Volvo | V70 | Quick Guide | Volvo V70 2011 Quick Guide

Volvo V70 2011 Quick Guide
VOLVO V70 & XC70
Quick Guide
WEB EDITION
GEFELICITEERD MET UW NIEUWE VOLVO!
Het ontdekken van een nieuwe auto is een spannende bezigheid.
Neem deze Quick Guide door om snel vertrouwd te raken met enkele van de
meest gebruikelijke functies.
Alle waarschuwingsteksten, andere belangrijke gegevens en meer
gedetailleerde informatie vindt u alleen in het instructieboekje – deze folder
bevat slechts een kleine greep daaruit.
In het instructieboekje staat bovendien de meest recente en meest actuele
informatie.
Opties staan aangegeven met een sterretje (*).
Op www.volvocars.com vindt u meer informatie over uw auto.
TRANSPONDERSLEUTEL MET PCC* (PERSONAL CAR COMMUNICATOR)
Portieren en achterklep vergrendelen en
alarm* activeren. Na 10–25 seconden
worden de sloten en binnenste openingshandgrepen geblokkeerd. De portieren
zijn daarna ook niet meer van de buitenzijde te openen.
PortierenA alsmede achterklep ontgrendelen en alarm deactiveren.
Achterklep ontgrendelen – hij wordt niet
geopendB.
“Approach”-verlichting. Buitenspiegelverlichting*, richtingaanwijzers en
stadslichten, alsmede kentekenplaat-,
interieur- en instapverlichting activeren.
Paniekfunctie. In een noodsituatie ca. 3
seconden lang ingedrukt houden om het
alarm te laten afgaan.
Informatie over de status van de auto
die binnen een straal van 20 meter te
ontvangen is.
– Toets indrukken en 7 seconden wachten.
Bij het indrukken van de toets zonder
ontvangst verschijnt de meest recente
status uit het geheugen.
PCC*
1
2
3
4
Groen lampje: De auto is vergrendeld.
Oranje lampje: De auto is ontgrendeld.
Rood lampje: Het alarm is afgegaan.
Rode lampjes lichten beurtelings op: Het
alarm ging minder dan 5 minuten geleden
af.
A
Als geen van de portieren noch de achterklep binnen 2 minuten na ontgrendeling wordt geopend,
worden deze na enige tijd automatisch opnieuw
vergrendeld.
B
Elektrisch bedienbare achterklep gaat open.
SLEUTELSTANDEN
Om de volgende sleutelstanden te bereiken zonder de motor te starten: Rem- en/of koppelingspedaal niet bedienen.
Stand Actieve functies
Transpondersleutel niet naar binnen
getrokken – Audiosysteem en interieurverlichting.
Transpondersleutel naar binnen
getrokken – Verlichting instrumenten/
klok, stuurslot opgeheven.
Sleutel naar binnen getrokken en
START kort ingedrukt – Schuifdak*,
elektrisch bedienbare ruiten, ventilator,
ECC, ruitenwissers, 12V-aansluitingen,
RTI*.
Om sleutelstand 0/I te verlaten en alle stroomverbruikers uit te schakelen: Op sleutel drukken
zodat deze naar buiten komt.
MOTOR STARTEN
– Transpondersleutel in contactslot steken en
er lichtjes tegen duwen – sleutel wordt verder
naar binnen getrokken.
– Het koppelings- of rempedaal bedienen.
KOUDE START
N.B.
– Knop kort indrukken om de motor te starten.
MOTOR AFZETTEN EN TRANSPONDERSLEUTEL UITNEMEN
1. Knop kort indrukken – motor slaat af.
2. Kort op sleutel drukken – sleutel kan vervolgens uit contactslot worden genomen
(eventuele automatische versnellingsbak
moet in stand P staan).
Na een koude start is het stationaire toerental
verhoogd ongeacht buitentemperatuur. Het
tijdelijk verhoogde stationaire toerental is
onderdeel van Volvo’s effectieve uitlaatgasreinigingssysteem.
BLIS, BLIND SPOT INFORMATION
SYSTEM*
Als het controlelampje voor BLIS soms oplicht
zonder dat u andere voertuigen in de dode
hoeken kunt waarnemen, is er wellicht sprake
van reflecties op een glad en nat wegdek of
laag staande zon in de camera.
Bij een storing in het systeem verschijnt op
het display de melding BLIS Service vereist.
BEDIENINGSPANEEL BESTUURDERSPORTIER
L R
Buitenspiegels instellen
– Op L (links) of R (rechts) drukken en
instellen met hendeltje.
Buitenspiegels inklappen/uitklappen*
– Tegelijkertijd L en R indrukken.
1
Elektrisch bedienbare ruiten, handmatig bedienen.
2
Elektrisch bedienbare ruiten, automatisch bedienen.
Kinderslot*. Achterste zijruiten en
portieren zijn niet vanaf de achterbank
te openen.
AUDIOSYSTEEM
6
2
2
1
5
7
1 Indrukken voor Aan/Uit. Eraan draaien om
het volume bij regelen.
2 AM, FM1/FM2, CD of MODE selecteren.
Met MODE is AUX A /USB te activeren en
het volume bij te stellen van de geluidsbron die is aangesloten op de aansluiting.
3 Indrukken om te kiezen uit BAS, Dolby
Pro Logic II* of SUBWOOFER* – eraan
draaien om bij te regelen.
RADIO
3 Eraan draaien om een zender te kiezen.
4 Zender zoeken met pijl-links/pijl-rechts.
Zenders opslaan voor FM1 of FM2 door bij
de gewenste zender een van de cijfertoetsen 0–9 ingedrukt te houden, totdat
een bevestiging op het display verschijnt.
Er kunnen in totaal 20 zenders worden
opgeslagen.
5 Ca. 2 seconden indrukken om automatisch
de 10 best doorkomende zenders op te
slaan. Op het display verschijnt Autom.
opslaan tijdens het zoeken. Een van de
4
3
opgeslagen zenders kiezen met 0–9.
Cd-speler
3 Eraan draaien om van track te wisselen.
4 Van cd-track wisselen met pijl-links/pijlrechts.
Cd kiezenB met pijl-omhoog/pijl-omlaag.
6 Bij kort indrukken wordt alleen de beluisterde cd uitgeworpen.
Bij lang indrukken worden alle cd’s uitgeworpenB.
7 Cd kiezenB met 1–6.
A
AUX-aansluiting voor bijvoorbeeld een mp3-speler
(voor optimale geluidsweergave het spelervolume op
half zetten).
B
Alleen cd-wisselaar.
ELEKTRISCHE ACHTERKLEPBEDIENING*
Openen
– Knop voor achterklep op verlichtingspaneel/
transpondersleutel ingedrukt houden totdat
achterklep wordt geopend.
– Of met rubber beklede drukplaatje onder buitenhandgreep licht indrukken en klep openen.
Sluiten
– Op sluitknop op achterklep drukken of klep
handmatig sluiten.
ELEKTRONISCHE KLIMAATREGELING, ECC*
AUTOMATISCHE REGELING
In de stand AUTO regelt het ECC-systeem automatisch alle functies voor een groter bedieningsgemak en optimale luchtkwaliteit.
1 Eraan draaien voor onafhankelijke temperatuurinstelling links/rechts in de passagiersruimte. De gekozen temperatuur staat
op het display.
6 Indrukken om de gekozen temperatuur en
de overige functies automatisch te laten
regelen.
HANDMATIGE REGELING
2 Ventilatie linker/rechter stoel.
3 Eraan draaien om ventilatorsnelheid te
wijzigen.
4 Elektrische verwarming linker/rechter stoel.
5 Luchtverdeling
7 Interior Air Quality System (IAQS). Uit/AUT/
Recirculatie.
8 Max. ontwaseming. Alle lucht op maximale
snelheid naar de voorruit en zijruiten.
9 Elektrische verwarming achterruit en buitenspiegels. Na gebruik uitschakelen.
10 AC – Airconditioning Aan/Uit. Voor koeling
interieur en ontwaseming ruiten.
OPBERGMOGELIJKHEDEN, 12V-AANSLUITINGEN & AUX/USB*
De 12V-aansluitingen in de passagiersruimte
werken in sleutelstand I of II. De 12V-aansluiting* in de bagageruimte is altijd actief.
Met de AUX/USB*-aansluiting is het mogelijk om
muziek op bijv. een mp3-speler te beluisteren
via het audiosysteem van de auto.
BELANGRIJK
Bij gebruik van de 12V-aansluiting in de bagageruimte met de motor afgezet kan de accu
uitgeput raken.
BOORDCOMPUTER EN DAGTELLER
1 Laag brandstofpeil. Bij een brandend
lampje zo spoedig mogelijk tanken.
2 T1 & T2 – onafhankelijke dagtellers die
7
altijd actief zijn.
8
3 Brandstofmeter. De pijl van het symbool
geeft de kant aan waar de tankdop zit.
4 Display voor boordcomputer. Functie kiezen met (8).
5 Klok. Aanpassen met (6).
6 Tot aanslag omdraaien en in deze stand
vasthouden om klok in te stellen.
Kort indrukken om te wisselen tussen T1
& T2. Lang indrukken om actuele teller te
resetten.
9
N.B.
Displaymelding ---- km actieradius is een
indicatie van het aantal kilometers dat u met
de resterende brandstofvoorraad kunt afleggen op basis van de eerdere rijomstandigheden.
7 Indrukken om een melding te laten verschijnen/verdwijnen.
8 Eraan draaien om de boordcomputeropties
te zien.
9 Kort indrukken om de actuele boordcomputerfunctie op nul te stellen.
Lang indrukken om alle boordcomputerfuncties op nul te stellen.
STUURWIEL INSTELLEN
BEPERKT ALARMNIVEAU
Om te voorkomen dat het alarm afgaat
– wanneer er bijv. een hond in de auto wordt
achtergelaten of gebruik wordt gemaakt van
een veerverbinding/autotrein – dient u de
bewegingsmelder tijdelijk uit te schakelen.
Zie het instructieboekje, hoofdstuk Alarm.
WAARSCHUWING
Het stuurwiel instellen vóórdat u gaat rijden
– nooit tijdens het rijden.
VERLICHTINGSBEDIENING
Verlichting display en instrumentenpaneel.
Mistlampen vóór
Mistachterlicht (alleen bestuurderszijde).
Automatisch dimlicht. Grootlichtsignalen geven is mogelijk, maar het normale
groot licht werkt niet.
Stadslichten voor/achterlichten
Dimlicht. Dooft bij het afzetten van de
motor. Het is mogelijk groot licht te
voeren.
Tankvulklep openen.
A
Grootlichtsignalen
B
Wisselen groot licht/dimlicht en “Follow
Me Home”-verlichting.
BESTUURDERSONDERSTEUNENDE
SYSTEMEN
Om de bestuurder te helpen om tijdig te remmen, een veilige afstand tot voorliggers te houden of een goede positie binnen de rijstrook
aan te houden, is de auto mogelijk uitgerust
met een of meer van de volgende systemen:
oĺ Adaptieve cruisecontrol*
oĺ Afstandscontrole*
oĺ Botswaarschuwing met automatische rem*
oĺ Driver Alert System*.
Handmatige koplamphoogteregeling
(automatisch bij Xenon-verlichting*).
Achterklep ontgrendelen.
BLUETOOTH*
1. Mobiele telefoon identificeerbaar/zichtbaar
maken.
2. PHONE-toets audiosysteem ingedrukt
houden.
3. Telefoon toevoegen kiezen op het display
van het audiosysteem.
4. Aan te sluiten telefoon kiezen.
5. Via de toetsenset van de mobiele telefoon
de cijfers invoeren die op het display van
het audiosysteem staan.
RUITENWISSERS EN REGENSENSOR*
F
A
0
3
B
E
1
2
C
Enkele wisslag
0
Uit
B
Intervalfunctie, zie ook (2).
C
Normale wissnelheid.
D
Hoge wissnelheid.
E
Sproeiers voorruit en koplampen.
F
Sproeier achterruit.
D
1 Regensensor Aan/Uit, met hendel in stand
0.
2 Gevoeligheid sensor of duur intervalfunctie
instellen.
3 Wisser achterruit – intervalfunctie/normale
functie.
A
Brandt bij een actieve regensensor.
Aanzetten
– Op de handgreep drukken. Het waarschuwingslampje knippert, totdat de parkeerrem
volledig is aangezet – waarna het lampje
continu brandt.
Lossen
1. Sleutelstand 0 of I.
2. Rempedaal bedienen en voorzichtig aan
knop trekken.
Automatisch lossen
– Wegrijden. (Bij auto’s met automatische
versnellingsbak dient de bestuurder de
veiligheidsgordel te dragen.)
VOORSTOEL INSTELLEN
1
2
3
4
Lendensteun
Hellingshoek ruggedeelte.
Stoel omhoog/omlaag.
VOORKANT ZITGEDEELTE OMHOOG/
OMLAAG.
5 Vooruit/achteruit.
6 Rugleuning passagiersstoel omklappen.
EBA, EMERGENCY BRAKE ASSIST
AUTOVERZORGING
De remkrachtverhoging bij noodstops helpt
de remkracht verhogen om op die manier de
remweg te verkorten. Het EBA-systeem wordt
geactiveerd wanneer u krachtig remt. Wanneer
EBA geactiveerd wordt, zakt het rempedaal
iets verder omlaag dan normaal.
Voor de lak is het beter om de auto met de
hand te wassen dan in een automatische
wasstraat. Een nieuwe laklaag is bovendien
kwetsbaarder dan een oude laag. U wordt
daarom geadviseerd de eerste maanden na
aankoop van een nieuwe auto deze alleen met
de hand te wassen.
– Rempedaal bedienen zolang dat nodig is
– de remmen worden volledig gelost, als u het
rempedaal loslaat.
Schoon water en een spons gebruiken. Erop
letten dat vuil en zand krassen op de lak kunnen veroorzaken.
TP 11990 (Dutch). AT 1020. Printed in Sweden, Göteborg 2010. Copyright © 2000–2010 Volvo Car Corporation.
PARKEERREM
Was this manual useful for you? yes no
Thank you for your participation!

* Your assessment is very important for improving the work of artificial intelligence, which forms the content of this project

Download PDF

advertising