Volvo | V70 | Gebruikershandleiding | Volvo V70 2013 Gebruikershandleiding

Volvo V70 2013 Gebruikershandleiding
V70 & XC70
Instructieboekje
L:7:9>I>DC
BESTE VOLVO-BEZITTER,
DANK U DAT U GEKOZEN HEBT VOOR VOLVO!
Wij hopen dat u jarenlang rijplezier van uw Volvo zult hebben. Bij het
ontwerp hebben veiligheid en comfort van u en uw passagiers vooropgestaan. Een Volvo is een van de veiligste auto’s ter wereld. Uw
Volvo is ook ontworpen om aan alle geldende veiligheidsvoorschriften en milieueisen te voldoen.
Om nog meer plezier van uw auto te hebben, raden wij u aan om
vertrouwd te raken met de uitrusting, de instructies en de onderhoudsinformatie in dit instructieboekje.
Inhoud
00 01 02
2
00 Inleiding
01 Veiligheid
Belangrijke informatie................................. 6
Volvo en het milieu.................................... 11
Veiligheidsgordels ....................................
Airbags......................................................
Airbag activeren/deactiveren*...................
SIPS-airbags (zij-airbags) ........................
Opblaasgordijnen (IC-systeem) ...............
WHIPS ......................................................
Activering van de veiligheidssystemen ....
Safety mode..............................................
Kinderen en veiligheid...............................
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
02 Sloten en alarm
16
19
22
24
26
27
29
30
31
Transpondersleutel/sleutelblad.................
Privacy locking*.........................................
Batterij vervangen transpondersleutel/
PCC*.........................................................
Keyless drive*............................................
Vergrendelen/ontgrendelen......................
Kinderslot..................................................
Alarm*.......................................................
46
52
54
56
59
65
66
Inhoud
03 04 05
03 Bestuurdersmilieu
04 Bestuurdersondersteuning
05 Comfort en rijplezier
Instrumenten, schakelaars en bediening. . 70
Volvo Sensus ........................................... 79
Sleutelstanden.......................................... 80
Stoelen en achterbank.............................. 82
Stuurwiel................................................... 87
Verlichting................................................. 88
Wissers en sproeiers............................... 101
Ruiten en spiegels................................... 104
Kompas*................................................. 109
Elektrisch bedienbaar schuifdak*............ 110
Alcoholslot*............................................. 112
Motor starten.......................................... 116
Motor starten, FlexiFuel.......................... 121
Motor starten, hulpaccu.......................... 123
Versnellingsbakken................................. 125
DRIVe Start/Stop*................................... 132
Vierwielaandrijving, AWD (All Wheel
Drive)*...................................................... 139
Bedrijfsrem.............................................. 140
Afdalingsregeling, HDC (Hill Descent
Control)................................................... 142
Parkeerrem.............................................. 144
Stabiliteits- en tractieregelsysteem,
DSTC....................................................... 154
Road Sign Information – RSI*................. 156
Cruisecontrol*......................................... 158
Adaptieve cruisecontrol*......................... 160
Afstandswaarschuwing*.......................... 171
City Safety™........................................... 175
Collision Warning met Auto Brake en voetgangersdetectie.*.................................... 180
Driver Alert System*................................ 189
Driver Alert System – DAC*..................... 190
Driver Alert System – (LDW)*.................. 193
Park Assist*............................................. 196
Park Assist-camera*............................... 199
BLIS* – Blind Spot Information System. . 203
Menu- en meldingsfuncties....................
Menugroep MY CAR...............................
Klimaatregeling.......................................
Motor- en interieurverwarming op brandstof*.........................................................
Extra verwarming*...................................
Boordcomputer.......................................
Rijeigenschappen aanpassen.................
Interieurcomfort......................................
210
213
221
232
236
237
239
240
HomeLinkŸ *............................................ 148
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
3
Inhoud
06 07 08
06 Infotainment
Algemene informatie over infotainment. .
Radio.......................................................
Mediaspeler............................................
Externe geluidsbron via AUX/USB*ingang.....................................................
07 Tijdens het rijden
246
258
266
271
Media BluetoothŸ* ................................. 274
BluetoothŸ-handsfree*............................
Spraakherkenning* mobiele telefoon......
TV - instelling*.........................................
Afstandsbediening* ................................
RSE - Rear Seat Entertainment system*
4
277
287
291
295
297
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Rijadviezen..............................................
Tanken....................................................
Brandstof................................................
Lading vervoeren....................................
Bagageruimte..........................................
Rijden met een aanhanger......................
Slepen en bergen....................................
08 Wielen en banden
310
313
314
318
323
327
334
Algemene informatie ..............................
Wielen verwisselen .................................
Bandenspanning ....................................
Gevarendriehoek en EHBO-set*.............
Bandenreparatieset (TMK)* ....................
340
345
348
349
350
Inhoud
09 10 11
09 Onderhoud en service
Motorruimte............................................
Gloeilampen............................................
Wisserbladen en sproeiervloeistof..........
Accu........................................................
Zekeringen..............................................
Verzorging...............................................
10 Specificaties
356
364
371
374
379
390
Type-aanduidingen.................................
Maten en gewichten................................
Motorspecificaties...................................
Motorolie.................................................
Vloeistoffen en smeermiddelen...............
Brandstof................................................
Wielen en banden, maten en spanning ..
Elektrisch systeem..................................
Typegoedkeuring....................................
Displaysymbolen.....................................
11 Alfabetisch register
398
400
406
409
412
415
420
423
424
436
Alfabetisch register................................. 440
5
Inleiding
Belangrijke informatie
Instructieboekje lezen
Inleiding
Een goede manier om vertrouwd te raken met
uw nieuwe auto is om het instructieboekje te
lezen, idealiter voordat u uw eerste rit maakt.
Zo maakt u kennis met nieuwe functies, krijgt
u tips hoe u het beste in verschillende situaties
met de auto kunt omgaan en leert u hoe u optimaal gebruik kunt maken van alle mogelijkheden die uw auto biedt. Besteed ook aandacht
aan de veiligheidsinstructies in het boekje.
De specificaties, constructiegegevens en
afbeeldingen in dit instructieboekje zijn niet
bindend. We behouden ons het recht voor om
zonder voorafgaande mededeling wijzigingen
aan te brengen.
©
Volvo Car Corporation
Optie
Alle soorten opties staan aangegeven met een
sterretje* in het instructieboekje.
Als aanvulling op de standaarduitrusting worden in dit instructieboekje ook de opties (van
fabriekswege gemonteerde uitrusting) en
bepaalde accessoires (ingebouwde extra uitrusting) beschreven.
De uitrusting die in het instructieboek wordt
beschreven is niet op alle auto’s aanwezig –
welke uitrusting aanwezig is hangt af van de
6
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
verschillende behoeften op de diverse markten
en de landelijke en/of regionale wet- en regelgeving.
Neem bij twijfel over de standaarduitrusting of
opties/accessoires contact op met een Volvodealer.
Speciale teksten
WAARSCHUWING
Teksten met het kopje WAARSCHUWING
geven aan dat er gevaar voor letsel bestaat.
BELANGRIJK
Teksten met het kopje BELANGRIJK geven
aan dat er gevaar voor materiële schade
bestaat.
N.B.
Teksten met het kopje N.B. duiden op tips
en adviezen die het gebruik van bepaalde
mogelijkheden en functies vergemakkelijken.
Voetnoot
In het instructieboekje komt informatie voor in
de vorm van een voetnoot onder aan de
pagina. Deze informatie vormt een aanvulling
op de tekst waar het nummer van de voetnoot
naar verwijst. Als de voetnoot naar tekst in een
tabel verwijst, worden letters gebruikt in plaats
van cijfers.
Displaymeldingen
In de auto zijn displays aanwezig waarop meldingen kunnen worden weergegeven. Deze
displaymeldingen worden in het instructieboekje in iets groter formaat en in het grijs
weergegeven. Voorbeelden daarvan vindt u in
de menuteksten en displaymeldingen van het
informatiedisplay (bijvoorbeeld Audioinstellingen ).
Stickers
Er zitten verschillende soorten stickers in de
auto om belangrijke informatie op een simpele
en duidelijke manier over te dragen. De stickers
in de auto zijn van de onderstaande aflopende
waarschuwings-/informatiegraad.
Inleiding
Belangrijke informatie
G031590
Zwarte ISO-symbolen in een oranje waarschuwingsveld, witte tekst/afbeelding in een zwart
tekstveld. Worden gebruikt om te attenderen
op een risico dat, bij het negeren van de waarschuwing, kan resulteren in ernstig letsel met
mogelijk dodelijke afloop.
Informatie
Witte ISO-symbolen en een witte tekst/afbeelding in een zwart of blauw waarschuwings- en
tekstveld. Worden gebruikt om te attenderen
op een risico dat, bij het negeren van de waarschuwing, kan resulteren in materiële schade.
G031593
Gevaar voor materiële schade
G031592
Gevaar voor lichamelijk letsel
Witte ISO-symbolen en een witte tekst/afbeelding in een zwart tekstveld.
N.B.
Het is mogelijk dat de stickers die in de
instructieboek staan geen exacte kopieën
zijn van de stickers die in de auto zitten. Ze
dienen alleen om aan te geven hoe de stickers er bij benadering uitzien en waar ze
ongeveer zitten. De informatie die voor uw
auto geldt staat op de desbetreffende stickers in/op uw auto.
7
Inleiding
Belangrijke informatie
Procedurelijsten
Procedures met handelingen die in een
bepaalde volgorde moeten worden uitgevoerd,
staan genummerd in het instructieboekje.
Wanneer er een reeks afbeeldingen bij een
stapsgewijze instructie bestaat, zijn de verschillende stappen van de instructie op
dezelfde manier genummerd als de bijbehorende afbeeldingen.
Als voor de instructies bij een reeks afbeeldingen de onderlinge volgorde niet relevant is, worden de instructies voorafgegaan door letters.
Er komen genummerde en ongenummerde
pijlen voor. Ze worden gebruikt om een
bepaalde beweging weer te geven.
Pijlen met een letter dienen om een beweging weer te geven waarbij de onderlinge
volgorde niet van belang is.
Wanneer er geen reeks afbeeldingen bij een
stapsgewijze instructie bestaat, zijn de verschillende stappen op de standaardmanier
genummerd met normale cijfers.
8
Positielijsten
Op overzichtsfiguren die de positie van
onderdelen aangeven worden rode cirkels
met daarin een cijfer gebruikt. Hetzelfde
cijfer wordt gehanteerd in de positielijst bij
de afbeelding, met een beschrijving van de
weergegeven objecten.
Opsommingslijsten
Bij opsommingen in het instructieboekje wordt
gebruik gemaakt van een opsommingslijst.
Bijvoorbeeld:
• Koelvloeistof
• Motorolie
Zie ommezijde
`` Dit symbool staat rechts onderaan wanneer
een hoofdstuk wordt voortgezet op de volgende pagina.
Vastlegging van gegevens
Uw auto is voorzien van enkele computers met
als taak de werking en functionaliteit van de
auto continue te bewaken. Bepaalde computers leggen mogelijk ook gegevens vast bij
registratie van een storing tijdens normale ritten. Bovendien worden er gegevens opgeslagen bij een aanrijding of bijna-aanrijding. Vastlegging van de gegevens is enerzijds bedoeld
om technici te helpen bij het vaststellen en ver-
helpen van storingen in de auto en anderzijds
om ervoor te zorgen dat Volvo voldoet aan de
geldende wet- en regelgeving. Volvo gebruikt
de gegevens bovendien voor onderzoek ter
verbetering van de kwaliteit en veiligheid, daar
de gegevens kunnen bijdragen tot een groter
inzicht in de omstandigheden waarin ongelukken en/of letsel ontstaan. De gegevens kunnen
duidelijkheid geven over de status en werking
van verschillende autosystemen en -modulen
waaronder die voor de motor, gasklep, besturing en remmen. De gegevens kunnen informatie bevatten over de rijstijl van de bestuurder, zoals de rijsnelheid, het gebruik van het
rem- of gaspedaal en de stuuruitslag en het wel
of niet dragen van de veiligheidsgordel door
bestuurder en eventuele passagier(s). De
gegevens kunnen om de eerder vermelde
redenen voor een begrensde tijd worden vastgelegd tijdens het rijden, tijdens een aanrijding
of bij een bijna-ongeluk. Volvo kan de gegevens opslaan zolang deze kunnen bijdragen tot
een verbetering en verdere verhoging van de
veiligheid en kwaliteit en zolang de wet- en
regelgeving waaraan Volvo gehouden is dit
voorschrijft.
Volvo zal de bovengenoemde gegevens niet
zonder de toestemming van de eigenaar van
de auto vrijgeven aan derden. Volvo Car Corporation kan echter op last van de nationale
wet- en regelgeving gedwongen worden om
Inleiding
Belangrijke informatie
dergelijke gegevens te verstrekken aan instanties, zoals de politie, of anderen die krachtens
de wet de gegevens kunnen opeisen.
Om de door de computers van de auto vastgelegde gegevens te kunnen uitlezen en interpreteren is speciale technische apparatuur vereist die alleen beschikbaar is bij Volvo, en de
werkplaatsen die een contract hebben met
Volvo. Volvo ziet erop toe dat de gegevens, die
in verband met reparatie en onderhoud worden
doorgegeven aan Volvo, zorgvuldig worden
opgeslagen en gehanteerd en dat ze in overeenstemming met de geldende wetgeving worden gebruikt. Neem voor meer informatie contact op met een Volvo-dealer.
Accessoires en extra uitrusting
Een verkeerde aansluiting en montage van
accessoires kan een nadelige invloed hebben
op de werking van de elektronische systemen
van de auto. Bepaalde accessoires werken
alleen, wanneer de bijbehorende software in de
computersystemen van de auto wordt geladen. Volvo adviseert u daarom altijd contact op
te nemen met een erkende Volvo-werkplaats,
voordat u accessoires monteert die in verbinding staan met of van invloed zijn op het elektrische systeem.
Verkoop van auto met Volvo On Call*
Volvo On Call is een aanvullend pakket met
veiligheids-, beveiligings- en comfortdiensten.
Als een auto met Volvo On Call van eigenaar
verandert, is het uitermate belangrijk dat deze
diensten worden beëindigd zodat de vorige
eigenaar niet langer gebruik kan blijven maken
van deze diensten. Neem contact op met het
On Call-center via een druk op de toets ON
CALL in de auto of breng een bezoek aan een
erkende Volvo-werkplaats. Zie ook ‘Beveiligingscode wijzigen’ in het instructieboekje bij
Volvo On Call.
Lasersensor
Deze auto is voorzien van een sensor die
laserstraling afgeeft. Het is daarom essentieel
dat u de aangegeven instructies opvolgt bij het
hanteren van de lasersensor.
De volgende twee stickers met Engelse tekst
zitten op de lasersensormodule:
Op de bovenste sticker in de afbeelding staat
de classificatie van het laserlicht:
• Laserstraling - Niet rechtstreeks in de
straal kijken met optische instrumenten Klasse 1M laserproduct.
Op de onderste sticker staan de fysische
eigenschappen van het laserlicht:
• IEC 60825-1:1993 + A2:2001. Voldoet aan
de normen van de FDA (Amerikaanse keuringsdienst van waren) betreffende de uitvoering van laserproducten met uitzondering van de afwijkingen conform ‘Laser
Notice No. 50’, d.d. 26 juli 2001.
Stralingsgegevens voor lasersensor
De fysische gegevens staan nader omschreven in de volgende tabel.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
9
Inleiding
Belangrijke informatie
Maximale pulsenergie
2,64 ¦J
Maximaal gem. vermogen
45 mW
Pulsduur
Divergentie (horizontaal × verticaal)
33 ns
WAARSCHUWING
Als u de instructies in dit boekje niet opvolgt,
is het gevaar voor oogletsel groot!
•
28° × 12°
•
•
Kijk nooit van een afstand van 100 mm
of minder in de lasersensor (waaruit uiteenlopende, onzichtbare laserstralen
komen) met vergrotende optiek zoals
een vergrootglas, microscoop, objectief
of soortgelijke optische instrumenten.
•
Koppel de connector van de lasersensor los voordat u deze van de voorruit
demonteert.
•
Zorg dat de lasersensor op de voorruit
gemonteerd is alvorens de connector
aan te sluiten.
•
De lasersensor zendt laserlicht uit wanneer de transpondersleutel in stand II
staat, ook al is de motor afgezet (zie
pagina 80 voor de sleutelstanden).
Laat het testen, repareren, demonteren,
afstellen en/of vervangen van de lasersensor of delen ervan over aan een
erkende werkplaats, bij voorkeur aan
een erkende Volvo-werkplaats.
Voor meer informatie over de lasersensor, zie
pagina 175.
Stel de lasersensor niet bij en voer geen
onderhoud uit dat niet uitdrukkelijk in dit
boekje staat aangegeven om blootstelling aan schadelijke straling tegen te
gaan.
Op www.volvocars.com vindt u meer informatie over uw auto.
•
De reparateur dient de speciaal opgestelde werkplaatsinformatie voor de
lasersensor te volgen.
•
Demonteer de lasersensor niet (en verwijder de lenzen evenmin). Een gedemonteerde lasersensor is een laserproduct klasse 3B volgens de IEC-norm
60825-1. Een laserproduct klasse 3B is
niet veilig voor de ogen en houdt dan
ook een gevaar voor oogletsel in.
Informatie op internet
Voor het uitlezen van de QR-code is een QRcodelezer nodig die als accessoire verkrijgbaar
is voor verschillende mobiele telefoons. De
QR-codelezer kan worden gedownload via
App Store of Android Market.
QR-code
10
Inleiding
Volvo en het milieu
G000000
Milieubeleid van Volvo Car Corporation
Milieuzorg is een van de kernwaarden van
Volvo Car Corporation die van invloed zijn op
alle activiteiten. We zijn ervan overtuigd dat
onze klanten onze zorg voor het milieu delen.
Uw Volvo voldoet aan strenge internationale
milieueisen en is bovendien geproduceerd in
een fabriek die zeer schoon is en efficiënt met
hulpbronnen omgaat. Volvo Car Corporation is
gecertificeerd volgens de milieunorm ISO
14001 voor alle fabrieken en de meeste andere
eenheden. We eisen bovendien van onze
samenwerkingspartners dat ze systematisch
aan milieuzorg doen.
Brandstofverbruik
De auto’s van Volvo zijn concurrerend in hun
klasse wat het brandstofverbruik betreft. Een
lager brandstofverbruik levert over het algemeen een geringere uitstoot van het broeikasgas kooldioxide op.
U als bestuurder kunt uw steentje bijdragen
aan een verlaging van het brandstofverbruik.
Lees voor meer informatie de tekst onder het
kopje Spaar het milieu.
Efficiënte uitlaatgasreiniging
Uw Volvo is gebouwd volgens het concept
“Schoon aan binnen- en buitenkant” – een
concept dat een schone passagiersruimte
combineert met een uitermate efficiënte uitlaatgasreiniging. In veel gevallen liggen uitlaatgasemissies ver onder de geldende normen.
Schone lucht in passagiersruimte
Het interieurfilter zorgt dat stofdeeltjes en pollen niet via de luchtinlaatopening in de passagiersruimte kunnen dringen.
Een geavanceerd luchtreinigingssysteem,
IAQS* (Interior Air Quality System), zorgt ervoor
dat de lucht die de passagiersruimte binnenkomt schoner is dan de lucht buiten in het verkeer.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
11
Inleiding
Volvo en het milieu
Het systeem bestaat uit een elektronische sensor en een koolstoffilter. De binnenkomende
lucht wordt continu gecontroleerd en als het
gehalte aan bepaalde schadelijke gassen zoals
koolmonoxide te hoog oploopt, wordt de luchtinlaat gesloten. Iets dergelijks kan zich voordoen in bijvoorbeeld druk verkeer, files of tunnels.
Het koolstoffilter zorgt ervoor dat stikstofoxiden, laaghangend ozon en koolwaterstoffen
niet binnendringen.
Interieur
Het interieur van een Volvo werd dusdanig
vormgegeven dat het gerieflijk en comfortabel
is – ook voor mensen met contactallergieën of
astma. Er is extra veel aandacht besteed aan
de selectie van milieuvriendelijke materialen.
Erkende Volvo-werkplaatsen en het
milieu
Met regelmatig onderhoud kunt u de voorwaarden scheppen voor een lange levensduur en
een laag brandstofverbruik. Op die manier
draagt u bij aan een schoner milieu. Wanneer
u de reparaties en het onderhoud aan de auto
toevertrouwt aan de werkplaatsen van Volvo,
wordt de auto een onderdeel van ons systeem.
Volvo stelt duidelijke milieu-eisen aan de outillage van onze werkplaatsen om te voorkomen
dat er schadelijke stoffen vrijkomen in het
milieu. Het personeel in de werkplaatsen van
12
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Volvo beschikt over de kennis en het gereedschap om optimale zorg voor het milieu te kunnen garanderen.
Spaar het milieu
U kunt eenvoudig meehelpen het milieu te
beschermen – hier volgen enkele tips:
• Voorkom stationair draaien – zet de motor
af wanneer u langere tijd stilstaat. Houdt u
zich aan de plaatselijke voorschriften.
• Rijd economisch – rijd anticiperend.
• Voer service en onderhoud uit volgens de
aanwijzingen in het instructieboekje – houd
de geadviseerde intervallen in het Serviceen garantieboekje aan.
• Gebruik vóór een koude start altijd de
motorverwarming*, als de auto hiermee is
uitgerust – dit verbetert de startgewilligheid, beperkt de slijtage bij koud weer en
zorgt ervoor dat de motor sneller op
bedrijfstemperatuur komt, waardoor het
brandstofverbruik en de uitstoot afnemen.
• Bij hoge snelheden neemt het verbruik
aanzienlijk toe vanwege de grotere luchtweerstand – bij een verdubbeling van de
snelheid neemt de luchtweerstand met een
factor vier toe.
• Hanteer afvalstoffen die schadelijk voor het
milieu zijn, zoals accu’s en olie, op een
milieuvriendelijke manier. Neem contact
op met een werkplaats bij twijfel over de
juiste manier van verwerken van dergelijk
afval – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
Wanneer u deze tips opvolgt, kunt u geld
besparen, zuiniger omspringen met de hulpbronnen op aarde en uw auto langer doen
meegaan. Zie pagina 310 en 415 voor meer
informatie en meer tips.
Recycling
Milieumatig verantwoorde recycling van de
auto vormt een belangrijk aspect van de milieuzorg van Volvo. De auto is nagenoeg geheel
te recyclen. De laatste eigenaar van de auto
wordt daarom verzocht contact op te nemen
met een dealer voor de locatie van een gecertificeerd/erkend recyclingbedrijf.
Milieu-aspecten van het
instructieboekje
Het Forest Stewardship CouncilŸ-symbool
geeft aan dat de papiervezels waarvan deze
publicatie gemaakt is afkomstig zijn uit FSCŸgecertificeerde bossen of andere gecontroleerde bronnen.
Inleiding
Volvo en het milieu
13
Veiligheidsgordels ..................................................................................
Airbags....................................................................................................
Airbag activeren/deactiveren*.................................................................
SIPS-airbags (zij-airbags) .......................................................................
Opblaasgordijnen (IC-systeem) .............................................................
WHIPS ....................................................................................................
Activering van de veiligheidssystemen ..................................................
Safety mode............................................................................................
Kinderen en veiligheid.............................................................................
14
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
16
19
22
24
26
27
29
30
31
VEILIGHEID
01 Veiligheid
Veiligheidsgordels
01
Algemene informatie
Op de achterbank passen de borglippen van
de veiligheidsgordel alleen in de bijbehorende
sluitingen1.
Veiligheidsgordel losmaken
Druk op de rode knop van de gordelsluiting en
laat het oprolmechanisme de gordel naar binnen trekken. Als de gordel niet volledig wordt
opgerold, moet u de gordel handmatig zo ver
terugrollen dat deze niet langer slap hangt.
De veiligheidsgordel is geblokkeerd en kan
niet verder worden afgerold:
Remmen kan ernstige gevolgen hebben als de
veiligheidsgordel niet wordt gedragen. Let er
daarom op dat alle passagiers hun veiligheidsgordel omhebben.
Voor optimale bescherming van de veiligheidsgordel is het van belang dat de gordel goed
tegen het lichaam ligt. Laat de rugleuning niet
te ver achteroverhellen. De veiligheidsgordel
biedt de beste bescherming bij een normale
rijhouding.
Veiligheidsgordel omdoen
Rol de gordel langzaam af en maak deze vast
door de borglip in de gordelsluiting te steken.
Een duidelijke ‘klik’ geeft aan dat de gordel
vastzit.
1
16
Bepaalde markten.
• wanneer u de gordel te snel afrolt
• wanneer u remt of optrekt
• als de auto sterk overhelt.
Let erop dat:
• u geen klemmen of andere accessoires
gebruikt waardoor u de veiligheidsgordel
niet strak langs uw lichaam kunt trekken
• er geen slagen in de veiligheidsgordel zitten en dat hij nergens achter blijft steken
• de heupgordel laag moet zitten (niet over
de buik)
• u de heupgordel over de heupen spant
door de diagonale schoudergordel in de
richting van de schouder omhoog te trekken.
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en de airbag werken
samen. Als de veiligheidsgordel niet of
onjuist wordt gebruikt, kan de bescherming
die de airbag bij een aanrijding biedt afnemen waardoor u als klant ernstig letsel kunt
oplopen.
WAARSCHUWING
Elke veiligheidsgordel is bestemd ter
bescherming van slechts één persoon.
01 Veiligheid
Veiligheidsgordels
Veiligheidsgordel en zwangerschap
onder controle hebben (wat inhoudt dat ze met
gemak bij het stuur en de pedalen moeten kunnen komen). Streef ernaar de afstand tussen de
buik en het stuur zo groot mogelijk te maken.
Breng nooit zelf wijzigingen aan de veiligheidsgordels aan en probeer ze nooit zelf te
repareren. Volvo adviseert u daarvoor contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats.
Gordelwaarschuwing
G020998
Als een veiligheidsgordel aan grote krachten heeft blootgestaan zoals tijdens een
aanrijding, moet u de veiligheidsgordel in
zijn geheel vervangen. De veiligheidsgordel
kan een deel van zijn beschermende eigenschappen hebben verloren, zelfs als de veiligheidsgordel ogenschijnlijk niet beschadigd is. Vervang de veiligheidsgordel ook
als deze versleten of beschadigd is. De
nieuwe veiligheidsgordel moet zijn goedgekeurd en bedoeld voor montage op dezelfde
positie als de vervangen veiligheidsgordel.
Wanneer u zwanger bent, is het belangrijk de
veiligheidsgordel altijd op de juiste manier te
dragen. De veiligheidsgordel moet strak langs
de schouder lopen, waarbij het diagonale deel
van de veiligheidsgordel tussen de borsten en
tegen de zijkant van de buik ligt.
Het heupgedeelte van de veiligheidsgordel
moet vlak tegen de buitenkant van de bovenbenen liggen en zo ver mogelijk onder de buik
liggen. Het mag nooit over de buik omhoog
kunnen glijden. De veiligheidsgordel moet zo
strak mogelijk over het lichaam lopen zonder
onnodige speling. Controleer ook of de veiligheidsgordel nergens gedraaid zit.
G017726
WAARSCHUWING
01
Er gaan waarschuwingslampjes branden en er
worden geluidssignalen afgegeven wanneer
iemand de gordel niet draagt. Of er geluidssignalen klinken, hangt af van de snelheid. De
waarschuwingslampjes zitten in de plafondconsole en op het instrumentenpaneel.
Het gordelwaarschuwingssysteem geldt niet
voor kinderzitjes.
Naarmate de zwangerschap vordert moeten
zwangere bestuurders de stoel en het stuur
dusdanig verstellen dat ze de auto volledig
17
01 Veiligheid
01
Veiligheidsgordels
Achterbank
Bepaalde markten
De functie van de gordelwaarschuwing voor de
achterbank is tweeledig:
Er gaat een waarschuwingslampje branden en
er worden geluidssignalen afgegeven wanneer
de bestuurder en een eventuele voorpassagier
de gordel niet dragen. Op lage snelheden klinkt
de eerste 6 seconden lang een geluidssignaal.
• Aangeven welke veiligheidsgordels van de
achterbank er worden gebruikt. Bij gebruik
van de veiligheidsgordels of het openen
van een van de achterportieren verschijnt
er een melding op het informatiedisplay.
De melding verdwijnt automatisch na ca.
30 seconden rijden, maar kan ook handmatig worden verwijderd door op de knop
OK op de richtingaanwijzerhendel te drukken.
• Waarschuwen dat iemand op de achterbank de veiligheidsgordel heeft losgenomen. Er wordt gewaarschuwd met een
melding op het informatiedisplay in combinatie met een geluidssignaal en een
waarschuwingslampje. De waarschuwing
stopt wanneer de gordel weer is omgedaan, maar kan ook handmatig worden
bevestigd door op de knop OK te drukken.
De melding op het informatiedisplay, die aangeeft welke veiligheidsgordels er gebruikt worden, is altijd beschikbaar. Druk op de knop
OK om de opgeslagen meldingen te zien.
18
Gordelspanners
Alle veiligheidsgordels zijn uitgerust met gordelspanners. Dit is een mechanisme dat bij een
voldoende krachtige aanrijding de veiligheidsgordel rond het lichaam spant. De veiligheidsgordel kan de passagier daarmee beter in de
stoel gedrukt houden.
WAARSCHUWING
De gesp van de veiligheidsgordel aan passagierszijde nooit aanbrengen in de gordelsluiting aan bestuurderszijde. De gesp van
de veiligheidsgordel altijd aanbrengen in de
gordelsluiting aan de juiste zijde. De veiligheidsgordels nooit beschadigen en geen
vreemde voorwerpen aanbrengen in de gordelsluiting. De veiligheidsgordels en de gordelsluiting werken anders mogelijk niet naar
behoren tijdens een aanrijding. Er bestaat
gevaar voor ernstige verwondingen.
01 Veiligheid
Airbags
Het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel gaat branden, wanneer de transpondersleutel in sleutelstand II staat. Het lampje
dooft na ca. 6 seconden, wanneer de regelmodule heeft vastgesteld dat het airbagsysteem
geen storingen vertoont.
WAARSCHUWING
Airbagsysteem
Behalve het brandende waarschuwingslampje
verschijnt er, in die gevallen waarin dat nodig
is, een melding op het informatiedisplay. Als
het waarschuwingslampje niet werkt, gaat het
waarschuwingsdriehoekje branden en verschijnt er SRS Airbag Service vereist of SRS
Airbag Service spoed op het display. Volvo
adviseert u zo spoedig mogelijk contact op te
nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
G018665
Als het waarschuwingslampje voor het airbagsysteem blijft branden of tijdens het rijden korte tijd oplicht, betekent dit dat het
airbagsysteem niet naar behoren werkt. Het
symbool kan ook duiden op een storing in
de gordelspanners, het SIPS- en het IC-systeem of op een andere storing in het systeem. Volvo adviseert u zo spoedig mogelijk
contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats.
Airbagsysteem, auto met stuur links.
G018666
Waarschuwingslampje op
instrumentenpaneel
01
Airbagsysteem, auto met stuur rechts.
Het SRS bestaat uit airbags en sensoren. Bij
een voldoende krachtige aanrijding reageren
de sensoren, waarna één of meer airbags wor-
19
01 Veiligheid
01
Airbags
den opgeblazen en warm worden. Om de klap
op te vangen loopt de airbag leeg wanneer de
inzittende de airbag raakt. Daarbij treedt er
rookvorming in de auto op. Dit is volkomen
normaal. Het totale verloop, van het opblazen
tot het leeglopen van de airbag, neemt enkele
tienden van een seconde in beslag.
WAARSCHUWING
Volvo adviseert u voor reparatie contact op
te nemen met een erkende Volvo-werkplaats. Verkeerde ingrepen in het airbagsysteem kunnen aanleiding geven tot storingen in de werking met mogelijk ernstig
lichamelijk letsel tot gevolg.
N.B.
Airbag aan de bestuurderszijde
Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordel aan
de bestuurderszijde ook een airbag in het
stuurwiel. Deze zit opgevouwen in het midden
van het stuurwiel. Het stuurwiel is voorzien van
het opschrift AIRBAG.
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en de airbag werken
samen. Als de veiligheidsgordel niet of
onjuist wordt gebruikt, kan de bescherming
die de airbag bij een aanrijding biedt afnemen waardoor u als klant ernstig letsel kunt
oplopen.
Airbag aan de passagierszijde
De reactie van de sensoren hangt af van de
ernst van de aanrijding en van het feit of de
veiligheidsgordel aan de bestuurderszijde
of de passagierszijde vooraan wordt gedragen of niet.
20
Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordel aan
de passagierszijde ook een airbag in het stuurwiel. Deze zit opgevouwen in een ruimte boven
het dashboardkastje. Het paneel is voorzien
van het opschrift AIRBAG.
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en airbag werken
samen. Als de gordel niet of verkeerd wordt
gebruikt, kan dit bij een botsing van invloed
zijn op het effect van de airbag.
Het is dan ook mogelijk dat er bij ongelukken slechts één (of geen enkele) van de airbags wordt opgeblazen. Het airbagsysteem
registreert de botskracht waaraan de auto
blootstaat en stemt de activering van een of
meerdere airbags daarop af.
Ook de capaciteit van de airbags wordt
afgestemd op de botskracht waaraan de
auto blootstaat.
Positie van de passagiersairbag in een auto met
het stuur rechts.
Positie van de passagiersairbag in een auto met
het stuur links.
Om geen letsel op te lopen wanneer de airbag wordt opgeblazen, moet de passagier
zo rechtop mogelijk zitten met de voeten op
de vloer en de rug tegen de rugleuning. De
veiligheidsgordel moet vast zitten.
01 Veiligheid
Airbags
01
WAARSCHUWING
Plaats geen voorwerpen voor of boven op
het dashboard in het gebied waar de passagiersairbag is aangebracht.
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen voorin, wanneer de
airbag aan die kant geactiveerd is.
Laat nooit iemand voor de passagierstoel
zitten of staan.
Personen kleiner dan 1,40 m mogen nooit
op de passagiersstoel voorin plaatsnemen,
als de airbag geactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren.
21
01 Veiligheid
01
Airbag activeren/deactiveren*
PACOS deactiveren met sleutel*
Algemene informatie
De passagiersairbag (SRS) voorin kan gedeactiveerd worden met een schakelaar als de auto
is uitgerust met PACOS (Passenger Airbag Cut
Off Switch). Zie de tekst onder het kopje Activeren/deactiveren voor informatie over activering/deactivering.
Schakelaar voor deactivering met sleutel
De schakelaar voor activering/deactivering van
de passagiersairbag, PACOS (Passenger Airbag Cut Off Switch) zit aan de passagierszijde
aan de zijkant van het dashboard en u kunt erbij
door het portier aan die kant te openen (zie
onder het navolgende kopje ‘Activering/deactivering’).
Controleer of de schakelaar in de gewenste
stand staat. Volvo adviseert u het sleutelblad
van de transpondersleutel te gebruiken om de
stand te wijzigen.
Voor informatie over het sleutelblad, zie
pagina 50.
WAARSCHUWING
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren voor de inzittenden.
22
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
WAARSCHUWING
Activeren/deactiveren
Als de auto is uitgerust met een airbag aan
de passagierszijde maar geen PACOSschakelaar (Passenger Airbag Cut Off
Switch) heeft, is de airbag altijd geactiveerd.
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen op de passagiersstoel, als het brandende symbool
op
de plafondconsole aangeeft dat de passagiersairbag geactiveerd is. Het niet opvolgen van deze aanbeveling kan levensgevaarlijke situaties opleveren voor het kind.
WAARSCHUWING
Laat geen passagier op de passagiersstoel
plaatsnemen als het waarschuwingslampje
voor het airbagsysteem op het instrumentenpaneel oplicht, terwijl de melding op de
plafondconsole (zie pagina 23) aangeeft
dat de airbag aan die kant gedeactiveerd is.
Dit duidt op een ernstige storing. Bezoek zo
spoedig mogelijk een werkplaats. Volvo
adviseert u daarvoor contact op te nemen
met een erkende Volvo-werkplaats.
Locatie van de schakelaar voor activering/deactivering van de passagiersairbag.
De airbag is geactiveerd. Met de schakelaar in deze stand kunnen passagiers groter dan 1,40 m aan de passagierszijde op
de voorstoel zitten, maar kinderen in een
kinderzitje of op een kussen beslist niet.
De airbag is gedeactiveerd. Met de schakelaar in deze stand kunnen kinderen in
een kinderzitje of op een kussen aan de
passagierszijde op de voorstoel zitten,
maar passagiers groter dan 1,40 m beslist
niet.
01 Veiligheid
Airbag activeren/deactiveren*
WAARSCHUWING
Geactiveerde airbag
01
Gedeactiveerde airbag
Geactiveerde airbag (passagiersstoel):
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen op de passagiersstoel, wanneer de airbag aan die kant geactiveerd is. Laat evenmin personen die kleiner zijn dan 1,40 m op deze stoel plaatsnemen.
2
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren.
N.B.
Als de transpondersleutel in sleutelstand II
staat, brandt ca. 6 seconden lang het waarschuwingssymbool voor de airbag op het
instrumentenpaneel (zie pagina 19).
2
G017724
Personen groter dan 1,40 m mogen nooit op
de passagiersstoel plaatsnemen, als de airbag gedeactiveerd is.
G017800
Gedeactiveerde airbag (passagiersstoel):
Hiermee wordt aangegeven dat de airbag aan de
passagierszijde geactiveerd is.
Hiermee wordt aangeduid dat de airbag aan de
passagierszijde gedeactiveerd is.
Een waarschuwingslampje op de plafondconsole geeft aan of de passagiersairbag voorin
geactiveerd is (zie voorgaande afbeelding).
Een tekstmelding en een brandend lampje op
de plafondconsole geven aan dat de airbag
aan de passagierszijde gedeactiveerd is (zie
voorgaande afbeelding).
Daarna gaat de indicator op de plafondconsole branden die de status van de passagiersairbag aangeeft. Voor meer informatie
over de verschillende sleutelstanden van de
transpondersleutel, zie pagina 80.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
23
01 Veiligheid
SIPS-airbags (zij-airbags)
01
SIPS-airbag
WAARSCHUWING
Volvo adviseert u reparatiewerk over te
laten aan een erkende Volvo-werkplaats. Verkeerde ingrepen in het SIPSairbagsysteem kunnen aanleiding
geven tot storingen in de werking met
mogelijk ernstig lichamelijk letsel tot
gevolg.
•
Plaats geen voorwerpen tussen de
stoelen en de portierpanelen, omdat dit
gebied binnen de actieradius van de
SIPS-airbag ligt.
•
Volvo adviseert u alleen stoelhoezen te
gebruiken die door Volvo zijn goedgekeurd. Andere stoelhoezen kunnen de
SIPS-airbags in hun werking hinderen.
•
De SIPS-airbag vormt een aanvulling op
de veiligheidsgordel. Draag altijd een
veiligheidsgordel.
G032949
•
Bij een aanrijding in de zij wordt een groot deel
van de botskracht door het SIPS-systeem
(Side Impact Protection System) over balken,
stijlen, vloer, dak en andere delen van de carrosserie verdeeld. De SIPS-airbags aan de
bestuurders- en de passagierszijde beschermen de borstkas en de heupen en vormen een
belangrijk onderdeel van het SIPS-systeem.
Het SIPS-systeem bestaat uit twee hoofdonderdelen: de SIPS-airbags en de sensoren. De
SIPS-airbags zijn aangebracht in de rugleuningframes van de voorstoelen.
1
24
Positie
Bestuurdersplaats, auto met stuur links.
Kinderzitjes en SIPS-airbags
De SIPS-airbags beïnvloeden de beschermende werking van kinderzitje en/of comfortkussen niet negatief.
Het is mogelijk een kinderzitje/comfortkussen
op de voorstoel te plaatsen, als de auto aan de
passagierszijde niet is uitgerust met een geactiveerde1 airbag.
Voor informatie over het activeren/deactiveren van de airbag, zie pagina 22.
Passagiersplaats, auto met stuur links.
Het SIPS-systeem bestaat uit SIPS-airbags en
sensoren. Bij een voldoende krachtige aanrij-
01 Veiligheid
SIPS-airbags (zij-airbags)
01
ding reageren de sensoren, die op hun beurt
de gasgeneratoren activeren. De SIPS-airbags
worden vervolgens opgeblazen tussen de
inzittende en het portierpaneel. Daarmee vangen de SIPS-airbags de klap van de aanrijding
op voor de inzittende, waarna de airbags weer
leeglopen. De SIPS-airbag wordt normaal
gesproken alleen opgeblazen aan de kant van
de aanrijding.
25
01 Veiligheid
01
Opblaasgordijnen (IC-systeem)
Eigenschappen
WAARSCHUWING
Hang of bevestig nooit zware voorwerpen
aan de plafondhandgrepen. De haak is
alleen bedoeld voor niet al te zware kledingstukken (en niet voor harde voorwerpen
zoals paraplu’s).
Schroef of bevestig geen onderdelen op de
plafondbekleding, portierstijlen of de zijpanelen van de auto. Ze kunnen daarbij hun
beschermende werking verliezen. Volvo
adviseert u uitsluitend originele Volvoonderdelen, bestemd voor montage op
deze plaatsen, te gebruiken.
De opblaasgordijnen van het IC-systeem (Inflatable Curtain) maken deel uit van het SIPSsysteem en de airbags. Ze zitten verborgen
achter de plafondbekleding langs beide zijden
van de auto en beschermen inzittenden op de
buitenste zitplaatsen van de auto. Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren de sensoren, die op hun beurt de opblaasgordijnen
activeren. Het systeem helpt voorkomen dat
de bestuurder en eventuele passagiers bij een
botsing met hun hoofd tegen de binnenkant
van de auto slaan.
WAARSCHUWING
Zorg dat de lading in de auto niet uitsteekt
boven de denkbeeldige, horizontale lijn op
50 mm onder de bovenkant van de portierruiten. Anders is het mogelijk dat het
opblaasgordijn dat schuilgaat achter de plafondbekleding geen bescherming meer
biedt.
WAARSCHUWING
Het opblaasgordijn vormt een aanvulling op
de veiligheidsgordel.
Draag altijd de veiligheidsgordel.
26
01 Veiligheid
WHIPS
Bescherming tegen whiplash-letsel,
WHIPS
Het WHIPS-systeem (Whiplash Protection
System) bestaat uit energieabsorberende rugleuningen en speciaal voor het systeem ontwikkelde hoofdsteunen voor de beide voorstoelen. Het systeem wordt geactiveerd bij een
aanrijding van achteren, afhankelijk van de
hoek waaronder en de snelheid waarmee het
achteropkomende voertuig de auto raakt en de
materiaaleigenschappen van dat voertuig.
WAARSCHUWING
Het WHIPS-systeem vormt een aanvulling
op de veiligheidsgordels. Draag altijd de veiligheidsgordel.
01
WHIPS-systeem en kinderzitjes
Het WHIPS-systeem beïnvloedt de beschermende werking van kinderzitje en/of comfortkussen niet negatief.
Juiste zithouding
Voor optimale bescherming moeten de
bestuurder en de voorpassagier zoveel mogelijk in het midden van de stoel plaatsnemen en
de afstand tussen het hoofd en de hoofdsteun
zo klein mogelijk houden.
Zorg dat u de werking van het WHIPSsysteem niet nadelig beïnvloedt
Eigenschappen van de stoel
Als het WHIPS-systeem wordt geactiveerd,
klappen de rugleuningen van de voorstoelen
naar achteren zodat de zithouding van de
bestuurder en de passagier op de voorstoelen
verandert. Zo wordt de kans op zogeheten whiplash-letsel beperkt.
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen in de stoel of het
WHIPS-systeem aan en probeer ze nooit
zelf te repareren. Volvo adviseert u daarvoor
contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats.
Plaats geen voorwerpen op de vloer achter de
bestuurders- of passagiersstoel die het WHIPSsysteem kunnen hinderen.
27
01 Veiligheid
01
WHIPS
WAARSCHUWING
Plaats geen koffer of iets dergelijks tussen
het zitgedeelte van de achterbank en de
rugleuning van de voorstoelen. Let erop dat
u de werking van het WHIPS-systeem niet
beïnvloedt.
WAARSCHUWING
Als de stoel heeft blootgestaan aan grote
krachten zoals bij een aanrijding van achteren, moet u het WHIPS-systeem laten
controleren. Volvo adviseert u het te laten
controleren door een erkende Volvo-werkplaats.
Het WHIPS-systeem kan een deel van zijn
beschermende eigenschappen hebben verloren, zelfs als de stoel ogenschijnlijk intact
is.
Volvo adviseert u contact op te nemen met
een erkende Volvo-werkplaats voor een
controle van het systeem, ook na een lichte
aanrijding van achteren.
Plaats geen voorwerpen op de achterbank die het
WHIPS-systeem kunnen hinderen.
WAARSCHUWING
Als u een van de ruggedeelten van de achterbank hebt omgeklapt, moet u de voorstoel aan dezelfde kant naar voren schuiven
zodat de rugleuning van de stoel niet tegen
het omgeklapte ruggedeelte van de achterbank aankomt.
28
01 Veiligheid
Activering van de veiligheidssystemen
Activering van de veiligheidssystemen
Systeem
Activering
Gordelspanners
voorstoelen
Bij een frontale botsing en/of aanrijding
in de zij, van achteren en/of kantelen
Gordelspanners
achterbank
A
Bij een frontale botsing en/of aanrijding
in de zij en/of kantelen
Airbags (SRS)
Bij een frontale botsing.A
SIPS-airbags
Bij een aanrijding in
de zijA
Opblaasgordijnen
(IC)
Bij een aanrijding in
de zij en/of bepaalde
frontale aanrijdingenA
WHIPS-systeem
Bij aanrijdingen van
achteren
Het is mogelijk dat de airbags niet worden opgeblazen,
ondanks dat de carrosserie van de auto danig vervormd
raakt. Enkele factoren zoals de stijfheid en het gewicht van
het lichaam waarmee de auto in botsing komt, de snelheid
van de auto, de hoek waaronder de botsing plaatsvindt e.d.
zijn van invloed op de wijze van activering van de verschillende veiligheidssystemen in de auto.
Wanneer de airbags werden opgeblazen, adviseert Volvo u het volgende:
• Laat de auto wegslepen. Volvo adviseert u
hem te laten wegslepen naar een erkende
Volvo-werkplaats. Rijd niet met opgeblazen airbags.
• Volvo adviseert u het vervangen van de
onderdelen van de veiligheidssystemen in
de auto over te laten aan een erkende
Volvo-werkplaats.
• Neem altijd contact op met een arts.
01
WAARSCHUWING
Rijd nooit met opgeblazen airbags. Ze kunnen u bij het sturen danig in de weg zitten.
Ook de andere veiligheidssystemen kunnen
beschadigd zijn. Langdurige blootstelling
aan de rook- en stofdeeltjes die vrijkomen
bij het opblazen van de airbags kan oog- en
huidirritatie veroorzaken. Spoel bij irritatie
met koud water. De snelheid waarmee de
airbags/gordijnen worden opgeblazen kan
in combinatie met de toegepaste materialen
resulteren in schaaf- en brandwonden aan
de huid.
N.B.
De airbags en de gordelspanners worden bij
een botsing slechts eenmaal geactiveerd.
WAARSCHUWING
De regelmodule van het airbagsysteem zit
in de middenconsole. Als de middenconsole doorweekt geraakt is, moet u de accukabels loskoppelen. Probeer de auto niet te
starten, omdat de airbags daarbij geactiveerd kunnen worden. Laat de auto wegslepen. Volvo adviseert u hem te laten wegslepen naar een erkende Volvo-werkplaats.
29
01 Veiligheid
01
Safety mode
Rijden na een aanrijding
Als alles normaal lijkt en u hebt vastgesteld dat
er geen brandstof lekt, kunt u proberen de
motor te starten.
Neem de transpondersleutel uit en open het
bestuurdersportier. Als er vervolgens een melding verschijnt dat het contact ingeschakeld is,
dient u op de startknop te drukken. Sluit het
portier vervolgens en plaats de transpondersleutel terug. De elektronica van de auto probeert nu te resetten naar de normale stand.
Probeer vervolgens de auto te starten.
Als de auto betrokken is geweest bij een aanrijding, kan de melding Safety mode Zie
instructieb. op het informatiedisplay verschijnen. Dit betekent dat de functionaliteit van de
auto is verminderd. Safety mode is een veiligheidsfunctie die in werking treedt wanneer de
aanrijding belangrijke onderdelen van de auto
zoals de brandstofleidingen, de sensoren voor
een van de veiligheidssystemen of het remsysteem, kan hebben beschadigd.
Auto proberen te starten
Controleer eerst of er geen brandstof uit de
auto is gelopen. Er mag evenmin een brandstofgeur waarneembaar zijn.
30
Als de melding Safety mode Zie
instructieb. nog steeds op het display staat,
mag u niet met de auto rijden en hem evenmin
verslepen. Verborgen schade kan de auto tijdens het rijden onbestuurbaar maken, zelfs als
het lijkt dat u nog met de auto kunt rijden.
Auto verzetten
Als de melding Normal mode wordt weergegeven nadat de Safety mode Zie
instructieb. is gereset, mag u de auto voorzichtig uit de huidige, gevaarlijke positie verrijden. Verrijd de auto niet verder dan nodig.
WAARSCHUWING
Probeer nooit zelf de auto te repareren of de
elektronische onderdelen te resetten nadat
de auto in de Safety mode heeft gestaan. Dit
kan aanleiding geven tot letsel of een
slechte functie van de auto. Volvo adviseert
u de auto altijd in een erkende Volvo-werkplaats te laten controleren en naar Normal
Mode te laten resetten nadat de melding
Safety mode Zie instructieb. is verschenen.
WAARSCHUWING
Probeer in geen geval de auto opnieuw te
starten, als u een brandstofgeur waarneemt
terwijl de melding Safety mode Zie
instructieb. getoond wordt. Verlaat de auto
onmiddellijk.
WAARSCHUWING
De auto mag niet worden weggesleept
zolang deze in de Safety mode staat. De
auto moet worden weggesleept. Volvo adviseert u hem te laten wegslepen naar een
erkende Volvo-werkplaats.
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Kinderen moeten comfortabel en veilig
kunnen zitten
Volvo adviseert u kinderen zo lang mogelijk te
vervoeren in een achterstevoren gemonteerd
kinderzitje (in ieder geval tot een leeftijd van
3–4 jaar) en daarna tot een leeftijd van 10 jaar
op/in een comfortkussen of een kinderzitje dat
in de rijrichting geplaatst is.
De plaats van het kind in de auto en de vereiste
uitrusting zijn afhankelijk van het gewicht en de
lengte van het kind (voor meer informatie, zie
pagina 33).
optimale voorwaarden voor een veilig vervoer
van uw kind(eren), u weet bovendien zeker dat
de producten passen en eenvoudig in het
gebruik zijn.
N.B.
Neem voor duidelijker instructies voor de
bevestiging van kinderveiligheidsproducten
contact op met de producent.
01
N.B.
Bij gebruik van op de markt verkrijgbare kinderveiligheidsproducten is het van belang
dat u de bijgeleverde montage-instructies
zorgvuldig doorleest en nauwkeurig
opvolgt.
WAARSCHUWING
Zet de bevestigingsband van het kinderzitje
niet aan de lengteverstelstang, veren of rails
en balken onder de stoel vast. Scherpe
randen kunnen de bevestigingsband
beschadigen.
Kinderzitjes
N.B.
Raadpleeg voor de juiste montage de montage-instructies bij het kinderzitje.
De wettelijke bepalingen voor het vervoer
van kinderen in de auto verschillen van land
tot land. Ga na welke regels er in uw land
van kracht zijn.
Positie van kinderzitjes
Het volgende kan worden gebruikt:
Ongeacht leeftijd en lengte moeten kinderen
altijd met de gordel goed om in de auto zitten.
Laat kinderen nooit bij passagiers op schoot
zitten.
Volvo beschikt over kinderveiligheidsproducten (kinderzitjes, comfortkussen en bevestigingsmaterialen) die speciaal voor uw auto zijn
ontwikkeld. Wanneer u voor kinderveiligheidsproducten van Volvo kiest schept u niet alleen
1
G020739
• een kinderzitje/comfortkussen op de pasKinderzitjes en airbags gaan niet samen.
sagiersstoel, zolang de airbag aan de passagierszijde gedeactiveerd1 is.
• en of meer kinderzitjes/comfortkussen op
de achterbank.
Plaats kinderzitjes/comfortkussens altijd op de
achterbank als de airbag aan de passagierszijde geactiveerd is. Als de airbag wordt opge-
Voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag, zie pagina 22.
31
01 Veiligheid
01
Kinderen en veiligheid
blazen, kan een kind op de passagiersstoel
ernstig letsel oplopen.
WAARSCHUWING
Zet nooit een kind in een kinderzitje op de
passagiersstoel als de airbag (SRS) is geactiveerd.
Personen kleiner dan 1,40 m mogen nooit
op de passagiersstoel voorin plaatsnemen,
als de airbag (SRS) geactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren.
32
WAARSCHUWING
Sticker airbag
Gebruik geen kinderzitjes met stalen beugels of andere constructies die tegen de
ontgrendelingsknop van de gordelsluiting
kunnen aankomen. Dit om te voorkomen
dat de gordels plotseling losschieten.
Zorg dat het kinderzitje niet met de bovenkant tegen de voorruit aankomt.
De sticker is zichtbaar bij het openen van het passagiersportier, zie afbeelding op pagina 22.
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
Aanbevolen kinderzitjes2
Gewicht
Voorstoel (met gedeactiveerde
airbag)
Groep 0
Buitenste zitplaats achterbank
Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) achterstevoren gemonteerd kinderzitje
bevestigd met ISOFIX-systeem.
max. 10 kg
Groep 0+
Typegoedkeuring: E5 03301146
max. 13 kg
(L)
Groep 0
Middelste zitplaats achterbank
Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) –
achterstevoren gemonteerd kinderzitje
bevestigd met veiligheidsgordel.
Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) –
achterstevoren gemonteerd kinderzitje
bevestigd met veiligheidsgordel.
Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) –
achterstevoren gemonteerd kinderzitje
bevestigd met veiligheidsgordel.
Groep 0+
Typegoedkeuring: E1 04301146
Typegoedkeuring: E1 03301146
Typegoedkeuring: E1 03301146
max. 13 kg
(U)
(U)
(U)
Groep 0
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje (Child Seat) – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met
veiligheidsgordel en bevestigingsband. Gebruik een veiligheidskussen
tussen het kinderzitje en het dashboard.
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje (Child Seat) – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met
veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje (Child Seat) – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met
veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 03135
Typegoedkeuring: E5 03135
(L)
(L)
max. 10 kg
max. 10 kg
Groep 0+
max. 13 kg
Typegoedkeuring: E5 03135
(L)
2
Om andere kinderzitjes te kunnen gebruiken dient uw auto op de lijst van de producent te staan of een universele goedkeuring te hebben conform ECE R44.
``
33
01 Veiligheid
01
Kinderen en veiligheid
Gewicht
Voorstoel (met gedeactiveerde
airbag)
Buitenste zitplaats achterbank
Middelste zitplaats achterbank
Groep 0
Kinderzitjes met universele goedkeuring.
Kinderzitjes met universele goedkeuring.
Kinderzitjes met universele goedkeuring.
(U)
(U)
(U)
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo
Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd
met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo
Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd
met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 04192
Typegoedkeuring: E5 04192
(L)
(L)
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje (Child Seat) – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met
veiligheidsgordel en bevestigingsband. Gebruik een veiligheidskussen
tussen het kinderzitje en het dashboard.
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje (Child Seat) – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met
veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje (Child Seat) – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met
veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 03135
Typegoedkeuring: E5 03135
(L)
(L)
max. 10 kg
Groep 0+
max. 13 kg
Groep 1
9–18 kg
Groep 1
9–18 kg
Typegoedkeuring: E5 03135
(L)
34
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Gewicht
Voorstoel (met gedeactiveerde
airbag)
Groep 1
Buitenste zitplaats achterbank
01
Middelste zitplaats achterbank
Britax Fixway – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met
ISOFIX-systeem en bevestigingsband.
9–18 kg
Typegoedkeuring: E5 03171
(L)
Groep 1
9–18 kg
Groep 2
15–25 kg
Groep 2
15–25 kg
Kinderzitjes met universele goedkeuring.
Kinderzitjes met universele goedkeuring.
Kinderzitjes met universele goedkeuring.
(U)
(U)
(U)
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo
Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd
met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo
Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd
met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo
Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd
met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 04192
Typegoedkeuring: E5 04192
Typegoedkeuring: E5 04192
(L)
(L)
(L)
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo
Convertible Child Seat) – in rijrichting
gemonteerd kinderzitje bevestigd met
veiligheidsgordel.
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo
Convertible Child Seat) – in rijrichting
gemonteerd kinderzitje bevestigd met
veiligheidsgordel.
Typegoedkeuring: E5 04191
Typegoedkeuring: E5 04191
(L)
(L)
``
35
01 Veiligheid
01
Kinderen en veiligheid
Gewicht
Voorstoel (met gedeactiveerde
airbag)
Buitenste zitplaats achterbank
Middelste zitplaats achterbank
Groep 2/3
Volvo-comfortkussen met rugleuning
(Volvo Booster Seat with backrest).
Volvo-comfortkussen met rugleuning
(Volvo Booster Seat with backrest).
Volvo-comfortkussen met rugleuning
(Volvo Booster Seat with backrest).
Typegoedkeuring: E1 04301169
Typegoedkeuring: E1 04301169
Typegoedkeuring: E1 04301169
(UF)
(UF)
(UF)
Kinderzitje met of zonder rugleuning
(Booster Cushion with and without
backrest).
Kinderzitje met of zonder rugleuning
(Booster Cushion with and without
backrest).
Kinderzitje met of zonder rugleuning
(Booster Cushion with and without
backrest).
Typegoedkeuring: E5 03139
Typegoedkeuring: E5 03139
Typegoedkeuring: E5 03139
(UF)
(UF)
(UF)
15–36 kg
Groep 2/3
15–36 kg
Groep 2/3
15–36 kg
Geïntegreerd kinderzitje (Integrated
Booster Cushion) – verkrijgbaar als
fabrieksoptie.
Typegoedkeuring: E5 04189
(B)
L: Geschikt voor specifieke kinderzitjes. Deze kinderzitjes kunnen bestemd zijn voor een bepaald automerk, voor een beperkte groep merken of
semi-universeel zijn.
U: Geschikt voor kinderzitjes in deze gewichtscategorie met universele goedkeuring.
UF: Geschikt voor in rijrichting gemonteerde kinderzitjes in deze gewichtscategorie met universele goedkeuring.
B: Geïntegreerde kinderzitjes met goedkeuring voor deze gewichtscategorie.
36
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Geïntegreerde kinderzitjes met twee
standen*
De geïntegreerde kinderzitjes zijn speciaal ontworpen om kinderen optimale bescherming te
bieden. In combinatie met de aanwezige veiligheidsgordels zijn de kinderzitjes goedgekeurd voor kinderen met een gewicht van 15
tot 36 kg en een lengte van minimaal 95 cm.
Gewicht
Stand 1
Stand 2
22–36 kg
15–25 kg
01
Stand 1
Zorg alvorens weg te rijden dat:
• het geïntegreerde kinderzitje met twee
standen correct ingesteld (zie tabel op
pagina 37) en vergrendeld is
G017875
• de veiligheidsgordel goed strak langs het
Goede positie: de gordel loopt over de schouder.
lichaam van het kind loopt en nergens slap
hangt of verdraaid is
• de veiligheidsgordel niet tegen de nek van
het kind aankomt of onder de schouder
langs loopt (zie voorgaande afbeeldingen)
• de heupgordel laag over het bekken loopt,
zodat deze maximale bescherming biedt.
Voor aanwijzingen voor het gebruik van het
kinderzitje met twee standen (zie pagina 37–
38).
Trek de handgreep naar voren en omhoog
om het kinderzitje vrij te geven.
Kinderzitje met twee standen uitklappen
Verkeerde positie: het hoofd mag niet boven de
hoofdsteun uitsteken en de gordel mag niet onder
de schouder lopen.
Het geïntegreerde kinderzitje is in twee standen uit te klappen. In welke stand u het kinderzitje moet uitklappen hangt af van het
gewicht van het kind.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
37
01 Veiligheid
01
Kinderen en veiligheid
N.B.
Het is niet mogelijk het kinderzitje vanuit
stand 2 in stand 1 te zetten. U moet het zitje
dan eerst volledig neerklappen in het zitgedeelte. Zie de tekst onder het kopje Kinderzitje met twee standen neerklappen.
Duw het kinderzitje naar achteren om het te
vergrendelen.
Stand 2
G017784
G017697
Kinderzitje met twee standen
neerklappen
Til het kinderzitje aan de voorkant op en
duw het achteruit tegen het ruggedeelte aan
om het te vergrendelen.
Het kinderzitje is zowel vanuit de bovenste als
vanuit de onderste stand volledig neer te klappen in het zitgedeelte. Het is echter niet mogelijk het kinderzitje vanuit de bovenste stand in
de onderste stand te zetten.
WAARSCHUWING
Werk vanuit de onderste stand. Druk op de
knop.
38
Volvo adviseert u reparatie- en vervangingswerk over te laten aan een erkende Volvowerkplaats. Verricht geen wijzigingen in of
aanpassingen aan het geïntegreerde kinderzitje. Als een geïntegreerd kinderzitje aan
grote krachten heeft blootgestaan zoals tijdens een aanrijding, moet u het geïntegreerde kinderzitje in zijn geheel vervangen.
Ook als het geïntegreerde kinderzitje er
intact uitziet, kunnen er toch beschermende
eigenschappen verloren zijn gegaan. Het
geïntegreerde kinderzitje moet ook worden
vervangen als het erg versleten is.
Trek de handgreep naar voren om het zitje
vrij te geven.
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
N.B.
Bij het omklappen van het ruggedeelte van
de achterbank dient u eerst het kinderzitje
neer te klappen.
Kinderslot achterportieren
Duw het zitje met uw hand omlaag om het
zitje te vergrendelen.
WAARSCHUWING
De bedieningsknoppen voor de ruiten in de
achterportieren en de openingshandgrepen op
de achterportieren zijn te blokkeren, zodat de
achterportieren en de zijruiten niet meer van de
binnenzijde kunnen worden geopend. Voor
meer informatie, zie pagina 65.
ISOFIX-bevestigingssysteem voor
kinderzitjes
Als u de gebruiksinstructies voor het kinderzitje met twee standen niet opvolgt, is
het bij een aanrijding niet uitgesloten dat het
kind ernstig letsel oploopt.
01
bank gaan de bevestigingspunten voor het
ISOFIX-systeem schuil.
Symbolen op de bekleding van de ruggedeelten (zie voorgaande afbeelding) geven de positie van deze bevestigingspunten aan.
Duw het zitgedeelte van de zitplaats omlaag
om bij de bevestigingspunten te komen.
Houd u altijd aan de montage-instructies van
de fabrikant, wanneer u een kinderzitje/babyzitje aan de ISOFIX-bevestigingspunten vastzet.
Afmetingscategorieën
Kinderzitjes kunnen net als auto’s verschillende afmetingen hebben. Kinderzitjes passen
daardoor niet op alle zitplaatsen van de verschillende modellen.
Voor kinderzitjes met een ISOFIX-bevestigingssysteem zijn er daarom afmetingscategorieën om gebruikers te helpen bij het kiezen
van het juiste kinderzitje (zie volgende tabel).
BELANGRIJK
Controleer voordat u het kinderzitje weer
neerklapt of er geen losse voorwerpen
(zoals stukken speelgoed) in het gebied
onder het zitje liggen.
Achter de onderkant van de ruggedeelten op
de beide buitenste zitplaatsen van de achter-
39
01 Veiligheid
01
Kinderen en veiligheid
AfmeBeschrijving
tingscategorie
N.B.
AfmeBeschrijving
tingscategorie
A
Normale grootte, in rijrichting
gemonteerd kinderzitje
E
Achterstevoren gemonteerd
babyzitje
B
Beperkte grootte (optie 1), in
rijrichting gemonteerd kinderzitje
F
Overdwars gemonteerd
babyzitje, links
B1
Beperkte grootte (optie 2), in
rijrichting gemonteerd kinderzitje
C
Normale grootte, achterstevoren gemonteerd kinderzitje
D
Beperkte grootte, achterstevoren gemonteerd kinderzitje
G
Als een ISOFIX-kinderzitje geen afmetingscategorie heeft, dient uw model op de lijst
met auto’s te staan waarvoor het kinderzitje
zich leent.
N.B.
Volvo adviseert u contact op te nemen met
een Volvo-werkplaats over de ISOFIX-kinderzitjes die Volvo aanbeveelt.
Overdwars gemonteerd
babyzitje, rechts
WAARSCHUWING
Plaats een kind nooit op de passagiersstoel
voorin, als de auto is uitgerust met een
geactiveerde airbag aan die kant.
Verschillende soorten ISOFIX-kinderzitjes
Type kinderzitje
Babyzitje, overdwars
40
Gewicht
max. 10 kg
Afmetingscategorie
Zitplaatsen voor montage ISOFIX-kinderzitje
Voorstoel
Buitenste zitplaats achterbank
F
X
X
G
X
X
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Type kinderzitje
Babyzitje, achterstevoren
Gewicht
max. 10 kg
Afmetingscategorie
E
01
Zitplaatsen voor montage ISOFIX-kinderzitje
Voorstoel
Buitenste zitplaats achterbank
X
OK
(IL)
Babyzitje, achterstevoren
max. 13 kg
E
X
OK
(IL)
D
X
OK
(IL)
C
X
OK
(IL)
Kinderzitje, achterstevoren
9–18 kg
D
X
OK
(IL)
C
X
OK
(IL)
``
41
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
Type kinderzitje
Kinderzitje, in rijrichting
Gewicht
9–18 kg
Afmetingscategorie
B
Zitplaatsen voor montage ISOFIX-kinderzitje
Voorstoel
Buitenste zitplaats achterbank
X
OKA
(IUL)
B1
X
OKA
(IUL)
A
X
OKA
(IUL)
X: De ISOFIX-stand leent zich niet voor ISOFIX-kinderzitjes in deze gewichts- en/of afmetingscategorie.
IL: Geschikt voor specifieke ISOFIX-kinderzitjes. Deze kinderzitjes kunnen bestemd zijn voor een bepaald automerk, voor een beperkte groep
merken of semi-universeel zijn.
IUF: Geschikt voor in rijrichting gemonteerd ISOFIX-kinderzitje met universele goedkeuring voor deze gewichtscategorie.
A
42
Volvo adviseert een achterstevoren gemonteerd kinderzitje voor deze categorie.
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Bovenste bevestigingspunten voor
kinderzitjes
01
N.B.
Klap de hoofdsteunen omlaag om het monteren van dit type kinderzitje te vereenvoudigen bij auto’s met neerklapbare hoofdsteunen op de beide buitenste zitplaatsen.
N.B.
Bij een bagageruimte die met een bagagerolhoes kan worden afgedekt, dient de rolhoes te worden verwijderd voordat er een
kinderzitje aan de bevestigingspunten kan
worden vastgezet.
De auto is uitgerust met bovenste bevestigingspunten voor bepaalde kinderzitjes die in
de rijrichting worden gemonteerd. Deze bevestigingspunten zitten achter op het zitgedeelte
van de achterbank.
De bovenste bevestigingspunten zijn voornamelijk bestemd om een in de rijrichting gemonteerd kinderzitje aan te bevestigen. Volvo adviseert u kleine kinderen zo lang mogelijk in een
achterstevoren gemonteerd kinderzitje te blijven vervoeren.
Zie de aanwijzingen van de fabrikant van het
kinderzitje voor gedetailleerde informatie over
de manier waarop u het zitje aan de bovenste
bevestigingspunten vastzet.
WAARSCHUWING
De bevestigingsband van het kinderzitje
altijd door de opening in de ene poot van de
hoofdsteun halen, alvorens de band aan het
bevestigingspunt vast te zetten.
43
Transpondersleutel/sleutelblad...............................................................
Privacy locking*.......................................................................................
Batterij vervangen transpondersleutel/PCC*..........................................
Keyless drive*..........................................................................................
Vergrendelen/ontgrendelen....................................................................
Kinderslot................................................................................................
Alarm*......................................................................................................
44
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
46
52
54
56
59
65
66
SLOTEN EN ALARM
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutelblad
02
Algemeen
Zoekgeraakte transpondersleutel
Bij de auto worden 2 transpondersleutels of
PCC’s (Personal Car Communicator geleverd.
U gebruikt ze om de auto te starten en deze te
vergrendelen en ontgrendelen.
Bij verlies van een transpondersleutel kunt u
een nieuwe bestellen bij een werkplaats –
geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats. Neem de resterende transpondersleutels mee naar de werkplaats. Ter voorkoming
van diefstal moet de code van de zoekgeraakte
transpondersleutel uit het systeem worden
gewist.
U kunt meerdere transpondersleutels nabestellen – voor dezelfde auto kunnen tot
6 stuks worden geprogrammeerd en gebruikt.
De transpondersleutel bevat een uit afneembaar, metalen sleutelblad. Het zichtbare deel
bestaat in twee uitvoeringen om de transponders van elkaar te kunnen onderscheiden.
PCC’s kennen meer functies dan een transpondersleutel in standaarduitvoering. De rest
van dit hoofdstuk gaat over functies die voorkomen op zowel de PCC als op de transpondersleutel.
WAARSCHUWING
Als er kinderen in de auto aanwezig zijn:
Denk eraan altijd de stroom naar de elektrisch bedienbare ramen en het dakluik te
onderbreken door de transpondersleutel
eruit te halen wanneer de bestuurder de
auto verlaat.
Hoeveel sleutels er voor de auto geprogrammeerd zijn kunt u controleren in het menusysteem MY CAR onder Informatie Aantal
sleutels. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie pagina 213.
Sleutelgeheugen1, buitenspiegels en
bestuurdersstoel
De instellingen worden automatisch gekoppeld aan de transpondersleutel die op dat
moment in gebruik is, zie pagina 83 en 106.
De functie is te activeren/deactiveren in het
menusysteem MY CAR onder Instellingen
Auto-instellingen Sleutelgeheugen.
Voor een beschrijving van het menusysteem,
zie pagina 213.
Zie voor auto’s met Keyless drive-systeem zie
pagina 56.
1
2
46
Alleen in combinatie met een elektrisch bedienbare bestuurdersstoel en elektrisch inklapbare buitenspiegels.
Alleen auto’s met elektrisch inklapbare buitenspiegels.
Knippersignalen bij vergrendelen/
ontgrendelen
Wanneer u de auto vergrendelt of ontgrendelt
met een transpondersleutel, lichten de richtingaanwijzers een bepaald aantal malen op
om aan te geven dat de auto op de juiste
manier vergrendeld/ontgrendeld is.
• Vergrendelen – eenmaal oplichten en de
buitenspiegels worden ingeklapt2.
• Ontgrendelen – tweemaal oplichten en de
buitenspiegels worden uitgeklapt2.
Bij het vergrendelen gebeurt dit alleen als alle
portieren na het sluiten correct zijn vergrendeld.
Functie kiezen
In het menusysteem van de auto zijn verschillende opties in te stellen voor bevestiging bij
vergrendeling/ontgrendeling middels lichtsignalen, zie pagina 213.
Ga in het menusysteem MY CAR naar
Instellingen Auto-instellingen
Lichtinstellingen en markeer Lichtsignaal
deurvergrendeling en/of Lichtsignaal bij
ontgrendeling.
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutelblad
Elektronische startblokkering
Elke transpondersleutel heeft zijn eigen, unieke
code. U kunt de auto alleen starten, wanneer u
een transpondersleutel met de juiste code
gebruikt.
Melding
Betekenis
Melding
Betekenis
Plaats sleutel
Storing tijdens het
uitlezen van de
transpondersleutel
tijdens het starten.
Sleutel uit het contactslot trekken, er
weer in drukken en
een nieuwe startpoging doen.
Startblokkering
Start opnieuw
Autosleutel niet
gevonden
Storing tijdens het
uitlezen van de
transpondersleutel
tijdens het starten.
Nieuwe startpoging
doen.
Storing in het startblokkeringssysteem
tijdens het starten.
Als de storing aanhoudt: Neem dan
contact op met een
werkplaats. Geadviseerd wordt een
erkende Volvowerkplaats.
De onderstaande foutmeldingen op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel houden verband met de elektronische startblokkering:
02
Voor het starten van de auto, zie pagina 116.
Als de storing aanhoudt: Transpondersleutel in het
contactsleutel
duwen en een
nieuwe startpoging
doen.
``
47
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutelblad
Functies
Ontgrendelen – Ontgrendelt de portieren
en de achterklep en deactiveert het alarm.
02
Bij lang indrukken (ten minste 4 seconden)
worden alle zijruiten tegelijkertijd geopend.
De gelijktijdige ontgrendeling van alle portieren
is dusdanig te wijzigen dat bij eenmaal indrukken van de knop eerst het bestuurdersportier
ontgrendeld wordt en bij de tweede maal
indrukken – één en ander binnen 10 seconden
– de resterende portieren te ontgrendelen.
Transpondersleutel, standaardversie.
Vergrendelen
Transpondersleutel met PCC* - Personal Car
Communicator.
Informatie
Ontgrendelen
Functietoetsen
‘Approach’-verlichting
Vergrendelen – Vergrendelt de portieren
en de achterklep en activeert het alarm.
Achterklep
Paniekfunctie
Bij lang indrukken (ten minste 2 seconden)
worden alle zijruiten en het schuifdak* tegelijkertijd gesloten.
WAARSCHUWING
Controleer of niemand met de handen
bekneld raakt wanneer u het schuifdak en
de zijruiten vanaf de transpondersleutel
sluit.
De functie is te wijzigingen in het menusysteem
van MY CAR onder Instellingen Autoinstellingen Slotinstellingen Deuren
open met de beide opties Alle deuren en
Bestuurdersdeur: dan alle. Voor een
beschrijving van het menusysteem, zie
pagina 213.
Duur naderingslicht – Bestemd om de
verlichting van de auto op afstand in te schakelen. Voor meer informatie, zie pagina 96.
Achterklep – Ontgrendelt alleen de achterklep en deactiveert de alarmfunctie voor de
achterklep. Bij auto’s met elektrische achterklepbediening* wordt de klep geopend bij lang
indrukken. Voor meer informatie, zie
pagina 61.
Paniekfunctie – bestemd om in noodgevallen de aandacht van anderen te trekken.
48
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutelblad
Als u de toets ten minste 3 seconden lang ingedrukt houdt of tweemaal achtereen binnen 3
seconden indrukt, worden de richtingaanwijzers, de interieurverlichting en de claxon geactiveerd.
ding en is er een geluidssignaal waarneembaar.
U kunt deze functie met dezelfde toets weer
uitschakelen, als de functie minimaal 5 seconden actief geweest is. Als u niets doet, wordt
de functie na 2 minuten en 45 seconden automatisch uitgeschakeld.
• de transpondersleutel in het contactslot
Bereik transpondersleutel
De functies van de transpondersleutel zijn tot
op ca. 20 m afstand van de auto te gebruiken.
Wanneer de transpondersleutel weer in de auto
is gelegd, verdwijnen de waarschuwingsmelding en het geluidssignaal nadat:
wordt gestoken
• de rijsnelheid hoger is dan 30 km/h
• de knop OK is ingedrukt.
Unieke PCC-functies*
Als de auto niet reageert bij bediening van een
toets – probeer het dan op minder grote
afstand opnieuw.
Als alle transpondersleutels uit de auto worden
verwijderd, terwijl de motor loopt of als sleutelstand I of II actief is (zie pagina 80) en als
alle portieren worden gesloten, verschijnt op
het informatiedisplay een waarschuwingsmel-
02
Gebruik van de informatietoets
–
Druk op de informatietoets
.
> Ca. 7 seconden lang lichten de controlelampjes op de PCC om de beurt op.
Dit geeft aan dat informatie over de auto
wordt uitgelezen.
Als u gedurende dit tijdsbestek op een
van de andere toetsen drukt, wordt de
uitlezing beëindigd.
N.B.
Als bij herhaaldelijk gebruik van de
informatietoets – op verschillende tijdstippen en verschillende plaatsen – blijkt dat
geen van de controlelampjes gaat branden
(en dat evenmin na 7 seconden alsook
nadat de controlelampjes op de PCC om de
beurt oplichtten), dient u contact op te
nemen met een werkplaats – geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats.
N.B.
Er kunnen storingen optreden in de functies
van de transpondersleutel door radiogolven
in de lucht, omringende gebouwen, topografische omstandigheden e.d. Het is altijd
mogelijk de auto te vergrendelen/ontgrendelen met het sleutelblad, zie pagina 50.
Na een druk op de informatietoets kunt u
bepaalde informatie over de auto uitlezen aan
de hand van de controlelampjes.
Transpondersleutel met PCC* - Personal Car
Communicator.
Informatietoets
De controlelampjes verstrekken informatie
zoals aangegeven op de volgende afbeelding:
Controlelampjes
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
49
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutelblad
Als de auto niet reageert bij bediening van een
toets – probeer het dan op minder grote
afstand opnieuw.
02
N.B.
Er kunnen storingen optreden in de functie
van de informatietoets door radiogolven in
de lucht, omringende gebouwen, topografische omstandigheden e.d.
Buiten bereik PCC
Continu groen licht: de auto is vergrendeld.
Continu oranje licht: de auto is ontgrendeld.
Continu rood licht: het alarm is afgegaan
na vergrendeling van de auto.
De beide rode controlelampjes lichten
beurtelings rood op: het alarm is minder
dan 5 minuten geleden afgegaan.
Bereik PCC
Het bereik van de PCC voor vergrendeling,
ontgrendeling en bediening van de achterklep
is ca. 20 m rond de auto – voor de overige
functies geldt een maximumbereik van
ca. 100 m.
50
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Als de PCC op dermate grote afstand van de
auto is dat er geen informatie over de auto kan
worden uitgelezen, wordt de laatst bekende
status van de auto weergegeven zonder dat de
lampjes op de PCC om de beurt oplichten.
Als er meerdere PCC’s voor de auto in gebruik
zijn, geeft uitsluitend de PCC waarmee de auto
de laatste keer vergrendeld/ontgrendeld werd
de juiste status aan.
N.B.
Als binnen het bereik van de PCC geen
van de controlelampjes brandt bij het
indrukken van de informatietoets, vertoont
de communicatie tussen de PCC en de auto
mogelijk storingen onder invloed van radiogolven in de lucht, omringende gebouwen,
topografische omstandigheden e.d.
Afneembaar sleutelblad
De transpondersleutel bevat een afneembaar
metalen sleutelblad waarmee u enkele functies
kunt activeren en bepaalde handelingen kunt
uitvoeren.
De unieke code van de sleutelbladen is bekend
bij de erkende Volvo-werkplaatsen, waar ook
nieuwe sleutelbladen kunnen worden besteld.
Functies sleutelblad
U kunt het afneembare sleutelblad van de
transpondersleutel gebruiken om:
• het bestuurdersportier handmatig te openen, als de centrale vergrendeling niet te
bedienen is vanaf de transpondersleutel,
zie pagina 57.
• het mechanische kinderslot op de achterportieren te activeren/deactiveren, zie
pagina 65.
• de toegang tot het dashboardkastje en de
bagageruimte (Privacy locking*) te blokkeren, zie pagina 52.
• de airbag voor de voorpassagier
(PACOS)* te activeren/deactiveren, zie
pagina 22.
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutelblad
Sleutelblad verwijderen
Portier ontgrendelen met sleutelblad
Als de centrale vergrendeling niet op de transpondersleutel reageert (omdat de batterijen bijvoorbeeld leeg zijn), kunt u het bestuurdersportier op de volgende manier ontgrendelen en
openen:
02
1. Ontgrendel het bestuurdersportier met het
sleutelblad in de slotcilinder van de portierhandgreep.
Zie ook de afbeelding en de overige informatie op zie pagina 57.
Haal de veerbelaste pal opzij.
Trek tegelijkertijd het sleutelblad naar achteren.
N.B.
Wanneer u het portier met het sleutelblad
ontgrendeld hebt en vervolgens opent, gaat
het alarm af.
Sleutelblad aanbrengen
Plaats het sleutelblad voorzichtig terug in de
transpondersleutel.
2. Schakel het alarm uit door de transpondersleutel in het contactslot te steken.
1. Houd de transpondersleutel met de gleuf
omhoog en laat het sleutelblad in de gleuf
zakken.
Zie voor auto’s met Keyless-systeem zie
pagina 57.
2. Duw voorzichtig tegen het sleutelblad. U
hoort een klikgeluid wanneer het sleutelblad goed vastzit.
51
02 Sloten en alarm
Privacy locking*
De functie Privacy locking is bestemd voor als
u de auto afgeeft voor een onderhoudsbeurt of
als u hem bij een hotel of iets dergelijks laat
parkeren. Het dashboardkastje is dan vergrendeld en het achterklepslot is niet via de centrale
vergrendeling te openen – de achterklep is niet
meer te bedienen met de knoppen op de voorportieren of die op de transpondersleutel.
G017869
02
Algemene informatie over Privacy
locking
Vergrendelingspunten voor transpondersleutel
met sleutelblad.
Dit betekent dat de transpondersleutel zonder
het sleutelblad alleen kan worden gebruikt om
het alarm te activeren/deactiveren, de portieren te openen en in de auto te rijden.
De transpondersleutel zonder sleutelblad kunt
u vervolgens overhandigen aan service- of
hotelpersoneel – het losse sleutelblad houdt u
bij zich.
N.B.
G017870
Vergeet niet de bagagerolhoes over de
lading heen uit te rollen voordat u de achterklep sluit (zie pagina 325).
Vergrendelingspunten voor transpondersleutel
zonder sleutelblad (Privacy locking geactiveerd).
52
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Activeren/deactiveren
Privacy locking activeren.
Privacy locking activeren:
Duw het sleutelblad in de slotcilinder van
het dashboardkastje.
Draai het sleutelblad 180 graden rechtsom.
Bij een vergrendeld kastje staat het sleutelgat verticaal.
Neem het sleutelblad uit. Ondertussen verschijnt een melding op het informatiedisplay.
Het dashboardkastje is daarmee vergrendeld
en de achterklep is niet meer te ontgrendelen
via de transpondersleutel of de knop voor centrale vergrendeling.
02 Sloten en alarm
Privacy locking*
N.B.
Plaats het sleutelblad niet in de transpondersleutel terug, maar houd het bij u en
bewaar het goed.
02
• Houd voor het deactiveren de omgekeerde
volgorde aan.
Om alleen het dashboardkastje te vergrendelen, zie pagina 60.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
53
02 Sloten en alarm
Batterij vervangen transpondersleutel/PCC*
Accu vervangen
02
Batterij vervangen
Let erop hoe de batterij(en) aan de binnenzijde van de afdekking vastzit(ten). Let
daarop op de pluszijde + en de minzijde –.
Vervang de batterijen, als:
• het informatiesymbool oplicht en
Afst.bediening batterij raakt leeg.
Vervang de batterij. op het display staat
Transpondersleutel (1 batterij)
en/of
1. Werk de batterij voorzichtig los.
• de sloten herhaalde malen achtereen niet
2. Plaats een nieuwe met de pluszijde (+)
omlaag.
reageren op het signaal van een transpondersleutel die zich binnen een straal van
20 m rond de auto bevindt.
Openen
Haal de veerbelaste pal opzij.
Trek tegelijkertijd het sleutelblad naar
achteren.
Steek een kruiskopschroevendraaier
met een dikte van 3 mm in de opening achter de veerbelaste pal en werk de transpondersleutel voorzichtig open.
N.B.
Houd de transpondersleutel met de toetsen
omhoog om te voorkomen dat de batterijen
bij het openen van de afdekking op de grond
vallen.
BELANGRIJK
Kom niet met uw vingers aan de polen van
de batterijen of de contactvlakken, omdat
ze daardoor slechter kunnen presteren.
54
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
PCC* (2 batterijen)
1. Werk de batterijen voorzichtig los.
2. Plaats eerst een nieuwe met de pluszijde
(+) omhoog.
3. Leg het witte plasticvel op de geplaatste
nieuwe batterij en breng daarna nog een
nieuwe batterij aan met de pluszijde (+)
omlaag.
Batterijtype
Gebruik batterijen met het opschrift CR2430,
3 V (twee per transpondersleutel en twee per
PCC).
In elkaar zetten
1. Druk de afdekking weer op de transpondersleutel vast.
2. Houd de transpondersleutel met de gleuf
omhoog en laat het sleutelblad in de gleuf
zakken.
02 Sloten en alarm
Batterij vervangen transpondersleutel/PCC*
3. Duw voorzichtig tegen het sleutelblad. U
hoort een klikgeluid wanneer het sleutelblad goed vastzit.
02
BELANGRIJK
Zorg dat de oude batterij(en) wordt/worden
afgevoerd op een milieuontlastende manier.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
55
02 Sloten en alarm
Keyless drive*
02
Vergrendelings- en startsysteem
zonder sleutel (alleen PCC1)
Algemeen
maximaal 1,5 m rond de portierhandgrepen of
de achterklep bevinden. Dit betekent dat u de
PCC bij u moet dragen om een portier te vergrendelen of ontgrendelen. Wanneer u aan de
ene kant van de auto staat, is het niet mogelijk
om met de PCC een portier aan de andere kant
te vergrendelen of ontgrendelen.
De rode cirkels op de nevenstaande afbeelding
geven het bereik van de systeemantennes aan.
Als alle PCC’s uit de auto worden verwijderd
als de motor loopt of als sleutelstand I of II
actief is (zie pagina 80) en als alle portieren
worden gesloten, verschijnt op het informatiedisplay een waarschuwingsmelding en is er
een geluidssignaal waarneembaar.
Met de Keyless drive-functie van de PCC kunt
u zonder een sleutel te gebruiken de auto ontgrendelen, starten en vergrendelen. U hoeft de
PCC alleen bij u te dragen. Het systeem maakt
het eenvoudiger om de auto te openen wanneer u bijvoorbeeld uw handen vol hebt.
Beide PCC’s van de auto ondersteunen de
Keyless drive-functie. U kunt meer PCC’s bijbestellen, zie pagina 46.
Bereik PCC
Om een portier of de achterklep te kunnen openen moet de PCC zich binnen een straal van
1
56
Personal Car Communicator, zie pagina 49.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Wanneer een van de PCC’s weer in de auto is
gelegd, verdwijnen de waarschuwingsmelding
en het geluidssignaal nadat:
• er is een portier geopend of gesloten
• de transpondersleutel is in het contactslot
Onbevoegden kunnen de portieren er dan niet
meer mee openen.
Als er echter ingebroken wordt en iemand de
PCC in de auto vindt, wordt de PCC weer
geactiveerd. Pas daarom goed op al uw PCC’s.
BELANGRIJK
Laat een PCC nooit onbeheerd in de auto
liggen.
Storingen in de functie van een PCC
De Keyless drive-functie kan verstoord worden
door elektromagnetische velden en afschermingen.
N.B.
Plaats/bewaar de PCC niet in de buurt van
een mobiele telefoon of metalen voorwerpen. Houd een minimale afstand aan van
10-15 cm.
gestoken
• de knop OK is ingedrukt.
Veilig gebruik van uw PCC
Als u een PCC met Keyless drive-functie in de
auto laat liggen, wordt de PCC bij het vergrendelen van de auto tijdelijk gedeactiveerd.
Als er desondanks toch storingen optreden,
moet u de PCC en het sleutelblad als transpondersleutel gebruiken, zie pagina 48.
02 Sloten en alarm
Keyless drive*
Vergrendelen
Ontgrendelen
Er wordt ontgrendeld wanneer iemand een
portierhandgreep beetpakt of op het met rubber beklede drukplaatje van de achterklep
drukt – open het portier of de achterklep op de
normale manier.
Ontgrendelen met sleutelblad
den verwijderd – ook dit vindt plaats met het
sleutelblad:
1. Duw het sleutelblad ca. 1 cm recht
omhoog in de opening aan de onderkant
van de portierhandgreep/afdekking – niet
wrikken.
> De kunststof afdekking komt automatisch los, wanneer u het blad recht
omhoog de opening induwt.
02
2. Steek het sleutelblad vervolgens in de slotcilinder en ontgrendel het portier.
3. Plaats de kunststof afdekking na ontgrendeling terug.
Bij auto’s met Keyless drive-systeem zit er een
knop op de buitenhandgreep van de portieren.
Vergrendel de portieren en de achterklep door
op de vergrendelingsknop op een van de portierhandgrepen aan de buitenkant te drukken.
Alle portieren inclusief de achterklep moeten
zijn gesloten, voordat u de auto kunt vergrendelen – de auto wordt anders niet vergrendeld.
N.B.
Bij een auto met een automatische versnellingsbak dient de keuzehendel in stand P te
worden gezet, aangezien de auto anders
niet vergrendeld of op alarm gezet kan worden.
2
N.B.
Opening voor het sleutelblad - voor het afnemen
van de afdekking.
Als de centrale vergrendeling niet op de PCC
reageert (omdat de batterijen bijvoorbeeld leeg
zijn), kunt u het linker voorportier ontgrendelen
en openen met het afneembare sleutelblad van
de PCC (zie pagina 50)
Om bij de slotcilinder te komen dient de kunststof afdekking van de portierhandgreep te wor-
Wanneer u het bestuurdersportier met het
sleutelblad ontgrendelt en vervolgens
opent, gaat het alarm af. Het wordt uitgeschakeld door de PCC in het contactslot te
steken, zie pagina 67.
Sleutelgeheugen2, bestuurdersstoel en
buitenspiegels
Geheugenfunctie van PCC
Als meerdere personen met elke hun eigen
PCC met Keyless drive-functie naar de auto
lopen, nemen de bestuurdersstoel en de bui-
Alleen in combinatie met een elektrisch bedienbare bestuurdersstoel en elektrisch inklapbare buitenspiegels.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
57
02 Sloten en alarm
Keyless drive*
02
tenspiegels de stand in die ligt opgeslagen in
de PCC van degene die het bestuurdersportier
opent.
Locatie antennes
Wanneer het bestuurdersportier bijvoorbeeld
werd geopend door persoon A met PCC A,
maar persoon B met PCC B zal gaan rijden, zijn
de instellingen als volgt te wijzigen:
• Staand naast het bestuurdersportier of zittend achter het stuur drukt persoon B op
de ontgrendelingstoets van zijn PCC, zie
pagina 48.
• Kies een van de drie mogelijk positiegeheugens voor de stoel met de stoelknoppen 1–3, zie pagina 83.
• Zet de stoel en de spiegels handmatig in
de juiste stand (zie pagina 83 en 106).
Vergrendelingsinstellingen
De Keyless drive-functie is aan te passen door
in het menusysteem MY CAR aan te geven
welke portieren er ontgrendeld moeten worden; dit onder Auto-instellingen
Slotinstellingen Instappen zonder
sleutel – kies vervolgens uit Alle deuren
open, Willekeurige deur, Deuren aan één
kant en Beide voordeuren.
Voor een beschrijving van het menusysteem,
zie pagina 213.
58
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
WAARSCHUWING
Dragers van een pacemaker dienen minstens 22 cm afstand te houden tot de antennes van het Keyless drive-systeem. Dit om
eventuele storingen in de pacemaker als
gevolg van het Keyless drive-systeem uit te
sluiten.
Het Keyless drive-systeem werkt met een aantal antennes die op verschillende locaties ingebouwd zijn in de auto:
Achterklep, bij de wissermotor
Portierhandgreep, linksachter
Bagageruimte, in het midden, helemaal
voorin, onder de vloer
Portierhandgreep, rechtsachter
Middenconsole, onder achterstuk
Middenconsole, onder voorstuk.
02 Sloten en alarm
Vergrendelen/ontgrendelen
Van de buitenzijde
Met de transpondersleutel kunt u alle portieren
en de achterklep gelijktijdig vergrendelen/ontgrendelen. Het is mogelijk een andere ontgrendelingsvolgorde te kiezen, zie ‘Ontgrendelen
met transpondersleutel’ 48.
Om de ontgrendelingsprocedure te kunnen
activeren moet het bestuurdersportier dichtstaan – als een van de overige portieren of de
achterklep openstaat, wordt dit/deze pas na
het sluiten vergrendeld en inbegrepen in het
alarmsysteem. Bij het Keyless drive*-systeem
dienen alle portieren en de achterklep dicht te
staan.
N.B.
Let erop dat het alarm afgaat, wanneer het
portier na ontgrendeling met het sleutelblad
wordt geopend – het alarm wordt uitgeschakeld, wanneer de transpondersleutel in
het contactslot wordt geplaatst.
Als u niet met de transpondersleutel kunt vergrendelen/ontgrendelen is de batterij mogelijk
leeg – vergrendel/ontgrendel het bestuurdersportier dan met het afneembare sleutelblad, zie
pagina 50.
Centrale vergrendeling
02
WAARSCHUWING
Let op het risico van opsluiting in de auto,
als u de auto van de buitenzijde vergrendelt
– de portieren zijn dan namelijk niet meer
van de binnenzijde te openen met de portierhandgrepen. Lees meer daarover in het
onderdeel “Safelock-functie” elders in dit
boekje.
N.B.
Let op het gevaar voor buitensluiten met de
transpondersleutel nog in de auto.
Van de binnenzijde
Automatische hervergrendeling
Als u geen van de portieren noch de achterklep
binnen 2 minuten na ontgrendeling van de buitenzijde met de transpondersleutel opent, worden alle sloten automatisch weer vergrendeld.
Deze functie beperkt de kans dat u de auto per
ongeluk onvergrendeld kunt laten staan. (Voor
auto’s met alarmsysteem, zie pagina 66.)
Centrale vergrendeling.
Met de knop voor de centrale vergrendeling op
de voorportieren kunt u alle portieren en de
achterklep tegelijkertijd vergrendelen of ontgrendelen.
• Druk de rechterkant
van de knop in om
te vergrendelen en de linkerkant
om te
ontgrendelen.
Ontgrendelen
Een portier kan op twee manieren van de binnenkant worden ontgrendeld:
• Bij het indrukken van de knop voor centrale
vergrendeling
.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
59
02 Sloten en alarm
Vergrendelen/ontgrendelen
Bij lang indrukken (ten minste 4 seconden)
worden alle zijruiten* tegelijkertijd geopend.
02
• Trek eenmaal aan de openingshandgreep
en laat deze vervolgens los – het portier is
ontgrendeld. Wanneer u nogmaals aan de
handgreep trekt wordt het portier
geopend.
Auto-instellingen Slotinstellingen
Automatische vergrendeling. Voor een
beschrijving van het menusysteem, zie
pagina 213.
Dashboardkastje
Neem het sleutelblad uit.
• Houd voor het ontgrendelen de omgekeerde volgorde aan.
Voor meer informatie over Privacy locking, zie
pagina 52.
Achterklep
Vergrendelen
• Druk nadat u de voorportieren hebt geslo-
Ontgrendelen met transpondersleutel
ten op de knop voor de centrale vergrendeling
.
Bij lang indrukken (ten minste 2 seconden)
worden alle zijruiten en het schuifdak* tegelijkertijd gesloten.
Alle portieren zijn ook afzonderlijk te vergrendelen met hun vergrendelingsknop – het portier
moet uiteraard dichtstaan.
Doorluchtfunctie
Bij lang indrukken van de knop voor centrale
vergrendeling
(ten minste 4 seconden)
worden alle zijruiten tegelijkertijd geopend –
om bijvoorbeeld bij warm weer snel voor frisse
lucht in de auto te zorgen.
Automatische vergrendeling
Bij het wegrijden worden de portieren en de
achterklep automatisch vergrendeld.
De functie is te activeren/deactiveren in het
menusysteem MY CAR onder Instellingen
60
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Het dashboardkastje valt alleen te vergrendelen/ontgrendelen met het afneembare sleutelblad van de transpondersleutel. Voor informatie over het sleutelblad, zie pagina 50.
Dashboardkastje vergrendelen:
Duw het sleutelblad in de slotcilinder van
het dashboardkastje.
Draai het sleutelblad 90 graden rechtsom.
Het sleutelgat staat horizontaal wanneer
het kastje vergrendeld is.
Met de toets
op de transpondersleutel is
het mogelijk om de alarmfunctie voor de achterklep te deactiveren* zodat u de achterklep
apart kunt ontgrendelen.
Bij auto’s met alarm* dooft de alarmindicatie op
het instrumentenpaneel om aan te geven dat
niet alle onderdelen van de auto beveiligd zijn.
De niveausensoren en bewegingsmelders als-
02 Sloten en alarm
Vergrendelen/ontgrendelen
auto vanaf de binnenzijde vergrendeld
werd).
mede de sensoren in de opening van de achterklep worden buiten werking gesteld.
De portieren blijven vergrendeld en beveiligd.
Vergrendelen met transpondersleutel
• De achterklep wordt weliswaar ontgren-
–
deld maar blijft dichtstaan – druk lichtjes
tegen op het met rubber bekleding drukplaatje onder de buitenhandgreep en open
de klep.
Als de klep niet binnen 2 minuten na ontgrendeling wordt geopend, wordt de klep weer vergrendeld en het alarm opnieuw geactiveerd.
Druk op de toets voor vergrendeling op de
transpondersleutel
, zie pagina 48.
> Bij auto’s met alarm* gaat de alarmindicatie op het instrumentenpaneel knipperen om aan te geven dat het alarm
geactiveerd is.
N.B.
Let op de dakhoogte bij het gebruik van de
elektrische achterklepbediening. Maak
geen gebruik van de elektrische achterklepbediening bij een geringe dakhoogte (zie
onder het kopje “Openingsfunctie achterklep onderbreken”).
02
N.B.
•
Om oververhitting tegen te gaan wordt
het systeem na langdurig en continu
gebruik automatisch even uitgeschakeld. Ca. 2 minuten later is het opnieuw
klaar voor gebruik.
•
Als de startaccu ontladen of losgekoppeld is geweest, moet de achterklep
eenmaal handmatig worden geopend
en gesloten om het systeem te resetten.
Elektrische achterklepbediening*
Van de binnenzijde ontgrendelen
G017876
Programmeerbare maximale
openingshoek
Om de achterklep te ontgrendelen:
–
Druk op de knop (1) op het verlichtingspaneel.
> De klep wordt ontgrendeld en kan binnen 2 minuten worden geopend (als de
Het is mogelijk de maximale openingshoek van
de achterklep te programmeren. Dit is bijvoorbeeld handig in een garage met een beperkte
dakhoogte. Doe het volgende:
• Open de klep handmatig, houd deze in de
gewenste stand vast, druk lang (minstens
3 seconden) op de knop op de achterklep
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
61
02 Sloten en alarm
Vergrendelen/ontgrendelen
en laat de klep vervolgens los – de programmering is daarmee afgerond.
02
• Om de programmering te verwijderen dient
u de klep handmatig in een hogere stand
te zetten.
Sneeuw en wind
Als de achterklep tijdens het openen omlaagkomt door bijvoorbeeld een dikke laag sneeuw
of harde wind, dan wordt de achterklep automatisch gesloten.
Beveiliging tegen overbelasting
Als de achterklep tijdens het openen/sluiten in
zekere mate wordt gehinderd door een obstakel treedt de beveiliging tegen overbelasting in
werking.
• Gebeurt dit tijdens het openen dan wordt
de elektrische achterklepbediening uitgeschakeld en de achterklep vrijgegeven.
• Gebeurt dit tijdens het sluiten dan komt de
achterklep tot stilstand om vervolgens
enkele centimeters van het obstakel af te
bewegen.
WAARSCHUWING
Let op het gevaar voor beknelling tijdens het
openen/sluiten. Controleer alvorens de achterklep te openen/sluiten of er niemand in
de buurt van de achterklep staat, omdat
ernstig beknellingsletsel anders niet uitgesloten kan worden.
Bedien de achterklep altijd onder toezicht.
Achterklep openen
Dit kan op vier manieren, waarvan
drie met behulp van deze knop:
•
•
•
•
Druk op de knop op het verlichtingspaneel
Druk op de knop op de transpondersleutel
Druk op de knop op de achterklep
Druk op het met rubber beklede drukplatje onder de buitenhandgreep.
De achterklep is op drie manieren te
openen, waarvan twee met behulp
van deze knop:
- De klepbeweging wordt afgebroken en de
klep komt tot stilstand.
• Knop op verlichtingspaneel lang indrukken
– houd de knop ingedrukt totdat de achterklep wordt geopend.
Het systeem wordt gedeactiveerd, als de openings-/sluitingsprocedure zoals hiervoor
beschreven, wordt onderbroken.
• Knop op transpondersleutel lang indruk-
• U kunt de achterklep vervolgens handma-
ken – houd de knop ingedrukt totdat de
achterklep wordt geopend.
• Druk lichtjes op het met rubber beklede
drukplaatje onder de buitenhandgreep.
Achterklep sluiten
De achterklep is te sluiten met deze
knop op de achterklep of handmatig.
• Druk op de knop – de klep wordt automatisch gesloten.
62
Openings-/sluitfunctie achterklep
onderbreken
Achterklep handmatig bedienen
tig openen/sluiten.
02 Sloten en alarm
Vergrendelen/ontgrendelen
Safelock-functie*1
2. Kies Eén keer activeren.
> Op het display van het instrumentenpaneel verschijnt de melding Beveil.
verlaagd Zie instructieb. en de Safelock-functie wordt uitgeschakeld bij
vergrendeling van de auto.
Met de transpondersleutel activeert u de Safelock-functie die ca. 10 seconden na vergrendeling van de portieren in werking treedt.
–
Geactiveerde menu-opties staan aangekruist.
MY CAR
OK MENU
Bij Safelock is de auto alleen met de transpondersleutel te ontgrendelen. Het linker voorportier is ook te ontgrendelen met het afneembare
sleutelblad.
WAARSCHUWING
Laat niemand in de auto zitten zonder eerst
de Safelock-functie te deactiveren om te
voorkomen dat u iemand opsluit.
1
02
of
N.B.
Als er binnen deze vertragingsperiode een
van de portieren wordt geopend, wordt de
functie geannuleerd en het alarm gedeactiveerd.
leerde beschrijving van het menusysteem
(zie pagina 213)).
Tijdelijk deactiveren
Bij activering van de Safelock-functie worden
alle vergrendelingsknoppen en openingshandgrepen mechanisch losgekoppeld, wat het
openen van de portieren van de binnenzijde
onmogelijk maakt.
Draairing TUNE
EXIT
Als u de portieren van de buitenzijde wilt vergrendelen terwijl er iemand in de auto achterblijft, kunt u de Safelock-functie tijdelijk uitschakelen. Dat gaat als volgt:
1. Open het menusysteem MY CAR en ga
naar Instellingen Auto-instellingen
Minder bescherming (voor een gedetail-
Kies Vragen bij uitstappen.
> Iedere keer dat u de motor afzet, verschijnt op het scherm van de middenconsole de melding Lagere
beveiliging activeren tot motor
opnieuw is gestart? gevolgd door de
opties Bevestigen met OK en
Stoppen met EXIT.
Als u de Safelock-functie wilt uitschakelen
–
Druk op OK/MENU en vergrendel de auto.
(Let erop dat ook de bewegingsmelders en
niveausensoren* van het alarmsysteem
worden uitgeschakeld, zie pagina 67.)
> De volgende keer dat u de motor start,
wordt het systeem gereset waarna op
het display van het instrumentenpaneel
de melding Beveil. volledig verschijnt.
Alleen in combinatie met een alarmsysteem.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
63
02 Sloten en alarm
Vergrendelen/ontgrendelen
Daarmee zijn de Safelock-functie en de
bewegingsmelders en niveausensoren
van het alarmsysteem opnieuw ingeschakeld.
02
Als u geen wijzigingen in het vergrendelingssysteem wenst
–
Druk op EXIT en vergrendel de auto.
N.B.
64
•
Let erop dat het alarm wordt geactiveerd bij vergrendeling van de auto.
•
Als een van de portieren van de binnenzijde wordt geopend, gaat het alarm af.
02 Sloten en alarm
Kinderslot
Handmatig kinderslot op
achterportieren
Het kinderslot voorkomt dat kinderen een achterportier vanaf de binnenzijde openen.
N.B.
•
Doe het volgende om het kinderslot te activeren:
De vergrendelbus van een portier dient
alleen om het desbetreffende portier te
vergrendelen – dus niet beide achterportieren.
1. Start de motor of kies een slotstand anders
dan 0.
•
Op auto’s met een elektrisch kinderslot
zit geen handmatig kinderslot.
Elektrisch kinderslot op
achterportieren* en achterste zijruiten
02
2. Druk op de bijbehorende knop van het
bedieningspaneel op het bestuurdersportier.
> Op het informatiedisplay staat de melding Kinderslot Actief en het lampje in
de knop brandt - het slot is geactiveerd.
Wanneer het elektrische kinderslot actief is,
zijn de achterste:
G021077
• zijruiten alleen vanaf het bedieningspaneel
op het bestuurdersportier te bedienen
• portieren niet van de binnenkant te openen.
De bedieningscilinders van het kinderslot zitten
achter op de korte kant van de achterportieren,
zodat ze alleen bereikbaar zijn wanneer de portieren openstaan.
Bij het afzetten van de motor wordt de actuele
instelling vastgelegd – als het kinderslot geactiveerd was tijdens het afzetten van de motor,
dan is de functie de volgende keer dat u de
motor start eveneens actief.
Doe het volgende om het kinderslot te activeren/deactiveren:
–
Maak gebruik van het afneembare sleutelblad van de transpondersleutel om de cilinder te verdraaien - zie pagina 50.
Het portier is niet vanaf de binnenzijde te
openen.
Het portier is zowel vanaf de buitenzijde als
vanaf de binnenzijde te openen.
Bedieningspaneel bestuurdersportier.
Het kinderslot is in alle slotstanden anders dan
0 - zie pagina 80 te activeren/deactiveren en
dat binnen 2 minuten na het afzetten van de
motor, op voorwaarde dat er geen portier
wordt geopend.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
65
02 Sloten en alarm
Alarm*
Algemeen
02
Een geactiveerd alarmsysteem gaat af als:
• een portier, de motorkap of de achterklep
wordt geopend
• er beweging in de passagiersruimte wordt
waargenomen (als er een bewegingsmelder* aanwezig is)
• de auto wordt opgetakeld of weggesleept
(op auto’s met een niveausensor*)
• een kabel van de startaccu wordt losgekoppeld
• de sirene wordt losgekoppeld.
Als er een storing in het alarmsysteem is opgetreden, verschijnt er een melding op het informatiedisplay. Neem dan contact op met een
werkplaats – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
N.B.
Alarmindicatie
De bewegingsmelders laten het alarm
afgaan bij bewegingen in de passagiersruimte – ook eventuele luchtstromen worden geregistreerd. Het alarm kan dan ook
afgaan, als u de auto met een ruit of schuifdak open laat staan of als u de interieurverwarming gebruikt.
Om dat te voorkomen: Sluit bij het verlaten
van de auto alle ruiten en het schuifdak. Bij
gebruik van de geïntegreerde interieurverwarming van de auto (of een draagbare variant daarvan op stroom) dan dient u de
blaasmonden dusdanig af te stellen dat
deze niet omhoogwijzen.
N.B.
Voer nooit zelf reparaties aan of wijzigingen
in het alarmsysteem uit. Dergelijke ingrepen
kunnen van invloed zijn op de verzekeringsvoorwaarden.
Een rode led op het instrumentenpaneel geeft
de status van het alarmsysteem aan:
• De led is uit – het alarm is uitgeschakeld
• De led licht om de twee seconden eenmaal
op – het alarm is ingeschakeld
•
De led knippert snel vanaf het moment van
uitschakelen van het alarm (tot aan het
moment dat u de transpondersleutel in het
contactslot steekt en sleutelstand I wordt
bereikt) – het alarm is afgegaan.
Alarm activeren
–
Druk op de vergrendelingstoets op de
transpondersleutel.
Alarm deactiveren
–
66
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Druk op de ontgrendelingstoets op de
transpondersleutel.
02 Sloten en alarm
Alarm*
Geactiveerd alarm uitschakelen
Beperkt alarmniveau
–
Om te voorkomen dat het alarmsysteem onbedoeld afgaat als u bijvoorbeeld een hond in een
vergrendelde auto achterlaat of een autotrein
of veerverbinding gebruikt, dienen de bewegingsmelder en de niveausensoren tijdelijk te
worden gedeactiveerd.
Druk op de ontgrendelingstoets op de
transpondersleutel of steek de transpondersleutel in het contactslot.
Overige alarmfuncties
Automatische herinschakeling van het
alarm
De te volgen procedure is identiek aan die bij
tijdelijke uitschakeling van de Safelock-functie,
zie pagina 63.
De functie voorkomt dat u de auto verlaat zonder het alarm uit te schakelen.
Als u geen van de portieren noch de achterklep
binnen twee minuten na uitschakeling van het
alarm opent wanneer de auto met de transpondersleutel ontgrendeld (en het alarm
gedeactiveerd) werd, wordt het alarm automatisch opnieuw ingeschakeld. De auto wordt
bovendien opnieuw vergrendeld.
Transpondersleutel defect
Als u het alarm niet kunt uitschakelen met de
transpondersleutel (als bijvoorbeeld de batterij
van de sleutel leeg is), kunt u de auto als volgt
ontgrendelen, het alarmsysteem deactiveren
en de motor starten:
1. Open het bestuurdersportier met het
afneembare sleutelblad - zie pagina 57.
> Het alarm gaat af, de alarmindicatie
knippert snel en de sirene klinkt.
02
2. Steek de transpondersleutel in het contactslot.
> Het alarm wordt gedeactiveerd en de
alarmindicatie dooft.
3. Start de motor.
Alarmsignalen
Bij alarm gebeurt het volgende:
• Er klinkt een sirene totdat u het alarm uitschakelt. Bij inactiviteit gaat de sirene na
30 seconden lang automatisch uit. De
sirene heeft zijn eigen accu en werkt volledig onafhankelijk van de startaccu in de
auto.
• Alle richtingaanwijzers knipperen totdat u
het alarm uitschakelt. Bij inactiviteit gaan
ze na vijf minuten automatisch uit.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
67
Instrumenten, schakelaars en bediening................................................ 70
Volvo Sensus ......................................................................................... 79
Sleutelstanden........................................................................................ 80
Stoelen en achterbank............................................................................ 82
Stuurwiel................................................................................................. 87
Verlichting............................................................................................... 88
Wissers en sproeiers............................................................................. 101
Ruiten en spiegels................................................................................. 104
Kompas*................................................................................................ 109
Elektrisch bedienbaar schuifdak*.......................................................... 110
Alcoholslot*........................................................................................... 112
Motor starten........................................................................................ 116
Motor starten, FlexiFuel........................................................................ 121
Motor starten, hulpaccu........................................................................ 123
Versnellingsbakken............................................................................... 125
DRIVe Start/Stop*................................................................................. 132
Vierwielaandrijving, AWD (All Wheel Drive)*.......................................... 139
Bedrijfsrem............................................................................................ 140
Afdalingsregeling, HDC (Hill Descent Control)...................................... 142
Parkeerrem............................................................................................ 144
HomeLinkŸ *.......................................................................................... 148
68
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
BESTUURDERSMILIEU
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
Instrumentenoverzicht
03
Auto met stuur links.
70
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
Functie
Pagina
Functie
Pagina
Menu- en meldingsfuncties, richtingaanwijzers,
groot licht/dimlicht,
boordcomputer
89,
94, 210,
237
Bedieningspaneel voor
klimaatregeling
221
Versnellingspook/keuzehendel
125
Cruisecontrol
158, 160
239
Claxon, airbag
20, 87
Bedieningsknoppen
actieve chassisregeling
(FOUR-C)*
Instrumentenpaneel
73, 77
Wissers en sproeiers
101, 102
Menu-, audio- en telefoonfuncties
213,
248, 277,
250
Stuurwielafstelling
87
Parkeerrem
144
START/STOP ENGINEknop
116
Ontgrendeling motorkap
356
Contactslot
80
Stoelverstelling*
82
Alarmlichten
94
60, 88,
313
Openingshandgreep portier
–
Bedieningsknoppen verlichting, ontgrendeling
tankvulklep en achterklep
Bedieningspaneel
59, 65,
104, 106
Menufuncties en audiosysteem
213,
248, 250
03
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
71
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
03
Auto met stuur rechts.
72
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
Functie
Pagina
Functie
Pagina
Alarmlichten
94
Parkeerrem
144
START/STOP ENGINEknop
116
Stuurwielafstelling
87
Contactslot
80
Cruisecontrol
158, 160
Menu- en meldingsfuncties, richtingaanwijzers,
groot licht/dimlicht,
boordcomputer
89,
94, 210,
237
Instrumentenpaneel
73, 77
239
Claxon, airbag
20, 87
Bedieningsknoppen
actieve chassisregeling
(FOUR-C)*
Menu-, audio- en telefoonfuncties
213,
248, 277,
250
Versnellingspook/keuzehendel
125
101, 102
Bedieningspaneel voor
klimaatregeling
221
Wissers en sproeiers
Bedieningsknoppen verlichting, ontgrendeling
tankvulklep en achterklep
60, 88,
313
Menufuncties en audiosysteem
213,
248, 250
Openingshandgreep portier
–
Bedieningspaneel
59, 65,
104, 106
Stoelverstelling*
82
Ontgrendeling motorkap
356
Informatiedisplays
03
Op de informatiedisplays van het instrumentenpaneel verschijnt informatie over bepaalde
functies van de auto zoals de cruisecontrol,
boordcomputer en meldingen. De informatie
verschijnt in tekstvorm en met symbolen/lampjes.
Gedetailleerder informatie vindt u onder de
functies die gebruik maken van de informatiedisplays.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
73
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
Meters
Controle- en waarschuwingslampjes
Als de motor niet aanslaat of als de functietest
wordt uitgevoerd in sleutelstand II, doven na
5 seconden alle lampjes behalve het lampje
voor storingen in het uitlaatgasreinigingssysteem en dat voor een lage oliedruk.
Controlelampjes
03
Lampje
Betekenis
Storing in ABL
Uitlaatgasreinigingssysteem
Meters op het instrumentenpaneel.
Controle- en waarschuwingslampjes.
Lampjes groot licht en richtingaanwijzers
Brandstofmeter. Zie ook boordcomputer
(pagina 237) en tanken (pagina 313).
Waarschuwingslampjes 1
Mistachterlicht aan
Lampje voor DRIVe – Start/Stop*, zie
pagina 132
Stabiliteitsregeling
Toerenteller. De meter geeft het motortoerental in duizenden omwentelingen per
minuut aan.
Controlelampjes
Functietest
Alle controle- en waarschuwingslampjes gaan
branden in sleutelstand II of wanneer u de
motor start. Alle lampjes moeten weer doven
als de motor is aangeslagen, behalve het
lampje voor de parkeerrem. Dit dooft pas, als
de auto van de parkeerrem wordt gehaald.
1
74
Storing in ABS
Snelheidsmeter
Bij bepaalde motortypes is het lampje voor een lage oliedruk niet in gebruik. Er verschijnt in plaats daarvan een displaymelding, zie pagina 357.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Stabiliteitsregeling, Sport-stand
Voorgloeifunctie motor (diesel)
Laag peil in brandstoftank
Informatie, lees displaymelding
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
Lampje
Betekenis
1. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en zet de motor af.
Groot licht aan
2. Start de motor opnieuw.
Richtingaanwijzers links
Richtingaanwijzers rechts
3. Als het lampje blijft branden, rijd dan naar
een werkplaats om het ABS te laten controleren. Volvo adviseert dat u daarvoor
een erkende Volvo-werkplaats bezoekt.
Mistachterlicht aan
DRIVe – Start/Stop*, motor is
automatisch afgezet, zie
pagina 132
Niet in gebruik
Storing in ABL
Het lampje brandt, als er een storing is opgetreden in het ABL-systeem (Active Bending
Lights).
Uitlaatgasreinigingssysteem
Bij een storing in het uitlaatgasreinigingssysteem kan het lampje gaan branden. Rijd voor
een controle naar een werkplaats. Volvo adviseert dat u daarvoor een erkende Volvo-werkplaats bezoekt.
Storing in ABS
Als het lampje brandt, is het systeem defect.
Het normale remsysteem van de auto werkt
dan nog wel, zij het zonder ABS-regeling.
Dit lampje brandt wanneer u het mistachterlicht
hebt ingeschakeld. Er is slechts één mistachterlicht - dat zit aan de bestuurderszijde.
Stabiliteitsregeling
Het knipperende lampje geeft aan dat de stabiliteitsregeling werkt. Als het lampje continu
brandt is er sprake van een storing in het systeem.
Stabiliteitsregeling, Sport-stand
De Sport-stand maakt een actievere rijervaring
mogelijk. Het systeem registreert dan of de
gaspedaal- en stuurwielbediening alsook het
bochtenwerk aan te merken zijn als actiever
dan normaal, waarna het systeem een gecontroleerde vorm van slippen in de achtertrein
toelaat, voordat het ingrijpt en de auto stabiliseert.
Voorgloeifunctie motor (diesel)
Het lampje gaat branden wanneer de motor
wordt voorverwarmd. Voorverwarming vindt
meestal plaats bij lage temperaturen.
Laag peil in brandstoftank
Wanneer het lampje gaat branden is het brandstofpeil te laag. Tank dan zo spoedig mogelijk.
Informatie, lees displaymelding
Als er een afwijking is in een van de autosystemen, gaat het informatielampje branden en
verschijnt er een melding op het display. U verwijdert de melding met behulp van de knop
OK, zie pagina 210. Dit gebeurt automatisch
als u enige tijd niets doet (hoe lang hangt van
de bewuste functie af). Het informatielampje
kan ook gaan branden in combinatie met
andere lampjes.
03
N.B.
Als de servicemelding verschijnt kunt u het
symbool en de melding met behulp van de
OK-knop doven. Na een tijdje doven ze ook
automatisch.
Groot licht aan
Het lampje brandt, wanneer u het groot licht
voert of grootlichtsignalen geeft.
Richtingaanwijzers links/rechts
Beide richtingaanwijzerlampjes knipperen bij
gebruik van de alarmlichten.
DRIVe – Start/Stop*
Het lampje brandt als de motor automatisch is
afgezet.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
75
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
Waarschuwingslampjes
Lampje
Betekenis
Lage oliedrukA
Parkeerrem aangezet
03
Airbags (SRS)
Parkeerrem aangezet
Storing in remsysteem
Het lampje brandt continu, wanneer u de parkeerrem hebt aangezet. Het lampje knippert
tijdens het aanzetten en gaat daarna continu
branden.
Als het lampje oplicht, is het remvloeistofpeil
mogelijk te laag. Breng de auto op een veilige
plaats tot stilstand en controleer het peil in het
remvloeistofreservoir, zie pagina 362.
Een knipperend lampje houdt in dat er een storing is opgetreden. Lees de melding op het
informatiedisplay.
Als de waarschuwingslampjes voor het remsysteem en ABS tegelijkertijd branden, kan er
een storing in de remkrachtverdeling zijn opgetreden.
Airbags (SRS)
Gordelwaarschuwing
Dynamo laadt niet bij
Storing in remsysteem
Waarschuwing
A
76
Bij bepaalde motortypes is het lampje voor een lage oliedruk
niet in gebruik. Er verschijnt in plaats daarvan een displaymelding (zie pagina 357 en 359).
Als het lampje tijdens het rijden oplicht of blijft
branden, is er een storing geregistreerd in de
gordelsluiting of in het SRS-, SIPS- of IC-systeem. Rijd de auto zo spoedig mogelijk naar
een werkplaats om het systeem te laten controleren. Volvo adviseert dat u daarvoor een
erkende Volvo-werkplaats bezoekt.
Gordelwaarschuwing
Het lampje brandt als de bestuurder of de voorpassagier geen veiligheidsgordel draagt of als
iemand op de achterbank de gordel heeft losgenomen.
Lage oliedruk
Dynamo laadt niet bij
Als het lampje tijdens het rijden oplicht, is de
druk van de motorolie te laag. Zet de motor
onmiddellijk af en controleer het motoroliepeil.
Vul zo nodig olie bij. Als het lampje oplicht terwijl het oliepeil in orde is, moet u contact opnemen met een werkplaats. Volvo adviseert dat u
daarvoor een erkende Volvo-werkplaats
bezoekt.
Het lampje gaat tijdens het rijden branden, als
er sprake is van een storing in het elektrische
systeem. Bezoek een werkplaats. Volvo adviseert dat u daarvoor een erkende Volvo-werkplaats bezoekt.
1. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en zet de motor af.
2. Start de motor opnieuw.
• Rijd verder als beide lampjes doven.
• Als de lampjes echter blijven branden,
moet u het peil in het remvloeistofreservoir controleren, zie pagina 362. Als de
lampjes blijven branden ondanks dat
het peil van de remvloeistof in orde is,
moet u de auto uiterst voorzichtig naar
een werkplaats rijden om het remsysteem te laten controleren. Volvo adviseert dat u daarvoor een erkende Volvowerkplaats bezoekt.
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
WAARSCHUWING
Als de remvloeistof onder het MIN-streepje
van het reservoir staat, mag u niet verder
rijden voordat u remvloeistof hebt bijgevuld.
Laat de oorzaak van het remvloeistofverlies
controleren door een werkplaats. Volvo
adviseert dat u daarvoor contact opneemt
met een erkende Volvo-werkplaats.
Actie:
Dagtellers
1. Stop zo spoedig mogelijk. Rijd niet verder
met de auto.
2. Lees de informatie op het informatiedisplay. Voer de handeling uit die de melding
op het display u voorschrijft. Wis de melding met de knop OK.
03
Waarschuwing, portieren niet gesloten
WAARSCHUWING
Als de waarschuwingssymbolen voor het
remsysteem en ABS tegelijkertijd branden,
bestaat het gevaar dat de achtertrein bij
krachtig remmen gaat slippen.
Waarschuwing
Het rode waarschuwingslampje gaat branden,
wanneer er een storing is geregistreerd die van
invloed kan zijn op de veiligheid en/of de rijeigenschappen van de auto. Er verschijnt tegelijkertijd een verklarende melding op het informatiedisplay. Het waarschuwingslampje blijft
branden totdat de storing is verholpen, maar
de melding kunt u verwijderen met de knop
OK, zie pagina 210. Het waarschuwingslampje kan ook gaan branden in combinatie
met andere lampjes.
2
Als een van de portieren, de motorkap2 of de
achterklep niet goed afgesloten is, gaat het
informatie- of waarschuwingslampje branden
en verschijnt er een verklarende melding op het
instrumentenpaneel. Breng de auto zo spoedig
mogelijk tot stilstand en sluit het portier, het
kofferdeksel of de motorkap dat/die open is.
Als de auto met een snelheid van maximaal 7 km/h rijdt, gaat het informatielampje branden.
Als de auto met een snelheid van maximaal 7 km/h rijdt, gaat het waarschuwingslampje branden.
Dagteller en bedieningsknop.
Display voor dagtellers
Knop om te wisselen tussen de dagtellers
T1 en T2 alsook de dagtellers op nul te
stellen
De dagtellers worden gebruikt om korte afstanden te meten. De afgelegde afstand staat op
het display.
Door kort op de knop te drukken kunt u van
dagteller (T1 en T2) wisselen. Door lang indrukken (2 seconden) stelt u de getoonde dagteller
op nul.
Alleen auto’s met alarm*.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
77
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
Klok
worden ingesteld in de menugroep MY CAR,
voor meer informatie zie pagina 213.
6. Draai aan TUNE om het vakje voor OK te
markeren en druk op OK – de instelling is
gereed.
Met de menu-optie Instellingen
Systeemopties Tijdopmaak kiest u uit een
24- of 12-uursaanduiding (AM/PM).
03
RSI*
De RSI-functie (Road Sign Identification) helpt
de bestuurder om verkeersborden waar te
nemen met informatie over o.a. actuele snelheid, begin of eind van een autoweg of snelweg
en inhaalverboden. Zie voor gedetailleerde
informatie over RSI zie pagina 156.
Klok en instelknop.
Display voor de tijdaanduiding
Knop om de klok in te stellen
Draai de knop rechts- of linksom om de klok in
te stellen. Draai de knop eerst tot aan de aanslag en vervolgens nog eens ca. 1 mm door –
u hoort één ‘klik’ die tevens te voelen is in de
knop. Iedere ‘klik’ komt overeen met 1 minuut.
Houd voor snelle wijzigingen de knop vast in
de ‘klikstand’.
Bij een melding wordt de klok mogelijk tijdelijk
vervangen door een symbool, zie pagina 210.
Klok instellen in MY CAR
De klok is niet alleen handmatig/mechanisch in
te stellen op de voorgaande wijze maar kan ook
78
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
1. Ga naar Instellingen
Tijd.
Systeemopties
2. De cursor gaat op het eerste vakje voor de
uuraanduiding staan: Druk op OK – het
vakje wordt geactiveerd.
3. Draai aan TUNE om de juiste uuraanduiding in te stellen en druk op OK – het vakje
wordt gedeactiveerd.
4. Draai aan TUNE om het vakje voor de
minuutaanduiding (A) te markeren en druk
op OK – het vakje wordt geactiveerd.
5. Draai aan TUNE om de juiste minuutaanduiding in te stellen en druk op OK – het
vakje wordt gedeactiveerd.
03 Bestuurdersmilieu
Volvo Sensus
Algemeen
beeldscherm van de middenconsole. Volvo
Sensus biedt de mogelijkheid tot personalisering van de auto met een eenvoudig te hanteren bedieningsinterface. Er zijn instellingen te
verrichten onder Instellingen van de auto, Infotainment, Klimaat e.d.
03
Met de knoppen en bedieningselementen op
de middenconsole en het rechter toetsenblok* op het stuurwiel kunt u functies activeren
en deactiveren en tal van instellingen verrichten.
Bedieningspaneel op middenconsole
Navigatie* - NAV, zie desbetreffend
instructieboekje (Road and Traffic Information System - RTI).
Infotainment (RADIO, MEDIA, TEL*), zie
pagina 246.
Instellingen van de auto - MY CAR, zie
pagina 213.
Park Assist-camera - CAM*, zie
pagina 199.
Klimaatregeling, zie pagina 221.
Bij het bedienen van MY CAR worden alle
instellingen getoond die verband houden met
het besturen en bedienen van de auto, zoals
City Safety, sloten en alarm, instellen van de
klok e.d.
Bij het indrukken van RADIO, MEDIA, TEL*,
NAV* en CAM* kunt u andere bronnen, systemen en functies activeren, zoals AM, FM1, CD,
DVD*, TV*, Bluetooth*, navigatie* en Park
Assist-camera*.
Zie voor meer informatie over alle functies/systemen het desbetreffende hoofdstuk in het
instructieboekje.
Volvo Sensus is te beschouwen als besturingssysteem van uw auto, het middelpunt van uw
persoonlijke Volvo-beleving. Volvo Sensus
presenteert tal van functies van uiteenlopende
autosystemen op overzichtelijke wijze op het
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
79
03 Bestuurdersmilieu
Sleutelstanden
Transpondersleutel plaatsen en
verwijderen
BELANGRIJK
Vreemde voorwerpen in het contactslot
kunnen tot functiestoringen leiden of
schade aan het slot toebrengen.
Nivea
u
0
• Kilometerteller, klok en temperatuurmeter worden verlicht.
De transpondersleutel niet verkeerd om
insteken – pak de sleutel beet aan het uiteinde met het afneembare sleutelblad. zie
pagina 50.
03
Functies
• Elektrisch bedienbare stoelen kunnen worden bediend.
• Het audiosysteem kan
beperkte tijd worden gebruikt
– zie pagina 246.
Sleutel verwijderen
•
Contactslot met transpondersleutel uitgetrokken/
ingeduwd.
N.B.
Bij auto's met Keyless*-functie hoeft de
sleutel niet in het contactslot te worden
geplaatst, maar kan deze bijvoorbeeld in de
zak worden bewaard. Voor meer informatie
over Keyless-functies, zie pagina 56.
Sleutel plaatsen
1. Houd de transpondersleutel beet aan de
kant van het afneembare sleutelblad en
plaats de sleutel in het contactslot.
2. Duw de sleutel vervolgens tot aan de aanslag in het slot.
80
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Pak de transpondersleutel beet en trek
deze uit het contactslot.
Functies bij verschillende niveaus
Om het gebruik van een beperkt aantal functies
bij afgezette motor mogelijk te maken, kan het
elektrische systeem van de auto met de transpondersleutel in 3 verschillende niveaus (sleutelstanden) worden gezet - 0, I en II. In dit
instructieboekje worden deze niveaus, of ‘sleutelstanden’, uitgebreid beschreven.
De volgende tabel geeft aan welke functies
beschikbaar zijn in de verschillende sleutelstanden/niveaus.
I
• Schuifdak, elektrisch bedienbare zijruiten, 12V-aansluitingen in passagiersruimte, RTI,
telefoon, interieurventilator,
ECC en ruitenwissers zijn te
gebruiken.
03 Bestuurdersmilieu
Sleutelstanden
Nivea
u
II
Functies
• De koplampen worden ontstoken.
N.B.
Om niveau I of II te realiseren zonder dat de
motor wordt gestart, trapt u niet het rem-/
koppelingspedaal in als u deze sleutelstanden wilt selecteren.
• Waarschuwings-/controlelampjes branden 5 seconden
lang.
• Meerdere andere systemen
worden geactiveerd. De
stoelverwarming en achterruitverwarming kunnen echter pas na het starten van de
motor worden geactiveerd.
Deze sleutelstand vraag veel
stroom van de startaccu en
moet daarom worden vermeden!
Sleutelstand/niveau kiezen
Sleutelstand 0
• Ontgrendel de auto – nu heeft het elektrische systeem van de auto niveau 0.
Sleutelstand I
• Met de transpondersleutel volledig in het
contactslot geduwd1 – Druk kort op
START/STOP ENGINE.
1
2
03
Sleutelstand II
• Met de transpondersleutel volledig in het
contactslot geduwd1 – druk lang2 op
START/STOP ENGINE.
Terug naar sleutelstand 0
• Om terug te gaan naar sleutelstand 0 vanuit stand II en I – druk kort op START/
STOP ENGINE.
Audiosysteem
Zie voor informatie over de functie van het
audiosysteem bij een uitgenomen transpondersleutel zie pagina 246.
Motor starten en afzetten
Zie voor informatie over het starten/afzetten
van de motor zie pagina 116.
Slepen
Zie voor belangrijke informatie over de transpondersleutel bij het slepen zie pagina 334.
Niet nodig voor auto’s met Keyless*-functie.
Ca. 2 seconden.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
81
03 Bestuurdersmilieu
Stoelen en achterbank
Voorstoelen
WAARSCHUWING
De stand van de bestuurdersstoel instellen
voordat u gaat rijden en nooit tijdens het rijden. Controleer of de stoel vergrendeld
staat om letsel te voorkomen bij hard afremmen of een aanrijding.
03
Rugleuning voorstoel omklappen
Trek de pallen aan de achterzijde van de
rugleuning omhoog tijdens het omklappen.
4. Duw de stoel zo ver naar voren dat de
hoofdsteun onder het dashboardkastje
‘vast’ komt te zitten.
Houd voor het rechtop zetten de omgekeerde
volgorde aan.
WAARSCHUWING
Pak het ruggedeelte nadat u het rechtop
gezet hebt beet en controleer of het stevig
vergrendeld staat om letsel te voorkomen
bij hard afremmen of een aanrijding.
Lendensteun wijzigen, aan de knop1
draaien.
Vooruit/achteruit, de hendel omhoogtillen
om de juiste afstand tot het stuurwiel en de
pedalen in te stellen. Controleer of de stoel
na het afstellen in de nieuwe stand geblokkeerd staat.
Voorkant zitting hoger/lager* zetten,
omhoog-/omlaagpompen.
Hellingshoek rugleuning wijzigen, aan de
knop draaien.
Stoel hoger/lager zetten, omhoog-/
omlaagpompen.
Bedieningspaneel voor elektrisch bedienbare stoel*.
1
82
Geldt ook voor een elektrisch bedienbare stoel.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
De rugleuning van de passagiersstoel kan worden omgeklapt om ruimte te maken voor lange
lading.
Zet de stoel zo ver mogelijk naar achteren
en omlaag.
Zet de rugleuning rechtop.
03 Bestuurdersmilieu
Stoelen en achterbank
Elektrisch bedienbare stoel*
Voorbereidingen
1. Stel de stoel en de buitenspiegels in.
Tot enige tijd nadat u het portier met de transpondersleutel hebt ontgrendeld blijft het
mogelijk de stoel te verstellen, ook al steekt er
geen sleutel in het contactslot. U verstelt de
stoel normaal gesproken in sleutelstand I.
Wanneer de motor loopt, is dat altijd mogelijk.
2. Houd de knop voor vastlegging van de
instelling ingedrukt, terwijl u op de geheugenknop van uw keuze drukt.
Stoel in vastgelegde stand zetten
Houd een van de geheugenknoppen ingedrukt,
totdat de stoel en de buitenspiegels tot stilstand komen. Bij het loslaten van de knop zal
de instelling van de stoel onmiddellijk worden
beëindigd.
Stoel met geheugenfunctie*
03
Geheugen* van transpondersleutel2
Voorkant zitting omhoog/omlaag
Stoel vooruit/achteruit en omhoog/omlaag
Hellingshoek rugleuning
De elektrisch bedienbare stoelen zijn voorzien
van een beveiliging tegen overbelasting, die
geactiveerd wordt als een van de stoelen door
een obstakel wordt geblokkeerd. Als dit het
geval is, moet u de sleutel in stand I of 0 zetten
en enige tijd wachten voordat u de stoel
opnieuw probeert te verstellen.
U kunt slechts één verstelfunctie van de stoel
tegelijk activeren (vooruit/achteruit/omhoog/
omlaag).
2
3
Instelling vastleggen
Geheugenknop
Geheugenknop
In alle transpondersleutels kunnen de instellingen voor de bestuurdersstoel en de buitenspiegels3 voor verschillende bestuurders worden opgeslagen. Ga als volgt te werk:
Geheugenknop
Knop voor vastlegging van de instelling
Zie voor het sleutelgeheugen bij de Keyless-functie zie pagina 57.
Alleen als de auto is uitgerust met een elektrisch bedienbare bestuurdersstoel met geheugen en elektrisch inklapbare buitenspiegels.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
83
03 Bestuurdersmilieu
Stoelen en achterbank
• Stel de stoel naar wens in.
• Vergrendel de auto zoals gebruikelijk door
de vergrendelknop op de transpondersleutel in te drukken. Daarmee ligt de stoelpositie opgeslagen in het geheugen van de
transpondersleutel4.
03
• Ontgrendel de auto (door op de ontgrendelknop op dezelfde transpondersleutel te
drukken) en open het bestuurdersportier.
De bestuurdersstoel neemt automatisch
de positie in die in het geheugen van de
transpondersleutel is opgeslagen (als de
stand van de stoel na vergrendeling van de
auto werd gewijzigd).
U kunt het sleutelgeheugen activeren/deactiveren in het menusysteem MY CAR onder
Instellingen Auto-instellingen
Sleutelgeheugen. Voor een beschrijving van
het menusysteem, zie pagina 213.
sleutel te bedienen. Het bestuurdersportier
dient daarbij open te staan.
Middelste hoofdsteun achterbank
WAARSCHUWING
Beknellingsgevaar! Laat kinderen niet met
de schakelaars spelen. Zorg dat er geen
voorwerpen voor, achter of onder de stoel
liggen tijdens het verstellen. Zorg er tevens
voor dat geen van de passagiers op de achterbank bekneld kan raken.
Stoelen met elektrische verwarming/
ventilatie*
Voor stoelen met elektrische verwarming/ventilatie, zie pagina 226.
Noodstop
Als de stoel per ongeluk in beweging komt,
kunt u op een van de instellingsknoppen of
geheugenknoppen van de stoel drukken om de
stoel tot stilstand te brengen.
Om de stoel dan opnieuw in de in het sleutelgeheugen vastgelegde stand te zetten dient u
de ontgrendelingsknop op de transponder-
4
84
Deze instelling is niet van invloed op de instellingen die zijn opgeslagen met de geheugenfunctie voor de elektrisch bediende stoel.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Achterbank
Stem de hoofdsteun af op de lengte van de
passagier zodat deze zo mogelijk het hele achterhoofd bedekt. Trek de hoofdsteun zo ver
omhoog als nodig is.
Als u de hoofdsteun lager wilt zetten, moet u
de knop (in het midden tussen het ruggedeelte
en de hoofdsteun, zie afbeelding) indrukken
terwijl u de hoofdsteun voorzichtig omlaagduwt.
03 Bestuurdersmilieu
Stoelen en achterbank
Buitenste hoofdsteunen achterbank
handmatig omklappen
Ruggedeelte achterbank omklappen
BELANGRIJK
Bij het neerklappen van de achterbank
mogen er zich geen voorwerpen op de achterbank bevinden. De veiligheidsgordels
mogen evenmin zijn ingestoken. Schade
aan de bekleding van de achterbank is
anders namelijk niet uitgesloten.
03
De drie ruggedeelten zijn op verschillende
manieren neer te klappen.
N.B.
Trek aan de pal bij de hoofdsteun om de hoofdsteun om te klappen.
Zet de hoofdsteun na afloop handmatig
rechtop totdat deze hoorbaar vastklikt.
WAARSCHUWING
De hoofdsteunen moeten na het rechtop
zetten vergrendeld staan.
Zet de voorstoelen zo nodig naar voren en/
of de rugleuningen ervan rechtop, zodat u
de ruggedeelten van de achterbank helemaal kunt neerklappen.
• Het linker gedeelte is apart neer te klappen.
• Het middelste gedeelte is eveneens apart
neer te klappen.
• Het rechter gedeelte kan alleen samen met
het middelste gedeelte worden neergeklapt.
• Voor het omklappen van de complete rugleuning dienen de verschillende gedeelten
ieder apart omgeklapt te worden.
Bij het omklappen van het middelste ruggedeelte dient u de middelste hoofdsteun
vrij te geven en omlaag te zetten, zie
pagina 84.
De buitenste hoofdsteunen worden automatisch neergeklapt, wanneer u de buitenste ruggedeelten omklapt. Trek de blokvan het ruggedeelte
keerhandgreep
omhoog en klap het ruggedeelte om. Een
rode markering bij de pal
geeft aan dat
85
03 Bestuurdersmilieu
Stoelen en achterbank
het ruggedeelte niet langer geblokkeerd
staat.
Buitenste hoofdsteunen achterbank
elektrisch omklappen*
Houd voor het rechtop zetten de omgekeerde
volgorde aan.
03
N.B.
De rode markering mag niet langer zichtbaar zijn, wanneer het ruggedeelte weer
rechtop staat. Het ruggedeelte staat niet
geblokkeerd, als de rode markering wel
zichtbaar is.
WAARSCHUWING
Controleer of de ruggedeelten en hoofdsteunen van de achterbank na het rechtop
zetten goed vergrendeld staan.
1. De transpondersleutel moet in stand I of
II staan.
2. Druk op de knop om de beide buitenste
hoofdsteunen op de achterbank om te
klappen en het zicht naar achteren te verbeteren.
WAARSCHUWING
Klap de buitenste hoofdsteunen niet om, als
er iemand op een van beide buitenste zitplaatsen van de achterbank zit.
Zet de hoofdsteun na afloop handmatig
rechtop totdat deze hoorbaar vastklikt.
86
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
WAARSCHUWING
De hoofdsteunen moeten na het rechtop
zetten vergrendeld staan.
03 Bestuurdersmilieu
Stuurwiel
Instellen
WAARSCHUWING
Claxon
Stel het stuurwiel af voordat u gaat rijden en
controleer of het in de gekozen stand vergrendeld staat.
G021138
Bij auto’s met snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging* is de vereiste stuurkracht in te stellen, zie pagina 239.
03
Toetsensets*
Stuurwiel afstellen.
Claxon.
Ontgrendelingshendel, stuurwielafstelling
Druk op het midden van het stuurwiel om te
claxonneren.
Mogelijke stuurwielstanden
U kunt het stuurwiel zowel in de hoogte als in
de diepte verstellen:
1. Trek de hendel naar u toe om het stuur vrij
te geven.
2. Zet het stuurwiel vervolgens in de gewenste stand.
3. Duw de hendel vervolgens terug om het
stuurwiel in de nieuwe stand te blokkeren.
Als dit moeite kost, kunt u lichtjes op het
stuurwiel drukken en tegelijkertijd de hendel terugduwen.
Toetsensets op stuurwiel.
Cruisecontrol, zie pagina 158
Adaptieve cruisecontrol*, zie pagina 160
Audio- en telefoonfuncties, zie
pagina 247
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
87
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
Bedieningspaneel verlichting
Bedieningspaneel verlichting met AUTOstand
Instrumentenverlichting
Afhankelijk van de sleutelstand worden
bepaalde displays en instrumenten verlicht, zie
pagina 80.
De displayverlichting wordt bij donker automatisch gedimd. De gevoeligheidsgraad van deze
functie is in te stellen met het duimwiel.
03
Ook de sterkte waarmee het instrumentenpaneel verlicht wordt stelt u in met het duimwiel.
G021141
Koplamphoogteregeling
Overzicht bedieningspaneel verlichting.
Duimwiel1 voor het afstellen van de verlichting van het display en het instrumentenpaneel
Mistachterlicht
Mistlampen voorzijde*
Bedieningspaneel verlichting
Duimwiel2 voor koplamphoogteregeling
Overzicht bedieningspaneel verlichting.
Duimwiel1 voor het afstellen van de verlichting van het display en het instrumentenpaneel
Mistachterlicht
Mistlampen voorzijde*
Verlichtingsdraaiknop
Duimwiel2 voor koplamphoogteregeling
1
2
88
Door de belading van de auto wordt de hoogte
van de koplampen gewijzigd, zodat u tegemoetkomend verkeer mogelijk verblindt. U
kunt dat voorkomen door de koplamphoogte
bij te stellen. Stel de koplampen lager af als de
auto zwaar beladen is.
1. Laat de motor draaien of zet het elektrische
systeem van de auto in de sleutelstand I.
2. Draai het duimwiel omhoog of omlaag om
de koplampen hoger of lager af te stellen.
Auto’s met actieve xenonkoplampen* zijn uitgerust met automatische koplamphoogteregeling, zodat het duimwiel ontbreekt.
Met het duimwiel wordt tevens de sterkte geregeld voor de extra verlichting in het dashboardkastje, het opbergvak in het portier, de analoge klok*, de bekerhouder in de middenconsole en de
vloerverlichting voorin.
Niet aanwezig bij auto’s met actieve xenonkoplampen*.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
Groot licht/dimlicht
Stand
Betekenis
Bedieningspaneel verlichting met AUTOstand
DimlichtA/Dimlicht gedoofd.
Groot licht kan worden geactiveerdA.
Grootlichtsignaal is mogelijk in
deze stand.
03
Stadslichten vóór en achterlichten
Dimlicht
Groot licht kan worden geactiveerd.
Verlichtingsdraaiknop en stuurhendel.
Stand voor grootlichtsignalen
Grootlichtsignaal is mogelijk in
deze stand.
Stand voor groot licht
Verlichtingsdraaiknop en stuurhendel.
Stand voor grootlichtsignalen
Stand voor groot licht
A
Geldt voor bepaalde markten.
Stand
Betekenis
Dimlicht gedoofd.
Grootlichtsignaal is mogelijk in
deze stand.
Stadslichten vóór en achterlichten
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
89
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
Stand
Betekenis
DimlichtA/Dimlicht gedoofd in
goede lichtomstandigheden. De
functie ‘Tunneldetectie’* schakelt
in slechte lichtomstandigheden
het dimlicht in.
03
De functie ‘Actief groot licht’* is te
gebruiken.
Grootlichtsignaal is mogelijk in
deze stand.
Dimlicht
Groot licht kan worden geactiveerd.
Grootlichtsignaal is mogelijk in
deze stand.
A
Geldt voor bepaalde markten.
Volvo adviseert u de stand
te gebruiken
zolang de verkeerssituatie of de weersgesteldheid niet ongunstig zijn voor ‘Actief groot
licht’*.
Grootlichtsignalen
Trek de stuurhendel voorzichtig tot in de stand
voor grootlichtsignalen naar het stuurwiel toe.
3
90
Het groot licht brandt totdat u de hendel loslaat.
Dimlicht
Als de verlichtingsdraaiknop in stand3 staat,
gaat bij het starten van de motor het dimlicht
branden. U kunt het autoautomatisch
matische dimlicht zo nodig in een werkplaats
buiten werking laten stellen. Volvo adviseert u
contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats.
In de stand
brandt altijd het dimlicht,
wanneer de motor loopt of als de sleutelstandII actief is.
Bij auto’s met deze functie ziet de verlichtingsdraaiknop er anders uit, zie pagina 89.
De functie kan worden geactiveerd met de verlichtingsdraaiknop in de stand
. Om de
functie te kunnen activeren, moet de motor
minimaal 20 seconden hebben gelopen en
moet de snelheid van de auto 20 km/h of meer
bedragen.
Groot licht
Het groot licht is te ontsteken met de verlich3 of
.
tingsdraaiknop in stand
Schakel het groot licht in of uit door de stuurhendel tot in de eindstand naar het stuurwiel te
halen en vervolgens los te laten.
Wanneer het groot licht ontstoken is, brandt
op het instrumentenpaneel.
het lampje
Actief groot licht - AHB*
Actief groot licht (Active High Beam – AHB) is
een functie waarbij met behulp van een camerasensor in de bovenrand van de voorruit de
Op bepaalde markten moet u de verlichtingsdraaiknop naar de stand AUTO draaien.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
koplampen van een tegenligger of de achterlichten van een voorligger worden ontdekt en
wordt overgeschakeld van groot licht naar dimlicht. De verlichting schakelt enkele seconden
nadat dergelijk invallend licht niet meer wordt
waargenomen weer over naar groot licht.
Verlichtingsdraaiknop in stand AUTO.
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
Schakel het AHB in of uit door de linker stuurhendel tot in de eindstand naar het stuurwiel te
halen en vervolgens los te laten. Na het deactiveren van het groot licht wordt direct overgeschakeld naar dimlicht.
Verlichtingsdraaiknop en stuurhendel.
Wanneer het AHB ontstoken is, brandt het
lampje
op het display van het instrumentenpaneel. Wanneer het groot licht ontstoop het
ken is, brandt ook het lampje
instrumentenpaneel.
N.B.
WAARSCHUWING
Houd de voorruit vóór de camerasensor vrij
van sneeuw, ijs, condens en vuil.
Plak of monteer geen stickers of andere
voorwerpen op de voorruit in het gebied
vóór de camerasensor, omdat één of meer
systemen die gebruik maken van de camera
daardoor mogelijk niet goed of helemaal
niet werken.
AHB is een systeem dat u helpt om in
ongunstige omstandigheden de optimale
verlichting te kiezen.
Als bestuurder bent u echter altijd verplicht
om handmatig te wisselen tussen groot licht
en dimlicht, als dat gezien de verkeerssituatie en/of weersgesteldheid vereist is.
03
Als de melding AHB tijdelijk niet
beschikbaar op het display van het instrumentenpaneel staat, moet u handmatig tussen
groot licht en dimlicht schakelen. De verlichtingsdraaiknop kan echter nog steeds in de
staan. Hetzelfde geldt, als de melstand
ding Voorruitsensoren afgedekt en het
lampje
verschijnen. Het lampje
dooft, wanneer deze melding ver-
schijnt.
AHB is mogelijk tijdelijk niet beschikbaar, zoals
in dichte mist of bij zware regenval. Wanneer
AHB weer beschikbaar is of als de voorruitsensoren niet langer zijn afgedekt, verdwijnt de
melding en gaat het lampje
branden.
91
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
BELANGRIJK
Voorbeelden van situaties waarin u mogelijk
moet wisselen tussen groot licht en dimlicht:
•
•
•
•
03
in zware regen of dichte mist
bij stuifsneeuw of sneeuwmodder
bij maanlicht
bij ritten in zwak verlichte bebouwde
gebieden
•
bij voorliggers met een zwakke voertuigverlichting
•
•
bij voetgangers op of naast de weg
•
•
•
•
als de verlichting van tegenliggers
schuilgaat achter bijv. vangrails
bij verkeer op verbindingswegen
op het hoogste punt van heuvels en het
laagste punt van dalen
in scherpe bochten.
Tunneldetectie*
Bij auto’s met een regensensor* registreert de
regensensor wijzigingen qua lichtinval, wan-
92
Actieve xenonkoplampen, ABL*
bij sterk reflecterende voorwerpen zoals
borden in de buurt van de weg
Zie voor meer informatie over de beperkingen
van de camerasensor zie pagina 185.
4
neer de auto bijvoorbeeld een tunnel inrijdt en
op markten zonder automatisch dimlicht,
wordt binnen een seconde het dimlicht geactiveerd. Ca. 20 seconden nadat de auto de tunnel heeft verlaten, dooft het dimlicht weer. Let
erop dat de tunneldetectie alleen werkt, als de
verlichtingsdraaiknop in stand
staat.
Geactiveerd bij levering vanuit de fabriek.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Lichtbundel bij gedeactiveerde (links) en geactiveerde (rechts) functie.
Als de auto is uitgerust met actieve xenonkoplampen (Active Bending Lights, ABL) draaien
de lichtbundels van de koplampen mee om
optimale verlichting te verkrijgen in bochten en
op kruisingen om op die manier de veiligheid
te verhogen.
De functie wordt automatisch ingeschakeld bij
het starten van de motor. Wanneer de functie
een storing vertoont, brandt het lampje
op het instrumentenpaneel en op het informatiedisplay verschijnen een verklarende melding
plus een ander brandend lampje.
Lampje
Display
Betekenis
Koplampfout Service vereist
Het systeem
is defect.
Bezoek een
werkplaats
als de melding niet
verdwijnt.
Volvo adviseert u contact op te
nemen met
een erkende
Volvo-werkplaats.
De functie is uitsluitend actief bij schemer of
donker en dan alleen als de auto rijdt.
U kunt de functie4 deactiveren/activeren in het
menusysteem MY CAR onder My V70 Act.
bochtverlichting of onder Instellingen
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
Stadslichten vóór en achterlichten
Remlichten
De remlichten gaan automatisch branden wanneer u remt. Voor informatie over de noodremlichten en de automatische alarmlichten, zie
pagina 140.
U kunt de functie5 deactiveren/activeren in het
menusysteem MY CAR onder My XC70
Act. bochtverlichting of onder Instellingen
Auto-instellingen Lichtinstellingen
Act. bochtverlichting. Voor een beschrijving
van het menusysteem, zie pagina 214.
Verstralers*
Als de auto beschikt over verstralers, kunt u in
het menusysteem MY CAR selecteren of deze
gedeactiveerd moeten worden of aan/uit moeten gaan in combinatie met het groot licht6, zie
pagina 215.
G021144
Voor het aanpassen van de lichtbundel, zie
pagina 97.
03
Mistlampen voorzijde
Verlichtingsdraaiknop in stand voor stads-/parkeerlichten vóór en achterlichten.
Draai de verlichtingsdraaiknop naar de stand
voor stads-/parkeerlichten (plus kentekenplaatverlichting).
Als het buiten donker is en de achterklep wordt
geopend, gaan de achterlichten branden om
achteropkomend verkeer te waarschuwen. Dit
gebeurt altijd, ongeacht de stand van de verlichtingsdraaiknop of de sleutelstand van het
elektrische systeem van de auto.
G021145
Auto-instellingen Lichtinstellingen
Act. bochtverlichting. Voor een beschrijving
van het menusysteem, zie pagina 214.
Knop voor mistlampen voorzijde.
De mistlampen vóór* zijn in te schakelen in
combinatie met het groot licht/dimlicht of de
stadslichten/parkeerlichten vóór en de achterlichten.
Druk op de knop voor in- en uitschakeling. Het
lampje in de knop brandt, wanneer de mistlampen aan de voorzijde branden.
5
6
Geactiveerd bij levering vanuit de fabriek.
Verstralers moeten op het elektrische systeem worden aangesloten door een werkplaats. Volvo adviseert u contact op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
93
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
Het mistachterlicht dooft automatisch bij het
afzetten van de motor.
N.B.
De regels voor het gebruik van de mistlampen vóór verschillen van land tot land.
03
N.B.
De regels voor het gebruik van het mistachterlicht verschillen van land tot land.
Mistachterlicht
tot stilstand is gekomen, blijven de alarmlichten knipperen. Wanneer u weer wegrijdt, worden ze automatisch uitgeschakeld. U kunt ook
op de knop voor de alarmlichten drukken. Voor
meer informatie over de noodremlichten en de
automatische alarmlichten, zie pagina 140.
Richtingaanwijzers/knipperlichten
G021146
Alarmlichten
Knop voor mistachterlicht.
Het mistachterlicht dat uit een lamp aan de
achterzijde van de auto bestaat, is alleen in te
schakelen wanneer u het groot licht/dimlicht
voert al dan niet gecombineerd met de mistlampen aan de voorzijde.
Druk op de knop voor in-/uitschakeling. Het
controlelampje voor het mistachterlicht
op het instrumentenpaneel en het lampje in de
knop branden, wanneer het mistachterlicht
ingeschakeld is.
94
Richtingaanwijzers/knipperlichten.
Knop voor alarmlichten.
Druk op de knop om de alarmlichten te activeren. Beide richtingaanwijzerlampjes op het
instrumentenpaneel knipperen bij gebruik van
de alarmlichten.
Wanneer de auto dermate hard is afgeremd dat
de noodremlichten in werking zijn getreden,
worden, zodra de snelheid van de auto tot
onder de 10 km/h is gedaald, automatisch de
alarmlichten ingeschakeld. Ook nadat de auto
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
Verlichting in interieur
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag
naar de eerste stand en laat de hendel vervolgens los. De richtingaanwijzers lichten
driemaal op. U kunt de functie activeren/
deactiveren in het menusysteem MY CAR
onder Instellingen Autoinstellingen Lichtinstellingen
Driemaal
richtingaanwijzer. Voor een beschrijving
van het menusysteem, zie pagina 214.
De leeslampjes voorin worden in- en uitgeschakeld met een druk op de bijbehorende
knoppen op de plafondconsole.
Plafondverlichting achterin
G021149
03
Onafgebroken serie knippersignalen
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag
naar de tweede stand.
De hendel blijft in deze stand staan en kan
handmatig in de uitgangspositie teruggezet
worden of veert automatisch terug bij het
terugdraaien van het stuurwiel.
Richtingaanwijzerlampjes
Voor de richtingaanwijzerlampjes, zie
pagina 74.
Plafondverlichting voorin
Knoppen op plafondconsole voor bediening leeslampjes en interieurverlichting voorin.
Leeslampje linkerzijde
G021150
Korte serie knippersignalen
Leeslampje rechterzijde
Interieurverlichting
Alle verlichting in het interieur kan handmatig
in- en uitgeschakeld worden binnen 30 minuten nadat:
• de motor is afgezet en het elektrische systeem van de auto in 0 staat
• de auto ontgrendeld is zonder dat de motor
is gestart.
Plafondverlichting achterin.
U kunt de lampjes in- en uitschakelen met een
druk op de bijbehorende knop.
Instapverlichting
De instapverlichting (alsmede de interieurverlichting) worden in- en uitgeschakeld bij het
openen of sluiten van een portier.
Verlichting dashboardkastje
De verlichting in het dashboardkastje wordt inen uitgeschakeld bij het openen en sluiten van
de klep van het kastje.
``
95
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
03
Make-upspiegel
De interieurverlichting dooft, wanneer:
De verlichting van de make-upspiegel, zie
pagina 242, wordt bij het openen en sluiten
van het klepje in- en uitgeschakeld.
• u de motor start
• de auto wordt vergrendeld.
Bagageruimteverlichting
De interieurverlichting gaat aan en blijft twee
minuten lang branden, wanneer een van de
portieren openstaat.
De bagageruimteverlichting wordt bij het openen en sluiten van de achterklep automatisch
in- en uitgeschakeld.
Automatische verlichting
Met de knop voor de interieurverlichting kunt u
drie verlichtingsstanden selecteren:
• Uit – rechterkant ingedrukt, automatische
interieurverlichting gedeactiveerd.
• Neutrale stand – automatische verlichting
geactiveerd.
•
Aan – linkerkant ingedrukt, interieurverlichting brandt.
Neutrale stand
Met de knop in de neutrale stand wordt de
interieurverlichting als volgt automatisch in- en
uitgeschakeld.
De interieurverlichting wordt ingeschakeld en
blijft 30 seconden lang branden, als:
• u de auto met de afstandsbediening ontgrendelt (zie pagina 48 of 51)
• de motor is afgezet en het elektrische systeem van de auto in 0 staat.
96
Als u een bepaalde verlichtingsfunctie handmatig inschakelt, zal deze na twee minuten
automatisch worden uitgeschakeld.
Sfeerverlichting
Als de reguliere interieurverlichting is uitgegaan en de motor draait, branden er enkele
leds, o.a. een bij de plafondverlichting om een
zwak licht te geven en de sfeer tijdens de rit te
verbeteren. Deze verlichting gaat even na de
reguliere interieurverlichting uit als de auto
wordt vergrendeld.
‘Follow Me Home’-verlichting
Het is mogelijk om een deel van de buitenverlichting enige tijd ingeschakeld te houden en
als ‘Follow Me Home’-verlichting dienst te
laten doen na vergrendeling van de auto.
1. Neem de transpondersleutel uit het contactslot.
2. Haal de linker stuurhendel tot in de eindstand naar het stuurwiel toe en laat de hen-
del los. De functie is op dezelfde manier te
activeren als de grootlichtsignalen, zie
pagina 89.
3. Stap uit de auto en vergrendel het portier.
Wanneer de functie wordt geactiveerd, gaan
de dimlichten, de parkeerlichten, de richtingaanwijzers, de verlichting van de buitenspiegels, de kentekenplaatverlichting, de plafondlampjes in het interieur en de instapverlichting
branden.
De duur van de ‘Follow Me Home’-verlichting
kan worden ingesteld in het menusysteem
MY CAR onder Instellingen Autoinstellingen Lichtinstellingen
Tijdsduur 'follow me home'-verl.. Voor een
beschrijving van het menusysteem, zie
pagina 214.
‘Approach’-verlichting
U activeert de ‘Approach’-verlichting met de
transpondersleutel, zie pagina 48, om de verlichting van de auto op afstand in te schakelen.
Wanneer de functie met de afstandsbediening
wordt geactiveerd, gaan de parkeerlichten, de
verlichting van de buitenspiegels, de kentekenplaatverlichting, de plafondlampjes in het
interieur en de instapverlichting branden.
De duur van de ‘Approach’-verlichting kan
worden ingesteld in het menusysteem
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
Actieve xenonkoplampen*
MY CAR onder Instellingen Autoinstellingen Lichtinstellingen
Tijdsduur 'approach'-verl.. Voor een
beschrijving van het menusysteem, zie
pagina 214.
03
G019442
G021152
Lichtbundel aanpassen
G021151
Lichtbundel rechtsrijdend verkeer.
Lichtbundel linksrijdend verkeer.
Om verblinding van tegenliggers te voorkomen
kunt u de lichtbundel van de koplampen aanpassen voor links- en rechtsrijdend verkeer. Bij
de juiste lichtbundel wordt ook de berm beter
verlicht.
Hendel voor aanpassing lichtbundel.
Normale stand – de juiste lichtbundel voor
het land waarin de auto werd afgeleverd.
Aangepaste stand – stand voor de tegenovergestelde lichtbundel.
WAARSCHUWING
Omdat de xenonkoplampen voorzien zijn
van een ontstekingsgedeelte dat een hoge
spanning opwekt, moet u er voorzichtig
mee omgaan.
Het land waarin de auto werd afgeleverd
bepaalt of de uitgangspositie de juiste is voor
links- of rechtsrijdend verkeer.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
97
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
Voorbeeld 1
Om met een in Nederland geleverde auto in
Groot-Brittannië te kunnen rijden dient de lichtbundel van de koplampen te worden ingesteld
op de aangepaste stand (zie voorgaande
afbeelding).
03
Voorbeeld 2
Een in Groot-Brittannië geleverde auto is
bestemd voor linksrijdend verkeer en daarom
kunt u de lichtbundel van de koplampen in de
normale stand (zie voorgaande afbeelding)
laten staan.
Halogeenkoplampen
Bij halogeenkoplampen past u de lichtbundel
aan door bepaalde delen van het koplampglas
af te plakken. De sterkte van de lichtbundel
neemt daardoor iets af.
Koplampen afplakken
1. Trek de mallen A en B over voor een auto
met het stuur links of de mallen C en D voor
een auto met het stuur rechts in een schaal
van 1:2, zie pagina 100. Gebruik bijvoorbeeld een kopieerapparaat met vergrotingsfunctie:
• A = LHD Right (auto met het stuur links,
rechter koplampglas)
• B = LHD Left (auto met het stuur links,
linker koplampglas)
98
• C = RHD Right (auto met het stuur
rechts, rechter koplampglas)
• D = RHD Left (auto met het stuur rechts,
linker koplampglas)
2. Breng de mallen over op een stuk zelfklevend en watervast materiaal en knip ze uit.
3. Neem de designstreep op de koplampglazen als uitgangspunt, zie stippellijn op
pagina 99. Breng de zelfklevende mallen
aan de hand van de afbeelding en de afmetingen in de onderstaande lijst aan op de
juiste afstand tot de designstreep:
•
•
•
•
A = LHD Right - ca. 86 mm
B = LHD Left - ca. 40 mm
C = RHD Right - 0 mm
D = RHD Left - ca. 96 mm
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
Positie van de mallen
G033954
03
Bovenste regel: auto met stuur links, mallen A en B. Onderste regel: auto met stuur rechts, mallen C en D.
``
99
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
Mallen voor halogeenkoplampen
03
100
03 Bestuurdersmilieu
Wissers en sproeiers
Ruitenwissers1
Intervalstand
Regensensor*
Met het duimwiel kunt u het aantal
wisslagen per eenheid van tijd instellen wanneer u de intervalstand hebt geselecteerd.
De regensensor registreert de hoeveelheid
regen op de voorruit en schakelt automatisch
de ruitenwissers op de voorruit in. De gevoeligheid van de regensensor is in te stellen met
het duimwiel.
Ononderbroken wissen
De wissers bewegen op normale
snelheid.
De wissers bewegen op hoge snelheid.
Wanneer de regensensor actief is, brandt het
lampje in de bijbehorende knop en verschijnt
op het rechter
het regensensorlampje
display van het instrumentenpaneel.
03
Activeren en gevoeligheid instellen
BELANGRIJK
Ruitenwissers en -sproeiers.
Regensensor aan/uit
Duimwiel gevoeligheid regensensor/snelheid ruitenwissers
Ruitenwissers uitgeschakeld
Haal de hendel naar stand 0 om de
ruitenwissers uit te schakelen.
Enkele slag
Haal de hendel omhoog en laat deze
los om de wissers een enkele slag te
laten maken.
Controleer alvorens de ruitenwissers tijdens
de winter in te schakelen of de wisserbladen
niet zijn vastgevroren en de voorruit (alsmede de achterruit) sneeuw- en ijsvrij zijn.
BELANGRIJK
Spuit een ruime hoeveelheid ruitensproeiervloeistof op de voorruit, wanneer de ruitenwissers werken. De voorruit moet nat zijn bij
gebruik van de ruitenwissers.
Servicestand wisserbladen
Bij reiniging van voorruit/wisserbladen en vervanging van wisserbladen, zie pagina 371 en
390.
1
Om de regensensor te activeren dient de motor
te lopen of de transpondersleutel in stand I of
II te staan en de ruitenwisserhendel in stand 0
of die voor een enkele wisslag.
Activeer de regensensor door op de knop
te drukken. De ruitenwissers maken een
slag.
Als u de hendel omhooghaalt, maken de ruitenwissers een extra slag.
Draai het duimwiel omhoog voor een grotere
gevoeligheid en omlaag voor een geringere
gevoeligheid. (De wissers maken een extra
slag, als u het duimwiel omhoogdraait.)
Wisserbladen vervangen zie pagina 371, servicestand wisserbladen zie pagina 371 en sproeiervloeistof bijvullen zie pagina 373.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
101
03 Bestuurdersmilieu
Wissers en sproeiers
Deactiveren
Koplamp- en ruitensproeiers
Deactiveer de regensensor met een druk op de
of haal de hendel omlaag naar een
knop
ander wisprogramma.
03
Gereduceerde sproeifunctie
Wanneer er nog ca. 1 liter ruitensproeiervloeistof in het reservoir zit en op het display van het
instrumentenpaneel de melding verschijnt dat
u sproeiervloeistof moet bijvullen, worden de
koplampen en de achterruit niet langer
schoongesproeid. Dit omdat de sproeifunctie
van de voorruit en een goed zicht door de voorruit de voorrang hebben.
De regensensor wordt automatisch gedeactiveerd, wanneer u de transpondersleutel uit het
contactslot neemt of vijf minuten nadat u de
motor hebt afgezet.
BELANGRIJK
De ruitenwissers op de voorruit kunnen in
een automatische wasstraat spontaan
inschakelen en daarbij beschadigd raken.
Schakel de regensensor uit terwijl de motor
loopt of als de transpondersleutel in stand
I of II staat. Het symbool op het instrumentenpaneel en dat in de knop doven.
koplampen alleen iedere vijfde keer dat u de
voorruitsproeiers activeert gesproeid.
Achterruit wissen en sproeien
Sproeierfunctie.
Ruitensproeiers voorruit
U activeert de sproeiers van de voorruit en de
koplampen door de hendel naar het stuurwiel
toe te trekken.
Nadat u de hendel hebt losgelaten maken de
ruitenwissers op de voorruit nog enkele slagen
en worden de koplampen gesproeid.
Verwarmde sproeikoppen*
De sproeikoppen worden bij vorst automatisch
verwarmd om te voorkomen dat de sproeiervloeistof bevriest.
Hogedruksproeiers koplampen*
De hogedruksproeiers van de koplampen verbruiken een grote hoeveelheid sproeiervloeistof. Om vloeistof te besparen, worden de
102
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Ruitenwisser achterklep – intervalstand
Ruitenwisser achterklep – continu wissen
03 Bestuurdersmilieu
Wissers en sproeiers
Wanneer u de hendel naar voren haalt (zie pijl
op bovenstaande afbeelding), activeert u de
ruitenwisser/-sproeier van de achterklep.
N.B.
De achterruitwisser is beveiligd tegen oververhitting zodat de wissermotor wordt uitgeschakeld bij oververhitting. De achterruitwisser werkt weer na een periode van
afkoelen (30 seconden of langer afhankelijk
van de motor- en de omgevingstemperatuur).
03
Ruitenwisser achterklep, achteruitrijden
Als u de auto in de achteruitversnelling zet terwijl de voorste ruitenwissers actief zijn, zal de
intervalstand van de ruitenwisser op de achterklep starten2. Bij het inschakelen van een
andere versnelling valt de ruitenwisser op de
achterklep stil.
Als de ruitenwisser op de achterklep echter al
op continue snelheid werkt, vindt er geen wijziging plaats.
N.B.
Bij auto’s met een geactiveerde regensensor wordt de ruitenwisser op de achterklep
automatisch geactiveerd, als u in de regen
achteruitrijdt.
2
Deze functie (intervalstand tijdens het achteruitrijden) kunt u desgewenst uitschakelen. Bezoek een werkplaats. Volvo adviseert u daarvoor contact op te nemen met een erkende Volvo-dealer.
103
03 Bestuurdersmilieu
Ruiten en spiegels
Algemeen
Warmtereflecterende voorruit*
Gelaagd glas
03
Het glas is verstevigd voor een verbeterde inbraakbeveiliging en
geluidsisolatie van het interieur. De
voorruit en de overige ruiten zijn
gemaakt van gelaagd glas*.
op dat deel van de voorruit waar geen warmtereflecterende film is aangebracht (zie gemarkeerd veld op bovenstaande afbeelding).
Elektrisch bedienbare ruiten
Water- en vuilafstotende laag*
De ruiten zijn voorzien van een speciale laag die bij hevige regenval voor
een beter zicht zorgt. Voor het onderhoud, zie
pagina 392.
Veld waar geen IR-film is aangebracht.
BELANGRIJK
Gebruik geen metalen ijskrabber om de ruiten van ijs te ontdoen. Gebruik de elektrische verwarming om de buitenspiegels van
ijs te ontdoen, zie pagina 108.
Maten
A
47 mm
B
87 mm
De voorruit is voorzien van een warmtereflecterende film (IR) die de ingestraalde warmte in
de passagiersruimte beperkt.
Montage van elektronische uitrusting, zoals
een transponder, achter een ruit met een
warmtereflecterende film heeft mogelijk een
negatieve invloed op de werking en prestaties
van de uitrusting.
Voor optimale werking van dient de elektronische uitrusting dan ook gemonteerd te worden
104
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Bedieningspaneel op bestuurdersportier.
Elektrisch kinderslot op achterportieren*
en achterste zijruiten, zie pagina 65.
Bedieningsknoppen achterste zijruiten
Bedieningsknoppen voorste zijruiten
WAARSCHUWING
Zorg ervoor dat achterpassagiers niet met
hun handen bekneld raken, wanneer u de
zijruiten vanaf het bestuurdersportier sluit.
03 Bestuurdersmilieu
Ruiten en spiegels
WAARSCHUWING
Bediening
Zorg er bij het sluiten van de zijruiten voor
dat kinderen of andere inzittenden niet met
hun handen bekneld raken. Dit geldt ook als
u gebruik maakt van de transpondersleutel.
De ruiten komen tot stilstand en worden
geopend, als ze tijdens het sluiten in hun beweging worden gehinderd. Wanneer sluiten
onmogelijk is door bijvoorbeeld ijsvorming, kan
de beveiliging tegen overbelasting worden
opgeheven. U doet dat door de bedieningsknop voor de bewuste zijruit omhoog te trekken en in deze stand vast te houden, totdat de
zijruit dicht is. De beveiliging tegen overbelasting wordt enige tijd later opnieuw geactiveerd.
WAARSCHUWING
Als er kinderen in de auto aanwezig zijn,
moet altijd de stroom naar de elektrisch
bedienbare ruiten worden onderbroken
door te kiezen voor sleutelstand 0 en vervolgens de transpondersleutel mee te
nemen uit de auto. Voor informatie over
sleutelstanden, zie pagina 81.
de transpondersleutel worden bediend, maar
niet nadat er een portier is geopend.
Bedieningsknoppen elektrisch bedienbare zijruiten.
Handmatige bediening
Automatische bediening
Met het bedieningspaneel van het bestuurdersportier kunnen alle elektrisch bedienbare
ruiten worden bediend. De bedieningspanelen
van de overige portieren kunnen alleen de ruit
van het betreffende portier bedienen. Er kan
slechts één bedieningspaneel tegelijk worden
bediend.
Om de elektrisch bedienbare ruiten te kunnen
gebruiken, moet de sleutelstand minimaal I
zijn, zie pagina 80. Na uitschakeling van de
motor kunnen de elektrisch bedienbare ruiten
gedurende enkele minuten na verwijdering van
03
N.B.
U kunt de rijwindgeluiden tijdens ritten met
geopende achterportierruiten beperken
door ook de voorportierruiten een stukje te
openen.
Handmatige bediening
Trek voorzichtig een van de bedieningsknoppen omhoog of duw er een omlaag. De elektrisch bedienbare zijruiten komen steeds verder omhoog of omlaag zolang u de bedieningsknop bedient.
Automatische bediening
Trek een van de bedieningsknoppen omhoog
of duw er een omlaag en laat deze vervolgens
los. De bijbehorende zijruit gaat automatisch
volledig open of dicht.
105
03 Bestuurdersmilieu
Ruiten en spiegels
Bediening met transpondersleutel en
centrale vergrendeling
Buitenspiegels
Om de elektrisch bedienbare zijruiten vanaf de
buitenzijde te bedienen met de transpondersleutel of vanaf de binnenzijde met de centrale
vergrendeling, zie pagina 48 en 59.
03
XC70: Beide spiegels zijn groothoekig voor
een optimaal zicht. Voorwerpen kunnen verder weg lijken dan ze in werkelijkheid zijn.
Resetten
Als de accu losgekoppeld is geweest, werkt de
automatische openingsfunctie pas weer naar
behoren wanneer u deze hebt gereset.
1. Trek de knop aan de voorkant omhoog om
de ruit helemaal te sluiten en houd de knop
een seconde in deze stand vast.
Bedieningsknoppen buitenspiegels.
Instellen
3. Trek de voorkant van de knop opnieuw een
seconde omhoog.
1. Druk op knop L voor de buitenspiegel links
of op R voor de buitenspiegel rechts. Het
lampje in de knop brandt.
WAARSCHUWING
1
106
Stand vastleggen1
2. Laat de knop korte tijd los.
De beveiliging tegen overbelasting werkt
alleen als de automatische openingsfunctie
voor zijruiten gereset is.
WAARSCHUWING
V70: De spiegel aan de bestuurderszijde is
groothoekig voor een optimaal zicht. Voorwerpen kunnen verder weg lijken dan ze in
werkelijkheid zijn.
2. U kunt de stand afstellen met het hendeltje
in het midden.
3. Druk opnieuw op knop L of R. Het lampje
mag niet langer branden.
Alleen in combinatie met een elektrisch bedienbare stoel met geheugen, zie pagina 83.
De stand van de buitenspiegels en de bestuurdersstoel worden vastgelegd, wanneer u de
auto met de transpondersleutel vergrendelt.
Een volgende keer dat de auto met dezelfde
transpondersleutel wordt ontgrendeld en het
bestuurdersportier wordt geopend, nemen de
buitenspiegels en de bestuurdersstoel de vastgelegde standen in.
U kunt de functie activeren/deactiveren in het
menusysteem MY CAR onder Instellingen
Auto-instellingen Sleutelgeheugen
Persoonlijke instellingen in hoofdgeheugen.
Voor een beschrijving van het menusysteem,
zie pagina 214.
03 Bestuurdersmilieu
Ruiten en spiegels
Buitenspiegel kantelen bij parkeren1
De buitenspiegels kunnen omlaaggekanteld
worden, zodat u bijvoorbeeld tijdens het parkeren de kant van de weg te kan zien.
–
Schakel de achteruitversnelling in en druk
op de knop L of R.
Als de achteruitversnelling wordt uitgeschakeld, neemt de buitenspiegel automatisch zijn
oorspronkelijke stand weer in. Dit gebeurt na
ca. 10 seconden, of eerder door te drukken op
de respectievelijk knop L of R.
Automatisch kantelende buitenspiegel
bij parkeren1
Bij het inschakelen van de achteruitversnelling
worden de buitenspiegels automatisch
omlaaggekanteld, zodat u bijvoorbeeld tijdens
het parkeren de kant van de weg kan zien.
Wanneer de auto uit de achteruitversnelling
wordt gehaald, neemt de buitenspiegel na
enige tijd automatisch de oorspronkelijke
stand weer in.
U kunt de functie activeren/deactiveren in het
menusysteem MY CAR onder Instellingen
Auto-instellingen Instellingen zijspiegel
Linkerspiegel hellen of Rechterspiegel
hellen. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie pagina 214.
1
Automatische inklapfunctie bij
vergrendelen1
Wanneer u de auto vanaf de transpondersleutel vergrendelt/ontgrendelt worden de buitenspiegels automatisch in- of uitgeklapt.
U kunt de functie activeren/deactiveren in het
menusysteem MY CAR onder Instellingen
Auto-instellingen Instellingen zijspiegel
Spiegels inklappen. Voor een beschrijving
van het menusysteem, zie pagina 214.
In neutrale stand terugzetten
Spiegels die uit positie zijn geraakt door invloeden van buitenaf, moeten eerst elektrisch in de
neutrale stand worden teruggezet zodat het
elektrisch in- en uitklappen weer correct werkt:
1. Klap de spiegels in met de knoppen L en
R.
Elektrisch inklapbare buitenspiegels*
U kunt de buitenspiegels inklappen bij het parkeren en als u op smalle wegen rijdt:
1. Druk de knoppen L en R gelijktijdig in (sleutelstand minimaal I).
2. Laat ze na ca. 1 seconde los. De spiegels
stoppen automatisch, als ze volledig zijn
ingeklapt.
03
Klap de spiegels uit door de knoppen L en R
tegelijkertijd in te drukken. De spiegels stoppen automatisch, als ze volledig zijn uitgeklapt.
“Approach”-verlichting en “Follow Me
Home”-verlichting
De lampjes op de buitenspiegels gaan branden, als u de “Approach”-verlichting of de “Follow Me Home”-verlichting selecteert, zie
pagina 96.
2. Klap de spiegels weer uit met de knoppen
L en R.
3. Herhaal de bovenstaande procedure zo
nodig.
De spiegels staan daarmee weer in de neutrale
stand.
Alleen in combinatie met een elektrisch bedienbare stoel met geheugen, zie pagina 83.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
107
03 Bestuurdersmilieu
Ruiten en spiegels
Elektrische achterruit- en
buitenspiegelverwarming
03
MY CAR onder Instellingen
Klimaatinstellingen Aut.
achterruitverwarming. Kies vervolgens uit
Aan of Uit. Voor een beschrijving van het
menusysteem, zie pagina 214.
Achteruitkijkspiegel
2. Deactiveer de dimfunctie door het hendeltje naar de voorruit toe te duwen.
Autodimfunctie*
Als het licht dat van achteren in de spiegel valt
te fel is, wordt de achteruitkijkspiegel automatisch gedimd. Het hendeltje is niet aanwezig op
spiegels met autodimfunctie.
Een kompas* is alleen een optie voor een achteruitkijkspiegel met autodimfunctie, zie
pagina 109.
Gebruik de elektrische verwarming om de achterruit en de buitenspiegels te ontwasemen en
te ontdooien.
Bij eenmaal indrukken van de knop gaat de
verwarming van start. Het brandende lampje in
de knop geeft aan dat de functie actief is.
Schakel de verwarming uit zodra het ijs/de
condens verdwenen is om de accu niet onnodig te belasten. Als u echter niets doet, wordt
de verwarming na enige tijd automatisch uitgeschakeld.
De buitenspiegels en de achterruit worden
automatisch van condens/ijsvorming ontdaan,
als de auto wordt gestart bij een buitentemperatuur lager dan +9 °C. Automatische ontwaseming is te selecteren in het menusysteem
108
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Hendeltje voor dimfunctie
Handmatige dimfunctie
Fel licht van achteren kan hinderlijke reflecties
in de achteruitkijkspiegel veroorzaken en u verblinden. Zet de spiegel met het hendeltje in de
dimstand, wanneer u de verlichting van het
achteropkomende verkeer als hinderlijk
ervaart:
1. Activeer de dimfunctie door het hendeltje
naar u toe te halen.
03 Bestuurdersmilieu
Kompas*
Bediening
Kalibreren
Zone kiezen
Het kompas moet soms voor de nauwkeurigheid worden gekalibreerd. Ga dan als volgt te
werk:
1. Breng de auto tot stilstand op een groot en
open terrein waar geen stalen constructies
of hoogspanningsdraden zijn.
03
2. Start de motor.
Achteruitkijkspiegel met kompas.
In de rechter bovenhoek van de achteruitkijkspiegel zit een display waarop wordt aangegeven in welke richting de voorkant van de auto
wijst. Er worden acht verschillende richtingen
met Engelse afkortingen weergegeven: N
(noord), NE (noordoost), E (oost), SE (zuidoost), S (zuid), SW (zuidwest), W (west) en
NW (noordwest).
Het kompas wordt automatisch geactiveerd
wanneer u de motor start of wanneer sleutelstand II actief is, zie pagina 80. Om het kompas
handmatig uit of in te schakelen kunt u een
paperclip of iets dergelijks nemen en het
knopje aan de achterzijde van de achteruitkijkspiegel indrukken.
3. Houd het knopje aan de achterzijde van de
achteruitkijkspiegel ingedrukt (met bijvoorbeeld een paperclip), totdat de melding C
opnieuw verschijnt (ca. 6 seconden lang).
4. Rijd op de normale manier weg. C verdwijnt van het display, wanneer de kalibratie is afgerond.
Alternatieve kalibratiemethode: Rijd langzaam een rondje in de auto met een snelheid van hoogstens 8 km/h, totdat de melding C van het display verdwijnt om aan te
geven dat de kalibratie afgerond is.
G030295
N.B.
Voor optimale kalibratie dient u alle elektrische apparatuur (klimaatregeling, ontwaseming e.d.) uit te schakelen en de portieren
dicht te houden.
Magnetische zones.
De aarde is in 15 magnetische zones verdeeld.
Het kompas werkt alleen naar behoren als de
juiste zone geselecteerd is.
1. Sleutelstand II moet actief zijn, zie
pagina 80.
2. Houd het knopje aan de achterzijde van de
achteruitkijkspiegel ten minste 3 seconden
lang (met een paperclip of iets dergelijks)
ingedrukt. Het nummer van de actuele
geografische zone verschijnt.
3. Druk herhaaldelijk op het knopje totdat het
nummer van de gewenste geografische
zone (1–15) verschijnt.
4. Enkele seconden later geeft het display de
kompasrichting weer aan.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
109
03 Bestuurdersmilieu
Elektrisch bedienbaar schuifdak*
Algemene informatie
De bedieningsknoppen voor het schuifdak zitten aan het plafond. Het schuifdak is aan de
achterkant open te kantelen of horizontaal
open te schuiven. Het schuifdak is alleen te
openen in sleutelstand I of II.
03
Horizontaal openschuiven
knop vervolgens los om het schuifdak zo ver
mogelijk open te schuiven.
U kunt het schuifdak handmatig openen door
de bedieningsknop achteruit naar het weerstandspunt voor handmatig openen te trekken.
Het schuifdak schuift steeds verder open
zolang u de knop in deze stand vasthoudt.
WAARSCHUWING
Als er kinderen in de auto aanwezig zijn:
Onderbreek altijd de stroom naar het schuifdak door te kiezen voor sleutelstand 0 en
neem vervolgens de transpondersleutel
mee uit de auto. Voor informatie over sleutelstanden, zie pagina 81.
Sluiten
U kunt het schuifdak handmatig sluiten door de
bedieningsknop vooruit naar het weerstandspunt voor handmatig sluiten te duwen. Het
schuifdak schuift steeds verder dicht zolang u
de knop in deze stand vasthoudt.
Verticaal openkantelen
Beknellingsgevaar bij het sluiten van het
schuifdak. De beveiliging tegen overbelasting van het schuifdak werkt alleen bij automatisch sluiten, niet bij handmatig sluiten.
Horizontaal openschuiven, achteruit/vooruit.
Openen, automatisch
Openen, handmatig
Sluiten, handmatig
Sluiten, automatisch
Openen
Trek de bedieningsknop naar achteren in de
stand voor automatisch openen en laat de
110
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Het schuifdak gaat automatisch dicht, wanneer u de knop in de stand voor automatisch
sluiten duwt en vervolgens loslaat.
Wanneer u sleutelstand 0 kiest en de transpondersleutel uit het contactslot neemt, wordt
de spanning van het schuifdak verbroken.
G028900
G017823
WAARSCHUWING
Verticaal openkantelen, achterkant omhoogkantelen.
Kantel het schuifdak open door de achterkant van de knop omhoog te duwen.
Kantel het schuifdak dicht door de achterkant van de knop omlaag te trekken.
03 Bestuurdersmilieu
Elektrisch bedienbaar schuifdak*
Sluiten met transpondersleutel of knop
voor centrale vergrendeling
van het schuifdak. Pak de handgreep vast en
schuif het scherm naar voren om het te sluiten.
Beveiliging tegen overbelasting
G021345
Het schuifdak is voorzien van een beveiliging
tegen overbelasting die wordt geactiveerd, als
het schuifdak door een obstakel wordt gehinderd. Het schuifdak komt dan tot stilstand en
keert vervolgens automatisch terug naar de
laatst gebruikte, geopende stand.
03
Windscherm
Houd de vergrendelingsknop lang ingedrukt
om het schuifdak en alle zijruiten te sluiten (zie
pagina 48 en 59). De portieren en de achterklep
worden vergrendeld. Druk nogmaals op de vergrendelingsknop om het sluiten te onderbreken.
WAARSCHUWING
Controleer of niemand met de handen
bekneld raakt wanneer u het schuifdak
vanaf de transpondersleutel sluit.
Bij het schuifdak hoort een windscherm dat
opgeklapt wordt bij een geopend schuifdak.
Zonnescherm
Aan de binnenkant van het schuifdak zit een
handbediend zonnescherm. Het zonnescherm
glijdt automatisch naar achteren bij het openen
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
111
03 Bestuurdersmilieu
Alcoholslot*
Algemene informatie over alcoholslot
03
Functies
Het alcoholslot1 voorkomt dat bestuurders die
onder invloed zijn in de auto kunnen rijden.
Voordat de motor kan worden gestart, moet u
een blaastest afgeven om vast te stellen dat u
niet onder de invloed van alcohol bent. Het
alcoholslot wordt gekalibreerd ten opzichte
van de grenswaarde voor verkeersdeelname
die in uw land geldt.
Batterij
Het controlelampje (4) van de blaasunit geeft
de ladingstoestand van de batterij aan:
WAARSCHUWING
Het alcoholslot is een hulpmiddel dat u niet
ontslaat van uw verantwoordelijkheden als
bestuurder. De bestuurder dient altijd nuchter te blijven en de auto op een veilige
manier te besturen.
Bediening
1. Mondstuk voor blaastest.
Controlelampje
(4)
Ladingstoestand
batterij
Knippert groen
Wordt opgeladen
Groen
Volledig opgeladen
Oranje
Half opgeladen
Rood
Ontladen – plaats de
lader in de houder of
sluit de voedingskabel uit het dashboardkastje aan.
2. Schakelaar.
3. Zendertoets.
4. Lampje voor ladingstoestand batterij.
5. Lampje voor resultaat blaastest.
6. Lampje dat aangeeft dat het systeem
gereed is voor een blaastest.
1
112
Wordt ook wel Alcoguard genoemd.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
N.B.
Bewaar de blaasunit in zijn houder. Zo blijft
de ingebouwde batterij opgeladen en kan
het alcoholslot automatisch worden geactiveerd bij het openen van de auto.
03 Bestuurdersmilieu
Alcoholslot*
Bewaren
1. Wanneer het controlelampje (6) groen
oplicht, is de blaasunit klaar voor gebruik.
Resultaat van de blaastest
2. Neem de blaasunit uit de houder. Als de
blaasunit zich buiten de auto bevindt tijdens het ontgrendelen, dan dient u de unit
eerst te activeren met de schakelaar (2).
3. Klap het mondstuk (1) omhoog, haal diep
adem en blaas gelijkmatig totdat er
ca. 5 seconden later een ‘klikgeluid’ klinkt.
Het resultaat is een van de alternatieven in
de volgende tabel Resultaat van de
blaastest.
Blaasunit bewaren en laadstation.
• De blaasunit van het alcoholslot wordt verwijderd door de unit licht in de houder te
drukken en los te laten, waarna de houder
opveert en uit de houder kan worden genomen.
• Plaats de blaasunit terug in de houder tot
de unit vastklikt.
• Bewaar de blaasunit in de houder. Dat
biedt de beste bescherming en garandeert
dat de batterijen steeds volledig opgeladen zijn.
Alvorens de motor de starten
De blaasunit wordt automatisch geactiveerd
en gereedgemaakt voor gebruik bij het ontgrendelen van de auto.
4. Als er geen melding verschijnt, is er mogelijk iets misgegaan tijdens de gegevensoverdracht naar de auto – druk in dat geval
op de toets (3) om de testgegevens handmatig naar de auto te zenden.
5. Klap het mondstuk omlaag en plaats de
blaasunit terug in de houder.
6. Start vervolgens binnen 5 minuten na een
goedgekeurde blaastest de motor – anders
is een nieuwe blaastest vereist.
A
Controlelampje
(5) + displaymelding
Betekenis
Groen lampje +
Alcoguard Test
goedgekeurd
Start de motor –
geen alcohol gemeten.
Oranje lampje +
Alcoguard Test
goedgekeurd
Motor kan worden
gestart – gemeten
promillage boven
0,1 promille maar
onder de geldende
grenswaardeA.
Rood lampje + Test
afgekeurd Wacht 1
minuut
Motor kan niet worden gestart – gemeten promillage
boven de geldende
grenswaardeA.
03
De grenswaarde verschilt van land tot land (ga na wat er in
uw land geldt). Zie ook het gedeelte Algemene informatie
over het alcoholslot op pagina 112
N.B.
Binnen 30 minuten na afloop van een rit kan
de motor opnieuw gestart worden zonder
dat er een nieuwe blaastest nodig is.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
113
03 Bestuurdersmilieu
Alcoholslot*
Waar u op moet letten
Alvorens een blaastest te doen
Voor een goede werking en een zo nauwkeurig
mogelijk meetresultaat:
• Ca. 5 minuten voor de blaastest niet eten
of drinken.
03
• De voorruit niet te lang sproeien – de alcohol in de sproeiervloeistof kan een verkeerd meetresultaat opleveren.
wijze gestart worden – de motor is dan alleen
te starten via de bypass-functie, zie
pagina 114, gedeelte over Noodsituatie.
De melding is te verwijderen met een druk op
de zendtoets (3). De melding verdwijnt anders
spontaan na ca. 2 minuten maar verschijnt
iedere keer dat de motor gestart wordt
opnieuw – alleen bij herkalibratie in een werkplaats2 verdwijnt de melding permanent.
op de blaasunit en wacht totdat het controlelampje (6) groen oplicht.
Bij extreme vorst kunt u de opwarmtijd verkorten door de blaasunit mee naar binnen te
nemen.
Noodsituatie
In noodsituaties of wanneer het alcoholslot
defect is, kunt u het alcoholslot omzeilen om
toch in de auto te kunnen rijden.
Koud en warm weer
Van bestuurder wisselen
Om bij het wisselen van bestuurder een nieuwe
blaastest te kunnen doen schakelaar (2) en de
zendtoets (3) gelijktijdig ca. 3 seconden lang
ingedrukt houden. De startblokkering van de
auto wordt dan opnieuw geactiveerd, zodat er
eerst een goedgekeurde blaastest nodig is
voordat de motor kan worden gestart.
Temperatuur (°C)
Maximale
opwarmtijd
(seconden)
+10 tot +85
10
Kalibreren en onderhoud plegen
–5 tot +10
60
Het alcoholslot dient om de 12 maanden in een
werkplaats2 gecontroleerd en gekalibreerd te
worden.
–40 tot –5
180
Wanneer er nog 30 dagen resteren tot aan een
geplande kalibratiebeurt, verschijnt
Alcoguard Kalibr. vereist op het display. Als
er niet binnen 30 dagen gekalibreerd wordt,
dan kan de motor niet langer op de normale
2
114
Hoe kouder het buiten is, hoe langer het duurt
voordat de blaasunit gereed is voor gebruik:
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Bij temperaturen lager dan –20 °C of hoger dan
+60 °C is extra voeding voor de blaasunit vereist. Op het display verschijnt Alcoguard
Stroom kabel aansluiten. Sluit de voedingskabel uit het dashboardkastje in dat geval aan
N.B.
Alle activeringen via een doorverbinding
(bypass) worden geregistreerd en opgeslagen in een geheugen, zie pagina 8 in het
hoofdstuk Vastlegging van gegevens.
Na activering van de bypass-functie blijft
Alcoguard Bypass actief op het display
staan totdat het systeem gereset wordt in een
werkplaats2.
Het is mogelijk de bypass-functie te testen
zonder dat er een foutmelding wordt aangemaakt – loop in dat geval alle stappen door
maar start de motor niet. De foutmelding wordt
gewist bij het vergrendelen van de auto.
Bij installatie van het alcoholslot geeft u aan of
omzeilen mogelijk moet zijn via de bypass- of
03 Bestuurdersmilieu
Alcoholslot*
de noodfunctie. Deze instelling is achteraf nog
te wijzigen in een werkplaats2.
Bypass-functie activeren
• Houd de knop OK op de linker stuurhendel
en de knop voor de alarmknipperlichten ca.
5 seconden lang ingedrukt – op het display
verschijnen achtereenvolgens Bypass
actief Wacht 1 minuut en Alcoguard
Bypass actief – daarna kunt u de motor
starten.
Lampjes en displaymeldingen
Behalve de eerder beschreven meldingen kan
ook het volgende op het display van het instrumentenpaneel verschijnen:
• Houd de knop OK op de linker stuurhendel
en de knop voor de alarmknipperlichten ca.
5 seconden lang ingedrukt – op het display
verschijnt Alcoguard Bypass actief,
waarna u de motor kunt starten.
Alcoguard Blaas
zachter
U blies te hard –
blaas minder hard.
Betekenis/Maatregel
Alcoguard Blaas
harder
Alcoguard Herstart mogelijk
Motor stond minder
dan 30 minuten af –
motor kan worden
gestart zonder
nieuwe blaastest.
U blies niet hard
genoeg – blaas harder.
Alcoguard wacht
Verwarmt voor
Alcoguard Service
vereist
Bezoek een werkplaats2.
Opwarming niet
gereed – wacht de
melding Alcoguard
Blaas 5 seconden
af.
Alcoguard Geen
signaal
Overdracht mislukt –
verstuur het resultaat handmatig via
toets (3) of doe een
nieuwe blaastest.
Alcoguard Test
ongeldig
De test is mislukt –
doe een nieuwe
blaastest.
Alcoguard Blaas
langer
U blies te kort –
blaas langer.
Deze functie is eenmaal te gebruiken en moet
daarna gereset worden in een werkplaats2.
2
Betekenis/Maatregel
Displaymelding
Deze functie is meerdere malen te activeren.
De foutmelding die verschijnt tijdens het rijden
is echter alleen te wissen in een werkplaats2.
Noodfunctie activeren
Displaymelding
03
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
115
03 Bestuurdersmilieu
Motor starten
Benzine- en dieselmotoren
2. Houd het koppelingspedaal volledig ingedrukt1. (Bij auto’s met automatische versnellingsbak – bedien het rempedaal.)
3. Druk op de knop START/STOP ENGINE
en laat deze vervolgens los.
03
N.B.
Bij auto’s met een dieselmotor slaat de
motor mogelijk met enige vertraging aan,
wanneer de melding Voorgloeifunctie
motor actief op het display staat.
Contactslot met transpondersleutel uitgetrokken/
ingeduwd en knop START/STOP ENGINE.
De startmotor draait totdat de motor aanslaat
of totdat de beveiliging tegen oververhitting in
werking treedt.
BELANGRIJK
De transpondersleutel niet verkeerd om
insteken – pak de sleutel beet aan het uiteinde met het afneembare sleutelblad. zie
pagina 50.
1. Plaats de transpondersleutel in het contactslot en duw deze tot aan de aanslag
naar binnen. Let erop dat u bij een auto met
alcoholslot eerst een goedgekeurde blaastest moet uitvoeren, voordat de motor kan
worden gestart, zie pagina 112.
1
116
N.B.
Tijdens de koude start is het mogelijk dat het
motortoerental merkbaar hoger ligt dan normaal is voor bepaalde motortypes. Dit
omdat ernaar wordt gestreefd het uitlaatgasreinigingssysteem zo snel mogelijk op
bedrijfstemperatuur te brengen en tegelijkertijd de uitstoot te beperken van stoffen
die schadelijk zijn voor het milieu.
BELANGRIJK
Als de motor na 3 pogingen niet gestart is,
wacht u 3 minuten voordat u een nieuwe
poging doet. Het startvermogen neemt toe
als de startaccu zich kan herstellen.
WAARSCHUWING
Haal na een motorstart of als de auto wordt
gesleept nooit de transpondersleutel uit het
contactslot.
Als de auto rolt is het indrukken van de knop START/STOP ENGINE voldoende om de motor te starten.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
WAARSCHUWING
Haal altijd de transpondersleutel uit het contactslot als u uit de auto stapt en zorg ervoor
dat de sleutelstand 0 is, met name als er
kinderen in de auto aanwezig zijn. Voor
informatie over hoe u dit doet, zie
pagina 81.
Keyless drive*
Loop de punten 2–3 door voor benzine- en dieselmotoren. Voor meer informatie over Keyless
drive, zie pagina 56.
N.B.
Om de auto te kunnen starten dient één van
de transpondersleutels met Keyless Drive*functie in de passagiers- of bagageruimte
aanwezig te zijn.
03 Bestuurdersmilieu
Motor starten
WAARSCHUWING
Haal nooit de transpondersleutel uit de auto
tijdens rijden of slepen.
Motor afzetten
Om de motor af te zetten:
• Druk op START/STOP ENGINE – de
motor slaat af.
Als de keuzehendel niet in stand P staat of als
de auto rolt:
•
Druk twee maal op START/STOP
ENGINE of houd de knop ingedrukt, totdat
de motor afslaat.
Stuurslotfout
Er is mogelijk een mechanisch geluid waarneembaar, wanneer het stuurslot wordt opgeheven of ingeschakeld.
• Het stuurslot ontgrendelt als de transpondersleutel in het contactslot zit2 en de knop
START/STOP ENGINE wordt ingedrukt.
Afstandsstart, ERS*
Algemene informatie over ERS
Afstandsstart (ERS – Engine Remote Start)
houdt in dat u de motor van de auto vanaf de
transpondersleutel op afstand kunt starten. Op
die manier kunt u de passagiersruimte voor
aanvang van de rit verwarmen/koelen.
De klimaatregeling start met dezelfde instellingen als toen de auto geparkeerd werd.
Een via het ERS gestarte motor blijft maximaal
15 minuten draaien en wordt daarna afgezet.
Na twee ERS-activeringen moet de motor eerst
op de normale manier worden gestart, voordat
het ERS weer gebruikt kan worden.
WAARSCHUWING
Om de motor op afstand te starten, moet
aan de volgende criteria zijn voldaan:
•
•
•
De auto moet onder toezicht staan
Er mogen geen personen of dieren in de
auto aanwezig zijn
03
De auto mag niet in een afgesloten, niet
geventileerde ruimte staan - de uitlaatgassen kunnen voor ernstig letsel bij
mensen en dieren zorgen.
De optie ERS is alleen te specificeren op auto’s
met een automatische versnellingsbak.
N.B.
Houd rekening met lokale/nationale regelgeving/voorschriften voor stationair rijden.
• Het stuurslot wordt geactiveerd, wanneer
u na het afzetten van de motor het bestuurdersportier opent.
Sleutelstanden
Voor informatie over de verschillende standen
van de transpondersleutel, zie pagina 80
2
Auto’s met Keyless moeten een transpondersleutel in de passagiersruimte hebben.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
117
03 Bestuurdersmilieu
Motor starten
Bediening
1. Druk kort op de vergrendelingsknop (1) van
de transpondersleutel.
2. Druk vervolgens lang – minimaal
2 seconden – op de knop (2).
Als aan de voorwaarden voor ERS is voldaan,
vindt bovendien het volgende plaats:
03
1. Alle richtingaanwijzers lichten snel enkele
malen achtereen op.
2. De motor start.
3. Ter bevestiging dat de motor is gestart
lichten alle richtingaanwijzers vervolgens
3 seconden lang op.
Knoppen voor afstandsstart op transpondersleutel.
Vergrendelen
Approach-verlichting
N.B.
Na het op afstand starten is de auto nog
steeds vergrendeld, echter met een
gedeactiveerd alarm.
Informatie3
Motor op afstand starten
Afstandsstart van de motor is mogelijk op een
maximale afstand van ongeveer 30 meter en bij
vrij zicht – de auto moet bovendien zijn vergrendeld.
Om de motor op afstand te starten:
3
4
5
118
Alleen op een PCC, zie pagina 49.
Lees meer over de PCC op pagina 49.
Lees meer over de Approach-verlichting op pagina 48 en 96.
Met PCC4
Het lampje voor Approach-verlichting5 gaat bij het indrukken van de
knop eerst enkele malen knipperen
en brandt vervolgens continu, mits
aan alle voorwaarden voor ERS is voldaan. Dit
betekent echter niet dat het ERS de motor
heeft gestart.
Om te controleren of het ERS de motor gestart
heeft kunt u op de Informatieknop(3) – als de
motor gestart is, wordt dit aangegeven met een
lampje in de knop voor de Approach-verlichting (2).
Actieve functies
Bij een op afstand gestarte motor zijn de volgende functies actief:
• ventilatiesysteem
• audio-/videosysteem
Inactieve systemen
Bij een op afstand gestarte motor zijn de volgende functies niet actief:
•
•
•
•
koplampen
stadslichten
kentekenplaatverlichting
ruitenwisser.
Motor wordt afgezet
In de volgende gevallen wordt een via ERS
gestarte motor afgezet:
• de vergrendelingsknop (1) op de transpondersleutel wordt ingedrukt
• de auto wordt ontgrendeld
• er wordt een portier geopend
03 Bestuurdersmilieu
Motor starten
• het gas- of rempedaal wordt bediend
• de keuzehendel wordt uit stand P gehaald
• er zit minder dan ca. 10 liter brandstof in de
brandstoftank
Melding
Betekenis
Melding
Betekenis
Geen st. op afst
accusp. laag
ERS is niet ingeschakeld vanwege
een geringe accuspanning. U laadt de
accu op door de
motor te starten.
Geen st. op afst
brandstofp. laag
ERS is niet ingeschakeld vanwege
een gering brandstofpeil.
Geen st. op afst
Max 2 starts
ERS is niet ingeschakeld, omdat er
maximaal 2 ERSactiveringen achtereen zijn toegestaan.
• het ERS is langer dan 15 minuten actief
geweest.
Bij het afzetten van een via ERS gestarte motor
lichten alle richtingaanwijzers 3 seconden lang
op.
Geen st. op afst
best. in auto
ERS is niet ingeschakeld, omdat er
iemand in de auto
zat.
Geen st. op afst
motorwaarschw.
ERS is niet ingeschakeld vanwege
een waarschuwingsmelding voor
de motor. Bezoek
een werkplaatsA.
Lampjes en meldingen op display
In situaties waarbij ERS wordt onderbroken of
helemaal niet wordt ingeschakeld, verschijnt er
een lampje op het instrumentenpaneel en
wordt er een aanvullende melding weergegeven. Volg in dat geval het gegeven advies.
ERS niet ingeschakeld
Melding
Betekenis
Geen st. op afst
portier open
ERS is niet ingeschakeld, omdat er
een portier (of de
achterklep) niet
dichtstond.
Geen st. op afst
auto niet vergr.
ERS is niet ingeschakeld, omdat de
auto niet vergrendeld was.
Geen st. op afst
hendel niet in P
ERS is niet ingeschakeld, omdat de
keuzehendel niet in
stand P stond.
Geen st. op afst
motorkoelvl.
ERS is niet ingeschakeld vanwege
een foutmelding
vanuit het koelsysteem, zie
pagina 361.
A
03
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
ERS onderbroken
Melding
Betekenis
St. op afst. uit
accusp. laag
ERS is onderbroken
vanwege een te
geringe accuspanning.
St. op afst. uit
brandstofp. laag
ERS is onderbroken
vanwege een te
gering brandstofpeil.
St. op afst. uit
motorwaarschw.
ERS is onderbroken
vanwege een foutmelding voor de
motor. Bezoek een
werkplaatsA.
``
119
03 Bestuurdersmilieu
Motor starten
03
A
120
Melding
Betekenis
St. op afst. uit hendel niet in P
ERS is onderbroken,
omdat de keuzehendel niet in stand P
staat.
St. op afst. uit best.
in auto
ERS is onderbroken,
omdat er iemand in
de auto zit.
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
03 Bestuurdersmilieu
Motor starten, FlexiFuel
Algemene informatie over het starten
van een FlexiFuel-motor
Motorverwarming*
zoveel mogelijk gebruik van de motorverwarming.
De motor wordt op dezelfde manier gestart als
een benzinemotor.
WAARSCHUWING
De motorverwarming werkt op een hoge
spanning. Laat controle- en reparatiewerkzaamheden aan een elektrische motorverwarming en de elektrische aansluitingen
ervan uitvoeren door een werkplaats –
geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
Bij startproblemen
Wanneer de motor niet bij de eerste startpoging aanslaat:
• Doe nog enkele startpogingen met behulp
van de knop START/STOP ENGINE.
Als de motor dan nog niet aanslaat
N.B.
Is de buitentemperatuur lager dan +5 °C:
Aansluiting voor motorverwarming.
1. Sluit de elektrische motorverwarming minstens 1 uur lang aan.
Als de te verwachten temperatuur lager is dan
–10 °C, wordt u geadviseerd de motorverwarming ca. 2 uur in te schakelen om de motor
sneller te kunnen starten wanneer er bio-ethanol (E 85) in de tank zit.
2. Doe nog enkele startpogingen met behulp
van de knop START/STOP ENGINE.
BELANGRIJK
Als de motor ondanks herhaalde startpogingen niet aanslaat, wordt geadviseerd
contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats.
03
Hoe lager de temperatuur hoe langer de motorverwarming moet werken. Bij –20 °C dient u de
verwarming ca. 3 uur in te schakelen.
Auto’s bestemd voor bio-ethanol (E 85) zijn uitgerust met een elektrische motorverwarming*.
Een voorverwarmde motor slaat sneller aan en
loopt beter, wat een aanzienlijke beperking van
de emissies en het brandstofverbruik inhoudt.
Maak daarom tijdens de wintermaanden
Waar u op moet letten als u een jerrycan met
brandstof wilt meenemen:
•
Wanneer u de brandstoftank hebt leeggereden en bio-ethanol (E 85) bijvult uit
een jerrycan is het bij strenge vorst niet
uitgesloten dat de motor startproblemen vertoont. U kunt dit voorkomen
door de jerrycan gevuld te houden met
benzine (95 RON).
Voor meer informatie over de FlexiFuel-brandstof bio-ethanol (E 85), zie pagina 315 en
415.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
121
03 Bestuurdersmilieu
Motor starten, FlexiFuel
Brandstofadaptatie
03
FlexiFuel-motoren kunnen op zowel loodvrije
benzine (95 RON) als op bio-ethanol (E85) rijden. Beide brandstofsoorten worden in de
gemeenschappelijke brandstoftank bijgevuld,
wat betekent dat alle mogelijke mengverhoudingen tussen de beide brandstofsoorten zijn
toegestaan.
Wanneer u de brandstoftank hebt volgegoten
met benzine nadat u op bio-ethanol (E 85) hebt
gereden (om omgekeerd), kan de motor enige
tijd ietwat onregelmatig lopen. Het is daarom
belangrijk dat de motor de gelegenheid krijgt
tot aanpassing (adaptatie) aan het nieuwe
brandstofmengsel.
Een dergelijke adaptatie gaat automatisch van
start, wanneer u korte tijd op gelijkmatige snelheid in de auto rijdt.
BELANGRIJK
Na wijzigingen in het brandstofmengsel in
de tank dient een adaptatie plaats te vinden.
Dit gebeurt wanneer u ca. 15 minuten lang
op gelijkmatige snelheid rijdt.
Als de startaccu ontladen of losgekoppeld is
geweest, moet er voor een correcte adaptatie
iets langer worden gereden aangezien het
geheugen van de elektronica werd gewist.
122
03 Bestuurdersmilieu
Motor starten, hulpaccu
Starten met hulpaccu
4. Bevestig de ene klem van de rode startkabel aan de pluspool (1) van de hulpaccu.
BELANGRIJK
Wees voorzichtig bij het aansluiten van de
startkabels om kortsluiting met andere
onderdelen in de motorruimte te voorkomen.
5. Haal de clips op de voorste dekplaat van
de uitgeputte accu los en verwijder de dekplaat, zie pagina 375.
Als de startaccu uitgeput is, kunt u de auto
starten met stroom van een hulpaccu.
Als u een hulpaccu gebruikt bij het starten
wordt geadviseerd de volgende stappen aan te
houden om kortsluiting en andere schade te
voorkomen:
1. Zet de transpondersleutel in sleutelstand 0, zie pagina 80.
6. Bevestig de andere klem van de rode startkabel aan de pluspool (2) van de auto.
7. Bevestig de ene klem van de zwarte startkabel aan de minpool (3) van de hulpaccu.
11. Start de motor in de auto met de uitgeputte
accu.
BELANGRIJK
Raak de aansluitingen niet aan tijdens de
startpoging. Er bestaat namelijk gevaar voor
vonkvorming.
03
12. Verwijder de startkabels in omgekeerde
volgorde - eerst de zwarte kabel en daarna
de rode.
> Zorg dat geen van de aansluitklemmen
aan de zwarte startkabel contact kan
maken met de pluspool van de accu of
met de aangesloten klem van de rode
startkabel!
8. Bevestig de andere klem aan een massapunt, bijv. een van de hijsogen (4) op de
motor.
2. Controleer of de hulpaccu een spanning
van 12 V levert.
9. Controleer of de aansluitklemmen van de
startkabels goed vastzitten om te voorkomen dat er tijdens de startpoging vonken
ontstaan.
3. Als de hulpaccu in een andere auto is
gemonteerd, moet u de motor van die auto
afzetten en ervoor zorgen dat de beide
auto’s elkaar niet raken.
10. Start de motor van de “hulpauto” en laat
deze enkele minuten draaien op een toerental dat iets hoger ligt dan normaal,
ca. 1500 omw/min.
123
03 Bestuurdersmilieu
Motor starten, hulpaccu
WAARSCHUWING
03
•
De startaccu kan het zeer explosieve
knalgas produceren. Eén enkele vonk,
veroorzaakt door een onjuiste aansluiting van een startkabel, kan volstaan om
de accu tot ontploffing te brengen.
•
De startaccu bevat tevens zwavelzuur
dat ernstige chemische brandwonden
kan veroorzaken.
•
Als u accuzuur in uw ogen krijgt of op
uw huid of kleren morst, moet u onmiddellijk met grote hoeveelheden water
spoelen. Neem onmiddellijk contact op
met een arts, als u accuzuur in uw ogen
krijgt.
Zie voor meer informatie over de startaccu van
de auto - zie pagina 374.
124
03 Bestuurdersmilieu
Versnellingsbakken
Schakelindicator1
BELANGRIJK
Om schade aan onderdelen van de aandrijflijn te voorkomen wordt de bedrijfstemperatuur van de versnellingsbak gecontroleerd. Bij gevaar voor oververhitting gaat
een waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel branden en verschijnt er een
displaymelding – volg het gegeven advies.
03
Handgeschakelde versnellingsbak
Schakelpatroon zesversnellingsbak.
De zesversnellingsbak bestaat in twee verschillende uitvoeringen – het verschil zit hem in
de positie voor de achteruit. Zie het desbetreffende schakelpatroon dat in de pookknop
geslagen is.
• Trap het koppelingspedaal tijdens het
schakelen altijd zo ver mogelijk in.
• Haal uw voet na het schakelen weer van
het koppelingspedaal af.
Schakelpatroon vijfversnellingsbak.
WAARSCHUWING
Gebruik altijd de parkeerrem bij parkeren op
een hellende ondergrond - een ingeschakelde versnelling is niet voldoende om de
auto in alle situaties vast te houden.
1
Een belangrijk gegeven voor een milieubewuste rijstijl is het kiezen van de juiste versnelling en tijdig schakelen.
Daarvoor beschikt u over de schakelindicator
(GSI (Gear Shift Indicator)), die het optimale
tijdstip voor op- en terugschakelen aangeeft
om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te
houden. Met het oog op eigenschappen als de
prestaties en een trillingsvrije motorloop is het
soms beter op iets hogere toeren te schakelen.
De indicator maakt gebruik van een pijl
omhoog of omlaag op het rechter display van
het instrumentenpaneel.
Alleen handgeschakelde versnellingsbak op model D2.
125
03 Bestuurdersmilieu
Versnellingsbakken
Blokkering achteruitversnelling
N.B.
De blokkering van de achteruitversnelling
beperkt het risico dat u tijdens het vooruitrijden
op normale snelheid onbedoeld de achteruitversnelling inschakelt.
03
De keuzehendel moet in de P-stand staan
om de auto te kunnen vergrendelen en op
alarm te zetten.
• Volg het schakelpatroon dat in de versnel-
BELANGRIJK
lingspook is geslagen en begin in de neutrale stand N. Druk daarna de versnellingspook naar stand R duwt.
De auto moet stilstaan wanneer u de hendel
in stand P zet.
• Schakel de achteruitversnelling alleen in
als de auto stilstaat.
N.B.
Bij het schakelpatroon voor een zestraps
versnellingsbak (zie voorgaande afbeelding)
de versnellingspook eerst omlaagduwen in
stand N alvorens de achteruitversnelling in
te schakelen.
WAARSCHUWING
D: automatisch schakelen. + (–/ ): handmatig schakelen.
Het informatiedisplay geeft de stand van de
keuzehendel aan met behulp van de volgende
tekens: P, R, N, D, S, 1, 2, 3, 4, 5 of 6, zie
pagina 73.
Schakelstanden
Automatische versnellingsbak
Geartronic*
Parkeerstand - P
Selecteer stand P, wanneer u de motor start of
de auto parkeert. U moet het rempedaal bedienen om de keuzehendel uit stand P te kunnen
halen.
In stand P is de versnellingsbak mechanisch
geblokkeerd. Activeer voor de zekerheid ook
de parkeerrem, zie pagina 144.
126
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Gebruik altijd de parkeerrem bij parkeren op
een hellende ondergrond - de P-stand van
de automatische versnellingsbak is niet voldoende om de auto in alle situaties vast te
houden.
Achteruitrijstand - R
De auto moet stilstaan wanneer u de hendel in
stand R zet.
Neutraalstand - N
In deze stand kunt u de motor starten en er is
geen versnelling ingeschakeld. Zet de parkeerrem aan, wanneer de auto stilstaat en de keuzehendel in stand N staat.
Rijstand - D
Stand D is de normale rijstand. De versnellingsbak schakelt automatisch op en terug
afhankelijk van de stand van het gaspedaal en
de snelheid. Zorg ervoor dat de auto stilstaat,
03 Bestuurdersmilieu
Versnellingsbakken
voordat u de keuzehendel vanuit stand D in
stand R zet .
als de bestuurder langzamer gaat rijden dan
wat voor de gekozen versnelling gepast is.
De sportstand kan op elk moment tijdens het
rijden ingeschakeld worden.
Geartronic - Handmatig schakelen (+/–)
Om de automatische rijstand te hervatten:
Geartronic - Winterstand
Met de automatische versnellingsbak
Geartronic kunt u ook handmatig schakelen.
Bij het loslaten van het gaspedaal wordt de
auto op de motor afgeremd.
• Zet de hendel helemaal naar links in stand
Om bij gladheid gemakkelijker weg te kunnen
komen is het soms beter handmatig de 3e versnelling in te schakelen.
Handmatig schakelen is te activeren door de
hendel vanuit stand D helemaal naar rechts in
stand +/– te zetten. Op het informatiedisplay
verandert het teken D in een van de cijfers 1–
6 afhankelijk van de ingeschakelde versnelling,
zie pagina 73.
D.
N.B.
Als de versnellingsbak een sportstand kent,
is handmatig schakelen pas te activeren
wanneer u de keuzehendel vooruit of achter
in stand (+/–) hebt gezet. Op het informatiedisplay verandert de S dan in een van de
tekens 1–6 om aan te geven welke versnelling er ingeschakeld is.
• Duw de hendel naar voren naar de + (plus)
om een hogere versnelling in te schakelen
en laat deze weer los – de hendel veert
terug naar de neutrale stand tussen + en
–.
of
• Trek de hendel naar achteren naar de –
(min) om een lagere versnelling in te schakelen en laat deze weer los.
Handmatig schakelen (+/–) kan op elk moment
tijdens het rijden geactiveerd worden.
Om schokken en afslaan van de motor te voorkomen, schakelt Geartronic automatisch terug
2
Geartronic - Sport-stand (S)2
De sportstand levert een sportiever rijgedrag
op en maakt het mogelijk om hogere toeren te
maken in de versnellingen. De motor reageert
bovendien sneller op de commando’s die u
met het gaspedaal geeft. Bij inschakeling van
de sportstand wordt tevens de voorkeur gegeven aan de lagere versnellingen, zodat er met
enige vertraging wordt opgeschakeld.
De Sport-stand is te activeren door de hendel
vanuit stand D helemaal naar rechts in stand
+/– te zetten. Op het informatiedisplay verandert het teken D in S.
03
1. Bedien het rempedaal en haal de keuzehendel vanuit stand D naar stand +/– – het
symbool D op het display van het instrumentenpaneel verandert in een 1.
2. Schakel op naar de 3e versnelling door de
hendel twee keer naar voren naar de +
(plus) te duwen – op het display verandert
de 1 in een 3.
3. Laat het rempedaal los en geef voorzichtig
gas.
Bij activering van de ‘winterstand’ van de versnellingsbak rijdt de auto met een lager motortoerental en minder kracht op de aandrijfwielen
weg.
Kickdown
Als u het gaspedaal volledig intrapt (tot voorbij
de normale volgasstand), schakelt de versnellingsbak automatisch terug naar een lagere
versnelling. Dit is de zogeheten kickdown.
Alleen de modellen D5 en T6.
127
03 Bestuurdersmilieu
Versnellingsbakken
Wanneer u het gaspedaal uit de kickdownstand loslaat, schakelt de versnellingsbak
automatisch op.
Mechanische schakelblokkering
Elektrische schakelblokkering, Shiftlock
parkeerstand (P)
Om de keuzehendel uit stand P te kunnen
halen, moet u het rempedaal bedienen terwijl
de transpondersleutel in stand II staat, zie
pagina 80.
Gebruik de kickdown om zo snel mogelijk te
accelereren zoals bij het inhalen.
03
Beveiligingsfunctie
Schakelblokkering, vrijstand (N)
Geartronic staat geen terugschakeling/kickdown toe die tot een dusdanig hoog toerental
leidt dat de motor kan worden beschadigd.
Wanneer u bij hoge motortoeren toch probeert
een dergelijke kickdown uit te voeren, gebeurt
er niets. De auto blijft in de oorspronkelijke versnelling rijden.
Bij kickdown kan de auto afhankelijk van het
motortoerental één of meer versnellingen
terugschakelen. Om schade aan de motor te
voorkomen schakelt de auto op wanneer de
motor het maximumtoerental heeft bereikt.
G021351
Om overtoeren van de motor te voorkomen is
het stuurprogramma van de versnellingsbak
voorzien van een terugschakelblokkering,
waardoor de zogeheten kickdown niet mogelijk is.
U kunt de hendel altijd ongehinderd heen en
weer halen tussen de standen N en D. Om de
hendel in een van de overige standen te zetten,
moet u een blokkering opheffen door op de
blokkeerknop op de keuzehendel te drukken.
Met de blokkeerknop ingedrukt kunt u de hendel vooruit of achteruit bewegen tussen de
standen P, R, N en D.
Automatische schakelblokkering
De automatische versnellingsbak kent enkele
bijzondere beveiligingsfuncties:
Parkeerstand (P)
Stilstaande auto met draaiende motor:
Houd uw voet op het rempedaal terwijl u de
keuzehendel verzet.
128
Als de keuzehendel in stand N staat en de auto
heeft minstens 3 seconden stilgestaan (of de
motor nu loopt of niet), is de keuzehendel
geblokkeerd.
Om de keuzehendel uit stand N te kunnen
halen, moet de transpondersleutel in stand II
staan en moet het rempedaal worden bediend,
zie pagina 80.
Automatische schakelblokkering
deactiveren
03 Bestuurdersmilieu
Versnellingsbakken
Als er niet met de auto kan worden gereden
zoals het geval is bij een uitgeputte accu, moet
u de keuzehendel uit stand P halen voordat u
de auto kunt verslepen.
Til de rubbermat in het vak achter de middenconsole uit de auto en open het luikje.
Steek het sleutelblad zo ver mogelijk naar
binnen. Duw het sleutelblad omlaag en
houd het in deze stand vast. (Voor informatie over het sleutelblad, zie pagina 50.)
Haal de keuzehendel uit stand P.
Automatische versnellingsbak
Powershift*
Powershift is een zestraps automaat die in
tegenstelling tot een conventionele automatische versnellingsbak voorzien is van dubbele
mechanische lamellenkoppelingen. Een conventionele automatische versnellingsbak heeft
echter een hydraulische koppelomvormer die
de kracht van de motor overbrengt op de versnellingsbak.
Een Powershift-versnellingsbak werkt verder
op dezelfde manier en heeft bedieningselementen en functies die vergelijkbaar zijn met
die van de automatische versnellingsbak
Geartronic, die in het voorgaande gedeelte
werd besproken.
Powershift of Geartronic?
Wanneer u niet zeker weet of uw auto wel of
niet is uitgerust met een Powershift-versnellingsbak, kunt u dit controleren aan de hand
van de aanduiding op de versnellingsbaksticker onder de motorkap. De aanduiding ”MPS6” houdt in dat het om een
Powershift –-bak gaat. Anders is het een
Geartronic-automaat.
HSA
D: automatisch schakelen. + (–/ ): handmatig schakelen.
HSA (Hill Start Assist) zorgt ervoor dat de remdruk enkele seconden lang op peil blijft als u
uw voet van het rempedaal naar het gaspedaal
verplaatst voordat u wegrijdt of achteruitrijdt
op een oplopende helling.
De tijdelijke remwerking wordt na enige seconden opgeheven of eerder bij het bedienen van
het gaspedaal.
Waar u op moet letten
De dubbele koppeling van de versnellingsbak
is voorzien van een beveiliging tegen overbelasting die geactiveerd wordt, als de versnellingsbak te warm wordt – bijvoorbeeld als u de
auto te lang met het gaspedaal stilhoudt op een
oplopende helling.
03
Een te warme versnellingsbak uit zich in een
auto die gaat schudden en trillen, een waarschuwingslampje dat gaat branden en een
melding op het informatiedisplay. Ook bij langzaam fileverkeer (10 km/h of lager) op oplopende hellingen of met een aanhanger/caravan
achter de auto kan de versnellingsbak te warm
worden. De versnellingsbak koelt af tijdens stilstand, wanneer het rempedaal bediend wordt
en de motor stationair loopt.
Oververhitting tijdens langzaam fileverkeer is te
voorkomen door in etappes te rijden: Sta stil en
wacht met uw voet op het rempedaal totdat de
afstand tot uw voorliggers lang genoeg is om
een stukje verder vooruit te rijden, rem en
wacht weer enige tijd met uw voet op het rempedaal.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
129
03 Bestuurdersmilieu
Versnellingsbakken
BELANGRIJK
Bedien de bedrijfsrem om de auto stil te
houden op oplopende hellingen – maak
geen gebruik van het gaspedaal. De versnellingsbak kan dan oververhit raken.
Zie voor belangrijke informatie over de Powershift-bak en slepen - zie pagina 334.
Displaymelding en maatregel
In bepaalde situaties kan er een bepaalde melding op het display verschijnen in combinatie
met een brandend lampje.
03
Lampje
A
Display
Rijeigenschappen
Maatregel
Oververh versnb zet auto stil
Problemen om snelheid constant te houden bij hetzelfde toerental.
Versnellingsbak oververhit. Houd de auto
stil met het rempedaal.A
Oververh versnb Stop auto z.s.m.
Auto rijdt met hevige schokkerige bewegingen vooruit.
Versnellingsbak oververhit. Parkeer de
auto zo spoedig mogelijk.A
Koeling versn.b. laat motor lopen
Geen aandrijving wegens oververhitting
van de versnellingsbak.
Versnellingsbak oververhit. Voor optimale
koeling: Laat de motor stationair lopen met
de keuzehendel in stand N of stand P, totdat de melding verdwijnt.
Voor optimale koeling: Laat de motor stationair lopen met de keuzehendel in stand N of stand P, totdat de melding verdwijnt.
De tabel schetst drie gevallen van oververhitting van de versnellingsbak met verschillende
ernstigheidsgraad. De elektronica waarschuwt
de bestuurder niet alleen met een displaymelding maar ook middels tijdelijke wijzigingen in
het rijgedrag. Volg in het voorkomende geval
de aanwijzingen op het informatiedisplay.
130
N.B.
De voorbeelden in de tabel duiden niet op
defecten in de auto, maar geven aan dat een
beveiligingsfunctie geactiveerd werd om
schade aan autocomponenten te voorkomen.
WAARSCHUWING
03 Bestuurdersmilieu
Versnellingsbakken
Als u het waarschuwingssymbool met de
tekst Oververh versnb Stop auto z.s.m.
negeert, kan de versnellingsbaktemperatuur dusdanig oplopen dat de krachtoverbrenging tussen de motor en de versnellingsbak tijdelijk wordt verbroken om te
voorkomen dat de koppeling defect raakt –
de auto wordt dan niet meer aangedreven
totdat de versnellingsbaktemperatuur tot
een aanvaardbaar niveau is gedaald.
03
Voor andere displaymeldingen en de voorgestelde maatregelen bij auto’s met een automatische versnellingsbak, zie pagina 210.
Na uitvoering van de maatregel verdwijnt de
displaymelding automatisch. U kunt de melding ook eerder laten verdwijnen met een druk
op de knop OK van de richtingaanwijzerhendel.
131
03 Bestuurdersmilieu
DRIVe Start/Stop*
Stiller en schoner
Algemene informatie over Start/Stop
Functie en bediening
03
Milieuzorg vormt een van de kernwaarden van
Volvo Car Corporation en geeft richting aan al
onze activiteiten. Dit resulteerde in de DRIVeuitvoeringen: een concept bestaande in een
synergetisch geheel van uiteenlopende energiebesparende functies met als doel het brandstofverbruik te verlagen en daarmee ook de
uitlaatgasemissie te beperken.
De motor wordt afgezet – voor een stillere en schonere rit....
Auto’s met een bepaalde combinatie van
motor en versnellingsbak zijn voorzien van een
Start/Stop-systeem dat in werking treedt, als
de auto bijvoorbeeld stilstaat in een file of
wacht voor een stoplicht. De motor wordt dan
tijdelijk afgezet en start automatisch als er
moet worden doorgereden.
Met het Start/Stop-systeem kunt u actiever
milieubewust rijden doordat de motor, wanneer dat kan, automatisch kan afslaan.
Handbak of automaat
Let erop dat er verschillen zijn in het
Start/Stop-systeem, afhankelijk van de vraag
of de auto een handbak of een automaat heeft.
132
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Start/Stop Aan/Uit.
Brandt korte tijd bij activering en bij displaymeldingen.
De motor is automatisch afgezet.
Het Start/Stop-systeem wordt automatisch geactiveerd, wanneer u de
motor met een sleutel start. De bestuurder
wordt op de functie gewezen doordat op het
instrumentenpaneel kort dit lampje gaat branden, de displaytekst Auto Start-Stop AAN
wordt weergegeven en het groene lampje op
de Aan/Uit-knop brandt.
Alle normale autosystemen waaronder verlichting, radio e.d. werken ook bij een automatisch
afgeslagen motor normaal, zij het dat er mogelijk tijdelijke beperkingen gelden voor bepaalde
03 Bestuurdersmilieu
DRIVe Start/Stop*
uitrusting (zoals het geval kan zijn voor de ventilatorsnelheid van de klimaatregeling of het
volume van het audiosysteem).
Automatische motorstart
Voorwaarden
Automatische motorafslag
Voor automatische motorafslag geldt het volgende:
Voorwaarden
A
M/AA
Ontkoppel, zet de schakelhendel
in de neutrale stand en laat het
koppelingspedaal opkomen. De
motor wordt afgezet.
M
Zet de auto stil met het rempedaal
en houd uw voet op het pedaal.
De motor slaat automatisch af.
A
Met de schakelhendel in de neutrale stand: Trap het koppelingspedaal of het gaspedaal in – de
motor start. Schakel een passende versnelling in en vervolg de
rit.
M
Bij een aflopende helling bestaat
ook deze mogelijkheid:
M
Laat het rempedaal los. De motor
start automatisch en u kunt doorrijden.
A
pedaal verplaatst voordat u wegrijdt na een
automatisch afgeslagen motor. De tijdelijke
remwerking wordt na enkele seconden opgeheven, of eerder bij het bedienen van het gaspedaal.
Kijk voor meer informatie over HSA op pagina
129.
03
Start/Stop-systeem deactiveren
Laat het rempedaal los en laat de
auto wegrollen. De motor start
dan automatisch als de snelheid
hoger wordt dan normaal stapvoets.
M = handbak, A = automaatbak.
Ter bevestiging en herinnering aan de automatische
motorafslag licht het lampje
AUTO START van het informatiedisplay op.
M/AA
A
M = handbak, A = automaatbak.
Starten met hulpaccu HSA
Het rempedaal kan ook bij oplopende hellingen
worden losgelaten om de motor automatisch
te starten. De functie HSA zorgt ervoor dat de
auto niet achteruitrolt.
HSA (Hill Start Assist) zorgt ervoor dat de
pedaaldruk enkele seconden lang op peil blijft
als u uw voet van het rempedaal naar het gas-
In bepaalde situaties is het
mogelijk beter om het automatische Start/Stop-systeem
tijdelijk uit te schakelen. Dit is
mogelijk met een druk op
deze knop, waarbij het lampje
van de knop dooft.
Een gedoofd lampje op het
informatiedisplay geeft in
combinatie met de melding
Auto Start-Stop UIT die
ca. 5 seconden verschijnt aan
dat het Start/Stop-systeem
gedeactiveerd is. Ook het
lampje in de knop dooft.
Het Start/Stop-systeem blijft gedeactiveerd,
totdat het opnieuw geactiveerd wordt met de
knop of de volgende keer dat de motor wordt
gestart met de sleutel.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
133
03 Bestuurdersmilieu
DRIVe Start/Stop*
Beperkingen
Voorwaarden
M/AA
Voorwaarden
Automatische motorafslag werkt niet
de startaccu een temperatuur
onder het vriespunt of boven
ca. 55 °C heeft.
M+A
het bestuurdersportier is
geopend met de keuzehendel in
stand D.
A
de bestuurder grotere stuurbewegingen maakt.
M+A
de keuzehendel vanuit stand D in
stand SB of ‘+/-’ wordt gezet.
A
het roetfilter van het uitlaatsysteem vol is. Pas nadat er een
automatische regeneratie is uitgevoerd (zie pagina 316), wordt
het tijdelijk uitgeschakelde
Start/Stop-systeem weer geactiveerd.
M+A
de weg erg steil is.
M+A
een aanhanger is aangesloten op
het elektrische systeem van de
auto.
M+A
de atmosferische luchtdruk onder
het niveau ligt bij een hoogte van
ca. 1500–2000 boven zeeniveau.
De actuele luchtdruk varieert
afhankelijk van het weertype.
A
de file-assistent van de adaptieve
cruisecontrol geactiveerd is.
A
Ook als het Start/Stop-systeem geactiveerd is,
zal de automatische motorafslag niet werken
als:
03
134
Voorwaarden
M/AA
de auto nog geen ca. 5 km/h rijdt
(= stapvoets) na start met sleutel
of laatste automatische afslag.
M+A
u de gordelsluiting hebt geopend;
M+A
de capaciteit van de startaccu
onder de toelaatbare ondergrens
is gedoken.
M+A
de motor niet op de normale
bedrijfstemperatuur is.
M+A
de buitentemperatuur onder het
vriespunt of boven ca. 30 °C is.
M+A
de omstandigheden in de passagiersruimte afwijken van de ingestelde waarden – wat te merken is
aan het hoge toerental van de
interieurventilator.
M+A
er achteruit wordt gereden met de
auto.
M+A
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
A
B
M/AA
M = handbak, A = automaatbak.
Sportstand.
Automatische motorstart
Een motor die automatisch werd afgezet kan in
bepaalde gevallen automatisch worden gestart
voordat u hebt aangegeven de rit te willen
voortzetten. In de volgende gevallen start de
motor automatisch, ook als u het koppelingspedaal niet hebt ingetrapt (handgeschakelde
bak) of uw voet niet van het rempedaal haalt
(automaat):
Voorwaarden
M/AA
er wordt condens gevormd op de
ruiten.
M+A
het milieu in de passagiersruimte
wijkt af van de voorgeselecteerde
waarden.
M+A
03 Bestuurdersmilieu
DRIVe Start/Stop*
Voorwaarden
A
M/AA
de buitentemperatuur zakt onder
het vriespunt of komt boven de
ca. 30 °C.
M+A
er wordt tijdelijk veel stroom afgenomen of de capaciteit van de
startaccu is onder de toelaatbare
ondergrens gezakt.
M+A
u bedient het rempedaal met
pompende bewegingen.
M+A
WAARSCHUWING
Voorwaarden
Open de motorkap niet als de motor automatisch afgeslagen is. De motor kan plotseling automatisch starten. Voer eerst een
normale motoruitschakeling uit met de
START/STOP ENGINE-knop voordat u de
motorkap omhoog doet.
Automatische motorstart werkt niet
In de volgende gevallen werkt de automatische
motorstart niet nadat de motor automatisch
werd afgezet:
er is een versnelling ingeschakeld
zonder het koppelingspedaal te
bedienen – een displaymelding
dring er bij u op aan om de schakelhendel in de neutrale stand te
zetten en automatische motorstart mogelijk te maken.
M
De bestuurder draagt geen gordel, de keuzehendel staat in
stand P en het bestuurdersportier
is open – de motor moet op de
normale manier worden gestart.
A
A
de auto begint sneller te rollen
dan stapvoets.
M
De gordelsluiting van de bestuurder is geopend met de keuzehendel in stand D of N.
A
De keuzehendel wordt in stand
P gezet - druk op de knop
START/STOP ENGINE om de
motor opnieuw te starten.
Stuurbewegingen.
A
de keuzehendel wordt vanuit
stand D in ‘+/-’ of R gezet.
A
Het bestuurdersportier wordt
geopend met de keuzehendel in
stand D - een ‘belsignaal’ en een
displaymelding geven aan dat de
Start/Stop-functie actief is.
A
Als het bestuurdersportier wordt
geopend voordat de motor kon
worden gestart met de knop
START/STOP ENGINE, wordt
het Start/Stop-systeem uitgeschakeld.
A
M/AA
03
M = handbak, A = automaatbak.
M = handbak, A = automaatbak.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
135
03 Bestuurdersmilieu
DRIVe Start/Stop*
Onvrijwillige motorafslag bij
handgeschakelde versnellingsbak
Doe het volgende als de automatische motorstart mislukt en de motor afslaat:
03
1. Bedien het koppelingspedaal opnieuw – de
motor start automatisch.
2. In bepaalde gevallen moet u de versnellingspook in de neutrale stand zetten. Op
het informatiedisplay verschijnt dan de
tekst Zet versnelling in vrij
Meer informatie en instellingen
136
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
In de menugroep MY CAR van de auto zijn
instructies raadpleegbaar, waarin het DRIVeconcept uitvoerig staat beschreven compleet
met instellingen en opties – zie pagina 214.
Displaymelding
Het Start/Stop-systeem kan in
bepaalde situaties aanleiding geven
tot displaymeldingen op het informatiedisplay
en een brandend controlelampje. Bij enkele
daarvan dient u een aanbevolen maatregel te
nemen. In de volgende tabel staan enkele voorbeelden.
03 Bestuurdersmilieu
DRIVe Start/Stop*
Lampje
AUTOSTOP
AUTOSTOP
Melding
Informatie/maatregel
M/AA
Auto Start-Stop AAN
Blijft ca. 5 seconden branden na activering van Start/Stop.
M+A
Auto Start-Stop UIT
Blijft ca. 5 seconden branden na deactivering van Start/
Stop.
M+A
Auto Start-Stop Service vereist
Start/Stop werkt niet. Neem contact op met een werkplaats
– geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
M+A
Motormanagement
Er vindt een automatische controle van de werking plaats.
M+A
Motor in Auto Start
Motor klaar voor automatische start. Wacht op bediening van
het koppelings- of rempedaal.
M
Druk op Start-knop
Geen automatische motorstart mogelijk. Voer een reguliere
motorstart uit met de knop START/STOP ENGINE.
M
Trap koppeling in om te starten
Motor klaar voor automatische start – wacht op bediening van
het koppelingspedaal.
M
Bedien rempedaal om te starten
Motor klaar voor automatische start – wacht op bediening van
het rempedaal.
M
Rem en ontkoppel om te starten
Motor klaar voor automatische start – wacht op bediening van
het koppelings- of rempedaal.
M
Zet versnelling in vrij
Er is geschakeld zonder te ontkoppelen – bedien het koppelingspedaal om de schakelhendel in de neutrale stand te zetten.
M
Motor in Auto Start
Motor klaar voor automatische start. Wacht tot het rempedaal
wordt losgelaten.
A
03
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
137
03 Bestuurdersmilieu
DRIVe Start/Stop*
Lampje
03
A
Informatie/maatregel
Kies stand P of N om te starten
Start/Stop is gedeactiveerd. Zet de keuzehendel in stand N
of P en voer een normale motorstart uit met de knop START/
STOP ENGINE.
A
Druk op Start-knop
De motor zal niet automatisch starten. Voer een normale
motorstart uit met de knop START/STOP ENGINE en de
keuzehendel in P of N.
A
M = handbak, A = automaatbak.
Als een displaymelding na het uitvoeren van de
voorgestelde maatregel niet verdwijnt, dient u
contact op te nemen met een werkplaats –
geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
138
M/AA
Melding
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
03 Bestuurdersmilieu
Vierwielaandrijving, AWD (All Wheel Drive)*
De vierwielaandrijving is altijd
ingeschakeld
03
Bij vierwielaandrijving worden alle vier de wielen van de auto tegelijk aangedreven.
Het motorkoppel wordt automatisch over de
voor- en achterwielen verdeeld. Een elektronisch gestuurd koppelingssysteem verdeelt
het vermogen over het wielpaar dat op dat
moment de beste grip op het wegdek heeft. Dit
om optimale wegligging te verkrijgen en wielspin te voorkomen. Bij normaal rijden worden
de voorwielen naar verhouding iets sterker
aangedreven dan de achterwielen.
De vierwielaandrijving verhoogt de rijveiligheid
tijdens regen- en sneeuwval en bij ijzel.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
139
03 Bestuurdersmilieu
Bedrijfsrem
Algemeen
De auto is uitgerust met twee remkringen. Als
een van de remkringen defect raakt, betekent
dit dat de remmen pas later worden aangesproken zodat u het rempedaal dieper moet
intrappen voor dezelfde remmende werking.
03
De druk die u uitoefent op het rempedaal wordt
versterkt door de rembekrachtiging.
WAARSCHUWING
De rembekrachtiging werkt alleen, als de
motor loopt.
Wanneer u met de motor afgezet remt doet het
rempedaal stug aan en kost het u meer kracht
om de auto te remmen.
In bergachtig gebied of bij het rijden met een
zware belading kunt u de remmen ontzien door
op de motor af te remmen. U benut de remmende werking van de motor het best, wanneer u tijdens het afdalen dezelfde versnelling
inschakelt als bij het oprijden van een helling.
Voor algemener informatie over een zware
belasting van de auto, zie pagina 409.
Antiblokkeerremsysteem
De auto is uitgerust met ABS (Anti-lock Braking
System) dat voorkomt dat de wielen blokkeren
tijdens het remmen. Zo blijft de auto bestuur-
140
baar, waardoor het bijvoorbeeld makkelijker is
om obstakels te ontwijken. Bij activering van
deze functie kunt u trillingen in het rempedaal
voelen. Dit is volkomen normaal.
Wanneer u het rempedaal loslaat nadat de
motor is aangeslagen, gaat een kortdurende,
automatische test van het ABS van start. Het
is mogelijk dat er opnieuw een automatisch
test van het ABS plaatsvindt, wanneer de auto
een snelheid van 10 km/h bereikt. Ook deze
test kan waarneembaar zijn in de vorm van trillingen in het rempedaal.
Remschijven schoonmaken
Vuil en water op de remschijven kunnen ertoe
leiden dat de aanspreekduur van de remmen
wordt verlengd. Door de remblokken schoon te
maken beperkt u deze verlenging.
U wordt geadviseerd de remschijven handmatig schoon te maken, wanneer u op natte
wegen rijdt, de auto net hebt gewassen of op
het punt staat deze langdurig te parkeren. U
maakt de remschijven handmatig schoon door
korte tijd licht te remmen.
Remkrachtverhoging bij noodstops
Noodremlichten en automatische
alarmlichten
De noodremlichten worden geactiveerd om
achterliggers erop te attenderen dat u krachtig
remt. Daarbij knipperen de remlichten in plaats
van dat ze continu branden, zoals bij normaal
remmen.
De noodremlichten worden geactiveerd bij
snelheden hoger dan 50 km/h als het ABS
actief is en/of bij krachtig remmen. Wanneer de
auto is afgeremd tot een rijsnelheid lager dan
10 km/h, gaan de remlichten continu branden
in plaats van te knipperen. Ondertussen worden de alarmlichten geactiveerd en deze blijven knipperen totdat u het motortoerental met
het gaspedaal wijzigt of de alarmlichten uitschakelt met de bijbehorende knop, zie
pagina 94.
De remkrachtverhoging bij noodstops (EBA,
Emergency Brake Assist) helpt de remkracht
verhogen om op die manier de remweg te verkorten. Het EBA registreert de wijze waarop u
het rempedaal bedient en verhoogt zo nodig de
remkracht. De remkracht kan worden verhoogd tot aan het niveau waarbij het ABS
ingrijpt. De EBA-regeling wordt uitgeschakeld
wanneer u de druk op het rempedaal verlaagt.
N.B.
Wanneer het EBA geactiveerd wordt, zakt
het rempedaal iets verder omlaag dan normaal. Bedien het rempedaal zolang dat
nodig is. Zodra u het rempedaal loslaat,
worden de remmen volledig gelost.
03 Bestuurdersmilieu
Bedrijfsrem
Onderhoud
Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid en
betrouwbaarheid van de auto op een hoog peil
te houden, dient u de voorschriften van het
Serviceprogramma van Volvo op te volgen
zoals die omschreven staan in het Service- en
garantieboekje van Volvo, zie pagina 356.
BELANGRIJK
De onderdelen van het remsystemen moeten regelmatig op slijtage worden gecontroleerd.
Informeer bij een werkplaats hoe dat in zijn
werk gaat of laat de controle over aan de
werkplaats – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
Symbolen op instrumentenpaneel
Lampje
Betekenis
Brandt continu – controleer het
remvloeistofpeil. Vul remvloeistof bij als het peil te laag ligt en
controleer tevens de oorzaak
van het remvloeistofverlies.
03
Brandt 2 seconden lang continu
bij het starten van de motor – er
is de laatste keer dat de motor
liep een storing in het ABS
opgetreden.
WAARSCHUWING
Als
en
tegelijkertijd branden,
kan er een storing in het remsysteem zijn
opgetreden.
Als het remvloeistofpeil in dat geval in orde
is, moet u de auto voorzichtig naar de
dichtstbijzijnde werkplaats rijden om het
remsysteem te laten controleren – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Als de remvloeistof onder het MIN-streepje
van het reservoir staat, mag u niet verder
rijden voordat u remvloeistof hebt bijgevuld.
Controleer tevens de oorzaak van het remvloeistofverlies.
141
03 Bestuurdersmilieu
Afdalingsregeling, HDC (Hill Descent Control)
Algemene informatie1
03
HDC is te vergelijken met een automatische
motorrem. Wanneer u op een aflopende helling
het gaspedaal loslaat, wordt de auto normaal
gesproken op de motor afgeremd doordat
deze in dat geval een laag stationair toerental
nastreeft. Naarmate de helling steiler en de
auto zwaarder beladen is, rolt de auto ondanks
de motorrem sneller omlaag. Om in dergelijke
gevallen snelheid te minderen dient u bij te
remmen met het rempedaal.
WAARSCHUWING
HDC heeft niet in alle situaties het beoogde
effect en is uitsluitend bedoeld als hulpmiddel.
U als bestuurder bent er altijd verantwoordelijk voor dat de auto op een veilige manier
wordt bestuurd.
Functie
1
142
HDC is alleen aanwezig op de XC70.
Het systeem werkt alleen in de eerste versnelling en in de achteruitversnelling. Bij een automatische versnellingsbak geldt dat de 1e versnelling moet zijn ingeschakeld, wat wordt
aangegeven met het cijfer 1 op het boordcomputerdisplay, zie pagina 127.
N.B.
HDC valt niet te activeren wanneer de keuzehendel van een automaat in stand D staat.
Met het HDC-systeem is het mogelijk om op
steile aflopende hellingen de snelheid te verhogen/verlagen met het gaspedaal, zonder het
rempedaal te gebruiken. De gevoeligheid van
het gaspedaal neemt af, doordat het motortoerental tot aan de maximale pedaalweg
alleen binnen een beperkt toerentalgebied te
regelen valt. Het remsysteem grijpt in en zorgt
voor een lage en gelijkmatige snelheid, zodat u
zich volledig kunt richten op de besturing.
HDC is vooral handig op steile aflopende hellingen met een oneffen oppervlak en op gladde
weggedeelten. Denk bijvoorbeeld aan een
boot op een trailer die u vanaf een boothelling
achteruit te water laat.
staat de melding Afdalingsrem- regeling
AAN.
Bediening
HDC is met een schakelaar op de middenconsole naar wens in en uit te schakelen. Het
lampje in de schakelaar brandt wanneer de
functie ingeschakeld is. Wanneer HDC actief is,
en op het display
brandt het symbool
Bij een geactiveerd HDC-systeem kan de auto
bij het afremmen op de motor maximaal
10 km/h voorruit rijden en 7 km/h achteruit. Met
het gaspedaal kunt u echter een willekeurige
andere snelheid binnen het snelheidsinterval
kiezen dat bij de ingeschakelde versnelling
hoort. Zodra u het gaspedaal loslaat wordt de
rijsnelheid snel verlaagd tot 10 of 7 km/h, ongeacht de hellingshoek en zonder dat u daarvoor
het rempedaal hoeft te bedienen.
Bij activering van het systeem gaan automatisch de remlichten branden. Met het rempe-
03 Bestuurdersmilieu
Afdalingsregeling, HDC (Hill Descent Control)
daal kunt u de auto altijd remmen of helemaal
tot stilstand brengen.
HDC wordt gedeactiveerd:
• bij het indrukken van de aan/uit-knop op
de middenconsole
• bij het inschakelen van een hogere ver-
03
snelling dan de 1e bij een handgeschakelde versnellingsbak
• bij het inschakelen van een hogere versnelling dan de 1e bij een automatische
versnellingsbak of bij het inschakelen van
stand D.
Het systeem is op ieder moment uit te schakelen. Als u dit op een steile aflopende helling
doet, zal het remvermogen niet meteen maar
geleidelijk worden verlaagd.
N.B.
Bij een geactiveerd HDC-systeem is het
mogelijk dat de motor met enige vertraging
op het gaspedaal reageert.
143
03 Bestuurdersmilieu
Parkeerrem
Algemeen
hulpaccu aan, als de accuspanning te laag is,
zie pagina 123.
Parkeerrem aanzetten
In noodgevallen kunt u de parkeerrem ook tijdens het rijden aanzetten door de handgreep
ingedrukt te houden. Wanneer u de handgreep
loslaat of het gaspedaal bedient, wordt de parkeerrem gelost.
N.B.
03
Tijdens een noodstop bij snelheden hoger
dan 10 km/h klinkt er gedurende de hele
remmanoeuvre een geluidssignaal.
Op een helling parkeren
Bij het parkeren van de auto op een oplopende
helling:
Functie
Wanneer de elektrische parkeerrem wordt
geactiveerd, hoort u een zwak elektromotorgeluid. Het geluid is tevens waarneembaar bij
een automatische functiecontrole van de parkeerrem.
Als de auto stilstaat wanneer u de parkeerrem
aanzet, werkt de rem alleen op de achterwielen. Als u de parkeerrem tijdens het rijden aanzet, wordt de normale bedrijfsrem geactiveerd.
Daarbij werkt de rem op alle vier de wielen.
Wanneer de auto bijna stilstaat, worden alleen
de achterwielen geremd.
Lage accuspanning
Als de accuspanning te laag is, kunt u de parkeerrem niet aanzetten noch lossen. Sluit een
144
Handgreep parkeerrem – aanzetten.
1. Trap het rempedaal stevig in.
2. Druk op de handgreep.
> Het lampje
op het instrumentenpaneel gaat knipperen – wanneer het
continu brandt, is de parkeerrem aangezet.
3. Laat het rempedaal los en controleer of de
auto volledig stilstaat.
• Zet de versnellingspook bij het parkeren
altijd in de 1e versnelling (handbak) en de
keuzehendel in stand P (automaat).
• Draai de wielen van de trottoirband af.
Bij het parkeren van de auto op een aflopende
helling:
• Draai de wielen naar de trottoirband toe.
WAARSCHUWING
Gebruik altijd de parkeerrem bij parkeren op
een hellende ondergrond - een ingeschakelde versnelling of de P-stand van een
automatische versnellingsbak is niet voldoende om de auto in alle situaties vast te
houden.
03 Bestuurdersmilieu
Parkeerrem
Parkeerrem lossen
N.B.
De parkeerrem is ook handmatig te lossen
door het koppelingspedaal te bedienen in
plaats van het rempedaal. Volvo adviseert u
echter het rempedaal te gebruiken.
Automatisch lossen
1. Start de motor.
2. Schakel de 1 versnelling of de achteruitrijversnelling in.
Handgreep parkeerrem – lossen.
Auto met handgeschakelde
versnellingsbak
3. Laat de koppeling opkomen en geef gas.
> De parkeerrem wordt gelost en het
lampje
op het instrumentenpaneel dooft.
Handmatig lossen
Auto met automatische versnellingsbak
1. Steek de transpondersleutel in het contactslot1.
Handmatig lossen
2. Trap het rempedaal stevig in.
3. Trek aan de handgreep.
> De parkeerrem wordt gelost en het
op het instrumentenpalampje
neel dooft.
1
1. Steek de transpondersleutel in het contactslot1.
Automatisch lossen
1. Doe de veiligheidsgordel om.
2. Start de motor.
3. Trap het rempedaal stevig in.
4. Zet de keuzehendel in stand D of R en geef
gas.
> De parkeerrem wordt gelost en het
op het instrumentenpalampje
neel dooft.
03
N.B.
Om veiligheidsredenen wordt de parkeerrem alleen automatisch gelost wanneer bij
het starten van de motor is gebleken dat de
bestuurder de veiligheidsgordel draagt. Bij
auto’s met een automatische versnellingsbak wordt de parkeerrem onmiddellijk
gelost bij het bedienen van het gaspedaal
met de keuzehendel in stand D of R.
2. Trap het rempedaal stevig in.
Zware belading op oplopende hellingen
3. Trek aan de handgreep.
> De parkeerrem wordt gelost en het
op het instrumentenpalampje
neel dooft.
Bij een zware belading zoals een aanhanger is
het mogelijk dat de auto op een steile, oplopende helling achteruitrolt, wanneer de parkeerrem automatisch wordt gelost. U kunt dit
voorkomen door bij het wegrijden de handgreep ingedrukt te houden. Laat de handgreep
weer los zodra de koppeling aangrijpt.
Bij auto’s met Keyless drive-systeem: Druk op START/STOP ENGINE.
145
03 Bestuurdersmilieu
Parkeerrem
Remblokken vervangen
Laat de remblokken op de achterwielen vervangen in een werkplaats met het oog op de
constructie van de elektrische parkeerrem –
geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Lampjes en meldingen op display
03
Lampje
Melding
Betekenis/Maatregel
‘Melding’
Lees de melding op het informatiedisplay.
Een knipperend lampje houdt in dat de parkeerrem wordt aangezet.
Als het lampje in een andere situatie gaat knipperen, is er sprake van een storing. Lees de melding
op het informatiedisplay.
Parkeerrem niet geheel
gelost
Door een storing kan de parkeerrem niet worden gelost – probeer of u de rem kunt aanzetten en
lossen.
Als de storing ook na enkele pogingen aanhoudt: Bezoek een werkplaats – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
N.B. Er klinkt een waarschuwingssignaal als u doorrijdt met deze foutmelding.
146
03 Bestuurdersmilieu
Parkeerrem
Lampje
Melding
Betekenis/Maatregel
Parkeerrem niet aangezet
Door een storing kan de parkeerrem niet worden aangezet – probeer of u de rem kunt lossen en
aanzetten.
Als de storing ook na enkele pogingen aanhoudt: Bezoek een werkplaats – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
03
Dezelfde melding verschijnt ook op auto’s met een handbak, wanneer er langzaam wordt gereden
met het portier open. De melding maakt u erop attent dat de parkeerrem mogelijk onbedoeld werd
gelost.
Parkeerrem Service vereist
Er is een storing opgetreden – probeer of u de rem kunt aanzetten en lossen.
Als de storing ook na enkele pogingen aanhoudt: Bezoek een werkplaats – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
• Als u de auto moet parkeren voordat de
storing kon worden verholpen, dient u de
wielen net als bij het parkeren op een helling van de trottoirband/berm af te draaien
en de versnellingspook in de 1e versnelling
(handbak) te zetten en de keuzehendel in
stand P (automaat).
147
03 Bestuurdersmilieu
HomeLinkŸ *
Algemeen
WAARSCHUWING
•
03
HomeLinkŸ1 is een programmeerbare
afstandsbediening die tot drie verschillende
systemen (bijvoorbeeld een garagedeuropener, alarmsysteem, huis- en tuinverlichting) op
afstand kan bedienen en daarmee de originele
afstandsbedieningen vervangt. Breng voor
meer informatie over HomeLinkŸ een bezoek
aan: www.homelink.com of bel
00 8000 466 354 65 (of het betaalnummer
+49 6838 907 277).
1
148
Als u HomeLinkŸ gebruikt voor bediening van een garagedeur of toegangshek, let er dan op dat er zich niemand in
de buurt van de bewegende deur of het
bewegende hek bevindt.
•
Zorg dat de auto buiten de garage staat
tijdens het programmeren van de garagedeuropener.
•
Gebruik HomeLinkŸ niet voor een elektrische garagedeur zonder veiligheidsstop en -retour.
Let erop dat u de originele afstandsbedieningen goed bewaart voor eventuele programmering in een later stadium (zoals bij aankoop van
een nieuwe auto of gebruik in een andere auto).
Het wordt tevens geadviseerd om de programmering van de knoppen te wissen bij verkoop
van de auto. Zie het onderdeel ‘HomeLink®knoppen herstellen’ op pagina 149.
HomeLink en het symbool met het HomeLink-huis zijn geregistreerde handelsmerken van Johnson Controls, Inc.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
HomeLinkŸ programmeren
N.B.
Bij bepaalde auto’s moet het contact zijn
ingeschakeld of in de ‘accessoirestand’
staan, voordat HomeLinkŸ kan worden
geprogrammeerd of gebruikt. Plaats gerust
nieuwe batterijen in de afstandsbediening
die HomeLinkŸ moet vervangen, omdat de
programmering dan mogelijk sneller verloopt en het radiosignaal sterker is. Herstel
de HomeLinkŸ-knoppen alvorens te programmeren. HomeLinkŸ staat vervolgens in
de ‘inleermodus’ en is klaar voor programmering.
1. Richt de originele afstandsbediening op de
te programmeren HomeLinkŸ-knop en
houd de afstandsbediening op 5–14 cm
van de knop. Blokkeer het controlelampje
van HomeLinkŸ niet.
2. Druk de te programmeren knop van
HomeLinkŸ en de te kopiëren knop op de
originele afstandsbediening gelijktijdig in.
Laat de knoppen pas los, wanneer het
langzaam knipperende controlelampje
sneller gaat knipperen. Wanneer het controlelampje snel knippert, kunt u beide
knoppen loslaten.
03 Bestuurdersmilieu
HomeLinkŸ *
3. Druk op de te programmeren
HomeLinkŸ-knop, houd deze
5 seconden lang ingedrukt en laat de
knop weer los. Herhaal dit zo nodig, totdat
de garagedeur reageert. Als de deur niet
reageert, druk dan op de geprogrammeerde HomeLinkŸ-knop, houd deze ingedrukt en controleer het controlelampje.
> Brandt continu: Het controlelampje
brandt continu terwijl u de knop ingedrukt houdt, wat aangeeft dat de programmering afgerond is. De garagedeur, het toegangshek e.d. moet vervolgens geactiveerd worden bij het indrukken van de bijbehorende HomeLinkŸknop.
Brandt niet continu: Het controlelampje knippert eerst ca. 2 seconden
lang snel en brandt daarna continu. Ga
in dat geval verder met de programmeringspunten 4–6 om de programmering
af te ronden bij een systeem met rollende code (veelal een garagedeuropener).
4. Zoek de “inleerknop2” van de ontvanger
van bijv. de garagedeur op (meestal in de
buurt van de antennevoet op de ontvanger).
2
5. Druk de “inleerknop” van de ontvanger in
en laat deze los. De knop knippert
ca. 30 seconden en binnen deze periode
moet u het volgende punt uitvoeren.
6. Druk op de te programmeren HomeLinkŸknop, terwijl de “inleerknop” van de ontvanger nog knippert. Houd de HomeLinkknop ca. 2 seconden lang ingedrukt en laat
deze vervolgens los. Herhaal deze volgorde van indrukken, vasthouden en loslaten tot driemaal achtereen om de programmering te beëindigen.
N.B.
Als het contact niet is uitgeschakeld, blijft
HomeLinkŸ tot 30 minuten na opening van
het bestuurdersportier werken.
Neem bij aanhoudende programmeringsproblemen contact op met HomeLinkŸ op:
www.homelink.com of bel
00 8000 466 354 65 (of het betaalnummer
+49 6838 907 277).
03
HomeLinkŸ-knoppen herstellen
Bediening
HomeLinkŸ
Zodra
geprogrammeerd is, vormt
het een vervanging voor de afzonderlijke originele afstandsbedieningen.
Druk op de geprogrammeerde knop en houd
deze ingedrukt, totdat de garagedeur, het
alarmsysteem e.d. reageert (kan enkele seconden duren). Uiteraard kunt u de originele
afstandsbedieningen naast HomeLinkŸ blijven
gebruiken.
U kunt de HomeLinkŸ-knoppen alleen allemaal
tegelijk herstellen en dus niet slechts één
ervan. Herprogrammeren van slechts één knop
is echter wel mogelijk, zie het volgende
gedeelte “Afzonderlijke knop programmeren”.
1. Druk de buitenste twee knoppen op
HomeLinkŸ in en laat deze pas los, wanneer het controlelampje gaat knipperen.
2. Laat de knoppen los.
> HomeLinkŸ staat daarmee in de “inleerstand” en is klaar voor programmering,
zie het gedeelte “HomeLink® programmeren” op pagina 148.
De aanduiding en kleur van deze knop verschillen per producent.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
149
03 Bestuurdersmilieu
HomeLinkŸ *
Afzonderlijke knop programmeren
Doe het volgende om één afzonderlijke
HomeLinkŸ-knop te programmeren:
1. Druk op de gewenste knop en houd deze
ingedrukt.
03
2. Begin, wanneer het controlelampje van
HomeLinkŸ gaat knipperen (na ca. 20
seconden), met punt 1 in het gedeelte
“HomeLink® programmeren” op pagina
148.
Breng voor meer informatie over HomeLinkŸ of
bij op- en aanmerkingen een bezoek aan:
www.homelink.com of bel
00 8000 466 354 65 (of het betaalnummer
+49 6838 907 277).
150
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
03 Bestuurdersmilieu
03
151
152
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
154
156
158
160
171
175
180
189
190
193
196
199
203
G000000
Stabiliteits- en tractieregelsysteem, DSTC...........................................
Road Sign Information – RSI*...............................................................
Cruisecontrol*.......................................................................................
Adaptieve cruisecontrol*.......................................................................
Afstandswaarschuwing*........................................................................
City Safety™.........................................................................................
Collision Warning met Auto Brake en voetgangersdetectie.*...............
Driver Alert System*..............................................................................
Driver Alert System – DAC*...................................................................
Driver Alert System – (LDW)*................................................................
Park Assist*...........................................................................................
Park Assist-camera*..............................................................................
BLIS* – Blind Spot Information System................................................
BESTUURDERSONDERSTEUNING
04 Bestuurdersondersteuning
Stabiliteits- en tractieregelsysteem, DSTC
Algemene informatie over DSTC
De stabiliteits- en tractieregeling DSTC
(Dynamic Stability & Traction Control) helpt de
bestuurder voorkomen dat de wielen doorslippen en verbetert de tractie van de auto.
Tijdens het afremmen kunnen de ingrepen van
het systeem waarneembaar zijn in de vorm van
pulserende geluiden. Tijdens het gas geven
kan de auto langzamer optrekken dan u verwacht.
04
Antislipregeling
Deze regeling beperkt de aandrijfkracht en
remkracht van elk van de afzonderlijke wielen
om de auto op die manier te stabiliseren.
Antispinregeling
Deze regeling voorkomt dat de aangedreven
wielen tijdens het optrekken doorslippen.
Tractieregeling
Deze regeling is actief op lage snelheden en
brengt de aandrijfkracht van een slippend aandrijfwiel over op een aandrijfwiel dat niet slipt.
Trailer Stability Assist*, TSA
Het systeem heeft tot taak de auto met een
aanhanger/caravan te stabiliseren wanneer de
154
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
combinatie de neiging tot pendelbewegingen
vertoont, zie pagina 332.
N.B.
De functie wordt gedeactiveerd als u de
Sport-stand kiest.
Bediening
Niveau kiezen, Sport-stand
Het DSTC-systeem is altijd geactiveerd – uitschakelen is niet mogelijk.
U kunt echter de Sport-stand kiezen voor een
actievere rijervaring. In de Sport-stand registreert het systeem of de gaspedaal- en stuurwielbediening alsook het bochtenwerk als
actiever dan normaal aan te merken zijn,
waarna het systeem toestaat dat de achtertrein
een gecontroleerde vorm van slippen vertoont
voordat het ingrijpt en de auto stabiliseert.
Als u de gecontroleerde vorm van slippen
beëindigt door het gaspedaal te bedienen,
grijpt het DSTC-systeem in om de auto te stabiliseren.
De Sport-stand maakt maximale aandrijving
mogelijk, als de auto is blijven steken of over
een zachte ondergrond (zoals zand of een
dikke laag sneeuw) rijdt.
Kies als volgt de Sport-stand:
1. Druk op de middenconsole de knop MY
CAR in en zoek in het menusysteem op het
beeldscherm My V70/XC70 DSTC op.
(Voor informatie over het menusysteem,
zie pagina 213).
2. Ontvink het vakje en verlaat het menusysteem met EXIT.
> Het systeem maakt vervolgens een
sportievere rijstijl mogelijk.
De Sport-stand is actief, totdat u de stand verlaat of de motor afzet – de volgende keer dat u
de motor start, staat het DSTC-systeem weer
in de normale stand.
04 Bestuurdersondersteuning
Stabiliteits- en tractieregelsysteem, DSTC
Symbolen en meldingen op display
Symbool
Melding
Betekenis
DSTC Tijdelijk UIT
Wegens een te hoge temperatuur van de remschijven gelden er tijdelijk beperkingen voor het DSTCsysteem. Het systeem wordt automatisch opnieuw ingeschakeld, wanneer de remmen voldoende zijn
afgekoeld.
DSTC Service vereist
Het DSTC-systeem is defect.
• Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand, zet de motor af en start deze opnieuw.
• Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
‘Melding’
Er staat een melding op het display van de snelheidsmeter – lees deze!
Brandt 2 seconden lang continu.
Systeemtest bij het starten van de motor.
Knippert.
Het DSTC-systeem grijpt in.
04
en
De Sport-stand is geactiveerd.
155
04 Bestuurdersondersteuning
Road Sign Information – RSI*
Algemene informatie over RSI
WAARSCHUWING
RSI werkt niet in alle situaties, maar is uitsluitend bedoeld als een aanvullend hulpmiddel.
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige
manier bestuurt en dat u zich aan de geldende verkeersregels en voorschriften
houdt.
04
Samen met het symbool voor
de geldende snelheidsbeperking kan (indien van toepassing) ook een bord met inhaalverbod verschijnen.
Aanvullende borden
Bediening
Voorbeelden van herkenbare verkeersborden1.
De Road Sign Information-functie (RSI – Road
Sign Information) helpt de bestuurder te onthouden welke verkeersborden de auto gepasseerd is aan de hand van informatie over o.a.
de actuele snelheid, waar een snel- of autoweg
begint of eindigt en of er een inhaalverbod
geldt.
Als zowel een bord met snel-/autoweg en een
bord met de maximumsnelheid wordt gepasseerd, geeft het RSI alleen het bordsymbool
voor de maximumsnelheid weer.
1
156
Voorbeelden van aanvullende borden1.
Geregistreerde snelheidsinformatie.
Als RSI een verkeersbord registreert met de
geldende snelheid, verschijnt dat bord als symbool op het instrumentenpaneel.
De op het instrumentenpaneel getoonde verkeersborden zijn marktafhankelijk – op de afbeelding staan slechts enkele voorbeelden.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Soms kent een en dezelfde weg verschillende
snelheidsbeperkingen – een aanvullend bord
geeft dan aan onder welke omstandigheden de
snelheden gelden. Het kan dan bijvoorbeeld
gaan om een gevaarlijke weg bij bijvoorbeeld
regen en/of mist.
04 Bestuurdersondersteuning
Road Sign Information – RSI*
Het aanvullende bord met betrekking tot regen
verschijnt alleen als de ruitenwissers zijn geactiveerd.
Instelling in MY CAR
Auto-instellingen
Snelheidswaarschuwing aan en verlaat
het menu met EXIT, zie pagina 214.
De geldende snelheid op een
afrit verschijnt met een aanvullend bord met een pijl. De
pijl verschijnt onder het symbool met de snelheid.
Het snelheidsbord dat aan dit
type aanvullend bord is gekoppeld, verschijnt
alleen als de bestuurder de richtingaanwijzer
gebruikt.
Bepaald traject of beperkte tijd van de
dag
Sommige snelheden gelden
pas na een bepaald traject of
op een bepaalde tijd van de
dag. De bestuurder wordt op
deze situatie geattendeerd
met een leeg kader onder het
snelheidssymbool.
• Vink Speed Alert in MY CAR Instellingen
Beperkingen
De camerasensor van de RSI-functie kent
ongeveer dezelfde beperkingen als het menselijk oog – kijk voor meer informatie op pagina
185.
Keuzemogelijkheden in MY CAR
Het is mogelijk de weergave van snelheidssymbolen op het instrumentpaneel te deactiveren. Om de RSI-functie uit te schakelen:
• Vink het alternatief in MY CAR
Instellingen Auto-instellingen
Informatie over verkeersborden uit en
verlaat het menu met EXIT, zie
pagina 214.
Speed Alert
(Speed Alert)
U kunt ervoor kiezen of u een waarschuwing
(Speed Alert) wil krijgen bij een overschrijding
van de snelheidsbeperking met 5 km/h of
meer. De waarschuwing bestaat uit een tijdelijk
knipperend symbool voor de maximumsnelheid als de snelheid wordt overschreden.
Borden die indirect informeren over snelheidsbeperkingen, bijvoorbeeld naamborden van
steden/dorpen, worden niet geregistreerd door
de RSI-functie.
04
Hieronder volgen enkele voorbeelden die de
functie kunnen storen:
•
•
•
•
•
Verbleekte borden
Borden in een bocht
Verdraaide of beschadigde borden
Verscholen of slecht geplaatste borden.
Borden die geheel of gedeeltelijk zijn afgedekt met ijs, sneeuw en/of vuil.
Om Speed Alert in te schakelen:
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
157
04 Bestuurdersondersteuning
Cruisecontrol*
Algemene informatie over DCC
Bediening
Om de cruisecontrol in te schakelen:
De cruisecontrol (CC – Cruise Control) helpt de
bestuurder een gelijkmatige snelheid te houden, wat zorgt voor een comfortabeler rijervaring op lange ritten op snelwegen en lange,
rechte hoofdwegen met een gelijkmatige verkeersstroom.
• Druk bij de gewenste snelheid op de stuurtoets
>
WAARSCHUWING
De bestuurder dient altijd rekening te houden met de verkeersomstandigheden en in
te grijpen, wanneer de cruisecontrol geen
passende snelheid en/of afstand aanhoudt.
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige
manier bestuurt.
Bij snelheden lager dan 30 km/h is het niet
mogelijk de cruisecontrol in te schakelen.
Cruisecontrol – Aan/Uit.
Snelheid wijzigen
De stand-bystand wordt beëindigd en de
ingestelde snelheid wordt hervat.
Om de opgeslagen snelheid te wijzigen:
Activeren en snelheid aanpassen.
Gekozen snelheid (tussen haakjes = standbystand).
Activeren en snelheid instellen
Om de cruisecontrol aan te zetten:
• Druk op de stuurtoets (1).
>
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
De actuele snelheid wordt in het geheugen
opgeslagen – de melding (---) km/h op het
display maakt plaats voor de gekozen
snelheid, bijvoorbeeld 100 km/h, zonder
haakjes.
Toetsenset op stuurwiel en display.
Stand-by zetten
158
.
N.B.
G021411
04
of
Het lampje
op het display (5) licht op en
(---) km/h komt tussen haakjes te staan
om aan te geven dat de cruisecontrol
stand-by staat.
• Druk kort op de stuurtoets
of
– de
laatst verrichte instelling wordt opgeslagen
in het geheugen.
Wanneer u tijdelijk gas geeft via het gaspedaal
zoals bij een inhaalmanoeuvre, blijft de instelling van de cruisecontrol ongewijzigd – de auto
hervat de ingestelde snelheid zodra u het gaspedaal loslaat.
04 Bestuurdersondersteuning
Cruisecontrol*
Ingestelde snelheid hervatten
N.B.
Als een knop van de cruisecontrol langer
dan ca. 1 minuut wordt ingedrukt, wordt
deze geblokkeerd en uitgeschakeld. Om de
cruisecontrol weer te kunnen activeren,
moet de auto stilstaan en de motor worden
herstart.
Tijdelijk deactiveren – stand-bystand
Om de cruisecontrol tijdelijk uit te schakelen en
stand-by te zetten:
• Druk op de stuurtoets
>
.
De ingestelde snelheid staat tussen haakjes op het display (5), bijvoorbeeld
(100) km/h.
Automatische stand-bystand
Een cruisecontrol in stand-bystand is opnieuw
te activeren bij een druk op de stuurtoets
–
in dat geval wordt de laatst opgeslagen snelheid hervat.
N.B.
Wanneer u de ingestelde snelheid hebt herkan er een duidelijke snelheidsvat met
verhoging optreden.
04
Uitschakelen
De cruisecontrol wordt gedeactiveerd bij
gebruik van de stuurtoets (1) of bij het afzetten
van de motor – de ingestelde snelheid wordt uit
het geheugen verwijderd en valt niet langer te
.
hervatten met de toets
De cruisecontrol wordt tijdelijk uitgeschakeld
en stand-by gezet, als:
•
•
•
•
•
de wielen hun grip op het wegdek verliezen
het rempedaal wordt bediend
de snelheid daalt tot onder ca. 30 km/h
het koppelingspedaal wordt bediend
de keuzehendel in de neutraalstand wordt
gezet (automatische versnellingsbak)
• u meer dan 1 minuut lang een hogere snelheid aanhoudt dan ingesteld.
U dient vervolgens zelf uw snelheid aan te passen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
159
04 Bestuurdersondersteuning
Adaptieve cruisecontrol*
Algemene informatie over ACC1
De adaptieve cruisecontrol (ACC – Adaptive
Cruise Control) helpt u om een veilige afstand
tot voorliggers te houden. Een adaptieve
cruisecontrol biedt u een comfortabeler rijervaring op lange ritten op snelwegen en lange,
rechte hoofdwegen met een gelijkmatige verkeersstroom.
04
U stelt de gewenste snelheid en het tijdsverschil ten opzichte van de voorligger. Wanneer
de radarsensor een voorligger registreert die
langzamer rijdt dan u, wordt uw snelheid automatisch aangepast. Wanneer de weg voor u
weer vrij is, hervat de auto de ingestelde snelheid.
Als de auto een voorligger te dicht nadert terwijl
de adaptieve cruisecontrol uitgeschakeld is of
stand-by staat, wordt u door Distance Alert (zie
pagina 171) geattendeerd op de korte afstand.
WAARSCHUWING
De bestuurder dient altijd rekening te houden met de verkeersomstandigheden en in
te grijpen, wanneer de adaptieve cruisecontrol geen passende snelheid of afstand aanhoudt.
Neem dit gedeelte helemaal door om inzicht
te krijgen in de beperkingen van de adaptieve cruisecontrol en daarmee rekening te
kunnen houden, voordat u de adaptieve
cruisecontrol inschakelt.
De bestuurder is er altijd verantwoordelijk
voor dat de juiste afstand en snelheid worden aangehouden, ook bij gebruik van de
adaptieve cruisecontrol.
BELANGRIJK
Bij auto’s met een automatische versnellingsbak is de adaptieve cruisecontrol uitgebreid
Niet verkrijgbaar als extra voor 2.5T.
N.B. De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Functie-overzicht2.
Waarschuwingslampje – afremmen noodzakelijk
Automatische versnellingsbak
160
Functie
De adaptieve cruisecontrol leent zich niet
voor alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
Laat het onderhoud van de onderdelen van
de adaptieve cruisecontrol over aan een
werkplaats – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
1
2
met een zogeheten file-assistent, zie
pagina 165.
Toetsenset stuurwiel
Radarsensor
De adaptieve cruisecontrol bestaat uit een
cruisecontrol die gekoppeld is aan een
afstandshouder.
04 Bestuurdersondersteuning
Adaptieve cruisecontrol*
WAARSCHUWING
De adaptieve cruisecontrol is geen systeem
dat botsingen voorkomt. Grijp zelf in zodra
u merkt dat het systeem een voorligger niet
registreert.
De adaptieve cruisecontrol reageert niet op
voetgangers of dieren noch op kleinere
voertuigen, zoals fietsen of motorfietsen
e.d. Tegenliggers, langzaam rijdende en stilstaande voertuigen of vaste obstakels worden eveneens genegeerd.
Gebruik de adaptieve cruisecontrol niet in
stadsverkeer of verkeersdrukte, op kruisingen, bij gladheid, hevige regen- of sneeuwval of slecht zicht en evenmin op weggedeelten met een dikke laag water of
sneeuwmodder, op bochtige wegen of op
op- en afritten.
De afstand tot het verkeer voor u wordt in principe gemeten met een radarsensor. De cruisecontrol regelt de snelheid door de stand van de
gasklep aan te passen en zo nodig af te remmen. Het is volkomen normaal dat de remmen
enige geluiden produceren, wanneer de adaptieve cruisecontrol ze aanspreekt.
3
WAARSCHUWING
Het rempedaal komt omlaag, wanneer de
cruisecontrol remt. Houd uw voet dan ook
niet onder het rempedaal om beknelling te
voorkomen.
De adaptieve cruisecontrol streeft ernaar de
door u ingestelde volgtijd ten opzichte van
voorliggers in dezelfde rijstrook aan te houden.
Als de radarsensor geen voorligger registreert,
houdt de auto in plaats daarvan de snelheid
aan die op de cruisecontrol werd ingesteld. Dit
gebeurt ook als de snelheid van de voorligger
de ingestelde snelheid van de adaptieve
cruisecontrol overschrijdt.
De adaptieve cruisecontrol streeft ernaar de
snelheid zo weinig mogelijk aan te passen. In
situaties waarin krachtig moet worden geremd,
dient de bestuurder dan ook zelf te remmen.
Dit is bijvoorbeeld het geval bij grote snelheidsverschillen of als het voertuig dat voor u rijdt
krachtig remt. Door beperkingen van de radarsensor is het mogelijk dat er onverwachts of
helemaal niet wordt geremd (zie pagina 166).
snelheid tot onder 30 km/h daalt of als het
motortoerental te laag wordt, wordt de cruisecontrol stand-by gezet, waarna er niet langer
automatisch wordt afgeremd – u moet dan zelf
remmen om een veilige afstand te houden tot
voorliggers.
Waarschuwingslampje – afremmen
noodzakelijk
Het remvermogen van de adaptieve cruisecontrol bedraagt meer dan 40 % van de totale
remcapaciteit van de auto.
04
Als de auto harder moet worden afgeremd dan
de adaptieve cruisecontrol aankan en u remt
zelf niet bij, dan maakt de cruisecontrol u er
middels het waarschuwingslampje van Collision Warning en een geluidssignaal (zie
pagina 180) attent op dat u onmiddellijk moet
ingrijpen.
N.B.
Het waarschuwingslampje is soms moeilijk
te ontdekken in de felle zon of bij het gebruik
van een zonnebril.
De adaptieve cruisecontrol is te activeren om
een volgtijd aan te houden ten opzichte van
een voorligger bij snelheden vanaf 30 km/h3 tot
een maximumsnelheid van 200 km/h. Als de
De file-assistent (auto’s met een automatische versnellingsbak) kan een interval aan van 0–200 km/h, zie pagina 165.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
161
04 Bestuurdersondersteuning
Adaptieve cruisecontrol*
WAARSCHUWING
• Druk op de stuurtoets
Bediening
- het lampje
op het display gaat branden. Het lampje
(---) op het display geeft aan dat de cruisecontrol stand-by staat.
De adaptieve cruisecontrol waarschuwt
alleen voor de voertuigen die de radarsensor heeft geregistreerd. Het is dan ook
mogelijk dat een waarschuwing uitblijft of
pas na enige vertraging wordt gegeven.
Wacht een waarschuwing dan ook niet af,
maar rem zelf wanneer u dat nodig acht.
Om de cruisecontrol in te schakelen:
• Druk bij de gewenste snelheid op de stuurtoets
>
Steile wegen en/of zware belading
04
Let erop dat de adaptieve cruisecontrol in eerste instantie bestemd is voor gebruik tijdens
ritten op vlakke weggedeelten. De adaptieve
cruisecontrol heeft mogelijk moeite om de
juiste volgafstand ten opzichte van voorliggers
aan te houden bij ritten op steile wegen, bij
vervoer van zware belading of met een aanhanger/caravan achter de auto – blijf dan extra
alert en rem zo nodig zelf.
Toetsenset op stuurwiel en display.
De stand-bystand wordt beëindigd en de
ingestelde snelheid wordt hervat.
Cruisecontrol – Aan/Uit of stand-bystand.
Volgtijd – Verlengen/verkorten.
Activeren en snelheid aanpassen.
Alleen wanneer het lampje
(met auto) brandt, regelt
de cruisecontrol de afstand tot voorliggers.
Volgtijd4
• Stel af met een druk op
– Aan (tijdens aanpassing).
Om de cruisecontrol aan te zetten:
Het display toont “streepjessymbool” [6] of [7]. Ze worden nooit gelijktijdig weergegeven.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Wanneer het symbool
verandert in
, heeft de radarsensor een voertuig geregistreerd.
Snelheid wijzigen
Activeren en snelheid instellen
162
.
Gekozen snelheid (tussen haakjes = standbystand).
Volgtijd – Aan (ná aanpassing).
4
of
De actuele snelheid wordt in het geheugen
opgeslagen – de melding (---) op het display maakt plaats voor de gekozen snelheid, bijvoorbeeld 100, zonder haakjes.
Om de opgeslagen snelheid te wijzigen:
of
- elke druk
zorgt voor +/- 5 km/h. De laatst verrichte
aanpassing wordt in het geheugen opgeslagen.
04 Bestuurdersondersteuning
Adaptieve cruisecontrol*
Als u de snelheid verhoogt met het gaspe/
indrukt,
daal voordat u de knop
slaat de cruisecontrol de actuele rijsnelheid op die geldt bij het indrukken van de
knop.
• De knop
heeft dezelfde functie als
maar levert een minder grote snelheidsverhoging op: + 1 km/h.
N.B.
Als een knop van de cruisecontrol langer
dan ca. 1 minuut wordt ingedrukt, wordt
deze geblokkeerd en uitgeschakeld. Om de
cruisecontrol weer te kunnen activeren,
moet de auto stilstaan en de motor worden
herstart.
In bepaalde situaties is het niet mogelijk de
adaptieve cruisecontrol te activeren. Op het
display staat dan ACC niet beschikbaar,
zie pagina 169.
Volgtijd instellen
U kunt verschillende volgtijden ten opzichte van voorliggers kiezen en deze worden
op het display als 1–5 horizontale streepjes weergegeven – hoe meer streepjes, des
te langer de volgtijd. Eén
streepje komt overeen met ca. 1 seconde ten
opzichte van de voorligger en 5 streepjes met
ca. 3 seconden.
Tijdens het instellen van de
volgtijd verschijnt het bijbehorende aantal horizontale
streepjes op het display. Deze
streepjes verdwijnen na
enkele seconden, waarna een
verkleinde uitvoering ervan
rechts op het display verschijnt. Hetzelfde
symbool verschijnt ook wanneer Distance Alert
geactiveerd is, zie pagina 171.
04
N.B.
Om de volgtijd in te stellen/te wijzigen:
/
Houd alleen een volgtijd aan die niet in strijd
is met de geldende verkeersregels.
Bij lage snelheden (en korte tijden) vergroot de
adaptieve cruisecontrol de volgtijd iets.
Als de cruisecontrol bij activering niet lijkt te
reageren, kan dat komen doordat de volgtijd tot de voorligger een snelheidstoename
belet.
• Verleng of verkort met de stuurtoetsen
.
Om voorliggers soepel en comfortabel te kunnen blijven volgen staat de adaptieve cruisecontrol in bepaalde situaties aanzienlijke variaties in de volgtijd toe.
Let erop dat korte volgtijden u bij plotselinge
wijzigingen in de verkeersstroom minder tijd
geven om te reageren en in te grijpen.
Hoe hoger de snelheid, hoe langer de volgafstand in meters voor een bepaalde volgtijd.
Tijdelijk deactiveren – stand-bystand
Om de cruisecontrol tijdelijk uit te schakelen en
stand-by te zetten:
• Druk op de stuurtoets
>
.
De ingestelde snelheid staat tussen haakjes op het display (bijvoorbeeld (100)).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
163
04 Bestuurdersondersteuning
Adaptieve cruisecontrol*
Stand-bystand door actief ingrijpen van
uw kant
De cruisecontrol wordt tijdelijk uitgeschakeld
en stand-by gezet, als:
• het rijpedaal wordt bediend
• het koppelingspedaal meer dan 1 minuut5
lang wordt bediend
• de keuzehendel in stand N wordt gezet
(automatische versnellingsbak)
04
• u meer dan 1 minuut lang een hogere snelheid aanhoudt dan ingesteld.
U dient vervolgens zelf uw snelheid aan te passen.
Wanneer u tijdelijk gas geeft via het gaspedaal
zoals bij een inhaalmanoeuvre, blijft de instelling van de cruisecontrol ongewijzigd – de auto
hervat de laatst opgeslagen snelheid zodra u
het gaspedaal loslaat.
Automatische stand-bystand
De adaptieve cruisecontrol is afhankelijk van
andere systemen zoals het DSTC (zie
pagina 154). Als een van dergelijke systeem
uitvalt, wordt de cruisecontrol automatisch uitgeschakeld.
5
6
7
164
Bij automatische deactivering klinkt een waarschuwingssignaal en op het display verschijnt
de melding ACC gedeactiveerd. U moet in
dat geval zelf ingrijpen om de snelheid en
afstand ten opzichte van de voorligger aan te
passen.
Automatische deactivering is mogelijk, wanneer:
• het toerental van de motor te laag/hoog
wordt
•
•
•
•
de snelheid daalt tot onder 30 km/h6
de wielen hun grip op het wegdek verliezen
N.B.
Wanneer u de ingestelde snelheid hebt hervat met
kan er een duidelijke snelheidsverhoging optreden.
Een ander voertuig inhalen
Als de auto een ander voertuig volgt en u met
de richtingaanwijzer7 aangeeft te willen inhalen, helpt de cruisecontrol u door de auto kort
te versnellen in de richting van de voorligger.
De functie werkt bij snelheden
hoger dan 70 km/h.
de remmen een hoge temperatuur hebben
de radarsensor wordt gehinderd door natte
sneeuw of hevige regenval (de radargolven
worden geblokkeerd).
Ingestelde snelheid hervatten
Een cruisecontrol in stand-bystand is opnieuw
te activeren bij een druk op de stuurtoets
–
in dat geval wordt de laatst opgeslagen snelheid hervat.
WAARSCHUWING
Let erop dat deze functie bij meer situaties
dan bij inhalen kan worden geactiveerd,
bijv. als de richtingaanwijzer wordt gebruikt
om het wisselen van rijbaan of een afslag
naar een andere weg aan te geven. De auto
accelereert dan kort.
Uitschakelen
In de stand-bystand is de adaptieve cruisecontrol uit te schakelen met een korte druk op
de stuurtoets
, in de actieve stand bij lang
indrukken van dezelfde toets Daarbij wordt de
Bij ontkoppelen en opschakelen of terugschakelen wordt de cruisecontrol niet stand-by gezet.
Geldt niet voor een auto met file-assistent – bij een dergelijke auto werkt het systeem tot aan stilstand.
Alleen bij gebruik van de linker richtingaanwijzers bij een auto met het stuur links of de rechter richtingaanwijzers bij een auto met het stuur rechts.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Bestuurdersondersteuning
Adaptieve cruisecontrol*
ingestelde snelheid gewist waarna deze niet
.
meer te hervatten is met de toets
Met een automatische versnellingsbak kan de
cruisecontrol een ander voertuig volgen in het
interval 0–200 km/h.
File-assistent
N.B.
Bij auto’s met een automatische versnellingsbak is de adaptieve cruisecontrol uitgebreid
met een file-assistent (ook wel "Queue
Assist" genoemd).
Om de cruisecontrol te kunnen activeren bij
een snelheid onder 30 km/h mag er binnen
redelijke afstand geen voorligger te bekennen zijn.
N.B.
De file-assistent kan de auto maximaal
4 minuten stilhouden - daarna wordt de parkeerrem aangezet, waarna de cruisecontrol
wordt uitgeschakeld.
•
Voordat de cruisecontrol opnieuw kan
worden ingeschakeld, dient u de parkeerrem te lossen.
De file-assistent biedt de volgende functies:
• Uitgebreid snelheidsinterval – ook onder
30 km/h en stilstaand
• Van doelvoertuig veranderen
• Beëindiging automatische remfunctie bij
stilstand
• Automatische activering parkeerrem.
Let erop dat 30 km/h de minimumsnelheid is
waarop de cruisecontrol kan worden ingesteld
– ook al kan de cruisecontrol een voorligger
volgen tot aan stilstand, is het niet mogelijk een
lagere snelheid te kiezen.
Groter snelheidsinterval
Bij korte stops tijdens filerijden of voor verkeerslichten wordt de functie automatisch hervat, als de stop korter was dan
ca. 3 seconden – duurt het langer voordat een
voorligger weer gaat rijden, dan wordt de
cruisecontrol in de stand-bystand met automatische remfunctie gezet. U dient de cruisecontrol vervolgens op een van de volgende
manieren opnieuw te activeren:
• Druk op de stuurtoets
• Trap het gaspedaal in.
>
N.B.
Om de cruisecontrol te kunnen activeren
moet u het bestuurdersportier hebben
gesloten en de veiligheidsgordel hebben
omgedaan.
.
of
De cruisecontrol zal dan de voorligger
opnieuw volgen.
Van doelvoertuig veranderen
04
Als het actuele doelvoertuig plotseling afslaat, kan
het gebeuren dat een stilstaande voorligger het
nieuwe doelvoertuig wordt.
Wanneer de cruisecontrol een rijdende voorligger volgt bij snelheden onder 30 km/h, van
doelvoertuig verandert en een stilstaand voertuig volgt, zal de cruisecontrol voor het stilstaande voertuig remmen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
165
04 Bestuurdersondersteuning
Adaptieve cruisecontrol*
WAARSCHUWING
Wanneer de cruisecontrol een rijdende
voorligger volgt bij snelheden boven
30 km/h, van doelvoertuig verandert en vervolgens een stilstaand voertuig volgt, zal de
cruisecontrol het stilstaande voertuig negeren en de opgeslagen snelheid aanhouden.
•
04
U dient dan zelf in te grijpen en te remmen.
Automatische stand-bystand bij
wijziging van doelvoertuig
De cruisecontrol wordt uitgeschakeld en
stand-by gezet:
• wanneer u langzamer rijdt dan 5 km/h en
de cruisecontrol niet kan registreren of het
doelobject een stilstaand voertuig is of een
ander object, zoals een verkeersdrempel.
• wanneer u langzamer rijdt dan 5 km/h en
de voorligger afslaat, zodat de cruisecontrol geen voorligger meer heeft om te volgen.
Stoppen van automatisch remmen bij
stilstaand voertuig
In bepaalde situaties onderbreekt de file-assistent automatisch remmen bij stilstaand voertuig. Dat betekent dat de remmen worden
gelost en de auto mogelijk gaat rollen – u moet
166
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
daarom ingrijpen en zelf remmen om de auto
stil te houden.
• Collision Warning with Auto Brake, zie
De file-assistent lost in de volgende gevallen
de remmen en zet de cruisecontrol stand-by:
• Afstandswaarschuwing, zie pagina 171.
•
•
•
•
u het rempedaal bedient
u de parkeerrem aanzet
u de keuzehendel in stand P, N of R zet
pagina 180
De radarsensor dient om personenauto’s of
grotere voertuigen te registreren die in dezelfde
richting als u en in dezelfde rijstrook rijden.
Bij modificatie van de radarsensor is het mogelijk dat het gebruik ervan onwettig wordt.
u de cruisecontrol stand-by zet.
Automatische activering parkeerrem
In bepaalde situaties zet de file-assistent de
parkeerrem aan om te zorgen dat de auto stil
blijft staan.
Dit vindt plaats, als:
• u het bestuurdersportier opent of de veiligheidsgordel losmaakt
• U het DSTC uit de Normal-stand haalt en
in de Sport-stand zet
• de file-assistent de auto al meer dan
4 minuten lang stil heeft gehouden
• de motor wordt afgezet
• de remmen oververhit zijn geraakt.
Radarsensor en de beperkingen ervan
De radarsensor wordt, behalve door de adaptieve cruisecontrol, ook gebruikt door de functies:
WAARSCHUWING
De bestuurder dient altijd rekening te houden met de verkeersomstandigheden en in
te grijpen, wanneer de adaptieve cruisecontrol geen passende snelheid of afstand aanhoudt.
De adaptieve cruisecontrol leent zich niet
voor alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
Neem dit gedeelte helemaal door om inzicht
te krijgen in de beperkingen van de adaptieve cruisecontrol en daarmee rekening te
kunnen houden, voordat u de adaptieve
cruisecontrol inschakelt.
De bestuurder is er altijd verantwoordelijk
voor dat de juiste afstand en snelheid worden aangehouden, ook bij gebruik van de
adaptieve cruisecontrol.
04 Bestuurdersondersteuning
Adaptieve cruisecontrol*
WAARSCHUWING
Het is niet toegestaan accessoires of
andere voorwerpen voor de grille te monteren.
N.B.
Houd het oppervlak vóór de radarsensor
schoon - zie "Onderhoud" op pagina 184.
• als de snelheid van de voorligger te veel
WAARSCHUWING
De adaptieve cruisecontrol is geen systeem
dat botsingen voorkomt. Grijp zelf in zodra
u merkt dat het systeem een voorligger niet
registreert.
De adaptieve cruisecontrol reageert niet op
voetgangers of dieren noch op kleinere
voertuigen, zoals fietsen of motorfietsen
e.d. Tegenliggers, langzaam rijdende en stilstaande voertuigen of vaste obstakels worden eveneens genegeerd.
Gebruik de adaptieve cruisecontrol niet in
stadsverkeer of verkeersdrukte, op kruisingen, bij gladheid, hevige regen- of sneeuwval of slecht zicht en evenmin op weggedeelten met een dikke laag water of
sneeuwmodder, op bochtige wegen of op
op- en afritten.
afwijkt van die van uw eigen auto.
Voorbeeldsituaties waarin de
cruisecontrol niet optimaal werkt
De radarsensor heeft een beperkt bereik. In
bepaalde gevallen wordt een voertuig niet ontdekt of later dan verwacht.
04
Blikveld van de ACC.
De radarsensor heeft veel meer moeite om een
voertuig voor u te ontdekken:
• als de radarsensor gehinderd wordt door
bijvoorbeeld hevige regenval of als
sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
167
04 Bestuurdersondersteuning
Adaptieve cruisecontrol*
Soms kan de radarsensor een voertuig op
korte afstand pas laat registreren, bijvoorbeeld als een inhalend voertuig invoegt
tussen u en uw voorligger.
Ook kleine voertuigen, zoals motorfietsen
of voertuigen die niet in het midden van de
rijstrook rijden, kunnen onopgemerkt blijven.
04
168
In bochten kan de radarsensor op het verkeerde voertuig reageren of een eerder
opgemerkt voertuig uit het zicht verliezen.
Storingen opsporen en verhelpen
Als op het display de melding Radar afgedekt
Zie instructieb. verschijnt, worden de radarsignalen van de radarsensor gehinderd zodat
voorliggers niet kunnen worden geregistreerd.
Dit betekent dat noch de adaptieve cruisecontrol noch Distance Alert en Collision Warning
met Auto Brake werken.
In de volgende tabel staan mogelijke oorzaken
van het verschijnen van de melding en passende maatregelen.
Oorzaak
Maatregel
Het radaroppervlak van de grille is vuil of bedekt met sneeuw of ijs.
Ontdoe het radaroppervlak van de grille van vuil, sneeuw en ijs.
De radarsignalen worden gehinderd door hevige regen- of sneeuwval.
Valt niets aan te doen. Bij hevige neerslag werkt de radar soms niet.
De radarsignalen worden gehinderd door opspattend water en opdwarrelende sneeuw van het wegdek.
Valt niets aan te doen. Op weggedeelten met een dikke laag water of
sneeuw werkt de radar soms niet.
De melding blijft ook na schoonmaak van het radaroppervlak staan.
Wacht even. Het kan enige minuten duren voordat de radar doorheeft
dat de radarsignalen niet langer worden geblokkeerd.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Bestuurdersondersteuning
Adaptieve cruisecontrol*
Symbolen en meldingen op display
Symbool
Melding
Betekenis
Stand-bystand of geen voertuig ontdekt in actieve stand.
Voertuig ontdekt in actieve stand waarop de adaptieve cruisecontrol uw snelheid afstemt.
Volgtijd geactiveerd, tijdens aanpassing.
Volgtijd geactiveerd, na aanpassing.
04
DSTC normaal voor ACC
De adaptieve cruisecontrol kan alleen worden geactiveerd, wanneer de stabiliteits- en tractieregeling
(DSTC) in de normale stand staat, zie pagina 154.
ACC gedeactiveerd
De adaptieve cruisecontrol werd uitgeschakeld – u dient zelf uw snelheid aan te passen.
ACC niet beschikbaar
De adaptieve cruisecontrol kan niet worden ingeschakeld.
Dit kan onder meer gebeuren wanneer:
• de remmen een hoge temperatuur hebben
• de radarsensor wordt gehinderd door natte sneeuw of regen.
Radar afgedekt Zie
instructieb.
De adaptieve cruisecontrol werkt tijdelijk niet.
• De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren. Bijvoorbeeld wanneer deze wordt gehinderd door hevige regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor
afdekken.
Voor meer informatie over de beperkingen van de radarsensor, zie pagina 166.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
169
04 Bestuurdersondersteuning
Adaptieve cruisecontrol*
Symbool
Melding
Betekenis
ACC Service vereist
De adaptieve cruisecontrol werkt niet.
• Neem contact op met een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Remmen om stil te blijven
staan + geluidssignaal
(Alleen auto met file-assistent)
De auto staat stil en de cruisecontrol lost de bedrijfsrem, zodat de parkeerrem verder kan remmen en
de auto stil kan houden. Door een storing in de parkeerrem zal de auto echter spoedig in beweging
komen.
• U moet zelf remmen. De melding blijft staan en het geluidssignaal klinkt, totdat u het rempedaal
of gaspedaal bedient.
04
Onder 30 km/h alleen volgen
Verschijnt wanneer u de cruisecontrol probeert te activeren bij een snelheid onder 30 km/h en er geen
voorligger binnen de activeringsafstand (ca. 30 meter) te bekennen is.
(Alleen auto met file-assistent)
170
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Bestuurdersondersteuning
Afstandswaarschuwing*
Algemene informatie1
De afstandswaarschuwing (Distance Alert) is
een functie die u inlicht over de volgtijd ten
opzichte van de voorligger.
Distance Alert is actief bij snelheden hoger dan
30 km/h en reageert uitsluitend op voorliggers
die in dezelfde richting als u rijden. Voor voertuigen die langzaam in tegengestelde richting
rijden of stilstaan wordt geen afstandsinformatie gegeven.
N.B.
De afstandswaarschuwing is uitgeschakeld,
zolang de adaptieve cruisecontrol actief is.
WAARSCHUWING
Distance Alert reageert alleen, als de
afstand tot voorliggers korter is dan de ingestelde waarde – de rijsnelheid wordt niet
aangepast.
lampje in de schakelaar geeft aan dat de functie geactiveerd is.
Bij bepaalde combinaties van opties is er geen
plek vrij voor een knop op de middenconsole –
in dat geval is de functie te bedienen via het
menusysteem MY CAR, onder Instellingen
Auto-instellingen
Waarschuwingsafstand. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie pagina 213.
04
Bediening
Oranje waarschuwingslampje2.
Er brandt continu een oranje waarschuwingslampje op de voorruit, als de afstand tot de
voorligger gelijk is aan de ingestelde volgtijd.
1
2
Met de knop op de middenconsole kunt u de
functie in- en uitschakelen. Het brandende
Niet verkrijgbaar als extra voor 2.5T.
N.B. De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
171
04 Bestuurdersondersteuning
Afstandswaarschuwing*
Volgtijd instellen
04
Bedieningselementen en display voor volgtijd.
Volgtijd – Verlengen/verkorten. Voor verlengen omhoogduwen, voor verkorten
omlaagduwen.
Volgtijd3 – Aan (tijdens aanpassing).
Volgtijd3 – Aan (ná aanpassing).
3
172
U kunt verschillende volgtijden ten opzichte van voorliggers kiezen en deze worden
op het display als 1–5 horizontale streepjes weergegeven – hoe meer streepjes, des
te langer de volgtijd. Eén
streepje komt overeen met ca. 1 seconde ten
opzichte van de voorligger en 5 streepjes met
ca. 3 seconden.
Tijdens het instellen van de
volgtijd verschijnt het bijbehorende aantal horizontale
streepjes op het display. Deze
streepjes verdwijnen na
enkele seconden, waarna een
verkleinde uitvoering ervan
rechts op het display verschijnt. Hetzelfde
symbool verschijnt ook wanneer de adaptieve
cruisecontrol geactiveerd is.
Het display toont “streepjessymbool” [2] of [3]. Ze worden nooit gelijktijdig weergegeven.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
N.B.
Hoe hoger de snelheid, hoe langer de volgafstand in meters voor een bepaalde volgtijd.
De ingestelde volgtijd wordt ook gebruikt
door de adaptieve cruisecontrol (zie
pagina 162).
Houd alleen een volgtijd aan die niet in strijd
is met de geldende verkeersregels.
Beperkingen
De afstandswaarschuwing, adaptieve cruisecontrol en Collision Warning maakt gebruik van
dezelfde radarsensor. Voor meer informatie
over de radarsensor en de beperkingen ervan,
zie pagina 166.
04 Bestuurdersondersteuning
Afstandswaarschuwing*
N.B.
In de felle zon en bij lichtschitteringen of
grote variaties in de lichtsterkte alsook het
gebruik van een zonnebril is het op de voorruit geprojecteerde waarschuwingslampje
soms moeilijk waar te nemen.
In slechte weersomstandigheden en op slingerende wegen heeft de radarsensor soms
moeite om voorliggers te registreren.
Ook voorliggers met geringe afmetingen
(zoals motorfietsen) zijn soms moeilijk te
ontdekken. Dat kan betekenen dat het
geprojecteerde waarschuwingslampje pas
bij kortere volgtijden oplicht of dat helemaal
niet gaat branden.
Op zeer hoge snelheden is het mogelijk dat
het lampje door beperkingen in het bereik
van de sensor op kortere afstand oplicht.
04
Lampjes en meldingen op display
Lampje
Melding
Betekenis
Ingestelde volgtijd tijdens regeling.
Ingestelde volgtijd ná regeling.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
173
04 Bestuurdersondersteuning
Afstandswaarschuwing*
Lampje
Melding
Betekenis
Radar afgedekt Zie
instructieb.
De afstandswaarschuwing werkt tijdelijk niet.
De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren. Bijvoorbeeld wanneer deze wordt gehinderd
door hevige regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken.
Voor meer informatie over de beperkingen van de radarsensor, zie pagina 166.
CWS-systeem Service vereist
04
174
De afstandswaarschuwing en Collision Warning met Auto Brake werken niet of gedeeltelijk.
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Bestuurdersondersteuning
City Safety™
Algemeen
City Safety™ is een hulpmiddel om u te helpen
een aanrijding te voorkomen tijdens filerijden
e.d., waarbij plotselinge wijzigingen in het verkeer vóór u gekoppeld aan onoplettendheid tot
bijna-ongelukken kunnen leiden.
De functie die actief is bij een snelheid tot
50 km/h helpt u door automatisch te remmen,
wanneer het gevaar voor een botsing met een
voorligger reëel is en u zelf niet snel genoeg
remt en/of uitwijkt.
City Safety™ wordt geactiveerd in situaties
waar de bestuurder eigenlijk al veel eerder had
moeten remmen, zodat de functie niet altijd
uitkomst biedt.
City Safety™ is erop gebouwd om zo laat
mogelijk geactiveerd te worden om onnodige
ingrepen te voorkomen.
Gebruik City Safety™ niet om uw rijgedrag aan
te passen – als u er blind op vertrouwt dat City
Safety™ remt, raakt u vroeg of laat betrokken
bij een aanrijding.
U en eventuele passagiers zullen normaal
alleen merken dat City Safety™ actief is, wanneer een aanrijding dreigt.
Bij auto’s met Collision Warning with Auto
Brake* vullen de beide systemen elkaar aan.
1
Voor meer informatie over het Collision Warning with Auto Brake, zie pagina 180.
Functie
BELANGRIJK
Laat de onderdelen van City Safety™ alleen
onderhouden en vervangen in een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
04
City Safety™ werkt niet in alle rijsituaties,
verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
City Safety™ reageert niet op tegenliggers
noch op kleinere voertuigen zoals motorfietsen en fietsen of op voetgangers en dieren.
City Safety™ kan een botsing alleen voorkomen bij een snelheidsverschil kleiner dan
15 km/h tussen de beide voertuigen – bij
grotere snelheidsverschillen kan het systeem alleen de snelheid waarbij de botsing
plaatsvindt zoveel mogelijk beperken. Voor
maximale remwerking moet de bestuurder
het rempedaal bedienen.
Wacht nooit op het ingrijpen van City
Safety™. De bestuurder is er verantwoordelijk voor om voldoende afstand en de
juiste snelheid te houden.
Zend- en ontvangstoog van de lasersensor1.
City Safety™ registreert het verkeer vóór de
auto middels een lasersensor boven aan de
voorruit. Wanneer het gevaar voor een aanrijding reëel is, zal City Safety™ automatisch
remmen, hetgeen aandoet als een krachtige
remmanoeuvre.
Bij een snelheidsverschil van 4–15 km/h ten
opzichte van de voorligger kan City Safety™
een aanrijding geheel voorkomen.
City Safety™ start een korte, krachtige remmanoeuvre en zorgt er normaliter voor dat u net
achter uw voorligger tot stilstand komt. Voor
veel bestuurders die dit niet gewend zijn is een
dergelijke remmanoeuvre onprettig.
N.B. De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
175
04 Bestuurdersondersteuning
City Safety™
Bij een snelheidsverschil van meer dan
15 km/h tussen de voertuigen kan City
Safety™ een aanrijding niet geheel op eigen
kracht voorkomen – voor het maximale remvermogen dient u zelf het rempedaal te bedienen. In dat geval is het ook bij snelheidsverschillen groter dan 15 km/h mogelijk een aanrijding te voorkomen.
04
Wanneer het systeem ingrijpt en remt, verschijnt op het display van het instrumentenpaneel de melding dat het systeem actief is/was.
N.B.
Wanneer City Safety™ remt, gaan de remlichten branden.
Bediening
Na het starten van de motor is City Safety™ op
een van de volgende manieren uit te schakelen:
• Zoek aan de hand van het menusysteem
van MY CAR op het beeldscherm van de
middenconsole Instellingen Autoinstellingen Rij-assistentiesystemen
City Safety op. Kies de optie Uit. Voor
meer informatie over het menusysteem MY
CAR, zie pagina 213.
De volgende keer dat de motor wordt
gestart is de functie echter weer actief, ook
al stond het systeem uit toen de motor
werd afgezet.
WAARSCHUWING
De lasersensor geeft ook laserlicht af, wanneer u City Safety™ handmatig uitgeschakeld hebt.
N.B.
De functie City Safety™ is na het starten van
de motor via sleutelstand I en II (zie
pagina 80 voor de sleutelstanden) altijd
ingeschakeld.
Aan en Uit
Soms is het handig om City Safety™ uit te kunnen schakelen, bijvoorbeeld wanneer bebladerde takken langs de motorkap en voorruit
kunnen schampen.
176
Om City Safety™ opnieuw in te schakelen:
• Volg de dezelfde procedure als bij het uitschakelen, maar kies nu de optie Aan.
Beperkingen
De City Safety™-sensor is erop gebouwd om
auto’s en andere voertuigen vóór u te ontdekken, zowel overdag als ’s nachts.
De sensor kent echter beperkingen en werkt
bijvoorbeeld minder goed (of helemaal niet) bij
hevige sneeuw- of regenval, in dichte mist of in
dikke stofwolken of stuifsneeuw. Condens,
vuil, sneeuw en ijs op de voorruit kunnen voor
storingen in de werken zorgen.
Hangende voorwerpen zoals vlaggen/wimpels
die uitstekende lading markeren of accessoires
zoals verstralers en frontbars die boven de
motorkap uitsteken.
Het laserlicht van de sensor in City Safety™
meet hoe het licht reflecteert. De sensor kan
geen obstakels met een gering reflecterend
vermogen waarnemen. De achterkant van
voertuigen weerkaatst veelal voldoende licht
dankzij de kentekenplaat en de achterlichtreflectoren.
Bij gladheid is de remweg langer waardoor City
Safety™ minder goed in staat is aanrijdingen
te voorkomen. In dergelijke situaties zullen het
ABS en DSTC voor het maximale remvermogen zorgen met behoud van de stabiliteit.
Als de eigen auto achteruitrijdt, is City
Safety™ tijdelijk gedeactiveerd.
04 Bestuurdersondersteuning
City Safety™
City Safety™ wordt niet geactiveerd op lage
snelheden (onder 4 km/h), wat betekent dat het
systeem niet ingrijpt in situaties waarbij u een
voorligger uiterst langzaam nadert zoals tijdens
het parkeren.
De commando’s die u zelf geeft hebben altijd
voorrang, wat betekent dat City Safety™ niet
ingrijpt in situaties waarbij u duidelijke commando’s geeft via stuurwiel of gaspedaal, zelfs
al is een aanrijding onvermijdelijk.
Nadat City Safety™ een aanrijding met een
stilstaand obstakel heeft voorkomen, blijft de
auto maximaal 1,5 seconde stilstaan. Als de
auto wordt afgeremd wegens een rijdende
voorligger, wordt de snelheid begrensd tot
dezelfde snelheid als die van de voorligger.
Bij een auto met een handgeschakelde versnellingsbak slaat de motor af wanneer City
Safety™ de auto tot stilstand heeft gebracht,
tenzij u er in slaagt om het koppelingspedaal
voor die tijd in te drukken.
N.B.
Oorzaak
Maatregel
•
Houd de voorruit in het gebied vóór de
lasersensor vrij van sneeuw, ijs, condens en vuil (zie de afbeelding met de
positie van de sensor op pagina 175).
Ontdoe het voorruitoppervlak vóór de
lasersensor van vuil,
sneeuw en ijs.
•
Plak of bevestig geen zaken op de voorruit vóór de lasersensor
Het voorruitoppervlak vóór de lasersensoren is vuil of
bedekt met sneeuw
of ijs.
•
Haal sneeuw en ijs van de motorkap –
de laag sneeuw en ijs mag niet dikker
zijn dan 5 cm.
Het zichtveld van de
lasersensor wordt
gehinderd.
Verwijder het voorwerp dat het zicht
blokkeert.
04
Storingen opsporen en verhelpen
Als de melding Voorruitsensoren afgedekt
op het dashboarddisplay verschijnt, worden de
lasersensoren gehinderd zodat ze geen voertuigen vóór de auto kunnen registreren. Dit
betekent op zijn beurt dat City Safety™ niet
werkt.
De melding Voorruitsensoren afgedekt verschijnt echter niet in alle situaties waarbij de
sensoren gehinderd worden – let er daarom op
dat u de voorruit en vooral het gebied vóór de
lasersensor zorgvuldig schoonhoudt.
In de volgende tabel staan mogelijke oorzaken
van het verschijnen van de melding en suggesties voor passende maatregelen.
177
04 Bestuurdersondersteuning
City Safety™
BELANGRIJK
Als het voorruitoppervlak vóór een van
beide “ogen” barsten, krassen of steenslagschade vertoont van 0,5 × 3,0 mm (of groter), neem dan contact op met een erkende
werkplaats om de voorruit te laten repareren
of vervangen (zie de afbeelding met de positie van de sensor op pagina 175) – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
04
Als u niets doet, presteert City Safety™
mogelijk minder goed.
Om optimale prestaties van City Safety™ te
garanderen geldt bovendien het volgende:
•
•
178
Voordat de voorruit wordt vervangen,
moet u contact opnemen met een
erkende Volvo-werkplaats om te controleren of de juiste voorruit wordt
besteld en gemonteerd. Bij gebruik van
een verkeerde voorruit kan de City
Safety-functie uitblijven of onjuist werken.
monteer bij vervanging van de ruitenwissers hetzelfde type of een ander
type, door Volvo goedgekeurde ruitenwissers.
Lasersensor
De City Safety™-functie maakt gebruik van
een sensor die laserlicht afgeeft. Neem contact
op met een gekwalificeerde werkplaats als de
lasersensor een storing vertoont of nagekeken
moet worden – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Kijk nooit van een afstand van 100 mm of
minder in de lasersensor (waaruit uiteenlopende, onzichtbare laserstralen komen) met
vergrotende optiek zoals een vergrootglas,
microscoop, objectief of soortgelijke optische instrumenten – er bestaat gevaar voor
oogletsel (de afbeelding op pagina 175
geeft de positie van de sensor aan).
Voor meer informatie over de lasersensor, zie
pagina 9.
Lampjes en meldingen op display
Terwijl City Safety™ automatisch remt, kunnen
één of meer lampjes op het instrumentenpa-
neel gaan branden en meldingen op het bijbehorende display verschijnen.
Meldingen kunt u van het display halen door de
knop OK op de richtingaanwijzerhendel kort in
te drukken.
04 Bestuurdersondersteuning
City Safety™
Lampje
Melding
Betekenis/Maatregel
Autom. remmen door City
Safety
City Safety™ remt op dit moment of remde eerder automatisch.
Voorruitsensoren afgedekt
De lasersensor werkt tijdelijk niet doordat deze door iets gehinderd wordt.
• Verwijder het voorwerp dat de sensoren hindert en/of maak het voorruitoppervlak vóór de sensoren schoon.
04
Voor meer informatie over de beperkingen van de lasersensoren, zie pagina 176.
City Safety Service vereist
City Safety™ werkt niet.
• Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
179
04 Bestuurdersondersteuning
Collision Warning met Auto Brake en voetgangersdetectie.*
Algemene informatie1
‘Collision Warning met Auto Brake en voetgangersdetectie’ is een hulpmiddel dat bedoeld is
om u te waarschuwen wanneer het gevaar
bestaat dat u op een voetganger of een (stilstaande of rijdende) voorligger botst.
04
Collision Warning met Auto Brake en voetgangersdetectie wordt geactiveerd in situaties
waar de bestuurder eigenlijk al veel eerder had
moeten remmen, zodat de functie niet altijd
uitkomst biedt.
Collision Warning met Auto Brake en voetgangersdetectie is erop gebouwd om zo laat
mogelijk geactiveerd te worden om onnodige
ingrepen te voorkomen.
Collision Warning met Auto Brake en voetgangersdetectie kan een aanrijding voorkomen of
de impactsnelheid verlagen.
Gebruik Collision Warning met Auto Brake en
voetgangersdetectie niet om uw rijgedrag aan
te passen – als u er blind op vertrouwt dat Collision Warning met Auto Brake remt, raakt u
vroeg of laat betrokken bij een aanrijding.
Brake en voetgangersdetectie in twee uitvoeringen voorkomen: Uitvoering 1 en
Uitvoering 2.
Uitvoering 1
De bestuurder wordt alleen met visuele en
akoestische signalen gewaarschuwd voor
obstakels – er wordt niet automatisch geremd,
de bestuurder moet zelf remmen.
Uitvoering 2
De bestuurder wordt met visuele en akoestische signalen gewaarschuwd voor obstakels –
de auto remt automatisch als de bestuurder
niet zelf binnen een redelijke tijd reageert.
BELANGRIJK
Onderhoud aan de componenten van Collision Warning met Auto Brake & voetgangersbescherming mag uitsluitend worden
uitgevoerd in een werkplaats - een door
Volvo erkende werkplaats wordt aanbevolen.
Twee systeemuitvoeringen
Afhankelijk van het uitrustingsniveau van de
auto kan de functie Collision Warning met Auto
1
2
3
180
Niet verkrijgbaar als extra voor 2.5T.
N.B. De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
Alleen met een systeem in uitvoering 2.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Functie
Functie-overzicht2.
Audiovisueel waarschuwingssignaal bij
gevaar voor een botsing.
Radarsensor3
Camerasensor
Collision Warning met Auto Brake vervult drie
functies in de volgende volgorde:
1. Collision Warning
2. Brake Support3
3. Auto Brake3
04 Bestuurdersondersteuning
Collision Warning met Auto Brake en voetgangersdetectie.*
Collision Warning en City Safety™ vullen elkaar
aan. Zie voor meer informatie over City
Safety™ zie pagina 175.
1 – Collision Warning
Eerst wordt de bestuurder gewaarschuwd voor
een dreigende aanrijding.
Collision Warning registreert voetgangers vóór
de auto en (stilstaande of rijdende) voorliggers.
Bij gevaar voor een aanrijding met een voetganger of voertuig, wordt uw aandacht getrokken met een rood knipperend, op de voorruit
geprojecteerd waarschuwingslampje (nr. [1] in
de afbeelding op pagina 180) en een akoestisch signaal.
2 – Brake Support3
Als het gevaar voor een aanrijding na de Collision Warning verder is toegenomen, treedt de
Brake Support in werking.
Dit betekent dat het systeem de nodige voorbereidingen treft voor een snelle remmanoeuvre, waarna de remmen licht worden aangezet. Dit is te merken aan een lichte schok.
Als u het rempedaal met een bepaalde snelheid
bedient, wordt het maximale remvermogen
geleverd.
3
Brake Support helpt u eveneens bij het remmen, als het systeem ervan uitgaat dat de remmanoeuvre alleen niet voldoende is om een
botsing te voorkomen.
3 – Auto Brake3
Op het laatste moment wordt de automatische
remfunctie geactiveerd.
Als de bestuurder in deze fase nog steeds niet
met een uitwijkmanoeuvre is begonnen en het
aanrijdingsgevaar urgent is, schakelt de automatische remfunctie in, ongeacht of de
bestuurder remt of niet. De auto wordt daarbij
maximaal afgeremd om de botssnelheid te
beperken of zoveel als nodig is om een aanrijding te voorkomen.
WAARSCHUWING
Collision Warning werkt niet in alle rijsituaties, verkeers-, weers- en wegomstandigheden. Collision Warning reageert niet op
tegenliggers noch op dieren.
Er wordt alleen gewaarschuwd wanneer het
risico van een botsing groot is. In het onderdeel “Functie” en “Beperkingen” wordt
geïnformeerd over de beperkingen die u als
bestuurder moet kennen, voordat u de Collision Warning met Auto Brake gebruikt.
04
Er wordt niet gewaarschuwd noch geremd
voor voetgangers bij een rijsnelheid hoger
dan 80 km/h.
In het donker en in tunnels kan niet worden
gewaarschuwd noch geremd voor voetgangers - zelfs al brandt de straatverlichting.
Auto Brake kan een botsing geheel voorkomen of de botssnelheid verlagen. Voor
maximale remwerking altijd het rempedaal
bedienen – ook al wordt er automatisch
geremd.
Nooit een waarschuwingssignaal van de
Collision Warning afwachten. U bent altijd
verantwoordelijk de juiste afstand en snelheid aan te houden – ook bij gebruik van de
Collision Warning met Auto Brake.
Alleen met een systeem in uitvoering 2.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
181
04 Bestuurdersondersteuning
Collision Warning met Auto Brake en voetgangersdetectie.*
Voetgangersdetectie
• Een voetganger is alleen te ontdekken
wanneer deze helemaal zichtbaar is en een
lengte heeft van minimaal 80 cm.
• Het systeem kan geen voetgangers ontdekken die grote voorwerpen dragen.
• Bij zonsondergang en -ondergang kan de
camerasensor voetgangers minder goed
registreren – vergelijkbaar met het menselijke oog.
• De camerasensor is niet in staat voetgangers te registreren bij ritten in het donker of
in tunnels – zelfs al brandt de straatverlichting.
04
Ideaalvoorbeelden van wat het systeem als voetgangers met herkenbare lichaamscontouren
beschouwt.
Voor optimale prestaties van het systeem dient
de systeemfunctie die verantwoordelijk is voor
identificatie van voetgangers zo uniform mogelijke informatie over de lichaamscontouren te
ontvangen – dat houdt in dat kenmerkende
lichaamsdelen zoals hoofd, armen, schouders,
benen, borstkas en buik moeten kunnen worden waargenomen evenals een bewegingspatroon dat voor mensen als normaal te beschouwen is.
Het systeem kan een voetganger niet ontdekken, als de camera grote delen van het lichaam
niet kan waarnemen.
182
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
WAARSCHUWING
Collision Warning met Auto Brake & voetgangersbescherming is een hulpmiddel.
De functie is niet in staat om in alle situaties
alle voetgangers te detecteren en ziet bijvoorbeeld geen deels verborgen voetgangers, personen met kleding die de lichaamscontouren verhult of voetgangers die kleiner
zijn dan 80 cm.
•
U bent er altijd zelf verantwoordelijk
voor dat u de auto op de juiste wijze
bestuurt en voldoende afstand houdt
afhankelijk van de rijsnelheid.
Bediening
Via een menusysteem van MY CAR op het
beeldscherm van de middenconsole zijn eventuele instellingen te verrichten. Voor informatie
over het gebruik van het menusysteem, zie
pagina 213.
N.B.
De functies Brake Support en Auto Brake
zijn altijd actief – ze kunnen niet uitgeschakeld worden.
Aan en Uit
Doe het volgende om Collision Warning in- of
uit te schakelen:
• Zoek via het menusysteem MY CAR op het
display in de middenconsole Instellingen
Auto-instellingen Rijassistentiesystemen
Botswaarschuwing op en kies Aan of
Uit.
Een geactiveerde functie wordt bij elke motorstart getest door de afzonderlijke lichtpunten
van het waarschuwingslampje (nr. [1] in de
afbeelding op pagina 180) kort te ontsteken.
Bij het starten van de motor geldt automatisch
de instelling die actief was toen de motor werd
afgezet.
04 Bestuurdersondersteuning
Collision Warning met Auto Brake en voetgangersdetectie.*
Waarschuwingssignalen activeren/
deactiveren
Waarschuwingslampje (nr. [1] in de afbeelding
op pagina 180) wordt automatisch geactiveerd
bij het starten van de motor als Collision Warning is geactiveerd.
Het waarschuwingsgeluid kan apart worden
ge(de)activeerd:
• Kies Aan of Uit in het menusysteem MY
CAR onder Instellingen Autoinstellingen Rij-assistentiesystemen
Botswaarschuwing Signaaltoon.
Waarschuwingsafstand instellen
De waarschuwingsafstand is de afstand waarbij een visueel signaal en een geluidssignaal
worden afgegeven.
• Kies uit de opties Lang, Normaal of Kort
in het menusysteem MY CAR onder
Instellingen Auto-instellingen Rijassistentiesystemen
Botswaarschuwing
Waarschuwingsafstand.
De waarschuwingsafstand is bepalend voor de
gevoeligheid van het systeem. Bij de waarschuwingsafstand Lang wordt eerder gewaarschuwd. Ga altijd uit van de instelling Lang,
maar als deze instelling te vaak tot waarschuwingen leidt (wat in bepaalde situaties als hinderlijk kan worden ervaren) kunt u overgaan op
de waarschuwingsafstand Normaal.
Maak alleen in uitzonderingsgevallen zoals bij
dynamisch rijden gebruik van de waarschuwingsafstand Kort.
N.B.
Bij gebruik van de adaptieve cruisecontrol
worden het waarschuwingslampje en de
waarschuwingszoemer door de cruisecontrol gehanteerd, ook al hebt u de Collision
Warning gedeactiveerd.
De Collision Warning waarschuwt u bij
gevaar voor een botsing, maar de functie is
niet in staat uw reactietijd te verkorten.
WAARSCHUWING
Geen enkel automatisch systeem kan in alle
situaties een 100 % feilloze werking garanderen. Test het Auto Brake-systeem
daarom nooit uit op mensen of voertuigen dat kan namelijk tot ernstig letsel/ernstige
schade en levensgevaarlijke situaties leiden.
Instellingen controleren
U kunt de actuele instellingen controleren op
het beeldscherm van de middenconsole. Ga in
het menusysteem MY CAR naar Instellingen
Auto-instellingen Rijassistentiesystemen
Botswaarschuwing, zie pagina 213.
04
Voor een optimale werking van de Collision
Warning dient u de afstandscontrole altijd in
te stellen op volgtijd 4–5 (zie pagina 171).
N.B.
Ook als u de waarschuwingsafstand hebt
ingesteld op Lang, kunnen de waarschuwingen voor uw gevoel soms laat worden
afgegeven. Bijvoorbeeld bij grote snelheidsverschillen of als de voorligger krachtig
remt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
183
04 Bestuurdersondersteuning
Collision Warning met Auto Brake en voetgangersdetectie.*
Onderhoud
Beperkingen
Collision Warning met Auto Brake en voetgangersdetectie is actief vanaf ca. 4 km/h.
In de felle zon en bij lichtschitteringen alsook
het gebruik van een zonnebril is het op de voorruit geprojecteerde waarschuwingslampje (nr.
[1] in de afbeelding op pagina 180) soms moeilijk te ontdekken. Dat is ook mogelijk als u niet
recht vooruit kijkt. Houd de waarschuwingszoemer daarom altijd ingeschakeld.
04
Camera- en radarsensor4.
De sensoren werken alleen naar behoren wanneer u vuil, ijs en sneeuw verwijdert en ze regelmatig schoonmaakt met water en autoshampoo.
Bij gladheid is de remweg langer waardoor het
systeem minder goed in staat is aanrijdingen te
voorkomen. In dergelijke situaties zullen het
ABS en DSTC voor het maximale remvermogen zorgen met behoud van de stabiliteit.
N.B.
Als vuil, ijs en sneeuw de sensoren bedekken, neemt de functie af en kan meten
onmogelijk worden gemaakt.
4
184
N.B. De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
N.B.
Het visuele waarschuwingssignaal kan
korte tijd buiten werking worden gesteld,
wanneer de temperatuur in het interieur bijvoorbeeld door de felle zon te hoog is opgelopen. Als dit gebeurt, wordt er een waarschuwingszoemer afgegeven ook al hebt u
deze uitgeschakeld via het menusysteem.
•
Waarschuwingen kunnen eveneens uitblijven bij een zeer geringe afstand tot
de voorligger of bij relatief grote stuuren pedaalbewegingen zoals bij een zeer
actieve rijstijl.
04 Bestuurdersondersteuning
Collision Warning met Auto Brake en voetgangersdetectie.*
WAARSCHUWING
Als de radar- of camerasensor op grond van
de verkeerssituatie of anderszins problemen heeft voetgangers of voorliggers te
ontdekken, is het mogelijk dat het systeem
pas laat, onterecht of helemaal geen waarschuwing geeft en remt.
De sensoren hebben een beperkt bereik
voor voetgangers wat inhoudt dat het systeem efficiënt waarschuwt en remingrepen
verricht bij rijsnelheden tot 50 km/h. Voor
stilstaande of langzaam rijdende voorliggers
wordt efficiënt gewaarschuwd en geremd
bij rijsnelheden tot 70 km/h.
In het donker of bij slecht zicht wordt er
mogelijk niet gewaarschuwd voor langzaam
rijdende of stilstaande voorliggers.
Er wordt niet gewaarschuwd noch geremd
voor voetgangers bij een rijsnelheid hoger
dan 80 km/h.
De Collision Warning maakt gebruik van
dezelfde radarsensor als die van de adaptieve
cruisecontrol. Voor meer informatie over de
radarsensor en de beperkingen ervan, zie
pagina 185.
Als u vindt dat er te vaak wordt gewaarschuwd
en de signalen als storend ervaart, kunt u de
waarschuwingsafstand verkleinen. Dit betekent dat het systeem later waarschuwt, wat het
totale aantal waarschuwingen beperkt, zie het
hoofdstuk ‘Waarschuwingsafstand instellen’
pagina 183.
• Automatische dimfunctie groot licht/dim-
Met geactiveerde achteruitversnelling is de
Collision Warning met Auto Brake tijdelijk
gedeactiveerd.
• Road Sign Information – zie pagina 156
• Driver Alert Control – zie pagina 190
• Lane Departure Warning – zie pagina 193.
Collision Warning met Auto Brake wordt niet
geactiveerd op lage snelheden (onder 4 km/h),
wat betekent dat het systeem niet ingrijpt in
situaties waarbij uw auto een voorligger uiterst
langzaam nadert zoals tijdens het parkeren.
In situaties waarin de bestuurder actief en
bewust rijgedrag laat zien, kan een Collision
Warning wat worden vertraagd om onnodige
waarschuwingen te voorkomen.
Nadat Auto Brake een aanrijding met een stilstaand obstakel heeft voorkomen, blijft de auto
maximaal 1,5 seconde stilstaan. Als de auto
wordt afgeremd wegens een rijdende voorligger, wordt de snelheid begrensd tot dezelfde
snelheid als die van de voorligger.
Bij een auto met een handgeschakelde versnellingsbak slaat de motor af wanneer Auto
Brake de auto tot stilstand heeft gebracht, tenzij u daarvoor het koppelingspedaal weet te
bedienen.
Beperkingen van de camerasensor
De camerasensor van de auto wordt naast de
Collision Warning met Auto Brake ook gebruikt
door de functies:
licht - zie pagina 90
N.B.
Houd de voorruit vóór de camerasensor vrij
van sneeuw, ijs, condens en vuil.
Plak of monteer geen stickers of andere
voorwerpen op de voorruit in het gebied
vóór de camerasensor, omdat één of meer
systemen die gebruik maken van de camera
daardoor mogelijk niet goed of helemaal
niet werken.
04
De camerasensor kent ongeveer dezelfde
beperkingen als het menselijk oog. Dit houdt in
dat de sensor minder goed ‘ziet’ bij hevige
regen- of sneeuwval en in dichte mist. In dergelijke omstandigheden kunnen functies die
gebruik maken van de camera grote beperkingen ondervinden of tijdelijk gedeactiveerd worden.
Ook fel tegenlicht, reflecties op het wegdek,
besneeuwde of beijzelde wegen, verontreinigde of onduidelijke rijstrookmarkeringen
kunnen aanleiding geven tot grote beperkingen
voor de functies die van de camera gebruik
maken om bijvoorbeeld het wegdek af te tasten
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
185
04 Bestuurdersondersteuning
Collision Warning met Auto Brake en voetgangersdetectie.*
en andere voertuigen en voetgangers te ontdekken.
Het zichtveld van de camerasensor is beperkt,
zodat voetgangers en voertuigen in bepaalde
situaties niet kunnen worden geregistreerd of
later worden ontdekt dan verwacht.
Bij zeer hoge temperaturen werkt de camera
de eerste ca. 15 minuten na het starten van de
motor niet om de camerafunctie te ontzien.
04
Storingen opsporen en verhelpen
Als op het display de melding
Voorruitsensoren afgedekt staat, betekent
dit dat de camerasensor afgedekt is en geen
voetgangers, voertuigen of rijstrookmarkeringen vóór de auto kan ontdekken.
Dit houdt bovendien in dat niet alleen Collision
Warning met Auto Brake maar ook de functies
186
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Automatische dimfunctie groot licht/dimlicht,
Road Sign Information, Driver Alert Control en
Lane Departure Warning niet voor de volle 100
% zullen werken.
In de volgende tabel staan mogelijke oorzaken
van het verschijnen van de melding en passende maatregelen.
Oorzaak
Maatregel
Het voorruitoppervlak vóór de camera
is vuil of bedekt met
sneeuw of ijs.
Ontdoe het voorruitoppervlak vóór de
camera van vuil,
sneeuw en ijs.
Bij dichte mist en
hevige regen- of
sneeuwval heeft de
camera een minder
goed zicht.
Valt niets aan te
doen. Bij hevige
neerslag werkt de
camera soms niet.
Het voorruitoppervlak vóór de camera
is schoongemaakt,
maar de melding
blijft.
Wacht even. Het kan
enige minuten duren
voordat de camera
het zicht opnieuw
heeft gemeten.
Er is vuil tussen de
binnenkant van de
voorruit en de
camera gekomen.
Bezoek een werkplaats om de binnenkant van de
voorruit achter de
camerabehuizing te
laten schoonmaken
– geadviseerd wordt
een erkende Volvowerkplaats.
04 Bestuurdersondersteuning
Collision Warning met Auto Brake en voetgangersdetectie.*
Lampjes en meldingen op display
Lampje
Melding
Betekenis
CWS-systeem UIT
Collision Warning is uitgeschakeld.
Verschijnt bij het starten van de motor.
De melding dooft automatisch na ca. 5 seconden of eerder wanneer u op de toets OK drukt.
CWS-systeem niet
beschikbaar
Het is niet mogelijk Collision Warning te activeren.
Remassistent geactiveerd
De Auto Brake was actief.
Voorruitsensoren
afgedekt
De camerasensor werkt tijdelijk niet.
Verschijnt wanneer u de functie toch probeert te activeren.
De melding dooft automatisch na ca. 5 seconden of eerder wanneer u op de toets OK drukt.
04
De melding verdwijnt na bediening van de toets OK.
Verschijnt bijvoorbeeld bij sneeuw, ijs of vuil op de voorruit.
• Maak het voorruitoppervlak vóór de camerasensor schoon.
Voor meer informatie over de beperkingen van de camerasensor - zie pagina 185.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
187
04 Bestuurdersondersteuning
Collision Warning met Auto Brake en voetgangersdetectie.*
Lampje
04
188
Melding
Betekenis
Radar
afgedekt
Zie
instructieb.
Collision Warning met Auto Brake werkt tijdelijk niet.
CWS-systeem Service vereist
Collision Warning met Auto Brake werkt niet of gedeeltelijk.
De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren. Bijvoorbeeld wanneer deze wordt gehinderd door hevige
regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken.
Voor meer informatie over de beperkingen van de radarsensor, zie pagina 166.
• Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Bestuurdersondersteuning
Driver Alert System*
Algemene informatie over Driver Alert
System1
Driver Alert System is bestemd om u te helpen
als de auto op een ongecontroleerde manier
wordt bestuurd of op het punt staat de rijstrookmarkering te overschrijden.
Driver Alert System bestaat uit verschillende
functies die tegelijk of apart in te schakelen zijn:
WAARSCHUWING
Driver Alert System heeft niet in alle situaties
het beoogde effect en is uitsluitend bedoeld
als hulpmiddel.
U als bestuurder bent er altijd verantwoordelijk voor dat de auto op een veilige manier
wordt bestuurd.
• Driver Alert Control – DAC, zie
pagina 190.
04
• Lane Departure Warning – LDW, zie
pagina 193.
Een ingeschakelde functie wordt pas daadwerkelijk geactiveerd bij snelheden hoger dan
65 km/h. Bij lagere snelheden staat de functie
stand-by.
De functie wordt weer uitgeschakeld, zodra de
snelheid onder de 60 km/h daalt.
Beide functies maken gebruik van een camera
die alleen rijstroken met aan weerszijden
geschilderde zijmarkeringen kan onderscheiden.
1
Niet verkrijgbaar als extra voor 2.5T.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
189
04 Bestuurdersondersteuning
Driver Alert System – DAC*
Algemene informatie over DAC
DAC is bedoeld om langzame wijzigingen in het
rijgedrag te bespeuren, in eerste instantie op
de grotere wegen. De functie is niet bedoeld
voor gebruik in het stadsverkeer.
Soms treden er ondanks vermoeidheid geen
merkbare wijzigingen op in het rijgedrag. In dat
geval wordt er dan ook niet gewaarschuwd.
Het is daarom van groot belang dat u bij opkomende vermoeidheid de auto op een geschikte
plek parkeert om een pauze in te lassen, ongeacht de vraag of DAC nu wel of niet heeft
gewaarschuwd.
04
De DAC-functie (Driver Alert Control) is
bedoeld om de aandacht van de bestuurder te
trekken wanneer de auto op een ongecontroleerde manier bestuurd wordt (omdat u bijvoorbeeld afgeleid wordt of bijna in slaap valt).
Een camera tast de geschilderde rijstrookmarkeringen af en vergelijkt de wegrichting met uw
stuurbewegingen. U wordt gewaarschuwd
wanneer de auto op een ongecontroleerde
manier over de rijbaan rijdt.
N.B.
Ook de camerasensor kent zijn beperkingen
(zie pagina 185).
Bediening
Via het menusysteem op het beeldscherm van
de middenconsole zijn bepaalde instellingen te
verrichten. Voor informatie over het gebruik
van het menusysteem, zie pagina 213.
De actuele Driver Alert-status valt te controleren op het boordcomputerdisplay met behulp
van het duimwiel van de linker stuurhendel.
N.B.
Gebruik de functie niet om langer achtereen
te kunnen rijden. Plan altijd op gezette tijden
rustpauzes in en zorg dat u uitgerust bent.
Beperkingen
Soms kan het systeem ten onrechte waarschuwen voor ongecontroleerde stuurbewegingen.
Dit kan bijvoorbeeld gebeuren bij:
• gebruik van de functie LDW.
• zijdelingse rukwinden.
• spoorvorming in het wegdek.
Duimwiel. Draai eraan totdat Driver
Alert op het display verschijnt. Op de
tweede rij kunnen de alternatieven Driver
Alert stand-by <65km/h, Driver Alert
niet
beschikbaar of niveaumarkering
worden weergegeven.
OK bevestigt en wist een opgeslagen
waarschuwing.
190
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Bestuurdersondersteuning
Driver Alert System – DAC*
Aan/Uit
Om Driver Alert in de stand-bystand te zetten:
• Zoek op het beeldscherm van de middenconsole met het menusysteem MY CAR
Auto-instellingen Rijassistentiesystemen Driver Alert op
en vink het vakje aan.
• Vakje niet aangevinkt: Functie uitgeschakeld.
Op het display staat een niveaumarkering in de
vorm van 1–5 balkjes, waarbij een klein aantal
balkjes voor ongecontroleerd rijgedrag staat.
Een groot aantal balkjes betekent stabiel rijden.
Als de auto zwalkneigingen vertoont wordt u
gewaarschuwd met een zoemersignaal en de
displaymelding Driver Alert Tijd voor pauze.
Als u uw rijgedrag niet corrigeert wordt enige
tijd later opnieuw gewaarschuwd.
WAARSCHUWING
Neem een waarschuwing altijd serieus,
omdat u bij slaperigheid uw lichamelijke
conditie vaak minder goed kunt inschatten.
Breng bij een waarschuwing of een gevoel
van vermoeidheid de auto zo spoedig
mogelijk tot stilstand om rust te houden.
Studies hebben aangetoond dat rijden bij
vermoeidheid even gevaarlijk is in het verkeer als rijden onder invloed.
04
Functie
Driver Alert wordt geactiveerd bij een
snelheid hoger dan 65 km/h en blijft
actief zolang de snelheid boven
60 km/h ligt.
Lampjes en meldingen op display
Lampje
Melding
Betekenis
Driver Alert UIT
De functie is uitgeschakeld.
Driver Alert stand-by
<65km/h
De functie is stand-by gezet omdat de rijsnelheid onder 65 km/h ligt.
Driver Alert niet beschikbaar
De weg is niet voorzien van duidelijke markeringsstrepen of de camerasensor werkt tijdelijk niet. Voor
meer informatie over de beperkingen van de camerasensor, zie pagina 185.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
191
04 Bestuurdersondersteuning
Driver Alert System – DAC*
Lampje
Melding
Betekenis
Driver Alert
De functie analyseert uw rijstijl.
Het aantal balkjes varieert van 1 tot 5, waarbij een klein aantal balkjes voor ongecontroleerd rijgedrag
staat. Omgekeerd geldt dat een groot aantal balkjes voor stabiel rijgedrag staat.
04
Driver Alert Tijd voor pauze
De auto vertoont zwalkend rijgedrag – u wordt gewaarschuwd met een zoemersignaal en een displaymelding.
Voorruitsensoren afgedekt
De camerasensor werkt tijdelijk niet.
Verschijnt bijvoorbeeld bij sneeuw, ijs of vuil op de voorruit.
• Maak het voorruitoppervlak vóór de camerasensor schoon.
Voor meer informatie over de beperkingen van de camerasensor, zie pagina 185.
Driver Alert Sys Service
vereist
Het systeem is defect.
• Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
192
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Bestuurdersondersteuning
Driver Alert System – (LDW)*
Algemene informatie over LDW1
Bediening en functie
Als de camera de rijstrookmarkeringen op het
wegdek niet langer registreert verschijnt op het
display de melding Lane Depart Warn niet
beschikbaar.
Als de rijsnelheid tot onder de 60 km/h daalt,
neemt de functie de stand-bystand weer in en
verschijnt op het display de melding Lane
Depart Warn stand-by <65km/h.
Als de auto zonder duidelijke reden de linker of
rechter rijstrookmarkering overschrijdt wordt u
gewaarschuwd met een zoemersignaal.
De functie (Lane Departure Warning) is
bedoeld om het gevaar te beperken voor eenzijdige ongelukken, waarbij de auto bijvoorbeeld de rijstrook verlaat en in de wegberm of
op de rijstrook voor tegemoetkomend verkeer
dreigt terecht te komen.
LDW maakt gebruik van een camera die de
geschilderde rijstrookmarkeringen aftast. U
wordt gewaarschuwd met een geluidssignaal
als de auto een rijstrookmarkering overschrijdt.
1
2
U schakelt de functie in en uit met de bijbehorende schakelaar op de middenconsole. Het
lampje in de schakelaar brandt wanneer de
functie ingeschakeld is.
Wanneer de functie stand-by staat wegens een
rijsnelheid onder 65 km/h, verschijnt op het
boordcomputerdisplay de melding Lane
Depart Warn stand-by <65km/h.
Vanuit de stand-bystand wordt de functie LDW
automatisch geactiveerd, zodra de camera de
rijstrookmarkeringen heeft geregistreerd en de
rijsnelheid is opgelopen tot boven 65 km/h. Op
het boordcomputerdisplay staat in dat geval de
melding Lane Depart Warn beschikbaar.
04
In de volgende situaties wordt echter niet
gewaarschuwd:
•
•
•
•
•
Bij gebruik van de richtingaanwijzers
Bij bediening van het rempedaal2
Bij snelle bediening van het gaspedaal2
Bij snelle stuurbewegingen2
Bij dusdanig scherpe bochten dat de auto
overhelt.
Ook de camerasensor kent zijn beperkingen.
Voor meer informatie (zie pagina 185).
Niet verkrijgbaar als extra voor 2.5T.
Wanneer gekozen is voor Hogere gevoeligheidwordt echter wel een waarschuwing gegeven, zie pagina 195.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
193
04 Bestuurdersondersteuning
Driver Alert System – (LDW)*
N.B.
Iedere keer dat de wielen een markeringsstreep passeren wordt er slechts eenmaal
gewaarschuwd. Er wordt dan ook niet meer
gewaarschuwd, wanneer u met één wiel aan
weerszijden zijden van de rijstrookmarkering blijft rijden.
Lampjes en meldingen op display
04
Lampje
Melding
Betekenis
Lane departure warning
AAN/Lane departure warning UIT
De functie is ingeschakeld/uitgeschakeld.
Verschijnt bij inschakeling/uitschakeling.
De melding verdwijnt automatisch na 5 seconden.
194
Lane Depart Warn standby <65km/h
De functie is stand-by gezet omdat de rijsnelheid onder 65 km/h ligt.
Lane Depart Warn niet
beschikbaar
De weg is niet voorzien van duidelijke markeringsstrepen of de camerasensor werkt tijdelijk niet. Voor
meer informatie over de beperkingen van de camerasensor, zie pagina 185.
Lane Depart Warn
beschikbaar
De functie tast de rijstrookmarkeringen af.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Bestuurdersondersteuning
Driver Alert System – (LDW)*
Lampje
Melding
Betekenis
Voorruitsensoren afgedekt
De camerasensor werkt tijdelijk niet.
Verschijnt bijvoorbeeld bij sneeuw, ijs of vuil op de voorruit.
• Maak het voorruitoppervlak vóór de camerasensor schoon.
Voor meer informatie over de beperkingen van de camerasensor, zie pagina 185.
Driver Alert Sys Service
vereist
Het systeem is defect.
• Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
Persoonlijke instellingen
Eventuele instellingen zijn te verrichten op het
beeldscherm van het middenconsole via het
menusysteem in MY CAR. Ga daar naar
Instellingen Auto-instellingen Rijassistentiesystemen Lane Departure
Warning. Voor informatie over het gebruik van
het menusysteem, zie pagina 213.
04
gewaarschuwd en minder beperkingen
gelden.
Kies uit de opties:
• Aan bij starten - De functie staat bij het
starten van de motor altijd stand-by.
Anders is de functiestatus bij het afzetten
van de motor bepalend.
• Hogere gevoeligheid – Verhoogde
gevoeligheid, zodat er eerder wordt
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
195
04 Bestuurdersondersteuning
Park Assist*
Algemeen
Park Assist is bedoeld als hulpmiddel tijdens
het parkeren. Geluidssignalen en symbolen op
het beeldscherm van de middenconsole geven
de afstand aan tot een waargenomen obstakel.
Het Park Assist-volume is tijdens de weergave
van geluidssignalen bij te stellen met de draaiknop VOL op de middenconsole of in het
menusysteem MY CAR van de auto – zie
pagina 213.
04
WAARSCHUWING
•
Hoewel de Park Assist handig is bij het
parkeren, bent u nog altijd schadeplichtig bij eventuele fouten.
•
Wanneer er obstakels in de dode hoeken van de sensoren zitten, zal het systeem ze niet kunnen ontdekken.
•
Houd mensen, dieren e.d. in de buurt
van de auto daarom in de gaten.
Park Assist is verkrijgbaar in twee varianten:
• Park Assist aan de achterzijde
• Park Assist aan de voor- en achterzijde.
Functie
Op het beeldscherm van de middenconsole
verschijnt een schematische weergave van de
onderlinge posities van de auto en een eventueel obstakel.
N.B.
Als er een trekhaak met het elektrische systeem van de auto is geconfigureerd, wordt
de uitsteeklengte van de trekhaak bij het
meten van de parkeerruimte meegerekend.
De gemarkeerde sector(en) geeft/geven aan
welke van de vier sensoren een obstakel heeft/
hebben waargenomen. De gemarkeerde sector ligt dichter bij het autosymbool, naarmate
de afstand tussen de auto en het waargenomen obstakel kleiner is.
Bij het starten van de motor wordt het systeem
automatisch geactiveerd – het lampje in de
Aan/Uit-knop brandt. Wanneer u Park Assist
met deze knop uitschakelt, dooft het lampje.
196
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Beeldschermweergave - toont linksvoor en
rechtsachter een obstakel.
Hoe dichter u het obstakel achter of voor de
auto nadert, des te sneller volgen de geluidssignalen elkaar op. Wanneer u ondertussen de
geluidsinstallatie beluistert, wordt het volume
daarvan tijdelijk verlaagd.
04 Bestuurdersondersteuning
Park Assist*
Bij een afstand tot 30 cm bestaat het geluidssignaal uit een ononderbroken toon en is de
sensorsector die het dichtst bij de auto ligt
geheel gevuld. Als er zowel voor als achter de
auto obstakels binnen deze afstand zijn waargenomen, komen de geluidssignalen beurtelings uit de luidsprekers aan linker- en rechterzijde.
Park Assist aan de achterzijde
N.B.
De Hulp bij parkeren wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u een aanhanger achter de auto hebt hangen die met originele
trekhaakbedrading van Volvo aangesloten
is.
Park Assist aan de voorzijde
BELANGRIJK
Wees in dat geval extra voorzichtig en
bedien/verrijd de auto erg langzaam of
breek de parkeermanoeuvre af – er
bestaat groot gevaar voor materiële
schade aan de auto of de omgeving,
aangezien de sensoren dan tijdelijk niet
optimaal werken.
Het meetbereik strekt tot ca. 1,5 m recht achter
de auto. Bij obstakels achter de auto komen de
geluidssignalen uit een van de luidsprekers
achterin.
Park Assist aan de achterzijde wordt geactiveerd bij het inschakelen van de achteruitversnelling.
Bij het achteruitrijden met bijvoorbeeld een
aanhanger achter de auto of een fietsdrager op
de trekhaak moet u het systeem uitschakelen
– anders reageren de sensoren op de aanhanger of fietsdrager.
G021424
•
04
G017833
Sommige voorwerpen zoals kettingen,
smalle glanzende palen of lage obstakels
kunnen ‘afgeschaduwd’ worden en worden
in dat geval tijdelijk niet geregistreerd door
de sensoren – het onderbroken geluidssignaal kan dan plotseling wegvallen in plaats
van over te gaan in het verwachte ononderbroken geluidssignaal.
Het meetbereik strekt tot ca. 0,8 m recht voor
de auto. Bij obstakels voor de auto komen de
geluidssignalen uit een van de luidsprekers
voorin.
Park Assist aan de voorzijde is actief bij snelheden tot 15 km/h. Het lampje in de knop
brandt om aan te geven dat het systeem actief
is. Het systeem wordt opnieuw geactiveerd bij
snelheden lager dan 10 km/h.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
197
04 Bestuurdersondersteuning
Park Assist*
N.B.
Sensoren schoonmaken
Park Assist aan de voorzijde wordt gedeactiveerd, wanneer u de parkeerrem zet of de
keuzehendel in stand P zet bij een auto met
automatische versnellingsbak.
BELANGRIJK
04
Bij auto’s met verstralers erop letten dat de
lampen de sensoren niet blokkeren en voor
obstakels worden gehouden.
Aanduiding voor systeemstoringen
Positie van de voorste sensoren.
Als het informatiesymbool continu
brandt en op het informatiedisplay de
melding Park Assist Service vereist verschijnt, dan is Park Assist defect.
BELANGRIJK
In bepaalde omstandigheden kan de parkeerhulp ten onrechte waarschuwingssignalen afgeven. Dit komt door externe
geluidsbronnen met ultrasone geluidssignalen van dezelfde frequentie als de sensoren van het systeem.
Voorbeelden van dergelijke geluidsbronnen
zijn onder meer claxons, natte banden op
asfaltwegen, luchtdrukremmen en uitlaten
van motorfietsen e.d.
198
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
N.B.
Vuil, sneeuw en ijs op de sensoren kunnen
ten onrechte aanleiding geven tot waarschuwingssignalen.
Positie van de achterste sensoren.
De sensoren werken alleen naar behoren, wanneer u ze regelmatig schoonmaakt met water
en autoshampoo.
04 Bestuurdersondersteuning
Park Assist-camera*
Algemeen
Functie en bediening
De Park Assist-camera is een hulpsysteem dat
automatisch geactiveerd wordt bij het inschakelen van de achteruitversnelling (de functie is
te wijzigen in het instellingenmenu, zie
pagina 213).
Bij het inschakelen van de achteruitversnelling
wordt met behulp van ononderbroken lijnen
grafisch aangegeven waar de achterwielen van
de auto uitkomen bij de actuele stuuruitslag –
dit vereenvoudigt het achteruit inparkeren,
achteruitrijden in krappe ruimten en aankoppelen van aanhangers. Ook de buitenmaten
van de auto worden globaal getoond met twee
streepjeslijnen. De hulplijnen kunnen in het
instellingenmenu worden gedeactiveerd.
De cameraweergave verschijnt op het beeldscherm van de middenconsole.
N.B.
Als er een trekhaak met het elektrische systeem van de auto is geconfigureerd, wordt
de uitsteeklengte van de trekhaak bij het
meten van de parkeerruimte meegerekend.
WAARSCHUWING
•
•
•
De parkeercamera is alleen bedoeld als
hulpmiddel en zodat de bestuurder
eindverantwoordelijk blijft tijdens het
achteruitrijden.
De camera kent dode hoeken waarin
registratie van obstakels niet mogelijk
is.
Houd mensen en dieren in de buurt van
de auto in de gaten.
automatisch over om de cameraweergave te
tonen.
Positie knop CAM.
De camera toont wat er achter de auto is en of
er iets of iemand van de zijkanten opduikt.
De camera beslaat een breed gebied achter de
auto alsook een deel van de bumper en een
eventuele trekhaak.
Voorwerpen op het beeldscherm lijken mogelijk over te hellen – dit is volkomen normaal.
04
Als de auto tevens uitgerust is met Park Assistsensoren*, illustreren gekleurde velden op grafische wijze de afstand tot geregistreerde
obstakels, zie pagina 196.
De camera wordt ca. 5 seconden na uitschakeling van de achteruitversnelling gedeactiveerd, of eerder als de rijsnelheid oploopt tot
boven 10 km/h.
N.B.
Voorwerpen op het beeldscherm kunnen
dichterbij zijn dan ze lijken.
Als een andere schermweergave actief is,
neemt de parkeercamerafunctie het scherm
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
199
04 Bestuurdersondersteuning
Park Assist-camera*
Hulplijnen
04
Camerapositie bij de openingshandgreep.
Lichtomstandigheden
Voorbeeld van hoe hulplijnen voor de bestuurder
getoond worden.
De cameraweergave wordt automatisch aangepast aan de heersende lichtomstandigheden. Dit kan ertoe leiden dat de beeldweergave
ietwat kan variëren wat lichtsterkte en kwaliteit
betreft. Slechte lichtomstandigheden leveren
mogelijk een iets slechtere beeldkwaliteit op.
De lijnen op het scherm worden geprojecteerd
als stonden ze op de grond achter de auto. De
lijnen zijn bovendien afhankelijk van de stuuruitslag, zodat u ook bij het draaien kunt zien
welke baan de auto zal nemen.
N.B.
Houd voor optimale werking de cameralens
vrij van vuil, sneeuw en ijs. Dit is vooral van
belang in slechte lichtomstandigheden.
200
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
N.B.
•
Bij het achteruitrijden met een aanhanger/caravan geven de lijnen op het
scherm de baan van de auto aan – niet
die van de aanhanger/caravan.
•
Er verschijnen geen lijnen op het
scherm, wanneer er een aanhanger/
caravan is aangesloten op het elektrische systeem van de auto.
•
De Park Assist-camera wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u een
aanhanger/caravan achter de auto hebt
hangen die met originele trekhaakbedrading van Volvo aangesloten is.
BELANGRIJK
Let erop dat de schermweergave alleen het
gebied recht achter de auto weergeeft –
houd de zijkanten en de voorkant van de
auto daarom goed in de gaten wanneer u
tijdens het achteruitrijden aan het stuurwiel
draait.
04 Bestuurdersondersteuning
Park Assist-camera*
Grenslijnen
per reiken zolang er geen obstakel in de weg
staat.
Auto’s met Park Assist-sensoren achter*
Kleur
Afstand (meter)
Oranje
1,5–
Oranje
0,3–1,5
Rood
0–0,3
Instellingen
Druk op OK/MENU wanneer een cameraweergave getoond wordt. Voer de gewenste instellingen uit.
04
Overig
Lijnen van het systeem.
• De standaardinstelling is dat de camera
Grenslijn 30cm-zone achter auto
Grenslijn vrije achteruitrijzone
De afstand wordt aangegeven met gekleurde
velden (4 st., voor elke sensor één).
‘Wielsporen’
Als de auto ook is uitgerust met Park Assistsensoren (zie pagina 196), kan de afstand
nauwkeuriger worden weergegeven en geven
gekleurde velden aan welke van de 4 sensoren
een obstakel registreert/registreren.
De ononderbroken lijn (1) grenst een gebied af
dat minder dan ca. 30 cm verwijderd is van de
achterbumper.
De onderbroken lijn (2) grenst een zone af die
tot ca. 1,5 m achter de achterbumper strekt.
Het vormt tegelijkertijd de grens voor de uitstekende delen van de auto, zoals buitenspiegels en hoeken – ook tijdens het maken van
een bocht.
De kleur van de velden verandert naarmate de
afstand tot het obstakel afneemt – van geel via
oranje in rood.
wordt geactiveerd bij het inschakelen van
de achteruitversnelling.
• Bij indrukken van CAM wordt de camera
geactiveerd, ook al is de achteruitversnelling niet ingeschakeld.
• Wissel tussen de normale en ingezoomde
weergave door te draaien aan TUNE of te
drukken op CAM.
• Als er meerdere camera’s* op de auto
gemonteerd zijn, kunt u van camera wisselen door aan TUNE te draaien.
De brede ‘wielsporen’ (3) tussen de zijlijnen
geven aan waar de wielen zich zullen bevinden
en kunnen tot ca. 3,2 m achter de achterbum``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
201
04 Bestuurdersondersteuning
Park Assist-camera*
Beperkingen
N.B.
Fietsdragers of andere accessoires achter
op de auto kunnen het blikveld van de
camera blokkeren.
04
Let erop dat ook als het geblokkeerde gebied
er op het scherm relatief klein uitziet, het werkelijke, verborgen gebied dusdanig groot kan
zijn dat obstakels pas worden geregistreerd
wanneer u er bijna bovenop zit.
Waar u op moet letten
• Houd de cameralens vrij van vuil, sneeuw
en ijs.
• Maak de cameralens regelmatig schoon
met lauw water en autoshampoo – wees
voorzichtig om geen krassen in de lens te
maken.
202
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Bestuurdersondersteuning
BLIS* – Blind Spot Information System
Algemene informatie over BLIS
WAARSCHUWING
G021426
Het systeem vormt een aanvulling op – geen
vervanging voor – een veilige rijstijl en het
gebruik van de buitenspiegels. De bestuurder moet altijd oplettend en verantwoord
blijven rijden. De bestuurder is er altijd verantwoordelijk voor dat er op een veilige
manier van rijstrook wordt gewisseld.
Buitenspiegel met BLIS1.
Het systeem is desgewenst tijdelijk te deactiveren, zie het gedeelte ‘Activeren/deactiveren’.
Dode hoeken
Het systeem werkt het best in druk verkeer op
meerbaanswegen.
04
Wanneer een camera (1) een voertuig heeft
waargenomen in de dode hoek, licht een controlelampje (2) op dat continu blijft branden.
BLIS-camera
Controlelampje
BLIS-lampje
BLIS is een op cameratechniek gebaseerd
informatiesysteem dat de bestuurder in
bepaalde omstandigheden waarschuwt, wanneer er zich een voertuig in de zogeheten dode
hoek bevindt en in dezelfde richting rijdt.
1
N.B.
Het lampje gaat branden aan die kant van
de auto waar het voertuig is waargenomen.
Als de auto aan weerszijden wordt ingehaald, gaan dan ook beide lampjes branden.
Afstand A = ca. 9,5 m en afstand B = ca. 3,0 m.
BLIS informeert de bestuurder bij een fout in
het systeem. Als de camera’s van het systeem
bijvoorbeeld zijn afgedekt, knippert het controlelampje voor BLIS en verschijnt er een melding op het display van het informatiepaneel.
In dat geval moeten de lenzen worden gecontroleerd en gereinigd.
N.B. De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
203
04 Bestuurdersondersteuning
BLIS* – Blind Spot Information System
Activeren/deactiveren
een displaymelding op het instrumentenpaneel.
Bij het heractiveren van BLIS brandt het lampje
in de knop, verschijnt er een nieuwe displaymelding en lichten de controlelampjes in de
portieren 3 keer op. Druk op de knop OK om
de displaymelding te laten verdwijnen. (Voor
een beschrijving van de meldingsfuncties, zie
pagina 210).
04
Wanneer BLIS werkt
Knop voor activering/deactivering.
BLIS wordt bij het starten van de motor automatisch geactiveerd. De controlelampjes op
de portierpanelen lichten driemaal op bij het
activeren van BLIS.
Na het starten van de motor is het systeem te
deactiveren/heractiveren door op de knop
BLIS te drukken.
Bij bepaalde combinaties van opties is er geen
plek vrij voor een knop op de middenconsole.
In dat geval is de functie te bedienen via het
menusysteem MY CAR, onder Instellingen
Auto-instellingen BLIS. (Voor een beschrijving van het menusysteem, zie pagina 213).
Het lampje in de knop dooft, wanneer het BLIS
gedeactiveerd wordt. Er verschijnt bovendien
204
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Het systeem werkt alleen bij snelheden hoger
dan 10 km/h.
Daglicht en donker
Bij daglicht reageert het systeem op de contouren van omringende voertuigen. Het systeem is geconstrueerd om motorvoertuigen
zoals auto’s, vrachtwagens, bussen en motorfietsen waar te nemen.
Bij donker reageert het systeem op de koplampen van omringende voertuigen. Als een voertuig de koplampen niet heeft ontstoken, zal het
systeem dit voertuig dan ook niet kunnen waarnemen. Dit houdt in dat het systeem bijvoorbeeld niet reageert op een aanhanger achter
een auto of vrachtwagen, omdat daar geen
brandende koplampen op zitten.
Inhalen
Het systeem reageert als:
• het snelheidsverschil tussen u en het ingehaalde voertuig kleiner is dan 10 km/h
• het snelheidsverschil tussen u en het inhalende voertuig kleiner is dan 70 km/h.
WAARSCHUWING
BLIS werkt niet in scherpe bochten.
BLIS werkt niet wanneer u achteruitrijdt.
Een brede aanhanger achter de auto kan het
zicht ontnemen op andere voertuigen op
aangrenzende rijstroken. Dit kan ertoe leiden dat BLIS geen voertuigen in dit afgeschermde gebied kan waarnemen.
WAARSCHUWING
Het systeem reageert niet op fietsers en
bromfietsers.
De BLIS-camera’s kennen ongeveer
dezelfde beperkingen als het menselijk oog.
Dit houdt in dat ze bijvoorbeeld minder goed
“zien” bij hevige sneeuwval, fel tegenlicht of
dichte mist.
04 Bestuurdersondersteuning
BLIS* – Blind Spot Information System
Schoonmaken
Melding
BLIS werkt alleen optimaal, als de lenzen van
de BLIS-camera’s schoon zijn. U kunt de lenzen schoonmaken met een zachte doek of een
vochtige spons. Maak de lenzen voorzichtig
schoon om krassen te voorkomen.
BLIS Beperkte
functie
BELANGRIJK
Displaymeldingen
Betekenis
BLIS AAN
BLIS-systeem geactiveerd.
BLIS Service vereist
BLIS werkt niet –
neem contact op
met een werkplaats.
BLIS-camera
afgedekt
De BLIS-camera is
bedekt met vuil,
sneeuw of ijs – maak
de lenzen schoon.
Beperkte gegevensoverdracht tussen
de camera van het
BLIS en het elektrische systeem van
de auto.
De camera wordt
automatisch gereset, wanneer de
gegevensoverdracht tussen de
camera van het BLIS
en het elektrische
systeem van de auto
weer normaal wordt.
De lenzen zijn elektrisch verwarmd om ze
van sneeuw en ijs te kunnen ontdoen. Veeg
zo nodig sneeuw van de lenzen af.
Melding
Betekenis
BLIS UIT
BLIS-systeem uitgeschakeld.
Beperkingen
Soms kan het controlelampje voor BLIS oplichten zonder dat u voertuigen in de dode hoeken
kunt waarnemen.
N.B.
Als het BLIS-controlelampje zo nu en dan
gaat branden terwijl er geen ander voertuig
in de dode hoek aanwezig is, betekent dit
niet dat er een storing is opgetreden in het
systeem.
04
Bij een storing in het BLIS-systeem toont
het display de tekst BLIS Service vereist.
Op de volgende afbeeldingen staan voorbeeldsituaties waarin het controlelampje voor
BLIS kan gaan branden, terwijl er zich geen
voertuigen in de dode hoek bevinden.
BELANGRIJK
Laat reparaties van de onderdelen van het
BLIS-systeem over aan een werkplaats –
geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
Reflecties op een glad en nat wegdek.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
205
04 Bestuurdersondersteuning
BLIS* – Blind Spot Information System
04
Eigen schaduwen op grote, lichtgekleurde en
gladde oppervlakken zoals geluidsschermen of
betonnen wegen.
Laag staande zon in de camera.
206
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Bestuurdersondersteuning
04
207
Menu- en meldingsfuncties...................................................................
Menugroep MY CAR.............................................................................
Klimaatregeling.....................................................................................
Motor- en interieurverwarming op brandstof*.......................................
Extra verwarming*.................................................................................
Boordcomputer.....................................................................................
Rijeigenschappen aanpassen...............................................................
Interieurcomfort.....................................................................................
208
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
210
213
221
232
236
237
239
240
COMFORT EN RIJPLEZIER
05 Comfort en rijplezier
Menu- en meldingsfuncties
Instrumentenpaneel
eerst bevestigen met de knop OK voordat u de
menu’s kunt bekijken.
Melding
Menu-overzicht
Voor sommige van de onderstaande menuopties dient de auto te zijn uitgerust met de bijbehorende functie en software.
---- km actieradius
--.- l/100km gemiddeld
--.- l/100km momentaan
--- km/h gem. snelheid
Informatiedisplay en bedieningselementen voor
menufuncties.
05
210
Melding op informatiedisplay.
Motoroliepeil Een ogenblik...*
Wanneer er een waarschuwings-, informatieof controlelampje oplicht, verschijnt er tevens
een aanvullende melding op het informatiedisplay. Foutmeldingen blijven in het geheugen
opgeslagen, totdat de onderliggende storing is
verholpen.
OK – meldingenlijst openen en meldingen
bevestigen.
Bandenspanning Kalibratie*
Duimwiel – menu-opties doorbladeren.
Timer standkach --:-- ---*2
RESET – geactiveerde functie op nul stellen. Wordt in bepaalde gevallen gebruikt
om een functie te selecteren/activeren (zie
de uitleg bij de verschillende functies).
Met de linker stuurhendel bedient u de menu’s
die op de informatiedisplays van het instrumentenpaneel verschijnen. Welke menu’s er
verschijnen hangt af van de sleutelstand, zie
pagina 80. Als er een melding is, moet u deze
1
2
3
--- km/h actuele snelheid1
Directe start Standverw. AAN*3
Extra verwarming auto AAN*
Lane Depart Warn *
Driver Alert *
Alleen bepaalde markten.
Programmering alleen mogelijk met de motor afgezet.
Kan niet worden gekozen bij een ingeschakelde extra verwarming.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Druk op OK om de meldingen door te bladeren
en te bevestigen.
05 Comfort en rijplezier
Menu- en meldingsfuncties
N.B.
Als er een waarschuwingsmelding verschijnt als de boordcomputer wordt
gebruikt, moet de melding worden gelezen
(druk op OK) voordat de eerdere activiteit
kan worden hervat.
Melding
Betekenis
Stop auto
z.s.m.A
Breng de auto tot stilstand en zet de motor
af. Grote kans op
schade – bezoek een
werkplaatsB.
Zet motor afA
Breng de auto tot stilstand en zet de motor
af. Grote kans op
schade – bezoek een
werkplaatsB.
Service spoedA
Bezoek een werkplaatsB om de auto
onmiddellijk te laten
controleren.
Service vereistA
Bezoek een werkplaatsB om de auto zo
spoedig mogelijk te
laten controleren.
Melding
Betekenis
Melding
Betekenis
Zie instructieb.A
Lees het instructieboekje.
Versn.olie Verversen
Bespreek tijd
voor onderhoud
Het is tijd om een
afspraak te maken voor
een servicebeurt –
bezoek een werkplaatsB.
Bezoek een werkplaatsB om de auto zo
spoedig mogelijk te
laten controleren.
Versnellingsbak beperkte
werking
Tijd voor periodiek onderhoud
Het is tijd voor een servicebeurt – bezoek een
werkplaatsB. Het
moment hangt af van de
afgelegde afstand, het
aantal maanden dat
sinds de laatste servicebeurt is verstreken,
het aantal draaiuren van
de motor en de
gebruikte oliekwaliteit.
De versnellingsbak
werkt niet op maximale
capaciteit. Rijd voorzichtig totdat de melding verdwijntC.
Onderhoudster- mijn verstreken
Als u de onderhoudstermijn niet respecteert,
vallen beschadigde
onderdelen niet langer
onder de garantie –
bezoek een werkplaatsB.
Bezoek bij herhaaldelijke weergave een
werkplaatsB.
Versn.bak heet
Rijd langzamer
Rijd voorzichtiger of
breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand. Zet de versnellingsbak in de neutraal
en laat de motor stationair draaien totdat de
melding verdwijntC.
Versn.bak heet
Stop auto
z.s.m.
Kritieke storing. Breng
de auto zo spoedig
mogelijk tot stilstand en
bezoek een werkplaatsB.
05
211
05 Comfort en rijplezier
Menu- en meldingsfuncties
A
05
212
B
C
Melding
Betekenis
Tijdelijk UITA
De bijbehorende functie
is tijdelijk uitgeschakeld
en wordt na enige tijd
rijden of de volgende
keer dat u de motor
start automatisch
opnieuw ingeschakeld.
Accuspann.
laag Spaarstand
Het audiosysteem is
uitgeschakeld om
stroom te besparen.
Laad de accu bij.
Deel van een melding, verschijnt samen met gegevens over
de locatie van de storing.
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Voor meer meldingen met betrekking tot de automatische
versnellingsbak, zie pagina 130.
05 Comfort en rijplezier
Menugroep MY CAR
Algemene informatie over MY CAR
In deze menugroep zijn tal van autofuncties te regelen, zoals het instellen
van de klok, de buitenspiegels en de
Bediening
Bedieningselementen op
middenconsole
sloten.
Navigatie in deze menu’s vindt plaats met
knoppen op de middenconsole of met de toetsenset rechts op het stuurwiel.
menuniveau dat gebeurt, is een van de volgende dingen mogelijk:
•
•
•
•
telefoongesprekken worden geweigerd
de actuele functie wordt beëindigd
de ingevoerde tekens worden gewist
de laatste gemaakte keuze wordt geannuleerd
• u gaat een stap omhoog binnen het menu-
Sommige functies behoren tot de standaarduitrusting, andere zijn zogeheten opties – het
aanbod verschilt per markt.
systeem
Ook ‘kort’ en ‘lang’ indrukken levert mogelijk
verschillende resultaten op.
Bedieningselementen voor menufuncties op middenconsole.
Bij lang indrukken springt u naar het hoogste
menuniveau (Hoofdbronweergave), van waaruit u alle functies/menugroepen van de auto
kunt bereiken – zie ook pagina 249.
05
Druk op MY CAR om de menu’s te openen
onder MY CAR.
Druk op OK MENU om de gemarkeerde
menu-optie te kiezen/aan te vinken of de
gekozen functie in het geheugen op te
slaan.
Draai aan TUNE om een stap omhoog/
omlaag te gaan door de menu-opties.
EXIT
Functies EXIT
Afhankelijk van de functie die de cursor markeert bij het indrukken van EXIT en op welk
``
213
05 Comfort en rijplezier
Menugroep MY CAR
Toetsenset* op stuurwiel
Instellingen Auto-instellingen
Slotinstellingen Deuren open
Bestuurdersdeur: dan alle.
Hier volgt een voorbeeld van de wijze waarop
u een functie kunt opzoeken en aanpassen met
de toetsenset op de middenconsole:
1. Druk op de knop MY CAR op de middenconsole.
De toetsenset kan per markt verschillen.
05
Draai aan het duimwiel om een stap
omhoog/omlaag te gaan door de menuopties.
3. Ga naar het gewenste menu, bijvoorbeeld
Auto-instellingen, en druk op het duimwiel – er wordt een submenu geopend.
Druk op het duimwiel om de gemarkeerde
menu-optie te kiezen/aan te vinken of de
gekozen functie in het geheugen op te
slaan.
4. Ga naar Slotinstellingen en druk op het
duimwiel – er wordt een nieuw submenu
geopend.
EXIT (zie het kopje ‘Functies EXIT’ op
pagina 213).
5. Ga naar Deuren open en druk op het
duimwiel – er wordt een submenu met te
selecteren functies geopend.
Paden
Het actuele menuniveau staat rechts bovenaan
op het beeldscherm van de middenconsole. De
paden naar de menufuncties worden als volgt
weergegeven:
214
2. Ga naar het gewenste menu, bijvoorbeeld
Instellingen, met het duimwiel (1) en
druk vervolgens op het duimwiel – er wordt
een submenu geopend.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
6. Kies uit de opties Alle deuren en
Bestuurdersdeur: dan alle en druk op het
duimwiel – er verschijnt een kruisje in het
lege vakje van de optie.
7. Sluit de programmering af door de menu’s
één voor één te verlaten door EXIT (2) tel-
kens kort in te drukken of deze eenmaal
lang in te drukken.
De procedure verloopt geheel identiek met de
knoppen op de middenconsole – zie
pagina 213: OK MENU (2), EXIT (4) en de
draaiknop TUNE (3).
MY CAR
Onder menugroep MY CAR vindt u de volgende opties:
•
•
•
•
My V70/XC70
DRIVe*
Hulpsystemen (Support system status)
Instellingen (Settings)
05 Comfort en rijplezier
Menugroep MY CAR
My V70/XC70
Bestuurdersondersteunende systemen
Hier verschijnen de eerste 4 menuniveaus
onder MY CAR Instellingen. Voor enkele
menu’s bestaan submenu’s – deze worden in
dat geval uitvoerig beschreven in het desbetreffende tekstgedeelte.
Wanneer u kunt kiezen uit activering/Aan of
deactivering/Uit van een bepaalde functie, verschijnt er een vakje:
Aan: Aangevinkt vakje.
Uit: Leeg vakje.
• Kies Aan/Uit met OK – verlaat het menu
vervolgens met EXIT.
MY CAR
My V70/XC70
Op het beeldscherm staan alle bestuurdersondersteunende systemen aangegeven – u kunt
ze hiervandaan activeren of deactiveren.
My DRIVe*
Hier vindt u onder meer een beschrijving van
de opzet van Volvo’s DRIVe-concept.
• Start/Stop
• Milieutips
MY CAR
Hulpsystemen
Auto-instellingen
(MY CAR > Support system status)
Op het beeldscherm staat het actuele statusoverzicht van de bestuurdersondersteunende
systemen.
Sleutelgeheugen
Aan
05
p. 83
en 106
Uit
Instellingen - menu’s
De opbouw van de menu’s is als volgt:
Menuniveau 1
Voor meer informatie – zie pagina 132.
p. x
Menuniveau 2
Menuniveau 3
Menuniveau 4
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
215
05 Comfort en rijplezier
Menugroep MY CAR
Slotinstellingen
Automatische vergrendeling
p. 48,
58 en
60
Aan
Instellingen zijspiegel
p. 107
Spiegels inklappen
Linkerspiegel hellen
30 sec.
Rechterspiegel hellen
60 sec.
Uit
Lichtinstellingen
Deuren open
Bestuurdersdeur: dan alle
Instappen zonder sleutel
Willekeurige deur
Vragen bij uitstappen
Aan
Aan
Uit
Uit
p. 95
p. 92
Aan
Uit
Tijdsduur 'approach'verl.
p. 63
en 67
p. 48
en 96
Extra koplampen
Uit
Aan
30 sec.
Uit
60 sec.
90 sec.
216
Actieve bochtverlichting
Uit
Beide voordeuren
Eén keer activeren
90 sec.
Driemaal richtingaanwijzer
Aan
Deuren aan één
kant
Minder bescherming
p. 96
Lichtsignaal bij ontgrendeling
Alle deuren
05
p. 46
Lichtsignaal deurvergrendeling
Alle deuren
Tijdsduur 'follow me
home'-verl.
p. 93
05 Comfort en rijplezier
Menugroep MY CAR
p. 239
Stuurkracht
Lane Departure Warning
p. 193
Afstandswaarschuwing
Laag
Aan
Aan
Midden
Uit
Uit
Hoog
Aan bij starten
Auto-instellingen resetten
Systeemopties
Aan
Uit
p. 180
Aan
Uit
Uit
p. 78
Tijd
p. 154
DSTC
Aan
Waarschuwingsafstand
Uit
Hogere gevoeligheid
Rij-assistentiesystemen
p. 190
Aan
Uit
Van alle menu’s onder Autoinstellingen worden de fabrieksinstellingen hervat.
Botswaarschuwing
Driver Alert
Aan
p. 171
Hier stelt u de klok op het instrumentenpaneel in.
Tijdopmaak
05
p. 78
12u
City Safety
Lang
Aan
Normaal
p. 9 en
175
24u
Uit
Kort
Signaaltoon
p. 203
BLIS
Aan
Aan
Uit
Uit
``
217
05 Comfort en rijplezier
Menugroep MY CAR
Screensaver
p. 213
Afstands-/ verbruikseenheid
Aan
MPG (UK)
Uit
MPG (US)
Bij selectie van deze optie wordt
de schermweergave automatisch
vervangen door een leeg scherm,
wanneer u enige tijd geen
schermfunctie gebruikt.
De actuele schermweergave verschijnt echter weer, wanneer u
gebruik maakt van een van de
knoppen of bedieningselementen
van het beeldscherm.
05
Taal
Geeft de taal voor de menuteksten aan.
Hulptekst weergeven
Aan
Uit
Bij markering van deze optie verschijnt uitleg bij de actuele
schermweergave.
km/l
l/100km
Temperatuureenheid
Celsius
Fahrenheit
Geeft de eenheid aan voor weergave van de buitentemperatuur
en instelling van de klimaatregeling.
Volumes
Volume mededelingen
Volume voor parkeerhulp
vóór
Volume voor parkeerhulp
achter
Beltoonvolume
Systeemopties resetten
Van alle menu’s onder Systeemopties worden de fabrieksinstellingen hervat.
218
p. 237
Spraakinstellingen
Spraakintroductie
Deze menu-optie + OK levert
gesproken informatie op over de
werking van het systeem.
05 Comfort en rijplezier
Menugroep MY CAR
Lijst van spraakcommando's
Telefooncommando's
Telefoon
Telefoon kies
contact
Telefoon kies
nummer
Navigatiecommando's
Navigatie
BluetoothŸ-aansluiting. Voor
meer (gedetailleerde) informatie,
zie pagina 277.
De menu-opties onder Navigatiecommando's geven enkele
voorbeelden van de beschikbare
gesproken commando’s – alleen
in combinatie met Volvo’s navigatiesysteem RTI* geïnstalleerd.
Gebruikersinstelling spraaksystem
Navigatie herhaal
spraakbegeleiding
Standaardinstellingen
Navigatie ga naar
adres
Gebruiker 2
Algemene commando's
Help
Annuleer
Spraakintroductie
Gebruiker 1
Hier kunt u een tweede gebruikersprofiel aanmaken – handig
wanneer meerdere personen
regelmatig gebruik maken van de
auto en het systeem. Standaardinstellingen levert de fabrieksinstellingen op.
Spraaktraining
Gebruiker 1
Gebruiker 2
Met Spraaktraining biedt u het
spraakherkenningsysteem de
gelegenheid om bekend te raken
met uw stem en uitspraak. Op het
scherm verschijnen enkele zinnen
die u vervolgens moet inspreken.
Zodra het systeem bekend is met
uw manier van spreken, verschijnen er geen zinnen meer. Daarna
kunt u bijvoorbeeld Gebruiker 1
in Gebruikersinstelling spraaksystem kiezen om te zorgen dat
het systeem naar de commando’s van de juiste gebruiker
luistert.
05
De menu-opties onder Telefooncommando's geven enkele
voorbeelden van de beschikbare
gesproken commando’s – alleen
in combinatie met een geïnstalleerde mobiele telefoon met
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
219
05 Comfort en rijplezier
Menugroep MY CAR
Volume mededelingen
Klimaatinstellingen
Er verschijnt een volumeregeling
op het scherm – doe in dat geval
het volgende:
Autom. ventilatorinstellingen
Hoog
Laag
2. Met OK kunt u bij wijze van
proef een stukje beluisteren.
Timer voor hercirculatie
3. Met EXIT kunt u de instelling
opslaan en het menu verlaten.
Aan
p. 46
VIN-nummer
p. 398
DivX® VOD-code
p. 269
Bluetooth-softwareversie in
auto
p. 276
Kaart- en softwareversie*
Aut. achterruitverwarming
Alleen in een auto met Volvo gpsnavigatiesysteem – zie desbetreffend boekje.
Aan
Wijzig lijst
Uit
Het aantal faciliteiten is groot en
verschilt per markt. Er kunnen
maximaal 30 favoriete faciliteiten
worden opslagen in deze lijst.
Luchtkwaliteitssysteem
Aan
Uit
De menu-optie POI-lijst voor
spraaksysteem verschijnt
alleen, als Volvo’s navigatiesysteem RTI* geïnstalleerd is. Voor
meer informatie over faciliteiten
en spraakherkenning – zie het
instructieboekje bij het navigatiesysteem.
Klimaatinstellingen resetten
Van alle menu’s onder Klimaatinstellingen worden de fabrieksinstellingen hervat.
Favorieten (FAV)
Volvo On Call
220
Aantal sleutels
Uit
POI-lijst voor spraaksysteem
Audio-instellingen
p. 221
Normaal
1. Stel het volume bij met het
duimwiel.
05
Informatie
p. 247
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Staat in een apart boekje
beschreven.
p. 252
05 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
Algemeen
Klimaatregeling
De auto is voorzien van elektronische klimaatregeling. De klimaatregeling zorgt ervoor dat
de lucht in het interieur gekoeld, verwarmd of
van vocht ontdaan wordt.
N.B.
U kunt de airconditioning (AC) uitschakelen,
maar voor optimaal klimaatcomfort in de
passagiersruimte en om te voorkomen dat
de ruiten beslaan dient u de airconditioning
altijd te laten aanstaan.
Positie van de sensoren
• De zonnesensor zit boven op het dashboard.
• De interieurtemperatuursensor zit onder
het bedieningspaneel van de klimaatregeling.
• De buitentemperatuursensor zit op de buitenspiegel.
• De vochtsensor* zit bij de achteruitkijkspiegel.
N.B.
Dek de sensoren niet met kleding of andere
voorwerpen af.
Werkelijke temperatuur
De ingestelde temperatuur komt overeen met
de gevoelstemperatuur op basis van de heersende omstandigheden in en rond de auto wat
de luchtsnelheid, de luchtvochtigheidsgraad,
de ingestraalde warmte enz. betreft.
Het systeem beschikt over een zonnesensor
die de stand van de zon registreert. Daardoor
kan1 de temperatuur van de lucht uit de blaasmonden links en rechts afwijken, ondanks dat
de temperatuurknoppen voor de beide zijden
in dezelfde stand staan.
1
Zijruiten en schuifdak*
Voor optimale werking van de airconditioning
moet u de zijruiten en een eventueel schuifdak* gesloten houden.
Beslagen ruiten
Maak in eerste instantie gebruik van de ontwasemingsfunctie om condens van de binnenkant van de ruiten te verwijderen.
Houd de binnenzijde van de ruiten schoon om
het risico te beperken dat ze beslaan.
Tijdelijke uitschakeling van
airconditioning
Wanneer de motor het maximale vermogen
nodigt heeft (bijvoorbeeld als u volgas optrekt
of met een aanhanger achter de auto een helling oprijdt), is het mogelijk dat de airconditioning tijdelijk wordt uitgeschakeld. Er kan dan
een tijdelijke temperatuurstijging optreden.
Condenswater
In warme weersomstandigheden kan er ter
hoogte van de airconditioning een plasje water
onder de auto ontstaan. Dit is volkomen normaal.
Sneeuw en ijs
Veeg sneeuw en ijs van de luchtinlaat voor de
klimaatregeling (de opening tussen de motorkap en de voorruit).
05
Doorluchtfunctie
Bij warm weer kunt u de doorluchtfunctie
gebruiken om alle zijruiten tegelijk korte tijd te
openen en weer te sluiten en op die manier snel
voor frisse lucht in de auto te zorgen, zie
pagina 60.
Interieurfilter
Alle lucht die de passagiersruimte binnenkomt
wordt gereinigd door een filter. U moet het filter
Geldt alleen voor ECC.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
221
05 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
regelmatig vervangen. Raadpleeg het Serviceprogramma van Volvo voor het aanbevolen
vervangingsinterval. In zeer sterk verontreinigde gebieden moet u het filter mogelijk vaker
vervangen.
in de passagiersruimte ontdoet van verontreinigingen in de vorm van stofdeeltjes,
koolwaterstoffen, stikstofoxiden en laaghangend ozon.
N.B.
N.B.
Er bestaan twee verschillende soorten interieurfilters. Let erop dat u het juiste filter
aanbrengt.
Clean Zone Interior Package (CZIP)*
05
Wanneer u voor deze optie hebt gekozen zijn
er nog minder stoffen in het interieur verwerkt
die aanleiding kunnen geven tot allergieën of
astma. Zie voor meer informatie over CZIP de
brochure die u bij aankoop hebt ontvangen.
Het volgende is inbegrepen:
• Een geavanceerde ventilatorfunctie die
inhoudt dat de ventilator aanslaat wanneer
de auto via de transpondersleutel wordt
ontgrendeld. De ventilator vult het interieur
op die manier met verse lucht. De functie
start als dat nodig is en stopt na bij het
openen van een van de portieren. Bij inactiviteit wordt de functie na enige tijd automatisch beëindigd. De tijd dat de ventilatorfunctie werkt zal langzaam maar zeker
korter worden, totdat de auto 4 jaar oud is.
• Het Interior Air Quality System (IAQS) is
een volautomatisch systeem dat de lucht
222
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Om aan de CZIP-norm te blijven voldoen
dient het IAQS-luchtfilter bij auto’s met
CZIP om de 15.000 km of ten minste eenmaal per jaar te worden vervangen (afhankelijk van wat het eerst wordt bereikt). Echter, maximaal 75.000 km per 5 jaar. Bij
auto’s zonder CZIP en in die gevallen dat de
klant niet langer eist dat aan de CZIP-norm
wordt voldaan, kan het IAQS-filter met de
reguliere intervallen worden vervangen.
Gebruik van beproefde materialen in het
interieur.
De gebruikte materialen zijn erop geselecteerd
de hoeveelheid stof in de passagiersruimte te
beperken, zodat de passagiersruimte gemakkelijker schoon te houden is. De vloerbekleding
in zowel de passagiersruimte als de bagageruimte zijn eenvoudig te verwijderen en schoon
te maken. Gebruik daarvoor schoonmaakmiddelen en autoverzorgingsproducten die door
Volvo worden geadviseerd, zie pagina 392.
Menu-instellingen
Het is mogelijk de basisinstellingen voor vier
van de klimaatregelingsfuncties te activeren/
deactiveren of wijzigen via de middenconsole.
Voor algemene informatie over de menufuncties, zie pagina 214:
• Ventilatorfunctie in automatische stand*,
zie pagina 228.
• De door de timer geregelde recirculatie van
de lucht in de passagiersruimte, zie
pagina 229.
• Automatische verwarming van de achterruit, zie pagina 108.
• Interior Air Quality System (IAQS)*, zie
pagina 229
De basisinstellingen voor de klimaatregelingsfuncties zijn te herstellen via het menusysteem
MY CAR en wel onder: Instellingen
Klimaatinstellingen Klimaatinstellingen
resetten.
05 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
Luchtverdeling
Blaasmonden in portierstijlen
G017699
G021368
Blaasmonden in dashboard
De binnenkomende lucht wordt verdeeld over
uiteenlopende blaasmonden verspreid over
het interieur.
In de stand AUTO* vindt de luchtverdeling
geheel automatisch plaats.
De luchtverdeling valt zo nodig handmatig bij
te regelen, zie pagina 230.
Dicht
Dicht
Open
Open
Luchtstroom naar links of rechts
Luchtstroom naar links of rechts
Luchtstroom omhoog of omlaag
Luchtstroom omhoog of omlaag
Richt de buitenste blaasmonden op de voorste
zijruiten om deze te ontwasemen.
05
Richt de blaasmonden bij koud weer op de
achterste zijruiten om deze te ontwasemen.
Richt de blaasmonden, bij warm weer, naar
binnen toe voor een behaaglijke temperatuur
achter in de auto.
N.B.
Let erop dat kinderen gevoelig kunnen zijn
voor luchtstromen en tocht.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
223
05 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
Elektronische klimaatregeling, ECC*
05
Temperatuurregeling, linkerzijde
Elektrisch verwarmde voorstoel,
links2
Max. ontwaseming
Ventilator
Luchtverdeling - ventilatie vloer
Luchtverdeling - ontwaseming voorruit
AUTO
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming, zie pagina 108
AC – Airconditioning aan/uit
Elektrisch verwarmde voorstoel, rechts2
Temperatuurregeling, rechterzijde
Recirculatie
Luchtverdeling - blaasmond dashboard
2
224
De positie van de knop hangt af van de vraag of de auto al dan niet is uitgerust met geventileerde voorstoelen*.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Geventileerde voorstoel*, links
Geventileerde voorstoel*, rechts
05 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
Elektronische temperatuurregeling, ETC
05
Ventilator
Elektrisch verwarmde voorstoel, rechts
Elektrisch verwarmde voorstoel, links
Temperatuurregeling
AC – Airconditioning aan/uit
Max. ontwaseming
Luchtverdeling - ventilatie vloer
Luchtverdeling - blaasmond dashboard
Luchtverdeling - ontwaseming voorruit
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming, zie pagina 108
Recirculatie
``
225
05 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
Gebruik bedieningselementen
Elektrisch verwarmde stoelen/
achterbank*
Voorstoelen
Tweemaal op de knop drukken levert een lager
verwarmingsniveau op – op het beeldscherm
branden twee oranje lampjes.
Achterbank3
Driemaal op de knop drukken levert het laagste
verwarmingsniveau op – op het beeldscherm
brandt één oranje lampje.
De vierde maal dat u op de knop drukt wordt
de verwarming uitgeschakeld – geen van de
lampjes brandt.
WAARSCHUWING
05
Het beeldscherm van de middenconsole geeft het
actuele verwarmingsniveau aan.
De stoelverwarming niet gebruiken wanneer
u de temperatuurstijging door verminderde
gevoeligheid niet waarneemt of om enigerlei
reden de stoelverwarming niet goed weet te
bedienen. Brandwonden zijn anders niet uitgesloten.
Eenmaal op de knop drukken
levert het hoogste verwarmingsniveau op – op het
beeldscherm van de middenconsole branden drie oranje
lampjes (zie bovenstaande
afbeelding).
3
226
Vervalt als u voor een geïntegreerd kinderzitje met twee standen kiest.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Eenmaal op de knop drukken levert het maximale verwarmingsniveau op – alle drie de
lampjes branden.
Tweemaal op de knop drukken levert een lager
verwarmingsniveau op – twee van de lampjes
branden.
Driemaal op de knop drukken levert het laagste
verwarmingsniveau op – een van de lampjes
brandt.
De vierde maal dat u op de knop drukt wordt
de verwarming uitgeschakeld – geen van de
lampjes brandt.
05 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
Geventileerde voorstoelen*
functie bijvoorbeeld gebruiken om uw kleding
van vocht te ontdoen.
Het ventilatiesysteem is te activeren, wanneer
de motor loopt. Er zijn drie comfortniveaus met
elk hun eigen koel- en droogeffect:
• Comfortniveau III: eenmaal op de knop
drukken levert het hoogste verwarmingsniveau op – op het beeldscherm van de
middenconsole branden drie oranje lampjes (zie bovenstaande afbeelding).
• Comfortniveau II: tweemaal indrukken van
Het beeldscherm van de middenconsole geeft het
actuele comfortniveau aan.
Geventileerde voorstoelen
vormen alleen een optie bij
auto’s met ECC. Het ventilatiesysteem bestaat uit ventilatoren in de zittingen en de rugleuningen die lucht door de
bekleding heen aanzuigen.
Naarmate de lucht in het interieur kouder is,
neemt het koelingseffect toe.
De ventilatie wordt geregeld door de klimaatregeling op basis van de temperatuur van de
stoel, de ingestraalde warmte en de buitentemperatuur.
de knop levert een lager verwarmingsniveau op – op het beeldscherm branden
twee blauwe lampjes.
• Comfortniveau I: driemaal indrukken van
de knop levert het laagste verwarmingsniveau op – op het beeldscherm brandt één
blauw lampje.
BELANGRIJK
Bij een interieurtemperatuur lager dan 5°C
is het niet mogelijk de stoelventilatie in te
schakelen. Dit om te voorkomen dat de
inzittende die op de bewuste stoel zit het te
koud krijgt.
Ventilator
N.B.
Als de ventilator volledig uitgeschakeld is,
start de airconditioning niet – wat kans op
beslagen ruiten kan geven.
Ventilatorknop voor ECC*
Draai aan de knop om de ventilatorsnelheid te verhogen of
te verlagen. De ventilatorsnelheid wordt automatisch geregeld, als u AUTO selecteert.
De eerder ingestelde ventilatorsnelheid wordt dan gene-
De vierde maal dat u op de knop drukt wordt
de functie uitgeschakeld – geen van de lampjes
brandt.
N.B.
Wie tochtgevoelig is dient de stoelventilatie
met beleid te gebruiken. Voor langdurig
gebruik wordt comfortniveau I geadviseerd.
05
geerd.
Ventilatorknop voor ETC
Draai aan de knop om de ventilatorsnelheid te verhogen of
te verlagen.
Het is mogelijk de stoelventilatie te combineren
met de elektrische stoelverwarming. U kunt de
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
227
05 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
U kunt de ventilatorsnelheid in de automatische stand instellen in het menusysteem MY
CAR onder Instellingen
Klimaatinstellingen Autom.
ventilatorinstellingen. Kies uit Laag,
Normaal of Hoog :
Luchtverdeling
• Laag - Automatische ventilatorregeling.
Geringe luchtstroom geniet de prioriteit.
• Normaal - Automatische ventilatorregeling.
Luchtverdeling - ontwaseming voorruit
05
Luchtverdeling - blaasmond dashboard
Luchtverdeling - ventilatie vloer
De gestileerde menselijke gedaante op de
nevenstaande afbeelding bestaat uit drie
knoppen. Bij bediening van de knoppen gaat
op het beeldscherm het desbetreffende
gedeelte van de gestiliseerde menselijke
gedaante (zie onderstaande afbeelding) branden samen met een pijl vóór dit gedeelte om
aan te geven welke luchtverdelingsstand er
gekozen is. Voor meer informatie over de luchtverdeling, zie pagina 230.
1
228
Geldt alleen voor ECC.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Het beeldscherm van de middenconsole geeft de
gekozen luchtverdelingsstand aan.
• Hoog - Automatische ventilatorregeling.
Grotere luchtstroom geniet de prioriteit.
Voor een beschrijving van het menusysteem,
zie pagina 214.
AUTO1
De functie AUTO regelt automatisch de temperatuur, de
airconditioning, de ventilatorsnelheid, de recirculatie en de
luchtverdeling.
Als u een of meer handmatige functies selecteert, worden de overige functies nog steeds
automatisch geregeld. Alle handmatige instellingen worden uitgeschakeld, wanneer u op de
knop AUTO drukt. Op het beeldscherm verschijnt AUTO-KLIMAAT.
Temperatuurregeling
Met deze knop kunt u de temperatuur instellen. Bij ECC* is
de temperatuur aan bestuurderszijde en die aan passagierszijde apart te in te stellen.
Bij het starten van de motor
wordt de laatst verrichte instelling hervat.
05 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
N.B.
Let erop dat de passagiersruimte niet sneller warm of koud wordt, wanneer u een
hogere of lagere temperatuur kiest dan de
gewenste.
Bij activering van deze functie vindt bovendien
het volgende plaats om de lucht in het interieur
zoveel mogelijk van vocht te ontdoen:
• de airconditioning wordt automatisch
ingeschakeld
• de recirculatie en het Interior Air Quality
AC – Airconditioning AAN/UIT
Wanneer het lampje in de
knop AC brandt, wordt de airconditioning geheel automatisch geregeld. De binnenkomende lucht wordt dan automatisch afgekoeld en van
vocht ontdaan.
Wanneer het lampje in de knop AC gedoofd is,
is de airconditioning uitgeschakeld. De overige
functies worden nog steeds automatisch geregeld. Bij activering van de maximale ontwaseming wordt automatisch de airconditioning
ingeschakeld, zodat de lucht optimaal
gedroogd wordt.
Max. ontwaseming
U gebruikt de ontwaseming
om de voorruit en de zijruiten
snel te ontwasemen en te ontdooien. Er stroomt lucht naar
de ruiten. Het lampje in de
ontwasemingsknop brandt,
wanneer de functie is inge-
BELANGRIJK
Als de lucht in de auto te lang recirculeert,
kan de binnenzijde van de ruiten beslaan.
System worden automatisch uitgeschakeld.
N.B.
De ventilator maakt meer geluid wanneer de
ventilator op maximale snelheid draait.
Bij het uitschakelen van de ontwaseming hervat de klimaatregeling de voorgaande instellingen.
Recirculatie
Recirculatie
Wanneer de recirculatie actief
is, brandt het oranje lampje in
de knop. U kunt deze functie
inschakelen als u vieze lucht,
uitlaatgassen en dergelijke
buiten wilt houden. De lucht in
de passagiersruimte wordt
dan gerecirculeerd. Er komt met andere woorden geen lucht van buiten de auto in, wanneer
deze functie actief is.
Timer
Bij een geactiveerde timerfunctie zal de klimaatregeling afhankelijk van de buitentemperatuur na een bepaalde tijd de handmatig geactiveerde recirculatiestand verlaten. Dit beperkt
de kans op ijs, beslagen ruiten en een slechte
luchtkwaliteit. U kunt de functie activeren/
deactiveren in het menusysteem MY CAR
onder Instellingen Klimaatinstellingen
Timer voor hercirculatie. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie pagina 214.
05
N.B.
Wanneer u voor maximale ontwaseming
kiest, wordt de recirculatie altijd uitgeschakeld.
Interior Air Quality System (IAQS)*
Het Interior Air Quality System ontdoet de binnenkomende lucht van gassen en stofdeeltjes
om zo hinderlijke geurtjes en verontreinigingen
in de passagiersruimte te beperken. Als de Air
Quality Sensor een verhoogde concentratie
van verontreinigingen in de buitenlucht meet,
wordt de luchtinlaat afgesloten waarna de
schakeld.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
229
05 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
lucht in de passagiersruimte wordt gerecirculeerd.
Auto’s met Eco Start/Stop DRIVe*
N.B.
Voor optimale kwaliteit van de lucht in de
passagiersruimte dient u de Air Quality Sensor ingeschakeld te houden.
U kunt de functie activeren/deactiveren in het
menusysteem MY CAR onder Instellingen
Klimaatinstellingen
Luchtkwaliteitssysteem. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie pagina 214.
Bij koud weer gelden er beperkingen voor
de recirculatiefunctie om te voorkomen dat
de ruiten beslaan.
Bij automatische afzetting van de motor gelden
er mogelijk beperkingen voor de werking van
bepaalde apparatuur (zoals het ventilatortoerental van de klimaatregeling). Zie voor meer
informatie zie pagina 132.
Als de ruiten toch beslaan, moet u de Air
Quality Sensor uitschakelen en alle ruiten
(voorruit, zijruiten en achteruit) ontwasemen.
Luchtverdelingstabel
05
230
Luchtverdeling
Toepassing
Luchtverdeling
Toepassing
Lucht naar de ruiten. Er
komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de
blaasmonden. De lucht
wordt niet gerecirculeerd.
De airconditioning is altijd
ingeschakeld.
om snel te ontdooien en
te ontwasemen.
Lucht naar de vloer en de
ruiten. Er komt een
bepaalde hoeveelheid
lucht uit de blaasmonden
in het dashboard.
om een comfortabel klimaat en een goede ontwaseming te verkrijgen
bij koud weer.
Lucht naar de voorruit, via
de blaasmond voor ontwaseming, en de zijruiten.
Er komt een bepaalde
hoeveelheid lucht uit de
blaasmonden.
om wasem en ijsvorming bij koud en vochtig weer te voorkomen
(niet te lage ventilatorsnelheid).
Lucht naar de vloer en uit
de blaasmonden in het
dashboard.
bij zonnig weer en
matige buitentemperaturen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
05 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
Luchtverdeling
Toepassing
Luchtverdeling
Toepassing
Luchtstroom naar de ruiten en uit de blaasmonden van het dashboard.
om een comfortabel klimaat te verkrijgen bij
warm en droog weer.
Lucht naar de vloer. Er
komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de
blaasmonden in het dashboard en op de ruiten.
om warme of koude
lucht naar de vloer te
sturen.
Luchtstroom op hoofden borsthoogte uit de
blaasmonden in het dashboard.
om een efficiënte koeling te verkrijgen bij
warm weer.
Luchtstroom naar de ruiten, uit de blaasmonden
in het dashboard en naar
de vloer.
om koele lucht naar de
vloer te sturen of warme
lucht naar de rest van
het lichaam bij koud
weer of bij warm en
droog weer.
05
231
05 Comfort en rijplezier
Motor- en interieurverwarming op brandstof*
Verwarming op brandstof
Tanken
Als de accu onvoldoende opgeladen is of als
het brandstofpeil te laag is, wordt de standverwarming automatisch uitgeschakeld en er verschijnt een melding op het display. Bevestig
deze melding door op de knop OK op de richtingaanwijzerhendel te drukken, zie
pagina 233.
Algemene informatie over de
standverwarming
U kunt de standverwarming die de motor en
het interieur verwarmt meteen inschakelen of
vertraagd met een timerfunctie.
05
U kunt twee verschillende uitschakeltijden
instellen met de timerfunctie. Onder de uitschakeltijd wordt het tijdstip verstaan waarop
de auto de gewenste temperatuur bereikt
heeft. De elektronica van de auto rekent aan de
hand van de buitentemperatuur zelf uit wanneer de verwarming moet worden ingeschakeld.
Bij een buitentemperatuur hoger dan 15 °C
wordt de verwarming niet geactiveerd. Bij temperaturen van –5 °C of lager is de maximale
bedrijfstijd van de standverwarming 50 minuten.
WAARSCHUWING
Bij gebruik van de standverwarming moet
de auto in de buitenlucht staan.
N.B.
Bij gebruik van de standverwarming is het
volkomen normaal dat er rook uit de rechter
wielkast komt.
232
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Accu en brandstof
BELANGRIJK
Waarschuwingssticker op tankvulklep.
WAARSCHUWING
Gemorste brandstof kan ontvlammen.
Schakel voordat u gaat tanken de standverwarming op brandstof uit.
Controleer op het informatiedisplay of de
standverwarming uit is. Wanneer de verwarming aanstaat, staat op het informatiedisplay de melding Standverw. AAN.
Op een helling parkeren
Wanneer u de auto op een steile helling parkeert, moet u ervoor zorgen dat de voorkant
van de auto omlaagwijst. Zo krijgt de standverwarming altijd voldoende brandstof.
Herhaaldelijk gebruik van de standverwarming bij korte ritten kan ertoe leiden dat de
accu uitgeput raakt en startproblemen opleveren.
Bij regelmatig gebruik van de standverwarming moet u even lang in de auto rijden als
de standverwarming aanstond. Dit om te
zorgen dat de dynamo evenveel energie kan
bijladen als de standverwarming verbruikt.
05 Comfort en rijplezier
Motor- en interieurverwarming op brandstof*
N.B.
Lampj
e
Duimwiel
G025102
Knop OK
Lampjes en displaymeldingen
Wanneer u de instellingen van een
van de timers of Directe start activeert, gaat het informatielampje op het instrumentenpaneel branden en op het informatiedisplay verschijnen een verklarende melding
plus een ander brandend lampje. In de onderstaande tabel staan de voorkomende lampjes
en displaymeldingen.
G025102
RESET - resetten/kiezen
Voor meer informatie over het informatiedisplay en de knop OK, zie pagina 210.
Display
Betekenis
Brandstofkachel AAN
De verwarming is
ingeschakeld en
werkt.
Timer
ingesteld
Brandstofkachel
Verwarmingstimer
geactiveerd bij uitnemen transpondersleutel en verlaten van de auto –
motor en passagiersruimte warm
op ingesteld tijdstip.
G025102
Lampj
e
G025102
- Het cijfer 2 in het symbool geeft
aan dat het om de andere klimaatregeling in
de auto gaat, waarbij de standaardklimaatregeling als nummer één geldt. Het cijfer 2
heeft niets te maken met TIMER 1 of
TIMER 2.
G025102
G025102
Bediening
Display
Betekenis
Verw.
gestopt
Spaarstand
De verwarming
werd uitgeschakeld om te zorgen
dat er voldoende
stroom is om de
motor te starten.
Verw niet
besch
Brandstofp.
laag
De verwarming
kan niet worden
ingeschakeld door
een te laag brandstofpeil (ca. 7 liter)
– dit om het mogelijk te maken de
motor te starten en
nog ca. 50 km te
rijden.
Standkachel Service vereist
05
Verwarming
defect. Neem voor
reparatie contact
op met een werkplaats. Volvo adviseert u contact op
te nemen met een
erkende Volvowerkplaats.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
233
05 Comfort en rijplezier
Motor- en interieurverwarming op brandstof*
Een displaymelding verdwijnt automatisch na
enige tijd. U kunt een melding ook eerder laten
verdwijnen met een druk op de knop OK van
de richtingaanwijzerhendel.
Meteen inschakelen/uitschakelen
1. Gebruik het duimwiel om naar Directe
start Standverw. te gaan.
2. Druk op RESET om te kiezen uit AAN en
UIT.
AAN: De standverwarming is handmatig of via
de timerfunctie ingeschakeld.
05
Timers instellen
Met de timers geeft u het tijdstip aan dat de
auto op temperatuur moet zijn omdat u die
wenst te gebruiken.
Kies uit TIMER 1 en TIMER 2.
N.B.
De timers zijn alleen te programmeren wanneer de transpondersleutel in contactslotstand I staat, zie pagina 80 – programmeer
daarom voordat u de motor start.
UIT: De standverwarming is uitgeschakeld.
1. Gebruik het duimwiel om naar Timer
standkach 1 te gaan.
Bij directe start van de standverwarming zal
deze 50 minuten lang geactiveerd blijven.
2. Druk kort op de knop RESET zodat de uuraanduiding gaat knipperen.
De interieurverwarming gaat van start, zodra
de koelvloeistof in de motor de juiste temperatuur heeft bereikt.
3. Stel de gewenste uuraanduiding in met het
duimwiel.
N.B.
Het is mogelijk de motor starten en weg te
rijden, terwijl de standverwarming aanstaat.
4. Druk kort op de knop RESET, zodat de
minuutaanduiding gaat knipperen.
5. Stel de gewenste minuutaanduiding in met
het duimwiel.
6. Druk kort op de knop RESET om de instelling te bevestigen.
7. Druk op de knop RESET om de timer te
activeren.
234
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Wanneer u Timer standkach 1 hebt ingesteld,
kunt u een tweede uitschakeltijd programmeren onder Timer standkach 2 door aan het
duimwiel te draaien.
U stelt de andere uitschakeltijd op dezelfde
manier in als bij Timer standkach 1.
Timergestuurde verwarming voortijdig
uitschakelen
U kunt de timergestuurde verwarming uitschakelen voordat de timer dat doet. Doe dat als
volgt:
1. Druk op OK.
2. Ga met het duimwiel naar Timer
standkach 1 of 2.
> De tekst AAN knippert op het display.
3. Druk op RESET.
> De tekst UIT brandt continu en de verwarming wordt uitgeschakeld.
Een timergestuurde verwarming is ook uit te
schakelen volgens de instructies in het
gedeelte ‘Meteen inschakelen/uitschakelen’,
zie pagina 234.
Klok/timer
De timers van de verwarming zijn gekoppeld
aan de klok in de auto.
05 Comfort en rijplezier
Motor- en interieurverwarming op brandstof*
N.B.
Als u de klok van de auto bijstelt, worden
eventuele timerinstellingen gewist.
05
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
235
05 Comfort en rijplezier
Extra verwarming*
Algemene informatie over de extra
verwarming
Interieurverwarming*
Als de extra verwarming wordt uitgebreid met
een timerfunctie, kan deze dienstdoen als interieurverwarming op brandstof, zie pagina 232.
In landen met een koud klimaat1 is wellicht een
extra verwarming vereist om de motor op
bedrijfstemperatuur te brengen en een
behaaglijke temperatuur in de passagiersruimte te realiseren.
Extra verwarming op elektriciteit
Bij auto’s met bepaalde benzinemotoren2 is
een extra verwarming op elektriciteit ingebouwd in de klimaatregeling.
Extra verwarming op brandstof
Op auto’s met een dieselmotor is een extra
verwarming op brandstof gemonteerd.
05
De extra verwarming wordt automatisch ingeschakeld wanneer er extra warmte nodig is terwijl de motor loopt.
De verwarming wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer het warm genoeg is of wanneer
de motor wordt afgezet.
N.B.
Bij gebruik van de extra verwarming is het
volkomen normaal dat er rook uit de rechter
wielkast komt.
Automatische stand of uitschakelen
De automatische startprocedure van de motor
kan desgewenst worden geannuleerd.
1
2
236
Knop OK
Duimwiel
Knop RESET
1. Alvorens de motor te starten: Kies de sleutelstand I, zie pagina 80.
2. Gebruik het duimwiel om naar Extra
verwarming auto te gaan.
3. Druk op RESET om te kiezen uit AAN en
UIT.
N.B.
De menu-opties zijn alleen zichtbaar in contactslotstand I – verricht eventuele aanpassingen daarom voordat u de motor start.
Een erkende Volvo-dealer kan u informeren over de desbetreffende geografische gebieden.
Een erkende Volvo-dealer kan u informeren over de desbetreffende motoren.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
In een gematigde1 klimaatzone worden dieselmodellen uitgerust met een extra verwarming
op elektriciteit in plaats van één op brandstof.
De verwarming is niet handmatig te regelen,
maar wordt nadat de motor is aangeslagen
automatisch geactiveerd bij buitentemperaturen lager dan 14 °C en wordt gedeactiveerd
wanneer de ingestelde interieurtemperatuur is
bereikt.
05 Comfort en rijplezier
Boordcomputer
Algemeen
Functies
N.B.
Als er een waarschuwingsmelding verschijnt tijdens het gebruik van de boordcomputer, dient u deze melding eerst te
bevestigen voordat u de boordcomputer
weer kunt activeren. Bevestig de waarschuwingsmelding door te drukken op OK.
Informatiedisplay en bedieningstoetsen.
OK – bevestigen.
Duimwiel – menu’s en opties binnen de
cruisecontrol-lijst doorbladeren.
RESET – op nul stellen.
De menu’s van de boordcomputer volgens elkaar op in een eindeloze lus. Een van de menuopties is een zwart scherm – het geeft tevens
het begin/eind van de lus aan.
Om de eenheid te wijzigen waarin de afstand
en snelheid worden weergegeven – ga naar MY
CAR Instellingen Systeemopties
Afstands-/ verbruikseenheid, zie pagina 213.
Gemiddelde snelheid
De gemiddelde snelheid sinds de laatste maal
dat de waarde op nul gesteld werd. U stelt de
waarde op nul met RESET.
Momentaan
Het momentane (actuele) brandstofverbruik
wordt eenmaal per seconde berekend. De
waarde op het display wordt om de paar
seconden bijgewerkt. Wanneer de auto stilstaat, geeft het display ‘----’ aan.
Gemiddeld
Het gemiddelde brandstofverbruik sinds de
laatste maal dat de waarde op nul gesteld
werd. U stelt de waarde op nul met RESET.
N.B.
Er kunnen onjuiste waarden verschijnen, als
u een extra verwarming en/of standverwarming* op brandstof hebt gebruikt.
Km actieradius
De actieradius wordt berekend aan de hand
van het gemiddelde brandstofverbruik over de
laatste 30 km en de resterende hoeveelheid
brandstof. Het display geeft de afstand aan die
bij benadering kan worden afgelegd met de
resterende hoeveelheid brandstof in de tank.
Een zuinige rijstijl betekent doorgaans een grotere actieradius. Voor meer informatie over het
beperken van het brandstofverbruik, zie
pagina 11.
05
Wanneer ‘---- km actieradius’ op het display
staat, zijn geen garanties meer te geven voor
de resterende actieradius. Tank dan zo spoedig mogelijk.
N.B.
Er kunnen onjuiste waarden verschijnen, als
u van rijstijl bent veranderd.
Op nul stellen
1. Selecteer --- km/h gem. snelheid of --.l/100km gemiddeld.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
237
05 Comfort en rijplezier
Boordcomputer
2. Houd RESET ca. 1 seconde ingedrukt om
de waarde voor de gekozen functie op nul
te stellen. Als u RESET ten minste
3 seconden lang ingedrukt houdt, stelt u de
gemiddelde snelheid en het gemiddelde
brandstofverbruik gelijktijdig op nul.
Actuele snelheid*1
Bij een snelheidsmeter met een kilometerschaal wordt overgeschakeld op weergave van
de actuele snelheid in mph (miles per hour). Bij
een snelheidsmeter met een milesschaal wordt
overgeschakeld op weergave van de actuele
snelheid in km/h.
05
1
238
Alleen bepaalde markten.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
05 Comfort en rijplezier
Rijeigenschappen aanpassen
Actieve chassisregeling, Four-C*
Bediening
Het actieve chassissysteem FOUR-C
(Continously Controlled Chassis Concept)
stemt de eigenschappen van de schokdempers af op de gewenste rijeigenschappen van
de auto. U hebt de keuze uit drie standen:
Comfort, Sport en Advanced.
en stuurgevoeligheid. Open het menusysteem
MY CAR en ga naar Instellingen Autoinstellingen Stuurkracht en kies uit Laag,
Midden of Hoog.
Voor een beschrijving van het menusysteem,
zie pagina 213. Dit menu is niet te openen wanneer de auto rijdt.
Comfort
In deze stand rijdt de auto comfortabeler op
een ruw en oneffen wegdek. De vering verloopt
soepel waardoor de bewegingen van de carrosserie minimaal en aangenaam zijn.
Sport
Bij deze stand die wordt geadviseerd voor een
actievere rijstijl heeft de auto een sportiever
karakter. De auto reageert sneller op de bewegingen van het stuurwiel dan in de stand
Comfort. De vering is stugger dan normaal en
de carrosserie volgt het wegdek om in bochten
de mate van overhellen te beperken.
Advanced
U wordt geadviseerd deze stand alleen te activeren op zeer rechte en vlakke wegen.
De bewegingen van de schokdempers zijn
geoptimaliseerd voor maximale grip en minimale overhelling in bochten.
Chassisstanden.
Gebruik de knoppen op de middenconsole om
van stand te veranderen. De chassisstand die
actief is bij het afzetten van de motor zal de
volgende keer dat u de motor start opnieuw
geactiveerd worden.
05
Snelheidsafhankelijke
stuurbekrachtiging*
Naarmate de rijsnelheid hoger wordt neemt de
stuurbekrachtiging af, waardoor u een beter
gevoel met de weg krijgt. Op snelwegen stuurt
de auto zwaarder en directer. Bij het parkeren
en op lage snelheden is de auto lichter en met
minder moeite te besturen.
U hebt de keuze uit drie niveaus van stuurbekrachtiging voor een maximum aan weggevoel
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
239
05 Comfort en rijplezier
Interieurcomfort
Opbergmogelijkheden
05
240
05 Comfort en rijplezier
Interieurcomfort
Opbergvak in portierpaneel
Middenconsole
Dashboardkastje
Opbergzak* aan de voorkant van de voorstoelzittingen
Parkeerkaarthouder
Dashboardkastje
Opbergvak
Kledinghaak
Opbergvakken, bekerhouder
Bekerhouder* in armsteun, achterbank
Opbergvak
Kledinghaak
De kledinghaak is alleen bestemd voor niet al
te zware kledingsstukken.
WAARSCHUWING
Bewaar losse voorwerpen, zoals een mobiele telefoon, camera, afstandsbediening
voor extra uitrusting e.d., in het dashboardkastje of andere opbergruimten. Bij krachtig
afremmen of een botsing kunnen deze
anders inzittenden verwonden.
Opbergvak (voor bijvoorbeeld cd’s) en
USB*/AUX-ingang onder de armsteun.
Bevat een bekerhouder voor de bestuurder
en een voorpassagier. (Als u voor een
asbak en aansteker hebt gekozen, zit er
een aansteker op de plaats van de 12Vaansluiting voorin, zie pagina 242, en een
uitneembare asbak in de bekerhouder.)
Aansteker en asbak*
De asbak in de middenconsole is te verwijderen door deze recht omhoog te tillen.
U activeert de aansteker door de knop in te
drukken. Wanneer de aansteker heet genoeg
is, veert de knop automatisch uit. Haal de aansteker uit de opening en gebruik het roodgloeiende deel om bijvoorbeeld een sigaret mee aan
te steken.
Hier kunt u bijvoorbeeld het instructieboekje en
eventuele kaarten opbergen. Aan de binnenkant van de klep zit een houder voor pennen.
Het dashboardkastje kan worden vergrendeld
met het sleutelblad, zie de pagina’s 50 en 60.
05
Inlegmatten*
Volvo biedt inlegmatten die speciaal vervaardigd zijn.
WAARSCHUWING
Controleer voordat u wegrijdt of de inlegmat
voor de bestuurdersstoel goed ligt en aan
de pennen vastzit zodat hij niet naast of
onder de pedalen klem kan komen te zitten.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
241
05 Comfort en rijplezier
Interieurcomfort
Make-upspiegel
12V-aansluiting
mediaspelers of mobiele telefoons. De transpondersleutel moet ten minste in sleutelstand
I staan, anders geeft de aansluiting geen
stroom, zie pagina 80.
WAARSCHUWING
Laat de plug altijd in de aansluiting zitten als
u deze niet gebruikt.
Make-upspiegel met verlichting.
05
G021439
G021438
N.B.
12V-aansluiting in middenconsole, voorin.
De verlichting van de make-upspiegel (aan
zowel de bestuurderszijde* als de passagierszijde) wordt bij het openen en sluiten van het
klepje in- en uitgeschakeld.
Extra uitrusting en accessoires – zoals
beeldschermen, mediaspelers en mobiele
telefoons – die zijn aangesloten op een van
de 12V-aansluitingen in de passagiersruimte worden mogelijk geactiveerd door de
klimaatregeling, ook al is de transpondersleutel uitgenomen of de auto vergrendeld,
als bijvoorbeeld de standverwarming ingesteld is om op een bepaalde tijd in te schakelen.
G021440
Trek daarom wanneer u de extra uitrusting
of accessoires niet gebruikt de stekkers uit
de elektrische aansluitingen, omdat de startaccu anders uitgeput kan raken!
12V-aansluiting in middenconsole, achterin.
U kunt de elektrische aansluiting voor verschillende accessoires gebruiken die op een spanning van 12 V werken, zoals beeldschermen,
242
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
05 Comfort en rijplezier
Interieurcomfort
BELANGRIJK
U kunt maximaal 10 A (120 W) via de aansluiting afnemen bij gebruik van één aansluiting tegelijk. Bij gelijktijdig gebruik van
de beide aansluitingen in de tunnelconsole
geldt een waarde van 7,5 A (90 W) per aansluiting.
Als de compressor voor bandenreparatie op
een van de beide aansluitingen is aangesloten, mag er op de andere aansluiting geen
stroomverbruiker aangesloten zijn.
N.B.
De compressor voor provisorische bandenreparatie is door Volvo getest en goedgekeurd. Voor informatie over het gebruik van
de aanbevolen provisorische bandenreparatie (TMK) van Volvo, zie pagina 350.
05
Elektrische aansluiting in bagageruimte*
Voor meer informatie, zie pagina 321.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
243
Algemene informatie over infotainment................................................
Radio.....................................................................................................
Mediaspeler..........................................................................................
Externe geluidsbron via AUX/USB*-ingang..........................................
246
258
266
271
Media BluetoothŸ* ................................................................................ 274
BluetoothŸ-handsfree*..........................................................................
Spraakherkenning* mobiele telefoon....................................................
TV - instelling*.......................................................................................
Afstandsbediening* ..............................................................................
RSE - Rear Seat Entertainment system* ..............................................
244
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
277
287
291
295
297
INFOTAINMENT
06 Infotainment
Algemene informatie over infotainment
Algemeen
Het infotainmentsysteem bestaat uit een radio,
mediaspeler, tv* en een functie voor communicatie met een mobiele telefoon*. De informatie verschijnt op een kleurenscherm van 5 of 7
inch* boven aan de middenconsole. De functies zijn te bedienen via knoppen op het stuurwiel, op de middenconsole onder het kleurenscherm of via een afstandsbediening*. Een
mobiele telefoon is in bepaalde gevallen ook
via spraakherkenning te bedienen.
06
Bij het starten van de motor wordt het infotainmentsysteem tijdelijk uitgeschakeld en weer
1
Geldt alleen voor Premium Sound Multimedia.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Audyssey MultEQ1
N.B.
Haal de transpondersleutel uit het contactslot als u het infotainmentsysteem gebruikt
terwijl de motor afgezet is. Dit om te voorkomen dat de accu onnodig ontladen raakt.
Dolby, Pro Logic
Bij de ontwikkeling en instelling van het geluid
werd gebruik gemaakt van het Audyssey MultEQ-systeem om een eersteklas geluidsweergave te garanderen.
Als het infotainmentsysteem actief is bij het
afzetten van de motor, wordt het de volgende
keer dat u de sleutel in sleutelstand I of hoger
draait, automatisch ingeschakeld en geeft het
dezelfde geluidsbron (bijv. radio) weer als bij
het afzetten van de motor (bij auto’s met vergrendeling op Keyless drive-systeem* dient het
bestuurdersportier dicht te staan).
Wanneer de transpondersleutel niet in het contactslot steekt, is het infotainment 15 minuten
achtereen te gebruiken door op de knop Aan/
Uit te drukken.
246
ingeschakeld wanneer de motor is aangeslagen.
Vervaardigd onder licentie van Dolby
Laboratories. Dolby, Pro Logic en de dubbele
D zijn geregistreerde handelsmerken van
Dolby Laboratories.
06 Infotainment
Algemene informatie over infotainment
Overzicht
Installatie bedienen
SOUND - indrukken op de audio-instellingen (lage tonen, hoge tonen e.d.) te openen.
Voor meer informatie, zie pagina 253.
VOL - eraan draaien om het volume te verhogen of te verlagen.
ON/OFF/MUTE - Bij kort indrukken
wordt de installatie ingeschakeld en bij lang
indrukken (totdat het scherm zwart wordt)
vindt uitschakeling plaats. Let erop dat het
complete Sensus-systeem (incl. navigatie-* en
telefoonfuncties*) altijd gelijktijdig wordt in-/
uitgeschakeld. Kort indrukken om het geluid uit
te schakelen (MUTE-functie) of opnieuw in te
schakelen, als het geluid uitstond.
AUX2- en USB3-ingangen voor externe
geluidsbronnen (bijv. iPodŸ)
Hoofdbron - indrukken om een hoofdbron
RADIO, MEDIA) te kiezen. De laatst geactiveerde bron (bijv. FM1) verschijnt. Als u zich in
MEDIA of TEL bevindt en op de hoofdbronknop drukt, verschijnt er een snelmenu met de
meest gebruikelijke menu-opties.
Toetsenset op stuurwiel (met*/zonder
duimwiel).
Bedieningspaneel in middenconsole
Beeldscherm. Het beeldscherm is verkrijgbaar in twee afmetingen: 5 en 7 inch. In het
boekje staat het beeldscherm van 7 inch
afgebeeld.
Achterste bedieningspaneel met hoofdtelefoonaansluiting*
A/V-AUX-ingang*
2
3
De toetsenset op het stuurwiel geldt als alternatief
voor bediening via de middenconsole.
06
OK/MENU - indrukken om menu-opties te
accepteren. Voert naar de menuweergave van
de gekozen bron (bijv. RADIO of MEDIA). Er
verschijnt een pijl naar rechts op het scherm,
als er onderliggende menu’s zijn.
Geldt alleen voor Performance
Geldt niet voor Performance
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
247
06 Infotainment
Algemene informatie over infotainment
TUNE - eraan draaien om tracks/mappen,
radio- en tv*-zenders, telefooncontacten* door
te bladeren of de opties op het beeldscherm.
EXIT - kort indrukken om omhoog te gaan
in het menusysteem, een actieve functie te
annuleren, telefoongesprekken te beëindigen/
weigeren of ingevoerde tekens te wissen. Lang
indrukken om de normaalweergave te openen
of, als de normaalweergave al wordt getoond,
naar het hoogste menuniveau te gaan, zie
Hoofdbronweergave op pagina 249.
Toetsenset op stuurwiel
De toetsenset op het stuurwiel is te gebruiken
als alternatief voor de knoppen op de middenconsole.
De toetsenset is verkrijgbaar in verschillende
uitvoeringen afhankelijk van de extra’s en het
uitrustingsniveau van de auto.
Toetsenset met duimwiel*
INFO - als er meer informatie beschikbaar
is dan op het scherm kan worden weergegeven, druk dan op de knop INFO om de resterende informatie te zien.
Sneltoetsen – Cijfers en letters invoeren.
06
FAV - Sneltoets voor favoriete instellingen.
De toets is te programmeren voor activering
van veelgebruikte functies in AM, FM e.d. Voor
meer informatie, zie pagina 252.
4
5
6
248
Geldt niet voor DAB.
Geldt voor auto’s zonder navigatie.
Alleen auto’s met navigatie.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Kort indrukken om een disctrack of een
van de voorkeursradiozenders4 te selecteren. Lang indrukken om een track op een
cd vooruit/achteruit te spoelen of de eerst-
volgende goed doorkomende radiozender
te zoeken.
Volume - indrukken om het volume te verhogen of te verlagen.
EXIT - kort indrukken om omhoog te gaan
in het menusysteem, een actieve functie te
annuleren, telefoongesprekken te beëindigen/weigeren of ingevoerde tekens te wissen. Lang indrukken om de normaalweergave te openen of, als de normaalweergave al wordt getoond, naar het hoogste
menuniveau te gaan, zie Hoofdbronweergave op pagina 249.
OK/MENU/TUNE - indrukken om menuopties te accepteren. Voert naar de menuweergave van de gekozen bron (bijv.
RADIO of MEDIA). Er verschijnt een pijl
naar rechts op het scherm, als er onderliggende menu’s zijn. Eraan draaien om
tracks/mappen, radio- en tv*-zenders,
telefooncontacten* door te bladeren of de
opties op het beeldscherm.
Zonder spraakherkenning5 - indrukken
om het geluid van de radio/mediabron uit
te schakelen (MUTE-functie) of opnieuw in
te schakelen, als het geluid uitstond. Met
spraakherkenning6 - spraakherkenning
06 Infotainment
Algemene informatie over infotainment
(voor mobiele telefoons met BluetoothŸaansluiting en het navigatiesysteem*).
Toetsenset zonder duimwiel
Hoofdbronweergave
Lang indrukken van EXIT op de toetsenset* op
het stuurwiel voert naar de normaalweergave.
Als u in de normaalweergave lang op EXIT
drukt, beschikt u over dezelfde hoofdbronknoppen als die op de middenconsole:
NAV - Volvo’s navigatiesysteem
(RTI)*, wordt in een apart instructieboekje besproken.
RADIO - AM, FM, DAB*
MEDIA - CD, DVD, AUX, USB*.
BluetoothŸ*, TV*.
TEL – BluetoothŸ handsfree*
Kort indrukken om een disctrack of een
van de voorkeursradiozenders7 te selecteren. Lang indrukken om een track op een
cd vooruit/achteruit te spoelen of de eerstvolgende goed doorkomende radiozender
te zoeken.
06
Volume - indrukken om het volume te verhogen of te verlagen.
MY CAR - Instellingen van de auto,
zie pagina 213.
CAM - Park Assist-camera*, zie
pagina 199
7
Geldt niet voor DAB.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
249
06 Infotainment
Algemene informatie over infotainment
Menufuncties
06
Het voorbeeld geeft aan hoe u de verschillende functies bereikt tijdens het afspelen van een schijf. (1) Hoofdbronknop, (2) Normaalweergave, (3) Snelkoppelingsweergave, (5) Menuweergave
250
06 Infotainment
Algemene informatie over infotainment
Kies een hoofdbron door te drukken op een
hoofdbronknop (1) (RADIO, MEDIA, TEL).
Gebruik om door de menu’s van de hoofdbron
te bladeren de knoppen TUNE, OK/MENU of
EXIT.
Gebruik TUNE om door het menu te bladeren,
kies de gemarkeerde menuregel met OK/
MENU of ga een stap terug met EXIT. In sommige gevallen kunt u een sneltoetsenmenu
openen door op de hoofdbronknop (1) van de
actieve bron te drukken.
Voor Menu-overzicht, zie pagina 254.
N.B.
Als de auto is uitgerust met een toetsenset
op het stuurwiel met duimwiel*, kunt u deze
gebruiken in plaats van de toetsen op de
middenconsole (TUNE, OK/MENU, EXIT),
zie pagina 248.
Weergaven op beeldscherm
Voor iedere hoofdbron zijn er vier verschillende
basisweergaven:
hoofdbronknop (1) van de actieve bron te
drukken).
• Snelweergave (4) - snelstand bij draaien
aan TUNE om bijv. van track, radiozender
e.d. te veranderen.
• Menuweergave (5) - voor menufuncties
(te bereiken door te drukken op OK/
MENU).
Hoe de weergaven eruitzien hangt af van de
bron, uitrusting in de auto, instellingen e.d.
Pop-upmenu8 video en tv*
Druk op OK/MENU terwijl u een videobestand
afspeelt of tv* kijkt om het pop-upmenu te openen.
Achterste bedieningspaneel met
hoofdtelefoonaansluiting*
Voor de beste geluidsweergave adviseren wij u
een hoofdtelefoon te gebruiken met een impedantie van 16–32 ohm en een gevoeligheid van
102 dB of meer.
• Normaalweergave (2) - normale stand
voor de bron
• Snelmenu (3) - toont de meest voorkomende menu-opties van de hoofdbronnen
TEL en MEDIA (te bereiken door op de
8
VOLUME – Volume, links en rechts.
Vooruit-/achteruitspoelen en zoeken.
MODE - Kies uit AM, FM1, FM2, DAB1*,
DAB2*, Disk, USB*, iPod*, Bluetooth*,
AUX, TV* en Aan/Uit. Voor aansluiting via
USB* of AUX, zie pagina 271 of via BluetoothŸ*, zie pagina 275.
06
Hoofdtelefoonaansluiting (3,5 mm).
Activeren/deactiveren
U activeert het bedieningspaneel met een druk
op MODE. Het bedieningspaneel wordt handmatig gedeactiveerd, wanneer u MODE lang
indrukt of automatisch bij het uitschakelen van
het contact.
Geldt alleen bij het weergeven van videobestanden en het kijken van tv*.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
251
06 Infotainment
Algemene informatie over infotainment
Vooruit-/achteruitspoelen en zoeken
FAV - favoriet opslaan
Bij het indrukken van (2) bladert u de tracks
door of zoekt u de eerstvolgende beschikbare
radiozender.
Beperkingen
De geluidsbron (zoals FM1, AM, Disk enz.)
die via de luidsprekers wordt weergegeven
is niet te bedienen vanaf het bedieningspaneel achterin.
Om een bepaalde geluidsbron te kunnen
selecteren met MODE en te beluisteren
dient de geluidsbron in de auto aanwezig te
zijn en te zijn aangesloten.
06
1. Kies een hoofdbron (bijv. RADIO, MEDIA).
De toets FAV is te gebruiken om functies op te
slaan die u vaak gebruikt, waarna u de functies
eenvoudig kunt starten door te drukken op
FAV. Voor elke van de onderstaande functies
is een favoriet (bijvoorbeeld Equalizer) op te
slaan:
• AM
• FM1/FM2
• DAB1*/DAB2*
In de MEDIA-stand:
• DISC
• USB*
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
AUX
TV - instelling*
Om een functie onder de toets FAV op te slaan:
In de RADIO-stand:
252
iPod*
Bluetooth*
Het is tevens mogelijk een favoriet te kiezen en
op te slaan voor MY CAR, CAM* en NAV*.
Favorieten zijn eveneens te kiezen en op te
slaan onder MY CAR. Voor meer informatie
over het menusysteem MY CAR, zie
pagina 213.
N.B.
N.B.
•
•
•
•
2. Kies een frequentieband of bron (AM,
Disk, etc.).
3. Houd de toets FAV ingedrukt totdat het
‘favorietenmenu’ verschijnt.
4. Draai aan TUNE om een alternatief op de
lijst te kiezen en druk op OK/MENU om het
op te slaan.
> Wanneer de hoofdbron (bijvoorbeeld
RADIO, MEDIA) actief is, is met een
korte druk op FAV de opgeslagen functie te activeren.
06 Infotainment
Algemene informatie over infotainment
• Balans – Balans tussen luidsprekers links
Algemene audio-instellingen
Druk op SOUND om het menu met audioinstellingen (Bass, Treble, etc.) te openen. Ga
verder met SOUND of OK/MENU naar het
alternatief van uw keuze (bijvoorbeeld Treble).
Pas de instelling aan door te draaien aan
TUNE en sla de instelling op met OK/MENU.
Druk opnieuw meerdere malen op SOUND of
OK/MENU om de overige alternatieven te
bereiken:
• Surround9 – Is Aan/Uit te zetten. Wanneer
u voor Aan hebt gekozen, hanteert het systeem de instelling voor optimale geluidsweergave. Normaal is dat DPLII en in dat
op het beeldscherm.
geval verschijnt
Als de opname werd gemaakt met Dolby
Digital-techniek, vindt de weergave plaats
met deze instelling en verschijnt
op het beeldscherm. Wanneer u voor Uit
hebt gekozen, is de driekanaals stereoweergave actief.
• Bass – Niveau van de lage tonen.
• Treble - Niveau van de hoge tonen.
• Fader – Balans tussen luidsprekers voor
en achter.
9 Alleen Premium Sound Multimedia.
10 Alleen wanneer Surround-functie geactiveerd
11 Geldt niet voor Performance.
en rechts.
• Subwoofer*9 – Niveau voor de lagetonenluidspreker.
• DPL II-middenlevel/3-kanaals
middenlevel9 – Volume voor middenluidspreker.
• DPL II-surroundlevel9, 10 – Niveau voor
de zogeheten Ambient Surround Sound.
Geavanceerde audio-instellingen
Equalizer11
Er zijn aparte geluidsniveaus voor de verschillende frequentiebanden in te stellen.
1. Druk op OK/MENU om Audioinstellingen te openen en kies voor
Equalizer.
2. Kies een frequentieband door te draaien
aan TUNE en bevestig uw keuze met OK/
MENU.
3. Pas de audio-instelling aan door te draaien
aan TUNE en bevestig uw keuze met OK/
MENU. Doe hetzelfde voor de andere frequentiebanden die u wenst aan te passen.
4. Druk, wanneer u klaar bent met de audioinstelling, op EXIT om te bevestigen en
terug te gaan naar de normaalweergave.
Voor algemene informatie over menufuncties
en menusystemen, zie pagina 250 en het
menu-overzicht, zie pagina 254.
Geluidspodium9
De geluidsweergave is dusdanig in te stellen
dat deze optimaal is voor de bestuurder, voor
de inzittenden voorin of voor de achterpassagiers. Als er zowel voor- als achterin passagiers zitten wordt de optie beide voorstoelen
geadviseerd. De opties zijn te kiezen onder
Klankpodium.
Audio-instellingen
Voor algemene informatie over menufuncties
en menusystemen, zie pagina 250 en het
menu-overzicht, zie pagina 254.
Geluidssterkte en automatische
volumeregeling
06
Het audiosysteem zorgt voor compensatie van
hinderlijke rijgeluiden in de passagiersruimte
door het volume aan te passen ten opzichte
van de rijsnelheid. U hebt de keuze uit de alternatieven: laag, medium, hoog en uit. Kies een
is.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
253
06 Infotainment
Algemene informatie over infotainment
niveau onder Audio-instellingen
Volumecompensatie.
Voor algemene informatie over menufuncties
en menusystemen, zie pagina 250 en het
menu-overzicht, zie pagina 254.
Geluidssterkte externe geluidsbron
Bij aansluiting van een externe geluidsbron
(zoals een mp3-speler of iPodŸ) op de AUXingang verschilt het ingestelde volume van
deze geluidsbron mogelijk van het volume
waarop het audiosysteem (bijvoorbeeld de
radio) speelt. Corrigeer dit door het ingangsvolume van de ingang aan te passen:
06
Als het volume van de externe geluidsbron
te hoog of te laag staat, kan de geluidskwaliteit achteruitgaan. De geluidskwaliteit kan
ook achteruitgaan, als de speler wordt bijgeladen wanneer het infotainmentsysteem
in stand AUX staat. Laad de speler in dat
geval niet via de 12V-aansluiting bij.
Optimale geluidsweergave
Menu-overzicht
Menu’s RADIO
Hoofdmenu AM
AM-menu
Presets weergeven12
Scan
Audio-instellingen 13
Het audiosysteem is voorgekalibreerd voor
optimale geluidsweergave met behulp van
digitale signaalverwerking.
Klankpodium14
Voor ieder automodel wordt het audiosysteem
tijdens de kalibratie perfect afgestemd op de
luidsprekers, de versterker, de akoestiek in de
auto, de positie van de luisteraar e.d.
Volumecompensatie
1. Druk op de toets MEDIA, draai aan TUNE
totdat u AUX bereikt en wacht enkele
seconden voordat u op OK/MENU drukt.
2. Druk op OK/MENU en draai vervolgens
aan TUNE totdat u AUX-ingangsvolume
bereikt. Bevestig uw keuze met OK/
MENU.
Er is tevens een dynamische kalibratie waarbij
rekening wordt gehouden met de stand van de
volumeknop, de radio-ontvangst en de rijsnelheid.
3. Draai aan TUNE om het volume voor de
AUX-ingang aan te passen.
De regelfuncties die in dit instructieboekje
nader verklaard worden (zoals Bass, Treble en
Equalizer) zijn uitsluitend bedoeld om u de
mogelijkheid te bieden de geluidsweergave
naar wens af te stellen.
12 Geldt alleen voor High Performance Multimedia en Premium
13 De menu-opties voor de audio-instellingen zijn identiek voor
14 Geldt alleen voor Premium Sound Multimedia.
15 Geldt niet voor Performance.
254
N.B.
Sound Multimedia.
alle geluidsbronnen.
Equalizer15
Alle audio-instellingen resetten
Hoofdmenu FM1/FM2
FM-menu
TP
Radiotekst tonen
Presets tonen12
Scan
Nieuws-instellingen
06 Infotainment
Algemene informatie over infotainment
Geavanceerde instellingen
REG
Alternatieve frequentie
PTY-tekst weergeven
Hoofdmenu DVD12 Video
Alle DAB-instellingen resetten
Diskmenu
Audio-instellingen 16
Play/pause/verder
EON
TP-favoriet instellen
PTY-instellingen
Alle FM-instellingen resetten
Audio-instellingen 16
Menu’s MEDIA
Stop
Hoofdmenu CD Audio
Ondertitels
Diskmenu
Taal van audiospoor kiezen
Willekeurige weergave
Hoofdmenu CD/DVD12 Data
Ensemble programmeren
Diskmenu
PTY-filter
PTY-filter uitschakelen
Presets
Scan
Geavanceerde instellingen
DAB-verbinding
DAB-band
Subkanalen
16 Voor submenu’s, zie ‘Hoofdmenu AM’.
12 Geldt alleen voor High Performance Multimedia
15 Geldt niet voor Performance.
Hoek
Audio-instellingen 16
DAB-menu
tonen12
Geavanceerde instellingen
Scan
Hoofdmenu DAB1*/DAB2*
Radiotekst tonen
DVD-menu
Afspelen/Pause
DivX® VOD-code
Audio-instellingen 16
Hoofdmenu iPod15
iPod-menu
Stop
Willekeurig
Willekeurige weergave
Scan
Map herhalen
Audio-instellingen 16
06
Volgende titel
Volgende audiotrack
Scan
Audio-instellingen 16
Hoofdmenu USB15
USB-menu
Afspelen/Pause
en Premium Sound Multimedia.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
255
06 Infotainment
Algemene informatie over infotainment
Stop
Hoofdmenu AUX
Willekeurig
AUX-menu
Map herhalen
AUX-ingangsvolume
USB-apparaat kiezen
Audio-instellingen 16
Volgende titel
Volgende audiotrack
Scan
Audio-instellingen
16
Hoofdmenu Media Bluetooth15
06
Gemiste oproepen
Land kiezen
Beantwoorde gesprekken
Presets sorteren
Gekozen nummers
Autostore
Gespreksduur
Pop-upmenu17 video en tv*
Bluetooth-apparaat verwijderen
Druk op OK/MENU terwijl u een videobestand
afspeelt of tv* kijkt om het pop-upmenu te openen.
Bluetooth-softwareversie in auto
Beeldinstellingen
Audio-instellingen 16
Bellijst
TV-menu
Ander apparaat
Scan
Telefoonmenu
Alle gesprekken
Audio-instellingen 16
Willekeurig
Hoofdmenu BluetoothŸ-handsfree15
Hoofdmenu TV*
Scan
Bluetooth-menu
Menu’s TEL
Telefoonboek
Zoeken
Nieuw contact
Verkorte nummers
vCard ontvangen
Geheugenstatus
Telefoonboek wissen
Bronmenu18
Telefoon wijzigen
DVD-hoofdmenu19
Bluetooth-apparaat verwijderen
DVD-hoofdmenu19
16 Voor submenu’s, zie ‘Hoofdmenu AM’.
15 Geldt niet voor Performance.
17 Geldt alleen bij het weergeven van videobestanden
18 De inhoud van het pop-upmenu voor het bronmenu
19 Geldt alleen voor dvd-videodiscs.
256
en het kijken van tv*.
hangt af van wat er afgespeeld of weergegeven wordt, bijvoorbeeld Menu gegevens-CD/-DVD of USB-menu.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
06 Infotainment
Algemene informatie over infotainment
Telefooninstellingen
Herkenbaar
Geluiden en volume
Telefoonboek downloaden
Bluetooth-softwareversie in
auto
Bel-opties
Automatisch opnemen
Voicemailnummer
Telefoon uit
06
257
06 Infotainment
Radio
Algemeen
N.B.
Als de auto is uitgerust met een toetsenset* op het stuurwiel en/of een afstandsbediening*, kunt u deze meestal gebruiken in
plaats van de toetsen op de middenconsole. Voor een beschrijving van de toetsenset op het stuurwiel, zie zie pagina 248. Voor
een beschrijving van de afstandsbediening,
zie pagina 295.
Menufuncties
Middenconsole, bedieningselementen voor radiofuncties.
De toets RADIO voor het kiezen van frequentieband (AM, FM1, FM2, DAB1*,
DAB2*).
Sneltoetsen (0–9)
06
De gewenste frequentie/zender kiezen of
door het radiomenu navigeren door te
draaien aan TUNE.
Uw keuze bevestigen of het radiomenu
openen door te drukken op OK/MENU.
Toets ingedrukt houden voor de volgende/
voorgaande zender. Kort indrukken voor
de voorkeurzenders.
1
258
Geldt niet voor Performance.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
U regelt de menufuncties van RADIO vanaf de
middenconsole of via de toetsenset* op het
stuurwiel. Voor algemene informatie over
menufuncties en menusystemen, zie
pagina 250 en het menu-overzicht, zie
pagina 254.
Radio AM/FM
Zenders zoeken
N.B.
De ontvangst hangt niet alleen af van de
signaalsterkte maar ook van de signaalkwaliteit. Er kunnen storingen optreden wanneer
de zendersignalen bijvoorbeeld gehinderd
worden door hoge gebouwen of van zeer
grote afstand komen. De dekkingsgraad
kan eveneens variëren afhankelijk van waar
u zich bevindt.
Automatisch zenders zoeken
1. Druk op RADIO, draai aan TUNE totdat de
gewenste frequentieband (AM, FM1 e.d.)
verschijnt en druk op OK/MENU.
2. Houd
/
op de middenconsole
ingedrukt (of gebruik de toetsenset* op het
stuurwiel). De radio zoekt de volgende/
voorgaande beschikbare zender.
Zenderlijst1
De radio stelt automatisch een lijst op met de
FM-zenders met de best doorkomende signalen. Dat biedt u de mogelijkheid een zender te
zoeken in gebieden waar u de radiozenders en
hun frequenties niet kent.
06 Infotainment
Radio
Om de lijst te openen en een zender te kiezen:
1. Kies de gewenste frequentieband (FM1 of
FM2).
2. Draai TUNE één stap links- of rechtsom. Er
verschijnt dan een lijst met alle beschikbare zenders in het gebied waar u zich
bevindt. De zender waarop is afgestemd
staat met een groter lettertype in de lijst
gemarkeerd.
3. Draai TUNE weer links- of rechtsom om
een zender in de lijst te kiezen.
4. Bevestig uw keuze met OK/MENU.
N.B.
•
De lijst vermeldt alleen de frequenties
van de zenders waarop u hebt afgestemd en vormt dan ook geen complete
lijst met alle beschikbare radiofrequenties op de frequentieband van uw
keuze.
•
Als de zender waarop u hebt afgestemd
een zwak signaal heeft, kan de radio de
zenderlijst mogelijk niet bijwerken. Druk
(terwijl de
in dat geval op de toets
zenderlijst op het beeldscherm staat)
om over te schakelen op handmatig
zoeken en zelf een frequentie in te stellen. Draai, als de zenderlijst niet langer
getoond wordt, TUNE één stap links- of
rechtsom om de zenderlijst weer te
om te wisselen.
tonen en druk op
De lijst verdwijnt na enkele seconden van het
beeldscherm.
Handmatig zenders zoeken
Weergave van de zenderlijst met de best doorkomende signalen bij het draaien aan TUNE
(zie gedeelte ‘Zenderlijst’, pagina 258) behoort
tot de fabrieksinstellingen van de radio. Druk
terwijl de zenderlijst wordt getoond op de toets
van de middenconsole om over te schakelen op handmatig zenders zoeken. U kunt
dan een frequentie zoeken uit de lijst met
beschikbare radiofrequenties op de gekozen
frequentieband. Als u bijvoorbeeld bij handmatig zoeken TUNE één stap rechtsom draait,
wordt de frequentie gewijzigd van 93,3 MHz in
93,4 MHz.
Om handmatig een zender te kiezen:
1. Druk op de knop RADIO, draai aan TUNE
totdat de gewenste frequentieband (AM,
FM1 e.d.) verschijnt en druk op OK/
MENU.
06
2. Draai aan TUNE om een frequentie te kiezen.
Als de zenderlijst niet langer getoond wordt,
kunt u TUNE één stap links- of rechtsom
op de middendraaien en op de toets
console drukken om over te schakelen op
handmatig zenders zoeken (of om over te
schakelen van handmatig zenders zoeken op
de functie voor ‘Zenderlijst’).
259
06 Infotainment
Radio
N.B.
Weergave van de zenderlijst met de best
doorkomende signalen in het huidige
gebied behoort tot de fabriekinstellingen
van de radio (zie het eerdere gedeelte “Zenderlijst”).
Als u echter bent overgestapt op het handmatig zoeken van zenders (door te drukken
op de toets
van de middenconsole
toen de zenderlijst getoond werd), is de volgende keer dat u de radio inschakelt de
functie voor het handmatig zoeken van zenders opnieuw actief. Om weer over te schakelen op de functie “Zenderlijst” dient u
TUNE een stap te verdraaien (om de complete zenderlijst te zien) en vervolgens op de
toets
te drukken.
Let erop dat de functie INFO geactiveerd
wordt, als u op
drukt wanneer de zenderlijst niet getoond wordt. Voor meer informatie over deze functie, zie pagina 247.
06
Voorkeuren
U kunt per frequentieband (AM, FM1 etc.) 10
voorkeurzenders vastleggen.
U kiest een voorkeurzender met de sneltoetsen.
1. Stem af op een zender (zie ‘Zenders zoeken’, pagina 258).
2. Houd een van de sneltoetsen enkele
seconden ingedrukt. Het geluid verdwijnt
zolang maar keert terug wanneer de zender opgeslagen is. De sneltoets is vervolgens te gebruiken.
U kunt een lijst met voorkeurzenders tonen2 op
het beeldscherm. De functie is in stand FM/AM
te activeren/deactiveren onder FM-menu
Presets tonen of AM-menu Presets
weergeven.
RDS-functies
RDS (Radio Data System) verbindt FM-zenders
in een netwerk met elkaar. Een FM-zender in
een dergelijk netwerk verstuurt bepaalde informatie, zodat een RDS-radio onder meer de volgende mogelijkheden biedt:
• Automatisch overschakelen op een beter
doorkomende zender als de ontvangst in
een bepaald gebied slecht is.
• Zoeken op programmatype zoals zenders
die verkeersinformatie of nieuws doorgeven.
• Weergeven van informatieve tekst over het
beluisterde radioprogramma.
2
260
Geldt alleen voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
N.B.
Sommige radiozenders maken geen
gebruik van RDS of alleen in beperkte mate.
Als er een zender met het gewenste programmatype is aangetroffen, kan de radio vervolgens op deze zender overschakelen en de
weergave van de actieve geluidsbron onderbreken. Als de cd-speler bijvoorbeeld actief is,
wordt de weergave daarvan tijdelijk onderbroken. De uitzending met het gekozen programmatype wordt weergegeven op een vooraf
bepaald volume, zie pagina 263. Na afloop van
de uitzending van het gekozen programmatype
geeft de radio de voorgaande geluidsbron
opnieuw weer op het volume dat u daarvoor
had ingesteld.
De programmafuncties alarm (ALARM!), verkeersinformatie (TP), nieuws (NEWS) en programmatype (PTY) worden in volgorde van
belangrijkheid weergegeven, waarbij geldt dat
alarm de hoogste prioriteit geniet en de programmatypes de laagste. Voor meer instellingen die te maken hebben met het onderbreken
van uitzendingen (EON EON Distant en EON
EON Local), zie navolgend gedeelte ‘EON
(Enhanced Other Networks)’. Druk op EXIT om
de onderbroken weergave van de geluidsbron
06 Infotainment
Radio
te hervatten en druk op OK/MENU om de melding te verwijderen.
Alarm
De functie wordt gebruikt om de bevolking
attent te maken op ernstige ongelukken of
calamiteiten. U kunt de functie alarm niet tijdelijk onderbreken of deactiveren. De melding
ALARM! verschijnt op het beeldscherm, wanneer er een alarmmelding wordt verzonden.
bepalend voor de vraag of de weergave van de
actieve geluidsbron kan worden onderbroken
voor uitzendingen van een bepaald programmatype.
–
• EON Local – Alleen onderbreking wanneer
de zendmast van de radiozender dichtbij
is.
Verkeersinformatie, TP
Bij activering van deze functie wordt de weergave van de actieve geluidsbron onderbroken
voor een uitzending met verkeersinformatie via
het RDS-netwerk van de zender waarop is
afgestemd. Het lampje TP geeft aan dat de
functie actief is. Als de zender waarop u hebt
afgestemd verkeersinformatie kan doorgeven,
wordt dat aangegeven met een fel verlicht TP
op het beeldscherm. TP is anders grijs van
kleur.
–
Activeer/deactiveer deze functie in de
stand FM onder FM-menu TP.
EON (Enhanced Other Networks)
Deze functie is vooral handig in stedelijke
gebieden met een groot aantal regionale radiozenders. Bij activering van de functie is de
afstand tot de zendmast van een radiozender
3
Activeer/deactiveer de functie door in
stand FM een van de alternatieven te kiezen onder FM-menu Geavanceerde
instellingen EON:
• EON Distant3 – Ook onderbreking als de
zendmast van de zender ver weg staat en
zijn signaal storingen vertoont.
TP via beluisterde zender/alle zenders
De radio kan alleen de weergave van de beluisterde zender onderbreken voor verkeersinformatie of de weergave van alle zenders binnen
het RDS-netwerk.
–
Ga in stand FM naar FM-menu
Geavanceerde instellingen TPfavoriet instellen om wijzigingen aan te
brengen.
Nieuws
Bij activering van deze functie wordt de weergave van de actieve geluidsbron onderbroken
voor een nieuwsuitzending via het RDS-netwerk van de zender waarop is afgestemd. Het
lampje NEWS geeft aan dat de functie actief is.
–
Activeer/deactiveer deze functie in de
stand FM onder FM-menu Nieuwsinstellingen Nieuws.
Nieuws via beluisterde zender/alle
zenders
De radio kan alleen de weergave van de beluisterde zender onderbreken voor nieuws of de
weergave van alle zenders in het RDS-netwerk.
–
Ga in stand FM naar FM-menu
Nieuws-instellingen Nieuws-favoriet
instellen om wijzigingen aan te brengen.
Programmatype, PTY
Met de functie PTY is het mogelijk en of meer
programmatypes te kiezen zoals popmuziek
en klassieke muziek. Het lampje PTY geeft aan
dat de functie actief is. Bij activering van deze
functie wordt de weergave van de actieve
geluidsbron onderbroken voor een uitzending
van het gekozen programmatype via het RDSnetwerk van de zender waarop is afgestemd.
06
1. Activeer de functie door in stand FM eerst
programmatypes te kiezen onder FM-
Fabrieksstandaard.
``
261
06 Infotainment
Radio
menu Geavanceerde instellingen
PTY-instellingen PTY kiezen.
2. Vervolgens dient u de PTY-functie te activeren onder FM-menu Geavanceerde
instellingen PTY-instellingen
Verkeersinfo van andere zenders
ontvangen.
Er verschijnt een indicatie op het beeldscherm
wanneer PTY geactiveerd is.
U deactiveert de PTY-functie in stand FM
onder FM-menu Geavanceerde
instellingen PTY-instellingen
Verkeersinfo van andere zenders
ontvangen. De gekozen programmatypes
(PTY) worden niet gereset.
06
Resetten en verwijderen van PTY is mogelijk
onder FM-menu Geavanceerde
instellingen PTY-instellingen PTY
kiezen Alles wissen.
PTY zoeken
Bij activering van deze functie wordt de gehele
frequentieband doorzocht op uitzendingen van
het gekozen programmatype.
4
262
Alleen auto’s met 7"-scherm.
1. Kies in stand FM een of meer PTY onder
FM-menu Geavanceerde instellingen
PTY-instellingen PTY kiezen.
–
2. Ga naar FM-menu Geavanceerde
instellingen PTY-instellingen PTY
zoeken.
Automatische afstemfunctie, AF
Druk op EXIT om te stoppen met zoeken.
–
Druk op
of
om verder te zoeken
naar een andere uitzending van een van de
gekozen programmatypes.
De functie stemt af op het best doorkomende
zendersignaal voor de beluisterde zender. Om
een sterk zendersignaal op te kunnen sporen
moet de functie soms de gehele FM-band
doorzoeken.
–
Programmatype weergeven
Het is mogelijk het programmatype van de zender die u op dat moment beluistert op het
beeldscherm weer te geven.
–
Activeer/deactiveer deze functie in de
stand FM onder FM-menu
Geavanceerde instellingen PTYinstellingen PTY-tekst tonen.
Radiotekst4
Sommige RDS-zenders geven informatie door
over de inhoud van de uitzendingen, uitvoerende artiesten e.d. Deze informatie kan op het
beeldscherm worden weergegeven.
Activeer/deactiveer deze functie in de
stand FM onder FM-menu Radiotekst
tonen.
Activeer/deactiveer deze functie in de
stand FM onder FM-menu
Geavanceerde instellingen
Alternatieve frequentie.
Regionale radioprogramma’s, REG
Deze functie maakt het mogelijk om op een
bepaalde regionale zender afgestemd te blijven ondanks dat het signaal zwak is. Het
lampje REG geeft aan dat de handsfree-functie
actief is.
–
Activeer/deactiveer deze functie in de
stand FM onder FM-menu
Geavanceerde instellingen REG.
RDS-functies resetten
Met deze kunt u alle fabrieksinstellingen voor
RDS herstellen.
06 Infotainment
Radio
–
Reset in de stand FM onder FM-menu
Geavanceerde instellingen Alle FMinstellingen resetten.
Volumeregeling programmatypes
De onderbrekende uitzendingen van het gekozen programmatype (bijvoorbeeld NEWS of
TP) worden weergegeven op het volume dat
voor het programmatype is gekozen. Als u het
volume tijdens de onderbreking bijregelt, wordt
het nieuwe volume opgeslagen voor een volgende onderbreking.
Frequentieband doorzoeken
Er wordt automatisch naar de beschikbare
kanalen gezocht, eventueel gefilterd op programmatype. Wanneer er een zender is gevonden, wordt deze ca. 10 seconden lang weergegeven voordat de zoekfunctie wordt voortgezet. Bij het beluisteren van een zender is de
zender op de normale manier op te slaan als
een van de voorkeuren, zie het gedeelte Voorkeuren, pagina 260 .
–
Om de scanfunctie te starten dient u in
stand FM/AM te gaan naar FM-menu
Scan of AM-menu Scan.
N.B.
Bij het opslaan van een zender wordt de
scanfunctie beëindigd.
Digitale radio (DAB)*
Algemeen
DAB (Digital Audio Broadcasting) is een systeem voor digitale overdracht van radiosignalen. Dit systeem ondersteunt DAB, DAB+ en
DMB.
N.B.
Er is niet overal dekking voor DAB. Als er
geen dekking is, verschijnt de melding
Geen ontvangst op het beeldscherm.
Service en Ensemble
•
Service – Kanaal, radiokanaal (het systeem biedt alleen ondersteuning voor
geluidsdiensten).
• Ensemble – Een groep radiokanalen die
op dezelfde frequentie zenden.
Radiokanalen programmeren (Groep
leren)
Wanneer de auto een nieuw zendgebied binnenrijdt dient het systeem mogelijk de gelegenheid te krijgen om de te ontvangen kanaalgroepen te programmeren.
Tijdens het programmeren van de kanaalgroepen wordt een bijgewerkte lijst van al de te
beluisteren kanaalgroepen aangemaakt. De
lijst wordt niet automatisch bijgewerkt.
De programmeerfunctie is uit te voeren in het
menusysteem in stand DAB onder DAB-menu
Ensemble programmeren. Programmeren
kan ook als volgt worden uitgevoerd:
1. Draai TUNE één stap links- of rechtsom.
> Ensemble programmeren verschijnt
boven aan de lijst met beschikbare
kanaalgroepen.
2. Druk op OK/MENU.
> Er gaat een nieuwe programmeringsopdracht van start.
De programmeringsfunctie is te annuleren met
EXIT.
Navigeren in kanaalgroepenlijst
(Ensemble)
De kanaalgroepenlijst is door te bladeren en te
openen door aan TUNE te draaien. Bovenaan
op het beeldscherm staat de naam van het
ensemble. Wanneer u wisselt naar een nieuw
ensemble, wordt de nieuwe naam weergegeven.
06
• Service – Geeft de kanalen weer ongeacht
de kanaalgroep waartoe ze behoren. De
lijst is tevens te filteren door een programmatype te kiezen (PTY-filter ), zie onder.
Scannen
Deze functie doorzoekt de actuele frequentieband automatisch op goed te ontvangen zen-
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
263
06 Infotainment
Radio
ders. Wanneer er een zender is gevonden,
wordt deze ca. 10 seconden lang weergegeven
voordat de zoekfunctie wordt voortgezet. Bij
het beluisteren van een zender is de zender op
de normale manier op te slaan als een van de
voorkeuren. Voor meer informatie over voorkeuren, zie ‘Voorkeuren’ hieronder.
U kiest een programmatype in stand DAB
onder DAB-menu PTY-filter . Verlaat deze
stand als volgt:
–
Bij gebruik van DAB-links tussen kanalen (zie
onder) is het mogelijk dat de DAB-radio de
PTY-stand verlaten.
Ga in stand DAB naar DAB-menu
Scan om de scanfunctie te starten.
N.B.
Bij het opslaan van een zender wordt de
scanfunctie beëindigd.
De scanfunctie is ook te kiezen in de stand
DAB-PTY. Dan worden uitsluitend kanalen van
het gekozen programmatype weergegeven.
06
Programmatype (PTY)
Met de functie programmatype kunt u verschillende soorten radioprogramma’s kiezen. Er
bestaan verschillende programmatypes voor
uiteenlopende soorten programmacategorieën. Wanneer u een bepaald programmatype
hebt gekozen, navigeert u uitsluitend binnen de
kanalen die programma’s van het gekozen
type uitzenden.
5
264
–
Druk op EXIT.
> Er verschijnt een indicatie op het beeldscherm wanneer PTY geactiveerd is.
Voorkeuren
U kunt per band 10 voorkeurzenders vastleggen. DAB heeft 2 geheugenbanken met voorkeurzenders: DAB1 en DAB2. Opslag van
voorkeurzenders vindt plaats door lang op de
gewenste sneltoets te drukken, voor meer
informatie zie pagina 260. U kiest een voorkeurzender met de sneltoetsen.
Een voorkeur bestaat uit een kanaal zonder
eventuele subkanalen. Als er tijdens het beluisteren van een subkanaal een voorkeurkanaal
vastgelegd wordt, wordt uitsluitend het hoofdkanaal geregistreerd. Dit komt omdat de subkanalen van tijdelijke aard zijn. Bij activering
van het bijbehorende voorkeurkanaal zal dan
ook het hoofdkanaal worden weergegeven
waartoe het subkanaal behoorde. De voor-
Geldt alleen voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
keurkanalen zijn niet gebonden aan de kanalenlijst.
U kunt een lijst met voorkeurzenders tonen5 op
het beeldscherm. De functie is in stand DAB te
activeren/deactiveren onder DAB-menu
Presets tonen.
N.B.
De DAB-functie van het audiosysteem biedt
geen ondersteuning voor alle mogelijkheden van de DAB-standaard.
Radiotekst
Sommige radiozenders geven informatie door
over de inhoud van de uitzendingen, uitvoerende artiesten e.d. Deze informatie wordt het
beeldscherm weergegeven.
De functie is in stand DAB te activeren/deactiveren onder DAB-menu Radiotekst tonen.
N.B.
Er kan telkens slechts een van de functies
“Radiotekst tonen” en “Presets tonen”
geactiveerd zijn. Wanneer een van de functies wordt ingeschakeld terwijl de andere al
actief is, wordt de eerder geactiveerde functie automatisch uitgeschakeld. Beide functies zijn mogelijk gedeactiveerd.
06 Infotainment
Radio
Geavanceerde instellingen
DAB naar DAB link
gekozen frequentieband is niet van invloed op
de opgeslagen voorkeuren.
‘DAB naar DAB link’ houdt in dat de DAB-radio
van een kanaal dat slecht of helemaal niet te
ontvangen is kan overschakelen op hetzelfde
kanaal in een andere kanaalgroep met een
betere ontvangst. Bij het veranderen van
kanaalgroep kan enige vertraging in de
geluidsweergave optreden. Vanaf het moment
dat het huidige kanaal verdwijnt en het nieuwe
kanaal toegankelijk wordt kan het geluid dan
ook enige tijd stilvallen.
De frequentieband is in stand DAB te deactiveren/activeren onder DAB-menu
Geavanceerde instellingen DAB-band.
De functie is in stand DAB te activeren/deactiveren onder DAB-menu Geavanceerde
instellingen DAB-verbinding.
Als er een of meer subkanalen bestaan verlinks van de kanaalschijnt het symbool
naam op het beeldscherm. Als er slechts één
subkanaal bestaat verschijnt het symbool links van de kanaalnaam op het beeldscherm.
Frequentieband
Subkanaal
Secundaire componenten worden vaak aangeduid als subkanalen. Dergelijke componenten zijn van tijdelijke aard en kunnen bijvoorbeeld uit vertalingen van het hoofdprogramma
bestaan.
DAB is in staat op twee6 frequentiebanden uit
te zenden:
Druk op
• Band III - dekt de meeste gebieden.
• LBand - alleen beschikbaar voor een paar
Subkanalen zijn uitsluitend te bereiken via het
gekozen hoofdkanaal en niet via een ander
kanaal.
gebieden.
Wanneer u alleen voor Band III kiest, verloopt
het programmeren van kanalen sneller dan als
u voor zowel Band III als LBand hebt gekozen.
Het is echter niet zeker dat alle kanaalgroepen
ook daadwerkelijk worden gevonden. De
6
voor informatie over Programmatype, PTY, zie
pagina 261. Deze informatie wordt het beeldscherm weergegeven.
De functie is in stand DAB te activeren/deactiveren onder DAB-menu Geavanceerde
instellingen PTY-tekst weergeven.
DAB-instellingen herstellen
Met deze kunt u alle fabrieksinstellingen voor
DAB herstellen.
–
Reset in de stand DAB onder DAB-menu
Geavanceerde instellingen Alle
DAB-instellingen resetten.
om het menu met subkanalen.
06
De weergave van subkanalen is in stand DAB
te deactiveren/activeren onder DAB-menu
Geavanceerde instellingen Subkanalen.
PTY-tekst
Sommige radiozenders versturen informatie
over programmatype en programmacategorie,
De beide frequentiebanden zijn niet in alle gebieden/landen in gebruik.
265
06 Infotainment
Mediaspeler
CD/DVD1-functies
Uw keuze bevestigen of het menu voor de
gekozen mediabron openen door te drukken op OK/MENU.
Disctrack voor-/achteruitspoelen en van
disctrack of hoofdstuk2 veranderen.
De mediaspeler ondersteunt de volgende
soorten discs en bestanden en kan deze met
andere woorden afspelen:
• Voorbespeelde cd-discs (CD Audio).
• Zelfgebrande cd’s met audio- en/of videobestanden1.
Bedieningspaneel op middenconsole.
Opening voor het invoeren/uitwerpen van
een disc
Knop MEDIA, activeert de laatst geactiveerde mediabron. Als er een mediabron is
geactiveerd, verschijnt er bij het indrukken
MEDIA een snelmenu met de meest
gebruikelijke menu-opties.
06
Disc uitwerpen
Cijfers en letters invoeren.
Tracks/mappen kiezen of menu-opties
doorbladeren door te draaien aan TUNE.
1
2
266
• Voorbespeelde video-dvd’s1.
• Zelfgebrande dvd’s1 met audio- en/of
videobestanden.
Voor meer informatie over de ondersteunde
formaten, zie pagina 269.
N.B.
Als de auto is uitgerust met een toetsenset* op het stuurwiel en/of een afstandsbediening*, kunt u deze meestal gebruiken in
plaats van de toetsen op de middenconsole. Voor een beschrijving van de toetsenset op het stuurwiel, zie zie pagina 248. Voor
een beschrijving van de afstandsbediening,
zie pagina 295.
Geldt alleen voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
Geldt alleen voor dvd-discs.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Menufuncties
U regelt de menufuncties van MEDIA vanaf de
middenconsole of via de toetsenset* op het
stuurwiel. Voor algemene informatie over
menufuncties en menusystemen, zie
pagina 250 en het menu-overzicht, zie
pagina 254.
Disc afspelen
Druk op de knop MEDIA, draai aan TUNE totdat Disk verschijnt en druk op OK/MENU. Als
er een disc in de mediaspeler zit, wordt deze
disc automatisch afgespeeld. Anders verschijnt Plaats disk op het beeldscherm. Plaats
vervolgens een disc met de tekstzijde omhoog.
De cd wordt automatisch afgespeeld.
Wanneer er een disc met audio-/videobestanden in de speler wordt geplaatst, dient de mapstructuur op de disc te worden ingelezen.
Afhankelijk van de kwaliteit van de disc en de
hoeveelheid gegevens die erop staan, kan het
enige tijd duren voordat de weergave van start
gaat.
Disc uitwerpen
Een disc blijft ca. 12 seconden lang in de uitgeworpen stand staan. Om veiligheidsredenen
wordt de disc vervolgens automatisch weer
naar binnen getrokken.
06 Infotainment
Mediaspeler
Pauze
Als het volume wordt uitgedraaid of MUTE
wordt ingedrukt, pauzeert de mediaspeler. Als
het volume wordt verhoogd of MUTE nogmaals
wordt ingedrukt, start de mediaspeler weer. U
kunt tevens pauzeren via het menusysteem3:
druk op OK/MENU en kies Play/pause.
Afspelen en navigeren
Audio-cd’s
Draai aan TUNE om de speellijst van de disc te
bekijken en door de lijst te navigeren. Met OK/
MENU wordt de trackkeuze bevestigd en de
weergave gestart. Druk op EXIT om te annuleren en de speellijst te verlaten. Lang indrukken van EXIT voert u naar het hoofdniveau van
de speellijst.
Wisselen van disctrack is ook mogelijk door te
/
op de middenconsole of
drukken op
op de toetsenset* op het stuurwiel.
Zelfgebrande discs met audio-/
videobestanden1
Draai aan TUNE om de speellijst/mapstructuur
van de disc te openen en door de lijst/structuur
te navigeren. Met OK/MENU wordt de gekozen submap bevestigd of de weergave van het
gekozen audio-/videobestand gestart. Druk op
3
1
4
EXIT om te annuleren en de speellijst te verlaten of een stap omhoog (terug) te zetten in de
mapstructuur. Lang indrukken van EXIT voert
u naar het hoofdniveau van de speellijst.
Wisselen van audio-/videobestand is ook
mogelijk door te drukken op
/
op de
middenconsole of op de toetsenset* op het
stuurwiel.
Audiobestanden hebben het symbool
videobestanden1 hebben het symbool
en mappen hebben het symbool
.
N.B.
Videoweergave is uitsluitend mogelijk wanneer de auto stilstaat. Wanneer de auto
sneller rijdt dan ca. 8 km/h, verschijnt er
geen beeld en staat Geen visuele media
tijdens het rijden op het beeldscherm. Het
geluid wordt echter wel weergegeven. Het
beeld verschijnt weer, zodra de rijsnelheid is
gedaald tot onder ca. 6 km/h.
,
Wanneer het afspelen van een bestand klaar is,
worden de andere bestanden (van hetzelfde
type) in de actuele map afgespeeld. Er wordt
automatisch van map gewisseld4, wanneer alle
bestanden in een de actuele map afgespeeld
zijn. Het systeem registreert automatisch of er
een disc met alleen audiobestanden of alleen
videobestanden in de mediaspeler wordt
geplaatst, past de instellingen aan en speelt de
bestanden vervolgens af. Het systeem past de
instelling echter niet aan, als er een disc met
een mix van audio- en videobestanden in de
mediaspeler wordt geplaatst maar blijft in dat
geval het voorgaande bestandtype afspelen.
N.B.
Het is mogelijk dat de speler audiobestanden met kopieerbeveiliging van de platenmaatschappijen of zelfgebrande audiobestanden niet kan lezen.
Video-dvd’s1
Voor het afspelen van video-dvd’s, zie
pagina 268.
06
Vooruit-/achteruitspoelen
Houd de toetsen
/
ingedrukt om vooruit/achteruit te spoelen. Voor audiobestanden
geldt één snelheid, terwijl videobestanden op
meerdere snelheden voor- en achteruit te
spoelen zijn. Druk herhaalde malen achtereen
/
om bij videobestanden
op de toetsen
sneller voor- of achteruit te spoelen. Laat de
Geldt niet voor audio-cd’s
Geldt alleen voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
Dit gebeurt niet, als Map herhalen geactiveerd is.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
267
06 Infotainment
Mediaspeler
toets weer los om de video weer op normale
snelheid weer te geven.
3. Druk op OK/MENU om de functie te activeren/deactiveren.
Scannen5
Bij activering van deze functie worden van alle
disctracks/audiobestanden de eerste tien
seconden weergegeven. Om te scannen:
Wisselen van disctrack/audiobestand is mogelijk door te drukken op
/
op de middenconsole of op de toetsenset* op het stuurwiel.
1. Druk op OK/MENU
Map herhalen6
2. Draai aan TUNE totdat Scan verschijnt
> Van alle tracks of muziekbestanden
worden de eerste 10 seconden weergegeven.
Deze functie maakt het mogelijk om de weergave van de bestanden in een map eindeloos
te herhalen. Wanneer het laatste bestand helemaal afgespeeld is, wordt het eerste bestand
opnieuw weergegeven.
3. Beëindig de scanfunctie met EXIT, waarna
de weergave van het actuele nummer of
muziekbestand op de disc wordt voortgezet.
Willekeurige afspeelvolgorde5
06
Bij activering van deze functie speelt de speler
de tracks/muziekbestanden in willekeurige
volgorde af. Om de tracks in willekeurige volgorde te beluisteren:
1. Druk op OK/MENU
2. Draai aan TUNE totdat Willekeurige
weergave verschijnt
5
6
1
268
Navigeren in eigen menu video-dvd
1. Druk op OK/MENU
2. Draai aan TUNE totdat Map herhalen verschijnt
3. Druk op OK/MENU om de functie te activeren/deactiveren.
Video-dvd’s afspelen1
Afspelen
Tijdens het afspelen van een video-dvd verschijnt er mogelijk een discmenu op het beeldscherm. Via het discmenu hebt u toegang tot
extra functies en instellingen om bijvoorbeeld
ondertitels, geluidstracks, scènes te kiezen.
Geldt niet voor video-dvd’s.
Geldt alleen voor audio-/videobestanden op zelfgebrande discs of een USB-speler.
Geldt alleen voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
N.B.
Videoweergave is uitsluitend mogelijk wanneer de auto stilstaat. Wanneer de auto
sneller rijdt dan ca. 8 km/h, verschijnt er
geen beeld en staat Geen visuele media
tijdens het rijden op het beeldscherm. Het
geluid wordt echter wel weergegeven. Het
beeld verschijnt weer, zodra de rijsnelheid is
gedaald tot onder ca. 6 km/h.
Met de bedieningselementen op de middenconsole kunt u navigeren in het eigen menu van
de video-dvd.
06 Infotainment
Mediaspeler
Van hoofdstuk of titel veranderen
Draai aan TUNE om de lijst met hoofdstukken
te openen en erin te navigeren (bij het afspelen
van een film wordt de film gepauzeerd). Druk
op OK/MENU om een hoofdstuk te kiezen en
terug te keren naar de uitgangspositie (als eerder een film werd afgespeeld, wordt deze film
voortgezet). Druk op EXIT om de titellijst te
openen.
In de titellijst kiest u een titel door te draaien
aan TUNE en bevestigt u uw keuze met OK/
MENU, waarna u terugkeert naar de lijst met
hoofdstukken. Druk op OK/MENU om uw
keuze te activeren en terug te keren naar de
uitgangspositie. Met EXIT annuleert u uw
keuze en keert u terug naar de uitgangspositie
(zonder een keuze te maken).
Wisselen van hoofdstuk is ook mogelijk door te
/
op de middenconsole of
drukken op
op de toetsenset* op het stuurwiel.
Geavanceerde instellingen7
Hoek
Met deze functie kunt u, op voorwaarde dat de
video-dvd dit ondersteunt, aangeven vanuit
welke camerapositie een bepaalde scène moet
worden weergegeven. Ga in de stand DISC
7
naar Diskmenu Geavanceerde
instellingen Hoek.
Druk om terug te keren naar de lijst met instellingen op OK/MENU of EXIT.
DivXŸ Video On Demand
De fabriekswaarden voor de beeldinstellingen
zijn te herstellen met de optie Reset.
Het is mogelijk de mediaspeler te registreren
voor weergave van bestanden van het type
DivX VOD op zelfgebrande discs of een USBmedium. De registratiecode vindt u in het
menusysteem MY CAR onder Instellingen
Informatie DivX® VOD-code. Voor algemene informatie over de menufuncties onder
MY CAR, zie pagina 213.
Breng voor meer informatie een bezoek aan
www.divx.com/vod.
Beeldinstellingen7
Het is mogelijk de volgende instellingen voor
helderheid en contrast te wijzigen (op voorwaarde dat de auto stilstaat).
1. Druk op OK/MENU, kies voor
Beeldinstellingen en bevestig uw keuze
met OK/MENU.
Compatibele formaten
De mediaspeler kan tal van bestandstypen
afspelen en is compatibel met de formaten in
de volgende tabel.
N.B.
Dubbelzijdige schijven van het zogeheten
dual format-type (DVD Plus, CD-DVD) zijn
dikker dan normale cd’s. Het is dan ook niet
zeker of dergelijke schijven kunnen worden
afgespeeld en storingen zijn mogelijk.
Als een cd een mix van mp3- en CD-DAbestanden bevat, worden alle mp3-tracks
genegeerd.
06
2. Draai aan TUNE om de aan te passen
instelling te bereiken en bevestig uw keuze
met OK/MENU.
3. Pas de instelling aan door te draaien aan
TUNE en bevestig uw keuze met OK/
MENU.
Geldt voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
269
06 Infotainment
Mediaspeler
A
B
C
06
270
AudioformatenA
CD-Audio, mp3,
wma
AudioformatenB
CD-Audio, mp3,
wma, aac, m4a
VideoformatenC
CD-Video,
DVD-Video, divx,
avi, asf
Geldt voor Performance.
Geldt niet voor Performance.
Geldt alleen voor High Performance Multimedia en Premium
Sound Multimedia.
06 Infotainment
Externe geluidsbron via AUX/USB*-ingang
Algemeen
N.B.
Als de auto is uitgerust met een toetsenset* op het stuurwiel en/of een afstandsbediening*, kunt u deze meestal gebruiken in
plaats van de toetsen op de middenconsole. Voor een beschrijving van de toetsenset op het stuurwiel, zie zie pagina 248. Voor
een beschrijving van de afstandsbediening,
zie pagina 295.
Aansluitingspunten voor externe geluidsbronnen.
Via een van de aansluitingen in de middenconsole is het mogelijk een externe geluidsbron
(zoals een iPodŸ of mp3-speler) aan te sluiten
op het audiosysteem. Een op de USB-ingang
aangesloten geluidsbron is vervolgens te
bedienen1 via de geluidsregeling van de auto.
Een eenheid die is aangesloten op de AUXingang valt echter niet te bedienen via de
geluidsregeling van de auto.
Rechts achter aan de middenconsole zit een
uitsparing voor kabels, zodat u de klep kunt
sluiten zonder dat de kabels bekneld komen te
zitten.
1
Een iPodŸ of mp3-speler met oplaadbare batterijen wordt opgeladen (wanneer het contact
ingeschakeld is of de motor loopt), als het
apparaat aangesloten is op de USB-aansluiting.
Geluidsbron aansluiten:
1. Druk op MEDIA, draai TUNE naar de
gewenste geluidsbron USB, iPod of AUX
en druk op OK/MENU.
> Als u USB kiest, verschijnt USB
aansluiten op het beeldscherm.
2. Sluit uw geluidsbron aan op een van de
aansluitingen in het opbergvak van de middenconsole (zie voorgaande afbeelding).
De tekst USB wordt gelezen verschijnt op het
beeldscherm, terwijl het systeem de bestanden op het opslagmedium inleest. Afhankelijk
van de bestandsstructuur en het aantal
bestanden kan het enige tijd duren voordat
alles ingelezen is.
N.B.
Het systeem biedt ondersteuning voor de
meeste iPodŸ-modellen die in 2005 of later
gemaakt zijn.
N.B.
Om schade tegen te gaan wordt de USBaansluiting gedeactiveerd bij kortsluiting of
als een aangesloten USB-eenheid te veel
stroom afneemt (dit is mogelijk als de aangesloten eenheid niet aan de USB-standaard voldoet). Als de volgende keer dat u
het contact inschakelt, blijkt dat de storing
verdwenen is, wordt de USB-aansluiting
automatisch opnieuw geactiveerd.
06
Menufuncties
U regelt de menufuncties van MEDIA vanaf de
middenconsole of via de toetsenset* op het
stuurwiel. Voor algemene informatie over
menufuncties en menusystemen, zie
pagina 250 en het menu-overzicht, zie
pagina 254.
Geldt alleen voor een mediabron die via de USB-aansluiting aangesloten is.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
271
06 Infotainment
Externe geluidsbron via AUX/USB*-ingang
Afspelen en navigeren2
Draai aan TUNE om de speellijst/mapstructuur
te openen en door de lijst/structuur te navigeren. Met OK/MENU wordt de gekozen submap
bevestigd of de weergave van het gekozen
audio-/videobestand gestart. Druk op EXIT om
te annuleren en de speellijst te verlaten of een
stap omhoog (terug) te zetten in de mapstructuur. Lang indrukken van EXIT voert u naar het
hoofdniveau van de speellijst.
Wisselen van audio-/videobestand is ook
/
op de
mogelijk door te drukken op
middenconsole of op de toetsenset* op het
stuurwiel.
Audiobestanden hebben het symbool
videobestanden3 hebben het symbool
en mappen hebben het symbool
.
06
Wanneer het afspelen van een bestand klaar is,
worden de andere bestanden (van hetzelfde
type) in de actuele map afgespeeld. Er wordt
automatisch van map gewisseld4, wanneer alle
bestanden in een de actuele map afgespeeld
zijn. Het systeem registreert automatisch of er
een eenheid met alleen audiobestanden of
2
3
4
5
6
272
,
alleen videobestanden op de USB-aansluiting
wordt aangesloten, past de instellingen aan en
speelt de bestanden vervolgens af. Het systeem past de instelling echter niet aan, als er
een eenheid met een mix van audio- en videobestanden op de USB-aansluiting wordt aangesloten maar blijft in dat geval het voorgaande
bestandtype afspelen.
Vooruit-/achteruitspoelen2
Zie pagina 267.
Scannen2
Zie pagina 268.
Willekeurige afspeelvolgorde2
U start de weergave van een bestand door te
drukken op OK/MENU.
Map herhalen5
Zie pagina 268.
Pauze
Als het volume wordt uitgedraaid of MUTE
wordt ingedrukt, pauzeert de mediaspeler. Als
het volume wordt verhoogd of MUTE nogmaals
wordt ingedrukt, start de mediaspeler weer. U
kunt tevens pauzeren via het menusysteem6:
druk op OK/MENU en kies Play/pause.
Zie pagina 268.
Zoekfunctie2
Met behulp van de toetsenset op het bedieningspaneel van de middenconsole kunt u een
bestandsnaam in de actuele map zoeken.
U kunt de zoekfunctie bereiken door te draaien
aan TUNE (om de mapstructuur te openen) of
door te drukken op een van de lettertoetsen.
Naarmate u meer letters of tekens van de
Geldt alleen voor USB-speler en iPodŸ.
Geldt voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
Dit gebeurt niet, als Map herhalen geactiveerd is.
Geldt alleen voor USB-speler.
Geldt niet voor iPodŸ
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
tekenreeks intypt worden de zoekresultaten
steeds verder verfijnd.
Geluidsbronnen
USB-geheugen
Om het gebruik van een USB-geheugen te vereenvoudigen is het beter alleen muziekbestanden in het geheugen op te slaan. Het inlezen
duurt aanzienlijk langer, wanneer er behalve
compatibele muziekbestanden nog andere
bestanden op het opslagmedium staan.
06 Infotainment
Externe geluidsbron via AUX/USB*-ingang
N.B.
Het systeem biedt ondersteuning voor
draagbare media die werken met USB 2.0
en het bestandssysteem FAT32 en kan
1000 mappen aan met maximaal 254 submappen/bestanden in elke map. Een uitzondering daarop vormt het hoogste
niveau, dat tot 1000 submappen/bestanden
kan bevatten.
USB Removable device/Mass Storage
Device te staan.
iPodŸ
Een iPodŸ wordt middels de aansluitkabel bijgeladen en gevoed door de USB-aansluiting*.
N.B.
Het systeem ondersteunt alleen de weergave van audiobestanden van iPodŸ.
N.B.
Bij gebruik van een langer USB-geheugen
wordt geadviseerd een USB-adapterkabel
te gebruiken. Dit om mechanische slijtage
aan de USB-ingang en het aangesloten
USB-geheugen tegen te gaan.
N.B.
Wanneer u muziek op een aangesloten
iPodŸ beluistert, hanteert het infotainmentsysteem een menustructuur vergelijkbaar
met die van de iPodŸ.
USB-hub
Er kan een USB-hub op de USB-aansluiting
worden aangesloten om op die manier meerdere USB-apparaten tegelijk aan te sluiten. U
kiest de USB-eenheid in de stand USB onder
USB-menu USB-apparaat kiezen.
Compatibele bestandsformaten bij
USB-aansluiting
06
Het systeem biedt ondersteuning voor de
audio- en videoformaten in de onderstaande
tabel bij weergave via de USB-aansluiting.
Mp3-speler
Veel mp3-spelers werken met hun eigen
bestandssysteem die niet ondersteund worden door het Infotainmentsysteem. Om een
dergelijke mp3-speler te kunnen gebruiken
binnen het systeem, dient de speler in de stand
A
Audioformaten
mp3, wma, aac,
m4a
VideoformatenA
divx, avi, asf
Geldt alleen voor High Performance Multimedia en Premium
Sound Multimedia.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
273
06 Infotainment
Media BluetoothŸ*
Algemeen
De mediaspeler in de auto is uitgerust met
BluetoothŸ1 en kan draadloos ‘streaming
audio’-bestanden afspelen op externe eenheden met BluetoothŸ zoals mobiele telefoons en
laptops. Navigatie en regeling van het geluid
zijn in dat geval te verrichten via de toetsen op
de middenconsole of via de toetsenset* op het
stuurwiel. Bij sommige externe eenheden is het
ook mogelijk op de eenheid zelf van track te
wisselen.
Om audio weer te geven moet de mediaspeler
van de auto eerst in stand Bluetooth worden
gezet.
N.B.
BluetoothŸ-mediaspelers moeten ondersteuning bieden voor de profielen Audio/
Video Remote Control Profile (AVRCP) en
Advanced Audio Distribution Profile (A2DP).
De speler dient AVRCP versie 1.3 en A2DP
1.2 te hanteren. Anders werken bepaalde
functies mogelijk niet.
Niet alle verkrijgbare mobiele telefoons en
externe mediaspelers zijn volledig compatibel met de BluetoothŸ-functie van de
mediaspeler van de auto. Volvo adviseert u
contact op te nemen met een erkende
Volvo-dealer of www.volvocars.com te
bezoeken voor informatie over compatibele
telefoons en externe mediaspelers.
N.B.
De mediaspeler van de auto kan alleen audiobestanden afspelen via de BluetoothŸfunctie.
06
Menufuncties
U regelt de menufuncties van MEDIA vanaf de
middenconsole of via de toetsenset* op het
stuurwiel. Voor algemene informatie over
menufuncties en menusystemen, zie
pagina 250 en het menu-overzicht, zie
pagina 254.
1
274
Geldt voor High Performance, High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Overzicht
Bedieningspaneel op middenconsole.
VOL – volume
Knop MEDIA. De laatst geactiveerde bron
(bijv. iPodŸ) wordt automatisch geactiveerd. Als er een bron is geactiveerd, verschijnt er bij het indrukken MEDIA een
snelmenu met de meest gebruikelijke
menu-opties.
Navigeren door het menu door te draaien
aan TUNE.
Uw keuze bevestigen of het menu openen
door te drukken op OK/MENU.
06 Infotainment
Media BluetoothŸ*
EXIT – Omhoog in het menusysteem,
annuleert de actuele functie.
Bij kort indrukken loopt u de audiobestanden door. Bij lang indrukken spoelt u
de audiobestanden voor- of achteruit.
N.B.
Als de auto is uitgerust met een toetsenset* op het stuurwiel en/of een afstandsbediening*, kunt u deze meestal gebruiken in
plaats van de toetsen op de middenconsole. Voor een beschrijving van de toetsenset op het stuurwiel, zie zie pagina 248. Voor
een beschrijving van de afstandsbediening,
zie pagina 295.
Beknopte bediening
Externe BluetoothŸ-eenheid aansluiten
U kunt maximaal tien externe eenheden koppelen. Aansluiting vindt op dezelfde plaats als
voor een telefoon, zie Externe Bluetooth®eenheid aansluiten, pagina 278.
Automatische aansluiting
Wanneer de BluetoothŸ-functie actief is en de
laatst aangesloten externe eenheid binnen het
bereik ligt, wordt deze automatisch opnieuw
aangesloten. Terwijl het infotainment op zoek
is naar de laatst aangesloten eenheid staat de
naam van deze eenheid op het beeldscherm.
Druk op EXIT voor aansluiting op een andere
eenheid. Sluit een nieuwe externe eenheid aan,
zie ‘Andere externe eenheid kiezen’ hieronder.
Andere externe eenheid kiezen
Als er meerdere eenheden in de auto aanwezig
zijn, kunt u van externe eenheid wisselen. De
eenheid moet echter wel eerst aan het systeem
gekoppeld zijn, zie ‘Externe Bluetooth®-eenheid aansluiten’ eerder. Om een andere eenheid te kiezen:
1. Druk op MEDIA, draai aan TUNE totdat
Bluetooth verschijnt en druk op OK/
MENU.
2. Controleer of de externe eenheid identificeerbaar/zichtbaar is via BluetoothŸ (zie de
gebruiksaanwijzing bij de externe eenheid).
3. Druk op OK/MENU.
4. Draai aan TUNE totdat Ander apparaat
verschijnt en bevestig uw keuze met OK/
MENU.
> Na enige tijd verschijnt de naam van de
externe eenheid op het beeldscherm.
Als er meerdere externe eenheden
gekoppeld zijn, verschijnen ook deze.
> De externe eenheid wordt vervolgens
aangesloten.
Wissel van audiobestand door te drukken op
/
op de middenconsole of door
gebruik te maken van de toetsenset* op het
stuurwiel.
Eenheid loskoppelen
De externe eenheid wordt automatisch losgekoppeld, als de externe telefoon buiten het
bereik van het infotainmentsysteem komt. Voor
meer informatie over de aansluiting, zie
pagina 275.
Aangesloten eenheid verwijderen
1. Druk in stand Bluetooth op OK/MENU.
2. Draai aan TUNE totdat Bluetoothapparaat verwijderen verschijnt en
bevestig uw keuze met OK/MENU.
3. Kies de te verwijderen eenheid door te
draaien aan TUNE en bevestig uw keuze
met OK/MENU.
> Op het beeldscherm verschijnt de vraag
of u de aansluiting wilt verwijderen.
06
4. Druk ter bevestiging op OK/MENU.
Druk op EXIT om te annuleren.
5. Kies de aan te sluiten eenheid door te
draaien aan TUNE en bevestig uw keuze
met OK/MENU.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
275
06 Infotainment
Media BluetoothŸ*
Willekeurige afspeelvolgorde2
Versie-informatie BluetoothŸ
Bij activering van deze functie worden de audiobestanden op de externe eenheid in willekeurige volgorde afgespeeld. Activeer/deactiveer
de willekeurige afspeelvolgorde in stand Bluetooth onder Bluetooth-menu Willekeurige
weergave.
De actuele BluetoothŸ-versie van de auto is in
stand Bluetooth te bekijken onder Bluetoothmenu Bluetooth-softwareversie in auto.
Wissel van audiobestand door te drukken op
/
op de middenconsole of door
gebruik te maken van de toetsenset* op het
stuurwiel.
Audiobestanden op externe eenheid
scannen2
06
Bij activering van deze functie worden van elk
audiobestand de eerste tien seconden weergegeven. Activeer/deactiveer de functie in
stand Bluetooth onder Bluetooth-menu
Scan.
Beëindig de functie scannen met EXIT.
2
276
Niet ondersteund door alle mobiele telefoons.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
06 Infotainment
BluetoothŸ-handsfree*
Algemeen
Overzicht
Een mobiele telefoon met BluetoothŸ is draadloos aan te sluiten op het infotainmentsysteem1. Het infotainmentsysteem werkt dan als
handsfree en biedt u de mogelijkheid om
enkele functies van uw mobiele telefoon op
afstand te bedienen. De microfoon waarvan
het systeem gebruik maakt zit bij de zonneklep
(2) aan bestuurderszijde. U kunt de mobiele
telefoon via de knoppen op de telefoon bedienen of de telefoon nu aangesloten is of niet.
Telefoonfuncties, overzicht
bedieningselementen
N.B.
Niet alle mobiele telefoons zijn volledig
compatibel met de handsfree-functie van
het audiosysteem. Volvo adviseert u contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats of www.volvocars.com te
bezoeken voor informatie over compatibele
telefoons.
Systeemoverzicht
Mobiele telefoon
Microfoon
Toetsenset op stuurwiel
Bedieningspaneel in middenconsole
Menufuncties
U regelt de menufuncties van TEL vanaf de
middenconsole of via de toetsenset* op het
stuurwiel. Voor algemene informatie over
menufuncties en menusystemen, zie
pagina 250 en het menu-overzicht, zie
pagina 254.
1
Bedieningspaneel op middenconsole.
Cijfer- en lettertoetsen
Knop TEL, activeert/zoekt de laatst aangesloten telefoon. Als er al een telefoon is
aangesloten, verschijnt er bij het indrukken
van TEL een snelmenu met de meest
gebruikelijke menu-opties voor de telefoon.
06
TUNE – In de normaalweergave rechtsom
draaien voor toegang tot het telefoonboek
en linksom voor de gesprekslijst met alle
gesprekken. Tevens te gebruiken om de
opties op het beeldscherm door te bladeren.
Geldt voor High Performance, High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
277
06 Infotainment
BluetoothŸ-handsfree*
Beantwoord inkomende gesprekken,
bevestig uw keuze of open het telefoonmenu door te drukken op OK/MENU.
EXIT - Telefoongesprekken beëindigen/
weigeren, ingevoerde tekens wissen,
omhoog in het menusysteem en actieve
functie annuleren.
N.B.
Als de auto is uitgerust met een toetsenset* op het stuurwiel en/of een afstandsbediening*, kunt u deze meestal gebruiken in
plaats van de toetsen op de middenconsole. Voor een beschrijving van de toetsenset op het stuurwiel, zie zie pagina 248. Voor
een beschrijving van de afstandsbediening,
zie pagina 295.
06
Beknopte bedieningsinstructies
Activeren
Bij kort indrukken van TEL activeert/zoekt u de
laatst aangesloten telefoon. Als er al een telefoon is aangesloten, verschijnt er bij het indrukken van TEL een snelmenu met de meest
gebruikelijke menu-opties voor de telefoon.
Het symbool
geeft aan dat er telefoon is
aangesloten.
278
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Externe BluetoothŸ-eenheid aansluiten
U kunt maximaal tien externe eenheden koppelen. U hoeft een eenheid slechts eenmaal te
registreren. Na registratie hoeft de eenheid niet
langer zichtbaar/identificeerbaar te zijn.
U kunt twee BluetoothŸ-eenheden tegelijk
hebben aangesloten. Bijvoorbeeld een telefoon en een media-eenheid en u kunt tussen
de eenheden wisselen, zie pagina 279 of zie
pagina 275. U kunt tevens gebruik maken van
de telefoon, terwijl u via ‘streaming audio’
bestanden op de media-eenheid beluistert.
Hoe u een externe eenheid aansluit hangt af
van de vraag of dezelfde eenheid al dan niet
eerder aangesloten was.
Als het de eerste keer is dat u de eenheid aansluit, dan moet u de onderstaande aansluitalternatieven aanhouden.
U kunt op twee manieren eenheden aansluiten:
ofwel zoekt u de externe eenheid vanuit de
auto ofwel zoekt u de auto vanaf de externe
eenheid. Als de ene manier niet werkt, kunt u
de andere proberen.
Alternatief 1 - externe eenheid zoeken via het
menusysteem in de auto
1. Maak de externe eenheid identificeerbaar/
zichtbaar via BluetoothŸ, zie daarvoor de
gebruiksaanwijzing bij de externe eenheid
of bezoek www.volvocars.com.
2. Druk op TEL.
> De auto zoekt naar eerder aangesloten
eenheden.
3. Activeer BluetoothŸ in de auto. Druk op
OK/MENU, kies Telefoon toevoegen of
Telefoon wijzigen als er al een andere
telefoon is aangesloten.
Als u al eerder een of meer eenheden had
aangesloten, worden ook deze weergegeven. Kies de aan te sluiten eenheid en druk
op OK/MENU.
> De menu-optie wordt het beeldscherm
weergegeven.
4. Controleer of de BluetoothŸ-functie van de
externe eenheid is ingeschakeld en druk
op OK/MENU.
> De auto zoekt naar externe eenheden in
de buurt. Er wordt ongeveer 30 seconden gezocht. De gevonden externe eenheden verschijnen met hun BluetoothŸnaam op het beeldscherm van de middenconsole. De BluetoothŸ-naam van
de handsfree-functie verschijnt als My
Volvo Car op de externe eenheid.
5. Draai aan TUNE om een van de externe
eenheden op het beeldscherm in de auto
06 Infotainment
BluetoothŸ-handsfree*
te kiezen en bevestig uw keuze met OK/
MENU.
6. Voer via het toetsenblok van de te registreren mobiele telefoon de cijfercode (pincode) in die op het beeldscherm van de
auto staat en druk op de toets van de mobiele telefoon waarmee u uw keuze bevestigt.
3. Identificeer de auto met de BluetoothŸfunctie van de externe eenheid (zie daarvoor de gebruiksaanwijzing bij de externe
eenheid).
4. Kies My Volvo Car in de lijst met gevonden eenheden op de externe eenheid.
De externe eenheid wordt vervolgens aangesloten op de auto en kan via de auto worden
bediend.
5. Voer een willekeurige pincode in via de
toetsenset van de mobiele telefoon, als er
om de pincode wordt gevraagd. Voer vervolgens dezelfde pincode in via de toetsenset in de auto.
Als het aansluiten van een telefoon mislukt:
Druk op EXIT en sluit aan volgens alternatief 2.
6. Kies voor aansluiting op My Volvo Car
vanaf de externe eenheid.
Als het aansluiten van een media-eenheid mislukt: Sluit aan volgens alternatief 2.
Wanneer er een aansluiting tot stand gebracht
is, verschijnt de BluetoothŸ-naam van de
externe eenheid op het beeldscherm. U kunt
de externe eenheid vervolgens via de auto
bedienen.
Alternatief 2 - auto zoeken vanaf de externe
eenheid
1. Druk op TEL.
Als er al een externe eenheid is aangesloten, moet u deze uitschakelen.
> De auto zoekt naar eerder aangesloten
eenheden.
2. Maak de auto identificeerbaar/zichtbaar
via BluetoothŸ. Druk op OK/MENU en kies
Telefooninstellingen Herkenbaar .
Automatische aansluiting
Wanneer de handsfree-functie actief is en de
laatst aangesloten mobiele telefoon binnen het
bereik ligt, wordt deze telefoon automatisch
opnieuw aangesloten. Als de laatst aangesloten mobiele telefoon niet beschikbaar is, probeert het systeem een eerder gekoppelde
mobiele telefoon aan te sluiten. Terwijl het
audiosysteem op zoek is naar de laatst aangesloten eenheid staat de naam van deze telefoon op het beeldscherm.
Handmatige aansluiting
Ga om van aangesloten mobiele telefoon te
wisselen in de telefoonstand naar
Telefoonmenu Telefoon wijzigen.
Andere externe eenheid kiezen
Als er meerdere eenheden in de auto aanwezig
zijn, kunt u van externe eenheid wisselen. De
eenheid moet daarvoor wel eerst gekoppeld
zijn aan de auto, zie Externe Bluetooth®-eenheid aansluiten. Om een andere eenheid te kiezen:
1. Controleer of de externe eenheid identificeerbaar/zichtbaar is via BluetoothŸ (zie de
gebruiksaanwijzing bij de externe eenheid).
2. Druk op TEL en kies daarna Telefoon
wijzigen.
> De auto zoekt naar eerder aangesloten
eenheden. De gevonden externe eenheden verschijnen met hun BluetoothŸnaam op het beeldscherm van de middenconsole.
06
3. Kies de aan te sluiten eenheid door te
draaien aan TUNE en bevestig uw keuze
met OK/MENU.
> De externe eenheid wordt vervolgens
aangesloten.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
279
06 Infotainment
BluetoothŸ-handsfree*
Bellen
1. Zorg dat het lampje
boven aan het
beeldscherm staat en dat de handsfreefunctie in de telefoonstand staat.
2. Voer ofwel het gewenste nummer of snelnummer in, zie pagina 285. Of draai in de
normaalweergave TUNE rechtsom voor
toegang tot het telefoonboek of linksom
voor de gesprekslijst met alle gesprekken.
Voor informatie over het telefoonboek, zie
pagina 281.
3. Druk op OK/MENU.
U beëindigt het gesprek met EXIT.
Mobiele telefoon uitschakelen
06
De mobiele telefoon wordt automatisch losgekoppeld, als de telefoon buiten het bereik van
het audiosysteem komt. De koppeling met de
mobiele telefoon is handmatig te verbreken in
de telefoonstand onder Telefoonmenu
Telefoon uit. Voor meer informatie over de
aansluiting, zie pagina 278.
De handsfree-functie wordt gedeactiveerd bij
het afzetten van de motor en het openen van
een portier2.
Wanneer de mobiele telefoon is losgekoppeld,
kunt u een eventueel lopend gesprek voortzet-
2
280
Alleen Keyless drive.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
ten met behulp van de ingebouwde microfoon
en luidspreker van de mobiele telefoon.
N.B.
Ook als de mobiele telefoon handmatig
wordt losgekoppeld, kunnen bepaalde
mobiele telefoons automatisch opnieuw
verbinding maken met de laatst aangesloten handsfree-eenheid, bijvoorbeeld bij het
starten van een nieuw gesprek.
Eenheid verwijderen
Een aangesloten mobiele telefoon is te ontkoppelen en te verwijderen. U doet dat in de
telefoonstand onder Telefoonmenu
Bluetooth-apparaat verwijderen.
Gespreksfuncties
Inkomend gesprek
–
Druk op OK/MENU om een gesprek aan te
nemen, ook staat het audiosysteem in de
stand RADIO of MEDIA.
Met EXIT kunt u een gesprek weigeren of
beëindigen.
Automatisch antwoord
Met de functie Automatisch antwoord is het
mogelijk gesprekken automatisch te beantwoorden.
–
Activeer/deactiveer de functie in telefoonstand onder Telefoonmenu
Bel-opties Automatisch opnemen.
Menu tijdens gesprek
Druk tijdens een gesprek op OK/MENU om
toegang te krijgen tot de volgende functies:
• Mute – Microfoon van het audiosysteem
uitschakelen.
• Mobiele telefoon - Gesprek doorschakelen naar de mobiele telefoon. Bij sommige
mobiele telefoons wordt de koppeling verbroken. Dit is volkomen normaal. Het
handsfree-systeem vraagt vervolgens of u
opnieuw wilt koppelen.
• Nummer kiezen - mogelijkheid om een
tweede gesprek te starten met behulp van
de cijfertoetsen (het eerste gesprek wordt
daarbij stand-by gezet).
Gesprekslijsten
De gesprekslijsten worden bij iedere nieuwe
aansluiting naar de handsfree-functie gekopieerd en worden vervolgens tijdens de aansluiting bijgehouden. Draai in de normaalweergave
06 Infotainment
BluetoothŸ-handsfree*
TUNE linksom om de gesprekslijst voor Alle
gesprekken te zien.
Audio-instellingen
In de telefoonstand zijn onder Telefoonmenu
Bellijst alle gesprekslijsten te zien:
Het gespreksvolume is alleen tijdens een
gesprek te wijzigen. Gebruik de toetsenset* op
het stuurwiel of draai aan de knop VOL.
•
•
•
•
•
Alle gesprekken
Gemiste oproepen
Volume audiosysteem
Beantwoorde gesprekken
Zolang er geen telefoongesprek wordt
gevoerd, kunt u het volume van het audiosysteem op de gebruikelijke wijze bijregelen door
te draaien aan VOL.
Gekozen nummers
Gespreksduur
N.B.
Sommige mobiele telefoons geven de lijst
met de laatst gebelde nummers in omgekeerde volgorde weer.
Voicemail
In de normaalweergave is het mogelijk een
snelnummer voor voicemail te programmeren
die u vervolgens kunt bereiken door lang te
drukken op 1.
Het nummer van de voicemail is in de telefoonstand te wijzigen onder Telefoonmenu Belopties Voicemailnummer Nummer
wijzigen. Als er nog geen nummer opgeslagen
is, kunt u het bijbehorende menu openen door
lang op 1 te drukken.
3
Tel.-gespreksvol.
Het is mogelijk de weergave van een actieve
geluidsbron automatisch te onderdrukken bij
inkomende gesprekken. Activeer/deactiveer
de functie in telefoonstand onder
Telefoonmenu Telefooninstellingen
Geluiden en volume Mute radio .
kiezen onder Telefoonmenu
Telefooninstellingen Geluiden en volume
Beltonen Belsignaal 1 enz.
N.B.
Voor bepaalde mobiele telefoons geldt dat
de belsignalen van de aangesloten mobiele
telefoon niet worden uitgeschakeld bij
gebruik van de geïntegreerde signalen van
het handsfree-systeem.
Ga om de beltonen3 van de aangesloten telefoon te gebruiken in de telefoonstand naar
Telefoonmenu Telefooninstellingen
Geluiden en volume Beltonen GSMringtone.
Beltoonvolume
Telefoonboek
Ga in de telefoonstand naar Telefoonmenu
Telefooninstellingen Geluiden en volume
Beltoonvolume en draai aan VOL om te
wijzigen. Druk op OK/MENU om het volume te
horen. Druk op EXIT om op te slaan.
Er zijn twee telefoonboeken. Deze worden in de
auto samengevoegd en als één gemeenschappelijk telefoonboek in de auto getoond.
Belsignalen
In de telefoonstand kunt u een van de ingebouwde beltonen van de handsfree-functie
06
• De auto downloadt het telefoonboek van
de aangesloten mobiele telefoon en toont
dit telefoonboek alleen, wanneer de mobiele telefoon waaruit het telefoonboek
afkomstig is aangesloten is.
• Ook de auto heeft een ingebouwd telefoonboek. Hierin worden alle contactper-
Niet ondersteund door alle mobiele telefoons.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
281
06 Infotainment
BluetoothŸ-handsfree*
sonen opgeslagen, onafhankelijk van de
vraag welke telefoon er tijdens de opslag
aangesloten. Deze contactpersonen zijn
zichtbaar voor alle gebruikers, ongeacht
de telefoon die aan de auto gekoppeld is.
Als een contactpersoon opgeslagen is in
het telefoonboek van de auto, verschijnt
vóór deze contactperhet symbool
soon.
N.B.
06
Bij wijzigingen van een post in het telefoonboek van de mobiele telefoon vanuit het
telefoonsysteem in de auto, wordt er een
nieuwe post in het telefoonboek van de auto
aangemaakt. De wijziging wordt met andere
woorden niet opgeslagen in de mobiele
telefoon. In de auto ziet u vervolgens dubbele posten, met verschillende icoontjes.
Let er tevens op dat het opslaan van snelnummers of het wijzigen van een contactpersoon een nieuwe post oplevert in het
telefoonboek van de auto.
Voor alle telefoonboekfuncties dient het symbool
boven aan het beeldscherm en de
handsfree-functie in de telefoonstand te staan.
Het audiosysteem slaat van elk van de gekoppelde mobiele telefoons een kopie van het telefoonboek op. Het telefoonboek kan bij iedere
282
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
aansluiting automatisch naar het audiosysteem worden gekopieerd.
–
Activeer/deactiveer de functie in telefoonstand onder Telefoonmenu
Telefooninstellingen Telefoonboek
downloaden.
Als het telefoonboek de contactgegevens
bevat van de persoon die belt, verschijnen
deze op het beeldscherm.
Snelzoekfunctie contactpersonen
Draai in de normaalweergave TUNE rechtsom
om een lijst met contactpersonen te openen.
Draai aan TUNE om een contactpersoon te
kiezen en druk op OK/MENU om te bellen.
Onder de naam van de contactpersoon staat
het telefoonnummer dat als standaardnummer
is gekozen. Als rechts van de contactpersoon
het symbool ! staat, zijn er meerdere telefoonnummers van de contactpersoon opgeslagen.
Druk op OK/MENU om de nummers weer te
geven. Kies een ander nummer dan het standaardnummer en bel door te draaien aan de
knop TUNE. Druk op OK/MENU om te bellen.
Doorzoek de lijst met contactpersoon door via
de toetsenset van de middenconsole de eerste
letter(s) van de naam van de contactpersoon in
te typen (zie ‘Tekentabel toetsenset op middenconsole’ voor de functie van de toetsen).
De lijst met contactpersonen is vanaf de normaalweergave ook te bereiken door op de
toetsenset van de middenconsole de toets in
te drukken met de eerste letter van de naam
van de gezochte contactpersoon. Zo biedt lang
indrukken van de toets 6 rechtstreeks toegang
tot dat deel van de lijst waar de contactpersonen liggen die beginnen met de letter M.
Tekentabel toetsenset op
middenconsole
Toets
Functie
Spatie . , - ? @ : ; / ( ) 1
ABCÅÄÆÀÇ2
DEFÈÉ3
GHIÌ4
JKL5
MNOÖØÑÒ6
PQRSß7
TUVÜÙ8
06 Infotainment
BluetoothŸ-handsfree*
Toets
Functie
Contactpersonen zoeken
N.B.
Bij de uitvoering High Performance ontbreekt het tekstwiel, zodat u TUNE niet kunt
gebruiken voor de invoer van tekens maar
aangewezen bent op de cijfer- en lettertoetsen op het bedieningspaneel van de middenconsole.
WXYZ9
Wisselen tussen hoofdletters en
kleine letters.
+0pw
#*
Contactpersonen zoeken met het tekstwiel.
Tekenlijst
Invoerstand wijzigen (zie onderstaande
tabel)
Telefoonboek
Ga om een contactpersoon te zoeken of te
bewerken in de telefoonstand naar
Telefoonmenu Telefoonboek Zoeken.
4
1. Draai aan4 TUNE tot de gewenste letter
verschijnt en druk ter bevestiging op OK/
MENU. Ook de cijfer- en lettertoetsen van
het bedieningspaneel op de middenconsole zijn te gebruiken.
2. Ga verder met de volgende letter enz. In
het telefoonboek (3) verschijnt het resultaat
van de zoekopdracht.
3. Om over te schakelen op de invoer van cijfers of speciale tekens of het telefoonboek
te openen dient u aan TUNE te draaien,
totdat een van de opties (zie verklaring in
onderstaande tabel) in de lijst voor het wisselen van invoerstand (2) verschijnt en druk
vervolgens op OK/MENU.
06
Geldt alleen voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
283
06 Infotainment
BluetoothŸ-handsfree*
123/
ABC
Met OK/MENU kunt u wisselen
tussen cijfers en letters.
Overige
Met OK/MENU kunt u overschakelen op de invoer van speciale
tekens.
Nieuw contact
Opent het telefoonboek (3). Draai
aan TUNE om een contactpersoon te kiezen en druk op OK/
MENU om opgeslagen nummers
en overige informatie te bekijken.
Bij kort indrukken van EXIT wist u het laatst
ingevoerde teken. Bij lang indrukken van
EXIT wist u alle ingevoerde tekens.
06
Bij het indrukken van een cijfertoets op de middenconsole tijdens de weergave van het tekstwiel (zie bovenstaande afbeelding), verschijnt
op het beeldscherm een tekenlijst (1). Druk herhaalde malen op de cijfertoets totdat de
gewenste letter verschijnt en laat de toets weer
los. Ga verder met de volgende letter enz. Met
het indrukken van een volgende toets bevestigt
u de invoer van de voorgaande letter.
1. Druk, wanneer de regel Naam gemarkeerd
staat, op OK/MENU om de invoerstand te
openen (bovenstaande afbeelding).
Letters invoeren voor nieuwe contactpersoon.
Invoerstand wijzigen (zie onderstaande
tabel)
Invoerveld
Een nieuwe contactpersoon is in de telefoonstand toe te voegen onder Telefoonmenu
Telefoonboek Nieuw contact.
Houd om een cijfer in te voeren de toets met
het gewenste cijfer ingedrukt.
4
284
Geldt alleen voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
N.B.
Bij de uitvoering High Performance ontbreekt het tekstwiel, zodat u TUNE niet kunt
gebruiken voor de invoer van tekens maar
aangewezen bent op de cijfer- en lettertoetsen op het bedieningspaneel van de middenconsole.
2. Draai aan4 TUNE tot de gewenste letter
verschijnt en druk ter bevestiging op OK/
MENU. Ook de cijfer- en lettertoetsen van
het bedieningspaneel op de middenconsole zijn te gebruiken.
3. Ga verder met de volgende letter enz. In
het invoerveld (2) op het beeldscherm staat
de ingevoerde naam.
4. Om over te schakelen op de invoer van cijfers en/of speciale tekens of te wisselen
tussen grote/kleine letters e.d. dient u aan
TUNE te draaien, totdat een van de opties
(zie verklaring in onderstaande tabel) in de
lijst (1) verschijnt; druk vervolgens op OK/
MENU.
06 Infotainment
BluetoothŸ-handsfree*
Kies, wanneer u de volledige naam ingevoerd
hebt, OK in de lijst op het beeldscherm (1) en
druk op OK/MENU. Voer vervolgens het telefoonnummer in op hierboven beschreven
manier.
Druk wanneer u het telefoonnummer hebt ingevoerd op OK/MENU en geef het type telefoonnummer aan (GSM, Home, Werk of
Algemeen). Druk ter bevestiging op OK/
MENU.
Kies, wanneer alle gegevens ingevoerd zijn,
Contact opslaan in het menu om de contactpersoon op te slaan.
Met OK/MENU kunt u wisselen
tussen hoofdletters en kleine letters.
Druk op OK/MENU, de cursor
gaat naar het invoerveld (2)
boven aan het beeldscherm. U
kunt de cursor vervolgens met
TUNE naar de gewenste positie
verplaatsen om bijvoorbeeld
nieuwe letters in te voegen of letters te wissen met EXIT. Ga om
nieuwe letters te kunnen invoegen eerst terug naar de invoerstand door te drukken op OK/
MENU.
123/
ABC
Met OK/MENU kunt u wisselen
tussen cijfers en letters.
Overige
Met OK/MENU kunt u overschakelen op de invoer van speciale
tekens.
In de telefoonstand kunt u snelnummers
opslaan onder Telefoonmenu
Telefoonboek Verkort kiezen.
OK
Met Contact toevoegen kunt u
opslaan en teruggaan naar OK/
MENU.
In de telefoonstand is verkort kiezen mogelijk
met de cijfertoetsen op de toetsenset van de
middenconsole, door een cijfertoets en vervolgens op OK/MENU in te drukken. Als er geen
contactpersoon opgeslagen ligt onder het
gekozen snelnummer, krijgt u de gelegenheid
om alsnog een contactpersoon onder het
gekozen snelnummer op te slaan.
vCard ontvangen
Het is mogelijk om vCards van andere mobiele
telefoons (dan de eenheid die op dat moment
aangesloten op de auto) te ontvangen voor het
telefoonboek van de auto. Om dat mogelijk te
maken dient u de auto identificeerbaar te
maken voor BluetoothŸ. De functie wordt in de
telefoonstand geactiveerd onder
Telefoonmenu Telefoonboek vCard
ontvangen.
Geheugenstatus
De geheugenstatus van het telefoonboek van
de auto en die van het telefoonboek van de
aangesloten mobiele telefoon zijn in de telefoonstand te bekijken onder Telefoonmenu
Telefoonboek Geheugenstatus.
Snelnummers
Telefoonboek wissen
Het is mogelijk het telefoonboek van de auto te
wissen; u doet dat in de telefoonstand onder
Telefoonmenu Telefoonboek
Telefoonboek wissen .
06
N.B.
Bij het wissen van het telefoonboek van de
auto worden alleen de contactpersonen in
het telefoonboek van de auto verwijderd. De
contactpersonen in het telefoonboek van de
mobiele telefoon worden niet verwijderd.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
285
06 Infotainment
BluetoothŸ-handsfree*
Versie-informatie BluetoothŸ
De actuele BluetoothŸ-versie van de auto is in
de telefoonstand te bekijken onder
Telefoonmenu Telefooninstellingen
Bluetooth-softwareversie in auto.
06
286
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
06 Infotainment
Spraakherkenning* mobiele telefoon
Algemeen
De spraakherkenningsfunctie1 van het infotainmentsysteem biedt u de mogelijkheid om
bepaalde functies van een mobiele telefoon
met BluetoothŸ-aansluiting of van Volvo’s
navigatiesysteem, RTI (Road and Traffic
Information System) met uw stem te bedienen.
N.B.
•
•
1
In dit gedeelte staat aangegeven hoe u
gesproken commando’s kunt gebruiken om een mobiele telefoon met
BluetoothŸ-aansluiting te bedienen.
Voor gedetailleerde informatie over het
gebruik van een mobiele telefoon met
BluetoothŸ-aansluiting op het infotainmentsysteem in de auto, zie
pagina 277.
Volvo’s navigatiesysteem – RTI (Road
and Traffic Information System) – is
voorzien van een apart instructieboekje
met meer informatie over spraakherkenning en de mogelijke gesproken
commando’s voor bediening van het
systeem.
Het gebruik van stemcommando’s biedt
bedieningscomfort, leidt minder af en helpt u
om de aandacht op het verkeer vast te houden.
Taal
WAARSCHUWING
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige
manier bestuurt en de geldende verkeersregels in acht neemt.
De spraakherkenningsfunctie biedt u de mogelijkheid om bepaalde functies van een mobiele
telefoon met BluetoothŸ-aansluiting of van
Volvo’s navigatiesysteem, RTI (Road and
Traffic Information System) met uw stem te
bedienen, zonder daarvoor uw handen van het
stuur te hoeven nemen. De input vindt in dialoogvorm plaats met stemcommando’s van de
gebruiker en verbale antwoorden van het systeem. De spraakherkenningsfunctie maakt
gebruik van dezelfde microfoon als het
BluetoothŸ-handsfreesysteem (zie afbeelding
op pagina 277) en geeft antwoord via de luidsprekers in de auto.
Talenlijst.
Spraakherkenning is niet voor alle talen mogelijk. De beschikbare talen voor spraakherkenning zijn in de talenlijst aangegeven met een
pictogram,
. Het wijzigen van de taal doet u
in het menusysteem MY CAR, zie pagina 215.
06
Geldt alleen voor auto’s met Volvo’s navigatiesysteem, RTI (Road and Traffic Information System).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
287
06 Infotainment
Spraakherkenning* mobiele telefoon
commando’s op het beeldscherm van de
middenconsole.
Beknopte bedieningsinstructies
Let op het volgende bij het gebruik van de
spraakherkenningsfunctie:
• Spreek bij het geven van commando’s na
de toon, met normale stem in een normaal
tempo.
• Wacht met spreken, totdat het systeem
klaar is met antwoorden (zolang het systeem antwoordt, werkt de spraakherkenning namelijk niet).
• Houd portieren, zijruiten en schuifdak*
dicht.
Toetsenset op stuurwiel.
Toets voor spraakherkenning
• Vermijd achtergrondgeluiden in de passagiersruimte.
Systeem activeren
06
Voordat u een mobiele telefoon met stemcommando’s kunt bedienen, moet de mobiele telefoon via het BluetoothŸ-handsfreesysteem zijn
gekoppeld en aangesloten. Als u met een
stemcommando een telefoon probeert te
bedienen zonder dat er een mobiel aan het
systeem gekoppeld is, wordt u daarop attent
gemaakt. Voor informatie over het koppelen en
aansluiten van een mobiele telefoon, zie
pagina 278.
• Druk op de knop voor spraakherkenning (1)
om de functie te activeren en een dialoog
met stemcommando’s te starten. De functie toont dan enkele veelvoorkomende
288
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
N.B.
Bij twijfel over het te gebruiken commando
kunt u “Help” zeggen – het systeem geeft
dan enkele voorbeelden van commando’s
die u in de actuele situatie kunt gebruiken.
De gesproken commando’s zijn te annuleren door:
•
•
•
“Annuleren” te zeggen
•
op EXIT of een andere hoofdbronknop
(zoals MEDIA) te drukken.
niks te zeggen
lang op de stuurtoets voor spraakherkenning te drukken
Hulpfuncties spraakherkenning
• Instructie: Een functie die u vertrouwd
maakt met de functie en de juiste manier
om commando’s te geven.
• Stemtraining: Een functie die de spraakherkenningsfunctie de gelegenheid geeft
uw stem en uitspraak te leren kennen. De
functie kan de stemmen van twee verschillende gebruikersprofielen leren.
De hulpfuncties zijn te bereiken door te drukken op de knop MY CAR op het bedieningspaneel van de middenconsole en vervolgens
aan TUNE te draaien, totdat de menu-optie
van uw keuze verschijnt.
Instructie
De aanwijzingen zijn op twee manieren te starten:
N.B.
Instructies en stemtraining zijn alleen te
activeren wanneer de auto geparkeerd
staat.
• Druk op de knop voor spraakherkenning en
zeg “Steminstructies”.
• Activeer de instructiefunctie in het menusysteem MY CAR onder Instellingen
Spraakinstellingen
Spraakintroductie. Voor een beschrijving
van het menusysteem, zie pagina 213.
06 Infotainment
Spraakherkenning* mobiele telefoon
De instructie is opgesplitst in 3 lessen, die in
totaal zo’n 5 minuten duren. De functie start
met de eerste les. Om een les over te slaan en
naar de volgende te gaan, kunt u op de knop
voor spraakherkenning drukken en “Volgende”
zeggen. U kunt teruggaan naar de vorige les
door “Vorige” te zeggen.
Beëindig de instructie door de knop voor
spraakherkenning lang in te drukken.
Stemtraining
U krijgt tot vijftien zinnen te zien die u moet
inspreken. De stemtraining is te starten in het
menusysteem MY CAR onder Instellingen
Spraakinstellingen Spraaktraining. Kies
Gebruiker 1 of Gebruiker 2. Voor een
beschrijving van het menusysteem, zie
pagina 213.
Vergeet na afloop van de stemtraining niet om
uw gebruikersprofiel in te stellen onder
Gebruikersinstelling spraaksystem.
Meer instellingen in MY CAR
• Gebruikersinstelling – U kunt twee
gebruikersprofielen instellen. De functie is
te activeren in het menusysteem MY CAR
onder Instellingen Spraakinstellingen
Gebruikersinstelling spraaksystem.
Kies Gebruiker 1 of Gebruiker 2. Voor
een beschrijving van het menusysteem, zie
pagina 213.
• Stemvolume – Te wijzigen in het menusysteem MY CAR onder Instellingen
Spraakinstellingen Volume
mededelingen. Voor een beschrijving van
het menusysteem, zie pagina 213.
Stemcommando’s gebruiken
De bestuurder start een dialoog met stemcommando’s door te drukken op de knop voor
spraakherkenning (zie afbeelding op pagina
288).
Zodra een dialoog gestart is, verschijnen veelvoorkomende commando’s op het beeldscherm. Grijs gearceerde teksten of teksten
tussen haakjes maken geen deel uit van het
stemcommando.
Wanneer de bestuurder vertrouwd is met de
functie, kan hij/zij de dialoog verkorten door
systeemvragen over te slaan middels kort
indrukken van de knop voor spraakherkenning.
Commando’s zijn op meerdere manieren te
geven
Het commando “Telefoon bel contact” kan bijvoorbeeld als volgt worden gegeven:
• “Telefoon > Bel contact” – Zeg “Telefoon”,
wacht op antwoord van het systeem en
zeg vervolgens “Bel contact.”
of
• “Telefoon bel contact” – Zeg het hele commando in één keer.
Snelcommando’s
De snelcommando’s voor de telefoon zijn te
vinden in het menusysteem MY CAR onder
Instellingen Spraakinstellingen Lijst
van spraakcommando's
Telefooncommando's en Algemene
commando's. Voor een beschrijving van het
menusysteem, zie pagina 213.
Nummer bellen
De functie begrijpt de cijfers 0 (nul) tot en met
9 (negen). Het nummer is aan te geven door de
cijfers van het nummer elk afzonderlijk uit te
spreken, in groepjes te verdelen of in één keer
achter elkaar te noemen. Getallen groter dan
9 (negen) kan de functie niet hanteren. Zo kunt
u 10 (tien) of 11 (elf) niet gebruiken.
06
Hier volgt een voorbeeld van een dialoog met
stemcommando’s. De systeemreactie hangt
van de situatie af.
Gebruiker start de dialoog door het
zeggen van:
Telefoon > bel nummer
of
Telefoon bel nummer
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
289
06 Infotainment
Spraakherkenning* mobiele telefoon
Systeemreactie
Contactpersoon bellen
Nummer?
Met het onderstaande dialoog kunt u de geprogrammeerde contactpersonen in uw mobiele
telefoon bellen.
Gebruikersreactie
Noem de cijfers (eenheden zoals zes-achtzeven enz.) van het telefoonnummer. Als u
meerdere cijfers noemt en vervolgens pauzeert, zal het systeem ze herhalen en vervolgens “Doorgaan” zeggen.
Noem de rest van de cijfers. Sluit wanneer u
klaar bent het commando af door “Bel” te zeggen.
• U kunt het nummer ook aanpassen door de
commando’s “Correctie” (verwijdert de
laatst genoemde groep cijfers) of “Wissen”
(wist het genoemde nummer in zijn geheel)
te geven.
Bellen vanuit oproepregister
06
Met de onderstaande dialoog kunt u een nummer bellen in de gesprekslijsten in uw mobiele
telefoon.
Gebruiker start de dialoog door het
zeggen van:
Telefoon > bel vanuit oproepregister
of
Telefoon bel vanuit oproepregister
Beantwoord de vervolgvragen die het systeem
stelt.
290
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Gebruiker start de dialoog door het
zeggen van:
Telefoon > bel contact
zijn in het BluetoothŸ-handsfreesysteem, zie
pagina 281.
Gebruiker start de dialoog door het
zeggen van:
Telefoon > bel voicemail
of
Telefoon bel voicemail
of
Telefoon bel contact
Beantwoord de vervolgvragen die het systeem
stelt.
Let op het volgende bij het bellen van een contact:
• Als er meerdere contactpersonen bestaan
met vergelijkbare namen, verschijnen deze
op genummerde regels op het display. Het
systeem vraagt u een regelnummer te kiezen.
• Als alle beschikbare rijen niet tegelijkertijd
op het display kunnen worden getoond,
kunt u door “Omlaag” te zeggen omlaagbladeren in de lijst (en door “Omhoog” te
zeggen kunt u omhoogbladeren in de lijst).
Voicemail bellen
De onderstaande dialoog biedt u de mogelijk
uw voicemail te beluisteren om te controleren
of u berichten hebt ontvangen. Het telefoonnummer voor de voicemail moet geregistreerd
Beantwoord de vervolgvragen die het systeem
stelt.
06 Infotainment
TV - instelling*
Algemeen
N.B.
Dit systeem ondersteunt alleen tv-signalen
in die landen die in mpeg2-formaat uitzenden volgens de DVB-T-standaard. Het systeem biedt geen ondersteuning voor tv-signalen in mpeg-4-formaat of analoge tv-signalen.
N.B.
Tv-weergave is uitsluitend mogelijk wanneer de auto stilstaat. Wanneer de auto
sneller rijdt dan ca. 6 km/h, verschijnt er
geen beeld en staat Geen visuele media
tijdens het rijden op het beeldscherm. Het
geluid wordt echter wel weergegeven. Het
beeld komt terug wanneer de auto tot stilstand is gekomen.
Auto's met RSE schakelen de achterste
schermen niet uit.
N.B.
Overzicht
De ontvangst hangt niet alleen af van de
signaalsterkte maar ook van de signaalkwaliteit. Er kunnen storingen optreden wanneer
de zendersignalen bijvoorbeeld gehinderd
worden door hoge gebouwen of van zeer
grote afstand komen. De dekkingsgraad
kan eveneens variëren afhankelijk van waar
u zich bevindt.
BELANGRIJK
Voor het gebruik van dit product is mogelijk
kijk- en luistergeld verschuldigd.
Menufuncties
U regelt de menufuncties van MEDIA vanaf de
middenconsole of via de toetsenset* op het
stuurwiel. Voor algemene informatie over
menufuncties en menusystemen, zie
pagina 250 en het menu-overzicht, zie
pagina 254.
Bedieningspaneel op middenconsole.
Knop MEDIA. De laatst geactiveerde bron
(bijv. iPodŸ of tv) wordt geactiveerd. Als er
een bron is geactiveerd, verschijnt er bij het
indrukken MEDIA een snelmenu met de
meest gebruikelijke menu-opties.
Sneltoetsen, invoeren van cijfers.
06
In kanaallijsten of menu’s navigeren door
te draaien aan TUNE.
Uw keuze bevestigen of het menu openen
door te drukken op OK/MENU.
EXIT – Omhoog in het menusysteem,
annuleert de actuele functie.
Het volgende beschikbare kanaal is te
bekijken door te drukken op
/
.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
291
06 Infotainment
TV - instelling*
N.B.
Als de auto is uitgerust met een toetsenset* op het stuurwiel en/of een afstandsbediening*, kunt u deze meestal gebruiken in
plaats van de toetsen op de middenconsole. Voor een beschrijving van de toetsenset op het stuurwiel, zie zie pagina 248. Voor
een beschrijving van de afstandsbediening,
zie pagina 295.
Tv kijken
–
06
Druk op MEDIA, draai aan TUNE totdat
TV op het beeldscherm verschijnt en druk
op OK/MENU.
> Er wordt een zoekfunctie gestart en kort
daarna verschijnt het laatst bekeken
kanaal.
Van kanaal veranderen
U kunt als volgt van kanaal veranderen:
• Draai aan TUNE, waarna een lijst verschijnt
met alle beschikbare kanalen in het gebied.
Als een van deze kanalen al eerder werd
opgeslagen als voorkeur, verschijnt rechts
van de kanaalnaam het sneltoetsnummer.
Draai aan TUNE totdat u het gewenste
kanaal bereikt en druk op OK/MENU.
• Door te drukken op de sneltoetsen (0–9).
292
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
• Door kort op de toetsen
/
te drukken, waarna het eerstvolgende beschikbare kanaal in het gebied verschijnt.
N.B.
Als u van locatie verandert binnen het land
en bijvoorbeeld naar een andere stad rijdt,
zijn de voorkeurskanalen niet per definitie
beschikbaar omdat het frequentiegebied
mogelijk gewijzigd is. Start in dat geval een
nieuwe zoekopdracht om een nieuwe voorkeurslijst op te slaan, zie de functie
“Beschikbare tv-kanalen opslaan als voorkeurskanalen”, pagina 293.
N.B.
Als na bediening van de sneltoetsen geen
beeld verschijnt, kan dat komen doordat de
auto zich mogelijk niet meer bevindt in het
land waar naar tv-zenders werd gezocht (u
bent bijvoorbeeld van Duitsland naar Frankrijk gereden). U moet dan mogelijk een
ander land selecteren en opnieuw naar
kanalen zoeken starten.
Tv-kanalen zoeken/Voorkeurslijst
1. Druk in stand TV op OK/MENU.
2. Draai aan TUNE totdat u TV-menu bereikt
en druk op OK/MENU.
3. Draai aan TUNE totdat u Land kiezen
bereikt en druk op OK/MENU.
> Als er eerder een of meer landen werden
geselecteerd, dan verschijnen deze in
een lijst.
4. Draai aan TUNE totdat u Andere landen
bereikt of een van de eerder gekozen landen. Druk op OK/MENU.
> Er verschijnt een lijst met al de beschikbare landen.
5. Draai aan TUNE totdat u het land van uw
keuze (bijvoorbeeld Zweden) bereikt en
druk op OK/MENU.
> Er wordt automatisch gezocht naar de
beschikbare tv-kanalen. Deze zoekopdracht duurt even. Tijdens het zoeken
wordt het beeld weergegeven van alle
gevonden en als voorkeur vastgelegde
kanalen. Er verschijnt een melding wanneer de zoekopdracht afgerond is en het
beeld verschijnt dat bij het gekozen
kanaal hoort. Daarmee is een voorkeurslijst (max. 30 voorkeuren) aangemaakt en beschikbaar. Om van kanaal
te veranderen, zie pagina 292.
06 Infotainment
TV - instelling*
Het zoeken en vastleggen van voorkeuren kan
worden geannuleerd met EXIT.
Voorkeur kijker
De voorkeurslijst is te bewerken. U kunt de
volgorde van de kanalen in de voorkeurslijst
wijzigen. Een tv-kanaal kan op meerdere plaatsen in de voorkeurslijst voorkomen. De onderlinge positie van de tv-kanalen in de lijst kan
bovendien variëren.
Om de volgorde binnen de lijst met voorkeuren
te wijzigen dient u in stand TV te gaan naar TVmenu Presets sorteren.
1. Draai aan TUNE totdat u het te verplaatsen
kanaal in de lijst bereikt en bevestig uw
keuze met OK/MENU.
> Het gekozen kanaal staat gemarkeerd.
2. Draai aan TUNE totdat u de nieuwe positie
binnen de lijst bereikt en bevestig uw keuze
met OK/MENU.
> De kanalen wisselen vervolgens van
plaats.
Na de voorkeurskanalen (max. 30 stuks) volgen
al de resterende kanalen in het gebied. Het is
mogelijk een van deze kanalen in de lijst met
voorkeuren te zetten.
Beschikbare tv-kanalen opslaan als
voorkeurskanalen
Als de auto van locatie is veranderd binnen het
land en bijvoorbeeld naar een andere stad is
gereden, zijn de voorkeurskanalen niet per
definitie beschikbaar omdat het frequentiegebied mogelijk gewijzigd is. Start in dat geval
een nieuwe zoekopdracht om een nieuwe
voorkeurslijst op te slaan.
len in het gebied waar u zich bevindt. Wanneer
er een kanaal is gevonden, wordt deze ca. 10
seconden lang weergegeven voordat de zoekfunctie wordt voortgezet. U kunt de zoekfunctie stopzetten met EXIT, waarna het laatst
bekeken kanaal opnieuw wordt weergegeven.
De zoekfunctie is niet van invloed op de voorkeurslijst.
1. Druk in stand TV op OK/MENU.
Activeer de scanfunctie in stand TV onder TVmenu Scan.
2. Draai aan TUNE totdat u TV-menu bereikt
en druk op OK/MENU.
Teletekst
3. Draai aan TUNE totdat u Autostore
bereikt en druk op OK/MENU.
> Er wordt automatisch gezocht naar de
beschikbare tv-kanalen. Deze zoekopdracht duurt even. Tijdens het zoeken
wordt het beeld weergegeven van alle
gevonden en als voorkeur vastgelegde
kanalen. Er verschijnt een melding wanneer de zoekopdracht afgerond is en het
beeld verschijnt dat bij het gekozen
kanaal hoort. Daarmee is een voorkeurslijst (max. 30 voorkeuren) aangemaakt en beschikbaar. Om van kanaal
te veranderen, zie pagina 292.
Tv-kanalen scannen
Deze functie doorzoekt het actuele frequentiebereik automatisch op alle beschikbare kana-
U kunt als volgt teletekst bekijken:
1. Druk op de toets
diening.
op de afstandsbe-
2. Typ het paginanummer (3 cijfers) in met de
cijfertoetsen (0–9) om een pagina te kiezen.
> De pagina verschijnt automatisch.
06
Voer een ander paginanummer in of druk op de
toetsen
/
op de afstandsbediening om
van pagina te veranderen.
Keer terug naar het tv-beeld met EXIT of
op de afstandsbediebedien de toets
ning.
Teletekst is ook te bedienen met de gekleurde
knoppen op de afstandsbediening.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
293
06 Infotainment
TV - instelling*
Informatie over actueel programma
Druk op de toets INFO om informatie te bekijken over het actuele programma, het volgende
programma alsmede het starttijdstip. Wanneer
u nogmaals op de toets INFO drukt, valt soms
meer informatie over het actuele programma te
bekijken (zoals de tijd dat het begint en eindigt)
alsmede een korte beschrijving van het actuele
programma te lezen. Voor meer informatie over
de toets INFO, zie pagina 247.
Om terug te keren naar het tv-beeld dient u
enkele seconden te wachten of te drukken op
EXIT.
Beeldinstellingen
Het is mogelijk de instellingen voor helderheid
en contrast te wijzigen. Voor meer informatie,
zie pagina 269.
06
Wegvallende signalen
Als de signalen van het bekeken tv-kanaal
wegvalt, bevriest het beeld. Kort daarna verschijnt een melding die aangeeft dat de signalen van het actuele tv-kanaal zijn weggevallen
en dat er opnieuw naar het kanaal wordt
gezocht. Wanneer er opnieuw signalen binnenkomen, wordt het tv-kanaal meteen weergegeven. Wanneer de melding verschijnt, kunt u
uiteraard ook van kanaal veranderen.
294
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Als de melding Geen ontvangst, zoeken verschijnt, heeft het systeem geregistreerd dat de
signalen voor alle tv-kanalen zijn weggevallen.
U bent mogelijk een landsgrens gepasseerd
zonder de landinstelling van het systeem aan
te passen. Stel in dat geval het juiste land in
zoals aangegeven onder ‘Tv-kanalen zoeken/
Voorkeurslijst’, zie pagina 292.
06 Infotainment
Afstandsbediening*
Algemeen*
De afstandsbediening is te gebruiken voor alle
functies van het infotainmentsysteem. De toetsen op de afstandsbediening hebben dezelfde
functies als de overeenkomstige toetsen op de
middenconsole of de toetsenset* op het stuurwiel.
Druk bij gebruik van de afstandsbediening de
knop
op de afstandsbediening in stand
F. Richt de afstandsbediening vervolgens op
de IR-ontvanger, die rechts van de knop
INFO (zie pagina 247) op de middenconsole zit.
Als de auto is uitgerust met beeldschermen
achterin* en u een daarvan wilt bedienen, dient
u eerst het beeldscherm te kiezen met de knop
op de afstandsbediening. Richt de
afstandsbediening daarna op de IR-ontvanger
van het te bedienen beeldscherm, zie
pagina 297.
WAARSCHUWING
Bewaar losse voorwerpen, zoals een mobiele telefoon, camera, afstandsbediening
voor extra uitrusting e.d., in het dashboardkastje of andere opbergruimten. Bij krachtig
afremmen of een botsing kunnen deze
anders inzittenden verwonden.
N.B.
Leg de afstandsbediening niet in de felle zon
(zoals op het dashboard) – dan kunnen er
problemen met de batterijen ontstaan.
Functies
Toets
Functie
Wissel tussen:
L = beeldscherm links achterin*
F = Beeldscherm voorin
R = beeldscherm rechts achterin*
Overschakelen op navigatie*
Overschakelen op radiobron
(AM, FM1 etc.)
06
Overschakelen op mediabron
(Disk, TV* etc.)
Overschakelen op BluetoothŸhandsfree*
Achteruitbladeren/-spoelen, van
track/nummer wisselen.
Afspelen/Pauzeren
Komt overeen met TUNE op de middenconsole.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
295
06 Infotainment
Afstandsbediening*
Toets
Functie
Toets
Stoppen
Informatie over actueel programma, nummer etc. Tevens te
gebruiken als er meer informatie
beschikbaar is dan op het beeldscherm kan worden weergegeven.
Vooruitbladeren/-spoelen, van
track/nummer wisselen.
Menu
Taal geluidstrack kiezen
Teruggaan, functie beëindigen,
ingevoerde tekens wissen
Ondertiteling, ondertitelingstaal
kiezen
Omhoog/omlaag
Teletekst*, aan/uit
Naar rechts/links
Keuze bevestigen of menusysteem voor gekozen bron openen
06
Functie
Batterijen in afstandsbediening
vervangen
Volume verlagen
N.B.
Volume verhogen
0–9
Voorkeurskanalen kiezen, cijfers/
letters invoeren
Sneltoets voor ingestelde favorieten.
296
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
De batterijen gaan normaal 1–4 jaar mee,
afhankelijk van het gebruik van de afstandsbediening.
De afstandsbediening werkt op vier batterijen
van het type AA/LR6.
Neem bij lange ritten extra batterijen mee.
1. Duw de vergrendeling van het dekseltje op
het batterijvakje in en duw het deksel in de
richting van het IR-oog.
2. Verwijder de lege batterijen en leg de
nieuwe batterijen op de aangegeven
manier in het batterijvakje.
3. Plaats het dekseltjes terug.
N.B.
Lege batterijen moet u op een milieuvriendelijke manier inzamelen.
06 Infotainment
RSE - Rear Seat Entertainment system*
Overzicht
Beeldscherm
Algemeen
Hoofdtelefoonaansluiting
Het RSE-systeem is een entertainmentsysteem voor de achterpassagiers waarmee het
mogelijk is video te bekijken, muziek af te spelen, radio te luisteren, tv* te kijken of andere
randapparatuur (zoals een gameconsole) aan
te sluiten.
Aan/Uit-knop
A/V-AUX-ingang
Afstandsbediening
Hoofdtelefoon
IR-onvanger/-zender
Het RSE-systeem is volledig geïntegreerd in
het infotainmentsysteem van de auto en is
gelijktijdig met de andere functies van het infotainmentsysteem te gebruiken.
Ook als de achterpassagiers bijvoorbeeld
gebruik maken van de A/V-AUX-ingang of tv*
kijken en daarbij de hoofdtelefoon dragen, kun-
nen de bestuurder en een eventuele voorpassagier de radio of mediaspeler blijven beluisteren. Er kan echter slechts één disc tegelijk in
de mediaspeler worden afgespeeld. U kunt
muziek op een iPodŸ of ‘streaming audio’
weergeven via BluetoothŸ.
06
Het RSE-systeem is te bedienen via het beeldscherm voorin (oudertoezicht).
Het is mogelijk om verschillende media op uiteenlopende bronnen weer te geven of af te
spelen op de verschillende schermen. Het is
ook mogelijk om hetzelfde medium van
dezelfde bron op één of meer beeldschermen
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
297
06 Infotainment
RSE - Rear Seat Entertainment system*
(voor, rechtsachter of linksachter) weer te
geven of af te spelen. Het is niet mogelijk om
video op een USB-medium af te spelen, terwijl
er een cd- of dvd-disc wordt afgespeeld.
BELANGRIJK
Zorg er bij het inladen van bagage en grote
voorwerpen in de auto voor dat er voldoende afstand tot de beeldschermen in de
hoofdsteunen wordt gehouden om te voorkomen dat de beeldschermen krassen of
beschadigingen oplopen. Dek de beeldschermen bij het vervoer van lading op passende wijze af.
Stroomverbruik, contactslotstanden
Afstandsbediening
Het systeem is te activeren in contactslotstand
I of II en wanneer de motor loopt. Bij het starten
van de motor wordt de filmweergave tijdelijk
gestopt en voortgezet wanneer de motor is
aangeslagen.
Het RSE-systeem is voorzien van een
afstandsbediening. Met behulp daarvan kunt u
de functies van de verschillende beeldscherm
regelen. De afstandsbediening is ook te
gebruiken om de overige functies van het infotainmentsysteem te regelen, zelfs vanaf de
achterbank.
N.B.
Bij langdurig gebruik (meer dan 10 minuten)
van het systeem met de motor uitgeschakeld, kan de ladingstoestand van de accu
dusdanig verslechteren dat de motor startproblemen vertoont.
Voor informatie over de afstandsbediening, zie
pagina 295.
Draadloze hoofdtelefoons
Er verschijnt in dat geval een melding op het
scherm.
N.B.
06
Beeldschermen en afstandsbedieningen
werken niet bij extreem lage of hoge temperaturen – ze werken pas weer wanneer de
klimaatregeling voor een aanvaardbare
bedrijfstemperatuur in de passagiersruimte
heeft gezorgd.
Menufuncties
De menu’s voor RSE zijn te bedienen met de
afstandsbediening. Voor algemene informatie
over menufuncties en menusystemen, zie
pagina 304.
N.B.
Maak de lens van de IR-ontvanger regelmatig schoon met een vochtige doek, omdat
de afstandsbediening bij een verontreinigde
lens minder goed werkt.
Knop voor kanaal A CH.A of kanaal B CH.B
Aan/Uit-knop
Volume
Controlelampje Aan/Uit
298
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
06 Infotainment
RSE - Rear Seat Entertainment system*
Bij het RSE-systeem horen twee draadloze
hoofdtelefoons.
1. Draai het boutje los en haal het dekseltje
van het batterijvakje.
De draadloze hoofdtelefoons worden geactiveerd met de Aan/Uit-knop (2), waarna een
controlelampje (4) gaat branden. Kies uit
CH.A (kanaal A) of CH.B (kanaal B) met de
knop (1). Pas het volume aan met de volumeknop (3).
2. Verwijder beide batterijen en leg de nieuwe
batterijen op de aangegeven manier in het
batterijvakje.
De hoofdtelefoons worden automatisch uitgeschakeld, wanneer ze ca. 3 minuten niet
gebruikt zijn.
Milieuzorg
Batterijen in draadloze hoofdtelefoon
vervangen
Hoofdtelefoonaansluiting
De hoofdtelefoon werkt op twee batterijen van
het type AAA.
Neem bij lange ritten extra batterijen mee.
3. Breng het dekseltje aan en draai het boutje
vast.
Lege batterijen moet u op een milieuvriendelijke manier inzamelen!
snoeraansluiting en de luidsprekers van het
audiosysteem.
N.B.
De klant dient erop toe te zien dat de uitrusting die aangesloten is op de A/V-AUXingang of hoofdtelefoonaansluiting geen
storingen in het RSE-systeem van de auto
veroorzaakt.
Aansluiting op A/V-AUX-ingang
U kunt externe hoofdtelefoons aansluiten via
de hoofdtelefoonaansluiting (3,5 mm) aan de
zijkant van de hoofdsteunen, zie afbeelding op
pagina 297. Het volume is aan te passen met
de afstandsbediening.
06
A/V-AUX-ingang, 12V-aansluiting
De ingang dient om randapparatuur te kunnen
aansluiten. Volg altijd de aansluitinstructies op
van de fabrikant of de verkoper van de
gebruikte randapparatuur. Randapparatuur die
via de A/V-AUX-ingang van het RSE-systeem
is aangesloten kan gebruik maken van de
beeldschermen, de draadloze hoofdtelefoons,
de uitgangen voor hoofdtelefoons met een
De A/V-AUX-ingang zit onder de armleuning op de
middenconsole.
1. Sluit de videokabel aan op de gele ingang.
2. Sluit de linker geluidskabel aan op de witte
ingang en de rechter op de rode ingang.
Draadloze hoofdtelefoons.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
299
06 Infotainment
RSE - Rear Seat Entertainment system*
3. Sluit de voedingskabel aan op de elektrische aansluiting als de apparatuur op 12 V
werkt.
Volg altijd de aansluitinstructies bij de
gebruikte randapparatuur.
Rechts achter aan de middenconsole zit een
uitsparing voor kabels, zodat u de klep kunt
sluiten zonder dat de kabels bekneld komen te
zitten.
Voor de positie van de elektrische aansluiting,
zie pagina 242
Audio/video afspelen via de A/V-AUXingang
1. Schakel het beeldscherm achterin in door
de Aan/Uit-knop op het beeldscherm lang
in te drukken.
06
2. Richt de afstandsbediening op de IR-ontvanger op het beeldscherm en druk op
, draai TUNE naar A/V AUX en
bevestig uw keuze met
.
3. Schakel de apparatuur in en druk op
PLAY of iets dergelijks op de aangesloten
apparatuur.
Ingangsvolume
Het ingangsvolume is aan te passen in het
menu onder A/V AUX-ingangsvolume.
300
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Systeem activeren
Instellingen vanaf beeldscherm voorin
Het RSE-systeem kan vanaf het beeldscherm
voorin of vanaf de beeldschermen achterin
geactiveerd worden.
Druk, vanaf het beeldscherm voorin, op
MEDIA, draai TUNE naar RSE en bevestig uw
keuze met OK/MENU.
Voor activering vanaf de beeldschermen achterin dient u de Aan/Uit-knop op een van de
beeldschermen achterin in te drukken, vervolof
op de afstandsbediegens op
ning te drukken, aan TUNE te draaien en een
bron (bijvoorbeeld Disk) te kiezen en vervolgens uw keuze te bevestigen met
.
MEDIA
TUNE
OK/MENU
EXIT
Bron kiezen vanaf beeldschermen
achterin
Vanaf het beeldscherm voorin kunt u de (te
tonen of te spelen) bron kiezen voor het linker
en rechter beeldscherm achterin. U kunt voor
beide beeldschermen dezelfde bron aangeven
of verschillende bronnen voor het linker en
rechter beeldscherm achterin.
1. Druk op MEDIA, draai aan TUNE om
omlaag te gaan naar RSE op het beeld-
06 Infotainment
RSE - Rear Seat Entertainment system*
scherm en bevestig uw keuze met OK/
MENU.
2. Draai aan TUNE om te kiezen uit het beeldscherm links of rechts of allebei en bevestig uw keuze met OK/MENU.
3. Draai aan TUNE om te kiezen uit RADIO,
MEDIA (of RSE-instell.). Druk ter bevestiging op OK/MENU.
4. Draai aan TUNE totdat u de gewenste bron
hebt bereikt (bijvoorbeeld Disk) en bevestig uw keuze met OK/MENU. De gekozen
bron start automatisch (bijvoorbeeld als er
een disc in de mediaspeler zit).
Met EXIT kunt u annuleren en teruggaan.
De afstandsbediening is ook te gebruiken bij
het instellen. Voor meer informatie over de
afstandsbediening, zie pagina 295.
Kinderslot op tv*
Het is mogelijk een minimale leeftijdsgrens
voor tv-zenders in te stellen, zodat alleen
geschikte programma’s te bekijken zijn. De
instelling geldt voor beide beeldschermen achterin.
Activeer onder RSE-instell. TV-kinderslot,
volgens de stappen 2–4 in het gedeelte ‘Bron
kiezen vanaf beeldschermen achterin’, zie
pagina 300. Kies uit Leeftijd 0-6, Leeftijd
7-13, Leeftijd 14-18 of Geen kinderslot.
1
Geluid uit
Vanaf het beeldscherm voorin is het mogelijk
om het geluid van de beide beeldschermen
achterin uit te schakelen. U activeert de functie
onder RSE-instell. Dempen, volgens de
stappen 2–4 in het gedeelte ‘Bron kiezen vanaf
beeldschermen achterin’, zie pagina 300.
Beeldscherm uit
Vanaf het beeldscherm voorin is het mogelijk
om het beeld op de beide beeldschermen achterin uit te schakelen. U activeert de functie
onder RSE-instell. Display uit, volgens de
stappen 2–4 in het gedeelte ‘Bron kiezen vanaf
beeldschermen achterin’, zie pagina 300.
Druk op een van de cijfertoetsen (0–9) op de
afstandsbediening om de beeldweergave
opnieuw te activeren. Het beeldscherm staat
eveneens Aan bij inschakeling van het contact.
Afstandsbediening (beeldscherm voorin)
uitschakelen
U kunt de IR-ontvanger van het beeldscherm
voorin uitschakelen, zodat de afstandsbediening niet te gebruiken is voor het beeldscherm
voorin. U activeert de functie onder RSEinstell. Afstandsbediening (front) uit, volgens de stappen 2–4 in het gedeelte ‘Bron kiezen vanaf beeldschermen achterin’, zie
pagina 300.
Scherminstellingen1 beeldschermen
achterin
Tijdens het weergeven van videobestanden en
kijken van tv* kunt u een pop-upmenu openen
met een druk op
op de afstandsbediening. De inhoud van het pop-upmenu verschilt
afhankelijk van het gespeelde of getoonde
materiaal.
Dag-/Nacht-stand.
Het beeldscherm is afhankelijk van de lichtomstandigheden in drie verschillende standen te
zetten. Kies uit Auto, Dag of Nacht.
Druk op
op de afstandsbediening om van
stand te wisselen onder Modus Dag/Nacht op
het beeldscherm. Voor algemene informatie
over menufuncties en menusystemen, zie
pagina 304.
Beeldinstellingen
06
Het is mogelijk de instellingen voor helderheid,
contrast en kleur te wijzigen.
Druk op
op de afstandsbediening om van
stand te wisselen onder Beeldinstellingen op
het beeldscherm. Voor algemene informatie
over menufuncties en menusystemen, zie
pagina 304.
Alleen beschikbaar bij het weergeven van videobestanden en het kijken van tv*.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
301
06 Infotainment
RSE - Rear Seat Entertainment system*
Schermformaat
U hebt de keuze uit de schermformaten
Normaal, Zoom en Passend voor scherm.
Normaal - Het beeld wordt op normale grootte
weergegeven (doorgaans op 4:3- of 16:9-formaat).
Zoom - Het hele beeldscherm wordt gebruikt,
maar bepaalde delen van het beeld worden
weggeknipt.
Passend voor scherm - Het hele beeldscherm wordt gebruikt, maar de beeldverhoudingen zijn mogelijk iets verstoord.
Voor zover niet anders aangegeven, wordt het
beeld weergegeven in het schermformaat
Normaal.
06
op de afstandsbediening om van
Druk op
stand te wisselen onder Schermformaat op
het beeldscherm. Voor algemene informatie
over menufuncties en menusystemen, zie
pagina 304.
Bronmenu
De inhoud van het pop-upmenu voor het bronmenu hangt af van wat er afgespeeld of weergegeven wordt, bijvoorbeeld Menu
gegevens-CD/-DVD of USB-menu. Voor
2
3
4
302
Geldt alleen voor dvd-videodiscs.
Geldt voor cd-audio- en cd-/dvd-discs, USB en iPodŸ.
Geldt voor cd-/dvd-discs en USB.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
algemene informatie over menufuncties en
menusystemen, zie pagina 304.
Menu
dvd-disc2
Bij weergave van een dvd-videodisc verschijnt
deze menu-optie in het pop-upmenu. Voor
algemene informatie over menufuncties en
menusystemen, zie pagina 304.
USB-hub
Er kan een USB-hub op de USB-aansluiting
worden aangesloten, zie pagina 273.
Tv-instellingen*
Tv-kanalen zoeken/Voorkeurslijst
Zie pagina 292.
Menu-instellingen vanaf
beeldschermen achterin
Beschikbare tv-kanalen opslaan als
voorkeurskanalen
Voor algemene informatie over menufuncties
en menusystemen, zie pagina 304.
Zie pagina 293.
Willekeurige
afspeelvolgorde3
Tv-kanalen scannen
Zie pagina 293.
Zie pagina 268.
Map herhalen4
Zie pagina 268.
DivXŸ Video On Demand4
Het is mogelijk de mediaspeler te registreren
voor weergave van bestanden van het type
DivX VOD op zelfgebrande discs of een USBmedium. De registratiecode vindt u in de cd/
dvd- of USB-stand in het menu onder DivX®
VOD-code. Breng voor meer informatie een
bezoek aan www.divx.com/vod.
Muziek, video, radio en tv*
Muziek spelen
U kunt muziek afspelen in de vorm van tracks/
audiobestanden via de mediaspeler en de
USB/AUX-ingang in de auto of in de vorm van
‘streaming audio’-bestanden via een verbonden telefoon met BluetoothŸ-aansluiting.
06 Infotainment
RSE - Rear Seat Entertainment system*
N.B.
Het systeem biedt alleen ondersteuning
voor één iPodŸ-gebruiker tegelijk in de navigatiestand (speellijst).
selen met
/
stopzetten met
. U kunt het afspelen
.
Voor meer informatie, zie pagina 267.
Video bekijken
Voor meer informatie over mediaspelers, USB/
AUX en Media BluetoothŸ, zie pagina 266,
271 en 274.
U kunt een video bekijken in de vorm van
tracks/videobestanden via de mediaspeler en
de USB-ingang in de auto.
1. Schakel de draadloze hoofdtelefoon(s) in
(kies CH.A voor het linker beeldscherm of
CH.B voor het rechter beeldscherm).
Voor meer informatie over de mediaspeler en
USB, zie pagina 266 en 271.
2. Richt de afstandsbediening op de IR-ontvanger op het beeldscherm en druk op
, draai TUNE naar de gewenste bron
(Disk, USB, AUX e.d.) en bevestig uw
keuze met
.
3. Plaats een cd in de mediaspeler van de
auto of sluit een externe audiobron aan via
een van de USB/AUX-ingangen in de auto
of via BluetoothŸ.
Afspelen en navigeren in speellijsten
Draai aan het scrolwiel op de afstandsbediening om de speellijst/mapstructuur te openen.
Met
bevestigt u de gekozen submap of
start u de weergave van het gekozen nummer/
audiobestand. U kunt tevens nummers/audiobestanden afspelen met
op de afstandsbediening en van nummer/audiobestand wis-
Vooruit-/achteruitspoelen
Start het vooruit-/achteruitspoelen door lang te
/
. Wanneer
drukken op de knoppen
u vervolgens nogmaals kort op dezelfde knoppen drukt kunt u de spoelsnelheid verhogen.
Voor audiobestanden geldt één snelheid, terwijl videobestanden op meerdere snelheden
voor- en achteruit te spoelen zijn. U beëindigt
het vooruit-/achteruitspoelen door te drukken
,
of op de toets
/
op de toets
.
1. Schakel de draadloze hoofdtelefoon(s) in
(kies CH.A voor het linker beeldscherm of
CH.B voor het rechter beeldscherm).
Radio luisteren
2. Richt de afstandsbediening op de IR-ontvanger op het beeldscherm en druk op
, draai TUNE naar de gewenste bron
(Disk of USB) en bevestig uw keuze met
.
1. Schakel de draadloze hoofdtelefoon(s) in
(kies CH.A voor het linker beeldscherm of
CH.B voor het rechter beeldscherm).
3. Plaats een dvd in de mediaspeler van de
auto of sluit een externe bron aan via een
USB-ingang in de auto.
Afspelen en navigeren
Speel tracks/videobestanden af met
op
de afstandsbediening en wissel van track/videobestand met
/
. U kunt het afspelen
stopzetten met
. Voor meer informatie
over het afspelen van dvd-video’s en de wijze
van navigeren, zie pagina 268 en voor videobestanden, zie pagina 267.
Via het audiosysteem in de auto kunt u de radio
beluisteren.
2. Richt de afstandsbediening op de IR-ontvanger op het beeldscherm en druk op
, draai TUNE naar de gewenste bron
(AM, FM1, DAB1* e.d.) en bevestig uw
keuze met
.
06
3. Kies een zender met een van de voorkeurtoetsen (0 – 9) op de afstandsbediening of
druk op
/
, waarna de radio op
de eerstvolgende zender met een hogere/
lagere frequentie afstemt.
Voor meer informatie over de radio, zie
pagina 258.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
303
06 Infotainment
RSE - Rear Seat Entertainment system*
Tv kijken*
RSE-menu’s beeldscherm voorin
Via de mediaspeler in de auto kunt u tv kijken.
Om het menu te openen dient u eerst RSE te
kiezen onder MEDIA vanaf het beeldscherm
voorin. Druk vervolgens op OK/MENU om het
menu te openen. Draai aan TUNE totdat u de
gewenste optie hebt bereikt en bevestig uw
keuze met OK/MENU. U kunt ook gebruik
maken van de afstandsbediening en de toetsenset op het stuurwiel.
1. Schakel de draadloze hoofdtelefoon(s) in
(kies CH.A voor het linker beeldscherm of
CH.B voor het rechter beeldscherm).
2. Richt de afstandsbediening op de IR-ontvanger op het beeldscherm en druk op
, draai TUNE naar TV en bevestig uw
keuze met
.
3. Kies een zender met een van de voorkeurtoetsen (0 – 9) op de afstandsbediening of
druk op
/
, waarna de tv op de
eerstvolgende zender met een hogere/
lagere frequentie afstemt.
Voor meer informatie over de tv, zie
pagina 291.
06
Menufuncties RSE
Algemeen
De RSE-menu’s zijn enerzijds vanaf het beeldscherm voorin en anderzijds vanaf de beide
beeldschermen achterin te bedienen. Vanaf
het beeldscherm voorin kunt u enerzijds de
bron kiezen voor de beeldschermen achterin
en anderzijds bepaalde instellingen verrichten
die voor beide beeldschermen achterin gelden.
5
6
7
304
U kunt instellingen verrichten voor elk van de
beeldschermen apart (links en rechts) of voor
beide beeldschermen.
Menu linker RSE-monitor, Menu rechter
RSE-monitor en Menu beide RSEmonitoren:
Uitschakelen/Inschakelen
Alle RSE-instellingen resetten
Pop-upmenu RSE5
Druk op
op de afstandsbediening terwijl
er een videobestand wordt weergegeven of
tv* wordt gekeken om het pop-upmenu te openen. U kiest menu-opties met het scrolwiel en
de toetsen op de afstandsbediening. Voor
informatie over de afstandsbediening, zie
pagina 295.
Schermformaat
Beeldinstellingen
Modus Dag/Nacht
Bronmenu6
DVD-menu7
RADIO
MEDIA
RSE-instell.
Dempen
Display uit
Afstandsbediening (front) uit
TV-kinderslot
Geldt alleen bij het weergeven van videobestanden en het kijken van tv*.
De inhoud van het pop-upmenu voor het bronmenu hangt af van wat er afgespeeld of weergegeven wordt, bijvoorbeeld Menu gegevens-CD/-DVD of USB-menu.
Geldt alleen voor dvd-videodiscs.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
06 Infotainment
RSE - Rear Seat Entertainment system*
RSE-menu’s beeldschermen achterin
Cd-/dvd-data-menu RSE
USB-apparaat kiezen
Druk op
op de afstandsbediening nadat
u een bron (bijvoorbeeld Disk) hebt gekozen
om de RSE-menu’s voor de beeldschermen
achterin te openen.
Diskmenu
Modus Dag/Nacht
U kiest menu-opties met het scrolwiel en de
toetsen op de afstandsbediening. Voor informatie over de afstandsbediening, zie
pagina 295.
RADIO
Menu voor AM, FM1, FM2, DAB1* en DAB2*:
Willekeurige weergave
Display uit
Map herhalen
USB-instellingen resetten
DivX® VOD-code
Modus Dag/Nacht
AUX-menu RSE
AUX-menu
Display uit
AUX-ingangsvolume
Disk-instellingen resetten
Modus Dag/Nacht
Dvd-video-menu RSE
Display uit
Diskmenu
AUX-instellingen resetten
DVD-menu
A/V-AUX-menu RSE
Modus Dag/Nacht
Ondertitels
Display uit
Taal van audiospoor kiezen
A/V AUX-ingangsvolume
Alle RSE-instellingen resetten
Geavanceerde instellingen
Modus Dag/Nacht
Modus Dag/Nacht
Display uit
Display uit
AUX-instellingen resetten
MEDIA
Cd-audio-menu RSE
Diskmenu
Willekeurige weergave
Modus Dag/Nacht
Display uit
Disk-instellingen resetten
Disk-instellingen resetten
USB-menu RSE
USB-menu
A/V AUX-menu
06
iPod-menu RSE
iPod-menu
Willekeurig
Willekeurig
Modus Dag/Nacht
Map herhalen
Display uit
DivX® VOD-code
iPod-instellingen resetten
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
305
06 Infotainment
RSE - Rear Seat Entertainment system*
BluetoothŸ-menu RSE
Bluetooth-menu
Willekeurig
Modus Dag/Nacht
Display uit
Bluetooth-instellingen resetten
Tv-menu RSE*
TV-menu
Land kiezen
Autostore
Scan
Modus Dag/Nacht
Display uit
Tv-instellingen resetten
06
306
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
06 Infotainment
06
307
Rijadviezen............................................................................................
Tanken..................................................................................................
Brandstof..............................................................................................
Lading vervoeren..................................................................................
Bagageruimte........................................................................................
Rijden met een aanhanger....................................................................
Slepen en bergen..................................................................................
308
310
313
314
318
323
327
334
TIJDENS HET RIJDEN
07 Tijdens het rijden
Rijadviezen
Algemeen
Zuinig rijden
Zuinig rijden houdt in dat u anticiperend en
rustig rijdt, en uw rijstijl en snelheid afstemt op
de verkeerssituatie.
• Rijd in de hoogst mogelijke versnelling,
afhankelijk van de verkeerssituatie en de
weggesteldheid – lagere toeren leveren
een lager brandstofverbruik op.
• Rijd niet met open zijruiten.
• Vermijd onnodig snel optrekken en krachtig remmen.
• Neem geen spullen in de auto mee die u
niet gebruikt – hoe groter de belading, des
te hoger het brandstofverbruik.
• Rem af op de motor, wanneer dat zonder
gevaar voor medeweggebruikers mogelijk
is.
• Lading op het dak en een skibox resulteren
in een grotere luchtweerstand waardoor
het brandstofverbruik toeneemt – verwijder
lastdagers die u niet gebruikt.
07
• Laat de motor niet stationair warmdraaien,
maar belast de motor in plaats daarvan zo
snel mogelijk licht – een koude motor verbruikt meer brandstof dan een warme.
• Bij de V70 met een motortype D2, D3, D4
of D5 in combinatie met een zestraps
handbak geldt de 2e versnelling als wegrijversnelling. Bij de XC70 met een motor-
310
type D4 AWD of D5 AWD in combinatie met
een zestraps handbak geldt de 2e versnelling als wegrijversnelling.
Zie pagina 12 en 415 voor meer informatie en
meer tips.
WAARSCHUWING
Zet de motor nooit af tijdens het rijden (zoals
op een aflopende helling), omdat daarbij
belangrijke systemen zoals de stuur- en
rembekrachtiging wegvallen.
Doorwaaddiepte
U kunt met de auto door waterpartijen van
maximaal 25 cm diep rijden met een maximumsnelheid van 10 km/h. Wees extra voorzichtig bij het doorwaden van stromend water.
Houd een lage snelheid aan tijdens het waden
en breng de auto niet in het water tot stilstand.
Trap na het passeren van de waterpartij lichtjes
op het rempedaal om te controleren of de remwerking in orde is. Bij water en vuil op de remblokken kunnen er vertragingen in de remwerking optreden.
• Maak de aansluitingen voor de elektrische
motorverwarming en de aanhangerkoppeling schoon na ritten in water en modder.
• Laat de auto niet langdurig in water staan
dat tot boven de dorpelbalken – elektrische
storingen zijn anders niet uitgesloten.
BELANGRIJK
Er kan schade aan de motor ontstaan, als er
water in het luchtfilter dringt.
Bij waterpartijen dieper dan 25 cm kan er
water in de transmissie dringen. De smerende eigenschappen van de oliën nemen
daarbij af, waardoor de genoemde systemen minder lang meegaan.
Probeer de motor na afslag in een waterpartij niet opnieuw te starten – sleep de auto
uit de waterpartij naar een werkplaats –
geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats. Kans op motorschade.
Motor, versnellingsbak en koelsysteem
In bepaalde omstandigheden, bij zware belasting op steile hellingen en warm weer, bestaat
het gevaar dat de motor en de aandrijflijn oververhit raken – vooral bij het vervoer van een
zware lading.
Voor informatie over oververhitting bij het
gebruik van een aanhanger, zie pagina 328.
• Verwijder verstralers die voor de grille zitten tijdens ritten bij warm weer.
• Als de temperatuur in het koelsysteem van
de motor te hoog oploopt, gaat het waarschuwingssymbool branden en verschijnt
op het informatiedisplay de melding
Motortemp. hoog Stop auto z.s.m. –
breng de auto in dat geval zo spoedig
07 Tijdens het rijden
Rijadviezen
mogelijk tot stilstand en laat de motor
enkele minuten stationair lopen zodat deze
kan afkoelen.
Geopende achterklep
WAARSCHUWING
• Als de displaymelding Motortemp. hoog
•
•
•
Zet motor af of Koelvl.peil laag Zet
motor af verschijnt, dient u nadat de auto
tot stilstand is gekomen ook de motor af te
zetten.
Bij oververhitting van de versnellingsbak
wordt een ingebouwde beveiliging geactiveerd die er onder meer voor zorgt dat het
waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel gaat branden en dat de melding
Versn.bak heet Rijd langzamer of
Versn.bak heet Stop auto z.s.m. verschijnt – volg het gegeven advies en verlaag de snelheid of breng de auto op een
veilige manier tot stilstand om de motor te
laten afkoelen door deze enkele minuten
stationair te laten draaien.
Bij oververhitting kan de airconditioning
zichzelf tijdelijk uitschakelen.
Na een zware rit moet u de motor niet
meteen afzetten, maar nog enige tijd stationair laten lopen.
N.B.
Het is normaal dat de koelventilator na het
afzetten van de motor nog enige tijd kan
blijven werken.
Rijd niet met een geopende achterklep. Er
kunnen giftige uitlaatgassen via de bagageruimte de passagiersruimte in worden gezogen.
Accu niet overmatig belasten
De elektrische functies van de auto belasten de
startaccu in verschillende mate. Laat het contactslot niet te lang achtereen in sleutelstand
II staan, wanneer u de motor hebt afgezet.
Maak in plaats daarvan gebruik van de stand
I – het stroomverbruik is dan minder.
Let er tevens op dat de verschillende accessoires het elektrisch systeem belasten. Schakel onderdelen/systemen die veel stroom
nemen uit, wanneer u de motor hebt afgezet.
Voorbeelden van dergelijke onderdelen/systemen zijn:
•
•
•
•
systemen uit of verlaagt de belasting van de
accu door bijvoorbeeld de interieurventilator
lager te zetten en/of het audiosysteem uit te
schakelen.
–
Laad de startaccu dan op door de motor te
starten en deze minstens 15 minuten lang
te laten lopen – de accu wordt beter opgeladen tijdens het rijden dan bij stilstand met
een stationair lopende motor.
Voorbereidingen bij lange reizen
• Controleer of de motor naar behoren functioneert en of het brandstofverbruik in orde
is.
• Zorg dat er geen sprake is van lekkage
(brandstof, olie of andere vloeistoffen).
• Controleer alle lampen en de profieldiepte
van de banden.
• In sommige landen bent u wettelijk verplicht een gevarendriehoek mee te nemen.
Rijden tijdens de winter
koplampen
Let voor aanvang van de winter in het bijzonder
op het volgende:
ruitenwisser
• De koelvloeistof van de motor moet ten
interieurventilator
audiosysteem (hoog volume).
Als de accuspanning laag is, verschijnt op het
informatiedisplay de melding Accuspann.
laag Spaarstand. De energiebesparingsfunctie schakelt vervolgens bepaalde onderdelen/
07
minste 50 % glycol bevatten. Bij een dergelijke concentratie is de motor
beschermd tegen stukvriezen tot
ca. –35 °C. Voor optimale bescherming
311
07 Tijdens het rijden
Rijadviezen
tegen vorst is het zaak geen verschillende
soorten glycol met elkaar te mengen.
• Houd de tank altijd goed gevuld om condens in de brandstoftank tegen te gaan.
N.B.
In sommige landen is het gebruik van winterbanden verplicht. Banden met spikes zijn
niet in alle landen toegestaan.
• De viscositeit van de motorolie is belangrijk. Wanneer u oliesoorten met een lagere
viscositeit (dunnere oliën) gebruikt, slaat
de motor bij koud weer gemakkelijker aan
en neemt bovendien het brandstofverbruik
tijdens de koude start af. Voor meer informatie over geschikte oliesoorten (zie
pagina 410).
BELANGRIJK
Gebruik geen olie met een lage viscositeitsaanduiding bij zware rijomstandigheden of
warm weer.
• Controleer de algehele conditie en de
ladingstoestand van de accu. De accu
wordt zwaarder belast bij koud weer en
ook de accucapaciteit neemt af bij vorst.
• Giet ruitensproeiervloeistof in het sproei07
ervloeistofreservoir om ijsvorming te voorkomen.
Voor optimale grip bij gevaar voor sneeuw of
ijs adviseert Volvo u om de auto rondom van
winterbanden te voorzien.
312
Nieuwe auto’s en gladde wegen
Oefen onder gecontroleerde omstandigheden
om te testen hoe de auto bij gladheid reageert.
07 Tijdens het rijden
Tanken
Tanken
Tankvulklep handmatig openen
Tankdop open-/dichtdraaien
De tankvulklep kan handmatig worden
geopend, als openen met de schakelaar in de
passagiersruimte niet mogelijk is.
Bij hoge buitentemperaturen kan er een
bepaalde mate van overdruk in de brandstoftank ontstaan. Draai de tankdop dan langzaam
open.
Tankvulklep openen/sluiten
Open de tankvulklep met de knop op het verlichtingspaneel – bij het loslaten van de knop
springt de klep open.
De pijl van het symbool op het informatiedisplay geeft de kant van de auto
aan waar de tankdop zit.
• Sluit de klep door deze dusdanig in te druk-
1. Open/verwijder het zijluikje in de bagageruimte (aan de kant van de tankvulklep) en
zoek de groene kabel met handgreep op.
2. Trek de kabel voorzichtig recht naar achteren toe totdat de tankvulklep met een
duidelijke klik wordt geopend.
ken dat u een klik hoort.
BELANGRIJK
Trek voorzichtig aan de lus – er is slechts
weinig kracht nodig om de klep te ontgrendelen.
• Breng na het tanken de tankdop weer aan
en draai deze zo ver dicht dat u één of meer
klikken hoort.
Brandstof tanken
• Giet de tank niet te vol door het vulpistool
na de eerste afslag uit de vulopening te
halen.
07
N.B.
Een te volle tank kan bij warm weer overlopen.
313
07 Tijdens het rijden
Brandstof
Algemene informatie over brandstof
Gebruik geen brandstof met een slechtere
kwaliteit dan Volvo adviseert, omdat dit een
nadelige invloed kan hebben op het motorvermogen en het brandstofverbruik.
WAARSCHUWING
Zorg altijd dat u geen brandstofdampen
inademt of brandstofspatten in de ogen
krijgt.
Bij brandstof in de ogen eventuele contactlenzen uitnemen en de ogen ten minste 15
minuten lang spoelen met een ruime hoeveelheid schoon water en medische hulp
inroepen.
Brandstof nooit inslikken. Brandstoffen
zoals benzine, bio-ethanol, mengsels ervan
en dieselolie zijn uitermate giftig en kunnen
bij inwendig gebruik aanleiding geven tot
blijvend letsel met mogelijk dodelijke afloop.
Roep onmiddellijk medische hulp in bij het
inslikken van brandstof.
07
WAARSCHUWING
Gemorste brandstof kan ontvlammen.
Schakel voordat u gaat tanken de standverwarming op brandstof uit.
Schakel voordat u gaat tanken uw mobiele
telefoon uit. De beltoon kan aanleiding
geven tot vonkvorming en daarbij de brandstofdampen ontsteken met gevaar voor
brand en verwondingen.
De katalysatoren bestaan uit een monoliet
(keramiek of metaal) met kanalen. De wanden
van de kanalen zijn bekleed met platina/
rodium/palladium. Deze edelmetalen hebben
een katalytische werking, d.w.z. ze versnellen
een chemische reactie zonder dat ze daar zelf
actief aan deelnemen.
LambdasondeTM (zuurstofsensor)
BELANGRIJK
Bij menging van verschillende soorten
brandstof of gebruik van een andere brandstofkwaliteit dan aanbevolen, vervallen de
garanties van Volvo en eventuele aanvullende servicecontracten; dit geldt voor alle
motoren. N.B. Dit geldt niet voor auto’s met
een motor die is aangepast voor het gebruik
van ethanol (E85).
N.B.
Bij extreme weersomstandigheden, gebruik
van een aanhanger of ritten op grote hoogte
kan, afhankelijk van de gebruikte brandstofkwaliteit, het prestatievermogen van de
auto te wensen overlaten.
Katalysatoren
De katalysatoren hebben tot taak de uitlaatgassen te reinigen. Ze zijn dicht bij de motor in
314
het uitlaatsysteem gemonteerd om snel op
temperatuur te komen.
De lambdasonde maakt deel uit van het regelsysteem dat tot taak heeft de uitstoot te beperken en de energie-inhoud van de brandstof
beter te benutten.
Een zuurstofsensor registreert het zuurstofgehalte van de uitlaatgassen die de motor verlaten. De meetwaarde van de uitlaatgasanalyse
wordt doorgegeven aan het elektronische systeem dat continu de injectoren afregelt. Het
lucht-brandstofmengsel dat de motor krijgt,
wordt continu bijgesteld. De regeling schept de
ideale omstandigheden voor een effectieve
verbranding van de schadelijke stoffen (koolwaterstoffen, koolmonoxide en stikstofoxiden)
in de driewegkatalysator.
07 Tijdens het rijden
Brandstof
Benzine
Bio-ethanol (E 85)
Benzine dient te voldoen aan de norm NENEN 228. De meeste motoren kunnen op benzine met een octaangetal van 95 en 98 RON
lopen. 91 RON mag alleen in uitzonderlijke
gevallen worden gebruikt.
Breng geen wijzigingen aan in het brandstofsysteem of de onderdelen daarvan en vervang
ze evenmin door componenten die niet speciaal geconstrueerd zijn voor gebruik in combinatie met bio-ethanol.
• 95 RON is te gebruiken in normale rijomstandigheden.
• 98 RON wordt geadviseerd voor een maximaal rendement tegen een minimaal
brandstofverbruik.
Voor ritten bij temperaturen hoger dan +38 °C
wordt u geadviseerd een brandstofsoort met
een zo hoog mogelijk octaangetal te gebruiken.
Dit om optimale prestaties en een zo laag
mogelijk brandstofverbruik te verkrijgen.
BELANGRIJK
•
Tank alleen loodvrije benzine om
schade aan te katalysator te voorkomen.
•
Giet geen additieven (dopes) in de benzine zonder het uitdrukkelijke advies
van Volvo.
WAARSCHUWING
Ethanol is gevoelig voor vonkvorming en er
kunnen explosieve dampen ontstaan in een
jerrycan die met ethanol gevuld wordt.
Dieselolie
WAARSCHUWING
Het gebruik van methanol is niet toegestaan. De sticker aan de binnenkant van de
tankvulklep geeft de juiste soort alternatieve
brandstof aan.
Het gebruik van onderdelen die niet
bestemd zijn voor bio-ethanolmotoren kan
brand, lichamelijk letsel of motorschade
veroorzaken.
Jerrycan
Houd een eventuele jerrycan in de auto gevuld
met benzine, zie N.B.-kader op pagina 121.
BELANGRIJK
Zorg dat de jerrycan met brandstof goed
vastgezet is en dat de dop goed dichtgedraaid is.
Maak alleen gebruik van dieselolie van gerenommeerde oliemaatschappijen. Giet nooit
dieselolie van twijfelachtige kwaliteit in de tank.
Diesel moet voldoen aan de norm EN 590 of
JIS K2204. Dieselmotoren zijn gevoelig voor
verontreiniging in de brandstof, zoals een te
grote hoeveelheid zwaveldeeltjes.
Bij lage temperaturen (–6 °C tot –40 °C) kan de
paraffine in de dieselolie uitvlokken. Dit kan tot
startproblemen leiden. De grote oliemaatschappijen produceren speciale dieselolie
bestemd voor gebruik bij buitentemperaturen
rond het vriespunt. Deze dieselolie is dunner bij
lage temperaturen en beperkt de kans op vlokvorming in het brandstofsysteem.
De kans op condensatie in de brandstoftank
neemt af, als u de tank altijd goed gevuld
houdt. Houd tijdens het tanken het gebied rond
de vulpijp goed schoon. Voorkom morsen op
gelakte oppervlakken. Maak als u gemorst
hebt het gebied met water en zeep schoon.
07
315
07 Tijdens het rijden
Brandstof
BELANGRIJK
Het is alleen toegestaan brandstof te
gebruiken die voldoet aan de Europese
norm voor dieselolie.
Het zwavelgehalte mag maximaal 50 ppm
zijn.
BELANGRIJK
Maak geen gebruik van de volgende dieselolie-achtige brandstoffen:
•
•
•
•
speciale toevoegingen (dopes)
scheepsolie
stookolie
FAME1 (Fatty Acid Methyl Ester) of
plantaardige olie.
Dergelijke brandstoffen voldoen niet aan de
kwaliteitseisen die Volvo stelt en geven aanleiding tot verhoogde vormen van slijtage en
motorschade die niet worden gedekt door
de garanties van Volvo.
07
Wanneer u de tank leegrijdt
Na motoruitval door brandstofgebrek heeft het
brandstofsysteem enige tijd nodig om een controle uit te voeren. Doe in dat geval (ná bijtanken met dieselolie) het volgende, voordat u de
motor start:
Condenswater uit brandstoffilter
aftappen
1. Plaats de transpondersleutel in het contactslot en duw deze tot aan de aanslag
naar binnen (zie pagina 80).
Houd u voor het aftappen van het condenswater aan de specificaties die in uw Service- en
garantieboekje staan aangegeven. Ook wanneer u vermoedt dat er verontreinigde brandstof is gebruikt, moet u het brandstoffilter
aftappen.
2. Druk op de START-knop zonder rem- en/
of koppelingspedaal te bedienen.
3. Wacht ca. 1 minuut.
4. Om de motor te starten: Bedien rem- en/of
koppelingspedaal en druk nogmaals op de
START-knop.
N.B.
Alvorens brandstof te tanken bij een leeggereden tank:
•
Breng de auto tot stilstand op een zo
egaal/horizontaal mogelijke ondergrond – als de auto overhelt, bestaat er
gevaar voor luchtbellen in de brandstoftoevoer.
Op grond van zijn constructie moet het brandstofsysteem mogelijk eerst ontlucht worden
om een dieselmotor na bijtanken opnieuw te
kunnen starten.
1
316
Dieselolie kan een bepaalde hoeveelheid FAME bevatten. Het is niet toegestaan meer toe te voegen.
Het brandstoffilter ontdoet de brandstof van
condenswater. Condenswater kan anders aanleiding geven tot motorstoringen.
BELANGRIJK
Sommige speciale toevoegingen verwijderen het verzamelde vocht uit het brandstoffilter.
Roetfilter dieselmotor (DPF)
Dieselmodellen zijn uitgerust met een roetfilter,
waardoor een nog effectievere uitlaatgasreiniging mogelijk is. Onder normale rijomstandigheden blijven de roetdeeltjes uit de uitlaatgassen in het filter achter. Om de roetdeeltjes te
verbranden en het filter te legen wordt een
zogeheten regeneratie gestart. Daarvoor moet
de motor de normale bedrijfstemperatuur hebben.
07 Tijdens het rijden
Brandstof
De regeneratie van het filter vindt automatisch
plaats en duurt normaal 10–20 minuten. Bij een
lage gemiddelde snelheid kan dit iets langer
duren. Gedurende de regeneratie kan het
brandstofverbruik iets stijgen.
Regeneratie bij koud weer
Als u bij koud weer vaak korte afstanden rijdt,
komt de motor onvoldoende op temperatuur.
Dit betekent dat het roetfilter niet geregenereerd en niet geleegd wordt.
Wanneer het filter voor ca. 80 % met roetdeeltjes gevuld is, licht de oranje waarschuwingsdriehoek op het instrumentenpaneel op en verschijnt de melding Roetfilter vol Zie
instructieb. op het display van het instrumentenpaneel.
U start de regeneratie van het filter door met de
auto op een secundaire weg of op een snelweg
te rijden totdat de motor voldoende op temperatuur is gekomen. Daarna rijdt u nog
20 minuten verder.
N.B.
Tijdens de regeneratie is tijdelijk mogelijk
een geringe beperking van het motorvermogen te bespeuren.
Wanneer u bij koud weer de standverwarming* inschakelt, bereikt de motor sneller de
normale bedrijfstemperatuur.
BELANGRIJK
Als het filter helemaal met roetdeeltjes
gevuld is, vertoont de motor soms startproblemen. Het filter is dan onbruikbaar geworden. Het is in dat geval mogelijk dat u het
filter moet vervangen.
N.B.
Bij extreme weersomstandigheden, gebruik
van een aanhanger/caravan of ritten op
grote hoogte kan, afhankelijk van de
gebruikte brandstofkwaliteit, het prestatievermogen van de auto te wensen overlaten.
Brandstofverbruik en uitstoot van
kooldioxide
Het gebruik van extra accessoires kan de verbruikscijfers beïnvloeden, omdat de accessoires het gewicht van de auto verhogen. Zie de
informatie over gewichten op pagina 402 en
de tabel op pagina 415.
Ook de rijstijl en andere niet-technische factoren kunnen van invloed zijn op het brandstofverbruik.
Bij gebruik van brandstof met een octaangetal
van 91 RON neemt het brandstofverbruik toe,
terwijl het motorvermogen lager wordt.
07
Wanneer het filter geregenereerd is, verdwijnt
de waarschuwingsmelding automatisch.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
317
07 Tijdens het rijden
Lading vervoeren
Algemene informatie over vervoer van
lading
• Dek scherpe randen met iets zachts af om
Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar
gewicht van de auto. Het laadvermogen dient
te worden verminderd met de som van het
gewicht van eventuele inzittenden en dat van
gemonteerde accessoires. Voor gedetailleerde
informatie over de gewichten, zie pagina 402.
• Zet alle bagage met riemen of bevesti-
De achterklep is te openen met de
knop op het verlichtingspaneel of
met de transpondersleutel, zie pagina 60.
de bekleding te beschermen.
gingsbanden aan de verankeringsogen
vast.
WAARSCHUWING
Vergeet niet dat een voorwerp met een
gewicht van 20 kg tijdens een frontale botsing bij een snelheid van 50 km/h zich kan
gedragen als een voorwerp met een gewicht
van 1000 kg.
WAARSCHUWING
Afhankelijk van de belading van de auto en
het zwaartepunt van de lading treden er wijzigingen in de rijeigenschappen op.
Aandachtspunten bij in-/uitladen
• Plaats de bagage stevig tegen de rugleuning van de achterbank.
07
Let erop dat het WHIPS niet door voorwerpen
mag worden gehinderd, als een of meer van de
ruggedeelte van de achterbank zijn neergeklapt, zie pagina 27.
• Plaats de last in het midden.
• Breng zware voorwerpen zo laag mogelijk
aan. Plaats geen zware voorwerpen op
neergeklapte ruggedeelten.
318
WAARSCHUWING
Zorg dat u de bagage altijd goed verankert.
Bij krachtig remmen kan de bagage namelijk
gaan schuiven en inzittenden verwonden.
Dek scherpe randen en hoeken af met iets
zachts.
Zet de motor af en schakel de parkeerrem
in bij het in- en uitladen van lange voorwerpen. Lange voorwerpen kunnen namelijk
tegen de versnellingspook of keuzehendel
aan komen en zo per ongeluk een versnelling inschakelen – de auto kan dan in beweging komen.
WAARSCHUWING
Anders bieden de opblaasgordijnen die
schuilgaan achter de plafondbekleding
mogelijk geen bescherming meer.
•
Zorg dat de lading nooit boven de ruggedeelten uitsteekt.
Voorstoel
Voor het vervoer van extra lange lading kunt u
ook de rugleuning van de passagiersstoel
omklappen, zie pagina 82.
Lading op het dak
Lastdragers gebruiken
Om schade aan de auto te voorkomen en voor
maximale veiligheid tijdens het rijden, wordt u
geadviseerd de lastdragers te gebruiken die
door Volvo ontwikkeld zijn.
Volg de montage-instructies die bij de lastdragers worden geleverd nauwkeurig op.
07 Tijdens het rijden
Lading vervoeren
• Controleer regelmatig of de lastdragers en
Bagage verankeren
Vloerrails
de lading goed vastzitten. Zet de lading
stevig vast met sjorbanden.
• Verdeel het gewicht van de lading gelijkmatig over de lastdragers. Leg de zwaarste
voorwerpen onderop.
• Naarmate u meer lading op het dak vervoert, vangt de auto meer wind en neemt
het brandstofverbruik toe.
• Rijd rustig. Trek bij voorkeur niet te snel op,
rem niet te hard en maak niet te scherpe
bochten.
WAARSCHUWING
Bij het vervoer van lading op het dak verschuift het zwaartepunt en treden er wijzigingen op in de rijeigenschappen van de
auto. Voor informatie over de maximale
dakbelasting, inclusief lastdragers en een
eventuele skibox, zie pagina 402.
Ruggedeelte achterbank omklappen
Om het in- en uitladen van de bagageruimte te
vereenvoudigen kunt u de ruggedeelten van de
achterbank neerklappen, zie pagina 84.
Aan weerszijden in de bagageruimte zitten
meerdere verankeringspunten om bagage aan
vast te zetten. De verankeringspunten zitten op
de vloer en halverwege de zijkanten van de
bagageruimte.
WAARSCHUWING
Harde, scherpe en/of zware voorwerpen die
in de weg liggen of uitsteken kunnen bij een
krachtige remmanoeuvre verwondingen
veroorzaken.
Maak grote en zware voorwerpen altijd vast
met een van de veiligheidsgordels of een
bagageband.
Bagage vastgezet aan zowel de bovenste als
onderste verankeringspunten.
Op de vloer van de bagageruimte zitten twee
rails met verstelbare verankeringshaken waaraan u bagagebanden kunt vastzetten om
bagage in de bagageruimte te verankeren.
BELANGRIJK
Gebruik geen spanbanden met spaninrichting, omdat de verankeringspunten daardoor kapotgetrokken kunnen worden.
07
Schoonmaken
Bij vuil en obstakels onder in de vloerrails zijn
de verankeringshaken mogelijk moeilijker te
verzetten, vergrendelen, op te klappen en los
te nemen. Maak de rails dan ook regelmatig
319
07 Tijdens het rijden
Lading vervoeren
schoon met een stofzuiger en een zachte doek
die u licht bevochtigd hebt.
Verankeringshaak verzetten
Verankeringshaak verwijderen
G019397
Vastzetten van de bagageband.
Wanneer u de bagageband een slag om een
verankeringshaak haalt, kunt u de bagageband
vastzetten en voorkomen dat de band van de
haak glijdt.
N.B.
07
Een geschikte bagageband heeft een
breedte van ca. 25 mm.
Klap de verankeringshaak neer in de richting van de opening.
Duw de haak voorzichtig omlaag en schuif
deze in de gewenste positie.
Klap de haak weer omhoog – de haak is
zelfborgend.
N.B.
Zorg dat er minstens 50 cm tussen de verankeringshaken in de rail zit.
G018134
G017742
Bagageband
U kunt de verankeringshaken heel eenvoudig
verwijderen om bijvoorbeeld de rail schoon te
maken.
Klap de verankeringshaak neer in de richting van de opening.
Duw de haak voorzichtig omlaag en schuif
deze naar de uitsparing.
Til de haak recht omhoog los.
Houd voor het bevestigen van de haak de
omgekeerde volgorde aan.
N.B.
Om een losgenomen haak weer in de vloerrail te schuiven dient u de haak voorzichtig
omlaag te duwen.
320
07 Tijdens het rijden
Lading vervoeren
G019581
Monteer de verankeringshaken op de juiste
manier!
Het is belangrijk dat de verankeringshaken op
de juiste manier worden gemonteerd. Zorg dat
de openingen van elkaar af wijzen.
WAARSCHUWING
Monteer de verankeringshaken op de juiste
manier. Anders zal de bagageband de verankeringshaak omlaagklappen waardoor de
band losraakt en van de haak glijdt.
12V-aansluiting*
G017745
Houder voor boodschappentassen*
Juiste en verkeerde montage
verankeringshaak
Houder voor boodschappentassen onder het
vloerluik.
Met de houder voor boodschappentassen kunt
u draagtassen vastzetten om te voorkomen dat
ze omvallen en hun inhoud over de vloer van
de bagageruimte verspreiden.
1. Klap de houder omhoog die deel uitmaakt
van het vloerluik.
2. Zet de boodschappentassen met de spanband vast en bevestig de draaggrepen aan
de haken.
Open het klepje om bij de elektrische aansluiting te komen.
• Via de aansluiting is ook stroom af te
nemen, wanneer de transpondersleutel
niet in het contactslot steekt.
BELANGRIJK
Max. 10 A (120 W).
07
N.B.
Denk eraan dat als de elektrische aansluiting word gebruikt als de motor uit is, de
startaccu van de auto kan ontladen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
321
07 Tijdens het rijden
Lading vervoeren
N.B.
De compressor voor provisorische bandenreparatie is door Volvo getest en goedgekeurd. Voor informatie over het gebruik van
de aanbevolen provisorische bandenreparatie (TMK) van Volvo, zie pagina 350.
07
322
07 Tijdens het rijden
Bagageruimte
Tweedelige veiligheidsnetcassette
bevestigen
Veiligheidsnet gebruiken
G018246
Veiligheidsnet*
Opbergruimte voor tweedelige veiligheidsnetcassette.
Onder het vloerluik in de bagageruimte is voorzien in opbergruimte voor een tweedelige veiligheidsnetcassette.
Monteer de tweedelige veiligheidsnetcassette
achter op het ruggedeelte van de achterbank.
Monteer het smalle cassettegedeelte links (in
de rijrichting gezien).
1. Klap de ruggedeelten van de achterbank
voorover, zie pagina 85.
2. Plaats de bevestigingsrails van de tweedelige cassette vóór de bevestigingsnok.
ken van de ruggedeelten
3. Schuif de tweedelige cassette over de
.
bevestigingsnokken heen vast
4. Zet de ruggedeelten weer rechtop en controleer of ze vergrendeld staan.
• Houd voor het verwijderen van de tweedelige cassette de omgekeerde volgorde aan.
Het net dat uit de tweedelige cassette wordt
gerold, wordt na ca. 1 minuut automatisch
geblokkeerd, als de ruggedeelten van de achterbank rechtop staan.
Rol het rechterstuk van het net uit door aan
de lus te trekken.
Steek de stang in de bevestiging aan de
rechterzijde en duw de stang vervolgens
naar voren zodat deze merkbaar vastklikt.
Trek het telescopische stanggedeelte uit
en klik het aan de tegenoverliggende zijde
vast.
07
Rol het linker veiligheidsnet uit en haak het
vast aan de stang.
• Houd voor het oprollen de omgekeerde
volgorde aan.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
323
07 Tijdens het rijden
Bagageruimte
Het net kan ook worden gebruikt wanneer de
ruggedeelten van de achterbank neergeklapt
zijn.
Veiligheidsrek*
Veiligheidsnet én bagagerolhoes
gebruiken
Tweedelige veiligheidsnetcassette
verwijderen
3. Duw de tweedelige cassette zo ver naar
buiten dat deze loskomt uit de bevestigingsrails.
Bewaar de tweedelige veiligheidsnetcassette
op de daarvoor bestemde plaats onder het
vloerluik in de bagageruimte.
WAARSCHUWING
07
Ook bij correcte montage van het veiligheidsnet moet de bagage in de bagageruimte altijd goed worden verankerd.
G018247
2. Klap de beide ruggedeelten van de achterbank voorover.
G017748
1. Rol het tweedelige veiligheidsnet op door
de procedure onder het kopje “Veiligheidsnet gebruiken” in omgekeerde volgorde uit
te voeren.
Lussen voor het uitrollen van het net.
Het veiligheidsnet is ook bij gebruik van de
bagagerolhoes uit te rollen en vast te zetten.
Houd de procedure onder “Veiligheidsnet
gebruiken” aan. De lussen voor het uitrollen
zitten bij de pijlen.
Een veiligheidsrek voorkomt dat bagage of
huisdieren in de bagageruimte bij krachtig
afremmen de passagiersruimte in worden
geslingerd.
Opklappen
Pak het veiligheidsrek helemaal onderaan beet
en trek het naar achteren/omhoog.
BELANGRIJK
Bij montage van een bagagerolhoes is
opklappen/neerklappen van het veiligheidsrek niet mogelijk.
Monteren/demonteren
Normaal laat u het veiligheidsrek gemonteerd
in de auto zitten, omdat het eenvoudig tegen
324
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
07 Tijdens het rijden
Bagageruimte
• Houd voor het demonteren van het rek de
het plafond op te klappen is en zo niet in de
weg zit als u de bagageruimte wenst te verlengen. U kunt het veiligheidsrek desgewenst
demonteren en uit de auto nemen.
Bagagerolhoes*
G018368
Bij het terugplaatsen moet u het veiligheidsrek,
uit voorzorg, altijd op de juiste manier bevestigen en verankeren.
omgekeerde volgorde aan.
Monteren
Om het veiligheidsrek te kunnen monteren
dient u eerst de ruggedeelten neer te klappen,
zie pagina 85.
Bij het aanbrengen dient de handgreep aan
de voorkant van het rek te zitten, zie
afbeelding
– .
G018369
Het veiligheidsrek is het makkelijkst met
twee personen via de achterportieren aan te
brengen/te verwijderen.
G017749
N.B.
Zet de handgreep in de montagestand (zie
afbeelding). Om de handgreep in deze
stand te kunnen draaien moet u de handgreep licht indrukken (zie pijl).
G018367
Duw de gasveer op het rek vast en breng
het rek in de plafondbevestiging aan.
Draai de handgreep 90°
. Breng zo
nodig lichte druk aan (zie afbeelding (1)).
Klem het rek vast door de handgreep 90°
te verdraaien.
Trek de bagagerolhoes over de lading heen uit
en haak de hoes vast in de uitsparingen die bij
de achterste stijlen van de bagageruimte zitten.
BELANGRIJK
Bij montage van de bagagerolhoes is
opklappen/neerklappen van het veiligheidsrek niet mogelijk.
07
Bagagerolhoes bevestigen
Breng het ene eindstuk van de rolhoes aan
in de holte van het zijpaneel.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
325
07 Tijdens het rijden
Bagageruimte
Breng het andere eindstuk van de rolhoes
aan in de tegenoverliggende holte.
Duw beide kanten vast. De rolhoes moet
hoorbaar vastklikken en de rode markering
moet verdwijnen.
> Controleer of beide eindstukken vergrendeld zijn.
Bagagerolhoes verwijderen
1. Duw op de knop van het ene eindstuk en
til het uit de holte.
2. Kantel de rolhoes voorzichtig omhoog en
naar buiten, zodat het andere eindstuk
automatisch loskomt.
Achterste dekplaat bagagerolhoes
omlaagklappen
Bij een opgerolde bagagerolhoes steekt de
dekplaat achter aan de rolhoes horizontaal iets
uit in de bagageruimte.
–
07
326
Trek de dekplaat voorzichtig naar achteren
van de consoles af en klap de plaat
omlaag.
07 Tijdens het rijden
Rijden met een aanhanger
Algemene informatie
Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar
gewicht van de auto. Het laadvermogen dient
te worden verminderd met de som van het
gewicht van eventuele inzittenden en dat van
gemonteerde accessoires, zoals een trekhaak.
Voor gedetailleerde informatie over de gewichten, zie pagina 402.
Als de trekhaak door Volvo is gemonteerd,
wordt de auto compleet aangeleverd met de
benodigde randuitrusting voor het gebruik van
een aanhanger.
• De trekhaak van de auto moet van een
goedgekeurd type zijn.
• Bij montage achteraf moet u contact opnemen met uw erkende Volvo-werkplaats om
te controleren of uw auto van de nodige
uitrusting is voorzien om met een aanhanger te kunnen rijden.
•
Verdeel de lading in de aanhanger dusdanig dat de druk op de trekhaak de maximale kogeldruk niet overschrijdt.
• Verhoog de bandenspanning tot de aanbevolen druk bij maximale belading. Voor
de positie van de bandenspanningstabel,
zie pagina 348.
• Bij het gebruik van een aanhanger wordt de
motor zwaarder belast dan normaal.
• Rijd niet met een zware aanhanger, wan-
hiermee totdat de auto ten minste
1000 kilometer heeft gereden.
• Bij het afdalen op lange en steile hellingen
worden de remmen veel zwaarder belast
dan normaal. Schakel dan terug naar een
lagere versnelling en pas uw snelheid aan.
zersymbool op het instrumentenpaneel sneller
dan normaal en op het display verschijnt de
tekst Lampfout - Knip- perl. aanhanger.
Als een van de remlichten op de aanhanger
defect is, dan verschijnt de tekst Lampfout Rem- licht aanhanger.
• Om veiligheidsredenen dient u de toelaatbare maximumsnelheid voor auto’s met
een aanhanger/caravan niet te overschrijden. Neem de geldende bepalingen in acht
ten aanzien van de toelaatbare snelheden
en gewichten.
• Houd een lage snelheid aan, wanneer u
met een aanhanger achter de auto een
lange en steile helling oprijdt.
• Vermijd hellingen met een percentage van
meer dan 12 % bij het gebruik van een
aanhanger.
Trekhaakbedrading
Niveauregeling*
Als uw auto is uitgerust met automatische
niveauregeling nemen de achterste schokdempers tijdens het rijden altijd dezelfde rijhoogte in ongeacht de belading (tenzij het
maximaal toelaatbare gewicht wordt overschreden). Wanneer de auto stilstaat, zakt de
achtertrein omlaag.
Aanhangergewichten
Voor informatie over de toelaatbare aanhangergewichten die Volvo hanteert, zie
pagina 403.
Als de trekhaak van de auto een 13-polig elektrisch contact heeft en de aanhanger een 7polig contact, hebt u een adapter nodig.
Gebruik een door Volvo goedgekeurde adapterkabel. Zorg dat de kabel niet over de grond
sleept.
07
Richtingaanwijzers en remlichten op
aanhanger
Als een van de richtingaanwijzers op de aanhanger defect is, knippert het richtingaanwij-
neer de auto nog helemaal nieuw is. Wacht
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
327
07 Tijdens het rijden
Rijden met een aanhanger
N.B.
De aangegeven maximaal toelaatbare aanhangergewichten zijn door Volvo bepaald.
Let erop dat er op grond van de wetgeving
voor motorvoertuigen in uw land verdere
beperkingen van het aanhangergewicht en
de snelheid kunnen gelden. Het is bovendien mogelijk dat de trekhaak gespecificeerd is voor hogere gewichten dan het
maximaal toelaatbare aanhangergewicht
van de auto.
WAARSCHUWING
Houd u aan de opgegeven aanbevelingen
voor het aanhangergewicht. De aanhanger
en de auto kunnen anders moeilijk bestuurbaar worden tijdens uitwijk- en remmanoeuvres.
Handgeschakelde versnellingsbak
Oververhitting
07
Wanneer u bij warm weer een aanhanger sleept
in heuvelachtig terrein, bestaat er mogelijk
gevaar voor oververhitting.
• Laat de motor geen hogere toeren maken
dan 4500 omw/min (3500 omw/min bij dieselmotoren) – anders kan de olietemperatuur te hoog oplopen.
328
Dieselmotor 5-cil.
Op een helling parkeren
• Bij gevaar voor oververhitting dient u het
1. Trap het rempedaal in.
optimale motortoerental van 2300–3000
omw/min aan te houden voor optimale
koelvloeistofcirculatie.
2. Activeer de parkeerrem.
3. Zet de keuzehendel in stand P.
4. Haal uw voet van het rempedaal.
Automatische versnellingsbak
Oververhitting
• Zet de keuzehendel in de parkeerstand P,
wanneer u een automaat met aanhanger
parkeert. Gebruik altijd de parkeerrem.
Wanneer u bij warm weer een aanhanger sleept
in heuvelachtig terrein, bestaat er mogelijk
gevaar voor oververhitting.
• Gebruik wielblokken, als u een auto met
•
Op een helling wegrijden
Een automatische versnellingsbak kiest
altijd de juiste versnelling voor het motortoerental.
• Bij gevaar voor oververhitting gaat een
oranje informatielampje op het instrumentenpaneel branden en verschijnt er een displaymelding – volg het gegeven advies.
aanhanger op een steile helling parkeert.
1. Trap het rempedaal in.
2. Zet de keuzehendel in de rijstand D.
3. Los de parkeerrem.
4. Haal uw voet van het rempedaal en rijd
weg.
Steile hellingen
• Blokkeer een automatische versnellingsbak niet met een hogere versnelling dan de
motor “aankan” – rijden in een hoge versnelling bij een laag motortoerental is niet
altijd zuinig.
BELANGRIJK
Zie tevens de specifieke informatie over
langzaam rijden met een aanhanger voor
auto’s met een automatische versnellingsbak van het type Powershift op pagina 129.
Trekhaak
Als de auto is uitgerust met een afneembare
trekhaak, dienen de montagevoorschriften
voor het bevestigen van het afneembare
gedeelte zorgvuldig te worden opgevolgd, zie
pagina 330.
07 Tijdens het rijden
Rijden met een aanhanger
WAARSCHUWING
Afneembare trekhaak opbergen
Specificaties
•
Zorg dat het afneembare gedeelte met
de sleutel vergrendeld is voordat u
begint te rijden.
•
Controleer of het controlevenster groen
van kleur is.
Belangrijke controlepunten
• U moet de kogel van de trekhaak regelmatig schoonmaken en met vet insmeren.
N.B.
Wanneer u een trekhaak met trillingsdemper
gebruikt, hoeft de kogel niet te worden ingevet.
Opbergruimte trekhaak.
B
BELANGRIJK
Neem na gebruik altijd de trekhaak los en
berg deze op de daarvoor bestemde plaats
op, goed vastgezet met de bijbehorende
riem.
A
G026080
Volg de montage-instructies nauwkeurig op.
G031121
•
G021485
Als de auto is uitgerust met de afneembare
trekhaak van Volvo:
07
329
07 Tijdens het rijden
Rijden met een aanhanger
Controleer of het mechanisme in de ontgrendelde stand staat door de sleutel
rechtsom te draaien.
Afmetingen, bevestigingspunten
(mm)
H
G
Langsligger
H
Middelpunt kogel
C
Trekhaak bevestigen
E
F
G021488
G
G017971
D
Het controlevenster moet rood van kleur
zijn.
A (XC70)
1113
B (V70)
93
B (XC70)
77
C
855
D
428
E
112
F
346
Verwijder de afdekking door de pal in te
drukken
en de afdekking vervolgens
recht naar achteren te trekken
.
G021489
1129
Breng de trekhaak aan en duw deze naar
binnen totdat u een klik hoort.
G021487
07
A (V70)
G018928
Afmetingen, bevestigingspunten
(mm)
330
07 Tijdens het rijden
Het controlevenster moet groen van kleur
zijn.
Controleer of de trekhaak vastzit door deze
stevig omhoog, omlaag en naar achteren
te bewegen.
WAARSCHUWING
G000000
Als de trekhaak niet goed zit, moet u deze
verwijderen en opnieuw monteren zoals
eerder werd beschreven.
Draai de sleutel linksom naar de vergrendelde stand. Neem de sleutel uit het slot.
BELANGRIJK
G021495
G021494
G021490
Rijden met een aanhanger
Veiligheidskabel.
WAARSCHUWING
Let erop dat u de veiligheidskabel van de
aanhanger aan de daarvoor bestemde
bevestiging vastmaakt.
Trekhaak verwijderen
Vet alleen de kogel in waarop de aanhangerkoppeling wordt geplaatst; houd de rest
van het kogelsegment vetvrij en droog.
07
Steek de sleutel in het slot en draai deze
rechtsom in de ontgrendelde stand.
331
07 Tijdens het rijden
Rijden met een aanhanger
WAARSCHUWING
Zet de trekhaak goed vast, wanneer u deze
in de auto bewaart, zie pagina 329.
het verschijnsel pas bij zeer hoge snelheden
op. Als de aanhanger/caravan echter overmatig beladen is of als het gewicht van de lading
verkeerd verdeeld is (bijvoorbeeld te ver naar
achteren), bestaat er ook op lagere snelheden
van 70–90 km/h gevaar voor pendelbewegingen.
Een pendelbeweging begint altijd met een van
de onderstaande factoren, zoals:
Druk de vergrendelingsknop
in en draai
totdat u een klik hoort.
deze linksom
• De auto met aanhanger/caravan staat
G018929
bloot aan rukwinden.
• De auto met aanhanger/caravan rijdt over
een oneffen wegdek of over hobbels.
Duw de afdekking er zo ver op dat deze
vastklikt.
Trailer Stability Assist (TSA)*
07
Draai de vergrendelingsknop volledig
omlaag totdat deze niet verder kan. Houd
de knop in deze stand vast terwijl u de
trekhaak schuin naar achteren toe
omhoogtrekt.
Het TSA-systeem (Trailer Stability Assist) heeft
tot taak de auto met een aanhanger/caravan te
stabiliseren wanneer de combinatie de neiging
tot pendelbewegingen vertoont.
De TSA-regeling maakt deel uit van het DSTCsysteem (Dynamic Stability and Traction
Control), zie pagina 154.
Functie
Bij alle combinaties van auto en aanhanger/
caravan kan het bekende verschijnsel met pendelbewegingen optreden. Doorgaans treedt
332
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
• Grote stuurbewegingen.
Bediening
Een pendelbeweging is vaak niet of nauwelijks
te dempen, waardoor de combinatie moeilijk
bestuurbaar wordt en het gevaar bestaat op de
verkeerde weghelft of naast de weg te belanden.
Het TSA-systeem houdt continu de bewegingen van de auto in de gaten en in het bijzonder
de dwarsbewegingen. Als een neiging tot pendelbewegingen geregistreerd wordt, worden
de voorwielen ieder afzonderlijk dusdanig
afgeremd dat de combinatie gestabiliseerd
wordt. Vaak is dit voldoende om de auto weer
onder controle te krijgen.
07 Tijdens het rijden
Rijden met een aanhanger
Als de pendelbeweging ondanks de eerste
ingreep van het TSA-systeem niet wordt
gedempt, worden alle wielen van de combinatie afgeremd en wordt de aandrijfkracht van de
motor verlaagd. Wanneer de pendelbeweging
vervolgens stukje bij beetje verminderd is en de
combinatie weer stabiel is, beëindigt het TSAsysteem de regeling waarna u de auto weer
volledig onder controle hebt.
Overig
Het TSA-systeem kan ingrijpen bij snelheden
van 60–160 km/h.
N.B.
De TSA-functie wordt uitgeschakeld, als u
de Sport-stand kiest, zie pagina 154.
Het TSA-systeem grijpt mogelijk niet in als u
met grote stuurbewegingen de pendelbeweging zelf tracht op te heffen, aangezien het
TSA-niet dan niet kan bepalen of de pendelbeweging wordt veroorzaakt door de aanhanger/caravan of door de bestuurder.
07
Wanneer het TSA-systeem actief is,
knippert het DSTC-symbool op het
instrumentenpaneel.
333
07 Tijdens het rijden
Slepen en bergen
Slepen
WAARSCHUWING
Kijk voordat u met slepen begint wat de wettelijk voorgeschreven maximumsnelheid voor
slepen is.
1. Ontgrendel het stuurslot door de transpondersleutel in het contactslot te plaatsen en
de START/STOP ENGINE-knop lang in te
drukken. Sleutelstand II wordt geactiveerd, zie pagina 80 voor meer informatie
over sleutelstanden.
2. Laat de transpondersleutel tijdens het slepen in het contactslot zitten.
3. Houd, wanneer de slepende auto afremt,
de sleepkabel altijd strak door met uw voet
lichte druk op het rempedaal uit te oefenen
– zo voorkomt u schokken.
De rem- en stuurbekrachtiging werken niet
als de motor is uitgeschakeld. Er moet
ca. 5 keer zo hard op het rempedaal worden
getrapt en de besturing gaat aanzienlijk
zwaarder dan normaal.
Handgeschakelde versnellingsbak
Alvorens te slepen:
–
Automatische versnellingsbak
Geartronic
BELANGRIJK
Let erop dat u de auto altijd dusdanig wegsleept dat de wielen in de rijrichting draaien.
4. Sta klaar om te remmen om de auto tot
stilstand te brengen.
•
WAARSCHUWING
07
•
Controleer voordat u gaat slepen of het
stuurslot eraf is.
•
De transpondersleutel moet in sleutelstand II staan. In stand I zijn alle airbags
gedeactiveerd.
•
334
Haal nooit de transpondersleutel uit het
contactslot als de auto wordt gesleept.
Zet de versnellingspook in de neutrale
stand en los de parkeerrem.
De snelheidslimiet voor het wegslepen
van een auto met automatische versnellingsbak is 80 km/h. U mag de auto over
een afstand van maximaal 80 km verslepen.
Alvorens te slepen:
–
Zet de keuzehendel in stand N en los de
parkeerrem.
Automatische versnellingsbak
Powershift
Bij het model met een Powershift-versnellingsbak moet de motor lopen voor voldoende smering van de versnellingsbak en daarom mag dit
model niet worden gesleept. Als de auto toch
moet worden gesleept, dan dient dit over een
zo kort mogelijke afstand en op zeer lage snelheid te gebeuren.
Wanneer u niet zeker weet of uw auto wel of
niet is uitgerust met een Powershift-versnellingsbak, kunt u dit controleren aan de hand
van de aanduiding op de versnellingsbaksticker onder de motorkap. De aanduiding ”MPS6” houdt in dat het om een
Powershift –-bak gaat. Anders is het een
Geartronic-automaat.
07 Tijdens het rijden
Slepen en bergen
BELANGRIJK
Vermijd slepen.
•
•
Een auto die op een gevaarlijke plek in
het verkeer staat, mag echter over een
korte afstand (tot 10 km) en op lage
snelheid (tot 10 km/h) worden versleept.
Berg de auto altijd zo dat de wielen in
de rijrichting draaien.
Sleepoog
Het sleepoog dient te worden vastgeschroefd
in een draadbus achter een afdekking in de
bumper, voor of achter.
Sleepoog bevestigen
Schroef het sleepoog tot aan de flens naar
binnen. Draai het oog stevig vast met bijvoorbeeld een wielsleutel.
Starten met hulpaccu
Draai het sleepoog na gebruik los en leg
het weer op zijn plek.
Probeer de motor niet aan te slepen. Gebruik
een hulpaccu als de startaccu dusdanig ontladen is dat de motor niet kan worden gestart,
zie pagina 123.
BELANGRIJK
door een muntstuk of iets dergelijks in
de uitsparing aan te brengen en de
afdekking los te werken. Klap de afdekking daarna helemaal los en verwijder
deze.
langs de ene zijde of in een hoek: Duw
met uw vinger op deze markering terwijl
u de tegenoverliggende zijde/hoek met
een muntstuk of iets dergelijks openklapt – de afdekking klapt rond de middellijn open en kan vervolgens worden
verwijderd.
Zet de keuzehendel in stand N en los de
parkeerrem.
De katalysator kan beschadigd raken bij
pogingen om de motor via slepen aan het
draaien te krijgen.
• U opent de versie met een uitsparing
• Bij de andere versie zit er een markering
Om de auto over afstanden groter dan
10 km te verslepen, dienen de aangedreven wielen geheven te worden – het
wordt geadviseerd een professioneel
bergingsbedrijf in te schakelen.
Alvorens te slepen:
–
verschillende manieren moeten worden
geopend:
Plaats de afdekking tot slot weer in de
bumper terug.
07
Neem het sleepoog erbij dat onder het
vloerluik in de bagageruimte ligt.
De afdekking op het bevestigingspunt voor
het sleepoog bestaat in twee versies die op
335
07 Tijdens het rijden
Slepen en bergen
BELANGRIJK
BELANGRIJK
Het sleepoog is alleen bedoeld voor het slepen over de weg en niet geschikt voor berging wanneer de auto bijvoorbeeld in een
sloot is gereden of vast is komen te zitten.
Roep professionele hulp in voor berging.
N.B.
Bij sommige auto’s met een afneembare
trekhaak kunt u het sleepoog niet in de achterste bevestiging aanbrengen wanneer het
kogelsegment gemonteerd is. Bevestig de
sleepkabel in dat geval aan de trekhaak.
Om die reden wordt geadviseerd het kogelsegment van de afneembare trekhaak in de
auto te bewaren, wanneer u de trekhaak niet
nodig hebt.
Bergen
Roep professionele hulp in voor berging.
07
336
Berg de auto altijd zo dat de wielen in de
rijrichting draaien.
•
Voor auto’s met vierwielaandrijving
(AWD) gelden, bij het bergen met een
geheven vooras, zowel een maximale
snelheid van 70 km/h als een maximale
afstand van 50 km.
07 Tijdens het rijden
07
337
Algemene informatie ............................................................................
Wielen verwisselen ...............................................................................
Bandenspanning ..................................................................................
Gevarendriehoek en EHBO-set*...........................................................
Bandenreparatieset (TMK)* ..................................................................
338
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
340
345
348
349
350
WIELEN EN BANDEN
08 Wielen en banden
Algemene informatie
Rijeigenschappen
Banden zijn van grote invloed op de rijeigenschappen van de auto. Zowel het type, de
maat, de bandenspanning als de snelheidsklasse zijn belangrijk voor het rijgedrag van de
auto.
schappen van de auto af en kunnen de banden
regen, sneeuw en drab minder goed afvoeren.
Nieuwe banden
Monteer de banden met het diepste profiel
altijd op de achteras (om het gevaar voor slippen te verminderen).
N.B.
Draairichting
Let erop dat de banden op beide assen van
hetzelfde type zijn, dezelfde afmeting hebben en van hetzelfde merk zijn.
Houd de aanbevolen bandenspanning aan die
in de bandenspanningstabel staat, zie
pagina 420.
G021778
Onderhoud van banden
De pijl geeft de draairichting van de band aan.
08
340
Bij banden met een speciaal profiel dat alleen
goed werkt wanneer de banden in een
bepaalde richting draaien, staat deze richting
aangegeven met een pijl op de zijkant van de
band. Zorg dat de banden altijd dezelfde draairichting hebben. Banden mogen alleen van
voor naar achter verwisseld worden, nooit van
links naar rechts of omgekeerd. Als u de banden verkeerd aanbrengt, nemen de remeigen-
Leeftijd van de banden
Alle banden die ouder zijn dan 6 jaar moet u
door een vakman laten controleren, ook al zien
ze er intact uit. Dit omdat het materiaal waarvan
banden gemaakt zijn ook veroudert en afgebroken wordt, als banden zelden of nooit worden gebruikt. Daarbij kan de werking van de
band worden aangetast. Dit geldt voor alle
banden die u voor toekomstig gebruik hebt
opgeslagen. Scheurvorming of verkleuring zijn
de zichtbare kenmerken van een band die
ongeschikt is voor gebruik.
Banden hebben een beperkte houdbaarheidsdatum. Na enkele jaren worden de banden
hard en neemt de grip op het wegdek stukje bij
beetje af. Gebruik bij het verwisselen van banden altijd zo nieuw mogelijke banden. Dit geldt
in het bijzonder voor winterbanden. De laatste
cijfers van de cijferreeks geven de week en het
jaar van productie aan. Het is de zogeheten
DOT-code (Department of Transportation) van
de band en bestaat uit vier cijfers, bijvoorbeeld
1510. De band op de afbeelding is de 15e week
van het jaar 2010 geproduceerd.
Zomer- en winterbanden
Wanneer u de zomerbanden vervangt door
winterbanden of andersom, moet u op de band
noteren waar de band zat: bijvoorbeeld L voor
links, R voor rechts.
08 Wielen en banden
Algemene informatie
De juiste bandenspanning levert een gelijkmatiger slijtage op, zie pagina 348. De rijstijl, de
bandenspanning, het klimaat en de staat van
de wegen zijn van invloed op de snelheid waarmee de banden verouderen en slijten. Om verschillen in profieldiepte te voorkomen en slijtpatronen tegen te gaan kunt u de wielen op de
voor- en achteras onderling van plaats verwisselen. Voer de eerste wissel na ca. 5000 km uit
en doe dat daarna om de 10.000 km opnieuw.
Volvo adviseert u contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats als u niet zeker bent
van de profieldiepte. Als er al een duidelijk verschil zit in de slijtage (>1 mm verschil in profieldiepte) van de banden, dienen de minst versleten banden altijd op de achteras te zitten.
Slippende voorwielen zijn makkelijker te corrigeren dan slippende achterwielen, omdat de
auto rechtuit blijft rijden in plaats van uit te breken met de achterkant waarbij u mogelijk de
controle over de auto verliest. Daarom is
belangrijk dat de achterwielen nooit vóór de
voorwielen grip verliezen.
Bewaar de wielen hangend of liggend. Laat ze
nooit rechtop staan.
Banden met slijtage-indicatoren
Velgen en wielbouten
BELANGRIJK
Haal de wielbouten aan met 140 Nm. Als u
ze te strak aanhaalt, kan de boutverbinding
beschadigd raken.
G021829
Slijtage en onderhoud
Gebruik alleen velgen die getest en goedgekeurd zijn door Volvo en deel uitmaken van de
originele accessoires van Volvo. Controleer het
aanhaalmoment met een momentsleutel.
Afsluitbare wielbouten*
Slijtage-indicatoren.
Slijtage-indicatoren zijn smalle ophogingen die
dwars op het profiel van de band staan. De letters TWI (Tread Wear Indicator) op de zijkant
van de band geven aan dat een band is uitgerust met slijtage-indicatoren. De indicatoren
zijn duidelijk zichtbaar, wanneer een band dusdanig versleten is dat slechts 1,6 mm van het
profiel over is. Vervang de banden dan zo
spoedig mogelijk. Let erop dat een band met
een gering profiel zeer weinig grip op het wegdek heeft bij regen of sneeuw.
Afsluitbare wielbouten* zijn te gebruiken op
zowel aluminium als stalen velgen. Onder de
vloer in de bagageruimte is ruimte om de dop
voor de afsluitbare wielbouten in op te bergen.
WAARSCHUWING
08
Een beschadigde band kan ertoe leiden dat
u de controle over de auto verliest.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
341
08 Wielen en banden
Algemene informatie
Gereedschap
Gereedschap, terugplaatsen
N.B.
Als het vloerluik in de vloer in de bagageruimte niet dichtstaat, werkt Privacy locking
niet, zie pagina 52.
G029336
Winterbanden
Volvo adviseert winterbanden met bepaalde
afmetingen. De bandenmaat is afhankelijk van
de motorvariant. Gebruik altijd het juiste type
winterbanden op alle vier de wielen.
N.B.
Onder de vloer in de bagageruimte vindt u het
sleepoog van de auto, de krik* en de wielsleutel*. Er is tevens ruimte om de dop voor de
afsluitbare wielbouten in op te bergen.
Plaats het gereedschap en de krik* na gebruik
op de juiste manier terug. De krik past alleen
als deze tot in de juiste stand omlaaggedraaid
wordt.
Krik*
Plaats het blok schuimrubber en het reservewiel in omgekeerde volgorde terug.
Gebruik de originele krik alleen voor het verwisselen van het reservewiel. Houd de schroef
van de krik altijd goed ingevet.
Let erop dat er op het bovenste blok schuimrubber een pijl staat. Deze pijl dient naar de
voorkant van de auto wijzen.
BELANGRIJK
Bewaar gereedschap en krik* op de daarvoor bestemde plaats in de bagageruimte
wanneer u ze niet nodig hebt.
08
342
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Volvo adviseert u contact op te nemen met
een erkende Volvo-werkplaats voor advies
over de beste soort velgen en banden.
Banden met “spikes”
Winterbanden met “spikes” moeten de eerste
500–1000 km rustig worden ingereden, zodat
de “spikes” hun positie in kunnen nemen. Zo
gaan de banden en vooral de “spikes” langer
mee.
N.B.
De wettelijke bepalingen voor het gebruik
van banden met “spikes” verschillen van
land tot land.
08 Wielen en banden
Algemene informatie
Profieldiepte
Ritten bij ijs, sneeuw(modder) en lage temperaturen vergen meer van de banden dan
zomerse ritten. Daarom adviseert Volvo een
minimale profieldiepte van 4 mm voor winterbanden.
combinaties goedgekeurd zijn. Voor de toegestane combinaties, zie pagina 420
Afmetingen wiel (velg)
Wielen (velgen) zijn voorzien van een maataanduiding, bijvoorbeeld: 7Jx16x50.
Sneeuwkettingen gebruiken
7
Velgbreedte in inch
Het gebruik van sneeuwkettingen is alleen toegestaan op de voorwielen (geldt ook voor
modellen met voorwielaandrijving).
J
Profiel velgrand
16
Rijd nooit sneller dan 50 km/h met sneeuwkettingen. Rijd evenmin op sneeuwvrije wegen,
omdat zowel de sneeuwkettingen als de banden daardoor overmatig slijten.
Velgdiameter van de
band
50
Bolling in mm
(afstand tussen de
verticale aslijn door
het wiel en het contactvlak met de naaf)
WAARSCHUWING
Gebruik originele Volvo-sneeuwkettingen of
vergelijkbare sneeuwkettingen die zijn afgestemd op het model en op de band- en velgafmetingen. Bij twijfel adviseert Volvo u
een erkende Volvo-werkplaats om advies te
vragen. Een verkeerde sneeuwketting kan
ernstige schade aan de auto veroorzaken en
aanleiding geven tot een ongeluk.
Specificaties
De auto is voorzien van een typegoedkeuring
voor de uitvoering waarin deze werd aangeleverd. Dat betekent dat niet alle velg- en band-
Bandenmaten
Op alle autobanden staat een bepaalde maataanduiding. Een voorbeeld van een dergelijke
aanduiding:
225/50R17 98W.
225
Breedte van de band (mm)
50
Verhouding tussen de hoogte en
breedte van de band (%)
R
Aanduiding voor radiaalbanden
17
Velgdiameter van de band (")
98
Aanduiding van het draagvermogen
van de band, lastindex (LI)
W
Aanduiding van de snelheidslimiet
van de band, snelheidsklasse (SS). (In
dit geval 270 km/h).
Lastindex
Iedere band heeft een bepaald draagvermogen, wat wordt aangeduid met de lastindex (LI).
Het gewicht van de auto bepaalt het draagvermogen van de banden. De minimaal toelaatbare index staat in de tabel, zie pagina 420.
Snelheidsklassen
Iedere band is berekend op een bepaalde
maximumsnelheid, wat wordt aangeduid met
de snelheidsklasse (Speed Symbol: SS).
De snelheidsklasse van de banden dient minimaal overeen te komen met de topsnelheid van
de auto. De minimaal toelaatbare snelheidsklasse staat in de tabel, zie pagina 420.
De enige uitzondering hierop vormen winterbanden (zowel banden met als zonder
‘spikes’), waarvoor een lagere snelheidsklasse
gebruikt mag worden. Bij gebruik van dergelijke banden mag u niet sneller rijden dan de
maximumsnelheid die voor het gebruikte bandentype geldt (voor aanduiding Q geldt bij-
08
343
08 Wielen en banden
Algemene informatie
voorbeeld een maximumsnelheid van
160 km/h).
De gesteldheid van het wegdek is bepalend
voor de maximumsnelheid en niet de snelheidsklasse op de banden.
N.B.
De aangegeven snelheid in de tabel is de
maximumsnelheid.
Q
160 km/h (alleen voor winterbanden)
T
190 km/h
H
210 km/h
V
240 km/h
W
270 km/h
Y
300 km/h
WAARSCHUWING
08
344
De auto moet worden uitgerust met banden
die minimaal de gespecificeerde lastindex
(LI) en snelheidsklasse (SS) hebben. Bij
gebruik van banden met een te lage lastindex of snelheidsklasse kunnen de banden
oververhit raken.
08 Wielen en banden
Wielen verwisselen
Reservewiel*
Een compact reservewiel (Temporary Spare) is
alleen bestemd voor tijdelijk gebruik en dient
dan ook zo spoedig mogelijk door een normaal
wiel te worden vervangen. Het rijgedrag van de
auto kan zich wijzigen bij het gebruik van een
compact reservewiel. Het compacte reservewiel is kleiner dan een normaal wiel. De bodemspeling verandert er daarom door. Wees voorzichtig bij hoge trottoirbanden en reinig de auto
niet in een autowasstraat. Als het reservewiel
op de vooras zit, kunt u evenmin sneeuwkettingen omleggen. Bij vierwielaangedreven
auto’s is de achterwielaandrijving uit te schakelen. Het reservewiel mag niet worden gerepareerd. In de bandenspanningstabel, zie
pagina 420, staat de juiste bandenspanning
voor het reservewiel.
BELANGRIJK
Rijd nooit sneller dan 80 km/h bij gebruik
van een compact reservewiel.
BELANGRIJK
Rijd nooit met meer dan één compact reservewiel (Temporary Spare) tegelijk.
Het reservewiel ligt met de buitenkant omlaag
in de ruimte voor het reservewiel. Dezelfde
doorloopbout waarmee het blok schuimrubber
vastzit houdt ook het reservewiel in positie. Het
blok schuimrubber bevat al het gereedschap.
N.B.
Reservewiel erbij nemen
Volvo adviseert u alleen de krik te gebruiken* die bij de auto hoort, zoals aangegeven
op de kriksticker.
1. Pak vloer in de bagageruimte aan de achterzijde beet en klap deze naar voren toe
omhoog.
Op de sticker staat tevens de maximale hefcapaciteit bij de vermelde minimale hefhoogte.
2. Draai de bevestigingsbout los.
3. Til het blok schuimrubber met het gereedschap erin uit de auto.
4. Til het reservewiel uit de auto.
Verwijderen
Zet een gevarendriehoek zie pagina 349 op,
als u een wiel langs een drukke weg moet verwisselen. Zorg ervoor dat de auto en de krik*
op een stevige en horizontale ondergrond
staan.
1. Haal de parkeerrem aan en schakel de
achteruitversnelling in of zet de keuzehendel in stand P, als de auto een automatische versnellingsbak heeft.
2. Neem de krik*, de wielsleutel* en het
demontagegereedschap voor wieldoppen* erbij die onder de laadvloer in de
bagageruimte liggen. Bij gebruik van een
andere krik, zie pagina 356.
3. Plaats wielblokken voor en achter de wielen die op de grond blijven staan. Gebruik
daarvoor bijvoorbeeld grote houten blokken of grote stenen.
4. Auto’s met stalen velgen hebben afneembare wieldoppen. Haak het demontagegereedschap in dat geval vast aan de volledige wielsierdoppen om ze vervolgens los
te trekken. De wieldoppen zijn ook met de
hand in één snelle beweging los te trekken.
WAARSCHUWING
Controleer of de krik intact is, goed
gesmeerde schroefdraadwindingen heeft
en vrij van vuil is.
08
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
345
08 Wielen en banden
Wielen verwisselen
BELANGRIJK
Het sleepoog dient volledig in de wielsleutel
te worden gedraaid.
6. Draai de wielbouten ½–1 slag linksom los
met de wielsleutel.
WAARSCHUWING
Leg nooit iets tussen de krik en de ondergrond en evenmin tussen de krik en het kriksteunpunt van de auto.
5. Schroef het sleepoog tot aan de aanslag in
de wielsleutel* vast zoals hieronder afgebeeld.
7. Er zitten twee kriksteunpunten aan weerszijden van de auto. Bij elk steunpunt zit een
uitsparing in de kunststof afdekking. Draai
de voet van de krik met de slinger zo ver
omlaag dat de voet plat tegen de grond
aankomt.
BELANGRIJK
De ondergrond dient vast en egaal te zijn en
niet te hellen.
8. Breng de auto zo ver omhoog dat het wiel
van de grond komt. Verwijder de wielbouten en til het wiel eraf.
Aanbrengen
1. Reinig de contactvlakken tussen het wiel
en de naaf.
2. Breng het wiel aan. Haal de wielbouten
stevig aan.
08
346
3. Breng de auto zo ver omlaag dat het wiel
niet meer ongehinderd kan draaien.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
08 Wielen en banden
Wielen verwisselen
WAARSCHUWING
Kruip nooit onder de auto als deze op de krik
staat.
Laat eventuele passagiers uit de auto stappen, voordat u de auto opkrikt.
Parkeer de auto dusdanig dat de auto en
liever nog een vangrail u en eventuele uitgestapte passagiers afschermen van het
verkeer op de rijbaan.
N.B.
4. Draai de wielbouten kruiselings vast. Het is
belangrijk dat u de wielbouten stevig aanhaalt. Haal aan met 140 Nm. Controleer het
aanhaalmoment met een momentsleutel.
5. Plaats een volledige wielsierdop terug
(indien aanwezig).
N.B.
De ventieluitsparing in de wieldop bij het
monteren aanbrengen over het ventiel in de
velg.
De normale krik van de auto is alleen
bestemd voor sporadisch en kortstondig
gebruik zoals bij het verwisselen van een
lekke band, monteren van winterbanden/
zomerbanden e.d. Hef de auto alleen met
een krik die voor het desbetreffende model
bestemd is. Als de auto vaker moet worden
opgekrikt of voor langere tijd zoals bij het
onderling roteren van de banden wordt het
gebruik van een garagekrik geadviseerd.
Volg in dat geval de gebruiksaanwijzing van
de desbetreffende krik.
08
347
08 Wielen en banden
Bandenspanning
Bandenspanning
Brandstofbesparing, ECObandenspanning
Voor een zo laag mogelijk brandstofverbruik
wordt geadviseerd de aangegeven bandenspanning (zowel bij maximale als lichte belading) aan te houden bij snelheden tot
160 km/h.
Bandenspanning controleren
G021830
Controleer iedere maand de bandenspanning.
Op de sticker voor op de portierstijl aan de
bestuurderszijde (tussen voor- en achterportier) staat de juiste bandenspanning voor uw
auto aangegeven bij verschillende belading en
snelheid. De bandenspanning staat ook in de
bandenspanningstabel, zie pagina 420.
• Bandenspanning bij gebruik van de aanbevolen bandenmaat
• ECO-bandenspanning1
• Bandenspanning compact reservewiel
(Temporary Spare)
N.B.
De bandenspanning hangt af van de temperatuur.
08
1
348
De ECO-bandenspanning levert brandstofbesparing op.
Dit geldt eveneens voor het reservewiel.
Controleer de bandenspanning wanneer de
banden koud zijn. De aangegeven bandenspanning geldt bij koude banden (kan verschillen naargelang van de buitentemperatuur). Al
na enkele kilometers rijden worden de banden
warm en loopt de spanning op.
Een te lage bandenspanning heeft een negatieve inwerking op het brandstofverbruik, de
levensduur van de banden en de rijeigenschappen van de auto. Wanneer u met een te
lage bandenspanning rijdt, kunnen de banden
oververhit en beschadigd raken. De bandenspanning is van invloed op het rijcomfort, de
stuureigenschappen en de geproduceerde
weggeluiden.
N.B.
Het is een natuurlijk gegeven dat de bandenspanning na verloop van tijd afneemt.
De bandenspanning varieert ook naargelang van de omgevingstemperatuur.
08 Wielen en banden
Gevarendriehoek en EHBO-set*
Til de vloer in de bagageruimte op en haal
de gevarendriehoek tevoorschijn.
EHBO-set*
Neem de gevarendriehoek uit de houder,
klap de driehoek uit en bevestig de twee
losse zijden aan elkaar.
Klap de steunpoten van de gevarendriehoek uit.
Volg de geldende bepalingen voor het gebruik
van een gevarendriehoek. Zet de gevarendriehoek op een passend punt achter de auto op
om achteropkomend verkeer tijdig te waarschuwen.
Zorg dat de houder met de gevarendriehoek na
gebruik stevig in de bagageruimte vastzit.
G018253
Gevarendriehoek
Onder de vloer in de bagageruimte ligt een
EHBO-set.
N.B.
Bij een geactiveerde Privacy locking zijn
achterklep en vloerluik niet te openen, zie
pagina 52.
08
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
349
08 Wielen en banden
Bandenreparatieset (TMK)*
Algemeen
N.B.
De bandenreparatieset is uitsluitend
bedoeld voor het afdichten van banden met
een lek in het loopvlak.
De bandenreparatieset leent zich minder goed
voor banden met een gat in het zijvlak. Probeer
geen banden met de bandenreparatiesetset af
te dichten die grote groeven, scheuren en dergelijke vertonen.
De bandenreparatieset (TMK, Temporary
Mobility Kit) wordt gebruikt om een lek te dichten alsook om de bandenspanning te controleren en zo nodig tijdelijk te corrigeren. De set
bestaat uit een compressor en een bus met
afdichtmiddel. De set dient om noodreparaties
uit te voeren. De fles met het afdichtmiddel
moet worden vervangen voordat de houdbaarheidsdatum is verstreken en tevens na het
gebruik.
Het afdichtmiddel dicht banden met een lek in
het loopvlak effectief af.
08
350
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Sluit een compressor aan op een van de 12Vaansluitingen in de auto, zie pagina 242 en
321. Gebruik de elektrische aansluiting die het
dichtst bij de lekke band zit.
BELANGRIJK
Als de compressor voor bandenreparatie op
een van de beide aansluitingen in de tunnelconsole is aangesloten, zie pagina 242,
mag er op de andere aansluiting geen
stroomverbruiker aangesloten zijn.
N.B.
De compressor voor provisorische bandenreparatie is door Volvo getest en goedgekeurd.
Locatie bandenreparatieset
Zet een gevarendriehoek op bij het afdichten
van een band langs een drukke weg. De bandenreparatieset zit onder de vloer in de bagageruimte, zie pagina 349.
WAARSCHUWING
Rijd nooit sneller dan 80 km/h, nadat u de
noodreparatieset hebt gebruikt. Volvo adviseert een erkende Volvo-werkplaats te
bezoeken om de afgedichte band te laten
controleren (maximale rijafstand 200 km).
Het personeel kan bepalen of de band kan
worden gerepareerd of moet worden vervangen.
08 Wielen en banden
Bandenreparatieset (TMK)*
Overzicht
Lekke band repareren
WAARSCHUWING
Het afdichtmiddel kan aanleiding geven tot
huidirritatie. Was bij huidcontact het getroffen gebied onmiddellijk schoon met water
en zeep.
3. Controleer of de knop in stand 0 staat en
neem de kabel en de luchtslang erbij.
N.B.
Voor het gebruik de verzegeling van de bus
niet verbreken. Bij het indraaien van de bus
wordt de verzegeling automatisch verbroken.
Sticker, toegestane maximumsnelheid
Knop
4. Draai de oranje beschermdop los evenals
de dop op de bus met afdichtmiddel.
Bushouder (oranje deksel)
5. Draai de bus in de bushouder vast.
Beschermdop
Drukreduceerventiel
Luchtslang
Bus met afdichtmiddel
Manometer
G014338
Kabel
Voor informatie over de werking van de onderdelen (zie voorgaande afbeelding).
1. Open het deksel van de bandenreparatieset.
2. Haal de sticker met de toegestane maximumsnelheid uit de set en bevestig de sticker op het stuurwiel.
WAARSCHUWING
Draai de bus niet los. De bus is voorzien van
een pakking die lekkage tegengaat.
6. Draai het ventieldopje van het wiel los en
schroef de ventielaansluiting van de luchtslang zo ver mogelijk op het ventiel van de
band.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
08
351
08 Wielen en banden
Bandenreparatieset (TMK)*
7. Sluit de kabel op een 12V-aansluiting aan
en start de motor.
N.B.
Als de compressor op een van de beide
12 V-aansluitingen is aangesloten, in de tunnelconsole, mag er op de andere aansluiting
geen stroomverbruiker aangesloten zijn.
WAARSCHUWING
Laat geen kinderen zonder toezicht in de
auto achter, terwijl de motor loopt.
8. Zet de knop in stand I.
WAARSCHUWING
Ga nooit naast de band staan terwijl de
compressor aan het pompen is. Bij barsten,
oneffenheden en dergelijke dient u de compressor onmiddellijk uit te schakelen. Beëindig in dat geval de rit. Het wordt dan geadviseerd een erkende bandenwerkplaats te
bezoeken.
9. Vul de band 7 minuten lang met afdichtmiddel.
BELANGRIJK
Er bestaat gevaar voor oververhitting. De
compressor mag niet langer dan 10 minuten
achtereen werken.
10. Schakel de compressor uit om de bandenspanning van de manometer af te lezen. De
bandenspanning dient minimaal 1,8 bar en
maximaal 3,5 bar te bedragen. (Laat eventueel lucht ontsnappen met het drukreduceerventiel, als de bandenspanning te
hoog is.)
WAARSCHUWING
Als de bandenspanning lager is dan 1,8 bar,
is het gat in de band te groot. Beëindig in
dat geval de rit. Het wordt dan geadviseerd
een erkende bandenwerkplaats te bezoeken.
11. Schakel de compressor uit en trek de kabel
los uit de 12V-aansluiting.
N.B.
08
352
Bij het inschakelen van de compressor kan
de spanning aanvankelijk oplopen tot 6 bar,
maar zal na ca. 30 seconden weer dalen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
12. Koppel de slang los van het ventiel en
plaats het ventieldopje terug.
13. Leg zo spoedig mogelijk na de reparatie
ca. 3 km af bij een snelheid van maximaal
80 km/h, zodat het afdichtmiddel de band
kan afdichten.
Reparatieresultaat en bandenspanning
controleren
1. Sluit de uitrusting opnieuw aan.
2. Lees de bandenspanning van de manometer af.
• Als de spanning lager is dan 1,3 bar,
werd de band onvoldoende afgedicht.
Beëindig in dat geval de rit. Neem contact op met een erkende Volvo-werkplaats.
• Als de bandenspanning hoger is dan 1,3
bar, moet u de band oppompen tot de
spanning die staat aangegeven in de
bandenspanningstabel, zie pagina 420
(1 bar = 100 kPa). Laat lucht uit de band
ontsnappen, als de bandenspanning te
hoog is.
WAARSCHUWING
Draai de bus niet los. De bus is voorzien van
een pakking die lekkage tegengaat.
3. Zorg dat de compressor uitstaat. Koppel
de luchtslang en de kabel los. Plaats het
ventieldopje terug.
08 Wielen en banden
Bandenreparatieset (TMK)*
N.B.
Vervang de bus met afdichtmiddel en de
slang na gebruik. Volvo adviseert u het vervangen over te laten aan een erkende Volvowerkplaats.
WAARSCHUWING
Controleer de bandenspanning regelmatig.
U wordt geadviseerd om naar de dichtstbijzijnde erkende Volvo-werkplaats te rijden en er
de beschadigde band te laten vervangen/repareren. Geef aan het werkplaatspersoneel door
dat er afdichtmiddel in de band zit.
WAARSCHUWING
Rijd nooit sneller dan 80 km/h, nadat u de
noodreparatieset hebt gebruikt. Volvo adviseert een erkende Volvo-werkplaats te
bezoeken om de afgedichte band te laten
controleren (maximale rijafstand 200 km).
Het personeel kan bepalen of de band kan
worden gerepareerd of moet worden vervangen.
Band oppompen
De compressor is berekend op het oppompen
van de originele banden die op de auto zitten.
1. De compressor moet uitstaan. Zorg dat de
knop in stand 0 staat en neem de kabel en
de luchtslang erbij.
2. Draai het ventieldopje van het wiel los en
schroef de ventielaansluiting van de luchtslang zo ver mogelijk op het ventiel van de
band.
WAARSCHUWING
Inademen van uitlaatgassen kan levensgevaarlijk zijn. Laat de motor nooit draaien in
ruimten die zijn afgesloten of onvoldoende
geventileerd worden.
WAARSCHUWING
Laat geen kinderen zonder toezicht in de
auto achter, terwijl de motor loopt.
3. Sluit de kabel aan op een van de 12V-aansluitingen in de auto en start de motor.
4. Schakel de compressor in door de knop in
stand I te zetten.
BELANGRIJK
Er bestaat gevaar voor oververhitting. De
compressor mag niet langer dan 10 minuten
achtereen werken.
5. Pomp de band op tot de druk die op/in de
bandenspanningstabel staat aangegeven,
zie pagina 420. (Laat eventueel lucht ontsnappen met het drukreduceerventiel, als
de bandenspanning te hoog is.)
6. Schakel de compressor uit. Koppel de
luchtslang en de kabel los.
7. Plaats het ventieldopje terug.
Bus met afdichtmiddel vervangen
Vervang de bus voordat de houdbaarheidsdatum verstreken is. Behandel de vervangen bus
als klein chemisch afval (KCA).
WAARSCHUWING
De bus bevat 1,2-ethanol en natuurrubberlatex.
Gevaarlijk bij inwendig gebruik. Kan aanleiding geven tot overgevoeligheid bij huidcontact.
Contact met huid en ogen vermijden.
08
Buiten bereik van kinderen bewaren.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
353
Motorruimte..........................................................................................
Gloeilampen..........................................................................................
Wisserbladen en sproeiervloeistof........................................................
Accu......................................................................................................
Zekeringen............................................................................................
Verzorging.............................................................................................
354
356
364
371
374
379
390
ONDERHOUD EN SERVICE
09 Onderhoud en service
Motorruimte
09
Algemeen
Serviceprogramma van Volvo
Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid en
betrouwbaarheid van de auto op een hoog peil
te houden, dient u de voorschriften van het
Serviceprogramma van Volvo op te volgen
zoals die omschreven staan in het Service- en
garantieboekje van Volvo. Volvo adviseert u om
service- en onderhoudswerkzaamheden over
te laten aan een erkende Volvo-werkplaats.
Volvo-werkplaatsen beschikken over het personeel, het speciale gereedschap en de servicehandboeken waardoor zij u een zo hoog
mogelijke servicekwaliteit kunnen garanderen.
BELANGRIJK
Voor de geldigheid van de garantie is het
van belang dat u het Service- en garantieboekje van Volvo controleert en de aanwijzingen opvolgt.
Regelmatig controleren
Controleer regelmatig de volgende oliën en
vloeistoffen, bijvoorbeeld tijdens het tanken:
•
•
•
•
356
Koelvloeistof
Motorolie
Stuurbekrachtigingsvloeistof
Sproeiervloeistof
WAARSCHUWING
Vergeet niet dat de radiateurventilator (vóór
in de motorruimte achter de radiateur) enige
tijd na uitschakeling van de motor automatisch kan starten.
Laat de motorreiniging altijd uitvoeren door
een werkplaats. Als de motor warm is,
bestaat er brandgevaar.
Auto opnemen
N.B.
Volvo adviseert u alleen de krik te gebruiken
die bij de auto hoort. Volg bij gebruik van
een andere krik dan door Volvo geadviseerd
de gebruiksaanwijzingen die bij deze krik
werden geleverd.
Als u de auto met een garagekrik opneemt,
moet u de krik tegen de voorkant van het subframe van de motor aanbrengen.
Zorg dat de spatplaat onder de motor niet
beschadigd raakt. Let erop dat u de garagekrik
dusdanig aanbrengt, dat de auto er niet van af
kan glijden. Maak altijd gebruik van steunbokken of vergelijkbare hulpmiddelen.
Als u de auto met een tweekoloms hefbrug
opneemt, moet u ervoor zorgen dat de voorste
en achterste dragerarmen onder de steunpunten komen te zitten. Zie voorgaande afbeelding.
Motorkap openen en sluiten
09 Onderhoud en service
Motorruimte
Motorruimte, overzicht
09
Vulopening voor sproeiervloeistof
Luchtfilter
WAARSCHUWING
G010951
De spanning en het vermogen van het ontstekingssysteem zijn zeer hoog. De spanning in het ontstekingssysteem is levensgevaarlijk. Houd de transpondersleutel altijd in
stand 0 bij werkzaamheden in de motorruimte, zie pagina 80.
Haal de borghaak naar links om de motorkap te openen. (De borghaak zit tussen de
koplamp en de grille zoals afgebeeld.)
WAARSCHUWING
Controleer bij het sluiten of de motorkap
goed in het slot valt.
G018945
Trek aan de handgreep bij de pedalen. Het
is duidelijk te horen dat vergrendeling
wordt opgeheven.
Afhankelijk van het motortype kan de motorruimte
er anders uitzien.
Expansiereservoir voor koelsysteem
Raak bougies of bobine niet aan, wanneer
de transpondersleutel in stand II staat of als
de motor warm is.
Oliepeil motor controleren
Reservoir voor stuurbekrachtigingsvloeistof
Peilstok voor motorolie1
Radiateur
Motorolie bijvullen
Reservoir voor rem- en koppelingsvloeistof
(aan bestuurderszijde)
Startaccu
Relais- en zekeringenkastje
1
Bij motoren met elektronische oliepeilaanduiding ontbreekt de peilstok (5-cil. diesel).
357
09 Onderhoud en service
Motorruimte
Volvo adviseert olieproducten van Castrol.
Voor ritten onder ongunstige omstandigheden,
zie pagina 409.
BELANGRIJK
Om aan de vereisten voor de gespecificeerde service-intervallen te voldoen worden alle motoren in de fabriek gevuld met
een speciaal aangepaste, synthetische
motorolie. De oliesoort werd met grote zorg
geselecteerd lettend op de levensduur van
de motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact.
Om de aanbevolen service-intervallen aan
te kunnen houden dient u een goedgekeurde motoroliesoort te gebruiken.
Gebruik alleen een oliesoort van de voorgeschreven kwaliteit en dat zowel bij het bijvullen als bij verversen van olie. Een negatieve invloed op de levensduur van de
motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact is anders niet
uitgesloten.
Volvo Car Corporation wijst alle garantieclaims af bij gebruik van een motoroliesoort
die niet voldoet aan de voorgeschreven
kwaliteits- en viscositeitseisen.
Volvo adviseert de olie in een erkende
Volvo-werkplaats te laten verversen.
2
358
Geldt alleen benzine- en 4-cil. dieselmotor.
Volvo hanteert uiteenlopende systemen om te
waarschuwen voor een laag/hoog oliepeil of
een lage/hoge oliedruk. Bij de modellen die zijn
voorzien van een oliedruksensor wordt gebruik
gemaakt van een waarschuwingslampje voor
de oliedruk. Bij modellen met een olieniveausensor wordt gewaarschuwd met een waarschuwingslampje midden op het instrumentenpaneel en met displaymeldingen. Op
bepaalde modellen zijn beide systemen aanwezig. Neem voor meer informatie contact op
met een erkende Volvo-werkplaats.
Houd voor het verversen van de motorolie en
het vervangen van het oliefilter de intervallen
aan die staan aangegeven in het Service- en
garantieboekje.
Het is toegestaan een oliesoort te gebruiken
met een hogere kwaliteit dan aangegeven. Bij
rijden onder ongunstige omstandigheden adviseert Volvo een olie van een hogere kwaliteit,
zie pagina 409.
Voor de bij te vullen hoeveelheid (zie
pagina 410 en verder).
Motor met oliepeilstok2
G021734
09
Peilstok en vulbuis.
Bij een nieuwe auto is het belangrijk om het
oliepeil te controleren, voordat de olie voor de
eerste keer volgens schema moet worden ververst.
Volvo adviseert u het oliepeil om de 2500 km
te controleren. De betrouwbaarste meting
wordt verkregen bij een koude motor vóór de
start. Meteen na het afzetten van de motor
krijgt u een verkeerd resultaat. De peilstok
geeft dan een te laag peil aan, omdat de olie
geen tijd heeft gehad om terug te lopen naar
het oliecarter.
09 Onderhoud en service
Motorruimte
ver onder staat, moet u wellicht meer bijvullen.
09
Motor met elektronische
oliepeilaanduiding3
6. Als u het peil daarna nogmaals wenst te
controleren, moet u dat na enige tijd rijden
doen. Herhaal vervolgens de stappen 1–4.
G021737
WAARSCHUWING
De olie moet tussen het MIN- en MAX-streepje
staan.
Peil meten en zo nodig corrigeren
Vul nooit bij tot boven de MAX-aanduiding.
De olie mag nooit boven MAX of onder
MIN staan om motorschade tegen te gaan.
WAARSCHUWING
Mors geen olie op het hete uitlaatspruitstuk,
omdat er gevaar voor brand bestaat.
1. Zorg dat de auto op een vlakke ondergrond
geparkeerd staat. Het is belangrijk dat u na
het afzetten van de motor ten minste
5 minuten wacht, zodat de olie weer kan
teruglopen in het oliecarter.
Vulbuis.4
U hoeft het motoroliepeil niet aan te passen,
voordat er een melding op het display verschijnt, zie onderstaande afbeelding.
2. Trek de peilstok tevoorschijn en veeg deze
schoon.
3. Steek de peilstok weer naar binnen.
4. Trek de peilstok tevoorschijn en controleer
het peil.
5. Als de olie dichter bij het MIN-streepje ligt,
dient u 0,5 liter bij te vullen. Als de olie daar
3
4
Geldt alleen voor 5-cil. dieselmodel.
Bij motoren met elektronische oliepeilaanduiding ontbreekt de peilstok (5-cil. diesel).
359
09 Onderhoud en service
09
Motorruimte
BELANGRIJK
Vul bij het verschijnen van de melding
Oliepeil laag 0.5 l bijvullen slechts 0,5 liter
bij.
2. Draai het duimwiel op de linker stuurhendel
naar stand Motoroliepeil Een
ogenblik....
> Vervolgens verschijnt informatie over
het motoroliepeil.
N.B.
Melding en grafische weergave op display.
Het systeem detecteert het oliepeil alleen
tijdens het rijden. Na het bijvullen of aftappen van olie duurt het even voordat het systeem wijzigingen in het oliepeil kan waarnemen. De auto dient ca. 30 km te rijden, voordat het weergegeven oliepeil correct is.
Melding
Motoroliepeil
Wanneer de motor afgezet is, kunt u het duimwiel gebruiken om het oliepeil te laten controleren door de elektronische peilaanduiding, zie
pagina 210.
WAARSCHUWING
Bij het verschijnen van de melding
Olieservice vereist een werkplaats opzoeken. Het oliepeil is mogelijk te hoog.
WAARSCHUWING
Vul niet meer olie bij, als niveau (3) of (4) verschijnt zoals aangegeven op de afbeelding.
De olie mag nooit boven MAX of onder
MIN staan om motorschade tegen te gaan.
WAARSCHUWING
Mors geen olie op het hete uitlaatspruitstuk,
omdat er gevaar voor brand bestaat.
Oliepeil meten
Voor controle van het oliepeil de onderstaande
volgorde aanhouden.
1. Activeer sleutelstand II, zie pagina 80.
360
De cijfers 1–4 geven het niveau aan. Vul niet meer
olie bij, als niveau (3) of (4) staat aangegeven. Het
aanbevolen niveau is 4.
09 Onderhoud en service
Motorruimte
Koelvloeistof
Voor de aan te houden hoeveelheden en de
aanbevolen vloeistofkwaliteit, zie pagina 412.
Peil controleren en bijvullen
BELANGRIJK
•
Hoge concentraties chloor, chloriden
en andere zoutverbindingen kunnen
aanleiding geven tot corrosie in het
koelsysteem.
•
Gebruik altijd een koelvloeistof met
roestwerende eigenschappen volgens
de aanbevelingen van Volvo.
•
Let erop dat het koelvloeistofmengsel
altijd voor 50 % uit water en voor
50 % uit koelvloeistof bestaat.
•
Leng de koelvloeistof aan met leidingwater van goede kwaliteit. Gebruik bij
twijfel over de waterkwaliteit altijd een
kant-en-klare koelvloeistof volgens de
aanbevelingen van Volvo.
•
Wanneer u overstapt op een ander
soort koelvloeistof of een nieuw koelsysteemonderdeel hebt gemonteerd,
dient u het koelsysteem schoon te
spoelen met leidingwater van goede
kwaliteit of met kant-en-klare koelvloeistof.
•
De motor mag alleen draaien met een
goed gevuld koelsysteem. Als dat niet
het geval is, kunnen er hoge temperaturen optreden met gevaar voor
beschadiging (barsten) van de cilinderkop.
Controleer de koelvloeistof regelmatig
De koelvloeistof moet tussen het MIN- en
MAX-streepje op het expansiereservoir staan.
Als u het reservoir niet goed gevuld houdt, kan
de temperatuur in het systeem dusdanig hoog
oplopen dat er gevaar voor motorschade ontstaat.
Volg de aanwijzingen op de verpakking op. Het
is belangrijk dat u verhouding tussen koelvloeistof en water afstemt op de heersende weersomstandigheden. Vul het reservoir nooit alleen
met schoon water. Het gevaar voor bevriezing
neemt toe, zowel wanneer de concentratie
koelvloeistof te laag is als wanneer deze te
hoog is.
WAARSCHUWING
De koelvloeistof kan bijzonder heet zijn. Als
u moet bijvullen terwijl de motor op bedrijfstemperatuur is, moet u langzaam de dop
van het expansiereservoir losdraaien om de
overdruk te laten ontsnappen.
09
361
09 Onderhoud en service
09
Motorruimte
Rem- en koppelingsvloeistof
Bijvullen
Stuurbekrachtigingsvloeistof
Peil controleren
De rem- en koppelingsvloeistof zitten in hetzelfde reservoir. De vloeistof moet tussen het
MIN- en MAX-streepje staan die aan de buitenkant van het reservoir zichtbaar zijn. Controleer het peil regelmatig.
Ververs de remvloeistof om de twee jaar of
iedere tweede geplande servicebeurt.
Voor de aan te houden hoeveelheden en de
aanbevolen kwaliteit van de remvloeistof, zie
pagina 412. Wanneer u vaak met uw auto in
de bergen rijdt of in landen met een tropisch
klimaat en een hoge relatieve luchtvochtigheidsgraad, moet u de remvloeistof ieder jaar
verversen.
WAARSCHUWING
Als de remvloeistof onder het MIN-streepje
van het reservoir staat, mag u niet verder
rijden voordat u remvloeistof hebt bijgevuld.
Geadviseerd wordt de oorzaak van het remvloeistofverlies te laten controleren door
een erkende Volvo-werkplaats.
Het vloeistofreservoir zit aan de bestuurderszijde.
Het vloeistofreservoir gaat schuil achter de
dekplaat op de koude zone van de motorruimte. U moet het ronde deksel eerst verwijderen om bij de dop van het reservoir te komen.
1. Open het deksel dat in de dekplaat zit door
het te verdraaien.
2. Draai de dop van het reservoir los en vul
vloeistof bij. De vloeistof moet tussen het
MIN- en MAX-streepje staan (aan de binnenkant van het reservoir).
BELANGRIJK
Vergeet niet de dop terug te plaatsen.
362
BELANGRIJK
Houd bij een controle het gebied rond het
reservoir voor stuurbekrachtigingsvloeistof
goed schoon. De dop niet losdraaien.
Controleer het peil bij iedere servicebeurt. U
hoeft de vloeistof niet te verversen. De vloeistof
moet tussen het MIN- en MAX-streepje staan.
Voor de aanbevolen vloeistofkwaliteit en de
aan te houden hoeveelheden, zie pagina 412.
N.B.
Ook als er een storing optreedt in de stuurbekrachtiging of als de stroom wegvalt en u
de auto moet laten wegslepen, blijft de auto
bestuurbaar.
09 Onderhoud en service
Motorruimte
09
Klimaatregeling
Storingen opsporen en verhelpen
De airconditioning bevat een fluorescerend traceermiddel. Gebruik ultraviolet licht voor het
zoeken van lekkage.
Volvo raadt aan contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
In de installatie voor airconditioning zit koudemiddel R134a onder druk. Service en
reparatie aan het systeem mogen uitsluitend door een erkende werkplaats worden
uitgevoerd.
363
09 Onderhoud en service
Gloeilampen
Algemeen
Alle gloeilampen van de auto zijn vermeld, zie
pagina 369. Gloeilampen en andere lichtbronnen van een bijzonder type of lampen die alleen
in een werkplaats te vervangen zijn te vinden
in:
• Actieve xenonkoplampen - ABL (xenonlampen)
•
•
•
•
•
•
•
•
•
Richtingaanwijzers, buitenspiegels
‘Approach’-verlichting, buitenspiegels
Instapverlichting
BELANGRIJK
Raak het glas van de gloeilampen nooit met
blote vingers aan. De vetten en oliën op uw
vingers kunnen door de hitte verdampen.
Dit zorgt voor aanslag op de reflector, waardoor deze al snel kapotgaat.
Verlichting dashboardkastje
Interieurverlichting aan het plafond
Koplampen
Alle gloeilampen in het koplamphuis zijn te vervangen door het complete koplamphuis via de
motorruimte los te nemen en te verwijderen.
Koplamphuis verwijderen
Leeslampjes
1. Zet het elektrische systeem van de auto in
sleutelstand 0, zie pagina 80:
Sidemarkers achterzijde, achterlichten
2. (Eerste afbeelding)
Rem-, mist- en achteruitrijlichten
Alle led-lampen
WAARSCHUWING
Als de auto is voorzien van xenonkoplampen, moet u de xenonlampen door een
werkplaats laten vervangen – geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats. Werkzaamheden aan de Xenonkoplampen vergen de nodige voorzichtigheid, aangezien
dergelijke koplampen zijn voorzien van een
ontstekingsgedeelte dat een hoge spanning
opwekt.
364
WAARSCHUWING
Bij het vervangen van een lamp moet het
elektrische systeem van de auto in sleutelstand 0 staan, zie pagina 80
G010325
09
Trek de borgpennen van het koplamphuis naar buiten.
Trek het koplamphuis recht naar voren
toe.
BELANGRIJK
Trek niet aan de kabel, maar alleen aan de
connector.
3. (Tweede afbeelding)
09 Onderhoud en service
Gloeilampen
Koppel de connector van het koplamphuis los door met uw duim de clip omlaag
te duwen.
Afdekking verwijderen
09
Dimlicht, halogeen
Trek ondertussen met uw andere hand
de connector los.
4. Til het koplamphuis naar buiten en leg het
op een zachte ondergrond om krassen op
de lens te voorkomen.
Koplamphuis bevestigen
1. Sluit de connector dusdanig aan dat u een
klik hoort.
2. Plaats het koplamphuis terug en breng de
borgpennen aan. Controleer of u ze op de
juiste manier hebt ingebracht.
3. Controleer de verlichting.
Het koplamphuis moet gemonteerd zijn en de
connector correct aangesloten zijn, voordat u
de verlichting inschakelt of de transpondersleutel in het contactslot steekt.
Lees de tekst op zie pagina 364 door alvorens
een gloeilamp te vervangen.
1. Open de borgklem door deze omhoog/
naar buiten te duwen.
2. Duw de clips op de afdekking omlaag en
verwijder de afdekking.
Plaats de afdekking in omgekeerde volgorde
terug.
G021746
G021745
5. Vervang de kapotte gloeilamp.
1. Haal het koplamphuis los, zie pagina 364.
2. Verwijder de afdekking.
3. Koppel de connector van de lamp los.
4. Haal de gloeilamp los door de houder
omlaag te duwen.
5. Breng de nieuwe gloeilamp in de lamphouder aan zodat deze vastklikt. U kunt deze
op één manier terugplaatsen.
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
``
365
09 Onderhoud en service
Gloeilampen
1. Haal het koplamphuis los.
1. Haal het koplamphuis los.
1. Haal het koplamphuis los.
2. Verwijder de afdekking, zie pagina 365
2. Verwijder de afdekking, zie pagina 365.
2. Verwijder de afdekking, zie pagina 365.
3. Haal de gloeilamp los door deze rechtsom
te draaien en vervolgens recht naar buiten
te trekken
3. Haal de gloeilamp los door de houder
omlaag te duwen.
3. Om ruimte te maken kunt u de gloeilamp
voor het groot licht eerst verwijderen.
4. Koppel de connector van de lamp los.
4. Trek aan de kabel om de lamphouder
tevoorschijn te halen.
4. Koppel de connector van de lamp los.
5. Vervang de gloeilamp, steek de nieuwe
lamp in de lampvoet en draai de gloeilamp
rechtsom vast. U kunt deze op één manier
terugplaatsen.
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
366
Stadslichten vóór en achterlichten
G021749
Verstralers, ABL-koplampen*
G021747
Groot licht, halogeen
G021748
09
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
5. Breng de nieuwe gloeilamp in de lamphouder aan zodat deze vastklikt. U kunt hem
slechts op één manier terugplaatsen.
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
5. Trek de kapotte gloeilamp los en breng de
nieuwe aan. U kunt hem slechts op één
manier terugplaatsen.
6. Breng de lampvoet in de lamphouder aan
en duw de lamp aan totdat u een klik hoort.
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
09 Onderhoud en service
Gloeilampen
Sidemarker
Richtingaanwijzers
09
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
1. Haal het koplamphuis los.
2. Verwijder de kleine, ronde afdekking.
3. Trek aan de lamphouder om de gloeilamp
tevoorschijn te halen.
4. Trek de kapotte gloeilamp los en breng de
nieuwe aan. U kunt hem slechts op één
manier terugplaatsen.
5. Breng de lampvoet in de lamphouder aan
en duw de lamp aan totdat u een klik hoort.
6. Plaats de afdekking terug. U moet deze
dusdanig aanbrengen en vastduwen dat u
een klik hoort.
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
G021751
G021750
Mistlampen voorzijde
Lees de tekst op zie pagina 364 door alvorens
een gloeilamp te vervangen.
1. Haal het koplamphuis los.
2. Verwijder de kleine, ronde afdekking.
3. Trek aan de kabel om de lamphouder
tevoorschijn te halen.
4. Trek de kapotte gloeilamp los en breng de
nieuwe aan. U kunt hem slechts op één
manier terugplaatsen.
5. Breng de lampvoet in de lamphouder aan
en duw de lamp aan totdat u een klik hoort.
6. Plaats de afdekking terug. U moet deze
dusdanig aanbrengen en vastduwen dat u
een klik hoort.
1. Neem de afdekking los door met een
dunne schroevendraaier de vier clips in te
duwen en de afdekking vervolgens recht
naar buiten te trekken.
2. Draai het boutje van het gloeilamphuis los
en verwijder het lamphuis.
3. Draai gloeilamp linksom en verwijder deze.
4. Breng een nieuwe gloeilamp aan door deze
rechtsom te draaien.
5. Plaats de gloeilamp terug. (Het profiel van
de gloeilamphouder komt overeen met dat
van de gloeilampvoet.)
``
367
09 Onderhoud en service
09
Gloeilampen
6. Plaats de gloeilamphouder terug. Zorg dat
het opschrift TOP op de gloeilamphouder
omhoogwijst.
Achterlamphuis
Remlicht (led)
N.B.
Als een foutmelding niet verdwijnt nadat de
kapotte gloeilamp is vervangen, dan wordt
u geadviseerd een erkende Volvo-werkplaats te bezoeken.
Remlicht (led)
Kentekenplaatverlichting
G017457
G017456
G017458
Positie gloeilampen achterlamphuis
De richtingaanwijzerlamp in het achterlamphuis is via de bagageruimte te vervangen.
Lampglas, rechterzijde
2. Trek de isolatie recht naar buiten toe los.
Achter-/remlicht (led)
2. Haal voorzichtig het complete gloeilamphuis los en trek het naar buiten.
3. Draai de gloeilamp helemaal los door de
handgreep linksom te draaien.
Sidemarker (led)
3. Vervang de gloeilamp.
Richtingaanwijzer
4. Plaats het complete gloeilamphuis terug
en draai de boutjes vast.
1. Open het paneel.
4. Trek de gloeilamp recht naar buiten toe los.
Reflector, achter
Mistachterlicht (een zijde)
Achteruitrijlicht
368
1. Draai de boutjes los met een schroevendraaier.
09 Onderhoud en service
Gloeilampen
Verlichting make-upspiegel
Bagageruimteverlichting
G031942
Lampglas verwijderen
1. Steek een schroevendraaier achter het
lamphuis en wrik deze iets heen en weer,
zodat het lamphuis loskomt.
2. Vervang de gloeilamp.
3. Controleer of de gloeilamp werkt en druk
het lamphuis weer vast.
1. Steek een schroevendraaier achter het
lampglas om de borgnokjes aan de rand
voorzichtig los te werken.
2. Klik het lampglas los.
3. Trek met een puntbektang de gloeilamp
recht naar buiten toe opzij en vervang
deze. Let er echter op dat u niet te hard
knijpt met de tang. Het lampglas kan
anders kapotgaan.
Lampglas bevestigen
1. Plaats het lampglas terug.
2. Duw het vast.
09
Specificatie gloeilampen
Verlichting
WA
Type
Dimlicht, halogeen
55
H7 LL
Groot licht, halogeen
65
H9
Verstralers, ABL
55
H7 LL
Richtingaanwijzers voorzijde
21
H21W LL
Stadslichten/
parkeerlichten
vóór
5
W5W LL
Sidemarkers
voor
5
W5W LL
Mistlampen
voorzijde
35
H8
Zijrichtingaanwijzers, buitenspiegels
5
WY5W LL
Verlichting dashboardkastje
5
Lampvoet SV8.5;
lengte 43 mm
Verlichting
make-upspiegel
2
Lampvoet T5;
W2x4,6d
``
369
09 Onderhoud en service
Gloeilampen
09
A
370
Verlichting
WA
Type
Verlichting bagageruimte
10
Lampvoet SV8.5;
lengte 43 mm
Kentekenplaatverlichting
5
C5W LL
Richtingaanwijzers achter
21
PY21W LL
Watt
09 Onderhoud en service
Wisserbladen en sproeiervloeistof
Wisserbladen
Servicestand
STOP ENGINE om het elektrische systeem van de auto in de sleutelstand I te
zetten. (Zie voor meer informatie over de
sleutelstanden zie pagina 80.)
2. Druk nogmaals kort op de knop START/
STOP ENGINE om het elektrische systeem van de auto in de sleutelstand 0 te
zetten.
09
N.B.
Nadat de wisserarmen in de servicestand
hebben gestaan, moeten de wissers worden geactiveerd en gedeactiveerd voordat
de servicestand opnieuw kan worden
gebruikt.
Wisserbladen vervangen
3. Beweeg binnen 3 seconden de rechter
stuurhendel omhoog en houd deze
ca. 1 seconde in deze stand.
> De ruitenwisserarmen gaan dan verticaal staan.
Wisserbladen in servicestand.
De wisserbladen dienen in de servicestand te
staan om ze te kunnen vervangen, reinigen of
optillen (bijvoorbeeld om ijs van de voorruit te
krabben).
BELANGRIJK
Voordat de wisserbladen in de servicestand
worden gezet, moet u controleren of ze niet
vastgevroren zijn.
1. Steek de transpondersleutel in het contactslot1 en druk kort op de knop START/
1
De wisserbladen keren terug naar de beginstand met een korte druk op de knop START/
STOP ENGINE om het elektrische systeem
van de auto in de sleutelstand I te zetten (of bij
het starten van de auto).
BELANGRIJK
Als de wisserarmen in de servicestand van
de voorruit af zijn gehaald, moeten ze tegen
de voorruit worden teruggeklapt voordat de
wissers weer naar de oorspronkelijke stand
terug mogen keren. Dit gebeurt om te voorkomen dat de lak op de motorkap beschadigd raakt.
Niet noodzakelijk bij auto met Keyless-functie.
371
09 Onderhoud en service
09
Wisserbladen en sproeiervloeistof
1. Klap de wisserarm uit.
2. Pak het wisserblad aan de binnenkant (bij
de pijl) beet.
Klap de wisserarm omhoog als deze in de
servicestand staat. Druk op de knop die op
de wisserbladhouder zit en trek het wisserblad evenwijdig aan de wisserarm los.
Duw het nieuwe wisserblad zo ver naar
binnen dat u een klik hoort.
Controleer of het blad goed vastzit.
4. Klap de wisserarm terug op de voorruit.
G021763
3. Draai het wisserblad linksom om de aanslag op de wisserarm als hefboom te
gebruiken zodat het wisserblad gemakkelijker loskomt.
5. Klap de wisserarm terug.
Schoonmaken
N.B.
De wisserbladen zijn niet allebei even lang.
Het blad aan de bestuurderszijde is langer
dan dat aan de passagierszijde.
Voor het schoonmaken van de wisserbladen
en de voorruit, zie pagina 390 en verder.
BELANGRIJK
Controleer de wisserbladen regelmatig. Bij
achterstallig onderhoud gaan de wisserbladen minder lang mee.
Wisserbladen vervangen, achterklep
G032770
De wisserbladen keren terug vanuit de servicestand naar de beginstand met een korte druk
op de knop START/STOP ENGINE om het
elektrische systeem van de auto in de sleutelstand I te zetten (of bij het starten van de auto).
372
4. Duw het nieuwe wisserblad vast. Controleer of het goed vastzit.
09 Onderhoud en service
Wisserbladen en sproeiervloeistof
09
Vulopening voor sproeiervloeistof
De sproeiers van de voorruit en de koplampen
staan in verbinding met hetzelfde vloeistofreservoir.
BELANGRIJK
Gebruik in de winter sproeiervloeistof met
antivries, zodat de vloeistof niet vastvriest in
pomp, reservoir en slangen.
Voor de hoeveelheden, zie pagina 412.
373
09 Onderhoud en service
09
Accu
Gebruik
De rijomstandigheden, de rijstijl, het aantal
startpogingen, de weersomstandigheden e.d.
zijn van invloed op de levensduur en de werking van de accu.
• Koppel de startaccu nooit los, terwijl de
motor loopt.
• Controleer of de kabels van de startaccu
op de juiste manier zijn aangesloten en stevig vastzitten.
WAARSCHUWING
•
•
•
374
De startaccu kan het zeer explosieve
knalgas produceren. Eén enkele vonk,
veroorzaakt door een onjuiste aansluiting van een startkabel, kan volstaan om
de accu tot ontploffing te brengen.
De startaccu bevat tevens zwavelzuur
dat ernstige chemische brandwonden
kan veroorzaken.
Als u accuzuur in uw ogen krijgt of op
uw huid of kleren morst, moet u onmiddellijk met grote hoeveelheden water
spoelen. Neem onmiddellijk contact op
met een arts, als u accuzuur in uw ogen
krijgt.
N.B.
Hoe vaker de accu ontladen raakt, des te
minder lang gaat de accu mee.
De levensduur van de accu wordt bepaald
door uiteenlopende factoren, waaronder de
rijomstandigheden en het klimaat. De accu
verliest na verloop van tijd aan startcapaciteit en moet daarom bijgeladen worden, als
er langere tijd achtereen niet of slechts korte
afstanden met de auto wordt gereden. Ook
bij strenge vorst neemt de startcapaciteit af.
Om de accu in optimale conditie te houden
wordt geadviseerd wekelijks minstens
15 minuten met de auto te rijden of de accu
aan te sluiten op een acculader met automatische druppellading.
Voor de maximale levensduur dient de accu
altijd volledig opgeladen te blijven.
BELANGRIJK
Gebruik nooit een snellader voor het opladen van de accu.
BELANGRIJK
Bij het negeren van het volgende valt na
aansluiting van een externe startaccu of
acculader de energiebesparingsfunctie
voor het infotainmentsysteem mogelijk tijdelijk uit en/of verschijnt er tijdelijk geen
melding over de ladingstoestand van de
startaccu op het informatiedisplay:
•
De minpool van de startaccu in de auto
mag nooit worden gebruikt voor aansluiting van een externe startaccu of
acculader – alleen het autochassis
dient als massapunt te worden gebruikt.
Zie het gedeelte “Starten met hulpaccu”
voor een beschrijving van de locatie van de
kabelklemmen en de manier van aansluiten.
09 Onderhoud en service
Accu
Symbolen op de accu
Vermijd vonken en open
vuur.
Draag een veiligheidsbril.
Explosiegevaar.
Zie voor meer informatie
het instructieboekje dat
bij de auto hoort.
09
Startaccu vervangen
Demonteren
Om te beginnen: Neem de transpondersleutel
uit het contactslot en wacht ten minste
5 minuten, voordat u een van de elektrische
aansluitingen aanraakt – zo kan de informatie
in het elektrische systeem van de auto worden
opgeslagen in de verschillende regeleenheden.
Bestemd voor inzameling.
Bewaar accu’s buiten het
bereik van kinderen.
De accu bevat een bijtend
zuur.
N.B.
Zamel oude accu’s op een milieuvriendelijke manier in, omdat ze lood bevatten.
375
09 Onderhoud en service
09
Accu
Haal de rubber strip los om de achterste
afdekking bloot te leggen.
Monteren
Neem de achterste afdekking los door
deze een kwartslag te verdraaien en vervolgens op te tillen.
WAARSCHUWING
De plus- en minkabels in de juiste volgorde
loskoppelen en/of aansluiten.
1. Laat de accu in de accubak zakken.
Koppel de zwarte minkabel los.
Koppel de rode pluskabel los.
Koppel de ontluchtingsslang van de accu
los.
Draai het boutje los waarmee de accuklem
vastzit.
Haal de accu opzij en til deze op.
2. Duw de accu naar binnen en gelijktijdig
opzij totdat de accu tegen de achterkant
van de accubak aankomt.
3. Schroef de klem vast waarmee de accu
vastzit.
4. Sluit de ontluchtingsslang aan.
> Controleer of deze correct is aangesloten tussen de accu en de afvoeropening
in de carrosserie.
5. Sluit de rode pluskabel aan.
6. Sluit de zwarte minkabel aan.
7. Duw de achterste afdekking vast (zie Verwijderen.)
8. Plaats de rubber strip (zie Verwijderen.)
Haal de clips op de voorste dekplaat los en
verwijder de dekplaat.
376
9. Pas de voorste afdekking in en zet het vast
met behulp van de clips (zie Verwijderen.)
09 Onderhoud en service
Accu
Voor meer informatie over de startaccu van de
auto - zie pagina 423.
Accu
Eco Start/Stop DRIVe*
Een auto met Start/Stop-systeem is voorzien
van twee 12V-accu’s – één extra krachtige
startaccu en een hulpaccu die gebruikt wordt
voor de startprocedure middels het
Eco Start/Stop DRIVe-systeem.
A
B
N.B.
Hulp
KoudestartvermogenA,
CCA (A)
760
180
AfmetingenB, l×b×h
(mm)
278×175×
190
150×90×130
70
10
Capaciteit
(Ah)
Voor meer informatie over Start/Stop - zie
pagina 132.
Voor meer informatie over de startaccu van de
auto - zie pagina 123 en 423.
Start
Conform de SAE-norm.
Maximale afmetingen.
BELANGRIJK
Bij vervanging van de accu’s in een auto met
Start/Stop-systeem dient u accu’s type
AGM1 te monteren.
09
•
Hoe hoger de stroomafname in de auto
(extra koeling/verwarming e.d.), hoe
meer de accu’s moeten worden bijgeladen = hoe hoger het brandstofverbruik.
•
Wanneer de capaciteit van de startaccu
tot onder de ondergrens is gedaald,
wordt het Start/Stop-systeem uitgeschakeld.
Een tijdelijke functiebeperking van het
Start/Stop-systeem op grond van een hoge
stroomafname houdt het volgende in:
• Auto-start motor2 werkt zonder dat de
bestuurder de koppeling bedient (handmatige versnellingsbak).
• De motor start automatisch zonder dat de
bestuurder zijn voet van het rempedaal
haalt (automatische versnellingsbak).
1
2
Absorbed Glass Mat
Auto-start is alleen mogelijk, als de versnellingspook in de neutraal staat.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
377
09 Onderhoud en service
Accu
09
Locatie accu’s
BELANGRIJK
Bij het negeren van het volgende valt het
Start/Stop-systeem mogelijk tijdelijk uit na
aansluiting van een externe startaccu of
acculader:
•
A: Auto met stuur links. B: Auto met stuur rechts.
1. Startaccu3. 2. Hulpaccu.
De hulpaccu vergt doorgaans niet meer service
dan de normale startaccu. Neem bij vragen of
problemen contact op met een werkplaats geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
De minpool van de startaccu in de auto
mag nooit worden gebruikt voor aansluiting van een externe startaccu of
acculader – alleen het autochassis
dient als massapunt te worden gebruikt.
Zie het gedeelte “Starten met hulpaccu”
voor een beschrijving van de locatie van de
kabelklemmen en de manier van aansluiten.
N.B.
Als de startaccu dermate ontladen is dat
alles "zwart" is en alle elektrische standaardsystemen van de auto’s nagenoeg uitgeschakeld zijn en u de motor vervolgens
start met een externe accu of acculader, zal
het Start/Stop-systeem actief zijn. Autostop van de motor is in dat geval mogelijk,
maar het Start/Stop-systeem kan na autostop van de motor mogelijk geen auto-start
uitvoeren door onvoldoende capaciteit van
de startaccu.
Voor een geslaagde auto-start ná auto-stop
dient de accu eerst te worden opgeladen.
Bij een buitentemperatuur van +15 °C moet
de accu ten minste 1 uur lang worden opgeladen. Bij lagere buitentemperaturen wordt
een laadduur geadviseerd van 3–4 uur.
Geadviseerd wordt de accu op te laden met
een externe acculader.
Als iets dergelijks niet voorhanden is, wordt
geadviseerd het Start/Stop-systeem uit te
schakelen totdat de startaccu voldoende
bijgeladen is.
Zie voor informatie over het opladen van de
startaccu het gedeelte “Accu” in het hoofdstuk “Onderhoud en service”.
3
378
De startaccu staat uitvoerig beschreven op pagina 375.
09 Onderhoud en service
Zekeringen
Algemeen
Om te voorkomen dat de elektrische systemen
van de auto beschadigd raken door kortsluiting
of overbelasting, worden alle verschillende
elektrische functies en onderdelen door een
aantal zekeringen beschermd.
Als een van de elektrische onderdelen of functies niet werkt, is het mogelijk dat de bijbehorende zekering overbelast werd en daardoor
gesmolten is. Als dezelfde zekering herhaaldelijk doorbrandt, betekent dit dat het bijbehorende onderdeel een storing vertoont. U wordt
dan geadviseerd een bezoek te brengen aan
een erkende Volvo-werkplaats voor een controle.
WAARSCHUWING
Vervang een zekering nooit door vreemde
voorwerpen of een zekering met een hoger
amperage dan gespecificeerd is. Anders
zijn aanzienlijke schade aan het elektrische
systeem en brand niet uitgesloten.
09
Bagageruimte
Koude zone motorruimte (alleen Start/
Stop*)
Positie relais- en zekeringhouders
Vervangen
1. Zoek in de zekeringentabel op waar de
zekering zit.
2. Trek de zekering naar buiten en bekijk deze
van opzij om te kijken of het gebogen
draadje soms doorgebrand is.
3. Breng in dat geval een nieuwe zekering aan
met dezelfde kleur en hetzelfde amperage.
Positie van de relais- en zekeringhouders, auto
met het stuur links – bij auto’s met het stuur
rechts zitten de relais- en zekeringhouders
onder het dashboardkastje omgekeerd.
Motorruimte
Onder dashboardkastje
Onder dashboardkastje
379
09 Onderhoud en service
09
Zekeringen
Motorruimte
380
09 Onderhoud en service
Zekeringen
Algemene informatie over de zekeringen
in de motorruimte
Functie
A
Functie
A
Aan de binnenkant van het deksel zit een speciale trekker waarmee u de zekeringen gemakkelijker kunt verwijderen en aanbrengen.
Hoofdzekering voor centrale
elektronicamodule (CEM) met
zekeringhouder B onder dashboardkastjeA
50
Koplampsproeiers*
20
Ruitenwissers
30
Standverwarming*
25
Hoofdzekering voor centrale
elektronicamodule (CEM) met
zekeringhouder B onder dashboardkastje
50
InterieurventilatorA
40
Deze zekeringen zitten allemaal in het zekeringenkastje in de motorruimte. De zekeringen in
(C) zitten onder (A).
Hoofdzekering voor relais- en
zekeringhouder in bagageruimteA
60
Aan de binnenkant van het deksel zit een sticker met de positie van de verschillende zekeringen.
Hoofdzekering voor relais- en
zekeringhouder in passagiersruimte met zekeringhouder A
onder dashboardkastjeA
60
Hoofdzekering voor relais- en
zekeringhouder in passagiersruimte met zekeringhouder A
onder dashboardkastjeA
60
Posities (zie voorgaande afbeelding)
Motorruimte bovenin
Motorruimte voorin
Motorruimte onderin
• De zekeringen 1–7 en 42–44 zijn van het
type ‘MidiFuse’ en mogen alleen door een
werkplaats worden vervangen1.
• De zekeringen 8–15 en 34 zijn van het type
‘JCASE’ en dienen door een werkplaats te
worden vervangen1.
• De zekeringen 16–33 en 35–41 zijn van het
type ‘MiniFuse’.
1
PTC-element luchtvoorverwarming*A
-
100
-
ABS-pomp
40
ABS-ventielen
20
-
09
-
Koplamphoogteregeling*;
actieve xenonkoplampen - ABL*
10
Hoofdzekering voor centrale
elektronicamodule (CEM) met
zekeringhouder B onder dashboardkastje
20
ABS
5
Snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging*
5
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
381
09 Onderhoud en service
09
382
Zekeringen
Functie
A
Functie
A
Functie
A
Motorregelmodule; transmissieregelmodule; airbags
10
15
Kleppen (1,6 l benzine); luchtmassameter (1,6 l benzine)
10
Elektrisch verwarmde sproeikoppen*
10
Magneetkoppeling A/C (niet 5cil. diesel); koelvloeistofpomp
(5-cil.diesel Start/Stop)
Spoel in relais voor magneetkoppeling A/C (niet 5-cil. diesel);
spoel in relais voor koelvloeistofpomp (5-cil. diesel Start/
Stop); relaisspoelen in relais- en
zekeringhouder koude zone
Start/Stop)
5
-
-
Bedieningspaneel verlichting
5
-
-
-
-
StartrelaisA
30
-
-
10
Interne relaisspoelen
5
Bobines (4-cil. benzine); regelmodule gloeiregeling (5-cil. diesel)
Verstralers*
20
20
Claxon
15
Bobines (5- en 6-cil. benzine);
condensator (6-cil.)
Motorregelmodule (benzine)
10
Relaisspoel in hoofdrelais voor
motormanagementsysteem;
motorregelmodule (5- en 6-cil.
benzine)
10
Motorregelmodule (diesel)
15
Transmissieregelmodule
15
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Luchtmassameter (D4162T);
regelklep brandstofstroom
(D4162T)
Luchtmassameter (5-cil. diesel,
6-cil.); regelkleppen (5-cil. diesel); verstuivers (5-, 6-cil. benzine); motorregelmodule (5-cil.
benzine, 6-cil.)
15
Magneetkoppeling A/C (5- en 6cil.); kleppen; motorregelmodule (6-cil.); solenoïden (6-cil.
zonder turbo); stelmotoren
inlaatspruitstuk (6-cil. zonder
turbo); luchtmassameter (4-cil.
2,0 liter benzine, 5-cil. benzine);
oliepeilsensor (5-cil. diesel)
10
Koelvloeistofpomp (D4162T)
09 Onderhoud en service
Zekeringen
Functie
A
Functie
A
Lambdasondes (4-cil. benzine);
lambdasonde (diesel); regelmodule radiateurafdekking (handgeschakelde 5-cil. 2,0 liter diesel)
10
Koelventilator (4-cil., 5-cil. benzine)
60
Koelventilator (6-cil., 5-cil. diesel)
80
EVAP-klep (5-, 6-cil. benzine);
lambdasondes (5-, 6-cil. benzine)
15
Elektrohydraulische stuurbekrachtiging
100
Koelvloeistofpomp (1,6 l benzine Start/Stop, 5-cil. benzine
Start/Stop); verwarming carterventilatie (5-cil. benzine); oliepomp automatische versnellingsbak (5-cil. benzine Start/
Stop)
10
Dieselfilterverwarming
20
Regeleenheid radiateurafdekking (5-cil. benzine)
5
Carterventilatieverwarming (5cil. diesel); oliepomp automatische versnellingsbak (5-cil. diesel Start/Stop)
10
Gloeibougies (diesel)
70
A
09
Bij auto’s met Start/Stop-systeem is deze zekeringpositie
leeg – zie pagina 388.
``
383
09 Onderhoud en service
09
Zekeringen
Onder dashboardkastje
Posities
Aan de binnenkant van het deksel zit een sticker met de positie van de verschillende zekeringen in zekeringhouder A.
Houder
A
Functie
Hoofdzekering voor audioregelmodule*; hoofdzekering voor de zekeringen
16–20: Infotainment
-
384
A
40
Houder
A
Functie
A
-
-
-
-
-
-
-
-
12V-aansluiting bagageruimte*
-
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
15
Houder
A
Functie
A
Bedieningspaneel
bestuurdersportier
20
Bedieningspaneel voorste passagiersportier
20
Bedieningspaneel achterste passagiersportier
rechts
20
09 Onderhoud en service
Zekeringen
Houder
A
Functie
A
Bedieningspaneel achterste passagiersportier
links
20
Keyless*
20
Houder
A
Functie
A
Schuifdak*; interieurverlichting plafond; klimaatregelingssensor*; klepmotoren luchtinlaat
5
15
Houder
B
Functie
A
Achterruitwisser
15
-
-
Interieurverlichting;
bedieningspaneel zijruiten op bestuurdersportier; elektrisch bedienbare voorstoelen*; op
afstand bediende garagedeur*
7,5
Informatiedisplay (DIM)
5
Elektrisch bedienbare
bestuurdersstoel*
20
12V-aansluiting middenconsole
20
Verwarming zitplaats
achterbank rechts*
15
Elektrisch bedienbare
passagiersstoel*
Verwarming zitplaats
achterbank links*
15
5
-
15
10
Adaptieve cruisecontrol
(ACC)*; Collision Warning*
10
Stoelverwarming passagierszijde
Stoelverwarming
bestuurderszijde
15
Interieurverlichting;
regensensor
7,5
Park Assist*; parkeercamera*; regelmodule trekhaak *
5
Stuurwieleenheid
7,5
Centrale vergrendeling
tankvulklep
10
Regelmodule AWD*
15
Achterruitensproeier
15
Actieve chassisregeling
Four-C*
10
Ruitenwissers
15
Regelmodule Infotainment
Audioregelmodule (versterker)*
Digitale radio*; tv*
Audiosysteem
15
Telematica*; Bluetooth*
5
Rear Seat Entertainment
(RSE)*
7,5
-
09
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
385
09 Onderhoud en service
09
Zekeringen
Houder
B
Functie
A
Ontgrendelen achterklep
Functie
A
10
Remlichten
5
Omklapbare hoofdsteunen*
10
Schuifdak*
20
Startblokkering
5
Brandstofpomp
20
Bewegingsmelder
alarm*; bedieningspaneel
klimaatregeling
5
Stuurslot
15
Sirene alarm*; diagnoseaansluiting OBDII
5
-
-
Airbags
10
Collision Warning*
5
Gaspedaalsensor; PTCelement luchtvoorverwarming*; dimfunctie
achteruitkijkspiegel*;
achterbankverwarming*
-
386
7,5
-
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Houder
B
09 Onderhoud en service
Zekeringen
09
Kofferbak/bagageruimte
Het kastje zit achter de bekleding aan de linkerzijde.
Posities
Functie
A
Elektrische parkeerrem links
30
Elektrische parkeerrem rechts
30
Elektrisch verwarmde achterruit
30
Trekhaakaansluiting 2*
15
Functie
A
Functie
A
Elektrische achterklepbediening*
30
-
-
-
-
-
-
-
-
Trekhaakaansluiting 1*
-
-
-
40
-
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
387
09 Onderhoud en service
Zekeringen
09
Koude zone motorruimte – Start/Stop*
Positie van de zekeringen voor het Start/Stop-systeem.
• De zekeringen A1 en A2 zijn van het type
‘MEGA Fuse’ en mogen alleen door een
werkplaats worden vervangen2.
• De zekeringen 1–11 zijn van het type ‘MidiFuse’ en mogen alleen door een werkplaats worden vervangen2.
• Zekeringen 12 is van het type ‘MiniFuse’.
Voor meer informatie over Start/Stop - zie
pagina 132.
2
388
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Posities
Functie
Hoofdzekering voor relais- en
zekeringhouder in motorruimte
Functie
A
175
A
Hoofdzekering voor centrale
elektronicamodule (CEM) met
zekeringhouder B onder dashboardkastje, relais- en zekeringhouder in passagiersruimte met
zekeringhouder A onder dashboardkastje, relais- en zekeringhouder in bagageruimte
175
PTC-element luchtvoorverwarming*
100
09 Onderhoud en service
Zekeringen
Functie
A
Functie
A
Hoofdzekering voor centrale
elektronicamodule (CEM) met
zekeringhouder B onder dashboardkastje
50
Hulpaccu
70
Centrale elektronicamodule
(CEM) - referentiespanning
hulpaccu; laadpunt hulpaccu
15
Hoofdzekering voor relais- en
zekeringhouder in passagiersruimte met zekeringhouder A
onder dashboardkastje
60
Hoofdzekering voor relais- en
zekeringhouder in passagiersruimte met zekeringhouder A
onder dashboardkastje
60
Hoofdzekering voor relais- en
zekeringhouder in bagageruimte
60
Interieurventilator
40
-
-
-
-
Startrelais
30
Interne diode
50
09
389
09 Onderhoud en service
09
Verzorging
Auto wassen
Was de auto zodra deze vuil geworden is. Zorg
dat de auto op een spoelvloer met olieafscheider staat. Gebruik autoshampoo.
• Verwijder vogelpoep zo spoedig mogelijk
van de lak. Vogelpoep bevat namelijk stoffen die de lak aantasten en deze zeer snel
doen verkleuren. U wordt geadviseerd een
dergelijke verkleuring te laten herstellen
door een erkende Volvo-werkplaats.
• Spoel het onderstel af.
• Spoel de hele auto eerst af om loszittend
vuil te verwijderen en het risico te beperken
dat er tijdens het reinigen krassen ontstaan. Spuit niet rechtstreeks in de richting
van de sloten.
• Gebruik zo nodig een koud ontvettingsmiddel voor hardnekkig vuil. Let erop dat
de verontreinigde gebieden niet zijn opgewarmd door de zon!
• Was de auto met een spons, autoshampoo
en een ruime hoeveelheid lauw water.
• Reinig de wisserbladen met een lauwe
zeepoplossing of autoshampoo.
• Gebruik een koud ontvettingsmiddel voor
het risico dat u later watervlekken moet
wegpoetsen.
WAARSCHUWING
Laat het schoonmaken van de motor altijd
over aan een werkplaats. Als de motor heet
is, bestaat er gevaar voor brand.
BELANGRIJK
Vuile koplampen werken minder goed.
Maak ze regelmatig schoon, bijvoorbeeld
als u tankt.
Gebruik geen bijtende reinigingsmiddelen,
maar water en een niet krassende spons.
N.B.
Bij de externe verlichting zoals de koplampen, mistlampen en achterlichten kan tijdelijk condens optreden aan de binnenkant
van het lampglas. Dit is een natuurlijk verschijnsel en alle externe verlichting is erop
gebouwd om dit zoveel mogelijk te voorkomen. Condens verdwijnt normaal uit het
lamphuis, wanneer de lamp enige tijd
brandt.
stuk zeemleer of een trekker. Als u waterdruppels op de auto niet in de felle zon laat
drogen maar meteen verwijdert, beperkt u
390
–
Zet de wisserbladen in de servicestand, zie
pagina 371.
N.B.
Reinig de wisserbladen en voorruit regelmatig met een lauw sopje of autoshampoo.
Gebruik geen sterke oplosmiddelen.
Automatische wasstraten
In een automatische wasstraat kunt u de auto
weliswaar snel en eenvoudig schoonmaken,
maar de borstels van de wasstraat kunnen niet
overal even goed bij. Voor het beste resultaat
wordt u geadviseerd de auto met de hand te
wassen.
N.B.
U wordt geadviseerd de eerste maanden na
aankoop van een nieuwe auto deze alleen
met de hand te wassen. Een nieuwe laklaag
is namelijk kwetsbaarder dan een oude
laag.
Hogedrukreinigers
hardnekkig vuil.
• Droog de auto af met een schoon en zacht
Bij het reinigen:
Wisserbladen schoonmaken
Door teer-, stof- en zoutresten op de wisserbladen en insecten, ijs e.d. op de voorruit gaan
wisserbladen minder lang mee.
Let er bij gebruik van een hogedrukreiniger op
dat u cirkelende bewegingen maakt en de
spuitkop op minstens 30 cm afstand van de
auto houdt (geldt voor alle exterieuronderde-
09 Onderhoud en service
Verzorging
len). Spuit niet rechtstreeks in de richting van
de sloten.
Remmen testen
WAARSCHUWING
Test na het wassen van de auto altijd de
remmen (en dus ook de handrem) om te
voorkomen dat vocht en corrosie de remblokken aantasten, waardoor de remwerking afneemt.
BELANGRIJK
Onderdelen van kunststof en rubber niet in
de was zetten of oppoetsen.
Bij gebruik van ontvetters op kunststof en
rubber onderdelen waar nodig alleen voorzichtig wrijven. Gebruik een zachte schoonmaakspons.
Bij het poetsen van glimmende strips kunt u
de glimmende deklaag beschadigen of verwijderen.
Gebruik geen schurende poetsmiddelen.
Trap zo nu en dan lichtjes op het rempedaal,
als u lange afstanden in de regen of sneeuwmodder aflegt. Door de wrijving worden de
remblokken warm, zodat het vocht verdampt.
Doe hetzelfde bij zeer vochtig of koud weer.
Kunststof en rubber sieronderdelen
exterieur
Voor het schoonmaken en verzorgen van
gekleurde kunststof onderdelen, rubber onderdelen en sieronderdelen zoals glimmende
strips, wordt geadviseerd het speciale reinigingsmiddel te gebruiken dat bij de Volvowerkplaats verkrijgbaar is. Volg bij het gebruik
van dit reinigingsmiddel de gebruiksvoorschriften nauwkeurig op.
Velgen
Gebruik alleen de velgreinigingsmiddelen die
Volvo adviseert.
Sterke velgreinigingsmiddelen kunnen het
oppervlak beschadigen en vlekken veroorzaken op verchroomde lichtmetalen velgen.
09
Was de auto en droog deze zorgvuldig af, voordat u begint te poetsen of de was aanbrengt.
Verwijder asfalt- en teervlekken met een teerverwijderaar of terpentine. U kunt hardnekkige
vlekken met een speciaal voor autolak
bestemde, fijne schuurpasta (“rubbing compound”) verwijderen.
Poets de lak eerst op en behandel deze daarna
met was in vloeibare of vaste vorm. Volg de
aanwijzingen op de verpakking nauwkeurig op.
Veel preparaten bevatten zowel poetsmiddel
als was.
BELANGRIJK
Alleen lakbehandelingen uitvoeren die door
Volvo geadviseerd worden. Andere behandelingen zoals lakconservering, verzegeling, bescherming, glansverzegeling e.d.
kunnen lakschade veroorzaken. Lakschade
als gevolg van dergelijke behandelingen valt
niet onder de Volvo-garantie.
Poetsen en in de was zetten
Poets de auto en zet deze in de was, wanneer
de lak er dof uitziet of als u deze extra bescherming wilt bieden.
U hoeft een nieuwe auto pas na een jaar te
poetsen. In de was zetten kunt u eerder doen.
Zorg dat de auto bij het poetsen of in de was
zetten niet in direct zonlicht staat.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
391
09 Onderhoud en service
09
Verzorging
Waterafstotende laag*
Gebruik nooit producten zoals autowas, ontvetters e.d. op het glasoppervlak, omdat de waterafstotende laag daardoor beschadigd kan raken.
Wees voorzichtig bij het schoonmaken om te
voorkomen dat er krassen in het glasoppervlak
ontstaan.
Om schade aan het glas te voorkomen dient u
voor het verwijderen van ijs alleen een krabber
van kunststof te gebruiken.
De waterafstotende laag staat bloot aan
natuurlijke slijtage.
Om de waterafstotende eigenschappen te
behouden, wordt geadviseerd de behandeling
te vernieuwen met een nabehandelingsmiddel
dat verkrijgbaar is bij een erkende Volvo-werkplaats. Gebruik het middel de eerste keer na
drie jaar en daarna ieder jaar.
Roestwering, controleren en
onderhouden
De auto heeft in de fabriek een uiterst grondige
en complete roestwerende behandeling ondergaan. De carrosserie bestaat ten dele uit gegalvaniseerd plaatwerk. Het onderstel is voorzien
van een slijtvaste bodembescherming. In de
balken, holten en gesloten profielen werd een
392
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
dunne, doordringende roestwerende vloeistof
gespoten.
De roestwering van de auto hoeft normaal
gesproken pas na ca. 12 jaar voor het eerst te
worden nabehandeld. De auto moet daarna om
de drie jaar een nabehandeling ondergaan. U
wordt geadviseerd om contact op te nemen
met een erkende Volvo-werkplaats, als de auto
een nabehandeling nodig heeft.
Vuil en strooizout kunnen aanleiding geven tot
corrosie. Het is daarom belangrijk de auto
schoon te houden. Om de roestwering van de
auto in optimale staat te houden moet u de
beschermingslaag regelmatig controleren en
zo nodig bijwerken.
Interieur reinigen
Gebruik alleen reinigingsmiddelen en autoverzorgingsproducten die door Volvo geadviseerd
worden. Maak de bekleding regelmatig schoon
en volg daarbij de gebruiksaanwijzingen bij het
autoverzorgingsproduct op.
Het is belangrijk te stofzuigen voordat u een
reinigingsmiddel gebruikt.
Matten en bagageruimte
Haal de inlegmatten uit de auto om de vloerbekleding en de inlegmatten ieder apart
schoon te kunnen maken. Gebruik een stofzuiger om vuil en stof te verwijderen.
Elk van beide inlegmatten zit met pennen vast.
–
Pak de inlegmat bij elk van beide pennen
vast en til de mat recht omhoog.
Breng de inlegmat aan door deze bij beide
pennen vast te drukken.
WAARSCHUWING
Controleer voordat u wegrijdt of de inlegmat
voor de bestuurdersstoel goed ligt en aan
de pennen vastzit zodat hij niet naast of
onder de pedalen klem kan komen te zitten.
Voor vlekken op de vloermat wordt geadviseerd het speciale reinigingsmiddel voor stoffen bekleding te gebruiken nadat u hebt gestofzuigd. U dient vloermatten te reinigen met de
door uw Volvo-dealer geadviseerde producten!
Vlekken op stoffen bekleding en
plafondbekleding
Om de brandvertragende eigenschappen van
de bekleding niet aan te tasten wordt geadviseerd een speciaal reinigingsmiddel voor stoffen bekleding te gebruiken dat verkrijgbaar is
bij erkende Volvo-werkplaatsen.
BELANGRIJK
Scherpe voorwerpen en klittenband kunnen
de stoffen bekleding beschadigen.
09 Onderhoud en service
Verzorging
Behandeling van vlekken op leren
bekleding
De leren bekleding van Volvo is chroomvrij en
is behandeld om de bekleding in oorspronkelijke staat te bewaren.
Naarmate leren bekleding ouder wordt, krijgt
het een fraai patina. Het leer wordt veredeld en
bewerkt zodat het zijn natuurlijke eigenschappen houdt. Het leer is voorzien van een
beschermende toplaag, maar om de goede
eigenschappen en het fraaie uiterlijk te behouden is regelmatige verzorging van het leer vereist. Volvo biedt een universeel leerverzorgingsproduct waarmee u leren bekleding kunt
schoonmaken en de beschermende laag kunt
herstellen, mits u de instructies opvolgt. Na
enig tijd in gebruikt te zijn geweest krijgt het
leer zijn natuurlijke patina, afhankelijk van de
oppervlaktestructuur. Een dergelijk patina
maakt deel van het natuurlijke verouderingsproces van het leer en geeft aan dat het om een
natuurproduct gaat.
Voor de beste resultaten adviseert Volvo eenà viermaal per jaar (zo nodig vaker) beschermende crème op te brengen. De Volvo Leather
Care-set is verkrijgbaar bij de Volvo-dealer.
BELANGRIJK
•
2. Laat het leer 20 minuten drogen alvorens
erop plaats te nemen.
Sommige geverfde kledingstukken
(zoals spijkerbroeken en suède kleding)
kunnen afgeven en voor verkleuring van
de bekleding zorgen.
Daarmee is het leer beter beschermd tegen
vlekken en uv-straling.
•
Gebruik nooit sterke oplosmiddelen.
Dergelijke middelen kunnen bekleding
van textiel, vinyl en leer beschadigen.
09
Reinigingsvoorschriften voor leren
stuurwiel
• Verwijder vuil en stof met een ietwat vochtige spons en een neutrale zeepoplossing.
• Leer moet kunnen ademen. Dek het leren
stuurwiel nooit af met kunststof bescherming.
Reinigingsvoorschriften voor leren
bekleding
• Gebruik natuurlijke oliën. Voor het beste
1. Breng een weinig van het leerreinigingsproduct op een vochtige spons aan en
knijp erin om een dikke laag schuim te krijgen.
Bij vlekken op het stuurwiel:
2. Behandel de vlek voorzichtig met cirkelende bewegingen.
Groep 1 (inkt, wijn, koffie, melk, zweet en
bloed)
3. Dep de vlek zorgvuldig met de spons. Laat
de vlek in de spons trekken. Wrijf niet.
–
4. Veeg het behandelde gebied met een stuk
zacht papier of een doek af en laat het leer
volledig drogen.
Beschermende laag aanbrengen op
leren bekleding
1. Breng wat van de beschermende crème op
de vilten doek aan en wrijf de crème in cirkelende bewegingen voorzichtig in het
leer.
resultaat wordt geadviseerd het leerverzorgingsmiddel van Volvo te gebruiken.
Gebruik een zachte doek of spons. Neem
een ammoniaoplossing in een concentratie
van 5 %. (Gebruik voor bloedvlekken een
oplossing van 2 dl water en 25 g zout.)
Groep 2 (vet, olie, saus en chocolade)
1. Dezelfde procedure als voor groep 1.
2. Dep met een absorberende papieren of
stoffen doek.
393
09 Onderhoud en service
Verzorging
09
Groep 3 (vuil, stof in droge vorm)
Geringe lakschade herstellen
1. Gebruik een zachte borstel om het vuil te
verwijderen.
De lak vormt een belangrijk onderdeel van de
roestwering van de auto en moet daarom
regelmatig worden gecontroleerd. Om roestvorming te voorkomen moet u lakschade direct
herstellen. De meest voorkomende soorten
lakschade zijn bijvoorbeeld steenslagplekken,
krassen en plekjes op de spatbordranden, portieren en bumpers.
2. Dezelfde procedure als voor groep 1.
Behandeling van vlekken op
interieuronderdelen van kunststof,
metaal en hout
Voor het reinigen van interieuronderdelen en panelen van kunststof worden met water
bevochtigde splitfiber- of microvezeldoeken
geadviseerd, die verkrijgbaar zijn bij een
erkende Volvo-werkplaats.
Krab of wrijf nooit over een vlek. Gebruik nooit
sterke vlekkenmiddelen. Voor de hardnekkige
vlekken kunt u een speciaal reinigingsmiddel
gebruiken dat verkrijgbaar is bij de erkende
Volvo-werkplaats.
Benodigdheden
• grondlak (primer)1 - voor met kunststof
beklede bumpers e.d. zijn er spuitbussen
met speciale hechtprimer verkrijgbaar
• basislak en helderde lak - verkrijgbaar in
spuitbussen en als bijwerkpennen/-stiften2
• afplaktape
• fijn schuurlinnen1.
Veiligheidsgordel schoonmaken
Gebruik water en een synthetisch wasmiddel
en in het bijzonder het textielreinigingsmiddel
dat bij de erkende Volvo-werkplaats verkrijgbaar is. Zorg dat de gordel droog is, voordat
deze weer wordt opgerold.
1
2
394
Kleurcode (lakcode)
Eventueel.
Volg de aanwijzingen die bij de verpakking van de bijwerkpen/-stift werden geleverd.
Kleurcode van de auto
Het is belangrijk dat u de juiste lakkleur
gebruikt. Voor de positie van de productsticker, zie pagina 398.
09 Onderhoud en service
Verzorging
09
2. Vóór het lakken kunt u zo nodig (bij ongelijkmatige randen bijv.) plaatselijk licht
schuren met zeer fijn schuurlinnen. Reinig
het gebied zorgvuldig en laat het goed drogen.
Geringe lakschade herstellen zoals
steenslagschade en krasjes
G021832
3. Roer de grondlak (primer) goed om en
breng deze met een fijn kwastje of een lucifer of iets dergelijks op. Dek het geheel af
met basislak en heldere lak, wanneer de
grondlak droog is.
Vóór het herstel van lakschade moet u de auto
schoonmaken en goed laten drogen. Zorg er
bovendien voor dat de auto warmer is dan
15 °C.
1. Plak een stuk afplaktape over het beschadigde gebied heen. Trek de tape weer van
de lak af om eventuele lakresten te verwijderen.
4. Krassen kunt u op dezelfde manier herstellen, maar dek ter bescherming de onbeschadigde lak rond de kras af.
N.B.
Als de steenslag niet tot het metalen oppervlak (blanke plaat) is doorgedrongen en er
nog steeds een intacte laklaag aanwezig is,
moet u de basislak en heldere lak direct
aanbrengen nadat u het oppervlak hebt
gereinigd.
Als de beschadiging tot de metaallaag
(blanke plaat) reikt, wordt grondlak (primer)
geadviseerd. Bij beschadiging van een
kunststof oppervlak moet u een hechtprimer gebruiken voor betere resultaten spuit het middel in de dop van de spuitbus
uit en breng het met een kwastje dun op.
395
Type-aanduidingen...............................................................................
Maten en gewichten..............................................................................
Motorspecificaties.................................................................................
Motorolie...............................................................................................
Vloeistoffen en smeermiddelen.............................................................
Brandstof..............................................................................................
Wielen en banden, maten en spanning ................................................
Elektrisch systeem................................................................................
Typegoedkeuring..................................................................................
Displaysymbolen...................................................................................
396
398
400
406
409
412
415
420
423
424
436
SPECIFICATIES
10 Specificaties
Type-aanduidingen
Positie van stickers en plaatjes
10
398
10 Specificaties
Type-aanduidingen
Wanneer u contact opneemt met uw erkende
Volvo-werkplaats of vervangende onderdelen
of accessoires wilt bestellen, kan het handig
zijn om de type-aanduiding, het chassisnummer en het motornummer bij de hand te hebben.
Type-aanduiding, chassisnummer, maximaal toelaatbaar gewicht, kleurcodes voor
lak en bekleding en typegoedkeuringsnummer. Bij het openen van het rechter
achterportier is de sticker zichtbaar.
N.B.
Het is mogelijk dat de stickers die in de
instructieboek staan geen exacte kopieën
zijn van de stickers die in de auto zitten. Ze
dienen alleen om aan te geven hoe de stickers er bij benadering uitzien en waar ze
ongeveer zitten. De informatie die voor uw
auto geldt staat op de desbetreffende stickers in/op uw auto.
10
Sticker voor standverwarming.
Motorcode en serienummer van de motor.
6-cil.
4-cil./5-cil.
Sticker voor motorolie.
Type-aanduiding en serienummer van de
versnellingsbak.
Handgeschakelde versnellingsbak
Automatische versnellingsbak
Identificatienummer van de auto (VIN,
Vehicle Identification Number)
De typegoedkeuring van de auto bevat meer
informatie over de auto.
399
10 Specificaties
Maten en gewichten
Maten
10
V70.
Maten
A
400
Wielbasis
mm
Maten
2816
B
Lengte
4823
C
Laadlengte, vloer, achterbank neergeklapt
1878
D
Laadlengte, vloer
1089
E
Hoogte
1547
F
Laadhoogte
G
Spoorbreedte vooras
mm
H
Spoorbreedte achteras
1586A
I
Laadbreedte, vloer
J
Breedte
1153
1861 (1876C)
A
B
C
mm
K
Breedte incl. buitenspiegels
2106
L
Breedte incl. ingeklapte
buitenspiegels
1907
1578B
1576B
724
Maten
1588A
met 16"50- en 17"50-wielen
met 17"55- en 18"55-wielen
met Keyless Drive*
10 Specificaties
Maten en gewichten
10
XC70.
Maten
A
Wielbasis
mm
Maten
2815
B
Lengte
4838
C
Laadlengte, vloer, achterbank neergeklapt
1878
D
Laadlengte, vloer
1089
E
Hoogte
1604
F
Laadhoogte
G
Spoorbreedte vooras
mm
Maten
1614A
K
Breedte incl. buitenspiegels
2119
L
Breedte incl. ingeklapte
buitenspiegels
1925
1604B
H
Spoorbreedte achteras
1580A
1570B
I
Laadbreedte, vloer
J
Breedte
1153
A
B
C
mm
met 16"50-wielen
met 17"55- en 18"55-wielen
met Keyless Drive*
1870 (1876C)
724
``
401
10 Specificaties
Maten en gewichten
Gewichten
10
Inbegrepen bij het rijklaar gewicht zijn het
gewicht van de bestuurder, dat van de brandstoftank die voor 90 % gevuld is en dat van de
resterende oliën/vloeistoffen.
Het gewicht van de passagiers en de gemonteerde accessoires alsmede de kogeldruk (bij
gebruik van een aanhanger (zie tabel op pagina
403)) zijn van invloed op het laadvermogen en
zijn niet inbegrepen bij het rijklaar gewicht.
Toelaatbare maximumbelading = totaalgewicht – rijklaar gewicht.
N.B.
Het gedocumenteerde rijklaar gewicht geldt
voor een auto in standaarduitvoering –
d.w.z. een auto zonder extra uitrusting of
accessoires. Dit betekent dat voor ieder
accessoire dat wordt toegevoegd het laadvermogen van de auto met het gewicht van
het desbetreffende accessoire moet worden verminderd.
Voorbeelden van accessoires die een vermindering van het laadvermogen betekenen
zijn auto’s in de uitvoeringen Kinetic,
Momentum en Summum alsmede zaken als
trekhaken, lastdragers, skiboxen, audiosystemen, verstralers, gps-systemen, brandstofkachels, veiligheidsrekken, matten,
bagagerolhoezen/-afdekkingen, elektrisch
bediende stoelen, etc.
Een weegbrug is een betrouwbaar instrument om het rijklaar gewicht voor uw auto
te bepalen.
Voor informatie over de positie van de sticker, zie
pagina 398.
Max. totaalgewicht
Max. treingewicht (auto + aanhanger)
Max. voorasdruk
Max. achterasdruk
Uitrustingsniveau
WAARSCHUWING
Afhankelijk van de belading van de auto en
het zwaartepunt van de lading treden er wijzigingen in de rijeigenschappen op.
402
Max. belasting: Zie typegoedkeuring.
Max. dakbelasting: 100 kg.
10 Specificaties
Maten en gewichten
Trekgewicht en kogeldruk
10
N.B.
Voor aanhangers/caravans zwaarder dan
1800 kg wordt een trillingsdemper op de
trekhaak geadviseerd.
MotorcodeA
Versnellingsbak
Alle
Alle
T4B
V70
Max. gewicht
geremde aanhanger
(kg)
Max. kogeldruk (kg)
Alle
1200
50
B4164T
Handgeschakeld, MMT6
1600
75
T4B
B4164T
Automaat, MPS6
1600
75
T4F
B4164T2
Handgeschakeld, MMT6
1600
75
T4F
B4164T2
Automaat, MPS6
1600
75
T5
B4204T7
Handgeschakeld, MMT6
1800
90
T5
B4204T7
Automaat, MPS6
1800
90
3.2
B6324S5
Automaat, TF-80SC
1800
90
3.2 AWD
B6324S5
Automaat, TF-80SC
1800
90
T6 AWD
B6304T4
Automaat, TF-80SC
2000
90
D2
D4162T
Handgeschakeld, MMT6
1300
75
Motor
403
10 Specificaties
Maten en gewichten
MotorcodeA
Versnellingsbak
D2
D4162T
D3
V70
10
Max. gewicht
geremde aanhanger
(kg)
Max. kogeldruk (kg)
Automaat, MPS6
1300
75
D5204T7
Handgeschakeld, M66
1600
75
D3
D5204T7
Automaat, TF-80SDD
1600
75
D4
D5204T3
Handgeschakeld, M66
Motor
D4
A
B
C
D
404
D5204T3
1600
75
Automaat,
TF-80SCC
1600
75
TF-80SDD
1600
75
D4
D5204T3
Automaat,
D4 AWD
D5244T17
Automaat, TF-80SC
1800
90
D5
D5244T11
Handgeschakeld, M66
1800
90
D5
D5244T15
Automaat, TF-80SC
2000
90
D5 AWD
D5244T15
Automaat, TF-80SC
2000
90
Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op de motor, zie pagina 398.
DRIVe voor bepaalde markten.
Zonder Start/Stop.
Met Start/Stop.
10 Specificaties
Maten en gewichten
XC70
MotorcodeA
Versnellingsbak
Motor
A
Max. gewicht
geremde aanhanger
(kg)
Max. kogeldruk (kg)
10
Alle
Alle
Alle
1200
50
3.2 AWD
B6324S5
Automaat, TF-80SC
1800
90
T6 AWD
B6304T4
Automaat, TF-80SC
2000
90
D4
D5204T3
Handgeschakeld, M66
1600
75
D4
D5204T3
Automaat, TF-80SC
1600
75
D4 AWD
D5244T17
Handgeschakeld, M66
2100
90
D4 AWD
D5244T17
Automaat, TF-80SC
2100
90
D5 AWD
D5244T11
Handgeschakeld, M66
2100
90
D5 AWD
D5244T15
Automaat, TF-80SC
2100
90
Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op de motor, zie pagina 398.
Max. gewicht ongeremde aanhanger (kg)
750
Max. kogeldruk (kg)
50
405
10 Specificaties
Motorspecificaties
Motorspecificaties
10
N.B.
Niet alle motoren zijn verkrijgbaar op alle
markten.
MotorcodeA
Vermogen
(kW bij
omw/min)
Vermogen
(pk bij
omw/min)
Motorkoppel
(Nm bij omw/
min)
Aantal
cilinders
Cilinderboring
(mm)
Slaglengte
(mm)
Slagvolume
(liter)
Compressieverhouding
T4B
B4164T
132/5700
180/5700
240/1600–5000
4
79
81,4
1,596
10,0:1
T4F
B4164T2
132/5700
180/5700
240/1600–5000
4
79
81,4
1,596
10,0:1
T5
B4204T7
177/5500
240/5500
320/1800–5000
4
87,5
83,1
1,999
10,0:1
3.2
B6324S5
179/6400
243/6400
320/3200
6
84
96
3,192
10,8:1
T6
B6304T4
224/5600
304/5600
440/2100–4200
6
82,0
93,2
2,953
9,3:1
D2
D4162T
84/3600
115/3600
270/1750–2500
4
75
88,3
1,560
16,0:1
D3
D5204T7
100/3500
136/3500
350/1500-2250
5
81,0
77
1,984
16,5:1
D4
D5204T3
120/3500
163/3500
400/1500–2750
5
81,0
77
1,984
16,5:1
D4
D5244T17
120/4000
163/4000
420/1500–2500
5
81,0
93,2
2,400
16,5:1
V70
Motor
406
10 Specificaties
Motorspecificaties
V70
MotorcodeA
Motor
A
B
C
D
Vermogen
(kW bij
omw/min)
Vermogen
(pk bij
omw/min)
Motorkoppel
(Nm bij omw/
min)
Aantal
cilinders
Cilinderboring
(mm)
Slaglengte
(mm)
Slagvolume
(liter)
Compressieverhouding
D5
D5244T11C
158/4000
215/4000
420/1500–3250
5
81,0
93,15
2,400
16,5:1
D5
D5244T15D
158/4000
215/4000
440/1500–3000
5
81,0
93,15
2,400
16,5:1
10
Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op de motor, zie pagina 398.
DRIVe voor bepaalde markten.
Handgeschakelde versnellingsbak
Automatische versnellingsbak
MotorcodeA
Vermogen
(kW bij
omw/min)
Vermogen
(pk bij
omw/min)
Motorkoppel (Nm bij
omw/min)
Aantal
cilinders
Cilinderboring
(mm)
Slaglengte
(mm)
Slagvolume (liter)
Compressieverhouding
3.2 AWD
B6324S5
179/6400
243/6400
320/3200
6
84
96
3,192
10,8:1
T6 AWD
B6304T4
224/5600
304/5600
440/2100–
4200
6
82,0
93,2
2,953
9,3:1
D4
D5204T3
120/3500
163/3500
400/1500–
2750
5
81,0
77
1,984
16,5:1
D4 AWD
D5244T17
120/4000
163/4000
5
81,0
93,15
2,400
16,5:1
XC70
Motor
420/1500–
2500
``
407
10 Specificaties
Motorspecificaties
MotorcodeA
Vermogen
(kW bij
omw/min)
Vermogen
(pk bij
omw/min)
Motorkoppel (Nm bij
omw/min)
Aantal
cilinders
Cilinderboring
(mm)
Slaglengte
(mm)
Slagvolume (liter)
Compressieverhouding
D5 AWD
D5244T11B
158/4000
215/4000
420/1500–
3250
5
81,0
93,15
2,400
16,5:1
D5 AWD
D5244T15C
158/4000
215/4000
440/1500–
3000
5
81,0
93,15
2,400
16,5:1
XC70
10
Motor
A
B
C
408
Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op de motor, zie pagina 398.
Handgeschakelde versnellingsbak
Automatische versnellingsbak
10 Specificaties
Motorolie
Ongunstige rijomstandigheden
In ongunstige rijomstandigheden kunnen de
olietemperatuur en het olieverbruik abnormaal
toenemen. Hier volgen enkele voorbeelden van
ongunstige rijomstandigheden.
Controleer het oliepeil vaker bij lange ritten:
• met een caravan of aanhanger achter de
auto
• in bergachtig gebied
• op hoge snelheden
• in temperaturen lager dan –30 °C of hoger
dan +40 °C
Het bovenstaande geldt ook tijdens kortere ritten bij lage temperaturen.
Kies een volsynthetische motorolie bij ongunstige rijomstandigheden. Ze bieden de motor
extra bescherming.
Volvo adviseert olieproducten van Castrol.
BELANGRIJK
Om aan de vereisten voor de gespecificeerde service-intervallen te voldoen worden alle motoren in de fabriek gevuld met
een speciaal aangepaste, synthetische
motorolie. De oliesoort werd met grote zorg
geselecteerd lettend op de levensduur van
de motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact.
10
Om de aanbevolen service-intervallen aan
te kunnen houden dient u een goedgekeurde motoroliesoort te gebruiken.
Gebruik alleen een oliesoort van de voorgeschreven kwaliteit en dat zowel bij het bijvullen als bij verversen van olie. Een negatieve invloed op de levensduur van de
motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact is anders niet
uitgesloten.
Volvo Car Corporation wijst alle garantieclaims af bij gebruik van een motoroliesoort
die niet voldoet aan de voorgeschreven
kwaliteits- en viscositeitseisen.
Volvo adviseert de olie in een erkende
Volvo-werkplaats te laten verversen.
409
10 Specificaties
Motorolie
Motoroliekwaliteit
10
V70
MotorcodeA
Aanbevolen oliekwaliteit
Motor
3.2
Hoeveelheid, incl. oliefilter
(liter)
B6324S5
Oliekwaliteit: ACEA A5/B5
ca. 6,8
T6
B6304T4
Viscositeit: SAE 0W-30
ca. 6,8
D4
D5204T3
ca. 5,9
D3
D5204T7
ca. 5,9
D4 AWD
D5244T17
ca. 5,9
D5
D5244T11B
ca. 5,9
D5
D5244T15C
ca. 5,9
T5
B4204T7
Oliekwaliteit: ACEA A5/B5
ca. 5,4
Viscositeit: SAE 5W-30
D2
D4162T
T4D
B4164T
Bij ritten onder ongunstige omstandigheden ACEA A5/B5 SAE 0W-30 gebruiken
In de fabriek bijgevulde en gecertificeerde olie: Oliekwaliteit WSS-M2C925-A
ca. 3,8
ca. 4,1
alternatief tijdens servicebeurt:
T4F
B4164T2
Oliekwaliteit: ACEA A5/B5
Viscositeit: SAE 5W-30
A
B
C
D
410
Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op de motor, zie pagina 398.
Handgeschakelde versnellingsbak.
Automatische versnellingsbak.
DRIVe voor bepaalde markten.
ca. 4,1
10 Specificaties
Motorolie
XC70
MotorcodeA
Aanbevolen oliekwaliteit
Motor
3.2 AWD
A
B
C
Hoeveelheid, incl. oliefilter
(liter)
B6324S5
Oliekwaliteit: ACEA A5/B5
ca. 6,8
T6 AWD
B6304T4
Viscositeit: SAE 0W-30
ca. 6,8
D4
D5204T3
ca. 5,9
D4 AWD
D5244T17
ca. 5,9
D5 AWD
D5244T11B
ca. 5,9
D5 AWD
D5244T15C
ca. 5,9
10
Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op de motor, zie pagina 398.
Handgeschakelde versnellingsbak.
Automatische versnellingsbak.
Voor het bijvullen van motorolie, zie
pagina 357.
411
10 Specificaties
Vloeistoffen en smeermiddelen
10
Koelvloeistof
MotorA
Voorgeschreven kwaliteit: Door Volvo aanbevolen koelvloeistof aangelengd met 50 %
water1, zie verpakking.
T4B
B4164TC
Hoeveelheid
T4F
B4164T2C
(liter)
T4B
B4164TD
10,5
T4F
B4164T2D
MotorA
1
412
(liter)
T5
B4204T7
D2
D4162TC
A
D2
D4162TD
11,1
B
C
D
3.2
B6324S5
8,9
T6
B6304T4
D4
D5204T3
D3
D5204T7
D4 AWD
D5244T17
D5
D5244T15
D5
D5244T11
De waterkwaliteit dient te voldoen aan de norm STD 1285,1.
Hoeveelheid
9,2
9,8
Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor vindt
u op de motor, zie pagina 398.
DRIVe voor bepaalde markten.
Handgeschakelde versnellingsbak
Automatische versnellingsbak
10 Specificaties
Vloeistoffen en smeermiddelen
Overige vloeistoffen en smeermiddelen
Handgeschakelde versnellingsbak
Hoeveelheid (liter)
MMT6
1,7
M66
1,9
Voorgeschreven versnellingsbakolie
10
BOT 350M3
Automatische versnellingsbak
Hoeveelheid (liter)
Voorgeschreven versnellingsbakolie
MPS6
7,3
BOT 341
TF-80SC
7,0
AW1
TF-80SD
7,0
AW1
Vloeistof
Systeem
Remvloeistof
Remsysteem
Stuurbekrachtigingsvloeistof
Stuurbekrachtiging
Sproeiervloeistof
Auto’s met koplampsproeiers
6,5
Auto’s zonder koplampsproeiers
4,5
Brandstof
Hoeveelheid (liter)
0,6
-
Voorgeschreven kwaliteit
DOT 4+
WSS M2C204-A2 of een vergelijkbaar product.
Door Volvo aanbevolen sproeiervloeistof, met antivries bij
koud weer en onder het vriespunt.
Benzinemotor
ca. 70
Benzine: zie pagina 315
Dieselmotor
ca. 70
Dieselolie: zie pagina 315
``
413
10 Specificaties
Vloeistoffen en smeermiddelen
N.B.
10
414
Onder normale rijomstandigheden hoeft u
de versnellingsbakolie nooit te verversen.
Onder ongunstige rijomstandigheden moet
de olie mogelijk wel worden ververst, zie
pagina 412.
10 Specificaties
Brandstof
CO2-uitstoot en brandstofverbruik
10
V70
T4A
208
9,0
127
5,5
157
6,8
T4A
231
9,9
139
6,0
173
7,4
T4FB
222 (211C)
9,6 (12,8C)
129 (125C)
5,6 (7,6C)
163 (157C)
7,0 (9,6C)
T4FB
238 (230C)
10,3 (14,0C)
139 (134C)
6,0 (8,2C)
175 (169C)
7,5 (10,3C)
T5
264
11,3
145
6,2
189
8,1
T5
271
11,6
152
6,5
195
8,4
3.2
308
13,2
160
6,9
214
9,2
3.2 AWD
320
13,9
169
7,3
224
9,7
T6 AWD
344
14,8
175
7,5
237
10,2
D2
139
5,3
108
4,1
119
4,5
``
415
10 Specificaties
Brandstof
10
V70
416
D2
134
5,1
111
4,2
119
4,5
D3
139
5,3
107
4,1
119
4,5
D3
188
7,2
126
4,8
149
5,7
D4
139
5,3
107
4,1
119
4,5
D4D
211
8,0
129
4,9
159
6,0
D4E
188
7,2
126
4,8
149
5,7
D4 AWD
232
8,8
142
5,4
175
6,6
D5
152
5,8
110
4,2
126
4,8
10 Specificaties
Brandstof
10
V70
A
B
C
D
E
D5
224
8,5
129
4,9
164
6,2
D5 AWD
232
8,8
142
5,4
175
6,6
DRIVe voor bepaalde markten.
FlexiFuel-motoren kunnen op zowel loodvrije benzine (95 RON) als op bio-ethanol (E85) rijden. Beide brandstofsoorten worden in de gemeenschappelijke brandstoftank bijgevuld, wat betekent dat
alle mogelijke mengverhoudingen tussen de beide brandstofsoorten zijn toegestaan. Voor meer informatie, zie pagina 122.
E85
Zonder Start/Stop.
Met Start/Stop.
XC70
3.2 AWD
326
14,0
181
7,8
234
10,1
T6 AWD
351
15,1
188
8,1
248
10,6
D4
178
6,8
125
4,8
144
5,5
``
417
10 Specificaties
Brandstof
10
XC70
D4
221
8,4
139
5,3
169
6,4
D4 AWD
173
6,5
135
5,1
149
5,6
D4 AWD
229
8,7
150
5,7
179
6,8
D5 AWD
173
6,5
135
5,1
149
5,6
D5 AWD
229
8,7
150
5,7
179
6,8
Uitleg
Snelwegrit
Brandstofverbruik en uitstoot van
kooldioxide
Combinatierit
De brandstofverbruiks- en emissiewaarden in
de bovenstaande tabel zijn gebaseerd op spe-
gram/km
liter/100 km
Stadsverkeer
N.B.
Als de gegevens over brandstofverbruik en
emissie ontbreken, staan deze in het bijgeleverde supplement.
418
10 Specificaties
Brandstof
ciale EU-rijcycli1, die gelden voor een auto met
rijklaar gewicht in standaarduitvoering zonder
extra uitrusting. Afhankelijk van de uitrusting
neemt het autogewicht toe. Dit alsook de mate
van belading van de auto zorgt voor een verhoging van het brandstofverbruik en de uitstoot van kooldioxide.
Er zijn meerdere oorzaken aan te geven voor
een verhoogd brandstofverbruik ten opzichte
van de tabelwaarden. Daarbij valt te denken
aan factoren als:
• Uw rijstijl.
• De grotere rolweerstand als u kiest voor
Er zijn grote afwijkingen in het brandstofverbruik mogelijk bij een vergelijking met de EUrijcycli1 die gehanteerd worden bij certificering
van de auto en waarop de verbruikscijfers in de
tabel gebaseerd zijn.
Waar u op moet letten
Tips voor de bestuurder om het brandstofverbruik te beperken:
• Rijd rustig en voorkom onnodig optrekken
en krachtig remmen.
• Houd de juiste bandenspanning aan en
grotere wielen dan de standaardwielen op
de basisuitvoering van het model.
controleer regelmatig of dat nog steeds zo
is – houd voor de beste resultaten de zogeheten ECO-bandenspanning aan, zie de
bandenspanningstabel op pagina 420.
• De grotere luchtweerstand bij hogere snel-
• De bandenkeuze is mogelijk van invloed op
heden.
• De brandstofkwaliteit, de weg- en verkeersomstandigheden, de weersgesteldheid en de staat van de auto.
Ook wanneer u slechts enkele van de hier
genoemde tips opvolgt, is al een aanzienlijk
lager brandstofverbruik mogelijk. Raadpleeg
voor meer informatie de richtlijnen waar eerder
aan gerefereerd werd1.
1
10
het brandstofverbruik – informeer bij uw
dealer naar passende banden.
Voor meer informatie en tips zie pagina 12 en
310.
Zie pagina 314 voor meer algemene informatie
over brandstof.
De officiële brandstofverbruikscijfers zijn gebaseerd op twee gestandaardiseerde rijcycli in laboratoriummilieu (“EU-rijcycli”) conform de EU-richtlijn 80/1268/EEC (Euro 4), EU Regulation no 692/2008
(Euro 5) alsmede UN ECE Regulation no 101. Deze richtlijnen bevatten informatie over de rijcycli stadsverkeer en snelwegrit. - Stadsverkeer – de meting begint met een koude start van de motor.
Het betreft hier een gesimuleerde rit. - Snelwegrit - de auto moet optrekken en afremmen bij snelheden van 0–120 km/h. Het betreft hier een gesimuleerde rit. – Bij de V70 met motortype D2, D3,
D4 of D5 in combinatie met een zestraps handbak geldt de 2e versnelling als wegrijversnelling. Bij de XC70 met motortype D4 AWD of D5 AWD in combinatie met een zestraps handbak geldt de
2e versnelling als wegrijversnelling. De waarde voor combinatierit, die in de tabel staat, is zoals wettelijk bepaald een combinatie van een stadsrit en een snelwegrit. CO2-uitstoot - om de uitstoot
van kooldioxide te berekenen tijdens de twee rijcycli worden alle uitlaatgassen opgevangen. Deze worden vervolgens geanalyseerd en leiden tot de gespecificeerde waarde voor de CO2-uitstoot.
419
10 Specificaties
Wielen en banden, maten en spanning
Goedgekeurde bandenspanningswaarden
10
V70
Bandenmaat
Motor
Snelheid
(km/h)
225/55 R 16
Belading, 1–3 inzittenden
Max. belading
ECO-bandenspanningA
Voor
Achter
Voor
Achter
Voor/achter
(kPa)B
(kPa)
(kPa)
(kPa)
(kPa)
Tot 160
230
210
260
260
260
160 +
280
280
300
300
-
Tot 160
230
210
260
260
260
160 +
270
270
290
290
-
0 - 160
220
210
260
260
260
160 +
260
260
270
270
-
Tot 160
230
210
260
260
260
160 +
260
260
270
270
-
225/50 R 17
3.2
245/45 R 17
T6
245/40 R 18
225/55 R 16
225/50 R 17
D5
245/45 R 17
D4 AWD
245/40 R 18
420
10 Specificaties
Wielen en banden, maten en spanning
V70
Bandenmaat
Motor
T4
T4F
T5
DRIVe
(km/h)
225/55 R 16
245/45 R 17
Max. belading
ECO-bandenspanningA
Voor
Achter
Voor
Achter
Voor/achter
(kPa)B
(kPa)
(kPa)
(kPa)
(kPa)
0 - 160
220
210
260
260
260
160 +
260
260
270
270
-
Tot 160
230
210
260
260
260
160 +
260
260
270
270
-
Tot 160
230
210
260
260
260
160 +
270
270
290
290
-
max. 80
420
420
420
420
-
10
245/40 R 18
D3
205/60 R 16
Compact reservewiel (Temporary Spare)
A
B
Belading, 1–3 inzittenden
225/50 R 17
D2
D4
Snelheid
Zuinig rijden.
In sommige landen wordt de bandenspanning ook wel in bar aangegeven in plaats van in pascal (1 bar = 100 kPa).
``
421
10 Specificaties
Wielen en banden, maten en spanning
XC70
10
Bandenmaat
Motor
(km/h)
215/65 R 16
Alle motoren
Snelheid
Belading, 1–3 inzittenden
Max. belading
ECO-bandenspanningA
Voor
Achter
Voor
Achter
Voor/achter
(kPa)B
(kPa)
(kPa)
(kPa)
(kPa)
Tot 160
230
230
260
260
260
160 +
240
240
280
280
-
max. 80
420
420
420
420
-
235/55 R 17
235/50 R 18
235/45 R 19
Compact reservewiel (Temporary Spare)
A
B
Zuinig rijden.
In sommige landen wordt de bandenspanning ook wel in bar aangegeven in plaats van in pascal (1 bar = 100 kPa).
N.B.
Alle motoren, banden of combinaties daarvan zijn niet altijd beschikbaar op alle markten.
422
10 Specificaties
Elektrisch systeem
Elektrisch systeem
Op de auto zit een wisselstroomdynamo met
spanningsregelaar. Het elektrische systeem is
enkelpolig en gebruikt het chassis en het
motorblok als geleiders.
De accucapaciteit is afhankelijk van de uitrusting op de auto.
BELANGRIJK
Let er bij het vervangen van de accu op, dat
de nieuwe accu dezelfde koudestartcapaciteit en reservecapaciteit als de originele
accu heeft (zie sticker op de accu).
10
Accu
Motor
Koudestartvermogen,
Reservecapaciteit
CCA, Cold Cranking Amperes (A)
(minuten)
Benzine (ethanol)
12
520–800
100–160
Dieselolie
12
700–800
135–160
12
760A
135
Benzine/Diesel met Start/Stop-systeem
A
Spanning (V)
Voor auto’s met Start/Stop-systeem dient een accu type AGM (Absorbed Glass Mat) te worden gebruikt.
N.B.
•
De grootte van de batterijbehuizing
dient overeen te komen met de afmetingen van de originele batterij.
•
De hoogte van de batterij hangt af van
de afmetingen.
Eco Start/Stop DRIVe*
Voor informatie over accu’s bij auto’s met
Eco Start/Stop DRIVe, zie pagina 377.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
423
10 Specificaties
Typegoedkeuring
10
Transpondersleutelsysteem
Land
Vergrendelingssysteem standaard
China
Land
Radarsysteem
Land
Singapore
EU, China
IDA: Infocomm Development
Authority of Singapore.
Hongkong
Brazilië
Sleutelloos vergrendelingssysteem
(Keyless drive)
Land
EU
Korea
424
10 Specificaties
Typegoedkeuring
BluetoothŸ
Verklaring van overeenstemming (Declaration of Conformity)
10
Land
Landen
binnen de
EU:
Exportland: Japan
Producent: Alpine Electronics Inc.
Type uitrusting: BluetoothŸ-eenheid
Breng voor meer informatie een bezoek aan http://ec.europa.eu/enterprise/rtte/faq.htm#informing
``
425
10 Specificaties
Typegoedkeuring
Land
10
426
Tsjechië:
Alpine Electronics, Inc. tímto prohlašuje, že tento BluetoothŸ Module je ve shodě se základními požadavky a dalšími příslušnými
ustanoveními směrnice 1999/5/ES.
Denemarken:
Undertegnede Alpine Electronics, Inc. erklærer herved, at følgende udstyr BluetoothŸ Module overholder de væsentlige krav og øvrige
relevante krav i direktiv 1999/5/EF.
Duitsland:
Hiermit erklärt Alpine Electronics, Inc., dass sich das Gerät BluetoothŸ Module in Übereinstimmung mit den grundlegenden
Anforderungen und den übrigen einschlägigen Bestimmungen der Richtlinie 1999/5/EG befindet.
10 Specificaties
Typegoedkeuring
Land
Estland:
Käesolevaga kinnitab Alpine Electronics, Inc. seadme BluetoothŸ Module vastavust direktiivi 1999/5/EÜ põhinõuetele ja nimetatud
direktiivist tulenevatele teistele asjakohastele sätetele.
GrootBrittannië:
Hereby, Alpine Electronics, Inc., declares that this BluetoothŸ Module is in compliance with the essential requirements and other
relevant provisions of Directive 1999/5/EC.
Spanje:
Por medio de la presente Alpine Electronics, Inc. declara que el BluetoothŸ Module cumple con los requisitos esenciales y cualesquiera
otras disposiciones aplicables o exigibles de la Directiva 1999/5/CE.
Griekenland:
ΜΕ ΤΗΝ ΠΑΡΟΥΣΑ Alpine Electronics, Inc. ΔΗΛΩΝΕΙ ΟΤΙ BluetoothŸ Module ΣΥΜΜΟΡΦΩΝΕΤΑΙ ΠΡΟΣ ΤΙΣ ΟΥΣΙΩΔΕΙΣ ΑΠΑΙΤΗΣΕΙΣ
ΚΑΙ ΤΙΣ ΛΟΙΠΕΣ ΣΧΕΤΙΚΕΣ ΔΙΑΤΑΞΕΙΣ ΤΗΣ ΟΔΗΓΙΑΣ 1999/5/ΕΚ.
Frankrijk:
Par la présente Alpine Electronics, Inc. déclare que l'appareil BluetoothŸ Module est conforme aux exigences essentielles et aux autres
dispositions pertinentes de la directive 1999/5/CE.
Italië:
Con la presente Alpine Electronics, Inc. dichiara che questo BluetoothŸ Module è conforme ai requisiti essenziali ed alle altre
disposizioni pertinenti stabilite dalla direttiva 1999/5/CE.
Letland:
Ar šo Alpine Electronics, Inc. deklarē, ka BluetoothŸ Module atbilst Direktīvas 1999/5/EK būtiskajām prasībām un citiem ar to
saistītajiem noteikumiem.
Litouwen:
Šiuo Alpine Electronics, Inc. deklaruoja, kad šis BluetoothŸ Module atitinka esminius reikalavimus ir kitas 1999/5/EB Direktyvos
nuostatas.
Nederland:
Hierbij verklaart Alpine Electronics, Inc. dat het toestel BluetoothŸ Module in overeenstemming is met de essentiële eisen en de andere
relevante bepalingen van richtlijn 1999/5/EG.
Malta:
Hawnhekk, Alpine Electronics, Inc., jiddikjara li dan BluetoothŸ Module jikkonforma mal-ĘtiĒijiet essenzjali u ma provvedimenti oĘrajn
relevanti li hemm fid-Dirrettiva 1999/5/EC.
10
``
427
10 Specificaties
Typegoedkeuring
Land
10
428
Hongarije:
Alulírott, Alpine Electronics, Inc. nyilatkozom, hogy a BluetoothŸ Module megfelel a vonatkozó alapvetõ követelményeknek és az
1999/5/EC irányelv egyéb elõírásainak.
Polen:
Niniejszym Alpine Electronics, Inc. oświadcza, że BluetoothŸ Module jest zgodny z zasadniczymi wymogami oraz pozostałymi
stosownymi postanowieniami Dyrektywy 1999/5/EC.
Portugal:
Alpine Electronics, Inc. declara que este BluetoothŸ Module está conforme com os requisitos essenciais e outras disposições da
Directiva 1999/5/CE.
Slovenië:
Alpine Electronics, Inc. izjavlja, da je ta BluetoothŸ Module v skladu z bistvenimi zahtevami in ostalimi relevantnimi določili direktive
1999/5/ES.
Slowakije:
Alpine Electronics, Inc. týmto vyhlasuje, že BluetoothŸ Module spĺňa základné požiadavky a všetky príslušné ustanovenia Smernice
1999/5/ES.
Finland:
Alpine Electronics, Inc. vakuuttaa täten että BluetoothŸ Module tyyppinen laite on direktiivin 1999/5/EY oleellisten vaatimusten ja sitä
koskevien direktiivin muiden ehtojen mukainen.
Zweden:
Härmed intygar Alpine Electronics, Inc. att denna BluetoothŸ Module står I överensstämmelse med de väsentliga egenskapskrav och
övriga relevanta bestämmelser som framgår av direktiv 1999/5/EG.
IJsland:
Hierbij verklaart Alpine Electronics, Inc. dat deze BluetoothŸ-module in overeenstemming is met de essentiële eigenschappen en
overige relevante bepalingen zoals beschreven in de EU-richtlijn 1999/5/EG.
Noorwegen:
Alpine Electronics, Inc. erklærer herved at utstyret BluetoothŸ Module er i samsvar med de grunnleggende krav og øvrige relevante
krav i direktiv 1999/5/EF.
10 Specificaties
Typegoedkeuring
Land
China:
㄀कϝᴵǂ䖯ষ੠⫳ѻॖଚ೼݊ѻકⱘ䇈ᯢк៪Փ⫼᠟‫ݠ‬Ёˈᑨߞॄϟ䗄᳝݇‫ݙ‬ᆍ˖
10
ᷛᯢ䰘ӊЁ᠔㾘ᅮⱘᡔᴃᣛᷛ੠Փ⫼㣗ೈˈ䇈ᯢ᠔᳝᥻ࠊǃ䇗ᭈঞᓔ݇ㄝՓ⫼ᮍ⊩˗
ƵՓ⫼乥⥛˖*+]
Ƶㄝᬜܼ৥䕤ᇘࡳ⥛ (,53 ˖໽㒓๲Ⲟ˘ G%L ᯊ˖싨P:៪싨G%Pǂķ
Ƶ᳔໻ࡳ⥛䈅ᆚᑺ˖໽㒓๲Ⲟ˘ G%L ᯊ˖싨G%P0+] (,53 ķ
Ƶ䕑乥ᆍ䰤˖SSP
Ƶᴖᬷথᇘ 䕤ᇘ ࡳ⥛ ᇍᑨ䕑⊶f ‫ֵס‬䘧ᏺᆑҹ໪ ˖
•
•
•
•
•
싨G%PN+] 0+]
싨G%PN+] *+]
싨G%P0+] *+]
싨G%P0+] *+]
싨G%P0+] ݊ᅗ *+]
ϡᕫ᪙㞾᳈ᬍথᇘ乥⥛ǃࡴ໻থᇘࡳ⥛ ࣙᣀ乱໪ࡴ㺙ᇘ乥ࡳ⥛ᬒ໻఼ ˈϡᕫ᪙㞾໪᥹໽㒓៪ᬍ⫼݊ᅗথᇘ໽㒓˗
Փ⫼ᯊϡᕫᇍ৘⾡ড়⊩ⱘ᮴㒓⬉䗮ֵϮࡵѻ⫳᳝ᆇᑆᡄ˗ϔᮺথ⦄᳝ᑆᡄ⦄䈵ᯊˈᑨゟे‫ذ‬ℶՓ⫼ˈᑊ䞛প᥾ᮑ⍜䰸ᑆᡄৢᮍৃ㒻㓁
Փ⫼˗
Փ⫼ᖂࡳ⥛᮴㒓⬉䆒໛ˈᖙ乏ᖡফ৘⾡᮴㒓⬉Ϯࡵⱘᑆᡄ៪ᎹϮǃ⾥ᄺঞए⭫ᑨ⫼䆒໛ⱘ䕤ᇘᑆᡄ˗
ϡᕫ೼亲ᴎ੠ᴎഎ䰘䖥Փ⫼DŽ
``
429
10 Specificaties
Typegoedkeuring
Land
10
Taiwan:
‫܅‬㧤෷ሽंᘿ୴ࢤሽᖲጥ෻䏺ऄรԼ㦕
รԼԲය
ᆖী‫ڤ‬ᎁᢞ‫ٽ‬௑հ‫פ܅‬෷୴᙮ሽᖲΔॺᆖ๺‫ױ‬Δֆ‫׹‬Ε೸ᇆࢨࠌ‫݁ृش‬լ൓ᖐ۞!᧢‫ޓ‬᙮෷Ε‫ף‬Օ‫פ‬෷ࢨ᧢‫଺ޓ‬๻ૠհ௽ࢤ֗‫פ‬౨Ζ
รԼ؄ය
‫פ܅‬෷୴᙮ሽᖲհࠌ‫ش‬լ൓ᐙ᥼ଆ౰‫ڜ‬٤֗եឫ‫ٽ‬ऄຏॾΙᆖ࿇෼‫ڶ‬եឫ෼ွழΔ!ᚨ‫ܛم‬ೖ‫ش‬Δࠀ‫ޏ‬࿳۟ྤեឫழֱ൓ᤉᥛࠌ‫ش‬Ζছႈ
‫ٽ‬ऄຏॾΔਐࠉሽॾऄ๵ࡳ!‫܂‬ᄐհྤᒵሽຏॾΖ‫פ܅‬෷୴᙮ሽᖲႊ‫ٽ࠹ݴ‬ऄຏॾࢨՠᄐΕઝᖂ֗᠔᛭‫ش‬ሽं!ᘿ୴ࢤሽᖲ๻ໂհեឫΖ
CCAB10LP0230T7
430
10 Specificaties
Typegoedkeuring
Land
ZuidKorea:
⭧㟓#⭠‿
10
Volvo Car Korea
㐔㷡㣄G䂈☐aGuY\TphtYXWX}
㥐䖼G⮹aGi“œŒ›––›Ghœ‹–GuˆŽˆ›–•Gyˆ‹–
⯜⒬G⮹aGphtYUX
㇤G⇔㬐aGtˆ™ŠVYWXW
Alpine Electronics, Inc
Made in Japan
ါཨ#⭠‿
Volvo Car Korea
⸰⸨㣄┍㵜䂈⫠㙸
㉐㟬㐐G㟝㇤ẠG䚐⇜ Y ┍G^Y]TX^ZG⸰⸨⾀♝G[ 㽩
⸰⸨㣄┍㵜GḔᵑ㉰䉤GX\__TX^^^
http://www.volvocars.com/kr
⏷⧴⫛#ⱇ⪣⏷㢸
୔␭䚨Gⱨ㉔㉘⽸⏈G㤸䑀䝰㐔Gᴴ⏙㉥㢨G㢼㡰⳴⦐G㢬⮹㙼㤸ḰGḴ⥜═G㉐⽸㏘⏈G䚔G㍌G㛺㏩⏼␘
``
431
10 Specificaties
Typegoedkeuring
Land
10
Singapore:
Verenigde
Arabische
Emiraten:
Jordanië:
The product that contains the Bluetooth module is approved with the following certification number.
BT module certification number: TRC/LPD/2010/4.
BT module name: IAM2.1BT PWB EU
432
10 Specificaties
Typegoedkeuring
Land
10
ZuidAfrika:
Urugay:
This product contains URSEC approved transmitter [module name and model name (IAM2.1 BT PWB EU + BVJG905A, BVVE905A,
BVLV905A)]
``
433
10 Specificaties
Typegoedkeuring
Land
10
Jamaica:
Approved for use in Jamaica SMA EI: IAM2.1
Thailand:
This telecommunication equipment conforms to NTC technical requirement.
Nigeria:
Mexico:
Waarschuwing
"Este equipo opera a titulo secundario, consecuentemente, debe aceptar interferencias perjudiciales incluyendo equipos de la misma
clase y puede no causar interferencias a sistemas operando a titulo primario."
BluetoothŸ module installation information
This module board is to be installed only by the professional line operator and used only for car audio produced by ALPINE ELECTRONICS, INC. When this BluetoothŸ Module Board is installed in the Car Audio, we shall consider the following points; 1. Since
‘IAM2.1 BT PWB US’ owns its FCC ID/IC Number, we shall affix an exterior label on the outside of the product if the FCC ID is not
visible. The exterior label shall use wording such as either ‘Contains Transmitter Module Board FCC ID: A269ZUA130 / IC: 700BIAM2101’ or ‘Contains FCC ID: A269ZUA130 / IC: 700B-IAM2101’. 2. ‘IAM2.1 BT PWB US’ complies with requirements of sub-sections
15.19(a)(3) in FCC Rules Part 15 Subpart C. The manual statement 15.19 (a)(3) is included User Guide of the product.
COFETEL No. RCPALIA10-0353
434
10 Specificaties
Typegoedkeuring
Land
Botswana:
10
Kroatië:
435
10 Specificaties
Displaysymbolen
Algemeen
10
436
Er worden tal van verschillende displaysymbolen gebruikt in de auto. De lampjes zijn onderverdeeld in waarschuwings-, controle- en
informatielampjes. Hier volgt een overzicht van
de meest voorkomende lampjes met hun betekenis en een verwijzing naar de pagina(’s) in het
boek waar u meer informatie kunt vinden. Voor
meer informatie over de lampjes en displaymeldingen, zie pagina 74, 76 en 210.
Displaysymbolen
Controle- en waarschuwingslampjes op
instrumentenpaneel
Betekenis
Pagina
Lage oliedruk
76
Handrem
76, 144, 146
- Rood waarschuwingslampje dat gaat
branden, wanneer er een storing geregistreerd
is die mogelijk van invloed is op de veiligheid
en/of rijeigenschappen van de auto. Er verschijnt tegelijkertijd een verklarende melding
op het informatiedisplay.
Airbags SRS
19, 76
Gordelwaarschuwing
16, 76
- Oranje informatielampje dat gaat branden in combinatie met een verklarende tekst op
het informatiedisplay, wanneer er een afwijking
in een van de autosystemen is opgetreden. Het
oranje informatielampje kan ook gaan branden
in combinatie met andere lampjes.
Dynamo
laadt niet bij
76
Storing in
remsysteem
76, 141
Waarschuwing, Safety
mode
19, 30, 76, 77,
130
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Lampje
Controle- en informatielampjes op
instrumentenpaneel
Lampje
Betekenis
Pagina
Storing in
ABL-systeem*
74, 92
Uitlaatgasreinigingssysteem
74
Storing in
ABS-systeem
74, 141
Mistachterlicht aan
74, 94
Stabiliteitsregeling, DSTC;
afdalingsremregeling; Trailer Stability
Assist
74, 142, 155,
333
Stabiliteitsregeling, Sportstand
74, 155
Voorgloeifunctie motor
(diesel)
74
10 Specificaties
Displaysymbolen
Betekenis
Pagina
Laag peil in
brandstoftank
74, 233
Informatie,
lees displaymelding
74
Groot licht
aan
74, 92
Richtingaanwijzers links
74
Richtingaanwijzers rechts
74
DRIVe - Start/
Stop*
74, 136
Niet in gebruik
-
Overige informatielampjes op
instrumentenpaneel
Lampje
Betekenis
Pagina
Adaptieve cruisecontrol*
158, 162,
169
Adaptieve cruisecontrol*
169
Lampje
Betekenis
Pagina
Adaptieve cruisecontrol*; afstandswaarschuwing*
(Distance Alert)
169, 173
Adaptieve cruisecontrol*; afstandswaarschuwing*
(Distance Alert)
169, 173
Adaptieve cruisecontrol*
169
Adaptieve cruisecontrol*; afstandswaarschuwing*
(Distance Alert)
163, 172
Adaptieve cruisecontrol*; afstandswaarschuwing*
(Distance Alert)
163, 172
Adaptieve cruisecontrol*
162
Radarsensor*
169, 173,
187
Lampje
-
G025102
Lampje
Betekenis
Pagina
Start/Stop*, adaptieve cruisecontrol*
136, 169
-
-
Camerasensor*;
lasersensor*
178, 187,
191, 194
Auto Brake*;
afstandswaarschuwing* (Distance Alert); City
SafetyTM; Collision
Warning*
173, 178,
187
Motor- en interieurverwarming op
brandstof*
233
ABL*
92
Tankvulklep rechts
313
Accuspanning
laag
233
10
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
437
10 Specificaties
Displaysymbolen
Lampje
10
438
Betekenis
Pagina
Handrem
146
Regensensor*
Informatielampjes op display
plafondconsole
Betekenis
Pagina
101
Gordelwaarschuwing
17
Driver Alert System*
191
Airbag passagiersstoel, geactiveerd
22, 23
Driver Alert System*; Lane Departure Warning*
191, 194
Airbag passagiersstoel, gedeactiveerd
23
Driver Alert System*; Lane Departure Warning*
194
Driver Alert System*; Tijd voor
pauze
191
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Lampje
10 Specificaties
10
439
11 Alfabetisch register
11
A
Achteruitkijkspiegel.................................. 108
autodimfunctie.................................... 108
A/V-AUX-ingang...................................... 299
Actief chassis (FOUR-C).......................... 239
Aanbevolen veiligheidzitjes, tabel.............. 33
Actieve koplampen (ABL).......................... 92
Aanhanger...............................................
kabel...................................................
pendelbeweging.................................
rijden met een aanhanger...................
Actieve xenonkoplampen.......................... 92
327
327
332
327
Aanpassen, lichtbundel............................. 97
Aanrijding................................................... 30
Aanstekeropening.................................... 241
ACC – Adaptieve cruisecontrol................ 160
ACC gedeactiveerd.................................. 158
Accu................................................. 374, 423
onderhoud.......................................... 374
starten met hulpaccu.......................... 123
symbolen op de accu......................... 375
transpondersleutel/PCC....................... 54
waarschuwingssymbolen................... 375
Achterklep.................................................. 61
openen.................................................. 62
vergrendelen/ontgrendelen.................. 60
Achterruit, elektrische verwarming.......... 108
Achterste bedieningspaneel
audiosysteem..................................... 251
440
Adaptatie................................................. 122
Adaptieve cruisecontrol........................... 160
radarsensor......................................... 166
storingen opsporen............................ 168
Afstandsbediening .................................. 295
batterij vervangen .............................. 296
Afstandsbediening HomeLinkŸ
programmeerbaar .............................. 148
Airbag
activeren/deactiveren, PACOS............. 22
bestuurders- en passagierszijde.......... 20
deactiveren met sleutel......................... 22
AIRBAG ..................................................... 20
Airbagsysteem .......................................... 19
Airconditioning......................................... 229
algemene informatie........................... 221
Airconditioning, AC.................................. 229
alarm
deactiveren........................................... 66
Alarm..........................................................
activeren...............................................
alarmindicatie.......................................
alarmsignalen........................................
alarmsysteem controleren....................
beperkt alarmniveau.............................
geactiveerd alarm uitschakelen............
66
66
66
67
49
67
67
Alarmlichten............................................... 94
Alcoholslot............................................... 112
Allergenen................................................ 222
All Wheel Drive (vierwielaandrijving)........ 139
Antislipregeling........................................ 154
Antispin ................................................... 154
Approach-verlichting........................... 48, 96
Audio
achterste bedieningspaneel...............
hoofdtelefoonaansluiting....................
instellingen..........................................
surround.............................................
251
251
253
246
Audiosysteem.................................. 246, 247
functies............................................... 253
overzicht............................................. 247
Auto
klimaatinstelling.................................. 228
Autobekleding.......................................... 392
11 Alfabetisch register
Automatische hervergrendeling................. 59
Bagage verankeren (Lading vervoeren)... 319
Automatische motorrem.......................... 142
Banden
bandenreparatie.................................
draairichting........................................
onderhoud..........................................
rijeigenschappen................................
slijtage-indicator.................................
snelheidsaanduidingen.......................
spanning.............................................
specificaties........................................
winterbanden......................................
Automatische schakelblokkering deactiveren............................................................ 128
Automatische vergrendeling...................... 60
Automatische versnellingsbak.................
aanhanger...........................................
handmatig schakelen (Geartronic)......
slepen en bergen................................
126
328
127
334
Automatische wasstraten........................ 390
Auto wassen............................................ 390
AUX-ingang..................................... 247, 271
AWD, vierwielaandrijving......................... 139
350
340
340
340
341
343
348
343
342
Batterij
afstandsbediening ............................. 296
hoofdtelefoon..................................... 299
Bedieningselementen
middenconsole .................................. 247
B
Bedieningsknoppen
middenconsole................................... 213
Bagagenet............................................... 323
Bedieningspaneel verlichting..................... 88
Bagagerolhoes......................................... 325
Bedrijfsrem.............................................. 140
Bagageruimte
bagagenet........................................... 323
bagagerolhoes.................................... 325
krikpunten........................................... 319
veiligheidsrek...................................... 324
verlichting............................................. 96
Beelschermen achterin............................ 297
Bellen....................................................... 280
Benzinekwaliteit....................................... 315
Bergen..................................................... 336
Berichten en symbolen
afstandscontrole................................. 173
Collision Warning met Auto
Brake.......................................... 178, 187
Driver Alert Control............................. 191
Lane Departure Warning..................... 194
11
Berichten op instrumentenpaneel............ 210
Beslaande koplampglazen
condens.............................................. 390
Beslagen ruiten........................................
ontwasemen.......................................
ontwasemen met blaasmonden.........
timerfunctie.........................................
229
221
230
229
Beveiliging tegen overbelasting, schuifdak........................................................... 111
Bio-ethanol E 85...................................... 315
Blaasmonden........................................... 223
BLIS......................................................... 203
BLIS-systeem (Blind Spot Information System).......................................................... 203
Blokkering achteruitversnelling................ 126
BluetoothŸ
gesprek naar mobiel .......................... 280
handsfree ........................................... 277
media ................................................. 274
441
11 Alfabetisch register
11
microfoon uit ...................................... 280
streaming audio ................................. 274
Collision Warning............................. 180, 181
radarsensor......................... 166, 175, 180
Driver Alert Control.................................. 190
Boordcomputer....................................... 237
Collision Warning met Auto Brake*.......... 180
Driver Alert System.................................. 189
Botsing, zie Aanrijding............................... 30
Condens aan binnenkant lampglazen..... 390
DSTC, zie ook Stabiliteitssysteem........... 155
Brandstof.................................................
brandstofbesparing............................
brandstoffilter.....................................
brandstofverbruik...............................
Contactsleutels.......................................... 80
DVD ......................................................... 266
314
348
316
415
Buitenafmetingen..................................... 400
Buitenspiegels......................................... 106
Controleren en bijvullen, koelvloeistof..... 361
Controlesymbolen..................................... 74
Cruisecontrol........................................... 158
CZIP (Clear Zone Interior Package)......... 222
D
Camerasensor................................. 176, 185
CD ........................................................... 266
Chassisstanden....................................... 239
City Safety™............................................ 175
Claxon........................................................ 87
Claxonneren............................................... 87
Clean Zone Interior Package (CZIP)........ 222
CO2-uitstoot ............................................ 415
ECC, elektronische klimaatregeling......... 224
Eco Start/Stop DRIVe.............................. 132
EHBO-kit ................................................. 349
DAB-radio................................................ 263
EHBO-set................................................. 349
Dagtellers................................................... 77
Elektrisch bedienbaar schuifdak.............. 110
Dakbelasting, max. gewicht .................... 402
Elektrisch bedienbare ruiten.................... 104
Dashboardkastje...................................... 241
vergrendelen......................................... 60
Elektrisch bedienbare ruiten resetten...... 106
Dieselolie................................................. 315
Displayverlichting....................................... 88
Distance Alert.......................................... 171
Dolby Surround Pro Logic II.................... 246
Doorluchtfunctie................................ 60, 221
Doorwaaddiepte...................................... 310
442
E
ECO-bandenspanning............................. 348
Buitenspiegels resetten........................... 107
C
Draadloze hoofdtelefoon......................... 298
Elektrisch bedienbare stoel....................... 83
elektrische aansluiting............................. 242
Elektrische aansluiting
bagageruimte...................................... 321
voorstoel............................................. 242
Elektrische parkeerrem............................ 144
automatisch lossen............................. 145
11 Alfabetisch register
handmatig lossen............................... 145
lage accuspanning.............................. 144
Elektrische verwarming
achterruit............................................. 108
buitenspiegels..................................... 108
stoelen en achterbank........................ 226
FSC, milieulabel......................................... 12
G
Geartronic................................................ 127
Gloeilampen achterlamphuis:
positie................................................. 368
Gordelwaarschuwing................................. 17
Groot licht, automatische activering.......... 90
Groot licht/dimlicht, zie Verlichting............ 89
11
Elektrisch inklapbare buitenspiegels....... 107
Gelaagd glas............................................ 104
Elektronische startblokkering.................... 47
Geluid
Ambient Surround Sound .................. 253
H
Geluidssterkte
beltoon, telefoon................................. 281
telefoon............................................... 281
telefoon/mediaspeler.......................... 281
handgeschakelde versnellingsbak
schakelindicatie (GSI)......................... 125
Handgeschakelde versnellingsbak.......... 125
slepen en bergen................................ 334
Extra verwarming..................................... 236
Gereedschap........................................... 345
Handmatig schakelen (Geartronic).......... 127
Extra verwarming (diesel)......................... 236
Gesprekken
gebruik................................................ 280
inkomende.......................................... 280
Entertainmentsysteem achterpassagiers 297
ERS - Starten op afstand......................... 117
ETC, elektronische temperatuurregeling
225
Etiketten................................................... 398
F
Gevarendriehoek..................................... 349
File-assistent............................................ 165
Gewichten
rijklaar gewicht.................................... 402
FlexiFuel................................................... 121
adaptatie............................................. 122
Follow Me home-verlichting...................... 96
FOUR-C – Actief chassis......................... 239
Glazen
gelaagd/verstevigd............................. 104
Global opening........................................ 221
Gloeilampen, zie Verlichting.................... 364
Handrem.................................................. 144
HDC......................................................... 142
Hill Descent Control................................. 142
Hogedruksproeiers koplampen............... 102
Hoge motortemperatuur.......................... 327
HomeLinkŸ .............................................. 148
Hoofdsteun
middelste zitplaats achterbank............. 84
omklappen...................................... 85, 86
Foutmeldingen
Adaptieve cruisecontrol...................... 169
443
11 Alfabetisch register
Hoofdtelefoon
batterij vervangen............................... 299
draadloos............................................ 298
Hoofdtelefoonaansluiting......... 251, 297, 299
Houder voor boodschappentassen ........ 321
11
Kinderzitje.................................................. 31
Interieurcomfort....................................... 240
Kleurcode, lak.......................................... 394
Interieurfilter............................................. 221
Klimaatregeling........................................
algemene informatie...........................
reparatie..............................................
sensoren.............................................
Interieurverlichting, zie Verlichting............. 95
Interior Air Quality System (IAQS) ........... 229
IAQS – Interior Air Quality System........... 222
IC-systeem – Inflatable Curtain................. 26
Kinderslot................................................... 65
Instrumentenverlichting, zie Verlichting..... 88
Interieurverwarming
op brandstof....................................... 232
I
Intervalstand............................................ 101
iPodŸ, aansluiting.................................... 271
221
221
363
221
Klok, instellen............................................. 78
Knipperlichten............................................ 94
Knippersignalen, PCC............................... 49
In de was zetten....................................... 391
Koelsysteem............................................ 310
Informatiedisplays...................................... 73
Kofferbak
lading vervoeren................................. 318
Informatietoets, PCC................................. 49
Infotainment ............................................
brontoetsen .......................................
menufuncties .....................................
overzicht ............................................
spraakherkenning...............................
246
247
250
247
287
Inlegmatten.............................................. 241
Instructieboekje, milieulabel...................... 12
Instrumenten, schakelaars en bediening... 70
Instrumentenoverzicht
auto met stuur links.............................. 70
auto met stuur rechts........................... 72
444
Instrumentenpaneel........................... 73, 210
K
Katalysator............................................... 314
bergen................................................. 335
Kompas................................................... 109
kalibreren............................................ 109
zone instellen...................................... 109
Keuzehendelblokkering........................... 128
Koplampen.............................................. 364
Keuzehendelblokkering, mechanisch uitschakelen................................................. 128
Koplamphoogteregeling............................ 88
Keyless drive...................................... 56, 116
Kinderen....................................................
kinderslot..............................................
kinderzitjes en SIPS-airbags.................
positie in de auto..................................
veiligheid...............................................
31
39
24
31
31
Koudemiddel........................................... 363
Krik........................................................... 345
11 Alfabetisch register
L
Media BluetoothŸ .................................... 274
Mediaspeler ............................................ 266
Lading vervoeren
algemene informatie...........................
bagageruimte......................................
krikpunten...........................................
lading op het dak................................
318
318
319
318
Lak
kleurcode............................................ 394
schade en herstel............................... 394
Lampen, zie Verlichting............................ 364
Lampjes................................................... 155
Lane Departure Warning.......................... 193
Lasersensor................................................. 9
Lekke band, zie Banden.......................... 345
Leren bekleding, reinigingsvoorschriften. 393
Lichtbundel aanpassen.............................. 97
Active Bending Lights .......................... 97
halogeenkoplampen............................. 98
Luchtverdeling................................. 223, 230
Meldingen en symbolen
Adaptieve cruisecontrol...................... 169
Meldingen op informatiedisplay............... 155
Meldingen voor BLIS............................... 205
Menu- en meldingsfuncties..................... 210
Menufuncties infotainment ..................... 250
Menufuncties RSE................................... 304
Menusysteem MY CAR........................... 213
Menusystemen RSE........................ 304, 305
Mobiele telefoon
aansluiten...........................................
handsfree............................................
spraakherkenning...............................
telefoon registreren.............................
278
277
287
278
Motor
oververhitting...................................... 327
starten................................................. 116
Motorolie.......................................... 357, 409
filter..................................................... 357
hoeveelheden..................................... 409
oliekwaliteit......................................... 409
ongunstige rijomstandigheden........... 409
Menu’s/functies....................................... 215
Motoroliepeil controleren......................... 357
Meters
brandstofmeter..................................... 74
snelheidsmeter..................................... 74
toerenteller............................................ 74
Microfoon................................................. 277
Motorruimte
koelvloeistof........................................
olie......................................................
overzicht.............................................
stuurbekrachtigingsvloeistof...............
Middenconsole........................................ 213
Motorspecificaties................................... 406
Milieulabel, FSC, instructieboekje............. 12
Motorverwarming..................................... 121
op brandstof....................................... 232
M
Mistlichten
achter.................................................... 94
vóór....................................................... 93
Make-upspiegel................................. 96, 242
Mistlichten, aan/uit.................................... 93
11
361
357
357
362
MY CAR................................................... 213
Max. dakbelasting .................................. 402
445
11 Alfabetisch register
11
N
P
R
Nooduitrusting
gevarendriehoek................................. 349
PACOS....................................................... 22
Radarsensor............................................ 160
beperkingen........................................ 166
O
Paniekfunctie............................................. 48
PACOS, schakelaar voor activering/deactivering....................................................... 22
Park Assist............................................... 196
sensoren voor Park Assist.................. 198
Recirculatie.............................................. 229
Oliepeil laag............................................. 357
Parkeerhulpcamera.................................. 199
Regeling, licht............................................ 88
Omklappen, ruggedeelte achterbank........ 85
Parkeerrem.............................................. 144
Regensensor............................................ 101
Passagiersruimte..................................... 240
Relais- en zekeringenkastje, zie Zekeringen........................................................... 379
Olie, zie ook Motorolie............................. 409
Onderhoud
roestwering......................................... 392
Ontgrendelen
van de binnenzijde................................ 59
van de buitenzijde................................. 59
PCC (Personal Car Communicator)
bereik transpondersleutel............... 49, 50
functies................................................. 48
Peilstok, elektronisch............................... 359
Ontwaseming........................................... 229
Poetsen.................................................... 391
Op afstand starten - ERS........................ 117
Powershift-versnellingsbak.............. 129, 334
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte....................................................... 240
Privacy locking........................................... 52
Provisorische bandenreparatie................ 350
opblaasgordijn........................................... 26
Openen, motorkap................................... 356
Oververhitting.......................................... 327
Q
Queue Assist............................................ 165
446
Radio ...................................................... 258
AM/FM ............................................... 258
DAB ................................................... 263
Rem- en koppelingsvloeistof................... 362
Remlichten................................................. 93
Remmen.................................................. 140
antiblokkeerremsysteem, ABS........... 140
elektrische parkeerrem....................... 144
noodremlichten..................................... 93
parkeerrem......................................... 144
remkrachtverhoging bij noodstops,
EBA .................................................... 140
remlichten............................................. 93
remsysteem........................................ 140
remvloeistof bijvullen.......................... 362
symbolen op instrumentenpaneel...... 141
11 Alfabetisch register
Reservewiel.............................................. 345
compact reservewiel........................... 345
Ruitenwissers.......................................... 101
regensensor........................................ 101
Richtingaanwijzers..................................... 94
Rijadviezen............................................... 310
Rijden.......................................................
koelsysteem........................................
met een aanhanger.............................
met geopende achterklep...................
310
310
327
311
Rijden met een aanhanger
kogeldruk............................................ 402
trekgewicht......................................... 402
S
Sleepoog.................................................. 335
Safelock-functie......................................... 63
deactiveren........................................... 63
tijdelijk deactiveren............................... 63
Safety mode.............................................. 30
Schakelindicatie (GSI).............................. 125
390
390
392
394
391
Rugleuning................................................. 82
voorstoel, omklappen........................... 82
Schuifdak
beveiliging tegen overbelasting..........
openen en sluiten...............................
ventilatiestand.....................................
zonnescherm......................................
111
110
110
111
Rijeigenschappen aanpassen.................. 239
Rijklaar gewicht........................................ 402
Roestwering............................................. 392
Roetfilter.......................................... 316, 317
Roetfilter vol............................................. 317
RSE - Rear Seat Entertainment system... 297
SIPS-airbag............................................... 24
SIPS-airbags.............................................. 24
Schoonmaken
automatische wasstraten...................
auto wassen.......................................
bekleding............................................
veiligheidsgordels...............................
velgen.................................................
Rijden tijdens de winter........................... 311
Signaalingang, externe.................... 247, 271
Slepen...................................................... 334
sleepoog............................................. 335
11
Sleutel........................................................ 46
Sleutelblad................................................. 50
Sleutelloos starten (Keyless drive)..... 56, 116
Sleutelstanden........................................... 80
Sloten
automatische vergrendeling................. 59
ontgrendelen......................................... 59
vergrendelen......................................... 59
Smeermiddelen........................................ 412
Smeermiddelen, hoeveelheden............... 412
Ruiten en spiegels................................... 104
Sensus....................................................... 79
Ruitensproeiers........................................ 102
Serviceprogramma.................................. 356
Ruitensproeiervloeistof, bijvullen............. 373
Servicestand............................................ 371
Sfeerverlichting.......................................... 96
Spiegels
achteruitkijk-.......................................
buiten-................................................
elektrische verwarming.......................
elektrisch inklapbare...........................
kompas...............................................
108
106
108
107
109
Spin Control............................................. 154
Spraakherkenning mobiele telefoon........ 287
447
11 Alfabetisch register
Sproeiers
achterruit............................................. 102
sproeiervloeistof, bijvullen.................. 373
voorruit................................................ 102
Stabiliteits- en tractieregelsysteem......... 154
Storingsmeldingen
Driver Alert Control............................. 191
Lane Departure Warning..................... 194
zie Berichten en symbolen......... 146, 169
Stabiliteitssysteem................................... 154
Storingsmeldingen voor BLIS.................. 205
Stadslichten vóór en achterlichten............ 93
Storingsmeldingen voor de afstandscontrole.......................................................... 173
Sproeikoppen, verwarmde...................... 102
11
Standverwarming.....................................
accu en brandstof...............................
op een helling parkeren......................
tijd instellen.........................................
232
232
232
234
Startblokkering.......................................... 47
Starten met hulpaccu.............................. 123
Steenslagplekken en krassen.................. 394
Stickers.................................................... 398
Stoel, zie Stoelen en achterbank............... 82
Stoelen en achterbank............................... 82
elektrische bediening............................ 83
elektrische verwarming....................... 226
geventileerde voorstoelen.................. 227
hoofdsteunen achterbank..................... 84
ruggedeelte achterbank omklappen..... 85
rugleuning voorstoel omklappen.......... 82
Stoel met geheugenfunctie........................ 83
448
Storingen in de camerasensor opsporen.................................................... 177, 186
Storingzoeken
Adaptieve cruisecontrol...................... 168
Stuurbekrachtiging, snelheidsafhankelijke........................................................... 239
Stuurkrachtniveau, zie Stuurbekrachtiging.......................................................... 239
Stuurslot.................................................. 117
Stuurwiel.................................................... 87
stuurwielafstelling................................. 87
toetsenset..................... 87, 158, 214, 248
toetsenset adaptieve cruisecontrol.... 162
Stuurwiel afstellen...................................... 87
Surround.......................................... 246, 253
Symbolen
controlesymbolen................................. 74
waarschuwingssymbolen..................... 74
Symbolen en meldingen
Adaptieve cruisecontrol...................... 169
Afstandscontrole................................ 173
Botswaarschuwing met brake support............................................. 178, 187
Driver Alert Control............................. 191
Lane Departure Warning..................... 194
T
Tanken.....................................................
tankdop...............................................
tanken.................................................
tankvulklep, elektrisch openen...........
tankvulklep, handmatig openen.........
313
313
313
313
313
Telefoon
aansluiten...........................................
bellen..................................................
gesprek beantwoorden.......................
handsfree............................................
inkomende gesprekken......................
spraakherkenning...............................
telefoonboek.......................................
telefoonboek, sneltoets......................
telefoon registreren.............................
278
280
280
277
280
287
281
281
278
Temperatuur
werkelijke temperatuur....................... 221
11 Alfabetisch register
Temperatuurregeling............................... 228
TV............................................................. 291
Timer........................................................ 229
Type-aanduidingen.................................. 398
Toetsensets op stuurwiel... 87, 158, 214, 248
Typegoedkeuring, transpondersleutelsysteem......................................................... 424
Totaalgewicht.......................................... 402
Velgen
schoonmaken..................................... 391
Traction Control....................................... 154
Transmissie.............................................. 125
U
Transponder............................................ 104
Uitstoot van kooldioxide.......................... 317
Transpondersleutel....................................
afneembaar sleutelblad........................
batterij vervangen.................................
bereik transpondersleutel.....................
functies.................................................
USB, aansluiting...................................... 271
Trailer Stability Assist ..................... 154, 332
46
50
54
49
48
Transpondersleutelsysteem, typegoedkeuring..................................................... 424
Trekgewicht............................................. 402
Trekhaak..................................................
afneembaar, aanbrengen ...................
afneembaar, verwijderen ...................
specificaties........................................
328
330
331
329
Trekinrichting, zie Trekhaak..................... 328
Trillingsdemper........................................ 329
TSA, Trailer Stability Assist ............. 154, 332
Tunneldetectie........................................... 92
geïntegreerd kinderzitje met twee standen........................................................ 37
ISOFIX-bevestigingssysteem voor kinderzitjes................................................ 39
Ventilator.................................................. 227
Vergrendelen/ontgrendelen
aan de binnenzijde................................ 59
achterklep............................................. 60
Vergrendelingsindicatie ............................ 46
V
Verkeersbordinformatie........................... 156
Veiligheidsgordel
achterbank............................................ 18
gordelspanners..................................... 18
Veiligheidsgordels...................................... 16
Veiligheidsrek........................................... 324
Veiligheidszitje...........................................
aanbevolen...........................................
afmetingscategorieën voor veiligheidszitjes met ISOFIX-bevestigingssysteem
bovenste bevestigingspunten voor kinderzitjes................................................
11
Ventilatie.................................................. 223
31
33
39
43
Verlichting................................................ 364
"Approach"-verlichting................... 48, 96
Actieve xenonkoplampen..................... 92
automatische verlichting, interieur........ 96
bedieningsknoppen.............................. 95
displayverlichting.................................. 88
Follow Me Home-verlichting................. 96
gloeilampen, specificaties.................. 369
groot licht/dimlicht................................ 89
in interieur............................................. 95
instrumentenverlichting........................ 88
koplamphoogteverstelling.................... 88
mistachterlicht...................................... 94
449
11 Alfabetisch register
mistlichten............................................ 93
stadslichten/parkeerlichten vóór en
achterlichten......................................... 93
tunneldetectie....................................... 92
11
Verlichting, gloeilampen vervangen.........
achterlamphuis, richtingaanwijzers....
bagageruimte......................................
dimlicht, halogeen..............................
groot licht, halogeen...........................
groot licht, xenonlamp........................
kentekenplaatverlichting.....................
make-upspiegel..................................
mistlampen vóór.................................
richtingaanwijzer.................................
sidemarker..........................................
stadslichten........................................
364
368
369
365
366
366
368
369
367
367
367
366
Verlichting instrumentenpaneel................. 88
Versnellingsbak........................................ 125
automatische...................................... 126
handgeschakelde............................... 125
Waarschuwingssymbool, airbagsysteem. . 19
Vloeistoffen en oliën................................. 412
Warmtereflecterende voorruit.................. 104
Voetgangersbescherming........................ 180
Water- en vuilafstotende laag.................. 104
Volgtijd instellen....................................... 172
Water- en vuilafstotende laag, schoonmaken........................................................... 392
Volume .................................................... 247
snelheids-/geluidscompensatie.......... 253
Volvo Sensus............................................. 79
W
Waarschuwingsgeluid
Collision Warning................................ 183
Waarschuwingslampje
adaptieve cruisecontrol...................... 160
Collision Warning................................ 183
stabiliteits- en tractieregelsysteem..... 154
Vierwielaandrijving, AWD......................... 139
Waarschuwingslampjes
airbags (SRS)........................................
dynamo laadt niet bij............................
gordelwaarschuwing............................
lage oliedruk.........................................
parkeerrem aangezet............................
storing in remsysteem..........................
waarschuwing.......................................
Vlekken.................................................... 392
Waarschuwingssymbolen.......................... 74
Verwarmde sproeikoppen........................ 102
Verwarming.............................................. 228
Verzorging................................................ 390
Verzorging, leren bekleding..................... 393
450
Vloeistoffen, hoeveelheden...................... 412
76
76
76
76
76
76
76
Whiplash-letsel, WHIPS............................. 27
WHIPS
kinderzitje/comfortkussen.................... 27
whiplash-letsel...................................... 27
Wielen
aanbrengen.........................................
reservewiel..........................................
sneeuwkettingen.................................
velgen.................................................
verwisselen.........................................
346
345
343
341
345
Wielen en banden.................................... 340
Winterbanden.......................................... 342
Wisserbladen...........................................
schoonmaken.....................................
servicestand.......................................
vervangen...........................................
vervangen achterklep.........................
371
372
371
371
372
Wissers en -sproeiers.............................. 101
11 Alfabetisch register
Z
Zekeringen...............................................
algemene informatie...........................
houder in bagageruimte.....................
koude zone.........................................
relais-/zekeringenkastje in motorruimte..................................................
Start/Stop...........................................
vervangen...........................................
379
379
387
388
11
380
388
379
Zekeringenkastje..................................... 379
dashboardkastje................................. 384
Zekeringentabel
zekeringen in motorruimte.................. 381
Zonnescherm, schuifdak......................... 111
Zuinig rijden............................................. 310
Zwangere vrouwen, veiligheidsgordel....... 17
451
11 Alfabetisch register
11
452
Kdakd8Vg8dgedgVi^dc51 %VUDI "5 1SJOUFEJO4XFEFO (zUFCPSH $PQZSJHIU©7PMWP$BS$PSQPSBUJPO
Was this manual useful for you? yes no
Thank you for your participation!

* Your assessment is very important for improving the work of artificial intelligence, which forms the content of this project

Download PDF

advertising