken.
3. Ga verder met de volgende letter enz. In
het invoerveld (2) op het beeldscherm staat
de ingevoerde naam.
4. Om over te schakelen op de invoer van cijfers en/of speciale tekens of te wisselen
tussen grote/kleine letters e.d. dient u aan
TUNE te draaien, totdat een van de opties
(zie verklaring in onderstaande tabel) in de
lijst (1) verschijnt; druk vervolgens op OK/
MENU.
Geldt alleen voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Kies, wanneer u de volledige naam ingevoerd
hebt, OK in de lijst op het beeldscherm (1) en
druk op OK/MENU. Voer vervolgens het telefoonnummer in op hierboven beschreven
manier.
Druk wanneer u het telefoonnummer hebt ingevoerd op OK/MENU en geef het type telefoonnummer aan (GSM, Home, Werk of
Algemeen). Druk ter bevestiging op OK/
MENU.
Kies, wanneer alle gegevens ingevoerd zijn,
Contact opslaan in het menu om de contactpersoon op te slaan.
123/
ABC
Met OK/MENU kunt u wisselen
tussen cijfers en letters.
Overige
Met OK/MENU kunt u overschakelen op de invoer van speciale
tekens.
OK
Met Contact toevoegen kunt u
opslaan en teruggaan naar OK/
MENU.
05 Infotainment
BluetoothŸ-handsfree*
Met OK/MENU kunt u wisselen
tussen hoofdletters en kleine letters.
Druk op OK/MENU, de cursor
gaat naar het invoerveld (2)
boven aan het beeldscherm. U
kunt de cursor vervolgens met
TUNE naar de gewenste positie
verplaatsen om bijv. nieuwe letters in te voegen of letters te wissen met EXIT. Ga om nieuwe letters te kunnen invoegen eerst
terug naar de invoerstand door te
drukken op OK/MENU.
Snelnummers
In de telefoonstand kunt u snelnummers
opslaan onder Telefoonmenu
Telefoonboek Verkort kiezen.
In de telefoonstand is verkort kiezen mogelijk
met de cijfertoetsen op de toetsenset van de
middenconsole, door een cijfertoets en vervolgens op OK/MENU in te drukken. Als er geen
contactpersoon opgeslagen ligt onder het
gekozen snelnummer, krijgt u de gelegenheid
om alsnog een contactpersoon onder het
gekozen snelnummer op te slaan.
vCard ontvangen
Het is mogelijk om vCards van andere mobiele
telefoons (dan de eenheid die op dat moment
aangesloten op de auto) te ontvangen voor het
telefoonboek van de auto. Om dat mogelijk te
maken dient u de auto identificeerbaar te
maken voor BluetoothŸ. De functie wordt in de
telefoonstand geactiveerd onder
Telefoonmenu Telefoonboek vCard
ontvangen.
Geheugenstatus
De geheugenstatus van het telefoonboek van
de auto en die van het telefoonboek van de
aangesloten mobiele telefoon zijn in de telefoonstand te bekijken onder Telefoonmenu
Telefoonboek Geheugenstatus.
05
Telefoonboek wissen
Het is mogelijk het telefoonboek van de auto te
wissen; u doet dat in de telefoonstand onder
Telefoonmenu Telefoonboek
Telefoonboek wissen .
N.B.
Bij het wissen van het telefoonboek van de
auto worden alleen de contactpersonen in
het telefoonboek van de auto verwijderd. De
contactpersonen in het telefoonboek van de
mobiele telefoon worden niet verwijderd.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
277
05 Infotainment
Spraakherkenning* mobiele telefoon
Inleiding
De spraakherkenningsfunctie1 van het infotainmentsysteem biedt u de mogelijkheid om
bepaalde functies van een mobiele telefoon
met BluetoothŸ-aansluiting of van Volvo’s
navigatiesysteem, RTI (Road and Traffic
Information System) met uw stem te bedienen.
N.B.
•
05
•
In dit gedeelte staat aangegeven hoe u
gesproken commando’s kunt gebruiken om een mobiele telefoon met
BluetoothŸ-aansluiting te bedienen.
Voor gedetailleerde informatie over het
gebruik van een mobiele telefoon met
BluetoothŸ-aansluiting op het infotainmentsysteem in de auto, zie
pagina 269.
Volvo’s navigatiesysteem – RTI (Road
and Traffic Information System) – is
voorzien van een apart instructieboekje
met meer informatie over spraakherkenning en de mogelijke gesproken
commando’s voor bediening van het
systeem.
Het gebruik van stemcommando’s biedt
bedieningscomfort, leidt minder af en helpt u
om de aandacht op het verkeer vast te houden.
Beknopte bedieningsinstructies
WAARSCHUWING
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige
manier bestuurt en de geldende verkeersregels in acht neemt.
De spraakherkenningsfunctie biedt u de mogelijkheid om bepaalde functies van een mobiele
telefoon met BluetoothŸ-aansluiting of van
Volvo’s navigatiesysteem, RTI (Road and
Traffic Information System) met uw stem te
bedienen, zonder daarvoor uw handen van het
stuur te hoeven nemen. De input vindt in dialoogvorm plaats met stemcommando’s van de
gebruiker en verbale antwoorden van het systeem. De spraakherkenningsfunctie maakt
gebruik van dezelfde microfoon als het
BluetoothŸ-handsfreesysteem (zie afbeelding
op pagina 269) en geeft antwoord via de luidsprekers in de auto.
Toetsenset op stuurwiel.
Toets voor spraakherkenning
Systeem activeren
Voordat u een mobiele telefoon met stemcommando’s kunt bedienen, moet de mobiele telefoon via het BluetoothŸ-handsfreesysteem zijn
gekoppeld en aangesloten. Als u met een
stemcommando een telefoon probeert te
bedienen zonder dat er een mobiel aan het
systeem gekoppeld is, wordt u daarop attent
gemaakt. Voor informatie over het koppelen en
aansluiten van een mobiele telefoon, zie
pagina 270.
• Druk op de knop voor spraakherkenning (1)
om de functie te activeren en een dialoog
1
278
Geldt alleen voor auto’s met Volvo’s navigatiesysteem, RTI (Road and Traffic Information System).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
05 Infotainment
Spraakherkenning* mobiele telefoon
met stemcommando’s te starten. De functie toont dan enkele veelvoorkomende
commando’s op het beeldscherm van de
middenconsole.
Let op het volgende bij het gebruik van de
spraakherkenningsfunctie:
• Spreek bij het geven van commando’s na
de toon, met normale stem in een normaal
tempo.
• Wacht met spreken, totdat het systeem
klaar is met antwoorden (zolang het systeem antwoordt, werkt de spraakherkenning namelijk niet).
• Houd portieren, zijruiten en schuifdak*
N.B.
Bij twijfel over het te gebruiken commando
kunt u “Help” zeggen – het systeem geeft
dan enkele voorbeelden van commando’s
die u in de actuele situatie kunt gebruiken.
De gesproken commando’s zijn te annuleren door:
•
•
•
•
giersruimte.
De aanwijzingen zijn op twee manieren te starten:
N.B.
Instructies en stemtraining zijn alleen te
activeren wanneer de auto geparkeerd
staat.
“Annuleren” te zeggen
niks te zeggen
• Druk op de knop voor spraakherkenning en
lang op de stuurtoets voor spraakherkenning te drukken
• Activeer de instructiefunctie in het menu-
op EXIT of een andere brontoets (zoals
MEDIA) te drukken.
dicht.
• Vermijd achtergrondgeluiden in de passa-
Instructie
Hulpfuncties spraakherkenning
• Instructie: Een functie die u vertrouwd
maakt met de functie en de juiste manier
om commando’s te geven.
• Stemtraining: Een functie die de spraakherkenningsfunctie de gelegenheid geeft
uw stem en uitspraak te leren kennen. De
functie kan de stemmen van twee verschillende gebruikersprofielen leren.
De hulpfuncties zijn te bereiken door te drukken op de knop MY CAR op het bedieningspaneel van de middenconsole en vervolgens
aan TUNE te draaien, totdat de menu-optie
van uw keuze verschijnt.
zeg “Steminstructies”.
systeem MY CAR onder Instellingen
Spraakinstellingen
Spraakintroductie. Voor een beschrijving
van het menusysteem, zie pagina 155.
05
De instructie is opgesplitst in 3 lessen, die in
totaal zo’n 5 minuten duren. De functie start
met de eerste les. Om een les over te slaan en
naar de volgende te gaan, kunt u op de knop
voor spraakherkenning drukken en “Volgende”
zeggen. U kunt teruggaan naar de vorige les
door “Vorige” te zeggen.
Beëindig de instructie door de knop voor
spraakherkenning lang in te drukken.
Stemtraining
U krijgt tot vijftien zinnen te zien die u moet
inspreken. De stemtraining is te starten in het
menusysteem MY CAR onder Instellingen
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
279
05 Infotainment
Spraakherkenning* mobiele telefoon
Spraakinstellingen Spraaktraining.
Kies Gebruiker 1 of Gebruiker 2. Voor een
beschrijving van het menusysteem, zie
pagina 155.
Vergeet na afloop van de stemtraining niet om
uw gebruikersprofiel in te stellen onder
Gebruikersinstelling spraaksystem.
Meer instellingen in MY CAR
• Gebruikersinstelling – U kunt twee
05
gebruikersprofielen instellen. De functie is
te activeren in het menusysteem MY CAR
onder Instellingen Spraakinstellingen
Gebruikersinstelling spraaksystem.
Kies Gebruiker 1 of Gebruiker 2. Voor
een beschrijving van het menusysteem, zie
pagina 155.
• Stemvolume – Te wijzigen in het menusysteem MY CAR onder Instellingen
Spraakinstellingen Volume
mededelingen. Voor een beschrijving van
het menusysteem, zie pagina 155.
Stemcommando’s gebruiken
De bestuurder start een dialoog met stemcommando’s door te drukken op de knop voor
spraakherkenning (zie afbeelding op pagina
278).
Zodra een dialoog gestart is, verschijnen veelvoorkomende commando’s op het beeldscherm. Grijs gearceerde teksten of teksten
tussen haakjes maken geen deel uit van het
stemcommando.
Wanneer de bestuurder vertrouwd is met de
functie, kan hij/zij de dialoog verkorten door
systeemvragen over te slaan middels kort
indrukken van de knop voor spraakherkenning.
Commando’s zijn op meerdere manieren te
geven
Het commando “Telefoon bel contact” kan bijvoorbeeld als volgt worden gegeven:
•
“Telefoon > Bel contact” – Zeg “Telefoon”,
wacht op antwoord van het systeem en
zeg vervolgens “Bel contact.”
• “Telefoon bel contact” – Zeg het hele commando in één keer.
Snelcommando’s
De snelcommando’s voor de telefoon zijn te
vinden in het menusysteem MY CAR onder
Instellingen Spraakinstellingen Lijst
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Nummer bellen
De functie begrijpt de cijfers 0 (nul) tot en met
9 (negen). Het nummer is aan te geven door de
cijfers van het nummer elk afzonderlijk uit te
spreken, in groepjes te verdelen of in één keer
achter elkaar te noemen. Getallen groter dan
9 (negen) kan de functie niet hanteren. Zo kunt
u 10 (tien) of 11 (elf) niet gebruiken.
Hier volgt een voorbeeld van een dialoog met
stemcommando’s. De systeemreactie hangt
van de situatie af.
Gebruiker start de dialoog door het
zeggen van:
Telefoon > bel nummer
of
Telefoon bel nummer
Systeemreactie
of
280
van spraakcommando's
Telefooncommando's en Algemene
commando's. Voor een beschrijving van het
menusysteem, zie pagina 155.
Nummer?
Gebruikersreactie
Noem de cijfers (eenheden zoals zes-achtzeven enz.) van het telefoonnummer. Als u
meerdere cijfers noemt en vervolgens pauzeert, zal het systeem ze herhalen en vervolgens “Doorgaan” zeggen.
05 Infotainment
Spraakherkenning* mobiele telefoon
Noem de rest van de cijfers. Sluit wanneer u
klaar bent het commando af door “Bel” te zeggen.
• U kunt het nummer ook aanpassen door de
commando’s “Correctie” (verwijdert de
laatst genoemde groep cijfers) of “Wissen”
(wist het genoemde nummer in zijn geheel)
te geven.
Telefoon bel contact
Beantwoord de vervolgvragen die het systeem
stelt.
Let op het volgende bij het bellen van een contact:
• Als er meerdere contactpersonen bestaan
met vergelijkbare namen, verschijnen deze
op genummerde regels op het display. Het
systeem vraagt u een regelnummer te kiezen.
Bellen vanuit oproepregister
Met de onderstaande dialoog kunt u een nummer bellen in de gesprekslijsten in uw mobiele
telefoon.
• Als alle beschikbare rijen niet tegelijkertijd
op het display kunnen worden getoond,
kunt u door “Omlaag” te zeggen omlaagbladeren in de lijst (en door “Omhoog” te
zeggen kunt u omhoogbladeren in de lijst).
Gebruiker start de dialoog door het
zeggen van:
Telefoon > bel vanuit oproepregister
of
Telefoon bel vanuit oproepregister
Beantwoord de vervolgvragen die het systeem
stelt.
Contactpersoon bellen
Met het onderstaande dialoog kunt u de geprogrammeerde contactpersonen in uw mobiele
telefoon bellen.
Gebruiker start de dialoog door het
zeggen van:
Telefoon > bel contact
Beantwoord de vervolgvragen die het systeem
stelt.
05
Voicemail bellen
De onderstaande dialoog biedt u de mogelijk
uw voicemail te beluisteren om te controleren
of u berichten hebt ontvangen. Het telefoonnummer voor de voicemail moet geregistreerd
zijn in het BluetoothŸ-handsfreesysteem, zie
pagina 272.
Gebruiker start de dialoog door het
zeggen van:
Telefoon > bel voicemail
of
Telefoon bel voicemail
of
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
281
05 Infotainment
Menufuncties infotainment
Navigeren in de menu’s
De functies van het infotainmentsysteem zijn
via de systeemmenu’s te regelen. Elke bron
binnen het infotainmentsysteem (bijv. RADIO,
MEDIA) heeft zijn eigen menu’s. Om menu’s te
openen en een functie te activeren moet eerst
een bron (bijv. RADIO/FM1) worden gekozen.
Druk vervolgens op OK/MENU om het menu
van de gekozen bron te openen.
Bedieningselementen op
middenconsole
1. Kies een bron door te drukken op een van
de toetsen (bijv. RADIO, MEDIA etc.). Blijf
drukken om de opties op het beeldscherm
door te bladeren (bijv. FM1). Als u de toets
vervolgens loslaat en even wacht wordt de
optie automatisch geaccepteerd. U kunt
ook aan TUNE draaien en uw keuze bevestigen met OK/MENU.
U kunt menukeuzes maken met de bedieningselementen op de middenconsole of met de
toetsenset* op het stuurwiel. De functies staan
uitvoeriger beschreven in de desbetreffende
gedeelten.
RADIO
05
Audio-instellingen
Equalizer, wat inhoudt
dat u daarvoor het volgende doet:
MEDIA
TEL
2. Druk op OK/MENU en draai aan TUNE, of
gebruik het duimwiel* van de toetsenset op
het stuurwiel totdat de menu-optie van uw
keuze verschijnt (bijv. Audioinstellingen ) en druk op OK/MENU.
3. Draai opnieuw aan TUNE om het submenu
van uw keuze (bijv. Equalizer) te bereiken
en druk op OK/MENU.
TUNE
OK/MENU
Zoekpaden
De zoekpaden naar de menufuncties worden in
het instructieboekje als volgt aangegeven:
Menu’s RADIO
Hoofdmenu AM
AM-menu
Presets weergeven1
Scan
1
282
Geldt alleen voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
05 Infotainment
Menufuncties infotainment
Audio-instellingen 2
Klankpodium3
Equalizer4
Volumecompensatie
Alle audio-instellingen resetten
Alle FM-instellingen resetten
Audio-instellingen
Menu’s MEDIA
Hoofdmenu CD Audio
Diskmenu
Hoofdmenu DAB1*/DAB2*
DAB-menu
Ensemble programmeren
Willekeurige weergave
Scan
Audio-instellingen 5
PTY-filter
PTY-filter uitschakelen
Hoofdmenu FM1/FM2
FM-menu
5
Hoofdmenu CD/DVD1 Data
Diskmenu
Radiotekst tonen
TP
Presets
Radiotekst tonen
Scan
Presets tonen1
Geavanceerde instellingen
tonen1
Afspelen/Pause
Stop
Willekeurige weergave
Scan
DAB-verbinding
Map herhalen
Nieuws-instellingen
DAB-band
Volgende titel
Geavanceerde instellingen
Subkanalen
Volgende audiotrack
REG
PTY-tekst weergeven
Scan
Alternatieve frequentie
Alle DAB-instellingen resetten
Audio-instellingen 5
EON
Audio-instellingen
05
5
TP-favoriet instellen
PTY-instellingen
2
3
4
1
5
De menu-opties voor de audio-instellingen zijn identiek voor alle geluidsbronnen.
Geldt alleen voor Premium Sound Multimedia.
Geldt niet voor Performance.
Geldt alleen voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
Voor submenu’s, zie “Hoofdmenu AM”.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
283
05 Infotainment
Menufuncties infotainment
Hoofdmenu DVD1 Video
Hoofdmenu USB4
Diskmenu
USB-menu
Hoofdmenu AUX
DVD-menu
Afspelen/Pause
Play/pause/verder
Stop
Stop
Willekeurig
Ondertitels
Map herhalen
Taal van audiospoor kiezen
USB-apparaat kiezen
Hoofdmenu TV*
Geavanceerde instellingen
Volgende titel
TV-menu
AUX-menu
AUX-ingangsvolume
Audio-instellingen 5
Hoek
Volgende audiotrack
Land kiezen
DivX® VOD-code
Scan
Presets sorteren
Audio-instellingen 5
Autostore
Audio-instellingen 5
05
Scan
Hoofdmenu iPod4
Hoofdmenu Media Bluetooth4
iPod-menu
Bluetooth-menu
Willekeurig
Willekeurig
Scan
Ander apparaat
Audio-instellingen 5
Bluetooth-apparaat verwijderen
Scan
Bluetooth-softwareversie in auto
1
5
4
6
284
Audio-instellingen 5
Geldt alleen voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
Voor submenu’s, zie “Hoofdmenu AM”.
Geldt niet voor Performance.
Geldt alleen bij het weergeven van videobestanden en het kijken van tv*.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Audio-instellingen 5
Pop-upmenu6 video en tv*
Druk op OK/MENU terwijl u een videobestand
afspeelt of tv* kijkt om het pop-upmenu te openen.
Beeldinstellingen
05 Infotainment
Menufuncties infotainment
Bronmenu7
Hoofdmenu
Telefoon wijzigen
dvd8
Dvd-hoofdmenu8
Bluetooth-apparaat verwijderen
Telefooninstellingen
Herkenbaar
Menu’s TEL
Geluiden en volume
Hoofdmenu BluetoothŸ-handsfree4
Telefoonboek downloaden
Telefoonmenu
Bluetooth-softwareversie in
auto
Bellijst
Alle gesprekken
Gemiste oproepen
Beantwoorde gesprekken
Gekozen nummers
Bel-opties
Automatisch opnemen
Voicemailnummer
Telefoon uit
05
Gespreksduur
Telefoonboek
Zoeken
Nieuw contact
Verkorte nummers
vCard ontvangen
Geheugenstatus
Telefoonboek wissen
7
8
4
De inhoud van het pop-upmenu voor het bronmenu hangt af van wat er afgespeeld of weergegeven wordt, bijvoorbeeld Diskmenu of USB-menu.
Geldt alleen voor dvd-videodiscs.
Geldt niet voor Performance.
285
Rijadviezen............................................................................................
Tanken..................................................................................................
Brandstof..............................................................................................
Lading vervoeren..................................................................................
Bagageruimte........................................................................................
Rijden met een aanhanger....................................................................
Slepen en bergen..................................................................................
286
288
291
292
296
299
302
309
TIJDENS HET RIJDEN
06 Tijdens het rijden
Rijadviezen
Algemene informatie
Zuinig rijden
Zuinig rijden houdt in dat u anticiperend en
rustig rijdt, en uw rijstijl en snelheid afstemt op
de verkeerssituatie.
• Rijd in de hoogst mogelijke versnelling,
afhankelijk van de verkeerssituatie en de
weggesteldheid – lagere toeren leveren
een lager brandstofverbruik op.
• Rijd niet met open zijruiten.
• Vermijd onnodig snel optrekken en krachtig remmen.
• Neem geen spullen in de auto mee die u
niet gebruikt – hoe groter de belading, des
te hoger het brandstofverbruik.
• Rem af op de motor, wanneer dat zonder
06
Zie pagina 13 en 385 voor meer informatie en
meer tips.
WAARSCHUWING
Zet de motor nooit af tijdens het rijden (zoals
op een aflopende helling), omdat daarbij
belangrijke systemen zoals de stuur- en
rembekrachtiging wegvallen.
Doorwaaddiepte
U kunt met de auto door waterpartijen van
maximaal 25 cm diep rijden met een maximumsnelheid van 10 km/h. Wees extra voorzichtig bij het doorwaden van stromend water.
in een grotere luchtweerstand waardoor
het brandstofverbruik toeneemt – verwijder
lastdagers die u niet gebruikt.
Houd een lage snelheid aan tijdens het waden
en breng de auto niet in het water tot stilstand.
Trap na het passeren van de waterpartij lichtjes
op het rempedaal om te controleren of de remwerking in orde is. Bij water en vuil op de remblokken kunnen er vertragingen in de remwerking optreden.
• Laat de motor niet stationair warmdraaien,
• Maak de aansluitingen voor de elektrische
gevaar voor medeweggebruikers mogelijk
is.
• Lading op het dak en een skibox resulteren
maar belast de motor in plaats daarvan zo
snel mogelijk licht – een koude motor verbruikt meer brandstof dan een warme.
• Bij een auto met een D5- of DRIVe-motor
en een zestraps handbak geldt in normale
omstandigheden op een vlakke onder-
288
grond de 2e versnelling als wegrijversnelling.
motorverwarming en de aanhangerkoppeling schoon na ritten in water en modder.
• Laat de auto niet langdurig in water staan
dat tot boven de dorpelbalken – elektrische
storingen zijn anders niet uitgesloten.
BELANGRIJK
Er kan schade aan de motor ontstaan, als er
water in het luchtfilter dringt.
Bij waterpartijen dieper dan 25 cm kan er
water in de transmissie dringen. De smerende eigenschappen van de oliën nemen
daarbij af, waardoor de genoemde systemen minder lang meegaan.
Probeer de motor na afslag in een waterpartij niet opnieuw te starten – sleep de auto
uit de waterpartij naar een werkplaats –
geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats. Kans op motorschade.
Motor, versnellingsbak en koelsysteem
In bepaalde omstandigheden, bij zware belasting op steile hellingen en warm weer, bestaat
het gevaar dat de motor en de aandrijflijn oververhit raken – in het bijzonder bij het vervoer
van een zware lading.
Voor informatie over oververhitting bij het
gebruik van een aanhanger, zie pagina 303.
• Verwijder verstralers die voor de grille zitten tijdens ritten bij warm weer.
• Als de temperatuur in het koelsysteem van
de motor te hoog oploopt, gaat het waarschuwingssymbool branden en verschijnt
op het informatiedisplay de melding
Motortemp. hoog Stop auto z.s.m. –
breng de auto in dat geval zo spoedig
06 Tijdens het rijden
Rijadviezen
mogelijk tot stilstand en laat de motor
enkele minuten stationair lopen zodat deze
kan afkoelen.
Geopende achterklep
WAARSCHUWING
• Als de displaymelding Motortemp. hoog
•
•
•
Zet motor af of Koelvl.peil laag Zet
motor af verschijnt, dient u nadat de auto
tot stilstand is gekomen ook de motor af te
zetten.
Bij oververhitting van de versnellingsbak
wordt een ingebouwde beveiliging geactiveerd die er onder meer voor zorgt dat het
waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel gaat branden en dat de melding
Versn.bak heet Rijd langzamer of
Versn.bak heet Stop auto z.s.m. verschijnt – volg het gegeven advies en verlaag de snelheid of breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand om de motor te
laten afkoelen door deze enkele minuten
stationair te laten draaien.
Bij oververhitting kan de airconditioning
zichzelf tijdelijk uitschakelen.
Na een zware rit moet u de motor niet
meteen afzetten, maar nog enige tijd stationair laten lopen.
N.B.
Het is normaal dat de koelventilator na het
afzetten van de motor nog enige tijd kan
blijven werken.
Rijd niet met een geopende achterklep. Er
kunnen giftige uitlaatgassen via de bagageruimte de passagiersruimte in worden gezogen.
Accu niet overmatig belasten
systemen uit of verlaagt de belasting van de
accu door bijvoorbeeld de interieurventilator
lager te zetten en/of het audiosysteem uit te
schakelen.
Laad de startaccu dan op door de motor te
starten en deze minstens 15 minuten lang
te laten lopen – de accu wordt beter opgeladen tijdens het rijden dan bij stilstand met
een stationair lopende motor.
De elektrische functies van de auto belasten de
startaccu in verschillende mate. Laat het contactslot niet te lang achtereen in sleutelstand
II staan, wanneer u de motor hebt afgezet.
Maak in plaats daarvan gebruik van de stand
I – het stroomverbruik is dan minder.
Voorbereidingen bij lange reizen
Let er tevens op dat de verschillende accessoires het elektrisch systeem belasten. Schakel onderdelen/systemen die veel stroom
nemen uit, wanneer u de motor hebt afgezet.
Voorbeelden van dergelijke onderdelen/systemen zijn:
• Controleer alle lampen en de profieldiepte
•
•
•
•
koplampen
Let voor aanvang van de winter in het bijzonder
op het volgende:
ruitenwisser
• De koelvloeistof van de motor moet ten
interieurventilator
audiosysteem (hoog volume).
Als de accuspanning laag is, verschijnt op het
informatiedisplay de melding Accuspann.
laag Spaarstand. De energiebesparingsfunctie schakelt vervolgens bepaalde onderdelen/
• Controleer of de motor naar behoren functioneert en of het brandstofverbruik in orde
is.
• Zorg dat er geen sprake is van lekkage
(brandstof, olie of andere vloeistoffen).
van de banden.
• In sommige landen bent u wettelijk verplicht een gevarendriehoek mee te nemen.
06
Rijden tijdens de winter
minste 50 % glycol bevatten. Bij een dergelijke concentratie is de motor
beschermd tegen stukvriezen tot
ca. –35 °C. Voor optimale bescherming
``
289
06 Tijdens het rijden
Rijadviezen
tegen vorst is het zaak geen verschillende
soorten glycol met elkaar te mengen.
• Houd de tank altijd goed gevuld om condens in de brandstoftank tegen te gaan.
N.B.
In sommige landen is het gebruik van winterbanden verplicht. Banden met spikes zijn
niet in alle landen toegestaan.
• De viscositeit van de motorolie is belangrijk. Wanneer u oliesoorten met een lagere
viscositeit (dunnere oliën) gebruikt, slaat
de motor bij koud weer gemakkelijker aan
en neemt bovendien het brandstofverbruik
tijdens de koude start af. Voor meer informatie over geschikte oliesoorten (zie
pagina 381).
BELANGRIJK
Gebruik geen olie met een lage viscositeitsaanduiding bij zware rijomstandigheden of
warm weer.
06
• Controleer de algehele conditie en de
ladingstoestand van de accu. De accu
wordt zwaarder belast bij koud weer en
ook de accucapaciteit neemt af bij vorst.
• Giet ruitensproeiervloeistof in het sproeiervloeistofreservoir om ijsvorming te voorkomen.
Voor optimale grip bij gevaar voor sneeuw of
ijs adviseert Volvo u om de auto rondom van
winterbanden te voorzien.
290
Nieuwe auto’s en gladde wegen
Oefen onder gecontroleerde omstandigheden
om te testen hoe de auto bij gladheid reageert.
06 Tijdens het rijden
Tanken
Tanken
Tankvulklep handmatig openen
Tankdop open-/dichtdraaien
Tankvulklep openen/sluiten
Open de tankvulklep met de knop op het verlichtingspaneel – bij het loslaten van de knop
springt de klep open.
De pijl van het symbool op het informatiedisplay geeft de kant van de auto
aan waar de tankdop zit.
• Sluit de klep door deze dusdanig in te drukken dat u een klik hoort.
De tankvulklep kan handmatig worden
geopend, als openen met de schakelaar in de
passagiersruimte niet mogelijk is.
1. Open/verwijder het zijluikje in de bagageruimte (aan de kant van de tankvulklep).
2. Open een geperforeerd deel van de isolatie
en zoek een groene kabel met handgreep
op.
3. Trek de kabel voorzichtig recht naar achteren toe totdat de tankvulklep met een
duidelijke klik wordt geopend.
De tankdop is tijdelijk op de klep te zetten.
Bij hoge buitentemperaturen kan er een
bepaalde mate van overdruk in de brandstoftank ontstaan. Draai de tankdop dan langzaam
open.
• Breng na het tanken de tankdop weer aan
en draai deze zo ver dicht dat u één of meer
klikken hoort.
06
Brandstof tanken
• Giet de tank niet te vol door het vulpistool
na de eerste afslag uit de vulopening te
halen.
BELANGRIJK
Trek voorzichtig aan de lus – er is slechts
weinig kracht nodig om de klep te ontgrendelen.
N.B.
Een te volle tank kan bij warm weer overlopen.
291
06 Tijdens het rijden
Brandstof
Algemene informatie over brandstof
Gebruik geen brandstof met een slechtere
kwaliteit dan Volvo adviseert, omdat dit een
nadelige invloed kan hebben op het motorvermogen en het brandstofverbruik.
WAARSCHUWING
Zorg altijd dat u geen brandstofdampen
inademt of brandstofspatten in de ogen
krijgt.
Bij brandstof in de ogen eventuele contactlenzen uitnemen en de ogen ten minste 15
minuten lang spoelen met een ruime hoeveelheid schoon water en medische hulp
inroepen.
06
Brandstof nooit inslikken. Brandstoffen
zoals benzine, bio-ethanol, mengsels ervan
en dieselolie zijn uitermate giftig en kunnen
bij inwendig gebruik aanleiding geven tot
blijvend letsel met mogelijk dodelijke afloop.
Roep onmiddellijk medische hulp in bij het
inslikken van brandstof.
WAARSCHUWING
Gemorste brandstof kan ontvlammen.
Schakel voordat u gaat tanken de standverwarming op brandstof uit.
Schakel voordat u gaat tanken uw mobiele
telefoon uit. De beltoon kan aanleiding
geven tot vonkvorming en daarbij de brandstofdampen ontsteken met gevaar voor
brand en verwondingen.
De katalysatoren bestaan uit een monoliet
(keramiek of metaal) met kanalen. De wanden
van de kanalen zijn bekleed met platina/
rodium/palladium. Deze edelmetalen hebben
een katalytische werking, d.w.z. ze versnellen
een chemische reactie zonder dat ze daar zelf
actief aan deelnemen.
LambdasondeTM (zuurstofsensor)
BELANGRIJK
Bij menging van verschillende soorten
brandstof of gebruik van een andere brandstofkwaliteit dan aanbevolen, vervallen de
garanties van Volvo en eventuele aanvullende servicecontracten; dit geldt voor alle
motoren. N.B. Dit geldt niet voor auto’s met
een motor die is aangepast voor het gebruik
van ethanol (E85).
N.B.
Bij extreme weersomstandigheden, gebruik
van een aanhanger of ritten op grote hoogte
kan, afhankelijk van de gebruikte brandstofkwaliteit, het prestatievermogen van de
auto te wensen overlaten.
Katalysatoren
De katalysatoren hebben tot taak de uitlaatgassen te reinigen. Ze zijn dicht bij de motor in
292
het uitlaatsysteem gemonteerd om snel op
temperatuur te komen.
De lambdasonde maakt deel uit van het regelsysteem dat tot taak heeft de uitstoot te beperken en de energie-inhoud van de brandstof
beter te benutten.
Een zuurstofsensor registreert het zuurstofgehalte van de uitlaatgassen die de motor verlaten. De meetwaarde van de uitlaatgasanalyse
wordt doorgegeven aan het elektronische systeem dat continu de injectoren afregelt. Het
lucht-brandstofmengsel dat de motor krijgt,
wordt continu bijgesteld. De regeling schept de
ideale omstandigheden voor een effectieve
verbranding van de schadelijke stoffen (koolwaterstoffen, koolmonoxide en stikstofoxiden)
in de driewegkatalysator.
06 Tijdens het rijden
Brandstof
Benzine
Bio-ethanol (E 85)
De benzine moet voldoen aan de norm NENEN 228. De meeste motoren lopen op benzine
met een octaangetal van 95 en 98 RON.
Gebruik benzine met een octaangetal van
91 RON alleen bij wijze van hoge uitzondering.
Breng geen wijzigingen aan in het brandstofsysteem of de onderdelen daarvan en vervang
ze evenmin door componenten die niet speciaal geconstrueerd zijn voor gebruik in combinatie met bio-ethanol.
• 95 RON is te gebruiken in normale rijomstandigheden.
• 98 RON wordt geadviseerd voor een maximaal rendement tegen een minimaal
brandstofverbruik.
Voor ritten bij temperaturen hoger dan +38 °C
wordt u geadviseerd een brandstofsoort met
een zo hoog mogelijk octaangetal te gebruiken.
Dit om optimale prestaties en een zo laag
mogelijk brandstofverbruik te verkrijgen.
BELANGRIJK
•
Tank alleen loodvrije benzine om
schade aan te katalysator te voorkomen.
•
Giet geen additieven (dopes) in de benzine zonder het uitdrukkelijke advies
van Volvo.
WAARSCHUWING
Ethanol is gevoelig voor vonkvorming en er
kunnen explosieve dampen ontstaan in een
jerrycan die met ethanol gevuld wordt.
Dieselolie
WAARSCHUWING
Het gebruik van methanol is niet toegestaan. De sticker aan de binnenkant van de
tankvulklep geeft de juiste soort alternatieve
brandstof aan.
Het gebruik van onderdelen die niet
bestemd zijn voor bio-ethanolmotoren kan
brand, lichamelijk letsel of motorschade
veroorzaken.
Jerrycan
Houd een eventuele jerrycan in de auto gevuld
met benzine, zie N.B.-kader op pagina 122.
BELANGRIJK
Zorg dat de jerrycan met brandstof goed
vastgezet is en dat de dop goed dichtgedraaid is.
Maak alleen gebruik van dieselolie van gerenommeerde oliemaatschappijen. Giet nooit
dieselolie van twijfelachtige kwaliteit in de tank.
De dieselolie dient te voldoen aan de norm
NEN-EN 590 of JIS K2204. Dieselmotoren zijn
gevoelig voor verontreinigingen in de brandstof
zoals een te hoog gehalte aan zwaveldeeltjes.
Bij lage temperaturen (–6 °C tot –40 °C) kan de
paraffine in de dieselolie uitvlokken. Dit kan tot
startproblemen leiden. De grote oliemaatschappijen produceren speciale dieselolie
bestemd voor gebruik bij buitentemperaturen
rond het vriespunt. Deze dieselolie is dunner bij
lage temperaturen en beperkt de kans op vlokvorming in het brandstofsysteem.
06
De kans op condensatie in de brandstoftank
neemt af, als u de tank altijd goed gevuld
houdt. Houd tijdens het tanken het gebied rond
de vulpijp goed schoon. Voorkom morsen op
gelakte oppervlakken. Maak als u gemorst
hebt het gebied met water en zeep schoon.
``
293
06 Tijdens het rijden
Brandstof
BELANGRIJK
Het is alleen toegestaan brandstof te
gebruiken die voldoet aan de Europese
norm voor dieselolie.
Het zwavelgehalte mag maximaal 50 ppm
zijn.
BELANGRIJK
Maak geen gebruik van de volgende dieselolie-achtige brandstoffen:
•
•
•
•
speciale toevoegingen (dopes)
scheepsolie
stookolie
FAME1 (Fatty Acid Methyl Ester) of
plantaardige olie.
Dergelijke brandstoffen voldoen niet aan de
kwaliteitseisen die Volvo stelt en geven aanleiding tot verhoogde vormen van slijtage en
motorschade die niet worden gedekt door
de garanties van Volvo.
06
Na motoruitval door brandstofgebrek heeft het
brandstofsysteem enige tijd nodig om een controle uit te voeren. Doe in dat geval (ná bijtanken met dieselolie) het volgende, voordat u de
motor start:
Condenswater uit brandstoffilter
aftappen
1. Plaats de transpondersleutel in het contactslot en duw deze tot aan de aanslag
naar binnen (zie pagina 86).
Houdt u zich voor het aftappen van het condenswater aan de specificaties die in uw Service- en garantieboekje staan aangegeven.
Ook wanneer u vermoedt dat er vervuilde
brandstof is gebruikt, moet u het brandstoffilter
aftappen.
2. Druk op de START-knop zonder rem- en/
of koppelingspedaal te bedienen.
3. Wacht ca. 1 minuut.
4. Om de motor te starten: Bedien rem- en/of
koppelingspedaal en druk nogmaals op de
START-knop.
N.B.
Alvorens brandstof te tanken bij een leeggereden tank:
•
Breng de auto tot stilstand op een zo
egaal/horizontaal mogelijke ondergrond – als de auto overhelt, bestaat er
gevaar voor luchtbellen in de brandstoftoevoer.
Wanneer u de tank leegrijdt
Op grond van zijn constructie moet het brandstofsysteem mogelijk eerst ontlucht worden
om een dieselmotor na bijtanken opnieuw te
kunnen starten.
1
294
Dieselolie kan een bepaalde hoeveelheid FAME bevatten. Het is niet toegestaan meer toe te voegen.
Het brandstoffilter ontdoet de brandstof van
condenswater. Condenswater kan anders aanleiding geven tot motorstoringen.
BELANGRIJK
Sommige speciale toevoegingen verwijderen het verzamelde vocht uit het brandstoffilter.
Roetfilter dieselmotor (DPF)
Dieselmodellen zijn uitgerust met een roetfilter,
waardoor een nog efficiëntere uitlaatgasreiniging mogelijk is. Onder normale rijomstandigheden blijven de roetdeeltjes uit de uitlaatgassen in het filter achter. Om de roetdeeltjes te
verbranden en het filter te legen wordt een
zogeheten regeneratie gestart. Daarvoor moet
de motor de normale bedrijfstemperatuur hebben.
06 Tijdens het rijden
Brandstof
Afhankelijk van de rijomstandigheden wordt
het filter om de 300–900 kilometer geregenereerd. De regeneratie duurt normaal
10–20 minuten. Bij een lage gemiddelde snelheid kan dit iets langer duren. Gedurende de
regeneratie kan het brandstofverbruik iets stijgen.
Regeneratie bij koud weer
Als u bij koud weer vaak korte afstanden rijdt,
komt de motor niet voldoende op temperatuur.
Dit betekent dat het roetfilter niet geregenereerd en niet geleegd wordt.
Wanneer het filter voor ca. 80 % met roetdeeltjes gevuld is, licht de oranje waarschuwingsdriehoek op het instrumentenpaneel op en verschijnt de melding Roetfilter vol Zie
instructieb. op het display van het instrumentenpaneel.
U start de regeneratie van het filter door met de
auto op een secundaire weg of op een snelweg
te rijden tot de motor voldoende op temperatuur is gekomen. Daarna rijdt u nog
20 minuten verder.
N.B.
Tijdens de regeneratie is tijdelijk mogelijk
een geringe beperking van het motorvermogen te bespeuren.
Wanneer het filter geregenereerd is, wordt de
waarschuwingsmelding automatisch gewist.
Wanneer u bij koud weer de standverwarming* inschakelt, bereikt de motor sneller de
normale bedrijfstemperatuur.
N.B.
Bij extreme weersomstandigheden, gebruik
van een aanhanger/caravan of ritten op
grote hoogte kan, afhankelijk van de
gebruikte brandstofkwaliteit, het prestatievermogen van de auto te wensen overlaten.
BELANGRIJK
Als het filter helemaal met roetdeeltjes
gevuld is, vertoont de motor soms startproblemen. Het filter is dan onbruikbaar geworden. Het is in dat geval mogelijk dat u het
filter moet vervangen.
Brandstofverbruik en uitstoot van
kooldioxide
Het gebruik van extra accessoires kan de verbruikscijfers beïnvloeden, omdat de accessoires het gewicht van de auto verhogen. Zie de
informatie over gewichten op pagina 375 en
de tabel op pagina 384.
06
Ook de rijstijl en andere niet-technische factoren kunnen van invloed zijn op het brandstofverbruik.
Bij gebruik van brandstof met een octaangetal
van 91(RON), neemt het brandstofverbruik toe
terwijl het motorvermogen lager wordt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
295
06 Tijdens het rijden
Lading vervoeren
Algemene informatie over vervoer van
lading
• Dek scherpe randen met iets zachts af om
Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar
gewicht van de auto. Het laadvermogen dient
te worden verminderd met de som van het
gewicht van eventuele inzittenden en dat van
gemonteerde accessoires. Voor gedetailleerde
informatie over de gewichten, zie pagina 375.
• Zet alle bagage met riemen of bevesti-
De achterklep is te openen met de
knop op het verlichtingspaneel of
met de transpondersleutel, zie pagina 64.
de bekleding te beschermen.
gingsbanden aan de verankeringsogen
vast.
WAARSCHUWING
Vergeet niet dat een voorwerp met een
gewicht van 20 kg tijdens een frontale botsing bij een snelheid van 50 km/h zich kan
gedragen als een voorwerp met een gewicht
van 1000 kg.
WAARSCHUWING
Afhankelijk van de belading van de auto en
het zwaartepunt van de lading treden er wijzigingen in de rijeigenschappen op.
06
Aandachtspunten bij in-/uitladen
• Plaats de bagage stevig tegen de rugleuning van de achterbank.
Let erop dat het WHIPS niet door voorwerpen
mag worden gehinderd, als een of meer van de
ruggedeelte van de achterbank zijn neergeklapt, zie pagina 29.
• Plaats de last in het midden.
• Breng zware voorwerpen zo laag mogelijk
aan. Plaats geen zware voorwerpen op
neergeklapte ruggedeelten.
296
WAARSCHUWING
Zorg dat u de bagage altijd goed verankert.
Bij krachtig remmen kan de bagage namelijk
gaan schuiven en inzittenden verwonden.
Dek scherpe randen en hoeken af met iets
zachts.
Zet de motor af en schakel de parkeerrem
in bij het in- en uitladen van lange voorwerpen. Lange voorwerpen kunnen namelijk
tegen de versnellingspook of keuzehendel
aan komen en zo per ongeluk een versnelling inschakelen – de auto kan dan in beweging komen.
WAARSCHUWING
Anders bieden de opblaasgordijnen die
schuilgaan achter de plafondbekleding
mogelijk geen bescherming meer.
•
Zorg dat de lading nooit boven de ruggedeelten uitsteekt.
Voorstoel
Voor het vervoer van extra lange lading kunt u
ook de rugleuning van de passagiersstoel
omklappen, zie pagina 88.
Lading op het dak
Lastdragers gebruiken
Om schade aan de auto te voorkomen en voor
maximale veiligheid tijdens het rijden, wordt u
geadviseerd de lastdragers te gebruiken die
door Volvo ontwikkeld zijn.
Volg de montage-instructies die bij de lastdragers worden geleverd nauwkeurig op.
06 Tijdens het rijden
Lading vervoeren
• Controleer regelmatig of de lastdragers en
Verankeringsogen
Houder voor boodschappentassen*
de lading goed vastzitten. Zet de lading
stevig vast met sjorbanden.
• Verdeel het gewicht van de lading gelijkmatig over de lastdragers. Leg de zwaarste
voorwerpen onderop.
• Naarmate u meer lading op het dak vervoert, vangt de auto meer wind en neemt
het brandstofverbruik toe.
• Rijd rustig. Trek bij voorkeur niet te snel op,
rem niet te hard en maak niet te scherpe
bochten.
WAARSCHUWING
Bij het vervoer van lading op het dak verschuift het zwaartepunt en treden er wijzigingen op in de rijeigenschappen van de
auto. Voor informatie over de maximale
dakbelasting, inclusief lastdragers en een
eventuele skibox, zie pagina 375.
De inklapbare verankeringsogen in de bagageruimte gebruikt u om bagagebanden aan
vast te zetten.
WAARSCHUWING
Ruggedeelte achterbank omklappen
Harde, scherpe en/of zware voorwerpen die
in de weg liggen of uitsteken kunnen bij een
krachtige remmanoeuvre verwondingen
veroorzaken.
Om het in- en uitladen van de bagageruimte te
vereenvoudigen kunt u de ruggedeelten van de
achterbank neerklappen, zie pagina 90.
Maak grote en zware voorwerpen altijd vast
met een van de veiligheidsgordels of een
bagageband.
Houder voor boodschappentassen onder het
vloerluik.
Met de houder voor boodschappentassen kunt
u draagtassen vastzetten om te voorkomen dat
ze omvallen en hun inhoud over de vloer van
de bagageruimte verspreiden.
1. Klap de houder omhoog die deel uitmaakt
van het vloerluik.
06
2. Zet de boodschappentassen met de spanband vast en bevestig de draaggrepen aan
de haken.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
297
06 Tijdens het rijden
Lading vervoeren
12V-aansluiting*
Open het klepje om bij de elektrische aansluiting te komen.
• Via de aansluiting is ook stroom af te
nemen, wanneer de transpondersleutel
niet in het contactslot steekt.
06
N.B.
Denk eraan dat als de elektrische aansluiting word gebruikt als de motor uit is, de
startaccu van de auto kan ontladen.
298
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
06 Tijdens het rijden
Bagageruimte
Veiligheidsnet*
Opbergruimte voor tweedelige veiligheidsnetcassette.
Onder het vloerluik in de bagageruimte is voorzien in opbergruimte voor een tweedelige veiligheidsnetcassette.
Tweedelige veiligheidsnetcassette
bevestigen
Monteer de tweedelige veiligheidsnetcassette
achter op het ruggedeelte van de achterbank.
Monteer het smalle cassettegedeelte links (in
de rijrichting gezien).
1. Klap de ruggedeelten van de achterbank
voorover, zie pagina 91.
2. Plaats de bevestigingsrails van de tweedelige cassette vóór de bevestigingsnok.
ken van de ruggedeelten
3. Schuif de tweedelige cassette over de
.
bevestigingsnokken heen vast
4. Zet de ruggedeelten weer rechtop en controleer of ze vergrendeld staan.
• Houd voor het verwijderen van de tweedelige cassette de omgekeerde volgorde aan.
Veiligheidsnet gebruiken
Het net dat uit de tweedelige cassette wordt
gerold, wordt na ca. 1 minuut automatisch
geblokkeerd, als de ruggedeelten van de achterbank rechtop staan.
Rol het rechterstuk van het net uit door aan
de lus te trekken.
06
Steek de stang in de bevestiging aan de
rechterzijde en duw de stang vervolgens
naar voren zodat deze merkbaar vastklikt.
Trek het telescopische stanggedeelte uit
en klik het aan de tegenoverliggende zijde
vast.
Rol het linker veiligheidsnet uit en haak het
vast aan de stang.
• Houd voor het oprollen de omgekeerde
volgorde aan.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
299
06 Tijdens het rijden
Bagageruimte
Het net kan ook worden gebruikt wanneer de
ruggedeelten van de achterbank neergeklapt
zijn.
Veiligheidsnet én bagagerolhoes
gebruiken
Veiligheidsrek*
Tweedelige veiligheidsnetcassette
verwijderen
1. Rol het tweedelige veiligheidsnet op door
de procedure onder het kopje “Veiligheidsnet gebruiken” in omgekeerde volgorde uit
te voeren.
2. Klap de beide ruggedeelten van de achterbank voorover.
3. Duw de tweedelige cassette zo ver naar
buiten dat deze loskomt uit de bevestigingsrails.
Bewaar de tweedelige veiligheidsnetcassette
op de daarvoor bestemde plaats onder het
vloerluik in de bagageruimte.
06
WAARSCHUWING
Ook bij correcte montage van het veiligheidsnet moet de bagage in de bagageruimte altijd goed worden verankerd.
300
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Lussen voor het uitrollen van het net.
Het veiligheidsnet is ook bij gebruik van de
bagagerolhoes uit te rollen en vast te zetten.
Houd de procedure onder “Veiligheidsnet
gebruiken” aan. De lussen voor het uitrollen
zitten bij de pijlen.
Een veiligheidsrek voorkomt dat bagage of
huisdieren in de bagageruimte bij krachtig
afremmen de passagiersruimte in worden
geslingerd.
Opklappen
Pak het veiligheidsrek helemaal onderaan beet
en trek het naar achteren/omhoog.
BELANGRIJK
Bij montage van een bagagerolhoes is
opklappen/neerklappen van het veiligheidsrek niet mogelijk.
06 Tijdens het rijden
Bagageruimte
Monteren/demonteren
Normaal laat u het veiligheidsrek gemonteerd
in de auto zitten, omdat het eenvoudig tegen
het plafond op te klappen is en zo niet in de
weg zit als u de bagageruimte wenst te verlengen. U kunt het veiligheidsrek desgewenst
demonteren en uit de auto nemen.
Voor informatie over het vereiste gereedschappen en de te volgen methode bij montage/
demontage, zie de montagevoorschriften1 die
bij aankoop bijgeleverd werden.
Bij het terugplaatsen moet u het veiligheidsrek,
uit voorzorg, altijd op de juiste manier bevestigen en verankeren.
Bagagerolhoes*
Trek de bagagerolhoes over de lading heen uit
en haak de hoes vast in de uitsparingen die bij
de achterste stijlen van de bagageruimte zitten.
BELANGRIJK
Bij montage van de bagagerolhoes is
opklappen/neerklappen van het veiligheidsrek niet mogelijk.
Achterste dekplaat bagagerolhoes
omlaagklappen
Bij een opgerolde bagagerolhoes steekt de
dekplaat achter aan de rolhoes horizontaal iets
uit in de bagageruimte.
Trek de dekplaat voorzichtig naar achteren
van de consoles af en klap de plaat
omlaag.
Bagagerolhoes bevestigen
Breng het ene eindstuk van de rolhoes aan
in de holte van het zijpaneel.
Breng het andere eindstuk van de rolhoes
aan in de tegenoverliggende holte.
Duw beide kanten vast. De rolhoes moet
hoorbaar vastklikken en de rode markering
moet verdwijnen.
> Controleer of beide eindstukken vergrendeld zijn.
06
Bagagerolhoes verwijderen
1. Duw op de knop van het ene eindstuk en
til het uit de holte.
2. Kantel de rolhoes voorzichtig omhoog en
naar buiten, zodat het andere eindstuk
automatisch loskomt.
1
Montagevoorschriften nr. 30756681.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
301
06 Tijdens het rijden
Rijden met een aanhanger
Algemene informatie
Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar
gewicht van de auto. Het laadvermogen dient
te worden verminderd met de som van het
gewicht van eventuele inzittenden en dat van
gemonteerde accessoires, zoals een trekhaak.
Voor gedetailleerde informatie over de gewichten, zie pagina 375.
Als de trekhaak door Volvo is gemonteerd,
wordt de auto compleet aangeleverd met de
benodigde randuitrusting voor het gebruik van
een aanhanger.
• De trekhaak van de auto moet van een
goedgekeurd type zijn.
• Bij montage achteraf moet u contact opnemen met uw erkende Volvo-werkplaats om
te controleren of uw auto van de nodige
uitrusting is voorzien om met een aanhanger te kunnen rijden.
06
•
Verdeel de lading in de aanhanger dusdanig dat de druk op de trekhaak de maximale kogeldruk niet overschrijdt.
• Verhoog de bandenspanning tot de aanbevolen druk bij maximale belading. Voor
de positie van de bandenspanningstabel,
zie pagina 321.
• Bij het gebruik van een aanhanger wordt de
motor zwaarder belast dan normaal.
• Rijd niet met een zware aanhanger, wanneer de auto nog helemaal nieuw is. Wacht
302
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
hiermee totdat de auto ten minste
1000 kilometer heeft gereden.
• Bij het afdalen op lange en steile hellingen
worden de remmen veel zwaarder belast
dan normaal. Schakel dan terug naar een
lagere versnelling en pas uw snelheid aan.
zersymbool op het instrumentenpaneel sneller
dan normaal en op het display verschijnt de
tekst Lampfout - Knip- perl. aanhanger.
Als een van de remlichten op de aanhanger
defect is, dan verschijnt de tekst Lampfout Rem- licht aanhanger.
• Om veiligheidsredenen dient u de toelaatbare maximumsnelheid voor auto’s met
een aanhanger/caravan niet te overschrijden. Neem de geldende bepalingen in acht
ten aanzien van de toelaatbare snelheden
en gewichten.
• Houd een lage snelheid aan, wanneer u
met een aanhanger achter de auto een
lange en steile helling oprijdt.
• Vermijd hellingen met een percentage van
meer dan 12 % bij het gebruik van een
aanhanger.
Trekhaakbedrading
Als de trekhaak van de auto een 13-polig elektrisch contact heeft en de aanhanger een 7polig contact, hebt u een adapter nodig.
Gebruik een door Volvo goedgekeurde adapterkabel. Zorg dat de kabel niet over de grond
sleept.
Richtingaanwijzers en remlichten op
aanhanger
Als een van de richtingaanwijzers op de aanhanger defect is, knippert het richtingaanwij-
Niveauregeling*
Als uw auto is uitgerust met automatische
niveauregeling nemen de achterste schokdempers tijdens het rijden altijd dezelfde rijhoogte in ongeacht de belading (tenzij het
maximaal toelaatbare gewicht wordt overschreden). Wanneer de auto stilstaat, zakt de
achtertrein omlaag.
Aanhangergewichten
Voor informatie over de toelaatbare aanhangergewichten die Volvo hanteert, zie
pagina 376.
06 Tijdens het rijden
Rijden met een aanhanger
N.B.
De aangegeven maximaal toelaatbare aanhangergewichten zijn door Volvo bepaald.
Let erop dat er op grond van de wetgeving
voor motorvoertuigen in uw land verdere
beperkingen van het aanhangergewicht en
de snelheid kunnen gelden. Het is bovendien mogelijk dat de trekhaak gespecificeerd is voor hogere gewichten dan het
maximaal toelaatbare aanhangergewicht
van de auto.
WAARSCHUWING
Houd u aan de opgegeven aanbevelingen
voor het aanhangergewicht. De aanhanger
en de auto kunnen anders moeilijk bestuurbaar worden tijdens uitwijk- en remmanoeuvres.
Handgeschakelde versnellingsbak
Oververhitting
Wanneer u bij warm weer een aanhanger sleept
in heuvelachtig terrein, bestaat er mogelijk
gevaar voor oververhitting.
• Laat de motor geen hogere toeren maken
dan 4500 omw/min (3500 omw/min bij dieselmotoren) – anders kan de olietemperatuur te hoog oplopen.
Dieselmotor 5-cil.
• Bij gevaar voor oververhitting dient u het
optimale motortoerental van 2300–3000
omw/min aan te houden voor optimale
koelvloeistofcirculatie.
BELANGRIJK
Zie tevens de specifieke informatie over
langzaam rijden met een aanhanger voor
auto’s met een automatische versnellingsbak van het type Powershift op pagina
129.
Automatische versnellingsbak
Oververhitting
Wanneer u bij warm weer een aanhanger sleept
in heuvelachtig terrein, bestaat er mogelijk
gevaar voor oververhitting.
• Een automatische versnellingsbak kiest
altijd de juiste versnelling voor het motortoerental.
• Bij gevaar voor oververhitting gaat een
oranje informatielampje op het instrumentenpaneel branden en verschijnt er een displaymelding – volg het gegeven advies.
Op een helling parkeren
1. Trap het rempedaal in.
2. Activeer de parkeerrem.
3. Zet de keuzehendel in stand P.
4. Haal uw voet van het rempedaal.
• Zet de keuzehendel in de parkeerstand P,
wanneer u een automaat met aanhanger
parkeert. Gebruik altijd de parkeerrem.
• Gebruik wielblokken, als u een auto met
aanhanger op een steile helling parkeert.
06
Steile hellingen
Op een helling wegrijden
• Blokkeer een automatische versnellings-
1. Trap het rempedaal in.
bak niet met een hogere versnelling dan de
motor “aankan” – rijden in een hoge versnelling bij een laag motortoerental is niet
altijd zuinig.
2. Zet de keuzehendel in de rijstand D.
3. Los de parkeerrem.
4. Haal uw voet van het rempedaal en rijd
weg.
``
303
06 Tijdens het rijden
Rijden met een aanhanger
Trekhaak
Afneembare trekhaak opbergen
Specificaties
Als de auto is uitgerust met een afneembare
trekhaak, dienen de montagevoorschriften
voor het bevestigen van het afneembare
gedeelte zorgvuldig te worden opgevolgd, zie
pagina 305.
WAARSCHUWING
06
•
Volg de montage-instructies nauwkeurig op.
•
Zorg dat het afneembare gedeelte met
de sleutel vergrendeld is voordat u
begint te rijden.
•
Controleer of het controlevenster groen
van kleur is.
Belangrijke controlepunten
• U moet de kogel van de trekhaak regelmatig schoonmaken en met vet insmeren.
N.B.
Wanneer u een trekhaak met trillingsdemper
gebruikt, hoeft de kogel niet te worden ingevet.
304
G021485
Als de auto is uitgerust met de afneembare
trekhaak van Volvo:
Opbergruimte trekhaak.
BELANGRIJK
Neem na gebruik altijd de trekhaak los en
berg deze op de daarvoor bestemde plaats
op.
06 Tijdens het rijden
Rijden met een aanhanger
998
B
80
C
854
D
427
E
109
F
282
G
Langsligger
H
Middelpunt kogel
Het controlevenster moet rood van kleur
zijn.
G021489
A
G021487
Afmetingen, bevestigingspunten
(mm)
Verwijder de afdekking door de pal in te
drukken
en de afdekking vervolgens
recht naar achteren te trekken
.
G021488
G018928
Trekhaak bevestigen
06
Breng de trekhaak aan en duw deze naar
binnen totdat u een klik hoort.
Controleer of het mechanisme in de ontgrendelde stand staat door de sleutel
rechtsom te draaien.
``
305
06 Tijdens het rijden
Het controlevenster moet groen van kleur
zijn.
Controleer of de trekhaak vastzit door deze
stevig omhoog, omlaag en naar achteren
te bewegen.
WAARSCHUWING
06
G000000
Als de trekhaak niet goed zit, moet u deze
verwijderen en opnieuw monteren zoals
eerder werd beschreven.
Draai de sleutel linksom naar de vergrendelde stand. Neem de sleutel uit het slot.
BELANGRIJK
G021495
G021494
G021490
Rijden met een aanhanger
Veiligheidskabel.
WAARSCHUWING
Let erop dat u de veiligheidskabel van de
aanhanger aan de daarvoor bestemde
bevestiging vastmaakt.
Trekhaak verwijderen
Vet alleen de kogel in waarop de aanhangerkoppeling wordt geplaatst; houd de rest
van het kogelsegment vetvrij en droog.
Steek de sleutel in het slot en draai deze
rechtsom in de ontgrendelde stand.
306
06 Tijdens het rijden
Rijden met een aanhanger
WAARSCHUWING
Zet de trekhaak goed vast, wanneer u deze
in de auto bewaart, zie pagina 304.
het verschijnsel pas bij zeer hoge snelheden
op. Als de aanhanger/caravan echter overmatig beladen is of als het gewicht van de lading
verkeerd verdeeld is (bijvoorbeeld te ver naar
achteren), bestaat er ook op lagere snelheden
van 70–90 km/h gevaar voor pendelbewegingen.
Een pendelbeweging begint altijd met een van
de onderstaande factoren, zoals:
Druk de vergrendelingsknop
in en draai
totdat u een klik hoort.
deze linksom
• De auto met aanhanger/caravan staat
G018929
bloot aan rukwinden.
• De auto met aanhanger/caravan rijdt over
een oneffen wegdek of over hobbels.
Duw de afdekking er zo ver op dat deze
vastklikt.
Trailer Stability Assist (TSA)*
Draai de vergrendelingsknop volledig
omlaag totdat deze niet verder kan. Houd
de knop in deze stand vast terwijl u de
trekhaak schuin naar achteren toe
omhoogtrekt.
Het TSA-systeem (Trailer Stability Assist) heeft
tot taak de auto met een aanhanger/caravan te
stabiliseren wanneer de combinatie de neiging
tot pendelbewegingen vertoont.
De TSA-regeling maakt deel uit van het DSTCsysteem (Dynamic Stability and Traction
Control), zie pagina 180.
Functie
Bij alle combinaties van auto en aanhanger/
caravan kan het bekende verschijnsel met pendelbewegingen optreden. Doorgaans treedt
• Grote stuurbewegingen.
Bediening
Een pendelbeweging is vaak niet of nauwelijks
te dempen, waardoor de combinatie moeilijk
bestuurbaar wordt en het gevaar bestaat op de
verkeerde weghelft of naast de weg te belanden.
06
Het TSA-systeem houdt continu de bewegingen van de auto in de gaten en in het bijzonder
de dwarsbewegingen. Als een neiging tot pendelbewegingen geregistreerd wordt, worden
de voorwielen ieder afzonderlijk dusdanig
afgeremd dat de combinatie gestabiliseerd
wordt. Vaak is dit voldoende om de auto weer
onder controle te krijgen.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
307
06 Tijdens het rijden
Rijden met een aanhanger
Als de pendelbeweging ondanks de eerste
ingreep van het TSA-systeem niet wordt
gedempt, worden alle wielen van de combinatie afgeremd en wordt de aandrijfkracht van de
motor verlaagd. Wanneer de pendelbeweging
vervolgens stukje bij beetje verminderd is en de
combinatie weer stabiel is, beëindigt het TSAsysteem de regeling waarna u de auto weer
volledig onder controle hebt.
Overig
Het TSA-systeem kan ingrijpen bij snelheden
van 60–160 km/h.
N.B.
De TSA-functie wordt uitgeschakeld, als u
de Sport-stand kiest, zie pagina 180.
06
Het TSA-systeem grijpt mogelijk niet in als u
met grote stuurbewegingen de pendelbeweging zelf tracht op te heffen, aangezien het
TSA-niet dan niet kan bepalen of de pendelbeweging wordt veroorzaakt door de aanhanger/caravan of door de bestuurder.
Wanneer het TSA-systeem actief is,
knippert het DSTC-symbool op het
instrumentenpaneel.
308
06 Tijdens het rijden
Slepen en bergen
Slepen
WAARSCHUWING
Controleer voordat u de auto gaat slepen wat
de toegestane maximumsnelheid is voor slepen.
1. Duw de transpondersleutel tot aan de aanslag in het contactslot en druk vervolgens
op de knop START/STOP ENGINE om het
stuurslot op te heffen zodat u de auto kunt
besturen, zie pagina 86.
De rembekrachtiging en de stuurbekrachtiging werken niet wanneer de motor uitgeschakeld is. U moet ongeveer vijfmaal zo
hard op het rempedaal trappen en de auto
stuurt aanzienlijk zwaarder dan normaal.
Handgeschakelde versnellingsbak
Alvorens te slepen:
2. Laat de transpondersleutel tijdens het slepen in het contactslot zitten.
3. Houd, wanneer de slepende auto afremt,
de sleepkabel altijd strak door met uw voet
lichte druk op het rempedaal uit te oefenen
– zo voorkomt u schokken.
Automatische versnellingsbak
Geartronic
BELANGRIJK
4. Sta klaar om te remmen om de auto tot
stilstand te brengen.
Het stuurslot moet worden opgeheven,
voordat u de auto sleept.
•
De transpondersleutel moet in sleutelstand II staan.
•
Neem de transpondersleutel nooit tijdens het rijden uit het contactslot, ook
niet als de auto gesleept wordt.
Bij de modellen T3, T4, T4F en T5 met een
Powershift-versnellingsbak moet de motor
lopen voor voldoende smering en daarom
mogen deze modellen niet worden gesleept.
Als de auto toch moet worden gesleept, dan
dient dit over een zo kort mogelijke afstand en
op zeer lage snelheid te gebeuren.
Wanneer u niet zeker weet of uw auto wel of
niet is uitgerust met een Powershift-versnellingsbak, kunt u dit controleren aan de hand
van de aanduiding op sticker nr. (5) onder de
motorkap - zie pagina 372. De aanduiding
“MPS6” houdt in dat het om een Powershiftbak gaat – anders is het een Geartronic-automaat.
Let erop dat u de auto altijd dusdanig wegsleept dat de wielen in de rijrichting draaien.
•
WAARSCHUWING
•
Zet de versnellingspook in de neutrale
stand en los de parkeerrem.
Automatische versnellingsbak
Powershift
De snelheidslimiet voor het wegslepen
van een auto met automatische versnellingsbak is 80 km/h. U mag de auto over
een afstand van maximaal 80 km verslepen.
06
Alvorens te slepen:
Zet de keuzehendel in stand N en los de
parkeerrem.
``
309
06 Tijdens het rijden
Slepen en bergen
BELANGRIJK
Vermijd slepen.
•
•
Een auto die op een gevaarlijke plek in
het verkeer staat, mag echter over een
korte afstand (tot 10 km) en op lage
snelheid (tot 10 km/h) worden versleept.
Berg de auto altijd zo dat de wielen in
de rijrichting draaien.
Sleepoog
Het sleepoog dient te worden vastgeschroefd
in een draadbus achter een afdekking in de
bumper, voor of achter.
Sleepoog bevestigen
Om de auto over afstanden groter dan
10 km te verslepen, dienen de aangedreven wielen geheven te worden – het
wordt geadviseerd een professioneel
bergingsbedrijf in te schakelen.
06
Schroef het sleepoog tot aan de flens naar
binnen. Draai het oog stevig vast met bijvoorbeeld een wielsleutel.
Starten met hulpaccu
Probeer de motor niet aan te slepen. Gebruik
een hulpaccu als de startaccu dusdanig ontladen is dat de motor niet kan worden gestart,
zie pagina 124.
Draai het sleepoog na gebruik los en leg
het weer op zijn plek.
Plaats de afdekking tot slot weer in de
bumper terug.
BELANGRIJK
310
door een muntstuk of iets dergelijks in
de uitsparing aan te brengen en de
afdekking los te werken. Klap de afdekking daarna helemaal los en verwijder
deze.
langs de ene zijde of in een hoek: Duw
met uw vinger op deze markering terwijl
u de tegenoverliggende zijde/hoek met
een muntstuk of iets dergelijks openklapt – de afdekking klapt rond de middellijn open en kan vervolgens worden
verwijderd.
Zet de keuzehendel in stand N en los de
parkeerrem.
De katalysator kan beschadigd raken als u
de auto probeert aan te slepen.
• U opent de versie met een uitsparing
• Bij de andere versie zit er een markering
Alvorens te slepen:
De afdekking op het bevestigingspunt voor
het sleepoog bestaat in twee versies die op
verschillende manieren moeten worden
geopend:
Neem het sleepoog erbij dat onder het
vloerluik in de bagageruimte ligt.
06 Tijdens het rijden
Slepen en bergen
BELANGRIJK
Het sleepoog is alleen bedoeld voor het slepen over de weg en niet geschikt voor berging wanneer de auto bijvoorbeeld in een
sloot is gereden of vast is komen te zitten.
Roep professionele hulp in voor berging.
N.B.
Bij sommige auto’s met een afneembare
trekhaak kunt u het sleepoog niet in de achterste bevestiging aanbrengen wanneer het
kogelsegment gemonteerd is. Bevestig de
sleepkabel in dat geval aan de trekhaak.
Om die reden wordt geadviseerd het kogelsegment van de afneembare trekhaak in de
auto te bewaren, wanneer u de trekhaak niet
nodig hebt.
Bergen
06
Roep professionele hulp in voor berging.
BELANGRIJK
Berg de auto altijd zo dat de wielen in de
rijrichting draaien.
•
Voor auto’s met vierwielaandrijving
(AWD) gelden, bij het bergen met een
geheven vooras, zowel een maximale
snelheid van 70 km/h als een maximale
afstand van 50 km.
311
Algemene informatie ............................................................................
Wielen verwisselen ...............................................................................
Bandenspanning ..................................................................................
Gevarendriehoek en EHBO-set*...........................................................
Bandenspanningscontrolesysteem (TPMS)*.........................................
Provisorische bandenreparatie (TMK) ..................................................
312
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
314
318
321
322
323
325
WIELEN EN BANDEN
07 Wielen en banden
Algemene informatie
Rijeigenschappen
Banden zijn van grote invloed op de rijeigenschappen van de auto. Zowel het type, de
maat, de bandenspanning als de snelheidsklasse zijn belangrijk voor het rijgedrag van de
auto.
schappen van de auto af en kunnen de banden
regen, sneeuw en drab minder goed afvoeren.
Nieuwe banden
Monteer de banden met het diepste profiel
altijd op de achteras (om het gevaar voor slippen te verminderen).
N.B.
Draairichting
Let erop dat de banden op beide assen van
hetzelfde type zijn, dezelfde afmeting hebben en van hetzelfde merk zijn.
Houd de aanbevolen bandenspanning aan die
in de bandenspanningstabel staat, zie
pagina 387.
G021778
Onderhoud van banden
De pijl geeft de draairichting van de band aan.
07
314
Bij banden met een speciaal profiel dat alleen
goed werkt wanneer de banden in een
bepaalde richting draaien, staat deze richting
aangegeven met een pijl op de zijkant van de
band. Zorg dat de banden altijd dezelfde draairichting hebben. Banden mogen alleen van
voor naar achter verwisseld worden, nooit van
links naar rechts of omgekeerd. Als u de banden verkeerd aanbrengt, nemen de remeigen-
Leeftijd van de banden
Alle banden die ouder zijn dan 6 jaar moet u
door een vakman laten controleren, ook al zien
ze er intact uit. Dit omdat het materiaal waarvan
banden gemaakt zijn ook veroudert en afgebroken wordt, als banden zelden of nooit worden gebruikt. Daarbij kan de werking van de
band worden aangetast. Dit geldt voor alle
banden die u voor toekomstig gebruik hebt
opgeslagen. Scheurvorming of verkleuring zijn
de zichtbare kenmerken van een band die
ongeschikt is voor gebruik.
Banden hebben een beperkte houdbaarheidsdatum. Na enkele jaren worden de banden
hard en neemt de grip op het wegdek stukje bij
beetje af. Gebruik bij het verwisselen van banden altijd zo nieuw mogelijke banden. Dit geldt
in het bijzonder voor winterbanden. De laatste
cijfers van de cijferreeks geven de week en het
jaar van productie aan. Het is de zogeheten
DOT-code (Department of Transportation) van
de band en bestaat uit vier cijfers, bijvoorbeeld
1510. De band op de afbeelding is de 15e week
van het jaar 2010 geproduceerd.
Zomer- en winterbanden
Wanneer u de zomerbanden vervangt door
winterbanden of andersom, moet u op de band
noteren waar de band zat: bijvoorbeeld L voor
links, R voor rechts.
07 Wielen en banden
Algemene informatie
De juiste bandenspanning levert een gelijkmatiger slijtage op, zie pagina 321. De rijstijl, de
bandenspanning, het klimaat en de staat van
de wegen zijn van invloed op de snelheid waarmee de banden verouderen en slijten. Om verschillen in profieldiepte te voorkomen en slijtpatronen tegen te gaan kunt u de wielen op de
voor- en achteras onderling van plaats verwisselen. Voer de eerste wissel na ca. 5000 km uit
en doe dat daarna om de 10.000 km opnieuw.
Volvo adviseert u contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats als u niet zeker bent
van de profieldiepte. Als er al een duidelijk verschil zit in de slijtage (>1 mm verschil in profieldiepte) van de banden, dienen de minst versleten banden altijd op de achteras te zitten.
Slippende voorwielen zijn makkelijker te corrigeren dan slippende achterwielen, omdat de
auto rechtuit blijft rijden in plaats van uit te breken met de achterkant waarbij u mogelijk de
controle over de auto verliest. Daarom is
belangrijk dat de achterwielen nooit vóór de
voorwielen grip verliezen.
Bewaar de wielen hangend of liggend. Laat ze
nooit rechtop staan.
Banden met slijtage-indicatoren
Velgen en wielbouten
BELANGRIJK
Haal de wielbouten aan met 140 Nm. Als u
ze te strak aanhaalt, kan de boutverbinding
beschadigd raken.
G021829
Slijtage en onderhoud
Gebruik alleen velgen die getest en goedgekeurd zijn door Volvo en deel uitmaken van de
originele accessoires van Volvo. Controleer het
aanhaalmoment met een momentsleutel.
Afsluitbare wielbouten*
Slijtage-indicatoren.
Slijtage-indicatoren zijn smalle ophogingen die
dwars op het profiel van de band staan. De letters TWI (Tread Wear Indicator) op de zijkant
van de band geven aan dat een band is uitgerust met slijtage-indicatoren. De indicatoren
zijn duidelijk zichtbaar, wanneer een band dusdanig versleten is dat slechts 1,6 mm van het
profiel over is. Vervang de banden dan zo
spoedig mogelijk. Let erop dat een band met
een gering profiel zeer weinig grip op het wegdek heeft bij regen of sneeuw.
Afsluitbare wielbouten* zijn te gebruiken op
zowel aluminium als stalen velgen. Onder de
vloer in de bagageruimte is ruimte om de dop
voor de afsluitbare wielbouten in op te bergen.
07
WAARSCHUWING
Een beschadigde band kan ertoe leiden dat
u de controle over de auto verliest.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
315
07 Wielen en banden
Algemene informatie
Gereedschap
BELANGRIJK
Bewaar gereedschap en krik* op de daarvoor bestemde plaats in de bagageruimte
wanneer u ze niet nodig hebt.
Winterbanden
Volvo adviseert winterbanden met bepaalde
afmetingen. De bandenmaat is afhankelijk van
de motorvariant. Gebruik altijd het juiste type
winterbanden op alle vier de wielen.
N.B.
Onder de vloer in de bagageruimte vindt u het
sleepoog van de auto, de krik* en de wielsleutel*. Er is tevens ruimte om de dop voor de
afsluitbare wielbouten in op te bergen.
Krik*
Houd de schroef van de krik altijd goed ingevet.
Gereedschap, terugplaatsen
07
316
Plaats het gereedschap en de krik* na gebruik
op de juiste manier terug. De krik past alleen
als deze tot in de juiste stand omlaaggedraaid
wordt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Volvo adviseert u contact op te nemen met
een erkende Volvo-werkplaats voor advies
over de beste soort velgen en banden.
Banden met “spikes”
Winterbanden met “spikes” moeten de eerste
500–1000 km rustig worden ingereden, zodat
de “spikes” hun positie in kunnen nemen. Zo
gaan de banden en vooral de “spikes” langer
mee.
Profieldiepte
Ritten bij ijs, sneeuw(modder) en lage temperaturen vergen meer van de banden dan
zomerse ritten. Daarom adviseert Volvo een
minimale profieldiepte van 4 mm voor winterbanden.
Sneeuwkettingen gebruiken
Het gebruik van sneeuwkettingen is alleen toegestaan op de voorwielen (geldt ook voor
modellen met voorwielaandrijving).
Rijd nooit sneller dan 50 km/h met sneeuwkettingen. Rijd evenmin op sneeuwvrije wegen,
omdat zowel de sneeuwkettingen als de banden daardoor overmatig slijten.
WAARSCHUWING
Gebruik originele Volvo-sneeuwkettingen of
vergelijkbare sneeuwkettingen die zijn afgestemd op het model en op de band- en velgafmetingen. Bij twijfel adviseert Volvo u
een erkende Volvo-werkplaats om advies te
vragen. Een verkeerde sneeuwketting kan
ernstige schade aan de auto veroorzaken en
aanleiding geven tot een ongeluk.
N.B.
De wettelijke bepalingen voor het gebruik
van banden met “spikes” verschillen van
land tot land.
Specificaties
De auto is voorzien van een typegoedkeuring
voor de uitvoering waarin deze werd aangeleverd. Dat betekent dat niet alle velg- en band-
07 Wielen en banden
Algemene informatie
combinaties goedgekeurd zijn. Voor de toegestane combinaties. zie pagina 387
97
Aanduiding van het draagvermogen
van de band, lastindex (LI)
Afmetingen wiel (velg)
W
Aanduiding van de snelheidslimiet
van de band, snelheidsklasse (SS). (In
dit geval 270 km/h.)
Wielen (velgen) zijn voorzien van een maataanduiding, bijvoorbeeld: 7Jx16x50.
7
Velgbreedte in inch
J
Profiel velgrand
16
Velgdiameter van de
band
50
Bolling in mm
(afstand tussen de
verticale aslijn door
het wiel en het contactvlak met de naaf)
Bandenmaten
Op alle autobanden staat een bepaalde maataanduiding. Een voorbeeld van een dergelijke
aanduiding: 215/55R16 97W.
215
Breedte van de band (mm)
55
Verhouding tussen de hoogte en
breedte van de band (%)
R
Aanduiding voor radiaalbanden
16
Velgdiameter van de band (")
Lastindex
Iedere band heeft een bepaald draagvermogen, wat wordt aangeduid met de lastindex (LI).
Het gewicht van de auto bepaalt het draagvermogen van de banden. De minimaal toelaatbare index staat in de tabel, zie pagina 387.
Snelheidsklassen
Iedere band is berekend op een bepaalde
maximumsnelheid, wat wordt aangeduid met
de snelheidsklasse (Speed Symbol: SS).
De snelheidsklasse van de banden dient minimaal overeen te komen met de topsnelheid van
de auto. De minimaal toelaatbare snelheidsklasse staat in de tabel, zie pagina 387.
De enige uitzondering hierop vormen winterbanden (zowel banden met als zonder
‘spikes’), waarvoor een lagere snelheidsklasse
gebruikt mag worden. Bij gebruik van dergelijke banden mag u niet sneller rijden dan de
maximumsnelheid die voor het gebruikte bandentype geldt (voor aanduiding Q geldt bijvoorbeeld een maximumsnelheid van
160 km/h).
De gesteldheid van het wegdek is bepalend
voor de maximumsnelheid en niet de snelheidsklasse op de banden.
N.B.
De aangegeven snelheid in de tabel is de
maximumsnelheid.
Q
160 km/h (alleen voor winterbanden)
T
190 km/h
H
210 km/h
V
240 km/h
W
270 km/h
Y
300 km/h
WAARSCHUWING
De auto moet worden uitgerust met banden
die minimaal de gespecificeerde lastindex
(LI) en snelheidsklasse (SS) hebben. Bij
gebruik van banden met een te lage lastindex of snelheidsklasse kunnen de banden
oververhit raken.
07
317
07 Wielen en banden
Wielen verwisselen
Verwijderen
Zet een gevarendriehoek zie pagina 322 op,
als u een wiel langs een drukke weg moet verwisselen. Zorg ervoor dat de auto en de krik*
op een stevige en horizontale ondergrond
staan.
1. Haal de parkeerrem aan en schakel de
achteruitversnelling in of zet de keuzehendel in stand P, als de auto een automatische versnellingsbak heeft.
3. Plaats wielblokken voor en achter de wielen die op de grond blijven staan. Gebruik
daarvoor bijvoorbeeld grote houten blokken of grote stenen.
4. Auto’s met stalen velgen hebben afneembare wieldoppen. Haak het demontagegereedschap in dat geval vast de volledige
wielsierdoppen om ze vervolgens los te
trekken. De wieldoppen zijn ook met de
hand in één snelle beweging los te trekken.
WAARSCHUWING
BELANGRIJK
Controleer of de krik intact is, goed
gesmeerde schroefdraadwindingen heeft
en vrij van vuil is.
Het sleepoog dient volledig in de wielsleutel
te worden gedraaid.
N.B.
6. Draai de wielbouten ½–1 slag linksom los
met de wielsleutel.
Volvo adviseert u alleen de krik te gebruiken* die bij de auto hoort, zoals aangegeven
op de kriksticker.
07
Op de sticker staat tevens de maximale hefcapaciteit bij de vermelde minimale hefhoogte.
2. Neem de krik*, de wielsleutel* en het
demontagegereedschap voor wieldoppen* erbij die onder de laadvloer in de
bagageruimte liggen. Bij gebruik van een
andere krik, zie pagina 332.
318
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
WAARSCHUWING
5. Schroef het sleepoog tot aan de aanslag in
de wielsleutel* vast zoals hieronder afgebeeld.
Leg nooit iets tussen de krik en de ondergrond en evenmin tussen de krik en het kriksteunpunt van de auto.
7. Er zitten twee kriksteunpunten aan weerszijden van de auto. Bij elk steunpunt zit een
uitsparing in de kunststof afdekking. Draai
de voet van de krik met de slinger zo ver
07 Wielen en banden
Wielen verwisselen
omlaag dat de voet plat tegen de grond
aankomt.
3. Breng de auto zo ver omlaag dat het wiel
niet meer ongehinderd kan draaien.
WAARSCHUWING
Kruip nooit onder de auto als deze op de krik
staat.
Laat eventuele passagiers uit de auto stappen, voordat u de auto opkrikt.
Parkeer de auto dusdanig dat de auto en
liever nog een vangrail u en eventuele uitgestapte passagiers afschermen van het
verkeer op de rijbaan.
Reservewiel*
BELANGRIJK
De ondergrond dient vast en egaal te zijn en
niet te hellen.
8. Breng de auto zo ver omhoog dat het wiel
van de grond komt. Verwijder de wielbouten en til het wiel eraf.
Aanbrengen
1. Reinig de contactvlakken tussen het wiel
en de naaf.
2. Breng het wiel aan. Haal de wielbouten
stevig aan.
4. Draai de wielbouten kruiselings vast. Het is
belangrijk dat u de wielbouten stevig aanhaalt. Haal aan met 140 Nm. Controleer het
aanhaalmoment met een momentsleutel.
5. Plaats een volledige wielsierdop terug
(indien aanwezig).
N.B.
De ventieluitsparing in de wieldop bij het
monteren aanbrengen over het ventiel in de
velg.
Het reservewiel* wordt aangeleverd in een
opbergzak die u tijdens het rijden in de kofferbak vast dient te zetten. De complete informatie wordt bij het reservewiel geleverd. Lees de
instructie bij de opbergzak met de band door.
Een compact reservewiel (Temporary Spare) is
alleen bestemd voor tijdelijk gebruik en dient
dan ook zo spoedig mogelijk door een normaal
wiel te worden vervangen. Het rijgedrag van de
auto kan zich wijzigen bij het gebruik van een
compact reservewiel. Het compacte reservewiel is kleiner dan een normaal wiel. De bodemspeling verandert er daarom door. Wees voorzichtig bij hoge trottoirbanden en reinig de auto
niet in een autowasstraat. Als het reservewiel
op de vooras zit, kunt u evenmin sneeuwkettingen omleggen. Bij vierwielaangedreven
auto’s is de achterwielaandrijving uit te scha-
07
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
319
07 Wielen en banden
Wielen verwisselen
kelen. Het reservewiel mag niet worden gerepareerd. In de bandenspanningstabel, zie
pagina 387, staat de juiste bandenspanning
voor het reservewiel.
BELANGRIJK
Rijd nooit sneller dan 80 km/h bij gebruik
van een compact reservewiel.
BELANGRIJK
Rijd nooit met meer dan één compact reservewiel (Temporary Spare) tegelijk.
Reservewiel erbij nemen:
1. Haal de spanbanden los, til de opbergzak
uit de kofferbak en haal het reservewiel
eruit.
2. Klap de vloer in de bagageruimte omhoog.
3. Til het gereedschap en de krik uit het blok
schuimrubber.
07
320
Stop de lekke band in de opbergzak en zet
deze vast met spanbanden. Let erop dat u bij
het terugplaatsen van de opbergzak met het
reservewiel de instructies in de gebruiksaanwijzing opvolgt.
07 Wielen en banden
Bandenspanning
Bandenspanning
Brandstofbesparing, ECObandenspanning
Voor een zo laag mogelijk brandstofverbruik
wordt geadviseerd de aangegeven bandenspanning (zowel bij maximale als lichte belading) aan te houden bij snelheden tot
160 km/h.
N.B.
Het is een natuurlijk gegeven dat de bandenspanning na verloop van tijd afneemt.
De bandenspanning varieert ook naargelang van de omgevingstemperatuur.
Bandenspanning controleren
G021830
Controleer iedere maand de bandenspanning.
Op de sticker voor op de portierstijl aan de
bestuurderszijde (tussen voor- en achterportier) staat de juiste bandenspanning voor uw
auto aangegeven bij verschillende belading en
snelheid. De bandenspanning staat ook in de
bandenspanningstabel, zie pagina 387.
• Bandenspanning bij gebruik van de aanbevolen bandenmaat
• ECO-bandenspanning1
N.B.
Controleer de bandenspanning wanneer de
banden koud zijn. De aangegeven bandenspanning geldt bij koude banden (kan verschillen naargelang van de buitentemperatuur). Al
na enkele kilometers rijden worden de banden
warm en loopt de spanning op.
Een te lage bandenspanning heeft een negatieve inwerking op het brandstofverbruik, de
levensduur van de banden en de rijeigenschappen van de auto. Wanneer u met een te
lage bandenspanning rijdt, kunnen de banden
oververhit en beschadigd raken. De bandenspanning is van invloed op het rijcomfort, de
stuureigenschappen en de geproduceerde
weggeluiden.
07
De bandenspanning hangt af van de temperatuur.
1
De ECO-bandenspanning levert brandstofbesparing op.
321
07 Wielen en banden
Gevarendriehoek en EHBO-set*
Gevarendriehoek
Til de vloer in de bagageruimte op en haal
de gevarendriehoek tevoorschijn.
EHBO-set*
Neem de gevarendriehoek uit de houder,
klap de driehoek uit en bevestig de twee
losse zijden aan elkaar.
Klap de steunpoten van de gevarendriehoek uit.
Volg de geldende bepalingen voor het gebruik
van een gevarendriehoek. Zet de gevarendriehoek op een passend punt achter de auto op
om achteropkomend verkeer tijdig te waarschuwen.
Zorg dat de houder met de gevarendriehoek na
gebruik stevig in de bagageruimte vastzit.
N.B.
Bij een geactiveerde Privacy locking zijn
achterklep en vloerluik niet te openen, zie
pagina 54.
07
322
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Onder de vloer in de bagageruimte ligt een
EHBO-set.
07 Wielen en banden
Bandenspanningscontrolesysteem (TPMS)*
Algemene informatie
BELANGRIJK
4. Druk op OK.
Het bandenspanningscontrolesysteem
(TPMS, Tyre Pressure Monitoring System)*
waarschuwt de bestuurder, wanneer de spanning in één of meer banden te laag is. Het systeem maakt gebruik van sensoren in de ventielen van de banden. Bij snelheden van ca.
40 km/h controleert het systeem de bandenspanning. Als de spanning dan te laag is, gaat
op het instruhet waarschuwingslampje
mentenpaneel branden en verschijnt er een
melding op het display.
Bandenspanningscontrolesysteem
afstellen
1. Controleer de bandenspanning van alle
vier de wielen.
Controleer het systeem altijd na het verwisselen van wielen om er zeker van te zijn dat de
vervangende wielen compatibel zijn met het
systeem.
Om de aanbevolen bandenspanning van Volvo
aan te kunnen houden is het mogelijk het bandenspanningscontrolesysteem af te stellen,
bijvoorbeeld bij een zware belading.
2. Pomp de band(en) tot de juiste spanning
op.
Voor informatie over de juiste bandenspanning, zie pagina 387.
Ook mét dit systeem moet u het normale
onderhoud aan de banden blijven plegen.
Als er een storing optreedt in het bandenspanningscontrolesysteem, gaat het waarschuwingslampje
op het instrumentenpaneel branden en verschijnt er een melding. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat er een
wiel gemonteerd werd met een sensor die
niet past bij het bandenspanningscontrolesysteem van Volvo.
N.B.
De motor mag niet lopen tijdens het kalibreren van de banden.
U verricht instellingen met de knoppen op de
middenconsole, zie pagina 156.
5. Start de auto en rijd ten minste 1 minuut
onafgebroken op een snelheid van
40 km/h of hoger en ga na of de melding
verdwijnt.
> De kalibratie is dan afgerond.
Bij een lage bandenspanning
Als op het display de melding verschijnt dat de
bandenspanning laag is:
3. Rijd ten minste 1 minuut onafgebroken in
de auto op een snelheid van 40 km/h of
hoger en ga na of de melding verdwijnt.
Bandenspanningscontrole deactiveren/
activeren
N.B.
1. Pomp de banden tot de juiste spanning op
en activeer de sleutelstand I of II.
De motor mag niet lopen bij het activeren/
deactiveren van de bandenspanningscontrole.
2. Open het menusysteem MY CAR om naar
de menu’s voor Instellingen
Bandenspanning te gaan
U verricht instellingen met de knoppen op de
middenconsole, zie pagina 156.
3. Kies Bandenspanning kalibreren.
1. Activeer de sleutelstand I of II.
07
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
323
07 Wielen en banden
Bandenspanningscontrolesysteem (TPMS)*
2. Open het systeem MY CAR om naar de
menu’s voor Auto-instellingen
Bandenspanning te gaan
3. Kies Bandenspanningsysteem en druk
op OK.
> Bij het activeren van het systeem verschijnt een X op het display. Het verdwijnt als u het systeem deactiveert.
Adviezen
Er zitten alleen TPMS-sensoren in de ventielen
van de wielen die in de fabriek werden gemonteerd.
• Bij gebruik van wielen zonder TPMS-sensor zal iedere keer dat u meer dan 10 minuten lang sneller rijdt dan 40 km/h de melding Bandensp.systeem Service
vereist verschijnen.
• Volvo adviseert TPMS-sensoren te laten
monteren op alle wielen van de auto.
• Volvo raadt het af sensoren van het ene
wiel over te zetten op een ander wiel.
07
WAARSCHUWING
Houd bij het oppompen van een band met
TPMS het mondstuk recht tegen het ventiel
aan om het ventiel niet te beschadigen.
324
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Runflat-banden*
Als er zogeheten runflat-banden (SST-banden,
Self Supporting Tyres)* op de auto zitten, hebt
u ook TPMS.
Dergelijke banden zijn voorzien van een speciaal verstevigde zijwand, zodat u ook als er een
hoeveelheid lucht uit de band ontsnapt is,
enige tijd kunt blijven rijden. Deze banden zijn
op speciale velgen gemonteerd. (Om dergelijke
velgen kunnen ook standaardbanden worden
gelegd).
Als de bandenspanning van een SST-band
daalt, gaat het oranje TPMS-lampje op het
instrumentenpaneel branden en verschijnt er
een melding op het display. Houd in dat geval
een snelheid van maximaal 80 km/h aan en laat
de band zo spoedig mogelijk vervangen.
Rijd voorzichtig omdat het niet altijd duidelijk is
welke band er lek is. Controleer altijd alle vier
de banden om na te gaan welke band er moet
worden vervangen.
WAARSCHUWING
Laat het monteren van SST-banden over
aan de vakman.
Gebruik SST-banden alleen in combinatie
met TPMS.
Rijd niet sneller dan 80 km/h, nadat er een
waarschuwingsmelding voor een lage bandenspanning is verschenen.
Vervang de lekke band na maximaal 80 kilometer rijden.
Rijd voorzichtig en vermijd snelle afremmanoeuvres of scherpe bochten.
Vervang een SST-band bij beschadiging of
lekkage.
07 Wielen en banden
Provisorische bandenreparatie (TMK)
Algemene informatie
N.B.
De bandenreparatieset is uitsluitend
bedoeld voor het afdichten van banden met
een lek in het loopvlak.
De bandenreparatieset leent zich minder goed
voor banden met een gat in het zijvlak. Probeer
geen banden met de provisorische bandenreparatieset af te dichten die grote groeven,
scheuren en dergelijke vertonen.
De bandenreparatieset (TMK, Temporary
Mobility Kit) wordt gebruikt om een lek te dichten alsook om de bandenspanning te controleren en zo nodig tijdelijk te corrigeren. De set
bestaat uit een compressor en een bus met
afdichtmiddel. De set dient om noodreparaties
uit te voeren. De fles met het afdichtmiddel
moet worden vervangen voordat de houdbaarheidsdatum is verstreken en tevens na het
gebruik.
Het afdichtmiddel dicht banden met een lek in
het loopvlak effectief af.
Ten behoeve van de compressor is voorzien in
een 12V-aansluiting aan voor- en achterkant
van de middenconsole en in een 12V-aansluiting in de bagageruimte*. Gebruik de elektrische aansluiting die het dichtst bij de lekke
band zit.
WAARSCHUWING
Rijd nooit sneller dan 80 km/h, nadat u de
noodreparatieset hebt gebruikt. Volvo adviseert een erkende Volvo-werkplaats te
bezoeken om de afgedichte band te laten
controleren (maximale rijafstand 200 km).
Het personeel kan bepalen of de band kan
worden gerepareerd of moet worden vervangen.
Overzicht
Locatie bandenreparatieset
Zet een gevarendriehoek op bij het afdichten
van een band langs een drukke weg. De bandenreparatieset zit onder de vloer in de bagageruimte, zie pagina 322.
Sticker, toegestane maximumsnelheid
07
Knop
Kabel
Bushouder (oranje deksel)
Beschermdop
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
325
07 Wielen en banden
Provisorische bandenreparatie (TMK)
Drukreduceerventiel
Lekke band repareren
WAARSCHUWING
Luchtslang
Het afdichtmiddel kan aanleiding geven tot
huidirritatie. Was bij huidcontact het getroffen gebied onmiddellijk schoon met water
en zeep.
Bus met afdichtmiddel
Manometer
3. Controleer of de knop in stand 0 staat en
neem de kabel en de luchtslang erbij.
N.B.
Voor het gebruik de verzegeling van de bus
niet verbreken. Bij het indraaien van de bus
wordt de verzegeling automatisch verbroken.
4. Draai de oranje beschermdop los evenals
de dop op de bus met afdichtmiddel.
G014338
5. Draai de bus in de bushouder vast.
Voor informatie over de werking van de onderdelen (zie voorgaande afbeelding).
07
1. Open het deksel van de bandenreparatieset.
2. Haal de sticker met de toegestane maximumsnelheid uit de set en bevestig de sticker op het stuurwiel.
326
WAARSCHUWING
Draai de bus niet los. De bus is voorzien van
een pakking die lekkage tegengaat.
6. Draai het ventieldopje van het wiel los en
schroef de ventielaansluiting van de luchtslang zo ver mogelijk op het ventiel van de
band.
07 Wielen en banden
Provisorische bandenreparatie (TMK)
7. Sluit de kabel op een 12V-aansluiting aan
en start de motor.
WAARSCHUWING
Laat geen kinderen zonder toezicht in de
auto achter, terwijl de motor loopt.
8. Zet de knop in stand I.
WAARSCHUWING
Ga nooit naast de band staan terwijl de
compressor aan het pompen is. Bij barsten,
oneffenheden en dergelijke dient u de compressor onmiddellijk uit te schakelen. Beëindig in dat geval de rit. Het wordt dan geadviseerd een erkende bandenwerkplaats te
bezoeken.
N.B.
Bij het inschakelen van de compressor kan
de spanning aanvankelijk oplopen tot 6 bar,
maar zal na ca. 30 seconden weer dalen.
9. Vul de band 7 minuten lang met afdichtmiddel.
BELANGRIJK
Er bestaat gevaar voor oververhitting. De
compressor mag niet langer dan 10 minuten
achtereen werken.
10. Schakel de compressor uit om de bandenspanning van de manometer af te lezen. De
bandenspanning dient minimaal 1,8 bar en
maximaal 3,5 bar te bedragen. (Laat eventueel lucht ontsnappen met het drukreduceerventiel, als de bandenspanning te
hoog is.)
WAARSCHUWING
Als de bandenspanning lager is dan 1,8 bar,
is het gat in de band te groot. Beëindig in
dat geval de rit. Het wordt dan geadviseerd
een erkende bandenwerkplaats te bezoeken.
11. Schakel de compressor uit en trek de kabel
los uit de 12V-aansluiting.
12. Koppel de slang los van het ventiel en
plaats het ventieldopje terug.
13. Leg zo spoedig mogelijk na de reparatie
ca. 3 km af bij een snelheid van maximaal
80 km/h, zodat het afdichtmiddel de band
kan afdichten.
Reparatieresultaat en bandenspanning
controleren
1. Sluit de uitrusting opnieuw aan.
2. Lees de bandenspanning van de manometer af.
• Als de spanning lager is dan 1,3 bar,
werd de band onvoldoende afgedicht.
Beëindig in dat geval de rit. Neem contact op met een erkende Volvo-werkplaats.
• Als de bandenspanning hoger is dan 1,3
bar, moet u de band oppompen tot de
spanning die staat aangegeven in de
bandenspanningstabel, zie pagina 387
(1 bar = 100 kPa). Laat lucht uit de band
ontsnappen, als de bandenspanning te
hoog is.
WAARSCHUWING
Draai de bus niet los. De bus is voorzien van
een pakking die lekkage tegengaat.
3. Zorg dat de compressor uitstaat. Koppel
de luchtslang en de kabel los. Plaats het
ventieldopje terug.
07
``
327
07 Wielen en banden
Provisorische bandenreparatie (TMK)
N.B.
Vervang de bus met afdichtmiddel en de
slang na gebruik. Volvo adviseert u het vervangen over te laten aan een erkende Volvowerkplaats.
WAARSCHUWING
Controleer de bandenspanning regelmatig.
U wordt geadviseerd om naar de dichtstbijzijnde erkende Volvo-werkplaats te rijden en er
de beschadigde band te laten vervangen/repareren. Geef aan het werkplaatspersoneel door
dat er afdichtmiddel in de band zit.
WAARSCHUWING
07
Rijd nooit sneller dan 80 km/h, nadat u de
noodreparatieset hebt gebruikt. Volvo adviseert een erkende Volvo-werkplaats te
bezoeken om de afgedichte band te laten
controleren (maximale rijafstand 200 km).
Het personeel kan bepalen of de band kan
worden gerepareerd of moet worden vervangen.
Band oppompen
De compressor is berekend op het oppompen
van de originele banden die op de auto zitten.
1. De compressor moet uitstaan. Zorg dat de
knop in stand 0 staat en neem de kabel en
de luchtslang erbij.
2. Draai het ventieldopje van het wiel los en
schroef de ventielaansluiting van de luchtslang zo ver mogelijk op het ventiel van de
band.
WAARSCHUWING
Inademen van uitlaatgassen kan levensgevaarlijk zijn. Laat de motor nooit draaien in
ruimten die zijn afgesloten of onvoldoende
geventileerd worden.
WAARSCHUWING
Laat geen kinderen zonder toezicht in de
auto achter, terwijl de motor loopt.
3. Sluit de kabel aan op een van de 12V-aansluitingen in de auto en start de motor.
4. Schakel de compressor in door de knop in
stand I te zetten.
BELANGRIJK
Er bestaat gevaar voor oververhitting. De
compressor mag niet langer dan 10 minuten
achtereen werken.
5. Pomp de band op tot de druk die op/in de
bandenspanningstabel staat aangegeven,
zie pagina 387. (Laat eventueel lucht ontsnappen met het drukreduceerventiel, als
de bandenspanning te hoog is.)
6. Schakel de compressor uit. Koppel de
luchtslang en de kabel los.
7. Plaats het ventieldopje terug.
Bus met afdichtmiddel vervangen
Vervang de bus voordat de houdbaarheidsdatum verstreken is. Behandel de vervangen bus
als klein chemisch afval (KCA).
WAARSCHUWING
De bus bevat 1,2-ethanol en natuurrubberlatex.
Gevaarlijk bij inwendig gebruik. Kan aanleiding geven tot overgevoeligheid bij huidcontact.
Contact met huid en ogen vermijden.
Buiten bereik van kinderen bewaren.
328
07 Wielen en banden
07
329
Motorruimte..........................................................................................
Gloeilampen..........................................................................................
Wisserbladen en ruitensproeiervloeistof...............................................
Accu......................................................................................................
Zekeringen............................................................................................
Verzorging.............................................................................................
330
332
339
345
347
352
363
ONDERHOUD EN SERVICE
08 Onderhoud en service
Motorruimte
Algemene informatie
Serviceprogramma van Volvo
Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid en
betrouwbaarheid van de auto op een hoog peil
te houden, dient u de voorschriften van het
Serviceprogramma van Volvo op te volgen
zoals die omschreven staan in het Service- en
garantieboekje van Volvo. Volvo adviseert u om
service- en onderhoudswerkzaamheden over
te laten aan een erkende Volvo-werkplaats.
Volvo-werkplaatsen beschikken over het personeel, het speciale gereedschap en de servicehandboeken waardoor zij u een zo hoog
mogelijke servicekwaliteit kunnen garanderen.
BELANGRIJK
WAARSCHUWING
Let erop dat de koelventilator tot enige tijd
na het afzetten van de motor nog automatisch kan aanslaan.
Laat het schoonmaken van de motor altijd
over aan een werkplaats. Als de motor heet
is, bestaat er gevaar voor brand.
Auto omhoogbrengen
N.B.
Volvo adviseert u alleen de krik te gebruiken
die bij de auto hoort. Volg bij gebruik van
een andere krik dan door Volvo geadviseerd
de gebruiksaanwijzingen die bij deze krik
werden geleverd.
Als u de auto met een garagekrik opneemt,
moet u de krik tegen de voorkant van het subframe van de motor aanbrengen.
Zorg dat de spatplaat onder de motor niet
beschadigd raakt. Let erop dat u de garagekrik
dusdanig aanbrengt, dat de auto er niet van af
kan glijden. Maak altijd gebruik van steunbokken of vergelijkbare hulpmiddelen.
Als u de auto met een tweekoloms hefbrug
opneemt, moet u ervoor zorgen dat de voorste
en achterste dragerarmen onder de steunpunten komen te zitten. Zie voorgaande afbeelding.
Motorkap openen en sluiten
Voor de geldigheid van de garantie is het
van belang dat u het Service- en garantieboekje van Volvo controleert en de aanwijzingen opvolgt.
Regelmatig controleren
Controleer regelmatig de volgende oliën en
vloeistoffen, bijvoorbeeld tijdens het tanken:
08
332
•
•
•
•
Koelvloeistof
Motorolie
Stuurbekrachtigingsvloeistof
Ruitensproeiervloeistof
De handgreep voor ontgrendeling van de motorkap zit altijd aan de linkerzijde.
08 Onderhoud en service
Motorruimte
Motorruimte, overzicht
Vulopening voor ruitensproeiervloeistof
Luchtfilter
WAARSCHUWING
Het ontstekingssysteem werkt met zeer
hoge spanning. De spanning in het ontstekingssysteem is levensgevaarlijk. Houd de
transpondersleutel altijd in stand 0 bij werkzaamheden in de motorruimte, zie
pagina 86.
Draai de handgreep ca. 20–25 graden
rechtsom. Het is duidelijk te horen dat vergrendeling wordt opgeheven.
Haal de borghaak naar links om de motorkap te openen. (De borghaak zit tussen de
koplamp en de grille zoals afgebeeld.)
WAARSCHUWING
Controleer bij het sluiten of de motorkap
goed in het slot valt.
Afhankelijk van het motortype kan de motorruimte
er anders uitzien.
Expansiereservoir voor koelsysteem
Raak bougies of bobine niet aan, wanneer
de transpondersleutel in stand II staat of als
de motor warm is.
Oliepeil motor controleren
Reservoir voor stuurbekrachtigingsvloeistof
Peilstok voor motorolie1
Radiateur
Vulopening voor motorolie
Reservoir voor rem- en koppelingsvloeistof
(auto met stuur links)
Accu
Relais- en zekeringenkastje, motorruimte
1
08
Bij motoren met elektronische oliepeilaanduiding ontbreekt de peilstok (5-cil. diesel).
``
333
08 Onderhoud en service
Motorruimte
Voor ritten onder ongunstige omstandigheden,
zie pagina 380.
BELANGRIJK
Om aan de vereisten voor de gespecificeerde service-intervallen te voldoen worden alle motoren in de fabriek gevuld met
een speciaal aangepaste, synthetische
motorolie. De oliesoort werd met grote zorg
geselecteerd lettend op de levensduur van
de motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact.
Om de aanbevolen service-intervallen aan
te kunnen houden dient u een goedgekeurde motoroliesoort te gebruiken.
Gebruik alleen een oliesoort van de voorgeschreven kwaliteit en dat zowel bij het bijvullen als bij verversen van olie. Een negatieve invloed op de levensduur van de
motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact is anders niet
uitgesloten.
Volvo Car Corporation wijst alle garantieclaims af bij gebruik van een motoroliesoort
die niet voldoet aan de voorgeschreven
kwaliteits- en viscositeitseisen.
Volvo adviseert de olie in een erkende
Volvo-werkplaats te laten verversen.
08
2
334
Geldt alleen benzine- en 4-cil. dieselmotor.
Volvo hanteert uiteenlopende systemen om te
waarschuwen voor een laag/hoog oliepeil of
een lage/hoge oliedruk. Bij de modellen die zijn
voorzien van een oliedruksensor wordt gebruik
gemaakt van een waarschuwingslampje voor
de oliedruk. Bij modellen met een olieniveausensor wordt gewaarschuwd met een waarschuwingssymbool midden op het instrumentenpaneel en met displaymeldingen. Op
bepaalde modellen zijn beide systemen aanwezig. Neem voor meer informatie contact op
met een erkende Volvo-werkplaats.
Houd voor het verversen van motorolie de
intervallen aan die staan aangegeven in het
Service- en garantieboekje.
Het is toegestaan een oliesoort te gebruiken
met een hogere kwaliteit dan aangegeven.
Voor ritten onder ongunstige omstandigheden
adviseert Volvo u een oliesoort te gebruiken
met een hogere kwaliteit dan de sticker in de
motorruimte vermeldt, zie pagina 380.
Voor de bij te vullen hoeveelheid (zie
pagina 381 en verder).
Motor met oliepeilstok2
G021734
Volvo adviseert olieproducten van Castrol.
Peilstok en vulpijp.
Bij een nieuwe auto is het belangrijk om het
oliepeil te controleren, voordat de olie voor de
eerste keer volgens schema moet worden ververst.
Volvo adviseert u het oliepeil om de 2500 km
te controleren. De betrouwbaarste meting
wordt verkregen bij een koude motor vóór de
start. Meteen na het afzetten van de motor
krijgt u een verkeerd resultaat. De peilstok
geeft dan een te laag peil aan, omdat de olie
geen tijd heeft gehad om terug te lopen naar
het oliecarter.
08 Onderhoud en service
Motorruimte
5. Als de olie dichter bij het MIN-streepje ligt,
dient u 0,5 liter bij te vullen. Als de olie daar
ver onder staat, moet u wellicht meer bijvullen.
Motor met elektronische
oliepeilaanduiding3
6. Als u het peil daarna nogmaals wenst te
controleren, moet u dat na enige tijd rijden
doen. Herhaal vervolgens de stappen 1–4.
G021737
WAARSCHUWING
De olie moet tussen het MIN- en MAX-streepje
staan.
Peil meten en zo nodig corrigeren
1. Zorg dat de auto op een vlakke ondergrond
geparkeerd staat. Het is belangrijk dat u na
het afzetten van de motor ten minste
5 minuten wacht, zodat de olie weer kan
teruglopen in het oliecarter.
Vul nooit bij tot boven de MAX-aanduiding.
De olie mag nooit boven MAX of onder
MIN staan om motorschade tegen te gaan.
WAARSCHUWING
Mors geen olie op het hete uitlaatspruitstuk,
omdat er gevaar voor brand bestaat.
Vulpijp.4
U hoeft het motoroliepeil niet aan te passen,
voordat er een melding op het display verschijnt, zie onderstaande afbeelding.
2. Trek de peilstok tevoorschijn en veeg deze
schoon.
3. Steek de peilstok weer naar binnen.
4. Trek de peilstok tevoorschijn en controleer
het peil.
08
3
4
Geldt alleen voor 5-cil. dieselmodel.
Bij motoren met elektronische oliepeilaanduiding ontbreekt de peilstok (5-cil. diesel).
``
335
08 Onderhoud en service
Motorruimte
N.B.
Het systeem detecteert het oliepeil alleen
tijdens het rijden. Na het bijvullen of aftappen van olie duurt het even voordat het systeem wijzigingen in het oliepeil kan waarnemen. De auto dient ca. 30 km te rijden, voordat het weergegeven oliepeil correct is.
WAARSCHUWING
Melding en grafische weergave op display.
Melding
Vul niet meer olie bij, als niveau (3) of (4) verschijnt zoals aangegeven op de afbeelding.
De olie mag nooit boven MAX of onder
MIN staan om motorschade tegen te gaan.
De cijfers 1–4 geven het niveau aan. Vul niet meer
olie bij, als niveau (3) of (4) staat aangegeven. Het
aanbevolen niveau is 4.
Motoroliepeil
WAARSCHUWING
WAARSCHUWING
Bij het verschijnen van de melding Oliepeil
Service vereist een werkplaats opzoeken.
Het oliepeil is mogelijk te hoog.
BELANGRIJK
Vul bij het verschijnen van de melding
Motoroliepeil Vul 0,5 l olie bij slechts 0,5
liter bij.
08
336
Mors geen olie op het hete uitlaatspruitstuk,
omdat er gevaar voor brand bestaat.
Oliepeil meten
Voor controle van het oliepeil de onderstaande
volgorde aanhouden.
1. Activeer sleutelstand II, zie pagina 86.
2. Draai het duimwiel op de linker stuurhendel
naar stand Motoroliepeil Een
ogenblik....
> Vervolgens verschijnt informatie over
het motoroliepeil.
Koelvloeistof
Peil controleren en bijvullen
08 Onderhoud en service
Motorruimte
Volg de aanwijzingen op de verpakking op. Het
is belangrijk dat u verhouding tussen koelvloeistof en water afstemt op de heersende weersomstandigheden. Vul het reservoir nooit alleen
met schoon water. Het gevaar voor bevriezing
neemt toe, zowel wanneer de concentratie
koelvloeistof te laag is als wanneer deze te
hoog is.
WAARSCHUWING
De koelvloeistof kan bijzonder heet zijn. Als
u moet bijvullen terwijl de motor op bedrijfstemperatuur is, moet u langzaam de dop
van het expansiereservoir losdraaien om de
overdruk te laten ontsnappen.
Voor de aan te houden hoeveelheden en de
aanbevolen vloeistofkwaliteit, zie pagina 382.
•
Rem- en koppelingsvloeistof
Hoge concentraties chloor, chloriden
en andere zoutverbindingen kunnen
aanleiding geven tot corrosie in het
koelsysteem.
Peil controleren
•
Gebruik altijd een koelvloeistof met
roestwerende eigenschappen volgens
de aanbevelingen van Volvo.
•
Let erop dat het koelvloeistofmengsel
altijd voor 50 % uit water en voor
50 % uit koelvloeistof bestaat.
•
Leng de koelvloeistof aan met leidingwater van goede kwaliteit. Gebruik bij
twijfel over de waterkwaliteit altijd een
kant-en-klare koelvloeistof volgens de
aanbevelingen van Volvo.
•
Wanneer u overstapt op een ander
soort koelvloeistof of een nieuw koelsysteemonderdeel hebt gemonteerd,
dient u het koelsysteem schoon te
spoelen met leidingwater van goede
kwaliteit of met kant-en-klare koelvloeistof.
Controleer de koelvloeistof regelmatig
De koelvloeistof moet tussen het MIN- en
MAX-streepje op het expansiereservoir staan.
Als u het reservoir niet goed gevuld houdt, kan
de temperatuur in het systeem dusdanig hoog
oplopen dat er gevaar voor motorschade ontstaat.
BELANGRIJK
•
De motor mag alleen draaien met een
goed gevuld koelsysteem. De temperaturen kunnen plaatselijk hoog oplopen,
wat schade (scheurvorming) aan de
cilinderkop kan veroorzaken.
De rem- en koppelingsvloeistof zitten in hetzelfde reservoir. De vloeistof moet tussen het
MIN- en MAX-streepje staan die aan de buitenkant van het reservoir zichtbaar zijn. Controleer het peil regelmatig.
Ververs de remvloeistof om de twee jaar of
iedere tweede geplande servicebeurt.
Voor de aan te houden hoeveelheden en de
aanbevolen kwaliteit van de remvloeistof, zie
pagina 382. Wanneer u vaak met uw auto in
de bergen rijdt of in landen met een tropisch
klimaat en een hoge relatieve luchtvochtigheidsgraad, moet u de remvloeistof ieder jaar
verversen.
WAARSCHUWING
Als de remvloeistof onder het MIN-streepje
van het reservoir staat, mag u niet verder
rijden voordat u remvloeistof hebt bijgevuld.
Geadviseerd wordt de oorzaak van het remvloeistofverlies te laten controleren door
een erkende Volvo-werkplaats.
08
``
337
08 Onderhoud en service
Motorruimte
Bijvullen
Stuurbekrachtigingsvloeistof
Positie remvloeistofreservoir.
Het vloeistofreservoir gaat schuil achter de
dekplaat op de koude zone van de motorruimte. U moet het ronde deksel eerst verwijderen om bij de dop van het reservoir te komen.
1. Open het deksel dat in de dekplaat zit door
het te verdraaien.
2. Draai de dop van het reservoir los en vul
vloeistof bij. De vloeistof moet tussen het
MIN- en MAX-streepje staan (aan de binnenkant van het reservoir).
BELANGRIJK
08
338
Vergeet niet de dop terug te plaatsen.
BELANGRIJK
Houd bij een controle het gebied rond het
reservoir voor stuurbekrachtigingsvloeistof
goed schoon. De dop niet losdraaien.
Controleer het peil bij iedere servicebeurt. U
hoeft de vloeistof niet te verversen. De vloeistof
moet tussen het MIN- en MAX-streepje staan.
Voor de aanbevolen vloeistofkwaliteit en de
aan te houden hoeveelheden, zie pagina 382.
N.B.
Ook als er een storing optreedt in de stuurbekrachtiging of als de stroom wegvalt en u
de auto moet laten wegslepen, blijft de auto
bestuurbaar.
08 Onderhoud en service
Gloeilampen
Algemene informatie
Alle gloeilampen van de auto zijn vermeld, zie
pagina 344. Gloeilampen en andere lichtbronnen van een bijzonder type of lampen die alleen
in een werkplaats te vervangen zijn te vinden
in:
BELANGRIJK
Raak het glas van de gloeilampen nooit met
blote vingers aan. De vetten en oliën op uw
vingers kunnen door de hitte verdampen.
Dit zorgt voor aanslag op de reflector, waardoor deze al snel kapotgaat.
• Actieve xenonkoplampen - ABL (xenonlampen)
•
•
•
•
•
•
•
•
•
Koplampen
Richtingaanwijzers, buitenspiegels
“Approach”-verlichting, buitenspiegels
Instapverlichting
Verlichting dashboardkastje
Interieurverlichting aan het plafond
Leeslampjes
Sidemarkers achterzijde, achterlichten
Remlichten
Alle led-lampen
WAARSCHUWING
Als de auto is voorzien van xenonkoplampen, moet u de xenonlampen door een
werkplaats laten vervangen – geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats. Werkzaamheden aan de Xenonkoplampen vergen de nodige voorzichtigheid, aangezien
dergelijke koplampen zijn voorzien van een
ontstekingsgedeelte dat een hoge spanning
opwekt.
Alle gloeilampen in het koplamphuis zijn te vervangen door het complete koplamphuis via de
motorruimte los te nemen en te verwijderen.
WAARSCHUWING
De transpondersleutel mag niet in sleutelstand I of II staan bij het vervangen van lampen.
Zie het gedeelte “Sleutelstanden” voor een
beschrijving van de drie mogelijke sleutelstanden van de transpondersleutel.
Koplamphuis verwijderen
1. Als de transpondersleutel in sleutelstand I
of II staat, zie pagina 86:
• Druk kort op de knop START/STOP
08
ENGINE om sleutelstand 0 te bereiken.
``
339
08 Onderhoud en service
Gloeilampen
2. (Bovenste afbeelding)
Koplamphuis bevestigen
Afdekking verwijderen
1. Sluit de connector dusdanig aan dat u een
klik hoort.
Lees de tekst op zie pagina 339 door alvorens
een gloeilamp te vervangen.
2. Plaats het koplamphuis terug en breng de
borgpennen aan. De korte borgpen dient
bij de grille geplaatst te worden. Controleer
of u ze op de juiste manier hebt ingebracht.
1. Draai de vier bouten van de afdekking los
met het gereedschap (1) uit de gereedschapsset, zie pagina 314. Verwijder ze
echter niet (3–4 slagen is voldoende)
Trek de borgpennen van het koplamphuis naar buiten.
Haal het koplamphuis los door het
beurtelings te kantelen en naar buiten te
trekken.
BELANGRIJK
Trek niet aan de kabel, maar alleen aan de
connector.
3. (Onderste afbeelding)
Koppel de connector van het koplamphuis los door met uw duim de clip omlaag
te duwen.
Trek ondertussen met uw andere hand
de connector los.
4. Til het koplamphuis naar buiten en leg het
op een zachte ondergrond om krassen op
de lens te voorkomen.
5. Vervang de kapotte gloeilamp.
3. Controleer de verlichting.
Het koplamphuis moet gemonteerd zijn en de
connector correct aangesloten zijn, voordat u
de verlichting inschakelt of de transpondersleutel in het contactslot steekt.
BELANGRIJK
Gebruik het gereedschap uit de gereedschapsset voor de juiste manier van verwijderen en aanbrengen.
2. Duw de afdekking opzij.
08
3. Verwijder de afdekking.
Plaats de afdekking in omgekeerde volgorde
terug.
340
08 Onderhoud en service
Gloeilampen
Dimlicht, halogeen
Groot licht, halogeen
Verstralers, ABL-koplampen*
1. Haal het koplamphuis los, zie pagina 339.
1. Haal het koplamphuis los.
1. Haal het koplamphuis los.
2. Verwijder de afdekking.
2. Verwijder de afdekking, zie pagina 340
2. Verwijder de afdekking, zie pagina 340.
3. Koppel de connector van de lamp los.
3. Haal de gloeilamp los door deze rechtsom
te draaien en vervolgens recht naar buiten
te trekken
3. Haal de gloeilamp los door deze rechtsom
te draaien en vervolgens recht naar buiten
te trekken
4. Koppel de connector van de lamp los.
4. Koppel de connector van de gloeilamp los.
5. Vervang de gloeilamp, steek de nieuwe
lamp in de lampvoet en draai de gloeilamp
rechtsom vast. U kunt deze op één manier
terugplaatsen.
5. Vervang de gloeilamp, steek de nieuwe
lamp in de lampvoet en draai de gloeilamp
rechtsom vast. U kunt hem slechts op één
manier terugplaatsen.
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
4. Trek de lamp recht naar buiten toe los.
5. De paspen op de lamp dient bij het aanbrengen recht omhoog te wijzen, terwijl
een klikgeluid aangeeft dat de lamp goed
vastzit.
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
08
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
341
08 Onderhoud en service
Gloeilampen
Richtingaanwijzers/knipperlichten
Achterlamphuis
6. Houd de borghaak omlaag terwijl u de
gloeilamphouder terugplaatst.
7. Plaats de isolatie en het paneel terug.
N.B.
Als een foutmelding niet verdwijnt nadat de
kapotte gloeilamp is vervangen, dan wordt
u geadviseerd een erkende Volvo-werkplaats te bezoeken.
Positie gloeilampen achterlamphuis
1. Haal het koplamphuis los.
2. Trek de afdekking recht naar buiten toe los.
3. Trek aan de lamphouder om de gloeilamp
tevoorschijn te halen.
4. Breng druk aan op de gloeilamp en draai
eraan om de lamp los te halen.
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
De gloeilampen voor de achteruitrijlichten, de
achterlichten en de richtingaanwijzers in het
achterlamphuis zijn via de bagageruimte te
vervangen.
1. Open het paneel.
2. Verwijder de isolatie die voor de gloeilamphouder zit door deze recht naar buiten toe
trekken.
3. Duw de borghaak omlaag en trek de gloeilamphouder naar buiten.
4. Haal de kapotte gloeilamp los door deze in
te duwen en linksom te draaien.
08
5. Breng een nieuwe gloeilamp aan door de
lamp omlaag te duwen en rechtsom te
draaien.
Lampglas, rechterzijde
Remlicht (led)
Richtingaanwijzer
Achteruitrijlicht
Mistachterlicht (bestuurderszijde)
342
08 Onderhoud en service
Gloeilampen
Kentekenplaatverlichting
Bagageruimteverlichting
Verlichting make-upspiegel
G031942
Spiegelglas verwijderen
1. Draai de boutjes los met een schroevendraaier.
2. Haal voorzichtig het complete gloeilamphuis los en trek het naar buiten.
3. Vervang de gloeilamp.
4. Plaats het complete gloeilamphuis terug
en draai de boutjes vast.
1. Steek een schroevendraaier achter het
lamphuis en wrik deze iets heen en weer,
zodat het lamphuis loskomt.
2. Vervang de gloeilamp.
1. Steek een schroevendraaier achter het
lampglas om het borgnokje aan de rand
voorzichtig los te werken.
3. Controleer of de gloeilamp werkt en druk
het lamphuis weer vast.
2. Haal het spiegelglas voorzichtig los en verwijder het.
3. Trek de gloeilamp recht naar buiten toe los
en vervang deze.
Lampglas bevestigen
1. Plaats het spiegelglas terug.
2. Duw het vast.
08
``
343
08 Onderhoud en service
Gloeilampen
Specificatie gloeilampen
Verlichting
WA
Type
Dimlicht, halogeen
55
H7 LL
A
08
Groot licht,
halogeen
65
H9
Verstralers, ABL
65
H9
Richtingaanwijzers voorzijde
21
HY21W
Instapverlichting voor
3
Lampvoet T10;
W2,1x9,5d
Verlichting
dashboardkastje
5
Lampvoet SV8.5;
lengte 43 mm
Verlichting
make-upspiegel
1,2
Lampvoet T5;
W2x4,6d
Verlichting
bagageruimte
10
Lampvoet SV8.5;
lengte 43 mm
Kentekenplaatverlichting
5
C5W LL
Richtingaanwijzers achter
21
PY21W SV
-
-
-
344
Verlichting
WA
Type
Achteruitrijlicht
21
P21W LL
Mistachterlicht
21
H21W LL
Watt
08 Onderhoud en service
Wisserbladen en ruitensproeiervloeistof
Wisserbladen
Servicestand
Wisserbladen vervangen
Haal de wisserarm van de ruit af. Druk op
de knop die op de wisserbladhouder zit en
trek het wisserblad evenwijdig aan de wisserarm los.
Duw het nieuwe wisserblad zo ver naar
binnen dat u een klik hoort.
Controleer of het blad goed vastzit.
1. Zet de transpondersleutel in sleutelstand
0, zie pagina 86, maar laat de transpondersleutel in het contactslot zitten.
2. Duw de rechter stuurhendel
ca. 1 seconde lang omhoog. De ruitenwisserarmen gaan dan verticaal staan.
Een volgende keer dat u de auto start nemen
de ruitenwissers de ruststand weer in.
G021763
De wisserbladen dienen in de servicestand te
staan om ze te kunnen vervangen, reinigen of
optillen (om bijvoorbeeld ijs van de voorruit te
krabben).
N.B.
De wisserbladen zijn niet allebei even lang.
Het blad aan de bestuurderszijde is langer
dan dat aan de passagierszijde.
Schoonmaken
Voor het schoonmaken van de wisserbladen
en de voorruit, zie pagina 363 en verder.
08
``
345
08 Onderhoud en service
Wisserbladen en ruitensproeiervloeistof
BELANGRIJK
Controleer de wisserbladen regelmatig. Bij
achterstallig onderhoud gaan de wisserbladen minder lang mee.
Vulopening voor
ruitensproeiervloeistof
De sproeiers van de voorruit en de koplampen
staan in verbinding met hetzelfde vloeistofreservoir.
BELANGRIJK
08
346
Gebruik tijdens de wintermaanden ruitensproeier-antivries in het reservoir om te
voorkomen dat de vloeistof in de pomp, het
reservoir en de slangen bevriest.
Voor de hoeveelheden, zie pagina 382.
08 Onderhoud en service
Accu
Gebruik
De rijomstandigheden, de rijstijl, het aantal
startpogingen, de weersomstandigheden e.d.
zijn van invloed op de levensduur en de werking van de accu.
• Koppel de startaccu nooit los, terwijl de
motor loopt.
• Controleer of de kabels van de startaccu
op de juiste manier zijn aangesloten en stevig vastzitten.
WAARSCHUWING
•
•
•
De startaccu kan het zeer explosieve
knalgas produceren. Eén enkele vonk,
veroorzaakt door een onjuiste aansluiting van een startkabel, kan volstaan om
de accu tot ontploffing te brengen.
De startaccu bevat tevens zwavelzuur
dat ernstige chemische brandwonden
kan veroorzaken.
Als u accuzuur in uw ogen krijgt of op
uw huid of kleren morst, moet u onmiddellijk met grote hoeveelheden water
spoelen. Neem onmiddellijk contact op
met een arts, als u accuzuur in uw ogen
krijgt.
N.B.
Hoe vaker de accu ontladen raakt, des te
minder lang gaat de accu mee.
De levensduur van de accu wordt bepaald
door uiteenlopende factoren, waaronder de
rijomstandigheden en het klimaat. De accu
verliest na verloop van tijd aan startcapaciteit en moet daarom bijgeladen worden, als
er langere tijd achtereen niet of slechts korte
afstanden met de auto wordt gereden. Ook
bij strenge vorst neemt de startcapaciteit af.
Om de accu in optimale conditie te houden
wordt geadviseerd wekelijks minstens
15 minuten met de auto te rijden of de accu
aan te sluiten op een acculader met automatische druppellading.
BELANGRIJK
Bij het negeren van het volgende valt na
aansluiting van een externe startaccu of
acculader de energiebesparingsfunctie
voor het infotainmentsysteem mogelijk tijdelijk uit en/of verschijnt er tijdelijk geen
melding over de ladingstoestand van de
startaccu op het informatiedisplay:
•
De minpool van de startaccu in de auto
mag nooit worden gebruikt voor aansluiting van een externe startaccu of
acculader – alleen het autochassis
dient als massapunt te worden gebruikt.
Zie het gedeelte “Starten met hulpaccu”
voor een beschrijving van de locatie van de
kabelklemmen en de manier van aansluiten.
Voor de maximale levensduur dient de accu
altijd volledig opgeladen te blijven.
BELANGRIJK
Gebruik nooit een snellader voor het opladen van de accu.
08
``
347
08 Onderhoud en service
Accu
Symbolen op de accu
Vermijd vonken en open
vuur.
Draag een veiligheidsbril.
Explosiegevaar.
Zie voor meer informatie
het instructieboekje dat
bij de auto hoort.
Bestemd voor inzameling.
Bewaar accu’s buiten het
bereik van kinderen.
De accu bevat een bijtend
zuur.
08
348
N.B.
Zamel oude accu’s op een milieuvriendelijke manier in, omdat ze lood bevatten.
Startaccu vervangen
Demonteren
Om te beginnen: Neem de transpondersleutel
uit het contactslot en wacht ten minste
5 minuten, voordat u een van de elektrische
aansluitingen aanraakt – zo kan de informatie
in het elektrische systeem van de auto worden
opgeslagen in de verschillende regeleenheden.
08 Onderhoud en service
Accu
Haal de rubber strip los om de achterste
afdekking bloot te leggen.
Veerpootbrug bij R-Design*
Neem de achterste afdekking los door
deze een kwartslag te verdraaien en vervolgens op te tillen.
WAARSCHUWING
De plus- en minkabels in de juiste volgorde
loskoppelen en/of aansluiten.
Koppel de zwarte minkabel los.
Veerpootbrug en paraventafdekking.
Koppel de rode pluskabel los.
Auto’s met R-Design zijn voorzien van een
veerpootbrug die moet worden gedemonteerd
voordat de startaccu kan worden vervangen.
Koppel de ontluchtingsslang van de accu
los.
Draai het boutje los waarmee de accuklem
vastzit.
Haal de accu opzij en til deze op.
1. Demonteer de paraventafdekkingen links
en rechts. Wrik voorzichtig met een kunststof mes of iets dergelijks.
2. Draai de bouten los (één links en één
rechts) waarmee de veerpootbrug vastzit
en verwijder ze.
3. Demonteer de veerpootbrug.
> Nu kunt u de startaccu demonteren
zoals aangegeven in het voorgaande
onderdeel.
Haal de clips op de voorste dekplaat los en
verwijder de dekplaat.
08
• Montage van de veerpootbrug vindt in
omgekeerde volgorde plaats.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
349
08 Onderhoud en service
Accu
N.B.
Haal de bouten aan met 30 Nm. Controleer
het aanhaalmoment met een momentsleutel.
Monteren
6. Sluit de zwarte minkabel aan.
8. Plaats de rubber strip (zie Verwijderen).
9. Pas de voorste afdekking in en zet het vast
met behulp van de clips (zie Verwijderen).
Voor meer informatie over de startaccu van de
auto - zie pagina 390
1. Laat de accu in de accubak zakken.
2. Duw de accu naar binnen en gelijktijdig
opzij totdat de accu tegen de achterkant
van de accubak aankomt.
3. Schroef de klem vast waarmee de accu
vastzit.
4. Sluit de ontluchtingsslang aan.
> Controleer of deze correct is aangesloten tussen de accu en de afvoeropening
in de carrosserie.
08
350
5. Sluit de rode pluskabel aan.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Voor meer informatie over Start/Stop - zie
pagina 134.
HulpA
KoudestartvermogenB,
CCA (A)
760
120
AfmetingenC, l×b×h
(mm)
278×175×19
0
150×90×106
70
8
Capaciteit
(Ah)
Eco Start/Stop DRIVe*
Een auto met Start/Stop-systeem is voorzien
van twee 12V-accu’s – één extra krachtige
startaccu en een hulpaccu die gebruikt wordt
voor de startprocedure middels het
Eco Start/Stop DRIVe-systeem.
Start
Accu
7. Duw de achterste afdekking vast (zie Verwijderen).
A
B
C
De waarden gelden niet voor een hulpaccu op auto’s met
motortype D3 en een automatische versnellingsbak.
Conform de SAE-norm.
Maximale afmetingen.
N.B.
•
Hoe hoger de stroomafname in de auto
(extra koeling/verwarming e.d.), hoe
meer de accu’s moeten worden bijgeladen = hoe hoger het brandstofverbruik.
•
Wanneer de capaciteit van de startaccu
tot onder de ondergrens is gedaald,
wordt het Start/Stop-systeem uitgeschakeld.
Voor meer informatie over de startaccu van de
auto - zie pagina 124 en 390.
Een tijdelijke functiebeperking van het
Start/Stop-systeem op grond van een hoge
stroomafname houdt het volgende in:
08 Onderhoud en service
Accu
• Auto-start motor1 werkt zonder dat de
bestuurder de koppeling bedient.
Locatie accu’s
BELANGRIJK
Bij het negeren van het volgende valt het
Start/Stop-systeem mogelijk tijdelijk uit na
aansluiting van een externe startaccu of
acculader:
•
De minpool van de startaccu in de auto
mag nooit worden gebruikt voor aansluiting van een externe startaccu of
acculader – alleen het autochassis
dient als massapunt te worden gebruikt.
Zie het gedeelte “Starten met hulpaccu”
voor een beschrijving van de locatie van de
kabelklemmen en de manier van aansluiten.
A: Auto met stuur links. B: Auto met stuur rechts.
1. Startaccu2. 2. Hulpaccu.
De hulpaccu vergt doorgaans niet meer service
dan de normale startaccu. Neem bij vragen of
problemen contact op met een werkplaats geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
N.B.
Als de startaccu dermate ontladen is dat
alles "zwart" is en alle elektrische standaardsystemen van de auto’s nagenoeg uitgeschakeld zijn en u de motor vervolgens
start met een externe accu of acculader, zal
het Start/Stop-systeem actief zijn. Autostop van de motor is in dat geval mogelijk,
maar het Start/Stop-systeem kan na autostop van de motor mogelijk geen auto-start
uitvoeren door onvoldoende capaciteit van
de startaccu.
Voor een geslaagde auto-start ná auto-stop
dient de accu eerst te worden opgeladen.
Bij een buitentemperatuur van +15 °C moet
de accu ten minste 1 uur lang worden opgeladen. Bij lagere buitentemperaturen wordt
een laadduur geadviseerd van 3–4 uur.
Geadviseerd wordt de accu op te laden met
een externe acculader.
Als iets dergelijks niet voorhanden is, wordt
geadviseerd het Start/Stop-systeem uit te
schakelen totdat de startaccu voldoende
bijgeladen is.
Zie voor informatie over het opladen van de
startaccu het gedeelte “Accu” in het hoofdstuk “Onderhoud en service”.
08
1
2
Auto-start is alleen mogelijk, als de versnellingspook in de neutraal staat.
De startaccu staat uitvoerig beschreven op pagina 348.
351
08 Onderhoud en service
Zekeringen
Algemene informatie
Om te voorkomen dat de elektrische systemen
van de auto beschadigd raken door kortsluiting
of overbelasting, worden alle verschillende
elektrische functies en onderdelen door een
aantal zekeringen beschermd.
Als een van de elektrische onderdelen of functies niet werkt, is het mogelijk dat de bijbehorende zekering overbelast werd en daardoor
gesmolten is. Als dezelfde zekering herhaaldelijk doorbrandt, betekent dit dat het bijbehorende onderdeel een storing vertoont. U wordt
dan geadviseerd een bezoek te brengen aan
een erkende Volvo-werkplaats voor een controle.
WAARSCHUWING
Vervang een zekering nooit door vreemde
voorwerpen of een zekering met een hoger
amperage dan gespecificeerd is. Anders
zijn aanzienlijke schade aan het elektrische
systeem en brand niet uitgesloten.
Positie relais- en zekeringhouders
Vervangen
1. Zoek in de zekeringentabel op waar de
zekering zit.
2. Trek de zekering naar buiten en bekijk deze
van opzij om te kijken of het gebogen
draadje soms doorgebrand is.
3. Breng in dat geval een nieuwe zekering aan
met dezelfde kleur en hetzelfde amperage.
Positie van de relais- en zekeringhouders, auto
met het stuur links – bij auto’s met het stuur
rechts zitten de relais- en zekeringhouders
onder het dashboardkastje omgekeerd.
Motorruimte
08
,
Onder dashboardkastje
Bergruimte onder vloer in bagageruimte
352
Koude zone motorruimte (alleen Start/
Stop*)
08 Onderhoud en service
Zekeringen
Motorruimte
08
``
353
08 Onderhoud en service
Zekeringen
Algemene informatie over de zekeringen
in de motorruimte
Functie
A
Functie
A
Aan de binnenkant van het deksel zit een speciale trekker waarmee u de zekeringen gemakkelijker kunt verwijderen en aanbrengen.
Hoofdzekering voor centrale
elektronicamodule (CEM) met
zekeringhouder B onder dashboardkastjeA
50
Koplampsproeiers*
20
Ruitenwissers
30
Standverwarming*
25
Hoofdzekering voor centrale
elektronicamodule (CEM) met
zekeringhouder B onder dashboardkastje
50
InterieurventilatorA
40
Deze zekeringen zitten allemaal in het zekeringenkastje in de motorruimte. De zekeringen in
(C) zitten onder (A).
Hoofdzekering voor relais- en
zekeringhouder in bagageruimteA
60
Aan de binnenkant van het deksel zit een sticker met de positie van de verschillende zekeringen.
Hoofdzekering voor relais- en
zekeringhouder in passagiersruimte met zekeringhouder A
onder dashboardkastjeA
60
Hoofdzekering voor relais- en
zekeringhouder in passagiersruimte met zekeringhouder A
onder dashboardkastjeA
60
Posities (zie voorgaande afbeelding)
Motorruimte bovenin
Motorruimte voorin
Motorruimte onderin
• De zekeringen 1–7 en 42–44 zijn van het
type “MidiFuse” en mogen alleen door een
werkplaats worden vervangen1.
• De zekeringen 8–15 en 34 zijn van het type
“JCASE” en dienen door een werkplaats te
worden vervangen1.
• De zekeringen 16–33 en 35–41 zijn van het
type “MiniFuse”.
08
1
354
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
PTC-element luchtvoorverwarming*A
-
-
ABS-pomp
40
ABS-ventielen
20
-
-
Koplamphoogteregeling*,
Actieve xenonkoplampen ABL*
10
Hoofdzekering voor centrale
elektronicamodule (CEM) met
zekeringhouder B onder dashboardkastje
20
ABS
5
Snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging*
5
100
08 Onderhoud en service
Zekeringen
Functie
A
Functie
A
Functie
A
Motorregelmodule, transmissieregelmodule, airbags
10
15
Kleppen (1,6 l benzine), luchtmassameter (1,6 l benzine)
10
Elektrisch verwarmde sproeikoppen*
10
Compressor A/C (niet 5-cil. diesel), koelvloeistofpomp (5cil.diesel Start/Stop)
5
Relaisspoel relais vacuümpomp
(5-cil. benzine)
5
Relaisspoel compressor A/C
(niet 5-cil. diesel), relaisspoel
relais koelvloeistofpomp (5-cil.
diesel Start/Stop)
Verlichtingsdraaiknop
5
-
-
-
-
-
-
Interne relaisspoelen
5
Verstralers*
20
Claxon
Relaisspoelen in relais- en zekeringhouder in koude zone
motorruimte (Start/Stop)
Bedieningsmagneet startmotorA
30
Bobines (4-cil. benzine), regelmodule gloeiregeling (5-cil. diesel)
10
Bobines (5- en 6-cil. benzine),
condensator (6-cil.)
20
15
Relaisspoel hoofdrelais motormanagementsysteem, motorregelmodule (5- en 6-cil. benzine)
10
Motorregelmodule (benzine)
10
Motorregelmodule (diesel)
15
Transmissieregelmodule
15
Luchtmassameter (D4162T),
regelklep brandstofstroom
(D4162T)
Luchtmassameter (5- en 6-cil.),
regelkleppen (5-cil. diesel), verstuivers (5-, 6-cil. benzine),
motorregelmodule (6-cil.)
15
Compressor A/C (5- en 6-cil,),
motorkleppen, motorregelmodule (6-cil.), solenoïden (6-cil.
zonder turbo), stelmotoren
inlaatspruitstuk (6-cil. zonder
turbo), luchtmassameter (4-cil.
2,0 liter benzine), oliepeilsensor
(5-cil. diesel)
10
Koelvloeistofpomp (D4162T)
08
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
355
08 Onderhoud en service
Zekeringen
08
356
Functie
A
Functie
A
Lambdasondes (4-cil. benzine),
lambdasonde (diesel), regelmodule radiateurafdekking (handgeschakelde 5-cil. 2,0 liter diesel)
10
Koelventilator (4-cil., 5-cil. benzine)
60
Koelventilator (6-cil. benzine, 5cil. diesel)
80
EVAP-klep (5-, 6-cil. benzine),
lambdasondes (5-, 6-cil. benzine)
15
Elektrohydraulische stuurbekrachtiging
100
Koelvloeistofpomp (1.6 liter
benzine Start/Stop)
10
Vacuümpomp (5-cil. benzine),
carterventilatieverwarming (5cil. benzine), dieselfilterverwarming
20
Carterventilatieverwarming (5cil. diesel)
10
Gloeibougies (diesel)
70
A
Bij auto’s met Start/Stop-systeem is deze zekeringpositie
leeg – zie pagina 361.
08 Onderhoud en service
Zekeringen
Onder dashboardkastje
Posities
Aan de binnenkant van het deksel zit een sticker met de positie van de verschillende zekeringen in zekeringhouder A.
Houder
A
Functie
Hoofdzekering voor
audioregelmodule*,
hoofdzekering voor de
zekeringen 16–20
-
A
40
Houder
A
Functie
A
-
-
-
-
-
-
Portierhandgrepen
(Keyless*)
5
-
-
Houder
A
Functie
A
Bedieningspaneel
bestuurdersportier
20
Bedieningspaneel voorste passagiersportier
20
Bedieningspaneel achterste passagiersportier
rechts
20
08
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
357
08 Onderhoud en service
Zekeringen
Houder
A
Functie
A
Bedieningspaneel achterste passagiersportier
links
20
Keyless*
7,5
Elektrisch bedienbare
bestuurdersstoel*
20
Elektrisch bedienbare
passagiersstoel*
20
Omklapbare hoofdsteunen*
15
Regelmodule Infotainment
5
Audioregelmodule*
10
Houder
A
Functie
A
Schuifdak*, interieurverlichting plafond, klimaatsensor
5
12V-aansluiting middenconsole
15
Verwarming zitplaats
achterbank rechts*
15
Verwarming zitplaats
achterbank links*
15
Audiosysteem
15
Telematica*, Bluetooth*
5
A
Achterruitwisser
15
-
7,5
-
Informatiedisplay (DIM)
5
Stoelverwarming passagierszijde
15
Adaptieve cruisecontrol
(ACC)*, Collision Warning*
10
Stoelverwarming
bestuurderszijde
15
Interieurverlichting,
regensensor
7,5
Park Assist*, parkeercamera*, regelmodule trekhaak *
5
Stuurwieleenheid
7,5
Centrale vergrendeling
tankvulklep
10
BLIS*
-
Functie
Interieurverlichting,
bedieningspaneel zijruiten op bestuurdersportier, elektrisch bedienbare voorstoelen*, op
afstand bediende garagedeur*
-
Digitale radio*, tv*
Houder
B
Regelmodule AWD*
10
Achterruitensproeier
15
Actieve chassisregeling
Four-C*
10
Ruitenwissers
15
08
358
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
08 Onderhoud en service
Zekeringen
Houder
B
Functie
A
Ontgrendelen achterklep
10
-
-
Brandstofpomp
20
Bedieningspaneel klimaatregeling
5
Stuurslot
15
Sirene alarm*, diagnoseaansluiting OBDII
5
-
-
Airbags
10
Collision Warning
5
Gaspedaal, PTC-element luchtvoorverwarming*, dimfunctie achteruitkijkspiegel*, achterbankverwarming*
Houder
B
Functie
A
Schuifdak*
20
Startblokkering
5
7,5
-
-
Remlichten
5
08
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
359
08 Onderhoud en service
Zekeringen
Kofferbak/bagageruimte
Posities
Functie
A
Elektrische parkeerrem links
30
Elektrische parkeerrem rechts
30
Elektrisch verwarmde achterruit
30
Trekhaakaansluiting 2*
15
Functie
A
Functie
A
-
-
-
-
15
-
-
12V-aansluiting bagageruimte
08
360
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
-
-
Trekhaakaansluiting 1*
-
-
-
40
-
08 Onderhoud en service
Zekeringen
Koude zone motorruimte – Start/Stop*
Positie van de zekeringen voor het Start/Stop-systeem.
• De zekeringen A1 en A2 zijn van het type
“MEGA Fuse” en mogen alleen door een
werkplaats worden vervangen2.
• De zekeringen 1–11 zijn van het type “MidiFuse” en mogen alleen door een werkplaats worden vervangen2.
• Zekeringen 12 is van het type “MiniFuse”.
Voor meer informatie over Start/Stop - zie
pagina 134.
2
Posities
Functie
Hoofdzekering voor relais- en
zekeringhouder in motorruimte
Functie
A
175
A
Hoofdzekering voor centrale
elektronicamodule (CEM) met
zekeringhouder B onder dashboardkastje, relais- en zekeringhouder in passagiersruimte met
zekeringhouder A onder dashboardkastje, relais- en zekeringhouder in bagageruimte
175
PTC-element luchtvoorverwarming*
100
08
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
361
08 Onderhoud en service
Zekeringen
08
362
Functie
A
Functie
A
Hoofdzekering voor centrale
elektronicamodule (CEM) met
zekeringhouder B onder dashboardkastje
50
Hulpaccu
70
Centrale elektronicamodule
(CEM) (referentiespanning hulpaccu)
15
Hoofdzekering voor relais- en
zekeringhouder in passagiersruimte met zekeringhouder A
onder dashboardkastje
60
Hoofdzekering voor relais- en
zekeringhouder in passagiersruimte met zekeringhouder A
onder dashboardkastje
60
Hoofdzekering voor relais- en
zekeringhouder in bagageruimte
60
Interieurventilator
40
-
-
-
-
Bedieningsmagneet startmotor
30
Interne diode
50
08 Onderhoud en service
Verzorging
Auto wassen
BELANGRIJK
Was de auto zodra deze vuil geworden is. Zorg
dat de auto op een spoelvloer met olieafscheider staat. Gebruik autoshampoo.
Vuile koplampen werken minder goed.
Maak ze daarom regelmatig schoon, tijdens
het tanken bijvoorbeeld.
• Verwijder vogelpoep zo spoedig mogelijk
van de lak. Vogelpoep bevat namelijk stoffen die de lak aantasten en deze zeer snel
doen verkleuren. U wordt geadviseerd een
dergelijke verkleuring te laten herstellen
door een erkende Volvo-werkplaats.
N.B.
Bij de externe verlichting zoals de koplampen, mistlampen en achterlichten kan tijdelijk condens optreden aan de binnenkant
van het lampglas. Dit is een natuurlijk verschijnsel en alle externe verlichting is erop
gebouwd om dit zoveel mogelijk te voorkomen. Condens verdwijnt normaal uit het
lamphuis, wanneer de lamp enige tijd
brandt.
• Spoel het onderstel af.
• Spoel de auto in zijn geheel af om het vuil
los te weken. Spuit niet rechtstreeks in de
richting van de sloten.
• Was de auto met een spons, autoshampoo
zeepoplossing of autoshampoo.
•
Gebruik een koud ontvettingsmiddel voor
hardnekkig vuil.
• Droog de auto af met een schoon en zacht
stuk zeemleer of een trekker.
In een automatische wasstraat kunt u de auto
weliswaar snel en eenvoudig schoonmaken,
maar de borstels van de wasstraat kunnen niet
overal even goed bij. Voor het beste resultaat
wordt u geadviseerd de auto met de hand te
wassen.
N.B.
U wordt geadviseerd de eerste maanden na
aankoop van een nieuwe auto deze alleen
met de hand te wassen. Een nieuwe laklaag
is namelijk kwetsbaarder dan een oude
laag.
Hogedrukreinigers
en een ruime hoeveelheid lauw water.
• Reinig de wisserbladen met een lauwe
Automatische wasstraten
Wisserbladen schoonmaken
Door teer-, stof- en zoutresten op de wisserbladen en insecten, ijs e.d. op de voorruit gaan
wisserbladen minder lang mee.
Bij het reinigen:
Let er bij gebruik van een hogedrukreiniger op
dat u cirkelende bewegingen maakt en de
spuitkop op minstens 30 cm afstand van de
auto houdt (geldt voor alle exterieuronderdelen). Spuit niet rechtstreeks in de richting van
de sloten.
Zet de wisserbladen in de servicestand, zie
pagina 345.
WAARSCHUWING
Laat het schoonmaken van de motor altijd
over aan een werkplaats. Als de motor heet
is, bestaat er gevaar voor brand.
N.B.
Reinig de wisserbladen en voorruit regelmatig met een lauw sopje of autoshampoo.
08
Gebruik geen sterke oplosmiddelen.
``
363
08 Onderhoud en service
Verzorging
Remmen testen
WAARSCHUWING
Test na het wassen van de auto altijd de
remmen (en dus ook de handrem) om te
voorkomen dat vocht en corrosie de remblokken aantasten, waardoor de remwerking afneemt.
Trap zo nu en dan lichtjes op het rempedaal,
als u lange afstanden in de regen of sneeuwmodder aflegt. Door de wrijving worden de
remblokken warm, zodat het vocht verdampt.
Doe hetzelfde bij zeer vochtig of koud weer.
Kunststof en rubber sieronderdelen
exterieur
Voor het schoonmaken en verzorgen van
gekleurde kunststof onderdelen, rubber onderdelen en sieronderdelen zoals glimmende
strips, wordt geadviseerd het speciale reinigingsmiddel te gebruiken dat bij de Volvowerkplaats verkrijgbaar is. Volg bij het gebruik
van dit reinigingsmiddel de gebruiksvoorschriften nauwkeurig op.
08
364
BELANGRIJK
Onderdelen van kunststof en rubber niet in
de was zetten of oppoetsen.
Bij gebruik van ontvetters op kunststof en
rubber onderdelen waar nodig alleen voorzichtig wrijven. Gebruik een zachte schoonmaakspons.
Bij het poetsen van glimmende strips kunt u
de glimmende deklaag beschadigen of verwijderen.
Gebruik geen schurende poetsmiddelen.
Velgen
Gebruik alleen de velgreinigingsmiddelen die
Volvo adviseert.
Sterke velgreinigingsmiddelen kunnen het
oppervlak beschadigen en vlekken veroorzaken op verchroomde lichtmetalen velgen.
Poetsen en in de was zetten
Poets de auto en zet deze in de was, wanneer
de lak er dof uitziet of als u deze extra bescherming wilt bieden.
U hoeft een nieuwe auto pas na een jaar te
poetsen. In de was zetten kunt u eerder doen.
Zorg dat de auto bij het poetsen of in de was
zetten niet in direct zonlicht staat.
Was de auto en droog deze zorgvuldig af, voordat u begint te poetsen of de was aanbrengt.
Verwijder asfalt- en teervlekken met een teerverwijderaar of terpentine. U kunt hardnekkige
vlekken met een speciaal voor autolak
bestemde, fijne schuurpasta (“rubbing compound”) verwijderen.
Poets de lak eerst op en behandel deze daarna
met was in vloeibare of vaste vorm. Volg de
aanwijzingen op de verpakking nauwkeurig op.
Veel preparaten bevatten zowel poetsmiddel
als was.
BELANGRIJK
Alleen lakbehandelingen uitvoeren die door
Volvo geadviseerd worden. Andere behandelingen zoals lakconservering, verzegeling, bescherming, glansverzegeling e.d.
kunnen lakschade veroorzaken. Lakschade
als gevolg van dergelijke behandelingen valt
niet onder de Volvo-garantie.
08 Onderhoud en service
Verzorging
Waterafstotende laag*
Gebruik nooit producten zoals autowas, ontvetters e.d. op het glasoppervlak, omdat de waterafstotende laag daardoor beschadigd kan raken.
Wees voorzichtig bij het schoonmaken om te
voorkomen dat er krassen in het glasoppervlak
ontstaan.
Om schade aan het glas te voorkomen dient u
voor het verwijderen van ijs alleen een krabber
van kunststof te gebruiken.
De waterafstotende laag staat bloot aan
natuurlijke slijtage.
Om de waterafstotende eigenschappen te
behouden, wordt geadviseerd de behandeling
te vernieuwen met een nabehandelingsmiddel
dat verkrijgbaar is bij een erkende Volvo-werkplaats. Gebruik het middel de eerste keer na
drie jaar en daarna ieder jaar.
Roestwering, controleren en
onderhouden
De auto heeft in de fabriek een uiterst grondige
en complete roestwerende behandeling ondergaan. De carrosserie bestaat ten dele uit gegalvaniseerd plaatwerk. Het onderstel is voorzien
van een slijtvaste bodembescherming. In de
balken, holten en gesloten profielen werd een
dunne, doordringende roestwerende vloeistof
gespoten.
De roestwering van de auto hoeft normaal
gesproken pas na ca. 12 jaar voor het eerst te
worden nabehandeld. De auto moet daarna om
de drie jaar een nabehandeling ondergaan. U
wordt geadviseerd om contact op te nemen
met een erkende Volvo-werkplaats, als de auto
een nabehandeling nodig heeft.
Vuil en strooizout kunnen aanleiding geven tot
corrosie. Het is daarom belangrijk de auto
schoon te houden. Om de roestwering van de
auto in optimale staat te houden moet u de
beschermingslaag regelmatig controleren en
zo nodig bijwerken.
Interieur reinigen
Gebruik alleen reinigingsmiddelen en autoverzorgingsproducten die door Volvo geadviseerd
worden. Maak de bekleding regelmatig schoon
en volg daarbij de gebruiksaanwijzingen bij het
autoverzorgingsproduct op.
Het is belangrijk te stofzuigen voordat u een
reinigingsmiddel gebruikt.
Matten en bagageruimte
Haal de inlegmatten uit de auto om de vloerbekleding en de inlegmatten ieder apart
schoon te kunnen maken. Gebruik een stofzuiger om vuil en stof te verwijderen.
Elk van beide inlegmatten zit met pennen vast.
Pak de inlegmat bij elk van beide pennen
vast en til de mat recht omhoog.
Breng de inlegmat aan door deze bij beide
pennen vast te drukken.
WAARSCHUWING
Controleer voordat u wegrijdt of de inlegmat
voor de bestuurdersstoel goed ligt en aan
de pennen vastzit zodat hij niet naast of
onder de pedalen klem kan komen te zitten.
Voor vlekken op de vloermat wordt geadviseerd het speciale reinigingsmiddel voor stoffen bekleding te gebruiken nadat u hebt gestofzuigd. U dient vloermatten te reinigen met de
door uw Volvo-dealer geadviseerde producten!
Vlekken op stoffen bekleding en
plafondbekleding
Om de brandvertragende eigenschappen van
de bekleding niet aan te tasten wordt geadviseerd een speciaal reinigingsmiddel voor stoffen bekleding te gebruiken dat verkrijgbaar is
bij erkende Volvo-werkplaatsen.
BELANGRIJK
08
Scherpe voorwerpen en klittenband kunnen
de stoffen bekleding beschadigen.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
365
08 Onderhoud en service
Verzorging
Behandeling van vlekken op leren
bekleding
De leren bekleding van Volvo is chroomvrij en
is behandeld om de bekleding in oorspronkelijke staat te bewaren.
Naarmate leren bekleding ouder wordt, krijgt
het een fraai patina. Het leer wordt veredeld en
bewerkt zodat het zijn natuurlijke eigenschappen houdt. Het leer is voorzien van een
beschermende toplaag, maar om de goede
eigenschappen en het fraaie uiterlijk te behouden is regelmatige verzorging van het leer vereist. Volvo biedt een universeel leerverzorgingsproduct waarmee u leren bekleding kunt
schoonmaken en de beschermende laag kunt
herstellen, mits u de instructies opvolgt. Na
enig tijd in gebruikt te zijn geweest krijgt het
leer zijn natuurlijke patina, afhankelijk van de
oppervlaktestructuur. Een dergelijk patina
maakt deel van het natuurlijke verouderingsproces van het leer en geeft aan dat het om een
natuurproduct gaat.
Voor de beste resultaten adviseert Volvo eenà viermaal per jaar (zo nodig vaker) beschermende crème op te brengen. De Volvo Leather
Care-set is verkrijgbaar bij de Volvo-dealer.
08
366
BELANGRIJK
•
2. Laat het leer 20 minuten drogen alvorens
erop plaats te nemen.
Sommige geverfde kledingstukken
(zoals spijkerbroeken en suède kleding)
kunnen afgeven en voor verkleuring van
de bekleding zorgen.
Daarmee is het leer beter beschermd tegen
vlekken en uv-straling.
•
Gebruik nooit sterke oplosmiddelen.
Dergelijke middelen kunnen bekleding
van textiel, vinyl en leer beschadigen.
Reinigingsvoorschriften voor leren
stuurwiel
• Verwijder vuil en stof met een ietwat vochtige spons en een neutrale zeepoplossing.
• Leer moet kunnen ademen. Dek het leren
stuurwiel nooit af met kunststof bescherming.
Reinigingsvoorschriften voor leren
bekleding
1. Breng een weinig van het leerreinigingsproduct op een vochtige spons aan en
knijp erin om een dikke laag schuim te krijgen.
• Gebruik natuurlijke oliën. Voor het beste
2. Behandel de vlek voorzichtig met cirkelende bewegingen.
Groep 1 (inkt, wijn, koffie, melk, zweet en
bloed)
3. Dep de vlek zorgvuldig met de spons. Laat
de vlek in de spons trekken. Wrijf niet.
4. Veeg het behandelde gebied met een stuk
zacht papier of een doek af en laat het leer
volledig drogen.
Beschermende laag aanbrengen op
leren bekleding
1. Breng wat van de beschermende crème op
de vilten doek aan en wrijf de crème in cirkelende bewegingen voorzichtig in het
leer.
resultaat wordt geadviseerd het leerverzorgingsmiddel van Volvo te gebruiken.
Bij vlekken op het stuurwiel:
Gebruik een zachte doek of spons. Neem
een ammoniaoplossing in een concentratie
van 5 %. (Gebruik voor bloedvlekken een
oplossing van 2 dl water en 25 g zout.)
Groep 2 (vet, olie, saus en chocolade)
1. Dezelfde procedure als voor groep I.
2. Dep met een absorberende papieren of
stoffen doek.
08 Onderhoud en service
Verzorging
Groep 3 (vuil, stof in droge vorm)
Geringe lakschade herstellen
1. Gebruik een zachte borstel om het vuil te
verwijderen.
De lak vormt een belangrijk onderdeel van de
roestwering van de auto en moet daarom
regelmatig worden gecontroleerd. Om roestvorming te voorkomen moet u lakschade direct
herstellen. De meest voorkomende soorten
lakschade zijn bijvoorbeeld steenslagplekken,
krassen en plekjes op de spatbordranden en
portieren.
Behandeling van vlekken op
interieuronderdelen van kunststof,
metaal en hout
Voor het reinigen van interieuronderdelen en panelen van kunststof worden met water
bevochtigde splitfiber- of microvezeldoeken
geadviseerd, die verkrijgbaar zijn bij een
erkende Volvo-werkplaats.
Krab of wrijf nooit over een vlek. Gebruik nooit
sterke vlekkenmiddelen. Voor de hardnekkige
vlekken kunt u een speciaal reinigingsmiddel
gebruiken dat verkrijgbaar is bij de erkende
Volvo-werkplaats.
Steenslagschade herstellen
Benodigdheden
• grondlak (primer) in een bus
• spuitbus of bijwerkpen1
• afplaktape
Kleurcode
G021832
2. Dezelfde procedure als voor groep I.
Het is belangrijk dat u de juiste lakkleur
gebruikt. Voor de positie van de productsticker, zie pagina 372.
Vóór het herstel van lakschade moet u de auto
schoonmaken en goed laten drogen. Zorg er
bovendien voor dat de auto warmer is dan
15 °C.
Veiligheidsgordel schoonmaken
Gebruik water en een synthetisch wasmiddel
en in het bijzonder het textielreinigingsmiddel
dat bij de erkende Volvo-werkplaats verkrijgbaar is. Zorg dat de gordel droog is, voordat
deze weer wordt opgerold.
1. Plak een stuk afplaktape over het beschadigde gebied heen. Trek de tape weer van
de lak af om zoveel mogelijk lakresten te
verwijderen.
2. Roer de grondlak (primer) zorgvuldig om en
breng deze met een fijn kwastje of een luciKleurcode van de auto
1
08
Volg de aanwijzingen die bij de verpakking van de bijwerkpen werden geleverd.
``
367
08 Onderhoud en service
Verzorging
fer aan. Breng de lak met een kwastje aan,
wanneer de primer droog is.
3. Krassen kunt u op dezelfde manier herstellen, maar dek ter bescherming de onbeschadigde lak rond de kras af.
4. Poets de herstelde lak na enkele dagen op.
Gebruik daarvoor een zachte doek met een
geringe hoeveelheid schuurpasta.
N.B.
Als de steenslagplek niet tot op het blanke
plaatwerk is doorgedrongen en er nog een
intacte laklaag over is, volstaat het om na
reiniging van het beschadigde gebied de
ontbrekende lak aan te brengen.
08
368
08 Onderhoud en service
08
369
Type-aanduidingen...............................................................................
Maten en gewichten..............................................................................
Motorspecificaties.................................................................................
Motorolie...............................................................................................
Vloeistoffen en smeermiddelen.............................................................
Brandstof..............................................................................................
Wielen en banden, maten en spanning ................................................
Elektrisch systeem................................................................................
Typegoedkeuring..................................................................................
Displaysymbolen...................................................................................
370
372
374
378
380
382
384
387
390
391
403
SPECIFICATIES
09 Specificaties
09
Type-aanduidingen
Positie van stickers en plaatjes
372
09 Specificaties
Type-aanduidingen
Wanneer u contact opneemt met uw erkende
Volvo-werkplaats of vervangende onderdelen
of accessoires wilt bestellen, kan het handig
zijn om de type-aanduiding, het chassisnummer en het motornummer bij de hand te hebben.
Type-aanduiding, chassisnummer, maximaal toelaatbaar gewicht, kleurcodes voor
lak en bekleding en typegoedkeuringsnummer. Bij het openen van het rechter
achtportier is de sticker zichtbaar.
09
N.B.
Het is mogelijk dat de stickers die in de
instructieboek staan geen exacte kopieën
zijn van de stickers die in de auto zitten. Ze
dienen alleen om aan te geven hoe de stickers er bij benadering uitzien en waar ze
ongeveer zitten. De informatie die voor uw
auto geldt staat op de desbetreffende stickers in/op uw auto.
Sticker voor standverwarming.
Motorcode, onderdeel- en serienummer.
Sticker voor motorolie.
Type-aanduiding en serienummer van de
versnellingsbak.
Handgeschakelde versnellingsbak
Automatische versnellingsbak
Identificatienummer van de auto (VIN,
Vehicle Identification Number)
De typegoedkeuring van de auto bevat meer
informatie over de auto.
373
09 Specificaties
09
Maten en gewichten
Maten
Maten
A
B
C
374
Wielbasis
Lengte
Laadlengte, vloer, achterbank
neergeklapt
D
Laadlengte, vloer
E
Hoogte
F
Laadhoogte
mm
2776
Maten
G
Spoorbreedte vooras
4628
H
Spoorbreedte achteras
1749
978
1484
658
mm
1588A
1578B
1585A
1575B
I
Laadbreedte, vloer
1082
J
Breedte
1865
A
B
Maten
mm
K
Breedte incl. buitenspiegels
2097
L
Breedte incl. ingeklapte buitenspiegels
1899
met 16"-wielen
met 17"-wielen
09 Specificaties
Maten en gewichten
Gewichten
Inbegrepen bij het rijklaar gewicht zijn het
gewicht van de bestuurder, dat van de brandstoftank die voor 90 % gevuld is en dat van de
resterende oliën/vloeistoffen.
Het gewicht van de passagiers en de gemonteerde accessoires alsmede de kogeldruk (bij
gebruik van een aanhanger (zie tabel op pagina
376)) zijn van invloed op het laadvermogen en
zijn niet inbegrepen bij het rijklaar gewicht.
Toelaatbare maximumbelading = totaalgewicht – rijklaar gewicht.
09
N.B.
Het gedocumenteerde rijklaar gewicht geldt
voor een auto in standaarduitvoering –
d.w.z. een auto zonder extra uitrusting of
accessoires. Dit betekent dat voor ieder
accessoire dat wordt toegevoegd het laadvermogen van de auto met het gewicht van
het desbetreffende accessoire moet worden verminderd.
Voorbeelden van accessoires die een vermindering van het laadvermogen betekenen
zijn auto’s in de uitvoeringen Kinetic,
Momentum en Summum alsmede zaken als
trekhaken, lastdragers, skiboxen, audiosystemen, verstralers, gps-systemen, brandstofkachels, veiligheidsrekken, matten,
bagagerolhoezen/-afdekkingen, elektrisch
bediende stoelen, etc.
Een weegbrug is een betrouwbaar instrument om het rijklaar gewicht voor uw auto
te bepalen.
Voor informatie over de positie van de sticker, zie
pagina 372.
Max. totaalgewicht
Max. treingewicht (auto + aanhanger)
Max. voorasdruk
Max. achterasdruk
Uitrustingsniveau
WAARSCHUWING
Afhankelijk van de belading van de auto en
het zwaartepunt van de lading treden er wijzigingen in de rijeigenschappen op.
Max. belasting: Zie typegoedkeuring.
Max. dakbelasting: 75 kg.
``
375
09 Specificaties
09
Maten en gewichten
Trekgewicht en kogeldruk
Motor
Versnellingsbak
Max. gewicht geremde aanhanger (kg)
Max. kogeldruk (kg)
T3A
Handbak, MMT6
1600
75
T4A
Handbak, MMT6
1600
75
T4A
Automaat, MPS6
1600
75
T4F
Handbak, MMT6
1600
75
T4F
Automaat, MPS6
1600
75
T5
Handbak, MMT6
1800
90
T5
Automaat, MPS6
1800
90
T6 AWD
Automaat, TF-80SC
1800
90
DRIVe
Handbak, MMT6
1300
75
D3
Handbak, M66
1600
75
D3
Automaat, TF-80SCB
1600
75
(Zonder Start/Stop)
D5
Handbak, M66
1600
75
D5
Automaat, TF-80SC
1800
90
D5 AWD
Automaat, TF-80SC
1800
90
A:DRIVe voor bepaalde markten.
B:Zonder Start/Stop.
376
09 Specificaties
Maten en gewichten
Max. gewicht ongeremde aanhanger (kg)
750
09
Max. kogeldruk (kg)
50
377
09 Specificaties
09
Motorspecificaties
Motorspecificaties
N.B.
Niet alle motoren zijn verkrijgbaar op alle
markten.
MotorcodeA
Vermogen
(kW bij
omw/min)
Vermogen
(pk bij
omw/min)
Motorkoppel (Nm bij
omw/min)
Aantal
cilinders
Cilinderboring
(mm)
Slaglengte
(mm)
Slagvolume (liter)
Compressieverhouding
T3B
B4164T3
110/5700
150/5700
240/1600–
4000
4
79
81,4
1,596
10,0:1
T4B
B4164T
132/5700
180/5700
240/1600–
5000
4
79
81,4
1,596
10,0:1
T4F
B4164T2
132/5700
180/5700
240/1600–
5000
4
79
81,4
1,596
10,0:1
T5
B4204T7
177/5500
240/5500
320/1800–
5000
4
87,5
83,1
1,999
10,0:1
T6
B6304T4
224/5600
304/5600
440/2100–
4200
6
82,0
93,2
2,953
9,3:1
DRIVe
D4162T
84/3600
115/3600
270/1750–
2500
4
75
88,3
1,560
16,0:1
D3
D5204T3
120/3500
163/3500
400/1500–
2750
5
81,0
77
1,984
16,5:1
Motor
378
09 Specificaties
Motorspecificaties
MotorcodeA
Vermogen
(kW bij
omw/min)
Vermogen
(pk bij
omw/min)
Motorkoppel (Nm bij
omw/min)
Aantal
cilinders
Cilinderboring
(mm)
Slaglengte
(mm)
Slagvolume (liter)
Compressieverhouding
D5
D5244T11C
158/4000
215/4000
420/1500–
3250
5
81,0
93,2
2,400
16,5:1
D5
D5244T15D
158/4000
215/4000
440/1500–
3000
5
81,0
93,2
2,400
16,5:1
Motor
A
B
C
D
09
Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op de motor, zie pagina 372.
DRIVe voor bepaalde markten.
Handgeschakelde versnellingsbak
Automatische versnellingsbak
379
09 Specificaties
09
Motorolie
Ongunstige rijomstandigheden
In ongunstige rijomstandigheden kunnen de
olietemperatuur en het olieverbruik abnormaal
toenemen. Hier volgen enkele voorbeelden van
ongunstige rijomstandigheden.
Controleer het oliepeil vaker bij lange ritten:
• met een caravan of aanhanger achter de
auto
• in bergachtig gebied
• op hoge snelheden
• in temperaturen lager dan –30 °C of hoger
dan +40 °C
Het bovenstaande geldt ook tijdens kortere ritten bij lage temperaturen.
Kies een volsynthetische motorolie bij ongunstige rijomstandigheden. Ze bieden de motor
extra bescherming.
Volvo adviseert olieproducten van Castrol.
BELANGRIJK
Om aan de vereisten voor de gespecificeerde service-intervallen te voldoen worden alle motoren in de fabriek gevuld met
een speciaal aangepaste, synthetische
motorolie. De oliesoort werd met grote zorg
geselecteerd lettend op de levensduur van
de motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact.
Om de aanbevolen service-intervallen aan
te kunnen houden dient u een goedgekeurde motoroliesoort te gebruiken.
Gebruik alleen een oliesoort van de voorgeschreven kwaliteit en dat zowel bij het bijvullen als bij verversen van olie. Een negatieve invloed op de levensduur van de
motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact is anders niet
uitgesloten.
Volvo Car Corporation wijst alle garantieclaims af bij gebruik van een motoroliesoort
die niet voldoet aan de voorgeschreven
kwaliteits- en viscositeitseisen.
Volvo adviseert de olie in een erkende
Volvo-werkplaats te laten verversen.
380
09 Specificaties
Motorolie
09
Motoroliekwaliteit
Motor
Motorcode
Aanbevolen oliekwaliteit
Hoeveelheid, incl. oliefilter
(liter)
T6
B6304T4
Oliekwaliteit: ACEA A5/B5
ca 6,8
D3
D5204T3
Viscositeit: SAE 0W-30
ca 5,9
D5
D5244T11A
ca 5,9
D5
D5244T15B
ca 5,9
T5
B4204T7
Oliekwaliteit: ACEA A5/B5
ca 5,4
Viscositeit: SAE 5W-30
DRIVe
D4162T
T3C
B4164T3
In de fabriek bijgevulde en gecertificeerde olie: Oliekwaliteit WSS-M2C925-A
ca 4,1
B4164T
alternatief tijdens servicebeurt:
ca 4,1
T4C
Bij ritten onder ongunstige omstandigheden ACEA A5/B5 SAE 0W-30 gebruiken.
ca 3,8
Oliekwaliteit: ACEA A5/B5
T4F
A
B
C
B4164T2
Viscositeit: SAE 5W-30
ca 4,1
Handgeschakelde versnellingsbak
Automatische versnellingsbak
DRIVe voor bepaalde markten.
Voor het bijvullen van motorolie, zie
pagina 333.
381
09 Specificaties
09
Vloeistoffen en smeermiddelen
Overige vloeistoffen en smeermiddelen
Handgeschakelde versnellingsbak
Hoeveelheid (liter)
MMT6
1,7
M66
1,9
Voorgeschreven versnellingsbakolie
BOT 350M3
Automatische versnellingsbak
Voorgeschreven versnellingsbakolie
MPS6
7,3
BOT 341
TF-80SC
7,0
AW1
Vloeistof
Systeem
Koelvloeistof
T5
Hoeveelheid
(liter)
T3B,
Voorgeschreven kwaliteit
10,5
T6, D3 en D5
382
Hoeveelheid (liter)
T4B, C
en
8,9
T4FC
9,2
T4B, D en T4FD
9,8
DRIVe
10,5
Remvloeistof
Remsysteem
0,6
Stuurbekrachtigingsvloeistof
Stuurbekrachtiging
–
Door Volvo aanbevolen koelvloeistof aangelengd met 50 % waterA, zie verpakking.
DOT 4+
WSS M2C204-A2 of een vergelijkbaar product.
09 Specificaties
Vloeistoffen en smeermiddelen
Vloeistof
Systeem
Ruitensproeiervloeistof
Auto’s met koplampsproeiers
5,4
Auto’s zonder koplampsproeiers
4,0
Brandstof
A
B
C
D
Hoeveelheid
(liter)
09
Voorgeschreven kwaliteit
Door Volvo aanbevolen ruitensproeier-antivries aangelengd met water.
Benzinemotor
ca. 67
Benzine: zie pagina 293
Dieselmotor
ca. 67
Dieselolie: zie pagina 293
De waterkwaliteit dient te voldoen aan de norm STD 1285,1.
DRIVe voor bepaalde markten.
Handgeschakelde versnellingsbak
Automatische versnellingsbak
N.B.
Onder normale rijomstandigheden hoeft u
de versnellingsbakolie nooit te verversen.
Onder ongunstige rijomstandigheden moet
de olie mogelijk wel worden ververst, zie
pagina 382.
383
09 Specificaties
09
Brandstof
CO2-uitstoot en brandstofverbruik
A
384
B
C
T3A
200
8,6
129
5,6
155
6,7
T4FB
219 (212C)
9,5 (12,9C)
129 (124C)
5,6 (7,5C)
162 (156C)
7,0 (9,5C)
T4FB
238 (223C)
10,2 (13,6C)
135 (135C)
5,8 (8,2C)
173 (167C)
7,5 (10,2C)
T4A
200
8,6
129
5,6
155
6,7
T4A
238
10,2
135
5,8
173
7,5
T5
263
11,3
147
6,3
189
8,1
T5
262
11,3
154
6,6
194
8,3
T6 AWD
346
14,8
175
7,5
237
10,2
DRIVe
137
5,2
109
4,1
119
4,5
D3
167
6,4
112
4,3
132
5,1
09 Specificaties
Brandstof
A
A
B
C
D
C
D3D
214
8,1
127
4,8
159
6,0
D5
157
6,0
112
4,3
129
4,9
D5
221
8,5
128
4,9
162
6,2
D5 AWD
226
8,6
137
5,2
169
6,4
DRIVe voor bepaalde markten.
FlexiFuel-motoren kunnen op zowel loodvrije benzine (95 RON) als op bio-ethanol (E85) rijden. Beide brandstofsoorten worden in de gemeenschappelijke brandstoftank bijgevuld, wat betekent dat
alle mogelijke mengverhoudingen tussen de beide brandstofsoorten zijn toegestaan. Voor meer informatie, zie pagina 123.
E85
Zonder Start/Stop.
: gram/km
: liter/100 km
A = stadsverkeer
B = snelwegrit
1
B
09
C = combinatierit
N.B.
Als de gegevens over brandstofverbruik en
emissie ontbreken, staan deze in het bijgeleverde supplement.
Brandstofverbruik en uitstoot van
kooldioxide
De brandstofverbruiks- en emissiewaarden in
de bovenstaande tabel zijn gebaseerd op speciale EU-rijcycli1, die gelden voor een auto met
rijklaar gewicht in standaarduitvoering zonder
extra uitrusting. Afhankelijk van de uitrusting
De officiële brandstofverbruikscijfers zijn gebaseerd op twee gestandaardiseerde rijcycli in laboratoriummilieu (“EU-rijcycli”) conform de EU-richtlijn 80/1268/EEC (Euro 4), EU Regulation no 692/2008
(Euro 5) alsmede UN ECE Regulation no 101. Deze richtlijnen bevatten informatie over de rijcycli stadsverkeer en snelwegrit. - Stadsverkeer – de meting begint met een koude start van de motor.
Het betreft hier een gesimuleerde rit. - Snelwegrit - de auto moet optrekken en afremmen bij snelheden van 0–120 km/h. Het betreft hier een gesimuleerde rit. – Bij een auto met motortype D5 of
DRIVe in combinatie met een zestraps handbak geldt de 2e versnelling als wegrijversnelling. De waarde voor combinatierit, die in de tabel staat, is zoals wettelijk bepaald werd een combinatie van
een stadsrit en een snelwegrit. CO2-uitstoot - om de uitstoot van kooldioxide te berekenen tijdens de twee rijcycli worden alle uitlaatgassen opgevangen. Deze worden vervolgens geanalyseerd en
leiden tot de gespecificeerde waarde voor de CO2-uitstoot.
``
385
09 Specificaties
Brandstof
09
neemt het autogewicht toe. Dit alsook de mate
van belading van de auto zorgt voor een verhoging van het brandstofverbruik en de uitstoot van kooldioxide.
Er zijn meerdere oorzaken aan te geven voor
een verhoogd brandstofverbruik ten opzichte
van de tabelwaarden. Daarbij valt te denken
aan factoren als:
• Uw rijstijl.
• De grotere rolweerstand als u kiest voor
van de auto en waarop de verbruikscijfers in de
tabel gebaseerd zijn.
Waar u op moet letten
Tips voor de bestuurder om het brandstofverbruik te beperken:
• Rijd rustig en voorkom onnodig optrekken
en krachtig remmen.
• Houd de juiste bandenspanning aan en
grotere wielen dan de standaardwielen op
de basisuitvoering van het model.
controleer regelmatig of dat nog steeds zo
is – houd voor de beste resultaten de zogeheten ECO-bandenspanning aan, zie de
bandenspanningstabel op pagina 387.
• De grotere luchtweerstand bij hogere snel-
• De bandenkeuze is mogelijk van invloed op
heden.
• De brandstofkwaliteit, de weg- en verkeersomstandigheden, de weersgesteldheid en de staat van de auto.
Ook wanneer u slechts enkele van de hier
genoemde tips opvolgt, is al een aanzienlijk
lager brandstofverbruik mogelijk. Raadpleeg
voor meer informatie de richtlijnen waar eerder
aan gerefereerd werd1.
het brandstofverbruik – informeer bij uw
dealer naar passende banden.
Voor meer informatie en tips zie pagina 14 en
288.
Zie pagina 292 voor meer algemene informatie
over brandstof.
Er zijn grote afwijkingen in het brandstofverbruik mogelijk bij een vergelijking met de EUrijcycli1 die gehanteerd worden bij certificering
1
386
De officiële brandstofverbruikscijfers zijn gebaseerd op twee gestandaardiseerde rijcycli in laboratoriummilieu (“EU-rijcycli”) conform de EU-richtlijn 80/1268/EEC (Euro 4), EU Regulation no 692/2008
(Euro 5) alsmede UN ECE Regulation no 101. Deze richtlijnen bevatten informatie over de rijcycli stadsverkeer en snelwegrit. - Stadsverkeer – de meting begint met een koude start van de motor.
Het betreft hier een gesimuleerde rit. - Snelwegrit - de auto moet optrekken en afremmen bij snelheden van 0–120 km/h. Het betreft hier een gesimuleerde rit. – Bij een auto met motortype D5 of
DRIVe in combinatie met een zestraps handbak geldt de 2e versnelling als wegrijversnelling. De waarde voor combinatierit, die in de tabel staat, is zoals wettelijk bepaald werd een combinatie van
een stadsrit en een snelwegrit. CO2-uitstoot - om de uitstoot van kooldioxide te berekenen tijdens de twee rijcycli worden alle uitlaatgassen opgevangen. Deze worden vervolgens geanalyseerd en
leiden tot de gespecificeerde waarde voor de CO2-uitstoot.
09 Specificaties
Wielen en banden, maten en spanning
09
Goedgekeurde
bandenspanningswaarden
N.B.
Alle motoren, banden of combinaties daarvan zijn niet altijd beschikbaar op alle markten.
Motor
Bandenmaat
Snelheid
(km/h)
205/60 R 16
Belading, 1–3 inzittenden
Max. belading
ECO-bandenspanningA
Voor
Achter
Voor
Achter
Voor/achter
(kPa)B
(kPa)
(kPa)
(kPa)
(kPa)
Tot 160
230
230
260
260
260
160 +
260
240
280
260
-
Tot 160
230
230
260
260
260
160 +
260
260
280
280
-
215/55 R 16
T3
T4
T4F
215/50 R 17
235/45 R 17
235/40 R 18
DRIVe
235/45 R 17 SST
``
387
09 Specificaties
09
Wielen en banden, maten en spanning
Motor
Bandenmaat
Snelheid
(km/h)
T6
Belading, 1–3 inzittenden
Max. belading
ECO-bandenspanningA
Voor
Achter
Voor
Achter
Voor/achter
(kPa)B
(kPa)
(kPa)
(kPa)
(kPa)
215/55 R 16
Tot 160
230
230
260
260
260
235/45 R 17
160 +
280
240
300
260
-
215/50 R 17
Tot 160
240
240
260
260
260
235/40 R 18
160 +
300
240
320
280
-
Tot 160
230
230
260
260
260
160 +
280
280
300
300
-
Tot 160
230
230
260
260
260
160 +
260
240
280
260
-
Tot 160
230
230
260
260
260
160 +
260
260
280
280
-
235/45 R 17 SST
215/55 R 16
215/50 R 17
T5
D3
235/45 R 17
235/40 R 18
D5 FWD
235/45 R 17 SST
388
09 Specificaties
Wielen en banden, maten en spanning
Motor
Bandenmaat
Snelheid
(km/h)
D5 AWD
Belading, 1–3 inzittenden
Max. belading
09
ECO-bandenspanningA
Voor
Achter
Voor
Achter
Voor/achter
(kPa)B
(kPa)
(kPa)
(kPa)
(kPa)
215/55 R 16
Tot 160
230
230
260
260
260
235/45 R 17
160 +
260
240
280
260
-
215/50 R 17
Tot 160
240
240
260
260
260
235/40 R 18
160 +
280
240
300
260
-
Tot 160
230
230
260
260
260
160 +
260
260
280
280
-
max. 80
420
420
420
420
-
235/45 R 17 SST
Compact reservewiel (Temporary Spare)
A:Zuinig rijden.
B:In sommige landen wordt de bandenspanning ook wel in bar aangegeven in plaats van in pascal (1 bar = 100 kPa).
389
09 Specificaties
Elektrisch systeem
09
Elektrisch systeem
Op de auto zit een wisselstroomdynamo met
spanningsregelaar. Het elektrische systeem is
enkelpolig en gebruikt het chassis en het
motorblok als geleiders.
De accucapaciteit is afhankelijk van de uitrusting op de auto.
BELANGRIJK
Let er bij het vervangen van de accu op, dat
de nieuwe accu dezelfde koudestartcapaciteit en reservecapaciteit als de originele
accu heeft (zie sticker op de accu).
Accu
Motor
Reservecapaciteit
CCA, Cold Cranking Amperes (A)
(minuten)
12
520–800
100–160
Dieselolie
12
700–800
135–160
12
760A
135
Voor auto’s met Start/Stop-systeem dient een accu type AGM (Absorbed Glass Mat) te worden gebruikt.
N.B.
•
De grootte van de batterijbehuizing
dient overeen te komen met de afmetingen van de originele batterij.
•
De hoogte van de batterij hangt af van
de afmetingen.
Eco Start/Stop DRIVe*
Voor informatie over accu’s in auto’s met
Eco Start/Stop DRIVe, zie pagina 350.
390
Koudestartvermogen,
Benzine (ethanol)
Benzine/Diesel met Start/Stop-systeem
A
Spanning (V)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
09 Specificaties
Typegoedkeuring
Afstandsbedieningssysteem
Land
A, B, CY,
CZ, D, DK,
E, EST, F,
FIN, GB,
GR, H, I,
IRL, L, LT,
LV, M, NL,
P, PL, S,
SK, SLO
IS, LI, N,
CH
Hierbij verklaart Delphi
dat het gebruikte transpondersleutelsysteem in overeenstemming is met de essentiële
eigenschappen en overige
relevante bepalingen zoals
beschreven in de EU-richtlijn
1999/5/EG.
Radarsysteem
Land
ROK
09
Delphi 15-07-2003, Duitsland
R-LPD1-03-0151
Land
Singapore
BR
IDA: Infocomm Development
Authority of Singapore.
Brazilië
RC
CCAB06LP1940T4
HR
``
391
09 Specificaties
09
Typegoedkeuring
BluetoothŸ
Verklaring van overeenstemming (Declaration of Conformity)
Land
Landen
binnen de
EU:
Exportland: Japan
Producent: Alpine Electronics Inc.
Type uitrusting: BluetoothŸ-eenheid
Breng voor meer informatie een bezoek aan http://ec.europa.eu/enterprise/rtte/faq.htm#informing
392
09 Specificaties
Typegoedkeuring
09
Land
Tsjechië:
Alpine Electronics, Inc. tímto prohlašuje, že tento BluetoothŸ Module je ve shodě se základními požadavky a dalšími příslušnými
ustanoveními směrnice 1999/5/ES.
Denemarken:
Undertegnede Alpine Electronics, Inc. erklærer herved, at følgende udstyr BluetoothŸ Module overholder de væsentlige krav og øvrige
relevante krav i direktiv 1999/5/EF.
Duitsland:
Hiermit erklärt Alpine Electronics, Inc., dass sich das Gerät BluetoothŸ Module in Übereinstimmung mit den grundlegenden
Anforderungen und den übrigen einschlägigen Bestimmungen der Richtlinie 1999/5/EG befindet.
``
393
09 Specificaties
09
Typegoedkeuring
Land
394
Estland:
Käesolevaga kinnitab Alpine Electronics, Inc. seadme BluetoothŸ Module vastavust direktiivi 1999/5/EÜ põhinõuetele ja nimetatud
direktiivist tulenevatele teistele asjakohastele sätetele.
GrootBrittannië:
Hereby, Alpine Electronics, Inc., declares that this BluetoothŸ Module is in compliance with the essential requirements and other
relevant provisions of Directive 1999/5/EC.
Spanje:
Por medio de la presente Alpine Electronics, Inc. declara que el BluetoothŸ Module cumple con los requisitos esenciales y cualesquiera
otras disposiciones aplicables o exigibles de la Directiva 1999/5/CE.
Griekenland:
ΜΕ ΤΗΝ ΠΑΡΟΥΣΑ Alpine Electronics, Inc. ΔΗΛΩΝΕΙ ΟΤΙ BluetoothŸ Module ΣΥΜΜΟΡΦΩΝΕΤΑΙ ΠΡΟΣ ΤΙΣ ΟΥΣΙΩΔΕΙΣ ΑΠΑΙΤΗΣΕΙΣ
ΚΑΙ ΤΙΣ ΛΟΙΠΕΣ ΣΧΕΤΙΚΕΣ ΔΙΑΤΑΞΕΙΣ ΤΗΣ ΟΔΗΓΙΑΣ 1999/5/ΕΚ.
Frankrijk:
Par la présente Alpine Electronics, Inc. déclare que l'appareil BluetoothŸ Module est conforme aux exigences essentielles et aux autres
dispositions pertinentes de la directive 1999/5/CE.
Italië:
Con la presente Alpine Electronics, Inc. dichiara che questo BluetoothŸ Module è conforme ai requisiti essenziali ed alle altre
disposizioni pertinenti stabilite dalla direttiva 1999/5/CE.
Letland:
Ar šo Alpine Electronics, Inc. deklarē, ka BluetoothŸ Module atbilst Direktīvas 1999/5/EK būtiskajām prasībām un citiem ar to
saistītajiem noteikumiem.
Litouwen:
Šiuo Alpine Electronics, Inc. deklaruoja, kad šis BluetoothŸ Module atitinka esminius reikalavimus ir kitas 1999/5/EB Direktyvos
nuostatas.
Nederland:
Hierbij verklaart Alpine Electronics, Inc. dat het toestel BluetoothŸ Module in overeenstemming is met de essentiële eisen en de andere
relevante bepalingen van richtlijn 1999/5/EG.
Malta:
Hawnhekk, Alpine Electronics, Inc., jiddikjara li dan BluetoothŸ Module jikkonforma mal-ĘtiĒijiet essenzjali u ma provvedimenti oĘrajn
relevanti li hemm fid-Dirrettiva 1999/5/EC.
09 Specificaties
Typegoedkeuring
09
Land
Hongarije:
Alulírott, Alpine Electronics, Inc. nyilatkozom, hogy a BluetoothŸ Module megfelel a vonatkozó alapvetõ követelményeknek és az
1999/5/EC irányelv egyéb elõírásainak.
Polen:
Niniejszym Alpine Electronics, Inc. oświadcza, że BluetoothŸ Module jest zgodny z zasadniczymi wymogami oraz pozostałymi
stosownymi postanowieniami Dyrektywy 1999/5/EC.
Portugal:
Alpine Electronics, Inc. declara que este BluetoothŸ Module está conforme com os requisitos essenciais e outras disposições da
Directiva 1999/5/CE.
Slovenië:
Alpine Electronics, Inc. izjavlja, da je ta BluetoothŸ Module v skladu z bistvenimi zahtevami in ostalimi relevantnimi določili direktive
1999/5/ES.
Slowakije:
Alpine Electronics, Inc. týmto vyhlasuje, že BluetoothŸ Module spĺňa základné požiadavky a všetky príslušné ustanovenia Smernice
1999/5/ES.
Finland:
Alpine Electronics, Inc. vakuuttaa täten että BluetoothŸ Module tyyppinen laite on direktiivin 1999/5/EY oleellisten vaatimusten ja sitä
koskevien direktiivin muiden ehtojen mukainen.
Zweden:
Härmed intygar Alpine Electronics, Inc. att denna BluetoothŸ Module står I överensstämmelse med de väsentliga egenskapskrav och
övriga relevanta bestämmelser som framgår av direktiv 1999/5/EG.
IJsland:
Hierbij verklaart Alpine Electronics, Inc. dat deze BluetoothŸ-module in overeenstemming is met de essentiële eigenschappen en
overige relevante bepalingen zoals beschreven in de EU-richtlijn 1999/5/EG.
Noorwegen:
Alpine Electronics, Inc. erklærer herved at utstyret BluetoothŸ Module er i samsvar med de grunnleggende krav og øvrige relevante
krav i direktiv 1999/5/EF.
``
395
09 Specificaties
09
Typegoedkeuring
Land
China:
㄀कϝᴵǂ䖯ষ੠⫳ѻॖଚ೼݊ѻકⱘ䇈ᯢк៪Փ⫼᠟‫ݠ‬Ёˈᑨߞॄϟ䗄᳝݇‫ݙ‬ᆍ˖
ᷛᯢ䰘ӊЁ᠔㾘ᅮⱘᡔᴃᣛᷛ੠Փ⫼㣗ೈˈ䇈ᯢ᠔᳝᥻ࠊǃ䇗ᭈঞᓔ݇ㄝՓ⫼ᮍ⊩˗
ƵՓ⫼乥⥛˖*+]
Ƶㄝᬜܼ৥䕤ᇘࡳ⥛ (,53 ˖໽㒓๲Ⲟ˘ G%L ᯊ˖싨P:៪싨G%P ǂķ
Ƶ᳔໻ࡳ⥛䈅ᆚᑺ˖໽㒓๲Ⲟ˘ G%L ᯊ˖싨G%P0+] (,53 ķ
Ƶ䕑乥ᆍ䰤˖SSP
Ƶᴖᬷথᇘ 䕤ᇘ ࡳ⥛ ᇍᑨ䕑⊶f ‫ֵס‬䘧ᏺᆑҹ໪ ˖
•
•
•
•
•
싨G%PN+] 0+]
싨G%PN+] *+]
싨G%P0+] *+]
싨G%P0+] *+]
싨G%P0+] ݊ᅗ *+]
ϡᕫ᪙㞾᳈ᬍথᇘ乥⥛ǃࡴ໻থᇘࡳ⥛ ࣙᣀ乱໪ࡴ㺙ᇘ乥ࡳ⥛ᬒ໻఼ ˈϡᕫ᪙㞾໪᥹໽㒓៪ᬍ⫼݊ᅗথᇘ໽㒓˗
Փ⫼ᯊϡᕫᇍ৘⾡ড়⊩ⱘ᮴㒓⬉䗮ֵϮࡵѻ⫳᳝ᆇᑆᡄ˗ϔᮺথ⦄᳝ᑆᡄ⦄䈵ᯊˈᑨゟे‫ذ‬ℶՓ⫼ˈᑊ䞛প᥾ᮑ⍜䰸ᑆᡄৢᮍৃ㒻㓁
Փ⫼˗
Փ⫼ᖂࡳ⥛᮴㒓⬉䆒໛ˈᖙ乏ᖡফ৘⾡᮴㒓⬉Ϯࡵⱘᑆᡄ៪ᎹϮǃ⾥ᄺঞए⭫ᑨ⫼䆒໛ⱘ䕤ᇘᑆᡄ˗
ϡᕫ೼亲ᴎ੠ᴎഎ䰘䖥Փ⫼DŽ
396
09 Specificaties
Typegoedkeuring
09
Land
Taiwan:
‫܅‬㧤෷ሽंᘿ୴ࢤሽᖲጥ෻䏺ऄรԼ㦕
รԼԲය
ᆖী‫ڤ‬ᎁᢞ‫ٽ‬௑հ‫פ܅‬෷୴᙮ሽᖲΔॺᆖ๺‫ױ‬Δֆ‫׹‬Ε೸ᇆࢨࠌ‫݁ृش‬լ൓ᖐ۞!᧢‫ޓ‬᙮෷Ε‫ף‬Օ‫פ‬෷ࢨ᧢‫଺ޓ‬๻ૠհ௽ࢤ֗‫פ‬౨Ζ
รԼ؄ය
‫פ܅‬෷୴᙮ሽᖲհࠌ‫ش‬լ൓ᐙ᥼ଆ౰‫ڜ‬٤֗եឫ‫ٽ‬ऄຏॾΙᆖ࿇෼‫ڶ‬եឫ෼ွழΔ!ᚨ‫ܛم‬ೖ‫ش‬Δࠀ‫ޏ‬࿳۟ྤեឫழֱ൓ᤉᥛࠌ‫ش‬Ζছႈ
‫ٽ‬ऄຏॾΔਐࠉሽॾऄ๵ࡳ!‫܂‬ᄐհྤᒵሽຏॾΖ‫פ܅‬෷୴᙮ሽᖲႊ‫ٽ࠹ݴ‬ऄຏॾࢨՠᄐΕઝᖂ֗᠔᛭‫ش‬ሽं!ᘿ୴ࢤሽᖲ๻ໂհեឫΖ
CCAB10LP0230T7
``
397
09 Specificaties
09
Typegoedkeuring
Land
ZuidKorea:
뇗빃뇐ꚯ
Volvo Car Korea
겛뙨녋뤏麗1,$09
뇗빃ꑀ%OXHWRRWK$XGLR1DYLJDWLRQ5DGLR
ꑣ鴳ꑀ,$0
ꩫ驛뎗0DUFK
Alpine Electronics, Inc
Made in Japan
際闘뇐ꚯ
Volvo Car Korea
ꚷꚯ녋鶔뗣뤏ꍧ껿
꫗끳겗끤ꩫ霧뼗驣 鶔ꚷꚯꠇ黤 런
ꚷꚯ녋鶔뗣際闘꫷뫫
http://www.volvocars.com/kr
ꩧ끤녋늷넓ꩧ뼨
ೇ鲴뼯ꓯꫛ꫟ꟿ鱏놿볇뿷겛閻鱠ꫬ넯녃냷ꕻꈗ넳ꑀ꼃놿隷隻ꇣ鷗꫗ꟿ걟鱏뼛ꯓ꾁거鲃鲟
398
09 Specificaties
Typegoedkeuring
09
Land
Singapore:
Verenigde
Arabische
Emiraten:
Jordanië:
The product that contains the Bluetooth module is approved with the following certification number.
BT module certification number: TRC/LPD/2010/4.
BT module name: IAM2.1BT PWB EU
``
399
09 Specificaties
09
Typegoedkeuring
Land
ZuidAfrika:
Urugay:
400
This product contains URSEC approved transmitter [module name and model name (IAM2.1 BT PWB EU + BVJG905A, BVVE905A,
BVLV905A)]
09 Specificaties
Typegoedkeuring
09
Land
Jamaica:
Approved for use in Jamaica SMA EI: IAM2.1
Thailand:
This telecommunication equipment conforms to NTC technical requirement.
Nigeria:
Mexico:
Waarschuwing
"Este equipo opera a titulo secundario, consecuentemente, debe aceptar interferencias perjudiciales incluyendo equipos de la misma
clase y puede no causar interferencias a sistemas operando a titulo primario."
BluetoothŸ module installation information
This module board is to be installed only by the professional line operator and used only for car audio produced by ALPINE ELECTRONICS, INC. When this BluetoothŸ Module Board is installed in the Car Audio, we shall consider the following points; 1. Since
“IAM2.1 BT PWB US” owns its FCC ID/IC Number, we shall affix an exterior label on the outside of the product if the FCC ID is not
visible. The exterior label shall use wording such as either “Contains Transmitter Module Board FCC ID: A269ZUA130 / IC: 700BIAM2101” or “Contains FCC ID: A269ZUA130 / IC: 700B-IAM2101”. 2. “IAM2.1 BT PWB US” complies with requirements of subsections 15.19(a)(3) in FCC Rules Part 15 Subpart C. The manual statement 15.19 (a)(3) is included User Guide of the product.
COFETEL No. RCPALIA10-0353
``
401
09 Specificaties
09
Typegoedkeuring
Land
Botswana:
Kroatië:
402
09 Specificaties
Displaysymbolen
Algemene informatie
Er worden tal van verschillende displaysymbolen gebruikt in de auto. De symbolen zijn
onderverdeeld in waarschuwings-, controleen informatiesymbolen. Hier volgt een overzicht van de meest voorkomende symbolen
met hun betekenis en een verwijzing naar de
pagina(’s) in het boek waar u meer informatie
kunt vinden. Voor meer informatie over de symbolen en displaymeldingen, zie pagina 80, 82
en 152.
Displaysymbolen
Controle- en waarschuwingssymbolen
op instrumentenpaneel
Symbool
09
Controle- en informatiesymbolen op
instrumentenpaneel
Symbool
Betekenis
Pagina
Betekenis
Pagina
Storing in ABLsysteem*
80, 95
Lage oliedruk
82
Uitlaatgasreinigingssysteem
80
Handrem
82, 142, 144
Storing in ABSsysteem
80, 141
- Rood waarschuwingssymbool dat
gaat branden, wanneer er een storing geregistreerd is die mogelijk van invloed is op de veiligheid en/of rijeigenschappen van de auto. Er
verschijnt tegelijkertijd een verklarende melding op het informatiedisplay.
Airbags SRS
21, 82
Mistachterlicht
aan
80, 96
Gordelwaarschuwing
18, 82
80, 181, 308
- Oranje informatiesymbool dat gaat
branden in combinatie met een verklarende
tekst op het informatiedisplay, wanneer er een
afwijking in een van de autosystemen is opgetreden. Het oranje informatiesymbool kan ook
gaan branden in combinatie met andere symbolen.
Dynamo
laadt niet bij
82
Stabiliteitsregeling, DSTC;
Trailer Stability
Assist
82, 141
Stabiliteitsregeling, Sportstand
80, 181
Storing in
remsysteem
21, 32, 82, 83,
130
Voorgloeifunctie motor (diesel)
80
Waarschuwing,
Safety
mode
Laag peil in
brandstoftank
80, 174
Informatie, lees
displaymelding
80
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
403
09 Specificaties
Displaysymbolen
Symbool
Betekenis
Pagina
Groot licht aan
80, 95
Richtingaanwijzers links
80
Richtingaanwijzers rechts
80
DRIVe - Start/
Stop*
80, 133, 136
Overige informatiesymbolen op
instrumentenpaneel
Symbool
404
Betekenis
Pagina
Adaptieve cruisecontrol*
183, 190,
195
Adaptieve cruisecontrol*
195
Adaptieve cruisecontrol*; afstandswaarschuwing*
(Distance Alert)
195, 198
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Symbool
Betekenis
Pagina
Adaptieve cruisecontrol*; afstandswaarschuwing*
(Distance Alert)
195, 198
Adaptieve cruisecontrol*
195
Adaptieve cruisecontrol*; afstandswaarschuwing*
(Distance Alert)
190, 197
Adaptieve cruisecontrol*; afstandswaarschuwing*
(Distance Alert)
190, 197
Adaptieve cruisecontrol*
Symbool
Betekenis
Pagina
Snelheidsbegrenzer
185
Camerasensor*;
lasersensor*
203, 210,
214, 216
Auto Brake*;
afstandswaarschuwing* (Distance Alert); City
SafetyTM; Collision
Warning*
198, 203,
210
Motor- en interieurverwarming op
brandstof*
174
190
ABL*
95
Radarsensor*
195, 198,
210
Tankvulklep
rechts
291
136, 195
Accuspanning
laag
174
Start/Stop*, adaptieve cruisecontrol*
G025102
09
09 Specificaties
Displaysymbolen
Symbool
Betekenis
Pagina
Handrem
144
Regensensor*
09
Informatiesymbolen op display
plafondconsole
Symbool
Betekenis
Pagina
Gordelwaarschuwing
20
104
213
Airbag passagiersstoel, geactiveerd
24, 25
Driver Alert System*
214, 216
Airbag passagiersstoel, gedeactiveerd
25
Driver Alert System*; Lane Departure Warning*
Driver Alert System*; Lane Departure Warning*
216
Driver Alert System*; Tijd voor
pauze
214
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
405
10 Alfabetisch register
A
10
Actieve xenonkoplampen.......................... 95
Adaptatie................................................. 123
Aanbevolen veiligheidzitjes, tabel.............. 35
Aanhanger...............................................
kabel...................................................
pendelbeweging.................................
rijden met een aanhanger...................
302
302
307
302
Aanpassen, lichtbundel............................. 99
Aanrijding................................................... 32
Aanstekeropening.................................... 230
ACC – Adaptieve cruisecontrol................ 187
ACC gedeactiveerd.................................. 183
Accu................................................. 347, 390
onderhoud.......................................... 347
starten met hulpaccu.......................... 124
symbolen op de accu......................... 348
transpondersleutel/PCC....................... 56
waarschuwingssymbolen................... 348
Achterklep
vergrendelen/ontgrendelen.................. 64
Achterruit, elektrische verwarming.......... 110
Achteruitkijkspiegel.................................. 110
autodimfunctie.................................... 111
Actief chassis (FOUR-C).......................... 182
Actieve koplampen (ABL).......................... 95
406
Adaptieve cruisecontrol........................... 187
radarsensor......................................... 193
Storingen opsporen............................ 194
alarmsysteem testen............................ 71
beperkt alarmniveau............................. 71
geactiveerd alarm uitschakelen............ 71
Alarmlichten............................................... 97
Alarmsysteem testen................................. 71
Afstandsbediening .................................. 267
batterij vervangen .............................. 268
Alcoholslot............................................... 116
Afstandsbediening HomeLinkŸ
programmeerbaar .............................. 146
All Wheel Drive (vierwielaandrijving)........ 139
Airbag
activeren/deactiveren, PACOS............. 24
bestuurders- en passagierszijde.......... 22
deactiveren met sleutel......................... 24
AIRBAG ............................................... 22, 23
Airbagsysteem .......................................... 21
Airconditioning......................................... 170
algemene informatie........................... 163
Airconditioning, AC.................................. 170
alarm
deactiveren........................................... 71
Alarm..........................................................
activeren...............................................
alarmindicatie.......................................
alarmsignalen........................................
alarmsysteem controleren....................
70
70
70
71
51
Allergenen................................................ 164
Antislipregeling........................................ 180
Antispin ................................................... 180
Approach-verlichting........................... 50, 99
Audio
instellingen.................................. 241, 242
surround............................................. 234
Audiosysteem.................................. 234, 236
functies............................................... 241
overzicht............................................. 236
Auto
klimaatinstelling.................................. 169
Autobekleding.......................................... 365
Automatische hervergrendeling................. 62
Automatische schakelblokkering deactiveren............................................................ 129
Automatische vergrendeling...................... 64
10 Alfabetisch register
Automatische versnellingsbak.................
aanhanger...........................................
handmatig schakelen (Geartronic)......
slepen en bergen................................
126
303
127
309
Automatische wasstraten........................ 363
Auto wassen............................................ 363
AUX-ingang..................................... 236, 257
AWD, vierwielaandrijving......................... 139
rijeigenschappen................................
slijtage-indicator.................................
snelheidsaanduidingen.......................
spanning.............................................
specificaties........................................
winterbanden......................................
314
315
317
321
316
316
Batterij
afstandsbediening ............................. 268
Bedieningselementen
middenconsole .......................... 237, 282
B
Bedieningsknoppen
middenconsole................................... 155
Bagagenet............................................... 299
Bedieningspaneel verlichting..................... 94
Bagagerolhoes......................................... 301
Bedrijfsrem.............................................. 140
Bagageruimte
bagagenet........................................... 299
bagagerolhoes.................................... 301
krikpunten........................................... 297
veiligheidsrek...................................... 300
verlichting............................................. 98
Bellen....................................................... 271
Bagage verankeren (Lading vervoeren)... 297
Banden
bandenreparatie.................................
bandenspanningscontrolesysteem.....
draairichting........................................
onderhoud..........................................
325
323
314
314
Benzinekwaliteit....................................... 293
Bergen..................................................... 311
Berichten en symbolen
Afstandscontrole................................ 198
Collision Warning met Auto
Brake.......................................... 203, 210
Driver Alert Control............................. 214
Lane Departure Warning..................... 216
Berichten en symbolen voor adaptieve
cruisecontrol............................................ 195
Berichten op instrumentenpaneel............ 152
Beslaande koplampglazen
condens.............................................. 363
Beslagen ruiten........................................
ontwasemen.......................................
ontwasemen met blaasmonden.........
timerfunctie.........................................
10
170
163
172
171
Beveiliging tegen overbelasting, schuifdak........................................................... 115
Bio-ethanol E 85...................................... 293
Blaasmonden........................................... 165
BLIS, Blind Spot Information System...... 225
BLIS-systeem (Blind Spot Information System).......................................................... 225
Blokkering achteruitversnelling................ 126
BluetoothŸ
gesprek naar mobiel ..........................
handsfree ...........................................
media .................................................
microfoon uit ......................................
streaming audio .................................
271
269
260
271
260
Boordcomputer....................................... 178
Botsing, zie Aanrijding............................... 32
Brandstof................................................. 292
brandstofbesparing............................ 321
407
10 Alfabetisch register
brandstoffilter..................................... 294
brandstofverbruik............................... 384
10
Cruisecontrol........................................... 183
CZIP (Clear Zone Interior Package)......... 164
Buitenafmetingen..................................... 374
ECC, elektronische klimaatregeling......... 166
Buitenspiegels......................................... 109
ECO-bandenspanning............................. 321
Buitenspiegels resetten........................... 110
D
DAB-radio................................................ 249
408
E
Eco Start/Stop DRIVe.............................. 132
EHBO-kit ................................................. 322
EHBO-set................................................. 322
C
Dagtellers................................................... 83
Camerasensor................................. 201, 208
CD ........................................................... 252
Dashboardkastje...................................... 230
vergrendelen......................................... 64
Chassisstanden....................................... 182
Dieselolie................................................. 293
Elektrisch bedienbare stoel....................... 89
City Safety™............................................ 200
Displayverlichting....................................... 94
elektrische aansluiting............................. 231
Claxon........................................................ 93
Distance Alert.......................................... 197
Claxonneren............................................... 93
Dolby Surround Pro Logic II.................... 234
Elektrische aansluiting
bagageruimte...................................... 298
voorstoel............................................. 231
Clean Zone Interior Package (CZIP)........ 164
Doorluchtfunctie................................ 64, 164
CO2-uitstoot ............................................ 384
Doorwaaddiepte...................................... 288
Collision Warning............................. 205, 206
radarsensor......................... 193, 200, 206
Driver Alert Control.................................. 212
Collision Warning met Auto Brake*.......... 205
DSTC, zie ook Stabiliteitssysteem........... 181
Condens aan binnenkant lampglazen..... 363
DVD ......................................................... 252
Dakbelasting, max. gewicht .................... 375
Driver Alert System.................................. 212
Elektrisch bedienbaar schuifdak.............. 114
Elektrisch bedienbare ruiten.................... 107
Elektrisch bedienbare ruiten resetten...... 108
Elektrische parkeerrem............................
automatisch lossen.............................
handmatig lossen...............................
lage accuspanning..............................
142
143
143
142
Contactsleutels.......................................... 86
Elektrische verwarming
achterruit............................................. 110
buitenspiegels..................................... 110
stoelen en achterbank........................ 168
Controleren en bijvullen, koelvloeistof..... 336
Elektrisch inklapbare buitenspiegels....... 109
Corner Traction Control .......................... 180
Elektronische startblokkering.................... 49
10 Alfabetisch register
ETC, elektronische temperatuurregeling
167
Etiketten................................................... 372
Extra verwarming..................................... 177
Extra verwarming (diesel)......................... 177
F
File-assistent............................................ 192
FlexiFuel................................................... 122
adaptatie............................................. 123
Geluidssterkte
beltoon, telefoon................................. 272
telefoon............................................... 272
telefoon/mediaspeler.......................... 272
Gesprekken
gebruik................................................ 271
inkomende.......................................... 271
Gevarendriehoek..................................... 322
Gewichten
rijklaar gewicht.................................... 375
Handmatig schakelen (Geartronic).......... 127
Handrem.................................................. 142
Hoge motortemperatuur.......................... 302
HomeLinkŸ .............................................. 146
Hoofdsteun
middelste zitplaats achterbank............. 90
omklappen...................................... 91, 92
Houder voor boodschappentassen ........ 297
Follow Me home-verlichting...................... 99
Glazen
gelaagd/verstevigd............................. 107
FOUR-C – Actief chassis......................... 182
Global opening........................................ 164
I
FSC, milieulabel......................................... 14
Gloeilampen, zie Verlichting.................... 339
IAQS – Interior Air Quality System........... 164
Gloeilampen achterlamphuis:
positie................................................. 342
IC-systeem – Inflatable Curtain................. 28
G
Gordelwaarschuwing................................. 20
Groot licht/dimlicht, zie Verlichting............ 94
In de was zetten....................................... 364
Informatiedisplays...................................... 79
Geartronic................................................ 127
Informatie- en waarschuwingssymbolen... 80
Gelaagd glas............................................ 107
Informatietoets, PCC................................. 51
Geluid
Ambient Surround Sound .................. 242
H
handgeschakelde versnellingsbak
Schakelindicatie (GSI)......................... 135
Handgeschakelde versnellingsbak.......... 126
slepen en bergen................................ 309
10
Hogedruksproeiers koplampen............... 105
Infotainment ............................................
basisfuncties ......................................
brontoetsen .......................................
menufuncties .....................................
overzicht ............................................
spraakherkenning...............................
234
237
236
282
236
278
409
10 Alfabetisch register
10
Inlegmatten.............................................. 230
Keyless drive...................................... 58, 120
Instructieboekje, milieulabel...................... 14
Kinderen....................................................
kinderslot..............................................
kinderzitjes en SIPS-airbags.................
positie in de auto..................................
veiligheid...............................................
Instrumenten, schakelaars en bediening... 76
Instrumentenoverzicht
auto met stuur links.............................. 76
auto met stuur rechts........................... 78
Instrumentenpaneel................................. 152
Instrumentenverlichting, zie Verlichting..... 94
Interieurcomfort....................................... 229
Interieurfilter............................................. 164
Interieurverlichting, zie Verlichting............. 98
Interieurverwarming
op brandstof....................................... 173
Interior Air Quality System (IAQS) ........... 171
Intervalstand............................................ 104
iPodŸ, aansluiting.................................... 257
Kinderslot................................................... 68
Kinderzitje.................................................. 33
Kleurcode, lak.......................................... 367
Klimaatregeling........................................ 163
algemene informatie........................... 163
sensoren............................................. 163
Klok, instellen............................................. 84
Knipperlichten............................................ 97
Knippersignalen, PCC............................... 51
Koelsysteem............................................ 288
Kofferbak
lading vervoeren................................. 296
K
Kompas................................................... 112
kalibreren............................................ 112
Katalysator............................................... 292
bergen................................................. 310
Koplampen.............................................. 339
Keuzehendelblokkering........................... 128
Koudemiddel........................................... 163
Keuzehendelblokkering, mechanisch uitschakelen................................................. 129
410
33
41
26
33
33
Koplamphoogteregeling............................ 94
L
Lading vervoeren
algemene informatie...........................
bagageruimte......................................
krikpunten...........................................
lading op het dak................................
296
296
297
296
Lak
kleurcode............................................ 367
schade en herstel............................... 367
Lampen, zie Verlichting............................ 339
Lampjes................................................... 181
Lane Departure Warning.......................... 215
Lasersensor............................................... 11
Leren bekleding, reinigingsvoorschriften. 366
Lichtbundel aanpassen.............................. 99
Active Bending Lights ........................ 100
halogeenkoplampen........................... 100
Luchtverdeling................................. 165, 172
M
Make-upspiegel................................. 98, 231
Max. dakbelasting .................................. 375
Media BluetoothŸ .................................... 260
10 Alfabetisch register
Menu- en meldingsfuncties..................... 152
Motorolie.......................................... 333, 380
filter..................................................... 333
hoeveelheden..................................... 380
oliekwaliteit......................................... 380
ongunstige rijomstandigheden........... 380
Menufuncties infotainment ..................... 282
Motoroliepeil controleren......................... 333
Menusysteem infotainment .................... 282
Motorremregeling ................................... 180
Menusysteem MY CAR........................... 155
Motorruimte
koelvloeistof........................................
olie......................................................
overzicht.............................................
stuurbekrachtigingsvloeistof...............
Mediaspeler ............................................ 252
Meldingen op informatiedisplay............... 181
Meldingen voor BLIS............................... 227
Menu’s/Functies...................................... 157
Meters op het instrumentenpaneel
brandstofmeter..................................... 80
snelheidsmeter..................................... 80
toerenteller............................................ 80
Middenconsole........................................ 155
Milieulabel, FSC, instructieboekje............. 14
336
333
333
338
Omklappen, ruggedeelte achterbank........ 91
Onderhoud
roestwering......................................... 365
Ontgrendelen
van de binnenzijde................................ 63
van de buitenzijde................................. 62
Ontwaseming........................................... 170
Motorverwarming..................................... 122
op brandstof....................................... 173
opblaasgordijn........................................... 28
Mobiele telefoon
aansluiten...........................................
handsfree............................................
spraakherkenning...............................
telefoon registreren.............................
N
10
Oliepeil laag............................................. 333
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte....................................................... 229
MY CAR................................................... 155
Motor
oververhitting...................................... 302
starten................................................. 120
Olie, zie ook Motorolie............................. 380
Motorspecificaties................................... 378
Mistlichten
achter.................................................... 96
273
269
278
270
O
Openen, motorkap................................... 332
Oververhitting.......................................... 302
Nooduitrusting
gevarendriehoek................................. 322
P
PACOS....................................................... 24
PACOS, schakelaar voor activering/deactivering....................................................... 24
Paniekfunctie............................................. 50
411
10 Alfabetisch register
10
Park Assist............................................... 218
sensoren voor Park Assist.................. 220
Parkeerhulpcamera.................................. 221
Passagiersruimte..................................... 229
PCC (Personal Car Communicator)
bereik transpondersleutel............... 51, 52
functies................................................. 50
Pedestrian Detection............................... 205
R
Rijadviezen............................................... 288
Radarsensor............................................ 187
beperkingen........................................ 193
Radio ......................................................
AM/FM ...............................................
DAB ...................................................
menusysteem ....................................
244
244
249
282
288
288
302
289
Rijden met een aanhanger
kogeldruk............................................ 375
trekgewicht......................................... 375
Recirculatie.............................................. 170
Rijden tijdens de winter........................... 289
Regensensor............................................ 104
Rijeigenschappen aanpassen.................. 182
Powershift-versnellingsbak.............. 129, 309
Relais- en zekeringenkastje, zie Zekeringen........................................................... 352
Rijklaar gewicht........................................ 375
Privacy locking........................................... 54
Rem- en koppelingsvloeistof................... 337
Provisorische bandenreparatie................ 325
Remlichten................................................. 96
Peilstok, elektronisch............................... 335
Poetsen.................................................... 364
Q
Queue Assist............................................ 192
Remmen.................................................. 140
antiblokkeerremsysteem, ABS........... 140
elektrische parkeerrem....................... 142
noodremlichten..................................... 96
remkrachtverhoging bij noodstops,
EBA .................................................... 140
remlichten............................................. 96
remsysteem........................................ 140
remvloeistof bijvullen.......................... 338
symbolen op instrumentenpaneel...... 141
Reservewiel.............................................. 319
Richtingaanwijzers..................................... 97
412
Rijden.......................................................
koelsysteem........................................
met een aanhanger.............................
met geopende achterklep...................
Roestwering............................................. 365
Roetfilter.......................................... 294, 295
Roetfilter vol............................................. 295
Rugleuning................................................. 88
voorstoel, omklappen........................... 88
Ruiten en spiegels................................... 107
Ruitensproeiers........................................ 105
Ruitensproeiervloeistof, bijvullen............. 346
Ruitenwissers.......................................... 104
regensensor........................................ 104
Runflat-banden........................................ 324
10 Alfabetisch register
S
Safelock-functie......................................... 66
deactiveren........................................... 66
tijdelijk deactiveren............................... 66
Safety mode.............................................. 32
Schakelindicatie (GSI).............................. 135
Schoonmaken
automatische wasstraten...................
auto wassen.......................................
bekleding............................................
veiligheidsgordels...............................
velgen.................................................
363
363
365
367
364
Slepen...................................................... 309
sleepoog............................................. 310
SST, Self Supporting run flat Tyres......... 324
Sleutel........................................................ 48
Stabiliteitssysteem................................... 180
Stabiliteits- en tractieregelsysteem......... 180
Sleutelblad................................................. 53
Stadslichten vóór en achterlichten............ 96
Sleutelloos starten (Keyless drive)..... 58, 120
Standverwarming.....................................
accu en brandstof...............................
op een helling parkeren......................
tijd instellen.........................................
Sleutelstanden........................................... 86
Sloten
automatische vergrendeling................. 62
ontgrendelen......................................... 62
vergrendelen......................................... 62
173
173
173
175
Startblokkering.......................................... 49
Starten met hulpaccu.............................. 124
Smeermiddelen........................................ 382
Steenslagplekken en krassen.................. 367
Smeermiddelen, hoeveelheden............... 382
Stickers.................................................... 372
Stoel, zie Stoelen en achterbank............... 88
Sensus....................................................... 85
Spiegels
achteruitkijk-.......................................
buiten-................................................
elektrische verwarming.......................
elektrisch inklapbare...........................
kompas...............................................
Serviceprogramma.................................. 332
Spin Control............................................. 180
Stoelen en achterbank............................... 88
elektrische bediening............................ 89
elektrische verwarming....................... 168
hoofdsteunen achterbank..................... 90
ruggedeelte achterbank omklappen..... 91
rugleuning voorstoel omklappen.......... 88
Signaalingang, externe.................... 236, 257
Spraakherkenning mobiele telefoon........ 278
Stoel met geheugenfunctie........................ 89
SIPS-airbag............................................... 26
Sproeiers
achterruit............................................. 105
sproeiervloeistof, bijvullen.................. 346
voorruit................................................ 105
Storingen in de adaptieve cruisecontrole
opsporen.................................................. 194
Schuifdak
beveiliging tegen overbelasting..........
openen en sluiten...............................
ventilatiestand.....................................
zonnescherm......................................
115
114
114
115
SIPS-airbags.............................................. 26
Sleepoog.................................................. 310
110
109
110
109
112
10
Storingen in de camerasensor opsporen.................................................... 202, 210
Sproeikoppen, verwarmde...................... 105
413
10 Alfabetisch register
10
Storingsmeldingen
Driver Alert Control............................. 214
Lane Departure Warning..................... 216
zie Berichten en symbolen......... 144, 195
Storingsmeldingen voor adaptieve cruisecontrol...................................................... 195
Storingsmeldingen voor BLIS.................. 227
Storingsmeldingen voor de afstandscontrole.......................................................... 198
Temperatuur
werkelijke temperatuur....................... 163
Symbolen en meldingen voor adaptieve
cruisecontrol............................................ 195
Totaalgewicht.......................................... 375
Temperatuurregeling............................... 170
Timer........................................................ 171
Toetsensets op stuurwiel... 93, 156, 183, 239
TPMS (Tyre Pressure Monitoring)............ 323
Traction Control....................................... 180
Trailer Stability Assist ..................... 180, 307
Stuurbekrachtiging, snelheidsafhankelijke........................................................... 182
T
Stuurkrachtniveau, zie Stuurbekrachtiging.......................................................... 182
Tanken.....................................................
tankdop...............................................
tanken.................................................
tankvulklep, elektrisch openen...........
tankvulklep, handmatig openen.........
291
291
291
291
291
Transponder............................................ 107
Telefoon
aansluiten...........................................
bellen..................................................
gesprek beantwoorden.......................
handsfree............................................
inkomende gesprekken......................
spraakherkenning...............................
telefoonboek.......................................
telefoonboek, sneltoets......................
telefoon registreren.............................
273
271
271
269
271
278
273
273
270
Transpondersleutelsysteem, typegoedkeuring..................................................... 391
Stuurslot.................................................. 121
Stuurwiel.................................................... 93
stuurwielafstelling................................. 93
toetsenset..................... 93, 156, 183, 239
toetsenset adaptieve cruisecontrol.... 189
Stuurwiel afstellen...................................... 93
Surround.......................................... 234, 242
Symbolen
controlesymbolen................................. 80
informatiesymbolen.............................. 80
waarschuwingssymbolen..................... 80
414
Symbolen en meldingen
Afstandscontrole................................ 198
Botswaarschuwing met brake support............................................. 203, 210
Driver Alert Control............................. 214
Lane Departure Warning..................... 216
Transmissie.............................................. 126
Transpondersleutel....................................
afneembaar sleutelblad........................
batterij vervangen.................................
bereik transpondersleutel.....................
functies.................................................
48
53
56
51
50
Trekgewicht............................................. 375
Trekhaak..................................................
afneembaar, aanbrengen ...................
afneembaar, verwijderen ...................
specificaties........................................
304
305
306
304
Trekinrichting, zie Trekhaak..................... 304
10 Alfabetisch register
Trillingsdemper........................................ 304
TSA, Trailer Stability Assist ............. 180, 307
TV............................................................. 263
Type-aanduidingen.................................. 372
Typegoedkeuring, transpondersleutelsysteem......................................................... 391
bovenste bevestigingspunten voor kinderzitjes................................................ 45
geïntegreerd kinderzitje met twee standen........................................................ 39
ISOFIX-bevestigingssysteem voor kinderzitjes................................................ 41
Velgen
schoonmaken..................................... 364
U
Ventilatie.................................................. 165
Uitstoot van kooldioxide.......................... 295
Vergrendelen/ontgrendelen
aan de binnenzijde................................ 62
achterklep............................................. 64
USB, aansluiting...................................... 257
Ventilator.................................................. 169
Vergrendelingsindicatie ............................ 48
V
Veiligheidsgordel
achterbank............................................ 20
gordelspanners..................................... 20
Veiligheidsgordels...................................... 18
Veiligheidsrek........................................... 300
Veiligheidszitje........................................... 33
aanbevolen........................................... 35
afmetingscategorieën voor veiligheidszitjes met ISOFIX-bevestigingssysteem...................................................... 41
Verlichting................................................ 339
"Approach"-verlichting................... 50, 99
Actieve xenonkoplampen..................... 95
automatische verlichting, interieur........ 98
bedieningsknoppen.............................. 98
displayverlichting.................................. 94
Follow Me Home-verlichting................. 99
gloeilampen, specificaties.................. 344
groot licht/dimlicht................................ 94
in interieur............................................. 98
instrumentenverlichting........................ 94
koplamphoogteverstelling.................... 94
mistachterlicht...................................... 96
stadslichten/parkeerlichten vóór en
achterlichten......................................... 96
Verlichting, gloeilampen vervangen.........
achterlamphuis...................................
achterlamphuis, richtingaanwijzer......
bagageruimte......................................
dimlicht, halogeen..............................
groot licht, halogeen...........................
groot licht, xenonlamp........................
kentekenplaatverlichting.....................
make-upspiegel..................................
richtingaanwijzer.................................
10
339
342
342
343
341
341
341
343
343
342
Verlichting instrumentenpaneel................. 94
Versnellingsbak........................................ 126
automatische...................................... 126
handgeschakelde............................... 126
Verwarmde sproeikoppen........................ 105
Verwarming.............................................. 170
Verzorging................................................ 363
Verzorging, leren bekleding..................... 366
Vierwielaandrijving, AWD......................... 139
Vlekken.................................................... 365
Vloeistoffen, hoeveelheden...................... 382
Vloeistoffen en oliën................................. 382
415
10 Alfabetisch register
10
Volgtijd instellen....................................... 197
Whiplash-letsel, WHIPS............................. 29
Volume .................................................... 237
WHIPS
kinderzitje/comfortkussen.................... 29
whiplash-letsel...................................... 29
Volvo Sensus............................................. 85
W
Waarschuwingsgeluid
Collision Warning................................ 206
Waarschuwingslampje
adaptieve cruisecontrol...................... 187
Collision Warning................................ 206
stabiliteits- en tractieregelsysteem..... 180
Waarschuwingslampjes
airbags (SRS)........................................
dynamo laadt niet bij............................
gordelwaarschuwing............................
lage oliedruk.........................................
parkeerrem aangezet............................
storing in remsysteem..........................
waarschuwing.......................................
82
82
82
82
82
82
82
Waarschuwingssymbool, airbagsysteem. . 21
Warmtereflecterende voorruit.................. 107
Water- en vuilafstotende laag.................. 107
Water- en vuilafstotende laag, schoonmaken........................................................... 365
416
Wielen
aanbrengen.........................................
reservewiel..........................................
sneeuwkettingen.................................
velgen.................................................
verwisselen.........................................
319
319
316
315
318
Wielen en banden.................................... 314
Winterbanden.......................................... 316
Wisserbladen...........................................
schoonmaken.....................................
servicestand.......................................
vervangen...........................................
345
345
345
345
Wissers en -sproeiers.............................. 104
Z
Zekeringen...............................................
algemene informatie...........................
houder in bagageruimte.....................
koude zone.........................................
relais-/zekeringenkastje in motorruimte..................................................
352
352
360
361
353
Start/Stop........................................... 361
vervangen........................................... 352
Zekeringenkastje..................................... 352
dashboardkastje................................. 357
Zekeringentabel
zekeringen in motorruimte.................. 354
Zonnescherm, schuifdak......................... 115
Zuinig rijden............................................. 288
Zwangere vrouwen, veiligheidsgordel....... 19
Kdakd8Vg8dgedgVi^dcIE&((&.9jiX]!6I&&'%!Eg^ciZY^cHlZYZc!<ŽiZWdg\'%&&!8deng^\]i©'%%%"'%&&Kdakd8Vg8dgedgVi^dc
Was this manual useful for you? yes no
Thank you for your participation!

* Your assessment is very important for improving the work of artificial intelligence, which forms the content of this project

Download PDF

advertising