Volvo | V60 Cross Country | Gebruikershandleiding | Volvo V60 Cross Country 2019 Gebruikershandleiding

Volvo V60 Cross Country 2019 Gebruikershandleiding
V60
CROSS COUNTRY
G EB RUIK E RSHA N DLE IDIN G
VÄLKOMMEN!
We hopen dat u jarenlang rijplezier van uw Volvo zult hebben. Bij het
ontwerp hebben veiligheid en comfort van u en uw passagiers vooropgestaan. Volvo streeft ernaar auto's te bouwen die tot de veiligste ter
wereld behoren. Uw Volvo is ook ontworpen om aan alle geldende veiligheidsvoorschriften en milieueisen te voldoen.
Om nog meer plezier van uw Volvo te hebben, adviseren we u om de
instructies en de onderhoudsinformatie in deze gebruikershandleiding
door te nemen. De gebruikershandleiding is tevens beschikbaar als
mobiele app (Volvo Manual) en op de supportsite van Volvo Cars
(support.volvocars.com).
We adviseren bovendien iedereen om in deze auto en andere auto's de
veiligheidsgordel te dragen. Rijd niet wanneer u onder de invloed bent
van alcohol of medicijnen – of als u rijvermogen om wat voor reden dan
ook beperkt is.
INHOUD
INFORMATIE VOOR DE
EIGENAAR
2
UW VOLVO
VEILIGHEID
Volvo ID
26
Veiligheid
42
26
Veiligheid tijdens de zwangerschap
43
43
Bedieningsinformatie
16
Volvo ID aanmaken en registreren
Gebruikershandleiding op middendisplay
17
Drive-E - schoner rijplezier
28
Whiplash Protection System
Navigeren in de gebruikershandleiding op het middendisplay
19
IntelliSafe – rijhulp en veiligheid
31
Pedestrian Protection System
45
Gebruikershandleiding op mobiele
apparaten
21
Sensus – connectiviteit en entertainment
32
Veiligheidsgordels
46
Software-updates
35
Veiligheidsgordel omdoen en losmaken
46
48
Supportsite van Volvo Cars
21
Vastlegging van gegevens
35
Gordelspanners
Gebruikershandleiding doornemen
22
Servicevoorwaarden
36
Elektrische gordelspanner resetten*
49
Milieu-aspecten van de gebruikershandleiding
24
Privacybeleid voor klanten
36
Portier- en gordelwaarschuwing
49
Belangrijke informatie over accessoires en extra uitrusting
37
Airbags
51
Installatie van accessoires
37
Bestuurdersairbags
51
Uitrusting aansluiten op de diagnoseaansluiting van de auto
38
Passagiersairbag
52
54
VIN van de auto tonen
39
Passagiersairbag* activeren en deactiveren
Afleiding van de bestuurder
39
Zijairbags
56
Opblaasgordijnen
57
Safety Mode
58
Auto in Safety Mode starten en verplaatsen
58
Kinderveiligheid
59
Kinderzitje
60
Bovenste bevestigingspunten voor
kinderzitjes
61
Onderste bevestigingspunten voor
kinderzitjes
62
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
i-Size/ISOFIX-bevestigingspunten
voor kinderzitjes
62
Instrumenten en bediening bij een
auto met het stuur links
74
Opgeslagen bestuurdersdisplaymeldingen hanteren
102
Positie van kinderzitje
63
Instrumenten en bediening bij een
auto met het stuur rechts
75
Overzicht van het middendisplay
104
Bestuurdersdisplay
78
Middendisplay hanteren
107
Instellingen voor bestuurdersdisplay
82
Middendisplay activeren en deactiveren
110
Brandstofmeter
83
Navigeren in schermen op het middendisplay
110
Boordcomputer
83
85
Deelschermen op middendisplay
hanteren
114
Ritstatistieken tonen op het bestuurdersdisplay
Functiescherm op het middendisplay
117
Dagteller resetten
86
119
Verbruiksinfo weergeven op het middendisplay
86
Apps en knoppen op middendisplay
verplaatsen
87
Symbolen op de statusbalk van het
middendisplay
119
Instellingen voor verbruiksinfo
Datum en tijd
88
Toetsenbord op middendisplay
121
Buitentemperatuurmeter
88
Taal wijzigen voor toetsenbord van
middendisplay
125
Controlesymbolen op bestuurdersdisplay
89
Waarschuwingssymbolen op
bestuurdersdisplay
Handmatig tekens, letters of woorden invoeren op middendisplay
125
91
Opzet van middendisplay aanpassen
Licentieovereenkomst voor bestuurdersdisplay
127
92
Volume van systeemgeluid uitschakelen of aanpassen op middendisplay
127
Applicatiemenu op bestuurdersdisplay
98
Systeemeenheden wijzigen
Appmenu op bestuurdersdisplay
hanteren
128
99
Systeemtaal wijzigen
128
Instellingen wijzigingen op het
hoofdscherm van het middendisplay
128
Contextuele instellingen openen op
het middendisplay
129
Kinderzitje monteren
64
Overzichtstabel voor de plaatsing van
kinderzitjes
66
Plaatsingstabel voor kinderzitjes die
de veiligheidsgordel in de auto gebruiken
67
Plaatsingstabel voor i-Size-kinderzitjes
69
Plaatsingstabel voor ISOFIX-kinderzitjes
70
Melding op bestuurdersdisplay
100
Melding op bestuurdersdisplay hanteren
101
3
VERLICHTING
4
Gebruikersgegevens resetten bij
doorverkoop
130
Verlichtingsbediening
148
RUITEN, GLASWERK EN
SPIEGELS
149
164
130
Verlichtingsfuncties aanpassen via
het middendisplay
Ruiten, lampglazen en spiegels
Instellingen resetten op middendisplay
Tabel met instellingen op middendisplay
Lichtbundel van koplampen aanpassen
164
131
150
Inklembeveiliging op ruiten en zonneschermen
Bestuurdersprofielen
132
Stadslichten voor/achterlichten
150
165
Bestuurdersprofiel kiezen
133
Dagrijlicht
151
Resetprocedure voor de inklembeveiliging
Naam van bestuurdersprofiel wijzigen
134
Dimlicht
151
Elektrisch bedienbare ruiten
165
Bestuurdersprofiel beveiligen
134
Groot licht gebruiken
152
Elektrisch bedienbare ruiten
166
Transpondersleutel koppelen aan
bestuurdersprofiel
135
Automatisch groot licht
153
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
167
Richtingaanwijzers gebruiken
154
Dimfunctie van spiegels aanpassen
168
Actieve bochtverlichting*
155
Buitenspiegels kantelen
169
Instellingen resetten in bestuurdersprofielen
136
Melding op het middendisplay
137
Mistlampen voor/bochtverlichting*
156
Meldingen op middendisplay hanteren
Panoramadak*
170
Panoramadak* bedienen
172
137
Mistachterlicht
156
Opgeslagen middendisplaymeldingen hanteren
157
Automatische sluiting van zonnescherm van panoramadak*
174
138
Remlichten
Noodremlichten
157
Wisserbladen en sproeiervloeistof
Head-updisplay*
139
175
Alarmlichten
158
Voorruitwissers gebruiken
Head-updisplay* activeren en deactiveren 140
175
Follow Me Home-verlichting gebruiken
158
Regensensor gebruiken
Instellingen voor head-updisplay*
176
141
Approach-verlichting
159
Stembediening
177
142
Interieurverlichting
159
Geheugenfunctie van regensensor
gebruiken
Stembediening gebruiken
143
Interieurverlichting aanpassen
161
Voorruit- en koplampsproeiers gebruiken
177
Stembediening telefoon
144
Achterruitwisser en -sproeier
178
Stembediening radio en media
145
179
Instellingen voor stembediening
146
Automatische activering achterruitwisser bij achteruitrijden
STOELEN EN STUURWIEL
KLIMAAT
Handmatig bediende voorstoel
182
Klimaatregeling
200
Elektrisch bedienbare* voorstoel
183
Klimaatzones
200
Elektrisch bedienbare* voorstoel verstellen
183
Klimaatsensoren
201
Stand opslaan voor stoel, buitenspiegels en head-updisplay*
Gevoelstemperatuur
184
Stembediening klimaat
Luchtkwaliteit
Clean Zone*
203
Clean Zone Interior Package*
204
Interior Air Quality System*
204
Luchtkwaliteitssensor* activeren en
deactiveren
205
Interieurfilter
205
Elektrische stuurverwarming* activeren en deactiveren
217
217
201
Automatische inschakeling van elektrische stuurverwarming* activeren
en deactiveren
202
Automatische klimaatregeling activeren
218
203
Luchtrecirculatie activeren en deactiveren
218
Timerinstelling voor luchtrecirculatie
activeren en deactiveren
219
Maximale ontwaseming activeren en
deactiveren
219
Elektrische voorruitverwarming* activeren en deactiveren
221
Automatische inschakeling van elektrische voorruitverwarming* activeren
en deactiveren
222
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming activeren en deactiveren
222
Automatische inschakeling van elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming activeren en deactiveren
223
Ventilatorstand voorin regelen
223
Ventilatorstand achterin* regelen
224
Temperatuur voorin regelen
225
Temperatuur achterin* regelen
226
Temperatuur synchroniseren
227
Airconditioning activeren en deactiveren
228
Parkeerklimaat*
228
Opgeslagen stand voor stoel, buitenspiegels en head-updisplay gebruiken*
185
Instellingen voor massagefunctie*
van voorstoel
186
Instellingen voor massagefunctie*
voorstoel aanpassen
187
Verlengbaar zitkussen* voorstoel verstellen
188
Zijsteunen* voorstoel verstellen
189
Luchtverdeling
206
Lendensteun* voorstoel verstellen
190
Luchtverdeling aanpassen
206
Passagiersstoel verstellen vanaf
bestuurdersstoel*
191
Blaasmonden openen, sluiten en richten
207
Tabel met luchtverdelingsstanden
208
Rugleuning achterbank omklappen
192
Klimaatregelingsbediening
211
Hoofdsteunen achterbank verstellen
194
196
Elektrische voorstoelverwarming*
activeren en deactiveren
213
Bedieningselementen op stuurwiel
en claxon
214
Stuurslot
197
Stuurwiel verstellen
197
Automatische inschakeling van elektrische stoelverwarming voorin* activeren en deactiveren
Elektrische stoelverwarming achter*
activeren en deactiveren
215
Stoelventilatie voor* activeren en
deactiveren
216
5
6
Preconditioning*
229
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN
EN ALARM
Preconditioning* in- en uitschakelen
229
Vergrendelingsindicatie
242
Timerinstelling voor preconditioning*
230
Instelling voor vergrendelingsbevestiging
243
Timerinstelling voor preconditioning*
toevoegen en bewerken
230
een transpondersleutel
244
246
Timerinstelling voor preconditioning*
activeren en deactiveren
232
Vergrendelen en ontgrendelen met
transpondersleutel
247
Timerinstelling voor preconditioning*
verwijderen
232
Instellingen voor ontgrendeling op
afstand en van de binnenzijde
233
Achterklep ontgrendelen met transpondersleutel
247
Klimaatcomfort bij parkeren*
Klimaatcomfort tijdens het parkeren*
inschakelen en uitschakelen
233
Bereik transpondersleutel
248
Batterij in transpondersleutel vervangen
249
Symbolen en meldingen voor parkeerklimaat*
235
Meer transpondersleutels nabestellen
252
Verwarming*
236
Red Key – transpondersleutel met
beperkte functionaliteit*
253
Standverwarming*
237
Instellingen voor Red Key*
253
Extra verwarming*
238
Afneembaar sleutelblad
254
Automatische inschakeling van extra
verwarming activeren en deactiveren*
239
Vergrendelen en ontgrendelen met
afneembaar sleutelblad
256
Elektronische startblokkering
Typegoedkeuring voor transpondersleutels
Keyless vergrendeling/ontgrendeling
en aanraakgevoelige zones*
268
Passief vergrendelen en ontgrendelen*
269
Locatie antennes voor start- en vergrendelingssysteem
271
Vergrendelen en ontgrendelen van
de binnenzijde van de auto
272
Achterklep ontgrendelen vanaf de
binnenzijde
273
Kinderslot activeren en deactiveren
274
Automatische vergrendeling bij het
wegrijden
275
Elektrisch bedienbare achterklep*
openen en sluiten
276
Maximale openingshoek voor elektrische achterklepbediening* programmeren
279
Achterklep openen en sluiten met
een schopbeweging*
279
Privacy locking
281
Privacy locking activeren en deactiveren
281
Alarm*
283
Alarm* activeren en deactiveren
284
258
Verlaagde guard*
285
259
Safelock-functie*
286
Safelock-functie* tijdelijk deactiveren
286
Instellingen voor passieve ontgrendeling*
270
Achterklep passief ontgrendelen*
270
BESTUURDERSONDERSTEUNIN
G
Snelheidsbegrenzer deactiveren en
stand-by zetten
306
Symbolen en meldingen voor
Pilot Assist*
327
Cruisecontrol heractiveren vanuit de
stand-bystand
307
Waarschuwing rijhulpsystemen bij
een dreigende botsing
329
Cruisecontrol uitschakelen
307
330
Afstandswaarschuwing*
308
Van doelvoertuig veranderen met rijhulpsystemen
293
Afstandswaarschuwing activeren/
deactiveren
309
Tijdsverschil instellen voor rijhulpsystemen
330
Symbolen en meldingen voor elektronische stabiliteitsregeling
294
Beperkingen van afstandswaarschuwing
309
Rijmodus voor rijhulp
332
Adaptieve cruisecontrol*
310
332
Snelheidsbegrenzer
296
Aan te houden snelheid instellen
voor rijhulpsystemen
297
Bediening en displayweergave van
de adaptieve cruisecontrol*
312
Snelheidsbegrenzer activeren en starten
Automatische remfunctie van rijhulpsystemen
333
Snelheidsbegrenzer deactiveren en
stand-by zetten
298
Adaptieve cruisecontrol activeren en
starten*
312
Inhaalassistent
334
Snelheidsbegrenzer heractiveren
vanuit de stand-bystand
298
Adaptieve cruisecontrol deactiveren/
heractiveren*
313
Inhaalassistent gebruiken
335
Radarsensor
335
337
Rijhulpsystemen
290
Snelheidsafhankelijke stuurkracht
290
Elektronische stabiliteitsregeling
291
Elektronische stabiliteitsregeling in
de Sportstand
292
Sportstand van elektronische stabiliteitsregeling activeren/deactiveren
Snelheidsbegrenzer uitschakelen
299
Beperkingen van adaptieve cruisecontrol* 315
Typegoedkeuring voor radarsensor
Beperkingen van de snelheidsbegrenzer
300
Wisselen tussen cruisecontrol en
adaptieve cruisecontrol*
316
Camera
342
343
Symbolen en meldingen voor adaptieve cruisecontrol*
317
Beperkingen van de gecombineerde
camera en radarsensor
319
Aanbevolen onderhoud van de
gecombineerde camera en radarsensor
347
Pilot Assist
Bediening en displayweergave van
Pilot Assist
321
City Safety™
348
322
Parameters en deelfuncties van City
Safety
349
Pilot Assist activeren en starten
Waarschuwingsafstand instellen voor
City Safety
351
Obstakeldetectie met City Safety
353
Automatische snelheidsbegrenzer
300
Automatische snelheidsbegrenzer
activeren/deactiveren
301
Tolerantie voor de automatische
snelheidsbegrenzer wijzigen
302
Beperkingen van de automatische
snelheidsbegrenzer
303
Cruisecontrol
304
Pilot Assist deactiveren/heractiveren
324
Cruisecontrol activeren en starten
305
Beperkingen van Pilot Assist
326
7
City Safety bij kruisend verkeer
355
Beperkingen van City Safety bij kruisend verkeer
356
Verkeersbordinformatie en bordweergave*
375
Stuurhulp bij botsgevaar
390
Verkeersbordinformatie en Sensus
Navigation*
377
Stuurhulp bij botsgevaar activeren/
deactiveren
391
City Safety met stuurhulp bij een uitwijkmanoeuvre
357
Verkeersbordinformatie met snelheidswaarschuwing en instellingen*
377
Niveau van stuurhulp bij dreigende
bermongelukken
391
Beperkingen van de stuurhulp van
City Safety bij een uitwijkmanoeuvre
358
Stuurhulp bij dreigende bermongelukken
379
392
358
Snelheidswaarschuwing van verkeersbordinformatie activeren/deactiveren
Stuurhulp bij dreigende tegenliggerbotsing
City Safety bij ontoereikende uitwijkmanoeuvre
393
City Safety remt voor tegenliggers
359
379
Beperkingen van de stuurhulp bij
een dreigende botsing
394
Beperkingen van City Safety
Verkeersbordinformatie met flitspaalinformatie*
360
363
380
Symbolen en meldingen voor de
stuurhulp bij botsgevaar
395
Meldingen voor City Safety
Beperkingen van Verkeersbordinformatie*
Rear Collision Warning
364
Driver Alert Control
380
Beperkingen van Rear Collision Warning
364
Driver Alert Control activeren/deactiveren 382
BLIS*
365
382
BLIS activeren of deactiveren
366
Begeleiding naar parkeerplaats kiezen bij waarschuwing van Driver Alert
Control
Beperkingen van BLIS
367
Beperkingen van Driver Alert Control
382
Meldingen voor BLIS
368
Symbolen en meldingen voor parkeerhulp 400
Rijbaanassistent
383
Cross Traffic Alert*
Parkeerhulpcamera*
369
401
Stuurhulp bij rijbaanassistent
384
Cross Traffic Alert activeren/deactiveren
Weergaven voor de parkeerhulpcamera*
370
402
Rijbaanassistent activeren/deactiveren
385
Beperkingen van Cross Traffic Alert
Hulplijnen voor parkeerhulpcamera*
370
404
385
Meldingen voor Cross Traffic Alert
372
Assistentie-opties voor rijbaanassistent kiezen
Sensorvelden van parkeerhulp voor
parkeerhulpcamera
406
Verkeersbordinformatie*
373
Beperkingen van rijbaanassistent
385
Parkeerhulpcamera starten
407
374
Symbolen en meldingen voor rijbaanassistent
387
Symbolen en meldingen voor de parkeerhulpcamera
409
Symbolen op het bestuurdersdisplay
voor de rijbaanassistent
389
Actieve parkeerhulp*
410
Verkeersbordinformatie* activeren/
deactiveren
8
Parkeerhulp*
396
Parkeerhulp aan voorzijde, achterzijde en zijkanten*
397
Parkeerhulp activeren/deactiveren*
398
Beperkingen van parkeerhulp
399
STARTEN EN RIJDEN
Parkeervarianten bij actieve parkeerhulp*
411
Motor starten
420
Versnellingsbak
434
Inparkeren met actieve parkeerhulp*
412
Auto afzetten
421
435
Fileparkeervak verlaten met actieve
parkeerhulp*
415
Contactslotstanden
422
Schakelstanden van een automatische versnellingsbak
436
416
423
Schakelen met stuurpaddles*
Beperkingen van de Actieve parkeerhulp*
Contactslotstand kiezen
Alcoholslot*
424
Keuzehendelblokkering
438
Meldingen voor Actieve parkeerhulp*
418
Alcoholslot* omzeilen
424
Automatische schakelblokkering
opheffen
438
Alvorens een motor met alcoholslot
te starten
425
Kickdownfunctie
439
Remsystemen
425
Schakelindicator
439
Rempedaal
426
Rembekrachtiging
427
Remmen op natte rijbanen
428
Remmen op gepekelde rijbanen
428
Onderhoud van het remsysteem
Vierwielaandrijving
440
Rijmodi*
440
Rijmodus* wijzigen
443
Rijmodus Eco
443
428
Rijmodus Eco activeren en deactiveren met functieknop
446
Parkeerrem
429
Start/Stop-systeem
Parkeerrem activeren en deactiveren
446
429
Rijden met Start/Stop-systeem
Instelling voor automatische activering van de parkeerrem
446
431
Start/Stop-systeem tijdelijk uitschakelen
448
Op een helling parkeren
431
Voorwaarden voor het Start/Stopsysteem
448
Bij een storing in de parkeerrem
431
Automatische rem bij stilstand
Niveauregeling* en schokdemping
450
432
Automatische rem bij stilstand activeren en deactiveren
Instellingen voor niveauregeling*
433
452
Lagesnelheidsregeling
452
Hulp tijdens het wegrijden op een helling
433
453
Automatisch remmen na een aanrijding
Lagesnelheidsregeling activeren en
deactiveren met functieknop
434
Afdalingsremregeling
453
9
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Afdalingsremregeling activeren en
deactiveren met functieknop
454
Zuinig rijden
455
Voorbereidingen voor een lange rit
456
Rijden tijdens de winter
457
Doorwaaddiepte
458
Tankvulklep openen en sluiten
458
Brandstof tanken
459
Hanteren van brandstof
460
Benzine
461
Benzineroetfilter
462
Dieselolie
462
Wanneer u de tank leegrijdt van een
dieselmodel
464
Roetfilter
464
477
Audio, media en internet
494
Aanhangwagenstabilisering*
479
Audio-instellingen
494
Aanhangwagenverlichting controleren
480
Geluidservaring*
495
Op trekhaak gemonteerde fietsdrager*
481
Apps
496
Slepen
482
Apps downloaden
497
Sleepoog monteren en demonteren
483
Apps bijwerken
498
Bergen
485
Apps verwijderen
498
HomeLink®*
486
Radio
499
HomeLink®* programmeren
487
Radio starten
499
489
Van radioband en radiozender wisselen
500
Radiokanaal zoeken
501
Radiofavorieten instellen
501
Instellingen voor radio
502
HomeLink®*
gebruiken
Typegoedkeuring voor HomeLink®*
489
Kompas*
490
Kompas* activeren en deactiveren
490
Kompas kalibreren*
490
RDS-radio
503
504
Uitlaatgasreiniging met AdBlue®
465
Digitale radio*
AdBlue®
hanteren
466
Schakelen tussen de radiobanden
FM en digitale radio*
505
AdBlue®
controleren en bijvullen
467
Mediaspeler
AdBlue®
505
469
Media afspelen
506
Oververhitting van motor en aandrijving
471
Media regelen en van media wisselen
507
Overbelasting van de startaccu
472
Media zoeken
508
Starthulp met andere accu
472
Gracenote®
509
Trekhaak*
474
Cd-speler*
509
Specificaties van de trekhaak*
475
Video
510
In- en uitklapbare trekhaak*
475
Symbolen en meldingen voor
10
Rijden met aanhangwagen
Video afspelen
510
DivX® weergeven
510
Instellingen voor video
511
Media via Bluetooth®
Eenheid aansluiten via
511
Bluetooth®
511
Telefoon handmatig verbinden met
de auto via Bluetooth
524
Gebruiksvoorwaarden en gegevensuitwisseling
537
Telefoon met Bluetooth-verbinding
loskoppelen
525
Gegevensuitwisseling activeren en
deactiveren
538
Andere telefoon met Bluetooth-verbinding kiezen
525
Vrije geheugenruimte op harde schijf
539
Bluetooth-eenheden verwijderen
526
Licentieovereenkomst voor audio en
media
540
Telefoonfuncties
526
Berichtfuncties
527
Instellingen voor tekstbericht
528
Media AUX/USB-poort
512
Eenheid aansluiten via USB-poort
512
Technische specificaties voor USBeenheden
513
Compatibele formaten voor media
513
Telefoonboekfuncties
529
Apple® CarPlay®*
514
Instellingen voor telefoon
529
Apple® CarPlay®* gebruiken
515
Instellingen voor Bluetooth-apparaten
530
517
Auto met actieve internetverbinding*
531
517
Internetverbinding voor de auto
maken via een telefoon met Bluetooth-verbinding
532
Internetverbinding voor de auto
maken via een telefoon (Wi-Fi)
533
Internetverbinding voor de auto
maken via automodem (simkaart)
534
Instellingen voor automodem*
534
Instellingen voor
Apple®
CarPlay®*
Tips voor het gebruik van Apple®
CarPlay®*
Android Auto*
518
Android Auto* gebruiken
519
Instellingen voor Android Auto*
520
Tips voor het gebruik van Android Auto*
520
Telefoon
521
Telefoon eerste keer verbinden met
de auto via Bluetooth
522
Internetverbinding van auto delen via
Wi-Fi-hotspot
535
Telefoon automatisch verbinden met
de auto via Bluetooth
524
Geen internetverbinding of een
slechte verbinding
536
Wi-Fi-netwerk verwijderen
537
Techniek en veiligheid rond Wi-Fi
537
11
ECALL
12
WIELEN EN BANDEN
eCall
552
Banden
556
Noodreparatieset voor banden
577
Automatische ongevalsmelding eCall
552
Maataanduiding voor banden
558
Noodreparatieset voor banden gebruiken
577
Acute hulp via eCall
553
Maataanduiding voor wielen
559
581
Wegenhulp
553
De draairichting van de banden.
559
Band oppompen met compressor uit
reparatieset voor banden
Slijtage-indicator van banden
560
Bandenspanning controleren
560
Bandenspanning aanpassen
561
Aanbevolen bandenspanning
562
Bandenspanningscontrolesysteem*
563
De nieuwe bandenspanning opslaan
in het controlesysteem*
564
Bandenspanningsstatus op het middendisplay* bekijken
566
Maatregel bij een waarschuwing voor
een lage bandenspanning
567
Bij het verwisselen van wielen
568
Gereedschapsset
568
Krik*
569
Wielbouten
569
Wielen demonteren
570
Wiel monteren
572
Reservewiel*
573
Reservewiel gebruiken
574
Winterbanden
575
Sneeuwkettingen
576
LAADMOGELIJKHEDEN,
OPBERGMOGELIJKHEDEN EN
INTERIEUR
ONDERHOUD EN SERVICE
Serviceprogramma van Volvo
606
Zekering vervangen
626
606
Zekeringen in motorruimte
627
Zekeringen onder dashboardkastje
630
Zekeringen in bagageruimte
633
Interieur reinigen
637
608
Middendisplay reinigen
638
639
Auto-interieur
584
Gegevensoverdracht tussen auto en
werkplaats via wifi
Tunnelconsole
585
Download Center
607
Aansteker* gebruiken
585
607
Stroomaansluitingen
587
Systeemupdates hanteren via Download Center
Elektrische aansluitingen gebruiken
589
Dashboardkastje gebruiken
591
Afspraak maken voor servicebeurt en
reparatie
609
Head-updisplay* reinigen
Zonnekleppen
592
639
Autogegevens naar de werkplaats sturen
610
Textielbekleding en hemelbekleding
reinigen
Bagageruimte
593
Auto opnemen
611
Veiligheidsgordels reinigen
639
613
Vloermatten en inlegmatten reinigen
640
Head-updisplay bij vervanging van de
voorruit*
613
Leren bekleding reinigen
640
Leren stuurwiel reinigen
641
Interieuronderdelen van kunststof,
metaal en hout reinigen
642
Exterieur reinigen
642
Poetsen en in de was zetten
643
Met de hand wassen
644
Automatische wasstraat
645
Hogedrukreinigers
646
Wisserbladen reinigen
646
Kunststof en rubber sieronderdelen
exterieur reinigen
647
Velgen reinigen
648
Roestwering
648
Adviezen voor het vervoer van bagage
593
Autostatus
Onderhoud aan klimaatregeling
Lading vervoeren op het dak en op
lastdragers
594
Draagtashouders
595
Motorkap openen en sluiten
614
Verankeringsogen
596
Overzicht motorruimte
615
Doorsteekluik in achterbank
596
Motorolie
616
Bagagerolhoes* monteren en
demonteren
596
Bagagerolhoes hanteren*
597
Veiligheidsrek* monteren en demonteren
598
Bagagenet monteren en demonteren*
600
EHBO-set*
602
Gevarendriehoek
602
Motorolie controleren en bijvullen
Koelvloeistof bijvullen
Lampen vervangen
Startaccu
Hulpaccu
617
618
619
620
623
Symbolen op de accu's
624
Accu's recyclen
625
Zekeringen en relais- en zekeringenhouders
625
13
SPECIFICATIES
649
Typeaanduidingen
658
Geringe lakschade herstellen
649
Maten
661
Kleurcodes
651
Gewichten
663
Wisserbladen achterruit vervangen
651
Trekgewichten en kogeldruk
664
Wisserblad voorruit vervangen
652
Motorspecificaties
666
Wisserbladen in servicestand
653
Specificaties van de motorolie
667
654
Ongunstige rijomstandigheden voor
motorolie
668
Specificaties van de koelvloeistof
669
Specificaties van de versnellingsbakolie
669
Specificaties van de remvloeistof
669
Brandstoftank – inhoud
670
Vulopening voor sproeiervloeistof
Bij te vullen hoeveelheid
14
ALFABETISCH REGISTER
Autolak
AdBlue®
670
Specificaties van de airconditioning
670
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot
672
Goedgekeurde wiel- en bandenmaten
674
Minimaal toelaatbare lastindex en
snelheidsklassen voor banden
675
Goedgekeurde bandenspanningswaarden
676
Alfabetisch register
677
INFORMATIE VOOR DE EIGENAAR
INFORMATIE VOOR DE EIGENAAR
Bedieningsinformatie
Beeldscherm van de auto1
Supportsite van Volvo Cars
Gebruikersinformatie is beschikbaar in verschillende productformaten, zowel digitaal als in
drukvorm. De gebruikershandleiding is te raadplegen via het middendisplay van de auto, via de
mobiele app en op de supportsite van Volvo
Cars. In het dashboardkastje ligt een Quick
Guide en een supplement bij de gebruikershandleiding met onder meer informatie over
zekeringen en specificaties. U kunt een gebruikershandleiding in drukvorm bestellen.
Open op het middendisplay het
hoofdscherm en tik op
Handleiding. Hier hebt u de
mogelijkheid tot visuele navigatie aan de hand van afbeeldingen van het auto-exterieur en interieur. De informatie is doorzoekbaar en ook beschikbaar in een indeling in
categorieën.
Bezoek support.volvocars.com
en kies uw land. Hier vindt u
gebruikershandleidingen online
en in PDF-formaat. Op de supportsite van Volvo Cars vindt u
tevens instructievideo's en
meer informatie over het
gebruik en het bezit van uw Volvo. De site is
beschikbaar voor de meeste markten.
Mobiele app
Informatie in drukvorm
Zoek op App Store of Google
Play naar “Volvo Manual”,
download de app naar uw
smartphone of tablet en kies
uw model. De app bevat
instructievideo's en biedt de
mogelijkheid tot visuele navigatie aan de hand van afbeeldingen van het autoexterieur en -interieur. De navigatie tussen de
verschillende artikelen van de gebruikershandleiding verloopt eenvoudig en de inhoud is doorzoekbaar.
1 Op
16
markten zonder gebruikershandleiding op het middendisplay wordt een volledige gebruikershandleiding in drukvorm verstrekt.
In het dashboardkastje ligt een
supplement bij de gebruikershandleiding1 met informatie
over zekeringen en specificaties plus een overzicht van
belangrijke en nuttige informatie.
Ook in drukvorm beschikbaar is een Quick Guide
met beknopte informatie over de meeste
gebruikte autofuncties om aan de slag te kunnen.
Afhankelijk van het gekozen uitrustingsniveau, de
markt en dergelijke liggen er aanvullende documenten met gebruikersinformatie in drukvorm in
de auto.
INFORMATIE VOOR DE EIGENAAR
Het is mogelijk een gedrukt exemplaar van de
gebruikershandleiding en het bijbehorende supplement te bestellen. Neem voor bestelling contact op met een Volvo-dealer.
BELANGRIJK
U bent er altijd zelf verantwoordelijk voor dat
u de auto op veilig wijze bestuurt en dat u de
geldende wetgeving en voorschriften in acht
neemt. Het is ook belangrijk dat u de auto
volgens Volvo's adviezen in de gebruikershandleiding onderhoudt en bedient.
Bij afwijkingen in de informatie op het middendisplay en in de gedrukte informatie, geldt
altijd de informatie in drukvorm.
•
•
Supportsite van Volvo Cars (p. 21)
Gebruikershandleiding doornemen (p. 22)
Gebruikershandleiding op
middendisplay
Via het middendisplay van de auto kunt u de
gebruikershandleiding in digitale2 vorm raadplegen.
De digitale gebruikershandleiding is te raadplegen via het hoofdscherm en in bepaalde gevallen
is ook de contextuele gebruikershandleiding te
raadplegen via het hoofdscherm.
N.B.
De digitale gebruikershandleiding is tijdens
het rijden niet beschikbaar.
N.B.
Wanneer u de taal in het middendisplay verandert, kan dat betekenen dat bepaalde informatie voor de eigenaar niet overeenkomt met
landelijke of plaatselijke wet- en regelgeving.
Stel geen taal in die u niet begrijpt, omdat het
dan lastig wordt om te navigeren in de menustructuur op het scherm.
Gerelateerde informatie
•
Gebruikershandleiding op middendisplay
(p. 17)
•
Gebruikershandleiding op mobiele apparaten
(p. 21)
}}
17
INFORMATIE VOOR DE EIGENAAR
||
Gebruikershandleiding
Contextuele gebruikershandleiding
Dit geldt alleen voor bepaalde apps in de auto.
Voor gedownloade boordapps van derden zijn
bijv. geen appspecifieke artikelen beschikbaar.
Gerelateerde informatie
Het hoofdscherm met de knop voor de gebruikershandleiding.
Hoofdscherm met de knop voor de contextuele gebruikershandleiding.
Om de gebruikershandleiding te openen – sleep
het hoofdscherm op het middendisplay omlaag
en tik op Handleiding.
De contextuele gebruikershandleiding is een
snelkoppeling naar het artikel in de gebruikershandleiding met een beschrijving van de op het
scherm getoonde actieve functie. Wanneer een
contextuele gebruikershandleiding beschikbaar
is, verschijnt deze rechts van Handleiding in het
hoofdscherm.
De informatie in de gebruikershandleiding is
rechtstreeks te raadplegen via de startpagina van
de gebruikershandleiding of via het hoofdmenu.
Tik eenmaal op de contextuele gebruikershandleiding om het artikel van de gebruikershandleiding te openen dat verband houdt met de
getoonde inhoud op het display. Tik bijv. op
Handleiding Navigatie om een artikel te openen dat verband houdt met de navigatie.
2
18
Geldt voor de meeste markten.
•
Navigeren in de gebruikershandleiding op
het middendisplay (p. 19)
•
Navigeren in schermen op het middendisplay
(p. 110)
•
Apps downloaden (p. 497)
INFORMATIE VOOR DE EIGENAAR
Navigeren in de
gebruikershandleiding op het
middendisplay
De digitale gebruikershandleiding is te bereiken
via het hoofdscherm van het middendisplay in de
auto. De informatie is doorzoekbaar en de navigatie tussen de verschillende artikelen verloopt
eenvoudig.
Menu openen op het hoofdmenu
–
Tik op
in de bovenste lijst in de gebruikershandleiding.
> Er wordt een menu geopend met verschillende opties voor het vinden van informatie:
Startpagina
Tik op het symbool om terug te
gaan naar de startpagina van
de gebruikershandleiding.
Quick Guide
Tik op het symbool om een
pagina te openen met koppelingen naar enkele artikelen die
u vooral moet doornemen om
kennis te maken met de meest
gebruikelijke autofuncties. De
artikelen zijn ook via categorieën bereikbaar, maar staan hier om er snel bij te
kunnen. Tik op een artikel om het in zijn geheel
te lezen.
Categorieën
De artikelen van de gebruikershandleiding zijn geordend naar
hoofdcategorieën en subcategorieën. Hetzelfde artikel kan in
meerdere categorieën voorkomen zodat het gemakkelijker te
vinden is.
De gebruikershandleiding is vanuit het hoofdscherm te
openen.
–
Om de gebruikershandleiding te openen –
sleep het hoofdscherm op het middendisplay
omlaag en tik op Handleiding.
U kunt op verschillende manieren informatie vinden in de gebruikershandleiding. De menu-opties
zijn te bereiken via de startpagina van de gebruikershandleiding en via het hoofdmenu.
1.
Druk op Categorieën.
> De hoofdcategorieën staan in een lijst.
2.
Tik op een hoofdcategorie ( ).
> Er verschijnt een lijst met subcategorieën
( ) en artikelen ( ).
3.
Tik op een artikel om het te openen.
Tik op de pijl-links om een stap terug te doen.
}}
19
INFORMATIE VOOR DE EIGENAAR
||
Hotspots voor exterieur en interieur
Overzichtsbeelden (exterieur en
interieur) van de auto. Diverse
delen zijn voorzien van hotspots
waarmee u naar artikelen over
het desbetreffende deel van de
auto gaat.
Favorieten
Tik op het symbool om de artikelen te openen die als favorieten zijn opgeslagen. Tik op een
artikel om het in zijn geheel te
lezen.
Artikelen als favoriet opslaan of verwijderen
Sla een artikel op als favoriet door in een
geheel rechtsboven te
geopend artikel op
drukken. De ster wordt gevuld wanneer een artikel is opgeslagen als favoriet:
.
1.
Druk op Exterieur of Interieur.
> Er verschijnen afbeeldingen van exterieur
of interieur met hotspots. De hotspots leiden naar artikelen over het desbetreffende deel van de auto. Veeg horizontaal
over het scherm om van de ene naar de
andere afbeelding te navigeren.
2.
Tik op een hotspot.
> De titel van een artikel op dit terrein verschijnt.
3.
Tik op de titel om het artikel te openen.
Tik op de pijl-links om een stap terug te doen.
20
Zoekfunctie gebruiken op het
hoofdmenu
1.
op het hoofdmenu van de
Druk op
gebruikershandleiding. Onder aan het
scherm verschijnt een toetsenbord.
2.
Voer een zoekterm in, bijv. "veiligheidsgordel".
> Er verschijnen suggesties voor artikelen
en categorieën naarmate u letters invoert.
3.
Druk op het artikel dat of de categorie om
het of deze te openen.
Om een artikel te verwijderen uit de favoriete artikelen, kunt u vanuit het geopende artikel
opnieuw op de ster drukken.
Gerelateerde informatie
Video
•
•
Tik op het symbool om naar de
pagina te gaan met korte
instructievideo's voor verschillende autofuncties.
Informatie
Tik op het symbool voor informatie over de versie van de
gebruikershandleiding in de
auto en andere praktische
informatie.
•
Gebruikershandleiding op middendisplay
(p. 17)
Toetsenbord op middendisplay (p. 121)
Gebruikershandleiding doornemen (p. 22)
INFORMATIE VOOR DE EIGENAAR
Gebruikershandleiding op mobiele
apparaten
De gebruikershandleiding is beschikbaar als
mobiele app3 en is verkrijgbaar via zowel App
Store als Google Play. De app is aangepast
voor zowel smartphones als tablets.
desbetreffende gebieden. De navigatie tussen de
verschillende artikelen van de gebruikershandleiding verloopt eenvoudig en de inhoud is doorzoekbaar.
Supportsite van Volvo Cars
Op de web- en supportsite van Volvo Cars staat
meer informatie over uw auto.
Support op internet
Ga naar support.volvocars.com om deze pagina te
bezoeken. De supportpagina is beschikbaar voor
de meeste markten.
Hier vindt u support voor zaken die bijv. te maken
hebben met online diensten en functies, Volvo
On Call*, het navigatiesysteem* en apps. Video's
en stapsgewijze instructies verklaren verschillende procedures, bijv. hoe de auto via een mobiele telefoon te verbonden is met internet.
Te downloaden informatie
Kaarten
Voor auto's met Sensus Navigation zijn via de
supportsite kaarten te downloaden.
De gebruikershandleiding is als
mobiele app te downloaden via
App Store of Google Play. De
QR-code hiernaast leidt rechtstreeks naar de app. Of zoek
anders naar "Volvo manual" in
App Store of Google Play.
De app bevat video's alsook afbeeldingen van
exterieur en interieur waarop verschillende delen
van de auto staan aangegeven met zogenoemde
hotspots, die verder leiden naar artikelen over de
3
De mobiele app is verkrijgbaar via zowel App Store als
Google Play.
Gebruikershandleidingen in pdf-vorm
Er zijn gebruikershandleidingen in pdf-formaat te
downloaden. Download de gewenste gebruikershandleiding door een model en modeljaar te kiezen.
Gerelateerde informatie
Contact
•
Gebruikershandleiding doornemen (p. 22)
Op de supportpagina staan de contactgegevens
van de klantenservice en de dichtstbijzijnde
Volvo-dealers.
Voor bepaalde mobiele apparaten.
}}
* Optie/accessoire.
21
INFORMATIE VOOR DE EIGENAAR
||
Aanmelden op de website van Volvo
Cars
Registreert uw eigen Volvo ID en meld u aan op
www.volvocars.com. Zodra u bent aangemeld,
kunt u bijvoorbeeld een overzicht krijgen van service, contracten en garanties. U vindt hier ook
informatie over model-specifieke accessoires en
softwareproducten voor uw Volvo.
Gerelateerde informatie
•
Volvo ID (p. 26)
Gebruikershandleiding doornemen
Een goede manier om vertrouwd te raken met
uw nieuwe auto is om de gebruikershandleiding
door te nemen, idealiter voor aanvang van de
eerste rit.
Het doornemen van de gebruikershandleiding is
een goede manier om vertrouwd te raken met
nieuwe functies, tips te krijgen voor hoe u de
auto in verschillende situaties het beste kunt
bedienen en te leren hoe u optimaal gebruik kunt
maken van alle mogelijkheden die uw auto biedt.
Besteed ook aandacht aan de veiligheidsinstructies in de gebruikershandleiding.
De gebruikershandleiding dient alleen om uitleg
te geven bij alle beschikbare functies, opties en
accessoires voor een Volvo. De handleiding is
dan ook geen garantie dat alle beschreven functies en opties ook op alle auto's aanwezig zijn.
Bepaalde termen kunnen verschillen van de terminologie die in verkoop-, marketing- en reclamematerialen wordt gebezigd.
Er vindt voortdurend productontwikkeling plaats
ter verbetering van ons product. Aanpassingen
kunnen ertoe leiden dat de gegevens, beschrijvingen en illustraties in de gebruikershandleiding
afwijken van de werkelijke uitrusting op uw auto.
We behouden ons het recht voor om zonder
voorafgaande mededeling wijzigingen aan te
brengen.
22
Laat dit boekje altijd in de auto liggen – anders
ontbreekt bij eventuele problemen de noodzakelijke informatie over hoe en waar u professionele
hulp kunt krijgen.
© Volvo Car Corporation
Opties/accessoires
Als aanvulling op de standaarduitrusting worden
in de gebruikershandleiding ook de opties (van
fabriekswege gemonteerde uitrusting) en
bepaalde accessoires (ingebouwde extra uitrusting) beschreven.
Alle op het moment van publicatie bekende soorten opties/accessoires zijn gemarkeerd met een
asterisk: *.
De uitrusting die in de gebruikershandleiding
wordt beschreven is niet op alle auto's aanwezig
– welke uitrusting aanwezig is hangt af van de
verschillende behoeften op de diverse markten
en de landelijke en/of regionale wet- en regelgeving.
Neem bij twijfel over de standaarduitrusting of
opties/accessoires contact op met een Volvodealer.
Speciale teksten
WAARSCHUWING
Waarschuwingsteksten geven informatie over
kans op letsel.
* Optie/accessoire.
INFORMATIE VOOR DE EIGENAAR
BELANGRIJK
Belangrijk-teksten geven informatie over kans
op materiële schade.
tekstveld. Worden gebruikt om te attenderen op
een risico dat, bij het negeren van de waarschuwing, kan resulteren in ernstig letsel met mogelijk
dodelijke afloop.
Informatie
Gevaar voor materiële schade
N.B.
Teksten met het kopje N.B. duiden op tips en
adviezen die het gebruik van bepaalde mogelijkheden en functies vergemakkelijken.
Stickers
Er zitten verschillende soorten stickers in de auto
om belangrijke informatie op een simpele en duidelijke manier over te dragen. De stickers in de
auto zijn van de onderstaande aflopende waarschuwings-/informatiegraad.
Gevaar voor lichamelijk letsel
Witte ISO-symbolen en een witte tekst/afbeelding in een zwart tekstveld.
N.B.
Witte ISO-symbolen en een witte tekst/afbeelding in een zwart of blauw waarschuwings- en
tekstveld. Worden gebruikt om te attenderen op
een risico dat, bij het negeren van de waarschuwing, kan resulteren in materiële schade.
De in de gebruikershandleiding afgebeelde
stickers hoeven niet per definitie overeen te
komen met de stickers die in of op uw auto
aanwezig zijn. De afbeeldingen zijn alleen
bedoeld om aan te geven hoe de stickers er
in grote lijnen uitzien en waar u ze ongeveer
kunt aantreffen. Op de stickers van uw auto
vindt u de informatie die op uw auto van toepassing is.
Afbeeldingen en videoclips
Zwarte ISO-symbolen in een geel waarschuwingsveld, witte tekst/afbeelding in een zwart
De afbeeldingen en videoclips in de gebruikershandleiding zijn soms schematisch en bedoeld
om een overzicht of voorbeeld van een bepaalde
}}
23
INFORMATIE VOOR DE EIGENAAR
||
functie te geven. Ze kunnen dan ook afwijken van
uw uitvoering van de auto, afhankelijk van het uitrustingsniveau en de markt.
Gerelateerde informatie
•
Gebruikershandleiding op middendisplay
(p. 17)
•
Gebruikershandleiding op mobiele apparaten
(p. 21)
•
Supportsite van Volvo Cars (p. 21)
Milieu-aspecten van de
gebruikershandleiding
De gebruikershandleiding is gedrukt op papier
waarvoor de grondstoffen afkomstig zijn uit
gecontroleerde bossen.
Het Forest Stewardship Council (FSC)®-symbool
geeft aan dat de papiervezels waarvan een
gebruikershandleiding in drukvorm gemaakt is
afkomstig zijn uit FSC®-gecertificeerde bossen of
andere gecontroleerde bronnen.
Gerelateerde informatie
•
24
Drive-E - schoner rijplezier (p. 28)
UW VOLVO
UW VOLVO
Volvo ID
N.B.
Volvo ID is een persoonlijke ID waarmee u
gebruikmakend van één gebruikersnaam en
wachtwoord toegang krijgt tot diverse diensten.
Bij wijziging van een gebruikersnaam/wachtwoord voor een bepaalde dienst (zoals Volvo
On Call) geldt deze wijziging ook automatisch
voor de overige diensten.
N.B.
Het dienstenaanbod kan in de loop der tijd
aangepast worden en hangt af van het uitrustingsniveau en de markt.
Voorbeelden van diensten:
•
•
•
1
2
26
De Volvo On Call-app* – controleer de auto
via uw telefoon. Zo is het bijv. mogelijk om
het brandstofpeil te controleren, het dichtstbijzijnde tankstation te tonen en de auto op
afstand te vergrendelen.
Send to Car – stuur adressen van kaartdiensten op internet rechtstreeks naar de auto.
Onderhoud en reparatie reserveren – registreer de door u gewenste werkplaats/dealer
op volvocars.com om onderhoud rechtstreeks
vanuit de auto een afspraak te maken.
De Volvo ID wordt rechtstreeks vanuit de auto, via
volvocars.com of deVolvo On Call-app aangemaakt1.
Wanneer een Volvo ID is aangemaakt komen
meer diensten beschikbaar. Er zijn meerdere
Volvo ID's aan dezelfde auto te koppelen en het
is ook mogelijk om één Volvo ID aan meerdere
auto's te koppelen.
Gerelateerde informatie
•
•
Volvo ID aanmaken en registreren (p. 26)
Afspraak maken voor servicebeurt en reparatie (p. 609)
Volvo ID aanmaken en registreren
Een Volvo ID is op verschillende manieren aan te
maken. Als u een Volvo ID registreert op
volvocars.com of via de Volvo On Call-app2,
moet de Volvo ID ook worden gekoppeld aan de
auto om de verschillende Volvo ID-diensten te
kunnen gebruiken.
Volvo ID registreren via de app Volvo ID
1. Download de app Volvo ID via Download
Center op het appscherm van het middendisplay.
2.
Start de app en registreer een persoonlijk emailadres.
3.
Volg de instructies op die automatisch verstuurd worden naar het opgegeven e-mailadres.
> Er is daarmee een Volvo ID aangemaakt
en het ID staat automatisch geregistreerd
voor de auto. De Volvo ID-diensten kunnen nu gebruikt worden.
Voor mensen met Volvo On Call*.
Geldt alleen voor bepaalde markten.
* Optie/accessoire.
UW VOLVO
Volvo ID registreren op website van Volvo
Cars
1. Surf naar www.volvocars.com en meld u aan3
via het icoontje rechts bovenaan. Kies Volvo
ID aanmaken.
2.
Geef een persoonlijk e-mailadres op.
3.
Volg de instructies op die automatisch verstuurd worden naar het opgegeven e-mailadres.
> Er is daarmee een Volvo ID aangemaakt.
Lees hieronder over hoe u het ID registreert voor de auto.
Volvo ID registreren via de Volvo On Callapp4
1. Download de nieuwste versie van de Volvo
On Call-app via de smartphone, op bijvoorbeeld AppStore, Windows Phone of Google
Play.
2.
3.
Kies op de startpagina van de app voor het
aanmaken van een Volvo ID en geef een persoonlijk e-mailadres aan.
Volg de instructies op die automatisch verstuurd worden naar het opgegeven e-mailadres.
> Er is daarmee een Volvo ID aangemaakt.
Lees hieronder over hoe u het ID registreert voor de auto.
Uw Volvo ID voor de auto registreren
Als de Volvo ID werd aangemaakt op internet of
met de Volvo On Call-app, registreer deze dan
voor de auto:
1.
Download de app Volvo ID vanaf Download
Center op het appscherm van het middendisplay, als dat nog niet is gebeurd.
N.B.
Om apps te kunnen downloaden moet de
auto verbinding hebben met internet.
2.
Start de app en vul uw Volvo ID/mailadres in.
3.
Volg de instructies op, die automatisch naar
het e-mailadres worden gestuurd dat aan uw
Volvo ID is gekoppeld.
> Uw Volvo ID is daarmee voor de auto
geregistreerd. De Volvo ID-diensten kunnen nu gebruikt worden.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Volvo ID (p. 26)
•
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 531)
Apps downloaden (p. 497)
Systeemupdates hanteren via Download
Center (p. 607)
3 Beschikbaar op bepaalde markten.
4 Auto's met Volvo On Call*.
* Optie/accessoire.
27
UW VOLVO
Drive-E - schoner rijplezier
Volvo Car Corporation werkt voortdurend aan de
ontwikkeling van veiliger en effectievere produc-
Milieuzorg is een van de kernwaarden van Volvo
Cars die van invloed is op alle activiteiten. De
milieu-activiteiten gaan uit van de volledige
levensduur van de auto en houden rekening met
de milieu-effecten, van ontwikkeling tot sloop en
recycling. Volvo Cars hanteert het uitgangspunt
dat de milieu-effecten van nieuwe producten
geringer moeten zijn dan die van de producten
waarvoor ze in de plaats komen.
Een van de resultaten van de inspanningen van
Volvo op milieugebied is de ontwikkeling van de
Drive-E-aandrijflijnen, die effectiever werken en
minder vervuilend zijn. Ook het persoonlijke
28
ten en oplossingen om de milieu-effecten te
beperken.
milieu heeft de volle aandacht van Volvo - de
lucht in een Volvo is door de klimaatregeling bijvoorbeeld schoner dan de lucht buiten.
Uw Volvo voldoet aan strenge internationale
milieu-eisen. Alle productie-eenheden van Volvo
hebben een ISO 14001-certificaat, wat een systematische benadering van de milieu-aspecten
van de productie betekent om voortdurend verbeteringen aan te brengen en de milieu-effecten te
beperken. Dit ISO-certificaat betekent ook dat de
geldende wettelijke bepalingen en voorschriften
op milieugebied wordt nageleefd. Volvo eist ook
van de samenwerkingspartners dat ze aan deze
normen voldoen.
Brandstofverbruik
Omdat de milieu-effecten van auto's voor een
groot deel toe te schrijven zijn aan het gebruik
ervan richt Volvo Cars zich op het beperken van
het brandstofverbruik, de uitstoot van kooldioxide
en andere verontreinigende stoffen. De auto's
van Volvo zijn concurrerend in hun klasse wat het
brandstofverbruik betreft. Een lager brandstofverbruik levert over het algemeen een geringere uitstoot van het broeikasgas kooldioxide op.
UW VOLVO
Bijdragen aan een schoner milieu
Een zuinige auto levert niet alleen een beperking
van de milieu-effecten op, maar betekent ook
lagere kosten voor de eigenaar van de auto. Als
bestuurder kunt u eenvoudig brandstof en geld
besparen en zo een bijdrage leveren aan een
schoner milieu. Hier volgen enkele tips en adviezen:
•
Plan een effectieve gemiddelde snelheid.
Snelheden boven zo'n 80 km/h (50 mph) en
onder zo'n 50 km/h (30 mph) zorgen voor
een hoger energieverbruik.
manier van verwerken van dergelijk afval - geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Efficiënte uitlaatgasreiniging
Uw Volvo is gebouwd volgens het concept
"Schoon aan binnen- en buitenkant" - een concept dat een schone passagiersruimte combineert met een uitermate efficiënte uitlaatgasreiniging. In veel gevallen liggen uitlaatgasemissies
ver onder de geldende normen.
Schone lucht in passagiersruimte
Een luchtfilter helpt voorkomen dat stofdeeltjes
en pollen via de luchtinlaatopening de passagiersruimte binnendringen.
•
Neem de intervallen voor onderhoud en service aan de auto in acht die in het Serviceen garantieboekje geadviseerd worden.
•
Voorkom stationair draaien - zet de motor af
wanneer u langere tijd stilstaat. Houdt u zich
aan de plaatselijke voorschriften.
•
Rijd anticiperend - bij onnodig vaak stoppen
en optrekken en een ongelijkmatige snelheid
stijgt het brandstofverbruik.
•
Activeer de preconditioning* vóór een koude
start - dit verhoogt de startgewilligheid en
beperkt de slijtage bij koud weer. De motor
komt sneller op bedrijfstemperatuur, wat een
beperking van het verbruik en de uitstoot
oplevert.
Het systeem ontdoet de lucht in de passagiersruimte van verontreinigingen in de vorm van stofdeeltjes, koolwaterstoffen, stikstofoxiden en laaghangend ozon. Als de Air Quality Sensor een verhoogde concentratie van verontreinigingen in de
buitenlucht meet, wordt de luchtinlaat afgesloten
waarna de lucht in de passagiersruimte wordt
gerecirculeerd. Iets dergelijks kan zich voordoen
in bijvoorbeeld druk verkeer, files of tunnels.
Let er tevens op dat u afvalstoffen die schadelijk
zijn voor het milieu, zoals accu's en olie, op een
milieuvriendelijke manier afvoert. Neem contact
op met een werkplaats bij twijfel over de juiste
Het IAQS is onderdeel van het CZIP (Clean Zone
Interior Package)* dat voorzien is van een speciale ventilatorfunctie die aanslaat, wanneer de
auto via de transpondersleutel wordt ontgrendeld.
Het luchtkwaliteitssysteem IAQS* (Interior Air
Quality System) zorgt ervoor dat de lucht die de
passagiersruimte binnenkomt, schoner is dan de
lucht buiten in het verkeer.
Interieur
De gebruikte materialen voor het interieur van
een Volvo zijn zorgvuldig geselecteerd en uitvoerig getest op comfort en hypoallergeniteit.
Bepaalde afwerkingsdetails zijn handmatig aangebracht: zo is de stuurwielbekleding met de
hand genaaid. Het interieur is getest op de afwezigheid van sterke geuren of stoffen die klachten
kunnen geven bij hoge temperaturen of direct
zonlicht.
Erkende Volvo-werkplaatsen en het
milieu
Met regelmatig onderhoud kunt u de voorwaarden scheppen voor een lange levensduur en een
laag brandstofverbruik. U draagt zo tevens bij aan
een schoner milieu. Wanneer u de reparaties en
het onderhoud aan de auto toevertrouwt aan de
werkplaatsen van Volvo, wordt de auto een
onderdeel van Volvo's systeem. Volvo stelt duidelijke milieu-eisen aan de outillage van de werkplaatsen om te voorkomen dat er schadelijke
stoffen in het milieu vrijkomen. Het werkplaatspersoneel beschikt over de kennis en het
gereedschap om optimale milieuzorg te garanderen.
Recycling
Omdat Volvo werkt vanuit een levensduurperspectief is het ook belangrijk dat autowrakken op
milieuvriendelijke wijze worden gerecycled. De
auto is nagenoeg geheel te recyclen. De laatste
eigenaar van de auto wordt daarom verzocht con}}
* Optie/accessoire.
29
UW VOLVO
||
tact op te nemen met een dealer voor de locatie
van een gecertificeerd/erkend recyclingbedrijf.
Gerelateerde informatie
30
•
•
•
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot (p. 672)
•
Milieu-aspecten van de gebruikershandleiding (p. 24)
•
Luchtkwaliteit (p. 203)
Zuinig rijden (p. 455)
Preconditioning* in- en uitschakelen
(p. 229)
* Optie/accessoire.
UW VOLVO
IntelliSafe – rijhulp en veiligheid
IntelliSafe is het rijveiligheidsconcept van Volvo
Cars. IntelliSafe omvat enkele systemen5 die de
rijveiligheid verhogen, schade/letsel voorkomen
en inzittenden en medeweggebruikers beschermen.
WAARSCHUWING
De systemen zijn aanvullende hulpmiddelen –
ze werken niet in alle situaties.
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige manier
bestuurt en dat u zich aan de geldende verkeersregels en voorschriften houdt.
Ondersteuning
IntelliSafe heeft de volgende functies die de rijveiligheid verhogen.
•
•
•
•
•
•
•
•
5
6
Automatisch groot licht
Tunneldetectie
Pilot Assist
Cross Traffic Alert
Blind Spot Information
Parkeerhulp*
Actieve parkeerhulp*
Parkeerhulpcamera*
•
•
•
•
•
•
•
•
•
Verkeersbordinformatie*
N.B.
Elektronische stabiliteitsregeling
Lees de artikelen over de afzonderlijke systemen door voor een goed inzicht in de werking
en om kennis te nemen van belangrijke waarschuwingen.
Roll Stability Control
Snelheidsbegrenzer*
Cruisecontrol
Adaptieve cruisecontrol*
Rear Collision Warning
Driver Alert Control
Vierwielaandrijving6
Gerelateerde informatie
•
•
•
Automatisch groot licht (p. 153)
Veiligheid (p. 42)
Rijhulpsystemen (p. 290)
Voorkomen
IntelliSafe heeft de volgende functies om een
ongeluk te voorkomen.
• City Safety
• Afstandswaarschuwing*
• Rijbaanassistent
• Botsingspreventie
Beschermen
IntelliSafe heeft de volgende onderling samenwerkende functies om u en eventuele passagiers
in bepaalde ongelukssituaties te beschermen.
•
•
•
•
Whiplash Protection System
Pedestrian Protection System
Veiligheidsgordels met gordelspanners
Airbags
Sommige systemen zijn standaard gemonteerd, terwijl andere optioneel zijn. Welke dat precies zijn, hangt van de markt, het modeljaar en het automodel af.
All Wheel Drive
* Optie/accessoire.
31
UW VOLVO
Sensus – connectiviteit en
entertainment
Sensus biedt u de mogelijkheid om diverse apps
te gebruiken en een Wi-Fi-hotspot van uw auto
te maken.
Dit is Sensus
Sensus biedt een intelligente bedieningsinterface
en contact met de digitale wereld. Dankzij de
intuïtieve navigatiestructuur kunt u altijd toegang
krijgen tot hulp, informatie en entertainment, zonder te worden afgeleid.
schijnt, hangt af van hoe belangrijk de informatie
is voor u als bestuurder.
Sensus omvat alle oplossingen in de auto die
verband houden met entertainment, connectiviteit, navigatie* en de bedieningsinterface tussen
bestuurder en auto. Sensus maakt communicatie
mogelijk tussen u, uw auto en de omgeving.
Informatie waar en wanneer u die nodig
hebt
Op de verschillende displays in de auto staat
altijd relevante informatie. Waar de informatie ver-
32
* Optie/accessoire.
UW VOLVO
Waar welke informatie verschijnt, hangt af van hoe belangrijk de informatie is.
Head-updisplay*
Op het head-updisplay verschijnt het gekozen
type informatie dat onmiddellijke actie van u vereist. Het kan bijv. gaan om verkeersinformatie en
informatie over snelheid en navigatie*. Ook informatie over verkeersborden en telefoonoproepen
verschijnen op het head-updisplay. Dergelijke
informatie is te hanteren met de rechter stuurknoppenset en vanaf het middendisplay.
Bestuurdersdisplay
12 inch* bestuurdersdisplay.
}}
* Optie/accessoire.
33
UW VOLVO
Een groot aantal van de primaire functies van de
auto wordt aangestuurd vanaf het middendisplay,
een touchscreen dat reageert bij aanraking. Dit
houdt een beperking in van het aantal fysieke
knoppen en bedieningselementen in de auto. Het
display is met of zonder handschoenen aan te
bedienen.
||
8 inch bestuurdersdisplay.
Het bestuurdersdisplay geeft informatie over
onder meer snelheid en bijv. telefoonoproepen of
informatie over het afgespeelde nummer. Het is
te bedienen met de twee knoppensets op het
stuurwiel.
Middendisplay
•
Internetverbinding van auto delen via Wi-Fihotspot (p. 535)
Vanaf het middendisplay zijn bijv. de klimaatregeling, het infotainmentsysteem en de stoelverstelling* te bedienen. De functies van het middendisplay zijn door de bestuurder of een eventuele
passagier te bedienen.
Stembediening
Als bestuurder kunt u de stembediening gebruiken om uw
handen aan het stuur te kunnen houden. Het systeem
begrijpt bepaalde stemcommando's. Gebruik de stembediening om bijvoorbeeld een
track af te spelen, iemand te bellen, de verwarming hoger te zetten of een sms-bericht te laten
voorlezen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
34
Head-updisplay* (p. 139)
Bestuurdersdisplay (p. 78)
Overzicht van het middendisplay (p. 104)
Stembediening (p. 142)
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 531)
* Optie/accessoire.
UW VOLVO
Software-updates
Vastlegging van gegevens
Om ervoor te zorgen dat u als Volvo-bezitter uw
auto ten volle kunt benutten blijven we de autosystemen en beschikbare diensten verder ontwikkelen.
In het kader van de veiligheids- en kwaliteitsinspanningen van Volvo wordt bepaalde informatie
over de werking, de functionaliteit en bijna-aanrijdingen door de auto vastgelegd.
U kunt van tijd tot tijd terecht bij de erkende
Volvo-dealer om de software van uw Volvo bij te
werken. Met deze nieuwste software-update kunt
u beschikbare verbeteringen benutten, inclusief
die van de eerdere software-updates.
Deze auto is uitgerust met een “Event Data
Recorder” (EDR). Het belangrijkste doel daarvan
is het vastleggen en opnemen van gegevens bij
verkeersongevallen of op aanrijdingen lijkende
situaties, zoals wanneer de airbag wordt geactiveerd of als de auto een wegversperring raakt.
De gegevens worden geregistreerd om meer
inzicht te krijgen in hoe de systemen van de auto
in dit soort situaties werken. De EDR is zodanig
vormgegeven dat deze gedurende een korte tijd
gegevens vastlegt die verband houden met de
autodynamiek en de veiligheidssystemen, normaal gesproken 30 seconden of korter.
Breng voor meer informatie over de beschikbare
updates en antwoorden op veelgestelde vragen
een bezoek aan support.volvocars.com.
N.B.
De functionaliteit na de update kan variëren
afhankelijk van markt, model, modeljaar en
optie.
Gerelateerde informatie
•
Sensus – connectiviteit en entertainment
(p. 32)
•
Systeemupdates hanteren via Download
Center (p. 607)
De EDR in deze auto is zodanig geconstrueerd
dat deze bij verkeersongevallen of bijna-ongelukken gegevens vastlegt die verband houden met
het volgende:
•
Hoe de verschillende systemen in de auto
werkten;
•
In hoeverre de veiligheidsgordels van
bestuurder en passagiers vastzaten;
•
Het gebruik door de bestuurder van het gasof rempedaal;
•
Met welke snelheid de auto reed.
Dit kan een bijdrage leveren aan een beter
inzicht in de omstandigheden waarin bepaalde
verkeersongevallen en schades ontstaan. De
EDR legt alleen gegevens vast, als er sprake is
van een niet-alledaagse aanrijdingssituatie – bij
normale rijomstandigheden registreert de EDR
geen gegevens. Ook registreert het systeem
nooit wie de auto bestuurt of wat de geografische positie is voor de aanrijding of bijna-aanrijding. Andere partijen, zoals de politie, kunnen
echter gebruikmaken van de vastgelegde gegevens in combinatie met het type persoonlijk identificeerbare informatie dat bij een verkeersongeval routinematig wordt verzameld. Om de geregistreerde gegevens te kunnen interpreteren zijn
speciale apparatuur en toegang tot de auto of de
EDR vereist.
De auto is naast de EDR ook uitgerust met een
aantal computers, die tot taak hebben de werking
van de auto continu te controleren en bewaken.
Deze kunnen in normale rijomstandigheden
gegevens vastleggen, maar vooral wanneer deze
een fout registreren die betrekking heeft op de
bediening en werking van de auto of bij activering
van de actieve rijhulp (zoals City Safety en de
automatische remfunctie).
Een deel van de vastgelegde gegevens heeft de
monteur nodig om service en onderhoud te kunnen verrichten met als doel eventuele storingen
die in de auto zijn opgetreden te diagnosticeren
en verhelpen. De geregistreerde informatie heeft
Volvo ook nodig om te kunnen voldoen aan de
}}
35
UW VOLVO
juridische eisen conform de wet- en regelgeving.
De in de auto geregistreerde informatie is opgeslagen in de computers totdat de auto een servicebeurt krijgt of wordt gerepareerd.
Naast het bovenstaande kan de geregistreerde
informatie ook in een samengestelde vorm worden gebruikt voor verzekerings- en productontwikkelingsdoeleinden om de veiligheid en kwaliteit van Volvo's te verbeteren.
Volvo zal de bovengenoemde gegevens niet zonder de toestemming van de eigenaar van de auto
vrijgeven aan derden. Vanwege nationale wet- en
regelgeving kan Volvo echter worden gedwongen
om dit type informatie te verstrekken aan de politie of andere autoriteiten die het wettelijke recht
hebben om hiertoe toegang te krijgen. Om de
door vastgelegde gegevens te kunnen uitlezen
en interpreteren is speciale technische apparatuur vereist die alleen beschikbaar is bij Volvo en
de werkplaatsen die een contract hebben met
Volvo. Volvo ziet erop toe dat de gegevens, die in
verband met reparatie en onderhoud worden
doorgegeven aan Volvo, zorgvuldig worden opgeslagen en gehanteerd en dat ze in overeenstemming met de geldende wetgeving worden
gebruikt. Neem voor meer informatie contact op
met een Volvo-dealer.
36
Servicevoorwaarden
Privacybeleid voor klanten
Volvo biedt diensten om zo veilig, comfortabel
en aangenaam mogelijk in uw Volvo te kunnen
rijden.
Volvo respecteert de persoonlijke integriteit van
alle bezoekers van zijn websites.
Deze diensten variëren van hulp in noodsituaties
tot navigatie en diverse infotainmentdiensten.
Het privacybeleid geldt voor de verwerking van
klant- en persoonsgegevens. Het doel is om huidige, voormalige en potentiële klanten een algemeen inzicht te geven in:
Het is belangrijk dat u voor het gebruik van de
diensten de Servicevoorwaarden op
support.volvocars.com doorneemt.
•
de omstandigheden waarin we uw persoonsgegevens verzamelen en gebruiken;
Gerelateerde informatie
•
de soorten persoonsgegevens die we verzamelen;
•
de redenen waarom we uw persoonsgegevens verzamelen;
•
de manier waarop we met uw persoonsgegevens omgaan.
•
Privacybeleid voor klanten (p. 36)
Het volledige beleid kunt u doornemen op
support.volvocars.com.
Gerelateerde informatie
•
Gebruiksvoorwaarden en gegevensuitwisseling (p. 537)
•
•
Servicevoorwaarden (p. 36)
Vastlegging van gegevens (p. 35)
UW VOLVO
Belangrijke informatie over
accessoires en extra uitrusting
WAARSCHUWING
U bent er altijd zelf verantwoordelijk voor dat u
de auto op een veilige wijze gebruikt en dat u
zich aan de geldende wet- en regelgeving
houdt.
Een verkeerde aansluiting en montage van
accessoires en extra uitrusting kan een nadelige
invloed hebben op de werking van de elektronische systemen van de auto.
We adviseren Volvo-bezitters om uitsluitend door
Volvo goedgekeurde originele accessoires te
installeren en om deze accessoires uitsluitend te
laten installeren door daarvoor opgeleide en
gediplomeerde onderhoudstechnici van Volvo.
Sommige accessoires werken alleen nadat de
vereiste software in het computersysteem van de
auto is geïnstalleerd.
De uitrusting die in de gebruikershandleiding
wordt beschreven is niet op alle auto's aanwezig
– welke uitrusting aanwezig is hangt af van de
verschillende behoeften op de diverse markten
en de landelijke en/of regionale wet- en regelgeving.
Optionele apparatuur of accessoires die in deze
handleiding worden beschreven, zijn aangeduid
met een sterretje. Neem bij twijfel over de standaarduitrusting of opties/accessoires contact op
met een Volvo-dealer.
Het is ook belangrijk dat voor onderhoud en
service van de auto de aanbevelingen van
Volvo worden aangehouden in lijn met de
gebruikersinformatie en het service- en
garantieboekje.
Als de informatie in de auto afwijkt van de
gedrukte gebruikershandleiding moet altijd de
gedrukte informatie worden aangehouden.
Installatie van accessoires
We adviseren Volvo-bezitters om uitsluitend
door Volvo goedgekeurde originele accessoires
te installeren en om deze accessoires uitsluitend
te laten installeren door daarvoor opgeleide en
gediplomeerde onderhoudstechnici van Volvo.
Sommige accessoires werken alleen nadat de
vereiste software in het computersysteem van de
auto is geïnstalleerd.
•
Originele accessoires van Volvo worden
getest om te zorgen dat ze goed samenwerken met de autosystemen voor prestaties,
veiligheid en emissiebeheersing. Bovendien
weet een geschoolde en gekwalificeerde
onderhoudsmonteur van Volvo waar accessoires al dan niet veilig in uw Volvo mogen
worden geïnstalleerd. Vraag altijd een
geschoolde en gekwalificeerde onderhoudsmonteur van Volvo om advies voordat u
accessoires in of op uw auto installeert.
•
Van accessoires die niet zijn goedgekeurd
door Volvo is mogelijk niet speciaal getest of
ze geschikt zijn voor gebruik in uw auto.
•
Sommige prestatie- of veiligheidssystemen
van de auto kunnen nadelig worden beïnvloed als u accessoires installeert die niet
door Volvo zijn getest, of als u iemand die
geen ervaring heeft van de auto accessoires
laat installeren.
•
Schade veroorzaakt door accessoires die op
een niet goedgekeurde of niet correcte
Gerelateerde informatie
•
•
Installatie van accessoires (p. 37)
•
Gebruikershandleiding doornemen (p. 22)
Uitrusting aansluiten op de diagnoseaansluiting van de auto (p. 38)
}}
37
UW VOLVO
manier zijn geïnstalleerd, worden mogelijk
niet gedekt door de garantie op de nieuwe
auto. Meer informatie over de garantie vindt u
in het service- en garantieboekje. Volvo wijst
elke vorm van aansprakelijkheid af voor sterfgevallen, persoonlijk letsel of kosten die kunnen ontstaan als gevolg van de installatie van
niet-originele accessoires.
||
Gerelateerde informatie
•
Belangrijke informatie over accessoires en
extra uitrusting (p. 37)
Uitrusting aansluiten op de
diagnoseaansluiting van de auto
Een verkeerde aansluiting en montage van software kan een nadelige invloed hebben op de
werking van de elektronische systemen van de
auto.
We adviseren Volvo-bezitters om uitsluitend door
Volvo goedgekeurde originele accessoires te
installeren en om deze accessoires uitsluitend te
laten installeren door daarvoor opgeleide en
gediplomeerde onderhoudstechnici van Volvo.
Sommige accessoires werken alleen nadat de
vereiste software in het computersysteem van de
auto is geïnstalleerd.
Diagnoseaansluiting (On-board Diagnostic-aansluiting,
OBDII) onder het instrumentenpaneel aan de bestuurderszijde.
38
N.B.
Volvo Cars aanvaardt geen aansprakelijkheid
voor de gevolgen indien niet-goedgekeurde
apparatuur wordt aangesloten op de Onboard Diagnostic-aansluiting (OBDII). Deze
aansluiting mag uitsluitend worden gebruikt
door opgeleide en gekwalificeerde Volvo-servicemonteurs.
Gerelateerde informatie
•
Belangrijke informatie over accessoires en
extra uitrusting (p. 37)
UW VOLVO
VIN van de auto tonen
Afleiding van de bestuurder
Bij contact met een Volvo-dealer in het kader
van bijv. een Volvo On Call-abonnement hebt u
het voertuigidentificatienummer (VIN7) van de
auto nodig.
Het is uw verantwoordelijkheid als bestuurder
om uw eigen veiligheid en de veiligheid van inzittenden en andere weggebruikers op alle mogelijke manieren te waarborgen. Tot deze verantwoordelijkheid behoort het ontwijken van afleidingen, zodat u zich bijvoorbeeld niet moet
bezighouden met zaken die niet direct verband
houden met de besturing van de auto in het verkeer.
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm op
het middendisplay.
2.
Ga verder naar Systeem
Systeeminformatie Vehicle
Identification Number.
> Het voertuigidentificatienummer van de
auto verschijnt.
Het VIN is ook te achterhalen wanneer u door de
voorruit van de auto op het instrumentenpaneel
kijkt of wanneer u de eerste pagina van het Service- en garantieboekje of het kentekenbewijs
van de auto raadpleegt.
Het VIN staat bij alle modellen op dezelfde plek.
Uw nieuwe Volvo is, of kan zijn uitgerust met een
inhoudelijk rijke entertainment- en communicatiesystemen. Dat kan een mobiele telefoon met
handsfree zijn, een navigatiesysteem en/of een
geluidsinstallatie met vele functies. U hebt wellicht ook andere draagbare elektronische apparaten voor uw eigen gemak. Mits correct en veilig
gebruikt, kunnen ze uw rijervaring verrijken. Maar
bij verkeerd gebruik, kunnen ze een bron van
afleiding zijn.
Voor al deze systemen willen we, als blijk van Volvo's toewijding aan uw veiligheid, de volgende
waarschuwing met u delen. Gebruik dergelijke
apparaten of functies in de auto nooit zodanig
dat u wordt afgeleid van uw taak om veilig te rijden. Als u wordt afgeleid kan dit ernstige ongelukken veroorzaken. Los van deze algemene
waarschuwing, willen we u graag de volgende
7
Vehicle Identification Number
}}
39
UW VOLVO
||
adviezen geven voor enkele nieuwe functies
waarmee de auto kan zijn uitgerust:
WAARSCHUWING
•
Gebruik tijdens het rijden nooit een handheld mobiele telefoon. In bepaalde gebieden is het voor de bestuurder verboden
om een mobiele telefoon te gebruiken
wanneer de auto rijdt.
•
Als de auto is voorzien van een navigatiesysteem, mag u alleen instellingen verrichten en wijzigingen aanbrengen in het
reisplan wanneer de auto geparkeerd
staat.
•
Programmeer het audiosysteem nooit
wanneer de auto rijdt. Programmeer de
voorinstellingen van de radio terwijl de
auto geparkeerd staat en gebruik de
geprogrammeerde voorinstellingen om de
radio sneller en eenvoudiger te bedienen.
•
Gebruik nooit laptops of tablets wanneer
de auto rijdt.
Gerelateerde informatie
•
40
Audio, media en internet (p. 494)
VEILIGHEID
VEILIGHEID
Veiligheid
De auto is voorzien van diverse veiligheidssystemen die samenwerken om u en uw medepassagiers te beschermen bij een ongeluk.
De auto is uitgerust met een aantal sensoren die
bij een ongeval reageren en bepaalde veiligheidssystemen activeren, zoals verschillende soorten
airbags en de gordelspanners van de veiligheidsgordels. Afhankelijk van de specifieke ongevalssituatie, zoals aanrijdingen onder verschillende
hoeken, over de kop slaan of van de weg raken,
reageren de systemen op verschillende manieren
om zo de beste bescherming te bieden.
Daarnaast zijn er mechanische veiligheidssystemen zoals het Whiplash Protection System. De
auto is bovendien zodanig gebouwd dat een
groot deel van de kracht bij een aanrijding wordt
verdeeld over de balken, de stijlen, de vloer, het
dak en andere carrosseriedelen.
Na een ongeval kan de Safety Mode van de auto
worden geactiveerd, als er een belangrijke functie
in de auto beschadigd is geraakt.
42
Waarschuwingssymbool op
bestuurdersdisplay
Het waarschuwingssymbool op het
bestuurdersdisplay gaat branden, wanneer u het elektrische systeem van de
auto in contactslotstand II zet. Het
symbool dooft na ongeveer 6 seconden, als blijkt
dat de veiligheidssystemen van de auto in orde
zijn.
WAARSCHUWING
Als het waarschuwingssymbool blijft branden
of tijdens het rijden gaat branden en het
bericht SRS airbag Service urgent Rijd
naar werkplaats op het bestuurdersdisplay
verschijnt, is dit een teken dat een gedeelte
van een veiligheidssysteem niet naar behoren
werkt. Volvo adviseert u om zo spoedig mogelijk contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen in de verschillende veiligheidssystemen van de auto aan en
probeer deze nooit zelf te repareren. Een verkeerde ingreep in een systeem kan tot een
onjuiste werking leiden met ernstig letsel als
gevolg. Volvo adviseert u om contact op te
nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
Als het specifieke waarschuwingssymbool defect is, gaat in plaats daarvan
het algemene waarschuwingssymbool
branden en het bestuurdersdisplay
geeft dezelfde melding weer.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
Veiligheid tijdens de zwangerschap (p. 43)
Veiligheidsgordels (p. 46)
Airbags (p. 51)
Whiplash Protection System (p. 43)
Pedestrian Protection System (p. 45)
Safety Mode (p. 58)
Kinderveiligheid (p. 59)
VEILIGHEID
Veiligheid tijdens de zwangerschap
Zithouding
Whiplash Protection System
Het is belangrijk dat zwangere passagiers hun
veiligheidsgordel op de juiste manier dragen en
dat een zwangere bestuurder haar zithouding
aanpast.
Naarmate de zwangerschap vordert moeten
zwangere bestuurders de stoel en het stuurwiel
dusdanig verstellen dat ze de auto volledig onder
controle hebben (wat inhoudt dat ze met gemak
bij het stuur en de pedalen moeten kunnen
komen). Streef ernaar de afstand tussen de buik
en het stuur zo groot mogelijk te houden.
Het Whiplash Protection System (WHIPS) is
een beveiliging die het risico van letsel door whiplash vermindert.. Het systeem bestaat uit energieabsorberende rugleuningen plus zitkussens
en speciaal voor het systeem ontwikkelde hoofdsteunen voor de beide voorstoelen.
Veiligheidsgordel
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
De veiligheidsgordel moet strak langs de schouder lopen, waarbij het diagonale deel van de veiligheidsgordel tussen de borsten en tegen de zijkant van de buik ligt.
Het heupgedeelte van de veiligheidsgordel moet
vlak tegen de buitenkant van de bovenbenen liggen en zo ver mogelijk onder de buik liggen. Het
mag nooit over de buik omhoog kunnen glijden.
De veiligheidsgordel moet zo strak mogelijk over
het lichaam lopen zonder onnodige speling. Controleer ook of de veiligheidsgordel nergens
gedraaid zit.
Veiligheid (p. 42)
Veiligheidsgordels (p. 46)
Handmatig bediende voorstoel (p. 182)
Elektrisch bedienbare* voorstoel (p. 183)
WHIPS wordt geactiveerd bij een aanrijding van
achteren, afhankelijk van de hoek waaronder en
de snelheid waarmee het achteropkomende
voertuig de auto raakt en de materiaaleigenschappen van dat voertuig.
Bij activering van het WHIPS klappen de rugleuningen van de voorstoelen naar achteren en de
zittingen omlaag, zodat de zithouding van de
bestuurder en de passagier op de voorstoelen
verandert. De beweging helpt om een gedeelte
van de krachten te absorberen, die whiplash-letsel kunnen veroorzaken.
WAARSCHUWING
WHIPS vormt een aanvulling op de veiligheidsgordel. Gebruik de veiligheidsgordel
altijd.
}}
* Optie/accessoire.
43
VEILIGHEID
||
WAARSCHUWING
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen in de stoelen of
WHIPS aan en probeer deze nooit zelf te
repareren. Volvo adviseert u om contact op te
nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
Plaats dozen e.d. niet dusdanig, dat deze vastgeklemd zitten tussen het zitgedeelte van de
achterbank en de rugleuning van de voorstoelen.
Als de voorstoelen aan grote krachten hebben blootgestaan zoals tijdens een aanrijding,
moet u de stoelen vervangen. De stoelen kunnen een deel van hun beschermende eigenschappen hebben verloren, zelfs als ze ogenschijnlijk niet zijn beschadigd.
Als er op de achterbank een rugleuning
omlaag is geklapt, moet een eventuele lading
worden vastgezet om te voorkomen dat deze
bij een aanrijding tegen de rugleuning van de
voorstoel aan kan glijden.
WHIPS en kinderzitjes
WHIPS beïnvloedt de beschermende werking van
kinderzitje en/of verhogingskussen niet negatief.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Veiligheid (p. 42)
Handmatig bediende voorstoel (p. 182)
Elektrisch bedienbare* voorstoel (p. 183)
Rear Collision Warning (p. 364)
WAARSCHUWING
Als een rugleuning op de achterbank is
omgeklapt of als er op de achterbank een
achterstevoren geplaatst kinderzitje wordt
gebruikt, moet de bijbehorende voorstoel naar
voren worden geklapt, zodat deze geen contact heeft met de omgeklapte rugleuning of
het kinderzitje.
Zithouding
Plaats geen voorwerpen op de vloer achter of onder de
voorstoelen of op de achterbank achter de bestuurdersof passagiersstoel die het WHIPS kunnen hinderen.
Voor optimale bescherming door het WHIPS
moeten bestuurder en voorpassagier de juiste zithouding innemen en zorgen dat het systeem niet
wordt gehinderd.
Stel voordat u wegrijdt de juiste zithouding in
voor de voorstoel.
U en een eventuele voorpassagier moeten zoveel
mogelijk in het midden van de stoel plaatsnemen
en de afstand tussen hoofd en hoofdsteun zo
klein mogelijk houden.
44
* Optie/accessoire.
VEILIGHEID
Pedestrian Protection System
Pedestrian Protection System (PPS) is een systeem dat bij bepaalde frontale botsingen met
een voetganger de impact kan beperken waarmee de voetganger de auto raakt.
Bij bepaalde frontale botsingen met een voetganger reageren sensoren aan de voorkant van de
auto, zodat het systeem wordt geactiveerd.
Bij activering van het PPS gebeurt het volgende:
•
Het achterste gedeelte van de motorkap
komt omhoog.
•
er wordt automatisch alarm geslagen via
Volvo On Call*.
De sensoren zijn actief bij een snelheid van zo'n
25–50 km/h (15–30 mph).
De sensoren zijn berekend op detectie van een
botsing met zaken die eigenschappen hebben
vergelijkbaar met menselijke benen.
N.B.
Er zijn mogelijk zaken in het verkeersmilieu
aanwezig waardoor de sensoren onterecht
het signaal krijgen dat er een voetganger
wordt aangereden. Bij een botsing met iets
dergelijks wordt het systeem mogelijk geactiveerd.
WAARSCHUWING
Monteer geen accessoires op de voorkant van
de auto en breng evenmin wijzigingen in dit
gebied aan. Een onjuiste ingreep in het front
kan tot een foutieve werking van het systeem
leiden waardoor ernstig letsel en materiële
schade aan de auto kan ontstaan.
Volvo adviseert om originele wisserarmen te
gebruiken en deze alleen door originele
onderdelen te vervangen.
Symbolen op het bestuurdersdisplay
Symbool
Betekenis
PPS is geactiveerd of er is een
fout opgetreden in het systeem.
Volg het gegeven advies op.
Gerelateerde informatie
•
Veiligheid (p. 42)
WAARSCHUWING
Verricht nooit zelf aanpassingen of reparaties
van het systeem. Volvo adviseert u om contact
op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats. Onoordeelkundige werkzaamheden
aan het systeem kunnen aanleiding geven tot
een verkeerde werking met ernstig letsel als
mogelijk gevolg.
WAARSCHUWING
Volvo adviseert u contact op te nemen met
een erkende Volvo-werkplaats bij schade aan
het front van de auto om er zeker van te zijn
dat het systeem intact is.
* Optie/accessoire.
45
VEILIGHEID
Veiligheidsgordels
WAARSCHUWING
Remmen kan ernstige gevolgen hebben als de
veiligheidsgordel niet wordt gedragen.
Breng nooit zelf wijzigingen in de veiligheidsgordels aan en probeer ze nooit zelf te repareren. Volvo adviseert u om contact op te
nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
Voor optimale bescherming van de veiligheidsgordel is het van belang dat de gordel goed
tegen het lichaam ligt. Laat de rugleuning niet te
ver achteroverhellen. De veiligheidsgordel biedt
de beste bescherming bij een normale rijhouding.
Als een veiligheidsgordel aan grote krachten
heeft blootgestaan zoals tijdens een aanrijding, moet u de veiligheidsgordel in zijn
geheel vervangen. De veiligheidsgordel kan
een deel van zijn beschermende eigenschappen hebben verloren, zelfs als de veiligheidsgordel ogenschijnlijk niet beschadigd is. Vervang de veiligheidsgordel ook als deze versleten of beschadigd is. De nieuwe veiligheidsgordel moet zijn goedgekeurd en bedoeld
voor montage op dezelfde positie als de vervangen veiligheidsgordel.
WAARSCHUWING
Denk eraan geen clips te gebruiken of de
gordel vast te maken rond haken of andere
delen van het interieur, omdat de veiligheidsgordel daardoor niet goed aansluit.
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en airbag werken samen.
Als de veiligheidsgordel niet of verkeerd wordt
gebruikt, kan dit bij een botsing van invloed
zijn op het effect van de airbag.
46
Gerelateerde informatie
Veiligheid (p. 42)
•
•
•
Gordelspanners (p. 48)
•
Portier- en gordelwaarschuwing (p. 49)
Veiligheidsgordel omdoen en losmaken
(p. 46)
Veiligheidsgordel omdoen en
losmaken
Let erop dat alle passagiers hun veiligheidsgordel om hebben voordat u gaat rijden.
Veiligheidsgordel omdoen
1.
Rol de gordel langzaam af. Zorg dat er geen
slag in zit en let erop dat hij niet is beschadigd.
N.B.
De veiligheidsgordel is voorzien van een gordeloprolmechanisme dat in de volgende situaties wordt vergrendeld:
•
•
•
•
als de gordel te snel wordt afgerold.
wanneer u remt of optrekt.
als de auto sterk overhelt.
bij het rijden in bochten.
VEILIGHEID
2.
Zet de gordel vast door de borglip in de bijbehorende gordelsluiting te steken.
> Een duidelijke "klik" geeft aan dat de gordel vastzit.
3.
Voorin kunt u de gordel hoger of lager zetten.
WAARSCHUWING
De gesp van de veiligheidsgordel altijd aanbrengen in de gordelsluiting aan de juiste
zijde. De veiligheidsgordels en de gordelsluiting werken anders mogelijk niet naar behoren tijdens een aanrijding. Er bestaat gevaar
voor ernstige verwondingen.
De gordel moet over de schouder lopen (en niet over de
bovenarm).
Druk de gordelbevestiging in elkaar en zet de
gordel hoger of lager.
Zet de gordel zo hoog mogelijk zonder dat de
gordel daarbij langs de nek schuurt.
4.
Span de heupgordel over de heupen door de
diagonale schoudergordel in de richting van
de schouder omhoog te trekken.
De heupgordel moet laag zitten (niet over de buik).
}}
47
VEILIGHEID
||
WAARSCHUWING
Elke veiligheidsgordel is bedoeld voor slechts
één persoon.
WAARSCHUWING
Denk eraan geen clips te gebruiken of de
gordel vast te maken rond haken of andere
delen van het interieur, omdat de veiligheidsgordel daardoor niet goed aansluit.
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordels nooit beschadigen en
geen vreemde voorwerpen aanbrengen in de
gordelsluiting. De veiligheidsgordels en de
gordelsluiting werken anders mogelijk niet
naar behoren tijdens een aanrijding. Er
bestaat gevaar voor ernstige verwondingen.
Veiligheidsgordel losmaken
1.
Druk op de rode knop van de gordelsluiting
en laat het oprolmechanisme de gordel naar
binnen trekken.
2.
Als de gordel niet volledig wordt opgerold,
moet u de gordel handmatig zo ver terugrollen dat deze niet langer slap hangt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
48
Veiligheidsgordels (p. 46)
Gordelspanners (p. 48)
Portier- en gordelwaarschuwing (p. 49)
Gordelspanners
De auto is voorzien van standaardgordelspanners en elektrische* gordelspanners die de veiligheidsgordels in kritieke situaties en bij aanrijdingen kunnen aanspannen.
Wanneer de kritieke situatie voorbij is, worden de
gordel en de elektrische gordelspanner automatisch gereset. Ze zijn echter ook handmatig te
resetten.
BELANGRIJK
Standaardgordelspanners
Als de passagiersairbag wordt gedeactiveerd,
wordt ook de elektrische gordelspanner aan
de passagierskant gedeactiveerd.
Alle veiligheidsgordels zijn uitgerust met een
standaardgordelspanner.
De gordelspanner spant de veiligheidsgordel bij
een voldoende krachtige botsing om de inzittende efficiënter te kunnen opvangen.
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen in de veiligheidsgordels aan en probeer ze nooit zelf te repareren. Volvo adviseert u om contact op te
nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
Elektrische gordelspanners*
De gordelspanners voor bestuurder en passagier
op de voorstoel zijn uitgerust met een elektrische
gordelspanner.
Als een veiligheidsgordel aan grote krachten
heeft blootgestaan zoals tijdens een aanrijding, moet u de veiligheidsgordel in zijn
geheel vervangen. De veiligheidsgordel kan
een deel van zijn beschermende eigenschappen hebben verloren, zelfs als de veiligheidsgordel ogenschijnlijk niet beschadigd is. Vervang de veiligheidsgordel ook als deze versleten of beschadigd is. De nieuwe veiligheidsgordel moet zijn goedgekeurd en bedoeld
voor montage op dezelfde positie als de vervangen veiligheidsgordel.
De gordelspanner werkt samen met en is te activeren door de rijhulpsystemen City Safety en
Rear Collision Warning. In kritieke situaties, zoals
bij een noodstop, van de weg raken (bijvoorbeeld
wanneer de auto in een greppel belandt, van de
grond komt of tegen een obstakel in het terrein
botst), slippen of gevaar voor een botsing, wordt
de veiligheidsgordel mogelijk aangespannen door
de elektromotor van de gordelspanner.
De elektrische gordelspanner helpt bij het positioneren van de inzittende, wat het risico reduceert
dat deze tegen het interieur van de auto wordt
geworpen en het effect van veiligheidssystemen
(zoals de airbags van de auto) verbetert.
Gerelateerde informatie
•
•
Veiligheidsgordels (p. 46)
Veiligheidsgordel omdoen en losmaken
(p. 46)
* Optie/accessoire.
VEILIGHEID
•
•
•
•
Elektrische gordelspanner resetten* (p. 49)
Elektrische gordelspanner resetten*
Portier- en gordelwaarschuwing
Passagiersairbag* activeren en deactiveren
(p. 54)
De elektrische gordelspanner is dusdanig
geconstrueerd dat deze automatisch wordt gereset, maar als de gordel desondanks aangespannen blijft is deze ook handmatig te resetten.
Het systeem herinnert inzittenden eraan om de
veiligheidsgordel om te doen en waarschuwt
ook als een portier, de motorkap of de kofferklep/achterklep niet goed dichtstaat.
1.
Parkeer de auto op een veilige plek.
2.
Neem de veiligheidsgordel af en doe deze
vervolgens weer om.
> De gordel en de elektrische gordelspanner worden gereset.
Grafische voorstelling op
bestuurdersdisplay
City Safety™ (p. 348)
Rear Collision Warning (p. 364)
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen in de veiligheidsgordels aan en probeer ze nooit zelf te repareren. Volvo adviseert u om contact op te
nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
Als een veiligheidsgordel aan grote krachten
heeft blootgestaan zoals tijdens een aanrijding, moet u de veiligheidsgordel in zijn
geheel vervangen. De veiligheidsgordel kan
een deel van zijn beschermende eigenschappen hebben verloren, zelfs als de veiligheidsgordel ogenschijnlijk niet beschadigd is. Vervang de veiligheidsgordel ook als deze versleten of beschadigd is. De nieuwe veiligheidsgordel moet zijn goedgekeurd en bedoeld
voor montage op dezelfde positie als de vervangen veiligheidsgordel.
Gerelateerde informatie
•
•
Grafische voorstelling op het bestuurdersdisplay met
verschillende soorten waarschuwingen. De waarschuwingskleur voor portier en achterklep is afhankelijk van
de rijsnelheid.
De grafische voorstelling op het bestuurdersdisplay geeft de zitplaatsen weer waarvan de veiligheidsgordel wel of juist niet in gebruik is.
In dezelfde grafische voorstelling wordt ook aangegeven of de motorkap, de achterklep of een
portier openstaat.
Gordelspanners (p. 48)
Veiligheidsgordels (p. 46)
}}
* Optie/accessoire.
49
VEILIGHEID
||
U kunt de grafische voorstelling resetten door
een druk op de O-knop van de rechter knoppengroep op het stuurwiel.
Gordelwaarschuwing
Visueel signaal op plafondconsole.
De visuele signalen worden verstrekt via de plafondconsole en het waarschuwingssymbool op
het bestuurdersdisplay.
Het geluidssignaal is afhankelijk van de snelheid,
de rijtijd en de afgelegde afstand.
De gordelstatus voor de bestuurder en de passagiers geeft op de grafische voorstelling op het
bestuurdersdisplay aan wanneer een gordel
wordt om- of afgedaan.
Het gordelwaarschuwingssysteem geldt niet voor
kinderzitjes.
50
Bij een rijsnelheid hoger dan zo'n 10
km/h (6 mph) gaat het waarschuwingssymbool op het bestuurdersdisplay branden.
Voorstoel
Er worden visuele en akoestische signalen afgegeven, wanneer u en een eventuele voorpassagier niet in de gordel zitten.
Achterbank
De functie van de gordelwaarschuwing voor de
achterbank is tweeledig:
•
Aangeven welke veiligheidsgordels van de
achterbank er worden gebruikt. Bij gebruik
van de veiligheidsgordels verschijnt een grafische voorstelling op het bestuurdersdisplay.
•
Met visuele en akoestische signalen ervoor
waarschuwen dat een van de veiligheidsgordel achterin tijdens het rijden werd losgenomen. De herinnering verdwijnt zodra de veiligheidsgordel weer is vastgemaakt.
Waarschuwing voor portier, motorkap,
achterklep en tankvulklep
Als de motorkap, de achterklep, de tankvulklep of
een van de portieren niet goed dichtstaan, geeft
de grafische voorstelling op het bestuurdersdisplay aan wat openstaat. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en sluit het onderdeel
dat aanleiding gaf tot de waarschuwing.
Bij een rijsnelheid tot 10 km/h (6 mph)
gaat het informatiesymbool op het
bestuurdersdisplay branden.
Gerelateerde informatie
•
•
Veiligheidsgordels (p. 46)
Veiligheidsgordel omdoen en losmaken
(p. 46)
VEILIGHEID
Airbags
De auto is voorzien van airbags en opblaasgordijnen aan bestuurders- en passagierszijde.
Volvo-werkplaats. Rijd niet met opgeblazen
airbags.
•
Volvo adviseert u het vervangen van de
onderdelen van de veiligheidssystemen in de
auto over te laten aan een erkende Volvowerkplaats.
•
Neem altijd contact op met een arts.
N.B.
De sensoren reageren verschillend, afhankelijk van het verloop van de botsing en of er al
dan niet een veiligheidsgordel wordt gebruikt.
Geldt voor alle gordelposities.
WAARSCHUWING
Er kunnen dus ongelukken ontstaan als
slechts één (of geen) van de airbags wordt
geactiveerd. De sensoren registreren de
kracht waaraan de auto bij de botsing blootstaat en blazen op basis daarvan geen, een of
meer airbags op.
Rijd nooit met opgeblazen airbags. Dat kan
het besturen van de auto bemoeilijken. Ook
andere veiligheidssystemen kunnen beschadigd zijn. De rook en stof die bij het opblazen
van de airbags worden gevormd, kunnen bij
een intensieve blootstelling irritaties aan de
huid en ogen/letsel veroorzaken. Bij last met
koud water wassen. Het snelle opblazen kan
ook, in combinatie met het materiaal van de
airbag, voor wrijvings- en brandwonden op de
huid zorgen.
WAARSCHUWING
De regeleenheid van het airbagsysteem zit in
de middenconsole. Als de middenconsole
doorweekt geraakt is, moet u de kabels loskoppelen van de startaccu. Probeer de auto
niet te starten, omdat de airbags daarbij geactiveerd kunnen worden. Laat de auto wegslepen. Volvo adviseert u de auto te laten wegslepen naar een erkende Volvo-werkplaats.
Opgeblazen airbags
Wanneer een van de airbags is opgeblazen,
wordt het volgende geadviseerd:
•
Laat de auto wegslepen. Volvo adviseert u
hem te laten wegslepen naar een erkende
Bestuurdersairbags
Als aanvulling op de veiligheidsgordel is de auto
voorzien van een stuurairbag en een knie-airbag1
aan de bestuurderszijde.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Veiligheid (p. 42)
Bestuurdersairbags (p. 51)
Passagiersairbag (p. 52)
Zijairbags (p. 56)
Opblaasgordijnen (p. 57)
De stuurairbag en knie-airbag1 voorin aan de bestuurderszijde.
Bij een frontale botsing helpen de airbags voorkomen dat de bestuurder letsel aan hoofd, nek,
gezicht en borstkas oploopt of gewond raakt aan
knieën en benen.
Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren
de sensoren, die op hun beurt de gasgeneratoren
van de airbags activeren. De airbags vangen de
klap van de aanrijding op voor de inzittende. De
airbags lopen vervolgens weer leeg. Daarbij
treedt er rookvorming in de auto op. Dit is volkomen normaal. Het totale verloop, van het opbla}}
51
VEILIGHEID
||
zen tot het leeglopen van de airbag, neemt
enkele tienden van een seconde in beslag.
WAARSCHUWING
Plaats of bevestig geen voorwerpen vóór of
op het paneel waar de knie-airbag geplaatst
is.
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en airbag werken samen.
Als de gordel niet of verkeerd wordt gebruikt,
kan dit bij een botsing van invloed zijn op het
effect van de airbag.
Om geen letsel op te lopen wanneer de airbag wordt opgeblazen, moet de passagier zo
rechtop mogelijk zitten met de voeten op de
vloer en de rug tegen de rugleuning.
Passagiersairbag
Als aanvulling op de veiligheidsgordel is de auto
voorzien van airbags aan de passagierszijde
voorin.
Gerelateerde informatie
•
•
Airbags (p. 51)
Passagiersairbag (p. 52)
WAARSCHUWING
Volvo adviseert u om voor reparatie contact
op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats. Een verkeerde ingreep in het airbagsysteem kan tot een onjuiste werking leiden
met ernstig letsel als gevolg.
Positie van de stuurairbag
De airbag zit opgevouwen in het midden van het
stuurwiel. Het stuurwiel is voorzien van het
opschrift AIRBAG.
Positie van de knie-airbag1
De airbag zit opgevouwen onder in het dashboard aan de bestuurderszijde. Het paneel is
voorzien van het opschrift AIRBAG.
1
52
Alleen op bepaalde markten is de auto uitgerust met een knie-airbag.
Airbag voor de voorstoel aan passagierszijde.
Bij een frontale botsing helpt de airbag voorkomen dat de passagier letsel aan hoofd, nek,
gezicht en borstkas oploopt of gewond raakt aan
knieën en benen.
Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren
de sensoren, die op hun beurt de gasgeneratoren
van de airbag activeren. De airbags vangen de
klap van de aanrijding op voor de inzittende. De
airbags lopen vervolgens weer leeg. Daarbij
treedt er rookvorming in de auto op. Dit is volkomen normaal. Het totale verloop, van het opbla-
VEILIGHEID
zen tot het leeglopen van de airbag, neemt
enkele tienden van een seconde in beslag.
Sticker voor passagiersairbag
WAARSCHUWING
Laat nooit iemand voor de passagiersstoel zitten of staan.
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje op de passagiersstoel voorin, wanneer de passagiersairbag
geactiveerd is.
De veiligheidsgordel en airbag werken samen.
Als de gordel niet of verkeerd wordt gebruikt,
kan dit bij een botsing van invloed zijn op het
effect van de airbag.
Laat nooit passagiers (kinderen noch volwassenen) op de passagiersstoel voorin plaatsnemen, als de passagiersairbag gedeactiveerd
is.
Om geen letsel op te lopen wanneer de airbag wordt opgeblazen, moet de passagier zo
rechtop mogelijk zitten met de voeten op de
vloer en de rug tegen de rugleuning.
WAARSCHUWING
Volvo adviseert u om voor reparatie contact
op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats. Een verkeerde ingreep in het airbagsysteem kan tot een onjuiste werking leiden
met ernstig letsel als gevolg.
Positie van de airbag aan
passagierszijde
Het niet opvolgen van de bovenstaande aanbevelingen kan aanleiding geven tot levensgevaarlijke situaties of ernstig letsel.
Sticker op zonneklep aan passagierszijde.
De waarschuwingssticker voor passagiersairbag
is aangebracht als hierboven.
WAARSCHUWING
Als de auto niet is uitgerust met een schakelaar voor activering/deactivering van de passagiersairbag (PACOS), is de passagiersairbag altijd geactiveerd.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Airbags (p. 51)
Bestuurdersairbags (p. 51)
Passagiersairbag* activeren en deactiveren
(p. 54)
De airbag zit opgevouwen in een ruimte boven
het dashboardkastje. Het paneel is voorzien van
het opschrift AIRBAG.
WAARSCHUWING
Plaats geen voorwerpen vóór of bovenop het
dashboard op de plek waar de airbag voor de
passagiersstoel zit.
* Optie/accessoire.
53
VEILIGHEID
Passagiersairbag* activeren en
deactiveren
De passagiersairbag is te deactiveren als de
auto is voorzien van een speciale schakelaar,
Passenger Airbag Cut Off Switch (PACOS).
De PACOS-schakelaar voor activering/deactivering van de passagiersairbag zit aan de passagierszijde aan de zijkant van het dashboard en u
kunt erbij door het portier aan die kant te openen.
Controleer of de schakelaar in de gewenste
stand staat.
kinderzitje kunnen veilig op de passagiersstoel zitten.
Passagiersairbag activeren
WAARSCHUWING
Als de auto niet is uitgerust met een schakelaar voor activering/deactivering van de passagiersairbag (PACOS), is de passagiersairbag altijd geactiveerd.
Trek de schakelaar naar buiten en draai deze
vanuit OFF naar ON.
> Op het bestuurdersdisplay verschijnt de
melding Passagiersairbag aan Graag
bevestigen.
N.B.
ON – De airbag is geactiveerd en alle passagiers (kinderen en volwassenen) kunnen veilig in de rijrichting op de passagiersstoel zitten.
Als u de passagiersairbag hebt geactiveerd/
gedeactiveerd met de auto in contactslotstand I of lager en het contactslot vervolgens
in stand II zet, verschijnt na ca. 6 seconden
een melding op het bestuurdersdisplay in
combinatie met de volgende indicatie op de
plafondconsole.
OFF – De airbag is gedeactiveerd en kinderen in een tegen de rijrichting in geplaatst
54
* Optie/accessoire.
VEILIGHEID
2.
Bevestig de melding door de O-knop van de
rechter stuurknoppenset in te drukken.
> Een displaytekst en een waarschuwingssymbool op de plafondconsole geven aan
dat de passagiersairbag geactiveerd is.
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje op de passagiersstoel voorin, wanneer de airbag aan die kant
geactiveerd is.
De passagiersairbag moet altijd zijn geactiveerd, wanneer er passagiers (kinderen of volwassenen) op de passagiersstoel voorin zitten.
Het niet opvolgen van de bovenstaande aanbevelingen kan aanleiding geven tot levensgevaarlijke situaties of ernstig letsel.
Passagiersairbag deactiveren
Trek de schakelaar naar buiten en draai deze
vanuit ON naar OFF.
> Op het bestuurdersdisplay verschijnt de
melding Passagiersairbag uit Graag
bevestigen.
N.B.
Als u de passagiersairbag hebt geactiveerd/
gedeactiveerd met de auto in contactslotstand I of lager en het contactslot vervolgens
in stand II zet, verschijnt na ca. 6 seconden
een melding op het bestuurdersdisplay in
combinatie met de volgende indicatie op de
plafondconsole.
2.
Bevestig de melding door de O-knop van de
rechter stuurknoppenset in te drukken.
> Een displaytekst en een brandend lampje
op de plafondconsole geven aan dat de
passagiersairbag gedeactiveerd is.
WAARSCHUWING
Laat nooit passagiers (kinderen noch volwassenen) op de passagiersstoel voorin plaatsnemen, wanneer de airbag aan die kant gedeactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande aanbeveling kan aanleiding geven tot levensgevaarlijke situaties of ernstig letsel.
BELANGRIJK
Als de passagiersairbag wordt gedeactiveerd,
wordt ook de elektrische gordelspanner aan
de passagierskant gedeactiveerd.
}}
55
VEILIGHEID
||
Gerelateerde informatie
•
•
Gordelspanners (p. 48)
Kinderzitje (p. 60)
Zijairbags
WAARSCHUWING
De zijairbags aan bestuurders- en passagierszijde dienen ter bescherming van borstkas en
heupen bij een aanrijding.
Volvo adviseert u om voor reparatie contact
op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats. Een verkeerde ingreep in de zij-airbags
kan tot een onjuiste werking leiden met ernstig letsel als gevolg.
WAARSCHUWING
Plaats geen voorwerpen in het gebied tussen
de buitenzijde van de stoel en het portierpaneel, aangezien dit gebied door de zijairbag
kan worden beïnvloed.
Volvo adviseert om uitsluitend door Volvo
goedgekeurde overtrekbekleding te gebruiken. Andere bekleding kan de werking van de
zijairbags hinderen.
De SIPS-airbags zijn in de buitenste rugframes
van de voorstoelen gemonteerd en dragen bij tot
het beschermen van de bestuurder en de passagier in de voorstoelen.
Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren
de sensoren, die op hun beurt de gasgeneratoren
activeren. De SIPS-airbags worden vervolgens
opgeblazen tussen de inzittende en het portierpaneel. De airbags lopen vervolgens weer leeg.
De SIPS-airbag wordt normaal gesproken alleen
opgeblazen aan de kant van de aanrijding.
WAARSCHUWING
De zijairbag vormt een aanvulling op de veiligheidsgordel. Gebruik de veiligheidsgordel
altijd.
Zijairbags en kinderzitjes
De SIPS-airbags beïnvloeden de beschermende
werking van kinderzitje en/of verhogingskussen
niet negatief.
Gerelateerde informatie
•
56
Airbags (p. 51)
VEILIGHEID
Opblaasgordijnen
De gordijnairbags, Inflatable Curtain (IC) helpen
voorkomen dat bestuurder en eventuele passagiers bij een botsing met hun hoofd tegen de
binnenkant van de auto stoten.
WAARSCHUWING
Volvo adviseert u om voor reparatie contact
op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats. Een verkeerde ingreep in het systeem
van het opblaasgordijn kan tot een onjuiste
werking leiden met ernstig letsel als gevolg.
WAARSCHUWING
Het opblaasgordijn vormt een aanvulling op
de veiligheidsgordel. Gebruik de veiligheidsgordel altijd.
Gerelateerde informatie
•
Airbags (p. 51)
WAARSCHUWING
Hang of bevestig nooit zware voorwerpen aan
de plafondhandgrepen. De haken zijn alleen
bedoeld voor niet al te zware kledingstukken
(en niet voor harde voorwerpen zoals paraplu’s).
Het opblaasgordijn is langs de beide kanten van
de hemelbekleding gemonteerd en beschermt
bestuurder en passagiers op de buitenste stoelen van de auto. De panelen zijn voorzien van het
opschrift IC AIRBAG.
Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren
de sensoren, die op hun beurt de gordijnairbags
activeren.
Schroef of bevestig geen onderdelen op de
plafondbekleding, portierstijlen of de zijpanelen van de auto. Ze kunnen daarbij hun
beschermende werking verliezen. Volvo adviseert om alleen originele Volvo-onderdelen,
bestemd voor montage op deze plaatsen, te
gebruiken.
WAARSCHUWING
Houd 10 cm (4 inch) afstand aan tussen de
bagage en de zijruiten, als u de bagage
opstapelt tot boven de portierruiten. Anders
kan de beschermende werking van de
opblaasgordijnen, die in de plafondbekleding
zijn weggewerkt, uitblijven.
57
VEILIGHEID
Safety Mode
WAARSCHUWING
Safety Mode is een veiligheidsfunctie die in werking treedt, wanneer tijdens een aanrijding
mogelijk belangrijke onderdelen zijn beschadigd
zoals de brandstofleidingen, de sensoren voor
de veiligheidssystemen of het remsysteem.
Probeer nooit zelf de auto te repareren of de
elektronische onderdelen te resetten nadat
de auto in de Safety Mode heeft gestaan. Dit
kan aanleiding geven tot letsel of een slechte
functie van de auto. Volvo adviseert u de auto
altijd in een erkende Volvo-werkplaats te laten
controleren en naar Normal Mode te laten
resetten nadat de melding Safety mode Zie
handleiding is verschenen.
Als de auto een aanrijding heeft gehad, kan de
tekst Safety mode Zie handleiding worden
weergegeven op het bestuurdersdisplay in combinatie met het waarschuwingslampje als het display niet beschadigd is geraakt en het elektrische
systeem van de auto nog functioneert. De melding betekent dat de functionaliteit van de auto is
verminderd.
Als de auto in de veiligheidsmodus staat kan het
systeem worden gereset om de auto te starten
en over een korte afstand te verplaatsen. bijv. als
de auto op een plaats staat waar de verkeersveiligheid in gevaar komt.
58
Als de auto in de veiligheidsmodus staat kan het
systeem worden gereset om de auto te starten
en over een korte afstand te verplaatsen. bijv. als
de auto op een plaats staat waar de verkeersveiligheid in gevaar komt.
Auto in Safety Mode starten
1.
WAARSCHUWING
De auto mag niet worden weggesleept zolang
deze in de Safety mode staat. De auto moet
op een bergingsvoertuig worden afgevoerd.
Volvo adviseert u hem te laten afvoeren naar
een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Probeer in geen geval de auto opnieuw te
starten, als u een brandstofgeur waarneemt
terwijl de melding Safety mode Zie
handleiding verschijnt. Verlaat de auto
onmiddellijk.
Auto in Safety Mode starten en
verplaatsen
Bij minder ernstige schade en als er geconstateerd is dat geen sprake is van brandstoflekkage, kan er een startpoging worden
gedaan.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Veiligheid (p. 42)
Auto in Safety Mode starten en verplaatsen
(p. 58)
Bergen (p. 485)
Onderzoek de auto op beschadigingen en of
er geen brandstof uit de auto is gelekt. Er
mag evenmin een brandstofgeur waarneembaar zijn.
WAARSCHUWING
Probeer in geen geval de auto opnieuw te
starten, als u een brandstofgeur waarneemt
terwijl de melding Safety mode Zie
handleiding verschijnt. Verlaat de auto
onmiddellijk.
2.
Zet de auto uit.
VEILIGHEID
3.
Probeer vervolgens de auto te starten.
> De auto-elektronica verricht een systeemcontrole en probeert vervolgens de normale modus te activeren.
BELANGRIJK
Als de melding Safety mode Zie
handleiding nog steeds op het display staat,
mag u niet met de auto rijden en deze evenmin verslepen. U moet de auto dan laten bergen. Verborgen schade kan de auto tijdens
het rijden onbestuurbaar maken, zelfs als het
lijkt dat u nog met de auto kunt rijden.
Auto in Safety Mode verrijden
1.
2.
Als de melding Normal mode The car is
now in normal mode op het bestuurdersdisplay wordt getoond nadat een startpoging
gedaan is, kan de auto voorzichtig worden
verplaatst, bijv. als hij op een plaats staat
waar de verkeersveiligheid in gevaar
gebracht wordt.
Verrijd de auto niet verder dan nodig.
WAARSCHUWING
Gerelateerde informatie
•
•
•
Safety Mode (p. 58)
Motor starten (p. 420)
Bergen (p. 485)
Kinderveiligheid
Kinderen in rijdende auto's moeten altijd veilig
zitten.
Volvo beschikt over kinderveiligheidsproducten
(kinderzitjes en bevestigingsmaterialen) die speciaal voor uw auto zijn ontwikkeld. Met kinderveiligheidsproducten van Volvo schept u optimale
voorwaarden voor een veilig vervoer van kinderen
in de auto. U weet bovendien zeker dat de producten passen en eenvoudig in het gebruik zijn.
Het gewicht en de lengte van het kind zijn bepalend voor de te gebruiken producten.
Volvo adviseert u kinderen zo lang mogelijk te
vervoeren in een achterstevoren gemonteerd kinderzitje (in ieder geval tot een leeftijd van 3–4
jaar) en daarna tot een lengte van 1,40 m (4 voet
7 inch) op/in een verhogingskussen of een in de
rijrichting geplaatst kinderzitje.
N.B.
De wettelijke voorschriften voor het te gebruiken type kinderzitje voor kinderen in verschillende leeftijdscategorieën en gewichtsklassen verschillen van land tot land. Ga na wat er
in uw land geldt.
De auto mag niet worden weggesleept zolang
deze in de Safety mode staat. De auto moet
op een bergingsvoertuig worden afgevoerd.
Volvo adviseert u hem te laten afvoeren naar
een erkende Volvo-werkplaats.
}}
59
VEILIGHEID
||
N.B.
Bij gebruik van kinderveiligheidsproducten is
het belangrijk om de bijgeleverde montagevoorschriften door te nemen.
Neem bij onduidelijkheden over de montage
van kinderveiligheidsproducten contact op
met de producent.
Ongeacht leeftijd en lengte moeten kinderen
altijd met de gordel goed om in de auto zitten.
Laat kinderen nooit bij passagiers op schoot zitten.
Kinderzitje
•
Als u kinderen in de auto vervoert, moet u altijd
een adequate kinderbescherming gebruiken.
Onderste bevestigingspunten voor kinderzitjes (p. 62)
•
i-Size/ISOFIX-bevestigingspunten voor kinderzitjes (p. 62)
•
•
Positie van kinderzitje (p. 63)
Kinderen moeten comfortabel en veilig kunnen
zitten. Zorg dat u het kinderzitje op de juiste
plaats aanbrengt, monteert en op de juiste wijze
gebruikt.
Raadpleeg voor de juiste montage de montageinstructies bij het kinderzitje.
N.B.
Bij gebruik van kinderveiligheidsproducten is
het belangrijk om de bijgeleverde montagevoorschriften door te nemen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Passagiersairbag* activeren en deactiveren
(p. 54)
Veiligheid (p. 42)
Neem bij onduidelijkheden over de montage
van kinderveiligheidsproducten contact op
met de producent.
Kinderzitje (p. 60)
Kinderslot activeren en deactiveren (p. 274)
N.B.
Laat een kinderzitje nooit los in de auto liggen. Bevestig het altijd volgens de instructies
voor het kinderzitje, ook als u het niet
gebruikt.
Gerelateerde informatie
•
•
60
Kinderveiligheid (p. 59)
Bovenste bevestigingspunten voor kinderzitjes (p. 61)
* Optie/accessoire.
VEILIGHEID
Bovenste bevestigingspunten voor
kinderzitjes
WAARSCHUWING
Haal de bovenste bevestigingsband van het
kinderzitje door de opening in de ene poot
van de hoofdsteun, voordat u de band aan het
bevestigingspunt vastzet. Volg, als dit niet
mogelijk is, de aanbevelingen van de producent van het kinderzitje op.
De auto is voorzien van bovenste bevestigingspunten voor kinderzitjes op de buitenste zitplaatsen van de achterbank.
De bovenste bevestigingspunten zijn voornamelijk bestemd om een in de rijrichting gemonteerd
kinderzitje aan te bevestigen.
•
Plaatsingstabel voor kinderzitjes die de veiligheidsgordel in de auto gebruiken (p. 67)
N.B.
Houd u altijd aan de montage-instructies van de
fabrikant wanneer u een kinderzitje/babyzitje aan
de bovenste bevestigingspunten vastzet.
Klap de hoofdsteunen omlaag om het monteren van dit type kinderzitje te vereenvoudigen
bij auto’s met neerklapbare hoofdsteunen op
de beide buitenste zitplaatsen.
Positie van de bevestigingspunten
N.B.
Bij auto’s met een bagagerolhoes over de
bagageruimte moet u de bagagerolhoes verwijderen voordat het kinderzitje in de bevestigingspunten kan worden gemonteerd.
Gerelateerde informatie
•
•
Kinderzitje (p. 60)
Onderste bevestigingspunten voor kinderzitjes (p. 62)
Symbolen achter op de rugleuningen geven de positie
van de bevestigingspunten aan.
•
De bevestigingspunten zitten aan de achterzijde
van de buitenste zitplaatsen op de achterbank.
i-Size/ISOFIX-bevestigingspunten voor kinderzitjes (p. 62)
•
Overzichtstabel voor de plaatsing van kinderzitjes (p. 66)
61
VEILIGHEID
Onderste bevestigingspunten voor
kinderzitjes
voor het activeren/deactiveren van de passagiersairbag *.
De auto is voorzien van onderste bevestigingspunten voor kinderzitjes voorin* en achterin.
i-Size/ISOFIX-bevestigingspunten
voor kinderzitjes
De auto is voorzien van i-Size/ISOFIX-bevestigingspunten voor kinderzitjes op de achterbank.
De onderste bevestigingspunten zijn bedoeld
voor gebruik in combinatie met bepaalde tegen
de rijrichting in geplaatste kinderzitjes.
Houd u altijd aan de montage-instructies van de
fabrikant, wanneer u een kinderzitje/babyzitje aan
de onderste bevestigingspunten vastzet.
Positie van de bevestigingspunten
De positie van de bevestigingspunten achterin.
De bevestigingspunten achterin zitten op de achterste uiteinden van de vloerrails voor de voorstoelen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
i-Size/ISOFIX-bevestigingspunten voor kinderzitjes (p. 62)
•
Overzichtstabel voor de plaatsing van kinderzitjes (p. 66)
•
Plaatsingstabel voor kinderzitjes die de veiligheidsgordel in de auto gebruiken (p. 67)
De positie van de bevestigingspunten voorin.
De bevestigingspunten voorin zitten aan de zijkanten van de beenruimte voor de passagiersstoel.
De bevestigingspunten voorin zijn alleen gemonteerd als de auto is voorzien van een schakelaar
62
Kinderzitje (p. 60)
Bovenste bevestigingspunten voor kinderzitjes (p. 61)
* Optie/accessoire.
VEILIGHEID
i-Size/ISOFIX2 is een bevestigingssysteem voor
kinderzitjes dat gebaseerd is op een internationale norm.
Gerelateerde informatie
•
•
Kinderzitje (p. 60)
Bovenste bevestigingspunten voor kinderzitjes (p. 61)
Houd u altijd aan de montage-instructies van de
fabrikant, wanneer u een kinderzitje/babyzitje aan
de i-Size/ISOFIX-bevestigingspunten vastzet.
•
Onderste bevestigingspunten voor kinderzitjes (p. 62)
Positie van de bevestigingspunten
•
Overzichtstabel voor de plaatsing van kinderzitjes (p. 66)
•
Plaatsingstabel voor i-Size-kinderzitjes
(p. 69)
•
Plaatsingstabel voor ISOFIX-kinderzitjes
(p. 70)
Positie van kinderzitje
Het is belangrijk om het kinderzitje op de juiste
stoel in de auto te plaatsen. De positie hangt
onder meer af van het type kinderzitje en van de
vraag of de passagiersairbag is ingeschakeld.
Tegen de rijrichting in geplaatste kinderzitjes en airbags
gaan niet samen.
Symbolen2 achter op de rugbekleding geven de positie
van de bevestigingspunten aan.
De bevestigingspunten voor het i-Size/ISOFIXsysteem zitten achter afdekkingen onder in de
rugleuningen van de achterbank, op de beide
buitenste zitplaatsen.
Klap de afdekkingen omhoog om bij de bevestigingspunten te komen.
2
Naam en symbool verschillen per markt.
Plaats tegen de rijrichting in geplaatste kinderzitjes op de achterbank, als de passagiersairbag
geactiveerd is. Als de airbag wordt opgeblazen,
kan een kind op de passagiersstoel ernstig letsel
oplopen.
Als de passagiersairbag gedeactiveerd is, kunt u
een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje op
de passagiersstoel voorin zetten.
}}
63
VEILIGHEID
||
N.B.
Sticker voor passagiersairbag
Kinderzitje monteren
Bij de montage en het gebruik van een kinderzitje dient u op enkele dingen te letten. Het
hangt van de plaats van het kinderzitje af welke
dingen dat precies zijn.
De wettelijke bepalingen voor hoe een kind in
de auto moet worden geplaatst, verschillen
per land. Stel u op de hoogte van wat van toepassing is.
WAARSCHUWING
WAARSCHUWING
Comfortkussens/kinderzitjes met stalen beugels of andere constructies die tegen de openingsknop van de gordelsluiting aan kunnen
liggen, mogen niet worden gebruikt aangezien
ze ervoor kunnen zorgen dat de veiligheidsgordel per ongeluk open gaat.
Laat nooit iemand voor de passagiersstoel zitten of staan.
Vervoer kinderen nooit in een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje op de passagiersstoel voorin, wanneer de passagiersairbag
geactiveerd is.
Laat nooit passagiers (kinderen noch volwassenen) op de passagiersstoel voorin plaatsnemen, als de passagiersairbag gedeactiveerd
is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande aanbevelingen kan aanleiding geven tot levensgevaarlijke situaties of ernstig letsel.
64
Sticker op zonneklep aan passagierszijde.
De waarschuwingssticker voor passagiersairbag
is aangebracht als hierboven.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Kinderzitje (p. 60)
Kinderzitje monteren (p. 64)
Overzichtstabel voor de plaatsing van kinderzitjes (p. 66)
•
Plaatsingstabel voor kinderzitjes die de veiligheidsgordel in de auto gebruiken (p. 67)
•
Plaatsingstabel voor i-Size-kinderzitjes
(p. 69)
•
Plaatsingstabel voor ISOFIX-kinderzitjes
(p. 70)
Zet de bevestigingsbanden van het kinderzitje
niet vast aan de hendel waarmee u de voorstoel in de lengterichting verstelt of aan de
veren, rails of balken onder de stoel. Scherpe
randen kunnen de bevestigingsbanden
beschadigen.
Laat het bovengedeelte van het kinderzitje
niet tegen de voorruit leunen.
N.B.
Bij gebruik van kinderveiligheidsproducten is
het belangrijk om de bijgeleverde montagevoorschriften door te nemen.
Neem bij onduidelijkheden over de montage
van kinderveiligheidsproducten contact op
met de producent.
VEILIGHEID
geplaatst. Plaats steunbenen nooit op een
voetensteun of een ander voorwerp.
N.B.
Laat een kinderzitje nooit los in de auto liggen. Bevestig het altijd volgens de instructies
voor het kinderzitje, ook als u het niet
gebruikt.
Op achterbank monteren
•
Op voorstoel monteren
Gebruik alleen door Volvo geadviseerde kinderzitjes met een universele of semi-universele goedkeuring4 waarbij uw auto op de lijst
van compatibele auto's staat.
•
Controleer bij montage van tegen de rijrichting in geplaatste kinderzitjes of de passagiersairbag gedeactiveerd is.
•
Het is niet toegestaan om kinderzitjes met
steunbenen op de middelste zitplaats te
monteren.
•
Controleer bij montage van in de rijrichting
geplaatste kinderzitjes of de passagiersairbag geactiveerd is.
•
De buitenste zitplaatsen zijn uitgerust met
ISOFIX-systeem en goedgekeurd voor iSize5.
•
Gebruik alleen door Volvo geadviseerde kinderzitjes met een universele of semi-universele goedkeuring waarbij uw auto op de lijst
van compatibele auto's staat.
•
•
ISOFIX-kinderzitjes zijn alleen te monteren,
wanneer de auto is uitgerust met een
ISOFIX-console3 (accessoire).
De buitenste zitplaatsen zijn uitgerust met
bevestigingspunten bovenaan. Volvo adviseert u om de bovenste bevestigingsbanden
door de hoofdsteunopening te halen alvorens ze vast te zetten aan de bevestigingspunten. Volg de adviezen van de producent
van het kinderzitje op, als dit niet mogelijk is.
•
Als het kinderzitje voorzien is van onderste
bevestigingsbanden, adviseert Volvo u om
deze aan de onderste bevestigingspunten
vast te zetten3.
•
•
Als het kinderzitje met steunbenen is uitgerust, moet het steunbeen/moeten de steunbenen altijd rechtstreeks op de vloer worden
Verstel na het vastzetten van eventuele
onderste bevestigingsbanden van een kinderzitje in de onderste bevestigingspunten
de desbetreffende stoel niet meer. Vergeet
niet om bij het demonteren van een kinderzitje ook altijd eventuele onderste bevestigingsbanden te verwijderen.
3
4
5
•
Als het kinderzitje met steunbenen is uitgerust, moet het steunbeen/moeten de steunbenen altijd rechtstreeks op de vloer worden
geplaatst. Plaats steunbenen nooit op een
voetensteun of een ander voorwerp.
Gerelateerde informatie
•
•
Positie van kinderzitje (p. 63)
Overzichtstabel voor de plaatsing van kinderzitjes (p. 66)
•
Plaatsingstabel voor kinderzitjes die de veiligheidsgordel in de auto gebruiken (p. 67)
•
Plaatsingstabel voor i-Size-kinderzitjes
(p. 69)
•
Plaatsingstabel voor ISOFIX-kinderzitjes
(p. 70)
Het aanbod aan accessoires verschilt per markt.
Geldt niet voor de middelste zitplaats.
Verschilt per markt.
65
VEILIGHEID
Overzichtstabel voor de plaatsing
van kinderzitjes
De tabel geeft een overzicht van het type kinderzitje dat zich leent voor de verschillende zitplaatsen in de auto.
Zitplaatsen bij een auto met het stuur rechts.
Zitplaatsen bij een auto met het stuur links.
ZitplaatsB
A
B
C
i-Size-kinderzitje
Kinderzitjes met universele goedkeuring die zijn vastgezet met de veiligheidsgordel van de
auto
Andere typen kinderzitjesA
3, 5
2C, 3, 5
2C, 3, 4, 5
Neem voor meer informatie contact op met de fabrikant van het kinderzitje.
Zie bovenstaande nummering.
Geactiveerde airbag bij in de rijrichting geplaatste kinderzitjes. Gedeactiveerde airbag bij tegen de rijrichting in geplaatste kinderzitjes.
Gerelateerde informatie
•
•
66
•
Plaatsingstabel voor kinderzitjes die de veiligheidsgordel in de auto gebruiken (p. 67)
•
Plaatsingstabel voor i-Size-kinderzitjes
(p. 69)
Positie van kinderzitje (p. 63)
Kinderzitje monteren (p. 64)
•
Plaatsingstabel voor ISOFIX-kinderzitjes
(p. 70)
VEILIGHEID
Plaatsingstabel voor kinderzitjes die
de veiligheidsgordel in de auto
gebruiken
De tabel geeft aanbevelingen voor de te gebruiken kinderzitjes op de verschillende zitplaatsen
en voor de desbetreffende gewichtsgroepen.
Gewicht
Groep 0
max. 10 kg
Groep 0+
max. 13 kg
Groep 1
9–18 kg
Groep 2
15–25 kg
Voorstoel (met gedeactiveerde airbag, alleen tegen de rijrichting in
geplaatste kinderzitjes)A
N.B.
Neem alvorens een kinderzitje in de auto te
monteren altijd het hoofdstuk over de montage van kinderzitjes in de gebruikershandleiding door.
Voorstoel (met geactiveerde airbag,
alleen in de rijrichting geplaatste
kinderzitjes)A
Buitenste zitplaats achterbank
Middelste zitplaats achterbank
UB, C
X
UC
LC
UB, C
X
UC
LC
LD
UFB, E
UE, LD
LE
LD
UFB, F
UF, LD
LF
}}
67
VEILIGHEID
||
Gewicht
Voorstoel (met gedeactiveerde airbag, alleen tegen de rijrichting in
geplaatste kinderzitjes)A
Groep 3
22–36 kg
Voorstoel (met geactiveerde airbag,
alleen in de rijrichting geplaatste
kinderzitjes)A
Buitenste zitplaats achterbank
Middelste zitplaats achterbank
UFB, F
UF
LF
X
U: Geschikt voor kinderzitjes met universele goedkeuring.
UF: Geschikt voor in rijrichting gemonteerde kinderzitjes met universele goedkeuring.
L: Geschikt voor specifieke kinderzitjes. Deze kinderzitjes kunnen bestemd zijn voor een bepaald automerk, voor een beperkte groep merken of semi-universeel zijn.
X: deze plaats is niet geschikt voor kinderen in deze gewichtsgroep.
A
B
C
D
E
F
Bij montage van kinderzitjes dient het verlengbare zitkussen altijd te zijn ingeschoven.
Zet de rugleuning beter rechtop.
Volvo adviseert: Volvo-babyzitje (typegoedkeuring E1 04301146).
Volvo adviseert: Tegen de rijrichting in geplaatst Volvo-kinderzitje (typegoedkeuring E5 04212).
Voor kinderen in deze gewichtsgroep adviseert Volvo een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje.
Volvo adviseert: Verhogingskussen met of zonder rugleuning (typegoedkeuring E5 04216); Volvo-kinderzitje (typegoedkeuring E1 04301312).
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje op de passagiersstoel voorin, wanneer de passagiersairbag
geactiveerd is.
Gerelateerde informatie
•
•
•
68
Positie van kinderzitje (p. 63)
Kinderzitje monteren (p. 64)
Overzichtstabel voor de plaatsing van kinderzitjes (p. 66)
•
Plaatsingstabel voor i-Size-kinderzitjes
(p. 69)
•
Plaatsingstabel voor ISOFIX-kinderzitjes
(p. 70)
•
Veiligheidsgordels (p. 46)
VEILIGHEID
Plaatsingstabel voor i-Sizekinderzitjes
plaatsen en voor de desbetreffende gewichtsgroepen.
De tabel geeft aanbevelingen voor de te gebruiken i-Size-kinderzitjes op de verschillende zit-
Het kinderzitje moet zijn goedgekeurd conform
UN Reg R129.
N.B.
Neem alvorens een kinderzitje in de auto te
monteren altijd het hoofdstuk over de montage van kinderzitjes in de gebruikershandleiding door.
Type kinderzitje
Voorstoel (met gedeactiveerde airbag, alleen tegen de rijrichting in
geplaatste kinderzitjes)
Voorstoel (met geactiveerde airbag, alleen in de rijrichting
geplaatste kinderzitjes)
Buitenste zitplaats achterbank
Middelste zitplaats achterbank
i-Size-kinderzitje
X
X
i-UA, B
X
i-U: Geschikt voor i-Size-kinderzitje met "universele" goedkeuring dat in of tegen de rijrichting in geplaatst is.
X: Niet geschikt voor kinderzitjes met universele goedkeuring.
A
B
Volvo adviseert een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje voor deze categorie.
Volvo adviseert: BeSafe iZi Kid X2 i-Size (typegoedkeuring E4-129R-000002).
Gerelateerde informatie
•
•
•
Positie van kinderzitje (p. 63)
Kinderzitje monteren (p. 64)
Overzichtstabel voor de plaatsing van kinderzitjes (p. 66)
•
Plaatsingstabel voor kinderzitjes die de veiligheidsgordel in de auto gebruiken (p. 67)
•
Plaatsingstabel voor ISOFIX-kinderzitjes
(p. 70)
•
i-Size/ISOFIX-bevestigingspunten voor kinderzitjes (p. 62)
69
VEILIGHEID
Plaatsingstabel voor ISOFIXkinderzitjes
plaatsen en voor de desbetreffende gewichtsgroepen.
De tabel geeft aanbevelingen voor de te gebruiken ISOFIX-kinderzitjes op de verschillende zit-
Het kinderzitje moet zijn goedgekeurd conform
UN Reg R44 en de producent van het zitje moet
het desbetreffende automodel op de lijst met
compatibele auto's vermelden.
Gewicht
Groep 0
max. 10 kg
Groep 0+
max. 13 kg
70
AfmetingscategorieA
Type kinderzitje
E
Tegen rijrichting in geplaatst
babyzitje
E
Tegen rijrichting in geplaatst
babyzitje
C
Tegen rijrichting in geplaatst
kinderzitje
D
Tegen rijrichting in geplaatst
kinderzitje
N.B.
Neem alvorens een kinderzitje in de auto te
monteren altijd het hoofdstuk over de montage van kinderzitjes in de gebruikershandleiding door.
Voorstoel (met
gedeactiveerde airbag, alleen tegen de
rijrichting in geplaatste
kinderzitjes)B,C
Voorstoel (met geactiveerde airbag, alleen
in de rijrichting
geplaatste kinderzitjes)B, C
Buitenste zitplaats
achterbank
Middelste zitplaats achterbank
ILB, D, XE
X
ILD
X
ILB, D, F, XE
X
ILD
X
VEILIGHEID
Gewicht
Groep 1
9–18 kg
AfmetingscategorieA
Type kinderzitje
A
In rijrichting geplaatst kinderzitje
B
In rijrichting geplaatst kinderzitje
B1
In rijrichting geplaatst kinderzitje
C
Tegen rijrichting in geplaatst
kinderzitje
D
Tegen rijrichting in geplaatst
kinderzitje
Voorstoel (met
gedeactiveerde airbag, alleen tegen de
rijrichting in geplaatste
kinderzitjes)B,C
Voorstoel (met geactiveerde airbag, alleen
in de rijrichting
geplaatste kinderzitjes)B, C
Buitenste zitplaats
achterbank
Middelste zitplaats achterbank
X
ILB, F, G, XE
ILG, IUFG
X
ILB, F, XE
X
IL
X
IL: Geschikt voor bepaalde ISOFIX-kinderzitjes. Deze kinderzitjes kunnen bestemd zijn voor een bepaald automerk, voor een beperkte groep merken of semiuniverseel zijn.
IUF: Geschikt voor in de rijrichting geplaatste ISOFIX-kinderzitjes met een universele goedkeuring voor gebruik voor kinderen in de betrokken gewichtsgroep.
X: Niet geschikt voor ISOFIX-kinderzitjes.
A
B
C
D
E
F
G
Voor kinderzitjes met een ISOFIX-systeem zijn er afmetingscategorieën om te helpen bij het kiezen van het juiste type kinderzitje. De afmetingscategorie staat aangegeven op het etiket van het kinderzitje.
Geschikt voor montage van ISOFIX-kinderzitjes met semi-universele goedkeuring (IL), als de auto is uitgerust met een ISOFIX-console (accessoire) (het aanbod aan accessoires verschilt per markt). Op deze
positie ontbreken de bovenste bevestigingspunten voor kinderzitjes.
Bij montage van kinderzitjes dient het verlengbare zitkussen altijd te zijn ingeschoven.
Volvo adviseert: Volvo-babyzitje bevestigd met ISOFIX-systeem (typegoedkeuring E1 04301146).
Geldt bij een auto zonder ISOFIX-console.
Stel de rugleuning zo in dat de hoofdsteun het kinderzitje niet raakt.
Voor kinderen in deze gewichtsgroep adviseert Volvo een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje.
}}
71
VEILIGHEID
||
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje op de passagiersstoel voorin, wanneer de passagiersairbag
geactiveerd is.
N.B.
Als een i-Size/ISOFIX-kinderzitje geen afmetingscategorie heeft, moet het automodel op
de voertuiglijst van het kinderzitje staan.
N.B.
Volvo raadt u aan om contact op te nemen
met een erkende Volvo-dealer voor de i-Size/
ISOFIX-kinderzitjes die Volvo adviseert.
Gerelateerde informatie
•
•
•
72
Positie van kinderzitje (p. 63)
Kinderzitje monteren (p. 64)
Overzichtstabel voor de plaatsing van kinderzitjes (p. 66)
•
Plaatsingstabel voor kinderzitjes die de veiligheidsgordel in de auto gebruiken (p. 67)
•
Plaatsingstabel voor i-Size-kinderzitjes
(p. 69)
•
i-Size/ISOFIX-bevestigingspunten voor kinderzitjes (p. 62)
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Instrumenten en bediening bij een
auto met het stuur links
In de overzichten wordt aangegeven waar displays en bedieningselementen dicht bij de
bestuurder zitten.
Stuurwiel en instrumentenpaneel
Rechter stuurknoppenset
Midden- en tunnelconsole
Stuurwielafstelling
Claxon
Linker knoppenset op het stuur
Motorkap openen
Displayverlichting, achterklep ontgrendelen/
openen* / vergrendelen/sluiten*, koplamphoogteregeling van halogeenkoplampen
Plafondconsole
Middendisplay
Alarmlichten, ontwaseming, media
Schakelhendel/keuzehendel
Startknop
Stadslicht, dagrijlicht, dimlicht, groot licht,
richtingaanwijzers, mistlampen vóór/bochtverlichting*, mistachterlicht, op nul zetten van
dagtellers
74
Rijmodusknop*
Parkeerrem
Stuurpaddles om handmatig te schakelen
met een automatische versnellingsbak*
Leeslampjes en interieurverlichting voorin
Head-updisplay*
Panoramadak*
Bestuurdersdisplay
Display in plafondconsole, ON CALL-knop*
Wissers en sproeiers, regensensor*
Handmatige dimfunctie van achteruitkijkspiegel
Automatische rem bij stilstand
Bestuurdersportier
* Optie/accessoire.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
•
Versnellingsbak (p. 434)
Instrumenten en bediening bij een
auto met het stuur rechts
In de overzichten wordt aangegeven waar displays en bedieningselementen dicht bij de
bestuurder zitten.
Stuurwiel en instrumentenpaneel
Geheugens voor instellingen van elektrisch
bedienbare voorstoel*, buitenspiegels en
head-updisplay*
Centrale vergrendeling
Elektrisch bedienbare ruiten, buitenspiegels,
elektrisch kinderslot*
Instelling van voorstoel
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
Handmatig bediende voorstoel (p. 182)
Elektrisch bedienbare* voorstoel verstellen
(p. 183)
Stuurwiel verstellen (p. 197)
Verlichtingsbediening (p. 148)
Motor starten (p. 420)
Bestuurdersdisplay (p. 78)
Overzicht van het middendisplay (p. 104)
}}
* Optie/accessoire.
75
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Stuurwielafstelling
||
Linker knoppenset op het stuur
Plafondconsole
Stadslicht, dagrijlicht, dimlicht, groot licht,
richtingaanwijzers, mistlampen vóór/bochtverlichting*, mistachterlicht, op nul zetten van
dagtellers
Middendisplay
Alarmlichten, ontwaseming, media
Schakelhendel/keuzehendel
Stuurpaddles om handmatig te schakelen
met een automatische versnellingsbak*
Leeslampjes en interieurverlichting voorin
Startknop
Head-updisplay*
Panoramadak*
Rijmodusknop*
Bestuurdersdisplay
Display in plafondconsole, ON CALL-knop*
Parkeerrem
Wissers en sproeiers, regensensor*
Handmatige dimfunctie van achteruitkijkspiegel
Automatische rem bij stilstand
Rechter stuurknoppenset
Displayverlichting, achterklep ontgrendelen/
openen* / vergrendelen/sluiten*, koplamphoogteregeling van halogeenkoplampen
Midden- en tunnelconsole
Motorkap openen
Claxon
76
* Optie/accessoire.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Bestuurdersportier
•
•
Overzicht van het middendisplay (p. 104)
Versnellingsbak (p. 434)
Geheugens voor instellingen van elektrisch
bedienbare voorstoel*, buitenspiegels en
head-updisplay*
Centrale vergrendeling
Elektrisch bedienbare ruiten, buitenspiegels,
elektrisch kinderslot*
Instelling van voorstoel
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
Handmatig bediende voorstoel (p. 182)
Elektrisch bedienbare* voorstoel verstellen
(p. 183)
Stuurwiel verstellen (p. 197)
Verlichtingsbediening (p. 148)
Motor starten (p. 420)
Bestuurdersdisplay (p. 78)
* Optie/accessoire.
77
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Bestuurdersdisplay
•
Het bestuurdersdisplay geeft informatie weer
over de auto en het rijden.
Het bestuurdersdisplay is verkrijgbaar in twee uitvoeringen: één van 8 inch en één van 12 inch*.
Van het bestuurdersdisplay maken deel uit
meters, indicatoren en controle- en waarschuwingssymbolen. Wat er op het bestuurdersdisplay
wordt weergegeven, hangt af van de uitrusting,
instellingen en de op dat moment actieve functies van de auto.
Het bestuurdersdisplay wordt geactiveerd zodra
er een portier wordt geopend, d.w.z. in contactslotstand 0. Het bestuurdersdisplay dooft, als het
enige tijd niet wordt gebruikt. Om het weer te
activeren moet u het volgende doen:
•
•
Bedien het rempedaal.
Activeer contactslotstand I.
Open een van de portieren.
Bestuurdersdisplay, 8 inch
WAARSCHUWING
Maak geen gebruik van de auto, als het
bestuurdersdisplay na de activering/start
dooft of niet oplicht of als het bestuurdersdisplay of delen ervan onleesbaar zijn. Bezoek
onmiddellijk een werkplaats. Geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Bij storingen in het bestuurdersdisplay kan
mogelijk geen informatie over het remsysteem, de airbags of andere veiligheidssystemen worden weergegeven. U kunt de status
van de autosystemen dan niet controleren en
evenmin waarschuwingen en informatie ontvangen.
Positie op het bestuurdersdisplay:
78
Links
In het midden
Rechts
Brandstofmeter
Snelheidsmeter
Mediaspeler
Rijmodus
Verkeersbordinformatie*
Telefoon
Schakelindicator
Informatie over cruisecontrol en snelheidsbegrenzer
Navigatie-informatie*
Toerenteller/ECO-meterA
Informatie over portieren en gordels
Klok
* Optie/accessoire.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
A
B
Links
In het midden
Rechts
Actieradius op tank
Status van het Start/Stop-systeem
Appmenu (te activeren met de stuurknoppenset)
Buitentemperatuurmeter
-
Momentaan brandstofverbruik
Controle- en waarschuwingssymbolen
-
KilometertellerB
-
-
Dagtellers
-
-
Controle- en waarschuwingssymbolen
-
-
Stembediening
-
-
Motortemperatuurmeter
-
-
Meldingen, in bepaalde gevallen met grafische voorstellingen
-
-
KompasA
Afhankelijk van de gekozen rijmodus.
Gecumuleerde afstand.
}}
79
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
Bestuurdersdisplay, 12 inch*
Positie op het bestuurdersdisplay:
80
Links
In het midden
Rechts
Snelheidsmeter
Controle- en waarschuwingssymbolen
Toerenteller/ECO-meterA
Dagtellers
Buitentemperatuurmeter
Schakelindicator
KilometertellerB
Klok
Rijmodus
Informatie over cruisecontrol en snelheidsbegrenzer
Meldingen, in bepaalde gevallen met grafische voorstellingen
Brandstofmeter
Verkeersbordinformatie*
Informatie over portieren en gordels
Status van het Start/Stop-systeem
-
Mediaspeler
Actieradius op tank
-
Navigatiekaart*
Momentaan brandstofverbruik
-
Telefoon
Appmenu (te activeren met de stuurknoppenset)
* Optie/accessoire.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
A
B
Links
In het midden
Rechts
-
Stembediening
-
-
KompasA
-
Afhankelijk van de gekozen rijmodus.
Gecumuleerde afstand.
Dynamisch symbool
•
•
•
Het dynamische symbool in zijn
basisvorm.
In het midden van het bestuurdersdisplay staat
een dynamisch symbool dat er afhankelijk van het
type melding anders uitziet. Een amberkleurige of
rode markering rond het symbool geeft de ernstigheidsgraad van controle- en waarschuwingsmeldingen aan.
Boordcomputer (p. 83)
Melding op bestuurdersdisplay (p. 100)
Appmenu op bestuurdersdisplay hanteren
(p. 99)
Voorbeeld van controlesymbool.
Aan de hand van een animatie is de basisvorm te
wijzigen in een grafische voorstelling om de locatie van het probleem aan te geven of om informatie te verduidelijken.
Gerelateerde informatie
•
•
Instellingen voor bestuurdersdisplay (p. 82)
•
Controlesymbolen op bestuurdersdisplay
(p. 89)
Waarschuwingssymbolen op bestuurdersdisplay (p. 91)
81
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Instellingen voor bestuurdersdisplay
Instellingen voor de weergave-opties van het
bestuurdersdisplay zijn te verrichten via het
applicatiemenu van het bestuurdersdisplay en
via het instellingsmenu van het middendisplay.
Instellingen via appmenu van
bestuurdersdisplay
•
navigatiesysteem*.
Instellingen via middendisplay
Informatietype kiezen
1. Tik op Instellingen op het hoofdscherm van
het middendisplay.
2.
Tik op My Car Displays
bestuurdersscherm.
3.
Kies wat er op de achtergrond moet verschijnen:
route1
Thema kiezen
1. Tik op Instellingen op het hoofdscherm van
het middendisplay.
De afbeelding is schematisch, zodat er afhankelijk van
het model afwijkingen mogelijk zijn.
Het appmenu is te openen en te regelen via de
rechter stuurknoppenset.
In het appmenu is te kiezen welke informatie op
het bestuurdersdisplay moet verschijnen
•
•
•
1
82
boordcomputer
mediaspeler
2.
Tik op My Car
3.
Kies thema (uiterlijk) van het bestuurdersdisplay:
•
•
•
•
Displays
2.
Informatie
• Geen info in achtergrond tonen
• Info huidige gespeelde media tonen
• Navigatie ook tonen zonder
ingestelde
Taal kiezen
1. Tik op Instellingen op het hoofdscherm van
het middendisplay.
Tik op Systeem Systeemtalen en eenheden Systeemtaal om een taal te
kiezen.
> Een wijziging werkt door op de taal op alle
niveaus.
De instellingen zijn persoonlijk en worden automatisch opgeslagen onder het actieve gebruikersprofiel.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Bestuurdersdisplay (p. 78)
Appmenu op bestuurdersdisplay hanteren
(p. 99)
Instellingen wijzigingen op het hoofdscherm
van het middendisplay (p. 128)
Toon skins
Glass
Minimalistic
Performance
Chrome Rings
telefoon
Bij een 12 inch* bestuurdersdisplay verschijnt een kaart en bij een 8 inch bestuurdersdisplay alleen de routebegeleiding.
* Optie/accessoire.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Brandstofmeter
Boordcomputer
De brandstofmeter op het bestuurdersdisplay
geeft het brandstofpeil in de tank aan.
De boordcomputer van de auto registreert waarden zoals afgelegde afstand, brandstofverbruik
en gemiddelde snelheid tijdens het rijden.
Om eenvoudiger zuinig te kunnen rijden, worden
het momentane en het gemiddelde brandstofverbruik geregistreerd. De boordcomputerinformatie
is weer te geven op het bestuurdersdisplay.
Brandstofmeter op 8 inch bestuurdersdisplay:
Brandstofmeter op 12 inch bestuurdersdisplay:
Het beige gebied van de brandstofmeter geeft
het brandstofpeil in de tank aan.
Wanneer het brandstofpeil gering is en u moet
bijtanken, gaat het amberkleurige tanksymbool
branden. De boordcomputer geeft ook de resterende actieradius op de tank aan.
De balkjes van de brandstofmeter geven het
brandstofpeil in de tank aan.
Wanneer het brandstofpeil gering is en u moet
bijtanken, gaat het amberkleurige tanksymbool
branden. De boordcomputer geeft ook de resterende actieradius op de tank aan. Wanneer het
brandstofpeil kritiek laag is, rest nog één amberkleurig balkje. Tank de auto dan zo spoedig
mogelijk bij.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Bestuurdersdisplay (p. 78)
Brandstof tanken (p. 459)
Brandstoftank – inhoud (p. 670)
}}
83
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
•
•
Actieradius op tank
Toerist (alternatieve snelheidsmeter)
Eenheden voor afstand, snelheid en dergelijk zijn
te wijzigen via de systeeminstellingen op het middendisplay.
Dagtellers
Er zijn twee dagtellers, TM en TA.
TM kan handmatig op nul worden gezet en TA
wordt automatisch op nul gezet als de auto minimaal vier uur niet wordt gebruikt.
12 inch bestuurdersdisplay*.
Tijdens de rit wordt informatie geregistreerd over:
•
•
•
•
Afstand
Rijtijd
Gemiddelde snelheid
Gemiddeld brandstofverbruik
8 inch bestuurdersdisplay.
•
•
•
84
Dagtellers
Kilometerteller
De boordcomputer berekent de actieradius op basis van de resterende hoeveelheid brandstof in de tank.
De actieradius wordt berekend aan de hand van
het gemiddelde brandstofverbruik over de laatste
30 km (20 mijl) en de resterende hoeveelheid
brandstof.
Als de meter "----" aangeeft, is er te weinig
brandstof over om de actieradius te kunnen berekenen. Tank zo spoedig mogelijk.
N.B.
Er is een bepaalde afwijking mogelijk, als u
van rijstijl verandert.
De waarden zijn berekend op basis van de waarden sinds de laatste reset.
Een zuinige rijstijl betekent doorgaans een langere actieradius.
Kilometerteller
Toerist (alternatieve snelheidsmeter)
De kilometerteller registreert de totale afgelegde
afstand van de auto. Deze waarde is niet op nul
te zetten.
De volgende meters maken deel uit van de
boordcomputer:
Actieradius op tank
Momentaan brandstofverbruik
Deze meter geeft het actuele brandstofverbruik
van de auto aan. De waarde wordt zowat iedere
seconde bijgewerkt.
De alternatieve digitale snelheidsmeter vereenvoudigt het rijden in landen waar verkeersborden
met de voorgeschreven snelheden een andere
eenheid hebben dan wat de instrumenten van de
auto laten zien.
De digitale snelheid wordt dan weergegeven in
de eenheid die de analoge snelheidsmeter juist
niet geeft. Is de analoge snelheidsmeter ingesteld op mph, dan wordt de snelheid op de
Momentaan brandstofverbruik
* Optie/accessoire.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
boordcomputermeter weergegeven in km/h en
omgekeerd.
Ritstatistieken tonen op het
bestuurdersdisplay
Gerelateerde informatie
De door de boordcomputer geregistreerde en
berekende waarden kunnen worden weergegeven op het bestuurdersdisplay.
•
Ritstatistieken tonen op het bestuurdersdisplay (p. 85)
•
•
Dagteller resetten (p. 86)
•
•
Bestuurdersdisplay (p. 78)
Verbruiksinfo weergeven op het middendisplay (p. 86)
De waarden worden opgeslagen in een boordcomputerapp. Via het appmenu kunt u die informatie kiezen die op het bestuurdersdisplay moeten worden weergegeven.
Appmenu
Links/rechts
Omhoog/omlaag
Bevestigen
De afbeelding is schematisch, zodat er afhankelijk van het model afwijkingen mogelijk zijn.
Open het appmenu op het bestuurdersdisplay door op (1) te drukken.
(Het appmenu is niet te openen als er nog
een onbevestigde melding op het bestuurdersdisplay staat. U moet de melding eerst
bevestigen met een druk op de knop O (4)
voordat het appmenu te openen is.)
2.
Navigeer naar de boordcomputerapp door
met (2) naar links of rechts te vegen.
> Op de bovenste vier menuregels staan de
gemeten waarden voor dagteller TM. Op
de vier menuregels eronder staan de
gemeten waarden voor dagteller TA. Blader omhoog of omlaag in de lijst met (3).
3.
Blader verder omlaag naar de alternatievenknoppen om te kiezen welke informatie op het
bestuurdersdisplay moet worden weergegeven:
Systeemeenheden wijzigen (p. 128)
Open het appmenu2 en blader erin met de rechter
stuurknoppenset.
2
1.
•
•
•
•
•
Kilometerteller
Actieradius op tank
Toerist (alternatieve snelheidsmeter)
Afgelegde afstand voor dagteller TM, TA
of geen weergave van afgelegde afstand
Momentaan brandstofverbruik, gemiddeld
verbruik voor TM of TA of geen weergave
van het brandstofverbruik
Selecteer of deselecteer een optie met de
knop O (4). De wijziging gaat meteen in.
}}
85
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
Gerelateerde informatie
•
•
Boordcomputer (p. 83)
Dagteller resetten
Reset de dagteller met de linker stuurhendel.
Verbruiksinfo weergeven op het
middendisplay
De verbruiksinfo van de boordcomputer verschijnt in grafische vorm op het middendisplay
en biedt u het overzicht waarmee u eenvoudig
zuiniger kunt rijden.
Dagteller resetten (p. 86)
Open de app Bestuurder
prestaties op het appscherm
om de verbruiksinfo weer te
geven.
–
Reset alle informatie van de dagteller TM
(dat wil zeggen actieradius, gemiddeld verbruik, gemiddelde snelheid en rijtijd) door de
RESET-knop op de linker stuurhendel lang
in te drukken.
Bij kort indrukken van de RESET-knop reset
u alleen de actieradius.
Dagteller TA heeft alleen een automatische
resetfunctie die start, wanneer de auto vier uur
lang niet wordt gebruikt.
Gerelateerde informatie
•
86
Boordcomputer (p. 83)
Elke staaf in het diagram staat
voor een afstand van 1, 10 of
100 km (of miles). Tijdens het rijden worden de
staven van rechts naar links aangevuld. De staaf
uiterst rechts geeft de waarde voor de actuele
etappe aan.
Het gemiddelde brandstofverbruik en de totale
rijtijd zijn bepaald op basis van de verbruiksinfo
sinds de laatste nulstelling.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Instellingen voor verbruiksinfo
Gerelateerde informatie
De instellingen voor verbruiksinfo zijn op nul te
stellen of aan te passen.
•
Verbruiksinfo weergeven op het middendisplay (p. 86)
•
•
Boordcomputer (p. 83)
1.
Open de app Bestuurder prestaties op het
appscherm om de verbruiksinfo weer te
geven.
Dagteller resetten (p. 86)
Verbruiksinfo van de boordcomputer3.
Gerelateerde informatie
•
•
Instellingen voor verbruiksinfo (p. 87)
2.
Tik op Voorkeur om
•
de schaalverdeling te wijzigen. Kies een
resolutie van 1, 10 of 100 km/miles voor
de staaf.
•
de verbruiksinfo na afloop van een rit op
nul te zetten. Wanneer de auto meer dan
4 uur stilgestaan heeft.
•
de gegevens over de actuele rit op nul te
zetten.
Boordcomputer (p. 83)
Verbruiksinfo, berekend gemiddeld verbruik
en totale rijtijd worden altijd gelijktijdig op nul
gezet.
Eenheden voor afstand, snelheid en dergelijk zijn
te wijzigen via de systeeminstellingen op het middendisplay.
3
De afbeelding is schematisch, zodat er afhankelijk van het model afwijkingen mogelijk zijn.
87
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Datum en tijd
Instellingen voor datum en tijd
Buitentemperatuurmeter
De klok is zichtbaar op zowel bestuurders- als
middendisplay.
–
De buitentemperatuurmeter staat aangegeven
op het bestuurdersdisplay.
Positie van de klok
Kies Instellingen Systeem Datum en
tijd op het hoofdscherm van het middendisplay om de instellingen voor tijd- en datumformaat te wijzigen.
Stel de datum en tijd in door op de pijlomhoog of pijl-omlaag op het touchscreen te
tikken.
Positie van de klok bij een 12 inch* en een 8 inch
bestuurdersdisplay.
In sommige situaties kan de klok op het bestuurdersdisplay schuilgaan achter meldingen en
informatie.
Op het middendisplay zit de klok rechts bovenaan
op de statusbalk.
Automatische tijd voor auto's met gps
Bij een auto met navigatiesysteem kunt u
Automatische tijd kiezen. De tijdzone wordt dan
automatisch ingesteld aan de hand van waar de
auto zich bevindt. Voor een bepaald type navigatiesysteem moet ook de huidige locatie (land)
worden ingesteld om de juiste tijdzone te krijgen.
Als Automatische tijd niet is gekozen, stelt u
tijd en datum met de pijlen omhoog of omlaag op
het touchscreen.
Zomertijd
In sommige landen is met Automatische
zomertijd de automatische instelling van de
zomertijd te selecteren. In de overige landen valt
de instelling Zomertijd handmatig te selecteren.
Gerelateerde informatie
•
•
88
Bestuurdersdisplay (p. 78)
Instellingen wijzigingen op het hoofdscherm
van het middendisplay (p. 128)
Een sensor registreert de temperatuur buiten de
auto.
Positie van de buitentemperatuurmeter bij een 12 inch*
en een 8 inch bestuurdersdisplay.
Als de auto geparkeerd heeft gestaan, is het
mogelijk dat de meter een te hoge temperatuur
aangeeft.
Wanneer de buitentemperatuur in het
gebied –5 °C tot +2 °C (23 °F tot
36 °F) ligt, brandt er ook een sneeuwvloksymbool op het bestuurdersdisplay
om te wijzen op het gevaar voor gladheid.
Het symbool gaat ook tijdelijk branden op het
head-updisplay*, als de auto daarmee is uitgerust.
* Optie/accessoire.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Wijzig de eenheid voor o.a. de temperatuurmeter
via systeeminstellingen in het hoofdscherm op
het middendisplay.
Gerelateerde informatie
•
•
Bestuurdersdisplay (p. 78)
Systeemeenheden wijzigen (p. 128)
Controlesymbolen op
bestuurdersdisplay
De controlesymbolen attenderen u erop dat de
bijbehorende functies ingeschakeld zijn, de desbetreffende systemen actief zijn of dat er storingen of gebreken zijn opgetreden.
Symbool
Betekenis
Informatie, lees displaymelding
Bij een afwijking in een van de
autosystemen gaat het informatiesymbool branden op het bestuurdersdisplay en verschijnt er een
displaytekst. Het informatiesymbool
kan ook gaan branden in combinatie met andere symbolen.
Symbool
Betekenis
Automatische rem aan
Het symbool brandt, wanneer de
functie actief is en de bedrijfsrem
of parkeerrem ingrijpen. De rem
zorgt dat de auto stil blijft staan,
nadat deze tot stilstand is gekomen.
Bandenspanningssysteem
Het symbool brandt bij een storing
in de parkeerrem.
Het symbool brandt bij een te lage
bandenspanning. Bij een storing in
het bandenspanningssysteem gaat
het symbool eerst ca. 1 minuut
knipperen en vervolgens permanent branden. Dit kan komen doordat het systeem niet als beoogd
een lage bandenspanning kan
registreren of daarvoor waarschuwen.
Storing in ABS
Uitlaatgasreinigingssysteem
Als het symbool brandt, is het systeem defect. Het normale remsysteem van de auto werkt dan nog
wel, zij het zonder ABS-regeling.
Bij een storing in het uitlaatgasreinigingssysteem kan na een motorstart het symbool gaan branden.
Rijd voor een controle naar een
werkplaats. Volvo adviseert u contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats.
Storing in remsysteem
}}
89
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
Symbool
Betekenis
Richtingaanwijzer links en
rechts
Het symbool knippert bij gebruik
van de richtingaanwijzers.
Symbool
Betekenis
Het symbool brandt, wanneer de
stadslichten zijn ingeschakeld.
Fout in het koplampsysteem
Het symbool brandt, als er een storing is opgetreden in het ABL
(Active Bending Lights) of als er
een andere storing is opgetreden
in het koplampsysteem.
Automatisch groot licht aan
90
Betekenis
Groot licht aan
Regensensor aan
Het symbool brandt, wanneer u het
groot licht voert of grootlichtsignalen geeft.
Dit symbool brandt, wanneer de
regensensor aanstaat.
Automatisch groot licht aan
Stadslichten voor/achterlichten
Symbool
Preconditioning aan
Het symbool brandt met blauw licht
als het automatisch groot licht aan
is. Stadslichten zijn ingeschakeld.
Het symbool brandt, wanneer de
motor- en interieurverwarming/
airconditioning voor preconditioning van de auto zorgen.
Automatisch groot licht uit
Stabiliteitsregeling
Het symbool brandt met wit licht
als het automatisch groot licht uit
is. Stadslichten zijn ingeschakeld.
Het knipperende symbool geeft
aan dat de stabiliteitsregeling
werkt. Als het symbool continu
brandt is er sprake van een storing
in het systeem.
Groot licht aan
Het symbool brandt, wanneer het
groot licht en de stadslichten zijn
ingeschakeld.
Het symbool brandt met blauw licht
als het automatisch groot licht aan
is.
Mistlampen aan
Automatisch groot licht uit
Mistachterlicht aan
Het symbool brandt met wit licht
als het automatisch groot licht uit
is.
Het symbool brandt, wanneer het
mistachterlicht is ingeschakeld.
Het symbool brandt, wanneer de
mistlampen voor zijn ingeschakeld.
Stabiliteitsregeling, Sport-stand
Het symbool brandt, wanneer de
Sport-stand is geactiveerd. De
Sport-stand maakt een actievere
rijervaring mogelijk. Het systeem
registreert dan of de gaspedaal- en
stuurwielbediening alsook het
bochtenwerk aan te merken zijn als
sportiever dan normaal, waarna het
systeem toestaat dat de achtertrein
een gecontroleerde vorm van slippen vertoont voordat het ingrijpt en
de auto stabiliseert.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Symbool
Betekenis
Rijbaanassistent
Wit symbool: Rijbaanassistent aan
en wegbelijning is waargenomen.
Grijs symbool: Rijbaanassistent aan
en wegbelijning is niet waargenomen.
Amberkleurig symbool: Rijbaanassistent waarschuwt/grijpt in.
Rijbaanassistent en regensensor
Wit symbool: Rijbaanassistent aan
en wegbelijning is waargenomen.
De regensensor is aan.
Grijs symbool: Rijbaanassistent aan
en wegbelijning is niet waargenomen. De regensensor is aan.
AdBlue-systeem (diesel)
Het symbool brandt bij een gering
AdBlue-peil of bij een storing in
het AdBlue-systeem.
Gerelateerde informatie
•
•
Bestuurdersdisplay (p. 78)
Waarschuwingssymbolen op
bestuurdersdisplay
De waarschuwingssymbolen attenderen u erop
dat belangrijke functies zijn ingeschakeld of dat
er ernstige storingen of gebreken zijn opgetreden.
Symbool
Betekenis
Waarschuwing
Het rode waarschuwingssymbool
gaat branden, wanneer er een storing is geregistreerd die van
invloed kan zijn op de veiligheid of
de rijeigenschappen van de auto.
Er verschijnt tegelijkertijd een verklarende tekstmelding op het
bestuurdersdisplay. Het waarschuwingssymbool kan ook gaan branden in combinatie met andere symbolen.
Gordelwaarschuwing
Het symbool brandt of knippert als
u of de voorpassagier geen veiligheidsgordel draagt of als iemand
op de achterbank de gordel heeft
losgenomen.
Symbool
Betekenis
Airbags
Als het symbool tijdens het rijden
oplicht of blijft branden, is er een
storing geregistreerd in een van de
veiligheidssystemen van de auto.
Lees de melding op het bestuurdersdisplay. Volvo adviseert u contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats.
Storing in remsysteem
Als het lampje oplicht, is het remvloeistofpeil mogelijk te laag.
Bezoek de dichtstbijzijnde erkende
werkplaats om het remvloeistofpeil
te laten controleren en aanpassen.
Parkeerrem aangezet
Het lampje brandt continu, wanneer u de parkeerrem hebt aangezet.
Een knipperend symbool houdt in
dat er een storing is opgetreden.
Lees de melding op het bestuurdersdisplay.
Waarschuwingssymbolen op bestuurdersdisplay (p. 91)
}}
91
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
Symbool
Betekenis
Lage oliedruk
Als het lampje tijdens het rijden
oplicht, is de druk van de motorolie
te laag. Zet de motor onmiddellijk
af en controleer het motoroliepeil.
Vul zo nodig olie bij. Als het lampje
oplicht terwijl het oliepeil in orde is,
moet u contact opnemen met een
werkplaats. Volvo adviseert u contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats.
Dynamo laadt niet bij
Het lampje gaat tijdens het rijden
branden, als er sprake is van een
storing in het elektrisch systeem.
Bezoek een werkplaats. Volvo adviseert u contact op te nemen met
een erkende Volvo-werkplaats.
Dreigende botsing
City Safety geeft een waarschuwing bij een dreigende botsing met
andere voertuigen, voetgangers,
fietsers en grotere dieren.
Gerelateerde informatie
92
•
Controlesymbolen op bestuurdersdisplay
(p. 89)
•
Bestuurdersdisplay (p. 78)
Licentieovereenkomst voor
bestuurdersdisplay
Een licentie is een overeenkomst die toestemming verleent om bepaalde handelingen te verrichten of het recht om gebruik te maken van
een product waar een andere rechtspersoon
octrooi of eigendomsrechten op heeft, onder de
voorwaarden vervat in de overeenkomst. Hier
volgt een Engelse versie van de overeenkomst
tussen Volvo en producenten of ontwikkelaars.
Boost Software License 1.0
Permission is hereby granted, free of charge, to
any person or organization obtaining a copy of
the software and accompanying documentation
covered by this license (the "Software") to use,
reproduce, display, distribute, execute, and
transmit the Software, and to prepare derivative
works of the Software, and to permit third-parties
to whom the Software is furnished to do so, all
subject to the following: The copyright notices in
the Software and this entire statement, including
the above license grant, this restriction and the
following disclaimer, must be included in all
copies of the Software, in whole or in part, and all
derivative works of the Software, unless such
copies or derivative works are solely in the form
of machine-executable object code generated by
a source language processor.
THE SOFTWARE IS PROVIDED "AS IS",
WITHOUT WARRANTY OF ANY KIND,
EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
LIMITED TO THE WARRANTIES OF
MERCHANTABILITY, FITNESS FOR A
PARTICULAR PURPOSE, TITLE AND NONINFRINGEMENT. IN NO EVENT SHALL THE
COPYRIGHT HOLDERS OR ANYONE
DISTRIBUTING THE SOFTWARE BE LIABLE
FOR ANY DAMAGES OR OTHER LIABILITY,
WHETHER IN CONTRACT, TORT OR
OTHERWISE, ARISING FROM, OUT OF OR IN
CONNECTION WITH THE SOFTWARE OR THE
USE OR OTHER DEALINGS IN THE
SOFTWARE.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
BSD 4-clause "Original" or "Old" License
Copyright (c) 1982, 1986, 1990, 1991, 1993
The Regents of the University of California. All
rights reserved.
Redistribution and use in source and binary
forms, with or without modification, are permitted
provided that the following conditions are met:
1.
Redistributions of source code must retain
the above copyright notice, this list of
conditions and the following disclaimer.
2.
Redistributions in binary form must
reproduce the above copyright notice, this list
of conditions and the following disclaimer in
the documentation and/or other materials
provided with the distribution.
3.
All advertising materials mentioning features
or use of this software must display the
following acknowledgement: This product
includes software developed by the
University of California, Berkeley and its
contributors.
4.
Neither the name of the University nor the
names of its contributors may be used to
endorse or promote products derived from
this software without specific prior written
permission.
THIS SOFTWARE IS PROVIDED BY THE
REGENTS AND CONTRIBUTORS ``AS IS'' AND
ANY EXPRESS OR IMPLIED WARRANTIES,
INCLUDING, BUT NOT LIMITED TO, THE
IMPLIED WARRANTIES OF MERCHANTABILITY
AND FITNESS FOR A PARTICULAR PURPOSE
ARE DISCLAIMED. IN NO EVENT SHALL THE
REGENTS OR CONTRIBUTORS BE LIABLE
FOR ANY DIRECT, INDIRECT, INCIDENTAL,
SPECIAL, EXEMPLARY, OR CONSEQUENTIAL
DAMAGES (INCLUDING, BUT NOT LIMITED TO,
PROCUREMENT OF SUBSTITUTE GOODS OR
SERVICES; LOSS OF USE, DATA, OR PROFITS;
OR BUSINESS INTERRUPTION) HOWEVER
CAUSED AND ON ANY THEORY OF LIABILITY,
WHETHER IN CONTRACT, STRICT LIABILITY,
OR TORT (INCLUDING NEGLIGENCE OR
OTHERWISE) ARISING IN ANY WAY OUT OF
THE USE OF THIS SOFTWARE, EVEN IF
ADVISED OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.
BSD 3-clause "New" or "Revised" License
Copyright (c) 2011-2014, Yann Collet.
Redistribution and use in source and binary
forms, with or without modification, are permitted
provided that the following conditions are met:
1.
Redistributions of source code must retain
the above copyright notice, this list of
conditions and the following disclaimer.
2.
Redistributions in binary form must
reproduce the above copyright notice, this list
of conditions and the following disclaimer in
the documentation and/or other materials
provided with the distribution.
3.
Neither the name of the organisation nor the
names of its contributors may be used to
endorse or promote products derive from this
software without specific prior written
permission.
THIS SOFTWARE IS PROVIDED BY THE
COPYRIGHT HOLDERS AND CONTRIBUTORS
"AS IS" AND ANY EXPRESS OR IMPLIED
WARRANTIES, INCLUDING, BUT NOT LIMITED
TO, THE IMPLIED WARRANTIES OF
MERCHANTABILITY AND FITNESS FOR A
PARTICULAR PURPOSE ARE DISCLAIMED. IN
NO EVENT SHALL THE COPYRIGHT HOLDER
OR CONTRIBUTORS BE LIABLE FOR ANY
DIRECT, INDIRECT, INCIDENTAL, SPECIAL,
EXEMPLARY, OR CONSEQUENTIAL DAMAGES
(INCLUDING, BUT NOT LIMITED TO,
PROCUREMENT OF SUBSTITUTE GOODS OR
SERVICES; LOSS OF USE, DATA, OR PROFITS;
OR BUSINESS INTERRUPTION) HOWEVER
CAUSED AND ON ANY THEORY OF LIABILITY,
WHETHER IN CONTRACT, STRICT LIABILITY,
OR TORT (INCLUDING NEGLIGENCE OR
OTHERWISE) ARISING IN ANY WAY OUT OF
THE USE OF THIS SOFTWARE, EVEN IF
ADVISED OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.
}}
93
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
BSD 2-clause “Simplified” license
Copyright (c) <YEAR>, <OWNER> All rights
reserved.
Redistribution and use in source and binary
forms, with or without modification, are permitted
provided that the following conditions are met:
1.
Redistributions of source code must retain
the above copyright notice, this list of
conditions and the following disclaimer.
2.
Redistributions in binary form must
reproduce the above copyright notice, this list
of conditions and the following disclaimer in
the documentation and/or other materials
provided with the distribution.
THIS SOFTWARE IS PROVIDED BY THE
COPYRIGHT HOLDERS AND CONTRIBUTORS
"AS IS" AND ANY EXPRESS OR IMPLIED
WARRANTIES, INCLUDING, BUT NOT LIMITED
TO, THE IMPLIED WARRANTIES OF
MERCHANTABILITY AND FITNESS FOR A
PARTICULAR PURPOSE ARE DISCLAIMED. IN
NO EVENT SHALL THE COPYRIGHT OWNER
OR CONTRIBUTORS BE LIABLE FOR ANY
DIRECT, INDIRECT, INCIDENTAL, SPECIAL,
EXEMPLARY, OR CONSEQUENTIAL DAMAGES
(INCLUDING, BUT NOT LIMITED TO,
PROCUREMENT OF SUBSTITUTE GOODS OR
SERVICES; LOSS OF USE, DATA, OR PROFITS;
OR BUSINESS INTERRUPTION) HOWEVER
CAUSED AND ON ANY THEORY OF LIABILITY,
WHETHER IN CONTRACT, STRICT LIABILITY,
94
OR TORT (INCLUDING NEGLIGENCE OR
OTHERWISE) ARISING IN ANY WAY OUT OF
THE USE OF THIS SOFTWARE, EVEN IF
ADVISED OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.
The views and conclusions contained in the
software and documentation are those of the
authors and should not be interpreted as
representing official policies, either expressed or
implied, of the FreeBSD Project.
FreeType Project License
1. 1 Copyright 1996-1999 by David Turner,
Robert Wilhelm, and Werner Lemberg
Introduction The FreeType Project is
distributed in several archive packages; some
of them may contain, in addition to the
FreeType font engine, various tools and
contributions which rely on, or relate to, the
FreeType Project. This license applies to all
files found in such packages, and which do
not fall under their own explicit license. The
license affects thus the FreeType font
engine, the test programs, documentation
and makefiles, at the very least. This license
was inspired by the BSD, Artistic, and IJG
(Independent JPEG Group) licenses, which
all encourage inclusion and use of free
software in commercial and freeware
products alike. As a consequence, its main
points are that: o We don't promise that this
software works. However, we are be
interested in any kind of bug reports. (`as is'
distribution) o You can use this software for
whatever you want, in parts or full form,
without having to pay us. (`royalty-free'
usage) o You may not pretend that you wrote
this software. If you use it, or only parts of it,
in a program, you must acknowledge
somewhere in your documentation that
you've used the FreeType code. (`credits')
We specifically permit and encourage the
inclusion of this software, with or without
modifications, in commercial products,
provided that all warranty or liability claims
are assumed by the product vendor. Legal
Terms 0. Definitions Throughout this license,
the terms `package', `FreeType Project', and
`FreeType archive' refer to the set of files
originally distributed by the authors (David
Turner, Robert Wilhelm, and Werner
Lemberg) as the `FreeType project', be they
named as alpha, beta or final release. `You'
refers to the licensee, or person using the
project, where `using' is a generic term
including compiling the project's source code
as well as linking it to form a `program' or
`executable'. This program is referred to as `a
program using the FreeType engine'. This
license applies to all files distributed in the
original FreeType archive, including all source
code, binaries and documentation, unless
otherwise stated in the file in its original,
unmodified form as distributed in the original
archive. If you are unsure whether or not a
particular file is covered by this license, you
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
must contact us to verify this. The FreeType
project is copyright (C) 1996-1999 by David
Turner, Robert Wilhelm, and Werner
Lemberg. All rights reserved except as
specified below. 1. No Warranty THE
FREETYPE ARCHIVE IS PROVIDED `AS IS'
WITHOUT WARRANTY OF ANY KIND,
EITHER EXPRESSED OR IMPLIED,
INCLUDING, BUT NOT LIMITED TO,
WARRANTIES OF MERCHANTABILITY AND
FITNESS FOR A PARTICULAR PURPOSE.
IN NO EVENT WILL ANY OF THE
AUTHORS OR COPYRIGHT HOLDERS BE
LIABLE FOR ANY DAMAGES CAUSED BY
THE USE OR THE INABILITY TO USE, OF
THE FREETYPE PROJECT. As you have not
signed this license, you are not required to
accept it. However, as the FreeType project
is copyrighted material, only this license, or
another one contracted with the authors,
grants you the right to use, distribute, and
modify it. Therefore, by using, distributing, or
modifying the FreeType project, you indicate
that you understand and accept all the terms
of this license.
2.
Redistribution Redistribution and use in
source and binary forms, with or without
modification, are permitted provided that the
following conditions are met: o Redistribution
of source code must retain this license file
(`licence.txt') unaltered; any additions,
deletions or changes to the original files
must be clearly indicated in accompanying
documentation. The copyright notices of the
unaltered, original files must be preserved in
all copies of source files. o Redistribution in
binary form must provide a disclaimer that
states that the software is based in part of
the work of the FreeType Team, in the
distribution documentation. We also
encourage you to put an URL to the
FreeType web page in your documentation,
though this isn't mandatory. These conditions
apply to any software derived from or based
on the FreeType code, not just the
unmodified files. If you use our work, you
must acknowledge us. However, no fee need
be paid to us.
3.
Advertising The names of FreeType's authors
and contributors may not be used to endorse
or promote products derived from this
software without specific prior written
permission. We suggest, but do not require,
that you use one or more of the following
phrases to refer to this software in your
documentation or advertising materials:
`FreeType Project', `FreeType Engine',
`FreeType library', or `FreeType Distribution'.
4.
Contacts There are two mailing lists related
to FreeType: o freetype@freetype.org
Discusses general use and applications of
FreeType, as well as future and wanted
additions to the library and distribution. If you
are looking for support, start in this list if you
haven't found anything to help you in the
documentation. o devel@freetype.org
Discusses bugs, as well as engine internals,
design issues, specific licenses, porting, etc.
o http://www.freetype.org Holds the current
FreeType web page, which will allow you to
download our latest development version and
read online documentation. You can also
contact us individually at: David Turner
<david.turner@freetype.org> Robert Wilhelm
<robert.wilhelm@freetype.org> Werner
Lemberg <werner.lemberg@freetype.org>
}}
95
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
libpng versions 0.97, January 1998, through
1.0.6, March 20, 2000, are Copyright (c) 1998,
1999 Glenn Randers-Pehrson, and are
distributed according to the same disclaimer and
license as libpng-0.96, with the following
individuals added to the list of Contributing
Authors:
For the purposes of this copyright and license,
"Contributing Authors" is defined as the following
set of individuals:
Tom Lane
Paul Schmidt
If you modify libpng you may insert additional
notices immediately following this sentence.
Glenn Randers-Pehrson
Tim Wegner
Willem van Schaik
libpng versions 1.0.7, July 1, 2000, through
1.0.13, April 15, 2002, are Copyright (c)
2000-2002 Glenn Randers-Pehrson and are
distributed according to the same disclaimer and
license as libpng-1.0.6 with the following
individuals added to the list of Contributing
Authors
libpng versions 0.89, June 1996, through 0.96,
May 1997, are Copyright (c) 1996, 1997
Andreas Dilger Distributed according to the same
disclaimer and license as libpng-0.88, with the
following individuals added to the list of
Contributing Authors:
The PNG Reference Library is supplied "AS IS".
The Contributing Authors and Group 42, Inc.
disclaim all warranties, expressed or implied,
including, without limitation, the warranties of
merchantability and of fitness for any purpose.
The Contributing Authors and Group 42, Inc.
assume no liability for direct, indirect, incidental,
special, exemplary, or consequential damages,
which may result from the use of the PNG
Reference Library, even if advised of the
possibility of such damage.
Libpng License
This copy of the libpng notices is provided for
your convenience. In case of any discrepancy
between this copy and the notices in the file
png.h that is included in the libpng distribution,
the latter shall prevail.
COPYRIGHT NOTICE, DISCLAIMER, and
LICENSE:
Simon-Pierre Cadieux
Eric S. Raymond
Gilles Vollant
and with the following additions to the disclaimer:
There is no warranty against interference with
your enjoyment of the library or against
infringement. There is no warranty that our efforts
or the library will fulfill any of your particular
purposes or needs. This library is provided with all
faults, and the entire risk of satisfactory quality,
performance, accuracy, and effort is with the user.
96
John Bowler
Kevin Bracey
Sam Bushell
Magnus Holmgren
Greg Roelofs
Tom Tanner
libpng versions 0.5, May 1995, through 0.88,
January 1996, are Copyright (c) 1995, 1996 Guy
Eric Schalnat, Group 42, Inc.
Andreas Dilger
Dave Martindale
Guy Eric Schalnat
Permission is hereby granted to use, copy,
modify, and distribute this source code, or
portions hereof, for any purpose, without fee,
subject to the following restrictions:
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
1.
The origin of this source code must not be
misrepresented.
2.
Altered versions must be plainly marked as
such and must not be misrepresented as
being the original source.
3.
This Copyright notice may not be removed or
altered from any source or altered source
distribution.
The Contributing Authors and Group 42, Inc.
specifically permit, without fee, and encourage
the use of this source code as a component to
supporting the PNG file format in commercial
products. If you use this source code in a product,
acknowledgment is not required but would be
appreciated.
A "png_get_copyright" function is available, for
convenient use in "about" boxes and the like:
printf("%s",png_get_copyright(NULL));
Also, the PNG logo (in PNG format, of course) is
supplied in the files "pngbar.png" and
"pngbar.jpg (88x31) and "pngnow.png" (98x31).
Libpng is OSI Certified Open Source Software.
OSI Certified Open Source is a certification mark
of the Open Source Initiative.
Glenn Randers-Pehrson randeg@alum.rpi.edu
April 15, 2002
MIT License
Copyright (c) <year> <copyright holders>
Permission is hereby granted, free of charge, to
any person obtaining a copy of this software and
associated documentation files (the "Software"),
to deal in the Software without restriction,
including without limitation the rights to use,
copy, modify, merge, publish, distribute,
sublicense, and/or sell copies of the Software,
and to permit persons to whom the Software is
furnished to do so, subject to the following
conditions:
This software is provided 'as-is', without any
express or implied warranty. In no event will the
authors be held liable for any damages arising
from the use of this software.
Permission is granted to anyone to use this
software for any purpose, including commercial
applications, and to alter it and redistribute it
freely, subject to the following restrictions:
1.
The origin of this software must not be
misrepresented; you must not claim that you
wrote the original software. If you use this
software in a product, an acknowledgment in
the product documentation would be
appreciated but is not required.
2.
Altered source versions must be plainly
marked as such, and must not be
misrepresented as being the original
software.
3.
This notice may not be removed or altered
from any source distribution.
The above copyright notice and this permission
notice shall be included in all copies or
substantial portions of the Software.
THE SOFTWARE IS PROVIDED "AS IS",
WITHOUT WARRANTY OF ANY KIND,
EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
LIMITED TO THE WARRANTIES OF
MERCHANTABILITY, FITNESS FOR A
PARTICULAR PURPOSE AND
NONINFRINGEMENT. IN NO EVENT SHALL
THE AUTHORS OR COPYRIGHT HOLDERS BE
LIABLE FOR ANY CLAIM, DAMAGES OR
OTHER LIABILITY, WHETHER IN AN ACTION
OF CONTRACT, TORT OR OTHERWISE,
ARISING FROM, OUT OF OR IN CONNECTION
WITH THE SOFTWARE OR THE USE OR
OTHER DEALINGS IN THE SOFTWARE.
zlib License
The zlib/libpng License Copyright (c) <year>
<copyright holders>
}}
97
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
SGI Free Software B License Version 2.0.
SGI FREE SOFTWARE LICENSE B (Version 2.0,
Sept. 18, 2008)
Copyright (C) [dates of first publication] Silicon
Graphics, Inc. All Rights Reserved. Permission is
hereby granted, free of charge, to any person
obtaining a copy of this software and associated
documentation files (the "Software"), to deal in
the Software without restriction, including without
limitation the rights to use, copy, modify, merge,
publish, distribute, sublicense, and/or sell copies
of the Software, and to permit persons to whom
the Software is furnished to do so, subject to the
following conditions: The above copyright notice
including the dates of first publication and either
this permission notice or a reference to http://
oss.sgi.com/projects/FreeB/ shall be included in
all copies or substantial portions of the Software.
THE SOFTWARE IS PROVIDED "AS IS",
WITHOUT WARRANTY OF ANY KIND,
EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
LIMITED TO THE WARRANTIES OF
MERCHANTABILITY, FITNESS FOR A
PARTICULAR PURPOSE AND
NONINFRINGEMENT. IN NO EVENT SHALL
SILICON GRAPHICS, INC. BE LIABLE FOR ANY
CLAIM, DAMAGES OR OTHER LIABILITY,
WHETHER IN AN ACTION OF CONTRACT,
TORT OR OTHERWISE, ARISING FROM, OUT
OF OR IN CONNECTION WITH THE SOFTWARE
OR THE USE OR OTHER DEALINGS IN THE
SOFTWARE.
98
Except as contained in this notice, the name of
Silicon Graphics, Inc. shall not be used in
advertising or otherwise to promote the sale, use
or other dealings in this Software without prior
written authorization from Silicon Graphics, Inc.
Applicatiemenu op
bestuurdersdisplay
Via het applicatiemenu (appmenu) van het
bestuurdersdisplay krijgt u snel toegang tot de
meest gebruikte functies voor bepaalde apps.
Gerelateerde informatie
•
Bestuurdersdisplay (p. 78)
De afbeelding is schematisch.
Het appmenu op het bestuurdersdisplay is te
gebruiken in plaats van het middendisplay en
navigatie is mogelijk via de rechter stuurknoppenset. Dankzij het appmenu kunt u eenvoudiger van
app of appfunctie wisselen zonder daarvoor uw
handen van het stuur te hoeven nemen.
Functies van het appmenu
U hebt toegang tot uiteenlopende functies via
verschillende apps. Vanuit het appmenu zijn de
volgende apps en de bijbehorende appfuncties te
regelen:
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
App
Functies
Boordcomputer
Dagteller kiezen, kiezen wat op
het bestuurdersdisplay moet
worden weergegeven en dergelijke.
Mediaspeler
Actieve bron voor mediaspeler
kiezen.
Telefoon
Contact in de gesprekslijst bellen.
Navigatie
Begeleiding naar de bestemming e.d.
Appmenu op bestuurdersdisplay
hanteren
N.B.
Het appmenu is niet te openen als er nog
een onbevestigde melding op het bestuurdersdisplay staat. U moet de melding eerst
bevestigen voordat het appmenu te openen
is.
Het appmenu wordt na een periode van inactiviteit automatisch gesloten of na bepaalde keuzes.
Navigeren en kiezen in appmenu
Bestuurdersdisplay (p. 78)
Overzicht van het middendisplay (p. 104)
Appmenu op bestuurdersdisplay hanteren
(p. 99)
Druk op Openen/sluiten (1).
> Het appmenu wordt geopend/gesloten.
–
Het applicatiemenu (appmenu) op het bestuurdersdisplay is te gebruiken via de rechter stuurknoppenset.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Appmenu openen/sluiten
1.
Wissel van app door op links of rechts (2) te
drukken.
> In het appmenu verschijnen de functies
voor de vorige/volgende app.
2.
Blader door de functies voor de gekozen app
door op omhoog of omlaag (3) te drukken.
3.
Bevestig de actuele functie of markeer uw
keuze door op bevestigen (4) te drukken.
> De desbetreffende functie wordt geactiveerd, waarna in bepaalde gevallen het
appmenu wordt gesloten.
Appmenu en rechter stuurknoppenset.
Openen/sluiten
Links/rechts
Omhoog/omlaag
Bevestigen
Als het appmenu weer opent, verschijnen direct
de functies voor de laatst gekozen app.
}}
99
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
Gerelateerde informatie
•
•
Applicatiemenu op bestuurdersdisplay (p. 98)
Melding op bestuurdersdisplay (p. 100)
Melding op bestuurdersdisplay
Op het bestuurdersdisplay kunnen in uiteenlopende situaties meldingen verschijnen om u te
informeren of helpen.
Voorbeeld van een melding op het bestuurdersdisplay5.
Op het bestuurdersdisplay verschijnen meldingen
die voor u als bestuurder belangrijk zijn.
Voorbeeld van een melding op het bestuurdersdisplay4.
Afhankelijk van de andere informatie die op dit
moment wordt weergegeven, kan de positie van
de meldingen op het bestuurdersdisplay variëren.
De meldingen verdwijnen na enige tijd automatisch of na eventuele bevestiging/reactie van het
bestuurdersdisplay. Als een melding moet worden opgeslagen, wordt deze bewaard in de app
Auto status, die opent vanuit het appscherm op
het middendisplay.
De meldingen kunnen er verschillende uitzien en
worden mogelijk gecombineerd met grafische
voorstellingen, symbolen en knoppen om de desbetreffende melding bijvoorbeeld te bevestigen
of in te stemmen met een bepaald verzoek.
4
5
100
Met 8 inch bestuurdersdisplay.
Met 12 inch bestuurdersdisplay.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Servicemeldingen
Hier volgt een greep uit de belangrijke servicemeldingen en hun betekenis.
Melding
Stop
veiligA
Breng de auto tot stilstand
en zet de motor af. Grote
kans op schade – bezoek
een werkplaatsB.
Service
urgent Rijd
naar werkplaatsA
Bezoek een werkplaatsB om
de auto onmiddellijk te laten
controleren.
Service vereistA
Bezoek een werkplaatsB om
de auto zo spoedig mogelijk
te laten controleren.
Bespreek tijd
voor onderhoud
Het is tijd voor een servicebeurt – bezoek een werkplaatsB. Verschijnt geruime
tijd vóór het geprogrammeerde tijdstip voor de volgende servicebeurt.
Met 8 inch bestuurdersdisplay.
Betekenis
Normaal
onderhoud
Het is tijd voor een servicebeurt – bezoek een werkplaatsB. Verschijnt op het
geprogrammeerde tijdstip
voor de volgende servicebeurt.
Onderhoud
nodig
Breng de auto tot stilstand
en zet de motor af. Grote
kans op schade – bezoek
een werkplaatsB.
Zet de motor
afA
Normaal
onderhoud
6
Betekenis
Melding
Normaal
onderhoud
Onderhoudstermijn verstreken
Tijdelijk uitA
A
B
Melding op bestuurdersdisplay
hanteren
Meldingen op het bestuurdersdisplay zijn te hanteren via de rechter stuurknoppenset.
Het is tijd voor een servicebeurt – bezoek een werkplaatsB. Verschijnt wanneer
het geprogrammeerde tijdstip voor een servicebeurt is
overschreden.
De bijbehorende functie is
tijdelijk uitgeschakeld en
wordt na enige tijd rijden of
de volgende keer dat u de
motor start automatisch
opnieuw ingeschakeld.
Voorbeeld van een melding op het bestuurdersdisplay6
en de rechter stuurknoppenset.
Deel van een melding, verschijnt samen met gegevens over de
locatie van de storing.
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
Melding op bestuurdersdisplay hanteren
(p. 101)
•
Opgeslagen bestuurdersdisplaymeldingen
hanteren (p. 102)
•
Melding op het middendisplay (p. 137)
}}
101
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
2.
||
Bevestig uw keuze door te drukken op
bevestigen (2).
> De melding verdwijnt van het bestuurdersdisplay.
Voor meldingen zonder knoppen:
–
Voorbeeld van een melding op het bestuurdersdisplay7
en de rechter stuurknoppenset.
Links/rechts
Bevestigen
Bepaalde meldingen op het bestuurdersdisplay
worden gecombineerd met een of meer knoppen
om de desbetreffende meldingen bijvoorbeeld te
bevestigen of in te stemmen met een bepaald
verzoek.
Nieuwe melding hanteren
Voor meldingen met knoppen:
1.
7
102
Wissel van knop door op links of rechts (1)
te drukken.
Met 12 inch bestuurdersdisplay.
Sluit de melding door op bevestigen (2) te
drukken of doe niets, waarna de melding
enige tijd later automatisch verdwijnt.
> De melding verdwijnt van het bestuurdersdisplay.
Opgeslagen
bestuurdersdisplaymeldingen
hanteren
Meldingen die zijn opgeslagen vanuit het
bestuurders- en middendisplay worden in beide
gevallen gehanteerd in het middendisplay.
Als een melding moet worden opgeslagen, wordt
deze bewaard in de app Auto status, die opent
vanuit het appscherm op het middendisplay. In
verband hiermee verschijnt de melding
Autobericht opgesl. in app Autostatus op het
middendisplay.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Melding op bestuurdersdisplay (p. 100)
Opgeslagen bestuurdersdisplaymeldingen
hanteren (p. 102)
Melding op het middendisplay (p. 137)
Opgeslagen meldingen zijn te bekijken in de app Auto
status.
Meldingen die op het bestuurdersdisplay zijn weergegeven
en die opgeslagen moeten
worden, worden bewaard in de
app Auto status op het middendisplay. In verband hiermee
verschijnt de melding
Autobericht opgesl. in app Autostatus op het
middendisplay.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Opgeslagen melding lezen
Lees de opgeslagen melding direct:
Druk op de knop rechts van de melding
Autobericht opgesl. in app Autostatus in
het middendisplay.
> De opgeslagen melding verschijnt in de
app Auto status.
–
Onderhoud reserveren voor een opgeslagen melding:
–
Lees de opgeslagen melding achteraf:
1.
2.
3.
Open de app Auto status vanuit het appscherm op het middendisplay.
> De app start in het onderste deelscherm
van het homescherm.
Kies het tabblad Berichten in de app.
> Er verschijnt een lijst met opgeslagen
meldingen.
Tik op een melding om deze uit te vouwen/
minimaliseren.
> Er verschijnt meer informatie over de melding in de lijst en de afbeelding links in de
app geeft informatie in grafische vorm
over de melding.
Een opgeslagen melding hanteren
Bepaalde meldingen hebben in uitgevouwen
vorm twee knoppen, nl. om onderhoud te reserveren of de gebruikershandleiding te lezen.
8
Druk in de uitgevouwen stand van de melding op Afspraak aanvragenBel voor een
afspraak8 om hulp te krijgen bij het reserveren van onderhoud.
> Met Afspraak aanvragen: Het tabblad
Afspraken gaat open in de app en u
krijgt een vraag voorgelegd over het
reserveren van onderhoud en reparatie.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Melding op bestuurdersdisplay (p. 100)
Melding op bestuurdersdisplay hanteren
(p. 101)
Melding op het middendisplay (p. 137)
Met Bel voor een afspraak: De telefoonapp wordt gestart en deze belt een
onderhoudscentrum om service en reparatie te reserveren.
Lees de gebruikershandleiding voor de opgeslagen melding:
–
Druk in de uitgevouwen stand van de melding op Handleiding om in de gebruikershandleiding over de melding te lezen.
> De gebruikershandleiding gaat open op
het middendisplay en deze geeft informatie die aan de melding is gekoppeld.
Meldingen opgeslagen in de app worden automatisch gewist telkens bij het starten van de
motor.
Afhankelijk van de markt. Er moet ook een Volvo ID zijn geregistreerd en een voorkeurswerkplaats zijn gekozen.
103
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Overzicht van het middendisplay
Vanaf het middendisplay zijn tal van autofuncties
te regelen. Hier volgt een beschrijving van het
middendisplay en de mogelijkheden ervan.
104
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Drie van de basisschermen van het middendisplay. Veeg naar rechts of naar links om het functie- of appscherm te openen9.
Functiescherm – autofuncties die met één
druk te activeren of deactiveren zijn. Som9
mige functies zijn ook zogenoemde triggerfuncties, die vensters met instelmogelijkhe-
Bij een auto met het stuur rechts zijn de schermen onderling van plaats gewisseld.
den openen. Bijvoorbeeld Camera. Instellingen voor het head-updisplay* zijn ook te ver}}
* Optie/accessoire. 105
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
richten vanuit het functiescherm, maar aanpassingen verricht u met de rechter stuurknoppenset.
Media – laatst gebruikte apps die verband
houden met media. Druk op het scherm om
het uit te vouwen.
Homescherm – het eerste scherm dat verschijnt bij het inschakelen van display.
Telefoon – van hieruit hebt u toegang tot de
telefoon. Druk op het scherm om het uit te
vouwen.
Het applicatiescherm (appscherm) – apps
die zijn gedownload (apps van derden) maar
ook apps voor ingebouwde functies, bijvoorbeeld FM-radio. Tik op een app-pictogram
om de app te openen.
Het extra deelscherm – laatst gebruikte apps
of autosystemen die niet thuishoren in een
van de overige deelschermen. Druk op het
scherm om het uit te vouwen.
Klimaatveld – informatie en rechtstreekse
interactie voor bijvoorbeeld het instellen van
temperatuur en stoelverwarming*. Tik op het
symbool in het midden van het klimaatveld
om het klimaatscherm met meer klimaatinstellingen te openen.
Statusbalk – boven aan het scherm staan de
activiteiten in de auto. Links op de statusbalk
verschijnen netwerk- en aansluitingsgegevens en rechts verschijnen mediaspecifieke
informatie en een klok plus een aanduiding
van lopende achtergrondactiviteiten.
Hoofdscherm – sleep het tabblad omlaag om
het hoofdscherm te openen. Van hieruit zijn
Instellingen, Handleiding, Profiel alsook de
opgeslagen berichten van de auto te openen.
In bepaalde gevallen zijn ook contextuele
instellingen (bijv. Navigatie Instellingen) en
de contextuele gebruikershandleiding (bijv.
Handleiding Navigatie) via het hoofdscherm te bereiken.
Navigatie – voert naar de kaartnavigatie, aan
de hand van bijvoorbeeld Sensus
Navigation*. Druk op het deelscherm om het
uit te vouwen.
106
•
•
•
•
•
Gebruikershandleiding op middendisplay
(p. 17)
Mediaspeler (p. 505)
Telefoon (p. 521)
Klimaatregelingsbediening (p. 211)
Volume van systeemgeluid uitschakelen of
aanpassen op middendisplay (p. 127)
•
Opzet van middendisplay aanpassen
(p. 127)
•
•
•
•
Systeemtaal wijzigen (p. 128)
Systeemeenheden wijzigen (p. 128)
Middendisplay reinigen (p. 638)
Melding op het middendisplay (p. 137)
Gerelateerde informatie
•
•
Middendisplay hanteren (p. 107)
•
Functiescherm op het middendisplay
(p. 117)
•
•
Apps (p. 496)
Navigeren in schermen op het middendisplay
(p. 110)
Symbolen op de statusbalk van het middendisplay (p. 119)
•
Instellingen wijzigingen op het hoofdscherm
van het middendisplay (p. 128)
•
Contextuele instellingen openen op het middendisplay (p. 129)
* Optie/accessoire.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Middendisplay hanteren
Veel autofuncties zijn te bedienen en regelen
vanaf het middendisplay. Het middendisplay is
een touchscreen dat op aanraking reageert.
Touchscreenfunctie middendisplay
gebruiken
De schermreacties hangen af van de vraag of u
erop drukt of slepende of vegende bewegingen
maakt. U kunt bijv. van het ene naar het andere
scherm bladeren, objecten markeren, scrollen in
Methode
een lijst en apps verplaatsen door het scherm op
verschillende manieren aan te raken.
Dankzij IR-stralen vlak boven het schermoppervlak kan het scherm ook vingers op korte afstand
vóór het scherm registreren. Deze technologie
maakt het mogelijk om het scherm ook te gebruiken als u handschoenen aan hebt.
Het display is gelijktijdig door twee mensen te
bedienen, bijv. om het klimaat aan de bestuurders- en passagierszijde in te stellen.
BELANGRIJK
Raak het scherm niet met scherpe voorwerpen aan om krassen te voorkomen.
In de onderstaande tabel worden de verschillende methoden voor schermbediening toegelicht:
Uitvoering
Resultaat
Eenmaal indrukken.
Een object markeren, een keuze bevestigen of een functie activeren.
Tweemaal snel drukken.
Inzoomen op een digitaal object, zoals de kaart.
Eenmaal drukken en vasthouden.
Een object beetpakken. Is te gebruiken om apps of kaartpunten op de kaart te verplaatsen. Houd de vinger(s) op het scherm gedrukt, terwijl u het object naar de gewenste locatie sleept.
Eenmaal drukken met twee
vingers.
Uitzoomen van een digitaal object, zoals de kaart.
}}
107
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
Methode
Uitvoering
Resultaat
Vegen
Wisselen tussen schermen, bladeren in een lijst, tekst of scherm. Ingedrukt houden en verslepen om apps
of kaartpunten op de kaart te verplaatsen. Horizontaal of verticaal over het scherm slepen.
Snel vegen/slepen
Wisselen tussen schermen, bladeren in een lijst, tekst of scherm. Horizontaal of verticaal over het scherm
slepen.
Let erop dat het hoofdscherm mogelijk wordt geopend bij aanraking van het bovenste deel van het scherm.
108
Spreiden
Inzoomen.
Knijpen
Uitzoomen.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Terugkeren naar homescherm vanuit
een ander scherm
•
het bedieningselement naar de gewenste
temperatuur te slepen,
1.
•
op + of − te drukken om de temperatuur in
stapjes te verhogen of te verlagen, of
•
op de gewenste temperatuur op het bedieningselement te drukken.
2.
Druk kort op de homeknop onder het middendisplay.
> De laatst geactiveerde stand voor het
homescherm verschijnt.
Druk opnieuw kort op de homeknop.
> Alle deelschermen van het homescherm
worden in de standaardstand gezet.
Gerelateerde informatie
N.B.
In het homescherm van de standaardstand –
druk kort op de homeknop. Op het scherm
verschijnt een animatie die uitlegt hoe u de
verschillende tegels kunt openen.
De bladerindicator verschijnt op het middendisplay, wanneer u omhoog of omlaag kunt bladeren.
•
Middendisplay activeren en deactiveren
(p. 110)
•
Apps en knoppen op middendisplay verplaatsen (p. 119)
•
Toetsenbord op middendisplay (p. 121)
Bediening op middendisplay gebruiken
Door een lijst, artikel of scherm
bladeren
Wanneer een bladerindicator zichtbaar is op het
scherm, kunt u omhoog- of omlaagbladeren.
Veeg op een willekeurige plaats op het scherm
omhoog of omlaag.
Temperatuurbediening.
Tal van autosystemen gebruiken bedieningselementen. Regel bijv. de temperatuur door:
109
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Middendisplay activeren en
deactiveren
1.
Het middendisplay is te dimmen en te activeren
met de homeknop onder het display.
2.
Houd de fysieke homeknop onder het display
langere tijd ingedrukt.
> Het display dooft, met uitzondering van
het klimaatveld dat nog steeds zichtbaar
is. Alle functies die aan het scherm
gekoppeld zijn blijven werken.
Display opnieuw inschakelen – kort op de
homeknop drukken.
> U ziet dan weer hetzelfde als toen het
scherm werd uitgeschakeld.
N.B.
Het scherm kan niet worden uitgezet als er
een bepaald commando op het scherm staat.
N.B.
Homeknop voor middendisplay.
Bij bediening van de homeknop wordt het
scherm gedimd en reageert het touchscreen niet
langer op aanraking. Het klimaatveld blijft nog
steeds zichtbaar. Alle functies die aan het scherm
gekoppeld zijn, zoals klimaat, geluid, routebegeleiding* en apps blijven werken. Dim het middendisplay bijvoorbeeld om het scherm te reinigen.
Het middendisplay is bijvoorbeeld ook te dimmen
om niet gestoord te worden tijdens het rijden.
Het middendisplay wordt automatisch uitgeschakeld als de motor uit is en het bestuurdersportier wordt geopend.
Gerelateerde informatie
•
•
•
110
Middendisplay reinigen (p. 638)
Opzet van middendisplay aanpassen
(p. 127)
Overzicht van het middendisplay (p. 104)
Navigeren in schermen op het
middendisplay
Het middendisplay heeft vijf verschillende basisschermen: homescherm, hoofdscherm, klimaatscherm, applicatiescherm (appscherm) en functiescherm. Bij het openen van het bestuurdersportier wordt het display automatisch ingeschakeld.
Homescherm
Het homescherm is het scherm dat verschijnt bij
het inschakelen van het display. Het bestaat uit
vier deelschermen: Navigatie, Media, Telefoon
en een extra deelscherm.
Een app of autofunctie die gekozen wordt vanuit
het app- of functiescherm, start in het desbetreffende deelscherm op het hoofdscherm FM-radio
start bijvoorbeeld in het deelscherm voor Media.
Het extra deelscherm toont de laatst gebruikte
app of autofunctie die niet thuishoort in een van
de overige drie schermen.
De deelschermen bevatten beknopte informatie
over de desbetreffende apps.
N.B.
Bij het starten van de auto verschijnt in de
deelschermen van het homescherm informatie over de actuele stand van de apps in het
desbetreffende deelscherm.
* Optie/accessoire.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
N.B.
In het homescherm van de standaardstand –
druk kort op de homeknop. Op het scherm
verschijnt een animatie die uitlegt hoe u de
verschillende tegels kunt openen.
Statusbalk
Boven aan het scherm staan de activiteiten in de
auto. Links op de statusbalk verschijnen netwerken aansluitingsgegevens en rechts verschijnen
mediaspecifieke gegevens, klok alsook een aanduiding dat er achtergrondactiviteiten gaande
zijn.
Hoofdscherm
het tabblad te klikken of door van boven naar
beneden over het scherm te slepen/vegen.
Het hoofdscherm biedt altijd toegang tot:
• Instellingen
• Handleiding
• Profiel
• De opgeslagen berichten van de auto.
Het hoofdscherm biedt soms toegang tot:
•
Contextuele instelling (bijv. Navigatie
Instellingen). Wijzig instellingen rechtstreeks in het hoofdscherm wanneer een app
(zoals navigatie) actief is.
•
Contextuele gebruikershandleiding (bijv.
Handleiding Navigatie). Open rechtstreeks
vanuit het hoofdscherm het artikel in de digitale gebruikershandleiding dat verband houdt
met hetgeen op het scherm verschijnt.
Hoofdscherm verlaten – tik op een punt buiten
het hoofdscherm, op de homeknop of onder aan
het hoofdscherm en sleep het omhoog. Het
onderliggende scherm wordt dan weer zichtbaar
zodat u het kunt gebruiken.
N.B.
Het hoofdscherm is niet beschikbaar tijdens
het starten/uitschakelen of als er een displaytekst op het scherm staat. Dat is evenmin het
geval als het klimaatscherm wordt weergegeven.
Klimaatscherm
Onder aan het display is altijd het klimaatveld
zichtbaar. Daar zijn rechtstreeks de meest
gebruikte klimaatinstellingen te verrichten, zoals
het instellen van de temperatuur en de stoelverwarming*.
Tik op het symbool midden in het klimaatveld om het klimaatscherm te
openen en om toegang te krijgen tot
meer klimaatinstellingen.
Tik op het symbool om het klimaatscherm te sluiten en terug te gaan
naar het eerdere scherm.
Hoofdscherm omlaaggesleept.
Midden op de statusbalk boven aan het display
vindt u een tab. Open het hoofdscherm door op
}}
* Optie/accessoire. 111
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
Applicatiescherm
rechtstreeks op het appscherm, zoals het aantal
ongelezen sms-berichten voor Berichten.
Functiescherm
Tik op een app om deze te openen. De app wordt
vervolgens in het desbetreffende deelscherm
geopend, bijvoorbeeld Media.
Afhankelijk van het aantal apps kunt u omlaagbladeren in het appscherm. U doet dat door van
onder naar boven te vegen/slepen.
Ga terug naar het homescherm door van links
naar rechts10 over het display te vegen of door
op de homeknop te drukken.
Applicatiescherm met de apps van de auto.
links10
Veeg van rechts naar
over het display om
vanuit het homescherm het applicatiescherm
(appscherm) te openen. Hier liggen apps die zijn
gedownload (apps van derden) maar ook apps
voor ingebouwde functies, bijvoorbeeld FMradio. Bepaalde apps tonen beknopte informatie
10
112
Functiescherm met knoppen voor uiteenlopende autofuncties.
Veeg van links naar rechts10 over het display om
vanuit het homescherm het functiescherm te
openen. Van daaruit kunt u verschillende autofuncties activeren of deactiveren, bijv. BLIS*,
Lane Keeping Aid* en Parkeerhulp*.
Geldt voor een auto met het stuur links. Voor een auto met het stuur rechts: veeg in tegengestelde richting.
* Optie/accessoire.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Afhankelijk van het aantal functies kunt u ook
omlaagbladeren in het scherm. U doet dat door
van onder naar boven te vegen/slepen.
•
Functiescherm op het middendisplay
(p. 117)
•
Overzicht van het middendisplay (p. 104)
In tegenstelling tot het appscherm waar bij een
tik op een app de bijbehorende app wordt
geopend, wordt bij een tik op een functieknop in
het functiescherm alleen de desbetreffende
functie geactiveerd of gedeactiveerd. Bepaalde
functies, de triggerfuncties, openen door erop te
drukken in een eigen venster.
Ga terug naar het homescherm door van rechts
naar links10 over het display te vegen of door op
de homeknop te drukken.
Gerelateerde informatie
•
Deelschermen op middendisplay hanteren
(p. 114)
•
Symbolen op de statusbalk van het middendisplay (p. 119)
•
Instellingen wijzigingen op het hoofdscherm
van het middendisplay (p. 128)
•
Contextuele instellingen openen op het middendisplay (p. 129)
•
Gebruikershandleiding op middendisplay
(p. 17)
•
•
•
Bestuurdersprofielen (p. 132)
10
Klimaatregelingsbediening (p. 211)
Apps (p. 496)
Geldt voor een auto met het stuur links. Voor een auto met het stuur rechts: veeg in tegengestelde richting.
113
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Deelschermen op middendisplay
hanteren
Het homescherm bestaat uit vier deelschermen:
Navigatie, Media, Telefoon en een extra deelscherm. Deze schermen zijn uit te vouwen.
114
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Een deelscherm uitvouwen vanuit standaardstand
Standaardstand en uitgevouwen stand van het deelscherm van het middendisplay.
}}
115
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
Deelscherm uitvouwen:
–
Voor de deelschermen Navigatie, Media en
Telefoon: Tik op een willekeurige plaats op
het deelscherm. Bij het uitvouwen van een
deelscherm verdwijnt het extra deelscherm
op het homescherm tijdelijk naar de achtergrond. De andere twee deelschermen worden ingeklapt en tonen slechts bepaalde
informatie. Na een tik op het extra deelscherm worden de andere drie deelschermen ingeklapt en tonen slechts bepaalde
informatie.
scherm voor nog meer informatie en aanvullende
instelmogelijkheden.
Als er een deelscherm is geopend als volledig
scherm, verschijnt er geen informatie van de overige deelschermen.
In het uitgevouwen scherm zijn de basisfuncties van de desbetreffende app toegankelijk.
Uitgevouwen deelscherm sluiten:
–
Het deelscherm kan op drie verschillende
manieren worden gesloten:
•
Tik op het bovenste deel van het uitgevouwen deelscherm.
•
Tik op een ander deelscherm (om dit in
uitgevouwen stand te openen).
•
Druk kort op de fysieke homeknop onder
het middendisplay.
Deelscherm maximaliseren of
minimaliseren
Het extra deelscherm11 en het deelscherm voor
Navigatie zijn te maximaliseren tot volledig
11
116
Geldt niet voor alle apps of autofuncties die via het extra deelscherm te openen zijn.
Om de app vanuit uitgevouwen
stand te maximaliseren – tik op
het symbool.
Tik op het symbool om terug te
gaan naar de uitgevouwen
stand of druk op de homeknop
onder aan het display.
Homeknop voor middendisplay.
U kunt altijd teruggaan naar het homescherm
door op de homeknop te drukken. Om vanuit de
uitgevouwen stand terug te gaan naar de standaardweergave van het homescherm – druk
tweemaal op de homeknop.
Gerelateerde informatie
•
•
Middendisplay hanteren (p. 107)
•
Navigeren in schermen op het middendisplay
(p. 110)
Middendisplay activeren en deactiveren
(p. 110)
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Functiescherm op het
middendisplay
In het functiescherm, een van de basisschermen
van het middendisplay, liggen alle knoppen voor
autofuncties. Navigeer vanuit het homescherm
naar het functiescherm door van links naar
rechts over het display te vegen.12.
Verschillende soorten knoppen
Er zijn drie verschillende soorten knoppen voor
autofuncties, zie hieronder:
Soort knop
Eigenschap
Bijbehorende autofunctie
Functieknoppen
Hebben een Aan/Uit-stand.
De meeste knoppen in het functiescherm
zijn functieknoppen.
Bij een geactiveerde functie brandt een led-lampje links van de knopicoon. Druk op de knop
om de bijbehorende functie te activeren/deactiveren.
Triggerknoppen
Hebben geen Aan/Uit-stand.
Bij het gebruik van een triggerknop wordt een venster voor de desbetreffende functie
geopend. Bijvoorbeeld een venster voor stoelverstelling.
Parkeerknoppen
Hebben een Aan/Uit-stand en een aftaststand.
Lijken op functieknoppen maar hebben een extra stand voor het aftasten van parkeerruimte.
12
Geldt voor een auto met het stuur links. Voor een auto met het stuur rechts: veeg in tegengestelde richting.
• Camera
• Hfdsteun omlaag
• Head-up display afstellen
• Inparkeren
• Uitparkeren
}}
117
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
Verschillende standen van de knoppen
Wanneer het groene led-lampje brandt van een
functie- of parkeerknop, is de desbetreffende
functie geactiveerd. Bij het activeren van functies
verschijnt voor sommige functies een extra tekst
over wat deze inhouden. De tekst blijft een paar
seconden staan, waarna de knop met het brandende led-lampje verschijnt.
Het systeem is gedeactiveerd, wanneer het ledlampje is gedoofd.
Voor Lane Keeping Aid verschijnt bijvoorbeeld
de tekst Werkt alleen bij bepaalde snelheden
bij het indrukken van de knop.
Bij eenmaal kort indrukken van de knop activeert
of deactiveert u de functie.
Wanneer er in de rechter bovenhoek van de knop
een gevarendriehoekje verschijnt, is er sprake van
een fout.
Gerelateerde informatie
•
•
118
Middendisplay hanteren (p. 107)
Navigeren in schermen op het middendisplay
(p. 110)
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Apps en knoppen op middendisplay
verplaatsen
N.B.
Verberg de apps die u zelden of nooit
gebruikt door ze helemaal onderaan te plaatsen, buiten het zichtveld. Op die manier kunt
u makkelijker de apps vinden die u vaker
gebruikt.
De apps en de knoppen voor autofuncties op
het app- en functiescherm zijn te verplaatsen en
naar wens anders te organiseren.
1.
Veeg van rechts naar links13 om het appscherm te openen of van links naar rechts13
om het functiescherm te openen.
2.
Blijf op een app of knop drukken.
> De app of knop verandert van grootte en
wordt transparant. U kunt de app/knop
vervolgens verplaatsen.
3.
Sleep de app of knop naar een lege plek op
het scherm.
Het maximale aantal regels voor apps of knoppen
is 48. Om een app of knop tot buiten het zichtbare schermgedeelte te verplaatsen moet u deze
naar de onderkant van het scherm slepen. Er
worden dan automatisch nieuwe regels voor de
app of knop toegevoegd.
N.B.
Apps en autofunctieknoppen kunnen niet
worden bewaard op plaatsen die al bezet zijn.
Gerelateerde informatie
•
Functiescherm op het middendisplay
(p. 117)
•
•
Apps (p. 496)
Middendisplay hanteren (p. 107)
Het is dan ook mogelijk om een app of knop verder naar onderen te verplaatsen, zodat deze in de
normale schermstand niet zichtbaar is.
Veeg over het scherm om omhoog of omlaag te
bladeren.
13
Geldt voor een auto met het stuur links. Voor een auto met het stuur rechts: veeg in tegengestelde richting.
Symbolen op de statusbalk van het
middendisplay
Overzicht van de symbolen die mogelijk op de
statusbalk van het middendisplay verschijnen.
De statusbalk geeft de lopende activiteiten en in
bepaalde gevallen hun status aan. Omdat de
ruimte in het veld beperkt is, worden niet voortdurend alle symbolen weergegeven.
Symbool
Betekenis
Internetverbinding.
Roaming geactiveerd.
Signaalsterkte in netwerk voor
mobiele telefonie.
Bluetooth-apparaat aangesloten.
Bluetooth geactiveerd maar geen
eenheid aangesloten.
Er wordt informatie van en naar het
gps gestuurd.
Aangesloten op Wi-Fi-netwerk.
'Internet sharing' geactiveerd (WiFi-hotspot). De auto deelt dus de
beschikbare verbinding.
}}
119
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
Symbool
Betekenis
Automodem geactiveerd.
•
•
•
Eenheid aansluiten via USB-poort (p. 512)
Telefoon (p. 521)
Datum en tijd (p. 88)
Internet delen via USB actief.
Proces gaande.
Timer voor preconditioning actief.
Weergave audiobron gestart.
Weergave audiobron gestopt.
Telefoongesprek gaande.
Weergave audiobron onderdrukt.
Er komt nieuws binnen via een
radiokanaal.
Verkeersinformatie mogelijk.
Klok.
Gerelateerde informatie
120
•
Navigeren in schermen op het middendisplay
(p. 110)
•
•
Melding op het middendisplay (p. 137)
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 531)
* Optie/accessoire.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Toetsenbord op middendisplay
Met het toetsenbord van het middendisplay kunt
u met toetsen tekst invoeren op het scherm,
maar ook handmatig door letters en tekens "in te
tekenen" op het scherm.
Met het toetsenbord kunnen tekens, letters en
cijfers worden ingevoerd, bijv. om sms-berichten
vanuit de auto op te stellen, wachtwoorden in te
vullen en naar artikelen te zoeken in de digitale
gebruikershandleiding.
Het toetsenbord verschijnt alleen als het mogelijk
is om op het scherm te schrijven.
}}
121
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
De afbeelding laat een overzicht zien van een aantal van de knoppen die op het toetsenbord kunnen verschijnen. De opzet wisselt, al naar gelang de taalinstellingen en in welk
verband het toetsenbord wordt gebruikt.
122
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Regel met suggesties voor woorden of
tekens14. De voorgestelde woorden worden
aangepast naarmate er nieuwe letters worden ingetypt. Blader door de suggesties door
op de pijlen naar links en naar rechts te
drukken. Tik op een suggestie om deze te
selecteren. Let erop dat deze functie niet
door alle taalopties wordt ondersteund. De
regel is dan niet zichtbaar op het toetsenbord.
Afhankelijk van de voor het toetsenbord
gekozen taal (zie punt 7) worden de beschikbare tekens aangepast. Tik op een teken om
dit in te voeren.
Afhankelijk van de situatie waarin u het
toetsenbord gebruikt, heeft de knop een
andere functie – @ (bij invoer van een e-mailadres) of nieuwe regel (bij normale tekstinvoer).
Verbergt het toetsenbord. Als dat niet mogelijk is, verschijnt de knop niet.
Wordt gebruikt om met hoofdletters te schrijven. Druk eenmaal om een hoofdletter te
schrijven en dan verder te gaan met kleine
letters. Door nogmaals te drukken worden
alle letters hoofdletters. Als u nog eens drukt,
wordt het toetsenbord weer ingesteld op
kleine letters. In deze stand wordt de eerste
letter na een punt, uitroepteken of vraagteken als hoofdletter geschreven. Dit geldt ook
14
Geldt voor Aziatische talen.
voor de eerste letter in het tekstveld. In tekstvelden die bestemd zijn voor namen of
adressen begint automatisch elk woord met
een hoofdletter. In tekstvelden waar wachtwoorden, webadressen of e-mailadressen
moeten worden ingevuld, worden alle letters
juist klein, tenzij anderszins actief met de
knop wordt ingesteld.
Bij eenmaal indrukken van de bevestigingsknop
boven het toetsenbord (niet zichtbaar op de
afbeelding) bevestigt u de ingevoerde tekst. De
knop ziet er verschillend uit, al naar gelang de
context.
Varianten van een letter of een teken
Cijferinvoer. Het toetsenbord (2) laat dan cijfers zien. Druk op
, dat in de cijferstand
verschijnt in plaats van
, om terug te
keren naar het toetsenbord met letters, of op
om het toetsenbord met speciale
tekens te zien.
Wijzigt de taal voor de tekstinvoer, bijvoorbeeld EN. Tekens die kunnen worden ingevoerd alsook suggesties voor woorden (1)
veranderen al naar gelang de gekozen taal.
Om op het toetsenbord van taal te kunnen
wisselen, moeten de talen eerst onder Instellingen worden toegevoegd.
Spatie.
Maakt tekstinvoer ongedaan. Bij kort indrukken verwijdert u één teken tegelijk. Houd de
knop ingedrukt om meerdere tekens in sneller tempo te verwijderen.
U kunt varianten van een letter of teken invoeren,
bijv. é of è, door op de letter of het teken te blijven tikken. Er verschijnt een venster met mogelijke varianten van de letter/het teken. Tik op de
gewenste variant. Als u geen van de varianten
selecteert, wordt het oorspronkelijk gekozen letter of teken ingevoerd.
Vervangt de toetsenbordstand om in plaats
daarvan handmatig letters en tekens in te
voeren.
}}
123
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
124
Gerelateerde informatie
•
Taal wijzigen voor toetsenbord van middendisplay (p. 125)
•
Handmatig tekens, letters of woorden invoeren op middendisplay (p. 125)
•
•
Middendisplay hanteren (p. 107)
Berichtfuncties (p. 527)
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Taal wijzigen voor toetsenbord van
middendisplay
Op het toetsenbord wisselen tussen
verschillende talen
Om op het toetsenbord tussen de verschillende
talen te kunnen wisselen, moeten de talen eerst
onder Instellingen worden toegevoegd.
Wanneer u in Instellingen verschillende talen hebt geselecteerd, gebruikt u knop op het
toetsenbord om te wisselen
tussen de talen.
Taal toevoegen of verwijderen in
instellingen
Het toetsenbord is automatisch ingesteld op
dezelfde taal als de systeemtaal. De taal voor het
toetsenbord kan handmatig worden aangepast
zonder dat dit gevolgen heeft voor de systeemtaal.
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
2.
Druk op Systeem Systeemtalen en eenheden Toetsenbordindelingen.
3.
Kies een of meer talen in de lijst.
> Nu kunt u direct op het toetsenbord schakelen tussen de geselecteerde talen om
tekst in te voeren.
Als u onder Instellingen niet actief een taal hebt
gekozen, hanteert het toetsenbord dezelfde taal
als de systeemtaal van de auto.
Om de taal op het toetsenbord te wijzigen met
weergave van de lijst:
1.
Druk lang op de knop.
> Er verschijnt een lijst.
2.
Kies de gewenste taal. Als er onder
Instellingen meer dan vier talen zijn geselecteerd, is het mogelijk om op het toetsenbord door de lijst te bladeren.
> Het toetsenbord wordt aangepast aan de
gekozen taal en er worden andere suggesties voor woorden gegeven.
Handmatig tekens, letters of
woorden invoeren op middendisplay
Het toetsenbord van het middendisplay biedt u
de mogelijkheid om tekens, letters en woorden
in te voeren door ze met de hand op het scherm
te "tekenen".
Tik op de desbetreffende knop
van het toetsenbord om te wisselen tussen het invoeren met
behulp van het toetsenbord en
het handmatig tekenen van letters en tekens.
Om de taal op het toetsenbord te wijzigen zonder
weergave van de lijst:
–
Druk de knop kortstondig in.
> Het toetsenbord wordt aangepast aan de
volgende taal in de lijst, maar zonder de
lijst zelf te tonen.
Gerelateerde informatie
•
•
Systeemtaal wijzigen (p. 128)
Ruimte om tekens/letters/woorden/woorddelen te tekenen.
Tekstveld waar suggesties voor tekens of
woorden15 verschijnen naargelang u deze op
het scherm (1) tekent.
Toetsenbord op middendisplay (p. 121)
}}
125
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Suggesties voor tekens/letters/woorden/
woorddelen. U kunt bladeren in de lijst.
||
Spatie. U kunt ook een spatie invoeren door
een verbindingsstreepje (-) te tekenen in het
tekstveld voor handgeschreven letters (1).
Zie de onderstaande rubriek "Spatie invoeren in het vrije veld bij handgeschreven
tekst".
Tekstinvoer ongedaan maken. Kort indrukken
om één teken/letter per keer te verwijderen.
Wacht even voordat u opnieuw drukt om het
volgende teken of de volgende letter te verwijderen et cetera.
Teruggaan naar het toetsenbord met
gewone tekeninvoer.
Geluid bij invoer in-/uitschakelen.
Toetsenbord verbergen. Als dat niet mogelijk
is, verschijnt de knop niet.
Taal voor tekstinvoer wijzigen.
15
16
126
Tekens/letters/woorden handmatig invoeren
1. Schrijf een teken, een letter, een woord of
delen van een woord in de ruimte voor handgeschreven letters (1). Schrijf de letters of
delen van het woord over elkaar heen of achter elkaar op één lijn.
> Er verschijnt een aantal suggesties voor
tekens, letters of woorden (3). Het meest
waarschijnlijke staat bovenaan in de lijst.
Tekens/letters verwijderen/wijzigen die
handmatig zijn ingevoerd
BELANGRIJK
Raak het scherm niet met scherpe voorwerpen aan om krassen te voorkomen.
2.
Voer het teken/de letter/het woord in door
heel even te wachten.
> Het teken/de letter/het woord boven aan
de lijst wordt ingevoerd. U kunt ook een
ander teken kiezen dat wat er boven aan
de lijst verschijnt. Druk op het teken, de
letter of het woord dat u zoekt in de lijst.
Geldt voor bepaalde systeemtalen.
Veeg bij een Arabisch toetsenbord in tegengestelde richting. Wanneer u van rechts naar links veegt, voegt u een spatie in.
Wis de tekens in het tekstveld (2) door over het veld
voor handgeschreven tekst (1) te vegen.
–
Om tekens/letters te wijzigen zijn er meerdere alternatieven:
•
Druk in de lijst (3) op de letter die of het
woord dat u eigenlijk bedoelde.
•
Druk op de knop voor het ongedaan
maken van tekstinvoer (5) om de letter te
verwijderen en begin opnieuw.
•
Veeg horizontaal van rechts naar links16
over de ruimte voor handgeschreven letters (1). Verwijder meerdere letters door
meerdere keren over de ruimte te vegen.
•
Eenmaal drukken op het kruisje in het
tekstveld (2) neemt alle ingevoerde tekst
weg.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Van regel wisselen in het vrije veld met
handgeschreven tekst
Opzet van middendisplay
aanpassen
U kunt de opzet van het middendisplay aanpassen door een thema te kiezen.
Wissel handmatig van regel door bovenstaand teken in
te tekenen in het veld voor handgeschreven tekst17.
Spatie invoeren in het vrije veld bij
handgeschreven tekst
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm.
2.
Tik op My Car
3.
Kies vervolgens een thema, bijv.
Minimalistic of Chrome Rings.
Displays
Toon skins.
Als aanvulling hierop is het mogelijk om te kiezen
tussen Normaal en Helder. Bij Normaal is de
achtergrond op het scherm donker en zijn de teksten licht. Dit is de standaardinstelling voor alle
thema's. Desgewenst kan een lichte variant worden gekozen, waarbij de opzet zo wordt gewijzigd
dat de achtergrond licht wordt en de teksten
donker. Deze instelling is bijv. handig bij fel daglicht.
De mogelijkheden zijn altijd beschikbaar voor de
gebruiker en zijn niet afhankelijk van de verlichting eromheen.
Volume van systeemgeluid
uitschakelen of aanpassen op
middendisplay
Het volume van het systeemgeluid is op het middendisplay te wijzigen of uit te schakelen.
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm op
het middendisplay.
2.
Druk op Geluid
3.
Verschuif de bediening onder
Aanraakgeluiden om het geluid voor het
aantikken van het scherm te wijzigen/uit te
zetten. Schuif de bediening naar het gewenste geluidsniveau.
Systeemvolumes.
Gerelateerde informatie
•
•
Overzicht van het middendisplay (p. 104)
•
Audio-instellingen (p. 494)
Instellingen wijzigingen op het hoofdscherm
van het middendisplay (p. 128)
Gerelateerde informatie
Voer een spatie in door van links naar rechts een
streepje te tekenen18.
•
Instellingen wijzigingen op het hoofdscherm
van het middendisplay (p. 128)
Gerelateerde informatie
•
Middendisplay activeren en deactiveren
(p. 110)
•
Middendisplay reinigen (p. 638)
•
17
18
Toetsenbord op middendisplay (p. 121)
Voor Arabisch toetsenbord - schrijf hetzelfde teken, maar dan gespiegeld.
Schrijf bij een Arabisch toetsenbord hetzelfde teken, maar dan van rechts naar links.
127
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Systeemeenheden wijzigen
Systeemtaal wijzigen
Instellingen voor de eenheden verricht u in het
menu Instellingen van het middendisplay.
Instellingen voor de taal verricht u in het menu
Instellingen van het middendisplay.
1.
Tik op Instellingen in het hoofdscherm op
het middendisplay.
2.
Ga verder naar Systeem Systeemtalen
en -eenheden Meeteenheden.
3.
Kies een standaardeenheid:
• Metr. – kilometer, liter en graden Celsius.
• Imper. – miles, gallons en graden Celsius.
• VS – miles, gallons en graden Fahrenheit.
> De eenheden op het bestuurdersdisplay,
het middendisplay en het head-updisplay
worden gewijzigd.
Gerelateerde informatie
•
•
Overzicht van het middendisplay (p. 104)
•
Systeemtaal wijzigen (p. 128)
Via het middendisplay kunt u instellingen en
informatie wijzigen voor tal van autofuncties.
N.B.
Wanneer u de taal in het middendisplay verandert, kan dat betekenen dat bepaalde informatie voor de eigenaar niet overeenkomt met
landelijke of plaatselijke wet- en regelgeving.
Stel geen taal in die u niet begrijpt, omdat het
dan lastig wordt om te navigeren in de menustructuur op het scherm.
1.
Tik op Instellingen in het hoofdscherm op
het middendisplay.
2.
Ga verder naar Systeem
en -eenheden.
3.
Kies Systeemtaal. Talen met ondersteuning
van stembediening hebben een stembedieningssymbool.
> De taal op het bestuurdersdisplay, het
middendisplay en het head-updisplay
wordt gewijzigd.
Instellingen wijzigingen op het hoofdscherm
van het middendisplay (p. 128)
1.
Open het hoofdscherm door op het tabblad
bovenaan te klikken of door van boven naar
beneden over het scherm te slepen/vegen.
2.
Tik op Instellingen om het instellingsmenu
te openen.
Systeemtalen
Gerelateerde informatie
128
Instellingen wijzigingen op het
hoofdscherm van het
middendisplay
•
•
Overzicht van het middendisplay (p. 104)
•
Systeemeenheden wijzigen (p. 128)
Instellingen wijzigingen op het hoofdscherm
van het middendisplay (p. 128)
Het hoofdscherm met de knop voor Instellingen.
3.
Tik op een van de categorieën en subcategorieën om naar de gewenste instelling te
bladeren.
4.
Wijzig een of meer instellingen. De manier
van wijzigen hangt van het type instelling af.
> De wijzigingen worden onmiddellijk opgeslagen.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Contextuele instellingen openen op
het middendisplay
1.
Open het hoofdscherm wanneer een app uitgevouwen is, bijv. Navigatie.
Via de contextuele instellingen zijn rechtstreeks
vanuit het topscherm op het middendisplay
instellingen te wijzigen voor de meeste standaardapps van de auto.
2.
Tik op Navigatie Instellingen.
> Er wordt een pagina voor navigatie-instellingen geopend.
3.
Wijzig de instellingen naar wens en bevestig
uw keuze(s).
Tik op Sluiten of op de fysieke homeknop op het
middendisplay om het instellingsscherm te sluiten.
De meeste basisapps van de auto bieden deze
contextuele instelmogelijkheid, maar niet allemaal.
Een subcategorie in het instellingsscherm met verschillende soorten instellingen, heeft een meerkeuzeknop en
keuzerondjes.
Gerelateerde informatie
•
•
Overzicht van het middendisplay (p. 104)
•
Tabel met instellingen op middendisplay
(p. 131)
Instellingen resetten op middendisplay
(p. 130)
Apps van derden
Hoofdscherm met de knop voor contextuele instellingen.
Contextuele instellingen zijn snelkoppelingen
naar specifieke instellingen die verband houden
met de op het scherm getoonde actieve functie.
De standaardapps van de auto, zoals FM-radio
en USB, maken deel uit van Sensus en behoren
tot de geïntegreerde autofuncties. De instellingen
voor deze apps zijn rechtstreeks te wijzigen via de
contextuele instellingen in het hoofdscherm.
Wanneer contextuele instellingen beschikbaar
zijn:
Apps van derden zoals Volvo-id zijn bij aflevering
van de auto niet voorgeïnstalleerd en moeten
naderhand worden gedownload. Bij dergelijke
apps van derden verricht u eventuele instellingen
altijd in de desbetreffende apps en niet vanuit het
hoofdscherm.
Gerelateerde informatie
•
Instellingen wijzigingen op het hoofdscherm
van het middendisplay (p. 128)
•
•
Overzicht van het middendisplay (p. 104)
•
Apps downloaden (p. 497)
Instellingen resetten op middendisplay
(p. 130)
129
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Gebruikersgegevens resetten bij
doorverkoop
Instellingen resetten op
middendisplay
Bij doorverkoop moeten gebruikersgegevens en
systeeminstellingen worden gereset naar de
fabrieksinstellingen.
U kunt de fabrieksinstellingen herstellen voor alle
instellingen die zijn verricht in het instellingsmenu van het middendisplay.
De instellingen van de auto kunnen op verschillende niveaus gereset worden. Reset bij doorverkoop alle gebruikersgegevens en herstel de
fabrieksinstellingen voor de systeeminstellingen.
Bij verkoop van de auto is het ook belangrijk om
de doorverkoop te registreren in Volvo On Call*
te wijzigen.
Twee soorten resets
Gerelateerde informatie
•
Instellingen resetten op middendisplay
(p. 130)
•
Instellingen resetten in bestuurdersprofielen
(p. 136)
4.
Er zijn twee soorten resets voor de instellingen in
het instellingsmenu:
• Fabrieksreset - wist alle gegevens en
bestanden en herstelt de standaardwaarden
voor alle instellingen.
• Persoonlijke instellingen resetten - wist
persoonlijke gegevens en herstelt de standaardwaarden voor alle persoonlijke instellingen.
Druk op OK om de reset te bevestigen.
Voor de optie Persoonlijke instellingen
resetten wordt de reset bevestigd door op
Resetten voor het actieve profiel of
Resetten voor alle profielen te drukken.
> De geselecteerde instellingen worden
gereset.
Gerelateerde informatie
•
•
Overzicht van het middendisplay (p. 104)
•
Tabel met instellingen op middendisplay
(p. 131)
Instellingen wijzigingen op het hoofdscherm
van het middendisplay (p. 128)
Instellingen resetten
Doe het volgende om de instellingen te resetten.
N.B.
Fabrieksreset is alleen mogelijk, wanneer de
auto stilstaat.
130
1.
Tik op Instellingen in het hoofdscherm op
het middendisplay.
2.
Ga verder naar Systeem
3.
Kies het gewenste type reset.
> Er verschijnt een pop-upvenster.
Fabrieksreset.
* Optie/accessoire.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Tabel met instellingen op
middendisplay
Subcategorie
Subcategorie
Het instellingsmenu van het middendisplay heeft
een aantal hoofdcategorieën en subcategorieën
waarin instellingen en informatie voor tal van
functies van de auto zijn verzameld.
Spiegels en Comfort
TV*
Vergrendeling
Video
Er zijn zeven hoofdcategorieën: My Car, Geluid,
Navigatie, Media, Communicatie, Klimaat en
Systeem.
Elke categorie omvat op zijn beurt een aantal
subcategorieën en instelmogelijkheden. In de
onderstaande tabellen wordt het eerste niveau
van subcategorieën weergegeven. De instelmogelijkheden voor een functie of terrein worden
uitvoeriger beschreven in de desbetreffende artikelen van de gebruikershandleiding.
Sommige instellingen zijn persoonlijk, wat inhoudt
dat ze opgeslagen kunnen worden voor een
Bestuurdersprofielen. Andere zijn algemeen
zijn, wat betekent dat ze niet zijn gekoppeld aan
een bestuurdersprofiel.
My Car
Subcategorie
Parkeerrem en vering
Ruitenwisser voorruit
Audio
Communicatie
Subcategorie
Telefoon
Subcategorie
Tekstberichten
Toon
Android Auto*
Balans
Apple CarPlay*
Systeemvolumes
Bluetooth-apparaten
Navigatie
Wi-Fi
Subcategorie
Wi-Fi hotspot auto
Kaart
Internet via automodem*
Route en begeleiding
Volvo On Call*
Verkeer
Volvo-servicenetwerken
Media
Displays
Subcategorie
IntelliSafe
AM/FM-radio
Rijvoorkeuren/Individuele rijmodus*
DAB*
Lampen en verlichting
Gracenote®
Klimaatregeling
De hoofdcategorie Klimaat heeft geen subcategorieën.
}}
* Optie/accessoire. 131
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
Systeem
Subcategorie
Bestuurdersprofiel
Datum en tijd
Systeemtalen en -eenheden
Privacy en gegevens
Toetsenbordindelingen
Stembediening*
Fabrieksreset
Systeeminformatie
Gerelateerde informatie
132
•
•
Overzicht van het middendisplay (p. 104)
•
Instellingen resetten op middendisplay
(p. 130)
Instellingen wijzigingen op het hoofdscherm
van het middendisplay (p. 128)
Bestuurdersprofielen
Tal van auto-instellingen zijn naar wens aan te
passen en op te slaan in een of meer bestuurdersprofielen.
De persoonlijke instellingen worden automatisch
in het actieve bestuurdersprofiel opgeslagen.
Elke sleutel is te koppelen aan een bestuurdersprofiel. Bij gebruik van een sleutel waaraan een
bestuurdersprofiel is gekoppeld, wordt de auto
aangepast volgens de instellingen van dat specifieke bestuurdersprofiel.
Welke instellingen worden opgeslagen
in bestuurdersprofielen?
Veel auto-instellingen worden automatisch opgeslagen in het actieve bestuurdersprofiel op voorwaarde dat het niet vergrendeld is. De verrichte
auto-instellingen zijn hetzij persoonlijk, hetzij
algemeen. Het zijn de persoonlijke instellingen
die in bestuurdersprofielen worden opgeslagen.
Algemene instellingen
De algemene instellingen en de parameters wijzigen niet als het ene bestuurdersprofiel wordt verruild voor een ander. Ze blijven gelijk, ongeacht
welk bestuurdersprofiel actief is.
De instellingen van de toetsenbordindeling zijn
voorbeelden van algemene instellingen. Als u
bestuurdersprofiel X gebruikt om meer talen aan
het toetsenbord toe te voegen, blijven deze opgeslagen en kunt u ook bij gebruik van bestuurdersprofiel Y van taal wissen. De instellingen van de
toetsenbordindeling worden niet opgeslagen
onder een specifiek bestuurdersprofiel – deze
instellingen zijn algemeen.
Persoonlijke instellingen
Als bestuurdersprofiel X is gebruikt om bijvoorbeeld de lichtsterkte op het middendisplay in te
stellen, wordt bestuurdersprofiel Y niet door deze
instelling beïnvloed. Deze is opgeslagen voor
bestuurdersprofiel X – de instelling van de lichtsterkte is een persoonlijke instelling.
Instellingen die zijn op te slaan in een bestuurdersprofiel zijn onder meer schermweergaven,
spiegels, voorstoelen, navigatie*, audio- en
mediasysteem, taal en stembediening.
Gerelateerde informatie
Bepaalde instellingen, de zogenoemde algemene
instellingen, zijn te wijzigen, maar worden niet
opgeslagen in een specifiek bestuurdersprofiel.
Wijzigen van de algemene instellingen is van
invloed op alle profielen.
•
Transpondersleutel koppelen aan bestuurdersprofiel (p. 135)
•
Bestuurdersprofiel beveiligen (p. 134)
•
•
Bestuurdersprofiel kiezen (p. 133)
Naam van bestuurdersprofiel wijzigen
(p. 134)
* Optie/accessoire.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
•
•
Instellingen resetten in bestuurdersprofielen
(p. 136)
Tabel met instellingen op middendisplay
(p. 131)
Bestuurdersprofiel kiezen
Bij het inschakelen van het middendisplay verschijnt boven aan het display het gekozen
bestuurdersprofiel. Bij ontgrendeling van de auto
wordt automatisch het laatst gebruikte bestuurdersprofiel gekozen. Na ontgrendeling van de
auto kunt u een ander bestuurdersprofiel kiezen.
Als de transpondersleutel echter aan een ander
bestuurdersprofiel is gekoppeld, wordt bij het
starten het desbetreffende profiel gekozen.
2.
Tik op Profiel.
> Dezelfde lijst als die voor alternatief 1 verschijnt.
3.
Kies het gewenste bestuurdersprofiel.
4.
Tik op Bevestig.
> Het bestuurdersprofiel is gekozen, waarna
het systeem de instellingen van het
nieuwe bestuurdersprofiel laadt.
Alternatief 3:
U kunt op twee manieren van bestuurdersprofiel
veranderen.
1.
Sleep het hoofdscherm van het middendisplay open.
Alternatief 1:
2.
Tik op Instellingen in het hoofdscherm op
het middendisplay.
3.
Tik op Systeem Bestuurdersprofielen.
> Er verschijnt een lijst met de te kiezen
bestuurdersprofielen.
4.
Kies het gewenste bestuurdersprofiel.
5.
Tik op Bevestig.
> Het bestuurdersprofiel is gekozen, waarna
het systeem de instellingen van het
nieuwe bestuurdersprofiel laadt.
1.
Druk tijdens het inschakelen van het middendisplay op de naam van het bestuurdersprofiel dat boven aan het middendisplay staat.
> Er verschijnt een lijst met de te kiezen
bestuurdersprofielen.
2.
Kies het gewenste bestuurdersprofiel.
3.
Tik op Bevestig.
> Het bestuurdersprofiel is gekozen, waarna
het systeem de instellingen van het
nieuwe bestuurdersprofiel laadt.
Alternatief 2:
Gerelateerde informatie
1.
•
•
Sleep het hoofdscherm van het middendisplay open.
Bestuurdersprofielen (p. 132)
Navigeren in schermen op het middendisplay
(p. 110)
}}
133
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
•
•
Naam van bestuurdersprofiel wijzigen
(p. 134)
Naam van bestuurdersprofiel
wijzigen
Transpondersleutel koppelen aan bestuurdersprofiel (p. 135)
U kunt de verschillende bestuurdersprofielen die
in de auto worden gebruikt een andere naam
geven.
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm op
het middendisplay.
2.
Druk op Systeem
Bestuurdersprofielen.
3.
Kies Profiel bewerken.
> Er verschijnt een menu waarin het profiel
kan worden bewerkt.
4.
5.
Druk op het vakje Profielnaam.
> Er verschijnt een toetsenbord, waarna u
de naam kunt wijzigen. Druk op
om
het toetsenbord te sluiten.
Sla de naamswijziging op door te tikken op
Terug of Sluiten.
> De naam is daarmee gewijzigd.
N.B.
Een profielnaam kan niet beginnen met een
spatie, omdat de profielnaam dan niet wordt
opgeslagen.
Gerelateerde informatie
•
•
134
Bestuurdersprofiel kiezen (p. 133)
Toetsenbord op middendisplay (p. 121)
Bestuurdersprofiel beveiligen
In sommige gevallen wilt u liever niet dat de verschillende auto-instellingen worden opgeslagen
onder het actieve bestuurdersprofiel. Voor dergelijke gevallen kunt u het bestuurdersprofiel
beveiligen.
N.B.
Een bestuurdersprofiel is alleen te vergrendelen wanneer de auto stilstaat.
Om een bestuurdersprofiel te beveiligen:
1.
Tik op Instellingen in het hoofdscherm op
het middendisplay.
2.
Tik op Systeem
3.
Bestuurdersprofielen.
Kies Profiel bewerken.
> Er verschijnt een menu waarin het profiel
kan worden bewerkt.
4.
Kies Profiel beveiligen om het profiel te
beveiligen.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
5.
Sla de optie om het profiel te beveiligen op
door te tikken op Terug/Sluiten.
> Wanneer het profiel beveiligd is, worden
eventuele nieuwe auto-instellingen niet
automatisch opgeslagen in het profiel. U
moet de wijzigingen in plaats daarvan
handmatig opslaan onder Instellingen
Systeem Bestuurdersprofielen
Profiel bewerken door te tikken op
Huidige instellingen opslaan naar
profiel. Wanneer het profiel echter niet
beveiligd is, worden eventuele nieuwe
instellingen wel automatisch opgeslagen
in het profiel.
Gerelateerde informatie
•
Bestuurdersprofielen (p. 132)
Transpondersleutel koppelen aan
bestuurdersprofiel
U kunt uw sleutel koppelen aan een bestuurdersprofiel. Op die manier wordt telkens automatisch het bestuurdersprofiel met alle bijbehorende instellingen geselecteerd als de auto
wordt gebruikt met die specifieke transpondersleutel.
De eerste keer dat de transpondersleutel wordt
gebruikt, is deze nog niet gekoppeld aan een
specifiek bestuurdersprofiel. Bij het starten van
de auto wordt automatisch het profiel Gast
geactiveerd.
Het is mogelijk om handmatig een bestuurdersprofiel te kiezen zonder dit aan de sleutel te
koppelen. Bij ontgrendeling van de auto wordt
het laatst gehanteerde bestuurdersprofiel geactiveerd. Als de sleutel eenmaal gekoppeld is aan
een bestuurdersprofiel, hoeft u bij gebruik van
deze sleutel geen bestuurdersprofiel meer te kiezen.
Kies eerst het profiel dat u aan de sleutel wilt
koppelen, voor zover het te koppelen profiel niet
al actief is. Het actieve profiel is vervolgens aan
de sleutel te koppelen.
1.
Tik op Instellingen in het hoofdscherm op
het middendisplay.
2.
Tik op Systeem
3.
Markeer het gewenste profiel. Op het display
verschijnt het startscherm opnieuw. Het profiel Gast kan niet aan een sleutel worden
gekoppeld.
4.
Open het hoofdscherm weer en tik op
Instellingen Systeem
Bestuurdersprofielen Profiel
bewerken.
Bestuurdersprofielen.
Transpondersleutel koppelen aan een
bestuurdersprofiel
N.B.
Een transpondersleutel is alleen aan een
bestuurdersprofiel te koppelen wanneer de
auto stilstaat.
}}
135
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
5.
Kies Sleutel koppelen om het profiel aan
de sleutel te koppelen. Het is niet mogelijk
om een bestuurdersprofiel te koppelen aan
een andere sleutel dan de momenteel in de
auto gebruikte sleutel. Als er meerdere sleutels in de auto zijn, verschijnt de tekst Meer
dan één sleutel gevonden, pak de
sleutel die u met de back-uplezer wilt
verbinden.
Positie back-uplezer in de tunnelconsole.
> Als de tekst Profiel gekoppeld aan
sleutel verschijnt, zijn de sleutel en het
bestuurdersprofiel aan elkaar gekoppeld.
6.
136
Tik op OK.
> De huidige sleutel is daarmee gekoppeld
aan het bestuurdersprofiel en blijft gekoppeld zolang het hokje voor Sleutel
koppelen is aangevinkt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Bestuurdersprofielen (p. 132)
Naam van bestuurdersprofiel wijzigen
(p. 134)
een transpondersleutel (p. 244)
Instellingen resetten in
bestuurdersprofielen
Instellingen die zijn opgeslagen onder een of
meer bestuurdersprofielen zijn te herstellen, als
de auto stilstaat.
N.B.
Fabrieksreset is alleen mogelijk, wanneer de
auto stilstaat.
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm.
2.
Druk op Systeem Fabrieksreset
Persoonlijke instellingen resetten.
3.
Kies een van de opties Resetten voor het
actieve profiel, Resetten voor alle
profielen of Annuleren.
Gerelateerde informatie
•
•
Bestuurdersprofielen (p. 132)
Instellingen resetten op middendisplay
(p. 130)
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Melding op het middendisplay
Op het middendisplay kunnen in uiteenlopende
situaties meldingen verschijnen om u te informeren of helpen.
Pop-upmeldingen
In bepaalde gevallen verschijnen pop-upmeldingen. Pop-upmeldingen zijn belangrijker dan meldingen op de statusbalk en verdwijnen alleen na
bevestiging/actie.
Meldingen op middendisplay
hanteren
Meldingen op het middendisplay zijn te hanteren
via de schermen op het middendisplay.
Gerelateerde informatie
•
Meldingen op middendisplay hanteren
(p. 137)
•
Opgeslagen middendisplaymeldingen hanteren (p. 138)
•
Melding op bestuurdersdisplay (p. 100)
Voorbeeld van een melding op het hoofdscherm van het
middendisplay.
Voorbeeld van een melding op het hoofdscherm van het
middendisplay.
Op het middendisplay verschijnen meldingen die
voor u als bestuurder minder belangrijk zijn.
Bepaalde meldingen op het middendisplay hebben een knop (of meerdere knoppen in popupmeldingen) om bijvoorbeeld een functie te
activeren/deactiveren die aan de melding gekoppeld is.
De meeste meldingen verschijnen boven de statusbalk van het middendisplay. De meldingen verdwijnen na enige tijd automatisch of na eventuele
reactie uit de statusbalk. Als een melding moet
worden opgeslagen, wordt deze bewaard op het
hoofdscherm van het middendisplay.
De meldingen kunnen er verschillend uitzien en
worden mogelijk gecombineerd met grafische
voorstellingen, symbolen of een knop om bijvoorbeeld een systeem dat aan de melding is gekoppeld, te activeren/deactiveren.
}}
137
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
Nieuwe melding hanteren
Voor meldingen met knoppen:
–
Druk op de knop om de maatregel uit te voeren of laat de melding automatisch na een
poosje gesloten worden.
> De melding verdwijnt van de statusbalk.
Opgeslagen
middendisplaymeldingen hanteren
Meldingen die zijn opgeslagen vanuit het
bestuurders- en middendisplay worden in beide
gevallen gehanteerd in het middendisplay.
Sluit de melding door erop te drukken of doe
niets, waarna de melding enige tijd later
automatisch verdwijnt.
> De melding verdwijnt van de statusbalk.
–
Als een melding moet worden opgeslagen, wordt
deze bewaard op het hoofdscherm van het middendisplay.
•
Melding op het middendisplay (p. 137)
Opgeslagen middendisplaymeldingen hanteren (p. 138)
Melding op bestuurdersdisplay (p. 100)
Gerelateerde informatie
Voorbeeld van opgeslagen meldingen en beschikbare
opties in het hoofdscherm.
Meldingen die op het middendisplay zijn weergegeven en die opgeslagen moeten worden, worden bewaard in het hoofdscherm van het middendisplay.
Opgeslagen melding lezen
1. Open het hoofdscherm op het middendisplay.
> Er verschijnt een lijst met opgeslagen
meldingen. Meldingen met een pijl-rechts
kunnen worden uitgevouwen.
138
Druk op de knop om de maatregel uit te voeren.
Opgeslagen meldingen in het hoofdscherm worden automatisch gewist als de auto wordt uitgezet.
Gerelateerde informatie
•
•
Tik op een melding om deze uit te vouwen/
minimaliseren.
> Er verschijnt meer informatie over de melding in de lijst en de afbeelding links in de
app geeft informatie in grafische vorm
over de melding.
Een opgeslagen melding hanteren
Bepaalde meldingen hebben een knop om bijvoorbeeld een functie te activeren/deactiveren
die aan de melding is gekoppeld.
Voor meldingen zonder knoppen:
–
2.
•
•
•
Melding op het middendisplay (p. 137)
Meldingen op middendisplay hanteren
(p. 137)
Melding op bestuurdersdisplay (p. 100)
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Head-updisplay*
Het head-updisplay is een aanvulling op het
bestuurdersdisplay van de auto en projecteert
informatie van het bestuurdersdisplay op de
voorruit. Het geprojecteerde beeld is alleen vanuit de positie van de bestuurder zichtbaar.
N.B.
U kunt de informatie op het head-updisplay
mogelijk minder goed zien bij
•
•
gebruik van een polariserende zonnebril
•
voorwerpen op het dekglas van de displaymodule
•
ongunstige lichtomstandigheden,
een zithouding waarbij u niet goed in het
midden van de stoel zit
BELANGRIJK
Het head-updisplay projecteert waarschuwingen
en informatie met betrekking tot snelheid, cruisecontrolfuncties, navigatie en dergelijke binnen het
gezichtsveld van de bestuurder. Ook verkeersbordinformatie en gegevens over telefoonoproepen kunnen op het head-updisplay verschijnen.
De displaymodule die de informatie projecteert zit in het dashboard. Leg geen voorwerpen op het dekglas en zorg dat er evenmin
voorwerpen op kunnen vallen om schade aan
het dekglas van de displaymodule te voorkomen.
Voorbeelden van wat op het display kan verschijnen.
Snelheid
Cruisecontrol
Navigatie
Verkeersborden
Bepaalde symbolen kunnen korte tijd op het
head-updisplay verschijnen, zoals:
Licht het waarschuwingssymbool op –
lees de waarschuwingsmelding op het
bestuurdersdisplay.
Licht het informatiesymbool – lees de
melding op het bestuurdersdisplay.
}}
* Optie/accessoire. 139
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
Het sneeuwvloksymbool gaat branden
bij gevaar voor gladheid.
N.B.
Bij bepaalde afwijkingen in de lichtbreking
kan het gebruik van het head-updisplay aanleiding geven tot hoofdpijn en vermoeide
ogen.
Gerelateerde informatie
•
Head-updisplay* activeren en deactiveren
(p. 140)
•
•
Head-updisplay* reinigen (p. 639)
Head-updisplay* activeren en
deactiveren
Het head-updisplay is na het starten van de auto
te activeren en deactiveren.
Head-updisplay bij vervanging van de voorruit* (p. 613)
Tik op de knop Head-up
display op het functiescherm
van het middendisplay. Een
brandend lampje in de knop
geeft aan dat de functie geactiveerd is.
City Safety op head-updisplay
Gerelateerde informatie
Bij een botswaarschuwing wordt de informatie op
het head-updisplay vervangen door een waarschuwingssymbool voor City Safety. Deze grafische voorstelling verschijnt ook als het headupdisplay is uitgeschakeld
•
•
Instellingen voor head-updisplay* (p. 141)
Head-updisplay* (p. 139)
Het waarschuwingssymbool voor City Safety knippert om
uw aandacht te trekken bij een dreigende botsing.
140
* Optie/accessoire.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Instellingen voor head-updisplay*
Lichtsterkte en hoogte aanpassen
Pas de instellingen aan voor de weergave van
het head-updisplay op de voorruit.
Bevestigen
De instellingen zijn te verrichten wanneer de auto
is gestart en er een beeld op de binnenkant van
de voorruit wordt geprojecteerd.
Weergave-opties kiezen
1.
Kies welke functies op het head-updisplay moeten verschijnen.
Tik op de knop Head-up display afstellen
op het functiescherm van het middendisplay.
2.
Pas de lichtsterkte en hoogte van de geprojecteerde afbeelding in uw blikveld aan met
behulp van de rechter stuurknoppenset.
1.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm van
het middendisplay.
2.
Tik op My Car
up display.
3.
Kies een of meer functies:
•
•
•
•
Displays
Positie verlagen
De lichtsterkte van de grafische voorstellingen
wordt automatisch afgestemd op de heersende
lichtomstandigheden. De lichtsterkte van het
head-updisplay hangt tevens af van de gehanteerde lichtsterkte voor de overige displays in de
auto.
De hoogte is op te slaan in de geheugenfunctie
van de elektrisch bedienbare voorstoel* met
behulp van de knoppenset op het bestuurdersportier.
Opties head-
Toon navigatie
Toon Road Sign Information
Toon rijhulp
Toon telefoon
De instelling wordt als persoonlijke instelling
opgeslagen in het bestuurdersprofiel.
Lichtsterkte verlagen
Lichtsterkte verhogen
Positie verhogen
}}
* Optie/accessoire. 141
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
Horizontale stand kalibreren
Gerelateerde informatie
De horizontale stand van het head-updisplay
moet mogelijk gekalibreerd worden bij het vervangen van de voorruit of de displayeenheid. Kalibreren houdt in dat de geprojecteerde afbeelding
linksom of rechtsom wordt gedraaid.
•
•
1.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm van
het middendisplay.
2.
Kies My Car Displays Opties headup display Head-up display kalibreren.
3.
Kalibreer de horizontale stand van de afbeelding met de rechter stuurknoppenset.
•
•
Head-updisplay* (p. 139)
Head-updisplay* activeren en deactiveren
(p. 140)
Bestuurdersprofielen (p. 132)
Stand opslaan voor stoel, buitenspiegels en
head-updisplay* (p. 184)
Stembediening19
U kunt bepaalde functies van de mediaspeler,
een via Bluetooth aangesloten telefoon, de klimaatregeling en Volvo’s navigatiesysteem* met
stemcommando’s te bedienen.
Stemcommando's zorgen voor extra gebruiksgemak en voorkomen dat u wordt afgeleid, zodat u
zich concentreren richten op het rijden, op de
weg en op de verkeerssituatie.
WAARSCHUWING
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige manier
bestuurt en de geldende verkeersregels in
acht neemt.
Linksom draaien
Rechtsom draaien
Bevestigen
19
142
Microfoon van de stembediening
Geldt voor bepaalde markten.
* Optie/accessoire.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
De stembediening vindt plaats in de vorm van
een dialoog; de gebruiker zegt commando's en
krijgt een verbale reactie van het systeem. De
stembediening maakt gebruik van dezelfde
microfoon als apparaten die via Bluetooth zijn
verbonden en geeft antwoord via de luidsprekers
in de auto. In sommige gevallen verschijnt tevens
een tekstmelding op het bestuurdersdisplay. De
functies worden aangestuurd met de rechter
stuurknoppenset en instellingen doet u via het
middendisplay.
Systeemupdate
Het systeem voor stembediening wordt voortdurend verder verbeterd. Voor optimale functionaliteit kunt u op support.volvocars.com updates
downloaden.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
20
Stembediening gebruiken20
Druk op de stuurknop voor
stembediening
om de
werking te activeren en een
dialoog met stemcommando's
te starten.
Stembediening radio en media (p. 145)
Stembediening klimaat (p. 202)
Instellingen voor stembediening (p. 146)
Geldt voor bepaalde markten.
Voorbeelden van stembediening
Aandachtspunten:
•
Spreek met een normale stem in een normaal tempo.
•
Wacht met spreken, totdat het systeem klaar
is met antwoorden (zolang het systeem antwoordt, werkt de stembediening namelijk
niet).
•
Vermijd achtergrondgeluiden in het interieur
door portieren, ruiten en panoramadak* dicht
te houden.
Stembediening gebruiken (p. 143)
Stembediening telefoon (p. 144)
U kunt de stembediening als volgt beëindigen:
•
•
druk kort op
Om het volume van de systeemreacties te wijzigen kunt u tijdens de stemsynthese aan de volumeknop draaien. Tijdens de stembediening kunt
u gebruikmaken van andere knoppen. Alle andere
vormen van geluidsweergave worden tijdens de
systeemdialoog onderdrukt, zodat u geen functies kunt bedienen die te maken hebben met de
geluidsweergave.
en zeg "Annuleer".
Tik op
, zeg "Bel [Voornaam]
[Achternaam] [nummercategorie]" – het
gekozen contact uit het telefoonboek bellen. Als
er meerdere telefoonnummers (zoals thuis,
mobiel, werk) voor het contact bestaan, moet u
ook de juiste categorie noemen.
Tik dus op
Mobiel".
en zeg "Bel Robyn Smith
Commando's/zinnen
De volgende commando's zijn meestal te gebruiken, ongeacht situatie:
druk lang op de stuurknop voor stembedietotdat u twee pieptonen hoort.
ning
•
"Herhaal" – de laatst gegeven steminstructie van de actieve dialoog herhalen.
Om de commandodialoog te verkorten en systeemvragen over te slaan voordat het volgende
commando wordt aangegeven, kunt u wanneer
het systeem spreekt de stuurknop voor stembediening
indrukken.
•
•
"Annuleer" – de dialoog annuleren.
"Help" – een hulpdialoog starten. Het systeem antwoordt met commando's die in de
actuele situatie gebruikt kunnen worden, een
vraag of een voorbeeld.
}}
* Optie/accessoire. 143
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
Commando's voor specifieke functies, zoals de
telefoon en de radio, staan beschreven in de desbetreffende artikelen.
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm.
Stembediening telefoon21
2.
Tik op Systeem
instellingen.
Bel naar een contact, laat berichten voorlezen of
dicteer korte berichten met de stemcommando's
voor een telefoon met Bluetooth-aansluiting.
Cijfers
Geef de cijfercommando's aan, afhankelijk van
welke functie moet worden aangestuurd:
•
•
•
Telefoonnummers en postcodes moet u
apart en cijfer voor cijfer zeggen, bijvoorbeeld
nul drie een twee twee vier vier drie
(03122443).
Huisnummers kunt u apart of in een groep
zeggen, bijvoorbeeld twee twee of tweeëntwintig (22). Bij Engels en Nederlands kunt u
meerdere groepen achter elkaar zeggen, bijvoorbeeld tweeëntwintig tweeëntwintig (22
22). Bij Engels kunt u ook dubbel of drievoudig gebruiken, bijvoorbeeld dubbel nul (00).
U kunt nummers aangeven binnen het interval 0–2300.
Frequenties kunt u als volgt zeggen: achtennegentig komma acht (98,8) en honderdenvier komma twee (104,2).
Snelheid en herhalingsstand
De spreeksnelheid is aan te passen, als het systeem te snel spreekt.
U kunt de herhalingsstand inschakelen om het
systeem het commando te laten herhalen dat u
hebt gegeven.
Om de snelheid aan te passen of de herhalingsstand te activeren/deactiveren:
144
Stembediening en kies
• Stemcommando herhalen
• Spreeksnelheid
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Stembediening (p. 142)
Stembediening telefoon (p. 144)
Stembediening radio en media (p. 145)
Stembediening klimaat (p. 202)
Instellingen voor stembediening (p. 146)
Om een contactpersoon in het telefoonboek aan
te geven moet het stemcommando contactgegevens bevatten die in het telefoonboek staan. Als
er voor een contactpersoon, bijvoorbeeld Robyn
Smith, meerdere telefoonnummers in het telefoonboek staan, kunt u ook de nummercategorie
aangeven, bijvoorbeeld Thuis of Mobiel: "Bel
Robyn Smith Mobiel".
Druk op
mando's:
en zeg een van de volgende com-
•
"Bel [contact]" – hiermee belt u de gekozen contactpersoon uit het telefoonboek.
•
"Bel [telefoonnummer]" – hiermee belt u
een telefoonnummer.
•
"Recente gesprekken" – hiermee geeft u
de gesprekslijst weer.
•
"Lees bericht" – hiermee laat u een bericht
voorlezen. Als er meerdere berichten zijn –
geef aan welk bericht moet worden voorgelezen.
•
"Bericht aan [contact]" – de gebruiker
wordt gevraagd om een kort bericht hardop
te zeggen. Vervolgens wordt het bericht
voorgelezen en kan de bestuurder ervoor kiezen om het bericht te versturen22 of het
bericht opnieuw aan te maken. Voor deze
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
functie moet de auto verbinding hebben met
internet.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
Stembediening (p. 142)
Stembediening gebruiken (p. 143)
Stembediening radio en media (p. 145)
Stembediening radio en media23
•
"Speel [artiest]" – muziek afspelen van
gekozen artiest.
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
"Speel [tracknaam]" – gekozen track
afspelen.
•
•
"Speel [tracknaam] van [album]" – gekozen track van gekozen album afspelen.
•
"Speel [Tv-zendernaam]" – gekozen tvzender*24 starten.
Hier volgen commando's voor stembediening
van radio en mediaspeler.
Druk op
mando's:
•
Stembediening klimaat (p. 202)
Instellingen voor stembediening (p. 146)
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 531)
•
•
•
21
22
23
24
en zeg een van de volgende com-
"Media" – start een dialoog voor media en
radio en geeft voorbeelden van commando's
weer.
"Speel [radiokanaal]" – gekozen radiokanaal starten.
"Stem af op [frequentie]" – gekozen radiofrequentie starten op actieve radioband. Als
op dat moment geen radiobron actief is,
wordt standaard de FM-band ingeschakeld.
"Radio" – FM-radio starten.
"FM Radio" – FM-radio starten.
"AM Radio" – AM-radio starten.
"DAB" – DAB-radio* starten.
"Tv" – tv*24-weergave starten.
"CD" – cd*-weergave starten.
"USB" – USB-weergave starten.
"iPod" – iPod-weergave starten.
"Bluetooth" – weergave vanaf een mediabron met Bluetooth-verbinding starten.
"Vergelijkbare muziek" – muziek op via de
USB-poort aangesloten eenheden spelen
die op de weergegeven muziek lijkt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Stembediening (p. 142)
Stembediening gebruiken (p. 143)
Stembediening telefoon (p. 144)
Stembediening klimaat (p. 202)
Instellingen voor stembediening (p. 146)
"Stem af op [frequentie]
[frequentieband]" – gekozen radiofrequentie starten op gekozen radioband.
Geldt voor bepaalde markten.
Alleen bepaalde telefoons kunnen berichten verzenden via de auto. Kijk voor de compatibiliteit op support.volvocars.com.
Geldt voor bepaalde markten.
Geldt voor bepaalde markten.
* Optie/accessoire. 145
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Instellingen voor stembediening25
Gerelateerde informatie
Hier kiest u de instellingen voor de stembediening.
•
•
•
•
•
•
•
Instellingen
Systeem
Stembediening
U kunt instellingen verrichten ten aanzien van het
volgende:
• Stemcommando herhalen
• Geslacht
• Spreeksnelheid
Audio-instellingen
Kies audio-instellingen onder:
Instellingen Geluid
Stembediening
Systeemvolumes
Taalinstellingen
Stembediening is niet voor alle talen mogelijk. De
beschikbare talen voor stembediening zijn in de
.
talenlijst aangegeven met een pictogram,
Een eventuele taalwijziging geldt ook voor de
menu-, display- en hulpteksten.
Instellingen Systeem Systeemtalen
en -eenheden Systeemtaal
25
146
Geldt voor bepaalde markten.
Stembediening (p. 142)
Stembediening gebruiken (p. 143)
Stembediening telefoon (p. 144)
Stembediening klimaat (p. 202)
Stembediening radio en media (p. 145)
Audio-instellingen (p. 494)
Systeemtaal wijzigen (p. 128)
VERLICHTING
VERLICHTING
Verlichtingsbediening
Met de verschillende knoppen op het bedieningspaneel voor de verlichting kunt u de buitenen binnenverlichting regelen. Met de linker stuurhendel kunt u de buitenverlichting inschakelen
en aanpassen. Met het duimwiel voor de verlichting op het instrumentenpaneel kunt u de sterkte
van de interieurverlichting aanpassen.
Buitenverlichting
Stand
Betekenis
Stand
Dagrijlicht.
Betekenis
Dagrijlicht en stadslichten voor/
achterlichten bij daglicht.
Grootlichtsignalering mogelijk.
Dimlicht en stadslichten voor/
achterlichten bij weinig daglicht of
donker of wanneer de mistlampen
voor* en/of het mistachterlicht
geactiveerd zijn.
Dagrijlicht en stadslichten voor/
achterlichten.
Stadslichten voor/achterlichten,
wanneer de auto geparkeerd staat.A
Het automatisch groot licht is te
activeren.
Grootlichtsignalering mogelijk.
Dimlicht en stadslichten voor/
achterlichten.
U kunt het groot licht inschakelen,
wanneer u het dimlicht voert.
Groot licht is te activeren.
Grootlichtsignalering mogelijk.
Grootlichtsignalering mogelijk.
Automatisch groot licht aan/uit.
A
Als u bij een ingeschakelde en stilstaande auto de draairing
vanuit een willekeurige andere stand naar de stand
draait, branden de stadslichten voor/achterlichten in plaats van
andere verlichting.
Draairing op linker stuurhendel.
Wanneer het elektrische systeem van de auto in
contactslotstand II staat, gelden de volgende
functies in de verschillende standen van de draairing:
148
Volvo adviseert om stand
te gebruiken als
er met de auto wordt gereden.
* Optie/accessoire.
VERLICHTING
WAARSCHUWING
Het verlichtingssysteem van de auto kan niet
in elke situatie bepalen of het daglicht te
zwak of sterk genoeg is, bijv. bij mist en regen.
Als bestuurder bent u verplicht om de verlichting van de auto altijd af te stemmen op de
heersende omstandigheden en de geldende
verkeerswetgeving.
Duimwielen op dashboard
•
•
•
•
•
•
•
•
Groot licht gebruiken (p. 152)
Dimlicht (p. 151)
Verlichtingsfuncties aanpassen via
het middendisplay
Actieve bochtverlichting* (p. 155)
Via het middendisplay zijn meerdere verlichtingsfuncties te activeren en aan te passen. Bijvoorbeeld het automatisch groot licht, de Follow Me
Home-verlichting en de Approach-verlichting.
Remlichten (p. 157)
1.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm van
het middendisplay.
2.
Tik op My Car
3.
Kies Autoverlichting of
Interieurverlichting gevolgd door de functie
die u wenst aan te passen.
Mistlampen voor/bochtverlichting* (p. 156)
Mistachterlicht (p. 156)
Noodremlichten (p. 157)
Alarmlichten (p. 158)
Lampen en verlichting.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Het duimwiel (links) voor het aanpassen van de lichtsterkte van de interieurverlichting.
Gerelateerde informatie
•
Verlichtingsfuncties aanpassen via het middendisplay (p. 149)
•
•
•
Interieurverlichting (p. 159)
Verlichtingsbediening (p. 148)
Automatisch groot licht (p. 153)
Follow Me Home-verlichting gebruiken
(p. 158)
•
•
•
Approach-verlichting (p. 159)
•
Functiescherm op het middendisplay
(p. 117)
Richtingaanwijzers gebruiken (p. 154)
Instellingen wijzigingen op het hoofdscherm
van het middendisplay (p. 128)
Stadslichten voor/achterlichten (p. 150)
Richtingaanwijzers gebruiken (p. 154)
* Optie/accessoire. 149
VERLICHTING
Lichtbundel van koplampen
aanpassen
De lichtbundel is aan te passen, wanneer u een
auto voor rechtsrijdend verkeer wilt gebruiken
voor linksrijdend verkeer en andersom. De functie past de lichtbundel van de koplampen aan
om verblinding van tegenliggers tegen te gaan.
1.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm van
het middendisplay.
2.
Tik op My Car Lampen en verlichting
Autoverlichting.
3.
Kies Tijdelijk rechtsrijdend verkeer/
Tijdelijk linksrijdend verkeer.
Stadslichten voor/achterlichten
De stadslichten voor/achterlichten zijn te gebruiken om zichtbaar te blijven voor medeweggebruikers als de auto stilstaat of geparkeerd staat.
Stadslichten voor/achterlichten zijn in te schakelen via de draairing van de stuurhendel.
Wanneer u meer dan 30 seconden op een snelheid van maximaal 10 km/h (zo'n 6 mph) rijdt of
als de rijsnelheid oploopt tot boven 10 km/h
(zo'n 6 mph), gaat de dagrijverlichting branden. U
dient dan over te schakelen op een andere stand
.
dan
N.B.
Actieve bochtverlichting is niet beschikbaar,
wanneer de lichtbundel tijdelijk is gewijzigd
van de stand voor linksrijdend verkeer in de
stand voor rechtsrijdend verkeer, of andersom.
Gerelateerde informatie
150
•
Instellingen wijzigingen op het hoofdscherm
van het middendisplay (p. 128)
•
Functiescherm op het middendisplay
(p. 117)
•
Actieve bochtverlichting* (p. 155)
Als u bij een ingeschakelde en stilstaande auto
de draairing vanuit een willekeurige andere stand
naar de stand voor de stadslichten voor/achterdraait, branden de stadslichten
lichten
voor/achterlichten in plaats van andere verlichting.
De draairing van de stuurhendel in de stand voor stadslichten voor/achterlichten.
Zet de draairing in stand
– de stadslichten
voor/achterlichten gaan branden (ook de kentekenverlichting wordt ingeschakeld).
Als het buiten donker is en de achterklep wordt
geopend, gaan de achterlichten branden (als ze
al niet zijn ingeschakeld) om het achteropkomende verkeer te waarschuwen. Dat gebeurt
altijd, ongeacht de stand van de draairing of de
contactslotstand van het elektrische systeem van
de auto.
Gerelateerde informatie
•
•
Verlichtingsbediening (p. 148)
Contactslotstanden (p. 422)
Als het elektrische systeem van de auto in contactslotstand II staat, brandt het dagrijlicht in
plaats van de stadslichten vóór. Wanneer de
draairing in deze stand staat, branden de stadslichten voor en de achterlichten ongeacht de
contactslotstand van het elektrische systeem van
de auto.
* Optie/accessoire.
VERLICHTING
Dagrijlicht
De auto heeft sensoren die de lichtomstandigheden rondom registreren. Wanneer de draairing
,
of
van de stuurhendel in stand
staat terwijl het elektrische systeem van
de auto in contactslotstand II staat, brandt het
dagrijlicht. In de stand
schakelen de
koplampen automatisch over op het dimlicht bij
weinig daglicht of in het donker.
plaats, als u de mistlampen voor */mistachterlichten activeert.
WAARSCHUWING
Dit is een stroombesparingsfunctie die niet in
alle gevallen kan bepalen wanneer de omgevingsverlichting voldoende of onvoldoende is
bij mist en regen bijvoorbeeld.
Dimlicht
Tijdens ritten met de draairing van de stuurhenwordt het dimlicht automadel in stand
tisch geactiveerd bij een zwakke verlichting overdag of in het donker, wanneer het elektrische
systeem van de auto in contactslotstand II staat.
Als bestuurder bent u verplicht om de verlichting van de auto altijd af te stemmen op de
heersende omstandigheden en de geldende
verkeerswetgeving.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Verlichtingsbediening (p. 148)
Contactslotstanden (p. 422)
Dimlicht (p. 151)
De draairing van de stuurhendel in stand AUTO.
De draairing van de stuurhendel in stand AUTO.
Wanneer de draairing van de stuurhendel in
staat, brandt het dagrijlicht (DRL1)
stand
wanneer de auto overdag rijdt. De auto schakelt
automatisch over van dagrijlicht op dimlicht bij
een zwakke verlichting overdag of in het donker.
Overschakeling op dimlicht vindt ook automatisch
1
Daytime Running Lights
Met de draairing op de stuurhendel in stand
wordt het dimlicht ook automatisch geactiveerd in de volgende gevallen:
•
•
•
u activeert de mistlampen voor*
u activeert het mistachterlicht
u activeert de mistlampen voor en het mistachterlicht
Met de draairing van de stuurhendel in stand
brandt altijd het dimlicht, wanneer het
}}
* Optie/accessoire. 151
VERLICHTING
||
elektrische systeem van de auto in contactslotstand II staat.
Tunneldetectie
De auto detecteert dat hij een tunnel inrijdt en
schakelt dan over van dagrijlicht op dimlicht.
Let erop dat de tunneldetectie alleen werkt, als
de linker stuurhendel in stand
gedraaid is.
Groot licht gebruiken
Het groot licht is te bedienen met de linker
stuurhendel. Het groot licht is de felste verlichtingsfunctie op de auto en dient tijdens ritten in
het donker te worden gebruikt om het zicht te
verbeteren, zolang u tegenliggers niet verblindt.
Verlichtingsbediening (p. 148)
Contactslotstanden (p. 422)
Dagrijlicht (p. 151)
Stuurhendel met draairing.
Grootlichtsignalen
Haal de stuurhendel naar achteren, naar de
stand voor grootlichtsignalen. Het groot licht
brandt totdat u de hendel loslaat.
Groot licht
Het groot licht is te activeren met de draai2 of
ring van de stuurhendel in stand
. Activeer het groot licht door de stuurhendel naar voren te duwen. U kunt de func2
152
Wanneer het dimlicht brandt.
Wanneer het groot licht ontstoken is, brandt het
op het bestuurdersdisplay.
symbool
Gerelateerde informatie
•
•
Gerelateerde informatie
•
•
•
tie deactiveren door de stuurhendel naar
achteren te halen.
Verlichtingsbediening (p. 148)
Automatisch groot licht (p. 153)
VERLICHTING
Automatisch groot licht
Automatisch groot licht activeren
Automatisch groot licht is een systeem dat met
een camerasensor boven aan de voorruit de
koplampen van tegenliggers of de achterlichten
van voorliggers registreert en automatisch overschakelt van groot licht naar dimlicht.
Het automatisch groot licht is te activeren en
deactiveren door de draairing op de rechter
te draaien. De
stuurhendel naar de stand
draairing veert automatisch terug naar de stand
. Wanneer automatisch groot licht geactiveerd is, licht het symbool
op het bestuurdersdisplay wit op. Wanneer het groot licht ontstoken is, brandt het symbool blauw.
Deactiveren van automatisch groot licht wanneer
het groot licht aanstaat, leidt ertoe dat er direct
wordt overgeschakeld op dimlicht.
Adaptief vermogen
Het symbool
staat voor automatisch groot licht.
Het systeem kan starten bij ritten in het donker,
wanneer de auto een rijsnelheid heeft van zo'n
20 km/h (12 mph) of hoger. Het systeem kan
ook rekening houden met de straatverlichting.
Wanneer de camerasensor niet langer de verlichting van een tegenligger of voorligger registreert,
wordt na enkele seconden het groot licht weer
ingeschakeld.
3
4
Lichtdiode (Light Emitting Diode)
Afhankelijk van het uitrustingsniveau van de auto.
Bij auto's met led3-koplampen* heeft het automatisch groot licht een adaptief vermogen4. In
tegenstelling tot wat er gebeurt bij de standaarddimfunctie blijft dat deel van de lichtbundel dat
naast tegen- of voorliggers valt op grootlichtsterkte branden – alleen dat deel van de lichtbundel dat rechtstreeks op de tegenliggers/voorliggers gericht is, wordt gedimd.
Adaptief vermogen: Dimlicht recht vooruit in de richting
van tegenliggers, maar groot licht aan weerszijden van
de tegenliggers.
Bij gedeeltelijk groot licht, dat wil zeggen zodra
de lichtbundel iets sterker brandt dan het geval is
op het
bij dimlicht, brandt het symbool
bestuurdersdisplay blauw.
Beperkingen van het automatisch groot
licht
De camerasensor waar de functie gebruik van
maakt kent beperkingen.
}}
* Optie/accessoire. 153
VERLICHTING
||
Als dit symbool samen met de melding
Actief grootlicht Tijdelijk niet
beschikbaar op het bestuurdersdisplay verschijnt, moet u handmatig overschakelen tussen groot licht en dimlicht. Het
dooft, wanneer deze melding versymbool
schijnt.
•
Beperkingen van de gecombineerde camera
en radarsensor (p. 343)
Richtingaanwijzers gebruiken
De richtingaanwijzers van de auto zijn te bedienen met de linker stuurhendel. De richtingaanwijzers knipperen driemaal of blijven knipperen,
afhankelijk van hoe ver u de hendel omhoog of
omlaag beweegt.
Hetzelfde geldt als dit symbool samen
met de melding Voorruitsensor
Sensor afgedekt, zie handleiding
verschijnt.
Automatisch groot licht is mogelijk tijdelijk niet
beschikbaar, zoals in dichte mist of bij zware
regenval. Wanneer automatisch groot licht weer
beschikbaar is of als de voorruitsensoren niet
langer geblokkeerd zijn, verdwijnt de melding en
branden.
gaat het symbool
WAARSCHUWING
Actief groot licht is een systeem dat u helpt
om in ongunstige omstandigheden de optimale verlichting te kiezen.
Als bestuurder bent u echter altijd verplicht
om handmatig te wisselen tussen groot licht
en dimlicht, als dat gezien de verkeerssituatie
en/of weersgesteldheid vereist is.
Gerelateerde informatie
•
•
154
Verlichtingsbediening (p. 148)
Groot licht gebruiken (p. 152)
Richtingaanwijzer.
Korte serie knippersignalen
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag naar
de eerste stand en laat de hendel vervolgens
los. De richtingaanwijzers lichten driemaal op.
Als u de functie via het middendisplay deactiveert, lichten de lampen eenmaal op.
VERLICHTING
•
•
N.B.
Actieve bochtverlichting*
Deze reeks automatische knipperingen is
te onderbreken door de stuurhendel
onmiddellijk in tegengestelde richting te
bewegen.
Actieve bochtverlichting is ontworpen om in
bochten en op kruisingen voor maximale verlichting te zorgen. Een auto met led5-koplampen*
kan afhankelijk van het uitrustingsniveau van de
auto zijn uitgerust met actieve bochtverlichting.
Als het richtingaanwijzersymbool op het
bestuurdersdisplay sneller knippert dan
normaal – zie de melding op het bestuurdersdisplay.
De functie is alleen actief bij een zwakke verlichting overdag of in het donker en alleen, wanneer
de auto rijdt of het dimlicht is ontstoken.
Functie deactiveren/activeren
U kunt de functie die bij aflevering vanuit de
fabriek geactiveerd is via het functiescherm op
het middendisplay deactiveren/activeren:
Druk op de knop Actieve
bochtverlichting.
Onafgebroken serie knippersignalen
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag naar
de eindstand.
De hendel blijft in deze stand staan en is handmatig in de uitgangspositie terug te zetten of
veert automatisch terug bij het terugdraaien van
het stuurwiel.
Gerelateerde informatie
•
•
Alarmlichten (p. 158)
Verlichtingsfuncties aanpassen via het middendisplay (p. 149)
Gerelateerde informatie
Lichtbundel bij gedeactiveerde (links) en geactiveerde
(rechts) functie.
•
Verlichtingsfuncties aanpassen via het middendisplay (p. 149)
•
Mistlampen voor/bochtverlichting* (p. 156)
De actieve bochtverlichting volgt de stuurbewegingen om voor een optimale verlichting in bochten en op kruisingen te zorgen en kan op die
manier mogelijk uw zicht verbeteren.
De functie wordt automatisch ingeschakeld bij
het starten van de motor. Wanneer de functie
een storing vertoont, brandt het symbool
op het middendisplay en verschijnt op hetzelfde
middendisplay een verklarende tekst.
5
Lichtdiode (Light Emitting Diode)
* Optie/accessoire. 155
VERLICHTING
Mistlampen voor/bochtverlichting*
N.B.
De mistlampen voor branden feller dan de dimlichten, zodat ze extra effectief zijn bij mist.
De voorschriften voor het gebruik van een
mistlicht verschillen per land.
Bochtverlichting*
Mistachterlicht
Omdat het mistachterlicht veel feller brandt dan
de standaardachterlichten, moet u de verlichtingsfunctie alleen gebruiken bij een beperkt
zicht door mist, sneeuw, rook of stof zodat achterliggers uw auto tijdig kunnen waarnemen.
De mistlampen zijn mogelijk voorzien van de
functie bochtverlichting, zodat de lampen bij een
scherpe bocht tijdelijk met het stuurwiel meedraaien of in de richting die de richtingaanwijzers
aangeven.
Knop voor mistlampen voorzijde.
De mistlampen zijn in te schakelen, wanneer het
elektrische systeem van de auto in contactslotstand II staat en de draairing van de stuurhendel
in stand
,
of
staat.
Tik op de knop om te activeren en deactiveren.
brandt op het bestuurdersHet symbool
display wanneer de mistlampen voor zijn ingeschakeld.
De mistlampen voor doven automatisch, wanneer
u de auto uitschakelt of wanneer u de draairing
draait.
op de stuurhendel naar stand
156
De functie wordt geactiveerd bij een zwakke verlichting overdag of in het donker, wanneer de
of
draairing van de stuurhendel in stand
staat en de auto een rijsnelheid heeft
lager dan zo'n 30 km/h (20 mph).
Ook tijdens het achteruitrijden gaat de bochtverlichting branden bij wijze van aanvulling op de
achteruitrijlichten.
U kunt de functie die bij aflevering vanuit de
fabriek geactiveerd is via het middendisplay activeren en deactiveren.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Verlichtingsbediening (p. 148)
Knop voor mistachterlicht.
Het mistachterlicht bestaat uit een lamp achter
op de auto, aan de bestuurderszijde.
Het mistachterlicht is alleen in te schakelen in de
volgende gevallen:
•
contactslotstand II is actief en de draairing
van de stuurhendel staat in stand
of
•
de draairing op de stuurhendel staat in stand
en de mistlampen voor branden.
Contactslotstanden (p. 422)
Mistachterlicht (p. 156)
Actieve bochtverlichting* (p. 155)
Verlichtingsfuncties aanpassen via het middendisplay (p. 149)
* Optie/accessoire.
VERLICHTING
Druk op de knop om het mistachterlicht in/uit te
brandt op het
schakelen. Het symbool
bestuurdersdisplay, wanneer het mistachterlicht
brandt.
Het mistachterlicht dooft automatisch in de volgende gevallen:
•
u schakelt de auto uit of u draait de draairing
op de stuurhendel naar stand
•
de draairing op de stuurhendel staat in stand
en de mistlampen zijn gedoofd.
N.B.
De voorschriften voor het gebruik van een
mistachterlicht verschillen per land.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Verlichtingsbediening (p. 148)
Mistlampen voor/bochtverlichting* (p. 156)
Contactslotstanden (p. 422)
Remlichten
Noodremlichten
De remlichten gaan automatisch branden, wanneer u remt.
De noodremlichten worden geactiveerd om achterliggers erop te attenderen dat u krachtig remt.
De remlichten gaan branden wanneer het rempedaal wordt ingedrukt en wanneer de auto automatisch wordt geremd door een rijhulpsysteem.
Daarbij knipperen de remlichten in plaats van dat
ze continu branden, zoals bij normaal remmen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Noodremlichten (p. 157)
Remsystemen (p. 425)
Rijhulpsystemen (p. 290)
De noodremlichten worden geactiveerd bij krachtig remmen of als het ABS-systeem wordt geactiveerd bij hoge snelheden.
Nadat u afremt tot een geringe snelheid en het
rempedaal loslaat, gaat het remlicht weer op de
normale wijze constant branden
Tegelijkertijd worden de alarmlichten van de auto
geactiveerd. Deze blijven knipperen totdat de
bestuurder weer versnelt naar een hogere snelheid of de alarmlichten van de auto uitschakelt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Remlichten (p. 157)
Rempedaal (p. 426)
Alarmlichten (p. 158)
* Optie/accessoire. 157
VERLICHTING
Alarmlichten
De alarmlichten waarschuwen medeweggebruikers doordat alle richtingaanwijzers gelijktijdig
knipperen. De functie is te gebruiken om te
waarschuwen voor gevaarlijke verkeerssituaties.
N.B.
De regels voor het gebruik van alarmlichten
kunnen per land variëren.
Gerelateerde informatie
•
•
Noodremlichten (p. 157)
Richtingaanwijzers gebruiken (p. 154)
Follow Me Home-verlichting
gebruiken
Het is mogelijk om een deel van de buitenverlichting enige tijd ingeschakeld te houden en als
Follow Me Home-verlichting dienst te laten doen
na vergrendeling van de auto.
Om de functie in te schakelen:
1.
Zet de auto uit.
2.
Duw de linker stuurhendel naar voren richting het dashboard en laat los.
3.
Stap uit de auto en vergrendel het portier.
Bij activering van de functie gaan een symbool
op het bestuurdersdisplay, de stadslichten voor/
achterlichten, de buitengreepverlichting* en de
kentekenplaatverlichting branden.
Knop voor alarmlichten.
Druk op de knop om de alarmlichten te activeren.
De alarmlichten worden automatisch geactiveerd
als er zo sterk met de auto wordt geremd dat de
noodremlichten worden geactiveerd en de snelheid laag is. Nadat de noodremlichten zijn opgehouden met knipperen, gaan de alarmlichten
knipperen en de alarmlichten worden automatisch gedeactiveerd, wanneer u weer wegrijdt of
de desbetreffende knop indrukt.
158
De duur van de Follow Me Home-verlichting kan
worden ingesteld via het middendisplay.
Gerelateerde informatie
•
Verlichtingsfuncties aanpassen via het middendisplay (p. 149)
•
Approach-verlichting (p. 159)
* Optie/accessoire.
VERLICHTING
Approach-verlichting
Interieurverlichting
De Approach-verlichting wordt geactiveerd als
de auto wordt ontgrendeld en wordt gebruikt om
de verlichting van de auto op afstand in te schakelen.
Het interieur is uitgerust met diverse soorten verlichtingsfuncties voor een betere rijbeleving. Zo
is voorzien in leeslampjes, dashboardkastverlichting en grondverlichting.
De functie wordt geactiveerd wanneer u de transpondersleutel gebruikt voor ontgrendeling. In dat
geval branden de stadslichten voor/achterlichten,
de verlichting in de buitengrepen*, de plafondverlichting en de vloerverlichting alsook de verlichting in de kofferbak/bagageruimte. Als binnen de
activeringstijd een portier wordt geopend, wordt
de inschakelduur van de buitengreepverlichting*
en de interieurverlichting verlengd.
Alle verlichting in het interieur is handmatig in en
uit te schakelen binnen 5 minuten nadat:
•
de auto is afgezet en het elektrische systeem in contactslotstand 0 staat
•
de auto ontgrendeld is zonder dat deze is
gestart.
Plafondverlichting voorin
Automatische bediening voor interieurverlichting
Leeslampje rechterzijde
Leeslampjes
De leeslampjes links of rechts doet u aan of uit
door kort op de bijbehorende knop op de plafondconsole te drukken. De lichtsterkte is aan te
passen door de knop ingedrukt te houden.
Interieurverlichting
De vloerverlichting en plafondverlichting zijn in en
uit te schakelen door de bijbehorende knop op
de plafondconsole kort in te drukken.
De functie is te activeren en deactiveren via het
middendisplay.
Gerelateerde informatie
•
Verlichtingsfuncties aanpassen via het middendisplay (p. 149)
•
Follow Me Home-verlichting gebruiken
(p. 158)
•
een transpondersleutel (p. 244)
Knoppen op plafondconsole voor bediening leeslampjes
en interieurverlichting voorin.
Leeslampje linkerzijde
Interieurverlichting
}}
* Optie/accessoire. 159
VERLICHTING
||
Verlichting dashboardkastje
Automatische bediening voor
interieurverlichting
De automatische verlichting is te activeren door
de AUTO-knop op de plafondconsole kort in te
drukken. Met de automatische verlichting geactiveerd brandt het led-lampje in de knop en de
interieurverlichting gaat branden en dooft zoals
hieronder vermeld.
De verlichting in het dashboardkastje wordt inen uitgeschakeld bij het openen en sluiten van
de klep van het kastje.
Spiegelverlichting zonneklep*
De verlichting van de spiegel in de zonneklep
wordt bij het openen en sluiten van het spiegelklepje in- en uitgeschakeld.
De interieurverlichting gaat branden, wanneer:
•
•
•
•
Grondverlichting*
de auto wordt ontgrendeld
de auto wordt afgezet
een zijportier wordt geopend
Leeslampjes boven de achterbank.
blijft 2 minuten branden, als een van de portieren openstaat.
Dorpelverlichting
De dorpelverlichting wordt in- of uitgeschakeld bij
het openen of sluiten van een portier.
De interieurverlichting dooft, wanneer:
•
•
•
de auto wordt vergrendeld
Bagageruimteverlichting
de auto wordt gestart
De bagageruimteverlichting wordt bij het openen
en sluiten van de achterklep automatisch in- of
uitgeschakeld.
een zijportier wordt gesloten.
Plafondverlichting achterin
Sierverlichting
In het achterste deel van de auto zitten leeslampjes, die ook als interieurverlichting dienen.
Een auto met panoramadak* is voorzien van twee lampjes: aan beide zijden van het plafond één.
De leeslampjes zijn in en uit te schakelen met
een korte druk op de knop van het lampje. De
lichtsterkte is aan te passen door de knop ingedrukt te houden.
160
De grondverlichting wordt in- of uitgeschakeld bij
het openen of sluiten van het desbetreffende
portier.
De omringende sierverlichting gaat branden bij
het openen van de portieren en dooft bij het vergrendelen van de auto. De sterkte van de sierverlichting is aan te passen op het middendisplay en
tevens fijn af te stemmen met het duimwiel op
het instrumentenpaneel.
* Optie/accessoire.
VERLICHTING
Sfeerverlichting*
Interieurverlichting aanpassen
De auto is uitgerust met led-verlichting waarvan
de kleur te wijzigen is. Deze verlichting brandt,
wanneer de auto is ingeschakeld. De sterkte van
de sfeerverlichting is aan te passen op het middendisplay en tevens fijn af te stellen met het
duimwiel op het dashboard.
Afhankelijk van de contactslotstand gaat de interieurverlichting op een bepaalde manier branden. De verlichting in het interieur is aan te passen met een duimwiel op het dashboard en
bepaalde verlichtingsfuncties zijn ook via het
middendisplay aan te passen.
Verlichting in portiervakken
Met het duimwiel op het instrumentenpaneel links van het
stuurwiel regelt u de sterkte
van de displayverlichting, de
verlichting van de bedieningselementen, de omringende
sierverlichting en de sfeerver-
De verlichting in de opbergvakken van portieren
gaat branden bij het openen van de portieren en
dooft bij het vergrendelen van de auto. De lichtsterkte is fijn af te stellen met behulp van het
duimwiel op het dashboard.
Verlichting in voorste bekerhouder van
tunnelconsole
De verlichting van de bekerhouder voorin gaat
branden bij ontgrendeling van de auto en dooft
bij vergrendeling. De lichtsterkte is fijn af te stellen met behulp van het duimwiel op het dashboard.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Interieurverlichting aanpassen (p. 161)
Verlichtingsbediening (p. 148)
Contactslotstanden (p. 422)
Auto-interieur (p. 584)
lichting*.
Omringende sierverlichting aanpassen
1.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm van
het middendisplay.
2.
Tik op My Car Lampen en verlichting
Interieurverlichting.
3.
Kies uit de volgende instellingen:
•
Kies onder Intensiteit omgevingslicht
uit Uit, Laag en Hoog.
•
Kies onder Niveau omgevingslicht uit
Verm. en Vol.
Deze verlichting brandt, wanneer de auto is ingeschakeld.
Verlichtingssterkte wijzigen
1. Tik op Instellingen op het hoofdscherm van
het middendisplay.
2.
Tik op My Car Lampen en verlichting
Interieurverlichting
Stemmingsverlichting interieur.
3.
Kies onder Intensiteit sfeerverlichting uit
Uit, Laag en Hoog.
Verlichtingskleur wijzigen
1. Tik op Instellingen op het hoofdscherm van
het middendisplay.
2.
Tik op My Car Lampen en verlichting
Interieurverlichting
Stemmingsverlichting interieur.
3.
Kies uit Op temperatuur en Op kleur om
de kleur van de verlichting te wijzigen.
Bij de keuze Op temperatuur verandert de
verlichting afhankelijk van de ingestelde interieurtemperatuur.
Bij de keuze Op kleur kan de subcategorie
Themakleuren worden gebruikt voor verdere aanpassing.
Sfeerverlichting aanpassen*
De auto is uitgerust met een aantal leds waarmee de kleur van de verlichting te veranderen is.
}}
* Optie/accessoire. 161
VERLICHTING
||
Gerelateerde informatie
•
•
•
162
Interieurverlichting (p. 159)
Verlichtingsfuncties aanpassen via het middendisplay (p. 149)
Contactslotstanden (p. 422)
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
Ruiten, lampglazen en spiegels
•
In de auto zitten bedieningselementen voor ruiten, lampglazen en spiegels. Enkele ruiten van
de auto zijn verstevigd met gelaagd glas.
Voorruit- en koplampsproeiers gebruiken
(p. 177)
Inklembeveiliging op ruiten en
zonneschermen
•
Elektrische voorruitverwarming* activeren en
deactiveren (p. 221)
Gelaagd glas
•
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming activeren en deactiveren (p. 222)
Alle elektrisch bedienbare ruiten en zonneschermen* zijn voorzien van inklembeveiliging die
wordt geactiveerd als de ruiten of zonneschermen tijdens het openen of sluiten worden gehinderd.
De voorruit is voorzien van gelaagd glas en voor
bepaalde delen van de rest van de beglazing
vormt gelaagd glas een optie. Gelaagd glas is
verstevigd, voor een verbeterde inbraakbeveiliging
en geluidsisolatie van het interieur.
Ook het panoramadak* is voorzien van gelaagd
glas.
Dit symbool staat op beglazing bestaande uit gelaagd
glas1/>
Gerelateerde informatie
•
Inklembeveiliging op ruiten en zonneschermen (p. 164)
•
•
•
Panoramadak* (p. 170)
•
•
Head-updisplay* (p. 139)
1
164
Elektrisch bedienbare ruiten (p. 165)
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
(p. 167)
Bij blokkering komt de ruit/het zonnescherm tot
stilstand, waarna deze/dit wordt geopend tot op
zo'n 50 mm (2 inch) van de geblokkeerde stand
(of tot de maximale ventilatiestand).
Het is mogelijk om de inklembeveiliging op te
heffen, wanneer de sluitfunctie is afgebroken
zoals bij ijsvorming, door de knop in een bepaalde
stand te drukken en vast te houden.
Bij problemen met de inklembeveiliging kunt u
een resetprocedure proberen.
WAARSCHUWING
Als de startaccu losgekoppeld is geweest,
werkt de automatische openings-/sluitingsfunctie pas weer naar behoren nadat deze is
gereset. Resetten is nodig om de inklembeveiliging te laten werken.
Voorruitwissers gebruiken (p. 175)
Geldt niet voor de voorruit en het panoramadak*, die altijd van gelaagd glas zijn en daarom dit symbool niet hebben.
* Optie/accessoire.
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
Gerelateerde informatie
•
•
•
Resetprocedure voor de inklembeveiliging
(p. 165)
Elektrisch bedienbare ruiten (p. 166)
Panoramadak* (p. 170)
Resetprocedure voor de
inklembeveiliging
Als er problemen mochten ontstaan met de elektrische bedienbare ruiten kunt u een resetprocedure proberen.
Elektrisch bedienbare ruiten
De elektrisch bedienbare ruiten zijn te bedienen
via de bedieningspanelen op de desbetreffende
portieren. Het bestuurdersportier heeft bedieningsknoppen waarmee alle ruiten en ook de
kindersloten te bedienen zijn.
WAARSCHUWING
Als de startaccu losgekoppeld is geweest,
werkt de automatische openings-/sluitingsfunctie pas weer naar behoren nadat deze is
gereset. Resetten is nodig om de inklembeveiliging te laten werken.
Neem bij aanhoudende problemen of bij problemen met het panoramadak of schuif-/kanteldak
contact op met een werkplaats2.
Elektrisch bedienbare ruit resetten
1. Zorg dat de ruit dichtstaat.
2.
Druk de knop in de handmatige stand vervolgens 3 keer omhoog naar de stand voor sluiten.
> Het systeem wordt automatisch gereset.
Gerelateerde informatie
2
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
•
Inklembeveiliging op ruiten en zonneschermen (p. 164)
•
Elektrisch bedienbare ruiten (p. 166)
Bedieningspaneel op bestuurdersportier.
Elektrisch kinderslot* dat de bedieningsknoppen op de achterportieren deactiveert
om te voorkomen dat portieren en ruiten van
de binnenzijde te openen zijn.
Bedieningsknoppen voor achterste zijruiten.
Bedieningsknoppen voor voorste zijruiten.
De elektrisch bedienbare ruiten zijn voorzien van
een inklembeveiliging. Bij problemen met de
}}
* Optie/accessoire. 165
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
||
inklembeveiliging kunt u een resetprocedure proberen.
WAARSCHUWING
Kinderen, andere passagiers of voorwerpen
kunnen bekneld raken door bewegende
delen.
•
•
Let altijd op bij bediening van ruiten.
•
Laat kinderen nooit alleen achter in de
auto.
•
•
Laat kinderen niet met de bedieningselementen spelen.
Onderbreek altijd de stroom voor de ruitbediening door het elektrische systeem
van de auto in contactslotstand 0 te zetten en neem vervolgens de transpondersleutel mee uit de auto.
Steek geen voorwerpen of lichaamsdelen
via de ruiten naar buiten, ook al is het
elektrische systeem van de auto volledig
uitgeschakeld.
Elektrisch bedienbare ruiten
Via het bedieningspaneel op het bestuurdersportier zijn alle ruiten te bedienen – via het
bedieningspaneel op de overige portieren is
alleen de ruit in het desbetreffende portier te
bedienen.
De elektrisch bedienbare ruiten zijn voorzien van
een inklembeveiliging. Bij problemen met de
inklembeveiliging kunt u een resetprocedure proberen.
WAARSCHUWING
Kinderen, andere passagiers of voorwerpen
kunnen bekneld raken door bewegende
delen.
•
•
Let altijd op bij bediening van ruiten.
•
Laat kinderen nooit alleen achter in de
auto.
•
Onderbreek altijd de stroom voor de ruitbediening door het elektrische systeem
van de auto in contactslotstand 0 te zetten en neem vervolgens de transpondersleutel mee uit de auto.
•
Steek geen voorwerpen of lichaamsdelen
via de ruiten naar buiten, ook al is het
elektrische systeem van de auto volledig
uitgeschakeld.
Gerelateerde informatie
•
•
•
166
Elektrisch bedienbare ruiten (p. 166)
Inklembeveiliging op ruiten en zonneschermen (p. 164)
Resetprocedure voor de inklembeveiliging
(p. 165)
Laat kinderen niet met de bedieningselementen spelen.
Bedieningsknoppen elektrisch bedienbare ruiten.
Handmatige bediening. Trek voorzichtig een
van de bedieningsknoppen omhoog of duw
er een omlaag. De elektrisch bedienbare ruiten komen steeds verder omhoog of omlaag
zolang u de bedieningsknop bedient.
Automatische bediening. Trek een van de
bedieningsknoppen omhoog of duw er een
omlaag en laat deze vervolgens los. De desbetreffende zijruit gaat automatisch volledig
open of dicht.
Voor het gebruik van de elektrisch bedienbare
ruiten moet de contactslotstand I of II zijn. Bij uitschakeling van de auto zijn de elektrisch bedienbare ruiten nadat het contact is uitgeschakeld
nog enkele minuten te bedienen, maar niet nadat
een portier is geopend. Bediening is alleen
mogelijk via één knop tegelijk.
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
Bediening is tevens mogelijk met behulp van de
transpondersleutel of passieve opening* via de
portiergreep.
WAARSCHUWING
Let erop dat kinderen of andere inzittenden
niet bekneld raken, wanneer u alle ruiten
tegelijkertijd sluit via de transpondersleutel of
de functie passief openen* met de portiergreep.
N.B.
Gerelateerde informatie
•
•
Elektrisch bedienbare ruiten (p. 165)
Inklembeveiliging op ruiten en zonneschermen (p. 164)
•
Resetprocedure voor de inklembeveiliging
(p. 165)
•
Passief vergrendelen en ontgrendelen*
(p. 269)
•
Vergrendelen en ontgrendelen met transpondersleutel (p. 246)
Achteruitkijkspiegel en
buitenspiegels
De achteruitkijkspiegel en de buitenspiegels dienen om u een beter zicht naar achteren te
geven.
Achteruitkijkspiegel
De achteruitkijkspiegel is te verstellen door deze
handmatig in een bepaalde stand te kantelen. De
achteruitkijkspiegel is mogelijk uitgerust met
HomeLink*, autodimfunctie* en kompas*.
Buitenspiegels
Om het pulserende windgeluid te verminderen als de beide achterruiten open staan, kunt
u de voorste ruiten ook een stukje openen.
WAARSCHUWING
Beide spiegels zijn gebogen voor optimaal
zicht. Voorwerpen kunnen verder weg lijken
dan ze in werkelijkheid zijn.
N.B.
Bij snelheden hoger dan zo'n 180 km/h
(112 mph) zijn de zijruiten niet te openen,
maar wel te sluiten.
Als bestuurder bent u altijd gehouden aan de
geldende verkeersregels.
N.B.
De ruiten zijn bij lage temperaturen mogelijk
niet te bedienen.
Stel de stand van de buitenspiegels bij met het
hendeltje op het bedieningspaneel van het
bestuurdersportier. U beschikt tevens over meerdere automatische instellingen die te koppelen
zijn aan de geheugenfunctie van de elektrisch
bedienbare bestuurdersstoel*.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
HomeLink®* (p. 486)
Kompas* (p. 490)
Dimfunctie van spiegels aanpassen (p. 168)
Buitenspiegels kantelen (p. 169)
}}
* Optie/accessoire. 167
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
•
•
Stand opslaan voor stoel, buitenspiegels en
head-updisplay* (p. 184)
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming activeren en deactiveren (p. 222)
Dimfunctie van spiegels aanpassen
Autodimfunctie*
Fel licht van achteren kan hinderlijke reflecties in
de spiegels veroorzaken en u verblinden. Activeer de dimstand, wanneer u de verlichting van
achterliggers als hinderlijk ervaart.
Als het licht dat van achteren in de spiegel valt te
fel is, worden de achteruitkijkspiegel en buitenspiegels automatisch gedimd. De autodimfunctie
is tijdens het rijden altijd actief, behalve bij
inschakeling van de achteruitversnelling.
Handmatige dimfunctie
De achteruitkijkspiegel is te dimmen met een
knopje aan de onderzijde van de spiegel.
N.B.
Bij aanpassing van het gevoeligheidsniveau
van de autodimfunctie is de wijziging pas na
enige tijd te merken.
De gevoeligheid van de dimfunctie is van invloed
op zowel de achteruitkijkspiegel als de buitenspiegels.
Om de gevoeligheid van de dimfunctie te wijzigen:
Hendeltje voor handmatige dimfunctie.
1.
Activeer de dimfunctie door het hendeltje
naar u toe te halen.
2.
Deactiveer de dimfunctie door het hendeltje
naar de voorruit toe te duwen.
Bij een spiegel met autodimfunctie ontbreekt het
hendeltje voor handmatig dimmen.
168
1.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm van
het middendisplay.
2.
Tik op My Car
3.
Kies onder Binnenspiegel automatisch
dimmen voor Normaal, Donker of Licht.
Spiegels en Comfort.
De achteruitkijkspiegel is voorzien van twee sensoren (één aan de voorkant en één aan de achterkant) die samenwerken om hinderlijke lichtinval te identificeren en te verhelpen. De sensor
aan de voorkant registreert omgevingslicht, terwijl
de sensor aan de achterkant de koplampen van
achterliggers registreert.
* Optie/accessoire.
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
De buitenspiegels zijn alleen uitgerust met autodimfunctie als ook de achteruitkijkspiegel is voorzien van iets dergelijks.
N.B.
Als de sensoren door bijvoorbeeld parkeervergunningen, transponders, zonnekleppen of
voorwerpen op de achterbank of in de bagageruimte dusdanig worden gehinderd dat er
geen licht op de sensoren valt, gelden er
beperkingen voor de autodimfunctie van de
achteruitkijkspiegel en buitenspiegels.
Buitenspiegels kantelen
Voor optimaal zicht naar achteren moet u de buitenspiegels verstellen. U beschikt over meerdere
automatische instellingen die tevens te koppelen
zijn aan de geheugenfunctie van de elektrisch
bedienbare bestuurdersstoel*.
Bedieningsknoppen voor
buitenspiegels gebruiken
•
•
Buitenspiegels kantelen (p. 169)
U kunt de stand afstellen met het hendeltje
in het midden.
3.
Druk opnieuw op knop L of R. Het lampje
mag niet langer branden.
Elektrisch inklapbare buitenspiegels*
U kunt de buitenspiegels inklappen bij het parkeren en als u op smalle wegen rijdt.
1.
Druk de knoppen L en R tegelijkertijd in.
2.
Laat ze na ongeveer 1 seconde los. De spiegels stoppen automatisch, als ze volledig zijn
ingeklapt.
Klap de spiegels uit door de knoppen L en R
tegelijkertijd in te drukken. De spiegels stoppen
automatisch, als ze volledig zijn uitgeklapt.
Gerelateerde informatie
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
(p. 167)
2.
In neutrale stand terugzetten
Bedieningsknoppen voor buitenspiegels.
Stel de stand van de buitenspiegels bij met het
hendeltje op het bedieningspaneel van het
bestuurdersportier. Het contact moet in de contactslot I of hoger staan.
1.
Druk op de knop L voor de buitenspiegel
links of op R voor de buitenspiegel rechts.
Het lampje in de knop brandt.
Spiegels die uit positie zijn geraakt door invloeden van buitenaf, moeten eerst elektrisch in de
neutrale stand worden teruggezet voordat het
elektrisch in- en uitklappen* weer naar behoren
werkt.
1.
Klap de spiegels in door de knoppen L en R
tegelijkertijd in te drukken.
2.
Klap ze weer uit door de knoppen L en R
tegelijkertijd in te drukken.
3.
Herhaal de bovenstaande procedure zo
nodig.
}}
* Optie/accessoire. 169
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
||
De spiegels staan daarmee weer in de neutrale
stand.
Kantelen bij
parkeren3
De buitenspiegels zijn omlaag te kantelen zodat
u bijvoorbeeld tijdens het parkeren de kant van
de weg kunt zien.
–
Schakel de achteruitversnelling in en druk op
de knop L of R.
Let erop dat u de knop mogelijk 2 keer moet
indrukken, als de kantelfunctie al was geactiveerd. Wanneer de buitenspiegel omlaaggekanteld is, knippert de knop. Wanneer u de auto uit
de achteruitversnelling haalt, keert de buitenspiegel zo'n 3 seconden later automatisch terug naar
de oorspronkelijke stand (die de spiegel na zo'n
8 seconden bereikt).
Automatisch kantelen bij parkeren3
Dankzij deze instelling kantelen de buitenspiegels automatisch omlaag bij inschakeling van de
achteruitversnelling. De omlaaggekantelde stand
is vooraf ingesteld en valt niet aan te passen. Het
is mogelijk om de buitenspiegel direct terug te
laten keren in de oorspronkelijke stand door 2
keer op de knop L of R te drukken.
1.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm van
het middendisplay.
2.
Tik op My Car
3 Alleen
170
3.
Kies onder Buitenspiegel kantelen bij
achteruit voor Uit, Bestuurder, Passagier
of Beide om te activeren/deactiveren en om
te kiezen welke buitenspiegel moet worden
gekanteld.
Automatische inklapfunctie bij
vergrendelen*
Het is mogelijk de buitenspiegels automatisch in
of uit te laten klappen bij het vergrendelen/
ontgrendelen van de auto vanaf de transpondersleutel.
1.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm van
het middendisplay.
2.
Tik op My Car
3.
Kies Spiegel inklappen bij vergrendelen
om te activeren/deactiveren.
Panoramadak*
Het panoramadak is verdeeld in twee glassegmenten. Het voorste kan aan de achterkant verticaal (ventilatiestand) of horizontaal (open stand)
worden geopend. Het achterste is een vast dakglas.
Het panoramadak is voorzien van een windscherm alsook een zonnescherm, dat gemaakt is
van geperforeerd textiel en onder het glazen dak
zit, voor extra bescherming tegen bijvoorbeeld
fel zonlicht.
Spiegels en Comfort.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
(p. 167)
Dimfunctie van spiegels aanpassen (p. 168)
Stand opslaan voor stoel, buitenspiegels en
head-updisplay* (p. 184)
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming activeren en deactiveren (p. 222)
Het panoramadak en het zonnescherm zijn te
bedienen met een bedieningsknop aan het plafond.
Spiegels en Comfort.
in combinatie met een elektrisch bedienbare stoel met geheugenknoppen*.
* Optie/accessoire.
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
Om het panoramadak en het zonnescherm te
kunnen bedienen moet het elektrische systeem
van de auto in contactslotstand I of II staan.
BELANGRIJK
•
Verwijder sneeuw en ijs van het panoramadak alvorens het te openen. Wees
voorzichtig om krassen op oppervlakken
of schade aan lijsten tegen te gaan.
•
Bedien het panoramadak niet, als het
vastgevroren is.
WAARSCHUWING
Kinderen, andere passagiers of voorwerpen
kunnen bekneld raken door bewegende
delen.
•
•
Let altijd op bij bediening van ruiten.
•
Laat kinderen nooit alleen achter in de
auto.
•
Onderbreek altijd de stroom voor de ruitbediening door het elektrische systeem
van de auto in contactslotstand 0 te zetten en neem vervolgens de transpondersleutel mee uit de auto.
•
Steek geen voorwerpen of lichaamsdelen
via de ruiten naar buiten, ook al is het
elektrische systeem van de auto volledig
uitgeschakeld.
•
•
Laat kinderen niet met de bedieningselementen spelen.
•
Passief vergrendelen en ontgrendelen*
(p. 269)
•
Vergrendelen en ontgrendelen met transpondersleutel (p. 246)
Windscherm
Bij het panoramadak hoort een windscherm dat
opgeklapt wordt bij een geopend panoramadak.
BELANGRIJK
Gerelateerde informatie
Open het panoramadak niet, wanneer
lastdragers zijn gemonteerd.
•
•
Leg geen zware voorwerpen boven op
het panoramadak.
•
Panoramadak* bedienen (p. 172)
Automatische sluiting van zonnescherm van
panoramadak* (p. 174)
Inklembeveiliging op ruiten en zonneschermen (p. 164)
* Optie/accessoire. 171
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
Panoramadak* bedienen
BELANGRIJK
Het panoramadak en het zonnescherm zijn te
bedienen met een bedieningsknop aan het plafond en zijn allebei voorzien van een inklembeveiliging.
•
Open het panoramadak niet, wanneer
lastdragers zijn gemonteerd.
•
Leg geen zware voorwerpen boven op
het panoramadak.
WAARSCHUWING
Kinderen, andere passagiers of voorwerpen
kunnen bekneld raken door bewegende
delen.
•
•
Let altijd op bij bediening van ruiten.
•
Laat kinderen nooit alleen achter in de
auto.
•
Onderbreek altijd de stroom voor de ruitbediening door het elektrische systeem
van de auto in contactslotstand 0 te zetten en neem vervolgens de transpondersleutel mee uit de auto.
•
4
172
Laat kinderen niet met de bedieningselementen spelen.
Steek geen voorwerpen of lichaamsdelen
via de ruiten naar buiten, ook al is het
elektrische systeem van de auto volledig
uitgeschakeld.
BELANGRIJK
•
Verwijder sneeuw en ijs van het panoramadak alvorens het te openen. Wees
voorzichtig om krassen op oppervlakken
of schade aan lijsten tegen te gaan.
•
Bedien het panoramadak niet, als het
vastgevroren is.
Om het panoramadak en het zonnescherm te
kunnen bedienen moet het elektrische systeem
van de auto in contactslotstand I of II staan.
Bediening is tevens mogelijk met behulp van de
transpondersleutel of passieve opening* via de
portiergreep.
WAARSCHUWING
Let erop dat kinderen of andere inzittenden
niet bekneld raken, wanneer u alle ruiten
tegelijkertijd sluit via de transpondersleutel of
de functie passief openen* met de portiergreep.
BELANGRIJK
Controleer of het panoramadak bij sluiten
goed vergrendelt.
Het dak komt tot stilstand, als u bij handmatige
bediening de bedieningsknop loslaat of als het
glas de comfortstand4 heeft bereikt of maximaal
geopend of gesloten is. De beweging van het
panoramadak en het zonnescherm wordt eveneens onderbroken, als u een tegengesteld commando geeft met de bedieningsknop aan het plafond.
Het panoramadak en het zonnescherm zijn ook
voorzien van een inklembeveiliging. Bij problemen
met de inklembeveiliging kunt u een resetprocedure proberen.
N.B.
Bij handmatige opening is het panoramadak
pas te openen, wanneer het zonnescherm
volledig geopend is. Bij de omgekeerde procedure moet het panoramadak eerst volledig
dichtstaan, voordat het zonnescherm helemaal kan worden gesloten.
N.B.
De ruiten zijn bij lage temperaturen mogelijk
niet te bedienen.
De comfortstand is een stand waarbij het dak zover geopend is dat rijwind- en resonantiegeluiden op een aangenaam laag niveau liggen.
* Optie/accessoire.
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
Openen en sluiten, ventilatiestand
Panoramadak volledig openen en
sluiten via bediening aan plafond
bedieningsknop nu echter vooruit/omlaag naar
de stand voor handmatig sluiten.
Volautomatische bediening
1. Zonnescherm helemaal openen – duw de
bedieningsknop naar achteren naar de stand
voor automatisch openen en laat de knop
weer los.
2.
Panoramadak openen tot in comfortstand –
duw de bedieningsknop een tweede maal
naar achteren naar de stand voor automatisch openen en laat de knop weer los.
3.
Panoramadak maximaal openen – duw de
bedieningsknop een derde maal naar achteren naar de stand voor automatisch openen en laat de knop weer los.
Ventilatiestand, achterkant verticaal opengekanteld.
Open het dak door de bedieningsknop eenmaal omhoog te duwen.
Sluit het dak door de bedieningsknop eenmaal omlaag te duwen.
Bij activering van de ventilatiestand wordt het
voorste glassegment aan de achterzijde opengekanteld. Als het zonnescherm helemaal dichtstaat
bij activering van de ventilatiestand, wordt het
automatisch zo'n 50 mm (2 inch) geopend.
Bediening, stand voor handmatige bediening
Bediening, stand voor automatische bediening
Handmatige bediening
1. Zonnescherm openen – duw de bedieningsknop achteruit naar de stand voor handmatig
openen.
2.
Het zonnescherm beweegt automatisch mee, als
u het panoramadak vanuit de ventilatiestand sluit.
3.
Panoramadak openen tot in comfortstand –
duw de bedieningsknop een tweede maal
naar achteren naar de stand voor handmatig
openen.
Panoramadak maximaal openen – duw de
bedieningsknop een derde maal naar achteren naar de stand voor handmatig openen.
Sluit het dak door de voorgaande procedure in
omgekeerde volgorde te doorlopen – duw de
Sluit het dak door de voorgaande procedure in
omgekeerde volgorde te doorlopen – duw de
bedieningsknop nu echter vooruit/omlaag naar
de stand voor automatisch sluiten.
Volautomatische bediening – snel openen of
sluiten
Het panoramadak en het zonnescherm zijn tegelijkertijd te openen of sluiten:
–
Openen – duw de bedieningsknop tweemaal
naar achteren naar de stand voor automatisch openen en laat de knop weer los.
–
Sluiten – duw de bedieningsknop tweemaal
naar voren/onderen naar de stand voor automatisch openen en laat de knop weer los.
}}
173
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
||
Gerelateerde informatie
•
•
Panoramadak* (p. 170)
Automatische sluiting van zonnescherm van
panoramadak* (p. 174)
•
Inklembeveiliging op ruiten en zonneschermen (p. 164)
•
Passief vergrendelen en ontgrendelen*
(p. 269)
•
Vergrendelen en ontgrendelen met transpondersleutel (p. 246)
Automatische sluiting van
zonnescherm van panoramadak*
•
Passief vergrendelen en ontgrendelen*
(p. 269)
Dankzij deze functie sluit het zonnescherm als
de auto bij warm weer geparkeerd staat automatisch 15 minuten na vergrendeling. Dit gebeurt
om de interieurtemperatuur te verlagen en de
autobekleding te beschermen tegen verkleuring
door de zon.
•
Vergrendelen en ontgrendelen met transpondersleutel (p. 246)
U kunt de functie die bij aflevering vanuit de
fabriek gedeactiveerd is via het middendisplay
activeren of deactiveren.
1.
2.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm van
het middendisplay.
Tik op My Car
Vergrendeling.
Kies Zonnescherm automatisch sluiten
om te activeren/deactiveren.
N.B.
Ook het zonnescherm sluit, wanneer alle ruiten worden gesloten via de transpondersleutel of bij passief openen* via de portiergreep.
Gerelateerde informatie
•
•
•
174
Panoramadak* (p. 170)
Panoramadak* bedienen (p. 172)
Inklembeveiliging op ruiten en zonneschermen (p. 164)
* Optie/accessoire.
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
Wisserbladen en sproeiervloeistof
Voorruitwissers gebruiken
Intervalstand
De wissers en de sproeiervloeistof dienen om
het zicht en de reikwijdte van de koplampen te
verbeteren.
De voorruitwissers reinigen de voorruit. Met de
rechter stuurhendel zijn verschillende instellingen voor de ruitenwissers mogelijk.
Met het duimwiel kunt u het aantal wisslagen per eenheid van tijd instellen wanneer u de intervalstand hebt geselecteerd.
Ononderbroken wissen
Het gebruik van sproeiervloeistof afkomstig uit
sproeikoppen in de wisserbladen en de verwarming* van de wisserbladen leveren een beter
zicht op.
Haal de hendel omhoog om de wissers
op normale snelheid te laten wissen.
Haal de hendel nog eens omhoog om de
wissers op hoge snelheid te laten wissen.
Wanneer er nog zo'n 1 liter (1 qt) sproeiervloeistof in het reservoir zit, verschijnt er een melding
op het display dat er sproeiervloeistof moet worden bijgevuld.
BELANGRIJK
Controleer voordat u de wissers activeert of
de wisserbladen niet zijn vastgevroren en of
eventuele sneeuw- en ijsresten op voor- en
achterruit zijn verwijderd.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Regensensor gebruiken (p. 176)
Voorruit- en koplampsproeiers gebruiken
(p. 177)
Automatische activering achterruitwisser bij
achteruitrijden (p. 179)
•
Geheugenfunctie van regensensor gebruiken
(p. 177)
•
•
•
•
•
•
Achterruitwisser en -sproeier (p. 178)
Vulopening voor sproeiervloeistof (p. 654)
Wisserbladen in servicestand (p. 653)
Wisserblad voorruit vervangen (p. 652)
Wisserbladen achterruit vervangen (p. 651)
Voorruitwissers gebruiken (p. 175)
Rechter stuurhendel.
Het duimwiel is te gebruiken om de gevoeligheid van de regensensor en de wissnelheid in te stellen.
BELANGRIJK
Gebruik voldoende sproeiervloeistof als de
wissers de voorruit schoonmaken. De voorruit
moet nat zijn als de ruitenwissers werken.
Enkele slag
Haal de hendel omlaag en laat deze weer
los om de wissers een enkele wisslag te
laten maken.
Voorruitwissers uitgeschakeld
Haal de hendel naar stand 0 om de voorruitwissers uit te schakelen.
Gerelateerde informatie
•
•
Regensensor gebruiken (p. 176)
Voorruit- en koplampsproeiers gebruiken
(p. 177)
•
Automatische activering achterruitwisser bij
achteruitrijden (p. 179)
•
Wisserbladen en sproeiervloeistof (p. 175)
}}
* Optie/accessoire. 175
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
•
•
•
•
•
•
Geheugenfunctie van regensensor gebruiken
(p. 177)
Achterruitwisser en -sproeier (p. 178)
Vulopening voor sproeiervloeistof (p. 654)
Wisserbladen in servicestand (p. 653)
Regensensor gebruiken
De regensensor registreert de hoeveelheid
regen op de voorruit en schakelt automatisch de
voorruitwissers in. De gevoeligheid van de
regensensor is af te stellen met het duimwiel op
de rechter stuurhendel.
Wisserblad voorruit vervangen (p. 652)
staan en de ruitenwisserhendel in stand 0 of die
voor een enkele wisslag.
Activeer de regensensor door op de regensensorknop
te drukken.
Haal de hendel omlaag om de wissers een extra
wisslag te laten maken.
Draai het duimwiel omhoog voor een grotere
gevoeligheid en omlaag voor een lagere gevoeligheid. De wissers maken een extra slag, als u
het duimwiel omhoogdraait.
Wisserbladen achterruit vervangen (p. 651)
Regensensor deactiveren
Deactiveer de regensensor met een druk op de
of haal de hendel
regensensorknop
omhoog voor een ander wisprogramma.
Rechter stuurhendel.
Regensensorknop
Duimwiel gevoeligheid regensensor/snelheid
ruitenwissers
Wanneer de regensensor actief is, verschijnt het
op het bestuurdersregensensorsymbool
display.
Regensensor activeren
Om de regensensor te kunnen activeren motor
de motor draaien of in contactslotstand I of II
176
De regensensor wordt automatisch gedeactiveerd, wanneer het elektrische systeem in contactslotstand 0 staat of wanneer de motor is
afgezet.
De regensensor wordt automatisch gedeactiveerd, wanneer u de wisserarmen in de servicestand zet. De regensensor wordt opnieuw geactiveerd, wanneer de wisserarmen niet meer in de
servicestand staan.
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
BELANGRIJK
In de wasstraat kunnen de ruitenwissers van
de voorruit starten en beschadigd raken.
Schakel de regensensor uit, terwijl de auto
rijdt of wanneer het elektrische systeem van
de auto in contactslotstand I of II staat. Het
symbool op het bestuurdersdisplay dooft.
Gerelateerde informatie
Geheugenfunctie van regensensor
gebruiken
Voorruit- en koplampsproeiers
gebruiken
De regensensor registreert de hoeveelheid
regen op de voorruit en schakelt automatisch de
voorruitwissers in.
De ruiten- en koplampsproeiers reinigen de
voorruit en de koplampen. Via de rechter stuurhendel zijn de voorruit- en koplampsproeiers te
starten.
Geheugenfunctie activeren/deactiveren
U kunt de geheugenfunctie voor de regensensor
activeren, zodat u iedere keer dat u de auto start
de regensensorknop niet hoeft in te drukken:
•
Voorruit- en koplampsproeiers gebruiken
(p. 177)
•
Automatische activering achterruitwisser bij
achteruitrijden (p. 179)
2.
Tik op My Car
Wisserbladen en sproeiervloeistof (p. 175)
3.
Geheugenfunctie van regensensor gebruiken
(p. 177)
Kies Geheugen regensensor om de
geheugenfunctie te activeren/deactiveren.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
•
Achterruitwisser en -sproeier (p. 178)
Vulopening voor sproeiervloeistof (p. 654)
1.
•
•
Wisserbladen in servicestand (p. 653)
Wisserblad voorruit vervangen (p. 652)
Wisserbladen achterruit vervangen (p. 651)
Voorruitwissers gebruiken (p. 175)
•
•
•
•
•
•
•
•
Ruiten- en koplampsproeiers starten
Tik op Instellingen op het hoofdscherm van
het middendisplay.
Ruitenwisser.
Regensensor gebruiken (p. 176)
Voorruit- en koplampsproeiers gebruiken
(p. 177)
Automatische activering achterruitwisser bij
achteruitrijden (p. 179)
Wisserbladen en sproeiervloeistof (p. 175)
Achterruitwisser en -sproeier (p. 178)
Sproeifunctie, rechter stuurhendel.
–
U activeert de voorruit- en koplampsproeiers
door de rechter stuurhendel naar het stuurwiel toe te trekken.
> Nadat u de hendel hebt losgelaten maken
de voorruitwissers nog enkele slagen.
Vulopening voor sproeiervloeistof (p. 654)
Wisserbladen in servicestand (p. 653)
Wisserblad voorruit vervangen (p. 652)
Wisserbladen achterruit vervangen (p. 651)
Voorruitwissers gebruiken (p. 175)
BELANGRIJK
Activeer de sproeiers niet bij bevriezing of bij
een leeg sproeiervloeistofreservoir, omdat de
pomp anders schade kan oplopen.
}}
177
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
||
Koplampsproeiers*
Achterruitwisser en -sproeier
Om vloeistof te besparen worden ingeschakelde
koplampen automatisch volgens bepaalde patronen gesproeid.
De achterruitwisser en -sproeiers reinigen de
achterruit. Via de rechter stuurhendel is de reiniging te starten en zijn instellingen te verrichten.
Gereduceerde sproeifunctie
Achterruitwisser en -sproeier activeren
Wanneer er nog zo'n 1 liter (1 qt) sproeiervloeistof in het reservoir zit en op het bestuurdersdisplay de melding Sproeiervloeistof Niveau
laag, bijvullen verschijnt in combinatie met het
, worden de koplampen niet langer
symbool
schoongesproeid. Dit omdat de sproeifunctie van
de voorruit en een goed zicht door de voorruit de
voorrang hebben. De koplampen worden alleen
schoongesproeid als het groot licht of dimlicht is
ingeschakeld.
•
•
•
•
•
•
•
•
178
Regensensor gebruiken (p. 176)
Automatische activering achterruitwisser bij
achteruitrijden (p. 179)
Duw de rechter stuurhendel naar voren om
de achterruit schoon te sproeien en te wissen.
Gerelateerde informatie
•
•
N.B.
De motor van de achterruitwisser is beveiligd
tegen oververhitting zodat deze wordt uitgeschakeld bij oververhitting. De achterruitwisser werkt weer na een bepaalde afkoelperiode.
Gerelateerde informatie
•
•
–
Regensensor gebruiken (p. 176)
Voorruit- en koplampsproeiers gebruiken
(p. 177)
•
Automatische activering achterruitwisser bij
achteruitrijden (p. 179)
•
Geheugenfunctie van regensensor gebruiken
(p. 177)
•
•
•
•
•
•
Wisserbladen en sproeiervloeistof (p. 175)
Vulopening voor sproeiervloeistof (p. 654)
Wisserbladen in servicestand (p. 653)
Wisserblad voorruit vervangen (p. 652)
Wisserbladen achterruit vervangen (p. 651)
Voorruitwissers gebruiken (p. 175)
Wisserbladen en sproeiervloeistof (p. 175)
Geheugenfunctie van regensensor gebruiken
(p. 177)
Achterruitwisser en -sproeier (p. 178)
Vulopening voor sproeiervloeistof (p. 654)
Wisserbladen in servicestand (p. 653)
Wisserblad voorruit vervangen (p. 652)
Wisserbladen achterruit vervangen (p. 651)
Voorruitwissers gebruiken (p. 175)
Selecteer
voor de intervalstand van de
achterruitwisser.
Selecteer
voor een continue wissnelheid van de achterruitwisser.
* Optie/accessoire.
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
Automatische activering
achterruitwisser bij achteruitrijden
•
•
Wisserbladen achterruit vervangen (p. 651)
Voorruitwissers gebruiken (p. 175)
Als u de achteruitversnelling inschakelt terwijl de
voorruitwissers actief zijn, zal de achterruitwisser
starten. Bij het inschakelen van een andere versnelling valt de ruitenwisser op de achterklep
stil.
1.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm van
het middendisplay.
2.
Tik op My Car
3.
Selecteer Automatisch wissen achter om
wissen bij achteruitrijden te activeren/deactiveren.
Ruitenwisser.
Als de ruitenwisser op de achterklep echter al op
continue snelheid werkt, vindt er geen wijziging
plaats.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
•
Regensensor gebruiken (p. 176)
Voorruit- en koplampsproeiers gebruiken
(p. 177)
Wisserbladen en sproeiervloeistof (p. 175)
Geheugenfunctie van regensensor gebruiken
(p. 177)
Achterruitwisser en -sproeier (p. 178)
Vulopening voor sproeiervloeistof (p. 654)
Wisserbladen in servicestand (p. 653)
Wisserblad voorruit vervangen (p. 652)
179
STOELEN EN STUURWIEL
STOELEN EN STUURWIEL
Handmatig bediende voorstoel
Zet de hele stoel hoger/lager door de handgreep omhoog/omlaag te bewegen.
Voor optimaal zitcomfort hebben de voorstoelen
verschillende instelmogelijkheden.
Pas de hellingshoek van de rugleuning aan
door aan de knop te draaien.
•
•
Lendensteun* voorstoel verstellen (p. 190)
Passagiersstoel verstellen vanaf bestuurdersstoel* (p. 191)
WAARSCHUWING
Stel de stand van de bestuurdersstoel in voordat u gaat rijden en nooit tijdens het rijden.
Controleer of de stoel vergrendeld staat om
letsel te voorkomen bij hard afremmen of een
aanrijding.
Gerelateerde informatie
•
•
Zet de voorkant van de zitting hoger/lager*
door deze omhoog/omlaag te pompen.1
Wijzig de zitlengte* door de hendel omhoog
te trekken en de zitting met de hand vooruit/
achteruit te bewegen.
Zet de stoel vooruit/achteruit door de handgreep omhoog te tillen en de juiste afstand
tot het stuurwiel en de pedalen in te stellen.
Controleer of de stoel na het verstellen in de
nieuwe stand geblokkeerd staat.
Pas de lendensteun* aan door op de knop
omhoog/omlaag/vooruit/achteruit2 te drukken.
1
2
182
Elektrisch bedienbare* voorstoel (p. 183)
Elektrisch bedienbare* voorstoel verstellen
(p. 183)
•
Stand opslaan voor stoel, buitenspiegels en
head-updisplay* (p. 184)
•
Opgeslagen stand voor stoel, buitenspiegels
en head-updisplay gebruiken* (p. 185)
•
Instellingen voor massagefunctie* voorstoel
aanpassen (p. 187)
•
Verlengbaar zitkussen* voorstoel verstellen
(p. 188)
•
Instellingen voor massagefunctie* van voorstoel (p. 186)
•
Zijsteunen* voorstoel verstellen (p. 189)
Geldt alleen voor de bestuurdersstoel.
Geldt voor een lendensteun met vierwegverstelling*. Een lendensteun met tweewegverstelling* is vooruit/achteruit te verstellen.
* Optie/accessoire.
STOELEN EN STUURWIEL
Elektrisch bedienbare* voorstoel
Voor optimaal zitcomfort hebben de voorstoelen
verschillende instelmogelijkheden. De elektrisch
bedienbare stoel is naar voren/achteren en
hoger/lager te zetten. De voorkant van de zitting
is te verhogen/verlagen en in de lengte* te verstellen en de hellingshoek van de rugleuning is
te wijzigen. De lendensteun* is hoger/lager en
naar voren/achteren te zetten3.
De stoel is te verstellen wanneer de motor draait
en tot enige tijd na het sluiten van het portier,
wanneer de motor niet draait. Dat kan ook nog
enige tijd na het afzetten van de motor.
•
Opgeslagen stand voor stoel, buitenspiegels
en head-updisplay gebruiken* (p. 185)
Elektrisch bedienbare* voorstoel
verstellen
•
Instellingen voor massagefunctie* voorstoel
aanpassen (p. 187)
•
Verlengbaar zitkussen* voorstoel verstellen
(p. 188)
•
Instellingen voor massagefunctie* van voorstoel (p. 186)
Stel de gewenste zitpositie in met de handgreep
op het zitkussen van de voorstoel. Voor verstelling van de verschillende comfortfuncties kunt u
de multifunctionele bediening4 omhoog-/
omlaagdraaien.
•
•
•
Zijsteunen* voorstoel verstellen (p. 189)
Lendensteun* voorstoel verstellen (p. 190)
Passagiersstoel verstellen vanaf bestuurdersstoel* (p. 191)
BELANGRIJK
De elektrisch bedienbare stoelen zijn voorzien
van een beveiliging tegen overbelasting, die
geactiveerd wordt als een van de stoelen door
een obstakel wordt geblokkeerd. Als dat het
geval is, neemt u het obstakel weg en bedient
u de stoel opnieuw.
Gerelateerde informatie
•
•
•
3
4
Handmatig bediende voorstoel (p. 182)
Elektrisch bedienbare* voorstoel verstellen
(p. 183)
Stand opslaan voor stoel, buitenspiegels en
head-updisplay* (p. 184)
Geldt voor een lendensteun met vierwegverstelling*. Een lendensteun met tweewegverstelling* is vooruit/achteruit te verstellen.
Niet aanwezig bij auto's met lendensteun met tweewegverstelling*.
Afgebeeld zijn de bedieningen bij een auto met een lendensteun met vierwegverstelling*. Bij auto's met een
lendensteun met tweewegverstelling* ontbreekt de
draaibare multifunctionele bediening.
Draai bij auto's met een lendensteun met
vierwiegverstelling* de multifunctionele
bediening4 omhoog/omlaag om de verschillende comfortfuncties in te stellen. Gebruik
bij auto's met een lendensteun met twee-
}}
* Optie/accessoire. 183
STOELEN EN STUURWIEL
||
wegverstelling* de ronde knop om de lendensteun naar voren/achteren te zetten.
•
Verlengbaar zitkussen* voorstoel verstellen
(p. 188)
Stand opslaan voor stoel,
buitenspiegels en head-updisplay*
Zet de voorkant van de zitting hoger/lager
door de handgreep omhoog/omlaag te
bewegen.
•
Instellingen voor massagefunctie* van voorstoel (p. 186)
•
•
•
Zijsteunen* voorstoel verstellen (p. 189)
De standen van de elektrisch bedienbare* stoel,
buitenspiegels en het head-updisplay* zijn op te
slaan onder de geheugenknoppen.
Zet de hele stoel hoger/lager door de handgreep omhoog/omlaag te bewegen.
Zet de hele stoel naar voren/achteren door
de handgreep naar voren/achteren te bewegen.
Lendensteun* voorstoel verstellen (p. 190)
Passagiersstoel verstellen vanaf bestuurdersstoel* (p. 191)
Sla twee verschillende standen op voor de elektrisch bedienbare* stoel, de buitenspiegels en het
head-updisplay* via de geheugenknoppen. De
knoppen zitten aan de binnenzijde van een van
de voorportieren of beide*.
Pas de hellingshoek van de rugleuning aan
door de handgreep naar voren/achteren te
bewegen.
U kunt slechts één verstelfunctie van de stoel
tegelijk activeren (vooruit/achteruit/omhoog/
omlaag).
De rugleuningen van de voorstoelen zijn niet
helemaal neer te klappen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
184
Handmatig bediende voorstoel (p. 182)
Elektrisch bedienbare* voorstoel (p. 183)
Stand opslaan voor stoel, buitenspiegels en
head-updisplay* (p. 184)
•
Opgeslagen stand voor stoel, buitenspiegels
en head-updisplay gebruiken* (p. 185)
•
Instellingen voor massagefunctie* voorstoel
aanpassen (p. 187)
Knop M voor vastlegging van de instellingsset.
Geheugenknop.
Geheugenknop.
* Optie/accessoire.
STOELEN EN STUURWIEL
Stand opslaan
1.
Zet de stoel, buitenspiegels en het headupdisplay in de gewenste stand.
2.
Houd de M-knop ingedrukt. Het controlelampje in de knop brandt.
3.
Druk binnen drie seconden op een van de
knoppen 1 of 2 en houd deze ingedrukt.
> Wanneer de stand is opgeslagen onder
de geheugenknop van uw keuze, klinkt er
een geluidssignaal en dooft het controlelampje in de knop M.
•
Verlengbaar zitkussen* voorstoel verstellen
(p. 188)
•
Instellingen voor massagefunctie* van voorstoel (p. 186)
Opgeslagen stand voor stoel,
buitenspiegels en head-updisplay
gebruiken*
Lendensteun* voorstoel verstellen (p. 190)
Als de standen voor de elektrisch bedienbare*
stoel, de buitenspiegels en het head-updisplay*
zijn opgeslagen, zijn deze eenvoudig te activeren
via de geheugenknoppen.
Passagiersstoel verstellen vanaf bestuurdersstoel* (p. 191)
Stoel in vastgelegde stand zetten
•
•
•
Zijsteunen* voorstoel verstellen (p. 189)
•
•
Buitenspiegels kantelen (p. 169)
Instellingen voor head-updisplay* (p. 141)
Als u niet binnen drie seconden een van de
geheugenknoppen indrukt, dooft het controlelampje in de knop M en worden de standen niet
vastgelegd.
U moet de stoel, de buitenspiegels of het headupdisplay opnieuw verstellen voordat u een
nieuwe stand in een geheugen kunt opslaan.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Handmatig bediende voorstoel (p. 182)
Elektrisch bedienbare* voorstoel (p. 183)
Elektrisch bedienbare* voorstoel verstellen
(p. 183)
•
Opgeslagen stand voor stoel, buitenspiegels
en head-updisplay gebruiken* (p. 185)
•
Instellingen voor massagefunctie* voorstoel
aanpassen (p. 187)
De vastgelegde standen zijn altijd op te roepen,
of het voorportier nu open- of dichtstaat:
Geopend voorportier
– Druk eenmaal kort op een van de geheugenknoppen 1 ( ) of 2 ( ). De elektrisch
bedienbare stoel, de buitenspiegels en het
head-updisplay komen in bewegen en
nemen de standen in die onder de ingedrukte geheugenknop zijn vastgelegd.
}}
* Optie/accessoire. 185
STOELEN EN STUURWIEL
||
Gesloten voorportier
– Houd een van de geheugenknoppen 1 ( )
of 2 ( ) ingedrukt, totdat de stoel, de buitenspiegels en het head-updisplay de standen innemen die onder de desbetreffende
geheugenknop zijn vastgelegd.
•
Stand opslaan voor stoel, buitenspiegels en
head-updisplay* (p. 184)
Instellingen voor massagefunctie*
van voorstoel
•
Instellingen voor massagefunctie* voorstoel
aanpassen (p. 187)
•
Verlengbaar zitkussen* voorstoel verstellen
(p. 188)
Voor verstelling kunt u zowel de multifunctionele
bediening op de zijkant van de stoel als het middendisplay gebruiken. De verschillende instellingen verschijnen op het middendisplay.
Bij het loslaten van de geheugenknop komen de
stoel, de buitenspiegels en de head-updisplay tot
stilstand.
•
Instellingen voor massagefunctie* van voorstoel (p. 186)
•
•
•
Zijsteunen* voorstoel verstellen (p. 189)
•
•
Buitenspiegels kantelen (p. 169)
WAARSCHUWING
•
•
•
•
Omdat de voorstoelen ook bij een uitgeschakeld contact te verstellen zijn, moet u
kinderen nooit alleen in de auto achterlaten.
De beweging van de stoel is op ieder
moment te stoppen door bediening van
een van de andere knoppen voor stoelverstelling.
Verstel de stoel nooit tijdens het rijden.
Zorg dat er bij het verstellen niets onder
de stoelen ligt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
186
Handmatig bediende voorstoel (p. 182)
Elektrisch bedienbare* voorstoel (p. 183)
Elektrisch bedienbare* voorstoel verstellen
(p. 183)
Lendensteun* voorstoel verstellen (p. 190)
Passagiersstoel verstellen vanaf bestuurdersstoel* (p. 191)
Instellingen voor head-updisplay* (p. 141)
Multifunctionele bediening, op de zijkant van het zitkussen van de stoel.
Instellingen voor massagefunctie
Voor de massagefunctie hebt u de keuze uit de
volgende instellingen:
• Aan/Uit: kies Aan/Uit om de massagefunctie in/uit te schakelen.
• Programma 1–5: Er zijn 5 vooraf ingestelde
massageprogramma's. Kies uit Golf, Loop,
Geavanc., Lenden en Schouder.
* Optie/accessoire.
STOELEN EN STUURWIEL
• Intensiteit: kies uit Laag, Normaal en
Hoog.
• Snelheid: kies uit Langzaam, Normaal en
Snel.
Massagefunctie herstarten
De massagefunctie wordt na 20 minuten automatisch uitgeschakeld. De functie is handmatig
te herstarten.
–
Tik op Hrstart op het middendisplay om de
gekozen massagefunctie te herstarten.
> De massagefunctie start opnieuw. Wanneer u niets doet, verschijnt de melding
op het hoofdscherm.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Passagiersstoel verstellen vanaf bestuurdersstoel* (p. 191)
Instellingen voor massagefunctie*
voorstoel aanpassen
Voor verstelling kunt u zowel de multifunctionele
bediening op de stoel als het middendisplay
gebruiken. De verschillende instellingen verschijnen op het middendisplay.
Instellingen voor massagefunctie
voorstoel aanpassen
De voorstoel is voorzien van een rugleuning met
massagefunctie. De massagefunctie die gebruikmaakt van luchtkussens heeft verschillende
instellingen.
De massagefunctie is alleen te activeren wanneer de motor van de auto is ingeschakeld.
Handmatig bediende voorstoel (p. 182)
Elektrisch bedienbare* voorstoel (p. 183)
Elektrisch bedienbare* voorstoel verstellen
(p. 183)
•
Stand opslaan voor stoel, buitenspiegels en
head-updisplay* (p. 184)
•
Opgeslagen stand voor stoel, buitenspiegels
en head-updisplay gebruiken* (p. 185)
•
Instellingen voor massagefunctie* voorstoel
aanpassen (p. 187)
•
Verlengbaar zitkussen* voorstoel verstellen
(p. 188)
•
•
Zijsteunen* voorstoel verstellen (p. 189)
Lendensteun* voorstoel verstellen (p. 190)
1.
Activeer de multifunctionele bediening door
de knop
omhoog/omlaag te draaien. Het
stoelverstellingsscherm verschijnt op het
middendisplay.
}}
* Optie/accessoire. 187
STOELEN EN STUURWIEL
||
2.
Kies Massage op het stoelverstellingsscherm.
Verlengbaar zitkussen* voorstoel
verstellen
3.
Om een van de verschillende massagefuncties te activeren maakt u een keuze op het
middendisplay of beweegt u de cursor
/
omhoog/omlaag met de knop omhoog
omlaag
van de multifunctionele bediening. Wijzig de instelling van de gekozen
functie rechtstreeks op het middendisplay via
/ achteruit
de pijlen of via de knop vooruit
van de multifunctionele bediening.
Afhankelijk van het gekozen uitrustingsniveau is
het verlengbare zitkussen te verstellen met de
multifunctionele bediening* aan de zijkant van
het zitkussen of handmatig met een hendel aan
de voorzijde van het zitkussen.
2.
Kies Kussenverl. op het stoelverstellingsscherm.
•
Druk op de voorkant van de vierwegknop
om het zitkussen te verlengen.
•
Druk op de achterkant van de vierwegknop
om het zitkussen te verkorten.
Verlengbaar zitkussen verstellen met
de multifunctionele bediening
Verlengbaar zitkussen handmatig
verstellen
De multifunctionele bediening, op de zijkant van het zitkussen.
Handgreep voor verstelling van het zitkussen.
1.
1.
Pak de handgreep
aan de voorkant van
de stoel beet en trek deze omhoog.
2.
Pas de lengte van het zitkussen aan.
3.
Laat de handgreep los en zorg dat het kussen in een vergrendelde stand staat.
Gerelateerde informatie
•
•
•
188
Handmatig bediende voorstoel (p. 182)
Elektrisch bedienbare* voorstoel (p. 183)
Elektrisch bedienbare* voorstoel verstellen
(p. 183)
•
Stand opslaan voor stoel, buitenspiegels en
head-updisplay* (p. 184)
•
Opgeslagen stand voor stoel, buitenspiegels
en head-updisplay gebruiken* (p. 185)
•
Verlengbaar zitkussen* voorstoel verstellen
(p. 188)
•
Instellingen voor massagefunctie* van voorstoel (p. 186)
•
•
•
Zijsteunen* voorstoel verstellen (p. 189)
Lendensteun* voorstoel verstellen (p. 190)
Activeer de multifunctionele bediening door
omhoog/omlaag te draaien. Het
de knop
stoelverstellingsscherm verschijnt op het
middendisplay.
Passagiersstoel verstellen vanaf bestuurdersstoel* (p. 191)
* Optie/accessoire.
STOELEN EN STUURWIEL
Gerelateerde informatie
•
•
•
Handmatig bediende voorstoel (p. 182)
Elektrisch bedienbare* voorstoel (p. 183)
Zijsteunen* voorstoel verstellen
2.
Verhoog het comfort van de voorstoelen door de
zijsteunen van de rugleuningen te verstellen.
Elektrisch bedienbare* voorstoel verstellen
(p. 183)
•
Stand opslaan voor stoel, buitenspiegels en
head-updisplay* (p. 184)
•
Opgeslagen stand voor stoel, buitenspiegels
en head-updisplay gebruiken* (p. 185)
Kies Zijsteunen op het stoelverstellingsscherm.
•
Druk op de voorkant van de vierwegknop
.
voor meer zijsteun
•
Druk op de achterkant van de vierwegknop voor minder zijsteun .
Gerelateerde informatie
Handmatig bediende voorstoel (p. 182)
Instellingen voor massagefunctie* voorstoel
aanpassen (p. 187)
•
•
•
•
Instellingen voor massagefunctie* van voorstoel (p. 186)
•
•
•
•
Zijsteunen* voorstoel verstellen (p. 189)
Stand opslaan voor stoel, buitenspiegels en
head-updisplay* (p. 184)
Multifunctionele bediening, op de zijkant van het zitkussen van de stoel.
•
Opgeslagen stand voor stoel, buitenspiegels
en head-updisplay gebruiken* (p. 185)
De zijsteunen van de rugleuning zijn te verstellen
voor steun in de zij. Voor verstelling kunt u zowel
de multifunctionele bediening op de stoel als het
middendisplay gebruiken. De verschillende instellingen verschijnen op het middendisplay.
•
Instellingen voor massagefunctie* voorstoel
aanpassen (p. 187)
•
Verlengbaar zitkussen* voorstoel verstellen
(p. 188)
Zo verstelt u de zijsteun:
•
Instellingen voor massagefunctie* van voorstoel (p. 186)
•
•
Lendensteun* voorstoel verstellen (p. 190)
•
Lendensteun* voorstoel verstellen (p. 190)
Passagiersstoel verstellen vanaf bestuurdersstoel* (p. 191)
1.
Activeer de multifunctionele bediening door
te draaien. Het
deze omhoog/omlaag
stoelverstellingsscherm verschijnt op het
middendisplay.
Elektrisch bedienbare* voorstoel (p. 183)
Elektrisch bedienbare* voorstoel verstellen
(p. 183)
Passagiersstoel verstellen vanaf bestuurdersstoel* (p. 191)
* Optie/accessoire. 189
STOELEN EN STUURWIEL
Lendensteun* voorstoel verstellen
De lendensteun is te verstellen met behulp van
de bediening aan de zijkant van de zitting.
De lendensteun is te verstellen met de multifunctionele bediening (bij auto's met een lendensteun
met vierwegverstelling*) of met de ronde knop
(bij auto's met een lendensteun met tweewegverstelling*). De bediening zit op de zijkant van het
zitkussen van de stoel. Afhankelijk van het gekozen uitrustingsniveau is de lendensteun vooruit/
achteruit en omhoog/omlaag (lendensteun met
vierwegverstelling) of vooruit/achteruit (lendensteun met tweewegverstelling) te zetten.
Lendensteun verstellen bij een auto
met een lendensteun met
vierwegverstelling
2.
Kies Lenden op het stoelverstellingsscherm.
•
/omlaag
Druk de ronde knop omhoog
om de lendensteun hoger/lager te
zetten.
•
Druk op de voorkant
meer lendensteun.
•
Druk op de achterkant
van de knop
voor minder lendensteun.
van de knop voor
Lendensteun verstellen bij een auto
met een lendensteun met
tweewegverstelling
Multifunctionele bediening, bij auto's met een lendensteun met vierwegverstelling*.
1.
De bediening bij auto's met een lendensteun met tweewegverstelling*.
190
Activeer de multifunctionele bediening door
de knop
omhoog/omlaag te draaien. Het
stoelverstellingsscherm verschijnt op het
middendisplay.
1.
Druk op de voorkant
van de ronde knop
voor meer lendensteun.
2.
Druk op de achterkant
van de ronde knop
voor minder lendensteun.
* Optie/accessoire.
STOELEN EN STUURWIEL
Gerelateerde informatie
•
•
•
Handmatig bediende voorstoel (p. 182)
Elektrisch bedienbare* voorstoel (p. 183)
Elektrisch bedienbare* voorstoel verstellen
(p. 183)
•
Stand opslaan voor stoel, buitenspiegels en
head-updisplay* (p. 184)
•
Opgeslagen stand voor stoel, buitenspiegels
en head-updisplay gebruiken* (p. 185)
•
Instellingen voor massagefunctie* voorstoel
aanpassen (p. 187)
•
Verlengbaar zitkussen* voorstoel verstellen
(p. 188)
•
Instellingen voor massagefunctie* van voorstoel (p. 186)
•
•
Zijsteunen* voorstoel verstellen (p. 189)
Passagiersstoel verstellen vanaf bestuurdersstoel* (p. 191)
Passagiersstoel verstellen vanaf
bestuurdersstoel*
De voorste passagiersstoel is vanaf de bestuurdersstoel te verstellen.
Functie activeren
De functie is te activeren via het functiescherm
op het middendisplay:
Druk op de knop
Passagierstoel aanpassen
om te activeren.
Hele passagiersstoel naar voren/achteren
zetten door de handgreep naar voren/
achteren te bewegen.
Passagiersstoel verstellen
Na activering van de functie hebt u 10 seconden
de tijd om de passagiersstoel te verstellen. Als
gedurende deze periode geen verstelling plaatsvindt, wordt de functie gedeactiveerd.
U verstelt de bestuurdersstoel met de handgrepen op de bestuurdersstoel:
Hellingshoek van de rugleuning van de passagiersstoel aanpassen door de handgreep
naar voren/achteren te bewegen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Handmatig bediende voorstoel (p. 182)
Elektrisch bedienbare* voorstoel (p. 183)
Elektrisch bedienbare* voorstoel verstellen
(p. 183)
•
Stand opslaan voor stoel, buitenspiegels en
head-updisplay* (p. 184)
•
Opgeslagen stand voor stoel, buitenspiegels
en head-updisplay gebruiken* (p. 185)
•
Instellingen voor massagefunctie* voorstoel
aanpassen (p. 187)
}}
* Optie/accessoire. 191
STOELEN EN STUURWIEL
•
Verlengbaar zitkussen* voorstoel verstellen
(p. 188)
•
Instellingen voor massagefunctie* van voorstoel (p. 186)
•
•
Zijsteunen* voorstoel verstellen (p. 189)
Lendensteun* voorstoel verstellen (p. 190)
Rugleuning achterbank omklappen
De rugleuning van de achterbank is in twee
ongelijke delen verdeeld. De twee delen zijn
ieder apart om te klappen.
WAARSCHUWING
•
Verstel de stoel vóór vertrek en zorg dat
deze vaststaat. Wees voorzichtig bij het
verstellen van de stoel. Een ongecontroleerde of onvoorzichtige verstelling kan
tot beknellingsletsel leiden.
•
Zet lange voorwerpen tijdens het vervoer
altijd goed vast om schade/letsel te voorkomen bij abrupte remmanoeuvres.
•
Zet altijd de motor af en activeer de parkeerrem bij het in- en uitladen van de
auto.
•
Zet bij auto's met automatische transmissie de keuzehendel in de stand P om te
voorkomen dat u de keuzehendel per
ongeluk verzet.
BELANGRIJK
Bij het neerklappen van de achterbank
mogen er zich geen voorwerpen op de achterbank bevinden. De veiligheidsgordels
mogen evenmin zijn ingestoken. Schade aan
de bekleding van de achterbank is anders
namelijk niet uitgesloten.
192
BELANGRIJK
Klap de middenarmsteun* op alvorens de rugleuning van de achterbank neer te klappen.
Het doorsteekluik in de achterbank moet
dichtstaan alvorens de rugleuning neer te
klappen.
N.B.
U moet mogelijk de voorstoelen naar voren
zetten en/of de rugleuningen rechtop zetten
om de ruggedeelten van de achterbank volledig naar voren te kunnen klappen.
Rugleuning omklappen bij een auto
met elektronische omklapfunctie*
Als de auto is uitgerust met een automatische
omklapfunctie voor de achterbank is de achterbank om te klappen met knoppen in de bagageruimte. De achterbank is ook om te klappen met
de handgreep boven op de rugleuning van de
achterbank.
WAARSCHUWING
Let erop dat mensen niet het risico lopen
bekneld te raken bij het automatisch neerklappen van de achterbank. Omdat dit bij het
indrukken van de knop automatisch plaatsvindt, mag zich niemand op of te dicht in de
buurt van de achterbank bevinden.
* Optie/accessoire.
STOELEN EN STUURWIEL
Rugleuningen omklappen met knoppen in
bagageruimte
Rugleuning omklappen met handgreep op
achterbank
De achterbank is alleen om te klappen, wanneer
de auto stilstaat en de achterklep openstaat.
Zorg dat er zich geen mensen of voorwerpen op
de achterbank bevinden.
Zorg dat er zich geen mensen of voorwerpen op
de achterbank bevinden.
1.
Klap de middelste hoofsteun handmatig om.
2.
Houd de knop voor het omklappen ingedrukt.
De knoppen zijn gemarkeerd met L en R voor
de linker en rechter rugleuning.
3.
De rugleuningen worden ontgrendeld. Eerst
worden de hoofdsteunen omgeklapt, waarna
de rugleuningen automatisch tot in horizontale stand worden neergeklapt.
rugleuning omlaag met de handgreep op de achterbank.
Klap de middelste hoofsteun handmatig om.
Trek de handgreep op de linker of rechter
rugleuning van de achterbank naar voren om
de linker of rechter rugleuning van de achterbank om te klappen.
> De rugleuningen worden ontgrendeld.
Eerst worden de hoofdsteunen omgeklapt, waarna de rugleuningen automatisch tot in horizontale stand worden neergeklapt.
Rugleuning handmatig omklappen
Als de achterbank van de auto alleen handmatig
neer te klappen is, klapt u de linker of rechter
Zorg dat er zich geen mensen of voorwerpen op
de achterbank bevinden.
Klap de middelste hoofsteun handmatig om.
}}
193
STOELEN EN STUURWIEL
||
Trek de blokkeerhandgreep
van de rugleuning omhoog en klap de rugleuning om.
De pal voor de hoofdsteunen beweegt bij het
omklappen van de rugleuning automatisch
omhoog. Een rode markering bij de pal
geeft aan dat de rugleuning niet langer
geblokkeerd staat.
4.
Pas de stand van de hoofdsteun op de middelste zitplaats zo nodig aan.
WAARSCHUWING
Als de rugleuning is teruggeklapt, mag de
rode indicatie niet langer zichtbaar zijn. Als
deze toch zichtbaar is, is de rugleuning niet
vergrendeld.
N.B.
De rugleuning wordt ontgrendeld en moet
handmatig worden omgeklapt tot in horizontale stand.
Rugleuning rechtop zetten
U zet de rugleuning handmatig weer rechtop:
194
1.
Klap de rugleuning omhoog/naar achteren.
2.
Druk de rugleuning verder totdat deze vergrendelt.
3.
Zet de hoofdsteunen handmatig rechtop.
Stel de hoofdsteun van de middelste zitplaats af
aan de hand van de lengte van de passagier.
Klap de hoofdsteun* van de buitenste zitplaatsen
omlaag voor een beter zicht naar achteren.
Hoofdsteun van middelste zitplaats
verstellen
WAARSCHUWING
Bij het omklappen van de rugleuningen kunnen de hoofdsteunen in contact komen met
het zitkussen van de omgeklapte stoel. Verstel de hoofdsteunen van de stoel die wordt
omgeklapt om schade tegen te gaan.
3.
Hoofdsteunen achterbank
verstellen
Controleer of de rugleuningen en hoofdsteunen van de achterbank na het rechtop zetten
goed vergrendeld zijn.
Bij vervoer van achterpassagiers moeten de
hoofdsteunen op de buitenste zitplaatsen
altijd omhoog staan.
Gerelateerde informatie
•
Hoofdsteunen achterbank verstellen
(p. 194)
•
•
Privacy locking (p. 281)
Privacy locking activeren en deactiveren
(p. 281)
De hoofdsteun voor de middelste zitplaats is af te
stemmen op de lengte van de passagier, zodat
de hoofdsteun zo mogelijk het hele achterhoofd
bedekt. Trek de hoofdsteun handmatig zo ver
omhoog als nodig is.
* Optie/accessoire.
STOELEN EN STUURWIEL
Hoofdsteunen van buitenste zitplaatsen
achterbank omklappen via handgreep
Bij een auto met een elektrisch omklapbare* achterbank zijn de buitenste hoofdsteunen om te
klappen via de handgreep boven op de rugleu. Bij
ning van de achterbank, zie afbeelding
een auto zonder een elektrisch neerklapbare
achterbank zijn de hoofdsteunen op de buitenste
zitplaatsen handmatig om te klappen met de
knop boven op de rugleuning van de achterbank,
zie afbeelding
.
Als u de hoofdsteun lager wilt zetten, moet u de
knop (zie afbeelding) indrukken terwijl u de
hoofdsteun voorzichtig omlaagduwt.
Druk op de knop Hfdsteun
omlaag om omklappen te activeren/deactiveren.
WAARSCHUWING
De hoofdsteun van de middelste zitplaats
moet in de onderste stand staan, wanneer de
middelste zitplaats niet in gebruik is. Wanneer
de middelste zitplaats wel wordt gebruikt,
moet de hoofdsteun goed op de lengte van
de passagier zijn afgesteld, zodat deze zo
mogelijk diens hele achterhoofd afdekt.
Hoofdsteunen van buitenste zitplaatsen
achterbank omklappen via
middendisplay*
De buitenste hoofdsteunen zijn om te klappen via
het functiescherm van het middendisplay. De
hoofdsteunen zijn om te klappen in de contactslotstand 0.
Zet de hoofdsteun na afloop handmatig rechtop
totdat deze hoorbaar vastklikt.
WAARSCHUWING
Klap de buitenste hoofdsteunen niet om, als
er passagiers op de achterbank zitten.
WAARSCHUWING
De hoofdsteunen moeten na het rechtop zetten in de vergrendelde stand staan.
}}
* Optie/accessoire. 195
STOELEN EN STUURWIEL
Bedieningselementen op stuurwiel
en claxon
||
Claxon
Op het stuurwiel zitten de claxon en bedieningselementen voor o.m. rijhulpsystemen en stembediening.
Gerelateerde informatie
•
De claxon zit in het midden van het stuurwiel.
Rugleuning achterbank omklappen (p. 192)
Gerelateerde informatie
•
•
Stuurslot (p. 197)
Stuurwiel verstellen (p. 197)
Knoppensets en paddles* op stuurwiel.
Bediening voor rijhulp5/>
Paddle* voor handmatig schakelen bij een
automatische versnellingsbak.
Bediening voor stembediening plus menu-,
meldings- en telefoonfuncties.
5
196
Snelheidsbegrenzer, Cruisecontrol, Adaptieve cruisecontrol*, Afstandswaarschuwing* en Pilot Assist.
* Optie/accessoire.
STOELEN EN STUURWIEL
Stuurslot
Stuurwiel verstellen
Het stuurslot bemoeilijkt de besturing zoals bij
gebruik van de auto door onbevoegden. Er is
mogelijk een mechanisch geluid waarneembaar,
wanneer u het stuurslot inschakelt of opheft.
Het stuurwiel is in verschillende standen te zetten.
op de rijsnelheid om u een beter weggevoel te
geven.
Stuurwiel verstellen bij een auto met knieairbag
Stuurslot activeren
Wanneer u de auto van de buitenzijde vergrendelt en de motor is uitgeschakeld, wordt het
stuurslot geactiveerd. Als u de auto onvergrendeld achterlaat, wordt na verloop van korte tijd
automatisch het stuurslot geactiveerd.
Stuurslot opheffen
Wanneer u de auto van de buitenzijde ontgrendelt, wordt het stuurslot gedeactiveerd. Als u de
auto onvergrendeld achterlaat, wordt het stuurslot na verloop van korte tijd automatisch geactiveerd.
Gerelateerde informatie
•
•
Bedieningselementen op stuurwiel en claxon
(p. 196)
Stuurwiel verstellen (p. 197)
Het stuurwiel is in diepte en hoogte te verstellen.
Hoe de stuurverstelling in zijn werk gaat hangt af
van de vraag of de auto wel of niet is uitgerust
met een knie-airbag6.
Alleen op bepaalde markten is de auto uitgerust met een knie-airbag.
1.
Beweeg de hendel naar voren om het stuurwiel te ontkoppelen.
2.
Zet het stuurwiel vervolgens in de gewenste
stand.
3.
Trek de hendel naar achteren om het stuurwiel in de nieuwe stand te blokkeren. Als dit
moeite kost, kunt u lichtjes op het stuurwiel
drukken en tegelijkertijd de hendel terugduwen.
WAARSCHUWING
Stel het stuurwiel vóór vertrek in en zet deze
vast. Het stuur mag tijdens het rijden nooit
worden ingesteld.
Bij auto's met snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging is de vereiste stuurkracht in te stellen.
De mate van stuurbekrachtiging wordt afgestemd
6
Hendel voor verstelling van het stuurwiel.
}}
197
STOELEN EN STUURWIEL
||
Stuurwiel verstellen bij een auto zonder
knie-airbag
Hendel voor verstelling van het stuurwiel.
1.
Trek de hendel naar achteren om het stuurwiel te ontgrendelen.
2.
Zet het stuurwiel vervolgens in de gewenste
stand.
3.
Duw de hendel terug naar voren om het
stuurwiel te vergrendelen. Als dit moeite kost,
kunt u lichtjes op het stuurwiel drukken en
tegelijkertijd de hendel terugduwen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
198
Stuurslot (p. 197)
Bedieningselementen op stuurwiel en claxon
(p. 196)
Elektrisch bedienbare* voorstoel verstellen
(p. 183)
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
KLIMAAT
Klimaatregeling
Klimaatzones
De auto is voorzien van elektronische klimaatregeling. De klimaatregeling zorgt ervoor dat de
lucht in het interieur gekoeld, verwarmd of van
vocht ontdaan wordt.
Afhankelijk van het aantal klimaatzones van de
auto kunt u verschillende temperaturen instellen
voor verschillende delen van het interieur.
klimaatregeling met 4 zones*
Klimaatregeling met 2 zones
Alle klimaatfuncties zijn te bedienen via het middendisplay en de fysieke knoppen op de middenconsole.
Bepaalde functies voor de achterbank zijn ook te
bedienen via de klimaatregelingsknoppen* achter
op de tunnelconsole.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
•
•
200
Klimaatzones bij klimaatregeling met 4 zones.
Klimaatzones (p. 200)
Bij klimaatregeling met 4 zones zijn de interieurtemperaturen voor de zones linksvoor, rechtsvoor,
linksachter en rechtsachter elk apart in te stellen.
Klimaatsensoren (p. 201)
Gevoelstemperatuur (p. 201)
Stembediening klimaat (p. 202)
Klimaatzones bij klimaatregeling met 2 zones.
Gerelateerde informatie
Parkeerklimaat* (p. 228)
Bij klimaatregeling met 2 zones zijn de interieurtemperaturen voor de linker en rechter zone elk
apart in te stellen.
•
Verwarming* (p. 236)
Luchtkwaliteit (p. 203)
Klimaatregeling (p. 200)
Luchtverdeling (p. 206)
Klimaatregelingsbediening (p. 211)
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
Klimaatsensoren
De klimaatregeling beschikt over enkele sensoren voor de regeling van het autoklimaat.
Bij het Interior Air Quality System* is er ook een
luchtkwaliteitssensor, die in de luchtinlaat van de
klimaatregeling zit.
Positie van de sensoren
Gerelateerde informatie
•
•
Klimaatregeling (p. 200)
Interior Air Quality System* (p. 204)
Gevoelstemperatuur
De klimaatregeling regelt het autoklimaat op
basis van de gevoelstemperatuur en niet de werkelijke temperatuur.
De ingestelde interieurtemperatuur komt overeen
met de gevoelstemperatuur op basis van de
heersende omstandigheden in en rond de auto
wat buitentemperatuur, luchtsnelheid, luchtvochtigheidsgraad, ingestraalde warmte en dergelijke
betreft.
Het systeem beschikt over een zonnesensor die
de stand van de zon registreert. Daardoor kan de
temperatuur van de lucht uit de blaasmonden
links en rechts afwijken, ondanks dat de temperatuurknoppen voor de beide zijden in dezelfde
stand staan.
Zonnesensor – boven op het dashboard.
Vochtsensor – in de voetafdekking van de
achteruitkijkspiegel.
Gerelateerde informatie
•
Klimaatregeling (p. 200)
Buitentemperatuursensor – in de rechter buitenspiegel.
Binnentemperatuursensor – bij de fysieke
koppen op de middenconsole.
N.B.
Bedek of blokkeer de sensoren niet met kledingstukken of andere voorwerpen.
* Optie/accessoire. 201
KLIMAAT
Stembediening klimaat1
•
Opdrachten voor klimaatregeling met stembediening om bijvoorbeeld de temperatuur te wijzigen, elektrische stoelverwarming* te activeren of
de ventilatorstand te wijzigen.
"Verhoog ventilatorsnelheid" / "Verlaag
ventilatorsnelheid" – verhoogt/verlaagt de
ingestelde ventilatorstand met één stap.
•
Druk op
mando's:
"Schakel auto-klimaat in" – activeert de
automatische klimaatregeling.
"Verhoog stuurwielverwarming" /
"Verlaag stuurwielverwarming" – verhoogt/verlaagt ingesteld niveau voor de
elektrische stuurverwarming* met één stap.
•
•
"Airconditioning aan" / "Airconditioning
uit" – activeert/deactiveert de airconditioning.
"Schakel stoelverwarming in" / "Schakel
stoelverwarming uit" – activeert/deactiveert elektrische stoelverwarming*.
•
•
"Recirculatie aan" / "Recirculatie uit" –
activeert/deactiveert de luchtrecirculatie.
•
"Schakel ruitontdooiing in" / "Schakel
ruitontdooiing uit" – activeert/deactiveert
ontwaseming van ruiten en buitenspiegels.
"Verhoog stoelverwarming" / "Verlaag
stoelverwarming" – verhoogt/verlaagt
ingesteld niveau voor de elektrische stoelverwarming* met één stap.
•
"Schakel max. ruitontdooiing in" /
"Schakel max. ruitontdooiing uit" – activeert/deactiveert maximale ontwaseming.
"Schakel stoelventilatie in" / "Schakel
stoelventilatie uit" – activeert/deactiveert
stoelventilatie*.
•
"Verhoog stoelventilatie" / "Verlaag
stoelventilatie" – verhoogt/verlaagt ingesteld niveau voor de stoelventilatie* met één
stap.
•
"Klimaatregeling" – start een dialoog voor
klimaatregeling en geeft voorbeelden van
commando's weer.
•
"Stel temperatuur in op X graden" – stelt
de gewenste temperatuur in.
•
"Verhoog temperatuur" / "Verlaag
temperatuur" – verhoogt/verlaagt de ingestelde temperatuur met één stap.
•
"Synchroniseer temperatuur" – synchroniseert de temperatuur voor alle klimaatzones in de auto met de voor de bestuurderszone ingestelde temperatuur.
•
•
•
"Lucht op voeten" / "Lucht op lichaam" –
opent de gewenste blaasmond.
•
"Lucht op voeten uit" / "Lucht op
lichaam uit" – sluit de gewenste blaasmond.
•
1
202
en zeg een van de volgende com-
•
"Zet ventilator op max." / "Schakel
ventilator uit" – verandert de ventilatorstand
naar Max/Off.
•
•
"Schakel elektrische ruitverwarming
in" / "Schakel elektrische
ruitverwarming uit" – activeert/deactiveert
elektrische voorruitverwarming*.
"Schakel achterruitverwarming in" /
"Schakel achterruitverwarming uit" –
activeert/deactiveert elektrische achterruiten buitenspiegelverwarming.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Klimaatregeling (p. 200)
Stembediening (p. 142)
Stembediening gebruiken (p. 143)
Instellingen voor stembediening (p. 146)
"Schakel stuurwielverwarming in" /
"Schakel stuurwielverwarming uit" – activeert/deactiveert elektrische stuurverwarming*.
Geldt voor bepaalde markten.
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
Luchtkwaliteit
De gekozen interieurmaterialen en het luchtreinigingssysteem zorgen voor een hoge luchtkwaliteit in de auto.
•
Interieurfilter (p. 205)
Clean Zone*
Clean Zone controleert en geeft aan of wel of
niet is voldaan aan alle voorwaarden voor een
goede luchtkwaliteit in het interieur.
Materiaal in de passagiersruimte
Het interieur werd dusdanig vormgegeven dat het
gerieflijk en comfortabel is – ook voor mensen
met contactallergieën of astma.
De gebruikte materialen zijn erop geselecteerd
de hoeveelheid stof in de passagiersruimte te
beperken, zodat het interieur gemakkelijker
schoon te houden is.
De vloerbekleding in zowel de passagiersruimte
als de bagageruimte is eenvoudig te verwijderen
en schoon te maken.
Gebruik de door Volvo geadviseerde schoonmaakmiddelen en autoverzorgingsproducten voor
het reinigen van het interieur.
Luchtreinigingssysteem
Los van het interieurfilter dragen ook Clean Zone
Interior Package* en het luchtkwaliteitssysteem
Interior Air Quality System* bij aan een hoge
luchtkwaliteit in de auto.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Klimaatregeling (p. 200)
Clean Zone* (p. 203)
Clean Zone Interior Package* (p. 204)
Interior Air Quality System* (p. 204)
De indicator staat in het klimaatveld op het
middendisplay.
De indicator staat in het klimaatveld, wanneer
het klimaatscherm niet geopend is.
Als niet is voldaan aan de voorwaarden, verschijnt
de tekst Clean Zone in het wit. Wanneer is voldaan aan alle voorwaarden, verandert de kleur
van de tekst in blauw.
Voorwaarden waaraan moet zijn voldaan:
•
•
•
Alle portieren en de achterklep staan dicht.
Alle zijruiten en panoramadak* staan dicht.
Het luchtkwaliteitssysteem Interior Air Quality
System* is geactiveerd.
}}
* Optie/accessoire. 203
KLIMAAT
||
•
•
De interieurventilator is geactiveerd.
Clean Zone Interior Package*
Interior Air Quality System*
De luchtrecirculatie is gedeactiveerd.
Clean Zone Interior Package (CZIP) omvat een
aantal aanpassingen om stoffen die aanleiding
kunnen geven tot allergieën en/of astma uit het
interieur te weren.
Het Interior Air Quality System (IAQS) ontdoet
de binnenkomende lucht van gassen en stofdeeltjes om zo hinderlijke geurtjes en verontreinigingen in de passagiersruimte te beperken.
Het volgende is inbegrepen:
IAQS maakt deel uit van Clean Zone Interior
Package (CZIP) en ontdoet de lucht in de passagiersruimte van verontreinigingen in de vorm van
stofdeeltjes, koolwaterstoffen, stikstofoxiden en
laaghangend ozon.
N.B.
Clean Zone geeft niet per se aan dat de
luchtkwaliteit goed is, maar duidt er alleen op
dat is voldaan aan de voorwaarden voor een
goede luchtkwaliteit.
•
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Luchtkwaliteit (p. 203)
Clean Zone Interior Package* (p. 204)
Interior Air Quality System* (p. 204)
Interieurfilter (p. 205)
•
Een geavanceerde ventilatorfunctie die aanslaat, wanneer de auto via de transpondersleutel wordt ontgrendeld. De ventilator vult
het interieur op die manier met verse lucht.
De functie start als dat nodig is en stopt na
bij het openen van een van de portieren. Bij
inactiviteit wordt de functie na enige tijd
automatisch beëindigd. De tijd dat de ventilatorfunctie werkt zal langzaam maar zeker
korter worden, totdat de auto 4 jaar oud is.
Als de luchtkwaliteitssensor van het systeem
registreert dat de buitenlucht vervuild is, wordt de
luchtinlaat gesloten en de luchtrecirculatie geactiveerd.
N.B.
Het volautomatische luchtkwaliteitssysteem
Interior Air Quality System (IAQS).
Voor de beste lucht in het interieur moet de
luchtkwaliteitssensor altijd zijn ingeschakeld.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
In een koud klimaat is de recirculatie beperkt
om het beslaan van de ruiten te voorkomen.
Luchtkwaliteit (p. 203)
Clean Zone* (p. 203)
Schakel bij condens de elektrische verwarming van de voorruit, zijruiten en achterruiten
in.
Interior Air Quality System* (p. 204)
Interieurfilter (p. 205)
Gerelateerde informatie
204
•
Luchtkwaliteitssensor* activeren en deactiveren (p. 205)
•
•
Luchtkwaliteit (p. 203)
Clean Zone* (p. 203)
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
•
•
Clean Zone Interior Package* (p. 204)
Interieurfilter (p. 205)
Luchtkwaliteitssensor* activeren en
deactiveren
De luchtkwaliteitssensor maakt deel uit van de
volautomatische luchtkwaliteitsregeling Interior
Air Quality System (IAQS).
U kunt de luchtkwaliteitssensor desgewenst activeren/deactiveren.
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm op
het middendisplay.
2.
Druk op Klimaat.
3.
Kies Luchtkwaliteitssensor om de luchtkwaliteitssensor te activeren/deactiveren.
Interieurfilter
Alle lucht die de passagiersruimte binnenkomt
wordt gereinigd door een filter.
Interieurfilter vervangen
Om een goed interieurklimaat te kunnen handhaven moet u het filter op gezette tijden vervangen.
Raadpleeg het Serviceprogramma van Volvo voor
het aanbevolen vervangingsinterval. In zeer sterk
verontreinigde gebieden moet u het filter mogelijk vaker vervangen.
N.B.
Er zijn verschillende soorten interieurfilters.
Let erop dat het juiste filter wordt gemonteerd.
Gerelateerde informatie
•
Interior Air Quality System* (p. 204)
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Luchtkwaliteit (p. 203)
Clean Zone* (p. 203)
Clean Zone Interior Package* (p. 204)
Interior Air Quality System* (p. 204)
* Optie/accessoire. 205
KLIMAAT
Luchtverdeling
portierstijlen (aan weerszijden één) tussen
voor- en achterportier.
De klimaatregeling verdeelt de binnenkomende
lucht over uiteenlopende blaasmonden verspreid
over het interieur.
Automatische en handmatige
luchtverdeling
Wanneer u de automatische klimaatregeling hebt
geactiveerd, verloopt de luchtverdeling automatisch. De luchtverdeling is zo nodig handmatig bij
te regelen.
Verstelbare blaasmonden
Extra bij klimaatregeling met 4 zones* – twee
blaasmonden achter in de tunnelconsole.
Luchtverdeling aanpassen
De luchtverdeling is desgewenst handmatig te
wijzigen.
Gerelateerde informatie
Klimaatregeling (p. 200)
•
•
•
Luchtverdeling aanpassen (p. 206)
•
Tabel met luchtverdelingsstanden (p. 208)
Blaasmonden openen, sluiten en richten
(p. 207)
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay door op het symbool in het midden van
het klimaatveld te tikken.
Sommige blaasmonden in de auto zijn instelbaar,
wat betekent dat u ze kunt openen/sluiten en de
uitstroomrichting kunt wijzigen.
Positie van verstelbare blaasmonden in interieur.
Bij klimaatregeling met 2 zones zitten er vier
blaasmonden in het dashboard en twee in de
206
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
Blaasmonden openen, sluiten en
richten
Sommige blaasmonden in het interieur zijn apart
te openen, sluiten en richten.
Blaasmonden achter in de tunnelconsole*:
–
De luchtaanvoer neemt toe naarmate er
meer van de witte lijnen op het duimwiel
zichtbaar zijn.
Als u de buitenste blaasmonden op de zijruiten
richt kunt u condens voorkomen.
Als u de buitenste blaasmonden in de auto naar
binnen richt, creëert u een warm en comfortabel
autoklimaat.
Blaasmonden richten
–
Blaasmonden openen en sluiten
Luchtverdelingsknoppen op klimaatscherm.
Luchtverdeling - ontwasemingsopeningen
voorruit
Blaasmonden op het instrumentenpaneel:
–
Luchtverdeling - blaasmonden dashboard en
middenconsole
Wanneer de markering op de draaiknop verticaal staat, is de luchtaanvoer het grootst.
Luchtverdeling - blaasmonden vloer
2.
Druk op een of meer luchtverdelingsknoppen
om de desbetreffende blaasmond(en) te
openen/sluiten.
> De luchtverdeling wordt gewijzigd, waarna
de knoppen gaan branden/doven.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Luchtverdeling (p. 206)
Draai aan de draaiknop in het midden van de
blaasmond om de luchtaanvoer uit de blaasmond te openen/sluiten.
Draai aan het duimwiel onder de blaasmond
om de luchtaanvoer uit de blaasmond te
openen/sluiten.
Haal het hendeltje in het midden van de
blaasmond overdwars of omhoog-omlaag om
de luchtaanvoer uit de blaasmond te richten.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Luchtverdeling (p. 206)
Luchtverdeling aanpassen (p. 206)
Tabel met luchtverdelingsstanden (p. 208)
Blaasmonden op de portierstijlen:
–
Haal het hendeltje in het midden van de
blaasmond omhoog/omlaag om de luchtaanvoer uit de blaasmond te openen/sluiten.
In de onderste stand staat de blaasmond
dicht, de overige standen leveren een constante luchtstroom uit de blaasmond op.
Blaasmonden openen, sluiten en richten
(p. 207)
Tabel met luchtverdelingsstanden (p. 208)
* Optie/accessoire. 207
KLIMAAT
Tabel met luchtverdelingsstanden
De luchtverdeling is desgewenst handmatig te
wijzigen. De volgende standen zijn in te stellen.
Luchtverdeling
Doel
Bij deactivering van alle luchtverdelingsknoppen in de handmatige stand schakelt de klimaatregeling weer over op automatische klimaatregeling.
208
De meeste lucht komt uit de ontwasemingsopeningen. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de overige blaasmonden.
Gaat condens- en ijsvorming tegen (om dat te
realiseren mag de ventilatorstand niet te laag
zijn).
De meeste lucht komt uit de blaasmonden in het dashboard. Er komt een bepaalde
hoeveelheid lucht uit de overige blaasmonden.
Voor voldoende koeling bij warm weer.
De meeste lucht komt uit de blaasmonden bij de vloer. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de overige blaasmonden.
Voor verwarming of koeling van de voetenruimte.
KLIMAAT
Luchtverdeling
Doel
De meeste lucht komt uit de ontwasemingsopeningen en blaasmonden in het dashboard. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de overige blaasmonden.
Voor voldoende comfort bij warm en droog
weer.
De meeste lucht komt uit de ontwasemingsopeningen en de blaasmonden bij de vloer.
Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de overige blaasmonden.
Voor voldoende comfort en ontwaseming bij
koud en vochtig weer.
De meeste lucht komt uit de blaasmonden in het dashboard en de blaasmonden bij de
vloer. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de overige blaasmonden.
Voor voldoende comfort bij zonnig weer en
matige buitentemperaturen.
De meeste lucht komt uit de ontwasemingsopeningen, de blaasmonden in het dashboard en de blaasmonden bij de vloer.
Voor een gebalanceerd comfort in het interieur.
}}
209
KLIMAAT
||
Gerelateerde informatie
•
•
•
210
Luchtverdeling (p. 206)
Blaasmonden openen, sluiten en richten
(p. 207)
Luchtverdeling aanpassen (p. 206)
KLIMAAT
Klimaatregelingsbediening
Hoofdklimaat
Op het tabblad Klimaat hoofdinstelling kunt u
behalve de klimaatfuncties in het klimaatveld ook
de hoofdklimaatfuncties regelen.
De klimaatregelingsfuncties zijn te bedienen via
de fysieke knoppen op de middenconsole, het
middendisplay en de klimaatregelingsbediening
achter op de tunnelconsole*.
Fysieke knoppen op middenconsole
Temperatuurregeling voor bestuurders- en
passagierszone.
Bediening voor elektrische stoelverwarming*
en -ventilatie* voorin plus elektrische stuurverwarming*.
Knop voor elektrische achterruitverwarming*
en maximale ontwaseming.
Knop voor elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming.
Klimaatveld op middendisplay
Via het klimaatveld zijn de meest voorkomende
klimaatfuncties te regelen.
Knop voor toegang tot het klimaatscherm.
De grafische voorstelling op de knop geeft
de geactiveerde klimaatinstellingen weer.
Klimaatveld op middendisplay
Het klimaatscherm is te openen door
op het symbool in het midden van het
klimaatveld te tikken.
Afhankelijk van het uitrustingsniveau is
het klimaatscherm opgesplitst in meerdere tabbladen. U kunt van tabblad wisselen door naar
links/rechts te vegen of op de desbetreffende
rubriek te drukken.
Max, Elektrisch, Achter – Bediening voor
ontwaseming van ruiten en buitenspiegels.
AC – Bediening voor airconditioning.
Recirc. – Bediening voor luchtrecirculatie.
}}
* Optie/accessoire. 211
KLIMAAT
Klimaatregelingsbediening achter op
de tunnelconsole*
Bediening voor luchtverdeling.
||
Ventilatorbediening voorin2.
AUTO – Automatische klimaatregeling.
Klimaat achterin*
Op het tabblad Klimaat achter zijn alle klimaatfuncties voor achterin te regelen.
Bediening voor elektrische achterbankverwarming*.
Ventilatorbediening voor achterin.
Temperatuurbediening voor achterin.
Klimaat tweede rij – Bediening voor klimaatregeling achterin. Ventilatorbediening
voor achterin.
Temperatuurbediening voor achterin.
Bediening voor elektrische achterbankverwarming*.
Parkeerklimaat*
Op het tabblad Parkeerklimaat is het parkeerklimaat van de auto te regelen.
2
212
Knop voor vergrendeling/ontgrendeling van
het klimaatpaneel.
Als de auto niet is uitgerust met een klimaatpaneel achter op de tunnelconsole maar wel elektrische achterbankverwarming* heeft, zitten er achter op de tunnelconsole fysieke bedieningsknoppen voor de functie.
Het klimaatpaneel is voorzien van een schermvergrendeling om onbedoelde wijziging van ventilatorstand en temperatuur tegen te gaan. Bij een
En achterin bij klimaatregeling met 2 zones.
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
vergrendeld scherm verschijnen alleen de stoelbediening* en de knop voor schermontgrendeling.
Na ontgrendeling zijn vanuit het klimaatpaneel
ook de ventilatorstand en temperatuur te wijzigen
en verschijnen alle gekozen klimaatinstellingen.
Het scherm wordt automatisch vergrendeld na
enige tijd van inactiviteit.
Gerelateerde informatie
•
•
Klimaatregeling (p. 200)
•
•
•
•
Ventilatorstand voorin regelen (p. 223)
Ventilatorstand achterin* regelen (p. 224)
Temperatuur synchroniseren (p. 227)
Airconditioning activeren en deactiveren
(p. 228)
Elektrische voorstoelverwarming*
activeren en deactiveren
De stoelverwarming is te activeren om het comfort voor bestuurder en inzittenden te verhogen,
wanneer het koud is.
1.
Elektrische voorstoelverwarming* activeren
en deactiveren (p. 213)
•
Elektrische stoelverwarming achter* activeren en deactiveren (p. 215)
•
Stoelventilatie voor* activeren en deactiveren
(p. 216)
•
Elektrische stuurverwarming* activeren en
deactiveren (p. 217)
•
Automatische klimaatregeling activeren
(p. 218)
•
Luchtrecirculatie activeren en deactiveren
(p. 218)
•
Maximale ontwaseming activeren en deactiveren (p. 219)
•
Elektrische voorruitverwarming* activeren en
deactiveren (p. 221)
•
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming activeren en deactiveren (p. 222)
Druk op de stuur-/stoelknop voor de linker of
rechter zone in het klimaatveld op het middendisplay om de bediening voor de stoelen
en het stuurwiel te openen.
Als de auto niet is uitgerust met elektrische
stoelventilatie of elektrische stuurverwarming
(voor de bestuurder) staat de knop voor
stoelverwarming direct in het klimaatveld.
2.
Druk meerdere keren op de knop voor de
elektrische stoelverwarming om de vier standen te doorlopen: Uit, Hoog, Gemiddeld en
Laag.
> Na wijziging van de stand geeft de knop
de ingestelde stand aan.
}}
* Optie/accessoire. 213
KLIMAAT
||
WAARSCHUWING
Een elektrisch verwarmde stoel mag niet worden gebruikt door personen die niet goed
kunnen voelen dat de temperatuur toeneemt
of die om een andere reden moeilijkheden
hebben om de elektrisch verwarmde stoel te
bedienen. Er kunnen dan namelijk brandwonden ontstaan.
Gerelateerde informatie
•
•
214
Klimaatregelingsbediening (p. 211)
Automatische inschakeling van elektrische
stoelverwarming voorin* activeren en deactiveren (p. 214)
Automatische inschakeling van
elektrische stoelverwarming voorin*
activeren en deactiveren
De stoelverwarming is te activeren om het comfort voor bestuurder en inzittenden te verhogen,
wanneer het koud is.
Gerelateerde informatie
•
•
Klimaatregelingsbediening (p. 211)
Elektrische voorstoelverwarming* activeren
en deactiveren (p. 213)
U kunt instellen of de automatische inschakeling
van elektrische stoel-/achterbankverwarming bij
het starten van de motor al dan niet geactiveerd
moet zijn. Met automatische inschakeling geactiveerd zal de elektrische verwarming starten bij
een lage omgevingstemperatuur.
1.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm van
het middendisplay.
2.
Tik op Klimaat.
3.
Kies Niveau aut. verwarming
bestuurdersstoel en Niveau aut.
verwarming passagiersstoel om automatische inschakeling van de elektrische verwarming van de bestuurdersstoel en passagiersstoel te activeren/deactiveren.
> Er verschijnt een "A" bij de desbetreffende knoppen voor de elektrische verwarming van de voorstoelen, wanneer de
automatische start is geactiveerd.
4.
Kies na activering van de functie uit de
niveaus Laag, Gemiddeld of Hoog.
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
Elektrische stoelverwarming achter*
activeren en deactiveren
De stoelverwarming is te activeren om het comfort voor bestuurder en inzittenden te verhogen,
wanneer het koud is.
Elektrische stoelverwarming achterin
activeren en deactiveren vanaf de
achterstoelen
Met klimaatregeling met 4 zones*:
Met klimaatregeling met 2 zones:
Elektrische stoelverwarming achterin
activeren en deactiveren vanaf de
voorstoelen*
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay door op het symbool in het midden van
het klimaatveld te tikken.
2.
Kies het tabblad Klimaat achter.
Indicatie en regeling stoelverwarming op klimaatpaneel
achter op tunnelconsole.
–
Knoppen voor elektrische achterbankverwarming achter
op tunnelconsole.
–
3.
Druk meerdere keren op de knop voor de
elektrische stoelverwarming om de vier standen te doorlopen: Uit, Hoog, Gemiddeld en
Laag.
> Na wijziging van de stand geeft de knop
de ingestelde stand aan.
Druk meerdere keren op de fysieke knoppen
voor de elektrische achterbankverwarming
achter op de tunnelconsole om de vier standen te doorlopen: Uit, Hoog, Gemiddeld en
Laag.
> Na wijziging van de stand geven de ledjes
in de knop de ingestelde stand aan.
Druk meerdere keren op de knop voor de
elektrische achterbankverwarming in het klimaatpaneel op de tunnelconsole om de vier
standen te doorlopen: Uit, Hoog,
Gemiddeld en Laag.
> De stand wordt aangepast, waarna het
scherm van het klimaatpaneel de ingestelde stand aangeeft.
WAARSCHUWING
Een elektrisch verwarmde stoel mag niet worden gebruikt door personen die niet goed
kunnen voelen dat de temperatuur toeneemt
of die om een andere reden moeilijkheden
hebben om de elektrisch verwarmde stoel te
bedienen. Er kunnen dan namelijk brandwonden ontstaan.
}}
* Optie/accessoire. 215
KLIMAAT
||
Gerelateerde informatie
•
Klimaatregelingsbediening (p. 211)
Stoelventilatie voor* activeren en
deactiveren
De stoelventilatie is in te schakelen voor bijvoorbeeld een groter comfort bij warm weer.
Het ventilatiesysteem bestaat uit ventilatoren in
de zittingen en de rugleuningen die lucht door de
bekleding heen aanzuigen. Naarmate de lucht in
het interieur kouder is, neemt het koelingseffect
toe. Het systeem is te activeren, wanneer de
motor loopt.
2.
Gerelateerde informatie
•
1.
Druk meerdere keren op de knop voor de
elektrische stoelventilatie om de vier standen
te doorlopen: Uit, Hoog, Gemiddeld en
Laag.
> Na wijziging van de stand geeft de knop
de ingestelde stand aan.
Klimaatregelingsbediening (p. 211)
Druk op de stuur-/stoelknop voor de linker of
rechter zone in het klimaatveld op het middendisplay om de bediening voor de stoelen
en het stuurwiel te openen.
Als de auto niet is uitgerust met elektrische
stoelverwarming of elektrische stuurverwarming (voor de bestuurder) staat de knop voor
stoelventilatie direct in het klimaatveld.
216
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
Elektrische stuurverwarming*
activeren en deactiveren
De stuurverwarming is te activeren om het stuurcomfort te verhogen, wanneer het koud is.
1.
Druk op de stuur-/stoelknop voor de
bestuurderszone in het klimaatveld op het
middendisplay om de bediening voor de
stoelen en het stuurwiel te openen.
Als de auto niet is uitgerust met elektrische
stoelverwarming of stoelventilatie staat de
knop voor elektrische stuurverwarming direct
in het klimaatveld.
2.
Druk meerdere keren op de knop voor de
elektrische stuurverwarming om de vier standen te doorlopen: Uit, Hoog, Gemiddeld en
Laag.
> Na wijziging van de stand geeft de knop
de ingestelde stand aan.
Gerelateerde informatie
•
•
Klimaatregelingsbediening (p. 211)
Automatische inschakeling van elektrische
stuurverwarming* activeren en deactiveren
(p. 217)
Automatische inschakeling van
elektrische stuurverwarming*
activeren en deactiveren
De stuurverwarming is te activeren om het stuurcomfort te verhogen, wanneer het koud is.
U kunt instellen of de automatische inschakeling
van elektrische stuurverwarming bij het starten
van de motor al dan niet geactiveerd moet zijn.
Met automatische inschakeling geactiveerd zal
de elektrische verwarming starten bij een lage
omgevingstemperatuur.
1.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm van
het middendisplay.
2.
Tik op Klimaat.
3.
Kies Niveau automatische
stuurwielverwarming om automatische
inschakeling van elektrische stuurverwarming
te activeren/deactiveren.
> Er verschijnt een "A" bij de desbetreffende knop voor de elektrische stuurverwarming, wanneer de automatische start
is geactiveerd.
4.
Kies na activering van de functie uit de
niveaus Laag, Gemiddeld of Hoog.
Gerelateerde informatie
•
Elektrische stuurverwarming* activeren en
deactiveren (p. 217)
* Optie/accessoire. 217
KLIMAAT
Automatische klimaatregeling
activeren
N.B.
Het is mogelijk om de temperatuur en de
ventilatorstand te wijzigen zonder deactivering
van de automatische klimaatregeling. De
automatische klimaatregeling wordt gedeactiveerd wanneer de luchtverdeling handmatig
wordt gewijzigd of wanneer max. ontwaseming wordt geactiveerd.
Bij automatische klimaatregeling worden meerdere klimaatfuncties automatisch geregeld.
1.
2.
Open het klimaatscherm op het middendisplay door op het symbool in het midden van
het klimaatveld te tikken.
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay door op het symbool in het midden van
het klimaatveld te tikken.
2.
Tik op Recirc..
> De luchtrecirculatie wordt geactiveerd/
gedeactiveerd en de knop gaat branden/
dooft.
Klimaatregelingsbediening (p. 211)
Kort drukken - de luchtrecirculatie, airconditioning en luchtverdeling worden automatisch geregeld.
Lang drukken - de luchtrecirculatie, airconditioning en luchtverdeling worden
automatisch geregeld, de temperatuur en
het ventilatorniveau worden gewijzigd in
de standaardinstellingen: 22 °C (72 °F)
en niveau 3 (niveau 2 op de achterbank3).
> De automatische klimaatregeling wordt
geactiveerd en de knop gaat branden.
•
218
•
De luchtrecirculatie houdt vieze lucht, uitlaatgassen en dergelijke buiten door recirculatie van de
lucht in het interieur.
Druk kort of lang op AUTO Klimaat/>
•
3
Gerelateerde informatie
Luchtrecirculatie activeren en
deactiveren
BELANGRIJK
Als de lucht in de auto te lang recirculeert,
beslaat mogelijk de binnenzijde van de ruiten.
Voor auto's met 4-zoneregeling*.
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
N.B.
De luchtrecirculatie is niet te activeren, wanneer u de maximale ontwaseming hebt ingeschakeld.
Gerelateerde informatie
•
•
Klimaatregelingsbediening (p. 211)
Timerinstelling voor luchtrecirculatie activeren en deactiveren (p. 219)
Timerinstelling voor luchtrecirculatie
activeren en deactiveren
Maximale ontwaseming activeren en
deactiveren
De luchtrecirculatie houdt vieze lucht, uitlaatgassen en dergelijke buiten door recirculatie van de
lucht in het interieur.
U kunt de maximale ontwaseming gebruiken om
de ruiten snel te ontwasemen en ontdooien.
U kunt instellen of een timer voor de luchtrecirculatie geactiveerd of gedeactiveerd moet zijn. Met
de timer geactiveerd wordt de luchtrecirculatie
automatisch na 20 minuten uitgeschakeld.
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm op
het middendisplay.
2.
Druk op Klimaat.
3.
Kies Recirculatietimer om de timer voor de
luchtrecirculatie te activeren/deactiveren.
Gerelateerde informatie
•
Luchtrecirculatie activeren en deactiveren
(p. 218)
Bij maximale ontwaseming worden de automatische klimaatregeling en de luchtrecirculatie
gedeactiveerd, wordt de airconditioning geactiveerd, de ventilatorstand gewijzigd in 5 en de
temperatuur in HI.
N.B.
Het geluidsniveau neemt toe wanneer de
ventilatorstand wordt gewijzigd in 5.
Bij deactivering van de maximale ontwaseming
hervat de klimaatregeling de eerder verrichte
instellingen.
Maximale ontwaseming activeren en
deactiveren vanaf middenconsole
Op de middenconsole zit een fysieke knop waarmee u rechtstreeks toegang hebt tot maximale
ontwaseming.
Met elektrische voorruitverwarming* is de maximale ontwaseming alleen individueel te activeren
vanuit het klimaatscherm op het middendisplay.
}}
* Optie/accessoire. 219
KLIMAAT
Auto's met elektrische voorruitverwarming:
||
Druk meerdere keren op de knop om de drie
standen te doorlopen:
–
•
elektrische voorruitverwarming geactiveerd
•
Elektrische voorruitverwarming en maximale ontwaseming geactiveerd
Gedeactiveerd.
> De elektrische voorruitverwarming en
maximale ontwaseming worden geactiveerd/gedeactiveerd en de knop gaat
branden/dooft.
•
Fysieke knop op de middenconsole.
Auto's zonder elektrische voorruitverwarming:
–
Druk op de knop.
> De maximale ontwaseming wordt geactiveerd/gedeactiveerd en de knop gaat
branden/dooft.
N.B.
Wanneer u de elektrische achterruitverwarming deactiveert door de knop tweemaal snel
in te drukken, wordt de maximale ontwaseming met enige vertraging ingeschakeld om
een tijdelijke verhoging van de ventilatorstand
tegen te gaan.
Maximale ontwaseming activeren en
deactiveren vanaf middendisplay
1.
220
Open het klimaatscherm op het middendisplay door op het symbool in het midden van
het klimaatveld te tikken.
2.
Druk op Max.
> De maximale ontwaseming wordt geactiveerd/gedeactiveerd en de knop gaat
branden/dooft.
Gerelateerde informatie
•
Klimaatregelingsbediening (p. 211)
KLIMAAT
Elektrische voorruitverwarming*
activeren en deactiveren
–
Druk meerdere keren op de knop om de drie
standen te doorlopen:
De elektrische voorruitverwarming dient om de
voorruit snel van condens en ijs te ontdoen.
•
elektrische voorruitverwarming geactiveerd
Elektrische voorruitverwarming
activeren en deactiveren vanaf
middenconsole
•
Elektrische voorruitverwarming en maximale ontwaseming geactiveerd
N.B.
Aan de beide uiteinden van de voorruit zitten
driehoekige gebieden zonder elektrische verwarming, zodat het ontdooien daar mogelijk
langer duurt.
Gedeactiveerd.
> De elektrische voorruitverwarming en
maximale ontwaseming worden geactiveerd/gedeactiveerd en de knop gaat
branden/dooft.
•
Op de middenconsole zit een fysieke knop waarmee u de elektrische voorruitverwarming direct
kunt bedienen.
N.B.
De elektrische voorruitverwarming kan de
prestaties van transponders en andere communicatie-apparatuur beïnvloeden.
Elektrische voorruitverwarming
activeren en deactiveren vanaf
middendisplay
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay door op het symbool in het midden van
het klimaatveld te tikken.
Fysieke knop op de middenconsole.
2.
N.B.
Als u de elektrische voorruitverwarming activeert, wanneer Start/Stop de motor automatisch heeft afgezet, wordt de motor opnieuw
gestart.
Gerelateerde informatie
•
•
Klimaatregelingsbediening (p. 211)
Automatische inschakeling van elektrische
voorruitverwarming* activeren en deactiveren
(p. 222)
Druk op Elektrisch.
> De elektrische voorruitverwarming wordt
geactiveerd/gedeactiveerd en de knop
gaat branden/dooft.
* Optie/accessoire. 221
KLIMAAT
Automatische inschakeling van
elektrische voorruitverwarming*
activeren en deactiveren
Elektrische achterruit- en
buitenspiegelverwarming activeren
en deactiveren
De elektrische voorruitverwarming dient om de
voorruit snel van condens en ijs te ontdoen.
De elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming dient om de ruiten en buitenspiegels
snel van condens en ijs te ontdoen.
U kunt instellen of de automatische inschakeling
van elektrische voorruitverwarming bij het starten
van de motor al dan niet geactiveerd moet zijn.
Met automatische inschakeling geactiveerd zal
de elektrische verwarming starten, wanneer er
gevaar bestaat voor ijsvorming of condens op de
ruit. De elektrische verwarming wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer de ruit warm
genoeg is en het ijs of de condens is verdwenen.
1.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm van
het middendisplay.
2.
Druk op Klimaat.
3.
Kies Automatische voorruitverwarming
om automatische inschakeling van elektrische voorruitverwarming te activeren/deactiveren.
Elektrische achterruit- en
buitenspiegelverwarming activeren en
deactiveren vanaf middenconsole
Elektrische voorruitverwarming* activeren en
deactiveren (p. 221)
Open het klimaatscherm op het middendisplay door op het symbool in het midden van
het klimaatveld te tikken.
2.
Druk op Achter.
> De elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming worden geactiveerd/
gedeactiveerd en de knop gaat branden/
dooft.
Gerelateerde informatie
•
•
Klimaatregelingsbediening (p. 211)
Automatische inschakeling van elektrische
achterruit- en buitenspiegelverwarming activeren en deactiveren (p. 223)
Fysieke knop op de middenconsole.
–
222
1.
Op de middenconsole zit een fysieke knop waarmee u de elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming direct kunt bedienen.
Gerelateerde informatie
•
Elektrische achterruit- en
buitenspiegelverwarming activeren en
deactiveren vanaf middendisplay
Druk op de knop.
> De elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming worden geactiveerd/
gedeactiveerd en de knop gaat branden/
dooft.
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
Automatische inschakeling van
elektrische achterruit- en
buitenspiegelverwarming activeren
en deactiveren
Ventilatorstand voorin4 regelen
De ventilator is in te stellen op diverse automatisch geregelde ventilatorstanden voor de voorstoelen.
De elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming dient om de ruiten en buitenspiegels
snel van condens en ijs te ontdoen.
U kunt instellen of de automatische inschakeling
van elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming bij het starten van de motor al dan niet
geactiveerd moet zijn. Met automatische inschakeling geactiveerd zal de elektrische verwarming
starten, wanneer er gevaar bestaat voor ijsvorming of condens op de ruit. De elektrische verwarming wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer de ruit warm genoeg is en het ijs of de condens is verdwenen.
1.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm van
het middendisplay.
2.
Druk op Klimaat.
3.
Kies Automatische achterruitverwarming
om automatische inschakeling van elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming
te activeren/deactiveren.
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay door op het symbool in het midden van
het klimaatveld te tikken.
Ventilatorstandknoppen op klimaatscherm.
2.
Druk op de gewenste ventilatorstand: Off,
1-5 of Max.
> De ventilatorstand wordt aangepast,
waarna de knop voor de gekozen stand
gaat branden.
BELANGRIJK
Als de ventilator volledig uitstaat, start de airconditioning niet, waardoor er mogelijk condens aan de binnenkant van de ruiten
optreedt.
Gerelateerde informatie
•
4
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming activeren en deactiveren (p. 222)
Bij 2-zoneregeling ook achterin.
}}
223
KLIMAAT
||
N.B.
De klimaatregeling past de luchtstroom zo
nodig automatisch aan, wat betekent dat de
ventilatorsnelheid kan veranderen ondanks
dat de ventilatorstand ongewijzigd is.
Ventilatorstand achterin* regelen
De ventilator is in te stellen op diverse automatisch geregelde ventilatorstanden voor de achterstoelen.
Ventilatorstand voorin regelen
Gerelateerde informatie
•
Klimaatregelingsbediening (p. 211)
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay door op het symbool in het midden van
het klimaatveld te tikken.
2.
Kies het tabblad Klimaat achter.
Ventilatorstandknoppen op het tabblad Klimaat
achter op klimaatscherm.
3.
Druk op de gewenste ventilatorstand: 1 – 5.
De ventilatorstand voor de achterbank is te
deactiveren met een tik op Klimaat tweede
rij.
> De ventilatorstand wordt aangepast,
waarna de knop voor de gekozen stand
gaat branden.
Ventilatorstand achterin regelen
1.
224
Druk op de ontgrendelingsknop op het klimaatpaneel van de tunnelconsole om toegang te krijgen tot de bediening.
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
N.B.
De klimaatregeling past de luchtstroom zo
nodig automatisch aan, wat betekent dat de
ventilatorsnelheid kan veranderen ondanks
dat de ventilatorstand ongewijzigd is.
Temperatuur voorin5 regelen
De temperatuur voor de klimaatzones voorin is in
te stellen op het gewenste aantal graden.
Gerelateerde informatie
•
Klimaatregelingsbediening (p. 211)
Ventilatorregeling op klimaatpaneel achter op tunnelconsole.
2.
Druk op de gewenste ventilatorstand: 1 – 5.
> De ventilatorstand wordt aangepast,
waarna de knop voor de gekozen stand
gaat branden.
N.B.
Temperatuurknoppen in het klimaatveld.
1.
Druk op de temperatuurknop voor de linker
of rechter zone in het klimaatveld op het middendisplay om de bediening te openen.
De ventilatorstand voor achterin is niet in te
stellen, als de ventilatorstand voor voorin is
ingesteld op Off.
De ventilatorstand voor achterin is alleen uit
te schakelen via het klimaatscherm op het
middendisplay.
5
Bij 2-zoneregeling ook achterin.
}}
225
KLIMAAT
Temperatuur achterin* regelen
||
De temperatuur voor de klimaatzones achterin is
in te stellen op het gewenste aantal graden.
Temperatuur achterin regelen vanaf
voorstoelen
1.
Temperatuurbediening.
2.
Regel de temperatuur door:
•
2.
Open het klimaatscherm op het middendisplay door op het symbool in het midden van
het klimaatveld te tikken.
Temperatuurbediening.
Kies het tabblad Klimaat achter.
4.
de bediening naar de gewenste temperatuur te slepen, of
•
op +/− te drukken om de temperatuur in
stapjes te verhogen/verlagen.
> De temperatuur wordt aangepast, waarna
de knop de ingestelde temperatuur aangeeft.
•
Temperatuur achterin regelen vanaf
achterstoelen
N.B.
1.
Temperatuurknoppen op het tabblad Klimaat achter
op klimaatscherm.
3.
Gerelateerde informatie
•
226
de bediening naar de gewenste temperatuur te slepen
op +/− te drukken om de temperatuur in
stapjes te verhogen/verlagen.
> De temperatuur wordt aangepast, waarna
de knop de ingestelde temperatuur aangeeft.
•
Het is niet mogelijk om het opwarmen/afkoelen te versnellen door een hogere/lagere
temperatuur te kiezen dan die eigenlijk
gewenst is.
Regel de temperatuur door:
Druk op de ontgrendelingsknop op het klimaatpaneel van de tunnelconsole om toegang te krijgen tot de bediening.
Druk op de temperatuurknop voor de linker
of rechter zone om de bediening te openen.
Klimaatregelingsbediening (p. 211)
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
Temperatuur synchroniseren
Gerelateerde informatie
De temperatuur in de verschillende klimaatzones
van de auto is te synchroniseren met de ingestelde temperatuur voor de bestuurderszijde.
•
Klimaatregelingsbediening (p. 211)
Temperatuurregeling op klimaatpaneel achter op tunnelconsole.
2.
Druk op de </>-knoppen voor de linker of
rechter zone om de temperatuur in stapjes te
verhogen of te verlagen.
> De temperatuur wordt aangepast, waarna
het scherm van het klimaatpaneel de
ingestelde temperatuur aangeeft.
N.B.
Het is niet mogelijk om het opwarmen/afkoelen te versnellen door een hogere/lagere
temperatuur te kiezen dan die eigenlijk
gewenst is.
Gerelateerde informatie
•
Klimaatregelingsbediening (p. 211)
Synchronisatieknop op temperatuurregeling bestuurderszone.
1.
Druk op de temperatuurknop voor de
bestuurderszone in het klimaatveld op het
middendisplay om de regeling te openen.
2.
Druk op Temperatuur synchroniseren .
> De temperatuurinstelling voor alle klimaatzones van de auto wordt gesynchroniseerd met de ingestelde temperatuur voor
de bestuurderszone en naast de temperatuurknop staat het synchronisatiesymbool.
De synchronisatie stopt wanneer u nogmaals op
Temperatuur synchroniseren drukt of wanneer u de temperatuurinstelling in een andere klimaatzone dan de bestuurderszone wijzigt.
227
KLIMAAT
Airconditioning activeren en
deactiveren
N.B.
Het is niet mogelijk de airconditioning te activeren, wanneer de ventilatorknop in stand Off
staat.
De airconditioning koelt en droogt zo nodig de
binnenkomende lucht.
Bij een actieve airconditioning bepaalt de klimaatregeling op basis van de behoefte automatisch de tijdstippen voor in- en uitschakeling.
1.
2.
Open het klimaatscherm op het middendisplay door op het symbool in het midden van
het klimaatveld te tikken.
Tik op AC.
> De airconditioning wordt geactiveerd/
gedeactiveerd en de knop gaat branden/
dooft.
Gerelateerde informatie
•
Klimaatregelingsbediening (p. 211)
Parkeerklimaat*
Parkeerklimaat is een verzamelnaam voor verschillende functies die het klimaat in de passagiersruimte van een geparkeerde auto verbeteren, waaronder de preconditioning.
Functies die tot het parkeerklimaat
behoren zijn te regelen via tabblad
Parkeerklimaat op het klimaatscherm
op het middendisplay. Het klimaatscherm is te openen door op het symbool in het
midden van het klimaatveld te tikken.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Klimaatregeling (p. 200)
Preconditioning* (p. 229)
Klimaatcomfort bij parkeren* (p. 233)
Symbolen en meldingen voor parkeerklimaat*
(p. 235)
N.B.
Sluit alle zijruiten en het panoramadak* voor
optimale werking van de airconditioning.
228
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
Preconditioning*
Preconditioning* in- en uitschakelen
Preconditioning is een klimaatfunctie die, indien
mogelijk, probeert om vóór vertrek de comforttemperatuur in het interieur te bereiken.
Preconditioning verwarmt* of ventileert het interieur vóór het rijden, indien mogelijk. De functie is
vanaf het middendisplay of een mobiele telefoon
direct in te schakelen.
Preconditioning is direct in te schakelen of via
een timer te programmeren.
In- en uitschakelen vanuit de auto
De functie maakt afhankelijk van de situatie
gebruik van uiteenlopende systemen:
•
De standverwarming* warmt bij koud weer
het interieur op tot de comforttemperatuur.
1.
•
De ventilator koelt bij warm weer het interieur door lucht van buiten naar binnen te blazen.
Open het klimaatscherm op het middendisplay door op het symbool in het midden van
het klimaatveld te tikken.
2.
Kies het tabblad Parkeerklimaat.
3.
Tik op Preconditioning.
> De preconditioning wordt ingeschakeld/
uitgeschakeld en de knop gaat branden/
dooft.
N.B.
Bij preconditioning van het interieur gaat het
erom de auto te verwarmen tot een behaaglijke temperatuur te brengen en tot de op de
klimaatregeling ingestelde temperatuur.
Gerelateerde informatie
•
•
•
6
Parkeerklimaat* (p. 228)
Preconditioning* in- en uitschakelen
(p. 229)
Timerinstelling voor preconditioning*
(p. 230)
Bepaalde markten.
N.B.
Houd de portieren en ruiten van de auto dicht
bij het gebruik van de preconditioning.
WAARSCHUWING
Gebruik preconditioning niet als de auto is
uitgerust met verwarming*:
•
Binnen in ongeventileerde ruimten. Bij
inschakeling van de verwarming worden
uitlaatgassen geproduceerd.
•
Op plekken met brandbaar of licht ontvlambaar materiaal in de buurt. Brandstof,
gassen, hoog gras, zaagsel en dergelijke
kunnen ontbranden.
•
Wanneer het risico bestaat dat de uitlaat
van de verwarming is geblokkeerd. Een
pak sneeuw in de wielkast rechtsvoor kan
bijvoorbeeld de afvoer van de verwarming
onmogelijk maken.
Let erop dat de preconditioning kan starten
op grond van een eerder geprogrammeerd
timertijdstip.
Via de app starten*
Via een apparaat met de Volvo On Call-app* is
het mogelijk de preconditioning in te schakelen
én informatie te krijgen over de gekozen instellingen. De preconditioning verwarmt* het interieur
tot op de comforttemperatuur of ventileert het
interieur door buitenlucht naar binnen te blazen.
Preconditioning van het interieur is ook mogelijk
via de afstandsstart auto (Engine Remote Start –
ERS)6 via de Volvo On Call-app*.
}}
* Optie/accessoire. 229
KLIMAAT
||
Gerelateerde informatie
•
•
•
Parkeerklimaat* (p. 228)
Preconditioning* (p. 229)
Timerinstelling voor preconditioning*
(p. 230)
Timerinstelling voor
preconditioning*
U kunt de timer dusdanig instellen dat de preconditioning gereed is op een bepaald tijdstip.
De timer kan tot 8 verschillende instellingen hanteren voor:
•
•
Timerinstelling voor
preconditioning* toevoegen en
bewerken
De timer voor preconditioning kan tot 8 verschillende tijdstippen hanteren.
Tijdstip toevoegen
een tijdstip op een bepaalde datum
een tijdstip op een of meer dagen van de
week, voor eenmalige of terugkerende activering.
Gerelateerde informatie
•
•
230
Preconditioning* (p. 229)
Timerinstelling voor preconditioning* toevoegen en bewerken (p. 230)
•
Timerinstelling voor preconditioning* activeren en deactiveren (p. 232)
•
Timerinstelling voor preconditioning* verwijderen (p. 232)
De knop voor tijdstip toevoegen op het tabblad
Parkeerklimaat op het klimaatscherm.
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay.
2.
Kies het tabblad Parkeerklimaat.
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
3.
Tik op Timer toevoegen.
> Er verschijnt een pop-upvenster.
7.
N.B.
Het is niet mogelijk om meer tijdstippen te
programmeren, als er al 8 timerinstellingen
bestaan. Om een nieuw tijdstip te kunnen
toevoegen moet u eerst een ouder tijdstip
verwijderen.
4.
Tik op Datum om een tijdstip in te stellen
voor een bepaalde datum.
WAARSCHUWING
Gebruik preconditioning niet als de auto is
uitgerust met verwarming*:
•
Binnen in ongeventileerde ruimten. Bij
inschakeling van de verwarming worden
uitlaatgassen geproduceerd.
•
Op plekken met brandbaar of licht ontvlambaar materiaal in de buurt. Brandstof,
gassen, hoog gras, zaagsel en dergelijke
kunnen ontbranden.
•
Wanneer het risico bestaat dat de uitlaat
van de verwarming is geblokkeerd. Een
pak sneeuw in de wielkast rechtsvoor kan
bijvoorbeeld de afvoer van de verwarming
onmogelijk maken.
Tik op Dagen om een tijdstip in te stellen
voor een of meer dagen van de week.
Met Dagen: Activeer/deactiveer de repeteerfunctie door het vakje voor Wekelijks
herhalen aan/uit te vinken.
5.
Met Datum: Kies een datum voor de preconditioning door met de pijltoetsen in de
datumlijst te bladeren.
Met Dagen: Kies een dag van de week voor
de preconditioning door op de knoppen voor
de dagen van de week te drukken.
6.
Stel het tijdstip in dat de preconditioning
moet zijn afgerond door te bladeren met de
pijltoetsen op de klok.
Tik op Bevestig om het ingestelde tijdstip
toe te voegen.
> Het ingestelde tijdstip wordt toegevoegd
aan de lijst en geactiveerd.
3.
Tik op het tijdstip dat u wilt wijzigen.
> Er verschijnt een pop-upvenster.
4.
Bewerk het tijdstip op dezelfde manier als bij
"Tijdstip toevoegen" hierboven.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Preconditioning* (p. 229)
Timerinstelling voor preconditioning* (p. 230)
Timerinstelling voor preconditioning* activeren en deactiveren (p. 232)
Timerinstelling voor preconditioning* verwijderen (p. 232)
Let erop dat de preconditioning kan starten
op grond van een eerder geprogrammeerd
timertijdstip.
Timerinstelling bewerken
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay.
2.
Kies het tabblad Parkeerklimaat.
* Optie/accessoire. 231
KLIMAAT
Timerinstelling voor
preconditioning* activeren en
deactiveren
WAARSCHUWING
Gebruik preconditioning niet als de auto is
uitgerust met verwarming*:
Zo nodig kunt u een timertijdstip voor de preconditioning activeren of deactiveren.
232
Open het klimaatscherm op het middendisplay.
2.
Kies het tabblad Parkeerklimaat.
3.
Activeer/deactiveer een tijdstip door op de
timerknop rechts van het desbetreffende tijdstip te drukken.
> Het ingestelde tijdstip wordt geactiveerd/
gedeactiveerd en de knop gaat branden/
dooft.
Binnen in ongeventileerde ruimten. Bij
inschakeling van de verwarming worden
uitlaatgassen geproduceerd.
•
Op plekken met brandbaar of licht ontvlambaar materiaal in de buurt. Brandstof,
gassen, hoog gras, zaagsel en dergelijke
kunnen ontbranden.
•
Wanneer het risico bestaat dat de uitlaat
van de verwarming is geblokkeerd. Een
pak sneeuw in de wielkast rechtsvoor kan
bijvoorbeeld de afvoer van de verwarming
onmogelijk maken.
Let erop dat de preconditioning kan starten
op grond van een eerder geprogrammeerd
timertijdstip.
Timerknoppen op het tabblad Parkeerklimaat op klimaatscherm.
1.
•
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Timerinstelling voor
preconditioning* verwijderen
Een timerinstelling voor de preconditioning die u
niet langer nodig hebt kunt u verwijderen.
De knop voor lijst bewerken/timerinstelling verwijderen
op het tabblad Parkeerklimaat op het klimaatscherm.
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay.
Preconditioning* (p. 229)
2.
Kies het tabblad Parkeerklimaat.
Timerinstelling voor preconditioning* (p. 230)
3.
Tik op Lijst bewerken.
Timerinstelling voor preconditioning* toevoegen en bewerken (p. 230)
4.
Druk op het verwijderingspictogram rechts in
de lijst.
> Het pictogram verandert in de tekst Wis.
5.
Druk ter bevestiging op Wis.
> Het ingestelde tijdstip wordt uit de lijst
verwijderd.
Timerinstelling voor preconditioning* verwijderen (p. 232)
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Preconditioning* (p. 229)
Timerinstelling voor preconditioning* (p. 230)
Timerinstelling voor preconditioning* toevoegen en bewerken (p. 230)
Timerinstelling voor preconditioning* activeren en deactiveren (p. 232)
Klimaatcomfort bij parkeren*
Het interieurklimaat van de auto is tijdens het
parkeren nog enige tijd te handhaven, bijvoorbeeld als u of een of meer inzittenden na uitschakeling van de motor in de auto willen blijven
zitten en het klimaatcomfort wensen te handhaven.
Klimaatcomfort tijdens het
parkeren* inschakelen en
uitschakelen
Bij handhaving van het klimaatcomfort wordt na
afloop van een rit het interieurklimaat nog enige
tijd geregeld. De functie is vanaf het middendisplay direct in te schakelen.
Handhaving klimaatcomfort is alleen direct in te
schakelen.
De functie maakt afhankelijk van de situatie
gebruik van uiteenlopende systemen:
•
Bij koud weer wordt het interieur met de
restwarmte van de motor opgewarmd tot de
comforttemperatuur.
•
De ventilator koelt bij warm weer het interieur door lucht van buiten naar binnen te blazen.
N.B.
Handhaving klimaatcomfort wordt uitgeschakeld als de auto van buitenaf wordt vergrendeld om niet onnodig restwarmte te gebruiken. De functie dient om het klimaatcomfort
te behouden, wanneer u en/of passagiers in
de auto achterblijven.
Gerelateerde informatie
•
•
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay door op het symbool in het midden van
het klimaatveld te tikken.
2.
Kies het tabblad Parkeerklimaat.
3.
Tik op Handhaaf klimaatcomfort.
> Handhaving klimaatcomfort wordt ingeschakeld/uitgeschakeld en de knop gaat
branden/dooft.
N.B.
Het is niet mogelijk om de functie voor handhaving van het klimaatcomfort te starten, als
de restwarmte in de motor niet volstaat om
het interieurklimaat op peil te houden of als
de buitentemperatuur hoger is dan zo'n 20 °C
(68 °F).
Parkeerklimaat* (p. 228)
Klimaatcomfort tijdens het parkeren* inschakelen en uitschakelen (p. 233)
}}
* Optie/accessoire. 233
KLIMAAT
||
N.B.
Handhaving klimaatcomfort wordt uitgeschakeld als de auto van buitenaf wordt vergrendeld om niet onnodig restwarmte te gebruiken. De functie dient om het klimaatcomfort
te behouden, wanneer u en/of passagiers in
de auto achterblijven.
Gerelateerde informatie
•
234
Klimaatcomfort bij parkeren* (p. 233)
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
Symbolen en meldingen voor
parkeerklimaat*
Op het bestuurdersdisplay kunnen enkele symbolen en meldingen verschijnen ten aanzien van
het parkeerklimaat.
Symbool
Meldingen ten aanzien van het parkeerklimaat
zijn ook weer te geven op een eenheid met de
Volvo On Call*-app.
Melding
Betekenis
Parkeerklimaat
Parkeerklimaat is defect. Bezoek een werkplaatsA om de werking zo spoedig mogelijk te laten controleren.
Service vereist
Parkeerklimaat
Tijdelijk niet beschikbaar
Parkeerklimaat
Niet beschikbaar, te laag brandstofniveau
Parkeerklimaat
Niet beschikbaar Laadniveau te laag
Parkeerklimaat
Beperkt beschikbaar. Laadniveau te
laag
A
Bij een actieve standverwarming brandt
dit symbool op het bestuurdersdisplay.
Parkeerklimaat is tijdelijk defect. Als het probleem aanhoudt, neem dan contact op met een werkplaatsA op het systeem te laten controleren.
Het parkeerklimaat is niet te activeren wanneer het brandstofpeil te gering is voor inschakeling van
de standverwarming*. Vul de brandstoftank bij.
Het parkeerklimaat is niet te activeren, wanneer de ladingsgraad van de startaccu te gering is voor
inschakeling van de standverwarming*. Start de motor.
De inschakelduur van het parkeerklimaat is beperkt, omdat de ladingsgraad van de startaccu te
laag is. Start de motor.
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
Parkeerklimaat* (p. 228)
* Optie/accessoire. 235
KLIMAAT
Verwarming*
De verwarming heeft twee deelfuncties die in
verschillende situaties helpen om het interieur of
de motor te verwarmen.
De verwarming heeft twee deelfuncties:
•
•
Standverwarming – verwarmt zo nodig het
interieur bij geactiveerde preconditioning.
N.B.
N.B.
Zorg ervoor dat het laadpercentage van de
accu hoog genoeg is als de verwarming moet
worden gebruikt.
Zorg dat er voldoende brandstof in de tank
van de auto zit voor het geval dat u de verwarming nodig hebt.
Brandstof en tanken
WAARSCHUWING
Gemorste brandstof kan vlam vatten. Schakel
voordat u gaat tanken de verwarming op
brandstof uit.
Extra verwarming – verwarmt zo nodig het
interieur en de motor tijdens het rijden.
Controleer op het informatiedisplay
of de verwarming is uitgeschakeld;
wanneer de standverwarming actief
is, brandt het bijbehorende symbool
op het informatiedisplay.
De verwarming werkt op brandstof en is op de
wielkast rechtsvoor gemonteerd.
N.B.
Wanneer de verwarming actief is, kan er rook
uit de wielkast rechtsvoor komen. Ook is er
wellicht een dof geluid hoorbaar. Achter in de
auto is ook een tikkend geluid vanuit de
brandstofpomp waar te nemen. Dit is volkomen normaal.
Accu en opladen
De verwarming wordt aangedreven door de startaccu van de auto. Als de ladingsgraad van de
startaccu te laag is, wordt de verwarming automatisch uitgeschakeld en geeft het bestuurdersdisplay een melding weer.
236
Gerelateerde informatie
Waarschuwingssticker op tankvulklep.
De verwarming maakt gebruik van brandstof uit
de normale brandstoftank van de auto.
•
•
•
Klimaatregeling (p. 200)
Standverwarming* (p. 237)
Extra verwarming* (p. 238)
Wanneer u de auto op een steile helling parkeert,
moet u ervoor zorgen dat de voorkant van de
auto omlaagwijst. Zo krijgt de verwarming altijd
voldoende brandstof.
Als het brandstofpeil in de tank te laag is, wordt
de verwarming automatisch uitgeschakeld en
geeft het bestuurdersdisplay een melding weer.
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
Standverwarming*
De standverwarming verwarmt indien nodig het
interieur bij geactiveerde preconditioning.
De standverwarming is een van twee deelfuncties
van de verwarming van de auto. De verwarming is
op de wielkast rechtsvoor gemonteerd.
Wanneer dit symbool brandt op het
bestuurdersdisplay, is de standverwarming mogelijk actief.
N.B.
Wanneer de verwarming actief is, kan er rook
uit de wielkast rechtsvoor komen. Ook is er
wellicht een dof geluid hoorbaar. Achter in de
auto is ook een tikkend geluid vanuit de
brandstofpomp waar te nemen. Dit is volkomen normaal.
De standverwarming start automatisch, als de
preconditioning* van de auto actief is en het interieur moet worden verwarmd.
De functie wordt automatisch uitgeschakeld,
wanneer het ingestelde tijdstip voor een timer of
de maximale inschakelduur voor de verwarming is
bereikt.
De verwarming werkt maximaal 30 minuten achtereen.
N.B.
WAARSCHUWING
Gebruik preconditioning niet als de auto is
uitgerust met verwarming*:
Zorg dat er voldoende brandstof in de tank
van de auto zit voor het geval dat u de standverwarming nodig hebt.
•
Zorg dat de ladingsgraad van de startaccu
hoog genoeg is, als de parkeerverwarming
moet worden gebruikt.
Binnen in ongeventileerde ruimten. Bij
inschakeling van de verwarming worden
uitlaatgassen geproduceerd.
•
Op plekken met brandbaar of licht ontvlambaar materiaal in de buurt. Brandstof,
gassen, hoog gras, zaagsel en dergelijke
kunnen ontbranden.
•
Wanneer het risico bestaat dat de uitlaat
van de verwarming is geblokkeerd. Een
pak sneeuw in de wielkast rechtsvoor kan
bijvoorbeeld de afvoer van de verwarming
onmogelijk maken.
BELANGRIJK
Als de standverwarming herhaaldelijk en in
combinatie met korte ritten wordt gebruikt,
ontlaadt de accu met startproblemen als
gevolg.
Om te zorgen dat de oplading van de accu in
balans is met het stroomverbruik van de
standverwarming moet u bij regelmatig
gebruik van de kachel net zo lang met de
auto rijden als dat de kachel wordt gebruikt.
Let erop dat de preconditioning kan starten
op grond van een eerder geprogrammeerd
timertijdstip.
WAARSCHUWING
Als u brandstof ruikt, abnormaal veel rook of
zwarte rook ziet of ongebruikelijke geluiden
vanuit de standverwarming waarneemt, moet
u de verwarming uitschakelen en zo mogelijk
de zekering van de standverwarming verwijderen. Volvo adviseert u om voor reparatie contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats.
}}
* Optie/accessoire. 237
KLIMAAT
||
Gerelateerde informatie
•
•
Verwarming* (p. 236)
Extra verwarming* (p. 238)
Extra verwarming*
Gerelateerde informatie
De extra verwarming helpt bij het verwarmen van
de passagiersruimte en de motor tijdens het rijden.
•
•
•
De extra verwarming is een van twee deelfuncties
van de verwarming van de auto. De verwarming is
op de wielkast rechtsvoor gemonteerd.
Verwarming* (p. 236)
Standverwarming* (p. 237)
Automatische inschakeling van extra verwarming activeren en deactiveren* (p. 239)
N.B.
Wanneer de verwarming actief is, kan er rook
uit de wielkast rechtsvoor komen. Ook is er
wellicht een dof geluid hoorbaar. Achter in de
auto is ook een tikkend geluid vanuit de
brandstofpomp waar te nemen. Dit is volkomen normaal.
De extra verwarming start en wordt automatisch
aangestuurd als tijdens het rijden verwarming
nodig is.
De verwarming wordt automatisch uitgeschakeld,
wanneer de auto wordt uitgeschakeld.
N.B.
Zorg dat er voldoende brandstof in de tank
van de auto zit voor het geval dat u de extra
verwarming nodig hebt.
238
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
Automatische inschakeling van
extra verwarming activeren en
deactiveren*
De extra verwarming helpt bij het verwarmen van
de passagiersruimte en de motor tijdens het rijden.
U kunt de automatische inschakeling van de
extra verwarming desgewenst activeren/deactiveren.
1.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm van
het middendisplay.
2.
Tik op Klimaat.
3.
Kies Extra verwarming voor activeren/
deactiveren automatische inschakeling van
extra verwarming.
N.B.
Volvo adviseert u om de automatische start
van de extra verwarming uit te schakelen tijdens korte ritten.
Gerelateerde informatie
•
Extra verwarming* (p. 238)
* Optie/accessoire. 239
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Vergrendelingsindicatie
De alarmlichten knipperen bij vergrendeling of
ontgrendeling van de auto.
Vergrendelings- en alarmindicatie op
het dashboard
Led in vergrendelingsknoppen
De vergrendelings- en alarmindicatie laat de status van het vergrendelingssysteem zien:
Vergrendelingsknoppen met led in voorportier.
Voorportier
Indicatie exterieur
Vergrendeling
•
Bij vergrendeling knipperen de alarmlichten
van de auto eenmaal en daarnaast worden
de buitenspiegels ingeklapt1.
Ontgrendelen
•
Bij ontgrendeling knipperen de alarmlichten
van de auto tweemaal en daarnaast worden
de buitenspiegels uitgeklapt1.
Om aan te geven dat de auto vergrendeld is,
moeten alle portieren, de achterklep en de
motorkap dichtstaan. Als er wordt vergrendeld
terwijl alleen het bestuurdersportier dichtstaat2,
vindt er vergrendeling plaats maar de alarmlichten geven pas aan dat er vergrendeling heeft
plaatsgevonden nadat alle portieren, de achterklep en de motorkap dichtstaan.
1
2
242
•
Eenmaal lang knipperen betekent dat er
wordt vergrendeld.
•
Snel knipperen betekent dat de auto is vergrendeld.
•
Snel knipperen na uitschakeling van het
alarm* geeft aan dat het alarm is afgegaan.
Als de led in de desbetreffende vergrendelingsknop van de voorportieren brandt, betekent dit
dat alle portieren zijn vergrendeld. Als er een portier wordt geopend, gaat het lampje in beide portieren uit.
Alleen een auto met elektrisch inklapbare buitenspiegels.
Geldt niet voor auto's met passieve vergrendeling/ontgrendeling*.
* Optie/accessoire.
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Achterportier*
Instelling voor
vergrendelingsbevestiging
Gerelateerde informatie
•
Vergrendelingsindicatie (p. 242)
In het instellingsmenu van het middendisplay
kunt u verschillende alternatieven kiezen voor de
wijze waarop de auto bevestigt dat er is vergrendeld en ontgrendeld.
Om de instelling voor vergrendelingsbevestiging
te wijzigen:
Vergrendelingsknop met controlelampje in achterportier.
1.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm van
het middendisplay.
2.
Tik op My Car
3.
Tik op Visuele vergrendelingsfeedback
om de situaties te kiezen waarin de auto een
duidelijke bevestiging moet geven:
Als de led in de desbetreffende vergrendelingsknop van de portieren brandt, betekent dit dat het
desbetreffende portier is vergrendeld. Als er een
portier wordt ontgrendeld, gaat het bijbehorende
lampje uit terwijl de overige lampjes blijven branden.
Vergrendeling.
• Vergrend.
• Ontgrendel
• Beide
Of schakel de functie uit door Uit te markeren.
Overige indicaties
Ook de Follow Me Home-verlichting en de
Approach-verlichting worden mogelijk geactiveerd bij vergrendeling en ontgrendeling.
Om de instelling voor de inklapbare buitenspiegels* bij vergrendeling te wijzigen:
Gerelateerde informatie
1.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm van
het middendisplay.
2.
Tik op My Car
3.
Kies Spiegel inklappen bij vergrendelen
om de functie te activeren of te deactiveren.
•
Instelling voor vergrendelingsbevestiging
(p. 243)
•
•
Approach-verlichting (p. 159)
Follow Me Home-verlichting gebruiken
(p. 158)
Spiegels en Comfort.
* Optie/accessoire. 243
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
een transpondersleutel
Met de transpondersleutel zijn de portieren, de
achterklep en de tankvulklep te vergrendelen en
ontgrendelen. De transpondersleutel moet in de
auto aanwezig zijn om deze te kunnen starten.
en lichtere transpondersleutel zonder knoppen
(Key Tag) geleverd.
tankvulklep ontgrendeld en wordt het alarm
gedeactiveerd.
De transpondersleutels zijn te koppelen aan verschillende bestuurdersprofielen om persoonlijke
instellingen voor de auto op te slaan.
Bij lang indrukken worden alle ruiten tegelijkertijd gesloten. Deze doorluchtfunctie is
onder te meer te gebruiken om de auto bij
warm weer snel te luchten.
Knoppen op transpondersleutel
Transpondersleutel3 of transpondersleutel zonder knoppen (Key Tag)*.
U gebruikt de transpondersleutel niet actief bij
het starten, omdat een auto in standaarduitvoering is uitgerust met ondersteuning voor passief
starten (Passive Start). Het is voldoende als de
sleutel zich voor in het interieur bevindt.
Bij auto's met passieve vergrendeling en ontgrendeling (Passive Entry)* is de auto altijd te
starten, ongeacht waar de sleutel zich in de auto
bevindt. In dat geval wordt ook een wat kleinere
3
244
De transpondersleutel heeft vier knoppen - een aan de
linker- en drie aan de rechterzijde.
Vergrendelen – Bij eenmaal indrukken
worden alle portieren, de achterklep en de
tankvulklep vergrendeld en wordt het alarm*
geactiveerd.
Bij lang indrukken worden alle ruiten en het
panoramadak* tegelijkertijd gesloten.
Achterklep – Ontgrendelt alleen de achterklep en deactiveert de alarmfunctie voor de
achterklep. Bij auto's met elektrische achterklepbediening* is de achterklep automatisch
te openen bij lang indrukken. De achterklep
is in het gegeven geval ook te sluiten door
lang indrukken – er klinken waarschuwingssignalen.
Paniekfunctie – bestemd om in noodgevallen de aandacht van anderen te trekken. Als
u de knop ten minste 3 seconden lang ingedrukt houdt of tweemaal achtereen binnen 3
seconden indrukt, worden de richtingaanwijzers, de interieurverlichting en de claxon
geactiveerd. U kunt deze functie met
dezelfde toets weer uitschakelen, als de
functie minimaal 5 seconden actief geweest
is. Anders wordt deze functie na zo'n 3 minuten automatisch uitgeschakeld.
Ontgrendelen – Bij eenmaal indrukken
worden alle portieren, de achterklep en de
De afbeelding is schematisch, zodat er afhankelijk van het model afwijkingen mogelijk zijn.
* Optie/accessoire.
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
WAARSCHUWING
Als iemand in de auto achterblijft, moet u bij
het verlaten van de auto altijd de elektrisch
bedienbare ruiten en het panoramadak*
stroomloos maken door de transpondersleutel
mee te nemen.
N.B.
Let op het gevaar voor buitensluiten met de
transpondersleutel nog in de auto.
•
•
Wanneer u de auto vergrendelt en het
alarm inschakelt met een geldige transpondersleutel, wordt een eventuele
andere transpondersleutel of een transpondersleutel zonder knoppen in de auto
gedeactiveerd. Ook de "Safelock-functie"
wordt gedeactiveerd. De gedeactiveerde
sleutel wordt opnieuw geactiveerd bij ontgrendeling van de auto.
En Red Key die in de auto blijft liggen
wordt ook gedeactiveerd, wanneer u de
auto vergrendelt via Volvo On Call. De
sleutel wordt opnieuw geactiveerd bij ontgrendeling van de auto via Volvo On Call
of bij het indrukken van de ontgrendelingsknop op een andere geldige sleutel.
Transpondersleutel zonder knoppen
(Key Tag)*
De transpondersleutel zonder knoppen die bij
een auto met passieve vergrendeling en ontgrendeling wordt geleverd, werkt op dezelfde manier
als de standaardtranspondersleutel wat de passieve vergrendeling en ontgrendeling betreft. De
sleutel is waterdicht tot een diepte van zo'n 10
meter (30 feet) gedurende 60 minuten. De sleutel heeft echter geen uitneembare sleutelblad en
de batterij is niet te vervangen.
Red Key transpondersleutel met
beperkte functionaliteit*
N.B.
Bewaar de transpondersleutel niet te dicht in
de buurt van metalen voorwerpen of elektronische apparaten zoals mobiele telefoons,
tablets, laptops of laders – op een afstand
kleiner dan 10-15 cm (4-6 inch).
Als er toch storingen mochten optreden, gebruikt
u het afneembare sleutelblad van de transpondersleutel om de auto te ontgrendelen en u
plaatst de sleutel vervolgens in de back-uplezer
in de bekerhouder om het alarmsysteem van de
auto te deactiveren.
Bij een auto met een Red Key zijn beperkingen in
te stellen voor bepaalde eigenschappen van de
auto, bijv. de maximale rijsnelheid en het maximale volume voor het luidsprekersysteem. Een
sleutel voor autobezitters die ervoor willen zorgen
dat eventuele gastbestuurders op een verantwoorde manier in de auto rijden.
N.B.
Zorg ervoor dat er geen andere autosleutels,
metalen voorwerpen of elektronische apparaten (zoals mobiele telefoons, tablets, laptops
of laders) in de bekerhouder liggen, wanneer
u de transpondersleutel in de bekerhouder
plaatst. Als er zich meerdere sleutels in de
bekerhouder bevinden, kunnen deze elkaar
storen.
Storingen
De passieve startfunctie van de transpondersleutel en de optie passief vergrendelen en ontgrendelen* ondervinden mogelijk storingen door elektromagnetische velden en afschermingen.
Gerelateerde informatie
•
Vergrendelen en ontgrendelen met transpondersleutel (p. 246)
•
•
Bereik transpondersleutel (p. 248)
Batterij in transpondersleutel vervangen
(p. 249)
}}
* Optie/accessoire. 245
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
•
•
•
Afneembaar sleutelblad (p. 254)
Elektronische startblokkering (p. 258)
Transpondersleutel koppelen aan bestuurdersprofiel (p. 135)
Vergrendelen en ontgrendelen met
transpondersleutel
N.B.
Let op het gevaar voor buitensluiten met de
transpondersleutel nog in de auto.
Met de knoppen op de transpondersleutel kunt
u alle portieren, de achterklep en de tankvulklep
gelijktijdig vergrendelen en ontgrendelen.
•
Wanneer u de auto vergrendelt en het
alarm inschakelt met een geldige transpondersleutel, wordt een eventuele
andere transpondersleutel of een transpondersleutel zonder knoppen in de auto
gedeactiveerd. Ook de "Safelock-functie"
wordt gedeactiveerd. De gedeactiveerde
sleutel wordt opnieuw geactiveerd bij ontgrendeling van de auto.
•
En Red Key die in de auto blijft liggen
wordt ook gedeactiveerd, wanneer u de
auto vergrendelt via Volvo On Call. De
sleutel wordt opnieuw geactiveerd bij ontgrendeling van de auto via Volvo On Call
of bij het indrukken van de ontgrendelingsknop op een andere geldige sleutel.
Vergrendelen met transpondersleutel
De afbeelding is schematisch, zodat er afhankelijk van
het model afwijkingen mogelijk zijn.
–
Druk voor vergrendeling van de auto op de
-knop van de transpondersleutel.
Vergrendeling is alleen mogelijk, als alle portieren
en de achterklep dichtstaan.
246
Ontgrendelen met transpondersleutel
–
Druk voor ontgrendeling van de auto op de
-knop van de transpondersleutel.
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Automatische hervergrendeling
Als u geen van de portieren noch de achterklep
binnen twee minuten na ontgrendeling van de
buitenzijde met de transpondersleutel opent, worden deze automatisch weer vergrendeld. Deze
functie beperkt de kans dat u de auto per ongeluk onvergrendeld kunt laten staan.
Wanneer de transpondersleutel niet
werkt
N.B.
Instellingen voor ontgrendeling op
afstand en van de binnenzijde
Achterklep ontgrendelen met
transpondersleutel
U kunt verschillende procedures voor externe
ontgrendeling kiezen.
Met een knop op de transpondersleutel is het
mogelijk alleen de achterklep te ontgrendelen.
Om de instelling te wijzigen:
1.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm van
het middendisplay.
2.
Tik op My Car Vergrendeling Op
afstand en van binnenuit ontgrendelen.
3.
Kies een alternatief:
Ga altijd dichter bij de auto staan en probeer
dan opnieuw te ontgrendelen.
Als vergrendelen of ontgrendelen via de transpondersleutel niet mogelijk is, is de batterij
mogelijk leeg – vergrendel of ontgrendel het
bestuurdersportier dan met het afneembare sleutelblad.
Gerelateerde informatie
•
Instellingen voor ontgrendeling op afstand en
van de binnenzijde (p. 247)
•
Achterklep ontgrendelen met transpondersleutel (p. 247)
•
•
een transpondersleutel (p. 244)
•
Vergrendelen en ontgrendelen met afneembaar sleutelblad (p. 256)
Batterij in transpondersleutel vervangen
(p. 249)
• Alle portieren – ontgrendelt alle portieren tegelijkertijd.
• Een portier – ontgrendelt alleen het
bestuurdersportier. Om alle portieren te
ontgrendelen moet u de ontgrendelingsknop op de transpondersleutel tweemaal
indrukken.
De instellingen die u hier verricht zijn ook van
invloed op de centrale vergrendeling via de openingsgreep aan de binnenzijde.
Gerelateerde informatie
•
Vergrendelen en ontgrendelen met transpondersleutel (p. 246)
•
Vergrendelen en ontgrendelen van de binnenzijde van de auto (p. 272)
}}
247
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
||
1.
Druk op de knop
op de transpondersleutel.
> De achterklep wordt ontgrendeld maar
blijft dichtstaan.
De zijportieren blijven vergrendeld en het
alarm op de portieren blijft actief*. De vergrendelings- en alarmindicatie op het
dashboard dooft om aan te geven dat niet
alle delen van de auto zijn vergrendeld.
Raak het met rubber beklede drukplaatje
onder aan de handgreep van de achterklep voorzichtig aan om de achterklep te
openen. Als de achterklep niet binnen
2 minuten na ontgrendeling wordt
geopend, wordt de klep weer vergrendeld
en het alarm opnieuw geactiveerd.
2.
Bereik transpondersleutel
Voor een goede werking van de transpondersleutel moet de sleutel zich binnen een bepaalde
afstand van de auto bevinden.
Bij handmatig gebruik
De transpondersleutelfuncties voor bijvoorbeeld
vergrendeling en ontgrendeling die worden geacof
, werken
tiveerd bij het indrukken van
binnen een straal van zo'n 20 meter (65 voet)
rond de auto.
Als de auto niet reageert bij bediening van een
knop – probeer het dan op minder grote afstand
opnieuw.
Bij passief* gebruik
Met de optie elektrische achterklepbediening* -
Gerelateerde informatie
248
Vergrendelen en ontgrendelen met transpondersleutel (p. 246)
•
Elektrisch bedienbare achterklep* openen en
sluiten (p. 276)
N.B.
Er kunnen storingen optreden in de transpondersleutelfuncties door radiogolven in de
lucht, omringende gebouwen, topografische
omstandigheden e.d. Het is altijd mogelijk de
auto te vergrendelen/ontgrendelen met het
sleutelblad.
Bij verwijdering van de
transpondersleutel uit de auto
Als de transpondersleutel bij een draaiende motor uit de auto wordt verwijderd, verschijnt de waarschuwingsmelding Sleutel niet gevonden Uit auto
verwijderd op het bestuurdersdisplay en klinkt
er als het laatste portier wordt gesloten ter herinnering ook een geluidssignaal.
Druk lang (zo'n 1,5 seconde) op de knop
van de transpondersleutel
> De achterklep wordt ontgrendeld en
geopend, terwijl de zijportieren vergrendeld blijven en het alarm op de portieren
actief blijft.
•
Voor passieve vergrendeling/ontgrendeling moet
een transpondersleutel of de transpondersleutel
zonder knoppen Key Tag zich binnen een straal
van zo'n 1,5 meter (5 voet) rond de zijkanten of
zo'n 1 meter (3 voet) rond de achterklep van de
auto bevinden.
Het gemarkeerde gebied op de afbeelding geeft het
bereik van de systeemantennes aan.
De melding verdwijnt wanneer u, nadat de transpondersleutel weer in de auto aanwezig is, op de
knop O van de rechter stuurknoppenset drukt of
wanneer u het laatste portier weer sluit.
* Optie/accessoire.
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
een transpondersleutel (p. 244)
Batterij in transpondersleutel
vervangen
Locatie antennes voor start- en vergrendelingssysteem (p. 271)
Vervang de batterij in de transpondersleutel
wanneer deze leeg is.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Keyless vergrendeling/ontgrendeling en aanraakgevoelige zones* (p. 268)
N.B.
Alle accu's hebben een beperkte levensduur
en moeten uiteindelijk worden vervangen
(geldt niet voor Key Tag). De levensduur van
de accu hangt af van het feit hoe vaak de
auto/sleutel wordt gebruikt.
N.B.
Ga altijd dichter bij de auto staan en probeer
dan opnieuw te ontgrendelen.
De batterij in de transpondersleutel zonder knoppen4 (Key Tag) kan niet worden vervangen - een
nieuwe sleutel is te bestellen bij een erkende
Volvo-werkplaats.
BELANGRIJK
Lever een uitgediende Key Tag in bij een
erkende Volvo-werkplaats. De sleutel moet uit
de auto worden gewist, omdat die nog steeds
kan worden gebruikt om de auto te starten
met back-upstart.
U moet de batterij in de transpondersleutel vervangen in de volgende gevallen
4
Bij auto's met passieve vergrendeling/ontgrendeling*.
•
het informatiesymbool gaat branden en de
melding Batt. sleutel bijna leeg op het
bestuurdersdisplay verschijnt
•
de sloten herhaalde malen achtereen niet
reageren op het signaal van een transpondersleutel die zich binnen een straal van
20 meter (65 voet) rond de auto bevindt.
}}
* Optie/accessoire. 249
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
||
Sleutel openen en batterij vervangen
Houd de transpondersleutel met de voorzijde zichtbaar en het logo van Volvo naar de
juiste kant. Schuif de knop bij de sleutelring
aan de onderkant naar rechts. Schuif de
behuizing aan de voorkant een paar millimeter omhoog.
De behuizing komt los en is van de sleutel te nemen.
250
Keer de sleutel om, beweeg de knop
opzij en schuif de behuizing van de achterkant enkele millimeters omhoog.
De behuizing komt los en is van de sleutel te nemen.
Gebruik bijvoorbeeld een schroevendraaier
om het batterijklepje linksom te kunnen
draaien, zodat deze markering uitkomt bij de
tekst OPEN.
Verwijder voorzichtig het batterijklepje door
bijvoorbeeld uw nagel in de uitsparing te
drukken.
Werk het batterijklepje vervolgens naar
boven toe los.
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
N.B.
Volvo adviseert u om batterijen voor de transpondersleutel te gebruiken die voldoen aan
UN Manual of Test and Criteria, Part III, subsection 38.3. Voor batterijen die in de fabriek
zijn geplaatst of in een erkende Volvo-werkplaats zijn vervangen is dit het geval.
De +-kant van de batterij wijst naar boven.
Wrik vervolgens de batterij voorzichtig los
zoals op de afbeelding.
BELANGRIJK
Raak nieuwe accu's en hun contactvlakken
niet met uw vingers aan, aangezien de werking hierdoor verslechtert.
Plaats een nieuwe batterij met de pluszijde
(+) omhoog. Vermijd de batterijcontacten van
de transpondersleutel met uw vingers aan te
raken.
Plaats de batterij met de kant omlaag in
de houder. Schuif de batterij daarna naar
voren, zodat deze vast komt te zitten onder
de twee kunststof pallen.
Druk de batterij vervolgens omlaag, zodat
deze vast komt te zitten onder de bovenste
zwarte kunststof pal.
Plaats het batterijklepje terug en draai de
markering rechtsom terug naar de tekst
CLOSE.
N.B.
Gebruik batterijen met de aanduiding
CR2032, 3 V.
}}
251
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Meer transpondersleutels
nabestellen
||
Bij de auto worden twee transpondersleutels
geleverd. Bij een auto met passieve vergrendeling/ontgrendeling* wordt een transpondersleutel zonder knoppen geleverd. Er zijn meer sleutels bij te stellen.
Plaats de behuizing aan de achterkant
terug en druk die omlaag totdat u een klik
hoort.
Keer de transpondersleutel om en plaats
de behuizing aan de voorkant terug door
deze omlaag te drukken totdat u een klik
hoort.
Schuif daarna de behuizing terug.
> Nog een klik geeft aan dat de behuizing
weer in positie vastzit.
Schuif daarna de behuizing terug.
> Nog een klik geeft aan dat de behuizing
in positie zit.
BELANGRIJK
Let erop dat lege batterijen op een milieuvriendelijke manier worden verwerkt.
Gerelateerde informatie
•
een transpondersleutel (p. 244)
Voor dezelfde auto kunnen maximaal twaalf sleutels worden geprogrammeerd en gebruikt. Bij
nabestellen worden er meer bestuurdersprofielen
toegevoegd – één per nieuwe transpondersleutel.
Dit geldt ook voor de transpondersleutel zonder
knoppen.
Zoekgeraakte transpondersleutel
Bij verlies van een transpondersleutel kunt u een
nieuwe bestellen bij een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Neem de resterende transpondersleutels mee
naar de werkplaats. Ter preventie van diefstal
moet de code van de zoekgeraakte sleutel uit het
systeem worden gewist.
Hoeveel sleutels er voor de auto geprogrammeerd zijn kunt u controleren via de bestuurdersprofielen op het hoofdscherm van het middendisplay: kies Instellingen Systeem
Bestuurdersprofielen.
Gerelateerde informatie
•
252
een transpondersleutel (p. 244)
* Optie/accessoire.
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Red Key – transpondersleutel met
beperkte functionaliteit*
Dankzij een Red Key kan de autobezitter beperkingen instellen voor bepaalde eigenschappen
van de auto. Dergelijke beperkingen moeten
ervoor zorgen dat de auto op veilige wijze wordt
bestuurd, zoals bij het uitlenen.
Red Key- bestuurdersprofiel
Instellingen voor Red Key*
Een Red Key is gekoppeld aan een bepaald Red
Key-bestuurdersprofiel en wanneer dit profiel
actief is, zijn de sleutelinstellingen niet te wijzigen. Het is evenmin mogelijk om over te schakelen op een ander bestuurdersprofiel, want daarvoor hebt u een standaardtranspondersleutel
nodig.
De bezitter van een standaardtranspondersleutel
kan de instellingen voor een Red Key wijzigen.
Bepaalde rijhulpsystemen zijn echter altijd actief.
Het Red Key-bestuurdersprofiel wordt geactiveerd, wanneer u de auto ontgrendelt via een
Red Key zonder dat er een standaardtranspondersleutel in de buurt is.
N.B.
Na het wisselen van bestuurder moet u voor
activering van een nieuw bestuurdersprofiel
de auto eerst vergrendelen en weer ontgrendelen.
Voor een Red Key kunt u de maximale rijsnelheid
programmeren, snelheidswaarschuwingen instellen en beperkingen instellen voor het maximale
volume van het audiosysteem. Bovendien zijn
bepaalde rijhulpsystemen van de auto altijd actief.
De functies van deze sleutel zijn verder gelijk aan
die van een standaardtranspondersleutel.
De beperkte functionaliteit dient uit voorzorg om
het risico van ongelukken te beperken, zodat u
zich minder zorgen hoeft te maken bij het afgeven van uw auto aan bijvoorbeeld jonge bestuurders en parkeer- of hotelbedienden.
Red Key bestellen
U kunt een of meer Red Key bestellen bij een
Volvo-dealer. Er zijn in totaal elf transpondersleutels met beperkte functionaliteit te programmeren en te gebruiken voor één en dezelfde auto –
er moet minstens één transpondersleutel in standaarduitvoering aan de auto zijn gekoppeld.
Gerelateerde informatie
•
•
Instellingen voor Red Key* (p. 253)
Om de instelling te wijzigen:
1.
Vergrendel de auto met de standaardtranspondersleutel.
2.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm van
het middendisplay.
3.
Tik op Systeem Bestuurdersprofielen
Rode sleutel.
> De volgende instellingen zijn mogelijk:
• Stel interval Adaptive Cruise
Control in*
• Beperkt maximum volume
• Maximum snelheid
• Waarschuwing max. snelheid
Gedetailleerde informatie en
instellingen bij het eerste gebruik
Stel interval Adaptive Cruise Control in
Interval instellen (1 is kortste en 5 is langste
interval).
Bij het eerste gebruik is de instelling 5.0.
een transpondersleutel (p. 244)
}}
* Optie/accessoire. 253
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
||
Beperkt maximum volume
Lager maximum volume voor
mediabronnen.
Bij het eerste gebruik staat de functie "Aan".
Maximum snelheid
Maximum snelheid inst. voor sleutel.
Bij het eerste gebruik staat de functie "Aan" en
is de snelheid 120 km (75 mph).
•
•
Instelinterval: 50-250 km/h (30-160 mph)
Stapgrootte: 1 km/h (1 mph)
•
•
•
•
•
•
Blind Spot Information (BLIS)*
Afneembaar sleutelblad
Rijbaanassistent (LKA)*
De transpondersleutel bevat een afneembaar
metalen sleutelblad, waarmee u een aantal functies kunt activeren en bepaalde handelingen
kunt uitvoeren.
Afstandswaarschuwing*
City Safety
Driver Alert Control (DAC)*
Verkeersbordinformatie*
Gerelateerde informatie
•
De unieke code van de sleutelbladen is bekend
bij de erkende Volvo-werkplaatsen, waar ook
nieuwe sleutelbladen kunnen worden besteld.
Red Key – transpondersleutel met beperkte
functionaliteit* (p. 253)
Symbool voor snelheidsbegrenzing.
Waarschuwing max. snelheid
Waarsch. als auto ingest. waarden
overschrijdt.
Bij het eerste gebruik staat de functie "Aan" en
worden de snelheidswaarden 50, 70 en 90 km
(30, 45 en 55 mph) gehanteerd.
•
•
•
Instelinterval: 0-250 km/h (0-160 mph)
Stapgrootte: 1 km/h (1 mph)
Maximumaantal gelijktijdige waarschuwingen:
6
Rijhulpsystemen
De volgende rijhulpsystemen zijn altijd actief voor
gebruikers met een Red Key:
254
* Optie/accessoire.
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Toepassingsgebieden van het
sleutelblad
Sleutelblad verwijderen
U kunt het afneembare sleutelblad van de transpondersleutel gebruiken om
•
het linker voorportier5 handmatig te openen,
als de centrale vergrendeling niet te bedienen is vanaf de transpondersleutel
•
alle portieren in noodgevallen te vergrendelen
•
het mechanische kinderslot op de achterportieren te activeren en deactiveren.
De transpondersleutel zonder knoppen6 heeft
geen afneembaar sleutelblad. Gebruik zo nodig
het afneembare sleutelblad van de standaardtranspondersleutel.
Houd de transpondersleutel met de voorzijde zichtbaar en het logo van Volvo naar de
juiste kant. Schuif de knop bij de sleutelring
aan de onderkant naar rechts. Schuif de
behuizing aan de voorkant een paar millimeter omhoog.
Verwijder het sleutelblad door het
omhoog te kantelen.
De behuizing komt los en is van de sleutel te nemen.
5
6
Dit geldt ongeacht of het stuur van de auto aan de linker- of de rechterzijde zit.
Bij auto's met passieve vergrendeling/ontgrendeling*.
}}
* Optie/accessoire. 255
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
||
Vergrendelen en ontgrendelen met
afneembaar sleutelblad
5.
Het afneembare sleutelblad is onder meer te
gebruiken om de auto van de buitenzijde te ontgrendelen – als bijvoorbeeld de batterij in de
transpondersleutel leeg is.
Het vergrendelen gaat op dezelfde manier. Daarbij wordt dan bij stap (3) 45 graden linksom
gedraaid in plaats van rechtsom.
Ontgrendelen
Zet het sleutelblad na gebruik op de daarvoor bestemde plaats terug in de transpondersleutel.
Plaats de behuizing terug door deze
omlaag te drukken totdat u een klik hoort.
Schuif daarna de behuizing terug.
> Nog een klik geeft aan dat de behuizing
in positie zit.
Gerelateerde informatie
Trek de voorste portiergreep links naar buiten7 totdat deze niet verder kan. De slotcilinder komt dan tevoorschijn.
•
Vergrendelen en ontgrendelen met afneembaar sleutelblad (p. 256)
Plaats de sleutel in de slotcilinder.
•
een transpondersleutel (p. 244)
Draai 45 graden rechtsom. Het sleutelblad
wijst dan recht omlaag.
Draai de sleutel 45 graden terug naar de
beginstand. Neem de sleutel uit de slotcilinder en laat de handgreep los, zodat de achterkant van de handgreep weer tegen de
auto aan veert.
7
256
Dit geldt ongeacht of het stuur van de auto links of rechts zit.
Trek de handgreep naar buiten.
> Het portier wordt ontgrendeld.
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Alarm uitschakelen*
N.B.
Wanneer u het portier met het sleutelblad
ontgrendelt en vervolgens opent, gaat het
alarm af.
tel: bij stroomuitval bijvoorbeeld of als de batterij
in de transpondersleutel leeg is.
Het portier is zowel vanaf de buitenzijde als
vanaf de binnenzijde te openen.
Het linker voorportier is te vergrendelen met de
bijbehorende slotcilinder en het afneembare
sleutelblad.
Het portier is niet vanaf de buitenzijde te
openen. Om terug te keren naar stand A
moet de binnengreep van het portier worden
geopend.
De overige portieren hebben geen slotcilinders,
maar zijn voorzien van een vergrendeling op de
zijkant van het portier die moet worden ingedrukt
met het sleutelblad, waarna het portier mechanisch is vergrendeld en niet meer van de buitenzijde kan worden geopend.
De portieren zijn ook te ontgrendelen met de
ontgrendelingsknop op de transpondersleutel of
de knop voor centrale vergrendeling op het
bestuurdersportier.
N.B.
De portieren zijn echter nog steeds vanaf de binnenzijde te openen.
Positie back-uplezer in bekerhouder.
Schakel het alarm uit door:
1.
Plaats de transpondersleutel op het sleutelsymbool in de back-uplezer onder in de
bekerhouder van de tunnelconsole.
2.
Draai de startknop vervolgens rechtsom en
laat de knop weer los.
> Het alarmsignaal valt stil en het alarm
wordt uitgeschakeld.
Vergrendelen
U kunt de auto ook vergrendelen met het
afneembare sleutelblad van de transpondersleu-
•
De vergrendeling van een portier dient
alleen om het desbetreffende portier te
vergrendelen – dus niet alle portieren.
•
Een handmatig vergrendeld achterportier
waarvan ook het mechanische kinderslot
geactiveerd is, kan niet van de binnenzijde noch van de buitenzijde worden
geopend. Een achterportier dat op die
manier is vergrendeld, kan alleen worden
ontgrendeld met een transpondersleutel
of de knop van de centrale vergrendeling.
Gerelateerde informatie
Portier handmatig vergrendelen. Niet te verwarren met
het kinderslot.
–
Verwijder het afneembare sleutelblad uit de
transpondersleutel. Steek het sleutelblad in
de vergrendelopening en druk de sleutel er
helemaal in, ca. 12 mm (0,5 inch).
•
•
•
•
Afneembaar sleutelblad (p. 254)
Alarm* activeren en deactiveren (p. 284)
Batterij in transpondersleutel vervangen
(p. 249)
een transpondersleutel (p. 244)
* Optie/accessoire. 257
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Elektronische startblokkering
De elektronische startblokkering is een anti-diefstalsysteem dat voorkomt dat onbevoegden de
auto kunnen starten.
De volgende foutmelding op het bestuurdersdisplay houdt verband met de op afstand bediende
startblokkering met opsporingssysteem:
Symbool
De auto kan alleen worden gestart met de juiste
transpondersleutel.
De volgende foutmelding op het bestuurdersdisplay houdt verband met de elektronische startblokkering:
Symbool
Melding
Betekenis
Sleutel
niet
gevonden
Fout bij het uitlezen
van de transpondersleutel tijdens het
starten – plaats de
sleutel op het sleutelsymbool in de
bekerhouder en probeer het opnieuw.
Zie handleiding
Immobilisatie op
afst.
De op afstand
bediende startblokkering met opsporingssysteem is
geactiveerd. De
auto is niet te starten. Neem contact
op met de Volvo On
Call-helpdesk.
Gerelateerde informatie
•
•
De auto is uitgerust met een systeem waarmee
het mogelijk is om de auto op te sporen en te
lokaliseren alsmede op afstand de startblokkering te activeren zodat de motor niet meer te
starten is. Neem contact op met de dichtstbijzijnde Volvo-dealer voor meer informatie over het
systeem en hulp bij de activering ervan.
258
Betekenis
Auto kan
niet worden
gestart
Op afstand bediende startblokkering
met opsporingssysteem8
8 Alleen
Melding
bepaalde markten en uitsluitend in combinatie met Volvo On Call.
een transpondersleutel (p. 244)
Meer transpondersleutels nabestellen
(p. 252)
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Typegoedkeuring voor
transpondersleutels
De typegoedkeuring voor de transpondersleutels
van de auto staan in de volgende tabellen.
Passief starten (Passive Start) en
passieve vergrendeling/ontgrendeling
(Passive Entry*)
Voor meer informatie over de typegoedkeuring,
zie support.volvocars.com.
CEM-markering voor transpondersleutels. Zie de volgende tabellen voor aanvullende typegoedkeuringsnummers.
Land/regio
Typegoedkeuring
Europa
Delphi Deutschland GmbH, 42367 Wuppertal, verklaart bij dezen dat de
VO3-134TRX in overeenstemming is met de essentiële eisen en overige
toepasselijke bepalingen van de Richtlijn 2014/53/EU (RED).
De volledige tekst van de EU-conformiteitsverklaring is te vinden op
support.volvocars.com.
Jordanië
TRC/LPD/2014/250
Servië
P1614120100
Argentinië
CNC ID: C-14771
}}
* Optie/accessoire. 259
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
||
Land/regio
Typegoedkeuring
Brazilië
MT-3245/2015
Indonesië
Nomor: 38301/SDPPI/2015
Maleisië
RAAT/37A/1215/S(15-5198)
Mexico
IFETEL: RLVDEVO15-0396
Rusland
Verenigde Arabische
Emiraten
260
ER37847/15
DA0062437/11
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Land/regio
Typegoedkeuring
Namibië
TA-2016-02
Zuid-Afrika
TA-2014-1868
een transpondersleutel
Land/regio
Typegoedkeuring
Europa
Huf Hülsbeck & Fürst GmbH & Co. KG verklaart bij dezen dat de radioapparatuur van
het type HUF8423 in overeenstemming is met de Richtlijn 2014/53/EU.
De volledige tekst van de EU-conformiteitsverklaring is te vinden op
support.volvocars.com.
Frequentieband: 433,92 MHz
Uitgezonden maximaal radiofrequent vermogen: 10 mW
Producent: Huf Hülsbeck & Fürst GmbH & Co. KG, Steeger Str. 17, 42551 Velbert,
Duitsland
Jordanië
TRC/LPD/2015/104
}}
261
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
||
Land/regio
Typegoedkeuring
Marokko
AGREE PAR L'ANRT MAROC
Numéro d’agrément: MR 10668 ANRT 2015
Date d’agrément: 24/07/2015
Mexico
IFETEL
Marca: HUF
Modelo (s): HUF8423
NOM-121-SCT1-2009
La operación de este equipo está sujeta a las siguientes dos condiciones: (1) es
posible que este equipo o dispositivo no cause interferencia perjudicial y (2) este
equipo o dispositivo debe aceptar cualquier interferencia, incluyendo la que pueda
causar su operación no deseada.
Namibië
262
TA-2015-102
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Land/regio
Typegoedkeuring
Oman
Servië
}}
263
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
||
Land/regio
Typegoedkeuring
Zuid-Afrika
TA-2015-432
Verenigde Arabische Emiraten
Key Tag
Land/regio
Typegoedkeuring
Europa
Huf Hülsbeck & Fürst GmbH & Co. KG verklaart bij dezen dat de radioapparatuur van
het type HUF8432 in overeenstemming is met de Richtlijn 2014/53/EU.
De volledige tekst van de EU-conformiteitsverklaring is te vinden op
support.volvocars.com.
Frequentieband: 433,92 MHz
Uitgezonden maximaal radiofrequent vermogen: 10 mW
Producent: Huf Hülsbeck & Fürst GmbH & Co. KG, Steeger Str. 17, 42551 Velbert,
Duitsland
Jordanië
264
TRC/LPD/2015/107
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Land/regio
Typegoedkeuring
Marokko
AGREE PAR L'ANRT MAROC
Numéro d’agrément: MR 10667 ANRT 2015
Date d’agrément: 24/07/2015
Mexico
IFETEL
Marca: HUF
Modelo (s): HUF8432
NOM-121-SCT1-2009
La operación de este equipo está sujeta a las siguientes dos condiciones: (1) es
posible que este equipo o dispositivo no cause interferencia perjudicial y (2) este
equipo o dispositivo debe aceptar cualquier interferencia, incluyendo la que pueda
causar su operación no deseada.
Namibië
TA-2015-103
}}
265
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
||
Land/regio
Oman
Servië
266
Typegoedkeuring
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Land/regio
Typegoedkeuring
Zuid-Afrika
TA-2015-414
Verenigde Arabische Emiraten
Gerelateerde informatie
•
een transpondersleutel (p. 244)
267
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Keyless vergrendeling/
ontgrendeling en aanraakgevoelige
zones*
Dankzij de passieve vergrendeling en ontgrendeling hoeft u de transpondersleutel alleen in een
binnenzak of tas bij u te dragen. De auto wordt
vergrendeld of ontgrendeld via een aanraakgevoelige zone op de portiergreep.
N.B.
Het is belangrijk dat u slechts één aanraakgevoelig vlak tegelijk aanraakt. Als u de handgreep beetpakt terwijl u het slotoppervlak
aanraakt, bestaat het risico van dubbele commando's. Dat betekent dat de verlangde activiteit (vergrendelen/ontgrendelen) niet of met
vertraging zal plaatsvinden.
Gerelateerde informatie
•
Passief vergrendelen en ontgrendelen*
(p. 269)
•
Achterklep passief ontgrendelen* (p. 270)
Aanraakgevoelige zones
Portiergrepen
Aan de buitenkant van de portiergrepen zit een
verdieping voor vergrendeling en aan de binnenkant een aanraakgevoelige zone voor ontgrendeling.
Aanraakgevoelige holte voor vergrendeling
Aanraakgevoelige zone voor ontgrendeling
268
Handgreep van de achterklep
De handgreep van de achterklep heeft een met
rubber bekleed drukplaatje, dat alleen voor ontgrendeling dient.
N.B.
Let erop dat het systeem kan worden geactiveerd bij het wassen van de auto als de transpondersleutel binnen bereik is.
* Optie/accessoire.
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Passief vergrendelen en
ontgrendelen*
Bij een auto met passieve vergrendeling en ontgrendeling hoeft u voor het ontgrendelen van de
auto alleen op de aanraakgevoelige zone van de
handgreep van het portier te drukken.
N.B.
Vergrendeling en ontgrendeling zijn alleen
mogelijk wanneer een van de transpondersleutels van de auto zich binnen bereik bevindt.
Aanraakgevoelige holte voor vergrendeling
Aanraakgevoelige zone voor ontgrendeling
9
Geldt bij elektrische achterklepbediening*.
N.B.
Let erop dat het systeem kan worden geactiveerd bij het wassen van de auto als de transpondersleutel binnen bereik is.
Passief vergrendelen
Alle portieren en de achterklep moeten dichtstaan om de auto te vergrendelen via de handgrepen van de zijportieren.
–
Passief ontgrendelen
–
Pak een portiergreep beet of druk voor ontgrendeling lichtjes op het met rubber
beklede drukplaatje aan de onderzijde van de
handgreep van de achterklep.
> De vergrendelingsindicatie op het dashboard bevestigt dat de auto is ontgrendeld door te stoppen met knipperen.
Raak na het sluiten van het portier het
gemarkeerde gebied aan de achter- en buitenkant van een de portiergrepen aan. Of
aan de onderzijde9 van
druk op de knop
de achterklep voordat u de klep sluit.
> De vergrendelingsindicatie op het dashboard bevestigt door te gaan knipperen
dat er vergrendeling heeft plaatsgevonden.
Om alle zijruiten en het panoramadak* tegelijkertijd te sluiten moet u uw vinger in de aanraakgevoelige holte aan de buitenkant van de portiergreep houden totdat de zijruiten en het panoramadak dichtstaan.
Het met rubber beklede drukplaatje op de achterklep is
alleen te gebruiken voor ontgrendeling.
Automatische hervergrendeling
Als u geen van de portieren noch de achterklep
binnen twee minuten na ontgrendeling van de
buitenzijde met de transpondersleutel opent, worden deze automatisch weer vergrendeld. Deze
functie beperkt de kans dat u de auto per ongeluk onvergrendeld kunt laten staan.
}}
* Optie/accessoire. 269
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
||
Gerelateerde informatie
•
Instellingen voor passieve ontgrendeling*
(p. 270)
•
•
Achterklep passief ontgrendelen* (p. 270)
Keyless vergrendeling/ontgrendeling en aanraakgevoelige zones* (p. 268)
Instellingen voor passieve
ontgrendeling*
U kunt verschillende procedures voor passieve
ontgrendeling kiezen.
Om de instelling te wijzigen:
1.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm van
het middendisplay.
2.
Tik op My Car Vergrendeling
Sleutelloos ontgrendelen
3.
Kies een alternatief:
Achterklep passief ontgrendelen*
Bij een auto met passieve vergrendeling en ontgrendeling hoeft u voor het ontgrendelen van de
achterklep alleen op de aanraakgevoelige zone
van de handgreep van de achterklep te drukken.
N.B.
Ontgrendeling is alleen mogelijk wanneer een
van de transpondersleutels van de auto zich
binnen bereik achter de auto bevindt.
• Alle portieren – ontgrendelt alle portieren tegelijkertijd.
• Een portier – ontgrendelt het gekozen
portier.
Gerelateerde informatie
•
Passief vergrendelen en ontgrendelen*
(p. 269)
•
Keyless vergrendeling/ontgrendeling en aanraakgevoelige zones* (p. 268)
De achterklep wordt dichtgehouden door een
elektrische vergrendeling.
270
* Optie/accessoire.
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Om te openen:
Gerelateerde informatie
1.
Druk lichtjes op het met rubber beklede
drukplaatje onder op de handgreep van de
achterklep.
> De vergrendeling wordt ontkoppeld.
•
Passief vergrendelen en ontgrendelen*
(p. 269)
•
Keyless vergrendeling/ontgrendeling en aanraakgevoelige zones* (p. 268)
Til de buitenste handgreep helemaal omhoog
om de achterklep te openen.
•
•
Bereik transpondersleutel (p. 248)
2.
Locatie antennes voor start- en
vergrendelingssysteem
In de auto zijn een antenne voor het startsysteem
en antennes voor de passieve vergrendeling*
geïntegreerd.
Achterklep openen en sluiten met een
schopbeweging* (p. 279)
BELANGRIJK
•
De achterklep is met heel weinig kracht te
ontgrendelen – druk gewoon lichtjes op
het met rubber beklede plaatje.
•
Breng geen druk aan op het met rubber
beklede plaatje bij het openen van de achterklep – maar til de handgreep op. Bij te
veel druk kan de elektrische schakelaar in
het met rubber beklede plaatje beschadigd
raken.
De achterklep is ook handsfree te ontgrendelen
met een schopbeweging onder de achterbumper,
zie het desbetreffende gedeelte.
WAARSCHUWING
Rijd niet met een geopende achterklep. Via
de bagageruimte kunnen er giftige uitlaatgassen in de auto worden gezogen.
10
Alleen bij auto's met passieve vergrendeling en ontgrendeling*.
Antennelocaties:
Onder de bekerhouder voor in de tunnelconsole
Voor aan de bovenkant van het linker achterportier10
Voor aan de bovenkant van het rechter achterportier10
In de bagageruimte10
}}
* Optie/accessoire. 271
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
||
WAARSCHUWING
Personen met een pacemaker mogen niet
dichter dan 22 cm (9 inch) bij de antennes
van het Keyless-systeem komen. Hierdoor
voorkomt u storingen tussen de pacemaker
en het Keyless-systeem.
Vergrendelen en ontgrendelen van
de binnenzijde van de auto
Alternatieve ontgrendelingsmethode
De portieren en de achterklep zijn te vergrendelen en ontgrendelen met de knop voor centrale
vergrendeling op de voorportieren.
Centrale vergrendeling
Gerelateerde informatie
•
Keyless vergrendeling/ontgrendeling en aanraakgevoelige zones* (p. 268)
•
Bereik transpondersleutel (p. 248)
Openingsgreep voor alternatieve ontgrendeling op zijportier11.
–
Knop voor vergrendeling en ontgrendeling op voorportier
met controlelampje.
Ontgrendelen met de knop op het
voorportier
–
11
272
Druk op de knop
om alle portieren en
achterklep te ontgrendelen.
Trek een van de openingsgrepen van de zijportieren naar buiten en laat los.
> Afhankelijk van de instellingen voor de
transpondersleutel zullen ofwel alle portieren ontgrendeld ofwel alleen het aangegeven portier ontgrendeld en geopend
worden.
Druk om deze instelling aan te passen op
Instellingen My Car
Vergrendeling Op afstand en van
binnenuit ontgrendelen in het hoofdscherm van het middendisplay.
De afbeelding is schematisch, zodat er afhankelijk van het model afwijkingen mogelijk zijn.
* Optie/accessoire.
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Vergrendelen met de knop op het
voorportier
–
Druk op de knop
– beide voorportieren
moeten dichtstaan.
> Alle portieren en de achterklep zijn vergrendeld.
Gerelateerde informatie
•
Instellingen voor ontgrendeling op afstand en
van de binnenzijde (p. 247)
•
Achterklep ontgrendelen vanaf de binnenzijde (p. 273)
•
Kinderslot activeren en deactiveren (p. 274)
Achterklep ontgrendelen vanaf de
binnenzijde
De achterklep is van de binnenzijde te ontgrendelen met de knop op het instrumentenpaneel.
Vergrendelen met de knop op het
achterportier*
–
Knop voor vergrendelen in achterportier met led.
Met de vergrendelingsknoppen op de achterportieren zijn de desbetreffende achterportier te vergrendelen.
Druk kort op knop
op het dashboard.
> De achterklep is van de buitenzijde te ontgrendelen en te openen door het met rubber beklede drukplaatje vast te pakken.
Met de optie elektrische achterklepbediening* :
–
Druk lang op de knop
op het dashboard.
> De achterklep wordt geopend.
Achterportier ontgrendelen
–
12
Trek aan de openingsgreep.
> Het achterportier wordt ontgrendeld en
geopend12.
Op voorwaarde dat het kinderslot niet is geactiveerd.
}}
* Optie/accessoire. 273
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
||
Gerelateerde informatie
•
Vergrendelen en ontgrendelen van de binnenzijde van de auto (p. 272)
•
Elektrisch bedienbare achterklep* openen en
sluiten (p. 276)
Kinderslot activeren en deactiveren
Het kinderslot voorkomt dat de achterportieren
vanaf de binnenzijde kunnen worden geopend.
N.B.
•
De vergrendelbus van een portier dient
alleen om het desbetreffende portier te
vergrendelen – dus niet beide achterportieren.
•
Op auto’s met een elektrisch kinderslot
zit geen handmatig kinderslot.
Het kinderslot is van het mechanische of elektrische* type.
Mechanisch kinderslot activeren en
deactiveren
Elektrisch* kinderslot activeren en
deactiveren
Het elektrische kinderslot is in alle contactslotstanden anders dan 0 te activeren en deactiveren
en dat binnen 2 minuten na het afzetten van de
auto, op voorwaarde dat er geen portier wordt
geopend.
Mechanisch kinderslot. Niet te verwarren met de mechanische portiervergrendeling.
–
Maak gebruik van het afneembare sleutelblad van de transpondersleutel om de cilinder te verdraaien.
Het portier is niet vanaf de binnenzijde te
openen.
Het portier is zowel vanaf de buitenzijde als
vanaf de binnenzijde te openen.
274
Knop voor elektrische activering en deactivering.
1.
Start de auto of kies een contactslotstand
anders dan 0.
* Optie/accessoire.
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
2.
Druk op de bijbehorende knop van het
bedieningspaneel op het bestuurdersportier.
> Op het bestuurdersdisplay staat de melding Kinderslot achter Geactiveerd en
het lampje in de knop brandt – het slot is
geactiveerd.
Symbool
•
Kinderslot achter Geactiveerd
Het kinderslot
is geactiveerd.
Kinderslot achter Gedeactiveerd
Het kinderslot
is gedeactiveerd.
zijruiten alleen vanaf het bedieningspaneel
op het bestuurdersportier te bedienen
Gerelateerde informatie
portieren niet van de binnenkant te openen.
•
Vergrendelen en ontgrendelen van de binnenzijde van de auto (p. 272)
•
Afneembaar sleutelblad (p. 254)
Om het slot uit te zetten:
–
Betekenis
Druk op de bijbehorende knop van het
bedieningspaneel op het bestuurdersportier.
> Op het bestuurdersdisplay staat de melding Kinderslot achter Gedeactiveerd
en het lampje in de knop dooft – het slot
is geïnactiveerd.
Automatische vergrendeling bij het
wegrijden
Bij het wegrijden worden de portieren en de
achterklep automatisch vergrendeld.
Om deze instelling te wijzigen:
Wanneer het elektrische kinderslot actief is, zijn
de achterste
•
Melding
1.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm van
het middendisplay.
2.
Tik op My Car
3.
Selecteer Aut. portiervergrendeling
tijdens rijden om de functie te deactiveren
of activeren.
Vergrendeling.
Gerelateerde informatie
•
Vergrendelen en ontgrendelen van de binnenzijde van de auto (p. 272)
Wanneer u de auto uitschakelt wordt de actuele
instelling vastgelegd – als het kinderslot geactiveerd was tijdens het uitschakelen van de auto,
dan is de functie de volgende keer dat u de auto
start eveneens actief.
275
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Elektrisch bedienbare achterklep*
openen en sluiten
Functie die het mogelijk maakt om de achterklep
met één druk op een knop te openen en te sluiten.
Openen
Open de elektrisch bediende achterklep op een
van de volgende manieren:
–
–
276
–
Schopbeweging* onder de achterbumper.
Sluiten
Sluit13 de elektrisch bediende achterklep op een
van de volgende manieren:
Druk knop
op de transpondersleutel
langdurig in. Houd de knop ingedrukt totdat
de achterklep een stukje openveert.
–
13
Druk knop
op het instrumentenpaneel
langdurig in. Houd de knop ingedrukt totdat
de achterklep een stukje openveert.
Druk lichtjes op handgreep van de achterklep.
Een auto die is uitgerust met passieve vergrendeling en ontgrendeling* heeft een knop voor sluiten plus een knop voor sluiten en vergrendelen.
* Optie/accessoire.
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Druk op de knop
aan de onderzijde van
de achterklep om deze te sluiten.
> De achterklep sluit automatisch maar
wordt niet vergrendeld.
–
–
Druk lang op de knop
op de transpondersleutel.
> De achterklep sluit automatisch en er
klinkt een signaal – de achterklep blijft
onvergrendeld staan.
–
Druk lang op de knop
op het dashboard.
> De achterklep sluit automatisch en er
klinkt een signaal – de achterklep blijft
onvergrendeld staan.
–
Schopbeweging* onder de achterbumper.
> De achterklep sluit automatisch en er
klinkt een signaal – de achterklep blijft
onvergrendeld staan.
Sluiten en vergrendelen
Druk op de knop
op de onderkant van
de achterklep om de klep te sluiten en tegelijkertijd zowel de portieren als de achterklep
te vergrendelen13 (voor vergrendelen moeten
alle portieren zijn gesloten).
> De achterklep sluit automatisch – de achterklep en de portieren vergrendelen
automatisch en het alarm* wordt ingeschakeld.
–
N.B.
•
De knop is 24 uur actief nadat de klep is
opengelaten. Daarna moet u de klep handmatig sluiten.
•
Als de tankvulklep meer dan 30 minuten
open heeft gestaan, zal deze langzamer
worden gesloten.
N.B.
•
13
Een auto die is uitgerust met passieve vergrendeling en ontgrendeling* heeft een knop voor sluiten plus een knop voor sluiten en vergrendelen.
Vergrendeling en ontgrendeling zijn alleen
mogelijk wanneer een van de transpon-
}}
* Optie/accessoire. 277
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
dersleutels van de auto zich binnen bereik
bevindt.
||
•
Bij passief* vergrendelen of sluiten klinken
er drie signalen, als de sleutel niet dicht
genoeg bij de achterklep wordt waargenomen.
BELANGRIJK
Bij handmatige bediening van de achterklep
is het zaak de klep langzaam te openen of
sluiten. Duw de achterklep niet met kracht
open of dicht, als de achterklep weerstand
biedt. De achterklep kan beschadigd worden
en defect raken.
Openen of sluiten onderbreken
Onderbreek de opening of sluiting op een van de
volgende manieren:
•
•
•
Druk op de knop op het dashboard.
•
Druk op het met rubber beklede drukplaatje
onder de buitenhandgreep.
•
Druk op de knop op de transpondersleutel.
Druk op de sluitingsknop aan de onderzijde
van de achterklep.
Met een schopbeweging*.
De achterklepbeweging wordt onderbroken en
de achterklep komt tot stilstand. De achterklep is
daarna handmatig te bedienen.
278
Als de achterklep stopt in de buurt van de gesloten stand, zal de achterklep bij een volgende
handsfree activering worden geopend.
Voorgespannen veren
Inklembeveiliging
Als de achterklep tijdens het openen of sluiten in
zekere mate wordt gehinderd door een obstakel
treedt de inklembeveiliging in werking.
•
Bij openen – de beweging wordt onderbroken, de achterklepbeweging stopt en er
klinkt een lang signaal.
•
Bij sluiten – de beweging wordt onderbroken,
de achterklepbeweging stopt, er klinkt een
lang signaal en de achterklep keert terug
naar de geprogrammeerde maximale openingshoek.
De voorgespannen veren voor de elektrische achterklepbediening.
WAARSCHUWING
Open de voorgespannen veren van de elektrische achterklepbediening niet. De veren zijn
sterk voorgespannen en kunnen bij opening
letsel toebrengen.
WAARSCHUWING
Let op het gevaar voor beknelling tijdens het
openen/sluiten.
Controleer voor het openen of sluiten of er
niemand in de buurt van de achterklep staat,
omdat beknellingsletsel ernstige gevolgen
kan hebben.
Gerelateerde informatie
•
Maximale openingshoek voor elektrische
achterklepbediening* programmeren
(p. 279)
•
Achterklep openen en sluiten met een
schopbeweging* (p. 279)
•
Bereik transpondersleutel (p. 248)
Let altijd op bij bediening van de kofferklep.
* Optie/accessoire.
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Maximale openingshoek voor
elektrische achterklepbediening*
programmeren
N.B.
•
Stem de openingshoek van de achterklep af op
de dakhoogte.
De maximale openingshoek instellen:
1.
Achterklep openen; stopzetten in de gewenste openingspositie.
N.B.
Het is niet mogelijk een openingsstand te
programmeren waarbij de achterklep voor
minder dan de helft geopend is.
2.
Druk de knop
aan de onderzijde van de
achterklep ten minste 3 seconden in.
> Er klinken twee korte signalen en de desbetreffende stand is daarmee opgeslagen.
Resetten van de maximale openingshoek:
–
Beweeg de achterklep handmatig naar de
hoogst mogelijke stand – druk de knop
op de achterklep ten minste 3 seconden in.
> Er klinken twee signalen en de opgeslagen stand is daarmee gewist. De achterklep opent voortaan tot in de maximale
stand.
Om oververhitting tegen te gaan wordt
het systeem na langdurig en continu
gebruik automatisch even uitgeschakeld.
Ca. 2 minuten later is het opnieuw klaar
voor gebruik.
Gerelateerde informatie
•
Elektrisch bedienbare achterklep* openen en
sluiten (p. 276)
Achterklep openen en sluiten met
een schopbeweging*
Een handige functie wanneer u de handen vol
hebt, omdat u de achterklep kunt openen en
sluiten met een schopbeweging onder de achterbumper.
Bij een auto met passieve vergrendeling en ontgrendeling* is de achterklep te ontgrendelen met
een schopbeweging.
De functie voor het openen en sluiten van de
achterklep is alleen beschikbaar in combinatie
met elektrische achterklepbediening*.
N.B.
De handsfree achterklep is verkrijgbaar in
twee uitvoeringen:
•
een uitvoering die te openen en sluiten is
met een gerichte schopbeweging
•
een uitvoering die alleen te ontgrendelen
is met een gerichte schopbeweging (achterklep moet handmatig worden
geopend)
Let erop dat voor handsfree openen en sluiten de elektrische achterklepbediening* vereist is.
}}
* Optie/accessoire. 279
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Openen en sluiten met een
schopbeweging
||
Houd uw voet tijdens de schopbeweging niet
onder de auto, aangezien de activering hierdoor
kan mislukken.
Handsfree openen of sluiten onderbreken
– Maak tijdens het openen of sluiten van de
achterklep een langzame voorwaartse
schopbeweging om de beweging van de
achterklep te onderbreken.
Om het openen of sluiten van de achterklep te
onderbreken hoeft de transpondersleutel niet in
de buurt van de auto te zijn.
De sensor zit even links van het midden van de achterbumper.
Openen en sluiten zijn alleen mogelijk, wanneer
een van de transpondersleutels van de auto zich
binnen een straal van ca. 1 meter (3 voet) rond
de achterzijde van de auto bevindt. Dit geldt ook
bij een ontgrendelde auto om onbedoelde voetbediening zoals bij een wasbeurt van de auto te
voorkomen.
Schopbeweging binnen het activeringsbereik van de
sensor.
–
Maak een langzame, naar voren gerichte
schopbeweging onder het linker gedeelte
van de achterbumper. Doe daarna een stap
terug. U mag de bumper daarbij niet aanraken.
> Bij activering van de openings- of sluitingsfunctie klinkt een kort geluidssignaal
– de achterklep wordt geopend/gesloten.
Als de sensor meerdere schopbewegingen waarneemt zonder dat er een goedgekeurde transpondersleutel achter de auto wordt waargenomen, is de achterklep pas na enige vertraging te
openen.
280
Als de achterklep stopt in de buurt van de gesloten stand, zal de achterklep bij een volgende
handsfree activering worden geopend.
N.B.
Als de achterbumper bedekt is met een dikke
laag ijs, sneeuw, vuil en dergelijke, werkt het
systeem mogelijk niet of slechts in beperkte
mate. Zorg daarom dat u het gebied schoonhoudt.
N.B.
Bedenk dat het systeem kan worden geactiveerd tijdens het wassen van de auto en dergelijke als de transpondersleutel zich binnen
bereik bevindt.
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Gerelateerde informatie
•
Keyless vergrendeling/ontgrendeling en aanraakgevoelige zones* (p. 268)
•
Elektrisch bedienbare achterklep* openen en
sluiten (p. 276)
•
Bereik transpondersleutel (p. 248)
Privacy locking
De achterklep is te vergrendelen via de functie
Privacy locking die voorkomt dat het genoemde
onderdeel kan worden geopend, bijvoorbeeld
als u de auto afgeeft voor service, bij een hotel
en dergelijke.
De functieknop voor Privacy
locking staat op het functiescherm van het middendisplay.
Afhankelijk van de status van
de functie verschijnt Private
Locking ontgrendeld of
Private Locking vergrendeld.
Privacy locking activeren en
deactiveren
Privacy locking is te activeren met de functieknop op het middendisplay en de gekozen pincode.
N.B.
Om de functie Privacy locking te kunnen activeren, moet de auto minimaal in contactslotstand I staan.
Privacy locking gebruikt twee codes:
•
Bij het eerste gebruik van de functie wordt
een hoofdcode aangemaakt.
•
Bij iedere volgende activering kiest u een
nieuwe pincode.
Gerelateerde informatie
•
Privacy locking activeren en deactiveren
(p. 281)
Hoofdcode invoeren bij het eerste
gebruik
Bij het eerste gebruik van de Privacy locking
moet u een hoofdcode kiezen. De code is vervolgens te gebruiken om de Privacy locking te deactiveren, als u de ingestelde pincode bent vergeten. De hoofdcode is te beschouwen als een
pukcode voor alle pincodes die zijn ingesteld voor
de Privacy locking.
Bewaar de hoofdcode goed.
}}
* Optie/accessoire. 281
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
||
Om een hoofdcode in te stellen:
1.
2.
Tik op de knop Privacy locking in het functiescherm.
Voer de code in die na vergrendeling moet
worden gebruikt om de achterklep te ontgrendelen en tik op Bevestig.
> De achterklep wordt vergrendeld. De vergrendeling wordt bevestigd met een
groene indicatie bij de knop in het functiescherm.
Privacy locking deactiveren
1.
> Er verschijnt een pop-upvenster.
2.
Hoofdcode vergeten
Als u ook de hoofdcode bent vergeten, neem dan
contact op met een erkende Volvo-dealer voor
hulp bij het deactiveren van de Privacy locking.
Gerelateerde informatie
•
Privacy locking (p. 281)
Geef de gewenste hoofdcode aan en tik op
Bevestig.
> De hoofdcode is opgeslagen. De functie
Privacy locking is daarmee klaar voor activering.
Privacy locking activeren
1.
Tik op de knop Privacy locking in het functiescherm.
Als u de auto ontgrendelt via Volvo On Call* of de
Volvo On Call-appen, wordt de Privacy locking
automatisch gedeactiveerd.
Tik op de knop Privacy locking in het functiescherm.
> Er verschijnt een pop-upvenster.
2.
Geef de ingestelde ontgrendelingscode aan
en tik op Bevestig.
> De achterklep wordt ontgrendeld. De ontgrendeling wordt bevestigd doordat de
groene indicatie bij de knop in het functiescherm dooft.
Pincode vergeten
> Er verschijnt een pop-upvenster.
282
Als u de pincode bent vergeten of meer dan driemaal achtereen de verkeerde pincode hebt ingevoerd, kunt u de hoofdcode gebruiken voor deactivering van de Privacy locking.
* Optie/accessoire.
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Alarm*
Alarmindicatie
Het alarm waarschuwt met akoestische en visuele signalen als iemand zonder een geldige
transpondersleutel inbreekt in de auto of de startaccu of de alarmsirene manipuleert.
De bewegingsmelder laat het alarm afgaan bij
bewegingen in de passagiersruimte – ook eventuele luchtstromen worden geregistreerd. Het
alarm kan dan ook afgaan, als u de auto met een
ruit of panoramadak* open laat staan of als u de
interieurverwarming gebruikt.
Een geactiveerd alarmsysteem gaat af als:
•
een portier, de motorkap of de achterklep
wordt geopend14
•
er beweging in de passagiersruimte wordt
waargenomen (als er een bewegingsmelder*
aanwezig is)
•
de auto wordt opgetakeld of weggesleept
(op auto's met een hellingssensor*)
•
een kabel van de startaccu wordt losgekoppeld
•
de sirene wordt losgekoppeld.
Alarmsignalen
Wanneer het alarm afgaat, gebeurt het volgende:
•
Er klinkt een sirene, totdat u het alarm uitschakelt. Bij inactiviteit gaat de sirene na
30 seconden automatisch uit.
•
De alarmlichten knipperen totdat u het alarm
uitschakelt. Bij inactiviteit gaan ze na
vijf minuten automatisch uit.
Als de oorzaak van het getriggerde alarm niet
wordt weggenomen, wordt de alarmcyclus tot
maximaal 10 keer14 herhaald.
14
Geldt voor bepaalde markten.
beert te stelen of de auto probeert weg te slepen.
Om dat te voorkomen:
Een rode led op het dashboard geeft de status
van het alarmsysteem aan:
•
•
De led is uit – het alarm is uitgeschakeld.
•
De led knippert maximaal 30 seconden lang
snel vanaf het moment van uitschakelen van
het alarm tot aan het moment dat contactslotstand I wordt ingeschakeld – het alarm is
afgegaan.
De led licht om de twee seconden eenmaal
op – het alarm is ingeschakeld.
•
Sluit bij het verlaten van de auto de ruiten en
het panoramadak.
•
Bij gebruik van de interieurverwarming of
standverwarming dient u de blaasmonden
dusdanig af te stellen dat deze niet omhoogwijzen.
U kunt ook een gereduceerd alarmniveau (Verlaagde guard) instellen om de bewegingsmelder
en hellingssensor tijdelijk uit te schakelen.
Schakel de bewegingsmelder en hellingssensor
uit bij het gebruik van een veerverbinding of autotrein, omdat het alarm kan afgaan door de bewegingen van de auto.
Bewegingsmelder en hellingssensor*
De bewegingsmelder en hellingssensor reageren
op bewegingen in de auto, als iemand een ruit
intikt of als iemand de wielen van de auto pro-
}}
* Optie/accessoire. 283
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
||
Bij een storing in het alarmsysteem
Alarm* activeren en deactiveren
Als er een storing in het alarmsysteem
is opgetreden, verschijnen het symbool
en de melding Storing
alarmsysteem Service vereist op
het bestuurdersdisplay. Neem dan contact op
met een werkplaats – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
Bij vergrendeling van de auto wordt het alarmsysteem geactiveerd.
N.B.
Probeer niet zelf de onderdelen van het
alarmsysteem te repareren of te wijzigen. Dergelijke pogingen kunnen van invloed zijn op
de verzekeringsvoorwaarden.
Gerelateerde informatie
•
•
•
15
284
Alarm* activeren en deactiveren (p. 284)
Verlaagde guard* (p. 285)
Alarm activeren
Vergrendel de auto en activeer het alarmsysteem
van de auto door
•
op de vergrendelingsknop op de transpondersleutel te drukken
•
het gemarkeerde gebied op de buitenportiergrepen of de met rubber beklede drukplaat15
op de achterklep aan te raken.
Bij een auto met passieve vergrendeling/
ontgrendeling* en elektrische achterklepbediening* kunt u ook gebruikmaken van de knop
aan de onderzijde van de achterklep om de auto
te vergrendelen en het alarmsysteem in te schakelen.
Het rode ledje op het instrumentenpaneel knippert eenmaal per twee seconden wanneer de auto vergrendeld
en het alarmsysteem geactiveerd is.
Alarm deactiveren
Ontgrendel de auto en deactiveer het alarmsysteem van de auto door
•
op de ontgrendelingsknop op de transpondersleutel te drukken
•
een van de portiergrepen beet te pakken of
lichtjes op het met rubber beklede drukplatje15 op de achterklep te drukken.
Safelock-functie* (p. 286)
Geldt voor een auto met passieve vergrendeling en ontgrendeling*.
* Optie/accessoire.
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Alarm deactiveren zonder een werkende
transpondersleutel
Ook als de transpondersleutel niet werkt, bijvoorbeeld als de batterij leeg is, kan de auto worden
ontgrendeld en kan het alarmsysteem worden
gedeactiveerd.
1.
Open het bestuurdersportier met het
afneembare sleutelblad.
> Het alarm gaat af.
Automatische activering en
heractivering van het alarm
De automatische heractivering van het alarm
voorkomt dat u de auto verlaat zonder het alarmsysteem uit te schakelen.
Als u geen van de portieren noch de achterklep
binnen twee minuten na uitschakeling van het
alarm opent wanneer de auto met de transpondersleutel ontgrendeld (en het alarm gedeactiveerd) is, wordt het alarm automatisch opnieuw
ingeschakeld. De auto wordt bovendien opnieuw
vergrendeld.
Verlaagde guard*
Een verlaagde guard houdt in dat de bewegingsmelder en hellingssensor tijdelijk worden
uitgeschakeld.
Schakel de bewegingsmelder en hellingssensor
uit om onbedoelde activering van het alarm tegen
te gaan – als u bijvoorbeeld een hond in een vergrendelde auto achterlaat of een autotrein of
veerverbinding gebruikt.
Tik op de knop Minder
bescherming op het functiescherm van het middendisplay
om de bewegingsmelder en
hellingssensor de volgende
keer dat u de auto vergrendelt
uit te schakelen.
Op bepaalde markten vindt automatische activering van het alarm plaats, als u na het openen en
sluiten van het bestuurdersportier vergeet te vergrendelen.
Om deze instelling te wijzigen:
Positie back-uplezer in bekerhouder.
2.
Plaats de transpondersleutel op het sleutelsymbool in de back-uplezer, die in de bekerhouder van de tunnelconsole zit.
3.
Draai de startknop rechtsom en laat de knop
los.
> Het alarm wordt uitgeschakeld.
1.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm van
het middendisplay.
2.
Tik op My Car
3.
Kies Passief alarm uitschakelen om de
functie tijdelijk te deactiveren.
Vergrendeling.
Gerelateerde informatie
•
Alarm* (p. 283)
Tegelijkertijd wordt de Safelock-functie gedeactiveerd, zodat ontgrendeling van de binnenzijde
mogelijk is.
Als u de auto ontgrendelt en weer vergrendelt,
moet u de Verlaagde guard opnieuw activeren.
Gerelateerde informatie
•
•
Alarm* (p. 283)
Safelock-functie* (p. 286)
Geactiveerd alarm uitschakelen
–
Druk op de ontgrendelingsknop op de transpondersleutel of zet de auto in contactslotstand I door de startknop rechtsom te
draaien en weer los te laten.
* Optie/accessoire. 285
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Safelock-functie*
Na activering van de Safelock-functie worden bij
vergrendeling van de buitenzijde alle openingsgrepen mechanisch losgekoppeld, zodat de portieren niet meer van de binnenzijde te openen
zijn.
De Safelock-functie wordt geactiveerd via de
transpondersleutel en bij passieve vergrendeling*
en wordt na vergrendeling van de portieren met
een vertraging van zo'n 10 seconden ingeschakeld. Als er binnen deze vertragingsperiode een
van de portieren wordt geopend, wordt de functie
geannuleerd en het alarm gedeactiveerd.
De auto is alleen te ontgrendelen via de transpondersleutel, passieve ontgrendeling* of met de
Volvo On Call*-app , wanneer de Safelock-functie
geactiveerd is.
Het linker voorportier is ook te ontgrendelen met
het afneembare sleutelblad. Bij ontgrendeling van
de auto met het afneembare sleutelblad gaat het
alarm af.
N.B.
286
•
Let erop dat het alarm wordt geactiveerd
bij vergrendeling van de auto.
•
Als iemand de auto van de buitenzijde
probeert te openen, gaat het alarm af.
WAARSCHUWING
Laat niemand in de auto zitten zonder eerst
de functie te deactiveren, om te voorkomen
dat u iemand opsluit.
Gerelateerde informatie
•
Safelock-functie* tijdelijk deactiveren
(p. 286)
•
Alarm* (p. 283)
Safelock-functie* tijdelijk
deactiveren
Als u de portieren van de buitenzijde wilt vergrendelen terwijl er iemand in de auto achterblijft, dient u de Safelock-functie te deactiveren.
De auto is dan vanaf de binnenzijde te ontgrendelen.
WAARSCHUWING
Laat niemand in de auto zitten zonder eerst
de functie te deactiveren, om te voorkomen
dat u iemand opsluit.
Druk op de knop Minder
bescherming op het functiescherm van het middendisplay
om de Safelock-functie tijdelijk
uit te schakelen.
Dit betekent ook dat de bewegingsmelders en
hellingssensoren* van het alarm worden uitgeschakeld.
Op het middendisplay verschijnt vervolgens
Minder bescherming, waarna bij de volgende
vergrendeling van de auto de Safelock-functie tijdelijk wordt uitgeschakeld.
Bij reguliere vergrendeling worden de stroomaansluitingen direct gedeactiveerd, maar bij een tijdelijk gedeactiveerde Safelock-functie zijn ze na
vergrendeling maximaal 10 minuten actief.
* Optie/accessoire.
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Als de auto wordt ontgrendeld en weer wordt vergrendeld, moet de Safelock-functie weer worden
gedeactiveerd.
De volgende keer dat u de motor start, wordt het
systeem gereset.
Gerelateerde informatie
•
•
Safelock-functie* (p. 286)
Alarm* (p. 283)
* Optie/accessoire. 287
BESTUURDERSONDERSTEUNING
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Rijhulpsystemen
De auto is voorzien van verschillende rijhulpsystemen die u in verschillende situaties actief of
passief kunnen helpen.
Zo kunnen de systemen u bijvoorbeeld helpen bij:
•
•
het aanhouden van een bepaalde snelheid
•
het voorkomen van een aanrijding door u te
waarschuwen en de auto te laten remmen
•
het parkeren.
het aanhouden van een bepaald tijdsverschil
ten opzichte van voorliggers
Sommige systemen zijn standaard gemonteerd,
terwijl andere optioneel zijn – welke dat precies
zijn, hangt van de markt af.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
290
IntelliSafe – rijhulp en veiligheid (p. 31)
Snelheidsafhankelijke stuurkracht (p. 290)
Elektronische stabiliteitsregeling (p. 291)
Snelheidsbegrenzer (p. 296)
Automatische snelheidsbegrenzer (p. 300)
Afstandswaarschuwing* (p. 308)
Cruisecontrol (p. 304)
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
City Safety™ (p. 348)
Snelheidsafhankelijke stuurkracht
Rear Collision Warning (p. 364)
De snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging
zorgt ervoor dat de stuurbekrachtiging afneemt
naarmate de rijsnelheid oploopt, waardoor u een
beter weggevoel krijgt.
BLIS* (p. 365)
Cross Traffic Alert* (p. 369)
Verkeersbordinformatie* (p. 373)
Driver Alert Control (p. 380)
Rijbaanassistent (p. 383)
Stuurhulp bij botsgevaar (p. 390)
Parkeerhulp* (p. 396)
Parkeerhulpcamera* (p. 401)
Actieve parkeerhulp* (p. 410)
Op snelwegen stuurt de auto stugger. Bij het
parkeren en op lage snelheden is de auto lichter
en zonder veel moeite te besturen.
N.B.
In zeldzame gevallen kan de stuurbekrachtiging te warm worden
zodat deze tijdelijk moet worden
gekoeld – gedurende die periode
werkt de stuurbekrachtiging met een gereduceerd vermogen en het draaien aan het stuurwiel kan dan wat zwaarder gaan.
Zolang de stuurhulp met een beperkt vermogen werkt, verschijnt op het bestuurdersdisplay de melding Stuurbekrachtiging Hulp
tijdelijk beperkt samen met dit symbool.
Zolang de stuurbekrachtiging met een
beperkt vermogen werkt zijn de rijhulpsystemen en systemen met stuurhulp niet beschikbaar.
Adaptieve cruisecontrol* (p. 310)
Pilot Assist (p. 319)
Radarsensor (p. 335)
Camera (p. 342)
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Elektronische stabiliteitsregeling
WAARSCHUWING
Als de temperatuur te hoog oploopt, moet de
bekrachtiging mogelijk helemaal worden uitgeschakeld. In een dergelijk geval verschijnt
de melding Storing stuurbekracht. Stop
veilig op het bestuurdersdisplay in combinatie met een symbool.
Stuurkrachtniveau wijzigen*
Bij gebruik van de rijmodus INDIVIDUAL is het
stuurkrachtniveau aan te passen.
1.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm van
het middendisplay.
2.
Kies My Car
Rijmodi
Stuurkracht.
De instelling van het stuurkrachtniveau is alleen
beschikbaar, als de auto stilstaat of op lage snelheid rechtuit rijdt.
Gerelateerde informatie
•
•
Rijhulpsystemen (p. 290)
Rijmodi* (p. 440)
De elektronische stabiliteitsregeling (ESC1)
helpt u voorkomen dat de wielen doorslippen en
verbetert de tractie van de auto.
Wanneer de regeling ingrijpt,
verschijnt dit symbool op het
bestuurdersdisplay.
Een ingreep van de regeling is
mogelijk waarneembaar in de
vorm van onderbroken geluiden
en bij het geven van gas kan de auto mogelijk
langzamer optrekken dan verwacht.
De regeling omvat de volgende deelfuncties:
•
•
•
•
Stabiliteitsregeling2
Antispin- en tractieregeling
Motorremregeling
Aanhangwagenstabilisering
WAARSCHUWING
•
De functie is een systeem voor aanvullende rijhulp om de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen, maar
het systeem werkt niet in alle verkeers-,
weers- en wegomstandigheden.
•
U wordt geadviseerd om alle paragrafen
over het systeem in de gebruikershandleiding door te nemen en bijvoorbeeld te
lezen over de beperkingen die u moet
kennen voordat u het systeem gebruikt.
•
De rijhulpsystemen ontslaan u niet van de
plicht om alert en adequaat te reageren,
zodat u de auto altijd op een veilige
manier moet blijven besturen, met inachtneming van een passende snelheid en
geschikte afstand tot andere weggebruikers en met respect voor de geldende
verkeersregels en -bepalingen.
Stabiliteitsregeling2
Deze regeling controleert de aandrijfkracht en
remkracht van elk van de afzonderlijke wielen om
de auto op die manier te stabiliseren.
Antispin- en tractieregeling
De regeling is actief op lage snelheden en remt
de aandrijfwielen die doorslippen om een groter
1
2
Electronic Stability Control
Ook wel antislipregeling genoemd.
}}
* Optie/accessoire. 291
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
aandeel van de aandrijfkracht op een slippend
aandrijfwiel over te brengen op een aandrijfwiel
dat niet slipt.
Gerelateerde informatie
•
•
Rijhulpsystemen (p. 290)
Sportstand van elektronische stabiliteitsregeling activeren/deactiveren (p. 293)
De regeling voorkomt bovendien dat de aangedreven wielen tijdens het optrekken doorslippen
ten opzichte van de ondergrond.
•
Symbolen en meldingen voor elektronische
stabiliteitsregeling (p. 294)
Motorremregeling
•
Aanhangwagenstabilisering* (p. 479)
De stabiliteitsregeling (ESC6) is altijd geactiveerd – uitschakelen is niet mogelijk. U kunt echter voor ESC-sportmodus kiezen voor een
actievere rijervaring.
De motorremregeling (EDC3) voorkomt ongewenste blokkering van de wielen, zoals na terugschakeling of bij gladheid tijdens het afremmen
op de motor in een lage versnelling.
Wanneer de deelfunctie ESC-sportmodus is
gekozen worden ingrepen van de regeling gereduceerd, zodat de auto een hogere mate van slip
kan vertonen en u meer controle over de auto
hebt dan normaal.
Een van de gevolgen van ongewenste blokkering
van de wielen is dat u de auto moeilijk onder controle kunt houden.
Het kiezen van ESC-sportmodus is te
beschouwen als het uitschakelen van de functie,
hoewel de functie u in veel gevallen blijft helpen.
Aanhangwagenstabilisering*4
Aanhangwagenstabilisering (TSA5) heeft tot taak
een auto met aanhangwagen te stabiliseren,
wanneer de combinatie slingerneigingen vertoont.
N.B.
De aanhangwagenstabilisering wordt gedeactiveerd als u ESC-sportmodus activeert.
3 Engine Drag Control
4 Aanhangwagenstabilisering
5 Trailer Stability Assist
6 Electronic Stability Control
7 Trailer Stability Assist
292
Elektronische stabiliteitsregeling in
de Sportstand
N.B.
Wanneer ESC-sportmodus is gekozen,
staat de aanhangwagenstabilisering (TSA7)
uit.
De ESC-sportmodus maakt ook maximale aandrijving mogelijk, als de auto is blijven steken of
over een zachte ondergrond (zoals zand of een
dikke laag sneeuw) rijdt.
is inbegrepen bij installatie van een originele trekhaak van Volvo.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
De deelfunctie ESC-sportmodus is niet te kiezen wanneer een van de volgende functies is
geactiveerd:
•
•
•
•
Snelheidsbegrenzer
Cruisecontrol
Adaptieve cruisecontrol*
Sportstand van elektronische
stabiliteitsregeling activeren/
deactiveren
De stabiliteitsregeling (ESC8) is altijd geactiveerd – uitschakelen is niet mogelijk. U kunt echter de Sportstand kiezen voor een actievere rijervaring.
Pilot Assist
Activeer of deactiveer de functie met deze knop in het functiescherm van het middendisplay.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Elektronische stabiliteitsregeling (p. 291)
Sportstand van elektronische stabiliteitsregeling activeren/deactiveren (p. 293)
Aanhangwagenstabilisering* (p. 479)
•
GROENE knopindicatie – de functie is geactiveerd.
•
GRIJZE knopindicatie – de functie is gedeactiveerd.
Wanneer de ESC-sportmodus actief
is, brandt dit symbool op het bestuurdersdisplay continu totdat de functie
wordt gedeactiveerd of totdat de motor
wordt afgezet. Een volgende keer dat de motor
wordt gestart is de normale stand de regeling
weer van kracht.
Gerelateerde informatie
8
•
Elektronische stabiliteitsregeling in de Sportstand (p. 292)
•
Elektronische stabiliteitsregeling (p. 291)
Electronic Stability Control
* Optie/accessoire. 293
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Symbolen en meldingen voor
elektronische stabiliteitsregeling
In de volgende tabel staan enkele voorbeelden.
Op het bestuurdersdisplay kunnen enkele symbolen en meldingen verschijnen voor de elektronische stabiliteitsregeling (ESC9).
Symbool
Melding
Betekenis
Brandt zo'n 2 seconden lang continu.
Systeemtest bij het starten van de motor.
Knippert.
Het systeem grijpt in.
Brandt continu.
De Sportstand is geactiveerd.
NB In deze stand is het systeem niet helemaal uitgeschakeld. Er gelden bepaalde beperkingen.
ESC
Tijdelijk uit
Wegens een te hoge temperatuur van de remmen gelden er tijdelijk beperkingen voor het systeem. De
regeling wordt automatisch opnieuw ingeschakeld wanneer de remmen voldoende zijn afgekoeld.
Zie de melding op het bestuurdersdisplay.
9
294
ESC
Het systeem is defect.
Service vereist
•
Electronic Stability Control
Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand, zet de motor af en start deze opnieuw.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
U kunt meldingen verwijderen door kort te druk-knop in het midden van de rechken op de
ter stuurknoppenset.
Doe het volgende, als de melding blijft staan:
Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
Elektronische stabiliteitsregeling (p. 291)
295
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Snelheidsbegrenzer
Een snelheidsbegrenzer (SL10) is te vergelijken
met een omgedraaide cruisecontrol – u regelt de
snelheid met het gaspedaal, terwijl de snelheidsbegrenzer voorkomt dat u per ongeluk de vooraf
gekozen/ingestelde maximumsnelheid overschrijdt.
: Vanuit de actieve stand – deactiveert
de snelheidsbegrenzer/zet deze stand-by
WAARSCHUWING
•
De functie is een systeem voor aanvullende rijhulp om de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen, maar
het systeem werkt niet in alle verkeers-,
weers- en wegomstandigheden.
•
U wordt geadviseerd om alle paragrafen
over het systeem in de gebruikershandleiding door te nemen en bijvoorbeeld te
lezen over de beperkingen die u moet
kennen voordat u het systeem gebruikt.
•
De rijhulpsystemen ontslaan u niet van de
plicht om alert en adequaat te reageren,
zodat u de auto altijd op een veilige
manier moet blijven besturen, met inachtneming van een passende snelheid en
geschikte afstand tot andere weggebruikers en met respect voor de geldende
verkeersregels en -bepalingen.
: Verlaagt de opgeslagen maximumsnelheid
Markering voor opgeslagen maximumsnelheid
Actuele rijsnelheid
Opgeslagen maximumsnelheid
Knoppen en symbolen voor de functie.
: Activeert de snelheidsbegrenzer vanuit
de stand-bystand en hervat de opgeslagen
maximumsnelheid
Gerelateerde informatie
•
•
: Verhoogt de opgeslagen maximumsnel-
10
296
Rijhulpsystemen (p. 290)
Beperkingen van de snelheidsbegrenzer
(p. 300)
heid
•
: Vanuit de stand-bystand – activeert
de snelheidsbegrenzer en slaat de actuele
snelheid op
Snelheidsbegrenzer activeren en starten
(p. 297)
•
Snelheidsbegrenzer uitschakelen (p. 299)
Speed Limiter
BESTUURDERSONDERSTEUNING
•
Snelheidsbegrenzer deactiveren en stand-by
zetten (p. 298)
Snelheidsbegrenzer activeren en
starten
mogelijke maximumsnelheid die u kunt opslaan is
30 km/h (20 mph).
•
Snelheidsbegrenzer heractiveren vanuit de
stand-bystand (p. 298)
–
•
Aan te houden snelheid instellen voor rijhulpsystemen (p. 332)
Om de snelheid te kunnen regelen moet u eerst
de snelheidsbegrenzer (SL11) kiezen en activeren.
•
Automatische snelheidsbegrenzer (p. 300)
Druk, wanneer de snelheidsbegrenzer standis verscheby staat en het symbool
nen, op de stuurknop
(2).
> De snelheidsbegrenzer wordt gestart en
de actuele snelheid wordt opgeslagen als
maximumsnelheid.
Snelheidsbegrenzer stand-by zetten
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
–
Snelheidsbegrenzer (p. 296)
Snelheidsbegrenzer uitschakelen (p. 299)
Snelheidsbegrenzer heractiveren vanuit de
stand-bystand (p. 298)
Snelheidsbegrenzer deactiveren en stand-by
zetten (p. 298)
Druk op ◀ (1) of ▶ (3) om het symbool/
systeem voor de snelheidsbegrenzer
(4) op te zoeken.
> Er verschijnt een symbool (4), waarna de
snelheidsbegrenzer stand-by staat.
Snelheidsbegrenzer starten
Activering van de snelheidsbegrenzer is pas
mogelijk nadat de motor is gestart. De laagst
11
Speed Limiter
297
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Snelheidsbegrenzer deactiveren en
stand-by zetten
De snelheidsbegrenzer (SL12) is tijdelijk te deactiveren en stand-by te zetten.
Om de snelheidsbegrenzer te deactiveren en
stand-by te zetten:
–
Druk op de stuurknop
(2).
> De snelheidsbegrenzermarkeringen en symbolen op het bestuurdersdisplay verkleuren van WIT naar GRIJS. De snelheidsbegrenzer is daarmee tijdelijk
gedeactiveerd, zodat u de ingestelde
maximumsnelheid kunt overschrijden.
Tijdelijk deactiveren met het gaspedaal
De ingestelde maximumsnelheid is tijdelijk te
deactiveren en te overschrijden met het gaspe12
298
Speed Limiter
daal zonder dat de snelheidsbegrenzer daarvoor
eerst stand-by moet worden gezet – om bijvoorbeeld snel te kunnen optrekken.
Doe in dat geval het volgende:
1.
Trap het gaspedaal helemaal in en laat het
pedaal weer los bij het bereiken van de
gewenste snelheid om de acceleratie te
beëindigen.
> De snelheidsbegrenzer is in dat geval nog
steeds geactiveerd, zodat het symbool op
het bestuurdersdisplay WIT van kleur is.
2.
Haal uw voet van het gaspedaal, wanneer de
tijdelijke acceleratie voltooid is.
> De auto wordt vervolgens automatisch
afgeremd op de motor tot een snelheid
onder de laatst opgeslagen maximumsnelheid.
Gerelateerde informatie
•
•
Snelheidsbegrenzer (p. 296)
Snelheidsbegrenzer heractiveren vanuit de
stand-bystand (p. 298)
•
Snelheidsbegrenzer activeren en starten
(p. 297)
•
Snelheidsbegrenzer uitschakelen (p. 299)
Snelheidsbegrenzer heractiveren
vanuit de stand-bystand
De snelheidsbegrenzer (SL13) is te heractiveren
nadat deze tijdelijk gedeactiveerd en stand-by is
gezet.
Om de snelheidsbegrenzer te heractiveren vanuit
de stand-bystand:
–
of
Druk op de stuurknop
(1).
> De snelheidsbegrenzermarkeringen en symbolen op het bestuurdersdisplay verkleuren van GRIJS naar WIT - de laatst
ingestelde/opgeslagen maximumsnelheid
voor de auto is weer van kracht.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
–
Druk op de stuurknop
(2).
> De snelheidsbegrenzermarkeringen en symbolen op het bestuurdersdisplay verkleuren van GRIJS naar WIT en de auto
gebruikt daarna de actuele snelheid als
maximumsnelheid.
Snelheidsbegrenzer uitschakelen
Gerelateerde informatie
De snelheidsbegrenzer (SL14) is uit te schakelen.
•
•
Gerelateerde informatie
•
•
Snelheidsbegrenzer (p. 296)
Snelheidsbegrenzer (p. 296)
Snelheidsbegrenzer activeren en starten
(p. 297)
•
Snelheidsbegrenzer heractiveren vanuit de
stand-bystand (p. 298)
•
Snelheidsbegrenzer deactiveren en stand-by
zetten (p. 298)
Snelheidsbegrenzer deactiveren en stand-by
zetten (p. 298)
•
Snelheidsbegrenzer activeren en starten
(p. 297)
•
Snelheidsbegrenzer uitschakelen (p. 299)
Om de snelheidsbegrenzer uit te schakelen:
13
14
1.
(2).
Druk op de stuurknop
> De snelheidsbegrenzer wordt stand-by
gezet.
2.
Druk op de stuurknop ◀ (1) of ▶ (3) om naar
een andere functie te gaan.
> De snelheidsbegrenzermarkering (4) en
het symbool op het bestuurdersdisplay
doven – de ingestelde/opgeslagen maximumsnelheid is daarmee gewist.
3.
(2).
Druk nogmaals op de stuurknop
> Er wordt een andere functie geactiveerd.
Speed Limiter
Speed Limiter
299
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Beperkingen van de
snelheidsbegrenzer
Op steile aflopende hellingen volstaat de remwerking van de snelheidsbegrenzer (SL15) mogelijk niet, zodat de opgeslagen maximumsnelheid
mogelijk wordt overschreden. In dat geval wordt u
hierop attent gemaakt met de melding
Snelheidsgrens overschreden op het
bestuurdersdisplay.
N.B.
Er verschijnen tekstmeldingen over overschrijding van de maximumsnelheid, als de snelheid met minimaal 3 km/h (zo'n 2 mph) is
overschreden.
Gerelateerde informatie
•
15
16
17
18
300
Snelheidsbegrenzer (p. 296)
Automatische snelheidsbegrenzer
De automatische snelheidsbegrenzer (ASL16)
helpt u om de maximumsnelheid van de auto af
te stemmen op de op verkeersborden aangegeven maximumsnelheid.
U kunt overschakelen van de snelheidsbegrenzer
(SL17) op de automatische snelheidsbegrenzer
(ASL).
De automatische snelheidsbegrenzer gebruikt de
snelheidsinformatie van de verkeersbordinformatie* (RSI18) om de maximumsnelheid van de auto
automatisch aan te passen.
WAARSCHUWING
•
Ook als u zelf het snelheidsbord duidelijk
kunt waarnemen, geeft de verkeersbordinformatie* (RSI) van ASL mogelijk de
verkeerde snelheid aan – u moet in dat
geval zelf ingrijpen en afremmen naar
een passende snelheid.
WAARSCHUWING
•
De functie is een systeem voor aanvullende rijhulp om de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen, maar
het systeem werkt niet in alle verkeers-,
weers- en wegomstandigheden.
•
U wordt geadviseerd om alle paragrafen
over het systeem in de gebruikershandleiding door te nemen en bijvoorbeeld te
lezen over de beperkingen die u moet
kennen voordat u het systeem gebruikt.
•
De rijhulpsystemen ontslaan u niet van de
plicht om alert en adequaat te reageren,
zodat u de auto altijd op een veilige
manier moet blijven besturen, met inachtneming van een passende snelheid en
geschikte afstand tot andere weggebruikers en met respect voor de geldende
verkeersregels en -bepalingen.
Speed Limiter
Automatic Speed Limiter
Speed Limiter
Road Sign Information
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Is SL of ASL actief?
Gerelateerde informatie
Symbolen op het bestuurdersdisplay geven aan
welke snelheidsbegrenzer actief is:
•
•
Symbool
SL
ASL
✓
✓
A
✓
Rijhulpsystemen (p. 290)
Automatische snelheidsbegrenzer activeren/
deactiveren (p. 301)
•
Tolerantie voor de automatische snelheidsbegrenzer wijzigen (p. 302)
•
Beperkingen van de automatische snelheidsbegrenzer (p. 303)
•
•
Automatische snelheidsbegrenzer
activeren/deactiveren
Als aanvulling op de snelheidsbegrenzer (SL19)
is de automatische snelheidsbegrenzer (ASL20)
te activeren en deactiveren.
ASL activeren
De knop Hulp max. snelheid
staat op het functiescherm van
het middendisplay.
Snelheidsbegrenzer (p. 296)
Verkeersbordinformatie* (p. 373)
Bordsymbool na "70" = ASL is geactiveerd.
A
WIT symbool: De functie is actief, GRIJS symbool: Standbystand.
ASL-symbool
Het bordsymbool (naast de opgeslagen snelheid "70", in het midden van
de snelheidsmeter) kan drie kleuren
hebben met de volgende betekenissen:
Kleur van het
bordsymbool
Groengeel
Grijs
Oranjegeel/
oranje
Betekenis
ASL is actief
Om de automatische snelheidsbegrenzer te activeren:
1.
Druk op de knop Hulp max. snelheid.
> ASL wordt stand-by gezet, het groene
lampje in de knop brandt en op het
bestuurdersdisplay verschijnt een bordsymbool in het midden van de snelheidsmeter.
2.
Druk op de stuurknop
.
> ASL wordt met de actuele rijsnelheid
geactiveerd.
ASL staat stand-by
ASL staat tijdelijk stand-by
– bijvoorbeeld omdat een
verkeersbord niet kon worden herkend.
}}
* Optie/accessoire. 301
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
N.B.
•
Als de automatische snelheidsbegrenzer
geactiveerd is, verschijnt verkeersbordinformatie* op het bestuurdersdisplay, ook
al is RSI21 niet ingeschakeld.
•
Om de verkeersbordinformatie van het
bestuurdersdisplay te halen moet u
zowel de automatische snelheidsbegrenzer als de RSI deactiveren.
•
Wanneer de automatische snelheidsbegrenzer geactiveerd en de RSI gedeactiveerd is, geeft de RSI geen waarschuwingen. Om waarschuwingen te kunnen krijgen moet u tevens de RSI activeren.
ASL deactiveren
Om de automatische snelheidsbegrenzer te
deactiveren:
–
Druk op de knop Hulp maximum snelheid
op het functiescherm.
> ASL wordt uitgeschakeld en de kleur van
de indicatie op de knop verandert in
GRIJS – SL wordt in plaats daarvan geactiveerd.
WAARSCHUWING
Tolerantie voor de automatische
snelheidsbegrenzer wijzigen
De automatische snelheidsbegrenzer (ASL22) is
in te stellen op verschillende tolerantieniveaus.
Het is mogelijk om de op snelheidsborden gebaseerde maximumsnelheid te verhogen/verlagen.
Als de auto bijvoorbeeld de aangegeven maximumsnelheid van 70 km/h (43 mph) aanhoudt,
kunt u ervoor kiezen om een snelheid van
75 km/h (47 mph) aan te houden.
De auto volgt niet langer de op de borden
aangegeven maximumsnelheid na het wisselen van ASL naar SL - de auto volgt dan
alleen de in het geheugen opgeslagen maximumsnelheid.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
19
20
21
22
302
Snelheidsbegrenzer (p. 296)
Automatische snelheidsbegrenzer (p. 300)
Beperkingen van de automatische snelheidsbegrenzer (p. 303)
Knoppen en symbolen voor de functie.
Verkeersbordinformatie* (p. 373)
Speed Limiter
Automatic Speed Limiter
Road Sign Information – RSI
Automatic Speed Limiter
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
–
Druk op de stuurknop
(1) totdat
70 km/h (43 mph) in het midden van de
snelheidsmeter (4) is gewijzigd in 75 km/h
(47 mph).
> De auto hanteert vervolgens de gekozen
tolerantie van 5 km/h (4 mph) zolang de
gepasseerde borden 70 km/h (43 mph)
aangeven.
Deze tolerantie geldt totdat u een verkeersbord met een lagere of hogere snelheid passeert – de auto hanteert dan de
nieuwe aangegeven maximumsnelheid en
de tolerantie wordt uit het geheugen
gewist.
Als de verkeersbordinformatie*23 geactiveerd is, verschijnt de aangegeven snelheid ook met een gekleurde aanduiding
op de snelheidsmeter.
De tolerantie is op dezelfde manier aan te passen als bij het instellen van de snelheid voor de
snelheidsbegrenzer.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Automatische snelheidsbegrenzer (p. 300)
Beperkingen van de automatische snelheidsbegrenzer (p. 303)
Verkeersbordinformatie* (p. 373)
Beperkingen van de automatische
snelheidsbegrenzer
De automatische snelheidsbegrenzing (ASL24)
vindt plaats op basis van snelheidsinformatie
afkomstig van de verkeersbordinformatie*
(RSI25) – niet op basis van de verkeersborden
met maximumsnelheden die de auto passeert.
Als RSI de snelheidsinformatie niet kan interpreteren en doorgeven aan ASL, gaat ASL stand-by
staan en wordt overgeschakeld op SL. In dergelijke gevallen moet de bestuurder zelf ingrijpen
en naar de juiste snelheid afremmen.
ASL wordt opnieuw geactiveerd, wanneer RSI
weer snelheidsinformatie kan interpreteren en
doorgeven aan ASL.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Snelheidsbegrenzer (p. 296)
Automatische snelheidsbegrenzer (p. 300)
Verkeersbordinformatie* (p. 373)
N.B.
De grootst mogelijke marge die u kunt kiezen
is +/- 10 km/h (5 mph).
23
24
25
Road Sign Information – RSI
Automatic Speed Limiter
Road Sign Information – RSI
* Optie/accessoire. 303
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Cruisecontrol
De cruisecontrol (CC26) helpt u een gelijkmatige
snelheid aan te houden, wat voor een comfortabeler rijervaring kan zorgen tijdens lange ritten
op snelwegen en lange, rechte hoofdwegen met
een gelijkmatige doorstroom.
Overzicht
: Vanuit de actieve stand – deactiveert
de cruisecontrol/zet deze stand-by
WAARSCHUWING
•
De functie is een systeem voor aanvullende rijhulp om de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen, maar
het systeem werkt niet in alle verkeers-,
weers- en wegomstandigheden.
•
U wordt geadviseerd om alle paragrafen
over het systeem in de gebruikershandleiding door te nemen en bijvoorbeeld te
lezen over de beperkingen die u moet
kennen voordat u het systeem gebruikt.
•
De rijhulpsystemen ontslaan u niet van de
plicht om alert en adequaat te reageren,
zodat u de auto altijd op een veilige
manier moet blijven besturen, met inachtneming van een passende snelheid en
geschikte afstand tot andere weggebruikers en met respect voor de geldende
verkeersregels en -bepalingen.
: Verlaagt de opgeslagen snelheid
Aanduiding voor opgeslagen snelheid
Actuele rijsnelheid
Opgeslagen snelheid
N.B.
Bij een auto met adaptieve cruisecontrol*
(ACC27) kunt u wisselen tussen cruisecontrol
en adaptieve cruisecontrol.
Knoppen en symbolen voor de functie.
: Activeert de cruisecontrol vanuit de
stand-bystand en hervat de opgeslagen snelheid
: Verhoogt de opgeslagen snelheid
: Vanuit de stand-bystand – activeert
de cruisecontrol en slaat de actuele snelheid
op
26
27
304
Motorrem gebruiken in plaats van
bedrijfsrem
De cruisecontrol regelt de snelheid met een
gereduceerde remingreep vanuit de bedrijfsrem.
Op een aflopende helling kan het soms wenselijk
zijn om iets sneller weg te rollen en alleen de
motorrem de snelheidstoename te laten dempen.
Cruise Control
Adaptive Cruise Control
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
U kunt de bedrijfsremingreep van de cruisecontrol dan tijdelijk uitschakelen.
Doe in dat geval het volgende:
–
Cruisecontrol activeren en starten
Om de cruisecontrol te starten:
Om de snelheid te kunnen regelen moet u eerst
de cruisecontrol (CC28) kiezen en activeren.
–
Druk het gaspedaal tot ongeveer halverwege
in en laat het pedaal weer los.
> De cruisecontrol schakelt de automatische remingreep uit en remt vervolgens
alleen op de motor af.
N.B.
Gerelateerde informatie
•
•
•
De cruisecontrol is niet in te schakelen bij
snelheden lager dan 30 km/h (20 mph).
Rijhulpsystemen (p. 290)
Cruisecontrol activeren en starten (p. 305)
Snelheidsbegrenzer deactiveren en stand-by
zetten (p. 306)
Gerelateerde informatie
•
Cruisecontrol heractiveren vanuit de standbystand (p. 307)
Cruisecontrol stand-by zetten
•
•
Cruisecontrol uitschakelen (p. 307)
Om de cruisecontrol stand-by te zetten:
Aan te houden snelheid instellen voor rijhulpsystemen (p. 332)
–
•
Als het symbool/de functie
wordt
weergegeven - druk op de stuurknop
(2).
> De cruisecontrol wordt gestart en de
actuele snelheid wordt opgeslagen.
Wisselen tussen cruisecontrol en adaptieve
cruisecontrol* (p. 316)
Druk op ◀ (1) of ▶ (3) om naar het
symbool/de functie
(4) te gaan.
> Het desbetreffende symbool verschijnt,
waarna u de cruisecontrol kunt activeren.
•
•
•
•
Cruisecontrol (p. 304)
Cruisecontrol uitschakelen (p. 307)
Snelheidsbegrenzer deactiveren en stand-by
zetten (p. 306)
Cruisecontrol heractiveren vanuit de standbystand (p. 307)
Cruisecontrol activeren/starten
Voor het starten van de cruisecontrol vanuit de
stand-bystand moet de actuele snelheid 30 km/h
(20 mph) of hoger zijn. De laagst mogelijke snelheid die u kunt opslaan is 30 km/h (20 mph).
28
Cruise Control
* Optie/accessoire. 305
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Snelheidsbegrenzer deactiveren en
stand-by zetten
De cruisecontrol (CC29) is tijdelijk te deactiveren
en stand-by te zetten en vervolgens weer te activeren.
Stand-by vanwege ingreep van bestuurder
De cruisecontrol wordt in de volgende gevallen
tijdelijk gedeactiveerd en stand-by gezet:
•
•
•
•
u zet de keuzehendel in stand N
het koppelingspedaal meer dan 1 minuut
lang intrapt
u houdt meer dan 1 minuut lang een hogere
snelheid aan dan ingesteld.
Wanneer u gas bijgeeft met het gaspedaal zoals
bij een inhaalmanoeuvre, blijft de instelling ongewijzigd – de auto hervat de laatst opgeslagen
snelheid zodra u het gaspedaal loslaat.
–
29
306
Druk op de stuurknop
(2).
> De snelheidsbegrenzermarkeringen en symbolen op het bestuurdersdisplay verkleuren van WIT in GRIJS. De snelheidsbegrenzer is daarmee tijdelijk gedeactiveerd, zodat u de snelheid vervolgens zelf
moet aanpassen.
Cruise Control
Automatische stand-bystand
De cruisecontrol wordt in de volgende gevallen
tijdelijk uitgeschakeld en stand-by gezet:
•
•
•
•
•
•
u bedient het rempedaal
U dient vervolgens zelf uw snelheid aan te passen.
Om de cruisecontrol stand-by te zetten:
Gerelateerde informatie
de wielen verliezen hun grip op het wegdek
het motortoerental is te laag/hoog
de remtemperatuur wordt te hoog
de snelheid daalt tot onder 30 km/h
(20 mph).
U dient vervolgens zelf uw snelheid aan te passen.
•
•
Cruisecontrol (p. 304)
Cruisecontrol heractiveren vanuit de standbystand (p. 307)
Cruisecontrol activeren en starten (p. 305)
Cruisecontrol uitschakelen (p. 307)
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Cruisecontrol heractiveren vanuit de
stand-bystand
Om de cruisecontrol vanuit de stand-bystand te
starten:
De cruisecontrol (CC30) is tijdelijk te deactiveren
en stand-by te zetten en vervolgens weer te activeren.
–
Cruisecontrol uitschakelen
De cruisecontrol (CC31) is uit te schakelen.
Druk op de stuurknop
(2).
> De cruisecontrolmarkeringen en -symbolen op het bestuurdersdisplay verkleuren
van GRIJS naar WIT en de actuele snelheid wordt hervat.
WAARSCHUWING
Wanneer u de snelheid weer hervat met de
stuurknop
, kan er een markante snelheidstoename volgen.
Gerelateerde informatie
Om de cruisecontrol vanuit de stand-bystand te
starten:
–
Druk op de stuurknop
(1).
> De cruisecontrolmarkeringen op het
bestuurdersdisplay verkleuren van GRIJS
naar WIT en de laatst opgeslagen snelheid wordt hervat.
of
30
31
Cruise Control
Cruise Control
Cruisecontrol (p. 304)
Knoppen en symbolen voor de functie.
•
•
•
Cruisecontrol uitschakelen (p. 307)
Snelheidsbegrenzer deactiveren en stand-by
zetten (p. 306)
1.
(2).
Druk op de stuurknop
> De cruisecontrol wordt stand-by gezet.
•
Cruisecontrol activeren en starten (p. 305)
2.
Druk op de stuurknop ◀ (1) of ▶ (3) om naar
een andere functie te gaan.
>
Het snelheidsbegrenzersymbool
(4) dooft – de ingestelde/opgeslagen
snelheid is daarmee gewist.
3.
Druk nogmaals op de stuurknop
(2).
> Er wordt een andere functie geactiveerd.
Om de cruisecontrol uit te schakelen:
}}
307
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Cruisecontrol (p. 304)
Wisselen tussen cruisecontrol en adaptieve
cruisecontrol* (p. 316)
Cruisecontrol activeren en starten (p. 305)
Cruisecontrol heractiveren vanuit de standbystand (p. 307)
Afstandswaarschuwing*32
De afstandswaarschuwing kan de bestuurder
erop helpen attenderen dat het tijdsverschil ten
opzichte van voorliggers te gering is. De auto
moet zijn uitgerust met een head-updisplay* om
afstandswaarschuwingen te kunnen geven.
op voorliggers die in dezelfde richting rijden. Voor
voertuigen die langzaam in tegengestelde richting rijden of stilstaan wordt geen afstandsinformatie gegeven.
N.B.
In de felle zon, bij lichtschitteringen, extreme
contrastverschillen en het gebruik van een
zonnebril of als u niet recht vooruit kijkt, zijn
de op de voorruit geprojecteerde waarschuwingssignalen soms moeilijk te ontdekken.
Snelheidsbegrenzer deactiveren en stand-by
zetten (p. 306)
N.B.
De afstandswaarschuwing is uitgeschakeld,
zolang de adaptieve cruisecontrol (ACC33) of
Pilot Assist actief is.
Symbool voor afstandswaarschuwing op een voorruit
met head-updisplay.
Bij een auto met head-updisplay verschijnt er een
symbool op de voorruit, zolang het tijdsverschil
ten opzichte van de voorligger kleiner is dan de
ingestelde waarde. Daarvoor moet echter Toon
rijhulp zijn geactiveerd via de instellingen in het
menusysteem van de auto.
De afstandswaarschuwing is actief bij snelheden
hoger dan 30 km/h (20 mph) en reageert alleen
32
33
308
WAARSCHUWING
Distance Alert geeft alleen een waarschuwing
als het tijdsverschil ten opzichte van voorliggers korter is dan de ingestelde waarde en
past uw rijsnelheid dan ook niet aan.
Gerelateerde informatie
•
•
EHBO-set* (p. 602)
Afstandswaarschuwing activeren/deactiveren
(p. 309)
Distance Alert
Adaptive Cruise Control
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
•
Beperkingen van afstandswaarschuwing
(p. 309)
Afstandswaarschuwing activeren/
deactiveren34
Beperkingen van
afstandswaarschuwing35
•
Tijdsverschil instellen voor rijhulpsystemen
(p. 330)
•
Waarschuwing rijhulpsystemen bij een dreigende botsing (p. 329)
De afstandswaarschuwing is uit te schakelen.
De afstandswaarschuwing is alleen beschikbaar
bij auto's die informatie op de voorruit kunnen
projecteren via een zogenoemd head-updisplay*.
•
Head-updisplay* (p. 139)
De afstandswaarschuwing kent mogelijk beperkingen in bepaalde situaties. De afstandswaarschuwing is alleen beschikbaar bij auto's die
informatie op de voorruit kunnen projecteren via
een zogenoemd head-updisplay*.
Activeer of deactiveer de functie met deze knop in het functiescherm van het middendisplay.
•
GROENE knopindicatie – de functie is geactiveerd.
•
GRIJZE knopindicatie – de functie is gedeactiveerd.
De afstandswaarschuwing wordt na elke motorstart automatisch geactiveerd.
WAARSCHUWING
•
Voorliggers met geringe afmetingen,
zoals motorfietsen, zijn soms moeilijk te
ontdekken, wat kan betekenen dat het
geprojecteerde waarschuwingslampje pas
bij kleinere tijdsverschillen oplicht of helemaal niet gaat branden.
•
Op zeer hoge snelheden is het mogelijk
dat het lampje door beperkingen in het
bereik van de radarsensor bij een kleiner
tijdsverschil oplicht.
Gerelateerde informatie
•
•
34
35
Distance Alert
Distance Alert
Afstandswaarschuwing* (p. 308)
Beperkingen van afstandswaarschuwing
(p. 309)
}}
* Optie/accessoire. 309
BESTUURDERSONDERSTEUNING
WAARSCHUWING
Adaptieve cruisecontrol*36
•
De functie is een systeem voor aanvullende rijhulp om de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen, maar
het systeem werkt niet in alle verkeers-,
weers- en wegomstandigheden.
De adaptieve cruisecontrol (ACC37) helpt u om
een gelijkmatige snelheid en een bepaald tijdsverschil ten opzichte van de voorligger aan te
houden.
•
U wordt geadviseerd om alle paragrafen
over het systeem in de gebruikershandleiding door te nemen en bijvoorbeeld te
lezen over de beperkingen die u moet
kennen voordat u het systeem gebruikt.
•
De rijhulpsystemen ontslaan u niet van de
plicht om alert en adequaat te reageren,
zodat u de auto altijd op een veilige
manier moet blijven besturen, met inachtneming van een passende snelheid en
geschikte afstand tot andere weggebruikers en met respect voor de geldende
verkeersregels en -bepalingen.
||
N.B.
De functie maakt gebruik van de gecombineerde camera en radarsensor van de auto
die enkele algemene beperkingen heeft.
Gerelateerde informatie
•
•
•
310
Afstandswaarschuwing* (p. 308)
Beperkingen van de gecombineerde camera
en radarsensor (p. 343)
Head-updisplay* (p. 139)
De adaptieve cruisecontrol kan u een comfortabeler rijervaring bieden tijdens lange ritten op
snelwegen en lange, rechte hoofdwegen met een
gelijkmatige doorstroom.
De gecombineerde camera en radarsensor meet de
afstand tot voorliggers.
U kiest de gewenste snelheid en het aan te houden tijdsverschil ten opzichte van voorliggers. Als
de gecombineerde camera en radarsensor een
voorligger registreert die langzamer rijdt dan u,
wordt het tijdsverschil automatisch aangepast.
Wanneer de weg voor u weer vrij is, hervat de
auto de ingestelde snelheid.
WAARSCHUWING
•
De functie is een systeem voor aanvullende rijhulp om de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen, maar
het systeem werkt niet in alle verkeers-,
weers- en wegomstandigheden.
•
U wordt geadviseerd om alle paragrafen
over het systeem in de gebruikershandleiding door te nemen en bijvoorbeeld te
lezen over de beperkingen die u moet
kennen voordat u het systeem gebruikt.
•
De rijhulpsystemen ontslaan u niet van de
plicht om alert en adequaat te reageren,
zodat u de auto altijd op een veilige
manier moet blijven besturen, met inachtneming van een passende snelheid en
geschikte afstand tot andere weggebruikers en met respect voor de geldende
verkeersregels en -bepalingen.
De adaptieve cruisecontrol regelt de snelheid
door de stand van de gasklep aan te passen en
zo nodig af te remmen. Het is normaal dat de
remmen zwakke geluiden produceren, wanneer
ze worden gebruikt bij het aanpassen van de
snelheid.
De adaptieve cruisecontrol streeft ernaar de snelheid zo weinig mogelijk aan te passen. In situaties waarin krachtig moet worden geremd moet
u dan ook zelf te remmen. Dit is bijvoorbeeld het
geval bij grote snelheidsverschillen of als de
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
voorligger krachtig remt. Door beperkingen van
de radarsensor is het mogelijk dat er onverwacht
of helemaal niet wordt geremd.
De adaptieve cruisecontrol streeft ernaar het
door u ingestelde tijdsverschil ten opzichte van
voorliggers in dezelfde rijstrook aan te houden.
Als de radarsensor geen voorligger registreert,
houdt de auto in plaats daarvan de snelheid aan
die op de cruisecontrol werd ingesteld. Dit
gebeurt ook als de snelheid van de voorligger
toeneemt en de ingestelde snelheid overschrijdt.
WAARSCHUWING
•
•
•
Dit is geen systeem dat botsingen voorkomt. Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor om in te grijpen, mocht
het systeem een voorliggers niet ontdekken.
De functie reageert niet op voetgangers
of dieren noch op kleinere voertuigen,
zoals fietsen of motorfietsen e.d. Lage
aanhangers, tegenliggers, langzaam rijdende en stilstaande voertuigen of vaste
obstakels worden eveneens genegeerd.
Gebruik de functie niet in lastige situaties
zoals in stadsverkeer, op kruisingen, bij
gladheid, hevige regen- of sneeuwval of
slecht zicht en evenmin op weggedeelten
met veel water of natte sneeuw, op bochtige wegen of op uit- en opritten.
BELANGRIJK
Laat het onderhoud aan rijhulpcomponenten
over aan een werkplaats38.
36
37
38
Gerelateerde informatie
•
•
Rijhulpsystemen (p. 290)
Bediening en displayweergave van de adaptieve cruisecontrol* (p. 312)
•
Adaptieve cruisecontrol activeren en starten*
(p. 312)
•
Beperkingen van adaptieve cruisecontrol*
(p. 315)
•
Symbolen en meldingen voor adaptieve
cruisecontrol* (p. 317)
•
Waarschuwing rijhulpsystemen bij een dreigende botsing (p. 329)
•
Tijdsverschil instellen voor rijhulpsystemen
(p. 330)
•
Aan te houden snelheid instellen voor rijhulpsystemen (p. 332)
•
Automatische remfunctie van rijhulpsystemen (p. 333)
•
Van doelvoertuig veranderen met rijhulpsystemen (p. 330)
•
Inhaalassistent (p. 334)
Afhankelijk van de markt is dit een standaardfunctie of een optie.
Adaptive Cruise Control
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire. 311
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Bediening en displayweergave van
de adaptieve cruisecontrol*
Verkleint het tijdsverschil ten opzichte van de
voorligger
Adaptieve cruisecontrol activeren
en starten*
Een overzicht van de bediening van de adaptieve
cruisecontrol via de stuurknoppenset links op
het stuurwiel en de displayweergave van de
functie.
Doelvoertuigindicatie: de functie heeft een
doelvoertuig ontdekt en volgt deze met een
vooraf gekozen tijdsverschil
De adaptieve cruisecontrol (ACC39) moet, om
de snelheid en het tijdsverschil te kunnen regelen, eerst worden geactiveerd en vervolgens
worden gestart.
Symbool voor tijdsverschil ten opzichte van
voorligger
Adaptieve cruisecontrol stand-by zetten
Bestuurdersdisplay
: Vanuit de stand-bystand – activeert
en slaat de actuele snelheid op
: Vanuit de actieve stand – deactiveert
zet deze stand-by
: Activeert de functie vanuit de standbystand en hervat de opgeslagen snelheid
: Verhoogt de opgeslagen snelheid
: Verlaagt de opgeslagen snelheid
Opgeslagen snelheid
De adaptieve cruisecontrol staat direct na het
starten van de motor stand-by. Doe het volgende
om het geactiveerde systeem stand-by te zetten:
Snelheid van de voorligger.
–
Snelheidsaanduidingen.
Actuele snelheid van uw auto.
Gerelateerde informatie
•
Adaptieve cruisecontrol* (p. 310)
Druk op de stuurknop ◀ (2) of ▶ (3) om naar
(4) te gaan.
het symbool/de functie
> Het symbool wordt weergegeven en de
adaptieve cruisecontrol wordt stand-by
gezet.
Vergroot het tijdsverschil ten opzichte van de
voorligger
312
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Adaptieve cruisecontrol starten/
activeren
–
Om ACC te kunnen starten, is het volgende vereist:
•
U moet de veiligheidsgordel om hebben en
het bestuurdersportier moet dichtstaan.
•
Er moet binnen een redelijke afstand een
voorligger (doelvoertuig) aanwezig zijn of de
actuele snelheid moet minimaal 15 km/h
(9 mph) zijn.
•
Als het symbool/de functie
(4) wordt
weergegeven - druk op de stuurknop
(1).
> De adaptieve cruisecontrol wordt gestart
en de actuele snelheid wordt als snelheid
opgeslagen en met cijfers in het midden
van de snelheidsmeter weergegeven.
Alleen als het afstandssymbool
twee voertuigen aangeeft,
regelt ACC het tijdsverschil ten
opzichte van de voorligger.
Voor auto's met een handgeschakelde versnellingsbak: De snelheid moet minimaal
30 km/h (20 mph) bedragen.
Adaptieve cruisecontrol
deactiveren/heractiveren*
De adaptieve cruisecontrol (ACC40) is tijdelijk te
deactiveren en stand-by te zetten en vervolgens
weer te activeren.
Adaptieve cruisecontrol deactiveren en
stand-by zetten
Tegelijkertijd wordt een snelheidsinterval gemarkeerd.
De hogere snelheid is de opgeslagen/gekozen snelheid en de
lagere snelheid is de snelheid
van de voorligger (het doelvoertuig).
Gerelateerde informatie
•
•
•
39
40
Adaptive Cruise Control
Adaptive Cruise Control
Adaptieve cruisecontrol* (p. 310)
Adaptieve cruisecontrol deactiveren/heractiveren* (p. 313)
Wisselen tussen cruisecontrol en adaptieve
cruisecontrol* (p. 316)
}}
* Optie/accessoire. 313
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Om de adaptieve cruisecontrol tijdelijk uit te
schakelen en stand-by te zetten:
Druk op de stuurknop
(2).
> De kleur van het symbool
op het
bestuurdersdisplay verandert van WIT in
GRIJS en die van de opgeslagen snelheid
in het midden van de snelheidsmeter verandert van BEIGE in GRIJS.
–
WAARSCHUWING
•
•
Wanneer de adaptieve cruisecontrol standby staat moet u actief ingrijpen en zelf de
snelheid en afstand aanpassen ten
opzichte van voorliggers.
Wanneer de adaptieve cruisecontrol standby staat en de auto een voorligger te dicht
nadert, kunt u echter een waarschuwing
krijgen voor de te kleine afstand van de
afstandswaarschuwing*.
•
u houdt meer dan 1 minuut lang een hogere
snelheid aan dan ingesteld.
•
u bedient het koppelingspedaal langer dan
zo'n 1 minuut – geldt voor auto's met een
handgeschakelde versnellingsbak.
Wanneer u gas bijgeeft met het gaspedaal zoals
bij een inhaalmanoeuvre, blijft de instelling ongewijzigd – de auto hervat de laatst opgeslagen
snelheid zodra u het gaspedaal loslaat.
Automatische stand-bystand
De adaptieve cruisecontrol is afhankelijk van
andere systemen, zoals de stabiliteitsregeling/
antislipregeling (ESC41). Als een van deze andere
systemen niet meer werkt, wordt de adaptieve
cruisecontrol automatisch uitgeschakeld.
WAARSCHUWING
Wanneer de auto automatisch stand-by staat,
wordt u gewaarschuwd met een geluidssignaal en een melding op het bestuurdersdisplay.
•
Stand-by vanwege ingreep van bestuurder
De adaptieve cruisecontrol wordt tijdelijk gedeactiveerd en stand-by gezet in de volgende gevallen:
•
•
41
314
u bedient het rempedaal.
u zet de keuzehendel in stand N.
een stilstaand voertuig is of een object, zoals
een verkeersdrempel.
•
u rijdt langzamer dan 5 km/h (3 mph) en de
voorligger slaat af, zodat ACC geen voorligger meer heeft om te volgen.
•
de snelheid daalt tot onder 30 km/h
(20 mph) – geldt alleen voor auto's met een
handgeschakelde versnellingsbak.
•
•
•
•
•
•
•
u opent het bestuurdersportier.
u doet de veiligheidsgordel af.
het motortoerental is te laag/hoog.
een of meer wielen verliezen hun grip op het
wegdek.
de remmen hebben een hoge temperatuur.
de parkeerrem wordt geactiveerd.
de gecombineerde camera en radarsensor
wordt afgedekt door sneeuw of zware regenval (blokkering cameralens/radarsignalen).
Als bestuurder moet u dan zelf de snelheid aanpassen, zo nodig remmen en een
veilige afstand houden tot voorliggers.
De automatische stand-by is mogelijk in de volgende gevallen:
•
u rijdt langzamer dan 5 km/h (3 mph) en
ACC kan niet registreren of de voorligger
Electronic Stability Control
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Adaptieve cruisecontrol heractiveren
vanuit de stand-bystand
Beperkingen van adaptieve
cruisecontrol*
De adaptieve cruisecontrol (ACC42) kent mogelijk beperkingen in bepaalde situaties.
Gerelateerde informatie
•
•
Adaptieve cruisecontrol* (p. 310)
Beperkingen van de gecombineerde camera
en radarsensor (p. 343)
Steile wegen en/of zware belading
Let erop dat de adaptieve cruisecontrol in eerste
instantie bestemd is voor gebruik tijdens ritten op
vlakke weggedeelten. Het systeem heeft mogelijk
moeite om de juiste afstand ten opzichte van
voorliggers aan te houden bij ritten op steile aflopende wegen – blijf dan extra alert en rem zo
nodig zelf.
•
ACC heractiveren vanuit stand-bystand:
–
Druk op de stuurknop
(1).
> De auto hervat de laatst opgeslagen snelheid.
WAARSCHUWING
Wanneer u de snelheid weer hervat met de
, kan er een markante snelstuurknop
heidstoename volgen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Adaptieve cruisecontrol* (p. 310)
Maak geen gebruik van de adaptieve cruisecontrol, als de auto zwaar beladen is of wanneer er een aanhangwagen achter de auto
hangt.
Overig
•
Rijmodus Off Road kan niet worden gekozen als de adaptieve cruisecontrol is geactiveerd.
N.B.
De functie maakt gebruik van de gecombineerde camera en radarsensor van de auto
die enkele algemene beperkingen heeft.
Adaptieve cruisecontrol activeren en starten*
(p. 312)
Wisselen tussen cruisecontrol en adaptieve
cruisecontrol* (p. 316)
* Optie/accessoire. 315
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Wisselen tussen cruisecontrol en
adaptieve cruisecontrol*
2.
Bij een auto met adaptieve cruisecontrol
(ACC43) kunt u wisselen tussen cruisecontrol
(CC44) en ACC.
bool voor
Het symbool op het bestuurdersdisplay geeft aan
welke cruisecontrol actief is:
CC
Cruisecontrol
A
A
3.
Adaptieve cruisecontrol
WIT symbool: De functie is actief, GRIJS symbool: Stand-by zetten
Overschakelen van ACC op CC
U doet dat als volgt:
1.
Zet de adaptieve cruisecontrol stand-by met
de stuurknop
.
ACC plaats voor
Overschakelen van CC op ACC
U doet dat als volgt:
1.
Zet de cruisecontrol stand-by met de stuur.
knop
2.
Druk op de knop Cruise control op het
functiescherm – de kleur van het controlelampje in de knop verandert van GROEN in
GRIJS.
> Op het bestuurdersdisplay maakt het sym-
CC – daarna is de adaptieve
cruisecontrol uitgeschakeld en staat de
cruisecontrol stand-by.
ACC
A
Druk op de knop Cruise control op het
functiescherm van het middendisplay – de
kleur van het controlelampje in de knop verandert van GRIJS in GROEN.
> Op het bestuurdersdisplay maakt het sym-
bool voor
.
Druk op de stuurknop
> De cruisecontrol wordt gestart en de
actuele snelheid wordt opgeslagen.
WAARSCHUWING
Overschakeling van ACC op CC houdt in dat
de auto:
•
niet langer het ingestelde tijdsverschil ten
opzichte van voorliggers aanhoudt;
•
de opgeslagen snelheid hanteert, zodat u
als bestuurder waar nodig zelf actief moet
remmen.
CC plaats voor
ACC – daarmee is de cruisecontrol uitgeschakeld en staat de adaptieve
cruisecontrol stand-by.
3.
.
Druk op de stuurknop
> De adaptieve cruisecontrol start en slaat
de actuele snelheid op samen met het
vooraf ingestelde tijdsverschil ten opzichte
van voorliggers.
Gerelateerde informatie
•
•
Adaptieve cruisecontrol* (p. 310)
Cruisecontrol (p. 304)
Als CC bij het uitschakelen van de motor actief is,
wordt ACC bij de volgende motorstart automatisch geactiveerd.
42
43
44
316
Adaptive Cruise Control
Adaptive Cruise Control
Cruise Control
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Symbolen en meldingen voor
adaptieve cruisecontrol*
Op het bestuurdersdisplay en/of head-updisplay* kunnen enkele symbolen en meldingen verschijnen voor de adaptieve cruisecontrol
(ACC45).
Op de voorgaande afbeelding ziet u dat de adaptieve cruisecontrol is ingesteld op het aanhouden
van een snelheid van 110 km/h (68 mph) en dat
er geen voorliggers zijn die het systeem kan volgen.
Op de onderstaande voorbeeldafbeeldingen
informeert de RSI* (Road Sign Information) u dat
de maximumsnelheid 130 km/h (80 mph)
bedraagt.
Op de voorgaande afbeelding ziet u dat de adaptieve cruisecontrol is ingesteld op het aanhouden
van een snelheid van 110 km/h (68 mph) en dat
het systeem een voorligger volgt die op dezelfde
snelheid rijdt.
45
Adaptive Cruise Control
}}
* Optie/accessoire. 317
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Symbool
Melding
Betekenis
Het symbool is WIT.
De auto houdt de opgeslagen/gekozen snelheid aan.
Adaptive Cruise Contr.
De adaptieve cruisecontrol staat stand-by.
Niet beschikbaar
Het symbool is GRIJS.
Adaptive Cruise Contr.
Service vereist
Het systeem werkt niet naar behoren. Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
Het symbool is GRIJS.
Voorruitsensor
Reinig de voorruit vóór de sensoren van de gecombineerde camera en radarsensor.
Sensor afgedekt, zie handleiding
U kunt meldingen verwijderen door kort te drukken op de
-knop in het midden van de rechter stuurknoppenset.
Doe het volgende, als de melding blijft staan:
Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
318
Adaptieve cruisecontrol* (p. 310)
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Pilot Assist46
Pilot Assist helpt u om tussen de zijmarkeringen
van de rijbaan te blijven rijden dankzij stuurhulp,
een constante snelheid aan te houden en een
vooraf geselecteerd tijdsverschil ten opzichte
van voorliggers.
Pilot Assist werkt als volgt
Pilot Assist is voornamelijk bestemd voor gebruik
op snelwegen, hoofdwegen en dergelijke om u
een comfortabeler en meer ontspannen rijervaring te bieden.
U kiest de gewenste snelheid en het aan te houden tijdsverschil ten opzichte van voorliggers.
Pilot Assist registreert de afstand tot de voorligger en de zijmarkeringen van de rijstrook op de
weg via de gecombineerde camera en radarsensor. Het vooraf ingestelde tijdsverschil wordt aangehouden via automatische aanpassing van de
snelheid, terwijl de stuurassistentie helpt om de
auto binnen de rijstrookmarkeringen te houden.
Pilot Assist-stuurassistentie wordt gebaseerd op
een combinatie van het traject dat de voorligger
aflegt en de zijmarkeringen van de rijbaan. U kunt
op elk gewenst moment het stuuradvies van Pilot
Assist negeren en in een andere richting sturen,
bijvoorbeeld om van rijstrook te wisselen of om
obstakels op de weg te omzeilen.
De kleur van het stuursymbool
geeft de actuele status van de
stuurhulp aan:
• een GROEN stuur geeft aan
dat de stuurhulp actief is
• een GRIJS stuur (zoals afgebeeld) geeft aan dat de stuurhulp niet actief is.
WAARSCHUWING
Gebruik Pilot Assist alleen bij duidelijke markeringen aan weerszijden van de rijstrook. Bij
gebruik in andere situaties bestaat het risico
dat u op omringende obstakels botst die het
systeem niet kan detecteren.
Als Pilot Assist de rijbaan niet goed kan detecteren, bijvoorbeeld als de gecombineerde camera
en radarsensor de zijmarkeringen van de rijbaan
niet kan zien, schakelt Pilot Assist de stuurhulp
tijdelijk uit, maar de stuurhulp wordt weer ingeschakeld zodra de rijbaan weer wordt gedetecteerd – de snelheids- en afstandsregelingen blijven echter geactiveerd.
De gecombineerde camera en radarsensor meet de
afstand tot voorliggers en detecteert zijmarkeringen.
Gecombineerde camera en radarsensor
Afstandssensor
WAARSCHUWING
De stuurhulp van Pilot Assist wordt automatisch en zonder waarschuwing vooraf uit- en
weer ingeschakeld.
Zijmarkeringssensor
46
Afhankelijk van de markt is dit een standaardfunctie of een optie.
}}
319
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
WAARSCHUWING
•
•
U wordt geadviseerd om alle paragrafen
over het systeem in de gebruikershandleiding door te nemen en bijvoorbeeld te
lezen over de beperkingen die u moet
kennen voordat u het systeem gebruikt.
•
De rijhulpsystemen ontslaan u niet van de
plicht om alert en adequaat te reageren,
zodat u de auto altijd op een veilige
manier moet blijven besturen, met inachtneming van een passende snelheid en
geschikte afstand tot andere weggebruikers en met respect voor de geldende
verkeersregels en -bepalingen.
Pilot Assist streeft ernaar het door u ingestelde
tijdsverschil ten opzichte van voorliggers in
dezelfde rijstrook aan te houden. Als de radarsensor geen voorligger registreert, houdt de auto
in plaats daarvan de snelheid aan die op de
cruisecontrol werd ingesteld. Dit gebeurt ook als
de snelheid van de voorligger toeneemt en de
ingestelde snelheid overschrijdt.
WAARSCHUWING
•
Dit is geen systeem dat botsingen voorkomt. Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor om in te grijpen, mocht
het systeem een voorliggers niet ontdekken.
•
De functie reageert niet op voetgangers
of dieren noch op kleinere voertuigen,
zoals fietsen of motorfietsen e.d. Lage
aanhangers, tegenliggers, langzaam rijdende en stilstaande voertuigen of vaste
obstakels worden eveneens genegeerd.
•
Gebruik de functie niet in lastige situaties
zoals in stadsverkeer, op kruisingen, bij
gladheid, hevige regen- of sneeuwval of
slecht zicht en evenmin op weggedeelten
met veel water of natte sneeuw, op bochtige wegen of op uit- en opritten.
BELANGRIJK
Pilot Assist regelt de snelheid door de stand van
de gasklep aan te passen en zo nodig af te remmen. Het is normaal dat de remmen zwakke
geluiden produceren, wanneer ze worden
gebruikt bij het aanpassen van de snelheid.
In bochten en bij wegsplitsingen
Pilot Assist probeert de snelheid op een soepele
manier te regelen. In situaties waarin krachtig
moet worden geremd moet u dan ook zelf te
remmen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij grote
Pilot Assist werkt samen met de bestuurder
zodat u de stuurhulp van Pilot Assist niet moet
afwachten maar altijd klaar moet staan om de
besturing over te nemen, vooral in bochten.
47
320
De functie is een systeem voor aanvullende rijhulp om de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen, maar
het systeem werkt niet in alle verkeers-,
weers- en wegomstandigheden.
snelheidsverschillen of als de voorligger krachtig
remt. Door beperkingen van de gecombineerde
camera en radarsensor is het mogelijk dat er
onverwacht of helemaal niet wordt geremd.
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Laat het onderhoud aan rijhulpcomponenten
over aan een werkplaats47.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
•
Als de auto een afslag of splitsing van de
rijstrook nadert, dient u in de richting van de
gewenste rijstrook te sturen om de gewenste
rijrichting kenbaar te maken aan Pilot Assist.
Pilot Assist probeert altijd om de auto
in het midden van de rijstrook te
houden
Wanneer Pilot Assist helpt bij het sturen, probeert de functie altijd om de auto midden tussen
de rijstrookmarkeringen te brengen en het wordt
daarom aanbevolen om de auto zelf de optimale
positie te laten zoeken, om op deze manier een
zo soepel mogelijke rijervaring mogelijk te maken.
Als bestuurder controleert u of de auto op een
veilige manier in de rijstrook gebracht wordt en u
kunt de positie dus altijd aanpassen door de
besturing zelf verder over te nemen.
•
Mocht Pilot Assist de auto niet op een correcte manier naar de rijstrook brengen, dan
adviseren we om Pilot Assist uit te zetten of
over te schakelen op de adaptieve cruisecontrol.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Rijhulpsystemen (p. 290)
Bediening en displayweergave van Pilot
Assist (p. 321)
Pilot Assist activeren en starten (p. 322)
Beperkingen van Pilot Assist (p. 326)
•
Symbolen en meldingen voor Pilot Assist*
(p. 327)
Bediening en displayweergave van
Pilot Assist
•
Waarschuwing rijhulpsystemen bij een dreigende botsing (p. 329)
•
Van doelvoertuig veranderen met rijhulpsystemen (p. 330)
Een overzicht van de bediening van de Pilot
Assist via de stuurknoppenset links op het stuurwiel en de displayweergave van de functie.
•
Tijdsverschil instellen voor rijhulpsystemen
(p. 330)
•
Aan te houden snelheid instellen voor rijhulpsystemen (p. 332)
•
Automatische remfunctie van rijhulpsystemen (p. 333)
•
Inhaalassistent (p. 334)
Bediening
Knoppen en symbolen voor de functie.
▶: Schakelt over van adaptieve cruisecontrol
op Pilot Assist
: Vanuit de stand-bystand – activeert
Pilot Assist en slaat de actuele snelheid op
: Vanuit de actieve stand – deactiveert
Pilot Assist zet deze stand-by
: Activeert Pilot Assist vanuit de standbystand en hervat de opgeslagen snelheid
en het opgeslagen tijdsverschil
: Verhoogt de opgeslagen snelheid
}}
* Optie/accessoire. 321
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
: Verlaagt de opgeslagen snelheid
Bestuurdersdisplay
Pilot Assist activeren en starten
Pilot Assist moet, om de snelheid en het tijdsverschil te kunnen regelen en stuurhulp te kunnen
bieden, eerst worden geactiveerd en vervolgens
worden gestart.
Vergroot het tijdsverschil ten opzichte van de
voorligger
Verkleint het tijdsverschil ten opzichte van de
voorligger
◀: Schakelt over van Pilot Assist op adaptieve cruisecontrol
Functiesymbool
Symbolen voor het doelvoertuig
Symbool voor tijdsverschil ten opzichte van
voorligger
Snelheidsaanduidingen.
Symbool voor geactiveerde/gedeactiveerde
stuurhulp
Opgeslagen snelheid
Snelheid van de voorligger
Actuele snelheid van uw auto
Gerelateerde informatie
•
322
Pilot Assist (p. 319)
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het
model zijn afwijkingen mogelijk.
Om Pilot Assist te kunnen starten, is het volgende vereist:
•
U moet de veiligheidsgordel om hebben en
het bestuurdersportier moet dichtstaan.
•
Er moet binnen een redelijke afstand een
voorligger (doelvoertuig) aanwezig zijn of de
actuele snelheid moet minimaal 15 km/h
(9 mph) zijn.
•
Voor auto's met een handgeschakelde versnellingsbak: De snelheid moet minimaal
30 km/h (20 mph) bedragen.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Met de adaptieve cruisecontrol stand-by:
1.
2.
Druk op de stuurknop ▶ (6).
> In de stand-bystand verandert het symin Pilot Assist (8).
bool
Druk op de stuurknop
(2).
> Pilot Assist wordt gestart en de actuele
snelheid wordt opgeslagen en met cijfers
in het midden van de snelheidsmeter
weergegeven.
De hogere snelheid is de opgeslagen/gekozen
snelheid en de lagere snelheid is de snelheid van
de voorligger (het doelvoertuig).
Handen aan het stuur
Alleen wanneer de kleur van
het stuursymbool (2) verandert
van GRIJS in GROEN, is de
stuurhulp van Pilot Assist
actief.
Alleen wanneer het afstandssymbool een auto (1) boven het stuursymbool
aangeeft, regelt Pilot Assist het tijdsverschil en
opzichte van voorliggers.
Tegelijkertijd wordt een snelheidsinterval gemarkeerd.
Pilot Assist (p. 319)
Pilot Assist deactiveren/heractiveren
(p. 324)
Als Pilot Assist detecteert dat u
uw handen niet aan het stuurwiel houdt, krijgt u na enige tijd
het verzoek tot actieve besturing van de auto, in de vorm van
een symbool en een displaytekst.
Met de adaptieve cruisecontrol gestart:
Druk op de stuurknop ▶ (6).
> Pilot Assist wordt gestart.
•
•
Een voorwaarde voor de werking van Pilot Assist
is dat u uw handen aan het stuur houdt.
...of...
–
Gerelateerde informatie
Als het systeem enige seconden later detecteert
dat u uw handen nog steeds niet aan het stuur
hebt, wordt het verzoek tot actieve besturing van
de auto herhaald. Dit maal in combinatie met een
akoestisch waarschuwingssignaal.
Als Pilot Assist na nog eens enkele seconden
nog steeds niet kan registreren dat u uw handen
aan het stuur hebt, wordt het volume van het
waarschuwingssignaal verhoogd en de stuurfunctie uitgeschakeld. Vervolgens moet u Pilot Assist
opnieuw starten met de stuurknop
.
N.B.
Let op: de hulpfunctie Pilot Assist werkt
alleen als u de handen aan het stuur hebt.
323
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Pilot Assist deactiveren/
heractiveren
Pilot Assist is tijdelijk te deactiveren en stand-by
te zetten en vervolgens weer te activeren.
...of...
Druk op de stuurknop ◀ (3).
> Pilot Assist wordt uitgeschakeld en schakelt over naar de adaptieve cruisecontrol
in actieve stand.
–
Pilot Assist deactiveren en stand-by
zetten
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het
model zijn afwijkingen mogelijk.
Om Pilot Assist tijdelijk uit te schakelen en
stand-by te zetten:
–
324
Druk op de stuurknop
(2).
> Pilot Assist gaat stand-by staan – de kleur
van het symbool (8) op het bestuurdersdisplay verandert van WIT in GRIJS en de
kleur van de opgeslagen snelheid in het
midden van de snelheidsmeter verandert
van BEIGE in GRIJS.
•
WAARSCHUWING
•
Wanneer Pilot Assist stand-by staat moet
u actief ingrijpen alsook zelf sturen en uw
snelheid en afstand aanpassen ten
opzichte van voorliggers.
•
Wanneer Pilot Assist stand-by staat en
de auto een voorligger te dicht nadert,
krijgt u echter een waarschuwing voor de
te kleine afstand van de afstandswaarschuwing*.
u bedient het koppelingspedaal langer dan
ca. 1 minuut – geldt voor auto's met handgeschakelde versnellingsbak.
Wanneer u gas bijgeeft met het gaspedaal zoals
bij een inhaalmanoeuvre, blijft de instelling ongewijzigd – de auto hervat de laatst opgeslagen
snelheid zodra u het gaspedaal loslaat.
Bij gebruik van de richtingaanwijzers wordt de
stuurhulp van Pilot Assist tijdelijk uitgeschakeld.
Wanneer dat niet langer het geval is, wordt de
stuurhulp automatisch opnieuw geactiveerd als
de zijlijnen van de rijstrook nog steeds te detecteren zijn.
Stand-by vanwege ingreep van bestuurder
Pilot Assist wordt tijdelijk gedeactiveerd en
stand-by gezet in de volgende gevallen:
•
•
•
•
u bedient het rempedaal.
u zet de keuzehendel in stand N.
u hebt de richtingaanwijzers langer dan
1 minuut gebruikt.
u houdt meer dan 1 minuut lang een hogere
snelheid aan dan ingesteld.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Automatische stand-bystand
Pilot Assist is afhankelijk van andere systemen
zoals de stabiliteitsregeling/antislipregeling
ESC48. Als een van dergelijke andere systemen
uitvalt, wordt Pilot Assist automatisch uitgeschakeld.
WAARSCHUWING
Wanneer de auto automatisch stand-by staat,
wordt u gewaarschuwd met een geluidssignaal en een melding op het bestuurdersdisplay.
•
Als bestuurder moet u dan zelf de snelheid aanpassen, zo nodig remmen en een
veilige afstand houden tot voorliggers.
•
•
de gecombineerde camera en radarsensor
wordt afgedekt door sneeuw of zware regenval (blokkering cameralens/radarsignalen).
Om Pilot Assist opnieuw te activeren:
–
u rijdt langzamer dan 5 km/h (3 mph) en
Pilot Assist kan niet registreren of de voorligger een stilstaand voertuig is of een object,
zoals een verkeersdrempel.
•
u rijdt langzamer dan 5 km/h (3 mph) en de
voorligger slaat af, zodat Pilot Assist geen
voorligger meer heeft om te volgen.
•
de snelheid daalt tot onder 30 km/h
(20 mph) – geldt alleen voor auto's met een
handgeschakelde versnellingsbak.
Pilot Assist heractiveren vanuit standbystand
Druk op de stuurknop
(1).
> De auto hervat de laatst opgeslagen snelheid.
WAARSCHUWING
Wanneer u de snelheid weer hervat met de
, kan er een markante snelstuurknop
heidstoename volgen.
Gerelateerde informatie
•
•
Pilot Assist (p. 319)
Pilot Assist activeren en starten (p. 322)
De automatische stand-by kan bijvoorbeeld veroorzaakt zijn door:
•
•
•
•
•
•
•
48
u opent het bestuurdersportier.
de remmen hebben een hoge temperatuur.
u houdt uw handen niet aan het stuurwiel.
de parkeerrem wordt geactiveerd.
het motortoerental is te laag/hoog.
u doet de veiligheidsgordel af.
een of meer wielen verliezen hun grip op het
wegdek.
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het
model zijn afwijkingen mogelijk.
Electronic Stability Control
325
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Beperkingen van Pilot Assist
In bepaalde situaties gelden mogelijk beperkingen voor de werking van Pilot Assist.
Pilot Assist is een hulpmiddel dat u in veel situaties kan ondersteunen en helpen. U bent er
echter altijd zelf verantwoordelijk voor dat u een
veilige afstand aanhoudt ten opzichte van de
omgeving en dat u de juiste positie op de rijbaan
aanhoudt.
326
slechte lichtomstandigheden, tegenlicht,
een natte rijbaan et cetera.
WAARSCHUWING
In bepaalde situaties heeft de stuurassistentie
van Pilot Assist moeite om u op de juiste
manier te helpen of wordt de stuurassistentie
automatisch uitgeschakeld – in dat geval is
het advies om Pilot Assist niet te gebruiken.
Voorbeelden van dergelijke situaties:
Let er ook op dat Pilot Assist de volgende
beperkingen heeft:
•
Hoge trottoirbanden, barrières en tijdelijke wegversperringen (pylonen, andere
barrières et cetera) worden niet gedetecteerd. Ze kunnen ten onrechte worden
verward met rijstrookmarkeringen, zodat
het risico bestaat dat de auto in aanraking komt met dergelijke barrières. Het is
aan de bestuurder om voldoende afstand
te houden tot de genoemde barrières.
•
de rijstrookmarkeringen zijn afgesleten,
ontbreken of kruisen elkaar.
•
de rijstrookindeling is niet duidelijk, bijvoorbeeld wanneer de rijstroken worden
gesplitst of samengevoegd, bij afritten of
als er sprake is van meerdere sets wegmarkeringen.
•
•
er zijn randen of andere lijnen dan rijstrookmarkeringen aanwezig op of naast de
rijbaan, zoals trottoirbanden, naden of
reparaties in het oppervlak van de rijbaan,
randen van barrières, bermen of scherpe
schaduwen.
De gecombineerde radarsensor en
camera heeft onvoldoende capaciteit om
alle aanwezige objecten en obstakels in
het verkeer te ontdekken, zoals kuilen,
stilstaande obstakels of voorwerpen die
de route geheel of gedeeltelijk blokkeren.
•
•
•
de rijstrook is smal of bochtig.
Pilot Assist “ziet” voetgangers, dieren en
dergelijke niet.
•
•
het is slecht weer, met regen, (natte)
sneeuw of mist of verminderd zicht met
De aanbevolen stuuringreep is in sterkte
beperkt, wat inhoudt dat het systeem u
niet altijd kan helpen de auto zo te sturen
dat deze binnen de rijstrook blijft.
•
Bij een auto met Sensus Navigation* kan
de functie informatie uit kaartgegevens
de rijstrook loopt over een top van een
helling of een verkeerdrempel.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
gebruiken, wat wisselende prestaties kan
betekenen.
•
Steile wegen en/of zware belading
Let erop dat Pilot Assist in eerste instantie
bestemd is voor gebruik tijdens ritten op vlakke
weggedeelten. Het systeem heeft mogelijk
moeite om de juiste afstand ten opzichte van
voorliggers aan te houden bij ritten op steile aflopende wegen – blijf dan extra alert en rem zo
nodig zelf.
Maak geen gebruik van Pilot Assist als de
auto zwaar beladen is of wanneer er een
aanhangwagen achter de auto hangt.
N.B.
Pilot Assist is niet te activeren als een aanhanger, fietsdrager of iets dergelijks worden
aangesloten op het elektrische systeem van
de auto.
49
50
•
Pilot Assist wordt uitgeschakeld, als de
snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging
met een beperkt vermogen werkt – zoals
bij koeling op grond van oververhitting.
U kunt actuele stuuringrepen van Pilot Assist
altijd corrigeren of aanpassen en zelf het stuur in
de gewenste stand draaien.
•
Overig
U kunt Off Road niet kiezen, wanneer Pilot
Assist is geactiveerd.
N.B.
De functie maakt gebruik van de gecombineerde camera en radarsensor van de auto
die enkele algemene beperkingen heeft.
Symbolen en meldingen voor
Pilot Assist*
Op het bestuurdersdisplay en/of head-updisplay* kunnen enkele symbolen en meldingen verschijnen ten aanzien van Pilot Assist.
Hier volgen enkele voorbeelden49.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Pilot Assist (p. 319)
Beperkingen van de gecombineerde camera
en radarsensor (p. 343)
Snelheidsafhankelijke stuurkracht (p. 290)
Rijmodi* (p. 440)
Op de voorgaande afbeelding50 ziet u dat Pilot
Assist is ingesteld op het aanhouden van een
snelheid van 110 km/h (68 mph) en dat er geen
voorliggers zijn die het systeem kan volgen.
Pilot Assist geeft geen stuurhulp, omdat het de
zijlijnen van de rijstrook niet detecteren.
Op de onderstaande voorbeeldafbeeldingen informeert de RSI (Road Sign Information) u dat de maximumsnelheid 130 km/h (80 mph) bedraagt.
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
}}
* Optie/accessoire. 327
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Op de voorgaande afbeelding50 ziet u dat Pilot
Assist is ingesteld op het aanhouden van een
snelheid van 110 km/h (68 mph) en dat het systeem een voorligger volgt die op dezelfde snelheid rijdt.
Op de voorgaande afbeelding50 ziet u dat Pilot
Assist is ingesteld op het aanhouden van een
snelheid van 110 km/h (68 mph) en dat het systeem een voorligger volgt die op dezelfde snelheid rijdt.
Pilot Assist geeft geen stuurhulp, omdat het de
zijlijnen van de rijstrook niet detecteren.
Pilot Assist geeft nu stuurhulp, omdat het de zijlijnen van de rijstrook kan detecteren.
Op de voorgaande afbeelding50 ziet u dat Pilot
Assist is ingesteld op het aanhouden van een
snelheid van 110 km/h (68 mph) en dat er geen
voorliggers zijn die het systeem kan volgen.
Pilot Assist geeft nu stuurhulp, omdat het de zijlijnen van de rijstrook kan detecteren.
Gerelateerde informatie
•
50
328
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
Pilot Assist (p. 319)
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Waarschuwing rijhulpsystemen bij
een dreigende botsing
De rijhulpsystemen Pilot Assist en adaptieve
cruisecontrol*51 kunnen u waarschuwen, als de
afstand tot voorliggers plotseling te klein wordt.
met het waarschuwingslampje en een waarschuwingssignaal op attent gemaakt dat u onmiddellijk moet ingrijpen.
N.B.
In de felle zon, bij lichtschitteringen, extreme
contrastverschillen en het gebruik van een
zonnebril of als u niet recht vooruit kijkt, zijn
de op de voorruit geprojecteerde waarschuwingssignalen soms moeilijk te ontdekken.
WAARSCHUWING
De rijhulpsystemen waarschuwen alleen voor
door de radareenheid gedetecteerde voertuigen – het kan dan ook voorkomen dat een
waarschuwing vertraagd of helemaal niet
wordt weergegeven. Wacht een waarschuwing nooit af, maar rem als dat nodig is.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Rijhulpsystemen (p. 290)
Adaptieve cruisecontrol* (p. 310)
Pilot Assist (p. 319)
Afstandswaarschuwing* (p. 308)
Head-updisplay* (p. 139)
Geluidssignaal en symbool voor Collision Warning.
Akoestisch waarschuwingssignaal bij gevaar
voor een botsing
Waarschuwingssymbool bij gevaar voor een
botsing
Afstandsmeting met gecombineerde camera
en radarsensor
De rijhulpsystemen gebruiken zo'n 40% van de
capaciteit van de bedrijfsrem. Als de auto harder
moet worden afgeremd dan de rijhulpsystemen
aankunnen en u remt zelf niet bij, dan wordt u er
51
Symbool voor Collision Warning onder aan de voorruit.
Bij een auto met een head-updisplay* verschijnt
een waarschuwing op de voorruit in combinatie
met een knipperend symbool.
Adaptive Cruise Control
* Optie/accessoire. 329
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Van doelvoertuig veranderen met
rijhulpsystemen
WAARSCHUWING
Wanneer de rijhulpsystemen een rijdende
voorligger volgen bij snelheden boven
30 km/h (20 mph) en het doelvoertuig verruilen voor een stilstaand voertuig, dan zullen de
rijhulpsystemen het stilstaande voertuig
negeren en in plaats daarvan accelereren tot
de opgeslagen snelheid.
De rijhulpsystemen adaptieve cruisecontrol*52
en Pilot Assist kunnen bij auto's met een automatische versnellingsbak op bepaalde snelheden van doelvoertuig veranderen.
Van doelvoertuig veranderen
•
U dient dan zelf in te grijpen en te remmen.
Automatische stand-bystand bij wijziging van
doelvoertuig
De rijhulpsystemen worden uitgeschakeld en
stand-by gezet:
•
Als het actuele doelvoertuig plotseling afslaat, kan het
gebeuren dat een stilstaande voorligger het nieuwe
doelvoertuig wordt.
Wanneer de rijhulpsystemen een rijdende voorligger volgen bij snelheden onder 30 km/h,
(20 mph) van doelvoertuig veranderen en een
stilstaand voertuig volgen, zullen de rijhulpsystemen voor het stilstaande voertuig remmen.
•
wanneer u langzamer rijdt dan 5 km/h
(3 mph) en de rijhulpsystemen niet kunnen
registreren of de voorligger een stilstaand
voertuig is of een ander object, zoals een
verkeersdrempel.
wanneer u langzamer rijdt dan 5 km/h
(3 mph) en de voorligger slaat af, zodat de
rijhulpsystemen geen voorligger meer hebben om te volgen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
52
53
330
Tijdsverschil instellen voor
rijhulpsystemen
Het is mogelijk om het tijdsverschil ten opzichte
van voorliggers in stellen die de functies adaptieve cruisecontrol*53, Pilot Assist en afstandswaarschuwing* moeten aanhouden.
U kunt verschillende tijdsverschillen ten opzichte van voorliggers kiezen en deze worden
op het bestuurdersdisplay
weergegeven met 1–5 horizontale streepjes – hoe meer
streepjes, hoe groter het tijdsverschil. Eén streepje komt overeen met
zo'n 1 seconde ten opzichte van de voorligger en
5 streepjes komt overeen met zo'n 3 seconden.
N.B.
Wanneer op het bestuurdersdisplay het autosymbool met een stuur verschijnt, volgt Pilot
Assist een voorligger met het gekozen tijdverschil.
Wanneer alleen het autosymbool verschijnt, is
er binnen een redelijke afstand geen voorligger aanwezig.
Rijhulpsystemen (p. 290)
Adaptieve cruisecontrol* (p. 310)
Pilot Assist (p. 319)
Adaptive Cruise Control
Adaptive Cruise Control
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
N.B.
Als het symbool op het bestuurdersdisplay
twee voertuigen toont, volgt ACC de voorligger met een vooraf gekozen tijdsverschil.
Als er slechts één auto wordt getoond, is er
binnen een redelijke afstand geen voorligger
aanwezig.
Om voorliggers soepel en comfortabel te kunnen
blijven volgen staat de adaptieve cruisecontrol in
bepaalde situaties aanzienlijke variaties in het
tijdsverschil toe. Bij lage snelheden (en korte tijden) vergroot de adaptieve cruisecontrol het
tijdsverschil iets.
N.B.
•
Hoe hoger de snelheid, hoe langer de
volgafstand in meters voor een bepaald
tijdsverschil.
•
Houd alleen een tijdsverschil aan dat niet
in strijd is met de geldende verkeersregels.
•
Als de rijhulpsystemen bij activering niet
lijken te reageren met een verhoging van
de snelheid, kan dat komen doordat het
actuele tijdsverschil ten opzichte van de
voorligger kleiner is dan het ingestelde
tijdsverschil.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Rijhulpsystemen (p. 290)
Adaptieve cruisecontrol* (p. 310)
Pilot Assist (p. 319)
Afstandswaarschuwing* (p. 308)
Head-updisplay* (p. 139)
Bedieningselementen voor het tijdsverschil.
WAARSCHUWING
Tijdsverschil verkleinen
–
Tijdsverschil vergroten
•
Houd alleen een tijdsverschil aan dat zich
leent voor de actuele verkeerssituatie.
Afstandsindicatie
•
Let erop dat geringe tijdsverschillen u bij
plotselinge wijzigingen in de verkeerssituatie minder tijd geven om te reageren
en in te grijpen.
Druk op de stuurknop (1) of (2) om het tijdsverschil te verkleinen of te vergroten.
> De afstandsindicatie (3) toont het actuele
tijdsverschil.
* Optie/accessoire. 331
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Rijmodus voor rijhulp
U kunt aangeven op welke manier de rijhulpsystemen een bepaalde afstand tot voorliggers
moeten aanhouden.
U maakt een keuze via de rijmodusknop DRIVE
MODE.
Aan te houden snelheid instellen
voor rijhulpsystemen
–
Het is mogelijk om de snelheid in te stellen die
de functies snelheidsbegrenzer, cruisecontrol,
adaptieve cruisecontrol*54 en Pilot Assist moeten aanhouden.
Kies een van de volgende alternatieven:
• Eco – De rijhulpsystemen streven naar een
zo laag mogelijk brandstofverbruik wat grotere tijdsverschillen ten opzichte van voorliggers betekent.
•
een zo soepel mogelijke aanpassing aan de
rijsnelheid van voorliggers.
• Dynamic* – De rijhulpsystemen streven naar
Gerelateerde informatie
•
•
54
332
Rijhulpsystemen (p. 290)
•
Kort drukken: Iedere keer dat u de knop
indrukt past u de snelheid aan in stappen
van +/- 5 km/h (+/- 5 mph).
•
Knop indrukken en vasthouden: Laat de
knop los als de snelheidsindicator (3) de
gewenste snelheid aangeeft.
De laatst verrichte aanpassing met de knop
wordt in het geheugen opgeslagen.
Als de snelheid met het gaspedaal wordt verhoogd voordat op de stuurknop
(1) wordt
gedrukt, wordt de actuele rijsnelheid bij het drukken op de knop opgeslagen, op voorwaarde dat u
bij het drukken op de knop uw voet op het gaspedaal houdt.
• Comfort – De rijhulpsystemen streven naar
een directere vorm van aanpassing aan het
ingestelde tijdsverschil ten opzichte van voorliggers, wat in bepaalde gevallen krachtiger
acceleraties/remmanoeuvres kan betekenen.
Wijzig de opgeslagen snelheid door kort op
(1) of
(2) te drukde stuurknoppen
ken of door ze ingedrukt te houden.
: Verhoogt de opgeslagen snelheid.
: Verlaagt de opgeslagen snelheid.
Opgeslagen snelheid.
Wanneer u gas bijgeeft met het gaspedaal zoals
bij een inhaalmanoeuvre, blijft de instelling ongewijzigd – de auto hervat de laatst opgeslagen
snelheid zodra u het gaspedaal loslaat.
Rijmodi* (p. 440)
Adaptive Cruise Control
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Automatische versnellingsbak
De rijhulpsystemen kunnen voorliggers volgen bij
snelheden van stilstand tot 200 km/h (125 mph).
Pilot Assist kan stuurhulp bieden bij snelheden
van om en nabij stilstand tot 140 km/h (87 mph).
Let erop dat 30 km/h (20 mph) de instelbare
minimumsnelheid is – ook al kan het systeem
een voorligger volgen tot aan stilstand, is het kiezen/opslaan van een lagere snelheid dan de
genoemde 30 km/h (20 mph) niet mogelijk.
Handgeschakelde versnellingsbak
De rijhulpsystemen kunnen voorliggers volgen bij
snelheden van 30 km/h (20 mph) tot 200 km/h
(125 mph).
Pilot Assist kan stuurhulp bieden bij snelheden
van 30 km/h (20 mph) tot 140 km/h (87 mph).
30 km/h (20 mph) is de instelbare minimumsnelheid – 200 km/h (125 mph) is de maximumsnelheid.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
55
Rijhulpsystemen (p. 290)
Snelheidsbegrenzer (p. 296)
Cruisecontrol (p. 304)
Adaptieve cruisecontrol* (p. 310)
Pilot Assist (p. 319)
Adaptive Cruise Control
Automatische remfunctie van
rijhulpsystemen
N.B.
De Pilot Assist en adaptieve cruisecontrol*
(ACC55) hebben een speciale remfunctie voor
ritten bij langzaamrijdend verkeer en stilstand.
De rijhulpsystemen kunnen de auto maximaal
5 minuten stilhouden – daarna wordt de parkeerrem aangezet, waarna de functie wordt
uitgeschakeld.
Remfunctie bij langzaam rijdend
verkeer en stilstand
Om de rijhulpsystemen te kunnen heractiveren, moet u eerst de parkeerrem lossen.
Na korte stops tot zo'n 3 seconden tijdens filerijden of voor verkeerslichten rijdt de auto automatisch verder. Duurt het langer voordat een voorligger weer gaat rijden, dan worden de rijhulpsystemen stand-by gezet met automatische remfunctie.
–
De functie is op een van de volgende manieren te heractiveren:
•
•
Druk op de stuurknop
.
Trap het gaspedaal in.
> De functie hervat het volgen van de voorligger als deze binnen
ongeveer 6 seconden vooruit begint te rijden.
Annulering van automatische remfunctie
In bepaalde situaties wordt het automatisch remmen bij stilstand geannuleerd en wordt de functie
stand-by gezet. Dat betekent dat de remmen
worden gelost en de auto mogelijk gaat rollen – u
moet daarom ingrijpen en zelf remmen om de
auto stil te houden.
Dat is mogelijk in de volgende situaties:
•
•
•
•
u bedient het rempedaal
u zet de parkeerrem aan
u zet de keuzehendel in de stand P, N of R
u zet de functie stand-by.
Automatische activering van
parkeerrem
In bepaalde situaties wordt de parkeerrem aangezet om ervoor te zorgen dat de auto blijft stilstaan.
}}
* Optie/accessoire. 333
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Dit gebeurt als de functie de auto staande houdt
met behulp van de bedrijfsrem en:
•
u het bestuurdersportier opent of de veiligheidsgordel losmaakt
•
de functie de auto langer dan
ongeveer 5 minuten staande heeft gehouden
•
•
de remmen oververhit zijn geraakt
u de motor handmatig uitschakelt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Rijhulpsystemen (p. 290)
Adaptieve cruisecontrol* (p. 310)
Pilot Assist (p. 319)
Remsystemen (p. 425)
Inhaalassistent
De inhaalassistent kan u helpen bij het inhalen
van andere voertuigen. De functie is te gebruiken in combinatie met Pilot Assist of de adaptieve cruisecontrol* (ACC56).
•
•
Adaptieve cruisecontrol* (p. 310)
Pilot Assist (p. 319)
Hoe de inhaalassistent werkt
Als Pilot Assist of ACC een ander voertuig volgt
en u geeft met de richtingaanwijzer57 te kennen
dat u wilt inhalen, dan helpen de systemen u door
naar de voorligger te accelereren voordat uw
auto de inhaalstrook heeft bereikt.
De functie vertraagt daarna de snelheidsverlaging om te vroeg afremmen te voorkomen als de
auto een langzamer voertuig nadert.
De functie is actief totdat u het ingehaalde voertuig bent gepasseerd.
WAARSCHUWING
Let erop dat dit systeem mogelijk in meer
situaties wordt geactiveerd dan tijdens het
inhalen, zoals bij het gebruik van de richtingaanwijzers om aan te geven dat u van rijbaan
wilt wisselen of wilt afslaan – de auto accelereert dan kort.
Gerelateerde informatie
•
•
56
57
334
Rijhulpsystemen (p. 290)
Inhaalassistent gebruiken (p. 335)
Adaptive Cruise Control
Alleen bij gebruik van de linker richtingaanwijzers bij een auto met het stuur links of de rechter richtingaanwijzers bij een auto met het stuur rechts.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Inhaalassistent gebruiken
WAARSCHUWING
Er gelden enkele voorwaarden voor het gebruik
van de inhaalassistent.
Let erop dat de inhaalassistent bij plotselinge
wijzigingen tijdens het gebruik ervan soms
ongewenste acceleraties kan verrichten.
Om de inhaalassistent te kunnen activeren, is het
volgende vereist:
•
•
•
Vermijd daarom de volgende situaties:
er is een voorligger (doelvoertuig) aanwezig
de actuele snelheid van uw auto is minimaal 70 km/h (43 mph)
de opgeslagen snelheid is hoog genoeg
om veilig te kunnen inhalen.
Om de inhaalassistent te starten:
–
Activeer de richtingaanwijzer.
Gebruik de linker richtingaanwijzer bij een
auto met het stuur links of de rechter bij een
auto met het stuur rechts.
> De inhaalassistent wordt gestart.
Radarsensor
De radarsensor wordt door meerdere rijhulpsystemen gebruikt en heeft tot taak om andere voertuigen te detecteren.
•
u nadert een afslag om af te slaan in de
richting die normaal voor inhaalmanoeuvres geldt
•
een voorligger mindert vaart voordat uw
auto de inhaalstrook heeft bereikt
•
het verkeer op de inhaalstrook mindert
vaart
•
een auto bestemd voor rechtsrijdend verkeer rijdt in een land met linksrijdend verkeer (of andersom).
Positie van de radarsensor.
Dergelijke situaties zijn te vermijden door de
adaptieve cruisecontrol of Pilot Assist tijdelijk
stand-by te zetten.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Inhaalassistent (p. 334)
Adaptieve cruisecontrol* (p. 310)
Pilot Assist (p. 319)
De radarsensor wordt gebruikt voor de volgende
systemen:
•
•
•
•
•
Afstandswaarschuwing*
Adaptieve cruisecontrol*
Rijbaanassistent
Pilot Assist*
City Safety
Bij modificatie van de radarsensor is het mogelijk
dat het gebruik ervan onwettig wordt.
}}
* Optie/accessoire. 335
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Gerelateerde informatie
•
•
336
Rijhulpsystemen (p. 290)
Beperkingen van de gecombineerde camera
en radarsensor (p. 343)
•
Aanbevolen onderhoud van de gecombineerde camera en radarsensor (p. 347)
•
Typegoedkeuring voor radarsensor (p. 337)
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Typegoedkeuring voor radarsensor
Hier staan de typegoedkeuringen voor de radarsensoren van de ACC58-, PA59- en BLIS60-functies.
Markt
ACC &
PA
Symbool
Typegoedkeuring
✓
Botswana
Brazilië
BLIS
Este equipamento opera em caráter secundário, isto é, não tem direito à proteção contra
interferência prejudicial, mesmo de estações do mesmo tipo, e não pode causar
interferência a sistemas operando em caráter primário.
✓
Modelo: L2C0054TR
4122-14-8645
✓
58
59
60
Adaptive Cruise Control
Pilot Assist
Blind Spot Information
03563-17-05364
}}
337
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Markt
ACC &
PA
BLIS
Symbool
Typegoedkeuring
Hereby, Delphi Electronics and Safety declares that L2C0054TR is in compliance with the
essential requirements and other relevant provisions of Directive 2014/53/EU (RED). The
original declaration of conformity can be accessed at the following link www.delphi.com/
automotive-homologation.
✓
Frequency Band: 76GHz – 77GHz
Maximum Output Power: 55dBm EIRP
The Declaration of Conformity may be consulted at Delphi Electronics & Safety / 2151 E.
Lincoln Road / Kokomo, Indiana 46902 USA
Europa
Hereby, Hella KgaA Hueck & Co., declares that RS4 is in compliance with the essential
requirements and other relevant provisions of Directive 2014/53/EU.
✓
The Declaration of conformity may be consulted at Hella KGaA Hueck & Co., Rixbecker
Straße 75/ 59552 Lippstadt, Germany and on the website www.hella.com/vcc.
Frequency Band: 24050-24250 MHz
Maximum Output Power: 20 dBm EIRP
Registered No: ER37536/15
✓
Verenigde Arabische
Emiraten (UAE)
Dealer No: DA37380/15
✓
Dealer No: DA44932/15
37295/POSTEL/2014
✓
4927
Indonesië
✓
338
Registered No: ER53878/17
Certificate number: 50459/SDPPI/2017
PLG ID: 6051
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Markt
Jordanië
ACC &
PA
BLIS
Typegoedkeuring
Type Approval No.: TRC/LPD/2014/255
✓
Equipment Type: Low Power Device (LPD)
✓
Korea
Symbool
TRC/LPD/2017/63
Certification No.
✓
MSIP-CMI- DPH-L2C0054TR
✓
MSIP-CMM-HLA-RS4
AGREE PAR L’ANRT MAROC
Marokko
✓
NUMÉRO D’AGRÉMENT: MR 9929 ANRT 2014
DATE D’AGRÉMENT: 26/12/2014
✓
IFETEL: RLVDEL215-0299
Radar de corto alcance
Mexico
✓
RS4
Hella KGaA Hueck & Co
IFETEL: RLVHERS17-0286
Moldavië
✓
✓
}}
339
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Markt
ACC &
PA
BLIS
И011 14
✓
Servië
✓
✓
Singapore
И011 17
DA 105753
✓
✓
Zuid-Afrika
DA 103238
TA-2014/1824
✓
✓
340
Typegoedkeuring
✓
Rusland
Taiwan
Symbool
TA-2016/3407
CCAB15LP0560T3
✓
CCAB17LP0470T5
BESTUURDERSONDERSTEUNING
ACC &
PA
Markt
BLIS
Symbool
Typegoedkeuring
Delphi і
✓
і
.) Д
Oekraïne
(
і
і
і
є, щ
і
ь
)
і
і
RACAM і
і є
П
і
і
і
і
(П
КМ № 679 і 24
ь
і Delphi
: Delphi.
2009
✓
Typegoedkeuring voor radioapparatuur
Markt
Europa
Symbool
Typegoedkeuring
Volvo Cars verklaart hierbij dat alle radioapparatuur conform de essentiele eisen en andere relevante bepalingen is van
de Richtlijn
2014/53/EU.
Gerelateerde informatie
•
Radarsensor (p. 335)
341
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Camera
Gerelateerde informatie
De camera wordt gebruikt door meerdere rijhulpsystemen en heeft tot taak om bijvoorbeeld
de zijlijnen van de weg of verkeersborden te
detecteren.
•
•
•
Rijhulpsystemen (p. 290)
Beperkingen van de gecombineerde camera
en radarsensor (p. 343)
Aanbevolen onderhoud van de gecombineerde camera en radarsensor (p. 347)
Positie van de camera-eenheid.
De camera wordt gebruikt voor de volgende systemen:
•
•
•
•
•
•
•
•
342
Adaptieve cruisecontrol*
Pilot Assist*
Rijbaanassistent*
Stuurhulp bij botsgevaar
City Safety
Driver Alert Control*
Verkeersbordinformatie*
Automatisch groot licht*
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Beperkingen van de gecombineerde
camera en radarsensor
De gecombineerde camera en radarsensor kent
enkele beperkingen – wat ook beperkingen met
zich meebrengt voor de functies die gebruikmaken van de gecombineerde camera en radarsensor. Als bestuurder dient u bijvoorbeeld rekening
te houden met de volgende beperkingen.
Gecombineerde camera en radarsensor
De camera zit aan de binnenkant op het bovenste deel van de voorruit, samen met de radarsensor van de auto.
In de volgende tabel staan voorbeelden van
mogelijke oorzaken van het verschijnen van de
melding en passende maatregelen:
Plaats, plak of bevestig niets aan de buiten- of
binnenkant van de voorruit, vóór of rond de
gecombineerde camera en radarsensor – dat kan
storingen veroorzaken in de op de camera en
radarsensor gebaseerde functies. Dit kan ertoe
leiden dat deze functies beperkingen vertonen,
worden uitgeschakeld of verkeerd reageren.
Geblokkeerde eenheid
Als op het bestuurdersdisplay dit symbool en de melding "Voorruitsensor
Sensor afgedekt, zie handleiding"
verschijnen, betekent dit dat de
gecombineerde camera en radarsensor geen
voorliggers, fietsers, voetgangers en grotere dieren voor de auto kan ontdekken en dat de functies die gebruikmaken van de gecombineerde
camera en radarsensor mogelijk storingen of
beperkingen vertonen, uitgeschakeld worden of
verkeerd reageren.
Reinig het gemarkeerde gebied regelmatig en houd het
vrij van stickers, voorwerpen, zonnefilm et cetera.
Oorzaak
Maatregel
Het voorruitoppervlak vóór de gecombineerde camera en radarsensor is
vuil of bedekt met sneeuw of ijs.
Ontdoe het voorruitoppervlak vóór de gecombineerde camera en radarsensor van
vuil, sneeuw en ijs.
Dichte mist en zware regen- of sneeuwval blokkeren de radarsignalen
of het zicht van de camera.
Valt niets aan te doen. Bij hevige neerslag werkt de eenheid soms niet.
}}
343
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Oorzaak
Maatregel
De radarsignalen of het zicht van de camera worden gehinderd door
opspattend water en opdwarrelende sneeuw van het wegdek.
Valt niets aan te doen. Op weggedeelten met een dikke laag water of sneeuw
werkt de eenheid soms niet.
Er is vuil tussen de binnenkant van de voorruit en de gecombineerde
camera en radarsensor gekomen.
Bezoek een werkplaats om de binnenkant van de voorruit achter de behuizing van
de eenheid te laten reinigen. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Fel tegenlicht
Valt niets aan te doen. In betere lichtomstandigheden wordt de camera automatisch opnieuw geactiveerd.
Hoge temperaturen
Bij zeer hoge temperaturen in het interieur zal de
gecombineerde camera en radarsensor na het
starten van de motor mogelijk tijdelijk worden uitgeschakeld gedurende zo'n 15 minuten om de
elektronica te beschermen. Als de temperatuur
voldoende gedaald is, wordt de gecombineerde
camera en radarsensor automatisch weer opgestart.
Om te voorkomen dat de rijhulpsystemen die van
de gecombineerde camera en radarsensor
gebruikmaken, niet, verkeerd of in beperkte mate
werken, geldt ook het volgende:
•
Beschadigde voorruit
N.B.
Als u niets doet, presteren de rijhulpsystemen
die gebruikmaken van de gecombineerde
camera en radarsensor mogelijk minder goed.
Dit kan ertoe leiden dat deze functies beperkingen vertonen, worden uitgeschakeld of
verkeerd reageren.
61
344
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Als het voorruitoppervlak vóór een van beide
'ogen' van de gecombineerde camera en
radarsensor barsten, krassen of steenslagschade vertoont van ca. 0,5 × 3,0 mm
(0,02 × 0,12 in) of groter, neem dan contact
op met een werkplaats61 om de voorruit te
laten vervangen.
•
Volvo adviseert u om scheurtjes, krassen of
sterren in het gebied vóór de gecombineerde
camera en radarsensor niet te repareren,
maar de complete voorruit te vervangen.
•
Neem alvorens de voorruit te laten vervangen
contact op met een werkplaats61 om te controleren of de juiste voorruit wordt besteld en
gemonteerd.
•
Monteer bij vervanging van de ruitenwissers
hetzelfde type of een ander type, door Volvo
goedgekeurde ruitenwissers.
•
Na vervanging van de voorruit moet u de
gecombineerde camera en radarsensor in
een werkplaats61 laten herkalibreren om er
zeker van te zijn dat alle autofuncties die
gebaseerd zijn op de gecombineerde camera
en radarsensor naar behoren werken.
Radarsensor
Rijsnelheid
De radarsensor heeft veel meer moeite om een
voorligger te ontdekken als de snelheid van de
voorligger veel afwijkt van die van uw eigen auto.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Beperkt blikveld
De radarsensor heeft een beperkt blikveld. In
bepaalde gevallen wordt een voorligger niet ontdekt of later dan verwacht.
beeld als een inhalend voertuig invoegt tussen u en uw voorligger.
Ook kleine voertuigen, zoals motorfietsen of
voertuigen die niet in het midden van de rijstrook rijden, kunnen onopgemerkt blijven.
In bochten kan de radarsensor op het verkeerde voertuig reageren of een eerder
opgemerkt voertuig uit het zicht verliezen.
Lage aanhangwagens
val, in dichte mist of in dikke stofwolken of stuifsneeuw. In dergelijke omstandigheden kunnen
functies die gebruikmaken van de camera grote
beperkingen ondervinden of tijdelijk gedeactiveerd worden.
Fel tegenlicht, reflecties op het wegdek,
besneeuwde of beijzelde wegen, verontreinigde
en onduidelijke rijstrookmarkeringen kunnen aanleiding geven tot grote beperkingen voor de systemen die van de camera gebruikmaken om bijvoorbeeld het wegdek af te tasten en andere
voertuigen, fietsers, voetgangers en grotere dieren te ontdekken.
Lage aanhangwagen in radarschaduw.
Het blikveld van de radarsensor.
Soms kan de radarsensor een voorligger op
korte afstand pas laat registreren, bijvoor-
Ook lage aanhangwagens ontdekt de radarsensor soms alleen met grote moeite of helemaal
niet – u moet daarom extra voorzichtig zijn als er
een lage aanhangwagen achter de voorligger
hangt en de adaptieve cruisecontrol of Pilot
Assist actief is.
Camera
Beperkt zicht
Camera's kennen ongeveer dezelfde beperkingen als het menselijk oog. Dit houdt in dat ze
minder goed "zien" bij hevige regen- of sneeuw}}
345
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Parkeerhulpcamera*
Defecte camera
Als een camerasector zwart
blijft en het nevenstaande symbool bevat, betekent dit dat de
desbetreffende camera defect
is.
Dode hoeken
kan variëren wat lichtsterkte en kwaliteit betreft.
Slechte lichtomstandigheden leveren mogelijk
een slechtere beeldkwaliteit op.
Parkeerhulpcamera achter
WAARSCHUWING
Hieronder een voorbeeld.
Wees bij het verschijnen
van dit symbool extra voorzichtig tijdens het achteruitrijden met een gemonteerde aanhangwagen,
fietsdrager of iets dergelijks
die is aangesloten op het
elektrische systeem van de auto.
Het symbool geeft aan dat de parkeerhulpsensoren achter uitgeschakeld zijn, zodat
deze niet waarschuwen voor eventuele obstakels.
Er zitten "dode" hoeken tussen de blikvelden van de
camera's.
In het 360°-aanzicht* van de parkeerhulpcamera
kunnen obstakels/voorwerpen "verdwijnen" in de
overgangen tussen de afzonderlijke camera's.
N.B.
De linker camera van de auto is defect.
WAARSCHUWING
Ook als de dode hoeken op het scherm relatief klein ogen dient u erop te letten dat de
verborgen gebieden in werkelijkheid dusdanig
groot kunnen zijn dat obstakels mogelijk pas
worden geregistreerd, wanneer de auto de
obstakels zeer dicht genaderd is.
Ook in de volgende gevallen blijft de desbetreffende camerasector zwart, zij het zonder het
symbool voor een defecte camera:
•
•
•
geopend portier
geopende achterklep
ingeklapte buitenspiegel.
Lichtomstandigheden
De cameraweergave wordt automatisch aangepast aan de heersende lichtomstandigheden. Dit
kan ertoe leiden dat de beeldweergave ietwat
346
Fietsdragers of andere accessoires achter op
de auto kunnen het blikveld van de camera
blokkeren.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Camera (p. 342)
Radarsensor (p. 335)
Aanbevolen onderhoud van de gecombineerde camera en radarsensor (p. 347)
Parkeerhulpcamera* (p. 401)
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Aanbevolen onderhoud van de
gecombineerde camera en
radarsensor
Gerelateerde informatie
•
•
•
De gecombineerde camera en radarsensor
werkt alleen naar behoren, wanneer u deze ontdoet van vuil, ijs en sneeuw en ze regelmatig reinigt met water en autoshampoo.
•
Camera (p. 342)
Radarsensor (p. 335)
Beperkingen van de gecombineerde camera
en radarsensor (p. 343)
Parkeerhulpcamera* (p. 401)
N.B.
Vuil, sneeuw en ijs op de sensoren kunnen
aanleiding geven tot onterechte waarschuwingssignalen, tot systeembeperkingen of
ervoor zorgen dat het systeem niet meer
werkt.
Locatie van de radarsensoren aan de achterzijde. Het
gemarkeerde gebied schoonhouden – en dat zowel links
als rechts.
•
Voor een optimale werking is het belangrijk
dat de oppervlakken vóór de sensoren
schoon worden gehouden.
•
Bevestig geen voorwerpen, tape of stickers
binnen het oppervlak van de sensoren.
•
Maak cameralenzen regelmatig schoon met
lauw water en autoshampoo. Wees voorzichtig zodat er geen krassen op de lens komen.
BELANGRIJK
Positie van de sensoren.
62
Laat het onderhoud aan rijhulpcomponenten
over aan een werkplaats62.
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire. 347
BESTUURDERSONDERSTEUNING
City Safety™
Safety63
City
kan u met licht- en geluidssignalen
en rempedaaltrillingen attenderen op plotseling
opdoemende voetgangers, fietsers, grotere dieren en voorliggers – de auto remt automatisch
als u zelf niet binnen een redelijke tijd reageert.
peld aan onoplettendheid tot bijna-ongelukken
kunnen leiden.
Het systeem helpt u door automatisch te remmen, wanneer het gevaar voor een botsing met
een voorligger reëel is en u zelf niet snel genoeg
remt en/of uitwijkt.
City Safety start een korte, krachtige remmanoeuvre en zorgt er normaliter voor dat u net
achter uw voorligger tot stilstand komt.
WAARSCHUWING
•
Auto Brake van City Safety kan een botsing geheel voorkomen of de botssnelheid verlagen, maar voor maximale remwerking moet u altijd het rempedaal
bedienen – ook al remt de auto automatisch.
•
De waarschuwingen en stuurhulp worden
alleen geactiveerd bij een groot gevaar
voor een botsing – wacht een botswaarschuwing of ingreep van City Safety
daarom nooit af.
•
Er wordt niet gewaarschuwd noch
geremd voor voetgangers en fietsers bij
rijsnelheden hoger dan 80 km/h
(50 mph).
•
City Safety activeert geen automatische
remingrepen bij krachtig versnellen.
City Safety wordt geactiveerd in situaties waar u
eigenlijk al veel eerder had moeten remmen,
zodat de functie niet altijd uitkomst biedt.
City Safety is erop gebouwd om zo laat mogelijk
geactiveerd te worden om onnodige ingrepen te
voorkomen.
Locatie gecombineerde camera en radarsensor.
City Safety kan een aanrijding voorkomen of de
impactsnelheid verlagen.
City Safety is een hulpmiddel dat bedoeld is om u
te waarschuwen, wanneer het gevaar bestaat dat
u op een voetganger, een fietser, een groter dier
of een voorligger botst.
City Safety kan u helpen een botsing te voorkomen tijdens filerijden en dergelijke, waarbij plotselinge wijzigingen in het verkeer vóór u gekop-
63
348
De functie is niet op alle markten beschikbaar.
U en eventuele passagiers zullen normaal alleen
merken dat City Safety actief is, wanneer een
botsing dreigt.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
WAARSCHUWING
•
•
•
De functie is een systeem voor aanvullende rijhulp om de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen, maar
het systeem werkt niet in alle verkeers-,
weers- en wegomstandigheden.
U wordt geadviseerd om alle paragrafen
over het systeem in de gebruikershandleiding door te nemen en bijvoorbeeld te
lezen over de beperkingen die u moet
kennen voordat u het systeem gebruikt.
De rijhulpsystemen ontslaan u niet van de
plicht om alert en adequaat te reageren,
zodat u de auto altijd op een veilige
manier moet blijven besturen, met inachtneming van een passende snelheid en
geschikte afstand tot andere weggebruikers en met respect voor de geldende
verkeersregels en -bepalingen.
Gerelateerde informatie
•
•
Rijhulpsystemen (p. 290)
Parameters en deelfuncties van City Safety
(p. 349)
•
Waarschuwingsafstand instellen voor City
Safety (p. 351)
•
•
Obstakeldetectie met City Safety (p. 353)
City Safety remt voor tegenliggers (p. 359)
•
City Safety bij ontoereikende uitwijkmanoeuvre (p. 358)
Parameters en deelfuncties van City
Safety
•
•
City Safety bij kruisend verkeer (p. 355)
•
Beperkingen van City Safety bij kruisend verkeer (p. 356)
City Safety kan een botsing met een voorligger,
fietser, voetganger of een groter dier voorkomen
via een verlaging van de rijsnelheid door automatisch te remmen.
•
Beperkingen van de stuurhulp van City
Safety bij een uitwijkmanoeuvre (p. 358)
•
•
Beperkingen van City Safety (p. 360)
City Safety met stuurhulp bij een uitwijkmanoeuvre (p. 357)
Meldingen voor City Safety (p. 363)
Bij een snelheidsverschil groter dan de volgende
snelheden kan de automatische remfunctie van
City Safety een botsing niet geheel voorkomen,
maar wel de gevolgen ervan beperken.
Voertuig
Voor een voorligger kan City Safety de snelheid
verlagen met maximaal 60 km/h (37 mph).
Fietsers
Voor een fietser kan City Safety de snelheid verlagen met maximaal 50 km/h (30 mph).
Voetganger
Voor een voetganger kan City Safety de snelheid
verlagen met maximaal 45 km/h (28 mph).
Grotere dieren
Bij gevaar voor een botsing met groot wild kan
City Safety de rijsnelheid verlagen tot 15 km/h
(9 mph).
De remingreep voor grotere dieren is in eerste
instantie bedoeld om de botskrachten bij hogere
snelheden te beperken en is het effectiefst op
snelheden hoger dan 70 km/h (43 mph) en minder effectief op lage snelheden.
}}
349
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Deelfuncties van City Safety
1 – Collision Warning
Eerst wordt u gewaarschuwd voor een dreigende
botsing.
Bij een auto met een head-updisplay* verschijnt
een waarschuwing op de voorruit in combinatie
met een knipperend symbool.
Akoestisch waarschuwingssignaal bij gevaar
voor een botsing
Brake Support helpt u bij het remmen, als het
systeem ervan uitgaat dat de remmanoeuvre
alleen niet voldoende is om een botsing te voorkomen.
Waarschuwingssymbool bij gevaar voor een
botsing
1.
Collision Warning
2.
Brake Support
3.
Auto Brake
De volgende tekst licht toe wat de drie functies
doen:
350
Bij een dreigende botsing met een voetganger,
fietser, groter dier of een voertuig wordt uw aandacht getrokken met licht- en geluidssignalen en
rempedaaltrillingen. Bij lagere snelheden, krachtig afremmen door de bestuurder of het geven
van gas worden geen rempedaaltrillingen verstrekt. De intensiteit van de rempedaaltrilling is
afhankelijk van de rijsnelheid.
2 – Brake Support
Als het gevaar voor een aanrijding na de Collision
Warning verder is toegenomen, treedt de Brake
Support in werking.
Functie-overzicht.
Afstandsmeting met gecombineerde camera
en radarsensor
City Safety vervult drie functies in de volgende
volgorde:
tevens voetgangers, fietsers of grote dieren ontdekken, die het pad van uw auto kruisen.
Symbool voor Collision Warning onder aan de voorruit.
N.B.
In de felle zon, bij lichtschitteringen, extreme
contrastverschillen en het gebruik van een
zonnebril of als u niet recht vooruit kijkt, zijn
de op de voorruit geprojecteerde waarschuwingssignalen soms moeilijk te ontdekken.
City Safety kan voetgangers, fietsers of voertuigen voor uw auto ontdekken, die stilstaan of in
dezelfde richting als u rijden. City Safety kan
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
3 – Auto Brake
In allerlaatste instantie wordt de automatische
remfunctie geactiveerd.
Als u in deze fase nog steeds niet aan een uitwijkmanoeuvre bent begonnen en er een aanrijding dreigt, wordt er automatisch geremd, ongeacht of u zelf remt of niet. De auto wordt daarbij
maximaal afgeremd om de botssnelheid te
beperken of zoveel als nodig is om een aanrijding
te voorkomen.
U kunt een remingreep altijd afbreken hard op
het gaspedaal te trappen.
N.B.
Wanneer City Safety ingrijpt en remt, verschijnt
op het bestuurdersdisplay de melding dat het
systeem actief is/was.
WAARSCHUWING
Pas uw rijstijl niet aan op grond van City
Safety en ga er niet blindelings van uit dat
City Safety voor u remt.
Auto Brake kan in bepaalde situaties de remingreep met lichter remmen beginnen en vervolgens overgaan op de volledige remwerking.
N.B.
Bij een auto met een handgeschakelde versnellingsbak, stopt de motor wanneer de Auto
Brake de auto tot stilstand heeft gebracht,
tenzij u voor die tijd het koppelingspedaal
weet te bedienen.
City Safety mag dan altijd geactiveerd zijn, u
kunt wel een waarschuwingsafstand kiezen.
Als City Safety remt, gaan de remlichten branden.
Bij activering van de automatische remfunctie
worden mogelijk ook de gordelspanners geactiveerd.
Wanneer City Safety een botsing met een stilstaand obstakel heeft voorkomen, blijft de auto
stilstaan totdat u bepaalde actie onderneemt. Als
de auto wordt afgeremd wegens een langzamer
rijdende voorligger, wordt uw snelheid afgestemd
op die van de voorligger.
Waarschuwingsafstand instellen
voor City Safety
Gerelateerde informatie
•
•
•
City Safety™ (p. 348)
Head-updisplay* (p. 139)
Gordelspanners (p. 48)
N.B.
City Safety is niet uit te schakelen, maar
wordt bij het starten van de motor/elektrische
aandrijving automatisch geactiveerd en blijft
vervolgens actief tot u de motor/elektrische
aandrijving uitschakelt.
De waarschuwingsafstand bepaalt de gevoeligheid van het systeem en de afstand waarbij de
licht- en geluidssignalen en de rempedaaltrillingen moeten worden gegeven.
Om een waarschuwingsafstand te kiezen:
1.
Kies Instellingen My Car IntelliSafe
in het hoofdscherm van het middendisplay.
2.
Kies onder Waarschuwing City Safety voor
Laat, Normaal of Vroeg voor het instellen
van de gewenste waarschuwingsafstand.
Als de instelling Vroeg te vaak tot waarschuwingen leidt (wat in bepaalde situaties als hinderlijk
kan worden ervaren), kunt u de waarschuwingsafstand Normaal of Laat kiezen.
Wanneer u vindt dat er te vaak wordt gewaarschuwd en de signalen als storend ervaart, kunt u
de waarschuwingsafstand verkleinen zodat City
}}
* Optie/accessoire. 351
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Safety niet alleen minder vaak waarschuwt, maar
ook minder snel.
Gebruik waarschuwingsafstand Laat daarom
alleen in uitzonderingsgevallen, zoals bij sportief
rijden.
WAARSCHUWING
•
•
352
N.B.
Geen enkel automatisch systeem kan in
alle situaties een 100 % feilloze werking
garanderen. Test City Safety daarom
nooit uit op mensen, dieren of voertuigen
– dat kan namelijk tot ernstig letsel/
ernstige schade en levensgevaarlijke situaties leiden.
City Safety waarschuwt u bij gevaar voor
een botsing, maar het systeem is niet in
staat uw reactietijd te verkorten.
•
Ook als u de waarschuwingsafstand hebt
ingesteld op Vroeg, kunnen de waarschuwingen voor uw gevoel soms laat
worden afgegeven, bijvoorbeeld bij grote
snelheidsverschillen of als de voorligger
plotseling krachtig remt.
•
Wanneer de waarschuwingsafstand is
ingesteld op Vroeg, worden de waarschuwingen eerder gegeven. Dit kan
ertoe leiden dat er vaker wordt gewaarschuwd dan bij de waarschuwingsafstand
Normaal, maar toch geniet deze instelling de voorkeur omdat het City Safety
effectiever kan maken.
Waarschuwingen via de richtingaanwijzers
voor de Rear Collision Warning worden
gedeactiveerd, als de waarschuwingsafstand
voor de Collision Warning in City Safety is
ingesteld op het laagste niveau "Laat".
De functies 'gordels spannen' en 'remmen'
zijn echter nog steeds actief.
Gerelateerde informatie
•
•
City Safety™ (p. 348)
Rear Collision Warning (p. 364)
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Obstakeldetectie met City Safety
City Safety kan u helpen bij het detecteren van
voertuigen, fietsers, grotere dieren en voetgangers.
Voertuig
City Safety detecteert de meeste voertuigen die
stilstaan of in dezelfde richting als u rijden. De
functie kan in bepaalde gevallen ook tegenliggers en kruisende voertuigen detecteren.
City Safety kan voertuigen in het donker alleen
detecteren, wanneer de voor- en achterlichten
van deze voertuigen werken en duidelijk waarneembaar branden.
Fietser
Voor optimale systeemprestaties moet de functie
die verantwoordelijk is voor identificatie van fietsers zo uniform mogelijke informatie over de
lichaams- en fietscontouren ontvangen – wat
inhoudt dat kenmerkende (lichaams-)delen zoals
fiets, hoofd, armen, schouders, benen, borstkas
en buik moeten kunnen worden waargenomen
evenals een bewegingspatroon dat voor fietsers
als normaal te beschouwen is.
Het systeem kan fietsers niet ontdekken, als de
systeemcamera grote delen van het lichaam van
de fietser of van zijn/haar fiets niet kan waarnemen.
Het systeem kan alleen volwassen fietsers ontdekken die op fietsen voor volwassenen zitten.
WAARSCHUWING
City Safety is een systeem voor aanvullende
bestuurdersondersteuning dat niet altijd alle
fietsers kan detecteren en bijvoorbeeld
moeite heeft met:
•
•
slechts gedeeltelijk zichtbare fietsers;
fietsers als het contrast met de achtergrond gering is – waarschuwingen en
remingrepen kunnen dan pas laat komen
of helemaal achterwege blijven;
•
fietsers in kleding die de lichaamscontouren verhult;
•
fietsen waarop grote voorwerpen worden
vervoerd.
U bent er altijd zelf verantwoordelijk voor dat u
de auto op de juiste wijze bestuurt en voldoende afstand houdt, afhankelijk van de rijsnelheid.
Ideaalvoorbeeld van wat City Safety als een fietser
beschouwt – met herkenbare lichaams- en fietscontouren.
}}
353
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Voetganger
City Safety kan dankzij de koplampen van de auto
ook in het donker voetgangers detecteren.
Grotere dieren
WAARSCHUWING
City Safety is een systeem voor aanvullende
bestuurdersondersteuning dat niet altijd alle
voetgangers kan detecteren en bijvoorbeeld
moeite heeft met:
Ideaalvoorbeelden van wat het systeem als voetgangers
met herkenbare lichaamscontouren beschouwt.
Voor optimale systeemprestaties moet de functie
die verantwoordelijk is voor identificatie van voetgangers zo uniform mogelijke informatie over de
lichaamscontouren ontvangen – wat inhoudt dat
kenmerkende lichaamsdelen zoals hoofd, armen,
schouders, benen, borstkas en buik moeten kunnen worden waargenomen evenals een bewegingspatroon dat voor mensen als normaal te
beschouwen is.
Om een voetganger te kunnen detecteren moet
er sprake zijn van een bepaald contrast ten
opzichte van de achtergrond door bijvoorbeeld
kleding, achtergrond, weersomstandigheden en
dergelijke. Bij weinig contrast worden voetgangers mogelijk laat of helemaal niet gedetecteerd.
De waarschuwingen en remingrepen kunnen dan
laat of helemaal niet plaatsvinden.
354
•
slechts gedeeltelijk zichtbare voetgangers, voetgangers die gekleed gaan in
kleding die de lichaamscontouren verhult
of voetgangers met een lengte korter dan
80 cm (32 in.);
•
voetgangers bij een gering contrast met
de achtergrond – waarschuwingen en
remingrepen kunnen dan pas laat komen
of helemaal achterwege blijven;
•
voetgangers die grote voorwerpen dragen.
U bent er altijd zelf verantwoordelijk voor dat u
de auto op de juiste wijze bestuurt en voldoende afstand houdt, afhankelijk van de rijsnelheid.
Ideaalvoorbeeld van wat City Safety als een stilstaand of
langzaam lopend groter dier beschouwt – met herkenbare lichaamscontouren.
Als een groter dier voor de auto opdoemt, kan
Large Animal Detection, dat onderdeel is van City
Safety, u in bepaalde situaties waarschuwen en
helpen bij het remmen.
Voor optimale systeemprestaties moet de functie
die verantwoordelijk is voor identificatie van grotere dieren (zoals een eland of paard) zo uniform
mogelijk informatie over de lichaamscontouren
ontvangen – wat inhoudt dat het dier recht vanaf
de zijkant moet kunnen worden waargenomen en
dat het dier een bewegingspatroon heeft dat voor
het dier als normaal te beschouwen is.
Het systeem kan dieren niet ontdekken, als de
systeemcamera delen van het lichaam van het
dier niet kan waarnemen.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
City Safety kan dankzij de koplampen van de auto
ook in het donker grotere dieren detecteren.
WAARSCHUWING
•
Beperkingen van City Safety bij kruisend verkeer (p. 356)
•
Beperkingen van de stuurhulp van City
Safety bij een uitwijkmanoeuvre (p. 358)
City Safety bij kruisend verkeer
City Safety kan u helpen als uw auto tijdens het
afslaan op een kruising het pad van een tegenligger kruist.
City Safety is een systeem voor aanvullende
bestuurdersondersteuning dat niet altijd alle
grotere dieren kan detecteren en bijvoorbeeld
moeite heeft met:
•
slechts gedeeltelijk zichtbare grotere dieren;
•
grotere dieren die met hun voor- of achtereind recht voor de auto staan of bewegen;
•
grotere dieren die snel rennen of bewegen;
•
grotere dieren als het contrast met de
achtergrond van de dieren gering is –
waarschuwingen en remingrepen kunnen
dan pas laat komen of helemaal achterwege blijven.
•
kleinere dieren zoals honden en katten.
U bent er altijd zelf verantwoordelijk voor dat u
de auto op de juiste wijze bestuurt en voldoende afstand houdt, afhankelijk van de rijsnelheid.
Gerelateerde informatie
•
•
City Safety™ (p. 348)
: Gebied waarin City Safety kruisende tegenliggers
kan detecteren.
City Safety kan een tegenligger waar u tegenop
dreigt te botsen pas detecteren, wanneer de
tegenligger in het gebied is waar City Safety het
verloop kan analyseren.
Bovendien moet aan de volgende criteria zijn voldaan:
•
de snelheid van uw auto is minimaal 4 km/h
(3 mph)
•
uw auto slaat af naar links op markten met
rechtsrijdend verkeer (of naar rechts bij linksrijdend verkeer)
•
de koplampen van de tegenligger branden.
Beperkingen van City Safety (p. 360)
}}
355
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
WAARSCHUWING
Rijhulpsystemen waarschuwen alleen voor
door de radareenheid gedetecteerde obstakels – het kan dan ook gebeuren dat een
waarschuwing met enige vertraging of helemaal niet wordt gegeven.
•
Gerelateerde informatie
•
•
City Safety™ (p. 348)
Beperkingen van City Safety bij kruisend verkeer (p. 356)
Beperkingen van City Safety bij
kruisend verkeer
In bepaalde gevallen kan het voor City Safety
moeilijk zijn om u te helpen bij een dreigende
botsing met tegemoetkomend kruisend verkeer.
Wacht een waarschuwing of ingreep
nooit af, maar rem als dat nodig is.
WAARSCHUWING
•
De functie is een systeem voor aanvullende rijhulp om de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen, maar
het systeem werkt niet in alle verkeers-,
weers- en wegomstandigheden.
•
U wordt geadviseerd om alle paragrafen
over het systeem in de gebruikershandleiding door te nemen en bijvoorbeeld te
lezen over de beperkingen die u moet
kennen voordat u het systeem gebruikt.
•
356
De rijhulpsystemen ontslaan u niet van de
plicht om alert en adequaat te reageren,
zodat u de auto altijd op een veilige
manier moet blijven besturen, met inachtneming van een passende snelheid en
geschikte afstand tot andere weggebruikers en met respect voor de geldende
verkeersregels en -bepalingen.
Wat mogelijk is in de volgende gevallen:
•
•
•
•
•
bij gladheid zodat de stabiliteitsregeling ESC
ingrijpt
tegenliggers worden laat ontdekt
het zicht op tegenliggers wordt ergens door
belemmerd
tegenliggers voeren geen koplampen
tegenliggers rijden onvoorspelbaar en wisselen bijvoorbeeld in een laat stadium snel van
rijbaan.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
N.B.
De functie maakt gebruik van de gecombineerde camera en radarsensor van de auto
die enkele algemene beperkingen heeft.
Gerelateerde informatie
•
•
•
City Safety bij kruisend verkeer (p. 355)
City Safety met stuurhulp bij een
uitwijkmanoeuvre
City Safety met stuurhulp kan u helpen om uit te
wijken voor een voertuig/obstakel, wanneer een
botsing niet met een simpele remmanoeuvre te
voorkomen is. City Safety met stuurhulp is niet
uit te schakelen en daarmee altijd geactiveerd.
City Safety kan het volgende detecteren:
voertuigen
•
•
•
•
fietsers
voetgangers
grotere dieren.
WAARSCHUWING
Beperkingen van City Safety (p. 360)
Beperkingen van de gecombineerde camera
en radarsensor (p. 343)
Uw auto die uitwijkt
Langzaam rijdend/stilstaand voertuig of
obstakel.
City Safety grijpt in door uw stuurbeweging te
versterken, nadat u aan een uitwijkmanoeuvre
bent begonnen – en alleen als u te weinig stuurt
om een botsing te voorkomen.
De versterkte stuuringreep wordt voor een groter
effect gecombineerd met een remingreep. Het
systeem helpt u na het passeren van het obstakel ook bij het hervinden van de rechtuitkoers.
•
De functie is een systeem voor aanvullende rijhulp om de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen, maar
het systeem werkt niet in alle verkeers-,
weers- en wegomstandigheden.
•
U wordt geadviseerd om alle paragrafen
over het systeem in de gebruikershandleiding door te nemen en bijvoorbeeld te
lezen over de beperkingen die u moet
kennen voordat u het systeem gebruikt.
•
De rijhulpsystemen ontslaan u niet van de
plicht om alert en adequaat te reageren,
zodat u de auto altijd op een veilige
manier moet blijven besturen, met inachtneming van een passende snelheid en
geschikte afstand tot andere weggebruikers en met respect voor de geldende
verkeersregels en -bepalingen.
Gerelateerde informatie
•
•
City Safety™ (p. 348)
Beperkingen van de stuurhulp van City
Safety bij een uitwijkmanoeuvre (p. 358)
357
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Beperkingen van de stuurhulp van
City Safety bij een uitwijkmanoeuvre
City Safety bij ontoereikende
uitwijkmanoeuvre
via een uitwijkmanoeuvre een botsing te voorkomen.
City Safety-stuurhulp kent mogelijk beperkingen
in de volgende situaties, zodat bijv. niet wordt
ingegrepen:
City Safety kan u helpen door de auto automatisch eerder te remmen, wanneer een botsing
niet met een simpele uitwijkmanoeuvre te voorkomen is.
Als City Safety echter inschat dat u niet kunt uitwijken door verkeer in de aangrenzende rijstroken, kan het systeem u helpen door eerder dan
normaal een automatische remingreep te starten.
•
buiten het snelheidsbereik 50–100 km/h
(30–62 mph)
•
•
als u zelf een uitwijkmanoeuvre begint
als de snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging met een beperkt vermogen werkt –
zoals bij koeling op grond van oververhitting.
City Safety helpt u door voortdurend na te gaan
of er voldoende "uitwijkmogelijkheden" zijn via de
aangrenzende rijstroken, als het systeem een
langzaam rijdende of stilstaande voorligger
mogelijk laat ontdekt.
N.B.
WAARSCHUWING
•
De functie is een systeem voor aanvullende rijhulp om de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen, maar
het systeem werkt niet in alle verkeers-,
weers- en wegomstandigheden.
•
U wordt geadviseerd om alle paragrafen
over het systeem in de gebruikershandleiding door te nemen en bijvoorbeeld te
lezen over de beperkingen die u moet
kennen voordat u het systeem gebruikt.
•
De rijhulpsystemen ontslaan u niet van de
plicht om alert en adequaat te reageren,
zodat u de auto altijd op een veilige
manier moet blijven besturen, met inachtneming van een passende snelheid en
geschikte afstand tot andere weggebruikers en met respect voor de geldende
verkeersregels en -bepalingen.
De functie maakt gebruik van de gecombineerde camera en radarsensor van de auto
die enkele algemene beperkingen heeft.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
City Safety met stuurhulp bij een uitwijkmanoeuvre (p. 357)
Beperkingen van City Safety (p. 360)
Snelheidsafhankelijke stuurkracht (p. 290)
Beperkingen van de gecombineerde camera
en radarsensor (p. 343)
Uw auto (1) "ziet" geen uitwijkmogelijkheid voor voorliggers (2) en kan daarom eerder een automatische remingreep verrichten.
Uw auto
Langzaam rijdende/stilstaande auto
City Safety grijpt niet met een automatische
remingreep in, zolang u de mogelijkheid hebt om
358
BESTUURDERSONDERSTEUNING
N.B.
De functie maakt gebruik van de gecombineerde camera en radarsensor van de auto
die enkele algemene beperkingen heeft.
Gerelateerde informatie
•
•
•
City Safety™ (p. 348)
City Safety remt voor tegenliggers
City Safety kan u in noodgevallen helpen bij het
remmen voor een tegenligger in uw rijstrook.
Als een tegenligger in uw rijstrook belandt en
een botsing onvermijdelijk is, kan City Safety u
helpen om uw rijsnelheid te verlagen en zo de
kracht van de botsing te beperken.
•
uw eigen rijbaan heeft duidelijke zijmarkeringen
•
•
u rijdt recht vooruit in uw eigen rijbaan
•
•
de koplampen van de tegenligger branden
•
de functie kan alleen voertuigen met vier
wielen detecteren.
de tegenligger rijdt tussen de zijmarkeringen
van uw rijbaan
de functie kan alleen frontale botsingen hanteren
Beperkingen van City Safety (p. 360)
Beperkingen van de gecombineerde camera
en radarsensor (p. 343)
N.B.
De functie maakt gebruik van de gecombineerde camera en radarsensor van de auto
die enkele algemene beperkingen heeft.
WAARSCHUWING
Uw auto
Tegenligger
Voor een goede werking van de functie moet zijn
voldaan aan de volgende criteria:
•
de snelheid van uw auto is minimaal 4 km/h
(3 mph)
•
het routegedeelte is recht
Rijhulpsystemen waarschuwen alleen voor
door de radareenheid gedetecteerde obstakels – het kan dan ook gebeuren dat een
waarschuwing met enige vertraging of helemaal niet wordt gegeven.
•
Wacht een waarschuwing of ingreep
nooit af, maar rem als dat nodig is.
}}
359
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
•
•
•
WAARSCHUWING
Beperkingen van City Safety
De functie is een systeem voor aanvullende rijhulp om de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen, maar
het systeem werkt niet in alle verkeers-,
weers- en wegomstandigheden.
City Safety64 kent mogelijk beperkingen in
bepaalde situaties.
U wordt geadviseerd om alle paragrafen
over het systeem in de gebruikershandleiding door te nemen en bijvoorbeeld te
lezen over de beperkingen die u moet
kennen voordat u het systeem gebruikt.
De rijhulpsystemen ontslaan u niet van de
plicht om alert en adequaat te reageren,
zodat u de auto altijd op een veilige
manier moet blijven besturen, met inachtneming van een passende snelheid en
geschikte afstand tot andere weggebruikers en met respect voor de geldende
verkeersregels en -bepalingen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
64
65
66
360
City Safety™ (p. 348)
Beperkingen van City Safety (p. 360)
Beperkingen van de gecombineerde camera
en radarsensor (p. 343)
De functie is niet op alle markten beschikbaar.
Electronic Stability Control
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Omgeving
Lage voorwerpen
Hangende voorwerpen zoals vlaggen/wimpels
die uitstekende lading markeren of accessoires
zoals verstralers en frontbars die boven de motorkap uitsteken zorgen voor functiebeperkingen.
Gladheid
Bij gladheid is de remweg langer waardoor City
Safety minder goed in staat is een aanrijding te
voorkomen. In dergelijke situaties zullen het antiblokkeerremsysteem en de stabiliteitsregeling
ESC65 zorgen voor een optimale remkracht met
behoud van de stabiliteit.
Tegenlicht
In de felle zon en bij lichtschitteringen alsook het
gebruik van een zonnebril is het op de voorruit
geprojecteerde waarschuwingslampje soms
moeilijk te ontdekken. Dat is ook mogelijk als u
niet recht vooruit kijkt.
Hitte
Bij een hoge interieurtemperatuur door bijvoorbeeld sterke instraling is het mogelijk dat het
visuele waarschuwingssignaal aan de binnenkant
van de voorruit mogelijk niet werkt.
Blikveld van gecombineerde camera en
radarsensor
Het blikveld van de camera is beperkt, zodat
voetgangers, fietsers, grotere dieren en voertuigen in bepaalde situaties niet kunnen worden
geregistreerd of later worden ontdekt dan verwacht.
Vuile voertuigen worden mogelijk later gedetecteerd dan andere voertuigen en motoren worden
in het donker mogelijk later of helemaal niet
gedetecteerd.
Als een tekstmelding op het bestuurdersdisplay
aangeeft dat de gecombineerde camera en
radarsensor geblokkeerd is, houdt dit in dat City
Safety moeilijk voetgangers, fietsers, grotere dieren, auto's of weglijnen vóór de auto kan registreren – daardoor kan City Safety mogelijk minder
goed functioneren.
Er verschijnt echter niet altijd een foutmelding bij
geblokkeerde voorruitsensoren – het is dan ook
belangrijk dat u het gebied van de voorruit vóór
de gecombineerde camera en radarsensor goed
schoonhoudt.
BELANGRIJK
Laat het onderhoud aan rijhulpcomponenten
over aan een werkplaats66.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Ingreep van bestuurder
Achteruitrijden
Wanneer u achteruitrijdt, is City Safety tijdelijk
gedeactiveerd.
Overig
•
Lage snelheid
City Safety wordt niet geactiveerd op zeer lage
snelheden (onder 4 km/h (3 mph), wat betekent
dat het systeem niet ingrijpt in situaties waarbij u
een voorligger heel langzaam nadert zoals bij het
parkeren.
Actief rijgedrag
De commando's die u zelf geeft hebben altijd
voorrang, wat betekent dat City Safety niet
ingrijpt of met enige vertraging waarschuwt/
ingrijpt in situaties waarbij u duidelijke commando's geeft via stuurwiel en gaspedaal, zelfs als
een aanrijding onvermijdelijk lijkt.
•
•
Bij een actief en sportief rijgedrag vinden waarschuwingen en ingrepen daarom met enige vertraging plaats om onnodige waarschuwingen
tegen te gaan.
•
zaam rijdende of stilstaande voorliggers
en grote dieren.
WAARSCHUWING
•
Als de gecombineerde radarsensor en
camera op grond van de verkeerssituatie
of anderszins problemen heeft voetgangers, fietsers, grotere dieren of voorliggers te ontdekken, is het mogelijk dat het
systeem pas laat, onterecht of helemaal
geen waarschuwing geeft en remt.
Er wordt niet gewaarschuwd noch
geremd voor voetgangers en fietsers bij
een rijsnelheid hoger dan 80 km/h
(50 mph).
•
's Nachts zijn voorliggers alleen te detecteren, als de voor- en achterlichten ervan
werken en zichtbaar branden.
Plaats, plak of bevestig niets aan de buiten- of binnenkant van de voorruit, vóór of
rond de gecombineerde radarsensor en
camera – dat kan storingen veroorzaken
in de op de camera gebaseerde functies.
•
De aanwezigheid van voorwerpen,
sneeuw, ijs of vuil in het gebied van de
camerasensor kan aanleiding geven tot
een reductie, volledige uitschakeling of
onvoorziene reacties van de functie.
De gecombineerde radarsensor en
camera heeft een beperkt bereik voor
voetgangers en fietsers, zodat het systeem voor dergelijke weggebruikers efficiënt waarschuwt en remingrepen verricht
bij rijsnelheden tot 50 km/h (30 mph).
Voor stilstaande of langzaam rijdende
voorliggers wordt efficiënt gewaarschuwd
en geremd bij rijsnelheden tot 70 km/h
(43 mph). De snelheidsreductie bij detectie van grotere dieren is minder dan 15
km/h (9 mph) en is mogelijk bij rijsnelheden hoger dan 70 km/h (43 mph). Op
lagere snelheden zijn waarschuwingen en
remingrepen bij detectie van grote dieren
minder effectief.
In het donker of bij slecht zicht wordt
mogelijk niet gewaarschuwd voor lang-
N.B.
De functie maakt gebruik van de gecombineerde camera en radarsensor van de auto
die enkele algemene beperkingen heeft.
Marktbeperking
City Safety is niet in alle landen beschikbaar. Als
City Safety niet in het menu van het middendisplay voor Instellingen voorkomt, zit dit systeem
niet op de auto.
Zoekpad op het hoofdscherm van het middendisplay:
•
Instellingen
My Car
IntelliSafe
}}
361
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Gerelateerde informatie
•
•
362
City Safety™ (p. 348)
Beperkingen van City Safety bij kruisend verkeer (p. 356)
•
Beperkingen van de stuurhulp van City
Safety bij een uitwijkmanoeuvre (p. 358)
•
Beperkingen van de gecombineerde camera
en radarsensor (p. 343)
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Meldingen voor City Safety
Op het bestuurdersdisplay kunnen enkele meldingen verschijnen ten aanzien van City Safety.
In de volgende tabel staan enkele voorbeelden.
Melding
Betekenis
City Safety
Als City Safety afremt of automatisch heeft afgeremd, kunnen een of meer symbolen op het bestuurdersdisplay
gaan branden terwijl tegelijkertijd een tekstmelding wordt weergegeven.
Automatische ingreep
City Safety
Beperkte functionaliteit Service vereist
Het systeem werkt niet naar behoren. Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
U kunt meldingen verwijderen door kort te drukken op de
-knop in het midden van de rechter stuurknoppenset.
Doe het volgende, als de melding blijft staan:
Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
City Safety™ (p. 348)
363
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Rear Collision Warning67
Warning68
De Rear Collision
(RCW) kan u helpen om aanrijdingen van achteren door naderende achterliggers te voorkomen.
De functie wordt bij elke motorstart automatisch
geactiveerd.
De bestuurder van een achterligger kan worden
gewaarschuwd voor een dreigende botsing middels snelle knippersignalen met de richtingaanwijzers.
Als de functie bij snelheden onder 30 km/h
(20 mph) berekent dat uw auto van achteren
dreigt te worden aangereden, kunnen de gordelspanners de veiligheidsgordels van de voorstoelen aanspannen en wordt het veiligheidssysteem
Whiplash Protection System geactiveerd.
Net voor de aanrijding van achteren kan de functie ook de bedrijfsrem activeren om te voorkomen
dat uw auto tijdens de aanrijding wordt gelanceerd. De bedrijfsrem wordt echter alleen geactiveerd, als uw auto stilstaat. De bedrijfsrem lost
onmiddellijk als het gaspedaal wordt ingedrukt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
67
68
364
Rijhulpsystemen (p. 290)
Beperkingen van Rear Collision Warning
(p. 364)
Whiplash Protection System (p. 43)
RCW: Waarschuwing bij dreigende staartbotsing.
De functie is niet op alle markten beschikbaar.
Beperkingen van Rear Collision
Warning69
N.B.
Waarschuwingen via de richtingaanwijzers
voor de Rear Collision Warning worden
gedeactiveerd, als de waarschuwingsafstand
voor de Collision Warning in City Safety is
ingesteld op het laagste niveau "Laat".
In bepaalde gevallen kan het voor Rear Collision
Warning (RCW) moeilijk zijn om u te helpen bij
een dreigende botsing.
Bijvoorbeeld als:
•
een naderende achterligger laat wordt ontdekt
•
een naderende achterligger in een laat stadium van rijbaan wisselt
•
een aanhangwagen, fietsdrager of iets dergelijks wordt aangesloten op het elektrische
systeem van de auto. De wordt dan automatisch gedeactiveerd.
N.B.
Op sommige markten waarschuwt RCW vanwege plaatselijke verkeersvoorschriften niet
met de richtingaanwijzers - in dergelijke
gevallen is dat deel van de functie daarom
gedeactiveerd.
De functies 'gordels spannen' en 'remmen'
zijn echter nog steeds actief.
Gerelateerde informatie
•
Rear Collision Warning (p. 364)
BESTUURDERSONDERSTEUNING
BLIS*
waarschuwing wordt gegeven, schakelt het controlelampje over van constant branden op knipperen met een feller licht.
BLIS70
Het
dient om u te helpen bij het ontdekken van naderende achterliggers schuin achter
en naast u bij ritten in druk verkeer op wegen
met meerdere rijbanen in dezelfde richting.
N.B.
Het lampje gaat branden aan de kant van de
auto waar het systeem het voertuig heeft ontdekt. Als de auto aan beide kanten tegelijkertijd wordt ingehaald, gaan beide lampjes branden.
BLIS is een hulpmiddel om u te waarschuwen
voor:
•
•
voertuigen in de dode hoek
snel naderende achterliggers in de linker en
rechter rijbaan naast uw auto.
Werkingsprincipe van BLIS
Zone in dode hoek
Zone voor snel naderende achterliggers.
BLIS werkt bij snelheden hoger dan 10 km/h
(6 mph).
Het systeem reageert in de volgende gevallen:
Positie van het
BLIS-lampje71.
Controlelampje
Het BLIS is te activeren/deactiveren met de
desbetreffende knop op het functiescherm
van het middendisplay.
69
70
71
•
uw auto wordt ingehaald door andere voertuigen
•
een achterligger nadert uw auto snel.
Wanneer BLIS een voertuig binnen zone 1 of een
snel naderende achterligger in zone 2 ontdekt,
brandt het controlelampje bij de desbetreffende
zijspiegel constant. Als u in deze stand de richtingaanwijzers activeert aan de kant waarvoor de
RCW: Waarschuwing bij dreigende staartbotsing.
Blind Spot Information Systems
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
}}
* Optie/accessoire. 365
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
WAARSCHUWING
•
De functie is een systeem voor aanvullende rijhulp om de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen, maar
het systeem werkt niet in alle verkeers-,
weers- en wegomstandigheden.
•
U wordt geadviseerd om alle paragrafen
over het systeem in de gebruikershandleiding door te nemen en bijvoorbeeld te
lezen over de beperkingen die u moet
kennen voordat u het systeem gebruikt.
•
De rijhulpsystemen ontslaan u niet van de
plicht om alert en adequaat te reageren,
zodat u de auto altijd op een veilige
manier moet blijven besturen, met inachtneming van een passende snelheid en
geschikte afstand tot andere weggebruikers en met respect voor de geldende
verkeersregels en -bepalingen.
N.B.
De functie maakt gebruik van de gecombineerde camera en radarsensor van de auto
die enkele algemene beperkingen heeft.
Gerelateerde informatie
•
•
•
366
Rijhulpsystemen (p. 290)
BLIS activeren of deactiveren (p. 366)
Beperkingen van BLIS (p. 367)
•
Meldingen voor BLIS (p. 368)
BLIS activeren of deactiveren
De BLIS72 is te activeren of te deactiveren.
Positie van het BLIS-lampje.
Controlelampje
•
•
Activeer of deactiveer de functie met deze
knop in het functiescherm van het middendisplay.
GROENE knopindicatie – de functie is geactiveerd.
GRIJZE knopindicatie – de functie is gedeactiveerd.
Als BLIS bij het starten van de motor geactiveerd
is, wordt de functie bevestigd doordat de controlelampjes op de buitenspiegels één keer knipperen.
Als BLIS bij het uitschakelen van de motor
gedeactiveerd is, is dat na de volgende motor-
BESTUURDERSONDERSTEUNING
start nog steeds zo en zal er geen controlelampje
branden.
Gerelateerde informatie
•
Beperkingen van BLIS
dergelijks op de trekhaak van de auto te
monteren.
BLIS73 kent mogelijk beperkingen in bepaalde
situaties.
WAARSCHUWING
BLIS* (p. 365)
•
•
BLIS werkt niet in scherpe bochten.
BLIS werkt niet als de auto achteruitrijdt.
N.B.
De functie maakt gebruik van de gecombineerde camera en radarsensor van de auto
die enkele algemene beperkingen heeft.
Gerelateerde informatie
Het gemarkeerde gebied schoonhouden – en dat zowel
links als rechts74.
Voorbeelden van beperkingen:
72
73
74
•
Vuil, ijs en sneeuw op de sensoren kunnen
voor functiebeperkingen zorgen en waarschuwingen onmogelijk maken.
•
De functie BLIS wordt automatisch gedeactiveerd bij aansluiting van een aanhangwagen,
fietsdrager of iets dergelijks op het elektrische systeem van de auto.
•
Voor de optimale werking van BLIS is het
zaak geen fietsdrager, bagagedrager of iets
•
•
BLIS* (p. 365)
Beperkingen van de gecombineerde camera
en radarsensor (p. 343)
Blind Spot Information Systems
Blind Spot Information Systems
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire. 367
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Meldingen voor BLIS
Op het bestuurdersdisplay kunnen enkele meldingen verschijnen ten aanzien van BLIS75.
In de volgende tabel staan enkele voorbeelden.
Melding
Betekenis
Dodehoeksensor
Het systeem werkt niet naar behoren. Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Service vereist
Dodehoeksysteem uit
BLIS en CTA A zijn gedeactiveerd, omdat er een aanhangwagen op het elektrische systeem van de auto is aangesloten.
Aanhanger gekoppeld
A
Cross Trafic Alert*
U kunt meldingen verwijderen door kort te drukken op de
-knop in het midden van de rechter stuurknoppenset.
Doe het volgende, als de melding blijft staan:
Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
•
75
368
BLIS* (p. 365)
Cross Traffic Alert* (p. 369)
Blind Spot Information System
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Cross Traffic Alert76*
Cross Traffic Alert (CTA) is een hulpmiddel bij
BLIS77 om u te waarschuwen voor kruisend verkeer, als u achteruitrijdt met de auto.
De deelfunctie auto-brake kan de auto tot stilstand brengen als een botsing dreigt met een
voertuig dat u niet hebt opgemerkt.
CTA is alleen actief als de auto achteruit rolt of in
de achteruit is gezet.
Als CTA detecteert dat er van de zijkant iets aankomt, wordt dit aangegeven met:
•
een geluidssignaal – het geluid komt uit de
linker of rechter luidspreker, afhankelijk van
waar het object vandaan komt.
•
een brandend pictogram in de grafische
Parkeerhulpsysteem-voorstelling op het
display.
•
een pictogram op het hoofdscherm van de
parkeerhulpcamera.
tie Auto-brake in om de auto tot stilstand te
brengen, waarna op het bestuurdersdisplay
een melding verschijnt die uitlegt waarom de
auto remde.
WAARSCHUWING
De deelfunctie auto-brake kan alleen rijdende voertuigen detecteren en ervoor remmen en geen stilstaande obstakels, fietsers
of voetgangers.
Werkingsprincipe van CTA
CTA vormt een aanvulling op het BLIS door bij
achteruitrijden op kruisend verkeer vanaf de zijkant te letten, bijvoorbeeld als u achteruit een
parkeervak verlaat.
CTA is bedoeld om in de eerste plaats voertuigen
te ontdekken – in gunstige gevallen kunnen ook
kleinere voorwerpen zoals fietsen en voetgangers
worden ontdekt.
76
77
Waarschuwing voor kruisend verkeer tijdens het achteruitrijden.
Blind Spot Information
Brandend pictogram voor CTA in de grafische
Parkeerhulpsysteem-voorstelling op het display.
•
Als u de waarschuwing van CTA negeert en
een botsing onvermijdelijk lijkt, grijpt de func-
}}
* Optie/accessoire. 369
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
WAARSCHUWING
•
De functie is een systeem voor aanvullende rijhulp om de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen, maar
het systeem werkt niet in alle verkeers-,
weers- en wegomstandigheden.
•
U wordt geadviseerd om alle paragrafen
over het systeem in de gebruikershandleiding door te nemen en bijvoorbeeld te
lezen over de beperkingen die u moet
kennen voordat u het systeem gebruikt.
•
De rijhulpsystemen ontslaan u niet van de
plicht om alert en adequaat te reageren,
zodat u de auto altijd op een veilige
manier moet blijven besturen, met inachtneming van een passende snelheid en
geschikte afstand tot andere weggebruikers en met respect voor de geldende
verkeersregels en -bepalingen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
78
370
Rijhulpsystemen (p. 290)
Cross Traffic Alert activeren/deactiveren
(p. 370)
Cross Traffic Alert78 activeren/
deactiveren
Beperkingen van Cross Traffic
Alert80
U kunt ervoor kiezen om de waarschuwingssignalen van de functie CTA79 uit te schakelen –
de deelfunctie auto-brake is echter niet uit te
schakelen en blijft actief.
De CTA81 met auto-brake kent mogelijk beperkingen in bepaalde situaties. Remingrepen zijn
actief bij snelheden lager dan 15 km/h.
Activeer of deactiveer de functie met deze knop in het functiescherm van het middendisplay.
CTA werkt niet in alle situaties optimaal, maar
heeft zijn beperkingen – zo kunnen de CTA-sensoren niet "door" andere geparkeerde voertuigen
of voorwerpen die het zicht blokkeren heen kijken.
•
GROENE knopindicatie – de functie is geactiveerd.
Hier volgen enkele voorbeelden van situaties
waar het "blikveld" van het CTA aanvankelijk
beperkt kan zijn, zodat naderende voertuigen pas
op het laatste moment gedetecteerd worden:
•
GRIJZE knopindicatie –- waarschuwingssignaal en indicatie op het scherm voor de functie gedeactiveerd.
De functie wordt na elke motorstart automatisch
geactiveerd.
Gerelateerde informatie
•
Cross Traffic Alert* (p. 369)
Beperkingen van Cross Traffic Alert (p. 370)
Meldingen voor Cross Traffic Alert (p. 372)
BLIS* (p. 365)
De auto staat ver naar achteren in een parkeervak.
Parkeerhulp* (p. 396)
Waarschuwing voor kruisend verkeer tijdens het achteruitrijden.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
staande obstakels, fietsers of voetgangers
"zien" en ervoor remmen.
•
Vuil, ijs en sneeuw op de sensoren kunnen
voor functiebeperkingen zorgen en waarschuwingen onmogelijk maken.
•
CTA wordt automatisch gedeactiveerd bij
aansluiting van een aanhangwagen, fietsdrager of iets dergelijks op het elektrische systeem van de auto.
•
Voor de optimale werking van CTA is het
zaak geen fietsdrager, bagagedrager of iets
dergelijks op de trekhaak van de auto te
monteren.
In schuine parkeervakken valt de ene kant van de auto
mogelijk helemaal binnen de dode hoek van CTA.
Dode hoek van CTA.
N.B.
Detectiegebied/"blikveld" van CTA.
Naarmate u verder achteruitrijdt, verandert echter
de hoek ten opzichte van het voertuig/obstakel
dat in de weg zit zodat de dode hoek snel in
grootte afneemt.
Voorbeelden van andere beperkingen
• De deelfunctie auto-brake detecteert alleen
rijdende voertuigen en kan daarom geen stil-
79
80
81
De functie maakt gebruik van de gecombineerde camera en radarsensor van de auto
die enkele algemene beperkingen heeft.
Gerelateerde informatie
•
•
Cross Traffic Alert* (p. 369)
Beperkingen van de gecombineerde camera
en radarsensor (p. 343)
Cross Traffic Alert
Waarschuwing voor kruisend verkeer tijdens het achteruitrijden.
Cross Traffic Alert
* Optie/accessoire. 371
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Meldingen voor Cross Traffic Alert82
Op het bestuurdersdisplay kunnen enkele meldingen verschijnen voor de CTA83 met autobrake.
In de volgende tabel staan voorbeelden.
Melding
Betekenis
Dodehoeksensor
Het systeem werkt niet naar behoren. Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Service vereist
Dodehoeksysteem uit
BLISA en CTA zijn gedeactiveerd, omdat er een aanhangwagen op het elektrische systeem van de auto is aangesloten.
Aanhanger gekoppeld
A
Blind Spot Information System
U kunt meldingen verwijderen door kort te druk-knop in het midden van de rechken op de
ter stuurknoppenset.
Doe het volgende, als de melding blijft staan:
Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
•
82
83
372
Cross Traffic Alert* (p. 369)
BLIS* (p. 365)
Waarschuwing voor kruisend verkeer tijdens het achteruitrijden.
Cross Traffic Alert
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Verkeersbordinformatie*
WAARSCHUWING
De verkeersbordinformatie (RSI84) kan u attenderen op snelheidsspecifieke verkeersborden en
bepaalde verbodsborden.
Voorbeeld85 van geregistreerde snelheidsinformatie.
Voorbeelden van leesbare borden85.
RSI kan informatie geven over onder meer
actuele snelheid, begin of eind van auto- of snelwegen en eventuele inhaal- en inrijverboden.
84
85
Als de auto een verkeersbord met maximumsnelheid passeert, verschijnt deze snelheid op het
instrumentenpaneel op het bestuurdersdisplay en
het head-updisplay*.
N.B.
Op bepaalde markten is de functie verkeersbordinformatie* alleen beschikbaar in combinatie met Sensus Navigation*.
Road Sign Information
De getoonde verkeersborden zijn marktspecifiek – de afbeeldingen in deze handleiding zijn slechts voorbeelden.
•
De functie is een systeem voor aanvullende rijhulp om de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen, maar
het systeem werkt niet in alle verkeers-,
weers- en wegomstandigheden.
•
U wordt geadviseerd om alle paragrafen
over het systeem in de gebruikershandleiding door te nemen en bijvoorbeeld te
lezen over de beperkingen die u moet
kennen voordat u het systeem gebruikt.
•
De rijhulpsystemen ontslaan u niet van de
plicht om alert en adequaat te reageren,
zodat u de auto altijd op een veilige
manier moet blijven besturen, met inachtneming van een passende snelheid en
geschikte afstand tot andere weggebruikers en met respect voor de geldende
verkeersregels en -bepalingen.
Gerelateerde informatie
•
•
Rijhulpsystemen (p. 290)
Verkeersbordinformatie* activeren/deactiveren (p. 374)
•
Verkeersbordinformatie en bordweergave*
(p. 375)
•
Verkeersbordinformatie en Sensus
Navigation* (p. 377)
}}
* Optie/accessoire. 373
BESTUURDERSONDERSTEUNING
•
Verkeersbordinformatie met snelheidswaarschuwing en instellingen* (p. 377)
Verkeersbordinformatie* activeren/
deactiveren
•
Verkeersbordinformatie met flitspaalinformatie* (p. 379)
•
Beperkingen van Verkeersbordinformatie*
(p. 380)
De verkeersbordinformatie (RSI86) is optioneel –
u kunt zelf kiezen of de functie geactiveerd of
gedeactiveerd moet zijn.
N.B.
Activeer of deactiveer de functie met deze knop in het functiescherm van het middendisplay.
•
GROENE knopindicatie – de functie is geactiveerd.
•
GRIJZE knopindicatie – de functie is gedeactiveerd.
De verkeersbordinformatie wordt na elke motorstart automatisch geactiveerd.
•
Als de automatische snelheidsbegrenzer
geactiveerd is, verschijnt verkeersbordinformatie op het bestuurdersdisplay, ook al
is de verkeersbordinformatie niet ingeschakeld.
•
Om de verkeersbordinformatie van het
bestuurdersdisplay te halen moet u de
automatische snelheidsbegrenzer en de
verkeersbordinformatie deactiveren.
•
Wanneer de automatische snelheidsbegrenzer geactiveerd en de verkeersbordinformatie gedeactiveerd is, geeft de verkeersbordinformatie geen waarschuwingen. Om waarschuwingen te kunnen krijgen moet u tevens de verkeersbordinformatie activeren.
Gerelateerde informatie
•
•
86
374
Verkeersbordinformatie* (p. 373)
Automatische snelheidsbegrenzer (p. 300)
RSI: Road Sign Information.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Verkeersbordinformatie en
bordweergave*
De verkeersbordinformatie (RSI87) toont verkeersborden op verschillende manieren, afhankelijk van het bord en de situatie.
Samen met het symbool voor
de geldende maximumsnelheid
kan ook een aanvullend bord88
verschijnen, bijvoorbeeld het
bord voor een inhaalverbod.
Bij een auto met Sensus Navigation* worden normaal alleen directe snelheidsborden getoond –
indirecte snelheidsborden verschijnen alleen als
in de kaartgegevens geen informatie staat over
de maximumsnelheid voor het desbetreffende
routegedeelte.
Als u een weg met een inrijverbod inrijdt met dit bord aan de
desbetreffende zijde, wordt u
gewaarschuwd met een knipperend symbool van dit bord88
op het bestuurdersdisplay.
Voorbeeld van indirect snelheidsbord88:
Bij een auto met Sensus Navigation* wordt ook
gebruikgemaakt van kaartgegevens om te bepalen of de auto in de verkeerde richting rijdt.
Voorbeeld88 van geregistreerde snelheidsinformatie.
Zodra de functie een verkeersbord met een maximumsnelheid heeft geregistreerd, laat het
bestuurdersdisplay dat bord zien in de vorm van
een symbool plus een gekleurde aanduiding op
de snelheidsschaal.
Als de auto is uitgerust met Sensus Navigation*
wordt ook snelheidsspecifieke informatie opgehaald uit de kaartdatabase, wat betekent dat
informatie over een maximumsnelheid op het
bestuurdersdisplay kan verschijnen of veranderen
zonder dat u een snelheidsbord bent gepasseerd.
87
88
Einde maximumsnelheid.
Einde snelweg.
U kunt ook een akoestische waarschuwing krijgen bij het negeren van een inrijverbod als
Audiowaarschuwing verkeersbord geactiveerd is.
Einde maximumsnelheid of einde
autoweg
Wanneer de functie een "indirect snelheidsbord"
detecteert, dat aangeeft dat de huidige snelheidslimiet eindigt – bijv. bij het einde van de
autoweg – verschijnt op het bestuurdersdisplay
een symbool met het corresponderende verkeersbord.
Road Sign Information
De getoonde verkeersborden zijn marktspecifiek – de afbeeldingen in deze handleiding zijn slechts voorbeelden.
Het symbool op het bestuurdersdisplay dooft na
10–30 seconden en blijft uit totdat u het volgende verkeersbord met snelheidsinformatie passeert.
Gewijzigde maximumsnelheid
Als u een direct snelheidsbord passeert als een
maximumsnelheid gewijzigd wordt, wordt een
}}
* Optie/accessoire. 375
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
symbool met het corresponderende verkeersborg
op het bestuurdersdisplay getoond.
Aanvullende borden
Voorbeeld van een direct snelheidsbord88.
Sommige snelheden gelden
bijvoorbeeld alleen een bepaald
traject of op een bepaalde tijd
van de dag. U wordt hierop
geattendeerd met een symbool
voor een aanvullend bord onder
het snelheidssymbool. Het aanvullende symbool op het bestuurdersdisplay toont
dan ofwel "DIST", ofwel "TIME".
Het symbool op het bestuurdersdisplay dooft na
ca. 5 minuten en blijft uit totdat u het volgende
verkeersbord met snelheidsinformatie passeert.
Bij een auto met Sensus Navigation* verschijnt
een snelheidsbord op het bestuurdersdisplay,
wanneer er in de kaartgegevens informatie over
een maximumsnelheid voor het desbetreffende
routegedeelte staat, zelfs al bent u geen direct
snelheidsbord gepasseerd. Als er geen informatie
in de kaartgegevens bestaat, dooft het boord
zo'n 3 minuten na het passeren van het laatst
waargenomen verkeersbord.
Voorbeelden van aanvullende borden88.
Soms kent een en dezelfde weg verschillende
maximumsnelheden – een aanvullend bord geeft
dan aan onder welke omstandigheden de snelheden gelden. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om
een gevaarlijke weg bij bijvoorbeeld regen en/of
mist.
376
Bord voor "Schoolzone" en "Woonerf"
Als het waarschuwingsbord88
"Schoolzone" of "Woonerf" is
opgenomen in de kaartgegevens van het navigatiesysteem89, dan verschijnt op het
bestuurdersdisplay een bord
van dit type.
Het aanvullende bord met betrekking tot regen
verschijnt alleen als de voorruitwissers zijn geactiveerd.
Als er een aanhangwagen is aangesloten op het
elektrische systeem van de auto en u passeert
een snelheidsbord met het onderbord “aanhangwagen”, dan verschijnt deze snelheid op het
bestuurdersdisplay.
88
89
Een leeg vakje onder het snelheidssymbool88 op het bestuurdersdisplay geeft aan dat de
functie een bord heeft geregistreerd met aanvullende informatie over de geldende snelheidsbeperking.
Gerelateerde informatie
•
Verkeersbordinformatie* (p. 373)
De getoonde verkeersborden zijn marktspecifiek – de afbeeldingen in deze handleiding zijn slechts voorbeelden.
Uitsluitend in auto's met Sensus Navigation*.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Verkeersbordinformatie en Sensus
Navigation*
Bij een auto met Sensus Navigation*, wordt er in
de volgende gevallen snelheidsspecifieke informatie opgehaald uit de navigatie-eenheid:
•
•
Bij verkeersborden met indirecte snelheidsinformatie, zoals borden voor autosnelwegen
en autowegen en plaatsnaamborden.
Als een eerder waargenomen snelheidsbord
als niet langer geldig wordt gezien en er
geen nieuw bord is gepasseerd.
N.B.
Op bepaalde markten is de functie verkeersbordinformatie* alleen beschikbaar in combinatie met Sensus Navigation*.
Verkeersbordinformatie met
snelheidswaarschuwing en
instellingen*
De deelfunctie Waarschuwing max. snelheid
voor de verkeersbordinformatie (RSI90) is optioneel – u kunt zelf kiezen of de deelfunctie geactiveerd of gedeactiveerd moet zijn.
U krijgt altijd een snelheidswaarschuwing bij overschrijding
van de maximumsnelheid voor
flitspalen die in verband met de
flitspaalinformatie geregistreerd
staat.
Waarschuwing max. snelheid waarschuwt u bij
overschrijding van de geldende maximumsnelheid
of de ingestelde "snelheidslimiet" – als u geen
vaart mindert, wordt u na zo'n 30 seconden rijden
in hetzelfde gebied met een maximumsnelheid
nogmaals gewaarschuwd.
U krijgt pas een nieuwe waarschuwing, wanneer
u de rijsnelheid eerst met minstens 5 km/h
(3 mph) verlaagt en daarna de maximumsnelheid
opnieuw overschrijdt of als u een nieuw/ander
gebied met een maximumsnelheid binnenrijdt.
N.B.
Bij gebruik van navigatie via een app die van
derden is gedownload, wordt geen snelheidsinformatie van eventueel gepasseerde verkeersborden verstrekt.
De snelheidswaarschuwing
bestaat in een tijdelijk knipperend symbool91 op het bestuurdersdisplay voor de maximumsnelheid als deze snelheid
wordt overschreden.
Gerelateerde informatie
•
90
91
Verkeersbordinformatie* (p. 373)
Road Sign Information
Verkeersborden zijn marktspecifiek – de getoonde afbeelding is slechts een voorbeeld.
}}
* Optie/accessoire. 377
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Instellingen
Limiet voor snelheidswaarschuwing
aanpassen
U kunt kiezen om te worden gewaarschuwd bij
hogere snelheid dan de snelheid op het verkeersbord.
Kies de limiet voor de snelheidswaarschuwing als
volgt:
1.
Kies Instellingen My Car IntelliSafe
Road Sign Information in het hoofdscherm van het middendisplay.
2.
Vink Waarschuwing max. snelheid aan.
> De functie wordt geactiveerd en er verschijnt een kiezer voor de snelheidslimiet.
3.
Pas de limiet voor de snelheidswaarschuwing
aan door op het beeldscherm op de pijlomhoog of pijl-omlaag te drukken.
Let erop dat de functie geen
rekening houdt met de gekozen limietaanpassing, als het
bestuurdersdisplay het symbool
voor de flitspaal toont.
Akoestische waarschuwing geactiveerd/
gedeactiveerd
Het is ook mogelijk om samen met de snelheidswaarschuwing een akoestische waarschuwing te
krijgen.
378
U kunt de instelling voor de akoestische waarschuwing als volgt wijzigen:
1.
2.
Kies Instellingen My Car IntelliSafe
Road Sign Information in het hoofdscherm van het middendisplay.
Vink Audiowaarschuwing verkeersbord
aan/uit om de akoestische waarschuwing te
activeren/uit te zetten.
2.
Vink Audiowaarschuwing flitspaal aan/uit
om de akoestische waarschuwing voor snelheidscamera's in/uit te schakelen.
Gerelateerde informatie
•
•
Verkeersbordinformatie* (p. 373)
Snelheidswaarschuwing van verkeersbordinformatie activeren/deactiveren (p. 379)
Als de functie Audiowaarschuwing
verkeersbord actief is, wordt u ook gewaarschuwd bij het negeren van een inrijverbod of
bord voor eenrichtingsverkeer.
Waarschuwing flitspaal geactiveerd/
gedeactiveerd
Als de auto is uitgerust met
Sensus Navigation* en de
kaartgegevens informatie
bevatten over snelheidscamera's, kunt u ervoor kiezen om
een akoestische waarschuwing
voor een snelheidscamera te
ontvangen.
U kunt de instelling voor de akoestische waarschuwing als volgt wijzigen:
1.
Kies Instellingen My Car IntelliSafe
Road Sign Information in het hoofdscherm van het middendisplay.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Snelheidswaarschuwing van
verkeersbordinformatie activeren/
deactiveren
U activeert de deelfunctie Waarschuwing max.
snelheid als volgt:
1.
Kies Instellingen My Car IntelliSafe
Road Sign Information in het hoofdscherm van het middendisplay.
2.
Vink Waarschuwing max. snelheid aan.
> De functie wordt geactiveerd en er verschijnt een kiezer voor de snelheidslimiet.
Verkeersbordinformatie met
flitspaalinformatie*
N.B.
Auto's met verkeersbordinformatie (RSI92) en
Sensus Navigation* kunnen op het bestuurdersdisplay informatie geven over komende flitspalen.
•
Om een akoestisch waarschuwingssignaal te krijgen bij overschrijding van de
maximumsnelheid moet Waarschuwing
max. snelheid zijn geactiveerd en moet
de deelfunctie Audiowaarschuwing
verkeersbord in stand Aan staan. Er
wordt vervolgens een akoestische waarschuwing gegeven als de rijsnelheid de
snelheid overschrijdt die RSI op het
bestuurdersdisplay toont.
•
U kunt een akoestische waarschuwing
voor flitspalen krijgen, ongeacht de rijsnelheid, los van de vraag of u een maximumsnelheid hebt overschreden en zelfs
als Audiowaarschuwing verkeersbord
is gedeactiveerd.
•
Informatie met betrekking tot flitspalen
op de navigatiekaart is niet voor alle
markten/regio's beschikbaar.
Gerelateerde informatie
•
•
Verkeersbordinformatie* (p. 373)
Verkeersbordinformatie met snelheidswaarschuwing en instellingen* (p. 377)
Flitspaalinformatie op het bestuurdersdisplay.
Als de auto een gedetecteerde
snelheidslimiet overschrijdt terwijl de Waarschuwing max.
snelheid geactiveerd is, krijgt
u een snelheidswaarschuwing
als de auto een flitspaal nadert,
op voorwaarde dat de navigatiekaart voor de actuele regio flitspaalinformatie
bevat.
92
Gerelateerde informatie
•
Verkeersbordinformatie* (p. 373)
Road Sign Information
* Optie/accessoire. 379
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Beperkingen van
Verkeersbordinformatie*
N.B.
De RSI-functie kan sommige soorten fietsdragers die zijn aangesloten op de elektrische
aansluiting voor aanhangers interpreteren als
een aangekoppelde aanhanger. Op het
bestuurdersdisplay kan dan onjuiste snelheidsinformatie verschijnen.
De verkeersbordinformatie (RSI93) kent mogelijk
beperkingen in bepaalde situaties.
Voorbeelden van factoren die de functie mogelijk
beperken zijn:
•
•
•
•
verbleekte borden
borden in een bocht
De functie maakt gebruik van de gecombineerde camera en radarsensor van de auto
die enkele algemene beperkingen heeft.
borden die hoog boven het wegdek hangen/
staan
•
borden die gedeeltelijk of geheel verscholen
of slecht geplaatst zijn
•
borden die geheel of gedeeltelijk zijn afgedekt met ijs, sneeuw en/of vuil
•
N.B.
gedraaide of beschadigde borden
digitale wegenkaarten94 die niet actueel of
onjuist zijn of geen snelheidsinformatie95
bevatten.
Driver Alert Control
Driver Alert Control (DAC) dient om u erop te
attenderen dat u de auto op ongecontroleerde
wijze bestuurt (omdat u bijvoorbeeld afgeleid
wordt of bijna in slaap valt).
DAC is bedoeld om langzame wijzigingen in het
rijgedrag te bespeuren, in eerste instantie op de
grotere wegen. De functie is niet bedoeld voor
gebruik in het stadsverkeer.
De functie wordt geactiveerd bij een snelheid
hoger dan 65 km/h (40 mph) en blijft actief
zolang de snelheid boven 60 km/h (37 mph) ligt.
Gerelateerde informatie
•
•
Verkeersbordinformatie* (p. 373)
Beperkingen van de gecombineerde camera
en radarsensor (p. 343)
DAC detecteert de positie van de auto in de rijbaan.
93
94
95
380
Road Sign Information
Bij een auto met Sensus Navigation*.
Kaartgegevens met snelheidsinformatie zijn niet voor alle gebieden beschikbaar.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Een camera tast de zijmarkeringen van de rijbaan
af en vergelijkt de wegrichting met uw stuurbewegingen.
WAARSCHUWING
WAARSCHUWING
Gebruik Driver Alert Control niet om langer te
blijven rijden dan normaal, maar plan altijd
regelmatig pauzes in en zorg ervoor dat u uitgerust bent.
Neem een waarschuwing van Driver Alert
Control altijd serieus, omdat u bij slaperigheid
uw lichamelijke conditie vaak minder goed
kunt inschatten.
Bij een waarschuwing of een gevoel van vermoeidheid:
WAARSCHUWING
•
•
De auto wordt op ongecontroleerde wijze bestuurd.
Als het rijgedrag duidelijk
ongecontroleerd wordt, wordt u
gewaarschuwd met dit symbool
op het bestuurdersdisplay in
combinatie met een geluidssignaal en de melding Tijd voor
een pauze.
Als de auto is uitgerust met Sensus Navigation*
en de functie Begeleiding ruststop actief is,
verschijnt tevens een geschikte parkeerplaats
voor een pauze.
•
•
De functie is een systeem voor aanvullende rijhulp om de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen, maar
het systeem werkt niet in alle verkeers-,
weers- en wegomstandigheden.
U wordt geadviseerd om alle paragrafen
over het systeem in de gebruikershandleiding door te nemen en bijvoorbeeld te
lezen over de beperkingen die u moet
kennen voordat u het systeem gebruikt.
De rijhulpsystemen ontslaan u niet van de
plicht om alert en adequaat te reageren,
zodat u de auto altijd op een veilige
manier moet blijven besturen, met inachtneming van een passende snelheid en
geschikte afstand tot andere weggebruikers en met respect voor de geldende
verkeersregels en -bepalingen.
Breng de auto zo spoedig mogelijk tot
stilstand om rust te houden.
Studies hebben aangetoond dat autorijden bij
vermoeidheid even gevaarlijk is in het verkeer
als rijden onder invloed van alcohol of andere
stimulerende middelen.
Gerelateerde informatie
•
•
Rijhulpsystemen (p. 290)
Driver Alert Control activeren/deactiveren
(p. 382)
•
Begeleiding naar parkeerplaats kiezen bij
waarschuwing van Driver Alert Control
(p. 382)
•
Beperkingen van Driver Alert Control
(p. 382)
Als u uw rijgedrag niet corrigeert, wordt de waarschuwing enige tijd later herhaald.
* Optie/accessoire. 381
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Driver Alert Control activeren/
deactiveren
De Driver Alert Control (DAC) is te activeren/
deactiveren.
Aan/Uit
Om de instellingen te wijzigen voor DAC:
1.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm van
het middendisplay.
2.
Kies My Car
Control.
IntelliSafe
Driver Alert
3.
Vink Alertheidswaarschuwing aan/uit om
DAC te activeren/deactiveren.
Gerelateerde informatie
•
•
Driver Alert Control (p. 380)
Beperkingen van Driver Alert Control
(p. 382)
Begeleiding naar parkeerplaats
kiezen bij waarschuwing van Driver
Alert Control
U kunt aangeven of de functie Begeleiding
ruststop moet zijn geactiveerd/gedeactiveerd.
Bij een auto met Sensus Navigation* kunt u automatische begeleiding naar een geschikte parkeerplaats activeren bij een waarschuwing van
DAC.
Om Begeleiding ruststop te kiezen:
1.
Beperkingen van Driver Alert
Control
De Driver Alert Control (DAC) kent mogelijk
beperkingen in bepaalde situaties.
Soms kan het systeem ten onrechte waarschuwen voor ongecontroleerde stuurbewegingen. Dit
kan bijvoorbeeld gebeuren bij:
•
•
Kies My Car
Control.
IntelliSafe
3.
Vink Begeleiding ruststop aan/uit om de
functie te activeren/deactiveren.
Soms treden er ondanks vermoeidheid geen
merkbare wijzigingen op in het rijgedrag –
zoals bij gebruik van Pilot Assist – zodat DAC
u niet waarschuwt.
Driver Alert
Het is daarom van zeer groot belang dat u bij
de eerste tekenen van opkomende vermoeidheid de auto op een geschikte plek parkeert
om een pauze in te lassen, ongeacht de vraag
of DAC nu wel of niet heeft gewaarschuwd.
Gerelateerde informatie
•
spoorvorming in het wegdek.
WAARSCHUWING
Tik op Instellingen op het hoofdscherm van
het middendisplay.
2.
zijdelingse rukwinden
Driver Alert Control (p. 380)
N.B.
De functie maakt gebruik van de gecombineerde camera en radarsensor van de auto
die enkele algemene beperkingen heeft.
Gerelateerde informatie
•
•
382
Driver Alert Control (p. 380)
Beperkingen van de gecombineerde camera
en radarsensor (p. 343)
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Rijbaanassistent
beweging de auto actief terug de rijbaan in
sturen.
De rijbaanassistent (LKA96) moet op snelwegen,
hoofdwegen en dergelijke het risico beperken
dat uw auto onbedoeld de eigen rijbaan verlaat.
• Waarsch geactiveerd: Als de auto een zijlijn
dreigt te passeren, wordt u gewaarschuwd
met stuurtrillingen.
De rijbaanassistent stuurt de auto terug in de rijbaan en/of waarschuwt u met stuurtrillingen.
N.B.
De rijbaanassistent is actief in het snelheidsinterval 65–200 km/h (40–125 mph) op wegen met
goed zichtbare zijlijnen.
Op smalle wegen is de functie mogelijk niet
beschikbaar en wordt dan stand-by gezet. Als de
weg weer voldoende breed is, wordt de functie
weer beschikbaar.
Als de richtingaanwijzers/knipperlichten aanstaan, biedt de rijbaanassistent geen stuurhulp of waarschuwing.
De rijbaanassistent stuurt de auto terug de rijbaan in.
De rijbaanassistent waarschuwt met stuurtrillingen.
Een camera tast de zijlijnen van de weg/rijbaan af.
Afhankelijk van de instellingen reageert de rijbaanassistent als volgt:
• Sturen geactiveerd: Als de auto een zijlijn
nadert, zal de functie met een geringe stuur96
Lane Keeping Aid
}}
383
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
WAARSCHUWING
•
De functie is een systeem voor aanvullende rijhulp om de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen, maar
het systeem werkt niet in alle verkeers-,
weers- en wegomstandigheden.
•
U wordt geadviseerd om alle paragrafen
over het systeem in de gebruikershandleiding door te nemen en bijvoorbeeld te
lezen over de beperkingen die u moet
kennen voordat u het systeem gebruikt.
•
De rijhulpsystemen ontslaan u niet van de
plicht om alert en adequaat te reageren,
zodat u de auto altijd op een veilige
manier moet blijven besturen, met inachtneming van een passende snelheid en
geschikte afstand tot andere weggebruikers en met respect voor de geldende
verkeersregels en -bepalingen.
Rijbaanassistent grijpt niet in
Voor het gebruik van de stuurhulp met rijbaanassistent (LKA97) moet u uw handen aan het stuur
houden. Het systeem controleert voortdurend of
dit het geval is.
Als u uw handen niet aan het
stuur houdt, klinkt een geluidssignaal en op het bestuurdersdisplay verschijnt een melding
om actief te sturen:
De rijbaanassistent grijpt niet in scherpe binnenbochten
in.
In bepaalde gevallen staat de rijbaanassistent u
toe om zijlijnen te passeren zonder in te grijpen
met stuurhulp of te waarschuwen – bijvoorbeeld
bij gebruik van de richtingaanwijzers of bij het
afsnijden van bochten.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
97
384
Lane Keeping Aid
Stuurhulp bij rijbaanassistent
• Lane Keeping Aid Sturen
Als u geen gehoor geeft en niet stuurt, gaat de
functie stand-by staan en verschijnt de volgende
melding:
• Lane Keeping Aid Stand-by tot stuur
wordt bekrachtigd
De functie is vervolgens niet beschikbaar, totdat
u weer actief stuurt.
Rijhulpsystemen (p. 290)
Gerelateerde informatie
Stuurhulp bij rijbaanassistent (p. 384)
•
Rijbaanassistent activeren/deactiveren
(p. 385)
Beperkingen van rijbaanassistent (p. 385)
Symbolen en meldingen voor rijbaanassistent
(p. 387)
Rijbaanassistent (p. 383)
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Rijbaanassistent activeren/
deactiveren
Assistentie-opties voor
rijbaanassistent kiezen
De rijbaanassistent (LKA98) is optioneel – u kunt
zelf kiezen of de functie geactiveerd of gedeactiveerd moet zijn.
U kunt kiezen wat de rijbaanassistent (LKA99)
moet doen, als uw auto de eigen rijbaan verlaat.
Activeer of deactiveer de functie met deze knop in het functiescherm van het middendisplay.
1.
2.
Kies Instellingen My Car IntelliSafe
in het hoofdscherm van het middendisplay.
Kies bij Modus Lane Keeping Aid wat de
functie moet doen:
• Sturen - u krijgt zonder waarschuwing
stuurhulp.
•
GROENE knopindicatie – de functie is geactiveerd.
•
GRIJZE knopindicatie – de functie is gedeactiveerd.
Gerelateerde informatie
•
•
Rijbaanassistent (p. 383)
Assistentie-opties voor rijbaanassistent kiezen (p. 385)
98 Lane
99 Lane
100Lane
Keeping Aid
Keeping Aid
Keeping Aid
• Beide – de bestuurder krijgt een waarschuwing doordat het stuurwiel trilt en
door stuurhulp.
• Waarsch – de bestuurder wordt alleen
gewaarschuwd door stuurwieltrillingen.
Gerelateerde informatie
•
Rijbaanassistent (p. 383)
Beperkingen van rijbaanassistent
In bepaalde veeleisende situaties kan de rijbaanassistent (LKA100) u moeilijk op de juiste
manier helpen – het wordt dan geadviseerd het
systeem uit te schakelen.
Voorbeelden daarvan:
•
•
•
•
•
•
wegwerkzaamheden
winterse wegomstandigheden
slecht wegdek
zeer sportief rijgedrag
slecht weer met beperkt zicht
wegen met onduidelijke of ontbrekende zijmarkeringen
•
randen of andere lijnen dan de zijmarkeringen
•
als de stuurbekrachtiging met een beperkt
vermogen werkt – zoals bij koeling op grond
van oververhitting.
Het systeem is niet in staat om barrières, vangrails en dergelijke naast de rijbaan te detecteren.
}}
385
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
N.B.
De functie maakt gebruik van de gecombineerde camera en radarsensor van de auto
die enkele algemene beperkingen heeft.
Gerelateerde informatie
•
•
•
386
Rijbaanassistent (p. 383)
Snelheidsafhankelijke stuurkracht (p. 290)
Beperkingen van de gecombineerde camera
en radarsensor (p. 343)
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Symbolen en meldingen voor
rijbaanassistent
Op het bestuurdersdisplay kunnen verschillende
symbolen en meldingen verschijnen voor de rijbaanassistent (LKA101).
In de volgende tabel staan enkele voorbeelden.
Symbool
Melding
Betekenis
Best.onderst.systeem
Het systeem werkt niet naar behoren. Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Beperkte functionaliteit Service vereist
Voorruitsensor
Het vermogen van de camera om de rijbaan vóór de auto af te tasten is beperkt.
Sensor afgedekt, zie handleiding
Lane Keeping Aid
Sturen
Lane Keeping Aid
De stuurhulp van LKA werkt niet als u uw handen niet aan het stuur houdt. Houd uw handen aan het stuur.
LKA blijft stand-by staan totdat u de auto weer actief stuurt.
Stand-by tot stuur wordt bekrachtigd
101Lane
Keeping Aid
}}
387
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
U kunt meldingen verwijderen door kort te druk-knop in het midden van de rechken op de
ter stuurknoppenset.
Doe het volgende, als de melding blijft staan:
Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
•
388
Rijbaanassistent (p. 383)
Symbolen op het bestuurdersdisplay voor de
rijbaanassistent (p. 389)
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Symbolen op het
bestuurdersdisplay voor de
rijbaanassistent
Niet beschikbaar
Gerelateerde informatie
•
Rijbaanassistent (p. 383)
De rijbaanassistent (LKA102) wordt gevisualiseerd met een symbool op het bestuurdersdisplay. Het symbool is afhankelijk van de situatie.
Hier volgt een aantal voorbeelden van het uiterlijk van het
symbool en in welke situaties
dit verschijnt:
Beschikbaar
Niet beschikbaar - de zijlijnen van het symbool zijn
GRIJS.
Rijbaanassistent kan de zijlijnen van de rijbaan
niet aftasten, de snelheid is te laag of de weg is
te smal.
Aanduiding van stuurhulp/waarschuwing
Beschikbaar - de zijlijnen van het symbool zijn WIT.
Rijbaanassistent tast de ene zijlijn of beide zijlijnen van de rijbaan af.
Stuurhulp/waarschuwing - de zijlijnen van het symbool
zijn GEKLEURD.
De rijbaanassistent geeft aan dat het systeem
waarschuwt en/of de auto terug de rijbaan in
probeert te sturen.
102Lane
Keeping Aid
389
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Stuurhulp bij botsgevaar
WAARSCHUWING
De functie Hulp bij het voorkomen van
aanrijdingen kan het risico helpen beperken dat
de auto onbedoeld de eigen rijbaan verlaat en/of
in botsing komt met een ander voertuig of een
obstakel door de auto actief terug de eigen rijbaan in te sturen en/of een uitwijkmanoeuvre te
beginnen.
•
•
U wordt geadviseerd om alle paragrafen
over het systeem in de gebruikershandleiding door te nemen en bijvoorbeeld te
lezen over de beperkingen die u moet
kennen voordat u het systeem gebruikt.
•
De rijhulpsystemen ontslaan u niet van de
plicht om alert en adequaat te reageren,
zodat u de auto altijd op een veilige
manier moet blijven besturen, met inachtneming van een passende snelheid en
geschikte afstand tot andere weggebruikers en met respect voor de geldende
verkeersregels en -bepalingen.
De functie omvat de volgende deelfuncties:
•
•
Stuurhulp bij dreigende bermongelukken
Stuurhulp bij dreigende tegenliggerbotsing
Na een automatische ingreep verschijnt op het
bestuurdersdisplay een melding dat een dergelijke ingreep heeft plaatsgevonden:
• Hulp bij het voorkomen van aanrijdingen
Automatische ingreep
De functie is een systeem voor aanvullende rijhulp om de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen, maar
het systeem werkt niet in alle verkeers-,
weers- en wegomstandigheden.
N.B.
Het is altijd aan u als bestuurder om de mate
van stuurhulp te bepalen – de auto kan het
commando nooit overnemen.
Gerelateerde informatie
•
•
390
Rijhulpsystemen (p. 290)
Stuurhulp bij botsgevaar activeren/deactiveren (p. 391)
•
Niveau van stuurhulp bij dreigende bermongelukken (p. 391)
•
Beperkingen van de stuurhulp bij een dreigende botsing (p. 394)
•
Symbolen en meldingen voor de stuurhulp bij
botsgevaar (p. 395)
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Stuurhulp bij botsgevaar activeren/
deactiveren
N.B.
Bij deactivering van Hulp bij het
voorkomen van aanrijdingen worden alle
betrokken deelfuncties uitgeschakeld:
De stuurhulp is optioneel – u kunt zelf kiezen of
de functie geactiveerd of gedeactiveerd moet
zijn.
•
•
Activeer of deactiveer de functie met deze knop in het functiescherm van het middendisplay.
•
GROENE knopindicatie – de functie is geactiveerd.
•
GRIJZE knopindicatie – de functie is gedeactiveerd.
Stuurhulp bij dreigende bermongelukken
Stuurhulp bij dreigende tegenliggerbotsing
Niveau van stuurhulp bij dreigende
bermongelukken
Het systeem heeft twee activeringsniveaus bij
een ingreep:
•
•
Alleen stuurhulp
Stuurhulp en remingreep
Alleen stuurhulp
Ondanks de mogelijkheid tot deactivering
wordt geadviseerd om de functie ingeschakeld te laten, omdat deze in de meeste gevallen de rijveiligheid verhoogt.
Gerelateerde informatie
•
Stuurhulp bij botsgevaar (p. 390)
De functie wordt bij elke motorstart automatisch
geactiveerd103.
Ingreep met stuurhulp.
103Op
bepaalde markten wordt automatisch de instelling gehanteerd die gold bij uitschakeling van de motor.
}}
391
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Stuurhulp en remingreep
Stuurhulp bij dreigende
bermongelukken
WAARSCHUWING
De stuurhulp kent enkele deelfuncties. De stuurhulp bij dreigende bermongelukken kan het
gevaar helpen beperken dat u onbedoeld van de
weg raakt door de auto actief terug de weg op
te sturen.
•
De functie is een systeem voor aanvullende rijhulp om de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen, maar
het systeem werkt niet in alle verkeers-,
weers- en wegomstandigheden.
•
U wordt geadviseerd om alle paragrafen
over het systeem in de gebruikershandleiding door te nemen en bijvoorbeeld te
lezen over de beperkingen die u moet
kennen voordat u het systeem gebruikt.
•
De rijhulpsystemen ontslaan u niet van de
plicht om alert en adequaat te reageren,
zodat u de auto altijd op een veilige
manier moet blijven besturen, met inachtneming van een passende snelheid en
geschikte afstand tot andere weggebruikers en met respect voor de geldende
verkeersregels en -bepalingen.
De functie is in werking binnen het snelheidsbereik 65-140 km/h (40-87 mph) op wegen met
duidelijk zichtbare zijmarkeringen/-strepen.
Ingreep met stuurhulp en remingreep.
Remingrepen helpen in situaties waar stuurhulp
alleen niet voldoende is. De remkracht wordt
automatisch afgestemd op de situatie waarin een
bermongeluk dreigt.
Gerelateerde informatie
•
Stuurhulp bij botsgevaar (p. 390)
Een camera tast de zijkanten en zijmarkeringen
van de weg af. Als de auto op het punt staat om
van de weg af te rijden, wordt hij weer de weg op
gestuurd en als de stuuractie niet volstaat om de
auto op de weg te houden, wordt de remactie
ook geactiveerd.
Wanneer u de richtingaanwijzers gebruikt, biedt
het systeem echter geen assistentie in de vorm
van stuurhulp of remingrepen. En als het systeem
detecteert dat u er een actieve rijstijl op na houdt,
grijpt het systeem iets later in.
Na een automatische ingreep verschijnt op het
bestuurdersdisplay een melding dat een dergelijke ingreep heeft plaatsgevonden:
• Hulp bij het voorkomen van aanrijdingen
Automatische ingreep
392
Gerelateerde informatie
•
Stuurhulp bij botsgevaar (p. 390)
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Stuurhulp bij dreigende
tegenliggerbotsing
De stuurhulp kent enkele deelfuncties. De stuurhulp bij dreigende tegenliggerbotsing kan u helpen, als u wordt afgeleid en niet merkt dat uw
auto op de verkeerde weghelft belandt.
Als u de rijbaan dreigt te verlaten en daarbij het
pad van een tegenligger kruist, kan het systeem
u helpen om de auto terug de eigen rijbaan in te
sturen.
WAARSCHUWING
Het systeem biedt echter geen stuurhulp bij
gebruik van de richtingaanwijzers. En als het systeem detecteert dat u er een actieve rijstijl op na
houdt, grijpt het systeem iets later in.
•
De functie is een systeem voor aanvullende rijhulp om de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen, maar
het systeem werkt niet in alle verkeers-,
weers- en wegomstandigheden.
•
U wordt geadviseerd om alle paragrafen
over het systeem in de gebruikershandleiding door te nemen en bijvoorbeeld te
lezen over de beperkingen die u moet
kennen voordat u het systeem gebruikt.
•
De rijhulpsystemen ontslaan u niet van de
plicht om alert en adequaat te reageren,
zodat u de auto altijd op een veilige
manier moet blijven besturen, met inachtneming van een passende snelheid en
geschikte afstand tot andere weggebruikers en met respect voor de geldende
verkeersregels en -bepalingen.
Na een automatische ingreep verschijnt op het
bestuurdersdisplay een melding dat een dergelijke ingreep heeft plaatsgevonden:
• Hulp bij het voorkomen van aanrijdingen
Automatische ingreep
De functie kan u helpen om uit te wijken naar de eigen
rijbaan.
Tegenligger
Uw auto
Tijdens een stuuringreep wordt ook de Collision
Warning van de rijhulp geactiveerd. De rempedaaltrillingen die onderdeel zijn van de Collision
Warning worden echter niet geactiveerd.
Gerelateerde informatie
•
•
Stuurhulp bij botsgevaar (p. 390)
Waarschuwing rijhulpsystemen bij een dreigende botsing (p. 329)
De functie is in werking binnen het snelheidsbereik 60–140 km/h (37–87 mph) op wegen met
duidelijk zichtbare zijmarkeringen/-strepen.
393
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Beperkingen van de stuurhulp bij
een dreigende botsing
N.B.
De functie maakt gebruik van de gecombineerde camera en radarsensor van de auto
die enkele algemene beperkingen heeft.
Het systeem kent mogelijk beperkingen in de
volgende situaties, zodat bijv. niet wordt ingegrepen in de volgende gevallen:
bij kleinere voertuigen zoals motorfietsen
Gerelateerde informatie
als uw eigen auto voor het merendeel in de
aangrenzende rijbaan is belandt
•
•
•
op wegen/rijstroken met onduidelijke of ontbrekende zijmarkeringen
•
•
buiten het snelheidsbereik 60–140 km/h
(37–87 mph)
•
als de stuurbekrachtiging met een beperkt
vermogen werkt – zoals bij koeling op grond
van oververhitting.
•
•
Voorbeelden van andere lastige omstandigheden:
•
•
•
•
•
•
wegwerkzaamheden
winterse wegomstandigheden
smalle wegen
slecht wegdek
zeer sportief rijgedrag
slecht weer met beperkt zicht.
In deze veeleisende situaties kan het systeem u
moeilijk op de juiste manier helpen – het wordt
dan geadviseerd om het systeem uit te schakelen.
394
Stuurhulp bij botsgevaar (p. 390)
Stuurhulp bij dreigende bermongelukken
(p. 392)
Stuurhulp bij dreigende tegenliggerbotsing
(p. 393)
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Symbolen en meldingen voor de
stuurhulp bij botsgevaar
Op het bestuurdersdisplay kunnen enkele symbolen en meldingen verschijnen voor de functie.
In de volgende tabel staan enkele voorbeelden.
Symbool
Melding
Betekenis
Hulp bij het voorkomen van aanrijdingen
Bij activering van het systeem krijgt u een melding te zien dat het systeem ingeschakeld
is.
Automatische ingreep
Voorruitsensor
Het vermogen van de camera om de rijbaan vóór de auto af te tasten is beperkt.
Sensor afgedekt, zie handleiding
U kunt meldingen verwijderen door kort te drukken op de
-knop in het midden van de rechter stuurknoppenset.
Doe het volgende, als de melding blijft staan:
Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
Stuurhulp bij botsgevaar (p. 390)
395
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Parkeerhulp*
De parkeerhulp kan u helpen bij het parkeren in
krappe ruimten door de afstand tot obstakels
aan te geven met geluidssignalen in combinatie
met grafische voorstellingen op het bestuurdersdisplay.
Hoe korter de afstand tot het obstakel, des te
korter op elkaar klinken de signalen. Wanneer u
ondertussen het audiosysteem beluistert, wordt
het volume daarvan tijdelijk verlaagd.
Bij obstakels voor en naast de auto worden er
zolang de auto rijdt geluidssignalen gegeven,
maar deze geluidssignalen verdwijnen wanneer
de auto zo'n 2 seconden stilstaat. Bij obstakels
achter de auto blijven de geluidssignalen ook
klinken, wanneer de auto stilstaat.
Wanneer de auto een obstakel voor of achter de
auto tot op minder dan 30 cm (1 ft) is genaderd,
bestaat het geluidssignaal uit een ononderbroken
toon en is het sensorsegment dat het dichtst bij
het autosymbool ligt geheel gevuld.
Beeldscherm met obstakelzones en sensorsegmenten.
Op het middendisplay verschijnt een schematische weergave van de onderlinge posities van de
auto en eventuele obstakels.
Het gemarkeerde segment geeft aan waar het
obstakel zich bevindt. Het gemarkeerde segment
ligt dichter bij het autosymbool, naarmate de
afstand tussen de auto en het waargenomen
obstakel aan de voor-/achterzijde kleiner is.
Wanneer de auto een obstakel voor of achter de
auto tot op minder dan 25 cm (0,8 ft) is genaderd, bestaat het geluidssignaal uit een luide
onderbroken toon. De kleur van het actieve sensorsegment verandert van ORANJE in ROOD.
N.B.
•
Behalve in het gebied rond het autosymbool, worden alleen geluidssignalen
gegeven voor obstakels die zich op het
traject van de auto bevinden.
WAARSCHUWING
•
Wanneer er obstakels in de dode hoeken
van de parkeerhulpsensoren zitten, zal
het systeem ze niet kunnen ontdekken.
•
Let daarom in het bijzonder op mensen
en dieren in de buurt van de auto.
•
Let erop dat de voorkant van de auto tijdens het parkeren kan uitzwenken naar
het tegemoetkomende verkeer.
Het volume van de parkeerhulp is als het geluidssignaal klinkt aan te passen met de [>II]-knop op
de middenconsole. U kunt het volume ook aanpassen met de menu-optie Instellingen in het
hoofdmenu.
De zijsegmenten veranderen van kleur naarmate
de afstand tussen de auto en het obstakel
afneemt.
396
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
WAARSCHUWING
•
De functie is een systeem voor aanvullende rijhulp om de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen, maar
het systeem werkt niet in alle verkeers-,
weers- en wegomstandigheden.
•
U wordt geadviseerd om alle paragrafen
over het systeem in de gebruikershandleiding door te nemen en bijvoorbeeld te
lezen over de beperkingen die u moet
kennen voordat u het systeem gebruikt.
•
De rijhulpsystemen ontslaan u niet van de
plicht om alert en adequaat te reageren,
zodat u de auto altijd op een veilige
manier moet blijven besturen, met inachtneming van een passende snelheid en
geschikte afstand tot andere weggebruikers en met respect voor de geldende
verkeersregels en -bepalingen.
Gerelateerde informatie
•
•
Rijhulpsystemen (p. 290)
Parkeerhulp aan voorzijde, achterzijde en zijkanten* (p. 397)
•
•
Parkeerhulp activeren/deactiveren* (p. 398)
•
Beperkingen van de gecombineerde camera
en radarsensor (p. 343)
Symbolen en meldingen voor parkeerhulp
(p. 400)
Parkeerhulp aan voorzijde,
achterzijde en zijkanten*
De parkeerhulp reageert anders afhankelijk van
de vraag met welke kant van de auto u een
obstakel nadert.
N.B.
De parkeerhulp wordt gedeactiveerd wanneer
u de parkeerrem gebruikt of als u bij een auto
met automatische versnellingsbak de keuzehendel in stand P zet.
Voorzijde
BELANGRIJK
Bij montage van verstralers: Let erop dat deze
de sensoren niet mogen hinderen - de verstralers kunnen dan als obstakel worden
gezien.
Achterzijde
Het geluidssignaal is ononderbroken bij een afstand
kleiner dan zo'n 30 cm (1 ft) tot een obstakel.
De voorste sensoren van de parkeerhulp worden
bij het starten van de motor automatisch geactiveerd. Ze zijn actief bij snelheden lager dan
10 km/h (6 mph).
Het meetgebied strekt tot zo'n 80 cm (2,5 ft)
voor de auto.
Het geluidssignaal is ononderbroken bij een afstand
kleiner dan zo'n 30 cm (1 ft) tot een obstakel.
Als de auto in zijn vrij achteruitrolt of wanneer u
de keuzehendel in de stand voor achteruitrijden
}}
* Optie/accessoire. 397
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
zet, worden de sensoren aan de achterzijde
geactiveerd.
Aan de zijkanten
Parkeerhulp activeren/deactiveren*
De parkeerhulp is te activeren/deactiveren.
Het meetgebied strekt tot zo'n 1,5 meter (5 ft)
achter de auto.
De voor- en zijsensoren van de parkeerhulp worden automatisch geactiveerd bij het starten van
de motor en de achtersensoren worden geactiveerd, als de auto achteruitrolt of als de achteruitversnelling wordt geselecteerd.
Bij het achteruitrijden met een aanhangwagen
die is aangesloten op het elektrische systeem
van de auto wordt de parkeerhulp automatisch
gedeactiveerd.
Activeer of deactiveer de functie met deze knop in het functiescherm van het middendisplay.
N.B.
Bij het achteruitrijden met een aanhanger
achter de auto of een fietsdrager op de trekhaak – zonder een originele aanhangerkabel
van Volvo – moet u de Park Assist mogelijk
handmatig uitschakelen om te voorkomen dat
de sensoren erop reageren.
De onderbroken geluidssignalen volgen elkaar snel op
bij een afstand kleiner dan zo'n 25 cm (0,8 ft) tot een
obstakel.
De zijsensoren van de parkeerhulp worden bij het
starten van de motor automatisch geactiveerd. Ze
zijn actief bij snelheden lager dan 10 km/h
(6 mph).
Het meetgebied strekt tot zo'n 25 cm (0,8 ft)
naast de zijkanten.
Het detectiegebied van de zijsensoren neemt
echter merkbaar toe bij het verdraaien van de
voorwielen, zodat er bij het verdraaien van het
stuur obstakels tot zo'n 90 cm (3 ft) schuin achter of voor de auto te detecteren zijn.
•
GROENE knopindicatie – de functie is geactiveerd.
•
GRIJZE knopindicatie – de functie is gedeactiveerd.
Bij een auto met parkeerhulpcamera* is de parkeerhulp ook te activeren of deactiveren via het
desbetreffende camerascherm.
Gerelateerde informatie
•
Parkeerhulp* (p. 396)
Gerelateerde informatie
•
•
398
Parkeerhulp* (p. 396)
Sensorvelden van parkeerhulp voor parkeerhulpcamera (p. 406)
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Beperkingen van parkeerhulp
De parkeerhulp is niet in staat om in alle situaties
alles te registreren, zodat er soms beperkingen
gelden voor de werking.
Als bestuurder dient u rekening te houden met
de volgende beperkingen van de parkeerhulp:
WAARSCHUWING
Wees bij het verschijnen
van dit symbool extra voorzichtig tijdens het achteruitrijden met een gemonteerde aanhangwagen,
fietsdrager of iets dergelijks
die is aangesloten op het
elektrische systeem van de auto.
Het symbool geeft aan dat de parkeerhulpsensoren achter uitgeschakeld zijn, zodat
deze niet waarschuwen voor eventuele obstakels.
BELANGRIJK
BELANGRIJK
Obstakels zoals kettingen, smalle glanzende
palen of lage obstakels kunnen "afgeschaduwd" worden en worden in dat geval tijdelijk
niet geregistreerd door de sensoren – het
onderbroken geluidssignaal kan dan plotseling wegvallen in plaats van over te gaan in
het verwachte ononderbroken geluidssignaal.
In bepaalde omstandigheden kan het parkeerhulpsysteem ten onrechte waarschuwingssignalen afgeven onder invloed van
externe geluidsbronnen met ultrasone
geluidssignalen van dezelfde frequentie als
de sensoren van het systeem.
Voorbeelden van dergelijke bronnen zijn claxons, natte banden op asfalt, pneumatische
remmen en uitlaatgeluid van motorfietsen et
cetera.
De sensoren kunnen geen hoge obstakels
ontdekken, zoals uitstekende laadperrons.
•
Wees in dergelijke gevallen extra voorzichtig en bedien/verrijd de auto erg
langzaam of breek de parkeermanoeuvre
af – er bestaat groot gevaar voor materiele schade aan de auto of de omgeving,
aangezien de informatie afkomstig van de
sensoren in dergelijke situaties niet altijd
betrouwbaar is.
N.B.
Wanneer het elektrische systeem van de auto
is geconfigureerd voor een trekhaak, wordt de
uitsteeklengte van de trekhaak meegerekend
bij het meten van de afstand tot obstakels
achter de auto.
Gerelateerde informatie
•
Parkeerhulp* (p. 396)
* Optie/accessoire. 399
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Symbolen en meldingen voor
parkeerhulp
Op het bestuurders- en /of middendisplay verschijnen mogelijk symbolen en meldingen voor
de parkeerhulp.
In de volgende tabel staan enkele voorbeelden.
Symbool
Melding
Betekenis
De parkeerhulpsensoren achter zijn uitgeschakeld, zodat er geen akoestische waarschuwingssignalen voor obstakels/voorwerpen verschijnen.
Parkeerhulpsysteem
Sensoren afgedekt, schoonmaken
vereist
Parkeerhulpsysteem
Niet beschikbaar Service vereist
Een of meer van de sensoren van het systeem zijn geblokkeerd. Controleer dit en verhelp de
storing zo spoedig mogelijk.
Het systeem werkt niet naar behoren. Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt
een erkende Volvo-werkplaats.
U kunt meldingen verwijderen door kort te drukken op de
-knop in het midden van de rechter stuurknoppenset.
Doe het volgende, als de melding blijft staan:
Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
400
Parkeerhulp* (p. 396)
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Parkeerhulpcamera*
Trekhaak* – hulplijn voor trekhaak activeren/deactiveren*105
De parkeerhulpcamera kan u helpen bij het parkeren in krappe ruimten door obstakels weer te
geven met camerabeelden en grafische voorstellingen op het middendisplay.
CTA* – Cross Traffic Alert activeren/deactiveren
Voorwerpen/obstakels kunnen dichter bij de auto
zijn dan ze lijken op het beeldscherm.
De parkeerhulpcamera is een hulpsysteem dat
automatisch wordt geactiveerd bij inschakeling
van de achteruitversnelling of handmatig via het
middendisplay.
WAARSCHUWING
•
Wanneer er obstakels in de dode hoeken
van de parkeerhulpsensoren zitten, zal
het systeem ze niet kunnen ontdekken.
•
Let daarom in het bijzonder op mensen
en dieren in de buurt van de auto.
•
Let erop dat de voorkant van de auto tijdens het parkeren kan uitzwenken naar
het tegemoetkomende verkeer.
Voorbeeld van cameraweergave.
Zoomen104 – in-/uitzoomen
360°-beeld* – alle camera's activeren/deactiveren
PAS* – parkeerhulp activeren/deactiveren
Lijnen – hulplijnen activeren/deactiveren
104Bij het inzoomen doven de hulplijnen.
105Niet op alle markten beschikbaar.
}}
* Optie/accessoire. 401
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
WAARSCHUWING
•
De functie is een systeem voor aanvullende rijhulp om de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen, maar
het systeem werkt niet in alle verkeers-,
weers- en wegomstandigheden.
•
U wordt geadviseerd om alle paragrafen
over het systeem in de gebruikershandleiding door te nemen en bijvoorbeeld te
lezen over de beperkingen die u moet
kennen voordat u het systeem gebruikt.
•
De rijhulpsystemen ontslaan u niet van de
plicht om alert en adequaat te reageren,
zodat u de auto altijd op een veilige
manier moet blijven besturen, met inachtneming van een passende snelheid en
geschikte afstand tot andere weggebruikers en met respect voor de geldende
verkeersregels en -bepalingen.
•
Symbolen en meldingen voor de parkeerhulpcamera (p. 409)
Weergaven voor de
parkeerhulpcamera*
•
Beperkingen van de gecombineerde camera
en radarsensor (p. 343)
•
•
Parkeerhulp* (p. 396)
De functie kan een gecombineerde 360°-aanzicht tonen én een afzonderlijk aanzicht voor de
vier camera's: achter, voor, links of rechts.
Cross Traffic Alert* (p. 369)
Gerelateerde informatie
•
•
402
Rijhulpsystemen (p. 290)
Weergaven voor de parkeerhulpcamera*
(p. 402)
•
•
Hulplijnen voor parkeerhulpcamera* (p. 404)
•
Parkeerhulpcamera starten (p. 407)
Sensorvelden van parkeerhulp voor parkeerhulpcamera (p. 406)
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Als de auto tevens is uitgerust met
Parkeerhulpsysteem* wordt de afstand tot
gedetecteerde obstakels aangeduid met velden
in verschillende kleuren.
360°-aanzicht*
Naar voren
De camera's zijn automatisch of handmatig te
activeren.
Achterzijde
De parkeerhulpcamera aan de voorzijde zit in de grille.
"Blikveld" van de parkeerhulpcamera's en hun approximatieve dekkingsgebieden.
De functie 360°-beeld activeert alle parkeerhulpcamera's waarna alle vier de zijden van de
auto gelijktijdig op het middendisplay verschijnen,
zodat u bij manoeuvreren op lage snelheden kunt
zien wat er zich rond de auto bevindt.
Vanuit het 360°-aanzicht is ieder camera-aanzicht apart te activeren:
•
Tik op het display voor het "blikveld" van de
gewenste camera, bijvoorbeeld op het
gebied voor/boven de frontcamera.
Het camerasymbool in het
autosymbool op het middendisplay geeft aan welke camera
actief is.
De achtercamera zit boven de kentekenplaat.
De camera beslaat een breed gebied achter de
auto. Bij bepaalde modellen is ook een deel van
de achterbumper zichtbaar plus een eventuele
trekhaak.
Voorwerpen op het middendisplay lijken mogelijk
over te hellen – dit is volkomen normaal.
De frontcamera kan handig zijn bij het invoegen
vanuit een oprit waarbij het zicht naar beide zijden bijvoorbeeld door heggen beperkt is. De
camera is actief bij snelheden tot 25 km/h
(16 mph) – bij hogere snelheden wordt de frontcamera uitgeschakeld.
Als de rijsnelheid een waarde van 50 km/h
(30 mph) niet bereikt en binnen 1 minuut na uitschakeling van de frontcamera daalt tot onder
22 km/h (14 mph), wordt de camera opnieuw
geactiveerd.
}}
* Optie/accessoire. 403
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Naar zijkanten
Hulplijnen voor parkeerhulpcamera*
De parkeerhulpcamera's geeft met lijnen op het
beeldscherm aan waar de auto zich ten opzichte
van de omgeving bevindt.
De lijnen op het scherm worden geprojecteerd
als stonden ze op de grond achter de auto. De lijnen zijn bovendien afhankelijk van de stuuruitslag, zodat u ook tijdens het draaien kunt zien
welke baan de auto zal nemen.
De hulplijnen zijn inclusief de uitstekende delen
van de auto, zoals de trekhaak, buitenspiegels en
hoeken.
N.B.
•
Bij het achteruitrijden met een aanhanger/caravan geven de hulplijnen op het
beeldscherm de baan van de auto aan –
niet die van de aanhanger/caravan.
•
Er verschijnen geen hulplijnen op het
beeldscherm, wanneer er een aanhanger
is aangesloten op het elektrische systeem van de auto.
•
Er verschijnen geen hulplijnen bij het
inzoomen.
De zijcamera's zitten in beide buitenspiegels.
De zijcamera's kunnen weergeven wat er zich
aan de desbetreffende zijde naast de auto
bevindt.
Gerelateerde informatie
•
•
Parkeerhulpcamera* (p. 401)
Parkeerhulpcamera starten (p. 407)
Voorbeeld van hulplijnen.
De hulplijnen geeft de denkbeeldige baan van de
contouren van de auto aan bij de actuele stuuruitslag - dit vereenvoudigt het achteruit insteken,
achteruitrijden in krappe ruimten en aankoppelen
van aanhangwagens.
404
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
BELANGRIJK
•
Let erop dat op het beeldscherm alleen
het gebied achter de auto wordt weergegeven, als u voor de achteruitkijkcamera
hebt gekozen – let in dat geval goed op
de zijkanten en voorkant van de auto
wanneer u tijdens het achteruitrijden het
stuurwiel verdraait.
•
Hetzelfde geldt ook omgekeerd – let op
wat er met de achterste delen van de
auto gebeurt als u de frontcamera hebt
gekozen.
•
De hulplijnen geven het kortste traject
aan – let er daarom extra goed op dat u
met de zijkanten van de auto nergens
tegen aankomt of overheen rijdt, als u bij
vooruitrijden aan het stuur draait of met
de voorkant van de auto nergens tegen
aankomt of overheen rijdt, als u bij achteruitrijden aan het stuur draait.
Hulplijnen in 360°-aanzicht*
Hulplijn voor trekhaak*
360°-aanzicht met hulplijnen.
Met 360°-aanzicht worden - afhankelijk van de
rijrichting - achter, voor en aan de zijkant van de
auto hulplijnen getoond:
•
•
Bij vooruitrijden: Frontlijnen
Bij achteruitrijden: Zijlijnen en achteruitrijlijnen.
Als de voor- of achtercamera gekozen is, worden
de hulplijnen onafhankelijk van de rijrichting
weergegeven.
Als een zijcamera gekozen is, worden hulplijnen
alleen weergegeven als er achteruit gereden
wordt.
Trekhaak met hulplijn.
Trekhaak - hulplijn voor trekhaak activeren.
Zoomen - in-/uitzoomen.
De camera leent zich bij uitstek voor het aankoppelen van een aanhangwagen door de weergave
van een hulplijn voor de virtuele "baan" van de
trekhaak naar de aanhangwagen.
}}
* Optie/accessoire. 405
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
1.
Druk op Trekhaak (1).
> De hulplijn voor het vermoedelijk traject
van de trekhaak wordt getoond, terwijl de
hulplijnen van de auto tegelijkertijd
gedoofd worden.
Er zijn niet tegelijkertijd hulplijnen weer te
geven voor de auto en de trekhaak.
2.
Sensorvelden van parkeerhulp voor
parkeerhulpcamera
Als de auto uitgerust is met parkeerhulp wordt
voor iedere sensor die een obstakel waarneemt
de afstand met gekleurde velden in 360°-aanzicht weergegeven.
Sensorvelden voor en achter
Druk op Zoomen (2) als u nauwkeurig moet
manoeuvreren.
> Er wordt ingezoomd op de camerabeelden.
Gerelateerde informatie
•
Parkeerhulpcamera* (p. 401)
De kleur van de sensorvelden voor en achter verandert naarmate de afstand tot het obstakel kleiner wordt – van GEEL, via ORANJE in ROOD.
Veldkleur achter
Afstand in meter (feet)
Oranje
0,6–1,5 (2,0–4,9)
Oranje
0,3–0,6 (1,0–2,0)
Rood
0–0,3 (0–1,0)
Veldkleur voor
Afstand in meter (feet)
Oranje
0,6–0,8 (2,0–2,6)
Oranje
0,3–0,6 (1,0–2,0)
Rood
0–0,3 (0–1,0)
Bij RODE sensorvelden gaat het onderbroken
geluidssignaal over in een onderbroken geluidssignaal.
Het beeldscherm toont de gekleurde sensorvelden op
het autosymbool.
406
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Sensorvelden naar de zijkanten
De waarschuwingssignalen zijn afhankelijk van
het beoogde traject van de auto. Bij stuuruitslag
wordt mogelijk ook gewaarschuwd voor een
obstakel dat zich niet recht voor of achter maar
schuin voor of achter de auto bevindt.
De kleur van de sensorvelden aan zijkant verandert naarmate de afstand tot het obstakel kleiner
wordt – van GEEL in ROOD.
Veldkleur zijkanten
Afstand in meter (feet)
Oranje
0,25–0,9 (0,8–3,0)
Rood
0–0,25 (0–0,8)
Bij RODE sensorvelden gaat het onderbroken
geluidssignaal over in een luid onderbroken signaal.
Gerelateerde informatie
•
Gebieden waarbinnen de parkeersensoren obstakels
kunnen ontdekken.
Voorste sensorveld links
Obstakelsegment in de rijrichting voor de
auto – afhankelijk van de stuuruitslag
Segment met RODE veldkleur en luid onderbroken signaal
Achterste sensorveld rechts
Obstakelsegment in de rijrichting achter de
auto – afhankelijk van de stuuruitslag.
Parkeerhulpcamera* (p. 401)
Parkeerhulpcamera starten
De parkeerhulpcamera start automatisch bij het
inschakelen van de achteruitversnelling of handmatig bij het bedienen van een van de functieknoppen van het middendisplay.
Camera-aanzicht tijdens het
achteruitrijden
Bij het inschakelen van de achteruitversnelling
verschijnt het 360°-aanzicht als dit aanzicht of
een van de zijaanzichten het laatst gebruikte aanzicht was, zo niet dan verschijnt het achteraanzicht.
Aanzicht bij handmatige inschakeling
van de camera
Start de parkeerhulpcamera
met deze knop op het functiescherm van het middendisplay.
Op het display verschijnt
daarna in eerste instantie het
laatst gebruikte camera-aanzicht. Na iedere nieuwe motorstart wordt een eerder weergegeven zijaanzicht vervangen door een
360°-aanzicht en een eerder getoond ingezoomd
achteraanzicht wordt vervangen door een standaardachteraanzicht.
Camera automatisch deactiveren
Het vooraanzicht dooft bij 25 km/h (16 mph) om
u niet af te leiden – het vooraanzicht wordt bij
een snelheid van 22 km/h (14 mph) binnen
}}
* Optie/accessoire. 407
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
1 minuut opnieuw geactiveerd, op voorwaarde
dat u niet sneller rijdt dan 50 km/h (31 mph).
De overige camera-aanzichten doven bij 15 km/h
(9 mph) en worden niet opnieuw geactiveerd.
Gerelateerde informatie
•
408
Parkeerhulpcamera* (p. 401)
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Symbolen en meldingen voor de
parkeerhulpcamera
Op het bestuurders- en /of middendisplay verschijnen mogelijk symbolen en meldingen voor
de parkeerhulpcamera.
In de volgende tabel staan voorbeelden.
Symbool
Melding
Betekenis
De parkeerhulpsensoren achter zijn uitgeschakeld, zodat er geen akoestische waarschuwingssignalen en veldmarkeringen voor obstakels/voorwerpen verschijnen.
De camera is defect.
Parkeerhulpsysteem
Sensoren afgedekt, schoonmaken vereist
Parkeerhulpsysteem
Niet beschikbaar Service vereist
U kunt meldingen verwijderen door kort te drukken op de
-knop in het midden van de rechter stuurknoppenset.
Een of meer van de sensoren van het systeem zijn geblokkeerd. Controleer dit en verhelp de storing zo spoedig mogelijk.
Het systeem werkt niet naar behoren. Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt
een erkende Volvo-werkplaats.
Doe het volgende, als de melding blijft staan:
Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
Parkeerhulpcamera* (p. 401)
* Optie/accessoire. 409
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Actieve parkeerhulp*
WAARSCHUWING
De actieve parkeerhulp (PAP106) kan u helpen
bij parkeermanoeuvres. De functie kan ook helpen bij het sturen tijdens het verlaten van een
fileparkeervak.
De functie is een systeem voor aanvullende rijhulp om de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen, maar
het systeem werkt niet in alle verkeers-,
weers- en wegomstandigheden.
De functie controleert eerst of
een vak groot genoeg is en
helpt u vervolgens om de auto
het vak in te sturen.
Op het middendisplay wordt
met symbolen, grafische voorstellingen en teksten aangegeven wat u wanneer
moet doen.
WAARSCHUWING
•
Wanneer er obstakels in de dode hoeken
van de parkeerhulpsensoren zitten, zal
het systeem ze niet kunnen ontdekken.
•
Let daarom in het bijzonder op mensen
en dieren in de buurt van de auto.
•
Let erop dat de voorkant van de auto tijdens het parkeren kan uitzwenken naar
het tegemoetkomende verkeer.
•
•
•
N.B.
PAP meet de ruimte en stuurt de auto – aan
u de taak om:
U wordt geadviseerd om alle paragrafen
over het systeem in de gebruikershandleiding door te nemen en bijvoorbeeld te
lezen over de beperkingen die u moet
kennen voordat u het systeem gebruikt.
De rijhulpsystemen ontslaan u niet van de
plicht om alert en adequaat te reageren,
zodat u de auto altijd op een veilige
manier moet blijven besturen, met inachtneming van een passende snelheid en
geschikte afstand tot andere weggebruikers en met respect voor de geldende
verkeersregels en -bepalingen.
410
goed op de omgeving rond de auto te letten
•
de instructies op het middendisplay op te
volgen
•
te schakelen (achteruit/vooruit) – er klikt
een "belsignaal", wanneer u moet schakelen
•
de snelheid te regelen en daarbij een veilige snelheid aan te houden
•
te remmen en de auto tot stilstand te
brengen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
106Park
•
Rijhulpsystemen (p. 290)
Parkeervarianten bij actieve parkeerhulp*
(p. 411)
Inparkeren met actieve parkeerhulp* (p. 412)
Fileparkeervak verlaten met actieve parkeerhulp* (p. 415)
Beperkingen van de Actieve parkeerhulp*
(p. 416)
Assist Pilot
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
•
Beperkingen van de gecombineerde camera
en radarsensor (p. 343)
Parkeervarianten bij actieve
parkeerhulp*
•
Meldingen voor Actieve parkeerhulp*
(p. 418)
De actieve parkeerhulp (PAP107) is te gebruiken
bij de volgende parkeervarianten.
Achteruit insteken
Fileparkeren
Principe voor (achteruit) insteken.
De functie parkeert de auto aan de hand van de
volgende stappen:
Principe voor fileparkeren of achteruit insteken.
De functie parkeert de auto aan de hand van de
volgende stappen:
1.
Het parkeervak wordt gezocht en gemeten.
2.
De auto wordt achteruit het vak ingestuurd.
3.
De auto wordt netjes in het midden van het
vak geparkeerd door voor-/achteruit te rijden.
Met Uitparkeren kan een filegeparkeerde auto
ook hulp krijgen bij het verlaten van het parkeervak.
107Park
Assist Pilot
1.
Het parkeervak wordt gezocht en gemeten.
2.
De auto wordt achteruit/vooruit het parkeervak in gestuurd en netjes in het midden
geparkeerd door voor-/achteruit te rijden.
N.B.
Het verlaten van een parkeervak met
Uitparkeren is alleen bestemd voor een
parallel geparkeerde auto - het systeem werkt
niet voor een haaks geparkeerde auto.
}}
* Optie/accessoire. 411
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Gerelateerde informatie
•
•
Actieve parkeerhulp* (p. 410)
Fileparkeervak verlaten met actieve parkeerhulp* (p. 415)
Inparkeren met actieve
parkeerhulp*
De actieve parkeerhulp (PAP108) helpt u in drie
fasen bij het parkeren. De functie kan u ook helpen om uit een parkeervak te rijden.
De functie meet de beschikbare ruimte en stuurt
de auto – aan u de taak om:
N.B.
De afstand tussen de auto en parkeervakken
moet 0,5–1,5 meter (1,6–5,0 ft) bedragen,
wanneer de functie de omgeving aftast op
zoek naar een passende parkeerplek.
Parkeren
•
het gebied rond de auto goed in de gaten te
houden
De functie parkeert de auto aan de hand van de
volgende stappen:
•
•
de instructies op het middendisplay te volgen
1.
Het parkeervak wordt gezocht en gemeten.
te schakelen (vooruit/achteruit) – een belsignaal geeft aan wanneer u moet schakelen.
2.
De auto wordt achteruit het vak ingestuurd.
3.
De auto wordt netjes in het midden van het
vak geparkeerd – het systeem kan u vragen
om te schakelen en te remmen.
•
•
een veilige snelheid aan te houden
te remmen en te stoppen.
Symbolen, grafische voorstellingen en/of teksten
op het middendisplay geven aan, wanneer u iets
moet doen.
De functie is te activeren als na het starten van
de motor aan de volgende criteria is voldaan:
108Park
412
•
Er is geen aanhangwagen aan de auto
gekoppeld
•
De snelheid is lager dan 30 km/h (20 mph).
Assist Pilot
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Parkeervakken zoeken en meten
De functie is te activeren op
het functiescherm van het middendisplay.
N.B.
De functie zoekt een geschikte ruimte om te
parkeren, geeft instructies en parkeert de
auto aan de passagierskant in. Desgewenst
kunt u de auto ook aan de bestuurderszijde
van de straat parkeren:
Deze is ook bereikbaar vanuit
de camerabeelden.
•
Schakel de richtingaanwijzers aan de
bestuurderszijde in, waarna het systeem
een geschikte parkeerplek aan deze kant
van de straat zoekt.
Principe voor (achteruit) insteken.
Rijd maximaal 30 km/h (20 mph) voordat u gaat
parkeren.
Principe voor fileparkeren.
1.
Tik op de knop Inparkeren in het functiescherm of in het camerascherm.
> PAP zoekt een parkeervak en meet of dit
vak groot genoeg is.
2.
Zorg dat u klaar bent om te stoppen als het
beeld en de melding op het middendisplay u
vertellen dat er een geschikte parkeerplaats
gevonden is.
> Er verschijnt een pop-upvenster.
3.
Kies Fileparkeren of Haaks parkeren en
schakel de achteruitversnelling in.
}}
413
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Achteruit inparkeren
Fileparkeren.
Doe het volgende om de auto achteruit in te parkeren:
1.
Controleer of de ruimte achter u vrij is en
schakel de achteruitversnelling in.
2.
Rijd langzaam en voorzichtig achteruit en
raak het stuurwiel niet aan – rijd niet sneller
dan zo'n 7 km/h (4 mph).
3.
Zorg dat u klaar bent om te stoppen als het
beeld en de melding op het middendisplay u
hiertoe verzoeken.
Auto netjes in het midden van het
parkeervak parkeren
N.B.
•
Kom niet met uw handen aan het stuurwiel wanneer de functie is geactiveerd.
•
Let erop dat het stuurwiel niet door iets
wordt gehinderd en vrij kan draaien.
•
Wacht voor het beste resultaat totdat het
stuurwiel is uitgedraaid, voordat u achteruit/vooruit rijdt.
Principes voor fileparkeren.
Achteruit insteken.
Principes voor (achteruit) insteken.
U doet dat als volgt:
414
BESTUURDERSONDERSTEUNING
1.
Zet de schakelhendel in de stand die het
systeem u opdraagt, wacht totdat het stuur is
verdraaid en rijd langzaam vooruit.
2.
Zorg dat u klaar bent om te stoppen als het
beeld en de melding op het middendisplay u
hiertoe verzoeken.
3.
Schakel de achteruitversnelling in en rijd
langzaam achteruit.
4.
Zorg dat u klaar bent om te remmen als het
beeld en de melding op het middendisplay u
hiertoe verzoeken.
Fileparkeervak verlaten met actieve
parkeerhulp*
De functie Uitparkeren kan u helpen bij het verlaten van een fileparkeervak.
N.B.
Het verlaten van een parkeervak met
Uitparkeren is alleen bestemd voor een
parallel geparkeerde auto - het systeem werkt
niet voor een haaks geparkeerde auto.
Let erop dat het stuur kan "terugveren" bij het
uitschakelen van de functie. U moet dan mogelijk
het stuur terugdraaien tot de maximale stuuruitslag om uit het parkeervak te kunnen rijden.
Als de functie oordeelt dat u zonder extra
manoeuvres kunt uitparkeren, wordt de functie
uitgeschakeld, ook al denkt u misschien dat de
auto nog in het parkeervak staat.
Gerelateerde informatie
•
Actieve parkeerhulp* (p. 410)
De functie Uitparkeren is te
activeren in het functiescherm
op het middendisplay of in het
camerascherm.
Het systeem wordt automatisch gedeactiveerd,
waarna met grafische voorstellingen en een melding wordt aangegeven dat het insteken is afgerond. U moet mogelijk later corrigeren – alleen u
kunt beoordelen of de auto goed geparkeerd
staat.
U doet dat als volgt:
BELANGRIJK
De waarschuwingsafstand is korter wanneer
de sensoren worden gebruikt door de actieve
parkeerhulp (PAP109) dan wanneer de Park
Assist de sensoren gebruikt.
Gerelateerde informatie
•
Actieve parkeerhulp* (p. 410)
109Park
1.
Tik op de knop Uitparkeren in het functiescherm of in het camerascherm.
2.
Geef met de richtingaanwijzer aan in welke
richting de auto het parkeervak moet verlaten.
3.
Zorg dat u klaar bent om te stoppen als het
beeld en de melding op het middendisplay u
hiertoe verzoeken. Volg de instructies op
dezelfde manier als bij de parkeerprocedure.
Assist Pilot
* Optie/accessoire. 415
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Beperkingen van de Actieve
parkeerhulp*
De actieve parkeerhulp (PAP110) is niet in staat
om in alle situaties alles te registreren, zodat er
mogelijke beperkingen gelden voor de werking.
WAARSCHUWING
•
Wanneer er obstakels in de dode hoeken
van de parkeerhulpsensoren zitten, zal
het systeem ze niet kunnen ontdekken.
•
Let daarom in het bijzonder op mensen
en dieren in de buurt van de auto.
•
Let erop dat de voorkant van de auto tijdens het parkeren kan uitzwenken naar
het tegemoetkomende verkeer.
WAARSCHUWING
•
•
•
De functie is een systeem voor aanvullende rijhulp om de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen, maar
het systeem werkt niet in alle verkeers-,
weers- en wegomstandigheden.
U wordt geadviseerd om alle paragrafen
over het systeem in de gebruikershandleiding door te nemen en bijvoorbeeld te
lezen over de beperkingen die u moet
kennen voordat u het systeem gebruikt.
De rijhulpsystemen ontslaan u niet van de
plicht om alert en adequaat te reageren,
zodat u de auto altijd op een veilige
manier moet blijven besturen, met inachtneming van een passende snelheid en
geschikte afstand tot andere weggebruikers en met respect voor de geldende
verkeersregels en -bepalingen.
BELANGRIJK
Als bestuurder dient u rekening te houden met
de volgende beperkingen van de actieve parkeerhulp:
Parkeren afbreken
Een parkeerprocedure wordt afgebroken:
•
•
als u het stuurwiel aanraakt
•
als u op Annuleren op het middendisplay
drukt
•
bij een ingreep van het antiblokkeerremsysteem of de elektronische stabiliteitsregeling,
bijvoorbeeld als een wiel geen grip meer
heeft bij een glad wegdek
•
als de stuurbekrachtiging met een beperkt
vermogen werkt – zoals bij koeling op grond
van oververhitting.
als u te snel met de auto rijdt – sneller dan
7 km/h (4 mph)
In voorkomende gevallen laat een melding op het
middendisplay u weten waarom de parkeerprocedure is afgebroken.
Obstakels boven het detectiegebied van de
sensoren worden niet meegenomen bij het
berekenen van de parkeermanoeuvre, waardoor de functie mogelijk te vroeg het parkeervak indraait – vermijd daarom parkeervakken
met dergelijke hoge obstakels.
110Park
416
Assist Pilot
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
BELANGRIJK
Onder bepaalde omstandigheden kan de
functie geen parkeerplaatsen vinden – bijvoorbeeld omdat de sensoren worden
gestoord door externe geluidsbronnen die
dezelfde ultrasoonfrequenties gebruiken als
waar het systeem mee werkt.
Voorbeelden van dergelijke bronnen zijn o.a.
claxons, natte banden op asfalt, pneumatische remmen en uitlaatgeluid van motorfietsen.
Er zijn ook een paar details waar u bij het parkeren op moet letten, bijvoorbeeld:
•
U moet altijd bepalen of het vak dat de functie voorstelt zich leent om in te parkeren.
•
Gebruik de functie niet als u sneeuwkettingen of een reservewiel hebt gemonteerd.
•
Gebruik de functie niet als er lading buiten
de auto uitsteekt.
•
Hevige regen of sneeuwval kan ertoe leiden
dat het parkeervak niet op een juiste manier
wordt gemeten.
•
Tijdens het zoeken en meten van parkeervakken kan de functie obstakels die diep in
een parkeervak liggen over het hoofd zien.
•
In smalle straten zijn niet altijd parkeervakken
te vinden, omdat er mogelijk te weinig ruimte
voor manoeuvreren is.
•
Gebruik goedgekeurde banden111 met de
juiste bandenspanning – dit is van invloed op
de capaciteiten van de parkeerfunctie.
N.B.
Als vuil, ijs en sneeuw de sensoren bedekken,
neemt de functie af en kan meten onmogelijk
worden gemaakt.
Uw verantwoordelijkheid
Vergeet niet dat functie een hulpmiddel is en
geen onfeilbaar en volautomatisch systeem.
Wees daarom altijd voorbereid om de parkeermanoeuvre te onderbreken.
111Met
•
De functie gaat uit van de onderlinge positie
van de geparkeerde voertuigen – als deze
ongelukkig geparkeerd staan, kunnen de
banden en velgen van uw auto beschadigd
raken bij contact met de stoeprand.
•
Haakse parkeervakken kunnen worden
gemist of ten onrechte worden gedetecteerd,
als een geparkeerde auto meer uitsteekt dan
de andere geparkeerde auto's.
•
De functie is bedoeld voor inparkeren in
rechte straatgedeelten – niet in straatgedeelten met sterke krommingen of scherpe
bochten. Zorg daarom dat de auto naast het
parkeervak staat, wanneer de functie de
beschikbare ruimte meet.
BELANGRIJK
Bij montage van een andere goedgekeurde
maat velgen en/of banden kan de omtrek van
de banden veranderen, zodat de -parameters
mogelijk moeten worden bijgewerkt. Informeer bij een werkplaats – geadviseerd wordt
een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Actieve parkeerhulp* (p. 410)
Snelheidsafhankelijke stuurkracht (p. 290)
Beperkingen van de gecombineerde camera
en radarsensor (p. 343)
“goedgekeurde banden” wordt bedoeld: banden van hetzelfde type en merk als die bij levering af fabriek origineel waren gemonteerd.
* Optie/accessoire. 417
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Meldingen voor Actieve
parkeerhulp*
Op het bestuurders- en /of middendisplay verschijnen mogelijk meldingen voor de actieve parkeerhulp (PAP112).
In de volgende tabel staan voorbeelden.
Melding
Betekenis
Parkeerhulpsysteem
Een of meer van de sensoren van het systeem zijn geblokkeerd. Controleer dit en verhelp de storing zo
spoedig mogelijk.
Sensoren afgedekt, schoonmaken vereist
Parkeerhulpsysteem
Niet beschikbaar Service vereist
Het systeem werkt niet naar behoren. Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
U kunt meldingen verwijderen door kort te drukken op de
-knop in het midden van de rechter stuurknoppenset.
Doe het volgende, als de melding blijft staan:
Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
Actieve parkeerhulp* (p. 410)
112Park
418
Assist Pilot
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
STARTEN EN RIJDEN
Motor starten
De auto wordt gestart met de startknop op de
tunnelconsole als de transpondersleutel zich in
het interieur bevindt.
met ondersteuning voor starten zonder sleutel
(passief startsysteem).
Om de auto te starten:
1.
2.
De startknop op de tunnelconsole.
WAARSCHUWING
Vóór het starten:
•
•
•
420
Houd het rempedaal volledig ingetrapt1. Bij
een auto met een automatische versnellingsbak moet u ervoor zorgen dat u schakelstand
P of N hebt gekozen. Zorg er bij auto's met
een handgeschakelde versnellingsbak voor
dat de schakelhendel in de neutraalstand
staat of dat u het koppelingspedaal bedient.
Draai de startknop rechtsom en laat de knop
weer los. De knop veert automatisch terug
naar de uitgangspositie.
Doe de veiligheidsgordel om.
N.B.
Stel stoel, stuur en spiegels in.
Zorg ervoor dat het rempedaal volledig
kan worden ingetrapt.
U gebruikt de transpondersleutel zelf niet bij het
starten van de auto, omdat de auto is uitgerust
1
3.
Controleer of de transpondersleutel in de
auto aanwezig is. Voor auto's met passief
starten moet de sleutel zich voor in het interieur bevinden. Met de optie passieve vergrendeling/ontgrendeling* van de auto is het voldoende dat de transpondersleutel zich
ergens in de auto bevindt.
Bij auto's met een dieselmotor slaat de motor
mogelijk met enige vertraging aan.
Positie back-uplezer in de tunnelconsole.
Als bij het starten de melding Sleutel niet
gevonden op het bestuurdersdisplay verschijnt,
plaats dan de transpondersleutel in de buurt van
de back-uplezer. Doe vervolgens een nieuwe
startpoging.
N.B.
Zorg ervoor dat er geen andere autosleutels,
metalen voorwerpen of elektronische apparaten (zoals mobiele telefoons, tablets, laptops
of laders) in de back-uplezer liggen, wanneer
u de transpondersleutel in de back-uplezer
plaatst. Als er zich meerdere sleutels in de
back-uplezer bevinden, kunnen deze elkaar
storen.
Bij het starten van de motor blijft de startmotor
draaien, totdat de motor aanslaat of totdat de
beveiliging tegen oververhitting in werking treedt.
Als de auto rolt, kunt u de motor starten door de startknop rechtsom te draaien.
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
BELANGRIJK
Als de motor na 3 pogingen niet gestart is,
wacht u 3 minuten voordat u een nieuwe
poging doet. Het startvermogen neemt toe
als de startaccu zich kan herstellen.
•
•
•
Stuurwiel verstellen (p. 197)
Auto afzetten
Starthulp met andere accu (p. 472)
U zet de auto af met de startknop op de tunnelconsole.
Contactslotstand kiezen (p. 423)
WAARSCHUWING
Haal nooit de transpondersleutel uit de auto
tijdens rijden of slepen.
WAARSCHUWING
Neem bij het verlaten van de auto altijd de
transpondersleutel mee en zorg dat het elektrische systeem van de auto in contactslotstand 0 staat – vooral als er kinderen in de
auto achterblijven.
N.B.
Voor bepaalde motortypen kan het stationaire
toerental bij een koude start duidelijk hoger
dan normaal zijn. Dit gebeurt om het uitlaatgasreinigingssysteem zo snel mogelijk op de
normale bedrijfstemperatuur te krijgen waardoor de uitlaatgasemissies afnemen en het
milieu wordt ontzien.
Gerelateerde informatie
•
•
De startknop op de tunnelconsole.
Om de auto af te zetten:
–
Draai de startknop rechtsom en laat de knop
weer los – de auto wordt afgezet. De knop
veert automatisch terug naar de uitgangspositie.
Als de keuzehendel bij een auto met een automatische versnellingsbak niet in stand P staat of
als de auto rijdt:
–
Draai de startknop rechtsom en houd de
knop in deze stand vast totdat de auto wordt
afgezet.
Auto afzetten (p. 421)
Contactslotstanden (p. 422)
}}
421
STARTEN EN RIJDEN
||
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Motor starten (p. 420)
Contactslotstanden (p. 422)
Stuurwiel verstellen (p. 197)
Starthulp met andere accu (p. 472)
Contactslotstand kiezen (p. 423)
Contactslotstanden
Het elektrische systeem van de auto is in verschillende standen te zetten voor gebruik van
verschillende autosystemen.
Niveau
0
Om een beperkt aantal functies te kunnen
gebruiken bij een uitgeschakelde motor is het
elektrische systeem van de auto in drie verschillende standen te zetten: 0, I en II. In de gebruikershandleiding worden deze standen overal
voorafgegaan door de aanduiding "contactslotstand".
De volgende tabel geeft aan welke functies
beschikbaar zijn in de verschillende contactslotstanden/standen:
Functies
•
Kilometerteller, klok en temperatuurmeter worden verlichtA.
•
Elektrisch bedienbare* stoelen
zijn te verstellen.
•
Elektrisch bedienbare ruiten zijn
te gebruiken.
•
Middendisplay wordt ingeschakeld en is te gebruikenA.
•
Het infotainmentsysteem is te
gebruikenA.
In deze contactslotstand zijn de functies tijdsgestuurd. Ze worden na een
poosje automatisch uitgeschakeld.
I
•
Panoramadak, elektrisch bedienbare ruiten, 12V-aansluitingen in
passagiersruimte, Bluetooth,
navigatie, telefoon, interieurventilator en voorruitwissers zijn te
gebruiken.
•
Elektrisch bedienbare stoelen
zijn te verstellen.
•
12V-aansluitingen* in de bagageruimte zijn te gebruiken.
In deze contactslotstand is het
stroomverbruik belastend voor de
accu.
422
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Niveau
II
Functies
Contactslotstand kiezen
•
De koplampen worden ontstoken.
Het elektrische systeem van de auto is in verschillende standen te zetten voor gebruik van
verschillende autosystemen.
•
Waarschuwings-/controlelampjes branden 5 seconden lang.
Contactslotstand kiezen
•
Meerdere andere systemen worden geactiveerd. De stoelverwarming en achterruitverwarming
zijn echter pas te activeren na
het starten van de auto.
Deze contactslotstand vergt veel
stroom van de accu en moet
daarom worden vermeden!
A
•
Contactslotstand II – Draai de startknop
rechtsom en houd de knop zo’n 5 seconden
in deze stand vast. Laat vervolgens knop los,
die automatisch terugveert naar de uitgangspositie.
•
Terug naar contactslotstand 0 – Om terug
te gaan naar contactslotstand 0 vanuit stand
I en II moet u de startknop rechtsom draaien
en de knop loslaten. De knop veert automatisch terug naar de uitgangspositie.
Gerelateerde informatie
Ook geactiveerd bij opening van het portier.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
veert automatisch terug naar de uitgangspositie.
Motor starten (p. 420)
De startknop op de tunnelconsole.
Stuurwiel verstellen (p. 197)
•
Starthulp met andere accu (p. 472)
Contactslotstand kiezen (p. 423)
Contactslotstand 0 – Vergrendel de auto
en bewaar de transpondersleutel binnen in
de auto.
•
•
•
•
•
Motor starten (p. 420)
Auto afzetten (p. 421)
Contactslotstanden (p. 422)
Stuurwiel verstellen (p. 197)
Starthulp met andere accu (p. 472)
N.B.
Om stand I of II te realiseren zonder dat de
motor wordt gestart moet u bij het selecteren
van deze contactslotstanden het rempedaal
of bij een auto met een handbak het koppelingspedaal niet bedienen.
•
Contactslotstand I – Draai de startknop
rechtsom en laat de knop weer los. De knop
423
STARTEN EN RIJDEN
Alcoholslot*
Het alcoholslot voorkomt dat bestuurders die
onder invloed zijn in de auto kunnen rijden. Voordat de motor kan worden gestart, moet u een
blaastest afgeven om vast te stellen dat u niet
onder de invloed van alcohol bent. Het alcoholslot wordt gekalibreerd ten opzichte van de
grenswaarde voor verkeersdeelname die in uw
land geldt.
De auto heeft een interface voor elektrische aansluiting van de door Volvo goedgekeurde alcoholslotmerken en -modellen. De interface maakt het
eenvoudig om een alcoholslot aan te sluiten en
biedt de mogelijkheid om alcoholslotmeldingen
op het hoofddisplay van de auto weer te geven.
Raadpleeg voor informatie over een bepaald
alcoholslot de handleiding van de fabrikant van
het alcoholslot.
•
Contactslotstanden (p. 422)
Alcoholslot* omzeilen
In noodsituaties of als het alcoholslot defect is,
kunt u het alcoholslot omzeilen om toch in de
auto te kunnen rijden.
Zie de desbetreffende handleiding voor het deactiveren van een bepaald alcoholslot.
Bypass-functie activeren
N.B.
Alle bypass-activeringen worden geregistreerd en opgeslagen in een geheugen in de
regeleenheid van het alcoholslot. Het is niet
mogelijk een bypass te annuleren.
Op het scherm verschijnt de melding Blaas in
alcoholslot Bypass?:
•
Kies bij het verschijnen van "Cancel/Yes"
voor de bypass-functie door op de pijl-rechts
van de knoppenset rechts op het stuurwiel
en vervolgens op de O-knop.
•
Kies bij het verschijnen van "Yes" voor de
bypass-functie door op de O-knop te drukken.
WAARSCHUWING
Het alcoholslot is een hulpmiddel dat u niet
ontslaat van uw verantwoordelijkheden als
bestuurder. De bestuurder dient altijd nuchter
te blijven en de auto op een veilige manier te
besturen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
424
Alcoholslot* omzeilen (p. 424)
Alvorens een motor met alcoholslot te starten (p. 425)
Het alcoholslot is daarmee omzeild, waarna de
auto te starten is.
Bij installatie van het alcoholslot wordt het maximale aantal keren ingesteld dat de bypass-functie te activeren is voordat service vereist is.
Motor starten (p. 420)
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Alcoholslot* (p. 424)
Alvorens een motor met alcoholslot te starten (p. 425)
Motor starten (p. 420)
Contactslotstanden (p. 422)
Alvorens een motor met alcoholslot
te starten
De blaasunit wordt automatisch geactiveerd en
gereedgemaakt voor gebruik bij het ontgrendelen van de auto.
Waar u op moet letten
Voor een goede werking en een zo nauwkeurig
mogelijk meetresultaat:
•
Zo'n 5 minuten voor de blaastest niet eten of
drinken.
•
De voorruit niet te lang sproeien – de alcohol
in de sproeiervloeistof kan een verkeerd
meetresultaat opleveren.
N.B.
Binnen 30 minuten na afloop van een rit kan
de motor opnieuw gestart worden zonder dat
er een nieuwe blaastest nodig is.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Alcoholslot* omzeilen (p. 424)
Alcoholslot* (p. 424)
Motor starten (p. 420)
Contactslotstanden (p. 422)
Remsystemen
De remmen van de auto worden gebruikt om
snelheid te minderen of om te voorkomen dat
een geparkeerde auto wegrolt.
Naast de bedrijfsrem en de parkeerrem heeft de
auto meerdere andere systemen voor automatische remondersteuning. Deze systemen bieden
ondersteuning doordat u bijvoorbeeld tijdens het
wachten voor een verkeerslicht, het wegrijden op
een oplopende helling of ritten op aflopende hellingen uw voet niet op het rempedaal hoeft te
houden.
Afhankelijk van de uitrusting van de auto beschikt
u mogelijk over de volgende remondersteuningssystemen:
•
•
•
•
•
Automatische rem bij stilstand (Auto Hold)
Hellingrem (Hill Start Assist)
Automatisch remmen na een aanrijding
City Safety
Afdalingsremregeling (Hill Descent Control)
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Rempedaal (p. 426)
Parkeerrem (p. 429)
Automatische rem bij stilstand (p. 432)
Automatisch remmen na een aanrijding
(p. 434)
Hulp tijdens het wegrijden op een helling
(p. 433)
}}
* Optie/accessoire. 425
STARTEN EN RIJDEN
•
•
City Safety™ (p. 348)
Rempedaal
Antiblokkeerremsysteem
Afdalingsremregeling (p. 453)
Het rempedaal is onderdeel van het remsysteem.
De auto heeft een antiblokkeerremsysteem
(ABS2) dat voorkomt dat de wielen blokkeren tijdens het remmen om de auto bestuurbaar te
houden. Bij activering van deze functie kunt u trillingen in het rempedaal voelen. Dit is volkomen
normaal.
De auto is uitgerust met twee remkringen. Als
een van de remkringen beschadigd raakt, neemt
de rempedaalweg toe. U moet dan harder op het
pedaal trappen voor een normale remwerking.
De druk die u uitoefent op het rempedaal wordt
versterkt door de rembekrachtiging.
WAARSCHUWING
De rembekrachtiging werkt alleen, als de
motor loopt.
Als u het rempedaal bedient met de motor afgezet, doet het pedaal stug aan en moet u harder
op het pedaal trappen om de auto af te remmen.
In bergachtig gebied of bij ritten met een zware
belading dient u de remmen te ontzien door op
de motor af te remmen in een handmatige schakelstand. U benut de remmende werking van de
motor het best, wanneer u tijdens het afdalen
dezelfde versnelling inschakelt als bij het oprijden
van een helling. Gebruik de rijmodus Off Road
voor een krachtiger motorrem, wanneer u op lage
snelheden steile, aflopende hellingen afrijdt.
2
426
Anti-lock Braking System
Wanneer u nadat de auto is aangeslagen het
rempedaal loslaat, gaat een kortdurende, automatische test van het ABS van start. Het is
mogelijk dat er op een lage snelheid nóg een
automatische test plaatsvindt. De test is waarneembaar in de vorm van trillingen in het rempedaal.
STARTEN EN RIJDEN
Symbolen op het bestuurdersdisplay
Symbool
WAARSCHUWING
Betekenis
Als het waarschuwingslampje voor storingen
in het remsysteem en het ABS tegelijkertijd
branden, is er mogelijk een fout opgetreden in
het remsysteem.
Controleer het remvloeistofpeil. Vul
remvloeistof bij als het peil te laag
ligt en controleer tevens de oorzaak van het remvloeistofverlies.
•
Als het remvloeistofpeil in dat geval normaal is, moet u voorzichtig naar de
dichtstbijzijnde werkplaats rijden om het
remsysteem te laten controleren – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
•
Als de remvloeistof onder het MIN-niveau
in het remvloeistofreservoir ligt, mag u
pas verder rijden als de remvloeistof is
bijgevuld. De oorzaak van het remvloeistofverlies moet worden gecontroleerd.
Brand tijdens het starten van de
motor 2 seconden continu: Automatische functietest.
Brandt langer dan 2 seconden
continu. ABS vertoont een storing.
Het standaardremsysteem van de
auto werkt dan nog wel, zij het zonder ABS-regeling.
Rembekrachtiging
De rembekrachtiging (BAS3) helpt om bij afremmen de remkracht te verhogen en kan op die
manier de remweg verkorten.
Het systeem registreert de wijze waarop u het
rempedaal bedient en verhoogt zo nodig de remkracht. De remkracht kan worden verhoogd tot
het niveau waarop het ABS ingrijpt. De regeling
wordt uitgeschakeld, wanneer u de druk op het
rempedaal vermindert.
N.B.
Bij activering van BAS zakt het rempedaal iets
verder omlaag dan normaal. Bedien het rempedaal zolang als nodig is.
Bij het loslaten van het rempedaal wordt er
niet meer geremd.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
3
Rembekrachtiging (p. 427)
Automatische rem bij stilstand (p. 432)
Hulp tijdens het wegrijden op een helling
(p. 433)
Gerelateerde informatie
•
Rempedaal (p. 426)
Remmen op natte rijbanen (p. 428)
Remmen op gepekelde rijbanen (p. 428)
Onderhoud van het remsysteem (p. 428)
Remlichten (p. 157)
Brake Assist System
427
STARTEN EN RIJDEN
Remmen op natte rijbanen
Remmen op gepekelde rijbanen
Onderhoud van het remsysteem
Bij lange ritten in zware regenval zonder te remmen kan de remwerking bij de eerste bediening
van het rempedaal iets op zich laten wachten.
Bij remmen op gepekelde wegen kan er een
zoutlaagje ontstaan op remschijven en remblokken.
Controleer de componenten van het remsysteem
regelmatig op slijtage.
Dat kan ook het geval zijn als u uw auto hebt
gewassen. U moet dan harder op de rem trappen.
Houd daarom meer afstand tot voorliggers.
Dat kan tot een langere remweg leiden. Houd
daarom extra afstand tot voorliggers. Andere
voorzorgsmaatregelen:
Trap stevig op de rem na ritten op natte wegen of
na het wassen van de auto. De remschijven worden dan warm, drogen sneller en worden
beschermd tegen corrosie. Houd bij het remmen
rekening met de verkeerssituatie.
•
Rem af en toe om een eventueel zoutlaagje
te verwijderen. Let erop dat medeweggebruikers geen gevaar lopen doordat u remt.
•
Trap het rempedaal voorzichtig in als u op uw
plaats van bestemming bent aangekomen en
voordat u opnieuw de weg op gaat.
Gerelateerde informatie
•
•
Rempedaal (p. 426)
Gerelateerde informatie
Remmen op gepekelde rijbanen (p. 428)
•
•
Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid en
betrouwbaarheid van de auto op een hoog peil te
houden, dient u de service-intervallen van Volvo
aan te houden zoals omschreven in het Serviceen garantieboekje. De remwerking van nieuwe en
vervangen remblokken en remschijven is pas
optimaal als ze na een paar honderd kilometer
(mijl) rijden zijn 'ingesleten'. Compenseer de verminderde remwerking door harder op het rempedaal te trappen. Volvo raadt aan uitsluitend remblokken te monteren die voor uw Volvo zijn goedgekeurd.
Rempedaal (p. 426)
BELANGRIJK
Remmen op natte rijbanen (p. 428)
De onderdelen van het remsystemen moeten
regelmatig op slijtage worden gecontroleerd.
Informeer bij een werkplaats hoe dat in zijn
werk gaat of laat de controle over aan de
werkplaats – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
428
Rempedaal (p. 426)
STARTEN EN RIJDEN
Parkeerrem
Gerelateerde informatie
De parkeerrem voorkomt met behulp van mechanische blokkering/vergrendeling van twee wielen
dat een stilstaande auto kan wegrollen.
•
Parkeerrem activeren en deactiveren
(p. 429)
•
•
•
Op een helling parkeren (p. 431)
Gebruik de parkeerrem om te voorkomen dat
een stilstaande auto kan wegrollen.
Bij een storing in de parkeerrem (p. 431)
Parkeerrem activeren
De bediening voor de parkeerrem zit op de tunnelconsole tussen de voorstoelen.
Bij activering van de elektrische bediende parkeerrem hoort u een zwak elektromotorgeluid.
Het geluid is tevens waarneembaar bij een automatische functiecontrole van de parkeerrem.
Als de auto stilstaat wanneer u de parkeerrem
inschakelt, werkt de rem alleen op de achterwielen. Als u de parkeerrem tijdens het rijden inschakelt, wordt de normale bedrijfsrem geactiveerd.
Daarbij werkt de rem op alle vier de wielen. Wanneer de auto bijna stilstaat, worden alleen de
achterwielen geremd.
Parkeerrem activeren en
deactiveren
Automatische rem bij stilstand (p. 432)
1.
Trek de knop omhoog.
> Het symbool op het bestuurdersdisplay
gaat branden wanneer de parkeerrem is
geactiveerd.
2.
Controleer of de auto daadwerkelijk stilstaat.
}}
429
STARTEN EN RIJDEN
||
Symbool op bestuurdersdisplay
Symbool
Betekenis
Het symbool brandt wanneer de
parkeerrem is geactiveerd.
Als het symbool knippert, betekent
dit dat er ergens een storing is
opgetreden. Lees de melding op
het bestuurdersdisplay.
N.B.
Gerelateerde informatie
wanneer u de auto hebt uitgeschakeld en de
instelling voor automatische activering van de
parkeerrem geactiveerd is op het middendisplay.
•
wanneer u schakelstand P kiest op een steile
helling.
•
als de functie Auto hold (automatische rem
bij stilstand) geactiveerd is en
• de auto enige tijd (5–10 minuten) stilgestaan heeft
•
•
430
Handmatig deactiveren
1. Trap het rempedaal stevig in.
2.
de auto wordt afgezet
de bestuurder uitstapt.
Noodrem
In noodgevallen kunt u de parkeerrem ook tijdens
het rijden activeren door de knop uit te trekken
en vast te houden. Bij het loslaten van de handgreep of het bedienen van het gaspedaal wordt
de rem uitgeschakeld.
Een voorwaarde voor automatische deactivering is dat de bestuurder de veiligheidsgordel
moet hebben omgedaan of dat het bestuurdersportier is dichtgedaan.
Parkeerrem deactiveren
Automatische activering
De parkeerrem wordt automatisch geactiveerd
•
N.B.
Bij activeren van de noodrem bij hogere snelheden klinkt er tijdens het remmen een signaal.
Druk de knop in.
> De parkeerrem wordt gelost en het symbool op het bestuurdersdisplay dooft.
Automatisch deactiveren
1. Start de motor.
2.
Trap het rempedaal stevig in. Kies de schakelstand D of R en geef gas.
> De parkeerrem wordt gelost en het symbool op het bestuurdersdisplay dooft.
•
Instelling voor automatische activering van de
parkeerrem (p. 431)
•
•
•
Bij een storing in de parkeerrem (p. 431)
Parkeerrem (p. 429)
Op een helling parkeren (p. 431)
STARTEN EN RIJDEN
Instelling voor automatische
activering van de parkeerrem
Geef aan of de parkeerrem automatisch moet
worden geactiveerd bij uitschakeling van de
auto.
Op een helling parkeren
Bij een storing in de parkeerrem
Maak altijd gebruik van de parkeerrem bij het
parkeren op een helling.
Neem contact op met een erkende Volvo-werkplaats als het na meerdere pogingen niet lukt om
de parkeerrem te activeren of te deactiveren.
WAARSCHUWING
Gebruik bij het parkeren op een helling altijd
de parkeerrem. Stand P is bij een automaat
niet voldoende om de auto in alle situaties
staande te houden.
Om de instelling te wijzigen:
1.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm van
het middendisplay.
2.
Druk op My Car Parkeerrem en vering
en vink de functie Parkeerrem
automatisch activeren aan of uit.
Gerelateerde informatie
•
Parkeerrem activeren en deactiveren
(p. 429)
•
Parkeerrem (p. 429)
Bij het parkeren van de auto op een oplopende
helling:
•
Draai de wielen van de trottoirband af.
Bij het parkeren van de auto op een aflopende
helling:
•
Draai de wielen naar de trottoirband toe.
Zware belading op oplopende hellingen
Bij een zware belading zoals een aanhangwagen
is het mogelijk dat de auto op een steile, oplopende helling achteruitrolt, wanneer de parkeerrem automatisch wordt gelost. U kunt dit voorkomen door tijdens het wegrijden de knop omhoog
te trekken. Laat de handgreep weer los zodra de
koppeling aangrijpt.
Er klinkt een waarschuwingssignaal bij ritten met
de parkeerrem geactiveerd.
Als u de auto moet parkeren voordat een eventuele storing kan worden verholpen, dient u de wielen net als bij het parkeren op een helling van de
trottoirband/berm af te draaien en de keuzehendel in stand P te zetten.
Lage accuspanning
Als de accuspanning te laag is, kunt u de parkeerrem niet activeren noch deactiveren. Sluit
een hulpaccu aan, als de accuspanning te laag is.
Remblokken vervangen
Laat de remblokken op de achterwielen vervangen in een werkplaats met het oog op de constructie van de elektrische parkeerrem – een
erkende Volvo-werkplaats wordt aanbevolen.
Gerelateerde informatie
•
Parkeerrem activeren en deactiveren
(p. 429)
}}
431
STARTEN EN RIJDEN
||
Symbolen op het bestuurdersdisplay
Symbool
Betekenis
Als het symbool knippert, betekent
dit dat er ergens een storing is
opgetreden. Zie de melding op het
bestuurdersdisplay.
Storing in remsysteem. Zie de melding op het bestuurdersdisplay.
Informatiemelding op het bestuurdersdisplay.
Automatische rem bij stilstand
Dankzij de automatische rem bij stilstand (Auto
Hold) kunt u bij stilstand voor verkeerslichten of
een kruising het rempedaal loslaten zonder dat
dit gevolgen heeft voor de remwerking.
Zodra de auto stilstaat, worden de remmen automatisch geactiveerd. Het systeem kan de auto
staande houden met de bedrijfsrem of de parkeerrem en werkt ongeacht hellingspercentage.
Bij het wegrijden worden de remmen automatisch gelost als de bestuurder in de veiligheidsgordel zit.
N.B.
Bij het afremmen tot stilstand op op- en aflopende hellingen moet u het rempedaal iets
steviger intrappen voordat u het loslaat om er
zeker van te zijn dat de auto helemaal stilstaat.
Gerelateerde informatie
•
Parkeerrem activeren en deactiveren
(p. 429)
•
•
•
Op een helling parkeren (p. 431)
Startaccu (p. 620)
Serviceprogramma van Volvo (p. 606)
De parkeerrem wordt geactiveerd als
•
•
•
•
432
de auto wordt afgezet
het bestuurdersportier wordt geopend
de bestuurder de veiligheidsgordel losneemt
de auto enige tijd (5–10 minuten) stilgestaan
heeft
Symbolen op het bestuurdersdisplay
Symbool
Betekenis
Het symbool brandt als het systeem het rempedaal gebruikt om
de auto stil te houden.
Het symbool brandt als het systeem de parkeerrem gebruikt om
de auto stil te houden.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Automatische rem bij stilstand activeren en
deactiveren (p. 433)
Rempedaal (p. 426)
Parkeerrem (p. 429)
Hulp tijdens het wegrijden op een helling
(p. 433)
STARTEN EN RIJDEN
Automatische rem bij stilstand
activeren en deactiveren
•
Het systeem blijft uitgeschakeld, totdat u het
weer activeert.
Hulp tijdens het wegrijden op een
helling
De automatische rem bij stilstand is te activeren
met de knop op de tunnelconsole.
•
Bij uitschakeling van het systeem blijft de
hellingrem (HSA) actief om te voorkomen dat
de auto bij het wegrijden op een oplopende
helling achteruitrolt.
De hellingrem (HSA4) voorkomt dat de auto achteruitrolt bij het starten op een oplopende helling. Tijdens het achteruitrijden op een oplopende helling voorkomt het systeem dat de auto
vooruitrolt.
Gerelateerde informatie
•
Automatische rem bij stilstand (p. 432)
Het systeem zorgt ervoor dat de pedaaldruk
enkele seconden lang op peil blijft, wanneer u uw
voet van het rempedaal naar het gaspedaal verplaatst.
De tijdelijke remwerking wordt na enige seconden opgeheven of eerder wanneer u wegrijdt.
–
Met de knop op de tunnelconsole kunt u de
functie activeren of deactiveren.
> Een brandend lampje in de knop geeft
aan dat de functie geactiveerd is. Een
geactiveerde functie is een volgende keer
dat u de auto start opnieuw actief.
De hellingrem is ook beschikbaar, wanneer de
automatische rem bij stilstand (Auto Hold) uitstaat.
Gerelateerde informatie
•
•
Automatische rem bij stilstand (p. 432)
Rempedaal (p. 426)
Geldt bij uitschakeling
Als het systeem actief is en de auto
staande houdt met het remsysteem
(symbool A brandt), moet u rempedaal
bedienen en tegelijkertijd op de knop
drukken om het systeem uit te schakelen.
4
Hill Start Assist
433
STARTEN EN RIJDEN
Automatisch remmen na een
aanrijding
Bij een aanrijding waarbij het activeringsniveau
voor pyrotechnische gordelspanners of airbags
wordt bereikt, of als er een aanrijding met groot
wild wordt gedetecteerd, worden de remmen
van de auto automatisch geactiveerd. Het systeem moet de gevolgen van een eventueel volgende aanrijding beperken of een volgende aanrijding geheel voorkomen.
Bij een zware aanrijding bestaat het risico dat de
auto onbestuurbaar raakt. Om te voorkomen dat
de auto dan tegen een tweede obstakel of voertuig opbotst of de gevolgen te beperken wordt
automatisch de remondersteuning geactiveerd
om de auto veilig te remmen.
Tijdens het remmen worden de remlichten en
alarmlichten ingeschakeld. Wanneer de auto tot
stilstand is gekomen, blijven de alarmlichten knipperen en de parkeerrem wordt aangezet.
Als afremmen niet geadviseerd wordt, omdat bijvoorbeeld het risico bestaat dat de auto door
achterliggers geraakt wordt, kunt u het systeem
onderdrukken door het gaspedaal te bedienen.
De functie werkt alleen, als het remsysteem na
de botsing nog intact is.
De remondersteuning is onderdeel van de veiligheidssystemen Rear Collision Warning en Blind
Spot Information.
434
Gerelateerde informatie
•
•
•
Rear Collision Warning (p. 364)
BLIS* (p. 365)
Remsystemen (p. 425)
Versnellingsbak
De versnellingsbak is een onderdeel van de aandrijflijn (krachtoverbrenging) tussen motor en
aandrijfwielen. De versnellingsbak heeft tot taak
de overbrengingsverhouding af te stemmen op
de gewenste snelheid en vermogensbehoefte.
De auto heeft een achttraps automaatbak. Dankzij de verschillende versnellingen zijn het motorkoppel en het motorvermogen efficiënt te benutten. Twee versnellingen zijn zogenoemde overdrives die brandstof besparen bij ritten met een
constant toerental. Handmatig schakelen is ook
mogelijk. Op het bestuurdersdisplay staat welke
schakelstand er op dat moment in gebruik is.
BELANGRIJK
Om schade aan onderdelen van de aandrijflijn
te voorkomen wordt de bedrijfstemperatuur
van de versnellingsbak gecontroleerd. Bij
gevaar voor oververhitting gaat er een waarschuwingssymbool op het bestuurdersdisplay
branden en verschijnt er een displaymelding –
volg in dat geval het gegeven advies.
Symbolen op het bestuurdersdisplay
Bij een eventuele storing in de versnellingsbak
verschijnen op het bestuurdersdisplay een symbool en een melding.
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Symbool
Betekenis
Informatie- of foutmelding voor de
versnellingsbak. Volg het gegeven
advies op.
Versnellingsbak heeft of oververhit.
Volg het gegeven advies op.
Schakelstanden van een
automatische versnellingsbak
Bij een auto met een automatische versnellingsbak kiest het systeem automatisch de optimale
versnelling. De versnellingsbak heeft ook een
handmatige schakelstand.
WAARSCHUWING
Gebruik bij het parkeren op een helling altijd
de parkeerrem. Stand P is bij een automaat
niet voldoende om de auto in alle situaties
staande te houden.
Bij een tijdelijke storing in de aandrijflijn kan de auto de zogenoemde Limp Home-stand met
een lager motorvermogen innemen
om schade aan de aandrijflijn
tegen te gaan.
•
Schakelstanden van een automatische versnellingsbak (p. 435)
•
Schakelindicator (p. 439)
Om vanuit de parkeerstand een andere schakelstand te kunnen kiezen, moet u in contactslotstand II het rempedaal bedienen.
Zet bij het parkeren eerst de parkeerrem aan en
kies daarna de parkeerstand.
Vermogen verlaagd/Acceleratie
vermogen beperkt
Gerelateerde informatie
Kies stand P wanneer de auto geparkeerd staat
of als de motor moet worden gestart. De auto
moet stilstaan, wanneer u de parkeerstand kiest.
N.B.
Op het bestuurdersdisplay staat welke schakelstand er gekozen is:
P, R, N, D of M.
In de stand voor handmatig schakelen verschijnt
ook de ingeschakelde versnelling.
Schakelstanden
De keuzehendel moet in de P-stand staan om
de auto te kunnen vergrendelen en op alarm
te zetten.
Achteruitrijstand – R
Kies de stand R om achteruit te rijden. De auto
moet stilstaan, wanneer u de achteruitrijstand
kiest.
Parkeerstand – P
In stand P is de versnellingsbak mechanisch
geblokkeerd.
}}
435
STARTEN EN RIJDEN
||
Neutrale stand – N
In deze stand kunt u de motor starten en er is
geen versnelling ingeschakeld. Zet de parkeerrem aan, wanneer de auto stilstaat en de keuzehendel in stand N staat.
Om de keuzehendel uit de neutraalstand te kunnen halen moet u in contactslotstand II het rempedaal bedienen.
Rijmodus – D
Stand D is de normale rijstand. De versnellingsbak schakelt automatisch op en terug afhankelijk
van de stand van het gaspedaal en de snelheid.
van het gaspedaal wordt de auto op de motor
afgeremd.
Kies de stand voor handmatig schakelen door de
keuzehendel vanuit stand D helemaal opzij te
bewegen naar "±". Het bestuurdersdisplay geeft
aan welke versnelling er is ingeschakeld.
•
Duw de keuzehendel naar voren in de richting van de "+" (plus) om op te schakelen
naar de eerstvolgende hogere versnelling en
laat de hendel weer los.
•
Duw de keuzehendel naar achteren in de
richting van de "–" (minus) om terug te schakelen naar de eerstvolgende lagere versnelling en laat de hendel weer los.
•
Duw de keuzehendel helemaal opzij naar
stand D om de stand D te hervatten.
De auto moet stilstaan bij het schakelen van
stand R naar stand D.
Stand voor handmatig schakelen – M
Schakelen met stuurpaddles*
De stuurpaddles vormen een aanvulling op de
keuzehendel en bieden u de mogelijkheid om
handmatig te schakelen zonder uw handen van
het stuurwiel te hoeven nemen.
Om schokkerig gedrag en afslag van de motor te
voorkomen schakelt de versnellingsbak automatisch terug, als de snelheid daalt tot onder de
gewenste waarde voor de gekozen versnelling.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Handmatig schakelen kan op elk moment tijdens
het rijden geactiveerd worden. Bij het loslaten
436
Keuzehendelblokkering (p. 438)
Schakelen met stuurpaddles* (p. 436)
Kickdownfunctie (p. 439)
Schakelindicator (p. 439)
"-": Eerstvolgende lagere versnelling inschakelen.
"+": Eerstvolgende hogere versnelling
inschakelen.
Stuurpaddles activeren
Om met de stuurpaddles te kunnen schakelen
moet u ze wel eerst activeren:
–
Haal een van de paddles in de richting van
het stuurwiel.
> Een cijfer op het bestuurdersdisplay geeft
de ingeschakelde versnelling aan.
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Wisselen
Gerelateerde informatie
U kunt als volgt schakelen:
•
Schakelstanden van een automatische versnellingsbak (p. 435)
•
Schakelindicator (p. 439)
–
Haal een van de paddles naar achteren – in
de richting van het stuurwiel – en laat deze
weer los.
Bij iedere bediening van de paddles wordt er
geschakeld, tenzij het motortoerental buiten het
toelaatbare bereik komt. Na iedere schakeling
geeft het bestuurdersdisplay het cijfer van de
ingeschakelde versnelling weer.
Bestuurdersdisplay bij het schakelen met de stuurpaddles.
In de schakelstand M zijn de stuurpaddles automatisch geactiveerd.
Systeem uitschakelen
Handmatig uitschakelen in schakelstand D
– Schakel de stuurpaddles uit door de rechter
paddle (+) in de richting van het stuurwiel te
halen en in die stand vast te houden, totdat
het cijfer voor de ingeschakelde versnelling
van het bestuurdersdisplay verdwijnt.
Automatische uitschakeling
In schakelstand D worden de stuurpaddles na
enige tijd van inactiviteit automatisch uitgeschakeld. Het feit dat het cijfer voor de ingeschakelde
versnelling verdwijnt bevestigt dit. Dit geldt echter
niet bij het afremmen op de motor. De paddles
blijven actief zolang er op de motor wordt afgeremd.
Bestuurdersdisplay bij schakelen met stuurpaddles in de
stand voor handmatig schakelen.
In schakelstand M vindt geen automatische uitschakeling plaats.
437
STARTEN EN RIJDEN
Keuzehendelblokkering
Automatische schakelblokkering
De keuzehendelblokkering voorkomt onbedoeld
schakelen tussen schakelstanden bij een automatische versnellingsbak.
De automatische keuzehendelblokkering kent
verschillende beveiligingsfuncties.
De keuzehendelblokkering is verkrijgbaar in twee
uitvoeringen: een mechanische en een automatische.
Mechanische schakelblokkering
Vanuit de parkeerstand – P
Om vanuit stand P een andere schakelstand te
kunnen kiezen, moet u in contactslotstand II het
rempedaal bedienen.
Automatische schakelblokkering
opheffen
Bij een stroomloze auto is de automatische
schakelblokkering nog steeds op te heffen.
Vanuit de neutrale stand – N
Als de keuzehendel in stand N staat en de auto
heeft minstens 3 seconden stilgestaan (of de
motor nu loopt of niet), is de keuzehendel
geblokkeerd.
Om de keuzehendel uit stand N te kunnen halen
moet u in contactslotstand II het rempedaal
bedienen.
Gerelateerde informatie
U kunt de hendel altijd ongehinderd heen en
weer halen tussen de standen N en D. Om de
hendel in een van de overige standen te zetten,
moet u een blokkering opheffen door op de blokkeerknop op de keuzehendel te drukken.
Met de blokkeerknop ingedrukt kunt u de hendel
vooruit of achteruit bewegen tussen de standen
P, R, N en D.
438
•
Schakelstanden van een automatische versnellingsbak (p. 435)
•
Automatische schakelblokkering opheffen
(p. 438)
Als er niet met de auto kan worden gereden
zoals het geval is bij een uitgeputte accu, moet u
de keuzehendel in stand N zetten voordat u de
auto kunt verslepen.
Til de rubber mat uit het vak voor de keuzehendel. Zoek in de bodem van het vak de
opening met een terugverende knop op.
Steek een smalle schroevendraaier in deze
opening en houd de knop ingedrukt.
Zet de keuzehendel in stand N en laat de
knop los.
4.
Leg de rubberen mat terug.
STARTEN EN RIJDEN
Gerelateerde informatie
•
•
Keuzehendelblokkering (p. 438)
Schakelstanden van een automatische versnellingsbak (p. 435)
Kickdownfunctie
Schakelindicator
De kickdown is te gebruiken om zo snel mogelijk
te accelereren zoals bij het inhalen.
De schakelindicator op het bestuurdersdisplay
geeft aan welke versnelling er ingeschakeld is in
de handmatige schakelstand en wanneer u voor
optimale zuinigheid beter kunt schakelen.
Als u het gaspedaal volledig intrapt (tot voorbij de
normale volgasstand), schakelt de versnellingsbak automatisch terug naar een lagere versnelling. Dit is de zogenoemde kickdown.
Wanneer u het gaspedaal uit de kickdownstand
loslaat, schakelt de versnellingsbak automatisch
op.
Voor een milieubewuste rijstijl in de handmatige
schakelstand is het belangrijk om de juiste versnelling te kiezen en tijdig te schakelen.
Beveiligingsfunctie
Om overtoeren van de motor tegen te gaan is het
stuurprogramma van de versnellingsbak voorzien
van een terugschakelblokkering.
De versnellingsbak staat geen terugschakeling/
kickdown toe die tot een dusdanig hoog toerental leidt dat de motor beschadigd kan raken.
Wanneer u bij hoge motortoeren toch probeert
een dergelijke kickdown uit te voeren, gebeurt er
niets. De auto blijft in de oorspronkelijke versnelling rijden.
Schakelindicator op 12 inch bestuurdersdisplay*.
Bij kickdown kan de auto afhankelijk van het
motortoerental een of meer versnellingen terugschakelen. Om schade aan de motor te voorkomen schakelt de auto op wanneer de motor het
maximumtoerental heeft bereikt.
Gerelateerde informatie
•
Schakelstanden van een automatische versnellingsbak (p. 435)
}}
* Optie/accessoire. 439
STARTEN EN RIJDEN
||
Vierwielaandrijving
Rijmodi*
Bij vierwielaandrijving (AWD5) worden alle vier
de wielen van de auto tegelijk aangedreven, wat
de wegligging verbetert.
De gekozen rijmodus past de rijeigenschappen
van de auto aan om de rijbeleving te verbeteren
en ondersteuning te bieden in bepaalde omstandigheden.
Om optimale wegligging te verkrijgen wordt de
aandrijfkracht automatisch verdeeld over de wielen met de beste grip. Het systeem berekent
voortdurend het koppel dat op de achterwielen
moet worden overgebracht en kan tot vijftig procent van het totale motorkoppel naar de achterwielen sturen.
Schakelindicator op 8 inch bestuurdersdisplay.
De schakelindicator toont de actuele versnelling
op het bestuurdersdisplay en geeft met een pijlomhoog de geadviseerde opschakeling aan.
Gerelateerde informatie
•
Schakelstanden van een automatische versnellingsbak (p. 435)
De vierwielaandrijving werkt ook stabiliserend bij
hogere snelheden. Bij normaal rijden worden de
voorwielen naar verhouding iets sterker aangedreven dan de achterwielen. Bij stilstand is de
vierwielaandrijving altijd ingeschakeld om bij het
optrekken maximale tractie mogelijk te maken.
De eigenschappen van de vierwielaandrijving wisselen, al naar gelang de gekozen rijmodus.
Gerelateerde informatie
•
•
•
5
440
Rijmodi* (p. 440)
Dankzij de rijmodi kunt u in uiteenlopende rijomstandigheden snel gebruikmaken van de verschillende autosystemen en instellingen. De volgende
systemen worden aangepast voor optimale rijeigenschappen in de verschillende rijmodi:
•
•
•
•
•
•
•
Besturing
Motor/versnellingsbak/vierwielaandrijving
Remmen
Schokdemping
Bestuurdersdisplay
Start/Stop-systeem
Klimaatinstellingen
Kies de rijmodus die zich het beste leent voor de
actuele rijomstandigheden. Let erop dat alle rijmodi niet in alle situaties beschikbaar zijn.
Lagesnelheidsregeling (p. 452)
Versnellingsbak (p. 434)
All Wheel Drive
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Mogelijke rijmodi
Comfort
• Dit is de normale modus van de auto.
Bij het starten van de auto staat deze in de rijmodus Comfort en is het start/stop-systeem geactiveerd. De aanpassingen in deze stand zorgen
ervoor dat de auto comfortabel aandoet, licht
stuurt, soepel veert en dat de carrosserie minimaal beweegt.
Deze rijmodus is de stand voor de certificering
van de uitstoot van kooldioxide.
Eco
•
In de rijmodus Eco wordt de auto afgestemd
op zuiniger en milieuvriendelijker rijden.
Deze rijmodus houdt onder meer in dat het start/
stop-systeem actief is, dat de schokdemping
soepel verloopt en dat het effect van bepaalde
klimaatinstellingen wordt gereduceerd.
Bij ritten in de Eco-modus staat er op het
bestuurdersdisplay een ECO-meter die continu
aangeeft hoe zuinig u rijdt.
Off Road
• Deze stand levert betere rijeigenschappen
van de auto op in moeilijk begaanbaar terrein
en op slechte wegen.
De auto stuurt licht, de vierwielaandrijving en de
lagesnelheidsregeling met afdalingsremregeling
6
7
Hill Descent Control
Geldt voor een auto met Four-C.
(HDC6) zijn actief. Het start/stop-systeem is uitgeschakeld.
Het start/stop-systeem is uitgeschakeld.
Deze rijmodus kan alleen bij lage snelheden worden geactiveerd en de snelheidsmeter laat de
zone voor de maximumsnelheid zien. Als deze
snelheid wordt overschreden, wordt de Off
Road-stand onderbroken en wordt er een andere
rijmodus geactiveerd.
In de rijmodus Off Road zit er een kompas tussen de snelheidsmeter en de toerenteller op het
bestuurdersdisplay.
N.B.
De rijstand is niet geschikt voor gebruik op de
openbare weg.
Dynamic
• De Dynamic-modus zorgt ervoor dat de
auto een sportiever gedrag vertoont en sneller reageert op het gaspedaal.
Er wordt sneller en scherper geschakeld en de
versnellingsbak geeft de voorrang aan een versnelling die een hogere trekkracht oplevert.
De auto reageert sneller op stuurwielbewegingen
en de vering is stugger7 dan normaal, wat ervoor
zorgt dat de carrosserie het wegdek beter volgt
om in bochten de mate van overhellen te beperken.
}}
441
STARTEN EN RIJDEN
||
3.
Individual
• Deze stand biedt de mogelijkheid om uw
eigen rijinstellingen op te slaan.
Kies onder Presets een rijmodus als uitgangspunt: Eco, Comfort of Dynamisch.
Instellingen die kunnen worden aangepast,
zijn instellingen voor:
Kies een van de rijmodi als uitgangspunt en pas
de instellingen voor de rijeigenschappen geheel
naar wens aan. De instellingen worden opgeslagen onder het actieve bestuurdersprofiel en zijn
iedere keer dat u de auto ontgrendelt met
dezelfde transpondersleutel beschikbaar.
•
•
•
•
•
•
•
De persoonlijke rijmodus is alleen beschikbaar,
wanneer u deze eerst geactiveerd hebt op het
middendisplay.
Bestuurdersscherm
Stuurkracht
Kenmerken aandrijflijn
Remkenmerken
Besturing ophanging
ECO-klimaat
Start/Stop.
Gerelateerde informatie
Instellingsscherm8
8
442
voor rijmodus Individual.
1.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm.
2.
Tik op My Car Individuele rijmodus en
markeer Individuele rijmodus.
•
•
•
•
•
•
•
•
Rijmodus* wijzigen (p. 443)
Rijmodus Eco (p. 443)
Zuinig rijden (p. 455)
Start/Stop-systeem (p. 446)
Lagesnelheidsregeling (p. 452)
Afdalingsremregeling (p. 453)
Vierwielaandrijving (p. 440)
Bestuurdersprofielen (p. 132)
De afbeelding is schematisch, zodat er afhankelijk van het model afwijkingen mogelijk zijn.
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Rijmodus* wijzigen
Gerelateerde informatie
Kies de rijmodus die zich het beste leent voor de
actuele rijomstandigheden.
•
•
De rijmodus is te wijzigen met de bediening op
de tunnelconsole.
Let erop dat alle rijmodi niet in alle situaties
beschikbaar zijn.
Om de rijmodus te wijzigen:
1.
Druk op de rijmodusknop DRIVE MODE.
> Er verschijnt een pop-upmenu op het middendisplay.
2.
Rol het wiel omhoog of omlaag totdat de
gewenste rijmodus gemarkeerd is.
3.
Druk op de rijmodusknop of rechtstreeks op
het touchscreen om uw keuze te bevestigen.
> Op het bestuurdersdisplay verschijnt de
gekozen rijmodus.
Rijmodi* (p. 440)
Rijmodus Eco
Rijmodus Eco activeren en deactiveren met
functieknop (p. 446)
De rijmodus Eco optimaliseert de rijeigenschappen van de auto om zuiniger en milieuvriendelijker te kunnen rijden.
•
Lagesnelheidsregeling activeren en deactiveren met functieknop (p. 453)
Gebruik deze rijmodus om brandstof te besparen
en het milieu te ontzien.
•
Afdalingsremregeling activeren en deactiveren met functieknop (p. 454)
De volgende eigenschappen worden aangepast
in de rijmodus Eco:
•
•
•
Schakelpunten van de versnellingsbak.
•
Bepaalde klimaatinstellingen werken met
gereduceerd effect of worden uitgeschakeld.
•
Het bestuurdersdisplay geeft informatie weer
in een ECO-meter, wat het milieubewustzijn
vergroot en voordelig rijden bevordert.
Motorregeling en respons van het gaspedaal.
De uitrolfunctie Eco Coast wordt geactiveerd
en het afremmen op de motorrem stopt,
wanneer u het gaspedaal loslaat bij snelheden tussen 65 en 140 km/h
(40 en 87 mph).
Uitrolsysteem Eco Coast
De uitrolfunctie Eco Coast houdt in de praktijk in
dat er niet meer op de motor wordt afgeremd om
de bewegingsenergie van de auto te benutten
om de auto te laten uitrollen. Wanneer u het gaspedaal loslaat wordt de versnellingsbak automatisch losgekoppeld van de motor, die voor een
lager verbruik stationair gaat draaien.
}}
* Optie/accessoire. 443
STARTEN EN RIJDEN
||
De functie is het beste bruikbaar op plaatsen
waar u ver kunt uitrollen, bijvoorbeeld op wegen
die licht aflopen of bij een voorziene snelheidsverlaging, waar u een gebied met een lagere
maximumsnelheid kunt binnenrollen.
Uitrolsysteem activeren
Het systeem wordt geactiveerd wanneer u het
gaspedaal helemaal hebt losgelaten in combinatie met het volgende:
•
•
•
•
u schakelt handmatig met behulp van de
stuurpaddles*.
Vrijloopsysteem deactiveren en uitschakelen
Soms is het raadzaam om het systeem tijdelijk te
deactiveren of uit te schakelen om op de motor
te kunnen afremmen. Mogelijke voorbeelden
daarvan zijn steil aflopende hellingen of net voordat u inhaalt, zodat u dat zo veilig mogelijk kunt
doen.
De rijmodus Eco is geactiveerd.
Deactiveer de uitrolfunctie als volgt
de keuzehendel staat in de stand D.
•
•
bedien het gas- of rempedaal
•
schakel met de stuurpaddles*.
de rijsnelheid ligt in het interval van
zo'n 65–140 km/h (40–87 mph).
het hellingspercentage van een aflopende
weg is niet groter dan zo'n 6%.
Op het bestuurdersdisplay verschijnt COASTING
als de uitrolfunctie gebruikt wordt.
Beperkingen
De uitrolfunctie is niet beschikbaar in de volgende gevallen
444
•
•
de motor en/of versnellingsbak hebben niet
de normale bedrijfstemperatuur
•
u zet de keuzehendel vanuit stand D in de
stand voor handmatig schakelen
•
de snelheid ligt buiten het interval van
zo'n 65–140 km/h (40–87 mph)
•
het hellingspercentage van een aflopende
weg is niet groter dan zo'n 6%
zet de keuzehendel in de stand voor handmatig schakelen
Schakel de uitrolfunctie als volgt uit
•
•
boven of onder de ingestelde snelheid kan liggen.
•
Bij ritten met een actieve cruisecontrol op
een gelijkmatige weg kan de rijsnelheid tijdens het uitrollen afwijken van de ingestelde
snelheid.
•
Op een steile oplopende helling daalt de rijsnelheid totdat u terugschakelt, waarna een
beperkte acceleratie plaatsvindt om de ingestelde snelheid te bereiken.
•
Bij het uitrollen op een aflopende helling kan
de rijsnelheid iets boven of onder de ingestelde snelheid liggen. Het systeem remt
normaal af op de motor om de ingestelde
snelheid aan te houden, maar zo nodig worden ook de wielremmen aangesproken.
wissel van rijmodus*
verlaat de rijmodus Eco via het functiescherm.
Ook zonder de uitrolfunctie is het mogelijk om
kortere stukken uit te rollen. En dat draagt bij aan
een lager verbruik. Voor optimale zuinigheid is
het echter voordeliger om de uitrolfunctie te activeren en zo langere stukken te kunnen uitrollen.
Cruisecontrol Eco Cruise
Bij gebruik van de cruisecontrol in de rijmodus
Eco accelereert en decelereert de auto minder
snel dan in de overige rijmodi, wat extra brandstof
bespaart. Dit betekent dat de rijsnelheid iets
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
ECO-meter op bestuurdersdisplay
•
•
Bij zuinig rijden laat de meter een lage
waarde zien met de wijzer in het groene
gebied.
Bij onzuinig rijden, zoals bij krachtig remmen
of stevig gas geven, laat de meter een hoge
uitslag zien.
De ECO-meter heeft ook een indicator die laat
zien hoe een referentiebestuurder in dezelfde rijomstandigheden met de auto zou rijden. Dit
wordt aangegeven met de korte wijzer van de
meter.
Gerelateerde informatie
•
•
Rijmodus* wijzigen (p. 443)
•
•
•
Rijmodi* (p. 440)
Rijmodus Eco activeren en deactiveren met
functieknop (p. 446)
Zuinig rijden (p. 455)
Start/Stop-systeem (p. 446)
Eco-klimaat
ECO-meter op 12 inch bestuurdersdisplay*.
In de rijmodus Eco wordt automatisch het Ecoklimaat voor de passagiersruimte geactiveerd om
het stroomverbruik te beperken.
N.B.
ECO-meter op 8 inch bestuurdersdisplay.
De ECO-meter geeft aan hoe zuiniger er wordt
gereden:
Bij activering van de rijmodus Eco worden
enkele parameters in de instellingen van de
klimaatregeling gewijzigd en gelden functiebeperkingen voor bepaalde elektrische verbruikers. Bepaalde instellingen zijn handmatig
te herstellen, maar de volledige functionaliteit
is alleen te verkrijgen door de rijmodus Eco
te verlaten of door de rijmodus Individual*
met maximale klimaatregelingsfuncties aan te
passen.
Druk bij problemen met beslagen ruiten op de
knop voor maximale ontwaseming met normale
functionaliteit.
* Optie/accessoire. 445
STARTEN EN RIJDEN
Rijmodus Eco activeren en
deactiveren met functieknop
Er zit een functieknop voor de rijmodus Eco op
het functiescherm van het middendisplay, als de
auto niet is voorzien van rijmodusknop op de
tunnelconsole.
Bij het afzetten van de motor wordt de rijmodus
Eco uitgeschakeld, zodat u de rijmodus iedere
keer dat u de motor start opnieuw moet activeren. Op het bestuurdersdisplay verschijnt ECO,
wanneer de rijmodus geactiveerd is.
Rijmodus Eco kiezen op functiescherm
van middendisplay
–
Tik op de knop Rijmodus ECO om het systeem te activeren of deactiveren.
Start/Stop-systeem
Rijden met Start/Stop-systeem
Het Start/Stop-systeem zet de motor tijdelijk af
wanneer de auto stilstaat voor bijvoorbeeld verkeerslichten of in een file en start de motor vervolgens automatisch wanneer u verder rijdt.
Het Start/Stop-systeem zet de motor tijdelijk af,
als de auto stilstaat en start hem vervolgens
weer als u uw weg vervolgt.
Het Start/Stop-systeem beperkt het brandstofverbruik, wat op zijn beurt de uitstoot van uitlaatgassen helpt verlagen.
Het systeem maakt een milieubewuste rijstijl
mogelijk door de motor automatisch te laten
stoppen als dat zo uitkomt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Rijden met Start/Stop-systeem (p. 446)
Voorwaarden voor het Start/Stop-systeem
(p. 448)
Rijmodi* (p. 440)
Het Start/Stop-systeem is beschikbaar bij het
starten van de auto en is te activeren als aan
bepaalde voorwaarden is voldaan.
Op het bestuurdersdisplay verschijnt een indicatie voor het volgende:
•
•
•
Beschikbaar
Actief
Niet beschikbaar.
Alle standaardsystemen van de auto zoals verlichting, radio en dergelijke werken ook na een
autostop normaal. Voor sommige systemen kunnen tijdelijk bepaalde beperkingen gelden zoals
voor de ventilatorsnelheid van de klimaatregeling
of voor de volumeregeling van het audiosysteem.
Autostop
> Een brandend lampje in de knop geeft
aan dat de functie geactiveerd is.
Voor autostop geldt het volgende:
Gerelateerde informatie
•
•
•
446
Rijmodus Eco (p. 443)
Rijmodus* wijzigen (p. 443)
Rijmodi* (p. 440)
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
•
Zet de auto stil met het rempedaal en houd
uw voet op het rempedaal. De motor slaat
automatisch af.
In de rijmodus Comfort of Eco kan de motor
automatisch stoppen voordat de auto helemaal
stilstaat.
Als de adaptieve cruisecontrol of Pilot Assist
geactiveerd is, stopt de motor na zo'n drie seconden automatisch.
Autostart
Voor autostart geldt het volgende:
•
Laat het rempedaal los. De motor start automatisch en u kunt doorrijden. Op een oplopende helling grijpt de hellingrem (HSA9) in
om te voorkomen dat de auto achteruitrolt.
•
Wanneer de functie Auto Hold geactiveerd
is, wordt de autostart uitgesteld tot het
moment van indrukken van het gaspedaal.
•
Wanneer de adaptieve cruisecontrol of Pilot
Assist geactiveerd is, start de motor automatisch bij het intrappen van het gaspedaal of
-knop van de
bij het indrukken van de
linker stuurknoppenset.
•
•
9
Houd met uw voet het rempedaal in dezelfde
stand en bedien het gaspedaal. De motor
start automatisch.
Op een aflopende helling: Laat het rempedaal iets opkomen, zodat de auto begint te
rollen. De motor start automatisch na een
geringe snelheidsverhoging.
Symbolen op het bestuurdersdisplay
Met 12 inch bestuurdersdisplay*
• De melding READY verschijnt op de toerenteller, wanneer het systeem beschikbaar is.
•
Een wijzer van de toerenteller staat op
READY, wanneer het systeem actief is en de
motor automatisch is afgezet.
•
De melding READY staat grijs gearceerd,
wanneer het systeem niet beschikbaar is.
•
Er verschijnt geen displaytekst, wanneer het
systeem uitstaat.
Met 8 inch bestuurdersdisplay
Het symbool verschijnt onder aan de snelheidsmeter.
Symbool
Betekenis
Wit symbool: Het systeem is
beschikbaar.
Beige symbool: Het systeem is
actief en de motor is automatisch
afgezet.
Het systeem is niet beschikbaar,
omdat niet is voldaan aan de voorwaarden.
Er verschijnt geen symbool, wanneer het systeem uitstaat.
Gerelateerde informatie
Het systeem is actief en de motor is automatisch afgezet.
•
Start/Stop-systeem tijdelijk uitschakelen
(p. 448)
•
Voorwaarden voor het Start/Stop-systeem
(p. 448)
•
•
Start/Stop-systeem (p. 446)
•
Automatische rem bij stilstand (p. 432)
Hulp tijdens het wegrijden op een helling
(p. 433)
Hill Start Assist
* Optie/accessoire. 447
STARTEN EN RIJDEN
Start/Stop-systeem tijdelijk
uitschakelen
Voorwaarden voor het Start/Stopsysteem
Soms is het raadzaam om het Start/Stop-systeem tijdelijk uit te schakelen.
Het Start/Stop-systeem werkt alleen, wanneer
aan bepaalde voorwaarden is voldaan.
Schakel het systeem uit met de
functieknop Start/Stop op het
functiescherm van het middendisplay. Bij uitschakeling van
het systeem dooft de led in de
knop.
448
de weg is erg steil.
u ontgrendelt de motorkap.
bij ritten op grote hoogte waarbij de motor
niet op de bedrijfstemperatuur heeft bereikt.
•
•
het ABS is geactiveerd.
•
de beveiliging tegen oververhitting van de
startmotor is in werking getreden door frequente starts in korte tijd.
•
het roetfilter van de uitlaatgasreiniging is verzadigd.
In de volgende gevallen werkt de autostart niet:
bij een krachtige remmanoeuvre (ook zonder
dat het ABS actief is).
de auto heeft na het starten geen snelheid
van zo'n 10 km/h (6 mph) bereikt.
•
na een aantal opeenvolgende autostops
moet de snelheid weer boven zo'n 10 km/h
(6 mph) komen vóór de volgende autostop.
•
de bestuurder heeft zijn/haar veiligheidsgordel losgenomen.
•
Er is een aanhangwagen aangesloten op het
elektrische systeem van de auto.
Rijden met Start/Stop-systeem (p. 446)
•
•
de versnellingsbak heeft de normale bedrijfstemperatuur niet bereikt.
Voorwaarden voor het Start/Stop-systeem
(p. 448)
de capaciteit van de startaccu is onder de
toelaatbare ondergrens gedoken.
•
de motor heeft de normale bedrijfstemperatuur niet bereikt.
•
de keuzehendel staat in de stand M (±).
•
de buitentemperatuur ligt onder ca. –5 °C
(23 °F) of boven ca. 30 °C (86 °F).
•
de elektrische voorruitwarming wordt geactiveerd.
•
de omstandigheden in de passagiersruimte
wijken af van de ingestelde waarden.
•
•
u rijdt achteruit met de auto.
het opnieuw wordt geactiveerd
u de rijmodus wijzigt in Eco of Comfort
de auto een volgende keer wordt gestart.
Gerelateerde informatie
•
•
Autostop werkt niet
u maakt grote stuurbewegingen.
•
Het systeem staat uit totdat:
•
•
•
Als niet aan al deze voorwaarden is voldaan,
wordt dit aangegeven op het bestuurdersdisplay.
•
•
•
•
de temperatuur van de startaccu ligt onder of
boven de toelaatbare grenswaarden.
Autostart werkt niet
In de volgende gevallen werkt de autostart niet
nadat de motor automatisch werd afgezet:
•
De bestuurder draagt geen gordel, de keuzehendel staat in stand P en het bestuurdersportier staat open – er moet op de normale
manier worden gestart.
STARTEN EN RIJDEN
Autostart zonder dat u het rempedaal
loslaat
WAARSCHUWING
Open de motorkap niet na een automatische
motorstop. Zet de motor op de normale wijze
af alvorens de motorkap te openen.
In de volgende gevallen vindt autostart plaats,
ook al hebt u het rempedaal niet losgelaten:
•
de ruiten beslaan door de hoge luchtvochtigheidsgraad in het interieur.
•
de omstandigheden in de passagiersruimte
wijken af van de ingestelde waarden.
•
er wordt tijdelijk veel stroom afgenomen of
de capaciteit van de startaccu is onder de
toelaatbare ondergrens gezakt.
•
u bedient het rempedaal met pompende
bewegingen.
•
•
Gerelateerde informatie
•
•
•
Start/Stop-systeem (p. 446)
Rijden met Start/Stop-systeem (p. 446)
Start/Stop-systeem tijdelijk uitschakelen
(p. 448)
u ontgrendelt de motorkap.
de auto begint te rollen of gaat iets sneller
rijden als de auto automatisch is afgezet zonder helemaal stil te staan.
•
u hebt de veiligheidsgordel afgedaan met de
keuzehendel in stand D of N.
•
u zet de keuzehendel van D in stand R of M
(±).
•
u opent het bestuurdersportier met de keuzehendel in stand D – een "belsignaal" en
een tekstbericht geven aan dat het contact
ingeschakeld is.
449
STARTEN EN RIJDEN
Niveauregeling* en schokdemping
De niveauregeling en schokdemping van de auto
worden automatisch geregeld.
Schokdemping (Four-C)
Op auto's uitgerust met Four-C is de schokdemping aangepast aan de gekozen rijmodus en de
snelheid die de auto heeft. De schokdemping
staat normaal ingesteld op optimaal comfort en
wordt continu bijgeregeld op basis van de ondergrond, de mate van versnelling/vertraging en de
vraag of de auto op rechte stukken of in bochten
rijdt.
Symbolen en meldingen op bestuurdersdisplay
Symbool
Melding
Betekenis
Vering
U hebt de actieve wielophanging handmatig uitgeschakeld.
Door gebruiker uitgezet
Tijdelijk beperkte prestaties
De prestaties van de actieve wielophanging zijn tijdelijk gereduceerd op grond van de belasting van het
systeem. Als deze melding vaak verschijnt (bijv. meerdere keren per week), neem dan contact op met
een werkplaatsA.
Vering
Er is een storing opgetreden. Bezoek zo spoedig mogelijk een werkplaatsA.
Vering
Service vereist
450
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Symbool
Melding
Betekenis
Storing vering
Er is een kritieke storing opgetreden. Stop de auto op een veilige manier, laat de auto afslepen naar
een werkplaatsA.
Stop veilig
Vering
Afremmen Auto te hoog
A
Er is een storing opgetreden. Als de melding tijdens het rijden verschijnt, neem dan contact op met een
werkplaatsA.
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
•
Instellingen voor niveauregeling* (p. 452)
Rijmodi* (p. 440)
* Optie/accessoire. 451
STARTEN EN RIJDEN
Instellingen voor niveauregeling*
Lagesnelheidsregeling
Schakel de niveauregeling uit wanneer u de auto
moet opnemen met een krik om problemen met
de automatische niveauregeling te voorkomen.
De lagesnelheidsregeling (LSC10) biedt ondersteuning bij ritten in het terrein en op een gladde
ondergrond en verbetert de rijeigenschappen. U
rijdt bijvoorbeeld met een caravan over een grasveld of met een boottrailer op een boothelling.
Instellingen op middendisplay
Niveauregeling uitschakelen
In bepaalde gevallen moet u de regeling uitschakelen, zoals wanneer u de auto opneemt op een
krik*. Het niveauverschil dat ontstaat bij opname
op een krik kan er anders toe leiden dat de automatische niveauregeling de hoogte aanpast, wat
niet wenselijk is.
Schakel het systeem uit via het middendisplay:
1.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm.
2.
Tik op My Car
3.
Kies Niveauregeling uitschakelen.
Parkeerrem en vering.
Gerelateerde informatie
•
•
10
11
452
Niveauregeling* en schokdemping (p. 450)
Adviezen voor het vervoer van bagage
(p. 593)
N.B.
Wanneer het LSC met HDC geactiveerd is,
veranderen het gaspedaalgevoel en de
motorrespons.
N.B.
Bij een auto met een rijmodusknop* is deze
functie geïntegreerd in de rijmodus Off Road.
De rijstand is niet geschikt voor gebruik op de
openbare weg.
De regeling is aangepast voor terreinritten en
voor ritten op lage snelheden (tot zo'n 40 km/h
(25 mph)) met een aanhangwagen achter de
auto.
De lagesnelheidsregeling geeft voorrang aan
lage versnellingen en vierwielaandrijving wat wielspin helpt voorkomen en een betere tractie oplevert. Op lage snelheden reageert de motor minder snel op het gaspedaal voor een betere regeling van de tractie en snelheid.
De regeling wordt samen met de afdalingsremregeling (HDC11) geactiveerd om de snelheid op
steile, aflopende hellingen met het gaspedaal te
kunnen regelen, zodat u het rempedaal minder
vaak hoeft te gebruiken. De regeling maakt het
mogelijk om op steile en aflopende hellingen een
lage en gelijkmatige snelheid aan te houden.
N.B.
De functie wordt uitgeschakeld bij ritten op
hogere snelheden en moet bij lagere snelheden opnieuw ingeschakeld worden, als dat
wenselijk is.
Gerelateerde informatie
•
Lagesnelheidsregeling activeren en deactiveren met functieknop (p. 453)
•
•
•
Rijmodus* wijzigen (p. 443)
Afdalingsremregeling (p. 453)
Vierwielaandrijving (p. 440)
Low Speed Control
Hill Descent Control
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Lagesnelheidsregeling activeren en
deactiveren met functieknop
Er zit een functieknop voor de lagesnelheidsregeling van Hill Descent Control op het functiescherm van het middendisplay, als de auto niet
is voorzien van rijmodusknop op de tunnelconsole.
Lagesnelheidsregeling kiezen op het
functiescherm van het middendisplay
–
Gerelateerde informatie
•
•
Lagesnelheidsregeling (p. 452)
Rijmodus* wijzigen (p. 443)
Afdalingsremregeling
Afdalingsremregeling (HDC12) is een systeem
dat op lage snelheden de remmende werking
van de motorrem verhoogt. Dit betekent dat u op
bij steile, aflopende hellingen vaart kunt meerderen of minderen met het gaspedaal, zonder te
hoeven bijremmen.
Bij een auto met een rijmodusknop* is deze
functie geïntegreerd in de rijmodus Off Road.
Tik op de knop Hill Descent Control om
het systeem te activeren of deactiveren.
De afdalingsremregeling is aangepast voor terreinritten op lage snelheden en is vooral handig
bij ritten op steile, aflopende hellingen met een
lastige ondergrond. Omdat u het rempedaal niet
hoeft te gebruiken, kunt zich volledig richten op
de besturing.
> Een brandend lampje in de knop geeft
aan dat de functie geactiveerd is.
HDC werkt niet in alle situaties, maar is uitsluitend bedoeld als een aanvullend hulpmiddel.
WAARSCHUWING
Bij uitschakeling van de motor wordt het systeem
automatisch uitgeschakeld.
N.B.
De functie wordt uitgeschakeld bij ritten op
hogere snelheden en moet bij lagere snelheden opnieuw ingeschakeld worden, als dat
wenselijk is.
12
Hill Descent Control
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige manier
bestuurt.
Functie
Met hulp van het remsysteem laat de afdalingsremregeling de auto langzaam voor- en achteruitrijden. De snelheid is tijdelijk met het gaspedaal
te verhogen. Bij het loslaten van het gaspedaal
}}
* Optie/accessoire. 453
STARTEN EN RIJDEN
||
wordt de rijsnelheid weer tot stapvoets verlaagd,
ongeacht het hellingspercentage en zonder dat u
daarvoor het rempedaal hoeft te bedienen. Bij
activering van het systeem gaan de remlichten
branden.
N.B.
Wanneer het LSC met HDC geactiveerd is,
veranderen het gaspedaalgevoel en de
motorrespons.
Met het rempedaal kunt u de auto altijd remmen
en langzamer stapvoets rijden of de auto helemaal tot stilstand brengen.
N.B.
De rijstand is niet geschikt voor gebruik op de
openbare weg.
De regeling wordt samen met de lagesnelheidsregeling (LSC13) geactiveerd en biedt ondersteuning bij ritten in het terrein en op een gladde
ondergrond en verbetert de rijeigenschappen. De
systemen zijn bestemd voor gebruik op lage snelheden, tot zo'n 40 km/h (25 mph).
N.B.
De functie wordt uitgeschakeld bij ritten op
hogere snelheden en moet bij lagere snelheden opnieuw ingeschakeld worden, als dat
wenselijk is.
Aandachtspunten bij ritten met
geactiveerde HDC
•
•
•
13
454
Als u tijdens ritten op een steile aflopende
helling het systeem uitschakelt, wordt de
remwerking langzaam verlaagd.
Gerelateerde informatie
•
Afdalingsremregeling activeren en deactiveren met functieknop (p. 454)
HDC is te gebruiken in schakelstand D, R en
in de 1e of 2e versnelling bij handmatig
schakelen.
•
•
•
Rijmodus* wijzigen (p. 443)
Bij handmatig schakelen is het niet mogelijk
om op te schakelen naar de 3e versnelling of
hoger.
Lagesnelheidsregeling (p. 452)
Vierwielaandrijving (p. 440)
Afdalingsremregeling activeren en
deactiveren met functieknop
Er zit een functieknop voor de afdalingsremregeling van Hill Descent Control op het functiescherm van het middendisplay, als de auto niet
is voorzien van rijmodusknop op de tunnelconsole.
Afdalingsremregeling kiezen op
functiescherm van middendisplay
De afdalingsremregeling werkt alleen op lage
snelheden.
–
Tik op de knop Hill Descent Control om
het systeem te activeren of deactiveren.
> Een brandend lampje in de knop geeft
aan dat de functie geactiveerd is.
Bij uitschakeling van de motor wordt het systeem
automatisch uitgeschakeld.
Low Speed Control
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
N.B.
De functie wordt uitgeschakeld bij ritten op
hogere snelheden en moet bij lagere snelheden opnieuw ingeschakeld worden, als dat
wenselijk is.
Gerelateerde informatie
•
•
Zuinig rijden
Rijd zuinig en milieubewuster door rustig en met
een vooruitziende blik te rijden.
•
Gebruik de auto bij voorkeur niet voor korte
afstanden. De motor komt dan niet op de
normale bedrijfstemperatuur wat aanleiding
geeft tot een verhoogd brandstofverbruik.
•
Rem af op de motor, wanneer dat zonder
gevaar voor medeweggebruikers mogelijk is.
•
Houd de juiste bandenspanning aan en controleer regelmatig of dat nog steeds zo is –
houd voor de beste resultaten de zogenoemde ECO -bandenspanning aan.
•
De bandenkeuze is mogelijk van invloed op
het brandstofverbruik – informeer bij uw dealer naar passende banden.
•
Neem geen spullen in de auto mee die u niet
gebruikt – hoe groter de belading, hoe hoger
het verbruik.
•
Lading op het dak en het gebruik van een
dakbox resulteren in een grotere luchtweerstand waardoor het verbruik toeneemt – verwijder lastdragers die u niet gebruikt.
•
Rijd niet met open zijruiten.
Stem uw rijstijl en snelheid af op de situatie.
Let op het volgende:
•
Activeer voor een lager brandstofverbruik de
rijmodus Eco.
•
Gebruik de uitrolfunctie Eco Coast in de rijmodus Eco – er wordt niet meer op de motor
afgeremd, waardoor de bewegingsenergie
van de auto wordt gebruikt om de auto langer te laten uitrollen.
Afdalingsremregeling (p. 453)
Rijmodus* wijzigen (p. 443)
male belasting – een koude motor verbruikt
meer brandstof dan een warme.
•
Rijd bij gebruik van de functie voor handmatig schakelen in de hoogst mogelijke versnelling, afhankelijk van de verkeerssituatie en de
weggesteldheid – lagere toeren leveren een
lager brandstofverbruik op. Let op de schakelindicator.
•
Rijd met gelijkmatige snelheid en met vooruitziende blik om zo weinig mogelijk te hoeven remmen.
•
Bij hoge snelheden neemt het brandstofverbruik toe – de luchtweerstand neemt toe
naarmate de snelheid stijgt.
•
Het momentane brandstofverbruik van de
boordcomputer kan u helpen om zuiniger te
rijden.
•
Laat de motor niet stationair warmdraaien,
maar rijd direct na het starten weg met nor-
WAARSCHUWING
Zet de motor nooit af tijdens het rijden (zoals
op een aflopende helling), omdat daarbij
belangrijke systemen zoals de stuur- en rembekrachtiging wegvallen.
}}
* Optie/accessoire. 455
STARTEN EN RIJDEN
||
Gerelateerde informatie
•
•
•
Drive-E - schoner rijplezier (p. 28)
Rijmodus Eco (p. 443)
Bandenspanning controleren (p. 560)
Voorbereidingen voor een lange rit
Voor aanvang van een autovakantie of een langere autorit is het belangrijk om de functies en
uitrusting van de auto eens goed te controleren.
•
•
•
•
Controleer of
•
de motor naar behoren functioneert en of het
brandstofverbruik in orde is
•
er wellicht sprake is van lekkage (brandstof,
olie of andere vloeistoffen)
•
de remwerking tijdens het afremmen optimaal is
•
alle gloeilampen werken – pas de koplamphoogte aan bij een zware belading van de
auto
•
de profieldiepte van de banden en de spanning voldoende zijn. Monteer winterbanden
bij ritten in gebieden met kans op
besneeuwde of beijzelde wegen
•
de ladingsgraad van de startaccu is voldoende
•
•
de wisserbladen in goede staat verkeren
•
•
•
•
Rijden tijdens de winter (p. 457)
Zuinig rijden (p. 455)
Instellingen voor automodem* (p. 534)
Adviezen voor het vervoer van bagage
(p. 593)
Rijden met aanhangwagen (p. 477)
Pilot Assist (p. 319)
Snelheidsbegrenzer (p. 296)
Noodreparatieset voor banden (p. 577)
er een gevarendriehoek en een veiligheidsvest in de auto aanwezig zijn – in bepaalde
landen is dat wettelijk verplicht.
Gerelateerde informatie
•
•
•
456
Bandenspanning controleren (p. 560)
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot (p. 672)
Vulopening voor sproeiervloeistof (p. 654)
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Rijden tijdens de winter
Bij rijden in de winter is het belangrijk om
bepaalde controles op de auto uit te voeren,
zodat u zeker weet dat u er veilig mee kunt rijden.
Let voor aanvang van de winter in het bijzonder
op het volgende:
•
De koelvloeistof van de motor moet 50% glycol bevatten. Bij een dergelijke concentratie
is de motor beschermd tegen bevriezing tot
zo'n –35 °C (–31 °F). Om gezondheidsrisico's te vermijden is het zaak geen verschillende soorten glycol met elkaar te mengen.
•
Houd de tank altijd goed gevuld om condens
in de brandstoftank tegen te gaan.
•
De viscositeit van de motorolie is belangrijk.
Wanneer u oliesoorten met een lagere viscositeit (dunnere oliën) gebruikt, slaat de motor
bij koud weer gemakkelijker aan en neemt
bovendien het brandstofverbruik tijdens de
koude start af.
BELANGRIJK
Gebruik geen olie met een lage viscositeitsaanduiding bij zware rijomstandigheden of
warm weer.
•
Controleer de algehele conditie en de
ladingstoestand van de startaccu. De star-
taccu wordt zwaarder belast bij koud weer en
ook de accucapaciteit neemt af bij vorst.
•
•
Ongunstige rijomstandigheden voor motorolie (p. 668)
Giet sproeiervloeistof met antivries in het
sproeiervloeistofreservoir om ijsvorming te
voorkomen.
Nieuwe auto's en gladde wegen
Voor optimale grip bij gevaar voor sneeuw of ijs
adviseert Volvo u om de auto rondom van winterbanden te voorzien.
N.B.
In sommige landen is het gebruik van winterbanden verplicht. Banden met spikes zijn niet
in alle landen toegestaan.
Oefen onder gecontroleerde omstandigheden om
te testen hoe de auto bij gladheid reageert.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
•
•
Winterbanden (p. 575)
Sneeuwkettingen (p. 576)
Remmen op gepekelde rijbanen (p. 428)
Remmen op natte rijbanen (p. 428)
Vulopening voor sproeiervloeistof (p. 654)
Startaccu (p. 620)
Wisserblad voorruit vervangen (p. 652)
Wisserbladen achterruit vervangen (p. 651)
Koelvloeistof bijvullen (p. 618)
457
STARTEN EN RIJDEN
Doorwaaddiepte
Doorwaden houdt in dat de auto door een
waterpartijen rijdt, zoals op een ondergelopen
weggedeelte. Waden dient met de nodige voorzichtigheid te gebeuren.
U kunt met de auto stapvoets door waterpartijen
van maximaal 30 cm (11 inch) diep rijden. Wees
extra voorzichtig als u door stromend water rijdt.
Houd een lage snelheid aan tijdens het waden
en breng de auto niet in het water tot stilstand.
Trap na het oversteken van de waterpartij lichtjes
op het rempedaal om te controleren of de remwerking in orde is. Bij water en vuil op de remblokken kunnen er vertragingen in de remwerking
optreden.
•
•
14
458
Maak eventuele aansluitingen voor de elektrische verwarming en de aanhangwagenkoppeling schoon na ritten in water en modder.
Laat de auto niet langdurig in water staan
dat tot boven de dorpelbalken – elektrische
storingen zijn anders niet uitgesloten.
BELANGRIJK
Tankvulklep openen en sluiten
•
Als er water in het luchtfilter komt, kan er
motorschade ontstaan.
Om de tankvulklep te kunnen openen moet de
auto ontgrendeld zijn14.
•
Als er water in de transmissie komt,
neemt de smerende werking van de oliën
af waardoor de betrokken systemen minder lang meegaan.
•
Schade aan de motor, transmissie, turbocompressor, het differentieel of de inwendige onderdelen ervan als gevolg van
waterlekkage (hydrolock) of een tekort
aan olie valt niet onder de garantie.
Op het bestuurdersdisplay
wordt met de pijl naast het
tanksymbool aangegeven aan
welke kant van de auto de
tankvulklep zit.
1.
Open de tankvulklep door lichte druk aan te
brengen op de achterkant van de vulklep.
Probeer de motor bij motorafslag in water
niet opnieuw te starten. Haal de auto uit
het water en breng deze naar de werkplaats – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats. Kans op motorschade.
2.
Sluit na het tanken de klep door er licht op te
drukken.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Brandstof tanken (p. 459)
AdBlue® controleren en bijvullen (p. 467)
Gerelateerde informatie
•
•
Bergen (p. 485)
Lagesnelheidsregeling (p. 452)
Alleen bij vergrendeling en ontgrendeling via de transpondersleutel, het Keyless-systeem* of via Volvo On Call is de status van de tankvulklep te wijzigen.
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Brandstof tanken
2.
4.
De brandstoftank is voorzien van een doploos
tanksysteem.
Tanken bij een tankstation
Giet de tank niet te vol door het vulpistool na
de eerste afslag uit de vulopening te halen.
> De tank is vol.
N.B.
Een overvolle tank kan bij warm weer overstromen.
Brandstof bijvullen via een jerrycan
Gebruik voor het bijvullen van brandstof met een
jerrycan de trechter die in het blok schuimrubber
onder het vloerluik in de bagageruimte ligt.
Kies een brandstof die is goedgekeurd voor
gebruik in de auto op basis van de aanduiding15 aan de binnenkant van de tankvulklep.
Zie de informatie over goedgekeurde brandstofsoorten en hun aanduidingen in het artikel "Benzine" of "Dieselolie".
Bij het tanken is het belangrijk om het mondstuk van het
vulpistool tot voorbij de twee kleppen in de vulpijp te steken.
Tankinstructies:
1.
15
Schakel de auto uit en open de tankvulklep.
3.
Steek het mondstuk van het vulpistool in de
brandstofvulopening. De vulpijp heeft twee
afdekkingen die te openen zijn. Zorg dat u
het mondstuk van het vulpistool langs de
beide afdekkingen hebt gestoken, voordat u
begint met tanken.
1.
Open de tankvulklep.
2.
Steek de trechter in de brandstofvulopening.
De vulpijp heeft twee afdekkingen die te
openen zijn. Zorg dat u de trechterbuis langs
de beide afdekkingen hebt gestoken, voordat
u begint met tanken.
Geldt voor een extra verwarming op
brandstof*
Gebruik de verwarming op brandstof nooit, wanneer de auto bij een tankstation staat.
De aanduiding conform de CEN-norm EN16942 zit aan de binnenkant van de tankvulklep en uiterlijk 12 oktober 2018 ook op de desbetreffende brandstofpompen en mondstukken op tankstations in heel
Europa.
}}
* Optie/accessoire. 459
STARTEN EN RIJDEN
Hanteren van brandstof
||
WAARSCHUWING
Gebruik geen brandstof met een kwaliteit die
slechter is dan de kwaliteit die door Volvo wordt
aanbevolen, omdat dit een negatief effect heeft
op het motorvermogen en het brandstofverbruik.
Op de grond gemorste brandstof kan vlam
vatten.
Schakel de verwarming op brandstof uit voordat u gaat tanken.
Heb nooit een ingeschakelde mobiele telefoon bij u als u staat te tanken. Door het
belsignaal kan er vonkvorming ontstaan waardoor de benzinedampen ontsteken en dat kan
tot brand en letsel leiden.
WAARSCHUWING
Zorg altijd dat u geen brandstofdampen
inademt of brandstofspatten in de ogen krijgt.
Sticker aan binnenkant tankvulklep.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Tankvulklep openen en sluiten (p. 458)
Benzine (p. 461)
Dieselolie (p. 462)
Wanneer u de tank leegrijdt van een dieselmodel (p. 464)
Bij brandstof in de ogen eventuele contactlenzen uitnemen en de ogen ten minste 15
minuten lang spoelen met een ruime hoeveelheid schoon water en medische hulp inroepen.
Brandstof nooit inslikken. Brandstoffen zoals
benzine, bio-ethanol, mengsels ervan en dieselolie zijn uitermate giftig en kunnen bij
inwendig gebruik aanleiding geven tot blijvend
letsel met mogelijk dodelijke afloop. Roep
onmiddellijk medische hulp in bij het inslikken
van brandstof.
BELANGRIJK
Door mengsels van verschillende soorten
brandstoffen of het gebruik van niet aanbevolen brandstof vervallen de garanties van Volvo
en evt. aanvullende serviceovereenkomsten.
Dit geldt voor alle motoren.
Gerelateerde informatie
•
•
•
460
Benzine (p. 461)
Dieselolie (p. 462)
AdBlue® hanteren (p. 466)
STARTEN EN RIJDEN
Benzine
E5 is een benzinesoort met
maximaal 2,7% zuurstof en
maximaal 5 vol-% ethanol.
Benzine is een brandstoftype dat bestemd is
voor een auto met een benzinemotor.
Maak alleen gebruik van benzine van gerenommeerde oliemaatschappijen. Giet nooit brandstof
van twijfelachtige kwaliteit in de tank. De benzine
moet voldoen aan de norm EN 228.
E10 is een benzinesoort met
maximaal 3,7% zuurstof en
maximaal 10 vol-% ethanol.
Aanduiding voor benzine
Voor ritten bij temperaturen hoger dan +38 °C
(100 °F) wordt u geadviseerd een brandstofsoort
met een zo hoog mogelijk octaangetal te gebruiken. Dit om optimale prestaties en een zo laag
mogelijk brandstofverbruik te verkrijgen.
BELANGRIJK
BELANGRIJK
•
Er is brandstof toegestaan die tot 10
volumeprocent ethanol bevat.
•
Het gebruik van EN 228 E10-benzine
(maximaal 10 volumeprocent ethanol) is
toegestaan.
Sticker aan binnenkant tankvulklep.
De aanduiding conform de CEN-norm EN16942
zit aan de binnenkant van de tankvulklep en uiterlijk 12 oktober 2018 ook op de desbetreffende
brandstofpompen en mondstukken op tankstations in heel Europa.
Dit zijn de aanduidingen die gelden voor de huidige standaardbrandstoffen in Europa. In een
auto met een benzinemotor is het toegestaan
benzine te gebruiken met de volgende aanduiding:
•
Een ethanolgehalte hoger dan E10
(maximaal 10 volumeprocent ethanol)
zoals bij E85 is niet toegestaan.
Gebruik van brandstof met een octaangetal
lager dan RON 95 is niet toegestaan.
•
•
Gebruik alleen loodvrije benzine om
schade aan de katalysator tegen te gaan.
•
Het gebruik van brandstof met metaaladditieven is niet toegestaan.
•
Gebruik geen toevoegingen die niet door
Volvo zijn aanbevolen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Hanteren van brandstof (p. 460)
Brandstof tanken (p. 459)
Benzineroetfilter (p. 462)
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot (p. 672)
Octaangetal
•
RON 95 is te gebruiken in normale rijomstandigheden.
•
RON 98 wordt geadviseerd voor een maximaal rendement tegen een minimaal brandstofverbruik.
461
STARTEN EN RIJDEN
Benzineroetfilter
Een benzinemodel is uitgerust met een roetfilter
voor een effectievere uitlaatgasreiniging.
In normale rijomstandigheden blijven roetdeeltjes
uit de uitlaatgassen in het benzineroetfilter achter. Normaal vindt passieve regeneratie plaats
waarbij de roetdeeltjes worden geoxideerd en
verbrand. Op die manier wordt het filter gereinigd.
Bij frequente ritten op lage snelheden of herhaalde koude starts bij lage temperaturen is
mogelijk actieve regeneratie vereist. De regeneratie van het roetfilter vindt automatisch plaats en
duurt normaal 10-20 minuten. Tijdens de regeneratie kan een branderige geur ontstaan.
snelheden te maken om ervoor te zorgen dat de
uitlaatgasreiniging kan regenereren.
•
Rijd tussen de tankbeurten in minstens 20
minuten op de snelweg met snelheden
hoger dan 60 km/h (38 mph).
Gerelateerde informatie
•
Benzine (p. 461)
Dieselolie
Dieselolie is een brandstoftype dat bestemd is
voor een auto met een dieselmotor.
Maak alleen gebruik van dieselolie van gerenommeerde oliemaatschappijen. Giet nooit brandstof
van twijfelachtige kwaliteit in de tank. De dieselolie moet voldoen aan de norm EN 590 of
SS 155435. Dieselmotoren zijn gevoelig voor
verontreinigingen in de brandstof, zoals een te
hoog gehalte aan zwavel- of metaaldeeltjes.
Aanduiding
Wanneer u bij koud weer de standverwarming
inschakelt, bereikt de motor sneller de normale
bedrijfstemperatuur.
Bij frequente korte ritten op lage
snelheden met een benzinemodel
De capaciteit van de uitlaatgasreiniging hangt af
van de rijstijl. Voor de optimale werking is het
belangrijk om ritten van verschillende lengte en
op uiteenlopende snelheden te maken.
Als u vaak korte ritten maakt op lage snelheid (of
bij koud weer) zodat de motor niet op bedrijfstemperatuur komt, kan problemen veroorzaken
die op termijn aanleiding kunnen geven tot storingen en waarschuwingsmeldingen kunnen triggeren. Als u vaak ritten in stadsverkeer maakt is
het belangrijk om ook regelmatig ritten op hogere
462
Sticker aan binnenkant tankvulklep.
De aanduiding conform de CEN-norm EN16942
zit aan de binnenkant van de tankvulklep en uiterlijk 12 oktober 2018 ook op de desbetreffende
brandstofpompen en mondstukken, op tankstations in heel Europa.
Dit is de aanduiding die geldt voor de huidige
standaardbrandstof in Europa. In een auto met
een dieselmotor is het toegestaan dieselolie te
gebruiken met de volgende aanduiding:
STARTEN EN RIJDEN
B7 is een dieselsoort met
maximaal 7 vol-% veresterde
methylvetzuren (FAME).
BELANGRIJK
De dieselolie:
Bij lage temperaturen (lager dan 0 °C (32 °F))
kan de paraffine in de dieselolie uitvlokken, wat
tot startproblemen kan leiden. De verkrijgbare
brandstofkwaliteiten moeten zich lenen voor
gebruik in het actuele jaargetijde en klimaatgebied, maar in extreme weersomstandigheden, bij
gebruik van verouderde brandstof of bij ritten
door verschillende klimaatgebieden kan desondanks uitvlokking optreden.
•
moet voldoen aan de norm EN 590 en/of
SS 155435;
•
moet een zwavelgehalte hebben van
maximaal 10 mg/kg;
•
mag maximaal 7 vol% FAME16 (B7)
bevatten.
•
Wanneer u de tank leegrijdt van een dieselmodel (p. 464)
•
•
•
Roetfilter (p. 464)
Uitlaatgasreiniging met AdBlue® (p. 465)
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot (p. 672)
BELANGRIJK
Maak geen gebruik van de volgende dieselolieachtige brandstoffen:
•
•
•
•
Het risico van condensatie in de brandstoftank
neemt af, als u de tank altijd goed gevuld houdt.
Houd tijdens het tanken het gebied rond de vulpijp goed schoon. Voorkom morsen op gelakte
oppervlakken. Maak als u gemorst hebt het
gebied met water en zeep schoon.
speciale toevoegingen (dopes)
scheepsolie
stookolie
FAME17 of plantaardige olie.
Dergelijke brandstoffen voldoen niet aan de
kwaliteitseisen die Volvo stelt en geven aanleiding tot verhoogde vormen van slijtage en
motorschade die niet worden gedekt door de
garanties van Volvo.
Gerelateerde informatie
•
•
16
17
Hanteren van brandstof (p. 460)
Brandstof tanken (p. 459)
Fatty Acid Methyl Ester
Dieselolie met maximaal 7 vol% FAME (B7) is toegestaan.
463
STARTEN EN RIJDEN
Wanneer u de tank leegrijdt van een
dieselmodel
Waar u op moet letten bij het vullen van
brandstof uit een jerrycan
Na motoruitval door brandstofgebrek heeft het
brandstofsysteem enige tijd nodig om een controle uit te voeren.
Gebruik voor het bijvullen van dieselolie uit een
jerrycan de trechter die onder het vloerluik in de
bagageruimte ligt. Let erop dat u de buis van de
trechter goed in de vulpijp steekt. De vulpijp heeft
twee afdekkingen die te openen zijn. Zorg dat u
de trechterbuis langs de beide afdekkingen hebt
gestoken, voordat u begint met tanken.
Doe nadat u de brandstoftank hebt bijgevuld met
dieselolie het volgende alvorens de auto te starten:
1.
2.
Controleer of de transpondersleutel in de
auto aanwezig is.
Zet de auto in contactslotstand II – draai de
startknop rechtsom zonder het rempedaal te
bedienen (of het koppelingspedaal bij een
auto met een handgeschakelde versnellingsbak) en houd de knop zo'n 4 seconden lang
in deze stand vast. Laat vervolgens knop los,
die automatisch terugveert naar de uitgangspositie.
3.
Wacht ca. één minuut.
4.
Start de motor.
N.B.
Alvorens brandstof te tanken bij een leeggereden tank:
•
464
Breng de auto tot stilstand op een zo
egaal/horizontaal mogelijke ondergrond
– als de auto overhelt, bestaat er gevaar
voor luchtbellen in de brandstoftoevoer.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Brandstof tanken (p. 459)
Dieselolie (p. 462)
Gereedschapsset (p. 568)
Roetfilter
Een dieselmodellen is uitgerust met een roetfilter
voor een effectievere uitlaatgasreiniging.
In normale rijomstandigheden blijven roetdeeltjes
uit de uitlaatgassen in het roetfilter achter. Wanneer aan bepaalde voorwaarden is voldaan, gaat
een zogenoemde regeneratie van start om de
roetdeeltjes te verbranden en het filter te reinigen. Om een regeneratie te starten moet de
motor de normale bedrijfstemperatuur hebben
bereikt. De regeneratie van het roetfilter vindt
automatisch plaats en duurt normaal
10–20 minuten.
N.B.
Tijdens de regeneratie kan zich het volgende
voordoen:
•
er kan tijdelijk een geringe beperking van
het motorvermogen te bespeuren zijn
•
het brandstofverbruik kan tijdelijk toenemen
•
er kan sprake zijn van een brandlucht.
Wanneer u bij koud weer de standverwarming*
inschakelt, bereikt de motor sneller de normale
bedrijfstemperatuur.
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
BELANGRIJK
Als het filter helemaal vol deeltjes zit, kan het
moeilijk zijn om de motor te starten en het filter wordt onbruikbaar. De kans bestaat dan
dat het filter moet worden vervangen.
Bij frequente korte ritten op lage
snelheden met een dieselmodel
De capaciteit van de uitlaatgasreiniging hangt af
van de rijstijl. Voor optimale prestaties is het
belangrijk om ritten van verschillende lengte en
op uiteenlopende snelheden te maken.
Als u vaak korte ritten maakt op lage snelheid (of
bij koud weer) zodat de motor niet op bedrijfstemperatuur komt, kan problemen veroorzaken
die op termijn aanleiding kunnen geven tot storingen en waarschuwingsmeldingen kunnen triggeren. Als u vaak ritten in stadsverkeer maakt is
het belangrijk om ook regelmatig ritten op hogere
snelheden te maken om ervoor te zorgen dat de
uitlaatgasreiniging kan regenereren.
•
Rijd tussen de tankbeurten in minstens 20
minuten op de snelweg met snelheden
hoger dan 60 km/h (38 mph).
Gerelateerde informatie
•
•
•
18
Dieselolie (p. 462)
Uitlaatgasreiniging met AdBlue® (p. 465)
Uitlaatgasreiniging met AdBlue®18
AdBlue is een additief (toevoeging) dat de
SCR19-katalysator gebruikt om bij een dieselmotor de uitstoot van schadelijke stoffen te beperken.
De SCR-katalysator zet AdBlue en stikstofoxiden
om in stikstof en waterdamp, wat de uitstoot van
schade stikstofoxiden aanzienlijk beperkt.
AdBlue
AdBlue is een kleurloze vloeistof bestaande uit
een mengsel van 32,5% ureum20 opgelost in
gedemineraliseerd water dat voldoet aan de
ISO 22241-standaard. De vloeistof is speciaal
ontwikkeld voor de uitlaatgasreiniging (SCR) van
dieselmotoren.
De auto heeft een speciaal AdBlue-reservoir dat
via een aparte vulpijp achter de tankvulklep bij te
vullen is. Het verbruik is afhankelijk van de rijstijl,
buitentemperatuur en de bedrijfstemperatuur van
de katalysator.
Voorwaarden voor ritten met AdBlue
Houd het reservoir altijd gevuld met AdBlue van
de juiste kwaliteit om de auto te kunnen starten.
De SCR-katalysator is zeer gevoelig voor verontreinigingen.
een storing verschijnt er een melding op het
bestuurdersdisplay.
BELANGRIJK
AdBlue is vereist voor een juiste werking van
het SCR en om te voldoen aan de wettelijk
eisen op emissiegebied. Het is bij de wet verboden om het aanvoersysteem voor AdBlue
dusdanig te wijzigen of te beïnvloeden dat er
geen AdBlue wordt verbruikt. AdBlue is vereist om te voldoen aan de wettelijke eisen op
emissiegebied. Een dergelijke vorm van beïnvloeding kan strafbaar zijn en tot vervolging
leiden.
Het is niet toegestaan om de auto te gebruiken wanneer de AdBlue-tank leeg is, omdat
deze dan niet meer voldoet aan de wettelijke
eisen op emissiegebied. De auto is daarom
uitgerust met een waarschuwingssysteem dat
aangeeft wanneer het tijd is om de AdBluetank bij te vullen. Wanneer het peil in de
AdBlue-tank te laag wordt, verschijnen waarschuwingen om aan te geven dat het tijd is
om AdBlue bij te vullen.
De uitlaatgasreiniging bewaakt voortdurend het
peil, de kwaliteit en de dosering van AdBlue. Bij
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot (p. 672)
Gedeponeerd handelsmerk van VDA (Verband der Automobilindustrie e.V.)
}}
465
STARTEN EN RIJDEN
||
Gerelateerde informatie
•
•
•
AdBlue® hanteren (p. 466)
AdBlue® controleren en bijvullen (p. 467)
Symbolen en meldingen voor AdBlue®
(p. 469)
AdBlue®21 hanteren
AdBlue bestaat voor het merendeel uit water
(zo'n 67,5 % water en 32,5 % ureum). De vloeistof is niet brandgevaarlijk maar dient met de
nodige voorzichtigheid te worden gehanteerd
aangezien deze huid en ogen kan irriteren.
Waar u op moet letten bij het gebruik
Adem de dampen niet in en vermijd huid- en
oogcontact. Draag bij gebruik van de vloeistof bij
voorkeur handschoenen om te voorkomen dat
gevoelige huid geïrriteerd raakt.
WAARSCHUWING
Eerste hulp bij ongevallen:
•
Bij inademing - breng het slachtoffer in
de frisse lucht.
•
Bij huidcontact - was de aangedane huid
met water en zeep.
•
Bij oogcontact - spoel de aangedane
ogen onmiddellijk uit met grote hoeveelheden water.
•
Bij inslikken - spoel de mond goed uit
met water. Laat het slachtoffer niet braken.
Roep bij aanhoudende verschijnselen of
inslikken van grote hoeveelheden de hulp van
een arts in.
19
20
21
466
Selective Catalytic Reduction
CO(NH2)2
Gedeponeerd handelsmerk van VDA (Verband der Automobilindustrie e.V.)
Wat te doen bij morsen
Spoel gemorste AdBlue op de grond, de auto of
op gelakte oppervlakken met een ruime hoeveelheid water af. Giet de vloeistof niet in de gootsteen.
Opslag
Bewaar AdBlue in de originele verpakking met de
dop erop bij een temperatuur hoger dan –11 °C
(12 °F) en lager dan 30 °C (86 °F). Bewaar de
vloeistof niet in direct zonlicht.
AdBlue bevriest bij –11 °C (12 °F) maar is nadat
deze ontdooit is weer te gebruiken.
Gerelateerde informatie
•
•
AdBlue® controleren en bijvullen (p. 467)
Uitlaatgasreiniging met AdBlue® (p. 465)
STARTEN EN RIJDEN
AdBlue®22 controleren en bijvullen
Controleer regelmatig het AdBlue-peil en vul bij
als een melding voor een laag AdBlue-peil verschijnt op het bestuurdersdisplay.
AdBlue-peil controleren
2.
1.
Het AdBlue-verbruik is afhankelijk van de rijstijl,
zodat u mogelijk tussen de reguliere beurten
door moet bijvullen. Als u het AdBlue-reservoir
helemaal leegrijdt, kunt u de auto niet meer starten.
Open de app Auto status op het appscherm.
Tik op Status om het AdBlue-peil weer te
geven.
N.B.
Rijd de AdBlue-tank nooit leeg. Vul de tank
tijdig bij.
Als u de tank leegrijdt is de motor na het
afzetten niet meer te starten; niet op de
gebruikelijke manier en evenmin met hulpmiddelen.
Het bijvullen van de op het bestuurdersdisplay
getoonde hoeveelheid AdBlue van de gespecificeerde kwaliteit is de enige manier om de
motor weer te starten nadat u de AdBluetank hebt leeggereden.
Grafische voorstelling van het AdBlue-peil op het middendisplay.
Elk blokje komt overeen met zo'n 25% van
de volledige inhoud van het reservoir.
Wanneer er minder dan 25 % van de totale
inhoud van het reservoir resteert, wordt het
laatste blokje amberkleurig en wanneer er
22
Gedeponeerd handelsmerk van VDA (Verband der Automobilindustrie e.V.)
}}
467
STARTEN EN RIJDEN
minder dan 10 % resteert wordt het uiteindelijk rood.
||
3.
Giet het reservoir niet te vol. De bij te vullen
hoeveelheid AdBlue staat aangegeven in de
app Auto status.
Bijvullen
Wanneer het AdBlue-peil te
laag dreigt te worden, gaat een
symbool op het bestuurdersdisplay branden in combinatie met
de melding AdBlue-niveau
laag.
1.
Vul AdBlue bij van de juiste kwaliteit23.
WAARSCHUWING
Het wordt geadviseerd om bij het tanken van
AdBlue op een tankstation in eerste instantie
de pomp voor personenauto's te gebruiken.
Bij wijze van alternatief is een AdBlue-pomp
voor zwaardere voertuigen te gebruiken.
Open de tankvulklep door lichte druk aan te
brengen op de achterkant van de vulklep.
2.
BELANGRIJK
Verwijder eventueel gemorste AdBlue met
een doek.
Wees voorzichtig zodat er geen AdBlue op
het lakwerk van de auto terechtkomt. Spoel in
dat geval met een ruime hoeveelheid water,
omdat de vloeistof het lakwerk kan aantasten.
Open de blauwe dop op de kleine vulpijp
bestemd door AdBlue.
Gerelateerde informatie
•
•
•
23
468
ISO 22241
AdBlue® hanteren (p. 466)
Symbolen en meldingen voor AdBlue®
(p. 469)
Bij te vullen hoeveelheid AdBlue® (p. 670)
STARTEN EN RIJDEN
Symbolen en meldingen voor
AdBlue®24
De uitlaatgasreiniging bewaakt voortdurend het
peil, de kwaliteit en de dosering van AdBlue. Bij
een storing verschijnt er een melding op het
bestuurdersdisplay.
Symbool
Melding
Betekenis
AdBlue-niveau laag
Het AdBlue-peil is laag zodat het reservoir moet worden bijgevuld.
AdBlue-dosering
Het systeem werkt niet naar behoren. Bezoek een werkplaatsA voor een controle van de werking.
en
AdBlue-kwaliteit
24
Gedeponeerd handelsmerk van VDA (Verband der Automobilindustrie e.V.)
}}
469
STARTEN EN RIJDEN
||
Symbool
Melding
Betekenis
AdBlue bijvullen
Het AdBlue-peil is kritiek laag zodat het reservoir onmiddellijk moet worden bijgevuld.
Startblokkering motor
De auto kan niet worden gestart voordat er AdBlue is bijgevuld. Vul de hoeveelheid AdBlue bij die op
het bestuurdersdisplay staat aangegeven of neem contact op met een werkplaatsA.
en bijv.: Vul minimaal 4,5 liter
AdBlue bij
Startblokkering motor
Service AdBlue-systeem
nodig voor herstart
A
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
•
•
470
AdBlue® controleren en bijvullen (p. 467)
AdBlue® hanteren (p. 466)
Afspraak maken voor servicebeurt en reparatie (p. 609)
Let op het volgende:
•
De peilsensor kan de bijgevulde hoeveelheid AdBlue alleen goed registreren, als de auto horizontaal staat.
•
Na het bijvullen kan het tot 20 seconden duren voordat het systeem is bijgewerkt met de juiste
peilaanduiding.
Het systeem werkt niet naar behoren. Bezoek een werkplaatsA voor een controle van de werking.
STARTEN EN RIJDEN
Oververhitting van motor en
aandrijving
Transmissie warm Ga langzamer rijden
om temperatuur te verlagen of
Transmissie heet Stop veilig, wacht op
koelen verschijnt. Volg in dat geval het
advies op en matig uw snelheid of breng de
auto op een veilige plek tot stilstand om de
motor enkele minuten stationair te laten
draaien, zodat de versnellingsbak kan afkoelen.
In bepaalde omstandigheden, bijv. bij een zware
belasting op steile hellingen en in warm weer,
bestaat het gevaar dat de motor en de aandrijflijn oververhit raken – vooral bij het vervoer van
een zware lading.
•
Bij oververhitting is het motorvermogen
mogelijk tijdelijk beperkt.
•
•
Verwijder verstralers die voor de grille zitten
tijdens ritten bij warm weer.
Bij oververhitting kan de airconditioning zichzelf tijdelijk uitschakelen.
•
•
Als de temperatuur in het koelsysteem van
de motor te hoog oploopt, gaat een waarschuwingssymbool branden en verschijnt op
het bestuurdersdisplay de melding
Motortemperatuur Hoge temperatuur.
Stop veilig. Breng de auto in dat geval zo
spoedig mogelijk tot stilstand en laat de
motor enkele minuten stationair lopen, zodat
deze kan afkoelen.
Na een zware rit moet u de motor niet
meteen afzetten, maar nog enige tijd stationair laten draaien.
•
Breng de auto tot stilstand en zet de motor
af, als de melding Motortemperatuur Hoge
temperatuur. Zet de motor af of
Motorkoelvloeistof Niveau laag. Zet de
motor af verschijnt.
•
Bij oververhitting van de versnellingsbak
wordt een alternatief schakelprogramma
gekozen. Boven wordt een ingebouwde
beveiligingsfunctie geactiveerd, waarbij onder
meer een waarschuwingssymbool gaat branden en op het bestuurdersdisplay de melding
N.B.
Het is normaal dat de koelventilator van de
motor een tijdje werkt nadat de motor is uitgeschakeld.
Symbolen op het bestuurdersdisplay
Symbool
Betekenis
Hoge motortemperatuur. Volg het
gegeven advies op.
Laag peil koelvloeistof. Volg het
gegeven advies op.
De versnellingsbak is heet/oververhit/wordt gekoeld. Volg het gegeven advies op.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Koelvloeistof bijvullen (p. 618)
Rijden met aanhangwagen (p. 477)
Voorbereidingen voor een lange rit (p. 456)
Schakelindicator (p. 439)
471
STARTEN EN RIJDEN
Overbelasting van de startaccu
Gerelateerde informatie
De elektrische functies van de auto belasten de
startaccu in verschillende mate. Laat het contactslot niet te lang achtereen in stand II staan,
wanneer de auto is uitgeschakeld. Maak in
plaats daarvan gebruik van contactslotstand I het stroomverbruik is dan minder.
•
•
Startaccu (p. 620)
Contactslotstanden (p. 422)
Starthulp met andere accu
Als de startaccu uitgeput is, kunt u de auto starten met stroom van een hulpaccu.
Let er tevens op dat de verschillende accessoires
het elektrisch systeem belasten. Schakel onderdelen/systemen die veel stroom nemen uit, wanneer de auto is uitgeschakeld. Voorbeelden van
dergelijke onderdelen/systemen zijn:
•
•
•
•
interieurventilator
koplampen
ruitenwisser
Aansluitpunten voor de startkabels.
audiosysteem (hoog volume).
Als u een hulpaccu gebruikt bij het starten wordt
geadviseerd de volgende stappen aan te houden
om kortsluiting en andere schade te voorkomen:
Bij een lage startaccuspanning verschijnt een
melding op het bestuurdersdisplay. De energiebesparingsfunctie schakelt vervolgens bepaalde
onderdelen/systemen uit of verlaagt de belasting
van de accu door bijvoorbeeld de interieurventilator lager te zetten en/of het audiosysteem uit te
schakelen.
–
472
Laad de startaccu dan op door de auto te
starten en de motor minstens 15 minuten te
laten draaien – de startaccu wordt beter
opgeladen tijdens het rijden dan bij stilstand
met een stationair draaiende motor.
1.
Zet het elektrische systeem van de auto in
de contactslotstand 0.
2.
Controleer of de hulpaccu een spanning van
12 V levert.
3.
Als de hulpaccu in een andere auto is
gemonteerd, moet u de motor van die auto
afzetten en ervoor zorgen dat de beide auto's
elkaar niet raken.
STARTEN EN RIJDEN
4.
Bevestig de ene klem van de rode startkabel
aan de pluspool (1) van de hulpaccu.
BELANGRIJK
Wees voorzichtig bij het aansluiten van de
startkabels om kortsluiting met andere onderdelen in de motorruimte te voorkomen.
5.
Open de afdekking (2) van het positieve
starthulppunt.
6.
Bevestig de andere klem van de rode startkabel aan het positieve starthulppunt (2).
7.
Bevestig de ene klem van de zwarte startkabel aan de minpool (3) van de hulpaccu.
8.
Bevestig de andere klem van de zwarte startkabel aan het negatieve starthulppunt (4).
9.
Controleer of de aansluitklemmen van de
startkabels goed vastzitten om te voorkomen
dat er tijdens de startpoging vonken ontstaan.
11. Start de motor in de auto met de uitgeputte
accu.
WAARSCHUWING
•
Raak de aansluitingen tussen de kabel en de
auto niet aan tijdens het starten. Er bestaat
namelijk gevaar voor vonkvorming.
De startaccu kan het zeer explosieve
knalgas produceren. Eén enkele vonk,
veroorzaakt door een onjuiste aansluiting
van een startkabel, kan volstaan om de
accu tot ontploffing te brengen.
•
12. Verwijder de startkabels in omgekeerde volgorde – eerst de zwarte kabel en daarna de
rode.
Sluit de startkabels niet aan op een component va het brandstofsysteem of op
bewegende onderdelen. Pas op voor hete
motoronderdelen.
•
De startaccu bevat tevens zwavelzuur dat
ernstige chemische brandwonden kan
veroorzaken.
•
Als u accuzuur in uw ogen krijgt of op uw
huid of kleren morst, moet u onmiddellijk
met grote hoeveelheden water spoelen.
Neem onmiddellijk contact op met een
arts, als u accuzuur in uw ogen krijgt.
•
Rook niet in de buurt van de accu.
BELANGRIJK
Zorg dat geen van de aansluitklemmen aan
de zwarte startkabel contact kan maken met
het positie starthulppunt op de auto/de pluspool van de starthulpaccu of met de aangesloten klem van de rode startkabel.
10. Start de motor van de "hulpauto" en laat
deze enkele minuten draaien op een toerental dat iets hoger ligt dan normaal,
zo'n 1500 omw/min.
}}
473
STARTEN EN RIJDEN
||
N.B.
Als de startaccu dermate ontladen is dat de
elektrische standaardsystemen van de auto's
zijn uitgeschakeld en als u de motor vervolgens start met een externe accu of acculader,
dan blijft het Start/Stop-systeem mogelijk
actief. Als het Start/Stop-systeem kort daarna
een automatische motorstop verricht, is de
kans groot dat een volgende automatische
motorstart mislukt door onvoldoende capaciteit van de startaccu, omdat de accu niet
genoeg is opgeladen.
Als de auto starthulp heeft gekregen of de
accu onvoldoende is opgeladen met een
acculader, wordt geadviseerd het Start/Stopsysteem uit te schakelen totdat de auto de
startaccu voldoende bijgeladen heeft. Bij een
buitentemperatuur van zo'n +15 °C (60 °F)
moet de accu ten minste 1 uur lang door de
auto worden opgeladen. Bij lagere buitentemperaturen kan de laadduur toenemen tot zo'n
3–4 uur. Geadviseerd wordt de accu op te
laden met een externe acculader.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
474
Motor starten (p. 420)
Contactslotstanden (p. 422)
Trekhaak*
N.B.
De auto is uit te rusten met een trekhaak, zodat
bijvoorbeeld een aanhanger achter de auto te
hangen is.
Er zijn verschillende trekhaakuitvoeringen verkrijgbaar voor de auto – neem voor informatie
contact op met een Volvo-dealer.
BELANGRIJK
Als de motor wordt afgezet, kan de constante
accuspanning voor het aanhangercontact
automatisch worden uitgeschakeld om de
startaccu niet te ontladen.
Als de auto is uitgerust met een trekhaak, is
er geen achterste sleepoogbevestiging.
Gerelateerde informatie
In- en uitklapbare trekhaak* (p. 475)
•
•
•
Rijden met aanhangwagen (p. 477)
•
Specificaties van de trekhaak* (p. 475)
Op trekhaak gemonteerde fietsdrager*
(p. 481)
BELANGRIJK
De trekhaak moet regelmatig worden gereinigd en ingevet om slijtage tegen te gaan.
N.B.
Wanneer een koppeling met trillingsdemper
wordt gebruikt, mag de trekkogel niet worden
gesmeerd.
Dit geldt ook bij montage van een fietsdrager
die rond de trekkogel wordt vastgeklemd.
Stuurwiel verstellen (p. 197)
Contactslotstand kiezen (p. 423)
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Specificaties van de trekhaak*
Afmetingen, bevestigingspunten in mm (inch)
Afmetingen en bevestigingspunten voor de trekhaak.
A
1119,24 (44,1)
B
84,5 (3,3)
C
875 (34,4)
D
437,5 (17,2)
E
Zie afbeelding boven
F
273,7 (10,8)
G
Middelpunt kogel
Gerelateerde informatie
•
•
Trekhaak* (p. 474)
Trekgewichten en kogeldruk (p. 664)
In- en uitklapbare trekhaak*
De in- en uitklapbare trekhaak is eenvoudig in of
uit te klappen als dat nodig is. In de ingeklapte
stand is de trekhaak volledig onzichtbaar.
WAARSCHUWING
Neem de instructies voor het in- en uitklappen van de trekhaak zorgvuldig in acht.
WAARSCHUWING
Druk niet op de knop voor het in- en uitklappen als er een aanhanger op de trekhaak is
gekoppeld.
Trekhaak uitklappen
WAARSCHUWING
Sta niet te dicht bij de achterbumper van de
auto bij het uitklappen van de trekhaak.
}}
* Optie/accessoire. 475
STARTEN EN RIJDEN
||
1.
2.
Open de achterklep Rechtsachter in de
bagageruimte zit een knop voor het in- en
uitklappen van de trekhaak. Het led-lampje in
de knop brandt permanent oranje, als de uitklapfunctie actief is.
Druk op de knop en laat hem weer los –
drukt u te lang, dan kan dat betekenen dat
het uitklappen niet start.
> De trekhaak klapt uit in een onvergrendelde stand. De led knippert oranje. De
trekhaak is klaar om in een vergrendelde
stand te worden gezet.
3.
Beweeg de trekhaak naar zijn eindpositie.
Daar moet hij worden vastgezet en vergrendeld – de led brandt permanent oranje.
> De trekhaak is daarmee klaar voor
gebruik.
N.B.
De trekhaak moet eerst volledig zijn uitgeklapt voordat deze in de vergrendelde stand
te zetten is. Dit kan enkele seconden duren.
Als de trekhaak niet in de vergrendelde stand
blijft, moet u enkele seconden later opnieuw
proberen.
WAARSCHUWING
Controleer of de veiligheidskabel van de aanhanger in de juiste bevestiging vastzit.
476
STARTEN EN RIJDEN
N.B.
Rijden met aanhangwagen
2.
Bij ritten met een aanhangwagen moet u op
enkele dingen letten zoals de trekhaak, de aanhangwagen en hoe u de aanhangwagen laadt.
De stroomspaarstand wordt na enige tijd
geactiveerd en het controlelampje dooft. Het
systeem wordt opnieuw geactiveerd door de
achterklep te sluiten en daarna opnieuw te
openen. Dit geldt zowel bij het in- als uitklappen van de trekhaak.
Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar
gewicht van de auto. Het laadvermogen dient te
worden verminderd met de som van het gewicht
van eventuele inzittenden en dat van gemonteerde accessoires, zoals een trekhaak.
Als het elektrische systeem heeft gedetecteerd dat er een aanhanger achter de auto
hangt, stopt het controlelampje met branden.
Vergrendel de trekhaak door deze terug te
bewegen naar de ingeklapte positie waar hij
wordt vergrendeld.
> Als de trekhaak correct is ingeklapt,
brandt de led nu continu.
Trekhaak inklappen
BELANGRIJK
Zorg dat er geen aansluitcontact of adapter in
de elektrische aansluiting zit bij het inklappen
van de trekhaak.
1.
Open de achterklep Druk de knop rechtsachter in de bagageruimte in en laat hem weer
los – drukt u te lang, dan kan dat betekenen
dat het inklappen niet start.
> De trekhaak klapt automatisch uit in een
onvergrendelde positie. De led in de knop
knippert oranje.
Gerelateerde informatie
•
•
De auto wordt geleverd met de benodigde randuitrusting voor het gebruik van een aanhangwagen.
•
De trekhaak van de auto moet van een goedgekeurd type zijn.
•
Verdeel de lading in de aanhangwagen dusdanig dat de druk op de trekhaak de maximale kogeldruk niet overschrijdt. De kogeldruk wordt tot het laadvermogen van de auto
gerekend.
•
Verhoog de bandenspanning tot de aanbevolen druk bij maximale belading.
•
Bij het gebruik van een aanhangwagen wordt
de motor zwaarder belast dan normaal.
•
Rijd niet met een zware aanhangwagen,
wanneer de auto nog helemaal nieuw is.
Wacht hiermee totdat de auto ten minste
1000 km (620 miles) heeft gereden.
•
Bij het afdalen op lange en steile hellingen
worden de remmen veel zwaarder belast dan
normaal. Schakel dan terug naar een lagere
Rijden met aanhangwagen (p. 477)
Trekhaak* (p. 474)
}}
* Optie/accessoire. 477
STARTEN EN RIJDEN
versnelling bij handmatig schakelen en pas
uw snelheid aan.
||
•
Neem de geldende bepalingen in acht ten
aanzien van de toelaatbare snelheden en
gewichten.
•
Houd een lage snelheid aan, wanneer u met
een aanhangwagen achter de auto een
lange en steile helling oprijdt.
•
•
De aangegeven maximale aanhangwagengewichten gelden alleen voor hoogten tot
1000 m (3280 ft) boven zeeniveau. Daarboven zijn het motorvermogen en daarmee het
klimvermogen van de auto beperkt door de
lagere luchtdichtheid en moet daarom het
maximale aanhangwagengewicht worden
beperkt. Het gewicht voor auto en aanhangwagen moet worden verlaagd met 10% voor
iedere extra 1000 m (3280 ft), of een deel
daarvan.
Vermijd hellingen met een percentage van
meer dan 12% bij het gebruik van een aanhangwagen.
N.B.
Extreme weersomstandigheden, gebruik van
aan aanhangwagen of ritten op grote hoogte
zijn, in combinatie met een slechtere brandstofkwaliteit dan aanbevolen, factoren die het
brandstofverbruik aanzienlijk kunnen doen
toenemen.
478
Aanhangwagencontact
Niveauregeling*
Als de trekhaak van de auto een 13-polige aansluiting heeft en de aanhangwagen een 7-polige
aansluiting, hebt u een adapter nodig. Gebruik
een door Volvo goedgekeurde adapter. Zorg dat
de kabel niet over de grond sleept.
De niveauregeling van de auto streeft ernaar om
ongeacht de belading dezelfde rijhoogte aan te
houden (tenzij het maximaal toelaatbare gewicht
wordt overschreden). Wanneer de auto stilstaat,
zakt de achterkant normaal iets omlaag.
BELANGRIJK
Als de motor wordt afgezet, kan de constante
accuspanning voor het aanhangercontact
automatisch worden uitgeschakeld om de
startaccu niet te ontladen.
Aanhangwagengewichten
WAARSCHUWING
Volg de vermelde aanbevelingen voor het
aanhangergewicht. Anders is het mogelijk dat
de hele combinatie bij uitwijkmanoeuvres en
afremmen moeilijk onder controle is te houden.
N.B.
De vermelde maximaal toegestane aanhangergewichten zijn door Volvo toegestaan. Nationale voertuigvoorschriften kunnen het aanhangergewicht en de snelheid verder beperken. De trekhaken zijn mogelijk gecertificeerd
voor hogere trekgewichten dan wat de auto
mag trekken.
Rijden in heuvelachtige gebieden en
landen met een warm klimaat
Onder bepaalde omstandigheden bestaat het
risico van oververhitting tijdens het rijden met
aanhangwagen. Bij oververhitting van de motor
en de aandrijving gaat een waarschuwingssymbool branden op het bestuurdersdisplay en verschijnt er een melding.
De automatische versnellingsbak kiest altijd de
juiste versnelling op basis van de belasting en
het motortoerental.
Steile hellingen
Blokkeer de automatische versnellingsbak niet
met een hogere versnelling dan de motor "aankan" – rijden in een hoge versnelling bij een laag
motortoerental is niet altijd zuinig.
Op een helling parkeren
1. Trap het rempedaal in.
2.
Activeer de parkeerrem.
3.
Kies de schakelstand P.
4.
Laat het rempedaal los.
Gebruik wielblokken, als u een auto met aanhangwagen op een steile helling parkeert.
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Op een helling wegrijden
1. Trap het rempedaal in.
2.
Kies de schakelstand D.
3.
Parkeerrem lossen.
4.
Haal uw voet van het rempedaal en rijd weg.
Gerelateerde informatie
•
•
Aanhangwagenstabilisering* (p. 479)
Aanhangwagenverlichting controleren
(p. 480)
•
•
Trekgewichten en kogeldruk (p. 664)
•
Ongunstige rijomstandigheden voor motorolie (p. 668)
Oververhitting van motor en aandrijving
(p. 471)
Aanhangwagenstabilisering*
(TSA25)
De aanhangwagenstabilisering
heeft tot
taak een auto met aanhangwagen te stabiliseren
wanneer de combinatie slingerneigingen vertoont. De functie maakt deel uit van de stabiliteitsregeling ESC26.
Oorzaken voor slingerneigingen
Bij alle combinaties van auto en aanhangwagen
kan het bekende verschijnsel met slingeren
optreden. Doorgaans treedt het verschijnsel pas
bij hoge snelheden op. Als de aanhangwagen
echter overmatig beladen is of als het gewicht
van de lading verkeerd verdeeld is (bijvoorbeeld
te ver naar achteren), bestaat er ook op lagere
snelheden gevaar voor slingeren.
Een pendelbeweging begint altijd met een van de
onderstaande factoren, zoals.:
•
De auto met aanhangwagen staat bloot aan
rukwinden.
•
De auto met aanhangwagen rijdt over een
oneffen wegdek of over hobbels.
•
Grote stuurbewegingen.
Slingeren is vaak niet of nauwelijks te dempen,
waardoor de combinatie moeilijk bestuurbaar
wordt en het gevaar bestaat dat u op de verkeerde weghelft of naast de weg belandt.
25
26
Trailer Stability Assist
Electronic Stability Control
Werking van de
aanhangwagenstabilisering
De aanhangwagenstabilisering houdt continu de
bewegingen van de auto in de gaten en in het
bijzonder de dwarsbewegingen. Als een neiging
tot slingeren geregistreerd wordt, worden de
voorwielen ieder afzonderlijk dusdanig afgeremd
dat de combinatie gestabiliseerd wordt. Vaak is
dit voldoende om de auto weer onder controle te
krijgen.
Als de slingerbeweging ondanks de eerste
ingreep van de aanhangwagenstabilisering niet
wordt gedempt, worden alle wielen van de combinatie afgeremd en wordt de aandrijfkracht van de
motor verlaagd. Wanneer de pendelbeweging
vervolgens stukje bij beetje verminderd is en de
combinatie weer stabiel is, beëindigt het systeem
de regeling waarna u de auto weer volledig onder
controle hebt.
N.B.
De stabiliteitsregeling wordt uitgeschakeld,
als u de Sportstand kiest door via het menusysteem van het middendisplay ESC te deactiveren.
De aanhangwagenstabilisering grijpt mogelijk
niet in als u met grote stuurbewegingen de slingering zelf tracht op te heffen, aangezien de sta-
}}
* Optie/accessoire. 479
STARTEN EN RIJDEN
||
bilisering dan niet kan bepalen of de slingering
wordt veroorzaakt door de aanhangwagen of
door uzelf.
Wanneer de aanhangwagenstabilisering werkt, knippert op
het bestuurdersdisplay het
symbool ESC.
Gerelateerde informatie
•
•
Rijden met aanhangwagen (p. 477)
Elektronische stabiliteitsregeling (p. 291)
Aanhangwagenverlichting
controleren
Controleer na het aankoppelen van een aanhangwagen voor het vertrek of alle lampen op de
aanhangwagen werken.
Richtingaanwijzers en remlichten op
aanhangwagen
Als een of meer richtingaanwijzers of remlichten
op de aanhangwagen kapot zijn, verschijnen op
het bestuurdersdisplay een symbool en een melding. De overige verlichting op de aanhangwagen
moet u vóór vertrek handmatig controleren.
Symbool
Melding
• Richtingaanw. aanh. Storing
knipperlicht rechts
• Richtingaanw. aanh. Storing
richtingaanwijzer links
• Remlicht aanhanger Storing
Als een richtingaanwijzer op de aanhangwagen
kapot is, knippert het richtingaanwijzersymbool op
het bestuurdersdisplay bovendien sneller dan
normaal.
Mistachterlicht op de aanhangwagen
Bij aansluiting van een aanhangwagen gaat het
mistachterlicht van de auto mogelijk niet branden,
480
in dat geval neemt het mistachterlicht op de aanhangwagen de functie over. Controleer daarom in
deze gevallen bij activering van het mistachterlicht of de aanhangwagen is uitgerust met een
mistachterlicht om de auto met aanhangwagen
op een veilige manier te kunnen besturen.
STARTEN EN RIJDEN
Aanhangwagenverlichting controleren*
Automatische controle
Na aansluiting van een aanhangwagen is de werking van de aanhangwagenverlichting te controleren aan de hand van een automatische verlichtingscontrole. Dankzij deze controle kunt u voor
vertrek nagaan of de aanhangwagenverlichting
werkt.
Automatische controle uitschakelen
De automatische controlefunctie is uit te schakelen op het middendisplay.
1.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm.
2.
Tik op My Car
3.
Vink Aut. contr. lamp aanhanger uit.
Lampen en verlichting.
Om deze controle te kunnen verrichten moet de
auto zijn uitgeschakeld.
Handmatige controle
Als de automatische controle is uitgeschakeld,
kunt u de controle handmatig starten.
1.
1.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm.
2.
Tik op My Car
3.
Kies Handm. contr. lamp aanhanger.
> De lichtcontrole gaat van start. Stap uit de
auto om de werking van de verlichting te
kunnen controleren.
Wanneer er een aanhangwagen aan de trekhaak is gekoppeld, verschijnt de melding
Aut. contr. lamp aanhanger op het
bestuurdersdisplay.
2.
Bevestig de melding door de O-knop van de
rechter stuurknoppenset in te drukken.
> De lichtcontrole gaat van start.
3.
Stap uit de auto om de werking van de verlichting te kunnen controleren.
> Alle lampen van de aanhangwagen gaan
knipperen – daarna gaan de lampen één
voor één branden.
4.
Kijk of alle lampen op de aanhangwagen ook
daadwerkelijk branden.
5.
Na een poosje gaan alle lampen op de aanhangwagen weer knipperen.
> De controle is afgerond.
Het wordt geadviseerd om een van de fietsdragers te gebruiken die Volvo ontwikkeld heeft.
Dit om schade aan de auto te voorkomen en voor
maximale veiligheid tijdens het rijden. De fietsdragers van Volvo zijn te verkrijgen bij erkende
Volvo-dealers.
Volg nauwgezet de instructies op die bij de fietsdrager zijn geleverd.
•
Het gecombineerde gewicht van de fietsdrager plus lading mag maximaal 75 kg (165
lbs) zijn.
•
Gebruik alleen een fietsdrager voor het vervoer van maximaal drie fietsen.
Lampen en verlichting.
Gerelateerde informatie
•
Op trekhaak gemonteerde
fietsdrager*
Rijden met aanhangwagen (p. 477)
WAARSCHUWING
Verkeerd gebruik van de fietsdrager kan
schade aan trekhaak en auto veroorzaken.
De fietsdrager kan van de trekhaak loskomen
als deze
•
•
verkeerd op de trekhaak gemonteerd is
•
wordt gebruikt voor het vervoer van
andere dingen dan fietsen.
overbelast is; zie de instructies bij de
fietsdrager voor het maximale draagvermogen
}}
* Optie/accessoire. 481
STARTEN EN RIJDEN
||
Een fietsdrager die op de trekhaak is gemonteerd is van invloed op de rijeigenschappen van
de auto, op grond van bijvoorbeeld:
•
•
•
•
het zicht naar achteren beperken en tot een
hoger brandstofverbruik leiden. Ze zorgen
ook voor grotere krachten die inwerken op
de trekhaak.
het grotere gewicht van de auto
het gereduceerde acceleratievermogen
Gerelateerde informatie
de gereduceerde bodemvrijheid
•
het gewijzigde remvermogen.
Trekhaak* (p. 474)
Slepen
Bij het slepen wordt de auto met behulp van een
sleepkabel voortgetrokken door een ander voertuig.
Ga alvorens te slepen na wat de wettelijk voorgeschreven maximumsnelheid voor slepen is.
Voorbereidingen en slepen
Adviezen voor het vervoer van fietsen
op een fietsdrager
Hoe groter de afstand tussen het zwaartepunt
van de last en de trekhaakkogel hoe groter de
belasting van de trekhaak.
BELANGRIJK
Sleep de auto altijd zo dat de wielen in de rijrichting draaien.
•
Neem bij het opladen de volgende adviezen in
acht:
•
Plaats de zwaarste fiets vooraan, zo dicht
mogelijk bij de auto.
•
Zorg dat de fietsen symmetrisch zijn opgeladen en zo dicht mogelijk tegen de auto aan
staan, door bij het vervoer van meerdere fietsen de fietsen om en om te plaatsen.
•
Controleer voordat u gaat slepen of het
stuurslot eraf is.
Verwijder losse voorwerpen van de fiets(en)
bij het vervoer, zoals een fietsmand, accu of
kinderzitje. Niet alleen om de krachten te verlagen die inwerken op de trekhaak en fietsdrager maar ook om de luchtweerstand te
verlagen die van invloed is op het brandstofverbruik.
•
Contactslotstand II moet geactiveerd zijn
– in contactslotstand I zijn alle airbags
gedeactiveerd.
•
Zorg dat de transpondersleutel tijdens
het slepen altijd in de auto aanwezig is.
•
•
482
Sleep auto's met een automatische versnellingsbak niet met een hogere snelheid dan 80 km/h (50 mph) en niet verder dan 80 km (50 mijl).
WAARSCHUWING
Verwijder eventuele fietshoezen. Ze kunnen
de rijeigenschappen negatief beïnvloeden,
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
WAARSCHUWING
De rem- en stuurbekrachtiging werken niet
als de motor is uitgeschakeld. Er moet
ca. 5 keer zo hard op het rempedaal worden
getrapt en de besturing gaat aanzienlijk
zwaarder dan normaal.
1.
Schakel de alarmlichten van de auto in.
2.
Bevestig de sleepkabel aan het sleepoog.
3.
Hef het stuurslot op door de auto te ontgrendelen.
4.
Zet de auto in contactslotstand II – draai de
startknop rechtsom zonder het rempedaal te
bedienen (of het koppelingspedaal bij een
auto met een handgeschakelde versnellingsbak) en houd de knop zo'n 4 seconden lang
in deze stand vast. Laat vervolgens knop los,
die automatisch terugveert naar de uitgangspositie.
5.
Zet de keuzehendel in neutraalstand en los
de parkeerrem.
Als de accuspanning te laag is, kunt u de
parkeerrem niet lossen. Sluit een hulpaccu
aan, als de accuspanning te laag is.
> U kunt vervolgens beginnen met het slepen.
6.
7.
Houd, wanneer de slepende auto afremt, de
sleepkabel altijd strak door met uw voet
lichte druk op het rempedaal uit te oefenen –
zo voorkomt u schokken.
Sta klaar om te remmen om de auto tot stilstand te brengen.
Starten met hulpaccu
Probeer de motor niet aan te slepen. Gebruik een
hulpaccu als de startaccu dusdanig ontladen is
dat de motor niet kan worden gestart.
Sleepoog monteren en demonteren
Gebruik het sleepoog bij het slepen. Schroef het
sleepoog vast in een draadbus achter een
afdekking in de bumper, voor of achter.
N.B.
Als de auto is uitgerust met een trekhaak, is
er geen achterste sleepoogbevestiging.
Sleepoog monteren
BELANGRIJK
De katalysator kan beschadigd raken bij
pogingen om de motor via slepen aan het
draaien te krijgen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Sleepoog monteren en demonteren (p. 483)
Alarmlichten (p. 158)
Bergen (p. 485)
Starthulp met andere accu (p. 472)
Pak het sleepoog erbij. Dit zit in het blok
schuimrubber onder de vloer in de bagageruimte.
Contactslotstand kiezen (p. 423)
}}
483
STARTEN EN RIJDEN
4.
||
Voor: Verwijder de afdekking – druk met één
vinger op de markering.
> De afdekking is over de lengteas te
draaien en vervolgens te verwijderen.
484
Achter: Verwijder de afdekking – druk met
één vinger op de markering en vouw tegelijkertijd de tegenovergelegen kant/hoek naar
buiten.
> De afdekking is over de lengteas te
draaien en vervolgens te verwijderen.
Schroef het sleepoog tot aan de aanslag
naar binnen.
Draai het oog stevig vast, steek bijvoorbeeld
de wielmoersleutel* door het oog om deze
als hefboom te gebruiken.
BELANGRIJK
Het is belangrijk het sleepoog goed vast te
schroeven – dat wil zeggen, helemaal tot aan
de aanslag.
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Waar u op moet letten alvorens het sleepoog
te gebruiken
• Het is toegestaan het sleepoog te gebruiken
om de auto op een bergingsvoertuig met
laadvloer te trekken. De positie van de auto
en de bodemspeling bepalen of dat mogelijk
is.
•
•
Als de oprijplaten van het bergingsvoertuig
onder een te grote hoek staan of als de
bodemspeling onder de auto onvoldoende is,
kan de auto beschadigd raken wanneer men
deze met een sleepoog op het bergingsvoertuig probeert te trekken.
Hef de auto zo nodig op met de takelinrichting van het bergingsvoertuig – maak geen
gebruik van het sleepoog.
Sleepoog demonteren
–
Bij het bergen wordt de auto met behulp van
een ander voertuig weggesleept.
Plaats de afdekking tot slot weer in de bumper terug.
Roep professionele hulp in voor berging.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Bergen
Draai het sleepoog na gebruik los en leg het
weer terug in het blok schuimrubber.
Slepen (p. 482)
Bergen (p. 485)
Gereedschapsset (p. 568)
Het is toegestaan het sleepoog te gebruiken om
de auto op een bergingsvoertuig met laadvloer te
trekken.
De positie en bodemspeling van de auto bepalen
of de auto op een laadvloer kan worden getrokken. Als de oprijplaten van het bergingsvoertuig
onder een te grote hoek staan of als de bodemspeling onder de auto onvoldoende is, kan de
auto beschadigd raken wanneer men deze op het
bergingsvoertuig probeert te trekken. Neem de
auto dan op met de hefinrichting van het bergingsvoertuig.
WAARSCHUWING
Zorg dat het gebied achter het bergingsvoertuig vrij blijft, terwijl de auto op de laadvloer
wordt getrokken.
WAARSCHUWING
Zorg dat het gebied achter het bergingsvoertuig vrij blijft, terwijl de auto op de laadvloer
wordt getrokken.
BELANGRIJK
Het sleepoog is alleen bedoeld voor het slepen over de weg en niet geschikt voor berging wanneer de auto bijvoorbeeld in een
sloot is gereden of vast is komen te zitten.
Roep professionele hulp in voor berging.
BELANGRIJK
Het sleepoog is alleen bedoeld voor het slepen over de weg en niet geschikt voor berging wanneer de auto bijvoorbeeld in een
sloot is gereden of vast is komen te zitten.
Roep professionele hulp in voor berging.
}}
485
STARTEN EN RIJDEN
||
BELANGRIJK
Berg de auto altijd zo dat de wielen in de rijrichting draaien.
Gerelateerde informatie
•
Sleepoog monteren en demonteren (p. 483)
HomeLink®*27
Knop 3
HomeLink®28
Controlelampje
is een programmeerbare afstandsbediening die in het elektrische systeem van de
auto geïntegreerd is en tot drie verschillende
installaties (zoals een garagedeuropener, alarmsysteem, huis- en tuinverlichting) op afstand kan
bedienen en daarmee de originele afstandsbedieningen vervangt.
Algemeen
HomeLink® wordt geleverd in een uitvoering die
ingebouwd is in de achteruitkijkspiegel. Het
HomeLink®-paneel bestaat uit drie programmeerbare knoppen en een controlelampje in het
spiegelglas.
Ga voor meer informatie over HomeLink® naar:
www.HomeLink.com of bel 00 8000 466 354 65
(of het betaalnummer +49 6838 907 277)29.
Let erop dat u de originele afstandsbedieningen
goed bewaart voor eventuele programmering in
een later stadium (zoals bij aankoop van een
nieuwe auto of gebruik in een andere auto). Het
wordt tevens geadviseerd om de programmering
van de knoppen te wissen bij verkoop van de
auto.
Gerelateerde informatie
De afbeelding is schematisch, zodat de uitvoering kan
variëren.
Knop 1
•
•
•
HomeLink®* gebruiken (p. 489)
HomeLink®* programmeren (p. 487)
Typegoedkeuring voor HomeLink®* (p. 489)
Knop 2
27
28
29
486
Geldt voor bepaalde markten.
HomeLink en het symbool met het HomeLink-huis zijn geregistreerde handelsmerken van Gentex Corporation.
Let erop dat de gratis hulplijn afhankelijk van de provider mogelijk niet beschikbaar is.
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
HomeLink®*30 programmeren
1.
HomeLink®
Volg de instructies op om
te programmeren, de fabrieksinstellingen te herstellen
of een knop te herprogrammeren.
N.B.
Bij bepaalde auto’s moet het contact zijn
ingeschakeld of in de ‘accessoirestand’ staan,
voordat HomeLink® te programmeren of
gebruiken is. Plaats gerust nieuwe batterijen
in de afstandsbediening die HomeLink® moet
vervangen, omdat de programmering dan
mogelijk sneller verloopt en het radiosignaal
sterker is. Herstel de HomeLink®-knoppen
alvorens te programmeren.
Richt de afstandsbediening op de te programmeren HomeLink®-knop en houd de
afstandsbediening op zo'n 2–8 cm (1–3
inch) van de knop. Blokkeer het controlesymbool van HomeLink® niet.
Opmerking! Met sommige afstandsbedieningen is HomeLink® beter te programmeren
op een afstand van zo'n 15–20 cm (6–12
inch). Houd hier rekening mee als er problemen optreden bij het programmeren.
2.
Houd zowel op de afstandsbediening als op
HomeLink® de knoppen ingedrukt die u wilt
programmeren.
3.
Laat de knoppen pas los als het led-lampje
niet meer langzaam (ca. 1 maal per seconde)
maar snel knippert (ca. 10 maal per
seconde) of constant brandt.
> Als het controlelampje constant
brandt: Aanduiding dat de programmering is voltooid. Druk voor activering 2
maal op de geprogrammeerde knop.
Als het controlelampje snel knippert:
De eenheid die u voor HomeLink® wenst
te programmeren is mogelijk voorzien van
een beveiligingsfunctie zodat extra stappen vereist zijn. Druk 2 maal op de geprogrammeerde knop om te controleren of
de programmering gelukt is. Ga anders
verder met de volgende stap.
WAARSCHUWING
Tijdens het programmeren van HomeLink®
wordt de garagedeur die wordt geprogrammeerd (of het toegangshek) mogelijk geactiveerd. Let daarom op dat er niemand in de
buurt van de deur of het hek staat tijdens het
programmeren. De auto moet buiten de
garage staan bij het programmeren van de
garagedeuropener.
30
Geldt voor bepaalde markten.
}}
* Optie/accessoire. 487
STARTEN EN RIJDEN
Neem bij programmeringsproblemen contact op
met HomeLink® via: www.HomeLink.com of bel
00 8000 466 354 65 (of het betaalnummer
+49 6838 907 277)32.
||
–
Afzonderlijke knop herprogrammeren
Doe het volgende om één afzonderlijke
HomeLink®-knop te programmeren:
1.
4.
5.
Druk de inleerknop van de ontvanger eenmaal in en laat hem weer los. De programmering moet binnen 30 seconden na het
indrukken van de knop worden voltooid.
6.
Druk de knop op HomeLink® in die u wilt
programmeren en laat de knop weer los.
Herhaal de procedure van indrukken/vasthouden/loslaten al naar gelang het model
van de ontvanger één of twee keer.
> Het programmeren is daarmee klaar en
garagedeur, toegangshek en dergelijke
moeten vervolgens geactiveerd worden bij
het indrukken van de geprogrammeerde
knop.
31
32
488
Zoek de inleerknop31 op de ontvanger voor
bijvoorbeeld de garagedeur op. De knop zit
doorgaans in de buurt van de antennevoet
op de ontvanger.
2.
Druk op de gewenste knop en houd deze
zo'n 20 seconden ingedrukt.
HomeLink®
Wanneer het controlelampje op
langzaam gaat knipperen kunt u op de
gebruikelijke manier programmeren.
Houd de buitenste knoppen (1 en 3) op
HomeLink® zo'n 10 seconden ingedrukt.
> Wanneer het controlelampje niet meer
constant brandt, maar is gaan knipperen
zijn de knoppen gereset en weer gereed
voor programmering.
Gerelateerde informatie
•
•
•
HomeLink®* gebruiken (p. 489)
HomeLink®* (p. 486)
Typegoedkeuring voor HomeLink®* (p. 489)
Opmerking! Als de te programmeren knop
opnieuw moet worden geprogrammeerd niet
met een nieuwe eenheid wordt geprogrammeerd, zal deze terugkeren naar de eerder
opgeslagen programmering.
HomeLink®-knoppen resetten
Het is alleen mogelijk om alle HomeLink®-knoppen tegelijk te resetten en dus niet slechts één
afzonderlijke knop. Afzonderlijke knoppen zijn wel
te herprogrammeren.
De aanduiding en kleur van de knop verschillen per fabrikant.
Let erop dat de gratis hulplijn afhankelijk van de provider mogelijk niet beschikbaar is.
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
HomeLink®*33 gebruiken
WAARSCHUWING
HomeLink®
Zodra
geprogrammeerd is, vormt het
een vervanging voor de afzonderlijke originele
afstandsbedieningen.
Druk de geprogrammeerde knop in. De garagedeur, het toegangshek en dergelijke worden
geactiveerd (dit kan enkele seconden duren). Als
u de knop langer dan 20 seconden indrukt, start
de herprogrammering. Na het indrukken van de
knop brandt of knippert het controlelampje. Uiteraard kunt u de originele afstandsbedieningen
naast HomeLink® blijven gebruiken.
N.B.
Na uitschakeling van het contact blijft
HomeLink® nog minstens 7 minuten lang
werken.
N.B.
HomeLink® is niet te gebruiken als de auto
van de buitenzijde vergrendeld is en het
alarm* ingeschakeld is.
33
34
•
•
Als HomeLink® wordt gebruikt om een
garagedeur of hek te bedienen, moet u
controleren of er niemand in de buurt van
de deur of het hek staat als deze
beweegt.
Gebruik HomeLink® niet voor een elektrische garagedeur zonder veiligheidsstop
en -retour.
Gerelateerde informatie
•
•
•
HomeLink®*
(p. 486)
HomeLink®* programmeren (p. 487)
Typegoedkeuring voor HomeLink®* (p. 489)
Typegoedkeuring voor
HomeLink®*34
Typegoedkeuring voor de EU
Gentex Corporation verklaart bij dezen dat de
radioapparatuur van het type HomeLink® UAHL5
in overeenstemming is met de richtlijn
2014/53/EU.
Frequentiebanden waarin de radioapparatuur
werkt:
•
•
•
•
•
433,05 – 434,79 MHz <10 mW e.r.p.
868,00 – 868,60 MHz <25 mW e.r.p.
868,70 – 868,20 MHz <25 mW e.r.p.
869,40 – 869,65 MHz <25 mW e.r.p.
869,70 – 870,00 MHz <25 mW e.r.p.
Adres certificaateigenaar: Gentex Corporation,
600 North Centennial Street, Zeeland MI 49464,
USA
Zie voor meer informatie op
support.volvocars.com.
Gerelateerde informatie
•
HomeLink®* (p. 486)
Geldt voor bepaalde markten.
Geldt voor bepaalde markten.
* Optie/accessoire. 489
STARTEN EN RIJDEN
Kompas*
Kompas* activeren en deactiveren
Kompas kalibreren*
In de rechter bovenhoek van de achteruitkijkspiegel zit een display waarop wordt aangegeven in welke kompasrichting35 de voorkant van
de auto wijst.
In de rechter bovenhoek van de achteruitkijkspiegel zit een display waarop wordt aangegeven in welke kompasrichting36 de voorkant van
de auto wijst.
De aarde is in 15 magnetische zones verdeeld.
Het kompas37 dient te worden gekalibreerd als
u met de auto meerdere magnetische zones
doorkruist.
Kompas activeren en deactiveren
Kalibreer als volgt:
Het kompas wordt automatisch geactiveerd bij
het starten van de motor.
1.
Breng de auto tot stilstand op een groot en
open terrein waar geen stalen constructies
of hoogspanningsdraden zijn.
2.
Start de auto en schakel alle elektrische uitrusting (klimaatregeling, luchtdroger en dergelijke) uit en zorg dat alle portieren dichtstaan.
Om het kompas handmatig te deactiveren/activeren:
–
Druk bijv. met een recht gebogen paperclip
het knopje aan de onderzijde van de achteruitkijkspiegel in.
Gerelateerde informatie
Achteruitkijkspiegel met kompas.
•
•
Kompas* (p. 490)
Kompas kalibreren* (p. 490)
Er worden acht verschillende kompasrichtingen
met Engelse afkortingen weergegeven: N
(noord), NE (noordoost), E (oost), SE (zuidoost),
S (zuid), SW (zuidwest), W (west) en NW (noordwest).
Gerelateerde informatie
•
•
35
36
37
490
Kompas* activeren en deactiveren (p. 490)
N.B.
De kalibratie kan mislukken of helemaal niet
worden uitgevoerd, als u de elektrische uitrusting niet uitschakelt.
3.
Houd het knopje aan de onderzijde van de
achteruitkijkspiegel zo'n 3 seconden lang
ingedrukt (met een paperclip of iets dergelijks). Het cijfer van de huidige magnetische
zone verschijnt.
Kompas kalibreren* (p. 490)
De achteruitkijkspiegel met kompas is alleen een optie op bepaalde markten en modellen.
De achteruitkijkspiegel met kompas is alleen een optie op bepaalde markten en modellen.
De achteruitkijkspiegel met kompas is alleen een optie op bepaalde markten en modellen.
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
7.
Voor auto’s met elektrische voorruitverwarming*: Als bij activering van de elektrische voorruitverwarming het teken C op het
display verschijnt, kalibreer dan volgens punt
6 hierboven met de elektrische voorruitverwarming ingeschakeld.
8.
Herhaal de bovenstaande procedure zo
nodig.
Gerelateerde informatie
Magnetische zones.
4.
Druk meerdere malen op het knopje totdat
het nummer van de gewenste magnetische
zone (1–15) verschijnt (zie de kaart met de
magnetische zones van het kompas).
5.
Wacht totdat het teken C weer op het display verschijnt of houd het knopje aan de
onderzijde van de achteruitkijkspiegel
zo'n 6 seconden lang ingedrukt, totdat het
teken C verschijnt.
6.
Rijd langzaam een rondje in de auto met een
snelheid van hoogstens 10 km/h (6 mph),
totdat een kompasrichting op het display verschijnt. Dit geeft aan dat de kalibratie afgerond is. Rijd daarna nog 2 rondjes om de
kalibratie fijn af te stellen.
•
•
Kompas* (p. 490)
Kompas* activeren en deactiveren (p. 490)
* Optie/accessoire. 491
GELUID, MEDIA EN INTERNET
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Audio, media en internet
Het audio- en mediasysteem bestaat uit een
mediaspeler en een radio. Het is ook mogelijk
een telefoon aan te sluiten via Bluetooth om
handsfree te bellen of draadloos muziek in de
auto af te spelen. Wanneer de auto een internetverbinding heeft, kunt u ook apps gebruiken voor
het afspelen van media.
dates te downloaden voor optimale functionaliteit,
zie support.volvocars.com.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
Overzicht van geluid en media
De functies zijn te bedienen met stemcommando's, de knoppenset op het stuurwiel of via het
middendisplay. Het hangt van het audiosysteem
van de auto af hoeveel luidsprekers en versterkers er in de auto zitten.
Systeemupdate
Het audio- en mediasysteem wordt voortdurend
verder verbeterd. Wanneer de auto een internetverbinding heeft is het mogelijk om systeemup-
494
Mediaspeler (p. 505)
Radio (p. 499)
Telefoon (p. 521)
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 531)
Apps (p. 496)
Stembediening (p. 142)
Audio-instellingen
Het audiosysteem is vooraf ingesteld voor optimale geluidsweergave maar is ook naar wens
aan te passen.
Het volume wordt normaal gesproken geregeld
met de volumeknop onder het middendisplay of
met de rechter stuurknoppenset. Dit geldt bijvoorbeeld bij het afspelen van muziek, het beluisteren van de radio, de geluidsweergave van een
lopende telefoongesprek en de weergave van
actieve verkeersberichten.
Contactslotstanden (p. 422)
Optimale geluidsweergave
Afleiding van de bestuurder (p. 39)
Het audiosysteem is voorgekalibreerd voor optimale geluidsweergave met behulp van digitale
signaalverwerking. Voor ieder automodel wordt
het audiosysteem tijdens de kalibratie perfect
afgestemd op de luidsprekers, de versterker, de
akoestiek in de auto, de positie van de luisteraar
en dergelijke. Er is tevens een dynamische kalibratie waarbij rekening wordt gehouden met de
stand van de volumeknop en de rijsnelheid.
Systeemupdates hanteren via Download
Center (p. 607)
Licentieovereenkomst voor audio en media
(p. 540)
Persoonlijke instellingen
In het hoofdscherm onder Instellingen
Geluid zijn verschillende instellingen beschikbaar, afhankelijk van het audiosysteem van de
auto.
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
temen, bijv. Stembediening, Parkeerhulp
en Ringtone telefoon.
Premium Sound* (Bowers & Wilkins)
• Toon – persoonlijke instellingen van bijv.
lage en hoge tonen en equalizer.
• Balans – onderlinge balans tussen de luidsprekers links/rechts en de luidsprekers
voor/achter.
• Systeemvolumes – voor het aanpassen
van het volume van de verschillende autosystemen, bijv. Stembediening, Parkeerhulp
en Ringtone telefoon.
High Performance Pro* (Harman
Kardon)
• Equalizer – instelling voor equalizer.
• Balans – onderlinge balans tussen de luidsprekers links/rechts en de luidsprekers
voor/achter.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
Geluidservaring* (p. 495)
Mediaspeler (p. 505)
Instellingen voor stembediening (p. 146)
Instellingen voor telefoon (p. 529)
Audio, media en internet (p. 494)
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 531)
Geluidservaring*
Geluidservaring is een app die toegang biedt tot
aanvullende geluidsinstellingen.
Geluidsbeleving is te openen vanuit het appscherm van het middendisplay. Afhankelijk van
het audiosysteem van de auto zijn de volgende
instellingen mogelijk:
Premium Sound* (Bowers & Wilkins)
• Studio – de geluidsweergave is te optimaliseren voor Bestuurder, Alles en Achter.
• Individuele stap – surroundstand met
instellingen voor intensiteit en ruimtelijkheid.
• Concertgebouw – zorgt voor een geluidsweergave met de akoestiek van het concertgebouw van Gothenburg.
• Systeemvolumes – voor het aanpassen
van het volume van de verschillende autosystemen, bijv. Stembediening, Parkeerhulp
en Ringtone telefoon.
High Performance
• Toon – persoonlijke instellingen van bijv.
lage en hoge tonen en equalizer.
• Balans – onderlinge balans tussen de luidsprekers links/rechts en de luidsprekers
voor/achter.
• Systeemvolumes – voor het aanpassen
van het volume van de verschillende autosys-
U kunt de akoestiek van het concertgebouw van Gotenburg nabootsen.
}}
* Optie/accessoire. 495
GELUID, MEDIA EN INTERNET
||
High Performance Pro* (Harman
Kardon)
• Stoeloptimalisatie – de geluidsweergave is
te optimaliseren voor Bestuurder, Alles en
Achter.
• Surround – surroundstand met instellingen
voor intensiteit.
• Toon – persoonlijke instellingen van bijv.
lage en hoge tonen en equalizer.
Apps
Op het appscherm staan applicaties (apps) die
toegang bieden tot bepaalde autofuncties.
Veeg van rechts naar links1 over het middendisplay om vanuit het homescherm het appscherm
te openen. Hier liggen apps die zijn gedownload
(apps van derden) maar ook apps voor ingebouwde functies, bijvoorbeeld FM-radio.
Gerelateerde informatie
•
•
Audio-instellingen (p. 494)
Navigeren in schermen op het middendisplay
(p. 110)
Appscherm (algemene afbeelding, de basisapps variëren
per markt en model)
Bepaalde basisapps zijn altijd beschikbaar. Wanneer de auto een internetverbinding heeft, kunt u
andere apps downloaden zoals internetradio en
muziekdiensten.
Sommige apps kunt u alleen gebruiken, als de
auto een actieve internetverbinding heeft.
1
496
Geldt voor een auto met het stuur links. Voor een auto met het stuur rechts: veeg in tegengestelde richting.
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Start een app door in het appscherm op het middendisplay de desbetreffende app aan te klikken.
Alle apps die worden gebruikt, moeten geüpdatet
zijn naar de nieuwste versie.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
Apps downloaden (p. 497)
Apps bijwerken (p. 498)
Apps verwijderen (p. 498)
Apple® CarPlay®* (p. 514)
Android Auto* (p. 518)
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 531)
•
Vrije geheugenruimte op harde schijf
(p. 539)
•
Gebruiksvoorwaarden en gegevensuitwisseling (p. 537)
Apps downloaden
3.
Druk op een bepaalde app om de lijst uit te
vouwen en meer informatie over de app te
krijgen.
4.
Kies Installeren om de app van uw keuze te
downloaden en installeren.
> Tijdens het downloaden en installeren
wordt de voortgang aangegeven.
Wanneer de auto een internetverbinding heeft,
kunt u ook nieuwe apps downloaden.
N.B.
Het downloaden van data kan van invloed zijn
op andere diensten die gebruik maken van
gegevensuitwisseling, zoals de internetradio.
Als u deze invloed op andere diensten als
hinderlijk ervaart, kunt u het downloaden
annuleren. Het is ook mogelijk om andere
diensten te annuleren of tijdelijk te onderbreken.
N.B.
Let bij het downloaden via een telefoon extra
goed op eventuele kosten voor dataverkeer.
1.
2.
Open de app Download Center op het
appscherm.
Kies Nieuwe apps om een lijst te openen
met de apps die beschikbaar zijn voor installatie in de auto.
Als een bepaalde download niet kan starten, verschijnt een melding. De app blijft
echter op de downloadlijst staan, zodat u
later een nieuwe poging tot downloaden
kunt doen.
Downloaden annuleren
– Druk op Annuleer om een lopende download te annuleren.
Let erop dat alleen de download te annuleren is,
zodat u een eventuele installatiefase niet meer
kunt annuleren zodra deze van start gegaan is.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Apps (p. 496)
Apps bijwerken (p. 498)
Apps verwijderen (p. 498)
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 531)
•
Systeemupdates hanteren via Download
Center (p. 607)
•
Vrije geheugenruimte op harde schijf
(p. 539)
* Optie/accessoire. 497
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Apps bijwerken
Wanneer de auto een internetverbinding heeft, is
het mogelijk apps bij te werken.
Alle apps bijwerken
1. Open de app Download Center op het
appscherm.
N.B.
Let bij het downloaden via een telefoon extra
goed op eventuele kosten voor dataverkeer.
Als bij het bijwerken van een app blijkt dat de
desbetreffende app in gebruik is, wordt deze app
opnieuw gestart om de installatie te voltooien.
2.
2.
Kies Applicatie-updates om een lijst te
openen met alle beschikbare updates.
3.
Zoek de gewenste app op en kies
Installeren.
> De update start.
Gerelateerde informatie
•
1.
Open de app Download Center op het
appscherm.
2.
Kies Applicatie-updates om een lijst te
openen met alle geïnstalleerde apps.
3.
Zoek de gewenste app op en kies Deinstalleren om de app te verwijderen.
> Zodra de app verwijderd is, verdwijnt deze
uit de lijst.
Kies Alles installeren.
> De update start.
Bepaalde apps bijwerken
1. Open de app Download Center op het
appscherm.
•
•
•
•
498
Wanneer de auto een internetverbinding heeft, is
het mogelijk apps te verwijderen.
U kunt een app niet verwijderen, wanneer deze
gebruikt wordt.
N.B.
Het downloaden van data kan van invloed zijn
op andere diensten die gebruik maken van
gegevensuitwisseling, zoals de internetradio.
Als u deze invloed op andere diensten als
hinderlijk ervaart, kunt u het downloaden
annuleren. Het is ook mogelijk om andere
diensten te annuleren of tijdelijk te onderbreken.
Apps verwijderen
Apps (p. 496)
Apps downloaden (p. 497)
Apps verwijderen (p. 498)
Systeemupdates hanteren via Download
Center (p. 607)
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 531)
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Apps (p. 496)
Apps downloaden (p. 497)
Apps bijwerken (p. 498)
Systeemupdates hanteren via Download
Center (p. 607)
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 531)
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Radio
Het is mogelijk de radiofrequentiebanden voor
AM, FM en digitale radio (DAB)* te beluisteren.
Wanneer de auto een internetverbinding heeft is
het ook mogelijk om webradio te beluisteren.
•
•
•
Digitale radio* (p. 504)
Radio starten
RDS-radio (p. 503)
De radio is te starten vanuit het appscherm van
het middendisplay.
•
•
Stembediening radio en media (p. 145)
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 531)
1.
Open de gewenste radioband (bijv. FM) vanuit het appscherm.
2.
Kies een radiokanaal.
Mediaspeler (p. 505)
De radio is te bedienen via
stemcommando's, de stuurknoppen of via het middendisplay.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Radio starten (p. 499)
Van radioband en radiozender wisselen
(p. 500)
Radiofavorieten instellen (p. 501)
Instellingen voor radio (p. 502)
Gerelateerde informatie
•
•
Radio (p. 499)
Radiokanaal zoeken (p. 501)
}}
* Optie/accessoire. 499
GELUID, MEDIA EN INTERNET
•
Van radioband en radiozender wisselen
(p. 500)
Van radioband en radiozender
wisselen
2.
Kies weergave via Zenders, Favorieten,
Genres of Ensembles2.
•
•
•
Radiofavorieten instellen (p. 501)
Hier volgen instructies voor het wisselen van frequentieband, het wisselen van kanaallijst in de
gekozen radioband en het wisselen van radiokanaal in de gekozen lijst.
3.
Druk op het gewenste kanaal in de lijst.
Instellingen voor radio (p. 502)
Stembediening radio en media (p. 145)
Van radioband wisselen
Open met een vegende beweging het appscherm
op het middendisplay en kies de gewenste radioband (zoals FM) of open het appmenu van het
bestuurdersdisplay met de rechter knoppenset
van het stuurwiel en maak vervolgens een keuze.
Favorieten - alleen de gekozen favoriete kanalen beluisteren.
Genres - uitsluitend radiokanalen beluisteren die
het gekozen genre/programmatype uitzenden,
bijvoorbeeld pop en klassieke muziek.
Van radiokanaal wisselen in gekozen
lijst
–
Van lijst wisselen op de radioband
Druk op
of
onder het middendisplay of op de rechter stuurknoppenset.
> U springt naar het eerstvolgende alternatief in de gekozen lijst.
Wisselen van radiokanaal in de gekozen lijst kan
ook via het middendisplay.
Gerelateerde informatie
1.
2
500
Druk op Bibliotheek.
•
•
•
•
•
•
Radio (p. 499)
Radiokanaal zoeken (p. 501)
Stembediening radio en media (p. 145)
Radiofavorieten instellen (p. 501)
Instellingen voor radio (p. 502)
Applicatiemenu op bestuurdersdisplay (p. 98)
Geldt alleen voor digitale radio (DAB*).
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Radiokanaal zoeken
Handmatig kanalen zoeken
De radio maakt automatisch een kanaallijst met
de best doorkomende radiokanalen binnen het
actuele gebied.
Radiofavorieten instellen
U kunt een radiokanaal toevoegen aan de app
Radiofavorieten en aan de lijst met favorieten
van de bewuste frequentieband (bijv. FM). Hier
volgen de instructies voor het toevoegen en verwijderen van favorieten.
Radiofavorieten
Radiofavorieten laten de opgeslagen favorieten van alle radiobanden zien.
Wanneer u handmatig kanalen zoekt, schakelt de
radio bij een slechte ontvangst niet meer automatisch over op een andere frequentie.
De zoekopties zijn afhankelijk van de gekozen
radioband:
•
•
•
AM - kanalen en frequentie.
1.
Tik op Bibliotheek.
2.
Druk op
.
> Er verschijnt een zoekscherm met toetsenbord.
3.
–
FM - kanalen, genres en frequentie.
DAB* - ensembles en kanalen.
Voer de zoekterm in.
> Naarmate u meer letters invoert wordt de
zoekopdracht verfijnd. De treffers staan
per categorie geordend.
Tik op Hndm. afstemmen, versleep de
of
. Bij lang
schuifknop of tik op
aantikken springt u naar het eerstvolgende
kanaal van de radioband. U kunt ook gebruikmaken van de rechter stuurknoppenset.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Radio (p. 499)
Radio starten (p. 499)
Van radioband en radiozender wisselen
(p. 500)
Stembediening radio en media (p. 145)
Instellingen voor radio (p. 502)
1.
Open de app Radiofavorieten vanuit het
appscherm.
2.
Druk op het gewenste radiokanaal in de lijst
om te luisteren.
Radiofavorieten toevoegen en
verwijderen
–
Druk op
om een radiokanaal aan de lijst
met favorieten op de radioband en aan radiofavorieten toe te voegen of uit de lijst te verwijderen.
Wanneer u een favoriet opslaat vanuit een
kanaallijst, zoekt de radio automatisch naar de
beste frequentie. Maar als er een favoriet wordt
opgeslagen na handmatig kanalen zoeken, schakelt de radio niet automatisch over naar een sterkere frequentie.
}}
* Optie/accessoire. 501
GELUID, MEDIA EN INTERNET
||
Bij het verwijderen van een favoriet wordt deze
eveneens verwijderd uit de lijst met favorieten van
de desbetreffende radioband.
Instellingen voor radio
Gerelateerde informatie
Verkeersbericht onderbreken
•
•
•
•
•
•
•
Radio (p. 499)
Radio starten (p. 499)
Radiokanaal zoeken (p. 501)
Van radioband en radiozender wisselen
(p. 500)
Stembediening radio en media (p. 145)
Instellingen voor radio (p. 502)
Applicatiemenu op bestuurdersdisplay (p. 98)
Er zijn diverse radiofuncties te activeren en
deactiveren.
Een lopende uitzending van bijvoorbeeld een verkeersbericht is tijdelijk te onderbreken door op
van de rechter stuurknoppenset of op
Annuleren op het middendisplay te drukken.
Radiofuncties activeren en deactiveren
Veeg het hoofdscherm open en kies
Instellingen Media gevolgd door de gewenste radioband om de beschikbare functies te
bekijken.
AM/FM-radio
• Radiotekst weergeven: informatie weergeven over de inhoud van programma's, uitvoerende artiesten en dergelijke.
• Programmanaam bevriezen: kiezen om de
programmaservicenaam niet permanent te
laten scrollen, maar de weergave na 20
seconden te laten bevriezen.
• Kies mededelingen:
- Lokale onderbrekingen: lopende mediaweergave onderbreken voor informatie over
verkeersproblemen in de nabije omgeving.
De weergave van de voorgaande mediabron
wordt hervat zodra de melding afgerond is.
Lokale onderbrekingen is een geografische begrenzing van Verkeersinformatie.
502
De functie Verkeersinformatie moet tegelijkertijd geactiveerd zijn.
- Nieuws : lopende mediaweergave onderbreken en nieuws doorgeven. De weergave
van de voorgaande mediabron wordt hervat
zodra de nieuwsuitzending afgerond is.
- Alarm: lopende mediaweergave onderbreken en waarschuwingen voor calamiteiten en
rampen doorgeven. De weergave van de
voorgaande mediabron wordt hervat zodra de
melding afgerond is.
- Verkeersinformatie: lopende mediaweergave onderbreken voor informatie over verkeersproblemen. De weergave van de voorgaande mediabron wordt hervat zodra de
melding afgerond is.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
- Alarm: lopende mediaweergave onderbreken en waarschuwingen voor calamiteiten en
rampen doorgeven. De weergave van de
voorgaande mediabron wordt hervat zodra de
melding afgerond is.
DAB* (digitale radio)
• Service sorteren: aangeven hoe de kanalen
moeten worden gesorteerd. Op alfabetische
volgorde of op servicenummer.
• DAB-DAB-verbinding: functie starten voor
- Verkeersinformatie: informatie ontvangen
over verkeersproblemen.
schakelen binnen DAB. Wanneer het signaal
van een bepaald radiokanaal wegvalt, wordt
automatisch overgeschakeld naar hetzelfde
radiokanaal binnen een andere kanaalgroep
(ander ensemble).
- Nieuwsflits: nieuws ontvangen.
- Transportbericht: informatie ontvangen
over openbaar vervoer, bijvoorbeeld dienstregelingen voor veerboten en treinen.
• DAB-FM-verbinding: functie starten voor
schakelen tussen DAB en FM. Wanneer het
signaal van een bepaald radiokanaal wegvalt,
wordt automatisch naar een andere FM-frequentie gezocht.
- Waarschuwing/diensten: informatie ontvangen over incidenten die van minder
belang zijn dan het alarm, bijvoorbeeld
stroomstoringen.
• Radiotekst weergeven: aangeven of radiotekst of gekozen delen van radiotekst, bijvoorbeeld artiest, moet(en) worden weergegeven.
• Afbeeldingen van programma
weergeven: aangeven of op het scherm wel
of geen afbeeldingen voor de verschillende
programma's moeten verschijnen.
• Kies mededelingen: aangeven welk type
berichten moet worden doorgegeven als
DAB actief is. Bij de gekozen meldingen
wordt de lopende mediaweergave onderbroken en wordt de melding afgespeeld. De
weergave van de voorgaande mediabron
wordt hervat zodra de melding afgerond is.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Radio (p. 499)
RDS-radio
RDS (Radio Data System) zorgt ervoor dat de
radio automatisch overschakelt naar de sterkste
zender. RDS biedt de mogelijkheid om bijvoorbeeld verkeersinformatie te ontvangen en naar
bepaalde soorten programma's te zoeken.
RDS verbindt FM-zenders in een netwerk met
elkaar. Een FM-zender in een dergelijk netwerk
verstuurt bepaalde informatie, zodat een RDSradio onder meer de volgende mogelijkheden
biedt:
•
Automatisch overschakelen op een beter
doorkomende zender als de ontvangst in een
bepaald gebied slecht is.
•
Zoeken op programmatype, zoals programmatypes of verkeersinformatie.
•
Weergeven van informatieve tekst over het
beluisterde radioprogramma.
Digitale radio* (p. 504)
Symbolen op de statusbalk van het middendisplay (p. 119)
N.B.
Bepaalde radiostations gebruiken geen RDS
of slechts bepaalde onderdelen van deze
functie.
Als er nieuws of verkeersinformatie wordt uitgezonden, kan de radio naar een andere zender
overschakelen en de weergave van de actieve
audiobron onderbreken. Als de cd-speler* bijvoorbeeld actief is, wordt de weergave daarvan tijdelijk onderbroken. De radio gaat naar de vorige
}}
* Optie/accessoire. 503
GELUID, MEDIA EN INTERNET
||
audiobron en het vorige volume terug wanneer
het ingestelde programmatype ophoudt met uitzenden. Druk om eerder te onderbreken op
op de rechter stuurknoppenset of druk op
Annuleren op het middendisplay.
Gerelateerde informatie
•
•
Radio (p. 499)
Instellingen voor radio (p. 502)
Digitale radio*
(DAB3)
Digitale radio
is een systeem voor digitale overdracht van radiosignalen. De radio
ondersteunt DAB, DAB+ en DMB4.
De radio is te bedienen via
stemcommando's, de stuurknoppen of via het middendisplay.
De app voor digitale radio is te
starten vanuit het appscherm
op het middendisplay.
DAB-subkanaal
Secundaire componenten worden vaak aangeduid als subkanalen. Dergelijke componenten zijn
van tijdelijke aard en kunnen bijvoorbeeld uit vertalingen van het hoofdprogramma bestaan. Subkanalen worden aangegeven met een pijlsymbool
in het kanaaloverzicht.
Gerelateerde informatie
•
Schakelen tussen de radiobanden FM en
digitale radio* (p. 505)
•
Van radioband en radiozender wisselen
(p. 500)
•
•
•
•
Radiokanaal zoeken (p. 501)
Radiofavorieten instellen (p. 501)
Stembediening radio en media (p. 145)
Instellingen voor radio (p. 502)
Digitale radio is op dezelfde manier te beluisteren
als andere radiobanden, zoals FM. Behalve
Zenders, Favorieten en Genres kunt u daarbij
ook kiezen uit subkanalen en Ensembles.
Ensembles zijn groepen radiokanalen (kanaalgroep) die op dezelfde frequentie zenden.
Als het radiokanaal zijn logo meestuurt, wordt dit
logo gedownload en weergegeven naast de
kanaalnaam (de downloadtijd varieert).
3
4
504
Digital Audio Broadcasting
Digital Multimedia Broadcasting
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Schakelen tussen de radiobanden
FM en digitale radio*
Dankzij deze functie kan de digitale radio (DAB)
overschakelen van een kanaal dat slecht of helemaal niet te ontvangen is op hetzelfde kanaal in
een andere kanaalgroep (ensemble) met een
betere ontvangst, binnen DAB en/of tussen DAB
en FM.
DAB naar DAB- en DAB naar FMschakeling
1.
Tik op Instellingen in het hoofdscherm.
2.
Tik op Media
3.
Mediaspeler
Gerelateerde informatie
De mediaspeler kan geluidsbestanden op de
cd-speler* en op externe mediabronnen weergeven die zijn aangesloten via de USB-poort of
Bluetooth. De speler kan ook videobestanden
weergegeven via de USB-poort.
•
•
Wanneer de auto een internetverbinding heeft is
het ook mogelijk om webradio, audioboeken en
muziekdiensten via apps te beluisteren.
DAB.
Vink de vakjes voor DAB-DAB-verbinding
en/of DAB-FM-verbinding aan of juist niet
om de desbetreffende functies te activeren/
deactiveren.
•
•
•
•
•
•
•
•
Media afspelen (p. 506)
Media regelen en van media wisselen
(p. 507)
Media zoeken (p. 508)
Apps (p. 496)
Radio (p. 499)
Cd-speler* (p. 509)
Video (p. 510)
Media via Bluetooth® (p. 511)
Media AUX/USB-poort (p. 512)
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 531)
Gerelateerde informatie
•
•
•
Digitale radio* (p. 504)
Radio (p. 499)
Instellingen voor radio (p. 502)
De mediaspeler is te bedienen
vanaf het middendisplay, maar
veel functies zijn ook te bedienen vanaf de rechter stuurknoppenset of via stemcommando's.
Een beschrijving van de radio, die ook in de
mediaspeler te bedienen is, staat in een apart
artikel.
* Optie/accessoire. 505
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Media afspelen
De mediaspeler wordt bediend via het middendisplay. Veel functies zijn ook te bedienen vanaf
de rechter stuurknoppenset of via stemcommando's.
Via de mediaspeler verloopt ook de radiobediening die in een apart artikel beschreven staat.
Mediabron starten
CD*
1. Plaats een cd.
2.
Open de app Cd vanuit het appscherm.
3.
Kies wat er moet worden afgespeeld.
> Het afspelen start.
USB-stick
1. Plaats de USB-stick.
2.
Open de app USB vanuit het appscherm.
3.
Kies wat er moet worden afgespeeld.
> Het afspelen start.
Mp3-speler en iPod®
N.B.
Eenheid met Bluetooth-verbinding
1. Activeer Bluetooth op de desbetreffende
mediabron.
2.
Sluit de mediabron aan.
3.
Start de weergave op de aangesloten mediabron.
4.
Open de app Bluetooth vanuit het appscherm.
> Het afspelen start.
Media via een internetverbinding
Media afspelen via apps met een internetverbinding:
1.
Maak een internetverbinding voor de auto.
2.
Open de desbetreffende app vanuit het appscherm.
> Het afspelen start.
Om het afspelen te starten vanaf de iPod,
moet u de iPod-app gebruiken (en niet USB).
Wanneer u muziek op een aangesloten iPod
beluistert, hanteert het audio- en mediasysteem een menustructuur vergelijkbaar met die
van de iPod.
506
Video
1. Sluit de mediabron aan.
Sluit de mediabron aan.
2.
Open de app USB vanuit het appscherm.
2.
Start de weergave op de aangesloten mediabron.
3.
3.
Open de app (iPod, USB) vanuit het appscherm.
> Het afspelen start.
Druk op de titel van het weer te geven
bestand.
> Het afspelen start.
1.
Appscherm. (Algemene afbeelding, de basisapps variëren per markt en model.)
Lees het aparte artikel voor het downloaden van
apps.
Apple CarPlay
CarPlay staat in een apart artikel beschreven.
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Android Auto
Android Auto staat in een apart artikel beschreven.
Gerelateerde informatie
•
Appmenu op bestuurdersdisplay hanteren
(p. 99)
•
•
Radio (p. 499)
•
•
•
•
Eenheid aansluiten via USB-poort (p. 512)
•
•
•
•
•
Media regelen en van media wisselen
(p. 507)
Media regelen en van media
wisselen
onder het middendisplay of op
ter stuurknoppenset.
De weergave van media is te regelen via stembediening, de stuurknoppenset of het middendisplay.
Van track/nummer wisselen - op de gewenste
track op het middendisplay drukken, op
of
onder het middendisplay of op de rechter
stuurknoppenset drukken.
De mediaspeler is te bedienen
via stembediening, de stuurknoppen of via het middendisplay.
Eenheid aansluiten via Bluetooth® (p. 511)
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 531)
Bibliotheek - op de knop
drukken om af te spelen vanuit
de bibliotheek.
Video (p. 510)
CarPlay®*
Vooruit-/achteruitspoelen - op de tijdas op het
middendisplay drukken en deze opzij slepen, of
of
onder het middendisplay of op de
rechter stuurknoppenset ingedrukt houden.
Van media wisselen – kies een eerder gebruikte
bron in de app, tik in het appscherm op de
gewenste app of kies met de rechter stuurknop.
penset via het appmenu
Apps downloaden (p. 497)
Apple®
van de rech-
(p. 514)
Android Auto* (p. 518)
Stembediening radio en media (p. 145)
Compatibele formaten voor media (p. 513)
Volume – aan de draaiknop onder het middendisplay draaien of op
van de rechter stuurknoppenset drukken om het volume te verhogen
of te verlagen.
Shuffle - op de knop drukken
voor een willekeurige afspeelvolgorde.
Afspelen/pauzeren - op de afbeelding van de
desbetreffende track drukken, op de fysieke knop
}}
* Optie/accessoire. 507
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Vergelijkbaar - op de knop
drukken om aan de hand van
Gracenote naar soortgelijke
muziek te zoeken op de USBeenheid en op basis daarvan
een speellijst te creëren. De
speellijst kan uit maximaal 50
||
Media zoeken
Gerelateerde informatie
U kunt artiesten, componisten, tracks, albums,
video’s, luisterboeken, speellijsten en bij een
auto met een actieve internetverbinding podcasts (digitale media via internet) zoeken.
•
•
tracks bestaan.
•
•
Mediaspeler (p. 505)
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 531)
Media afspelen (p. 506)
Handmatig tekens, letters of woorden invoeren op middendisplay (p. 125)
Ander apparaat - op de knop
drukken om te wisselen tussen
meerdere aangesloten USBeenheden.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
Mediaspeler (p. 505)
Media zoeken (p. 508)
Audio-instellingen (p. 494)
1.
.
Druk op
> Er verschijnt een zoekscherm met toetsenbord.
2.
Voer de zoekterm in.
3.
Druk op Zoeken.
> De gekoppelde eenheden worden doorzocht en de treffers verschijnen per categorie geordend in een lijst.
Apps (p. 496)
Gracenote® (p. 509)
Stembediening radio en media (p. 145)
Veeg overdwars over het scherm om alle categorieën apart te bekijken.
508
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Gracenote®
Gracenote geeft bij het afspelen van muziek de
uitvoerende artiesten, albums, tracks en eventuele illustraties weer.
Gracenote MusicID® is een norm voor muziekherkenning. Door identificatie van de muziekbestanden en analyse van de metadata is informatie
over de muziek te presenteren. De metadata die
uit verschillende bronnen komt kan inconsequent
of gebrekkig zijn.
Gracenote ondersteunt de fonetische verwerking
van artiestennamen, albumtitels en genres, zodat
u de stembediening kunt gebruiken om uw
muziek af te spelen.
1.
Tik op Instellingen in het hoofdscherm.
2.
Tik op Media
3.
Kies instellingen voor Gracenote-gegevens:
Gracenote bijwerken
Cd-speler*
De inhoud van de Gracenote-database wordt
voortdurend bijgewerkt. Download de nieuwste
update voor optimale functionaliteit. Zie
support.volvocars.com voor informatie en downloads.
De mediaspeler kan cd's met compatibele audiobestanden afspelen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Media afspelen (p. 506)
Licentieovereenkomst voor audio en media
(p. 540)
Stembediening radio en media (p. 145)
Opening voor het plaatsen/uitwerpen van
een schijf.
Gracenote®.
• Online opzoeken Gracenote® - onlinedatabase van Gracenote doorzoeken op gegevens over de afgespeelde media.
• Meerdere resultaten Gracenote® - aangeven hoe Gracenote-gegevens moeten
worden weergegeven bij meerdere treffers.
Knop voor het uitwerpen van een schijf.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Media afspelen (p. 506)
Stembediening radio en media (p. 145)
Compatibele formaten voor media (p. 513)
1 - originele bestandsgegevens gebruiken.
2 - Gracenote-gegevens gebruiken.
3 - Gracenote- of originele data kiezen.
• Geen - geen treffers.
* Optie/accessoire. 509
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Video
Video afspelen
DivX® weergeven
Videobestanden op apparaten die zijn aangesloten op de USB-poort zijn via de mediaspeler
weer te geven.
Video's zijn af te spelen via de app USB op het
appscherm.
Om Video-on-Demand-films (VOD) in DivX-formaat te kunnen afspelen moet u deze DivX
Certified® eenheid eerst registreren.
Wanneer de auto begint te rijden verdwijnt het
beeld, maar het geluid is nog steeds te horen.
Het beeld komt weer terug, wanneer de auto stilstaat.
Informatie over compatibele mediaformaten vindt
u elders.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
510
Video afspelen (p. 510)
DivX® weergeven (p. 510)
Instellingen voor video (p. 511)
Compatibele formaten voor media (p. 513)
1.
Sluit een mediabron (USB-eenheid) aan.
2.
Open de app USB vanuit het appscherm.
1.
Tik op Instellingen in het hoofdscherm.
3.
Tik op de titel die u wilt afspelen.
> Het afspelen start.
2.
Druk op Video DivX® VOD om de registratiecode op te halen.
3.
Breng voor meer informatie en om de registratie te voltooien een bezoek aan
vod.divx.com.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Video (p. 510)
DivX® weergeven (p. 510)
Instellingen voor video (p. 511)
Gerelateerde informatie
Compatibele formaten voor media (p. 513)
•
•
•
•
Video (p. 510)
Video afspelen (p. 510)
Instellingen voor video (p. 511)
Compatibele formaten voor media (p. 513)
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Instellingen voor video
Media via Bluetooth®
Eenheid aansluiten via Bluetooth®
U kunt de instellingen voor videoweergave wijzigen, bijv. de te hanteren taal.
De mediaspeler in de auto is uitgerust met
Bluetooth en kan draadloos audiobestanden op
externe Bluetooth-eenheden afspelen zoals
mobiele telefoons en laptops.
Verbind een Bluetooth®-apparaat met de auto
om draadloos media af te spelen en een eventuele internetverbinding voor de auto te gebruiken.
Wanneer de videospeler in de stand voor volledige schermgrootte staat of wanneer u het
hoofdscherm hebt geopend en op Instellingen
Video drukt, beschikt u over de volgende
opties: Audiotaal, Uit en Ondertitelingstaal.
Gerelateerde informatie
•
Video (p. 510)
De mediaspeler kan audiobestanden op een
externe eenheid alleen draadloos afspelen als
deze eenheid eerst via Bluetooth aan de auto is
gekoppeld.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Eenheid aansluiten via Bluetooth® (p. 511)
Telefoon eerste keer verbinden met de auto
via Bluetooth (p. 522)
Media afspelen (p. 506)
Compatibele formaten voor media (p. 513)
Hoewel veel moderne telefoons Bluetooth®-technologie bieden, zijn niet alle telefoons volledig
compatibel met de auto.
Voor informatie over de compatibiliteit, zie
support.volvocars.com.
U kunt een media-eenheid op dezelfde manier
via Bluetooth® aan de auto koppelen als een
telefoon.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Media via Bluetooth® (p. 511)
Telefoon eerste keer verbinden met de auto
via Bluetooth (p. 522)
Media afspelen (p. 506)
511
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Media AUX/USB-poort
Eenheid aansluiten via USB-poort
•
Via de USB-poort is een externe audiobron zoals
een iPod® of mp3-speler aan te sluiten op het
audiosysteem.
Via een van de USB-poorten in de auto is een
externe audiobron zoals een iPod® of mp3-speler aan te sluiten op het audiosysteem.
Technische specificaties voor USB-eenheden (p. 513)
•
•
Apple® CarPlay®* (p. 514)
Apparaten met oplaadbare batterijen worden
opgeladen, wanneer ze zijn aangesloten via USB
en het contact in stand I, II staat of de motor
draait.
Bij gebruik van Apple CarPlay* en Android Auto*
moet de telefoon worden aangesloten op de
USB-poort met een witte omlijsting (als er twee
USB-poorten zijn).
Android Auto* (p. 518)
De inhoud van een externe audiobron is sneller
te lezen, als er op deze audiobron alleen compatibele bestandsformaten staan. Ook videobestanden zijn via de USB-poort weer te geven.
Sommige mp3-spelers werken met hun eigen
bestandssysteem dat niet ondersteund word door
het systeem.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
512
Eenheid aansluiten via USB-poort (p. 512)
Media afspelen (p. 506)
Video (p. 510)
Contactslotstanden (p. 422)
Technische specificaties voor USB-eenheden (p. 513)
Apple® CarPlay®* (p. 514)
Android Auto* (p. 518)
USB-poorten (type A) in de tunnelconsole. Laat de kabel
naar voren toe liggen, zodat deze bij het sluiten van het
klepje niet bekneld raakt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Media afspelen (p. 506)
Media AUX/USB-poort (p. 512)
Mediaspeler (p. 505)
Technische specificaties voor USB-eenheden (p. 513)
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Technische specificaties voor USBeenheden
Om de inhoud van USB-eenheden te kunnen
lezen moet de eenheid aan de volgende specificaties voldoen.
Een eventuele mapstructuur is tijdens het afspelen niet zichtbaar op het middendisplay.
Compatibele formaten voor media
Formaat
Bestandsextensie
Voor het afspelen van media zijn de volgende
bestandsformaten vereist.
AVI
.avi
Audiobestanden
AVI (DivX)
.avi, .divx
ASF
.asf, .wmv
MKV
.mkv
Formaat
Bestandsextensie
Codec
MP3
.mp3
MPEG1 Layer III,
MPEG2 Layer III,
MP3 Pro (mp3compatibel),
MP3 HD (mp3compatibel)
Maximumaantal
Bestanden
15 000
Mappen
1 000
Mapniveaus
8
Speellijsten
100
Maximumaantal posten in
een speellijst
1 000
Submappen
Onbeperkt
Technische specificaties voor USB-Apoort
•
•
•
•
Aansluiting type A
Versie 2.0
Voeding 5 V
Maximale stroomsterkte 2,1 A
Gerelateerde informatie
•
Media AUX/USB-poort (p. 512)
AAC
.m4a, .m4b, .aac
AAC LC (MPEG-4
part III Audio),
HE-AAC (aacPlus
v1/v2)
WMA
.wma
WMA8/9,
WMA9/10 Pro
WAV
.wav
LPCM
FLAC
.flac
FLAC
Ondertiteling
Formaat
Bestandsextensie
SubViewer
.sub
SubRip
.srt
SSA
.ssa
Videobestanden
Formaat
Bestandsextensie
MP4
.mp4, .m4v
MPEG-PS
.mpg, .mp2, .mpeg, .m1v
}}
513
GELUID, MEDIA EN INTERNET
||
DivX®
DivX-gecertificeerde eenheden zijn getest op
hoogkwalitatieve videoweergave van DivX
(.divx, .avi). Wanneer het DivX-logo zichtbaar is,
kunnen er DivX-films afgespeeld worden.
Speciale functies
Referentie
Alternatieve ondertitels,
alternatieve audiotracks,
weergave hervatten
Voldoet aan alle voorwaarden voor het DivX
Home Theater-profile.
Breng een bezoek aan
divx.com voor meer informatie en programma's
om bestanden te converteren naar DivX Home
Theater-video.
Profiel
DivX Home Theater
Videocodec
DivX, MPEG-4
Resolutie
720x576
Audiobitsnelheid
(bit rate)
4.8Mbps
Beeldsnelheid
30 fps
Gerelateerde informatie
Bestandsextensie
.divx, .avi
Maximale
bestandsgrootte
4 GB
•
•
•
Audiocodec
MP3, AC3
Ondertiteling
XSUB
Mediaspeler (p. 505)
Video (p. 510)
DivX® weergeven (p. 510)
Apple® CarPlay®*
CarPlay biedt u de mogelijkheid om tijdens het
rijden muziek te beluisteren, te bellen, routeinstructies te ontvangen, sms-berichten te versturen/ontvangen en Siri te raadplegen, zonder
afgeleid te worden.
CarPlay werkt alleen met
bepaalde iOS-apparaten. Bij
auto's zonder CarPlay is de app
achteraf te installeren. Neem
contact op met een Volvo-dealer om CarPlay te installeren.
Informatie over de ondersteunde apps en de
compatibele iOS-apparaten vindt u op de homepage van Apple: www.apple.com/ios/carplay/.
Gebruik van apps die niet compatibel zijn met
CarPlay kan er soms toe leiden dat de verbinding
tussen het apparaat en de auto wegvalt. Let erop
dat Volvo niet verantwoordelijk is voor de inhoud
van CarPlay.
Bij gebruik van de kaartnavigatie via CarPlay verschijnt de routebegeleiding niet op het bestuurdersdisplay of het head-updisplay maar alleen op
het middendisplay.
Als u de navigatie via CarPlay start, wordt eventuele lopende routebegeleiding van het navigatiesysteem in de auto beëindigd.
De CarPlay-apps zijn te bedienen via het middendisplay, het iOS-apparaat of de rechter stuurknoppenset (geldt voor bepaalde functies). De
514
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
apps zijn tevens te regelen met de stembediening van de virtuele assistent Siri. Bij lang indrukactiveert u de stembeken van de stuurknop
diening via de virtuele assistent Siri en bij kort
indrukken activeert u de stembediening van de
auto. Als Siri te snel wordt afgebroken, kunt u de
stuurknop
ingedrukt houden.5.
Door Apple CarPlay te gebruiken stemt u in
met het volgende: Apple CarPlay is een
service van Apple Inc. die valt onder de
voorwaarden van Apple Inc. Volvo Cars is
daarom niet verantwoordelijk voor Apple
CarPlay of de functies/applicaties ervan. Bij
gebruik van Apple CarPlay, wordt bepaalde
informatie van uw auto (waaronder de
locatie van de auto) doorgegeven aan uw
iPhone. Ten aanzien van Volvo Cars bent u
zelf volledig verantwoordelijk voor uw eigen
gebruik van Apple CarPlay of voor het
gebruik door iemand anders.
Apple® CarPlay®* gebruiken
Een iOS-apparaat aansluiten en
CarPlay starten
5
Apple en CarPlay zijn geregistreerde handelsmerken van Apple Inc.
Tik op de gewenste app.
> De app wordt gestart.
N.B.
1.
Sluit een iOS-apparaat aan op de USB-poort.
Bij een auto met twee USB-poorten moet u
de aansluiting met een witte omlijsting
gebruiken.
2.
Lees de informatie in het pop-upvenster en
druk vervolgens op OK.
3.
Tik op Apple CarPlay op het appscherm.
Stembediening (p. 142)
Instellingen resetten op middendisplay
(p. 130)
5.
CarPlay is alleen te gebruiken als Bluetooth is
uitgeschakeld. Een telefoon of mediaspeler
die via Bluetooth is verbonden met de auto, is
dan ook niet beschikbaar als CarPlay actief is.
Om een internetverbinding te maken voor de
boordapps moet u een alternatieve internetbron gebruiken. Gebruik Wi-Fi of de geïntegreerde automodem*.
Apple® CarPlay®* gebruiken (p. 515)
Instellingen voor Apple® CarPlay®* (p. 517)
Neem de voorwaarden door en druk vervolgens op Accepteren om een verbinding te
maken.
> Het deelscherm met CarPlay wordt
geopend en de compatibele apps verschijnen.
Voor het gebruik van CarPlay moet u de digitale
assistent Siri in uw iOS-apparaat zijn geactiveerd. De telefoon heeft bovendien een internetverbinding nodig via wifi of het mobiele netwerk.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
4.
}}
* Optie/accessoire. 515
GELUID, MEDIA EN INTERNET
||
CarPlay starten
CarPlay start als volgt na aansluiting van een
iOS-apparaat.
1.
Sluit een iOS-apparaat aan op de USB-poort.
Bij een auto met twee USB-poorten moet u
de aansluiting met een witte omlijsting
gebruiken.
> Als de instelling voor automatische
inschakeling is gekozen – de naam van
het apparaat verschijnt.
Wisselen tussen CarPlay en iPod
Van CarPlay naar iPod
1. Tik op Instellingen in het hoofdscherm.
2.
Ga verder naar Communicatie
CarPlay.
3.
Vink het vakje uit voor het iOS-apparaat dat
bij aansluiting van de USB-kabel niet langer
tot automatisch activering van CarPlay moet
leiden.
2.
Tik op de naam van het apparaat – het deelscherm met CarPlay wordt geopend en de
compatibele apps verschijnen.
4.
Haal de verbinding op de USB-poort los voor
het iOS-apparaat en sluit het apparaat weer
aan.
3.
Tik op Apple CarPlay op het appscherm, als
het deelscherm met CarPlay niet wordt
geopend.
> Het deelscherm met CarPlay wordt
geopend en de compatibele apps verschijnen.
5.
Open de app iPod vanuit het appscherm.
4.
Tik op de gewenste app.
> De app wordt gestart.
CarPlay blijft op actief op de achtergrond, als u
vanuit hetzelfde deelscherm een andere app
start. Druk op het pictogram CarPlay in het appscherm om CarPlay weer in het deelscherm te
weer te geven.
6
Instellingen voor Apple® CarPlay®* (p. 517)
Internetverbinding voor de auto maken via
een telefoon (Wi-Fi) (p. 533)
•
Internetverbinding voor de auto maken via
automodem (simkaart) (p. 534)
•
Stembediening (p. 142)
Van iPod naar CarPlay
1. Tik op Apple CarPlay op het appscherm.
2.
Lees de informatie in het pop-upvenster en
druk vervolgens op OK.
3.
Haal de verbinding op de USB-poort los voor
het iOS-apparaat en sluit het apparaat weer
aan.
> Het deelscherm met Apple CarPlay wordt
geopend en de compatibele apps verschijnen6.
Gerelateerde informatie
•
•
516
Apple
•
•
Eenheid aansluiten via USB-poort (p. 512)
Apple® CarPlay®* (p. 514)
Apple, CarPlay, iPhone en iPod zijn geregistreerde handelsmerken van Apple Inc.
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Instellingen voor Apple® CarPlay®*
2.
Instellingen voor een iOS-apparaat aangesloten
met CarPlay7.
Automatisch starten
1.
Tik op Instellingen in het hoofdscherm.
2.
Ga naar Communicatie
en kies de instelling:
•
•
Apple CarPlay
Vink het vakje aan - CarPlay start automatisch bij aansluiting van de USB-kabel.
Vink het vakje uit - CarPlay start niet automatisch bij aansluiting van de USB-kabel.
Als de auto met meerdere mensen wordt
gedeeld, zoals bij carsharing, dient u er rekening
mee te houden dat er maximaal 20 iOS-apparaten in de lijst kunnen worden opgeslagen. Wanneer de lijst vol is, wordt bij aansluiting van een
nieuwe eenheid de oudste aansluiting verwijderd.
Om de lijst te verwijderen moet u de instellingen
herstellen op het middendisplay (fabrieksinstellingen herstellen).
Druk op Geluid Systeemvolumes om
instellingen te verrichten voor het volgende:
Tips voor het gebruik van Apple®
CarPlay®*
• Stembediening
• Navi-stembegeleid.
• Ringtone telefoon
Hier vindt u handige tips voor het gebruik van
CarPlay®.
•
Werk uw iOS-apparaat bij met de nieuwste
versie van het besturingssysteem iOS en
zorg dat u over de nieuwste appversies
beschikt.
•
Neem bij problemen met CarPlay het iOSapparaat los uit de USB-poort en sluit het
opnieuw aan. Het afsluiten en opnieuw starten van de app die niet werkt is ook het proberen waard of sluit alle apps en start het
apparaat opnieuw.
•
Als bij het starten van CarPlay de apps niet
verschijnen (zwart scherm), kan het minimaliseren en maximaliseren van het deelscherm
CarPlay een oplossing zijn.
•
Gebruik van apps die niet compatibel zijn met
CarPlay kan er soms toe leiden dat de verbinding tussen het iOS-apparaat en de auto
wegvalt. Informatie over de ondersteunde
apps en de compatibele apparaten vindt u op
de homepage van Apple. Ook kunt u CarPlay
in App Store zoeken voor informatie over
apps die compatibel zijn met CarPlay op uw
markt.
•
Met de hulp van Siri kunt u berichten schrijven/dicteren en laten voorlezen. De berich-
Gerelateerde informatie
•
•
•
Apple® CarPlay®* (p. 514)
Apple® CarPlay®* gebruiken (p. 515)
Instellingen resetten op middendisplay
(p. 130)
Systeemvolumes
1.
7
Tik op Instellingen in het hoofdscherm.
Apple en CarPlay zijn geregistreerde handelsmerken van Apple Inc.
}}
* Optie/accessoire. 517
GELUID, MEDIA EN INTERNET
ten worden voorgelezen in de taal die in de
instellingen voor Siri is gekozen. Tijdens het
schrijven/dicteren van berichten verschijnt de
tekst niet op het middendisplay, maar op het
iOS-apparaat.
||
•
Bij gebruik van CarPlay wordt een eventuele
Bluetooth-verbinding van het apparaat met
de auto verbroken. Herstel de internetverbinding van de auto dan door "internet sharing"
via de Wi-Fi-hotspot van het apparaat.
•
CarPlay werkt alleen in combinatie met
iPhone8.
Android Auto*
Android Auto biedt u de mogelijkheid om tijdens
het rijden muziek te beluisteren, te bellen, routeinstructies te ontvangen en voor de auto aangepaste apps op een Android-apparaat te gebruiken. Android Auto werkt alleen met bepaalde
Android-apparaten.
N.B.
Gerelateerde informatie
Apple® CarPlay®* (p. 514)
Internetverbinding voor de auto maken via
een telefoon (Wi-Fi) (p. 533)
Informatie over de ondersteunde apps en de
compatibele Android-apparaten vindt u op de
homepage: www.android.com/auto/. Zie Google
Play voor apps van derden. Let erop dat Volvo
niet verantwoordelijk is voor de inhoud van
Android Auto.
Android Auto is te starten vanuit het appscherm.
Wanneer u Android Auto eenmaal hebt geactiveerd, zal de app een volgende keer dat u het-
8
518
N.B.
Wanneer er een apparaat gekoppeld is aan
Android Auto kunt u via Bluetooth muziek
streamen naar een andere mediaspeler.
Bluetooth is actief bij gebruik van Android
Auto.
Bij gebruik van de kaartnavigatie via Android Auto
verschijnt de routebegeleiding niet op het
bestuurdersdisplay of head-updisplay maar alleen
op het middendisplay.
Beschikbaarheid en werking kunnen per
markt verschillen.
•
•
zelfde apparaat aansluit opnieuw worden gestart.
Deze automatische activering is uit te schakelen
onder de instellingen.
Android Auto is aan te sturen via het middendisplay, en wel met de rechter toetsenset van het
stuur of via stembediening. Bij lang indrukken van
activeert u Google Assistent
de stuurknop
en bij kort indrukken deactiveert u de assistent.
Door Android Auto te gebruiken, stemt u in
met het volgende: Android Auto is een
onder de voorwaarden van Google Inc.
geleverde dienst. Volvo Cars is niet
verantwoordelijk voor Android Auto of de
functies of applicaties ervan. Wanneer u
Android Auto gebruikt, zet uw auto
bepaalde informatie (waaronder zijn locatie)
over naar uw verbonden Android telefoon. U
Apple, CarPlay en iPhone zijn geregistreerde handelsmerken van Apple Inc.
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
bent zelf volledig verantwoordelijk voor uw
eigen gebruik van Android Auto en dat door
anderen.
Gerelateerde informatie
•
•
Android Auto* gebruiken (p. 519)
Android Auto* gebruiken
Om de app Android Auto te gebruiken moet de
app op het Android-apparaat zijn geïnstalleerd
en het apparaat moet zijn aangesloten op de
USB-poort van de auto.
Instellingen voor Android Auto* (p. 520)
N.B.
Om Android Auto te kunnen gebruiken moet
de auto zijn uitgerust met twee USB-aansluitingen (USB-hub)*. Als de auto slechts één
USB-aansluiting heeft, kunt u Android Auto
niet gebruiken.
Eerste aansluiting van een Android
1. Sluit het Android-apparaat aan op de USBpoort met de witte omlijsting.
2.
Lees de informatie in het pop-upvenster en
druk vervolgens op OK.
3.
Tik op Android Auto op het appscherm.
4.
Neem de voorwaarden door en druk vervolgens op Accepteren om een verbinding te
maken.
> Het deelscherm met Android Auto wordt
geopend en de compatibele apps verschijnen.
5.
Tik op de gewenste app.
> De app wordt gestart.
Eerder aangesloten Android
1. Sluit het apparaat aan op de USB-poort met
de witte omlijsting.
> Als de instelling voor automatische
inschakeling is gekozen – de naam van
het apparaat verschijnt.
2.
Tik op de naam van het apparaat – het deelscherm met Android Auto wordt geopend en
de compatibele apps verschijnen.
3.
Als u niet gekozen hebt voor automatische activering – open de app Android
Auto vanuit het appscherm.
> Het deelscherm met Android Auto wordt
geopend en de compatibele apps verschijnen.
4.
Tik op de gewenste app.
> De app wordt gestart.
Android Auto blijft op actief op de achtergrond,
als u vanuit hetzelfde deelscherm een andere
app start. Druk op het pictogram Android Auto in
het appscherm om Android Auto weer in het
deelscherm te weer te geven.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Android Auto* (p. 518)
Instellingen voor Android Auto* (p. 520)
Eenheid aansluiten via USB-poort (p. 512)
Stembediening (p. 142)
* Optie/accessoire. 519
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Instellingen voor Android Auto*
Gerelateerde informatie
Instellingen voor een Android-apparaat dat voor
het eerst via Android Auto is verbonden.
•
•
•
Automatisch starten
1.
Tik op Instellingen in het hoofdscherm.
2.
Druk op Communicatie
en kies de instelling:
Android Auto
•
Vink het vakje aan - Android Auto start
automatisch bij aansluiting van de USBkabel.
•
Vink het vakje uit - Android Auto start niet
automatisch bij aansluiting van de USBkabel.
De lijst kan maximaal 20 Android-apparaten
bevatten. Wanneer de lijst vol is, wordt bij aansluiting van een nieuwe eenheid de oudste aansluiting verwijderd.
Android Auto* (p. 518)
Android Auto* gebruiken (p. 519)
Instellingen resetten op middendisplay
(p. 130)
Tips voor het gebruik van Android
Auto*
Hier vindt u handige tips voor het gebruik van
Android Auto.
•
Zorg dat u over de nieuwste appversies
beschikt.
•
Wacht bij het starten van de auto totdat het
middendisplay is ingeschakeld, verbind het
apparaat en open vervolgens Android Auto
vanuit het appscherm.
•
Neem bij problemen met Android Auto het
Android-apparaat los uit de USB-poort en
sluit het apparaat opnieuw aan. De desbetreffende app op het apparaat afsluiten en
opnieuw starten is ook het proberen waard.
•
Wanneer er een apparaat is verbonden met
Android Auto, kunt u nog steeds via
Bluetooth media weergeven op een andere
mediaspeler. De Bluetooth-functie is ingeschakeld bij het gebruik van Android Auto.
•
Als het pictogram voor Android Auto grijs
gemarkeerd is, betekent dit dat het desbetreffende apparaat niet is aangesloten. Bij
verbinding van het apparaat licht het pictogram op. Als het pictogram helemaal ontbreekt, biedt de auto geen ondersteuning
voor verbinding van een apparaat voor het
desbetreffende doel.
•
Bij gebruik van Android Auto wordt een
eventuele Bluetooth-verbinding van het
apparaat met de auto verbroken. Herstel de
Om de lijst te verwijderen moet u de fabrieksinstellingen herstellen.
Systeemvolumes
1.
Tik op Instellingen in het hoofdscherm.
2.
Druk op Geluid Systeemvolumes om
instellingen te verrichten voor het volgende:
• Stembediening
• Navi-stembegeleid.
• Ringtone telefoon
520
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
internetverbinding van de auto dan door
"internet sharing" via de Wi-Fi-hotspot van
het apparaat.
•
Als de auto met meerdere mensen wordt
gedeeld, zoals bij carsharing het geval kan
zijn, dient u er rekening mee te houden dat
er maximaal 20 Android-apparaten in het
geheugen kunnen worden opgeslagen. Wanneer de lijst vol is, wordt bij aansluiting van
een nieuwe eenheid de oudste aansluiting
verwijderd. Om deze lijst te verwijderen moet
u de fabrieksinstellingen herstellen.
Gerelateerde informatie
•
•
Android Auto* (p. 518)
Internetverbinding voor de auto maken via
een telefoon (Wi-Fi) (p. 533)
Telefoon
Overzicht
Een telefoon met Bluetooth is draadloos aan te
sluiten op het geïntegreerde handsfreesysteem
van de auto.
Het audio- en mediasysteem werkt dan als handsfree en biedt u de mogelijkheid om enkele functies van uw telefoon op afstand te bedienen. U
kunt de telefoon ook na aansluiting nog via de
knoppen op de telefoon bedienen.
Wanneer een telefoon is gekoppeld en aangesloten is op de auto, kunt u deze gebruiken om te
bellen, berichten te versturen/ontvangen en
media te streamen. Ook kunt u de telefoon
gebruiken als internetverbinding.
Microfoon.
Telefoon.
De telefoon is te bedienen via het middendisplay
en voor een deel via stemcommando's en het
appmenu, dat bereikbaar is via de rechter stuurknoppenset.
Telefoonfuncties op middendisplay.
Knoppenset die op het bestuurdersdisplay
verschijnt voor telefoonfuncties en voor
stembediening.
Bestuurdersdisplay.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Telefoonfuncties (p. 526)
Telefoonboekfuncties (p. 529)
Berichtfuncties (p. 527)
Telefoon eerste keer verbinden met de auto
via Bluetooth (p. 522)
}}
* Optie/accessoire. 521
GELUID, MEDIA EN INTERNET
•
Telefoon automatisch verbinden met de auto
via Bluetooth (p. 524)
Telefoon eerste keer verbinden met
de auto via Bluetooth
Alternatief 1 – telefoon zoeken vanuit
de auto
•
Telefoon handmatig verbinden met de auto
via Bluetooth (p. 524)
1.
Maak de telefoon identificeerbaar/zichtbaar
via Bluetooth.
•
Telefoon met Bluetooth-verbinding loskoppelen (p. 525)
2.
Open het deelscherm voor de telefoon op
het middendisplay.
•
Andere telefoon met Bluetooth-verbinding
kiezen (p. 525)
Verbind een telefoon met geactiveerde
Bluetooth-functie aan de auto, zodat u vervolgens vanuit de auto kunt bellen, berichten kunt
versturen/ontvangen, draadloos media kunt
afspelen en via de telefoon een internetverbinding voor de auto kunt maken.
•
•
•
•
Bluetooth-eenheden verwijderen (p. 526)
•
•
Audio-instellingen (p. 494)
Instellingen voor telefoon (p. 529)
Stembediening (p. 142)
Appmenu op bestuurdersdisplay hanteren
(p. 99)
Internetverbinding voor de auto maken via
een telefoon met Bluetooth-verbinding
(p. 532)
Er kunnen twee Bluetooth-apparaten tegelijk zijn
aangesloten, waarbij het ene uitsluitend bestemd
is om draadloos te streamen. De laatst verbonden
telefoon wordt automatisch verbonden om te
kunnen bellen, berichten te kunnen versturen/
ontvangen, draadloos media te kunnen afspelen
en de telefoon te gebruiken voor een internetverbinding. Onder Bluetooth-apparaten kunt u via
het instellingsmenu op het hoofdscherm van het
middendisplay wijzigingen aanbrengen in het
gebruik van de telefoon. De mobiele telefoon
moet zijn uitgerust met Bluetooth en ondersteuning bieden voor "internet sharing".
Wanneer het apparaat eenmaal via Bluetooth
verbonden/geregistreerd is, hoeft dit apparaat
niet langer zichtbaar/detecteerbaar te zijn. Activering van de Bluetooth-functie volstaat. Er kunnen maximaal 20 gepairde Bluetooth-apparaten
in de auto worden opgeslagen.
U kunt op twee manieren pairen. U zoekt de telefoon vanuit de auto of u zoekt de auto vanaf de
telefoon.
522
•
Als er geen telefoon met de auto verbonden is – tik op Telefoon toevoegen.
Als er een telefoon met de auto verbon. Druk in het
den is – tik op Wijzigen
pop-upvenster op Tel. toevoegen.
> Er verschijnt een lijst met de beschikbare
Bluetooth-apparaten. Bij identificatie van
nieuwe apparaten wordt de lijst bijgewerkt.
•
3.
Tik op de naam van de te pairen telefoon.
4.
Controleer of de aangegeven cijfercode in de
auto overeenkomt met die op de telefoon.
Accepteer in dat geval op beide punten.
5.
Accepteer of weiger in de telefoon eventuele
opties voor de contactpersonen en de
berichtfuncties van de telefoon.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
N.B.
•
Bij sommige telefoons moet de berichtenfunctie geactiveerd worden.
•
Niet alle mobiele telefoons zijn volledig
compatibel en ze kunnen dus niet allemaal contacten en berichten in de auto
tonen.
5.
6.
7.
Alternatief 2 – auto zoeken vanaf de
telefoon
1.
Open het deelscherm voor de telefoon op
het middendisplay.
•
•
Als er geen telefoon met de auto verbonden is – tik op Telefoon toevoegen
Auto herkenbaar maken.
Als er een telefoon met de auto verbon. Druk in het
den is – tik op Wijzigen
pop-upvenster op Telefoon toevoegen
Auto herkenbaar maken.
2.
Activeer Bluetooth op de telefoon.
3.
Zoek op de telefoon naar Bluetooth-apparaten.
> Er verschijnt een lijst met de beschikbare
Bluetooth-apparaten.
4.
Kies de naam van de auto op de telefoon.
In de auto verschijnt een pop-upvenster met
informatie over de verbinding. Bevestig de
verbinding.
Controleer of de aangegeven cijfercode in de
auto overeenkomt met de getoonde code op
de externe eenheid. Accepteer in dat geval
op beide punten.
Accepteer of weiger in de telefoon eventuele
opties voor de contactpersonen en de
berichtfuncties van de telefoon.
Compatibele telefoons
Hoewel veel moderne telefoons Bluetooth-technologie bieden, zijn niet alle telefoons volledig
compatibel met de auto.
Zie support.volvocars.com voor compatibiliteit.
Gerelateerde informatie
•
•
Telefoon (p. 521)
•
Telefoon handmatig verbinden met de auto
via Bluetooth (p. 524)
N.B.
Telefoon automatisch verbinden met de auto
via Bluetooth (p. 524)
•
Bij sommige telefoons moet de berichtenfunctie geactiveerd worden.
•
Telefoon met Bluetooth-verbinding loskoppelen (p. 525)
•
Niet alle mobiele telefoons zijn volledig
compatibel en ze kunnen dus niet allemaal contacten en berichten in de auto
tonen.
•
Andere telefoon met Bluetooth-verbinding
kiezen (p. 525)
•
•
Bluetooth-eenheden verwijderen (p. 526)
N.B.
•
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 531)
•
Internetverbinding voor de auto maken via
een telefoon met Bluetooth-verbinding
(p. 532)
Bij een update van het besturingssysteem van
de telefoon wordt de koppeling mogelijk
onderbroken. Verwijder de telefoon dan uit de
auto en breng een nieuwe koppeling tot
stand.
Instellingen voor Bluetooth-apparaten
(p. 530)
* Optie/accessoire. 523
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Telefoon automatisch verbinden
met de auto via Bluetooth
Het is mogelijk om een telefoon automatisch via
Bluetooth te verbinden. De telefoon moet een
keer eerder met de auto zijn verbonden.
Automatische aansluiting werkt alleen voor de
twee laatst gekoppelde telefoons.
1.
Activeer Bluetooth op de telefoon alvorens
de auto in contactslotstand I te zetten.
2.
Zet de auto in contactslotstand I of hoger.
> De telefoon wordt aangesloten.
Gerelateerde informatie
524
•
•
Telefoon (p. 521)
•
•
Internetverbinding voor de auto maken via
een telefoon met Bluetooth-verbinding
(p. 532)
•
Contactslotstanden (p. 422)
Telefoon handmatig verbinden met
de auto via Bluetooth
Het is mogelijk om een telefoon handmatig via
Bluetooth te verbinden. De telefoon moet een
keer eerder met de auto zijn verbonden.
1.
Activeer Bluetooth op de telefoon.
2.
Open het deelscherm voor de telefoon.
> Er verschijnt een lijst met de gekoppelde
telefoons.
3.
Druk op de naam van de te pairen telefoon.
> De telefoon wordt aangesloten.
Gerelateerde informatie
•
•
Telefoon (p. 521)
Telefoon handmatig verbinden met de auto
via Bluetooth (p. 524)
•
Telefoon automatisch verbinden met de auto
via Bluetooth (p. 524)
•
Telefoon met Bluetooth-verbinding loskoppelen (p. 525)
•
Telefoon met Bluetooth-verbinding loskoppelen (p. 525)
•
Andere telefoon met Bluetooth-verbinding
kiezen (p. 525)
•
Andere telefoon met Bluetooth-verbinding
kiezen (p. 525)
•
•
Bluetooth-eenheden verwijderen (p. 526)
•
•
Bluetooth-eenheden verwijderen (p. 526)
•
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 531)
Telefoon eerste keer verbinden met de auto
via Bluetooth (p. 522)
Instellingen voor Bluetooth-apparaten
(p. 530)
Telefoon eerste keer verbinden met de auto
via Bluetooth (p. 522)
Instellingen voor Bluetooth-apparaten
(p. 530)
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
•
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 531)
Telefoon met Bluetooth-verbinding
loskoppelen
Andere telefoon met Bluetoothverbinding kiezen
•
Internetverbinding voor de auto maken via
een telefoon met Bluetooth-verbinding
(p. 532)
Het is mogelijk een telefoon met Bluetooth-verbinding los te koppelen, waarna de telefoon niet
langer is verbonden met de auto.
U kunt een andere telefoon met Bluetooth-verbinding kiezen.
•
De telefoon wordt automatisch losgekoppeld,
wanneer deze buiten het bereik van de auto
komt. Als u de telefoon tijdens een lopend
telefoongesprek loskoppelt, wordt het
gesprek via de telefoon voortgezet.
•
De telefoon is ook los te koppelen door
Bluetooth handmatig te deactiveren.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Telefoon (p. 521)
Instellingen voor telefoon (p. 529)
1.
Open het deelscherm voor de telefoon.
2.
of veeg het hoofdTik op Wijzigen
scherm open en tik op Instellingen
Communicatie Bluetooth-apparaten
Apparaat toevoegen.
> Er verschijnt een lijst met de beschikbare
Bluetooth-apparaten.
3.
Druk op de aan te sluiten telefoon.
Gerelateerde informatie
•
•
Telefoon (p. 521)
Bluetooth-eenheden verwijderen (p. 526)
•
Instellingen voor Bluetooth-apparaten
(p. 530)
Instellingen voor Bluetooth-apparaten
(p. 530)
•
Telefoon met Bluetooth-verbinding loskoppelen (p. 525)
•
Bluetooth-eenheden verwijderen (p. 526)
Andere telefoon met Bluetooth-verbinding
kiezen (p. 525)
Telefoon eerste keer verbinden met de auto
via Bluetooth (p. 522)
* Optie/accessoire. 525
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Bluetooth-eenheden verwijderen
Telefoonfuncties
Apparaten zoals telefoons zijn te verwijderen van
de lijst met geregistreerde Bluetooth-eenheden.
Verwerking van gesprekken in de auto voor een
telefoon met Bluetooth-verbinding.
1.
Tik op Instellingen in het hoofdscherm.
2.
Tik op Communicatie Bluetoothapparaten.
> Er verschijnt een lijst met de geregistreerde Bluetooth-apparaten.
Het is ook mogelijk om te bellen via de gesprekkenlijst in het appmenu, dat toegankelijk is via de
rechter stuurknoppenset
.
Ruggespraak
Tijdens lopende gesprekken:
1.
Tik op Voeg gesprek toe.
2.
Geef aan hoe u wilt bellen: via de gesprekkenlijst, de favorieten of de contactenlijst.
3.
Tik op de te verwijderen eenheid.
3.
4.
Tik op App. verwijderen en bevestig uw
keuze.
> De eenheid staat niet langer geregistreerd in de auto.
Druk op een post/regel in de gesprekkenlijst
voor de contactpersoon in de conof op
tactenlijst.
4.
Tik op Wissel gesprek om te wisselen tussen gesprekken.
5.
om het lopende gesprek te
Druk op
beëindigen.
Gerelateerde informatie
Algemene afbeelding.
•
•
Telefoon (p. 521)
Bellen
Telefoon eerste keer verbinden met de auto
via Bluetooth (p. 522)
1.
Open het deelscherm voor de telefoon.
2.
•
Telefoon met Bluetooth-verbinding loskoppelen (p. 525)
•
Andere telefoon met Bluetooth-verbinding
kiezen (p. 525)
•
Instellingen voor Bluetooth-apparaten
(p. 530)
Geef aan hoe u wilt bellen: via de gesprekkenlijst, via de contactenlijst of geef het nummer aan via de knoppenset. U kunt de contactenlijst doorzoeken of doorbladeren. Druk
op
in de contactenlijst om een contactpersoon onder te brengen onder Favorieten.
3.
Tik op
4.
Druk op
om te bellen.
om het gesprek te beëindigen.
Conferentiegesprek
Tijdens ruggespraak:
1.
Tik op Gesprekken samenv. om de
lopende gesprekken samen te voegen.
2.
Druk op
Telefoonoproepen
Telefoonoproepen verschijnen op het bestuurdersdisplay en op het middendisplay. Voer het
gesprek met de rechter stuurknoppenset of met
het middendisplay.
1.
526
om het gesprek te beëindigen.
Tik op Antwoorden/Afwijzen.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
2.
Druk op
om het gesprek te beëindigen.
Telefoonoproepen tijdens lopende
telefoongesprekken
1. Tik op Antwoorden/Afwijzen.
2.
Druk op
om het gesprek te beëindigen.
Privégesprek
–
Druk tijdens een lopend gesprek op Privacy
en kies de instelling:
• Naar mobiele telefoon schakelen – de
handsfree-functie wordt uitgeschakeld en
het gesprek gaat verder via de mobiele
telefoon.
• Op bestuurder gericht – de microfoon
in het plafond aan de passagierszijde
wordt uitgeschakeld en het gesprek gaat
verder via de handsfree-functie van de
auto.
Gerelateerde informatie
•
•
Telefoon (p. 521)
•
•
Stembediening telefoon (p. 144)
Telefoon eerste keer verbinden met de auto
via Bluetooth (p. 522)
•
•
Berichtfuncties (p. 527)
Berichtfuncties9
Audio-instellingen (p. 494)
Verwerking van berichten in de auto voor een
telefoon met Bluetooth-verbinding.
Op sommige telefoons moet de functie 'Berichten' worden geactiveerd. Niet alle telefoons zijn
volledig compatibel, zodat contactpersonen en
meldingen niet altijd in de auto te tonen zijn. Zie
support.volvocars.com voor compatibiliteit.
Tekstberichten op middendisplay
hanteren
Tekstberichten verschijnt alleen op het middendisplay als u deze instelling hebt gekozen.
Tik op Berichten in het appscherm voor berichtfuncties op
het middendisplay.
Tekstberichten op middendisplay laten
voorlezen
Druk op het pictogram om de melding
te laten voorlezen.
Appmenu op bestuurdersdisplay hanteren
(p. 99)
•
Handmatig tekens, letters of woorden invoeren op middendisplay (p. 125)
•
Telefoonboekfuncties (p. 529)
}}
527
GELUID, MEDIA EN INTERNET
||
Tekstberichten op middendisplay
versturen10
1. U kunt een bericht beantwoorden of een
nieuw bericht aanmaken.
•
•
Berichten beantwoorden – op de contactpersoon drukken van wie u een bericht
wilt beantwoorden en druk vervolgens op
Antwoorden.
Nieuw bericht aanmaken – tik op Nieuw
aanmaken. Kies een contactpersoon of
voer een nummer in.
2.
Schrijf het bericht.
3.
Tik op Verzenden.
Tekstbericht op bestuurdersdisplay
hanteren
Tekstberichten verschijnt alleen op het bestuurdersdisplay als u deze instelling hebt gekozen.
Nieuw tekstbericht op bestuurdersdisplay
laten voorlezen
– Kies met de stuurknoppenset voor Oplezen
om het bericht te laten voorlezen.
9 Geldt alleen voor bepaalde markten. Neem voor meer informatie
10 Alleen bepaalde telefoons kunnen berichten verzenden via de
528
Reactie dicteren op bestuurdersdisplay
Nadat een bericht is voorgelezen kunt u een
korte reactie dicteren als de auto een internetverbinding heeft.
–
Tik op Antwoorden van de stuurknoppenset.
Er verschijnt een dicteerdialoog.
Instellingen voor tekstbericht
Instellingen voor tekstbericht op aangesloten
telefoon.
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm.
2.
Druk op Communicatie
en kies instellingen.
Berichtmelding
Tekstberichten
In de instellingen voor sms-berichten kunt u notificaties activeren en deactiveren.
• Melding in middendisplay - berichtmel-
Gerelateerde informatie
• Melding in bestuurdersdisplay - mel-
•
•
•
•
dingen op de statusbalk van het middendisplay weergeven.
Telefoon (p. 521)
dingen op het bestuurdersdisplay weergeven; inkomende berichten zijn te hanteren
via de rechter stuurknoppenset.
Instellingen voor tekstbericht (p. 528)
Instellingen voor telefoon (p. 529)
• Tekstberichttoon - signaal voor binnen-
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 531)
komende sms-berichten kiezen.
•
•
Stembediening telefoon (p. 144)
Gerelateerde informatie
Handmatig tekens, letters of woorden invoeren op middendisplay (p. 125)
•
•
•
Telefoon eerste keer verbinden met de auto
via Bluetooth (p. 522)
•
Gebruiksvoorwaarden en gegevensuitwisseling (p. 537)
•
•
Telefoon (p. 521)
Telefoon eerste keer verbinden met de auto
via Bluetooth (p. 522)
Berichtfuncties (p. 527)
Instellingen voor telefoon (p. 529)
contact op met een Volvo-dealer.
auto. Kijk voor de compatibiliteit op support.volvocars.com.
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Telefoonboekfuncties
Wanneer een telefoon via Bluetooth is verbonden met de auto kunt u rechtstreeks via het middendisplay contactpersonen zoeken.
Er zijn tot 3000 contactpersonen van de gekozen
telefoon weer te geven op het middendisplay.
Sorteren
De lijst met contacten staat op alfabetische volgorde en speciale tekens en cijfers staan onder
. U kunt sorteren op voor- of achternaam; u
maakt een keuze in de instellingen voor de telefoon.
Instellingen voor telefoon
Wanneer de telefoon verbonden is met de auto
zijn de volgende instellingen te kiezen.
1.
Tik op Instellingen in het hoofdscherm.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Telefoon (p. 521)
Instellingen voor telefoon (p. 529)
Stembediening telefoon (p. 144)
Handmatig tekens, letters of woorden invoeren op middendisplay (p. 125)
Telefoon eerste keer verbinden met de auto
via Bluetooth (p. 522)
Blader de letters tot en met
door om de
contactpersoon van uw keuze te vinden.
Afhankelijk van de contacten die in het telefoonboek staan verschijnen alleen bepaalde
letters.
Contacten zoeken – druk op
om een
telefoonnummer of naam te zoeken in de lijst
met contacten.
Favorieten – druk op
om een contact
toe te voegen aan de lijst met favorieten of
ervan te verwijderen.
}}
529
GELUID, MEDIA EN INTERNET
||
2.
Tik op Communicatie
instellingen.
Telefoon en kies
• Beltonen – keuze van belsignaal. Het is
mogelijk om belsignalen van de telefoon
of de auto te gebruiken. Bepaalde telefoons zijn niet volledig compatibel en dan
kunnen de belsignalen van de telefoon
niet in de auto worden gebruikt. 11
• Sorteervolgorde - sorteervolgorde van
Instellingen voor Bluetoothapparaten
•
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 531)
Er zijn instellingen te verrichten voor apparaten
die via Bluetooth zijn aangesloten.
•
Telefoon eerste keer verbinden met de auto
via Bluetooth (p. 522)
1.
Tik op Instellingen in het hoofdscherm.
2.
Tik op Communicatie Bluetoothapparaten en kies instellingen.
• Apparaat toevoegen – nieuwe eenheid
contactenlijst kiezen.
koppelen.
Gespreksberichten op head-updisplay*
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2.
Druk op My Car Displays
head-up display.
3.
Opties
Kies Toon telefoon.
• Eerder gekoppelde apparaten – lijst met
geregistreerde/gekoppelde eenheden weergeven.
• App. verwijderen – eerder gekoppelde eenheid verwijderen.
• Toegestane diensten voor dit apparaat –
instellen waarvoor u het apparaat wilt gebruiken: bellen, berichten sturen/lezen, media
streamen of als middel voor internetverbinding.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Telefoon (p. 521)
•
Telefoon eerste keer verbinden met de auto
via Bluetooth (p. 522)
•
•
Head-updisplay* (p. 139)
11
530
Instellingen voor tekstbericht (p. 528)
• Internetverbinding – internetverbinding
Instellingen voor Bluetooth-apparaten
(p. 530)
Audio-instellingen (p. 494)
voor de auto maken via de Bluetooth-aansluiting van het apparaat
Gerelateerde informatie
•
•
Telefoon (p. 521)
Instellingen voor telefoon (p. 529)
Zie support.volvocars.com voor compatibiliteit.
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Auto met actieve
internetverbinding*
Wanneer de auto een internetverbinding heeft
kunt u bijvoorbeeld gebruikmaken van webradio
en muziekdiensten via boordapps, software
downloaden en contact opnemen met de dealer.
De auto maakt een internetverbinding via
Bluetooth, Wi-Fi of via de ingebouwde automodem* (simkaart).
Wanneer de auto een internetverbinding heeft, is
het mogelijk om de internetverbinding (wifi-hotspot) te delen, zodat andere eenheden zoals
tablets gebruik kunnen maken van de internetverbinding12.
Een symbool op de statusbalk van het middendisplay geeft de internetstatus weer.
N.B.
Gerelateerde informatie
•
Symbolen op de statusbalk van het middendisplay (p. 119)
•
Het activeren van dataroaming kan tot verdere kosten leiden.
Internetverbinding voor de auto maken via
een telefoon met Bluetooth-verbinding
(p. 532)
•
Informeer bij uw provider naar de kosten voor
dataverkeer.
Internetverbinding voor de auto maken via
een telefoon (Wi-Fi) (p. 533)
•
Internetverbinding voor de auto maken via
automodem (simkaart) (p. 534)
•
•
Apps (p. 496)
Bij gebruik van internet wordt data overgebracht (dataverkeer) en dat kan kosten met
zich meebrengen.
N.B.
Bij gebruik van Apple CarPlay kunt u alleen
een internetverbinding voor de auto maken
via Wi-Fi of de automodem*.
N.B.
Bij gebruik van Android Auto kunt u een internetverbinding voor de auto maken via Wi-Fi,
Bluetooth of de automodem*.
Geen internetverbinding of een slechte verbinding (p. 536)
•
Internetverbinding van auto delen via Wi-Fihotspot (p. 535)
•
•
•
•
Wi-Fi-netwerk verwijderen (p. 537)
Techniek en veiligheid rond Wi-Fi (p. 537)
Volvo ID (p. 26)
Gebruiksvoorwaarden en gegevensuitwisseling (p. 537)
Lees voordat u een internetverbinding maakt de
Servicevoorwaarden en het Privacybeleid
voor klanten op support.volvocars.com.
12
Geldt niet bij aansluiting met Wi-Fi.
* Optie/accessoire. 531
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Internetverbinding voor de auto
maken via een telefoon met
Bluetooth-verbinding
5.
Deel de internetverbinding van een telefoon via
Bluetooth om een internetverbinding te maken
en toegang te krijgen tot diverse onlinediensten
voor de auto.
6.
1.
2.
3.
4.
532
Om een internetverbinding te kunnen maken
voor de auto via een telefoon met Bluetoothverbinding moet de bewuste telefoon eenmaal eerder via Bluetooth met de auto zijn
verbonden.
Tik op Communicatie
apparaten.
•
•
Als u een andere methode voor de internetverbinding gebruikt, bevestigt u de keuze van
een andere verbindingsmethode.
> Uw auto heeft daarmee een internetverbinding via de via Bluetooth aangesloten
telefoon.
•
Apple® CarPlay®* (p. 514)
Geen internetverbinding of een slechte verbinding (p. 536)
Instellingen voor Bluetooth-apparaten
(p. 530)
N.B.
De telefoon en netwerkprovider moeten
tethering (het delen van een internetverbinding) ondersteunen en de bundel moet inclusief dataverkeer zijn.
Controleer of de telefoon ondersteuning
biedt voor "internet sharing" en of de functie
is geactiveerd. Bij een iPhone heet deze
functie “internet sharing”. Bij Android-telefoons kan deze functie verschillende namen
hebben, maar de functie wordt vaak aangeduid als “hotspot”. Bij iPhone-telefoons moet
tevens de menupagina "internet sharing"
geopend zijn totdat een internetverbinding is
gemaakt.
Als de telefoon eerder via Bluetooth was verbonden, tik dan op Instellingen op het
hoofdscherm van het middendisplay.
Vink het vakje voor Bluetoothinternetaansluiting aan onder de rubriek
Internetverbinding.
N.B.
Bij gebruik van Apple CarPlay kunt u alleen
een internetverbinding voor de auto maken
via Wi-Fi of de automodem*.
Gerelateerde informatie
•
•
Bluetooth-
Auto met actieve internetverbinding* (p. 531)
Internetverbinding voor de auto maken via
automodem (simkaart) (p. 534)
•
Telefoon eerste keer verbinden met de auto
via Bluetooth (p. 522)
•
Internetverbinding voor de auto maken via
een telefoon (Wi-Fi) (p. 533)
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Internetverbinding voor de auto
maken via een telefoon (Wi-Fi)
Deel de internetverbinding van een telefoon via
wifi om een internetverbinding te maken en toegang te krijgen tot diverse onlinediensten voor
de auto.
1.
Controleer of de telefoon ondersteuning
biedt voor "internet sharing" en of de functie
is geactiveerd. Bij een iPhone heet deze
functie “internet sharing”. Bij Android-telefoons kan deze functie verschillende namen
hebben, maar de functie wordt vaak aangeduid als “hotspot”. Bij iPhone-telefoons moet
tevens de menupagina "internet sharing"
geopend zijn totdat een internetverbinding is
gemaakt.
2.
Tik op Instellingen in het hoofdscherm.
3.
Ga verder naar Communicatie
4.
Activeer/deactiveer de optie door het vakje
voor Wi-Fi aan/uit te vinken.
Wi-Fi.
5.
Als u een andere methode voor de internetverbinding gebruikt, bevestigt u de keuze van
een andere verbindingsmethode.
6.
Tik op de naam van het netwerk waarop u
wilt aansluiten.
7.
Geef het wachtwoord van het netwerk aan.
> De auto maakt een verbinding tot stand
met het netwerk.
Let erop dat sommige telefoons de internetverbinding verbreken, wanneer de verbinding met de
auto is verbroken (zoals wanneer u de auto
ergens parkeert tot de volgende keer dat u hem
nodig hebt). In dat geval moet u bij een volgend
gebruik van de telefoon de "internet sharing"
opnieuw activeren.
Gerelateerde informatie
Auto met actieve internetverbinding* (p. 531)
•
•
•
Wi-Fi-netwerk verwijderen (p. 537)
•
Techniek en veiligheid rond Wi-Fi (p. 537)
Geen internetverbinding of een slechte verbinding (p. 536)
Een telefoon die verbinding heeft gemaakt met
de auto wordt opgeslagen voor later gebruik. Om
een lijst met opgeslagen netwerken weer te
geven of opgeslagen netwerken handmatig te
verwijderen, gaat u naar Instellingen
Communicatie Wi-Fi Opgeslagen
netwerken.
N.B.
De telefoon en netwerkprovider moeten
tethering (het delen van een internetverbinding) ondersteunen en de bundel moet inclusief dataverkeer zijn.
De eisen die aan de techniek en beveiliging voor
de wifi-verbinding worden gesteld staan elders
beschreven.
* Optie/accessoire. 533
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Internetverbinding voor de auto
maken via automodem (simkaart)
4.
Activeer/deactiveer de functie door het vakje
voor Internet via automodem aan/uit te
vinken.
Het is mogelijk een internetverbinding te maken
via de automodem en een persoonlijke simkaart
(P-SIM)*.
5.
Auto's uitgerust met Volvo On Call gebruiken
voor de diensten de internetverbinding met de
automodem.
Als u een andere methode voor de internetverbinding gebruikt, bevestigt u de keuze van
een andere verbindingsmethode.
6.
Geef de pincode van de simkaart aan.
> De auto maakt een verbinding tot stand
met het netwerk.
1.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Auto met actieve internetverbinding* (p. 531)
Geen internetverbinding of een slechte verbinding (p. 536)
Instellingen voor automodem* (p. 534)
Instellingen voor automodem*
De auto is uitgerust met een modem die u kunt
gebruiken om de auto met internet te verbinden.
U kunt de internetverbinding tevens delen via
Wi-Fi.
1.
Tik op Instellingen in het hoofdscherm.
2.
Tik op Communicatie Internet via
automodem en kies instellingen.
• Internet via automodem - aangeven of
automodem moet worden gebruikt voor internetverbinding.
• Datagebruik - bij het indrukken van Reset
worden de tellers voor de ontvangen en verstuurde hoeveelheid gegevens op nul gezet.
• Netwerk
Provider selecteren - netwerkprovider
automatisch of handmatig kiezen.
Plaats een persoonlijke simkaart in de houder bij de vloer aan de passagierszijde.
Let erop dat de simkaartlezer van de auto
een mini-SIM vereist.
534
2.
Tik op Instellingen in het hoofdscherm.
3.
Tik op Communicatie
automodem.
Internet via
Roaming - is dit vakje aangevinkt, dan zal de
automodem proberen verbinding te maken
met internet op het moment dat de auto zich
in het buitenland buiten het thuisnetwerk
bevindt. Let erop dat dit tot hoge kosten kan
leiden. Controleer uw roamingovereenkomst
met betrekking tot dataverkeer in het buitenland met uw netwerkprovider in uw eigen
land.
• Pincode simkaart
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Wijzig pincode - maximaal 4 cijfers aangeven.
Internetverbinding van auto delen
via Wi-Fi-hotspot
Pincode uitschakelen - aangeven of de
pincode vereist is voor gebruik van de simkaart.
Als de auto een internetverbinding heeft, is het
mogelijk om de internetverbinding te delen,
zodat andere eenheden gebruik kunnen maken
van de internetverbinding13.
• Aanvraagcode verzenden - bestemd om
bijvoorbeeld het saldo op een chipkaart op te
laden of te controleren. Deze functie is
afhankelijk van de provider.
Gerelateerde informatie
•
Internetverbinding voor de auto maken via
automodem (simkaart) (p. 534)
•
Geen internetverbinding of een slechte verbinding (p. 536)
13
Geldt niet wanneer de auto een internetverbinding via Wi-Fi heeft.
De provider (simkaart) moet ondersteuning bieden voor tethering (delen van de internetverbinding).
1.
Tik op Instellingen in het hoofdscherm.
2.
Tik op Communicatie
auto.
3.
Tik op Netwerknaam en geeft de wifi-hotspot een naam.
4.
Tik op Wachtwoord en kies een wachtwoord dat u vervolgens op de te koppelen
eenheden moet aangeven.
5.
Tik op Frequentieband en kies de zendfrequentie voor de wifi-hotspot. Let erop dat de
te hanteren frequentieband niet op alle
markten te specificeren is.
6.
Activeer/deactiveer de functie door het vakje
voor Wi-Fi hotspot auto aan/uit te vinken.
7.
Als u Wi-Fi gebruikt als methode voor de
internetverbinding, bevestigt u de keuze van
een andere verbindingsmethode.
> Externe eenheden kunnen vervolgens verbinding maken met de "internet sharing"
(Wi-Fi-hotspot) van de auto.
Wi-Fi hotspot
}}
535
GELUID, MEDIA EN INTERNET
||
N.B.
Het activeren van Wi-Fi-hotspot kan tot verdere kosten van uw provider leiden.
Informeer bij uw provider naar de kosten voor
dataverkeer.
Een symbool op de statusbalk van het middendisplay geeft de verbindingsstatus weer.
Tik op Aangesloten apparaten voor een lijst
met de op dit moment aangesloten eenheden.
Gerelateerde informatie
•
Symbolen op de statusbalk van het middendisplay (p. 119)
•
•
Auto met actieve internetverbinding* (p. 531)
Geen internetverbinding of een slechte verbinding (p. 536)
Geen internetverbinding of een
slechte verbinding
Factoren die van invloed zijn op de internetverbinding
De uitgewisselde hoeveelheid gegevens is afhankelijk van de diensten of apps die in de auto worden gebruikt. Het streamen van audio kan bijvoorbeeld tot een grote hoeveelheid dataverkeer
leiden en dat vereist een goede verbinding en
signaalsterkte.
Telefoon herstarten
Problemen met de internetverbinding zijn soms
te verhelpen door de telefoon opnieuw op te starten.
Gerelateerde informatie
•
•
Auto met actieve internetverbinding* (p. 531)
Techniek en veiligheid rond Wi-Fi (p. 537)
Verbinding tussen telefoon en auto
De snelheid van de internetverbinding kan variëren afhankelijk van de positie van de telefoon in
de auto. Plaats de telefoon dichter bij het middendisplay om de signaalsterkte te verbeteren.
Zorg dat de signalen niet worden gehinderd.
Verbinding tussen telefoon en
netwerkprovider
De snelheid binnen het mobiele netwerk varieert
afhankelijk van de dekking op de actuele locatie.
Een slechtere netwerkdekking is bijvoorbeeld
mogelijk in tunnels, achter bergen, in diepe dalen
of in gebouwen. De snelheid is ook afhankelijk
van uw overeenkomst met uw teleprovider.
N.B.
Neem bij problemen met de dataoverdracht
contact op met uw provider.
536
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Wi-Fi-netwerk verwijderen
Techniek en veiligheid rond Wi-Fi
Niet gebruikte netwerken verwijderen.
Mogelijke netwerktypes voor aansluiting.
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm.
2.
Ga verder naar Communicatie
Opgeslagen netwerken.
Aansluiting is alleen mogelijk op netwerken van
het volgende type:
3.
4.
Wi-Fi
Druk op Vergeten voor het te verwijderen
netwerk.
Bevestig uw keuze.
> De auto zal vervolgens geen verbinding
tot stand brengen met het desbetreffende
netwerk.
Alle netwerken uit geheugen
verwijderen
U kunt alle netwerken in één keer verwijderen
door de fabrieksinstellingen te herstellen. Houd
er in dat geval rekening mee dat dan de fabrieksinstellingen worden hersteld voor alle gebruikersgegevens en systeeminstellingen.
Gerelateerde informatie
•
•
Auto met actieve internetverbinding* (p. 531)
Geen internetverbinding of een slechte verbinding (p. 536)
•
Instellingen resetten op middendisplay
(p. 130)
•
Internetverbinding voor de auto maken via
een telefoon (Wi-Fi) (p. 533)
14
Het kiezen van een frequentie is niet op alle markten mogelijk.
•
•
•
Frequentie - 2,4 of 5 GHz14.
Standaarden - 802.11 a/b/g/n.
Beveiligingstype - WPA2-AES-CCMP.
Het Wi-Fi-systeem van de auto is zo ingericht dat
het Wi-Fi-eenheden in de auto kan hanteren.
Als meerdere eenheden op dezelfde frequentie
actief zijn, kunnen de prestaties afnemen.
Gerelateerde informatie
•
Auto met actieve internetverbinding* (p. 531)
Gebruiksvoorwaarden en
gegevensuitwisseling
De eerste keer dat u bepaalde diensten en apps
start, verschijnt mogelijk een pop-upvenster met
de titel Voorwaarden en
Gegevensuitwisseling.
Het venster dient om te informeren over de
gebruiksvoorwaarden en het beleid voor gegevensuitwisseling dat Volvo hanteert. Door
akkoord te gaan gegevensuitwisseling stemt de
gebruiker erin toe dat de auto bepaalde informatie verstuurt. Dit is een vereiste voor optimale
werking van bepaalde diensten en apps.
De gegevensuitwisseling voor connected diensten en gedownloade apps is standaard gedeactiveerd. Om bepaalde connected diensten en
apps in de auto te kunnen gebruiken moet de
gegevensuitwisseling worden geactiveerd. Toestemming voor gegevensuitwisseling is te verstrekken via het instellingsmenu van het middendisplay.
N.B.
De instellingen voor privacy en gegevensuitwisseling zijn uniek voor ieder bestuurdersprofiel.
}}
* Optie/accessoire. 537
GELUID, MEDIA EN INTERNET
||
Gerelateerde informatie
•
Gegevensuitwisseling activeren en deactiveren (p. 538)
Gegevensuitwisseling activeren en
deactiveren
In het instellingsmenu van het middendisplay
kunt u de gegevensuitwisseling van de desbetreffende diensten en apps instellen.
1.
Tik op Instellingen in het hoofdscherm op
het middendisplay.
2.
Tik op Systeem
3.
Geef aan of uw de gegevensuitwisseling wilt
in- of uitschakelen voor bepaalde diensten
en alle apps.
Privacy en gegevens.
Als de gegevensuitwisseling voor connected
diensten of gedownloade apps niet al is geactiveerd, kunt u dat doen tijdens het eerste gebruik
via het middendisplay. De eerste keer dat u connected diensten of gedownloade apps gebruikt
en na bijv. het herstellen van de fabrieksinstellingen of het downloaden van bepaalde softwareupdates moet u akkoord gaan met Volvo's voorwaarden voor connected diensten. Let er in dat
geval op dat u daarmee ook de gegevensuitwisseling activeert voor andere connected diensten
en gedownloade apps waarvoor u de gegevensuitwisseling al eerder hebt geactiveerd.
538
N.B.
Na een bezoek aan een Volvo-werkplaats
moet u de gegevensuitwisseling mogelijk
opnieuw inschakelen om weer gebruik te
kunnen maken van connectiviteitsdiensten en
apps.
Gerelateerde informatie
•
Gebruiksvoorwaarden en gegevensuitwisseling (p. 537)
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Vrije geheugenruimte op harde
schijf
Het is mogelijk de vrije geheugenruimte te bekijken die beschikbaar is op de harde schijf van de
auto.
Het is mogelijk informatie weer te geven over de
harde schijf van de auto, zoals de totale capaciteit, de beschikbare geheugenruimte en de
gebruikte geheugenruimte voor geïnstalleerde
apps. U vindt de informatie onder Instellingen
Systeem Systeeminformatie Opslag.
Gerelateerde informatie
•
Apps (p. 496)
539
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Licentieovereenkomst voor audio en
media
Een licentie is een overeenkomst die toestemming verleent om bepaalde handelingen te verrichten of het recht om gebruik te maken van
een product waar een andere rechtspersoon
octrooi of eigendomsrechten op heeft, onder de
voorwaarden vervat in de overeenkomst. Hier
volgen de teksten van de overeenkomsten tussen Volvo en producenten/ontwikkelaars. Een
groot aantal van deze teksten is in het Engels.
Bowers & Wilkins
Bowers & Wilkins en B&W zijn handelsmerken
van B&W Group Ltd. Nautilus is een handelsmerk
van B&W Group Ltd. Kevlar is een geregistreerd
handelsmerk van DuPont.
Dirac Unison®
DivX®
Dirac Unison optimaliseert de luidsprekers qua
tijd, ruimte en frequentie voor optimale basintegratie en helderheid. De technologie maakt ook
een waarheidsgetrouwe weergave mogelijk van
de akoestische eigenschappen van specifieke
concertzalen. Met behulp van geavanceerde algoritmes stuurt Dirac Unison op digitale wijze alle
luidsprekers aan op basis van akoestische metingen met een grote nauwkeurigheid. Net als een
echte dirigent garandeert Dirac Unison dat de
luidsprekers bij de weergave perfect op elkaar
zijn afgestemd.
DivX®, DivX Certified® en daaraan gerelateerde
logo's zijn handelsmerken die eigendom zijn van
DivX, LLC en worden gebruikt onder licentie.
Dit DivX Certified® apparaat kan DivX® Home
Theater videobestanden tot 576p weergeven
(inclusief .avi, .divx). Download gratis software van
www.divx.com om digitale videobestanden te
maken, weergeven en streamen.
OVER DIVX VIDEO-ON-DEMAND: Om Video-onDemand-films (VOD) in DivX-formaat te kunnen
afspelen moet u deze DivX Certified® eenheid
eerst registreren. U vindt uw registratiecode via
de sectie DivX VOD in het instellingsmenu van
de eenheid. Breng voor meer informatie over het
afronden van de registratie een bezoek aan
vod.divx.com.
Octrooinummer
Beschermd door een of meer van de volgende
octrooien in de VS. 7,295,673; 7,460,668;
7,515,710; 8,656,183; 8,731,369; RE45,052
540
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Gracenote®
Het copyright © van bepaalde delen van de
inhoud berust bij Gracenote of zijn leveranciers.
Gracenote, Gracenote-logo en -logotype,
"Powered by Gracenote" en Gracenote MusicID
zijn geregistreerde handelsmerken of handelsmerken die eigendom zijn van Gracenote, Inc. in
de VS en/of andere landen.
Licentieovereenkomst Gracenote®
Deze toepassing of dit apparaat bevat software
van Gracenote, Inc. uit Emeryville, Californië
(“Gracenote”). Met de software van Gracenote
(“Gracenote-software”) kan deze toepassing
schijf- en of bestandsidentificatie uitvoeren en
muziekverwante gegevens ophalen, waaronder
informatie over de naam, artiest, track en titel
(“Gracenote-gegevens”) vanuit online-servers of
ingesloten databases (samen “Gracenote-servers”). De toepassing kan tevens andere functies
verrichten. U mag Gracenote-gegevens uitsluitend gebruiken door middel van de beoogde
eindgebruikersfuncties van deze toepassing of dit
apparaat.
U stemt ermee in de Gracenote-gegevens, de
Gracenote-software en Gracenote-servers uitsluitend voor uw eigen, niet-commercieel privégebruik te gebruiken. U stemt ermee in de Gracenote-software of welke Gracenote-gegevens dan
ook niet aan derden toe te wijzen, te kopiëren,
over te dragen of door te zenden. U STEMT
ERMEE IN DE GRACENOTE-GEGEVENS, DE
GRACENOTE-SOFTWARE OF DE GRACENOTESERVERS UITSLUITEND TE GEBRUIKEN OP
DE MANIER DIE HIERIN UITDRUKKELIJK
WORDT TOEGESTAAN.
U stemt ermee in dat uw niet-exclusieve licentie
om de Gracenote-gegevens, de Gracenote-software en de Gracenote-servers te gebruiken, zal
worden beëindigd als u inbreuk maakt op deze
beperkingen. Als uw licentie wordt beëindigd,
stemt u ermee in op geen enkele wijze meer
gebruik te maken van de Gracenote-gegevens,
de Gracenote-software en de Gracenote-servers.
Gracenote behoudt zich alle rechten voor met
betrekking tot de Gracenote-gegevens, de Gracenote-software en de Gracenote-servers, inclusief alle eigendomsrechten. In geen geval is Gracenote aansprakelijk voor betaling aan u voor
informatie die u verschaft. U stemt ermee in dat
Gracenote, Inc. volgens deze overeenkomst uit
eigen naam rechtstreeks mag toezien op naleving van de rechten jegens u.
De Gracenote-service gebruikt een unieke identificatiecode om query's na te sporen voor statistische doeleinden. Het doel van deze willekeurig
toegewezen numerieke code is om de Gracenote-service query's te laten tellen zonder te
weten wie u bent. Ga voor meer informatie naar
de webpagina over het Privacybeleid van Gracenote voor de Gracenote-service.
De licentie voor de Gracenote-software en alle
onderdelen van de Gracenote-gegevens wordt
verstrekt op “AS IS”-basis. Gracenote doet geen
toezeggingen en verstrekt geen garantie, uitdrukkelijk of stilzwijgend, ten aanzien van de juistheid
van de Gracenote-gegevens op de Gracenoteservers. Gracenote behoudt zich het recht voor
om gegevens te verwijderen van de Gracenoteservers of om gegevenscategorieën te wijzigen
als Gracenote hiertoe voldoende reden ziet. Er
wordt geen garantie verstrekt dat de Gracenotesoftware of Gracenote-servers geen onjuistheden
bevatten of dat het functioneren van de Gracenote-software of Gracenote-servers ononderbroken zal zijn. Gracenote is niet verplicht u te voorzien van nieuwe, verbeterde of extra gegevenstypen of -categorieën die Gracenote mogelijk in de
toekomst verschaft; Gracenote mag de diensten
op elk moment beëindigen.
GRACENOTE WIJST ALLE GARANTIES, UITDRUKKELIJK OF STILZWIJGEND, INCLUSIEF
MAAR NIET BEPERKT TOT STILZWIJGENDE
GARANTIES MET BETREKKING TOT VERKOOPBAARHEID, GESCHIKTHEID VOOR EEN
}}
541
GELUID, MEDIA EN INTERNET
||
BEPAALD DOEL, EIGENDOMSRECHT EN HET
GEEN INBREUK MAKEN OP RECHTEN VAN
DERDEN, VAN DE HAND. GRACENOTE VERSTREKT GEEN GARANTIES TEN AANZIEN VAN
DE RESULTATEN DIE WORDEN VERKREGEN
VOOR UW GEBRUIK VAN GRACENOTE-SOFTWARE OF WELKE GRACENOTE-SERVER DAN
OOK. GRACENOTE IS IN GEEN GEVAL AANSPRAKELIJK VOOR INDIRECTE OF GEVOLGSCHADE, GEDERFDE WINST OF VERLIES VAN
INKOMSTEN.
© Gracenote, Inc. 2009
Sensus software
This software uses parts of sources from clib2
and Prex Embedded Real-time OS - Source
(Copyright (c) 1982, 1986, 1991, 1993, 1994),
and Quercus Robusta (Copyright (c) 1990,
1993), The Regents of the University of
California. All or some portions are derived from
material licensed to the University of California by
American Telephone and Telegraph Co. or Unix
System Laboratories, Inc. and are reproduced
herein with the permission of UNIX System
Laboratories, Inc. Redistribution and use in
source and binary forms, with or without
modification, are permitted provided that the
following conditions are met: Redistributions of
source code must retain the above copyright
notice, this list of conditions and the following
disclaimer. Redistributions in binary form must
reproduce the above copyright notice, this list of
542
conditions and the following disclaimer in the
documentation and/or other materials provided
with the distribution. Neither the name of the
<ORGANIZATION> nor the names of its
contributors may be used to endorse or promote
products derived from this software without
specific prior written permission. THIS
SOFTWARE IS PROVIDED BY THE COPYRIGHT
HOLDERS AND CONTRIBUTORS "AS IS" AND
ANY EXPRESS OR IMPLIED WARRANTIES,
INCLUDING, BUT NOT LIMITED TO, THE
IMPLIED WARRANTIES OF MERCHANTABILITY
AND FITNESS FOR A PARTICULAR PURPOSE
ARE DISCLAIMED. IN NO EVENT SHALL THE
COPYRIGHT OWNER OR CONTRIBUTORS BE
LIABLE FOR ANY DIRECT, INDIRECT,
INCIDENTAL, SPECIAL, EXEMPLARY, OR
CONSEQUENTIAL DAMAGES (INCLUDING,
BUT NOT LIMITED TO, PROCUREMENT OF
SUBSTITUTE GOODS OR SERVICES; LOSS OF
USE, DATA, OR PROFITS; OR BUSINESS
INTERRUPTION) HOWEVER CAUSED AND ON
ANY THEORY OF LIABILITY, WHETHER IN
CONTRACT, STRICT LIABILITY, OR TORT
(INCLUDING NEGLIGENCE OR OTHERWISE)
ARISING IN ANY WAY OUT OF THE USE OF
THIS SOFTWARE, EVEN IF ADVISED OF THE
POSSIBILITY OF SUCH DAMAGE.
This software is based in part on the work of the
Independent JPEG Group.
This software uses parts of sources from
"libtess". The Original Code is: OpenGL Sample
Implementation, Version 1.2.1, released January
26, 2000, developed by Silicon Graphics, Inc. The
Original Code is Copyright (c) 1991-2000 Silicon
Graphics, Inc. Copyright in any portions created
by third parties is as indicated elsewhere herein.
All Rights Reserved. Copyright (C) [1991-2000]
Silicon Graphics, Inc. All Rights Reserved.
Permission is hereby granted, free of charge, to
any person obtaining a copy of this software and
associated documentation files (the "Software"),
to deal in the Software without restriction,
including without limitation the rights to use,
copy, modify, merge, publish, distribute,
sublicense, and/or sell copies of the Software,
and to permit persons to whom the Software is
furnished to do so, subject to the following
conditions: The above copyright notice including
the dates of first publication and either this
permission notice or a reference to http://
oss.sgi.com/projects/FreeB/ shall be included in
all copies or substantial portions of the Software.
THE SOFTWARE IS PROVIDED "AS IS",
WITHOUT WARRANTY OF ANY KIND,
EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
LIMITED TO THE WARRANTIES OF
MERCHANTABILITY, FITNESS FOR A
PARTICULAR PURPOSE AND
NONINFRINGEMENT. IN NO EVENT SHALL
SILICON GRAPHICS, INC. BE LIABLE FOR ANY
CLAIM, DAMAGES OR OTHER LIABILITY,
WHETHER IN AN ACTION OF CONTRACT,
TORT OR OTHERWISE, ARISING FROM, OUT
OF OR IN CONNECTION WITH THE SOFTWARE
GELUID, MEDIA EN INTERNET
OR THE USE OR OTHER DEALINGS IN THE
SOFTWARE. Except as contained in this notice,
the name of Silicon Graphics, Inc. shall not be
used in advertising or otherwise to promote the
sale, use or other dealings in this Software
without prior written authorization from Silicon
Graphics, Inc.
complying with the user agreements that
accompany each Source Code.
This software is based in parts on the work of the
FreeType Team.
NTT (Nippon Telegraph and Telephone
Corporation). All rights reserved.
This software uses parts of SSLeay Library:
Copyright (C) 1995-1998 Eric Young
(eay@cryptsoft.com). All rights reserved
PROCUREMENT OF SUBSTITUTE GOODS OR
SERVICES; LOSS OF USE, DATA, OR PROFITS;
OR BUSINESS INTERRUPTION) HOWEVER
CAUSED AND ON ANY THEORY OF LIABILITY,
WHETHER IN CONTRACT, STRICT LIABILITY,
OR TORT (INCLUDING NEGLIGENCE OR
OTHERWISE) ARISING IN ANY WAY OUT OF
THE USE OF THIS SOFTWARE, EVEN IF
ADVISED OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.
Redistribution and use in source and binary
forms, with or without modification, are permitted
provided that the following conditions are met:
COPYRIGHT AND PERMISSION NOTICE
Linux software
1.
Redistributions of source code must retain
the above copyright notice, this list of
conditions and the following disclaimer as
the first lines of this file unmodified.
2.
Redistributions in binary form must
reproduce the above copyright notice, this list
of conditions and the following disclaimer in
the documentation and/or other materials
provided with the distribution.
This product contains software licensed under
GNU General Public License (GPL) or GNU
Lesser General Public License (LGPL), etc.
You have the right of acquisition, modification,
and distribution of the source code of the GPL/
LGPL software.
You may download Source Code from the
following website at no charge: http://
www.embedded-carmultimedia.jp/linux/oss/
download/TVM_8351_013
The website provides the Source Code "As Is"
and without warranty of any kind.
By downloading Source Code, you expressly
assume all risk and liability associated with
downloading and using the Source Code and
Please note that we cannot respond to any
inquiries regarding the source code.
camellia:1.2.0
Copyright (c) 2006, 2007
THIS SOFTWARE IS PROVIDED BY NTT ``AS
IS'' AND ANY EXPRESS OR IMPLIED
WARRANTIES, INCLUDING, BUT NOT LIMITED
TO, THE IMPLIED WARRANTIES OF
MERCHANTABILITY AND FITNESS FOR A
PARTICULAR PURPOSE ARE DISCLAIMED. IN
NO EVENT SHALL NTT BE LIABLE FOR ANY
DIRECT, INDIRECT, INCIDENTAL, SPECIAL,
EXEMPLARY, OR CONSEQUENTIAL DAMAGES
(INCLUDING, BUT NOT LIMITED TO,
Unicode: 5.1.0
Copyright c 1991-2013 Unicode, Inc. All rights
reserved. Distributed under the Terms of Use in
http://www.unicode.org/copyright.html.
Permission is hereby granted, free of charge, to
any person obtaining a copy of the Unicode data
files and any associated documentation (the
"Data Files") or Unicode software and any
associated documentation (the "Software") to
deal in the Data Files or Software without
restriction, including without limitation the rights
to use, copy, modify, merge, publish, distribute,
and/or sell copies of the Data Files or Software,
and to permit persons to whom the Data Files or
Software are furnished to do so, provided that (a)
the above copyright notice(s) and this permission
notice appear with all copies of the Data Files or
Software, (b) both the above copyright notice(s)
and this permission notice appear in associated
documentation, and (c) there is clear notice in
}}
543
GELUID, MEDIA EN INTERNET
||
each modified Data File or in the Software as
well as in the documentation associated with the
Data File(s) or Software that the data or software
has been modified.
THE DATA FILES AND SOFTWARE ARE
PROVIDED "AS IS", WITHOUT WARRANTY OF
ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING
BUT NOT LIMITED TO THE WARRANTIES OF
MERCHANTABILITY, FITNESS FOR A
PARTICULAR PURPOSE AND
NONINFRINGEMENT OF THIRD PARTY
RIGHTS. IN NO EVENT SHALL THE
COPYRIGHT HOLDER OR HOLDERS
INCLUDED IN THIS NOTICE BE LIABLE FOR
ANY CLAIM, OR ANY SPECIAL INDIRECT OR
CONSEQUENTIAL DAMAGES, OR ANY
DAMAGES WHATSOEVER RESULTING FROM
LOSS OF USE, DATA OR PROFITS, WHETHER
544
IN AN ACTION OF CONTRACT, NEGLIGENCE
OR OTHER TORTIOUS ACTION, ARISING OUT
OF OR IN CONNECTION WITH THE USE OR
PERFORMANCE OF THE DATA FILES OR
SOFTWARE.
Except as contained in this notice, the name of a
copyright holder shall not be used in advertising
or otherwise to promote the sale, use or other
dealings in these Data Files or Software without
prior written authorization of the copyright holder.
Verklaring van overeenstemming
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Land/
regio
Brazilië:
Este equipamento opera em caráter secundário isto e, náo tem direito a protecão contra interferéncia prejudicial, mesmo tipo, e não pode
causar interferéncia a sistemas operando em caráter primário.
Para consultas, visite: www.anatel.gov.br
EU:
Producent: Mitsubishi Electric Corporation Sanda Works 2-3-33, Miwa, Sanda-city. Hyogo, 669-1513, Japan
Mitsubishi Electric Corporation verklaart bij dezen dat de radioapparatuur van het type [Audio Navigation Unit] in overeenstemming is met de
Richtlijn 2014/53/EU.
Voor meer informatie, zie support.volvocars.com.
Verenigde
Arabische
Emiraten:
}}
545
GELUID, MEDIA EN INTERNET
||
Land/
regio
Kazachstan:
Modelnaam: NR-0V
Producent: Mitsubishi Electric Corporation
Exportland: Japan
546
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Land/
regio
China:
1.
■ 使用频率
2.4 - 2.4835 GHz
■ 等效全向辐射
■ 最大
率(EIRP)
率谱密度
天线增益
天线增益
10dBi 时
10dBi 时
≤100 mW 或≤20 dBm ①
≤20 dBm / MHz(EIRP) ①
■ 载频容限
20 ppm
■ 帯外发射
率(在 2.4-2.4835GHz 頻段以外) ≤-80 dBm / Hz (EIRP)
■ 杂散发射(辐射)
•
•
•
•
•
率(对应载波±2.5 倍信道带宽以外)
≤-36 dBm / 100 kHz (30 - 1000 MHz)
≤-33 dBm / 100 kHz (2.4 - 2.4835 GHz)
≤-40 dBm / 1 MHz (3.4 - 3.53 GHz)
≤-40 dBm / 1 MHz (5.725 - 5.85 GHz)
≤-30 dBm / 1 MHz (其它 1 - 12.75 GHz)
2.不得擅自更改发射频率
大发射
率(包括额外
3.使用时不得对各种合法的无线电通信业
使用
4.使用微
率无线电设备,必须忍
装射频
产生有害干扰
各种无线电业
率放大器),不得擅自外接天线或改用其它发射天线
一旦发现有干扰现象时,应立即停止使用,并采
的干扰或工业
措施消除干扰后方可继续
科学及医疗应用设备的辐射干扰
5.不得在飞机和机场附近使用
}}
547
GELUID, MEDIA EN INTERNET
||
Land/
regio
Korea:
B 급 기기 (가정용 방송통신기자재)
이 기기는 가정용(B 급) 전자파적합기기로서 주로
가정에서 사용하는 것을
적으로 하며,
든
지역에서 사용할 수 있습니다.
해당 무선설비는 전파혼신 가능성이 있으므로 인명안전과 관련된 서비스는 할 수 없습니다.
Maleisië
This device has been certified under the Communications & Multimedia Act of 1998, Communications and Multimedia (Technical Standards)
Regulations 2000. To retrieve your device’s serial number, please visit (support.volvocars.com) and search for “SIRIM Label Verification”.
Device category: Navigation equipment for vehicle (Bluetooth)
Model: NR-0V
Type Approval No.:
RBAY/18A/1015S(15-4067)
548
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Land/
regio
Mexico:
Taiwan:
低功率電波輻射性電機管理辦法
第十二條
經型式認證合格之低功率射頻電機,非經許可,公司
變更頻率
商號或使用者均不得擅自
加大功率或變更原設計之特性及功能
第十四條
低功率射頻電機之使用不得影響飛航安全及干擾合法通信;經發現有干擾現象時,應
立停用,改善至無干擾時方得繼續使用
電通信
前項合法通信,指依電信法規定作業之無線
低功率射頻電機須忍受合法通信或工業
科學及醫療用電波輻射性電機設備
之干擾
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Audio, media en internet (p. 494)
Auto met actieve internetverbinding* (p. 531)
Mediaspeler (p. 505)
Gracenote® (p. 509)
Sensus – connectiviteit en entertainment
(p. 32)
* Optie/accessoire. 549
ECALL
ECALL
eCall1
De auto kan een ongeluk detecteren en automatisch de dichtstbijzijnde alarmcentrale waarschuwen.
Voor auto's zonder Volvo On Call* geldt PanEuropean eCall, een wettelijke verplichting in
Europa. Het systeem biedt toegang tot automatische ongevalsmelding en acute hulpverlening in
noodsituaties.
Gerelateerde informatie
•
Automatische ongevalsmelding eCall
(p. 552)
•
•
Acute hulp via eCall (p. 553)
Automatische ongevalsmelding
eCall2
Bij een botsing kan de auto een automatische
ongevalsmelding sturen naar de dichtstbijzijnde
alarmcentrale, die vervolgens de vereiste hulpdiensten sturen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
eCall (p. 552)
Acute hulp via eCall (p. 553)
Wegenhulp (p. 553)
Bij triggering van een van de veiligheidssystemen
van de auto, zoals bij een ongeluk waarbij het
activeringsniveau voor de gordelspanners of airbags wordt bereikt, wordt er automatisch een signaal gestuurd naar de dichtstbijzijnde alarmcentrale.
1.
De auto stuurt automatisch een melding, met
onder meer de positie van de auto2, naar de
alarmcentrale.
2.
De alarmcentrale neemt vervolgens telefonisch contact met u op om zo meer informatie te krijgen over de ernst van het ongeval
en te bepalen welke hulp er moet worden
geboden.
3.
De alarmcentrale stuurt daarna de benodigde hulpdiensten (politie, ambulancevervoer, bergingsbedrijf en dergelijke).
Wegenhulp (p. 553)
Als er geen telefonisch contact kan worden
gemaakt, beschikt de alarmcentrale over de positie van de auto om u de benodigde hulp te kunnen sturen.
1
2
552
Geldt voor bepaalde markten.
Geldt voor bepaalde markten.
* Optie/accessoire.
ECALL
Acute hulp via eCall3
Wegenhulp4
Druk in een noodsituatie op de SOS-knop om
contact op te nemen met de dichtstbijzijnde
alarmcentrale.
Hulp inroepen bij problemen met de auto via de
ON CALL-knop op de plafondconsole.
Als iemand onwel wordt of als de auto of de inzittenden in bedreigende situaties belanden kunt u
de dichtstbijzijnde alarmcentrale handmatig waarschuwen door de SOS-knop minstens
2 seconden ingedrukt te houden. De alarmcentrale wordt dan gewaarschuwd, ontvangt onder
meer informatie over de positie van de auto3 en
probeert vervolgens telefonisch contact te maken
met de bestuurder om in overleg te bepalen
welke hulp er moet worden geboden.
Druk bij bijv. een lekke band, een lege brandstoftank of een uitgeputte accu minstens
2 seconden op de ON CALL-knop op de plafondconsole. Er wordt telefonisch contact
gemaakt met een wegenwachtbedrijf dat passende hulp naar de auto kan sturen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
N.B.
eCall (p. 552)
Automatische ongevalsmelding eCall
(p. 552)
Acute hulp via eCall (p. 553)
De SOS-knop is alleen bestemd voor gebruik
in noodsituaties. Gebruik de knop alleen wanneer u betrokken bent geraakt bij een ongeluk, als iemand onwel wordt of als de auto en
eventuele inzittenden in bedreigende situaties
terechtkomen. Gebruik de ON CALL-knop bij
technische problemen met de auto.
Gerelateerde informatie
•
•
•
3
eCall (p. 552)
Automatische ongevalsmelding eCall
(p. 552)
Wegenhulp (p. 553)
Geldt voor bepaalde markten.
553
ECALL
||
4
554
Geldt voor bepaalde markten.
WIELEN EN BANDEN
WIELEN EN BANDEN
Banden
Nieuwe banden
De banden bieden onder meer draagvermogen,
grip op de ondergrond, trillingsdemping en
beschermen de wielen tegen slijtage.
De banden zijn van grote invloed op de rijeigenschappen van de auto. Zowel het type, de maat,
de bandenspanning als de snelheidsklasse zijn
belangrijk voor het rijgedrag van de auto.
Zuinige banden
•
•
Welke banden er op de auto zitten staat op de
bandengegevenssticker op de B-stijl (tussen
voor- en achterportier) aan bestuurderszijde.
WAARSCHUWING
Een beschadigde band kan een oncontroleerbare auto opleveren.
Aanbevolen banden
De auto wordt aangeleverd met originele Volvobanden met aan de zijkant het opschrift VOL1.
Deze banden zijn zorgvuldig afgestemd op de
auto. Bij het verwisselen van banden is het
daarom belangrijk om erop te letten dat ook de
nieuwe banden voorzien zijn van dit opschrift voor
het behoud van de rijeigenschappen, het rijcomfort en het brandstofverbruik van de auto.
Banden hebben een beperkte houdbaarheidsdatum. Na enkele jaren worden de banden hard en
neemt de grip op het wegdek stukje bij beetje af.
Gebruik bij het verwisselen van banden altijd zo
nieuw mogelijke banden. Dit geldt in het bijzonder voor winterbanden. De laatste cijfers van de
cijferreeks geven de week en het jaar van productie aan. Het is de zogenoemde DOT-code
(Department of Transportation) van de band en
bestaat uit vier cijfers, bijvoorbeeld 0717. Een
dergelijke band is de 7e week van het jaar 2017
geproduceerd.
Leeftijd van de banden
Alle banden die ouder zijn dan 6 jaar moet u door
een vakman laten controleren, ook al zien ze er
intact uit. Dit omdat het materiaal waarvan banden gemaakt zijn ook veroudert en afgebroken
1
556
Voor bepaalde bandenmaten zijn afwijkingen mogelijk.
wordt, als banden zelden of nooit worden
gebruikt. Daarbij kan de werking van de band
worden aangetast. Dit geldt voor alle banden die
u voor toekomstig gebruik hebt opgeslagen.
Scheurvorming of verkleuring zijn de zichtbare
kenmerken van een band die ongeschikt is voor
gebruik.
Zorg steeds voor de juiste bandenspanning.
Vermijd snelle starts, krachtig remmen en
piepende banden.
•
Naarmate er sneller wordt gereden, slijten de
banden ook sneller.
•
De juiste instelling van de voorwielen is erg
belangrijk.
•
Ongebalanceerde wielen maken banden
minder zuinig en verslechteren het rijcomfort.
•
De banden moeten tijdens hun hele levensduur dezelfde rotatierichting hebben.
•
Als u van banden wisselt, moeten de banden
met het beste profiel op de achterwielen
worden gemonteerd om het gevaar voor
oversturen bij krachtig remmen te beperken.
•
Als u over trottoirbanden of door diepe gaten
rijdt, kunt u de banden en/of velgen permanent beschadigen.
WIELEN EN BANDEN
Bandenrotatie
De auto heeft geen verplichte bandenrotatie. De
rijstijl, de bandenspanning, het klimaat en de
staat van de wegen zijn van invloed op de snelheid waarmee de banden verouderen en slijten.
De juiste bandenspanning levert een gelijkmatiger slijtage op.
Om verschillen in profieldiepte te voorkomen en
slijtpatronen in de banden tegen te gaan dient u
de wielen op de voor- en achteras onderling van
plaats te verwisselen. Verricht de eerste wissel na
zo'n 5000 km (zo'n 3100 miles) en doe dat
daarna om de 10.000 km (zo'n 6200 miles)
opnieuw.
Volvo adviseert u contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats, als u niet zeker bent
van de profieldiepte. Als er al een duidelijk verschil zit in de slijtage (> 1 mm verschil in profieldiepte) van de banden, dienen de minst versleten
banden altijd op de achteras te zitten. Slippende
voorwielen zijn gemakkelijker te corrigeren dan
slippende achterwielen, omdat de auto rechtuit
blijft rijden in plaats van uit te breken met de achterkant waarbij u mogelijk de controle over de
auto verliest. Daarom is belangrijk dat de achterwielen nooit vóór de voorwielen grip verliezen.
Wielen en banden opslaan
Als u complete wielen (banden gemonteerd op
velgen) opslaat, moeten die worden opgehangen
of op hun zijkant op de vloer liggen.
Banden die niet op velgen zijn gemonteerd, moeten liggend op hun zijkant of rechtopstaand worden opgeslagen, maar niet worden opgehangen.
BELANGRIJK
Banden moeten worden opgeslagen op een
koele, droge en donkere plaats en mogen
nooit worden opgeslagen in de buurt van
oplosmiddelen, benzine, oliën e.d.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
WAARSCHUWING
•
De maten van velgen en banden voor uw
Volvo zijn aangegeven om te voldoen aan
strenge eisen als het gaat om stabiliteit
en rijeigenschappen. Niet-goedgekeurde
combinaties van velg- en bandenmaten
kunnen van negatieve invloed zijn op de
stabiliteit en de rijeigenschappen van de
auto.
•
Eventuele schade veroorzaakt door
gemonteerde combinaties van velgen/
banden met niet-goedgekeurde maten
vallen niet onder de fabrieksgarantie.
Volvo aanvaardt geen aansprakelijkheid
voor overlijden, letsel of kosten die het
gevolg kunnen zijn van dergelijke installaties.
•
Bandenspanning controleren (p. 560)
De draairichting van de banden. (p. 559)
Slijtage-indicator van banden (p. 560)
Bandenspanningscontrolesysteem*
(p. 563)
Noodreparatieset voor banden (p. 577)
Maataanduiding voor banden (p. 558)
Goedgekeurde wiel- en bandenmaten
(p. 674)
Adviezen voor het vervoer van bagage
(p. 593)
* Optie/accessoire. 557
WIELEN EN BANDEN
Maataanduiding voor banden
Snelheidsklasse
Aanduidingen voor de afmetingen, lastindex en
snelheidsklasse van de banden.
Elke band is berekend op een bepaalde maximumsnelheid. De snelheidsklasse, SS (Speed
Symbol), van de banden moet minimaal overeenkomen met de topsnelheid van de auto. In onderstaande tabel staat welke toelaatbare maximumsnelheid voor de verschillende snelheidsklassen
(SS) geldt. De enige uitzondering hierop vormen
winterbanden2, waarvoor een lagere snelheidsklasse gebruikt mag worden. Bij gebruik van dergelijke banden mag u niet sneller rijden dan de
maximumsnelheid die voor het gebruikte bandentype geldt. Voor klasse Q geldt bijvoorbeeld een
maximumsnelheid van 160 km/h (100 mph). De
gesteldheid van het wegdek is bepalend voor de
maximumsnelheid en niet de snelheidsklasse op
de banden.
De typegoedkeuring van de auto geldt in combinatie met bepaalde wielen en banden.
Maataanduiding
Alle banden hebben een bepaalde maataanduiding, bijvoorbeeld: 235/45 R19 99 V.
235
Breedte van de band (mm)
45
Verhouding tussen de hoogte en
breedte van de band (%)
R
Aanduiding voor radiaalbanden
19
Velgdiameter van de band
99
Aanduiding van het draagvermogen van
de band, lastindex (LI)
V
Aanduiding van de snelheidslimiet van
de band, snelheidsklasse (SS). (In het
gegeven geval 240 km/h (149 mph).)
2
558
270 km/h (168 mph)
Y
300 km/h (186 mph)
WAARSCHUWING
De minimaal toelaatbare lastindex (LI) en de
snelheidsklasse (SS) van de banden voor de
verschillende motorvarianten staan gespecificeerd in de gedrukte gebruikershandleiding.
Bij gebruik van banden met een te lage lastindex of snelheidsklasse kunnen de banden
oververhit en beschadigd raken.
Gerelateerde informatie
•
•
•
N.B.
In de tabel staat de maximaal toegestane
snelheid.
Q
160 km/h (100 mph) (alleen voor winterbanden)
T
190 km/h (118 mph)
H
210 km/h (130 mph)
V
240 km/h (149 mph)
Lastindex
Iedere band heeft een bepaald draagvermogen,
wat wordt aangeduid met de lastindex (LI). Het
gewicht van de auto bepaalt het draagvermogen
van de banden.
W
Onder winterbanden worden zowel banden met als zonder "spikes" verstaan.
•
Banden (p. 556)
Maataanduiding voor wielen (p. 559)
Goedgekeurde wiel- en bandenmaten
(p. 674)
Minimaal toelaatbare lastindex en snelheidsklassen voor banden (p. 675)
WIELEN EN BANDEN
Maataanduiding voor wielen
De draairichting van de banden.
Wiel- en velgmaten worden aangeduid zoals in
de onderstaande tabel.
Bij banden met een speciaal profiel dat alleen
goed werkt wanneer de banden in een bepaalde
richting draaien, staat deze richting aangegeven
met een pijl op de zijkant van de band.
De typegoedkeuring van de auto geldt in combinatie met bepaalde wielen en banden.
Gerelateerde informatie
Alle wielen hebben een bepaalde maataanduiding, bijvoorbeeld: 7,5Jx18x50,5.
7,5
Velgbreedte in inch
J
Profiel velgrand
18
Velgdiameter van de band
50,5
Bolling in mm (afstand tussen de verticale aslijn door het wiel en het contactvlak met de naaf)
Gerelateerde informatie
•
•
•
Banden (p. 556)
•
Banden (p. 556)
De pijl geeft de draairichting van de band aan.
•
Zorg dat de banden altijd dezelfde draairichting hebben.
•
Banden mogen alleen van voor naar achter
verwisseld worden, nooit van links naar
rechts of omgekeerd.
•
Als u de banden verkeerd aanbrengt, nemen
de remeigenschappen van de auto af en
kunnen de banden regen, sneeuw en drab
minder goed afvoeren.
•
Monteer de banden met het diepste profiel
altijd op de achteras (om het gevaar voor
slippen te verminderen).
Maataanduiding voor banden (p. 558)
Goedgekeurde wiel- en bandenmaten
(p. 674)
N.B.
Let erop dat u hetzelfde type, dezelfde maat
en ook hetzelfde merk voor beide wielparen
hebt.
559
WIELEN EN BANDEN
Slijtage-indicator van banden
Bandenspanning controleren
Koude banden
De slijtage-indicator geeft de status aan van de
profieldiepte van de band.
Een juiste bandenspanning is een hulpmiddel
voor een betere rijstabiliteit, een lager brandstofverbruik en banden die langer meegaan.
De bandenspanning moet worden gecontroleerd
als de banden koud zijn. De banden worden
beschouwd als koud als ze dezelfde temperatuur
hebben als de omgevingslucht. Deze temperatuur
wordt normaal gesproken bereikt, als de auto
minimaal 3 uur geparkeerd heeft gestaan.
Dat de bandenspanning na verloop van tijd daalt
is normaal. De bandenspanning varieert ook
afhankelijk van de omgevingstemperatuur. Wanneer u met een te lage bandenspanning rijdt,
kunnen de banden oververhit en beschadigd
raken. De bandenspanning is van invloed op het
rijcomfort, de geproduceerde weggeluiden en de
rijeigenschappen.
De slijtage-indicator is een smalle ophoging die
dwars op het bandenprofiel staat. Op de zijwand
van de band staan de letters TWI (Tread Wear
Indicator). De slijtage-indicatoren zijn duidelijk
zichtbaar, wanneer een band dusdanig versleten
is dat slechts 1,6 mm (1/16 inch) van het profiel
over is. Vervang de banden dan zo spoedig
mogelijk. Let erop dat een band met een gering
profiel zeer weinig grip op het wegdek heeft bij
regen of sneeuw.
Controleer iedere maand de bandenspanning.
Gebruik de aanbevolen bandenspanning voor
koude banden, voor optimale bandenprestaties
en een optimale slijtage. Een te lage of te hoge
bandenspanning kan ertoe leiden dat banden
onregelmatig slijten.
WAARSCHUWING
•
Een te lage bandenspanning is de meest
voorkomende reden voor het stukgaan
van banden en kan leiden tot ernstige
barsten in de band, het loslaten van het
loopvlak of een klapband. Daarbij raken
mensen onverwacht de controle over de
auto kwijt en bestaat er gevaar voor letsel.
•
Als de bandenspanning te laag is, heeft
de auto minder laadvermogen.
Gerelateerde informatie
•
560
Banden (p. 556)
Wanneer er ongeveer 1,6 km (1 mijl) mee is
gereden, zijn de banden te beschouwen als
warm. Als u verder dan dat moet rijden voor het
oppompen van de banden, moet u eerst de bandenspanning controleren en registreren en vervolgens de juiste bandenspanning toevoegen als
u bij de pomp bent aangekomen.
Als de buitentemperatuur verandert, verandert
ook de bandenspanning. Een temperatuurverlaging van 10 graden zorgt ervoor dat de bandenspanning met 1 psi (7 kPa) daalt. Controleer vaak
de bandenspanning en pas deze aan naar de
juiste druk. Deze vindt u op de sticker met bandeninformatie of op het certificeringsetiket.
Als u de bandenspanning controleert bij warme
banden moet u er nooit lucht uit laten. De banden zijn warm door het rijden en het is normaal
dat de druk toeneemt tot boven de aanbevolen
druk voor koude banden. Een warme band met
een bandenspanning die gelijk is aan of lager is
dan de aanbevolen druk voor koude banden kan
een te lage druk hebben.
WIELEN EN BANDEN
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Bandenspanning aanpassen (p. 561)
Aanbevolen bandenspanning (p. 562)
Bandenspanningscontrolesysteem*
(p. 563)
Banden (p. 556)
Bandenspanning aanpassen
Dat de bandenspanning na verloop van tijd daalt
is normaal. Daarom moet u om de aanbevolen
bandenspanning te handhaven de bandenspanning soms aanpassen.
Gebruik de aanbevolen bandenspanning voor
koude banden, voor optimale bandenprestaties
en een optimale slijtage.
3.
N.B.
•
Plaats na het oppompen van een band
altijd het ventieldopje terug om schade aan
het ventiel door grind, vuil e.d. te voorkomen.
•
Gebruik alleen kunststof dopjes. Metalen
ventieldopjes kunnen roesten en zijn moeilijk los te draaien.
N.B.
Controleer de bandenspanning bij koude banden om de verkeerde bandenspanning tegen
te gaan. Koude banden hebben dezelfde temperatuur als de omgeving (na ca. 3 uur stilstand). Al na enkele kilometers rijden worden
de banden warm en loopt de spanning op.
1.
2.
Verwijder de ventieldop van een band en
druk de manometer vervolgens stevig op het
ventiel.
Plaats de ventieldop terug.
4.
Controleer de banden op het oog om te kijken of er geen spijkers of andere voorwerpen in vastzitten waardoor de band lek kan
gaan.
5.
Controleer de zijwanden; kijk of er geen
putjes, sneetjes, bobbels of andere onregelmatigheden zijn.
6.
Doe dit voor alle banden, ook de reserveband*.
Pomp de banden op tot de juiste spanning,
zie de sticker aan de binnenkant van de portierstijl aan bestuurderszijde voor de aanbevolen spanning voor originele banden.
}}
* Optie/accessoire. 561
WIELEN EN BANDEN
||
N.B.
Als u een band te hard hebt opgepompt, kunt
u lucht laten ontsnappen door op de metalen
pen in het midden van het ventiel te drukken.
Controleer vervolgens de spanning opnieuw
met de manometer.
Aanbevolen bandenspanning
Gerelateerde informatie
Op de sticker voor op de portierstijl aan de
bestuurderszijde (tussen voor- en achterportier)
staat de juiste bandenspanning voor uw auto
aangegeven bij verschillende belading en snelheid.
•
•
Sommige reservebanden vereisen een
hogere bandenspanning dan andere banden.
Kijk hiervoor in de bandenspanningstabel of
op de bandenspanningssticker.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Aanbevolen bandenspanning (p. 562)
Bandenspanning controleren (p. 560)
Band oppompen met compressor uit reparatieset voor banden (p. 581)
Goedgekeurde bandenspanningswaarden
(p. 676)
Op de sticker staat de aanduiding voor de af
fabriek gemonteerde banden van de auto plus de
maximale belasting en de bandenspanning.
Zuiniger rijden met ECO-bandenspanning
Bij een lichte belading (maximaal 3 inzittenden)
en snelheden tot 160 km/h (100 mph) kunt u
voor brandstofbesparing de ECO-bandenspanning aanhouden. Als u echter uit bent op een
minimum aan rijgeluiden en optimaal rijcomfort
wordt geadviseerd de lagere Comfort-bandenspanning aan te houden.
562
Bandenspanning controleren (p. 560)
Goedgekeurde bandenspanningswaarden
(p. 676)
WIELEN EN BANDEN
Bandenspanningscontrolesysteem*
bandenspanningscontrolesysteem3
Het
waarschuwt u met een controlesymbool op het
bestuurdersdisplay voor een te lage bandenspanning in een of meer banden van de auto.
Symbool
Uitleg
Het symbool gaat branden om een
te lage bandenspanning aan te
geven.
Als er een storing optreedt in het
systeem, zal het waarschuwingssymbool voor de bandenspanning
ongeveer een minuut knipperen en
vervolgens constant gaan branden.
Systeembeschrijving
Het bandenspanningscontrolesysteem meet met
behulp van het ABS de verschillen in de omwentelingssnelheid van de verschillende wielen om zo
te kunnen bepalen of de bandenspanning in orde
is. Bij een te geringe bandenspanning verandert
de diameter en daarmee ook de rotatiesnelheid
van de band. Aan de hand van onderlinge vergelijkingen kan het systeem vaststellen of de spanning in een of meer banden te gering is.
3
Indirect Tyre Pressure Monitoring System (ITPMS)
Algemene informatie over
bandenspanningscontrolesystemen
In de onderstaande informatie wordt het bandenspanningscontrolesysteem aangeduid met de
algemene benaming TPMS.
Iedere band, ook de reserveband*, moet maandelijks worden gecontroleerd. Bij controle moet de
band koud zijn en de bandenspanning hebben
die door de autofabrikant wordt aanbevolen op
de bandenspanningssticker of in de bandenspanningstabel. Als de auto banden heeft met een
andere maat dan aanbevolen door de fabrikant,
moet u uitzoeken wat voor deze banden het juiste
bandenspanningsniveau is.
Als extra veiligheidsmaatregel is de auto voorzien
van een bandenspanningscontrolesysteem
(TPMS) dat aangeeft wanneer de bandenspanning in een of meer banden te laag is. Wanneer
het controlesymbool voor een lage bandenspanning gaat branden, moet u zo snel mogelijk stoppen, de banden controleren en de band(en)
oppompen tot de juiste spanning.
Rijden op banden met een te lage bandenspanning kan ertoe leiden dat de banden oververhit
raken, waardoor de banden lek kunnen raken.
Door een lage bandenspanning gaat u ook minder zuinig rijden en gaan de banden minder lang
mee én het kan gevolgen hebben voor de rijeigenschappen van de auto en het vermogen om
tot stilstand te komen. Let erop dat TPMS geen
vervanging is voor normaal bandenonderhoud. De
bestuurder dient de juiste bandenspanning te
handhaven, óók als de grenswaarde voor een
lage bandenspanning niet is bereikt en het controlesymbool daardoor nog niet is gaan branden.
De auto is ook voorzien van een indicator voor
storingen in het TPMS. Deze geeft aan wanneer
het systeem niet naar behoren werkt. Het lampje
voor storingen in het TPMS is gecombineerd met
het controlesymbool voor een lage bandenspanning. Als het systeem een storing detecteert,
gaat het symbool op het bestuurdersdisplay circa
één minuut knipperen om vervolgens te blijven
branden. Dit wordt telkens herhaald als de auto
wordt gestart tot de storing is verholpen. Wanneer het symbool brandt, kan dat gevolgen hebben voor het vermogen van het systeem om een
lage bandenspanning te detecteren en ervoor te
waarschuwen.
Storingen in het TPMS kunnen diverse oorzaken
hebben zoals het gebruik van een reservewiel of
andere banden of wielen, waardoor het TPMS
niet goed kan functioneren.
Controleer altijd het controlesymbool voor het
TPMS nadat u een of meer banden hebt vervangen om er zeker van te zijn dat de nieuwe band
of het nieuwe wiel goed werkt in combinatie met
het TPMS.
}}
* Optie/accessoire. 563
WIELEN EN BANDEN
||
Meldingen op het instrumentenpaneel
WAARSCHUWING
Bij een te lage bandenspanning gaat het controlelampje voor een lage bandenspanning op het
bestuurdersdisplay branden en er verschijnt een
melding. Controleer dan de bandenspanning in
de app Auto status op het middendisplay.
• Bandenspanning laagControleer
banden, kalibreer na vullen
• Bandenspanningssyst. Tijdelijk niet
beschikbaar
• Bandenspanningssyst. Service vereist
Waar u op moet letten
•
•
Als u banden met een maat anders dan de
originele monteert, moet u het systeem
resetten door de nieuwe bandenspanning
voor deze banden op te slaan om onterechte
waarschuwingen tegen te gaan.
•
Bij gebruik van een reservewiel* werkt het
bandenspanningscontrolesysteem mogelijk
niet goed door verschillen tussen de wielen.
•
Het systeem vormt geen vervanging voor een
regelmatige bandeninspectie en onderhoud.
•
Het is niet mogelijk het bandenspanningscontrolesysteem uit te schakelen.
4
564
Sla de nieuwe bandenspanning altijd in het
systeem op nadat een wiel is vervangen of
de bandenspanning is aangepast.
•
Een verkeerde bandenspanning kan tot
bandenpech leiden, waarbij u de controle
over de auto kunt verliezen.
•
Het systeem kan plotselinge bandenschade onmogelijk voorzien.
Gerelateerde informatie
•
•
Aanbevolen bandenspanning (p. 562)
Bandenspanningsstatus op het middendisplay* bekijken (p. 566)
•
Maatregel bij een waarschuwing voor een
lage bandenspanning (p. 567)
•
De nieuwe bandenspanning opslaan in het
controlesysteem* (p. 564)
De nieuwe bandenspanning
opslaan in het controlesysteem*
Het bandenspanningscontrolesysteem4 kan
alleen correct werken wanneer er een referentiewaarde voor de bandenspanning is opgeslagen.
Dit moet elke keer gebeuren wanneer banden
worden vervangen of de bandenspanning wordt
gewijzigd, zodat het systeem op de juiste manier
kan waarschuwen voor een lage bandenspanning.
Zo moet u de bandenspanning afstemmen op de
door Volvo geadviseerde bandenspanningswaarden bij ritten met een zware belading of op hoge
snelheden (meer dan 160 km/h (100 mph)).
Daarna moet het systeem worden gereset door
de nieuwe bandenspanning op te slaan.
Volg de volgende procedure om de nieuwe bandenspanning als referentiewaarde in het systeem
op te slaan:
1.
Zet de auto uit.
2.
Pomp de banden op tot de juiste spanning,
zie de sticker aan de binnenkant van de portierstijl aan bestuurderszijde voor de aanbevolen spanning voor originele banden.
3.
Start de motor.
Indirect Tyre Pressure Monitoring System (ITPMS)
* Optie/accessoire.
WIELEN EN BANDEN
4.
5.
Open de app Auto status op het appscherm.
8.
N.B.
Tik op Kalibreren.
Tik op OK om te bevestigen dat u de bandenspanning van alle vier de wielen hebt
gecontroleerd en aangepast.
Maatregel bij een waarschuwing voor een
lage bandenspanning (p. 567)
De nieuwe bandenspanning wordt opgeslagen als de auto met een snelheid hoger dan
35 km/h (22 mph) rijdt.
•
Bandenspanningscontrolesysteem* (p. 563)
WAARSCHUWING
De auto moet stilstaan om te zorgen dat de
knop Kalibreren kan worden gekozen.
7.
•
Als het contact van de auto wordt uitgeschakeld voordat de nieuwe bandenspanning is
opgeslagen, moet de procedure opnieuw
worden uitgevoerd. Zorg ervoor dat het
opslaan binnen één rijcyclus plaatsvindt,
zodat de nieuwe bandenspanning op de
juiste manier wordt opgeslagen.
> Als het opslaan mocht mislukken, verschijnt de melding Opslaan van
bandenspanning mislukt. Probeer het
opnieuw..
Tik op TPMS.
6.
Rijd met de auto totdat de nieuwe bandenspanning is opgeslagen.
De uitlaatgassen bevatten koolstofmonoxide.
Dit is onzichtbaar en geurloos, maar wel zeer
giftig. Daarom moet de procedure voor het
opslaan van een nieuwe bandenspanning
altijd buiten of in een werkplaats met afzuiging worden uitgevoerd.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Aanbevolen bandenspanning (p. 562)
Bandenspanning aanpassen (p. 561)
Bandenspanningsstatus op het middendisplay* bekijken (p. 566)
* Optie/accessoire. 565
WIELEN EN BANDEN
Bandenspanningsstatus op het
middendisplay* bekijken
Statusindicatie
Het bandenspanningscontrolesysteem5 biedt u
de mogelijkheid om op het middendisplay de
bandenspanningsstatus te bekijken.
Status controleren
U moet enkele minuten op snelheden hoger dan
35 km/h (22 mph) rijden om het systeem te activeren.
1.
Open de app Auto status op het appscherm.
De afbeelding is schematisch. Afhankelijk van de softwareversie en het model zijn afwijkingen mogelijk.
Hier volgen enkele voorbeelden van welke meldingen er voor de bandenspanningsstatus kunnen worden weergegeven en wat deze betekenen.
2.
5
566
Tik op TPMS om de status van de banden te
bekijken.
Middendisplay:
Controleer
band linksvoor,
sla spanning
op na vullen
De bandenspanning is te
laag. Stop de auto en controleer/corrigeer de bandenspanningswaarde door
de band onmiddellijk op te
pompenA.
Middendisplay:
Controleer alle
banden, sla
spanning op na
vullen
De bandenspanning van
twee of meer banden is te
gering. Stop de auto en
controleer/corrigeer de
bandenspanningswaarden
door de banden onmiddellijk op te pompenA.
Bestuurdersdisplay: Bandenspanningssyst.
Tijdelijk niet
beschikbaar
Het controlesymbool knippert en gaat na zo'n 1
minuut constant branden.
Het systeem is tijdelijk
niet beschikbaar, maar
wordt spoedig geactiveerd.
Bestuurdersdisplay: Bandenspanningssyst.
Service vereist
Het controlesymbool knippert en gaat na zo'n 1
minuut constant branden.
Het systeem werkt niet
naar behoren, neem con-
Indirect Tyre Pressure Monitoring System (ITPMS)
* Optie/accessoire.
WIELEN EN BANDEN
tact op met een werkplaatsB.
Sla de nieuwe bandenspanning altijd op in het systeem nadat
de bandenspanning is aangepast.
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
A
B
Gerelateerde informatie
Maatregel bij een waarschuwing
voor een lage bandenspanning
N.B.
Controleer de bandenspanning bij koude banden om de verkeerde bandenspanning tegen
te gaan. Koude banden hebben dezelfde temperatuur als de omgeving (na ca. 3 uur stilstand). Al na enkele kilometers rijden worden
de banden warm en loopt de spanning op.
Wanneer de bandenspanningscontrole6 waarschuwt voor een te lage bandenspanning, is
actie vereist.
•
De nieuwe bandenspanning opslaan in het
controlesysteem* (p. 564)
•
Maatregel bij een waarschuwing voor een
lage bandenspanning (p. 567)
Controleer de bandenspanning en corrigeer deze zo nodig, wanneer het controlesymbool voor het systeem gaat
branden en de melding
Bandenspanning laag verschijnt.
•
•
Bandenspanningscontrolesysteem* (p. 563)
1.
Zet de auto uit.
Autostatus (p. 608)
2.
Controleer de bandenspanning van alle vier
de wielen met een manometer.
3.
Pomp de banden op tot de juiste spanning,
zie de sticker aan de binnenkant van de portierstijl aan bestuurderszijde voor de aanbevolen spanning voor originele banden.
4.
Sla de nieuwe bandenspanning altijd via het
middendisplay op in het systeem nadat de
bandenspanning is aangepast.
N.B.
•
Plaats na het oppompen van een band
altijd het ventieldopje terug om schade
aan het ventiel door grind, vuil e.d. te
voorkomen.
•
Gebruik alleen kunststof dopjes. Metalen
ventieldopjes kunnen roesten en zijn
moeilijk los te draaien.
WAARSCHUWING
Let erop dat het symbool niet verdwijnt voordat de geringe bandenspanning is verholpen
en het opslaan van de nieuwe bandenspanning is gestart.
•
Een verkeerde bandenspanning kan tot
bandenpech leiden, waarbij u de controle
over de auto kunt verliezen.
•
Het systeem kan plotselinge bandenschade onmogelijk voorzien.
Gerelateerde informatie
•
•
6
Indirect Tyre Pressure Monitoring System (ITPMS)
Aanbevolen bandenspanning (p. 562)
Bandenspanning aanpassen (p. 561)
}}
* Optie/accessoire. 567
WIELEN EN BANDEN
•
•
•
•
De nieuwe bandenspanning opslaan in het
controlesysteem* (p. 564)
Bandenspanningsstatus op het middendisplay* bekijken (p. 566)
Bandenspanningscontrolesysteem* (p. 563)
Band oppompen met compressor uit reparatieset voor banden (p. 581)
Bij het verwisselen van wielen
Gereedschapsset
U kunt de wielen vervangen door bijvoorbeeld
winterwielen of een reservewiel. Neem de desbetreffende instructie in acht voor het demonteren en monteren van wielen.
In de bagageruimte van de auto ligt gereedschap dat bijvoorbeeld bij slepen of bij het verwisselen van een wiel kan worden gebruikt.
Bij montage van een andere
bandenmaat
Controleer of de bandenmaat goedgekeurd is
voor gebruik op de auto.
Neem bij montage van een andere bandenmaat
altijd contact op met een erkende Volvo-werkplaats voor een update van de software. Bij montage van een grotere of kleinere bandenmaat en
ook bij het vervangen van zomerbanden door winterbanden is mogelijk een update van de software vereist.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
568
Wielen demonteren (p. 570)
Wiel monteren (p. 572)
Goedgekeurde wiel- en bandenmaten
(p. 674)
Gereedschapsset (p. 568)
In het blok schuimrubber onder de vloer in de
bagageruimte ligt het sleepoog van de auto, een
noodreparatieset voor banden, gereedschap om
de kunststof doppen van de wielbouten te verwijderen en de dop voor de afsluitbare wielbouten.
Bij een auto met reservewiel* treft u een krik en
een wielsleutel aan.
Winterbanden (p. 575)
Gerelateerde informatie
Reservewiel* (p. 573)
•
•
Wielbouten (p. 569)
Bij het verwisselen van wielen (p. 568)
Krik* (p. 569)
* Optie/accessoire.
WIELEN EN BANDEN
Krik*
BELANGRIJK
De krik is te gebruiken om de auto op te nemen
voor bijvoorbeeld het monteren van een reservewiel.
•
•
Als de krik* niet wordt gebruikt, moet
deze worden bewaard op de daarvoor
bedoelde plaats onder de vloer van de
bagageruimte.
De normale krik die bij de auto zit, is
alleen bestemd voor sporadisch en kortstondig gebruik zoals bij het verwisselen
van een lekke band. Hef de auto alleen
met een krik die voor het desbetreffende
model bestemd is. Als de auto vaker
moet worden opgekrikt of voor langere
tijd zoals bij het onderling roteren van de
banden wordt het gebruik van een garagekrik geadviseerd. Volg in dat geval de
gebruiksaanwijzing van de desbetreffende krik.
De krik past alleen als deze tot in de juiste stand
omlaaggedraaid wordt.
Geldt voor auto's met Besturing
niveauregeling*: Als de auto is voorzien van de
optie luchtvering moet die functie worden uitgeschakeld voordat de auto wordt opgekrikt.
Gerelateerde informatie
•
Gereedschapsset (p. 568)
Wielbouten
De wielen zitten met wielbouten op de naven
vast.
Gebruik alleen velgen die getest en goedgekeurd
zijn door Volvo en deel uitmaken van de originele
accessoires van Volvo.
Controleer met een momentsleutel het aanhaalkoppel van de wielbouten.
Gebruik geen smeermiddel op de draadwindingen van de wielbouten.
WAARSCHUWING
Trek de wielbouten enkele dagen na het verwisselen nog eens na. Temperatuurschommelingen en trillingen kunnen ertoe leiden dat de
wielbouten na verloop van tijd minder strak
vastzitten.
BELANGRIJK
U dient de wielbouten aan te halen met
140 Nm (103 lbf ft). Als u ze te strak of niet
strak genoeg aanhaalt, kan de boutverbinding
beschadigd raken.
Afsluitbare wielbouten*
In het blok schuimrubber onder de vloer in de
bagageruimte is ruimte om de dop voor de
afsluitbare wielbouten in op te bergen.
}}
* Optie/accessoire. 569
WIELEN EN BANDEN
||
Gerelateerde informatie
•
•
Wielen demonteren (p. 570)
Wiel monteren (p. 572)
Wielen demonteren
Het vervangen van wielen moet altijd op de juiste
manier gebeuren. Hier volgen instructies voor
het demonteren van een wiel en waar u daarbij
op moet letten.
BELANGRIJK
•
•
570
Als de krik* niet wordt gebruikt, moet
deze worden bewaard op de daarvoor
bedoelde plaats onder de vloer van de
bagageruimte.
De normale krik die bij de auto zit, is
alleen bestemd voor sporadisch en kortstondig gebruik zoals bij het verwisselen
van een lekke band. Hef de auto alleen
met een krik die voor het desbetreffende
model bestemd is. Als de auto vaker
moet worden opgekrikt of voor langere
tijd zoals bij het onderling roteren van de
banden wordt het gebruik van een garagekrik geadviseerd. Volg in dat geval de
gebruiksaanwijzing van de desbetreffende krik.
WAARSCHUWING
•
Activeer de parkeerrem en zet de keuzehendel in de parkeerstand (P).
•
Blokkeer de wielen die op de grond staan
met grote houtblokken of grote stenen.
•
Controleer of de krik onbeschadigd is, of
de schroefdraden goed zijn gesmeerd en
of deze vrij van vuil is.
•
Controleer of de krik op een vaste en
vlakke ondergrond staat die niet glad is
en niet helt.
•
De krik moet op de juiste wijze in het
kriksteunpunt zijn bevestigd.
•
Leg nooit iets tussen de krik en de
ondergrond en evenmin tussen de krik en
het kriksteunpunt van de auto.
•
Laat nooit passagiers in een auto zitten
die op een krik staat.
•
Bij het verwisselen van een wiel langs de
kant van de weg dienen eventuele passagiers op veilige afstand te gaan staan.
•
Gebruik bij het verwisselen van banden
de krik die bij de auto hoort. Bok de auto
op bij alle andere werkzaamheden.
•
Kruip of reik nooit onder een auto die op
een krik staat.
* Optie/accessoire.
WIELEN EN BANDEN
1.
Plaats een gevarendriehoek en schakel de
alarmlichten in, als u een wiel moet verwisselen langs een drukke weg.
2.
Haal de parkeerrem aan en schakel stand P
in of schakel de eerste versnelling in bij een
auto met een handgeschakelde versnellingsbak.
4.
Plaats wielblokken voor en achter de wielen
die op de grond blijven staan. Gebruik daarvoor bijvoorbeeld grote blokken hout of grote
stenen.
5.
Schroef het sleepoog tot aan de aanslag in
de wielsleutel vast volgens de instructie.
8.
Bij het opnemen van de auto is het belangrijk
dat u de krik of de dragerarmen onder de
voorziene steunpunten in het onderstel van
de auto plaatst. Driehoekige markeringen op
de kunststof afdekking geven aan waar de
kriksteunpunten/hefpunten zitten. Er zitten
aan beide zijden van de auto twee kriksteunpunten. Bij elk steunpunt zit een uitsparing
voor de krik.
9.
Plaats de krik onder het te gebruiken bevestigingspunt op de grond; een stevige ondergrond die niet glad is.
Geldt voor auto's met Besturing
niveauregeling*: Bij een auto met luchtvering moet u de luchtvering uitschakelen,
voordat u de auto opneemt met een krik*.
3.
Neem de krik*, de wielsleutel* en het demontagegereedschap voor de kunststof wielboutdoppen uit het blok schuimrubber.
BELANGRIJK
Schroef het sleepoog zo ver mogelijk in de
wielsleutel*.
Demontagegereedschap voor kunststof boutafdekkingen.
6.
Verwijder de kunststof boutafdekkingen met
het demontagegereedschap.
7.
Terwijl de auto nog op de grond staat,
gebruikt u de wielsleutel/het sleepoog om
de wielbouten ½–1 slag los te draaien door
omlaag te drukken (en linksom te draaien).
}}
* Optie/accessoire. 571
WIELEN EN BANDEN
||
10. Breng de krik omhoog totdat deze goed zit
en contact maakt met het kriksteunpunt van
de auto. Controleer of de kop van de krik (of
de dragerarmen in een werkplaats) goed in
het steunpunt is (zijn) geplaatst, zodat de
verhoging in het midden van de kop in de
opening in het steunpunt past en of de voet
loodrecht onder het steunpunt staat.
11. Draai de krik zo dat de slinger zo ver mogelijk
van de zijkant van de auto komt. De armen
van de krik staan dan haaks op de rijrichting
van de auto.
12. Neem de auto zo ver op dat het wiel van de
grond komt. Verwijder de wielbouten en til
het wiel eraf.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
Wiel monteren
Instructie voor het monteren van wielen bij het
verwisselen van wielen.
N.B.
De normale krik die bij de auto zit, is alleen
bestemd voor sporadisch en kortstondig
gebruik zoals bij het verwisselen van een
lekke band. Hef de auto alleen met een krik
die voor het desbetreffende model bestemd
is. Als de auto vaker moet worden opgekrikt
of voor langere tijd zoals bij het onderling
roteren van de banden wordt het gebruik van
een garagekrik geadviseerd. Volg in dat geval
de gebruiksaanwijzing van de desbetreffende
krik.
WAARSCHUWING
•
Activeer de parkeerrem en zet de keuzehendel in de parkeerstand (P).
•
Blokkeer de wielen die op de grond staan
met grote houtblokken of grote stenen.
•
Controleer of de krik onbeschadigd is, of
de schroefdraden goed zijn gesmeerd en
of deze vrij van vuil is.
•
Controleer of de krik op een vaste en
vlakke ondergrond staat die niet glad is
en niet helt.
•
De krik moet op de juiste wijze in het
kriksteunpunt zijn bevestigd.
•
Leg nooit iets tussen de krik en de
ondergrond en evenmin tussen de krik en
het kriksteunpunt van de auto.
•
Laat nooit passagiers in een auto zitten
die op een krik staat.
•
Bij het verwisselen van een wiel langs de
kant van de weg dienen eventuele passagiers op veilige afstand te gaan staan.
•
Gebruik bij het verwisselen van banden
de krik die bij de auto hoort. Bok de auto
op bij alle andere werkzaamheden.
•
Kruip of reik nooit onder een auto die op
een krik staat.
Instellingen voor niveauregeling* (p. 452)
Bij het verwisselen van wielen (p. 568)
Auto opnemen (p. 611)
Krik* (p. 569)
Gereedschapsset (p. 568)
Wiel monteren (p. 572)
1.
572
Reinig de vlakken tussen wiel en naaf.
* Optie/accessoire.
WIELEN EN BANDEN
2.
Breng het wiel aan. Haal de wielbouten stevig aan.
WAARSCHUWING
Trek de wielbouten enkele dagen na het verwisselen nog eens na. Temperatuurschommelingen en trillingen kunnen ertoe leiden dat de
wielbouten na verloop van tijd minder strak
vastzitten.
Gebruik geen smeermiddel op de draadwindingen van de wielbouten.
3.
Breng de auto zo ver omlaag dat het wiel
niet meer ongehinderd kan draaien.
4.
Draai de wielbouten kruiselings vast. Het is
belangrijk dat u de wielbouten stevig aanhaalt. Haal aan met 140 Nm (103 lbf ft).
Controleer het aanhaalkoppel met een
momentsleutel.
N.B.
5.
Plaats de kunststof doppen terug op de wielbouten.
6.
Controleer de bandenspanning en kalibreer
het systeem voor bandenspanningscontrole*.
•
Het reservewiel van het type Temporary Spare is
te gebruiken voor tijdelijke vervanging van een
standaardwiel met een lekke band.
Het reservewiel is alleen bestemd voor tijdelijk
gebruik. Vervang het zo spoedig mogelijk door
een standaardwiel.
•
Plaats na het oppompen van een band
altijd het ventieldopje terug om schade
aan het ventiel door grind, vuil e.d. te
voorkomen.
De rijeigenschappen van de auto kunnen veranderen doordat de gewijzigde bodemvrijheid bij
gebruik van het reservewiel. Reinig de auto niet
in een automatische wasstraat bij gebruik van
een Temporary Spare.
•
Gebruik alleen kunststof dopjes. Metalen
ventieldopjes kunnen roesten en zijn
moeilijk los te draaien.
Houd de aanbevolen bandenspanning aan ongeacht de locatie van de thuiskomer op de auto.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
Reservewiel*
Als het reservewiel kapot mocht gaan is via de
Volvo-dealer een nieuw te bestellen.
Bij het verwisselen van wielen (p. 568)
Auto opnemen (p. 611)
Krik* (p. 569)
Gereedschapsset (p. 568)
Wielen demonteren (p. 570)
De nieuwe bandenspanning opslaan in het
controlesysteem* (p. 564)
Bandenspanning controleren (p. 560)
}}
* Optie/accessoire. 573
WIELEN EN BANDEN
||
WAARSCHUWING
•
Rijd met een reservewiel op de auto nooit
sneller dan 80 km/h (50 mph).
•
Er mag nooit met de auto worden gereden als deze van meer dan één reservewiel van het type "Temporary Spare" is
voorzien.
•
Tijdens het gebruik van een compact
reservewiel kunnen de rijeigenschappen
van de auto zich wijzigen. Vervang het
reservewiel zo spoedig mogelijk door een
standaardwiel.
•
574
Het reservewiel is kleiner dan het standaardwiel, wat gevolgen heeft voor de
bodemspeling van de auto. Pas op voor
hoge trottoirbanden en reinig de auto niet
in een autowasstraat.
BELANGRIJK
Er mag niet met de auto worden gereden met
banden van verschillende maten of met een
reserveband die niet bij de auto is meegeleverd. Door het gebruik van wielen met verschillende maten kan de versnellingsbak van
de auto ernstig beschadigd raken.
Reservewiel gebruiken
Neem voor het gebruik van het reservewiel de
volgende instructies in acht:
Gerelateerde informatie
•
•
Bij het verwisselen van wielen (p. 568)
Aanbevolen bandenspanning (p. 562)
Het reservewiel ligt met de buitenkant omlaag in
de ruimte voor het reservewiel. Het blok schuimrubber bevat al het gereedschap voor het verwisselen van banden.
•
Neem de bandenspanning in acht die de
fabrikant van het reservewiel adviseert.
•
Bij vierwielaangedreven auto's is de aandrijving op de achterwielen uit te schakelen.
1.
Pak vloer in de bagageruimte aan de achterzijde beet en klap deze naar voren toe
omhoog.
•
Als het reservewiel op de vooras zit, kunt
u geen sneeuwkettingen omleggen.
2.
Draai de bevestigingsbout los.
Het reservewiel mag niet worden gerepareerd.
3.
Til het reservewiel uit de auto.
•
Lekke band plaatsen
1.
Leg het wiel met de lekke band in de ruimte
voor het reservewiel.
WIELEN EN BANDEN
2.
Draai de bevestigingsbout vast waarmee het
reservewiel vastzit.
N.B.
Als de bevestigingsbout loskomt uit de onderste carrosseriebevestiging onder het reservewiel, moet u de bout in het gat terugplaatsen
en rechtsom vastdraaien.
3.
Leg het gereedschap terug op de beoogde
plek in het blok schuimrubber.
4.
Klap vervolgens de laadvloer omlaag en leg
de lekke band in de kofferbak/bagageruimte.
Gerelateerde informatie
•
Reservewiel* (p. 573)
Winterbanden
Profieldiepte
Winterbanden zijn aangepast voor winterse
omstandigheden.
Ritten bij ijs, sneeuw(modder) en lage temperaturen vergen meer van de banden dan zomerse ritten. Daarom adviseert Volvo een minimale profieldiepte van 4 mm (0,15 inch) voor winterbanden.
Volvo adviseert winterbanden met bepaalde
afmetingen. De bandenmaat is afhankelijk van de
motorvariant. Gebruik altijd het juiste type winterbanden op alle vier de wielen.
N.B.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Bij het verwisselen van wielen (p. 568)
Rijden tijdens de winter (p. 457)
Slijtage-indicator van banden (p. 560)
Informeer bij een Volvo-dealer naar de
geschiktste velgen en banden.
Tips bij het monteren van winterbanden
Noteer bij het vervangen van de zomerbanden
door winterbanden of andersom op de banden
aan welke kant ze zaten: bijvoorbeeld L voor links,
R voor rechts.
Banden met “spikes”
Winterbanden met “spikes” moeten de eerste
500–1000 km (300–600 miles) rustig worden
ingereden, zodat de “spikes” hun positie in kunnen nemen. Zo gaan de banden en vooral de
“spikes” langer mee.
N.B.
De wettelijke voorschriften voor het gebruik
van banden met spikes verschillen per land.
* Optie/accessoire. 575
WIELEN EN BANDEN
Sneeuwkettingen
Het gebruiken van sneeuwkettingen en/of winterbanden kan helpen om onder winterse
omstandigheden voor een betere aandrijfkracht
te zorgen.
BELANGRIJK
Sneeuwkettingen zijn op de auto te gebruiken, zij het met de volgende beperkingen:
•
Volvo adviseert om geen sneeuwkettingen te
gebruiken bij bandenmaten anders dan 7,5x18
ET 50,5 215/55.
WAARSCHUWING
Gebruik originele Volvo-sneeuwkettingen of
vergelijkbare sneeuwkettingen die zijn afgestemd op het model en op de band- en velgafmetingen. Alleen enkelzijdige sneeuwkettingen zijn toegestaan.
•
•
Volvo adviseert u om bij twijfel over het juiste
type sneeuwketting contact op te nemen met
een erkende Volvo-werkplaats. Een verkeerde
sneeuwketting kan ernstige schade aan de
auto veroorzaken en aanleiding geven tot een
ongeluk.
576
Neem altijd zorgvuldig de montagevoorschriften instructies van de fabrikant van
de sneeuwkettingen in acht. Leg de
sneeuwkettingen zo strak mogelijk om en
span ze van tijd tot tijd opnieuw aan.
Het gebruik van sneeuwkettingen is
alleen toegestaan op de voorwielen
(geldt ook voor modellen met vierwielaandrijving).
Als er accessoire- of aftermarket-banden/wielen of anderszins speciale banden/wielen zijn gemonteerd met een
afwijkende andere maat dan de originele
banden en wielen, zijn in bepaalde gevallen GEEN sneeuwkettingen te gebruiken.
Houd voldoende afstand aan tussen de
sneeuwkettingen en de remmen, vering
en carrosserieonderdelen.
•
Raadpleeg voordat u de sneeuwkettingen
monteert de lokale regels voor het
gebruik ervan.
•
Rijd nooit harder dan de maximumsnelheid die is aangegeven door de fabrikant
van de sneeuwkettingen. U mag in geen
geval sneller rijden dan 50 km/h
(30 mph).
•
Vermijd oneffenheden, gaten of scherpe
bochten bij ritten met sneeuwkettingen.
•
Rijd niet op sneeuwvrije wegen, omdat de
sneeuwkettingen en de banden dan overmatig slijten.
•
De rijeigenschappen van de auto kunnen
negatief worden beïnvloed door het rijden
met sneeuwkettingen. Vermijd snelle of
scherpe bochten en rem niet met blokkerende wielen.
•
Bepaalde soorten kettingen die worden
aangespannen zijn van invloed op remonderdelen en kunnen daarom NIET worden
gebruikt.
Voor meer informatie over sneeuwkettingen kunt
u terecht bij een Volvo-dealer.
Gerelateerde informatie
•
Rijden tijdens de winter (p. 457)
WIELEN EN BANDEN
Noodreparatieset voor banden
Positie
U gebruikt de noodreparatieset voor banden7
om een lek in een band tijdelijk af te dichten én
om de bandenspanning te controleren en zo
nodig aan te passen.
De noodreparatieset voor banden zit in het blok
schuimrubber onder de vloer in de bagageruimte.
Noodreparatieset voor banden
gebruiken
Dicht een lek met de noodreparatieset voor banden, Temporary Mobility Kit (TMK).
Overzicht
Bij auto's die zijn voorzien van een reserveband*
ontbreekt de noodreparatieset voor banden.
De noodreparatieset voor banden bestaat uit een
compressor en een bus met afdichtmiddel. Het
afdichtmiddel dient om noodreparaties uit te voeren.
N.B.
Het afdichtmiddel dicht banden met een lek
in het loopvlak effectief af, maar leent zich
minder goed voor banden met een gat in het
zijvlak. Gebruik de noodreparatieset niet voor
banden met diepe sneeën, barsten of soortgelijke beschadigingen.
N.B.
De compressor is bestemd voor noodreparaties van banden en is goedgekeurd door
Volvo.
7
Temporary Mobility Kit (TMK)
Uiterste gebruiksdatum van de bus met
afdichtmiddel
De bus met afdichtmiddel moet worden vervangen als de uiterste gebruiksdatum van de bus is
verstreken (zie de sticker op de bus). Behandel
de vervangen bus als klein chemisch afval (kca).
Voedingskabel
Gerelateerde informatie
Beschermdop
•
Noodreparatieset voor banden gebruiken
(p. 577)
Luchtslang
Drukreduceerventiel
Sticker, toelaatbare maximumsnelheid
•
Band oppompen met compressor uit reparatieset voor banden (p. 581)
Bushouder (oranje deksel)
•
Banden (p. 556)
Manometer
}}
* Optie/accessoire. 577
WIELEN EN BANDEN
||
Bus met afdichtmiddel
Knop
Aansluiten
WAARSCHUWING
Let bij gebruik van het bandenreparatiesysteem op de volgende punten:
•
De bus met afdichtmiddel bevat 1,2-Ethanol en natuurrubber-latex. Deze stoffen
zijn gevaarlijk bij inname.
•
De inhoud van deze bus kan allergische
huidreacties veroorzaken of op een
andere manier mogelijk schadelijk zijn
voor de luchtwegen, de huid, het centrale
zenuwstelsel en de ogen.
Voorzorgsmaatregelen:
578
Inademing: Breng het slachtoffer in de
frisse lucht. Neem bij aanhoudende irritatie contact op met een arts.
•
Doorslikken: Laat het slachtoffer niet braken, tenzij medisch personeel dat van u
verlangt. Neem contact op met een arts.
•
Afval: Lever dit materiaal en de verpakkingen ervan in bij een inzamelingsplaats
voor gevaarlijk afval.
WAARSCHUWING
•
Verwijder de bus niet tijdens het gebruik
van de noodreparatieset voor banden.
•
Verwijder de luchtslang niet tijdens het
gebruik van de noodreparatieset voor
banden.
Buiten bereik van kinderen bewaren.
•
•
•
Gevaarlijk bij inname.
•
Na gebruik daarom zorgvuldig wassen.
N.B.
Voor het gebruik de verzegeling van de bus
niet verbreken. Bij het indraaien van de bus
wordt de verzegeling automatisch verbroken.
•
Vermijd langdurig of herhaaldelijk contact
met de huid. Als er afdichtmiddel op uw
kleren is gekomen dient u de betrokken
kledingstukken uit te trekken.
Eerste hulp:
•
Huid: Was blootgestelde delen van de
huid met zeep en water. Neem bij eventuele symptomen contact op met een arts.
•
Ogen: Spoel minimaal 15 minuten overvloedig met water en til tussendoor het
onderste en bovenste ooglid op. Neem bij
eventuele symptomen contact op met
een arts.
1.
Zet de gevarendriehoek op en schakel de
alarmlichten in, als u een lekke band moet
afdichten langs een drukke weg.
Laat een eventuele spijker of iets dergelijks
in de lekke band zitten. Het lek is zo beter af
te dichten.
WIELEN EN BANDEN
2.
3.
4.
5.
Verwijder de sticker met de toegestane maximumsnelheid die aan de ene kant van de
compressor zit. Bevestig de sticker goed
zichtbaar aan de binnenkant van de voorruit
om u eraan te herinneren de toegestane
maximumsnelheid aan te houden. Rijd na
gebruik van de noodreparatieset voor banden
nooit sneller dan 80 km/h (50 mph).
Controleer of de knop in stand 0 (uit) staat
en neem de voedingskabel en de luchtslang
erbij.
Schroef het oranje deksel van de compressor
los en draai de drop van de bus met afdichtmiddel.
Schroef de bus tot aan de aanslag in de bushouder vast.
De bus en de bushouder zijn voorzien van
een terugdraaiblokkering om te voorkomen
dat er afdichtmiddel weglekt. U kunt een
vastgeschroefde bus niet meer uit de bushouder losdraaien. Laat het verwijderen van
de bus over aan een werkplaats8.
WAARSCHUWING
Draai de bus niet los, aangezien deze een
blokkering heeft om lekkage te voorkomen.
8
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
6.
Draai de ventieldop van de band los en
schroef de ventielaansluiting van de luchtslang tot aan de aanslag vast over de draadwindingen van het bandventiel.
Controleer of het drukreduceerventiel op de
luchtslang volledig is vastgedraaid.
7.
Sluit de voedingskabel aan op de dichtstbijzijnde 12V-aansluiting en start de auto.
N.B.
Zorg er bij een actieve compressor voor dat
geen van de overige 12V-aansluitingen in
gebruik is.
WAARSCHUWING
Laat kinderen niet zonder toezicht in de auto
achter als de motor draait.
WAARSCHUWING
Het inademen van uitlaatgassen kan levensgevaarlijk zijn. Laat de motor nooit draaien in
ruimten die afgesloten zijn of onvoldoende
ventilatie hebben.
8.
Schakel de compressor in door de knop in
stand I (aan) te zetten.
WAARSCHUWING
Ga nooit naast de band staan terwijl de compressor aan het pompen is. Bij barsten, oneffenheden en dergelijke dient u de compressor
onmiddellijk uit te schakelen. Beëindig in dat
geval de rit. Roep pechhulp onderweg in om
de auto naar een bandenwerkplaats te slepen.
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-bandenwerkplaats.
N.B.
Als de compressor start, kan de druk tot 6 bar
(88 psi) toenemen. De druk daalt echter na
ca. 30 seconden.
9.
Vul de band 7 minuten lang met afdichtmiddel.
BELANGRIJK
Laat de compressor niet langer dan
10 minuten achtereen werken – risico van
oververhitting.
}}
579
WIELEN EN BANDEN
||
10. Schakel de compressor uit om de bandenspanning van de manometer af te lezen. De
bandenspanning dient minimaal 1,8 bar
(22 psi) en maximaal 3,5 bar (51 psi) te
bedragen. Laat bij een te hoge bandenspanning lucht uit de band ontsnappen.
WAARSCHUWING
Als de bandenspanning lager is dan 1,8 bar
(22 psi), is het gat in de band te groot. Beëindig in dat geval de rit. Roep pechhulp onderweg in om de auto naar een bandenwerkplaats te slepen. Geadviseerd wordt een
erkende Volvo-bandenwerkplaats.
11. Schakel de compressor uit en koppel de voedingskabel los.
12. Schroef de luchtslang los van het bandventiel en plaats de ventieldop terug op de band.
N.B.
•
•
580
Plaats na het oppompen van een band
altijd het ventieldopje terug om schade aan
het ventiel door grind, vuil e.d. te voorkomen.
Gebruik alleen kunststof dopjes. Metalen
ventieldopjes kunnen roesten en zijn moeilijk los te draaien.
13. Plaats de beschermdop op de luchtslang om
te voorkomen dat restanten afdichtmiddel
weglekken. Leg de uitrusting in de bagageruimte.
14. Leg zo spoedig mogelijk na de reparatie minstens 3 km (2 miles) af bij een snelheid van
maximaal 80 km/h (50 mph), zodat het
afdichtmiddel de band kan afdichten en verricht daarna een tweede controle.
WAARSCHUWING
Tijdens de eerste slagen die de band ronddraait spuit er afdichtvloeistof uit het gat.
Houd bij het wegrijden omstanders uit de
buurt van de auto om te voorkomen dat ze
afdichtmiddel op zich krijgen. De afstand
moet minimaal 2 meter bedragen (7 voet).
15. Controle achteraf
Sluit de luchtslang aan op het bandventiel en
schroef de ventielaansluiting tot aan de aanslag vast over de draadwindingen van het
bandventiel. De compressor moet zijn uitgeschakeld.
16. Lees de bandenspanning van de manometer
af.
•
Bij een spanning lager dan 1,3 bar
(19 psi) is de band niet goed afgedicht.
Beëindig in dat geval de rit. Roep wegenhulp in om de auto af te slepen.
•
Bij een bandenspanning hoger dan
1,3 bar (19 psi) moet u de band oppompen tot de spanning die staat aangegeven
op de bandenspanningssticker aan de
binnenkant van de portierstijl aan de
bestuurderszijde (1 bar = 100 kPa =
14,5 psi). Laat bij een te hoge bandenspanning lucht uit de band ontsnappen.
WAARSCHUWING
Controleer de bandenspanning regelmatig.
Volvo adviseert u de auto naar de dichtstbijzijnde
erkende Volvo-werkplaats te rijden om de
beschadigde band te laten vervangen/repareren.
Geef aan het werkplaatspersoneel door dat er
afdichtmiddel in de band zit.
Vervang de bus met afdichtmiddel en de luchtslang na gebruik. Volvo adviseert u dergelijke vormen van vervanging te laten uitvoeren door een
erkende Volvo-werkplaats.
WIELEN EN BANDEN
WAARSCHUWING
De maximale afstand die mag worden afgelegd als banden met afdichtmiddel zijn gevuld
is 200 km (120 miles).
N.B.
De compressor is een elektrisch apparaat,
zodat u zich dient te houden aan de plaatselijke voorschriften voor afvoer.
Band oppompen met compressor
uit reparatieset voor banden
De originele banden van de auto zijn op te pompen met de compressor uit de noodreparatieset
voor banden.
1.
2.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Aanbevolen bandenspanning (p. 562)
Noodreparatieset voor banden (p. 577)
Band oppompen met compressor uit reparatieset voor banden (p. 581)
3.
De compressor moet zijn uitgeschakeld. Zorg
dat de knop in stand 0 (Uit) staat en neem
de voedingskabel en de luchtslang erbij.
4.
Schakel de compressor in door de knop in
stand I (aan) te zetten.
BELANGRIJK
Kans op oververhitting. De compressor mag
niet langer dan 10 minuten werken.
5.
Pomp de band op tot de spanning die op de
bandenspanningssticker aan de binnenkant
van de portierstijl aan bestuurderszijde staat.
Laat bij een te hoge bandenspanning lucht
uit de band ontsnappen.
Controleer of het drukreduceerventiel op de
luchtslang volledig is vastgedraaid.
6.
Schakel de compressor uit. Koppel de luchtslang en de voedingskabel los.
Sluit de voedingskabel aan op de dichtstbijzijnde 12V-aansluiting en start de auto.
7.
Plaats de ventieldop terug op de band.
Draai de ventieldop van de band los en
schroef de ventielaansluiting van de luchtslang tot aan de aanslag vast over de draadwindingen van het bandventiel.
WAARSCHUWING
Het inademen van uitlaatgassen kan levensgevaarlijk zijn. Laat de motor nooit draaien in
ruimten die afgesloten zijn of onvoldoende
ventilatie hebben.
WAARSCHUWING
N.B.
•
Plaats na het oppompen van een band
altijd het ventieldopje terug om schade aan
het ventiel door grind, vuil e.d. te voorkomen.
•
Gebruik alleen kunststof dopjes. Metalen
ventieldopjes kunnen roesten en zijn moeilijk los te draaien.
Laat kinderen niet zonder toezicht in de auto
achter als de motor draait.
}}
581
WIELEN EN BANDEN
||
N.B.
De compressor is een elektrisch apparaat,
zodat u zich dient te houden aan de plaatselijke voorschriften voor afvoer.
Gerelateerde informatie
•
•
•
582
Aanbevolen bandenspanning (p. 562)
Noodreparatieset voor banden gebruiken
(p. 577)
Noodreparatieset voor banden (p. 577)
LAADMOGELIJKHEDEN,
OPBERGMOGELIJKHEDEN EN INTERIEUR
LAADMOGELIJKHEDEN, OPBERGMOGELIJKHEDEN EN INTERIEUR
Auto-interieur
Achterbank
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
Overzicht van het auto-interieur en de opbergmogelijkheden.
Voorstoel
Aansteker* gebruiken (p. 585)
Stroomaansluitingen (p. 587)
Dashboardkastje gebruiken (p. 591)
Zonnekleppen (p. 592)
Tunnelconsole (p. 585)
Eenheid aansluiten via USB-poort (p. 512)
Opbergvakken in het portierpaneel, bekerhouders* in de
rugleuning van de middelste zitplaats, opbergnet* op de
rugleuning van de voorstoel alsmede stroomaansluiting
in de tunnelconsole.
Opbergvak in portierpaneel, dashboardkastje en zonneklep.
WAARSCHUWING
Bewaar losse voorwerpen, zoals een mobiele
telefoon, camera, afstandsbediening voor
extra uitrusting e.d., in het dashboardkastje of
andere opbergruimten. Bij krachtig afremmen
of een botsing kunnen deze anders inzittenden verwonden.
BELANGRIJK
Opbergmogelijkheden met bekerhouders, stroomaansluiting en USB-poort in de tunnelconsole.
584
Let er bijvoorbeeld op dat metalen voorwerpen als snel krassen maken op glanzende
oppervlakken. Leg geen sleutels, telefoons of
andere dingen op krasgevoelige oppervlakken.
* Optie/accessoire.
LAADMOGELIJKHEDEN, OPBERGMOGELIJKHEDEN EN INTERIEUR
Tunnelconsole
WAARSCHUWING
De tunnelconsole zit tussen de voorstoelen.
Bewaar losse voorwerpen, zoals een mobiele
telefoon, camera, afstandsbediening voor
extra uitrusting e.d., in het dashboardkastje of
andere opbergruimten. Bij krachtig afremmen
of een botsing kunnen deze anders inzittenden verwonden.
Aansteker* gebruiken
De aansteker kan een aanvulling vormen op de
12V-aansluiting vóór in de tunnelconsole.
BELANGRIJK
Let er bijvoorbeeld op dat metalen voorwerpen als snel krassen maken op glanzende
oppervlakken. Leg geen sleutels, telefoons of
andere dingen op krasgevoelige oppervlakken.
Opbergvak met klep*. De klep is te openen/
sluiten door op de greep te drukken.
N.B.
Opbergvak met bekerhouder(s) en 12V-aansluiting.
Een van de sensoren voor het alarmsysteem*
zit onder de bekerhouder in de tunnelconsole.
Leg geen parkeergeld, sleutels of andere
metalen voorwerpen in de bekerhouder,
omdat dit ertoe kan leiden dat het alarm
afgaat.
Opbergvak en USB-poort onder de middenarmsteun.
Klimaatregeling voor klimaatfuncties achterin* of opbergvak.
Aansteker in tunnelconsole, voorstoel.
1.
Druk de knop van de aansteker in.
> Wanneer de aansteker eenmaal gloeit,
springt de knop omhoog.
2.
Neem de aansteker uit de aansluiting en
gebruik het roodgloeiende deel om bijvoorbeeld een sigaret mee aan te steken.
3.
Plaats de aansteker terug in de aansluiting.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Aansteker* gebruiken (p. 585)
Auto-interieur (p. 584)
Stroomaansluitingen (p. 587)
Klimaatregelingsbediening (p. 211)
WAARSCHUWING
Let erop dat het gloeiende deel van een aansteker geen aanleiding geeft tot schade aan
het interieur en letsel van inzittenden.
}}
* Optie/accessoire. 585
LAADMOGELIJKHEDEN, OPBERGMOGELIJKHEDEN EN INTERIEUR
||
Gerelateerde informatie
•
586
Auto-interieur (p. 584)
LAADMOGELIJKHEDEN, OPBERGMOGELIJKHEDEN EN INTERIEUR
Stroomaansluitingen
Middenspanningsaansluiting*
Achter in de tunnelconsole zitten twee 12V-aansluitingen plus een 230V-aansluiting* en in de
kofferbak/bagageruimte zit ook nog een 12Vaansluiting*.
Neem bij problemen met een stroomaansluiting
contact op met een werkplaats – geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Elektrische 12V-aansluiting
12V-aansluiting in tunnelconsole, achterbank.
Stroomaansluiting in tunnelconsole, achterin.
U kunt de middenspanningsaansluiting* gebruiken voor verschillende accessoires die op een
dergelijke spanning werken, zoals laders of laptops.
Statusindicatie
middenspanningsaansluiting
Het led1-lampje van de aansluiting geeft de status aan van de aansluiting.
12V-aansluiting in tunnelconsole, voorin.
U kunt de 12V-aansluitingen gebruiken voor verschillende accessoires die op een dergelijke
spanning werken, zoals mediaspelers, koelboxen
of mobiele telefoons.
1
Lichtdiode (Light Emitting Diode)
12V-aansluiting in kofferbak/bagageruimte*.
}}
* Optie/accessoire. 587
LAADMOGELIJKHEDEN, OPBERGMOGELIJKHEDEN EN INTERIEUR
||
Statusindicatie
Oorzaak
Maatregel
Led brandt constant
groen
De aansluiting levert stroom aan een aangesloten stekker.
Geen.
Led knippert oranje
De spanningsomvormer van de aansluiting is te warm (bijvoorbeeld als
het accessoire te veel vermogen nodig heeft of als het interieur te warm
is).
Koppel de stekker los, laat de spanningsomvormer
afkoelen en sluit de stekker weer aan.
Het aangesloten accessoire heeft te veel vermogen nodig (tijdelijk of
constant) of werkt niet.
Geen. Het accessoire kan de aansluiting niet gebruiken.
De aansluiting detecteert niet dat er een stekker is aangesloten op de
aansluiting.
Controleer of de stekker goed in de aansluiting is aangebracht.
De aansluiting is niet actief.
Zet het elektrische systeem van de auto minimaal in
contactslotstand I.
De aansluiting is actief geweest, maar is gedeactiveerd.
Start de motor en/of laad de startaccu op.
Gedoofd lampje
Gerelateerde informatie
•
•
588
Auto-interieur (p. 584)
Elektrische aansluitingen gebruiken
(p. 589)
LAADMOGELIJKHEDEN, OPBERGMOGELIJKHEDEN EN INTERIEUR
Elektrische aansluitingen gebruiken
U kunt de 12V-aansluiting gebruiken voor verschillende accessoires die op een dergelijke
spanning werken, zoals mediaspelers, koelboxen
of mobiele telefoons.
U kunt de 230V-aansluiting* gebruiken voor verschillende accessoires die op een dergelijke
spanning werken, zoals laders of laptops.
Het elektrische systeem van de auto moet minimaal in contactslotstand I staan, anders geven de
aansluitingen geen stroom. Vervolgens blijven de
aansluitingen actief zolang de ladingsgraad van
de startaccu niet te laag is.
Als de motor afgezet en de auto vergrendeld
wordt, worden de aansluitingen gedeactiveerd.
Als de motor wordt afgezet en de auto niet wordt
vergrendeld óf wordt vergrendeld met tijdelijk
gedeactiveerde Safelock-functie, blijven de aansluitingen nog maximaal 7 minuten actief.
N.B.
Let erop dat het gebruik van de elektrische
aansluitingen bij een uitgeschakelde motor
ertoe kan leiden dat het laadniveau van de
startaccu te ver daalt, wat aanleiding kan
geven tot beperkingen van andere functies.
Accessoires die zijn aangesloten op de elektrische aansluitingen kunnen ook worden
geactiveerd, wanneer het elektrische systeem
van de auto is uitgeschakeld of bij gebruik
van de preconditioning. Trek om die reden
eventuele stekkers los van accessoires die u
niet nodig hebt om te voorkomen dat de startaccu uitgeput raakt.
WAARSCHUWING
•
Gebruik geen accessoires met grote of
zware stekkers; ze kunnen de aansluiting
beschadigen of losgaan tijdens het rijden.
•
Gebruik geen accessoires die storingen
kunnen veroorzaken in bijvoorbeeld de
radio of het elektrische systeem van de
auto.
•
Plaats het accessoire zo, dat het de
bestuurder of passagiers bij krachtig remmen of een botsing niet kan verwonden.
•
Houd aangesloten accessoires in de
gaten, aangezien ze mogelijk warmte produceren waaraan passagiers zich kunnen
branden. Ook kan het interieur hierdoor
beschadigd raken.
12V-aansluiting gebruiken
1.
Verwijder de plug (tunnelconsole) of klap de
afdekking omlaag (kofferbak/bagageruimte)
vóór de aansluiting en sluit de stekker van
het accessoire aan.
2.
Haal de stekker van het accessoire eruit en
plaats de plug weer terug (tunnelconsole) of
klap de afdekking omhoog (kofferbak/bagageruimte) als de aansluiting niet wordt
gebruikt of als u de aansluiting zonder toezicht achterlaat.
}}
* Optie/accessoire. 589
LAADMOGELIJKHEDEN, OPBERGMOGELIJKHEDEN EN INTERIEUR
||
BELANGRIJK
Het maximale vermogen is 120 W (10 A) per
aansluiting.
230V-aansluiting gebruiken
1.
Trek de afdekking voor de aansluiting
omlaag en sluit de stekker van het accessoire aan.
> Het led2-lampje van de aansluiting geeft
de status aan.
2.
Controleer of het lampje constant groen
brandt; alleen dan geeft de aansluiting
stroom.
3.
Ontkoppel het accessoire door de stekker
eruit te trekken. Trek niet aan de kabel.
Trek de afdekking omhoog als de aansluiting
niet wordt gebruikt of als de aansluiting zonder toezicht wordt achtergelaten.
WAARSCHUWING
Verricht nooit zelf aanpassingen of reparaties
van de hoogvoltaansluiting. Volvo adviseert u
om contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
•
Gebruik alleen onbeschadigde accessoires zonder mankementen. De accessoires
moeten een CE-markering, een UL-markering of een vergelijkbare veiligheidsaanduiding hebben.
•
Accessoires moeten bestemd zijn voor
230 V en 50 Hz, met stekkers die op de
aansluiting zijn berekend.
•
Laat stopcontact, stekker of accessoires
nooit in aanraking komen met water of
een andere vloeistof. Gebruik het stopcontact niet en raak het niet aan als het
beschadigd lijkt of in aanraking is
geweest met water of een andere vloeistof.
•
Sluit geen contactdozen, adapters of verlengsnoeren aan op het stopcontact.
Daardoor zouden de veiligheidsfuncties
van het stopcontact omzeild kunnen worden.
•
Het stopcontact is voorzien van een stopcontactbeschermer. Let erop dat niemand
in het stopcontact peutert of dit dermate
beschadigt, dat de beschermer niet langer werkt. Laat kinderen niet zonder toe-
BELANGRIJK
Het maximale vermogen is 150 W.
2
590
Lichtdiode (Light Emitting Diode)
LAADMOGELIJKHEDEN, OPBERGMOGELIJKHEDEN EN INTERIEUR
zicht in de auto achter, wanneer het stopcontact actief is.
Het negeren van bovenstaande aanmaningen
kan aanleiding geven tot hoge of levensgevaarlijke stroomstoten.
Dashboardkastje gebruiken
Het dashboardkastje zit aan de passagierszijde.
In het dashboardkastje kunt u bijvoorbeeld de
gedrukte versie van de gebruikershandleiding en
eventuele kaarten bewaren. Er is ook voorzien in
een pen- en kaarthouder.
Gerelateerde informatie
•
•
Stroomaansluitingen (p. 587)
Auto-interieur (p. 584)
Opbergplek voor de sleutel. De afbeelding is schematisch, zodat de vorm kan variëren.
Dashboardkastje vergrendelen en
ontgrendelen*
Het dashboardkastje is te vergrendelen, wanneer
u de auto bijvoorbeeld bij een werkplaats of een
hotel afgeeft. Het dashboardkastje is alleen te
vergrendelen/ontgrendelen met de bijgeleverde
sleutel.
}}
* Optie/accessoire. 591
LAADMOGELIJKHEDEN, OPBERGMOGELIJKHEDEN EN INTERIEUR
Zonnekleppen
||
Aan het plafond voor de bestuurderstoel en de
passagiersstoel voorin zitten zonnekleppen die
omlaag en indien nodig ook opzij te klappen zijn.
De afbeelding is schematisch, zodat de vorm kan variëren.
De afbeelding is schematisch, zodat de vorm kan variëren.
Dashboardkastje vergrendelen:
Duw de sleutel in de slotcilinder van het
dashboardkastje.
Draai de sleutel 90 graden rechtsom.
Koeling activeren
Koeling deactiveren
–
Verwijder de sleutel.
–
Houd voor het ontgrendelen de omgekeerde
volgorde aan.
Koeling* dashboardkastje gebruiken
U kunt de koeling van het dashboardkastje
gebruiken om bijvoorbeeld dranken of etenswaar
te koelen. De koeling werkt, wanneer de klimaatregeling actief is (dat wil zeggen wanneer de
auto in contactslotstand II staat of wanneer de
motor draait).
592
Activeer of deactiveer de koeling door de
hendel tot aan de aanslag (in de richting van
interieur/dashboardkastje) te bewegen.
Gerelateerde informatie
•
•
Auto-interieur (p. 584)
Privacy locking (p. 281)
De afbeelding is schematisch, zodat de vorm kan variëren.
De spiegelverlichting* gaat automatisch branden
als u het klepje opent.
Op de omlijsting van de spiegel zit een houder
voor bijvoorbeeld kaarten of biljetten.
Gerelateerde informatie
•
Auto-interieur (p. 584)
* Optie/accessoire.
LAADMOGELIJKHEDEN, OPBERGMOGELIJKHEDEN EN INTERIEUR
Bagageruimte
De auto heeft een flexibele bagageruimte waarin
u grote spullen kunt vervoeren en vastzetten.
Door de rugleuningen van de achterbank omlaag
te klappen, ontstaat een bijzonder grote bagageruimte. Gebruik verankeringsogen of draagtashouders om de lading goed in positie te houden
en de uitrolbare bagagerolhoes* om de lading
desgewenst aan het oog te onttrekken.
Adviezen voor het vervoer van
bagage
Er zijn enkele dingen waar u rekening mee moet
houden bij het inladen van de auto.
Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar
gewicht van de auto. Het laadvermogen dient te
worden verminderd met de som van het gewicht
van eventuele inzittenden en dat van gemonteerde accessoires.
Onder de laadvloer liggen het sleepoog en de
noodreparatieset voor banden en een eventueel
reservewiel*.
WAARSCHUWING
Afhankelijk van het gewicht en de positie van
de lading verandert het rijgedrag van de auto.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Adviezen voor het vervoer van bagage
(p. 593)
Draagtashouders (p. 595)
Verankeringsogen (p. 596)
Bagagerolhoes* monteren en demonteren
(p. 596)
Bagage in bagageruimte/kofferbak
laden
Aandachtspunten bij inladen:
•
Plaats de bagage stevig tegen de rugleuning
van de achterbank.
•
Breng zware voorwerpen zo laag mogelijk
aan. Plaats geen zware voorwerpen op neergeklapte rugleuningen.
•
Dek scherpe randen met iets zachts af om
de bekleding te beschermen.
•
Zet alle bagage met riemen of bevestigingsbanden aan de verankeringsogen vast.
WAARSCHUWING
Een los voorwerp van 20 kg (44 pound) kan
zich bij een frontale botsing op een snelheid
van 50 km/h (30 mph) gedragen als een
voorwerp van 1000 kg (2200 pound).
WAARSCHUWING
Houd 10 cm (4 inch) afstand aan tussen de
bagage en de zijruiten, als u de bagage
opstapelt tot boven de portierruiten. Anders
kan de beschermende werking van de
opblaasgordijnen, die in de plafondbekleding
zijn weggewerkt, uitblijven.
WAARSCHUWING
Zorg dat u de bagage altijd goed verankert.
Bij krachtig remmen kan de bagage namelijk
gaan schuiven en inzittenden verwonden.
Dek scherpe randen en hoeken af met iets
zachts.
Zet de motor af en schakel de parkeerrem in
bij het in- en uitladen van lange voorwerpen.
Lange voorwerpen kunnen namelijk tegen de
versnellingspook of keuzehendel aan komen
en zo per ongeluk een versnelling inschakelen
– de auto kan dan in beweging komen.
}}
* Optie/accessoire. 593
LAADMOGELIJKHEDEN, OPBERGMOGELIJKHEDEN EN INTERIEUR
||
Bagageruimte/kofferbak vergroten
Om de bagageruimte groter te maken en het
inladen van bagage te vereenvoudigen zijn de
rugleuningen van de achterbank om te klappen.
Let erop dat het WHIPS niet door voorwerpen
mag worden gehinderd, als een of meer rugleuningen van de achterbank zijn omgeklapt.
Bij het vervoer van lange en smalle stukken
bagage is het doorsteekluik in de achterbank
open te klappen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
594
Verankeringsogen (p. 596)
Rugleuning achterbank omklappen (p. 192)
Lading vervoeren op het dak en op
lastdragers
Maak voor het vervoer van lading op het dak
gebruik van de lastdragers die Volvo ontwikkeld
heeft.
Dit om schade aan de auto te voorkomen en voor
maximale veiligheid tijdens het rijden. De lastdragers van Volvo zijn te verkrijgen bij erkende
Volvo-dealers.
Volg de montage-instructies die bij de lastdragers worden geleverd nauwkeurig op.
•
Verdeel het gewicht van de lading gelijkmatig
over de lastdragers. Leg de zwaarste voorwerpen onderop.
•
Controleer regelmatig of de lastdragers en
de lading goed vastzitten. Zet de lading stevig vast met sjorbanden.
•
Bij uitstekende lading aan de voorzijde van
de auto zoals een kano of kajak, monteer
dan het sleepoog in de uitsparing aan de
voorzijde en gebruik het sleepoog voor
bevestiging van sjorbanden.
•
Naarmate u meer lading op het dak vervoert,
vangt de auto meer wind en neemt het
brandstofverbruik toe.
•
Rijd rustig. Trek bij voorkeur niet te snel op,
rem niet te hard en maak niet te scherpe
bochten.
Doorsteekluik in achterbank (p. 596)
Lading vervoeren op het dak en op lastdragers (p. 594)
Niveauregeling* en schokdemping (p. 450)
Gewichten (p. 663)
WAARSCHUWING
Bij het vervoer van lading op het dak verschuift het zwaartepunt en treden er wijzigingen op in de rijeigenschappen van de auto.
Houd u aan de specificaties van de auto m.b.t.
gewichten en maximaal toegestane belasting.
Gerelateerde informatie
•
Adviezen voor het vervoer van bagage
(p. 593)
•
Gewichten (p. 663)
* Optie/accessoire.
LAADMOGELIJKHEDEN, OPBERGMOGELIJKHEDEN EN INTERIEUR
Draagtashouders
Onder het vloerluik*
Met de draagtashouders kunt u draagtassen
vastzetten om te voorkomen dat ze omvallen en
hun inhoud over de vloer van de bagageruimte
verspreiden.
Aan de zijkanten
•
Bagagenet monteren en demonteren*
(p. 600)
•
Bagagerolhoes* monteren en demonteren
(p. 596)
•
Veiligheidsrek* monteren en demonteren
(p. 598)
Er zitten twee draagtashouders en een elastische
band3 op de afdekking die deel uitmaakt van het
vloerluik in de bagageruimte. De elastische band
is in vier verschillende standen te monteren.
Aan weerszijden van de bagageruimte zitten twee
draagtashouders in de zijpanelen.
BELANGRIJK
De draagtashouders kunnen een gewicht aan
van maximaal 5 kg (11 lbs).
3
Om de draagtashouders te gebruiken moet u de
afdekking openen. Zet de draagtassen met de
bijgeleverde elastische band in de gewenste
positie vast. Als de draagtassen hengsels hebben
en groot genoeg zijn, kunt u ze aan de houders
hangen.
Gerelateerde informatie
•
Adviezen voor het vervoer van bagage
(p. 593)
•
Dashboardkastje gebruiken (p. 591)
U kunt meer elastische banden bijbestellen bij een Volvo-dealer.
* Optie/accessoire. 595
LAADMOGELIJKHEDEN, OPBERGMOGELIJKHEDEN EN INTERIEUR
Verankeringsogen
Doorsteekluik in achterbank
Gebruik de verankeringsogen in de bagageruimte om spanbanden aan te bevestigen.
U kunt het luik in de rugleuning van de achterbank openen om lange en smalle voorwerpen te
vervoeren, zoals ski's.
Bagagerolhoes* monteren en
demonteren
In uitgerolde stand voorkomt de bagagerolhoes
inkijk in de bagageruimte.
Bagagerolhoes monteren
WAARSCHUWING
Harde, scherpe en/of zware voorwerpen die
liggen of uitsteken kunnen bij krachtig afremmen letsel veroorzaken.
Zet grote en zware voorwerpen altijd met de
veiligheidsgordel of een spanband vast.
Gerelateerde informatie
•
•
596
Adviezen voor het vervoer van bagage
(p. 593)
Gewichten (p. 663)
De afbeelding is schematisch, zodat er afhankelijk van
het model afwijkingen mogelijk zijn.
1.
Pak vervolgens vanuit de bagageruimte de
handgreep van het doorsteekluik beet en
klap het luik omlaag.
Steek het ene uiteinde van de bagagerolhoes in de uitsparing in het zijpaneel van de
bagageruimte.
2.
Klap de middenarmsteun van de achterbank
omlaag.
Breng vervolgens het andere uiteinde aan in
de uitsparing in het zijpaneel aan de tegenoverliggende zijde.
Bij gebruik van de Privacy locking moet het doorsteekluik dichtstaan.
Gerelateerde informatie
•
Adviezen voor het vervoer van bagage
(p. 593)
•
•
Privacy locking (p. 281)
Duw de uiteinden één voor één omlaag.
> Wanneer u een klik hoort en de rode markering op het uiteinde verdwijnt, zit de
bagagerolhoes vast. Ga na of de hoes
goed vastzit.
Verankeringsogen (p. 596)
* Optie/accessoire.
LAADMOGELIJKHEDEN, OPBERGMOGELIJKHEDEN EN INTERIEUR
Bagagerolhoes demonteren
Bagagerolhoes hanteren*
In ingerolde stand:
De bagagerolhoes heeft twee gebruiksstanden:
één volledig dekkende stand en een laadstand
waarbij de rolhoes slechts gedeeltelijk uitgerold
is, zodat u gemakkelijker spullen in en uit de
bagageruimte kunt leggen/nemen.
1.
Druk de knop in op een van de eindstukken
van de ingerolde bagagerolhoes en verwijder
het eindstuk.
2.
Kantel de rolhoes voorzichtig omhoog en
opzij.
> Het andere eindstuk komt dan vanzelf los,
waarna u de rolhoes uit de bagageruimte
kunt tillen.
Volledig dekkende stand
Gerelateerde informatie
•
•
Bagagerolhoes in volledig dekkende stand.
Bagagerolhoes hanteren* (p. 597)
BELANGRIJK
Adviezen voor het vervoer van bagage
(p. 593)
Plaats geen voorwerpen boven op de bagagerolhoes.
Pak de handgreep beet en rol de bagagerolhoes tot aan de aanslag uit.
Haak de bevestigingspennen in de uitsparingen bij de achterste stijlen van de bagageruimte.
> De bagagerolhoes wordt vergrendeld in
de volledig dekkende stand.
}}
* Optie/accessoire. 597
LAADMOGELIJKHEDEN, OPBERGMOGELIJKHEDEN EN INTERIEUR
||
Laadstand
BELANGRIJK
Vanuit volledig dekkende stand:
Een bagagerolhoes in de laadstand kan het
zicht naar achteren beperken. Zorg er tijdens
het rijden voor dat de bagagerolhoes in de
volledig dekkende stand staat of helemaal is
opgerold.
–
Inklappen
1. Vanuit volledig dekkende stand:
2.
598
Laat de handgreep los, zodat de bevestigingspennen vastgehaakt worden.
> De rolhoes wordt vergrendeld in de volledig dekkende stand.
Het veiligheidsrek voldoet aan de wettelijke eisen
voor de botsproef conform ECE R17 en aan de
duurzaamheidseisen van Volvo.
Vanuit de laadstand:
Pak de handgreep beet en trek de bagagerolhoes uit in de groeven. Trek tot aan de volledig dekkende stand. Til de handgreep op
en trek deze naar achteren, zodat de bevestigingspennen vrijkomen uit de groeven en
laat hem weer los.
Teruggaan naar volledig dekkende stand vanuit
de laadstand:
Pak de handgreep beet en rol de bagagerolhoes omlaag tot in de eindstand. Om dit te
vergemakkelijken drukt u de handgreep een
stukje in een hoek omhoog zodat de bevestigingspennen de aanslag passeren.
Het veiligheidsrek voorkomt dat stukken bagage
of huisdieren in de bagageruimte de passagiersruimte in worden geslingerd bij bruuske remmanoeuvres.
Til de handgreep op en trek deze naar achteren, zodat de bevestigingspennen van de
rolhoes vrijkomen uit de groeven en laat hem
weer los.
Duw de handgreep van de bagagerolhoes
voorzichtig omhoog.
> De rolhoes rolt omhoog tot aan de aanslag in de laadstand.
1.
Veiligheidsrek* monteren en
demonteren
2.
Duw de hoes met zijn bevestigingspennen
boven de zijpanelen langs tot aan de aanslag
in ingerolde stand.
Gerelateerde informatie
•
Bagagerolhoes* monteren en demonteren
(p. 596)
U moet het veiligheidsrek uit voorzorg altijd op de
juiste manier bevestigen en verankeren.
WAARSCHUWING
Wanneer de auto rijdt, mag er niemand in de
bagageruimte aanwezig zijn. Dit is om letsel
bij eventueel hard afremmen of een ongeval
te voorkomen.
* Optie/accessoire.
LAADMOGELIJKHEDEN, OPBERGMOGELIJKHEDEN EN INTERIEUR
Aanbrengen
3.
4.
BELANGRIJK
U mag het veiligheidsrek alleen gebruiken in
de achterste positie (achter de achterbank)
zoals hier beschreven.
Voor het eerste gebruik van het veiligheidsrek
moet u de bestaande kunststof plafondbevestigingen vervangen door stalen plafondbevestigingen. Volvo adviseert u de plafondbevestigingen te
laten vervangen door een erkende Volvo-werkplaats of -dealer.
1.
Klap de rugleuningen van de achterbank
voorover.
2.
Zorg dat u het veiligheidsrek met de juiste
kant naar voren beetpakt. Til het veiligheidsrek via een van de achterportieren naar binnen.
Plaats de bevestigingen van het veiligheidsrek in de plafondbevestigingen.
Plaats de bijgeleverde bout en haal deze aan
met de eveneens bijgeleverde inbusdop van
6 mm. Herhaal dit aan de andere kant. Aanbevolen aanhaalkoppel: 20 Nm (15 lbf).
> Controleer of het veiligheidsrek goed vastzit.
Het volgende punt is gemakkelijker, als twee
personen het veiligheidsrek in de juiste positie vasthouden.
5.
Zet de rugleuning weer rechtop.
Voor meer informatie over de vereiste gereedschappen en de te volgen methode bij montage/
demontage, zie de montagevoorschriften die bij
aankoop bijgeleverd werden.
BELANGRIJK
Het veiligheidsrek is niet op of neer te klappen, wanneer een bagageafdekking gemonteerd is.
}}
599
LAADMOGELIJKHEDEN, OPBERGMOGELIJKHEDEN EN INTERIEUR
||
Gerelateerde informatie
•
Adviezen voor het vervoer van bagage
(p. 593)
•
Verankeringsogen (p. 596)
Bagagenet monteren en
demonteren*
Het bagagenet voorkomt dat bagage in de bagageruimte bij krachtig afremmen de passagiersruimte in wordt geslingerd.
Het bagagenet wordt aan vier bevestigingspunten vastgezet.
WAARSCHUWING
Lading in de bagageruimte moet goed worden vastgezet, ook met een correct gemonteerd veiligheidsnet.
Bagagenet monteren
WAARSCHUWING
Het is noodzakelijk dat u controleert of de
bovenste bevestigingen van het veiligheidsnet
goed gemonteerd zijn en of de trekbanden
veilig zijn vastgehaakt.
Een beschadigd veiligheidsnet mag niet worden gebruikt.
N.B.
Het bagagenet moet uit veiligheidsoverwegingen
altijd vastgemaakt en verankerd worden aan de
hand van de onderstaande beschrijving.
Het net is gemaakt van stevig nylonmateriaal en
kan op twee verschillende plaatsen in de auto
worden bevestigd:
•
•
600
Montage achterin – achter de achterbank.
Montage voorin – achter de voorstoelen.
Bij montage voorin kunt u het veiligheidsrek
het eenvoudigste via een van de achterportieren aanbrengen.
1.
Vouw het bagagenet open en zorg dat de
gedeelde bovenste stang in het net in uitgeklapte stand geblokkeerd wordt.
2.
Haak de ene bevestigingshaak van het net
vast aan de voorste of achterste plafondbevestiging, met de sluiting van de spanbanden
naar u toe.
* Optie/accessoire.
LAADMOGELIJKHEDEN, OPBERGMOGELIJKHEDEN EN INTERIEUR
3.
Haak de andere bevestigingshaak van het
net vast aan de plafondbevestiging aan de
tegenoverliggende zijde.
4.
De bevestigingshaken met telescoopveren
maken het plaatsen eenvoudiger.
Let erop dat u de bevestigingshaken van het
net in de voorste eindstand van de beide plafondbevestigingen duwt.
Montage voorin.
Montage achterin.
Bij montage achterin:
Haak, met het net bevestigd aan de achterste
plafondbevestigingen, de spanbanden van
het bagagenet vast aan de verankeringsogen
voor in de bagageruimte.
Bij montage voorin:
Haak, met het net bevestigd aan de voorste
plafondbevestigingen, de spanbanden vast
aan de buitenste verankeringsogen achter op
de stoelrails – dit gaat eenvoudiger als u de
rugleuningen rechtop zet en de stoelen iets
verder naar voren zet.
Let erop dat u de stoel en de rugleuning niet
te hard tegen het net duwt bij het terugduwen – zorg ervoor dat de stoel of de rugleuning het net precies raakt.
}}
601
LAADMOGELIJKHEDEN, OPBERGMOGELIJKHEDEN EN INTERIEUR
||
BELANGRIJK
Als u de stoel of rugleuning hard naar achteren tegen het veiligheidsnet drukt, kunnen
het net en/of zijn plafondbevestigingen
beschadigd raken.
5.
Span het bagagenet met de spanbanden.
EHBO-set*
Gevarendriehoek
De EHBO-set bevat materiaal voor het verlenen
van eerste hulp.
Gebruik de gevarendriehoek om medeweggebruikers te waarschuwen, als u onderweg met
pech stil komt te staan.
Bewaar de EHBO-set op een geschikte plek in
de bagageruimte, bijv. in het opbergvak rechts.
De EHBO-set is voorzien van klittenband waarmee deze direct op het paneel te bevestigen is.
Bagagenet demonteren
Gerelateerde informatie
Het bagagenet is eenvoudig te demonteren en
op te vouwen.
•
1.
Verminder de spanning in het bagagenet
door de knop in de sluiting van de spanband
in te drukken en aan weerszijden iets van de
spanbanden uit te voeren.
2.
Duw de borghaken in en neem de beide
haken van de spanband los.
3.
Neem de bovenste bevestigingen los en
neem het net los van de plafondbevestigingen.
4.
Druk de rode knop op de stang in, zodat u
deze kunt inklappen, waarna u het net kunt
oprollen. Bewaar het net in zijn hoes.
Bagageruimte (p. 593)
Activeer ook de alarmlichten.
Opbergmogelijkheid
De gevarendriehoek zit in de ruimte aan de binnenkant van de achterklep.
Gevarendriehoek opzetten
Gerelateerde informatie
602
•
Adviezen voor het vervoer van bagage
(p. 593)
•
Verankeringsogen (p. 596)
* Optie/accessoire.
LAADMOGELIJKHEDEN, OPBERGMOGELIJKHEDEN EN INTERIEUR
Pak de handgreep van het binnenpaneel op
de achterklep beet om de klep te openen
waarachter de gevarendriehoek zit.
Haal de gevarendriehoek uit de houder, klap
de gevarendriehoek uit en zet de uiteinden in
elkaar.
Klap de steunpoten van de gevarendriehoek
uit.
Volg de geldende bepalingen voor het gebruik
van een gevarendriehoek. Zet de gevarendriehoek op een passend punt achter de auto op om
achteropkomend verkeer tijdig te waarschuwen.
Zorg er na gebruik voor dat de gevarendriehoek
en de houder goed vastzitten in hun opbergruimte en dat de klep helemaal dichtstaat.
Gerelateerde informatie
•
•
Bagageruimte (p. 593)
Alarmlichten (p. 158)
603
ONDERHOUD EN SERVICE
ONDERHOUD EN SERVICE
Serviceprogramma van Volvo
Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid en
betrouwbaarheid van de auto op een hoog peil
te houden, dient u de voorschriften van het Serviceprogramma van Volvo op te volgen zoals die
omschreven staan in het Service- en garantieboekje van Volvo.
Volvo adviseert u om service- en onderhoudswerkzaamheden over te laten aan een erkende
Volvo-werkplaats. Volvo-werkplaatsen beschikken
over het personeel, het speciale gereedschap en
de servicehandboeken waardoor zij u een zo
hoog mogelijke servicekw