Volvo | V60 PLUG-IN HYBRID | Gebruikershandleiding | Volvo V60 Plug-in Hybrid 2014 Gebruikershandleiding

Volvo V60 Plug-in Hybrid 2014 Gebruikershandleiding
WEB EDITION
GEBRUIKERSHANDLEIDING
BESTE VOLVO-BEZITTER,
DANK U DAT U GEKOZEN HEBT VOOR VOLVO!
Wij hopen dat u jarenlang rijplezier van uw Volvo
zult hebben. Bij het ontwerp hebben veiligheid en
comfort van u en uw passagiers vooropgestaan.
Een Volvo is een van de veiligste auto’s ter
wereld. Uw Volvo is ook ontworpen om aan alle
geldende veiligheidsvoorschriften en milieueisen
te voldoen.
Om nog meer plezier van uw auto te hebben,
raden wij u aan om vertrouwd te raken met de uitrusting, de instructies en de onderhoudsinformatie in deze eigenaarshandleiding.
Inhoud
01 Inleiding
Bedieningsinformatie................................
Instructieboekje lezen...............................
Vastlegging van gegevens........................
Accessoires en extra uitrusting.................
Verkoop van auto met Volvo On Call*.......
Informatie op internet................................
Milieubeleid van Volvo Car Corporation...
Milieu-aspecten van het instructieboekje.
Gelaagd glas.............................................
Plug-in Hybrid - overzicht.........................
Plug-in Hybrid - inleiding..........................
02 Veiligheid
13
13
16
17
18
18
19
21
21
22
24
Algemeen over veiligheidsgordels............
Veiligheidsgordel - om doen.....................
Veiligheidsgordel - losmaken....................
Veiligheidsgordel - zwangerschap............
Gordelwaarschuwing................................
Gordelspanners........................................
Veiligheid - waarschuwingssymbool.........
Airbagsysteem..........................................
Airbag aan de bestuurderszijde................
Passagiersairbag......................................
Passagiersairbag - activering/deactivering*...........................................................
SIPS-airbags.............................................
SIPS-airbag (SIPS) - kinderzitje/zittingverhoger....................................................
Opblaasgordijnen (IC-systeem)................
Algemene informatie over WHIPS (whiplash-bescherming)..................................
WHIPS - kinderzitje...................................
WHIPS - zithouding..................................
Als de systemen activeren........................
Algemene informatie over de Safety
mode.........................................................
Safety mode - startpoging........................
Safety mode - auto verrijden....................
26
27
28
28
29
29
30
30
31
32
Algemeen over kinderveiligheid................
Kinderzitje.................................................
Kinderzitje - positie...................................
Kinderzitje - geïntegreerde zittingverhoger met twee standen*..............................
Geïntegreerde zittingverhoger met twee
standen* - uitklappen................................
Geïntegreerde zittingverhoger met twee
standen* - inklappen.................................
Kinderzitje - ISOFIX...................................
ISOFIX - afmetingscategorieën.................
ISOFIX - soorten kinderzitjes....................
Kinderzitje - bovenste bevestigingspunten.............................................................
01 02 02
2
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
33
34
35
36
36
37
38
39
40
40
41
41
43
47
47
48
50
50
51
52
54
Inhoud
03 Instrumenten, schakelaars
en bediening
Instrumenten en bediening, auto met
stuur links - overzicht................................
Instrumenten en bediening, auto met
stuur rechts - overzicht.............................
Instrumentenpaneel..................................
Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht...
Eco guide & Hybrid guide.........................
Instrumentenpaneel - betekenis controlesymbolen..................................................
Instrumentenpaneel - betekenis waarschuwingssymbolen.................................
Buitentemperatuur....................................
Dagtellers..................................................
Klok...........................................................
Volvo Sensus............................................
Sleutelstanden..........................................
Sleutelstanden - functies in verschillende
standen.....................................................
Voorstoelen...............................................
Voorstoelen - elektrisch bediend..............
Geheugen* van transpondersleutel...........
Achterbank................................................
Stuurwiel...................................................
Elektrische stuurverwarming*...................
56
59
62
63
67
Bedieningspaneel verlichting.................... 82
Stadslichten vóór en achterlichten........... 83
Dagrijlicht.................................................. 84
Tunneldetectie*......................................... 85
Groot licht/dimlicht................................... 85
Actief groot licht*...................................... 86
Actieve xenon-koplampen*....................... 88
Mistachterlicht.......................................... 89
Remlichten................................................ 90
Alarmlichten.............................................. 90
Richtingaanwijzer...................................... 91
Interieurverlichting..................................... 91
Follow Me Home-verlichting..................... 93
Approach-verlichting................................. 93
Koplampen - lichtbundel aanpassen........ 93
Wissers en -sproeiers............................... 94
Elektrisch bedienbare ruiten..................... 96
Buitenspiegels........................................... 98
Ruiten en buitenspiegels - elektrische
verwarming............................................... 99
Achteruitkijkspiegel................................. 100
Kompas*................................................. 101
Schuifdak*............................................... 102
Menufuncties - instrumentenpaneel....... 104
Menu-overzicht - instrumentenpaneel....
Meldingen...............................................
Meldingen - functies...............................
MY CAR..................................................
Boordcomputer.......................................
Boordcomputer - instrumentenpaneel
"Digital"...................................................
Boordcomputer - aanvullende informatie
Boordcomputer - rijstatistiek*.................
03 03 03
68
69
71
71
71
72
73
73
75
76
77
78
80
81
104
105
106
106
107
109
112
113
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
3
Inhoud
04 Klimaat
Algemene informatie over de klimaatregeling......................................................
Werkelijke temperatuur...........................
Sensoren - klimaat..................................
Luchtreiniging.........................................
Luchtreiniging - interieurfilter..................
Luchtreiniging - Clean Zone Interior Package (CZIP)*............................................
Luchtreiniging - IAQS*............................
Luchtreiniging - materiaal.......................
Menu-instellingen - klimaat.....................
Luchtverdeling passagiersruimte............
Elektronische klimaatregeling, ECC........
Elektrisch verwarmde voorstoelen*........
Elektrisch verwarmde achterbank*.........
Ventilator.................................................
Automatische regeling............................
Temperatuurregeling passagiersruimte..
Airconditioning........................................
Voorruit ontwasemen en ontdooien........
Luchtverdeling - recirculatie...................
Luchtverdeling - tabel.............................
Algemeen over preconditioning..............
Preconditioning van de auto...................
116
117
117
117
118
Preconditioning - instelling.....................
Preconditioning - binnen parkeren.........
Preconditioning - buiten parkeren..........
Preconditioning - direct inschakelen......
Preconditioning - direct uitschakelen.....
Preconditioning - timers..........................
Timers - instellen.....................................
Timers - starten.......................................
Timer - uitschakelen................................
Preconditioning - meldingen...................
Algemene informatie over verwarmingen
Verwarming op stroom...........................
Verwarming op brandstof.......................
Verwarming op brandstof - AUTO-stand/
deactiveren.............................................
131
131
132
133
134
134
134
135
135
136
138
138
138
05 Laad- en
opbergmogelijkheden
Opbergmogelijkheden.............................
Kledinghaak............................................
Middenconsole.......................................
Middenconsole - aansteker en asbak*...
Dashboardkastje.....................................
Inlegmatten*............................................
Make-upspiegel......................................
Middenconsole - 12V-aansluiting...........
Lading vervoeren....................................
Lading vervoeren - lange lading.............
Lading op het dak...................................
Verankeringsogen...................................
12V-aansluiting - bagageruimte*............
Bagagenet*.............................................
Bagagenet* plus bagagerolhoes.............
Veiligheidsrek..........................................
Bagagerolhoes........................................
04 04 05
4
118
119
119
120
120
122
123
123
124
124
125
125
126
126
128
130
130
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
139
141
143
143
143
144
144
144
145
146
147
147
147
148
148
150
150
151
Inhoud
06 Sloten en alarm
Transpondersleutel met sleutelblad........ 153
Transpondersleutel - verlies ................... 153
Sleutelgeheugen*.................................... 153
Indicatie vergrendeling/ontgrendeling instellen................................................... 154
Vergrendelingsindicatie........................... 154
Elektronische startblokkering.................. 154
Op afstand bediende startblokkering met
opsporingssysteem................................. 155
Transpondersleutel - functies................. 155
Transpondersleutel - bereik.................... 157
PCC* - unieke functies............................ 157
PCC* - bereik.......................................... 158
Afneembaar sleutelblad.......................... 159
Afneembaar sleutelblad - verwijderen/
aanbrengen............................................. 160
Afneembaar sleutelblad - portier ontgrendelen....................................................... 160
Privacy locking*....................................... 161
Transpondersleutel/PCC - batterij vervangen.................................................... 162
Keyless drive*.......................................... 164
Keyless drive* - bereik PCC.................... 164
Keyless drive* - veilig gebruik van de
PCC......................................................... 165
Keyless drive* - storingen in de functie
van een PCC...........................................
Keyless drive* - vergrendelen.................
Keyless drive* - ontgrendelen.................
Keyless drive*- ontgrendelen met sleutelblad ........................................................
Keyless drive* - sleutelgeheugen............
Keyless drive* - vergrendelingsinstellingen..........................................................
Keyless drive* - locatie antennes............
Vergrendelen/ontgrendelen - vanaf de
buitenkant...............................................
Portier handmatig vergrendelen.............
Vergrendelen/ontgrendelen - van de binnenzijde...................................................
Doorluchtfunctie......................................
Vergrendelen/ontgrendelen - dashboardkastje.......................................................
Vergrendelen/ontgrendelen - achterklep
Safelock-functie*.....................................
Kinderslot - handmatige activering.........
Kinderslot - elektrische activering*.........
Alarm.......................................................
Alarmindicatie.........................................
165
165
166
Alarmsysteem - automatische herinschakeling.......................................................
Alarmsysteem - transpondersleutel
defect......................................................
Alarmsignalen.........................................
Beperkt alarmniveau...............................
06 06 06
166
167
177
178
178
178
168
168
169
169
170
171
172
172
174
175
175
176
177
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
5
Inhoud
07 Bestuurdersondersteuning
Stabiliteits- en tractieregelsysteem
(DSTC).....................................................
Stabiliteits- en tractieregelsysteem
(DSTC) - bediening..................................
Stabiliteits- en tractieregeling (DSTC) symbolen en meldingen..........................
Verkeersbordinformatie (RSI)*.................
Verkeersbordenherkenning (RSI)* bediening................................................
Verkeersbordinformatie (RSI)* beperkingen..........................................................
Snelheidsbegrenzer................................
Snelheidsbegrenzer - beknopte bedieningsinstructies.......................................
Snelheidsbegrenzer - snelheid wijzigen..
Snelheidsbegrenzer - tijdelijk deactiveren
en stand-bystand....................................
Snelheidsbegrenzer - alarm overschrijding snelheid...........................................
Snelheidsbegrenzer - uitschakelen.........
Cruisecontrol*.........................................
Cruisecontrol* - snelheid regelen............
Snelheidsbegrenzer* tijdelijk deactiveren
en stand-bystand....................................
Cruisecontrol* - ingestelde snelheid hervatten......................................................
180
181
Cruisecontrol* - uitschakelen.................. 192
Adaptieve cruisecontrol - ACC*.............. 192
Adaptieve cruisecontrol* - functie........... 193
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht....... 195
Adaptieve cruisecontrol* - snelheid regelen........................................................... 196
Adaptieve cruisecontrol* - volgtijd instellen........................................................... 197
Adaptieve cruisecontrol* - tijdelijke deactivering en stand-by................................ 198
Adaptieve cruisecontrol* - een ander
voertuig inhalen....................................... 199
Adaptieve cruisecontrol* - uitschakelen. 199
Adaptieve cruisecontrol* - file-assistent. 199
Adaptieve cruisecontrol* - van cruisecontrol-functie wisselen................................ 201
Radarsensor............................................ 202
Radarsensor - beperkingen.................... 202
Adaptieve cruisecontrol* - storingen
opsporen en verhelpen........................... 204
Adaptieve cruisecontrol* - symbolen en
meldingen............................................... 205
Afstandswaarschuwing*.......................... 207
Afstandswaarschuwing* - beperkingen.. 208
Afstandswaarschuwing* - symbolen en
meldingen............................................... 209
City Safety™........................................... 210
City Safety™ - functie............................. 210
City Safety™ - bediening........................ 211
City Safety™ - beperkingen.................... 212
City Safety™ - lasersensor..................... 214
City Safety™ - symbolen en meldingen. 216
Collision Warning*................................... 217
Collision Warning* - functie..................... 218
Collision Warning* - detectie van fietser. 219
Collision Warning* - detectie van voetgangers................................................... 221
Collision Warning* - bediening................ 222
Collision Warning* - algemene beperkingen.......................................................... 224
Collision Warning* - beperkingen van de
camerasensor......................................... 225
Collision Warning* - symbolen en meldingen.......................................................... 227
Driver Alert System*................................ 229
Driver Alert Control (DAC)*...................... 229
Driver Alert Control (DAC)* - bediening... 230
Driver Alert Control (DAC)* - symbolen en
meldingen............................................... 231
Rijbaanassistent (LDW)*.......................... 233
Rijbaanassistent (LDW) - functie............. 233
07 07 07
6
182
183
183
185
186
186
187
188
188
189
189
190
191
192
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Inhoud
08 Starten en rijden
Rijbaanassistent (LDW) - bediening........
Rijbaanassistent (LDW) - beperkingen....
Rijbaanassistent (LDW) - symbolen en
meldingen...............................................
Park Assist*.............................................
Park Assist* - functie...............................
Park Assist* - aan de achterzijde............
Park Assist* - aan de voorzijde...............
Park Assist* - storingsindicatie...............
Park Assist* - sensoren schoonmaken...
Park Assist-camera.................................
Park Assist-camera - instellingen...........
Park Assist-camera - beperkingen.........
BLIS* (Blind Spot Information System)...
BLIS*(Blind Spot Information System) bediening................................................
CTA (Cross Traffic Alert)*........................
BLIS - symbolen en meldingen...............
Instelbare stuurkracht*............................
234
235
236
238
238
240
240
241
241
242
245
246
246
Alcoholslot*.............................................
Alcoholslot* - functies en bediening.......
Alcoholslot* - opslag...............................
Alcoholslot* - vóór het starten van de
motor.......................................................
Alcoholslot* - waar u op moet letten.......
Alcoholslot* - symbolen en meldingen...
Motor starten..........................................
Motor afzetten.........................................
Stuurslot..................................................
Starthulp met accu..................................
Aandrijving..............................................
Aandrijving - rijstanden...........................
Energiestroom.........................................
Aandrijving - symbolen en meldingen.....
Versnellingsbakken.................................
Schakelindicator*....................................
Automatische versnellingsbak - Geartron
ic.............................................................
Keuzehendelblokkering...........................
Hellingrem (HSA)*....................................
Vierwielaandrijving - AWD.......................
Bedrijfsrem..............................................
Bedrijfsrem - antiblokkeerremsysteem...
253
253
254
Bedrijfsrem - noodremlichten en automatische alarmlichten.................................. 276
Bedrijfsrem - remkrachtverhoging bij
noodstops............................................... 276
Parkeerrem.............................................. 277
Rit plannen.............................................. 281
Doorwaaddiepte..................................... 282
Oververhitting.......................................... 282
Rijden met een geopende achterklep..... 283
Overbelasting - startaccu....................... 283
Voorbereidingen bij lange reizen............. 284
Winterse ritten......................................... 284
Actieradius bij elektrische aandrijving..... 285
Tankvulklep - openen/sluiten.................. 286
Tankvulklep - handmatig openen........... 286
Brandstof tanken.................................... 286
Brandstof - gebruik................................. 287
Brandstof - diesel.................................... 288
Katalysatoren.......................................... 290
Roetfilter dieselmotor (DPF).................... 290
Zuinig rijden............................................ 291
Opladen hybride-accu............................ 292
Laadstroom............................................. 293
Opladen hybride-accu - voorbereidingen 294
07 08 08
247
248
250
251
254
255
257
257
259
259
259
261
262
264
266
268
268
268
270
272
272
273
276
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
7
Inhoud
09 Wielen en banden
Laadkabel met regeleenheid...................
Laadkabel met regeleenheid - statusmeldingen.....................................................
Laadkabel met regeleenheid - temperatuurbewaking..........................................
Laadkabel met regeleenheid - aardlekschakelaar...............................................
Opladen hybride-accu - starten..............
Opladen hybride-accu - afsluiten...........
Langdurige opslag - waar u op moet letten...........................................................
Rijden met een aanhanger......................
Rijden met een aanhanger - automatische versnellingsbak...............................
Trekhaak.................................................
Afneembare trekhaak - opbergen...........
Afneembare trekhaak - specificaties......
Afneembare trekhaak - monteren/
demonteren.............................................
Trailer Stability Assist - TSA....................
Slepen.....................................................
Sleepoog.................................................
Bergen.....................................................
295
297
298
Banden - draairichting............................
Banden - onderhoud...............................
Banden - slijtage-indicator......................
Wielbouten..............................................
Gereedschap..........................................
Krik*.........................................................
Winterbanden..........................................
Wiel- en velgmaten.................................
Banden - maten......................................
Banden - lastindex..................................
Banden - snelheidsklassen.....................
Wielen verwisselen - wielen verwijderen.
Wielen verwisselen - monteren...............
Banden - bandenspanning.....................
Gevarendriehoek.....................................
EHBO-set*...............................................
Noodreparatieset voor banden...............
Noodreparatieset voor banden - positie.
Noodreparatieset voor banden - overzicht.........................................................
Noodreparatieset voor banden - bediening.........................................................
Noodreparatieset voor banden - reparatieresultaat controleren...........................
313
313
315
315
316
316
317
318
318
319
319
320
322
323
325
325
326
326
Noodreparatieset voor banden - banden
oppompen............................................... 332
Noodreparatieset voor banden - afdichtmiddel..................................................... 333
08 09 09
8
298
298
300
301
302
303
304
304
305
306
308
309
310
311
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
327
328
330
Inhoud
10 Onderhoud en service
Serviceprogramma van Volvo................. 335
Auto opnemen........................................ 336
Motorkap - openen en sluiten................. 338
Motorruimte - overzicht.......................... 338
Motorruimte - controle............................ 339
Motorolie - algemeen.............................. 340
Motorolie - controleren en bijvullen........ 341
Koelvloeistof - peil.................................. 342
Rem- en koppelingsvloeistof - peil......... 343
Stuurbekrachtigingsvloeistof - peil......... 344
Klimaatregeling - storingen opsporen en
verhelpen................................................ 344
Lamp vervangen..................................... 345
Lamp vervangen - koplampen................ 346
Lampen verwisselen - afdekkap groot-/
dimlichtlampen........................................ 347
Lamp vervangen - dimlicht..................... 347
Lamp vervangen - groot licht.................. 348
Lamp vervangen - verstraler................... 349
Lampen vervangen - richtingaanwijzers
voorzijde.................................................. 349
Lamp vervangen - verlichting achter...... 350
Lamp vervangen - positie lampen achterzijde......................................................... 351
Lamp vervangen - kentekenplaatverlichting.......................................................... 351
Lamp vervangen - verlichting in bagageruimte...................................................... 351
Lamp vervangen - verlichting makeupspiegel................................................. 352
Lampen - specificaties ........................... 352
Wisserbladen.......................................... 353
Sproeiervloeistof - bijvullen..................... 355
Startaccu................................................. 355
Accu - symbolen..................................... 356
Startaccu - vervangen............................. 357
Hybride-accu.......................................... 359
Zekeringen - algemeen........................... 359
Zekeringen - in motorruimte................... 361
Zekeringen - onder dashboardkastje...... 364
Zekeringen - in regeleenheid onder dashboardkastje............................................. 366
Zekeringen - in bagageruimte................. 368
Zekeringen - in de koude zone van de
motorruimte............................................ 372
Wasstraat................................................ 374
Poetsen en in de was zetten................... 375
Water- en vuilafstotende laag................. 376
Roestwering............................................ 376
Interieur reinigen..................................... 377
Lakschade............................................... 378
10 10 10
9
Inhoud
11 Specificaties
Type-aanduidingen.................................
Maten......................................................
Gewichten...............................................
Trekgewicht en kogeldruk.......................
Motorspecificaties...................................
Motorspecificaties - Elektrische aandrijving.........................................................
Motorolie - ongunstige rijomstandigheden..........................................................
Motorolie - kwaliteit en hoeveelheid.......
Koelvloeistof - kwaliteit en hoeveelheid..
Transmissieolie - kwaliteit en hoeveelheid.........................................................
Remvloeistof - kwaliteit en hoeveelheid.
Stuurbekrachtigingsvloeistof - kwaliteit..
Sproeiervloeistof - kwaliteit en hoeveelheid.........................................................
Brandstoftank - inhoud...........................
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot.........
Banden - goedgekeurde bandenspanning.........................................................
Elektrisch systeem..................................
Startaccu - specificatie...........................
Hybride-accu - specificatie.....................
Actieradius - specificatie.........................
12 Alfabetisch register
382
385
386
387
388
Typegoedkeuring - transpondersleutelsysteem................................................... 399
Typegoedkeuring - radarsysteem........... 399
Typegoedkeuring - Bluetooth®............... 400
Licenties.................................................. 404
Displaysymbolen..................................... 407
Alfabetisch register................................. 410
11 11 12
10
389
389
391
392
393
394
394
394
395
396
397
398
398
398
399
Inhoud
11
INLEIDING
01 Inleiding
Bedieningsinformatie
Instructieboekje lezen
Uw auto is voorzien van een beeldscherm*
waarop u informatie kunt vinden over de werking van uw auto. Deze gebruikershandleiding
vormt een aanvulling op deze informatie en
bevat belangrijke tekst, de nieuwste gegevens
en handige instructies, wanneer u de informatie op het beeldscherm om praktische redenen niet kunt lezen.
Een goede manier om vertrouwd te raken met
uw nieuwe auto is om het instructieboekje te
lezen, idealiter voordat u uw eerste rit maakt.
Zo maakt u kennis met nieuwe functies, krijgt
u tips hoe u het beste in verschillende situaties met de auto kunt omgaan en leert u hoe
u optimaal gebruik kunt maken van alle mogelijkheden die uw auto biedt. Besteed ook aandacht aan de veiligheidsinstructies in het
boekje.
Wanneer u de taalinstelling voor het beeldscherm wijzigt, is het mogelijk dat bepaalde
informatie niet overeenkomt met de wettelijke
bepalingen en voorschriften die in uw land
gelden.
BELANGRIJK
U bent er altijd zelf verantwoordelijk voor
dat u de auto op veilig wijze bestuurt en
dat u de geldende wetgeving en voorschriften in acht neemt. Het is ook belangrijk dat u de auto volgens Volvo’s adviezen
in het instructieboekje onderhoudt en
bedient.
Bij afwijkingen in de informatie op het
beeldscherm en die in het gedrukte
boekje, geldt altijd de informatie in drukvorm.
1
De specificaties, constructiegegevens en
afbeeldingen in het instructieboekje zijn niet
bindend. We behouden ons het recht voor
om zonder voorafgaande mededeling wijzigingen aan te brengen.
©
Volvo Car Corporation
BELANGRIJK
Digitale gebruikershandleiding openen - druk
op de knop MY CAR op de middenconsole,
druk op OK/MENU en kies
Gebruikershandleiding.
01
U hebt vier opties om in het instructieboekje
de informatie te vinden die u zoekt:
• Zoeken - Zoekfunctie om een artikel te
vinden.
• Categorieën - Alle artikelen geordend
naar categorieën.
• Favorieten - Snelkoppeling naar favoriete artikelen.
• Quick Guide - Een selectie van artikelen
voor veelgebruikte functies.
N.B.
Het instructieboekje is niet raadpleegbaar
tijdens het rijden.
Laat dit boekje altijd in de auto liggen.
Anders ontbreekt bij eventuele problemen
de noodzakelijke informatie over hoe en
waar u professionele hulp kunt krijgen.
Digitale gebruikershandleiding in auto1
Wanneer er in de gedrukte handleiding wordt
verwezen naar de digitale gebruikershandleiding, wordt daarmee de gebruikershandleiding op het beeldscherm in de auto bedoeld.
Geldt voor bepaalde automodellen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
13
01 Inleiding
01
||
Instructieboekje in mobiele apparaten
De uitrusting die in het instructieboekje wordt
beschreven is niet op alle auto’s aanwezig welke uitrusting aanwezig is hangt af van de
verschillende behoeften op de diverse markten en de landelijke en/of regionale wet- en
regelgeving.
Neem bij twijfel over de standaarduitrusting of
opties/accessoires contact op met een Volvodealer.
Speciale teksten
WAARSCHUWING
N.B.
Het instructieboekje is te downloaden als
app (geldt voor bepaalde modellen en
mobiele telefoons), zie
www.volvocars.com.
De app biedt tevens video’s en doorzoekbare informatie en eenvoudige navigatie
tussen de verschillende hoofdstukken.
Opties/accessoires
Alle soorten opties staan aangegeven met
een sterretje* in het instructieboekje.
Als aanvulling op de standaarduitrusting worden in het instructieboekje ook de opties (van
fabriekswege gemonteerde uitrusting) en
bepaalde accessoires (ingebouwde extra uitrusting) beschreven.
14
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Waarschuwingsteksten geven informatie
over kans op letsel.
BELANGRIJK
Belangrijk-teksten geven informatie over
kans op materiële schade.
N.B.
Teksten met het kopje NB duiden op tips
en adviezen die het gebruik van bepaalde
mogelijkheden en functies vergemakkelijken.
Voetnoot
In het instructieboekje komt informatie voor in
de vorm van een voetnoot onder aan de
pagina. Deze informatie vormt een aanvulling
op de tekst waar het nummer van de voetnoot naar verwijst. Als de voetnoot naar tekst
in een tabel verwijst, worden letters gebruikt
in plaats van cijfers.
Displaymeldingen
In de auto zijn displays aanwezig waarop
meldingen kunnen worden weergegeven.
Deze displaymeldingen worden in het instructieboekje in iets groter formaat en in het grijs
weergegeven. Voorbeelden daarvan vindt u in
de menuteksten en displaymeldingen van het
informatiedisplay (bijvoorbeeld Audioinstellingen ).
Stickers
Er zitten verschillende soorten stickers in de
auto om belangrijke informatie op een simpele en duidelijke manier over te dragen. De
stickers in de auto zijn van de onderstaande
aflopende waarschuwings-/informatiegraad.
01 Inleiding
01
Informatie
G031593
Gevaar voor materiële schade
G031592
Gevaar voor lichamelijk letsel
G031590
Zwarte ISO-symbolen in een oranje waarschuwingsveld, witte tekst/afbeelding in een
zwart tekstveld. Worden gebruikt om te attenderen op een risico dat, bij het negeren van
de waarschuwing, kan resulteren in ernstig
letsel met mogelijk dodelijke afloop.
Witte ISO-symbolen en een witte tekst/
afbeelding in een zwart of blauw waarschuwings- en tekstveld. Worden gebruikt om te
attenderen op een risico dat, bij het negeren
van de waarschuwing, kan resulteren in materiële schade.
Witte ISO-symbolen en een witte tekst/
afbeelding in een zwart tekstveld.
N.B.
De in het instructieboekje afgebeelde stickers hoeven niet per definitie overeen te
komen met de stickers die in of op uw
auto aanwezig zijn. De afbeeldingen zijn
alleen bedoeld om aan te geven hoe de
stickers er in grote lijnen uitzien en waar u
ze ongeveer kunt aantreffen. Op de stickers van uw auto vindt u de informatie die
op uw auto van toepassing is.
Procedurelijsten
Procedures met handelingen die in een
bepaalde volgorde moeten worden uitge}}
15
01 Inleiding
01
||
voerd, staan genummerd in het instructieboekje.
Wanneer er een reeks afbeeldingen bij
een stapsgewijze instructie bestaat, zijn
de verschillende stappen van de instructie op dezelfde manier genummerd als de
bijbehorende afbeeldingen.
Als voor de instructies bij een reeks
afbeeldingen de onderlinge volgorde niet
relevant is, worden de instructies voorafgegaan door letters.
Er komen genummerde en ongenummerde pijlen voor. Ze worden gebruikt om
een bepaalde beweging weer te geven.
Pijlen met een letter dienen om een
beweging weer te geven waarbij de
onderlinge volgorde niet van belang is.
Wanneer er geen reeks afbeeldingen bij een
stapsgewijze instructie bestaat, zijn de verschillende stappen op de standaardmanier
genummerd met normale cijfers.
Positielijsten
Op overzichtsfiguren die de positie van
onderdelen aangeven worden rode cirkels
met daarin een cijfer gebruikt. Hetzelfde
cijfer wordt gehanteerd in de positielijst
bij de afbeelding, met een beschrijving
van de weergegeven objecten.
16
Opsommingslijsten
Vastlegging van gegevens
Bij opsommingen in het instructieboekje
wordt gebruik gemaakt van een opsommingslijst.
Bepaalde gegevens over de werking en functionaliteit van de auto en eventuele
(bijna-)aanrijdingen worden door de auto vastgelegd.
Bijvoorbeeld:
•
•
Koelvloeistof
Motorolie
Gerelateerde informatie
Gerelateerde informatie verwijst naar andere
gedeelten met voor de hand liggende informatie.
Afbeeldingen
De afbeeldingen in het boek zijn soms schematisch en kunnen afwijken van hoe de auto
eruitziet, afhankelijk van het uitrustingsniveau
en de markt.
Zie ommezijde
}} Dit symbool staat rechts onderaan wan-
neer een artikel wordt voortgezet op de volgende pagina.
Vervolg van de vorige pagina
|| Dit symbool staat links bovenaan wanneer
een artikel wordt voortgezet van de vorige
pagina.
Gerelateerde informatie
•
Milieu-aspecten van het instructieboekje
(p. 21)
•
Informatie op internet (p. 18)
Uw auto is voorzien van enkele computers
met als taak de werking en functionaliteit van
de auto continue te bewaken. Bepaalde computers leggen mogelijk ook gegevens vast bij
registratie van een storing tijdens normale ritten. Bovendien worden er gegevens opgeslagen bij een aanrijding of bijna-aanrijding.
Vastlegging van de gegevens is enerzijds
bedoeld om technici te helpen bij het vaststellen en verhelpen van storingen in de auto
en anderzijds om ervoor te zorgen dat Volvo
voldoet aan de geldende wet- en regelgeving.
Volvo gebruikt de gegevens bovendien voor
onderzoek ter verbetering van de kwaliteit en
veiligheid, daar de gegevens kunnen bijdragen tot een groter inzicht in de omstandigheden waarin ongelukken en/of letsel ontstaan.
De gegevens kunnen duidelijkheid geven over
de status en werking van verschillende autosystemen en -modulen waaronder die voor
de motor, gasklep, besturing en remmen. De
gegevens kunnen informatie bevatten over
uw rijstijl, zoals de rijsnelheid, het gebruik van
het rem- of gaspedaal en de stuuruitslag en
het wel of niet dragen van de veiligheidsgordel door bestuurder en eventuele passagier(s). De gegevens kunnen om de eerder
vermelde redenen voor een begrensde tijd
01 Inleiding
worden vastgelegd tijdens het rijden, tijdens
een aanrijding of bij een bijna-ongeluk. Volvo
kan de gegevens opslaan zolang deze kunnen bijdragen tot een verbetering en verdere
verhoging van de veiligheid en kwaliteit en
zolang de wet- en regelgeving waaraan Volvo
gehouden is dit voorschrijft.
Volvo zal de bovengenoemde gegevens niet
zonder de toestemming van de eigenaar van
de auto vrijgeven aan derden. Volvo Car Corporation kan echter op last van de nationale
wet- en regelgeving gedwongen worden om
dergelijke gegevens te verstrekken aan
instanties, zoals de politie, of anderen die
krachtens de wet de gegevens kunnen opeisen.
Om de door de computers van de auto vastgelegde gegevens te kunnen uitlezen en
interpreteren is speciale technische apparatuur vereist die alleen beschikbaar is bij
Volvo, en de werkplaatsen die een contract
hebben met Volvo. Volvo ziet erop toe dat de
gegevens, die in verband met reparatie en
onderhoud worden doorgegeven aan Volvo,
zorgvuldig worden opgeslagen en gehanteerd
en dat ze in overeenstemming met de geldende wetgeving worden gebruikt. Neem
voor meer informatie contact op met een
Volvo-dealer.
Accessoires en extra uitrusting
Een verkeerde aansluiting en montage van
accessoires en extra uitrusting kan een nadelige invloed hebben op de werking van de
elektronische systemen van de auto.
Maten
A
40 mm
B
80 mm
Bepaalde accessoires werken alleen, wanneer de bijbehorende software in de computersystemen van de auto wordt geladen.
Volvo adviseert u daarom altijd contact op te
nemen met een erkende Volvo-werkplaats,
voordat u accessoires of extra uitrusting
monteert die in verbinding staan/staat met of
van invloed zijn/is op het elektrische systeem.
De voorruit is voorzien van een warmtereflecterende film (IR) die de ingestraalde warmte in
de passagiersruimte beperkt.
Warmtereflecterende voorruit*
Voor optimale werking van dient de elektronische uitrusting dan ook gemonteerd te worden op dat deel van de voorruit waar geen
warmtereflecterende film is aangebracht (zie
gemarkeerd veld op bovenstaande afbeelding).
01
Montage van elektronische uitrusting, zoals
een transponder, achter een ruit met een
warmtereflecterende film heeft mogelijk een
negatieve invloed op de werking en prestaties
van de uitrusting.
Veld waar geen IR-film is aangebracht.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
17
01 Inleiding
01
Verkoop van auto met Volvo On Call*
Informatie op internet
Als de auto met Volvo On Call, VOC is uitgerust, is het belangrijk om de eigenaar bij de
dienst te wijzigen.
Op www.volvocars.com vindt u meer informatie over uw auto.
VOC is een aanvullend pakket met veiligheids-, beveiligings- en comfortdiensten. Bij
verkoop van de auto is het belangrijk om de
eigenaar bij de dienst te wijzigen.
Met een persoonlijke Volvo ID kunt u inloggen
op My Volvo, een persoonlijke webpagina
voor u en uw auto.
De VOC-dienst afsluiten
Neem bij verkoop van de auto contact op met
een Volvo-dealer om de VOC-dienst af te sluiten.
Bij verkoop van de auto is het belangrijk om
persoonlijke instellingen in de auto te resetten
naar de oorspronkelijke fabrieksinstelling2, zie
Verkoop van auto.
De VOC-dienst starten
Het is zeer belangrijk dat de VOC-dienst van
eigenaar wisselt, zodat de vorige eigenaar
geen diensten meer in de auto kan uitvoeren.
Neem contact op met een erkende Volvodealer bij verkoop van de auto.
QR-code
Voor het uitlezen van de QR-code hebt u een
QR-codelezer nodig die als extra programma
(app) verkrijgbaar is voor tal van mobiele telefoons. QR-codelezers zijn bijvoorbeeld te
downloaden via App Store, Windows Phone
of Google Play.
Gerelateerde informatie
•
2
18
Informatie op internet (p. 18)
Geldt alleen voor auto's die met internet kunnen worden verbonden.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
01 Inleiding
Milieubeleid van Volvo Car
Corporation
01
een fabriek die zeer schoon is en efficiënt met
hulpbronnen omgaat.
G000000
Uw Volvo voldoet aan strenge internationale
milieueisen en is bovendien geproduceerd in
Zorg voor het milieu is een van de kernwaarden van Volvo Car Corporation die van
invloed zijn op alle activiteiten. We zijn ervan
overtuigd dat onze klanten onze zorg voor het
milieu delen.
Uw Volvo voldoet aan strenge internationale
milieueisen en is bovendien geproduceerd in
een fabriek die zeer schoon is en efficiënt met
hulpbronnen omgaat. Volvo Car Corporation
is gecertificeerd volgens de milieunorm ISO
14001 voor alle fabrieken en de meeste
andere eenheden. We eisen bovendien van
onze samenwerkingspartners dat ze systematisch aan milieuzorg doen.
Brandstofverbruik
De auto’s van Volvo zijn concurrerend in hun
klasse wat het brandstofverbruik betreft. Een
lager brandstofverbruik levert over het algemeen een geringere uitstoot van het broeikasgas kooldioxide op.
U als bestuurder kunt uw steentje bijdragen
aan een verlaging van het brandstofverbruik.
Lees voor meer informatie de tekst onder het
kopje Spaar het milieu.
Efficiënte uitlaatgasreiniging
Uw Volvo is gebouwd volgens het concept
‘Schoon aan binnen- en buitenkant’ – een
concept dat een schone passagiersruimte
combineert met een uitermate efficiënte uitlaatgasreiniging. In veel gevallen liggen uitlaatgasemissies ver onder de geldende normen.
Schone lucht in passagiersruimte
Het interieurfilter zorgt dat stofdeeltjes en pollen niet via de luchtinlaatopening in de passagiersruimte kunnen dringen.
}}
19
01 Inleiding
01
||
Een geavanceerd luchtreinigingssysteem,
IAQS* (Interior Air Quality System), zorgt
ervoor dat de lucht die de passagiersruimte
binnenkomt schoner is dan de lucht buiten in
het verkeer.
Het systeem bestaat uit een elektronische
sensor en een koolstoffilter. De binnenkomende lucht wordt continu gecontroleerd en
als het gehalte aan bepaalde schadelijke gassen zoals koolmonoxide te hoog oploopt,
wordt de luchtinlaat gesloten. Iets dergelijks
kan zich voordoen in bijvoorbeeld druk verkeer, files of tunnels.
Het koolstoffilter zorgt ervoor dat stikstofoxiden, laaghangend ozon en koolwaterstoffen
niet binnendringen.
van ons systeem. Volvo stelt duidelijke milieueisen aan de outillage van onze werkplaatsen
om te voorkomen dat er schadelijke stoffen
vrijkomen in het milieu. Het personeel in de
werkplaatsen van Volvo beschikt over de kennis en het gereedschap om optimale zorg
voor het milieu te kunnen garanderen.
Spaar het milieu
U kunt eenvoudig meehelpen het milieu te
beschermen – hier volgen enkele tips:
•
•
•
Interieur
Het interieur van een Volvo werd dusdanig
vormgegeven dat het gerieflijk en comfortabel
is – ook voor mensen met contactallergieën
of astma. Er is extra veel aandacht besteed
aan de selectie van milieuvriendelijke materialen.
Erkende Volvo-werkplaatsen en het
milieu
Met regelmatig onderhoud kunt u de voorwaarden scheppen voor een lange levensduur en een laag brandstofverbruik. Op die
manier draagt u bij aan een schoner milieu.
Wanneer u de reparaties en het onderhoud
aan de auto toevertrouwt aan de werkplaatsen van Volvo, wordt de auto een onderdeel
20
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Voorkom stationair draaien – zet de motor
af wanneer u langere tijd stilstaat. Houd u
aan de plaatselijke voorschriften.
Rijd economisch – rijd anticiperend.
Voer service en onderhoud uit volgens de
aanwijzingen in het instructieboekje –
houd de geadviseerde intervallen in het
Service- en garantieboekje aan.
•
Gebruik vóór een koude start altijd de
motorverwarming*, als de auto hiermee is
uitgerust – dit verbetert de startgewilligheid, beperkt de slijtage bij koud weer en
zorgt ervoor dat de motor sneller op
bedrijfstemperatuur komt, waardoor het
brandstofverbruik en de uitstoot afnemen.
•
Bij hoge snelheden neemt het verbruik
aanzienlijk toe vanwege de grotere luchtweerstand – bij een verdubbeling van de
snelheid neemt de luchtweerstand met
een factor vier toe.
•
Hanteer afvalstoffen die schadelijk voor
het milieu zijn, zoals accu’s en olie, op
een milieuvriendelijke manier. Neem con-
tact op met een werkplaats bij twijfel over
de juiste manier van verwerken van dergelijk afval – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
Wanneer u deze tips opvolgt, kunt u geld
besparen, zuiniger omspringen met de hulpbronnen op aarde en uw auto langer doen
meegaan. Voor meer informatie en meer
adviezen, zie Eco guide (p. 67), en Zuinig rijden (p. 291) en Brandstofverbruik (p. 396).
Recycling
Milieumatig verantwoorde recycling van de
auto vormt een belangrijk aspect van de milieuzorg van Volvo. De auto is nagenoeg
geheel te recyclen. De laatste eigenaar van
de auto wordt daarom verzocht contact op te
nemen met een dealer voor de locatie van
een gecertificeerd/erkend recyclingbedrijf.
Gerelateerde informatie
•
Milieu-aspecten van het instructieboekje
(p. 21)
01 Inleiding
Milieu-aspecten van het
instructieboekje
De papiervezels waarvan deze publicatie
gemaakt is afkomstig zijn uit FSC®-gecertificeerde bossen of andere gecontroleerde
bronnen.
Het Forest Stewardship Council®-symbool
geeft aan dat de papiervezels waarvan een
gebruikershandleiding in drukvorm gemaakt
is afkomstig zijn uit FSC®-gecertificeerde
bossen of andere gecontroleerde bronnen.
01
Gelaagd glas
Gelaagd glas
Het glas is verstevigd voor een verbeterde inbraakbeveiliging en
geluidsisolatie van het interieur. De
voorruit en de overige ruiten zijn
gemaakt van gelaagd glas*.
Gerelateerde informatie
•
Milieubeleid van Volvo Car Corporation
(p. 19)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
21
01 Inleiding
01
Plug-in Hybrid - overzicht
Overzicht van de unieke functies van de V60
PLUG-IN HYBRID.
Opladen hybride-accu (p. 292).
22
Hybride-accu (p. 359).
01 Inleiding
Elektromotor (p. 261) met aandrijving op
de achterwielen.
01
Rijstanden (p. 262).
Instrumentenpaneel (p. 63) met unieke
informatie voor de Plug-in Hybrid.
Gerelateerde informatie
•
Plug-in Hybrid - inleiding (p. 24)
23
01 Inleiding
01
Plug-in Hybrid - inleiding
In de auto rijden
De auto rijdt als een normale auto. De elektromotor zorgt voornamelijk voor aandrijving op
lage snelheden en de dieselmotor op hogere
snelheden bij een actievere rijstijl.
De auto rijdt als een normale auto. De elektromotor zorgt voornamelijk voor aandrijving
op lage snelheden en de dieselmotor op
hogere snelheden bij een actievere rijstijl.
Lees meer over Zuinig rijden (p. 291).
Belangrijke aandachtspunten
WAARSCHUWING
Let erop dat de auto bij elektrische aandrijving geen motorgeluid produceert, waardoor spelende kinderen, voetgangers, fietsers en huisdieren u mogelijk niet opmerken. Dit geldt in het bijzonder wanneer u
op lage snelheden rijdt, zoals op parkeerterreinen.
Sterkstroom
WAARSCHUWING
Laat de hantering van oranje kabels voorzien van een hoogspanningssticker over
aan bevoegd personeel.
24
Opladen hybride-accu
Rijstanden
U kunt de auto tijdens het rijden in verschillende rijstanden zetten, zoals alleen elektrische aandrijving of aandrijving door zowel de
elektromotor als de dieselmotor voor als extra
vermogen nodig is. De auto berekent op
basis van de gekozen rijstand de optimale
combinatie van rijeigenschappen, rijbeleving,
milieu-impact en brandstofverbruik. Lees
meer over Aandrijving - rijstanden (p. 262).
Instrumentenpaneel
Meerdere auto-onderdelen
werken op een gevaarlijke
spanning. Raak geen onderdelen aan, die niet duidelijk
in het instructieboekje staan
aangegeven. Lees meer over
de motorruimte (p. 338).
Middels preconditioning worden de motor en
het interieur voorverwarmd ter beperking van
de slijtage en het stroomverbruik tijdens de
rit. Lees meer over Preconditioning van de
auto (p. 130).
Twee speciale velden op het instrumentenpaneel geven unieke informatie weer over de
V60 PLUG-IN HYBRID bestaande uit de
hybride-accumeter (actuele ladingstoestand),
de actieve rijstand, een symbool wanneer de
dieselmotor draait, de Hybrid Guide en de
energieterugwinning. Lees meer over het
instrumentenpaneel (p. 63).
Preconditioning
Voor optimale werking van de auto is het
zaak dat de hybride-accu en de bijbehorende
elektrische aandrijving alsook de dieselmotor
en diens aandrijving de juiste bedrijfstemperatuur hebben. De accucapaciteit neemt aanzienlijk af als de accu te koud of te warm is.
BELANGRIJK
Sluit de laadkabel nooit aan als er kans op
blikseminslag is.
De hybride-accu is van het lithiumion-type en
kan op verschillende manieren worden opgeladen. U kunt een laadkabel met regeleenheid
aansluiten tussen de auto en een 230V-aansluiting (AC), zie Laadkabel met regeleenheid
(p. 295). De laadtijd is afhankelijk van de
laadstroom (p. 293).
Bij licht afremmen doet de elektromotor
dienst als motorrem, waarbij de bewegingsenergie van de auto wordt teruggewonnen en
omgezet in elektrische energie om de
hybride-accu op te laden. Lees meer over
terugwinning van remenergie (p. 273).
Bovendien kan de dieselmotor de hybrideaccu van de elektromotor zo nodig opladen
met een speciale HV-generator, zie aandrijving en rijstanden (p. 262).
Gerelateerde informatie
•
Plug-in Hybrid - overzicht (p. 22)
VEILIGHEID
02 Veiligheid
Algemeen over veiligheidsgordels
02
Remmen kan ernstige gevolgen hebben als
de veiligheidsgordel niet wordt gedragen. Let
er daarom op dat alle passagiers hun veiligheidsgordel tijdens het rijden om hebben.
Waar u op moet letten
•
Gebruik geen klemmen of andere accessoires waardoor u de veiligheidsgordel
niet strak langs uw lichaam kunt trekken.
•
De veiligheidsgordel mag niet gedraaid
zitten.
•
De heupgordel moet laag zitten (niet over
de buik).
•
Span de heupgordel over de heupen door
de diagonale schoudergordel in de richting van de schouder omhoog te trekken.
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen aan de veiligheidsgordels aan en probeer ze nooit zelf
te repareren. Volvo adviseert u daarvoor
contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats.
Als een veiligheidsgordel aan grote krachten heeft blootgestaan zoals tijdens een
aanrijding, moet u de veiligheidsgordel in
zijn geheel vervangen. De veiligheidsgordel
kan een deel van zijn beschermende
eigenschappen hebben verloren, zelfs als
de veiligheidsgordel ogenschijnlijk niet
beschadigd is. Vervang de veiligheidsgordel ook als deze versleten of beschadigd
is. De nieuwe veiligheidsgordel moet zijn
goedgekeurd en bedoeld voor montage op
dezelfde positie als de vervangen veiligheidsgordel.
WAARSCHUWING
Voor optimale bescherming van de veiligheidsgordel is het van belang dat de gordel
goed tegen het lichaam ligt. Laat de rugleuning niet te ver achteroverhellen. De veiligheidsgordel biedt de beste bescherming bij
een normale rijhouding.
Wanneer iemand de veiligheidsgordel niet
draagt, wordt de bewuste persoon er middels
waarschuwingssymbolen en geluidssignalen
(p. 29) aan herinnerd de gordel om te doen
(p. 27).
26
De veiligheidsgordel en airbag werken
samen. Als de veiligheidsgordel niet of verkeerd wordt gebruikt, kan dit bij een botsing van invloed zijn op het effect van de
airbag.
WAARSCHUWING
Elke veiligheidsgordel is bedoeld voor
slechts één persoon.
Gerelateerde informatie
•
Veiligheidsgordel - zwangerschap (p.
28)
•
•
Veiligheidsgordel - losmaken (p. 28)
Gordelspanners (p. 29)
02 Veiligheid
Veiligheidsgordel - om doen
Op de achterbank past de borglip van de veiligheidsgordel alleen in de bijbehorende sluiting1.
Doe de veiligheidsgordel (p. 26) om voordat u
gaat rijden.
Waar u op moet letten
Rol de gordel langzaam af en maak deze vast
door de borglip in de gordelsluiting te steken.
Een duidelijke ‘klik’ geeft aan dat de gordel
vastzit.
De veiligheidsgordel wordt geblokkeerd en
kan niet verder worden afgerold:
•
•
•
Verkeerde positie veiligheidsgordel. De veiligheidsgordel moet over de schouder lopen.
02
wanneer u de gordel te snel afrolt
wanneer u remt of optrekt
als de auto sterk overhelt.
Gerelateerde informatie
•
Veiligheidsgordel - zwangerschap (p.
28)
•
•
•
Veiligheidsgordel - losmaken (p. 28)
Gordelspanners (p. 29)
Gordelwaarschuwing (p. 29)
Goede positie veiligheidsgordel.
Hoogte-instelling van de veiligheidsgordel. Druk
de knop in en zet de gordel hoger of lager. Zet
de gordel zo hoog mogelijk zonder dat de gordel
daarbij langs de nek schuurt.
1
Bepaalde markten.
27
02 Veiligheid
02
Veiligheidsgordel - losmaken
Veiligheidsgordel - zwangerschap
Maak de veiligheidsgordel (p. 26) pas los als
de auto stilstaat.
Wanneer u zwanger bent, is het belangrijk de
veiligheidsgordel (p. 26) altijd op de juiste
manier te dragen.
Druk op de rode knop van de gordelsluiting
en laat het oprolmechanisme de gordel naar
binnen trekken. Als de gordel niet volledig
wordt opgerold, moet u de gordel handmatig
zo ver terugrollen dat deze niet langer slap
hangt.
Gerelateerde informatie
•
•
Gerelateerde informatie
Veiligheidsgordel - om doen (p. 27)
Gordelwaarschuwing (p. 29)
G020998
•
•
De veiligheidsgordel moet strak langs de
schouder lopen, waarbij het diagonale deel
van de veiligheidsgordel tussen de borsten en
tegen de zijkant van de buik ligt.
Het heupgedeelte van de veiligheidsgordel
moet vlak tegen de buitenkant van de bovenbenen liggen en zo ver mogelijk onder de buik
liggen. Het mag nooit over de buik omhoog
kunnen glijden. De veiligheidsgordel moet zo
strak mogelijk over het lichaam lopen zonder
onnodige speling. Controleer ook of de veiligheidsgordel nergens gedraaid zit.
Naarmate de zwangerschap vordert moeten
zwangere bestuurders de stoel (p. 75) en
het stuur (p. 80) dusdanig verstellen dat ze
de auto volledig onder controle hebben (wat
28
inhoudt dat ze met gemak bij het stuur en de
pedalen moeten kunnen komen). Streef
ernaar de afstand tussen de buik en het stuur
zo groot mogelijk te maken.
Veiligheidsgordel - om doen (p. 27)
Veiligheidsgordel - losmaken (p. 28)
02 Veiligheid
Gordelwaarschuwing
verschijnt er een melding op het instrumentenpaneel. De melding verdwijnt na
ongeveer 30 seconden rijden vanzelf of
eerder bij het indrukken van de knop op
de richtingaanwijzerhendel (p. 104)OK.
Als een van de inzittenden geen veiligheidsgordel draagt, verdwijnt de melding
echter alleen bij het indrukken van de
knop OK op de richtingaanwijzerhendel.
Wanneer iemand de veiligheidsgordel niet
draagt, gaan er waarschuwingssymbolen
branden en worden er geluidssignalen afgegeven om de bewuste persoon eraan te herinneren de veiligheidsgordel om te doen (p. 27).
G017726
•
Of er geluidssignalen klinken, hangt af van de
snelheid. De waarschuwingssymbolen zitten
op de plafondconsole en op het instrumentenpaneel (p. 62).
Het gordelwaarschuwingssysteem geldt niet
voor kinderzitjes.
Achterbank
De functie van de gordelwaarschuwing voor
de achterbank is tweeledig:
•
Aangeven welke veiligheidsgordel (p. 26)
van de achterbank er worden gebruikt. Bij
gebruik van de veiligheidsgordels of het
openen van een van de achterportieren
Waarschuwen dat iemand op de achterbank de veiligheidsgordel heeft losgenomen. Er wordt gewaarschuwd met een
melding op het instrumentenpaneel in
combinatie met een geluidssignaal en een
waarschuwingslampje. De waarschuwing
stopt wanneer de gordel weer is omgedaan, maar kan ook handmatig worden
bevestigd door op de knop OK te drukken.
Op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel staat welke veiligheidsgordels er in
gebruik zijn. Deze informatie is altijd beschikbaar.
Gordelspanners
Alle veiligheidsgordels (p. 26) zijn uitgerust
met gordelspanners. Dit is een mechanisme
dat bij een voldoende krachtige aanrijding de
veiligheidsgordel rond het lichaam spant. De
veiligheidsgordel kan de passagier daarmee
beter in de stoel gedrukt houden.
02
WAARSCHUWING
De gesp van de veiligheidsgordel aan passagierszijde nooit aanbrengen in de gordelsluiting aan bestuurderszijde. De gesp
van de veiligheidsgordel altijd aanbrengen
in de gordelsluiting aan de juiste zijde. De
veiligheidsgordels nooit beschadigen en
geen vreemde voorwerpen aanbrengen in
de gordelsluiting. De veiligheidsgordels en
de gordelsluiting werken anders mogelijk
niet naar behoren tijdens een aanrijding. Er
bestaat gevaar voor ernstige verwondingen.
Bepaalde markten
Er gaat een waarschuwingssymbool branden
en er worden geluidssignalen afgegeven wanneer de bestuurder en een eventuele voorpassagier de gordel niet dragen. Op lage
snelheden klinkt de eerste 6 seconden lang
een geluidssignaal.
29
02 Veiligheid
02
WAARSCHUWING
Als het waarschuwingslampje voor het airbagsysteem blijft branden of tijdens het rijden korte tijd oplicht, betekent dit dat het
airbagsysteem niet naar behoren werkt.
Het symbool kan ook duiden op een storing in de gordelspanners, het SIPS- en
het IC-systeem of op een andere storing in
het systeem. Volvo adviseert u zo spoedig
mogelijk contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats.
Als het waarschuwingssymbool niet werkt,
gaat het waarschuwingsdriehoekje branden
en verschijnt er SRS airbag Service vereist
of SRS airbag Service spoed op het display. Volvo adviseert u zo spoedig mogelijk
contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats.
Airbagsysteem
Bij een frontale botsing helpt het airbagsysteem voorkomen dat de bestuurder en eventuele inzittenden letsel aan hoofd en borstkas
oplopen.
G018665
Veiligheid - waarschuwingssymbool
Het waarschuwingssymbool verschijnt, als er
tijdens de storingsdiagnose een storing wordt
geconstateerd of als het systeem geactiveerd
is. Waar nodig verschijnt het waarschuwingssymbool in combinatie met een melding op
het informatiedisplay van het instrumentenpaneel (p. 62).
Airbagsysteem, auto met stuur links.
Gerelateerde informatie
Gevarendriehoek en waarschuwingssymbool
voor het airbagsysteem (p. 30) op het instrumentenpaneel.
•
Algemene informatie over de Safety mode
(p. 40)
G018666
Het waarschuwingssymbool op het instrumentenpaneel gaat branden, wanneer de
transpondersleutel in sleutelstand II (p. 73)
staat. Het symbool dooft na zo’n 6 seconden,
wanneer de regelmodule heeft vastgesteld
dat het airbagsysteem geen storingen vertoont.
Airbagsysteem, auto met stuur rechts.
30
02 Veiligheid
Het SRS bestaat uit airbags en sensoren. Bij
een voldoende krachtige aanrijding reageren
de sensoren, waarna één of meer airbags
worden opgeblazen en warm worden. Om de
klap op te vangen loopt de airbag leeg wanneer de inzittende de airbag raakt. Daarbij
treedt er rookvorming in de auto op. Dit is
volkomen normaal. Het totale verloop, van
het opblazen tot het leeglopen van de airbag,
neemt enkele tienden van een seconde in
beslag.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Airbag aan de bestuurderszijde (p. 31)
Passagiersairbag (p. 32)
Veiligheid - waarschuwingssymbool (p.
30)
Airbag aan de bestuurderszijde
Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordel (p.
26) aan de bestuurderszijde ook een airbag (p.
30) in het stuurwiel.
De airbag zit opgevouwen in het midden van
het stuurwiel. Het stuurwiel is voorzien van
het opschrift AIRBAG.
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en airbag werken
samen. Als de gordel niet of verkeerd
wordt gebruikt, kan dit bij een botsing van
invloed zijn op het effect van de airbag.
WAARSCHUWING
Volvo adviseert u voor reparatie contact op
te nemen met een erkende Volvo-werkplaats. Verkeerde ingrepen in het airbagsysteem kunnen aanleiding geven tot storingen in de werking met mogelijk ernstig
lichamelijk letsel tot gevolg.
02
Gerelateerde informatie
•
Passagiersairbag (p. 32)
N.B.
De sensoren reageren verschillend, afhankelijk van het verloop van de botsing en of
er al dan niet een veiligheidsgordel wordt
gebruikt. Geldt voor alle gordelposities.
Er kunnen dus ongelukken ontstaan als
slechts één (of geen) van de airbags wordt
geactiveerd. De sensoren registreren de
kracht waaraan de auto bij de botsing
wordt blootgesteld en passen zich hierop
aan, zodat één of meer airbags worden
opgeblazen.
31
02 Veiligheid
Passagiersairbag
02
WAARSCHUWING
Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordel (p.
26) aan de passagierszijde ook een airbag (p.
30).
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen voorin, wanneer de
airbag aan die kant geactiveerd is.
Laat nooit iemand voor de passagierstoel
zitten of staan.
De airbag zit opgevouwen in een ruimte
boven het dashboardkastje. Het paneel is
voorzien van het opschrift AIRBAG.
Personen kleiner dan 1,40 m mogen nooit
op de passagiersstoel voorin plaatsnemen,
als de airbag geactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren.
Positie van de passagiersairbag in een auto met
het stuur rechts.
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en airbag werken
samen. Als de gordel niet of verkeerd
wordt gebruikt, kan dit bij een botsing van
invloed zijn op het effect van de airbag.
Positie van de passagiersairbag in een auto met
het stuur links.
Plaats geen voorwerpen vóór of bovenop
het dashboard op de plek waar de airbag
voor de passagiersstoel zit.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
De passagiersairbag (SRS) voorin is te deactiveren, (p. 33) met een schakelaar als de
auto is uitgerust met PACOS (Passenger
Airbag Cut Off Switch).
WAARSCHUWING
Om geen letsel op te lopen wanneer de
airbag wordt opgeblazen, moet de passagier zo rechtop mogelijk zitten met de voeten op de vloer en de rug tegen de rugleuning. De veiligheidsgordel moet vast zitten.
WAARSCHUWING
32
Schakelaar - PACOS*
Als de auto is uitgerust met een airbag aan
de passagierszijde maar geen PACOSschakelaar (Passenger Airbag Cut Off
Switch) heeft, is de airbag altijd geactiveerd.
Gerelateerde informatie
•
•
Airbag aan de bestuurderszijde (p. 31)
Kinderzitje (p. 43)
02 Veiligheid
Passagiersairbag - activering/
deactivering*
de voorstoel zitten, maar kinderen in een
kinderzitje of op een kussen beslist niet.
De passagiersairbag (p. 32) voorin kan met
een schakelaar worden geactiveerd, als de
auto is uitgerust met PACOS (Passenger
Airbag Cut Off Switch).
De airbag is gedeactiveerd. Met de schakelaar in deze stand kunnen kinderen in
een kinderzitje of op een kussen aan de
passagierszijde op de voorstoel zitten,
maar passagiers groter dan 1,40 m
beslist niet.
Schakelaar - PACOS
De schakelaar voor activering/deactivering
van de passagiersairbag, PACOS zit aan de
passagierszijde aan de zijkant van het dashboard en u kunt erbij door het portier aan die
kant te openen.
Controleer of de schakelaar in de gewenste
stand staat. Gebruik het sleutelblad (p. 160)
van de transpondersleutel om van stand te
veranderen.
WAARSCHUWING
N.B.
Wanneer de transpondersleutel in sleutelstand II (p. 73) staat, brandt
ca. 6 seconden lang het waarschuwingssymbool (p. 30) voor de airbag op het
instrumentenpaneel.
02
Daarna gaat de indicator op de plafondconsole branden die de status van de passagiersairbag aangeeft.
Geactiveerde airbag (passagiersstoel):
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen op de passagiersstoel, wanneer de airbag aan die kant
geactiveerd is. Laat evenmin personen die
kleiner zijn dan 1,40 m op deze stoel
plaatsnemen.
Personen groter dan 1,40 m mogen nooit
op de passagiersstoel plaatsnemen, als de
airbag gedeactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren.
G017800
Gedeactiveerde airbag (passagiersstoel):
Hiermee wordt aangegeven dat de airbag aan de
passagierszijde geactiveerd is.
Een waarschuwingssymbool op de plafondconsole geeft aan of de passagiersairbag
voorin geactiveerd is (zie voorgaande afbeelding).
Positie van de airbagsticker en de schakelaar.
De airbag is geactiveerd. Met de schakelaar in deze stand kunnen passagiers groter dan 1,40 m aan de passagierszijde op
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
33
02 Veiligheid
||
WAARSCHUWING
02
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een zittingverhoger voorin wanneer de
airbag aan die kant geactiveerd is en het
symbool
op de plafondconsole
brandt. Het niet opvolgen van deze aanbeveling kan levensgevaarlijke situaties voor
het kind opleveren.
Laat geen passagier op de passagiersstoel
plaatsnemen als het waarschuwingssymbool(p. 30) voor het airbagsysteem op het
instrumentenpaneel oplicht, terwijl de melding op de plafondconsole aangeeft dat de
airbag aan die kant gedeactiveerd is. Dit
duidt op een ernstige storing. Bezoek zo
spoedig mogelijk een werkplaats. Volvo
adviseert u daarvoor contact op te nemen
met een erkende Volvo-werkplaats.
SIPS-airbags
Bij een aanrijding in de zij wordt een groot
deel van de botskracht door het SIPS-systeem (Side Impact Protection System) over
balken, stijlen, vloer, dak en andere delen van
de carrosserie verdeeld. De SIPS-airbags aan
de bestuurders- en de passagierszijde
beschermen de borstkas en de heupen en
vormen een belangrijk onderdeel van het
SIPS-systeem.
WAARSCHUWING
2
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties voor de passagiers opleveren.
Hiermee wordt aangeduid dat de airbag aan de
passagierszijde gedeactiveerd is.
Een tekstmelding en een brandend symbool
op de plafondconsole geven aan dat de airbag aan de passagierszijde gedeactiveerd is
(zie voorgaande afbeelding).
•
Kinderzitje (p. 43)
G032949
G017724
Gerelateerde informatie
2
Het SIPS-systeem bestaat uit twee hoofdonderdelen: de SIPS-airbags en de sensoren.
De SIPS-airbags zijn aangebracht in de rugleuningframes van de voorstoelen.
Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren de sensoren, die op hun beurt de gasgeneratoren activeren. De SIPS-airbags worden
vervolgens opgeblazen tussen de inzittende
en het portierpaneel. Daarmee vangen de
SIPS-airbags de klap van de aanrijding op
34
02 Veiligheid
voor de inzittende, waarna de airbags weer
leeglopen. De SIPS-airbag wordt normaal
gesproken alleen opgeblazen aan de kant van
de aanrijding.
WAARSCHUWING
•
•
Volvo adviseert u de reparatie uitsluitend door een erkende Volvo-werkplaats te laten uitvoeren. Een verkeerde ingreep in het SIPS-systeem
kan tot een onjuiste werking leiden
met ernstig letsel als gevolg.
Plaats geen voorwerpen in het gebied
tussen de buitenzijde van de stoel en
het portierpaneel, aangezien dit gebied
door de zijairbag kan worden beïnvloed.
•
Volvo adviseert om uitsluitend door
Volvo goedgekeurde overtrekbekleding te gebruiken. Andere bekleding
kan de werking van de zijairbags hinderen.
•
De zijairbag vormt een aanvulling op
de veiligheidsgordel. Gebruik de veiligheidsgordel altijd.
Bestuurdersplaats, auto met stuur links.
SIPS-airbag (SIPS) - kinderzitje/
zittingverhoger
De SIPS-airbags beïnvloeden de beschermende werking van kinderzitje en/of zittingverhoger niet negatief (p. 34).
02
Het is mogelijk een kinderzitje/zittingverhoger
(p. 43) op de voorstoel te plaatsen, als de
auto aan de passagierszijde niet is uitgerust
met een geactiveerde airbag (p. 33).
Gerelateerde informatie
•
•
Passagiersairbag (p. 32)
Algemeen over kinderveiligheid (p. 41)
Gerelateerde informatie
•
•
•
Passagiersairbag (p. 32)
•
Opblaasgordijnen (IC-systeem) (p. 36)
Airbag aan de bestuurderszijde (p. 31)
SIPS-airbag (SIPS) - kinderzitje/zittingverhoger (p. 35)
Passagiersplaats, auto met stuur links.
35
02 Veiligheid
Opblaasgordijnen (IC-systeem)
02
WAARSCHUWING
Het systeem helpt voorkomen dat de bestuurder en eventuele passagiers bij een botsing
met hun hoofd tegen de binnenkant van de
auto slaan.
Hang of bevestig nooit zware voorwerpen
aan de plafondhandgrepen. De haak is
alleen bedoeld voor niet al te zware kledingstukken (en niet voor harde voorwerpen zoals paraplu’s).
Schroef of bevestig geen onderdelen op
de plafondbekleding, portierstijlen of de
zijpanelen van de auto. Ze kunnen daarbij
hun beschermende werking verliezen.
Volvo adviseert u uitsluitend originele
Volvo-onderdelen, bestemd voor montage
op deze plaatsen, te gebruiken.
WAARSCHUWING
Zorg dat de lading in de auto niet uitsteekt
boven de denkbeeldige, horizontale lijn op
50 mm onder de bovenkant van de portierruiten. Anders is het mogelijk dat het
opblaasgordijn dat schuilgaat achter de
plafondbekleding geen bescherming meer
biedt.
De opblaasgordijnen van het IC-systeem
(Inflatable Curtain) maken deel uit van het
SIPS-systeem (p. 34) en het airbagsysteem
(p. 30). Ze zitten verborgen achter de plafondbekleding langs beide zijden van de auto en
beschermen inzittenden op de buitenste zitplaatsen van de auto. Bij een voldoende
krachtige aanrijding reageren de sensoren,
die op hun beurt de opblaasgordijnen activeren.
WAARSCHUWING
Het opblaasgordijn vormt een aanvulling
op de veiligheidsgordel.
Gebruik de veiligheidsgordel altijd.
Gerelateerde informatie
•
36
Algemeen over veiligheidsgordels (p. 26)
Algemene informatie over WHIPS
(whiplash-bescherming)
WHIPS (Whiplash Protection System) biedt
bescherming tegen whiplash-letsel. Het systeem bestaat uit energieabsorberende rugleuningen en speciaal voor het systeem ontwikkelde hoofdsteunen voor de beide voorstoelen.
02 Veiligheid
en de materiaaleigenschappen van dat voertuig.
WAARSCHUWING
Het WHIPS-systeem vormt een aanvulling
op de veiligheidsgordel. Gebruik de veiligheidsgordel altijd.
Eigenschappen van de stoel
Als het WHIPS-systeem wordt geactiveerd,
klappen de rugleuningen van de voorstoelen
naar achteren zodat de zithouding van de
bestuurder en de passagier op de voorstoelen verandert. Zo wordt de kans op zogeheten whiplash-letsel beperkt.
WHIPS - kinderzitje
Het WHIPS-systeem (p. 36) beïnvloedt de
beschermende werking van kinderzitje en/of
zittingverhoger niet negatief.
Het is mogelijk een kinderzitje/zittingverhoger
(p. 43) op de voorstoel te plaatsen, als de
auto aan de passagierszijde niet is uitgerust
met een geactiveerde airbag (p. 33).
02
Gerelateerde informatie
•
Algemeen over kinderveiligheid (p. 41)
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen in de stoel of
het WHIPS-systeem aan en probeer ze
nooit zelf te repareren. Volvo adviseert u
daarvoor contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
Het WHIPS-systeem wordt geactiveerd bij
een aanrijding van achteren, afhankelijk van
de hoek waaronder en de snelheid waarmee
het achteropkomende voertuig de auto raakt
•
•
•
WHIPS - kinderzitje (p. 37)
WHIPS - zithouding (p. 38)
Algemeen over veiligheidsgordels (p. 26)
37
02 Veiligheid
WHIPS - zithouding
02
Voor optimale bescherming door het WHIPSsysteem (p. 36) moeten bestuurder en voorpassagier de juiste zithouding innemen en
zorgen dat het systeem niet wordt gehinderd.
Zithouding
WAARSCHUWING
Plaats dozen e.d. niet zodanig, dat deze
vastgeklemd zitten tussen het zitkussen
van de achterbank en de rugleuning van
de voorstoel. Let erop dat u de werking
van het WHIPS-systeem niet hindert.
Stel voordat u wegrijdt de juiste zithouding in
voor de voorstoel (p. 75).
Het WHIPS-systeem kan een deel van zijn
beschermende eigenschappen hebben
verloren, zelfs als de stoel ogenschijnlijk
intact is.
U en een eventuele voorpassagier moeten
zoveel mogelijk in het midden van de stoel
plaatsnemen en de afstand tussen hoofd en
hoofdsteun zo klein mogelijk houden.
Volvo adviseert u contact op te nemen met
een erkende Volvo-werkplaats voor een
controle van het systeem, ook na een
lichte aanrijding van achteren.
Functie
Plaats geen voorwerpen op de achterbank die
het WHIPS-systeem kunnen hinderen.
WAARSCHUWING
Plaats geen voorwerpen op de vloer achter de
bestuurders- of passagiersstoel die het WHIPSsysteem kunnen hinderen.
38
WAARSCHUWING
Als de stoel heeft blootgestaan aan grote
krachten zoals bij een aanrijding van achteren, moet u het WHIPS-systeem laten
controleren. Volvo adviseert u het te laten
controleren door een erkende Volvo-werkplaats.
Als een rugleuning van de achterbank is
neergeklapt, moet de bijbehorende voorstoel naar voren worden verplaatst zodat
deze niet in contact komt met de neergeklapte rugleuning.
02 Veiligheid
Als de systemen activeren
Bij een aanrijding werken de verschillende
persoonsveiligheidssystemen van Volvo
samen om de schade te verkleinen.
Systeem
Activering
gordelspanner (p. 29) voorstoel
Bij een frontale botsing
en/of aanrijding in de
zij, van achteren en/of
kantelen
Gordelspanners
achterbank
Bij een frontale botsing
en/of aanrijding in de zij
en/of kantelen
Airbags
Bij een frontale botsing.A
(Stuur- (p. 31)
en passagiersairbag (p. 32))
SIPS-airbags (p.
34)
A
Bij een aanrijding in de
zijA
Opblaasgordijnen (IC) (p. 36)
Bij een aanrijding in de
zij en/of kantelen en/of
bepaalde frontale aanrijdingenA
WHIPS-systeem (p. 36)
Bij aanrijdingen van
achteren
Het is mogelijk dat de airbags niet worden opgeblazen,
ondanks dat de carrosserie van de auto danig vervormd
raakt. Enkele factoren zoals de stijfheid en het gewicht van
het lichaam waarmee de auto in botsing komt, de snelheid
van de auto, de hoek waaronder de botsing plaatsvindt
e.d. zijn van invloed op de wijze van activering van de verschillende veiligheidssystemen in de auto.
Wanneer de airbags (p. 30) werden opgeblazen, adviseert Volvo u het volgende:
•
Laat de auto wegslepen. Volvo adviseert
u hem te laten wegslepen naar een
erkende Volvo-werkplaats. Rijd niet met
opgeblazen airbags.
•
Volvo adviseert u het vervangen van de
onderdelen van de veiligheidssystemen in
de auto over te laten aan een erkende
Volvo-werkplaats.
•
Neem altijd contact op met een arts.
WAARSCHUWING
Rijd nooit met opgeblazen airbags. Dat
kan het besturen van de auto bemoeilijken.
Ook andere veiligheidssystemen kunnen
beschadigd zijn. De rook en stof die bij het
opblazen van de airbags worden gevormd,
kunnen bij een intensieve blootstelling irritaties aan de huid en ogen/letsel veroorzaken. Bij last met koud water wassen. Het
snelle opblazen kan ook, in combinatie
met het materiaal van de airbag, voor wrijvings- en brandwonden op de huid zorgen.
02
N.B.
De airbags en de gordelspanners worden
bij een botsing slechts eenmaal geactiveerd.
WAARSCHUWING
De regeleenheid van het airbagsysteem zit
in de middenconsole. Als de middenconsole doorweekt geraakt is, moet u de
kabels loskoppelen van de startaccu. Probeer de auto niet te starten, omdat de airbags daarbij geactiveerd kunnen worden.
Laat de auto wegslepen. Volvo adviseert u
de te auto te laten wegslepen naar een
erkende Volvo-werkplaats.
39
02 Veiligheid
Algemene informatie over de Safety
mode
02
WAARSCHUWING
Probeer nooit zelf de auto te repareren of
de elektronische onderdelen te resetten
nadat de auto in de Safety mode heeft
gestaan. Dit kan aanleiding geven tot letsel
of een slechte functie van de auto. Volvo
adviseert u de auto altijd in een erkende
Volvo-werkplaats te laten controleren en
naar Normal Mode te laten resetten nadat
de melding Veiligheidsstand Zie
instructieboek is verschenen.
Safety mode is een veiligheidsfunctie die in
werking treedt, wanneer de aanrijding belangrijke onderdelen van de auto zoals de brandstofleidingen, de sensoren voor een van de
veiligheidssystemen of het remsysteem, kan
hebben beschadigd.
Gerelateerde informatie
•
•
De gevarendriehoek op het instrumentenpaneel.
Als de auto betrokken is geweest bij een aanrijding, kan de melding Veiligheidsstand Zie
instructieboekje op het informatiedisplay
van het instrumentenpaneel (p. 62) verschijnen. Dit betekent dat de functionaliteit van de
auto is verminderd.
40
Safety mode - startpoging (p. 40)
Safety mode - auto verrijden (p. 41)
Safety mode - startpoging
Als de auto in de Safety mode (p. 40) staat, is
een startpoging mogelijk als alles in orde lijkt
te zijn en u gecontroleerd hebt dat er geen
sprake is van brandstoflekkage.
Controleer eerst of er geen brandstof uit de
auto is gelopen. Er mag evenmin een brandstofgeur waarneembaar zijn.
Als alles normaal lijkt en u hebt vastgesteld
dat er geen brandstof lekt, kunt u proberen
de motor te starten.
Neem de transpondersleutel uit en open het
bestuurdersportier. Als er vervolgens een
melding verschijnt dat het contact ingeschakeld is, dient u op de startknop te drukken.
Sluit het portier vervolgens en plaats de
transpondersleutel terug. De elektronica van
de auto probeert nu te resetten naar de normale stand. Probeer vervolgens de auto te
starten.
Als de melding Veiligheidsstand Zie
instructieboekje nog steeds op het display
staat mag u niet met de auto rijden en hem
evenmin verslepen. U moet hem dan laten
bergen (p. 311). Verborgen schade kan de
auto tijdens het rijden onbestuurbaar maken,
zelfs als het lijkt dat u nog met de auto kunt
rijden.
02 Veiligheid
WAARSCHUWING
Probeer in geen geval de auto opnieuw te
starten, als u een brandstofgeur waarneemt terwijl de melding
Veiligheidsstand Zie instructieboek
getoond wordt. Verlaat de auto onmiddellijk.
WAARSCHUWING
De auto mag niet worden weggesleept
zolang deze in de Safety mode staat. De
auto moet worden weggesleept. Volvo
adviseert u hem te laten wegslepen naar
een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
Safety mode - auto verrijden (p. 41)
Safety mode - auto verrijden
Algemeen over kinderveiligheid
Als Normal mode verschijnt, wanneer de
Veiligheidsstand Zie instructieboekje na
een startpoging (p. 40) werd gereset, mag u
de auto voorzichtig uit de huidige, gevaarlijke
positie verrijden.
Ongeacht leeftijd en lengte moeten kinderen
altijd met de gordel goed om in de auto zitten.
Laat kinderen nooit bij passagiers op schoot
zitten.
Verrijd de auto niet verder dan nodig.
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de Safety mode
(p. 40)
02
Volvo adviseert u kinderen zo lang mogelijk te
vervoeren in een achterstevoren gemonteerd
kinderzitje (in ieder geval tot een leeftijd van
3–4 jaar) en daarna tot een leeftijd van 10 jaar
op/in een zittingverhoger of een kinderzitje
dat in de rijrichting geplaatst is.
Het gewicht en de lengte van het kind zijn
bepalend voor de plaats van het kind in de
auto en de vereiste uitrusting, zie Kinderzitje
(p. 43).
N.B.
De wettelijke bepalingen voor hoe een kind
in de auto moet worden geplaatst, verschillen per land. Stel u op de hoogte van
wat van toepassing is.
Volvo beschikt over kinderveiligheidsproducten (kinderzitjes, zittingverhoger en bevestigingsmaterialen) die speciaal voor uw auto
zijn ontwikkeld. Wanneer u voor kinderveiligheidsproducten van Volvo kiest schept u niet
alleen optimale voorwaarden voor een veilig
vervoer van uw kind(eren), u weet bovendien
zeker dat de producten passen en eenvoudig
in het gebruik zijn.
41
02 Veiligheid
||
N.B.
Bij vragen over de montage van kinderveiligheidsproducten neemt u voor duidelijke
aanwijzingen contact op met de producent.
02
Kinderslot
De achterportieren en de achterportierruiten*
zijn handmatig (p. 175) of elektronisch te
blokkeren (p. 175)*, zodat ze niet meer van
de binnenzijde te openen zijn.
Gerelateerde informatie
•
•
•
42
Kinderzitje - positie (p. 47)
Kinderzitje - ISOFIX (p. 50)
Kinderzitje - bovenste bevestigingspunten
(p. 54)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
02 Veiligheid
Kinderzitje
N.B.
Kinderen moeten comfortabel en veilig kunnen zitten. Zorg dat u het kinderzitje op de
juiste wijze gebruikt.
Bij gebruik van kinderveiligheidsproducten
is het belangrijk om de meegeleverde
montagehandleiding te lezen.
02
WAARSCHUWING
G020739
Zet de bevestigingsband van het kinderzitje niet aan de lengteverstelstang, veren
of rails en balken onder de stoel vast.
Scherpe randen kunnen de bevestigingsband beschadigen.
Raadpleeg voor de juiste montage de montage-instructies bij het kinderzitje.
Kinderzitjes en airbags gaan niet samen.
}}
43
02 Veiligheid
||
Aanbevolen kinderzitjes2
Gewicht
02
Voorstoel (met gedeactiveerde airbag)
Groep 0
Buitenste zitplaats achterbank
Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) - achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met ISOFIXsysteem.
max. 10 kg
Groep 0+
Typegoedkeuring: E1 04301146
max. 13 kg
(L)
Groep 0
Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel.
Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel.
Groep 0+
Typegoedkeuring: E1 04301146
Typegoedkeuring: E1 04301146
max. 13 kg
(U)
(U)
max. 10 kg
Middelste zitplaats achterbank
Volvo-babyzitje (Volvo Infant
Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met
veiligheidsgordel.
Typegoedkeuring: E1
04301146
(U)
Groep 0
Kinderzitjes met universele goedkeuring.
Kinderzitjes met universele goedkeuring.
max. 10 kg
(U)
(U)
Groep 0+
Kinderzitjes met universele
goedkeuring.
(U)
max. 13 kg
2
44
Om andere kinderzitjes te kunnen gebruiken dient uw auto op de lijst van de producent te staan of een universele goedkeuring te hebben conform ECE R44.
02 Veiligheid
Gewicht
Voorstoel (met gedeactiveerde airbag)
Buitenste zitplaats achterbank
Groep 1
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar
Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible Child
Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en
bevestigingsband.
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvokinderzitje (Volvo Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met
veiligheidsgordel en bevestigingsband.
9–18 kg
Typegoedkeuring: E5 04192
(L)
(L)
Kinderzitjes met universele goedkeuring.
Kinderzitjes met universele goedkeuring.
9–18 kg
(U)
(U)
Groep 2
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar
Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible Child
Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en
bevestigingsband.
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvokinderzitje (Volvo Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met
veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 04192
(L)
Groep 2
15–25 kg
02
Typegoedkeuring: E5 04192
Groep 1
15–25 kg
Middelste zitplaats achterbank
Kinderzitjes met universele
goedkeuring.
(U)
Typegoedkeuring: E5 04192
(L)
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar
Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible Child
Seat) – in rijrichting gemonteerd kinderzitje
bevestigd met veiligheidsgordel.
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvokinderzitje (Volvo Convertible Child Seat) – in rijrichting gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel.
Typegoedkeuring: E5 04191
Typegoedkeuring: E5 04191
(U)
(U)
Achterstevoren gemonteerd/
omkeerbaar Volvo-kinderzitje
(Volvo Convertible Child Seat) –
in rijrichting gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel.
Typegoedkeuring: E5 04191
(U)
}}
45
02 Veiligheid
||
02
Gewicht
Voorstoel (met gedeactiveerde airbag)
Buitenste zitplaats achterbank
Middelste zitplaats achterbank
Groep 2/3
Volvo-zittingverhoger met rugleuning
(Volvo Booster Seat with backrest).
Volvo-zittingverhoger met rugleuning (Volvo
Booster Seat with backrest).
Typegoedkeuring: E1 04301169
Typegoedkeuring: E1 04301169
Volvo-zittingverhoger met rugleuning (Volvo Booster Seat
with backrest).
(UF)
(UF)
15–36 kg
Typegoedkeuring: E1
04301169
(UF)
Groep 2/3
15–36 kg
Zittingverhoger met of zonder rugleuning
(Booster Cushion with and without
backrest).
Typegoedkeuring: E5 04216
Zittingverhoger met of zonder rugleuning (Booster
Cushion with and without backrest).
Typegoedkeuring: E5 04216
(UF)
(UF)
Groep 2/3
Zittingverhoger met of zonder
rugleuning (Booster Cushion
with and without backrest).
Typegoedkeuring: E5 04216
(UF)
Geïntegreerde zittingverhoger (Integrated Booster
Cushion) – verkrijgbaar als fabrieksoptie.
15–36 kg
Typegoedkeuring: E5 04189
(B)
L: Geschikt voor specifieke kinderzitjes. Deze kinderzitjes kunnen bestemd zijn voor een bepaald automerk, voor een beperkte groep merken of
semi-universeel zijn.
U: Geschikt voor kinderzitjes in deze gewichtscategorie met universele goedkeuring.
UF: Geschikt voor in rijrichting gemonteerde kinderzitjes in deze gewichtscategorie met universele goedkeuring.
B: Geïntegreerde zittingverhogers met goedkeuring voor deze gewichtscategorie.
Gerelateerde informatie
•
•
46
Kinderzitje - positie (p. 47)
Kinderzitje - bovenste bevestigingspunten
(p. 54)
•
•
Kinderzitje - ISOFIX (p. 50)
Algemeen over kinderveiligheid (p. 41)
02 Veiligheid
Kinderzitje - positie
WAARSCHUWING
Plaats kinderzitjes/zittingverhogers (p. 43)
altijd op de achterbank als de airbag aan de
passagierszijde geactiveerd (p. 33) is. Als de
airbag wordt opgeblazen, kan een kind op de
passagiersstoel ernstig letsel oplopen.
Zittingverhogers/kinderzitjes met stalen
beugels of andere constructies die tegen
de openingsknop van de gordelsluiting aan
kunnen liggen, mogen niet worden
gebruikt aangezien ze ervoor kunnen zorgen dat de veiligheidsgordel per ongeluk
opengaat.
Laat het bovengedeelte van het kinderzitje
niet tegen de voorruit leunen.
Gerelateerde informatie
Bij het openen van het passagiersportier is de
airbagsticker zichtbaar, zie afbeelding (p. 33).
Het volgende kan worden gebruikt:
•
een kinderzitje/zittingverhoger op de passagiersstoel zolang de airbag aan de passagierszijde gedeactiveerd is.
•
en of meer kinderzitjes/zittingverhoger op
de achterbank.
•
•
•
Algemeen over kinderveiligheid (p. 41)
Kinderzitje - geïntegreerde
zittingverhoger met twee standen*
De geïntegreerde zittingverhogers op de achterbank zorgen ervoor, dat kinderen comfortabel en veilig kunnen zitten.
02
De geïntegreerde zittingverhogers zijn speciaal ontworpen om kinderen optimale
bescherming te bieden. In combinatie met de
aanwezige veiligheidsgordels (p. 26) zijn de
kinderzitjes goedgekeurd voor kinderen met
een gewicht van 15 tot 36 kg en een lengte
van minimaal 95 cm.
Kinderzitje - bovenste bevestigingspunten
(p. 54)
Kinderzitje - ISOFIX (p. 50)
WAARSCHUWING
Zet nooit een kind in een kinderzitje op de
passagiersstoel als de airbag (SRS) is
geactiveerd.
Personen kleiner dan 1,40 m mogen nooit
op de passagiersstoel voorin plaatsnemen,
als de airbag (SRS) geactiveerd is.
Goede positie: de gordel loopt midden over de
schouder.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
47
02 Veiligheid
WAARSCHUWING
02
Verkeerde positie: de hoofdsteun moet even
hoog afgesteld zijn als het hoofd en de gordel
mag niet onder de schouder door lopen.
Zorg alvorens weg te rijden dat:
•
de geïntegreerde zittingverhoger met
twee standen correct ingesteld zie tabel
(p. 48) en vergrendeld is
•
de veiligheidsgordel goed strak langs het
lichaam van het kind loopt en nergens
slap hangt of verdraaid is
•
de veiligheidsgordel niet tegen de nek
van het kind aankomt of onder de schouder langs loopt (zie voorgaande afbeeldingen)
•
de heupgordel laag over het bekken
loopt, zodat deze maximale bescherming
biedt.
U zet de zittingverhoger in een van de twee
standen door deze op te klappen (p. 48) of
neer te klappen (p. 50).
48
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Volvo adviseert u reparatie- en vervangingswerk over te laten aan een erkende
Volvo-werkplaats. Verricht geen wijzigingen in of aanpassingen aan het geïntegreerde kinderzitje. Als een geïntegreerd
kinderzitje aan grote krachten heeft blootgestaan zoals tijdens een aanrijding, moet
u het geïntegreerde kinderzitje in zijn
geheel vervangen. Ook als het geïntegreerde kinderzitje er intact uitziet, kunnen
er toch beschermende eigenschappen verloren zijn gegaan. Het geïntegreerde kinderzitje moet ook worden vervangen als
het erg versleten is.
WAARSCHUWING
Als u de gebruiksinstructies voor de zittingverhoger met twee standen niet
opvolgt, is het bij een aanrijding niet uitgesloten dat het kind ernstig letsel oploopt.
Geïntegreerde zittingverhoger met
twee standen* - uitklappen
De geïntegreerde zittingverhoger (p. 47) op de
achterbank kan in twee standen worden uitgeklapt. In welke stand u de zittingverhoger
moet uitklappen hangt af van het gewicht van
het kind.
Gewicht
Stand 1
Stand 2
22–36 kg
15–25 kg
02 Veiligheid
Stand 1 3
Stand 24
Til de zittingverhoger aan de voorkant op
en duw het achteruit tegen het ruggedeelte
aan om het te vergrendelen.
N.B.
02
Het is niet mogelijk de zittingverhoger vanuit stand 2 in stand 1 te zetten. U moet de
verhoger eerst volledig inklappen (p. 50)
in het zitgedeelte van de achterbank.
Trek de handgreep naar voren en omhoog
om de zittingverhoger vrij te geven.
Werk vanuit de onderste stand. Druk op
de knop.
Duw de zittingverhoger naar achteren om
het te vergrendelen.
3
4
De onderste stand.
De bovenste stand.
49
02 Veiligheid
Geïntegreerde zittingverhoger met
twee standen* - inklappen
02
Kinderzitje - ISOFIX
ISOFIX is een bevestigingssysteem voor kinderzitjes (p. 43), gebaseerd op een internationale standaard.
De geïntegreerde zittingverhoger (p. 47) op de
achterbank kan van de bovenste of onderste
stand worden ingeklapt naar een volledig
ingeklapte stand in de zitting. Het is echter
niet mogelijk de zittingverhoger vanuit de
bovenste stand in de onderste stand te zetten.
Duw het zitje met uw hand omlaag om het
zitje te vergrendelen.
BELANGRIJK
Controleer voordat u het kinderzitje weer
neerklapt of er geen losse voorwerpen
(zoals stukken speelgoed) in het gebied
onder het zitje liggen.
N.B.
Trek de handgreep naar voren om het zitje
vrij te geven.
Bij het omklappen van het ruggedeelte van
de achterbank dient u eerst de zittingverhoger neer te klappen.
Gerelateerde informatie
•
50
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Geïntegreerde zittingverhoger met twee
standen* - uitklappen (p. 48)
Achter de onderkant van de ruggedeelten op
de beide buitenste zitplaatsen van de achterbank gaan de bevestigingspunten voor het
ISOFIX-systeem schuil.
Symbolen op de bekleding van de ruggedeelten (zie voorgaande afbeelding) geven de
positie van deze bevestigingspunten aan.
Duw het zitgedeelte van de zitplaats omlaag
om bij de bevestigingspunten te komen.
Houd u altijd aan de montage-instructies van
de fabrikant, wanneer u een kinderzitje/babyzitje aan de ISOFIX-bevestigingspunten vastzet.
02 Veiligheid
Gerelateerde informatie
•
•
•
ISOFIX - afmetingscategorieën (p. 51)
ISOFIX - soorten kinderzitjes (p. 52)
Algemeen over kinderveiligheid (p. 41)
ISOFIX - afmetingscategorieën
Voor kinderzitjes met een ISOFIX (p. 50)bevestigingssysteem zijn er afmetingscategorieën om gebruikers te helpen bij het kiezen
van het juiste type kinderzitje (p. 52).
Afmetingscategorie
Beschrijving
A
Normale grootte, in rijrichting
gemonteerd kinderzitje
B
Beperkte grootte (optie 1), in
rijrichting gemonteerd kinderzitje
B1
Beperkte grootte (optie 2), in
rijrichting gemonteerd kinderzitje
C
Normale grootte, achterstevoren gemonteerd kinderzitje
D
Beperkte grootte, achterstevoren gemonteerd kinderzitje
E
Achterstevoren gemonteerd
babyzitje
F
Overdwars gemonteerd babyzitje, links
G
Overdwars gemonteerd babyzitje, rechts
WAARSCHUWING
Zet het kind nooit op de passagiersplaats
als de auto met een geactiveerde airbag is
uitgerust.
02
N.B.
Als een ISOFIX-kinderzitje geen afmetingscategorie heeft, moet het automodel op de
voertuiglijst van het kinderzitje staan.
N.B.
Volvo adviseert u contact op te nemen met
een Volvo-werkplaats over de ISOFIX-kinderzitjes die Volvo aanbeveelt.
51
02 Veiligheid
ISOFIX - soorten kinderzitjes
Kinderzitjes kunnen net als auto’s verschillende afmetingen hebben. Kinderzitjes passen
02
Type kinderzitje
Babyzitje, overdwars
Babyzitje, achterstevoren
daardoor niet op alle zitplaatsen van de verschillende modellen.
Gewicht
max. 10 kg
max. 10 kg
Afmetingscategorie
Zitplaatsen voor montage ISOFIX-kinderzitje
Voorstoel
Buitenste zitplaats achterbank
F
X
X
G
X
X
E
X
OK
(IL)
Babyzitje, achterstevoren
max. 13 kg
E
X
OK
(IL)
D
X
OK
(IL)
C
X
OK
(IL)
Kinderzitje, achterstevoren
9–18 kg
D
X
OK
(IL)
C
X
OK
(IL)
52
02 Veiligheid
Type kinderzitje
Kinderzitje, in rijrichting
Gewicht
9–18 kg
Afmetingscategorie
B
Zitplaatsen voor montage ISOFIX-kinderzitje
Voorstoel
Buitenste zitplaats achterbank
X
OKA
02
(IUF)
B1
X
OKA
(IUF)
A
X
OKA
(IUF)
X: De ISOFIX-stand leent zich niet voor ISOFIX-kinderzitjes in deze gewichts- en/of afmetingscategorie.
IL: Geschikt voor specifieke ISOFIX-kinderzitjes. Deze kinderzitjes kunnen bestemd zijn voor een bepaald automerk, voor een beperkte groep
merken of semi-universeel zijn.
IUF: Geschikt voor in rijrichting gemonteerd ISOFIX-kinderzitje met universele goedkeuring voor deze gewichtscategorie.
A
Volvo adviseert een achterstevoren gemonteerd kinderzitje voor deze categorie.
Zorg dat u de juiste afmetingscategorie (p.
51) kiest voor een kinderzitje met het ISOFIXbevestigingssysteem (p. 50).
53
02 Veiligheid
Kinderzitje - bovenste
bevestigingspunten
02
N.B.
Klap de hoofdsteunen omlaag om het
monteren van dit type kinderzitje te vereenvoudigen bij auto’s met neerklapbare
hoofdsteunen op de beide buitenste zitplaatsen.
De auto is uitgerust met bovenste bevestigingspunten voor bepaalde kinderzitjes (p. 43)
die in de rijrichting worden gemonteerd. Deze
bevestigingspunten zitten achter op het zitgedeelte van de achterbank.
N.B.
In auto’s met een bagagerolhoes over de
bagageruimte moet deze worden verwijderd voordat het kinderzitje in de bevestigingspunten kan worden gemonteerd.
Zie de aanwijzingen van de fabrikant van het
kinderzitje voor gedetailleerde informatie over
de manier waarop u het zitje aan de bovenste
bevestigingspunten vastzet.
WAARSCHUWING
De bovenste bevestigingspunten zijn voornamelijk bestemd om een in de rijrichting
gemonteerd kinderzitje aan te bevestigen.
Volvo adviseert u kleine kinderen zo lang
mogelijk in een achterstevoren gemonteerd
kinderzitje te blijven vervoeren.
De bevestigingsband van het kinderzitje
altijd door de opening in de ene poot van
de hoofdsteun halen, alvorens de band
aan het bevestigingspunt vast te zetten.
Gerelateerde informatie
•
•
•
54
Algemeen over kinderveiligheid (p. 41)
Kinderzitje - positie (p. 47)
Kinderzitje - ISOFIX (p. 50)
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Instrumenten en bediening, auto met
stuur links - overzicht
In het overzicht staat waar de displays en
bedieningen van de auto zitten.
03
56
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto’s met het stuur links
03
}}
57
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
03
58
Functie
Zie
Functie
Zie
Functie
Zie
Menu- en meldingsfuncties, richtingaanwijzers, groot licht/
dimlicht, boordcomputer
(p. 104), (p.
106), (p.
91), (p. 85)
en (p. 112).
Bedieningspaneel
(p. 170), (p.
175), (p. 96)
en (p. 98).
Stoelverstelling*
(p. 76).
Alarmlichten
(p. 90).
(p. 82), (p.
286) en (p.
172).
Cruisecontrol*
(p. 189) en
(p. 192).
Claxon, airbag
(p. 80) en
(p. 30).
Bedieningspaneel
voor infotainment en
menufuncties
(p. 106) en
supplement
Sensus Infotainment.
Bedieningsknoppen
verlichting, ontgrendeling tankvulklep en
achterklep
Bedieningspaneel
voor klimaatregeling
(p. 122).
Instrumentenpaneel
(p. 62).
Menufuncties, bediening audio, bediening telefoon*
(p. 106) en
supplement
Sensus Infotainment.
Versnellingspook/
keuzehendel
(p. 268).
Bediening rijstanden
(p. 262).
START/STOP
ENGINE-knop
(p. 257).
Wissers en -sproeiers
(p. 94).
Contactslot
(p. 73).
Stuurwielafstelling
(p. 80).
Beeldscherm voor
infotainment en
weergave van
menu’s
(p. 106) en
supplement
Sensus Infotainment.
Ontgrendeling
motorkap
(p. 338).
Parkeerrem
(p. 277).
Openingshandgreep
portier
–
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Buitentemperatuur (p. 71)
Dagtellers (p. 71)
Klok (p. 71)
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Instrumenten en bediening, auto met
stuur rechts - overzicht
In het overzicht staat waar de displays en
bedieningen van de auto zitten.
03
}}
59
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
Overzicht auto’s met het stuur rechts
03
60
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Functie
Zie
Functie
Zie
Beeldscherm voor
infotainment en
weergave van
menu’s
(p. 106) en
supplement
Sensus Infotainment.
Bedieningsknoppen
verlichting, ontgrendeling tankvulklep en
achterklep
(p. 82), (p.
286) en (p.
172).
Contactslot
(p. 73).
Stoelverstelling*
(p. 76).
START/STOP
ENGINE-knop
(p. 257).
Parkeerrem
(p. 277).
Cruisecontrol*
(p. 189) en
(p. 192).
Stuurwielafstelling
(p. 80).
Menu- en meldingsfuncties, richtingaanwijzers, groot licht/
dimlicht, boordcomputer
(p. 104), (p.
106), (p.
91), (p. 85)
en (p. 112).
Versnellingspook/
keuzehendel
(p. 268).
Bediening rijstanden
(p. 262).
Instrumentenpaneel
(p. 62).
Claxon, airbag
(p. 80) en
(p. 30).
Menufuncties, bediening audio, bediening telefoon*
(p. 106) en
supplement
Sensus Infotainment.
Wissers en -sproeiers
(p. 94).
Bedieningspaneel
voor klimaatregeling
(p. 122).
Openingshandgreep
portier
–
Bedieningspaneel
voor infotainment en
menufuncties
Bedieningspaneel
(p. 170), (p.
175), (p. 96)
en (p. 98).
(p. 106) en
supplement
Sensus Infotainment.
Alarmlichten
(p. 90).
Ontgrendeling
motorkap
(p. 338).
Gerelateerde informatie
•
•
•
Buitentemperatuur (p. 71)
Dagtellers (p. 71)
Klok (p. 71)
03
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
61
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Instrumentenpaneel
Op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel wordt informatie weergegeven over
bepaalde functies van de auto en meldingen.
03
62
•
Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht
(p. 63)
•
Instrumentenpaneel - betekenis controlesymbolen (p. 68)
•
Instrumentenpaneel - betekenis waarschuwingssymbolen (p. 69)
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Instrumentenpaneel, digitaal overzicht
Op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel verschijnt informatie over bepaalde
functies van de auto zoals de cruisecontrol,
boordcomputer en meldingen. De informatie
wordt met symbolen en tekst weergegeven.
03
Welke informatie er op het informatiepaneel verschijnt hangt af van de geactiveerde opties, zie Menufuncties - instrumentenpaneel (p. 104).
Hybride-accumeter
Actuele ladingstoestand
Actieve rijstand
Symbool dat brandt wanneer de dieselmotor draait.
Hybrid guide (Driver Support Power
Meter). Geeft het gevraagde aandrijfvermogen en het beschikbare elektromotorvermogen aan, d.w.z. de grens waarbij de
dieselmotor start/stopt. Voor meer informatie, Eco guide & Hybrid guide (p. 67).
}}
63
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
Energieterugwinning
Op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel verschijnt informatie over bepaalde
functies van de auto zoals de cruisecontrol,
boordcomputer en meldingen. De informatie
wordt met symbolen en tekst weergegeven.
Gedetailleerder informatie vindt u onder de
functies die gebruik maken van het display.
Meters en wijzers
03
Wanneer de elektromotor vermogen
genereert voor de hybride-accu, verschijnen er bellen op de meter voor de
hybride-accu - zie Bedrijfsrem (p. 273).
Informatiedisplay
Voor het instrumentenpaneel zijn verschillende thema’s te kiezen. De mogelijke
thema’s zijn ‘Hybrid’, ‘Elegance’, ‘Eco’,
‘Performance’. Het ingestelde thema kan bij
vergrendeling van de auto worden opgeslagen in het geheugen van de transpondersleutel, zie Transpondersleutel met sleutelblad (p.
153) en MY CAR (p. 106).
Het is alleen mogelijk een thema te kiezen,
wanneer de motor loopt.
Druk om een thema te kiezen op de knop OK
op de linker stuurhendel en kies daarna
menu-optie Thema's door aan het duimwiel
van dezelfde hendel te draaien. Bevestig de
keuze met een druk op de knop OK. Zie voor
meer informatie over de menufuncties, zie
Menufuncties - instrumentenpaneel (p. 104).
Het uiterlijk van het beeldscherm hangt bij
bepaalde modelvarianten af van het ingestelde thema voor het instrumentenpaneel.
Informatiedisplay.
1
64
Wanneer de aanduiding ‘Afstand tot lege tank:’ op het display verandert in ‘----’, wordt de markering rood van kleur.
Meters en wijzers, thema ‘Hybrid’.
Brandstofmeter. Wanneer de aanduiding
is gedaald tot slechts één witte markering1, gaat het oranje controlesymbool
voor een laag brandstofpeil branden. Zie
ook Boordcomputer - aanvullende informatie (p. 112) en Brandstof tanken (p.
286).
Hybride-accumeter
Snelheidsmeter
Hybrid guide. Zie ook Eco guide & Hybrid
guide (p. 67).
Schakelstandindicator. Zie ook Automatische versnellingsbak - Geartronic (p.
268).
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
03
Meters en wijzers, thema ‘Elegance’.
Brandstofmeter. Wanneer de aanduiding
is gedaald tot slechts één witte markering1, gaat het oranje controlesymbool
voor een laag brandstofpeil branden. Zie
ook Boordcomputer - aanvullende informatie (p. 112) en Brandstof tanken (p.
286).
Geen functie
Eco guide. Zie ook Eco guide & Hybrid
guide (p. 67).
E-boost-meter. Illustreert het gebruik van
de elektromotor, de ondersteuning van de
dieselmotor en de mate van motorrem2.
Geen functie
Schakelstandindicator. Zie ook Automatische versnellingsbak - Geartronic (p.
268).
2
Meters en wijzers, thema ‘Performance’.
Brandstofmeter. Wanneer de aanduiding
is gedaald tot slechts één witte markering1, gaat het oranje controlesymbool
voor een laag brandstofpeil branden. Zie
ook Boordcomputer - aanvullende informatie (p. 112) en Brandstof tanken (p.
286).
Snelheidsmeter
1
Meters en wijzers, thema ‘Eco’.
Brandstofmeter. Wanneer de aanduiding
is gedaald tot slechts één witte markering1, gaat het oranje controlesymbool
voor een laag brandstofpeil branden. Zie
ook Boordcomputer - aanvullende informatie (p. 112) en Brandstof tanken (p.
286).
Snelheidsmeter
Hybrid guide. Zie ook Eco guide & Hybrid
guide (p. 67).
Schakelstandindicator. Zie ook Automatische versnellingsbak - Geartronic (p.
268).
Wanneer de aanduiding ‘Afstand tot lege tank:’ op het display verandert in ‘----’, wordt de markering rood van kleur.
Bij het afremmen op de elektromotor wordt de hybride-accu opgeladen, zie Bedrijfsrem (p. 273).
Snelheidsmeter
Toerenteller. De meter geeft het motortoerental in duizenden omwentelingen per
minuut aan.
}}
65
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
Hybrid guide. Zie ook Eco guide & Hybrid
guide (p. 67).
parkeerrem. Dit gaat pas uit, als de auto van
de parkeerrem wordt gehaald.
Schakelstandindicator. Zie ook Automatische versnellingsbak - Geartronic (p.
268).
Als de motor niet aanslaat of als de functietest wordt uitgevoerd in sleutelstand II, gaan
binnen enkele seconden alle symbolen uit,
behalve het symbool voor storingen in het uitlaatgasreinigingssysteem.
Controle- en waarschuwingssymbolen
Gerelateerde informatie
03
•
•
•
Controle- en waarschuwingssymbolen.
Controlesymbolen
Controle- en waarschuwingssymbolen
Waarschuwingssymbolen
Functietest
Alle controle- en waarschuwingssymbolen,
behalve de symbolen in het midden van het
informatiedisplay, gaan branden in sleutelstand II of bij het starten van de motor. Alle
symbolen moeten weer uitgaan als de motor
is aangeslagen, behalve het symbool voor de
66
Instrumentenpaneel (p. 62)
Instrumentenpaneel - betekenis controlesymbolen (p. 68)
Instrumentenpaneel - betekenis waarschuwingssymbolen (p. 69)
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Eco guide & Hybrid guide
Actuele waarde
Eco guide en Hybrid guide zijn twee van de
meters op het instrumentenpaneel (p. 62) die
u helpen om zo zuinig mogelijk met de auto te
rijden.
Hier wordt de actuele waarde getoond; hoe
groter de uitslag op de schaal, hoe beter.
De auto slaat ook statistische ritgegevens die
in de vorm van staafdiagrammen te bekijken
zijn, zie Boordcomputer - rijstatistiek* (p.
113).
Eco guide
Deze meter geeft een beeld van hoe zuinig u
met de auto rijdt.
Kies ‘Eco’ om deze meter te kunnen zien, zie
Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht (p.
63).
De actuele waarde wordt berekend op basis
van snelheid, motortoerental, benut motorvermogen en het gebruik van het rempedaal.
Geadviseerd wordt een optimale snelheid
(50–80 km/h) en een laag toerental aan te
houden. Bij gas geven en remmen dalen de
wijzers.
Bij zeer lage actuele waarden licht (met enige
vertraging) het rode gebied van de meter op,
wat betekent dat u onzuinig rijdt. U dient dit
te voorkomen.
Gemiddelde waarde
De gemiddelde waarde volgt de actuele
waarde langzaam en beschrijft hoe de afgelopen tijd in de auto is gereden. Hoe groter de
uitslag van de wijzers op de schaal, hoe zuiniger u hebt gereden.
Hybrid guide
Dit instrument geeft de relatie aan tussen het
benutte en het beschikbare vermogen van de
elektromotor.
Actuele waarde
Gemiddelde waarde
Kies ‘Hybrid’ of ‘Performance’ om deze meter
te kunnen zien, zie Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht (p. 63).
03
Gewenst vermogen
Beschikbaar vermogen elektromotor
Daar waar de beide wijzers elkaar ontmoeten,
ligt de grens waarbij de dieselmotor start/
stopt.
Gewenst vermogen
De grote wijzer geeft het door u gewenste
motorvermogen aan op basis van de stand
van het gaspedaal. Hoe groter de uitslag op
de schaal, hoe groter het gewenste vermogen
in de actuele versnelling.
Beschikbaar vermogen elektromotor
De kleine wijzer geeft het actuele vermogen
aan dat de elektromotor kan leveren.
Een groot verschil tussen de beide wijzers
duidt op een grote vermogensreserve.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
67
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Instrumentenpaneel - betekenis
controlesymbolen
De controlesymbolen attenderen u erop dat
de bijbehorende functies ingeschakeld zijn, de
desbetreffende systemen actief zijn of dat er
storingen of gebreken zijn opgetreden.
Controlesymbolen
03
Symbool
Betekenis
Storing in ABL
Uitlaatgasreinigingssysteem
Storing in ABS
Mistachterlicht aan
Stabiliteitssysteem
Stabiliteitsregeling, Sportstand
Betekenis
Richtingaanwijzers links
Richtingaanwijzers rechts
Storing in ABL
Het symbool brandt, als er een storing is
opgetreden in het ABL-systeem (Active Bending Lights).
Uitlaatgasreinigingssysteem
Bij een storing in het uitlaatgasreinigingssysteem kan na een motorstart het symbool
gaan branden. Rijd voor een controle naar
een werkplaats. Volvo adviseert dat u daarvoor een erkende Volvo-werkplaats bezoekt.
Storing in ABS
Als het symbool brandt, is het systeem
defect. Het normale remsysteem van de auto
werkt dan nog wel, zij het zonder ABS-regeling.
Voorgloeifunctie motor
1. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot
stilstand en zet de motor af.
Laag peil in brandstoftank
2. Start de motor opnieuw.
Informatie, lees displaymelding
3. Als het symbool blijft branden, rijd dan
naar een werkplaats om het ABS te laten
controleren. Volvo adviseert dat u daarvoor een erkende Volvo-werkplaats
bezoekt.
Groot licht aan
68
Symbool
Mistachterlicht aan
Het symbool brandt, wanneer het mistachterlicht is ingeschakeld.
Stabiliteitssysteem
Het knipperende symbool geeft aan dat het
stabiliteitssysteem werkt. Als het symbool
continu brandt is er sprake van een storing in
het systeem.
Stabiliteitsregeling, Sport-stand
De Sport-stand maakt een actievere rijervaring mogelijk. Het systeem registreert dan of
de gaspedaal- en stuurwielbediening alsook
het bochtenwerk aan te merken zijn als actiever dan normaal, waarna het systeem een
gecontroleerde vorm van slippen in de achtertrein toelaat, voordat het ingrijpt en de auto
stabiliseert.
Voorgloeifunctie motor
Het symbool gaat branden wanneer de motor
wordt voorverwarmd. Voorverwarming vindt
meestal plaats bij lage temperaturen.
Laag peil in brandstoftank
Wanneer het symbool gaat branden is het
brandstofpeil te laag. Tank dan zo spoedig
mogelijk.
Informatie, lees displaymelding
Als er een afwijking is in een van de systemen
in de auto, gaat het informatiesymbool branden en verschijnt er een melding op het dis-
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
play. U verwijdert de melding met behulp van
de knop OK, zie Menufuncties - instrumentenpaneel (p. 104). Dit gebeurt automatisch
als u enige tijd niets doet (hoe lang hangt van
de bewuste functie af). Het informatiesymbool
kan ook gaan branden in combinatie met
andere symbolen.
N.B.
Als de servicemelding verschijnt kunt u het
symbool en de melding met behulp van de
OK-knop doven. Na een tijdje doven ze
ook automatisch.
Groot licht aan
Het symbool brandt, wanneer u het groot licht
voert of grootlichtsignalen geeft.
Richtingaanwijzers links/rechts
Instrumentenpaneel - betekenis
waarschuwingssymbolen
De waarschuwingssymbolen attenderen u
erop dat de bijbehorende belangrijke functies/
systemen ingeschakeld zijn of dat er ernstige
storingen of gebreken zijn opgetreden.
Waarschuwingssymbolen
Symbool
Betekenis
Parkeerrem ingeschakeld
Airbags (SRS)
Gordelwaarschuwing
Startaccu wordt niet opgeladen
Beide richtingaanwijzersymbolen knipperen
bij gebruik van de alarmlichten.
Storing in remsysteem
Gerelateerde informatie
Waarschuwing
•
•
•
Instrumentenpaneel (p. 62)
Instrumentenpaneel - betekenis waarschuwingssymbolen (p. 69)
Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht
(p. 63)
Parkeerrem ingeschakeld
Voor meer informatie, zie Parkeerrem (p.
277).
Airbags (SRS)
Als het symbool tijdens het rijden oplicht of
blijft branden, is er een storing geregistreerd
in de gordelsluiting of in het SRS-, SIPS- of
IC-systeem. Rijd de auto zo spoedig mogelijk
naar een werkplaats om het systeem te laten
controleren. Volvo adviseert dat u daarvoor
een erkende Volvo-werkplaats bezoekt.
03
Gordelwaarschuwing
Het symbool knippert als de bestuurder of de
voorpassagier geen veiligheidsgordel draagt
of als iemand op de achterbank de gordel
heeft losgenomen.
Startaccu wordt niet opgeladen
Het symbool gaat tijdens het rijden branden,
als er sprake is van een storing in het elektrisch systeem. Bezoek een werkplaats. Volvo
adviseert dat u daarvoor een erkende Volvowerkplaats bezoekt.
Storing in remsysteem
Het symbool brandt continu, wanneer u de
parkeerrem hebt ingeschakeld. Het symbool
knippert tijdens het aanzetten en gaat daarna
continu branden.
Als het symbool oplicht, is het remvloeistofpeil mogelijk te laag. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en controleer het
peil in het remvloeistofreservoir, zie Rem- en
koppelingsvloeistof - peil (p. 343).
Een knipperend symbool in een andere situatie wijst op een storing. Lees de melding op
het informatiedisplay.
Als de waarschuwingssymbolen voor het
remsysteem en ABS tegelijkertijd branden,
69
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
kan er een storing in de remkrachtverdeling
zijn opgetreden.
1. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot
stilstand en zet de motor af.
2. Start de motor opnieuw.
03
•
Rijd verder als beide symbolen uitgaan.
•
Als de symbolen echter blijven branden, moet u het peil in het remvloeistofreservoir controleren, zie Rem- en
koppelingsvloeistof - peil (p. 343). Als
de symbolen blijven branden ondanks
dat het peil van de remvloeistof in orde
is, moet u de auto uiterst voorzichtig
naar een werkplaats rijden om het remsysteem te laten controleren. Volvo
adviseert dat u daarvoor een erkende
Volvo-werkplaats bezoekt.
WAARSCHUWING
Als de remvloeistof onder het MINstreepje van het reservoir staat, mag u niet
verder rijden voordat u remvloeistof hebt
bijgevuld.
Laat de oorzaak van het remvloeistofverlies controleren door een werkplaats.
Volvo adviseert dat u daarvoor contact
opneemt met een erkende Volvo-werkplaats.
3
70
Alleen auto’s met alarm*.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
WAARSCHUWING
Als de rem- en ABS-symbolen tegelijkertijd
branden, bestaat de kans dat de achtertrein bij krachtig afremmen slipt.
Waarschuwing
Het rode waarschuwingssymbool gaat branden, wanneer er een storing is geregistreerd
die van invloed kan zijn op de veiligheid en/of
de rijeigenschappen van de auto. Er verschijnt tegelijkertijd een verklarende melding
op het informatiedisplay. Het symbool blijft
branden totdat de storing is verholpen, maar
de melding kunt u verwijderen met de knop
OK, zie Menufuncties - instrumentenpaneel
(p. 104). Het waarschuwingssymbool kan
ook gaan branden in combinatie met andere
symbolen.
Actie:
1. Stop zo spoedig mogelijk. Rijd niet verder
met de auto.
2. Lees de informatie op het informatiedisplay. Voer de handeling uit die de melding
op het display u voorschrijft. Wis de melding met de knop OK.
Waarschuwing, portieren niet gesloten
Als een van de portieren niet goed dichtstaat,
gaat het informatie- of waarschuwingssymbool branden en verschijnt er een verklarende
afbeelding op het informatiedisplay. Breng de
auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en sluit
het portier dat open is.
Als de auto met een snelheid van
maximaal 7 km/h rijdt, gaat het informatiesymbool branden.
Als de auto met een snelheid van
maximaal 7 km/h rijdt, gaat het waarschuwingssymbool branden.
Als de motorkap3 niet goed dichtstaat, gaat
het waarschuwingssymbool branden en verschijnt er een verklarende afbeelding op het
informatiedisplay. Breng de auto zo spoedig
mogelijk tot stilstand en sluit de motorkap.
Als de achterklep niet goed dichtstaat, gaat
het informatiesymbool branden en verschijnt
er een verklarende afbeelding op het informatiedisplay. Breng de auto zo spoedig mogelijk
tot stilstand en sluit de achterklep.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Instrumentenpaneel (p. 62)
Instrumentenpaneel - betekenis controlesymbolen (p. 68)
Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht
(p. 63)
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Buitentemperatuur
Dagtellers
Klok
Het buitentemperatuurmeterdisplay is zichtbaar op het instrumentenpaneel.
Het dagtellerdisplay is zichtbaar op het instrumentenpaneel.
Het klokdisplay is zichtbaar op het instrumentenpaneel.
03
Display voor buitentemperatuurmeter,
digitaal instrumentenpaneel
Display voor buitentemperatuurmeter,
analoog instrumentenpaneel
Wanneer de temperatuur tussen –5 °C en +2
°C ligt, brandt er een sneeuwvloksymbool op
het display. Het wijst op het gevaar voor
gladheid. Wanneer de auto heeft stilgestaan,
kan de meter een te hoge waarde aangeven.
Gerelateerde informatie
•
Instrumentenpaneel (p. 62)
Dagtellers.
Klok.
Display voor dagtellers
De beide dagtellers T1 en T2 worden gebruikt
voor het meten van kortere ritten. De afgelegde afstand staat op het display.
Draai aan het duimwiel van de linker stuurhendel om de gewenste meter te tonen.
Bij lang indrukken (totdat er een wijziging
plaatsvindt) van de knop RESET op de linker
stuurhendel wordt de getoonde dagteller
gereset. Voor meer informatie, zie Boordcomputer - aanvullende informatie (p. 112).
Display voor de tijdaanduiding
Klok instellen
U kunt de klok aanpassen in het menusysteem MY CAR, zie MY CAR (p. 106).
Gerelateerde informatie
•
Instrumentenpaneel (p. 62)
Gerelateerde informatie
•
Instrumentenpaneel (p. 62)
71
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Volvo Sensus
Volvo Sensus vormt het hart van uw persoonlijke Volvo-beleving. Sensus bundelt informatie, entertainment en autofuncties voor een
probleemloos bezit.
Overzicht
Bij het bedienen van MY CAR worden alle
instellingen getoond die verband houden met
het besturen en bedienen van de auto, zoals
City Safety, sloten en alarm, automatische
ventilatorsnelheid, klokinstelling e.d.
03
Wanneer u in uw auto zit, wilt u alles onder
controle hebben. In de interactieve wereld
van vandaag betekent dit dat u, wanneer het
ú uitkomt, wilt kunnen beschikken over informatie, communicatie en entertainment. Sensus reikt u al onze oplossingen voor aansluiting* op de rest van de wereld aan en biedt u
de mogelijkheid tot intuïtieve bediening van
de verschillende autofuncties.
Volvo Sensus presenteert tal van functies van
uiteenlopende autosystemen op overzichtelijke wijze op het display van de middenconsole. Volvo Sensus biedt de mogelijkheid tot
personalisering van de auto met een eenvoudig te hanteren bedieningsinterface. Er zijn
instellingen te verrichten onder Instellingen
van de auto, Audio en media, Klimaat e.d.
72
Met de knoppen en bedieningselementen op
de middenconsole en het rechter toetsenblok* op het stuurwiel kunt u functies activeren en deactiveren en tal van instellingen verrichten.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Bij het indrukken van RADIO, MEDIA, TEL*,
*,NAV* en CAM* kunt u andere bronnen,
systemen en functies activeren, zoals AM,
FM, CD, DVD*, TV*, Bluetooth*, navigatie* en
Park Assist-camera*.
Voor meer informatie over alle functies/systemen, zie de desbetreffende hoofdstukken in
het instructieboekje of het bijbehorende supplement.
Bedieningspaneel op middenconsole. De afbeelding is schematisch – het aantal functies en de
locatie van de knoppen is afhankelijk van de
gekozen uitrusting en de desbetreffende markt.
Navigatie* - NAV, zie het aparte supplement.
Audio en media - RADIO, MEDIA, TEL*,
zie desbetreffend supplement (Sensus
Infotainment).
Instellingen van de auto - MY CAR, zie
MY CAR (p. 106).
Auto met internetaansluiting *, zie
desbetreffend supplement (Sensus Infotainment).
Klimaatregeling (p. 116).
Park Assist-camera (p. 242) – CAM*.
Gerelateerde informatie
•
Licenties (p. 404)
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Sleutelstanden
Met de transpondersleutel is het elektrische
systeem van de auto in verschillende standen
te zetten om het gebruik van verschillende
functies/systemen mogelijk te maken, zie
Sleutelstanden - functies in verschillende
standen (p. 73).
plaats de transpondersleutel in het contactslot.
2. Duw de transpondersleutel vervolgens tot
aan de aanslag in het slot.
BELANGRIJK
Vreemde voorwerpen in het contactslot
kunnen tot functiestoringen leiden of
schade aan het slot toebrengen.
De transpondersleutel niet verkeerd om
insteken – pak de sleutel beet aan het uiteinde met het afneembare sleutelblad, zie
Afneembaar sleutelblad - verwijderen/
aanbrengen (p. 160).
Sleutelstanden - functies in
verschillende standen
Om het gebruik mogelijk te maken van een
beperkt aantal functies met uitgeschakelde
motor, kan het elektrisch systeem van de auto
met de transpondersleutel in 3 verschillende
(sleutel-)standen worden gezet: 0, I en II. In
dit instructieboekje worden deze standen in
algemene zin aangeduid als ‘sleutelstanden’.
03
De volgende tabel geeft aan welke functies
beschikbaar zijn in de verschillende sleutelstanden/niveaus.
Transpondersleutel uitnemen
Pak de transpondersleutel beet en trek deze
uit het contactslot.
Contactslot met transpondersleutel uitgetrokken/
ingeduwd.
N.B.
Bij auto’s met Keyless*-functie hoeft u de
transportsleutel niet in het contactslot te
steken, maar kunt u deze bijvoorbeeld in
een binnenzak laten zitten. Voor meer
informatie over de functies van het Keyless-systeem, zie Keyless drive* (p. 164).
Transpondersleutel plaatsen
1. Houd de transpondersleutel beet aan de
kant van het afneembare sleutelblad en
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
73
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
Niveau
0
03
I
Functies
•
Kilometerteller, klok en temperatuurmeter worden verlicht.
•
Elektrisch bedienbare stoelen kunnen worden versteld.
•
Het audiosysteem is enige
tijd te gebruiken - zie supplement Sensus Infotainment.
•
74
II
Schuifdak, elektrisch
bedienbare ruiten, 12V-aansluitingen in passagiersruimte, navigatie, telefoon,
interieurventilator en ruitenwissers zijn te gebruiken.
In deze sleutelstand is het
stroomverbruik belastend
voor de startaccu.
4
5
Niveau
Niet nodig voor auto’s met Keyless*-systeem.
Ca. 2 seconden.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
N.B.
Functies
•
De koplampen worden ontstoken.
•
Waarschuwings-/controlelampjes branden 5 seconden lang.
•
Diverse andere systemen
worden geactiveerd. Elektrische verwarming in zittingen
en achterruit kan echter pas
na starten van de motor
worden geactiveerd.
Deze sleutelstand verbruikt
veel stroom vanuit de startaccu en moet daarom worden vermeden!
Sleutelstand/stand kiezen
Om niveau I of II te realiseren zonder dat
de motor wordt gestart, trapt u niet het
rem-/koppelingspedaal in als u deze sleutelstanden wilt selecteren.
•
Sleutelstand II - Met de transpondersleutel volledig in het contactslot4 geduwd druk lang5 op START/STOP ENGINE.
•
Terug naar sleutelstand 0 - Om terug te
gaan naar sleutelstand 0 vanuit stand II
en I - druk kort op START/STOP
ENGINE.
Audiosysteem
Voor informatie over de functie van het audiosysteem bij een uitgenomen transpondersleutel, zie supplement Sensus Infotainment.
Motor starten en afzetten
•
Sleutelstand 0 - Ontgrendel de auto - het
elektrisch systeem van de auto staat nu in
stand 0.
Zie voor informatie over het starten/afzetten
van de motor, zie Motor starten (p. 257).
•
Sleutelstand I - Met de transpondersleutel volledig in het contactslot4 geduwd druk kort op START/STOP ENGINE.
•
Gerelateerde informatie
Sleutelstanden (p. 73)
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Voorstoelen
Voor het best mogelijke zitcomfort hebben de
voorstoelen verschillende instelmogelijkheden.
Stoel hoger/lager zetten, omhoog-/
omlaagpompen.
Bedieningspaneel voor elektrisch bedienbare stoel*.
De rugleuning van de passagiersstoel kan
worden omgeklapt om ruimte te maken voor
lange lading.
Zet de stoel zo ver mogelijk naar achteren
en omlaag.
WAARSCHUWING
De stand van de bestuurdersstoel instellen
voordat u gaat rijden en nooit tijdens het
rijden. Controleer of de stoel vergrendeld
staat om letsel te voorkomen bij hard
afremmen of een aanrijding.
Rugleuning voorstoel omklappen*7
Zet de rugleuning rechtop.
Trek de pallen aan de achterzijde van de
rugleuning omhoog tijdens het omklappen.
03
4. Duw de stoel zo ver naar voren dat de
hoofdsteun onder het dashboardkastje
‘vast’ komt te zitten.
Houd voor het rechtop zetten de omgekeerde
volgorde aan.
Lendensteun wijzigen, aan de knop6
draaien.
Vooruit/achteruit, de hendel omhoogtillen
om de juiste afstand tot het stuurwiel en
de pedalen in te stellen. Controleer of de
stoel na het afstellen in de nieuwe stand
geblokkeerd staat.
Voorkant zitting hoger/lager* zetten,
omhoog-/omlaagpompen.
Hellingshoek rugleuning wijzigen, aan de
knop draaien.
6
7
WAARSCHUWING
Pak het ruggedeelte nadat u het rechtop
gezet hebt beet en controleer of het stevig
vergrendeld staat om letsel te voorkomen
bij hard afremmen of een aanrijding.
Gerelateerde informatie
•
•
Voorstoelen - elektrisch bediend (p. 76)
Achterbank (p. 78)
Geldt ook voor een elektrisch bedienbare stoel.
De rugleuning van de sportstoel is niet om te klappen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
75
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Voorstoelen - elektrisch bediend
Voor het best mogelijke zitcomfort hebben de
voorstoelen verschillende instelmogelijkheden. De elektrisch bediende stoel kan naar
voren/achteren en omhoog/omlaag worden
gezet. De voorkant van de zitting kan worden
verhoogd/verlaagd. De hellingshoek van de
rugleuning kan worden gewijzigd.
03
Elektrische stoelbediening*
zetten en enige tijd wachten voordat u de
stoel opnieuw probeert te verstellen.
Instelling vastleggen
Geheugenknop
U kunt slechts één verstelfunctie van de stoel
tegelijk activeren (vooruit/achteruit/omhoog/
omlaag).
Geheugenknop
Voorbereidingen
Knop voor vastlegging van de instelling
Tot enige tijd nadat u het portier met de
transpondersleutel hebt ontgrendeld blijft het
mogelijk de stoel te verstellen, ook al steekt
er geen sleutel in het contactslot. U verstelt
de stoel normaal gesproken in sleutelstand I.
Wanneer de motor loopt, is dat altijd mogelijk.
Stoel met geheugenfunctie*
Geheugenknop
1. Stel de stoel en de buitenspiegels in.
2. Houd de knop voor vastlegging van de
instelling ingedrukt, terwijl u op de geheugenknop van uw keuze drukt.
Stoel in vastgelegde stand zetten
Houd een van de geheugenknoppen ingedrukt, totdat de stoel en de buitenspiegels tot
stilstand komen. Bij het loslaten van de knop
zal de instelling van de stoel onmiddellijk worden beëindigd.
Elektrisch verwarmde stoelen/
achterbank
Voor elektrisch verwarmde stoelen/achterbank, zie Elektrisch verwarmde voorstoelen*
(p. 123) en Elektrisch verwarmde achterbank*
(p. 123).
Voorkant zitting omhoog/omlaag
Stoel vooruit/achteruit en omhoog/
omlaag
Hellingshoek rugleuning
De elektrisch bedienbare stoelen zijn voorzien
van een beveiliging tegen overbelasting, die
geactiveerd wordt als een van de stoelen
door een obstakel wordt geblokkeerd. Als dit
het geval is, moet u de sleutel in stand I of 0
76
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Gerelateerde informatie
De geheugenfunctie slaat de instellingen op
voor de stoel en de buitenspiegels.
•
•
Voorstoelen (p. 75)
Achterbank (p. 78)
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Geheugen* van transpondersleutel8
In alle transpondersleutels kunnen de instellingen voor de bestuurdersstoel en de buitenspiegels9 voor verschillende bestuurders worden opgeslagen.
dersportier. De bestuurdersstoel neemt
automatisch de positie in die in het
geheugen van de transpondersleutel is
opgeslagen (als de stand van de stoel na
vergrendeling van de auto werd gewijzigd).
Gerelateerde informatie
•
Transpondersleutel - functies (p. 155)
U kunt het sleutelgeheugen activeren/deactiveren in het menusysteem MY CAR. Voor
een beschrijving van het menusysteem, zie
MY CAR (p. 106).
03
Noodstop
Als de stoel per ongeluk in beweging komt,
kunt u op een van de instellingsknoppen of
geheugenknoppen van de stoel drukken om
de stoel tot stilstand te brengen.
Doe het volgende om de instellingen op te
slaan en gebruik te maken van het sleutelgeheugen:
•
•
Stel de stoel naar wens in.
•
Ontgrendel de auto (door op de ontgrendelingsknop op dezelfde transpondersleutel te drukken) en open het bestuur-
8
9
10
Vergrendel de auto zoals gebruikelijk door
de vergrendelingsknop op de transpondersleutel in te drukken. Daarmee ligt de
stoelpositie opgeslagen in het geheugen
van de transpondersleutel10.
Om de stoel dan opnieuw in de in het sleutelgeheugen vastgelegde stand te zetten dient u
de ontgrendelingsknop op de transpondersleutel te bedienen. Het bestuurdersportier
dient daarbij open te staan.
WAARSCHUWING
Beknellingsgevaar! Zorg ervoor dat kinderen niet met de bediening spelen. Controleer of er bij het instellen geen voorwerpen
voor, achter of onder de stoel liggen. Controleer of geen van de passagiers op de
achterbank bekneld kan raken.
Voor het sleutelgeheugen bij de Keyless-functie, zie Keyless drive* - sleutelgeheugen (p. 167).
Alleen als de auto is uitgerust met een elektrisch bedienbare bestuurdersstoel met geheugen en elektrisch inklapbare buitenspiegels.
Deze instelling is niet van invloed op de instellingen die zijn opgeslagen met de geheugenfunctie voor de elektrisch bedienbare stoel.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
77
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Achterbank
De rugleuning en de buitenste hoofdsteunen
van de achterbank kunnen worden neergeklapt. De hoofdsteun van de middelste zitplaats kan aan de lengte van de passagier
worden aangepast.
Buitenste hoofdsteunen achterbank
handmatig omklappen
Ruggedeelte achterbank omklappen
BELANGRIJK
Bij het neerklappen van de achterbank
mogen er zich geen voorwerpen op de
achterbank bevinden. De veiligheidsgordels mogen evenmin zijn ingestoken.
Schade aan de bekleding van de achterbank is anders namelijk niet uitgesloten.
Middelste hoofdsteun achterbank
03
De drie ruggedeelten zijn op verschillende
manieren neer te klappen.
N.B.
Trek aan de pal bij de hoofdsteun om de
hoofdsteun om te klappen.
U moet mogelijk de voorstoelen naar voren
zetten en/of de rugleuningen rechtop zetten om de ruggedeelten van de achterbank
volledig naar voren te kunnen klappen.
Zet de hoofdsteun na afloop handmatig
rechtop totdat deze hoorbaar vastklikt.
Stem de hoofdsteun af op de lengte van de
passagier zodat deze zo mogelijk het hele
achterhoofd bedekt. Trek de hoofdsteun zo
ver omhoog als nodig is.
Als u de hoofdsteun lager wilt zetten, moet u
de knop (in het midden tussen het ruggedeelte en de hoofdsteun, zie afbeelding)
indrukken terwijl u de hoofdsteun voorzichtig
omlaagduwt.
78
WAARSCHUWING
De hoofdsteunen moeten na het rechtop
zetten vergrendeld staan.
•
Het linker gedeelte is apart neer te klappen.
•
Het middelste gedeelte is apart neer te
klappen.
•
Het rechter gedeelte kan alleen samen
met het middelste gedeelte worden neergeklapt.
•
Voor het omklappen van de complete
rugleuning dienen de verschillende
gedeelten ieder apart omgeklapt te worden.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
N.B.
Duw bij het neerklappen van de ruggedeelten de hoofdsteunen naar voren om te
voorkomen dat ze in contact komen met
het zitgedeelte.
Buitenste hoofdsteunen achterbank
elektrisch omklappen*
Houd voor het rechtop zetten de omgekeerde
volgorde aan.
03
N.B.
Als de rugleuning is teruggeklapt, mag de
rode indicatie niet langer zichtbaar zijn. Als
deze toch zichtbaar is, is de rugleuning
niet vergrendeld.
WAARSCHUWING
Als de middelste rugleuning moet worden
neergeklapt - maak de hoofdsteun voor
de middelste rugleuning los en pas deze
aan, zie het eerdere gedeelte ‘Middelste
hoofdsteun achterbank’.
De buitenste hoofdsteunen worden automatisch neergeklapt, wanneer u de buitenste ruggedeelten omklapt. Trek de
blokkeerhandgreep
van het ruggedeelte omhoog en klap het ruggedeelte
om. Een rode markering bij de pal
geeft aan dat het ruggedeelte niet langer
geblokkeerd staat.
Controleer of de rugleuningen en hoofdsteunen van de achterbank na het rechtop
zetten goed vergrendeld zijn.
1. De transpondersleutel moet in sleutelstand II staan.
2. Druk op de knop om de beide buitenste
hoofdsteunen op de achterbank om te
klappen en het zicht naar achteren te verbeteren.
WAARSCHUWING
Klap de buitenste hoofdsteunen niet om,
als er iemand op een van beide buitenste
zitplaatsen van de achterbank zit.
Zet de hoofdsteun na afloop handmatig
rechtop totdat deze hoorbaar vastklikt.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
79
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
WAARSCHUWING
De hoofdsteunen moeten na het rechtop
zetten vergrendeld staan.
Gerelateerde informatie
•
•
Voorstoelen (p. 75)
Stuurwiel
Het stuurwiel heeft meerdere verstellingsmogelijkheden en bedieningselementen voor de
claxon, cruisecontrol en het menu-, het audioen het telefoonsysteem.
Instellen
3. Duw de hendel vervolgens terug om het
stuurwiel in de nieuwe stand te blokkeren.
Als dit moeite kost, kunt u lichtjes op het
stuurwiel drukken en tegelijkertijd de hendel terugduwen.
WAARSCHUWING
Voorstoelen - elektrisch bediend (p. 76)
Stel het stuurwiel vóór vertrek in en zet
deze vast.
03
Bij auto’s met snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging* is de vereiste stuurkracht in te
stellen, zie Instelbare stuurkracht* (p. 251).
G021138
Toetsensets*
Stuurwiel afstellen.
Ontgrendelingshendel, stuurwielafstelling
Mogelijke stuurwielstanden
U kunt het stuurwiel zowel in de hoogte als in
de diepte verstellen:
1. Trek de hendel naar u toe om het stuur
vrij te geven.
2. Zet het stuurwiel vervolgens in de gewenste stand.
Toetsensets op stuurwiel.
Cruisecontrol* (p. 189)
Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 192)
Bediening audio en telefoon, zie supplement Sensus Infotainment
80
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Claxon
Elektrische stuurverwarming*
Het stuurwiel is elektrisch te verwarmen.
Functie
inschakeling plaats. Activeer/deactiveer de
functie in het menusysteem MY CAR (p.
106).
03
Claxon.
Druk op het midden van het stuurwiel om te
claxonneren.
Gerelateerde informatie
•
Elektrische stuurverwarming* (p. 81)
De positie van de knop kan variëren afhankelijk
van de overige gekozen uitrusting en de markt.
Bij herhaaldelijk indrukken van de knop
wordt geschakeld tussen de volgende standen:
Functie
Indicatie
Uitgeschakeld
Lampje in knop uit
Verwarming
Lampje in knop aan
Automatische stuurverwarming
Bij automatische inschakeling van de stuurverwarming wordt bij het starten van de
motor de stuurverwarming ingeschakeld. Bij
een omgevingstemperatuur lager dan zo’n
10 °C en een koude auto vindt automatische
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
81
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Bedieningspaneel verlichting
Met het bedieningspaneel voor de verlichting
kunt u de buitenverlichting inschakelen en
aanpassen. U kunt het ook gebruiken om de
display-, instrumenten- en interieurverlichting
aan te passen.
Overzicht bedieningspaneel verlichting
Standen draaiknop
N.B.
Dezelfde lampen worden gebruikt voor de
dagrijlichten en stadslichten/parkeerlichten
vóór. De lichtsterkte is groter, wanneer de
lampen worden gebruikt voor de dagrijlichten.
03
Stand
Betekenis
DagrijlichtA wanneer het elektrische systeem van de auto in
sleutelstand II staat of als de
motor warm is.
Grootlichtsignalering mogelijk.
Overzicht bedieningspaneel verlichting.
Duimwiel voor het afstellen van de display- en instrumentenpaneelverlichting
alsook de sfeerverlichting*
Draaiknop voor koplampen en stadslichten vóór/achterlichten
Automatisch overschakelen naar
stadslichten/parkeerlichten/sidemarkers bij het parkeren van de
auto.
Duimwiel11 voor koplamphoogteregeling
Grootlichtsignalering mogelijk.
Knop voor mistachterlicht
11
82
Dagrijlicht, sidemarkers voor en
achterlichten/parkeerlichten/
sidemarkers achter, wanneer het
elektrische systeem van de auto
in sleutelstand II staat of als de
motor warm is.
Niet aanwezig bij auto’s met actieve xenonkoplampen*.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Stand
Betekenis
Dagrijlicht, sidemarkers voor en
achterlichten/parkeerlichten/
sidemarkers achter overdag,
wanneer het elektrische systeem
van de auto in sleutelstand II
staat of als de motor warm is.
Automatisch overschakelen op
dimlicht en stadslichten/
parkeerlichten/sidemarkers in
slechte lichtomstandigheden of
als de ruitenwissers of het mistachterlicht zijn geactiveerd.
De functie Tunneldetectie (p.
85)* is geactiveerd.
De functie Actief groot licht (p.
86)* is te gebruiken.
U kunt het groot licht inschakelen, wanneer u het dimlicht
voert.
Grootlichtsignalering mogelijk.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Stand
Betekenis
Dimlicht en stadslichten/
parkeerlichten/sidemarkers.
Groot licht kan worden geactiveerd.
1. Laat de motor draaien of zet het elektrische systeem van de auto in de sleutelstand I.
Stadslichten vóór en achterlichten
U schakelt de stadslichten vóór en achterlichten in met de verlichtingsdraaiknop.
2. Draai het duimwiel omhoog of omlaag om
de koplampen hoger of lager af te stellen.
Grootlichtsignalering mogelijk.
A
03
Aangebracht in of onder de voorbumper.
te gebruiken
Volvo adviseert u de stand
zolang de verkeerssituatie of de weersgesteldheid niet ongunstig is voor Actief groot
licht*.
Instrumentenverlichting
Afhankelijk van de sleutelstand worden
bepaalde displays en instrumenten verlicht,
zie Sleutelstanden - functies in verschillende
standen (p. 73).
Verlichtingsdraaiknop in stand voor stadslichten
vóór en achterlichten.
Duimwielstanden bij uiteenlopende belading.
Alleen bestuurder
De displayverlichting wordt bij donker automatisch gedimd. De gevoeligheidsgraad van
deze functie is in te stellen met het duimwiel.
Bestuurder en voorpassagier
Ook de sterkte waarmee het instrumentenpaneel verlicht wordt stelt u in met het duimwiel.
Inzittenden op alle zitplaatsen en maximale belading in bagageruimte
Koplamphoogteregeling
Door de belading van de auto wordt de
hoogte van de koplampen gewijzigd, zodat u
tegemoetkomend verkeer mogelijk verblindt.
U kunt dat voorkomen door de koplamphoogte bij te stellen. Stel de koplampen lager
af als de auto zwaar beladen is.
Inzittenden op alle zitplaatsen
Bestuurder plus maximale belading in
bagageruimte
Auto’s met actieve xenonkoplampen* zijn uitgerust met automatische koplamphoogteregeling, zodat het duimwiel ontbreekt.
(ook de
Zet de draaiknop in de stand
kentekenverlichting wordt ingeschakeld).
Als het elektrische systeem van de auto in
sleutelstand II staat of als de motor loopt,
brandt het dagrijlicht in plaats van de stadslichten/parkeerlichten vóór.
Wanneer het buiten donker is en de achterklep wordt geopend, gaan de achterlichten/
parkeerlichten achter branden om achteropkomend verkeer te waarschuwen. Dit gebeurt
altijd, ongeacht de stand van de draaiknop of
de sleutelstand van het elektrische systeem
van de auto.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
83
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
Gerelateerde informatie
•
Bedieningspaneel verlichting (p. 82)
Dagrijlicht
Wanneer de verlichtingsdraaiknop in stand
staat en het elektrische systeem van de
auto in sleutelstand II of als de motor loopt,
wordt in goede lichtomstandigheden automatisch het dagrijlicht ingeschakeld.
Dagrijlicht DRL
03
Verlichtingsdraaiknop in stand AUTO.
Met de verlichtingsdraaiknop in stand
wordt het dagrijlicht (Daytime Running Lights
- DRL) automatisch ingeschakeld bij autoritten overdag. Een lichtsensor boven op het
dashboard schakelt over van dagrijlicht op
dimlicht, wanneer het gaat schemeren of bij
donker weer. Overschakelen op dimlicht gaat
ook automatisch als de ruitenwissers of het
mistachterlicht zijn geactiveerd.
84
WAARSCHUWING
Dit is een stroombesparingsfunctie die niet
in alle gevallen kan bepalen wanneer de
omgevingsverlichting voldoende of onvoldoende is bij mist en regen bijvoorbeeld.
Als bestuurder bent u verplicht om de verlichting van de auto altijd af te stemmen op
de heersende omstandigheden en de geldende verkeerswetgeving.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Tunneldetectie*
Groot licht/dimlicht
Op markten zonder automatisch dimlicht activeert de tunneldetectie het dimlicht als de
auto een tunnel binnenrijdt. Ca. 20 seconden
nadat de auto de tunnel heeft verlaten, dooft
het dimlicht weer.
Wanneer de verlichtingsdraaiknop in stand
staat en het elektrische systeem van de
auto in sleutelstand II of als de motor loopt,
wordt in slechte lichtomstandigheden automatisch het dimlicht ingeschakeld.
De functie Tunneldetectie is aanwezig op een
auto met een regensensor*. Wanneer u een
tunnel binnenrijdt, registreert de sensor dit en
wordt overgeschakeld van dagrijlicht naar
dimlicht. Ca. 20 seconden na het verlaten van
de tunnel, wordt weer overgeschakeld op
dagrijlicht. Als u na afloop van deze tijd een
andere tunnel inrijdt, blijft het dimlicht branden. Op deze manier wordt voorkomen dat
de lichtinstelling van de auto te vaak wordt
gewijzigd.
Met de verlichtingsdraaiknop in de stand
brandt altijd het dimlicht, wanneer de
motor loopt of als de sleutelstand II actief is.
•
•
Groot licht/dimlicht (p. 85)
Bedieningspaneel verlichting (p. 82)
Grootlichtsignalen
Trek de stuurhendel voorzichtig tot in de
stand voor grootlichtsignalen naar het stuurwiel toe. Het groot licht brandt totdat u de
hendel loslaat.
03
Het groot licht is te ontsteken met de draai12 of
knop in stand
. Schakel het
groot licht in of uit door de stuurhendel tot in
de eindstand naar het stuurwiel te halen en
vervolgens los te laten. Het groot licht is
eveneens uit te schakelen door de stuurhendel lichtjes in de richting van het stuurwiel te
duwen.
Stuurhendel en verlichtingsdraaiknop.
Stand voor grootlichtsignalen
Stand voor groot licht
Dimlicht
Met de draaiknop in de stand
wordt het
dimlicht automatisch geactiveerd als het gaat
schemeren of bij donker weer. Het dimlicht
12
brandt
Met de draaiknop in de stand
altijd het dimlicht, wanneer de motor loopt of
als de sleutelstand II actief is.
Groot licht
Let erop dat de tunneldetectie alleen werkt,
als de verlichtingsdraaiknop in stand
staat.
Gerelateerde informatie
wordt ook automatisch geactiveerd als de ruitenwissers of het mistachterlicht zijn geactiveerd.
Wanneer het groot licht ontstoken is, brandt
het symbool
op het instrumentenpaneel.
Verstralers*
Als de auto beschikt over verstralers, kunt u
in het menusysteem MY CAR selecteren of
deze gedeactiveerd moeten worden of aan/uit
Wanneer het dimlicht brandt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
85
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
moeten gaan in combinatie met het groot
licht13, zie MY CAR (p. 106).
Gerelateerde informatie
03
•
•
•
•
•
Actieve xenon-koplampen* (p. 88)
Actief groot licht* (p. 86)
Bedieningspaneel verlichting (p. 82)
Koplampen - lichtbundel aanpassen (p.
93)
Tunneldetectie* (p. 85)
Actief groot licht*
Actief groot licht ontdekt de koplampen van
een tegenligger of de achterlichten van een
voorligger en schakelt dan over van groot licht
naar dimlicht. Alleen dat deel van de lichtbundel van de xenonkoplampen dat rechtstreeks
op de tegenliggers/voorliggers gericht is,
wordt gedimd. De verlichting gaat terug naar
groot licht als het invallende licht ophoudt.
Actief groot licht - AHB
Actief groot licht (Active High Beam – AHB) is
een functie waarbij met een camerasensor in
de bovenrand van de voorruit de koplampen
van tegenliggers of de achterlichten van voorliggers worden geregistreerd en wordt overgeschakeld van groot licht naar dimlicht. De
functie kan ook rekening houden met de
straatverlichting.
Auto met halogeenkoplampen
Wanneer er geen invallend licht van voor-/
tegenliggers meer wordt waargenomen,
schakelt de verlichting enkele seconden later
weer over naar groot licht.
Auto met xenonkoplampen
In tegenstelling tot wat er gebeurt bij de standaarddimfunctie blijft het deel van de lichtbundel dat naast tegen- of voorliggers valt op
grootlichtsterkte branden – alleen dat deel
van de lichtbundel dat rechtstreeks op de
13
86
tegenliggers/voorliggers gericht is wordt
gedimd.
Dimlicht recht vooruit in de richting van tegenliggers, maar groot licht aan weerszijden van de
tegenliggers.
Wanneer er geen invallend licht van voor-/
tegenliggers meer wordt waargenomen,
schakelt de verlichting enkele seconden later
weer over naar volledig groot licht.
Activeren/deactiveren
AHB kan worden geactiveerd, wanneer de
verlichtingsdraaiknop in de stand
staat
(op voorwaarde dat het systeem niet geactiveerd werd in het menusysteem MY CAR), zie
MY CAR (p. 106).
Verstralers moeten op het elektrische systeem worden aangesloten door een werkplaats. Volvo adviseert u contact op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Handmatige bediening
N.B.
Houd de voorruit in het gebied vóór de
camerasensor vrij van ijs, sneeuw, condens en vuil.
Plak of monteer niets op de voorruit vóór
de camerasensor, aangezien één of meer
camera’s voor het systeem hierdoor slechter of niet meer werken.
Stuurhendel en verlichtingsdraaiknop in stand
AUTO.
De functie kan starten bij ritten in het donker,
wanneer de auto op een snelheid van 20
km/h of hoger rijdt.
Schakel het AHB in of uit door de linker stuurhendel tot in de eindstand naar het stuurwiel
te halen en vervolgens los te laten. Na het
deactiveren van het groot licht wordt direct
overgeschakeld naar dimlicht.
Wanneer AHB geactiveerd is, brandt het symbool
op het informatiedisplay van het
instrumentenpaneel wit.
Als het groot licht ontstoken is, brandt het
symbool blauw. Bij xenonkoplampen geldt dit
ook bij gedeeltelijk groot licht, d.w.z. zodra de
lichtbundel iets sterker brandt dan het geval
is bij dimlicht.
WAARSCHUWING
AHB is een systeem dat u helpt om in
ongunstige omstandigheden de optimale
verlichting te kiezen.
Als bestuurder bent u echter altijd verplicht
om handmatig te wisselen tussen groot
licht en dimlicht, als dat gezien de verkeerssituatie en/of weersgesteldheid vereist is.
03
Als de melding Active high beam Tijdelijk
niet beschikb. Schakel handmat. op het
informatiedisplay van het instrumentenpaneel
verschijnt, moet u handmatig tussen groot
licht en dimlicht schakelen. De verlichtingsdraaiknop kan echter in stand
blijven
staan. Hetzelfde geldt, als de melding
Voorruitsensoren afgedekt Zie
instructieboek en het symbool
verschijnen. Het symbool
dooft, wanneer
deze melding verschijnt.
AHB is mogelijk tijdelijk niet beschikbaar,
zoals in dichte mist of bij zware regenval.
Wanneer AHB weer beschikbaar is of als de
voorruitsensoren niet langer geblokkeerd zijn,
verdwijnt de melding en gaat het symbool
branden.
}}
87
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
BELANGRIJK
Voorbeelden van situaties waarin u mogelijk moet wisselen tussen groot licht en
dimlicht:
•
•
•
•
•
03
in zware regen of dichte mist
bij maanlicht
bij ritten in zwak verlichte bebouwde
gebieden
bij voorliggers met een zwakke voertuigverlichting
•
•
bij voetgangers op of naast de weg
•
als de verlichting van tegenliggers
schuilgaat achter bijvoorbeeld vangrails
•
•
bij verkeer op verbindingswegen
bij sterk reflecterende voorwerpen
zoals borden in de buurt van de weg
op het hoogste punt van heuvels en
het laagste punt van dalen
in scherpe bochten.
Gerelateerde informatie
88
Actieve xenon-koplampen ABL
bij stuifsneeuw of sneeuwmodder
Zie voor meer informatie over de beperkingen
van de camerasensor, zie Collision Warning* beperkingen van de camerasensor (p. 225).
•
•
Actieve xenonkoplampen zorgen voor optimale verlichting in bochten en op kruisingen
om op die manier de veiligheid te verhogen.
bij ijsregen
•
•
Actieve xenon-koplampen*
Groot licht/dimlicht (p. 85)
Bedieningspaneel verlichting (p. 82)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Lichtbundel bij gedeactiveerde (links) en geactiveerde (rechts) functie.
Als de auto is uitgerust met actieve xenonkoplampen (Active Bending Lights – ABL)
draaien de lichtbundels van de koplampen
mee om optimale verlichting te verkrijgen in
bochten en op kruisingen om op die manier
de veiligheid te verhogen.
Het systeem wordt automatisch geactiveerd
bij het starten van de motor (op voorwaarde
dat het systeem niet gedeactiveerd werd in
het menusysteem MY CAR), zie MY CAR (p.
106). Wanneer de functie een storing verop het
toont, brandt het symbool
instrumentenpaneel verschijnen een verklarende tekst plus een ander brandend symbool.
Symbool
Display
Betekenis
Storing
koplampsysteem
Service
vereist
Het systeem is
defect. Bezoek
een werkplaats
als de melding
niet verdwijnt.
Volvo adviseert u
daarvoor contact
op te nemen met
een erkende
Volvo-werkplaats.
De functie is uitsluitend actief bij schemer of
donker en dan alleen als de auto rijdt.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
U kunt de functie14 deactiveren/activeren in
het menusysteem MY CAR, zie MY CAR (p.
106).
Voor het aanpassen van de lichtbundel, zie
Koplampen - lichtbundel aanpassen (p. 93).
Mistachterlicht
Bij een beperkt zicht door mist kunt u het
mistachterlicht gebruiken om achterliggers tijdig op uw aanwezigheid te attenderen.
wordt het mistachterlicht automatisch uitgeschakeld.
N.B.
De voorschriften voor het gebruik van een
mistachterlicht verschillen per land.
Bochtverlichting
Actieve xenonkoplampen zijn voorzien van
bochtverlichting die bij een scherpe bocht tijdelijk met de auto meedraaien in dezelfde
richting als het stuur of in de richting die de
richtingaanwijzers aangeven.
Gerelateerde informatie
•
Bedieningspaneel verlichting (p. 82)
03
De functie wordt geactiveerd bij gebruik van
het groot licht of dimlicht bij een rijsnelheid
ongeveer lager dan 30 km/h.
Ook tijdens het achteruitrijden gaat de bochtverlichting branden bij wijze van aanvulling op
de achteruitrijlichten.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Groot licht/dimlicht (p. 85)
Actief groot licht* (p. 86)
Bedieningspaneel verlichting (p. 82)
Knop voor mistachterlicht.
Het mistachterlicht is alleen in te schakelen,
wanneer de verlichtingsdraaiknop in stand
of
staat en het contactslot in de
stand II of wanneer de motor draait.
Druk op de knop voor in-/uitschakeling. Het
controlesymbool voor het mistachterlicht
op het instrumentenpaneel en het
lampje in de knop branden, wanneer het mistachterlicht ingeschakeld is.
Wanneer u de motor afzet of de verlichtingsdraaiknop naar stand
of
draait,
14
Geactiveerd bij levering vanuit de fabriek.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
89
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
03
Remlichten
Alarmlichten
De remlichten gaan automatisch branden
wanneer u remt.
De alarmlichten waarschuwen medeweggebruikers doordat alle richtingaanwijzers gelijktijdig knipperen, wanneer deze functie actief
is.
Bij het bedienen van het rempedaal gaan de
remlichten branden. Ze gaan ook branden
wanneer een van de rij-assistentiesystemen,
Adaptieve cruisecontrol (p. 192), City Safety
(p. 210) of Collision Warning (p. 217) de auto
afremmen.
Wanneer de alarmlichten geactiveerd zijn,
knipperen beide richtingaanwijzersymbolen
op het instrumentenpaneel.
Voor informatie over de noodremlichten en de
automatische alarmlichten, zie Bedrijfsrem noodremlichten en automatische alarmlichten
(p. 276).
Knop voor alarmlichten.
Druk op de knop om de alarmlichten te activeren. Beide richtingaanwijzersymbolen op
het instrumentenpaneel knipperen bij gebruik
van de alarmlichten.
Wanneer de auto dermate hard is afgeremd
dat de noodremlichten in werking zijn getreden, worden, zodra de snelheid van de auto
tot onder de 10 km/h is gedaald, automatisch
de alarmlichten ingeschakeld. Ook nadat de
auto tot stilstand is gekomen, blijven de
alarmlichten knipperen. Wanneer u weer weg-
90
rijdt, worden ze automatisch uitgeschakeld. U
kunt ook op de knop voor de alarmlichten
drukken. Voor meer informatie over de noodremlichten en de automatische alarmlichten,
zie Bedrijfsrem - noodremlichten en automatische alarmlichten (p. 276).
Gerelateerde informatie
•
Richtingaanwijzer (p. 91)
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Richtingaanwijzer
De richtingaanwijzers van de auto zijn te
bedienen met de linker stuurhendel. De richtingaanwijzers knipperen driemaal of blijven
knipperen, afhankelijk van hoe ver u de hendel
omhoog- of omlaaghaalt.
worden of veert automatisch terug bij het
terugdraaien van het stuurwiel.
Richtingaanwijzersymbolen
Voor de richtingaanwijzersymbolen, zie
Instrumentenpaneel - betekenis controlesymbolen (p. 68).
Interieurverlichting
De interieurverlichting is te activeren/deactiveren met de knoppen van de bedieningspanelen aan het plafond voor- en achterin.
Gerelateerde informatie
Alarmlichten (p. 90)
03
G021149
•
Knoppen op plafondconsole voor bediening
leeslampjes en interieurverlichting voorin.
Richtingaanwijzer.
Leeslampje linkerzijde
Korte serie knippersignalen
Leeslampje rechterzijde
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag
naar de eerste stand en laat de hendel
vervolgens los. De richtingaanwijzers lichten driemaal op. U kunt het systeem activeren/deactiveren in het menusysteem
MY CAR, zie MY CAR (p. 106).
Onafgebroken serie knippersignalen
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag
naar de tweede stand.
Interieurverlichting
Alle verlichting in het interieur kan handmatig
in- en uitgeschakeld worden binnen 30 minuten nadat:
•
de motor is afgezet en het elektrische
systeem van de auto in 0 staat
•
de auto ontgrendeld is zonder dat de
motor is gestart.
De hendel blijft in deze stand staan en kan
handmatig in de uitgangspositie teruggezet
91
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
Plafondverlichting voorin
Verlichting make-upspiegel
De interieurverlichting dooft, wanneer:
De leeslampjes voorin worden in- en uitgeschakeld met een druk op de bijbehorende
knoppen op de plafondconsole.
De verlichting van de make-upspiegel (p.
144), wordt bij het openen en sluiten van het
klepje in- en uitgeschakeld.
•
•
Plafondverlichting achterin
Verlichting in bagageruimte
De bagageruimteverlichting wordt bij het openen en sluiten van de achterklep automatisch
in- en uitgeschakeld.
03
Automatische verlichting
Met de knop voor de interieurverlichting kunt
u drie verlichtingsstanden selecteren:
Uit – rechterkant ingedrukt, automatische
interieurverlichting gedeactiveerd.
•
Neutrale stand – automatische verlichting geactiveerd.
Plafondverlichting achterin.
•
U kunt de lampjes in- en uitschakelen met
een druk op de bijbehorende knop.
Aan – linkerkant ingedrukt, interieurverlichting brandt.
Neutrale stand
G021150
•
Instapverlichting
De instapverlichting (alsmede de interieurverlichting) worden in- en uitgeschakeld bij het
openen c.q. sluiten van een portier.
Verlichting dashboardkastje
De verlichting in het dashboardkastje wordt
in- en uitgeschakeld bij het openen en sluiten
van de klep van het kastje.
92
Met de knop in de neutrale stand wordt de
interieurverlichting als volgt automatisch inen uitgeschakeld.
De interieurverlichting wordt ingeschakeld en
blijft 30 seconden lang branden, als:
•
u de auto met de afstandsbediening ontgrendelt, zie Transpondersleutel - functies
(p. 155) of Afneembaar sleutelblad - portier ontgrendelen (p. 160)
•
de motor is afgezet en het elektrische
systeem van de auto in 0 staat.
u de motor start
de auto wordt vergrendeld.
De interieurverlichting gaat aan en blijft twee
minuten lang branden, wanneer een van de
portieren openstaat.
Als u een bepaalde verlichtingsfunctie handmatig inschakelt, zal deze na twee minuten
automatisch worden uitgeschakeld.
Sfeerverlichting
Wanneer de reguliere interieurverlichting is
uitgegaan en de motor draait, branden er
enkele leds, onder meer een bij de plafondverlichting voor een zwakke sfeerverlichting
tijdens de rit. Deze verlichting gaat even na
de reguliere interieurverlichting uit als de auto
wordt vergrendeld. U regelt de sterkte van de
verlichting met het duimwiel op het bedieningspaneel (p. 82).
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Follow Me Home-verlichting
Approach-verlichting
Koplampen - lichtbundel aanpassen
De Follow Me Home-verlichting bestaat uit de
het dimlicht, de parkeerlichten, de lampen in
de buitenspiegels, de kentekenplaatverlichting, de plafondverlichting en de instapverlichting.
De Approach-verlichting bestaat uit de stadslichten, de lampen in de buitenspiegels, de
kentekenplaatverlichting, de plafondverlichting en de instapverlichting.
Als de auto is uitgerust met actieve xenonkoplampen en actief groot licht heeft, moet u de
lichtbundelinstelling aanpassen wanneer u
een auto voor rechtsrijdend verkeer wilt
gebruiken voor linksrijdend verkeer en
andersom.
Het is mogelijk om een deel van de buitenverlichting enige tijd ingeschakeld te houden en
als Follow Me Home-verlichting dienst te
laten doen na vergrendeling van de auto.
1. Neem de transpondersleutel uit het contactslot.
2. Haal de linker stuurhendel tot in de eindstand naar het stuurwiel toe en laat de
hendel los. De functie is op dezelfde
manier te activeren als de grootlichtsignalen, zie Groot licht/dimlicht (p. 85).
3. Stap uit de auto en vergrendel het portier.
Wanneer de functie is geactiveerd, gaan de
dimlichten, de parkeerlichten, de richtingaanwijzers, de verlichting van de buitenspiegels,
de kentekenplaatverlichting, de plafondlampjes in het interieur en de instapverlichting
branden.
U activeert de Approach-verlichting met de
transpondersleutel, zie Transpondersleutel functies (p. 155), om de verlichting van de
auto op afstand in te schakelen.
Wanneer de functie is geactiveerd vanaf de
afstandsbediening, gaan de dimlichten, de
parkeerlichten, de richtingaanwijzers, de verlichting van de buitenspiegels, de kentekenplaatverlichting, de plafondlampjes in het
interieur en de instapverlichting branden.
De duur van de Approach-verlichting is in te
stellen in het menusysteem MY CAR, zie MY
CAR (p. 106).
Gerelateerde informatie
•
Follow Me Home-verlichting (p. 93)
Actieve xenonkoplampen*
Bij auto’s zonder actief groot licht* is geen
aanpassing van de lichtbundel vereist. De
lichtbundel is dusdanig dat tegenliggers niet
worden verblind.
03
Bij auto’s met actief groot licht is aanpassing
van de lichtbundel vereist. Bij het aanpassen
van de lichtbundel voor links- of rechtsrijdend
verkeer dient de auto stil te staan.
De lichtbundel is aan te passen in het menusysteem MY CAR, zie MY CAR (p. 106).
Halogeenkoplampen
Er is geen aanpassing van de lichtbundel vereist. De lichtbundel is dusdanig dat tegenliggers niet worden verblind.
De duur van de Follow Me Home-verlichting
is in te stellen in het menusysteem MY CAR,
zie MY CAR (p. 106).
Gerelateerde informatie
•
Approach-verlichting (p. 93)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
93
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Wissers en -sproeiers
Intervalstand
Regensensor*
De ruitenwisser en -sproeier reinigen de voorruit en achterruit. De koplampen worden met
hogedruksproeiers gereinigd.
Met het duimwiel kunt u het aantal
wisslagen per eenheid van tijd
instellen wanneer u de intervalstand
hebt geselecteerd.
De regensensor registreert de hoeveelheid
regen op de voorruit en schakelt automatisch
de ruitenwissers op de voorruit in. De gevoeligheid van de regensensor is in te stellen met
het duimwiel.
Ruitenwissers15
Ononderbroken wissen
De wissers bewegen op normale
snelheid.
03
De wissers bewegen op hoge snelheid.
BELANGRIJK
Ruitenwissers en -sproeiers.
Regensensor aan/uit
Duimwiel gevoeligheid regensensor/snelheid ruitenwissers
Ruitenwissers uitgeschakeld
Haal de hendel naar stand 0 om de
ruitenwissers uit te schakelen.
Enkele slag
Haal de hendel omhoog en laat
deze los om de wissers een enkele
slag te laten maken.
15
94
Voordat u de wissers in de winter activeert, moet u controleren of de wisserbladen niet zijn vastgevroren en of evt.
sneeuw of ijs op de voorruit (en achterruit)
is weggehaald.
BELANGRIJK
Gebruik voldoende sproeiervloeistof als de
wissers de voorruit schoonmaken. De
voorruit moet nat zijn als de ruitenwissers
werken.
Servicestand wisserbladen
Voor het reinigen van voorruit/wisserbladen
en het vervangen van wisserbladen, zie Wisserbladen (p. 353) en Wasstraat (p. 374).
Wanneer de regensensor actief is, brandt het
lampje in de bijbehorende knop en verschijnt
op het instruhet regensensorsymbool
mentenpaneel.
Activeren en gevoeligheid instellen
Om de regensensor te activeren dient de
motor te lopen of de transpondersleutel in
stand I of II te staan en de ruitenwisserhendel
in stand 0 of die voor een enkele wisslag.
Activeer de regensensor door op de knop
te drukken. De ruitenwissers maken
een slag.
Als u de hendel omhooghaalt, maken de ruitenwissers een extra slag.
Draai het duimwiel omhoog voor een grotere
gevoeligheid en omlaag voor een lagere
gevoeligheid. (de wissers maken een extra
slag, als u het duimwiel omhoogdraait.)
Deactiveren
Deactiveer de regensensor met een druk op
de knop
of haal de hendel omlaag naar
een ander wisprogramma.
Voor het vervangen van wisserbladen en de servicestand van de wisserbladen, zie Wisserbladen (p. 353). Voor het bijvullen van sproeiervloeistof, zie Sproeiervloeistof - bijvullen (p. 355).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
De regensensor wordt automatisch gedeactiveerd, wanneer u de transpondersleutel uit
het contactslot neemt of vijf minuten nadat u
de motor hebt afgezet.
BELANGRIJK
In een automatische wasstraat kunnen de
ruitenwissers van de voorruit starten en
beschadigd raken. Schakel de regensensor uit terwijl de auto loopt of de transpondersleutel in stand I of II staat. Het symbool op het instrumentenpaneel en het
lampje in de knop doven.
Ruitensproeiers voorruit
Nadat u de hendel hebt losgelaten maken de
ruitenwissers op de voorruit nog enkele slagen en worden de koplampen gesproeid.
Verwarmde sproeikoppen*
De hogedruksproeiers van de koplampen verbruiken een grote hoeveelheid sproeiervloeistof. Om vloeistof te besparen, worden de
koplampen alleen iedere vijfde keer dat u de
voorruitsproeiers activeert gesproeid.
Gereduceerde sproeifunctie
Sproeierfunctie.
03
De sproeikoppen worden bij vorst automatisch verwarmd om te voorkomen dat de
sproeiervloeistof bevriest.
Hogedruksproeiers koplampen*
Koplamp- en ruitensproeiers
Achterruit wissen en sproeien
U activeert de sproeiers van de voorruit en de
koplampen door de hendel naar het stuurwiel
toe te trekken.
Wanneer er nog ca. 1 liter sproeiervloeistof in
het reservoir zit en op het instrumentenpaneel
de melding verschijnt dat u sproeiervloeistof
moet bijvullen, worden de koplampen en de
achterruit niet langer schoongesproeid. Dit
omdat de sproeifunctie van de voorruit en
een goed zicht door de voorruit de voorrang
hebben.
Ruitenwisser achterklep – intervalstand
Ruitenwisser achterklep – continu wissen
Wanneer u de hendel naar voren haalt (zie pijl
op bovenstaande afbeelding), activeert u de
ruitenwisser/-sproeier van de achterklep.
N.B.
De achterruitwisser is beveiligd tegen
oververhitting zodat de wissermotor wordt
uitgeschakeld bij oververhitting. De achterruitwisser werkt weer na een periode van
afkoelen (30 seconden of langer afhankelijk van de motor- en de omgevingstemperatuur).
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
95
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
03
Ruitenwisser achterklep, achteruitrijden
Elektrisch bedienbare ruiten
Als u de auto in de achteruitversnelling zet
terwijl de voorste ruitenwissers actief zijn, zal
de intervalstand van de ruitenwisser op de
achterklep starten16. Bij het inschakelen van
een andere versnelling valt de ruitenwisser op
de achterklep stil.
Vanaf het bedieningspaneel van het bestuurdersportier zijn alle elektrisch bedienbare ruiten te bedienen. Vanaf de bedieningspanelen
van de overige portieren zijn alleen de ruiten
van het desbetreffende portier te bedienen.
N.B.
WAARSCHUWING
Op auto's met een regensensor wordt bij
achteruitrijden de achterruitwisser geactiveerd, op voorwaarde dat de sensor geactiveerd is en het regent.
•
•
Sproeiervloeistof - bijvullen (p. 355)
Sproeiervloeistof - kwaliteit en hoeveelheid (p. 394)
WAARSCHUWING
Controleer of kinderen of andere passagiers niet bekneld raken als de ramen worden gesloten, ook als de transpondersleutel wordt gebruikt.
Als de ruitenwisser op de achterklep echter al
op continue snelheid werkt, vindt er geen wijziging plaats.
Gerelateerde informatie
WAARSCHUWING
Controleer of er geen passagier op de achterbank bekneld raakt als de ramen vanaf
het bestuurdersportier worden gesloten.
Bedieningspaneel op bestuurdersportier.
Elektrisch kinderslot op achterportieren*
en achterste zijruiten, zie Kinderslot elektrische activering* (p. 175).
Als er kinderen in de auto aanwezig zijn,
moet altijd de stroom naar de elektrisch
bedienbare ruiten worden onderbroken
door te kiezen voor sleutelstand 0 en vervolgens de transpondersleutel mee te
nemen uit de auto. Voor informatie over
sleutelstanden, zie Sleutelstanden - functies in verschillende standen (p. 73).
Bedieningsknoppen achterste zijruiten
Bedieningsknoppen voorste zijruiten
16
96
Deze functie (intervalstand tijdens het achteruitrijden) kunt u desgewenst uitschakelen. Bezoek een werkplaats. Volvo adviseert u daarvoor contact op te nemen met een erkende Volvo-dealer.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Bediening
Bedieningsknoppen elektrisch bedienbare zijruiten.
Handmatige bediening
Automatische bediening
Met het bedieningspaneel van het bestuurdersportier kunnen alle elektrisch bedienbare
ruiten worden bediend. De bedieningspanelen van de overige portieren kunnen alleen de
ruit van het desbetreffende portier bedienen.
Er kan slechts één bedieningspaneel tegelijk
worden bediend.
Om de elektrisch bedienbare ruiten te kunnen
gebruiken moet de sleutelstand minimaal I
zijn - zie Sleutelstanden - functies in verschillende standen (p. 73). Na uitschakeling van
de motor kunnen de elektrisch bedienbare
ruiten gedurende enkele minuten na verwijdering van de transpondersleutel worden
bediend, maar niet nadat er een portier is
geopend.
Bediening met transpondersleutel en
centrale vergrendeling
De ruiten komen tot stilstand en worden
geopend, als ze tijdens het sluiten in hun
beweging worden gehinderd. Wanneer sluiten
onmogelijk is door bijvoorbeeld ijsvorming,
kan de beveiliging tegen overbelasting worden opgeheven. Wanneer de zijruiten tweemaal achtereen niet konden worden gesloten,
wordt de beveiliging tegen overbelasting
korte tijd gedeactiveerd. Sluiten is daarna
mogelijk door de bedieningsknop omhoog te
trekken en vast te houden.
Om de elektrisch bedienbare zijruiten vanaf
de buitenzijde te bedienen met de transpondersleutel of vanaf de binnenzijde met de
centrale vergrendeling, zie Transpondersleutel met sleutelblad (p. 153) en Vergrendelen/
ontgrendelen - van de binnenzijde (p. 170).
N.B.
Om het pulserende windgeluid te verminderen als de beide achterruiten open
staan, kunt u de voorste ruiten ook een
stukje openen.
Handmatige bediening
Trek voorzichtig een van de bedieningsknoppen omhoog of duw er een omlaag. De elektrisch bedienbare zijruiten komen steeds verder omhoog of omlaag zolang u de bedieningsknop bedient.
Resetten
03
Als de accu losgekoppeld is geweest, werkt
de automatische openingsfunctie pas weer
naar behoren wanneer u deze hebt gereset.
1. Trek de knop aan de voorkant omhoog
om de ruit helemaal te sluiten en houd de
knop een seconde in deze stand vast.
2. Laat de knop korte tijd los.
3. Trek de voorkant van de knop opnieuw
een seconde omhoog.
WAARSCHUWING
Resetten is nodig om de beveiliging tegen
overbelasting te laten werken.
Automatische bediening
Trek een van de bedieningsknoppen omhoog
of duw er een omlaag en laat deze vervolgens
los. De bijbehorende zijruit gaat automatisch
volledig open of dicht.
97
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Buitenspiegels
WAARSCHUWING
Stel de stand van de buitenspiegels bij met
het hendeltje op het bedieningspaneel van het
bestuurdersportier.
De spiegel aan bestuurderszijde is groothoekig voor een optimaal zicht. Voorwerpen kunnen verder weg lijken dan ze in
werkelijkheid zijn.
Buitenspiegels
Stand vastleggen17
De stand van de buitenspiegels en de
bestuurdersstoel worden vastgelegd, wanneer u de auto met de transpondersleutel vergrendelt. Een volgende keer dat de auto met
dezelfde transpondersleutel wordt ontgrendeld en het bestuurdersportier wordt
geopend, nemen de buitenspiegels en de
bestuurdersstoel de vastgelegde standen in.
03
Bedieningsknoppen buitenspiegels.
Instellen
98
Bij het inschakelen van de achteruitversnelling worden de buitenspiegels automatisch
omlaaggekanteld, zodat u bijvoorbeeld tijdens het parkeren de kant van de weg kan
zien. Wanneer de auto uit de achteruitversnelling wordt gehaald, neemt de buitenspiegel
na enige tijd automatisch de oorspronkelijke
stand weer in.
U kunt het systeem activeren/deactiveren in
het menusysteem MY CAR, zie MY CAR (p.
106).
Automatische inklapfunctie bij
vergrendelen17
U kunt het systeem activeren/deactiveren in
het menusysteem MY CAR, zie MY CAR (p.
106).
Wanneer u de auto vanaf de transpondersleutel vergrendelt/ontgrendelt worden de buitenspiegels automatisch in- of uitgeklapt.
Buitenspiegel kantelen bij parkeren17
U kunt het systeem activeren/deactiveren in
het menusysteem MY CAR, zie MY CAR (p.
106).
1. Druk op knop L voor de buitenspiegel
links of op R voor de buitenspiegel
rechts. Het lampje in de knop brandt.
De buitenspiegels kunnen omlaaggekanteld
worden, zodat u bijvoorbeeld tijdens het parkeren de kant van de weg te kan zien.
2. U kunt de stand afstellen met het hendeltje in het midden.
–
3. Druk opnieuw op knop L of R. Het lampje
mag niet langer branden.
Bij het inschakelen van een andere versnelling nemen de gekantelde buitenspiegels na
ca. 10 seconden de oorspronkelijke stand
weer in. Dat gebeurt eerder als u op de knop
L of R drukt.
17
Automatisch kantelende buitenspiegel
bij parkeren17
Schakel de achteruitversnelling in en druk
op de knop L of R.
Alleen in combinatie met een elektrisch bedienbare stoel met geheugen, zie Voorstoelen - elektrisch bediend (p. 76).
In neutrale stand terugzetten
Spiegels die uit positie zijn geraakt door
invloeden van buitenaf, moeten eerst elektrisch in de neutrale stand worden teruggezet
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
zodat het elektrisch in- en uitklappen weer
correct werkt:
Approach-verlichting en Follow Me
Home-verlichting
Ruiten en buitenspiegels - elektrische
verwarming
1. Klap de spiegels in met de knoppen L en
R.
De lampjes op de buitenspiegels gaan branden, wanneer u de Approach-verlichting (p.
93) of de Follow Me Home-verlichting (p. 93)
selecteert.
De elektrische verwarming dient om de achterruit en de buitenspiegels te ontwasemen
en te ontdooien.
2. Klap de spiegels weer uit met de knoppen L en R.
3. Herhaal de bovenstaande procedure zo
nodig.
De spiegels staan daarmee weer in de neutrale stand.
Gerelateerde informatie
•
•
Achteruitkijkspiegel (p. 100)
Elektrische achterruit- en
buitenspiegelverwarming
03
Ruiten en buitenspiegels - elektrische
verwarming (p. 99)
Autodimfunctie*
Buitenspiegels met autodimfunctie zijn alleen
mogelijk, als ook de achteruitkijkspiegel is
voorzien van een dergelijke autodimfunctie,
zie Achteruitkijkspiegel (p. 100).
Elektrisch inklapbare buitenspiegels*
U kunt de buitenspiegels inklappen bij het
parkeren en als u op smalle wegen rijdt:
1. Druk de knoppen L en R gelijktijdig in
(sleutelstand minimaal I).
2. Laat ze na ca. 1 seconde los. De spiegels
stoppen automatisch, als ze volledig zijn
ingeklapt.
Klap de spiegels uit door de knoppen L en R
tegelijkertijd in te drukken. De spiegels stoppen automatisch, als ze volledig zijn uitgeklapt.
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming
Gebruik de functie om achterruit en buitenspiegels te ontwasemen en te ontdooien.
Bij eenmaal indrukken van de knop gaat de
verwarming van start. Het brandende lampje
in de knop geeft aan dat de functie actief is.
Schakel de verwarming uit zodra het ijs/de
condens verdwenen is om de accu niet onnodig te belasten. Als u echter niets doet, wordt
de functie na enige tijd automatisch uitgeschakeld.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
99
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
De buitenspiegels en de achterruit worden
automatisch van condens/ijsvorming ontdaan, als de auto wordt gestart bij een buitentemperatuur lager dan +7 °C. Automatische ontwaseming is te selecteren in het
menusysteem MY CAR, zie MY CAR (p. 106).
Achteruitkijkspiegel
Autodimfunctie*
De achteruitkijkspiegel is te dimmen met een
knopje aan de onderkant van de spiegel. Ook
is het mogelijk dat de autodimfunctie van de
achteruitkijkspiegel actief is.
Als het licht dat van achteren in de spiegel
valt te fel is, wordt de achteruitkijkspiegel
automatisch gedimd. Bij een spiegel met
autodimfunctie ontbreekt het hendeltje voor
handmatig dimmen.
Achteruitkijkspiegel
03
De achteruitkijkspiegel is voorzien van twee
sensoren (één aan de voorkant en één aan de
achterkant) die samenwerken om hinderlijke
lichtinval te identificeren en te verhelpen. De
sensor aan de voorkant registreert omgevingslicht, terwijl de sensor aan de achterkant
de koplampen van achterliggers registreert.
N.B.
Als de sensoren door bijvoorbeeld parkeervergunningen, transponders, zonnekleppen of voorwerpen op de achterbank
of in de bagageruimte dusdanig worden
gehinderd dat er geen licht op de sensoren
valt, gelden er beperkingen voor de autodimfunctie van de achteruitkijkspiegel en
buitenspiegels.
Hendeltje voor dimfunctie
Handmatige dimfunctie
Fel licht van achteren kan hinderlijke reflecties
in de achteruitkijkspiegel veroorzaken en u
verblinden. Zet de spiegel met het hendeltje
in de dimstand, wanneer u de verlichting van
het achteropkomende verkeer als hinderlijk
ervaart:
1. Activeer de dimfunctie door het hendeltje
naar u toe te halen.
2. Deactiveer de dimfunctie door het hendeltje naar de voorruit toe te duwen.
100
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Kompas (p. 101) is alleen een optie voor een
achteruitkijkspiegel met autodimfunctie.
Gerelateerde informatie
•
Buitenspiegels (p. 98)
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Kompas*
Op de achteruitkijkspiegel zit een display
waarop wordt aangegeven in welke richting
de voorkant van de auto wijst.
Bediening
knopje aan de onderzijde van de achteruitkijkspiegel indrukken.
Kalibreren
Om de juiste kompasrichting aan te geven
moet het kompas soms worden gekalibreerd.
De aarde is in 15 magnetische zones verdeeld. Het kompas dient te worden gekalibreerd, als u met de auto meerdere magnetische zones doorkruist.
G030295
03
Kalibreer als volgt:
1. Breng de auto tot stilstand op een groot
en open terrein waar geen stalen constructies of hoogspanningsdraden zijn.
Achteruitkijkspiegel met kompas.
In de rechter bovenhoek van de achteruitkijkspiegel zit een display waarop wordt aangegeven in welke richting de voorkant van de
auto wijst. Er worden acht verschillende richtingen met Engelse afkortingen weergegeven:
N (noord), NE (noordoost), E (oost), SE (zuidoost), S (zuid), SW (zuidwest), W (west) en
NW (noordwest).
Het kompas wordt automatisch geactiveerd
wanneer u de motor start of wanneer sleutelstand II actief is, zie Sleutelstanden - functies
in verschillende standen (p. 73). Om het kompas handmatig uit of in te schakelen kunt u
een paperclip of iets dergelijks nemen en het
2. Start de auto en schakel alle elektrische
uitrusting (klimaatregeling, luchtdroger
e.d.) uit en zorg dat alle portieren zijn
gesloten.
N.B.
De kalibratie kan mislukken of helemaal
niet worden uitgevoerd, als u de elektrische uitrusting niet uitschakelt.
3. Houd het knopje aan de achterzijde van
de achteruitkijkspiegel ca. 3 seconden
lang ingedrukt. Het cijfer van de huidige
magnetische zone verschijnt.
Magnetische zones.
4. Druk meerdere malen op het knopje totdat het nummer van de gewenste magnetische zone (1–15) verschijnt (zie de kaart
met de magnetische zones van het kompas).
5. Wacht totdat het teken C weer op het
display verschijnt of houd het knopje aan
de onderzijde van de achteruitkijkspiegel
ca. 6 seconden lang ingedrukt (met een
rechtgebogen paperclip bijvoorbeeld),
totdat het teken C verschijnt.
6. Rijd langzaam een rondje in de auto met
een snelheid van hoogstens 10 km/h, totdat een kompasrichting op het display
verschijnt. Dit geeft aan dat de kalibratie
afgerond is. Rijd daarna nog 2 rondjes om
de kalibratie fijn af te stellen.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
101
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
7. Auto’s met elektrische voorruitverwarming*: Als bij activering van de elektrische voorruitverwarming het teken C op
het display verschijnt, kalibreer dan volgens punt 6 hierboven met de elektrische
voorruitverwarming ingeschakeld, zie
Voorruit ontwasemen en ontdooien (p.
126).
03
8. Herhaal de bovenstaande procedure zo
nodig.
Schuifdak*
Openen
Het schuifdak is te bedienen met de knoppen
aan het plafond.
Trek de bedieningsknop naar achteren in de
stand voor automatisch openen en laat de
knop vervolgens los om het schuifdak zo ver
mogelijk open te schuiven.
Het binnenste zonnescherm is handmatig te
sluiten.
Bij het schuifdak hoort een windscherm,
De bedieningsknoppen voor het schuifdak
zitten aan het plafond. Het schuifdak is aan
de achterkant open te kantelen of horizontaal
open te schuiven. Het schuifdak is alleen te
openen in sleutelstand I of II.
Horizontaal openschuiven
U kunt het schuifdak handmatig openen door
de bedieningsknop achteruit naar het weerstandspunt voor handmatig openen te trekken. Het schuifdak schuift steeds verder open
zolang u de knop in deze stand vasthoudt.
Sluiten
U kunt het schuifdak handmatig sluiten door
de bedieningsknop vooruit naar het weerstandspunt voor handmatig sluiten te duwen.
Het schuifdak schuift steeds verder dicht
zolang u de knop in deze stand vasthoudt.
WAARSCHUWING
G017823
Gevaar voor beknelling bij het sluiten van
het schuifdak. De beveiliging tegen overbelasting van het schuifdak werkt alleen bij
automatisch sluiten, niet bij handmatig
sluiten.
Horizontaal openschuiven, achteruit/vooruit.
Openen, automatisch
Openen, handmatig
Sluiten, handmatig
Sluiten, automatisch
102
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Het schuifdak gaat automatisch dicht, wanneer u de knop in de stand voor automatisch
sluiten duwt en vervolgens loslaat.
Wanneer u sleutelstand 0 kiest en de transpondersleutel uit het contactslot neemt,
wordt de spanning van het schuifdak verbroken.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Sluiten met transpondersleutel of knop
voor centrale vergrendeling
WAARSCHUWING
Als er kinderen in de auto aanwezig zijn:
greep vast en schuif het scherm naar voren
om het te sluiten.
Beveiliging tegen overbelasting
Onderbreek altijd de stroom naar het
schuifdak door te kiezen voor sleutelstand
0 en neem vervolgens de transpondersleutel mee uit de auto. Voor informatie over
sleutelstanden, zie Sleutelstanden - functies in verschillende standen (p. 73).
Het schuifdak is voorzien van een beveiliging
tegen overbelasting die wordt geactiveerd,
als het schuifdak door een obstakel wordt
gehinderd. Het schuifdak komt dan tot stilstand en keert vervolgens automatisch terug
naar de laatst gebruikte, geopende stand.
Verticaal openkantelen
03
G028900
G021345
Windscherm
Verticaal openkantelen, achterkant omhoogkantelen.
Kantel het schuifdak open door de achterkant van de knop omhoog te duwen.
Kantel het schuifdak dicht door de achterkant van de knop omlaag te trekken.
Houd de vergrendelingsknop lang ingedrukt
om het schuifdak en alle zijruiten te sluiten,
zie Transpondersleutel - functies (p. 155) en
Vergrendelen/ontgrendelen - van de binnenzijde (p. 170). De portieren en de achterklep
worden vergrendeld. Druk nogmaals op de
vergrendelingsknop om het sluiten te onderbreken.
WAARSCHUWING
Als u het schuifdak met de transpondersleutel sluit, moet u controleren of niemand bekneld raakt.
Bij het schuifdak hoort een windscherm dat
opgeklapt wordt bij een geopend schuifdak.
Zonnescherm
Aan de binnenkant van het schuifdak zit een
handbediend zonnescherm. Het zonnescherm glijdt automatisch naar achteren bij
het openen van het schuifdak. Pak de hand-
103
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Menufuncties - instrumentenpaneel
Met de linker stuurhendel bedient u de
menu’s (p. 104) die op het informatiedisplay
van het instrumentenpaneel (p. 62) verschijnen. Welke menu’s er verschijnen hangt af
van de sleutelstand (p. 73).
Gerelateerde informatie
•
Meldingen - functies (p. 106)
Menu-overzicht - instrumentenpaneel
Welke menu’s er op het informatiedisplay van
het instrumentenpaneel verschijnen hangt af
van de sleutelstand (p. 73).
Voor sommige van de onderstaande menuopties dient de auto te zijn uitgerust met de
bijbehorende functie en software.
Instellingen*
03
Thema's
Contraststand/Kleurstand
Servicestatus
Meldingen18
Oliepeil19
Voorconditionering
Display en bedieningselementen voor menufuncties.
OK – meldingenlijst openen en meldingen
bevestigen.
Duimwiel – menu-opties doorbladeren.
RESET – geactiveerde functie op nul stellen. Wordt in bepaalde gevallen gebruikt
om een functie te selecteren/activeren
(zie de uitleg bij de verschillende functies).
Een eventuele melding, (p. 105) moet u eerst
bevestigen met de knop OK, voordat u de
menu’s kunt bekijken.
104
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Boordcomp reset
Gerelateerde informatie
•
Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht
(p. 63)
•
Menufuncties - instrumentenpaneel (p.
104)
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Meldingen
Wanneer er een waarschuwings-, informatieof controlesymbool oplicht, verschijnt er
tevens een aanvullende melding op het informatiedisplay.
Melding
Betekenis
Stop auto
z.s.m.A
Breng de auto tot stilstand en zet de motor af.
Grote kans op schade –
bezoek een werkplaatsB.
Zet motor
afA
Breng de auto tot stilstand en zet de motor af.
Grote kans op schade –
bezoek een werkplaatsB.
Service
spoedA
Bezoek een werkplaatsB
om de auto onmiddellijk
te laten controleren.
Service vereistA
Bezoek een werkplaatsB
om de auto zo spoedig
mogelijk te laten controleren.
Zie instructieb.A
18
19
Neem het instructieboekje door.
Het aantal meldingen staat tussen haakjes.
Bepaalde motoren.
Melding
Betekenis
Melding
Betekenis
Bespreek tijd
voor onderhoud
Het is tijd om een
afspraak te maken voor
een servicebeurt –
bezoek een werkplaatsB.
Versnellingsbak
Beperkte
werking
Tijd voor
periodiek
onderhoud
Het is tijd voor een servicebeurt – bezoek een
werkplaatsB. Het moment
hangt af van de afgelegde
afstand, het aantal maanden dat sinds de laatste
servicebeurt is verstreken, het aantal draaiuren
van de motor en de
gebruikte oliekwaliteit.
De versnellingsbak werkt
niet op maximale capaciteit. Rijd voorzichtig totdat de melding verdwijntC.
Onderhoudstermijn verstreken
Als u de onderhoudstermijn niet respecteert, vallen beschadigde onderdelen niet langer onder de
garantie – bezoek een
werkplaatsB.
Versnellingsbak Olie verversen
Bezoek een werkplaatsB
om de auto zo spoedig
mogelijk te laten controleren.
Bezoek bij herhaaldelijke
verschijning een werkplaatsB.
Versnellingsbak heet Rijd
langzamer
Rijd voorzichtiger of
breng de auto zo spoedig
mogelijk tot stilstand. Zet
de versnellingsbak in de
neutraal en laat de motor
stationair draaien totdat
de melding verdwijntC.
Versnellingsbak heet
Stop auto
z.s.m. Wachten op
afkoelen
Kritieke storing. Breng de
auto zo spoedig mogelijk
tot stilstand en bezoek
een werkplaatsB.
03
}}
105
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
Melding
Betekenis
Tijdelijk uitgeschakeldA
De bijbehorende functie is
tijdelijk uitgeschakeld en
wordt na enige tijd rijden
of de volgende keer dat u
de motor start automatisch opnieuw ingeschakeld.
03
Accuspanning laag
Spaarstand
A
B
C
Het audiosysteem is uitgeschakeld om stroom te
besparen. Laad de accu
bij.
Deel van een melding, verschijnt samen met gegevens
over de locatie van de storing.
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Voor informatie over de automatische versnellingsbak, zie
Automatische versnellingsbak - Geartronic (p. 268).
Meldingen - functies
MY CAR
Met de linker stuurhendel kunt u door de meldingen (p. 105) bladeren die op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel verschijnen en deze bevestigen.
MY CAR is een menugroep voor hantering
van tal van autofuncties, zoals City Safety,
sloten en alarm, automatische ventilatorsnelheid, klokinstelling e.d.
Wanneer er een waarschuwings-, informatieof controlesymbool oplicht, verschijnt er
tevens een aanvullende melding op het display. Foutmeldingen blijven in het geheugen
opgeslagen, totdat de onderliggende storing
is verholpen.
Sommige functies behoren tot de standaarduitrusting, andere zijn zogeheten opties – het
aanbod verschilt per markt.
Druk OK op de linker stuurhendel in om een
melding te bevestigen. Gebruik het duimwiel
(p. 104) om door de meldingen te bladeren.
N.B.
Als er een waarschuwingsmelding verschijnt als de boordcomputer wordt
gebruikt, moet de melding worden gelezen
(druk op OK) voordat de eerdere activiteit
kan worden hervat.
Gerelateerde informatie
•
•
Meldingen - functies (p. 106)
Menufuncties - instrumentenpaneel (p.
104)
Gerelateerde informatie
•
106
Menu-overzicht - instrumentenpaneel (p.
104)
Bediening
Navigatie in deze menu’s vindt plaats met
knoppen op de middenconsole of met de
rechter stuurtoetsen.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
kiezen/aan te vinken of de gekozen functie in het geheugen op te slaan.
TUNE - aan de draaiknop op de middenconsole of het duimwiel op het stuurwiel
draaien om een stap omhoog/omlaag te
gaan door de menu-opties.
EXIT
EXIT-functies
Afhankelijk van de functie waarop de aanwijzer staat op het moment van het indrukken
van EXIT en het menuniveau, kan het volgende gebeuren:
•
•
•
•
•
telefoongesprek wordt afgewezen
Boordcomputer
De boordcomputer van de auto kan tijdens
het rijden informatie registreren, berekenen en
tonen.
•
actuele functie wordt afgebroken
OK/MENU - knop op de middenconsole
indrukken of het duimwiel op het stuurwiel om de gemarkeerde menu-optie te
Als er een waarschuwingsmelding verschijnt tijdens het gebruik van de boordcomputer, dient u deze melding eerst te
bevestigen voordat u de boordcomputer
weer kunt activeren.
laatst ingevoerde keuzes worden geannuleerd
u beweegt omhoog in het menusysteem.
•
Bevestig deze melding door de knop
OK op de richtingaanwijzerhendel kort
in te drukken.
Bij lang indrukken springt u naar het hoogste
menuniveau (hoofdbronweergave), van waaruit u alle functies/menugroepen van de auto
kunt bereiken.
Groepsmenu’s
Menu-opties en zoekpaden
De boordcomputer heeft twee verschillende
groepsmenu’s:
Voor een beschrijving van de menu-opties en
zoekpaden in MY CAR, zie het supplement
Sensus Infotainment.
03
N.B.
ingevoerde tekens worden gewist
Kort en lang indrukken kunnen verschillende
resultaten opleveren.
MY CAR - opent het menusysteem MY
CAR.
Boordcomputer - inhoud (p. 109)
Na de automatische activering van het instrumentenpaneel bij ontgrendeling zijn bediening
en instelling meteen mogelijk. Als u na het
openen van het bestuurdersportier niet binnen ca. 30 seconden op een van de boordcomputerknoppen drukt, dooft het instrument, waarna om opnieuw de boordcomputer
te kunnen bedienen eerst sleutelstand II (p.
73) of motorstart vereist is.
•
•
Functies
Rubriek op instrumentenpaneel
107
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
De functies of alternatieve rubrieken van de
boordcomputer volgen elkaar op in elk hun
eigen lus (loop).
Gerelateerde informatie
•
•
Boordcomputer - rijstatistiek* (p. 113)
Boordcomputer - aanvullende informatie
(p. 112)
03
108
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Boordcomputer - instrumentenpaneel
"Digital"
De boordcomputer van de auto kan tijdens
het rijden informatie registreren, berekenen en
tonen.
De menu’s van de boordcomputer volgens
elkaar op in een eindeloze lus. Een van opties
bestaat erin dat alle drie de boordcomputerdisplays doven – dit geeft tevens het begin/
eind van de lus aan.
Functies
Doe het volgende om functies te openen en
regelen/aanpassen:
1. Om er zeker van dat geen van de bedieningselementen zich midden in een procedure bevindt, moet u ze eerst ‘resetten’
met 2 keer drukken op RESET.
2. Druk op OK - de lus met de verschillende
functies wordt geopend.
03
3. Blader de functies door met het duimwiel
en kies/bevestig uw keuze met OK.
4. Sluit na de regeling/aanpassing af door 2
keer op RESET te drukken.
De volgende tabel geeft een overzicht van de
verschillende boordcomputerfuncties:
Informatiedisplays en bedieningselementen
stuurhendel.
OK - Lus met de boordcomputerfuncties
starten en gemarkeerde optie activeren.
Duimwiel - Lus met de boordcomputerfuncties starten en opties doorbladeren.
RESET - Gekozen functie annuleren,
resetten of verlaten.
}}
109
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
Functies
Informatie
Boordcomp reset
N.B. Bij deze functie worden de beide dagtellers T1 en T2 niet op nul gesteld - zie de tabel in
het volgende gedeelte ‘Rubrieken’ of het gedeelte ‘Op nul stellen’ (p. 112) voor informatie
hierover.
•
•
03
Gemiddeld
Gemiddelde snelheid
Meldingen
Voor meer informatie, zie Meldingen - functies (p. 106).
Thema's
Hier kiest u het uiterlijk van het instrumentenpaneel (p. 62).
Instellingen*
Selecteer Aut Aan of Uit.
Voor meer informatie, zie Algemene informatie over verwarmingen (p. 138).
Contraststand/Kleurstand
Lichtsterkte en kleurtemperatuur van het instrumentenpaneel instellen.
Voorconditionering
Voor een beschrijving van het programmeren van de timer, zie Timers - instellen (p. 134).
• Directe start
• - Symbool Timer 1 - voert naar het menu
voor selectie van het tijdstip.
•
A
110
- Symbool Timer 2 - voert naar het menu
voor selectie van het tijdstip.
Servicestatus
Geef het resterend aantal maanden en het aantal kilometers tot de eerstvolgende servicebeurt aan.
OliepeilA
Voor meer informatie, zie Motorolie - controleren en bijvullen (p. 341).
Bepaalde motoren.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Rubrieken
Er kunnen drie boordcomputerrubrieken tegelijk worden weergegeven: één op elk van drie
‘vensters’ (zie voorgaande afbeelding).
U kunt een van de rubriekcombinaties in de
volgende tabel uitkiezen voor constante
weergave op het instrumentenpaneel. Doe
het volgende om een keuze te maken:
1. Om er zeker van dat geen van de bedieningselementen zich midden in een procedure bevindt, moet u ze eerst ‘resetten’
met 2 keer drukken op RESET.
Rubriekcombinaties
3. Stop met bladeren bij de rubriekcombinatie van uw keuze.
Informatie
03
Ladingstoestand batterij
Dagteller T1 + Kilometerstand
Actieradius op accu
•
RESET lang indrukken om dagteller T1 op nul te stellen.
Gemiddeld
Dagteller T1 + Kilometerstand
Gemiddelde snelheid
•
RESET lang indrukken om dagteller T1 op nul te stellen.
Huidig verbruik
Dagteller T2 + Kilometerstand
Actieradius op tank
•
RESET lang indrukken om dagteller T2 op nul te stellen.
Huidig verbruik
Kilometerstand
kmh<>mph
Geen boordcomputerinformatie.
Tijdens het rijden kunt u op ieder gewenst
moment een andere rubriekcombinatie voor
de boordcomputer op het instrumentenpaneel kiezen: Ga als volgt te werk:
–
2. Draai aan het duimwiel - de te kiezen
rubriekcombinaties worden in een lus
weergegeven.
Draai aan het duimwiel - stop met bladeren bij de rubriek van uw keuze.
kmh<>mph - zie het gedeelte ‘Digitale snelheidsaanduiding’ (p.
112).
Bij deze optie doven alle drie de boordcomputerdisplays - dit
geeft tevens het ‘begin’/‘einde’ aan van de lus.
Gerelateerde informatie
•
Boordcomputer - aanvullende informatie
(p. 112)
•
Boordcomputer - rijstatistiek* (p. 113)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
111
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Boordcomputer - aanvullende
informatie
De boordcomputer van de auto kan tijdens
het rijden informatie registreren, berekenen en
tonen. Hier volgt aanvullende informatie over
enkele functies.
Gemiddeld
03
Het gemiddelde brandstofverbruik sinds de
laatste maal dat de waarde op nul gesteld
werd.
N.B.
Er kunnen onjuiste waarden verschijnen
als er een verwarming op brandstof* is
gebruikt.
Gemiddelde snelheid
De gemiddelde snelheid voor de afgelegde
afstand sinds de laatste nulstelling van de
waarde.
Huidig verbruik
De waarde voor het huidige verbruik wordt
voortdurend (ongeveer eenmaal per seconde)
bijgewerkt. Op lage snelheden wordt het verbruik weergegeven per eenheid van tijd – op
hoge snelheden verschijnt het verbruik per
eenheid van lengte.
U kunt verschillende eenheden (km/miles) kiezen voor de aanduiding – zie het onderdeel
‘Eenheid wijzigen’ (p. 112).
112
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Bereik - actieradius op tank
De boordcomputer geeft de afstand aan die
bij benadering kan worden afgelegd met de
resterende hoeveelheid brandstof in de tank.
Wanneer de melding Afst. tot leeg ‘----’ verschijnt, zijn geen garanties meer te geven
voor de resterende actieradius.
–
Tank dan zo spoedig mogelijk.
De actieradius wordt berekend aan de hand
van het gemiddelde brandstofverbruik over
de laatste 30 km en de resterende hoeveelheid brandstof.
N.B.
Er kunnen onjuiste waarden verschijnen,
als u van rijstijl bent veranderd.
Een zuinige rijstijl betekent doorgaans een
langere actieradius. Voor meer informatie
over hoe u het brandstofverbruik kunt beïnvloeden, zie Milieubeleid van Volvo Car Corporation (p. 19).
Actieradius op accu
Wanneer ‘---- km actieradius’ op het dis-
play staat, zijn geen garanties meer te geven
voor de resterende actieradius. Het display
geeft de afstand aan die bij benadering kan
worden afgelegd met de resterende hoeveelheid energie in de hybride-accu.
De berekende waarde is gebaseerd op het
gemiddelde verbruik bij een normaal beladen
auto, tijdens een normale rit en wanneer er
niet te veel elektrische verbruikers (audiosysteem, airco, stoelverwarming e.d.) tegelijk
worden gebruikt.
N.B.
Er kunnen onjuiste waarden verschijnen,
als u van rijstijl bent veranderd.
Een zuinige rijstijl betekent doorgaans een
langere actieradius. Voor meer informatie
over hoe u het energieverbruik kunt beïnvloeden, zie Milieubeleid van Volvo Car Corporation (p. 19).
Actieradius bij elektrische aandrijving
Voor een zo groot mogelijke actieradius bij
elektrische aandrijving moet u het stroomverbruik zo laag mogelijk houden. Hoe meer verbruikers (stereo, elektrische verwarming ruiten/spiegels, stoelen, sterke koeling door klimaatregeling e.d.) er zijn ingeschakeld, hoe
korter de actieradius.
N.B.
Naast een hoog stroomverbruik in het interieur kunnen ook snelle acceleraties en
remmanoeuvres, hoge snelheden, zware
ladingen, geringe buitentemperaturen en
oplopende hellingen de actieradius beperken.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Digitale snelheidsaanduiding
De snelheid wordt weergegeven in de eenheid (km/h / mph) die niet op het hoofdinstrument wordt gebruikt. Gebruik het hoofdinstrument mph als eenheid, dan wordt de snelheid
in km/h weergegeven op de boordcomputer
en omgekeerd.
Op nul stellen
Dagtellers:
N.B.
Een wijziging van deze eenheden is niet
alleen van toepassing op de boordcomputer maar ook op Volvo’s RTI-navigatiesysteem*.
Boordcomputer - rijstatistiek*
Er wordt informatie vastgelegd over het
gemiddelde brandstofverbruik en de gemiddelde snelheid tijdens eerdere ritten. Deze
informatie is weer te geven op het beeldscherm in de vorm van een staafdiagram.
Gerelateerde informatie
•
Boordcomputer - rijstatistiek* (p. 113)
03
1. Draai met het duimwiel naar de rubriekcombinatie die de op nul te stellen dagteller bevat.
2. RESET lang indrukken - gekozen dagteller wordt op nul gesteld.
Gemiddelde snelheid & Brandstofverbruik:
1. Kies de functie Boordcomp reset en
activeer deze met OK.
2. Kies een van de volgende opties met het
duimwiel en activeer deze met OK:
•
•
•
l/100 km
km/h
Allebei resetten
3. Sluit af met RESET.
Eenheid wijzigen
U kunt van eenheid veranderen voor weergave van de afstand en snelheid (km/miles) in
het menusysteem My Car, zie MY CAR (p.
106).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
113
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
Functie
Bediening
In het menusysteem MY CAR kunt u uiteenlopende instellingen verrichten. Voor een
beschrijving van het menusysteem, zie MY
CAR (p. 106)
• Nieuwe rit starten – met ENTER wist u
alle eerdere statistieken. Verlaat het menu
met EXIT.
• Elke rijcyclus resetten – vink het vakje
03
met ENTER aan en verlaat het menu met
EXIT.
Rijstatistiek20.
Het brandstofverbruik en stroomverbruik worden elk afzonderlijk weergegeven. Het
getoonde stroomverbruik is het nettoverbruik,
d.w.z. de afgenomen stroom verminderd met
de teruggewonnen energie tijdens het remmen.
Afhankelijk van de gekozen schaalverdeling
symboliseert elke staaf een afgelegde afstand
van 1 km of 10 km – de staaf helemaal rechts
geeft de actuele waarde aan voor een afstand
van 1 of 10 km.
Met de knop TUNE kunt u voor elke staaf van
schaal wisselen tussen 1 km en 10 km – de
aanwijzer rechts wisselt afhankelijk van de
gekozen schaal tussen een positie bovenaan
of onderaan.
20
114
Met de optie ‘Elke rijcyclus resetten’ aangevinkt, worden alle statistieken automatisch
gewist als de auto na afloop van de rit 4 uur
stilgestaan heeft. De volgende keer dat u de
motor start begint de rijstatistiek weer vanaf
nul.
Als u een nieuwe rijcyclus start voordat de
4 uur zijn verstreken, moet u de actuele
periode eerst handmatig wissen via de optie
‘Nieuwe rit starten’.
Zie ook de informatie over Eco guide (p. 67).
Gerelateerde informatie
•
Boordcomputer - aanvullende informatie
(p. 112)
De afbeelding is schematisch – afhankelijk van de softwareversie en het model zijn afwijkingen mogelijk.
KLIMAAT
04 Klimaat
Algemene informatie over de
klimaatregeling
De auto is voorzien van elektronische klimaatregeling (p. 122). De klimaatregeling zorgt
ervoor dat de lucht in het interieur gekoeld,
verwarmd of van vocht ontdaan wordt.
Bij inschakeling van de klimaatregeling wordt
geadviseerd de blaasmonden op het dashboard helemaal open te zetten voor optimale
klimaatregeling.
04
Als de koelvloeistof van de motor niet warm
genoeg is, wordt in eerste instantie de verwarming op stroom gebruikt. Bij koud weer
slaat mogelijk ook de verwarming op brandstof aan.
Tijdens het rijden worden de motorverwarming en de verwarming op stroom of brandstof gebruikt als verwarmingsbron. Welke verwarmingsbron(nen) er precies gebruikt worden in de verschillende rijstanden hangt af
van de omstandigheden zoals de omgevingstemperatuur.
Tijdens het rijden start de auto automatisch
de systemen die nodig zijn om het interieurcomfort op peil te houden (behalve in de rijstand (p. 262) PURE, waarin het interieurcomfort ondergeschikt is en bijvoorbeeld de AC
en bepaalde elektrische apparaten niet worden gestart).
Met de preconditioning (p. 130) kunt u het
interieurklimaat van de auto regelen (conditio-
116
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
wordt uitgeschakeld. Er kan dan een tijdelijke temperatuurstijging optreden.
neren) voordat u wegrijdt, zowel bij warm als
koud weer.
N.B.
Airconditioning (AC) (p. 125) uitschakelen,
maar voor optimaal klimaatcomfort in de
passagiersruimte en om te voorkomen dat
de ruiten beslaan dient u de airconditioning altijd te laten aanstaan.
Waar u op moet letten
•
Voor optimale werking van de airconditioning moet u de zijruiten en een schuifdak*
gesloten houden.
•
Bij warm weer kunt u de doorluchtfunctie
(p. 171) gebruiken om alle zijruiten tegelijk korte tijd te openen en weer te sluiten
en op die manier snel voor frisse lucht in
de auto te zorgen.
•
Veeg sneeuw en ijs van de luchtinlaat
voor de klimaatregeling (de opening tussen de motorkap en de voorruit).
•
Bij stationair draaien, preconditioning of
oplading van de hybride-accu, (p. 298) in
warme weersomstandigheden kan er ter
hoogte van de airconditioning een plasje
water onder de auto ontstaan. Dit is volkomen normaal.
•
Wanneer de motor het maximale vermogen nodigt heeft (bijvoorbeeld als u
volgas optrekt of met een aanhanger achter de auto een helling oprijdt), is het
mogelijk dat de airconditioning tijdelijk
•
Maak in eerste instantie gebruik van de
ontwasemingsfunctie (p. 126) om condens van de binnenkant van de ruiten te
verwijderen. Houd de binnenzijde van de
ruiten schoon om het risico te beperken
dat ze beslaan.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Werkelijke temperatuur (p. 117)
Menu-instellingen - klimaat (p. 120)
Elektronische klimaatregeling, ECC (p.
122)
Luchtverdeling passagiersruimte (p. 120)
Luchtreiniging (p. 117)
04 Klimaat
Werkelijke temperatuur
Sensoren - klimaat
Luchtreiniging
De ingestelde interieurtemperatuur komt overeen met de gevoelstemperatuur op basis van
de heersende omstandigheden in en rond de
auto wat de luchtsnelheid, de luchtvochtigheidsgraad, de ingestraalde warmte enz.
betreft.
De klimaatregeling beschikt over enkele sensoren om de temperatuur (p. 117) in de auto
te regelen.
Het interieur werd dusdanig vormgegeven dat
het gerieflijk en comfortabel is – ook voor
mensen met contactallergieën of astma.
•
•
•
•
Het systeem beschikt over een zonnesensor
(p. 117) die de stand van de zon registreert.
Daardoor kan de temperatuur van de lucht uit
de blaasmonden links en rechts afwijken,
ondanks dat de temperatuurknoppen voor de
beide zijden in dezelfde stand staan.
•
De interieurtemperatuursensor zit onder
het bedieningspaneel van de klimaatregeling.
•
De buitentemperatuursensor zit in de buitenspiegel.
•
De vochtsensor* zit bij de achteruitkijkspiegel.
Gerelateerde informatie
•
•
De zonnesensor zit boven op het dashboard.
•
Interieurfilter (p. 118)
Materiaal in de passagiersruimte (p. 119)
Clean Zone Interior Package (CZIP) (p.
118)*
Interior Air Quality System (IAQS) (p.
119)*
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 116)
04
N.B.
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 116)
Bedek of blokkeer de sensoren niet met
kledingstukken of andere voorwerpen.
Temperatuurregeling passagiersruimte (p.
125)
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 116)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
117
04 Klimaat
Luchtreiniging - interieurfilter
Alle lucht die de passagiersruimte binnenkomt
wordt gereinigd door een filter.
Vervang het filter regelmatig. Raadpleeg het
Serviceprogramma van Volvo voor het aanbevolen vervangingsinterval. In zeer sterk verontreinigde gebieden moet u het filter mogelijk vaker vervangen.
Luchtreiniging - Clean Zone Interior
Package (CZIP)*
CZIP bestaat uit een aantal aanpassingen
zodat er minder stoffen in het interieur verwerkt zijn die aanleiding kunnen geven tot
allergieën en/of astma.
Het volgende is inbegrepen:
•
N.B.
Er zijn verschillende soorten interieurfilters.
Let erop dat het juiste filter wordt gemonteerd.
04
Gerelateerde informatie
•
118
Luchtreiniging (p. 117)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
N.B.
Om aan de CZIP-norm te blijven voldoen
dient het IAQS-luchtfilter bij auto’s met
CZIP om de 15.000 km of ten minste eenmaal per jaar te worden vervangen (afhankelijk van wat het eerst wordt bereikt).
Echter, maximaal 75.000 km per 5 jaar. Bij
auto’s zonder CZIP en in die gevallen dat
de klant niet langer eist dat aan de CZIPnorm wordt voldaan, kan het IAQS-filter
met de reguliere intervallen worden vervangen.
•
Een geavanceerde ventilatorfunctie die
inhoudt dat de ventilator aanslaat wanneer de auto via de transpondersleutel
wordt ontgrendeld. De ventilator vult het
interieur op die manier met verse lucht.
De functie start als dat nodig is en stopt
na bij het openen van een van de portieren. Bij inactiviteit wordt de functie na
enige tijd automatisch beëindigd.
Het Interior Air Quality System IAQS (p.
119) is een volautomatisch systeem dat
de lucht in de passagiersruimte ontdoet
van verontreinigingen in de vorm van
stofdeeltjes, koolwaterstoffen, stikstofoxiden en laaghangend ozon.
Zie voor meer informatie over CZIP de brochure die u bij aankoop hebt ontvangen.
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 116)
•
Luchtreiniging (p. 117)
04 Klimaat
Luchtreiniging - IAQS*
Het Interior Air Quality System (IAQS) ontdoet
de binnenkomende lucht van gassen en stofdeeltjes om zo hinderlijke geurtjes en verontreinigingen in de passagiersruimte te beperken.
Als de Air Quality Sensor een verhoogde concentratie van verontreinigingen in de buitenlucht meet, wordt de luchtinlaat afgesloten
waarna de lucht in de passagiersruimte wordt
gerecirculeerd.
Het is mogelijk het systeem te activeren/
deactiveren in het menusysteem MY CAR.
Voor een beschrijving van het menusysteem,
zie MY CAR (p. 106).
•
Luchtreiniging - Clean Zone Interior Package (CZIP)* (p. 118)
Luchtreiniging - materiaal
De gebruikte materialen zijn erop geselecteerd de hoeveelheid stof in de passagiersruimte te beperken, zodat de passagiersruimte gemakkelijker schoon te houden is.
De vloerbekleding in zowel de passagiersruimte als de bagageruimte zijn eenvoudig te
verwijderen en schoon te maken. Gebruik de
door Volvo geadviseerde schoonmaakmiddelen en autoverzorgingsproducten voor het reinigen van het interieur (p. 377).
Gerelateerde informatie
•
Luchtreiniging (p. 117)
04
N.B.
Voor de beste lucht in het interieur moet
de luchtkwaliteitssensor altijd zijn ingeschakeld.
In een koud klimaat is de recirculatie
beperkt om het beslaan van de ruiten te
voorkomen.
Als de ruiten beslaan, moet de luchtkwaliteitssensor worden uitgeschakeld en moet
de ontwaseming voor voorruit, achterruit
en zijruiten worden ingeschakeld.
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 116)
•
Luchtreiniging (p. 117)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
119
04 Klimaat
04
Menu-instellingen - klimaat
Luchtverdeling passagiersruimte
Via de middenconsole is het mogelijk de
basisinstellingen voor zes van de klimaatregelingsfuncties te activeren/deactiveren of wijzigen.
De binnenkomende lucht wordt verdeeld over
uiteenlopende blaasmonden verspreid over
het interieur.
•
Ventilatorstand bij automatische klimaatregeling (p. 124).
•
•
Recirculatietimer (p. 126).
•
•
•
Automatische achterruitverwarming (p.
99).
Interior Air Quality System (p. 119)*.
Automatische verwarming bestuurdersstoel (p. 123).
Open
Automatische stuurverwarming (p. 81).
Dicht
Er staat meer informatie in de beschrijving
van het menusysteem (p. 106).
De basisinstellingen voor de klimaatregelingsfuncties zijn te herstellen via het menusysteem MY CAR. Voor een beschrijving van het
menusysteem, zie MY CAR (p. 106).
Gerelateerde informatie
•
120
Blaasmonden in dashboard
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 116)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
In de stand AUTO vindt de luchtverdeling
geheel automatisch plaats.
De luchtverdeling valt zo nodig handmatig bij
te regelen, zie luchtverdelingstabel (p. 128).
Luchtstroom naar links of rechts
Luchtstroom omhoog of omlaag
Richt de buitenste blaasmonden op de voorste zijruiten om deze te ontwasemen.
04 Klimaat
Blaasmonden in portierstijlen
Luchtverdeling
Dicht
Luchtverdeling - ontwaseming voorruit
Open
Luchtverdeling - blaasmond dashboard
Luchtstroom naar links of rechts
Luchtverdeling - ventilatie vloer
Luchtstroom omhoog of omlaag
Richt de blaasmonden bij koud weer op de
achterste zijruiten om deze te ontwasemen.
Richt de blaasmonden, bij warm weer, naar
binnen toe voor een behaaglijke temperatuur
achter in de auto.
N.B.
Let erop dat kleine kinderen gevoelig kunnen zijn voor luchtstromen en tocht.
De gestileerde menselijke gedaante op de
nevenstaande afbeelding bestaat uit drie
knoppen. Bij bediening van de knoppen gaat
op het display het desbetreffende gedeelte
van de gestiliseerde menselijke gedaante (zie
volgende afbeelding) branden samen met een
pijl vóór dit gedeelte om aan te geven welke
luchtverdelingsstand er gekozen is. Voor
meer informatie, zie de luchtverdelingstabel
(p. 128).
Het display van de middenconsole geeft de
gekozen luchtverdelingsstand aan.
04
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 116)
•
•
Automatische regeling (p. 124)
Luchtverdeling - recirculatie (p. 126)
121
04 Klimaat
Elektronische klimaatregeling, ECC
ECC (Electronic Climate Control) handhaaft
de temperatuur die in het interieur wordt
gekozen en kan voor de bestuurders- en passagierszijde apart worden ingesteld.
04
Temperatuurregeling (p. 125), links
Elektrisch verwarmde voorstoel (p. 123),
linkerkant
Temperatuurregeling (p. 125), rechts
Max. ontwaseming (p. 126)
Recirculatie (p. 126)
Ventilator (p. 124)
AUTO - Automatische klimaatregeling (p.
124)
Luchtverdeling (p. 120) - ventilatie vloer
Luchtverdeling - blaasmond dashboard
Luchtverdeling - ontwaseming voorruit
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming (p. 99)
122
Elektrisch verwarmde voorstoel (p. 123),
rechterkant
AC - Airconditioning aan/uit (p. 125)
Met de autofunctie worden temperatuur, airconditioning, ventilatorsnelheid, recirculatie
en luchtverdeling automatisch geregeld.
04 Klimaat
Elektrisch verwarmde voorstoelen*
•
De verwarming van de voorstoelen heeft drie
standen om het zitcomfort voor bestuurder en
voorpassagier bij kou te verhogen.
Laagste verwarmingsstand - er brandt
één oranje veld op het beeldscherm.
•
Verwarming uitschakelen - geen van de
velden brandt.
WAARSCHUWING
Elektrisch verwarmde achterbank*
De verwarming voor de buitenste plaatsen
van de achterbank1 heeft drie standen om het
comfort voor passagiers te verhogen als het
koud is.
Een elektrisch verwarmde stoel mag niet
worden gebruikt door personen die niet
goed kunnen voelen dat de temperatuur
toeneemt of die om een andere reden
moeilijkheden hebben om de elektrisch
verwarmde stoel te bedienen. Er kunnen
dan namelijk brandwonden ontstaan.
04
Automatische
bestuurdersstoelverwarming
Het display van de middenconsole geeft het
actuele verwarmingsniveau aan.
Bij activering van de automatische bestuurdersstoelverwarming wordt de bestuurdersstoel na het starten van de motor automatisch maximaal verwarmd.
Bij een omgevingstemperatuur onder
zo’n +7 °C en een koude auto vindt automatische inschakeling plaats.
Druk herhaalde malen op de knop voor het
volgende:
•
•
Hoogste verwarmingsstand - er branden
drie oranje velden op het beeldscherm
van de middenconsole (zie bovenstaande
afbeelding).
Lagere verwarmingsstand - er branden
twee oranje velden op het beeldscherm.
Het is mogelijk het systeem te activeren/
deactiveren in het menusysteem MY CAR.
Voor een beschrijving van het menusysteem,
zie MY CAR (p. 106).
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 116)
•
Elektrisch verwarmde achterbank* (p.
123)
De lampjes in de drukknoppen geven het actuele
verwarmingsniveau aan.
Druk herhaalde malen op de knop voor het
volgende:
•
Hoogste verwarmingsstand - er branden
drie lampjes.
•
Lagere verwarmingsstand - er branden
twee lampjes.
•
Laagste verwarmingsstand - er brandt
één lampje.
•
Verwarming uitschakelen - geen van de
lampjes brandt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
123
04 Klimaat
||
WAARSCHUWING
Een elektrisch verwarmde stoel mag niet
worden gebruikt door personen die niet
goed kunnen voelen dat de temperatuur
toeneemt of die om een andere reden
moeilijkheden hebben om de elektrisch
verwarmde stoel te bedienen. Er kunnen
dan namelijk brandwonden ontstaan.
Gerelateerde informatie
04
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 116)
•
Elektrisch verwarmde voorstoelen* (p.
123)
Ventilator
Automatische regeling
Houd de ventilator altijd geactiveerd om te
voorkomen dat de ruiten beslaan.
De autofunctie regelt automatisch temperatuur (p. 125), airconditioning (p. 125), ventilatorsnelheid (p. 124), recirculatie (p. 126) en
luchtverdeling (p. 120).
N.B.
Als de ventilator volledig uitgeschakeld is,
start de airconditioning niet – wat kans op
beslagen ruiten kan geven.
Ventilatorknop
Draai aan de knop om de
ventilatorsnelheid te verhogen of te verlagen. Als AUTO
wordt gekozen, wordt de
ventilatorsnelheid automatisch (p. 124) geregeld. De
eerder ingestelde ventilatorsnelheid wordt gedeactiveerd.
Gerelateerde informatie
1
124
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 116)
•
Elektronische klimaatregeling, ECC (p.
122)
De elektrisch verwarmde achterbank vervalt als u kiest voor de geïntegreerde zittingverhoger met twee standen (p. 47).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Als u een of meer handmatige functies selecteert, worden de overige functies nog
steeds automatisch geregeld. Alle handmatige instellingen worden uitgeschakeld,
wanneer u op de knop AUTO
drukt. Op het display verschijnt AUTOKLIMAAT.
U kunt de ventilatorsnelheid in de automatische stand instellen in het menusysteem MY
CAR. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie MY CAR (p. 106).
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 116)
04 Klimaat
Temperatuurregeling
passagiersruimte
Bij het starten van de motor wordt de laatst
verrichte temperatuurinstelling hervat.
N.B.
Het is niet mogelijk om het opwarmen/
afkoelen te versnellen door een hogere/
lagere temperatuur te kiezen dan die
eigenlijk gewenst is.
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 116)
•
•
Werkelijke temperatuur (p. 117)
Elektronische klimaatregeling, ECC (p.
122)
Airconditioning
De airconditioning koelt en droogt zo nodig
de binnenkomende lucht.
In de rijstand (p. 262) PURE
is AC voorgeprogrammeerd
om niet te starten.
Wanneer het lampje in de
knop AC brandt, wordt de
airconditioning geheel automatisch geregeld.
Wanneer het lampje in de knop AC gedoofd
is, is de airconditioning uitgeschakeld. De
overige functies worden nog steeds automatisch geregeld. Bij activering van de max. ontwaseming (p. 126) wordt automatisch de airconditioning ingeschakeld, zodat de lucht
optimaal gedroogd wordt.
04
De actuele temperatuur voor beide zones staat
aangegeven op het display van de middenconsole.
Met deze knop kunt u de
temperatuur aan de bestuurders- en passagierszijde
onafhankelijk van elkaar
instellen.
125
04 Klimaat
Voorruit ontwasemen en ontdooien
U kunt de maximale ontwaseming gebruiken
om de vooruit en zijruiten snel te ontwasemen
en ontdooien.
Er stroomt lucht naar de ruiten. Het lampje in de ontwasemingsknop brandt, wanneer de functie is ingeschakeld.
04
Bij activering van deze functie vindt bovendien het volgende plaats om de lucht in het
interieur zoveel mogelijk van vocht te ontdoen:
•
de airconditioning wordt automatisch
ingeschakeld
•
de recirculatie en het Interior Air Quality
System worden automatisch uitgeschakeld.
N.B.
De ventilator maakt meer geluid wanneer
de ventilator op maximale snelheid draait.
Bij het uitschakelen van de ontwaseming hervat de klimaatregeling de voorgaande instellingen.
Activering van de ontwaseming in de rijstand
PURE kan ertoe leiden dat de verbrandingsmotor aanslaat en de auto overschakelt op de
rijstand (p. 262) HYBRID.
126
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 116)
Luchtverdeling - recirculatie
Kies voor recirculatie als u vieze luchtjes, uitlaatgassen en dergelijke buiten wilt houden.
Er komt met andere woorden geen lucht van
buiten de auto in, wanneer deze functie actief
is.
Wanneer de recirculatie
actief is, brandt het oranje
lampje in de knop.
BELANGRIJK
Als de lucht in de auto te lang recirculeert,
kan de binnenzijde van de ruiten beslaan.
Timer
Bij een geactiveerde timerfunctie zal de klimaatregeling afhankelijk van de buitentemperatuur na een bepaalde tijd de handmatig
geactiveerde recirculatiestand verlaten. Dit
beperkt de kans op ijs, beslagen ruiten en
een slechte luchtkwaliteit.
Het is mogelijk het systeem te activeren/
deactiveren in het menusysteem MY CAR.
Voor een beschrijving van het menusysteem,
zie MY CAR (p. 106).
04 Klimaat
N.B.
Wanneer u voor maximale ontwaseming
kiest, wordt de recirculatie altijd uitgeschakeld.
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 116)
•
•
Luchtverdeling passagiersruimte (p. 120)
Luchtverdeling - tabel (p. 128)
04
127
04 Klimaat
Luchtverdeling - tabel
Met drie knoppen kiest u de gewenste luchtverdeling (p. 120).
04
128
Luchtverdeling
Toepassing
Lucht naar de ruiten. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de
blaasmonden. De lucht wordt niet gerecirculeerd. De airconditioning is
altijd ingeschakeld.
om snel te ontdooien en te ontwasemen.
Lucht naar de voorruit, via de blaasmond voor ontwaseming, en de zijruiten. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de blaasmonden.
om wasem en ijsvorming bij koud en vochtig weer te
voorkomen (niet te lage ventilatorsnelheid).
Luchtstroom naar de ruiten en uit de blaasmonden van het dashboard.
om een comfortabel klimaat te verkrijgen bij warm en
droog weer.
Luchtstroom op hoofd- en borsthoogte uit de blaasmonden van het
dashboard.
om een efficiënte koeling te verkrijgen bij warm weer.
04 Klimaat
Luchtverdeling
Toepassing
Lucht naar de vloer en de ruiten. Er komt een bepaalde hoeveelheid
lucht uit de blaasmonden in het dashboard.
om een comfortabel klimaat en een goede ontwaseming te verkrijgen bij koud weer.
Lucht naar de vloer en uit de blaasmonden in het dashboard.
bij zonnig weer en matige buitentemperaturen.
04
Lucht naar de vloer. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de
blaasmonden in het dashboard en op de ruiten.
om warme of koude lucht naar de vloer te sturen.
Luchtstroom naar de ruiten, uit de blaasmonden in het dashboard en
naar de vloer.
om koele lucht naar de vloer te sturen of warme
lucht naar de rest van het lichaam bij koud weer of
bij warm en droog weer.
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 116)
•
Luchtverdeling - recirculatie (p. 126)
129
04 Klimaat
Algemeen over preconditioning
N.B.
Met de preconditioning (p. 130) kunt u het
interieurklimaat van de auto regelen (conditioneren) voordat u wegrijdt, zowel bij warm als
koud weer.
Bij preconditioning van de V60 Plug-in Hybrid
kunt u het energieverbruik tijdens het rijden
beperken – wat een grotere actieradius betekent. Maak daarom gebruik van de preconditioning om de accu-energie2 optimaal te kunnen benutten voor het rijden.
N.B.
04
Bij preconditioning van het interieur gaat
het erom de auto te verwarmen tot een
behaaglijke temperatuur te brengen en tot
de op de klimaatregeling ingestelde temperatuur.
Houd de portieren en ruiten van de auto
dicht bij het gebruik van de preconditioning.
Gerelateerde informatie
•
Preconditioning van de auto
Preconditioning van de auto is mogelijk, wanneer de auto is aangesloten op het stroomnet
(p. 298).
•
Bij koud weer verwarmt de verwarming
op brandstof de motor en het interieur –
de verwarming op stroom zorgt alleen
voor interieurverwarming vóór het wegrijden.
•
Bij warm weer zorgt de airconditioning
voor koeling van het interieur.
Preconditioning - instelling (p. 131)
Preconditioning van de auto beperkt de slijtage.
Preconditioning kan aanleiding geven tot condens, zie Algemeen over preconditioning (p.
130).
N.B.
Bij preconditioning worden het interieur, de
ruiten en desgewenst ook de voorstoelen verwarmd.
Bij koeling van het interieur (wanneer de auto
niet op het stroomnet is aangesloten)* wordt
stroom afgenomen van de hybride-accu, wat
een beperking van de actieradius betekent.
2
130
Als de auto wordt gekoeld terwijl deze niet op het stroomnet is aangesloten, neemt de preconditioning stroom af van de hybride-accu.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Voorconditionering is ook mogelijk als de
auto niet is aangesloten op het elektriciteitsnet.*
N.B.
Bij preconditioning van het interieur gaat
het erom de auto te verwarmen tot een
behaaglijke temperatuur te brengen en tot
de op de klimaatregeling ingestelde temperatuur.
04 Klimaat
N.B.
De compressor kan actief zijn en de
hybride-accu koelen, ook als koelen van
het interieur niet is geselecteerd of niet
nodig is. De compressor maakt geluid.
U hebt de keuze uit:
•
•
binnen parkeren
buiten parkeren.
Activering van de preconditioning is als volgt
mogelijk:
•
•
direct (p. 133) via het informatiedisplay,
de transpondersleutel* of een mobiele
app*
via een timer (p. 134).
N.B.
Volvo adviseert u om de preconditioning
via de timerfunctie te activeren en de auto
op het stroomnet aangesloten (p. 131) te
laten zitten.
Gerelateerde informatie
•
Preconditioning - meldingen (p. 136)
Preconditioning - instelling
Preconditioning - binnen parkeren
preconditioning (p. 130) van de auto is mogelijk ongeacht de vraag of deze wel of niet is
aangesloten* op het stroomnet.
Met de keuze Binn. parkeren wordt de verwarming op stroom geactiveerd tijdens preconditioning, zie pagina (p. 130).
U hebt de keuze uit:
Bij activering van de optie Binn.
parkeren wordt de verwarming op
brandstof niet ingeschakeld tijdens
de preconditioning. Deze verwarmingsoptie levert een iets lager vermogen op
dan de optie Buiten park. bij buitentemperaturen lager dan 5 °C.
•
•
Binnen parkeren (p. 131)
Buiten parkeren (p. 132).
Wanneer de auto is aangesloten op het
stroomnet
•
De verwarming/koeling kan tot 50 minuten actief zijn.
Tijdens de preconditioning kan het verwarmen van de stoel en het stuurwiel worden
geactiveerd.
Wanneer de auto niet is aangesloten op
het stroomnet*
•
De verwarming kan tot 50 minuten actief
zijn.
•
Er vindt 2–3 minuten lang koeling plaats.
Gerelateerde informatie
•
Laadstroom (p. 293)
N.B.
04
De auto moet op het stroomnet zijn aangesloten, voordat u de elektrische verwarming kunt activeren.
1. Druk op de knop OK om het menu te
openen.
2. Ga met het duimwiel naar
Voorconditionering en maak een keuze
met OK.
3. Als de instelling Binn. parkeren al verricht is staat het bijbehorende symbool
op het display. Ga in dat geval verder
naar punt 7.
4. Is echter Buiten park. gekozen, dan
wordt het bijbehorende symbool (p. 132)
getoond. Scrol met het duimwiel naar het
symbool en maak een keuze met OK.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
131
04 Klimaat
||
5. Ga in het volgende menu naar Binn.
parkeren en bevestig uw keuze met OK.
6. Ga terug in het menu met RESET.
7. Geef aan of de stoel- en stuurverwarming3 wel of niet moeten worden geactiveerd. Scrol met het duimwiel naar
en maak een keuze met OK.
04
8. Scrol met het duimwiel naar
Bestuurdersstoel of Passagiersstoel
en maak een keuze met de knop OK, als
ze moeten worden geactiveerd4 tijdens
de preconditioning.
9. Verlaat het menu met RESET.
WAARSCHUWING
Gebruik de verwarming op brandstof niet
in binnen in ongeventileerde ruimten. Er
komen uitlaatgassen vrij.
Gerelateerde informatie
•
Preconditioning - instelling (p. 131)
Preconditioning - buiten parkeren
Wanneer u voor Buiten park. kiest, wordt
zowel de verwarming5 op stroom als die op
brandstof geactiveerd tijdens de preconditioning (p. 130).
Wanneer u voor Buiten park. kiest,
is het tijdens de preconditioning
mogelijk dat zowel de verwarming
op stroom als die op brandstof
wordt geactiveerd.
WAARSCHUWING
Gebruik de verwarming op brandstof niet
in binnen in ongeventileerde ruimten. Er
komen uitlaatgassen vrij.
N.B.
De auto kan ook worden gestart en verreden als de verwarming op brandstof actief
is.
1. Druk op de knop OK om het menu te
openen.
2. Ga met het duimwiel naar
Voorconditionering en maak een keuze
met OK.
3
4
5
6
132
Activering van de stoel- en stuurverwarming is alleen mogelijk, wanneer de auto is aangesloten op het stroomnet.
Vink voor activering het vakje aan.
De verwarming op brandstof wordt niet ingeschakeld bij een buitentemperatuur hoger dan 15 °C.
Activering van de stoel- en stuurverwarming is alleen mogelijk, wanneer de auto is aangesloten op het stroomnet.
3. Als de instelling Buiten park. al verricht
is staat het bijbehorende symbool op het
display. Ga in dat geval verder naar punt
7.
4. Is echter Binn. parkeren gekozen, dan
wordt het bijbehorende symbool (p. 131)
getoond. Scrol met het duimwiel naar het
symbool en maak een keuze met OK.
5. Ga in het volgende menu naar Buiten
park. en bevestig uw keuze met OK.
6. Ga terug in het menu met RESET.
7. Geef aan of de stoel- en stuurverwarming6 wel of niet moeten worden geactiveerd. Scrol met het duimwiel naar
en maak een keuze met OK.
8. Scrol met het duimwiel naar
Bestuurdersstoel of Passagiersstoel
en maak een keuze met de knop OK, als
ze moeten worden geactiveerd6 tijdens
de preconditioning.
9. Verlaat het menu met RESET.
Gerelateerde informatie
•
Preconditioning - instelling (p. 131)
04 Klimaat
Preconditioning - direct inschakelen
Directe start via transpondersleutel*
De preconditioning van de auto is direct in te
schakelen.
Directe start is mogelijk via:
•
•
•
het informatiedisplay
een transpondersleutel*
een mobiele telefoon*.
De status van de preconditioning staat ook
op de boordcomputer.
N.B.
Volvo adviseert u om voor directe start van
de preconditioning dit via de transpondersleutel of de mobiele telefoon te doen.
Directe start via informatiedisplay
1. Druk op de knop OK om het menu te
openen.
2. Ga met het duimwiel naar
Voorconditionering en maak een keuze
met OK.
3. Ga in het volgende menu naar Directe
start om de preconditioning te activeren
en bevestig uw keuze met OK.
4. Verlaat het menu met RESET.
indrukt terwijl de
Als u de informatieknop
preconditioning actief is, wordt bij het weergeven van de vergrendelingsstatus (p. 157)
van de auto ook de status van de preconditioning getoond. Gedurende de tijd die nodig
is om de status na te gaan geeft het controlelampje enkele malen een kort knippersignaal.
Het lampje gaat continu branden, als de preconditioning actief is.
Controlesymbool op de PCC*.
De preconditioning is te activeren via de
transpondersleutel:
–
Druk de knop voor de Approach-verlich2 seconden lang in.
ting
De alarmlichten geven de volgende informatie:
•
5 korte lichtsignalen gevolgd door
ca. 3 seconden lang branden - verzoek
tot inschakeling ontvangen en preconditioning geactiveerd.
•
5 korte signalen - de auto heeft een
verzoek tot inschakeling ontvangen
maar de preconditioning is niet geactiveerd.
•
Alarmlichten lichten niet op - de auto
heeft geen verzoek tot inschakeling
ontvangen.
Directe start via mobiele telefoon*
Zie het aparte instructieboekje bij Volvo On
Call* voor informatie over de activering en de
instellingen die vanaf een mobiele telefoon
beschikbaar zijn via Volvo On Call* en hoe dat
in zijn werk gaat.
04
Gerelateerde informatie
•
Preconditioning - direct uitschakelen (p.
134)
•
Menufuncties - instrumentenpaneel (p.
104)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
133
04 Klimaat
Preconditioning - direct uitschakelen
Preconditioning - timers
Timers - instellen
De preconditioning van de auto is direct uit te
schakelen via het informatiedisplay.
De timers van de preconditioning (p. 130) zijn
gekoppeld aan de klok in de auto.
1. Druk op de knop OK om het menu te
openen.
Met de timers geeft u het tijdstip aan dat de
auto op temperatuur moet zijn, omdat u die
wenst te gebruiken.
U kunt twee verschillende uitschakeltijden
instellen met de timerfunctie. Met de uitschakeltijd wordt het tijdstip bedoeld dat de auto
op temperatuur moet zijn, omdat u die wenst
te gebruiken.
2. Ga met het duimwiel naar
Voorconditionering en maak een keuze
met OK.
3. Ga in het volgende menu naar Stop om
de preconditioning te deactiveren en
bevestig uw keuze met OK.
04
U kunt twee verschillende uitschakeltijden
instellen met de timerfunctie (p. 134). De
elektronica van de auto rekent aan de hand
van de buitentemperatuur zelf uit, wanneer de
verwarming moet worden ingeschakeld.
4. Verlaat het menu met RESET.
N.B.
Gerelateerde informatie
•
Preconditioning - direct inschakelen (p.
133)
•
Menufuncties - instrumentenpaneel (p.
104)
Als de klok van de auto wordt verzet,
wordt een eventuele programmering van
de timer gewist.
Gerelateerde informatie
•
•
Timers - starten (p. 135)
Timer - uitschakelen (p. 135)
N.B.
Als de klok van de auto wordt verzet,
wordt een eventuele programmering van
de timer gewist.
1. Druk op de knop OK om het menu te
openen.
2. Ga met het duimwiel (p. 104) naar
Voorconditionering en maak een keuze
met OK.
3. Kies een van de beide timers met het
duimwiel en bevestig uw keuze met OK.
4. Druk kort op OK zodat de uuraanduiding
gaat branden.
5. Stel de gewenste uuraanduiding in met
het duimwiel.
6. Druk kort op OK zodat de minuutaanduiding gaat branden.
7. Stel de gewenste minuutaanduiding in
met het duimwiel.
134
04 Klimaat
8. Druk op OK7 om de instelling te bevestigen.
9. Met RESET gaat u een stap terug binnen
het menusysteem.
10. Kies de andere timer (ga verder vanaf
punt 2) of verlaat het menu met RESET.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Preconditioning - timers (p. 134)
Timers - starten (p. 135)
Timer - uitschakelen (p. 135)
Timers - starten
Timer - uitschakelen
Met de timers geeft u het tijdstip aan dat de
auto op temperatuur moet zijn, omdat u die
wenst te gebruiken.
U kunt de timer, voor de preconditioning,
handmatig uitschakelen.
Na inschakeling van de timers rekent de elektronica van de auto aan de hand van de buitentemperatuur zelf uit, wanneer de verwarming moet worden ingeschakeld.
1. Druk op de knop OK om het menu te
openen.
2. Ga met het duimwiel naar
Voorconditionering en maak een keuze
met OK.
3. Kies een van de beide timers met het
duimwiel en activeer deze met OK.
1. Druk op de knop OK om het menu te
openen.
2. Ga met het duimwiel naar
Voorconditionering en maak een keuze
met OK.
> Als een timer ingesteld is, staat er een
kloksymbool naast de ingestelde tijd.
3. Kies een van de beide timers met het
duimwiel en bevestig uw keuze met OK.
4. Schakel de timer als volgt uit:
•
•
4. Verlaat het menu met RESET.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Preconditioning - timers (p. 134)
kort op OK om verder te gaan in het
menu. Kies daarna voor uitschakeling
van de timer en bevestig uw keuze met
OK.
5. Verlaat het menu met RESET.
Timer - uitschakelen (p. 135)
Een voor de preconditioning geactiveerde
timer is ook uit te schakelen (p. 134) .
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
7
druk lang op OK of
Timers - instellen (p. 134)
Menufuncties - instrumentenpaneel (p.
104)
04
Preconditioning - timers (p. 134)
Timers - starten (p. 135)
Timers - instellen (p. 134)
Menufuncties - instrumentenpaneel (p.
104)
Bij nogmaals indrukken van OK activeert u de timer.
135
04 Klimaat
Preconditioning - meldingen
Symbolen en meldingen met betrekking tot de
preconditioning.
Wanneer de verwarming op brandstof ingeschakeld is, brandt het verwarmingslampje op het informatiedisplay.
Symbool
Wanneer een van de timers geactiveerd is,
brandt het symbool voor een geactiveerde
timer op het display met de ingestelde tijd
ernaast.
Symbool op het display voor een
geactiveerde timer.
In de onderstaande tabel staan de voorkomende symbolen en displaymeldingen.
Display
Betekenis
Autom. verw. AAN
De verwarming op brandstof is ingeschakeld en werkt.
Verwarmingstimer geactiveerd bij uitnemen transpondersleutel en verlaten van de auto – motor
en passagiersruimte warm op ingesteld tijdstip.
04
Brandstofkachel gestopt
Zuinige stand
De verwarming op brandstof werd uitgeschakeld om te zorgen dat er voldoende stroom is om de
motor te starten.
De ladingstoestand van de startaccu is te gering.
136
Brandstofkachel gestopt
Brandstofpeil laag
De verwarming op brandstof is uitgeschakeld.
Brandstofkachel Service
vereist
De verwarming op brandstof werkt niet of slechts in beperkte mate.
Voorconditionering
onderbroken door wijziging voeding
De verwarming op stroom of de airconditioning is uitgeschakeld.
De verwarming kan niet worden ingeschakeld door een te laag brandstofpeil – dit om het mogelijk te maken de motor te starten en nog ca. 50 km te rijden.
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt. Volvo adviseert u daarvoor contact op te
nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
De voeding is verbroken.
04 Klimaat
Symbool
Display
Betekenis
Voorconditionering
gestopt wegens storing
De verwarming op stroom of de airconditioning is uitgeschakeld.
Voorconditionering
gestopt Temperatuur
hybride accu hoog
De verwarming op stroom of de airconditioning is uitgeschakeld.
Een tekstmelding verdwijnt automatisch na
enige tijd. U kunt een melding ook eerder
laten verdwijnen met een druk op de knop
OK van de richtingaanwijzerhendel (p. 104).
Bezoek een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende werkplaats.
De hybride-accu is te warm. Wacht totdat de temperatuur weer normaal is.
04
Gerelateerde informatie
•
•
Preconditioning van de auto (p. 130)
Meldingen - functies (p. 106)
137
04 Klimaat
Algemene informatie over
verwarmingen
De V60 Plug-in Hybrid vergt een grote mate
van verwarming, vooral bij elektrische aandrijving. De auto is daarom uitgerust met een
verwarming op stroom en een verwarming op
brandstof. De verwarmingen zijn nodig om de
motor op de juiste temperatuur te krijgen en
het interieur voldoende te kunnen verwarmen.
•
•
Verwarming op stroom
Verwarming op brandstof
De auto is uitgerust met een verwarming op
stroom en een verwarming op brandstof (p.
138).
De auto is uitgerust met een verwarming op
stroom (p. 138) en op brandstof.
De verwarming is niet handmatig in te schakelen, maar wordt zo nodig automatisch
geactiveerd.
N.B.
Verwarming op stroom (p. 138)
Bij activering van de verwarming op
stroom wordt de laadtijd van de hybrideaccu verlengd. Hoeveel tijd de voorverwarming van de auto vergt hangt voornamelijk
af van de buitentemperatuur.
Verwarming op brandstof (p. 138)
04
Bij koud weer is het mogelijk dat ook de verwarming op brandstof wordt ingeschakeld tijdens de verwarming. De verwarming slaat
automatisch aan, wanneer er extra verwarming nodig is en wordt automatisch uitgeschakeld als de verwarming niet nodig is.
N.B.
Bij gebruik van de verwarming op brandstof komen er mogelijk uitlaatgassen vrij
uit de rechter wielkast, wat volkomen normaal is.
Gerelateerde informatie
•
•
Preconditioning van de auto (p. 130)
Algemene informatie over verwarmingen
(p. 138)
Activeer Binn. parkeren, zie Preconditioning
- binnen parkeren (p. 131), wanneer u wilt
voorkomen dat de verwarming op brandstof
wordt ingeschakeld tijdens de preconditioning. Dit kan echter een langere voorverwarmingstijd inhouden.
Bij een buitentemperatuur hoger dan 15 °C
wordt de verwarming op brandstof niet geactiveerd tijdens het rijden of tijdens de preconditioning. Bij temperaturen van –5 °C of lager
is de maximale bedrijfstijd van de verwarming
tijdens preconditioning 50 minuten.
Bij een te laag brandstofpeil in de tank wordt
inschakeling van de verwarming op brandstof
138
04 Klimaat
wellicht geblokkeerd met onvoldoende verwarming als mogelijk gevolg.
WAARSCHUWING
Gemorste brandstof kan vlam vatten.
Schakel voordat u gaat tanken de verwarming op brandstof uit.
N.B.
Let op dat er bij rijden bij temperaturen
lager dan +15 °C voldoende brandstof in
de gewone brandstoftank van de auto zit.
WAARSCHUWING
Gebruik de verwarming op brandstof niet
in binnen in ongeventileerde ruimten. Er
komen uitlaatgassen vrij.
Tanken
Controleer op het instrumentenpaneel of
de verwarming is uitgeschakeld; wanneer
deze werkt, verschijnt het verwarmingssymbool.
De automatische startprocedure van de verwarming op brandstof kan desgewenst worden geannuleerd.
N.B.
Als de verwarming op brandstof gedeactiveerd wordt, zal de dieselmotor vaker starten om aan de warmtebehoefte in de rijstand PURE of HYBRID te voldoen, d.w.z.
de elektrische aandrijving zal worden
beperkt.
Op een helling parkeren
Wanneer u de auto op een steile helling parkeert, moet u ervoor zorgen dat de voorkant
van de auto omlaagwijst. Zo krijgt de verwarming op brandstof altijd voldoende brandstof.
Startaccu en brandstof
Als de startaccu onvoldoende opgeladen is of
als het brandstofpeil te laag is, wordt de verwarming automatisch uitgeschakeld en verschijnt er een melding op het instrumentenpaneel. Bevestig deze melding door op de
knop OK op de richtingaanwijzerhendel (p.
104) te drukken.
Gerelateerde informatie
Waarschuwingssticker op tankvulklep.
Verwarming op brandstof - AUTOstand/deactiveren
•
•
Preconditioning van de auto (p. 130)
Algemene informatie over verwarmingen
(p. 138)
04
1. Druk op OK, zie Menufuncties - instrumentenpaneel (p. 104), om het menu te
openen.
2. Ga met het duimwiel naar Instellingen en
maak een keuze met OK.
3. Kies een van de opties Autom. verw.
AAN of Autom. verw. UIT met het duimwiel en bevestig uw keuze met OK.
4. Verlaat het menu met RESET.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Preconditioning van de auto (p. 130)
Algemene informatie over verwarmingen
(p. 138)
Verwarming op brandstof (p. 138)
Sleutelstanden - functies in verschillende
standen (p. 73)
139
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
05 Laad- en opbergmogelijkheden
Opbergmogelijkheden
Overzicht van opbergmogelijkheden in passagiersruimte.
05
}}
141
05 Laad- en opbergmogelijkheden
||
Opbergvak in portierpaneel
Opbergzak* aan de voorkant van de voorstoelzittingen
Parkeerkaarthouder
Dashboardkastje (p. 144)
Opbergvak
Kledinghaak (p. 143)
Opbergvakken, bekerhouder (p. 143)
Bekerhouder* in armsteun, achterbank
Opbergvak
05
142
WAARSCHUWING
Bewaar losse voorwerpen, zoals een
mobiele telefoon, camera, afstandsbediening voor extra uitrusting e.d., in het dashboardkastje of andere opbergruimten. Bij
krachtig afremmen of een botsing kunnen
deze anders inzittenden verwonden.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
05 Laad- en opbergmogelijkheden
Kledinghaak
Middenconsole
Middenconsole - aansteker en asbak*
De kledinghaak zit links op de hoofdsteun van
de passagiersstoel.
De middenconsole zit tussen de voorstoelen.
In bekerhouder onder de middenarmsteun zit
een uitneembare asbak. De aansteker zit in de
12V-aansluiting (p. 145) voor de voorpassagiers.
De kledinghaak is alleen bestemd voor niet al
te zware kledingstukken.
De asbak in de middenconsole (p. 143) is te
verwijderen door deze recht omhoog te tillen.
Gerelateerde informatie
•
Opbergmogelijkheden (p. 141)
U activeert de aansteker door de knop in te
drukken. Wanneer de aansteker heet genoeg
is, veert de knop automatisch uit. Haal de
aansteker uit de opening en gebruik het roodgloeiende deel om bijvoorbeeld een sigaret
mee aan te steken.
Opbergvak (voor bijvoorbeeld cd’s) en
USB*/AUX-ingang onder de armsteun.
Gerelateerde informatie
•
Opbergmogelijkheden (p. 141)
05
Bevat een bekerhouder voor de bestuurder en een voorpassagier. (Als u voor een
asbak en aansteker (p. 143) hebt gekozen, zit er een aansteker op de plaats van
de 12V-aansluiting (p. 145) voorin en een
uitneembare asbak in de bekerhouder.)
Gerelateerde informatie
•
Opbergmogelijkheden (p. 141)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
143
05 Laad- en opbergmogelijkheden
Dashboardkastje
Inlegmatten*
Make-upspiegel
Het dashboardkastje zit aan de passagierszijde.
De inlegmatten vangen bijvoorbeeld vuil en
natte sneeuw op. Volvo biedt inlegmatten die
speciaal vervaardigd zijn.
De make-upspiegel zit aan de achterkant van
de zonneklep.
WAARSCHUWING
Controleer voordat u wegrijdt of de inlegmat voor de bestuurdersstoel goed ligt en
aan de knoppen vastzit, zodat deze niet
naast of onder de pedalen klem kan
komen te zitten.
Gerelateerde informatie
•
05
Hier kunt u bijvoorbeeld het instructieboekje
en eventuele kaarten in opbergen. Aan de
binnenkant van de klep zit een houder voor
pennen. Het dashboardkastje is te vergrendelen (p. 172)* met het sleutelblad (p. 160).
Gerelateerde informatie
•
144
Opbergmogelijkheden (p. 141)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Interieur reinigen (p. 377)
Make-upspiegel met verlichting.
Het lampje gaat automatisch aan, wanneer u
het klepje optilt.
Gerelateerde informatie
•
Lamp vervangen - verlichting makeupspiegel (p. 352)
05 Laad- en opbergmogelijkheden
Middenconsole - 12V-aansluiting
De elektrische aansluitingen (12 V) vindt u
naast de bekerhouder1 en achter in de middenconsole.
U kunt de elektrische aansluiting voor verschillende accessoires gebruiken die op een
spanning van 12 V werken, zoals beeldschermen, mediaspelers of mobiele telefoons. De
transpondersleutel moet ten minste in sleutelstand I (p. 73) staan, anders geeft de aansluiting geen stroom.
BELANGRIJK
U kunt maximaal 10 A (120 W) via de aansluiting afnemen bij gebruik van één aansluiting tegelijk. Bij gelijktijdig gebruik van
de beide aansluitingen in de tunnelconsole
geldt een waarde van 7,5 A (90 W) per
aansluiting.
Als de compressor voor bandenreparatie
op een van de beide aansluitingen is aangesloten, mag er op de andere aansluiting
geen stroomverbruiker aangesloten zijn.
WAARSCHUWING
Laat de plug altijd in de aansluiting zitten,
als u deze niet gebruikt.
N.B.
N.B.
12V-aansluiting in middenconsole, voorin.
Extra uitrusting en accessoires – zoals
beeldschermen, mediaspelers en mobiele
telefoons – die zijn aangesloten op een van
de 12V-aansluitingen in de passagiersruimte worden mogelijk geactiveerd door
de klimaatregeling, ook al is de transpondersleutel uitgenomen of de auto vergrendeld, als bijvoorbeeld de standverwarming
ingesteld is om op een bepaalde tijd in te
schakelen.
De compressor van de noodreparatieset
voor banden (p. 326) is door Volvo getest
en goedgekeurd.
Gerelateerde informatie
•
Middenconsole - aansteker en asbak* (p.
143)
•
12V-aansluiting - bagageruimte* (p. 148)
05
Trek daarom wanneer u de extra uitrusting
of accessoires niet gebruikt de stekkers uit
de elektrische aansluitingen, omdat de
startaccu anders uitgeput kan raken!
12V-aansluiting in middenconsole, achterin.
1
Bij specificatie van een asbak en aansteker vervallen de bekerhouders en de 12V-aansluiting ernaast.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
145
05 Laad- en opbergmogelijkheden
Lading vervoeren
Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar gewicht van de auto.
Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar gewicht van de auto. Het laadvermogen
dient te worden verminderd met de som van
het gewicht van eventuele inzittenden en dat
van gemonteerde accessoires. Voor uitvoerige informatie over gewichten, zie Gewichten
(p. 386).
De achterklep is te openen met een
knop op het verlichtingspaneel of
met de transpondersleutel, zie Vergrendelen/ontgrendelen - achterklep (p. 172).
WAARSCHUWING
05
Afhankelijk van het gewicht en de positie
van de lading verandert het rijgedrag van
de auto.
Waar u op moet letten bij het in-/
uitladen
•
Plaats de bagage stevig tegen de rugleuning van de achterbank.
Let erop dat het WHIPS niet door voorwerpen
mag worden gehinderd, als een of meer van
de ruggedeelte van de achterbank zijn neergeklapt, zie WHIPS - zithouding (p. 38).
146
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
•
•
Plaats de last in het midden.
WAARSCHUWING
Breng zware voorwerpen zo laag mogelijk
aan. Plaats geen zware voorwerpen op
neergeklapte ruggedeelten.
•
Dek scherpe randen met iets zachts af
om de bekleding te beschermen.
•
Zet alle bagage met riemen of bevestigingsbanden aan de verankeringsogen
vast.
Zorg dat u de bagage altijd goed verankert. Bij krachtig remmen kan de bagage
namelijk gaan schuiven en inzittenden verwonden.
Dek scherpe randen en hoeken af met iets
zachts.
Zet de motor af en schakel de parkeerrem
in bij het in- en uitladen van lange voorwerpen. Lange voorwerpen kunnen namelijk tegen de versnellingspook of keuzehendel aan komen en zo per ongeluk een
versnelling inschakelen – de auto kan dan
in beweging komen.
WAARSCHUWING
Vergeet niet dat een voorwerp met een
gewicht van 20 kg tijdens een frontale botsing bij een snelheid van 50 km/h zich kan
gedragen als een voorwerp met een
gewicht van 1000 kg.
WAARSCHUWING
Anders bieden de opblaasgordijnen die
schuilgaan achter de plafondbekleding
mogelijk geen bescherming meer.
•
Zorg dat de lading nooit boven de ruggedeelten uitsteekt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Verankeringsogen (p. 147)
Bagagenet* (p. 148)
Lading vervoeren - lange lading (p. 147)
Lading op het dak (p. 147)
05 Laad- en opbergmogelijkheden
Lading vervoeren - lange lading
Lading op het dak
Verankeringsogen
Om het in- en uitladen (p. 146) van de bagageruimte te vereenvoudigen, kunt u de ruggedeelten van de achterbank neerklappen. Voor
het vervoer van extra lange lading kunt u ook
de rugleuning van de passagiersstoel omklappen2.
Voor vervoer van lading op het dak adviseren
we u de door Volvo ontwikkelde lastdragers.
Dit om schade aan de auto te voorkomen en
voor maximale veiligheid tijdens het rijden.
De inklapbare verankeringsogen in de bagageruimte gebruikt u om bagagebanden aan
vast te zetten.
Ruggedeelte achterbank omklappen
•
Controleer regelmatig of de lastdragers
en de lading goed vastzitten. Zet de
lading stevig vast met sjorbanden.
•
Verdeel het gewicht van de lading gelijkmatig over de lastdragers. Leg de zwaarste voorwerpen onderop.
•
Naarmate u meer lading op het dak vervoert, vangt de auto meer wind en neemt
het brandstofverbruik toe.
•
Rijd rustig. Trek bij voorkeur niet te snel
op, rem niet te hard en maak niet te
scherpe bochten.
Om het in- en uitladen van de bagageruimte
te vereenvoudigen kunt u de ruggedeelten
van de achterbank neerklappen, zie Achterbank (p. 78).
Volg de montagevoorschriften die bij de lastdragers worden geleverd nauwkeurig op.
WAARSCHUWING
Harde, scherpe en/of zware voorwerpen
die liggen of uitsteken kunnen bij krachtig
afremmen letsel veroorzaken.
WAARSCHUWING
Bij het vervoer van lading op het dak verschuift het zwaartepunt en treden er wijzigingen op in de rijeigenschappen van de
auto. Gewichten (p. 386) voor informatie
over de maximale dakbelasting, inclusief
lastdragers en een eventuele skibox.
05
Zet grote en zware voorwerpen altijd met
de veiligheidsgordel of een spanband vast.
Gerelateerde informatie
•
Lading vervoeren (p. 146)
Gerelateerde informatie
•
2
Lading vervoeren (p. 146)
Geldt alleen voor stoelen type Comfort.
147
05 Laad- en opbergmogelijkheden
12V-aansluiting - bagageruimte*
N.B.
U kunt de elektrische aansluiting voor verschillende accessoires gebruiken die op een
spanning van 12 V werken, zoals beeldschermen, mediaspelers of mobiele telefoons.
De compressor voor noodreparatieset voor
banden is door Volvo getest en goedgekeurd. Voor informatie over het gebruik
van de aanbevolen noodreparatieset voor
banden (TMK) van Volvo, Noodreparatieset
voor banden (p. 326).
Bagagenet*
Een bagagenet voorkomt dat bagage in de
bagageruimte bij krachtig afremmen de passagiersruimte in worden geslingerd.
Gerelateerde informatie
•
05
Open het klepje om bij de elektrische aansluiting te komen.
•
Via de aansluiting is ook stroom af te
nemen, wanneer de transpondersleutel
niet in het contactslot steekt.
BELANGRIJK
Max. 10 A (120 W).
N.B.
Denk eraan dat als de elektrische aansluiting word gebruikt als de motor uit is, de
startaccu van de auto kan ontladen.
148
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Middenconsole - 12V-aansluiting (p. 145)
Opbergruimte voor tweedelige bagagenetcassette.
Onder het vloerluik in de bagageruimte is
voorzien in opbergruimte voor een tweedelige
bagagenetcassette.
Tweedelige bagagenetcassette
bevestigen
Onder het vloerluik in de bagageruimte is
voorzien in opbergruimte voor een tweedelige
bagagenetcassette.
05 Laad- en opbergmogelijkheden
Bagagenet gebruiken
Het net kan ook worden gebruikt wanneer de
ruggedeelten van de achterbank neergeklapt
zijn.
Tweedelige bagagenetcassette
verwijderen
1. Rol het tweedelige bagagenet op door de
procedure onder het kopje ‘Bagagenet
gebruiken’ in omgekeerde volgorde uit te
voeren.
2. Klap de beide ruggedeelten van de achterbank voorover.
Monteer de tweedelige bagagenetcassette
achter op het ruggedeelte van de achterbank.
Monteer het smalle cassettegedeelte links (in
de rijrichting gezien).
1. Klap de ruggedeelten van de achterbank
voorover, zie Achterbank (p. 78).
Het net dat uit de tweedelige cassette wordt
gerold, wordt na ca. 1 minuut automatisch
geblokkeerd, als de ruggedeelten van de achterbank rechtop staan.
Rol het rechter stuk van het net uit door
aan de lus te trekken.
2. Plaats de bevestigingsrails van de tweedelige cassette vóór de bevestigingsnokken van de ruggedeelten
.
Trek het telescopische stanggedeelte uit
en klik het aan de tegenoverliggende zijde
vast.
4. Zet de ruggedeelten weer rechtop en
controleer of ze vergrendeld staan.
Houd voor het verwijderen van de cassette de omgekeerde volgorde aan.
Bewaar de tweedelige bagagenetcassette op
de daarvoor bestemde plaats onder het vloerluik in de bagageruimte.
Rol het linker bagagenet uit en haak het
vast aan de stang.
•
05
WAARSCHUWING
Steek de stang in de bevestiging aan de
rechterzijde en duw de stang vervolgens
naar voren zodat deze merkbaar vastklikt.
3. Schuif de tweedelige cassette over de
.
bevestigingsnokken heen vast
•
3. Duw de tweedelige cassette zo ver naar
buiten dat deze loskomt uit de bevestigingsrails.
Lading in de bagageruimte moet goed
worden vastgezet, ook met een correct
gemonteerd veiligheidsnet.
Gerelateerde informatie
•
•
Lading vervoeren (p. 146)
Veiligheidsrek (p. 150)
Houd voor het oprollen de omgekeerde
volgorde aan.
149
05 Laad- en opbergmogelijkheden
Bagagenet* plus bagagerolhoes
Veiligheidsrek
Een bagagenet voorkomt dat bagage in de
bagageruimte bij krachtig afremmen de passagiersruimte in worden geslingerd.
Een veiligheidsrek voorkomt dat bagage of
huisdieren in de bagageruimte bij krachtig
afremmen de passagiersruimte in worden
geslingerd.
lengen. U kunt het veiligheidsrek desgewenst
demonteren en uit de auto nemen.
Voor informatie over het vereiste gereedschappen en de te volgen methode bij montage/demontage, zie de montagevoorschriften die bij aankoop bijgeleverd werden.
Bij het terugplaatsen moet u het veiligheidsrek, uit voorzorg, altijd op de juiste manier
bevestigen en verankeren.
Gerelateerde informatie
•
•
•
05
Lussen voor het uitrollen van het net.
Het bagagenet is ook bij gebruik van de
bagagerolhoes uit te rollen en vast te zetten.
Houd de procedure in het gedeelte ‘Bagagenet gebruiken’ (p. 148) aan. De lussen voor
het uitrollen zitten bij de pijlen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Bagagenet* (p. 148)
Lading vervoeren (p. 146)
Verankeringsogen (p. 147)
Opklappen
Pak het veiligheidsrek helemaal onderaan
beet en trek het naar achteren/omhoog.
BELANGRIJK
Het veiligheidsrek is niet op of neer te
klappen, wanneer een bagageafdekking
gemonteerd is.
Monteren/demonteren
Normaal laat u het veiligheidsrek gemonteerd
in de auto zitten, omdat het eenvoudig tegen
het plafond op te klappen is en zo niet in de
weg zit als u de bagageruimte wenst te ver-
150
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Bagagenet* (p. 148)
Lading vervoeren (p. 146)
Verankeringsogen (p. 147)
05 Laad- en opbergmogelijkheden
Bagagerolhoes
Duw beide kanten vast. De rolhoes moet
hoorbaar vastklikken en de rode markering moet verdwijnen.
> Controleer of beide eindstukken vergrendeld zijn.
Bagageafdekking verwijderen
1. Duw op de knop van het ene eindstuk en
til het uit de holte.
2. Kantel de rolhoes voorzichtig omhoog en
naar buiten, zodat het andere eindstuk
automatisch loskomt.
Trek de bagagerolhoes over de lading heen
uit en haak de hoes vast in de uitsparingen
die bij de achterste stijlen van de bagageruimte zitten.
BELANGRIJK
Het veiligheidsrek is niet op of neer te
klappen, wanneer de bagageafdekking
gemonteerd is.
Bagageafdekking bevestigen
Achterste dekplaat bagagerolhoes
omlaagklappen
Bij een opgerolde bagagerolhoes steekt de
dekplaat achter aan de rolhoes horizontaal
iets uit in de bagageruimte.
–
05
Trek de dekplaat voorzichtig naar achteren van de consoles af en klap de plaat
omlaag.
Gerelateerde informatie
•
•
Lading vervoeren (p. 146)
Lading vervoeren - lange lading (p. 147)
Breng het ene eindstuk van de rolhoes
aan in de holte van het zijpaneel.
Breng het andere eindstuk van de rolhoes
aan in de tegenoverliggende holte.
151
SLOTEN EN ALARM
06 Sloten en alarm
Transpondersleutel met sleutelblad
Transpondersleutel - verlies
Sleutelgeheugen*
U gebruikt de transpondersleutel om de auto
te starten en deze te vergrendelen en ontgrendelen. De sleutel bevat een afneembaar
sleutelblad (p. 159). Het zichtbare deel
bestaat in twee uitvoeringen om de transponders van elkaar te kunnen onderscheiden.
Bij verlies van een transpondersleutel kunt u
een nieuwe bestellen bij een werkplaats –
geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Dankzij het sleutelgeheugen van de transpondersleutel (p. 153) zijn bepaalde instellingen
van de auto te personaliseren.
Bij de auto worden 2 transpondersleutels of
PCC’s* (Personal Car Communicator geleverd.
U kunt meerdere transpondersleutels nabestellen – voor dezelfde auto kunnen tot
6 stuks worden geprogrammeerd en gebruikt.
WAARSCHUWING
Als er kinderen in de auto aanwezig zijn:
Denk eraan altijd de stroom naar de elektrisch bedienbare ramen en het dakluik te
onderbreken door de transpondersleutel
eruit te halen wanneer de bestuurder de
auto verlaat.
Een transpondersleutel met PCC (p. 157)
kent meer functies dan een transpondersleutel, zie PCC* - unieke functies (p. 157).
Gerelateerde informatie
•
Neem de resterende transpondersleutels mee
naar de Volvo-werkplaats. Ter voorkoming
van diefstal moet de code van de zoekgeraakte transpondersleutel uit het systeem
worden gewist. Hoeveel sleutels er voor de
auto geprogrammeerd zijn kunt u controleren
in het menusysteem MY CAR. Voor een
beschrijving van het menusysteem, zie MY
CAR (p. 106).
Gerelateerde informatie
•
Transpondersleutel - functies (p. 155)
Het sleutelgeheugen is te gebruiken voor de
elektrische verwarming van de bestuurdersstoel en die van de buitenspiegels. De instellingen voor de buitenspiegels, de bestuurdersstoel en de mate van stuurbekrachtiging
worden opgeslagen in het sleutelgeheugen.
Sleutelgeheugen, buitenspiegels en
bestuurdersstoel
De instellingen worden automatisch gekoppeld aan de transpondersleutel die op dat
moment in gebruik is, zie Geheugen* van
transpondersleutel (p. 77) en Instelbare stuurkracht* (p. 251). Bij vergrendeling met de
transpondersleutel wordt ook het ingestelde
thema van het instrumentenpaneel opgeslagen in de sleutel, zie MY CAR (p. 106).
U kunt het systeem activeren/deactiveren in
het menusysteem MY CAR. Voor een
beschrijving van het menusysteem, zie MY
CAR (p. 106).
06
Voor auto’s met Keyless drive, zie Keyless
drive* (p. 164).
Transpondersleutel - functies (p. 155)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
153
06 Sloten en alarm
Indicatie vergrendeling/ontgrendeling
- instellen
Wanneer u de auto vergrendelt of ontgrendelt
met een transpondersleutel (p. 153), lichten
de richtingaanwijzers een bepaald aantal
malen op om aan te geven dat de auto op de
juiste manier vergrendeld/ontgrendeld is.
•
Vergrendelen – eenmaal oplichten en de
buitenspiegels worden ingeklapt1.
•
Ontgrendelen – tweemaal oplichten en de
buitenspiegels worden uitgeklapt1.
Vergrendelingsindicatie
Elektronische startblokkering
Een knipperende diode bij de voorruit geeft
aan dat de auto is vergrendeld.
De elektronische startblokkering is een antidiefstalsysteem dat voorkomt dat onbevoegden de auto kunnen starten.
Elke transpondersleutel (p. 153) heeft zijn
eigen, unieke code. U kunt de auto alleen
starten, wanneer u een transpondersleutel
met de juiste code gebruikt.
De onderstaande foutmeldingen op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel
houden verband met de elektronische startblokkering:
Bij het vergrendelen gebeurt dit alleen als alle
portieren na het sluiten correct zijn vergrendeld.
Functie kiezen
06
Gerelateerde informatie
•
•
•
1
154
Dezelfde diode als de alarmindicatie (p. 177).
In het menusysteem MY CAR van de auto
zijn verschillende opties in te stellen voor
bevestiging bij vergrendeling/ontgrendeling
middels lichtsignalen. Voor een beschrijving
van het menusysteem, zie MY CAR (p. 106).
Keyless drive* (p. 164)
Vergrendelingsindicatie (p. 154)
Alarmindicatie (p. 177)
Alleen auto’s met elektrisch inklapbare buitenspiegels.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
N.B.
Ook auto’s zonder alarm zijn uitgerust met
deze indicatie.
Gerelateerde informatie
•
Indicatie vergrendeling/ontgrendeling instellen (p. 154)
06 Sloten en alarm
Melding
Betekenis
Plaats
sleutel
Storing tijdens het uitlezen
van de transpondersleutel
tijdens het starten. Sleutel
uit het contactslot trekken,
er weer in drukken en een
nieuwe startpoging doen.
Autosleutel niet
gevonden
Storing tijdens het uitlezen
van de transpondersleutel
tijdens het starten. Nieuwe
startpoging doen.
Als de storing aanhoudt:
Transpondersleutel in het
contactsleutel duwen en een
nieuwe startpoging doen.
Startblokkering
Start
opnieuw
Storing in het startblokkeringssysteem tijdens het
starten. Als de storing aanhoudt: Neem dan contact
op met een werkplaats.
Geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
Op afstand bediende startblokkering
met opsporingssysteem
De op afstand bediende startblokkering met
opsporingssysteem maakt het mogelijk om de
auto op te sporen en te lokaliseren alsmede
op afstand de startblokkering te activeren,
zodat de motor afslaat.
Transpondersleutel - functies
De transpondersleutel heeft functies voor bijvoorbeeld vergrendeling en ontgrendeling van
de portieren.
Neem contact op met de dichtstbijzijnde
Volvo-dealer voor meer informatie over het
systeem en hulp bij de activering ervan.
Gerelateerde informatie
•
Transpondersleutel met sleutelblad (p.
153)
•
Elektronische startblokkering (p. 154)
Transpondersleutel, standaardversie.
Vergrendelen
Ontgrendelen
Approach-verlichting
06
Achterklep
Paniekfunctie
Voor het starten van de auto, zie Motor starten (p. 257).
Gerelateerde informatie
•
Op afstand bediende startblokkering met
opsporingssysteem (p. 155)
155
06 Sloten en alarm
||
Bij lang indrukken worden alle ruiten tegelijkertijd geopend (zie ook Doorluchtfunctie (p.
171)).
De gelijktijdige ontgrendeling van alle portieren is dusdanig te wijzigen dat bij eenmaal
indrukken van de knop eerst het bestuurdersportier ontgrendeld wordt en bij de tweede
maal indrukken – één en ander binnen 10
seconden – de resterende portieren te ontgrendelen.
Transpondersleutel met PCC* - Personal Car
Communicator.
Informatie
Functietoetsen
Vergrendelen – Vergrendelt de portieren
en de achterklep en activeert het alarm.
06
Bij lang indrukken worden alle ruiten en het
schuifdak* tegelijkertijd gesloten (zie ook
Doorluchtfunctie (p. 171)).
WAARSCHUWING
Als schuifdak en ruiten met de transpondersleutel worden gesloten, moet u controleren of er geen handen bekneld raken.
Ontgrendelen – Ontgrendelt de portieren en de achterklep en deactiveert het alarm.
156
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
U kunt de functie wijzigen in het menusysteem MY CAR. Voor een beschrijving van het
menusysteem, zie MY CAR (p. 106).
Duur naderingslicht – Bestemd om de
verlichting van de auto op afstand in te schakelen. Voor meer informatie, zie Approachverlichting (p. 93).
De knop is ook te gebruiken voor activering
van de preconditioning (p. 133).
Achterklep (p. 172) – Ontgrendelt alleen
de achterklep en deactiveert de alarmfunctie
voor de achterklep.
Paniekfunctie – bestemd om in noodgevallen de aandacht van anderen te trekken.
Als u de toets ten minste 3 seconden lang
ingedrukt houdt of tweemaal achtereen binnen 3 seconden indrukt, worden de richtingaanwijzers, de interieurverlichting en de claxon geactiveerd.
U kunt deze functie met dezelfde toets weer
uitschakelen, als de functie minimaal
5 seconden actief geweest is. Anders wordt
deze functie na ca. 3 minuten automatisch
uitgeschakeld.
Gerelateerde informatie
•
Transpondersleutel met sleutelblad (p.
153)
•
•
PCC* - unieke functies (p. 157)
Vergrendelen/ontgrendelen - vanaf de
buitenkant (p. 169)
06 Sloten en alarm
Transpondersleutel - bereik
De functies van de transpondersleutel (p. 153)
zijn tot op ca. 20 meter afstand van de auto te
gebruiken.
Als de auto niet reageert bij bediening van
een toets – probeer het dan op minder grote
afstand opnieuw.
Gerelateerde informatie
•
Transpondersleutel - functies (p. 155)
PCC* - unieke functies
Een transpondersleutel met PCC heeft extra
functies ten opzichte van een transpondersleutel zonder PCC (p. 153) in de vorm van
een informatieknop en controlelampjes.
N.B.
De functies van de transpondersleutel kunnen worden gestoord door radiogolven in
de omgeving, gebouwen, topografische
omstandigheden e.d. De auto kan altijd
worden vergrendeld/ontgrendeld met het
sleutelblad, Afneembaar sleutelblad - portier ontgrendelen (p. 160).
Als u de transpondersleutel uit de auto neemt
terwijl de motor loopt of sleutelstand (p. 73) I
of II actief is en alle portieren worden gesloten, verschijnt er een waarschuwingsmelding
op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel en klinkt er een geluidssignaal.
Als de transpondersleutel weer in de auto is,
verdwijnen de melding en het geluidssignaal
wanneer aan een of meer van de onderstaande voorwaarden is voldaan:
•
de transpondersleutel in het contactslot
wordt gestoken.
•
•
de rijsnelheid hoger is dan 30 km/h.
Transpondersleutel met PCC* - Personal Car
Communicator.
Informatietoets
Controlesymbolen
06
Na een druk op de informatietoets kunt u
bepaalde informatie over de auto uitlezen aan
de hand van de controlesymbolen.
de knop OK is ingedrukt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
157
06 Sloten en alarm
||
Gebruik van de informatietoets
PCC* - bereik
–
Het bereik van de PCC voor vergrendeling,
ontgrendeling en bediening van de achterklep
is ca. 20 m rond de auto – voor de overige
functies geldt een maximumbereik van
ca. 100 m.
Druk op de informatietoets
.
> Ca. 7 seconden lang lichten de controlesymbolen op de PCC om de beurt
op. Dit geeft aan dat informatie over de
auto wordt uitgelezen.
Als de auto niet reageert bij bediening van
een toets – probeer het dan op minder grote
afstand opnieuw.
Als u gedurende dit tijdsbestek op een
van de andere toetsen drukt, wordt de
uitlezing beëindigd.
N.B.
N.B.
Continu groen licht: de auto is vergrendeld.
Als bij herhaaldelijk gebruik van de
informatietoets – op verschillende tijdstippen en verschillende plaatsen – blijkt dat
geen van de controlelampjes gaat branden
(en dat evenmin na 7 seconden alsook
nadat de controlelampjes op de PCC om
de beurt oplichtten), dient u contact op te
nemen met een werkplaats – geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats.
06
158
De controlesymbolen verstrekken informatie
zoals aangegeven op de volgende afbeelding:
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Continu oranje licht: de auto is ontgrendeld.
Continu rood licht: het alarm is afgegaan
na vergrendeling van de auto.
De beide rode controlesymbolen lichten
beurtelings rood op: het alarm is minder
dan 5 minuten geleden afgegaan.
Gerelateerde informatie
•
PCC* - bereik (p. 158)
Er kunnen storingen optreden in de functie
van de informatieknop door radiogolven in
de lucht, omringende gebouwen, topografische omstandigheden e.d.
Buiten bereik PCC
Als de PCC op dermate grote afstand van de
auto is dat er geen informatie over de auto
kan worden uitgelezen, wordt de laatst
bekende status van de auto weergegeven
zonder dat de lampjes op de PCC om de
beurt oplichten.
Als er meerdere PCC’s voor de auto in
gebruik zijn, geeft uitsluitend de PCC waarmee de auto de laatste keer vergrendeld/
ontgrendeld werd de juiste status aan.
06 Sloten en alarm
N.B.
Als binnen het bereik van de PCC
geen van de controlelampjes brandt bij het
indrukken van de informatietoets, vertoont
de communicatie tussen de PCC en de
auto mogelijk storingen onder invloed van
radiogolven in de lucht, omringende
gebouwen, topografische omstandigheden
e.d.
Gerelateerde informatie
•
•
Keyless drive* - bereik PCC (p. 164)
Transpondersleutel - bereik (p. 157)
Afneembaar sleutelblad
De transpondersleutel (p. 153) bevat een
afneembaar metalen sleutelblad waarmee u
enkele functies kunt activeren en bepaalde
handelingen kunt uitvoeren.
Gerelateerde informatie
•
•
Transpondersleutel - functies (p. 155)
Transpondersleutel met sleutelblad (p.
153)
De unieke code van de sleutelbladen is
bekend bij de erkende Volvo-werkplaatsen,
waar ook nieuwe sleutelbladen kunnen worden besteld.
Functies sleutelblad
U kunt het afneembare sleutelblad van de
transpondersleutel gebruiken om:
•
het linker voorportier handmatig te openen, als de centrale vergrendeling niet te
bedienen is vanaf de transpondersleutel,
zie Afneembaar sleutelblad - portier ontgrendelen (p. 160).
•
het mechanische kinderslot op de achterportieren te activeren/deactiveren (p.
175).
•
het rechter voorportier en de achterportieren handmatig te vergrendelen (p. 169)
bij bijvoorbeeld stroomuitval.
•
de toegang tot het dashboardkastje en de
bagageruimte (Privacy locking (p. 161)*)
te blokkeren.
•
de airbag voor de voorpassagier
(PACOS*) te activeren/deactiveren (p. 33).
06
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
159
06 Sloten en alarm
Afneembaar sleutelblad - verwijderen/
aanbrengen
Het verwijderen/aanbrengen van het afneembare sleutelblad (p. 159) gaat als volgt:
Sleutelblad verwijderen
Gerelateerde informatie
•
Afneembaar sleutelblad - portier ontgrendelen (p. 160)
•
Kinderslot - handmatige activering (p.
175)
•
Passagiersairbag - activering/deactivering* (p. 33)
Afneembaar sleutelblad - portier
ontgrendelen
Het afneembare sleutelblad (p. 159) kan worden gebruikt als de centrale vergrendeling
niet kan worden geactiveerd met de transpondersleutel (p. 153), bijv. als de batterij van de
sleutel leeg is.
Als de centrale vergrendeling niet op de
transpondersleutel reageert (omdat de batterijen bijvoorbeeld leeg zijn), kunt u het linker
voorportier op de volgende manier ontgrendelen en openen:
1. Ontgrendel het linker voorportier met het
sleutelblad in de slotcilinder van de portierhandgreep. Voor een afbeelding en
meer informatie, zie Keyless drive*- ontgrendelen met sleutelblad (p. 166).
Haal de veerbelaste pal opzij.
06
Trek tegelijkertijd het sleutelblad naar
achteren.
Sleutelblad aanbrengen
Plaats het sleutelblad voorzichtig terug in de
transpondersleutel (p. 153).
1. Houd de transpondersleutel met de gleuf
omhoog en laat het sleutelblad in de gleuf
zakken.
2. Duw voorzichtig tegen het sleutelblad. U
hoort een klikgeluid wanneer het sleutelblad goed vastzit.
160
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
N.B.
Wanneer u het portier met het sleutelblad
ontgrendeld hebt en vervolgens opent,
gaat het alarm af.
2. Schakel het alarm uit door de transpondersleutel in het contactslot te steken.
Zie voor auto’s met Keyless-systeem zie
Keyless drive*- ontgrendelen met sleutelblad
(p. 166).
06 Sloten en alarm
Transpondersleutel met sleutelblad (p.
153)
•
Transpondersleutel/PCC - batterij vervangen (p. 162)
Privacy locking*
Privacy locking is bestemd voor als u de auto
afgeeft voor een onderhoudsbeurt of als u
hem bij een hotel of iets dergelijks laat parkeren. Het dashboardkastje is dan vergrendeld
en het achterklepslot is niet via de centrale
vergrendeling te openen - de achterklep is
niet meer te bedienen met de knoppen op de
voorportieren of die op de transpondersleutel
(p. 153).
G017870
•
Vergrendelingspunten voor transpondersleutel
zonder sleutelblad (Privacy locking geactiveerd).
Dit betekent dat de transpondersleutel zonder
het sleutelblad alleen kan worden gebruikt
om het alarm (p. 176) te activeren/deactiveren, de portieren te openen en in de auto te
rijden.
G017869
Gerelateerde informatie
Vergrendelingspunten voor transpondersleutel
met sleutelblad.
De transpondersleutel zonder sleutelblad kunt
u vervolgens overhandigen aan service- of
hotelpersoneel – het losse sleutelblad houdt u
bij zich.
06
N.B.
Vergeet niet de bagageruimte af te dekken
met de bagagerolhoes (p. 151) voordat u
de achterklep sluit.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
161
06 Sloten en alarm
||
Activeren/deactiveren
N.B.
Plaats het sleutelblad niet terug op de
transpondersleutel, maar berg het goed
op.
•
Houd voor het deactiveren de omgekeerde volgorde aan.
Om alleen het dashboardkastje te vergrendelen, zie Vergrendelen/ontgrendelen - dashboardkastje (p. 172).
Transpondersleutel/PCC - batterij
vervangen
De batterijen in de transpondersleutel/PCC
zijn te vervangen.
Vervang de batterijen in de transpondersleutel/PCC, als:
•
het informatiesymbool op het instrumentenpaneel oplicht en Afst.bediening
batterij raakt leeg. Vervang de batterij.
op het display verschijnt
en/of
Privacy locking activeren.
Privacy locking activeren:
Duw het sleutelblad in de slotcilinder van
het dashboardkastje.
Draai het sleutelblad 180 graden
rechtsom. Bij een vergrendeld kastje
staat het sleutelgat verticaal.
06
Neem het sleutelblad uit. Ondertussen
verschijnt een melding op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel.
Het dashboardkastje is daarmee vergrendeld
en de achterklep is niet meer te ontgrendelen
via de transpondersleutel of de knop voor
centrale vergrendeling.
162
•
de sloten herhaalde malen achtereen niet
reageren op het signaal van een transpondersleutel die zich binnen een straal
van 20 m rond de auto bevindt.
06 Sloten en alarm
N.B.
Keer de transpondersleutel met de knoppen naar boven om te voorkomen dat de
batterijen eruit vallen als deze wordt
geopend.
Batterijtype
Gebruik batterijen met het opschrift CR2430,
3 V (twee per transpondersleutel en twee per
PCC).
N.B.
Volvo adviseert u om batterijen voor de
transpondersleutel/PCC te gebruiken die
voldoen aan UN Manual of Test and
Criteria, Part III, sub-section 38.3. Voor
batterijen die in de fabriek zijn geplaatst of
in een erkende Volvo-werkplaats zijn vervangen is dit het geval.
BELANGRIJK
Raak nieuwe accu's en hun contactvlakken niet met uw vingers aan, aangezien de
werking hierdoor kan verslechteren.
Batterij vervangen
Let erop hoe de batterij(en) aan de binnenzijde van de afdekking vastzit(ten). Let
daarbij op de pluszijde + en de minzijde –.
Transpondersleutel (1 batterij)
1. Werk de batterij voorzichtig los.
Openen
Haal de veerbelaste pal opzij.
Trek tegelijkertijd het sleutelblad naar
achteren.
Steek een kruiskopschroevendraaier
met een dikte van 3 mm in de opening
achter de veerbelaste pal en werk de
transpondersleutel voorzichtig open.
2. Plaats een nieuwe met de pluszijde (+)
omlaag.
PCC* (2 batterijen)
1. Werk de batterijen voorzichtig los.
In elkaar zetten
1. Druk de afdekking weer op de transpondersleutel vast.
2. Houd de transpondersleutel met de gleuf
omhoog en laat het sleutelblad in de gleuf
zakken.
3. Duw voorzichtig tegen het sleutelblad. U
hoort een klikgeluid wanneer het sleutelblad goed vastzit.
2. Plaats eerst een nieuwe met de pluszijde
(+) omhoog.
3. Leg het witte plastic vel op de geplaatste
nieuwe batterij en breng daarna nog een
nieuwe batterij aan met de pluszijde (+)
omlaag.
06
BELANGRIJK
Let erop dat lege batterijen op een milieuvriendelijke manier worden verwerkt.
Gerelateerde informatie
•
Transpondersleutel met sleutelblad (p.
153)
•
Transpondersleutel - functies (p. 155)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
163
06 Sloten en alarm
Keyless drive*
Keyless drive* - bereik PCC
157)2
Keyless drive, alleen met PCC (p.
houdt
in dat het vergrendel- en startsysteem van de
auto zonder sleutel kan worden bediend.
Met de Keyless drive-functie van de PCC
kunt u zonder een sleutel te gebruiken de
auto ontgrendelen (p. 166), starten en vergrendelen. U hoeft de PCC alleen bij u te dragen. Het systeem maakt het eenvoudiger om
de auto te openen wanneer u bijvoorbeeld uw
handen vol hebt.
Om een portier of de achterklep te kunnen
openen moet de PCC zich binnen een straal
van maximaal 1,5 m rond de portierhandgrepen of de achterklep bevinden.
U moet de PCC bij u dragen om een portier te
vergrendelen of ontgrendelen. Wanneer u aan
de ene kant van de auto staat, is het niet
mogelijk om met de PCC een portier aan de
andere kant te vergrendelen of ontgrendelen.
Gerelateerde informatie
•
2
164
Keyless drive* - bereik PCC (p. 164)
Keyless drive* - veilig gebruik van de PCC
(p. 165)
Keyless drive* - storingen in de functie
van een PCC (p. 165)
Personal Car Communicator.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
•
•
•
•
•
Het elektrische systeem van de auto kan in
drie verschillende standen worden gezet sleutelstand 0, I en II (p. 73) - met de transpondersleutel.
•
•
Als een van de PCC’s weer in de auto is, verdwijnen de waarschuwingsmelding en het
geluidssignaal wanneer aan een of meer van
de onderstaande voorwaarden is voldaan:
er is een portier geopend of gesloten
de transpondersleutel is in het contactslot
gestoken
de knop OK is ingedrukt.
Gerelateerde informatie
Beide PCC’s van de auto ondersteunen de
Keyless-functie. U kunt meer PCC’s bijbestellen, zie Transpondersleutel met sleutelblad (p.
153).
06
informatiedisplay van het instrumentenpaneel
en klinkt er een geluidssignaal.
De rode cirkels op de bovenstaande afbeelding geven het bereik van de systeemantennes aan.
Als u alle PCC's uit de auto neemt terwijl de
motor loopt of sleutelstand I of II (p. 73) actief
is en alle portieren worden gesloten, verschijnt er een waarschuwingsmelding op het
Keyless drive* (p. 164)
Keyless drive* - locatie antennes (p. 168)
06 Sloten en alarm
Keyless drive* - veilig gebruik van de
PCC
Keyless drive* - storingen in de
functie van een PCC
Pas goed op al uw transpondersleutels.
De Keyless-functie kan gestoord worden door
elektromagnetische velden en afschermingen.
Als u een PCC met keyless-functie in de auto
laat liggen, wordt de PCC bij het vergrendelen van de auto tijdelijk gedeactiveerd. Onbevoegden kunnen de portieren er dan niet
meer mee openen.
Als er echter ingebroken wordt en iemand de
PCC in de auto vindt, wordt de PCC weer
geactiveerd. Pas daarom goed op al uw
PCC’s.
BELANGRIJK
Laat een PCC nooit in de auto liggen.
Gerelateerde informatie
•
Keyless drive* (p. 164)
N.B.
Plaats/bewaar de PCC niet in de buurt van
een mobiele telefoon of metalen voorwerpen. Houd een minimale afstand aan van
10-15 cm.
Keyless drive* - vergrendelen
Auto’s met Keyless-drive zijn voorzien van
een aanraakgevoelige zone op de buitenhandgreep van de portieren alsook een met rubber
beklede knop naast het eveneens met rubber
beklede drukplaatje op de achterklep
bestemd voor vergrendelen/ontgrendeling.
Als er desondanks toch storingen optreden,
moet u de PCC en het sleutelblad als transpondersleutel gebruiken, zie Transpondersleutel - functies (p. 155).
Gerelateerde informatie
•
Transpondersleutel/PCC - batterij vervangen (p. 162)
•
Keyless drive* - veilig gebruik van de PCC
(p. 165)
•
Keyless drive* - bereik PCC (p. 164)
De aanraakgevoelige zone op de buitenhandgreep van de portieren en de met rubber beklede
knop naast het eveneens met rubber beklede
drukplaatje op de achterklep.
06
Vergrendel de portieren en de achterklep
door lang op de aanraakgevoelige zone van
een van de portierhandgrepen te drukken of
druk op de kleinste van de beide met rubber
beklede knoppen op de achterklep - de vergrendelingsindicatie (p. 154) onder aan de
voorruit gaat knipperen om aan te geven dat
er vergrendeling heeft plaatsgevonden.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
165
06 Sloten en alarm
||
Alle portieren inclusief de achterklep moeten
zijn gesloten, voordat u de auto kunt vergrendelen – de auto wordt anders niet vergrendeld.
N.B.
Keyless drive* - ontgrendelen
Er wordt ontgrendeld wanneer iemand een
portierhandgreep beetpakt of op het met rubber beklede drukplaatje van de achterklep
drukt – open het portier of de achterklep op
de normale manier.
Als u (terwijl de motor is afgezet) de transpondersleutel met keyless-functie uit de
auto haalt en de auto niet vergrendelt door
een van de portierhandgrepen aan te
raken of de vergrendeltoets op de transpondersleutel te bedienen, gebeurt het
volgende:
Na ca. 1½–2 minuten wordt het alarm
geactiveerd en gaat de alarmdiode op de
voorruit knipperen – het alarm staat daarmee op scherp maar de auto is niet vergrendeld.
N.B.
Op auto's met een automatische versnellingsbak moet de keuzehendel in de Pstand staan. Anders kan de auto niet worden vergrendeld of op alarm worden
gezet.
06
Gerelateerde informatie
•
•
166
Keyless drive* (p. 164)
Alarmindicatie (p. 177)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
N.B.
Normaal registreren de portierhandgrepen
het wanneer u met uw hand de handgreep
beetpakt, maar als u dikke handschoenen
draagt of de handbeweging te snel uitvoert, moet u de beweging mogelijk een
tweede keer uitvoeren of de handschoen
uittrekken.
Keyless drive*- ontgrendelen met
sleutelblad
Als de centrale vergrendeling niet op de PCC
reageert (omdat de batterijen bijvoorbeeld
leeg zijn), kunt u het linker voorportier ontgrendelen of vergrendelen met het afneembare sleutelblad van de PCC (zie Afneembaar
sleutelblad - verwijderen/aanbrengen (p.
160)).
Gerelateerde informatie
•
•
Keyless drive* (p. 164)
Keyless drive* - vergrendelen (p. 165)
Opening voor het sleutelblad - voor het afnemen
van de afdekking.
Om bij de slotcilinder te komen dient de
kunststof afdekking van de portierhandgreep
te worden verwijderd – ook dit vindt plaats
met het sleutelblad:
06 Sloten en alarm
1. Duw het sleutelblad ca. 1 cm recht
omhoog in de opening aan de onderkant
van de portierhandgreep/afdekking – niet
wrikken.
> De kunststof afdekking komt automatisch los, wanneer u het blad recht
omhoog de opening induwt.
2. Steek het sleutelblad vervolgens in de
slotcilinder en ontgrendel het portier.
3. Plaats de kunststof afdekking na ontgrendeling terug.
N.B.
Wanneer u het bestuurdersportier met het
sleutelblad ontgrendeld hebt en vervolgens opent, gaat het alarm af. Het wordt
uitgeschakeld door de PCC in het contactslot te steken, zie Alarmsysteem - transpondersleutel defect (p. 178).
Gerelateerde informatie
•
•
3
Keyless drive* (p. 164)
Alarm (p. 176)
Keyless drive* - sleutelgeheugen
•
sleutelgeheugen3
Dankzij het
van de PCC zijn
bepaalde instellingen van de auto te personaliseren.
Het sleutelgeheugen is te gebruiken voor de
elektrische verwarming van de bestuurdersstoel en die van de buitenspiegels. De instellingen voor de buitenspiegels en de bestuurdersstoel worden opgeslagen in het sleutelgeheugen.
Zet de stoel en de spiegels handmatig in
de juiste stand, zie Voorstoelen - elektrisch bediend (p. 76) en Buitenspiegels
(p. 98).
Gerelateerde informatie
•
•
Keyless drive* (p. 164)
Transpondersleutel - functies (p. 155)
Geheugenfunctie van PCC
Als meerdere personen met elke hun eigen
PCC met Keyless drive-functie naar de auto
lopen, nemen de bestuurdersstoel en de buitenspiegels de stand in die ligt opgeslagen in
de PCC van degene die het bestuurdersportier opent.
Wanneer het bestuurdersportier bijv. werd
geopend door persoon A met PCC A, maar
persoon B met PCC B zal gaan rijden, zijn de
instellingen als volgt te wijzigen:
•
Staand naast het bestuurdersportier of
zittend achter het stuur drukt persoon B
op de ontgrendelingstoets van zijn PCC,
zie Transpondersleutel - functies (p. 155).
•
Kies een van de drie mogelijke positiegeheugens voor de stoel met de stoelknoppen 1–3, zie Voorstoelen - elektrisch
bediend (p. 76).
06
Alleen in combinatie met een elektrisch bedienbare* bestuurdersstoel en elektrisch inklapbare buitenspiegels.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
167
06 Sloten en alarm
Keyless drive* vergrendelingsinstellingen
De vergrendelingsinstellingen voor het
Keyless-systeem zijn aan te passen.
Keyless drive* - locatie antennes
De vergrendelingsinstellingen voor het
Keyless-systeem zijn aan te passen door in
het menusysteem MY CAR aan te geven
welke portieren er ontgrendeld moeten worden. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie MY CAR (p. 106).
•
Keyless drive* (p. 164)
Achterbumper, in het midden
Portierhandgreep, linksachter
Bagageruimte, in het midden, helemaal
voorin, onder de vloer
06
Portierhandgreep, rechtsachter
Middenconsole, onder achterstuk
Middenconsole, onder voorstuk.
168
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Personen met een pacemaker mogen niet
dichter dan 22 cm bij de antennes van het
Keyless-systeem komen. Hierdoor voorkomt u storingen tussen de pacemaker en
het Keyless-systeem.
Gerelateerde informatie
Gerelateerde informatie
•
WAARSCHUWING
Het Keyless-systeem werkt met een aantal
antennes die op verschillende locaties ingebouwd zijn in de auto.
Keyless drive* (p. 164)
06 Sloten en alarm
Vergrendelen/ontgrendelen - vanaf de
buitenkant
N.B.
Let erop dat het alarm afgaat, wanneer het
portier na ontgrendeling met het sleutelblad wordt geopend – het alarm wordt uitgeschakeld, wanneer de transpondersleutel in het contactslot wordt geplaatst.
Met de transpondersleutel (p. 153) is vergrendeling/ontgrendeling van de buitenkant
mogelijk. Met de transpondersleutel kunt u
alle portieren en de achterklep gelijktijdig vergrendelen/ontgrendelen. U hebt de keuze uit
verschillende ontgrendelingsprocedures, zie
Transpondersleutel - functies (p. 155).
Om de ontgrendelingsprocedure te kunnen
activeren moet het bestuurdersportier dichtstaan – als een van de overige portieren of de
achterklep openstaat, wordt dit/deze pas na
het sluiten vergrendeld en inbegrepen in het
alarmsysteem. Bij het Keyless*-systeem dienen alle portieren en de achterklep dicht te
staan.
N.B.
Let op het gevaar voor buitensluiten met
de transpondersleutel nog in de auto.
Als u niet met de transpondersleutel kunt vergrendelen/ontgrendelen is de batterij mogelijk
leeg – vergrendel/ontgrendel het linker voorportier dan met het afneembare sleutelblad,
zie Afneembaar sleutelblad - verwijderen/
aanbrengen (p. 160).
WAARSCHUWING
Let op het risico van opsluiting in de auto,
als u de auto van de buitenzijde vergrendelt – de portieren zijn dan namelijk niet
meer van de binnenzijde te openen met de
portierhandgrepen. Voor meer informatie,
zie Safelock-functie* (p. 174).
Automatische hervergrendeling
Als u geen van de portieren noch de achterklep binnen twee minuten na ontgrendeling
van de buitenzijde met de transpondersleutel
opent, worden alle sloten automatisch weer
vergrendeld. Dit beperkt het risico dat u de
auto per ongeluk onvergrendeld kunt laten
staan. (Voor auto’s met alarmsysteem, zie
Alarm (p. 176).)
Portier handmatig vergrendelen
In bepaalde gevallen moet de auto handmatig
kunnen worden vergrendeld, zoals bij stroomuitval.
Het linker voorportier is te vergrendelen met
de bijbehorende slotcilinder en het afneembare sleutelblad van de transpondersleutel,
zie Keyless drive*- ontgrendelen met sleutelblad (p. 166).
De overige portieren zijn niet voorzien van
een slotcilinder maar hebben een vergrendelingsbus aan de korte kant achteraan die
omgedraaid moet worden – de portieren zijn
vervolgens mechanisch vergrendeld/geblokkeerd en niet meer vanaf de buitenzijde te
openen. De portieren zijn echter nog steeds
vanaf de binnenzijde te openen.
06
Gerelateerde informatie
•
Vergrendelen/ontgrendelen - van de binnenzijde (p. 170)
•
Vergrendelen/ontgrendelen - vanaf de
buitenkant (p. 169)
Portier handmatig vergrendelen. Niet te verwarren met het kinderslot (p. 175).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
169
06 Sloten en alarm
||
– Maak gebruik van het afneembare sleutelblad van de transpondersleutel om de
cilinder te verdraaien, zie Afneembaar
sleutelblad - verwijderen/aanbrengen (p.
160).
Het portier is niet vanaf de buitenzijde te
openen.
Het portier is zowel vanaf de buitenzijde
als vanaf de binnenzijde te openen.
Vergrendelen/ontgrendelen - van de
binnenzijde
Alle portieren en de achterklep worden tegelijkertijd vergrendeld of ontgrendeld met de
knop van het bestuurdersportier en het passagiersportier* voor centrale vergrendeling.
Centrale vergrendeling
•
06
De vergrendelbus van een portier dient
alleen om het desbetreffende portier te
vergrendelen – dus niet alle portieren.
Een handmatig vergrendeld achterportier waarvan ook het mechanische kinderslot geactiveerd is, kan noch van
de buitenzijde noch van de binnenzijde
worden geopend, zie Kinderslot handmatige activering (p. 175). Een
achterportier dat op deze manier vergrendeld is kan alleen ontgrendeld
worden met de transpondersleutel of
de toets voor centrale vergrendeling.
Gerelateerde informatie
•
Transpondersleutel/PCC - batterij vervangen (p. 162)
Lampje in vergrendelingsknop
•
Centrale vergrendeling.
•
Druk de rechterkant
van de knop in
om te vergrendelen en de linkerkant
om te ontgrendelen.
Wanneer u de knop lang ingedrukt houdt,
worden ook alle zijruiten* tegelijkertijd
geopend.
Ontgrendelen
•
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Trek aan de openingshandgreep en open
het portier – het portier wordt in een keer
ontgrendeld en geopend.
Met een knop voor centrale vergrendeling
alleen op het bestuurdersportier, bij de overige portieren ontbreekt een dergelijke knop:
Een portier kan op twee manieren van de binnenkant worden ontgrendeld:
170
•
De centrale vergrendeling is verkrijgbaar in
twee uitvoeringen – de betekenis van het
lampje in de knop voor centrale vergrendeling
op het bestuurdersportier is afhankelijk van
de uitvoering.
N.B.
•
Bij lang indrukken worden ook alle zijruiten*
tegelijkertijd geopend (zie ook Doorluchtfunctie (p. 171)).
Bij het indrukken van de knop voor cen.
trale vergrendeling
Een brandend lampje houdt in dat alle
portieren vergrendeld zijn.
Met een knop voor centrale vergrendeling op
beide voorportieren en op elk van beide achterportieren een knop voor elektrische vergrendeling:
•
Een brandend lampje houdt in dat alleen
het desbetreffende portier vergrendeld is.
Wanneer de lampjes in alle knoppen
branden, zijn alle portieren vergrendeld.
Vergrendelen
•
Druk op de knop voor centrale vergrende– alle gesloten portieren worden
ling
vergrendeld.
06 Sloten en alarm
Bij lang indrukken worden ook alle zijruiten en
het schuifdak tegelijkertijd gesloten (zie ook
Doorluchtfunctie (p. 171)).
beschrijving van het menusysteem, zie MY
CAR (p. 106).
Vergrendelingsknop* achterportieren
•
Gerelateerde informatie
•
•
Bij een vergrendeld portier brandt het lampje in
de knop.
Met de vergrendelingsknop op de beide achterportieren is alleen het desbetreffende achterportier te vergrendelen.
Om het portier te ontgrendelen:
•
Trek aan de openingshandgreep – het
portier wordt dan ontgrendeld en
geopend.
Automatische vergrendeling
Bij het wegrijden worden de portieren en de
achterklep automatisch vergrendeld.
Vergrendelen/ontgrendelen - vanaf de
buitenkant (p. 169)
Doorluchtfunctie
Bij warm weer kunt u de doorluchtfunctie
gebruiken om alle zijruiten tegelijk korte tijd te
openen en weer te sluiten en op die manier
snel voor frisse lucht in de auto te zorgen.
Alarm (p. 176)
Transpondersleutel - functies (p. 155)
Knop voor centrale vergrendeling
Bij lang indrukken van het
-symbool op
de knop voor centrale vergrendeling worden
ook alle zijruiten tegelijkertijd geopend. Wan-symbool
neer u hetzelfde doet bij het
worden alle zijruiten gelijktijdig gesloten.
06
Gerelateerde informatie
•
Vergrendelen/ontgrendelen - van de binnenzijde (p. 170)
•
Elektrisch bedienbare ruiten (p. 96)
U kunt het systeem activeren/deactiveren in
het menusysteem MY CAR. Voor een
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
171
06 Sloten en alarm
Vergrendelen/ontgrendelen dashboardkastje
Het dashboardkastje (p. 144) valt alleen te
vergrendelen/ontgrendelen met het afneembare sleutelblad van de transpondersleutel.
Voor informatie over het sleutelblad, zie
Afneembaar sleutelblad - verwijderen/
aanbrengen (p. 160).
Voor informatie over Privacy locking, zie Privacy locking* (p. 161).
Vergrendelen/ontgrendelen achterklep
De achterklep is op meerdere manieren te
openen, vergrendelen en ontgrendelen.
Handmatig openen
Met rubber bekleed plaatje met elektrische schakelaar.
06
Dashboardkastje vergrendelen:
Duw het sleutelblad in de slotcilinder van
het dashboardkastje.
Draai het sleutelblad 90 graden rechtsom.
Het sleutelgat staat horizontaal wanneer
het kastje vergrendeld is.
Neem het sleutelblad uit.
•
172
Houd voor het ontgrendelen de omgekeerde volgorde aan.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
De achterklep wordt dichtgehouden door een
elektrische vergrendeling. Om te openen:
1. Druk lichtjes op het breedste van de met
rubber beklede drukplaatjes onder de
buitenhandgreep - de vergrendeling
wordt vrijgegeven.
2. Til de buitenste handgreep helemaal
omhoog om de klep te openen.
06 Sloten en alarm
BELANGRIJK
•
De achterklep is met heel weinig
kracht te ontgrendelen – druk gewoon
lichtjes op het met rubber beklede platje.
•
Breng geen druk aan op het met rubber beklede plaatje bij het openen van
de achterklep – maar til de handgreep
op. Bij te veel druk kan de elektrische
schakelaar in het met rubber beklede
plaatje beschadigd raken.
Ontgrendelen met transpondersleutel
aan te geven dat de auto niet volledig vergrendeld is en dat de niveausensoren en
bewegingsmelders van het alarmsysteem*
alsmede de sensoren voor opening van het
kofferdeksel buiten werking gesteld zijn.
Om de achterklep te ontgrendelen:
–
De portieren blijven vergrendeld en beveiligd.
•
De achterklep wordt weliswaar ontgrendeld maar blijft dichtstaan – druk lichtjes
tegen op het met rubber bekleding drukplaatje onder de buitenhandgreep en
open de klep.
Druk op de knop (1) op het verlichtingspaneel.
> De klep wordt ontgrendeld en kan binnen 2 minuten worden geopend (als de
auto vanaf de binnenzijde vergrendeld
werd).
Vergrendelen met transpondersleutel
–
Als de klep niet binnen 2 minuten na ontgrendeling wordt geopend, wordt de klep weer
vergrendeld en het alarm opnieuw geactiveerd.
Van de binnenzijde ontgrendelen
Druk op de toets voor vergrendeling op
, zie Transponde transpondersleutel
dersleutel - functies (p. 155).
> De vergrendelingsindicatie op het
instrumentenpaneel begint te knipperen, wat inhoudt dat de auto vergrendeld en het alarmsysteem* geactiveerd
is.
Gerelateerde informatie
Met de toets
op de transpondersleutel is
het mogelijk om de alarmfunctie voor de achterklep te deactiveren* zodat u de achterklep
apart kunt ontgrendelen.
•
Vergrendelen/ontgrendelen - van de binnenzijde (p. 170)
•
Vergrendelen/ontgrendelen - vanaf de
buitenkant (p. 169)
06
Ontgrendelen achterklep
De vergrendelingsindicatie (p. 154) op het
instrumentenpaneel stopt met knipperen om
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
173
06 Sloten en alarm
Safelock-functie*
Safelock-functie4
Bij activering van de
worden
alle openingshandgrepen mechanisch losgekoppeld, wat het openen van de portieren van
zowel de binnen- als de buitenzijde onmogelijk maakt.
WAARSCHUWING
Laat niemand in de auto zitten zonder
eerst de Safelock-functie te deactiveren
om te voorkomen dat u iemand opsluit.
teem MY CAR. Voor een beschrijving van het
menusysteem, zie MY CAR (p. 106).
N.B.
Tijdelijk deactiveren
Met de transpondersleutel (p. 153) activeert u
de Safelock-functie die ca. 10 seconden na
vergrendeling van de portieren in werking
treedt.
Als er binnen deze vertragingsperiode een
van de portieren wordt geopend, wordt de
functie geannuleerd en het alarm gedeactiveerd.
06
4
174
Alleen in combinatie met een alarmsysteem.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
•
Als een van de portieren van de binnenzijde wordt geopend, gaat het
alarm af.
Gerelateerde informatie
N.B.
Bij Safelock is de auto alleen met de transpondersleutel te ontgrendelen. Het linker
voorportier is ook te ontgrendelen met het
afneembare sleutelblad (p. 159). Bovendien is
het mogelijk om de portieren en de achterklep
te ontgrendelen/openen op auto's uitgerust
met Keyless drive* door de portierhandgreep
of de handgreep van de achterklep vast te
pakken.
•
Let erop dat het alarm wordt geactiveerd bij vergrendeling van de auto.
Geactiveerde menu-opties staan aangekruist.
MY CAR
OK MENU
Draaiknop TUNE
EXIT
Als u de portieren van de buitenzijde wilt vergrendelen terwijl er iemand in de auto achterblijft, kunt u de Safelock-functie tijdelijk uitschakelen. Dat is mogelijk in het menusys-
•
Keyless drive*- ontgrendelen met sleutelblad (p. 166)
•
Transpondersleutel met sleutelblad (p.
153)
06 Sloten en alarm
Kinderslot - handmatige activering
Het portier is niet vanaf de binnenzijde te
openen.
Het kinderslot voorkomt dat kinderen een
achterportier vanaf de binnenzijde kunnen
openen.
Het portier is zowel vanaf de buitenzijde
als vanaf de binnenzijde te openen.
Kinderslot activeren/deactiveren
WAARSCHUWING
Elk van de achterportieren is voorzien van
twee vergrendelbussen – verwar de bus
voor het kinderslot niet met die voor het
handmatige portierslot.
N.B.
Mechanisch kinderslot. Niet te verwarren met de
mechanische portiervergrendeling (p. 169).
•
De vergrendelbus van een portier dient
alleen om het desbetreffende portier te
vergrendelen – dus niet beide achterportieren.
•
Op auto’s met een elektrisch kinderslot zit geen handmatig kinderslot.
De bedieningscilinders van het kinderslot zitten achter op de korte kant van de achterportieren, zodat ze alleen bereikbaar zijn wanneer de portieren openstaan.
Gerelateerde informatie
•
Kinderslot - elektrische activering* (p.
175)
Doe het volgende om het kinderslot te activeren/deactiveren:
•
Vergrendelen/ontgrendelen - van de binnenzijde (p. 170)
–
•
Vergrendelen/ontgrendelen - vanaf de
buitenkant (p. 169)
Maak gebruik van het afneembare sleutelblad (p. 159) van de transpondersleutel
om de cilinder te verdraaien.
Kinderslot - elektrische activering*
Het elektrisch geactiveerde kinderslot voorkomt dat kinderen achter in de auto de achterportieren of de achterste zijruiten kunnen
openen.
Activeren
Het kinderslot is in alle sleutelstanden (p. 73)
anders dan 0 te activeren/deactiveren en dat
binnen 2 minuten na het afzetten van de
motor, op voorwaarde dat er geen portier
wordt geopend.
Doe het volgende om het kinderslot te activeren:
06
Bedieningspaneel bestuurdersportier.
1. Start de motor of kies een sleutelstand
anders dan 0.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
175
06 Sloten en alarm
||
2. Druk op de bijbehorende knop van het
bedieningspaneel op het bestuurdersportier.
> Op het informatiedisplay van het
instrumentenpaneel staat de melding
Kinderslot Actief en het lampje in de
knop brandt - het slot is geactiveerd.
Wanneer het kinderslot actief is, zijn de achterste:
•
zijruiten alleen vanaf het bedieningspaneel op het bestuurdersportier te bedienen
•
portieren niet van de binnenkant te openen.
Bij het afzetten van de motor wordt de
actuele instelling vastgelegd – als het kinderslot geactiveerd was tijdens het afzetten van
de motor, dan is de functie de volgende keer
dat u de motor start eveneens actief.
06
Gerelateerde informatie
•
Kinderslot - handmatige activering (p.
175)
•
Vergrendelen/ontgrendelen - van de binnenzijde (p. 170)
Alarm
N.B.
Het alarm is een systeem dat waarschuwt als
er bijvoorbeeld in de auto wordt ingebroken.
De bewegingsmelders laten het alarm
afgaan bij bewegingen in de passagiersruimte – ook eventuele luchtstromen worden geregistreerd. Het alarm kan dan ook
afgaan, als u de auto met een ruit of
schuifdak open laat staan of als u de interieurverwarming gebruikt.
Een geactiveerd alarmsysteem gaat af als:
•
een portier, de motorkap of de achterklep
wordt geopend
•
er beweging in de passagiersruimte wordt
waargenomen (als er een bewegingsmelder* aanwezig is)
•
de auto wordt opgetakeld of weggesleept
(op auto’s met een niveausensor*)
•
een kabel van de startaccu wordt losgekoppeld
•
de sirene wordt losgekoppeld.
Om dat te voorkomen: Sluit bij het verlaten
van de auto alle ruiten en het schuifdak. Bij
gebruik van de geïntegreerde interieurverwarming van de auto (of een draagbare
variant daarvan op stroom) dan dient u de
blaasmonden dusdanig af te stellen dat
deze niet omhoogwijzen. U kunt ook
gebruik maken van het beperkte alarmniveau, zie Beperkt alarmniveau (p. 178).
Als er een storing in het alarmsysteem is
opgetreden, verschijnt er een melding op het
informatiedisplay van het instrumentenpaneel.
Neem dan contact op met een werkplaats –
geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
N.B.
Probeer niet zelf de onderdelen van het
alarmsysteem te repareren of te wijzigen.
Dergelijke pogingen kunnen van invloed
zijn op de verzekeringsvoorwaarden.
Alarm activeren
–
Druk op de vergrendelingstoets op de
transpondersleutel.
Alarm deactiveren
–
176
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Druk op de ontgrendelingstoets op de
transpondersleutel.
06 Sloten en alarm
Geactiveerd alarm uitschakelen
Alarmindicatie
–
De alarmindicatie geeft de status aan van het
alarmsysteem (p. 176).
Druk op de ontgrendelingstoets op de
transpondersleutel of steek de transpondersleutel in het contactslot.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Alarmindicatie (p. 177)
Alarmsysteem - automatische
herinschakeling
De automatische herinschakeling van het
alarm voorkomt dat u de auto verlaat zonder
het alarmsysteem (p. 176) uit te schakelen.
Als u geen van de portieren noch de achterklep binnen twee minuten na uitschakeling
van het alarm opent wanneer de auto met de
transpondersleutel ontgrendeld (en het alarm
gedeactiveerd) werd, wordt het alarm automatisch opnieuw ingeschakeld. De auto
wordt bovendien opnieuw vergrendeld.
Alarmsysteem - automatische herinschakeling (p. 177)
Alarmsysteem - transpondersleutel defect
(p. 178)
Gerelateerde informatie
•
Beperkt alarmniveau (p. 178)
Dezelfde diode als de vergrendelingsindicatie (p.
154).
Een rode led op het instrumentenpaneel geeft
de status van het alarmsysteem aan:
•
•
•
De led is uit – het alarm is uitgeschakeld
De led licht om de twee seconden eenmaal op – het alarm is ingeschakeld
06
De led knippert snel vanaf het moment
van uitschakelen van het alarm (tot aan
het moment dat u de transpondersleutel
in het contactslot steekt en sleutelstand I
wordt bereikt) – het alarm is afgegaan.
177
06 Sloten en alarm
Alarmsysteem - transpondersleutel
defect
Als u het alarm (p. 176) niet kunt uitschakelen
met de transpondersleutel (als bijvoorbeeld
de batterij (p. 162) van de sleutel leeg is), kunt
u de auto als volgt ontgrendelen, het alarmsysteem deactiveren en de motor starten:
1. Open het bestuurdersportier met het
afneembare sleutelblad (p. 166).
> Het alarm gaat af, de alarmindicatie (p.
177) knippert snel en de sirene klinkt.
Alarmsignalen
Beperkt alarmniveau
Wanneer het alarm (p. 176) afgaat, klinkt een
sirene en knipperen alle richtingaanwijzers.
Een beperkt alarmniveau houdt in dat de
bewegingsmelders en niveausensoren tijdelijk
worden uitgeschakeld.
•
Er klinkt een sirene totdat u het alarm uitschakelt. Bij inactiviteit gaat de sirene na
30 seconden lang automatisch uit. De
sirene heeft zijn eigen accu en werkt volledig onafhankelijk van de startaccu in de
auto.
•
Alle richtingaanwijzers knipperen totdat u
het alarm uitschakelt. Bij inactiviteit gaan
ze na vijf minuten automatisch uit.
Om te voorkomen dat het alarmsysteem (p.
176) onbedoeld afgaat als u bijvoorbeeld een
hond in een vergrendelde auto achterlaat of
een autotrein of veerverbinding gebruikt, dienen de bewegingsmelder en de niveausensoren tijdelijk te worden gedeactiveerd.
De te volgen procedure is identiek aan die bij
tijdelijke uitschakeling van de Safelock-functie (p. 174)5.
Gerelateerde informatie
•
06
2. Steek de transpondersleutel in het contactslot.
> Het alarm wordt gedeactiveerd en de
alarmindicatie dooft.
3. Start de motor.
5
178
Alleen in combinatie met een alarmsysteem.
Alarmindicatie (p. 177)
BESTUURDERSONDERSTEUNING
07 Bestuurdersondersteuning
Stabiliteits- en tractieregelsysteem
(DSTC)
Het stabiliteits- en tractieregelsysteem, DSTC
(Dynamic Stability & Traction Control), helpt u
voorkomen dat de wielen doorslippen en verbetert de tractie van de auto.
Motorremregeling (EDC)
EDC (Engine Drag Control) voorkomt ongewenste blokkering van de wielen, zoals na
terugschakeling of bij gladheid tijdens het
afremmen op de motor in een lage versnelling.
Het systeem bestaat uit de volgende functies:
Een van de gevolgen van ongewenste blokkering van de wielen is dat u de auto moeilijk
onder controle kunt houden.
Antislipregeling
Antispinregeling
Tractieregeling
Motorremregeling, EDC
Corner Traction Control - CTC
Trailer Stability Assist* - TSA
Antislipregeling
Deze regeling controleert de aandrijfkracht en
remkracht van elk van de afzonderlijke wielen
om de auto op die manier te stabiliseren.
Antispinregeling
Deze regeling voorkomt dat de aangedreven
wielen tijdens het optrekken doorslippen.
1
180
Deze regeling is actief op lage snelheden en
brengt de aandrijfkracht van een slippend
aandrijfwiel over op een aandrijfwiel dat niet
slipt.
Tijdens het afremmen kunnen de ingrepen
van het systeem waarneembaar zijn in de
vorm van pulserende geluiden. Tijdens het
gas geven kan de auto langzamer optrekken
dan u verwacht.
•
•
•
•
•
•
07
Tractieregeling
Inbegrepen bij montage van een originele Volvo-trekhaak.
Corner Traction Control (CTC)
CTC zorgt voor compensatie van eventueel
onderstuur in een bocht en maakt het mogelijk om sneller op te trekken dan normaal zonder dat het binnenste wiel doorslipt zoals bij
een gebogen oprit om zo sneller in te kunnen
voegen in de verkeersstroom.
Trailer Stability Assist1
Het TSA-systeem (p. 308) heeft tot taak de
auto met een aanhanger/caravan te stabiliseren wanneer de combinatie de neiging tot
pendelbewegingen vertoont. Voor meer informatie, zie Rijden met een aanhanger (p. 302).
N.B.
De functie wordt gedeactiveerd als u de
Sport-stand kiest.
Gerelateerde informatie
•
Stabiliteits- en tractieregelsysteem
(DSTC) - bediening (p. 181)
•
Stabiliteits- en tractieregeling (DSTC) symbolen en meldingen (p. 182)
07 Bestuurdersondersteuning
Stabiliteits- en tractieregelsysteem
(DSTC) - bediening
Het stabiliteits- en tractieregelsysteem (p.
180) (DSTC - Dynamic Stability & Traction
Control), helpt u voorkomen dat de wielen
doorslippen en verbetert de tractie van de
auto.
Niveau kiezen, Sport-stand
De Sport-stand is actief, totdat u de stand
verlaat of de motor afzet. De volgende keer
dat u de motor start, staat het stabiliteits- en
tractieregelsysteem weer in de normale
stand.
Gerelateerde informatie
•
Stabiliteits- en tractieregeling (DSTC) symbolen en meldingen (p. 182)
Het stabiliteits- en tractieregelsysteem is altijd
geactiveerd - uitschakelen is niet mogelijk.
U kunt echter de Sport-stand kiezen voor een
actievere rijervaring. In de Sport-stand registreert het systeem of de gaspedaal- en stuurwielbediening alsook het bochtenwerk als
actiever dan normaal aan te merken zijn,
waarna het systeem toestaat dat de achtertrein een gecontroleerde vorm van slippen
vertoont voordat het ingrijpt en de auto stabiliseert.
Als u de gecontroleerde vorm van slippen
beëindigt door het gaspedaal te bedienen,
grijpt het stabiliteits- en tractieregelsysteem
in om de auto te stabiliseren.
De Sport-stand maakt maximale aandrijving
mogelijk, als de auto is blijven steken of over
een zachte ondergrond (zoals zand of een
dikke laag sneeuw) rijdt.
07
Sport-stand is te kiezen in het menusysteem
MY CAR. Voor een beschrijving van het
menusysteem, zie MY CAR (p. 106).
181
07 Bestuurdersondersteuning
Stabiliteits- en tractieregeling (DSTC)
- symbolen en meldingen
Het stabiliteits- en tractieregelsysteem (p.
180) (DSTC - Dynamic Stability & Traction
Control) helpt u voorkomen dat de wielen
doorslippen en verbetert de tractie van de
auto.
Tabel
Symbool
Melding
Betekenis
DSTC Tijdelijk UIT
Wegens een te hoge temperatuur van de remschijven gelden er tijdelijk beperkingen voor het systeem.
Het systeem wordt automatisch opnieuw ingeschakeld, wanneer de remmen voldoende zijn afgekoeld.
DSTC Service vereist
Het systeem is defect.
•
•
Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand, zet de motor af en start deze opnieuw.
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
‘Melding’
Er staat een melding op het instrumentenpaneel (p. 62) - lees deze!
Brandt 2 seconden lang
continu.
Systeemtest bij het starten van de motor.
Knippert.
Het systeem grijpt in.
en
De Sport-stand is geactiveerd.
07
Gerelateerde informatie
•
182
Stabiliteits- en tractieregelsysteem
(DSTC) - bediening (p. 181)
07 Bestuurdersondersteuning
Verkeersbordinformatie (RSI)*
WAARSCHUWING
Het verkeersbordinformatiesysteem (RSI –
Road Sign Information) helpt u onthouden
welke snelheidsborden u gepasseerd bent.
RSI werkt niet in alle situaties, maar is uitsluitend bedoeld als een aanvullend hulpmiddel.
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige
manier bestuurt en dat u zich aan de geldende verkeersregels en voorschriften
houdt.
Verkeersbordenherkenning (RSI)* bediening
Het verkeersbordinformatiesysteem (RSI –
Road Sign Information) helpt u onthouden
welke snelheidsborden u gepasseerd bent.
Bediening van het systeem
Gerelateerde informatie
•
Verkeersbordenherkenning (RSI)* - bediening (p. 183)
•
Verkeersbordinformatie (RSI)* beperkingen (p. 185)
Voorbeelden van leesbare snelheidsborden2.
Het verkeersbordinformatiesysteem RSI geeft
informatie over o.a. actuele snelheid, begin of
eind van een autoweg of snelweg en inhaalverboden.
Als zowel een bord met snel-/autoweg als
een bord met de maximumsnelheid wordt
gepasseerd, toont RSI alleen het bordsymbool voor de maximumsnelheid.
2
3
Geregistreerde snelheidsinformatie3.
Als RSI een verkeersbord registreert met de
geldende snelheid, geeft het instrumentenpaneel dat bord als symbool weer.
Samen met het symbool
voor de geldende snelheidsbeperking kan (voor zover
van toepassing) ook een
bord met inhaalverbod verschijnen.
07
Welke verkeersborden er op het instrumentenpaneel verschijnen hangt van de markt af – de afbeeldingen in deze instructie zijn slechts voorbeelden.
Welke verkeersborden er op het instrumentenpaneel verschijnen hangt van de markt af – de afbeeldingen in deze instructie zijn slechts voorbeelden.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
183
07 Bestuurdersondersteuning
||
Einde snelheidsbeperking of snelweg
Aanvullende borden
Wanneer het RSI een bord registreert dat het
einde van een snelheidsbeperking aangeeft
(of andere snelheidsgerelateerde informatie
zoals het einde van een snelweg), verschijnt
het desbetreffende verkeersbord
ca. 10 seconden lang op het instrumentenpaneel:
Het snelheidsbord dat aan dit type aanvullend
bord is gekoppeld, verschijnt alleen als u de
richtingaanwijzer gebruikt.
Voorbeelden van dergelijke borden zijn:
Voorbeelden van aanvullende borden3.
Einde snelheidsbeperkingen.
Soms kent een en dezelfde weg verschillende
snelheidsbeperkingen – een aanvullend bord
geeft dan aan onder welke omstandigheden
de snelheden gelden. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om een gevaarlijke weg bij bijvoorbeeld regen en/of mist.
Het aanvullende bord met betrekking tot
regen verschijnt alleen als de ruitenwissers
zijn geactiveerd.
Einde snelweg.
07
Vervolgens wordt er geen verkeersbordinformatie weergegeven, totdat het volgende snelheidsbord wordt geregistreerd.
3
184
Op bepaalde markten wordt
de geldende snelheid op een
afrit aangegeven met een
aanvullend bord met een pijl.
Sommige snelheden gelden bijvoorbeeld
alleen een bepaald traject of op een bepaalde
tijd van de dag. U wordt hierop geattendeerd
met een symbool voor een aanvullend bord
onder het snelheidssymbool.
Weergave van aanvullende informatie
Een leeg vakje onder het snelheidssymbool
op het instrumentenpaneel geeft aan dat het
RSI een bord heeft geregistreerd met aanvullende informatie over de geldende snelheidsbeperking.
Welke verkeersborden er op het instrumentenpaneel verschijnen hangt van de markt af – de afbeeldingen in deze instructie zijn slechts voorbeelden.
07 Bestuurdersondersteuning
Instelling in MY CAR
Speed Alert
De beschikbare opties voor het RSI vindt u in
het menusysteem MY CAR, zie MY CAR (p.
106).
Het verkeersbordinformatiesysteem (RSI –
Road Sign Information) helpt u onthouden
welke snelheidsborden u gepasseerd bent.
Het systeem heeft de volgende beperkingen.
Road Sign Information Aan/Uit
Het is mogelijk de weergave van snelheidssymbolen op het instrumentenpaneel te
deactiveren. U kunt het systeem activeren/
deactiveren in het menusysteem MY CAR.
Voor een beschrijving van het menusysteem,
zie MY CAR (p. 106).
Verkeersbordinformatie (RSI)*
beperkingen
U kunt ervoor kiezen of u een waarschuwing
wil krijgen bij een overschrijding van de snelheidsbeperking met 5 km/h of meer. De waarschuwing bestaat uit een tijdelijk knipperend
symbool voor de maximumsnelheid als de
snelheid wordt overschreden. U kunt het systeem activeren/deactiveren in het menusysteem MY CAR. Voor een beschrijving van het
menusysteem, zie MY CAR (p. 106).
Gerelateerde informatie
•
•
Verkeersbordinformatie (RSI)* (p. 183)
•
MY CAR (p. 106)
Verkeersbordinformatie (RSI)* beperkingen (p. 185)
De camerasensor van het RSI-systeem kent
ongeveer dezelfde beperkingen als het menselijk oog – lees daarover meer in het
gedeelte over de beperkingen van de camerasensor (p. 225).
Borden die indirect informeren over snelheidsbeperkingen, bijvoorbeeld naamborden
van steden/dorpen, worden niet geregistreerd
door het RSI-systeem.
Hieronder volgen enkele voorbeelden die de
functie kunnen storen:
•
•
•
•
•
Verbleekte borden
Borden in een bocht
Verdraaide of beschadigde borden
Verscholen of slecht geplaatste borden
Borden die geheel of gedeeltelijk zijn
afgedekt met ijs, sneeuw en/of vuil.
Gerelateerde informatie
•
•
07
Verkeersbordinformatie (RSI)* (p. 183)
Verkeersbordenherkenning (RSI)* - bediening (p. 183)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
185
07 Bestuurdersondersteuning
Snelheidsbegrenzer
Een snelheidsbegrenzer (Speed Limiter) is te
beschouwen als een omgekeerde cruisecontrol – u regelt de snelheid met het gaspedaal,
terwijl de snelheidsbegrenzer voorkomt dat u
per ongeluk de vooraf gekozen/ingestelde
snelheid overschrijdt.
Overzicht
Gerelateerde informatie
•
Snelheidsbegrenzer - beknopte bedieningsinstructies (p. 186)
•
Snelheidsbegrenzer - tijdelijk deactiveren
en stand-bystand (p. 188)
•
Snelheidsbegrenzer - alarm overschrijding snelheid (p. 188)
•
Snelheidsbegrenzer - uitschakelen (p.
189)
Snelheidsbegrenzer - beknopte
bedieningsinstructies
Een snelheidsbegrenzer (Speed Limiter) is te
beschouwen als een omgekeerde cruisecontrol – u regelt de snelheid met het gaspedaal,
terwijl de snelheidsbegrenzer voorkomt dat u
per ongeluk de vooraf gekozen/ingestelde
snelheid overschrijdt.
Inschakelen en activeren
Wanneer de snelheidsbegrenzer actief is, verschijnt op het instrumentenpaneel het bijbehorende symbool (6) samen met een
markering (5) bij de ingestelde maximumsnelheid.
Zowel tijdens het rijden als bij stilstand is het
mogelijk een maximumsnelheid in te stellen
en op te slaan in het geheugen.
Tijdens het rijden
Toetsenset op stuurwiel en instrumentenpaneel.
Snelheidsbegrenzer - Aan/Uit.
07
De stand-bystand wordt beëindigd en de
ingestelde snelheid wordt hervat.
Stand-bystand.
Activeren en maximumsnelheid aanpassen.
Ingestelde snelheid.
Snelheidsbegrenzer actief.
186
1. Druk op de stuurtoets
om de snelheidsbegrenzer in te schakelen.
> Op het instrumentenpaneel licht het
symbool (6) voor de cruisecontrol op.
07 Bestuurdersondersteuning
2. Wanneer de auto op de gewenste maximumsnelheid rijdt: Druk op een van de
stuurtoetsen
of
, totdat op het
instrumentenpaneel een markering (5)
voor de gewenste maximumsnelheid verschijnt.
> De snelheidsbegrenzer is daarmee
actief en de gekozen maximumsnelheid is daarmee opgeslagen in het
geheugen.
Bij stilstand
•
Snelheidsbegrenzer - alarm overschrijding snelheid (p. 188)
Snelheidsbegrenzer - snelheid
wijzigen
Een snelheidsbegrenzer (Speed Limiter) is te
beschouwen als een omgekeerde cruisecontrol – u regelt de snelheid met het gaspedaal,
terwijl de snelheidsbegrenzer voorkomt dat u
per ongeluk de vooraf gekozen/ingestelde
snelheid overschrijdt.
Om de opgeslagen snelheid te wijzigen:
•
1. Druk op de stuurtoets
om de snelheidsbegrenzer in te schakelen.
2. Scrol met de knop
, totdat op het
instrumentenpaneel een markering (5)
voor de gewenste maximumsnelheid verschijnt.
> De snelheidsbegrenzer is daarmee
actief en de gekozen maximumsnelheid is daarmee opgeslagen in het
geheugen.
Gerelateerde informatie
•
•
Snelheidsbegrenzer (p. 186)
Snelheidsbegrenzer - snelheid wijzigen (p.
187)
•
Snelheidsbegrenzer - tijdelijk deactiveren
en stand-bystand (p. 188)
•
Snelheidsbegrenzer - uitschakelen (p.
189)
of
Stel af met een korte druk op
elke druk zorgt voor +/- 5 km/h. De laatst
verrichte aanpassing wordt in het geheugen opgeslagen.
Om aan te passen met +/- 1 km/h:
•
Houd de knop ingedrukt en laat deze
weer los, wanneer op het instrumentenpaneel een markering (5) bij de gewenste
maximumsnelheid verschijnt.
Gerelateerde informatie
•
•
Snelheidsbegrenzer (p. 186)
Snelheidsbegrenzer - beknopte bedieningsinstructies (p. 186)
•
Snelheidsbegrenzer - tijdelijk deactiveren
en stand-bystand (p. 188)
•
Snelheidsbegrenzer - uitschakelen (p.
189)
•
Snelheidsbegrenzer - alarm overschrijding snelheid (p. 188)
07
187
07 Bestuurdersondersteuning
Snelheidsbegrenzer - tijdelijk
deactiveren en stand-bystand
–
Een snelheidsbegrenzer (Speed Limiter) is te
beschouwen als een omgekeerde cruisecontrol – u regelt de snelheid met het gaspedaal,
terwijl de snelheidsbegrenzer voorkomt dat u
per ongeluk de vooraf gekozen/ingestelde
snelheid overschrijdt.
De snelheidsbegrenzer wordt automatisch opnieuw geactiveerd nadat u het
gaspedaal hebt losgelaten en de auto
is afgeremd tot een snelheid onder de
gekozen/opgeslagen maximumsnelheid. De markering (5) op het display
verkleurt van WIT naar GROEN waarna
de maximumsnelheid van de auto
opnieuw van kracht is.
Tijdelijk deactiveren – stand-bystand
Om de snelheidsbegrenzer tijdelijk te deactiveren en stand-by te zetten:
–
Druk op
.
> De markering (5) op het instrumentenpaneel verkleurt van GROEN naar WIT,
waarna u tijdelijk de ingestelde maximumsnelheid kunt overschrijden.
U kunt de snelheidsbegrenzer opnieuw
,
inschakelen met een druk op
waarna de markering (5) verkleurt van
WIT naar GROEN om aan te geven dat
er opnieuw een maximumsnelheid voor
de auto geldt.
Tijdelijk deactiveren met gaspedaal
07
De snelheidsbegrenzer is ook met het gaspedaal stand-by te zetten, bijvoorbeeld om in
noodgevallen snel te kunnen accelereren:
Trap het gaspedaal volledig in.
> Op het instrumentenpaneel staat de
opgeslagen maximumsnelheid met een
gekleurde markering (5) en u kunt de
ingestelde maximumsnelheid tijdelijk
overschrijden – de markering (5) verkleurt dan van GROEN naar WIT.
Gerelateerde informatie
•
•
Snelheidsbegrenzer - alarm
overschrijding snelheid
Een snelheidsbegrenzer (Speed Limiter) is te
beschouwen als een omgekeerde cruisecontrol – u regelt de snelheid met het gaspedaal,
terwijl de snelheidsbegrenzer voorkomt dat u
per ongeluk de vooraf
gekozen/ingestelde snelheid overschrijdt.
Op steile aflopende hellingen volstaat de
motorrem van de snelheidsbegrenzer mogelijk niet, zodat de gekozen maximumsnelheid
wordt overschreden. U wordt in dat geval
hierop geattendeerd door een geluidssignaal.
Het signaal is hoorbaar totdat u de auto hebt
afgeremd tot een snelheid onder de gekozen
maximumsnelheid.
Snelheidsbegrenzer (p. 186)
N.B.
Snelheidsbegrenzer - beknopte bedieningsinstructies (p. 186)
•
Snelheidsbegrenzer - snelheid wijzigen (p.
187)
•
Snelheidsbegrenzer - uitschakelen (p.
189)
•
Snelheidsbegrenzer - alarm overschrijding snelheid (p. 188)
Het alarm wordt pas na 5 seconden geactiveerd, als de snelheid met minimaal
3 km/h wordt overschreden en de afgelopen 30 seconden geen van de toetsen
of
werd bediend.
Gerelateerde informatie
•
•
•
188
Snelheidsbegrenzer (p. 186)
Snelheidsbegrenzer - snelheid wijzigen (p.
187)
Snelheidsbegrenzer - beknopte bedieningsinstructies (p. 186)
07 Bestuurdersondersteuning
•
•
Snelheidsbegrenzer - tijdelijk deactiveren
en stand-bystand (p. 188)
Snelheidsbegrenzer - uitschakelen (p.
189)
Snelheidsbegrenzer - uitschakelen
Cruisecontrol*
Een snelheidsbegrenzer (Speed Limiter) is te
beschouwen als een omgekeerde cruisecontrol – u regelt de snelheid met het gaspedaal,
terwijl de snelheidsbegrenzer voorkomt dat u
per ongeluk de vooraf gekozen/ingestelde
snelheid overschrijdt.
De cruisecontrol (CC – Cruise Control) helpt u
een gelijkmatige snelheid te houden, wat
zorgt voor een comfortabeler rijervaring op
lange ritten op snelwegen en lange, rechte
hoofdwegen met een gelijkmatige verkeersstroom.
Om de snelheidsbegrenzer uit te schakelen:
Overzicht
–
Druk op de stuurtoets
.
> Op het instrumentenpaneel doven het
snelheidsbegrenzersymbool (6) en de
markering voor de ingestelde snelheid
(5). De gekozen en opgeslagen snelheid is vervolgens uit het geheugen
gewist, waarna deze niet meer te her.
vatten is met de toets
U kunt daarna weer zonder beperkingen de snelheid regelen met het gaspedaal.
Gerelateerde informatie
•
•
4
Snelheidsbegrenzer (p. 186)
Toetsenset op het stuurwiel en instrumentenpaneel bij een auto zonder cruisecontrol4.
Snelheidsbegrenzer - beknopte bedieningsinstructies (p. 186)
•
Snelheidsbegrenzer - tijdelijk deactiveren
en stand-bystand (p. 188)
•
Snelheidsbegrenzer - alarm overschrijding snelheid (p. 188)
07
Een Volvo-dealer kan u informeren over wat er op uw markt geldt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
189
07 Bestuurdersondersteuning
||
WAARSCHUWING
De bestuurder dient altijd rekening te houden met de verkeersomstandigheden en in
te grijpen, wanneer de cruisecontrol geen
passende snelheid en/of afstand aanhoudt.
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige
manier bestuurt.
Gerelateerde informatie
Toetsenset op het stuurwiel en instrumentenpaneel bij een auto net cruisecontrol4.
Cruisecontrol – Aan/Uit.
De stand-bystand wordt beëindigd en de
ingestelde snelheid wordt hervat.
Stand-by zetten
•
•
Cruisecontrol* - snelheid regelen (p. 190)
•
Cruisecontrol* - ingestelde snelheid hervatten (p. 192)
•
Cruisecontrol* - uitschakelen (p. 192)
Snelheidsbegrenzer* tijdelijk deactiveren
en stand-bystand (p. 191)
Cruisecontrol* - snelheid regelen
De cruisecontrol (CC – Cruise Control) helpt u
een gelijkmatige snelheid aan te houden. U
kunt een snelheid instellen, activeren en wijzigen.
Activeren en snelheid instellen
Om de cruisecontrol aan te zetten:
•
Druk op de stuurtoets
>
De kleur van het cruisecontrolsymbool op
het instrumentenpaneel verandert van
WIT in GRIJS om aan te geven dat de
cruisecontrol stand-by staat.
Om de cruisecontrol in te schakelen:
•
Druk bij de gewenste snelheid op de
stuurtoets
of
.
>
De actuele snelheid wordt in het geheugen opgeslagen en de markering (5) op
het instrumentenpaneel brandt/wordt WIT
van kleur bij de ingestelde snelheid.
Activeren en snelheid aanpassen.
Gekozen snelheid (GRIJS = standbystand).
N.B.
Cruisecontrol actief - WIT symbool
(GRIJS = stand-bystand).
De cruisecontrol kan niet worden ingeschakeld bij snelheden lager dan 30 km/h.
07
Snelheid wijzigen
Om de opgeslagen snelheid te wijzigen:
•
4
190
Een Volvo-dealer kan u informeren over wat er op uw markt geldt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Stel af met een korte druk op
of
elke druk zorgt voor +/- 5 km/h. De laatst
07 Bestuurdersondersteuning
verrichte aanpassing wordt in het geheugen opgeslagen.
Om aan te passen met +/- 1 km/h:
•
Houd de knop ingedrukt en laat los bij de
gewenste snelheid.
Wanneer u tijdelijk gas geeft via het gaspedaal zoals bij een inhaalmanoeuvre, blijft de
instelling van de cruisecontrol ongewijzigd –
de auto hervat de ingestelde snelheid zodra u
het gaspedaal loslaat.
N.B.
Als u een knop van de cruisecontrol meerdere minuten ingedrukt houdt, wordt de
cruisecontrol geblokkeerd en uitgeschakeld. Om de cruisecontrol weer te kunnen
activeren, moet de auto stilstaan en de
motor worden herstart.
Gerelateerde informatie
•
•
Cruisecontrol* (p. 189)
Snelheidsbegrenzer* tijdelijk deactiveren
en stand-bystand (p. 191)
•
Cruisecontrol* - ingestelde snelheid hervatten (p. 192)
•
Cruisecontrol* - uitschakelen (p. 192)
Snelheidsbegrenzer* tijdelijk
deactiveren en stand-bystand
De cruisecontrol (CC – Cruise Control) helpt u
een gelijkmatige snelheid aan te houden. Het
systeem is tijdelijk te activeren en in de standbystand te zetten.
•
Cruisecontrol* - ingestelde snelheid hervatten (p. 192)
•
Cruisecontrol* - uitschakelen (p. 192)
Tijdelijk deactiveren – stand-bystand
Om de cruisecontrol tijdelijk uit te schakelen
en stand-by te zetten:
•
Druk op de stuurtoets
>
De markering (5) en het symbool (6) op
het instrumentenpaneel verkleuren van
WIT naar GRIJS.
.
Automatische stand-bystand
De cruisecontrol wordt tijdelijk uitgeschakeld
en stand-by gezet, als:
•
de wielen hun grip op het wegdek verliezen
•
•
•
het rempedaal wordt bediend
•
de snelheid daalt tot onder ca. 30 km/h
de keuzehendel in de neutraalstand wordt
gezet (automatische versnellingsbak)
u meer dan 1 minuut lang een hogere
snelheid aanhoudt dan ingesteld.
07
U dient vervolgens zelf uw snelheid aan te
passen.
Gerelateerde informatie
•
•
Cruisecontrol* (p. 189)
Cruisecontrol* - snelheid regelen (p. 190)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
191
07 Bestuurdersondersteuning
Cruisecontrol* - ingestelde snelheid
hervatten
De cruisecontrol (CC – Cruise Control) helpt u
een gelijkmatige snelheid aan te houden. Na
tijdelijke deactivering en de stand-bystand (p.
191) kunt u de eerder ingestelde snelheid hervatten.
Om de cruisecontrol opnieuw te activeren
vanuit de stand-bystand:
•
Druk op de stuurtoets
>
De markering (5) en het symbool (6) op
het instrumentenpaneel verkleuren van
GRIJS naar WIT en de laatst ingestelde
snelheid wordt hervat.
.
N.B.
Nadat de snelheid weer met
is hervat,
kan er een markante snelheidstoename
volgen.
Gerelateerde informatie
07
192
•
•
•
Cruisecontrol* - snelheid regelen (p. 190)
•
Cruisecontrol* - uitschakelen (p. 192)
Cruisecontrol* (p. 189)
Snelheidsbegrenzer* tijdelijk deactiveren
en stand-bystand (p. 191)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Cruisecontrol* - uitschakelen
Adaptieve cruisecontrol - ACC*
De cruisecontrol (CC – Cruise Control) helpt u
een gelijkmatige snelheid aan te houden. Hier
volgt een beschrijving van hoe u het systeem
uitschakelt.
De adaptieve cruisecontrol (ACC – Adaptive
Cruise Control) helpt u om een gelijkmatige
snelheid en een veilige afstand tot voorliggers
te houden.
De cruisecontrol wordt gedeactiveerd bij
gebruik van een stuurtoets (1) of bij het afzetten van de motor – de ingestelde snelheid
wordt uit het geheugen verwijderd en valt niet
.
langer te hervatten met de toets
De adaptieve cruisecontrol biedt u een comfortabeler rijervaring op lange ritten op snelwegen en lange, rechte hoofdwegen met een
gelijkmatige verkeersstroom.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Cruisecontrol* (p. 189)
Cruisecontrol* - snelheid regelen (p. 190)
Snelheidsbegrenzer* tijdelijk deactiveren
en stand-bystand (p. 191)
Cruisecontrol* - ingestelde snelheid hervatten (p. 192)
U stelt de gewenste snelheid (p. 196) en het
tijdsverschil (p. 197) ten opzichte van de
voorligger. Wanneer de radarsensor een
voorligger registreert die langzamer rijdt dan
u, wordt uw snelheid automatisch aangepast.
Wanneer de weg voor u weer vrij is, hervat de
auto de ingestelde snelheid.
Als u een voorligger te dicht nadert terwijl de
adaptieve cruisecontrol uitgeschakeld is of
stand-by staat (p. 198), wordt u door de
afstandswaarschuwing (p. 207) geattendeerd
op de korte afstand.
07 Bestuurdersondersteuning
WAARSCHUWING
De bestuurder dient altijd rekening te houden met de verkeersomstandigheden en in
te grijpen, wanneer de adaptieve cruisecontrol geen passende snelheid of afstand
aanhoudt.
De adaptieve cruisecontrol leent zich niet
voor alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
Gerelateerde informatie
•
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht (p.
195)
•
•
Adaptieve cruisecontrol* - functie (p. 193)
•
Adaptieve cruisecontrol* - symbolen en
meldingen (p. 205)
Adaptieve cruisecontrol* - storingen
opsporen en verhelpen (p. 204)
Adaptieve cruisecontrol* - functie
De adaptieve cruisecontrol (ACC – Adaptive
Cruise Control) helpt u om een gelijkmatige
snelheid en een veilige afstand tot voorliggers
te houden. Deze bestaat uit een cruisecontrol
die gekoppeld is aan een afstandshouder.
Functie-overzicht
Neem alle hoofdstukken over de adaptieve
cruisecontrol in de gebruikershandleiding
door voor informatie over de systeembeperkingen die u moet kennen alvorens het
systeem te gebruiken.
De bestuurder is er altijd verantwoordelijk
voor dat de juiste afstand en snelheid worden aangehouden, ook bij gebruik van de
adaptieve cruisecontrol.
BELANGRIJK
Laat het onderhoud van de onderdelen van
de adaptieve cruisecontrol over aan een
werkplaats – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
Automatische versnellingsbak
Functie-overzicht5.
Waarschuwingssymbool – afremmen
noodzakelijk
Stuurtoetsen (p. 195)
Radarsensor (p. 202)
07
Bij auto’s met een automatische versnellingsbak is de adaptieve cruisecontrol uitgebreid
met een zogeheten file-assistent (p. 199).
5
N.B. De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
193
07 Bestuurdersondersteuning
||
WAARSCHUWING
De adaptieve cruisecontrol is geen systeem dat botsingen voorkomt. Grijp zelf in
zodra u merkt dat het systeem een voorligger niet registreert.
De adaptieve cruisecontrol reageert niet
op voetgangers of dieren noch op kleinere
voertuigen, zoals fietsen of motorfietsen
e.d. Tegenliggers, langzaam rijdende en
stilstaande voertuigen of vaste obstakels
worden eveneens genegeerd.
Gebruik de adaptieve cruisecontrol niet in
stadsverkeer of verkeersdrukte, op kruisingen, bij gladheid, hevige regen- of sneeuwval of slecht zicht en evenmin op weggedeelten met een dikke laag water of
sneeuwmodder, op bochtige wegen of op
op- en afritten.
07
De afstand tot voorliggers (p. 197) wordt
hoofdzakelijk gemeten met een radarsensor
(p. 202). De cruisecontrol regelt de snelheid
door de stand van de gasklep aan te passen
en zo nodig af te remmen. Het is volkomen
normaal dat de remmen enige geluiden produceren, wanneer de adaptieve cruisecontrol
ze aanspreekt.
De adaptieve cruisecontrol streeft ernaar de
door u ingestelde volgtijd ten opzichte van
voorliggers in dezelfde rijstrook aan te houden. Als de radarsensor geen voorligger
registreert, houdt de auto in plaats daarvan
6
194
de snelheid aan die op de cruisecontrol werd
ingesteld. Dit gebeurt ook als de snelheid van
de voorligger de ingestelde snelheid van de
adaptieve cruisecontrol overschrijdt.
De adaptieve cruisecontrol streeft ernaar de
snelheid zo weinig mogelijk aan te passen. In
situaties waarin krachtig moet worden
geremd, dient u dan ook zelf te remmen. Dit
is bijvoorbeeld het geval bij grote snelheidsverschillen of als het voertuig dat voor u rijdt
krachtig remt. Door beperkingen van de
radarsensor (p. 202) is het mogelijk dat er
onverwachts of helemaal niet wordt geremd.
De adaptieve cruisecontrol is te activeren om
een volgtijd aan te houden ten opzichte van
een voorligger bij snelheden vanaf 30 km/h6
tot een maximumsnelheid van 200 km/h. Als
de snelheid tot onder 30 km/h daalt of als het
motortoerental te laag wordt, wordt de
cruisecontrol stand-by (p. 198) gezet, waarna
er niet langer automatisch wordt afgeremd –
u moet dan zelf remmen om een veilige
afstand te houden tot voorliggers.
Waarschuwingssymbool – afremmen
noodzakelijk
Het remvermogen van de adaptieve cruisecontrol bedraagt meer dan 40 % van de
totale remcapaciteit van de auto.
Als de auto harder moet worden afgeremd
dan de adaptieve cruisecontrol aankan en u
De file-assistent (p. 199) (auto’s met een automatische versnellingsbak) kan een interval aan van 0–200 km/h.
remt zelf niet bij, dan maakt de cruisecontrol
u er middels het waarschuwingslampje van
Collision Warning (p. 217) en een geluidssignaal attent op dat u onmiddellijk moet ingrijpen.
N.B.
Bij felle zon of bij gebruik van een zonnebril kan het waarschuwingslampje moeilijk
te zien zijn.
WAARSCHUWING
De cruisecontrol waarschuwt alleen voor
voertuigen die de radarsensor heeft gedetecteerd. Daarom kan de waarschuwing
uitblijven of met een bepaalde vertraging
plaatsvinden. Wacht een waarschuwing
niet af, maar rem als dat nodig is.
Steile wegen en/of zware belading
Let erop dat de adaptieve cruisecontrol in
eerste instantie bestemd is voor gebruik tijdens ritten op vlakke weggedeelten. De
cruisecontrol heeft mogelijk moeite om de
juiste volgafstand ten opzichte van voorliggers aan te houden bij ritten op steile aflopende wegen, bij vervoer van zware belading
of met een aanhanger/caravan achter de auto
– blijf dan extra alert en rem zo nodig zelf.
07 Bestuurdersondersteuning
Gerelateerde informatie
•
•
Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 192)
•
Adaptieve cruisecontrol* - een ander
voertuig inhalen (p. 199)
Adaptieve cruisecontrol* - uitschakelen
(p. 199)
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht
De bediening van de adaptieve cruisecontrol
en de stuurtoetsen varieert, afhankelijk van of
de auto wel of niet met een snelheidsbegrenzer7 is uitgerust.
Adaptieve cruisecontrol met
snelheidsbegrenzer
Cruisecontrol – Aan/Uit.
ACC is actief bij GROEN symbool (WIT =
stand-by).
Adaptieve cruisecontrol zonder
snelheidsbegrenzer
De stand-bystand wordt beëindigd en de
ingestelde snelheid wordt hervat.
Cruisecontrol – Aan/Uit of stand-bystand.
De stand-bystand wordt beëindigd en de
ingestelde snelheid wordt hervat.
Volgtijd – Verlengen/verkorten.
Stand-by zetten
Activeren en snelheid aanpassen.
Volgtijd – Verlengen/verkorten.
(Wordt niet gebruikt)
Activeren en snelheid aanpassen.
Groene markering bij opgeslagen snelheid (WIT = stand-by).
Groene markering bij opgeslagen snelheid (WIT = stand-by).
7
Volgtijd
07
Een Volvo-dealer kan u informeren over wat er op uw markt geldt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
195
07 Bestuurdersondersteuning
||
Volgtijd
ACC is actief bij GROEN symbool (WIT =
stand-by).
Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 192)
De adaptieve cruisecontrol (ACC – Adaptive
Cruise Control) helpt u om een gelijkmatige
snelheid en een veilige afstand tot voorliggers
te houden.
Adaptieve cruisecontrol* - functie (p. 193)
Om de cruisecontrol aan te zetten:
Adaptieve cruisecontrol* - symbolen en
meldingen (p. 205)
•
Gerelateerde informatie
•
•
•
Adaptieve cruisecontrol* - snelheid
regelen
– op het instruDruk op de stuurtoets
mentenpaneel (8) gaat een vergelijkbaar
WIT symbool branden om aan te geven
dat de cruisecontrol stand-by (p. 198)
staat.
Om de cruisecontrol in te schakelen:
•
Druk bij de gewenste snelheid op de
of
.
stuurtoets
>
De actuele snelheid wordt opgeslagen in
het geheugen, het instrumentenpaneel
toont korte tijd een ‘vergrootglas’ rond de
gekozen snelheid en de bijbehorende
markering verkleurt van WIT naar
GROEN.
Alleen als op het symbool de
afbeelding van een ander
voertuig verschijnt, wordt de
afstand tot de voorligger
geregeld door de cruisecontrol.
Tegelijkertijd wordt een snelheidsinterval gemarkeerd:
•
de hogere snelheid met de GROENE markering (6) is de voorgeprogrammeerde
snelheid
•
de lagere snelheid is de snelheid van de
voorligger.
Snelheid wijzigen
Om de opgeslagen snelheid te wijzigen:
•
Als dit symbool van WIT naar
GROEN verkleurt, is de cruisecontrol actief en houdt deze de auto op
de opgeslagen snelheid.
07
of
Stel af met een korte druk op
elke druk zorgt voor +/- 5 km/h. De laatst
verrichte aanpassing wordt in het geheugen opgeslagen.
Als u de snelheid verhoogt met het gas/
indrukt,
pedaal voordat u de knop
slaat de cruisecontrol de actuele rijsnelheid op die geldt bij het indrukken van de
knop.
Om aan te passen met +/- 1 km/h:
•
196
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Houd de knop ingedrukt en laat los bij de
gewenste snelheid.
07 Bestuurdersondersteuning
N.B.
Als u een knop van de cruisecontrol meerdere minuten ingedrukt houdt, wordt de
cruisecontrol geblokkeerd en uitgeschakeld. Om de cruisecontrol weer te kunnen
activeren, moet de auto stilstaan en de
motor worden herstart.
Adaptieve cruisecontrol* - volgtijd
instellen
De adaptieve cruisecontrol (ACC – Adaptive
Cruise Control) helpt u om een gelijkmatige
snelheid en een veilige afstand tot voorliggers
te houden.
•
•
Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 192)
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht (p.
195)
•
U kunt verschillende volgtijden ten opzichte van voorliggers kiezen en deze worden
op het instrumentenpaneel
weergegeven met 1–5 horizontale streepjes – hoe meer
streepjes, hoe langer de
volgtijd. Eén streepje komt overeen met
ca. 1 seconde ten opzichte van de voorligger
en 5 streepjes met ca. 3 seconden.
Adaptieve cruisecontrol* - functie (p. 193)
Om de volgtijd in te stellen/te wijzigen:
In bepaalde situaties is het niet mogelijk de
adaptieve cruisecontrol te activeren. Op
het instrumentenpaneel (p. 205) verschijnt
dan ACC niet beschikbaar.
Gerelateerde informatie
•
Draai aan het duimwiel van de stuurtoetsen (p. 195) (of gebruik de knoppen
/
bij een auto zonder snelheidsbegrenzer).
Bij lage snelheden (en korte tijden) vergroot
de adaptieve cruisecontrol de volgtijd iets.
Hetzelfde symbool verschijnt ook wanneer de
afstandswaarschuwing (p. 207) geactiveerd
is.
N.B.
Houd alleen een volgtijd aan die niet in
strijd is met de geldende verkeersregels.
Als de cruisecontrol bij activering niet lijkt
te reageren, kan dat komen doordat de
volgtijd tot de voorligger een snelheidstoename belet.
Hoe hoger de snelheid, hoe langer de
volgafstand in meters voor een bepaalde
volgtijd.
Gerelateerde informatie
•
•
Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 192)
•
•
Adaptieve cruisecontrol* - functie (p. 193)
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht (p.
195)
Adaptieve cruisecontrol* - uitschakelen
(p. 199)
Om voorliggers soepel en comfortabel te kunnen blijven volgen staat de adaptieve cruisecontrol in bepaalde situaties aanzienlijke
variaties in de volgtijd toe.
07
Let erop dat korte volgtijden u bij plotselinge
wijzigingen in de verkeersstroom minder tijd
geven om te reageren en in te grijpen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
197
07 Bestuurdersondersteuning
Adaptieve cruisecontrol* - tijdelijke
deactivering en stand-by
De adaptieve cruisecontrol (ACC – Adaptive
Cruise Control) helpt u om een gelijkmatige
snelheid en een veilige afstand tot voorliggers
te houden. De cruisecontrol kan tijdelijk worden gedeactiveerd en in stand-by worden
gezet.
•
de keuzehendel in stand N wordt gezet
(automatische versnellingsbak)
het toerental van de motor te laag/hoog
wordt
•
•
u meer dan 1 minuut lang een hogere
snelheid aanhoudt dan ingesteld.
de snelheid is gedaald tot onder
ca. 30 km/h8
•
de wielen hun grip op het wegdek verliezen
•
de remmen een hoge temperatuur hebben
•
de radarsensor wordt gehinderd door
natte sneeuw of hevige regenval (de
radargolven worden geblokkeerd).
U dient vervolgens zelf uw snelheid aan te
passen.
Om de adaptieve cruisecontrol tijdelijk uit te
schakelen en stand-by te zetten:
•
Automatische stand-bystand
Druk op de stuurtoets
Dit symbool en de markering van de
opslagen snelheid verkleuren dan
van GROEN naar WIT.
Tijdelijke deactivering - stand-by
zonder snelheidsbegrenzer
Om de adaptieve cruisecontrol tijdelijk uit te
schakelen en stand-by te zetten:
•
Druk op de stuurtoets
Stand-bystand door actief ingrijpen van
uw kant
De cruisecontrol wordt tijdelijk uitgeschakeld
en stand-by gezet, als:
8
198
het rempedaal wordt bediend
Wanneer u tijdelijk gas geeft via het gaspedaal zoals bij een inhaalmanoeuvre, blijft de
instelling van de cruisecontrol ongewijzigd –
de auto hervat de laatst opgeslagen snelheid
zodra u het gaspedaal loslaat.
Tijdelijke deactivering - stand-by met
snelheidsbegrenzer
07
•
•
De adaptieve cruisecontrol is afhankelijk van
andere systemen, zoals DSTC (stabiliteits- en
tractieregeling) (p. 180). Als een van dergelijke
systeem uitvalt, wordt de cruisecontrol automatisch uitgeschakeld.
Bij automatische deactivering klinkt er een
waarschuwingssignaal en op het instrumentenpaneel verschijnt de melding ACC
gedeactiveerd. U moet in dat geval zelf
ingrijpen om de snelheid en afstand ten
opzichte van de voorligger aan te passen.
Automatische deactivering is mogelijk, wanneer:
•
•
de bestuurder het portier opent
de bestuurder de veiligheidsgordel losneemt
Geldt niet voor een auto met file-assistent – bij een dergelijke auto werkt het systeem tot aan stilstand.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Ingestelde snelheid hervatten
Een cruisecontrol in stand-bystand is
opnieuw te activeren bij een druk op de
– in dat geval wordt de laatst
stuurtoets
opgeslagen snelheid hervat.
N.B.
Nadat de snelheid weer met
is hervat,
kan er een markante snelheidstoename
volgen.
Gerelateerde informatie
•
•
Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 192)
•
Adaptieve cruisecontrol* - functie (p. 193)
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht (p.
195)
07 Bestuurdersondersteuning
Adaptieve cruisecontrol* - een ander
voertuig inhalen
Adaptieve cruisecontrol* uitschakelen
Adaptieve cruisecontrol* - fileassistent
De adaptieve cruisecontrol (ACC – Adaptive
Cruise Control) helpt u om een gelijkmatige
snelheid en een veilige afstand tot voorliggers
te houden.
De adaptieve cruisecontrol (ACC – Adaptive
Cruise Control) helpt u om een gelijkmatige
snelheid en een veilige afstand tot voorliggers
te houden.
Als u achter een voorligger rijdt en u met de
richtingaanwijzer9 aangeeft te willen inhalen,
helpt de cruisecontrol door de auto kort te
versnellen ten opzichte van de voorligger.
Toetsenset met snelheidsbegrenzer
De adaptieve cruisecontrol (ACC – Adaptive
Cruise Control) helpt u om een gelijkmatige
snelheid en een veilige afstand tot voorliggers
te houden. De file-assistent biedt de adaptieve cruisecontrol meer functionaliteit, ook bij
snelheden lager dan 30 km/h.
De functie werkt bij snelheden
hoger dan 70 km/h.
WAARSCHUWING
Let erop dat deze functie bij meer situaties
dan bij inhalen kan worden geactiveerd,
bijv. als de richtingaanwijzer wordt
gebruikt om het wisselen van rijbaan of
een afslag naar een andere weg aan te
geven. De auto accelereert dan kort.
Gerelateerde informatie
•
•
Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 192)
•
Adaptieve cruisecontrol* - functie (p. 193)
9
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht (p.
195)
U schakelt de adaptieve cruisecontrol uit met
van de toetsenset (p. 195)
de stuurtoets
op het stuurwiel. Daarbij wordt de ingestelde
snelheid gewist waarna deze niet meer te her.
vatten is met de toets
Toetsenset zonder snelheidsbegrenzer
Bij kort indrukken van de stuurtoets
zet u
de adaptieve cruisecontrol stand-by (p. 198).
Bij nogmaals indrukken schakelt u de cruisecontrol uit. Daarbij wordt de ingestelde snelheid gewist waarna deze niet meer te hervat.
ten is met de toets
Gerelateerde informatie
•
•
•
Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 192)
Adaptieve cruisecontrol* - functie (p. 193)
Adaptieve cruisecontrol* - symbolen en
meldingen (p. 205)
De adaptieve cruisecontrol is aangevuld met
de functie file-assistent (ook wel "Queue
Assist" genoemd).
File-assistent biedt de volgende functies:
•
•
•
•
Uitgebreid snelheidsinterval – ook onder
30 km/h en stilstaand
Van doelvoertuig veranderen
Beëindiging automatische remfunctie bij
stilstand
Automatische activering parkeerrem.
Let erop dat 30 km/h de minimumsnelheid is
waarop de adaptieve cruisecontrol kan worden ingesteld – ook al kan de adaptieve
cruisecontrol een voorligger volgen tot aan
stilstand, is het niet mogelijk een lagere snelheid te kiezen.
07
Alleen bij gebruik van de linker richtingaanwijzers bij een auto met het stuur links of de rechter richtingaanwijzers bij een auto met het stuur rechts.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
199
07 Bestuurdersondersteuning
||
Groter snelheidsinterval
N.B.
N.B.
Om de cruisecontrol te kunnen activeren
moet u het bestuurdersportier hebben
gesloten en de veiligheidsgordel hebben
omgedaan.
De adaptieve cruisecontrol kan een voorligger
volgen in het interval 0–200 km/h.
•
•
Druk op de stuurtoets
.
of
200
•
Trap het gaspedaal in.
>
De cruisecontrol zal dan de voorligger
opnieuw volgen.
•
Van doelvoertuig veranderen
U dient dan zelf in te grijpen en te remmen.
Automatische stand-bystand bij
wijziging van doelvoertuig
N.B.
07
Wanneer de cruisecontrol een rijdende
voorligger volgt bij snelheden boven
30 km/h, van doelvoertuig verandert en
vervolgens een stilstaand voertuig volgt,
zal de cruisecontrol het stilstaande voertuig negeren en de opgeslagen snelheid
aanhouden.
Voordat de cruisecontrol opnieuw kan
worden ingeschakeld, dient u de parkeerrem te lossen.
Om de cruisecontrol te kunnen activeren
bij een snelheid onder 30 km/h mag er binnen redelijke afstand geen voorligger te
bekennen zijn.
Bij korte stops tijdens filerijden of voor verkeerslichten wordt de functie automatisch
hervat, als de stop korter was dan
ca. 3 seconden – duurt het langer voordat
een voorligger weer gaat rijden, dan wordt de
adaptieve cruisecontrol in de stand-bystand
met automatische remfunctie gezet. U dient
deze vervolgens op een van de volgende
manieren opnieuw te activeren:
WAARSCHUWING
De file-assistent kan de auto maximaal
4 minuten stilhouden - daarna wordt de
parkeerrem aangezet, waarna de cruisecontrol wordt uitgeschakeld.
De adaptieve cruisecontrol wordt uitgeschakeld en stand-by gezet:
Als het actuele doelvoertuig plotseling afslaat,
kan het gebeuren dat een stilstaande voorligger
het nieuwe doelvoertuig wordt.
Wanneer de adaptieve cruisecontrol eerst een
rijdende voorligger volgt bij snelheden lager
dan 30 km/h, vervolgens van doelvoertuig
verandert en een stilstaand voertuig als voorligger heeft, dan zal de cruisecontrol voor het
stilstaande voertuig remmen.
•
wanneer u langzamer rijdt dan 5 km/h en
de cruisecontrol niet kan registreren of
het doelobject een stilstaand voertuig is
of een ander object, zoals een verkeersdrempel.
•
wanneer u langzamer rijdt dan 5 km/h en
de voorligger afslaat, zodat de cruisecontrol geen voorligger meer heeft om te volgen.
Stoppen van automatisch remmen bij
stilstaand voertuig
In bepaalde situaties onderbreekt de fileassistent automatisch remmen bij stilstaand
voertuig. Dat betekent dat de remmen worden gelost en de auto mogelijk gaat rollen – u
moet daarom ingrijpen en zelf remmen om de
auto stil te houden.
07 Bestuurdersondersteuning
De file-assistent schakelt in de volgende
gevallen de remmen uit en zet de adaptieve
cruisecontrol stand-by:
•
•
•
•
u het rempedaal bedient
u de parkeerrem aanzet
Adaptieve cruisecontrol* - van
cruisecontrol-functie wisselen
De adaptieve cruisecontrol (ACC – Adaptive
Cruise Control) helpt u om een veilige afstand
tot voorliggers te houden.
u de keuzehendel in stand P, N of R zet
Wisselen van ACC naar CC
u de cruisecontrol stand-by zet.
Met een druk op de knop kan het adaptieve
deel (afstandshouder) van de cruisecontrol
worden gedeactiveerd, waarna de auto alleen
de ingestelde snelheid aanhoudt.
Automatische activering parkeerrem
In bepaalde situaties zet de file-assistent dan
de parkeerrem aan om te zorgen dat de auto
blijft stilstaan.
•
– het symDruk lang op de stuurtoets
op het instrumentenpaneel verbool
.
andert in
>
Daarmee is de standaardcruisecontrol (p.
189) CC (Cruise Control) geactiveerd.
Dit vindt plaats, als:
•
u het bestuurdersportier opent of de veiligheidsgordel losmaakt
•
U het DSTC uit de Normal-stand haalt en
in de Sport-stand zet
•
de file-assistent de auto al meer dan
4 minuten lang heeft stilgehouden
•
•
de motor wordt afgezet
Gerelateerde informatie
•
•
Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 192)
•
Adaptieve cruisecontrol* - functie (p. 193)
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht (p.
195)
WAARSCHUWING
Na een wisseling van ACC naar CC remt
de auto niet langer automatisch - deze
volgt alleen de ingestelde snelheid.
de remmen oververhit zijn geraakt.
Gerelateerde informatie
•
•
Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 192)
•
Adaptieve cruisecontrol* - functie (p. 193)
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht (p.
195)
Wisselen van CC naar ACC
Schakel de cruisecontrol uit met 1–2 keer
zoals aangegeven in de uitdrukken op
schakelinginstructie (p. 199). De volgende
keer dat het systeem wordt ingeschakeld,
wordt de adaptieve cruisecontrol geactiveerd.
07
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
201
07 Bestuurdersondersteuning
Radarsensor
Radarsensor - beperkingen
De radarsensor dient om personenauto’s of
grotere voertuigen te registreren die in
dezelfde richting als u en in dezelfde rijstrook
rijden.
Een radarsensor (p. 202) heeft bepaalde
beperkingen die onder meer terug te voeren
zijn op het beperkte blikveld.
De radarsensor wordt gebruikt voor de volgende systemen:
•
•
Adaptieve cruisecontrol*
•
Afstandswaarschuwing*
De radarsensor heeft veel meer moeite om
een voertuig voor u te ontdekken:
•
Collision Warning met Auto Brake en
voetgangersdetectie*
N.B.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Houd het oppervlak vóór de radarsensor
schoon - zie het gedeelte ‘Onderhoud’ (p.
222).
Radarsensor - beperkingen (p. 202)
Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 192)
Collision Warning* (p. 217)
Afstandswaarschuwing* (p. 207)
als de radarsensor gehinderd wordt door
bijvoorbeeld hevige regenval of als
sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken.
•
als de snelheid van de voorligger te veel
afwijkt van die van uw eigen auto.
Blikveld
De radarsensor heeft een beperkt bereik. In
bepaalde gevallen wordt een voertuig niet
ontdekt of later dan verwacht.
07
Zichtveld van de ACC.
Soms kan de radarsensor een voertuig op
korte afstand pas laat registreren, bijvoorbeeld als een inhalend voertuig invoegt
tussen u en uw voorligger.
Ook kleine voertuigen, zoals motorfietsen
of voertuigen die niet in het midden van
de rijstrook rijden, kunnen onopgemerkt
blijven.
In bochten kan de radarsensor op het
verkeerde voertuig reageren of een eerder
opgemerkt voertuig uit het zicht verliezen.
202
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
07 Bestuurdersondersteuning
WAARSCHUWING
De bestuurder dient altijd rekening te houden met de verkeersomstandigheden en in
te grijpen, wanneer de adaptieve cruisecontrol geen passende snelheid of afstand
aanhoudt.
De adaptieve cruisecontrol leent zich niet
voor alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
Neem alle hoofdstukken over de adaptieve
cruisecontrol in de gebruikershandleiding
door voor informatie over de systeembeperkingen die u moet kennen alvorens het
systeem te gebruiken.
De bestuurder is er altijd verantwoordelijk
voor dat de juiste afstand en snelheid worden aangehouden, ook bij gebruik van de
adaptieve cruisecontrol.
WAARSCHUWING
De adaptieve cruisecontrol is geen systeem dat botsingen voorkomt. Grijp zelf in
zodra u merkt dat het systeem een voorligger niet registreert.
•
•
•
Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 192)
Collision Warning* (p. 217)
Afstandswaarschuwing* (p. 207)
De adaptieve cruisecontrol reageert niet
op voetgangers of dieren noch op kleinere
voertuigen, zoals fietsen of motorfietsen
e.d. Tegenliggers, langzaam rijdende en
stilstaande voertuigen of vaste obstakels
worden eveneens genegeerd.
Gebruik de adaptieve cruisecontrol niet in
stadsverkeer of verkeersdrukte, op kruisingen, bij gladheid, hevige regen- of sneeuwval of slecht zicht en evenmin op weggedeelten met een dikke laag water of
sneeuwmodder, op bochtige wegen of op
op- en afritten.
BELANGRIJK
WAARSCHUWING
Accessoires of andere voorwerpen, zoals
bijv. verstralers, mogen niet vóór de grille
worden gemonteerd.
Gerelateerde informatie
Bij zichtbare schade aan de grille van de
auto of het vermoeden dat de radarsensor
beschadigd is:
•
Neem contact op met een werkplaats
– geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
Als de grille, de radarsensor of de console
ervan beschadigd of losgeraakt is, kan de
functie ervan geheel of gedeeltelijk wegvallen of storingen vertonen.
07
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
203
07 Bestuurdersondersteuning
Adaptieve cruisecontrol* - storingen
opsporen en verhelpen
De adaptieve cruisecontrol (p. 192) (ACC –
Adaptive Cruise Control) helpt u om een
gelijkmatige snelheid en een veilige afstand
tot voorliggers te houden.
Als op het instrumentenpaneel de melding
Radar afgedekt Zie instructieb. verschijnt,
204
In de volgende tabel staan voorbeelden van
mogelijke oorzaken van het verschijnen van
de melding en passende maatregelen:
Dit betekent dat noch de adaptieve cruisecontrol noch Distance Alert (p. 207) en Collision Warning (p. 217) met Auto Brake werken.
Oorzaak
Maatregel
Het radaroppervlak van de grille is vuil of bedekt met sneeuw of
ijs.
Ontdoe het radaroppervlak van de grille van vuil, sneeuw en ijs.
De radarsignalen worden gehinderd door hevige regen- of sneeuwval.
Valt niets aan te doen. Bij hevige neerslag werkt de radar soms niet.
De radarsignalen worden gehinderd door opspattend water en
opdwarrelende sneeuw van het wegdek.
Valt niets aan te doen. Op weggedeelten met een dikke laag water of
sneeuw werkt de radar soms niet.
De melding blijft ook na schoonmaak van het radaroppervlak
staan.
Wacht even. Het kan enige minuten duren voordat de radar doorheeft dat
de radarsignalen niet langer worden geblokkeerd.
Gerelateerde informatie
07
worden de radarsignalen van de radarsensor
(p. 202) gehinderd zodat voorliggers niet kunnen worden geregistreerd.
•
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht (p.
195)
•
•
Adaptieve cruisecontrol* - functie (p. 193)
Adaptieve cruisecontrol* - symbolen en
meldingen (p. 205)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
07 Bestuurdersondersteuning
Adaptieve cruisecontrol* - symbolen
en meldingen
De adaptieve cruisecontrol (ACC – Adaptive
Cruise Control) helpt u om een gelijkmatige
Symbool
snelheid en een veilige afstand tot voorliggers
te houden. Soms kan de adaptieve cruisecontrol een symbool en/of een melding weerge-
Melding
Betekenis
Het symbool is GROEN
De auto houdt de opgeslagen snelheid aan.
Het symbool is WIT
De adaptieve cruisecontrol staat stand-by.
ven. Hier ziet u een paar voorbeelden - volg in
die gevallen het gegeven advies op:
De standaard cruisecontrol is handmatig gekozen.
DSTC normaal voor
ACC
De adaptieve cruisecontrol is alleen te activeren, wanneer de stabiliteits- en tractieregeling (DSTC) (p.
180) in de normale stand staat.
ACC gedeactiveerd
De adaptieve cruisecontrol werd gedeactiveerd – u dient zelf uw snelheid aan te passen.
ACC niet beschikbaar
De adaptieve cruisecontrol kan niet worden geactiveerd.
Dit kan onder meer gebeuren wanneer:
•
•
Radar afgedekt Zie
instructieb.
de remmen een hoge temperatuur hebben
de radarsensor wordt gehinderd door natte sneeuw of regen.
De adaptieve cruisecontrol werkt tijdelijk niet.
•
De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren. Bijvoorbeeld wanneer deze wordt gehinderd door hevige regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken.
07
U kunt dan overschakelen op (p. 201) de standaard cruisecontrol (CC) – een tekstmelding informeert
over passende alternatieven.
Lees meer over de beperkingen van de radarsensor (p. 202).
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
205
07 Bestuurdersondersteuning
||
Symbool
Melding
Betekenis
ACC Service vereist
De adaptieve cruisecontrol werkt niet.
•
Neem dan contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Remmen om stil te blijven staan + geluidssignaal
De auto staat stil en de cruisecontrol lost de bedrijfsrem, zodat de parkeerrem verder kan remmen en
de auto stil kan houden. Door een storing in de parkeerrem zal de auto echter spoedig in beweging
komen.
(Alleen auto met fileassistent)
•
Onder 30 km/h alleen
volgen
Verschijnt wanneer u de cruisecontrol probeert te activeren bij een snelheid onder 30 km/h en er geen
voorligger binnen de activeringsafstand (ca. 30 meter) te bekennen is.
U moet zelf remmen. De melding blijft staan en het geluidssignaal klinkt, totdat u het rempedaal of
gaspedaal bedient.
(Alleen auto met fileassistent)
Gerelateerde informatie
•
•
Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 192)
•
Adaptieve cruisecontrol* - functie (p. 193)
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht (p.
195)
07
206
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
07 Bestuurdersondersteuning
Afstandswaarschuwing*
N.B.
De afstandswaarschuwing (Distance Alert) is
een functie die u inlicht over de volgtijd ten
opzichte van de voorligger.
De afstandswaarschuwing is uitgeschakeld, zolang de adaptieve cruisecontrol
actief is.
Distance Alert is actief bij snelheden hoger
dan 30 km/h en reageert uitsluitend op voorliggers die in dezelfde richting als u rijden.
Voor voertuigen die langzaam in tegengestelde richting rijden of stilstaan wordt geen
afstandsinformatie gegeven.
Distance Alert reageert alleen, als de
afstand tot voorliggers korter is dan de
ingestelde waarde – de rijsnelheid wordt
niet aangepast.
console – in dat geval is het systeem te
bedienen via het menusysteem MY CAR van
de auto, zie MY CAR (p. 106).
Volgtijd instellen
WAARSCHUWING
Bediening
Bedieningselementen en symbool voor volgtijd.
Volgtijd – Verlengen/verkorten.
Volgtijd - Aan.
Oranje waarschuwingssymbool10.
Er brandt continu een oranje waarschuwingssymbool op de voorruit, als de afstand tot de
voorligger gelijk is aan de ingestelde volgtijd.
Met de knop op de middenconsole kunt u de
functie in- en uitschakelen. Het brandende
lampje in de schakelaar geeft aan dat de
functie geactiveerd is.
Bij bepaalde combinaties van opties is er
geen plek vrij voor een knop op de midden-
10
U kunt verschillende volgtijden ten opzichte van voorliggers kiezen en deze worden
op het instrumentenpaneel
weergegeven met 1–5 horizontale streepjes – hoe meer
streepjes, hoe langer de
volgtijd. Eén streepje komt overeen met
ca. 1 seconde ten opzichte van de voorligger
en 5 streepjes met ca. 3 seconden.
N.B. De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
07
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
207
07 Bestuurdersondersteuning
||
Hetzelfde symbool verschijnt ook wanneer de
adaptieve cruisecontrole geactiveerd is.
N.B.
Hoe hoger de snelheid, hoe langer de
volgafstand in meters voor een bepaalde
volgtijd.
De ingestelde volgtijd wordt ook gebruikt
door de adaptieve cruisecontrol (p. 193).
Houd alleen een volgtijd aan die niet in
strijd is met de geldende verkeersregels.
Gerelateerde informatie
•
Afstandswaarschuwing* - beperkingen (p.
208)
Afstandswaarschuwing* beperkingen
De afstandswaarschuwing (Distance Alert) is
een functie die u inlicht over de afstand (volgtijd) ten opzichte van de voorligger. Het systeem gebruikt dezelfde radarsensor als de
adaptieve cruisecontrol (p. 192) en de Collision Warning met Auto Brake (p. 217) heeft
bepaalde beperkingen.
N.B.
In de felle zon en bij lichtschitteringen of
grote variaties in de lichtsterkte alsook het
gebruik van een zonnebril is het op de
voorruit geprojecteerde waarschuwingslampje soms moeilijk waar te nemen.
In slechte weersomstandigheden en op
slingerende wegen heeft de radarsensor
soms moeite om voorliggers te registreren.
Ook voorliggers met geringe afmetingen
(zoals motorfietsen) zijn soms moeilijk te
ontdekken. Dat kan betekenen dat het
geprojecteerde waarschuwingslampje pas
bij kortere volgtijden oplicht of dat helemaal niet gaat branden.
Op zeer hoge snelheden is het mogelijk
dat het lampje door beperkingen in het
bereik van de sensor op kortere afstand
oplicht.
07
Voor meer informatie over de beperkingen
van de radarsensor, zie Radarsensor - beperkingen (p. 202) en (p. 223).
208
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Gerelateerde informatie
•
•
Afstandswaarschuwing* (p. 207)
Afstandswaarschuwing* - symbolen en
meldingen (p. 209)
07 Bestuurdersondersteuning
Afstandswaarschuwing* - symbolen
en meldingen
opzichte van de voorligger. Het systeem heeft
bepaalde beperkingen.
De afstandswaarschuwing (Distance Alert) is
een functie die u inlicht over de volgtijd ten
SymboolA
Melding
Betekenis
Radar afgedekt Zie
instructieb.
De afstandswaarschuwing werkt tijdelijk niet.
De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren. Bijvoorbeeld wanneer deze wordt gehinderd
door hevige regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken.
Lees meer over de beperkingen van de radarsensor (p. 202).
CWS-systeem Service vereist
A
De afstandswaarschuwing en Collision Warning met Auto Brake werken niet of gedeeltelijk.
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
De symbolen zijn schematisch - afhankelijk van de markt en het model zijn afwijkingen mogelijk.
Gerelateerde informatie
•
•
Afstandswaarschuwing* (p. 207)
Afstandswaarschuwing* - beperkingen (p.
208)
07
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
209
07 Bestuurdersondersteuning
City Safety™
BELANGRIJK
City Safety™ is een hulpmiddel om u te helpen een botsing te voorkomen tijdens filerijden e.d., waarbij plotselinge wijzigingen in het
verkeer vóór u gekoppeld aan onoplettendheid tot bijna-ongelukken kunnen leiden.
Onderhoud en vervanging van onderdelen
in City Safety™ mogen uitsluitend door
een werkplaats worden uitgevoerd - geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Het City Safety™-systeem dat actief is bij een
snelheid tot 50 km/h helpt u door automatisch te remmen, wanneer het gevaar voor
een botsing met een voorligger reëel is en u
zelf niet snel genoeg remt en/of uitwijkt.
WAARSCHUWING
City Safety™ werkt niet in alle rijsituaties,
verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
City Safety™ reageert niet op voertuigen
die in een andere richting dan de eigen
auto rijden, op kleine voertuigen, op
motorfietsen of op mensen en dieren.
City Safety™ wordt geactiveerd in situaties
waar u eigenlijk al veel eerder had moeten
remmen, zodat de functie niet altijd uitkomst
biedt.
City Safety™ kan botsingen voorkomen bij
een snelheidsverschil lager dan 15 km/h bij een hoger snelheidsverschil kan de
impactsnelheid alleen worden gereduceerd. Voor een volledig remvermogen
moet u zelf het rempedaal intrappen.
City Safety™ is erop gebouwd om zo laat
mogelijk geactiveerd te worden om onnodige
ingrepen te voorkomen.
Gebruik City Safety™ niet om uw rijgedrag
aan te passen – als u er blind op vertrouwt
dat City Safety™ remt, raakt u vroeg of laat
betrokken bij een botsing.
07
U en eventuele passagiers zullen normaal
alleen merken dat City Safety™ actief is,
wanneer een botsing dreigt.
Bij auto’s met Collision Warning met Auto
Brake (p. 217)* vullen de beide systemen elkaar aan.
210
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Wacht nooit af totdat City Safety™ ingrijpt.
U bent er altijd zelf verantwoordelijk voor
dat u de juiste afstand en snelheid aanhoudt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
City Safety™ - beperkingen (p. 212)
City Safety™ - functie (p. 210)
City Safety™ - bediening (p. 211)
City Safety™ - lasersensor (p. 214)
City Safety™ - symbolen en meldingen
(p. 216)
City Safety™ - functie
City Safety™ registreert het verkeer vóór de
auto middels een lasersensor boven aan de
voorruit. Wanneer het gevaar voor een aanrijding reëel is, zal City Safety™ automatisch
remmen, wat aandoet als een krachtige remmanoeuvre.
07 Bestuurdersondersteuning
Wanneer het systeem ingrijpt en remt, verschijnt op het instrumentenpaneel de tekstmelding dat het systeem actief is/was.
N.B.
Als City Safety™ remt, gaan de remlichten
branden.
City Safety™ - bediening
City Safety™ is een hulpmiddel om u te helpen een botsing te voorkomen tijdens filerijden e.d., waarbij plotselinge wijzigingen in het
verkeer vóór u gekoppeld aan onoplettendheid tot bijna-ongelukken kunnen leiden.
Aan en Uit
Gerelateerde informatie
Zend- en ontvangstoog van de lasersensor11.
Bij een snelheidsverschil van 4–15 km/h ten
opzichte van de voorligger kan City Safety™
een aanrijding geheel voorkomen.
•
•
•
•
•
City Safety™ - beperkingen (p. 212)
City Safety™ (p. 210)
City Safety™ - bediening (p. 211)
City Safety™ - lasersensor (p. 214)
City Safety™ - symbolen en meldingen
(p. 216)
City Safety™ start een korte, krachtige remmanoeuvre en zorgt er normaliter voor dat u
net achter uw voorligger tot stilstand komt.
Voor veel bestuurders die dit niet gewend zijn
is een dergelijke remmanoeuvre onprettig.
Bij een snelheidsverschil van meer dan
15 km/h tussen de voertuigen kan City
Safety™ een aanrijding niet geheel op eigen
kracht voorkomen – voor het maximale remvermogen dient u zelf het rempedaal te
bedienen. In dat geval is het ook bij snelheidsverschillen groter dan 15 km/h mogelijk
een aanrijding te voorkomen.
11
N.B.
De functie City Safety™ is altijd ingeschakeld, wanneer u de motor hebt gestart via
sleutelstand I en II (p. 73).
Soms is het handig om City Safety™ uit te
kunnen schakelen, bijvoorbeeld wanneer
bebladerde takken langs de motorkap en
voorruit kunnen schampen.
Na het starten van de motor is City Safety™
uit te schakelen. U kunt het systeem activeren/deactiveren in het menusysteem MY
CAR. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie MY CAR (p. 106).
De volgende keer dat de motor wordt gestart
is de functie echter weer actief, ook al stond
het systeem uit toen de motor werd afgezet.
07
N.B. De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
211
07 Bestuurdersondersteuning
||
WAARSCHUWING
De lasersensor geeft ook laserlicht af,
wanneer u City Safety™ handmatig uitgeschakeld hebt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
City Safety™ - functie (p. 210)
•
MY CAR (p. 106)
City Safety™ (p. 210)
City Safety™ - beperkingen (p. 212)
City Safety™ - lasersensor (p. 214)
City Safety™ - symbolen en meldingen
(p. 216)
City Safety™ - beperkingen
De City Safety™-sensor is erop gebouwd om
auto’s en andere voertuigen vóór u te ontdekken, zowel overdag als ’s nachts. Het systeem
heeft echter een aantal beperkingen.
De sensor kent echter beperkingen en werkt
bijvoorbeeld minder goed – of helemaal niet –
bij hevige sneeuw- of regenval, in dichte mist
of in dikke stofwolken of stuifsneeuw. Condens, vuil, sneeuw en ijs op de voorruit kunnen voor storingen in de werking zorgen.
Hangende voorwerpen zoals vlaggen/
wimpels die uitstekende lading markeren of
accessoires zoals verstralers en frontbars die
boven de motorkap uitsteken zorgen voor
functiebeperkingen.
Het laserlicht van de sensor in City Safety™
meet hoe het licht reflecteert. De sensor kan
geen obstakels met een gering reflecterend
vermogen waarnemen. De achterkant van
voertuigen weerkaatst veelal voldoende licht
dankzij de kentekenplaat en de achterlichtreflectoren.
07
Bij gladheid is de remweg langer waardoor
City Safety™ minder goed in staat is aanrijdingen te voorkomen. In dergelijke situaties
zullen het ABS en DSTC voor het maximale
remvermogen zorgen met behoud van de stabiliteit.
Wanneer u achteruitrijdt, is City Safety™ tijdelijk gedeactiveerd.
212
City Safety™ wordt niet geactiveerd op lage
snelheden (onder 4 km/h), wat betekent dat
het systeem niet ingrijpt in situaties waarbij u
een voorligger uiterst langzaam nadert zoals
tijdens het parkeren.
De commando’s die u zelf geeft hebben altijd
voorrang, wat betekent dat City Safety™ niet
ingrijpt in situaties waarbij u duidelijke commando’s geeft via stuurwiel of gaspedaal,
zelfs al is een aanrijding onvermijdelijk.
Nadat City Safety™ een aanrijding met een
stilstaand obstakel heeft voorkomen, blijft de
auto maximaal 1,5 seconde stilstaan. Als de
auto wordt afgeremd wegens een rijdende
voorligger, wordt de snelheid begrensd tot
dezelfde snelheid als die van de voorligger.
Bij een auto met een handgeschakelde versnellingsbak slaat de motor af wanneer City
Safety™ de auto tot stilstand heeft gebracht,
tenzij u daarvoor het koppelingspedaal weet
te bedienen.
N.B.
•
Houd de voorruit in het gebied vóór de
lasersensor vrij van sneeuw, ijs, condens en vuil (zie de afbeelding met de
sensorpositie (p. 210)).
•
Plak of bevestig geen zaken op de
voorruit vóór de lasersensor
•
Haal sneeuw en ijs van de motorkap –
de laag sneeuw en ijs mag niet dikker
zijn dan 5 cm.
07 Bestuurdersondersteuning
Storingen opsporen en verhelpen
Als de melding Voorruitsensoren afgedekt
BELANGRIJK
Als het voorruitoppervlak vóór een van
beide ‘ogen’ barsten, krassen of steenslag
vertoont van ca. 0,5 × 3,0 mm (of groter),
neem dan contact op met een erkende
werkplaats om de voorruit te laten vervangen (zie de afbeelding met de sensorpositie (p. 210)) – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
op het instrumentenpaneel verschijnt, worden
de lasersensoren gehinderd zodat ze geen
voertuigen vóór de auto kunnen registreren.
Dit betekent op zijn beurt dat City Safety™
niet werkt.
De melding Voorruitsensoren afgedekt verschijnt echter niet in alle situaties waarbij de
lasersensor gehinderd worden – let er daarom
op dat u de voorruit en in het bijzonder het
gebied vóór de lasersensor zorgvuldig
schoonhoudt.
Maatregel
Het voorruitoppervlak vóór de lasersensor is vuil of
bedekt met sneeuw
of ijs.
Ontdoe het voorruitoppervlak vóór
de lasersensor van
vuil, sneeuw en ijs.
Het blikveld van de
lasersensor wordt
gehinderd.
Verwijder het voorwerp dat het zicht
blokkeert.
City Safety™ - lasersensor (p. 214)
City Safety™ - symbolen en meldingen
(p. 216)
Als u niets doet, presteert City Safety™
mogelijk minder goed.
Om te voorkomen dat City Safety™ helemaal niet, onjuist of in beperkte mate
werkt, geldt tevens het volgende:
In de volgende tabel staan mogelijke oorzaken van het verschijnen van de melding en
suggesties voor passende maatregelen.
Oorzaak
•
•
•
Volvo adviseert u scheurtjes, krassen
of sterren in het gebied vóór de lasersensor niet te repareren, maar de complete voorruit te vervangen.
•
Voordat de voorruit wordt vervangen,
moet u contact opnemen met een
erkende Volvo-werkplaats om te controleren of de juiste voorruit wordt
besteld en gemonteerd.
•
monteer bij vervanging van de ruitenwissers hetzelfde type of een ander
type, door Volvo goedgekeurde ruitenwissers.
07
Gerelateerde informatie
•
•
•
City Safety™ (p. 210)
City Safety™ - functie (p. 210)
City Safety™ - bediening (p. 211)
213
07 Bestuurdersondersteuning
City Safety™ - lasersensor
Het City Safety™-systeem maakt gebruik van
een sensor die laserlicht uitzendt (zie afbeelding (p. 210) voor de locatie van de sensor).
Neem contact op met een gekwalificeerde
werkplaats als de lasersensor een storing vertoont of nagekeken moet worden – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Het is daarom essentieel dat u de aangegeven
instructies opvolgt bij het hanteren van de
lasersensor.
De volgende twee stickers hebben te maken
met de lasersensor:
Op de onderste sticker staan de fysische
eigenschappen van het laserlicht:
•
IEC 60825-1:1993 + A2:2001. Voldoet
aan de normen van de FDA (Amerikaanse
keuringsdienst van waren) betreffende de
uitvoering van laserproducten met uitzondering van de afwijkingen conform ‘Laser
Notice No. 50’, d.d. 26 juli 2001.
De fysische gegevens staan nader omschreven in de volgende tabel.
Maximale pulsenergie
2,64 µJ
Maximaal gem. vermogen
45 mW
Divergentie (horizontaal × verticaal)
Op de bovenste sticker in de afbeelding staat
de classificatie van het laserlicht:
•
214
Laserstraling - Niet rechtstreeks in de
straal kijken met optische instrumenten Klasse 1M laserproduct.
•
Kijk nooit van een afstand van 100 mm
of minder in de lasersensor (waaruit
uiteenlopende, onzichtbare laserstralen komen) met vergrotende optiek
zoals een vergrootglas, microscoop,
objectief of soortgelijke optische
instrumenten.
•
Laat tests, reparaties, demontage,
afstelling en/of vervanging van de
lasersensor of delen ervan alleen uitvoeren door een erkende werkplaats –
geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
•
Stel de lasersensor niet bij en voer
geen onderhoud uit dat niet uitdrukkelijk in dit boekje staat aangegeven om
blootstelling aan schadelijke straling
tegen te gaan.
•
De reparateur dient de speciaal opgestelde werkplaatsinformatie voor de
lasersensor te volgen.
•
Demonteer de lasersensor niet (en verwijder de lenzen evenmin). Een gedemonteerde lasersensor is een laserproduct klasse 3B volgens de IEC-norm
60825-1. Een laserproduct klasse 3B
is niet veilig voor de ogen en houdt
dan ook een gevaar voor oogletsel in.
Stralingsgegevens voor lasersensor
Pulsduur
07
WAARSCHUWING
Als u de instructies in dit boekje niet
opvolgt, bestaat er gevaar voor oogletsel!
33 ns
28° × 12°
07 Bestuurdersondersteuning
•
Koppel de connector van de lasersensor los voordat u deze van de voorruit
demonteert.
•
Zorg dat de lasersensor op de voorruit
gemonteerd is alvorens de connector
aan te sluiten.
•
De lasersensor zendt laserlicht uit
wanneer de transpondersleutel in sleutelstand II (p. 73) staat, ook al is de
motor afgezet.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
City Safety™ (p. 210)
City Safety™ - beperkingen (p. 212)
City Safety™ - functie (p. 210)
City Safety™ - bediening (p. 211)
City Safety™ - symbolen en meldingen
(p. 216)
07
215
07 Bestuurdersondersteuning
City Safety™ - symbolen en
meldingen
instrumentenpaneel gaan branden in combinatie met een tekstmelding. Meldingen kunt u
van het display halen door de OK-knop op de
richtingaanwijzerhendel kort in te drukken.
Terwijl City Safety™ (p. 210) automatisch
remt, kunnen een of meer symbolen op het
Symbool
Melding
Betekenis/Maatregel
Autom. remmen door
City Safety
City Safety™ remt op dit moment of remde eerder automatisch.
Voorruitsensoren afgedekt
De lasersensor werkt tijdelijk niet doordat deze door iets gehinderd wordt.
•
Verwijder het voorwerp dat de sensor hindert en/of maak het voorruitoppervlak vóór de sensor
schoon.
Lees meer over de beperkingen van de lasersensor (p. 212).
City Safety Service vereist
Gerelateerde informatie
07
216
•
•
•
•
•
City Safety™ (p. 210)
City Safety™ - beperkingen (p. 212)
City Safety™ - functie (p. 210)
City Safety™ - bediening (p. 211)
City Safety™ - lasersensor (p. 214)
City Safety™ is defect.
•
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
07 Bestuurdersondersteuning
Collision Warning*
Uitvoering 1
‘Collision Warning met Auto Brake en voetgangers- en fietserdetectie’ is een hulpmiddel
dat bedoeld is om u te waarschuwen, wanneer het gevaar bestaat dat u op een voetganger of achter op een (stilstaande of rijdende) fietser of voorligger botst.
U wordt alleen met visuele en akoestische
signalen gewaarschuwd12 voor obstakels – er
wordt niet automatisch geremd, u moet zelf
remmen.
Collision Warning met Auto Brake en voetgangersdetectie wordt geactiveerd in situaties waar u eigenlijk al veel eerder had moeten remmen, zodat de functie niet altijd uitkomst biedt.
Gebruik Collision Warning met Auto Brake en
voetgangersdetectie niet om uw rijgedrag aan
te passen – als u er blind op vertrouwt dat
Collision Warning met Auto Brake remt, raakt
u vroeg of laat betrokken bij een aanrijding.
Twee systeemuitvoeringen
Afhankelijk van het uitrustingsniveau van de
auto kan de functie Collision Warning met
Auto Brake en voetgangersdetectie in twee
uitvoeringen voorkomen:
12
Collision Warning* - beperkingen van de
camerasensor (p. 225)
•
Collision Warning* - symbolen en meldingen (p. 227)
Uitvoering 2
U wordt met visuele en akoestische signalen
gewaarschuwd voor obstakels – de auto remt
automatisch als u niet zelf binnen een redelijke tijd reageert.
BELANGRIJK
Collision Warning met Auto Brake en voetgangersdetectie is erop gebouwd om zo laat
mogelijk geactiveerd te worden om onnodige
ingrepen te voorkomen.
Collision Warning met Auto Brake en voetgangersdetectie kan een aanrijding voorkomen of de impactsnelheid verlagen.
•
Onderhoud aan de componenten van Collision Warning met Auto Brake & voetgangersbescherming mag uitsluitend worden
uitgevoerd in een werkplaats - een door
Volvo erkende werkplaats wordt aanbevolen.
Gerelateerde informatie
•
•
Collision Warning* - functie (p. 218)
Collision Warning* - detectie van voetgangers (p. 221)
•
Collision Warning* - detectie van fietser
(p. 219)
•
•
Collision Warning* - bediening (p. 222)
07
Collision Warning* - algemene beperkingen (p. 224)
Geen waarschuwing voor fietsers bij ‘Uitvoering 1’.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
217
07 Bestuurdersondersteuning
Collision Warning* - functie
3. Auto Brake14
‘Collision Warning met Auto Brake en voetgangers- en fietserdetectie’ is een hulpmiddel
dat bedoeld is om u te waarschuwen, wanneer het gevaar bestaat dat u op een voetganger of achter op een (stilstaande of rijdende) fietser of voorligger botst.
Collision Warning en City Safety™ (p. 210)
vullen elkaar aan.
1 – Collision Warning
Eerst wordt u gewaarschuwd voor een dreigende aanrijding.
Collision Warning registreert voetgangers
vóór de auto en (stilstaande of rijdende) voorliggers.
Bij gevaar voor een aanrijding met een voetganger of voertuig, wordt uw aandacht
getrokken met een rood knipperend waarschuwingssymbool (1) en een akoestisch signaal.
2 – Brake Support14
Functie-overzicht13.
Audiovisueel waarschuwingssignaal bij
gevaar voor een botsing.
Radarsensor14
07
Camerasensor
Collision Warning met Auto Brake vervult drie
functies in de volgende volgorde:
1. Collision Warning
2. Brake Support14
13
14
218
Als het gevaar voor een aanrijding na de Collision Warning verder is toegenomen, treedt
de Brake Support in werking.
Dit betekent dat het systeem de nodige voorbereidingen treft voor een snelle remmanoeuvre, waarna de remmen licht worden
aangezet. Dit is te merken aan een lichte
schok.
Als u het rempedaal met een bepaalde snelheid bedient, wordt het maximale remvermogen geleverd.
Brake Support helpt u eveneens bij het remmen, als het systeem ervan uitgaat dat de
N.B. De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
Alleen met een systeem in uitvoering 2.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
remmanoeuvre alleen niet voldoende is om
een botsing te voorkomen.
3 – Auto Brake14
Op het laatste moment wordt de automatische remfunctie geactiveerd.
Als u in deze fase nog steeds niet aan een
uitwijkmanoeuvre bent begonnen en het aanrijdingsgevaar urgent is, schakelt de automatische remfunctie in, ongeacht of u remt of
niet. De auto wordt daarbij maximaal afgeremd om de botssnelheid te beperken of
zoveel als nodig is om een aanrijding te voorkomen. Voor fietsers wordt mogelijk zeer laat
gewaarschuwd en geremd of gelijktijdig
gewaarschuwd en geremd.
07 Bestuurdersondersteuning
WAARSCHUWING
Collision Warning werkt niet in alle rijsituaties, verkeers-, weers- en wegomstandigheden. Collision Warning reageert niet op
naderende tegenliggers of fietsers noch op
dieren.
Er wordt alleen gewaarschuwd wanneer
het risico van een botsing groot is. In het
onderdeel “Functie” en “Beperkingen”
wordt geïnformeerd over de beperkingen
die u als bestuurder moet kennen, voordat
u de Collision Warning met Auto Brake
gebruikt.
Er wordt niet gewaarschuwd noch geremd
voor voetgangers en fietsers bij een rijsnelheid hoger dan 80 km/h.
Gerelateerde informatie
•
•
Collision Warning* (p. 217)
Collision Warning* - detectie van voetgangers (p. 221)
•
Collision Warning* - detectie van fietser
(p. 219)
•
•
Collision Warning* - bediening (p. 222)
•
Collision Warning* - beperkingen van de
camerasensor (p. 225)
•
Collision Warning* - symbolen en meldingen (p. 227)
Collision Warning* - algemene beperkingen (p. 224)
Collision Warning* - detectie van
fietser
‘Collision Warning met Auto Brake en voetgangers- en fietserdetectie’ is een hulpmiddel
dat bedoeld is om u te waarschuwen, wanneer het gevaar bestaat dat u op een voetganger of achter op een (stilstaande of rijdende) fietser of voorligger botst.
In het donker en in tunnels kan niet worden gewaarschuwd noch geremd voor
voetgangers en fietsers – zelfs al brandt de
straatverlichting.
Auto Brake kan een botsing geheel voorkomen of de botssnelheid verlagen.
Bedien voor een maximale remwerking
altijd het rempedaal – ook al wordt er automatisch geremd.
Wacht nooit een waarschuwingssignaal
van de Collision Warning af. U bent er
altijd verantwoordelijk voor om de juiste
afstand en snelheid aan te houden – ook
bij gebruik van de Collision Warning met
Auto Brake.
Optimaal voorbeeld van wat het systeem als een
fietser beschouwt – met duidelijke lichaams- en
fietscontouren, recht van achteren gezien en in
het verlengde van de hartlijn door de auto.
Voor optimale prestaties van het systeem
dient de systeemfunctie die verantwoordelijk
is voor identificatie van fietsers zo uniform
mogelijke informatie over de lichaams- en
fietscontouren ontvangen – dat houdt in dat
kenmerkende (lichaams-)delen zoals fiets,
hoofd, armen, schouders, benen, borstkas en
buik moeten kunnen worden waargenomen
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
07
219
07 Bestuurdersondersteuning
||
evenals een bewegingspatroon dat voor mensen als normaal te beschouwen is.
Het systeem kan een fietser niet ontdekken,
als de camera grote delen van het lichaam
van de fietser of zijn/haar fiets niet kan waarnemen.
•
Fietsers die links of rechts op de denkbeeldige snijlijnen door de zijkanten van
uw auto fietsen worden mogelijk laat of
helemaal niet ontdekt.
•
Bij zonsondergang en -opgang kan het
systeem fietsers minder goed registreren
– vergelijkbaar met het menselijk oog.
•
Het systeem is niet in staat fietsers te
registreren bij ritten in het donker of in
tunnels – zelfs al brandt de straatverlichting.
•
WAARSCHUWING
Collision Warning met Auto Brake en voetgangers- en fietserdetectie is een hulpmiddel.
Fietserdetectie is niet mogelijk:
Voor optimale fietserdetectie moet het
systeem City Safety™ zijn geactiveerd,
City Safety™ (p. 210).
•
in alle situaties en het systeem heeft
bijvoorbeeld moeite met gedeeltelijk
zichtbare fietsers;
•
bij fietsers in kleding die de lichaamscontouren verhult of fietsers die van de
zijkant komen;
•
bij fietsen waar achterop geen reflector
zit;
•
bij fietsen waarop grote voorwerpen
worden vervoerd.
U bent er altijd zelf verantwoordelijk voor
dat u de auto op de juiste wijze bestuurt
en voldoende afstand houdt afhankelijk
van de rijsnelheid.
Het systeem ‘ziet’ alleen de achterkant van fietsen die in dezelfde richting als uw auto rijden.
•
Het systeem kan alleen volwassen fietsers ontdekken die op een dames- of
herenfiets zitten.
•
De fiets moet aan de achterkant zijn voorzien van een rode reflector die goed
zichtbaar en goedgekeurd15 is en op minstens 70 cm boven het wegdek zit.
07
•
15
220
Het systeem kan fietsers alleen recht van
achteren ontdekken en alleen als deze in
dezelfde richting als uw auto rijden – niet
schuin van achteren of van opzij.
De reflector moet voldoen aan de aanbevelingen en voorschriften van de verkeersinstantie in het desbetreffende land.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Collision Warning* - detectie van voetgangers (p. 221)
Collision Warning* (p. 217)
Collision Warning* - functie (p. 218)
Collision Warning* - bediening (p. 222)
Collision Warning* - algemene beperkingen (p. 224)
07 Bestuurdersondersteuning
•
Collision Warning* - beperkingen van de
camerasensor (p. 225)
•
Collision Warning* - detectie van
voetgangers
Collision Warning* - symbolen en meldingen (p. 227)
‘Collision Warning met Auto Brake en voetgangers- en fietserdetectie’ is een hulpmiddel
dat bedoeld is om u te waarschuwen, wanneer het gevaar bestaat dat u op een voetganger of achter op een (stilstaande of rijdende) fietser of voorligger botst.
Het systeem kan een voetganger niet ontdekken, als de camera grote delen van het
lichaam niet kan waarnemen.
•
Een voetganger is alleen te ontdekken
wanneer deze helemaal zichtbaar is en
een lengte heeft van minimaal 80 cm.
•
Het systeem kan geen voetgangers ontdekken die grote voorwerpen dragen.
•
Bij zonsondergang en -opgang kan de
camerasensor voetgangers minder goed
registreren – vergelijkbaar met het menselijk oog.
•
De camerasensor is niet in staat voetgangers te registreren bij ritten in het donker
of in tunnels – zelfs al brandt de straatverlichting.
WAARSCHUWING
Ideaalvoorbeelden van wat het systeem als voetgangers met herkenbare lichaamscontouren
beschouwt.
Voor optimale prestaties van het systeem
dient de systeemfunctie die verantwoordelijk
is voor identificatie van voetgangers zo uniform mogelijke informatie over de lichaamscontouren ontvangen – dat houdt in dat kenmerkende lichaamsdelen zoals hoofd, armen,
schouders, benen, borstkas en buik moeten
kunnen worden waargenomen evenals een
bewegingspatroon dat voor mensen als normaal te beschouwen is.
Collision Warning met Auto Brake & voetgangersbescherming is een hulpmiddel.
De functie is niet in staat om in alle situaties alle voetgangers te detecteren en ziet
bijvoorbeeld geen deels verborgen voetgangers, personen met kleding die de
lichaamscontouren verhult of voetgangers
die kleiner zijn dan 80 cm.
•
07
U bent er altijd zelf verantwoordelijk
voor dat u de auto op de juiste wijze
bestuurt en voldoende afstand houdt
afhankelijk van de rijsnelheid.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
221
07 Bestuurdersondersteuning
||
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Collision Warning* (p. 217)
Collision Warning* - functie (p. 218)
Collision Warning* - bediening (p. 222)
Collision Warning* - detectie van fietser
(p. 219)
•
Collision Warning* - algemene beperkingen (p. 224)
•
Collision Warning* - beperkingen van de
camerasensor (p. 225)
•
Collision Warning* - symbolen en meldingen (p. 227)
Collision Warning* - bediening
‘Collision Warning met Auto Brake en voetgangers- en fietserdetectie’ is een hulpmiddel
dat bedoeld is om u te waarschuwen, wanneer het gevaar bestaat dat u op een voetganger of achter op een (stilstaande of rijdende) fietser of voorligger botst.
Via een menusysteem van MY CAR op het
display van de middenconsole zijn eventuele
instellingen voor de Collision Warning te verrichten, zie MY CAR (p. 106).
Waarschuwingssignalen Aan en Uit
U kunt aangeven of de geluidssignalen en het
geprojecteerde waarschuwingslampje voor
de Collision Warning moeten zijn in- of uitgeschakeld.
Bij het starten van de motor geldt automatisch de instelling die actief was toen de
motor werd afgezet.
N.B.
De functies Brake Support en Auto Brake
zijn altijd actief – ze kunnen niet uitgeschakeld worden.
07
Waarschuwingslampje en
geluidssignaal
Na het starten van de motor zijn het waarschuwingslampje en het geluidssignaal uit te
schakelen. U kunt het systeem activeren/
deactiveren in het menusysteem MY CAR.
222
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Voor een beschrijving van het menusysteem,
zie MY CAR (p. 106).
Als u het waarschuwingslampje en het
geluidssignaal van de Collision Warning hebt
ingeschakeld, wordt het waarschuwingslampje (zie (1) in de afbeelding (p. 218)) bij
iedere motorstart getest. Daarbij gaan de verschillende lichtpunten van het waarschuwingslampje korte tijd branden.
Geluidssignaal
U kunt het geluidssignaal afzonderlijk activeren/deactiveren in het menusysteem MY
CAR. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie MY CAR (p. 106).
Waarschuwingsafstand instellen
De waarschuwingsafstand is de afstand
waarbij een visueel signaal en een geluidssignaal worden afgegeven. U kunt de waarschuwingsafstand instellen in het menusysteem
MY CAR. Voor een beschrijving van het
menusysteem, zie MY CAR (p. 106).
De waarschuwingsafstand is bepalend voor
de gevoeligheid van het systeem. Bij de
waarschuwingsafstand Lang wordt eerder
gewaarschuwd. Ga altijd uit van de instelling
Lang, maar als deze instelling te vaak tot
waarschuwingen leidt (wat in bepaalde situaties als hinderlijk kan worden ervaren) kunt u
overgaan op de waarschuwingsafstand
Normaal.
07 Bestuurdersondersteuning
Maak alleen in uitzonderingsgevallen zoals bij
dynamisch rijden gebruik van de waarschuwingsafstand Kort.
N.B.
WAARSCHUWING
Geen enkel automatisch systeem kan in
alle situaties een 100 % feilloze werking
garanderen. Test Collision Warning met
Auto Brake daarom nooit uit op mensen of
voertuigen - dat kan namelijk tot ernstig
letsel/ernstige schade en levensgevaarlijke
situaties leiden.
Bij gebruik van de adaptieve cruisecontrol
worden het waarschuwingslampje en de
waarschuwingszoemer door de cruisecontrol gehanteerd, ook al hebt u de Collision
Warning gedeactiveerd.
Instellingen controleren
De Collision Warning waarschuwt u bij
gevaar voor een botsing, maar de functie
is niet in staat uw reactietijd te verkorten.
U kunt de actuele instellingen controleren op
het display van de middenconsole. Ga in het
menusysteem (p. 106) MY CAR.
Voor een optimale werking van de Collision Warning dient u de Afstandswaarschuwing (p. 207) altijd in te stellen op
volgtijd 4-5.
Onderhoud
N.B.
Ook als u de waarschuwingsafstand hebt
ingesteld op Lang, kunnen de waarschuwingen voor uw gevoel soms laat worden
afgegeven. Bijvoorbeeld bij grote snelheidsverschillen of als de voorligger krachtig remt.
regelmatig schoonmaakt met water en autoshampoo.
N.B.
Als vuil, ijs en sneeuw de sensoren bedekken, neemt de functie af en kan meten
onmogelijk worden gemaakt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Collision Warning* (p. 217)
Collision Warning* - functie (p. 218)
Collision Warning* - detectie van voetgangers (p. 221)
•
Collision Warning* - detectie van fietser
(p. 219)
•
Collision Warning* - algemene beperkingen (p. 224)
•
Collision Warning* - beperkingen van de
camerasensor (p. 225)
•
Collision Warning* - symbolen en meldingen (p. 227)
07
Camera- en radarsensor16.
De sensoren werken alleen naar behoren
wanneer u vuil, ijs en sneeuw verwijdert en ze
16
N.B. De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
223
07 Bestuurdersondersteuning
Collision Warning* - algemene
beperkingen
‘Collision Warning met Auto Brake en voetgangers- en fietserdetectie’ is een hulpmiddel
dat bedoeld is om u te waarschuwen, wanneer het gevaar bestaat dat u op een voetganger of achter op een (stilstaande of rijdende) fietser of voorligger botst.
Het systeem heeft bepaalde beperkingen – zo
is het systeem pas actief bij snelheden van
zo’n 4 km/h en hoger.
In de felle zon en bij lichtschitteringen alsook
het gebruik van een zonnebril is het op de
voorruit geprojecteerde waarschuwingslampje voor de Collision Warning (zie (1) op
de afbeelding (p. 218)) soms moeilijk te ontdekken. Dat is ook mogelijk als u niet recht
vooruit kijkt. Houd de waarschuwingszoemer
daarom altijd ingeschakeld.
07
•
Waarschuwingen kunnen eveneens
uitblijven bij een zeer geringe afstand
tot de voorligger of bij relatief grote
stuur- en pedaalbewegingen zoals bij
een zeer actieve rijstijl.
Bij gladheid is de remweg langer waardoor
het systeem minder goed in staat is aanrijdingen te voorkomen. In dergelijke situaties zullen het ABS en DSTC voor het maximale remvermogen zorgen met behoud van de stabiliteit.
17
224
N.B.
Het visuele waarschuwingssignaal kan
korte tijd buiten werking worden gesteld,
wanneer de temperatuur in het interieur
bijvoorbeeld door de felle zon te hoog is
opgelopen. Als dit gebeurt, wordt er een
waarschuwingszoemer afgegeven ook al
hebt u deze uitgeschakeld via het menusysteem.
Voor fietsers wordt mogelijk zeer laat gewaarschuwd en geremd of gelijktijdig gewaarschuwd en geremd.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
WAARSCHUWING
Als de radar- of camerasensor op grond
van de verkeerssituatie of anderszins problemen heeft voetgangers, voorliggers of
fietsers te ontdekken, is het mogelijk dat
het systeem pas laat, onterecht of helemaal geen waarschuwing geeft en remt.
De sensoren hebben een beperkt bereik
voor voetgangers en fietsers17, zodat het
systeem voor dergelijke weggebruikers
efficiënt waarschuwt en remingrepen verricht bij rijsnelheden tot 50 km/h. Voor stilstaande of langzaam rijdende voorliggers
wordt efficiënt gewaarschuwd en geremd
bij rijsnelheden tot 70 km/h.
In het donker of bij slecht zicht wordt er
mogelijk niet gewaarschuwd voor langzaam rijdende of stilstaande voorliggers.
Er wordt niet gewaarschuwd noch geremd
voor voetgangers en fietsers bij een rijsnelheid hoger dan 80 km/h.
De Collision Warning maakt gebruik van
dezelfde radarsensor als die van de adaptieve
cruisecontrol (p. 192). Lees meer over de
beperkingen van de radarsensor (p. 202).
Als u vindt dat er te vaak wordt gewaarschuwd en de signalen als storend ervaart,
kunt u de waarschuwingsafstand verkleinen
(p. 222). Het systeem waarschuwt dan minder
snel en minder vaak.
07 Bestuurdersondersteuning
Met geactiveerde achteruitversnelling is de
Collision Warning met Auto Brake tijdelijk
gedeactiveerd.
Collision Warning met Auto Brake wordt niet
geactiveerd op lage snelheden (onder
4 km/h), wat betekent dat het systeem niet
ingrijpt in situaties waarbij uw auto een voorligger uiterst langzaam nadert zoals tijdens
het parkeren.
In situaties waarin u actief en bewust rijgedrag laat zien, wordt Collision Warning minder actief.
Nadat Auto Brake een aanrijding met een stilstaand obstakel heeft voorkomen, blijft de
auto maximaal 1,5 seconde stilstaan. Als de
auto wordt afgeremd wegens een rijdende
voorligger, wordt de snelheid begrensd tot
dezelfde snelheid als die van de voorligger.
Bij een auto met een handgeschakelde versnellingsbak slaat de motor af wanneer Auto
Brake de auto tot stilstand heeft gebracht,
tenzij u daarvoor het koppelingspedaal weet
te bedienen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Collision Warning* (p. 217)
Collision Warning* - functie (p. 218)
Collision Warning* - detectie van voetgangers (p. 221)
•
Collision Warning* - detectie van fietser
(p. 219)
•
Collision Warning* - bediening (p. 222)
•
Collision Warning* - beperkingen van de
camerasensor (p. 225)
•
Collision Warning* - beperkingen van
de camerasensor
Collision Warning* - symbolen en meldingen (p. 227)
‘Collision Warning met Auto Brake en voetgangers- en fietserdetectie’ is een hulpmiddel
dat bedoeld is om u te waarschuwen, wanneer het gevaar bestaat dat u op een voetganger of achter op een (stilstaande of rijdende) fietser of voorligger botst.
Het systeem maakt gebruik van de camerasensor van de auto, die bepaalde beperkingen
heeft.
De camerasensor van de auto wordt naast de
Collision Warning met Auto Brake ook
gebruikt door de functies:
•
Automatische dimfunctie groot licht/
dimlicht (p. 86)
•
•
•
Verkeersbordinformatie (p. 183)
Driver Alert Control - DAC (p. 229)
Rijbaanassistent (p. 233)
N.B.
Houd de voorruit in het gebied vóór de
camerasensor vrij van ijs, sneeuw, condens en vuil.
07
Plak of monteer niets op de voorruit vóór
de camerasensor, aangezien één of meer
camera’s voor het systeem hierdoor slechter of niet meer werken.
De camerasensor kent ongeveer dezelfde
beperkingen als het menselijk oog. Dit houdt
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
225
07 Bestuurdersondersteuning
||
in dat de sensor minder goed ‘ziet’ bij hevige
regen- of sneeuwval en in dichte mist. In dergelijke omstandigheden kunnen functies die
gebruik maken van de camera grote beperkingen ondervinden of tijdelijk gedeactiveerd
worden.
Ook fel tegenlicht, reflecties op het wegdek,
besneeuwde of beijzelde wegen, verontreinigde of onduidelijke rijstrookmarkeringen
kunnen aanleiding geven tot grote beperkingen voor de functies die van de camera
gebruik maken om bijvoorbeeld het wegdek
af te tasten en andere voertuigen en voetgangers te ontdekken.
Het zichtveld van de camerasensor is
beperkt, zodat voetgangers, fietsers en voorliggers in bepaalde situaties niet kunnen worden geregistreerd of later worden ontdekt dan
verwacht.
Bij zeer hoge temperaturen werkt de camera
de eerste ca. 15 minuten na het starten van
de motor niet om de camerafunctie te ontzien.
Storingen opsporen en verhelpen
07
226
Als op het display de melding
Voorruitsensoren afgedekt verschijnt, betekent dit dat de camerasensor afgedekt is en
geen voetgangers, fietsers, voorliggers of
rijstrookmarkeringen vóór de auto kan ontdekken.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Dit houdt bovendien in dat niet alleen Collision Warning met Auto Brake maar ook de
functies Automatische dimfunctie groot licht/
dimlicht, Road Sign Information, Driver Alert
Control en Lane Departure Warning niet voor
de volle 100 % zullen werken.
In de volgende tabel staan mogelijke oorzaken van het verschijnen van de melding en
passende maatregelen.
Oorzaak
Maatregel
Het voorruitoppervlak vóór de
camera is vuil of
bedekt met sneeuw
of ijs.
Ontdoe het voorruitoppervlak vóór de
camera van vuil,
sneeuw en ijs.
Bij dichte mist en
hevige regen- of
sneeuwval heeft de
camera een minder
goed zicht.
Valt niets aan te
doen. Bij hevige
neerslag werkt de
camera soms niet.
Oorzaak
Maatregel
Het voorruitoppervlak vóór de
camera is schoongemaakt, maar de
melding blijft.
Wacht even. Het kan
enige minuten duren
voordat de camera
het zicht opnieuw
heeft gemeten.
Er is vuil tussen de
binnenkant van de
voorruit en de
camera gekomen.
Bezoek een werkplaats om de binnenkant van de
voorruit achter de
camerabehuizing te
laten schoonmaken
– geadviseerd wordt
een erkende Volvowerkplaats.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
Collision Warning* (p. 217)
Collision Warning* - functie (p. 218)
Collision Warning* - detectie van fietser
(p. 219)
Collision Warning* - detectie van voetgangers (p. 221)
Collision Warning* - bediening (p. 222)
Collision Warning* - algemene beperkingen (p. 224)
Collision Warning* - symbolen en meldingen (p. 227)
07 Bestuurdersondersteuning
Collision Warning* - symbolen en
meldingen
‘Collision Warning met Auto Brake en voetgangers- en fietserdetectie’ is een hulpmiddel
SymboolA
dat bedoeld is om u te waarschuwen, wanneer het gevaar bestaat dat u op een voetganger of achter op een (stilstaande of rijdende) fietser of voorligger botst.
Melding
Betekenis
CWS-systeem UIT
Collision Warning is uitgeschakeld.
Verschijnt bij het starten van de motor.
De melding dooft automatisch na ca. 5 seconden of eerder wanneer u op de toets OK drukt.
CWS-systeem niet
beschikbaar
Het is niet mogelijk Collision Warning te activeren.
Verschijnt wanneer u de functie toch probeert te activeren.
De melding dooft automatisch na ca. 5 seconden of eerder wanneer u op de toets OK drukt.
Remassistent geactiveerd
De Auto Brake was actief.
Voorruitsensoren
afgedekt
De camerasensor werkt tijdelijk niet.
De melding verdwijnt na bediening van de toets OK.
Verschijnt bijvoorbeeld bij sneeuw, ijs of vuil op de voorruit.
•
Maak het voorruitoppervlak vóór de camerasensor schoon.
Lees meer over de beperkingen van de camerasensor (p. 225).
07
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
227
07 Bestuurdersondersteuning
||
SymboolA
Melding
Betekenis
Radar afgedekt Zie
instructieb.
Collision Warning met Auto Brake werkt tijdelijk niet.
De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren. Bijvoorbeeld wanneer deze wordt gehinderd
door hevige regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken.
Lees meer over de beperkingen van de radarsensor (p. 202).
CWS-systeem Service vereist
A
Collision Warning met Auto Brake werkt niet of gedeeltelijk.
•
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
De symbolen zijn schematisch - afhankelijk van de markt en het model zijn afwijkingen mogelijk.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
07
228
Collision Warning* (p. 217)
Collision Warning* - functie (p. 218)
Collision Warning* - detectie van voetgangers (p. 221)
Collision Warning* - detectie van fietser
(p. 219)
Collision Warning* - bediening (p. 222)
Collision Warning* - algemene beperkingen (p. 224)
Collision Warning* - beperkingen van de
camerasensor (p. 225)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
07 Bestuurdersondersteuning
Driver Alert System*
Driver Alert System is bestemd om u te helpen als de auto op een ongecontroleerde
manier wordt bestuurd of op het punt staat de
rijstrookmarkering te overschrijden.
Driver Alert System bestaat uit verschillende
functies die tegelijk of apart in te schakelen
zijn:
•
•
Driver Alert Control - DAC (p. 230).
Gerelateerde informatie
•
•
Driver Alert Control (DAC)* (p. 229)
Driver Alert Control (DAC)* - symbolen en
meldingen (p. 231)
•
Driver Alert Control (DAC)* - bediening (p.
230)
•
Rijbaanassistent (LDW)* (p. 233)
Driver Alert Control (DAC)*
Het DAC-systeem is bedoeld om uw aandacht te trekken, wanneer u de auto op een
ongecontroleerde manier bestuurt (omdat u
bijvoorbeeld afgeleid wordt of bijna in slaap
valt).
DAC is bedoeld om langzame wijzigingen in
het rijgedrag te bespeuren, in eerste instantie
op de grotere wegen. De functie is niet
bedoeld voor gebruik in het stadsverkeer.
Rijbaanassistent - LDW (p. 233).
Een ingeschakelde functie wordt pas daadwerkelijk geactiveerd bij snelheden hoger dan
65 km/h. Bij lagere snelheden staat de functie
stand-by.
De functie wordt weer uitgeschakeld, zodra
de snelheid onder de 60 km/h daalt.
Beide functies maken gebruik van een
camera die alleen rijstroken met aan weerszijden geschilderde zijmarkeringen kan onderscheiden.
WAARSCHUWING
Driver Alert werkt niet in alle situaties,
maar is uitsluitend bedoeld als een aanvullend hulpmiddel.
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige
manier bestuurt.
Een camera tast de geschilderde rijstrookmarkeringen af en vergelijkt de wegrichting
met uw stuurbewegingen. U wordt gewaarschuwd wanneer de auto de wegrichting op
een ongecontroleerde manier volgt.
07
Soms treden er ondanks vermoeidheid geen
merkbare wijzigingen op in het rijgedrag. In
dat geval wordt er dan ook niet gewaarschuwd. Het is daarom van groot belang dat
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
229
07 Bestuurdersondersteuning
||
u bij opkomende vermoeidheid de auto op
een geschikte plek parkeert om een pauze in
te lassen, ongeacht de vraag of DAC nu wel
of niet heeft gewaarschuwd.
N.B.
Driver Alert Control (DAC)* bediening
Via het menusysteem op het display van de
middenconsole zijn instellingen te verrichten.
Voor informatie over het gebruik van het
menusysteem, zie MY CAR (p. 106).
De functie mag niet worden gebruikt om
de rijtijd te verlengen. Plan altijd regelmatig
pauzes in en zorg ervoor dat u bent uitgerust.
Als de auto slingert, wordt u
gewaarschuwd met een geluidssignaal en de tekstmelding Driver
Alert Tijd voor pauze – tegelijkertijd gaat het bijbehorende symbool op het
instrumentenpaneel branden. Als u uw rijgedrag niet corrigeert wordt enige tijd later
opnieuw gewaarschuwd.
U kunt het waarschuwingssymbool ook deactiveren:
•
Beperkingen
Soms kan het systeem ten onrechte waarschuwen voor ongecontroleerde stuurbewegingen. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren bij:
•
•
spoorvorming in het wegdek.
De camerasensor heeft zijn beperkingen
(p. 225).
Gerelateerde informatie
07
230
WAARSCHUWING
Neem een waarschuwing altijd serieus,
omdat u bij slaperigheid uw lichamelijke
conditie vaak minder goed kunt inschatten.
zijdelingse rukwinden
N.B.
•
•
Driver Alert System* (p. 229)
•
Driver Alert Control (DAC)* - symbolen en
meldingen (p. 231)
Driver Alert Control (DAC)* - bediening (p.
230)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Druk op de knop OK van de linker stuurhendel.
Bij een auto met LDW staat mogelijk het bovenstaande op het beeldscherm.
Breng bij een waarschuwing of een gevoel
van vermoeidheid de auto zo spoedig
mogelijk tot stilstand om rust te houden.
U kunt het Driver Alert-systeem stand-by zetten. U kunt het systeem activeren/deactiveren
in het menusysteem MY CAR. Voor een
beschrijving van het menusysteem, zie MY
CAR (p. 106).
Driver Alert wordt geactiveerd bij een snelheid
hoger dan 65 km/h en blijft actief zolang de
snelheid boven 60 km/h ligt.
Studies hebben aangetoond dat rijden bij
vermoeidheid even gevaarlijk is in het verkeer als rijden onder invloed.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Driver Alert System* (p. 229)
Driver Alert Control (DAC)* (p. 229)
Driver Alert Control (DAC)* - symbolen en
meldingen (p. 231)
07 Bestuurdersondersteuning
Driver Alert Control (DAC)* - symbolen
en meldingen
mentenpaneel of op het beeldscherm van de
middenconsole laten verschijnen.
Het DAC (p. 229) kan in uiteenlopende situaties symbolen en meldingen op het instru-
Instrumentenpaneel
SymboolA
Melding
Betekenis
Driver Alert Tijd voor
pauze
De auto vertoont zwalkend rijgedrag – u wordt gewaarschuwd met een zoemersignaal en een displaymelding.
Voorruitsensoren afgedekt
De camerasensor werkt tijdelijk niet.
Verschijnt bijvoorbeeld bij sneeuw, ijs of vuil op de voorruit.
•
Maak het voorruitoppervlak vóór de camerasensor schoon.
Lees meer over de beperkingen van de camerasensor (p. 225).
Driver Alert Sys Service
vereist
A
Het systeem is defect.
•
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
De symbolen zijn schematisch - afhankelijk van de markt en het model zijn afwijkingen mogelijk.
Display
SymboolA
Melding
Betekenis
07
Driver Alert UIT
Wisser/sproeier uitgeschakeld.
Driver Alert Beschikbaar
De functie is ingeschakeld.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
231
07 Bestuurdersondersteuning
||
SymboolA
A
Melding
Betekenis
Driver Alert stand-by <65km/h
De functie is stand-by gezet omdat de rijsnelheid onder 65 km/h ligt.
Driver Alert niet beschikbaar
De weg is niet voorzien van duidelijke markeringsstrepen of de camerasensor werkt tijdelijk niet.
Lees meer over de beperkingen van de camerasensor (p. 225).
De symbolen zijn schematisch - afhankelijk van de markt en het model zijn afwijkingen mogelijk.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Driver Alert System* (p. 229)
Driver Alert Control (DAC)* (p. 229)
Driver Alert Control (DAC)* - bediening (p.
230)
07
232
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
07 Bestuurdersondersteuning
Rijbaanassistent (LDW)*
N.B.
De Rijbaanassistent is een van de functies van
Driver Alert System – wordt ook wel LDW
(Lane Departure Warning) genoemd.
De functie is bedoeld voor gebruik op snelwegen enz. en verkleint de kans op het in
bepaalde situaties onbedoeld verlaten van de
eigen rijbaan.
Werkingsprincipe van LDW
(De afbeelding is schematisch – niet modelspecifiek.)
LDW maakt gebruik van een camera die de
geschilderde zijlijnen van de weg/rijbaan
aftast.
Als de auto zonder duidelijke reden de linker
of rechter zijlijn van de rijstrook overschrijdt,
wordt u gewaarschuwd met een zoemersignaal.
Iedere keer dat de wielen een markering
passeren wordt u slechts eenmaal gewaarschuwd. U wordt dan ook niet meer
gewaarschuwd, wanneer u met één wiel
aan weerszijden zijden van de rijstrookmarkering blijft rijden.
Rijbaanassistent (LDW) - functie
Het is mogelijk bepaalde instellingen te verrichten voor de Rijbaanassistent.
Aan & Uit
Gerelateerde informatie
•
•
Driver Alert System* (p. 229)
•
•
Rijbaanassistent (LDW) - functie (p. 233)
•
Rijbaanassistent (LDW) - symbolen en
meldingen (p. 236)
Rijbaanassistent (LDW) - beperkingen (p.
235)
Rijbaanassistent (LDW) - bediening (p.
234)
LDW is met een knop op de middenconsole
naar wens in en uit te schakelen. Het lampje
in de schakelaar brandt wanneer de functie
ingeschakeld is.
De functie wordt in verschillende situaties
gecompleteerd met duidelijke grafische voorstellingen op het instrumentenpaneel.
Persoonlijke instellingen
Via het menusysteem MY CAR op het display
van de middenconsole zijn instellingen te verrichten. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie MY CAR (p. 106).
07
Kies uit de opties:
• Aan bij starten - De functie staat bij het
starten van de motor altijd stand-by.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
233
07 Bestuurdersondersteuning
||
Anders is de functiestatus bij het afzetten
van de motor bepalend.
• Hogere gevoeligheid – Verhoogde
gevoeligheid, zodat er eerder wordt
gewaarschuwd en minder beperkingen
gelden.
Rijbaanassistent (LDW) - bediening
LDW wordt in verschillende situaties gecompleteerd met duidelijke grafische voorstellingen op het instrumentenpaneel. Hier volgen
enkele voorbeelden:
Gerelateerde informatie
•
•
Rijbaanassistent (LDW)* (p. 233)
Rijbaanassistent (LDW) - beperkingen (p.
235)
•
Rijbaanassistent (LDW) - bediening (p.
234)
•
Rijbaanassistent (LDW) - symbolen en
meldingen (p. 236)
Zijlijnen van LDW-systeem (rood gemarkeerd op
afbeelding).
07
234
•
Het LDW-symbool heeft WITTE zijlijnen –
het systeem is actief en detecteert/‘ziet’
één zijlijn of beide zijlijnen.
•
Het LDW-symbool heeft GRIJZE zijlijnen –
het systeem is actief, maar detecteert de
linker noch de rechter zijlijn.
of
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
•
Het LDW-symbool heeft GRIJZE zijlijnen –
het systeem staat stand-by omdat de
snelheid lager is dan 65 km/h.
•
Het LDW-symbool heeft geen zijlijnen –
het systeem is uitgeschakeld.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Rijbaanassistent (LDW)* (p. 233)
Rijbaanassistent (LDW) - beperkingen (p.
235)
Rijbaanassistent (LDW) - functie (p. 233)
Rijbaanassistent (LDW) - symbolen en
meldingen (p. 236)
07 Bestuurdersondersteuning
Rijbaanassistent (LDW) - beperkingen
De camerasensor van de rijbaanassistent
heeft beperkingen, net als het menselijk oog.
Lees meer over de beperkingen van de camerasensor (p. 225).
N.B.
In de volgende situaties waarschuwt het
LDW echter niet:
•
•
•
•
•
Bij gebruik van de richtingaanwijzers
Bij bediening van het rempedaal18
Bij snelle bediening van het gaspedaal18
Bij snelle stuurbewegingen18
Bij dusdanig scherpe bochten dat de
auto overhelt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
18
Rijbaanassistent (LDW)* (p. 233)
Rijbaanassistent (LDW) - functie (p. 233)
Rijbaanassistent (LDW) - bediening (p.
234)
Rijbaanassistent (LDW) - symbolen en
meldingen (p. 236)
07
Wanneer u voor ‘Hogere gevoeligheid’ hebt gekozen, wordt er echter wel gewaarschuwd, zie Rijbaanassistent (LDW) - functie (p. 233).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
235
07 Bestuurdersondersteuning
Rijbaanassistent (LDW) - symbolen en
meldingen
In situaties waar het LDW-systeem niet wordt
geactiveerd kan er een symbool op het instru-
SymboolA
mentenpaneel verschijnen in combinatie met
een verklarende melding – volg in dat geval
het gegeven advies op.
Melding
Betekenis
Lane departure warning AAN/
Lane departure warning UIT
De functie is ingeschakeld/uitgeschakeld.
Voorbeelden van meldingen:
Verschijnt bij inschakeling/uitschakeling.
De melding verdwijnt automatisch na 5 seconden.
Lane Depart. Warning Niet
beschikbaar bij deze snelheid
De functie is stand-by gezet omdat de rijsnelheid onder 65 km/h ligt.
Lane Depart. Warning Niet
beschikbaar
De rijbaan is niet voorzien van duidelijke markeringsstrepen of de camerasensor werkt tijdelijk niet. Lees meer over de beperkingen van de camerasensor (p. 225).
Lane Depart. Warning Beschikbaar
De functie tast de belijning van de rijbaan af.
Voorruitsensoren afgedekt
De camerasensor werkt tijdelijk niet.
Verschijnt bijvoorbeeld bij sneeuw, ijs of vuil op de voorruit.
•
Maak het voorruitoppervlak vóór de camerasensor schoon.
Lees meer over de beperkingen van de camerasensor (p. 225).
07
Driver Alert Sys Service vereist
Het systeem is defect.
•
A
236
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
De symbolen zijn schematisch - afhankelijk van de markt en het model zijn afwijkingen mogelijk.
07 Bestuurdersondersteuning
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Rijbaanassistent (LDW)* (p. 233)
Rijbaanassistent (LDW) - beperkingen (p.
235)
Rijbaanassistent (LDW) - functie (p. 233)
Rijbaanassistent (LDW) - bediening (p.
234)
07
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
237
07 Bestuurdersondersteuning
Park Assist*
Park Assist is bedoeld als hulpmiddel tijdens
het parkeren. Geluidssignalen en symbolen
op het display van de middenconsole geven
de afstand aan tot een waargenomen obstakel.
Het Park Assist-volume is tijdens de weergave van geluidssignalen bij te stellen met de
draaiknop VOL op de middenconsole. Het
geluidsniveau kan ook worden bijgesteld in
het menu voor audio-instellingen dat bereikbaar is met een druk op SOUND of in het
menusysteem (p. 106) MY CAR19 van de
auto.
Gerelateerde informatie
•
Park Assist* - sensoren schoonmaken (p.
241)
•
•
•
•
•
Park Assist* - functie (p. 238)
Park Assist* - aan de voorzijde (p. 240)
Park Assist* - storingsindicatie (p. 241)
Park Assist* - functie
De Park Assist wordt bij het starten van de
motor automatisch geactiveerd – het lampje
in de schakelaar brandt. Wanneer u Park
Assist met deze knop uitschakelt, dooft het
lampje.
Park Assist* - aan de achterzijde (p. 240)
Park Assist-camera (p. 242)
Park Assist is verkrijgbaar in twee varianten:
•
•
Park Assist aan de achterzijde
Park Assist aan de voor- en achterzijde.
WAARSCHUWING
•
Hoewel de Park Assist handig is bij het
parkeren, bent u nog altijd schadeplichtig bij eventuele fouten.
•
Wanneer er obstakels in de dode hoeken van de sensoren zitten, zal het
systeem ze niet kunnen ontdekken.
•
Houd mensen, dieren e.d. in de buurt
van de auto daarom in de gaten.
07
19
238
Afhankelijk van het audio- en mediasysteem.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Aan/Uit voor Park Assist en CTA*.
Bij een auto met CTA (p. 248) lichten de controlelampjes voor BLIS (p. 246) eenmaal op,
wanneer u de Park Assist activeert met de
knop.
07 Bestuurdersondersteuning
geheel gevuld. Als er zowel voor als achter de
auto obstakels binnen deze afstand zijn waargenomen, komen de geluidssignalen beurtelings uit de luidsprekers aan linker- en rechterzijde.
•
Park Assist-camera (p. 242)
BELANGRIJK
Voorwerpen zoals kettingen, smalle glanzende palen of lage obstakels kunnen
‘afgeschaduwd’ worden en worden in dat
geval tijdelijk niet geregistreerd door de
sensoren – het onderbroken geluidssignaal
kan dan plotseling wegvallen in plaats van
over te gaan in het verwachte ononderbroken geluidssignaal.
Displayweergave - toont linksvoor en rechtsachter een obstakel.
Op het display van de middenconsole verschijnt een schematische weergave van de
onderlinge posities van de auto en een eventueel obstakel.
De sensoren kunnen geen hoge voorwerpen ontdekken, zoals uitstekende laadperrons.
•
De gemarkeerde sector(en) geeft/geven aan
welke van de vier sensoren een obstakel
heeft/hebben waargenomen. De gemarkeerde
sector ligt dichter bij het autosymbool, naarmate de afstand tussen de auto en het waargenomen obstakel kleiner is.
Hoe dichter u het obstakel achter of voor de
auto nadert, des te sneller volgen de geluidssignalen elkaar op. Wanneer u ondertussen
de geluidsinstallatie beluistert, wordt het
volume daarvan tijdelijk verlaagd.
Bij een afstand tot 30 cm bestaat het geluidssignaal uit een ononderbroken toon en is de
sensorsector die het dichtst bij de auto ligt
Wees in dergelijke gevallen extra voorzichtig en bedien/verrijd de auto erg
langzaam of breek de parkeermanoeuvre af – er bestaat groot gevaar
voor materiële schade aan de auto of
de omgeving, aangezien de sensoren
dan tijdelijk niet optimaal werken.
07
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Park Assist* (p. 238)
Park Assist* - sensoren schoonmaken (p.
241)
Park Assist* - aan de voorzijde (p. 240)
Park Assist* - storingsindicatie (p. 241)
Park Assist* - aan de achterzijde (p. 240)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
239
07 Bestuurdersondersteuning
Park Assist* - aan de achterzijde
N.B.
Park Assist is bedoeld als hulpmiddel tijdens
het parkeren. Geluidssignalen en symbolen
op het display van de middenconsole geven
de afstand aan tot een waargenomen obstakel.
Bij het achteruitrijden met een aanhanger
achter de auto of een fietsdrager op de
trekhaak – zonder een originele aanhangerkabel van Volvo – moet u de Park Assist
mogelijk handmatig uitschakelen om te
voorkomen dat de sensoren erop reageren.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
Park Assist* (p. 238)
Park Assist* - aan de voorzijde
Park Assist is bedoeld als hulpmiddel tijdens
het parkeren. Geluidssignalen en symbolen
op het display van de middenconsole geven
de afstand aan tot een waargenomen obstakel.
Bij het starten van de motor wordt Park Assist
automatisch geactiveerd - het lampje in de
Aan/Uit-knop brandt. Wanneer u Park Assist
met deze knop uitschakelt, dooft het lampje.
Park Assist* - sensoren schoonmaken (p.
241)
Park Assist* - functie (p. 238)
Park Assist* - aan de voorzijde (p. 240)
Park Assist* - storingsindicatie (p. 241)
Park Assist-camera (p. 242)
Het meetbereik strekt tot ca. 1,5 m recht achter de auto. Bij obstakels achter de auto
komen de geluidssignalen uit een van de luidsprekers achterin.
07
Park Assist aan de achterzijde wordt geactiveerd bij het inschakelen van de achteruitversnelling.
Bij het achteruitrijden met bijvoorbeeld een
aanhanger achter de auto wordt de Park
Assist automatisch uitgeschakeld – anders
reageren de sensoren op de aanhanger.
240
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Het meetbereik strekt tot ca. 0,8 m recht voor
de auto. Bij obstakels voor de auto komen de
geluidssignalen uit een van de luidsprekers
voorin.
Park Assist aan de voorzijde is actief bij snelheden tot 10 km/h. Het lampje in de knop
brandt om aan te geven dat het systeem
actief is. Het systeem wordt opnieuw geactiveerd bij snelheden lager dan 10 km/h.
07 Bestuurdersondersteuning
N.B.
Park Assist aan de voorzijde wordt
gedeactiveerd, wanneer u de parkeerrem
zet of de keuzehendel in stand P zet bij
een auto met automatische versnellingsbak.
BELANGRIJK
Bij montage van verstralers: Let erop dat
deze de sensoren niet mogen hinderen de verstralers kunnen dan als obstakel
worden gezien.
Park Assist* - storingsindicatie
Park Assist* - sensoren schoonmaken
Park Assist is bedoeld als hulpmiddel tijdens
het parkeren. Geluidssignalen en symbolen
op het display van de middenconsole geven
de afstand aan tot een waargenomen obstakel.
Park Assist is bedoeld als hulpmiddel tijdens
het parkeren. Geluidssignalen en symbolen
op het display van de middenconsole geven
de afstand aan tot een waargenomen obstakel.
Als op het instrumentenpaneel het
informatiesymbool continu brandt
en de tekstmelding Park Assist
Service vereist verschijnt, dan is Park Assist
defect.
De sensoren werken alleen naar behoren,
wanneer u ze regelmatig schoonmaakt met
water en autoshampoo.
BELANGRIJK
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
In bepaalde omstandigheden kan het parkeerhulpsysteem ten onrechte waarschuwingssignalen afgeven. Dit komt door
externe geluidsbronnen met ultrasone
geluidssignalen van dezelfde frequentie als
de sensoren van het systeem.
Park Assist* (p. 238)
Park Assist* - sensoren schoonmaken (p.
241)
Park Assist* - functie (p. 238)
Park Assist* - storingsindicatie (p. 241)
Voorbeelden van dergelijke bronnen zijn
o.a. claxons, natte banden op asfalt, pneumatische remmen en uitlaatgeluid van
motorfietsen.
Park Assist* - aan de achterzijde (p. 240)
Park Assist-camera (p. 242)
Positie van de voorste sensoren.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
07
Park Assist* (p. 238)
Park Assist* - sensoren schoonmaken (p.
241)
Park Assist* - functie (p. 238)
Park Assist* - aan de voorzijde (p. 240)
Park Assist* - aan de achterzijde (p. 240)
Park Assist-camera (p. 242)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
241
07 Bestuurdersondersteuning
||
Park Assist-camera
Functie en bediening
De Park Assist-camera is een hulpsysteem
dat automatisch geactiveerd wordt bij het
inschakelen van de achteruitversnelling (de
functie is te wijzigen in het instellingenmenu
(p. 245)).
De cameraweergave verschijnt op het display
van de middenconsole.
N.B.
Positie van de achterste sensoren.
N.B.
Vuil, sneeuw en ijs op de sensoren kunnen
ten onrechte aanleiding geven tot waarschuwingssignalen.
Gerelateerde informatie
07
242
•
•
•
•
•
•
Als er een trekhaak met het elektrische
systeem van de auto is geconfigureerd,
wordt de uitsteeklengte van de trekhaak bij
het meten van de parkeerruimte meegerekend.
WAARSCHUWING
•
De parkeercamera is alleen bedoeld
als hulpmiddel en zodat de bestuurder
eindverantwoordelijk blijft tijdens het
achteruitrijden.
•
De camera kent dode hoeken waarin
registratie van obstakels niet mogelijk
is.
Park Assist* (p. 238)
Park Assist* - functie (p. 238)
Park Assist* - aan de voorzijde (p. 240)
Park Assist* - storingsindicatie (p. 241)
Park Assist* - aan de achterzijde (p. 240)
Park Assist-camera (p. 242)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
•
Houd mensen en dieren in de buurt
van de auto in de gaten.
Positie knop CAM.
De camera toont wat er achter de auto is en
of er iets of iemand van de zijkanten opduikt.
De camera beslaat een breed gebied achter
de auto alsook een deel van de bumper en
een eventuele trekhaak.
Voorwerpen op het display lijken mogelijk
over te hellen – dit is volkomen normaal.
N.B.
Voorwerpen op het beeldscherm kunnen
dichterbij zijn dan ze lijken.
Als een andere schermweergave actief is,
neemt de parkeercamerafunctie het scherm
automatisch over om de cameraweergave te
tonen.
07 Bestuurdersondersteuning
Hulplijnen
Bij het inschakelen van de achteruitversnelling wordt met behulp van ononderbroken lijnen grafisch aangegeven waar de achterwielen van de auto uitkomen bij de actuele stuuruitslag – dit vereenvoudigt het achteruit inparkeren, achteruitrijden in krappe ruimten en
aankoppelen van aanhangers. Ook de buitenmaten van de auto worden globaal getoond
met twee streepjeslijnen. De hulplijnen kunnen in het instellingenmenu worden gedeactiveerd.
Als de auto tevens uitgerust is met Park
Assist-sensoren*, illustreren gekleurde velden
op grafische wijze de afstand tot geregistreerde obstakels, zie het kopje “Auto’s met
Park Assist-sensoren achter’ verderop.
De camera wordt ca. 5 seconden na uitschakeling van de achteruitversnelling gedeactiveerd, of eerder als de rijsnelheid vooruit
oploopt tot boven 10 km/h en achteruit tot
boven 35 km/h.
Camerapositie bij de openingshandgreep.
Lichtomstandigheden
De cameraweergave wordt automatisch aangepast aan de heersende lichtomstandigheden. Dit kan ertoe leiden dat de beeldweergave ietwat kan variëren wat lichtsterkte en
kwaliteit betreft. Slechte lichtomstandigheden
leveren mogelijk een iets slechtere beeldkwaliteit op.
Voorbeeld van hoe hulplijnen voor de bestuurder
getoond worden.
De lijnen op het scherm worden geprojecteerd als stonden ze op de grond achter de
auto. De lijnen zijn bovendien afhankelijk van
de stuuruitslag, zodat u ook bij het draaien
van de auto kunt zien welke baan de auto zal
nemen.
N.B.
Houd voor optimale werking de cameralens vrij van vuil, sneeuw en ijs. Dit is
vooral van belang in slechte lichtomstandigheden.
07
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
243
07 Bestuurdersondersteuning
||
N.B.
•
Bij het achteruitrijden met een aanhanger/caravan geven de lijnen op het
scherm de baan van de auto aan –
niet die van de aanhanger/caravan.
•
Er verschijnen geen lijnen op het
scherm, wanneer er een aanhanger/
caravan is aangesloten op het elektrische systeem van de auto.
•
De Park Assist-camera wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u een
aanhanger/caravan achter de auto
hebt hangen die met originele trekhaakbedrading van Volvo aangesloten
is.
BELANGRIJK
Let erop dat de schermweergave alleen
het gebied recht achter de auto weergeeft
– houd de zijkanten en de voorkant van de
auto daarom goed in de gaten wanneer u
tijdens het achteruitrijden aan het stuurwiel
draait.
20
Grenslijn vrije achteruitrijzone
De afstand wordt aangegeven met gekleurde
velden (4 stuks, voor elke sensor één).
‘Wielsporen’
Als de auto ook is uitgerust met Park Assistsensoren (Park Assist-sensoren (p. 238)), kan
de afstand nauwkeuriger worden weergegeven en geven gekleurde velden aan welke van
de 4 sensoren een obstakel registreert/registreren.
De onderbroken lijn (1) grenst een zone af die
tot ca. 1,5 m achter de achterbumper strekt.
Deze vormt tegelijkertijd de grens voor de uitstekende delen van de auto, zoals buitenspiegels en hoeken – ook wanneer de auto een
bocht maakt.
De afbeelding is schematisch en is dan ook geen correcte weergave van het desbetreffende model.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Auto’s met Park Assist-sensoren
achter*
De verschillende lijnen van het systeem20.
De brede ‘wielsporen’ (2) tussen de zijlijnen
geven aan waar de wielen zich zullen bevinden en kunnen tot ca. 3,2 m achter de achterbumper reiken zolang er geen obstakel in de
weg staat.
07
244
Grenslijnen
Kleur
Afstand (meter)
Lichtgeel
0,7–1,5
Geel
0,5–0,7
Oranje
0,3–0,5
Rood
0–0,3
07 Bestuurdersondersteuning
Park Assist-camera - instellingen
Trekhaak
Park Assist-camera - beperkingen (p.
246)
De parkeercamera is een hulpsysteem en
wordt geactiveerd wanneer er in de achteruit
wordt geschakeld.
Park Assist* (p. 238)
Instellingen
De camera leent zich bij uitstek voor het aankoppelen van een aanhanger/caravan. Op het
display kan een hulplijn verschijnen voor de
geplande ‘baan’ van de trekhaak naar de
aanhanger – dat geldt ook voor de ‘wielsporen’.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Park Assist-camera - instellingen (p. 245)
Om de instellingen voor de parkeercamera te
wijzigen:
1. Druk op OK/MENU wanneer een cameraweergave getoond wordt.
•
2. Scrol naar de gewenste optie met OK/
MENU.
3. Druk op OK/MENU en verlaat het menu
met EXIT.
of
1. Druk op CAM.
2. Druk op OK/MENU.
3. Scrol naar de gewenste optie met OK/
MENU.
4. Druk op OK/MENU en verlaat het menu
met EXIT.
Overig
De standaardinstelling is dat de camera wordt
geactiveerd bij het inschakelen van de achteruitversnelling.
•
Bij indrukken van CAM wordt de camera
geactiveerd, ook al is de achteruitversnelling niet ingeschakeld.
•
Wissel tussen de normale en ingezoomde
weergave door te draaien aan TUNE of te
drukken op CAM.
Voor nauwkeurig manoeuvreren is inzoomen op de trekhaak mogelijk door op
CAM te drukken – wanneer u de knop
nogmaals indrukt, verschijnt de normaalweergave weer.
De hulplijn voor de trekhaak is na het indrukken van OK/MENU te activeren in het menusysteem, waar u kunt kiezen uit weergave van
de ‘wielsporen’ of de baan van de trekhaak –
beide opties kunnen niet gelijktijdig worden
weergegeven.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Park Assist-camera (p. 242)
Park Assist-camera - beperkingen (p.
246)
Park Assist* (p. 238)
MY CAR (p. 106)
07
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
245
07 Bestuurdersondersteuning
Park Assist-camera - beperkingen
BLIS* (Blind Spot Information System)
De parkeercamera is een hulpsysteem en
wordt geactiveerd wanneer er in de achteruit
wordt geschakeld.
BLIS (Blind Spot Information System) is een
functie om de bestuurder ondersteuning te
bieden bij rijden in druk verkeer op wegen
met meerdere rijbanen in dezelfde richting.
N.B.
Fietsdragers of andere accessoires achter
op de auto kunnen het blikveld van de
camera blokkeren.
Waar u op moet letten
Let erop dat ook als het geblokkeerde gebied
er op het scherm relatief klein uitziet, het werkelijke, verborgen gebied dusdanig groot kan
zijn dat obstakels pas worden geregistreerd
wanneer u er bijna bovenop zit.
•
Houd de cameralens vrij van vuil, sneeuw
en ijs.
•
Maak de cameralens regelmatig schoon
met lauw water en autoshampoo – wees
voorzichtig om geen krassen in de lens te
maken.
Gerelateerde informatie
07
•
•
•
21
246
Park Assist-camera (p. 242)
Park Assist-camera - instellingen (p. 245)
Park Assist* (p. 238)
Het BLIS-systeem is een hulpmiddel om u te
waarschuwen voor:
•
•
voertuigen in de dode hoek
snel inhalende voertuigen in de linker en
rechter rijbaan naast uw auto.
De BLIS-functie CTA (p. 248) (Cross Traffic
Alert) is een hulpmiddel om u te waarschuwen voor:
•
kruisend verkeer als u achteruitrijdt met
de auto.
WAARSCHUWING
BLIS is slechts een aanvullend hulpmiddel
en werkt niet in alle situaties.
BLIS vormt geen vervanging voor een veilige rijstijl en het gebruik van de buitenspiegels.
Ook met BLIS moet u altijd oplettend en
verantwoord blijven rijden - u bent er altijd
verantwoordelijk voor dat u op een veilige
manier van rijstrook wisselt.
N.B. De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Overzicht
Positie BLIS-lampje21.
Controlelampje
BLIS-symbool
N.B.
Het lampje gaat branden aan de kant van
de auto waar het systeem het voertuig
heeft ontdekt. Als de auto aan beide kanten tegelijkertijd wordt ingehaald, gaan
beide lampjes branden.
07 Bestuurdersondersteuning
Onderhoud
BLIS*(Blind Spot Information System)
- bediening
Wanneer BLIS werkt
BLIS (Blind Spot Information System) is een
functie om u ondersteuning te bieden bij rijden in druk verkeer op wegen met meerdere
rijbanen in dezelfde richting.
BLIS activeren/deactiveren
BLIS wordt geactiveerd bij het starten van de
motor wat bevestigd wordt door de controlelampjes op de portierpanelen die één keer
oplichten.
Positie van de sensor.
De sensoren voor het BLIS-systeem zitten
aan beide kanten aan de binnenkant van het
achterspatbord/de bumper.
•
Voor optimale werking is het belangrijk
dat de oppervlakken vóór de sensoren
worden schoongehouden.
Gerelateerde informatie
•
BLIS*(Blind Spot Information System) bediening (p. 247)
De BLIS-functie kan worden gedeactiveerd/
geactiveerd in het menusysteem (p. 106) MY
CAR van de auto.
Principe voor BLIS: 1. Zone in dode hoek. 2.
Zone voor snel inhalende voertuigen.
Bij deactivering/activering van BLIS dooft/
brandt het lampje in de knop en het instrumentenpaneel bevestigt de wijziging met een
tekstmelding - bij activering lichten de controlelampjes op de portierpanelen eenmaal op.
Het systeem reageert, als:
Om de melding te laten verdwijnen:
•
Druk op de knop OK van de linker stuurhendel.
of
•
Wacht ongeveer 5 seconden - de melding
verdwijnt.
Het BLIS-systeem werkt bij snelheden hoger
dan ongeveer 10 km/h.
•
•
u wordt ingehaald
achterliggers snel naderen.
Wanneer BLIS een voertuig binnen zone 1 of
een snel inhalend voertuig in zone 2 ontdekt,
brandt het BLIS-lampje op het portierpaneel
constant. Als u in deze stand de richtingaanwijzers activeert aan de kant waarvoor de
waarschuwing wordt gegeven, schakelt het
BLIS-lampje over van constant branden op
knipperen met een feller licht.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
07
247
07 Bestuurdersondersteuning
||
WAARSCHUWING
BLIS werkt niet in scherpe bochten.
BLIS werkt niet als de auto achteruitrijdt.
Beperkingen
•
Vuil, ijs en sneeuw op de sensoren kunnen voor functiebeperkingen zorgen en
waarschuwingen onmogelijk maken. BLIS
kan dergelijke beperkende omstandigheden niet detecteren.
•
Bevestig geen voorwerpen, tape of stickers binnen het oppervlak van de sensoren.
•
BLIS wordt gedeactiveerd, als u een aanhanger op het elektrische systeem van de
auto aansluit.
CTA (Cross Traffic Alert)*
CTA (Cross Traffic Alert) is een hulpmiddel
om u voor kruisend verkeer te waarschuwen,
als u achteruitrijdt met de auto. CTA is een
aanvulling op BLIS (p. 246).
WAARSCHUWING
CTA is slechts een aanvullend hulpmiddel
en werkt niet in alle situaties.
CTA activeren/deactiveren
CTA vormt geen vervanging voor een veilige rijstijl en het gebruik van de buitenspiegels.
CTA wordt geactiveerd bij het starten van de
motor wat bevestigd wordt door de controlelampjes voor BLIS op de portierpanelen die
één keer oplichten.
Ook met CTA moet u altijd oplettend en
verantwoord blijven rijden - u bent er altijd
verantwoordelijk voor dat u op een veilige
manier achteruitrijdt.
Wanneer CTA werkt
BELANGRIJK
Reparaties aan de componenten van de
BLIS- en CTA-functies of het spuiten van
de bumper mogen uitsluitend in een werkplaats worden uitgevoerd. Een erkende
Volvo-werkplaats wordt aanbevolen.
07
Gerelateerde informatie
•
BLIS* (Blind Spot Information System) (p.
246)
•
BLIS - symbolen en meldingen (p. 250)
Aan/Uit voor de sensoren voor Parkeerhulp en
CTA.
Het CTA-systeem is uit te schakelen met de
Aan/Uit-knop voor de Park Assist (p. 238).
Het BLIS-lampje licht bij activering eenmaal
op
Principe voor CTA.
CTA vormt een aanvulling op het BLIS-systeem door bij achteruitrijden het kruisende
verkeer vanaf de zijkant te kunnen zien, bijvoorbeeld als de auto achteruit een parkeervak verlaat.
CTA is bedoeld om in de eerste plaats voertuigen te ontdekken – in gunstige gevallen
248
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
07 Bestuurdersondersteuning
kunnen ook kleinere voorwerpen zoals fietsen
en voetgangers worden ontdekt.
Naarmate u verder achteruitrijdt, verandert de
hoek ten opzichte van de auto/het obstakel
die/dat in de weg zit, zodat de dode hoek
snel in grootte afneemt.
CTA is alleen actief tijdens het achteruitrijden
en wordt automatisch geactiveerd als de achteruitversnelling wordt geactiveerd.
•
Een geluidssignaal waarschuwt als CTA
ontdekt dat iets vanaf de zijkant nadert het geluid komt uit de linker of rechter
luidsprekers, afhankelijk van uit welke
richting het object nadert.
•
CTA waarschuwt ook doordat de BLISlampjes gaan branden.
•
Er wordt ook een waarschuwing gegeven
met een brandend pictogram in de grafische PAS-voorstelling (p. 238) op het
beeldscherm.
Voorbeelden van andere beperkingen:
•
Vuil, ijs en sneeuw op de sensoren kunnen voor functiebeperkingen zorgen en
waarschuwingen onmogelijk maken. CTA
kan dergelijke beperkende omstandigheden niet detecteren.
•
Bevestig geen voorwerpen, tape of stickers binnen het oppervlak van de sensoren.
•
CTA wordt gedeactiveerd als een aanhanger op het elektrisch systeem van de
auto wordt aangesloten.
Uw auto staat ver naar achteren in een parkeervak.
Dode hoek CTA.
Detectiegebied/‘blikveld’ CTA.
Beperkingen
BELANGRIJK
Het CTA werkt niet in alle situaties optimaal,
maar heeft zijn beperkingen – zo kunnen de
CTA-sensoren niet ‘door’ andere geparkeerde
voertuigen of voorwerpen die het zicht blokkeren heen kijken.
Reparaties aan de componenten van de
BLIS- en CTA-functies of het spuiten van
de bumper mogen uitsluitend in een werkplaats worden uitgevoerd. Een erkende
Volvo-werkplaats wordt aanbevolen.
Hier volgen enkele voorbeelden van situaties
waar het ‘blikveld’ van het CTA aanvankelijk
beperkt is, zodat naderende voertuigen pas
op het laatste moment geregistreerd worden:
Onderhoud
07
In schuine parkeervakken valt de ene kant van de
auto mogelijk helemaal binnen de dode hoek van
het CTA.
}}
249
07 Bestuurdersondersteuning
||
BLIS - symbolen en meldingen
In situaties waarbij het BLIS (p. 246) en CTA
(p. 248) uitblijven of worden onderbroken, kan
er een symbool op het instrumentenpaneel
verschijnen in combinatie met een verklarende melding. Neem een eventueel advies in
acht.
Voorbeelden van meldingen:
Positie van de sensor.
De sensoren voor het CTA-systeem zitten aan
weerszijden, aan de binnenkant van het achterspatbord/de bumper.
•
Voor optimale werking is het belangrijk
dat de oppervlakken vóór de sensoren
worden schoongehouden.
Gerelateerde informatie
•
BLIS* (Blind Spot Information System) (p.
246)
•
BLIS - symbolen en meldingen (p. 250)
07
Melding
Betekenis
CTA UIT
CTA is handmatig uitgeschakeld - BLIS is actief.
BLIS en
CTA UIT
Aanhanger
aangekoppeld
BLIS en CTA zijn tijdelijk
buiten werking, omdat er
een aanhanger is aangesloten op het elektrisch systeem van de auto.
BLIS en
CTA Service vereist
BLIS en CTA zijn buiten
werking.
•
Bezoek een werkplaats
als de melding niet verdwijnt – geadviseerd
wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
Meldingen kunt u van het display halen door
de OK-knop op de richtingaanwijzerhendel
kort in te drukken.
250
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Gerelateerde informatie
•
BLIS* (Blind Spot Information System) (p.
246)
07 Bestuurdersondersteuning
Instelbare stuurkracht*
Naarmate de rijsnelheid hoger wordt neemt
de stuurbekrachtiging af, waardoor u een
beter gevoel met de weg krijgt. Op snelwegen
stuurt de auto zwaarder en directer. Bij het
parkeren en op lage snelheden is de auto lichter en met minder moeite te besturen.
U hebt de keuze uit drie niveaus van stuurbekrachtiging voor een maximum aan weggevoel en stuurgevoeligheid. Instellen is mogelijk in het menusysteem MY CAR. Voor een
beschrijving van het menusysteem, zie MY
CAR (p. 106).
Deze instelling is niet te beschikbaar, wanneer de auto rijdt.
N.B.
In bepaalde situaties kan de stuurbekrachtiging te warm worden en moet deze dan
tijdelijk worden gekoeld - gedurende die
periode werkt de stuurbekrachtiging met
een gereduceerd vermogen en het draaien
aan het stuurwiel kan dan wat zwaarder
gaan.
Op het moment dat de stuurhulp tijdelijk
gereduceerd is, verschijnt er een melding
op het instrumentenpaneel.
07
Gerelateerde informatie
•
MY CAR (p. 106)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
251
STARTEN EN RIJDEN
08 Starten en rijden
Alcoholslot*
alcoholslot1
Het
voorkomt dat bestuurders die
onder invloed zijn in de auto kunnen rijden.
Voordat de motor kan worden gestart, moet u
een blaastest afgeven om vast te stellen dat u
niet onder de invloed van alcohol bent. Het
alcoholslot wordt gekalibreerd ten opzichte
van de grenswaarde voor verkeersdeelname
die in uw land geldt.
Alcoholslot* - functies en bediening
Functies
WAARSCHUWING
Het alcoholslot is een hulpmiddel dat u
niet ontslaat van uw verantwoordelijkheden als bestuurder. De bestuurder dient
altijd nuchter te blijven en de auto op een
veilige manier te besturen.
Gerelateerde informatie
•
Alcoholslot* - functies en bediening (p.
253)
•
Alcoholslot* - waar u op moet letten (p.
255)
•
•
Alcoholslot* - opslag (p. 254)
•
Alcoholslot* - symbolen en meldingen (p.
257)
1
Alcoholslot* - vóór het starten van de
motor (p. 254)
Controlelampje (4)
Ladingstoestand batterij
Knippert
groen
Wordt opgeladen
Groen
Volledig opgeladen
Oranje
Half opgeladen
Rood
Ontladen – plaats de lader
in de houder of sluit de
voedingskabel uit het
dashboardkastje aan.
N.B.
Mondstuk voor blaastest.
Bewaar de blaasunit in zijn houder. Zo blijft
de ingebouwde batterij opgeladen en kan
het alcoholslot automatisch worden geactiveerd bij het openen van de auto.
Schakelaar.
Zendertoets.
Lampje voor ladingstoestand batterij.
Lampje voor resultaat blaastest.
Lampje dat aangeeft dat het systeem
gereed is voor een blaastest.
Bediening - batterij
Het controlelampje (4) van de blaasunit geeft
de ladingstoestand van de batterij aan:
Gerelateerde informatie
•
•
•
Alcoholslot* (p. 253)
Alcoholslot* - opslag (p. 254)
Alcoholslot* - waar u op moet letten (p.
255)
•
Alcoholslot* - vóór het starten van de
motor (p. 254)
•
Alcoholslot* - symbolen en meldingen (p.
257)
08
Wordt ook wel Alcoguard genoemd.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
253
08 Starten en rijden
Alcoholslot* - opslag
Bewaar de blaasunit in zijn houder. Verwijder
de blaasunit door de unit licht in de houder te
drukken en los te laten, waarna deze opveert
en uit de houder kan worden genomen.
•
Alcoholslot* - waar u op moet letten (p.
255)
•
Alcoholslot* - vóór het starten van de
motor
Alcoholslot* - symbolen en meldingen (p.
257)
De blaasunit wordt automatisch geactiveerd
en gereedgemaakt voor gebruik bij het ontgrendelen van de auto.
1. Wanneer het controlelampje (6) groen
oplicht, is de blaasunit klaar voor gebruik.
2. Neem de blaasunit uit de houder. Als de
blaasunit zich buiten de auto bevindt tijdens het ontgrendelen, dan dient u de
unit eerst te activeren met de schakelaar
(2).
Blaasunit bewaren en laadstation.
•
Plaats de blaasunit terug in de houder tot
de unit vastklikt.
•
Bewaar de blaasunit in de houder. Dat
biedt de beste bescherming en garandeert dat de batterijen steeds volledig
opgeladen zijn.
Gerelateerde informatie
08
254
•
Alcoholslot* - functies en bediening (p.
253)
•
Alcoholslot* - vóór het starten van de
motor (p. 254)
•
Alcoholslot* (p. 253)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
3. Klap het mondstuk (1) omhoog, haal diep
adem en blaas gelijkmatig totdat er
ca. 5 seconden later een ‘klikgeluid’
klinkt. Het resultaat is een van de alternatieven in de volgende tabel Resultaat van
de blaastest.
4. Als er geen melding verschijnt, is er
mogelijk iets misgegaan tijdens de gegevensoverdracht naar de auto – druk in dat
geval op de toets (3) om de testgegevens
handmatig naar de auto te zenden.
5. Klap het mondstuk omlaag en plaats de
blaasunit terug in de houder.
6. Start vervolgens binnen 5 minuten na een
goedgekeurde blaastest de motor –
anders is een nieuwe blaastest vereist.
08 Starten en rijden
Resultaat van de blaastest
A
Controlelampje (5) +
displaymelding
Betekenis
Groen lampje +
Alcoguard Test
goedgekeurd
Start de motor – geen
alcohol gemeten.
Oranje lampje +
Alcoguard Test
goedgekeurd
Motor kan worden
gestart – gemeten
promillage boven
0,1 promille maar
onder de geldende
grenswaardeA.
Rood lampje +
Test afgekeurd
Wacht 1 minuut
Motor kan niet worden
gestart – gemeten
promillage boven de
geldende grenswaardeA.
De grenswaarde verschilt van land tot land (ga na wat er in
uw land geldt). Zie ook Alcoholslot* (p. 253).
N.B.
Binnen 30 minuten na afloop van een rit
kan de motor opnieuw gestart worden
zonder dat er een nieuwe blaastest nodig
is.
2
Gerelateerde informatie
•
Alcoholslot* - functies en bediening (p.
253)
•
•
•
Alcoholslot* - opslag (p. 254)
Alcoholslot* (p. 253)
Alcoholslot* - symbolen en meldingen (p.
257)
Alcoholslot* - waar u op moet letten
Voor een goede werking en een zo nauwkeurig mogelijk meetresultaat:
•
Ca. 5 minuten voor de blaastest niet eten
of drinken.
•
De voorruit niet te lang sproeien – de
alcohol in de sproeiervloeistof kan een
verkeerd meetresultaat opleveren.
Om bij het wisselen van bestuurder een
nieuwe blaastest te kunnen doen schakelaar
(2) en de zendtoets (3) gelijktijdig
ca. 3 seconden lang ingedrukt houden. De
startblokkering van de auto wordt dan
opnieuw geactiveerd, zodat er eerst een
goedgekeurde blaastest nodig is voordat de
motor kan worden gestart.
Kalibreren en onderhoud plegen
Het alcoholslot dient om de 12 maanden in
een werkplaats2 gecontroleerd en gekalibreerd te worden.
30 dagen voordat herkalibratie noodzakelijk
is, verschijnt op het instrumentenpaneel de
melding Alcoguard Kalibr. vereist. Als er
niet binnen 30 dagen gekalibreerd wordt, dan
kan de motor niet langer op de normale wijze
gestart worden - de motor is dan alleen te
starten via de bypass-functie, zie het volgende kopje ‘Noodsituatie’.
08
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
255
08 Starten en rijden
||
De melding is te verwijderen met een druk op
de zendtoets (3). De melding verdwijnt anders
spontaan na ca. 2 minuten maar verschijnt
iedere keer dat de motor gestart wordt
opnieuw – alleen bij herkalibratie in een werkplaats2 verdwijnt de melding permanent.
In noodsituaties of wanneer het alcoholslot
defect is, kunt u het alcoholslot omzeilen om
toch in de auto te kunnen rijden.
N.B.
Alle activering met bypass wordt geregistreerd en opgeslagen in een geheugen, zie
Vastlegging van gegevens (p. 16).
Koud en warm weer
Hoe kouder het buiten is, hoe langer het duurt
voordat de blaasunit gereed is voor gebruik:
Temperatuur (°C)
Maximale
opwarmtijd
(seconden)
+10 tot +85
10
–5 tot +10
60
–40 tot –5
180
Bij temperaturen lager dan –20 °C of hoger
dan +60 ’C is extra voeding voor de blaasunit
vereist. Het instrumentenpaneel toont
Alcoguard Stroom kabel aansluiten. Sluit
de voedingskabel uit het dashboardkastje in
dat geval aan op de blaasunit en wacht totdat
het controlelampje (6) groen oplicht.
08
Bij extreme koude kunt u de opwarmtijd verkorten door de blaasunit mee naar binnen te
nemen.
2
256
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
minuut en Alcoguard Bypass actief daarna kunt u de motor starten.
Noodsituatie
Na activering van de bypass-functie blijft
Alcoguard Bypass actief op het instrumentenpaneel staan totdat het systeem gereset
wordt in een werkplaats2.
Het is mogelijk de bypass-functie te testen
zonder dat er een foutmelding wordt aangemaakt – loop in dat geval alle stappen door
maar start de motor niet. De foutmelding
wordt gewist bij het vergrendelen van de
auto.
Bij installatie van het alcoholslot geeft u aan
of omzeilen mogelijk moet zijn via de bypassof de noodfunctie. Deze instelling is achteraf
nog te wijzigen in een werkplaats2.
Bypass-functie activeren
•
Houd de OK-knop op de linker stuurhendel en de knop voor de alarmknipperlichten ca. 5 seconden lang ingedrukt – op
het instrumentenpaneel verschijnen achtereenvolgens Bypass actief Wacht 1
Deze functie is meerdere malen te activeren.
De foutmelding die verschijnt tijdens het rijden is echter alleen te wissen in een werkplaats2.
Noodfunctie activeren
•
Houd de OK-knop op de linker stuurhendel en de knop voor de alarmknipperlichten ca. 5 seconden lang ingedrukt – op
het instrumentenpaneel verschijnt
Alcoguard Bypass actief en de motor
kan worden gestart.
Deze functie is eenmaal te gebruiken en moet
daarna gereset worden in een werkplaats2.
Gerelateerde informatie
•
Alcoholslot* - functies en bediening (p.
253)
•
•
Alcoholslot* - opslag (p. 254)
•
•
Alcoholslot* (p. 253)
Alcoholslot* - vóór het starten van de
motor (p. 254)
Alcoholslot* - symbolen en meldingen (p.
257)
08 Starten en rijden
Alcoholslot* - symbolen en meldingen
Naast de al beschreven meldingen gerelateerd aan hoe het alcoholslot vóór het starten
van de motor werkt (p. 254) kan het display
van het instrumentenpaneel ook het volgende
weergeven:
Displaymelding
Betekenis/Maatregel
Alcoguard
Her- start
mogelijk
Motor stond minder dan
30 minuten af – motor kan
worden gestart zonder
nieuwe blaastest.
Alcoguard
Service vereist
Bezoek een
Alcoguard
Geen signaal
Overdracht mislukt – verstuur het resultaat handmatig via toets (3) of doe
een nieuwe blaastest.
Alcoguard
Test ongeldig
De test is mislukt – doe
een nieuwe blaastest.
Alcoguard
Blaas langer
U blies te kort – blaas langer.
Alcoguard
Blaas zachter
U blies te hard – blaas
minder hard.
werkplaatsA.
Displaymelding
Betekenis/Maatregel
Alcoguard
Blaas harder
U blies niet hard genoeg –
blaas harder.
Alcoguard
wacht Verwarmt voor
Opwarming niet gereed –
wacht de melding Alcoguard Blaas 5 seconden af.
A
Motor starten
U kunt de motor starten en afzetten met
behulp van de transpondersleutel en de knop
START/STOP ENGINE.
Dieselmotor
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
Alcoholslot* - functies en bediening (p.
253)
•
Alcoholslot* - waar u op moet letten (p.
255)
•
•
Alcoholslot* - opslag (p. 254)
Alcoholslot* (p. 253)
Contactslot met transpondersleutel uitgetrokken/
ingeduwd en knop START/STOP ENGINE.
BELANGRIJK
De transpondersleutel niet verkeerd om
insteken – pak de sleutel beet aan het uiteinde met het afneembare sleutelblad, zie
Afneembaar sleutelblad - verwijderen/
aanbrengen (p. 160).
08
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
257
08 Starten en rijden
||
1. Plaats de transpondersleutel in het contactslot en duw deze tot aan de aanslag
naar binnen. Let erop dat u bij een auto
met alcoholslot* eerst een goedgekeurde
blaastest moet uitvoeren voordat de
motor kan worden gestart. Voor meer
informatie over Alcoguard, zie Alcoholslot* (p. 253).
2. Trap het rempedaal volledig
in3.
3. Druk op de knop START/STOP ENGINE
en laat deze vervolgens los.
Bij het starten van de motor blijft de startmotor draaien, totdat de motor aanslaat of totdat
de beveiliging tegen oververhitting in werking
treedt.
Bij motorstart in normale omstandigheden
wordt doorgaans de elektrische aandrijving
gebruikt – de dieselmotor blijft uitgeschakeld.
Dit betekent dat de elektromotor na een druk
op de knop START/STOP ENGINE ‘gestart’
is, zodat de auto rijklaar is. Ter bevestiging
dat de elektromotor is gestart, doven de controlesymbolen op het instrumentenpaneel en
gaat het gekozen thema branden (zie Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht (p. 63)).
08
Er zijn echter situaties waarbij de dieselmotor
start, zoals bij een te lage buitentemperatuur
of als de hybride-accu moet worden opgeladen.
3
258
BELANGRIJK
Als de motor na 3 pogingen niet gestart is,
wacht u 3 minuten voordat u een nieuwe
poging doet. Het startvermogen neemt toe
als de startaccu zich kan herstellen.
Loop de punten 2–3 door om de motor zonder sleutel (p. 164) te starten.
N.B.
Om de motor te kunnen starten dient één
van de transpondersleutels met Keyless
drive-functie in de passagiers- of bagageruimte aanwezig te zijn.
WAARSCHUWING
Haal na een motorstart of als de auto
wordt gesleept nooit de transpondersleutel
uit het contactslot.
WAARSCHUWING
Haal nooit de transpondersleutel uit de
auto tijdens rijden of slepen.
WAARSCHUWING
Haal altijd de transpondersleutel uit het
contactslot als u uit de auto stapt en zorg
ervoor dat de sleutelstand 0 is, in het bijzonder als er kinderen in de auto aanwezig
zijn. Zie voor informatie over hoe u dit doet
Sleutelstanden (p. 73).
N.B.
Voor bepaalde motortypen kan het stationaire toerental bij een koude start duidelijk
hoger dan normaal zijn. Dit gebeurt om het
uitlaatgasreinigingssysteem zo snel mogelijk op de normale bedrijfstemperatuur te
krijgen waardoor de uitlaatgasemissies
afnemen en het milieu wordt ontzien.
Als de auto rolt, is het indrukken van de knop START/STOP ENGINE voldoende om de motor te starten.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Keyless drive*
Gerelateerde informatie
•
Motor afzetten (p. 259)
08 Starten en rijden
Motor afzetten
Stuurslot
Starthulp met accu
U zet de motor af met de knop START/STOP
ENGINE.
Het stuurslot bemoeilijkt de besturing zoals bij
gebruik van de auto door onbevoegden.
Als de startaccu (p. 355) uitgeput is, kunt u
de auto starten met stroom van een hulpaccu.
Om de motor af te zetten:
Functie
•
Druk op START/STOP ENGINE – de
motor slaat af.
Als de keuzehendel niet in stand P staat of als
de auto rolt:
•
Druk twee maal op START/STOP
ENGINE of houd de knop ingedrukt, totdat de motor afslaat.
Gerelateerde informatie
•
Sleutelstanden (p. 73)
•
Het stuurslot ontgrendelt als de transpondersleutel in het contactslot zit4 en de
knop START/STOP ENGINE wordt ingedrukt.
•
Het stuurslot wordt geactiveerd, wanneer
u na het afzetten van de motor het
bestuurdersportier opent.
Er is mogelijk een mechanisch geluid waarneembaar, wanneer het stuurslot wordt opgeheven of ingeschakeld.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Motor starten (p. 257)
Sleutelstanden (p. 73)
Stuurwiel (p. 80)
Als u een hulpaccu gebruikt bij het starten
wordt geadviseerd de volgende stappen aan
te houden om kortsluiting en andere schade
te voorkomen:
1. Zet de transpondersleutel in sleutelstand
0 (p. 73).
2. Controleer of de hulpaccu een spanning
van 12 V levert.
3. Als de hulpaccu in een andere auto is
gemonteerd, moet u de motor van die
auto afzetten en ervoor zorgen dat de
beide auto’s elkaar niet raken.
08
4
Auto’s met Keyless moeten een transpondersleutel in de passagiersruimte hebben.
259
08 Starten en rijden
||
4. Bevestig de ene klem van de rode startkabel aan de pluspool (1) van de hulpaccu.
BELANGRIJK
Wees voorzichtig bij het aansluiten van de
startkabels om kortsluiting met andere
onderdelen in de motorruimte te voorkomen.
8. Bevestig de andere klem aan een massapunt, bijvoorbeeld een van de hijsogen (4)
op de motor.
9. Controleer of de aansluitklemmen van de
startkabels goed vastzitten om te voorkomen dat er tijdens de startpoging vonken
ontstaan.
10. Start de motor van de ‘hulpauto’ en laat
deze enkele minuten draaien op een toerental dat iets hoger ligt dan normaal,
ca. 1500 omw/min.
11. Start de motor van de auto met de uitgeputte accu met de transpondersleutel
ingeduwd en druk op de knop START/
STOP ENGINE, zie Motor starten (p.
257).
N.B.
Bij motorstart in normale omstandigheden
wordt doorgaans de elektrische aandrijving gebruikt – de dieselmotor blijft uitgeschakeld. Dit betekent dat de elektromotor
na een druk op de knop START/STOP
ENGINE ‘gestart’ is, zodat de auto rijklaar
is. Ter bevestiging dat de elektromotor is
gestart, doven de controlesymbolen op het
instrumentenpaneel en gaat het gekozen
thema branden.
BELANGRIJK
5. Haal de clips op de voorste dekplaat
van de uitgeputte accu los en verwijder
de dekplaat.
6. Bevestig de andere klem van de rode
startkabel aan de pluspool (2) van de
auto.
7. Bevestig de ene klem van de zwarte startkabel aan de minpool (3) van de hulpaccu.
08
260
Raak de aansluitingen niet aan tijdens de
startpoging. Er bestaat namelijk gevaar
voor vonkvorming.
12. Verwijder de startkabels in omgekeerde
volgorde - eerst de zwarte kabel en
daarna de rode.
> Zorg dat geen van de aansluitklemmen
aan de zwarte startkabel contact kan
maken met de pluspool van de accu of
met de aangesloten klem van de rode
startkabel!
08 Starten en rijden
13. Plaats de voorste dekplaat van de opgeladen accu terug.
WAARSCHUWING
•
•
•
De startaccu kan het zeer explosieve
knalgas produceren. Eén enkele vonk,
veroorzaakt door een onjuiste aansluiting van een startkabel, kan volstaan
om de accu tot ontploffing te brengen.
De startaccu bevat tevens zwavelzuur
dat ernstige chemische brandwonden
kan veroorzaken.
Als u accuzuur in uw ogen krijgt of op
uw huid of kleren morst, moet u
onmiddellijk met grote hoeveelheden
water spoelen. Neem onmiddellijk contact op met een arts, als u accuzuur in
uw ogen krijgt.
Aandrijving
Deze V60 Plug-in Hybrid is een zogeheten
parallelhybride, wat inhoudt dat de auto is uitgerust met twee afzonderlijke aandrijvingen:
een elektromotor en een dieselmotor. Afhankelijk van de gekozen rijstand en de beschikbare energie kunnen de beide aandrijvingen
ieder afzonderlijk of tegelijkertijd worden
gebruikt.
Twee aandrijvingen
Een geavanceerd regelsysteem benut de
eigenschappen van de beide aandrijvingen in
verschillende omstandigheden om optimaal
rendement te realiseren.
Dieselmotor
Elektromotor
De elektromotor zorgt voornamelijk voor aandrijving op lage snelheden en de dieselmotor
op hogere snelheden bij een actievere rijstijl.
Zowel de dieselmotor als de elektromotor kan
de wielen direct aandrijven. De dieselmotor
kan bovendien de hybride-accu van de elektromotor opladen met een speciale HVdynamo.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Aandrijving - rijstanden (p. 262)
Energiestroom (p. 264)
Aandrijving - symbolen en meldingen (p.
266)
Gerelateerde informatie
•
Motor starten (p. 257)
Hybride-accu
Krachtstroomdynamo5
5
08
Gecombineerde hoogvoltgenerator en startmotor – ISG (Integrated Starter Generator).
261
08 Starten en rijden
Aandrijving - rijstanden
Omdat de actieradius bij elektrische aandrijving afhangt van het totale energieverbruik
van de auto, gelden er beperkingen voor de
functies die de actieradius beperken en de
klimaatregeling en de rijdynamiek regelen.
Voor een optimale actieradius staat de airconditioning (p. 125) uit – u kunt de airco zo
nodig echter inschakelen met de knop AC.
De beide aandrijvingen van de auto worden
apart of parallel gebruikt. Tijdens het rijden
hebt u de keuze uit verschillende rijstanden.
Ongeacht de gekozen rijstand zorgt het systeem altijd voor de optimale combinatie van
rijeigenschappen, rijbeleving, milieu-impact
en brandstofverbruik voor de desbetreffende
rijstand.
Als activering van een rijstand niet mogelijk is,
geeft een tekstmelding op het instrumentenpaneel aan waarom niet.
N.B.
Knoppen voor rijstanden.
N.B.
De bestuurder kan niet de 'verkeerde' rijstand instellen: als in een bepaalde situatie
niet aan een bepaalde parameter is voldaan, kiest het systeem automatisch een
andere, meer geschikte rijstand.
•
WAARSCHUWING
Waar u op moet letten
Laat de auto niet in de geactiveerde
rijstand en met uitgeschakelde dieselmotor in een ongeventileerde ruimte
staan - bij een laag energieniveau in de
hybride-accu wordt automatisch de
motor gestart en de uitlaatgassen kunnen dan tot ernstig letsel leiden bij
mens en dier.
In bepaalde gevallen vindt er een auto-start
van de dieselmotor plaats, ondanks dat u de
rijstand PURE hebt gekozen, bijvoorbeeld.:
– PURE
08
262
Druk als de ruiten beslaan op de knoppen
AC, AUTO of op de ontwasemingsknop.
In deze stand genieten elektrische aandrijving en een
laag energieverbruik de voorkeur voor een maximale
actieradius van de hybrideaccu.
U kunt deze rijstand alleen kiezen, wanneer
de ladingstoestand van de hybride-accu voldoende is.
•
•
als de snelheid is hoger dan 125 km/h
•
als de hybride-accu een te geringe
ladingstoestand heeft en moet worden
opgeladen
•
bij systeem-/onderdeelbeperkingen door
bijvoorbeeld een lage buitentemperatuur,
zie Energiestroom (p. 264).
als de elektrische aandrijving de door u
gewenste aandrijfkracht niet kan leveren
08 Starten en rijden
lijk aan bijvoorbeeld te helpen bij de verwarming/koeling van het interieur.
– HYBRID
Deze stand is de standaardstand bij het starten van de
auto. Het regelsysteem
maakt dan gebruik van de
elektromotor en de dieselmotor - ieder afzonderlijk of
allebei tegelijk - en berekent
de optimale gebruiksfactoren gelet op prestaties, brandstofverbruik en comfort.
Het hangt van de ladingstoestand van de
hybride-accu af in hoeverre het mogelijk is
alleen de elektromotor te gebruiken in de
stand HYBRID. Bij een hoge ladingstoestand
is het gebruik van alleen de elektromotor
identiek aan dat in de stand PURE – wat wil
zeggen dat alleen elektrische aandrijving
mogelijk is (hoge stroomafname mogelijk).
Bij een geringe ladingstoestand (hybride-accu
bijna leeg) moet ook de ladingstoestand van
de accu worden hersteld, wat betekent dat
de dieselmotor vaker aanslaat.
Om weer alleen op de elektromotor te kunnen
rijden in de stand HYBRID:
•
Laad de hybride-accu met de laadkabel
op aan een 230VAC-stopcontact (zie
Laadstroom (p. 293)) of activeer de stand
SAVE.
Waar u op moet letten
•
Ook bij een hoge ladingstoestand van de
hybride-accu slaat de dieselmotor moge-
– POWER
Deze stand levert de beste
respons en prestaties van de
auto op doordat de elektromotor en de dieselmotor
continu allebei in gebruik
zijn. De auto vertoont een
sportiever gedrag en reageert sneller op het gaspedaal.
Bij sportief rijden wordt de voorkeur gegeven
aan lagere versnellingen, zodat er met enige
vertraging wordt opgeschakeld.
Waar u op moet letten
•
•
•
De dieselmotor loopt continu.
De auto wordt aangedreven op zowel de
voor- als de achterwielen.
Deze rijstand houdt een verhoogd brandstofverbruik in.
– AWD
Deze stand activeert de vierwielaandrijving, wat de grip
en rijeigenschappen van de
auto ten goede komt. De
stand is voornamelijk
bestemd voor gebruik op
lage snelheid bij gladheid,
maar de vierwielaandrijving werkt ook stabiliserend bij hogere snelheden.
Waar u op moet letten
•
•
De dieselmotor loopt continu.
Deze rijstand houdt een verhoogd brandstofverbruik in.
– SAVE
Deze stand start de oplading
van de hybride-accu en zorgt
ervoor dat de ladingstoestand van de hybride-accu
niet onder een niveau daalt
overeenkomend met een
afstand van ca. 20 km op de
elektromotor. Dit om energie te besparen
voor situaties die zich beter lenen voor elektrische aandrijving zoals stadsritten.
Als bij het indrukken van de knop SAVE blijkt
dat de ladingstoestand van de hybride-accu
te gering is, zal de dieselmotor de ladingstoestand eerst verhogen tot een niveau overeenkomend met ca. 20 km op de elektromotor.
Rijden op de elektromotor bespaart meer
brandstof op lage snelheden dan op hoge.
Gebruik daarom liever SAVE, wanneer de
ladingstoestand van de hybride-accu hoog is
en u bij de komende rit eerst een langer stuk
op hoge snelheden aflegt (zoals op een snelweg) en daarna een stuk op lage snelheid op
de elektrische motor.
Wanneer u de knop SAVE indrukt bij een
ladingstoestand van de hybride-accu overeenkomend met een afstand van meer dan
08
}}
263
08 Starten en rijden
||
20 km op de elektromotor, wordt de actuele
ladingstoestand van de hybride-accu
gehandhaafd.
Ongeacht de gekozen rijstand start op de
achtergrond een tijdelijke oplading van de
hybride-accu – vergelijkbaar met de functie
van de SAVE-stand – tijdens een automatische regeneratie van het roetfilter (DPF (p.
290)).
Waar u op moet letten
•
Deze rijstand houdt een verhoogd brandstofverbruik in.
•
Nadat de dieselmotor de hybride-accu
heeft opgeladen tot het SAVE-niveau, zal
het regelsysteem de dieselmotor desgewenst stoppen/starten zoals het geval is
bij een geringe ladingstoestand in de
stand HYBRID.
conventionele auto’s met een brandstofmotor.
Rijstatistiek
De auto slaat statistische gegevens (p. 113)
op over het stroom-/brandstofverbruik in verhouding tot de afgelegde afstand.
De rijstatistiek is behalve via de boordcomputer ook te bereiken via het menusysteem MY
CAR:
•
Energiestroom
Op het beeldscherm van de middenconsole
kan grafisch worden weergegeven welke
motor de auto aandrijft en in welke richting de
energie stroomt - er wordt bijv. weergegeven
of de hybride-accu wordt opgeladen of
stroom levert aan de elektromotor.
Bovendien wordt er informatie over temperaturen en de leeftijd van diesel gegeven.
Ga naar MY CAR Verbruiksinfo en
bevestig uw keuze met OK.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Aandrijving (p. 261)
Aandrijving - symbolen en meldingen (p.
266)
Energiestroom (p. 264)
Rijstanden in MY CAR
In het menusysteem (p. 106) van de auto
vindt u korte beschrijvingen van de verschillende rijstanden.
1. Ga naar MY CAR
HYBRID
Rijmodi.
2. Kies daarna uit PURE, HYBRID,
POWER, AWD of SAVE en bevestig uw
keuze met OK.
08
264
Start/Stop-systeem
Het regelsysteem bepaalt, wanneer de dieselmotor kan worden gestopt en hoelang. Dit is
vergelijkbaar met het Start/Stop-systeem van
De functie Energiestromen tonen wordt in het
menusysteem geactiveerd:
•
Ga naar MY CAR HYBRID
Stroomtoevoer en bevestig uw keuze
met OK.
Beperkingen door lage
buitentemperaturen
Om te voorkomen dat paraffines (zie Brandstof - diesel (p. 288)) uitvlokken bij gebruik
08 Starten en rijden
van een dieseloliesoort met een geringe koudebestendigheid is de auto (afhankelijk van
de markt) voorzien van een functie die bij lage
temperaturen automatisch beperkingen
instelt voor het gebruik van de elektrische
aandrijving in de stand PURE of HYBRID. In
een dergelijke situatie blijft de dieselmotor
continu draaien.
De koudebestendigheid van de dieselolie
geeft aan hoe geschikt deze brandstof is voor
gebruik bij lage temperaturen. Normaal is de
koudebestendigheid van de dieselolie afgestemd op de klimaatzone en het seizoen
waarin de brandstof gedistribueerd en verkocht wordt. Zie ook de informatie over dieselolie (p. 288).
Naarmate de brandstof in de tank ouder
wordt vinden er bij lage temperaturen meer
automatische beperkingen plaats. Voor een
auto die net getankt is gelden geen beperkingen, maar naarmate de brandstof in de tank
ouder wordt (ouderdom in maanden) nemen
eventuele beperkingen toe.
condenswater kan in bepaalde omstandigheden aanleiding geven tot de groei van algen
en bacteriën in het brandstofsysteem en/of
oxidatie van de brandstof met motorpech als
mogelijk gevolg.
Ter voorkoming van dergelijke problemen
heeft de auto een ingebouwde controlefunctie
die de ouderdom van de brandstof bijhoudt.
In het kader van deze functie verschijnt
mogelijk een duidelijke displaymelding, bijvoorbeeld:
• Oude brandstof Start dieselmotor om
brandstof te verbr.
• Oude brandstof Motor draait om
brandstof te verbr.
• Oude brandstof Vul brandstoftank
Neem in het gegeven geval de aanbevolen
maatregel in acht.
Gerelateerde informatie
•
Aandrijving (p. 261)
De functie past bij lage buitentemperaturen
het brandstofverbruik van de auto dusdanig
aan dat er verse brandstof (met de juiste koudebestendigheid) kan/moet worden bijgetankt, voordat de aanwezige brandstof in de
tank de kritieke temperatuur bereikt.
Ouderdom brandstof
08
De combinatie van oude dieselolie (met een
ouderdom van ca. 5 maanden of meer) en
265
08 Starten en rijden
Aandrijving - symbolen en meldingen
De aandrijving kan in bepaalde situaties een
melding op het instrumentenpaneel tonen volg in die gevallen het gegeven advies op.
Dit symbool gaat branden in combinatie met een tekstmelding en een
akoestisch waarschuwingssignaal,
als u als bestuurder de gordel niet
draagt en het bestuurdersportier opent nadat
de dieselmotor of elektromotor is gestart.
08
266
Hetzelfde gebeurt als u als bestuurder de
gordel niet draagt en met het bestuurdersportier open de motor start.
Hier volgen enkele voorbeelden van meldingen, wat ze betekenen en de voorgestelde
maatregelen:
Melding
Betekenis
Maatregel
PURE niet beschikb. door lage
temperat. hybridesysteem
Een of meer onderdelen van de aandrijving hebben de
juiste bedrijfstemperatuur niet bereikt.
Rijd in stand HYBRID rijden, totdat de melding
verandert in PURE beschikbaar – druk vervolgens op de knop PURE.
PURE niet beschikb. door tijd.
beperkingen hybridesysteem
Tijdelijke systeembeperking doordat bijvoorbeeld niet
de juiste bedrijfstemperatuur is bereikt.
Rijd in stand HYBRID rijden, totdat de melding
verandert in PURE beschikbaar – druk vervolgens op de knop PURE.
PURE niet beschikb. door lage
accuspanning
De hybride-accu heeft een te geringe ladingstoestand.
Rijd in de stand SAVE, totdat de melding verandert in PURE beschikbaar of laad de accu op
aan 230 V (AC) - druk vervolgens op de knop
PURE.
PURE niet beschikb. met schakelpook in handmatige stand
De keuzehendel staat in de ‘+/-’-stand voor handmatig schakelen.
Haal de keuzehendel opzij naar de stand voor
automatisch schakelen en druk vervolgens op de
knop PURE.
PURE beschikbaar
De stand PURE is opnieuw beschikbaar na eerdere
beperkingen.
–
08 Starten en rijden
Melding
Betekenis
Maatregel
POWER niet besch. door tijd.
beperkingen hybridesysteem
Tijdelijke systeembeperking doordat bijvoorbeeld niet
de juiste bedrijfstemperatuur is bereikt.
–
SAVE niet beschikb. door tijd.
beperkingen hybridesysteem
Tijdelijke systeembeperking doordat bijvoorbeeld niet
de juiste bedrijfstemperatuur is bereikt.
–
AWD niet beschikb. door tijd.
beperkingen hybridesysteem
Tijdelijke systeembeperking doordat bijvoorbeeld niet
de juiste bedrijfstemperatuur is bereikt.
–
Gerelateerde informatie
•
Aandrijving (p. 261)
08
267
08 Starten en rijden
Versnellingsbakken
Schakelindicator*
Een V60 Plug-in Hybrid rijdt en gedraagt zich
als een auto met een conventionele verbrandingsmotor en automatische versnellingsbak.
De schakelindicator geeft aan, wanneer u het
beste kunt opschakelen of terugschakelen.
Belangrijk voor een milieubewuste rijstijl is het
kiezen van de juiste versnelling en tijdig schakelen.
Het enige verschil is dat wanneer de keuzehendel in de stand voor handmatig schakelen
staat (+/-), draait de dieselmotor continu. U
moet dan handmatig schakelen en bij het loslaten van het gaspedaal remt de auto af op de
motor, zie Automatische versnellingsbak Geartronic (p. 268).
Automatische versnellingsbak Geartronic
De versnellingsbak Geartronic heeft twee
schakelstanden - Automatisch en Handmatig.
Automatische versnellingsbak
BELANGRIJK
Om schade aan onderdelen van de aandrijflijn te voorkomen wordt de bedrijfstemperatuur van de versnellingsbak gecontroleerd. Bij gevaar voor oververhitting gaat
een waarschuwingssymbool op het instrumentenpaneel branden en verschijnt er
een displaymelding – volg in dat geval het
gegeven advies.
Gerelateerde informatie
•
Automatische versnellingsbak Geartronic (p. 268)
08
6
268
D: automatisch schakelen. +/–: handmatig schakelen. S6: Sport-stand*.
Instrumentenpaneel ‘Digital’ met schakelindicator.
Bepaalde uitvoeringen zijn voorzien van een
indicator - GSI (Gear Shift Indicator) - die
aangeeft, wanneer u moet opschakelen of
terugschakelen om het brandstofverbruik
minimaal te houden. Met het oog op eigenschappen als de prestaties en een trillingsvrije motorloop is het soms beter op iets
hogere toeren te schakelen. Het omcirkelde
cijfer geeft de actuele versnelling aan.
De functie "Sportstand" zit niet op een V60 Plug-in Hybrid - alleen "+" en "-".
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Het instrumentenpaneel (p. 62) geeft de stand
van de keuzehendel aan met behulp van de
volgende tekens: P, R, N, D, S*, 1, 2, 3 enz.
Schakelstanden
De automatische schakelstanden worden rechts op
het instrumentenpaneel
getoond. (Er brandt maar één
lampje tegelijk - dat van de
actuele keuzehendelstand.)
08 Starten en rijden
Parkeerstand - P
Selecteer stand P, wanneer u de motor start
of de auto parkeert.
•
Om de keuzehendel uit stand P te kunnen
halen moet u eerst het rempedaal ver
genoeg intrappen.
N.B.
Iedere motorstart vindt er een automatische functietest van het remsysteem
plaats, wanneer de bestuurder het rempedaal bedient om de keuzehendel uit stand
P te kunnen halen. Tijdens een functietest
is de pedaalweg iets groter dan bij normaal remmen.
In stand P is de versnellingsbak mechanisch
geblokkeerd. Activeer voor de zekerheid ook
de parkeerrem (p. 277).
N.B.
De keuzehendel moet in de P-stand staan
om de auto te kunnen vergrendelen en op
alarm te zetten.
BELANGRIJK
De auto moet stilstaan als stand P wordt
gekozen.
WAARSCHUWING
Gebruik altijd de parkeerrem bij parkeren
op een hellende ondergrond - de P-stand
van de automatische versnellingsbak is
niet voldoende om de auto in alle situaties
vast te houden.
Achteruitrijstand - R
De auto moet stilstaan wanneer u de hendel
in stand R zet.
U activeert de handmatige schakelstand door de hendel zijwaarts vanuit de stand D naar de eindstand bij
‘+/-’ te bewegen. Het symbool ‘+/-’
op het instrumentenpaneel verkleurt van WIT
naar ORANJE en de cijfers 1, 2, 3 enz. worden in een kader getoond en komen overeen
met de zojuist ingeschakelde versnelling.
•
Neutraalstand - N
In deze stand kunt u de motor starten en er is
geen versnelling ingeschakeld. Zet de parkeerrem aan, wanneer de auto stilstaat en de
keuzehendel in stand N staat.
of
•
Rijstand - D
Stand D is de normale rijstand. De versnellingsbak schakelt automatisch op en terug
afhankelijk van de stand van het gaspedaal
en de snelheid. Zorg ervoor dat de auto stilstaat, voordat u de keuzehendel vanuit stand
D in stand R zet.
Geartronic - Handmatig schakelen (+S–)
Wanneer de keuzehendel in de stand voor
handmatig schakelen ‘+S-’ staat, draait de
dieselmotor continu. U moet dan handmatig
schakelen en bij het loslaten van het gaspedaal remt de auto af op de motor.
Duw de hendel naar voren naar de +
(plus) om een hogere versnelling in te
schakelen en laat deze weer los – de hendel veert terug naar de neutrale stand
tussen + en –.
Trek de hendel naar achteren naar de ‘–’
(min) om een lagere versnelling in te
schakelen en laat deze weer los.
Handmatig schakelen ‘+S–’ is tijdens het rijden op elk moment te activeren.
Om schokken en afslaan van de motor te
voorkomen, schakelt Geartronic automatisch
terug als u langzamer gaat rijden dan wat
voor de gekozen versnelling gepast is.
Om de automatische rijstand te hervatten:
•
Zet de hendel helemaal naar links in
stand D.
Geartronic - Winterstand
Om bij gladheid gemakkelijker weg te kunnen
komen is het soms beter handmatig de 3e
versnelling in te schakelen.
08
}}
269
08 Starten en rijden
2. Schakel op naar de 3e versnelling door
de hendel twee keer naar voren naar de +
(plus) te duwen – op het display verandert
de 1 in een 3.
3. Laat het rempedaal los en geef voorzichtig gas.
Bij activering van de ‘winterstand’ van de versnellingsbak rijdt de auto met een lager
motortoerental en minder kracht op de aandrijfwielen weg.
Kickdown
Als u het gaspedaal volledig intrapt (tot voorbij de normale volgasstand), schakelt de versnellingsbak automatisch terug naar een
lagere versnelling. Dit is de zogeheten kickdown.
Wanneer u het gaspedaal uit de kickdownstand loslaat, schakelt de versnellingsbak
automatisch op.
Gebruik de kickdown om zo snel mogelijk te
accelereren zoals bij het inhalen.
Beveiligingsfunctie
08
270
Om overtoeren van de motor te voorkomen,
is het stuurprogramma van de versnellingsbak voorzien van een terugschakelblokkering
waardoor de zogeheten kickdown niet mogelijk is.
Geartronic staat geen terugschakeling/kickdown toe die tot een dusdanig hoog toerental
leidt dat de motor kan worden beschadigd.
Wanneer u bij hoge motortoeren toch probeert een dergelijke kickdown uit te voeren,
gebeurt er niets. De auto blijft in de oorspronkelijke versnelling rijden.
Keuzehendelblokkering
De keuzehendelblokkering is verkrijgbaar in
twee uitvoeringen: een mechanische en een
automatische.
Mechanische keuzehendelblokkering
Bij kickdown kan de auto afhankelijk van het
motortoerental één of meer versnellingen
terugschakelen. Om schade aan de motor te
voorkomen schakelt de auto op wanneer de
motor het maximumtoerental heeft bereikt.
Gerelateerde informatie
•
Transmissieolie - kwaliteit en hoeveelheid
(p. 393)
G021351
||
1. Bedien het rempedaal en haal de keuzehendel vanuit stand D helemaal naar
stand ‘+S–’. Het symbool D op het instrumentenpaneel verandert in het cijfer 1.
U kunt de hendel altijd ongehinderd heen en
weer halen tussen de standen N en D. Om de
hendel in een van de overige standen te zetten, moet u een blokkering opheffen door op
de blokkeerknop op de keuzehendel te drukken.
Met de blokkeerknop ingedrukt kunt u de
hendel vooruit of achteruit bewegen tussen
de standen P, R, N en D.
Automatische keuzehendelblokkering
De automatische versnellingsbak kent enkele
bijzondere beveiligingsfuncties:
Parkeerstand (P)
08 Starten en rijden
Stilstaande auto met draaiende motor:
•
Houd uw voet op het rempedaal terwijl u
de keuzehendel verzet.
Automatische schakelblokkering
deactiveren
Gerelateerde informatie
•
Automatische versnellingsbak Geartronic (p. 268)
Elektrische schakelblokkering, Shiftlock
parkeerstand (P)
Om de keuzehendel uit stand P te kunnen
halen, moet u het rempedaal bedienen terwijl
de transpondersleutel in sleutelstand II (p. 73)
staat.
Schakelblokkering, vrijstand (N)
Als de keuzehendel in stand N staat en de
auto heeft minstens 3 seconden stilgestaan
(of de motor nu loopt of niet), is de keuzehendel geblokkeerd.
Om de keuzehendel uit stand N te kunnen
halen, moet u het rempedaal bedienen terwijl
de transpondersleutel in sleutelstand II staat.
Als er niet met de auto kan worden gereden
zoals het geval is bij een uitgeputte accu,
moet u de keuzehendel uit stand P halen
voordat u de auto kunt verslepen.
Neem de rubbermat in het vak achter de
middenconsole uit te auto en zoek onder
in het vak het gat7 voor het sleutelblad (p.
160) p.
Lokaliseer met het sleutelblad de verende
knop onder in het gat, druk met het blad
de knop omlaag en houd deze ingedrukt.
Haal de keuzehendel uit stand P en verwijder het sleutelblad.
4. Leg de rubbermat terug.
7
08
U treft mogelijk 2 gaten aan – een voor het sleutelblad en een voor bevestiging van de rubbermat.
271
08 Starten en rijden
Hellingrem (HSA)*
Vierwielaandrijving - AWD
U hoeft het rempedaal niet te bedienen wanneer u wegrijdt of achteruit een helling oprijdt
- het HSA-systeem (Hill Start Assist) voorkomt
dat de auto achteruitrolt.
Met vierwielaandrijving hebt u de beste grip
op de weg.
Het systeem zorgt ervoor dat de pedaaldruk
enkele seconden lang op peil blijft, wanneer u
uw voet van het rempedaal naar het gaspedaal verplaatst.
De tijdelijke remwerking wordt na enige
seconden opgeheven of eerder bij het bedienen van het gaspedaal.
Gerelateerde informatie
•
Motor starten (p. 257)
08
272
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Met deze knop op de middenconsole activeert u de
vierwielaandrijving (AWD –
All Wheel Drive), zie Aandrijving - rijstanden (p. 262). De
stand is voornamelijk
bestemd voor gebruik op
lage snelheid bij gladheid. De vierwielaandrijving werkt ook stabiliserend bij hogere snelheden.
Om optimale wegligging te verkrijgen en wielspin te voorkomen wordt de aandrijfkracht
automatisch verdeeld over de wielen met de
beste grip. Bij normaal rijden worden de voorwielen naar verhouding iets sterker aangedreven dan de achterwielen.
08 Starten en rijden
Bedrijfsrem
Functietest tijdens motorstart
De bedrijfsrem wordt gebruikt om de snelheid
van de auto tijdens rijden te verlagen.
Een V60 Plug-in Hybrid is uitgerust met een
"brake by wire"-remsysteem. Na elke motorstart wordt een automatische functietest van
het remsysteem uitgevoerd als u het rempedaal bedient om de keuzehendel uit de Pstand te halen, zie Automatische versnellingsbak - Geartronic (p. 268). In verband met de
functietest kan het informatiedisplay in
bepaalde gevallen een melding en een symbool tonen, zie het voorbeeld in de tabel achter in dit gedeelte.
De auto is uitgerust met twee remcircuits. Als
een van de remcircuits defect raakt, betekent
dit dat de remmen pas later worden aangesproken zodat u het rempedaal harder moet
intrappen voor dezelfde remmende werking.
De druk die u uitoefent op het rempedaal
wordt versterkt door de rembekrachtiging.
WAARSCHUWING
De rembekrachtiging werkt alleen, als de
motor loopt.
Als u de rem bedient met de motor afgezet, is
de pedaalweg iets groter en moet u harder op
het pedaal trappen om de auto af te remmen.
In bergachtig gebied of bij het rijden met een
zware belading kunt u de remmen ontzien
door op de motor af te remmen. U benut de
remmende werking van de motor het best,
wanneer u tijdens het afdalen dezelfde versnelling inschakelt als bij het oprijden van een
helling.
Voor meer algemene informatie over een
zware belasting van de auto, zie Motorolie ongunstige rijomstandigheden (p. 389).
N.B.
Tijdens een functietest is de pedaalweg
iets groter dan bij normaal remmen.
Licht afremmen - oplading hybride-accu
Bij licht remmen wordt op de elektromotor
afgeremd. De bewegingsenergie van de auto
wordt dan omgezet in elektrische energie om
de hybride-accu mee op te laden. Een animatie op het display van het instrumentenpaneel
(p. 63) geeft aan wanneer de accu wordt
opgeladen via terugwinning van remenergie.
De terugwinning vindt plaats bij snelheden
tussen 150–5 km/h – bij krachtig remmen en
bij snelheden buiten het gespecificeerde
interval wordt ook het hydraulische remsysteem ingeschakeld.
Remschijven schoonmaken
Vuil en water op de remschijven kunnen ertoe
leiden dat de aanspreekduur van de remmen
wordt verlengd. U wordt geadviseerd de remschijven schoon te maken door tijdens het rijden korte tijd licht te remmen, wanneer u op
natte wegen rijdt, de auto net hebt gewassen
of op het punt staat deze langdurig te parkeren.
Onderhoud
Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid
en betrouwbaarheid van de auto op een hoog
peil te houden, dient u de service-intervallen
van Volvo aan te houden zoals omschreven in
het Service- en garantieboekje.
BELANGRIJK
De onderdelen van het remsystemen moeten regelmatig op slijtage worden gecontroleerd.
Informeer bij een werkplaats hoe dat in zijn
werk gaat of laat de controle over aan de
werkplaats – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
08
}}
273
08 Starten en rijden
||
Symbolen en meldingen
Symbool
Melding
Betekenis/Maatregel
Brandt continu – controleer het remvloeistofpeil. Vul remvloeistof bij als het peil te laag ligt en controleer
tevens de oorzaak van het remvloeistofverlies.
Brandt tijdens het starten van de motor 2 seconden continu - automatische functietest.
Rempedaal bedienen om auto uit
stand P te halen
U trapt het rempedaal niet ver genoeg in.
Eigenschappen
rempedaal gewijzigd Service vereist
Kan verschijnen bij strenge vorst of als de keuzehendel uit stand P is gehaald, terwijl het rempedaal niet
ver genoeg werd ingetrapt.
•
•
Trap het pedaal verder in.
Zet de motor af met een druk op de knop START/STOP ENGINE – voer een nieuwe motorstart uit en
trap het rempedaal in.
Als de foutmelding aanhoudt: Neem dan contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
08
274
08 Starten en rijden
WAARSCHUWING
Als
en
tegelijk branden, kan er
een storing in het remsysteem zijn ontstaan.
Als het niveau in het remvloeistofreservoir
in dat geval normaal is, moet u voorzichtig
naar de dichtstbijzijnde werkplaats rijden
om het remsysteem te laten controleren geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
Als de remvloeistof onder het MIN-niveau
in het remvloeistofreservoir ligt, mag u pas
verder rijden als de remvloeistof is bijgevuld.
De oorzaak van het remvloeistofverlies
moet worden gecontroleerd.
Gerelateerde informatie
•
•
Parkeerrem (p. 277)
Bedrijfsrem - noodremlichten en automatische alarmlichten (p. 276)
•
Bedrijfsrem - remkrachtverhoging bij
noodstops (p. 276)
•
Bedrijfsrem - antiblokkeerremsysteem (p.
276)
08
275
08 Starten en rijden
Bedrijfsrem antiblokkeerremsysteem
Bedrijfsrem - noodremlichten en
automatische alarmlichten
Bedrijfsrem - remkrachtverhoging bij
noodstops
Het antiblokkeerremsysteem, ABS Anti-lock
Braking System voorkomt dat de wielen blokkeren tijdens het remmen.
De noodremlichten worden geactiveerd om
achterliggers erop te attenderen dat u krachtig remt. Daarbij knipperen de remlichten in
plaats van dat ze continu branden, zoals bij
normaal remmen.
De remkrachtverhoging bij noodstops (EBA,
Emergency Brake Assist) helpt de remkracht
verhogen om op die manier de remweg te
verkorten.
Het systeem zorgt dat de auto bestuurbaar
blijft, waardoor het bijvoorbeeld makkelijker is
om obstakels te ontwijken. Bij activering van
deze functie kunt u trillingen in het rempedaal
voelen. Dit is volkomen normaal.
Wanneer u het rempedaal loslaat nadat de
motor is aangeslagen, gaat een kortdurende,
automatische test van het ABS van start. Het
is mogelijk dat er opnieuw een automatisch
test van het ABS plaatsvindt, wanneer de
auto een snelheid van 10 km/h bereikt. Ook
deze test kan waarneembaar zijn in de vorm
van trillingen in het rempedaal.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Bedrijfsrem (p. 273)
Parkeerrem (p. 277)
Bedrijfsrem - noodremlichten en automatische alarmlichten (p. 276)
Bedrijfsrem - remkrachtverhoging bij
noodstops (p. 276)
De noodremlichten worden geactiveerd bij
snelheden hoger dan 50 km/h als het ABS
actief is en/of bij krachtig remmen. Wanneer
de auto is afgeremd tot een rijsnelheid lager
dan 10 km/h, gaan de remlichten continu
branden in plaats van te knipperen. Ondertussen worden de alarmlichten (p. 90) geactiveerd en deze blijven knipperen totdat u het
motortoerental met het gaspedaal wijzigt of
de alarmlichten uitschakelt met de bijbehorende knop.
Het EBA registreert de wijze waarop u het
rempedaal bedient en verhoogt zo nodig de
remkracht. De remkracht kan worden verhoogd tot aan het niveau waarbij het ABS
ingrijpt. De EBA-regeling wordt uitgeschakeld
wanneer u de druk op het rempedaal verlaagt.
N.B.
Als EBA wordt geactiveerd, gaat het rempedaal iets verder omlaag dan normaal.
Druk het rempedaal in zo lang als dat
nodig is. Als u het rempedaal loslaat, stopt
al het afremmen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Bedrijfsrem (p. 273)
Parkeerrem (p. 277)
Bedrijfsrem - remkrachtverhoging bij
noodstops (p. 276)
Bedrijfsrem - antiblokkeerremsysteem (p.
276)
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
08
276
Bedrijfsrem (p. 273)
Parkeerrem (p. 277)
Bedrijfsrem - noodremlichten en automatische alarmlichten (p. 276)
Bedrijfsrem - antiblokkeerremsysteem (p.
276)
08 Starten en rijden
Parkeerrem
Handrem aanzetten
De parkeerrem houdt de auto stil, als er niemand op de bestuurdersstoel zit, door twee
wielen mechanisch te blokkeren/vergrendelen.
drukt te houden. Bij het loslaten van de handgreep wordt de rem uitgeschakeld.
N.B.
Tijdens een noodstop bij snelheden hoger
dan 10 km/h klinkt er gedurende de hele
remmanoeuvre een geluidssignaal.
Functie
Wanneer de elektrische parkeerrem wordt
geactiveerd, hoort u een zwak elektromotorgeluid. Het geluid is tevens waarneembaar bij
een automatische functietest van de parkeerrem.
Als de auto stilstaat wanneer u de parkeerrem
aanzet, werkt de rem alleen op de achterwielen. Als u de parkeerrem tijdens het rijden
aanzet, wordt de normale bedrijfsrem geactiveerd. Daarbij werkt de rem op alle vier de
wielen. Wanneer de auto bijna stilstaat, worden alleen de achterwielen geremd.
Lage accuspanning
Als de accuspanning te laag is, kunt u de parkeerrem niet aanzetten noch lossen. Sluit een
hulpaccu aan, als de accuspanning te laag is,
zie Starthulp met accu (p. 259).
Op een helling parkeren
Bij het parkeren van de auto op een oplopende helling:
Handgreep parkeerrem – aanzetten.
1. Trap het rempedaal stevig in.
2. Druk op de handgreep PUSH LOCK/
PULL RELEASE.
>
Het symbool op het instrumentenpaneel gaat knipperen – wanneer
het continu brandt, is de parkeerrem
ingeschakeld.
3. Laat het rempedaal los en controleer of
de auto volledig stilstaat.
•
•
Draai de wielen van de trottoirband af.
Bij het parkeren van de auto op een aflopende helling:
•
Draai de wielen naar de trottoirband toe.
WAARSCHUWING
Gebruik altijd de parkeerrem bij parkeren
op een hellende ondergrond - een ingeschakelde versnelling of de P-stand van
een automatische versnellingsbak is niet
voldoende om de auto in alle situaties vast
te houden.
Als de auto wordt geparkeerd, moet de
keuzehendel in de P-stand staan.
Noodrem
In noodgevallen kunt u de parkeerrem ook tijdens het rijden inschakelen door de handgreep PUSH LOCK/PULL RELEASE inge-
08
}}
277
08 Starten en rijden
||
Handrem lossen
Automatisch lossen
Zware belading op oplopende hellingen
1. Doe de veiligheidsgordel om.
Bij een zware belading zoals een aanhanger
is het mogelijk dat de auto op een steile,
oplopende helling achteruitrolt, wanneer de
parkeerrem automatisch wordt gelost. U kunt
dit voorkomen door bij het wegrijden de
handgreep ingedrukt te houden. Laat de
handgreep weer los zodra de koppeling aangrijpt.
2. Start de motor.
3. Trap het rempedaal stevig in.
4. Zet de keuzehendel in stand D of R en
geef gas.
>
De parkeerrem wordt uitgeschakeld en het symbool op het instrumentenpaneel dooft.
N.B.
Handgreep parkeerrem – lossen.
Handmatig lossen
1. Steek de transpondersleutel in het contactslot8.
2. Trap het rempedaal stevig in.
3. Trek aan de handgreep.
>
De parkeerrem wordt uitgeschakeld en het symbool op het instrumentenpaneel dooft.
Om veiligheidsredenen wordt de parkeerrem alleen automatisch uitgeschakeld, als
de motor loopt en de bestuurder de veiligheidsgordel draagt. Bij auto’s met automatische transmissie wordt de parkeerrem
onmiddellijk uitgeschakeld, wanneer u het
gaspedaal bedient terwijl de keuzehendel
in stand D of R staat.
08
8
278
Voor een auto met Keyless-systeem: druk op START/STOP ENGINE.
Remblokken vervangen
Laat de remblokken op de achterwielen vervangen in een werkplaats met het oog op de
constructie van de elektrische parkeerrem –
geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Symbolen en meldingen
Voor informatie over het weergeven en wissen van tekstmeldingen op het instrumentenpaneel, zie Meldingen - functies (p. 106).
08 Starten en rijden
Symbool
Melding
Betekenis/Maatregel
‘Melding’
•
Lees de melding op het instrumentenpaneel.
Een knipperend symbool houdt in dat de parkeerrem wordt aangezet.
Als het symbool in een andere situatie gaat knipperen, is er sprake van een storing.
•
Parkeerrem
niet geheel
gelost
Lees de melding op het instrumentenpaneel.
Door een storing kan de parkeerrem niet worden uitgeschakeld:
•
Probeer of u de rem kunt in- en uitschakelen.
Als de storing ook na enkele pogingen aanhoudt:
•
Bezoek een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
N.B. Er klinkt een waarschuwingssignaal als u doorrijdt met deze foutmelding.
Parkeerrem
niet aangezet
Door een storing kan de parkeerrem niet worden ingeschakeld:
•
Probeer of u de rem kunt uit- en inschakelen.
Als de storing ook na enkele pogingen aanhoudt:
•
Bezoek een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Dezelfde melding verschijnt ook op auto’s met een handbak, wanneer er langzaam wordt gereden met het portier
open. De melding maakt u erop attent dat de parkeerrem mogelijk onbedoeld werd gelost.
Parkeerrem
Service vereist
Er is een storing opgetreden:
•
Probeer of u de rem kunt in- en uitschakelen.
Als de storing ook na enkele pogingen aanhoudt:
•
•
Bezoek een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Als u de auto moet parkeren voordat een
eventuele storing kan worden verholpen,
dient u de wielen net als bij het parkeren
op een helling van de trottoirband/berm
af te draaien en de keuzehendel in stand
P te zetten.
Meldingen kunt u van het display halen door
de knop OK op de richtingaanwijzerhendel
kort in te drukken.
08
}}
279
08 Starten en rijden
||
Gerelateerde informatie
•
08
280
Bedrijfsrem (p. 273)
08 Starten en rijden
Rit plannen
Het is belangrijk om het rijden met de elektrische aandrijving zorgvuldig te plannen, zodat
u zo ver mogelijk kunt rijden.
Maak zoveel mogelijk gebruik van de elektrische aandrijving:
•
Ga na waar de laadstations zich bevinden.
•
Kies in eerste instantie een parkeerplaats
met laadstation.
•
Balanceer het stroomverbruik met het
gaspedaal om zo de voordelen van de
elektromotor te benutten.
wordt de remenergie benut om de hybrideaccu bij te laden (p. 292) - energie die anders
verloren zou gaan in de vorm van warmteenergie.
Hier volgen enkele tips om het stroomverbruik te beperken (en daarmee de actieradius
te vergroten) zonder dat dit van invloed is op
de reistijd of het rijplezier.
•
Houd de auto niet stil op een helling door
het gaspedaal te bedienen. Gebruik in
plaats daarvan het rempedaal.
•
Maak bij het remmen gebruik van de
motorrem en bedien het rempedaal voorzichtig – zo wordt de hybride-accu bijgeladen en is de actieradius op de elektromotor het grootst.
WAARSCHUWING
Let erop dat de auto bij elektrische aandrijving geen motorgeluid produceert, waardoor spelende kinderen, voetgangers, fietsers en huisdieren u mogelijk niet opmerken. Dit geldt in het bijzonder wanneer u
op lage snelheden rijdt, zoals op parkeerterreinen.
N.B.
Maak er een gewoonte van om een rit altijd
te beginnen met een volledig opgeladen
hybride-accu.
Rijtechniek
•
Bij een hoge snelheid neemt het stroomverbruik aanzienlijk toe door de verhoogde luchtweerstand – bij een verdubbeling van de snelheid neemt de luchtweerstand met een factor 4 toe.
•
Voer regelmatig onderhoud uit aan de
auto – houd de door Volvo geadviseerde
onderhoudsintervallen aan.
•
Het slepen van een andere auto neemt
veel stroom – activeer de AWD-stand. De
hybride-accu wordt dan bijgeladen en de
auto presteert beter op het gebied van rijeigenschappen en wegligging, zie Aandrijving - rijstanden (p. 262).
Buitentemperatuur
De elektromotor, elektronica en accu’s werken het best bij een temperatuur rond 25 °C.
Wanneer de auto op een laadstation is aangesloten, wordt de auto opgewarmd/gekoeld
(p. 130) tot het optimale temperatuurinterval.
Als u de auto bij vorst start of als de auto tijdens de rit wordt afgekoeld tot onder het
optimale temperatuurinterval, start automatisch de verwarming op brandstof en eventueel ook de verbrandingsmotor voor extra verwarming. Als de temperatuur te ver daalt, is
elektrische aandrijving mogelijk maar met een
lager rendement.
Tijdens ritten bij hoge temperaturen is mogelijk koeling van het systeem vereist.
N.B.
Bij extreem lage buitentemperaturen draait
de dieselmotor altijd.
Stroomverbruikers
Hoe meer verbruikers (audiosysteem, elektrische verwarming ruiten/spiegels/stoelen e.d.)
er zijn ingeschakeld, hoe hoger het stroomverbruik.
Gerelateerde informatie
•
•
Zuinig rijden (p. 291)
Winterse ritten (p. 284)
08
De elektromotor doet dienst als motor en
dynamo tegelijk. Bij het afremmen (p. 273)
281
08 Starten en rijden
Doorwaaddiepte
BELANGRIJK
Wanneer u zich met de auto door een
ondiepe waterpartij begeeft, spreken we van
waden. Waden dient met de nodige voorzichtigheid te gebeuren.
Als er water in het luchtfilter komt, kan er
motorschade ontstaan.
Bij een diepte groter dan 25 cm kan er
water in de transmissie komen. Het smerende vermogen van de oliën neemt dan
af, waardoor de levensduur van deze systemen korter wordt.
U kunt met de auto door waterpartijen van
maximaal 25 cm diep rijden met een maximumsnelheid van 10 km/h. Wees extra voorzichtig bij het doorwaden van stromend
water.
Houd een lage snelheid aan tijdens het
waden en breng de auto niet in het water tot
stilstand. Trap na het passeren van de waterpartij lichtjes op het rempedaal om te controleren of de remwerking in orde is. Bij water en
vuil op de remblokken kunnen er vertragingen
in de remwerking optreden.
•
Maak de aansluitingen voor de elektrische motorverwarming en de aanhangerkoppeling schoon na ritten in water en
modder.
•
Laat de auto niet langdurig in water staan
dat tot boven de dorpelbalken – elektrische storingen zijn anders niet uitgesloten.
Bij een motorstop in water moet u niet proberen opnieuw te starten. Laat de auto uit
het water naar de werkplaats slepen geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats. Kans op motorschade.
Oververhitting
In bepaalde omstandigheden, bij zware belasting op steile hellingen en warm weer, bestaat
het gevaar dat de motor en de aandrijflijn
oververhit raken – vooral bij het vervoer van
een zware lading.
Voor informatie over oververhitting bij het
gebruik van een aanhanger, zie Rijden met
een aanhanger (p. 302).
•
Verwijder verstralers die voor de grille zitten tijdens ritten bij warm weer.
•
Als de temperatuur in het koelsysteem
van de motor te hoog oploopt, gaat een
waarschuwingssymbool branden op het
informatiedisplay van het instrumentenpaneel en verschijnt daar de melding
Motortemp. hoog Stop auto z.s.m. –
breng de auto in dat geval zo spoedig
mogelijk tot stilstand en laat de motor
enkele minuten stationair lopen zodat
deze kan afkoelen.
•
Als de displaymelding Motortemp. hoog
Zet motor af of Koelvl.peil laag Zet
motor af verschijnt, dient u nadat de
auto tot stilstand is gekomen ook de
motor af te zetten.
Bij oververhitting van de versnellingsbak
wordt een ingebouwde beveiliging geactiveerd die er onder meer voor zorgt dat
het waarschuwingssymbool op het instrumentenpaneel gaat branden en op het bijbehorende display de tekstmelding
Versn.bak heet Rijd langzamer of
Gerelateerde informatie
•
•
Bergen (p. 311)
Slepen (p. 309)
•
08
282
08 Starten en rijden
•
•
Versn.bak heet Stop auto z.s.m. verschijnt. Neem het gegeven advies in acht
en verlaag de snelheid of breng de auto
zo spoedig mogelijk tot stilstand om de
versnellingsbak te laten afkoelen door de
motor enkele minuten stationair te laten
draaien.
Bij oververhitting kan de airconditioning
zichzelf tijdelijk uitschakelen.
Na een zware rit moet u de motor niet
meteen afzetten, maar nog enige tijd stationair laten lopen.
N.B.
Het is normaal dat de koelventilator van de
motor een tijdje werkt nadat de motor is
uitgeschakeld.
Rijden met een geopende achterklep
Overbelasting - startaccu
Wanneer u met een geopende achterklep
rijdt, kunnen er giftige uitlaatgassen via de
bagageruimte de passagiersruimte in worden
gezogen.
De elektrische functies van de auto belasten
de startaccu (p. 355) in verschillende mate.
Laat het contactslot niet te lang achtereen in
sleutelstand (p. 73) II staan wanneer u de
motor hebt afgezet. Maak in plaats daarvan
gebruik van de stand I – het stroomverbruik is
dan minder.
WAARSCHUWING
Rijd niet met een geopende achterklep. Via
de bagageruimte kunnen er giftige uitlaatgassen in de auto worden gezogen.
Gerelateerde informatie
•
Lading vervoeren (p. 146)
Let er tevens op dat de verschillende accessoires het elektrisch systeem belasten. Schakel onderdelen/systemen die veel stroom
nemen uit, wanneer u de motor hebt afgezet.
Voorbeelden van dergelijke onderdelen/systemen zijn:
•
•
•
•
interieurventilator
koplampen
ruitenwisser
audiosysteem (hoog volume).
Bij een geringe startaccuspanning verschijnt
op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel de tekst Accuspann. laag
Spaarstand. De energiebesparingsfunctie
schakelt vervolgens bepaalde onderdelen/
systemen uit of verlaagt de belasting van de
accu door bijvoorbeeld de interieurventilator
lager te zetten en/of het audiosysteem uit te
schakelen.
08
283
08 Starten en rijden
–
Laad de startaccu dan op door de motor
te starten en deze minstens 15 minuten te
laten lopen - de startaccu wordt beter
opgeladen tijdens het rijden dan bij stilstand met een stationair lopende motor.
Voorbereidingen bij lange reizen
Winterse ritten
Bij lange reizen is het goed om de volgende
punten te doorlopen:
Bij rijden in de winter is het belangrijk om
bepaalde controles uit te voeren, zodat u
zeker weet dat u veilig met de auto kunt rijden.
•
Controleer of de motor naar behoren
functioneert en of het brandstofverbruik
(p. 396) in orde is.
•
Zorg dat er geen sprake is van lekkage
(brandstof, olie of andere vloeistoffen).
•
Controleer alle lampen en de profieldiepte
van de banden.
•
In sommige landen bent u wettelijk verplicht een gevarendriehoek (p. 325) in de
auto te hebben.
Gerelateerde informatie
•
Motorolie - controleren en bijvullen (p.
341)
•
Wielen verwisselen - wielen verwijderen
(p. 320)
•
Lamp vervangen (p. 345)
Let voor aanvang van de winter in het bijzonder op het volgende:
•
De koelvloeistof (p. 342) van de motor
moet ten minste 50 % glycol bevatten. Bij
een dergelijke concentratie is de motor
beschermd tegen stukvriezen tot
ca. –35 °C. Voor optimale bescherming
tegen vorst is het zaak geen verschillende
soorten glycol met elkaar te mengen.
•
Houd de tank altijd goed gevuld om condens in de brandstoftank tegen te gaan.
•
De viscositeit van de motorolie is belangrijk. Wanneer u oliesoorten met een
lagere viscositeit (dunnere oliën) gebruikt,
slaat de motor bij koud weer gemakkelijker aan en neemt bovendien het brandstofverbruik tijdens de koude start af.
Voor meer informatie over geschikte oliesoorten, zie Motorolie - ongunstige rijomstandigheden (p. 389).
BELANGRIJK
08
284
Gebruik geen olie met een lage viscositeitsaanduiding bij zware rijomstandigheden of warm weer.
08 Starten en rijden
•
•
Controleer de algehele conditie en de
ladingstoestand van de startaccu. De
startaccu wordt zwaarder belast bij koud
weer en ook de accucapaciteit neemt af
bij vorst.
Giet sproeiervloeistof (p. 355) in het
sproeiervloeistofreservoir om ijsvorming
te voorkomen.
Voor optimale grip bij gevaar voor sneeuw of
ijs adviseert Volvo u om de auto rondom van
winterbanden te voorzien.
N.B.
In sommige landen is het gebruik van winterbanden verplicht. Banden met spikes
zijn niet in alle landen toegestaan.
Nieuwe auto’s en gladde wegen
Oefen onder gecontroleerde omstandigheden
om te testen hoe de auto bij gladheid reageert.
Actieradius bij elektrische aandrijving
De actieradius van de auto bij elektrische aandrijving hangt af van tal van factoren, waaronder het aantal ingeschakelde stroomverbruikers.
is het voor de hybride-accu het beste om de
auto op een koele plek te parkeren. Voor
meer informatie over waar u aan moet denken
bij langdurige stilstand, zie Langdurige opslag
- waar u op moet letten (p. 301).
Stroomverbruikers
Gerelateerde informatie
Voor een zo groot mogelijke actieradius bij
elektrische aandrijving moet u het stroomverbruik (p. 293) zo laag mogelijk houden. Hoe
meer verbruikers (audiosysteem, elektrische
verwarming ruiten/spiegels/stoelen, sterke
koeling klimaatregeling e.d.) er zijn ingeschakeld, hoe korter de actieradius.
•
•
Rit plannen (p. 281)
Winterse ritten (p. 284)
Voor een specificatie van de actieradius bij
elektrische aandrijving, zie Actieradius - specificatie (p. 399).
N.B.
Naast een hoog stroomverbruik in het interieur kunnen ook hoge snelheden, snel
optrekken, zware ladingen en oplopende
hellingen de actieradius beperken.
Langdurige stilstand
Bij normale oplading van de hybride-accu (p.
292) wordt een deel van de laadstroom
gebruikt om de aandrijving van de auto
bedrijfsklaar te houden, in het bijzonder om
de temperatuur van de hybride-accu te regelen. Als u de auto enkele dagen niet gebruikt,
kunt u energie besparen door de preconditioning uit te schakelen. Bij langdurige stilstand
08
285
08 Starten en rijden
Tankvulklep - openen/sluiten
Tankvulklep - handmatig openen
Brandstof tanken
De tankvulklep is als volgt te openen/sluiten:
De tankvulklep kan handmatig worden
geopend, als openen met de schakelaar in de
passagiersruimte niet mogelijk is.
Waar u tijdens het tanken op moet letten.
Tankvulklep openen/sluiten
Open de tankvulklep met de knop op het verlichtingspaneel – bij het loslaten van de knop
springt de klep open.
Op het display van het instrumentenpaneel wordt middels de pijl op het
symbool aangegeven aan welke kant van de
auto de tankdop zit.
•
Sluit de klep door deze dusdanig in te
drukken dat u een klik hoort.
De tankdop is tijdelijk op de klep te zetten.
1. Open/verwijder het zijluikje in de bagageruimte (aan de kant van de tankvulklep).
2. Open een geperforeerd deel van de isolatie en zoek een groene kabel met handgreep op.
3. Trek de kabel voorzichtig recht naar achteren toe totdat de tankvulklep met een
duidelijke klik wordt geopend.
BELANGRIJK
Gerelateerde informatie
•
Brandstof tanken (p. 286)
Trek voorzichtig aan de lus – er is slechts
weinig kracht nodig om de klep te ontgrendelen.
08
Gerelateerde informatie
•
286
Tankdop open-/dichtdraaien
Brandstof tanken (p. 286)
Bij hoge buitentemperaturen kan er een
bepaalde mate van overdruk in de brandstoftank ontstaan. Draai de tankdop dan langzaam open.
•
Breng na het tanken de tankdop weer aan
en draai deze zo ver dicht dat u één of
meer klikken hoort.
Brandstof tanken
•
Giet de tank niet te vol door het vulpistool
na de eerste afslag uit de vulopening te
halen.
N.B.
Een overvolle tank kan bij warm weer overstromen.
08 Starten en rijden
Bijvullen met jerrycan9
Brandstof - gebruik
Gebruik voor het bijvullen met een jerrycan de
trechter die onder het vloerluik in de bagageruimte ligt. De trechter ligt bij het reservewiel
of in de ruimte onder het vloerluik.
Gebruik geen brandstof met een slechtere
kwaliteit dan Volvo adviseert, omdat dit een
nadelige invloed kan hebben op het motorvermogen en het brandstofverbruik.
Let erop dat u de buis van de trechter goed in
de vulbuis steekt. De vulbuis is voorzien van
een te openen afdekking. U moet de buis van
de trechter langs de afdekking naar binnen
steken, voordat u kunt bijvullen.
Gerelateerde informatie
•
•
Tankvulklep - handmatig openen (p. 286)
Brandstof - gebruik (p. 287)
WAARSCHUWING
Zorg altijd dat u geen brandstofdampen
inademt of brandstofspatten in de ogen
krijgt.
Bij brandstof in de ogen eventuele contactlenzen uitnemen en de ogen ten minste
15 minuten lang spoelen met een ruime
hoeveelheid schoon water en medische
hulp inroepen.
Brandstof nooit inslikken. Brandstoffen
zoals benzine, bio-ethanol, mengsels
ervan en dieselolie zijn uitermate giftig en
kunnen bij inwendig gebruik aanleiding
geven tot blijvend letsel met mogelijk
dodelijke afloop. Roep onmiddellijk medische hulp in bij het inslikken van brandstof.
WAARSCHUWING
Op de grond gemorste brandstof kan vlam
vatten.
Schakel de verwarming op brandstof uit
voordat u gaat tanken.
Heb nooit een ingeschakelde mobiele telefoon bij u als u staat te tanken. Door het
belsignaal kan er vonkvorming ontstaan
waardoor de benzinedampen ontsteken en
dat kan tot brand en letsel leiden.
BELANGRIJK
Bij menging van verschillende soorten
brandstof of gebruik van een andere
brandstofkwaliteit dan aanbevolen, vervallen de garanties van Volvo en eventuele
aanvullende servicecontracten; dit geldt
voor alle motoren. N.B. Dit geldt niet voor
auto’s met een motor die is aangepast
voor het gebruik van ethanol (E85).
N.B.
Bij extreme weersomstandigheden, rijden
met een aanhanger/caravan of ritten op
grote hoogte kan, afhankelijk van de
gebruikte brandstofkwaliteit, het prestatievermogen van de auto te wensen overlaten.
08
9
Geldt alleen voor auto’s met een dieselmotor.
287
08 Starten en rijden
||
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Zuinig rijden (p. 291)
Brandstof - diesel (p. 288)
Roetfilter dieselmotor (DPF) (p. 290)
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot (p.
396)
Brandstoftank - inhoud (p. 395)
Brandstof - diesel
De motor loopt op dieselolie.
Maak alleen gebruik van dieselolie van gerenommeerde oliemaatschappijen. Giet nooit
dieselolie van twijfelachtige kwaliteit in de
tank. Diesel moet voldoen aan de norm
EN 590 of JIS K2204. Dieselmotoren zijn
gevoelig voor verontreiniging in de brandstof,
zoals een te grote hoeveelheid zwaveldeeltjes.
Bij lage temperaturen (–6 °C tot –40 °C) kan
de paraffine in de dieselolie uitvlokken. Dit
kan tot startproblemen leiden. De grote oliemaatschappijen produceren speciale dieselolie bestemd voor gebruik bij buitentemperaturen rond het vriespunt. Deze dieselolie is
dunner bij lage temperaturen en beperkt de
kans op vlokvorming in het brandstofsysteem.
De kans op condensatie in de brandstoftank
neemt af, als u de tank altijd goed gevuld
houdt. Houd tijdens het tanken het gebied
rond de vulbuis goed schoon. Voorkom morsen op gelakte oppervlakken. Maak als u
gemorst hebt het gebied met water en zeep
schoon.
Het zwavelgehalte mag maximaal 50 ppm
zijn.
BELANGRIJK
Maak geen gebruik van de volgende dieselolie-achtige brandstoffen:
•
•
•
•
speciale toevoegingen (dopes)
scheepsolie
stookolie
FAME10 (Fatty Acid Methyl Ester) of
plantaardige olie.
Dergelijke brandstoffen voldoen niet aan
de kwaliteitseisen die Volvo stelt en geven
aanleiding tot verhoogde vormen van slijtage en motorschade die niet worden
gedekt door de garanties van Volvo.
Wanneer u de tank leegrijdt
Op grond van zijn constructie moet het
brandstofsysteem mogelijk eerst ontlucht
worden om een dieselmotor na bijtanken
opnieuw te kunnen starten.
Na motoruitval door brandstofgebrek heeft
het brandstofsysteem enige tijd nodig om een
controle uit te voeren. Doe in dat geval (ná
08
10
288
BELANGRIJK
Er mag uitsluitend brandstof, die aan de
Europese dieselstandaard voldoet, worden
gebruikt.
Dieselolie kan een bepaalde hoeveelheid FAME bevatten. Het is niet toegestaan meer toe te voegen.
08 Starten en rijden
bijtanken met dieselolie) het volgende, voordat u de motor start:
In sommige gevallen zijn mogelijk meerdere
startpogingen vereist.
1. Plaats de transpondersleutel in het contactslot en duw deze tot aan de aanslag
naar binnen, zie Sleutelstanden (p. 73)
voor meer informatie.
Nadat de motor is aangeslagen wordt geadviseerd om deze minstens 5 minuten te laten
draaien. Kies de rijstand AWD of POWER
voor optimale brandstoftoevoer.
2. Druk op de START-knop zonder remen/of koppelingspedaal te bedienen.
Als de melding Verbrandingsmotor niet
beschikbaar Vermogen en actieradius
beperkt verschijnt op het informatiedisplay
van het instrumentenpaneel – zet de motor
dan af en start deze opnieuw om de maximale motorfunctie te herstellen.
3. Wacht ca. 1 minuut.
4. Om de motor te starten: Bedien remen/of koppelingspedaal en druk nogmaals
op de START-knop.
N.B.
Alvorens brandstof te tanken bij een leeggereden tank:
•
Breng de auto tot stilstand op een zo
egaal/horizontaal mogelijke ondergrond – als de auto overhelt, bestaat
er gevaar voor luchtbellen in de brandstoftoevoer.
Waar u op moet letten, wanneer u de
tank hebt leeggereden
Probeer te voorkomen dat u zonder brandstof
komt te staan. Wanneer u de tank hebt leeggereden, kunt u verder rijden op de resterende stroom in de hybride-accu. Wanneer u
vervolgens weer brandstof hebt kunnen tanken, is het mogelijk dat het iets langer duurt
voordat de motor aanslaat (tot 30 seconden).
Gerelateerde informatie
•
•
•
Brandstof - gebruik (p. 287)
Roetfilter dieselmotor (DPF) (p. 290)
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot (p.
396)
Condenswater uit brandstoffilter
aftappen
Het brandstoffilter ontdoet de brandstof van
condenswater. Condenswater kan anders
aanleiding geven tot motorstoringen.
Houdt u zich voor het aftappen van het condenswater aan de specificaties die in uw Service- en garantieboekje staan aangegeven.
Ook wanneer u vermoedt dat er vervuilde
brandstof is gebruikt, moet u het brandstoffilter aftappen. Voor meer informatie, zie Serviceprogramma van Volvo (p. 335).
BELANGRIJK
Bepaalde speciale toevoegingen verwijderen de waterafscheiding in het brandstoffilter.
08
289
08 Starten en rijden
Katalysatoren
De katalysatoren hebben tot taak de uitlaatgassen te reinigen. Ze zijn dicht bij de motor
in het uitlaatsysteem gemonteerd om snel op
temperatuur te komen.
De katalysatoren bestaan uit een monoliet
(keramiek of metaal) met kanalen. De wanden
van de kanalen zijn bekleed met platina/
rodium/palladium. Deze edelmetalen hebben
een katalytische werking, d.w.z. ze versnellen
een chemische reactie zonder dat ze daar zelf
actief aan deelnemen.
LambdasondeTM (zuurstofsensor)
De lambdasonde maakt deel uit van het
regelsysteem dat tot taak heeft de uitstoot te
beperken en de energie-inhoud van de
brandstof beter te benutten (zie Brandstofverbruik en CO2-uitstoot (p. 396)).
08
290
Een zuurstofsensor registreert het zuurstofgehalte van de uitlaatgassen die de motor verlaten. De meetwaarde van de uitlaatgasanalyse
wordt doorgegeven aan het elektronische
systeem dat continu de injectoren afregelt.
Het lucht-brandstofmengsel dat de motor
krijgt, wordt continu bijgesteld. De regeling
schept de ideale omstandigheden voor een
effectieve verbranding van de schadelijke
stoffen (koolwaterstoffen, koolmonoxide en
stikstofoxiden) in de driewegkatalysator.
Gerelateerde informatie
•
•
Zuinig rijden (p. 291)
Brandstof - diesel (p. 288)
Roetfilter dieselmotor (DPF)
Dieselmodellen zijn uitgerust met een roetfilter, waardoor een nog efficiëntere uitlaatgasreiniging mogelijk is.
Onder normale rijomstandigheden blijven de
roetdeeltjes uit de uitlaatgassen in het filter
achter. Om de roetdeeltjes te verbranden en
het filter te legen wordt een zogeheten regeneratie gestart. Daarvoor moet de motor de
normale bedrijfstemperatuur hebben.
De regeneratie van het roetfilter vindt automatisch plaats en duurt normaal
10–20 minuten. Bij een lage gemiddelde snelheid kan dit iets langer duren. Tijdens de
regeneratie kan het brandstofverbruik iets stijgen.
Bij regeneratie vindt op de achtergrond een
tijdelijke oplading van de hybride-accu plaats
die vergelijkbaar is met de functie in de
SAVE-stand, zie Aandrijving - rijstanden (p.
262).
Regeneratie bij koud weer
Als u bij koud weer vaak korte afstanden rijdt,
komt de motor onvoldoende op temperatuur.
Dit betekent dat het roetfilter niet geregenereerd en niet geleegd wordt.
Wanneer het filter voor ca. 80 % met roetdeeltjes gevuld is, licht de oranje waarschuwingsdriehoek op het instrumentenpaneel op
en verschijnt de melding Roetfilter vol Zie
instructieb. op het informatiedisplay.
08 Starten en rijden
U start de regeneratie van het filter door met
de auto op een secundaire weg of op een
snelweg te rijden tot de motor voldoende op
temperatuur is gekomen. Daarna rijdt u nog
20 minuten verder.
N.B.
Tijdens de regeneratie kan zich het volgende voordoen:
Gerelateerde informatie
•
•
•
Brandstof - diesel (p. 288)
•
Brandstoftank - inhoud (p. 395)
Brandstof - gebruik (p. 287)
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot (p.
396)
Zuinig rijden
Zuinig rijden houdt in dat u anticiperend en
rustig rijdt, en uw rijstijl en snelheid afstemt
op de verkeerssituatie.
•
Maak gebruik van de ECO Guide die laat
zien hoe zuinig de auto rijdt, zie Eco
guide & Hybrid guide (p. 67).
•
Rijd in de hoogst mogelijke versnelling,
afhankelijk van de verkeerssituatie en de
weggesteldheid – lagere toeren leveren
een lager brandstofverbruik op. Maak
gebruik van de schakelindicator (p. 268).
•
er kan tijdelijk een geringe beperking
van het motorvermogen te bespeuren
zijn
•
het brandstofverbruik kan tijdelijk toenemen
•
•
Vermijd onnodig snel optrekken en krachtig remmen.
er kan sprake zijn van een brandlucht.
•
Bij hoge snelheden neemt het brandstofverbruik toe – de luchtweerstand neemt
toe naarmate de snelheid stijgt.
•
Laat de motor niet stationair warmdraaien, maar belast de motor in plaats
daarvan zo snel mogelijk licht – een
koude motor verbruikt meer brandstof
dan een warme.
•
Houd de juiste bandenspanning aan en
controleer regelmatig of dat nog steeds
zo is - houd voor de beste resultaten de
zogeheten ECO-bandenspanning aan, zie
Banden - goedgekeurde bandenspanning
(p. 397).
•
De bandenkeuze is mogelijk van invloed
op het brandstofverbruik – informeer bij
uw dealer naar passende banden.
Wanneer het filter geregenereerd is, wordt de
waarschuwingsmelding automatisch gewist.
Wanneer u bij koud weer de standverwarming* inschakelt, bereikt de motor sneller de
normale bedrijfstemperatuur.
BELANGRIJK
Als het filter helemaal vol deeltjes zit, kan
het moeilijk zijn om de motor te starten en
het filter wordt onbruikbaar. De kans
bestaat dan dat het filter moet worden vervangen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
08
291
08 Starten en rijden
||
•
Neem geen spullen in de auto mee die u
niet gebruikt – hoe groter de belading,
hoe hoger het verbruik.
•
Rem af op de motor, wanneer dat zonder
gevaar voor medeweggebruikers mogelijk
is.
•
Lading op het dak en een skibox resulteert in een grotere luchtweerstand waardoor het verbruik toeneemt – verwijder
lastdragers die u niet gebruikt.
•
Rijd niet met open zijruiten.
Voor informatie over het milieubeleid van
Volvo Car Corporation, zie Milieubeleid van
Volvo Car Corporation (p. 19).
Voor meer informatie over het brandstofverbruik, zie Brandstofverbruik en CO2-uitstoot
(p. 396).
WAARSCHUWING
Zet de motor nooit af tijdens het rijden
(zoals op een aflopende helling), omdat
daarbij belangrijke systemen zoals de
stuur- en rembekrachtiging wegvallen.
Gerelateerde informatie
•
•
08
•
11
292
Brandstof - gebruik (p. 287)
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot (p.
396)
Brandstoftank - inhoud (p. 395)
Europese standaard - EN 61851-1.
Opladen hybride-accu
Naast een brandstoftank zoals in een conventionele auto, is de auto ook uitgerust met een
oplaadbare accu, een zogeheten hybrideaccu van het lithiumion-type.
De hybride-accu wordt geladen met behulp
van een laadkabel met regeleenheid (p. 295)
die onder de laadvloer in de bagageruimte
wordt bewaard, zie Laadkabel met regeleenheid (p. 295).
N.B.
Gebruik een door Volvo aanbevolen laadkabel die voldoet aan de normen IEC
62196 en IEC 61851, omdat een dergelijke
kabel voorzien is van temperatuurcontrole.
De tijd die nodig is om de hybride-accu te
laden is afhankelijk van welke laadstroom (p.
293) wordt gebruikt.
Tijdens het laden en meteen daarna staat de
actuele ladingstoestand (p. 297) op het display van de regeleenheid voor de laadkabel.
Tijdens het opladen van de hybride-accu
wordt ook de startaccu (p. 355) van de auto
opgeladen.
Als de hybride-accu een temperatuur heeft
lager dan –10 ºC of hoger dan 30 ºC zijn er
mogelijk beperkingen/wijzigingen van
bepaalde autofuncties van kracht. Het is ook
mogelijk dat functies niet beschikbaar zijn,
omdat de capaciteit van lithiumion-accu’s
buiten het gegeven temperatuurinterval
afneemt.
Een voorbeeld hiervan is dat de rijstand
PURE (zie Aandrijving en rijstanden (p. 262))
niet kan worden gekozen, als de temperatuur
in de accu te laag of te hoog is.
Laden met een vaste regeleenheid
volgens mode 311
Op bepaalde markten zit de regeleenheid
vast in een laadstation dat op het stroomnet
is aangesloten. De laadkabel heeft dan geen
eigen regeleenheid. In plaats daarvan heeft
deze een speciale connector om de laadkabel
op het laadstation aan te sluiten. Volg de
instructies op het laadstation.
Gerelateerde informatie
•
Opladen hybride-accu - voorbereidingen
(p. 294)
•
Actieradius bij elektrische aandrijving (p.
285)
08 Starten en rijden
Laadstroom
Laadstroom wordt gebruikt voor het opladen
van de hybride-accu (p. 292) en voor de preconditioning van de auto. De laadkabel (p.
295) die u aansluit tussen de laadaansluiting
van de auto en de elektrische aansluiting van
230 VAC is in te stellen op verschillende
amperages (6–16 A) met behulp van de regeleenheid op de laadkabel.
Bij gebruik van de laadkabel verschijnt er een
melding op het instrumentenpaneel en gaat
een lampje (p. 299) branden in de laadaansluiting van de auto. De laadstroom wordt
hoofdzakelijk gebruikt voor het opladen van
de accu, maar voor een deel ook voor preconditioning (p. 130) van de auto.
BELANGRIJK
Stroomsterkte (A)
Laadtijd (uur)
6
7,5–10,0
10
4,5–7,0
Normaal worden meerdere 230VAC-contacten beveiligd door dezelfde zekeringgroep,
zodat andere stroomverbruikers (zoals verlichting, stofzuiger, boormachine e.d.) op
dezelfde zekeringgroep kunnen zitten.
16
4,0–5,5
Voorbeeld 1
N.B.
•
•
Bij zeer koud of zeer warm weer wordt
een deel van de laadstroom gebruikt
om de hybride-accu en het interieur
(preconditioning (p. 130)) te verwarmen/koelen, wat tot een langere laadtijd leidt.
Selectie van preconditioning (p. 130)
houdt een langere laadtijd in. De benodigde tijd hangt voornamelijk af van de
buitentemperatuur.
Koppel de laadkabel nooit tijdens het opladen los van het 230V-contact (AC) –
anders bestaat het risico dat het 230Vcontact beschadigd raakt.
Als u de auto aansluit op een stopcontact van
230 VAC/10 A en de regeleenheid is ingesteld
op 16 A, dan zal de auto een stroom van 16 A
afnemen van het 230VAC-net. Na enige tijd
zal de overbelaste 10A-zekering voor de aansluiting doorslaan, waarna de oplading van de
accu wordt verbroken.
Reset de zekering voor de aansluiting dan en
stel een lagere laadstroom in op de regeleenheid, zie Opladen hybride-accu - voorbereidingen (p. 294).
Voorbeeld 2
Als u de auto aansluit op een 230VAC/10Aaansluiting en de regeleenheid is ingesteld op
10 A, dan zal de auto 10 A afnemen van het
230VAC-net. Als er vervolgens nog een
stroomverbruiker wordt aangesloten op
dezelfde aansluiting (of een van de andere
aansluitingen binnen dezelfde zekeringgroep),
bestaat het risico dat de zekering van de aansluiting/groep overbelast wordt en de oplading van de accu wordt afgebroken.
De laadtijd hangt af van de stroomsterkte die
u hebt ingesteld op de regeleenheid van de
laadkabel.
Zie de voorbeelden in de volgende tabel:
Laadkabelstekker en laadaansluiting.
Reset de zekering voor het contact/de zekeringgroep en stel een lagere laadstroom in op
de regeleenheid - of koppel een van de ander
verbruikers los van het contact.
08
}}
293
08 Starten en rijden
||
Bijvoorbeeld 3
Als u de auto aansluit op een 230VAC/10Aaansluiting en de regeleenheid is ingesteld op
6 A, dan zal de auto slechts 6 A afnemen van
het 230VAC-net. De oplading zal dan weliswaar langer duren, maar het is wel mogelijk
om andere verbruikers aan te sluiten op
dezelfde aansluiting (of dezelfde zekeringgroep), zolang de totale belasting de capaciteit van de zekeringgroep niet overschrijdt.
Gerelateerde informatie
•
Actieradius bij elektrische aandrijving (p.
285)
Opladen hybride-accu voorbereidingen
Voordat u met het opladen van de hybrideaccu van de auto kunt beginnen (p. 298),
moet u een aantal voorbereidingen treffen.
WAARSCHUWING
•
De hybride-accu mag alleen worden
opgeladen aan een goedgekeurd en
geaard 230V-contact (AC).
•
De aardlekschakelaar van de regeleenheid beveiligt de auto, maar toch
bestaat het gevaar dat het 230 VACnet overbelast raakt.
•
Vermijd stopcontacten die zichtbaar
slijtage of schade vertonen, omdat het
gebruik ervan aanleiding kan geven tot
brand en/of letsel.
•
Gebruik nooit een verlengsnoer.
WAARSCHUWING
Een hybride-accu mag alleen worden vervangen door de werkplaats. Een erkende
Volvo-werkplaats wordt aanbevolen.
08
12
294
De maximale laadstroom kan per markt verschillen.
Alvorens op te laden
BELANGRIJK
•
De regeleenheid niet met water overspoelen of in water onderdompelen.
•
Vermijd direct zonlicht.
•
Controleer of het 230VAC-contact voldoende stroom kan leveren om een
elektrische auto op te laden - laat bij
twijfel het contact controleren door
een vakman.
•
Is de stroomsterkte van het contact
niet bekend – stel dan de laagste
stroomsterkte in op de regeleenheid.
BELANGRIJK
Op de regeleenheid van de laadkabel (p. 295)
stelt u de gewenste laadstroom (p. 293) in op
een waarde van 6–16 A12. Bij aflevering is de
laagst mogelijke laadstroom vooraf ingesteld.
08 Starten en rijden
Klep laadaansluiting openen/sluiten
Laadkabel met regeleenheid
De laadkabel met regeleenheid wordt gebruikt
om de hybride-accu van de auto op te laden.
Gebruik een door Volvo aanbevolen laadkabel.
WAARSCHUWING
Gebruik van de laadkabel is niet toegestaan bij schade aan delen ervan – er
bestaat gevaar voor elektrische schokken
en ernstig letsel.
Laat de reparatie van een beschadigde of
defecte laadkabel over aan een werkplaats
– geadviseerd wordt een Volvo-werkplaats.
BELANGRIJK
Koppel de laadkabel nooit tijdens het opladen los van het 230V-contact (AC) –
anders bestaat het risico dat het 230Vcontact beschadigd raakt.
Duw lichtjes tegen de achterkant van de
klep.
Open de klep.
Trek de afdekking van de laadaansluiting
af en hang deze aan de houder aan de
binnenkant van de klep op. Zorg ervoor
dat de rubberband van de afdekking
omlaag gebogen is, zodat de afdekking
niet uit de houder kan losgaan.
Sluit de klep van de laadaansluiting in omgekeerde volgorde.
De laadkabel zit in de opbergruimte onder de
laadvloer in de bagageruimte.
Specificaties, laadkabel
Beschermingsgraad
Omgevingstemperatuur
IP67
–32 ºC tot
+50 ºC
Gerelateerde informatie
•
•
Opladen hybride-accu (p. 292)
Opladen hybride-accu - afsluiten (p. 300)
08
295
08 Starten en rijden
||
Regeleenheid
Indicator13 die de ingestelde laadstroom
aangeeft.
Het symbool brandt, wanneer de laadkabel is aangesloten op een 230VAC-contact.
Drukknoppen om de laadstroom te verhogen/verlagen.
Het symbool brandt wanneer de laadkabel is aangesloten op het 230VAC-contact van de auto.
BELANGRIJK
Het is niet toegestaan om stekkerdozen,
overspanningsbeveiligingen e.d. te gebruiken in combinatie met de laadkabel,
omdat dit aanleiding kan geven tot brand,
elektrische schokken enz.
Het is alleen toegestaan een verloopstuk
tussen het 230VAC-contact en de laadkabel te gebruiken als op het verloopstuk
staat aangegeven dat het goedgekeurd is
volgens IEC 61851 en IEC 62196.
N.B.
De laadkabel onthoudt de laatst ingestelde
laadstroom. Het is daarom belangrijk dat u
de instelling aanpast, als u de volgende
keer dat er wordt opgeladen een ander
230V(AC)-contact gebruikt.
08
Display en bedieningstoetsen regeleenheid.
13
296
De maximale laadstroom kan per markt verschillen.
Gerelateerde informatie
•
Laadkabel met regeleenheid - statusmeldingen (p. 297)
•
Laadkabel met regeleenheid - aardlekschakelaar (p. 298)
•
Laadstroom (p. 293)
08 Starten en rijden
Laadkabel met regeleenheid statusmeldingen
heid (p. 295) van de laadkabel de actuele status weer tijdens en na het opladen.
Bij het opladen (p. 292) van de hybride-accu
van de auto geeft het display op de regeleen-
Display regeleenheid
Status
Betekenis
Aanbevolen maatregel
De indicator voor laadstroom (1)
brandt niet. Het autosymbool (5)
brandt continu groen.
Stand-by
•
•
Wacht totdat de accu volledig is opgeladen.
Het huidige stroomverbruik wordt
weergegeven met een groene indicator (1). Het autosymbool (5)
brandt continu groen.
Wordt opgeladen.
De indicator voor laadstroom
brandt niet. Het autosymbool (5)
brandt rood.
Oplading is
niet mogelijk.
Het autosymbool (5) brandt continu rood.
Oplading is
niet mogelijk.
De laadkabel is op de auto aangesloten.
Opladen is mogelijk maar moet nog worden geactiveerd door de elektronica.
•
De elektronica van de auto heeft de oplading gestart.
•
Wordt opgeladen.
•
Storing in de communicatie tussen de
regeleenheid en de auto.
1. Controleer alle aansluitingen of probeer een ander 230VAC-stopcontact.
•
De ventilatiefunctie van de elektronica
van de auto werkt onvoldoende, niet of
gebrekkig.
2. Start de oplading van de accu
opnieuw.
•
De aardlekschakelaar van de laadkabel is
in werking getreden.
1. Trek de laadkabel uit het stopcontact
van 230 VAC los.
Wacht totdat de accu volledig is opgeladen.
2. De aardlekschakelaar wordt gereset
en de eenheid herstart.
De indicator (1) voor de laadstroom
en het huissymbool (3) knipperen
rood.
Gerelateerde informatie
•
Laadstroom (p. 293)
Oplading is
niet mogelijk.
De temperatuurcontrole grijpt in voor het
stopcontact van 230 VAC.
Start de oplading opnieuw. Neem contact
op met de vakman, als het probleem aanhoudt.
08
297
08 Starten en rijden
Laadkabel met regeleenheid temperatuurbewaking
Laadkabel met regeleenheid aardlekschakelaar
Om te zorgen dat de auto veilig kan worden
opgeladen (p. 292) is de regeleenheid (p. 295)
voorzien van een ingebouwde controlefunctie.
De regeleenheid van de laadkabel (p. 295) is
voorzien van een ingebouwde aardlekschakelaar, die de auto en de gebruiker beschermt
tegen elektrische schokken als gevolg van
systeemstoringen.
Deze controlefunctie regelt de laadstroom (p.
293) automatisch af op een veilig niveau. Dit
garandeert een veilig gebruik zonder toezicht
en een optimale laadtijd.
N.B.
Als de ingebouwde aardlekschakelaar van de
regeleenheid uitschakelt, brandt het autosymbool continu met een rood licht – controleer
het 230VAC-contact.
Gebruik een door Volvo aanbevolen laadkabel die voldoet aan de normen IEC
62196 en IEC 61851, omdat een dergelijke
kabel voorzien is van temperatuurcontrole.
Temperatuurbewaking
Zodra de hybride-accu van de auto wordt
opgeladen, wordt de temperatuurcontrole
ingeschakeld. Als een kritische temperatuur
wordt bereikt, wordt de laadstroom verlaagd.
Als dat meerdere malen achtereen gebeurt,
wordt de oplading beëindigd.
BELANGRIJK
De aardlekschakelaar van de regeleenheid
beveiligt niet de 230 VAC-aansluiting.
Opladen hybride-accu - starten
Het opladen van de hybride-accu (p. 292)
starten.
BELANGRIJK
Sluit de laadkabel nooit aan als er kans op
blikseminslag is.
N.B.
Gebruik een door Volvo aanbevolen laadkabel die voldoet aan de normen IEC
62196 en IEC 61851, omdat een dergelijke
kabel voorzien is van temperatuurcontrole.
Pak de laadkabel (p. 295) uit de opbergruimte
onder de laadvloer.
Gerelateerde informatie
•
Opladen hybride-accu (p. 292)
BELANGRIJK
08
298
Als de temperatuurbewaking herhaalde
malen de laadstroom verlaagt en de oplading werd afgebroken, dient u de oorzaak
van de oververhitting op te sporen en weg
te nemen.
Sluit de laadkabel aan op een 230VACstopcontact. Gebruik nooit een verlengkabel.
2. Stel de juiste laadstroom (p. 293) (afhankelijk van het gebruikte 230VAC-stopcontact) in op de regeleenheid.
08 Starten en rijden
5. De laadkabelstekker wordt geblokkeerd/
vergrendeld en ca. 10 seconden later
gaat de oplading van start.
Om de resterende laadtijd te controleren:
•
Verwijder de beschermdop van de laadkabelstekker en sluit de laadkabelstekker
vervolgens aan op de auto.
Druk op de knop voor Approach-verlichting op de transpondersleutel – op
het instrumentenpaneel verschijnt vervolgens de berekende tijd.
De oplading van de accu kan enige tijd
worden onderbroken, als u de auto ontgrendelt:
•
en het portier opent – de oplading gaat
2 minuten later opnieuw van start.
•
zonder het portier te openen – er vindt
automatisch hervergrendeling plaats,
zie Vergrendelen/ontgrendelen - vanaf
de buitenkant (p. 169). De oplading
gaat 1 minuut later opnieuw van start.
N.B.
Positie van de beschermdop van de laadkabelstekker.
BELANGRIJK
Plaats om lakschade te voorkomen bij
hevige storm bijvoorbeeld de beschermdop van de laadaansluiting dusdanig dat
deze niet tegen het lakwerk aankomt.
6. Wanneer de oplading is afgerond (zie volgende tabel) - open het bestuurdersportier. Het instrumentenpaneel gaat dan
branden en kan informatie tonen over de
ladingstoestand.
De Approach-verlichting moet zijn ingeschakeld om de resterende laadtijd weer
te geven. De bijbehorende instellingen
vindt u in het menusysteem MY CAR (p.
106).
BELANGRIJK
Koppel de laadkabel nooit tijdens het opladen los van het 230V-contact (AC) –
anders bestaat het risico dat het 230Vcontact beschadigd raakt.
De LED-lampjes geven tijdens het opladen de
actuele status aan. Bij inschakeling van de
interieurverlichting branden de witte, blauwe,
rode en oranje ledjes (om enige tijd na uitschakeling van de interieurverlichting weer te
doven).
Ledje brandt
Betekenis
Continu wit
Hulpverlichting
Continu oranje
Stand-byA – in
afwachting van oplading.
Knippert groen
08
Wordt opgeladenB.
}}
299
08 Starten en rijden
||
Ledje brandt
Betekenis
Continu groen
Oplading gereedC.
Blauw - knipperend of continu
Timer ingeschakeld.
Rood - knipperend
of continu
Er is een storing
opgetreden.
A
B
C
Bijvoorbeeld bij het openen van een portier of een laadkabelstekker die niet vergrendeld is.
Naarmate de ladingstoestand van de accu verbetert gaat
het ledje langzamer knipperen.
Dooft na enige tijd.
Opladen hybride-accu - afsluiten
Het opladen van de hybride-accu (p. 292)
afsluiten.
N.B.
Om de handschoen van de laadkabel los
te kunnen nemen uit de 230 VAC-aansluiting van de auto, moet de auto eerst worden ontgrendeld met behulp van de transpondersleutel/PCC.
Tijdens het opladen kan er een plasje water
onder de auto ontstaan afkomstig van de
airco. Dit is normaal en hoort bij de koelfunctie van de hybride-accu.
Haal de kabel los uit de aansluiting van
de auto, plaats de afdekking terug op de
aansluiting en sluit de klep, zie Opladen
hybride-accu - voorbereidingen (p. 294).
Gerelateerde informatie
•
Opladen hybride-accu - afsluiten (p. 300)
Ontgrendel de auto met de transpondersleutel/PCC* – de geblokkeerd/vergrendelde laadkabelstekker wordt vrijgegeven.
Haal de kabel uit het 230VAC-stopcontact.
Plaats de laadkabel terug in de bergruimte onder de vloer in de bagageruimte.
08
300
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
08 Starten en rijden
Oplading met dieselmotor
De hybride-accu is ook op te
laden met de dieselmotor
van de auto, zie Aandrijving
(p. 261).
Gerelateerde informatie
•
•
Laadkabel met regeleenheid (p. 295)
Opladen hybride-accu - starten (p. 298)
Langdurige opslag - waar u op moet
letten
Voor het omgaan met de startaccu tijdens
langdurige opslag, zie Startaccu (p. 355).
Om te zorgen dat de hybride-accu tijdens
langdurige opslag van de auto niet te veel verslechtert, wordt aanbevolen om de ladingsgraad op 25% te houden.
N.B.
Parkeer de auto zo koel mogelijk om te
zorgen dat de accu bij langdurige stalling
zo min mogelijk achteruitgaat. Parkeer de
auto zomers bij voorkeur overdekt of buiten in de schaduw, afhankelijk van waar de
temperatuur het laagst is.
Ga als volgt te werk:
1. Kies het thema "Hybrid" voor het instrumentenpaneel (Voor informatie over
menufuncties, zie Instrumentenpaneel (p.
62).)
2. Rijd bij een hoge ladingsgraad in de auto
totdat de ladingsgraad ca. 25% is. Druk
bij een lage ladingsgraad laag op de
POWER-knop en rijd in de auto totdat ca.
25% wordt bereikt. (Voor meer informatie
over rijstanden, zie Aandrijving - rijstanden (p. 262).)
3. Bij een opslag langer dan 6 maanden en
als dat nog langer lijkt te worden - start
de motor in de rijstand POWER en laat
deze minimaal 10 minuten draaien totdat
de ladingsgraad weer wordt gestabiliseerd rond 25% (wordt aanbevolen).
Als de auto opgesloten heeft gestaan en niet
kon rijden en het laadniveau van de hybrideaccu duidelijk tot onder 25% is gezakt - laad
de accu ca. 45 minuten op het laagste niveau
op, afhankelijk van de laadstatus. Controleer
het laadniveau voortdurend op het instrumentenpaneel, zie Opladen hybride-accu - starten
(p. 298).
BELANGRIJK
Tijdens langdurige opslag mag de laadkabel niet op de laadaansluiting van de auto
zijn aangesloten.
Gerelateerde informatie
•
•
Opladen hybride-accu (p. 292)
Actieradius bij elektrische aandrijving (p.
285)
08
301
08 Starten en rijden
Rijden met een aanhanger
Bij het rijden met een aanhanger moet u op
enkele belangrijke dingen letten, zoals de
trekhaak, de aanhanger en hoe u de lading op
de aanhanger aanbrengt.
Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar gewicht van de auto. Het laadvermogen
dient te worden verminderd met de som van
het gewicht van eventuele inzittenden en dat
van gemonteerde accessoires, zoals een
trekhaak. Voor uitvoerige informatie over
gewichten, zie Gewichten (p. 386).
Als de trekhaak door Volvo is gemonteerd,
wordt de auto compleet aangeleverd met de
benodigde randuitrusting voor het gebruik
van een aanhanger.
•
08
302
De trekhaak van de auto moet van een
goedgekeurd type zijn.
•
Bij montage achteraf moet u contact
opnemen met uw erkende Volvo-werkplaats om te controleren of uw auto van
de nodige uitrusting is voorzien om met
een aanhanger te kunnen rijden.
•
Verdeel de lading in de aanhanger dusdanig dat de druk op de trekhaak de maximale kogeldruk niet overschrijdt.
•
Verhoog de bandenspanning tot de aanbevolen druk bij maximale belading. Voor
de locatie van de bandenspanningssticker, zie Banden - bandenspanning (p.
323).
•
Bij het gebruik van een aanhanger wordt
de motor zwaarder belast dan normaal.
•
Richtingaanwijzers en remlichten op
aanhanger
Rijd niet met een zware aanhanger, wanneer de auto nog helemaal nieuw is.
Wacht hiermee totdat de auto ten minste
1000 kilometer heeft gereden.
•
Bij het afdalen op lange en steile hellingen
worden de remmen veel zwaarder belast
dan normaal. Schakel dan terug naar een
lagere versnelling en pas uw snelheid
aan.
Als een van de richtingaanwijzers op de aanhanger defect is, knippert het richtingaanwijzersymbool op het instrumentenpaneel sneller dan normaal en op het informatiedisplay
verschijnt de tekst Lampfout - Knip- perl.
aanhanger.
•
•
•
Om veiligheidsredenen dient u de toelaatbare maximumsnelheid voor auto’s met
een aanhanger/caravan niet te overschrijden. Neem de geldende bepalingen in
acht ten aanzien van de toelaatbare snelheden en gewichten.
Houd een lage snelheid aan, wanneer u
met een aanhanger achter de auto een
lange en steile helling oprijdt.
Vermijd hellingen met een percentage van
meer dan 12 % bij het gebruik van een
aanhanger.
Trekhaakbedrading
Als de trekhaak van de auto een 13-polig
elektrisch contact heeft en de aanhanger een
7-polig contact, hebt u een adapter nodig.
Gebruik een door Volvo goedgekeurde adapterkabel. Zorg dat de kabel niet over de grond
sleept.
Als een van de remlichten op de aanhanger
defect is, dan verschijnt de tekst Lampfout Rem- licht aanhanger.
Aanhangergewichten
Voor informatie over de toelaatbare aanhangergewichten die Volvo hanteert, zie Trekgewicht en kogeldruk (p. 387).
N.B.
De vermelde maximaal toegestane aanhangergewichten zijn door Volvo toegestaan. Nationale voertuigvoorschriften kunnen het aanhangergewicht en de snelheid
verder beperken. De trekhaken kunnen zijn
gecertificeerd voor hogere trekgewichten
dan wat de auto mag trekken.
WAARSCHUWING
Volg de vermelde aanbevelingen voor het
aanhangergewicht. Anders is het mogelijk
dat de hele combinatie bij uitwijkmanoeuvres en afremmen moeilijk onder controle
is te houden.
08 Starten en rijden
Gerelateerde informatie
•
•
•
Rijden met een aanhanger - automatische
versnellingsbak (p. 303)
Trekhaak (p. 304)
Lamp vervangen (p. 345)
Rijden met een aanhanger automatische versnellingsbak
Op een helling wegrijden
Wanneer u bij warm weer een aanhanger
sleept in heuvelachtig terrein, bestaat er
mogelijk gevaar voor oververhitting.
2. Zet de keuzehendel in de rijstand D.
3. Los de parkeerrem.
•
Een automatische versnellingsbak kiest
altijd de juiste versnelling voor het motortoerental.
4. Haal uw voet van het rempedaal en rijd
weg.
•
Bij oververhitting gaat op het instrumentenpaneel een waarschuwingssymbool
branden en verschijnt er een melding op
het informatiedisplay. Neem het gegeven
advies in acht.
1. Trap het rempedaal in.
Gerelateerde informatie
•
Automatische versnellingsbak Geartronic (p. 268)
Steile hellingen
•
Blokkeer een automatische versnellingsbak niet met een hogere versnelling dan
de motor ‘aankan’ – rijden in een hoge
versnelling bij een laag motortoerental is
niet altijd zuinig.
Op een helling parkeren
1. Trap het rempedaal in.
2. Activeer de parkeerrem.
3. Zet de keuzehendel in stand P.
4. Haal uw voet van het rempedaal.
•
Zet de keuzehendel in de parkeerstand P,
wanneer u een automaat met aanhanger
parkeert. Gebruik altijd de parkeerrem.
•
Gebruik wielblokken, als u een auto met
aanhanger op een steile helling parkeert.
08
303
08 Starten en rijden
Trekhaak
Een trekhaak maakt het mogelijk om bijvoorbeeld een aanhanger achter de auto te hangen.
Gerelateerde informatie
•
Rijden met een aanhanger (p. 302)
Afneembare trekhaak - opbergen
Bewaar de afneembare trekhaak in de bagageruimte.
Als de auto is uitgerust met een afneembare/
demontabele trekhaak, moet u de montagevoorschriften voor bevestiging van het
afneembare/demontabele deel zorgvuldig in
acht nemen, zie Afneembare trekhaak - monteren/demonteren (p. 306).
WAARSCHUWING
Als de auto is uitgerust met de afneembare
trekhaak van Volvo:
•
Volg de montage-instructies nauwkeurig op.
•
Zorg dat het afneembare gedeelte met
de sleutel vergrendeld is voordat u
begint te rijden.
•
U moet de kogel van de trekhaak regelmatig schoonmaken en met vet insmeren.
N.B.
08
304
BELANGRIJK
Neem na gebruik altijd de trekhaak los en
berg deze op de daarvoor bestemde
plaats op.
Controleer of het controlevenster
groen van kleur is.
Belangrijke controlepunten
•
Opbergruimte trekhaak.
Als er een koppeling met trillingsdemper
wordt gebruikt, mag de trekkogel niet worden gesmeerd.
Gerelateerde informatie
•
Afneembare trekhaak - specificaties (p.
305)
•
Afneembare trekhaak - monteren/demonteren (p. 306)
•
Rijden met een aanhanger (p. 302)
08 Starten en rijden
•
Afneembare trekhaak - specificaties
Rijden met een aanhanger (p. 302)
Specificaties voor een afneembare trekhaak.
G021485
Specificaties
Afmetingen, bevestigingspunten
(mm)
A
998
B
81
C
854
D
427
E
109
F
282
G
Langsligger
H
Middelpunt kogel
Gerelateerde informatie
•
Afneembare trekhaak - monteren/demonteren (p. 306)
•
Afneembare trekhaak - opbergen (p. 304)
08
305
08 Starten en rijden
Afneembare trekhaak - monteren/
demonteren
U kunt de afneembare trekhaak als volgt monteren/demonteren:
Het controlevenster moet groen van kleur
zijn.
G018928
Het controlevenster moet rood van kleur
zijn.
G021490
G021488
Demonteren
G021487
Breng de trekhaak aan en duw deze naar
binnen totdat u een klik hoort.
08
306
Controleer of het mechanisme in de ontgrendelde stand staat door de sleutel
rechtsom te draaien.
G000000
G021489
Verwijder de afdekking door de pal in te
en de afdekking vervolgens
drukken
.
recht naar achteren te trekken
Draai de sleutel linksom naar de vergrendelde stand. Neem de sleutel uit het slot.
Controleer of de trekhaak vastzit door
deze stevig omhoog, omlaag en naar
achteren te bewegen.
WAARSCHUWING
Als de trekhaak niet goed zit, moet u deze
verwijderen en opnieuw monteren zoals
eerder werd beschreven.
G021495
G021494
08 Starten en rijden
Veiligheidskabel.
WAARSCHUWING
Druk de vergrendelingsknop
in en
totdat u een klik
draai deze linksom
hoort.
Controleer of de veiligheidskabel van de
aanhanger in de juiste bevestiging vastzit.
Trekhaak verwijderen
BELANGRIJK
Vet alleen de kogel in waarop de aanhangerkoppeling wordt geplaatst; houd de
rest van het kogelsegment vetvrij en
droog.
Steek de sleutel in het slot en draai deze
rechtsom in de ontgrendelde stand.
08
}}
307
08 Starten en rijden
||
Gerelateerde informatie
Draai de vergrendelingsknop volledig
omlaag totdat deze niet verder kan. Houd
de knop in deze stand vast terwijl u de
trekhaak schuin naar achteren toe
omhoogtrekt.
WAARSCHUWING
Zet de trekhaak goed vast, wanneer u
deze in de auto bewaart, zie Afneembare
trekhaak - opbergen (p. 304).
•
•
Afneembare trekhaak - opbergen (p. 304)
•
Rijden met een aanhanger (p. 302)
Afneembare trekhaak - specificaties (p.
305)
Trailer Stability Assist - TSA14
Het TSA-systeem (TSA - Trailer Stability
Assist) heeft tot taak de auto met een aanhanger/caravan te stabiliseren wanneer de combinatie de neiging tot pendelbewegingen vertoont.
Trailer Stability Assist maakt deel uit van het
stabiliteits- en tractieregelsysteem (p. 180)
(DSTC - Dynamic Stability and Traction
Control).
Functie
Bij alle combinaties van auto en aanhanger/
caravan kan het bekende verschijnsel met
pendelbewegingen optreden. Doorgaans
treedt het verschijnsel pas bij hoge snelheden
op. Als de aanhanger/caravan echter overmatig beladen is of als het gewicht van de lading
verkeerd verdeeld is (bijvoorbeeld te ver naar
achteren), bestaat er ook op lagere snelheden
van 70–90 km/h gevaar voor pendelbewegingen.
G018929
Een pendelbeweging begint altijd met een
van de onderstaande factoren, zoals.:
08
308
Duw de afdekking er zo ver op dat deze
vastklikt.
•
De auto met aanhanger/caravan staat
bloot aan rukwinden.
•
De auto met aanhanger/caravan rijdt over
een oneffen wegdek of over hobbels.
•
Grote stuurbewegingen.
08 Starten en rijden
Bediening
Een pendelbeweging is vaak niet of nauwelijks te dempen, waardoor de combinatie
moeilijk bestuurbaar wordt en het gevaar
bestaat op de verkeerde weghelft of naast de
weg te belanden.
Het TSA-systeem houdt continu de bewegingen van de auto in de gaten en dan vooral de
dwarsbewegingen. Als een neiging tot pendelbewegingen geregistreerd wordt, worden
de voorwielen ieder afzonderlijk dusdanig
afgeremd dat de combinatie gestabiliseerd
wordt. Vaak is dit voldoende om de auto weer
onder controle te krijgen.
Als de pendelbeweging ondanks de eerste
ingreep van het stabiliteitssysteem niet wordt
gedempt, worden alle wielen van de combinatie afgeremd en wordt de aandrijfkracht
van de motor verlaagd. Wanneer de pendelbeweging vervolgens stukje bij beetje verminderd is en de combinatie weer stabiel is,
beëindigt het systeem de regeling waarna u
de auto weer volledig onder controle hebt.
Voor meer informatie, zie Stabiliteits- en tractieregelsysteem (DSTC) - bediening (p. 181)
Overig
Het TSA-systeem kan ingrijpen bij snelheden
van 60–160 km/h.
N.B.
De TSA-functie wordt uitgeschakeld, als u
de Sport-stand kiest, zie Stabiliteits- en
tractieregelsysteem (DSTC) (p. 180).
Het TSA-systeem grijpt mogelijk niet in als u
met grote stuurbewegingen de pendelbeweging zelf tracht op te heffen, aangezien het
systeem dan niet kan bepalen of de pendelbeweging wordt veroorzaakt door de aanhanger/caravan of door de bestuurder.
Wanneer het TSA-systeem werkt,
knippert het DSTC-symbool op het
instrumentenpaneel.
Gerelateerde informatie
•
Stabiliteits- en tractieregeling (DSTC) symbolen en meldingen (p. 182)
Slepen
Bij het slepen wordt de auto met behulp van
een sleepkabel voortgetrokken door een
ander voertuig.
Het is niet toegestaan de V60 Plug-in Hybrid
te slepen. Zet de auto bij vervoer met alle vier
de wielen op de laadvloer van het transportvoertuig.
BELANGRIJK
Sleep de auto altijd zo dat de wielen in de
rijrichting draaien.
Starten met hulpaccu
Probeer de motor niet aan te slepen. Gebruik
een hulpaccu als de startaccu dusdanig ontladen is dat de motor niet kan worden
gestart, zie Starthulp met accu (p. 259).
BELANGRIJK
De elektrische aandrijfmotor en de katalysator kunnen beschadigd raken bij pogingen de auto aan te slepen.
Gerelateerde informatie
•
Sleepoog (p. 310)
08
14
Inbegrepen bij montage van een originele Volvo-trekhaak.
309
08 Starten en rijden
Sleepoog
Het sleepoog dient te worden vastgeschroefd
in een draadbus achter een afdekking in de
bumper rechtsachter.
Sleepoog bevestigen
De afdekking op het bevestigingspunt
voor het sleepoog bestaat in twee versies
die op verschillende manieren moeten
worden geopend:
•
•
U opent de versie met een uitsparing
door een muntstuk of iets dergelijks in
de uitsparing aan te brengen en de
afdekking los te werken. Klap de
afdekking daarna helemaal los en verwijder deze.
Bij de andere versie zit er een markering langs de ene zijde of in een hoek:
Duw met uw vinger op deze markering
terwijl u de tegenoverliggende zijde/
hoek met een muntstuk of iets dergelijks openklapt – de afdekking klapt
rond de middellijn open en kan vervolgens worden verwijderd.
Schroef het sleepoog tot aan de flens
naar binnen. Draai het oog stevig vast
met bijvoorbeeld een wielsleutel.
Draai het sleepoog na gebruik los en leg
het weer op zijn plek.
Plaats de afdekking tot slot weer in de
bumper terug.
08
310
Neem het sleepoog erbij dat achter het
paneel links in de bagageruimte ligt.
Het is toegestaan het sleepoog te gebruiken
om de auto op een bergingsvoertuig met
laadvloer te trekken. De positie van de auto
en de bodemvrijheid bepalen of dat mogelijk
is. Als de oprijbanen van het bergingsvoertuig
onder een te grote hoek staan of als de
bodemvrijheid onder de auto onvoldoende is,
kan de auto beschadigd raken wanneer men
deze met een sleepoog op het bergingsvoertuig probeert te trekken. Hef de auto zo nodig
met behulp van de hefinrichting van het bergingsvoertuig op de auto.
WAARSCHUWING
Zorg dat het gebied achter het bergingsvoertuig vrij blijft, terwijl de auto op de
laadvloer wordt getrokken.
Gerelateerde informatie
•
•
Slepen (p. 309)
Bergen (p. 311)
08 Starten en rijden
Bergen
Met bergen wordt het afslepen bedoeld met
een ander voertuig.
Roep professionele hulp in voor berging.
Het is toegestaan het sleepoog te gebruiken
om de auto op een bergingsvoertuig met
laadvloer te trekken. De positie van de auto
en de bodemvrijheid bepalen of dat mogelijk
is. Als de oprijbanen van het bergingsvoertuig
onder een te grote hoek staan of als de
bodemvrijheid onder de auto onvoldoende is,
kan de auto beschadigd raken wanneer men
deze met een sleepoog op het bergingsvoertuig probeert te trekken. Hef de auto zo nodig
met behulp van de hefinrichting van het bergingsvoertuig op de auto.
WAARSCHUWING
Zorg dat het gebied achter het bergingsvoertuig vrij blijft, terwijl de auto op de
laadvloer wordt getrokken.
BELANGRIJK
Let erop dat u de V60 Plug-in Hybrid altijd
bergt met alle vier de wielen op de laadvloer van het bergingsvoertuig.
Gerelateerde informatie
•
Slepen (p. 309)
08
311
WIELEN EN BANDEN
09 Wielen en banden
Banden - draairichting
Bij banden met een speciaal profiel dat alleen
goed werkt wanneer de banden in een
bepaalde richting draaien, staat deze richting
aangegeven met een pijl op de zijkant van de
band.
N.B.
Let erop dat u hetzelfde type, dezelfde
maat en ook hetzelfde merk voor beide
wielparen hebt.
Houd de aanbevolen bandenspanning aan
die in de bandenspanningstabel (p. 397)
staat.
Gerelateerde informatie
G021778
•
•
•
•
•
De pijl geeft de draairichting van de band aan.
Zorg dat de banden altijd dezelfde draairichting hebben. Banden mogen alleen van voor
naar achter verwisseld worden, nooit van
links naar rechts of omgekeerd. Als u de banden verkeerd aanbrengt, nemen de remeigenschappen van de auto af en kunnen de banden regen, sneeuw en drab minder goed
afvoeren. Monteer de banden met het diepste
profiel altijd op de achteras (om het gevaar
voor slippen te verminderen).
Banden - maten (p. 318)
Banden - snelheidsklassen (p. 319)
Banden - lastindex (p. 319)
Banden - onderhoud (p. 313)
Banden - slijtage-indicator (p. 315)
Banden - onderhoud
09
De banden hebben o.a. tot taak om grip tegen
de ondergrond te hebben, trillingen te dempen en het wiel tegen slijtage te beschermen.
Rijeigenschappen
Banden zijn van grote invloed op de rijeigenschappen van de auto. Zowel het type, de
maat, de bandenspanning als de snelheidsklasse zijn belangrijk voor het rijgedrag van
de auto.
Leeftijd van de banden
Alle banden die ouder zijn dan 6 jaar moet u
door een vakman laten controleren, ook al
zien ze er intact uit. Dit omdat het materiaal
waarvan banden gemaakt zijn ook veroudert
en afgebroken wordt, als banden zelden of
nooit worden gebruikt. Daarbij kan de werking van de band worden aangetast. Dit geldt
voor alle banden die u voor toekomstig
gebruik hebt opgeslagen. Scheurvorming of
verkleuring zijn de zichtbare kenmerken van
een band die ongeschikt is voor gebruik.
313
09 Wielen en banden
09
||
Nieuwe banden
Banden hebben een beperkte houdbaarheidsdatum. Na enkele jaren worden de banden hard en neemt de grip op het wegdek
stukje bij beetje af. Gebruik bij het verwisselen van banden altijd zo nieuw mogelijke banden. Dit geldt in het bijzonder voor winterbanden. De laatste cijfers van de cijferreeks
geven de week en het jaar van productie aan.
Het is de zogeheten DOT-code (Department
of Transportation) van de band en bestaat uit
vier cijfers, bijvoorbeeld 1510. De band op de
afbeelding is de 15e week van het jaar 2010
geproduceerd.
Zomer- en winterbanden
Wanneer u de zomerbanden vervangt door
winterbanden of andersom, moet u op de
band noteren waar de band zat: bijvoorbeeld
L voor links, R voor rechts.
314
Slijtage en onderhoud
De juiste bandenspanning (p. 323) levert een
gelijkmatiger slijtage op. De rijstijl, de bandenspanning, het klimaat en de staat van de
wegen zijn van invloed op de snelheid waarmee de banden verouderen en slijten. Om
verschillen in profieldiepte te voorkomen en
slijtpatronen tegen te gaan kunt u de wielen
op de voor- en achteras onderling van plaats
verwisselen. Voer de eerste wissel na ca.
5.000 km uit en doe dat daarna om de
10.000 km opnieuw. Volvo adviseert u contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats als u niet zeker bent van de profieldiepte. Als er al een duidelijk verschil zit in
de slijtage (> 1 mm verschil in profieldiepte)
van de banden, dienen de minst versleten
banden altijd op de achteras te zitten. Slippende voorwielen zijn makkelijker te corrigeren dan slippende achterwielen, omdat de
auto rechtuit blijft rijden in plaats van uit te
breken met de achterkant waarbij u mogelijk
de controle over de auto verliest. Daarom is
belangrijk dat de achterwielen nooit vóór de
voorwielen grip verliezen.
Bewaar de wielen hangend of liggend. Laat
ze nooit rechtop staan.
WAARSCHUWING
Een beschadigde band kan voor een
oncontroleerbare auto zorgen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Banden - maten (p. 318)
Banden - snelheidsklassen (p. 319)
Banden - lastindex (p. 319)
Banden - draairichting (p. 313)
Banden - slijtage-indicator (p. 315)
09 Wielen en banden
•
Banden - slijtage-indicator
Een slijtage-indicator toont de status van het
loopvlak van de band.
Banden - onderhoud (p. 313)
Wielbouten
09
De wielen zitten op de naaf vast met wielbouten die in verschillende uitvoeringen verkrijgbaar zijn.
BELANGRIJK
G021829
U dient de wielbouten aan te halen met
140 Nm. Als u ze te strak aanhaalt, kan de
boutverbinding beschadigd raken.
Gebruik alleen velgen die getest en goedgekeurd zijn door Volvo en deel uitmaken van
de originele accessoires van Volvo. Controleer het aanhaalmoment met een momentsleutel.
Slijtage-indicator.
Afsluitbare wielbouten*
Slijtage-indicatoren zijn smalle ophogingen
die dwars op het profiel van de band staan.
Op de zijkant van de band staan de letters
TWI (Tread Wear Indicator). De slijtage-indicatoren zijn duidelijk zichtbaar wanneer een
band dusdanig versleten is dat slechts
1,6 mm van het profiel over is. Vervang de
banden dan zo spoedig mogelijk. Let erop dat
een band met een gering profiel zeer weinig
grip op het wegdek heeft bij regen of sneeuw.
Afsluitbare wielbouten* zijn te gebruiken op
zowel aluminium als stalen velgen.
Gerelateerde informatie
•
Wiel- en velgmaten (p. 318)
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Banden - maten (p. 318)
Banden - snelheidsklassen (p. 319)
Banden - lastindex (p. 319)
Banden - draairichting (p. 313)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
315
09 Wielen en banden
09
Gereedschap
In de auto is onder meer een sleepoog, krik*
en een wielsleutel* aanwezig.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Noodreparatieset voor banden (p. 326)
Sleepoog (p. 310)
Wielen verwisselen - wielen verwijderen
(p. 320)
Wielbouten (p. 315)
Krik* (p. 316)
Krik*
Er wordt een krik gebruikt om de auto op te
nemen, bijvoorbeeld bij het verwisselen van
banden.
Gebruik de originele krik alleen voor het verwisselen van het reservewiel. Houd de
schroef van de krik altijd goed ingevet.
Gereedschap, terugplaatsen
Het sleepoog van de auto en de noodreparatieset voor banden zitten achter de klep links
in de bagageruimte. Er is tevens ruimte om
de dop voor de afsluitbare wielbouten in op te
bergen. De krik* en de wielsleutel* liggen in
een opbergzak die aan de vloer van de bagageruimte bevestigd is.
Als de auto niet is uitgerust met een reservewiel hoeft u de krik niet in de auto te bewaren.
WAARSCHUWING
Zet het sleepoog en de noodreparatieset
voor banden altijd met de spanband vast,
wanneer u ze in het blok schuimrubber
bewaart.
316
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Zorg dat de witte pijl naar de voorkant van de
auto wijst.
Draai de krik na gebruik omlaag en schroef
het sleepoog van de wielsleutel los. Leg de
wielsleutel en de krik in de voorziene vakjes
van de opbergzak. Trek de middenriem van
de opbergzak stevig aan en zet de opbergzak
met de andere riem vast aan het achterste
verankeringsoog links in de bagageruimte.
Plaats de opbergzak zo dat deze niet bekneld
raakt bij het sluiten van de achterklep. Zorg
09 Wielen en banden
dat de witte pijl op de opbergzak naar de
voorkant van de auto wijst. Plaats het sleepoog in het blok schuimrubber links in de
bagageruimte.
WAARSCHUWING
Zet de opbergzak dusdanig vast dat de
witte pijl (zie inzet) naar de voorkant van de
auto wijst.
N.B.
Als het luik in de vloer van de bagageruimte niet dichtstaat, werkt Privacy locking niet.
Gerelateerde informatie
•
•
Gevarendriehoek (p. 325)
Noodreparatieset voor banden (p. 326)
Winterbanden
Sneeuwkettingen gebruiken
Winterbanden zijn banden die aan de winterse
toestand van de weg zijn aangepast.
Het gebruik van sneeuwkettingen is alleen
toegestaan op de voorwielen (geldt ook voor
modellen met voorwielaandrijving). Rijd nooit
sneller dan 50 km/h met sneeuwkettingen.
Rijd evenmin op sneeuwvrije wegen, omdat
zowel de sneeuwkettingen als de banden
daardoor overmatig slijten.
Winterbanden
Volvo adviseert winterbanden met bepaalde
afmetingen. De bandenmaat is afhankelijk van
de motorvariant. Gebruik altijd het juiste type
winterbanden op alle vier de wielen.
WAARSCHUWING
N.B.
Gebruik originele Volvo-sneeuwkettingen
of vergelijkbare sneeuwkettingen die zijn
afgestemd op het model en op de banden velgafmetingen. Bij twijfel adviseert
Volvo u een erkende Volvo-werkplaats om
advies te vragen. Een verkeerde sneeuwketting kan ernstige schade aan de auto
veroorzaken en aanleiding geven tot een
ongeluk.
Volvo adviseert u om met een Volvo-dealer
te overleggen over welke velg en welk type
band het best geschikt zijn.
Banden met ‘spikes’
Winterbanden met ‘spikes’ moeten de eerste
500–1000 km rustig worden ingereden, zodat
de ‘spikes’ hun positie in kunnen nemen. Zo
gaan de banden en vooral de ‘spikes’ langer
mee.
N.B.
09
Gerelateerde informatie
•
Wielen verwisselen - wielen verwijderen
(p. 320)
De wettelijke voorschriften voor het
gebruik van banden met spikes verschillen
per land.
Profieldiepte
Ritten bij ijs, sneeuw(modder) en lage temperaturen vergen meer van de banden dan
zomerse ritten. Daarom adviseert Volvo een
minimale profieldiepte van 4 mm voor winterbanden.
317
09 Wielen en banden
09
Wiel- en velgmaten
Banden - maten
•
Wiel- en velgmaten worden aangeduid zoals
in de onderstaande tabel.
De wielen (velgen) en banden van de auto
hebben een bepaalde maat, zie het voorbeeld
in de onderstaande tabel.
Banden - goedgekeurde bandenspanning
(p. 397)
•
Wiel- en velgmaten (p. 318)
De auto is voorzien van een typegoedkeuring
voor de uitvoering waarin deze werd aangeleverd. Dat betekent dat niet alle wiel- (velg-) en
bandcombinaties goedgekeurd zijn.
Wielen (velgen) zijn voorzien van een maataanduiding, bijvoorbeeld: 7Jx16x50.
De auto is voorzien van een typegoedkeuring
voor de uitvoering waarin deze werd aangeleverd. Dat betekent dat niet alle wiel- (velg-) en
bandcombinaties goedgekeurd zijn.
Op alle autobanden staat een bepaalde maataanduiding. Een voorbeeld van een dergelijke aanduiding:235/45R17 97W.
7
Velgbreedte in inch
J
Profiel velgrand
235
Breedte van de band (mm)
16
Velgdiameter van de band
45
50
Bolling in mm (afstand tussen de verticale aslijn door het wiel en het contactvlak met de naaf)
Verhouding tussen de hoogte en
breedte van de band (%)
R
Aanduiding voor radiaalbanden
17
Velgdiameter van de band (")
Banden - maten (p. 318)
97
Banden - goedgekeurde bandenspanning
(p. 397)
Aanduiding van het draagvermogen
van de band, lastindex (LI)
W
Aanduiding van de snelheidslimiet
van de band, snelheidsklasse (SS).
(In dit geval 270 km/h.)
Gerelateerde informatie
•
•
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
318
Banden - snelheidsklassen (p. 319)
Banden - lastindex (p. 319)
Banden - draairichting (p. 313)
Banden - onderhoud (p. 313)
09 Wielen en banden
Banden - lastindex
Banden - snelheidsklassen
De lastindex geeft het vermogen van een
band aan om een bepaalde last te dragen.
Elke band is bestand tegen een bepaalde
max. snelheid en behoort daardoor tot een
bepaalde snelheidsklasse (SS - Speed
Symbol).
Iedere band heeft een bepaald draagvermogen, wat wordt aangeduid met de lastindex
(LI). Het gewicht van de auto bepaalt het
draagvermogen van de banden. De minimaal
toelaatbare index staat in de lastindextabel.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Banden - maten (p. 318)
Banden - goedgekeurde bandenspanning
(p. 397)
Banden - snelheidsklassen (p. 319)
Banden - onderhoud (p. 313)
De snelheidsklasse van de banden dient minimaal overeen te komen met de topsnelheid
van de auto. De laagst toegestane snelheidsklasse staat in de onderstaande snelheidsklassetabel. De enige uitzondering hierop vormen winterbanden, (p. 317)1, waarvoor een
lagere snelheidsklasse gebruikt mag worden.
Bij gebruik van dergelijke banden mag u niet
sneller rijden dan de maximumsnelheid die
voor het gebruikte bandentype geldt (voor
klasse Q geldt bijvoorbeeld een maximumsnelheid van 160 km/h). De gesteldheid van
het wegdek is bepalend voor de maximumsnelheid en niet de snelheidsklasse op de
banden.
V
240 km/h
W
270 km/h
Y
300 km/h
09
WAARSCHUWING
De auto moet worden uitgerust met banden die minimaal de gespecificeerde lastindex (p. 319) (LI) en snelheidsklasse (SS)
hebben. Bij gebruik van banden met een te
lage lastindex of snelheidsklasse kunnen
de banden oververhit raken.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Banden - maten (p. 318)
Banden - lastindex (p. 319)
Banden - draairichting (p. 313)
N.B.
In de tabel staat de maximaal toegestane
snelheid.
1
Q
160 km/h (alleen voor winterbanden)
T
190 km/h
H
210 km/h
Onder winterbanden worden zowel banden met als zonder ‘spikes’ verstaan.
319
09 Wielen en banden
09
Wielen verwisselen - wielen
verwijderen
De wielen van de auto kunnen worden verwisseld door bijvoorbeeld winterwielen/winterbanden.
Reservewiel*
De volgende instructies gelden alleen voor
reservewielen die bij wijze van extra bij de
auto zijn gekocht. Als de auto niet is uitgerust met een reservewiel - zie de informatie
over de noodreparatieset voor banden (TMK)
(p. 326).
Een compact reservewiel (Temporary Spare)
is alleen bestemd voor tijdelijk gebruik en
dient dan ook zo spoedig mogelijk door een
normaal wiel te worden vervangen. Het rijgedrag van de auto kan zich wijzigen bij het
gebruik van een compact reservewiel. Het
compacte reservewiel is kleiner dan een normaal wiel. De bodemspeling verandert er
daarom door. Wees voorzichtig bij hoge trottoirbanden en reinig de auto niet in een autowasstraat. Als het reservewiel op de vooras
zit, kunt u evenmin sneeuwkettingen omleggen. Bij vierwielaangedreven auto’s is de achterwielaandrijving uit te schakelen. Het reservewiel mag niet worden gerepareerd.
In de bandenspanningstabel (p. 397) staat de
juiste bandenspanning voor het reservewiel.
320
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
BELANGRIJK
•
Rijd met een reservewiel op de auto
nooit sneller dan 80 km/u.
•
Er mag nooit met de auto worden
gereden als deze van meer dan één
reservewiel van het type ‘Temporary
Spare’ is voorzien.
Het reservewiel wordt aangeleverd in een zak
die op de laadvloer van de bagageruimte
moet worden bewaard en met riem worden
bevestigd.
Auto’s met vier verankeringsogen.
Draai de handgreep van de reservewielzak
naar u toe. Bevestig de haken van de vastgenaaide spanbanden in de voorste verankeringsogen. Bevestig de lange band in een van
de voorste verankeringsogen, leid de band
diagonaal over het reservewiel en door de
bovenste handgreep. Zet de korte spanband
vast op de lange. Bevestig deze in het achterste verankeringsoog en trek aan.
Alvorens een wiel te verwisselen
1. Haal de spanbanden los, til het reservewiel uit de bagageruimte en haal het uit
de reservewielzak.
2. Open het luik links in de bagageruimte om
bij het sleepoog te komen.
09 Wielen en banden
3. Pak de krik* en de wielsleutel* (liggen in
een opbergzak op de vloer van de bagageruimte). Bij gebruik van een andere
krik, zie Auto opnemen (p. 336).
WAARSCHUWING
Controleer of de krik intact is, goed
gesmeerde schroefdraadwindingen heeft
en vrij van vuil is.
N.B.
•
•
•
Als de auto niet is voorzien van een
reservewiel, hoeft u de krik niet in de
auto te bewaren.
N.B.
De normale krik van de auto is alleen
bestemd voor sporadisch en kortstondig
gebruik zoals bij het verwisselen van een
lekke band, monteren van winterbanden/
zomerbanden e.d. Hef de auto alleen met
een krik die voor het desbetreffende model
bestemd is. Als de auto vaker moet worden opgekrikt of voor langere tijd zoals bij
het onderling roteren van de banden wordt
het gebruik van een garagekrik geadviseerd. Volg in dat geval de gebruiksaanwijzing van de desbetreffende krik.
Volvo adviseert u alleen de krik te
gebruiken* die bij de auto hoort, zoals
aangegeven op de kriksticker.
4. Zet de gevarendriehoek (p. 325) op, als u
een wiel moet verwisselen langs een
drukke weg. Zorg ervoor dat de auto en
de krik* op een stevige en horizontale
ondergrond staan.
Op de sticker staat tevens de maximale
hefcapaciteit bij de vermelde hefhoogte.
Verwijderen
1. Zet de parkeerrem (p. 277) aan en schakel de achteruitversnelling in of zet de
keuzehendel in stand P, als de auto een
automatische versnellingsbak heeft.
3. Schroef het sleepoog tot aan de aanslag
in de wielsleutel* vast, zoals hieronder
afgebeeld.
09
BELANGRIJK
Het sleepoog dient volledig in de wielsleutel te worden gedraaid.
4. Draai de wielbouten ½–1 slag linksom los
met de wielsleutel.
2. Plaats wielblokken voor en achter de wielen die op de grond blijven staan. Gebruik
daarvoor bijvoorbeeld grote houten blokken of grote stenen.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
321
09 Wielen en banden
09
||
WAARSCHUWING
Leg nooit iets tussen de krik en de ondergrond en evenmin tussen de krik en het
kriksteunpunt van de auto.
5. Er zitten twee kriksteunpunten aan weerszijden van de auto. Bij elk steunpunt zit
een uitsparing in de kunststof afdekking.
Draai de voet van de krik met de slinger
zo ver omlaag dat de voet plat tegen de
grond aankomt.
BELANGRIJK
De ondergrond dient vast en egaal te zijn
en niet te hellen.
6. Breng de auto zo ver omhoog dat het wiel
van de grond komt. Verwijder de wielbouten en til het wiel eraf.
322
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Wielen verwisselen - monteren (p. 322)
Wielen verwisselen - monteren
Krik* (p. 316)
Het is belangrijk dat het wiel op de juiste
manier gemonteerd wordt.
Gevarendriehoek (p. 325)
Aanbrengen
Wielbouten (p. 315)
1. Reinig de contactvlakken tussen het wiel
en de naaf.
2. Breng het wiel aan. Haal de wielbouten
stevig aan.
3. Breng de auto zo ver omlaag dat het wiel
niet meer ongehinderd kan draaien.
4. Draai de wielbouten kruiselings vast. Het
is belangrijk dat u de wielbouten stevig
aanhaalt. Haal aan met 140 Nm. Controleer het aanhaalmoment met een
momentsleutel.
09 Wielen en banden
N.B.
•
Na het oppompen van een band moet
u altijd het ventieldopje terugzetten om
schade aan het ventiel door grind, vuil
e.d. te voorkomen.
•
Gebruik alleen kunststof dopjes. Metalen ventieldopjes kunnen roesten en
zijn moeilijk los te draaien.
Banden - bandenspanning
09
Banden kunnen een verschillende bandenspanning hebben en dat wordt gemeten in de
eenheid bar.
Bandenspanning controleren
Controleer iedere maand de bandenspanning.
WAARSCHUWING
Zet de opbergzak dusdanig vast dat de
witte pijl (zie inzet) naar de voorkant van de
auto wijst.
Zorg dat de witte pijl naar de voorkant van de
auto wijst.
5. Schroef het sleepoog en de wielsleutel
los. Leg de wielsleutel en de krik in de
voorziene vakjes van de opbergzak. Trek
de middenriem van de opbergzak stevig
aan en zet de opbergzak met de andere
riem vast aan het achterste verankeringsoog links in de bagageruimte. Plaats de
opbergzak zo dat deze niet bekneld raakt
bij het sluiten van de achterklep. Zorg dat
de witte pijl op de opbergzak naar de
voorkant van de auto wijst.
WAARSCHUWING
Kruip nooit onder de auto als deze op een
krik staat.
Laat nooit passagiers in de auto zitten als
deze op een krik staat.
Parkeer de auto zodanig dat de passagiers
de auto of liever een vangrail tussen zichzelf en de weg hebben.
Gerelateerde informatie
2
•
Wielen verwisselen - wielen verwijderen
(p. 320)
•
•
•
Krik* (p. 316)
Gevarendriehoek (p. 325)
Het bandventiel is voorzien van een kunststof
afdekking met een opening erin2.
Ventielafdekking verwijderen
1. Neem de torx-sleutel erbij (die in het
schuimrubberblok zit, achter het paneel
links in de bagageruimte).
2. Steek de torx-sleutel in de opening.
3. Werk de afdekking los met behulp van de
torx-sleutel
.
Wielbouten (p. 315)
Alleen de 17" velg Thia
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
323
09 Wielen en banden
||
4. Verwijder het ventieldopje.
Ventielafdekking terugplaatsen
N.B.
•
Controleer de bandenspanning bij
koude banden. Met koude banden
wordt bedoeld dat de banden dezelfde
temperatuur hebben als de buitentemperatuur. Na een paar kilometer rijden
worden de banden warm en wordt de
druk hoger.
•
Een te lage bandenspanning resulteert
in een hoger brandstofverbruik, een
kortere levensduur van de banden en
een slechtere wegligging van de auto.
Rijden met een te lage bandenspanning kan tot gevolg hebben dat de
banden oververhit raken en beschadigen. De bandenspanning is van
invloed op het rijcomfort, het weggeluid en de stuureigenschappen.
1. Plaats het ventieldopje.
2. Duw de ene kant van de afdekking (die
zonder opening) vast (aan de kant van de
).
band
3. Klap de afdekking vervolgens in de richting van de velg – duw ondertussen de
afgeschuinde bovenkant omlaag zodat
deze onder de rand van de velg grijpt.
4. Controleer of de afdekking gelijk ligt met
het velgoppervlak – duw anders het uitstekende gedeelte voorzichtig naar binnen.
•
324
In de loop van de tijd daalt de bandenspanning. Dit is een natuurlijk verschijnsel. De bandenspanning schommelt ook door de omgevingstemperatuur.
Bandenspanningssticker
G021830
09
De bandenspanningssticker op de B-stijl (tussen voor- en achterportier) aan bestuurderszijde geeft de juiste bandenspanning aan voor
de aanbevolen bandenmaten. De bandenspanning staat ook in de bandenspanningstabel, zie Banden - goedgekeurde bandenspanning (p. 397).
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Banden - maten (p. 318)
Banden - snelheidsklassen (p. 319)
Banden - lastindex (p. 319)
Banden - onderhoud (p. 313)
Banden - slijtage-indicator (p. 315)
09 Wielen en banden
Gevarendriehoek
EHBO-set*
De gevarendriehoek wordt gebruikt om
andere verkeersdeelnemers te waarschuwen
voor een stilstaande auto.
De EHBO-set bevat materiaal voor het verlenen van eerste hulp.
09
Opbergen en uitklappen
Til de vloer in de bagageruimte op en haal
de gevarendriehoek tevoorschijn.
Neem de gevarendriehoek uit de houder,
klap de driehoek uit en bevestig de twee
losse zijden aan elkaar.
Klap de steunpoten van de gevarendriehoek uit.
Volg de geldende bepalingen voor het
gebruik van een gevarendriehoek. Zet de
gevarendriehoek op een passend punt achter
de auto op om achteropkomend verkeer tijdig
te waarschuwen.
Zorg dat de houder met de gevarendriehoek
na gebruik stevig in de bagageruimte vastzit.
Onder de vloer in de bagageruimte ligt een
EHBO-set.
N.B.
Bij een geactiveerde Privacy locking zijn
achterklep en vloerluik niet te openen, zie
Privacy locking* (p. 161).
N.B.
Bij een geactiveerde Privacy locking zijn
achterklep en vloerluik niet te openen, zie
Privacy locking* (p. 161).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
325
09 Wielen en banden
09
Noodreparatieset voor banden
BELANGRIJK
U gebruikt de noodreparatieset voor banden
(TMK - Temporary Mobility Kit) om tijdelijk
een gat te dichten en om de bandenspanning
(p. 397) te controleren en aan te passen.
De noodreparatieset voor banden (p. 327)
bestaat uit een compressor en een bus met
afdichtmiddel. Het afdichtmiddel dient om
noodreparaties uit te voeren. De fles met het
afdichtmiddel moet worden vervangen voordat de houdbaarheidsdatum is verstreken en
tevens na het gebruik. Het afdichtmiddel
dicht banden met een lek in het loopvlak
effectief af.
N.B.
De bandenreparatieset is uitsluitend
bedoeld voor het repareren van banden
met een lek in het loopvlak.
De noodreparatieset voor banden leent zich
minder goed voor banden met een gat in het
zijvlak. Probeer geen banden met de noodreparatieset voor banden af te dichten die grote
groeven, scheuren en dergelijke vertonen.
Sluit een compressor aan op een van de
12V-aansluitingen in de auto. Gebruik de
elektrische aansluiting die het dichtst bij de
lekke band zit.
326
Als de compressor voor bandenreparatie is
aangesloten op een van de beide aansluitingen (p. 145) in de tunnelconsole, mag er
op de andere aansluiting geen stroomverbruiker zijn aangesloten.
N.B.
Noodreparatieset voor banden positie
U gebruikt de noodreparatieset voor banden
(TMK - Temporary Mobility Kit) om een gat te
dichten en om de bandenspanning (p. 397) te
controleren en aan te passen.
Locatie noodreparatieset voor banden
De compressor voor provisorische bandenreparatie is door Volvo getest en goedgekeurd.
Gerelateerde informatie
•
Noodreparatieset voor banden - bediening (p. 328)
•
Noodreparatieset voor banden - reparatieresultaat controleren (p. 330)
•
Noodreparatieset voor banden - overzicht
(p. 327)
•
Gereedschap (p. 316)
De noodreparatieset voor banden vindt u
achter de klep links in de bagageruimte.
Zet een gevarendriehoek (p. 325) op bij het
afdichten van een band langs een drukke
weg.
N.B.
De bandenreparatieset is uitsluitend
bedoeld voor het repareren van banden
met een lek in het loopvlak.
09 Wielen en banden
BELANGRIJK
Als de compressor voor bandenreparatie is
aangesloten op een van de beide aansluitingen (p. 145) in de tunnelconsole, mag er
op de andere aansluiting geen stroomverbruiker zijn aangesloten.
Noodreparatieset voor banden overzicht
U gebruikt de noodreparatieset voor banden
(TMK - Temporary Mobility Kit) om tijdelijk
een gat te dichten en om de bandenspanning
(p. 397) te controleren en aan te passen.
Gerelateerde informatie
•
Noodreparatieset voor banden - positie
(p. 326)
•
Noodreparatieset voor banden - afdichtmiddel (p. 333)
•
Noodreparatieset voor banden (p. 326)
09
N.B.
De compressor voor provisorische bandenreparatie is door Volvo getest en goedgekeurd.
Gerelateerde informatie
•
Noodreparatieset voor banden - overzicht
(p. 327)
•
Noodreparatieset voor banden - afdichtmiddel (p. 333)
•
Noodreparatieset voor banden (p. 326)
Sticker, toegestane maximumsnelheid
Knop
Kabel
Bushouder (oranje deksel)
Beschermdop
Drukreduceerventiel
Luchtslang
Bus met afdichtmiddel
Manometer
327
09 Wielen en banden
09
Noodreparatieset voor banden bediening
U gebruikt de noodreparatieset voor banden
(TMK - Temporary Mobility Kit) om tijdelijk
een gat te dichten en om de bandenspanning
(p. 397) te controleren en aan te passen.
Noodreparatieset voor banden
1. Verwijder de sticker met de toegestane
maximumsnelheid (die aan de ene kant
van de compressor zit) en bevestig deze
op het stuurwiel.
WAARSCHUWING
Rijd nooit sneller dan 80 km/h, nadat u de
noodreparatieset hebt gebruikt. Volvo
adviseert een erkende Volvo-werkplaats te
bezoeken om de afgedichte band te laten
controleren (maximale rijafstand 200 km).
Het personeel kan bepalen of de band kan
worden gerepareerd of moet worden vervangen.
WAARSCHUWING
4. Draai de bus in de bushouder vast.
WAARSCHUWING
Draai de bus niet los, aangezien deze een
blokkering heeft om lekkage te voorkomen.
5. Ventielafdekking verwijderen3
Neem de torx-sleutel erbij (die in het
schuimrubberblok zit, achter het paneel
links in de bagageruimte).
Steek de torx-sleutel in de opening.
Werk de afdekking los met behulp van de
torx-sleutel (A).
Het afdichtmiddel kan de huid irriteren. Bij
huidcontact het middel direct met zeep en
water afspoelen.
2. Controleer of de knop in stand 0 staat en
neem de kabel en de luchtslang erbij.
N.B.
Voor informatie over de werking van de onderdelen, zie Noodreparatieset voor banden - overzicht
(p. 327).
3
328
Alleen de 17" velg Thia
Voor het gebruik de verzegeling van de
bus niet verbreken. Bij het indraaien van
de bus wordt de verzegeling automatisch
verbroken.
3. Draai de oranje beschermdop los evenals
de dop op de bus met afdichtmiddel.
Draai het ventieldopje los en sluit de slang
van de compressor op het ventiel aan.
09 Wielen en banden
6. Sluit de slang aan tussen de compressor
en het ventiel.
7. Sluit de kabel op een 12V-aansluiting aan
en start de motor.
N.B.
Als de compressor op een van de beide
12 V-aansluitingen is aangesloten, in de
tunnelconsole, mag er op de andere aansluiting geen stroomverbruiker aangesloten zijn.
WAARSCHUWING
Laat kinderen niet zonder toezicht in de
auto achter als de motor draait.
8. Zet de knop in stand I.
WAARSCHUWING
Ga nooit naast de band staan terwijl de
compressor aan het pompen is. Bij barsten, oneffenheden en dergelijke dient u
de compressor onmiddellijk uit te schakelen. Beëindig in dat geval de rit. Het wordt
dan geadviseerd een erkende bandenwerkplaats te bezoeken.
N.B.
Als de compressor start, kan de druk tot 6
bar toenemen. De druk daalt echter na ca.
30 seconden.
9. Vul de band 7 minuten lang met afdichtmiddel.
BELANGRIJK
Kans op oververhitting. De compressor
mag niet langer dan 10 minuten werken.
10. Schakel de compressor uit om de bandenspanning van de manometer af te
lezen. De bandenspanning dient minimaal
1,8 bar en maximaal 3,5 bar te bedragen.
(Laat eventueel lucht ontsnappen met het
drukreduceerventiel, als de bandenspanning te hoog is.)
09
WAARSCHUWING
Als de bandenspanning lager is dan 1,8
bar, is het gat in de band te groot. Beëindig in dat geval de rit. Het wordt dan geadviseerd een erkende bandenwerkplaats te
bezoeken.
11. Schakel de compressor uit en trek de
kabel los uit de 12V-aansluiting.
12. Koppel de slang los van het ventiel en
plaats het ventieldopje terug.
Duw de afdekking3 weer op het bandventiel, met de opening naar de naaf gericht.
Twee klikken geven aan dat de afdekking
goed vastzit.
13. Leg zo spoedig mogelijk na de reparatie
ca. 3 km af bij een snelheid van maximaal
80 km/h, zodat het afdichtmiddel de band
kan afdichten.
3
Alleen de 17" velg Thia
}}
329
09 Wielen en banden
09
||
Gerelateerde informatie
•
•
•
Noodreparatieset voor banden (p. 326)
Noodreparatieset voor banden - reparatieresultaat controleren (p. 330)
Noodreparatieset voor banden - overzicht
(p. 327)
Noodreparatieset voor banden reparatieresultaat controleren
U gebruikt de noodreparatieset voor banden
(TMK - Temporary Mobility Kit) om tijdelijk
een gat te dichten en om de bandenspanning
(p. 397) te controleren en aan te passen.
Bandenspanning controleren
1. Sluit de uitrusting opnieuw aan (voor
instructies voor het verwijderen van de
ventielafdekking) zie (p. 328).
2. Lees de bandenspanning van de manometer af.
4
330
1 bar = 100 kPa.
•
Als de spanning lager is dan 1,3 bar4,
is de band onvoldoende afgedicht.
Beëindig in dat geval de rit. Neem contact op met een erkende Volvo-werkplaats.
•
Als de bandenspanning hoger is dan
1,3 bar4, moet u de band oppompen
tot de spanning die staat aangegeven
in de bandenspanningstabel, zie Banden - goedgekeurde bandenspanning
(p. 397). Laat lucht uit de band ontsnappen, als de bandenspanning te
hoog is.
WAARSCHUWING
Draai de bus niet los, aangezien deze een
blokkering heeft om lekkage te voorkomen.
3. Zorg dat de compressor uitstaat. Koppel
de luchtslang en de kabel los.
09 Wielen en banden
N.B.
•
Na het oppompen van een band moet
u altijd het ventieldopje terugzetten om
schade aan het ventiel door grind, vuil
e.d. te voorkomen.
•
Gebruik alleen kunststof dopjes. Metalen ventieldopjes kunnen roesten en
zijn moeilijk los te draaien.
N.B.
4. Ventielafdekking
terugplaatsen5
Plaats het ventieldopje.
Duw de ene kant van de afdekking (die
zonder opening) vast (aan de kant van de
band - B). Klap de afdekking vervolgens
in de richting van de velg – duw ondertussen de afgeschuinde bovenkant omlaag
zodat deze onder de rand van de velg
grijpt. Controleer of de afdekking gelijk
ligt met het velgoppervlak – duw anders
het uitstekende gedeelte voorzichtig naar
binnen.
5
Vervang de bus met afdichtmiddel en de
slang na gebruik. Volvo adviseert u het
vervangen over te laten aan een erkende
Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
09
De snelheid mag niet hoger dan 80 km/h
zijn nadat de provisorische bandenreparatie is gebruikt. Volvo adviseert u om een
erkende Volvo-werkplaats te bezoeken
voor een inspectie van de gerepareerde
band (maximaal 200 km rijden). Het personeel kan bepalen of de band kan worden
gemaakt of moet worden vervangen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Noodreparatieset voor banden (p. 326)
Noodreparatieset voor banden - bediening (p. 328)
Noodreparatieset voor banden - overzicht
(p. 327)
WAARSCHUWING
Controleer de bandenspanning regelmatig.
U wordt geadviseerd om naar de dichtstbijzijnde erkende Volvo-werkplaats te rijden en
er de beschadigde band te laten vervangen/
repareren. Geef aan het werkplaatspersoneel
door dat er afdichtmiddel in de band zit.
Alleen de 17" velg Thia
331
09 Wielen en banden
09
Noodreparatieset voor banden banden oppompen
De originele banden van de auto kunnen worden opgepompt met behulp van de compressor in de noodreparatieset voor banden (p.
327).
1. De compressor moet uitstaan. Zorg dat
de knop in stand 0 staat en neem de
kabel en de luchtslang erbij.
2. Verwijder de ventielafdekking6 – voor
instructies voor het verwijderen van de
ventielafdekking, zie (p. 328).
3. Draai het ventieldopje van het wiel los en
schroef de ventielaansluiting van de
luchtslang zo ver mogelijk op het ventiel
van de band.
WAARSCHUWING
WAARSCHUWING
Laat kinderen niet zonder toezicht in de
auto achter als de motor draait.
4. Sluit de kabel aan op een van de 12Vaansluitingen in de auto en start de
motor.
5. Schakel de compressor in door de knop
in stand I te zetten.
Kans op oververhitting. De compressor
mag niet langer dan 10 minuten werken.
6. Pomp de band op tot de druk die in de
bandenspanningstabel staat aangegeven,
zie Banden - goedgekeurde bandenspanning (p. 397). Laat lucht uit de band ontsnappen, als de bandenspanning te hoog
is.
332
Alleen de 17" velg Thia
Plaats de ventielafdekking6 terug door
eerst de ene kant (die zonder opening)
vast te drukken (aan de kant van de
band), zie Noodreparatieset voor banden
- reparatieresultaat controleren (p. 330).
Klap de afdekking vervolgens in de richting van de velg – duw ondertussen de
afgeschuinde bovenkant omlaag zodat
deze onder de rand van de velg grijpt.
Controleer of de afdekking gelijk ligt met
het velgoppervlak – duw anders het uitstekende gedeelte voorzichtig naar binnen.
Het inademen van uitlaatgassen kan
levensgevaarlijk zijn. Laat de motor nooit
draaien in ruimten die afgesloten zijn of
onvoldoende ventilatie hebben.
BELANGRIJK
6
7. Plaats het ventieldopje terug.
8. Schakel de compressor uit. Koppel de
luchtslang en de kabel los.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Noodreparatieset voor banden (p. 326)
Noodreparatieset voor banden - overzicht
(p. 327)
Noodreparatieset voor banden - reparatieresultaat controleren (p. 330)
09 Wielen en banden
Noodreparatieset voor banden afdichtmiddel
09
De verpakking (bus) in de noodreparatieset
voor banden (p. 327) bevat afdichtmiddel en
is te vervangen.
Vervang de bus voordat de houdbaarheidsdatum verstreken is. Behandel de vervangen
bus als klein chemisch afval (KCA).
WAARSCHUWING
De bus bevat 1,2-Ethanol en natuurrubberlatex.
Gevaarlijk bij inname. Kan bij huidcontact
allergie veroorzaken.
Contact met de huid en ogen vermijden.
Buiten bereik van kinderen bewaren.
Gerelateerde informatie
•
Noodreparatieset voor banden (p. 326)
333
ONDERHOUD EN SERVICE
10 Onderhoud en service
Serviceprogramma van Volvo
WAARSCHUWING
Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid
en betrouwbaarheid van de auto op een hoog
peil te houden, dient u de voorschriften van
het Serviceprogramma van Volvo op te volgen
zoals die omschreven staan in het Service- en
garantieboekje van Volvo.
Volvo adviseert u om service- en onderhoudswerkzaamheden over te laten aan een
erkende Volvo-werkplaats. Volvo-werkplaatsen beschikken over het personeel, het speciale gereedschap en de servicehandboeken
waardoor zij u een zo hoog mogelijke servicekwaliteit kunnen garanderen.
Deze auto niet zélf repareren. Losgeraakte
stroomkabels en/of onderdelen mogen
alleen worden aangesloten door een
erkende werkplaats – geadviseerd wordt
een erkende Volvo-werkplaats.
Service-interval en volgende
servicebeurt, laadkabel
De urenteller van de laadkabel houdt de resterende laadtijd bij tot aan de volgende servicebeurt. Volvo adviseert u de regeleenheid
om de 5000 draaiuren te laten controleren
door een elektricien.
BELANGRIJK
BELANGRIJK
Probeer de regeleenheid niet te modificeren.
Om de garantie van Volvo te laten gelden,
moet u het Service- en garantieboekje
controleren en volgen.
Service en reparatie
Onderhoud uw auto regelmatig. Houd de
door Volvo geadviseerde onderhoudsintervallen aan.
10
Gerelateerde informatie
•
Klimaatregeling - storingen opsporen en
verhelpen (p. 344)
Laat eventuele controles en reparaties over
aan een erkende werkplaats.
335
10 Onderhoud en service
Auto opnemen
10
Bij het opnemen van de auto is het belangrijk
dat u de krik of de dragerarmen onder de
voorziene steunpunten in het onderstel van de
auto aanbrengt.
N.B.
Volvo adviseert u alleen de krik te gebruiken die bij de auto hoort. Volg bij gebruik
van een andere krik dan door Volvo geadviseerd de aanwijzingen die bij deze krik
werden geleverd.
336
10 Onderhoud en service
10
Kriksteunpunten (pijlen) voor de krik van de auto en de hefpunten (rood gemarkeerd).
Als u de auto aan de voorkant heft met een
garagekrik, moet u de krik onder een van de
vier hefpunten zetten die verder naar binnen
onder de auto zitten. Als u de auto aan de
achterkant heft met een garagekrik, moet u
de krik onder een van de hefpunten zetten.
Let erop dat u de garagekrik dusdanig aanbrengt, dat de auto er niet van af kan glijden.
Maak altijd gebruik van steunbokken of vergelijkbare hulpmiddelen.
Gerelateerde informatie
•
Wielen verwisselen - wielen verwijderen
(p. 320)
Als u de auto opneemt op een tweekoloms
hefbrug, kunt u de voorste en achterste dragerarmen onder de buitenste hefpunten (kriksteunpunten) zetten. Aan de voorkant kunt u
daarvoor ook de binnenste hefpunten gebruiken.
337
10 Onderhoud en service
Motorkap - openen en sluiten
10
Haal de borghaak naar links om de
motorkap te openen. (De borghaak zit
tussen de koplamp en de grille zoals
afgebeeld.)
De motorkap is te openen, wanneer u de
handgreep in de passagiersruimte rechtsom
hebt gedraaid en de pal bij de grille naar links
hebt gehaald.
WAARSCHUWING
Controleer of de motorkap bij sluiten goed
vergrendelt.
Gerelateerde informatie
•
•
De handgreep voor ontgrendeling van de motorkap zit altijd aan de linkerzijde.
Motorruimte - overzicht
Het overzicht toont de normale controlepunten.
Onder de motorkap vindt u bepaalde accu’s
en enkele componenten van het elektrische
aandrijfsysteem van de auto. Wees voorzichtig bij werkzaamheden in deze ruimte en raak
alleen de onderdelen aan die bij normaal
onderhoud zijn inbegrepen.
Motorruimte - controle (p. 339)
Motorruimte - overzicht (p. 338)
WAARSCHUWING
Laat de hantering van oranje kabels voorzien van een hoogspanningssticker over
aan bevoegd personeel.
WAARSCHUWING
Tal van onderdelen in de auto werken op
een gevaarlijke elektrische spanning.
Draai de handgreep ca. 20–25 graden
rechtsom. Het is duidelijk te horen dat
vergrendeling wordt opgeheven.
338
•
Raak geen onderdelen aan, wanneer
dat niet uitdrukkelijk in het instructieboekje staat aangegeven.
•
Wees voorzichtig bij het controleren/
bijvullen van vloeistoffen in de motorruimte.
10 Onderhoud en service
Gerelateerde informatie
•
•
Motorkap - openen en sluiten (p. 338)
Motorruimte - controle (p. 339)
Motorruimte - controle
Bepaalde oliën en vloeistoffen dienen regelmatig gecontroleerd te worden.
Regelmatig controleren
Controleer regelmatig de volgende oliën en
vloeistoffen, bijvoorbeeld tijdens het tanken:
Normale controlepunten – voor de overige
onderdelen is specialistische kennis vereist.
•
•
•
•
Remvloeistof controleren/bijvullen
(bestuurderszijde)
WAARSCHUWING
Houd het elektrische systeem van de auto
altijd in sleutelstand 0 bij werkzaamheden
in de motorruimte, zie Sleutelstanden functies in verschillende standen (p. 73).
Sproeiervloeistof
Laat de motorreiniging altijd uitvoeren door
een werkplaats. Als de motor warm is,
bestaat er brandgevaar.
Motorolie bijvullen
Vulopening voor sproeiervloeistof
Stuurbekrachtigingsvloeistof
Vergeet niet dat de radiateurventilator
(vóór in de motorruimte achter de radiateur) enige tijd na uitschakeling van de
motor automatisch kan starten.
Controle-/vulopening stuurbekrachtigingsvloeistof.
Relais- en zekeringenkastje
Koelvloeistof
Motorolie
WAARSCHUWING
Controle-/vulopening koelvloeistof voor
koelsysteem en klimaatregeling.
Startaccu
10
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Motorkap - openen en sluiten (p. 338)
Motorruimte - overzicht (p. 338)
Koelvloeistof - peil (p. 342)
Motorolie - controleren en bijvullen (p.
341)
•
Stuurbekrachtigingsvloeistof - peil (p.
344)
•
Sproeiervloeistof - bijvullen (p. 355)
339
10 Onderhoud en service
Motorolie - algemeen
10
Om de aanbevolen service-intervallen aan te
kunnen houden dient u een goedgekeurde
motoroliesoort te gebruiken.
Voor ritten onder ongunstige omstandigheden, zie Motorolie - ongunstige rijomstandigheden (p. 389).
BELANGRIJK
Om aan de vereisten voor de gespecificeerde service-intervallen te voldoen worden alle motoren in de fabriek gevuld met
een speciaal aangepaste, synthetische
motorolie. De oliesoort werd met grote
zorg geselecteerd lettend op de levensduur van de motor, de startgewilligheid,
het brandstofverbruik en de milieu-impact.
Volvo beveelt aan:
Om de aanbevolen service-intervallen aan
te kunnen houden dient u een goedgekeurde motoroliesoort te gebruiken.
Gebruik alleen een oliesoort van de voorgeschreven kwaliteit en dat zowel bij het
bijvullen als bij verversen van olie. Een
negatieve invloed op de levensduur van de
motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact is anders niet
uitgesloten.
Volvo Car Corporation wijst alle garantieclaims af bij gebruik van een motoroliesoort die niet voldoet aan de voorgeschreven kwaliteits- en viscositeitseisen.
Volvo adviseert de olie in een erkende
Volvo-werkplaats te laten verversen.
Volvo hanteert uiteenlopende systemen om te
waarschuwen voor een laag/hoog oliepeil of
een lage/hoge oliedruk. Bij motorvarianten
met een oliedruksensor wordt gebruikt
340
gemaakt van het waarschuwingssymbool
voor een lage oliedruk op het instrumentenpaneel. Bij varianten met een olieniveausensor wordt u geïnformeerd via een waarschuop het instrumentenpawingssymbool
neel en met displayteksten. Bepaalde varianten zijn voorzien van allebei. Neem voor meer
informatie contact op met een erkende Volvowerkplaats.
Houd voor het verversen van de motorolie en
het vervangen van het oliefilter de intervallen
aan die staan aangegeven in het Service- en
garantieboekje.
Het is toegestaan een oliesoort te gebruiken
met een hogere kwaliteit dan aangegeven.
Voor ritten onder ongunstige omstandigheden
adviseert Volvo een olie van een hogere kwaliteit, zie Motorolie - ongunstige rijomstandigheden (p. 389).
Voor de bij te vullen hoeveelheid, zie Motorolie - kwaliteit en hoeveelheid (p. 391).
Gerelateerde informatie
•
Motorolie - controleren en bijvullen (p.
341)
10 Onderhoud en service
Motorolie - controleren en bijvullen
BELANGRIJK
Een elektronische oliepeilsensor controleert
het oliepeil.
Vul bij het verschijnen van de melding
Oliepeil laag 0,5 liter bijvullen slechts
0,5 liter bij.
Motor met elektronische oliepeilsensor,
5-cil. diesel
10
WAARSCHUWING
Vul niet meer olie bij, als niveau (3) of (4)
verschijnt zoals aangegeven op de afbeelding. De olie mag nooit boven MAX of
onder MIN staan om motorschade tegen
te gaan.
Melding en grafische weergave op display.
Melding
Motoroliepeil
Vulbuis.1
U hoeft het motoroliepeil niet aan te passen,
voordat er een melding op het display verschijnt, zie onderstaande afbeelding.
Wanneer de motor afgezet is, kunt u het
duimwiel gebruiken om het oliepeil te laten
controleren door de elektronische oliepeilsensor, zie Menufuncties - instrumentenpaneel
(p. 104).
WAARSCHUWING
Bij het verschijnen van de melding
Olieservice vereist een werkplaats
opzoeken. Het oliepeil is mogelijk te hoog.
1
Bij een motor met elektronische oliepeilsensor ontbreekt de peilstok.
N.B.
Het systeem registreert het oliepeil alleen,
wanneer aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Na het bijvullen of aftappen van olie
kan het dan ook even duren voordat het
systeem wijzigingen in het oliepeil kan
waarnemen. In bepaalde omstandigheden
moet u eerst ca. 30 km op de verbrandingsmotor hebben afgelegd.
WAARSCHUWING
Mors geen olie op de hete uitlaatspruitstukken, aangezien er dan brand kan ontstaat.
}}
341
10 Onderhoud en service
||
10
Oliepeil meten, 5-cil. diesel
Koelvloeistof - peil
Voor controle van het oliepeil de onderstaande volgorde aanhouden.
De koelvloeistof koelt de verbrandingsmotor
af tot de juiste bedrijfstemperatuur. De
warmte die de motor overdraagt op de koelvloeistof kan worden benut voor verwarming
van de passagiersruimte.
1. Activeer sleutelstand II, zie Sleutelstanden - functies in verschillende standen (p.
73).
2. Draai het duimwiel op de linker stuurhendel naar stand Oliepeil.
> Vervolgens verschijnt informatie over
het motoroliepeil.
De koelvloeistof moet tussen het MIN- en
MAX-streepje op het expansiereservoir staan.
Peil controleren en bijvullen
Gerelateerde informatie
•
342
Motorolie - algemeen (p. 340)
Voor de aan te houden hoeveelheden en de
aanbevolen vloeistofkwaliteit, zie Koelvloeistof - kwaliteit en hoeveelheid (p. 392).
Controleer de koelvloeistof regelmatig
Voor meer informatie over de menufuncties, zie Menufuncties - instrumentenpaneel (p. 104).
De cijfers 1–4 geven het niveau aan. Vul niet
meer olie bij, als niveau (3) of (4) staat aangegeven. Het aanbevolen niveau is 4. Melding en grafische weergave op display.
WAARSCHUWING
De koelvloeistof kan zeer heet zijn. Als er
moet worden bijgevuld terwijl de motor
warm is, moet u de dop voorzichtig van
het expansievat draaien zodat de overdruk
verdwijnt.
De vloeistof moet tussen het MIN- en MAXstreepje op het expansiereservoir staan. Als u
het reservoir niet goed gevuld houdt, kan de
temperatuur in het systeem dusdanig hoog
oplopen dat er gevaar voor motorschade ontstaat.
Volg de aanwijzingen op de verpakking op.
Het is belangrijk dat u verhouding tussen
koelvloeistof en water afstemt op de heersende weersomstandigheden. Vul het reservoir nooit alleen met schoon water. Het
gevaar voor bevriezing neemt toe, zowel wanneer de concentratie koelvloeistof te laag is
als wanneer deze te hoog is.
10 Onderhoud en service
BELANGRIJK
•
Hoge concentraties chloor, chloriden
en andere zoutverbindingen kunnen
aanleiding geven tot corrosie in het
koelsysteem.
Rem- en koppelingsvloeistof - peil
Peil controleren
•
Gebruik altijd een koelvloeistof met
roestwerende eigenschappen volgens
de aanbevelingen van Volvo.
•
De vloeistof moet tussen het MIN- en MAXstreepje staan die aan de buitenkant van het
reservoir zichtbaar zijn. Controleer het peil
regelmatig.
Let erop dat het koelvloeistofmengsel
altijd voor 50 % uit water en voor
50 % uit koelvloeistof bestaat.
Ververs de remvloeistof om de twee jaar of
iedere tweede geplande servicebeurt.
•
Leng de koelvloeistof aan met leidingwater van goede kwaliteit. Gebruik bij
twijfel over de waterkwaliteit altijd een
kant-en-klare koelvloeistof volgens de
aanbevelingen van Volvo.
•
•
Wanneer u overstapt op een ander
soort koelvloeistof of een nieuw koelsysteemonderdeel hebt gemonteerd,
dient u het koelsysteem schoon te
spoelen met leidingwater van goede
kwaliteit of met kant-en-klare koelvloeistof.
De motor mag alleen draaien met een
goed gevuld koelsysteem. Als dat niet
het geval is, kunnen er hoge temperaturen optreden met gevaar voor
beschadiging (barsten) van de cilinderkop.
Bijvullen
De vloeistof moet tussen de MIN- en MAXstreepjes staan.
Voor de aan te houden hoeveelheden en de
aanbevolen remvloeistofkwaliteit, zie Remvloeistof - kwaliteit en hoeveelheid (p. 394).
Wanneer u vaak met uw auto in de bergen of
in landen met een tropisch klimaat en een
hoge relatieve luchtvochtigheidsgraad rijdt,
dient u de remvloeistof ieder jaar te verversen.
WAARSCHUWING
Als de remvloeistof onder het MINstreepje van het reservoir staat, mag u niet
verder rijden voordat u remvloeistof hebt
bijgevuld. Geadviseerd wordt de oorzaak
van het remvloeistofverlies te laten controleren door een erkende Volvo-werkplaats.
10
Het vloeistofreservoir zit aan de bestuurderszijde.
Het vloeistofreservoir gaat schuil achter de
dekplaat op de koude zone van de motorruimte. U moet het ronde deksel eerst verwijderen om bij de dop van het reservoir te
komen.
Open het deksel dat in de dekplaat zit
door het te verdraaien.
Draai de dop van het reservoir los en vul
vloeistof bij. De vloeistof moet tussen het
MIN- en MAX-streepje staan (aan de binnenkant van het reservoir).
BELANGRIJK
Vergeet niet de dop terug te plaatsen.
343
10 Onderhoud en service
Stuurbekrachtigingsvloeistof - peil
10
De stuurbekrachtigingsvloeistof moet tussen
de MIN- en MAX-streepjes staan. Verversing
van de vloeistof is niet nodig.
N.B.
Ook als er een storing optreedt in de
stuurbekrachtiging of als de stroom wegvalt en u de auto moet laten wegslepen,
blijft de auto bestuurbaar.
Klimaatregeling - storingen opsporen
en verhelpen
Service en reparatie aan het aircosysteem
mogen uitsluitend door een erkende werkplaats worden uitgevoerd.
Storingen opsporen en verhelpen
De airconditioning bevat een fluorescerend
traceermiddel. Gebruik ultraviolet licht voor
het zoeken van lekkage.
Volvo adviseert u daarvoor contact op te
nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
In de installatie voor airconditioning zit
koudemiddel R134a onder druk. Service
en reparatie aan het systeem mogen uitsluitend door een erkende werkplaats worden uitgevoerd.
BELANGRIJK
Houd bij een controle het gebied rond het
reservoir voor stuurbekrachtigingsvloeistof
goed schoon. De dop niet losdraaien.
Controleer het peil bij iedere servicebeurt. U
hoeft de vloeistof niet te verversen. De vloeistof moet tussen de MIN- en MAX-streepjes
staan. Voor de aanbevolen vloeistofkwaliteit,
zie Stuurbekrachtigingsvloeistof - kwaliteit (p.
394).
344
Gerelateerde informatie
•
Serviceprogramma van Volvo (p. 335)
10 Onderhoud en service
Lamp vervangen
Het is mogelijk de gloeilampen te vervangen.
Wend u voor vervanging van led- en xenonlampen tot een werkplaats.
De gloeilampen zijn gespecificeerd (p. 352).
Gloeilampen en andere lichtbronnen van een
bijzonder type zoals led2-lampen of lampen
die u om andere redenen alleen in een werkplaats moet laten vervangen, zijn die in:
•
Actieve xenonkoplampen - ABL (xenonlampen)
•
Dagrijlichten/stadslichten/parkeerlichten
vóór
•
•
•
•
•
•
•
•
Sidemarkers voor
Bochtverlichting
Zijrichtingaanwijzers, buitenspiegels
Approach-verlichting, buitenspiegels
Interieurverlichting behalve instapverlichting vóór
Verlichting dashboardkastje
Achterlichten/parkeerlichten achter/sidemarkers achter
Remlichten.
WAARSCHUWING
N.B.
Als de auto is voorzien van xenonkoplampen, moet u de xenonlampen door een
werkplaats laten vervangen – geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Werkzaamheden aan de xenonkoplampen
vergen de nodige voorzichtigheid, aangezien dergelijke koplampen zijn voorzien
van een ontstekingsgedeelte dat een hoge
spanning opwekt.
WAARSCHUWING
Bij het vervangen van een lamp moet het
elektrische systeem van de auto in sleutelstand 0 staan, zie Sleutelstanden - functies
in verschillende standen (p. 73).
BELANGRIJK
Raak het glas van de gloeilampen nooit
rechtstreeks met uw vingers aan. Vet van
uw vingers wordt door de warmte verdampt en zorgt voor een laagje op de
reflector die dan kapot kan gaan.
Bij de externe verlichting zoals de koplampen, mistlampen en achterlichten kan tijdelijk condens optreden aan de binnenkant van het lampglas. Dit is een natuurlijk
verschijnsel en alle externe verlichting is
erop gebouwd om dit zoveel mogelijk te
voorkomen. Condens verdwijnt normaal uit
het lamphuis, wanneer de lamp enige tijd
brandt.
10
Gerelateerde informatie
•
•
Lamp vervangen - koplampen (p. 346)
Lamp vervangen - positie lampen achterzijde (p. 351)
•
Lamp vervangen - verlichting makeupspiegel (p. 352)
•
Lamp vervangen - verlichting in bagageruimte (p. 351)
•
Lamp vervangen - kentekenplaatverlichting (p. 351)
N.B.
Als een foutmelding niet verdwijnt nadat
de kapotte gloeilamp is vervangen, dan
wordt u geadviseerd een erkende Volvowerkplaats te bezoeken.
2
Lichtdioden (Light Emitting Diode)
345
10 Onderhoud en service
Lamp vervangen - koplampen
10
1. Sluit de connector dusdanig aan dat u
een klik hoort.
Alle gloeilampen in het koplamphuis zijn te
vervangen door eerst het complete koplamphuis via de motorruimte los te nemen en te
verwijderen.
2. Plaats het koplamphuis terug en breng de
borgpennen aan. De korte borgpen dient
bij de grille geplaatst te worden. Controleer of u ze op de juiste manier hebt ingebracht.
Koplamphuis verwijderen
Zet het elektrische systeem van de auto in de
sleutelstand 0, zie Sleutelstanden - functies in
verschillende standen (p. 73).
3. Controleer de verlichting.
Koppel de connector van het koplamphuis los door met uw duim de clip omlaag
te duwen.
Trek ondertussen met uw andere hand de
connector los.
5. Til het koplamphuis naar buiten en leg het
op een zachte ondergrond om krassen op
de lens te voorkomen.
6. Vervang de kapotte gloeilamp.
Trek de borgpennen van het koplamphuis
naar buiten.
Haal het koplamphuis los door het beurtelings te kantelen en naar buiten te trekken.
BELANGRIJK
Trek niet aan de kabel, maar alleen aan de
connector.
346
Koplamphuis bevestigen
Het koplamphuis moet gemonteerd zijn en de
connector correct aangesloten zijn, voordat u
de verlichting inschakelt of de transpondersleutel in het contactslot steekt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Lamp vervangen (p. 345)
Lampen verwisselen - afdekkap groot-/
dimlichtlampen (p. 347)
Lampen - specificaties (p. 352)
10 Onderhoud en service
Lampen verwisselen - afdekkap
groot-/dimlichtlampen
De groot-/dimlichtlampen zijn bereikbaar door
de grotere afdekkap van de koplamp los te
maken.
•
•
Lamp vervangen - groot licht (p. 348)
Lamp vervangen - dimlicht
Lamp vervangen - verstraler (p. 349)
De lamp van het dimlicht zit achter de grote
afdekking in het koplamphuis.
N.B.
10
Geldt voor auto’s met halogeenkoplampen.
Alvorens een gloeilamp te vervangen, zie
Lamp vervangen - koplampen (p. 346).
1. Draai de vier bouten van de afdekking los
met een torx-sleutel, T20 (1). Verwijder ze
echter niet. (3–4 slagen is voldoende.)
1. Neem de koplamp (p. 346) los.
2. Verwijder de afdekking (p. 347).
2. Duw de afdekking opzij.
3. Koppel de connector van de lamp los.
3. Verwijder de afdekking.
4. Trek de lamp recht naar buiten toe los.
Plaats de afdekking in omgekeerde volgorde
terug.
5. De paspen op de lamp dient bij het aanbrengen recht omhoog te wijzen, terwijl
een klikgeluid aangeeft dat de lamp goed
vastzit.
Gerelateerde informatie
•
•
Lamp vervangen - koplampen (p. 346)
Lamp vervangen - dimlicht (p. 347)
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde terug.
347
10 Onderhoud en service
||
Gerelateerde informatie
•
10
Lampen - specificaties (p. 352)
Lamp vervangen - groot licht
De lamp van het groot licht zit achter de grote
afdekking in het koplamphuis.
N.B.
Geldt voor auto’s met halogeenkoplampen.
1. Neem de koplamp (p. 346) los.
2. Verwijder de afdekking (p. 347).
3. Haal de gloeilamp los door deze
rechtsom te draaien en vervolgens recht
naar buiten te trekken.
4. Koppel de connector van de lamp los.
5. Vervang de gloeilamp, steek de nieuwe
lamp in de lampvoet en draai de gloeilamp rechtsom vast. U kunt deze op één
manier terugplaatsen.
348
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde terug.
Gerelateerde informatie
•
Lampen - specificaties (p. 352)
10 Onderhoud en service
Lamp vervangen - verstraler
De verstralerlamp zit achter de grote afdekking in het koplamphuis.
N.B.
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde terug.
Lampen vervangen richtingaanwijzers voorzijde
Gerelateerde informatie
De richtingaanwijzerlamp zit achter de kleine
afdekking in het koplamphuis.
•
Lampen - specificaties (p. 352)
10
Geldt voor auto’s met xenonkoplampen*.
1. Neem de koplamp (p. 346) los.
1. Neem de koplamp (p. 346) los.
2. Verwijder de afdekking (p. 347).
3. Haal de gloeilamp los door deze
rechtsom te draaien en vervolgens recht
naar buiten te trekken.
4. Koppel de connector van de gloeilamp
los.
5. Vervang de gloeilamp, steek de nieuwe
lamp in de lampvoet en draai de gloeilamp rechtsom vast. U kunt hem slechts
op één manier terugplaatsen.
2. Trek de afdekking recht naar buiten toe
los.
3. Trek aan de lamphouder om de gloeilamp
tevoorschijn te halen.
4. Breng druk aan op de gloeilamp en draai
eraan om de lamp los te halen.
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde terug.
Gerelateerde informatie
•
Lampen - specificaties (p. 352)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
349
10 Onderhoud en service
Lamp vervangen - verlichting achter
10
Gerelateerde informatie
Richtingaanwijzers achter, mistachterlicht en
achteruitrijlichten zijn vanuit de bagageruimte
te vervangen.
Achterlamphuis
Om bij de lampen te komen moet u de noodreparatieset voor banden verwijderen.
1. Open het paneel.
2. Verwijder de noodreparatieset voor banden.
De gloeilampen voor de achteruitrijlichten, de
mistachterlichten en de richtingaanwijzers in
het achterlamphuis zijn via de bagageruimte
te vervangen.
3. Verwijder de isolatie die voor de gloeilamphouder zit door deze recht naar buiten toe trekken.
4. Duw de borghaak omlaag en trek de
gloeilamphouder naar buiten.
5. Haal de kapotte gloeilamp los door deze
in te duwen en linksom te draaien.
6. Breng een nieuwe gloeilamp aan door de
lamp omlaag te duwen en rechtsom te
draaien.
7. Houd de borghaak omlaag terwijl u de
gloeilamphouder terugplaatst.
8. Plaats de isolatie, de noodreparatieset
voor banden en het paneel terug.
350
•
Lamp vervangen - positie lampen achterzijde (p. 351)
•
Lampen - specificaties (p. 352)
10 Onderhoud en service
Lamp vervangen - positie lampen
achterzijde
Lamp vervangen kentekenplaatverlichting
Lamp vervangen - verlichting in
bagageruimte
Het overzicht geeft de positie aan van de lampen aan achterzijde.
De kentekenplaatverlichting zit onder de
handgreep van de achterklep.
De bagageruimteverlichting zit in de achterklep.
1. Draai de boutjes los met een schroevendraaier.
1. Steek een schroevendraaier achter het
lamphuis en wrik deze iets heen en weer,
zodat het lamphuis loskomt.
G031942
10
Remlicht (led)
Stadslicht/parkeerlicht vóór (led)/sidemarker (led)
Richtingaanwijzer (p. 350)
Remlicht (led)
3. Vervang de gloeilamp.
Achteruitrijlicht
4. Plaats het complete gloeilamphuis terug
en draai de boutjes vast.
Mistachterlicht
Gerelateerde informatie
Gerelateerde informatie
•
•
2. Haal voorzichtig het complete gloeilamphuis los en trek het naar buiten.
•
2. Vervang de gloeilamp.
3. Controleer of de gloeilamp werkt en druk
het lamphuis weer vast.
Gerelateerde informatie
•
Lampen - specificaties (p. 352)
Lampen - specificaties (p. 352)
Lamp vervangen (p. 345)
Lampen - specificaties (p. 352)
351
10 Onderhoud en service
Lamp vervangen - verlichting makeupspiegel
10
De lampjes voor de verlichting van de makeupspiegel zitten achter de lensjes.
Lampglas verwijderen
•
Lampen - specificaties (p. 352)
Lampen - specificaties
De specificaties gelden voor gloeilampen.
Wend u voor vervanging van led- en xenonlampen tot een werkplaats.
Verlichting
WA
Type
Dimlicht, halogeen
55
H7 LL
Groot licht, halogeen
65
H9
Verstralers, ABL
65
H9
Richtingaanwijzers voorzijde
24
PY24W
Instapverlichting
voor
3
Lampvoet T10;
W2,1x9,5d
1. Steek een schroevendraaier achter het
lampglas om het borgnokje aan de rand
voorzichtig los te werken.
Verlichting dashboardkastje
5
Lampvoet
SV8.5; lengte
43 mm
2. Haal het lampglas voorzichtig los en verwijder het.
Verlichting makeupspiegel
1,2
Lampvoet T5;
W2x4,6d
3. Trek met een puntbektang de gloeilamp
recht naar buiten toe opzij en vervang
deze. Let er echter op dat u niet te hard
knijpt met de tang. Het lampglas kan
anders kapotgaan.
Verlichting bagageruimte
5
Lampvoet
SV8.5; lengte
43 mm
Kentekenplaatverlichting
5
C5W LL
Richtingaanwijzers achter
21
PY21W LL
Lampglas bevestigen
1. Plaats het lampglas terug.
2. Duw het vast.
352
Gerelateerde informatie
10 Onderhoud en service
Verlichting
–
WA
Type
–
–
Achteruitrijlicht
21
P21W LL
Mistachterlicht
21
H21W LL
Watt
A
Gerelateerde informatie
•
•
•
Lamp vervangen (p. 345)
Wisserbladen
De wisserbladen vegen neerslag van de vooren achterruit. In combinatie met sproeiervloeistof reinigen ze de ruiten voor een goed zicht
tijdens het rijden.
Om de wisserbladen van de voorruit te kunnen vervangen moeten deze eerst in de servicestand worden gezet.
Servicestand
Lamp vervangen - positie lampen achterzijde (p. 351)
10
1. Steek de transpondersleutel in het contactslot3 en druk kort op de knop START/
STOP ENGINE om het elektrische systeem van de auto in de sleutelstand I te
zetten. Voor gedetailleerde informatie
over sleutelstanden, zie Sleutelstanden functies in verschillende standen (p. 73).
2. Druk nogmaals kort op de knop START/
STOP ENGINE om het elektrische systeem van de auto in de sleutelstand 0 te
zetten.
Lamp vervangen - verlichting makeupspiegel (p. 352)
Wisserbladen in servicestand.
De wisserbladen dienen in de servicestand te
staan om ze te kunnen vervangen, reinigen of
optillen (bijvoorbeeld om ijs van de voorruit te
krabben).
3
BELANGRIJK
Voordat de wisserbladen in de servicestand worden gezet, moet u controleren of
ze niet vastgevroren zijn.
3. Beweeg binnen 3 seconden de rechter
stuurhendel omhoog en houd deze
ca. 1 seconde in deze stand.
> De ruitenwisserarmen gaan dan verticaal staan.
De wisserbladen keren terug naar de beginstand met een korte druk op de knop START/
STOP ENGINE om het elektrische systeem
van de auto in de sleutelstand I te zetten (of
bij het starten van de auto).
Niet noodzakelijk bij auto met Keyless-functie.
353
10 Onderhoud en service
||
BELANGRIJK
10
Als de wisserarmen in de servicestand van
de voorruit af zijn gehaald, moeten ze
tegen de voorruit worden teruggeklapt
voordat de wissers weer naar de oorspronkelijke stand terug mogen keren. Dit
gebeurt om te voorkomen dat de lak op de
motorkap beschadigd raakt.
Wisserbladen vervangen
Klap de wisserarm omhoog als deze in de
servicestand staat. Druk op de knop die
op de wisserbladhouder zit en trek het
wisserblad evenwijdig aan de wisserarm
los.
Duw het nieuwe wisserblad zo ver naar
binnen dat u een klik hoort.
Controleer of het blad goed vastzit.
4. Klap de wisserarm terug op de voorruit.
N.B.
De wisserbladen hebben een verschillende
lengte. Het blad aan de bestuurderskant is
langer dan dat aan de passagierskant.
Wisserbladen vervangen, achterklep
De wisserbladen keren terug vanuit de servicestand naar de beginstand met een korte
druk op de knop START/STOP ENGINE om
het elektrische systeem van de auto in de
sleutelstand I te zetten (of bij het starten van
de auto).
1. Klap de wisserarm uit.
354
10 Onderhoud en service
2. Pak het wisserblad aan de binnenkant (bij
de pijl) beet.
3. Draai het wisserblad linksom om de aanslag op de wisserarm als hefboom te
gebruiken zodat het wisserblad gemakkelijker loskomt.
Sproeiervloeistof - bijvullen
Startaccu
Om de koplampen en ruiten schoon te houden wordt sproeiervloeistof gebruikt. Gebruik
tijdens de wintermaanden sproeiervloeistof
met antivries.
De rijomstandigheden, de rijstijl, het aantal
startpogingen, de weersomstandigheden e.d.
zijn van invloed op de levensduur en de werking van de accu.
De traditionele 12V-accu van de auto wordt
hier ‘startaccu’ genoemd, ook al wordt de
hybride-accu (p. 359) vaak gebruikt bij het
starten van de verbrandingsmotor.
4. Duw het nieuwe wisserblad vast. Controleer of het goed vastzit.
5. Klap de wisserarm terug.
Schoonmaken
Voor het schoonmaken van de wisserbladen
en de voorruit, zie Wasstraat (p. 374).
•
Koppel de startaccu nooit los, terwijl de
motor loopt.
•
Controleer of de kabels van de startaccu
op de juiste manier zijn aangesloten en
stevig vastzitten.
BELANGRIJK
Controleer de bladen regelmatig. Verwaarloosd onderhoud verkort de levensduur
van de bladen.
Gerelateerde informatie
•
10
WAARSCHUWING
De sproeiers van de voorruit en de koplampen staan in verbinding met hetzelfde vloeistofreservoir.
Sproeiervloeistof - bijvullen (p. 355)
BELANGRIJK
Gebruik in de winter sproeiervloeistof met
antivries, zodat de vloeistof niet vastvriest
in pomp, reservoir en slangen.
Voor de hoeveelheden, zie Sproeiervloeistof kwaliteit en hoeveelheid (p. 394).
Gerelateerde informatie
•
Wisserbladen (p. 353)
•
De startaccu kan het zeer explosieve
knalgas produceren. Eén enkele vonk,
veroorzaakt door een onjuiste aansluiting van een startkabel, kan volstaan
om de accu tot ontploffing te brengen.
•
De startaccu bevat tevens zwavelzuur
dat ernstige chemische brandwonden
kan veroorzaken.
•
Als u accuzuur in uw ogen krijgt of op
uw huid of kleren morst, moet u
onmiddellijk met grote hoeveelheden
water spoelen. Neem onmiddellijk contact op met een arts, als u accuzuur in
uw ogen krijgt.
355
10 Onderhoud en service
||
BELANGRIJK
10
N.B.
Bij opladen van de startaccu mag alleen
een traditionele acculader worden
gebruikt.
Hoe vaker de accu ontladen raakt, des te
minder lang gaat de accu mee.
De levensduur van de accu wordt bepaald
door uiteenlopende factoren, waaronder
de rijomstandigheden en het klimaat. De
accu verliest na verloop van tijd aan startcapaciteit en moet daarom bijgeladen worden, als er langere tijd achtereen niet of
slechts korte afstanden met de auto wordt
gereden. Ook bij strenge vorst neemt de
startcapaciteit af.
N.B.
Als zowel de startaccu als de hybride-accu
(p. 292) leeg zijn, moet u beide accu’s
opladen. Het is niet mogelijk om in een
dergelijk geval alleen de hybride-accu op
te laden.
Om de accu in optimale conditie te houden wordt geadviseerd wekelijks minstens
15 minuten met de auto te rijden of de
accu aan te sluiten op een acculader met
automatische druppellading.
BELANGRIJK
Bij het negeren van het volgende valt na
aansluiting van een externe startaccu of
acculader de energiebesparingsfunctie
voor het infotainmentsysteem mogelijk tijdelijk uit en/of verschijnt er tijdelijk geen
melding over de ladingstoestand van de
startaccu op het informatiedisplay:
•
De minpool van de startaccu in de
auto mag nooit worden gebruikt voor
aansluiting van een externe startaccu
of acculader – alleen het autochassis
dient als massapunt te worden
gebruikt.
Zie Starthulp met accu (p. 259) voor een
beschrijving van de locatie van de kabelklemmen en de manier van aansluiten.
356
Voor de maximale levensduur dient de
accu altijd volledig opgeladen te blijven.
Accu - symbolen
Op de accu zitten symbolen die informatie
verstrekken en waarschuwen.
Symbolen op de accu
Draag een veiligheidsbril.
Zie voor meer informatie
het instructieboekje dat
bij de auto hoort.
Bewaar accu’s buiten het
bereik van kinderen.
Gerelateerde informatie
•
•
Accu - symbolen (p. 356)
Startaccu - vervangen (p. 357)
De accu bevat een bijtend zuur.
10 Onderhoud en service
Vermijd vonken en open
vuur.
Explosiegevaar.
Startaccu - vervangen
De startaccu van de auto is zonder hulp van
een werkplaats te vervangen.
De traditionele 12V-accu van de auto wordt
hier ‘startaccu’ genoemd, ook al wordt de
hybride-accu (p. 359) vaak gebruikt bij het
starten van de verbrandingsmotor.
10
Demonteren
Bestemd voor inzameling.
Om te beginnen: Neem de transpondersleutel uit het contactslot en wacht ten minste
5 minuten, voordat u een van de elektrische
aansluitingen aanraakt – zo kan de informatie
in het elektrische systeem van de auto worden opgeslagen in de verschillende regeleenheden.
N.B.
Een defecte startaccu moet op een milieuvriendelijke manier worden verwerkt - deze
bevat namelijk lood.
Gerelateerde informatie
•
Startaccu (p. 355)
357
10 Onderhoud en service
||
8. Plaats de rubber strip. (Zie ‘Demonteren’.)
Haal de accu opzij.
Til het recht omhoog.
10
Monteren
Haal de clips op de voorste dekplaat los
en verwijder de dekplaat.
Haal de rubber strip los om de achterste
afdekking bloot te leggen.
Neem de achterste afdekking los door
deze een kwartslag te verdraaien en vervolgens op te tillen.
WAARSCHUWING
De plus- en minkabels in de juiste volgorde
loskoppelen en/of aansluiten.
Koppel de zwarte minkabel los.
Koppel de rode pluskabel los.
358
1. Laat de accu in de accubak zakken.
2. Duw de accu naar binnen en gelijktijdig
opzij totdat de accu tegen de achterkant
van de accubak aankomt.
3. Schroef de klem vast waarmee de accu
vastzit.
4. Sluit de ontluchtingsslang aan.
> Controleer of deze correct is aangesloten tussen de accu en de afvoeropening in de carrosserie.
Koppel de ontluchtingsslang van de accu
los.
5. Sluit de rode pluskabel aan.
Draai het boutje los waarmee de accuklem vastzit.
7. Duw de achterste afdekking vast. (Zie het
voorgaande onderdeel ‘Demonteren’.)
6. Sluit de zwarte minkabel aan.
9. Pas de voorste afdekking in en zet het
vast met behulp van de clips. (Zie
‘Demonteren’.)
Zie voor meer informatie over de startaccu
van de auto - Elektrisch systeem (p. 398).
10 Onderhoud en service
Hybride-accu
Ten behoeve van de elektromotor is de auto
voorzien van een hybride-accu - een onderhoudsvrije en oplaadbare accu van het lithiumion-type.
WAARSCHUWING
Een hybride-accu mag alleen worden vervangen door de werkplaats. Een erkende
Volvo-werkplaats wordt aanbevolen.
Gerelateerde informatie
•
Opladen hybride-accu - voorbereidingen
(p. 294)
Zekeringen - algemeen
Om te voorkomen dat de elektrische systemen van de auto beschadigd raken door kortsluiting of overbelasting, worden alle verschillende elektrische functies en onderdelen door
een aantal zekeringen beschermd.
10
WAARSCHUWING
Laat de hantering van oranje kabels voorzien van een hoogspanningssticker over
aan bevoegd personeel.
Koelvloeistof
Het koelsysteem van de hybride-accu is voorzien van een apart expansiereservoir.
WAARSCHUWING
Tal van onderdelen in de auto werken op
een gevaarlijke elektrische spanning.
Raak geen onderdelen aan, wanneer dat
niet uitdrukkelijk in het instructieboekje
staat aangegeven.
BELANGRIJK
Als een van de elektrische onderdelen of
functies niet werkt, is het mogelijk dat de bijbehorende zekering overbelast werd en daardoor gesmolten is. Als dezelfde zekering herhaaldelijk doorbrandt, betekent dit dat het bijbehorende onderdeel een storing vertoont. U
wordt dan geadviseerd een bezoek te brengen aan een erkende Volvo-werkplaats voor
een controle.
Het bijvullen van een hybride-accu met
koelvloeistof mag alleen worden uitgevoerd door de werkplaats. Een erkende
Volvo-werkplaats wordt aanbevolen.
359
10 Onderhoud en service
||
Vervangen
1. Zoek in de zekeringentabel op waar de
zekering zit.
10
2. Trek de zekering naar buiten en bekijk
deze van opzij om te kijken of het gebogen draadje soms doorgebrand is.
Positie van de relais- en zekeringhouders bij
auto’s met het stuur links – bij auto’s met het
stuur rechts zitten de relais- en zekeringhouders onder het dashboardkastje omgekeerd.
Motorruimte
Onder dashboardkastje
3. Breng in dat geval een nieuwe zekering
aan met dezelfde kleur en hetzelfde
amperage.
Onder dashboardkastje
Bagageruimte
WAARSCHUWING
Gebruik nooit een vreemd voorwerp of een
zekering met meer ampère dan gespecificeerd om een zekering te vervangen. Dit
kan aanzienlijke schade aan het elektrische systeem veroorzaken en mogelijk tot
brand leiden.
Positie van relais- en zekeringhouders
360
Koude zone motorruimte
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Zekeringen - in motorruimte (p. 361)
Zekeringen - onder dashboardkastje (p.
364)
Zekeringen - in regeleenheid onder dashboardkastje (p. 366)
Zekeringen - in bagageruimte (p. 368)
Zekeringen - in de koude zone van de
motorruimte (p. 372)
10 Onderhoud en service
Zekeringen - in motorruimte
De zekeringen in de motorruimte beschermen
o.a. de motor- en remfuncties.
10
}}
361
10 Onderhoud en service
||
Algemene informatie over de
zekeringen in de motorruimte
10
Aan de binnenkant van het deksel zit een
speciale trekker waarmee u de zekeringen
gemakkelijker kunt verwijderen en aanbrengen.
Posities (zie voorgaande afbeelding)
A
–
–
Koplampsproeiers*
20
Koplamphoogteregeling*;
actieve xenonkoplampen ABL*
10
Hoofdzekering voor centrale
elektronicamodule (ECM)
onder dashboardkastje
20
ABS
5
Hoofdzekering voor centrale
elektronicamodule (ECM)
onder dashboardkastje
Motorruimte voorin
Hoofdzekering voor relais-/
zekeringhouder onder dashboardkastje
Aan de binnenkant van het deksel zit een
sticker met de positie van de verschillende
zekeringen.
362
Functie
–
Deze zekeringen zitten allemaal in het zekeringenkastje in de motorruimte. De zekeringen
in (C) zitten onder (A).
•
De zekeringen 1–7 en 42–44 zijn van het
type ‘MidiFuse’ en mogen alleen door een
werkplaats worden vervangen4.
•
De zekeringen 8-15 en 34 zijn van het
type ‘JCASE’ en dienen door een werkplaats te worden vervangen4
4
A
Motorruimte bovenin
Motorruimte onderin
•
Functie
De zekeringen 16–33 en 35–41 zijn van
het type ‘MiniFuse’.
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
50
–
60
–
–
Instelbare stuurkracht*
5
–
–
10
–
–
Motorregelmodule; transmissieregelmodule; airbags
–
Elektrisch verwarmde sproeikoppen*
10
–
Ruitenwissers
30
–
–
Standverwarming*
25
Bedieningspaneel verlichting
5
–
–
–
–
–
–
–
–
ABS-pomp
40
–
–
ABS-ventielen
20
Relais sproeiers
5
10 Onderhoud en service
Functie
A
Verstralers*
20
Claxon
15
Relaisspoel in hoofdrelais voor
motormanagementsysteem;
motorregelmodule
10
Transmissieregelmodule
15
Functie
A
Functie
A
5
Dieselfilterverwarming
20
Bewaking vacuümpomp voor
remsysteem
Carterventilatieverwarming
5
Gloeibougies
70
–
–
Koelventilator
80
Relaisspoelen in relais- en
zekeringhouder in koude zone
motorruimte
5
Stuurbekrachtiging
100
Startrelais
30
Regelmodule gloeiregeling
10
Regelmodule motor
15
Luchtmassameter; regelkleppen
15
Kleppen; olieniveausensor
10
Lambdasonde; regelmodule
radiateurafdekking
10
Gerelateerde informatie
•
Zekeringen - onder dashboardkastje (p.
364)
•
Zekeringen - in regeleenheid onder dashboardkastje (p. 366)
•
Zekeringen - in bagageruimte (p. 368)
10
Achter de motor
A: Auto met stuur links. B: Auto met stuur rechts.
Zekering
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
363
10 Onderhoud en service
Zekeringen - onder dashboardkastje
10
De zekeringen onder het dashboardkastje
beschermen o.a. de infotainment- en stoelfuncties.
Posities
364
Functie
A
Hoofdzekering voor audioregelmodule*; hoofdzekering voor de
zekeringen 16–20: infotainment
40
Ruitensproeiers voor; ruitensproeiers achter
25
–
–
–
–
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Functie
A
Functie
A
–
–
20
Portierhandgrepen (Keyless*)
5
Bedieningspaneel achterste
passagiersportier rechts
–
Bedieningspaneel achterste
passagiersportier links
20
–
Bedieningspaneel bestuurdersportier
20
Keyless*
7,5
20
Elektrisch bedienbare bestuurdersstoel*
20
Bedieningspaneel voorste passagiersportier
10 Onderhoud en service
Functie
A
Functie
A
Elektrisch bedienbare passagiersstoel*
20
Stoelverwarming bestuurderszijde
15
–
–
5
Infotainmentregeleenheid;
BeeldschermA
5
Park Assist*; parkeercamera*;
regelmodule trekhaak *
Audioregelmodule (versterker)*;
digitale radio*; tv*
10
Audio of regelmodule
SensusA
15
Telematica*; Bluetooth*
5
–
–
Schuifdak*; interieurverlichting
plafond; klimaatregelingssensor*; klepmotoren luchtinlaat
5
12V-aansluiting middenconsole
15
Verwarming zitplaats achterbank rechts*
15
Verwarming zitplaats achterbank links*
15
Verwarming op stroom
5
Stoelverwarming passagierszijde
15
10
BLIS*
A
–
–
–
–
Bepaalde modelvarianten.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Zekeringen - in motorruimte (p. 361)
Zekeringen - in regeleenheid onder dashboardkastje (p. 366)
Zekeringen - in bagageruimte (p. 368)
Zekeringen - in de koude zone van de
motorruimte (p. 372)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
365
10 Onderhoud en service
Zekeringen - in regeleenheid onder
dashboardkastje
10
De zekeringen in de regeleenheid onder het
dashboardkastje beschermen o.a. de functies
voor airbags en Collision Warning.
Posities
A
Functie
A
Instrumentenpaneel
5
Elektrische stuurverwarming*
15
Adaptieve cruisecontrol (ACC)*;
Collision Warning*
10
Elektrische voorruitverwarming*
15
–
Interieurverlichting; regensensor
7,5
Ontgrendelen achterklep
10
7,5
Stuurwieleenheid
7,5
Omklapbare hoofdsteunen*
10
Centrale vergrendeling tankvulklep
10
Brandstofpomp
20
A
Achterruitwisser
15
–
Interieurverlichting; Bedieningspaneel zijruiten op bestuurdersportier; Op afstand bediende
garagedeur*; Elektrisch bedienbare voorstoelen*
366
Functie
Functie
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
10 Onderhoud en service
Functie
A
Bewegingsmelder alarm*;
bedieningspaneel klimaatregeling
5
Stuurslot
15
Sirene alarmsysteem*; diagnose-aansluting OBDII
5
–
–
•
•
Zekeringen - in bagageruimte (p. 368)
Zekeringen - in de koude zone van de
motorruimte (p. 372)
10
Airbags
10
Collision Warning*
5
Gaspedaalsensor; Dimfunctie
achteruitkijkspiegel*; Achterbankverwarming*
7,5
Regelmodule infotainment (Performance); audiosysteem (Performance)
15
Remlichten
5
Schuifdak*
20
Startblokkering
5
Gerelateerde informatie
•
•
Zekeringen - in motorruimte (p. 361)
Zekeringen - onder dashboardkastje (p.
364)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
367
10 Onderhoud en service
Zekeringen - in bagageruimte
10
De zekeringen in de bagageruimte beschermen o.a. de functies voor de aanhanger en
elektrische aandrijving.
Het kastje zit achter de bekleding aan de linkerzijde.
368
10 Onderhoud en service
Houder A
Functie
A
–
–
–
–
–
–
–
–
Trekhaakaansluiting 1*
Om toegang te krijgen tot de relais-/zekeringhouder moet de noodreparatieset voor banden worden verwijderd.
–
10
40
–
Posities
Houder A
Functie
A
Elektrische parkeerrem
links
30
Elektrische parkeerrem
rechts
30
Elektrisch verwarmde
achterruit
30
Trekhaakaansluiting 2*
15
–
12V-aansluiting bagageruimte
–
15
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
369
10 Onderhoud en service
||
10
Het kastje zit achter de bekleding aan de linkerzijde.
Houder B
Om toegang te krijgen tot de relais-/zekeringhouder moet de noodreparatieset voor banden worden verwijderd.
370
Functie
A
Koelvloeistofpomp 1 voor
hybride-accu; klep voor
koelvloeistofpomp 1 en 2
Houder B
Functie
A
10
Laadeenheid; spanningsomvormer 400–12 V; regeleenheid voor hybride-accu
10
Koelvloeistofpomp 2 voor
hybride-accu
10
10
Laadeenheid; spanningsomvormer 400–12 V; regeleenheid voor hybride-accu
5
Relaisspoelen; HV-omvormer voor elektromotor en
gecombineerde HV-generator/startmotor
15
Koelvloeistofpomp voor
lagetemperatuurkring koelsysteem
15
Uitschakeling achterasaandrijving elektromotor
–
–
10 Onderhoud en service
Houder B
Functie
A
HV-omvormer voor elektromotor en gecombineerde
HV-generator/startmotor;
regeleenheid voor hybrideaccu
10
Koelvloeistofkleppen voor
lagetemperatuurkring koelsysteem; elektrische aircocompressor; klep voor
warmtewisselaar; klep voor
klimaatregeling
10
10
–
–
–
–
Gerelateerde informatie
•
•
Zekeringen - in motorruimte (p. 361)
Zekeringen - onder dashboardkastje (p.
364)
•
Zekeringen - in regeleenheid onder dashboardkastje (p. 366)
•
Zekeringen - in de koude zone van de
motorruimte (p. 372)
371
10 Onderhoud en service
Zekeringen - in de koude zone van de
motorruimte
10
De zekeringen in de koude zone van de
motorruimte zitten in auto's met de Start/
Stop-functie.
Positie van de zekeringen voor het Start/Stop-systeem.
•
De zekeringen A1 en A2 zijn van het type
‘MEGA Fuse’ en mogen alleen door een
werkplaats worden vervangen5.
•
De zekeringen 1–11 zijn van het type
‘MidiFuse’ en mogen alleen door een
werkplaats worden vervangen5.
•
Zekeringen 12 is van het type ‘MiniFuse’.
Voor meer informatie over Start/Stop, zie
Aandrijving - rijstanden (p. 262).
5
372
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Posities
Functie
Hoofdzekering voor relais- en
zekeringhouder in motorruimte
A
175
Functie
Hoofdzekering voor centrale
elektronicamodule (CEM)
onder dashboardkastje, relais-/
zekeringenkastje onder dashboardkastje, relais- en zekeringenhouders in bagageruimte
A
175
10 Onderhoud en service
Gerelateerde informatie
Functie
A
Vacuümpomp voor remsysteem
40
•
•
Hoofdzekering voor centrale
elektronicamodule (ECM)
onder dashboardkastje
50
•
Zekeringen - in regeleenheid onder dashboardkastje (p. 366)
•
Zekeringen - in bagageruimte (p. 368)
Hoofdzekering voor relais-/
zekeringhouder onder dashboardkastje
60
Hoofdzekering voor relais- en
zekeringhouder B in bagageruimte
50
Hoofdzekering voor relais- en
zekeringhouder A in bagageruimte
60
Interieurventilator
40
–
–
–
–
–
–
Interne diode
50
Oliepomp automatische versnellingsbak
30
–
Zekeringen - in motorruimte (p. 361)
Zekeringen - onder dashboardkastje (p.
364)
10
–
373
10 Onderhoud en service
Wasstraat
10
Was de auto zodra deze vuil geworden is.
Zorg dat de auto op een spoelvloer met olieafscheider staat. Gebruik autoshampoo.
Met de hand wassen
•
•
•
•
•
374
Verwijder vogelpoep zo spoedig mogelijk
van de lak. Vogelpoep bevat namelijk
stoffen die de lak aantasten en deze zeer
snel doen verkleuren. U wordt geadviseerd een dergelijke verkleuring te laten
herstellen door een erkende Volvo-werkplaats.
Spoel het onderstel af.
Spoel de hele auto eerst af om loszittend
vuil te verwijderen en het risico te beperken dat er tijdens het reinigen krassen
ontstaan. Spuit niet rechtstreeks in de
richting van de sloten.
Gebruik zo nodig een koud ontvettingsmiddel voor hardnekkig vuil. Let erop dat
de verontreinigde gebieden niet zijn
opgewarmd door de zon!
Was de auto met een spons, autoshampoo en een ruime hoeveelheid lauw
water.
•
Reinig de wisserbladen met een lauwe
zeepoplossing of autoshampoo.
•
Droog de auto af met een schoon en
zacht stuk zeemleer of een trekker. Als u
waterdruppels op de auto niet in de felle
zon laat drogen maar meteen verwijdert,
beperkt u het risico dat u later watervlekken moet wegpoetsen.
WAARSCHUWING
Laat de motorreiniging altijd uitvoeren door
een werkplaats. Als de motor warm is,
bestaat er brandgevaar.
BELANGRIJK
Vuile koplampen werken minder goed.
Maak ze regelmatig schoon, bijvoorbeeld
als u tankt.
Gebruik geen bijtende reinigingsmiddelen,
maar water en een niet krassende spons.
N.B.
Bij de externe verlichting zoals de koplampen, mistlampen en achterlichten kan tijdelijk condens optreden aan de binnenkant van het lampglas. Dit is een natuurlijk
verschijnsel en alle externe verlichting is
erop gebouwd om dit zoveel mogelijk te
voorkomen. Condens verdwijnt normaal uit
het lamphuis, wanneer de lamp enige tijd
brandt.
Wisserbladen
Door teer-, stof- en zoutresten op de wisserbladen en insecten, ijs e.d. op de voorruit
gaan wisserbladen minder lang mee.
Bij het reinigen:
- Zet de wisserbladen in de servicestand, zie
Wisserbladen (p. 353).
N.B.
Reinig de wisserbladen en voorruit regelmatig met een lauw sopje of autoshampoo. Gebruik geen sterke oplosmiddelen.
Automatische wasstraten
In een automatische wasstraat kunt u de auto
weliswaar snel en eenvoudig schoonmaken,
maar de borstels van de wasstraat kunnen
niet overal even goed bij. Voor het beste
resultaat wordt u geadviseerd de auto met de
hand te wassen.
N.B.
De eerste maanden mag de auto alleen
met de hand worden gewassen. De reden
hiervoor is dat de lak gevoeliger is als deze
nieuw is.
Hogedrukreinigers
Let er bij gebruik van een hogedrukreiniger op
dat u cirkelende bewegingen maakt en de
spuitkop op minstens 30 cm afstand van de
auto houdt (geldt voor alle exterieuronderdelen). Spuit niet rechtstreeks in de richting van
de sloten.
10 Onderhoud en service
Remmen testen
BELANGRIJK
Waxen en polijsten op kunststof en rubber
is niet toegestaan.
WAARSCHUWING
Test de rem na het wassen altijd, ook de
parkeerrem, zodat vocht en corrosie de
remvoering niet aantasten en de remmen
verslechteren.
Bij gebruik van ontvettingsmiddel op
kunststof en rubber mag u, als dat nodig
is, slechts met lichte druk wrijven. Gebruik
een zachte spons.
Door het polijsten van glimmende strips
kan de glimmende oppervlaktelaag wegslijten of beschadigd raken.
Trap zo nu en dan lichtjes op het rempedaal,
als u lange afstanden in de regen of sneeuwmodder aflegt. Door de wrijving worden de
remblokken warm, zodat het vocht verdampt.
Doe hetzelfde bij zeer vochtig of koud weer.
Kunststof en rubber sieronderdelen
exterieur
Voor het schoonmaken en verzorgen van
gekleurde kunststof onderdelen, rubber
onderdelen en sieronderdelen zoals glimmende strips, wordt geadviseerd het speciale
reinigingsmiddel te gebruiken dat bij de
Volvo-werkplaats verkrijgbaar is. Volg bij het
gebruik van dit reinigingsmiddel de gebruiksvoorschriften nauwkeurig op.
Gebruik geen poetsmiddel dat schuurmiddel bevat.
Velgen
Gebruik alleen de velgreinigingsmiddelen die
Volvo adviseert.
Sterke velgreinigingsmiddelen kunnen het
oppervlak beschadigen en vlekken veroorzaken op verchroomde lichtmetalen velgen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Poetsen en in de was zetten
Poets de auto en zet deze in de was, wanneer
de lak er dof uitziet of als u deze extra
bescherming wilt bieden.
U hoeft een nieuwe auto pas na een jaar te
poetsen. In de was zetten kunt u eerder doen.
Zorg dat de auto bij het poetsen of in de was
zetten niet in direct zonlicht staat.
10
Was de auto en droog deze zorgvuldig af,
voordat u begint te poetsen of de was aanbrengt. Verwijder asfalt- en teervlekken met
een teerverwijderaar of terpentine. U kunt
hardnekkige vlekken met een speciaal voor
autolak bestemde, fijne schuurpasta (‘rubbing
compound’) verwijderen.
Poets de lak eerst op en behandel deze
daarna met was in vloeibare of vaste vorm.
Volg de aanwijzingen op de verpakking nauwkeurig op. Veel preparaten bevatten zowel
poetsmiddel als was.
Poetsen en in de was zetten (p. 375)
BELANGRIJK
Interieur reinigen (p. 377)
Alleen lakbehandelingen uitvoeren die door
Volvo geadviseerd worden. Andere behandelingen zoals lakconservering, verzegeling, bescherming, glansverzegeling e.d.
kunnen lakschade veroorzaken. Lakschade als gevolg van dergelijke behandelingen valt niet onder de Volvo-garantie.
Water- en vuilafstotende laag (p. 376)
Gerelateerde informatie
•
Wasstraat (p. 374)
375
10 Onderhoud en service
Water- en vuilafstotende laag
10
De ruiten zijn voorzien van een speciale laag
die bij hevige regenval voor een beter zicht
zorgt.
Water- en vuilafstotende laag*
De waterafstotende laag staat bloot
aan natuurlijke slijtage.
Onderhoud:
•
Gebruik nooit producten zoals autowas,
ontvetters e.d. op het glasoppervlak,
omdat de waterafstotende laag daardoor
beschadigd kan raken.
•
Wees voorzichtig bij het schoonmaken
om te voorkomen dat er krassen in het
glasoppervlak ontstaan.
•
Om schade aan het glas te voorkomen
dient u voor het verwijderen van ijs alleen
een krabber van kunststof te gebruiken.
•
Om de waterafstotende eigenschappen
te behouden, wordt geadviseerd de
behandeling te vernieuwen met een nabehandelingsmiddel dat verkrijgbaar is bij
een erkende Volvo-werkplaats. Gebruik
het middel de eerste keer na drie jaar en
daarna ieder jaar.
BELANGRIJK
Gebruik geen metalen ijskrabber om de
ruiten van ijs te ontdoen. Gebruik de elektrische verwarming om de buitenspiegels
van ijs te ontdoen, zie Ruiten en buitenspiegels - elektrische verwarming (p. 99).
376
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Gerelateerde informatie
•
Wasstraat (p. 374)
Roestwering
De auto heeft in de fabriek een uiterst grondige en complete roestwerende behandeling
ondergaan. De carrosserie bestaat ten dele uit
gegalvaniseerd plaatwerk. Het onderstel is
voorzien van een slijtvaste bodembescherming. In de balken, holten en gesloten profielen werd een dunne, doordringende roestwerende vloeistof gespoten.
Controleren en onderhouden
Vuil en strooizout kunnen aanleiding geven
tot corrosie. Het is daarom belangrijk de auto
schoon te houden. Om de roestwering van de
auto in optimale staat te houden moet u de
beschermlaag regelmatig controleren en zo
nodig bijwerken.
De roestwering van de auto hoeft normaal
gesproken pas na ca. 12 jaar voor het eerst te
worden nabehandeld. De auto moet daarna
om de drie jaar een nabehandeling ondergaan. U wordt geadviseerd om contact op te
nemen met een erkende Volvo-werkplaats,
als de auto een nabehandeling nodig heeft.
Gerelateerde informatie
•
Lakschade (p. 378)
10 Onderhoud en service
Interieur reinigen
Gebruik alleen reinigingsmiddelen en autoverzorgingsproducten die door Volvo geadviseerd worden. Maak de bekleding regelmatig
schoon en volg daarbij de gebruiksaanwijzingen bij het autoverzorgingsproduct op.
Het is belangrijk te stofzuigen voordat u een
reinigingsmiddel gebruikt.
Matten en bagageruimte
Haal de inlegmatten uit de auto om de vloerbekleding en de inlegmatten ieder apart
schoon te kunnen maken. Gebruik een stofzuiger om vuil en stof te verwijderen. Elk van
beide inlegmatten zit met pennen vast.
Pak de inlegmat bij elk van beide pennen vast
en til de mat recht omhoog.
Breng de inlegmat aan door deze bij beide
pennen vast te drukken.
WAARSCHUWING
Controleer voordat u wegrijdt of de inlegmat voor de bestuurdersstoel goed ligt en
aan de knoppen vastzit, zodat deze niet
naast of onder de pedalen klem kan
komen te zitten.
Voor vlekken op de vloermat wordt geadviseerd het speciale reinigingsmiddel voor stoffen bekleding te gebruiken nadat u hebt
gestofzuigd. U dient vloermatten te reinigen
met de door uw Volvo-dealer geadviseerde
producten.
Vlekken op stoffen bekleding en
plafondbekleding
verouderingsproces van het leer en geeft aan
dat het om een natuurproduct gaat.
Om de brandvertragende eigenschappen van
de bekleding niet aan te tasten wordt geadviseerd een speciaal reinigingsmiddel voor
stoffen bekleding te gebruiken dat verkrijgbaar is bij erkende Volvo-werkplaatsen.
Voor de beste resultaten adviseert Volvo eenà viermaal per jaar (zo nodig vaker) beschermende crème op te brengen. De Volvo Leather Care-set is verkrijgbaar bij de Volvo-dealer.
BELANGRIJK
Scherpe voorwerpen en klittenbandsluitingen kunnen de stoffen bekleding van de
auto beschadigen.
Vlekken op leren bekleding
De leren bekleding van Volvo is behandeld
om de bekleding in oorspronkelijke staat te
bewaren.
Naarmate leren bekleding ouder wordt, krijgt
het een fraai patina. Het leer wordt veredeld
en bewerkt zodat het zijn natuurlijke eigenschappen houdt. Het leer is voorzien van een
beschermende toplaag, maar om de goede
eigenschappen en het fraaie uiterlijk te
behouden is regelmatige verzorging van het
leer vereist. Volvo biedt een universeel leerverzorgingsproduct waarmee u leren bekleding kunt schoonmaken en de beschermende
laag kunt herstellen, mits u de instructies
opvolgt. Na enig tijd in gebruikt te zijn
geweest krijgt het leer zijn natuurlijke patina,
afhankelijk van de oppervlaktestructuur. Een
dergelijk patina maakt deel van het natuurlijke
10
BELANGRIJK
•
Sommige geverfde kledingstukken
(zoals spijkerbroeken en suède kleding) kunnen afgeven en voor verkleuring van de bekleding zorgen.
•
Gebruik nooit sterke oplosmiddelen.
Dergelijke middelen kunnen bekleding
van textiel, vinyl en leer beschadigen.
Reinigingsvoorschriften voor leren
bekleding
1. Breng een weinig van het leerreinigingsproduct op een vochtige spons aan en
knijp erin om een dikke laag schuim te
krijgen.
2. Behandel de vlek voorzichtig met cirkelende bewegingen.
3. Dep de vlek zorgvuldig met de spons.
Laat de vlek in de spons trekken. Wrijf
niet.
4. Veeg het behandelde gebied met een
stuk zacht papier of een doek af en laat
het leer volledig drogen.
}}
377
10 Onderhoud en service
||
Beschermende laag aanbrengen op
leren bekleding
10
1. Breng wat van de beschermende crème
op de vilten doek aan en wrijf de crème in
cirkelende bewegingen voorzichtig in het
leer.
Lakschade
1. Dezelfde procedure als voor groep 1.
De lak vormt een belangrijk onderdeel van de
roestwering van de auto en moet daarom
regelmatig worden gecontroleerd. De meest
voorkomende soorten lakschade zijn bijvoorbeeld steenslagplekken, krassen en plekjes op
de spatbordranden, portieren en bumpers.
2. Dep met een absorberende papieren of
stoffen doek.
Groep 3 (vuil, stof in droge vorm)
2. Laat het leer 20 minuten drogen alvorens
erop plaats te nemen.
1. Gebruik een zachte borstel om het vuil te
verwijderen.
Daarmee is het leer beter beschermd tegen
vlekken en uv-straling.
2. Dezelfde procedure als voor groep 1.
Reinigingsvoorschriften voor leren
stuurwiel
•
Verwijder vuil en stof met een ietwat
vochtige spons en een neutrale zeepoplossing.
•
Leer moet kunnen ademen. Dek het leren
stuurwiel nooit af met kunststof bescherming.
•
Gebruik natuurlijke oliën. Voor het beste
resultaat wordt geadviseerd het leerverzorgingsmiddel van Volvo te gebruiken.
Bij vlekken op het stuurwiel:
Groep 1 (inkt, wijn, koffie, melk, zweet en
bloed)
–
378
Groep 2 (vet, olie, saus en chocolade)
Gebruik een zachte doek of spons. Neem
een ammoniakoplossing in een concentratie van 5 %. (Gebruik voor bloedvlekken een oplossing van 2 dl water en 25 g
zout.)
Vlekken op interieuronderdelen van
kunststof, metaal en hout
Voor het reinigen van interieuronderdelen en panelen van kunststof worden met water
bevochtigde splitfiber- of microvezeldoeken
geadviseerd, die verkrijgbaar zijn bij een
erkende Volvo-werkplaats.
Krab of wrijf nooit over een vlek. Gebruik
nooit sterke vlekkenmiddelen. Voor de hardnekkige vlekken kunt u een speciaal reinigingsmiddel gebruiken dat verkrijgbaar is bij
de erkende Volvo-werkplaats.
Veiligheidsgordels
Gebruik water en een synthetisch wasmiddel
en in het bijzonder het textielreinigingsmiddel
dat bij de erkende Volvo-werkplaats verkrijgbaar is. Zorg dat de gordel droog is, voordat
deze weer wordt opgerold.
Gerelateerde informatie
•
Wasstraat (p. 374)
Geringe lakschade herstellen
Om roestvorming te voorkomen moet u lakschade direct herstellen.
Benodigdheden
10 Onderhoud en service
•
grondlak (primer)6 - voor met kunststof
beklede bumpers e.d. zijn er spuitbussen
met speciale hechtprimer verkrijgbaar
•
basislak en heldere lak - verkrijgbaar in
spuitbussen en als bijwerkpennen/-stiften7
•
•
Geringe lakschade herstellen zoals
steenslagschade en krasjes
1. Plak een stuk afplaktape over het
beschadigde gebied heen. Trek de tape
weer van de lak af om eventuele lakresten
te verwijderen.
afplaktape
fijn schuurlinnen6.
G021832
Kleurcode
Vóór het herstel van lakschade moet u de
auto schoonmaken en goed laten drogen.
Zorg er bovendien voor dat de auto warmer is
dan 15 °C.
Kleurcode van de auto
Het is belangrijk dat u de juiste lakkleur
gebruikt. Voor de positie van de productsticker zie Type-aanduidingen (p. 382).
6
7
Eventueel.
Volg de aanwijzingen die bij de verpakking van de bijwerkpen/-stift werden geleverd.
Als de beschadiging tot de metaallaag
(blanke plaat) reikt, wordt grondlak (primer) geadviseerd. Bij beschadiging van
een kunststof oppervlak moet u een
hechtprimer gebruiken voor betere resultaten - spuit het middel in de dop van de
spuitbus uit en breng het met een kwastje
dun op.
10
2. Vóór het lakken kunt u zo nodig (bij ongelijkmatige randen bijvoorbeeld) plaatselijk
licht schuren met zeer fijn schuurlinnen.
Reinig het gebied zorgvuldig en laat het
goed drogen.
3. Roer de grondlak (primer) goed om en
breng deze met een fijn kwastje of een
lucifer of iets dergelijks op. Dek het
geheel af met basislak en heldere lak,
wanneer de grondlak droog is.
4. Krassen kunt u op dezelfde manier herstellen, maar dek ter bescherming de
onbeschadigde lak rond de kras af.
}}
379
10 Onderhoud en service
||
N.B.
Als de steenslag niet tot het metalen
oppervlak (blanke plaat) is doorgedrongen
en er nog steeds een intacte laklaag aanwezig is, moet u de basislak en heldere lak
direct aanbrengen nadat u het oppervlak
hebt gereinigd.
10
Gerelateerde informatie
•
380
Roestwering (p. 376)
SPECIFICATIES
11 Specificaties
Type-aanduidingen
Type-aanduiding, chassisnummer e.d. (voertuigspecifieke informatie) staan aangegeven
op een sticker in de auto.
11
382
11 Specificaties
Positie van stickers en plaatjes
11
Wanneer u contact opneemt met uw erkende
Volvo-werkplaats of vervangende onderdelen
of accessoires wilt bestellen, kan het handig
zijn om de type-aanduiding, het chassisnum-
mer en het motornummer bij de hand te hebben.
Type-aanduiding, chassisnummer, maximaal toelaatbaar gewicht, kleurcodes
voor lak en bekleding en typegoedkeuringsnummer. Bij het openen van het
}}
383
11 Specificaties
||
rechter achterportier is de sticker zichtbaar.
Sticker voor standverwarming.
Motorcode en serienummer van de
motor.
Sticker voor motorolie.
Type-aanduiding en serienummer van de
versnellingsbak.
11
Identificatienummer van de auto (VIN,
Vehicle Identification Number)
De typegoedkeuring van de auto bevat meer
informatie over de auto.
N.B.
De in het instructieboekje afgebeelde stickers hoeven niet per definitie overeen te
komen met de stickers die in of op uw
auto aanwezig zijn. De afbeeldingen zijn
alleen bedoeld om aan te geven hoe de
stickers er in grote lijnen uitzien en waar u
ze ongeveer kunt aantreffen. Op de stickers van uw auto vindt u de informatie die
op uw auto van toepassing is.
Gerelateerde informatie
•
•
384
Gewichten (p. 386)
Motorspecificaties (p. 388)
11 Specificaties
Maten
In de tabel ziet u de maten van de auto wat de
lengte, hoogte e.d. betreft.
11
Maten
mm
A
Wielbasis
2776
B
Lengte
4635
C
Laadlengte, vloer, achterbank
neergeklapt
1749
D
Laadlengte, vloer
E
Hoogte
F
Laadhoogte
G
Spoorbreedte vooras
978
1484
Maten
mm
H
Spoorbreedte achteras
1575
I
Laadbreedte, vloer
1082
J
Breedte
1865
K
Breedte incl. buitenspiegels
2097
L
Breedte incl. ingeklapte buitenspiegels
1899
658
1578
385
11 Specificaties
Gewichten
Het maximale totaalgewicht staat aangegeven
op een sticker in de auto.
Bij het rijklaar gewicht zijn het gewicht van de
bestuurder, dat van de brandstoftank die voor
90 % gevuld is en dat van de resterende
oliën/vloeistoffen inbegrepen.
11
Het gewicht van de passagiers en de gemonteerde accessoires alsmede de kogeldruk (p.
387) (bij gebruik van een aanhanger) zijn van
invloed op het laadvermogen en zijn niet
inbegrepen bij het rijklaar gewicht.
Toelaatbare maximumbelading = totaalgewicht – rijklaar gewicht.
N.B.
Het gedocumenteerde rijklaar gewicht
geldt voor een auto in standaarduitvoering
– d.w.z. een auto zonder extra uitrusting of
accessoires. Dit betekent dat voor ieder
accessoire dat wordt toegevoegd het laadvermogen van de auto met het gewicht
van het desbetreffende accessoire moet
worden verminderd.
Voorbeelden van accessoires die een vermindering van het laadvermogen betekenen zijn auto’s in de uitvoeringen Kinetic,
Momentum en Summum alsmede zaken
als trekhaken, lastdragers, skiboxen,
audiosystemen, verstralers, gps-systemen,
brandstofkachels, veiligheidsrekken, matten, bagagerolhoezen/-afdekkingen, elektrisch bediende stoelen, etc.
Voor informatie over de positie van de sticker, zie
Type-aanduidingen (p. 382).
Max. totaalgewicht
Max. treingewicht (auto + aanhanger)
Max. voorasdruk
Een weegbrug is een betrouwbaar instrument om het rijklaar gewicht voor uw auto
te bepalen.
WAARSCHUWING
Het rijgedrag van de auto verandert door
hoe zwaar de auto beladen is en hoe de
lading is geplaatst.
Max. achterasdruk
Uitrustingsniveau
Max. belasting: Zie typegoedkeuring.
Max. dakbelasting: 75 kg.
Gerelateerde informatie
•
386
Trekgewicht en kogeldruk (p. 387)
11 Specificaties
Trekgewicht en kogeldruk
Het trekgewicht en de kogeldruk voor het rijden met een aanhanger staan in de tabellen.
Max. gewicht geremde aanhanger
Motor
MotorcodeA
Versnellingsbak
Max. gewicht geremde aanhanger (kg)
Max. kogeldruk (kg)
D6 AWD
D82PHEV
Automaat, TF-80SD
1800
90
Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op de motor, zie Type-aanduidingen (p. 382).
A
11
Max. gewicht ongeremde aanhanger
Max. gewicht ongeremde aanhanger (kg)
750
Max. kogeldruk (kg)
50
Gerelateerde informatie
•
•
•
Gewichten (p. 386)
Rijden met een aanhanger (p. 302)
Trailer Stability Assist - TSA (p. 308)
387
11 Specificaties
Motorspecificaties
De motorspecificaties (vermogen enz.) voor
de verschillende motoralternatieven staan in
de tabel.
Dieselmotor
Motor
11
D6 AWD
A
MotorcodeA
D82PHEV
Vermogen
Vermogen
Koppel
(kW bij
omw/min)
(pk bij
omw)
(Nm bij omw/
min)
158/4000
215/4000
440/1500–3000
Cilinderboring
Slaglengte
Cilinderinhoud
(mm)
(mm)
(liter)
5
81,0
93,15
2,400
Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op de motor, zie Type-aanduidingen (p. 382).
Gerelateerde informatie
388
Aantal
cilinders
•
Koelvloeistof - kwaliteit en hoeveelheid (p.
392)
•
Motorolie - kwaliteit en hoeveelheid (p.
391)
Compressieverhouding
16,5:1
11 Specificaties
Motorspecificaties - Elektrische
aandrijving
Motorolie - ongunstige
rijomstandigheden
De V60 PLUG-IN HYBRID wordt deels aangedreven door een dieselmotor en deels door
een elektrische aandrijving (ERAD – Electric
Rear Axle Drive).
In ongunstige rijomstandigheden kunnen de
olietemperatuur en het olieverbruik abnormaal
toenemen. Hier volgen enkele voorbeelden
van ongunstige rijomstandigheden.
Max. vermogen: 50 kW (70 pk).
Controleer het oliepeil (p. 341) vaker tijdens
langere ritten:
Koppel: 200 Nm.
Gerelateerde informatie
•
Motorspecificaties (p. 388)
•
met een caravan of aanhanger achter de
auto
•
•
•
in bergachtig gebied
11
op hoge snelheden
in temperaturen lager dan –30 °C of
hoger dan +40 °C.
Het bovenstaande geldt ook tijdens kortere
ritten bij lage temperaturen.
Kies een volsynthetische motorolie bij ongunstige rijomstandigheden. Ze bieden de motor
extra bescherming.
Volvo beveelt aan:
389
11 Specificaties
||
BELANGRIJK
Om aan de vereisten voor de gespecificeerde service-intervallen te voldoen worden alle motoren in de fabriek gevuld met
een speciaal aangepaste, synthetische
motorolie. De oliesoort werd met grote
zorg geselecteerd lettend op de levensduur van de motor, de startgewilligheid,
het brandstofverbruik en de milieu-impact.
11
Om de aanbevolen service-intervallen aan
te kunnen houden dient u een goedgekeurde motoroliesoort te gebruiken.
Gebruik alleen een oliesoort van de voorgeschreven kwaliteit en dat zowel bij het
bijvullen als bij verversen van olie. Een
negatieve invloed op de levensduur van de
motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact is anders niet
uitgesloten.
Volvo Car Corporation wijst alle garantieclaims af bij gebruik van een motoroliesoort die niet voldoet aan de voorgeschreven kwaliteits- en viscositeitseisen.
Volvo adviseert de olie in een erkende
Volvo-werkplaats te laten verversen.
Gerelateerde informatie
390
•
Motorolie - kwaliteit en hoeveelheid (p.
391)
•
Motorolie - algemeen (p. 340)
11 Specificaties
Motorolie - kwaliteit en hoeveelheid
De motoroliekwaliteit en de te hanteren hoeveelheden voor de verschillende motoralternatieven staan in de tabel.
Volvo beveelt aan:
11
Motor
MotorcodeA
Oliekwaliteit
Hoeveelheid, incl. oliefilter
(liter)
D6 AWD
D82PHEV
Oliekwaliteit: ACEA A5/B5
ca. 5,9
Viscositeit: SAE 0W–30
A
Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op de motor, zie Type-aanduidingen (p. 382).
Gerelateerde informatie
•
Motorolie - ongunstige rijomstandigheden
(p. 389)
•
Motorolie - controleren en bijvullen (p.
341)
391
11 Specificaties
Koelvloeistof - kwaliteit en
hoeveelheid
In de tabel ziet u de aan te houden hoeveelheid koelvloeistof voor de verschillende
motortypes.
11
Voorgeschreven kwaliteit: Door Volvo aanbevolen koelvloeistof aangelengd met 50 %
water2, zie verpakking.
Motor
Hoeveelheid
(liter)
D6 AWD
12,9
Gerelateerde informatie
•
2
392
Koelvloeistof - peil (p. 342)
De waterkwaliteit dient te voldoen aan de norm STD 1285,1.
11 Specificaties
Transmissieolie - kwaliteit en
hoeveelheid
De voorgeschreven transmissieolie en de
hoeveelheid voor de verschillende versnellingsbakopties staan in de tabel.
Handgeschakelde versnellingsbak
N.B.
Onder normale rijomstandigheden hoeft de
versnellingsbakolie niet te worden ververst
zolang de versnellingsbak meegaat. Onder
ongunstige rijomstandigheden moet de
olie mogelijk wel worden ververst.
11
Automatische versnellingsbak
Automatische versnellingsbak
TF-80SD
Hoeveelheid (liter)
ca. 7,0
Voorgeschreven versnellingsbakolie
AW1
N.B.
Onder normale rijomstandigheden hoeft de
versnellingsbakolie niet te worden ververst
zolang de versnellingsbak meegaat. Onder
ongunstige rijomstandigheden moet de
olie mogelijk wel worden ververst.
Gerelateerde informatie
•
Motorolie - ongunstige rijomstandigheden
(p. 389)
•
Type-aanduidingen (p. 382)
393
11 Specificaties
11
Remvloeistof - kwaliteit en
hoeveelheid
Stuurbekrachtigingsvloeistof kwaliteit
Sproeiervloeistof - kwaliteit en
hoeveelheid
Remvloeistof is de naam van het middel in
een hydraulisch remsysteem, dat wordt
gebruikt om kracht over te brengen vanuit bijvoorbeeld een rempedaal via een hoofdremcilinder naar een of meerdere hulpcilinders die
op hun beurt een mechanische rem beïnvloeden.
Stuurbekrachtigingsvloeistof is de naam van
het middel dat in het stuurbekrachtigingssysteem van de auto wordt gebruikt.
De sproeiervloeistof wordt gebruikt om samen
met de voor- en achterruitwisser (p. 94) de
ruiten en koplampen van de auto schoon te
houden en voor goed zicht tijdens het rijden
te zorgen.
Voorgeschreven kwaliteit: DOT 4
•
Hoeveelheid: 0,6 liter
Gerelateerde informatie
•
Rem- en koppelingsvloeistof - peil (p.
343)
Voorgeschreven kwaliteit: WSS M2C204-A2
of een vergelijkbaar product.
Gerelateerde informatie
Stuurbekrachtigingsvloeistof - peil (p.
344)
Voorgeschreven kwaliteit: Door Volvo aanbevolen sproeiervloeistof, met antivries bij
koud weer en onder het vriespunt.
Hoeveelheid:
•
•
Auto’s met koplampsproeiers: 3,4 liter.
Auto’s zonder koplampsproeiers: 3,4
liter.
Gerelateerde informatie
•
•
394
Sproeiervloeistof - bijvullen (p. 355)
Wisserbladen (p. 353)
11 Specificaties
Brandstoftank - inhoud
De inhoud van de brandstof voor de verschillende motoralternatieven staat in de tabel.
Motor
Hoeveelheid (liter)
D6 AWD
ca. 45
Gerelateerde informatie
•
•
Brandstof tanken (p. 286)
Voorgeschreven kwaliteit
Dieselolie: Brandstof - diesel (p. 288)
11
Motorspecificaties (p. 388)
395
11 Specificaties
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot
Het brandstofverbruik voor een auto wordt
gemeten in liter per 100 km en de CO2-uitstoot in gram per km.
Uitleg
gram/km
11
combinatierit
48
1,8
De brandstofverbruiks- en emissiewaarden in
de bovenstaande tabel zijn gebaseerd op
speciale EU-rijcycli3, die gelden voor een auto
met rijklaar gewicht in standaarduitvoering
zonder extra uitrusting. Afhankelijk van de uitrusting neemt het autogewicht toe. Dit alsook
3
396
N.B.
Bij extreme weersomstandigheden,
gebruik van een aanhanger of ritten op
grote hoogte kan, afhankelijk van de
gebruikte brandstofkwaliteit, het prestatievermogen van de auto te wensen overlaten.
Er zijn meerdere oorzaken aan te geven voor
een verhoogd brandstofverbruik ten opzichte
van de tabelwaarden. Daarbij valt te denken
aan factoren als:
•
•
liter/100 km
D6 AWD
(D82PHEV)
de mate van belading van de auto zorgt voor
een verhoging van het brandstofverbruik en
de uitstoot van kooldioxide.
Uw rijstijl.
De grotere rolweerstand als u kiest voor
grotere wielen dan de standaardwielen op
de basisuitvoering van het model.
•
De grotere luchtweerstand bij hogere
snelheden.
•
De brandstofkwaliteit, de weg- en verkeersomstandigheden, de weersgesteldheid en de staat van de auto.
Gerelateerde informatie
•
•
Zuinig rijden (p. 291)
Gewichten (p. 386)
Ook wanneer u slechts enkele van de hier
genoemde tips opvolgt, is al een aanzienlijk
lager brandstofverbruik mogelijk. Raadpleeg
voor meer informatie de richtlijnen waar eerder aan gerefereerd werd3.
Er zijn grote afwijkingen in het brandstofverbruik mogelijk bij een vergelijking met de EUrijcycli3 die gehanteerd worden bij certificering van de auto en waarop de verbruikscijfers in de tabel gebaseerd zijn.
De officiële brandstofverbruikscijfers zijn gebaseerd op twee gestandaardiseerde rijcycli in laboratoriummilieu (‘EU-rijcycli’) conform EU Regulation no 692/2008 alsmede 715/2007 (Euro 5) / Euro
6 en UN ECE Regulation no 101. Deze richtlijnen bevatten informatie over de rijcycli stadsverkeer en snelwegrit. - Stadsverkeer - de meting begint met een koude start van de motor. Het betreft
hier een gesimuleerde rit. - Snelwegrit - de auto moet optrekken en afremmen bij snelheden van 0–120 km/h. Het betreft hier een gesimuleerde rit. De waarde voor combinatierit, die in de tabel
staat, is zoals wettelijk bepaald een combinatie van een stadsrit en een snelwegrit. CO2-uitstoot - om de uitstoot van kooldioxide te berekenen tijdens de twee rijcycli worden alle uitlaatgassen
opgevangen. Deze worden vervolgens geanalyseerd en leiden tot de gespecificeerde waarde voor de CO2-uitstoot.
11 Specificaties
Banden - goedgekeurde
bandenspanning
De goedgekeurde bandenspanningen voor de
verschillende motoralternatieven staan in de
tabel.
Motor
Bandenmaat
Snelheid
(km/h)
D6 AWD (D82PHEV)
Max. belading
ECO-bandenspanningA
Voor
Achter
Voor
Achter
Voor/achter
(kPa)B
(kPa)
(kPa)
(kPa)
(kPa)
235/45 R 17
Tot 160
280
280
280
280
280
235/45 R 18
160 +
280
280
320
320
–
max. 80
420
420
420
420
420
Compact reservewiel (Temporary Spare)
A
B
Belading (1–3 inzittenden)
11
Zuinig rijden.
In sommige landen wordt de bandenspanning ook wel in bar aangegeven in plaats van in pascal (1 bar = 100 kPa).
Gerelateerde informatie
•
•
•
Banden - maten (p. 318)
Banden - bandenspanning (p. 323)
Type-aanduidingen (p. 382)
397
11 Specificaties
11
Elektrisch systeem
Startaccu - specificatie
Hybride-accu - specificatie
Het elektrische systeem is enkelpolig en
gebruikt het chassis en het motorblok als
geleiders.
De startaccu wordt gebruikt om de startmotor
en andere elektrische uitrusting in de auto aan
te drijven.
De hybride-accu (accu voor aandrijfmotor)
wordt gebruikt om de elektromotor bij rijden
in de elektrische stand aan te drijven.
Op de auto zit een wisselstroomdynamo met
spanningsregelaar.
Spanning: 12 V.
Soort: Lithium-ion
Koudestartvermogen, CCA - Cold Cranking
Amperes: 700–800 A.
Energiecapaciteit: 11,2 kWh.
De startaccucapaciteit is afhankelijk van de
uitrusting op de auto.
Reservecapaciteit: 135–160 minuten.
BELANGRIJK
BELANGRIJK
Als de startaccu wordt vervangen, moet u
erop letten dat u een accu met hetzelfde
koudestartvermogen en dezelfde reservecapaciteit gebruikt als de originele accu
(zie de sticker op de accu).
Als de startaccu wordt vervangen, moet u
erop letten dat u een accu met hetzelfde
koudestartvermogen en dezelfde reservecapaciteit gebruikt als de originele accu
(zie de sticker op de accu).
Gerelateerde informatie
•
•
•
N.B.
Startaccu - specificatie (p. 398)
Startaccu - vervangen (p. 357)
•
De grootte van de startaccubehuizing
dient overeen te komen met de afmetingen van de originele accu.
•
De hoogte van de startaccu hangt af
van de afmetingen.
Startaccu (p. 355)
Gerelateerde informatie
•
•
398
Startaccu - vervangen (p. 357)
Startaccu (p. 355)
Levensduur: Meer dan 10 jaar.
Gerelateerde informatie
•
•
Opladen hybride-accu (p. 292)
Opladen hybride-accu - voorbereidingen
(p. 294)
11 Specificaties
Actieradius - specificatie
Actieradius auto bij elektrische aandrijving
(rijstand PURE): tot 50 km.
Typegoedkeuring transpondersleutelsysteem
De typegoedkeuring voor het transpondersleutelsysteem staat in de tabel.
Vergrendelingssysteem standaard
Land/regio
Typegoedkeuring - radarsysteem
De typegoedkeuring voor het radarsysteem
staat in de tabel.
Land/
regio
Europa
EU
Hierbij verklaart Delphi
Electronics & Safety dat
L2C0038TR en L2C0049TR in
overeenstemming zijn met de
essentiële eigenschappen en
overige relevante bepalingen
zoals beschreven in de EU-richtlijn 1999/5/EG. De verklaring van
overeenstemming ligt ter inzage
bij Delphi Electronics & Safety /
One Corporate Center /
Kokomo, Indiana 46904-9005
USA.
Sleutelloos vergrendelingssysteem
(Keyless drive)
Land/regio
EU
11
Gerelateerde informatie
•
Radarsensor (p. 202)
Gerelateerde informatie
•
Transpondersleutel met sleutelblad (p.
153)
399
11 Specificaties
Typegoedkeuring - Bluetooth®
De typegoedkeuring voor Bluetooth® staat in
de tabel.
11
400
11 Specificaties
Verklaring van overeenstemming (Declaration of Conformity)
Land/
regio
Landen
binnen de
EU:
Exportland: Japan
Producent: Alpine Electronics Inc.
Type uitrusting:
11
Bluetooth®-eenheid
Breng voor meer informatie een bezoek aan http://ec.europa.eu/enterprise/rtte/faq.htm#informing
}}
401
11 Specificaties
||
Land/
regio
11
402
Tsjechië:
Alpine Electronics, Inc. tímto prohlašuje, že tento Bluetooth® Module je ve shodě se základními požadavky a dalšími příslušnými
ustanoveními směrnice 1999/5/ES.
Denemarken:
Undertegnede Alpine Electronics, Inc. erklærer herved, at følgende udstyr Bluetooth® Module overholder de væsentlige krav og
øvrige relevante krav i direktiv 1999/5/EF.
Duitsland:
Hiermit erklärt Alpine Electronics, Inc., dass sich das Gerät Bluetooth® Module in Übereinstimmung mit den grundlegenden
Anforderungen und den übrigen einschlägigen Bestimmungen der Richtlinie 1999/5/EG befindet.
Estland:
Käesolevaga kinnitab Alpine Electronics, Inc. seadme Bluetooth® Module vastavust direktiivi 1999/5/EÜ põhinõuetele ja
nimetatud direktiivist tulenevatele teistele asjakohastele sätetele.
Groot-Brittannië:
Hereby, Alpine Electronics, Inc., declares that this Bluetooth® Module is in compliance with the essential requirements and other
relevant provisions of Directive 1999/5/EC.
Spanje:
Por medio de la presente Alpine Electronics, Inc. declara que el Bluetooth® Module cumple con los requisitos esenciales y
cualesquiera otras disposiciones aplicables o exigibles de la Directiva 1999/5/CE.
Griekenland:
ΜΕ ΗΝ ΠΑΡΟ ΣΑ Alpine Electronics, Inc. ΗΛΩΝΕ Ο Bluetooth® Module Σ ΜΜΟΡΦΩΝΕ Α ΠΡΟΣ
ΑΠΑ ΗΣΕ Σ Α Σ ΛΟ ΠΕΣ ΣΧΕ
ΕΣ Α ΑΞΕ Σ ΗΣ Ο Η ΑΣ 1999/5/Ε .
Frankrijk:
Par la présente Alpine Electronics, Inc. déclare que l'appareil Bluetooth® Module est conforme aux exigences essentielles et aux
autres dispositions pertinentes de la directive 1999/5/CE.
Italië:
Con la presente Alpine Electronics, Inc. dichiara che questo Bluetooth® Module è conforme ai requisiti essenziali ed alle altre
disposizioni pertinenti stabilite dalla direttiva 1999/5/CE.
Letland:
Ar šo Alpine Electronics, Inc. deklarē, ka Bluetooth® Module atbilst Direktīvas 1999/5/EK būtiskajām prasībām un citiem ar to
saistītajiem noteikumiem.
Litouwen:
Šiuo Alpine Electronics, Inc. deklaruoja, kad šis Bluetooth® Module atitinka esminius reikalavimus ir kitas 1999/5/EB Direktyvos
nuostatas.
ΣΟ ΣΩ ΕΣ
11 Specificaties
Land/
regio
Nederland:
Hierbij verklaart Alpine Electronics, Inc. dat het toestel Bluetooth® Module in overeenstemming is met de essentiële eisen en de
andere relevante bepalingen van richtlijn 1999/5/EG.
Malta:
Hawnhekk, Alpine Electronics, Inc., jiddikjara li dan Bluetooth® Module jikkonforma mal-ħtiġijiet essenzjali u ma provvedimenti
oħrajn relevanti li hemm fid-Dirrettiva 1999/5/EC.
Hongarije:
Alulírott, Alpine Electronics, Inc. nyilatkozom, hogy a Bluetooth® Module megfelel a vonatkozó alapvetõ követelményeknek és az
1999/5/EC irányelv egyéb elõírásainak.
Polen:
Niniejszym Alpine Electronics, Inc. oświadcza, że Bluetooth® Module jest zgodny z zasadniczymi wymogami oraz pozostałymi
stosownymi postanowieniami Dyrektywy 1999/5/EC.
Portugal:
Alpine Electronics, Inc. declara que este Bluetooth® Module está conforme com os requisitos essenciais e outras disposições da
Directiva 1999/5/CE.
Slovenië:
Alpine Electronics, Inc. izjavlja, da je ta Bluetooth® Module v skladu z bistvenimi zahtevami in ostalimi relevantnimi določili direktive 1999/5/ES.
Slowakije:
Alpine Electronics, Inc. týmto vyhlasuje, že Bluetooth® Module spĺňa základné požiadavky a všetky príslušné ustanovenia Smernice 1999/5/ES.
Finland:
Alpine Electronics, Inc. vakuuttaa täten että Bluetooth® Module tyyppinen laite on direktiivin 1999/5/EY oleellisten vaatimusten ja
sitä koskevien direktiivin muiden ehtojen mukainen.
Zweden:
Härmed intygar Alpine Electronics, Inc. att denna Bluetooth® Module står I överensstämmelse med de väsentliga egenskapskrav
och övriga relevanta bestämmelser som framgår av direktiv 1999/5/EG.
IJsland:
Hierbij verklaart Alpine Electronics, Inc. dat deze Bluetooth®-module in overeenstemming is met de essentiële eigenschappen en
overige relevante bepalingen zoals beschreven in de EU-richtlijn 1999/5/EG.
Noorwegen:
Alpine Electronics, Inc. erklærer herved at utstyret Bluetooth® Module er i samsvar med de grunnleggende krav og øvrige
relevante krav i direktiv 1999/5/EF.
11
403
11 Specificaties
Licenties
Sensus software
11
404
This software uses parts of sources from
clib2 and Prex Embedded Real-time OS Source (Copyright (c) 1982, 1986, 1991,
1993, 1994), and Quercus Robusta (Copyright
(c) 1990, 1993), The Regents of the University
of California. All or some portions are derived
from material licensed to the University of
California by American Telephone and
Telegraph Co. or Unix System Laboratories,
Inc. and are reproduced herein with the
permission of UNIX System Laboratories, Inc.
Redistribution and use in source and binary
forms, with or without modification, are
permitted provided that the following
conditions are met: Redistributions of source
code must retain the above copyright notice,
this list of conditions and the following
disclaimer. Redistributions in binary form
must reproduce the above copyright notice,
this list of conditions and the following
disclaimer in the documentation and/or other
materials provided with the distribution.
Neither the name of the <ORGANIZATION>
nor the names of its contributors may be
used to endorse or promote products derived
from this software without specific prior
written permission. THIS SOFTWARE IS
PROVIDED BY THE COPYRIGHT HOLDERS
AND CONTRIBUTORS "AS IS" AND ANY
EXPRESS OR IMPLIED WARRANTIES,
INCLUDING, BUT NOT LIMITED TO, THE
IMPLIED WARRANTIES OF
MERCHANTABILITY AND FITNESS FOR A
PARTICULAR PURPOSE ARE DISCLAIMED.
IN NO EVENT SHALL THE COPYRIGHT
OWNER OR CONTRIBUTORS BE LIABLE
FOR ANY DIRECT, INDIRECT, INCIDENTAL,
SPECIAL, EXEMPLARY, OR
CONSEQUENTIAL DAMAGES (INCLUDING,
BUT NOT LIMITED TO, PROCUREMENT OF
SUBSTITUTE GOODS OR SERVICES; LOSS
OF USE, DATA, OR PROFITS; OR BUSINESS
INTERRUPTION) HOWEVER CAUSED AND
ON ANY THEORY OF LIABILITY, WHETHER
IN CONTRACT, STRICT LIABILITY, OR TORT
(INCLUDING NEGLIGENCE OR OTHERWISE)
ARISING IN ANY WAY OUT OF THE USE OF
THIS SOFTWARE, EVEN IF ADVISED OF THE
POSSIBILITY OF SUCH DAMAGE.
This software is based in part on the work of
the Independent JPEG Group.
This software uses parts of sources from
"libtess". The Original Code is: OpenGL
Sample Implementation, Version 1.2.1,
released January 26, 2000, developed by
Silicon Graphics, Inc. The Original Code is
Copyright (c) 1991-2000 Silicon Graphics,
Inc. Copyright in any portions created by third
parties is as indicated elsewhere herein. All
Rights Reserved. Copyright (C) [1991-2000]
Silicon Graphics, Inc. All Rights Reserved.
Permission is hereby granted, free of charge,
to any person obtaining a copy of this
software and associated documentation files
(the "Software"), to deal in the Software
without restriction, including without limitation
the rights to use, copy, modify, merge,
publish, distribute, sublicense, and/or sell
copies of the Software, and to permit persons
to whom the Software is furnished to do so,
subject to the following conditions: The
above copyright notice including the dates of
first publication and either this permission
notice or a reference to http://oss.sgi.com/
projects/FreeB/ shall be included in all copies
or substantial portions of the Software. THE
SOFTWARE IS PROVIDED "AS IS",
WITHOUT WARRANTY OF ANY KIND,
EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT
NOT LIMITED TO THE WARRANTIES OF
MERCHANTABILITY, FITNESS FOR A
PARTICULAR PURPOSE AND
NONINFRINGEMENT. IN NO EVENT SHALL
SILICON GRAPHICS, INC. BE LIABLE FOR
ANY CLAIM, DAMAGES OR OTHER
LIABILITY, WHETHER IN AN ACTION OF
CONTRACT, TORT OR OTHERWISE,
ARISING FROM, OUT OF OR IN
CONNECTION WITH THE SOFTWARE OR
THE USE OR OTHER DEALINGS IN THE
SOFTWARE. Except as contained in this
notice, the name of Silicon Graphics, Inc.
shall not be used in advertising or otherwise
to promote the sale, use or other dealings in
this Software without prior written
authorization from Silicon Graphics, Inc.
11 Specificaties
This software is based in parts on the work of
the FreeType Team.
this product by VCC / or for as long as VCC
offers spare parts or customer support.
GNU Lesser General Public License (LGPL),
etc.
This software uses parts of SSLeay Library:
Copyright (C) 1995-1998 Eric Young
(eay@cryptsoft.com). All rights reserved
Portions of this product uses software
copyrighted © v2.4.3/2010 The
FreeTypeProject (www.freetype.org). All rights
reserved.
You have the right of acquisition,
modification, and distribution of the source
code of the GPL/LGPL software.
Combined Instrument Panel Software
Open Source Software Notice
This product uses certain free / open source
and other software originating from third
parties, that is subject to the GNU General
Public License version 2 and 3 (GPLv2/
GPLv3), GNU Lesser General Public License
version 3 (LGPLv3), The FreeType Project
License (“FreeType License”) and other
different and/or additional copyright licenses,
disclaimers and notices. The links how to
access the exact terms of GPLv2, GPLv3,
LGPLv3, and the other open source software
licenses, disclaimers, acknowledgements and
notices are provided to you below. Please
refer to the exact terms of the relevant
License, regarding your rights under said
licenses. Volvo Car Corporation (VCC) offers
to provide the source code of said free/open
source software to you for a charge covering
the cost of performing such distribution, such
as the cost of media, shipping and handling,
upon written request. Please contact your
nearest Volvo Dealer.
This offer is valid for a period of at least three
(3) years from the date of the distribution of
This product includes software under
following licenses:
GPL v2 : http://www.gnu.org/licenses/oldlicenses/gpl-2.0.html
•
•
•
Linux kernel (merge between MontaVista
2.6.31 kernel and kernel from
L2.6.31_MX51_ER_1007 BSP)
uBoot (based on v2009.08)
busybox (based on version 1.13.2.)
GCC runtime library exception: http://
www.gnu.org/licenses/gcc-exception.html
•
libgcc_s.so.1
LGPL v3: http://www.gnu.org/licenses/
lgpl.html
•
You may download Source Code from the
following website at no charge: http://
www.embedded-carmultimedia.jp/linux/oss/
download/TVM_8351_013
11
The website provides the Source Code "As
Is" and without warranty of any kind.
By downloading Source Code, you expressly
assume all risk and liability associated with
downloading and using the Source Code and
complying with the user agreements that
accompany each Source Code.
Please note that we cannot respond to any
inquiries regarding the source code.
DivX®
Libc.so.6, libpthread.so.0, Librt.so.1
The FreeType Project License: http://
www.freetype.org/FTL.TXT
•
libfreetype.so.6 (version 2.4.3)
Linux software
This product contains software licensed
under GNU General Public License (GPL) or
DivX Certified® to play DivX® video. DivX®,
DivX Certified® and associated logos are
}}
405
11 Specificaties
||
registered trademarks of DivX, Inc. and are
used under license. ABOUT DIVX VIDEO:
DivX® is a digital video format created by
DivX, Inc. This is an official DivX Certified
device that plays DivX video. Visit
www.divx.com for more information and
software tools to convert your files into DivX
video.
11
ABOUT DIVX VIDEO-ON-DEMAND: This DivX
Certified® device must be registered in order
to play DivX Video-on-Demand (VOD)
content. To generate the registration code,
locate the DivX VOD section in the device
setup menu. Go to http://vod.divx.com with
this code to complete the registration
process and learn more about DivX VOD.
Covered by one or more of the following U.S.
Patents: 7,295,673; 7,460,668; 7,515,710;
7,519,274.
Gebruikersovereenkomst Gracenote®
Deze toepassing of dit apparaat bevat software van Gracenote, Inc. uit Emeryville, Californië ("Gracenote"). Met de software van
Gracenote (“Gracenote-software”) kan deze
toepassing schijf- en of bestandsidentificatie
uitvoeren en muziekverwante gegevens ophalen, waaronder informatie over de naam,
artiest, track en titel (“Gracenote-gegevens”)
vanuit online-servers of ingesloten databases
(samen “Gracenote-servers”). De toepassing
kan tevens andere functies verrichten. U mag
Gracenote-gegevens uitsluitend gebruiken
406
door middel van de beoogde eindgebruikersfuncties van deze toepassing of dit apparaat.
U stemt ermee in de Gracenote-gegevens, de
Gracenote-software en Gracenote-servers
uitsluitend voor uw eigen, niet-commercieel
privégebruik te gebruiken. U stemt ermee in
de Gracenote-software of welke Gracenotegegevens dan ook niet aan derden toe te wijzen, te kopiëren, over te dragen of door te
zenden. U STEMT ERMEE IN DE GRACENOTE-GEGEVENS, DE GRACENOTE-SOFTWARE OF DE GRACENOTE-SERVERS UITSLUITEND TE GEBRUIKEN OP DE MANIER
DIE HIERIN UITDRUKKELIJK WORDT TOEGESTAAN.
U stemt ermee in dat uw niet-exclusieve
licentie om de Gracenote-gegevens, de Gracenote-software en de Gracenote-servers te
gebruiken, zal worden beëindigd als u inbreuk
maakt op deze beperkingen. Als uw licentie
wordt beëindigd, stemt u ermee in op geen
enkele wijze meer gebruik te maken van de
Gracenote-gegevens, de Gracenote-software
en de Gracenote-servers. Gracenote behoudt
zich alle rechten voor met betrekking tot de
Gracenote-gegevens, de Gracenote-software
en de Gracenote-servers, inclusief alle eigendomsrechten. In geen geval is Gracenote
aansprakelijk voor betaling aan u voor informatie die u verschaft. U stemt ermee in dat
Gracenote, Inc. volgens deze overeenkomst
in haar eigen naam rechtstreeks mag toezien
op naleving van haar rechten jegens u.
De Gracenote-service gebruikt een unieke
identificatiecode om query’s na te sporen
voor statistische doeleinden. Het doel van
deze willekeurig toegewezen numerieke code
is om de Gracenote-service query’s te laten
tellen zonder te weten wie u bent. Ga voor
meer informatie naar de webpagina over het
Privacybeleid van Gracenote voor de Gracenote-service.
De licentie voor de Gracenote-software en
alle onderdelen van de Gracenote-gegevens
wordt verstrekt op “AS IS”-basis. Gracenote
doet geen toezeggingen of geeft geen garantie, uitdrukkelijk of stilzwijgend, over de accuraatheid van alle Gracenote-gegevens in de
Gracenote-servers. Gracenote behoudt zich
het recht voor om gegevens te verwijderen
van de Gracenote-servers of om gegevenscategorieën te wijzigen als Gracenote hiertoe
voldoende reden ziet. Er wordt geen garantie
verstrekt dat de Gracenote-software of Gracenote-servers geen onjuistheden bevatten of
dat het functioneren van de Gracenote-software of Gracenote-servers ononderbroken zal
zijn. Gracenote is niet verplicht u te voorzien
van nieuwe, verbeterde of extra gegevenstypen of -categorieën die Gracenote mogelijk in
de toekomst verschaft; Gracenote mag haar
services op elk moment beëindigen.
GRACENOTE WIJST ALLE GARANTIES, UITDRUKKELIJK OF STILZWIJGEND, INCLUSIEF MAAR NIET BEPERKT TOT STILZWIJGENDE GARANTIES MET BETREKKING TOT
11 Specificaties
VERKOOPBAARHEID, GESCHIKTHEID
VOOR EEN BEPAALD DOEL, EIGENDOMSRECHT EN HET GEEN INBREUK MAKEN OP
RECHTEN VAN DERDEN, VAN DE HAND.
GRACENOTE VERSTREKT GEEN GARANTIES TEN AANZIEN VAN DE RESULTATEN
DIE WORDEN VERKREGEN VOOR UW
GEBRUIK VAN GRACENOTE-SOFTWARE OF
WELKE GRACENOTE-SERVER DAN OOK.
GRACENOTE IS IN GEEN GEVAL AANSPRAKELIJK VOOR INDIRECTE OF GEVOLGSCHADE, GEDERFDE WINST OF VERLIES
VAN INKOMSTEN.
© Gracenote, Inc. 2009
Gerelateerde informatie
•
Volvo Sensus (p. 72)
Displaysymbolen
Er worden tal van verschillende displaysymbolen gebruikt in de auto. De symbolen zijn
onderverdeeld in waarschuwings-, controleen informatiesymbolen. Hier volgt een overzicht van de meest voorkomende symbolen
met hun betekenis en een verwijzing naar de
pagina(’s) in het boekje waar u meer informatie kunt vinden.
- Rood waarschuwingssymbool dat
gaat branden, wanneer er een storing geregistreerd is die mogelijk van invloed is op de
veiligheid en/of rijeigenschappen van de auto.
Er verschijnt tegelijkertijd een verklarende
tekstmelding op het instrumentenpaneel.
- Informatiesymbool, gaat branden, in
combinatie met een verklarende tekst op het
instrumentenpaneel, wanneer er een afwijking
in een van de autosystemen is opgetreden.
Het informatiesymbool kan ook gaan branden
in combinatie met andere symbolen.
Waarschuwingssymbolen op
instrumentenpaneel
Symbool
Betekenis
Zie
Parkeerrem
ingeschakeld
(p. 69), (p.
277)
Airbags (SRS)
(p. 30), (p.
69)
Symbool
Betekenis
Zie
Gordelwaarschuwing
(p. 26), (p.
69)
Startaccu wordt
niet opgeladen
(p. 69)
Storing in remsysteem
(p. 69), (p.
273)
Waarschuwing,
Safety mode
(p. 30), (p.
40), (p. 69)
11
Controlesymbolen op
instrumentenpaneel
Symbool
Betekenis
Zie
Storing in ABL*
(p. 68), (p.
88)
Uitlaatgasreinigingssysteem
(p. 68)
Storing in ABS
(p. 68), (p.
273)
Mistachterlicht
aan
(p. 68), (p.
89)
Stabiliteitsregeling, DSTC, Trailer Stability
Assist*
(p. 68), (p.
182), (p.
308)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
407
11 Specificaties
||
Symbool
11
Betekenis
Zie
Stabiliteitsregeling, Sport-stand
(p. 68), (p.
182)
Voorgloeifunctie
motor (diesel)
(p. 68)
Laag peil in
brandstoftank
Betekenis
Zie
Adaptieve cruisecontrol*;
afstandswaarschuwing* (Distance Alert)
(p. 197),
(p. 207)
(p. 68), (p.
136)
Adaptieve cruisecontrol*, volgtijd
(p. 192),
(p. 195)
Informatie, lees
displaymelding
(p. 68)
Cruisecontrol*
(p. 189)
Groot licht aan
(p. 68), (p.
85)
Radarsensor*
Richtingaanwijzers links
(p. 68)
Richtingaanwijzers rechts
(p. 68)
Informatiesymbolen op
instrumentenpaneel
Symbool
408
Betekenis
Zie
Actief groot licht,
AHB (Active High
Beam)*
(p. 86)
Camerasensor*
(p. 86)
Adaptieve cruisecontrol*
(p. 205)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Symbool
Symbool
Betekenis
Zie
Motor- en interieurverwarming*
(p. 136)
Geactiveerde
timer*
(p. 136)
ABL*
(p. 88)
(p. 205),
(p. 209),
(p. 227)
Tankvulklep
rechts
(p. 286)
Bedrijfsrem
(p. 273)
Accuspanning
laag
(p. 136)
Snelheidsbegrenzer
(p. 186)
Parkeerrem
(p. 277)
Camerasensor*;
lasersensor*
(p. 216),
(p. 227),
(p. 231),
(p. 236)
Regensensor*
(p. 94)
(p. 231),
(p. 236)
Auto Brake*;
afstandswaarschuwing* (Distance Alert); City
SafetyTM; Collision Warning*
(p. 209),
(p. 216),
(p. 227)
Driver Alert System*; Lane
Departure Warning*
Driver Alert System*; Lane
Departure Warning*
(p. 236)
11 Specificaties
Symbool
Betekenis
Zie
Driver Alert System*; Tijd voor
pauze
(p. 231)
Geregistreerde
snelheidsinformatie*
(p. 183)
Binnen parkeren
(p. 131)
Buiten parkeren
(p. 132)
Stoelverwarming
(p. 131),
(p. 132)
Gerelateerde informatie
•
Instrumentenpaneel - betekenis controlesymbolen (p. 68)
•
Instrumentenpaneel - betekenis waarschuwingssymbolen (p. 69)
•
Meldingen - functies (p. 106)
11
Informatiesymbolen op display
plafondconsole
Symbool
Betekenis
Zie
Gordelwaarschuwing
(p. 29)
Airbag passagiersstoel, geactiveerd
(p. 33)
Airbag passagiersstoel, gedeactiveerd
(p. 33)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
409
12 Alfabetisch register
Actieve xenonkoplampen.......................... 88
A
Aanbevolen kinderzitjes
tabel...................................................... 43
Aandrijving............................................... 261
Aanhanger...............................................
kabel...................................................
pendelbeweging.................................
rijden met een aanhanger...................
302
302
308
302
Aanrijding................................................... 40
12
aanzuiging, uitlaatgassen, giftig.............. 283
Aardlekschakelaar................................... 298
ACC - Adaptieve cruisecontrol................ 192
Achterbank
elektrische verwarming....................... 123
Achterklep
vergrendelen/ontgrendelen................ 172
Achterlichten
positie................................................. 351
Achterruit, elektrische verwarming............ 99
Achteruitkijkspiegel.................................. 100
autodimfunctie.................................... 100
410
Active Bending Lights (ABL)...................... 88
Adaptieve cruisecontrol...........................
functie.................................................
inhalen................................................
overzicht.............................................
Radarsensor.......................................
snelheid instellen................................
stand-bystand....................................
Storingzoeken.....................................
tijdelijk deactiveren.............................
uitschakelen........................................
van cruisecontrolfunctie wisselen.......
volgtijd instellen..................................
192
193
199
195
202
196
198
204
198
199
201
197
Afdichtmiddel........................................... 333
Afneembare trekhaak
opbergen............................................ 304
Afsluitbare wielbouten............................. 315
Airbag
activeren/deactiveren, PACOS............. 33
bestuurderszijde............................. 31, 39
passagierszijde......................... 32, 33, 39
AIRBAG ............................................... 31, 32
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
Kompas.............................................. 101
Airbagsysteem........................................... 30
waarschuwingssymbool....................... 30
Actief groot licht........................................ 86
Airconditioning......................................... 125
Actieradius
bij elektrische aandrijving................... 399
alarm........................................ 176, 177, 178
alarm controleren................................ 158
alarmindicatie..................................... 177
alarmsignalen...................................... 178
beperkt alarmniveau........................... 178
Alarm
automatische herinschakeling............ 177
transpondersleutel defect................... 178
Alarmlichten............................................... 90
Alcoholslot............................................... 253
All Wheel Drive (vierwielaandrijving)........ 272
Antislipregeling........................................ 180
Antispin.................................................... 180
Approach-verlichting......................... 93, 156
Automatische hervergrendeling............... 169
Automatische schakelblokkering deactiveren........................................................ 270
Automatische versnellingsbak................. 268
aanhanger........................................... 303
handmatige schakelstanden (Geartronic)...................................................... 269
Automatische wasstraat.......................... 374
Autoverzorging......................................... 374
Autoverzorging, leren bekleding.............. 377
AWD, vierwielaandrijving......................... 272
12 Alfabetisch register
B
Bagageafdekking..................................... 151
Bagagenet............................................... 150
Bagageruimte
bagageafdekking................................ 151
bagagenet........................................... 148
bevestigingspunten............................ 147
koelvloeistof........................................ 359
Verlichting............................................. 92
Banden
band afdichten.................................... 326
draairichting........................................ 313
onderhoud.......................................... 313
profieldiepte........................................ 317
slijtage-indicator................................. 315
spanning..................................... 323, 397
specificaties........................................ 397
Winterbanden..................................... 317
Bandenmaat............................................ 318
Bandenspanningstabel............................ 323
Batterij.....................................................
onderhoud..........................................
starten met hulpaccu..........................
Symbolen op de accu.........................
transpondersleutel/PCC.....................
Waarschuwingssymbolen...................
355
355
259
356
162
356
Bedrijfsrem...................................... 273, 276
Bekleding................................................. 377
Clean Zone Interior Package (CZIP)........ 118
Bergen..................................................... 311
CO2-uitstoot............................................. 396
Beveiliging tegen overbelasting, schuifdak........................................................... 103
Boordcomputer............... 107, 109, 112, 113
Collision Warning............................. 217, 218
algemene beperkingen....................... 224
bediening............................................ 222
Radarsensor............................... 202, 210
voetgangersdetectie........................... 221
werking............................................... 218
Botsing, zie Aanrijding............................... 40
Collision Warning met Auto Brake........... 217
Brandstof......................................... 287, 288
brandstofbesparing............................ 323
brandstoffilter..................................... 289
brandstofverbruik............................... 396
Compact reservewiel............................... 320
BLIS................................................. 246, 247
Bochtverlichting......................................... 89
Brandstoftank
inhoud................................................. 395
Buitenmaten............................................ 385
Buitenspiegels...........................................
autodimfunctie......................................
elektrische verwarming.........................
elektrisch inklapbaar.............................
98
99
99
99
Buitentemperatuurmeter............................ 71
Condens
Condens in koplamp.......................... 374
ruiten ontdoen van -........................... 116
12
Condens in koplamp................................ 374
Controlesymbolen............................... 66, 68
Corner Traction Control........................... 180
Cruisecontrol...........................................
ingestelde snelheid hervatten.............
snelheid instellen................................
tijdelijk deactiveren.............................
uitschakelen........................................
189
192
190
191
192
CTA.......................................................... 248
C
CZIP (Clear Zone Interior Package)......... 118
Camerasensor................................. 212, 225
City Safety™............................................ 210
Claxon........................................................ 81
411
12 Alfabetisch register
D
Dagrijlicht................................................... 84
Dagteller op nul stellen.................... 111, 113
Dagtellers................................................... 71
Dakbelasting, max. gewicht..................... 386
Dashboardkastje...................................... 144
vergrendelen....................................... 172
Diesel
brandstofgebrek................................. 288
12
Dieselolie................................................. 288
Display regeleenheid............................... 297
Distance Alert.......................................... 207
Beperkingen....................................... 208
Symbolen en meldingen..................... 209
EHBO-kit.................................................. 325
Elektrisch bedienbare ruiten...................... 96
Elektrisch bedienbare stoel....................... 76
Elektrisch bedienbare zijruiten resetten..... 97
Elektrisch bediend schuifdak................... 102
Elektrische aandrijfmotor
specificaties........................................ 389
Elektrische aansluiting............................. 145
bagageruimte...................................... 148
Elektrische parkeerrem
lage accuspanning.............................. 277
F
Fietserdetectie......................................... 219
File-assistent............................................ 199
Follow Me Home-verlichting...................... 93
Foutmeldingen
Adaptieve cruisecontrol...................... 205
Driver Alert Control............................. 231
zie Meldingen en symbolen........ 205, 278
Foutmeldingen BLIS................................ 250
FSC, milieulabel......................................... 21
Doorwaaddiepte...................................... 282
Elektrische verwarming
Achterruit.............................................. 99
spiegels................................................. 99
Stoelen en achterbank........................ 123
stuurwiel............................................... 81
Draairichting............................................. 313
Elektrisch inklapbare buitenspiegels......... 99
Driver Alert Control.................................. 229
bediening............................................ 230
Elektrisch systeem................................... 398
Driver Alert System.................................. 229
Elektronische startblokkering.................. 154
Gewichten
rijklaar gewicht.................................... 386
Etiketten................................................... 382
Gladde wegen.................................. 284, 285
Doorluchtfunctie.............................. 116, 171
E
412
Eerste hulp............................................... 325
Elektronische klimaatregeling, ECC......... 122
G
Geartronic................................................ 269
Geheugenfunctie stoel............................... 76
Gelaagd glas.............................................. 21
Gereedschap........................................... 316
Gevarendriehoek..................................... 325
Gladheid.................................................. 285
ECC, elektronische klimaatregeling......... 122
Glazen
gelaagd/versterkt.................................. 21
EcoGuide................................................... 67
Gloeilampen, zie Verlichting.................... 346
12 Alfabetisch register
Gordelspanner........................................... 39
Gordelspanners......................................... 29
Gordelwaarschuwing................................. 29
Groot licht, automatische activering.......... 86
Groot licht/dimlicht, zie Verlichting............ 85
I
K
IAQS - Interior Air Quality System........... 119
Kachel
elektrisch............................................ 138
op brandstof....................................... 138
In de was zetten....................................... 375
Informatiedisplay....................................... 63
Informatietoets, PCC....................... 157, 158
Inlegmatten.............................................. 144
H
handgeschakelde versnellingsbak
schakelindicatie (GSI)......................... 268
Instructieboekje, milieulabel...................... 21
Instrumenten, schakelaars en
bediening............................................. 56, 59
Katalysator............................................... 290
Bergen................................................ 309
Keuzehendelblokkering........................... 270
Keyless drive............ 164, 165, 166, 168, 258
Keyless - ontgrendelen............................ 166
Keyless - vergrendelen............................ 165
Hill Start Assist........................................ 272
Instrumentenoverzicht
auto met stuur links.............................. 56
auto met stuur rechts........................... 59
Hogedruksproeiers koplampen................. 95
Instrumentenpaneel................................... 63
Hoge motortemperatuur.......................... 302
Instrumentenverlichting, zie Verlichting..... 83
Hoofdsteun
inklappen........................................ 78, 79
middelste zitplaats achterbank............. 78
Interieurluchtfilter..................................... 118
Kinderen
kinderslot.............................................. 41
kinderzitje en airbag............................. 47
kinderzitje en SIPS-airbag.................... 35
plaats in de auto................................... 47
veiligheid......................................... 35, 41
Interieurverlichting, zie Verlichting............. 91
Kinderslot................................................. 175
Interior Air Quality System (IAQS)............ 119
luchtreiniging...................................... 119
Kinderveiligheidszitje.................................
aanbevolen...........................................
afmetingscategorieën voor kinderzitjes
met ISOFIX-bevestigingssysteem........
bovenste bevestigingspunten voor kinderzitjes................................................
ISOFIX-bevestigingssysteem voor kinderzitjes................................................
types.....................................................
Handmatige schakelstanden (Geartronic) 269
Hybride-accu........................................... 359
opladen............................................... 292
specificaties........................................ 398
Hybrid Guide.............................................. 67
Intervalfunctie wisser................................. 94
12
41
43
51
54
50
52
413
12 Alfabetisch register
Kinderzitje
geïntegreerde zittingverhoger met
twee standen........................................ 47
12
Luchtverdeling......................................... 120
recirculatie.......................................... 126
tabel.................................................... 128
Kledinghaak............................................. 143
Laadkabel................................................ 295
regeleenheid....................................... 295
Kleurcode, lak.......................................... 379
Laadstroom.............................................. 293
Klimaat
algemene informatie...........................
automatische regeling........................
persoonlijke instellingen.....................
sensoren.............................................
temperatuurregeling...........................
werkelijke temperatuur.......................
Laag oliepeil............................................. 340
M
Lading vervoeren
algemene informatie...........................
bagageruimte......................................
lading op het dak................................
lange lading........................................
Make-upspiegel................................. 92, 144
116
124
120
117
125
117
146
146
147
147
Maten....................................................... 385
Max. dakbelasting................................... 386
Meldingen
informatiedisplay................................ 105
Klimaatregeling
reparatie.............................................. 344
Lak
kleurcode............................................ 379
lakschade en herstel ervan................. 378
Klok, instellen............................................. 71
Lampen, zie Verlichting............................ 345
Koelsysteem............................................ 282
oververhitting...................................... 282
Lane Departure Control................... 233, 234
Koelvloeistof
hoeveelheid en kwaliteit..................... 392
Lasersensor............................................. 214
Meldingen en symbolen
Adaptieve cruisecontrol...................... 205
Collision Warning with Auto
Brake.......................................... 216, 227
Driver Alert Control............................. 231
Lane Departure Warning..................... 236
Koelvloeistof, controleren en bijvullen
motorruimte........................................ 342
Lastindex................................................. 319
Meldingsfuncties...................................... 106
Leren bekleding, reinigingsvoorschriften. 377
Menufuncties
Instrumentenpaneel............................ 104
menu-overzicht................................... 104
Kompas................................................... 101
kalibreren............................................ 101
Koplampen.............................................. 346
Koplamphoogteregeling............................ 83
Koudemiddel........................................... 344
Krik........................................................... 316
414
L
Langdurig stallen..................................... 301
Lichtbundel, aanpassen............................. 93
Lichtbundel aanpassen.............................. 93
Active Bending Lights .......................... 93
Lichtsignalen, PCC.................................. 158
Luchtreiniging
materiaal............................................. 119
passagiersruimte................ 117, 118, 119
Meldingen BLIS....................................... 250
Meters
brandstofmeter..................................... 64
snelheidsmeter..................................... 64
toerenteller............................................ 64
Middenconsole........................................ 143
12 Alfabetisch register
Milieulabel, FSC, instructieboekje............. 21
N
Mistverlichting
achter.................................................... 89
Noodreparatieset banden........................ 326
Motor
oververhitting...................................... 302
starten................................................. 257
uitschakelen........................................ 259
Motor afzetten......................................... 259
Motorkap, openen................................... 338
Motorolie.......................................... 340, 389
filter..................................................... 340
kwaliteit en hoeveelheid..................... 391
ongunstige rijomstandigheden........... 389
Noodreparatieset voor banden
afdichtmiddel......................................
band oppompen.................................
overzicht.............................................
positie.................................................
resultaat controleren...........................
uitvoering............................................
333
332
327
326
330
328
Nooduitrusting
EHBO-kit............................................. 325
gevarendriehoek................................. 325
Motoroliepeil controleren......................... 340
Motorremregeling.................................... 180
Motorruimte
koelvloeistof........................................
olie......................................................
overzicht.............................................
stuurservo-olie....................................
342
340
338
344
Motorspecificaties........................... 388, 389
MY CAR................................................... 106
O
Opbergmogelijkheid
dashboardkastje................................. 144
Kledinghaak........................................ 143
tunnelconsole..................................... 143
Opblaasgordijn.................................... 36, 39
Op een helling parkeren........................... 139
Opladen................................................... 294
opladen beëindigen............................ 300
opladen starten................................... 298
Oververhitting.......................................... 302
12
P
PACOS....................................................... 33
Paneelverlichting....................................... 83
Olie, zie ook Motorolie..................... 389, 391
Paniekfunctie........................................... 156
Onderhoud
roestwering......................................... 376
Park Assist...............................................
aan achterzijde...................................
functie.................................................
sensoren voor Park Assist..................
storingsindicatie.................................
Ontgrendelen
van de binnenzijde.............................. 170
van de buitenzijde............................... 169
Ontgrendelen met sleutelblad................. 166
Ontwaseming........................................... 126
Op afstand bediende startblokkering...... 155
Opbergmogelijkheden passagiersruimte. 141
238
240
238
241
241
Parkeerhulpcamera.................................. 242
Instellingen.......................................... 245
Parkeerrem.............................................. 277
Partikelfilter.............................................. 290
415
12 Alfabetisch register
PCC, Personal Car Communicator
Actieradius.................................. 158, 164
functies............................................... 155
12
R
Remvloeistof............................................ 343
kwaliteit en hoeveelheid..................... 394
Peilstok, elektronisch............................... 341
Radarsensor............................................ 193
Beperkingen....................................... 202
Reservewiel
monteren............................................ 322
Poetsen.................................................... 375
Regeleenheid........................................... 298
Resetten dagteller............................ 111, 113
Positie buitenspiegels herstellen............... 98
Regeling, licht............................................ 82
Richtingaanwijzer....................................... 91
Preconditioning........................................
algemene informatie...........................
binnen parkeren..................................
buiten parkeren...................................
directe start.........................................
direct uitschakelen..............................
instellen...............................................
meldingen en symbolen......................
timer....................................................
Regeneratie.............................................. 290
Richtingaanwijzers..................................... 91
Regensensor.............................................. 94
Rijadviezen............................................... 284
Reinigen
Automatische wasstraat.....................
bekleding............................................
veiligheidsgordels...............................
Velgen.................................................
wasstraat............................................
Rijbaanassistent
bediening.................................... 234, 235
130
130
131
132
133
134
131
136
134
374
377
378
375
374
Privacy locking......................................... 161
Relais- en zekeringenkastje, zie Zekeringen........................................................... 359
Profieldiepte............................................. 317
Remlichten................................................. 90
Q
Queue Assist............................................ 199
Remmen.......................................... 273, 276
antiblokkeerremsysteem, ABS........... 276
noodremlichten..................................... 90
parkeerrem......................................... 277
remkrachtverhoging bij noodstops,
EBA .................................................... 276
Remlichten............................................ 90
remsysteem................................ 273, 276
remvloeistof bijvullen.......................... 343
symbolen op instrumentenpaneel...... 274
Rijden.......................................................
koelsysteem........................................
met een aanhanger.............................
met geopende achterklep...................
284
282
302
283
Rijden met een aanhanger
kogeldruk............................................ 387
trekgewicht......................................... 387
Rijden tijdens de winter........................... 284
Rijeigenschappen aanpassen.................. 251
Rijklaar gewicht........................................ 386
Rijstatistiek.............................................. 264
Ritstatistiek.............................................. 113
Roestwering............................................. 376
Roetfilter dieselmotor.............................. 290
ROETFILTER VOL.................................... 290
Ruggedeelte(n) achterbank, omklappen.... 78
416
12 Alfabetisch register
Rugleuning................................................. 75
voorstoel, omklappen........................... 75
Sfeerverlichting.......................................... 92
Ruiten en spiegels............................. 21, 376
Sleepoog.................................................. 310
Ruitenwisser voor...................................... 94
Regensensor......................................... 94
Slepen...................................................... 309
sleepoog............................................. 310
SIPS-airbag............................................... 34
Sleutel...................................... 153, 154, 167
Sleutelblad....................................... 159, 160
S
Safelock-functie....................................... 174
deactiveren......................................... 174
tijdelijk deactiveren............................. 174
Safety mode.............................................. 40
auto verrijden........................................ 41
startpoging........................................... 40
Schakelblokkering, mechanische
vrijgave..................................................... 270
Schakelindicatie....................................... 268
Schakelindicatie (GSI).............................. 268
Schuifdak
Beveiliging tegen overbelasting..........
openen en sluiten...............................
Ventilatiestand....................................
Zonnescherm......................................
103
102
103
103
Sensus....................................................... 72
Serviceprogramma.................................. 335
Servicestand............................................ 353
Sleutelloos startsysteem (keyless
drive)........................ 164, 165, 166, 168, 258
Sleutelstanden........................................... 73
Slijtage-indicator...................................... 315
Slot
kinder-.................................................. 41
Snelheidsbegrenzer................................. 186
alarm overschrijding snelheid............. 188
beknopte bedieningsinstructies. 186, 187
tijdelijk deactiveren............................. 188
uitschakelen........................................ 189
Sproeier
Achterruit.............................................. 95
sproeiervloeistof, bijvullen.................. 355
Voorruit................................................. 95
Sproeiervloeistof
hoeveelheid........................................ 394
Sproeiervloeistof bijvullen........................ 355
Sproeikoppen, verwarmd.......................... 95
Stabiliteits- en tractieregeling.......... 180, 182
Stabiliteits- en tractieregelsysteem
bediening............................................ 181
stabiliteitsregeling.................................... 180
Stadslichten vóór en achterlichten............ 83
Start/Stop-systeem................................. 264
Startaccu......................................... 283, 398
overbelasting...................................... 283
specificaties........................................ 398
Startblokkering........................................ 154
Snelheidsklassen, banden....................... 319
Starten met hulpaccu.............................. 259
Spiegel
achteruitkijk-....................................... 100
Steenslagplekken en krassen.................. 378
Spiegels
buiten-.................................................. 98
Stoel, zie Stoelen en achterbank............... 75
Spin control............................................. 180
Sproeien voorruit....................................... 95
12
Stickers.................................................... 382
Stoelen en achterbank............................... 75
elektrisch bediend................................ 76
elektrische verwarming....................... 123
Hoofdsteunen achterbank.................... 78
417
12 Alfabetisch register
Ruggedeelte(n) achterbank neerklappen........................................................ 78
ruggedeelte(n) achterbank vooroverklappen................................................. 75
Stoffen die allergieën en/of astma kunnen
verwekken................................................ 118
Storingsdiagnose van camerasensor...... 213
Storingsmeldingen
Lane Departure Warning..................... 236
12
Storingzoeken
Adaptieve cruisecontrol...................... 204
Stuurbekrachtigingsvloeistof
kwaliteit............................................... 394
Stuurkracht, snelheidsafhankelijk............ 251
Stuurkrachtniveau, zie Stuurkracht.......... 251
Stuurslotfout............................................ 259
Stuurwiel....................................................
elektrische verwarming.........................
Stuur afstellen.......................................
Toetsenset............................................
80
81
80
80
Stuurwiel afstellen...................................... 80
Symbolen
Controlesymbolen.......................... 66, 68
Waarschuwingssymbolen..................... 66
Symbolen en meldingen
Adaptieve cruisecontrol...................... 205
Collision Warning with Auto
Brake.......................................... 216, 227
Driver Alert Control............................. 231
Lane Departure Warning..................... 236
Systeem
is afgegaan........................................... 39
Temperatuurregeling............................... 125
134
134
135
135
Toeteren..................................................... 81
Toetsensets op stuurwiel........................... 80
Totaalgewicht.......................................... 386
418
Transponder.............................................. 17
Transpondersleutel.......................... 153, 154
Actieradius.................................. 157, 164
afneembaar sleutelblad.............. 159, 160
batterij vervangen............................... 162
functies............................................... 155
zoekgeraakt........................................ 153
Trekgewicht en kogeldruk....................... 387
286
286
286
286
Temperatuur
werkelijke temperatuur....................... 117
Timer
instellen...............................................
preconditioning...................................
starten.................................................
uitschakelen........................................
Trailer Stability Assist...................... 180, 308
Transpondersleutelsysteem, typegoedkeuring..................................................... 399
T
Tanken
Bijvullen..............................................
Tankdop..............................................
tankklep..............................................
tankvulklep, handmatig openen.........
Traction Control....................................... 180
Trekhaak..................................................
afneembaar, aanbrengen....................
afneembaar, verwijderen....................
specificaties........................................
304
306
307
305
Trekhaak, zie Trekinrichting..................... 304
Trekhaak - afneembaar
monteren/demonteren................ 306, 307
Trillingsdemper........................................ 304
TSA, Trailer Stability Assist ............. 180, 308
Tunnelconsole
12V-aansluiting................................... 145
aansteker en asbak............................ 143
Tunneldetectie........................................... 85
Typeaanduidingen................................... 382
12 Alfabetisch register
Typegoedkeuring
Bluetooth®.......................................... 400
radarsysteem...................................... 399
transpondersleutelsysteem................ 399
Ventilator
ECC.................................................... 124
Verlichting display................................. 83
Verlichting instrumentenpaneel............ 83
Vergrendelen/ontgrendelen
achterklep........................................... 172
binnenzijde.......................................... 170
dashboardkastje................................. 172
U
Vergrendeling
handmatig vergrendelen..................... 169
ontgrendelen............................... 169, 170
vergrendelen....................................... 169
Verlichting, gloeilampen vervangen......... 346
bagageruimte...................................... 351
dimlicht (auto's met halogeen-koplampen)..................................................... 347
grootlicht (auto's met actieve xenonkoplampen)......................................... 349
grootlicht (auto's met halogeenkoplampen)......................................... 348
kentekenplaatverlichting..................... 351
lamphouder achter: richtingaanwijzers
achter, mistachterlichten en achteruitrijlichten.............................................. 350
make-upspiegel.................................. 352
richtingaanwijzers, voor...................... 349
Uitstoot van kooldioxide.......................... 396
Vergrendelingsindicatie .......................... 154
V
V60 PLUG-IN HYBRID
inleiding................................................ 24
overzicht............................................... 22
Veiligheidsgordel.......................................
Achterbank...........................................
gordelspanner.......................................
gordelwaarschuwing............................
losnemen..............................................
omdoen.................................................
zwangerschap......................................
26
29
29
29
28
27
28
Veiligheidsrek........................................... 150
Velg, maten.............................................. 318
Velgen
Reinigen.............................................. 375
Ventilatie.................................................. 120
Verkeersbordinformatie........................... 183
bediening............................................ 183
Beperkingen....................................... 185
Verlichting................................................ 345
Actieve xenonkoplampen..................... 88
Approach-verlichting.................... 93, 156
automatische verlichting, interieur........ 92
Bedieningselementen........................... 91
bochtverlichting.................................... 89
dagrijlicht.............................................. 84
Follow Me Home-verlichting................. 93
gloeilampen, specificaties.................. 352
groot licht/dimlicht................................ 85
in interieur............................................. 91
Koplamphoogteregeling....................... 83
mistachterlicht...................................... 89
stads-/parkeerlicht................................ 83
tunneldetectie....................................... 85
12
Verlichting display...................................... 83
Verlichtingsbediening................................ 82
Vermogen................................................ 388
elektromotor....................................... 389
Versnellingsbak........................................ 268
automaat............................................. 268
Versnellingsbakolie
hoeveelheid en kwaliteit..................... 393
Verwarmde sproeikoppen.......................... 95
Verwarming op brandstof........................ 138
automatische stand............................ 139
deactiveren......................................... 139
419
12 Alfabetisch register
Waarschuwingssymbolen.................... 66, 69
Verwarming op stroom............................ 138
Warmtereflecterende voorruit.................... 17
Vierwielaandrijving, AWD......................... 272
Wasstraat................................................. 374
Vlekken.................................................... 377
Water- en vuilafstotende laag.................. 376
Vloeistoffen, hoeveelheden 392, 393,
394,
Water- en vuilafstotende laag, reinigen... 376
395
Vloeistoffen en oliën................. 392, 393, 394
Voetgangersbescherming........................ 217
12
storing in remsysteem.......................... 69
Waarschuwing...................................... 69
op een helling parkeren...................... 139
startaccu en brandstof....................... 139
tanken................................................. 139
Volgtijd instellen....................................... 207
Volvo Sensus............................................. 72
Whiplash, WHIPS....................................... 36
WHIPS
kinderzitje/verhogingskussen............... 37
WHIPS-systeem............................. 36, 39
zithouding............................................. 38
Wielbouten............................................... 315
afsluitbare........................................... 315
W
Waarschuwingsgeluid
Collision Warning................................ 222
Waarschuwingslampje
adaptieve cruisecontrol...................... 193
Collision Warning................................ 222
stabiliteits- en tractieregeling............. 180
Waarschuwingslampjes
airbags (SRS)........................................ 69
gordelwaarschuwing...................... 29, 69
parkeerrem ingeschakeld..................... 69
startaccu wordt niet opgeladen............ 69
420
Wielen
demonteren........................................ 320
monteren............................................ 322
Sneeuwkettingen................................ 317
Winterbanden.......................................... 317
Wisserblad...............................................
achterruit vervangen...........................
Reinigen..............................................
Servicestand.......................................
vervangen...........................................
353
354
355
353
354
Wissers en -sproeiers................................ 94
Z
Zekeringen............................................... 359
achter de motor.................................. 363
algemene informatie........................... 359
bagageruimte...................................... 368
koude zone......................................... 372
motorruimte........................................ 361
onder het dashboardkastje......... 364, 366
Start/Stop........................................... 372
vervangen........................................... 360
Zekeringenkastje..................................... 360
Zij-airbag, SIPS.................................... 34, 39
Zittingverhoger
inklappen.............................................. 50
uitklappen............................................. 48
zithouding............................................. 47
Zonnescherm, schuifdak......................... 103
Zuinig rijden............................................. 291
Volvo Car Corporation TP 16727 (Dutch), AT 1346, Printed in Sweden, Göteborg 2013, Copyright © 2000-2013 Volvo Car Corporation
Was this manual useful for you? yes no
Thank you for your participation!

* Your assessment is very important for improving the work of artificial intelligence, which forms the content of this project

Download PDF

advertising