Volvo | V70 | Gebruikershandleiding | Volvo V70 2008 Gebruikershandleiding

Volvo V70 2008 Gebruikershandleiding
VOLVO V70 & XC70
Instructieboekje
WEB EDITION
BESTE VOLVO-BEZITTER,
DANK U DAT U GEKOZEN HEBT VOOR VOLVO!
Wij hopen dat u jarenlang rijplezier van uw Volvo zult hebben.
Bij het ontwerp hebben veiligheid en comfort van u en uw
medepassagiers vooropgestaan. Een Volvo is een van de
veiligste auto’s ter wereld. Uw Volvo is ook ontworpen om aan
alle geldende veiligheidsvoorschriften en milieueisen te voldoen.
Om nog meer plezier van uw auto te hebben, raden wij u aan
om vertrouwd te raken met de uitrusting, de instructies en de
onderhoudsinformatie in dit instructieboekje.
Inhoud
00 Inleiding
01 Veiligheid
02 Sloten en alarm
Belangrijke informatie .................................. 6
Milieu ............................................................ 8
Inzittendenbeveiliging ................................ 12
Safety mode ............................................... 25
Kinderen en veiligheid ................................ 26
Fjärrnyckel/nyckelblad ...............................
Sekretesslåsning*.......................................
Batteribyte fjärrnyckel/PCC* ......................
Keyless drive*.............................................
Låsning/upplåsning....................................
Barnsäkerhetsspärr ...................................
Larm* .........................................................
00 01 02
2
38
43
44
45
47
50
51
Inhoud
03 Bestuurdersmilieu
04 Comfort en rijplezier
05 Tijdens het rijden
Instrumenten, schakelaars en bediening ....56
Contactslotstanden ....................................65
Stoelen en achterbank ...............................66
Stuurwiel .....................................................70
Verlichting ...................................................71
Wissers en -sproeiers .................................80
Ruiten en spiegels ......................................82
Elektrisch bedienbaar schuifdak* ...............86
Motor starten ..............................................88
Versnellingsbakken .....................................91
Vierwielaandrijving–, AWD
(All Wheel Drive)* ........................................95
Bedrijfsrem .................................................96
Afdalingsregeling, HDC
(Hill Descent Control) ..................................97
Parkeerrem .................................................98
Menu- en meldingsfuncties ...................... 104
Klimaatregeling ......................................... 109
Audiosysteem ........................................... 120
Boordcomputer ........................................ 130
Kompas* ................................................... 132
DSTC – Stabiliteits- en
tractieregelsysteem .................................. 133
Rijeigenschappen aanpassen .................. 134
Cruisecontrol* ........................................... 135
Adaptieve cruisecontrol* .......................... 136
Anti-botsingsysteem met remassistentie*
(CWS-systeem) ......................................... 140
Park Assist (parkeerhulp)* ......................... 143
BLIS* – Blind Spot Information System .... 146
Interieurcomfort ........................................ 149
Geïntegreerde telefoon* ............................ 153
Rijadviezen ............................................... 160
Tanken ...................................................... 163
Brandstof .................................................. 164
Lading vervoeren ...................................... 166
Laadruimte ............................................... 170
Gevarendriehoek ...................................... 173
Rijden met een aanhanger ....................... 174
Slepen ...................................................... 180
03 04 05
3
Inhoud
06 Onderhoud en specificaties
Motorruimte ............................................. 184
Gloeilampen ............................................. 189
Wisserbladen en ruitensproeiervloeistof .. 195
Accu ......................................................... 197
Zekeringen ............................................... 200
Wielen en banden .................................... 205
Verzorging ................................................ 217
Type-aanduidingen ................................... 221
Specificaties ............................................. 222
07Alfabetisch register
06 07
4
5
Inleiding
Belangrijke informatie
Instructieboekje lezen
Optie
Voetnoot
Inleiding
Alle soorten opties staan aangegeven met een
sterretje * in het instructieboekje.
In het instructieboekje komt informatie voor in
de vorm van een voetnoot onder aan de
pagina of meteen onder een tabel. Deze informatie vormt een aanvulling op de tekst waar
het nummer van de voetnoot naar verwijst.
Een goede manier om vertrouwd te raken met
uw nieuwe auto is om het instructieboekje te
lezen, idealiter voordat u uw eerste rit maakt.
Zo maakt u kennis met nieuwe functies, krijgt
u tips hoe u het beste in verschillende situaties
met de auto kunt omgaan en leert u hoe u
optimaal gebruik kunt maken van alle mogelijkheden die uw auto biedt. Besteed ook aandacht aan de veiligheidsinstructies in het
boekje.
De in het instructieboekje beschreven uitrusting is niet op alle auto’s aanwezig. Als aanvulling op de standaarduitrusting worden in dit
instructieboekje ook de opties (van fabriekswege gemonteerde uitrusting) en bepaalde
accessoires (ingebouwde extra uitrusting)
beschreven.
De uitrusting van de auto’s van Volvo hangt af
van de verschillende behoeften op de diverse
markten en de landelijke en/of regionale weten regelgeving.
De specificaties, constructiegegevens en
afbeeldingen in dit instructieboekje zijn niet
bindend. We behouden ons het recht voor om
zonder voorafgaande mededeling wijzigingen
aan te brengen.
© Volvo Car Corporation
6
Bepaalde functies en accessoires zijn als
optie te bestellen bij een nieuwe auto. Het
aanbod aan opties kan voor alle auto’s gelden, maar soms alleen voor bepaalde uitvoeringen en/of bepaalde markten.
Neem voor meer informatie contact op met uw
erkende Volvo-werkplaats.
Speciale teksten
WAARSCHUWING
Teksten met het kopje WAARSCHUWING
geven aan dat er gevaar voor letsel bestaat.
BELANGRIJK
Teksten met het kopje BELANGRIJK geven
aan dat er gevaar voor materiële schade
bestaat.
N.B.
Teksten met het kopje N.B. duiden op tips en
adviezen die het gebruik van bepaalde mogelijkheden en functies vergemakkelijken.
Displaymeldingen
In de auto zijn displays aanwezig waarop
meldingen kunnen worden weergegeven.
Deze displaymeldingen worden in het instructieboekje in iets groter formaat en in het grijs
weergegeven. Voorbeeld DIM-melding.
Procedurelijsten
Procedures met handelingen die in een
bepaalde volgorde moeten worden uitgevoerd, staan genummerd in het instructieboekje.
Wanneer er een reeks afbeeldingen bij een
stapsgewijze instructie bestaat, zijn de
verschillende stappen van de instructie op
dezelfde manier genummerd als de bijbehorende afbeeldingen.
Er komen genummerde en ongenummerde pijlen voor. Ze worden gebruikt om een
bepaalde beweging weer te geven.
Wanneer er geen reeks afbeeldingen bij een
stapsgewijze instructie bestaat, zijn de verschillende stappen op de standaardmanier
genummerd met normale cijfers.
Inleiding
Belangrijke informatie
Positielijsten
Op overzichtsfiguren die de positie van
onderdelen aangeven worden rode cirkels
met daarin een cijfer gebruikt. Hetzelfde
cijfer wordt gehanteerd in de positielijst bij
de afbeelding, met een beschrijving van
de weergegeven objecten.
Opsommingslijsten
Bij opsommingen in het instructieboekje wordt
gebruik gemaakt van een opsommingslijst.
Bijvoorbeeld:
• Koelvloeistof
• Motorolie
Vastlegging van gegevens
Accessoires en opties
Er kunnen een of meer computers in uw Volvo
zitten die gedetailleerde informatie kunnen
vastleggen. Deze informatie is bestemd voor
onderzoek ter verbetering van de veiligheid en
voor het opsporen van storingen in bepaalde
autosystemen. De informatie kan gegevens
bevatten over zaken als het gebruik van de
veiligheidsgordel door de bestuurder en de
passagier(s), gegevens over de werking van
verschillende autosystemen en -modulen en
informatie over de status van de motor, gasklep, besturing, remmen en andere systemen.
De informatie kan tevens gegevens bevatten
over de rijstijl van de bestuurder, met inbegrip
van (maar niet beperkt tot) de rijsnelheid, het
gebruik van het rem- of gaspedaal en de
stuuruitslag. De laatstgenoemde informatie
kan voor een begrensde tijd tijdens het rijden,
tijdens een aanrijding of bij een bijna-ongeluk
worden vastgelegd. Volvo Car Corporation zal
de vastgelegde informatie niet zonder uw toestemming vrijgeven. Volvo Car Corporation
kan echter op last van de nationale wetgeving
gedwongen worden om bepaalde informatie
te verstrekken. Voor het overige geldt dat
alleen Volvo Car Corporation de informatie
kan uitlezen en gebruiken.
Een verkeerde aansluiting en montage van
accessoires kan een nadelige invloed hebben
op de werking van de elektronische systemen
van de auto. Bepaalde accessoires werken
alleen, wanneer de bijbehorende software in
de computersystemen van de auto wordt
geladen. Neem daarom altijd contact op met
een erkende Volvo-werkplaats, voordat u
accessoires monteert die in verbinding staan
met of van invloed zijn op het elektrische
systeem.
7
Inleiding
Milieu
Milieubeleid van Volvo Car Corporation
Zorg voor het milieu, veiligheid en kwaliteit zijn
de drie kernwaarden van Volvo Car Corporation die van invloed zijn op alle activiteiten. We
zijn ervan overtuigd dat onze klanten onze
zorg voor het milieu delen.
Uw Volvo voldoet aan strenge internationale
milieueisen en is bovendien geproduceerd in
een fabriek die zeer schoon is en efficiënt met
hulpbronnen omgaat. De meeste eenheden
binnen de Volvo Car Corporation zijn gecertificeerd volgens de milieunorm ISO 14001 voor
fabrieken, centrale functies en de meeste
andere eenheden. We eisen bovendien van
onze samenwerkingspartners dat ze systematisch aan milieuzorg doen.
8
Alle Volvo-modellen gaan vergezeld van een
milieuverklaring (EPI of Environmental Product
Information). Daarin staat de impact aangegeven die de auto gedurende zijn hele levenscyclus op het milieu heeft.
Lees meer op: www.volvocars.com/EPI.
Brandstofverbruik
De auto’s van Volvo zijn concurrerend in hun
klasse wat het brandstofverbruik betreft. Een
lager brandstofverbruik levert over het algemeen een geringere uitstoot van het broeikasgas kooldioxide op.
U als bestuurder kunt uw steentje bijdragen
aan een verlaging van het brandstofverbruik.
Lees voor meer informatie de tekst onder het
kopje Spaar het milieu elders op deze
pagina.
Efficiënte uitlaatgasreiniging
Uw Volvo is gebouwd volgens het concept
“Schoon aan binnen- en buitenkant” – een
concept dat een schone passagiersruimte
combineert met een uitermate efficiënte uitlaatgasreiniging. In veel gevallen liggen uitlaatgasemissies ver onder de geldende normen.
Schone lucht in passagiersruimte
Het interieurfilter zorgt dat stofdeeltjes en pollen niet via de luchtinlaatopening in de passagiersruimte kunnen dringen.
Inleiding
Milieu
Een geavanceerd luchtreinigingssysteem,
IAQS* (Interior Air Quality System), zorgt
ervoor dat de lucht die de passagiersruimte
binnenkomt schoner is dan de lucht buiten in
het verkeer.
Het systeem bestaat uit een elektronische
sensor en een koolstoffilter. De binnenkomende lucht wordt continu gecontroleerd en
als het gehalte aan bepaalde schadelijke gassen zoals koolmonoxide te hoog oploopt,
wordt de luchtinlaat gesloten. Iets dergelijks
kan zich voordoen in bijvoorbeeld druk verkeer, files of tunnels.
Het koolstoffilter zorgt ervoor dat stikstofoxiden, laaghangend ozon en koolwaterstoffen
niet binnendringen.
Met regelmatig onderhoud kunt u de voorwaarden scheppen voor een lange levensduur
en een laag brandstofverbruik van de auto. Op
die manier kunt u bijdragen aan een schoner
milieu. Wanneer u de reparaties en het onderhoud aan de auto toevertrouwt aan de werkplaatsen van Volvo, wordt de auto een onderdeel van ons systeem. We stellen duidelijke
milieu-eisen aan de outillage van onze werkplaatsen om te voorkomen dat er schadelijke
stoffen vrijkomen in het milieu. Het personeel
in de werkplaatsen van Volvo beschikt over de
kennis en het gereedschap om optimale zorg
voor het milieu te kunnen garanderen.
Textielnorm
Spaar het milieu
Het interieur van een Volvo werd dusdanig
vormgegeven dat het gezellig en comfortabel
is – ook voor mensen met contactallergieën of
astma. Er is extra veel aandacht besteed aan
de selectie van milieuvriendelijke materialen.
Ze voldoen dan ook aan de eisen van de norm
Öko-Tex 1001 – een enorme stap op weg naar
een gezonder milieu in de passagiersruimte.
Het Öko-Tex-label stelt regels aan bijvoorbeeld de veiligheidsgordels, de vloerbekleding
en de gebruikte stoffen. De leren bekledingsvarianten zijn chroomvrij gelooid met plantaardige stoffen en voldoen aan de gestelde certificeringseisen.
U kunt eenvoudig meehelpen het milieu te
beschermen door bijvoorbeeld zuinig te rijden,
milieuvriendelijke autoverzorgingsproducten
te kopen en de auto te onderhouden of te
laten onderhouden aan de hand van de aanwijzingen in het instructieboekje.
Hieronder volgen enkele tips voor hoe u het
milieu kunt ontzien (zie pagina 160 voor meer
tips om het milieu te ontzien en zuinig te rijden):
• Verlaag het brandstofverbruik door de
zogeheten ECO-bandenspanning aan te
houden (zie pagina 215).
• Lading op het dak en een skibox resulteren
in een grotere luchtweerstand waardoor het
1 Op
www.oekotex.com vindt u meer informatie.
Erkende Volvo-werkplaatsen en het
milieu
brandstofverbruik toeneemt. Verwijder ze
daarom meteen na gebruik.
• Laat spullen niet onnodig in de auto liggen.
Hoe groter de belasting van de auto, des te
hoger het brandstofverbruik.
• Gebruik altijd de motorverwarming voor
een koude start, als de auto hiermee is
uitgerust. Hierdoor nemen het brandstofverbruik en de uitstoot af.
• Rijd rustig en vermijd krachtig remmen.
• Rijd in de hoogst mogelijke versnelling.
Een lager toerental zorgt voor een lager
verbruik.
• Rem op de motor af om vaart te minderen.
• Voorkom stationair draaien. Houd u aan de
plaatselijke voorschriften. Zet de motor af
wanneer u langere tijd stilstaat.
• Hanteer afvalstoffen die schadelijk voor het
milieu zijn, zoals accu’s en olie, op een
milieuvriendelijke manier. Neem contact op
met een erkende Volvo-werkplaats, als u
niet zeker weet hoe u dergelijk afval moet
verwerken.
• Onderhoud uw auto regelmatig.
• Bij hoge snelheden neemt het verbruik aanzienlijk toe vanwege de grotere luchtweerstand. Bij een verdubbeling van de snelheid
neemt de luchtweerstand met een factor
vier toe.
Door deze tips op te volgen kan het brandstofverbruik worden verlaagd zonder dat dit van
invloed is op de reistijd of op het rijplezier.
U spaart uw auto, bespaart geld en gebruikt
minder van de hulpbronnen op aarde.
9
Inzittendenbeveiliging ............................................................................... 12
Safety mode ............................................................................................. 25
Kinderen en veiligheid ..............................................................................26
10
VEILIGHEID
01
01 Veiligheid
01
Inzittendenbeveiliging
Draag altijd een veiligheidsgordel
Op de achterbank passen de borglippen van
de veiligheidsgordel alleen in de bijbehorende
sluitingen.1
Veiligheidsgordel losmaken
G020995
Druk op de rode knop van de sluiting en laat
het oprolmechanisme de veiligheidsgordel
naar binnen trekken. Als de veiligheidsgordel
niet volledig wordt opgerold, moet u de gordel
handmatig zo ver terugrollen dat deze niet langer slap hangt.
De veiligheidsgordel is geblokkeerd en kan
niet verder worden uitgetrokken:
Remmen kan ernstige gevolgen hebben als de
veiligheidsgordel niet wordt gedragen. Let er
daarom op dat alle passagiers hun veiligheidsgordel omhebben.
• wanneer u de gordel te snel uittrekt
• wanneer u remt of optrekt
• als de auto sterk overhelt.
Voor optimale bescherming van de veiligheidsgordel is het van belang dat de gordel
goed tegen het lichaam ligt. Laat de rugleuning niet te ver achteroverhellen. De veiligheidsgordel biedt de beste bescherming bij
een normale rijhouding.
Let erop dat:
Veiligheidsgordel omdoen
Trek de veiligheidsgordel langzaam uit en
maak deze vast door de borglip in de sluiting
te steken. Een duidelijke “klik” geeft aan dat
de veiligheidsgordel vastzit.
• u geen klemmen of andere accessoires
gebruikt waardoor u de veiligheidsgordel
niet strak langs uw lichaam kunt trekken
• er geen slagen in de veiligheidsgordel zitten
en dat hij nergens achter blijft steken
• de heupgordel laag moet zitten (niet over
de buik)
• u de heupgordel over de heupen spant
door aan de diagonale schoudergordel te
trekken zoals afgebeeld.
1
12
Bepaalde markten
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en de airbag werken
samen. Als de veiligheidsgordel niet of onjuist wordt gebruikt, kan de bescherming
die de airbag bij een aanrijding biedt afnemen waardoor u als klant ernstig letsel kunt
oplopen.
WAARSCHUWING
Elke veiligheidsgordel is bestemd ter
bescherming van slechts één persoon.
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen aan de veiligheidsgordels aan en probeer ze nooit zelf te
repareren. Neem contact op met een erkende Volvo-werkplaats.
Als een veiligheidsgordel aan grote krachten heeft blootgestaan zoals tijdens een
aanrijding, moet u de veiligheidsgordel in
zijn geheel vervangen. De veiligheidsgordel
kan een deel van zijn beschermende eigenschappen hebben verloren, zelfs als de veiligheidsgordel ogenschijnlijk niet
beschadigd is. Vervang de veiligheidsgordel ook als deze versleten of beschadigd is.
De nieuwe veiligheidsgordel moet zijn
goedgekeurd en bedoeld voor montage op
dezelfde positie als de vervangen veiligheidsgordel.
01 Veiligheid
Inzittendenbeveiliging
Veiligheidsgordel en zwangerschap
Gordelwaarschuwing1
Wanneer u zwanger bent, is het belangrijk dat
u de veiligheidsgordel altijd op de juiste manier draagt. De veiligheidsgordel moet strak
langs de schouder lopen, waarbij het diagonale deel van de veiligheidsgordel tussen de borsten en tegen de zijkant van de buik ligt.
Het heupgedeelte van de veiligheidsgordel
moet vlak tegen de buitenkant van de bovenbenen liggen en zo ver mogelijk onder de buik
liggen. Het mag nooit over de buik omhoog
kunnen glijden. De veiligheidsgordel moet zo
strak mogelijk over het lichaam lopen zonder
onnodige speling. Controleer ook of de veiligheidsgordel nergens gedraaid zit.
Naarmate de zwangerschap vordert moeten
zwangere bestuurders de stoel en het stuur
dusdanig verstellen dat ze de auto volledig
G017726
G020998
onder controle hebben (wat inhoudt dat ze
met gemak bij het stuur en de pedalen moeten
kunnen komen). Streef ernaar de afstand tussen de buik en het stuur zo groot mogelijk te
maken.
01
Er gaan waarschuwingslampjes branden en er
worden geluidssignalen afgegeven wanneer
iemand de veiligheidsgordel niet draagt. Of er
geluidssignalen klinken, hangt af van de snelheid en in bepaalde gevallen van de verstreken tijd. De waarschuwingslampjes zitten in
de plafondconsole en op het instrumentenpaneel.
Het gordelwaarschuwingssysteem geldt niet
voor kinderzitjes.
Achterbank
De functie van de gordelwaarschuwing voor
de achterbank is tweeledig:
• Aangeven met een melding op het informatiedisplay welke veiligheidsgordels van de
achterbank er worden gebruikt. De melding
1 Bepaalde
markten
13
01 Veiligheid
Inzittendenbeveiliging
verschijnt op het informatiedisplay bij het
gebruik van de veiligheidsgordels en bij het
openen van een van de achterportieren. De
melding wordt na ca. 30 seconden automatisch gewist, maar kan ook handmatig worden bevestigd door op de knop READ te
drukken.
• Waarschuwen dat iemand op de achterbank de veiligheidsgordel heeft losgenomen. Er wordt gewaarschuwd met een
melding op het informatiedisplay in combinatie met een geluidssignaal en een waarschuwingslampje. De waarschuwing stopt
wanneer de gordel weer is omgedaan,
maar kan ook handmatig worden bevestigd
door op de knop READ te drukken.
De melding op het informatiedisplay, die aangeeft welke gordels er gebruikt worden, is altijd beschikbaar. Druk op de knop READ om
de opgeslagen meldingen te zien.
Bepaalde markten
Er gaat een waarschuwingslampje branden en
er worden geluidssignalen afgegeven wanneer
de bestuurder de gordel niet draagt. Op lage
snelheden klinkt er zes seconden lang een
geluidssignaal.
14
Gordelspanners
Alle veiligheidsgordels zijn uitgerust met gordelspanners. Dit is een mechanisme dat bij
een voldoende krachtige aanrijding de veiligheidsgordel rond het lichaam spant. De veiligheidsgordel kan de passagier daarmee beter
in de stoel gedrukt houden.
Waarschuwingslampje op
instrumentenpaneel
0
1
o
G021010
01
Het airbagsysteem wordt continu gecontroleerd door de regelmodule. Het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel gaat
branden, wanneer u het contactslot in stand II
of III zet. Het lampje dooft na ca. 6 seconden,
wanneer de regelmodule heeft vastgesteld dat
het airbagsysteem geen storingen vertoont.
WAARSCHUWING
Als het waarschuwingslampje voor het airbagsysteem blijft branden of tijdens het rijden korte tijd oplicht, betekent dit dat het
airbagsysteem niet naar behoren werkt.
Het lampje duidt op een storing in de gordelspanners, het SIPS-, het SRS- of het ICsysteem. Neem zo spoedig mogelijk contact op met een erkende Volvo-werkplaats.
01 Veiligheid
Inzittendenbeveiliging
Airbag (SRS) aan de passagierszijde
G021837
Airbag (SRS) aan de bestuurderszijde
G021011
Behalve het brandende waarschuwingslampje verschijnt er, in die gevallen waarin dat
nodig is, een melding op het informatiedisplay. Als het waarschuwingslampje niet werkt,
gaat het waarschuwingsdriehoekje branden
en verschijnt er SRS Airbag Service vereist
of SRS Airbag Service spoed op het display.
Neem zo spoedig mogelijk contact op met een
erkende Volvo-werkplaats.
Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordel
aan de bestuurderszijde ook een airbag (SRS,
Supplemental Restraint System) in het stuurwiel. De airbag zit opgevouwen in het midden
van het stuurwiel. Het stuurwiel is voorzien
van het opschrift SRS AIRBAG.
01
Als aanvulling op de veiligheidsgordel van de
passagiersstoel heeft uw auto ook een passagiersairbag die ligt opgevouwen in een ruimte
boven het dashboardkastje. Het paneel is
voorzien van het opschrift SRS AIRBAG.
WAARSCHUWING
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en de airbag werken
samen. Als de veiligheidsgordel niet of onjuist wordt gebruikt, kan de bescherming
die de airbag bij een aanrijding biedt afnemen waardoor u als klant ernstig letsel kunt
oplopen.
Om de kans op letsel bij het opblazen van
de airbags te beperken, moeten de passagiers zo rechtop mogelijk zitten met hun
voeten op de vloer en hun rug tegen de rugleuning. De veiligheidsgordel moet goed
vastzitten.
15
01 Veiligheid
01
Inzittendenbeveiliging
WAARSCHUWING
Airbagsysteem
de airbags warm. Om de klap op te vangen
loopt de airbag leeg, wanneer de inzittende de
airbag raakt. Daarbij treedt er rookvorming in
de auto op. Dit is volkomen normaal. Het totale verloop, van het opblazen tot het leeglopen
van de airbag, neemt enkele tienden van een
seconde in beslag.
Plaats geen voorwerpen voor of boven op
het dashboard in het gebied waar de passagiersairbag is aangebracht.
WAARSCHUWING
WAARSCHUWING
G018665
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen op de passagiersstoel als de passagiersairbag geactiveerd
is.1
Laat kinderen nooit voor de passagierstoel
zitten of staan. Personen kleiner dan 1,40 m
mogen nooit op de passagiersstoel plaatsnemen, als de passagiersairbag geactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren voor het kind.
SRS-systeem, auto met het stuur links
N.B.
1Zie
G018666
pagina 18 voor informatie over het
activeren/deactiveren van de passagiersairbag.
SRS-systeem, auto met het stuur rechts
Het SRS-systeem bestaat uit airbags en sensoren. Bij een voldoende krachtige aanrijding
reageren de sensoren, waarna één of meer
airbags worden opgeblazen. Daarbij worden
16
Reparaties mogen alleen door een erkende
Volvo-werkplaats worden uitgevoerd. Ingrepen in het airbagsysteem kunnen storingen in de werking veroorzaken en leiden tot
ernstig letsel.
De reactie van de sensoren hangt af van de
ernst van de aanrijding en van het feit of de
veiligheidsgordel aan de bestuurderszijde
of de passagierszijde vooraan wordt gedragen of niet.
Het is dan ook mogelijk dat er bij ongelukken slechts één (of geen enkele) van de airbags wordt opgeblazen. Het airbagsysteem
registreert de botskracht waaraan de auto
blootstaat en stemt de activering van een of
meerdere airbags daarop af.
Ook de capaciteit van de airbags wordt afgestemd op de botskracht waaraan de auto
blootstaat.
01 Veiligheid
01
G021013
Inzittendenbeveiliging
G021014
Positie van de passagiersairbag in een auto met
het stuur links
Positie van de passagiersairbag in een auto met
het stuur rechts
17
01 Veiligheid
01
Inzittendenbeveiliging
PACOS*
Activeren/deactiveren
Hiermee wordt aangegeven dat de airbag (SRS)
aan de passagierszijde gedeactiveerd is
De airbag (SRS) aan de passagierszijde voorin
kan gedeactiveerd worden met een schakelaar
als de auto is uitgerust met PACOS (Passenger
Airbag Cut Off Switch). Zie pagina 19 voor informatie over het activeren/deactiveren.
Meldingen
Een tekstmelding en een brandend symbool
op het plafondpaneel op de plafondconsole
geven aan dat de airbag aan de passagierszijde gedeactiveerd is (zie bovenstaande afbeelding).
Een waarschuwingssymbool op de plafondpaneel op de plafondconsole geeft aan of
de passagiersairbag voorin geactiveerd is
(zie onderstaande afbeelding).
18
G017800
2
G017724
2
Hiermee wordt op de plafondconsole aangegeven dat de airbag (SRS) aan de passagierszijde
geactiveerd is
N.B.
Bij het omdraaien van de transpondersleutel naar stand II of III brandt ca. 6 seconden
lang het waarschuwingslampje voor de
airbags op het instrumentenpaneel (zie
pagina 14).
Daarna gaat op de plafondconsole de indicator branden die de status van de passagiersairbag aangeeft. Zie pagina 65 voor
meer informatie over de verschillende standen van het contactslot.
De schakelaar voor activering/deactivering
van de passagiersairbag, PACOS (Passenger
Airbag Cut Off Switch) zit aan de passagierszijde aan de zijkant van het dashboard en u
kunt erbij door het portier aan die kant te openen (zie onder het kopje “Schakelaar voor
activering/deactivering passagiersairbag,
PACOS” op de volgende pagina). Controleer
of de schakelaar in de gewenste stand staat.
Volvo adviseert u het sleutelblad te gebruiken
om de stand te wijzigen.
Zie pagina 42 voor informatie over het sleutelblad. (U kunt ook andere voorwerpen gebruiken die qua vorm op een sleutel lijken.)
WAARSCHUWING
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren voor de inzittenden.
WAARSCHUWING
Als de auto is uitgerust met een passagiersairbag maar geen PACOS (Passenger
Airbag Cut Off Switch, schakelaar voor deactivering van de passagiersairbag) heeft, is
de airbag altijd geactiveerd.
01 Veiligheid
Inzittendenbeveiliging
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen op de passagiersstoel, als het brandende symbool op de plafondconsole aangeeft dat de
passagiersairbag geactiveerd is. Het niet
opvolgen van deze aanbeveling kan levensgevaarlijke situaties opleveren voor het kind.
Schakelaar voor activering/deactivering
passagiersairbag, PACOS
A
B
Laat geen passagier op de passagiersstoel
plaatsnemen, als het waarschuwingslampje
voor het airbagsysteem op het instrumentenpaneel oplicht terwijl de melding op het
plafondpaneel (zie pagina 18) aangeeft dat
de airbag aan die kant gedeactiveerd is.
Het duidt op een ernstige storing. Bezoek
zo spoedig mogelijk een erkende Volvowerkplaats.
G019030
WAARSCHUWING
Locatie van de schakelaar voor activering/deactivering van de passagiersairbag
01
WAARSCHUWING
Geactiveerde airbag (passagierszijde):
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen op de passagiersstoel als de airbag geactiveerd is. Laat
evenmin personen die kleiner zijn dan
1,40 m op deze stoel plaatsnemen.
Gedeactiveerde airbag (passagierszijde):
Personen groter dan 1,40 m mogen nooit
op de passagiersstoel plaatsnemen, als de
airbag gedeactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren.
De airbag is geactiveerd. Met de schakelaar in deze stand kunnen passagiers groter dan 1,40 m aan de passagierszijde op
de voorstoel zitten, maar kinderen in een
kinderzitje of op een kussen beslist niet.
De airbag is gedeactiveerd. Met de schakelaar in deze stand kunnen kinderen in
een kinderzitje of op een kussen aan de
passagierszijde op de voorstoel zitten,
maar passagiers groter dan 1,40 m beslist
niet.
19
01 Veiligheid
01
Inzittendenbeveiliging
SIPS-airbags (zijairbags)
WAARSCHUWING
Leg geen voorwerpen tussen de stoelen en
de portierpanelen, omdat dit gebied binnen
de actieradius van de SIPS-airbag ligt.
WAARSCHUWING
G020694
Gebruik alleen door Volvo goedgekeurde
stoelhoezen. Andere stoelhoezen kunnen
de SIPS-airbags in hun werking hinderen.
Een groot deel van de botskracht wordt door
het SIPS-systeem (Side Impact Protection
System) over balken, stijlen, vloer, dak en andere delen van de carrosserie verspreid. De
SIPS-airbags aan de bestuurders- en de passagierszijde beschermen de borstkas en de
heupen en vormen een belangrijk onderdeel
van het SIPS-systeem. Het SIPS-systeem bestaat uit twee hoofdonderdelen: de SIPSairbags en de sensoren. De SIPS-airbags zijn
aangebracht in de rugleuningframes van de
voorstoelen.
Kinderzitjes en SIPS-airbags
Een SIPS-airbag heeft geen nadelige invloed
op de beschermende werking van kinderzitjes
of comfortkussens in de auto.
Het is mogelijk een kinderzitje/comfortkussen
op de voorstoel te plaatsen, als de auto aan
de passagierszijde niet is uitgerust met een
geactiveerde1 airbag.
WAARSCHUWING
De SIPS-airbag vormt een aanvulling op de
veiligheidsgordel. Draag altijd de veiligheidsgordel.
WAARSCHUWING
Reparaties mogen alleen door een erkende
Volvo-werkplaats worden uitgevoerd.
Ingrepen in het SIPS-systeem kunnen storingen in de werking veroorzaken en leiden
tot ernstig letsel.
20
1
Zie pagina 18 voor informatie over het activeren/deactiveren van de passagiersairbag.
01 Veiligheid
Inzittendenbeveiliging
G021015
Opblaasgordijnen (IC)
G017675
ding reageren de sensoren, die op hun beurt
de gasgeneratoren activeren. De SIPS-airbags
worden vervolgens opgeblazen tussen de inzittende en het portierpaneel. Daarmee vangen de SIPS-airbags de klap van de aanrijding
op voor de inzittende, waarna de airbags weer
leeglopen. De airbag loopt weer leeg wanneer
de inzittende de airbag raakt. De SIPS-airbag
wordt normaal gesproken alleen opgeblazen
aan de kant van de aanrijding.
SIPS-airbag
01
Sticker SIPS-airbags
G021059
Bestuurdersplaats, auto met stuur links
G021016
Airbagsticker SIPS-systeem op de portierstijl
Het opblaasgordijn van het IC-systeem
(Inflatable Curtain) vormt een aanvulling op het
SRS- en SIPS-systeem. Het zit verborgen
achter de plafondbekleding langs beide zijden van de auto en beschermt inzittenden op
de buitenste zitplaatsen van de auto. Bij een
voldoende krachtige aanrijding reageren de
sensoren, waarna de opblaasgordijnen worden geactiveerd. Het systeem helpt voorkomen dat de bestuurder en eventuele passagiers bij een botsing met hun hoofd tegen de
binnenkant van de auto slaan.
Passagiersplaats, auto met stuur links
Het SIPS-systeem bestaat uit SIPS-airbags en
sensoren. Bij een voldoende krachtige aanrij-
21
01 Veiligheid
01
Inzittendenbeveiliging
WAARSCHUWING
Bescherming tegen whiplash-letsel,
WHIPS
Het WHIPS-systeem (Whiplash Protection
System) bestaat uit energieabsorberende
rugleuningen en speciaal voor het systeem
ontwikkelde hoofdsteunen voor de beide voorstoelen. Het systeem wordt geactiveerd bij
een aanrijding van achteren, afhankelijk van de
hoek waaronder en de snelheid waarmee het
achteropkomende voertuig de auto raakt en
de materiaaleigenschappen van dat voertuig.
Hang of bevestig nooit zware voorwerpen
aan de handgrepen aan het plafond. De
haak is alleen bedoeld voor niet al te zware
kledingstukken (en niet voor harde voorwerpen zoals paraplu’s).
Schroef of bevestig geen onderdelen op de
plafondbekleding, de portierstijlen of de zijpanelen van de auto. Ze kunnen daarbij hun
beschermende werking verliezen. Er mogen
uitsluitend originele Volvo-onderdelen, bestemd voor montage op deze plaatsen,
worden gebruikt.
WAARSCHUWING
Het WHIPS-systeem vormt een aanvulling
op de veiligheidsgordels. Draag altijd de
veiligheidsgordel.
WAARSCHUWING
Eigenschappen van de stoel
Zorg dat de lading in de auto niet uitsteekt
boven de denkbeeldige, horizontale lijn op
50 mm onder de bovenkant van de zijruiten.
Anders is het mogelijk dat het opblaasgordijn dat schuilgaat achter de plafondbekleding geen bescherming meer biedt.
Als het WHIPS-systeem wordt geactiveerd,
klappen de rugleuningen van de voorstoelen
naar achteren zodat de zithouding van de bestuurder en de passagier op de voorstoelen
verandert. Zo wordt de kans op zogeheten
whiplash-letsel beperkt.
WAARSCHUWING
WAARSCHUWING
Het opblaasgordijn vormt een aanvulling op
de veiligheidsgordel.
Draag altijd de veiligheidsgordel.
21018
Breng nooit zelf wijzigingen in de stoel of
het WHIPS-systeem aan en probeer ze
nooit zelf te repareren. Neem contact op
met een erkende Volvo-werkplaats.
22
01 Veiligheid
Inzittendenbeveiliging
WHIPS-systeem en kinderzitjes/
comfortkussens
01
Zorg dat u de werking van het WHIPSsysteem niet nadelig beïnvloedt
Het WHIPS-systeem heeft geen nadelige invloed op de beschermende werking van de
kinderzitjes.
G021842
Voor optimale bescherming moeten de bestuurder en de voorpassagier zoveel mogelijk
in het midden van de stoel plaatsnemen en de
afstand tussen het hoofd en de hoofdsteun zo
klein mogelijk houden.
G018567
Juiste zithouding
WAARSCHUWING
Als de stoel heeft blootgestaan aan grote
krachten zoals bij een aanrijding van achteren, moet u het WHIPS-systeem laten controleren bij een erkende Volvo-werkplaats.
Er kunnen eigenschappen van het WHIPSsysteem verloren zijn gegaan, ook al ziet de
stoel er onbeschadigd uit. Neem contact op
met een erkende Volvo-werkplaats om het
systeem te laten controleren, ook na een
lichte aanrijding van achteren.
WAARSCHUWING
WAARSCHUWING
Plaats geen koffer of iets dergelijks tussen
het zitgedeelte van de achterbank en de
rugleuning van de voorstoelen. Let erop dat
u de werking van het WHIPS-systeem niet
beïnvloedt.
Als u een van de ruggedeelten van de achterbank hebt omgeklapt, moet u de voorstoel aan dezelfde kant naar voren schuiven
zodat de rugleuning van de stoel niet tegen
het omgeklapte ruggedeelte van de achterbank aankomt.
23
01 Veiligheid
01
Inzittendenbeveiliging
Activering van de veiligheidssystemen
Systeem
Activering
Gordelspanners voorstoelen
Bij een frontale botsing en/of aanrijding in de zij en/of van achteren.
Gordelspanners achterbank
Bij een frontale botsing
Airbags (SRS)
Bij een frontale botsing1
SIPS-airbags
Bij een aanrijding in de zij1
Opblaasgordijnen (IC)
Bij een aanrijding in de zij1
WHIPS-systeem
Bij aanrijdingen van achteren
1
Het is mogelijk dat de airbags niet worden opgeblazen, ondanks dat de carrosserie van de auto danig vervormd raakt. Enkele factoren zoals de stijfheid en het
gewicht van het lichaam waarmee de auto in botsing komt, de snelheid van de auto, de hoek waaronder de botsing plaatsvindt e.d. zijn van invloed op de wijze van
activering van de verschillende veiligheidssystemen in de auto.
Wanneer de airbags werden opgeblazen,
adviseert Volvo u het volgende:
• Sleep de auto naar een erkende Volvowerkplaats. Rijd niet met opgeblazen airbags.
• Laat het vervangen van de onderdelen van
de veiligheidssystemen in de auto over aan
een erkende Volvo-werkplaats.
• Neem altijd contact op met een arts.
N.B.
De SRS-, SIPS-, IC-systemen en de gordelspanners worden bij een botsing slechts
eenmaal geactiveerd.
24
WAARSCHUWING
De regelmodule van het airbagsysteem zit
in de middenconsole. Als de middenconsole doorweekt geraakt is, moet u de accukabels loskoppelen. Probeer de auto niet te
starten, omdat de airbags daarbij geactiveerd kunnen worden. Sleep de auto naar
een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Rijd nooit met opgeblazen airbags. Ze kunnen u bij het sturen danig in de weg zitten.
Ook de andere veiligheidssystemen kunnen
beschadigd zijn. Langdurige blootstelling
aan de rook- en stofdeeltjes die vrijkomen
bij het opblazen van de airbags kan oog- en
huidirritatie veroorzaken. Spoel bij irritatie
met koud water. De snelheid waarmee de
airbags/gordijnen worden opgeblazen kan
in combinatie met de toegepaste materialen
resulteren in schaaf- en brandwonden aan
de huid.
01 Veiligheid
Safety mode
Safety mode
G021062
Haal de transpondersleutel uit het contact en
steek hem er opnieuw in. De elektronica van
de auto probeert te resetten naar de normale
stand. Probeer vervolgens de auto te starten.
Als de melding Safety mode nog op het display staat, mag u niet met de auto rijden en
hem niet verslepen. Verborgen schade kan de
auto tijdens het rijden onbestuurbaar maken,
zelfs als het lijkt dat u nog met de auto kunt
rijden.
Als de auto betrokken is geweest bij een aanrijding, kan de melding Safety mode Zie
instructieb. op het informatiedisplay verschijnen. Dit betekent dat de functionaliteit van de
auto is verminderd. Safety mode is een veiligheidsfunctie die in werking treedt wanneer de
aanrijding een belangrijke onderdeel van de
auto zoals de brandstofleidingen, de sensoren
voor een van de veiligheidssystemen of het
remsysteem, kan hebben beschadigd.
Auto proberen te starten
Controleer eerst of er geen brandstof uit de
auto is gelopen. Er mag evenmin een brandstofgeur waarneembaar zijn.
Auto verzetten
01
WAARSCHUWING
Probeer onder geen beding de auto opnieuw te starten, als u brandstof ruikt terwijl
de melding Safety mode wordt weergegeven. Verlaat de auto onmiddellijk.
WAARSCHUWING
De auto mag niet worden weggesleept zolang deze in de Safety mode staat. De auto
moet van zijn huidige plaats worden vervoerd naar een erkende Volvo-werkplaats.
Als de melding Normal mode wordt weergegeven nadat de Safety mode is gereset, mag
de auto voorzichtig uit de huidige, gevaarlijke
positie worden verreden. Verrijd de auto niet
verder dan nodig.
WAARSCHUWING
Probeer nooit zelf de auto te repareren of de
elektronische onderdelen te resetten nadat
de auto in de Safety mode heeft gestaan.
Dit kan aanleiding geven tot letsel of een
slechte functie van de auto. Laat de auto
altijd in een erkende Volvo-werkplaats controleren en naar de normale status (Normal
mode) resetten nadat de Safety mode is
verschenen.
Als alles normaal lijkt en u hebt vastgesteld
dat er geen brandstof lekt, kunt u proberen de
motor te starten.
25
01 Veiligheid
01
Kinderen en veiligheid
Kinderen moeten comfortabel en
veilig kunnen zitten
Kinderzitjes
Laat de rugleuning van het kinderzitje tegen
het dashboard steunen. Dit geldt voor auto’s
zonder passagiersairbag of auto’s waarvan de
passagiersairbag gedeactiveerd is.
De plaats van het kind in de auto en de vereiste uitrusting zijn afhankelijk van het gewicht en
de lengte van het kind (zie pagina 28 voor
meer informatie).
Positie van kinderzitjes
Het volgende kan worden gebruikt:
N.B.
G020739
De wettelijke bepalingen voor het vervoer
van kinderen in de auto verschillen van land
tot land. Informeer naar wat er in uw land
van kracht is.
Kinderzitjes en airbags gaan niet samen.
Ongeacht leeftijd en lengte moeten kinderen
altijd met de gordel goed om in de auto zitten.
Laat kinderen nooit bij passagiers op schoot
zitten.
De veiligheidsuitrusting voor kinderen die Volvo biedt, is afgestemd op het gebruik in uw
auto. Door het gebruik van originele Volvo-onderdelen bent u er zeker van dat de bevestigingspunten en bevestigingsonderdelen op de
juiste wijze zijn aangebracht en sterk genoeg
zijn.
N.B.
Bij problemen tijdens de montage van kinderveiligheidsproducten kunt u contact
opnemen met de fabrikant voor nadere
instructies.
26
Volvo heeft veiligheidsuitrusting voor kinderen die afgestemd is op uw Volvo en uitvoerig
door Volvo getest is.
• een kinderzitje/comfortkussen op de passagiersstoel, zolang de airbag aan de passagierszijde gedeactiveerd1 is;
• een achterstevoren gemonteerd kinderzitje
op de achterbank dat tegen de rugleuning
van de voorstoel steunt.
Plaats een kind altijd op de achterbank als de
airbag aan de passagierszijde geactiveerd is.
Als de airbag wordt opgeblazen, kan een kind
op de passagiersstoel ernstig letsel oplopen.
WAARSCHUWING
N.B.
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen op de passagiersstoel als de airbag (SRS) geactiveerd is.
Personen kleiner dan 1,40 m mogen nooit
op de passagiersstoel plaatsnemen, als de
airbag (SRS) geactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren voor het kind.
Bij gebruik van op de markt verkrijgbare
kinderveiligheidsproducten is het van
belang dat u de bijgeleverde montageinstructies zorgvuldig doorleest en nauwkeurig opvolgt.
Zet de bevestigingsbanden van het kinderzitje
nooit vast aan de hendel waarmee u de voorstoel in de lengterichting verstelt of aan veren,
rails of balken onder de stoel. Door scherpe
randen kunnen de bevestigingsbanden beschadigd raken.
1
Zie pagina 18 voor informatie over het activeren/deactiveren van de passagiersairbag (SRS).
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
WAARSCHUWING
Gebruik geen kinderzitjes met stalen beugels of andere constructies die tegen de
ontgrendelingsknop van de gordelsluiting
kunnen aankomen. Dit om te voorkomen
dat de gordels plotseling losschieten.
Zorg dat het kinderzitje niet met de bovenkant tegen de voorruit aankomt.
01
Sticker airbag
Sticker op zijwand dashboard, passagierszijde.
Sticker op zijwand dashboard, passagierszijde
(alleen Australië)
27
01 Veiligheid
01
Kinderen en veiligheid
Aanbevolen veiligheidszitjes
Gewicht/Leeftijd
Voorstoel
Buitenste zitplaats achterbank
Groep 0
max. 10 kg
(tot 9 maanden)
Groep 0+
max. 13 kg
Volvo kinderzitje – achterstevoren gemonteerd veiligheidszitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Volvo kinderzitje – achterstevoren gemonteerd veiligheidszitje bevestigd met veiligheidsgordel, bevestigingsband en steun.
Groep 1
9–18 kg
(9–36 maanden)
Groep 2/3
15–36 kg
(3–12 jaar)
Middelste zitplaats achterbank
Typegoedkeuring: E5 03135
Typegoedkeuring: E5 03135
Britax Baby Safe Plus – achterstevoren
gemonteerd veiligheidszitje bevestigd met
ISOFIX-systeem.
Britax Baby Safe Plus – achterstevoren
gemonteerd veiligheidszitje bevestigd met
ISOFIX-systeem.
Britax Baby Safe Plus – achterstevoren
gemonteerd veiligheidszitje bevestigd
met veiligheidsgordel.
Typegoedkeuring: E1 03301146
Typegoedkeuring: E1 03301146
Typegoedkeuring: E1 03301146
Volvo kinderzitje – achterstevoren gemonteerd veiligheidszitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Volvo kinderzitje – achterstevoren gemonteerd veiligheidszitje bevestigd met veiligheidsgordel, bevestigingsband en steun.
Typegoedkeuring: E5 03135
Typegoedkeuring: E5 03135
Britax Freeway – achterstevoren gemonteerd veiligheidszitje bevestigd met
ISOFIX-systeem en bevestigingsband.
Britax Freeway – achterstevoren gemonteerd veiligheidszitje bevestigd met
ISOFIX-systeem en bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 03171
Typegoedkeuring: E5 03171
Volvo comfortkussen – met of zonder
rugleuning.
Volvo comfortkussen – met of zonder
rugleuning.
Volvo comfortkussen – met of zonder
rugleuning.
Typegoedkeuring: E5 03139
Typegoedkeuring: E5 03139
Typegoedkeuring: E5 03139
Geïntegreerd Volvo kinderzitje met twee
standen – verkrijgbaar als fabrieksoptie.
Typegoedkeuring: EX XXXXX
Om andere veiligheidszitjes te kunnen gebruiken dient uw auto op de lijst van de producent te staan of een universele goedkeuring te hebben conform ECE R44.
28
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Geïntegreerde kinderzitjes* met twee
standen
De geïntegreerde kinderzitjes zijn speciaal
ontworpen om kinderen optimale bescherming te bieden. In combinatie met de aanwezige veiligheidsgordels zijn de kinderzitjes
goedgekeurd voor kinderen met een gewicht
van 15 tot 36 kg en een lengte van 0,95 tot
1,40 m.
01
Kinderzitje met twee standen uitklappen
Stand 1
1
G017719
Verkeerde positie: het hoofd mag niet boven de
hoofdsteun uitsteken en de gordel mag niet
onder de schouder lopen
Stand 1
Stand 2
Gewicht
22–36 kg
15–25 kg
Lengte
1,15–1,40 m
0,95–1,20 m
Zie pagina 29–30 voor aanwijzingen voor het
gebruik van het kinderzitje met twee standen.
G017696
2
G017697
Goede positie: de gordel loopt over de
schouder
2
1
G017875
Zorg alvorens weg te rijden dat:
• het geïntegreerde kinderzitje met twee
standen correct ingesteld (zie tabel) en
vergrendeld is;
• de veiligheidsgordel goed strak langs het
lichaam van het kind loopt en nergens slap
hangt of verdraaid is;
• de veiligheidsgordel niet tegen de nek van
het kind aankomt of onder de schouder
langs loopt (zie bovenstaande afbeeldingen);
• de heupgordel laag over het bekken loopt,
zodat deze maximale bescherming biedt.
Trek de handgreep (1) naar voren en
omhoog (2) om het kinderzitje vrij te geven.
Duw het kinderzitje naar achteren om het
te vergrendelen.
29
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Stand 2
WAARSCHUWING
G017783
1
2
Reparatie of vervanging dient alleen te worden uitgevoerd door een erkende Volvowerkplaats. Verricht zelf geen wijzigingen in
of aanpassingen aan het geïntegreerde kinderzitje. Als een geïntegreerd kinderzitje
aan grote krachten heeft blootgestaan zoals
tijdens een aanrijding, moet u het geïntegreerde kinderzitje in zijn geheel vervangen.
Ook al ziet het geïntegreerde kinderzitje er
intact uit, kunnen er toch beschermende eigenschappen verloren zijn gegaan. Het
geïntegreerde kinderzitje moet ook worden
vervangen als het erg versleten is.
Kinderzitje met twee standen
neerklappen
Het kinderzitje is zowel vanuit de bovenste als
vanuit de onderste stand volledig neer te klappen in het zitgedeelte. Het is echter niet mogelijk het kinderzitje vanuit de bovenste stand
in de onderste stand te zetten.
1
N.B.
2
Het is niet mogelijk het kinderzitje vanuit
stand 2 in stand 1 te zetten. U moet het zitje
dan eerst volledig neerklappen in het zitgedeelte. Zie de tekst onder het kopje Kinderzitje met twee standen neerklappen.
2
G017784
1
G017692
01
Werk vanuit stand 1. Druk op de knop.
G017694
Til het kinderzitje aan de voorkant (1) op en
duw het achteruit (2) tegen het ruggedeelte
aan om het te vergrendelen.
Trek de handgreep naar voren om het zitje
vrij te geven.
30
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Duw het zitje met uw hand omlaag om het
zitje te vergrendelen.
WAARSCHUWING
Als u de gebruiksinstructies voor het kinderzitje met twee standen niet opvolgt, is het
bij een aanrijding niet uitgesloten dat het
kind ernstig letsel oploopt.
Kinderslot achterportieren
De bedieningsknoppen voor de ruiten in de
achterportieren en de openingshandgrepen
op de achterportieren zijn te blokkeren, zodat
de achterportieren en de zijruiten niet meer
van de binnenzijde kunnen worden geopend.
Zie pagina 50 voor meer informatie.
01
ISOFIX-bevestigingssysteem voor
veiligheidszitjes
N.B.
Bij het omklappen van het ruggedeelte van
de achterbank dient u eerst het kinderzitje
neer te klappen.
G021064
BELANGRIJK
Controleer voordat u het kinderzitje weer
neerklapt of er geen losse voorwerpen (zoals stukken speelgoed) in het gebied onder
het zitje liggen.
Achter de onderkant van de ruggedeelten op
de beide buitenste zitplaatsen van de achterbank gaan de bevestigingspunten voor het
ISOFIX-systeem schuil.
Symbolen op de bekleding van de ruggedeelten (zie bovenstaande afbeelding) geven de
positie van deze bevestigingspunten aan.
Duw het zitgedeelte van de zitplaats omlaag
om bij de bevestigingspunten te komen.
N.B.
Het ISOFIX-bevestigingssysteem is als
accessoire verkrijgbaar voor de passagiersstoel.
31
01 Veiligheid
01
Kinderen en veiligheid
Houd u altijd aan de montage-instructies van
de fabrikant, wanneer u een kinderzitje aan de
ISOFIX-bevestigingspunten vastzet.
Afmetingscategorieën
Veiligheidszitjes kunnen net als auto’s verschillende afmetingen hebben. Veiligheidszitjes passen daardoor niet op alle zitplaatsen
van de verschillende modellen.
Voor veiligheidszitjes met een ISOFIX-bevestigingssysteem werden daarom afmetingscategorieën ingevoerd om gebruikers te helpen bij
het kiezen van het juiste kinderzitje (zie onderstaande tabel).
32
AfmetingsBeschrijving
categorie
A
Normale grootte, in rijrichting
gemonteerd veiligheidszitje
B
Beperkte grootte (optie 1),
achterstevoren gemonteerd
veiligheidszitje
B1
Beperkte grootte (optie 2), in
rijrichting gemonteerd
veiligheidszitje
C
Normale grootte, achterstevoren gemonteerd veiligheidszitje
D
Beperkte grootte,
achterstevoren gemonteerd
veiligheidszitje
E
Achterstevoren gemonteerd
babyzitje
F
Overdwars gemonteerd
babyzitje, links
G
Overdwars gemonteerd
babyzitje, rechts
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
Verschillende soorten ISOFIX-veiligheidszitjes
Zitplaatsen voor montage ISOFIX-kinderzitje
Type kinderzitje Gewicht (leeftijd)
Babyzitje,
overdwars
max. 10 kg (tot 9 mnd)
Babyzitje,
achterstevoren
Babyzitje,
achterstevoren
Voorstoel
Buitenste zitplaats
achterbank
-
F
-
G
-
-
max. 10 kg (tot 9 mnd)
E
OK
OK
max. 13 kg (tot 12
mnd)
E
OK
OK
D
OK
OK
C
-
OK
D
OK
OK
C
-
OK
B
OK1
OK1
B1
OK1
OK1
A
OK1
OK1
Veiligheidszitje,
achterstevoren
9–18 kg (9–36 mnd)
Veiligheidszitje,
achterstevoren
9–18 kg (9–36 mnd)
1Volvo
Afmetingscategorie
adviseert een achterstevoren gemonteerd veiligheidszitje voor deze categorie.
WAARSCHUWING
Plaats een kind nooit op de passagiersstoel
voorin, als de auto is uitgerust met een geactiveerde airbag aan die kant.
N.B.
Als een ISOFIX-kinderzitje geen afmetingscategorie heeft, dient uw model op de lijst
met auto’s te staan waarvoor het kinderzitje
zich leent.
N.B.
Neem contact op met een Volvo-werkplaats
voor de ISOFIX-veiligheidszitjes die Volvo
adviseert.
33
01 Veiligheid
01
Kinderen en veiligheid
Bovenste bevestigingspunten voor
kinderzitjes
adviseert u kleine kinderen zo lang mogelijk in
achterstevoren gemonteerde kinderzitjes te
vervoeren.
Zie de aanwijzingen van de fabrikant van het
kinderzitje voor gedetailleerde informatie over
de manier waarop u het zitje aan de bovenste
bevestigingspunten vastzet.
G017676
WAARSCHUWING
De auto is uitgerust met bovenste bevestigingspunten voor bepaalde kinderzitjes die in
de rijrichting worden gemonteerd. Deze bevestigingspunten zitten achter op het zitgedeelte van de achterbank.
Bij auto’s met hoofdsteunen op de beide buitenste zitplaatsen van de achterbank gaat het
monteren van dergelijke veiligheidszitjes makkelijker, als u de hoofdsteunen omklapt.
Een eventuele bagagerolhoes moet uit de
laadruimte worden verwijderd, voordat u een
kinderzitje aan de bevestigingspunten kunt
vastzetten.
De bovenste bevestigingspunten zijn voornamelijk bestemd om een in de rijrichting gemonteerd kinderzitje aan te bevestigen. Volvo
34
Haal de bevestigingsband van een kinderzitje altijd onder de hoofdsteun van de achterbank door, voordat u de gordel in de
sluiting aanbrengt.
01 Veiligheid
01
35
Transpondersleutel/sleutelblad ................................................................ 38
Private locking* ........................................................................................ 43
Batterij vervangen transpondersleutel/PCC* ........................................... 44
Keyless drive*........................................................................................... 45
Vergrendelen/ontgrendelen ...................................................................... 47
Kinderslot ................................................................................................. 50
Alarm*....................................................................................................... 51
36
SLOTEN EN ALARM
02
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutelblad
02
Algemene informatie
Zie pagina 43 voor Private locking.
Bij de auto worden twee transpondersleutels
of PCC’s (Personal Car Communicator) geleverd. U gebruikt ze om de auto te starten en
deze te vergrendelen of te ontgrendelen.
U kunt extra transpondersleutels bestellen.
Er zijn maximaal zes transpondersleutels voor
één en dezelfde auto te programmeren en te
gebruiken.
PCC’s kennen meer functies dan een transpondersleutel in standaarduitvoering. In het
vervolg van dit hoofdstuk hebben we het over
een transpondersleutel bij de bespreking van
functies die voorkomen op zowel de PCC als
op de transpondersleutel.
De unieke code van de sleutels is bekend bij
de erkende Volvo-werkplaatsen, waar ook
nieuwe sleutels kunnen worden besteld.
WAARSCHUWING
Als er kinderen in de auto zitten:
Let er bij het verlaten van de auto op dat u
de stroomtoevoer naar de sloten, elektrisch
bedienbare zijruiten en het schuifdak verbreekt door de transpondersleutel uit te
nemen.
Afneembaar sleutelblad
De transpondersleutel bevat een afneembaar
metalen sleutelblad voor het mechanisch vergrendelen/ontgrendelen van het bestuurdersportier, het dashboardkastje en de achterklep (Private locking).
Zie pagina 42 voor de functies van het sleutelblad.
38
Zoekgeraakte transpondersleutel
Bij verlies van een transpondersleutel kunt u
een nieuwe bestellen bij een erkende Volvowerkplaats. Neem de resterende transpondersleutels mee naar de werkplaats. Ter voorkoming van diefstal moet de code van de zoekgeraakte transpondersleutel uit het systeem
worden gewist.
Het aantal sleutels dat geprogrammeerd is
voor de auto kunt u controleren onder Instellingen van de auto
Autosleutelgeheugen
Aantal sleutels. Zie pagina 104 voor een
beschrijving van het menusysteem.
Sleutelgeheugen, buitenspiegels en
bestuurdersstoel*
De instellingen worden automatisch gekoppeld aan de transpondersleutel die op dat
moment in gebruik is (zie pagina 67 en 84).
U kunt de functie activeren/deactiveren onder
Instellingen van de auto
Autosleutelgeheugen
Pos. stoelen en
spiegels. Zie pagina 104 voor een beschrijving van het menusysteem.
Zie pagina 46 voor auto’s met Keyless
drive-functie.
Knippersignalen bij vergrendelen/
ontgrendelen
Wanneer u de auto vergrendelt of ontgrendelt
met een transpondersleutel, lichten de richtingaanwijzers een bepaalde aantal malen op om
aan te geven dat de auto op de juiste manier
vergrendeld/ontgrendeld is.
• Vergrendelen: eenmaal oplichten
• Ontgrendelen: tweemaal oplichten.
Bij het vergrendelen gebeurt dit alleen als alle
portieren na het sluiten correct zijn vergrendeld.
U kunt de functie activeren/deactiveren onder
Instellingen van de auto
Lichtinstellingen
Auto is op slot, lampje
resp. Instellingen van de auto
Lichtinstellingen
Auto is open, lampje.
Zie pagina 104 voor een beschrijving van het
menusysteem.
Elektronische startblokkering
Elke transpondersleutel heeft zijn eigen, unieke code. U kunt de auto alleen starten, wanneer u een transpondersleutel met de juiste
code gebruikt.
De onderstaande foutmeldingen op het informatiedisplay (op het instrumentenpaneel)
houden verband met de elektronische startblokkering:
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutelblad
Sleutelfout
Probeer
opnieuw
Betekenis
Storing bij het uitlezen van
de transpondersleutel
tijdens het starten. Probeer
de auto opnieuw te starten.
Autosleutel
niet
gevonden
Geldt alleen voor de functie
Keyless drive van de PCC.
Fout bij het uitlezen van de
PCC tijdens de start.
Probeer de auto opnieuw
te starten.
Immobilizer
Zie
instructieb.
Functiestoring van de
transpondersleutel tijdens
het starten. Neem contact
op met een erkende Volvowerkplaats.
Functies
Vergrendelen
Ontgrendelen
1
3
2
4
5
G021078
Melding
Transpondersleutel
Zie pagina 88 voor het starten van de auto.
1
Uitgeputte batterij in
transpondersleutel
3
02
Achterklep
Paniekfunctie
Doorluchtfunctie (Global opening)
Bij lang indrukken (ten minste 4 seconden) van
de toets
of
worden alle zijruiten tegelijk
korte tijd geopend en weer gesloten (daarbij
wordt een openstaand schuifdak ook
gesloten).
WAARSCHUWING
2
Controleer of niemand met de handen bekneld raakt wanneer u het schuifdak en de
zijruiten vanaf de transpondersleutel sluit.
4
5
Vervang de batterijen, als;
U kunt de functie bijvoorbeeld gebruiken om
bij warm weer snel voor frisse lucht in de auto
te zorgen.
Functietoetsen
G021079
• het informatiesymbool oplicht en de melding Autosleutel Batterij leeg op het display verschijnt
en/of
• de sloten herhaalde malen achtereen niet
reageren op het signaal van een transpondersleutel die zich binnen een straal van
20 m bevindt.
Zie pagina 44 voor het vervangen van de
batterij.
Approach-verlichting
PCC* (Personal Car Communicator)
Vergrendelen – Vergrendelt de portieren en
de achterklep en activeert het alarm.
Ontgrendelen – Ontgrendelt de portieren en
de achterklep en deactiveert het alarm.
De ontgrendelingsfunctie kan dusdanig gewijzigd worden dat bij eenmaal indrukken van de
toets niet meer alle portieren tegelijk worden
ontgrendeld, maar alleen het bestuurdersportier. Bij een tweede keer indrukken (binnen
39
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutelblad
02
U wijzigt de functie onder Instellingen van de
auto
Instellingen vergrendelen
Portieren ontgrendelen. Zie pagina 104 voor een
beschrijving van het menusysteem.
Approach-verlichting – Bestemd om de verlichting van de auto op afstand in te schakelen. Zie pagina 76 voor meer informatie.
Achterklep – Ontgrendelt alleen de achterklep
(zonder deze te openen)1. Zie pagina 48 voor
meer informatie.
Paniekfunctie – Bestemd om in noodgevallen
de aandacht van anderen te trekken.
Als u de rode toets ten minste 3 seconden
lang ingedrukt houdt of tweemaal achtereen
binnen 3 seconden indrukt, worden de richtingaanwijzers, de interieurverlichting en de
claxon geactiveerd.
U kunt deze functie met dezelfde toets weer
uitschakelen, als de functie minimaal
5 seconden actief geweest is. Als u niets doet,
wordt de functie na 2 minuten en 45 seconden
automatisch uitgeschakeld.
1 Bij
auto’s met elektrische achterklepbediening
wordt de achterklep geopend.
40
Bereik transpondersleutel
De transpondersleutel is te gebruiken binnen
een straal van 20 m rond de auto.
N.B.
Er kunnen storingen optreden in de functies
van de transpondersleutel door radiogolven
in de lucht, omringende gebouwen, topografische omstandigheden e.d. Het is altijd
mogelijk de auto te vergrendelen/ontgrendelen met het sleutelblad (zie pagina 42).
Specifieke functies, PCC*
2
2
1
2
G021080
10 seconden) worden de overige portieren
ontgrendeld.
Informatietoets
Controlelampjes
Na een druk op de informatietoets
kunt u
bepaalde informatie over de auto uitlezen aan
de hand van de controlelampjes
.
Gebruik van de informatietoets
1. Druk op de informatietoets
.
2. Ca. 7 seconden lang lichten de
controlelampjes
op de PCC om de
beurt op om aan te geven dat de informatie over de auto wordt uitgelezen.
Als u gedurende dit tijdsbestek op een
van de andere toetsen drukt, wordt de
uitlezing beëindigd.
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutelblad
iemand in de auto zit. De indicatie verschijnt alleen, als het alarm is afgegaan.
N.B.
Als bij herhaaldelijk gebruik van de informatietoets – op verschillende tijdstippen en
verschillende plaatsen – blijkt dat geen van
de controlelampjes gaat branden (en dat
evenmin na 7 seconden alsook nadat de
controlelampjes op de PCC om de beurt
oplichtten), dient u contact op te nemen
met een erkende Volvo-werkplaats.
De controlelampjes
zoals afgebeeld.
1
verstrekken informatie
De ontgrendelingsfuncties van de PCC zijn
te gebruiken binnen een straal van 20 m rond
de auto.
De Approach-verlichting, de paniekfunctie en
de functies die gekoppeld zijn aan de informatietoets, zijn tot op 100 m van de auto te
gebruiken.
Er kunnen storingen optreden in de functie
van de informatietoets door radiogolven in
de lucht, omringende gebouwen, topografische omstandigheden e.d.
Buiten bereik PCC
4
G021081
3
02
Bereik transpondersleutel
N.B.
2
De PCC waarmee de auto de laatste keer vergrendeld/ontgrendeld werd, geeft de juiste
status aan.
Als de PCC op dermate grote afstand van de
auto is dat er geen informatie over de auto kan
worden uitgelezen, wordt de laatst bekende
status van de auto weergegeven zonder dat de
lampjes op de PCC om de beurt oplichten.
N.B.
Als geen van de controlelampjes brandt bij
het indrukken van de informatietoets, is het
mogelijk dat er storingen optreden in de
communicatie tussen de PCC en de auto
door radiogolven in de lucht, omringende
gebouwen, topografische omstandigheden
e.d.
Heart Beat Sensor
De functie
werkt met behulp van een hartslagsensor (HBS, Heart Beat Sensor). HBS
vormt een aanvulling op het alarmsysteem van
de auto die op afstand afgeeft of er mogelijk
iemand in de auto zit. De indicatie verschijnt
alleen, als het alarm is afgegaan.
HBS registreert de hartslag die zich via de
carrosserie van de auto voortplant. In gebieden met veel lawaai en trillingen is het dan ook
mogelijk dat de HBS in zijn werking wordt
gestoord.
Continu groen licht: De auto is vergrendeld.
Continu oranje licht: De auto is ontgrendeld.
Keyless drive
Zie pagina 45.
Continu rood licht: Het alarm is afgegaan.
Aangegeven twee controlelampjes lichten
beurtelings rood op: dit geeft met HSB
(Heart Beat Sensor) aan dat er mogelijk
41
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutelblad
Afneembaar sleutelblad
02
Portier ontgrendelen met sleutelblad
Sleutelblad verwijderen
U kunt het afneembare sleutelblad van de
transpondersleutel gebruiken om:
• het bestuurdersportier handmatig te openen, als de centrale vergrendeling niet te
bedienen is vanaf de transpondersleutel
• de toegang tot het dashboardkastje en de
laadruimte te blokkeren (Private locking)1
(zie pagina 43).
Als de centrale vergrendeling niet op de transpondersleutel reageert (omdat de batterijen
bijvoorbeeld leeg zijn), kunt u het bestuurdersportier op de volgende manier ontgrendelen
en openen:
1
1. Ontgrendel het bestuurdersportier met het
sleutelblad in het slot van de portierhandgreep.
G021082
2
Haal de veerbelaste pal
opzij en trek tegelijkertijd het sleutelblad
recht naar achteren.
Sleutelblad aanbrengen
Plaats het verwijderde sleutelblad voorzichtig
terug in de transpondersleutel om beschadiging te voorkomen.
1. Houd de transpondersleutel met de gleuf
omhoog en laat het sleutelblad in de gleuf
zakken.
2. Duw voorzichtig tegen het sleutelblad.
U hoort een klikgeluid wanneer het sleutelblad goed vastzit.
1 Geldt
42
voor bepaalde markten
N.B.
Wanneer u het bestuurdersportier met het
sleutelblad ontgrendelt en vervolgens
opent, gaat het alarm af.
2. Schakel het alarm uit door de transpondersleutel in het contactslot te steken.
02 Sloten en alarm
Private locking*
G017869
hem bij een hotel of iets dergelijks laat parkeren. Het dashboardkastje is dan vergrendeld
en het achterklepslot is niet via de centrale
vergrendeling te openen (zodat de achterklep
niet meer met de knoppen op de voorportieren of die op de transpondersleutel te bedienen is).
Vergrendelingspunten voor transpondersleutel
met sleutelblad (Private locking niet geactiveerd).
Activeren/deactiveren
02
1
2
3
Dit betekent dat de transpondersleutel zonder
het sleutelblad alleen kan worden gebruikt om
het alarm te activeren/deactiveren, de portieren te openen en in de auto te rijden.
U geeft de transpondersleutel af zonder het
afneembare sleutelblad, dat u bij u houdt.
N.B.
Vergeet niet de bagagerolhoes over de lading heen uit te rollen voordat u de achterklep sluit (zie pagina 171).
G020508
Private locking*1 .
Private locking activeren
Private locking activeren:
Steek het sleutelblad in het slot van het
dashboardkastje.
Draai het sleutelblad 180 graden rechtsom.
Trek het sleutelblad er weer uit (er verschijnt een melding op het informatiedisplay).
G017870
N.B.
Vergrendelingspunten voor transpondersleutel
zonder sleutelblad (Private locking geactiveerd).
Deze functie is bestemd voor als u de auto
afgeeft voor een onderhoudsbeurt of als u
1
Bepaalde markten.
Plaats het sleutelblad niet in de transpondersleutel terug, maar houd het bij u en bewaar het goed.
• Houd voor het deactiveren de omgekeerde
volgorde aan.
Zie pagina 48 om alleen het dashboardkastje
te vergrendelen.
43
02 Sloten en alarm
Batterij vervangen transpondersleutel/PCC*
Batterij vervangen
Steek een schroevendraaier in de opening
achter de veerbelaste pal en werk de
transpondersleutel voorzichtig open.
02
Transpondersleutel
1
Werk de batterij voorzichtig los. Plaats
een nieuwe met de pluszijde (+) omlaag.
N.B.
Houd de transpondersleutel met de toetsen
omhoog om te voorkomen dat de batterijen
bij het openen van de afdekking op de
grond vallen.
G021085
2
1
BELANGRIJK
2
Kom niet met uw vingers aan de polen van
de batterijen of de contactvlakken, omdat
ze daardoor slechter kunnen presteren.
3
G021086
3
A
Werk de batterijen voorzichtig los. Plaats
eerst een nieuwe met de pluszijde (+)
omhoog. Leg het witte plasticvel op de
geplaatste nieuwe batterij en breng daarna nog een nieuwe batterij aan met de
pluszijde (+) omlaag.
1. Druk de afdekking weer op de transpondersleutel vast.
2. Houd de transpondersleutel met de gleuf
omhoog en laat het sleutelblad in de
gleuf zakken.
3. Duw voorzichtig tegen het sleutelblad.
U hoort een klikgeluid wanneer het sleutelblad goed vastzit.
B
Batterijtype: CR2430, 3 V (één in transpondersleutel en twee in PCC).
BELANGRIJK
G015518
Openen
Haal de veerbelaste pal
opzij en trek
tegelijkertijd het sleutelblad
recht naar
achteren.
PCC
In elkaar zetten
Batterij vervangen
44
Let erop hoe de batterij(en) aan de binnenzijde van de afdekking vastzit(ten). Let
daarop op de pluszijde + en de minzijde –.
Zorg dat de oude batterij(en) wordt/worden
afgevoerd op een manier die het milieu
ontziet.
02 Sloten en alarm
Keyless drive*
Keyless drive (alleen PCC*)
aan de ene kant van de auto staat, is het niet
mogelijk om met de PCC een portier aan de
andere kant te vergrendelen of ontgrendelen.
De rode cirkels op de afbeelding geven het
dekkingsgebied van de systeemantennes aan.
G017871
Vergrendelings- en startsysteem
zonder sleutel
Met de Keyless drive-functie van de PCC kunt
u zonder een sleutel te gebruiken de auto ontgrendelen, starten en vergrendelen. U hoeft de
PCC alleen bij u te dragen. Het systeem maakt
het eenvoudiger om de auto te openen wanneer u uw handen vol hebt.
De twee PCC’s van de auto ondersteunen de
Keyless drive-functie. U kunt meer PCC’s bijbestellen.
Bereik PCC
Om een portier of de achterklep te kunnen
openen moet de PCC zich binnen een straal
van maximaal 1,5 m rond de portierhandgrepen of de achterklep bevinden. Dit betekent
dat u de PCC bij u moet dragen om een portier
te vergrendelen of ontgrendelen. Wanneer u
Als alle PCC’s uit de auto worden genomen,
verschijnt er een waarschuwingsmelding op
het informatiedisplay en klinkt er een geluidssignaal. De melding verdwijnt, wanneer een
van de PCC’s weer in de auto wordt gelegd.
Wanneer de PCC weer in de auto is gelegd,
verdwijnen de waarschuwingsmelding en het
geluidssignaal nadat een van de volgende
handelingen is uitgevoerd;
• er is een portier geopend of gesloten;
• de transpondersleutel is in het contactslot
gestoken;
• de toets READ is ingedrukt.
Veilig gebruik van uw PCC
Als u een PCC met Keyless drive-functie in de
auto laat liggen, wordt de PCC bij het vergrendelen van de auto tijdelijk gedeactiveerd. Onbevoegden kunnen de portieren er dan niet
meer mee openen.
Als er echter ingebroken wordt en iemand de
PCC in de auto vindt, wordt de PCC weer geactiveerd. Pas daarom goed op al uw PCC’s.
BELANGRIJK
Laat een PCC nooit onbeheerd in de auto
liggen.
02
Storingen in de functie van een PCC
De Keyless drive-functie kan verstoord worden
door elektromagnetische velden en afschermingen. Leg de PCC daarom niet dicht bij een
mobiele telefoon of metalen voorwerpen.
Als er desondanks toch storingen optreden,
moet u de PCC en het sleutelblad op de normale manier gebruiken (zie pagina 39).
Ontgrendelen
Open de portieren met de handgreep of open
de achterklep met de handgreep op de klep.
Ontgrendelen met sleutelblad
Als de Keyless drive-functie van de PCC defect is, kunt u het bestuurdersportier ontgrendelen met het sleutelblad. In dat geval wordt
de centrale vergrendeling niet geactiveerd.
N.B.
Bij ontgrendelen met het sleutelblad gaat
het alarm af. Zie pagina 51 voor het uitschakelen.
45
02 Sloten en alarm
Keyless drive*
Sleutelgeheugen, bestuurdersstoel en
buitenspiegels*
02
Geheugenfunctie van PCC
Als meerdere personen met een PCC met
Keyless drive-functie naar de auto lopen, nemen de bestuurdersstoel en de buitenspiegels
de stand in die ligt opgeslagen in de PCC van
degene die het bestuurdersportier opent.
Wanneer het bestuurdersportier openstaat,
zijn de instellingen op de volgende twee manieren te wijzigen:
• druk vanaf de bestuurdersstoel op de ontgrendelingstoets van de PCC
(zie pagina 39);
• druk op de knop voor de stoelinstelling
(zie pagina 67).
Plafond, boven de achterbank, in het midden
N.B.
Bij een auto met een automatische versnellingsbak dient de keuzehendel in stand P te
worden gezet, aangezien de auto anders
niet vergrendeld of op alarm kan worden
gezet.
Middenconsole, onder voorstuk
Onder Instellingen van de auto
Instellingen vergrendelen
Op afstand openen.
Zie pagina 104 voor een beschrijving van het
menusysteem.
Locatie antennes
1
2
3
4
5
6
7
G021179
Vergrendel de portieren en de achterklep door
op de vergrendelingsknop op een van de portierhandgrepen aan de buitenkant te drukken.
Het Keyless drive-systeem werkt met een
aantal antennes die op verschillende locaties
ingebouwd zijn in de auto.
Achterklep, bij de wissermotor
Portierhandgreep, linksachter
46
Portierhandgreep, rechtsachter
Middenconsole, onder achterstuk
Vergrendelingsinstellingen
Vergrendelen
Alle portieren inclusief de achterklep moeten
zijn gesloten, voordat u de auto kunt vergrendelen. De auto wordt anders niet vergrendeld.
Laadruimte, in het midden, helemaal voorin, onder de vloer
WAARSCHUWING
Dragers van een pacemaker dienen minstens 22 cm afstand te houden tot de
antennes van het Keyless drive-systeem.
Dit om eventuele storingen in de pacemaker
als gevolg van het Keyless drive-systeem
uit te sluiten.
02 Sloten en alarm
Vergrendelen/ontgrendelen
Van de buitenzijde
Met de transpondersleutel kunt u alle portieren en de achterklep gelijktijdig vergrendelen/
ontgrendelen. Bij vergrendeling zijn de vergrendelingsknoppen op de portieren en de
openingshandgrepen aan de binnenzijde niet
meer te bedienen: dit is de zogeheten Safelock-functie (zie pagina 49) (geldt alleen voor
bepaalde markten).
De tankvulklep kan worden geopend, wanneer
de auto onvergrendeld staat. De klep kan niet
worden geopend, als u de auto vergrendelt en
het alarm inschakelt.
Automatische hervergrendeling
Vergrendelen
Als u geen van de portieren noch de achterklep binnen twee minuten na ontgrendeling
van de buitenzijde met de transpondersleutel
opent, worden alle sloten automatisch weer
vergrendeld. Deze functie voorkomt dat u de
auto per ongeluk onvergrendeld kunt laten
staan. Zie pagina 51 voor auto’s met alarmsysteem.
Druk nadat u de voorportieren hebt gesloten
op de vergrendelingsknop voor de portieren.
Bij lang indrukken worden ook de zijruiten en
een schuifdak gesloten.
Van de binnenzijde
Bij het wegrijden kunnen de portieren en de
achterklep automatisch worden vergrendeld.
N.B.
Geldt alleen voor auto’s op bepaalde markten,
maar niet voor auto’s met Keyless drive.
WAARSCHUWING
Let erop dat inzittenden in de auto kunnen
worden opgesloten, als u die van de buitenzijde vergrendelt.
Alle portieren zijn eenmaal gesloten handmatig te vergrendelen met de vergrendelingsknoppen. Door eenmaal aan de handgreep te
trekken ontgrendelt u een portier. Door tweemaal aan de handgreep te trekken opent u een
portier.
Automatische vergrendeling
G019216
Ook als er nog een portier openstaat is het
mogelijk de auto te vergrendelen1. Wanneer
u het geopende portier vervolgens sluit
wordt ook dit vergrendeld, zodat het gevaar
bestaat dat u zich buitensluit met de transpondersleutel nog in de auto.
1
02
U kunt de functie activeren/deactiveren onder
Instellingen van de auto
Instellingen
vergrendelen
Portieren autom. op slot.
Zie pagina 104 voor een beschrijving van het
menusysteem.
Met de bedieningsknoppen op het portierpaneel kunt u alle portieren en de achterklep
tegelijkertijd vergrendelen of ontgrendelen.
Ontgrendelen
Druk op de ontgrendelingsknop voor de portieren. Bij lang indrukken worden ook al de
zijruiten geopend.
47
02 Sloten en alarm
Vergrendelen/ontgrendelen
Dashboardkastje
02
A
Achterklep
Bij het sluiten van de achterklep wordt deze
vergrendeld, waarna de alarmfuncties die eerder buiten werking werden gesteld opnieuw
geactiveerd worden.
B
1
2
3
Vergrendelen met transpondersleutel
Druk op de toets voor vergrendeling op de
transpondersleutel (zie pagina 39).
Houd voor het ontgrendelen de omgekeerde volgorde aan.
Het sleutelgat staat verticaal wanneer het
kastje ontgrendeld is.
U kunt het dashboardkastje alleen vergrendelen/ontgrendelen met het afneembare sleutelblad van de transpondersleutel.
Zie pagina 43 voor meer informatie over Private locking.
48
Ontgrendelen met transpondersleutel
Druk op de ontgrendelingstoets op de transpondersleutel om de achterklep te ontgrendelen.
Als alle portieren vergrendeld zijn bij het sluiten van de achterklep, blijft de klep onvergrendeld staan totdat u de auto met de transpondersleutel vergrendelt.
Van de binnenzijde ontgrendelen
N.B.
Bij auto’s met de optie elektrische achterklepbediening wordt de achterklep geopend. Bij andere auto’s wordt de achterklep
alleen ontgrendeld (zie pagina 167).
De alarmindicatie op het dashboard dooft om
aan te geven dat niet alle onderdelen van de
auto beveiligd zijn. De niveausensoren en bewegingsmelders alsmede de sensoren in de
opening van de achterklep worden automatisch buiten werking gesteld. De portieren blijven vergrendeld en beveiligd.
1
G021099
Vergrendel het dashboardkastje door het
sleutelblad een kwartslag (90 graden)
rechtsom te draaien. Het sleutelgat staat
horizontaal wanneer het kastje vergrendeld is.
G021093
G020548
De alarmindicatie op het dashboard gaat knipperen om aan te geven dat het alarm is ingeschakeld.
Druk op de knop
op het bedieningspaneel
voor de verlichting om de achterklep te ontgrendelen.
02 Sloten en alarm
Vergrendelen/ontgrendelen
Safelock-functie1
Deactiveren via de knop
G021102
Als u de portieren van de buitenzijde wilt vergrendelen terwijl er iemand in de auto achterblijft, kunt u de Safelock-functie tijdelijk deactiveren. U doet dat als volgt:
Activeren via de knop of het displaymenu
Bij activering van de zogeheten Safelockfunctie zijn de portieren niet meer van de binnenzijde te openen, als ze eenmaal vergrendeld zijn. Met de transpondersleutel activeert
u de Safelock-functie die 10 seconden na vergrendeling van de portieren in werking treedt.
Bij Safelock is de auto alleen met de transpondersleutel te ontgrendelen. Het bestuurdersportier is ook van de buitenzijde te ontgrendelen met het sleutelblad.
1. Druk op de knop.
Deactivering moet binnen een minuut na
het uitnemen van de transpondersleutel
plaatsvinden.
• Het lampje in de knop blijft branden totdat
u de auto vergrendelt.
• Op het display van het instrumentenpaneel
verschijnt 10 seconden lang een melding
die verdwijnt als u de auto vergrendelt.
N.B.
WAARSCHUWING
Laat niemand in de auto achter zonder eerst
de Safelock-functie te deactiveren. Zo
voorkomt u dat iemand opgesloten raakt.
02
Deactiveren via het displaymenu
Op auto’s waarbij de knop ontbreekt vindt
deactivering plaats via het menusysteem.
Zie 104 voor een beschrijving van het systeem.
1. Open het menusysteem en ga naar Instellingen van de auto.
2. Kies Beveil. verlaagd.
De geactiveerde optie staat aangekruist.
Voor de rest geldt hetzelfde als bij het deactiveren via de knop.
Bij auto’s met alarmsysteem:
let erop dat de auto bij het vergrendelen op
alarm wordt gezet.
Wanneer een van de portieren van de binnenzijde wordt geopend, gaat het alarm af.
Als de auto uitgerust is met een alarmsysteem
met bewegingsmelders en niveausensoren*,
worden ook deze tegelijkertijd gedeactiveerd
(zie pagina 52).
De volgende keer dat u de auto start, worden
de sensoren en de Safelock-functie weer geactiveerd.
1
Geldt voor bepaalde markten
49
02 Sloten en alarm
Kinderslot
Handmatig kinderslot op
achterportieren
Elektrisch kinderslot op
achterportieren* en achterste zijruiten
02
Houd de portieren altijd ontgrendeld tijdens
het rijden. Bij ongelukken kunnen hulpverleners dan snel in de auto komen.
Zolang het kinderslot ingeschakeld is, kunnen de achterportieren niet van de binnenzijde worden geopend.
A
De bedieningscilinders van het kinderslot zitten achter op de korte kant van de achterportieren, zodat ze alleen bereikbaar zijn wanneer
de portieren openstaan.
1. Gebruik het sleutelblad om de bedieningscilinder te verdraaien en zo het kinderslot in
of uit te schakelen.
Het portier kan niet van de binnenzijde
worden geopend.
Het portier kan van de binnenzijde worden
geopend.
N.B.
50
G019300
G021077
B
Op auto’s met het elektrische kinderslot zit
geen handmatig kinderslot.
WAARSCHUWING
Wanneer het elektrische kinderslot actief is;
• zijn de achterste zijruiten alleen vanaf het
bestuurdersportier te bedienen
• zijn de achterportieren niet van de binnenzijde te openen.
1. Het kinderslot wordt geactiveerd wanneer
de contactsleutel in stand I of II staat.
2. Druk op de knop op het bestuurdersportier.
Op het informatiedisplay verschijnt een
melding.
Het lampje in de knop brandt, wanneer het
slot geactiveerd is.
02 Sloten en alarm
Alarm*
Het alarm gaat af, als;
• een portier, de motorkap of de achterklep
wordt geopend;
• het sleutelgat de verkeerde sleutel bevat of
wordt gemanipuleerd;
• er een beweging in de passagiersruimte
wordt waargenomen (als er een bewegingsmelder aanwezig is);
• de auto wordt opgetakeld of weggesleept
(op auto’s met een niveausensor*);
• de accukabel wordt ontkoppeld;
• iemand de sirene probeert los te koppelen.
Als er een storing in het alarmsysteem is opgetreden, verschijnt er een melding op het informatiedisplay. Neem dan contact op met
een erkende Volvo-werkplaats.
N.B.
De bewegingsmelders laten het alarm afgaan, wanneer er bewegingen in het interieur worden waargenomen. Het alarm kan
dan ook afgaan als u bij het parkeren van de
auto een van de zijruiten laat openstaan of
gebruik maakt van een elektrische interieurverwarming. Sluit daarom voordat u de auto
verlaat alle ruiten en stel de interieurverwarming dusdanig in dat deze geen warme
lucht omhoogblaast.
Alarm activeren
N.B.
Voer nooit zelf reparaties aan of wijzigingen
in het alarmsysteem uit. Dergelijke ingrepen
kunnen van invloed zijn op de verzekeringsvoorwaarden.
Druk op de vergrendelingstoets op de transpondersleutel. De richtingaanwijzers van de
auto geven een lang lichtsignaal af ter bevestiging dat het alarm is ingeschakeld en dat de
portieren zijn vergrendeld.
02
De wijze waarop de auto aangeeft dat het
alarm geactiveerd is kan naar wens worden
afgestemd onder Instellingen van de auto
Instellingen vergrendelen
Op afstand
openen. Zie pagina 104 voor een beschrijving
van het menusysteem.
Alarmindicatie
Alarm deactiveren
G021103
Algemene informatie
Een alarmindicatie op het dashboard geeft de
status van het alarmsysteem aan:
• het lampje is uit – het alarm is uitgeschakeld
• het lampje licht om de twee seconden
eenmaal op – het alarm is ingeschakeld.
• het lampje knippert snel vanaf het moment
van uitschakelen van het alarm (tot aan het
moment dat u de transpondersleutel in het
contactslot steekt en contactslotstand I
wordt bereikt) – het alarm is afgegaan.
Druk op de ontgrendelingstoets op de transpondersleutel. De richtingaanwijzers van de
auto geven twee korte lichtsignalen af ter bevestiging dat het alarm is uitgeschakeld en dat
de portieren zijn ontgrendeld.
Geactiveerd alarm uitschakelen
Druk op de ontgrendelingstoets op de transpondersleutel of steek de transpondersleutel
in het contactslot. De richtingaanwijzers van
de auto geven ter bevestiging twee korte lichtsignalen af.
51
02 Sloten en alarm
Alarm*
Overige alarmfuncties
02
Automatische herinschakeling van het
alarm
De functie voorkomt dat u de auto verlaat zonder het alarm in te schakelen.
2. Steek de transpondersleutel in het sleutelgat. Het alarm wordt uitgeschakeld.
De alarmindicatie knippert snel totdat
u de transpondersleutel in het sleutelgat
hebt gestoken.
Deactiveren via de knop
Beperkt alarmniveau
• Het lampje in de knop blijft branden totdat
u de auto vergrendelt.
• Op het display van het instrumentenpaneel
verschijnt 10 seconden lang een melding
die verdwijnt als u de auto vergrendelt.
Bij auto’s met Safelock-functie wordt ook
deze functie gedeactiveerd (zie pagina 49).
Als u geen van de portieren noch de achterklep binnen twee minuten na uitschakeling
van het alarm opent wanneer de auto met de
transpondersleutel ontgrendeld (en het alarm
gedeactiveerd) werd, wordt het alarm automatisch opnieuw ingeschakeld. De auto wordt tegelijkertijd vergrendeld.
De volgende keer dat u de auto start, worden
de sensoren en de Safelock-functie weer
geactiveerd.
G021104
Alarmsignalen
Bij alarm gebeurt het volgende:
• Er klinkt 30 seconden lang een sirene.
De sirene heeft zijn eigen accu die volledig
onafhankelijk is van de standaardaccu in de
auto.
• Alle richtingaanwijzers knipperen totdat u
het alarm uitschakelt. Bij inactiviteit gaan ze
na vijf minuten automatisch uit.
Transpondersleutel defect
Als de transpondersleutel defect is, kunt u het
alarm uitschakelen en de auto als volgt starten:
1. Open het bestuurdersportier met het sleutelblad. Het alarm gaat af en de sirene
klinkt.
52
1. Druk op de knop.
Deactivering moet binnen een minuut na
het uitnemen van de transpondersleutel
plaatsvinden.
Activeren via de knop of het displaymenu
Om te voorkomen dat het alarm per ongeluk
afgaat, bijvoorbeeld op een veerboot, kunt u
de bewegingsmelder en de niveausensoren*
tijdelijk uitschakelen:
Deactiveren via het displaymenu
Op auto’s waarbij de knop ontbreekt vindt deactivering plaats via het menusysteem. Zie 104
voor een beschrijving van het systeem.
1. Open het menusysteem en ga naar
Instellingen van de auto.
2. Kies Beveil. verlaagd.
De geactiveerde optie staat aangekruist.
Voor de rest geldt hetzelfde als bij het deactiveren via de knop.
02 Sloten en alarm
Alarm*
Alarmsysteem testen
Bewegingsmelder in passagiersruimte
testen
1. Sluit alle zijruiten. Blijf in de auto zitten.
2. Zie pagina 51 voor het activeren van het
alarm.
3. Wacht 15 seconden.
4. Laat het alarm afgaan door uw armen op
te heffen tot net boven de rugleuning en
ze vervolgens horizontaal heen en weer
te bewegen. Er klinkt een sirene en alle
richtingaanwijzers knipperen.
5. Deactiveer het alarm door de auto via de
transpondersleutel te ontgrendelen.
Alarmsensoren in motorkap testen
1. Ga in de auto zitten en deactiveer de
bewegingsmelder (zie pagina 51).
2. Activeer het alarm (zie pagina 51). Blijf in
de auto zitten en vergrendel de portieren
met de toets op de transpondersleutel.
3. Wacht 15 seconden.
4. Ontgrendel de motorkap met de handgreep onder het dashboard. Er klinkt een
sirene en alle richtingaanwijzers knipperen.
5. Deactiveer het alarm door de auto via de
transpondersleutel te ontgrendelen.
02
Alarmsensoren in portieren testen
1. Zie pagina 51 voor het activeren van het
alarm.
2. Wacht 15 seconden.
3. Ontgrendel het bestuurdersportier met
het sleutelblad.
4. Open het bestuurdersportier. Er klinkt
een sirene en alle richtingaanwijzers
knipperen.
5. Deactiveer het alarm door de auto via de
transpondersleutel te ontgrendelen.
53
,
Instrumenten, schakelaars en bediening .................................................56
Contactslotstanden .................................................................................. 65
Stoelen en achterbank .............................................................................66
Stuurwiel ..................................................................................................70
Verlichting .................................................................................................71
Wissers en -sproeiers ..............................................................................80
Ruiten en spiegels ....................................................................................82
Elektrisch bedienbaar schuifdak* .............................................................86
Motor starten ...........................................................................................88
Versnellingsbakken ...................................................................................91
Vierwielaandrijving–, AWD (All Wheel Drive)* ...........................................95
Bedrijfsrem ...............................................................................................96
Afdalingsregeling, HDC (Hill Descent Control) .........................................97
Parkeerrem ...............................................................................................98
54
BESTUURDERSMILIEU
03
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
Instrumentenoverzicht
1
2
3
4
5
6
7
8
03
20
9
9
11
10
12
10
13
18
17
16
15
14
G021107
19
Auto met stuur links
56
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
Functie
Pagina
Functie
Pagina
Menu- en meldingsfuncties, richtingaanwijzers, groot
licht/dimlicht, boordcomputer
107, 74, 72,
130
Menufuncties, klimaatregeling en audiosysteem
104, 112,
123
Cruisecontrol
135, 64
Klimaatregeling, ECC*
112
Claxon, airbag
70, 15
Versnellingspook/keuzehendel
91
Instrumentenpaneel
60, 64
Bedieningsknoppen actieve chassisregeling (FOUR-C)*
134
Menu-, audio- en telefoonfuncties
104, 120
Wissers en -sproeiers
80, 81
Contactslot
88
Stuurwielafstelling
70
Knop START/STOP
65
Parkeerrem*
98
Alarmlichten
74
Ontgrendeling motorkap
184
Openingshandgreep portier
–
Stoelinstelling*
66
Bedieningspaneel
82, 84, 47
Bedieningsknoppen verlichting, ontgrendeling
tankvulklep en achterklep
71, 163
03
57
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
1
2
3
4
5
6
7
8
03
9
10
10
20
11
11
19
18
17
16
15
14
13
G021108
12
Auto met stuur rechts
58
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
Functie
Pagina
Functie
Pagina
Alarmlichten
74
Bedieningspaneel
82, 84, 47
Contactslot
65
Stoelinstelling*
66
Knop START/STOP
88
Ontgrendeling motorkap
184
Cruisecontrol
135, 136
Parkeerrem
98
Instrumentenpaneel
60, 64
Stuurwielafstelling
70
Claxon, airbag
70, 15
Menu- en meldingsfuncties, richtingaanwijzers, groot
licht/dimlicht, boordcomputer
107, 74,
72, 130
Menu-, audio- en telefoonfuncties
104, 120
Bedieningsknoppen actieve chassisregeling (FOUR-C)*
134
Wissers en -sproeiers
80, 81
Versnellingspook/keuzehendel
91
Bedieningsknoppen verlichting, ontgrendeling
tankvulklep en achterklep
71, 163
Klimaatregeling, ECC*
112
Openingshandgreep portier
–
Menufuncties, klimaatregeling en audiosysteem
104, 112,
123
03
59
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
Informatiedisplays
Meters
Controle-, informatie- en
waarschuwingslampjes
1
2
3
3
03
0
1
1
G021112
G021113
0
Informatiedisplays
Op de informatiedisplays verschijnt informatie
over bepaalde functies van de auto zoals de
cruisecontrol, boordcomputer en meldingen.
De informatie verschijnt in tekstvorm en met
symbolen.
Gedetailleerder informatie vindt u onder de
functies die gebruik maken van de informatiedisplays.
1
1
2
2
Meters op het instrumentenpaneel
Snelheidsmeter
Controle- en waarschuwingslampjes
Controle- en informatielampjes
Brandstofmeter (zie ook Tanken op
pagina 163).
Toerenteller
De meter geeft het motortoerental in duizenden omwentelingen per minuut aan.
Controle- en waarschuwingslampjes1
Lampjes groot licht en richtingaanwijzers
Functietest
Alle controle- en waarschuwingslampjes gaan
branden, wanneer het contactslot in stand II
staat of wanneer u de motor start. Alle lampjes
moeten weer uitgaan als de motor is aangeslagen, behalve het lampje voor de parkeerrem. Dit gaat pas uit, als de auto van de parkeerrem wordt gehaald.
1
60
1
G018282
0
Bij bepaalde motortypes is het lampje voor
een lage oliedruk niet in gebruik. Er verschijnt
in plaats daarvan een displaymelding
(zie pagina 185).
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
Als de motor niet aanslaat of als de functietest
wordt uitgevoerd met het contactslot in
stand II, gaan na 5 seconden alle lampjes uit
behalve het lampje voor storingen in het uitlaatgasreinigingssysteem en dat voor een lage
oliedruk.
Controle- en informatielampjes
Lampje
Betekenis
Richtingaanwijzers aanhanger
Storing in uitlaatgasreinigingssysteem
Storing in ABS
Mistachterlicht
Stabiliteitssysteem
Voorgloeifunctie motor (diesel)
Laag peil in brandstoftank
Informatie, lees displaymelding
Groot licht aan
Richtingaanwijzers links
Richtingaanwijzers rechts
Richtingaanwijzers aanhanger
Het lampje knippert wanneer u de richtingaanwijzers gebruikt met een aanhanger achter de
auto. Als het lampje sneller knippert dan normaal is een van de richtingaanwijzers op de
auto of op de aanhangwagen kapot.
Storing in
uitlaatgasreinigingssysteem
Rijd de auto naar een erkende Volvo-werkplaats om het systeem te laten controleren.
Storing in ABS
Als het lampje brandt, is het systeem defect.
Het normale remsysteem van de auto werkt
dan nog wel, zij het zonder ABS-regeling.
1. Breng de auto op een veilige plaats tot
stilstand en zet de motor af.
2. Start de motor opnieuw.
3. Als het lampje echter blijft branden, moet
u de auto naar een erkende Volvowerkplaats rijden om het ABS-systeem te
laten controleren.
Mistachterlicht
Dit lampje brandt wanneer u het mistachterlicht hebt ingeschakeld.
Stabiliteitssysteem
Het knipperende lampje geeft aan dat het
stabiliteitssysteem werkt. Als het lampje continu brandt is er sprake van een storing in het
systeem.
Voorgloeifunctie motor (diesel)
Het lampje gaat branden wanneer de motor
wordt voorverwarmd. De voorverwarming
start als de temperatuur lager wordt
dan –2 °C. De auto kan worden gestart als het
lampje gedoofd is.
Laag peil in brandstoftank
03
Wanneer dit lampje gaat branden zit er bij
benzinemodellen nog ongeveer acht liter en
bij dieselmodellen nog zeven liter brandstof in
de tank.
Informatie, lees displaymelding
Als er een afwijking is in een van de systemen
in de auto, gaat het informatielampje branden
en verschijnt er een melding op het display.
U verwijdert de melding met behulp van de
knop READ (zie pagina 107). De melding verdwijnt automatisch na enige tijd (afhankelijk
van de defecte functie). Het informatielampje
kan ook gaan branden in combinatie met
andere lampjes.
N.B.
Wanneer de servicemelding verschijnt, kunt
u het lampje doven en de melding verwijderen met de knop READ. Ook als u niets doet
gebeurt dat enige tijd later automatisch.
Groot licht aan
Het lampje brandt, wanneer u het groot licht
voert of grootlichtsignalen geeft.
61
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
Richtingaanwijzers links
Richtingaanwijzers rechts
Beide richtingaanwijzerlampjes knipperen bij
gebruik van de alarmlichten.
Controle- en waarschuwingslampjes
03
Lampje
Betekenis
Lage oliedruk1
Parkeerrem aangezet
Airbags (SRS)
Vul zo nodig olie bij. Als het lampje oplicht terwijl het oliepeil in orde is, moet u contact
opnemen met een erkende Volvo-werkplaats.
Parkeerrem aangezet
Het lampje brandt continu, wanneer u de parkeerrem hebt aangezet. Bij auto’s met een
elektrische parkeerrem knippert het lampje tijdens het aanzetten en gaat daarna continu
branden.
Een knipperend lampje houdt in dat er een
storing is opgetreden. Lees de melding op het
informatiedisplay.
N.B.
Gordelwaarschuwing
Dynamo laadt niet bij
Storing in remsysteem
Waarschuwing
1 Bij
bepaalde motortypes is het lampje
voor een lage oliedruk niet in gebruik.
Er verschijnt in plaats daarvan een displaymelding (zie pagina 185 en 186).
Het lampje gaat ook branden als de mechanische parkeerrem slechts een weinig is
aangezet.
Airbags (SRS)
Als het lampje tijdens het rijden oplicht of blijft
branden, is er een storing geregistreerd in
de gordelsluiting of in het SRS-, SIPS- of ICsysteem. Rijd de auto zo spoedig mogelijk
naar een erkende Volvo-werkplaats om het
systeem te laten controleren.
Gordelwaarschuwing
Lage oliedruk
Als het lampje tijdens het rijden oplicht, is de
druk van de motorolie te laag. Zet de motor
onmiddellijk af en controleer het motoroliepeil.
62
Het lampje brandt als de bestuurder of de
voorpassagier geen veiligheidsgordel draagt
of als iemand op de achterbank de gordel
heeft losgenomen.
Dynamo laadt niet bij
Het lampje gaat tijdens het rijden branden,
als er sprake is van een storing in het elektrisch systeem. Bezoek een erkende Volvowerkplaats.
Storing in remsysteem
Als het lampje oplicht, is het remvloeistofpeil
mogelijk te laag. Breng de auto op een veilige
plaats tot stilstand en controleer het peil in het
remvloeistofreservoir (zie pagina 188).
Als de waarschuwingslampjes voor het remsysteem en ABS tegelijkertijd branden, kan er
een storing in de remkrachtverdeling zijn
opgetreden.
1. Breng de auto op een veilige plaats tot
stilstand en zet de motor af.
2. Start de motor opnieuw.
• Rijd verder als beide lampjes uitgaan.
• Als de lampjes echter blijven branden, moet
u het peil in het remvloeistofreservoir controleren (zie pagina 188). Als de lampjes
blijven branden ondanks dat het peil van de
remvloeistof in orde is, moet u de auto
uiterst voorzichtig naar een erkende Volvowerkplaats rijden om het remsysteem te
laten controleren.
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
WAARSCHUWING
Als de remvloeistof onder het MIN-streepje
van het reservoir staat, mag u niet verder
rijden voordat u remvloeistof hebt bijgevuld.
Laat de oorzaak van het remvloeistofverlies
controleren door een erkende Volvowerkplaats.
WAARSCHUWING
Als de waarschuwingslampjes voor het
remsysteem en ABS tegelijkertijd branden,
bestaat het gevaar dat de achtertrein bij
krachtig remmen gaat slippen.
Waarschuwing
Het rode waarschuwingslampje gaat branden, wanneer er een storing is geregistreerd
die van invloed kan zijn op de veiligheid en/of
de rijeigenschappen van de auto. Er verschijnt
tegelijkertijd een verklarende melding op het
informatiedisplay. Het waarschuwingslampje
blijft branden totdat de storing is verholpen,
maar de melding kunt u verwijderen met de
toets READ (zie pagina 107). Het waarschuwingslampje kan ook gaan branden in combinatie met andere lampjes.
ding op het display u voorschrijft. Wis de
melding met de toets READ.
Waarschuwing, portieren niet gesloten
Als een van de portieren, de motorkap1 of de
achterklep niet goed afgesloten is, gaat het
informatie- of waarschuwingslampje branden
en verschijnt er een verklarende melding op
het instrumentenpaneel. Breng de auto op een
veilige plaats tot stilstand en sluit het portier,
de achterklep of de motorkap dat/die open is.
03
Als de auto met een snelheid van maximaal 7 km/h rijdt, gaat het informatielampje
branden.
Als de auto met een snelheid van maximaal 7 km/h rijdt, gaat het waarschuwingslampje branden.
Actie:
1. Stop op een veilige plek. Rijd niet verder
met de auto.
2. Lees de informatie op het informatiedisplay. Voer de handeling uit die de mel-
1 Alleen
auto’s met alarm*
63
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
Dagteller
Klok
Knop voor dagtellers en klok
03
2
G021123
1
Dagtellers en bijbehorende knop
De dagtellers worden gebruikt om korte
afstanden te meten.
Display voor dagtellers
Knop om te wisselen tussen de dagtellers
T1 en T2 alsook de dagtellers op nul te
stellen.
De dagtellers worden gebruikt om korte
afstanden te meten. Door kort op
te drukken, kunt u van dagteller T1 en T2 wisselen.
Als u de knop lang indrukt (meer dan
2 seconden), stelt u de geactiveerde dagteller
op nul. De afgelegde afstand staat op het
display
.
64
1
2
1
Klok en instelknop
Knop om de klok in te stellen.
Informatiedisplay voor de tijdaanduiding.
Draai de knop
rechts- of linksom om de tijd
in te stellen. De ingestelde tijd verschijnt op
het informatiedisplay
.
Bij de weergave van een melding kan de
tijdsaanduiding korte tijd worden vervangen
door een symbool (zie pagina 107).
G016141
0
1
G021125
0
Positie van de knop
03 Bestuurdersmilieu
Contactslotstanden
Zie pagina 120 voor informatie over de functie
van het audiosysteem bij een uitgenomen
transpondersleutel.
Functies
G021126
BELANGRIJK
Contactslot met transpondersleutel, knop
START/STOP
Vreemde voorwerpen in het contactslot
kunnen tot functiestoringen leiden of schade aan het slot toebrengen.
De transpondersleutel niet verkeerd om
insteken!
Pak de sleutel beet aan het uiteinde met het
sleutelblad. Zie pagina 42.
Contactslotstand 0
Steek de transpondersleutel in het contactslot.
Transpondersleutel aanbrengen en
verwijderen
U brengt de transpondersleutel in het contactslot aan. Bij licht indrukken van de transpondersleutel wordt deze verder naar binnen
getrokken.
Verwijder de transpondersleutel door er lichte
druk op uit te oefenen. De sleutel komt dan
naar buiten, waarna u deze kunt uitnemen.
Een automatische versnellingsbak* moet
daarbij in stand P staan.
Contactslotstand I
Motor afzetten
Druk op de knop START/STOP. (Als de motor
loopt en auto rolt, moet u de knop ingedrukt
houden totdat de motor afslaat.)
Contactslotstand 0 hervatten
Druk op de knop START/STOP om vanuit
stand I, II of III terug te gaan naar
contactslotstand 0.
N.B.
Sleep de auto met het contactslot in stand II,
zodat u de verlichting kunt inschakelen.
Stand
Het is alleen mogelijk het contactslot in
stand I of II te zetten, wanneer u het rem- of
koppelingspedaal niet bedient.
Contactslotstand II
Duw de transpondersleutel in het contactslot
en druk ca. 2 seconden op de knop START/
STOP.
Functie
0
Kilometerteller, klok en temperatuurmeter worden verlicht. Het
stuurslot is opgeheven. Het audiosysteem is te gebruiken.
I
Schuifdak, elektrisch bedienbare
zijruiten, telefoon, interieurventilator, ECC en ruitenwissers zijn te
gebruiken.
II
De koplampen worden ontstoken.
Waarschuwings-/controlelampjes
branden 5 seconden lang. Alle uitrusting werkt, behalve de elektrische verwarming van de stoel en
die van de achterruit die pas werken wanneer de motor loopt.
Duw de transpondersleutel in het contactslot
en druk op de knop START/STOP.
N.B.
03
Motor starten III
Zie pagina 88 voor het starten van de motor.
65
03 Bestuurdersmilieu
Stoelen en achterbank
Voorstoelen
Elektrisch bedienbare stoel*
WAARSCHUWING
Stel de stand van de bestuurdersstoel in
voordat u gaat rijden. Doe dit nooit tijdens
het rijden. Controleer of de stoel in zijn
stand vergrendeld staat.
03
1
2
3
Rugleuning voorstoel omklappen
1
4
6
Lendensteun wijzigen, aan de knop
draaien1.
Vooruit/achteruit, de hendel omhoogtillen
om de juiste afstand tot het stuurwiel en
de pedalen in te stellen. Controleer of de
stoel na het afstellen in de nieuwe stand
geblokkeerd staat.
Voorkant zitting hoger/lager zetten,
omhoog-/omlaagpompen.
Hellingshoek rugleuning wijzigen, aan de
knop draaien.
Stoel hoger/lager zetten, omhoog-/
omlaagpompen.
Bedieningspaneel voor elektrisch bedienbare stoel*.
1
66
Geldt ook voor een elektrisch bedienbare
stoel.
G021133
5
Voorkant zitting omhoog/omlaag
2
3
1
Stoel vooruit/achteruit en omhoog/omlaag
3
Hellingshoek rugleuning
G021129
3
G021127
2
De rugleuning van de passagiersstoel kan
worden omgeklapt om ruimte te maken voor
lange lading.
Zet de stoel zo ver mogelijk naar achteren
en omlaag.
Zet de rugleuning rechtop.
Trek de pallen aan de achterzijde van de
rugleuning omhoog tijdens het omklappen.
Duw de stoel zo ver naar voren dat de hoofdsteun onder het dashboardkastje “vast” komt
te zitten.
De elektrisch bedienbare stoelen zijn voorzien
van een beveiliging tegen overbelasting, die
geactiveerd wordt als een van de stoelen door
een obstakel wordt geblokkeerd. Als dit het
geval is, moet u het contact uitschakelen en
enige tijd wachten voordat u de stoel opnieuw
probeert te verstellen.
Er kan maar een elektromotor tegelijk gebruikt
worden.
03 Bestuurdersmilieu
Stoelen en achterbank
Voorbereidingen
Tot enige tijd nadat u het portier met de transpondersleutel hebt ontgrendeld blijft het
mogelijk de stoel te verstellen, ook al steekt er
geen sleutel in het contactslot. U stelt de stoel
normaal gesproken in, als het contact is ingeschakeld. Wanneer de motor loopt, is dat altijd
mogelijk.
de buitenspiegels tot stilstand komen. Bij het
loslaten van de knop zal de instelling van de
stoel onmiddellijk worden beëindigd.
Geheugen* van transpondersleutel
De stand van de bestuurdersstoel en de buitenspiegels wordt vastgelegd, wanneer u de
auto met de transpondersleutel vergrendelt.
Stoel met geheugenfunctie*
2
3
U kunt het sleutelgeheugen activeren/deactiveren onder Autosleutelgeheugen
Pos.
stoelen en spiegels. Zie pagina 104 voor een
beschrijving van het menusysteem.
03
N.B.
4
Het geheugen van de twee transpondersleutels en dat van de stoel werken volledig
onafhankelijk van elkaar.
G021134
G014387
1
U kunt de standen in het sleutelgeheugen ook
activeren door (terwijl het bestuurdersportier
openstaat) de ontgrendelingstoets op de
transpondersleutel te bedienen.
Instelling vastleggen
1. Stel de stoel en de buitenspiegels in.
2. Houd de knop
ingedrukt en druk
ondertussen op knop
,
of
.
Stoel in vastgelegde stand zetten
Druk op een van de
geheugenknoppen
-
Een volgende keer dat de auto met dezelfde
transpondersleutel wordt ontgrendeld, nemen
de bestuurdersstoel en de buitenspiegels de in
het sleutelgeheugen vastgelegde standen in.
N.B.
De bestuurdersstoel en de buitenspiegels
worden niet verzet, als ze al in de opgeslagen stand staan.
, totdat de stoel en
67
03 Bestuurdersmilieu
Stoelen en achterbank
03
Noodstop
Achterbank
Als de stoel per ongeluk in beweging komt,
kunt u op een van de knoppen drukken om de
stoel tot stilstand te brengen.
Middelste hoofdsteun achterbank
Buitenste hoofdsteunen achterbank
handmatig omklappen
Om de stoel dan opnieuw in de in het sleutelgeheugen vastgelegde stand te zetten dient
u de ontgrendelingstoets op de transpondersleutel te bedienen. Het bestuurdersportier
dient daarbij open te staan.
Elektrische verwarming/ventilatie stoel*
Zie pagina 112.
68
G017624
G018760
WAARSCHUWING
Beknellingsgevaar! Laat kinderen niet met
de schakelaars spelen. Zorg dat er geen
voorwerpen voor, achter of onder de stoel
liggen tijdens het verstellen. Zorg er tevens
voor dat geen van de passagiers op de achterbank bekneld kan raken.
Stem de hoofdsteun in de hoogte af op de
lengte van de passagier. Zorg dat de bovenkant van de hoofdsteun halverwege de achterkant van het hoofd komt te zitten. Trek de
hoofdsteun zo ver omhoog als nodig is. Als
u de hoofdsteun lager wilt zetten, moet u de
knop (in het midden tussen het ruggedeelte en
de hoofdsteun, zie afbeelding) indrukken terwijl u de hoofdsteun omlaagduwt.
Trek aan de pal bij de hoofdsteun om de
hoofdsteun om te klappen.
Zet de hoofdsteun na afloop handmatig
rechtop totdat deze hoorbaar vastklikt.
03 Bestuurdersmilieu
Stoelen en achterbank
• Het middelste ruggedeelte is eveneens
apart neer te klappen.
• Het rechter ruggedeelte kan samen met het
middelste ruggedeelte worden neergeklapt.
• Alle ruggedeelten zijn ook tegelijkertijd neer
te klappen.
Ruggedeelte achterbank omklappen
747
1
A
2
903
De drie ruggedeelten van de achterbank zijn
op verschillende manieren neer te klappen om
het u makkelijk te maken lange voorwerpen te
vervoeren.
N.B.
• Het linker ruggedeelte kan apart worden
neergeklapt.
03
Trek de blokkeerhandgreep
van het
ruggedeelte omhoog en klap het ruggedeelte om. Een rode markering bij de
blokkeerhandgreep
geeft aan dat het
ruggedeelte niet langer geblokkeerd staat.
B
Zet de voorstoelen zo nodig naar voren en/
of de rugleuningen ervan rechtop, zodat u
de ruggedeelten van de achterbank helemaal kunt neerklappen.
Bij het omklappen van het middelste ruggedeelte dient u de middelste hoofdsteun
vrij te geven en omlaag te zetten. De
buitenste hoofdsteunen worden automatisch neergeklapt, wanneer u de buitenste
ruggedeelten omklapt.
Houd voor het rechtop zetten de omgekeerde
volgorde aan.
N.B.
De rode markering mag niet langer zichtbaar zijn, wanneer het ruggedeelte weer
rechtop staat. Het ruggedeelte staat niet
geblokkeerd, als de rode markering wel
zichtbaar is.
WAARSCHUWING
Controleer of de ruggedeelten en hoofdsteunen van de achterbank na het rechtop
zetten goed vergrendeld staan.
69
03 Bestuurdersmilieu
Stuurwiel
Instellen
Claxon
WAARSCHUWING
Stel het stuurwiel af voordat u gaat rijden en
controleer of het in de gekozen stand vergrendeld staat.
Bij auto’s met snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging* is de kracht die nodig is om het
stuur te verdraaien in te stellen (zie pagina 134).
03
2
G021138
1
G021140
Toetsensets*
Stuurwiel afstellen
1
2
Claxon
U kunt het stuurwiel zowel in de hoogte als in
de diepte verstellen.
Druk op het midden van het stuurwiel om te
claxonneren.
Ontgrendelingshendel, stuurwielafstelling
1. Trek de hendel naar u toe om het stuur vrij
te geven.
2. Zet het stuurwiel vervolgens in de
gewenste stand.
3. Duw de hendel vervolgens terug om het
stuurwiel in de nieuwe stand te blokkeren. Als dit moeite kost, kunt u lichtjes op
het stuurwiel drukken en tegelijkertijd de
hendel terugduwen.
70
G021139
Mogelijke stuurwielstanden
Toetsensets op stuurwiel
Cruisecontrol (zie pagina 135)
Adaptieve cruisecontrol (zie pagina 136)
Bedieningstoetsen audio- en telefoonsysteem (zie pagina 120)
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
Bedieningspaneel verlichting
Ook de sterkte waarmee het instrumentenpaneel verlicht wordt stelt u in met het duimwiel.
3
Koplamphoogteregeling
1
2
4
5
G021141
Door de belading van de auto wordt de
hoogte van de koplampen gewijzigd, zodat u
tegemoetkomend verkeer mogelijk verblindt.
U kunt dat voorkomen door de koplamphoogte bij te stellen. Stel de koplampen lager
af als de auto zwaar beladen is.
Overzicht bedieningspaneel verlichting
Duimwiel voor het afstellen van de verlichting van het display en het
instrumentenpaneel
Mistachterlicht
Mistlampen vóór*
03
1. Zorg dat de motor loopt of zet het contactslot in stand I.
2. Draai het duimwiel omhoog of omlaag
om de koplampen hoger of lager af te
stellen.
Auto’s met Bi-Xenonkoplampen en actieve
Bi-Xenonkoplampen* zijn uitgerust met automatische koplamphoogteregeling, zodat het
duimwiel ontbreekt.
Bedieningspaneel verlichting
Duimwiel voor koplamphoogteregeling
Instrumentenverlichting
Afhankelijk van de stand van het contactslot
worden bepaalde displays en instrumenten
verlicht.
De displayverlichting wordt bij donker automatisch gedimd. De gevoeligheidsgraad van
deze functie is in te stellen met het duimwiel.
71
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
Groot licht/dimlicht
Grootlichtsignalen
Actieve Bi-Xenonkoplampen*
Duw de stuurhendel naar het stuurwiel toe in
stand
. Het groot licht blijft vervolgens
branden, totdat u de hendel weer loslaat.
1
G021142
2
Verlichtingsdraaiknop en stuurhendel
Stand
0
Betekenis
Automatisch*/uitgeschakeld dimlicht. Alleen grootlichtsignalen.
Stadslichten vóór en achterlichten
Automatisch dimlicht. In deze
stand werken het groot licht en de
grootlichtsignalen.
Als de verlichtingsdraaiknop in stand 0
staat, gaat bij het starten van de motor het
dimlicht automatisch* branden. U kunt het
automatische dimlicht zo nodig in een
erkende Volvo-werkplaats buiten werking
laten stellen.
In stand
is het dimlicht altijd automatisch ingeschakeld wanneer de motor loopt of
het contact in stand II staat.
Groot licht
Het groot licht is alleen te ontsteken met de
verlichtingsdraaiknop in stand
. Schakel
het groot licht in of uit door de stuurhendel tot
in de eindstand
naar het stuurwiel te
halen en vervolgens los te laten.
Wanneer het groot licht ontstoken is, brandt
N.B.
Het groot licht is alleen te activeren in
.
stand
het lampje
op het instrumentenpaneel.
G021143
Dimlicht
03
Lichtbundel bij gedeactiveerde (links) en geactiveerde (rechts) functie
Als de auto is uitgerust met actieve koplampen (Active Bi-Xenon Lights, ABL) draaien de
lichtbundels van de koplampen mee om optimale verlichting te verkrijgen in bochten en op
kruisingen om op die manier de veiligheid te
verhogen.
De functie wordt automatisch ingeschakeld bij
het starten van de motor. De knop
op
de middenconsole brandt, wanneer de functie actief is. Bij een storing knippert de knop.
De functie is uitsluitend actief bij schemer of
donker en dan alleen als de auto rijdt.
De functie is te deactiveren/activeren met de
knop.
72
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
Stadslichten/parkeerlichten vóór en
achterlichten
Remlichten
Mistlampen vóór*
De remlichten gaan automatisch branden
wanneer u remt.
Noodremlichten en automatische
alarmlichten, EBL
03
Verlichtingsdraaiknop in stand voor stads-/
parkeerlichten vóór en achterlichten.
Draai de verlichtingsdraaiknop naar de middelste stand (ook de kentekenplaatverlichting
gaat branden).
Om het achteropkomende verkeer te waarschuwen worden de achterlichten ook bij het
openen van de achterklep automatisch ingeschakeld.
Het systeem wordt geactiveerd als het ABS
meer dan 0,5 seconden achtereen actief is of
bij krachtig afremmen, maar alleen tijdens het
afremmen bij snelheden hoger dan 50 km/h.
Wanneer de snelheid van de auto tot onder de
30 km/h is gedaald, branden de remlichten
weer op de normale manier en worden de
alarmlichten automatisch ingeschakeld. De
alarmlichten blijven knipperen totdat u weer
wegrijdt, maar zijn uit te schakelen met de
knop voor de alarmlichten.
G021145
G021144
Bij krachtig remmen of ABS-regeling worden
de noodremlichten (EBL) geactiveerd. Dit
houdt in dat de remlichten knipperen om het
achteropkomend verkeer onmiddellijk te
waarschuwen.
Knop voor mistlampen voorzijde
De mistlampen vóór zijn in te schakelen in
combinatie met het groot licht/dimlicht of de
stadslichten/parkeerlichten vóór en de achterlichten.
Druk op de toets voor in- en uitschakeling.
Het lampje in de knop brandt, wanneer de
mistlampen aan de voorzijde branden.
N.B.
De regels voor het gebruik van de mistlampen vóór verschillen van land tot land.
73
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
Mistachterlicht
Richtingaanwijzers/knipperlichten
N.B.
De regels voor het gebruik van het mistachterlicht verschillen van land tot land.
2
1
Alarmlichten
03
1
Richtingaanwijzers/knipperlichten
Het mistachterlicht dat uit een lamp aan de
achterzijde van de auto bestaat, is alleen in te
schakelen wanneer u het groot licht/dimlicht
voert al dan niet gecombineerd met de mistlampen aan de voorzijde.
Onafgebroken serie knippersignalen
Het controlelampje voor het
mistachterlicht
op het instrumentenpaneel en het lampje in de knop branden, wanneer het mistachterlicht is ingeschakeld.
Het mistachterlicht dooft automatisch bij het
starten van de auto.
G021147
Knop voor mistachterlicht
Druk op de toets voor in- en uitschakeling.
Het lampje in de knop brandt, wanneer het
mistachterlicht brandt.
74
G021148
G021146
2
Alarmlichten
Druk op de knop om de alarmlichten te activeren. Beide richtingaanwijzerlampjes op het
instrumentenpaneel knipperen bij gebruik van
de alarmlichten.
Als de auto dermate hard wordt afgeremd dat
de noodremlichten (EBL) in werking treden,
worden zodra de snelheid van de auto tot
onder de 30 km/h is gedaald automatisch de
alarmlichten ingeschakeld. Ook nadat de auto
tot stilstand is gekomen blijven de alarmlichten knipperen. Wanneer u weer wegrijdt worden ze automatisch uitgeschakeld. U kunt ook
op de knop voor de alarmlichten drukken.
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag naar
stand
.
De hendel blijft in deze stand staan en kan
handmatig in de uitgangspositie teruggezet
worden of veert automatisch terug bij het
terugdraaien van het stuurwiel.
Korte serie knippersignalen
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag naar
stand
en laat de hendel vervolgens los.
De richtingaanwijzers lichten driemaal op.
Richtingaanwijzerlampjes
Zie pagina 60.
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
Verlichting in interieur
• Aan – linkerkant ingedrukt, interieurverlichting brandt.
Plafondverlichting voorin
Automatische interieurverlichting
1
Plafondverlichting achterin
De interieurverlichting wordt automatisch inen uitgeschakeld wanneer de knop voor de
interieurverlichting in de neutrale stand staat.
2
03
De verlichting wordt ingeschakeld en blijft
30 seconden lang branden, als:
3
G021149
• u de motor hebt afgezet en het contactslot
in stand 0 staat.
Knoppen voor leeslampjes en plafondverlichting
voorin
Leeslampje linkerzijde
Leeslampje rechterzijde
Interieurverlichting
De leeslampjes voorin kunnen worden
bediend met de knoppen
en
op de plafondconsole.
Met de knop voor de interieurverlichting kunt
u drie verlichtingsstanden selecteren voor
algemene verlichting in het interieur:
De verlichting dooft, wanneer:
• u de motor start;
• u de auto van de buitenzijde vergrendelt.
De verlichting gaat aan en blijft twee minuten
lang branden, als een van de portieren openstaat.
De interieurverlichting kan binnen 30 minuten
nadat u de auto hebt ontgrendeld handmatig
in- of uitgeschakeld worden.
Als u de verlichting handmatig inschakelt en
de auto daarna vergrendelt, zal de verlichting
één minuut later automatisch worden uitgeschakeld.
G021150
• u de auto vanaf de buitenzijde met de
sleutel of afstandsbediening ontgrendelt;
Plafondverlichting achterin
U kunt de lampjes in- en uitschakelen met een
druk op de bijbehorende knop.
Instapverlichting
Bij het openen en sluiten van een van de voorportieren wordt de instapverlichting aan
dezelfde kant automatisch in- c.q. uitgeschakeld.
Verlichting dashboardkastje
De verlichting van het dashboardkastje wordt
automatisch in- c.q. uitgeschakeld bij het openen en sluiten van de klep.
• Uit – rechterkant ingedrukt, automatische
interieurverlichting gedeactiveerd.
• Neutrale stand – automatische verlichting
geactiveerd.
75
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
Approach-verlichting
Het is mogelijk om een deel van de buitenverlichting enige tijd ingeschakeld te houden en
als Follow-Me-Home-verlichting dienst te
laten doen na vergrendeling van de auto.
U activeert de Approach-verlichting met de
transpondersleutel (zie pagina 39) om de verlichting van de auto op afstand in te schakelen.
1. Neem de transpondersleutel uit het contactslot.
2. Haal de linker stuurhendel tot in de eindstand naar het stuurwiel toe en laat de
hendel los. De functie is op dezelfde
manier te activeren als de grootlichtsignalen (zie pagina 72).
3. Stap uit de auto en vergrendel het portier.
Wanneer de functie wordt geactiveerd, gaan
de dimlichten, de parkeerlichten, de richtingaanwijzers, de verlichting van de buitenspiegels, de kentekenplaatverlichting, de plafondlampjes in het interieur en de instapverlichting
branden.
Lichtbundel aanpassen
Wanneer de functie via de transpondersleutel
wordt geactiveerd, gaan de parkeerlichten, de
richtingaanwijzers, de verlichting van de buitenspiegels, de kentekenplaatverlichting, de
plafondlampjes in het interieur en de instapverlichting branden.
De inschakelduur van de Approach-verlichting
is in te stellen onder Instellingen van de auto
Lichtinstellingen
Duur naderingslicht. Zie pagina 104 voor een beschrijving
van het menusysteem.
G021151
03
Follow-Me-Home-verlichting
Lichtbundel linksrijdend verkeer
G021152
De inschakelduur van de Follow-Me-Homeverlichting is in te stellen onder Instellingen
van de auto
Lichtinstellingen
Duur
opritverlichting. Zie pagina 104 voor een
beschrijving van het menusysteem.
Lichtbundel rechtsrijdend verkeer
Om verblinding van tegenliggers te voorkomen dient u de lichtbundel van de koplampen
aan te passen voor links- en rechtsrijdend ver-
76
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
keer. Bij de juiste lichtbundel wordt ook de
berm beter verlicht.
Voorbeeld 1
Om met een in Zweden geleverde auto in
Engeland te kunnen rijden dient de lichtbundel
van de koplampen te worden ingesteld op de
aangepaste stand (zie afbeelding).
Bi-Xenon- en actieve
Bi-Xenonkoplampen*
Voorbeeld 2
Een in Engeland geleverde auto is bestemd
voor linksrijdend verkeer en daarom kunt u de
lichtbundel van de koplampen in de normale
stand (zie afbeelding) laten staan.
3. Breng de zelfklevende mallen dusdanig
aan dat de rode stippen op de mallen
overeenkomen met de stippen op de
koplampglazen die als referentiepunten
dienen (zie pagina 78).
03
A
Halogeenkoplampen
G019442
B
Hendel voor aanpassing lichtbundel
Normale stand – de juiste lichtbundel voor
het land waarin de auto werd afgeleverd.
Aangepaste stand – stand voor de tegenovergestelde lichtbundel.
WAARSCHUWING
Omdat de xenonkoplampen voorzien zijn
van een ontstekingsgedeelte dat een hoge
spanning opwekt, moet u er voorzichtig
mee omgaan.
Het land waarin de auto werd afgeleverd
bepaalt of stand
de juiste is voor links- of
rechtsrijdend verkeer.
Bij halogeenkoplampen past u de lichtbundel
aan door bepaalde delen van het koplampglas
af te plakken. De sterkte van de lichtbundel
neemt daardoor iets af.
Koplampen afplakken
1. Trek de mallen A en B over voor een auto
met het stuur links of de mallen C en D voor
een auto met het stuur rechts in een schaal
van 1:2 (zie pagina 79 voor de mallen).
Gebruik bijvoorbeeld een kopieerapparaat
met vergrotingsfunctie:
• A = auto met het stuur links, rechts
• B = auto met het stuur links, links
• C = auto met het stuur rechts, rechts
• D = auto met het stuur rechts, links
2. Breng de mallen over op een stuk zelfklevend en watervast materiaal en knip ze
uit. Breng ook de rode stippen aan.
77
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
Halogeenkoplampen afplakken
03
Afgeplakte gebieden bij auto met stuur links
Afgeplakte gebieden bij auto met stuur rechts
78
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
Afplakmallen halogeenkoplampen
A
03
B
D
G021155
C
79
03 Bestuurdersmilieu
Wissers en -sproeiers
Ruitenwissers
Ononderbroken wissen
De wissers bewegen op normale
snelheid.
De wissers bewegen op hoge snelheid.
0
Om de regensensor te activeren dient de
motor te lopen of het contactslot in stand I of
II te staan en de ruitenwisserhendel in stand 0.
Activeer de regensensor door op de
knop
te drukken. De ruitenwissers
maken een slag.
03
INT
BELANGRIJK
2
G018663
1
Ruitenwissers en -sproeiers
Regensensor aan/uit
Duimwiel gevoeligheid regensensor/snelheid ruitenwissers
Ruitenwissers uitgeschakeld
0
Haal de hendel naar stand 0 om de
ruitenwissers uit te schakelen.
Controleer alvorens de ruitenwissers tijdens
de winter in te schakelen of de wisserbladen niet zijn vastgevroren en de voorruit
(alsmede de achterruit) sneeuw- en ijsvrij
zijn.
BELANGRIJK
Spuit een ruime hoeveelheid ruitensproeiervloeistof op de voorruit, wanneer de ruitenwissers werken. De voorruit moet nat zijn bij
gebruik van de ruitenwissers.
Enkele slag
Regensensor*
Haal de hendel omhoog en laat
deze los om de wissers een enkele
slag te laten maken.
De regensensor registreert de hoeveelheid
regen op de voorruit en schakelt automatisch
de ruitenwissers op de voorruit in. De gevoeligheid van de regensensor is in te stellen met
het duimwiel.
Intervalstand
Met het duimwiel kunt u het aantal
wisslagen per eenheid van tijd instellen wanneer u de intervalstand hebt
geselecteerd.
INT
80
Activeren en gevoeligheid instellen
Wanneer de regensensor actief is, brandt het
lampje in de bijbehorende knop en verschijnt
het regensensorsymbool
op het rechter
display van het instrumentenpaneel.
Als u de hendel omhooghaalt, maken de ruitenwissers een extra slag.
Draai het duimwiel omhoog voor een grotere
gevoeligheid en omlaag voor een lagere
gevoeligheid (de wissers maken een extra
slag, als u het duimwiel omhoog draait).
Deactiveren
Schakel de regensensor uit met een druk op
de knop
of haal de hendel omlaag naar
een ander wisprogramma.
De regensensor wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u de sleutel uit het contactslot
neemt of vijf minuten nadat u de auto van het
contact hebt gezet.
BELANGRIJK
De ruitenwissers op de voorruit kunnen in
een automatische wasstraat spontaan inschakelen en daarbij beschadigd raken.
Schakel de regensensor uit terwijl de motor
loopt of als het contactslot in stand I of II
staat. Het lampje op het instrumentenpaneel en dat in de knop doven.
03 Bestuurdersmilieu
Wissers en -sproeiers
Koplamp- en ruitensproeiers
Verwarmde sproeikoppen*
Ruitenwisser achterklep, achteruitrijden
De sproeikoppen worden bij vorst automatisch
verwarmd om te voorkomen dat de ruitensproeiervloeistof bevriest.
Als u de auto in de achteruitversnelling zet terwijl de voorste ruitenwissers actief zijn, zal de
ruitenwisser op de achterklep de intervalstand1 innemen. Bij het inschakelen van een
andere versnelling valt de ruitenwisser op de
achterklep stil.
Hogedruksproeiers koplampen*
G019401
De hogedruksproeiers van de koplampen verbruiken een grote hoeveelheid sproeiervloeistof. Om vloeistof te besparen, worden de
koplampen alleen iedere vijfde keer dat u de
voorruitsproeiers activeert gesproeid.
N.B.
Ruitenwisser en sproeier achterklep
Bij auto’s met een geactiveerde regensensor wordt de ruitenwisser op de achterklep
automatisch geactiveerd, als u in de regen
achteruitrijdt.
Sproeierfunctie
1
Ruitensproeiers voorruit
U activeert de sproeiers van de voorruit en de
koplampen door de hendel naar het stuurwiel
toe te trekken.
N.B.
De koplampen worden om de beurt
gesproeid.
2
G017632
Nadat u de hendel hebt losgelaten maken de
ruitenwissers op de voorruit nog enkele slagen. De koplampen worden om de beurt
gesproeid om te voorkomen dat de sterkte
van de verlichting afneemt.
03
Als de ruitenwisser op de achterklep echter al
op continue snelheid werkt, vindt er geen wijziging plaats.
Wanneer u de hendel naar voren haalt
(zie bovenstaande pijl), activeert u de ruitenwisser/-sproeier van de achterklep. De knop
aan het uiteinde van de hendel kent twee
mogelijke standen:
Ruitenwisser achterklep – intervalstand
Ruitenwisser achterklep – continu wissen
1
Deze intervalfunctie tijdens het achteruitrijden
kunt u desgewenst uitschakelen. Bezoek een
erkende Volvo-werkplaats.
81
03 Bestuurdersmilieu
Ruiten en spiegels
Algemene informatie
Gelaagd glas
03
Elektrisch bedienbare ruiten
1
2
WAARSCHUWING
3
Als er kinderen in de auto zitten: let er bij het
verlaten van de auto op dat u de stroomtoevoer naar de elektrisch bedienbare zijruiten
verbreekt door de transpondersleutel uit te
nemen.
Het glas is verstevigd voor een verbeterde inbraakbeveiliging en geluidsisolatie van het interieur. Alle ruiten
zijn gemaakt van gelaagd glas*.
De ruiten zijn voorzien van een speciale laag die bij hevige regenval voor
een beter zicht zorgt. Zie pagina 217 voor het
onderhoud.
BELANGRIJK
Gebruik geen ijskrabber van metaal om de
ruiten van ijs te ontdoen. Gebruik de elektrische verwarming om de buitenspiegels van
ijs te ontdoen. Een ijskrabber kan krassen in
het spiegelglas maken!
G018516
Water- en vuilafstotende laag*
Bedieningspaneel op bestuurdersportier
Elektrisch kinderslot op achterportieren*
en achterste zijruiten (zie pagina 31).
Bedieningsknoppen achterste zijruiten
Bedieningsknoppen voorste zijruiten
WAARSCHUWING
Zorg ervoor dat achterpassagiers niet met
hun handen bekneld raken, wanneer u de
zijruiten vanaf het bestuurdersportier sluit.
WAARSCHUWING
Zorg er bij het sluiten van de zijruiten voor
dat kinderen of andere inzittenden niet met
hun handen bekneld raken. Dit geldt ook als
u gebruik maakt van de transpondersleutel.
82
03 Bestuurdersmilieu
Ruiten en spiegels
Bediening
2
1
2
G018517
1
Bedieningsknoppen elektrisch bedienbare zijruiten
Handmatige bediening
Automatische bediening
Vanaf het bedieningspaneel op het bestuurdersportier kunt u alle ruiten tegelijk bedienen.
Vanaf het bedieningspaneel op een van de
overige portieren kunt u alleen de zijruit in dat
portier bedienen. De zijruiten zijn alleen te
bedienen vanaf één bedieningspaneel tegelijk.
Om de elektrisch bedienbare ruiten te kunnen
gebruiken moet de auto in contactslotstand I
of II staan. Ook als u na het afzetten van de
motor de transpondersleutel hebt verwijderd,
hebt u nog enkele minuten lang de tijd om de
ruiten te bedienen. Na het openen van een
portier is dat echter niet meer mogelijk.
De ruiten komen tot stilstand en worden geopend, als ze tijdens het sluiten in hun beweging worden gehinderd. Wanneer de zijruiten
door ijsvorming bijvoorbeeld tweemaal achtereen niet konden worden gesloten, is het
mogelijk de beveiliging tegen overbelasting tijdelijk op te heffen. U doet dat door de bedieningsknop voor de bewuste zijruit omhoog te
trekken en in deze stand vast te houden, totdat de zijruit dicht is. De beveiliging tegen
overbelasting wordt enige tijd later opnieuw
geactiveerd.
Handmatige bediening
Trek voorzichtig een van de bedieningsknoppen omhoog of duw er een omlaag. De elektrisch bedienbare zijruiten komen steeds verder omhoog of omlaag zolang u de
bedieningsknop bedient.
nogmaals op de vergrendelingsknop om het
openen/sluiten te onderbreken.
Resetten
Als de accu losgekoppeld is geweest, werkt
de automatische openingsfunctie pas weer
naar behoren wanneer u deze hebt gereset.
03
1. Trek de knop aan de voorkant omhoog om
de ruit helemaal te sluiten en houd de knop
een seconde in deze stand vast.
2. Laat de knop korte tijd los.
3. Trek de voorkant van de knop opnieuw
een seconde omhoog.
WAARSCHUWING
De beveiliging tegen overbelasting werkt
alleen als de automatische openingsfunctie
voor zijruiten gereset is.
Automatische bediening
Trek een van de bedieningsknoppen omhoog
of duw er een omlaag en laat deze vervolgens
los. De bijbehorende zijruit gaat automatisch
volledig open of dicht.
Afstandbediening en knoppen centrale
vergrendeling
Met de afstandsbediening of de knoppen voor
de centrale vergrendeling kunt u alle zijruiten
automatisch openen en sluiten:
Houd de vergrendelingsknop ingedrukt totdat
de zijruiten worden geopend of gesloten. Druk
83
03 Bestuurdersmilieu
Ruiten en spiegels
1. Druk tegelijkertijd op de knoppen L en R.
Buitenspiegels
2. Laat ze na ongeveer een seconde los. De
spiegels stoppen automatisch, als ze volledig zijn ingeklapt.
Klap de spiegels weer uit door tegelijkertijd op
de knoppen L en R te drukken. De spiegels
stoppen automatisch, als ze volledig zijn uitgeklapt.
03
G018518
Stand vastleggen*
Bedieningsknoppen buitenspiegels
Instellen
1. Druk op knop L voor de buitenspiegel links
of op R voor de buitenspiegel rechts. Het
lampje in de knop brandt.
2. U kunt de stand afstellen met het hendeltje in het midden.
3. Druk opnieuw op knop L of R. Het lampje
mag niet langer branden.
WAARSCHUWING
De spiegels zijn groothoekig voor optimaal
zicht. Voorwerpen kunnen verder weg lijken
dan ze in werkelijkheid zijn.
Elektrisch inklapbare buitenspiegels*
U kunt de buitenspiegels inklappen bij het parkeren en als u op smalle wegen rijdt.
84
De stand van de buitenspiegels en de
bestuurdersstoel worden vastgelegd, wanneer
u de auto met de transpondersleutel vergrendelt. Een volgende keer dat de auto met
dezelfde transpondersleutel wordt ontgrendeld en het bestuurdersportier wordt geopend, nemen de buitenspiegels en de
bestuurdersstoel de vastgelegde standen in.
U kunt deze functie activeren/deactiveren
onder Autosleutelgeheugen
Pos. stoelen
en spiegels. Zie pagina 104 voor een
beschrijving van het menusysteem.
Buitenspiegel kantelen bij parkeren*
De buitenspiegels kunnen omlaaggekanteld
worden, zodat de bestuurder bijvoorbeeld tijdens het parkeren de kant van de weg te kan
zien. Schakel de achteruitversnelling in en
druk op de knop L of R. De gekantelde buitenspiegel neemt de oorspronkelijk stand weer in
bij het inschakelen van een andere versnelling.
Automatische inklapfunctie bij
vergrendelen*
Wanneer u de auto vanaf de transpondersleutel vergrendelt/ontgrendelt worden de buitenspiegels automatisch in- of uitgeklapt.
U kunt deze functie activeren/deactiveren
onder Instellingen van de auto
Spiegels
in bij vegrend.. Zie pagina 104 voor een
beschrijving van het menusysteem.
In neutrale stand terugzetten*
Spiegels die uit positie zijn geraakt door
invloeden van buitenaf, moeten met behulp
van de bedieningsknoppen in de neutrale
stand worden teruggezet zodat het elektrisch
in- en uitklappen weer werkt.
• Klap de spiegels in met de knoppen L en R.
• Klap de spiegels weer uit met de knoppen
L en R.
De spiegels staan daarmee weer in de neutrale stand.
Approach-verlichting en
Follow-Me-Home-verlichting
De lampjes op de buitenspiegels gaan branden, als u de Approach-verlichting of de
Follow-Me-Home-verlichting selecteert
(zie pagina 76).
03 Bestuurdersmilieu
Ruiten en spiegels
Elektrische achterruit- en
buitenspiegelverwarming
Achteruitkijkspiegel
03
G021341
G021342
1
Gebruik de elektrische verwarming om de
achterruit en de buitenspiegels te ontwasemen en te ontdooien.
Met één druk op de knop schakelt u de gelijktijdige verwarming van de achterruit en de buitenspiegels in. Het brandende lampje in de
knop geeft aan dat de functie actief is. De verwarming wordt afhankelijk van de buitentemperatuur na een bepaalde tijd automatisch uitgeschakeld.
De achterruit wordt automatisch ontwasemd/
ontdooid als u de auto start bij een buitentemperatuur lager dan +7 °C.
U kunt voor automatische ontwaseming kiezen onder Klimaatinstellingen
Aut.
defroster achterr.. Kies vervolgens uit Aan of
Uit.
Handmatige dimfunctie
Hendeltje voor dimfunctie
Fel licht van achteren kan hinderlijke reflecties
in de achteruitkijkspiegel veroorzaken en u
verblinden. Zet de spiegel met het hendeltje in
de dimstand, wanneer u de verlichting van het
achteropkomend verkeer als hinderlijk ervaart.
1. Activeer de dimfunctie door het hendeltje
naar u toe te halen.
2. Deactiveer de dimfunctie door het hendeltje naar de voorruit toe te duwen.
Autodimfunctie*
Als het licht dat van achteren in de spiegel valt
te fel is, wordt de achteruitkijkspiegel automatisch gedimd. Het hendeltje is niet aanwezig
op spiegels met autodimfunctie.
85
03 Bestuurdersmilieu
Elektrisch bedienbaar schuifdak*
03
U kunt het schuifdak handmatig openen door
de bedieningsknop achteruit naar het
De bedieningsknoppen voor het schuifdak zitten aan het plafond. U kunt het schuifdak verticaal openkantelen en horizontaal openschuiven. Het schuifdak is alleen te openen in
contactslotstand I of II staat.
weerstandspunt
te trekken. Het schuifdak
schuift steeds verder open zolang u de knop
in deze stand vasthoudt.
Horizontaal openschuiven
U kunt het schuifdak handmatig sluiten door
de bedieningsknop vooruit naar het
2
5
6
Sluiten
weerstandspunt
te duwen. Het schuifdak
schuift steeds verder dicht zolang u de knop in
deze stand vasthoudt.
1
Verticaal openkantelen
G017824
Algemene informatie
3
4
WAARSCHUWING
G017823
Beknellingsgevaar bij het sluiten van het
schuifdak. De beveiliging tegen overbelasting van het schuifdak werkt alleen bij automatisch sluiten, niet bij handmatig sluiten.
Horizontaal openschuiven, achteruit/vooruit
Openen, automatisch
Openen, handmatig
Sluiten, handmatig
Het schuifdak gaat automatisch dicht, wanneer u de knop in stand
gens loslaat.
duwt en vervol-
Wanneer u de transpondersleutel uit het contactslot neemt, wordt de spanning van het
schuifdak verbroken.
Sluiten, automatisch
Openen
Trek de bedieningsknop naar achteren stand in
stand
en laat de knop vervolgens los om
het schuifdak zo ver mogelijk open te schuiven.
86
WAARSCHUWING
Als er kinderen in de auto zitten:
Let er bij het verlaten van de auto op dat
u de stroomtoevoer naar het schuifdak verbreekt door de transpondersleutel uit te
nemen.
Verticaal openkantelen, achterkant omhoogkantelen
Openkantelen: kantel het schuifdak open
door de achterkant van de knop omhoog
te duwen.
Dichtkantelen: kantel het schuifdak dicht
door de achterkant van de knop omlaag te
trekken.
03 Bestuurdersmilieu
Elektrisch bedienbaar schuifdak*
Beveiliging tegen overbelasting
Het schuifdak is voorzien van een beveiliging
tegen overbelasting die wordt geactiveerd, als
het schuifdak door een obstakel wordt gehinderd. Het schuifdak komt dan tot stilstand en
keert vervolgens automatisch terug naar de
laatst gebruikte, geopende stand.
03
G021345
Sluiten met transpondersleutel of knop
voor centrale vergrendeling
Houd de vergrendelingsknop lang ingedrukt
om het schuifdak en alle zijruiten te sluiten.
De portieren en de achterklep worden vergrendeld. Druk nogmaals op de vergrendelingsknop om het sluiten te onderbreken.
WAARSCHUWING
Controleer of niemand met de handen
bekneld raakt wanneer u het schuifdak
vanaf de transpondersleutel sluit.
Zonnescherm
Aan de binnenkant van het schuifdak zit een
handbediend zonnescherm. Het zonnescherm
glijdt automatisch naar achteren bij het openen van het schuifdak. Pak de handgreep vast
en schuif het scherm naar voren om het te
sluiten.
87
03 Bestuurdersmilieu
Motor starten
3. Druk op de knop START/STOP en laat de
knop weer los.
De startmotor blijft maximaal 10 seconden
draaien (60 seconden bij dieselmodellen), totdat de motor is aangeslagen. Als de motor niet
binnen 10 seconden aanslaat, kunt u een
nieuwe startpoging doen door de knop
START/STOP ingedrukt te houden totdat de
motor wel aanslaat.
Benzine- en dieselmotoren
03
N.B.
Tijdens de koude start is het mogelijk dat
het motortoerental merkbaar hoger ligt dan
normaal is voor bepaalde motortypes. Dit
omdat ernaar wordt gestreefd het uitlaatgasreinigingssysteem zo snel mogelijk op
bedrijfstemperatuur te brengen en tegelijkertijd de uitstoot te beperken van stoffen
die schadelijk zijn voor het milieu1.
G021126
WAARSCHUWING
Contactslot met transpondersleutel en start-/
stopknop (zie 65 voor meer informatie).
1. Plaats bij auto’s met een transpondersleutel de transpondersleutel in het contactslot.
Druk licht op de sleutel zodat deze verder
naar binnen wordt getrokken.
BELANGRIJK
De transpondersleutel niet verkeerd om
insteken!
Pak de sleutel beet aan het uiteinde met het
sleutelblad. Zie pagina 42.
1
Met een automaat in stand D of R terwijl de
auto stilstaat is het motortoerental minder hoog,
maar doordat het dan langer duurt voordat het
uitlaatgasreinigingssysteem op temperatuur
komt wordt het milieuvoordeel tenietgedaan.
Neem bij het verlaten van de auto altijd de
transpondersleutel uit het contactslot. Dit
geldt in het bijzonder wanneer er kinderen
in de auto achterblijven.
Keyless drive*
WAARSCHUWING
Neem de transpondersleutel nooit tijdens
het rijden of het slepen uit het contactslot.
U loopt anders het gevaar dat het stuurslot
wordt geactiveerd, waardoor de auto onbestuurbaar wordt.
Neem de transpondersleutel bij een auto
met Keyless drive*-functie nooit tijdens het
rijden of slepen uit het contactslot.
Loop de punten 2–3 door voor benzine- en
dieselmotoren.
N.B.
U kunt de motor alleen starten, wanneer
een van de transpondersleutels bij een auto
met Keyless drive*-functie in de passagiersruimte of de laadruimte ligt.
Stuurslot
2. Houd het koppelingspedaal volledig
ingedrukt 1. Trap bij auto’s met een automatische versnellingsbak op het rempedaal.
1 Als
de auto rolt is het indrukken van de knop
START/STOP voldoende om de motor te
starten.
88
Het stuurslot wordt opgeheven wanneer u de
transpondersleutel in het contactslot2 steekt
2
Bij auto’s met Keyless drive* wordt de eerste
keer dat u op de startknop drukt, het stuurslot
gedeactiveerd. Het stuurslot wordt opnieuw
geactiveerd, wanneer het bestuurdersportier
wordt geopend nadat de motor is afgezet.
03 Bestuurdersmilieu
Motor starten
en opnieuw ingeschakeld wanneer u de transpondersleutel verwijdert.
instructieb. op het display van het instrumentenpaneel.
Wanneer u bij het verlaten van de auto het
stuurslot inschakelt, beperkt u het gevaar voor
diefstal van de auto.
U start de regeneratie van het filter door met
de auto op een secundaire weg of op een
snelweg te rijden tot de motor voldoende op
temperatuur is gekomen. Daarna rijdt u nog
ca. 20 minuten verder.
Roetfilter dieselmotor (DPF)
Dieselmodellen zijn uitgerust met een roetfilter, waardoor een nog efficiëntere uitlaatgasreiniging mogelijk is. Onder normale rijomstandigheden blijven de roetdeeltjes uit de
uitlaatgassen in het filter achter. Om de roetdeeltjes te verbranden en het filter te legen
wordt een zogeheten regeneratie gestart.
Daarvoor moet de motor de normale bedrijfstemperatuur hebben.
Afhankelijk van de rijomstandigheden wordt
het filter om de 300–900 kilometer geregenereerd. De regeneratie duurt normaal 10 tot
20 minuten. Gedurende deze tijd kan het
brandstofverbruik ietwat stijgen.
03
Wanneer het filter geregenereerd is, wordt de
waarschuwingsmelding automatisch gewist.
Gebruik bij koud weer de standverwarming*
zodat de motor sneller op bedrijfstemperatuur
komt.
BELANGRIJK
Als het filter helemaal met roetdeeltjes gevuld is, vertoont de motor soms startproblemen. Het filter is dan onbruikbaar
geworden. Het is in dat geval mogelijk dat
u het filter moet vervangen.
Regeneratie bij koud weer
Als u bij koud weer vaak korte afstanden rijdt,
komt de motor niet voldoende op temperatuur. Dit betekent dat het roetfilter niet geregenereerd en niet geleegd wordt.
Wanneer het filter voor ca. 80% met roetdeeltjes gevuld is, licht een oranje gevarendriehoek op het instrumentenpaneel op en verschijnt de melding Roetfilter vol Zie
89
03 Bestuurdersmilieu
Motor starten
Starten met hulpaccu
4
2
03
+
3
G021347
1
Als de accu uitgeput is, kunt u de auto starten
met stroom van een hulpaccu.
Bij gebruik van een hulpaccu wordt u het volgende geadviseerd om explosiegevaar te
voorkomen:
1. Zet het contactslot in stand 0
(zie pagina 65).
2. Zorg dat de hulpaccu een spanning van
12 V levert.
3. Als de hulpaccu zich in een andere auto
bevindt, moet u de motor van die auto
afzetten en ervoor zorgen dat de auto’s
elkaar niet raken.
4. Sluit de ene klem van de rode startkabel
aan op de pluspool van de hulpaccu
.
5. Haal de clips op de voorste dekplaat van
de uitgeputte accu los en verwijder de
dekplaat (zie pagina 198).
90
6. Sluit de andere klem van de rode startkabel aan op de pluspool
van de uitgeputte accu die onder een opklapbare
kunststof afdekking zit.
7. Sluit de ene klem van de zwarte startkabel aan op de minpool
van de hulpaccu.
8. Sluit de andere klem van de zwarte kabel
aan op het massapunt (rechter motorsteun bovenaan, buitenste boutkop)
.
Controleer of de aansluitklemmen van de
startkabels goed vastzitten om te voorkomen dat er tijdens de startpoging vonken
ontstaan.
BELANGRIJK
Wees voorzichtig bij het aansluiten van de
startkabels om kortsluiting met andere onderdelen in de motorruimte te voorkomen.
9. Start de motor van de “hulpauto”. Laat
de motor enkele minuten draaien op een
toerental dat iets hoger ligt dan normaal,
1500 omw/min.
10.Start de motor van de auto met de lege
accu. Raak de aansluitingen niet aan
tijdens de startpoging. Er bestaat namelijk gevaar voor vonkvorming.
11.Verwijder de startkabels. Verwijder eerst
de zwarte kabel en daarna de rode. Zorg
dat geen van de klemmen aan de zwarte
startkabel contact kan maken met de
pluspool van de accu of met de aangesloten klemmen van de rode startkabel.
WAARSCHUWING
Accu’s kunnen het zeer explosieve knalgas
produceren. Een enkele vonk, veroorzaakt
door een onjuiste aansluiting van de startkabels, is voldoende om de accu tot ontploffing te brengen. Accu’s bevatten tevens
zwavelzuur dat ernstige chemische brandwonden kan veroorzaken. Als u accuzuur in
uw ogen krijgt of op uw huid of kleren
morst, moet u onmiddellijk met grote hoeveelheden water spoelen. Neem onmiddellijk contact op met een arts, als u accuzuur
in uw ogen krijgt.
03 Bestuurdersmilieu
Versnellingsbakken
Handgeschakelde versnellingsbak
Blokkering achteruitversnelling
Trap het koppelingspedaal tijdens het schakelen altijd zo ver mogelijk in. Haal uw voet na
het schakelen weer van het koppelingspedaal
af! Houd u aan het aangegeven schakelpatroon.
G021349
G021348
03
Schakel de achteruitversnelling alleen in, wanneer de auto stilstaat.
Om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te
houden, moet u zoveel mogelijk gebruik
maken van hoge versnellingen.
91
03 Bestuurdersmilieu
Versnellingsbakken
Automatische versnellingsbak
Geartronic*
BELANGRIJK
Vrijstand (N)
De sportstand levert een sportiever rijgedrag
op en maakt het mogelijk om hogere toeren te
maken in de versnellingen. De motor reageert
bovendien sneller op de commando’s die u
met het gaspedaal geeft. Bij inschakeling van
de sportstand wordt tevens de voorkeur gegeven aan de lagere versnellingen, zodat er met
enige vertraging wordt opgeschakeld.
In deze stand kunt u de motor starten en er is
geen versnelling ingeschakeld. Zet de parkeerrem aan, wanneer de auto stilstaat en de
keuzehendel in stand N staat.
U schakelt de sportstand in door de hendel
vanuit stand D helemaal naar rechts in stand
M te zetten. Op het informatiedisplay verandert het teken D in een S.
Rijstand (D)
Stand D is de normale rijstand. De versnel-
De sportstand kan op elk moment tijdens het
rijden ingeschakeld worden.
De auto moet stilstaan wanneer u de hendel
in stand P zet.
Achteruitrijstand (R)
De auto moet stilstaan wanneer u de hendel in
stand R zet.
G021350
03
Het informatiedisplay geeft de stand van de
keuzehendel aan met behulp van de volgende
tekens: P, R, N, D, S, 1, 2, 3, 4, 5 of 6
(zie pagina 60).
Schakelstanden
Geartronic*, Sportstand (S)1
lingsbak schakelt automatisch op en terug
afhankelijk van de stand van het gaspedaal en
de snelheid. Zorg ervoor dat de auto stilstaat,
voordat u de keuzehendel vanuit stand R in
stand D zet.
Parkeerstand (P)
Selecteer stand P, wanneer u de motor start
of de auto parkeert. U moet het rempedaal
bedienen om de keuzehendel uit stand P te
kunnen halen.
In stand P is de versnellingsbak mechanisch
geblokkeerd. Activeer de elektrische parkeerrem met een druk op de knop (zie pagina 98).
1 Alleen
92
op model 3.0.
03 Bestuurdersmilieu
Versnellingsbakken
Met de automatische versnellingsbak Geartronic kunt u ook handmatig schakelen. Bij het
loslaten van het gaspedaal wordt de auto op
de motor afgeremd.
Handmatig schakelen is te activeren door de
hendel vanuit stand D helemaal naar rechts in
stand M te zetten. Op het informatiedisplay
verandert het teken D in een van de cijfers 1–6
afhankelijk van de ingeschakelde versnelling
(zie pagina 60).
Duw de hendel naar voren naar de + (plus) om
een hogere versnelling in te schakelen en laat
de hendel weer los. De hendel veert terug naar
de neutrale stand M.
Trek de hendel naar achteren naar de – (min)
om een lagere versnelling in te schakelen en
laat de hendel weer los.
Handmatig schakelen M kan op elk moment
tijdens het rijden geactiveerd worden.
Om de automatische rijstand te hervatten
dient u de hendel helemaal naar links in stand
D te zetten.
Om schokken en afslaan van de motor te voorkomen, schakelt Geartronic automatisch terug
als de bestuurder langzamer gaat rijden dan
wat voor de gekozen versnelling gepast is.
N.B.
Als de versnellingsbak een sportstand kent,
is handmatig schakelen pas te activeren
wanneer u de keuzehendel vooruit of achter
in stand M hebt gezet. Op het informatiedisplay verandert de S dan in een van de
tekens 1–6 om aan te geven welke versnelling er ingeschakeld is.
Kickdown
een dergelijke kickdown uit te voeren, gebeurt
er niets. De auto blijft in de oorspronkelijke
versnelling rijden.
Bij kickdown kan de auto afhankelijk van het
motortoerental één of meer versnellingen
terugschakelen. Om schade aan de motor te
voorkomen schakelt de auto op wanneer de
motor het maximumtoerental heeft bereikt.
03
Mechanische keuzehendelblokkering
Als u het gaspedaal volledig intrapt (tot voorbij
de normale volgasstand), schakelt de versnellingsbak automatisch terug naar een lagere
versnelling. Dit is de zogeheten kickdown.
Wanneer u het gaspedaal uit de kickdownstand loslaat, schakelt de versnellingsbak
automatisch op.
Gebruik de kickdown om zo snel mogelijk te
accelereren zoals bij het inhalen.
Beveiligingsfunctie
Om overtoeren van de motor te voorkomen, is
het stuurprogramma van de versnellingsbak
voorzien van een terugschakelblokkering
waardoor de zogeheten kickdown niet mogelijk is.
Geartronic staat geen terugschakeling/kickdown toe die tot een dusdanig hoog toerental
leidt dat de motor kan worden beschadigd.
Wanneer u bij hoge motortoeren toch probeert
G021351
Geartronic*, handmatig schakelen (M)
U kunt de hendel altijd ongehinderd heen en
weer halen tussen de standen N en D. Om de
hendel in een van de overige standen te zetten,
moet u een blokkering opheffen door op de
blokkeerknop op de keuzehendel te drukken.
Met de blokkeerknop ingedrukt kunt u de hendel vooruit of achteruit bewegen tussen de
standen P, R, N en D.
93
03 Bestuurdersmilieu
Versnellingsbakken
Automatische keuzehendelblokkering
De automatische versnellingsbak kent enkele
bijzondere beveiligingsfuncties:
Automatische schakelblokkering
deactiveren
Sleutelblokkering, Keylock
De keuzehendel moet in stand P staan om de
03
transpondersleutel uit het contactslot te kunnen nemen. In alle andere standen is de transpondersleutel geblokkeerd.
Parkeerstand (P)
1
Houd uw voet op het rempedaal terwijl u de
keuzehendel verzet.
Elektrische schakelblokkering,
Shiftlock parkeerstand (P)
Om de keuzehendel uit stand P te kunnen
halen, moet het contactslot in stand II staan
en moet het rempedaal worden bediend
(zie pagina 88).
Schakelblokkering, vrijstand (N)
Als de keuzehendel in stand N staat en de
auto heeft minstens 3 seconden stilgestaan
(of de motor nu loopt of niet), is de keuzehendel geblokkeerd.
Om de keuzehendel uit stand N te kunnen
halen, moet het contactslot in stand II staan
en moet het rempedaal worden bediend
(zie pagina 88).
94
2
G021352
Stilstaande auto met draaiende motor:
Als er niet met de auto kan worden gereden
zoals het geval is bij een uitgeputte accu,
moet u de keuzehendel uit stand P halen voordat u de auto kunt verslepen.
Til de rubber vloermat achter de middenconsole uit de auto en open het luikje.
Steek het sleutelblad zo ver mogelijk naar
binnen. Duw het sleutelblad omlaag en
houd het in deze stand vast. Haal de
keuzehendel uit stand P. Zie pagina 38
voor meer informatie over het sleutelblad.
03 Bestuurdersmilieu
Vierwielaandrijving–, AWD (All Wheel Drive)*
De vierwielaandrijving is altijd
ingeschakeld.
Bij vierwielaandrijving worden alle vier de wielen van de auto tegelijk aangedreven.
Het motorkoppel wordt automatisch over de
voor- en achterwielen verdeeld. Een elektronisch gestuurd koppelingssysteem verdeelt
het vermogen over het wielpaar dat op dat
moment de beste grip op het wegdek heeft.
Dit om optimale wegligging te verkrijgen en
wielspin te voorkomen. Bij normaal rijden worden de voorwielen naar verhouding iets sterker aangedreven dan de achterwielen.
03
De vierwielaandrijving verhoogt de rijveiligheid
tijdens regen- en sneeuwval en bij ijzel.
95
03 Bestuurdersmilieu
Bedrijfsrem
Algemene informatie
03
De auto is uitgerust met twee remkringen. Als
een van de remkringen defect raakt, betekent
dit dat de remmen pas later worden aangesproken zodat u het rempedaal dieper moet
intrappen voor dezelfde remmende werking.
De druk die u uitoefent op het rempedaal
wordt versterkt door de rembekrachtiging.
WAARSCHUWING
De rembekrachtiging werkt alleen, als de
motor loopt.
Wanneer u met de motor afgezet remt doet
het rempedaal stug aan en kost het u meer
kracht om de auto te remmen.
In bergachtig gebied of bij het rijden met een
zware belading kunt u de remmen ontzien
door op de motor af te remmen. U benut de
remmende werking van de motor het best,
wanneer u tijdens het afdalen dezelfde versnelling inschakelt als bij het oprijden van een
helling.
Zie pagina 227 voor algemener informatie
over een zware belasting van de auto.
Antiblokkeerremsysteem
De auto is uitgerust met ABS (Anti-lock Braking System) dat voorkomt dat de wielen blokkeren tijdens het remmen. Zo blijft de auto
bestuurbaar, waardoor het bijvoorbeeld mak-
96
kelijker is om obstakels te ontwijken. Bij activering van deze functie kunt u trillingen in het
rempedaal voelen. Dit is volkomen normaal.
Wanneer de auto na het starten van de motor
een snelheid van ca. 20 km/h heeft bereikt,
gaat een kortdurende, automatische test van
het ABS van start. Ook deze test kan waarneembaar zijn in de vorm van trillingen in het
rempedaal.
Remschijven schoonmaken
Vuil en water op de remschijven kunnen ertoe
leiden dat de aanspreekduur van de remmen
wordt verlengd. Door de remblokken schoon
te maken beperkt u deze verlenging.
U wordt geadviseerd de remschijven handmatig schoon te maken, wanneer u op natte
wegen rijdt, de auto net hebt gewassen of op
het punt staat deze langdurig te parkeren.
U maakt de remschijven handmatig schoon
door korte tijd licht te remmen.
Remkrachtverhoging bij noodstops
De remkrachtverhoging bij noodstops (EBA,
Emergency Brake Assistance) helpt de remkracht verhogen om op die manier de remweg
te verkorten. Het EBA-systeem registreert de
wijze waarop u het rempedaal bedient en verhoogt zo nodig de remkracht. De remkracht
kan worden verhoogd tot aan het niveau waarbij het ABS ingrijpt. De EBA-regeling wordt
uitgeschakeld wanneer u de druk op het rempedaal verlaagt.
N.B.
Wanneer het EBA geactiveerd wordt, zakt
het rempedaal iets verder omlaag dan normaal. Bedien het rempedaal zolang dat
nodig is. Zodra u het rempedaal loslaat,
worden de remmen volledig gelost.
Lampjes op instrumentenpaneel
Lampje Betekenis
Brandt continu – controleer het
remvloeistofpeil. Vul remvloeistof
bij als het peil te laag ligt en controleer tevens de oorzaak van het
remvloeistofverlies.
Brandt twee seconden lang continu bij het starten van de motor –
er is de laatste keer dat de motor
liep een storing in het ABS opgetreden.
WAARSCHUWING
Als de waarschuwingslampjes
en
tegelijkertijd branden, kan er een storing in
het remsysteem zijn opgetreden.
Als het remvloeistofpeil in dat geval in orde
is, moet u de auto voorzichtig naar de
dichtstbijzijnde erkende Volvo-werkplaats rijden om het remsysteem te laten controleren.
Als de remvloeistof onder het MIN-streepje
van het reservoir staat, mag u niet verder rijden voordat u remvloeistof hebt bijgevuld.
Controleer tevens de oorzaak van het remvloeistofverlies.
03 Bestuurdersmilieu
Afdalingsregeling, HDC (Hill Descent Control)
HDC is te vergelijken met een automatische
motorrem. Wanneer u op een aflopende helling het gaspedaal loslaat, wordt de auto normaal gesproken op de motor afgeremd doordat deze in dat geval een laag stationair
toerental nastreeft. Naarmate de helling steiler
en de auto zwaarder beladen is, rolt de auto
ondanks de motorrem sneller omlaag. Om in
dergelijke gevallen snelheid te minderen dient
u bij te remmen met het rempedaal.
Met het HDC-systeem is het mogelijk om op
steile aflopende hellingen de snelheid te verhogen/verlagen met het gaspedaal, zonder
het rempedaal te gebruiken. Het remsysteem
grijpt automatisch in en zorgt voor een lage en
gelijkmatige snelheid, zodat u zich volledig
kunt richten op de besturing.
HDC is met name handig op steile aflopende
hellingen met een oneffen oppervlak en op
gladde weggedeelten. Denk bijvoorbeeld aan
een boot op een trailer die u vanaf een boothelling achteruit te water laat.
WAARSCHUWING
HDC heeft niet in alle situaties het beoogde
effect en is uitsluitend bedoeld als hulpmiddel.
U als bestuurder bent er altijd verantwoordelijk voor dat de auto op een veilige manier
wordt bestuurd.
1
HDC behoort tot de standaarduitrusting en is
alleen aanwezig op de XC70.
Functie
Bediening
HDC is met een schakelaar op de middenconsole naar wens in en uit te schakelen. Het
lampje in de knop brandt, wanneer het systeem actief is. Wanneer HDC actief is, brandt
Bij een geactiveerd HDC-systeem kan de auto
bij het afremmen op de motor maximaal
10 km/h voorruit rijden en 7 km/h achteruit.
Met het gaspedaal kunt u echter een willekeurige andere snelheid binnen het snelheidsinterval kiezen dat bij de ingeschakelde versnelling hoort. Zodra u het gaspedaal loslaat wordt
de rijsnelheid snel verlaagd tot 10 of 7 km/h,
ongeacht de hellingshoek en zonder dat u
daarvoor het rempedaal hoeft te bedienen.
Bij activering van het systeem gaan automatisch de remlichten branden. Met het rempedaal kunt u de auto altijd remmen of helemaal
tot stilstand brengen.
HDC wordt gedeactiveerd:
• bij het indrukken van de aan/uit-knop op de
middenconsole;
• bij het inschakelen van een hogere versnelling dan de 1e bij een handgeschakelde
versnellingsbak;
• bij het inschakelen van een hogere versnelling dan de 1e bij een automatische versnellingsbak of bij het inschakelen van
stand D.
Het systeem is op ieder moment uit te schakelen. Als u dit op een steile aflopende helling
doet, zal het remvermogen niet meteen maar
geleidelijk worden verlaagd.
G017426
Algemene informatie1
het symbool
en op het display staat de
melding Afdalingsregeling AAN.
Het systeem werkt alleen in de eerste versnelling en in de achteruitversnelling. Bij een automatische versnellingsbak geldt dat de 1e versnelling moet zijn ingeschakeld, wat wordt
aangegeven met het cijfer 1 op het boordcomputerdisplay (zie pagina 93).
N.B.
HDC valt niet te activeren wanneer de keuzehendel van een automaat in stand D staat.
03
N.B.
Bij activering van het HDC-systeem reageert de motor mogelijk trager dan normaal
op het gaspedaal.
97
03 Bestuurdersmilieu
Parkeerrem
Parkeerrem aanzetten
N.B.
De elektrische parkeerrem heeft dezelfde toepassingsgebieden als het parkeerrempedaal
zoals bij het wegrijden op een helling.
Tijdens een noodstop bij snelheden hoger
dan 10 km/h klinkt er gedurende de hele
remmanoeuvre een geluidssignaal.
Functie
Op een helling parkeren
Wanneer de parkeerrem wordt geactiveerd,
hoort u een zwak elektromotorgeluid. Het
geluid is tevens waarneembaar bij een automatische functiecontrole van de parkeerrem.
Als de auto stilstaat wanneer u de parkeerrem
aanzet, werkt de rem alleen op de achterwielen. Als u de parkeerrem tijdens het rijden aanzet, wordt de normale bedrijfsrem geactiveerd. Daarbij werkt de rem op alle vier de
wielen. Wanneer de auto bijna stilstaat, worden alleen de achterwielen geremd.
Lage accuspanning
Als de accuspanning te laag is, kunt u de parkeerrem niet aanzetten noch lossen. Sluit een
hulpaccu aan, als de accuspanning te laag is
(zie pagina 90).
Draai bij het parkeren op een oplopende helling de wielen van de trottoirband af, als de
neus van de auto naar de top van helling wijst.
G021354
03
Handgreep parkeerrem
1. Trap het rempedaal stevig in.
2. Druk op de handgreep.
Parkeerrem lossen
3. Laat het rempedaal los en controleer of
de auto volledig stilstaat.
4. Zet de versnellingspook/keuzehendel bij
het parkeren altijd in de 1e versnelling
(handbak) of in stand P (automaat).
Het lampje
op het instrumentenpaneel
knippert, totdat de parkeerrem volledig is aangezet. Wanneer het lampje continu brandt, is
de parkeerrem aangezet.
In noodgevallen kunt u de parkeerrem ook tijdens het rijden aanzetten door de handgreep
ingedrukt te houden. Wanneer u de handgreep loslaat of het gaspedaal bedient, wordt
de parkeerrem gelost.
98
Draai bij het parkeren op een aflopende helling
de wielen naar de trottoirband toe, als de neus
van de auto naar de voet van de helling wijst.
G021359
Elektrische parkeerrem*
Handgreep parkeerrem
03 Bestuurdersmilieu
Parkeerrem
Handmatig lossen
1. Steek de transpondersleutel in het contactslot.
2. Trap het rempedaal stevig in.
3. Trek aan de handgreep.
N.B.
De parkeerrem is ook handmatig te lossen
door het koppelingspedaal te bedienen in
plaats van het rempedaal. Volvo adviseert
u echter het rempedaal te gebruiken.
Automatisch lossen
1. Start de motor.
2. Laat het koppelingspedaal los en geef gas.
BELANGRIJK
Wanneer de motor loopt kan de parkeerrem, ook met de versnellingspook in de
vrijstand, automatisch worden gelost.
Auto met automatische versnellingsbak
Auto met Keyless drive*-functie
Handmatig lossen
Los de parkeerrem handmatig door op de
knop START/STOP te drukken, het rem- of
koppelingspedaal te bedienen en aan de
handgreep te trekken.
1. Doe de veiligheidsgordel om.
2. Steek de transpondersleutel in het
contactslot.
3. Trap het rempedaal stevig in.
4. Trek aan de handgreep.
Lampjes
Automatisch lossen
1. Doe de veiligheidsgordel om.
2. Start de motor.
3. Zet de keuzehendel in stand D of R en
geef gas.
(P)!
Lees de melding op het informatiedisplay.
Een knipperend lampje houdt in
dat de parkeerrem wordt aangezet.
Als het lampje in een andere
situatie gaat knipperen, is er
sprake van een storing. Lees de
melding op het informatiedisplay.
N.B.
Om veiligheidsredenen wordt de parkeerrem alleen automatisch gelost wanneer bij
het starten van de motor is gebleken dat de
bestuurder de veiligheidsgordel draagt. Bij
auto’s met een automatische versnellingsbak wordt de parkeerrem onmiddellijk
gelost bij het bedienen van het gaspedaal
met de keuzehendel in stand D of R.
03
Lampje Betekenis
Meldingen
Zware belading op oplopende hellingen
Bij een zware belading zoals een aanhanger is
het mogelijk dat de auto op een steile,
oplopende helling achteruitrolt, wanneer de
parkeerrem automatisch wordt gelost. U kunt
dit voorkomen door bij het wegrijden de handgreep ingedrukt te houden. Laat de handgreep weer los zodra de koppeling aangrijpt.
G016166
Auto met handgeschakelde
versnellingsbak
99
03 Bestuurdersmilieu
Parkeerrem
Parkeerrem niet geheel gelost – Door een
storing kan de parkeerrem niet worden gelost.
Bezoek een erkende Volvo-werkplaats. Als
u bij deze foutmelding wegrijdt zonder de parkeerrem te lossen, klinkt er een waarschuwingssignaal.
03
Parkeerrem niet aangezet – Door een storing kan de parkeerrem niet worden aangezet.
Probeer of u de rem kunt aanzetten en lossen.
Bezoek een Volvo-werkplaats als de melding
niet verdwijnt.
Dezelfde melding verschijnt ook op auto’s met
een handbak, wanneer er langzaam wordt
gereden met het portier open. De melding
maakt u erop attent dat de parkeerrem mogelijk onbedoeld werd gelost.
Parkeerrem Service vereist – Er is een storing opgetreden. Bezoek een Volvo-werkplaats als de storing niet verdwijnt.
Als u de auto moet parkeren voordat de storing kon worden verholpen, dient u de wielen
net als bij het parkeren op een helling van
de trottoirband/berm af te draaien en de
versnellingsbak/keuzehendel in stand 1
(handbak) of stand P (automaat) te zetten.
Remblokken vervangen
Laat de remblokken op de achterwielen vervangen in een erkende Volvo-werkplaats met
het oog op de constructie van de elektrische
parkeerrem.
100
03 Bestuurdersmilieu
03
101
Menu- en meldingsfuncties .................................................................... 104
Klimaatregeling ...................................................................................... 109
Audiosysteem ........................................................................................ 120
Boordcomputer ...................................................................................... 130
Kompas* ................................................................................................. 132
DSTC –Stabiliteits- en tractieregelsysteem ............................................ 133
Rijeigenschappen aanpassen ................................................................ 134
Cruisecontrol* ........................................................................................ 135
Adaptieve cruisecontrol* ........................................................................ 136
Anti-botsingsysteem met remassistentie* (CWS-systeem) .................... 140
Park Assist (parkeerhulp)* ...................................................................... 143
BLIS* – Blind Spot Information System ................................................. 146
Interieurcomfort ...................................................................................... 149
Geïntegreerde telefoon* ......................................................................... 153
102
COMFORT EN RIJPLEZIER
04
04 Comfort en rijplezier
Menu- en meldingsfuncties
Middenconsole
1. Druk op MENU.
Toetsenset op stuurwiel
Sommige functies regelt u via het menusysteem vanaf de middenconsole of via de toetsenset op het stuurwiel. Welke functies dat
zijn leest u in de verschillende onderdelen.
Het actuele menuniveau staat rechts bovenaan op het display van de middenconsole.
2. Ga naar Menu en druk op ENTER.
3. Ga naar Submenu en druk op ENTER.
U kunt de navigatietoetsen gebruiken in de
plaats van ENTER en EXIT bij het navigeren
binnen de menustructuur. De pijl naar rechts
komt in dat geval overeen met ENTER en de
pijl naar links met EXIT.
1
2
3
G021363
Bedieningstoetsen op middenconsole
1
3
2
4
G021360
04
Middenconsole met informatiedisplay en bedieningstoetsen voor meldingsfuncties.
Navigatietoets – menu-opties doorbladeren en selecteren
ENTER – menu-opties selecteren
MENU – menusysteem openen
EXIT – stap terugdoen binnen het
menusysteem. Bij lang indrukken verlaat u
het menusysteem.
104
ENTER*
EXIT*
Navigatietoetsen – omhoog/omlaag.
Als de toetsen ENTER en EXIT op het stuurwiel zitten, hebben de toetsen
tot en
met
dezelfde functie als die op de middenconsole.
Paden
Via de functietoetsen krijgt u direct toegang
tot bepaalde functies, terwijl andere alleen via
het menusysteem te bereiken zijn.
De paden naar de menufuncties worden als
volgt weergegeven: Instellingen van de auto
Instellingen vergrendelen. Er wordt
daarbij verondersteld dat u daarvóór het volgende doet:
De menu-opties zijn genummerd zodat u ze
ook rechtstreeks kunt selecteren met de nummertoetsen (alleen 1–9).
04 Comfort en rijplezier
Menu- en meldingsfuncties
Menu-overzicht
Er bestaan verschillende hoofdmenu’s voor de
telefoon en de geluidsbronnen. De volgende
menu-opties maken deel uit van alle hoofdmenu’s:
Hoofdmenu AM
Audio-instellingen2
Autosleutelgeheugen
Pos. stoelen en spiegels*
Instellingen van de auto
Spiegels in bij vegrend.*
Instellingen CWS-systeem*
Hoofdmenu CD
Random
Geluidspodium
Uit
Equalizer voor
Map3
Equalizer achter
Disc2
Autom. volumeregeling
Enkele disc4
Reset audio-inst.
Alle discs3
Hoofdmenu FM
FM-instellingen
Cd-instellingen
Tekst disc*
Informatie
Nieuws
Nieuws
Lichtinstellingen
TP (verkeersinformatie)
TP (verkeersinformatie)
Vergrendelingsinstellingen
Radiotekst
Beveil.
verlaagd1
PTY (programmatype)
Geavanceerde radio-inst.
Instellingen parkeercam.*
Audio-instellingen
Stuurkrachtniveau*
04
Audio-instellingen
Hoofdmenu AUX
AUX-ingangsvolume
Audio-instellingen
Klimaatinstellingen
Autom. blower afstellen
Aut. defroster achterr.
Timer recirculatie
Reset klimaatinst.
3 Alleen
2
1 Bepaalde
modellen.
Voor iedere geluidsbron bestaat de menuoptie audio-instellingen.
bij systemen die audiobestanden in de
formaten mp3 en wma kunnen afspelen.
4 Alleen
bij systemen met een cd-wisselaar.
105
04 Comfort en rijplezier
Menu- en meldingsfuncties
Hoofdmenu Geïntegreerde telefoon
Oproepregister
Laatste 10 gemiste opr.
Laatste 10 ink. opr.
Laatste 10 gekozen nrs.
Lijst wissen
Gespreksduur
Telefoonboek
04
Nieuwe contactpersoon
Zoeken
Alles kopiëren
SIM wissen
Telefoon wissen
Geheugenstatus
Meldingen
Lezen
Nieuw bericht schrijven
Berichtinstellingen
Gespreksopties
Verzend mijn nummer
Wisselgesprek
Automatisch antwoord
106
Voicemail-nummer
Omleidingen
Telefooninstellingen
Netwerkselectie
SIM-beveiliging
PIN-code bewerken
Geluiden en volume
IDIS
Reset Telefooninst.
04 Comfort en rijplezier
Menu- en meldingsfuncties
Instrumentenpaneel
Menu-overzicht1
Melding
Actieradius
Gemiddeld
Momentaan
1
2
Gem. snelheid
3
LDW-systeem
G021364
Actuele snelheid
Informatiedisplay en bedieningstoetsen voor
menufuncties
READ – meldingenlijst openen en meldingen bevestigen.
Duimwiel – menu-opties doorbladeren.
RESET – geactiveerde functie op nul stellen. Wordt in bepaalde gevallen gebruikt
om een functie te selecteren/activeren (zie
de uitleg bij de verschillende functies).
Met de linker stuurhendel bedient u de menu’s
die op de informatiedisplays van het instrumentenpaneel verschijnen. Welke menu’s verschijnen hangt af van de stand van het contactslot. Als er een melding is, moet u deze
eerst bevestigen met de knop READ voordat
u de menu’s kunt bekijken.
Timer standkach. AM/PM
P
o
_3C
G021365
Bandenspanning Kalibratie
Timer standvent. AM/PM
Melding op informatiedisplay
Timerstand verw.
Wanneer er een waarschuwings-, informatieof controlelampje oplicht, verschijnt er tevens
een aanvullende melding op het informatiedisplay. Foutmeldingen blijven in het geheugen
opgeslagen, totdat u de onderliggende storing
hebt laten verhelpen.
Directe start Standverw.
Directe start El standverw
Directe start Standvent.
Extra verwarming auto
Start restverw.
04
Druk op READ om de meldingen door te bladeren en te bevestigen.
DSTC
N.B.
Als er een waarschuwingsmelding verschijnt bij gebruik van de boordcomputer,
moet u de melding lezen (druk op de knop
READ) voordat u de eerdere activiteit kunt
hervatten.
1 Sommige
menu-opties behoren tot de extra’s
107
04 Comfort en rijplezier
Menu- en meldingsfuncties
Melding
Betekenis
Melding
Betekenis
Stop auto z.s.m.
Breng de auto tot stilstand en zet de motor af.
Grote kans op schade.
Bezoek een erkende
Volvo-werkplaats.
Tijd voor
periodiek
onderhoud
Motor afzetten
Breng de auto tot stilstand en zet de motor af.
Grote kans op schade.
Bezoek een erkende
Volvo-werkplaats.
Het is tijd voor een servicebeurt bij een erkende
Volvo-werkplaats. Het
moment hangt af van de
afgelegde afstand, het
aantal maanden dat
sinds de laatste servicebeurt is verstreken, het
aantal draaiuren van de
motor en de gebruikte
oliekwaliteit.
Service spoed
Laat de auto onmiddellijk
nakijken door een erkende Volvo-werkplaats.
Onderhoudstermijn verstreken
Service vereist
Laat de auto zo spoedig
mogelijk nakijken door
een erkende Volvo-werkplaats.
Als u de onderhoudstermijn niet respecteert,
vallen beschadigde
onderdelen niet langer
onder de garantie.
Bezoek voor het onderhoud een erkende Volvowerkplaats.
Zie instructieb.
Lees het instructieboekje.
Tijdelijk UIT
Bespreek
tijd voor
onderhoud
Het is tijd een afspraak
te maken voor een servicebeurt bij een erkende
Volvo-werkplaats.
De bijbehorende functie
is tijdelijk uitgeschakeld
en wordt na enige tijd rijden of de volgende keer
dat u de motor start
automatisch opnieuw
ingeschakeld.
Spaarstand
Het audiosysteem is uitgeschakeld om stroom
te besparen. Laad de
accu bij.
04
108
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
Algemene informatie
Positie van de sensoren
Airconditioning
• De zonnesensor zit boven op het dashboard.1
De auto is uitgerust met elektronische klimaatregeling (ECC) of elektronische temperatuurregeling (ETC). De klimaatregeling zorgt ervoor
dat de lucht in het interieur wordt gekoeld, verwarmd of van vocht wordt ontdaan.
N.B.
U kunt de airconditioning uitschakelen.
Voor optimaal klimaatcomfort in de passagiersruimte en om te voorkomen dat de ruiten beslaan, dient u de airconditioning echter altijd te laten aanstaan.
• De interieurtemperatuursensor zit onder het
bedieningspaneel van de klimaatregeling.
• De buitentemperatuursensor zit op de buitenspiegel.
• De vochtsensor* zit in de achteruitkijkspiegel.1
N.B.
Dek de sensoren niet met kleding of andere
voorwerpen af.
Zijruiten en schuifdak
Werkelijke temperatuur
De ingestelde temperatuur komt overeen met
de gevoelstemperatuur op basis van de heersende omstandigheden in en rond de auto wat
de luchtsnelheid, de luchtvochtigheidsgraad,
de ingestraalde warmte1 enz. betreft.
Het systeem beschikt over een zonnesensor1
die de stand van de zon registreert. Daardoor
kan de temperatuur van de lucht uit de blaasmonden links en rechts afwijken, ondanks dat
de temperatuurknoppen voor de beide zijden
in dezelfde stand staan.
1
Geldt alleen voor ECC.
Voor optimale werking van de airconditioning
moet u de zijruiten en een eventueel schuifdak
gesloten houden.
Beslagen ruiten
Maak in eerste instantie gebruik van de ontwasemingsfunctie om condens van de binnenkant van de ruiten te verwijderen.
Poets de binnenzijde van de ruiten schoon om
de kans te beperken dat ze beslaan.
Tijdelijke uitschakeling van
airconditioning
Wanneer de motor het maximale vermogen
nodigt heeft (bijvoorbeeld als u volgas optrekt
of met een aanhanger achter de auto een helling oprijdt), is het mogelijk dat de airconditio-
ning tijdelijk wordt uitgeschakeld. Er kan dan
een tijdelijke temperatuurstijging optreden.
Condenswater
In warme weersomstandigheden kan er ter
hoogte van de airconditioning een plasje
water onder de auto ontstaan. Dit is volkomen
normaal.
Sneeuw en ijs
Veeg sneeuw en ijs van de luchtinlaat voor de
klimaatregeling (de opening tussen de motorkap en de voorruit).
04
Storingen opsporen en verhelpen
Laat controle- en reparatiewerkzaamheden
aan de klimaatregeling alleen uitvoeren door
een erkende Volvo-werkplaats.
Koudemiddel
De airconditioning maakt gebruik van het koudemiddel R134a. Het bevat geen chloor,
waardoor het koudemiddel onschadelijk voor
de ozonlaag is. Laat het bijvullen/verversen
van koudemiddel over aan een erkende Volvowerkplaats.
Doorluchtfunctie
Bij warm weer kunt u de doorluchtfunctie
gebruiken om alle zijruiten tegelijk korte tijd te
openen en weer te sluiten en op die manier
snel voor frisse lucht in de auto te zorgen
(zie pagina 39).
109
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
Interieurfilter
Alle lucht die de passagiersruimte binnenkomt
wordt gereinigd door een filter. U moet het filter regelmatig vervangen. Raadpleeg het Serviceprogramma van Volvo voor het aanbevolen vervangingsinterval. In zeer sterk
verontreinigde gebieden moet u het filter
mogelijk vaker vervangen.
N.B.
04
Er bestaan twee verschillende soorten interieurfilters. Let erop dat u het juiste filter
aanbrengt.
Clean Zone Interior Package (CZIP)*
Wanneer u voor deze optie hebt gekozen zijn
er nog minder stoffen in het interieur verwerkt
die aanleiding kunnen geven tot allergieën of
astma. Zie voor meer informatie de Clean
Zone Interior-brochure die u bij aankoop van
de auto werd overhandigd. Het volgende is
inbegrepen:
• Een geavanceerde ventilatorfunctie die
inhoudt dat de ventilator aanslaat wanneer
de auto via de transpondersleutel wordt
ontgrendeld. De ventilator vult het interieur
op die manier met verse lucht. De functie
start als dat nodig is en stopt na bij het
openen van een van de portieren. Bij inactiviteit wordt de functie na enige tijd automatisch beëindigd. De tijd dat de ventilator-
functie werkt zal langzaam maar zeker korter
worden, totdat de auto vier jaar oud is.
• Interior Air Quality System (IAQS). Een volautomatisch systeem dat de lucht in de
passagiersruimte ontdoet van verontreinigingen in de vorm van stofdeeltjes, koolwaterstoffen, stikstofoxiden en laaghangend
ozon.
Gebruik van beproefde materialen in
het interieur.
De gebruikte materialen zijn erop geselecteerd
de hoeveelheid stof in de passagiersruimte te
beperken, zodat de passagiersruimte gemakkelijker schoon te houden is. De vloerbekleding in zowel de passagiersruimte als de laadruimte zijn eenvoudig te verwijderen en
schoon te maken. Gebruik daarvoor schoonmaakmiddelen en autoverzorgingsproducten
die door Volvo worden geadviseerd
(zie pagina 219).
Menu-instellingen
Het is mogelijk de basisinstellingen voor drie
van de functies van de klimaatregeling te wijzigen via de middenconsole (zie pagina 104):
• Ventilatorfunctie in automatische stand1
(zie pagina 114).
• Tijdgestuurde recirculatie van lucht in passagiersruimte (zie pagina 114).
• Automatische verwarming van de achterruit
(zie pagina 85).
Bij het resetten via de middenconsole worden
de standaardinstellingen hervat voor alle functies van de klimaatregeling.
N.B.
Bij auto’s met het Clean Zone Interior
Package moet het luchtfilter van het IAQSsysteem om de 15.000 km of ten minste
eenmaal per jaar worden vervangen.
Bij auto’s zonder het Clean Zone Interior
Package moet het luchtfilter van het IAQSsysteem tijdens een geplande servicebeurt
worden vervangen.
1
110
Geldt alleen voor ECC.
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
Luchtverdeling
Blaasmonden in dashboard
Blaasmonden in portierstijlen
A
D
D
C
C
B
A
G000000
G021367
D
C
Open
Dicht
Open
In de stand AUTO vindt de luchtverdeling
geheel automatisch plaats.1
Luchtstroom naar links of rechts
Dicht
De luchtverdeling valt zo nodig handmatig bij
te regelen (zie pagina 116).
Richt de buitenste blaasmonden op de voorste zijruiten om deze te ontwasemen.
Om de temperatuur in de passagiersruimte
aangenaam te houden komt er altijd een
bepaalde hoeveelheid lucht uit de blaasmonden.
04
B
De binnenkomende lucht wordt verdeeld over
20 blaasmonden verspreid over het interieur.
Luchtstroom omhoog of omlaag
D
G021368
C
Luchtstroom naar links of rechts
Luchtstroom omhoog of omlaag
Richt de blaasmonden op de achterste zijruiten om deze te ontwasemen.
Richt de blaasmonden naar binnen toe voor
een behaaglijke temperatuur achter in de auto.
Let erop dat kinderen gevoelig kunnen zijn
voor luchtstromen en tocht.
1 Geldt
alleen voor ECC.
111
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
Klimaatregeling
Gebruik
Elektronische klimaatregeling, ECC*
1
2
3
4
5
6
7
Elektronische temperatuurregeling, ETC
2
3
Geventileerde voorstoelen*
4
13
04
12
8
7
6
G017723
5
9
8
11 10
9
G021371
1
Geventileerde voorstoel*, linkerzijde
Ventilator
Ventilator
Luchtverdeling
Elektrisch verwarmde voorstoel,
linkerzijde
Elektrisch verwarmde voorstoel,
rechterzijde
Temperatuurregeling
AC ON/OFF – Airconditioning aan/uit
Elektrisch verwarmde achterruit en
buitenspiegels (zie pagina 85)
Max. ontwaseming
Recirculatie
112
Elektrisch verwarmde voorstoel,
linkerzijde
Luchtverdeling
Elektrisch verwarmde voorstoel,
rechterzijde
AUTO
Geventileerde voorstoel*, rechterzijde
Temperatuurregeling, rechterzijde
AC ON/OFF – Airconditioning aan/uit
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming (zie pagina 85)
Max. ontwaseming
Recirculatie/Interior Air Quality System
Temperatuurregeling, linkerzijde
Geventileerde voorstoelen
vormen alleen een optie bij
auto’s met ECC. Het ventilatiesysteem bestaat uit ventilatoren in de zittingen en de
rugleuningen die lucht door
de bekleding heen aanzuigen. Naarmate de lucht in het interieur kouder
is, neemt het koelingseffect toe.
De ventilatie wordt geregeld door de klimaatregeling op basis van de temperatuur van de
stoel, de ingestraalde warmte en de buitentemperatuur.
Het is mogelijk de stoelventilatie te combineren met de elektrische stoelverwarming.
U kunt de functie bijvoorbeeld gebruiken om
uw kleding van vocht te ontdoen.
Het ventilatiesysteem is te activeren, wanneer
de motor loopt. Er zijn drie comfortniveaus
met elk hun eigen koel- en droogeffect:
• Comfortniveau drie: eenmaal indrukken van
de knop levert het maximale vermogen op –
alle drie de lampjes branden.
• Comfortniveau twee: tweemaal indrukken
van de knop levert een lager vermogen op –
twee van de lampjes branden.
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
Wie tochtgevoelig is dient de stoelventilatie
met beleid te gebruiken. Voor langdurig
gebruik wordt comfortniveau één geadviseerd.
BELANGRIJK
Bij een interieurtemperatuur lager dan 5 °C
is het niet mogelijk de stoelventilatie in te
schakelen. Dit om te voorkomen dat de inzittende die op de bewuste stoel zit het te
koud krijgt.
Ventilator
Draai aan de knop om de
ventilatorsnelheid te verhogen of te verlagen. De ventilatorsnelheid wordt automatisch geregeld, als u AUTO1
selecteert. De eerder ingestelde ventilatorsnelheid
wordt dan genegeerd.
1 Geldt
Als de ventilator volledig uitgeschakeld is,
start de airconditioning niet wat kans op
beslagen ruiten kan geven.
Elektrisch verwarmde stoelen/
achterbank*
Voorstoelen
•Eenmaal op de knop
drukken levert het maximale verwarmingsniveau
op – alle drie de lampjes
branden.
•Tweemaal op de knop
drukken levert een lager
verwarmingsniveau op – twee van de lampjes branden.
• Driemaal op de knop drukken levert het
laagste verwarmingsniveau op – een van de
lampjes brandt.
• De vierde maal dat u op de knop drukt
wordt de verwarming uitgeschakeld – geen
van de lampjes brandt.
G021376
N.B.
Achterbank
N.B.
G000000
• Comfortniveau één: driemaal indrukken van
de knop levert het minimale vermogen op –
er brandt één lampje.
De vierde maal dat u op de knop drukt wordt
de functie uitgeschakeld – geen van de lampjes brandt.
04
U stelt de verwarming van de achterbank op
dezelfde manier in als die van de voorstoelen.
Luchtverdeling
De gestileerde menselijke
gedaante op de
nevenstaande afbeelding
bestaat uit drie knoppen. Bij
het indrukken van een van de
luchtverdelingsknoppen licht
het lampje op dat bij dat deel
van de gestileerde menselijke gedaante hoort
(zie pagina 116).
alleen voor ECC.
113
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
AUTO*
De functie AUTO is alleen
aanwezig bij auto’s met ECC.
De functie regelt automatisch
de temperatuur, de airconditioning, de ventilatorsnelheid,
de recirculatie en de luchtverdeling.
04
Als u een of meer handmatige functies selecteert, worden de overige functies nog steeds
automatisch geregeld. Wanneer u op de knop
AUTO drukt, vindt activering van de Air Quality Sensor plaats waarbij alle handmatige
instellingen worden opgeheven. Op het display verschijnt AUTO KLIMAAT.
U kunt de ventilatorsnelheid in de automatische stand instellen onder
Klimaatinstellingen
Autom. blower
afstellen. Kies uit Laag, Normaal of Hoog.
Zie pagina 104 voor een beschrijving van het
menusysteem.
Bij het starten van de motor wordt de laatst
verrichte instelling hervat.
N.B.
Let erop dat de passagiersruimte niet sneller warm of koud wordt, wanneer u een
hogere of lagere temperatuur kiest dan de
gewenste.
AC - Airconditioning AAN/UIT
ON: De airconditioning wordt
automatisch geregeld. De
binnenkomende lucht wordt
dan automatisch afgekoeld
en van vocht ontdaan.
OFF: Bij activering van de
ontwaseming wordt de airconditioning automatisch ingeschakeld (uit te
schakelen met de knop AC).
Ontwaseming
U gebruikt de ontwaseming
om de voorruit en de zijruiten
snel te ontwasemen en te
ontdooien. Er stroomt lucht
naar de ruiten. Het lampje in
de ontwasemingsknop
brandt, wanneer de functie is
Temperatuurregeling
ECC: Met deze knop kunt u
de temperatuur aan de
bestuurders- en passagierszijde onafhankelijk van elkaar
instellen.
ETC: Met deze draaiknop
kunt u de interieurtemperatuur instellen.
114
ingeschakeld.
Bij activering van deze functie vindt bovendien
het volgende plaats om de lucht in het interieur zoveel mogelijk van vocht te ontdoen:
• de airconditioning wordt automatisch ingeschakeld
• de recirculatie wordt automatisch uitgeschakeld.
De airconditioning is handmatig uit te schakelen met de knop AC. Bij het uitschakelen van
de ontwaseming hervat de klimaatregeling de
voorgaande instellingen.
Recirculatie/Interior Air Quality System
Recirculatie
Wanneer de recirculatie
actief is, brandt het oranje
lampje rechts in de knop1.
U kunt deze functie inschakelen als u vieze lucht, uitlaatgassen en dergelijke buiten wilt houden. De lucht in
de passagiersruimte wordt dan gerecirculeerd. Er komt met andere woorden geen lucht
van buiten de auto in, wanneer deze functie
actief is. Als de lucht in de auto te lang recirculeert, kan de binnenzijde van de ruiten
beslaan.
Timer
Bij een geactiveerde timerfunctie zal de klimaatregeling afhankelijk van de buitentemperatuur na een bepaalde tijd de handmatig
geactiveerde recirculatiestand verlaten. Dit
beperkt de kans op ijs, beslagen ruiten en een
slechte luchtkwaliteit. U kunt de functie acti1
Geldt alleen voor ECC.
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
veren/deactiveren onder
Klimaatinstellingen
Timer recirculatie.
Zie pagina 104 voor een beschrijving van het
menusysteem.
• Het groene lampje in het midden brandt –
de recirculatie is niet actief (tenzij dit nodig
is voor koeling bij warm weer).
• Het oranje lampje rechts brandt – de recirculatie is ingeschakeld.
N.B.
N.B.
Wanneer u de ontwaseming selecteert,
wordt de recirculatie altijd uitgeschakeld.
Voor optimale kwaliteit van de lucht in de
passagiersruimte dient u de Air Quality Sensor ingeschakeld te houden. Bij koud weer
gelden er beperkingen voor de recirculatiefunctie om te voorkomen dat de ruiten
beslaan. Als de ruiten toch beslaan, moet
u de Air Quality Sensor uitschakelen en
alle ruiten (voorruit, zijruiten en achteruit)
ontwasemen.
Interior Air Quality System*
Het Interior Air Quality System
ontdoet de binnenkomende
lucht van gassen en stofdeeltjes om zo hinderlijke geurtjes
en verontreinigingen in de
passagiersruimte te beperken. Als de Air Quality Sensor
een verhoogde concentratie van verontreinigingen in de buitenlucht meet, wordt de luchtinlaat afgesloten waarna de lucht in de passagiersruimte wordt gerecirculeerd. Wanneer u
de knop AUTO hebt ingedrukt, is de Air Quality
Sensor altijd ingeschakeld.
04
Recirculatie activeren1
Schakel de recirculatie in of
uit door herhaalde malen op
de nevenstaande knop te
drukken. Het lampje brandt
wanneer de recirculatie
actief is.
Recirculatie/Interior Air Quality Sensor
activeren1
G000000
Selecteer een van de drie
functies door verschillende
malen op de knop te drukken.
•Het oranje lampje links
brandt – de Air Quality Sensor is uitgeschakeld.
1
Geldt alleen voor ETC.
115
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
Luchtverdelingstabel
04
116
Toepassing
Luchtverdeling
Toepassing
Lucht naar de ruiten. Er
komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de
blaasmonden. De lucht
wordt niet gerecirculeerd.
De airconditioning is altijd
ingeschakeld.
Om snel te ontdooien en
te ontwasemen.
Lucht naar de vloer en de
ruiten. Er komt een
bepaalde hoeveelheid
lucht uit de blaasmonden
in het dashboard.
Om een comfortabel
klimaat en een goede
ontwaseming te verkrijgen bij koud weer.
Lucht naar de voorruit en
de zijruiten. Er komt een
bepaalde hoeveelheid
lucht uit de blaasmonden.
Om wasem en ijsvorming
bij koud en vochtig weer
te voorkomen (niet te lage
ventilatorsnelheid).
Lucht naar de vloer en uit
de blaasmonden in het
dashboard.
Bij zonnig weer en matige
buitentemperaturen.
Luchtstroom naar de ruiten en uit de blaasmonden van het dashboard.
Om een comfortabel
klimaat te verkrijgen bij
warm en droog weer.
Lucht naar de vloer. Er
komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de
blaasmonden in het dashboard en op de ruiten.
Om warme of koude lucht
naar de voeten te sturen.
Luchtstroom op hoofden borsthoogte uit de
blaasmonden in het
dashboard.
Om een efficiënte koeling
te verkrijgen bij warm
weer.
Luchtstroom naar de ruiten, uit de blaasmonden
in het dashboard en naar
de vloer.
Om koele lucht naar de
voeten te sturen of warme
lucht naar de rest van het
lichaam bij koud weer of
bij warm en droog weer.
G000000
Luchtverdeling
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
Standverwarming op brandstof*
U kunt de standverwarming meteen inschakelen of vertraagd met behulp van de timerfunctie. Onder de uitschakeltijd wordt het tijdstip
verstaan waarop de auto op de gewenste
temperatuur is. De elektronica van de auto
rekent aan de hand van de buitentemperatuur
zelf uit wanneer de verwarming moet worden
ingeschakeld. Bij een buitentemperatuur
hoger dan 15 °C wordt de verwarming niet
geactiveerd. Bij temperaturen van –10 °C en
lager is de maximale bedrijfstijd van de standverwarming 50 minuten. Als de standverwarming werkt, verschijnt er Standverw. AAN op
het informatiedisplay.
WAARSCHUWING
Bij gebruik van de standverwarming moet
de auto in de buitenlucht staan.
N.B.
Bij gebruik van de standverwarming is het
volkomen normaal dat er rook uit de rechter
wielkast komt.
G021395
Algemene informatie over de
standverwarming
BELANGRIJK
WARNING! ACHTUNG!
AVERTISSEMENT!
Herhaaldelijk gebruik van de standverwarming bij korte ritten kan ertoe leiden dat de
accu uitgeput raakt en startproblemen opleveren. Bij regelmatig gebruik van de standverwarming moet u even lang in de auto
rijden als de standverwarming aanstond.
Dit om te zorgen dat de dynamo evenveel
energie kan bijladen als de standverwarming verbruikt.
04
WAARSCHUWING
Gemorste brandstof kan ontvlammen.
Schakel voordat u gaat tanken de standverwarming uit. Controleer op het informatiedisplay of de standverwarming uit is.
Op een helling parkeren
Wanneer u de auto op een steile helling parkeert, moet u ervoor zorgen dat de voorkant
van de auto omlaagwijst. Zo krijgt de standverwarming altijd voldoende brandstof.
Accu en brandstof
Als de accu onvoldoende opgeladen is of als
het brandstofpeil te laag is, wordt de standverwarming automatisch uitgeschakeld. Er
verschijnt een melding op de informatiedisplay. Bevestig de melding door op de knop
READ te drukken (zie pagina 118).
117
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
Bediening
Klok/timer
Als u de klok bijstelt worden de timerinstellingen gewist.
Meteen in-/uitschakelen
1
2
3
G021364
04
READ
Duimwiel
Knop RESET
Zie pagina 107 voor meer informatie over het
informatiedisplay en de knop READ.
Knop
Melding op informatiedisplay
Wanneer u de instellingen voor de timer of de
directe start activeert, gaat het informatielampje op het instrumentenpaneel branden.
Op het informatiedisplay verschijnt bovendien
een verklarende melding. Het display geeft
ook aan welke timer actief is, wanneer u bij het
verlaten van de auto de transpondersleutel uit
het contactslot neemt.
1. Gebruik het duimwiel
om naar Directe
start Standverw. te gaan.
2. Druk op de knop RESET om te kiezen uit
AAN of UIT.
AAN: De standverwarming wordt handmatig bediend.
UIT: De standverwarming wordt automatisch bediend.
Bij directe start zal de standverwarming
50 minuten lang geactiveerd blijven. De interieurverwarming gaat van start, zodra de koelvloeistof in de motor een temperatuur van
38 ºC heeft bereikt.
N.B.
Het is mogelijk de motor starten en weg
te rijden, terwijl de standverwarming nog
aanstaat.
Timers instellen
U kunt alleen tijden voor het komende etmaal
instellen.
N.B.
Bij het instellen van de timer(s) moet de
motor zijn afgezet.
118
1. Ga met het duimwiel
naar Timer
standkach..
2. Druk kort op de knop RESET zodat de
uuraanduiding gaat knipperen.
3. Gebruik het duimwiel
om het gewenste tijdstip in uren aan te geven.
4. Druk kort op de knop RESET, zodat de
minuutaanduiding gaat knipperen.
5. Gebruik het duimwiel
om het gewenste tijdstip in minuten aan te geven.
6. Druk kort op de knop RESET om de
instelling te bevestigen.
7. Druk op de knop RESET om de timer te
activeren. Wanneer u PM hebt ingesteld,
kunt u een tweede uitschakeltijd programmeren onder AM door aan het
duimwiel
te draaien. U stelt de andere
uitschakeltijd op dezelfde manier in als
bij AM.
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
Extra verwarming (diesel)*
Automatische stand of uitschakelen
Bij korte ritten kan de extra verwarming desgewenst worden uitgeschakeld.
2
3
G021396
1
1. Ga met het duimwiel
naar Extra verwarming auto.
2. Druk op de knop RESET om te kiezen uit
AAN of UIT.
Knop
04
READ
Duimwiel
Knop RESET
Bij koud weer is het mogelijk dat u de extra
verwarming moet inschakelen om de passagiersruimte voldoende te verwarmen.
De extra verwarming wordt automatisch ingeschakeld, wanneer er extra verwarming nodig
is terwijl de motor loopt. De hulpverwarming
wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer de
juiste temperatuur bereikt is of wanneer de
motor wordt afgezet.
N.B.
Bij gebruik van de extra verwarming is het
volkomen normaal dat er rook uit de rechter
wielkast komt.
119
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
Algemene informatie
Het audiosysteem is te verkrijgen met verschillende opties en in verschillende uitvoeringen. Er zijn drie uitvoeringen verkrijgbaar:
Performance, High Performance en Premium
Sound. Bij het inschakelen van het audiosysteem geeft het display de uitvoering aan.
Overzicht
Toetsenset op stuurwiel
1
2
3
1
2
4
3
symbool
zijn handelsmerken van
Dolby Laboratories Licensing Corporation.
Het Dolby Surround Pro Logic II System is
vervaardigd onder licentie van
Dolby Laboratories Licensing Corporation.
Transpondersleutel en
contactslotstanden
U kunt het audiosysteem 15 minuten achtereen beluisteren, wanneer er geen transpondersleutel in het contactslot steekt.
N.B.
Neem de transpondersleutel uit het contactslot om het audiosysteem te beluisteren
wanneer de motor afgezet is. Zo voorkomt
u dat de accu onnodig belast wordt.
Als het audiosysteem aanstaat wanneer u de
motor afzet, wordt het de volgende keer dat
u de motor start automatisch ingeschakeld.
120
4
Ingang voor externe geluidsbron (AUX)
Toetsenset op stuurwiel
Bedieningspaneel in middenconsole
Bedieningspaneel met hoofdtelefoonaansluiting*
G021399
04
G021398
Dolby Surround Pro Logic II en het
Menu-opties bevestigen, gesprekken aannemen.
Naar een hoger niveau gaan binnen het
menusysteem. Actieve functie annuleren.
Gesprek beëindigen/weigeren, ingevoerde tekens wissen.
Volume
Kort indrukken om een track op een cd of
een van de voorkeurzenders te selecteren.
Lang indrukken om tracks op de cd versneld vooruit/achteruit te spoelen of automatisch radiozenders te zoeken.
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
Achterste bedieningspaneel met
hoofdtelefoonaansluiting*
Voor de beste geluidsweergave adviseren wij
u een hoofdtelefoon te gebruiken met een
impedantie van 16–32 ohm en een gevoeligheid van 102 dB of meer.
2
3
4
3
Menufuncties en MY KEY1
Druk
kort in om een track op een cd of een
van de voorkeurzenders te selecteren. Druk
dezelfde knop lang in om tracks op de cd versneld vooruit/achteruit te spoelen of automatisch radiozenders te zoeken.
Sommige functies kunt u regelen via het
menusysteem van de middenconsole. Zie
pagina 104 voor meer informatie over de
menufuncties. Zie pagina 155 voor informatie
over de werking van het audiosysteem in
combinatie met handsfree of telefoon.
Beperkingen
1
G021400
1
Vooruit-/achteruitspoelen en zoeken
• Welke geluidsbron (FM, AM, CD e.d.) er via
de luidsprekers wordt weergegeven valt
niet te sturen vanaf het achterste bedieningspaneel.
• Eventuele RDS-teksten kunnen achterwege
blijven, als de radio via de hoofdtelefoons
wordt beluisterd terwijl er een andere
geluidsbron via de luidsprekers wordt
weergegeven.
Favoriete menufunctie opslaan met
MY KEY.
04
G017752
Volume
Vooruit-/achteruitspoelen en zoeken
Geluidsbron, activeren
Hoofdtelefoonaansluiting (3,5 mm)
Activeren/deactiveren
U activeert het bedieningspaneel met een
druk op MODE wanneer het audiosysteem
ingeschakeld is. Het bedieningspaneel wordt
automatisch gedeactiveerd, wanneer u het
audiosysteem uitschakelt of MODE lang
indrukt.
1. Kies de menufunctie die u wilt opslaan. Niet
alle functies zijn op te slaan als favoriet.
2. Houd MY KEY meer dan twee seconden
lang ingedrukt.
3. Activeer de opgeslagen menufunctie vervolgens door kort op MY KEY te drukken.
1
De functie MY KEY komt te vervallen, als er bij
wijze van optie een telefoon in de auto wordt
ingebouwd.
121
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
De volgende menufuncties kunt u onder
MY KEY opslaan:
Cd-speler/-wisselaar
•
•
•
•
Random (cd-wisselaar)
Nieuws
TP
Nummer-informatie
04
FM
•
•
•
•
•
Nieuws
TP
Radiotekst
PTY zoeken
PTY-tekst weergeven
AUDIO-INSTELLINGEN
• Geluidsinstellingen
• Autom. volumeregeling
122
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
Audiofuncties
Kies een niveau onder Audio-instellingen
Autom. volumeregeling.
N.B.
Druk op Menu om de Audio-instellingen
te openen. Zie pagina 104 voor meer
informatie.
Geluidssterkte externe geluidsbron
Het is mogelijk een mp3-speler op de
AUX-ingang aan te sluiten (zie pagina 120).
1
N.B.
2
4
3
G021402
5
Middenconsole, bedieningstoetsen voor audiofuncties
Interne geluidsbronnen: AM, FM en CD
Externe geluidsbron. Zie pagina 120 voor
de aansluiting.
Druk- en draaiknoppen voor het aanpassen van de geluidsweergave
Navigatietoets
Volume en aan/uit
Geluidssterkte en automatische
volumeregeling
Het audiosysteem zorgt voor compensatie
van hinderlijke rijgeluiden in de passagiersruimte door het volume af te stemmen op de
snelheid van de auto. U hebt de keuze uit drie
compensatieniveaus: laag, medium en hoog.
De geluidskwaliteit kan verslechteren, als
de speler wordt opgeladen terwijl het audiosysteem in stand AUX staat. Laad de speler
in dat geval niet op tijdens het beluisteren.
Soms wijkt het volume waarop de externe
geluidsbron wordt weergegeven af van dat
van de interne geluidsbronnen. Als de geluidssterkte van de externe geluidsbron te hoog is,
kan de geluidskwaliteit verslechteren. U kunt
dat tegengaan door het ingangsvolume van de
externe geluidsbron aan te passen:
• Bas – Niveau voor de lage tonen.
• Treble – Niveau van de hoge tonen.
• Fader – Balans tussen de luidsprekers
voor- en achterin.
• Balans – Balans tussen de luidsprekers
links en rechts.
• Subwoofer* – Niveau voor lagetonenluidspreker. Door de draaiknop
linksom naar
de MIN te draaien kunt u de subwoofer
deactiveren. De onderstaande afbeelding
geeft de locatie van de subwoofer aan.
04
1. Zet het audiosysteem in de stand AUX met
de knop MODE en navigeer vervolgens
met
naar AUX-ingangsvolume.
2. Draai aan de knop
of druk op
/
van de navigatietoets.
Geluidsregeling
Door te drukken op de knop
kunt u de
onderstaande opties doorlopen. U stelt de
opties in door aan de draaiknop
te
draaien.
G019419
1
• Surround1 – Instellingen voor de surroundfunctie.
1
Premium Sound
123
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
Het audiosysteem is gekalibreerd voor optimale geluidsweergave met behulp van digitale
signaalverwerking.
• Middenniveau1 – Niveau voor de middenluidspreker.
• Surround-niveau1 – Niveau voor de zogeheten Ambient Surround Sound.
Voor ieder automodel wordt het audiosysteem
tijdens de kalibratie perfect afgestemd op de
luidsprekers, de versterker, de akoestiek in de
auto, de positie van de luisteraar e.d.
Equalizer
Er is tevens een dynamische kalibratie waarbij
rekening wordt gehouden met de stand van
de volumeknop, de radio-ontvangst en de rijsnelheid.
Met de equalizer1 kunt u de niveaus voor de
verschillende frequentiebanden ieder apart
instellen.
1. Ga naar Audio-instellingen en kies voor
Equalizer voor of Equalizer achter.
Stel het niveau voor de frequentieband bij
met
/
van de navigatietoets. Druk op
/
om een andere frequentieband te
kiezen.
2. Leg de instelling vast met ENTER of
annuleer uw keuze met EXIT.
Geluidspodium
2
De geluidsweergave is dusdanig in te stellen
dat deze optimaal is voor de bestuurder, voor
de inzittenden voorin of voor de achterpassagiers. Kies een van de alternatieven onder
Audio-instellingen
1
Bepaalde systeemuitvoeringen
2 Premium
124
Geluidspodium.
Sound
Optimale geluidsweergave
De regelfuncties die in dit instructieboekje
nader verklaard worden (zoals Bas, Treble en
Equalizer) zijn uitsluitend bedoeld om u de
mogelijkheid te bieden de geluidsweergave
naar wens af te stellen.
Cd-functies
1
2
5
6
3
4
G021403
04
Onder Surround kunt u 3-kanaals stereo of
Dolby Surround Pro Logic II activeren door
3-ch of Dpl2 te selecteren. Vervolgens worden u de volgende opties voorgeschoteld:
Middenconsole, bedieningstoetsen voor
cd-functies
Cd uitwerpen
Opening voor het invoeren/uitwerpen
van cd’s
Navigatietoets voor het wisselen van
cd-tracks
Vooruit-/achteruitspoelen en wisselen van
cd-tracks
Positie in cd-wisselaar* kiezen
Cd doorzoeken
Weergave starten (cd-speler)
Een eventuele muziek-cd in de speler wordt
automatisch afgespeeld, wanneer u op CD
drukt. Steek anders een cd in de invoeropening en druk op CD.
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
Weergave starten (cd-wisselaar)
Pauzeren
Als er een cd-sleuf met een muziek-cd is
gekozen, gaat de weergave automatisch van
start wanneer u op CD drukt. Kies als dat niet
het geval is een cd met de cijfertoetsen 1–6
Wanneer u het volume helemaal omlaagdraait,
wordt de weergave van de cd-speler onderbroken. Bij het verhogen van het volume
wordt er weer verder gespeeld.
of
Muziekbestanden1
/
van de navigatietoets.
Cd aanbrengen (cd-wisselaar)
1. Kies een lege sleuf met de cijfertoetsen 1–6
of
/
van de navigatietoets.
Op het display staat aangegeven welke sleuf
leeg is. De melding Disc plaatsen geeft aan
dat u een volgende cd kunt aanbrengen. De
cd-wisselaar biedt plaats aan zes cd’s.
2. Steek een cd in de invoeropening van de
cd-wisselaar.
Schijf uitwerpen
U hebt ca. 12 seconden de tijd om een uitgeworpen schijf uit te nemen. Als de schijf na
afloop van deze periode nog in de cd-speler
zit, wordt de schijf weer ingenomen en verder
afgespeeld.
Met een korte druk op de uitwerptoets kunt
u één enkele schijf uitwerpen.
Met een lange druk op de uitwerptoets kunt
u alle schijven uitwerpen. Alle schijven in het
magazijn worden dan één voor één uitgeworpen.
De cd-speler ondersteunt ook muziekbestanden in mp3- en wma-formaat.
N.B.
De speler kan bepaalde muziekbestanden
met kopieerbeveiliging niet lezen.
Wanneer u een cd met muziekbestanden in de
speler aanbrengt, wordt een eventuele mapstructuur op de schijf automatisch geladen.
Afhankelijk van de kwaliteit van de schijf kan
het enige tijd duren voordat de schijf wordt
afgespeeld.
Navigeren en afspelen
Als er een schijf met muziekbestanden in de
cd-speler zit, kunt u met ENTER de mapstructuur openen. U navigeert op dezelfde
manier in de mapstructuur als in de menustructuur van het audiosysteem. Muziekbestanden worden aangeduid met het
symbool
en mappen met
. Met
een druk op ENTER gaat het afspelen van de
muziekbestanden van start.
1
Wanneer een bepaald muziekbestand helemaal afgespeeld is, worden de overige
bestanden in dezelfde map weergegeven.
Nadat alle bestanden in een bepaalde map
zijn afgespeeld, wordt er automatisch van
map gewisseld.
Vooruit-/achteruitspoelen en van track/
muziekbestand op de cd wisselen
Druk kort op
/
van de navigatietoets
om tracks/muziekbestanden op een cd te
selecteren. Druk lang om cd-tracks/muziekbestanden versneld vooruit/achteruit te spoelen.
U kunt daarvoor ook gebruik maken van de
toetsenset op het stuurwiel. U kunt ook van
track wisselen door aan de knop TUNING te
draaien.
04
Cd doorzoeken
Bij activering van deze functie worden van alle
tracks/muziekbestanden op een cd de eerste
tien seconden weergegeven. Druk op SCAN
om de functie te activeren. Beëindig de functie
met EXIT of SCAN om de weergave van de
actuele tracks/muziekbestanden op de cd
voort te zetten.
Willekeurige afspeelvolgorde
Bij activering van deze functie speelt de speler
de tracks/muziekbestanden in willekeurige
volgorde af. U kunt de willekeurig gekozen
tracks/muziekbestanden op de cd op de
gebruikelijke manier doorbladeren.
High Performance en Premium Sound
125
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
alternatief Alle discs geldt alleen voor de
muziek-cd’s die in de cd-wisselaar zitten.
N.B.
Bij gebruik van de linker of rechter pijl wordt
alleen een nieuwe willekeurige track op de
afgespeelde cd geselecteerd.
Afhankelijk van het type willekeurige afspeelvolgorde dat geselecteerd is, verschijnt er een
bepaalde displaymelding:
04
• RANDOM houdt in dat de tracks/muziekbestanden op slechts één van de muziekcd’s worden afgespeeld.
• RND ALL houdt in dat alle tracks/muziekbestanden op alle muziek-cd’s in de cdspeler worden afgespeeld.
• RANDOM FOLDER houdt in dat de
muziekbestanden in een willekeurige map
op de gekozen cd worden afgespeeld.
Navigatietoets voor het automatisch zoeken van zenders
Tijdens het afspelen van een cd met muziekbestanden moet u de functie echter activeren/
deactiveren onder Random
Map. Wanneer u een andere cd kiest, wordt de functie
gedeactiveerd.
Nummer-informatie
Eventuele nummer-informatie op de muziekcd kan via het display worden weergegeven.
Bij Premium Sound en High Performance
geldt dit ook voor cd’s met mp3- en wmabestanden. Activeer/deactiveer de functie in
Voorkeurtoetsen en handmatig voorkeurzenders vastleggen.
Frequentieband AM en FM (FM1 en FM2)
kiezen.
Automatisch zenders zoeken
1. Kies een frequentieband met FM of AM.
/
van de navigatietoets.
Handmatig zenders zoeken.
1. Kies een frequentieband met FM of AM.
2. Draai aan TUNING.
Radiofuncties
Activeer/deactiveer de functie tijdens het
afspelen van een normale muziek-cd onder
Random.
Voorkeurzenders
7
Activeer/deactiveer de functie bij het beluisteren van een schijf met muziekbestanden
126
Frequentieband doorzoeken
Automatisch zenders vastleggen.
2. Druk op
de stand CD onder Cd-instellingen
Nummer-informatie.
Cd-speler
1
2
3
Map.
Cd-wisselaar
6
Activeer/deactiveer de functie bij het afspelen
van een normale muziek-cd onder Random
Enkele disc of Random
Alle discs. Het
5
4
G021404
onder Random
Geselecteerde functie beëindigen
Handmatig zenders zoeken.
Middenconsole, bedieningstoetsen voor radiofuncties
U kunt per frequentieband tien voorkeurzenders vastleggen. De FM-band heeft twee
geheugenbanken met voorkeurzenders: FM1
en FM2. Alleen de radiozender die via de luidsprekers van de auto weergegeven wordt is,
als voorkeurzender in te stellen. U kiest een
voorkeurzender met de voorkeurtoetsen.
De voorkeurzenders kunnen handmatig of
automatisch worden vastgelegd.
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
Voorkeurzenders handmatig vastleggen
De melding Auto verschijnt op het display.
1. Stem af op een zender.
2. Houd een van de voorkeurtoetsen ingedrukt, totdat de melding
Zender opgeslagen op het display verschijnt.
2. Druk op een voorkeurtoets.
Frequentieband doorzoeken
Deze functie is met name handig in gebieden,
waar u de radiozenders en hun frequenties
niet kent. De tien best te ontvangen radiozenders worden automatisch in een aparte
geheugenbank vastgelegd.
Deze functie doorzoekt de actuele frequentieband automatisch op goed te ontvangen zenders. Wanneer er een zender is gevonden,
wordt deze ca. acht seconden lang weergegeven voordat de zoekfunctie wordt voortgezet.
Gedurende de weergave van een zender kunt
u die op de gebruikelijke manier als voorkeurzender vastleggen.
1. Kies een frequentieband met FM of AM.
1. Kies een frequentieband met AM of FM.
2. Houd AUTO ingedrukt, totdat Autom.
opslaan op het display verschijnt.
Wanneer Autom. opslaan van het display
verdwijnt, zijn de zenders vastgelegd. De
radio gaat over op de automatische stand en
de melding Auto verschijnt op het display.
De automatisch vastgelegde voorkeurzenders zijn vervolgens rechtstreeks te kiezen
met de voorkeurtoetsen. De automatische
vastlegfunctie voor radiozenders is te beëindigen met EXIT.
2. Druk op SCAN.
De melding SCAN verschijnt op het display.
Druk tot slot op SCAN of EXIT.
Automatisch zenders vastleggen.
De radio blijft in de automatische stand staan,
totdat u op AUTO of FM drukt.
U kunt gebruik maken van de automatisch
vastgelegde radiozenders door de radio als
volgt in de automatische stand te zetten:
1. Druk op AUTO.
RDS-functies
Radio Data System – RDS verbindt
FM-zenders in een netwerk met elkaar. Een
FM-zender in een dergelijk netwerk verstuurt
bepaalde informatie, zodat een RDS-radio
onder meer de volgende mogelijkheden biedt:
• Automatisch overschakelen op een beter
doorkomende zender als de ontvangst in
een bepaald gebied slecht is.
• Zoeken op programmatype zoals zenders
die verkeersinformatie of nieuws doorgeven.
• Weergeven van informatieve tekst over het
beluisterde radioprogramma.
N.B.
Sommige radiozenders maken geen
gebruik van RDS of alleen in beperkte mate.
Als er een zender met het gewenste programmatype is aangetroffen, kan de radio vervolgens op deze zender overschakelen en de
weergave van de actieve geluidsbron onderbreken. Als de cd-speler bijvoorbeeld actief is,
wordt de weergave daarvan tijdelijk onderbroken. De uitzending met het gekozen programmatype wordt weergegeven op een vooraf
bepaald volume (zie pagina 129). Na afloop
van de uitzending van het gekozen programmatype geeft de radio de voorgaande geluidsbron opnieuw weer op het volume dat u daarvoor had ingesteld.
04
De programmafuncties alarm (ALARM!),
verkeersinformatie (TP), nieuws (NEWS) en
programmatype (PTY) worden in volgorde van
belangrijkheid weergegeven, waarbij geldt dat
alarm de hoogste prioriteit geniet en de programmatypes de laagste. Zie EON en REG op
pagina 129 voor meer instellingen die te
maken hebben met het onderbreken van uitzendingen. Druk op EXIT om de weergave van
de onderbroken geluidsbron te hervatten.
Alarm
De functie wordt gebruikt om de bevolking
attent te maken op ernstige ongelukken of
127
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
calamiteiten. U kunt de functie alarm niet tijdelijk onderbreken of deactiveren. De melding
ALARM! verschijnt op het display, wanneer er
een alarmmelding wordt verzonden.
Verkeersinformatie, TP
04
U kunt de functie activeren/deactiveren onder
FM-instellingen
Nieuws.
Nieuws via beluisterde zender/alle
zenders
Bij activering van deze functie wordt de weergave van de actieve geluidsbron onderbroken
voor een uitzending met verkeersinformatie
via het RDS-netwerk van de zender waarop is
afgestemd. De melding TP geeft aan dat de
functie actief is. Als de zender waarop u hebt
afgestemd verkeersinformatie kan doorgeven, staat er TP op het display.
gen
Geav. radio-instellingen
Nieuwszender om wijzigingen aan te brengen.
Activeer/deactiveer deze functie onder
FM-instellingen
TP.
Programmatype, PTY
TP via beluisterde zender/alle zenders
De radio kan de weergave van de actieve
geluidsbron onderbreken voor verkeersinformatie via de (actuele) zender die u beluistert of
via alle zenders.
Ga naar FM-instellingen
Geav. radio-
instellingen
TP
TP-zender om wijzigingen aan te brengen.
128
De melding NEWS geeft aan dat de functie
actief is.
De radio kan de weergave van de actieve
geluidsbron onderbreken voor een nieuwsuitzending via de (actuele) zender die u beluistert
of via alle zenders. Ga naar FM-instellin-
Met de functie PTY is het mogelijk verschillende programmatypes te kiezen zoals popmuziek en klassieke muziek. De melding PTY
geeft aan dat de functie actief is. Bij activering
van deze functie wordt de weergave van de
actieve geluidsbron onderbroken voor een uitzending van het gekozen programmatype via
het RDS-netwerk van de zender waarop is
afgestemd.
Activeer de functie in de stand FM door een
programmatype te selecteren onder FM-
Nieuws
instellingen
Bij activering van deze functie wordt de weergave van de actieve geluidsbron onderbroken
voor een nieuwsuitzending via het RDS-netwerk van de zender waarop is afgestemd.
Deactiveer de functie door de PTY’s te wissen
onder FM-instellingen
Alle PTY’s wissen.
PTY
PTY selecteren.
PTY zoeken
Bij activering van deze functie wordt de gehele
frequentieband doorzocht op uitzendingen
van het gekozen programmatype.
1. Kies een PTY onder FM-instellingen
PTY
PTY selecteren.
2. Ga naar FM-instellingen
PTY
PTY
zoeken.
Als de radio een uitzending van een van de
gekozen programmatypes vindt, verschijnt
>| om te zoeken op het display. Druk op
van de navigatietoets om verder te zoeken
naar een andere uitzending van een van de
gekozen programmatypes.
Programmatype weergeven
Het is mogelijk het programmatype van de
zender die u op dat moment beluistert op het
display weer te geven.
Activeer/deactiveer deze functie in de stand
FM onder FM-instellingen
tekst weergeven.
PTY
PTY-
N.B.
Niet alle radiozenders ondersteunen deze
functie.
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
Radiotekst
EON (Enhanced Other Networks)
Volumeregeling programmatypes
Sommige RDS-zenders geven informatie door
over de inhoud van de uitzendingen, uitvoerende artiesten e.d. Deze informatie kan op
het display worden weergegeven.
Deze functie is met name handig in stedelijke
gebieden met een groot aantal regionale
radiozenders. Bij activering van de functie is
de afstand tot de zendmast van een radiozender bepalend voor de vraag of de weergave
van de actieve geluidsbron kan worden onderbroken voor uitzendingen van een bepaald
programmatype.
De onderbrekende uitzendingen van het gekozen programmatype (bijv. NIEUWS of TP) worden weergegeven op het volume dat voor het
programmatype is gekozen. Als u het volume
tijdens de onderbreking bijregelt, wordt het
nieuwe volume opgeslagen voor een volgende
onderbreking.
Activeer/deactiveer deze functie in de stand
FM onder Radiotekst.
Automatische afstemfunctie, AF
Bij activering van deze functie wordt er automatisch afgestemd op het sterkste signaal
voor een bepaalde radiozender. Soms moet
de radio de gehele FM-band doorzoeken om
een sterk zendersignaal te vinden. In dat geval
valt de radio stil en verschijnt de melding PI
zoeken Exit= annuleren op het display.
Activeer/deactiveer de functie in de stand FM
onder FM-instellingen
instellingen
Geav. radio-
AF.
Regionale radioprogramma’s, REG
Activeer/deactiveer de functie in de stand FM
door een van de alternatieven te kiezen onder
FM-instellingen
EON:
• Plaatselijk – Alleen onderbreking wanneer
de zendmast van de radiozender dichtbij is.
• Afstand 1 – Ook onderbreking als de zendmast van de zender ver weg staat en zijn
signaal storingen vertoont.
• Uit – Geen onderbreking voor een uitzending van een bepaald programmatype via
andere zenders.
Deze functie maakt het mogelijk om op een
bepaalde regionale zender afgestemd te blijven ondanks dat het signaal zwak is. De melding REG geeft aan dat de functie actief is.
Met deze kunt u alle fabriekinstellingen voor
RDS herstellen. Reset in de stand FM onder
Activeer/deactiveer de functie in de stand FM
FM-instellingen
onder FM-instellingen
lingen
Geav. radio-instel-
04
Geav. radio-instellingen
RDS-functies resetten
Geav. radio-instellingen
Alles resetten.
Regionaal.
1 Default/Fabrieksinstelling.
129
04 Comfort en rijplezier
Boordcomputer
Algemene informatie
Functies
N.B.
1
2
Als er een waarschuwingsmelding verschijnt
terwijl de boordcomputer in gebruik is, moet
u deze melding eerst bevestigen om naar
de boordcomputerfunctie terug te keren.
U bevestigt door op READ te drukken.
3
G021364
04
Informatiedisplay en bediening
READ – bevestigen.
Duimwiel – menu’s en opties binnen de
cruisecontrol-lijst doorbladeren.
RESET – op nul stellen
Om toegang te krijgen tot de informatie in de
boordcomputer, moet u het duimwiel in stappen omhoog of omlaag draaien. Wanneer u na
het laatste menu nogmaals aan het wieltje
draait, keert u terug naar de uitgangspositie.
Neem contact op met een erkende Volvowerkplaats, als u de eenheid wilt wijzigen
waarin de afstand en de snelheid worden
weergegeven.
Actuele snelheid*
Bij een snelheidsmeter met een kilometerschaal wordt de actuele snelheid weergegeven in km/h. Bij een snelheidsmeter met een
milesschaal wordt de actuele snelheid weergegeven in mph.
Gem. snelheid
De auto berekent de gemiddelde snelheid
sinds de laatste maal dat u deze waarde op
nul hebt gesteld. U stelt de waarde op nul met
RESET.
Momentaan
Het momentane (actuele) brandstofverbruik
wordt eenmaal per seconde berekend.
De waarde op het display wordt om de paar
seconden bijgewerkt. Wanneer de auto
stilstaat, geeft het display “----” aan.
130
Gemiddeld
Het gemiddelde brandstofverbruik sinds de
laatste maal dat u de waarde op nul hebt
gesteld. U stelt de waarde op nul met RESET.
N.B.
Er kunnen onjuiste waarden verschijnen, als
u een extra verwarming en/of1 standverwarming* op brandstof hebt gebruikt.
1Alleen
dieselmodellen.
Km actieradius
De actieradius wordt berekend aan de hand
van het gemiddelde brandstofverbruik over de
laatste 30 km en de resterende hoeveelheid
brandstof. Het display geeft de afstand aan
die bij benadering kan worden afgelegd met
de resterende hoeveelheid brandstof in de
tank. Wanneer de actieradius kleiner is dan
20 km, geeft het display
“----” Km actieradius aan.
N.B.
Er kunnen onjuiste waarden verschijnen, als
u een standverwarming* op brandstof hebt
gebruikt of van rijstijl bent veranderd.
Op nul stellen
1. Selecteer gem. snelheid of gemiddeld.
04 Comfort en rijplezier
Boordcomputer
2. Houd RESET ca. 1 seconde ingedrukt
om de waarde voor de gekozen functie
op nul te stellen. Als u RESET ten minste
3 seconden lang ingedrukt houdt, stelt u
de gemiddelde snelheid en het gemiddelde brandstofverbruik gelijktijdig op nul.
04
131
04 Comfort en rijplezier
Kompas*
Bediening
Afstellen
Zone kiezen
9
6
8
10
7
9
8
7
11
6
12
13
132
G021406
04
G021407
14
15
4
3
2
1
G021408
5
Achteruitkijkspiegel met kompas.
Kompas kalibreren.
Magnetische zones
In de rechter bovenhoek van de achteruitkijkspiegel zit een display waarop wordt aangegeven in welke richting de voorkant van de
auto wijst. Er worden acht verschillende richtingen met Engelse afkortingen weergegeven:
N (noord), NE (noordoost), E (oost),
SE (zuidoost), S (zuid), SW (zuidwest),
W (west) en NW (noordwest).
Het kompas wordt automatisch geactiveerd
wanneer u de motor start of het contactslot in
stand II zet. Om het kompas handmatig in of
uit te schakelen kunt u een paperclip of iets
dergelijks nemen en het knopje aan de achterzijde van de achteruitkijkspiegel indrukken.
Het kompas moet soms voor de nauwkeurigheid worden gekalibreerd. Als kalibratie nodig
is, verschijnt CAL op het display van de spiegel.
1. Breng de auto op een groot en open terrein
tot stilstand.
2. Start de motor.
3. Houd het knopje aan de achterzijde van
de achteruitkijkspiegel ingedrukt (met bijvoorbeeld een paperclip), totdat de melding CAL opnieuw verschijnt (ca.
6 seconden lang).
4. Rijd op de normale manier weg. CAL
verdwijnt van het display, wanneer de
kalibratie is afgerond.
Alternatieve kalibratiemethode:
Rijd langzaam een rondje in de auto met
een snelheid van hoogstens acht km/h,
totdat de melding CAL van het display
verdwijnt om aan te geven dat de kalibratie afgerond is.
De aarde is in 15 magnetische zones verdeeld.
Het kompas werkt alleen naar behoren als de
juiste zone geselecteerd is.
1. Zet het contactslot in stand II.
2. Houd het knopje aan de achterzijde van
de achteruitkijkspiegel ten minste
3 seconden lang (met een paperclip of
iets dergelijks) ingedrukt. Het nummer
van het actuele geografische gebied verschijnt.
3. Druk herhaaldelijk op het knopje totdat
het nummer van het gewenste geografische gebied (1–15) verschijnt.
4. Enkele seconden later geeft het display
de kompasrichting weer aan.
04 Comfort en rijplezier
DSTC – Stabiliteits- en tractieregelsysteem
Het stabiliteits- en tractieregelsysteem (DSTC,
Dynamic Stability and Traction Control) helpt
de bestuurder voorkomen dat de wielen doorslippen en verbetert de tractie van de auto.
Het systeem stemt de aandrijfkracht en remkracht van elk van de wielen dusdanig af dat
ze niet doorslippen. Dit verhoogt de bestuurbaarheid en daarmee ook de veiligheid bij
snelle uitwijkmanoeuvres bijvoorbeeld.
De tractie wordt verbeterd doordat het systeem de aandrijfkracht over de wielen verdeelt. Het systeem grijpt voornamelijk in bij
lage snelheden op slechte wegen.
Tijdens het afremmen kunnen de ingrepen van
het systeem waarneembaar zijn in de vorm
van pulserende geluiden. Tijdens het gas
geven kan de auto langzamer optrekken dan
u verwacht.
Meldingen op informatiedisplay
DSTC Tijdelijk UIT
Wegens een te hoge temperatuur van de remschijven gelden er tijdelijk beperkingen voor
het systeem. Het systeem wordt automatisch
opnieuw ingeschakeld, wanneer de remmen
weer voldoende zijn afgekoeld.
DSTC Service vereist
Wegens een storing werd het systeem uitgeschakeld.
Breng de auto op een veilige plaats tot stilstand en zet de motor af. Bezoek een erkende
Volvo-werkplaats, als de melding opnieuw
verschijnt nadat u de motor weer hebt gestart.
Bediening
Lampjes op instrumentenpaneel
1
Lees de melding op het informatiedisplay, als
de lampjes
en
Als alleen het lampje
het volgende:
2
gelijktijdig oplichten.
oplicht, betekent dat
• een knipperend lampje geeft aan dat het
systeem op dat moment ingrijpt;
• een lampje dat 2 seconden brandt geeft
aan dat de systeemtest bij het starten van
de motor loopt;
• een lampje dat na het starten van de motor
of tijdens het rijden oplicht, duidt op een
storing in het systeem.
Beperkte functie
Het is mogelijk de werking van het systeem te
beperken, wanneer de wielen doorslippen en
u gas geeft. Het systeem grijpt bij doorslippende wielen dan later in, zodat er een hogere
mate van doorslippen mogelijk is. Dit levert
een grotere bedieningsvrijheid op bij dynamisch rijden. De aandrijving in diepe lagen
sneeuw of zand wordt verbeterd, omdat er
dan geen beperkingen meer gelden voor de
tractie.
G021409
Algemene informatie over het DSTC
04
1. Draai aan het duimwiel
totdat het menu
DSTC verschijnt.
DSTC AAN betekent dat de werking van het
systeem ongewijzigd is.
DSTC Spin Control UIT betekent dat er
beperkingen gelden voor de werking van het
systeem.
2. Houd RESET
ingedrukt totdat het
menu DSTC zich wijzigt.
De beperkingen voor de werking van het systeem blijven van kracht totdat u de motor een
volgende keer opnieuw start.
WAARSCHUWING
Er kunnen wijzigingen optreden in de rijeigenschappen van de auto, als de werking
van het systeem wordt beperkt.
133
04 Comfort en rijplezier
Rijeigenschappen aanpassen
Actief chassis (FOUR-C)*
Snelheidsafhankelijke
stuurbekrachtiging*
Bediening
Het actieve chassissysteem FOUR-C
(Continuously Controlled Chassis Concept)
stemt de eigenschappen van de schokdempers af op de gewenste rijeigenschappen van
de auto. U hebt de keuze uit drie standen:
Comfort, Sport en Advanced.
Naarmate de rijsnelheid hoger wordt neemt de
stuurbekrachtiging af, waardoor u een beter
gevoel met de weg krijgt. Op lage snelheden is
de stuurbekrachtiging groter zodat bijvoorbeeld parkeren minder moeite kost.
U kunt de mate van stuurbekrachtiging wijzi-
04
Bij deze stand die wordt geadviseerd voor
lange ritten rijdt de auto comfortabeler dan
normaal. De vering verloopt soepel waardoor
de bewegingen van de carrosserie minimaal
en aangenaam zijn.
Sport
Bij deze stand die wordt geadviseerd voor een
actievere rijstijl heeft de auto een sportiever
karakter. De auto reageert sneller op de bewegingen van het stuurwiel dan in de stand Comfort. De vering is stugger dan normaal en de
carrosserie volgt het wegdek om bij het snelle
bochtenwerk de mate van overhellen te
beperken.
Advanced
U wordt geadviseerd deze stand alleen te activeren op zeer rechte en vlakke wegen.
De bewegingen van de schokdempers zijn
geoptimaliseerd voor maximale grip en minimale overhelling in bochten.
134
G021410
Comfort
Chassisstanden
Gebruik de knoppen op de middenconsole
om van stand te veranderen. De chassisstand
die actief is bij het afzetten van de motor zal
de volgende keer dat u de motor start
opnieuw geactiveerd worden.
gen onder Instellingen van de auto
Stuurkrachtniveau. Zie pagina 104 voor een
beschrijving van het menusysteem. Dit menu
is niet te openen wanneer de auto rijdt.
04 Comfort en rijplezier
Cruisecontrol*
Bediening
wordt vastgezet en als ingestelde snelheid
dient. De displaytekst (---) km/h verandert in
de ingestelde snelheid, bijv. 100 km/h.
1
N.B.
5
2
3
Ingestelde snelheid verhogen/verlagen
___
0
In de actieve stand kunt u de snelheid verho-
1
G021411
4
Bij snelheden lager dan 30 km/h is het niet
mogelijk de cruisecontrol in te schakelen.
Display en bedieningstoetsen
Stand-by zetten
Ingestelde snelheid hervatten
Deactiveren
gen of verlagen door de knop
of lang in te drukken.
of
korte
Een tijdelijke verhoging van de snelheid met
het gaspedaal (zoals bij het inhalen) is niet van
invloed op de instelling van de cruisecontrol.
Als u het gaspedaal loslaat, neemt de auto
automatisch de ingestelde snelheid weer aan.
Snelheid activeren/instellen
Ingestelde snelheid (tussen haakjes =
stand-bystand)
Activeren en snelheid instellen
U kunt de cruisecontrol alleen activeren nadat
u deze stand-by hebt gezet met een druk op
N.B.
Als een van de toetsen van de cruisecontrol
langer dan ca. één minuut ingedrukt wordt,
wordt de cruisecontrol uitgeschakeld. Om
de cruisecontrol in dat geval te resetten
moet u de motor afzetten.
Onderbreking
Druk op 0 om de cruisecontrol te onderbreken. De vastgelegde snelheid staat tussen
haakjes op het display (bijvoorbeeld
(100) km/h.
Automatische onderbreking
De cruisecontrol wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer de aangedreven wielen
doorslippen of als de snelheid bij het oprijden
van een steile helling daalt tot onder ca.
30 km/h. De cruisecontrol wordt uitgeschakeld wanneer u het rempedaal bedient, de
keuzehendel in de vrijstand zet of het gaspedaal lang (ca. 60 seconden) bedient. De cruisecontrol gaat dan stand-by en slaat de ingestelde snelheid op.
04
Ingestelde snelheid hervatten
De cruisecontrol kan na een onderbreking
opnieuw geactiveerd worden door te drukken
op
. Het systeem hervat dan de eerder
ingestelde snelheid.
N.B.
de knop CRUISE
. Het symbool
op
het display licht op en de melding (---) km/h
Deactiveren
verschijnt om aan te geven dat de cruisecontrol stand-by staat.
U schakelt de cruisecontrol uit met CRUISE
of door de motor af zetten. De ingestelde snelheid wordt daarbij gewist.
Wanneer u de ingestelde snelheid hebt herkan er een duidelijke snelvat met
heidsverhoging optreden.
De cruisecontrol is vervolgens te activeren
met
of
, waarna de actuele snelheid
135
04 Comfort en rijplezier
Adaptieve cruisecontrol*
Algemene informatie
De adaptieve cruisecontrol (Adaptive Cruise
Control, ACC) vormt een hulpmiddel om u te
ontlasten bij lange ritten op rechte weggedeelten met een gelijkmatige verkeersstroom zoals
op snelwegen en provinciale wegen.
Laat het onderhoud van de onderdelen van de
adaptieve cruisecontrol over aan een erkende
Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
1
2
3
WAARSCHUWING
De adaptieve cruisecontrol leent zich niet
voor alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
Het onderdeel Functie dat begint op
pagina 136 informeert over de beperkingen
die u als bestuurder moet kennen, voordat
u de adaptieve cruisecontrol gebruikt.
Als bestuurder bent u ervoor verantwoordelijk dat u de juiste afstand en snelheid aanhoudt, ook als u gebruik maakt van de
adaptieve cruisecontrol. U dient altijd rekening te houden met de verkeersomstandigheden en in te grijpen, wanneer de
adaptieve cruisecontrol geen passende
snelheid of afstand aanhoudt.
G021412
04
Functie
Functie-overzicht
Waarschuwingslampje, afremmen noodzakelijk
Bedieningsknoppen
Radarsensor
De adaptieve cruisecontrol bestaat uit een
cruisecontrol die gekoppeld is aan een
afstandshouder.
De adaptieve cruisecontrol is geen systeem
dat botsingen voorkomt. Grijp zelf in zodra
u merkt dat het systeem een voertuig voor
u niet registreert.
De adaptieve cruisecontrol remt niet voor
langzaam rijdende of stilstaande voertuigen.
Gebruik de adaptieve cruisecontrol niet in
stadsverkeer of drukke verkeersstromen, bij
gladheid, hevige regen- of sneeuwval of
slecht zicht en evenmin op weggedeelten
met een dikke laag water of sneeuwmodder, vele bochten of op- en afritten.
De afstand tot het verkeer voor u wordt gemeten met een radarsensor. De snelheid wordt
afgeregeld door de stand van het gasklep aan
te passen en zo nodig af te remmen. Het is
volkomen normaal dat de remmen enige geluiden produceren, wanneer de adaptieve cruisecontrol ze aanspreekt.
WAARSCHUWING
Het rempedaal komt omlaag, wanneer de
cruisecontrol remt. Houd uw voet dan ook
niet onder het rempedaal om beknelling te
voorkomen.
De adaptieve cruisecontrol streeft ernaar de
afstand tot het voertuig dat voor u op dezelfde
rijstrook rijdt op een bepaalde tijdswaarde te
houden. Als de radarsensor geen voertuig
voor u registreert, wordt alleen de ingestelde
136
04 Comfort en rijplezier
Adaptieve cruisecontrol*
Waarschuwingslampje, afremmen
noodzakelijk
Het remvermogen van de adaptieve cruisecontrol bedraagt ca. 30% van dat van het normale remsysteem van de auto. Als uw auto
harder moet afremmen dan de adaptieve cruisecontrol aankan en u remt zelf niet bij, dan
klinkt er een signaal en wordt een gedeelte
onder aan de voorruit verlicht door een rood
waarschuwingslampje. Het rode waarschuwingslampje is soms moeilijk te ontdekken in
de felle zon of bij het gebruik van een zonnebril.
•
•
•
•
de wielen hun grip op het wegdek verliezen;
de remmen een hoge temperatuur hebben;
het toerental van de motor te laag wordt;
de radarsensor wordt gehinderd door natte
sneeuw of regen.
Bediening
1
WAARSCHUWING
De adaptieve cruisecontrol waarschuwt alleen voor de voertuigen die de radarsensor
heeft geregistreerd. Het is dan ook mogelijk
dat een waarschuwing uitblijft of pas na
enige vertraging wordt gegeven. Wacht een
waarschuwing dan ook niet af, maar rem
zelf wanneer u dat nodig acht.
Automatisch deactiveren
De adaptieve cruisecontrol is afhankelijk van
andere systemen zoals het stabiliteits- en
tractieregelsysteem (DSTC). Als een van dergelijke systeem uitvalt, wordt de cruisecontrol
automatisch uitgeschakeld.
Bij automatische deactivering klinkt er een
signaal en verschijnt de melding ACC gedeactiveerd op het display. U moet in dat geval
zelf ingrijpen om de afstand tot het voertuig
voor u aan te passen.
Automatische deactivering is mogelijk,
wanneer:
• de snelheid daalt tot onder 30 km/h;
2
04
4
3
0
1/2 1
G021413
snelheid aangehouden. Dit gebeurt ook als de
snelheid van het voertuig voor u de ingestelde
snelheid van de adaptieve cruisecontrol overschrijdt.
De adaptieve cruisecontrol streeft ernaar de
snelheid zo weinig mogelijk aan te passen. In
situaties waarin krachtig moet worden geremd, dient u dan ook zelf te remmen. Dit is
bijvoorbeeld het geval bij grote snelheidsverschillen of als het voertuig dat voor u rijdt
krachtig remt. Door beperkingen van de radarsensor is het mogelijk dat er onverwachts of
helemaal niet wordt geremd (zie pagina 140).
De adaptieve cruisecontrol is alleen te activeren bij snelheden hoger dan 30 km/h. Als de
snelheid tot onder 30 km/h daalt of als het
motortoerental te laag wordt, wordt de adaptieve cruisecontrol automatisch uitgeschakeld
zodat er niet langer wordt afgeremd. U moet
het remmen in dat geval meteen overnemen
om een passende afstand te kunnen houden
tot het voertuig voor u te kunnen. De hoogste
snelheid die u kunt instellen is 200 km/h. Wanneer het systeem in bepaalde omstandigheden niet kan worden ingeschakeld, verschijnt
ACC niet beschikbaar op het display
(zie pagina 139).
Display en bedieningstoetsen
Instellingen activeren en hervatten, snelheid verhogen
Stand-bystand, in-/uitschakelen
Tijdsafstand instellen
Activeren en snelheid instellen
Uitschakeling bij ingreep bestuurder
De cruisecontrol wordt gedeactiveerd wanneer u het rempedaal bedient, de keuzehendel
in de vrijstand zet of het gaspedaal lang bedient. De cruisecontrol gaat dan stand-by,
waarna u de snelheid van de auto helemaal
zelf kunt bepalen. Wanneer u het gaspedaal
137
04 Comfort en rijplezier
Adaptieve cruisecontrol*
korte tijd bedient zoals bij een inhaalmanoeuvre, wordt de cruisecontrol tijdelijk gedeactiveerd. Zodra u het gaspedaal loslaat, wordt de
cruisecontrol echter weer geactiveerd.
Activeren en snelheid instellen
U kunt de adaptieve cruisecontrol alleen activeren nadat u deze stand-by hebt gezet
met
. De ingestelde tijdsafstand verschijnt korte tijd op het display. De cruisecon04
trol is te activeren met de
of de , waarna
de actuele snelheid wordt vastgezet en als ingestelde snelheid wordt opgeslagen. De ingestelde snelheid staat op het display. In de actieve stand stelt u de snelheid bij door de
of
kort of lang in te drukken of met
. De
knop
heeft dezelfde functie als + maar levert een minder grote snelheidsverhoging op.
N.B.
Als de adaptieve cruisecontrol niet lijkt te
reageren na activering, is het mogelijk dat
de tijdsafstand tot het voertuig voor u geen
snelheidsverhoging toelaat.
Tijdsafstand instellen
U kunt de ingestelde tijdsafstand tot het voertuig voor u vergroten met
en verkleinen
met
. De actuele tijdsafstand blijft na wijziging korte tijd op het display staan. U hebt de
keuze uit vijf verschillende tijdsafstanden.
Bij de langere tijdsafstanden verloopt de snelheidsregeling soepeler. Het wordt geadviseerd de tijdsafstanden drie tot vijf aan te houden. De tijdsafstanden een en twee zijn voornamelijk bedoeld bij filevorming in druk verkeer, maar u moet dan wel vaker zelf ingrijpen.
N.B.
Houd alleen een tijdsafstand aan die niet in
strijd is met de geldende verkeersregels.
Instellingen deactiveren en hervatten
Bij een korte druk op
of actief ingrijpen
van uw kant zoals het bedienen van het rempedaal wordt de adaptieve cruisecontrol gedeactiveerd. De ingestelde snelheid staat dan
tussen haakjes op het display. U kunt de ingestelde snelheid en tijdsafstand hervatten met
een druk op
.
N.B.
In bepaalde situaties is het niet mogelijk de
adaptieve cruisecontrol te activeren. In dat
geval verschijnt ACC niet beschikbaar op
het display (zie pagina 139).
138
N.B.
Wanneer u de ingestelde snelheid hebt hervat met
kan er een duidelijke snelheidsverhoging optreden.
Wanneer u
kort indrukt in de standbystand of lang indrukt in de actieve stand,
wordt de adaptieve cruisecontrol uitgeschakeld. Daarbij wordt de ingestelde snelheid gewist waarna u deze niet meer kunt hervatten.
Radarsensor en de beperkingen ervan
De radarsensor wordt zowel gebruikt door de
adaptieve cruisecontrol als door het CWSsysteem. De sensor dient om personenauto’s
of grotere voertuigen te registreren die in dezelfde richting als u rijden. De radarsensor reageert niet op voetgangers, op voertuigen die
langzaam in tegengestelde richting rijden of
stilstaan noch op vaste obstakels. Er wordt in
die gevallen dan ook geen waarschuwing afgegeven en evenmin afgeremd.
Bij modificatie van de radarsensor is het mogelijk dat het gebruik ervan onwettig wordt.
WAARSCHUWING
Het is niet toegestaan accessoires of andere voorwerpen voor de grille te monteren.
De radarsensor heeft veel meer moeite om
een voertuig voor u te ontdekken:
• als de radarsensor gehinderd wordt door
bijvoorbeeld hevige regenval of als
sneeuwmodder of andere verontreinigingen
de radarsensor afdekken.
04 Comfort en rijplezier
Adaptieve cruisecontrol*
Soms kan de radarsensor een voertuig op
geringe afstand niet registreren, bijvoorbeeld als een inhalend voertuig invoegt
tussen u en uw voorligger.
N.B.
Houd het gebied voor de radarsensor
schoon.
Ook kleine voertuigen, zoals motorfietsen
of voertuigen die niet in het midden van de
rijstrook rijden, kunnen onopgemerkt blijven.
• als de snelheid van het voertuig voor u te
veel afwijkt van dat van uw eigen auto.
De radarsensor heeft een beperkt bereik. In
bepaalde gevallen kan de sensor helemaal
geen voertuigen ontdekken of reageren op
een ander voertuig dan u verwacht.
In bochten kan de radarsensor op het
verkeerde voertuig reageren of een eerder
opgemerkt voertuig uit het zicht verliezen.
1
2
3
Betekenis
Radar
De adaptieve cruisecontrol
afgedekt
werkt tijdelijk niet. De
Zie instructieb. melding verschijnt als de
radarsensor gehinderd
wordt en geen andere
voertuigen kan ontdekken
door bijvoorbeeld hevige
regenval of als sneeuwmodder de radarsensor
afdekt.
Stand-bystand of geen
voertuig ontdekt in actieve
stand.
De adaptieve cruisecontrol
werd uitgeschakeld.
U dient zelf uw snelheid
aan te passen.
ACC Service
vereist
Voertuig ontdekt in actieve
stand waarop de adaptieve
cruisecontrol uw snelheid
afstemt.
De adaptieve cruisecontrol
werkt niet. Bezoek een
erkende Volvo-werkplaats.
ACC niet
beschikbaar
De adaptieve cruisecontrol
kan niet worden ingeschakeld. Dit kan onder meer
gebeuren wanneer:
Betekenis
Afstandsaanduiding.
G021414
Bereik van de radarsensor (grijs gearceerd)
Melding
ACC
gedeactiveerd
Symbolen op display
Lampje
Displaymeldingen
04
• er beperkingen gelden
voor het stabiliteits- en
tractieregelsysteem
(DSTC) (zie pagina 133);
• de remmen een hoge
temperatuur hebben;
• de radarsensor wordt
gehinderd door natte
sneeuw of regen.
139
04 Comfort en rijplezier
Anti-botsingsysteem met remassistentie* (CWS-systeem)
04
Het anti-botsingsysteem met remassistentie
(Collision Warning with Brake Support) is een
hulpmiddel dat bestemd is om u te waarschuwen wanneer het gevaar bestaat dat u op een
voertuig vóór u botst.
De remassistentie beperkt de snelheid van de
impact.
Laat het onderhoud van de onderdelen van
het anti-botsingsysteem over aan een erkende
Volvo-werkplaats.
Functie
mogen geleverd ook al trapt u het pedaal niet
zo ver in. Het anti-botsingsysteem is actief bij
snelheden tussen 7 km/h en 180 km/h.
1
2
G021415
Algemene informatie
WAARSCHUWING
Het anti-botsingsysteem werkt niet in alle
rijsituaties en verkeers-, weers- of wegomstandigheden. Het anti-botsingsysteem
reageert niet op langzaam rijdende en stilstaande voertuigen noch op voertuigen die
in een andere richting als u rijden.
Er worden alleen waarschuwingssignalen
afgegeven, wanneer de kans op een botsing groot is. Het onderdeel Functie informeert over de beperkingen die u als
bestuurder moet kennen, voordat u de
adaptieve cruisecontrol gebruikt.
De remassistentie die het anti-botsingsysteem biedt kan de snelheid van impact alleen beperken als u zelf ook actief meeremt.
Wacht daarom nooit het waarschuwingssignaal van het anti-botsingsysteem af. Als
bestuurder bent u ervoor verantwoordelijk
dat u de juiste afstand en snelheid aanhoudt, ook als u gebruik maakt van het
anti-botsingsysteem.
140
Functie-overzicht
Visueel waarschuwingssignaal bij gevaar
voor een botsing
Sensor
De radarsensor registreert een voertuig voor
u dat in dezelfde richting als u rijdt. Bij gevaar
voor een botsing met een dergelijk voertuig
wordt u daarop attent gemaakt met behulp
van een rood waarschuwingslampje en een
waarschuwingsgeluid.
Als het gevaar voor een botsing na de waarschuwing verder toeneemt, treedt de remassistentie in werking. De remassistentie treft de
nodige voorbereidingen voor een snelle remmanoeuvre waarna de remmen licht worden
aangezet. Dit is te merken aan een lichte
schok. Als u het rempedaal met een bepaalde
snelheid bedient, wordt het maximale remver-
04 Comfort en rijplezier
Anti-botsingsysteem met remassistentie* (CWS-systeem)
Bediening
Waarschuwingssignalen activeren/
deactiveren
Sommige instellingen kunt u regelen via het
menusysteem van de middenconsole. Zie
pagina 104 voor informatie over het gebruik
van het menusysteem.
U kunt de geluids- en lichtsignalen die het
anti-botsingsysteem gebruikt activeren/deactiveren met
. Een brandend lampje in de
knop geeft aan dat de waarschuwingssignalen
geactiveerd zijn.
Bij het starten van de auto worden het waarschuwingsgeluid en het waarschuwingslampje
automatisch geactiveerd. U kunt de automatische activering opheffen onder Instellingen
van de auto
Instellingen CWS-systeem
G021416
Aan bij starten.
Knop voor activering/deactivering van waarschuwingssignalen.
N.B.
De remassistentie werkt onafhankelijk van
de instellingen die hier beschreven staan.
U kunt het waarschuwingsgeluid apart activeren/deactiveren onder Instellingen van de
auto
Instellingen CWS-systeem
Waarschuwingsgeluid.
N.B.
Bij gebruik van de adaptieve cruisecontrol
worden het waarschuwingslampje en het
waarschuwingsgeluid door de cruisecontrol
gehanteerd, ook al hebt u deze gedeactiveerd.
Waarschuwingsafstand instellen
De gevoeligheid vormt een maat voor het tijdstip waarop het visuele en eventueel het
akoestische waarschuwingssignaal worden
afgegeven. Kies een van de alternatieven onder Instellingen van de auto
CWS-systeem
Instellingen
Waarschuwingsafstand.
N.B.
Ook als u de waarschuwingsafstand hebt
ingesteld op Lang, kunnen de waarschuwingen voor uw gevoel soms laat worden
afgegeven.
04
Instellingen controleren
U kunt de geldende instellingen het eenvoudigst controleren door tweemaal achtereen in
snel tempo op
te drukken. De instellingen verschijnen op het display.
Displaymeldingen
Radar geblokkeerd Zie instructieb. –
Het anti-botsingsysteem werkt tijdelijk niet.
De melding verschijnt bijvoorbeeld bij hevige
regenval of als de radarsensor wordt afgedekt
door een laag natte sneeuw Zie het onderdeel
over de beperkingen van de radarsensor
(zie pagina 140).
Collision warn. Service vereist – Het antibotsingsysteem werkt niet. Bezoek een
erkende Volvo-werkplaats als de melding niet
verdwijnt.
141
04 Comfort en rijplezier
Anti-botsingsysteem met remassistentie* (CWS-systeem)
Beperkingen
Het visuele waarschuwingssignaal is soms
moeilijk te ontdekken in de felle zon of bij het
gebruik van een zonnebril. Activeer in dergelijke omstandigheden daarom altijd het waarschuwingsgeluid.
N.B.
04
Het visuele waarschuwingssignaal kan korte tijd buiten werking worden gesteld, wanneer de temperatuur in het interieur
bijvoorbeeld door de felle zon te hoog is opgelopen. Als dit gebeurt, wordt er een waarschuwingsgeluid afgegeven ook al hebt
u dit uitgeschakeld via het menusysteem.
Waarschuwingen kunnen eveneens uitblijven
bij een zeer geringe afstand tot het voertuig
voor u of bij relatief grote stuur- en pedaalbewegingen zoals bij een zeer actieve rijstijl.
Als de radarsensor op grond van de verkeerssituatie problemen heeft een voertuig voor u
te ontdekken, is het mogelijk dat het systeem
pas laat, onterecht of helemaal geen waarschuwing geeft. Het anti-botsingsysteem
maakt gebruik van dezelfde radarsensor als
die van de adaptieve cruisecontrol. Zie
pagina 140 voor meer informatie over de
radarsensor en de beperkingen ervan.
142
Wanneer het systeem geen of pas laat waarschuwingen afgeeft, treedt ook de remassistentie niet of pas laat in werking.
Valse waarschuwingen kunnen zich zowel
voordoen in de vorm van geluidssignalen als
in de vorm van lichtsignalen. Door de waarschuwingsafstand te verkleinen kunt u het
aantal valse waarschuwingen beperken.
04 Comfort en rijplezier
Park Assist (parkeerhulp)*
Algemene informatie1
Functie
Park Assist aan de achterzijde
De Park Assist is bedoeld als hulpmiddel tijdens het parkeren. Geluidssignalen geven de
afstand tot een waargenomen obstakel aan.
Park Assist is verkrijgbaar in twee varianten:
• Park Assist aan de achterzijde
• Park Assist aan de voor- en achterzijde
G021417
Het systeem wordt bij het starten van de
motor automatisch ingeschakeld, wat wordt
aangegeven door het brandende lampje in de
Aan/Uit-knop. Wanneer u de Park Assist met
deze knop uitschakelt, dooft het lampje.
Hoe dichter u het obstakel achter of voor de
auto nadert, des te sneller volgen de geluidssignalen elkaar op. Wanneer u ondertussen
naar een andere geluidsbron van het audiosysteem luistert, wordt het volume daarvan
tijdelijk verlaagd.
1
Bij een afstand van ca. 30 cm bestaat het
geluidssignaal uit een ononderbroken toon.
Als er zowel voor als achter de auto obstakels
binnen deze afstand liggen, komen de
geluidssignalen beurtelings uit de luidsprekers
voor- en achterin.
Afhankelijk van de markt is Park Assist een
standaardfunctie, optie of accessoire.
G017833
WAARSCHUWING
Hoewel de Park Assist handig is bij het parkeren, bent u nog altijd schadeplichtig bij
eventuele fouten. Wanneer er obstakels in
de dode hoeken van de sensoren zitten, zal
het systeem ze niet kunnen ontdekken.
Houd kinderen en dieren in de buurt van de
auto in de gaten.
04
Het meetbereik strekt tot ca. 1,5 m recht achter de auto. De geluidssignalen bij obstakels
achter de auto komen uit de luidsprekers achterin.
Park Assist aan de achterzijde wordt geactiveerd bij het inschakelen van de achteruitversnelling.
Bij het achteruitrijden met bijvoorbeeld een
aanhanger achter de auto of een fietsdrager
op de trekhaak moet u het systeem uitschakelen. Als u dat niet doet, reageren de sensoren
op de aanhanger/fietsdrager.
N.B.
De Park Assist wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u een aanhanger achter
de auto hebt hangen die met originele trekhaakbedrading van Volvo aangesloten is.
143
04 Comfort en rijplezier
Park Assist (parkeerhulp)*
Park Assist aan de voorzijde
N.B.
Bij auto’s met verstralers erop letten dat de
lampen de sensoren niet blokkeren en voor
obstakels worden gehouden.
Aanduiding voor systeemstoringen
Als het informatiesymbool continu
brandt en de melding Park Assist
Service vereist op het informatiedisplay
verschijnt, is de Park Assist defect.
G021424
BELANGRIJK
04
Het meetbereik strekt tot ca. 0,8 m recht voor
de auto. De geluidssignalen bij obstakels vóór
de auto komen uit de luidspreker voorin.
De Park Assist aan de voorzijde is actief bij
snelheden tot 15 km/h, ook als u achteruitrijdt.
Bij hogere snelheden wordt het systeem
gedeactiveerd. Het lampje in de knop blijft
echter branden om aan te geven dat het
systeem een volgende keer dat u de auto
parkeert opnieuw actief is. Het systeem wordt
opnieuw geactiveerd bij snelheden lager
dan 10 km/h.
N.B.
De Park Assist aan de voorzijde wordt
uitgeschakeld bij het aanzetten van de
parkeerrem.
144
In bepaalde omstandigheden kan de Park
Assist ten onrechte waarschuwingssignalen
afgeven. Dit komt door externe geluidsbronnen met ultrasone geluidssignalen van
dezelfde frequentie als de sensoren van het
systeem.
Voorbeelden van dergelijke geluidsbronnen
zijn onder meer claxons, natte banden op
asfaltwegen, luchtdrukremmen en uitlaten
van motorfietsen e.d.
04 Comfort en rijplezier
Park Assist (parkeerhulp)*
Sensoren schoonmaken
De sensoren werken alleen naar behoren,
wanneer u ze regelmatig schoonmaakt. Reinig
ze met water en autoshampoo.
N.B.
G018129
Vuil, sneeuw en ijs op de sensoren kunnen
ten onrechte aanleiding geven tot waarschuwingssignalen.
04
G018067
Positie van de voorste sensoren
Positie van de achterste sensoren
145
04 Comfort en rijplezier
BLIS* – Blind Spot Information System
Algemene informatie over BLIS
Dode hoeken
WAARSCHUWING
2
3
G021426
04
BLIS-camera
Controlelampje
Het systeem werkt het best in druk verkeer op
meerbaanswegen.
Wanneer een camera
een voertuig heeft
waargenomen in de dode hoek, licht een
controlelampje
op dat continu blijft branden.
BLIS-symbool
BLIS is een op digitale cameratechniek gebaseerd informatiesysteem dat de bestuurder in
bepaalde omstandigheden waarschuwt, wanneer er zich een voertuig in de zogeheten
dode hoek bevindt en in dezelfde richting rijdt.
BELANGRIJK
Laat reparaties van de onderdelen van het
BLIS-systeem over aan een erkende Volvowerkplaats.
146
N.B.
Het lampje gaat branden aan die kant van
de auto waar het voertuig is waargenomen.
Als de auto aan weerszijden wordt ingehaald, gaan dan ook beide lampjes branden.
BLIS informeert de bestuurder bij een fout in
het systeem. Als de camera’s van het systeem
bijvoorbeeld zijn afgedekt, knippert het controlelampje voor BLIS en verschijnt er een
melding op het display van het informatiepaneel. Controleer de cameralenzen in dat geval
en maak ze zo nodig schoon. U kunt het systeem tijdelijk uitschakelen met een druk op de
knop BLIS (zie pagina 147).
B
A
G017834
1
Het systeem vormt een aanvulling op –
geen vervanging voor – een veilige rijstijl en
het gebruik van de buitenspiegels. De
bestuurder moet altijd oplettend en verantwoord blijven rijden. De bestuurder is er
altijd verantwoordelijk voor dat er op een
veilige manier van rijstrook wordt gewisseld.
Afstand A = ca. 9,5 m en afstand B = ca. 3 m
04 Comfort en rijplezier
BLIS* – Blind Spot Information System
Activeren/deactiveren
verdwijnen. Zie pagina 107 voor meer informatie over de meldingsfuncties.
Wanneer BLIS werkt
Het systeem werkt alleen bij snelheden hoger
dan 10 km/h.
Inhalen
Het systeem reageert als:
G021428
• het snelheidsverschil tussen u en het ingehaalde voertuig kleiner is dan 10 km/h;
• het snelheidsverschil tussen u en het inhalende voertuig kleiner is dan 70 km/h.
Knop voor activering/deactivering
BLIS wordt bij het starten van de motor automatisch geactiveerd. De controlelampjes op
de portierpanelen lichten driemaal op bij het
activeren van BLIS.
Na het starten van de motor kunt u het systeem deactiveren/heractiveren door op BLIS
te drukken.
Het lampje in de knop dooft, wanneer het
BLIS gedeactiveerd wordt. Er verschijnt
bovendien een displaymelding op het instrumentenpaneel.
Bij het heractiveren van BLIS brandt het
lampje in de knop, verschijnt er een nieuwe
displaymelding en lichten de controlelampjes
in de portieren driemaal op. Druk op de knop
READ om de displaymelding te laten
WAARSCHUWING
BLIS werkt niet in scherpe bochten.
BLIS werkt niet wanneer u achteruitrijdt.
Een brede aanhanger achter de auto kan
het zicht ontnemen op andere voertuigen
op aangrenzende rijstroken. Dit kan ertoe
leiden dat BLIS geen voertuigen in dit afgeschermde gebied kan waarnemen.
Daglicht en donker
Bij daglicht reageert het systeem op de contouren van omringende voertuigen. Het systeem is geconstrueerd om motorvoertuigen
zoals auto’s, vrachtwagens, bussen en motorfietsen waar te nemen.
zal het systeem dit voertuig dan ook niet kunnen waarnemen. Dit houdt in dat het systeem
bijvoorbeeld niet reageert op een aanhanger
achter een auto of vrachtwagen, omdat daar
geen brandende koplampen op zitten.
WAARSCHUWING
Het systeem reageert niet op fietsers en
bromfietsers.
De BLIS-camera’s kunnen hinder ondervinden van de aanwezigheid van felle lichtbronnen of juist de afwezigheid van
lichtbronnen (wegenverlichting of voertuigverlichting) bij ritten in het donker. Het systeem kan uit de afwezigheid van licht ten
onrechte opmaken dat de camera’s zijn
afgedekt.
In beide gevallen verschijnt er een displaymelding op het informatiedisplay.
Bij ritten in dergelijke omstandigheden kan
het systeem tijdelijk minder presteren en
verschijnt er een displaymelding (zie
pagina 148). Wanneer de displaymelding
spontaan verdwijnt, werkt het BLIS weer
naar behoren.
De BLIS-camera’s kennen ongeveer dezelfde beperkingen als het menselijk oog. Dit
houdt in dat ze bijvoorbeeld minder goed
“zien” bij hevige sneeuwval en dichte mist.
04
Bij donker reageert het systeem op de koplampen van omringende voertuigen. Als een
voertuig de koplampen niet heeft ontstoken,
147
04 Comfort en rijplezier
BLIS* – Blind Spot Information System
Schoonmaken
Beperkingen
BLIS werkt alleen optimaal, als de cameralenzen schoon zijn. U kunt de lenzen schoonmaken met een zachte doek of een vochtige
spons. Maak de lenzen voorzichtig schoon om
krassen te voorkomen.
Soms kan het controlelampje voor BLIS
oplichten zonder dat u voertuigen in de dode
hoeken kunt waarnemen.
Displaymeldingen
Melding
BLIS AAN
Betekenis
Het BLIS-systeem is
ingeschakeld
BLIS Service vereist Het BLIS-systeem is
defect. Neem contact
op met een erkende
Volvo-werkplaats.
BLIS-camera
De BLIS-camera is
afgedekt
bedekt met vuil,
sneeuw of ijs. Maak de
lenzen schoon.
De BLIS-camera wordt
BLIS Beperkte
functie
gehinderd door bijv.
mist of fel zonlicht
recht in de camera.
De camera herstelt
zichzelf zodra de
omstandigheden weer
normaal zijn.
BLIS UIT
Het BLIS-systeem is
uitgeschakeld
148
G021431
Eigen schaduwen op grote, lichtgekleurde en
gladde oppervlakken zoals geluidsschermen of
betonnen wegen
Hier volgen enkele afbeeldingen van situaties
waarin het controlelampje voor BLIS kan gaan
branden, hoewel er zich geen voertuigen in de
dode hoek bevinden.
G021432
04
De lenzen zijn elektrisch verwarmd om ze
van sneeuw en ijs te kunnen ontdoen. Veeg
zo nodig sneeuw van de lenzen af.
N.B.
Als het controlelampje voor BLIS soms
oplicht zonder dat u andere voertuigen in de
dode hoeken kunt waarnemen, betekent dit
niet dat het systeem een storing vertoont.
Bij een storing in het BLIS-systeem verschijnt op het display de melding BLIS
Service vereist.
Laag staande zon in de camera
G021430
BELANGRIJK
Reflecties op een glad en nat wegdek
04 Comfort en rijplezier
Interieurcomfort
Opbergmogelijkheden
1
2
3
04
4
7
6
5
G019417
8
149
04 Comfort en rijplezier
Interieurcomfort
Opbergvak in portierpaneel
Middenconsole
Dashboardkastje
Opbergzak aan de voorkant van de voorstoelzitting*
Parkeerkaarthouder
A
1
B
2
Dashboardkastje
Opbergvakken, bekerhouder
Kledinghaak
Bekerhouder in armsteun, achterin*
G021436
Kledinghaak
De kledinghaak is alleen bestemd voor niet al
te zware kledingsstukken.
Opbergvak (voor bijvoorbeeld cd’s) en
AUX-ingang onder de armsteun (en aflegvak*).
Bevat een bekerhouder voor de bestuurder
en een voorpassagier alsmede een 12Vaansluiting en een opbergvakje. (Als u voor
een asbak en aansteker hebt gekozen, zit
er een aansteker op de plaats van de 12Vaansluiting en een uitneembare asbak op
de plaats van het opbergvakje.)
Aansteker en asbak*
De asbak in de middenconsole kunt u legen
door de asbak recht omhoog te tillen.
U activeert de aansteker door de knop in te
drukken. Wanneer de aansteker heet genoeg
is, veert de knop automatisch uit. Haal de aansteker uit de opening en gebruik het roodgloeiende deel om bijvoorbeeld een sigaret
mee aan te steken.
150
G021437
Opbergvak
04
Hier kunt u het instructieboekje en eventuele
kaarten opbergen. Er zijn ook houders voor
pennen en tankkaarten. Het dashboardkastje
kan handmatig worden vergrendeld met
behulp van het sleutelblad (zie pagina 42).
04 Comfort en rijplezier
Interieurcomfort
Vloermatten*
Make-upspiegel
12V-aansluiting
Volvo biedt vloermatten die speciaal vervaardigd zijn.
WAARSCHUWING
Het lampje gaat automatisch aan, wanneer
u het klepje optilt.
04
12V-aansluiting in middenconsole, voorin.
.
G021440
Make-upspiegel met verlichting.
G021439
G021438
Zorg dat de vloermat voor de bestuurdersstoel goed in de bevestigingsklemmen op
de vloer vastzit om te voorkomen dat deze
kan gaan glijden en achter of onder de
pedalen blijft haken.
12V-aansluiting in middenconsole, achterin.
U kunt de elektrische aansluiting voor verschillende accessoires gebruiken die op een
spanning van 12 V werken, zoals een mobiele
151
04 Comfort en rijplezier
Interieurcomfort
telefoon of koelbox. U kunt maximaal 10 A via
de aansluiting afnemen. Het contactslot moet
ten minste in stand I staan, anders geeft de
aansluiting geen stroom (zie pagina 65).
EHBO-set*
Elektrische aansluiting in laadruimte*
De set ligt in de laadruimte. De tas is voorzien
van klittenband zodat u deze aan de wand van
de laadruimte kunt bevestigen.
WAARSCHUWING
04
G017825
Laat de plug altijd in de aansluiting zitten als
u deze niet gebruikt.
Open het klepje om bij de elektrische aansluiting te komen. De aansluiting werkt onafhankelijk van de stand van het contactslot.
Gebruik de elektrische aansluiting alleen wanneer de motor loopt, om uitputting van de
accu te voorkomen.
152
04 Comfort en rijplezier
Geïntegreerde telefoon*
Algemene informatie
Beknopte bedieningsinstructies
1
5
Simkaart
2
Het telefoonsysteem is alleen te gebruiken in
combinatie met een geldige simkaart
(Subscriber Identity Module). Zie pagina 157
voor het aanbrengen ervan. Ook zonder een
simkaart is het mogelijk het alarmnummer te
bellen.
3
als het menu CD op het display staat. Om
gebruik te maken van de telefoonmenu’s en
te bellen dient u kort op PHONE te drukken.
De tekst TELEFOON geeft aan dat het telefoonmenu actief is.
Schakel de telefoon uit door lang op PHONE
te drukken.
4
G021446
N.B.
Systeemoverzicht
Microfoon
04
De geïntegreerde telefoon kan geen simkaart van het type 3G lezen. Een gecombineerde simkaart voor 3G én gsm werkt echter wel. Informeer bij uw netwerkprovider of
de simkaart moet worden vervangen.
Simkaartlezer
Zie pagina 120 voor de toetsenset.
Menu’s en bedieningstoetsen
Bedieningspaneel
U regelt de menufuncties via het
Handset
bedieningspaneel
en de toetsenset
op
het stuurwiel. Zie pagina 104 voor algemene
informatie over de menufuncties. Zie de voorgaande pagina voor informatie over de bedieningstoetsen van de telefoon.
Veiligheid
Laat reparatiewerkzaamheden aan het telefoonsysteem over aan een erkende Volvowerkplaats. Schakel de geïntegreerde telefoon
uit tijdens het tanken en in gebieden waar met
explosieven wordt gewerkt. Afhankelijk van de
rijsnelheid blokkeert IDIS bepaalde functies
van het menusysteem (zie pagina 156).
Aan/uit
Schakel de telefoon in door kort op PHONE te
drukken. Voer zo nodig de pincode in. Het
symbool
geeft aan dat de telefoon ingeschakeld is. Wanneer dit symbool verschijnt,
kunt u inkomende gesprekken ook aannemen
153
04 Comfort en rijplezier
Geïntegreerde telefoon*
Gespreksfuncties
Bellen
04
1. Schakel de telefoon in.
2. Druk kort op PHONE, als de tekst
TELEFOON niet op het display staat.
3. Voer het gewenste nummer in of gebruik
het telefoonboek (zie pagina 155).
4. Druk op ENTER voor handsfree bellen of
neem de handset op. Duw de handset
omlaag om deze te kunnen opnemen.
Gesprekken beëindigen
Beëindig een gesprek met EXIT of leg de
handset op.
Wisselgesprek
Tijdens lopende gesprekken
Deze functie maakt het mogelijk om tijdens
een lopend gesprek een nieuw gesprek aan te
nemen. U kunt het nieuwe gesprek op de
gebruikelijke manier aannemen waarbij het
lopende gesprek in de wacht gezet wordt.
Activeer/deactiveer deze functie onder
Druk tijdens een gesprek op MENU of op
ENTER om het gespreksmenu te openen.
Telefooninstellingen
Wisselgesprek.
Automatisch doorschakelen
Inkomende gesprekken kunnen automatisch
worden doorgeschakeld afhankelijk van het
gesprekstype en de situatie waarin ze zich
aandienen. Activeer/deactiveer deze functie
onder Gespreksopties
Inkomende gesprekken
Druk op ENTER voor handsfree bellen of
Omleidingen.
1. Zet het lopende gesprek in de wacht onder
Wacht.
2. Voer het nummer van de derde partij in
of maak gebruik van de menu-optie
Telefoonboek.
Wissel van gesprekspartner met de menuoptie Wisselen.
Conferentiegesprekken
Bij een conferentiegesprek zijn minstens drie
gesprekspartners betrokken. U kunt tijdens
een wisselgesprek waarbij er een gesprek in
de wacht staat een conferentiegesprek starten. Met de menu-optie Koppelen start u het
conferentiegesprek.
neem de handset op. Als de handset bij een
inkomend gesprek niet op de houder ligt,
dient u het gesprek aan te nemen met
ENTER.
Bij het afsluiten van een conferentiegesprek
worden alle lopende gesprekken beëindigd.
Beëindig een gesprek met EXIT of leg de
handset op. Weiger een gesprek met EXIT.
Wisselen tussen handset en handsfree
Automatisch antwoord
Met de functie Automatisch antwoord is het
mogelijk gesprekken automatisch te beantwoorden. Activeer/deactiveer de functie onder
Telefooninstellingen
Gespreksopties
Automatisch antwoord.
154
Gespreksopties
Bellen
Schakel over van handsfree op de handset
door de handset op te nemen of voor
Handset te kiezen in het menu.
Schakel van de handset over op handsfree
door in het menu te kiezen voor Handsfree.
04 Comfort en rijplezier
Geïntegreerde telefoon*
Ruggespraakstand
Bij gebruik van de ruggespraakstand wordt de
microfoon gedeactiveerd (zie pagina 153).
Activeer/deactiveer de microfoon met de
menu-optie Microfoon aan/uit.
Audio-instellingen
Beltoonvolume. Stel bij met
navigatietoets.
Gespreksvolume
De telefoon maakt gebruik van de luidsprekers
in de voorportieren. U kunt het gespreksvolume bijregelen, wanneer de tekst TELEFOON
boven aan het display staat. Maak gebruik van
de toetsenset op het stuurwiel of van
VOLUME.
Volume audiosysteem
Zolang er geen telefoongesprek wordt
gevoerd, kunt u het volume van het audiosysteem op de gebruikelijke wijze bijregelen met
VOLUME. Om het volume van het audiosysteem echter tijdens een lopend telefoongesprek bij te regelen moet u eerst overschakelen op een van de geluidsbronnen.
Het is mogelijk de weergave van de actieve
geluidsbron te onderdrukken bij inkomende
telefoongesprekken onder Telefooninstellingen
Geluiden en volume
dempen.
Radio
Signalen en volume
U kunt het belsignaal wijzigen onder Telefooninstellingen
Geluiden en volume
Belsignalen.
U kunt de pieptoon bij bericht activeren/deactiveren onder Telefooninstellingen
Gelui-
den en volume
Pieptoon bij bericht.
Het beltoonvolume regelt u onder Telefooninstellingen
Geluiden en volume
/
van de
Telefoonboek
Contactgegevens kunnen op de simkaart of in
het telefoongeheugen worden vastgelegd.
Contacten vastleggen in telefoonboek
1. Druk op MENU en ga naar Telefoonboek
Nieuwe contactpersoon.
2. Voer een naam in en druk op ENTER. Zie
pagina XXX voor informatie over het invoeren van tekst.
3. Voer een nummer in en druk op ENTER.
4. Ga naar SIM-kaart of naar Telefoongeheugen en druk op ENTER.
04
Contacten zoeken
U kunt het eenvoudigst naar bepaalde gegevens in het telefoonboek zoeken door de
knoppen 2 tot en met 9 lang in te drukken. Het
telefoonboek wordt dan doorzocht op posten
die beginnen met de eerste letter van de ingedrukte toets.
Het telefoonboek is eveneens te bereiken
met
/
van de navigatietoets of
met
/
van de toetsenset op het stuurwiel.
U een zoekopdracht tevens starten vanuit het
zoekmenu van het telefoonboek onder
Telefoonboek
Zoek:
1. Voer de eerste letter in van het contact dat
u zoekt en druk op ENTER of druk meteen
op ENTER.
155
04 Comfort en rijplezier
Geïntegreerde telefoon*
2. Ga naar het contact van uw keuze en
druk op ENTER om het bijbehorende
nummer te bellen.
Overige functies en instellingen
Berichtinstellingen
IDIS
Contacten verwijderen
IDIS (Intelligent Drive Information System) kan
in veeleisende rijsituaties de beltonen van
inkomende telefoongesprekken pas na enige
vertraging doorgeven of helemaal onderdrukken. Op die manier kunt u de aandacht bij het
verkeer houden. IDIS is uit te schakelen onder
De berichtinstellingen hoeft u normaal gesproken niet te wijzigen. Uw netwerkprovider kan u
meer informatie verstrekken over deze instel-
U kunt een contact uit het telefoonboek verwijderen door de naam van de persoon te
markeren en op ENTER te drukken. Ga vervolgens naar Wissen en druk op ENTER.
04
U kunt alle contacten verwijderen onder
Telefoonboek
SIM wissen of Telefoon
wissen.
Kopiëren tussen simkaart en
telefoonboek
Ga naar Telefoonboek
Alles kopiëren
SIM naar telefoon of Telefoon naar SIM en
druk op ENTER.
Voicemail-nummer
U kunt het voicemail-nummer wijzigen onder
Telefooninstellingen
Gespreksopties
Voicemail-nummer. Als er nog geen nummer
opgeslagen is, kunt u het bijbehorende menu
openen door lang op 1 te drukken. Druk vervolgens lang op 1 om het ingevoerde nummer
te gebruiken.
156
Telefooninstellingen
IDIS.
Berichten lezen
1. Ga naar Berichten
Lezen en druk op
ENTER.
2. Ga naar het bericht van uw keuze en druk
op ENTER.
3. De inhoud van het bericht verschijnt op
het display. Wanneer u nogmaals op
ENTER drukt, verschijnen meer opties.
lingen. Onder Berichten
Berichtinstellingen hebt u de keuze uit drie opties:
• SMSC-nummer dat het nummer van de
berichtencentrale aangeeft die de berichten
moet doorgeven.
• Geldigheidsduur die aangeeft hoe lang de
berichtencentrale een bericht moet bewaren.
• Type bericht.
Gesprekslijsten
Berichten schrijven en verzenden
Onder Gesprekslijst worden lijsten bewaard
met de ingekomen, uitgaande en gemiste
oproepen. U kunt de uitgaande gesprekken
ook bekijken door te drukken op ENTER. De
telefoonnummers op de lijsten zijn vast te leggen in het telefoonboek.
1. Ga naar Berichten
Nieuw bericht
schrijven en druk op ENTER.
Gespreksduur
2. Voer de tekst in en druk op ENTER. Zie
pagina XXX voor informatie over het
invoeren van tekst.
3. Ga naar Menu en druk op ENTER.
4. Voer een telefoonnummer in en druk op
ENTER.
De gespreksduur wordt vastgelegd onder
Gesprekslijst
Gespreksduur. Reset de
waarden onder Gesprekslijst
duur
Reset timers.
Gespreks-
04 Comfort en rijplezier
Geïntegreerde telefoon*
Het is mogelijk de weergave van uw eigen
telefoonnummer tijdelijk te blokkeren onder
Gespreksopties
Verzend mijn nummer.
IMEI-nummer
Om de telefoon te kunnen blokkeren moet u
het IMEI-nummer van de telefoon aan uw provider hebben doorgegeven. Toets *#06# op
uw telefoon in om het nummer op het display
te zien. Noteer dit nummer en bewaar het op
een veilige plaats.
Netwerkselectie
De optie Automatisch is het op een na hoogste beveiligingsniveau. De telefoon onthoudt
de pincode dan en voert deze bij het inschakelen van de telefoon automatisch in. Bij
gebruik van de simkaart in een andere telefoon, moet de code echter wel handmatig
worden ingevoerd. De optie Uit staat voor het
laagste beveiligingsniveau. De simkaart is dan
helemaal zonder code te gebruiken.
Simkaart aanbrengen
1
Fabrieksinstellingen herstellen
G021450
Eigen nummer tonen/verbergen
Het is mogelijk alle fabrieksinstellingen van de
telefoon te herstellen onder Telefooninstellingen
Reset Telefooninst..
04
2
U kunt de telefoon automatisch een netwerk
laten kiezen of handmatig een bepaald netwerk kiezen onder Telefooninstellingen
Netwerkselectie.
2
1
Door een pincode in te stellen voor de simkaart kunt u voorkomen dat onbevoegden
gebruik kunnen maken van uw simkaart.
U wijzigt de code onder Telefooninstellingen
PIN-code bewerken.
U wijzigt het beveiligingsniveau onder Telefooninstellingen
SIM-beveiliging. De
optie Aan levert het hoogste beveiligingsniveau op. U moet dan iedere keer dat u de telefoon inschakelt opnieuw de pincode invoeren.
G021451
Code en beveiliging simkaart
Zorg dat de telefoon gedeactiveerd is.
Trek de simkaarthouder uit het dashboardkastje tevoorschijn.
Plaats de simkaart met het laag metaal
omhoog
in de simkaarthouder en
breng de behuizing van de kaarthouder
aan
. Plaats de simkaarthouder terug.
157
Rijadviezen ............................................................................................. 160
Tanken .................................................................................................... 163
Brandstof ............................................................................................... 164
Lading vervoeren .................................................................................... 166
Laadruimte ............................................................................................. 170
Gevarendriehoek .................................................................................... 173
Rijden met een aanhanger ..................................................................... 174
Slepen .................................................................................................... 180
158
TIJDENS HET RIJDEN
05
05 Tijdens het rijden
Rijadviezen
Algemene informatie
Zuinig rijden
Zuinig en milieubewust rijden houdt in dat
u anticiperend en rustig rijdt, en uw rijstijl en
snelheid afstemt op de verkeerssituatie
(zie pagina 9 voor meer tips om het milieu te
sparen).
05
• Laat de motor niet stationair lopen, maar
rijd zo snel mogelijk met lichte belasting.
• Een koude motor verbruikt meer brandstof
dan een warme.
• Laat zware lading niet onnodig lang in de
auto liggen.
• Gebruik geen winterbanden op sneeuwvrije
wegen.
• Verwijder de lastdrager wanneer u deze
niet nodig hebt.
• Gebruik bij koud weer de standverwarming* zodat de motor sneller op temperatuur komt.
Nieuwe auto’s en gladde wegen
Oefen onder gecontroleerde omstandigheden
om te testen hoe de nieuwe auto bij gladheid
reageert.
Doorwaaddiepte
U kunt met de auto door waterpartijen van
maximaal 25 cm diep rijden met een maxi-
160
mumsnelheid van 10 km/h. Wees extra voorzichtig bij het doorwaden van stromend water.
Houd een lage snelheid aan tijdens het waden
en breng de auto niet in het water tot stilstand.
Trap na het passeren van de waterpartij lichtjes op het rempedaal om te controleren of de
remwerking in orde is. Bij water en vuil op de
remblokken kunnen er vertragingen in de remwerking optreden.
Maak de aansluitingen voor de elektrische
motorverwarming en de aanhangerkoppeling
schoon na ritten in water en modder.
Laat de auto niet langdurig in water staan dat
tot boven de dorpelbalken komt om elektrische storingen te voorkomen.
BELANGRIJK
Er kan schade aan de motor ontstaan, als er
water in het luchtfilter dringt.
Bij diepe waterpartijen kan er water in de
transmissie dringen. De smerende eigenschappen van de oliën nemen daarbij af,
waardoor de genoemde systemen minder
lang meegaan.
Probeer de motor na afslag in een waterpartij niet opnieuw te starten. Sleep de auto uit
de waterpartij.
Motor en koelsysteem
In bepaalde omstandigheden, bijvoorbeeld op
steile hellingen en bij het vervoer van een
zware lading, bestaat het gevaar dat de motor
en het koelsysteem oververhit raken. Doe het
volgende om te voorkomen dat de motor
oververhit raakt:
• Houd een lage snelheid aan, wanneer u met
een aanhanger achter de auto een lange en
steile helling oprijdt.
• Na een zware rit moet u de motor niet
meteen afzetten, maar nog enige tijd stationair laten lopen.
N.B.
Het is normaal dat de koelventilator na het
afzetten van de motor nog enige tijd kan
blijven werken.
• Verwijder verstralers die voor de grille zitten
tijdens ritten bij extreem warm weer.
• Laat de motor geen hogere toeren maken
dan 4500 omw/min (3500 omw/min bij dieselmotoren), wanneer u met een aanhanger
of caravan achter de auto in heuvelachtig
gebied rijdt. De olietemperatuur kan te
hoog oplopen.
05 Tijdens het rijden
Rijadviezen
Geopende achterklep
Accu niet overmatig belasten
Voorbereidingen bij lange reizen
Rijd niet met een geopende achterklep. Rijd
alleen een kort stukje, als u geen andere keus
hebt. Doe alle ruiten dicht, stuur de lucht naar
de voorruit en de vloer en laat de ventilator op
de hoogste snelheid draaien.
De elektrische functies van de auto belasten
de accu in verschillende mate. Laat het contactslot niet te lang achtereen in stand II
staan, wanneer u de motor hebt afgezet.
Gebruik liever stand I, omdat er op die manier
minder stroom wordt afgenomen.
• Controleer of de motor naar behoren functioneert en of het brandstofverbruik in
orde is.
• Zorg dat er geen sprake is van lekkage
(brandstof, olie of andere vloeistoffen).
• Controleer alle lampen en de profieldiepte
van de banden.
• In sommige landen bent u wettelijk verplicht een gevarendriehoek mee te nemen.
WAARSCHUWING
Rijd niet met een geopende achterklep. Er
kunnen giftige uitlaatgassen via de laadruimte naar binnen worden gezogen.
Let er tevens op dat de verschillende accessoires het elektrisch systeem belasten. Schakel onderdelen/systemen die veel stroom
nemen uit, wanneer u de motor hebt afgezet.
Voorbeelden van onderdelen/systemen die
veel stroom afnemen zijn:
• interieurventilator
• ruitenwissers
05
• audiosysteem (hoog volume)
• stadslichten
Als de accuspanning laag is, verschijnt er een
melding op het display. De energiebesparingsfunctie schakelt bepaalde onderdelen/
systemen uit of verlaagt de belasting van de
accu door bijvoorbeeld de ventilator lager te
zetten en het audiosysteem uit te schakelen.
U laadt de accu op door de motor te starten.
161
05 Tijdens het rijden
Rijadviezen
Rijden tijdens de winter
Let voor aanvang van de winter in het bijzonder op het volgende:
05
• de koelvloeistof van de motor moet ten
minste 50% glycol bevatten. Bij een dergelijke concentratie is de motor beschermd
tot ca. –35 °C. Voor optimale bescherming
tegen vorst is het zaak geen verschillende
soorten glycol met elkaar te mengen.
• Houd de tank altijd goed gevuld om condens in de brandstoftank tegen te gaan.
• De viscositeit van de motorolie is belangrijk. Wanneer u oliesoorten met een lagere
viscositeit (dunnere oliën) gebruikt, slaat de
motor bij koud weer gemakkelijker aan en
neemt bovendien het brandstofverbruik tijdens de koude start af. Zie pagina 227 voor
meer informatie over geschikte oliesoorten.
BELANGRIJK
Gebruik geen olie met een lage viscositeitsaanduiding bij zware rijomstandigheden of warm weer.
• Controleer de algehele conditie en de
ladingstoestand van de accu. De accu
wordt zwaarder belast bij koud weer en ook
de accucapaciteit neemt af bij vorst.
• Giet ruitensproeiervloeistof in het sproeiervloeistofreservoir om ijsvorming te voorkomen.
162
Voor optimale grip bij gevaar voor sneeuw of
ijs adviseert Volvo u om de auto rondom van
winterbanden te voorzien.
N.B.
In sommige landen is het gebruik van winterbanden verplicht. Banden met spikes zijn
niet in alle landen toegestaan.
Nieuwe auto’s en gladde wegen
Oefen onder gecontroleerde omstandigheden
om te testen hoe de nieuwe auto bij gladheid
reageert.
05 Tijdens het rijden
Tanken
Tanken
Tankdop open-/dichtdraaien
WARNING! ACHTUNG!
AVERTISSEMENT!
G021459
G021395
Tankvulklep openen/sluiten
De klep kan niet worden geopend wanneer de
motor loopt. Open de klep met de knop op het
verlichtingspaneel. De tankvulklep zit in het
rechter achterspatbord, zoals de pijl in het
symbool
geeft.
op het informatiedisplay al aan-
Sluit de klep door deze dusdanig in te drukken
dat u een klik hoort.
Bij hoge buitentemperaturen kan er een
bepaalde mate van overdruk in de brandstoftank ontstaan. Draai de tankdop dan langzaam open.
05
Breng na het tanken de tankdop weer aan en
draai deze zo ver dicht dat u één of meer klikken hoort.
Brandstof tanken
Giet de tank niet te vol door het vulpistool na
de eerste afslag uit de vulopening te halen.
N.B.
Een te volle tank kan bij warm weer
overlopen.
163
05 Tijdens het rijden
Brandstof
Algemene informatie
Dieselolie
Gebruik geen brandstof met een slechtere
kwaliteit dan Volvo adviseert, omdat dit een
nadelige invloed kan hebben op het motorvermogen en het brandstofverbruik.
De dieselolie moet voldoen aan de norm
NEN-EN 590 of JIS K2204. Dieselmotoren zijn
gevoelig voor verontreinigingen zoals een te
hoog gehalte aan zwaveldeeltjes. Maak alleen
gebruik van dieselolie van gerenommeerde
oliemaatschappijen. Giet nooit dieselolie van
twijfelachtige kwaliteit in de tank.
WAARSCHUWING
05
Gemorste brandstof kan ontvlammen.
Schakel voordat u gaat tanken de standverwarming op brandstof uit.
Schakel voordat u gaat tanken uw mobiele
telefoon uit. De beltoon kan aanleiding
geven tot vonkvorming en daarbij de brandstofdampen ontsteken met gevaar voor
brand en verwondingen.
N.B.
Bij extreme weersomstandigheden, gebruik
van een aanhanger of ritten op grote hoogte
kan, afhankelijk van de gebruikte brandstofkwaliteit, het prestatievermogen van de
auto te wensen overlaten.
Bij lage temperaturen
(–40 °C tot –6 °C) kan de paraffine in de dieselolie uitvlokken. Dit kan tot startproblemen
leiden. De grote oliemaatschappijen produceren speciale dieselolie bestemd voor gebruik
bij buitentemperaturen rond het vriespunt.
Deze dieselolie is dunner bij lage temperaturen en beperkt de kans op vlokvorming in het
brandstofsysteem.
De kans op condensatie in de brandstoftank
neemt af, als u de tank altijd goed gevuld
houdt. Houd tijdens het tanken het gebied
rond de vulpijp goed schoon. Voorkom morsen op gelakte oppervlakken. Maak als u
gemorst hebt het gebied met water en zeep
schoon.
BELANGRIJK
Het is alleen toegestaan brandstof te gebruiken die voldoet aan de Europese norm
voor dieselolie.
164
BELANGRIJK
Maak geen gebruik van de volgende dieselolie-achtige brandstoffen: speciale toevoegingen (dopes), scheepsolie, stookolie,
RME1 (biodiesel) of plantaardige olie. Dergelijke brandstoffen voldoen niet aan de
kwaliteitseisen die Volvo stelt en geven aanleiding tot verhoogde vormen van slijtage
en motorschade die niet worden gedekt
door de garanties van Volvo.
1
Dieselolie kan een bepaalde hoeveelheid RME
bevatten. Het is niet toegestaan meer toe te
voegen.
BELANGRIJK
Bij modeljaar 2006 en hoger mag het zwavelgehalte maximaal 50 ppm zijn.
Wanneer u de tank leegrijdt
U hoeft geen speciale maatregelen te nemen,
wanneer u de brandstoftank hebt leeggereden. Het brandstofsysteem wordt automatisch ontlucht, als de contactsleutel ca.
60 seconden lang in stand II staat voordat
u een nieuwe startpoging doet.
05 Tijdens het rijden
Brandstof
Condenswater uit brandstoffilter
aftappen
Om motorstoringen tegen te gaan ontdoet het
brandstoffilter de brandstof van condenswater.
Houd u voor het aftappen van het condenswater aan de specificaties die in uw Service- en
garantieboekje staan aangegeven. Ook wanneer u vermoedt dat er vervuilde brandstof is
gebruikt, moet u het brandstoffilter aftappen.
BELANGRIJK
Sommige speciale toevoegingen verwijderen het verzamelde vocht uit het brandstoffilter.
Benzine
De benzine moet voldoen aan de norm NENEN 228. De meeste motoren lopen op benzine
met een octaangetal van 95 en 98 RON.
Gebruik benzine met een octaangetal van 91
RON alleen bij wijze van hoge uitzondering.
• 95 RON is te gebruiken in normale rijomstandigheden.
• 98 RON wordt geadviseerd voor een maximaal rendement tegen een minimaal brandstofverbruik.
Voor ritten bij temperaturen hoger dan +38 ºC
wordt u geadviseerd een brandstofsoort met
een zo hoog mogelijk octaangetal te gebruiken. Dit om optimale prestaties en een zo laag
mogelijk brandstofverbruik te verkrijgen.
BELANGRIJK
Tank alleen loodvrije benzine om schade
aan te katalysator te voorkomen. Giet nooit
alcohol bij de benzine, omdat het brandstofsysteem daardoor schade kan oplopen
en de Volvo-garantie vervalt. Giet geen additieven (dopes) in de benzine zonder het
uitdrukkelijke advies van Volvo.
De katalysatoren bestaan uit een monoliet
(keramiek of metaal) met kanalen. De wanden
van de kanalen zijn bekleed met platina/
rodium/palladium. Deze edelmetalen hebben
een katalytische werking, d.w.z. ze versnellen
een chemische reactie zonder dat ze daar zelf
actief aan deelnemen.
LambdasondeTM (zuurstofsensor)
De lambdasonde maakt deel uit van het regelsysteem dat tot taak heeft de uitstoot te
beperken en de energie-inhoud van de brandstof beter te benutten.
Een zuurstofsensor registreert het zuurstofgehalte van de uitlaatgassen die de motor verlaten. De meetwaarde van de uitlaatgasanalyse
wordt doorgegeven aan het elektronische systeem dat continu de injectoren afregelt. Het
lucht-brandstofmengsel dat de motor krijgt,
wordt continu bijgesteld. De regeling schept
de ideale omstandigheden voor een effectieve
verbranding van de schadelijke stoffen (koolwaterstoffen, koolmonoxide en stikstofoxiden)
in de driewegkatalysator.
05
Katalysatoren
De katalysatoren hebben tot taak de uitlaatgassen te reinigen. De katalysatoren zijn dicht
bij de motor gemonteerd zodat ze snel op
temperatuur komen.
165
05 Tijdens het rijden
Lading vervoeren
Algemene informatie
Ruggedeelte achterbank omklappen
De laadcapaciteit is afhankelijk van wat er op
de auto gemonteerd is, zoals een trekhaak,
lasdragers of een skibox. De laadcapaciteit
van de auto moet tevens worden verminderd
met het gewicht van het aantal inzittenden.
Om het in- en uitladen van de laadruimte te
vereenvoudigen kunt u de ruggedeelten van
de achterbank neerklappen (zie pagina 69).
WAARSCHUWING
Afhankelijk van de belading van de auto en
het zwaartepunt van de lading treden er wijzigingen in de rijeigenschappen op.
WAARSCHUWING
Vergeet niet dat een voorwerp met een
gewicht van 20 kg tijdens een frontale botsing bij een snelheid van 50 km/h zich kan
gedragen als een voorwerp met een
gewicht van 1000 kg.
Zorg dat u de bagage altijd goed verankert.
Lading vervoeren in laadruimte
05
Zet de motor af en trek de parkeerrem aan bij
het in- en uitladen van lange voorwerpen.
Wanneer u met de lange bagage tegen de versnellingspook/keuzehendel aankomt, kan de
auto in beweging komen.
• Plaats de bagage stevig tegen de rugleuning van de stoel ervoor.
• Breng brede voorwerpen in het midden
aan.
• Breng zware voorwerpen zo laag mogelijk
aan. Plaats geen zware voorwerpen op het
neergeklapte ruggedeelte.
• Dek scherpe randen met iets zachts af om
de bekleding te beschermen.
• Zet alle bagage met riemen of bevestigingsbanden aan de verankeringsogen
vast.
166
WAARSCHUWING
Als de lading boven de ruggedeelten uitsteekt, biedt het opblaasgordijn dat schuilgaat achter de plafondbekleding mogelijk
geen bescherming meer of slechts in
beperkte mate. Zorg dat de lading nooit
boven de ruggedeelten uitsteekt. Bij krachtig remmen kan de bagage namelijk gaan
schuiven en inzittenden verwonden.
WAARSCHUWING
Zorg dat u de bagage altijd goed verankert.
Bij krachtig remmen kan de bagage namelijk
gaan schuiven en inzittenden verwonden.
Dek scherpe randen met iets zachts af.
Zet de motor af en zet de parkeerrem aan
bij het in- en uitladen van lange voorwerpen!
Lange voorwerpen kunnen namelijk tegen
de versnellingspook of keuzehendel aan
komen en zo per ongeluk een versnelling inschakelen, waarna de auto kan gaan rollen.
05 Tijdens het rijden
Lading vervoeren
WAARSCHUWING
Let op het gevaar voor beknelling tijdens
het openen/sluiten. Controleer alvorens de
achterklep te openen/sluiten of er niemand
in de buurt van de achterklep staat, omdat
ernstig beknellingsletsel anders niet uitgesloten kan worden. Bedien de achterklep
altijd onder toezicht.
BELANGRIJK
Let op de dakhoogte bij het gebruik van de
elektrische achterklepbediening. Maak
geen gebruik van de elektrische achterklepbediening bij een geringe dakhoogte of
houd de achterklep goed in de gaten om de
openingsfunctie tijdig te kunnen onderbreken (zie “Openingsfunctie achterklep onderbreken”).
• met de transpondersleutel – druk kort op
de knop.
• met de handgreep op de achterklep – trek
aan de handgreep waarna de klep wordt
geopend.
De achterklep is te sluiten met de sluitknop op
de achterklep of handmatig.
• Druk op de knop
om de achterklep
automatisch te sluiten.
Openingsfunctie achterklep onderbreken
05
Aan weerszijden in de laadruimte zitten meerdere verankeringspunten om bagage aan vast
te zetten. De verankeringspunten zitten op de
vloer en halverwege de zijkanten van de laadruimte.
N.B.
G017876
WAARSCHUWING
Openen
• met de knop
op het verlichtingspaneel – druk kort op de knop.
Bagage verankeren
Sluiten
Bij activering van de elektrische achterklepbediening gaan de achterlichten branden.
De achterklep is op drie verschillende manieren te openen:
• Handgreep aan buitenkant achterklep:
Druk de knop op de handgreep een tweede
maal in om de openingsfunctie te onderbreken.
G017741
G000000
Elektrische achterklepbediening*
• Knop op achterklep
:
Druk de knop een tweede keer in om de
openingsfunctie te onderbreken. (Bij de
derde keer indrukken– wordt de sluitingsfunctie hervat.)
Harde, scherpe en/of zware voorwerpen die
in de weg liggen of uitsteken kunnen bij een
krachtige remmanoeuvre verwondingen
veroorzaken.
Maak grote en zware voorwerpen altijd vast
met een van de veiligheidsgordels of een
bagageband.
167
05 Tijdens het rijden
Lading vervoeren
Vloerrails
Bagageband
Verankeringshaak verzetten
3
2
Bagage vastgezet aan zowel de bovenste als
onderste verankeringspunten
05
Op de vloer van de laadruimte zitten twee rails
met verstelbare verankeringshaken waaraan u
bagagebanden kunt vastzetten om bagage in
de laadruimte te verankeren.
Vastzetten van de bagageband
Wanneer u de bagageband een slag om een
verankeringshaak haalt, kunt u de bagageband vastzetten en voorkomen dat de band
van de haak glijdt.
N.B.
BELANGRIJK
Gebruik geen spanbanden met spaninrichting, omdat de verankeringspunten daardoor kapotgetrokken kunnen worden.
168
Een geschikte bagageband heeft een
breedte van ca. 25 mm.
G017742
G018135
G019397
1
Klap de verankeringshaak neer in de richting van de opening.
Duw de haak in de gewenste positie.
Klap de haak weer omhoog – de haak is
zelfborgend.
N.B.
Zorg dat er minstens 50 cm tussen de verankeringshaken in de rail zit.
05 Tijdens het rijden
Lading vervoeren
Verankeringshaak verwijderen
Houder voor boodschappentassen*
Juiste en verkeerde montage
verankeringshaak
3
2
U kunt de verankeringshaken heel eenvoudig
verwijderen om bijvoorbeeld de rail schoon te
maken.
Klap de verankeringshaak neer in de richting van de opening.
Schuif de haak naar de uitsparing toe.
Til de haak recht omhoog los.
G017745
G019581
G018134
1
Monteer de verankeringshaken op de juiste
manier!
Het is belangrijk dat de verankeringshaken op
de juiste manier worden gemonteerd. Zorg dat
de openingen van elkaar af wijzen.
WAARSCHUWING
Monteer de verankeringshaken op de juiste
manier. Anders zal de bagageband de verankeringshaak omlaagklappen waardoor de
band losraakt en van de haak glijdt.
Houder voor boodschappentassen onder het
vloerluik
05
Met de houder voor boodschappentassen
kunt u draagtassen vastzetten om te voorkomen dat ze omvallen en hun inhoud over de
vloer van de laadruimte verspreiden.
1. Klap het vloerluik in de laadruimte omhoog.
2. Zet de boodschappentassen met de
spanband vast.
169
05 Tijdens het rijden
Laadruimte
Veiligheidsrek*
Aanbrengen
N.B.
G017748
G018367
1
Om het veiligheidsrek te kunnen monteren
dient u de ruggedeelten neer te klappen (zie
pagina 69).
2
Zet de handgreep in de montagestand (zie
afbeelding). Om de handgreep in deze
stand te kunnen draaien moet u de handgreep licht indrukken (zie pijl).
Het veiligheidsrek in de laadruimte voorkomt
dat bagage bij krachtige remmanoeuvres de
passagiersruimte in wordt geslingerd. U moet
het veiligheidsrek uit voorzorg altijd op de
juiste manier bevestigen en verankeren.
Opklappen
Pak het veiligheidsrek helemaal onderaan
beet en trek het naar achteren/omhoog.
G018368
05
).
Verwijderen
G018369
1
2
170
Duw de gasveer op het rek vast en breng
het rek in de plafondbevestiging aan.
Draai de handgreep 90°
. Breng zo
nodig lichte druk aan (zie afbeelding
Klem het rek vast door de
handgreep 90° te verdraaien .
3
BELANGRIJK
Bij montage van een bagagerolhoes is opklappen/neerklappen van het veiligheidsrek
niet mogelijk.
Het veiligheidsrek is het makkelijkst met
twee personen via de achterportieren aan te
brengen.
Bij het aanbrengen dient de handgreep (zie
–
) aan de voorkant van
afbeelding
het rek te zitten.
Om het rek te verwijderen moet u de punten
onder Aanbrengen in omgekeerde volgorde
uitvoeren.
05 Tijdens het rijden
Laadruimte
Bagagerolhoes
2
1
3. Duw beide kanten vast. De rolhoes moet
hoorbaar vastklikken en de rode markering moet verdwijnen.
4. Controleer of beide eindstukken vergrendeld zijn.
Bagagerolhoes verwijderen
G017749
3
1. Duw op de knop van het ene eindstuk en til
het uit de holte.
2. Kantel de rolhoes voorzichtig omhoog en
naar buiten, zodat het andere eindstuk
automatisch loskomt.
Bagagerolhoes
Achterste dekplaat bagagerolhoes
omlaagklappen
Toepassing
Bij een opgerolde bagagerolhoes steekt de
dekplaat achter aan de rolhoes horizontaal
iets uit in de laadruimte.
Trek de bagagerolhoes over de lading heen uit
en haak de hoes vast in de openingen die in
de achterste stijlen van de laadruimte zitten.
BELANGRIJK
1. Trek de dekplaat voorzichtig naar achteren
van de consoles af en klap de plaat omlaag.
Veiligheidsnet*
De cassette met het veiligheidsnet wordt achter op het ruggedeelte van de achterbank
gemonteerd. Het tweedelige net is gemaakt
van stevig nylonmateriaal. De twee delen hebben een verschillende breedte. Het brede netgedeelte moet rechts worden gemonteerd
(in de rijrichting gezien). Het net dat van de
ruggedeelten van de achterbank kan worden
uitgerold, wordt ca. 1 minuut na het uitrollen
automatisch geblokkeerd, als de ruggedeelten
rechtop staan. Het net kan ook worden
gebruikt wanneer de achterbank
neergeklapt is.
Gebruik bij neergeklapte ruggedeelten
3
4
1
05
2
Bij montage van een bagagerolhoes is opklappen/neerklappen van het veiligheidsrek
niet mogelijk.
1. Breng het ene eindstuk van de rolhoes aan
in de holte van het zijpaneel.
2. Breng het andere eindstuk van de rolhoes aan in de tegenoverliggende holte.
G018246
Bagagerolhoes aanbrengen
Rol het rechterstuk van het net uit door
aan de lus te trekken.
171
05 Tijdens het rijden
Laadruimte
Haak de stang vast aan de bevestiging
aan de rechterzijde.
Lading op het dak
Veiligheidsnet én bagagerolhoes
gebruiken
Trek de stang vervolgens uit en haak het
andere uiteinde vast aan de bevestiging
aan de linkerzijde.
Lastdragers gebruiken
Om schade aan de auto te voorkomen en voor
maximale veiligheid tijdens het rijden, wordt u
geadviseerd de lastdragers te gebruiken die
door Volvo ontwikkeld zijn.
Rol het linker veiligheidsnet op dezelfde
manier uit als het rechter net en bevestig
het aan de stang.
Volg de montage-instructies die bij de lastdragers worden geleverd nauwkeurig op.
Houd voor het verwijderen de omgekeerde
volgorde aan.
05
1. Trek de ene bevestiging van het net naar de
grote opening en trek de bevestiging los.
2. Haal de andere bevestiging op dezelfde
manier los.
Opbergcassette veiligheidsnet
verwijderen
1. Klap de ruggedeelten neer.
2. Duw de cassette zo ver naar buiten dat
deze uit de bevestigingsconsoles loskomt.
WAARSCHUWING
Ook bij correcte montage van het veiligheidsnet moet de bagage in de laadruimte
altijd goed worden verankerd.
172
G018247
Veiligheidsnetcassettes verwijderen
De lussen voor het uitrollen zitten bij de pijlen
in de afbeelding. Volg dezelfde procedure als
die onder “Gebruik bij neergeklapte ruggedeelten”.
Voorstoel
Voor het vervoer van extra lange lading kunt
u ook de rugleuning van de passagiersstoel
omklappen (zie pagina 66).
• Controleer regelmatig of de lastdragers en
de lading goed vastzitten. Zet de lading
stevig vast met sjorbanden.
• Verdeel het gewicht van de lading gelijkmatig over de lastdragers. Leg de zwaarste
voorwerpen onderop.
• Naarmate u meer lading op het dak vervoert, vangt de auto meer wind en neemt
het brandstofverbruik toe.
• Rijd rustig. Trek bij voorkeur niet te snel op,
rem niet te hard en maak niet te scherpe
bochten.
WAARSCHUWING
Bij het vervoer van lading op het dak verschuift het zwaartepunt en treden er wijzigingen op in de rijeigenschappen van de
auto.
Zie pagina 224 voor informatie over de
maximale dakbelasting, inclusief lastdragers en een eventuele skibox.
05 Tijdens het rijden
Gevarendriehoek
Gevarendriehoek
Til de vloermat op en haal de gevarendriehoek tevoorschijn.
EHBO-set
Neem de gevarendriehoek uit de houder, klap de driehoek uit en bevestig de
twee losse zijden aan elkaar.
1
2
Volg de geldende bepalingen voor het gebruik
van een gevarendriehoek. Zet de gevarendriehoek op een passend punt achter de auto op
om achteropkomend verkeer tijdig te waarschuwen.
Zorg dat de houder met de gevarendriehoek
na gebruik stevig in de laadruimte vastzit.
G015352
N.B.
G018253
G017956
Klap de steunpoten van de gevarendriehoek uit.
Onder de vloer in de laadruimte ligt een
EHBO-set.
05
Private locking (zie pagina 43) werkt niet,
als het vloerluik niet dichtstaat.
G015353
3
173
05 Tijdens het rijden
Rijden met een aanhanger
Algemene informatie
Als de trekhaak door Volvo is gemonteerd,
wordt de auto compleet aangeleverd met de
benodigde randuitrusting voor het gebruik van
een aanhanger.
05
174
• De trekhaak van de auto moet van een
goedgekeurd type zijn.
• Bij montage achteraf moet u contact opnemen met een erkende Volvo-werkplaats om
te controleren of uw auto van de nodige
uitrusting is voorzien om met een aanhanger te kunnen rijden.
• Verdeel de lading in de aanhanger dusdanig dat de druk op de trekhaak de maximale kogeldruk niet overschrijdt.
• Verhoog de bandenspanning tot de aanbevolen druk bij maximale belading. Zie
pagina 214 voor de positie van de bandenspanningstabel.
• Maak de trekhaak regelmatig schoon en vet
de kogel van tijd tot tijd in.
• Rijd niet met een zware aanhanger, wanneer de auto nog helemaal nieuw is. Wacht
hiermee totdat de auto ten minste
1000 kilometer heeft gereden.
• Bij het afdalen op lange en steile hellingen
worden de remmen veel zwaarder belast
dan normaal. Schakel dan terug naar een
lagere versnelling en pas uw snelheid aan.
• Bij het gebruik van een aanhanger wordt de
motor zwaarder belast dan normaal.
• Wanneer de auto bij warm weer zwaar
belast wordt, kan de motor oververhit
raken. Als de temperatuur in het koelsysteem van de motor te hoog oploopt, gaat
het waarschuwingslampje branden en verschijnt de melding Motortemp.hoog Stop
auto z.s.m.. Breng de auto in dat geval op
een veilige manier tot stilstand en laat de
motor enkele minuten stationair lopen
zodat deze kan afkoelen.
Als de melding Motortemp. hoog Zet
motor af of Koelvl.peil laag Zet motor af
verschijnt, dient u nadat de auto tot stilstand is gekomen ook de motor af te
zetten.
• De automatische versnellingsbak is voorzien van een ingebouwde beveiliging die bij
oververhitting in werking treedt. Als de temperatuur in de versnellingsbak te hoog
oploopt, gaat het waarschuwingslampje
branden en verschijnt de melding
Versn.bak heet Rijd langzamer of
Versn.bak heet Stop auto z.s.m. op het
informatiedisplay.
Volg in dat geval het advies op en matig uw
snelheid of breng de auto op een veilige
plek tot stilstand om de motor enkele minuten stationair te laten lopen zodat de versnellingsbak kan afkoelen.
Bij oververhitting is het mogelijk dat de
airconditioning tijdelijk wordt
uitgeschakeld.
• Rijd om veiligheidsredenen niet sneller dan
80 km/h, ook al staat de wetgeving in
bepaalde landen een hogere snelheid toe.
• Zet de keuzehendel in de parkeerstand P,
wanneer u een automaat met aanhanger
parkeert. Gebruik altijd de parkeerrem.
Gebruik wielblokken, als u een auto met
aanhanger op een steile helling parkeert.
Trekhaakbedrading
Als de trekhaak van de auto een 13-polig elektrisch contact heeft en de aanhanger een
7-polig contact, hebt u een adapter nodig.
Gebruik een door Volvo goedgekeurde adapterkabel. Zorg dat de kabel niet over de grond
sleept.
Richtingaanwijzers aanhanger
Het lampje op het instrumentenpaneel knippert wanneer u de richtingaanwijzers gebruikt
met een aanhanger achter de auto. Als het
lampje sneller knippert dan normaal is een van
de richtingaanwijzers op de auto of op de aanhangwagen kapot (zie pagina 61)
Automatische versnellingsbak
Op een helling parkeren
1. Activeer de parkeerrem.
2. Zet de keuzehendel in stand P.
Op een helling wegrijden
1. Zet de keuzehendel in stand D.
2. Los de parkeerrem.
Steile hellingen
• Schakel geen hogere, handmatige versnelling in dan de motor “aankan”. Rijden in
hoge versnellingen is niet altijd zuinig.
05 Tijdens het rijden
Rijden met een aanhanger
• Vermijd hellingen met een percentage van
meer dan 15% bij het gebruik van een
aanhanger.
Niveauregeling*
Als uw auto is uitgerust met automatische
niveauregeling nemen de achterste schokdempers tijdens het rijden altijd de juiste rijhoogte in ongeacht de belading (tenzij het
maximaal toelaatbare gewicht wordt overschreden). Wanneer de auto stilstaat, zakt de
achtertrein omlaag. Dit is volkomen normaal.
Aanhangergewichten
Let erop dat er op grond van de wetgeving
voor motorvoertuigen in uw land verdere
beperkingen van het aanhangergewicht en
de snelheid kunnen gelden. Het is bovendien
mogelijk dat de trekhaak gespecificeerd is
voor hogere gewichten dan het maximaal toelaatbare aanhangergewicht van de auto. Zie
pagina 223 voor het maximaal toelaatbare
aanhangergewicht dat Volvo hanteert.
WAARSCHUWING
Trekhaak
Als de auto is uitgerust met een afneembare
trekhaak, moeten de montagevoorschriften
voor het monteren van het kogelsegment zorgvuldig worden opgevolgd (zie pagina 177).
WAARSCHUWING
Let erop dat u de veiligheidskabel van de
aanhanger aan de daarvoor bestemde
bevestiging vastmaakt.
WAARSCHUWING
Let op het volgende, als uw auto is uitgerust
met de afneembare trekhaak van Volvo:
Volg de montage-instructies voor het kogelsegment nauwkeurig op. Zorg dat het
kogelsegment met de sleutel vergrendeld is
voordat u begint te rijden. Controleer of het
controlevenster groen van kleur is.
05
N.B.
Neem na gebruik altijd het kogelsegment
los. Bewaar het in de laadruimte.
Houd u aan de opgegeven aanbevelingen
voor het aanhangergewicht. De aanhanger
en de auto kunnen anders moeilijk bestuurbaar worden tijdens uitwijk- en remmanoeuvres.
175
05 Tijdens het rijden
Rijden met een aanhanger
Specificaties
Belangrijke controlepunten
• U moet de kogel regelmatig schoonmaken
en met vet insmeren.
2
N.B.
G017957
1
G021485
Wanneer u een trekhaak met trillingsdemper gebruikt, hoeft de kogel niet te worden
ingevet.
Afmetingen, bevestigingspunten
(mm)
05
8
3
7
176
5
6
G017971
4
1 (V70)
1129
1 (XC70)
1113
2 (V70)
93
2 (XC70)
77
3
855
4
428
5
112
6
346
7
Langsligger
8
Middelpunt kogel
05 Tijdens het rijden
Rijden met een aanhanger
Kogelsegment aanbrengen
1
5
3
Verwijder de afdekking door de pal
in
te drukken en de afdekking recht naar
achteren
te trekken.
G021490
G021488
1
G018928
2
Het controlevenster moet rood van kleur
zijn.
4
Het controlevenster moet groen van kleur
zijn.
6
05
Controleer of het mechanisme in de ontgrendelde stand staat door de sleutel
rechtsom te draaien.
Breng het kogelsegment aan en duw het
naar binnen totdat u een klik hoort.
G000000
G021489
G021487
2
Draai de sleutel linksom naar de vergrendelde stand. Neem de sleutel uit het slot.
177
05 Tijdens het rijden
Rijden met een aanhanger
De veiligheidskabel van de aanhanger
moet aan het bevestigingsoog van de
trekhaak vastgezet worden.
G021494
7
Controleer of het kogelsegment vastzit
door het stevig omhoog, omlaag en naar
achteren te bewegen. Als het kogelsegment niet goed zit, moet u het verwijderen
en het opnieuw monteren zoals eerder
werd beschreven.
05
BELANGRIJK
Vet alleen de kogel in waarop de aanhangerkoppeling wordt geplaatst. Houd de rest
van het kogelsegment vetvrij en droog.
G021495
8
178
05 Tijdens het rijden
Rijden met een aanhanger
Kogelsegment verwijderen
1
G021498
G021496
3
Draai de vergrendelingsknop volledig
omlaag totdat deze niet verder kan. Houd
de knop in deze stand vast terwijl u het
kogelsegment schuin naar achteren toe
omhoogtrekt.
Steek de sleutel in het slot en draai deze
rechtsom in de ontgrendelde stand.
2
05
2
G018929
Druk de vergrendelingsknop
in en
draai deze linksom
totdat u een klik
hoort.
G021497
1
4
Duw de afdekking er zo ver op dat deze
vastklikt.
WAARSCHUWING
Zet het losse kogelsegment goed vast,
wanneer u het in de laadruimte van de auto
bewaart.
179
05 Tijdens het rijden
Slepen
Algemene informatie
Handgeschakelde versnellingsbak
Sleepoog
Probeer de motor nooit aan te slepen. Gebruik
een hulpaccu als de accu leeg is en de motor
niet wil starten.
Zet de versnellingspook in de vrijstand. Houd
de sleepkabel altijd strak om harde schokken
te voorkomen. Sta klaar om het rempedaal te
bedienen.
Gebruik het sleepoog als de auto over de weg
moet worden versleept. U bevestigt het
sleepoog in de opening aan de rechterzijde
van de voor- of achterbumper.
BELANGRIJK
De katalysator kan beschadigd raken als u
de auto probeert aan te slepen.
Automatische versnellingsbak
Zet de keuzehendel in stand N.
BELANGRIJK
05
180
Sleep een auto auto met automatische versnellingsbak niet sneller dan 80 km/h over
een afstand van maximaal 80 km.
Let erop dat u de auto altijd dusdanig wegsleept dat de wielen in de rijrichting draaien.
• Voor tweewielaangedreven auto’s met
een automatische versnellingsbak geldt, bij
een geheven vooras, alleen een maximale
sleepsnelheid van 80 km/h.
Let erop dat u de auto altijd dusdanig wegsleept dat de wielen in de rijrichting draaien.
• Voor vierwielaangedreven auto’s met automatische versnellingsbak gelden, bij een
geheven vooras, zowel een maximale
sleepsnelheid van 80 km/h als een maximale sleepafstand van 80 km. Let erop dat u
de auto altijd dusdanig wegsleept dat de
wielen in de rijrichting draaien.
WAARSCHUWING
Het stuurslot blijft in de stand staan die het
had toen de spanning werd verbroken. Het
stuurslot moet worden opgeheven, voordat
u de auto sleept. Het contactslot moet in
stand II staan. Neem de transpondersleutel
nooit tijdens het rijden of slepen uit het contactslot.
WAARSCHUWING
De rembekrachtiging en de stuurbekrachtiging werken niet wanneer de motor uitgeschakeld is. U moet ongeveer vijfmaal zo
hard op het rempedaal trappen en de auto
stuurt aanzienlijk zwaarder dan normaal.
Draai het sleepoog na gebruik los en plaats
het terug in de laadruimte.
WAARSCHUWING
Het sleepoog is alleen bedoeld voor het slepen over de weg en niet geschikt voor berging. Roep professionele hulp in voor
berging.
Controleer voordat u de auto gaat slepen wat
de toegestane maximumsnelheid is.
WAARSCHUWING
Steek voordat de auto wordt versleept de
transpondersleutel in het contactslot om
het stuurslot op te heffen (zodat de auto
bestuurbaar wordt).
05 Tijdens het rijden
Slepen
Voor de XC70 : Maak de onderkant van de
afdekking in de bumper los met een
schroevendraaier of een muntstuk.
Schroef het sleepoog stevig tot aan de
flens vast.
Sleepoog monteren
1
Gebruik de wielsleutel om het sleepoog
vast te draaien.
G017464
N.B.
Neem het sleepoog erbij dat onder het
vloerluik in de laadruimte ligt.
Bij sommige auto’s met een afneembare
trekhaak kunt u het sleepoog niet in de achterste bevestiging aanbrengen wanneer het
kogelsegment gemonteerd is. Bevestig de
sleepkabel in dat geval aan de trekhaak.
Om die reden wordt geadviseerd het kogelsegment van de afneembare trekhaak in de
auto te bewaren wanneer u de trekhaak niet
nodig hebt (zie pagina 179).
05
G021501
2
Voor de V70: Duw de aangegeven kant
van de afdekking in de bumper en laat los.
Klap de afdekking opzij en schroef het
sleepoog stevig tot aan de flens vast.
181
Motorruimte ........................................................................................... 184
Gloeilampen ........................................................................................... 189
Wisserbladen en ruitensproeiervloeistof ................................................ 195
Accu ....................................................................................................... 197
Zekeringen .............................................................................................200
Wielen en banden ..................................................................................205
Verzorging .............................................................................................. 217
Type-aanduidingen .................................................................................221
Specificaties ........................................................................................... 222
182
ONDERHOUD EN SPECIFICATIES
06
06 Onderhoud en specificaties
Motorruimte
Algemene informatie
Motorkap openen en sluiten
WAARSCHUWING
Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid
en betrouwbaarheid van de auto op een hoog
peil te houden, dient u de voorschriften van
het Serviceprogramma van Volvo op te volgen
zoals die omschreven staan in het Service- en
garantieboekje van Volvo. Laat service- en
reparatiewerkzaamheden door een erkende
Volvo-werkplaats uitvoeren. Volvo-werkplaatsen beschikken over het personeel, het speciale gereedschap en de servicehandboeken
waardoor zij u een zo hoog mogelijke servicekwaliteit kunnen garanderen.
Let erop dat de koelventilator tot enige tijd
na het afzetten van de motor nog automatisch kan aanslaan.
Laat het schoonmaken van de motor altijd
over aan een werkplaats. Als de motor heet
is, bestaat er gevaar voor brand.
1
G021502
Serviceprogramma van Volvo
2
06
Regelmatig controleren
Controleer regelmatig de volgende oliën en
vloeistoffen, bijvoorbeeld tijdens het tanken:
•
•
•
•
184
Koelvloeistof
Motorolie
Stuurbekrachtigingsvloeistof
Ruitensproeiervloeistof
G010951
BELANGRIJK
Voor de geldigheid van de garantie is het
van belang dat u het Service- en garantieboekje van Volvo controleert en de aanwijzingen opvolgt.
Trek aan de handgreep bij de pedalen. Het
is duidelijk te horen dat vergrendeling
wordt opgeheven.
Haal de borghaak naar links om de motorkap te openen. (De borghaak zit tussen de
koplamp en de grille zoals afgebeeld.)
WAARSCHUWING
Controleer bij het sluiten of de motorkap
goed in het slot valt.
06 Onderhoud en specificaties
Motorruimte
Motorruimte, overzicht
Oliepeil motor controleren
2
5
7
3
8
4
10
G018945
9
Afhankelijk van het motortype kan de motorruimte er anders uitzien
Expansiereservoir voor koelsysteem
Reservoir voor stuurbekrachtigingsvloeistof
Peilstok voor motorolie
Het ontstekingssysteem werkt zeer hoge
spanningen op. De spanning van het ontstekingssysteem is levensgevaarlijk. Zet het
contactslot daarom altijd in stand 0 bij
werkzaamheden in de motorruimte (zie
pagina 65).
Raak bougies of bobine niet aan, wanneer
het contactslot in stand II staat of als de
motor warm is.
Engine oil quality: XXX
Viscosity: XXX
G021733
6
xxxxxxxx
WAARSCHUWING
1
Sticker met oliekwaliteit
Volvo adviseert olieproducten van Castrol. Zie
voor ritten onder ongunstige omstandigheden
de aanbevelingen van Volvo op pagina 227.
06
Radiateur
Vulopening voor motorolie
Reservoir voor rem- en koppelingsvloeistof (auto met stuur links)
Accu
Relais- en zekeringenkastje, motorruimte
Vulopening voor ruitensproeiervloeistof
Luchtfilter
185
06 Onderhoud en specificaties
Motorruimte
Houd voor het verversen en het vervangen de
intervallen aan die staan aangegeven in het
Service- en garantieboekje.
Vulopening en peilstok
BELANGRIJK
186
G021734
Gebruik voor het bijvullen van olie een oliesoort van dezelfde kwaliteit en met dezelfde
viscositeit (zie pagina 227).
Benzinemotor
Bij een nieuwe auto is het belangrijk om het
oliepeil te controleren, voordat de olie voor de
eerste keer volgens schema moet worden ververst.
De betrouwbaarste meting wordt verkregen bij
een koude motor vóór de start. Meteen na het
afzetten van de motor krijgt u een verkeerd
resultaat. De peilstok geeft dan een te laag
peil aan, omdat de olie geen tijd heeft gehad
om terug te lopen naar het oliecarter.
Dieselmotor
G021737
Volvo hanteert uiteenlopende systemen om te
waarschuwen voor een laag oliepeil of een
lage oliedruk. Bij de modellen die zijn voorzien
van een oliedruksensor wordt gebruik
gemaakt van een waarschuwingslampje voor
de oliedruk. Bij modellen met een olieniveausensor wordt gewaarschuwd met een waarschuwingslampje midden op het instrumentenpaneel en met displayteksten. Op
bepaalde modellen zijn beide systemen aanwezig. Neem voor meer informatie contact op
met een erkende Volvo-werkplaats.
BELANGRIJK
G021736
06
Om aan de vereisten voor de gespecificeerde service-intervallen te voldoen worden alle motoren in de fabriek gevuld met
een speciaal aangepaste, synthetische
motorolie. De oliesoort werd met grote zorg
geselecteerd lettend op de levensduur van
de motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact. Om de
aanbevolen service-intervallen aan te kunnen houden dient u een goedgekeurde
motoroliesoort te gebruiken. Gebruik alleen
een oliesoort van de voorgeschreven kwaliteit (zie sticker in motorruimte) en dat zowel
bij het bijvullen als verversen van olie. Een
negatieve invloed op de levensduur van de
motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact is anders niet
uitgesloten. Volvo Car Corporation wijst alle
garantieclaims af bij gebruik van een
motoroliesoort die niet voldoet aan de voorgeschreven kwaliteits- en viscositeitseisen.
De olie moet binnen het gemarkeerde gebied op
de peilstok staan.
06 Onderhoud en specificaties
Motorruimte
Parkeer de auto op een vlakke ondergrond,
zet de motor af en wacht ten minste 10 tot
15 minuten zodat de olie weer kan teruglopen
in het oliecarter. Zie pagina 228 voor de bij te
vullen hoeveelheid.
Oliepeil controleren bij een koude motor
Vul bij totdat de olie dichter bij het MAXstreepje dan bij het MIN-streepje op de
peilstok ligt.
Koelvloeistof
Koelvloeistof controleren en bijvullen
1. Veeg de peilstok schoon.
2. Controleer het peil met de peilstok.
De olie moet tussen het MIN- en MAXstreepje staan.
3. Als de olie dichter bij het MIN-streepje
ligt, kunt u eerst 0,5 liter olie bijvullen.
Vul bij totdat de olie dichter bij het MAXstreepje dan bij het MIN-streepje op de
peilstok ligt.
Vul niet meer olie bij dan tot aan het MAXstreepje. Het olieverbruik kan toenemen, als
u te veel olie in de motor giet.
WAARSCHUWING
Mors geen olie op het hete uitlaatspruitstuk,
omdat er gevaar voor brand bestaat.
Oliepeil controleren bij een warmgelopen
motor
Controleer de koelvloeistof regelmatig!
De koelvloeistof moet tussen het MIN- en
MAX-streepje op het expansiereservoir staan.
Als u het reservoir niet goed gevuld houdt, kan
de temperatuur in het systeem dusdanig hoog
oplopen dat er gevaar voor motorschade ontstaat.
G021738
BELANGRIJK
BELANGRIJK
Het is uitermate belangrijk dat u een koelvloeistof met roestwerende eigenschappen
gebruikt volgens de aanbevelingen van
Volvo. Een nieuwe auto is voorzien van
koelvloeistof die bestand is tegen temperaturen tot ca. –35 °C.
Volg de aanwijzingen op de verpakking op.
Voor optimale bestendigheid tegen vorst en
corrosie dient u erop toe te zien dat het koelvloeistofmengsel altijd voor 50% uit water en
voor 50% uit koelvloeistof bestaat. Vul het
reservoir nooit alleen met schoon water. Het
gevaar voor bevriezing neemt toe, zowel wanneer de concentratie koelvloeistof te laag is
als wanneer deze te hoog is. Zie pagina 229
voor de hoeveelheden.
WAARSCHUWING
De koelvloeistof kan bijzonder heet zijn. Als
u moet bijvullen terwijl de motor op bedrijfstemperatuur is, moet u langzaam de dop
van het expansiereservoir losdraaien om de
overdruk te laten ontsnappen.
06
1. Veeg de peilstok schoon.
2. Controleer het oliepeil met de peilstok.
3. Als de olie dichter bij het MIN-streepje
ligt, kunt u eerst 0,5 liter olie bijvullen.
187
06 Onderhoud en specificaties
Motorruimte
Rem- en koppelingsvloeistof
Stuurbekrachtigingsvloeistof
Bijvullen
Peil controleren
1
2
Zie pagina 229 voor de aan te houden hoeveelheden en de aanbevolen kwaliteit van de
remvloeistof. Wanneer u vaak met uw auto in
de bergen rijdt of in landen met een tropisch
klimaat en een hoge relatieve luchtvochtigheidsgraad, moet u de remvloeistof ieder jaar
verversen.
06
WAARSCHUWING
Als de remvloeistof onder het MINstreepje van het reservoir staat, mag u niet
verder rijden voordat u remvloeistof hebt
bijgevuld. Laat de oorzaak van het remvloeistofverlies controleren door een
erkende Volvo-werkplaats.
G018939
Ververs de remvloeistof om de twee jaar of
iedere tweede geplande servicebeurt.
Het vloeistofreservoir zit aan de bestuurderszijde
Het vloeistofreservoir gaat schuil achter de
dekplaat op de koude zone van de motorruimte. U moet het ronde deksel eerst verwijderen om bij de dop van het reservoir te
komen.
1. Open het deksel dat in de dekplaat zit door
het te verdraaien.
2. Draai de dop van het reservoir los en vul
vloeistof bij. De vloeistof moet tussen
het MIN- en MAX-streepje staan
(aan de binnenkant van het reservoir).
BELANGRIJK
Vergeet niet het deksel terug te plaatsen.
188
G021740
De rem- en koppelingsvloeistof zitten in hetzelfde reservoir. De vloeistof moet tussen het
MIN- en MAX-streepje staan die aan de buitenkant van het reservoir zichtbaar zijn. Controleer het peil regelmatig.
BELANGRIJK
Houd bij een controle van het peil in het
reservoir voor stuurbekrachtigingsvloeistof
het gebied eromheen goed schoon.
Controleer het peil bij iedere servicebeurt.
U hoeft de vloeistof niet te verversen. De
vloeistof moet tussen het MIN- en MAXstreepje staan. Zie pagina 229 voor de aanbevolen vloeistofkwaliteit en aan te houden hoeveelheden.
N.B.
Ook als er een storing optreedt in de stuurbekrachtiging of als de stroom wegvalt en u
de auto moet laten wegslepen, blijft de auto
bestuurbaar.
06 Onderhoud en specificaties
Gloeilampen
Algemene informatie
Lamphuis voorzijde
Op pagina 194 staan alle gloeilampen van de
auto vermeld. Gloeilampen en puntverlichting
van een bijzonder type of lampen die alleen in
een werkplaats te vervangen zijn:
1
1
G010479
• Interieurverlichting aan het plafond, leeslampjes
• Verlichting dashboardkastje
• Richtingaanwijzers, buitenspiegels
• Approach-verlichting
• Rem-, mist- en achteruitrijlichten
• Sidemarkers achterzijde, achterlichten
• (Active) Bi-Xenonkoplampen
• Alle led-lampen
Koplamphuis verwijderen
2
BELANGRIJK
Raak het glas van de gloeilampen nooit met
blote vingers aan. De vetten en oliën op uw
vingers kunnen door de hitte verdampen.
Dit zorgt voor aanslag op de reflector, waardoor deze al snel kapotgaat.
duwen
en ondertussen met uw ande-
re hand de connector los te trekken
Trek alleen aan de connector en niet aan de
kabel.
G010325
Alle gloeilampen in de koplamphuizen
(behalve die voor het mistlicht) zijn te vervangen door het lamphuis via de motorruimte los
te maken en het in zijn geheel te verwijderen.
WAARSCHUWING
Schakel altijd het contact uit en neem de
transpondersleutel uit, voordat u gloeilampen vervangt.
.
BELANGRIJK
3
4
WAARSCHUWING
Als de auto is voorzien van Bi-Xenon- of
Active Bi-Xenonkoplampen, dient u alle
werkzaamheden aan deze xenonlampen
door een erkende Volvo-werkplaats te laten
uitvoeren. Omdat de xenonkoplampen
voorzien zijn van een ontstekingsgedeelte
dat een hoge spanning opwekt, moet u er
voorzichtig mee omgaan.
1. Schakel het contact uit door kort op de
knop START/STOP te drukken en de transpondersleutel uit te nemen.
2. Trek de borgpennen
van het lamphuis
omhoog.
3. Trek het lamphuis recht naar voren toe
.
4. Koppel de connector van het lamphuis
los door met uw duim de clip omlaag te
5. Til het lamphuis naar buiten en leg het op
een zachte ondergrond om krassen op
de lens te voorkomen.
6. Vervang de kapotte gloeilamp (zie
pagina 194).
06
Koplamphuis aanbrengen
1. Sluit de connector dusdanig aan dat u een
klik hoort.
2. Plaats het lamphuis terug en breng de
borgpennen aan. Controleer of u ze op
de juiste manier hebt ingebracht.
3. Controleer de verlichting.
Het lamphuis moet zijn aangesloten en
gemonteerd zijn, voordat u de verlichting
inschakelt of de transpondersleutel in het
contactslot steekt.
189
06 Onderhoud en specificaties
Gloeilampen
N.B.
Lees de tekst op pagina 189 door alvorens
een gloeilamp te vervangen.
06
1. Open de borgklem door deze omhoog/naar
buiten te duwen.
2. Duw de clips op de afdekking omlaag en
verwijder de afdekking.
Plaats de afdekking in omgekeerde volgorde
terug.
190
1. Haal het koplamphuis los.
2. Verwijder de afdekking.
3. Haal de gloeilamp los door de houder
omlaag te duwen.
4. Koppel de connector van de lamp los.
5. Breng de nieuwe gloeilamp in de lamphouder aan zodat deze vastklikt. U kunt
hem slechts op één manier
terugplaatsen.
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
G021747
Groot licht, halogeen
G021746
Dimlicht, halogeen
G021745
Afdekking verwijderen
1. Haal het koplamphuis los.
2. Verwijder de afdekking.
3. Haal de gloeilamp los door deze linksom
te draaien.
4. Koppel de connector van de lamp los.
5. Vervang de gloeilamp, steek de nieuwe
lamp in de lampvoet en draai de gloeilamp rechtsom vast. U kunt hem slechts
op één manier terugplaatsen.
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
06 Onderhoud en specificaties
Gloeilampen
1. Haal het koplamphuis los.
2. Verwijder de afdekking (zie pagina 190).
3. Haal de gloeilamp los door de houder
omlaag te duwen.
4. Koppel de connector van de lamp los.
5. Breng de nieuwe gloeilamp in de lamphouder aan zodat deze vastklikt. U kunt
hem slechts op één manier terugplaatsen.
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
G021750
Richtingaanwijzers/knipperlichten
G021749
Stadslichten/parkeerlichten vóór
G021748
Verstralers, Active Bi-Xenon en
Bi-Xenon*
1. Haal het koplamphuis los.
2. Verwijder de afdekking (zie pagina 190).
3. Om ruimte te maken kunt u de gloeilamp
voor het groot licht eerst verwijderen.
1. Haal het koplamphuis los.
2. Verwijder de kleine, ronde afdekking.
3. Trek aan de lamphouder om de gloeilamp
tevoorschijn te halen.
4. Trek aan de kabel om de lamphouder
tevoorschijn te halen.
5. Trek de kapotte gloeilamp los en breng
de nieuwe aan. U kunt hem slechts op
één manier terugplaatsen.
6. Breng de lampvoet in de lamphouder aan
en duw de lamp aan totdat u een klik
hoort.
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
4. Trek de kapotte gloeilamp los en breng
de nieuwe aan. U kunt hem slechts op
één manier terugplaatsen.
5. Breng de lampvoet in de lamphouder aan
en duw de lamp aan totdat u een klik
hoort.
6. Plaats de afdekking terug. U moet deze
dusdanig aanbrengen en vastduwen dat
u een klik hoort.
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
06
191
06 Onderhoud en specificaties
Gloeilampen
N.B.
Lees de tekst op pagina 189 door alvorens
een gloeilamp te vervangen.
06
192
1. Haal het koplamphuis los.
2. Verwijder de kleine, ronde afdekking.
3. Trek aan de kabel om de lamphouder
tevoorschijn te halen.
4. Trek de kapotte gloeilamp los en breng
de nieuwe aan. U kunt hem slechts op
één manier terugplaatsen.
5. Breng de lampvoet in de lamphouder aan
en duw de lamp aan totdat u een klik
hoort.
6. Plaats de afdekking terug. U moet deze
dusdanig aanbrengen en vastduwen dat
u een klik hoort.
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
G017456
Achterlamphuis, richtingaanwijzer
G021753
Mistlampen vóór
G021751
Sidemarker
1. Neem de afdekking los door de clips in te
duwen en de afdekking vervolgens recht
naar buiten te trekken.
2. Draai het boutje van het lamphuis los en
verwijder het lamphuis.
3. Draai de gloeilamp linksom en verwijder
deze.
4. Breng een nieuwe gloeilamp aan door
deze rechtsom te draaien.
5. Plaats de gloeilamp terug. (Het profiel
van de lamphouder komt overeen met
dat van de lampvoet.)
6. Plaats de lamphouder terug. Het
opschrift TOP op de lamphouder moet
omhoogwijzen!
De richtingaanwijzerlamp in het achterlamphuis is via de laadruimte te vervangen.
1. Open het paneel.
2. Trek de isolatie recht naar buiten toe los.
3. Draai de lamp helemaal los door de
handgreep linksom te draaien.
4. Trek de gloeilamp recht naar buiten toe
los.
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
N.B.
Neem, als de foutmelding niet verdwijnt
nadat de kapotte lamp is vervangen, contact op met een erkende Volvo-werkplaats.
06 Onderhoud en specificaties
Gloeilampen
Positie gloeilampen achterlamphuis
8
7
1
Kentekenplaatverlichting
Instapverlichting
2
Lampglas, rechterzijde
Achter-/remlicht (led)
Sidemarker, SML (led)
Richtingaanwijzer
Reflector, achter
Mistachterlicht (een zijde)
Achteruitrijlicht
Remlicht (led)
Remlicht (led)
3
1. Draai de boutjes los met een schroevendraaier.
2. Haal voorzichtig het complete lamphuis
los en trek het naar buiten.
3. Vervang de gloeilamp.
4. Plaats het complete lamphuis terug en
draai de boutjes vast.
G021757
4
G017458
5
G017457
6
N.B.
Lees de tekst op pagina 189 door alvorens
een gloeilamp te vervangen.
1. Steek een schroevendraaier achter de korte
kant van de lens die naar de middenconsole wijst en verdraai de schroevendraaier
iets, zodat de lens loskomt (geldt voor
beide lampjes).
2. Draai voorzichtig totdat de lens loskomt.
3. Vervang de gloeilamp.
06
4. Plaats de lens terug.
193
06 Onderhoud en specificaties
Gloeilampen
Verlichting make-upspiegel
Specificatie gloeilampen
Spiegelglas verwijderen
Verlichting
Vermogen (W) Type
Extra groot
licht,
Bi-Xenon, ABL
55
H7
Dimlicht,
halogeen
55
H7
Groot licht,
halogeen
65
H9
Richtingaanwijzers
voorzijde
21
H21W
06
1. Steek een schroevendraaier achter het lamphuis en wrik deze iets heen en weer, zodat
het lamphuis loskomt.
2. Vervang de gloeilamp.
3. Controleer of de gloeilamp werkt en druk
het lamphuis weer vast.
G021759
G017459
Laadruimteverlichting
1. Steek in het midden aan de onderkant een
schroevendraaier achter het glas om het
borgnokje aan de rand voorzichtig los te
werken.
2. Steek de schroevendraaier aan zowel de
linker- als de rechterzijde achter het glas
(bij de zwarte rubberdelen) en wrik voorzichtig, zodat het glas aan de onderkant
loskomt.
3. Maak het spiegelglas voorzichtig los en
verwijder het compleet met afdekklep.
4. Vervang de gloeilamp.
Spiegelglas aanbrengen
1. Duw de drie borgnokjes aan de bovenkant
van het spiegelglas terug.
2. Duw vervolgens de onderste drie nokjes
vast.
194
Richtingaanwij- 21
zers achter
PY21W
Mistlampen
voorzijde
H8
35
Instap-, laad5
ruimte -, kentekenplaatverlichting
Buislampje
SV8,5
Makeupspiegel
1,2
Buislampje
SV5,5
Stadslichten/
parkeerlichten
voorzijde
5
W5W
Sidemarkers
voorzijde
5
W5W
Verlichting
dashboardkastje
5
Buislampje
SV8,5
06 Onderhoud en specificaties
Wisserbladen en ruitensproeiervloeistof
Servicestand
Haal de wisserarm van de ruit af. Druk op
de knop die op de wisserbladhouder zit en
trek het wisserblad evenwijdig aan de
wisserarm los.
Wisserbladen vervangen, voorruit
1
Om de wisserbladen te kunnen vervangen of
schoonmaken moet u ze eerst in de servicestand zetten.
G021760
Controleer of het blad goed vastzit.
G021761
2
06
3
N.B.
De wisserbladen zijn niet allebei even lang.
Het blad aan de bestuurderszijde is langer
dan dat aan de passagierszijde.
G021762
1. Zet het contact in stand 0 (zie pagina 65)
maar laat de transpondersleutel in het contactslot zitten.
2. Duw de rechter stuurhendel
ca. 1 seconde lang omhoog. De ruitenwisserarmen gaan dan verticaal staan.
Een volgende keer dat u de auto start nemen
de ruitenwissers de ruststand weer in.
Duw het nieuwe wisserblad zo ver naar
binnen dat u een klik hoort.
G021763
Wisserbladen
195
06 Onderhoud en specificaties
Wisserbladen en ruitensproeiervloeistof
Vulopening voor
ruitensproeiervloeistof
06
1. Klap de wisserarm uit.
2. Pak het wisserblad aan de binnenkant
(bij de pijl) beet.
3. Draai het wisserblad linksom om de aanslag op de wisserarm als hefboom te
gebruiken zodat het wisserblad makkelijker loskomt.
4. Duw het nieuwe wisserblad vast. Controleer of het goed vastzit.
5. Klap de wisserarm terug.
Schoonmaken
Reinig de wisserbladen met een lauwe zeepoplossing of autoshampoo.
196
G021764
G017460
Wisserbladen vervangen, achterklep
De sproeiers van de voorruit en de koplampen
staan in verbinding met hetzelfde vloeistofreservoir.
BELANGRIJK
Gebruik tijdens de wintermaanden ruitensproeier-antivries in het reservoir om te
voorkomen dat de vloeistof in de pomp, het
reservoir en de slangen bevriest. Zie
pagina 229 voor de hoeveelheden.
06 Onderhoud en specificaties
Accu
Waarschuwingssymbolen op de accu
Draag een veiligheidsbril.
Zie voor meer informatie het
instructieboekje dat bij de auto
hoort.
Bewaar accu’s buiten het bereik
van kinderen.
Gebruik
• Controleer of de accukabels op de juiste
manier zijn aangesloten en stevig vastzitten.
• Koppel de accu nooit los, wanneer de
motor draait.
De rijomstandigheden, de rijstijl, het aantal
startpogingen, de weersomstandigheden e.d.
zijn van invloed op de levensduur en de werking van de accu.
Gebruik nooit een snellader voor het opladen
van de accu.
De accu bevat een bijtend zuur.
WAARSCHUWING
Vermijd vonken en open vuur.
Explosiegevaar.
N.B.
Zamel afgedankte accu’s op een milieubewuste wijze in, aangezien ze lood bevatten.
Accu’s kunnen een zeer explosief knalgas
produceren. Een enkele vonk, veroorzaakt
door een onjuiste aansluiting van de startkabels, is voldoende om de accu tot ontploffing te brengen. Accu’s bevatten tevens
zwavelzuur dat ernstige chemische brandwonden kan veroorzaken. Als u accuzuur in
uw ogen krijgt of op uw huid of kleren
morst, moet u onmiddellijk met grote hoeveelheden water spoelen. Neem onmiddellijk contact op met een arts, als u accuzuur
in uw ogen krijgt.
06
N.B.
Hoe vaker de accu ontladen raakt, des te
minder lang gaat de accu mee.
197
06 Onderhoud en specificaties
Accu
Vervangen
Koppel de zwarte minkabel
4
Verwijderen
1
2
pel de rode pluskabel
ontluchtingsslang
van de accu los en
draai het boutje los waarmee de accus-
4
1
teun
G021765
G021768
3
5
2
G021766
G021769
1
2
06
Schakel het contact uit en wacht 5 minuten.
Haal de clips op de voorste dekplaat los
en verwijder de dekplaat.
Haal de rubber strip los om de achterste
afdekking bloot te leggen.
3
G021767
Neem de achterste afdekking los door
deze een kwartslag te verdraaien en vervolgens op te tillen.
198
los. Kop-
los, koppel de
WAARSCHUWING
Zorg dat u de plus- en minkabels in de juiste
volgorde loskoppelt en/of aansluit.
vastzit.
Haal de accu opzij en til deze op.
06 Onderhoud en specificaties
Accu
Aanbrengen
G021771
1. Laat de accu in de accubak zakken.
2. Duw de accu naar binnen en gelijktijdig
opzij totdat de accu tegen de achterkant
van de accubak aankomt.
3. Schroef de accu vast met het boutje in
de steun.
4. Sluit de ontluchtingsslang aan.
5. Sluit de rode pluskabel aan.
6. Sluit de zwarte minkabel aan.
7. Duw de achterste afdekking vast
(zie Verwijderen).
8. Plaats de rubber strip terug
(zie Verwijderen).
9. Plaats de voorste afdekking terug en
bevestig deze met de clips
(zie Verwijderen).
06
199
06 Onderhoud en specificaties
Zekeringen
Om te voorkomen dat de elektrische systemen van de auto beschadigd raken door kortsluiting of overbelasting, zijn alle verschillende elektrische functies en onderdelen door
een aantal zekeringen beschermd. Als een van
de elektrische onderdelen of functies niet
werkt, is het mogelijk dat de bijbehorende
zekering overbelast werd en daardoor
gesmolten is. Als dezelfde zekering herhaaldelijk doorbrandt, betekent dit dat het bijbehorende onderdeel een storing vertoont.
Bezoek in dat geval een erkende Volvo-werkplaats voor een controle.
Vervangen
06
200
1. Zoek in de zekeringentabel op waar de
zekering zit.
2. Trek de zekering naar buiten en bekijk
deze van opzij om te kijken of het gebogen draadje soms doorgebrand is.
3. Breng in dat geval een nieuwe zekering
aan met dezelfde kleur en hetzelfde
amperage.
Positie zekeringenkastjes
1
2
3
G017461
Algemene informatie
Positie van de zekeringenkastjes, auto met het
stuur links
Bij auto’s met het stuur rechts zit het
zekeringenkastje
aan de andere kant.
Onder dashboardkastje
Motorruimte
Laadruimte
06 Onderhoud en specificaties
Zekeringen
Motorruimte
Posities
3
1
1
2
4
39 36
5
40 37
6
41 38
G021775
G021773
3
34
32
30
35
33
31
Motorruimte bovenin
Motorruimte voorin
7
44
Motorruimte onderin
42
43
Deze zekeringen zitten allemaal in het zekeringenkastje in de motorruimte. De zekeringen in
zitten onder
.
1
2
G021774
15
2
Aan de binnenkant van het deksel zit een speciale trekker waarmee u de zekeringen gemakkelijker kunt verwijderen en aanbrengen.
27
28
29
25
26
16
21
24
22
23
06
• 16 —33 en 35 —41 zijn van type
“MiniFuse”.
• 8—15 en 34 zijn van het type “JCASE” en
mogen alleen door een erkende Volvowerkplaats worden vervangen.
• 1—7 en 42 —44 zijn van het type “MidiFuse” en mogen alleen door een erkende
Volvo-werkplaats worden vervangen.
17
18
19
G010327
3
20
201
06 Onderhoud en specificaties
Zekeringen
Functie
A
EVAP, Lambdasonde, Inspuiting
(benzine/diesel)
Verwarming carterventilatie
(5-cil. benzine)/
Verwarming dieselfilter,
verwarming carterventilatie
(5-cil. diesel)
Lekkagediagnose*
15/10
12V-aansluiting voor- en achterin 15
Gloeibougies diesel
70
Schuifdak*, Plafondconsole/ECC* 10
Koelventilator
50
Koelventilator
60
Hoofdzekering CEM KL30A
50
Hoofdzekering CEM KL30B
50
Hoofdzekering RJBA KL30
60
Regelmodule motor, transmissie. 10
SRS
Elektrisch verwarmde
10
sproeikoppen
Vacuümpomp I5T
20
Hoofdzekering RJBB KL30
60
Verlichtingspaneel
5
Hoofdzekering RJBD KL30
50
Koplampsproeiers
15
PTC-luchtvoorverwarming*
100
Reservepositie
Relais box motorruimte
5
Ruitenwissers
30
Verstralers*
20
Standverwarming*
25
Claxon
15
Interieurventilator
40
Regelmodule motor
10
40
ABS-kleppen
20
Regelmodule automatische
versnellingsbak*
Compressor AC
15
ABS-pomp
Relais sproeiers
5
Relais startmotor
30
Bobines/Voorgloei-inrichting
diesel
Regelmodule motor benzine/
diesel
Inspuitsysteem
20/10
Motorkleppen
10
Reservepositie
Reservepositie
202
Functie
A
Reservepositie
06
A
Functie
Koplamphoogteregeling*
(Active Bi-Xenon, Bi-Xenon)
Hoofdzekering CEM
10
Radar, regelmodule ACC*
5
Snelheidsafhankelijke
stuurbekrachtiging
5
20
15
10/15
15
20/
20
5
06 Onderhoud en specificaties
Zekeringen
Onder dashboardkastje
Posities
1
Functie
A
Achteruitrijlichten.
7,5
Reservepositie
1 2 3
4
5
6
7 8
9 10 11 12 13 14
G021776
15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28
G021856
G021777
Druk op de vergrendeling van het deksel
en klap het naar boven toe open.
Daarmee hebt u toegang gekregen tot de
zekeringen.
15
Ruitenwissers
15
Adaptieve cruisecontrol ACC*
10
Reservepositie
2
Klap de interieurbekleding opzij die het zekeringenkastje afdekt.
Mistlampen vóór*
Functie
A
Regensensor
5
SRS-systeem
10
ABS-regeling. Elektrische
parkeerrem
Gaspedaal*, Luchtvoorverwarming
(PTC), Elektrisch bedienbare
stoelen*
Reservepositie
5
ICM-display, cd-speler en radio,
RSE-systeem*
Stuurwieleenheid
15
7,5
Plafondverlichting. Bedieningspa7,5
neel bestuurdersportier/
Elektr. bedienbare passagiersstoel*
Informatiedisplay
5
Elektr. bedienbare
bestuurdersstoel*
Reservepositie
5
Ontvanger transpondersleutel.
Alarmsensoren
Brandstofpomp
5
Elektrisch stuurslot
20
20
06
Reservepositie
7,5
Reservepositie
Groot licht
15
Schuifdak*
20
Slot tankvulklep/achterklep
10
Sirene alarmsysteem. ECC
5
Knop START/STOP
5
Schakelaar remlichten
5
203
06 Onderhoud en specificaties
Zekeringen
Laadruimte
Posities
A
B
D
Module A (zwart). Functie
A
Bedieningspaneel
bestuurdersportier
Bedieningspaneel
passagiersportier
Bedieningspaneel achterportier
links
Bedieningspaneel achterportier
rechts
Reservepositie
25
12V-aansluiting laadruimte,
koelkast*
Elektrisch verwarmde achterruit
15
25
25
25
Module B (wit). Functie
A
Verwarming voorstoel
passagierszijde*
Achterbankverwarming rechts*
15
Regelmodule AWD
10
Achterbankverwarming links*
15
15
Reservepositie
Elektrisch bedienbare
passagiersstoel
Keyless drive*
25
Elektrische parkeerrem* links
30
30
Elektrische parkeerrem* rechts
30
15
Module D (blauw). Functie
A
RTI-display*, parkeerhulpcamera*
10
20
Reservepositie
1
06
2
3
5
9
6
10
7
12
4
Trekhaakaansluiting 2*
11
8
Elektrisch bedienbare
bestuurdersstoel
Trekhaakaansluiting 1*
25
40
Lagetonenluidspreker
POT (elektrische
achterklepbediening)*
30
Reservepositie
Module B (wit). Functie
A
Reservepositie
G017462
Reservepositie
Het kastje zit achter de bekleding aan de linkerzijde.
204
Regelmodule FOUR-C*
15
Verwarming voorstoel
bestuurderszijde*
15
25
Versterker audiosysteem
25
Audiosysteem
15
Telefoon
5
Reservepositie
-
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
Algemene informatie
Wielen verwisselen
Banden zijn van grote invloed op de rijeigenschappen van de auto. Zowel het type, de
maat, de bandenspanning als de snelheidsaanduiding zijn belangrijk voor het rijgedrag van de auto.
Draairichting
N.B.
Verwijderen
Let erop dat de banden op beide assen van
hetzelfde type zijn, dezelfde afmeting hebben en van hetzelfde merk zijn.
G017463
Houd de aanbevolen bandenspanning aan die
in de bandenspanningstabel staat (zie
pagina 215).
G021778
Krikpunten
De pijl geeft de draairichting van de band aan
Bij banden met een speciaal profiel dat alleen
goed werkt wanneer de banden in een
bepaalde richting draaien, staat deze richting
aangegeven met een pijl op de zijkant van de
band. Zorg dat de banden altijd dezelfde
draairichting hebben. Banden mogen alleen
van voor naar achter verwisseld worden, nooit
van links naar rechts of omgekeerd. Als u de
banden verkeerd aanbrengt, nemen de remeigenschappen van de auto af en kunnen de
banden regen, sneeuw en drab minder goed
afvoeren.
Zet een gevarendriehoek op, als u een wiel
langs een drukke weg moet verwisselen. Zorg
ervoor dat de auto en de krik op een stevige
en horizontale ondergrond staan.
06
1. Zet de parkeerrem aan en schakel de eerste versnelling in of zet de keuzehendel in
stand P, als de auto een automatische
versnellingsbak heeft.
2. Neem het reservewiel, de krik en de
wielsleutel erbij die onder de mat in de
laadruimte liggen.
N.B.
Gebruik de krik die bij de auto hoort.
205
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
Aanbrengen
1. Reinig de contactvlakken op het wiel en de
naaf.
2. Breng het wiel aan. Breng de wielbouten
aan.
3. Breng de auto zo ver omlaag dat het wiel
niet meer ongehinderd kan draaien.
06
206
4. (Voor auto’s met stalen velgen) Wrik de
wieldop los met het uiteinde van een
wielsleutel of trek hem met de hand los.
5. Draai de wielbouten ½–1 slag linksom los
met de wielsleutel.
6. Er zitten twee kriksteunpunten aan
weerszijden van de auto. Draai de voet
van de krik met de slinger zo ver omlaag
dat de voet plat tegen de grond aankomt. Controleer of de krik goed aan het
kriksteunpunt bevestigd is (zie afbeelding) en zorg dat de voet recht onder het
steunpunt zit.
7. Breng de auto zo ver omhoog dat het
wiel van de grond komt. Verwijder de
wielbouten en til het wiel eraf.
G021780
G021779
3. Plaats wielblokken voor en achter de
wielen die op de grond blijven staan.
Gebruik daarvoor grote houten blokken
of grote stenen.
4. Draai de wielbouten kruiselings vast. Het
is belangrijk dat u de wielbouten stevig
aanhaalt. Haal ze aan met 140 Nm.
Controleer het aanhaalmoment met een
momentsleutel.
5. Breng de wieldop aan (bij auto’s met
stalen velgen).
N.B.
De ventieluitsparing in de wieldop bij het
monteren aanbrengen over het ventiel in de
velg.
WAARSCHUWING
Kruip nooit onder de auto als deze op de
krik staat.
Laat eventuele passagiers uit de auto stappen, voordat u de auto opkrikt.
Parkeer de auto dusdanig dat de auto en
liever nog een vangrail u en eventuele uitgestapte passagiers afschermen van het verkeer op de rijbaan.
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
Leeftijd van de banden
Alle banden die ouder zijn dan zes jaar moet
u door een vakman laten controleren, ook al
zien ze er intact uit. Dit omdat het materiaal
waarvan banden gemaakt zijn ook veroudert
en afgebroken wordt, als banden zelden of
nooit worden gebruikt. Daarbij kan de werking
van de band worden aangetast. Dit geldt ook
voor reservebanden, winterbanden en banden
die u voor toekomstig gebruik hebt opgeslagen. Scheurvorming of verkleuring zijn de
zichtbare kenmerken van een band die ongeschikt is voor gebruik.
Nieuwe banden
G021823
1502
Banden hebben een beperkte houdbaarheidsdatum. Na enkele jaren worden de banden
hard en neemt de grip op het wegdek stukje
bij beetje af. Gebruik bij het verwisselen van
banden altijd zo nieuw mogelijke banden. Dit
geldt in het bijzonder voor winterbanden. De
week en het jaar van productie worden aangeduid met de DOT-code (Department of Transportation) bestaande uit vier cijfers, bijvoorbeeld 1502. De band op de afbeelding is in de
15e week van het jaar 2002 geproduceerd.
Banden met slijtage-indicatoren
Zomer- en winterbanden
Wanneer u de zomerbanden vervangt door
winterbanden of andersom, moet u op de
band noteren waar de band zat: bijvoorbeeld
L voor links, R voor rechts.
Slijtage en onderhoud
De juiste bandenspanning levert gelijkmatige
slijtage op (zie pagina 215). Voor optimale
rijeigenschappen en een gelijkmatige bandenslijtage wordt geadviseerd de banden van
tijd tot tijd van voor naar achter of omgekeerd
te verwisselen (nooit van links naar rechts of
omgekeerd). Verwissel de banden de eerste
keer van voor naar achter (of omgekeerd)
na 5.000 km en daarna om de 10.000 km.
Monteer de banden met het diepste profiel
altijd op de achteras om het gevaar voor slippen te verminderen. Neem contact op met een
erkende Volvo-werkplaats als u niet zeker
bent van de profieldiepte.
Bewaar de wielen hangend of liggend. Laat ze
nooit rechtop staan.
G021829
Onderhoud van banden
Slijtage-indicatoren zijn smalle ophogingen
die dwars op het profiel van de band staan.
De letters TWI (Tread Wear Indicator) op de
zijkant van de band geven aan dat een band is
uitgerust met slijtage-indicatoren. De indicatoren zijn duidelijk zichtbaar, wanneer een band
dusdanig versleten is dat slechts 1,6 mm van
het profiel over is. Vervang de banden dan zo
spoedig mogelijk. Let erop dat een band met
een gering profiel zeer weinig grip op het wegdek heeft bij regen of sneeuw.
06
WAARSCHUWING
Een beschadigde band kan ertoe leiden dat
u de controle over de auto verliest.
207
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
Velgen en wielbouten
BELANGRIJK
Haal de wielbouten aan met 140 Nm. Als u
ze te strak aanhaalt, kan de boutverbinding
beschadigd raken.
Gebruik alleen velgen die getest en goedgekeurd zijn door Volvo en deel uitmaken van de
originele accessoires van Volvo. Controleer
het aanhaalmoment met een momentsleutel.
Afsluitbare wielbouten
Afsluitbare wielbouten zijn te gebruiken op
zowel aluminium als stalen velgen.
06
Winterbanden
Sneeuwkettingen gebruiken
Volvo raadt winterbanden met bepaalde afmetingen aan. Deze staan in een bandenspanningstabel (zie pagina 214). De bandenmaat is
afhankelijk van het motortype. Gebruik altijd
het juiste type winterbanden op alle vier de
wielen.
Het gebruik van sneeuwkettingen is alleen
toegestaan op de voorwielen (geldt ook voor
modellen met voorwielaandrijving).
N.B.
Neem contact op met een erkende Volvowerkplaats voor advies over de beste soort
velgen en banden.
BELANGRIJK
Banden met “spikes”
Winterbanden met “spikes” moeten de eerste
500–1000 km rustig worden ingereden, zodat
de “spikes” hun positie in kunnen nemen. Zo
gaan de banden en vooral de “spikes” langer
mee.
N.B.
De wettelijke bepalingen voor het gebruik
van banden met “spikes” verschillen van
land tot land.
Profieldiepte
Ritten bij ijs, sneeuw(modder) en lage temperaturen vergen meer van de banden dan
zomerse ritten. Daarom adviseert Volvo een
minimale profieldiepte van 4 mm voor winterbanden.
208
Rijd nooit sneller dan 50 km/h met sneeuwkettingen. Rijd evenmin op sneeuwvrije wegen,
omdat zowel de sneeuwkettingen als de banden daardoor overmatig slijten. Maak nooit
gebruik van sneeuwkettingen met zogeheten
snelsluitingen, omdat de ruimte tussen de
schijfremmen en de wielen te gering is.
Gebruik originele sneeuwkettingen van
Volvo of vergelijkbare sneeuwkettingen die
zijn afgestemd op het model en de band- en
velgafmetingen. Vraag een erkende Volvowerkplaats om advies.
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
Gereedschap
1
Reservewiel*
Reservewiel erbij nemen
Het compacte reservewiel (Temporary Spare)
is alleen bestemd voor tijdelijk gebruik. Vervang het zo spoedig mogelijk door een normaal wiel. Het rijgedrag van de auto kan zich
wijzigen bij het gebruik van een compact
reservewiel. In de bandenspanningstabel
(zie pagina 215) staat de juiste bandenspanning voor het reservewiel.
1. Pak de vloermat aan de achterzijde beet en
klap deze naar voren toe op.
2. Draai de bevestigingsbout los.
3. Til het blok schuimrubber met het
gereedschap erin uit de auto.
4. Til het reservewiel uit de auto.
G017464
BELANGRIJK
In een blok schuimrubber dat op de velg van
het reservewiel ligt vindt u al het bijgeleverde
gereedschap. Het gereedschap bestaat in een
sleepoog, een krik en een wielsleutel. Het blok
schuimrubber is vastgeschroefd aan een console onder in de ruimte voor het reservewiel.
Krik
Gebruik de originele krik alleen voor het verwisselen van banden. Houd de schroef van de
krik altijd goed ingevet.
Krik omlaagdraaien
Rijd nooit sneller dan 80 km/h bij gebruik
van een compact reservewiel.
U hoeft de onderste twee blokken niet te verwijderen.
Na gebruik
Plaats het blok schuimrubber en het reservewiel in omgekeerde volgorde terug.
N.B.
BELANGRIJK
Rijd nooit met meer dan één compact reservewiel (Temporary Spare) tegelijk.
Het reservewiel ligt met de buitenkant omlaag
in de ruimte voor het reservewiel. Drie blokken
schuimrubber, waarvan twee onder het wiel
en één erbovenop/erin, houden het reservewiel in positie. Het bovenste bevat al het
gereedschap.
Private locking (zie pagina 43) werkt niet,
als het vloerluik niet dichtstaat.
06
Dezelfde doorloopbout waarmee de blokken
schuimrubber vastzitten houdt ook het reservewiel in positie.
209
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
Provisorische bandenreparatie*
Bandenreparatieset erbij nemen
Algemene informatie
Zet een gevarendriehoek op bij werkzaamheden langs een drukke weg. De bandenreparatieset zit onder de vloer in de laadruimte.
De bandenreparatieset wordt gebruikt om een
lek te dichten alsook om de bandenspanning
te controleren en zo nodig tijdelijk te corrigeren. De set bestaat uit een compressor en een
fles met afdichtmiddel. De set dient om noodreparaties uit te voeren. De fles met het
afdichtmiddel moet worden vervangen voordat de houdbaarheidsdatum is verstreken en
tevens na het gebruik.
Het afdichtmiddel dicht banden met een lek in
het loopvlak effectief af.
N.B.
06
De bandenreparatieset is uitsluitend
bedoeld voor het afdichten van banden met
een lek in het loopvlak.
De bandenreparatieset leent zich minder goed
voor banden met een gat in het zijvlak. Probeer geen banden met de provisorische bandenreparatieset af te dichten die grote groeven, scheuren en dergelijke vertonen.
12V-aansluitingen voor de compressor zitten
voorin bij de middenconsole, achterin bij de
achterbank en in de laadruimte. Gebruik de
elektrische aansluiting die het dichtst bij de
lekke band zit.
210
1. Pak de vloermat aan de achterzijde beet en
klap deze naar voren toe op.
2. Draai de bevestigingsbout los.
3. Verwijder het blok schuimrubber waarin
de krik en de wielsleutel zitten.
4. Til de bandenreparatieset op.
Leg de onderdelen na het gebruik terug.
WAARSCHUWING
Rijd nooit sneller dan 80 km/h, wanneer u
de bandenreparatieset voor een noodreparatie hebt gebruikt. Vervang de tijdelijk afgedichte band zo spoedig mogelijk (maximale
rijafstand 200 km).
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
Overzicht
Fles met afdichtmiddel
Manometer
5
Handschoenen
Band oppompen
4
3
6
7
2
1
9
8
De compressor is berekend op het oppompen
van de originele banden die op de auto zitten.
1. De compressor moet uitstaan. Zorg dat de
knop in stand 0 staat en neem de kabel en
de luchtslang erbij.
2. Draai het ventieldopje van het wiel los en
schroef de ventielaansluiting van de
luchtslang zo ver mogelijk op het ventiel
van de band.
3. Sluit de kabel aan op een van
de 12V-aansluitingen in de auto en start
de motor.
G014337
WAARSCHUWING
10
Sticker, toegestane maximumsnelheid
Knop
Kabel
Fleshouder (oranje deksel)
Beschermdop
Drukreduceerventiel
Inademen van uitlaatgassen kan levensgevaarlijk zijn. Laat de motor nooit draaien in
ruimten die zijn afgesloten of onvoldoende
geventileerd worden.
het drukreduceerventiel, als de bandenspanning te hoog is).
BELANGRIJK
Er bestaat gevaar voor oververhitting.
De compressor mag niet langer dan
10 minuten achtereen werken.
6. Schakel de compressor uit. Koppel de
luchtslang en de kabel los.
7. Plaats het ventieldopje terug.
06
4. Schakel de compressor in door de knop
in stand I te zetten.
5. Pomp de band op tot de druk die in de
bandenspanningstabel staat aangegeven (laat eventueel lucht ontsnappen met
Luchtslang
211
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
Lekke band repareren
4. Trek de handschoenen aan.
WAARSCHUWING
Het afdichtmiddel kan aanleiding geven tot
huidirritatie. Was bij huidcontact het getroffen gebied onmiddellijk schoon met water
en zeep.
5. Draai de oranje beschermdop los evenals
de dop op de bus met afdichtmiddel.
N.B.
Verbreek de verzegeling van de fles niet
handmatig. Bij het indraaien van de fles
wordt de verzegeling automatisch
verbroken.
6. Draai de fles in de fleshouder vast.
06
G014338
WAARSCHUWING
Zie de afbeelding op pagina 211 voor informatie over de werking van de onderdelen.
1. Open het deksel van de bandenreparatieset.
2. Haal de sticker met de toegestane maximumsnelheid uit de set en bevestig de
sticker op het stuurwiel.
3. Controleer of de knop in stand 0 staat en
neem de kabel en de luchtslang erbij.
212
Draai de bus niet los. De bus is voorzien van
een pakking die lekkage tegengaat.
7. Draai het ventieldopje van het wiel los en
schroef de ventielaansluiting van de
luchtslang zo ver mogelijk op het ventiel
van de band.
8. Sluit de kabel op een 12V-aansluiting aan
en start de motor.
9. Zet de knop in stand I.
WAARSCHUWING
Ga nooit naast de band staan terwijl de
compressor aan het pompen is. Bij barsten,
oneffenheden en dergelijke dient u de compressor onmiddellijk uit te schakelen.
Beëindig in dat geval de rit. Neem contact
op met een erkende Volvo-werkplaats.
N.B.
Bij het inschakelen van de compressor kan
de spanning aanvankelijk oplopen tot 6 bar,
maar zal na ca. 30 seconden weer dalen.
10.Vul de band 7 minuten lang met
afdichtmiddel.
BELANGRIJK
Er bestaat gevaar voor oververhitting.
De compressor mag niet langer dan
10 minuten achtereen werken.
11.Schakel de compressor uit om de bandenspanning van de manometer af te
lezen. De bandenspanning dient minimaal 1,8 bar en maximaal 3,5 bar te
bedragen.
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
WAARSCHUWING
Als de bandenspanning lager is dan 1,8 bar,
is het gat in de band te groot. Beëindig in
dat geval de rit. Neem contact op met een
erkende Volvo-werkplaats.
12.Schakel de compressor uit en trek de
kabel los uit de 12V-aansluiting.
13.Koppel de slang los van het ventiel en
plaats het ventieldopje terug.
14.Leg zo spoedig mogelijk na de reparatie
ca. 3 km af bij een snelheid van maximaal 80 km/h, zodat het afdichtmiddel
de band kan afdichten.
Reparatieresultaat en bandenspanning
controleren
1. Sluit de uitrusting opnieuw aan.
2. Lees de bandenspanning van de manometer af.
• Als de spanning lager is dan 1,3 bar, werd
de band onvoldoende afgedicht. Beëindig
in dat geval de rit. Neem contact op met
een Volvo-werkplaats.
3. Schakel de compressor uit. Koppel de
luchtslang en de kabel los. Plaats het
ventieldopje terug.
WAARSCHUWING
Draai de bus niet los. De bus is voorzien van
een pakking die lekkage tegengaat.
4. Leg de bandenreparatieset terug in de
laadruimte.
N.B.
Vervang de fles met afdichtmiddel en de
slang na gebruik. Laat het vervangen over
aan een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Controleer de bandenspanning regelmatig.
Rijd naar de dichtstbijzijnde erkende Volvowerkplaats om de beschadigde band te laten
vervangen/repareren. Geef aan het werkplaatspersoneel door dat er afdichtmiddel in
de band zit.
WAARSCHUWING
Rijd nooit sneller dan 80 km/h, wanneer u
de bandenreparatieset voor een noodreparatie hebt gebruikt. Bezoek een erkende
Volvo-werkplaats om de afgedichte band te
laten controleren (maximale rijafstand
200 km). Het personeel bepaalt of de band
kan worden gerepareerd of moet worden
vervangen.
Fles met afdichtmiddel vervangen
Vervang de fles voordat de houdbaarheidsdatum verstreken is. Behandel de vervangen fles
als klein chemisch afval (KCA).
BELANGRIJK
Lees de veiligheidsvoorschriften aan de
onderkant van de fles.
06
• Als de bandenspanning hoger is dan
1,3 bar, moet u de band oppompen tot de
spanning die staat aangegeven in de bandenspanningstabel. Laat lucht uit de band
ontsnappen, als de bandenspanning te
hoog is.
213
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
Maataanduiding
Op alle autobanden staat een bepaalde maataanduiding. Een voorbeeld van een dergelijke
aanduiding: 225/50R17 94 W.
06
De enige uitzondering daarop vormt het
gebruik van winterbanden (zowel banden met
als zonder “spikes”). Bij gebruik van dergelijke
banden mag u niet sneller rijden dan de maximumsnelheid die voor het gebruikte bandentype geldt (voor aanduiding Q geldt bijvoorbeeld een maximumsnelheid van 160 km/h).
225
Breedte van de band (mm)
50
Verhouding tussen de hoogte
en breedte van de band (%)
R
Aanduiding voor radiaalbanden
Q
160 km/h (alleen voor
winterbanden)
17
Velgdiameter van de band (")
T
190 km/h
94
Aanduiding van het draagvermogen van de band
H
210 km/h
V
240 km/h
W
Aanduiding van de snelheidslimiet van de band (in dit geval
270 km/h)
W
270 km/h
Y
300 km/h
De gesteldheid van het wegdek is bepalend
voor de maximumsnelheid en niet de snelheidsaanduiding op de banden.
Snelheidsaanduidingen
De auto is voorzien van een typegoedkeuring
voor de uitvoering waarin deze werd aangeleverd. Dat betekent dat u niet mag afwijken van
de afmetingen en snelheidsaanduidingen die
staan aangegeven op de typegoedkeuring van
de auto.
214
Bandenspanning
N.B.
De aangegeven snelheid in de tabel is de
maximumsnelheid.
G021830
Specificaties
Op de sticker voor op de portierstijl aan de
bestuurderszijde (tussen voor- en achterportier) staat de juiste bandenspanning voor uw
auto aangegeven bij verschillende belading en
snelheid. De bandenspanning staat ook in de
bandenspanningstabel (zie pagina 215).
• Bandenspanning bij gebruik van de aanbevolen bandenmaat
• ECO-bandenspanning
• Bandenspanning compact reservewiel
(Temporary Spare)
N.B.
De bandenspanning hangt af van de temperatuur.
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
Aanbevolen bandenspanning
Uitvoering
V70
6-cil.
Bandenmaat
225/55 R 16, 225/50 R 17,
245/45 R 17
245/40 R 18
5-cil. diesel
185 pk
225/55 R 16
225/50 R 17,
245/45 R 17
245/40 R 18
5-cil. diesel
163 pk
5-cil. benzine
225/55 R 16
225/50 R 17
245/45 R 17
245/40 R 18
205/60 R 16
Alle
Reservewiel
1
3
Alle 2
T 125/80 R 17
Snelheid
(km/h)
Belading (1–3 inzittenden)
Voorin (kPa) 1 Achterin (kPa)
Max. belading
Voorin (kPa)
Achterin (kPa)
0 – 160
160 +
0 – 160
160 +
0 – 160
230
280
230
270
220
210
280
210
270
210
260
300
260
290
260
260
300
260
290
260
160 +
0 – 160
160 +
0 – 160
260
230
260
220
260
210
260
210
270
260
270
260
270
260
270
260
160 +
0 – 160
160 +
0 – 160
160 +
0 – 160
260
230
260
230
270
260
210
260
210
270
270
260
270
260
290
270
260
270
260
290
2602
420
2602
420
2602
420
2602
420
max. 80
06
In sommige landen wordt de bandenspanning ook wel in bar aangegeven in plaats van in pascal (1 bar = 100 kPa).
2ECO-bandenspanning,
3Compact
zuinig rijden
reservewiel
215
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
Uitvoering
XC70
Bandenmaat
6-cil., 5-cil.
215/65 R 16, 235/55 R 17,
235/50 R 18
Alle
Alle2
T 125/80 R 17
Reservewiel3
1
3Compact
0 – 160
160 +
0 – 160
230
240
230
240
260
280
260
280
2602
420
2602
420
2602
420
2602
420
max. 80
zuinig rijden
reservewiel
Brandstofbesparing,
ECO-bandenspanning
Om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te
houden wordt geadviseerd de aangegeven
bandenspanning bij maximale belading aan te
houden bij snelheden tot 160 km/h.
schappen van de auto. Wanneer u met een te
lage bandenspanning rijdt, kunnen de banden
oververhit en beschadigd raken. De bandenspanning is van invloed op het rijcomfort, de
stuureigenschappen en de geproduceerde
weggeluiden.
Bandenspanning controleren
Controleer iedere maand de bandenspanning. Dit geldt eveneens voor het reservewiel.
Al na enkele kilometers rijden worden de banden warm en loopt de spanning op. Controleer de bandenspanning wanneer de banden
koud zijn. De aangegeven bandenspanning
geldt bij koude banden (kan verschillen naargelang van de buitentemperatuur).
Een te lage bandenspanning heeft een negatieve inwerking op het brandstofverbruik, de
levensduur van de banden en de rijeigen-
216
Belading (1–3 inzittenden)
Max. belading
Achterin (kPa)
Voorin (kPa) 1
Achterin (kPa) Voorin (kPa)
In sommige landen wordt de bandenspanning ook wel in bar aangegeven in plaats van in pascal (1 bar = 100 kPa).
2ECO-bandenspanning,
06
Snelheid
(km/h)
N.B.
Het is een natuurlijk gegeven dat de bandenspanning na verloop van tijd afneemt.
De bandenspanning varieert ook naargelang van de omgevingstemperatuur.
06 Onderhoud en specificaties
Verzorging
Auto wassen
Was de auto zodra deze vuil geworden is.
Zorg dat de auto op een spoelvloer met olieafscheider staat. Gebruik autoshampoo.
• Verwijder vogelpoep zo spoedig mogelijk
van de lak. Vogelpoep bevat namelijk stoffen die de lak aantasten en deze zeer snel
doen verkleuren. U wordt geadviseerd een
dergelijke verkleuring te laten herstellen
door een erkende Volvo-werkplaats.
• Spoel het onderstel af. Houd bij het gebruik
van een hogedrukreiniger de spuitkop ten
minste 30 cm van gelakte onderdelen af.
• Spoel de auto in zijn geheel af om het vuil
los te weken. Spuit niet rechtstreeks in de
richting van de sloten.
• Was de auto met een spons, autoshampoo
en een ruime hoeveelheid lauw water.
• Reinig de wisserbladen met een lauwe zeepoplossing of autoshampoo.
• Gebruik een koud ontvettingsmiddel voor
hardnekkig vuil.
• Droog de auto af met een schoon en zacht
stuk zeemleer of een trekker.
WAARSCHUWING
Laat het schoonmaken van de motor altijd
over aan een werkplaats. Als de motor heet
is, bestaat er gevaar voor brand.
N.B.
Bij de externe verlichting zoals de koplampen, mistlampen en achterlichten kan tijdelijk condens optreden aan de binnenkant
van het lampglas. Dit is een natuurlijk verschijnsel en alle externe verlichting is erop
gebouwd om dit zoveel mogelijk te voorkomen. Condens verdwijnt normaal uit het
lamphuis, wanneer de lamp enige tijd
brandt.
Automatische wasstraten
In een automatische wasstraat kunt u de auto
weliswaar snel en eenvoudig schoonmaken,
maar de borstels van de wasstraat kunnen
niet overal even goed bij. Voor het beste resultaat wordt u geadviseerd de auto met de hand
te wassen.
N.B.
U wordt geadviseerd de eerste maanden na
aankoop van een nieuwe auto deze alleen
met de hand te wassen. Een nieuwe laklaag
is namelijk kwetsbaarder dan een oude
laag.
WAARSCHUWING
Test na het wassen van de auto altijd de
remmen (en dus ook de parkeerrem) om te
voorkomen dat vocht en corrosie de remblokken aantasten, waardoor de remwerking afneemt.
Trap zo nu en dan lichtjes op het rempedaal,
als u lange afstanden in de regen of sneeuwmodder aflegt. Door de wrijving worden de
remblokken warm, zodat het vocht verdampt.
Doe hetzelfde bij zeer vochtig of koud weer.
Kunststof en rubber exterieuronderdelen en sieronderdelen
Voor het schoonmaken van gekleurde kunststof onderdelen, rubber onderdelen en sieronderdelen zoals glimmende strips, wordt
geadviseerd het speciale reinigingsmiddel te
gebruiken dat bij de Volvo-werkplaats verkrijgbaar is. Volg bij het gebruik van dit reinigingsmiddel de gebruiksvoorschriften
nauwkeurig op.
06
BELANGRIJK
Onderdelen van kunststof en rubber niet in
de was zetten of oppoetsen.
Bij het poetsen van glimmende strips kunt
u de glimmende laag beschadigen of verwijderen.
Gebruik geen schurende poetsmiddelen.
217
06 Onderhoud en specificaties
Verzorging
Velgen
Gebruik alleen de reinigingsmiddelen die
Volvo adviseert. Sterke velgreinigingsmiddelen kunnen het oppervlak beschadigen en
vlekken veroorzaken op verchroomde lichtmetalen velgen.
Poetsen en in de was zetten
Poets de auto en zet deze in de was, wanneer
de lak er dof uitziet of als u deze extra
bescherming wilt bieden.
U hoeft een nieuwe auto pas na een jaar te
poetsen. In de was zetten kunt u eerder doen.
Zorg dat de auto bij het poetsen of in de was
zetten niet in direct zonlicht staat.
06
Was de auto en droog deze zorgvuldig af,
voordat u begint te poetsen of de was aanbrengt. Verwijder asfalt- en teervlekken met
de teerverwijderaar van Volvo of met terpentine. U kunt hardnekkige vlekken met een speciaal voor autolak bestemde, fijne schuurpasta (“rubbing compound”) verwijderen.
Poets de lak eerst op en behandel deze
daarna met was in vloeibare of vaste vorm.
Volg de aanwijzingen op de verpakking nauwkeurig op. Veel preparaten bevatten zowel
poetsmiddel als was.
218
BELANGRIJK
Lakbehandelingen zoals lakconservering,
verzegeling, bescherming, glansverzegeling
e.d. kunnen lakschade veroorzaken.
Lakschade als gevolg van dergelijke behandelingen valt niet onder de Volvo-garantie.
Voorste zijruiten met waterafstotende
laag (optie) schoonmaken
Gebruik nooit producten zoals autowas, ontvetters e.d. op het glasoppervlak, omdat de waterafstotende laag daardoor
beschadigd kan raken.
Wees voorzichtig bij het schoonmaken om te
voorkomen dat er krassen in het glasoppervlak ontstaan.
Om schade aan het glas te voorkomen dient u
voor het verwijderen van ijs alleen een krabber
van kunststof te gebruiken.
De waterafstotende laag staat bloot aan
natuurlijke slijtage.
Om de waterafstotende eigenschappen te
behouden, wordt geadviseerd de behandeling te vernieuwen met een nabehandelingsmiddel dat verkrijgbaar is bij een erkende
Volvo-werkplaats. Gebruik het middel de eerste keer na drie jaar en daarna ieder jaar.
Roestwering, controleren en
onderhouden
De auto heeft in de fabriek een uiterst grondige en complete roestwerende behandeling
ondergaan. De carrosserie bestaat ten dele uit
gegalvaniseerd plaatwerk. Het onderstel is
voorzien van een slijtvaste bodembescherming. In de balken, holten en gesloten profielen werd een dunne, doordringende roestwerende vloeistof gespoten.
De roestwering van de auto hoeft normaal
gesproken pas na ca. 12 jaar voor het eerst te
worden nabehandeld. De auto moet daarna
om de drie jaar een nabehandeling ondergaan. Neem contact op met een erkende
Volvo-werkplaats, als de auto een nabehandeling nodig heeft.
Vuil en strooizout kunnen aanleiding geven tot
corrosie. Het is daarom belangrijk de auto
schoon te houden. Om de roestwering van de
auto in optimale staat te houden moet u de
beschermingslaag regelmatig controleren en
zo nodig bijwerken.
06 Onderhoud en specificaties
Verzorging
Interieur reinigen
Gebruik alleen reinigingsmiddelen en autoverzorgingsproducten die door
Volvo geadviseerd worden. Maak de bekleding regelmatig schoon en volg daarbij de
gebruiksaanwijzingen bij het autoverzorgingsproduct op.
Vlekken op stoffen bekleding en
plafondbekleding
Om de brandvertragende eigenschappen van
de bekleding niet aan te tasten wordt geadviseerd een speciaal reinigingsmiddel voor stoffen bekleding te gebruiken dat verkrijgbaar is
bij een erkende Volvo-werkplaats. Gebruik
water en een synthetisch wasmiddel bij het
schoonmaken van veiligheidsgordels. Zorg
dat de gordel droog is, voordat deze weer
wordt opgerold.
BELANGRIJK
Scherpe voorwerpen en klittenband kunnen
de stoffen bekleding beschadigen.
Behandeling van vlekken op leren
bekleding
De leren bekleding van Volvo is chroomvrij en
voldoet aan de norm Öko-Tex 100.
Het leer wordt veredeld en bewerkt zodat het
zijn natuurlijke eigenschappen houdt. Het leer
is voorzien van een beschermende toplaag,
maar om de goede eigenschappen en het
fraaie uiterlijk te behouden is regelmatige verzorging van het leer vereist. Volvo biedt een
universeel leerverzorgingsproduct waarmee
u leren bekleding kunt schoonmaken en de
beschermende laag kunt herstellen mits u het
volgens de instructies opvolgt. Na enig tijd in
gebruikt te zijn geweest krijgt het leer zijn
natuurlijke patina, afhankelijk van de oppervlaktestructuur. Een dergelijk patina maakt
deel van het natuurlijke verouderingsproces
van het leer en geeft aan dat het om een
natuurproduct gaat.
Voor de beste resultaten adviseert Volvo de
beschermende crème één- à viermaal per jaar
(zo nodig vaker) op te brengen. Vraag bij de
erkende Volvo-werkplaats naar het speciale
leerverzorgingsproduct van Volvo.
BELANGRIJK
Gebruik nooit sterke oplosmiddelen. Dergelijke middelen kunnen bekleding van textiel,
vinyl en leer beschadigen.
BELANGRIJK
Let erop dat de bekleding kan verkleuren bij
contact met materialen die afgeven (nieuwe
spijkerbroek, gekleurde suède kleding e.d.).
Reinigingsvoorschriften voor leren
bekleding
1. Breng een weinig van het leerreinigingsproduct op een vochtige spons aan en knijp
erin om een dikke laag schuim te krijgen.
2. Behandel de vlek voorzichtig met cirkelende bewegingen.
3. Dep de vlek zorgvuldig met de spons.
Laat de vlek in de spons trekken. Wrijf
niet.
4. Veeg het behandelde gebied met een
stuk zacht papier of een doek af en laat
het leer volledig drogen.
Beschermende laag aanbrengen op
leren bekleding
1. Breng wat van de beschermende crème op
de vilten doek aan en wrijf de crème in
cirkelende bewegingen voorzichtig in het
leer.
2. Laat het leer 20 minuten drogen alvorens
erop plaats te nemen.
Daarmee is het leer beter beschermd tegen
vlekken en uv-straling.
06
Behandeling van vlekken op
interieuronderdelen van kunststof,
metaal en hout
Voor het reinigen van interieuronderdelen en panelen van kunststof worden met water
bevochtigde splitfiber- of microvezeldoeken
geadviseerd, die verkrijgbaar zijn bij een
erkende Volvo-werkplaats.
219
06 Onderhoud en specificaties
Verzorging
Krab of wrijf nooit over een vlek. Gebruik nooit
sterke vlekkenmiddelen. Voor de hardnekkige
vlekken kunt u een speciaal reinigingsmiddel
gebruiken dat verkrijgbaar is bij de erkende
Volvo-werkplaats.
bovendien voor dat de auto warmer is dan
15 °C.
Kleurcode
Matten en laadruimte
G021831
Haal de inlegmatten uit de auto om de vloerbekleding en de inlegmatten ieder apart
schoon te kunnen maken. Gebruik een stofzuiger om vuil en stof te verwijderen.
Lakschade herstellen
06
De lak vormt een belangrijk onderdeel van de
roestwering van de auto en moet daarom
regelmatig worden gecontroleerd. Om roestvorming te voorkomen moet u lakschade meteen herstellen. De meest voorkomende soorten lakschade zijn bijvoorbeeld
steenslagplekken, krassen en plekjes op de
spatbordranden en portieren.
Het is belangrijk dat u exact de juiste lakkleur
gebruikt. De kleurcode van de autolak staat
op het typeplaatje (zie pagina 221).
Steenslagschade herstellen
N.B.
Als de steenslagplek niet tot op het blanke
plaatwerk is doorgedrongen en er nog een
intacte laklaag over is, volstaat het om na
reiniging van het beschadigde gebied de
ontbrekende lak aan te brengen.
Benodigdheden
grondlak (primer) in een bus
lak in een bus of een lakstift
kwastje
afplaktape
G021832
•
•
•
•
Vóór het herstel van lakschade moet u de auto
schoonmaken en goed laten drogen. Zorg er
220
1. Plak een stuk afplaktape over het beschadigde gebied heen. Trek de tape weer van
de lak af om zoveel mogelijk lakresten te
verwijderen.
2. Roer de grondlak (primer) zorgvuldig om
en breng deze met een fijn kwastje of
een lucifer aan. Breng de lak met een
kwastje aan, wanneer de primer droog
is.
3. Krassen kunt u op dezelfde manier herstellen, maar dek ter bescherming de
onbeschadigde lak rond de kras af.
4. Poets de herstelde lak na enkele dagen op.
Gebruik daarvoor een zachte doek met een
geringe hoeveelheid schuurpasta.
06 Onderhoud en specificaties
Type-aanduidingen
Positie van stickers en plaatjes
Wanneer u contact opneemt met een erkende
Volvo-werkplaats of vervangende onderdelen
of accessoires wilt bestellen, kan het handig
zijn om de type-aanduiding, het chassisnummer en het motornummer bij de hand te hebben.
1
2
HFGDOIHV
HFGJJFFOI
BFDRYOIHV
Gfdr_urtvb
Seyj_tu
Fkfu
Ohtk_jdtr
Mgdh_ ytegf
Type-aanduiding, chassisnummer, maximaal toelaatbaar gewicht, kleurcodes
voor lak en bekleding en typegoedkeuringsnummer.
Seyj_tu
Fkfu
Ehdfjljl_ncy
Sticker voor standverwarming.
Motoroliesticker met de kwaliteit en viscositeit van de te gebruiken olie.
xxxxxxxx
3
Engine oil quality: XXX
Viscosity: XXX
Type-aanduiding van de motor, onderdeel- en serienummer
Type-aanduiding en serienummer van de
versnellingsbak.
Handgeschakelde versnellingsbak
Automatische versnellingsbak
4
B
P 1208632
3,77
T 100001
M56L
AISIN AW
CO
TF-80SC
3YYYYYYY
MADE IN JAPAN
SERIAL NO
LTD
Identificatienummer van de auto
(VIN, Vehicle Identification Number)
6
De typegoedkeuring van de auto bevat meer
informatie over de auto.
3074804 3
A
G021833
5
06
221
06 Onderhoud en specificaties
Specificaties
Maten V70
C
D
F
E
06
Positie op
afbeelding
A
B
C
D
E
F
G
H
I
222
H I
G017404
A
B
G
Maten
mm
Wielbasis
Lengte
Laadlengte, vloer,
achterbank neergeklapt
Laadlengte, vloer
Hoogte
Spoorbreedte vooras
Spoorbreedte achteras
Breedte
Breedte incl.
buitenspiegels
2816
4823
1878
1089
1547
1578
1576
1861
2106
06 Onderhoud en specificaties
Specificaties
Maten XC70
C
D
F
E
Positie op
Maten
afbeelding
A
B
C
D
E
F
G
H
I
Wielbasis
Lengte
Laadlengte, vloer,
achterbank neergeklapt
Laadlengte, vloer
Hoogte
Spoorbreedte vooras
Spoorbreedte achteras
Breedte
Breedte incl. buitenspiegels
H I
G017405
A
B
G
mm
06
2815
4838
1878
1089
1604
1604
1570
1861
2119
223
06 Onderhoud en specificaties
Specificaties
Bij het rijklaar gewicht zijn het gewicht van de
bestuurder, dat van de brandstoftank die voor
90% gevuld is en dat van de resterende oliën/
vloeistoffen e.d. inbegrepen. Het gewicht van
de passagiers en de gemonteerde accessoires zoals een trekhaak (en de kogeldruk daarvan bij gebruik van een aanhanger (zie tabel),
lastdragers, skibox e.d. zijn van invloed op de
laadcapaciteit en zijn niet inbegrepen bij het
rijklaar gewicht. Toelaatbare belasting
(zonder bestuurder) = totaalgewicht – rijklaar
gewicht.
WAARSCHUWING
Afhankelijk van de belading van de auto en
het zwaartepunt van de lading treden er wijzigingen in de rijeigenschappen op.
06
1
2
3
4
5
Zie pagina 221 voor informatie over de positie
van de sticker.
Max. totaalgewicht
Max. treingewicht (auto + aanhanger)
Max. voorasdruk
Max. achterasdruk
Uitrustingsniveau
Max. belasting: Zie typegoedkeuring.
Max. dakbelasting: 100 kg.
224
G017755
Gewichten
06 Onderhoud en specificaties
Specificaties
Trekgewicht en kogeldruk
Model
Versnellingsbak
Aanhangergewicht
geremd (kg)
Kogeldruk (kg)
Alle
Alle
0 – 1200
50
2.5T
Handbak (M66)
max. 1800
75
Automaat (TF–80SC)
max. 1800
75
3.2
Automaat (TF–80SC)
max. 1800
75
T6
Automaat (TF–80SC)
max. 2000
90
2.4D
Handbak (M66)
max. 1600
75
Automaat (TF–80SC)
max. 1800
75
Handbak (M66)
max. 1600
75
Automaat (TF–80SC)
max. 2000
90
D5
06
Aanhangergewicht
ongeremd (kg)
Kogeldruk
(kg)
max. 750
50
N.B.
Bij aanhangers zwaarder dan 1800 kg wordt
geadviseerd een stabilisatorkoppeling te
gebruiken.
225
06 Onderhoud en specificaties
Specificaties
Motorspecificaties
Specificatie/model
2.5T
3.2
T6
D5
2.4D
Motoraanduiding
B5254T6
B6324S
B6304T2
D5244T4
D5244T5
Vermogen (kW bij omw/min)
147/4500
175/6200
210/xx
136/4000
120/4000
Vermogen (pk bij omw/min)
200/4800
238/6200
285/xx
185/4000
163/4000
Motorkoppel (Nm bij omw/min)
300/1500–4500
320/3200
400/1500-xx
400/2000–2750
340/1750-2750
Aantal cilinders
5
6
6
5
5
Cilinderboring (mm)
83
84
82
81
81
Slaglengte (mm)
93,2
96
93,2
93,1
93,1
Slagvolume (liter)
2,521
3,192
2,953
2,400
2,400
Compressieverhouding
9,0:1
10,8:1
9,3:1
17,0:1
17,0:1
06
226
06 Onderhoud en specificaties
Specificaties
Motorolie
In ongunstige rijomstandigheden kunnen de
olietemperatuur en het olieverbruik abnormaal toenemen.
Controleer het oliepeil vaker bij lange ritten:
• met een caravan of aanhanger achter de
auto
• in bergachtig gebied
• op hoge snelheden
• in temperaturen lager dan –30 °C of hoger
dan +40 °C
• doe dat ook bij korte ritten (over afstanden
kleiner dan 10 km) bij lage temperaturen
(onder 5 °C).
In dergelijke omstandigheden kunnen de olietemperatuur en het olieverbruik abnormaal
toenemen.
BELANGRIJK
Om aan vereisten voor de gespecificeerde
service-intervallen te voldoen worden alle
motoren in de fabriek gevuld met een speciaal aangepaste, synthetische motorolie.
De oliesoort werd met grote zorg geselecteerd lettend op de levensduur van de
motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact. Om de aanbevolen service-intervallen aan te kunnen
houden dient u een goedgekeurde motoroliesoort te gebruiken. Gebruik alleen een
oliesoort van de voorgeschreven kwaliteit
(zie sticker in motorruimte) en dat zowel bij
het bijvullen als verversen van olie. Een
negatieve invloed op de levensduur van de
motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact is anders niet
uitgesloten. Volvo Car Corporation wijst alle
garantieclaims af bij gebruik van een
motoroliesoort die niet voldoet aan de voorgeschreven kwaliteits- en viscositeitseisen.
G021834
Ongunstige rijomstandigheden
Viscositeitsdiagram
06
Kies een volsynthetische motorolie bij ongunstige rijomstandigheden. Ze bieden de motor
extra bescherming.
Volvo adviseert olieproducten van Castrol.
227
06 Onderhoud en specificaties
Specificaties
xxxxxxxx
G020233
Engine oil quality: ACEA A5/B5
Viscosity: SAE 0W-30
Wanneer de nevenstaande sticker in de
motorruimte zit, geldt het volgende. Zie
pagina 221 voor informatie over de positie van
de sticker.
Motortype
Oliekwaliteit: ACEA A5/B5
Viscositeit: SAE 0W–30
Bij te vullen hoeveelheid
tussen MIN en MAX (liter)
Hoeveelheid (liter)
2.5T
B5254T6
1,3
5,5
3.2
B6324S
1,2
7,4
T6
B6304T2
1,2
7,4
D5
D5244T4
1,5
6,0
2.4D
D5244T5
1,5
6,0
06
228
06 Onderhoud en specificaties
Specificaties
Overige vloeistoffen en smeermiddelen
Vloeistof
Systeem
Hoeveelheid (liter) Voorgeschreven kwaliteit
Versnellingsbakolie
Handbak (M66)
2,0
Versnellingsbakolie MTF 97309
Automaat (TF–80SC)
7,0
Versnellingsbakolie JWS 3309
Benzinemotor 3.2
8,9
Benzinemotor 2.5T
9,0
Koelvloeistof met corrosiewerende dope
aangelengd met water (zie verpakking).
Benzinemotor T6
8,9
Dieselmotor
12,5
-
-
Olie: PAG
Koudemiddel: R134a (HFC134a)
Remvloeistof
0,6
DOT 4+
Stuurbekrachtiging
1,2
Stuurbekrachtigingsvloeistof WSS M2C204-A2
of een soortgelijk product.
Ruitensproeiervloeistof
6,5
4,52
Bij vorst wordt geadviseerd een door Volvo
aanbevolen ruitensproeier-antivries aangelengd met water te gebruiken.
Koelvloeistof
Airconditioning1
1
06
Hangt af van het motortype. Neem contact op met een erkende Volvo-werkplaats voor de juiste gegevens.
2Auto’s
zonder koplampsproeiers
N.B.
Onder normale rijomstandigheden hoeft u
de versnellingsbakolie nooit te verversen.
Bij ongunstige rijomstandigheden kan dat
echter wel nodig zijn (zie pagina 227.)
229
06 Onderhoud en specificaties
Specificaties
Verbruik, uitstoot en tankinhoud
Model
Motor
Versnellingsbak
Verbruik
liter/100 km
Uitstoot van
kooldioxide
(CO2) in g/km
Tankinhoud
(liter)
2.5T
B5254T6
Handbak (M66)
9,3
222
70
Automaat (TF–80SC)
10,2
243
Automaat (TF–80SC)
10,5
251
Automaat (TF–80SC)
11,4
272
3.2
B6324S
AWD
T6
B6304T2
Automaat (TF–80SC)
11,3
270
D5
D5244T4
Handbak (M66)
6,5
172
Automaat (TF–80SC)
7,4
195
Handbak (M66) AWD
7,3
193
Automaat (TF–80SC) AWD
8,3
219
Handbak (M66)
6,5
172
Automaat (TF–80SC)
7,4
195
06
2.4D
D5244T5
Brandstofverbruik en uitstoot van
kooldioxide
De officiële brandstofverbruikscijfers zijn
gebaseerd op een gestandaardiseerde rijcyclus conform de EU-richtlijn 80/1268 (combinatierit). Het gebruik van extra accessoires
230
kan het brandstofverbruik beïnvloeden, omdat
de accessoires het gewicht van de auto verhogen. Ook de rijstijl en andere niet-technische factoren kunnen van invloed zijn op het
brandstofverbruik. Zie pagina 9 voor meer
informatie.
06 Onderhoud en specificaties
Specificaties
Elektrisch systeem
Typegoedkeuring
afstandsbedieningssysteem
Algemene informatie
12V-systeem met wisselstroomdynamo en
spanningsregelaar. Enkelpolig systeem waarbij het chassis en het motorblok als geleiders
worden gebruikt. De minpool is verbonden
met het chassis.
Prestaties accu
1Hierbij
verklaart Delphi dat het transpondersleutelsysteem in overeenstemming is met de
essentiële eigenschappen en overige relevante
bepalingen zoals beschreven in de EU-richtlijn
1999/5/EG.
Land
A, B, CY, CZ,
D, DK, E, EST,
F, FIN, GB, GR,
H, I, IRL, L, LT,
LV, M, NL, P,
PL, S, SK, SLO
Motor
2.5T
3.0T
3.2
D5
2.4D
Spanning (V)
12
12
12
Koudestartcapaciteit (A)
520 –
800
520–
700
700
ROK
Reservecapaciteit
(min.)
100 –
150
100–
135
135
BR
2
De gegevens waren niet beschikbaar tijdens de
redactie.
1
IS, LI, N, CH
HR
Delphi 15-07-2003, Duitsland R-LPD1-03-0151
2
06
BELANGRIJK
Let er bij het vervangen van de accu op, dat
de nieuwe accu dezelfde koudestartcapaciteit en reservecapaciteit als de originele
accu heeft (zie sticker op de accu).
RC
CCAB06LP1940T4
231
06 Onderhoud en specificaties
06
232
06 Onderhoud en specificaties
06
233
Alfabetisch register
A
Aanhanger
rijden met een aanhanger ....................174
Aanpassen, lichtbundel ...............................76
Aanrijding ....................................................25
Aanstekeropening
achterin ................................................151
voorin ...................................................150
ABL – Active Bi-Xenon Lights .....................72
ABS .............................................................96
AC .............................................................114
ACC – Adaptieve cruisecontrol .................136
Accu ....................................................90, 197
gebruik .................................................197
onderhoud ............................................197
specificaties .........................................231
vervangen ............................................198
waarschuwingssymbolen .....................197
Achterklep
07
vergrendelen ....................................39, 48
Achterklep, elektrische bediening .............167
Achteruitkijkspiegel .....................................85
Adaptieve cruisecontrol ............................136
radarsensor ..........................................138
AF – automatische afstemfunctie .............129
Afstandsbediening, zie Transpondersleutel 38
Afstandsbedieningssysteem,
typegoedkeuring ....................................... 231
Anti-botsingsysteem ................................. 140
Afstellen stuurwiel ...................................... 70
Anti-botsingsysteem met remassistentie*
(CWS-systeem) ......................................... 140
Afstemfunctie, automatische .................... 129
Antislip ...................................................... 133
Airbag ......................................................... 15
Approach-verlichting .................................. 76
activeren/deactiveren ............................ 18
activeren/deactiveren, PACOS .............. 19
Airbagsysteem ............................................ 14
Audio
Airconditioning ......................................... 114
automatische volumeregeling .............. 123
bron ..................................................... 123
hoofdtelefoonaansluiting ..................... 121
instellingen ........................................... 123
profiel voor stoelen/achterbank ........... 124
Surround .............................................. 123
volume, programmatypes .................... 129
AUTO
algemene informatie ............................ 109
Airconditioning, AC ................................... 114
Alarm .......................................................... 51
activeren ................................................ 51
alarmindicatie ........................................ 51
alarmsignalen ........................................ 52
alarmsysteem testen ............................. 53
beperkt alarmniveau .............................. 52
deactiveren ............................................ 51
geactiveerd alarm uitschakelen ............. 51
overige functies ..................................... 52
tijdelijk uitschakelen .............................. 52
verkeersmelding RDS .......................... 127
Alarmlichten ................................................ 74
Alarmsysteem
alarmsysteem controleren ..................... 40
Alarmsysteem testen .................................. 53
All Wheel Drive (vierwielaandrijving) ........... 95
Allergenen ................................................. 110
audiosysteem ...................................... 120
Audiosysteem ........................................... 120
klimaatinstelling ................................... 114
voorkeurzenders vastleggen ................ 126
Auto wassen ............................................. 217
Autobekleding ........................................... 219
Autodimfunctie ............................................ 85
Automatische hervergrendeling .................. 47
Automatische motorrem ............................. 97
Automatische vergrendeling ....................... 47
Automatische versnellingsbak .................... 92
handmatig schakelen (Geartronic) ......... 93
Automatische volumeregeling .................. 123
Automatische wasstraat ........................... 217
234
Alfabetisch register
AUX ...................................................120, 123
BLIS, Blind Spot Information System ....... 146
Controlelampjes .......................................... 60
volume .................................................123
Blokkering achteruitversnelling .................. 91
Cruisecontrol ............................................ 135
B
Boordcomputer ........................................ 130
CWS-systeem
Bagagerolhoes ..........................................171
Botsing ....................................................... 25
Banden
Brandstof .................................................. 164
draairichting .........................................205
lekke band ............................................209
onderhoud ............................................207
slijtage-indicator ..................................207
snelheidsaanduidingen ........................214
spanning ..............................................215
specificaties .........................................214
winterbanden .......................................208
Batterij
brandstofbesparing ............................. 216
brandstoffilter ...................................... 165
brandstofverbruik .................................... 8
verbruik ................................................ 230
Buitenspiegel
Dagtellers .................................................... 64
elektrisch verwarmd .............................. 85
Buitenspiegels ............................................ 84
Dieselfilter ................................................. 165
Buitenspiegels resetten .............................. 84
Displayverlichting ........................................ 71
C
Dode hoek ................................................ 146
transpondersleutel/PCC ........................44
Bedieningspaneel verlichting ......................71
Bedrijfsrem ..................................................96
Belangrijke informatie ...................................6
Bellen ........................................................154
Bergen .......................................................181
Beslaande koplampglazen
condens ...............................................217
Beslagen ruiten
ontwasemen .................................109, 114
ontwasemen met blaasmonden ...........116
timerfunctie ..........................................114
Blaasmonden ............................................111
BLIS ..........................................................146
Cd
functies ................................................ 124
-wisselaar ............................................ 124
Cd vooruit-/achteruitspoelen ................... 125
radarsensor .......................................... 138
D
Dashboardkastje ....................................... 150
vergrendelen .......................................... 48
Diep water ................................................. 160
Dimlicht ..................................................... 190
Dolby Surround Pro Logic II ............. 120, 123
Doorluchtfunctie ................................. 39, 109
Doorwaaddiepte ....................................... 160
DSTC, zie ook Stabiliteitssysteem
Chassisstanden ........................................ 134
Claxon ........................................................ 70
Claxonneren ............................................... 70
bediening ............................................. 133
deactiveren/activeren .......................... 133
E
Clean Zone Interior ................................... 110
ECC – elektronische klimaatregeling ........ 112
Condens aan binnenkant lampglas .......... 217
EHBO-set .................................................. 173
Condenswater .......................................... 165
Elektrisch bedienbaar schuifdak ................. 86
Contactslot ................................................. 65
Elektrisch bedienbare ruiten ....................... 82
Contactslotstanden .................................... 65
Elektrisch bedienbare ruiten resetten ......... 83
07
235
Alfabetisch register
Elektrisch inklapbare buitenspiegels ...........84
Geluid
Elektrisch systeem ....................................231
volume ................................................. 123
volume, externe geluidsbron ............... 123
Geluidssterkte
Elektrische aansluiting
achterin ................................................151
laadruimte ............................................152
voorin ...................................................151
Elektrische parkeerrem
functies tijdens lopende gesprekken ... 154
gespreksfuncties ................................. 154
Gesprekken weigeren ............................... 154
achterruit ................................................85
stoelen en achterbank .........................113
Elektronische startblokkering ......................38
Gewichten
Equalizer ...................................................124
Externe geluidsbron
AUX-ingang ..........................................120
volume .................................................123
F
Gevarendriehoek ...................................... 173
aanhangergewicht ............................... 224
achterasdruk ....................................... 224
dakbelasting ........................................ 224
kogeldruk ............................................. 224
maximaal treingewicht ........................ 224
rijklaar gewicht .................................... 224
totaalgewicht ....................................... 224
voorasdruk .......................................... 224
Glas
G
gelaagd/verstevigd ................................ 82
oppervlaktebehandeling ........................ 82
toplaag .................................................. 82
Global opening ................................... 39, 109
Geartronic ...................................................93
Gloeilampen
Follow-Me-Home-verlichting ......................76
FOUR-C ....................................................134
Geïntegreerde telefoon .............................153
Gelaagd glas ...............................................82
236
Gesprekken
automatisch lossen ................................98
handmatig lossen ...................................98
lage accuspanning .................................98
Elektrische verwarming
EON – Enhanced Other Networks ............129
07
telefoon/mediaspeler ........................... 155
Gesprek in de wacht zetten ...................... 154
achterlichten ........................................ 192
algemene informatie ............................ 189
dimlicht ................................................ 190
groot licht ............................................. 190
instapverlichting ................................... 193
kentekenplaatverlichting ...................... 193
koplampen ........................................... 189
laadruimteverlichting ........................... 194
make-upspiegel ................................... 194
mistlampen vóór .................................. 192
parkeerlichten vóór .............................. 191
richtingaanwijzers ................................ 191
specificaties ......................................... 194
stadslichten ......................................... 191
verstralers ............................................ 191
Gloeilampen achterlamphuis
positie .................................................. 193
Gloeilampen, vervangen ........................... 189
Gordelspanners .......................................... 14
Gordelwaarschuwing .................................. 13
Groot licht/dimlicht ..................................... 72
H
Handgeschakelde versnellingsbak ............. 91
Handmatig schakelen (Geartronic) ............. 93
HBS – Heart Beat Sensor ........................... 41
HDC ............................................................ 97
Hill Descent Control .................................... 97
Hoge motortemperatuur ........................... 174
Hogedruksproeiers koplampen .................. 81
Hoofdsteun, middelste zitplaats ................. 68
Alfabetisch register
Hoofdtelefoonaansluiting ..........................121
Interieurcomfort ........................................ 149
Knippersignalen, PCC ................................. 40
Hulpverwarming ........................................119
Interieurfilter .............................................. 110
Koelvloeistofpeil ........................................ 187
I
Interieurverlichting ...................................... 75
Kogeldruk .................................................. 225
Interior Air Quality System ........................ 115
Kompas ..................................................... 132
Inzittendenbeveiliging ................................. 12
ISOFIX-bevestigingssysteem voor
kinderzitjes ................................................. 31
kalibreren ............................................. 132
zone aanpassen ................................... 132
Koplampen .......................................... 72, 189
IMEI-nummer ............................................157
K
koplampsproeiers .................................. 81
Koplamphoogteregeling ............................. 71
In de was zetten ........................................218
Katalysator ............................................... 165
Informatie- en waarschuwingslampjes .......60
Keuzehendelblokkering .............................. 94
Informatiedisplays .......................................60
Keuzehendelblokkering uitschakelen ......... 94
Actieve Bi-Xenonkoplampen ................. 71
Bi-Xenonkoplampen .............................. 71
Koplampsproeiers ....................................... 81
Informatietoets ............................................40
Inklapbare buitenspiegels ...........................84
Keuzehendelblokkering, mechanisch
uitschakelen ............................................... 94
Inkomende gesprekken .............................154
Keyless drive ........................................ 45, 88
Instructieboekje lezen ...................................6
Kinderen
“Belangrijk!”-kaders .................................6
“N.B.”-kaders ...........................................6
displaymeldingen .....................................6
opsommingslijsten ...................................6
opties .......................................................6
positielijsten .............................................6
procedurelijsten .......................................6
waarschuwingskaders .............................6
Instrumenten, schakelaars en bediening ....56
positie in de auto ................................... 26
Kinderslot ............................................. 31, 50
IAQS – Interior Air Quality System ............110
IC-systeem – Inflatable Curtain ...................21
IDIS –Intelligent Driver Information
System ......................................................156
Instrumentenoverzicht ................................56
Instrumentenverlichting ...............................71
Koudemiddel ............................................. 109
Kruissnelheidsregeling .............................. 135
L
Laadruimte
Kinderzitje ................................................... 26
bagagerolhoes ..................................... 171
veiligheidsnet ....................................... 171
veiligheidsrek ....................................... 170
Laag oliepeil .............................................. 186
Kleurcode, lak ........................................... 220
Lading vervoeren ...................................... 166
Klimaatregeling ......................................... 109
laadruimte ............................................ 166
lading op het dak ................................. 172
verankeringsogen ................................ 167
Lak
Kinderveiligheidsproducten ........................ 26
algemene informatie ............................ 109
elektronische ....................................... 112
sensoren .............................................. 109
Klok ............................................................ 64
Knipperlichten ............................................ 74
07
kleurcode ............................................. 220
schade en herstel ................................ 220
237
Alfabetisch register
steenslagplekken en krassen ...............220
Lampen
sidemarker ...........................................192
Lampjes .....................................................133
Mistlampen vóór ......................................... 73
filter ...................................................... 186
hoeveelheden ...................................... 228
motorolie .............................................. 227
oliekwaliteit .......................................... 227
ongunstige omstandigheden ............... 227
versnellingsbakolie .............................. 229
Oliepeil ...................................................... 186
Motor
Lichtbundel aanpassen ...............................76
Motorruimte
Active Bi-Xenonkoplampen ...................76
Bi-Xenonkoplampen ..............................76
halogeenkoplampen ..............................77
Luchtverdeling ..................................111, 116
M
algemene informatie ............................ 184
koelvloeistof ........................................ 187
motorkap ............................................. 184
olie ....................................................... 186
overzicht .............................................. 185
stuurbekrachtigingsvloeistof ............... 188
Motorspecificaties .................................... 226
Make-upspiegel ........................................194
Mp3-functies ............................................ 124
Maten ................................................222, 223
Muziekbestanden ..................................... 124
Mediaspeler ..............................................123
MY KEY .................................................... 121
Meldingen op instrumentenpaneel ...........107
N
Menu- en meldingsfuncties .......................104
Meters op het instrumentenpaneel .............60
Milieu
brandstofverbruik .....................................8
efficiënte uitlaatgasreiniging ....................8
Erkende Volvo-werkplaatsen en het
milieu ........................................................8
milieubeleid van Volvo Car Corporation ..8
schone lucht in passagiersruimte ............8
238
O
controlelampjes ......................................60
informatielampjes ...................................60
waarschuwingslampjes ..........................60
Leren bekleding, reinigingsvoorschriften ..219
Luidspreker lage tonen .............................123
07
spaar het milieu ....................................... 8
textielnorm ............................................... 8
Mistachterlicht ............................................ 74
oververhitting ....................................... 174
starten ................................................... 88
Motor starten .............................................. 88
NEWS ....................................................... 128
Nieuwsuitzending ..................................... 128
Olie
Onderhoud
roestwering .......................................... 218
Ongunstige rijomstandigheden ................. 227
Ontgrendelen
achterklep .............................................. 47
van de binnenzijde ................................. 47
van de buitenzijde .................................. 47
zonder sleutel ........................................ 47
Ontwaseming ............................................ 114
Opbergmogelijkheden in
passagiersruimte ...................................... 149
Opblaasgordijnen (IC) ................................. 21
Oververhitting ........................................... 174
Noodoproepen ......................................... 157
P
Nooduitrusting
PACOS ........................................................ 19
EHBO-tas ............................................ 152
gevarendriehoek .................................. 173
Nummer-informatie .................................. 126
schakelaar voor activering/deactivering 18
Paniekfunctie .............................................. 40
Park Assist ................................................ 143
Alfabetisch register
PCC – Personal Car Communicator
Recirculatie ............................................... 114
Roestwering .............................................. 218
bereik .....................................................41
functies ..................................................39
PCC – Personal Car Communicator
REG – regionale radioprogramma’s ......... 129
Roetfilter dieselmotor .................................. 89
Regensensor .............................................. 80
Roetfilter vol ................................................ 89
Rem- en koppelingsvloeistof .................... 188
Ruggedeelte
Remlichten .................................................. 73
achterbank, omklappen ......................... 69
Rugleuning
functies ..................................................39
Permanente vierwielaandrijving ..................95
PI zoeken ..................................................129
Poetsen .....................................................218
Positie van kinderzitjes ...............................26
POT (Power Operated Tailgate) ................167
Programmafuncties ...................................127
Programmatype ........................................128
PTY – programmatype ..............................128
R
Radarsensor ..............................................138
Radio
Remmen ..................................................... 96
antiblokkeerremsysteem, ABS .............. 96
elektrische parkeerrem .......................... 98
lampjes op instrumentenpaneel ............ 96
noodremlichten, EBL ............................. 73
remkrachtverhoging .............................. 96
remkrachtverhoging bij noodstops,
EBA ....................................................... 96
remlichten .............................................. 73
remsysteem ........................................... 96
remvloeistof bijvullen ........................... 188
remvloeistof, hoeveelheid en kwaliteit 230
Reservewiel .............................................. 209
AF .........................................................129
afstemfunctie .......................................129
EON ......................................................129
instellingen ...........................................126
PTY ......................................................128
radiotekst .............................................128
REG ......................................................129
voorkeurzenders vastleggen ................126
zenders ................................................126
RDS-functies .............................................127
Richtingaanwijzers ...................................... 74
resetten ................................................129
RND – Random ......................................... 125
Rijadviezen ............................................... 160
Rijden
in ongunstige omstandigheden ........... 227
Rijden met een aanhanger ....................... 174
aanhangergewicht ............................... 224
kogeldruk ............................................. 225
trekgewicht .......................................... 225
Rijeigenschappen aanpassen .................. 134
voorstoel, omklappen ............................ 66
Ruiten en spiegels ...................................... 82
Ruitensproeiers ........................................... 81
Ruitenwisser, achterruit .............................. 81
Ruitenwissers .............................................. 80
S
Safelock-functie .......................................... 49
deactiveren ............................................ 49
Safety mode ................................................ 25
SCAN
cd en muziekbestanden ...................... 125
radiozenders ........................................ 127
Schoonmaken
auto wassen ......................................... 217
automatische wasstraat ....................... 217
bekleding ............................................. 219
veiligheidsgordels ................................ 219
velgen .................................................. 218
Schuifdak
07
blokkering bij automatisch sluiten ... 86, 87
openen en sluiten .................................. 86
239
Alfabetisch register
ventilatiestand ........................................86
zonnescherm .........................................87
Serviceprogramma ....................................184
Spiegels
Signaalingang, externe .............................120
Sproeiers
Simkaart ....................................................157
koplampen ............................................. 81
ruitensproeiervloeistof, bijvullen .......... 196
voorruit .................................................. 81
Sproeikoppen, verwarmde ......................... 81
SIPS-airbags ...............................................20
Slepen .......................................................181
sleepoog ..............................................181
Sleutel .........................................................38
PCC ........................................................38
sleutelloos vergrendelings- en startsysteem .......................................................45
transpondersleutel .................................38
Sleutelblad ..................................................42
07
SRS-AIRBAG .............................................. 15
SRS-systeem
algemene informatie .............................. 16
Stabiliteits- en tractieregelsysteem .......... 133
Stabiliteitssysteem ................................... 133
geheugenfunctie .................................... 67
handmatig verstellen ............................. 66
rugleuning voorstoel omklappen ........... 66
sleutelgeheugen ..................................... 67
Stoel en achterbank
ruggedeelte achterbank omklappen ...... 69
Stoel met geheugenfunctie ......................... 67
Stoelen
rugleuning voorstoel omklappen ........... 66
Stoelen en achterbank ................................ 66
elektrische bediening ............................. 66
elektrische verwarming ........................ 113
geventileerde voorstoelen ................... 112
hoofdsteunen achterbank ...................... 68
Stuurbekrachtiging, snelheidsafhankelijke 134
Sleutelblokkering .........................................94
Stads-/parkeerlichten vóór en
achterlichten ............................................... 73
Stuurbekrachtigingsvloeistof .................... 188
Sleutelloos starten (Keyless drive) ..............88
Stand-by, telefoon .................................... 153
Stuurslot ...................................................... 88
Sloten
Standverwarming ..................................... 117
Stuurwiel
achterklep ..............................................47
automatische hervergrendeling .............47
dashboardkastje ....................................47
ontgrendelen ..........................................47
vergrendelen ..........................................47
vergrendelingsknop aan de binnenzijde 47
Smeermiddelen .........................................229
op een helling parkeren ....................... 117
tijd instellen ......................................... 118
Startblokkering ........................................... 38
stuurwielafstelling .................................. 70
toetsenset ............................................ 153
toetsenset adaptieve cruisecontrol ..... 137
toetsenset linkerzijde ........................... 135
toetsenset rechterzijde ........................ 120
Surround ........................................... 120, 123
Specificaties ..............................................224
Sticker, SIPS-airbags ................................. 21
T
Spiegel
Stoel
Tanken
achteruitkijk- ..........................................85
240
buiten- ................................................... 84
Spin Control ............................................. 133
Starten met hulpaccu ................................. 90
Steenslagplekken en krassen ................... 220
Sterkte, geluids- ....................................... 123
elektrisch bedienbaar ............................ 66
tankdop ................................................ 163
Alfabetisch register
tankvulklep, elektrisch openen ............163
Tankinhoud ...............................................230
Trekhaak ................................................... 175
Ventilatie ................................................... 111
Trekinrichting ............................................ 175
Ventilator ................................................... 113
Telefoon ....................................................153
Trillingsdemper ......................................... 176
Verkeersinformatie .................................... 128
bellen via telefoonboek ........................155
geïntegreerde, overzicht ......................153
gesprek beantwoorden ........................154
Telefoon, stand-by ....................................153
Type-aanduidingen ................................... 221
Verlichting
Typegoedkeuring, afstandsbedieningssysteem .......................................................... 231
Actieve Bi-Xenonkoplampen, ABL ........ 72
Approach-verlichting ............................. 76
automatische functie ............................. 75
Follow-Me-Home-verlichting ................. 76
gloeilampen vervangen, zie ook
Gloeilampen ......................................... 189
groot licht/dimlicht ................................. 72
instrumentenverlichting ......................... 71
interieur .................................................. 75
knoppen ................................................. 75
koplamphoogteregeling ......................... 71
mistachterlicht ....................................... 74
mistlampen vóór .................................... 73
stads-/parkeerlichten vóór en
achterlichten .......................................... 73
Verlichting instrumentenpaneel .................. 71
Telefoonboek
U
nummerfuncties ...................................155
Temperatuur
Uitstoot van kooldioxide ........................... 230
werkelijke temperatuur .........................109
Temperatuurregeling .................................114
V
Veiligheid .................................................... 12
Timer .........................................................114
Veiligheidsgordels ...................................... 12
Toetsenset op stuurwiel
gordelspanners ..................................... 14
Veiligheidsnet ........................................... 171
linkerzijde .............................................135
rechterzijde ..........................................120
Toetsensets op stuurwiel ............................70
TP – verkeersinformatie ............................128
Traction Control ........................................133
Transmissie .................................................91
Transpondersleutel .....................................38
afneembaar sleutelblad ..........................38
batterij ....................................................39
batterij vervangen ..................................44
bereik .....................................................40
functies ..................................................39
Trekgewicht ...............................................225
Veiligheidsrek ........................................... 170
Veiligheidszitjes
aanbevolen ............................................ 28
afmetingscategorieën voor veiligheidszitjes
met ISOFIX-bevestigingssysteem ......... 32
bovenste bevestigingspunten voor
kinderzitjes ............................................ 34
geïntegreerd kinderzitje met twee
standen .................................................. 29
ISOFIX-bevestigingssysteem
voor
kinderzitjes ............................................ 31
Velgen
schoonmaken ...................................... 218
Versnellingsbak ........................................... 91
automatische ......................................... 92
handgeschakelde .................................. 91
Verstralers ................................................. 191
07
Vervangen, gloeilampen
achterlichten ........................................ 192
dimlicht halogeen ................................ 190
groot licht halogeen ............................. 190
instapverlichting ................................... 193
241
Alfabetisch register
laadruimteverlichting ............................194
make-upspiegel ...................................194
mistlampen vóór ..................................192
parkeerlichten vóór ..............................191
richtingaanwijzers ................................191
sidemarker ...........................................192
stadslichten ..........................................191
verstralers ............................................191
Verwarmde sproeikoppen ...........................81
Waarschuwingslampjes .............................. 60
Wisserbladen
schoonmaken .............................. 195, 196
servicestand ........................................ 195
vervangen ............................................ 195
Wissers en -sproeiers ................................. 80
Verwarming ...............................................114
airbags, SRS ......................................... 62
dynamo laadt niet bij ............................. 62
gordelwaarschuwing ............................. 62
lage oliedruk .......................................... 62
parkeerrem aangezet ............................ 62
stabiliteits- en tractieregelsysteem ...... 133
storing in remsysteem ........................... 62
waarschuwing ....................................... 62
Waarschuwingssticker, SIPS-airbags ........ 21
Verzorging .................................................217
Waarschuwingssymbool, airbagsysteem ... 14
Verzorging, leren bekleding ......................219
Water- en vuilafstotende laag .................... 82
Vlekken ......................................................219
Water- en vuilafstotende laag,
schoonmaken ........................................... 218
Vloeistof
Zekeringenkastje
dashboardkastje .................................. 203
laadruimte ............................................ 204
motorruimte ......................................... 201
Zenders zoeken ........................................ 126
Zijairbags .................................................... 20
stuurbekrachtigingsvloeistof ................229
Vloeistoffen
Zuinig rijden .............................................. 160
WHIPS ........................................................ 22
Zwangerschap ............................................ 13
hoeveelheden .......................................229
Vloermatten ...............................................151
Wielen
Voorkeurzenders vastleggen .....................126
W
Waarschuwingsgeluid
adaptieve cruisecontrol ........................136
anti-botsingsysteem ............................141
Waarschuwingslampje
adaptieve cruisecontrol ........................136
anti-botsingsysteem ............................141
242
Zekeringen ................................................ 200
Whiplash-letsel ........................................... 22
Volume, zie ook Geluidssterkte ................123
07
Z
monteren ............................................. 206
reservewiel .......................................... 209
sneeuwkettingen ................................. 208
velgen .................................................. 208
verwisselen .......................................... 205
Wielen en banden ..................................... 205
Willekeurige afspeelvolgorde, cd en
muziekbestanden ..................................... 125
Winterbanden ........................................... 208
Wisselgesprek .......................................... 154
Volvo Car Corporation TP 9690 (Dutch), AT 0720, Printed in Sweden, Göteborg 2007, Copyright © 2000-2007 Volvo Car Corporation
Was this manual useful for you? yes no
Thank you for your participation!

* Your assessment is very important for improving the work of artificial intelligence, which forms the content of this project

Download PDF

advertising