Volvo V70 User manual

Volvo V70 User manual
VOLVO V70
Instructieboekje
WEB EDITION
Beste Volvo-bezitter
Wij hopen dat u jarenlang rijplezier van uw Volvo zult hebben. Bij het ontwerp hebben veiligheid en comfort van u en uw medepassagiers voorop gestaan.
Een Volvo is een van de veiligste auto’s ter wereld. Uw Volvo is ook ontworpen om aan alle geldende veiligheidsvoorschriften en milieueisen te voldoen.
Om nog meer plezier van uw auto te hebben, raden wij u aan om vertrouwd te raken met de uitrusting, de instructies en de onderhoudsinformatie in dit
instructieboekje.
Dank u dat u gekozen hebt voor Volvo!
1
Inleiding
Instructieboekje
Een goede manier om vertrouwd te raken met
uw nieuwe auto is om het instructieboekje te
lezen, bij voorkeur voordat u uw eerste rit maakt.
Zo maakt u kennis met nieuwe functies, krijgt u
tips hoe u het beste in verschillende situaties
met de auto kunt omgaan en leert u hoe u optimaal gebruik kunt maken van alle mogelijkheden
die uw auto biedt. Besteed ook aandacht aan
de veiligheidsinstructies in het boekje:
WAARSCHUWING!
Waarschuwingsteksten geven aan dat er
gevaar voor persoonlijk letsel bestaat, als u
de instructies niet opvolgt.
BELANGRIJK!
“Belangrijk”-teksten geven aan dat het
gevaar bestaat dat de auto beschadigd
raakt als u de instructies niet opvolgt.
De in het instructieboekje beschreven uitrusting
is niet op alle modellen aanwezig. Als aanvulling
op de standaarduitrusting worden in dit instructieboekje ook de opties (af fabriek gemonteerde
uitrusting) en bepaalde accessoires (optie)
beschreven.
N.B. De uitrusting van de auto’s van Volvo hangt
af van de verschillende behoeften op de diverse
markten en de landelijke en/of regionale wet- en
2
regelgeving. Neem contact op met uw Volvodealer voor informatie over de standaarduitrusting, opties en accessoires.
De specificaties, constructiegegevens en
afbeeldingen in dit instructieboekje zijn niet bindend. We behouden ons het recht voor om zonder voorafgaande mededeling wijzigingen aan
te brengen.
Neem voor meer informatie contact op met uw
Volvo-dealer.
© Volvo Car Corporation
Volvo Car Corporation en het milieu
Milieubeleid van Volvo
Zorg voor het milieu, veiligheid en kwaliteit zijn
de drie kernwaarden van Volvo Car Corporation
die van invloed zijn op alle activiteiten. We zijn
ervan overtuigd dat onze klanten onze zorg voor
het milieu delen.
Uw Volvo voldoet aan strenge internationale
milieueisen en is bovendien geproduceerd in
een fabriek die zeer schoon is en efficiënt met
hulpbronnen omgaat. De Volvo Car Corporation
is gecertificeerd volgens de milieunorm
ISO 14001 voor fabrieken, centrale functies en
de meeste andere eenheden. We eisen bovendien van onze samenwerkingspartners dat ze
systematisch aan milieuzorg doen.
Alle Volvo-modellen gaan vergezeld van een
milieuverklaring (EPI of Environmental Product
Information). Daarin staat de impact aangegeven die de auto gedurende zijn hele levenscyclus op het milieu heeft.
Bezoek www.volvocars.com/EPI om meer te
lezen.
Brandstofverbruik
De auto’s van Volvo zijn concurrerend in hun
klasse wat het brandstofverbruik betreft. Een
lager brandstofverbruik levert over het algemeen een geringere uitstoot van het broeikasgas kooldioxide op.
U als bestuurder kunt uw steentje bijdragen aan
een verlaging van het brandstofverbruik. Lees
voor meer informatie de tekst onder het kopje
Spaar het milieu op pagina 4.
Efficiënte uitlaatgasreiniging
Uw Volvo is gebouwd volgens het concept
Schoon aan binnen- en buitenkant – een concept dat een schone passagiersruimte combineert met een uitermate efficiënt
uitlaatgasreinigingssysteem. In veel gevallen liggen uitlaatgasemissies ver onder de geldende
normen.
Op de radiateur zit bovendien PremAir®1, een
speciale laag die schadelijk laaghangend ozon
kan omzetten in zuivere zuurstof wanneer het
ozon langs de radiateur stroomt. Hoeveel ozon
er wordt omgezet hangt af van het ozongehalte
van de buitenlucht.
1.
Optie
PremAir® is een gedeponeerd
handelsmerk van de Engelhard
Corporation.
3
Volvo Car Corporation en het milieu
Schone lucht in passagiersruimte
Het interieurfilter zorgt dat stofdeeltjes en pollen
niet via de luchtinlaatopening in de passagiersruimte kunnen dringen.
Een geavanceerd luchtreinigingssysteem,
IAQS1 (Interior Air Quality System), zorgt ervoor
dat de lucht die de passagiersruimte binnenkomt schoner is dan de lucht buiten in het verkeer.
Het systeem bestaat uit een elektronische sensor en een koolstoffilter. De binnenkomende
lucht wordt continu gecontroleerd en als het
gehalte aan schadelijke gassen zoals koolmonoxide te hoog oploopt, wordt de luchtinlaat
gesloten. Iets dergelijks kan zich voordoen in bijvoorbeeld druk verkeer, files of tunnels.
Het koolstoffilter zorgt ervoor dat stikstofoxiden,
laaghangend ozon en koolwaterstoffen niet binnendringen.
Textielnorm
Het interieur van een Volvo werd dusdanig
vormgegeven dat het gerieflijk en comfortabel
is – ook voor mensen met contactallergieën of
astma. Alle stoelhoezen en bekledingsstoffen
zijn getest op stoffen en emissies die schadelijk
zijn voor de gezondheid en allergische reacties
kunnen veroorzaken. Dit betekent dat alle stoffen voldoen aan de eisen van de textielnorm
1.
4
Optie
Öko-Tex 1002 – een enorme stap op weg naar
een gezonder milieu in de passagiersruimte.
Het Öko-Tex-label stelt regels aan bijvoorbeeld
de veiligheidsgordels, de vloerbekleding en de
gebruikte garens en stoffen. De leren bekledingsvarianten zijn chroomvrij gelooid met plantaardige stoffen en voldoen aan de gestelde
certificeringseisen.
Erkende Volvo-werkplaatsen en
het milieu
Met regelmatig onderhoud kunt u de voorwaarden scheppen voor een lange levensduur en
een laag brandstofverbruik. Op die manier
draagt u bij aan een schoner milieu. Wanneer u
de reparaties en het onderhoud aan de auto toevertrouwd aan de werkplaatsen van Volvo,
wordt de auto een onderdeel van ons systeem.
We stellen duidelijke milieueisen aan de outillage van onze werkplaatsen om te voorkomen
dat er schadelijke stoffen vrijkomen in het milieu.
Het personeel in de werkplaatsen van Volvo
beschikt over de kennis en het gereedschap om
optimale zorg voor het milieu te kunnen garanderen.
Spaar het milieu
U kunt eenvoudig meehelpen het milieu te
beschermen door zuinig te rijden, milieuvriendelijke autoverzorgingsproducten te kopen en de
auto te onderhouden of te laten onderhouden
aan de hand van de aanwijzingen in het instructieboekje.
Hieronder volgen een paar tips voor hoe u het
milieu kunt ontzien:
•
•
•
•
•
2.
Op www.oekotex.com vindt u meer
informatie
Verlaag het brandstofverbruik door de zogeheten ECO-bandenspanning aan te houden
(zie pagina 157).
Lading op het dak en een
skibox resulteren in een
grotere luchtweerstand
waardoor het brandstofverbruik aanzienlijk toeneemt. Verwijder ze
daarom meteen na
gebruik.
Laat spullen niet onnodig in de auto liggen.
Hoe groter de belasting van de auto, des te
hoger het brandstofverbruik.
Gebruik altijd de motorverwarmer voor een
koude start, als de auto hiermee is uitgerust.
Hierdoor nemen het brandstofverbruik en de
uitstoot af.
Rijd rustig en vermijd krachtig remmen.
Volvo Car Corporation en het milieu
•
Rijd in de hoogst mogelijke versnelling. Een lager
toerental zorgt voor een
lager verbruik.
• Laat het gaspedaal los
wanneer u van een helling
afrijdt.
• Rem op de motor af om vaart te minderen.
• Voorkom stationair draaien. Houd u aan de
plaatselijke voorschriften. Zet de motor af
wanneer u langere tijd stilstaat in een file.
• Hanteer afvalstoffen die
schadelijk voor het milieu
zijn, zoals accu’s en olie,
op een milieuontlastende
manier. Neem contact op
met een erkende Volvowerkplaats als u niet
zeker weet hoe u dergelijk afval moet verwerken.
• Onderhoud uw auto regelmatig.
Door deze tips op te volgen kan het brandstofverbruik worden verlaagd zonder dat dit van
invloed is op de reistijd of het plezier in het autorijden. U spaart uw auto, bespaart geld en
gebruikt minder van de hulpbronnen op aarde.
5
6
Inhoud
Veiligheid
Instrumenten, schakelaars en bediening
Klimaatregeling
Interieur
Sloten en alarm
Starten en rijden
Wielen en banden
Verzorging
Onderhoud en service
Audiosysteem (optie)
Telefoon (optie)
Technische gegevens
9
33
67
79
101
113
153
169
175
203
225
239
7
8
Veiligheid
Veiligheidsgordels
Airbagsysteem
Airbags (SRS)
Airbag (SRS) activeren/deactiveren
SIPS-airbags, (zij-airbags)
Opblaasgordijn (IC-systeem)
WHIPS-systeem
Activering van de veiligheidssystemen
Kinderen en veiligheid
10
13
14
17
19
21
22
24
25
9
Veiligheid
Veiligheidsgordels
Veiligheidsgordel losmaken:
Heupgordel uittrekken. De gordel moet laag
gedragen worden.
Draag altijd een veiligheidsgordel
Remmen kan ernstige gevolgen hebben als de
veiligheidsgordel niet wordt gedragen. Let er
daarom op dat alle passagiers hun veiligheidsgordel omhebben.
– Druk op de rode knop van de sluiting en laat
het oprolmechanisme de veiligheidsgordel
naar binnen trekken. Als de veiligheidsgordel niet volledig wordt opgerold, moet u de
gordel handmatig zo ver terugrollen dat
deze niet langer slap hangt.
De veiligheidsgordel is geblokkeerd en kan niet
verder worden uitgetrokken:
• wanneer u de gordel te snel uittrekt
• wanneer u remt of optrekt
• als de auto sterk overhelt.
Voor optimale bescherming door de veiligheidsgordel is het van belang dat de gordel goed
tegen het lichaam ligt. Laat de rugleuning niet te
ver achteroverhellen. De veiligheidsgordel biedt
de beste bescherming bij een normale rijhouding.
Let erop dat:
•
Veiligheidsgordel omdoen:
– Trek de veiligheidsgordel langzaam uit en
maak deze vast door de borglip in de sluiting te steken. Een duidelijke “klik” geeft aan
dat de veiligheidsgordel vastzit.
•
•
•
10
u geen klemmen of andere accessoires
gebruikt waardoor u de veiligheidsgordel
niet strak langs uw lichaam kunt trekken
er geen slagen in de veiligheidsgordel zitten
en dat hij nergens achter blijft steken
de heupgordel moet laag zitten (niet over de
buik)
u de heupgordel over de heupen trekt door
aan de diagonale schoudergordel te trekken
zoals afgebeeld.
WAARSCHUWING!
De veiligheidsgordel en de airbag werken
samen. Als de veiligheidsgordel niet of
onjuist wordt gebruikt, kan de bescherming
die de airbag bij een aanrijding biedt afnemen waardoor u als klant ernstig letsel kunt
oplopen.
WAARSCHUWING!
Breng nooit zelf wijzigingen aan de veiligheidsgordels aan en probeer ze nooit zelf te
repareren. Neem contact op met een
erkende Volvo-werkplaats.
Als een veiligheidsgordel aan grote krachten
heeft blootgestaan zoals tijdens een aanrijding, moet u de veiligheidsgordel in zijn
geheel vervangen. De veiligheidsgordel kan
een deel van zijn beschermende eigenschappen hebben verloren, zelfs als de veiligheidsgordel ogenschijnlijk niet
beschadigd is. Vervang de veiligheidsgordel
ook als deze versleten of beschadigd is. De
nieuwe veiligheidsgordel moet zijn goedgekeurd en bedoeld voor montage op dezelfde
positie als de vervangen veiligheidsgordel.
Veiligheid
Veiligheidsgordels
WAARSCHUWING!
Elke veiligheidsgordel is bestemd ter
bescherming van slechts één persoon.
Veiligheidsgordel en zwangerschap
Wanneer u zwanger bent, is het belangrijk dat u
de veiligheidsgordel altijd op de juiste manier
draagt. De veiligheidsgordel moet strak langs
de schouder lopen, waarbij het diagonale deel
van de veiligheidsgordel tussen de borsten en
tegen de zijkant van de buik ligt. Het heupgedeelte van de veiligheidsgordel moet vlak tegen
de buitenkant van de bovenbenen liggen en zo
ver mogelijk onder de buik liggen. Het mag nooit
over de buik omhoog kunnen glijden. De veiligheidsgordel moet zo strak mogelijk over het
lichaam lopen zonder onnodige speling. Controleer ook of de veiligheidsgordel nergens
gedraaid zit.
Veiligheidsgordel en zwangerschap
Naarmate de zwangerschap vordert moeten
zwangere bestuurders de stoel en het stuur
dusdanig verstellen dat ze de auto volledig
onder controle hebben (wat inhoudt dat ze met
gemak bij het stuur en de pedalen moeten kunnen komen). Streef ernaar de afstand tussen de
buik en het stuur zo groot mogelijk te maken.
11
Veiligheid
Veiligheidsgordels
Als de bestuurder of voorpassagier de veiligheidsgordel tijdens het rijden losmaakt, wordt
de waarschuwingsfunctie opnieuw geactiveerd
bij snelheden hoger dan 10 km/h.
N.B. De gordelwaarschuwing is bestemd voor
volwassenen inzittenden.
Gordelspanners
Alle veiligheidsgordels (met uitzondering van de
gordel midden achter) hebben gordelspanners.
Dit is een mechanisme dat bij een aanrijding de
veiligheidsgordel rond het lichaam spant. De
veiligheidsgordel kan de passagier daarmee
beter in de stoel gedrukt houden.
Gordelwaarschuwing
Het waarschuwingslampje voor de veiligheidsgordels op het instrumentenpaneel en dat op de
bovenkant van de achteruitkijkspiegel branden,
zolang de bestuurder de veiligheidsgordel niet
heeft omgedaan. De gordelwaarschuwing
wordt na 6 seconden automatisch uitgeschakeld, als de snelheid lager is dan 10 km/h. Als
vervolgens bij een snelheid hoger dan 10 km/h
blijkt dat de bestuurder de veiligheidsgordel
nog steeds niet omgedaan heeft, wordt de
waarschuwingsfunctie opnieuw ingeschakeld.
De waarschuwingsfunctie wordt vervolgens uitgeschakeld, wanneer de snelheid tot onder
5 km/h daalt.
12
Veiligheid
Airbagsysteem
Behalve het brandende waarschuwingslampje verschijnt er,
in die gevallen waarin dat nodig
is, een melding op het display.
Als het waarschuwingslampje
niet werkt, gaat het waarschuwingsdriehoekje branden en
verschijnt er SRS-AIRBAG
SERVICE VEREIST op het
informatiedisplay. Neem zo spoedig mogelijk
contact op met een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING!
Waarschuwingslampje op het
instrumentenpaneel
Het airbagsysteem1 wordt continu gecontroleerd door de regeleenheid. Op het instrumentenpaneel bevindt zich een
waarschuwingslampje. Dit lampje gaat branden,
wanneer u de contactsleutel naar stand I, II
of III draait. Het lampje dooft na ca.6 seconden,
wanneer de regeleenheid heeft vastgesteld dat
Als het waarschuwingslampje voor het airbagsysteem blijft branden of tijdens het rijden kortstondig oplicht, betekent dit dat het
airbagsysteem niet naar behoren werkt. Het
lampje kan ook duiden op een storing in de
gordelspanners, het SIPS-, het SRS- of het
IC-systeem. Neem zo spoedig mogelijk contact op met een erkende Volvo-werkplaats.
het airbagsysteem1 geen storingen vertoont.
1.
Omvat SRS en gordelspanners,
SIPS en IC.
13
Veiligheid
Airbags (SRS)
WAARSCHUWING!
Om de kans op letsel bij activering van de
airbags te beperken, moeten de passagiers
zo rechtop mogelijk zitten met hun voeten op
de vloer en hun rug tegen de rugleuning. De
veiligheidsgordel moet goed vastzitten.
WAARSCHUWING!
Airbag (SRS) aan de bestuurderszijde
Airbag (SRS) aan de passagierszijde
Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordels
ook een airbag (SRS - Supplemental Restraint
System) in het stuurwiel. De airbag zit opgevouwen in het midden van het stuurwiel. Het stuurwiel is voorzien van het opschrift SRS AIRBAG.
Als aanvulling op de veiligheidsgordel van de
passagiersstoel heeft uw auto ook een passa-
WAARSCHUWING!
De veiligheidsgordel en de airbag werken
samen. Als de veiligheidsgordel niet of
onjuist wordt gebruikt, kan de bescherming
die de airbag bij een aanrijding biedt afnemen waardoor u als klant ernstig letsel kunt
oplopen.
14
giersairbag1 (SRS, Supplemental Restraint
System). De airbag aan de passagierszijde ligt
opgevouwen in een ruimte boven het dashboardkastje. Het paneel is voorzien van het
opschrift SRS AIRBAG.
1.
Niet alle auto’s hebben een airbag
(SRS) aan de passagierszijde. Deze
kan optioneel worden weggelaten bij
de verkoop.
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen op de passagiersstoel, als de airbag (SRS) geactiveerd1 is.
Laat kinderen nooit voor de passagierstoel
zitten of staan. Personen die kleiner zijn dan
1,40 m mogen nooit op de passagiersstoel
plaatsnemen, als de airbag (SRS) geactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties
opleveren voor uw kind.
1. Zie pagina 17 voor informatie over een
geactiveerde/gedeactiveerde airbag (SRS).
Veiligheid
Airbags (SRS)
WAARSCHUWING!
Reparaties mogen alleen door een erkende
Volvo-werkplaats worden uitgevoerd.
Ingrepen in het airbagsysteem kunnen storingen in de werking veroorzaken en leiden
tot ernstig letsel.
SRS-systeem, auto met het stuur links
SRS-systeem, auto met het stuur rechts
SRS-systeem
N.B. De reactie van de sensoren hangt af van
de ernst van de aanrijding en van het feit of de
veiligheidsgordel aan de bestuurderszijde of de
passagierszijde vooraan wordt gedragen of niet.
Het kan dan ook zijn dat er bij ongelukken
slechts één (of geen) van de airbags wordt
opgeblazen. Het SRS-systeem registreert de
botskracht waaraan de auto blootstaat en stemt
de activering van een of meerdere airbags
daarop af. Ook de capaciteit van de airbags
wordt afgestemd op de botskracht waaraan de
auto blootstaat.
Het SRS-systeem bestaat uit airbags en sensoren. Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren de sensoren, waarna de airbag wordt
opgeblazen. Daarbij wordt de airbag warm. Om
de klap op te vangen loopt de airbag leeg wanneer de inzittende de airbag raakt. Daarbij treedt
er rookvorming in de auto op. Dit is volkomen
normaal. Het totale verloop, van het opblazen tot
het leeglopen van de airbag, neemt enkele tienden van een seconde in beslag.
N.B. De airbags werken dusdanig dat de capaciteit ervan wordt afgestemd op de botskracht
waaraan de auto blootstaat.
15
Veiligheid
Airbags (SRS)
Positie van de airbag aan de passagierszijde
in een auto met het stuur links of rechts.
WAARSCHUWING!
Plaats geen voorwerpen voor of boven op
het dashboard in het gebied waar de passagiersairbag is aangebracht.
16
Veiligheid
Airbag (SRS) activeren/deactiveren
Activeren/deactiveren
De schakelaar voor activering/deactivering van
de passagiersairbag, PACOS (Passenger Airbag Cut Off Switch) zit aan de passagierszijde
aan de zijkant van het dashboard en u kunt erbij
door het portier aan die kant te openen (zie
onder het kopje “Stand van de schakelaar” op
de volgende pagina). Controleer of de schakelaar in de gewenste stand staat. Volvo adviseert
u het sleutelblad te gebruiken om de stand te
wijzigen. (U kunt ook andere voorwerpen
gebruiken die qua vorm op een sleutel lijken.)
Hiermee wordt aangeduid dat de airbag
(SRS) aan de passagierszijde gedeactiveerd
is
PACOS (optie)
De airbag (SRS) aan de passagierszijde voorin
kan gedeactiveerd worden met een schakelaar
als de auto is uitgerust met PACOS (Passenger
Airbag Cut Off Switch) (zie pagina 18).
Melding
Een tekst op de achteruitkijkspiegel geeft aan
dat de airbag (SRS) aan de passagierszijde
gedeactiveerd is.
WAARSCHUWING!
Zet nooit een kind in een kinderzitje op de
passagiersstoel als de airbag (SRS) geactiveerd is.1
Het niet opvolgen van deze aanbeveling kan
levensgevaarlijke situaties opleveren voor
het kind.
WAARSCHUWING!
Als de auto is uitgerust met een airbag
(SRS) aan de passagierszijde, maar geen
PACOS heeft, is de airbag altijd geactiveerd.
WAARSCHUWING!
Laat geen passagier op de passagiersstoel
plaatsnemen, als het waarschuwingssymbool voor het airbagsysteem op het instrumentenpaneel oplicht terwijl de tekst op het
plafondpaneel aangeeft dat de airbag (SRS)
aan die kant gedeactiveerd is. Het duidt op
een ernstige storing. Bezoek onmiddellijk
een erkende Volvo-werkplaats.
1. Zie pagina 17 voor informatie over het activeren/deactiveren van de airbag (SRS).
17
Veiligheid
Airbag (SRS) activeren/deactiveren
WAARSCHUWING!
Geactiveerde airbag (passagiersstoel):
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen op de passagiersstoel wanneer de airbag aan de passagierszijde geactiveerd is. Laat evenmin personen
die kleiner zijn dan 1,40 m op deze stoel
plaatsnemen.
Schakelaar voor PACOS (Passenger Airbag
Cut Off Switch)
Stand van de schakelaar
1.
2.
18
De airbag is geactiveerd. Met de
schakelaar in deze stand kunnen passagiers groter dan 1,40 m op de voorstoel
aan de passagierszijde zitten, maar
kinderen in een kinderzitje of op een
comfortkussen beslist niet.
De airbag is gedeactiveerd. Met de
schakelaar in deze stand kunnen kinderen
in een kinderzitje of op een comfortkussen
op de voorstoel aan de passagierszijde
zitten, maar passagiers groter dan 1,40 m
beslist niet.
Gedeactiveerde airbag (passagiersstoel):
Laat personen die groter zijn dan 1,40 m
nooit plaatsnemen op de passagiersstoel
wanneer de airbag aan de passagierszijde
gedeactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties
opleveren.
Veiligheid
SIPS-airbags (zij-airbags)
WAARSCHUWING!
De SIPS-airbags vormen een aanvulling op
de veiligheidsgordel.
Draag altijd de veiligheidsgordel.
Kinderzitjes en SIPS-airbags
Een SIPS-airbag heeft wat kinderzitjes betreft
geen negatieve gevolgen voor de beschermende functies van de auto.
Er kan een kinderzitje op de voorstoel worden
geplaatst, als de auto aan de passagierszijde
niet is uitgerust met een geactiveerde1 airbag.
WAARSCHUWING!
Positie van de SIPS-airbags
Reparaties mogen alleen door een erkende
Volvo-werkplaats worden uitgevoerd.
Ingrepen in de SIPS-airbags kunnen storingen in de werking veroorzaken en leiden tot
ernstig letsel.
SIPS-airbags (zij-airbags)
Een groot deel van de botskracht wordt door
het SIPS-systeem (Side Impact Protection System) over balken, stijlen, vloer, dak en andere
delen van de carrosserie verspreid. De SIPS-airbags aan de bestuurders- en de passagierszijde
beschermen de borstkas en vormen een
belangrijk onderdeel van het SIPS-systeem. Het
SIPS-systeem bestaat uit twee hoofdonderdelen: de SIPS-airbags en de sensoren. De SIPSairbags zijn aangebracht in de rugleuningframes
van de voorstoelen.
WAARSCHUWING!
Leg geen voorwerpen tussen de stoelen en
de portierpanelen, omdat dit gebied binnen
de actieradius van de SIPS-airbag ligt.
WAARSCHUWING!
Gebruik alleen door Volvo goedgekeurde
stoelhoezen. Andere stoelhoezen kunnen de
SIPS-airbags in hun werking hinderen.
1.
Zie pagina 17 voor informatie over
een geactiveerde/gedeactiveerde
airbag (SRS).
19
Veiligheid
G020343
SIPS-airbags (zij-airbags)
Bestuurdersplaats, auto met stuur links
SIPS-airbagsysteem
Het SIPS-systeem bestaat uit SIPS-airbags en
sensoren. Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren de sensoren, die op hun beurt de
gasgeneratoren activeren. De SIPS-airbags
worden vervolgens opgeblazen tussen de inzittende en het portierpaneel. Daarmee vangen de
SIPS-airbags de klap van de aanrijding op voor
de inzittende, waarna de airbags weer leeglopen. De airbag loopt weer leeg wanneer de
inzittende de airbag raakt. De SIPS-airbag
wordt normaal gesproken alleen opgeblazen
aan de kant van de aanrijding.
20
Passagiersplaats, auto met het stuur links
Positie van airbagsticker in voorportieropening aan de passagierszijde
Veiligheid
Opblaasgordijn (IC-systeem)
Eigenschappen
Het opblaasgordijn van het IC-systeem (Inflatable Curtain) vormt een aanvulling op het SIPSen SRS-systeem. Het zit verborgen achter de
plafondbekleding langs beide zijden van de auto
en beschermt inzittenden op de buitenste zitplaatsen. Bij een voldoende krachtige aanrijding
reageren de sensoren, waarna de opblaasgordijnen worden geactiveerd. Het systeem helpt
voorkomen dat de bestuurder en eventuele passagiers bij een botsing met hun hoofd tegen de
binnenkant van de auto slaan.
WAARSCHUWING!
Hang of bevestig nooit iets aan de handgrepen aan het plafond. De haak is alleen
bedoeld voor niet al te zware kledingstukken
(en niet voor harde voorwerpen zoals paraplu’s).
Schroef of bevestig geen onderdelen op de
plafondbekleding, de portierstijlen of de zijpanelen van de auto. Ze kunnen daarbij hun
beschermende werking verliezen. Er mogen
uitsluitend originele Volvo-onderdelen,
bestemd voor montage op deze plaatsen,
worden gebruikt.
WAARSCHUWING!
Zorg dat de lading in de auto niet uitsteekt
boven de denkbeeldige, horizontale lijn op
50 mm onder de bovenkant van de zijruiten.
Anders is het mogelijk dat het opblaasgordijn dat schuilgaat achter de plafondbekleding geen bescherming meer biedt.
WAARSCHUWING!
Het opblaasgordijn vormt een aanvulling op
de veiligheidsgordel.
Draag altijd de veiligheidsgordel.
21
Veiligheid
WHIPS-systeem
Bescherming tegen whiplashletsel, WHIPS
Het WHIPS-systeem (Whiplash Protection System) bestaat uit energieabsorberende rugleuningen en speciaal voor het systeem
ontwikkelde hoofdsteunen op de beide voorstoelen. Het systeem wordt geactiveerd bij een
aanrijding van achteren, afhankelijk van de hoek
waaronder en de snelheid waarmee het achteropkomende voertuig de auto raakt en de materiaaleigenschappen van dat voertuig.
WAARSCHUWING!
Het WHIPS-systeem vormt een aanvulling
op de veiligheidsgordel. Draag altijd een veiligheidsgordel.
22
Eigenschappen van de stoel
WHIPS-systeem en kinderzitjes
Bij activering van het WHIPS-systeem bewegen
de rugleuningen van de voorstoelen naar achteren, zodat de positie van de bestuurder en de
passagier op de voorstoelen verandert. Zo
wordt de kans op een zogeheten whiplash
beperkt.
Het WHIPS-systeem heeft geen nadelige
invloed op de beschermende werking van de
kinderzitjes of comfortkussens in de auto.
WAARSCHUWING!
Breng nooit zelf wijzigingen aan de stoel of
het WHIPS-systeem aan en probeer ze nooit
zelf te repareren. Neem contact op met een
erkende Volvo-werkplaats.
Juiste zithouding
Voor optimale bescherming moeten de bestuurder en de voorpassagier zo veel mogelijk in het
midden van de stoel plaatsnemen en de afstand
tussen het hoofd en de hoofdsteun zo klein
mogelijk houden.
Veiligheid
WHIPS-systeem
WAARSCHUWING!
Als de stoel heeft blootgestaan aan grote
krachten, zoals bij een aanrijding van achteren, moet u het WHIPS -systeem laten controleren bij een erkende Volvo-werkplaats.
Het WHIPS -systeem kan een deel van de
beschermende eigenschappen hebben verloren, ook al ziet de stoel er intact uit. Neem
contact op met een erkende Volvo-werkplaats om het systeem te laten controleren,
ook na een lichte aanrijding van achteren.
Zorg dat u de werking van het
WHIPS-systeem niet beïnvloedt
WAARSCHUWING!
Plaats geen koffer of iets dergelijks tussen
het zitgedeelte van de achterbank en de rugleuning van de voorstoelen. Let erop dat u
de werking van het WHIPS-systeem niet
nadelig beïnvloedt.
WAARSCHUWING!
Als u een van de ruggedeelten van de achterbank hebt neergeklapt, moet u de voorstoel aan dezelfde kant naar voren schuiven
zodat de rugleuning van de stoel niet tegen
het neergeklapte ruggedeelte van de achterbank aankomt.
23
Veiligheid
Activering van de veiligheidssystemen
Systeem
Activering
Gordelspanners
Airbags (SRS)
Bij een frontale botsing1.
SIPS-airbags
Bij een aanrijding in de zij1.
Opblaasgordijn (IC-systeem)
Bij een aanrijding in de zij1.
Bij een aanrijding van achteren.
WHIPS-systeem (Whiplash-bescherming)
Bij een frontale botsing en/of aanrijding in de zij.
1. Het is mogelijk dat de airbags niet worden opgeblazen, ondanks dat de carrosserie van de auto danig vervormd raakt. Enkele factoren zoals de stijfheid en
het gewicht van het lichaam waarmee de auto in botsing komt, de snelheid van de auto, de hoek waaronder de botsing plaatsvindt e.d. zijn van invloed op
de wijze van activering van de verschillende veiligheidssystemen op de auto.
Na activering van de airbags adviseren wij u het
volgende:
•
Sleep de auto naar een erkende Volvo-werkplaats. Rijd nooit met geactiveerde airbags.
• Laat de onderdelen van het veiligheidssysteem in de auto door een erkende Volvowerkplaats vervangen.
• Neem altijd contact op met een arts.
N.B. De SRS-, SIPS-, IC-systemen en de gordelspanners worden bij een botsing slechts
eenmaal geactiveerd.
24
WAARSCHUWING!
De regeleenheid van het SRS -systeem zit in
de middenconsole. Ontkoppel de accukabels als de vloer van de passagiersruimte vol
water of een andere vloeistof staat. Probeer
de auto niet te starten, omdat de airbags
daarbij geactiveerd kunnen worden. Sleep
de auto naar een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING!
Rijd nooit met geactiveerde airbags. Ze kunnen u bij het sturen danig in de weg zitten.
Ook de andere veiligheidssystemen kunnen
beschadigd zijn. Langdurige blootstelling
aan de rook en het stof die vrijkomen bij activering van de airbags kan oog- en huidirritatie veroorzaken. Spoel bij irritatie met koud
water. De snelheid waarmee de airbags/gordijnen worden opgeblazen kan in combinatie
met de toegepaste materialen resulteren in
schaaf- en brandwonden.
Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Door het gebruik van originele Volvo-onderdelen bent u er zeker van dat de bevestigingspunten en bevestigingsonderdelen op de juiste
wijze zijn aangebracht en sterk genoeg zijn.
WAARSCHUWING!
Personen kleiner dan 1,40 m mogen alleen
op de voorstoel plaatsnemen als de passagiersairbag gedeactiveerd is.
Kinderen moeten comfortabel en
veilig zitten
De plaats van het kind in de auto en de vereiste
uitrusting is afhankelijk van het gewicht en de
lengte van het kind (zie pagina 27 voor meer
informatie).
N.B. De wettelijke bepalingen voor het vervoer
van kinderen in de auto verschillen van land tot
land. Ga na welke regels er in uw land van
kracht zijn.
Ongeacht leeftijd en lengte moeten kinderen
altijd met de gordel goed om in de auto zitten.
Laat kinderen nooit bij passagiers op schoot zitten.
De veiligheidsuitrusting voor kinderen die Volvo
biedt, is afgestemd op het gebruik in uw auto.
Airbags (SRS) en kinderzitjes gaan niet
samen
Kinderzitjes
Volvo heeft kinderveiligheidsproducten die
afgestemd zijn op uw Volvo en uitvoerig door
Volvo getest zijn.
WAARSCHUWING!
Bij gebruik van andere op de markt verkrijgbare kinderveiligheidsproducten is het van
belang dat u de bijgeleverde montageinstructies zorgvuldig doorleest en nauwkeurig opvolgt.
Zet de bevestigingsbanden van het kinderzitje
nooit vast aan de hendel waarmee u de voor25
Veiligheid
Kinderen en veiligheid
stoel in de lengterichting verstelt of aan veren,
rails of balken onder de stoel. Scherpe randen
kunnen de bevestigingsbanden beschadigen.
Laat de rugleuning van het kinderzitje tegen het
dashboard steunen. Dit geldt voor auto’s zonder
airbag aan de passagierszijde of auto’s waarvan
de airbag gedeactiveerd is.
Positie van kinderzitje
Het volgende kan worden gebruikt:
•
een kinderzitje op de passagiersstoel,
zolang de airbag aan de passagierszijde
gedeactiveerd1 is;
• een achterstevoren gemonteerd kinderzitje
op de achterbank dat tegen de rugleuning
van de voorstoel steunt.
Plaats een kind altijd op de achterbank als de
airbag aan de passagierszijde geactiveerd is.
Als de airbag wordt geactiveerd, kan een kind in
een kinderzitje aan de passagierszijde ernstig
letsel oplopen.
WAARSCHUWING!
Plaats nooit een kinderzitje op de voorstoel,
als de auto is uitgerust met een geactiveerde
airbag aan de passagierszijde. Bij problemen
tijdens de montage van kinderveiligheidsproducten kunt u contact opnemen met de fabrikant voor nadere inlichtingen over de
montage.
1.
26
Zie pagina 17 voor informatie over
een geactiveerde/gedeactiveerde
airbag (SRS).
Sticker op zijwand dashboard
Sticker op zijwand dashboard (alleen
Australië)
Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Plaats van kinderen in de auto
Gewicht
(leeftijd)
<10 kg
(tot 9
maanden)
Voorstoel
•
Mogelijkheden:
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje,
te bevestigen met veiligheidsgordel.
•
L1: Typegoedk.: E5 03160
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje,
te bevestigen met ISOFIX-systeem.
•
L1: Typegoedk.: E5 03162
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje,
te bevestigen met veiligheidsgordel en
bevestigingsband.
Buitenste zitplaats van de
achterbank
•
1:
•
•
L1: Typegoedk.: E5 03135
9–18 kg
(9–36
maanden)
•
Mogelijkheden:
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje,
te bevestigen met veiligheidsgordel.
•
L1: Typegoedk.: E5 03161
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje,
te bevestigen met ISOFIX-systeem.
•
L1: Typegoedk.: E5 03163
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje,
te bevestigen met veiligheidsgordel en
bevestigingsband.
L1: Typegoedk.: E5 03135
Mogelijkheden:
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje,
te bevestigen met veiligheidsgordel en
steun.
L1: Typegoedk. E5 03135
L1: Typegoedk.: E5 03162
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje,
te bevestigen met veiligheidsgordel,
steun en bevestigingsband.
1
•
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje,
te bevestigen met veiligheidsgordel,
steun en bevestigingsband.
L Typegoedk.: E5 03160
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje,
te bevestigen met ISOFIX-systeem en
steun.
L1: Typegoedk. E5 03135
Mogelijkheden:
• Achterstevoren gemonteerd kinderzitje,
te bevestigen met veiligheidsgordel en
steun.
•
Middelste zitplaats achterbank
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje,
te bevestigen met veiligheidsgordel,
steun en bevestigingsband.
L1: Typegoedk. E5 03135
L : Typegoedk.: E5 03161
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje,
te bevestigen met ISOFIX-systeem en
steun.
L1: Typegoedk.: E5 03163
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje,
te bevestigen met veiligheidsgordel,
steun en bevestigingsband.
L1: Typegoedk. E5 03135
27
Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Gewicht
(leeftijd)
15–36 kg
(3–12 jaar)
Voorstoel
Buitenste zitplaats van de
achterbank
Comfortkussen met of zonder rugleuning.
L1: Typegoedk. E5 03139
•
Mogelijkheden:
Comfortkussen met of zonder rugleuning.
L
•
1:
Middelste zitplaats achterbank
Comfortkussen met of zonder
rugleuning.
L1: Typegoedk. E5 03139
Typegoedk. E5 03139
Geïntegreerd kinderzitje.2
B3: Typegoedk.: E5 03159
1. L: Geschikt voor speciale kinderzitjes (zie overzicht onder genoemde typegoedkeuring). Kinderzitjes kunnen bestemd zijn voor één bepaald merk auto,
voor een beperkte groep merken, semi-universeel of universeel zijn.
2. Optie
3. B: Geïntegreerd en goedgekeurd voor deze leeftijdscategorie
28
Veiligheid
Kinderen en veiligheid
WAARSCHUWING!
Zet nooit een kind in een kinderzitje op de
passagiersstoel als de airbag (SRS) geactiveerd is.
Personen kleiner dan 1,40 m mogen nooit
op de passagiersstoel plaatsnemen als de
airbag (SRS) geactiveerd1 is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties
opleveren voor uw kind.
1. Zie pagina 17 voor informatie over een
geactiveerde/gedeactiveerde airbag (SRS).
Geïntegreerde kinderzitjes (optie)
De geïntegreerde kinderzitjes van Volvo op de
beide buitenste zitplaatsen achterin zijn speciaal ontworpen om kinderen maximale
bescherming te bieden.
In combinatie met de aanwezige veiligheidsgordels zijn de geïntegreerde kinderzitjes goedgekeurd voor kinderen met een gewicht van 15 tot
36 kg.
29
Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Zorg dat:
•
•
•
•
•
het kinderzitje in de vergrendelde stand
staat;
de veiligheidsgordel goed strak langs het
lichaam van het kind loopt, nergens slap
hangt of verdraaid is en dat de veiligheidsgordel goed over de schouder ligt;
de heupgordel laag over het bekken loopt
om maximale bescherming te bieden;
de veiligheidsgordel niet tegen de nek van
het kind aankomt of onder de schouder
langs loopt;
stel de stand van de hoofdsteun zorgvuldig
af op de lengte van het kind.
Kinderzitje uitklappen
– Trek aan de handgreep zodat het kinderzitje
omhoogkomt (1).
– Pak het zitje met beide handen vast en duw
het naar achteren (2).
– Druk het zo ver achteruit dat het
vergrendelt (3).
WAARSCHUWING!
Het kinderzitje moet in de vergrendelde
stand staan voordat u het kind in het zitje
aanbrengt.
30
Kinderzitje inklappen
WAARSCHUWING!
Reparatie of vervanging dient alleen te worden uitgevoerd door een erkende Volvowerkplaats. Voer zelf geen wijzigingen of
aanpassingen uit aan het geïntegreerde kinderzitje.
Als een geïntegreerd kinderzitje aan grote
krachten heeft blootgestaan zoals tijdens
een aanrijding, moet u het geïntegreerde kinderzitje in zijn geheel vervangen. Ook al ziet
het geïntegreerde kinderzitje er intact uit,
kunnen er toch beschermende eigenschappen verloren zijn gegaan. Het geïntegreerde
kinderzitje moet ook worden vervangen als
het erg versleten is.
– Trek aan de handgreep (1).
– Duw het kussen zo ver omlaag dat het
vergrendelt (2).
N.B. Let erop dat u het geïntegreerde kinderzitje eerst moet inklappen voordat u de ruggedeelten van de achterbank voorover kunt
klappen.
Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Kinderzitje monteren
Volvo heeft kinderveiligheidsproducten die
afgestemd zijn op uw Volvo en uitvoerig door
Volvo getest zijn.
WAARSCHUWING!
Gebruik geen kinderzitjes met stalen beugels of andere constructies die tegen de ontgrendelingsknop van de gordelsluiting
kunnen aankomen. Dit om te voorkomen dat
de gordels plotseling losschieten.
Zorg dat het kinderzitje niet met de bovenkant tegen de voorruit aankomt.
Bij het gebruik van andere op de markt verkrijgbare producten is het belangrijk dat u de bijgeleverde montagevoorschriften zorgvuldig
doorleest en nauwkeurig opvolgt.
•
•
Zet de bevestigingsbanden van het kinderzitje nooit vast aan de hendel waarmee u de
voorstoel in de lengterichting verstelt of aan
veren, rails of balken onder de stoel.
Scherpe randen kunnen de bevestigingsbanden beschadigen.
Laat de rugleuning van het kinderzitje tegen
het dashboard steunen. Dit geldt voor
auto’s zonder airbag aan de passagierszijde
of auto’s waarvan de airbag gedeactiveerd
is.
WAARSCHUWING!
Plaats nooit een kinderzitje op de voorstoel,
als de auto is uitgerust met een geactiveerde1 airbag aan de passagierszijde. Bij
problemen tijdens de montage van kinderveiligheidsproducten kunt u contact opnemen met de fabrikant voor nadere
inlichtingen over de montage.
1. Zie pagina 17 voor informatie over een
geactiveerde/gedeactiveerde airbag (SRS).
ISOFIX-bevestigingssysteem voor
kinderzitjes (optie)
Achter de onderkant van de ruggedeelten op de
beide buitenste zitplaatsen van de achterbank
gaan de bevestigingspunten voor het ISOFIXsysteem schuil.
Symbolen in de bekleding van de ruggedeelten
(zie bovenstaande afbeelding) geven de positie
van deze bevestigingspunten aan.
Duw het zitgedeelte van de zitplaats omlaag om
bij de bevestigingspunten te komen.
Houd u altijd aan de montage-instructies van de
fabrikant, wanneer u een kinderzitje/babyzitje
aan de ISOFIX-bevestigingspunten vastzet.
31
Veiligheid
Kinderen en veiligheid
WAARSCHUWING!
Als uw auto is uitgerust met een extra
bankje, moet de achterklep zijn voorzien van
een cilinderslot. U kunt de achterklep dan op
de normale manier van buitenaf openen (met
de sleutel in het bestuurdersportier en/of
met de afstandsbediening) en met de sleutel
in het cilinderslot van de achterklep.
Het kinderslot op de achterklep moet zijn
ingeschakeld om te voorkomen dat een kind
de achterklep van de binnenzijde kan openen.
Extra bankje (optie)
Het extra bankje is afgestemd op het vervoer
van twee kinderen met elk een gewicht van 15
tot 36 kg en een lengte van maximaal 1,40 m.
Het maximale totaalgewicht is 72 kg.
Uitklappen
– Verwijder de bagagerolhoes voor zover uw
auto van iets dergelijks is voorzien.
– Klap het ruggedeelte naar voren in de
geblokkeerde stand.
– Klap het zitgedeelte naar voren.
Inklappen
– Klap het zitgedeelte naar achteren.
– Trek het ruggedeelte aan de handgreep
open en klap het omlaag.
32
WAARSCHUWING!
Bij gebruik van het extra bankje moeten de
beide ruggedeelten van de achterbank
rechtop staan, het bagagenet verwijderd zijn
en het kinderslot zijn uitgeschakeld. Dit om
ervoor te zorgen dat de kinderen bij een aanrijding zelf uit de auto kunnen komen.
Als uw auto is uitgerust met een stalen rek
moet u dit altijd verwijderen, voordat u het
extra bankje in gebruik neemt.
Als u bij het gebruik van het extra bankje in de
bagageruimte ook de bagagerolhoes moet
meenemen, kunt u het volgende doen:
– Zet de beide ruggedeelten van de achterbank rechtop (zie pagina 91).
– Plaats de losse bagagerolhoes voorzichtig
tussen de ruggedeelten van de achterbank
en het extra bankje. Klap de hoofdsteunen
van het extra bankje omhoog.
Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto met het stuur links
Overzicht auto’s met het stuur rechts
Instrumentenpaneel
Controle- en waarschuwingslampjes
Informatiedisplay
Schakelaars op middenconsole
Verlichtingspaneel
Linker stuurhendel
Rechter stuurhendel
Boordcomputer
Cruisecontrol (optie)
Handrem, elektrische aansluiting/aansteker
Stuurwielafstelling
Elektrisch bedienbare zijruiten
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
Elektrisch bedienbaar schuifdak (optie)
34
36
38
39
42
44
48
50
51
53
54
56
58
59
61
64
33
Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto met het stuur links
34
Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto met het stuur links
Bedieningspaneel op bestuurdersportier
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
9.
10.
11.
12.
13.
14.
15.
Mistlampen................................................................................. pagina 49
Koplampen, stadslichten/parkeerlichten vóór en
achterlichten............................................................................... pagina 48
Mistachterlicht ........................................................................... pagina 49
Richtingaanwijzers, schakelaarhendel groot licht/
dimlichtpagina ........................................................................................ 50
Cruisecontrol ............................................................................. pagina 54
Claxon...........................................................................................................–
Instrumentenpaneel.................................................................. pagina 38
Toetsenset voor telefoon/
audiosysteem............................. pagina 226/pagina 211/pagina 204
Ruitenwissers ............................................................................ pagina 52
Handrem ..................................................................................... pagina 56
Schakelaarpaneel ..................................................................... pagina 44
Klimaatregeling......................................................pagina 70, pagina 72
Audiosysteem ..........................................................................pagina 204
Elektrische aansluiting, aansteker ......................................... pagina 45
Alarmlichten ............................................................................... pagina 46
16.
17.
18.
19.
20.
21.
22.
23.
24.
25.
26.
27.
28.
29.
30.
31.
32.
33.
34.
35.
36.
37.
38.
39.
40.
Dashboardkastje....................................................................... pagina 87
Blaasmond ................................................................................. pagina 69
Display......................................................................................... pagina 42
Temperatuurmeter..................................................................... pagina 38
Kilometerteller, dagteller/cruisecontrol ............ pagina 38/pagina 54
Snelheidsmeter ......................................................................... pagina 38
Richtingaanwijzer .................................................. pagina 38/pagina 50
Toerenteller................................................................................. pagina 38
Buitentemperatuurmeter, klokje, schakelstandindicatie... pagina 38
Brandstofmeter ......................................................................... pagina 38
Controle- en waarschuwingslampjes ................................... pagina 39
Blaasmonden............................................................................. pagina 69
Instrumentenverlichting ........................................................... pagina 49
Koplamphoogteregeling.......................................................... pagina 48
Verlichtingspaneel..................................................................... pagina 48
Leeslampjes ............................................................................... pagina 82
Interieurverlichting .................................................................... pagina 82
Knop, elektrisch bedienbaar schuifdak ................................ pagina 64
Gordelwaarschuwing............................................................... pagina 40
Achteruitkijkspiegel .................................................................. pagina 61
Vergrendelingsknop, simultaanvergrendeling alle
portieren....................................................................................pagina 106
Blokkeerknop ruitbediening achterportieren ...................... pagina 60
Knop, elektrisch bedienbare ruiten ....................................... pagina 59
Knop, buitenspiegels ............................................................... pagina 63
-.......................................................................................................................-
35
Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto’s met het stuur rechts
36
Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto’s met het stuur rechts
Bedieningspaneel op bestuurdersportier
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
9.
10.
11.
12.
13.
14.
15.
16.
Mistachterlicht ........................................................................... pagina 49
Koplampen, stadslichten/parkeerlichten vóór en
achterlichten............................................................................... pagina 48
Mistlampen................................................................................. pagina 49
Ruitenwissers ............................................................................ pagina 52
Toetsenset voor telefoon/
audiosysteem............................. pagina 204/pagina 211/pagina 226
Claxon...........................................................................................................–
Instrumentenpaneel.................................................................. pagina 38
Cruisecontrol ............................................................................. pagina 54
Richtingaanwijzers, schakelaarhendel groot licht/dimlichtpagina 50
Handrem ..................................................................................... pagina 56
Elektrische aansluiting, aansteker ......................................... pagina 45
Klimaatregeling......................................................pagina 70, pagina 72
Audiosysteem ..........................................................................pagina 204
Schakelaarpaneel ..................................................................... pagina 44
Alarmlichten ............................................................................... pagina 46
Dashboardkastje ....................................................................... pagina 87
17.
18.
19.
20.
21.
22.
23.
24.
25.
26.
27.
28.
29.
30.
31.
32.
33.
34.
35.
36.
37.
38.
39.
40.
Blaasmond ................................................................................. pagina 69
Controle- en waarschuwingslampjes ................................... pagina 39
Brandstofmeter ......................................................................... pagina 38
Buitentemperatuurmeter, klokje, schakelstandindicatie... pagina 38
Toerenteller................................................................................. pagina 38
Richtingaanwijzer .................................................. pagina 38/pagina 50
Snelheidsmeter ......................................................................... pagina 38
Kilometerteller, dagteller/cruisecontrol ............ pagina 38/pagina 54
Temperatuurmeter..................................................................... pagina 38
Display......................................................................................... pagina 42
Blaasmonden............................................................................. pagina 69
Verlichtingspaneel..................................................................... pagina 48
Koplamphoogteregeling.......................................................... pagina 48
Instrumentenverlichting ........................................................... pagina 49
Leeslampjes ............................................................................... pagina 82
Interieurverlichting .................................................................... pagina 82
Knop, elektrisch bedienbaar schuifdak ................................ pagina 64
Gordelwaarschuwing............................................................... pagina 40
Achteruitkijkspiegel .................................................................. pagina 61
Vergrendelingsknop, simultaanvergrendeling alle
portieren....................................................................................pagina 106
Blokkeerknop ruitbediening achterportieren ...................... pagina 60
Knop, elektrisch bedienbare ruiten ....................................... pagina 59
Knop, buitenspiegels ............................................................... pagina 63
-.......................................................................................................................-
37
Instrumenten, schakelaars en bediening
Instrumentenpaneel
1. Temperatuurmeter
De temperatuurmeter geeft de temperatuur in
het koelsysteem van de motor aan. Op het display verschijnt een melding, als de temperatuur
abnormaal hoog is en de naald tot in het rode
gebied uitslaat. Let erop dat verstralers voor de
radiateurgrille het koelvermogen verminderen bij
een hoge buitentemperatuur en een zware
belasting van de motor.
2. Display
Op het display worden informatieve meldingen
en waarschuwingsmeldingen weergegeven.
3. Snelheidsmeter
De snelheidsmeter geeft de snelheid van de
auto aan.
4. Dagtellers, T1 en T2
De dagtellers gebruikt u om kortere afstanden
op te meten. Het rechter cijfer geeft de afstand
in honderden meters aan. U kunt de dagtellers
op nul zetten door de knop langer dan
2 seconden in te drukken. U wisselt van dagteller door de knop korte tijd in te drukken.
38
5. Indicatie voor cruisecontrol
Zie pagina 54.
6. Kilometerteller
De kilometerteller geeft het totale aantal kilometers aan dat er met de auto is gereden.
7. Grootlichtindicatie
8. Waarschuwingslampjes
Als er een storing optreedt, licht het waarschuwingslampje op en verschijnt er een melding op
het display.
9. Toerenteller
De toerenteller geeft het motortoerental aan in
duizenden toeren per minuut. Laat de naald van
de toerenteller niet tot in het rode gebied uitslaan.
10. Indicatie voor automatische versnellingsbak
Hier ziet u welk schakelprogramma er wordt
aangehouden. Als u een automatische versnellingsbak met Geartronic hebt en het handmatige schakelprogramma gebruikt, ziet u hier
welke versnelling u hebt ingeschakeld.
11. Buitentemperatuurmeter
De buitentemperatuurmeter geeft de buitentemperatuur aan. Wanneer de temperatuur in het
interval van –5 °C tot +2 °C ligt, verschijnt er
een sneeuwvlokje op het display. Het symbool
wijst op het gevaar voor gladheid. Wanneer de
auto stilstaat of geparkeerd gestaan heeft, is het
mogelijk dat de buitentemperatuurmeter een te
hoge waarde aangeeft.
12. Klokje
Draai aan de knop om het klokje op de juiste tijd
in te stellen.
13. Brandstofmeter
Er zit nog ongeveer 8 liter brandstof in de tank,
wanneer het lampje op het instrumentenpaneel
oplicht.
14. Controle- en waarschuwingslampjes
15. Indicatorlampjes richtingaanwijzers,
links/rechts
Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingslampjes
Functietest, lampjes
Oranje licht:
– Lees de melding op het display. Verhelp de
storing!
U kunt de displaytekst verwijderen met een druk
op de knop READ (zie pagina 42). Wanneer u
2 minuten niets doet, verdwijnt de displaytekst
automatisch.
waarschuwingslampjes1
Alle controle- en
gaan
branden, wanneer u de contactsleutel voor het
starten in stand II draait. De werking van de
lampjes wordt dan gecontroleerd. Alle lampjes
moeten weer uitgaan als de motor is aangeslagen, behalve het lampje voor de handrem. Dit
gaat pas uit als de auto van de handrem wordt
gehaald.
Als de motor niet binnen vijf seconden aanslaat, gaan alle lampjes uit,
behalve de lampjes voor storingen
in het uitlaatgasreinigingssysteem
van de auto en voor lage oliedruk.
Sommige lampjes hebben geen
functie. Dit hangt af van de uitrusting van de auto.
Wanneer de tekst “TIJD VOOR REG. SERVICE” verschijnt, doet u het waarschuwingslampje uit en verwijdert u de tekst met behulp
van de knop READ. Dit gebeurt automatisch na
2 minuten.
Storing in ABS
Waarschuwingslampje midden op
instrumentenpaneel
Het waarschuwingslampje licht rood
of oranje op afhankelijk van de ernst
van de geregistreerde storing.
Rood licht:
1.
Bij bepaalde motortypes is het lampje
voor een lage oliedruk niet in gebruik!
Er verschijnt in plaats daarvan een
displaytekst (zie pagina 181).
– Breng de auto op een veilige plek tot stilstand. Rijd niet verder met de auto.
– Lees de informatie op het informatiedisplay.
– Verhelp het probleem aan de hand van de
aanwijzingen of neem contact op met een
erkende Volvo-werkplaats.
Het lampje blijft branden en de displaytekst
staan totdat de storing is verholpen.
Als het waarschuwingslampje voor
het ABS -systeem oplicht, werkt het
ABS -systeem niet meer. Het normale
remsysteem van de auto werkt dan
nog, zij het zonder ABS -regeling.
– Breng de auto op een veilige plaats tot stilstand en zet de motor af.
– Start de motor opnieuw.
Als het waarschuwingslampje echter blijft branden, moet u de auto naar een erkende Volvowerkplaats rijden om het ABS -systeem te laten
controleren.
Storing in remsysteem
Als het lampje voor het remsysteem
oplicht, is het mogelijk dat het remvloeistofpeil te laag is.
39
Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingslampjes
Breng de auto op een veilige plaats tot stilstand
en controleer het peil in het remvloeistofreservoir (zie pagina 184).
•
Als de vloeistof lager staat dan het MIN merkje van het reservoir, dient u niet verder
te rijden met de auto. Laat de auto naar een
erkende Volvo-werkplaats slepen om het
remsysteem te controleren.
Als de waarschuwingslampjes voor
het remsysteem en het ABS-systeem
tegelijkertijd branden, kan er een storing in de remkrachtverdeling zijn
opgetreden.
Breng de auto op een veilige plaats tot
stilstand en zet de motor af. Start de
motor opnieuw.
•
•
•
•
40
Als beide lampjes uitgaan, kunt u verder rijden.
Als de waarschuwingslampjes echter blijven
branden, moet u het peil in het remvloeistofreservoir controleren (zie pagina 184).
Als het peil lager is dan het MIN -merkje van
het remvloeistofreservoir, dient u niet verder
te rijden met de auto. Laat de auto naar een
erkende Volvo-werkplaats slepen om het
remsysteem te controleren.
Als de lampjes echter blijven branden
ondanks dat het peil in het remvloeistofpeil
in orde is, moet u de auto uiterst voorzichtig
naar de dichtstbijzijnde erkende Volvo-werkplaats rijden om het remsysteem te laten
WAARSCHUWING!
Als de waarschuwingslampjes voor het remsysteem en ABS-systeem tegelijkertijd
oplichten, bestaat het gevaar dat de achtertrein bij krachtig remmen gaat slippen.
Gordelwaarschuwing
Het waarschuwingslampje voor de
veiligheidsgordels brandt, zolang de
bestuurder de gordel niet heeft omgedaan.
Te lage oliedruk1
Als het lampje tijdens het rijden
oplicht, is de druk van de motorolie te
laag. Zet de motor onmiddellijk af en
controleer het motoroliepeil. Als het
lampje oplicht ondanks dat het oliepeil in orde
is, dient u de auto tot stilstand te brengen en u
contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats.
Storing in uitlaatgasreinigingssysteem
Rijd de auto naar een erkende Volvowerkplaats om het systeem te laten
controleren.
Airbags (SRS)
Als het waarschuwingslampje voor
het SRS-systeem oplicht, is er een
storing in het SRS-systeem geregistreerd. Rijd de auto naar een erkende
Volvo-werkplaats om het systeem te laten controleren.
Dynamo laadt niet bij
Als het lampje tijdens het rijden
oplicht, is er waarschijnlijk sprake van
een storing in het elektrisch systeem.
Breng een bezoek aan een erkende
Volvo-werkplaats.
Voorgloeifunctie motor (diesel)
Het lampje licht op wanneer de voorgloeifunctie van de motor actief is.
Wanneer het lampje dooft, kunt u de
motor starten. Geldt alleen voor dieselmodellen.
Handrem aangetrokken
1.
Bij bepaalde motortypes is het lampje
voor een lage oliedruk niet in gebruik!
Er verschijnt in plaats daarvan een
displaytekst (zie pagina 181).
Het lampje brandt, wanneer de handrem is aangetrokken. Haal de hand-
Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingslampjes
remhendel bij het aantrekken altijd volledig
omhoog.
N.B. Het lampje brandt al wanneer de hendel
één “tandje” is aangetrokken.
Mistachterlicht
Dit lampje brandt wanneer u het mistachterlicht hebt ingeschakeld.
Controlelampje voor aanhanger
Het controlelampje knippert, wanneer
u de richtingaanwijzers op de auto en
op de aanhanger gebruikt. Als het
lampje niet knippert, is een van de
richtingaanwijzers op de auto of de
aanhanger defect.
Stabiliteitssysteem STC/DSTC
(optie)
D e verschillende functies en lampjes
van het systeem staan beschreven op
pagina 127.
41
Instrumenten, schakelaars en bediening
Informatiedisplay
opgeslagen meldingen wilt bekijken. U kunt de
meldingen doorbladeren door op de knop
READ (A) te drukken.
Druk nogmaals op de knop READ om de meldingen weer in het geheugen op te slaan.
N.B. Als er een waarschuwingsmelding verschijnt terwijl u zich bijvoorbeeld in een menu
van de boordcomputer bevindt of wilt telefoneren, moet u eerst bevestigen dat u de melding
hebt gezien. U doet dat door op de knop
READ (A) te drukken.
Displaymelding
Wanneer er een controle- of waarschuwingslampje oplicht, verschijnt er tevens een melding
op het display. Wanneer u de melding gelezen
en begrepen hebt, kunt u op de knop READ (A)
drukken. De melding wordt dan van het display
gewist en in een geheugen opgeslagen. De
melding blijft in het geheugen opslagen, totdat
u de onderliggende storing hebt laten verhelpen.
Meldingen die duiden op zeer ernstige storingen kunt u niet van het display wissen. De meldingen blijven op het display staan, totdat u de
onderliggende storing hebt laten verhelpen.
Meldingen die in het geheugen liggen opgeslagen kunt u op een later tijdstip nogmaals doorlezen. Druk op de knop READ (A), als u de
42
Instrumenten, schakelaars en bediening
Informatiedisplay
Melding
STOP AUTO Z.S.M.
ZET DE MOTOR AF
SERVICE SPOED
ZIE HANDLEIDING
SERVICE VEREIST
BIJ ONDERHOUD
TIJD VOOR REG. SERVICE
ROETFILTER VOL – ZIE HANDLEIDING1
STC/DSTC SPIN CONTROL UIT
Betekenis
Breng de auto op veilige wijze tot stilstand en zet de motor af. Grote kans op schade
Breng de auto op veilige wijze tot stilstand en zet de motor af. Grote kans op schade
Breng uw auto voor controle naar de werkplaats
Raadpleeg het instructieboekje
Laat uw auto zo spoedig mogelijk controleren
Laat uw auto tijdens de volgende servicebeurt controleren
Als de displaytekst verschijnt, moet de auto voor een servicebeurt naar de werkplaats. Wanneer de
tekst verschijnt, hangt af van de afgelegde afstand, het aantal maanden dat verstreken is sinds de
laatste servicebeurt en het aantal draaiuren van de motor
Het roetfilter van dieselmodellen is aan regeneratie toe (zie pagina 117).
Er gelden beperkingen voor het stabiliteits- en tractieregelsysteem (zie pagina 127 voor meer
varianten).
1. Verschijnt samen met een oranje gevarendriehoek
43
Instrumenten, schakelaars en bediening
Schakelaars op middenconsole
N.B. De onderlinge positie van de knoppen kan
variëren.
DSTC-systeem1
Met deze knop kunt u de functies van het DSTC-systeem
beperken of een geldende
beperking opheffen.
Actief chassis, FOUR-C (optie)
Druk op de knop om een van
de chassistanden Comfort of
Sport te kiezen
(zie pagina 129). Op het informatiedisplay verschijnt
10 seconden lang de actuele
stand.
BLIS (Blind Spot Information
System) (optie)
Druk op de knop om het systeem te deactiveren of te heractiveren (zie pagina 149 voor
meer informatie).
De led in de knop licht op om
aan te geven dat het DSTC-systeem actief is
(mits er geen sprake is van een storing).
N.B. Om de werking van het DSTC-systeem te
beperken moet u de knop ten minste een halve
seconde ingedrukt houden.
De led in de knop dooft dan en de melding
DSTC ANTISKID CONTROL UIT verschijnt op
het informatiedisplay.
1.
44
Optie op bepaalde markten.
Het DSTC-systeem wordt iedere keer dat u de
motor start, automatisch geactiveerd. Zie
pagina 127 voor meer informatie.
WAARSCHUWING!
Let erop dat de rijeigenschappen van de
auto veranderen, als u het DSTC-systeem
uitschakelt.
Instrumenten, schakelaars en bediening
Schakelaars op middenconsole
Kinderslot op achterportieren
(optie)
Met deze knop kunt u het elektrisch kinderslot op de achterportieren in- of uitschakelen.
De contactsleutel moet daarbij in stand I of II staan. Wanneer het kinderslot
geactiveerd is, brandt de led in de knop. Er verschijnt een melding op het display, wanneer u
het kinderslot in- of uitschakelt.
Elektrische aansluiting/aansteker
(optie)
U kunt de elektrische aansluiting gebruiken verschillende
accessoires die op een spanning van 12 V werken, zoals
een mobiele telefoon of een
koelbox.
De contactsleutel moet ten minste in stand I
staan, anders geeft de aansluiting geen stroom.
U activeert de aansteker door de knop in de
drukken. Wanneer de aansteker heet genoeg is,
veert de knop automatisch uit. Haal de aansteker uit de opening en gebruik het roodgloeiende
deel om een sigaar of sigaret aan te steken. Om
veiligheidsredenen moet u het deksel altijd op
de aansluiting laten zitten, wanneer deze niet in
gebruik is. De maximale stroomsterkte is 10 A.
Inklapbare buitenspiegels (optie)
Met deze knop kunt u de elektrisch bedienbare buitenspiegels in- en uitklappen.
Ga als volgt te werk, als een
van de buitenspiegels per
ongeluk in- of uitgeklapt is:
– Haal de buitenspiegel zo ver mogelijk naar
voren toe.
– Draai de contactsleutel naar stand II.
– Klap de buitenspiegel met behulp van de
knop eerst naar binnen en vervolgens weer
naar buiten toe. De buitenspiegels staan
daarna weer in hun oorspronkelijke stand.
bewegings- en niveausensoren van het alarmsysteem1 buiten werking stellen – wanneer u
bijvoorbeeld met de auto een veerverbinding
neemt. De led in de knop brandt, wanneer de
functies zijn uitgeschakeld c.q. buiten werking
zijn gesteld.
Verstralers (accessoires)
Druk op deze knop als u de
verstralers van de auto’s tegelijk met het groot licht wilt voeren of als u de verstralers uit
wilt schakelen. De led in de
knop brandt om aan te geven
dat de functie actief is.
Park Assist (optie)
Park Assist (parkeerhulp) is bij
het starten van de motor altijd
ingeschakeld. Druk op de
knop om Park Assist uit te
schakelen/opnieuw in te schakelen (zie ook pagina 130).
Safelock-functie en alarmsensoren deactiveren
Maak gebruik van deze knop
om de Safelock-functie desgewenst uit te schakelen
(Safelock houdt in dat de portieren na vergrendeling niet
meer van de binnenzijde te
openen zijn). Gebruik deze knop ook om de
1.
Optie
45
Instrumenten, schakelaars en bediening
Schakelaars op middenconsole
Active Bi-Xenon Lights, ABL
(optie)
De lichtbundels van de ABLkoplampen draaien met het
stuurwiel mee. De functie
wordt bij het starten van de
motor automatisch geactiveerd en kan met de bijbehorende knop worden uitgeschakeld/
ingeschakeld. De led in de knop brandt, wanneer de functie actief is.
Lichtbundel aanpassen aan links-/
rechtsrijdend verkeer
Houd de knop ten minste vijf seconden lang
ingedrukt. Bij het aanpassen van de lichtbundel
dient de auto stil te staan. De melding
DIMLICHT INST. V. RECHTSR. VERK. of
DIMLICHT INST. V. LINKSR. VERK. verschijnt
op het display. Zie pagina 144 voor meer informatie over halogeen- of Bi-Xenonkoplampen en
het aanpassen van de lichtbundels.
Alarmlichten
Gebruik de alarmlichten (alle richtingaanwijzers
knipperen), wanneer u de auto noodgedwongen tot stilstand moet brengen op een plaats
waar deze gevaar of hinder voor het verkeer kan
opleveren. Druk op de knop om de functie te
activeren.
N.B. De regels voor het gebruik van de alarmlichten verschillen van land tot land.
46
Instrumenten, schakelaars en bediening
Schakelaars op middenconsole
Elektrisch verwarmde buitenspiegels en achterruit
Schakel de elektrische
verwarming in om ijs en
wasem van de achterruit
en de buitenspiegels te
verwijderen. Wanneer u
op de schakelaar drukt,
wordt de verwarming van
de achterruit en de buitenspiegels geactiveerd.
De led in de schakelaar
gaat daarbij branden.
De verwarming wordt na ca. 12 minuten automatisch uitgeschakeld.
Elektrisch verwarmde
voorstoelen
Zie pagina 70 of
pagina 73 voor meer
informatie.
47
Instrumenten, schakelaars en bediening
Verlichtingspaneel
– Draai de verlichtingsdraaiknop (1) naar een
van de eindstanden.
– Draai het duimwiel (3) omhoog of omlaag
om de koplampen hoger of lager af te stellen.
Auto’s met Active Bi-Xenonkoplampen of BiXenonkoplampen1 zijn uitgerust met automatische koplamphoogteregeling, zodat het
duimwiel (3) ontbreekt.
Stadslichten/parkeerlichten vóór
en achterlichten
U kunt de stadslichten/parkeerlichten vóór en
de achterlichten altijd inschakelen ongeacht de
stand van de contactsleutel.
Stand
Betekenis
Automatisch/uitgeschakeld
dimlicht. Alleen grootlichtsignalen.
Stadslichten/parkeerlichten vóór
en achterlichten
Automatisch dimlicht. In deze
stand werken het groot licht en de
grootlichtsignalen.
Koplamphoogteregeling
Door de belading van de auto wordt de hoogte
van de koplampen gewijzigd, zodat u tegemoetkomend verkeer kunt verblinden. U kunt dat
voorkomen door de koplamphoogte bij te stellen.
– Draai de contactsleutel naar stand II.
48
– Draai de verlichtingsdraaiknop (1) naar de
middelste stand.
Met de contactsleutel in stand II staan de stadslichten/parkeerlichten vóór, de achterlichten en
de kentekenplaatverlichting altijd aan.
Koplampen
Automatisch dimlicht (bepaalde landen)
Het dimlicht gaat automatisch aan, wanneer u
de contactsleutel naar stand II draait, behalve
wanneer de verlichtingsdraaiknop (1) in de middelste stand staat. U kunt het automatische dimlicht zo nodig in een erkende Volvo-werkplaats
buiten werking laten stellen.
1.
Optie.
Automatisch dimlicht, groot licht
– Draai de contactsleutel naar stand II.
– U schakelt het dimlicht in door de
verlichtingsdraaiknop (1) helemaal rechtsom
te draaien.
– U schakelt het groot licht in door de linker
stuurhendel tot in de eindstand naar het
stuur toe te halen en de hendel weer los te
laten (zie pagina 50).
De verlichting wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u de contactsleutel naar stand I
of 0 draait.
Instrumenten, schakelaars en bediening
Verlichtingspaneel
Mistlichten
N.B. De regels voor het gebruik van de mistlichten verschillen van land tot land.
Mistlampen vóór (optie)
De mistlampen vóór zijn in te schakelen in combinatie met het groot licht/dimlicht of de stadslichten/parkeerlichten vóór en de achterlichten.
– Druk op de knop (2).
Het lampje in de knop (2) brandt, wanneer de
mistlampen aan de voorzijde branden.
Mistachterlicht
Lichtbundel actieve/niet-actieve koplampen
Active Bi-Xenon Lights, ABL
(optie)
De lichtbundels van de ABL-koplampen draaien
met het stuurwiel mee. De functie wordt automatisch ingeschakeld bij het starten van de
motor en is te activeren/deactiveren met de
knop op de middenconsole (zie pagina 46).
Het mistachterlicht is alleen in te schakelen
wanneer de koplampen branden wel of niet
gecombineerd met de mistlampen vóór.
– Druk op de knop (4).
Het controlelampje voor het mistachterlicht op
het instrumentenpaneel en de led in de knop (4)
branden, wanneer het mistachterlicht is ingeschakeld.
Instrumentenverlichting
De instrumentenverlichting brandt, wanneer de
contactsleutel in stand II staat en de
verlichtingsdraaiknop (1) in een van de eindstanden. De verlichting wordt bij daglicht automatisch gedimd en valt bij donker handmatig te
regelen.
– Draai het duimwiel (5) omhoog of omlaag
voor een fellere of zwakkere verlichting.
49
Instrumenten, schakelaars en bediening
Linker stuurhendel
Korte serie knippersignalen
doen na vergrendeling van de auto. De inscha-
– Haal de stuurhendel omhoog of omlaag
naar stand (1) en laat deze weer los, waarna
de hendel terugveert naar de uitgangspositie. U kunt de stuurhendel ook in stand (2)
zetten en daarna meteen terugduwen in de
uitgangspositie.
De richtingaanwijzers lichten driemaal op.
kelduur bedraagt 30 seconden1, maar is in een
erkende Volvo-werkplaats te wijzigen in 60 of
90 seconden.
De korte serie knippersignalen wordt onmiddellijk beëindigd, als u de richtingaanwijzers
gebruikt om te signaleren dat u een bocht in de
tegenovergestelde richting wilt maken.
– Neem de sleutel uit het contactslot.
– Haal de stuurhendel tot in de eindstand (4)
naar het stuurwiel toe en laat de hendel los.
– Stap uit de auto en vergrendel het portier.
Wisselen tussen groot licht en
dimlicht
Standen stuurhendel
1.
2.
3.
4.
Korte serie knippersignalen, richtingaanwijzers
Onafgebroken serie knippersignalen, richtingaanwijzers
Grootlichtsignalen
Wisselen tussen groot licht en dimlicht en
Follow-Me-Home-verlichting
Richtingaanwijzers
Onafgebroken serie knippersignalen
– Haal de stuurhendel omhoog of omlaag tot
in de eindstand (2).
De hendel blijft in de eindstand staan en kan
handmatig in de uitgangspositie teruggezet
worden of veert automatisch terug bij het terugdraaien van het stuurwiel.
50
De contactsleutel moet in stand II staan om het
groot licht te kunnen inschakelen.
– Draai de verlichtingsdraaiknop rechtsom
naar de eindstand (zie pagina 48).
– Haal de stuurhendel tot in de eindstand (4)
naar het stuurwiel toe en laat de hendel los.
Grootlichtsignalen
– Haal de hendel tot in stand (3) naar het
stuurwiel toe.
Het groot licht blijft vervolgens branden, totdat
u de hendel weer loslaat.
Follow-Me-Home-verlichting
Het is mogelijk om een deel van de buitenverlichting enige tijd ingeschakeld te houden en als
Follow-Me-Home-verlichting dienst te laten
1.
Fabrieksinstellingen.
Instrumenten, schakelaars en bediening
Rechter stuurhendel
De wissers bewegen op hoge snelheid.
BELANGRIJK!
Sproei een royale hoeveelheid sproeiervloeistof op de voorruit wanneer de ruitenwissers werken. De voorruit moet nat zijn bij
gebruik van de ruitenwissers.
Regensensor (optie)
Ruitenwissers
De ruitenwissers zijn uitgeschakeld,
wanneer de hendel in stand 0 staat.
De regensensor registreert de hoeveelheid
regen op de voorruit en schakelt automatisch de
ruitenwissers op de voorruit in. De gevoeligheid
van de regensensor is in te stellen met het
duimwiel (1).
Wanneer u de hendel omhoogduwt,
maken de wissers slagen zolang u de
hendel in deze stand vasthoudt.
– Draai het duimwiel omhoog voor een grotere gevoeligheid of omlaag voor een lagere
gevoeligheid. (De wissers maken een extra
slag, als u het duimwiel omhoog draait.)
Intervalstand
Aan/Uit
U kunt het interval tussen de wisslagen zelf instellen. Draai het duimwiel
(1) omhoog voor een korter interval tussen de
slagen. Draai het omlaag om het interval te verlengen.
Om de regensensor te activeren dient het contact/de contactsleutel in stand I of II te staan en
de ruitenwisserhendel in stand 0 (niet geactiveerd).
De wissers bewegen op normale snelheid.
– op de knop (2) te drukken. De led in de
knop gaat branden om aan te geven dat de
regensensor actief is.
U activeert u de regensensor door:
U schakelt de regensensor op een van de volgende manieren weer uit:
– druk op de knop (2) of
– haal de hendel omlaag naar een ander wisprogramma. Als u de hendel omhoogduwt,
blijft de regensensor actief. De wissers
maken een extra slag en keren terug naar de
regensensorstand, wanneer u de hendel
laat terugveren naar stand 0.
De regensensor wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u de sleutel uit het contactslot
neemt of vijf minuten nadat u de auto van het
contact hebt gezet.
BELANGRIJK!
In automatische wasstraten:
Schakel de regensensor uit door op
knop (2) te drukken, terwijl de contactsleutel
in stand I of II staat. De ruitenwissers kunnen anders in beweging komen en daarbij
beschadigd raken.
Ruitensproeiers
U activeert de ruiten- en koplampsproeiers door
de hendel naar het stuurwiel toe te trekken. De
wissers maken nog enkele slagen nadat u de
hendel hebt losgelaten.
51
Instrumenten, schakelaars en bediening
Rechter stuurhendel
Koplampsproeiers
Ruitenwisser achterklep – achteruitrijden
(optie op bepaalde markten)
Als u de auto in de achteruitversnelling zet terwijl de voorruitwissers actief zijn, zal de achter-
De koplampsproeiers worden automatisch
geactiveerd bij het gebruik van de ruitensproeiers.
De hogedruksproeiers van de koplampen verbruiken een grote hoeveelheid ruitensproeiervloeistof. Om vloeistof te besparen, worden de
koplampen alleen iedere vijfde keer dat u de
voorruitsproeiers activeert gesproeid (gerekend
over een periode van tien minuten). Wanneer er
meer dan tien minuten zijn verstreken sinds de
laatste sproeibeurt van de voorruit, worden ook
de koplampen weer gesproeid bij het activeren
van de ruitensproeiers. Wanneer u de hendel
naar het stuurwiel haalt, wordt alleen de voorruit
gesproeid.
Gereduceerde sproeifunctie
Wanneer er nog ongeveer één liter ruitensproeiervloeistof in het reservoir zit, worden de
koplampen niet langer schoongesproeid. Dit
omdat het sproeifunctie van de voorruit de voorrang heeft.
ruitwisser automatisch in de intervalstand1 gaan
staan. Als de achterruitwisser echter al op normale snelheid werkt, vindt er geen wijziging in
de wisfunctie plaats.
Ruitenwisser/-sproeier, achterklep
Ruitensproeier en -wisser,
achterklep
Wanneer u de hendel naar voren haalt, activeert
u de ruitenwisser/-sproeier van de achterklep.
De ruitenwisser maakt na het sproeien een extra
slag. De knop aan het uiteinde van de hendel is
een schakelaar met drie mogelijke standen:
A.
Intervalstand: Druk het bovenste gedeelte
van de schakelaar in.
0. Neutrale stand: Wisser/sproeier
uitgeschakeld.
B.
52
Continu wissen: Druk het onderste
gedeelte van de schakelaar in.
1.
Deze functie (intervalfunctie tijdens
het achteruitrijden) kunt u desgewenst uitschakelen. Neem daarvoor
contact op met een erkende Volvowerkplaats.
Instrumenten, schakelaars en bediening
Boordcomputer
De boordcomputer toont de volgende informatie:
N.B. Er kunnen onjuiste waarden verschijnen,
als u een standverwarming op brandstof hebt
gebruikt.
• GEMIDDELDE SNELHEID
Gemiddeld verbruik
Functies
HOUR1
• SNELHEID IN MILES PER
• ACTUEEL VERBR.
• GEMIDDELD VERBRUIK
• KILOMETER TOT LEGE BRANDSTOFTANK
• STC/DSTC, zie pagina 128
Gemiddelde snelheid
Bediening
Om toegang te krijgen tot de informatie van de
boordcomputer moet u de ring (B) op de hendel
stapsgewijs linksom of rechtsom draaien. Wanneer u na het laatste menu nogmaals aan de ring
draait, keert u terug in de uitgangspositie.
N.B. Als er een waarschuwingsmelding verschijnt terwijl u zich bijvoorbeeld in een menu
van de boordcomputer bevindt of wilt telefoneren, moet u eerst bevestigen dat u de melding
hebt gezien. U doet dat door op de knop
READ (A) te drukken. U keert dan terug naar het
menu van de boordcomputer waarin u zich
bevond.
De gemiddelde snelheid sinds de laatste maal
dat u de waarde op nul hebt gezet (RESET).
Wanneer u het contact uitzet, wordt de gemiddelde snelheid opgeslagen om als uitgangswaarde te dienen bij het vervolg van de rit. U
kunt de waarde op nul zetten met een druk op
de knop RESET (C) op de hendel.
Snelheid in miles per hour1
De actuele snelheid wordt weergegeven in
mph.
Actueel verbr.
In het menu voor het actuele brandstofverbruik
wordt het brandstofverbruik voortdurend bijgehouden. Het brandstofverbruik wordt eenmaal
per seconde berekend. De waarde op het display wordt om de paar seconden bijgewerkt.
Wanneer de auto stilstaat, geeft het
display “----” aan.
1.
Het gemiddelde brandstofverbruik sinds de
laatste maal dat u de waarde op nul hebt
gesteld. U stelt de waarde op nul met RESET.
N.B. Er kunnen onjuiste waarden verschijnen,
als u een standverwarming op brandstof (optie/
accessoire) hebt gebruikt.
Kilometer tot lege brandstoftank
De actieradius wordt berekend aan de hand van
het gemiddelde brandstofverbruik over de laatste 30 km en de resterende hoeveelheid brandstof. Het display geeft de afstand aan die bij
benadering kan worden afgelegd met de resterende hoeveelheid brandstof in de tank. Wanneer de actieradius kleiner is dan 20 km, geeft
het display “----” aan.
N.B. Er kunnen onjuiste waarden verschijnen,
als u een standverwarming op brandstof (optie/
accessoire) hebt gebruikt of van rijstijl bent veranderd.
Bepaalde landen
53
Instrumenten, schakelaars en bediening
Cruisecontrol (optie)
G020085
de knop loslaat, zal vervolgens worden
geprogrammeerd.
– Een korte druk (minder dan een halve
seconde) op + of – komt overeen met een
snelheidswijziging van 1 km/h.
N.B. Een tijdelijke verhoging van de snelheid
(korter dan een minuut) met het gaspedaal,
zoals bij het inhalen, is niet van invloed op de
instelling van de cruisecontrol. Als u het gaspedaal loslaat, neemt de auto automatisch de
ingestelde snelheid weer aan.
Inschakelen
Tijdelijk uitschakelen
De bedieningsorganen voor de cruisecontrol
vindt u links op het stuurwiel.
Druk op 0 om de cruisecontrol tijdelijk uit te
schakelen. Op het instrumentenpaneel verschijnt CRUISE. De eerder ingestelde snelheid
blijft na een tijdelijke uitschakeling in het geheugen opgeslagen.
Gewenste snelheid instellen:
– Druk op de knop CRUISE. Op het instrumentenpaneel verschijnt de tekst CRUISE.
– Druk op + of — om de snelheid van de auto
vast te zetten. Op het instrumentenpaneel
verschijnt CRUISE-ON.
De cruisecontrol kan niet worden ingeschakeld
bij snelheden lager dan 30 km/h of hoger dan
200 km/h.
Snelheid verhogen of verlagen
– U kunt de snelheid verhogen of verlagen
door de knop + of – in te drukken. De snelheid die de auto heeft op het moment dat u
54
De cruisecontrol wordt bovendien tijdelijk uitgeschakeld, als:
•
•
•
•
•
U het rempedaal of koppelingspedaal
bedient;
De snelheid heuvelop lager wordt dan
30 km/h;
U de keuzehendel in stand N zet;
Als de wielen de neiging hebben te gaan
slippen of blokkeren;
Een tijdelijke snelheidsverhoging langer dan
een minuut heeft geduurd.
Instrumenten, schakelaars en bediening
Cruisecontrol (optie)
Snelheid hervatten
Druk op de knop om de eerder ingestelde snelheid te hervatten. Op het
instrumentenpaneel verschijnt
CRUISE-ON.
Uitschakelen
Druk op CRUISE om de cruisecontrol uit te
schakelen. CRUISE-ON verdwijnt van het
instrumentenpaneel.
55
Instrumenten, schakelaars en bediening
Handrem, elektrische aansluiting/aansteker
– Zet de versnellingspook/keuzehendel bij het
parkeren altijd in de 1e versnelling (handbak) of in stand P (automaat).
Op een helling parkeren
Draai bij het parkeren op een oplopende helling
de wielen van de trottoirband af, als de neus van
de auto naar de top van helling wijst.
Draai bij het parkeren op een aflopende helling
de wielen naar de trottoirband toe, als de neus
van de auto naar de voet van de helling wijst.
Parkeerrem lossen
Handrem
De handremhendel zit tussen de voorstoelen.
N.B. Het brandende waarschuwingslampje op
het instrumentenpaneel geeft alleen aan dát u
de handrem hebt aangetrokken maar niet hoe
hard!
Handrem aanzetten
– Trap het rempedaal stevig in.
– Trek de handremhendel stevig tot in de eindstand omhoog.
– Laat het rempedaal los en controleer of de
auto volledig stilstaat.
– Als de auto wegrolt dient u de handremhendel strakker aan te trekken.
56
– Trap het rempedaal stevig in.
– Trek de handremhendel iets omhoog, druk
de knop in, duw de handrem omlaag en laat
de knop weer los.
Elektrische aansluiting/aansteker
Zorg dat het deksel op de aansluiting zit, wanneer u geen stroom via de aansluiting afneemt
of gebruik maakt van de aansteker.
Instrumenten, schakelaars en bediening
Handrem, elektrische aansluiting/aansteker
Elektrische aansluiting/Aansteker,
achterin
U kunt de elektrische aansluiting voor verschillende accessoires gebruiken die op een spanning van 12 V werken, zoals een mobiele
telefoon of koelbox. De maximale stroomsterkte
is 10 A.
De contactsleutel moet ten minste in stand I
staan, anders geeft de aansluiting geen stroom.
U activeert de aansteker door de knop in te
drukken. Wanneer de aansteker heet genoeg is,
veert de knop automatisch uit. Haal de aansteker uit de opening en gebruik het roodgloeiende
stuk metaal om een sigaar of sigaret aan te steken.
Om veiligheidsredenen moet u het klepje sluiten, wanneer u de aansluiting niet gebruikt.
57
Instrumenten, schakelaars en bediening
Stuurwielafstelling
U kunt het stuurwiel zowel in de hoogte als in de
lengte verstellen. Duw de hendel aan de linkerzijde van de stuurkolom omlaag. Zet vervolgens
het stuurwiel in de gewenste stand. Duw de
hendel in positie terug om het stuurwiel in de
nieuwe stand te blokkeren. Als dit veel moeite
kost, kunt u lichtjes het stuurwiel omhoog- of
omlaagbewegen wanneer u de blokkeerhendel
terugduwt.
WAARSCHUWING!
Stel het stuurwiel af voordat u gaat rijden.
Doe dit nooit tijdens het rijden. Controleer of
het stuurwiel in de gekozen stand geblokkeerd staat.
58
Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bedienbare zijruiten
Met de achterste schakelaars (B) bedient u de
ruiten in de achterportieren.
Met de schakelaars op de armleuning van de
portieren kunt u de ruiten elektrisch bedienen. U
kunt de ruiten alleen bedienen, wanneer de
contactsleutel in stand I of II staat. Ook
wanneer de auto stilstaat en u de contactsleutel
hebt uitgenomen, kunt u de ruiten nog steeds
openen en sluiten zolang u geen van de
voorportieren hebt geopend.
WAARSCHUWING!
De ruiten gaan open, wanneer u de voorzijde
van de schakelaar omlaagdrukt, of dicht, wanneer u de voorzijde van de schakelaar omhoogtrekt.
WAARSCHUWING!
Let er bij het sluiten van de zijruiten met de
afstandsbediening op dat kinderen of
andere inzittenden niet bekneld kunnen
raken.
Elektrisch bedienbare ruiten in de
voorportieren
U kunt de ruiten in de voorportieren op twee
manieren vanaf de voorstoelen openen.
– Druk de schakelaars (A) voorzichtig omlaag
of trek ze voorzichtig omhoog. De elektrisch
bedienbare ruiten gaan dan steeds verder
omhoog of omlaag zolang u de schakelaars
bedient.
– Druk de schakelaars (A) volledig omlaag of
trek ze volledig omhoog en laat ze vervolgens weer los. De ruiten gaan dan automatisch volledig open of dicht. Als de ruiten
worden geblokkeerd, wordt de op- of neergaande beweging van de ruiten afgebroken
en zakken de ruiten weer iets omlaag.
N.B. Alleen op bepaalde markten werkt de automatische sluitingsfunctie ook aan de passagierszijde.
Als er kinderen in de auto zitten:
Let er bij het verlaten van de auto op dat u de
stroomtoevoer naar de elektrisch bedienbare
zijruiten verbreekt door auto de contactsleutel
uit te nemen.
Let er bij het sluiten van de zijruiten op dat kinderen of andere inzittenden niet bekneld kunnen raken.
Bij het sluiten van de achterste zijruiten vanaf
het bestuurdersportier:
Let er bij het sluiten van de zijruiten op dat
achterpassagiers niet bekneld kunnen raken.
Gelaagde zijruiten (optie)
De ruiten van gelaagd glas in de voor- en achterportieren zorgen voor een verbeterde
geluidsisolatie van de passagiersruimte en leveren een verhoogde bescherming tegen inbraak
op.
59
Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bedienbare zijruiten
Elektrisch bedienbare zijruiten in
achterportieren blokkeren
Elektrisch bedienbare ruit in
voorportier, passagierszijde
Elektrisch bedienbare ruiten in
achterportieren
U kunt de elektrische bediening van de ruiten in
de achterportieren blokkeren met de schakelaar
op het bedieningspaneel op het bestuurdersportier.
Led in schakelaar gedoofd
De ruiten in de achterportieren zijn zowel met de
knoppen op de portieren als met de knoppen op
het bestuurdersportier te bedienen.
Led in schakelaar brandt
De zijruiten in de achterportieren zijn alleen
vanaf het bestuurdersportier te bedienen.
Met de schakelaars voor elektrische bediening
van de ruiten op het passagiersportier kunt u
alleen de ruit in het passagiersportier bedienen.
U kunt de ruiten in de achterportieren zowel met
de schakelaars op de beide achterportieren als
met de schakelaars op het bestuurdersportier
bedienen. Als de led in de schakelaar waarmee
u de elektrische bediening van de ruiten in de
achterportieren blokkeert (op het bedieningspaneel op het bestuurdersportier) brandt, kunt u
de ruiten in de achterportieren alleen vanaf het
bestuurdersportier bedienen.
60
Instrumenten, schakelaars en bediening
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
Achteruitkijkspiegel
Fel licht van achteren kan hinderlijke reflecties in
de achteruitkijkspiegel veroorzaken en u verblinden. Zet de spiegel in de dimstand, wanneer u
de verlichting van het achteropkomend verkeer
als hinderlijk ervaart.
Dimfunctie
A.
B.
Normale stand
Dimstand
Autodimfunctie (optie)
Als het licht dat van achteren in de spiegel valt
te fel is, wordt de achteruitkijkspiegel automatisch gedimd.
N.B. De afbeelding is een montage. De spiegel
is voorzien van een handmatige of automatische
dimfunctie, nooit allebei tegelijk.
Verzonken kompasknopje aan achterzijde
spiegel
Achteruitkijkspiegel met kompas
(optie op bepaalde markten)
In de linker bovenhoek van de achteruitkijkspiegel zit een display waarop wordt aangegeven in
welke richting de voorkant van de auto wijst. Er
worden acht verschillende richtingen met
Engelse afkortingen weergegeven: N (Noord),
NE (Noordoost), E (Oost), SE (Zuidoost), S
(Zuid), SW (Zuidwest), W (West) en NW
(Noordwest).
Het kompas wordt automatisch geactiveerd,
wanneer u het contactslot in stand II zet of wanneer de motor loopt, tenzij u het kompas hebt
uitgeschakeld. U kunt het kompas uitschakelen
of opnieuw inschakelen door op het verzonken
knopje aan de achterzijde van de achteruitkijkspiegel te drukken. Gebruik bijvoorbeeld een
rechtgebogen paperclip. Het knopje ligt ca.
2,5 cm diep in de spiegel.
Kalibratie van kompas
Juiste magnetische zone instellen
voor kompas
De aarde is in 15 magnetische zones verdeeld.
Het kompas werkt alleen naar behoren, als de
juiste zone is geselecteerd.
1. Contactstand II.
2. Houd het knopje aan de achterzijde van de
achteruitkijkspiegel ca. 3 seconden lang
ingedrukt (met een rechtgebogen paperclip bijvoorbeeld), totdat de tekst ZONE
verschijnt. Het cijfer van de huidige magnetische zone verschijnt.
3. Druk herhaaldelijk op het knopje totdat het
cijfer van de gewenste magnetische zone
(1 –15) verschijnt. Enkele seconden later
staat de kompasrichting weer op het display, wat aangeeft dat er van zone is
gewisseld.
61
Instrumenten, schakelaars en bediening
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
Magnetische zones voor kompas
Kalibreren
Het kompas moet soms voor de nauwkeurigheid worden gekalibreerd. Schakel voor het
beste resultaat alle stroomverbruikers uit en
haal metalen en magnetische voorwerpen uit de
buurt van de spiegel.
1.
62
Breng de auto op een groot en open terrein tot stilstand en laat de motor lopen.
2.
3.
Houd het knopje aan de achterzijde van de
achteruitkijkspiegel ingedrukt (met bijvoorbeeld een paperclip), totdat de tekst CAL
verschijnt (ca. 6 seconden).
Rijd langzaam een rondje in de auto met
een snelheid van hoogstens 8 km/h, totdat
de tekst CAL van het display verdwijnt. Dit
geeft aan dat de kalibratie afgerond is.
Alternatieve kalibratiestap: rijd op de normale manier weg. De tekst CAL verdwijnt
van het display, wanneer de kalibratie
afgerond is.
Instrumenten, schakelaars en bediening
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
Zijruiten en buitenspiegels
met de speciale water- en vuilafstotende laag zijn voorzien
van een klein symbool.
BELANGRIJK!
Gebruik de spiegelverwarming (zie
pagina 47) om de buitenspiegels van ijs te
ontdoen en geen ijskrabber. Een krabber
kan krassen op het spiegelglas veroorzaken.
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
Buitenspiegels met geheugen
(optie)
Als de auto is uitgerust met buitenspiegels met
geheugen, werkt het geheugen synchroon met
dat van de bestuurdersstoel (zie pagina 81).
Geheugen in afstandsbediening (optie)
Buitenspiegels
De schakelaars waarmee u de twee buitenspiegels bedient, vindt u voor op de armleuning van
het bestuurdersportier.
Druk op de schakelaar L of R (L = linker buitenspiegel, R = rechter buitenspiegel). De led in de
schakelaar brandt.
U stelt de stand van de buitenspiegels bij met
het centrale hendeltje. Druk vervolgens eenmaal
op de schakelaar. De led mag niet langer branden.
Zie pagina 45 voor het inklappen van de buitenspiegels.
WAARSCHUWING!
Stel de spiegels af, voordat u gaat rijden!
Wanneer u de auto met een van de afstandsbedieningen ontgrendelt en de instelling van de
buitenspiegels wijzigt, wordt de nieuwe positie
van de spiegels in de afstandsbediening opgeslagen. De volgende keer dat u de auto ontgrendelt met dezelfde afstandsbediening en het
bestuurdersportier binnen vijf minuten na ontgrendeling opent, gaan de buitenspiegels in de
opgeslagen positie staan.
Water- en vuilafstotende laag op
voorste zijruiten en/of buitenspiegels (optie)
In bepaalde weersomstandigheden werkt de
vuilafstotende laag beter, als u de elektrische
verwarming van de buitenspiegels inschakelt
(zie pagina 47).
Verwarm de buitenspiegels:
•
•
•
als er sneeuw of ijs op de spiegels zit;
bij hevige regenval of vieze wegen;
bij beslagen spiegels.
BELANGRIJK!
Gebruik geen metalen ijskrabber om de
ruiten van ijs te ontdoen. De water- en
vuilafstotende laag kan beschadigd raken.
Gebruik de elektrische verwarming om de
buitenspiegels van ijs te ontdoen.
De voorste zijruiten en/of de buitenspiegels zijn
voorzien van een speciale laag die bij regen voor
een beter zicht zorgt. Zie pagina 172 voor informatie over het onderhoud van dergelijk glaswerk.
63
Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bedienbaar schuifdak (optie)
WAARSCHUWING!
Als er kinderen in de auto zitten:
Verbreek bij het verlaten van de auto de
stroomtoevoer naar het schuifdak door de
contactsleutel uit te nemen.
3
1
4
2
5
6
Openingsstanden
De bedieningsknoppen voor het schuifdak zitten op het plafond. U kunt het schuifdak op
twee manieren bedienen:
•
•
achterkant omhoog/omlaag (ventilatiestand)
achteruit/vooruit (openingsstand/comfort-
stand)1
De contactsleutel moet daarbij in stand I of II
staan.
1.
64
In de comfortstand staat het
schuifdak niet helemaal open om de
rijwindgeluiden te beperken.
1.
2.
3.
4.
5.
6.
Sluiten, automatisch
Sluiten, handmatig
Openen, handmatig
Openen, automatisch
Openen, ventilatiestand
Sluiten, ventilatiestand
Ventilatiestand
Openen: Duw de achterkant van de knop (5)
omhoog.
Sluiten: Trek de achterkant van de knop (6)
omlaag.
U kunt het schuifdak vanuit de ventilatiestand
rechtstreeks in de comfortstand zetten: Trek de
schakelaar achteruit in de eindstand (4) en laat
de schakelaar los.
Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bedienbaar schuifdak (optie)
Automatische bediening
WAARSCHUWING!
Duw de schakelaar door het drukpunt (3) in de
achterste eindstand (4) of via het drukpunt (2)
in de voorste eindstand (1) en laat de schakelaar vervolgens los. Het schuifdak schuift dan
tot in de comfortstand open of helemaal dicht.
De beveiliging tegen overbelasting werkt
alleen wanneer het schuifdak op de normale
manier openstaat – niet in de ventilatiestand.
Let er bij het sluiten van het schuifdak op dat
kinderen niet bekneld kunnen raken.
Doe het volgende om het schuifdak vanuit de
comfortstand volledig te openen: trek de schakelaar nogmaals achteruit in de eindstand (4) en
laat de schakelaar vervolgens los.
Handmatige bediening
Openen: Trek de schakelaar achteruit naar het
drukpunt (3). Het schuifdak schuift steeds verder open zolang u de schakelaar in deze stand
vasthoudt.
Sluiten: Duw de schakelaar vooruit naar het
drukpunt (2). Het schuifdak schuift steeds verder dicht zolang u de schakelaar in deze stand
vasthoudt.
WAARSCHUWING!
Als er kinderen in de auto zitten, moet u erop
letten dat ze bij het sluiten van het schuifdak
niet bekneld kunnen raken.
Zonnescherm
Aan de binnenkant van het schuifdak zit een
handbediend zonnescherm. Het glijdt automatisch naar achteren bij het openen van het
schuifdak. Pak de handgreep vast en schuif het
scherm naar voren om het te sluiten.
Beveiliging tegen overbelasting
Het schuifdak is voorzien van een beveiliging
tegen overbelasting die wordt geactiveerd, als
het schuifdak door een voorwerp wordt gehinderd. Het schuifdak komt dan tot stilstand en
keert vervolgens automatisch terug naar de
laatst gebruikte, geopende stand.
65
Instrumenten, schakelaars en bediening
66
Klimaatregeling
Algemene informatie over de klimaatregeling
Handmatige klimaatregeling met airconditioning, A/C
Elektronische klimaatregeling, ECC (optie)
Luchtverdeling
Standverwarming op brandstof (optie)
68
70
72
75
76
67
Klimaatregeling
Algemene informatie over de klimaatregeling
Beslagen ruiten
Werking interieurventilator
Poets de binnenzijde van de ruiten schoon om
te voorkomen dat ze beslaan. Gebruik een normaal poetsmiddel voor glaswerk.
Wanneer de motor is afgezet (ook al staat de
contactsleutel in stand I of II), zal de interieurventilator automatisch worden uitgeschakeld.
Dit gebeurt om te voorkomen dat de accu uitgeput raakt.
Interieurfilter
Zorg dat u het combifilter/interieurfilter op
gezette tijden vervangt. Informeer bij een
erkende Volvo-werkplaats.
Sneeuw en ijs
Veeg sneeuw en ijs van de luchtinlaat voor de
klimaatregeling (het rooster tussen de motorkap
en de voorruit).
Storingen opsporen
Een erkende Volvo-werkplaats beschikt over de
juiste uitrusting en instrumenten voor het
opsporen van storingen en het uitvoeren van
reparaties aan de klimaatregeling. Laat controleen reparatiewerkzaamheden over aan gekwalificeerd personeel.
Koudemiddel
De airconditioning maakt gebruik van het koudemiddel R134a. Het bevat geen chloor, waardoor het koudemiddel onschadelijk voor de
ozonlaag is. Gebruik bij het bijvullen/verversen
van koudemiddel alleen R134a. Laat dergelijke
werkzaamheden over aan een erkende Volvowerkplaats.
68
Om de interieurventilator te activeren moet u de
ventilatorknop in de gewenste snelheidsstand
draaien.
Auto’s met ECC
Werkelijke temperatuur
De door u gekozen temperatuur komt overeen
met de gevoelstemperatuur op grond van de
heersende omstandigheden in en om de auto
wat de luchtsnelheid, de luchtvochtigheidsgraad, de ingestraalde warmte e.d. betreft.
Sensoren
De zonnesensor zit boven op het dashboard.
Let erop dat u de zonnesensor niet mag afdekken. Dek de interieurtemperatuursensor op het
bedieningspaneel van de klimaatregeling evenmin af.
Zijruiten en schuifdak
Voor een goede werking van het A/C-systeem
moet u de zijruiten en een eventueel schuifdak
gesloten houden. Let er tevens op dat u de
afvoerkanalen in de zijpanelen van de bagageruimte niet mag afdekken.
Optrekken
Wanneer u volgas optrekt, wordt het A/C-systeem tijdelijk uitgeschakeld. De temperatuur kan
dan tijdelijk iets oplopen.
Condensatie
In warme weersomstandigheden kan er ter
hoogte van de airconditioning een plasje water
onder de auto ontstaan. Dit is volkomen normaal.
Brandstofbesparing
Bij gebruik van ECC wordt ook het A/C-systeem automatisch geregeld en alleen dan ingeschakeld wanneer de lucht in de
passagiersruimte moet worden afgekoeld en de
binnenkomende lucht van vocht moet worden
ontdaan. Zo wordt meer brandstof bespaard
dan bij gebruik van conventionele systemen,
waarbij het A/C-systeem tot net boven het vriespunt de lucht voortdurend afkoelt.
Klimaatregeling
Algemene informatie over de klimaatregeling
Luchtverdeling
Blaasmonden in dashboard
Blaasmonden in portierstijlen
De binnenkomende lucht wordt verdeeld over
meerdere blaasmonden die op verschillende
punten in de auto zijn aangebracht.
A. Open
B. Dicht
C. Luchtstroom naar links of rechts
D. Luchtstroom omhoog of omlaag.
– Richt de buitenste blaasmonden naar buiten
om de voorste zijruiten te ontwasemen.
A. Open
B. Dicht
C. Luchtstroom naar links of rechts
D. Luchtstroom omhoog of omlaag.
– Richt de blaasmonden op de achterste zijruiten om ze te ontwasemen.
– Richt de blaasmonden naar binnen toe voor
een behaaglijke temperatuur achter in de
auto.
Let erop dat kinderen gevoelig kunnen zijn voor
luchtstromen en tocht.
69
Klimaatregeling
Handmatige klimaatregeling met airconditioning, A/C
1
2
8
1.
2.
3.
4.
3
4
6
7
A/C, Aan/Uit
Recirculatie
Luchtverdeling
Elektrisch verwarmde achterruit en buitenspiegels
5. Elektrisch verwarmde voorstoelen
6. Temperatuur, rechterzijde
7. Temperatuur, linkerzijde
8. Ventilator
Als u het A/C-systeem wilt inschakelen, moet u
de ventilatorknop (8) uit stand 0 draaien.
A/C, Aan/Uit (ON/OFF)
Gebruik het A/C-systeem ook bij lage temperaturen (0X15 °C)om de inkomende lucht van
vocht te ontdoen.
Temperatuur, links/rechts
70
5
ON: De airconditioning staat
aan. De airconditioning wordt
automatisch geregeld. De binnenkomende lucht wordt dan
automatisch afgekoeld en van
vocht ontdaan.
OFF: De airconditioning staat uit.
Bij het activeren van ontwasemingsfunctie
wordt automatisch ook de airconditioning ingeschakeld (uit te schakelen met de knop AC).
Draai aan de knop om de temperatuur van de binnenkomende lucht te regelen.
Koeling is alleen mogelijk,
wanneer de airconditioning
actief is.
Elektrisch verwarmde
voorstoelen
Doe het volgende, als u extra
verwarming in de voorstoel(en) wenst:
–Eenmaal indrukken: Hoge
verwarmingsstand – beide leds in de schakelaar(s) gaan branden.
– Nogmaals indrukken: Lage verwarmingsstand – een van de leds in de schakelaar(s)
gaat branden.
– Nogmaals indrukken: De verwarming is uitgeschakeld – geen van de leds in de schakelaar(s) brandt.
U kunt de temperatuur van de verwarming in
een erkende Volvo-werkplaats laten bijstellen.
Klimaatregeling
Handmatige klimaatregeling met airconditioning, A/C
Ventilator
U kunt de snelheid waarmee
de ventilator draait verhogen
of verlagen door aan de knop
te draaien. Als de draaiknop in
stand 0 staat, is de airconditioning niet ingeschakeld.
Elektrische achterruit- en
buitenspiegelverwarming
Met deze knop kunt u de achterruit en de buitenspiegels
snel ontdoen van condens of
ijs (zie pagina 47 voor meer
informatie over deze functie).
Recirculatie
U kunt de recirculatie inschakelen, als u vieze lucht, uitlaatgassen en dergelijke buiten
wilt houden. De lucht in de
passagiersruimte wordt dan
gerecirculeerd, d.w.z. er wordt
geen lucht van buiten de auto aangezogen wanneer de functie actief is. Bij gebruik van de recirculatie (in combinatie met het A/C-systeem)
wordt de lucht in de passagiersruimte bij warm
weer sneller afgekoeld.
Als u de recirculatie lang laat aanstaan, kan er
met name in de winter wasem en ijs op de binnenkant van de ruiten ontstaan. Met de timer-
functie beperkt u de kans op ijs, wasem en een
slechte lucht.
stroomt dan op hoge snelheid lucht naar de ruiten.
Ga als volgt te werk om deze te activeren:
Bij activering van deze functie gebeurt bovendien het volgende om de lucht in het interieur zo
veel mogelijk van vocht te ontdoen:
– Druk de knop
langer dan
3 seconden in. De led knippert 5 seconden.
De lucht in de auto wordt afhankelijk van de
buitentemperatuur 3 tot 12 minuten lang
gerecirculeerd.
– Telkens wanneer u op
drukt, wordt
de timerfunctie geactiveerd.
Doe het volgende om de timerfunctie uit te
schakelen:
•
•
de airconditioning (A/C) wordt automatisch
ingeschakeld (uit te schakelen met de knop
AC);
de recirculatie wordt automatisch uitgeschakeld.
Bij het uitschakelen van de ontwaseming
hervat de klimaatregeling de voorgaande instellingen.
– Druk de knop
nogmaals maar dan
langer dan 3 seconden in. De led gaat
5 seconden branden ter bevestiging van uw
keuze.
Luchtverdeling
Voor optimaal comfort kunt u
de met stippen gemarkeerde
luchtverdelingsstanden tussen de verschillende symbolen gebruiken om de
luchtverdeling precies af te
stellen.
Ontwaseming
Zet de knop voor de luchtverdeling in de stand
voor ontwaseming
om de voorruit en de
zijruiten snel te ontwasemen en ontdooien. Er
71
Klimaatregeling
Elektronische klimaatregeling, ECC (optie)
2
4
3
5
6
7
8
1
9
10
11
13
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
9.
10.
11.
12.
13.
72
A/C, Aan/Uit
Recirculatie/Combifilter met Air Quality
Sensor
Recirculatie
AUTO
Luchtverdeling
Interieurtemperatuursensor
Ontwaseming voorruit en zijruiten
Elektrisch verwarmde achterruit en buitenspiegels
Stoelverwarming, rechterzijde
Stoelverwarming, linkerzijde
Temperatuur, rechterzijde
Temperatuur, linkerzijde
Ventilator
12
AUTO
Bij activering van de functie
AUTO wordt de klimaatregeling automatisch dusdanig
ingesteld dat de gekozen temperatuur wordt bereikt. De
automatische functie regelt de verwarming, het
A/C-systeem, de Air Quality Sensor, de ventilatorsnelheid, de recirculatie en de luchtverdeling.
Ook als u een of meer van de genoemde functies handmatig instelt, worden de resterende
functies nog automatisch geregeld. Alle handmatige instellingen worden uitgeschakeld, wanneer u de functie AUTO activeert.
Temperatuur
Met de twee draaiknoppen
kunt u de temperatuur aan de
bestuurderszijde en de passagierszijde instellen. Let erop
dat de passagiersruimte niet
sneller warm of koud wordt,
wanneer u een hogere of lagere temperatuur
kiest dan de gewenste temperatuur.
Ventilator
U kunt de snelheid waarmee
de ventilator draait verhogen
of verlagen door aan de knop
te draaien. In de stand AUTO
wordt de ventilatorsnelheid
automatisch geregeld. De eerder ingestelde
ventilatorsnelheid wordt dan genegeerd.
Klimaatregeling
Elektronische klimaatregeling, ECC (optie)
N.B. Als u de knop voor de ventilatorsnelheid zo
ver linksom draait dat alleen de oranje led links
boven de knop oplicht, zijn de ventilator en het
A/C-systeem uitgeschakeld.
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming
Met deze knop kunt u de achterruit en de buitenspiegels
snel ontdoen van condens of
ijs (zie pagina 47 voor meer
informatie over deze functie).
Bij het uitschakelen van de ontwaseming
hervat de klimaatregeling de voorgaande instellingen.
Luchtverdeling
Lucht naar de ruiten.
Lucht naar hoofd en borstkas.
Lucht naar benen en voeten.
Druk op AUTO, wanneer u de
automatische luchtverdeling
weer wilt activeren.
– Eenmaal indrukken: Hoge verwarmingsstand – beide leds in de schakelaar(s) gaan
branden.
– Nogmaals indrukken: Lage verwarmingsstand – een van de leds in de schakelaar(s)
gaat branden.
– Nogmaals indrukken: De verwarming is uitgeschakeld – geen van de leds in de schakelaar(s) brandt.
U kunt de temperatuur van de verwarming in
een erkende Volvo-werkplaats laten bijstellen.
Recirculatie
Ontwaseming, voorruit en zijruiten
Met deze knop kunt u de voorruit en de zijruiten snel ontwasemen en ontdooien. De
ventilator draait dan op hoge
snelheid en stuurt lucht naar
de ruiten. De led in de ontwasemingsknop
brandt, wanneer de functie is ingeschakeld.
Bij activering van deze functie gebeurt bovendien het volgende om de lucht in het interieur zo
veel mogelijk van vocht te ontdoen:
•
•
de airconditioning (A/C) wordt automatisch
ingeschakeld (uit te schakelen met de knop
AC);
de recirculatie wordt automatisch uitgeschakeld.
A/C, Aan/Uit (ON/OFF)
ON: De airconditioning staat
aan. De airconditioning wordt
automatisch geregeld. De binnenkomende lucht wordt dan
automatisch afgekoeld en van
vocht ontdaan.
OFF: De airconditioning staat uit.
Bij het activeren van ontwasemingsfunctie
wordt automatisch ook de airconditioning ingeschakeld (uit te schakelen met de knop AC).
Elektrisch verwarmde voorstoelen
Doe het volgende, als u extra
verwarming in de voorstoel(en) wenst:
De recirculatie kan handmatig
worden ingeschakeld, als u
vieze lucht, uitlaatgassen en
dergelijke buiten wilt houden.
De lucht in de passagiersruimte wordt dan gerecirculeerd, d.w.z. er wordt geen
lucht van buiten de auto aangezogen wanneer de functie
actief is.
Als u de recirculatie lang laat aanstaan, kan er
met name in de winter wasem en ijs op de binnenkant van de ruiten ontstaan.
Met de timerfunctie (op modellen met een combifilter en Air Quality Sensor ontbreekt de timerfunctie) beperkt u de kans op ijs, wasem en een
slechte lucht.
73
Klimaatregeling
Elektronische klimaatregeling, ECC (optie)
Ga als volgt te werk om deze te activeren:
– Druk de knop
langer dan
3 seconden in. De led knippert 5 seconden.
De lucht in de auto wordt afhankelijk van de
buitentemperatuur 3 tot 12 minuten lang
gerecirculeerd.
– Telkens wanneer u op
drukt, wordt
de timerfunctie geactiveerd.
Doe het volgende om de timerfunctie uit te
schakelen:
– Druk de knop
nogmaals maar dan
langer dan 3 seconden in. De led gaat
5 seconden branden ter bevestiging van uw
keuze.
Interior Air Quality System (optie)
Het Interior Air Quality System
bestaat uit een combifilter met
Air Quality Sensor. Het combifilter ontdoet de binnenkomende lucht van gassen en
stofdeeltjes en beperkt zo hinderlijke geurtjes en verontreinigingen in de passagiersruimte. De Air Quality Sensor meet de
concentratie van verontreinigingen in de buitenlucht. Wanneer de sensor een verhoogde concentratie meet, wordt de luchtinlaat afgesloten
en wordt de lucht in de passagiersruimte gerecirculeerd.
74
Wanneer de Air Quality Sensor actief is, brandt
de groene led AUT in de knop
.
Bediening
Druk op
om de Air Quality Sensor te
activeren (normale instelling).
Of:
Kies uit drie verschillende functies door verschillende malen op de knop
te drukken.
•
•
•
De led AUT brandt om aan te geven dat de
Air Quality Sensor actief is.
Geen van de leds brandt om aan te geven
dat de recirculatiefunctie niet is ingeschakeld (voor zover dat niet nodig is om voor
verkoeling te zorgen bij warm weer).
De led MAN brandt om aan te geven dat de
recirculatiefunctie opnieuw ingeschakeld is.
Let erop dat:
•
•
•
•
U de Air Quality Sensor altijd hebt ingeschakeld.
Er bij koud weer beperkingen voor de recirculatiefunctie gelden om te voorkomen dat
de ruiten beslaan.
U de Air Quality Sensor uitschakelt, wanneer de ruiten beslaan.
Wanneer de ruiten beslaan, u beter ook de
ontwaseming van de voorruit, de zijruiten en
de achterruit kunt inschakelen (zie
pagina 73).
•
Raadpleeg het serviceprogramma van Volvo
voor het aanbevolen vervangingsinterval
voor het combifilter. In zeer sterk verontreinigde gebieden is het mogelijk dat u het
combifilter vaker moet vervangen.
Klimaatregeling
Luchtverdeling
Luchtverdeling
Toepassing
Lucht via de blaasmonden
voor- en achterin.
Lucht naar de ruiten.
In deze stand vindt er geen
luchtrecirculatie plaats. Het
A/C-systeem is altijd ingeschakeld.
Er komt een bepaalde hoeveelheid
lucht uit de blaasmonden.
Lucht naar de vloer en de
ruiten. Er komt een
bepaalde hoeveelheid lucht
uit de blaasmonden.
Lucht naar de vloer. Er komt
een bepaalde hoeveelheid
lucht uit de blaasmonden en
uit de ontwasemingsopeningen voor
de voorruit en de zijruiten.
Lucht naar de vloer en de
blaasmonden.
Voor een goede koeling bij warm
weer.
Voor het verwijderen van ijs en
wasem. Laat de ventilator op hoge
snelheid draaien.
Voor een comfortabel klimaat en
een goede ontwaseming bij koude
weer. Laat de ventilator niet te
langzaam draaien.
Voor verwarming van de voeten.
Bij zonnig weer en matige buitentemperaturen.
75
Klimaatregeling
Standverwarming op brandstof (optie)
lager is de maximale bedrijfstijd van de standverwarming 60 minuten.
Als de standverwarming ondanks herhaalde
startpogingen niet aanslaat, verschijnt er een
melding op het display. Neem in dat geval contact op met een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING!
Algemene informatie
Voordat u de standverwarming kunt programmeren, moet het elektrisch systeem worden
“gewekt”.
Dat doet u het eenvoudigst door:
• op de knop READ te drukken, of
• het groot licht te activeren, of,
• het contact in te schakelen.
U kunt de standverwarming meteen inschakelen
of twee verschillende uitschakeltijden voor de
standverwarming instellen: TIMER 1 en
TIMER 2. Onder de uitschakeltijd wordt het tijdstip verstaan waarop de auto op de gewenste
temperatuur is.
De elektronica van de auto rekent aan de hand
van de buitentemperatuur zelf uit, wanneer de
standverwarming moet worden ingeschakeld
om de ingestelde uitschakeltijd te kunnen halen.
Bij een buitentemperatuur hoger dan 25 °C
vindt er geen activering van de standverwarming plaats. Bij temperaturen van X10 °C en
76
• Schakel voor het tanken de standverwarming uit. Gemorste brandstof kan ontvlammen.
• Controleer op het display of de standverwarming uit is. (Als de standverwarming
werkt, verschijnt er PARK.VERW AAN op
het display.)
WAARSCHUWING!
Bij gebruik van de standverwarming moet de
auto in de buitenlucht staan.
Displaymelding
Wanneer u de geprogrammeerde functies
TIMER 1, TIMER 2 en “Directe start” activeert,
brandt het oranje waarschuwingslampje op het
instrumentenpaneel. Op het display verschijnt
bovendien een verklarende tekst.
Wanneer u de auto verlaat, ontvangt u een melding met de status van de standverwarming. De
melding verdwijnt wanneer u de auto vanaf de
buitenzijde vergrendelt met de afstandsbediening.
Waarschuwingssticker op de tankvulklep
Op een helling parkeren
Wanneer u de auto op een steile helling parkeert, moet u ervoor zorgen dat de voorkant
naar de top van de helling wijst. De standverwarming krijgt dan voldoende brandstof.
Klokje en gebruik van de timer(s)
Als u na het instellen van de timer(s) het klokje
bijstelt, worden alle timerinstellingen om veiligheidsredenen geannuleerd.
Klimaatregeling
Standverwarming op brandstof (optie)
TIMER 1 en 2 instellen
Om veiligheidsredenen kunt u alleen uitschakeltijden voor het volgende etmaal programmeren
en dus niet voor meerdere dagen tegelijk.
– Draai aan de ring (B) totdat TIMER 1 op het
display verschijnt.
– Druk kort op de knop RESET (C), zodat de
uuraanduiding gaat knipperen.
– Ga met de draairing (B) naar het gewenste
tijdstip in uren.
– Druk lichtjes op de knop RESET om toegang te krijgen tot de knipperende minutenaanduiding.
– Ga met de draairing (B) naar het gewenste
tijdstip in minuten.
– Druk lichtjes op de knop RESET om uw
instelling te bevestigen.
– Druk op de knop RESET om de timer te activeren.
Wanneer u TIMER 1 hebt ingesteld, kunt u naar
TIMER 2 gaan. U stelt deze timer op dezelfde
manier in als TIMER 1.
Timergestuurde standverwarming
voortijdig uitschakelen
Doe het volgende om de timergestuurde standverwarming uit te schakelen voordat de timer
dat doet:
– Druk op de knop READ (A).
– Ga met behulp van de ring (B) naar
TIMER PARK.VERW 1 (of 2). De tekst AAN
knippert op het display.
– Druk op de knop RESET (C). De tekst UIT
brandt continu en de standverwarming
wordt uitgeschakeld.
Standverwarming meteen inschakelen
– Draai aan de ring (B) totdat de tekst
DIRECTE START op het display verschijnt.
– Druk op de knop RESET (C) om de opties
AAN of UIT te selecteren. Selecteer AAN.
De standverwarming zal vervolgens 60 minuten
lang blijven werken. De verwarming van het interieur gaat van start, zodra de koelvloeistof in de
motor op temperatuur gekomen is.
Standverwarming meteen uitschakelen
– Draai aan de ring (B) totdat de tekst
DIRECTE START op het display verschijnt.
– Druk op de knop RESET (C) om een van de
opties AAN of UIT te selecteren.
– Kies UIT.
BELANGRIJK!
Herhaaldelijk gebruik van de standverwarming bij korte ritten kan ertoe leiden dat
de accu uitgeput raakt en startproblemen
opleveren.
Bij regelmatig gebruik van de standverwarming moet u even lang in de auto rijden als
de verwarming aanstond. Dit om te zorgen
dat de dynamo evenveel energie kan bijladen als de verwarming verbruikt.
Hulpverwarming (diesel)
(bepaalde landen)
Bij koud weer kan hulpverwarming nodig zijn om
de passagiersruimte voldoende te verwarmen.
De hulpverwarming wordt automatisch ingeschakeld wanneer er extra warmte nodig is als
de motor loopt. Deze wordt automatisch uitgeschakeld wanneer het voldoende warm is of
wanneer de motor wordt uitgezet.
Accu en brandstof
Als de accu niet voldoende opgeladen is of als
de brandstoftank bijna leeg is, wordt de standverwarming uitgeschakeld.
Er verschijnt dan tevens een melding op het display. Bevestig deze melding met de knop
READ (A).
77
Klimaatregeling
78
Interieur
Voorstoelen
Interieurverlichting
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
Achterbank
Bagageruimte
80
82
84
89
94
79
Interieur
Voorstoelen
5.
6.
Hellingshoek rugleuning wijzigen – aan de
knop draaien.
Bedieningspaneel voor elektrisch bedienbare stoel.
WAARSCHUWING!
• Stel de stand van de bestuurdersstoel in
voordat u gaat rijden. Doe dit nooit tijdens
het rijden.
• Controleer of de stoel in zijn stand
vergrendeld staat.
Zithouding
Rugleuning voorstoel omklappen
De bestuurders- en passagiersstoel kunnen
worden ingesteld op voor een optimale zit- en
rijhouding.
1. Vooruit/achteruit, til de hendel omhoog om
de juiste afstand tot het stuurwiel en de
pedalen in te stellen. Controleer of de
stoel na het afstellen in de nieuwe stand
geblokkeerd staat.
2. Voorkant zitting hoger/lager zetten –
omhoog-/omlaagpompen1.
3. Stoel hoger/lager zetten – omhoog-/
omlaagpompen.
4. Lendensteun wijzigen – aan de knop
draaien.
De rugleuning van de passagiersstoel kan worden omgeklapt om ruimte te maken voor lange
lading.
– Schuif de stoel zo ver mogelijk naar achteren.
– Zet de rugleuning rechtop (90 graden).
– Trek de pallen aan de achterzijde van de
rugleuning tijdens het omklappen naar
voren.
– Duw de stoel zo ver naar voren dat de
hoofdsteun onder het dashboardkastje
“vast” komt te zitten.
1.
80
Niet alle stoelmodellen zijn voorzien
van hendel (2).
Interieur
Voorstoelen
N.B. Het sleutelgeheugen werkt onafhankelijk
van de geheugenfunctie van de stoel.
Noodstop
Als de stoel per ongeluk in beweging komt, kunt
u op een van de knoppen drukken om de stoel
tot stilstand te brengen.
WAARSCHUWING!
Voorbereidingen
Tot enige tijd nadat u het portier met de
afstandsbediening hebt ontgrendeld blijft het
mogelijk de stoel te verstellen, ook al steekt er
geen sleutel in het contactslot. Het is altijd
mogelijk de stoel te verstellen, wanneer het contact is ingeschakeld.
Elektrisch bedienbare voorstoel
(optie)
1. Voorkant zitting omhoog/omlaag
2. Stoel vooruit/achteruit
3. Stoel omhoog/omlaag
4. Hellingshoek rugleuning
Er wordt een beveiliging tegen overbelasting
geactiveerd, als een van de stoelen wordt
geblokkeerd. Wanneer dit het geval is, dient u
het contact uit te schakelen en enige tijd te
wachten voordat u de stoel opnieuw probeert te
verstellen. U kunt slechts één verstelfunctie van
de stoel tegelijk activeren.
Knoppen voor geheugenfuncties
Stoel met geheugenfunctie (optie)
Beknellingsgevaar! Laat kinderen niet met
de schakelaars spelen.
Zorg dat er geen voorwerpen voor, achter of
onder de stoel liggen tijdens het verstellen.
Zorg er tevens voor dat geen van de passagiers op de achterbank bekneld kan raken.
Instelling vastleggen
– Verstel de stoel.
– Houd knop MEM ingedrukt, terwijl u
knop 1, 2 of 3 indrukt.
Stoel in vastgelegde stand zetten
Houd een van de geheugenknoppen 1–3 ingedrukt, totdat de stoel tot stilstand komt. Bij het
loslaten van de knop wordt de instelling van de
stoel onmiddellijk beëindigd.
Geheugen van transpondersleutel
De positie van de bestuurdersstoel wordt vastgelegd, wanneer u de auto met de transpondersleutel vergrendelt. Een volgende keer dat de
auto met dezelfde transpondersleutel wordt ontgrendeld, nemen de bestuurdersstoel en de buitenspiegels de vastgelegde positie in.
81
Interieur
Interieurverlichting
Automatische verlichting
Alle leeslampjes en de interieurverlichting doven
10 minuten nadat u de motor hebt afgezet automatisch. Uiteraard kunt u de lampjes en de verlichting ook eerder handmatig uitschakelen.
De interieurverlichting gaat automatisch1
30 seconden lang branden, wanneer:
•
•
Leeslampjes voorin en interieurverlichting
Leeslampjes achterin
Leeslampjes en interieurverlichting
4. Leeslampje linksachter
5. Leeslampje rechtsachter
De leeslampjes achterin schakelt u in en uit met
knop (4) of knop (5).
1. Leeslampje linksvoor
2. Interieurverlichting
3. Leeslampje rechtsvoor
De leeslampjes voorin schakelt u in en uit met
knop (1) of knop (3).
De interieurverlichting schakelt u in en uit door
kort op knop (2) te drukken.
u de auto van de buitenzijde ontgrendelt
met de sleutel of de afstandsbediening;
u de contactsleutel na het afzetten van de
motor naar stand 0 draait.
De interieurverlichting gaat aan en blijft
10 minuten lang branden, wanneer:
•
een van de portieren wordt geopend tenzij u
de interieurverlichting hebt uitgeschakeld.
De algemene verlichting gaat uit, wanneer:
•
•
u de motor start;
u de auto van de buitenzijde ontgrendelt
met de sleutel of de afstandsbediening.
U kunt de automatische verlichting uitschakelen
door knop (2) meer dan 3 seconden ingedrukt
te houden. Bij kort indrukken van de knop schakelt u de automatische verlichting weer in.
De geprogrammeerde inschakelduur
(30 seconden resp. 10 minuten) is te wijzigen in
een Volvo-werkplaats.
1.
82
De functie is afhankelijk van de
lichtinval en wordt alleen geactiveerd
wanneer het donker is.
Interieur
Interieurverlichting
Make-upspiegel1
Het lampje gaat automatisch aan, wanneer u het
klepje optilt.
1.
Optie op bepaalde markten
83
Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
6
Opbergmogelijkheden
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
84
Vak in portierpaneel
Zonnebrilvak, bestuurderszijde (optie)
Parkeerkaarthouder
Dashboardkastje
Opbergvak
Opbergvak in middenconsole
Opbergvak
WAARSCHUWING!
Zorg dat er geen harde, scherpe of zware
voorwerpen in de weg liggen of uitsteken om
te voorkomen dat ze verwondingen veroorzaken bij een krachtige remmanoeuvre.
Maak grote en zware voorwerpen altijd vast
met een van de veiligheidsgordels of een
bagageband.
Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
Opbergvak in middenconsole
1. Opbergvak achterin
U kunt het achterste opbergvak in de middenconsole gebruiken om cd’s e.d. in op te bergen.
Dit opbergvak is bovendien uit te rusten met
een:
Handset + houder (optie)
2. Voorste opbergvak
(Voorzien van schuifklepje)
Het voorste opbergvak in de middenconsole is
uit te rusten met het volgende:
•
•
Bekerhouder (optie)
Asbak (optie)
3.
4.
12 V-aansluiting
Asbak (optie)
Bekerhouder in achterste
opbergvak voor achterbank
Druk op de linker knop van de armleuning en
klap het deksel van de middentunnel naar achteren toe open om bij het opbergvak of de handset te komen. Druk op de rechter knop van de
armleuning en klap het bovenste gedeelte van
het deksel op de middentunnel naar achteren
toe open om de bekerhouder te gebruiken. De
bekerhouder en het deksel zijn elk apart te sluiten.
85
Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
Bekerhouder in voorste
opbergvak (optie)
Bekerhouder in voorste
opbergvak XC70 (optie)
De bekerhouder is eenvoudig te verwijderen:
De bekerhouder is eenvoudig te verwijderen:
1.
– Pak de bekerhouder aan de achterkant vast
en duw de achterwand naar binnen om de
achterkant los te maken.
– Kantel de achterkant van de bekerhouder
omhoog en verwijder de houder.
Breng de bekerhouder in omgekeerde volgorde
weer aan.
2.
3.
4.
86
Duw de bekerhouder naar voren (1), terwijl
u deze aan de achterkant (2) optilt.
Duw de bekerhouder achteruit (3), in de
uitsparing, onder het schuifklepje.
Kantel de voorkant van de bekerhouder (4)
omhoog en verwijder de houder.
Breng de bekerhouder in omgekeerde
volgorde weer aan.
N.B. Zorg ervoor dat de handremhoes niet klem
komt te zitten.
Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
Bekerhouder in dashboard (optie)
Dashboardkastje
Kledinghaak
•
In het dashboardkastje kunt u bijvoorbeeld het
instructieboekje, wegenkaarten, pennen en
tankpassen bewaren.
De kledinghaak is alleen bestemd voor niet al te
zware kledingsstukken.
Druk op de houder om de bekerhouder uit
te doen schuiven.
• Duw de bekerhouder na gebruik weer in het
dashboard.
N.B. Gebruik nooit glazen flessen. Let er tevens
op dat warme dranken gevaar voor brandwonden opleveren.
Vloermatten (optie)
Volvo biedt vloermatten die speciaal voor de
auto vervaardigd zijn.
WAARSCHUWING!
Zorg dat de vloermat voor de bestuurdersstoel goed in de bevestigingsklemmen op de
vloer vastzit om te voorkomen dat deze kan
gaan glijden en achter of onder de pedalen
blijft haken.
87
Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
Bekerhouder in armsteun, achterbank (optie)
Flessenhouder achterin (optie)
Doe het volgende om de flessenhouder te
gebruiken:
– Klap de houder uit.
– Zet de fles erin.
De flessenhouder is tevens te gebruiken als
afvalbak. Breng van onderaf een afvalzak in de
houder aan en vouw de randen van de zak om.
N.B. Er bestaan geen speciale afvalzakken voor
de houder. U kunt gebruik maken van gewone
plastic zakken.
88
Interieur
Achterbank
Uitklapbaar tafeltje (optie)
– Trek aan het bandje en klap het zitgedeelte
naar voren toe om.
Om het tafeltje in zijn geheel uit te klappen,
moet u de armsteun van de achterbank eerst
vooroverklappen. Als u alleen de bekerhouders
wilt gebruiken, hoeft u het tafeltje niet uit te klappen.
Sluiten:
– Klap het tafeltje en de bekerhouders in.
– Klap de arm onder het tafeltje naar binnen
toe weg. Zorg dat u niet met uw hand
bekneld raakt.
– Klap de middenarmsteun tegen de achterbank op.
– Trek aan het bandje en klap het zitgedeelte
terug.
89
Interieur
Achterbank
Hoofdsteun omklappen
Bagageruimte verlengen
Middelste hoofdsteun (V70)
Middelste hoofdsteun (XC70)
De achterbank kan in gedeelten naar voren worden geklapt.
Zet de middelste hoofdsteun van de achterbank
lager, voor zover deze uitgetrokken was.
(modellen met een achterbank in drie delen)
– Kantel de rugleuningen van de voorstoelen
naar voren als deze ver naar achteren staan.
– Trek aan het riempje van het zitgedeelte om
het zitgedeelte tegen de rugleuning van de
voorstoelen aan op te klappen.
– Klap de beide buitenste hoofdsteunen naar
voren toe om door aan de bandjes te trekken.
– Druk op de pal achter de rechter poot (zie
afbeelding).
– Trek de hoofdsteun recht omhoog.
Lager zetten:
90
Hoger zetten:
– Trek de hoofdsteun iets naar voren en duw
deze omlaag.
Interieur
Achterbank
A. Pal in vergrendelde stand
B. Pal in ontgrendelde stand
Middelste ruggedeelte (XC70 met een
achterbank in drie delen)
Ruggedeelte omklappen
Middelste ruggedeelte omklappen
(XC70)
– Duw de pal van het ruggedeelte naar achteren en klap het ruggedeelte naar voren toe
om.
WAARSCHUWING!
Wanneer u de ruggedeelten weer opklapt,
moet u ervoor zorgen dat ze goed vergrendeld staan. Het opschrift “UNLOCKED”
(ontgrendeld) mag niet zichtbaar zijn op de
pal.
(modellen met een achterbank in drie delen)
Het linker en het middelste ruggedeelte zijn elk
apart om te klappen. Om het rechter ruggedeelte om te klappen moet u echter ook het middelste ruggedeelte omklappen.
Klap het middelste ruggedeelte als volgt om (los
van de beide buitenste ruggedeelten):
– Zorg dat de hoofdsteun helemaal omlaaggeduwd is. Druk op de knop boven op het middelste ruggedeelte om de pal te
ontgrendelen.
– Klap het ruggedeelte vervolgens voorover.
Afscheiding met opbergvakken
(XC70 – accessoire)
(modellen met een achterbank in drie delen)
Er is als accessoire een afscheiding met
opbergvakken verkrijgbaar voor de XC70 met
een achterbank in drie delen. De afscheiding
voorkomt dat voorwerpen vanuit de bagageruimte de passagiersruimte in kunnen worden
geslingerd bij een krachtige remmanoeuvre.
Zie de instructies die bij de kit werden geleverd
of neem contact op met een erkende Volvowerkplaats voor de montage van de afscheiding.
91
Interieur
Achterbank
Middelste ruggedeelte
aanbrengen
(modellen met een achterbank in drie delen)
Bij het terugplaatsen van het middelste ruggedeelte moet het rechter ruggedeelte rechtop
staan.
– Plaats het ruggedeelte terug door de onderkant van het ruggedeelte zover over de
stang omlaag te drukken dat het vergrendeld wordt.
Neem contact op met een Volvo-dealer voor
meer informatie over de mogelijke accessoires
die u tussen de buitenste onderdelen van het
rug- en zitgedeelte kunt aanbrengen.
Middelste ruggedeelte verwijderen (XC70)
(modellen met een achterbank in drie delen)
– Druk de knop boven op het middelste ruggedeelte in om de pal te ontgrendelen.
– Klap het ruggedeelte vervolgens iets voorover.
– Trek aan de handgreep achter op het ruggedeelte (zie bovenstaande afbeelding) om de
onderkant van het ruggedeelte los te koppelen van de stang. Til het ruggedeelte uit de
auto.
Neem contact op met een Volvo-dealer voor
informatie over de verkrijgbare accessoires voor
montage tussen de beide buitenste ruggedeelten.
92
WAARSCHUWING!
(XC70 met een achterbank in drie delen)
Laat het ruggedeelte en het zitgedeelte, na
demontage, om veiligheidsredenen niet los
in de auto liggen.
Als u het middelste ruggedeelte hebt verwijderd, kunnen losse voorwerpen in de bagageruimte bij een krachtige remmanoeuvre
tussen de beide buitenste ruggedeelten
door naar voren worden geslingerd.
Het rechter ruggedeelte moet rechtop staan,
wanneer u het middelste ruggedeelte terugplaatst. Als u dat niet doet, kunt u het middelste ruggedeelte niet vergrendelen en geen
gebruik maken van de middelste veiligheidsgordel.
Interieur
Achterbank
voorzijde zit) om het gedeelte van de stang
te kunnen halen.
– Plaats het ruggedeelte terug.
WAARSCHUWING!
Middelste ruggedeelte doet dienst als
armleuning
Als u het middelste ruggedeelte van de achterbank gebruikt als armleuning, moet u de
afscheiding (zie pagina 91) aanbrengen. Dit
om te voorkomen dat voorwerpen uit de
bagageruimte tussen de beide buitenste
ruggedeelten door de passagiersruimte in
kunnen worden geslingerd bij een krachtige
remmanoeuvre.
Middenarmsteun (XC70)
(modellen met een achterbank in drie delen)
Wanneer u het middelste ruggedeelte van de
achterbank omkeert, kunt u het gebruiken als
armleuning.
– Verwijder het middelste ruggedeelte (zie
pagina 92).
– Keer het ruggedeelte om (zodat de voorkant
van het ruggedeelte omhoog wijst).
– Duw het ruggedeelte zover op de stang
terug dat het vergrendeld wordt.
– Om het ruggedeelte weer in de normale
stand terug te brengen, moet u aan de
handgreep trekken (die nu onder aan de
93
Interieur
Bagageruimte
Algemene informatie
Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar
gewicht van de auto verminderd met dat van de
gemonteerde accessoires. Bij het rijklaar
gewicht zijn het gewicht van de bestuurder, dat
van de brandstoftank die voor 90 % gevuld is en
dat van de resterende oliën/vloeistoffen inbegrepen. De gemonteerde accessoires zoals een
trekhaak, lastdragers, skibox e.d. zijn niet inbegrepen bij het rijklaar gewicht.
Het laadvermogen van de auto wordt bovendien
beïnvloed door het aantal passagiers en hun
gezamenlijke gewicht.
WAARSCHUWING!
Afhankelijk van de belading van de auto en
het zwaartepunt van de lading treden er wijzigingen in de rijeigenschappen op.
Lading in de bagageruimte
Veiligheidsgordels en airbags bieden de
bestuurder en de passagiers een goede
bescherming, met name bij frontale botsingen.
Zorg ook voor een goede afscherming in de rug.
Let er bij het vervoer van lading in de bagageruimte op dat voorwerpen die niet goed zijn
vastgezet of op de juiste manier zijn ingeladen
bij een aanrijding of een krachtige remmanoeuvre met hoge snelheid en met grote kracht naar
voren kunnen worden geslingerd en daarbij ernstige verwondingen kunnen toebrengen.
94
N.B. Let erop dat een voorwerp met een
gewicht van 20 kg bij een frontale botsing op
een snelheid van 50 km/h zich gedraagt als een
voorwerp met een gewicht van 1000 kg.
Let op het volgende bij het inladen:
•
•
•
•
•
Breng de lading zo dicht mogelijk tegen de
rugleuning van de achterbank aan.
Leg zware voorwerpen zo veel mogelijk plat
op de vloer.
Breng zware lading dusdanig aan dat deze
recht voor de deellijn in de rugleuning van
de achterbank komt te zitten.
Zet de lading met sjorbanden aan de verankeringsogen vast.
Zorg dat de lading nooit boven de rugleuning uitsteekt, wanneer u geen gebruik
maakt van een bagagenet.
•
Wanneer u het ruggedeelte van de achterbank hebt neergeklapt, moet u zorgen dat
de lading niet uitsteekt boven de denkbeeldige, horizontale lijn op 50 mm onder de
bovenkant van de ramen in de achterportieren. Anders is het mogelijk dat het opblaasgordijn dat schuilgaat achter de
plafondbekleding geen bescherming meer
biedt.
Interieur
Bagageruimte
WAARSCHUWING!
WAARSCHUWING!
Duw zware lading niet te dicht tegen de
voorstoelen aan om te voorkomen dat het
ruggedeelte van de achterbank onnodig
zwaar belast wordt. Zorg dat de lading nooit
boven de rugleuningen van de voorstoelen
uitsteekt! Als dat namelijk wel het geval is,
kan de lading bij een krachtige remmanoeuvre of een aanrijding naar voren worden
geslingerd en daarbij u of eventuele passagiers ernstig verwonden. Let er ook op dat u
de lading altijd goed verankert (vastbindt).
Wanneer u het ruggedeelte van de achterbank hebt neergeklapt, moet u zorgen dat de
lading niet uitsteekt boven de denkbeeldige,
horizontale lijn op 50 mm onder de bovenkant van de ramen in de achterportieren.
Anders is het mogelijk dat het opblaasgordijn dat schuilgaat achter de plafondbekleding geen bescherming meer biedt.
Laadcapaciteit (gemeten in 1 literdozen)
Zitgedeelte verwijderen
Ruggedeelte achterbank rechtop, bagage tot
bovenkant ruggedeelte: 485 l
(achterbank in twee of drie delen)
Het zitgedeelte van de achterbank kan eenvoudig worden verwijderd. Zo kunt u de bagageruimte iets verlengen.
Ruggedeelte achterbank neergeklapt, bagage
tot bovenkant ruggedeelte voorstoelen: 745 l
Ruggedeelte achterbank neergeklapt, lading tot
plafond: 1641 l
N.B. Zorg ervoor dat de openingen in de kunststof bekleding boven op de rugleuning vastgrijpen om de haken aan de onderzijde van het
zitgedeelte.
– Haal de rode borgnokken naar voren om de
vergrendeling van het zitgedeelte op te heffen.
– Til het zitgedeelte vervolgens uit de auto.
Voer de beschrijving in omgekeerde volgorde
uit, wanneer u het zitgedeelte weer in de auto
aanbrengt.
Wanneer u het ruggedeelte en het zitgedeelte
terugklapt, moet u ook de hoofdsteunen weer in
de normale stand opklappen.
95
Interieur
Bagageruimte
A. Pal in vergrendelde stand
B. Pal in ontgrendelde stand
Ruggedeelten van achterbank
De beide ruggedeelten van de achterbank kunnen qua hellingshoek worden versteld. Zet een
ruggedeelte als volgt in de laadstand1:
– Druk op de pal totdat het rode merkje zichtbaar wordt.
– Trek het ruggedeelte naar voren in de
nieuwe vergrendelde stand.
Zorg dat het ruggedeelte daadwerkelijk in de
nieuwe stand vergrendeld staat en dat het rode
merkje niet meer zichtbaar is.
U kunt het ruggedeelte op dezelfde manier weer
rechtop zetten.
1.
96
De laadstand zorgt voor meer
bagageruimte
Bagageruimteverlichting
Helemaal achter in de bagageruimte zit een
extra plafondlampje.
Houder voor boodschappentassen (optie)
– Open het luik in de bagageruimte.
– Hang de boodschappentassen aan houders
of bind ze vast met bagagebanden.
De kunststof bagagebak kunt u verwijderen
door aan de twee knoppen aan de zijkant te
draaien.
Interieur
Bagageruimte
N.B. Het groene merkje op de console (2) en
het merkje op de draaiknop (1) moeten na montage recht tegenover elkaar staan. Als dat niet
het geval is, biedt het rek onvoldoende bescherming.
Verwijder het veiligheidsrek als volgt:
Elektrische aansluiting bagageruimte
Verwijder het kapje, wanneer u de aansluiting
wilt gebruiken. De elektrische aansluiting werkt
onafhankelijk van de stand van het contactslot.
Als bij het uitschakelen van het contact blijkt dat
de stroomsterkte die via de aansluiting wordt
afgenomen hoger is dan 0,1 A, verschijnt er een
waarschuwing op het display.
N.B. Let erop dat u de aansluiting niet gebruikt,
wanneer het contact is uitgeschakeld. Als u de
aansluiting dan namelijk wel gebruikt, bestaat
het risico dat de accu uitgeput raakt.
Rood merkje – onvergrendelde stand.
Groen merkje – vergrendelde stand.
Veiligheidsrek XC70
Als uw auto is uitgerust met een veiligheidsrek
in de bagageruimte, moet u dit rek voor de veiligheid altijd op de juiste manier bevestigen en
verankeren.
Breng het bagagerek als volgt aan:
– Klap de beide ruggedeelten voorover.
– Druk de draaiknop (1) in met een Torxschroevendraaier en draai deze naar de
rode stand, zodat het merkje op de draaiknop overeenkomt met dat op de console.
– Duw het veiligheidsrek in de richting van de
tegenoverliggende bevestiging, zodat het
van het plafondpaneel loskomt. Zodra u het
rek langs het plafondpaneel en de bevestiging hebt gehaald moet u minder kracht uitoefenen en het rek voorzichtig naar u toe
trekken zodat het rek ook aan de andere
kant loskomt. Kantel het rek niet te veel,
omdat het dan klem kan komen te zitten en
moeilijk te verwijderen kan zijn.
– Klap de beide ruggedeelten voorover.
– Druk de draaiknop (1) met een Torx-schroevendraaier in en draai deze naar de rode
stand (onvergrendelde stand).
– Steek de afgeveerde uiteinden van het veiligheidsrek in de bevestigingspunten (zie
afbeelding).
– Druk de draaiknop (1) in en draai deze naar
de groene stand (vergrendelde stand).
97
Interieur
Bagageruimte
A
E
B
Nylon bagagenet V70
(achterbank in twee delen)
Het bagagenet is gemaakt van stevig nylonmateriaal, dat van het ruggedeelte van de achterbank kan worden uitgerold. Het bagagenet
wordt ca. 1 minuut na het uitrollen automatisch
geblokkeerd, als de ruggedeelten van de achterbank in opgeklapte stand staan.
– Trek het rechter bagagenet naar boven toe
uit.
– Haak eerst de stang in de bevestiging aan
de rechterzijde (A) vast. Trek de stang vervolgens uit en haak deze ook aan de
linkerzijde (B) vast.
– Trek het linker bagagenet naar boven toe uit
en bevestig het aan de stang.
98
– Demonteer het bagagenet in omgekeerde
volgorde.
Het bagagenet kan ook worden gebruikt wanneer de achterbank naar voren toe omgeklapt is.
F
Nylon bagagenet XC70
(modellen met een achterbank in drie delen)
De Volvo XC70 kan worden uitgerust met een
bagagenet van stevig nylonmateriaal, dat u aan
de daarvoor bestemde plafondbevestigingen en
de ogen op de vloer kunt bevestigen1.
U kunt het net achter de opgeklapte ruggedeelten van de achterbank langs vastzetten of, wanneer u de achterbank vooroverklapt, achter de
voorstoelen (zie de afbeeldingen).
1.
Als uw auto is uitgerust met een
achterstevoren gemonteerd extra
bankje
Interieur
Bagageruimte
gedeelten van de achterbank voorovergeklapt
zijn, moet u het bagagenet tussen de zitgedeelten en de rugleuningen van de voorstoelen
langs trekken (C).
N.B. U mag de trekbanden van het bagagenet
niet bevestigen aan de ogen onder aan de voorstoelen. Als u dat wel doet, bestaat het risico
dat het net of de plafondbevestigingen beschadigd raakt/raken, wanneer de stoelen naar achteren worden gezet.
C
Bagagenet opvouwen
D
De stangen boven en onder zijn in het midden
voorzien van scharnieren, zodat het mogelijk is
het bagagenet op te vouwen. Klap de stangen
zo nodig zover uit dat ze vergrendeld worden.
– Haak de bovenste stang aan de voorste of
achterste plafondbevestiging (A) vast.
– Haak het andere uiteinde van de stang aan
de tegenoverliggende plafondbevestiging
vast.
– Haak de banden van het bagagenet aan de
ogen op de vloer (B) vast, wanneer u het net
aan de achterste plafondbevestigingen hebt
vastgezet, of bij (D), wanneer u het net aan
de voorste plafondbevestigingen hebt vastgezet.
– Trek het bagagenet strak met de banden.
N.B. Als u het bagagenet aan de voorste plafondbevestigingen hebt vastgezet terwijl de zit-
Op modellen zonder een extra basluidspreker
(optie) of een extra bankje (optie) kunt u het
bagagenet opvouwen en opbergen onder de
vloerplaat in de bagageruimte.
Druk de knoppen (E) op de scharnieren van het
bagagenet (F) in (zie voorgaande pagina) om de
scharnieren te ontgrendelen en het net op te
vouwen.
WAARSCHUWING!
Om veiligheidsredenen mag u geen gebruik
maken van het bagagenet, als u kinderen
vervoert op het extra bankje in de bagageruimte.
Controleer altijd of de bovenste bevestigingen van het bagagenet goed zijn aangebracht en of de banden stevig vastzitten.
Een beschadigd net mag u niet meer gebruiken.
Bagagerolhoes (optie)
Trek de bagagerolhoes over de bagage heen uit
en haak de hoes vast in de openingen die in de
achterste stijlen van de bagageruimte zitten.
Bagagerolhoes verwijderen
– Druk het eindstuk van de bagagerolhoes
naar binnen en trek het naar boven toe los.
– Bij het aanbrengen moet u de eindstukken
van de bagagerolhoes in de houders
omlaagdrukken.
99
Interieur
100
Sloten en alarm
Sleutels en afstandsbediening
Vergrendelen en ontgrendelen
Kinderslot
Alarm (optie)
102
105
108
109
101
Sloten en alarm
Sleutels en afstandsbediening
1
1.
Hoofdsleutel
De hoofdsleutel past op alle sloten.
2.
Servicesleutel1
De servicesleutel past alleen op het
bestuurdersportier en op het contactslot/stuurslot.
Sleutels, elektronische
startblokkering
Bij de auto worden twee hoofdsleutels en een
servicesleutel geleverd1. Eén hoofdsleutel is
inklapbaar en voorzien van een ingebouwde
afstandsbediening.
Verlies van een sleutel
2
Als u een van de sleutels verliest, moet u contact opnemen met een erkende Volvo-werkplaats en alle resterende sleutels van de auto
meenemen. Ter voorkoming van diefstal moet
de code van de zoekgeraakte sleutel uit het systeem worden gewist. Tegelijkertijd moeten de
codesignalen van de resterende sleutels
opnieuw in het systeem worden geprogrammeerd.
De unieke code van de sleutels is bekend bij de
erkende Volvo-werkplaatsen, waar ook nieuwe
sleutels kunnen worden gemaakt.
Er kunnen maximaal zes afstandsbedieningen/sleutels voor één en dezelfde auto worden
geprogrammeerd en gebruikt.
1.
102
Alleen bepaalde markten
Elektronische startblokkering
De sleutels zijn voorzien van gecodeerde transponderchips. Deze code moet overeenkomen
met die van de ontvanger in het contactslot. U
kunt de auto alleen starten, wanneer u een sleutel met de juiste code gebruikt.
N.B. Het sleutelblad van de hoofdsleutel (1)
moet volledig zijn uitgeklapt (zoals afgebeeld)
bij het starten van de auto. Anders is het risico
aanwezig dat de startblokkering in werking
treedt en de motor niet kan worden gestart.
Contactsleutels en elektronische startblokkering
Laat de contactsleutel nooit samen met andere
sleutels of metalen voorwerpen aan dezelfde
sleutelbos hangen. Anders kan de elektronische
startblokkering per ongeluk worden geactiveerd, zodat de auto niet kan worden gestart.
Sloten en alarm
Sleutels en afstandsbediening
1
2
6
3
5
4
Paniekfunctie
Vergrendelen
U kunt gebruik maken van de paniekfunctie om
in noodgevallen de aandacht van anderen te
trekken. Als u de rode alarmknop (3) ten minste
drie seconden lang ingedrukt houdt of tweemaal achtereen indrukt, activeert u de richtingaanwijzers en de claxon. U schakelt de
paniekfunctie weer uit met een druk op een willekeurige knop van de afstandsbediening. Als u
niets doet, wordt de paniekfunctie na
25 seconden automatisch uitgeschakeld.
Met knop (5) vergrendelt u alle portieren, de
achterklep en de tankvulklep.
Approach-verlichting
Voor de tankvulklep geldt een vertraging van ca.
10 minuten.
Sleutel in-/uitklappen
U kunt de sleutel inklappen door knop (6) in te
drukken, terwijl u het mechanische gedeelte
inklapt.
De ingeklapte sleutel wordt automatisch uitgeklapt met een druk op de knop.
Doe het volgende, wanneer u op de auto toeloopt:
1.
2.
3.
4.
5.
6.
Ontgrendelen
Achterklep openen
Paniekfunctie
Approach-verlichting
Vergrendelen
Sleutel in-/uitklappen
Functies afstandsbediening
Ontgrendelen
– Bij eenmaal indrukken van knop (1) worden
alle portieren, de achterklep en de tankvulklep ontgrendeld.
Achterklep
– Bij eenmaal indrukken van knop (2) wordt
alleen de achterklep ontgrendeld.
– Druk op de gele knop (4) van uw afstandsbediening.
De interieurverlichting, de stadslichten/parkeerlichten vóór en de achterlichten, de kentekenplaatverlichting en de verlichting van de
buitenspiegels (optie) lichten vervolgens op. De
lampen blijven 30, 60 of 90 seconden lang
branden. In een erkende Volvo-werkplaats kunt
u een voor u passende inschakelduur laten
instellen.
Doe het volgende om de Approach-verlichting
uit te schakelen:
– Druk nogmaals op de gele knop van uw
afstandsbediening.
103
Sloten en alarm
Sleutels en afstandsbediening
Geef de lege batterij af bij een erkende Volvodealer, zodat de batterij op milieuvriendelijke
wijze wordt verwerkt.
Batterij in afstandsbediening
vervangen
Als de sloten niet meer bij de gebruikelijke
afstand reageren op signalen van de afstandsbediening, moet u de batterij bij de eerstvolgende servicebeurt vervangen.
– Haal de afdekking los door deze met een
smalle schroevendraaier aan de achterkant
voorzichtig open te wrikken.
– Vervang de batterij (type CR 2032, 3 V) en
zorg dat de pluspool omhoogwijst. Kom niet
met uw vingers aan de polen van de batterij
of de contactvlakken.
– Plaats de afdekking terug. Zorg dat het
afdichtrubber goed zit en intact is, zodat er
geen vocht kan binnendringen.
104
Sloten en alarm
Vergrendelen en ontgrendelen
gens sluit bestaat het gevaar dat u zich
buitensluit met de sleutels nog in de auto.
Automatische hervergrendeling
Als u geen van de portieren noch de achterklep
binnen twee minuten na ontgrendeling opent,
worden alle sloten automatisch opnieuw vergrendeld. Deze functie beperkt de kans dat u de
auto per ongeluk onvergrendeld kunt laten
staan. Zie pagina 109 voor auto’s met alarmsysteem.
Van de buitenzijde
vergrendelen/ontgrendelen
Automatische vergrendeling
Vanaf het bedieningspaneel op het bestuurdersportier kunt u de automatische vergrendeling
activeren of deactiveren.
Met de hoofdsleutel of de afstandsbediening
kunt u alle zijportieren en de achterklep tegelijkertijd vergrendelen of ontgrendelen. De vergrendelingsknoppen op de portieren en de
portierhandgrepen aan de binnenzijde zijn dan
Bij automatische vergrendeling worden de portieren automatisch vergrendeld wanneer de
auto een snelheid bereikt van meer dan 7 km/h.
De portieren blijven vergrendeld totdat een portier van de binnenzijde worden geopend of alle
portieren tegelijkertijd worden ontgrendeld
vanaf het bedieningspaneel.
niet meer te bedienen.1
De tankvulklep kan worden geopend, wanneer
de auto onvergrendeld staat. De tankvulklep
blijft 10 minuten lang onvergrendeld staan,
nadat u de auto vergrendeld hebt.
Automatische vergrendeling
activeren/deactiveren
N.B. Ook als er nog een portier of de achterklep
openstaat is het mogelijk de auto te vergrende-
– De contactsleutel moet in stand I of II
staan.
1
len . Wanneer u het geopende portier vervol1.
Geldt voor bepaalde markten
105
Sloten en alarm
Vergrendelen en ontgrendelen
– Druk op de knop READ op de linker stuurhendel om eventuele meldingen op het
informatiedisplay te bevestigen.
– Houd de knop voor centrale vergrendeling
ingedrukt, totdat er een nieuwe melding
over de vergrendelingsstatus op het informatiedisplay verschijnt.
– De melding AUTOLOCK GEACTIVEERD
(automatische vergrendeling tijdens het
wegrijden) of
AUTOLOCK GEDEACTIVEERD verschijnt
op het informatiedisplay.
Achterklep met afstandsbediening
vergrendelen/ontgrendelen
Doe het volgende om alleen de achterklep te
ontgrendelen:
Van de binnenzijde vergrendelen
en ontgrendelen
Vanaf het bedieningspaneel op het bestuurdersportier (of het passagiersportier) zijn alle portieren en de achterklep gelijktijdig te
vergrendelen dan wel te ontgrendelen.
Alle portieren zijn te vergrendelen met de vergrendelknop op het bedieningspaneel van het
bewuste portier.
Als de auto niet van de buitenzijde vergrendeld
werd, is deze te ontgrendelen door een portier
met de handgreep te openen.1
1.
106
Geldt voor bepaalde markten
– Druk eenmaal op de knop van de afstandsbediening waarmee u de achterklep ontgrendelt.
– Als de achterklep openstond toen u de overige portieren vergrendelde, blijft de achterklep ook na sluiting onvergrendeld en
onbewaakt staan. De overige portieren zijn
echter nog steeds vergrendeld en bewaakt.
– Om de achterklep in een dergelijk geval te
vergrendelen en in het alarm te betrekken
moet u de knop LOCK nogmaals indrukken.
N.B. Als u van deze knop gebruik maakt om de
achterklep te ontgrendelen zonder de klep te
openen, wordt de klep ca. 2 minuten automatisch opnieuw vergrendeld.
Als u de achterklep echter opent en sluit, werkt
de automatische hervergrendelingsfunctie niet.
Dashboardkastje vergrendelen
U kunt het dashboardkastje alleen vergrendelen/ontgrendelen met de hoofdsleutel en dus
niet met de servicesleutel.
Sloten en alarm
Vergrendelen en ontgrendelen
diening vergrendelt. Er verschijnt een melding
op het display zolang de sleutel in het contactslot steekt. De volgende keer dat u het contact
aanzet, worden de sensoren weer geactiveerd.
Safelock-functie1
Bij activering van de Safelock-functie zijn de
portieren niet meer van de binnenzijde te openen, als ze eenmaal vergrendeld zijn.
De Safelock-functie kan alleen van de buitenzijde worden geactiveerd door het bestuurdersportier met de sleutel of de afstandsbediening
te vergrendelen. Alle portieren moeten zijn
gesloten, voordat u de Safelock-functie kunt
activeren. De portieren kunnen daarna niet meer
van de binnenzijde worden geopend. De auto
kan alleen van de buitenzijde worden geopend
met de sleutel in het bestuurdersportier of via de
afstandsbediening.
De Safelock-functie treedt 25 seconden na het
sluiten van de portieren in werking.
WAARSCHUWING!
Laat niemand in de auto zitten op het
moment dat de Safelock-functie geactiveerd
is.
Safelock-functie en eventuele alarmsensoren tijdelijk deactiveren
Als u de portieren van de buitenzijde wilt vergrendelen terwijl er iemand in de auto achterblijft (bijvoorbeeld tijdens de overtocht op een
veerboot), kunt u de Safelock-functie tijdelijk
deactiveren.
– Steek de sleutel in het contactslot, draai
deze naar stand II en vervolgens terug naar
stand I of 0.
– Druk op de knop.
Als de auto is uitgerust met alarm stelt u ook de
bewegings- en niveausensoren buiten werking
(zie pagina 110).
1.
Bepaalde landen
De led in de knop licht op en blijft branden, totdat u de auto met de sleutel of de afstandsbe107
Sloten en alarm
Kinderslot
Bedieningscilinder kinderslot, linker achterportier
Handmatig kinderslot,
achterportieren
De bedieningscilinders van de kindersloten
vindt u achter op de korte kant van de achterportieren, zodat ze alleen bereikbaar zijn wanneer de portieren openstaan. Gebruik een plat
metalen voorwerp zoals een schroevendraaier
om de bedieningscilinders te verdraaien en zo
de kindersloten in of uit te schakelen.
A.
B.
108
Ingeschakeld kinderslot – de portieren
kunnen niet van de binnenzijde worden
geopend (naar buiten toe draaien).
Uitgeschakeld kinderslot – de portieren
kunnen wel van de binnenzijde worden
geopend (naar binnen toe draaien).
Bedieningscilinder kinderslot, rechter achterportier.
WAARSCHUWING!
Let erop dat de achterpassagiers bij een
ongeluk de achterportieren niet van de binnenzijde kunnen openen, als u het kinderslot
hebt geactiveerd.
Houd de vergrendelingsknoppen van de
portieren daarom omhoog tijdens het rijden.
Bij een ongeluk kunnen hulpverleners de
portieren dan van de buitenzijde openen.
Elektrisch kinderslot
Elektrisch kinderslot, achterportieren (optie)
Gebruik de knop op de middenconsole om het
kinderslot op de achterportieren in of uit te
schakelen. Het contactslot moet daarbij in
stand I of II staan. De led in de knop brandt om
aan te geven dat het kindersloten is ingeschakeld. Er verschijnt tevens een melding op het
display, wanneer u het kinderslot in- of uitschakelt.
N.B. Zolang het elektrisch kinderslot ingeschakeld is, kunnen de achterportieren niet van de
binnenzijde worden geopend.
Sloten en alarm
Alarm (optie)
Alarmsysteem
Alarm inschakelen
Wanneer het alarm is ingeschakeld, worden alle
beveiligde onderdelen continu gecontroleerd.
Het alarm gaat af, als:
Druk op de knop LOCK van de afstandsbediening. De richtingaanwijzers van de auto geven
een lang lichtsignaal af ter bevestiging dat het
alarm is ingeschakeld en dat alle portieren zijn
gesloten. In bepaalde landen kunt u het alarm
inschakelen met de sleutel of met de knop op
het bestuurdersportier.
•
•
•
•
•
•
•
•
de motorkap wordt geopend;
de achterklep wordt geopend;
een van de zijportieren wordt geopend;
het contactslot wordt omgedraaid met een
verkeerde sleutel of wordt gemanipuleerd;
er een beweging in de passagiersruimte
wordt waargenomen (op auto’s met een
bewegingsmelder, optie op bepaalde markten);
de auto wordt opgetakeld of weggesleept
(op auto’s met een niveausensor, optie op
bepaalde markten);
de accukabel wordt ontkoppeld;
iemand de sirene probeert los te koppelen.
BELANGRIJK!
De richtingaanwijzers van de auto geven
een lang lichtsignaal af en de led op het
dashboard licht om de twee seconden
eenmaal op ter bevestiging dat het alarm
volledig is ingeschakeld.
Alarm uitschakelen
opent wanneer u de auto via de afstandsbediening hebt ontgrendeld, wordt het alarm automatisch weer ingeschakeld. De auto wordt
bovendien vergrendeld. Deze functie voorkomt
dat u de auto onbedoeld kunt achterlaten zonder het alarm in te schakelen.
In bepaalde landen (zoals in België, Israël e.d.)
wordt het alarm na enige vertraging automatisch
weer ingeschakeld, wanneer het bestuurdersportier werd geopend en gesloten maar
daarna niet werd vergrendeld.
Geactiveerd alarm uitschakelen
Om het alarm uit te schakelen wanneer het eenmaal is afgegaan, moet u op de knop UNLOCK
van de afstandsbediening drukken. De richtingaanwijzers van de auto geven ter bevestiging
twee korte lichtsignalen af.
Druk op de toets UNLOCK van de afstandsbediening. De richtingaanwijzers van de auto
geven twee korte lichtsignalen af ter bevestiging
dat het alarm is uitgeschakeld en dat alle portieren zijn ontgrendeld.
Geluidssignalen, alarm
Als de batterijen in de afstandsbediening leeg
zijn, kunt u het alarm uitschakelen door de contactsleutel naar stand II te draaien.
Wanneer het alarm afgaat, gaan alle richtingaanwijzers 5 minuten lang knipperen of korter
wanneer u het alarm volgens de bovenstaande
aanwijzingen eerder uitschakelt.
Automatische inschakeling van
het alarm
Een sirene met reservebatterij geeft de geluidssignalen voor het alarm af. De geluidssignalen
duren telkens 25 seconden.
Lichtsignalen, alarm
Als u de portieren of de achterklep niet binnen
twee minuten na uitschakeling van het alarm
109
Sloten en alarm
Alarm (optie)
keer dat u het contact aanzet, worden de sensoren weer geactiveerd.
Als uw auto is uitgerust met de zogeheten Safelock-functie, wordt ook deze functie tegelijkertijd geactiveerd (zie pagina 107).
Controlelampje op dashboard
(bepaalde landen)
Een controlelampje (led) boven op het dashboard geeft de status van het alarmsysteem
aan:
•
Alarmsensoren en Safelockfunctie tijdelijk deactiveren
Om te voorkomen dat het alarm afgaat wanneer
u bijvoorbeeld een hond in de auto achterlaat of
gebruik maakt van een veerboot, kunt u de
bewegingsmelder en de niveausensoren tijdelijk
uitschakelen en wel als volgt:
– Steek de sleutel in het contactslot, draai
deze naar stand II en vervolgens terug naar
stand I of 0.
– Druk op de knop.
De led in de knop licht op en blijft branden, totdat u de auto met de sleutel of de afstandsbediening vergrendelt.
Er verschijnt een melding op het display zolang
de sleutel in het contactslot steekt. De volgende
110
Het lampje brandt niet: Het alarm is uitgeschakeld.
• Het lampje licht eenmaal per twee seconden
op nadat de richtingaanwijzers van de auto
een lang lichtsignaal hebben afgegeven –
het alarm is ingeschakeld.
• Het lampje knippert snel vanaf het moment
van uitschakelen van het alarm tot het
moment van inschakelen van het contact:
Het alarm is afgegaan.
Als er een storing is opgetreden in het alarmsysteem, verschijnt er een melding op het display.
Als het alarmsysteem niet goed werkt, moet u
de auto in een erkende Volvo-werkplaats laten
nakijken.
BELANGRIJK!
Voer nooit zelf reparaties aan of wijzigingen
in het alarmsysteem uit. Dergelijke ingrepen
kunnen van invloed zijn op de verzekeringsvoorwaarden.
Sloten en alarm
Alarm (optie)
Alarmsysteem testen
Bewegingsmelder testen
– Open alle zijruiten.
– Activeer het alarm. De led knippert langzaam om aan te geven dat het alarm op
scherp staat.
– Wacht 30 seconden.
– Test de bewegingsmelder in het passagierscompartiment door bijvoorbeeld een tas van
de stoelzitting te nemen. Het alarmsysteem
moet dan geluids- en knippersignalen afgeven.
– Deactiveer het alarm door de auto via de
afstandsbediening te ontgrendelen.
Portieren testen
– Activeer het alarm.
– Wacht 30 seconden.
– Ontgrendel de auto met de sleutel aan de
bestuurderszijde.
– Open een van de portieren. Het alarm moet
vervolgens geluids- en lichtsignalen afgeven.
– Herhaal deze test voor het andere voorportier.
– Deactiveer het alarm door de auto via de
afstandsbediening te ontgrendelen.
– Activeer het alarm (blijf in de auto zitten en
vergrendel de portieren met de knop op de
afstandsbediening).
– Wacht 30 seconden.
– Ontgrendel de motorkap met de hendel
onder het dashboard. Het alarm moet vervolgens geluids- en lichtsignalen afgeven.
– Deactiveer het alarm door de auto via de
afstandsbediening te ontgrendelen.
Achterklep testen
– Activeer het alarm.
– Wacht 30 seconden.
– Ontgrendel de achterklep met behulp van
de sleutel in het bestuurdersportier zonder
een portier te openen.
– Open de achterklep met de handgreep. Het
alarm moet vervolgens geluids- en lichtsignalen afgeven.
– Deactiveer het alarm door de auto via de
afstandsbediening te ontgrendelen.
Motorkap testen
– Ga in de auto zitten en deactiveer de bewegingsmelder.
111
Sloten en alarm
112
Starten en rijden
Algemene informatie
Tanken
Motor starten
Handgeschakelde versnellingsbak
Automatische versnellingsbak
Vierwielaandrijving – AWD (All Wheel Drive)
Remsysteem
Snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging
Stabiliteits- en tractieregelsysteem (optie)
FOUR-C (Actief chassis)
Park Assist (optie)
Slepen en bergen
Starten met hulpaccu
Rijden met een aanhanger
Trekhaak
Afneembare trekhaak
Lading op het dak
Lichtbundel aanpassen
BLIS (Blind Spot Information System) (optie)
114
116
117
119
120
123
124
126
127
129
130
132
134
135
137
139
141
144
149
113
Starten en rijden
Algemene informatie
Zuinig rijden
Zuinig rijden houdt in dat u anticiperend en rustig rijdt en uw rijstijl en snelheid afstemt op de
heersende verkeerssituatie.
Let op het volgende:
•
•
•
•
•
•
•
•
Laat de motor zo snel mogelijk op bedrijfstemperatuur komen! D.w.z. dat u de motor
niet stationair moet laten lopen, maar zo snel
mogelijk moet wegrijden en de motor licht
moet belasten.
Een koude motor verbruikt meer brandstof
dan een warme.
Laat de auto zo veel mogelijk staan voor de
kortere ritten, waarbij de motor niet op temperatuur komt.
Rijd rustig! Vermijd onnodig snel optrekken
en krachtig remmen.
Laat zware lading niet onnodig lang in de
auto liggen.
Gebruik geen winterbanden op sneeuwvrije
en droge wegen.
Verwijder de lastdragers, wanneer u deze
niet meer nodig hebt.
Open de zijruiten niet onnodig.
Rijd niet met een geopende
achterklep!
Wanneer u met de achterklep open rijdt, kunnen
er uitlaatgassen en daarmee giftig koolmonoxide via de bagageruimte de passagiers114
ruimte in worden gezogen. Als u echter toch een
stukje met een geopende achterklep moet rijden, doe dan het volgende:
– Doe alle ruiten dicht.
– Stuur de lucht naar de voorruit en de vloer
en laat de ventilator op de hoogste snelheid
draaien.
Nieuwe auto’s en gladde wegen
Het rijgedrag van de auto varieert afhankelijk
van de vraag of uw auto is uitgerust met een
handgeschakelde of een automatische versnellingsbak. Aarzel daarom niet om onder gecontroleerde omstandigheden (zoals op een
slipbaan) te testen hoe de auto bij gladheid reageert.
Doorwaaddiepte
U kunt met de auto door waterpartijen van maximaal 25 cm (XC70: 30 cm) diep rijden met een
maximumsnelheid van 10 km/h. Wees extra
voorzichtig bij het doorwaden van stromend
water.
Houd een lage snelheid aan tijdens het waden
en breng de auto niet in het water tot stilstand.
Trap na het oversteken van de waterpartij lichtjes op het rempedaal om te controleren of de
remwerking in orde is. Bij water en vuil op de
remblokken kunnen er vertragingen in de remwerking optreden.
N.B. Maak de aansluitingen voor de elektrische
motorverwarming en de aanhangerkoppeling
BELANGRIJK!
Er kan schade aan de motor ontstaan, als er
water in het luchtfilter dringt.
Bij diepere waterpartijen kan er water in de
transmissie dringen. De smerende eigenschappen van de oliën nemen daarbij af,
waardoor de genoemde systemen minder
lang meegaan.
BELANGRIJK!
Laat de auto niet langdurig in water staan
dat tot boven de dorpelbalken komt om
elektrische storingen te voorkomen.
Probeer de motor na afslag in een waterpartij niet opnieuw te starten. Sleep de auto
uit het water.
Starten en rijden
Algemene informatie
Accu niet overmatig belasten
De elektrische functies van de auto belasten de
accu in verschillende mate. Laat de contactsleutel niet te lang achtereen in stand II staan, als u
de motor hebt afgezet. Gebruik liever stand I.
Op die manier wordt er minder stroom afgenomen. De 12V-aansluiting in de bagageruimte
levert ook spanning als u de contactsleutel hebt
uitgenomen.
Voorbeelden van onderdelen/systemen die veel
stroom afnemen zijn:
• interieurventilator
• ruitenwissers
• audiosysteem
• stadslichten.
Let er tevens op dat de verschillende accessoires het elektrisch systeem belasten. Maak
daarom geen gebruik van functies die veel
stroom afnemen, wanneer u de motor hebt afgezet. Als de accuspanning laag is, verschijnt er
een melding op het display. De melding blijft op
het display staan, totdat de motor is aangeslagen. De energiebesparingsfunctie schakelt
bepaalde onderdelen/systemen uit of verlaagt
de belasting van de accu door bijvoorbeeld de
ventilatorsnelheid te verlagen of het audiosysteem uit te schakelen.
U laadt de accu op door de motor te starten.
Voorkom oververhitting van de
motor en het koelsysteem
In speciale omstandigheden, bijvoorbeeld op
steile hellingen en bij het vervoer van een zware
lading, bestaat het gevaar dat de motor en het
koelsysteem oververhit raken. Dit geldt in het bijzonder bij warm weer.
Tips om oververhitting in het
koelsysteem te voorkomen
•
•
•
•
•
Houd een lage snelheid aan, wanneer u met
een aanhanger achter de auto een lange,
steile helling oprijdt.
Schakel van tijd tot tijd de airconditioning
uit.
Laat de motor bij voorkeur niet stationair
lopen.
Na een zware rit moet u de motor niet meteen afzetten, maar nog enige tijd stationair
laten lopen.
Verwijder verstralers die voor de grille zitten,
als u bij extreem warm weer rijdt.
Doe het volgende om oververhitting van
de motor te voorkomen:
Laat de motor geen hogere toeren maken dan
4500 omw/min (dieselmotor: 3500 omw/min),
wanneer u met een aanhanger of caravan achter
de auto in heuvelachtig gebied rijdt. Anders kan
de olietemperatuur te hoog oplopen.
115
Starten en rijden
Tanken
WAARSCHUWING!
Schakel voordat u gaat tanken uw mobiele
telefoon uit. Het belsignaal kan aanleiding
geven tot vonkvorming en daarbij de brandstofdampen ontsteken met gevaar voor
brand en verwondingen.
Benzine tanken
Giet de tank niet te vol door het vulpistool na de
eerste afslag uit de vulopening te halen.
De tankvuldop vindt u achter de tankvulklep
in het spatbord rechtsachter. De dop is op te
hangen aan de binnenzijde van de
tankvulklep.
N.B. Een te volle tank kan bij warm weer overlopen.
N.B. Voeg nooit op eigen initiatief reinigende
additieven (dopes) aan de benzine toe zonder
het uitdrukkelijke advies van een Volvo-werkplaats.
Tankvulklep openen
De tankvulklep kan worden geopend, wanneer
de auto onvergrendeld staat.
BELANGRIJK!
N.B. De tankvulklep blijft tien minuten lang
onvergrendeld staan, nadat u de auto hebt vergrendeld.
Giet benzinemodellen altijd met loodvrije
benzine vol om te voorkomen dat de katalysator beschadigd raakt.
Tankdop
Bij hoge buitentemperaturen kan er een
bepaalde mate van overdruk in de brandstoftank
ontstaan. Draai de tankdop dan langzaam open.
Breng na het tanken de tankdop weer aan en
draai deze zo ver dicht dat u een of meer klikken
hoort.
116
Dieselolie tanken
Bij lage temperaturen (van –5 °C tot –40 °C)
kan de paraffine in de dieselolie uitvlokken, wat
tot startproblemen kan leiden. Zorg er daarom
voor dat u tijdens de wintermaanden speciale
winterbrandstof gebruikt.
Starten en rijden
Motor starten
Voordat de motor wordt gestart
– Trek de handrem aan.
Automatische versnellingsbak
– Zet de keuzehendel in stand P of N.
Handgeschakelde versnellingsbak
– Zet de versnellingspook in de neutrale stand
en houd het koppelingspedaal volledig ingedrukt. Dit is met name van belang bij strenge
vorst.
N.B. Tijdens de koude start is het mogelijk dat
het motortoerental merkbaar hoger ligt dan normaal is voor bepaalde motortypes. Dit omdat
ernaar wordt gestreefd het uitlaatgasreinigingssysteem zo snel mogelijk op bedrijfstemperatuur te brengen en tegelijkertijd de uitstoot te
beperken van stoffen die schadelijk zijn voor het
milieu.
N.B. Het sleutelblad van de hoofdsleutel moet
volledig zijn uitgeklapt (zoals afgebeeld op
pagina 102) bij het starten van de auto. Anders
is het risico aanwezig dat de startblokkering in
werking treedt en de motor niet kan worden
gestart.
Motor starten
Benzine
– Draai de contactsleutel naar de startstand.
Als de motor niet binnen 5 tot 10 seconden
aanslaat, moet u de sleutel loslaten en een
nieuwe startpoging doen.
WAARSCHUWING!
Neem de contactsleutel nooit tijdens het rijden uit het contactslot, ook niet als de auto
gesleept wordt. U loopt anders het gevaar
dat het stuurslot wordt geactiveerd, waardoor de auto onbestuurbaar wordt.
Bij het slepen moet de contactsleutel in
stand II staan.
Dieselolie
– Draai de contactsleutel naar de rijstand.
Een controlelampje op het instrumentenpaneel gaat branden om aan te geven dat de
motor wordt voorverwarmd (zie pagina 40).
– Draai de sleutel naar de rijstand, wanneer
het controlelampje uitgaat.
Roetfilter dieselmotor (DPF)
Dieselmodellen zijn uitgerust met een roetfilter,
waardoor een nog efficiëntere uitlaatgasreiniging mogelijk is. Onder normale rijomstandigheden blijven de roetdeeltjes uit de uitlaatgassen
in het filter achter. Om de roetdeeltjes te verbranden en het filter te legen wordt een zogeheten regeneratie gestart. Daarvoor moet de
motor de normale bedrijfstemperatuur hebben
bereikt.
Afhankelijk van de rijomstandigheden wordt het
filter om de 300—900 kilometer geregenereerd.
De regeneratie duurt normaal 10 tot 20 minu-
ten. Gedurende deze tijd kan het brandstofverbruik ietwat stijgen.
Regeneratie bij koud weer
Als u bij koud weer vaak korte afstanden rijdt,
bereikt de motor de normale bedrijfstemperatuur niet. Dit betekent dat het roetfilter niet geregenereerd en niet geleegd wordt.
Wanneer het filter voor ca. 80 % met roetdeeltjes gevuld is, licht een oranje gevarendriehoek
op het instrumentenpaneel op en verschijnt de
melding ROETFILTER VOL ZIE HANDLEIDING
op het display van het instrumentenpaneel.
U start de regeneratie van het filter door met de
auto op een secundaire weg of op een snelweg
te rijden totdat de motor voldoende op temperatuur is gekomen. Daarna rijdt u nog ca.
20 minuten verder. Tijdens de regeneratie levert
de motor van de auto iets minder vermogen.
Na afloop van de regeneratie verdwijnt de waarschuwingsmelding automatisch.
Wanneer u bij koud weer de standverwarming
(optie) inschakelt, bereikt de motor sneller de
normale bedrijfstemperatuur.
BELANGRIJK!
Als het filter helemaal met deeltjes gevuld is,
kan het onbruikbaar worden. De motor start
dan moeilijk en de kans bestaat dat het filter
moet worden vervangen.
117
Starten en rijden
Motor starten
Contactsleutels en elektronische
startblokkering
Laat de contactsleutel nooit samen met andere
sleutels of metalen voorwerpen aan dezelfde
sleutelbos hangen. Als u dat wel doet, kan de
elektronische startblokkering per ongeluk worden geactiveerd. Als dat gebeurt, moet u de
andere sleutels van de sleutelbos halen en de
motor opnieuw starten.
Laat de motor meteen na een koude start nooit
op te hoge toeren draaien! Neem contact op
met een Volvo-werkplaats, als de motor niet
aanslaat of overslaat.
WAARSCHUWING!
Neem de contactsleutel nooit tijdens het rijden of slepen uit het contactslot! Schakel
nooit tijdens het rijden het contact uit (sleutel
in stand 0) en neem de contactsleutel evenmin uit het contactslot. U loopt dan het
gevaar dat het stuurslot wordt geactiveerd,
waarbij de auto onbestuurbaar wordt.
118
Contact- en stuurslot
0 – Blokkeerstand
Het stuurslot blokkeert het
stuurwiel, wanneer u de sleutel uitneemt.
I – Tussenstand,
“radiostand”
Sommige onderdelen van het
elektrisch systeem kunnen
worden ingeschakeld. Het
elektrisch systeem van de
motor is echter uitgeschakeld.
II – Rijstand
De stand waarin de contactsleutel tijdens het rijden staat.
Het complete elektrisch systeem van de auto is ingeschakeld.
III – Startstand
De startmotor wordt ingeschakeld. Wanneer u nadat
de motor is aangeslagen de
sleutel loslaat, veert deze
automatisch terug in de rijstand. Als het u moeite kost
om de sleutel om te draaien, is het mogelijk dat
de stand van de voorwielen voor spanningen in
het stuurslot zorgt. Draai de contactsleutel in
dat geval om, terwijl u het stuurwiel heen en
weer draait.
Zorg dat het stuurwiel geblokkeerd is, wanneer
u de auto verlaat. Zo beperkt u de kans op diefstal.
Starten en rijden
Handgeschakelde versnellingsbak
Schakelstanden,
vijfversnellingsbak
Trap het koppelingspedaal tijdens het schakelen altijd zo ver mogelijk in. Haal uw voet na het
schakelen weer van het koppelingspedaal af!
Houd u aan het aangegeven schakelpatroon.
Om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te
houden, moet u zo veel mogelijk gebruik maken
van hoge versnellingen.
Blokkering achteruitversnelling
Schakel de achteruitversnelling alleen in, wanneer de auto volledig stilstaat.
Om de achteruitversnelling in te schakelen moet
u de versnellingspook eerst in de neutraalstand
zetten (tussen de 3e en 4e versnelling in). Door
de blokkering van de achteruitversnelling kunt u
de versnellingspook niet rechtstreeks vanuit de
stand voor de 5e versnelling in die voor de achteruitversnelling zetten.
Schakelstanden, zesversnellingsbak
Trap het koppelingspedaal tijdens het schakelen altijd zo ver mogelijk in. Haal uw voet na het
schakelen weer van het koppelingspedaal af!
Houd u aan het aangegeven schakelpatroon.
Om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te
houden, moet u zo veel mogelijk gebruik maken
van hoge versnellingen.
119
Starten en rijden
Automatische versnellingsbak
Koude start
Beveiligingssystemen
Als u bij koud weer wegrijdt, is het mogelijk dat
het schakelen ietwat stug gaat. Dit komt omdat
de versnellingsbakolie bij lagere temperaturen
stroperiger wordt. Om de uitstoot van uitlaatgassen te beperken schakelt de versnellingsbak
later op dan normaal, wanneer u bij lage temperaturen wegrijdt.
Auto’s met een automatische versnellingsbak
zijn uitgerust met een aantal speciale beveiligingssystemen:
De keuzehendel moet in stand P staan om de
contactsleutel te kunnen uitnemen. In alle
andere standen is de sleutel geblokkeerd.
Turbomotor
Parkeerstand (stand P)
Wanneer u met een koude motor wegrijdt, schakelt de versnellingsbak bij een hoger toerental
op dan normaal. Zo komt de katalysator sneller
op temperatuur met minder uitstoot van uitlaatgassen.
Adaptief systeem
De versnellingsbak wordt afgeregeld aan de
hand van een zogeheten adaptief schakelsysteem dat voortdurend “leert” hoe de versnellingsbak zich gedraagt. Het systeem registreert
de manier waarop de versnellingsbak schakelt,
zodat er in elke situatie optimaal wordt geschakeld.
Lock-Up-functie
De versnellingen zijn voorzien van Lock-Up
(geblokkeerde versnellingen) om beter op de
motor te kunnen afremmen en het brandstofverbruik te verlagen.
120
Sleutelblokkering, Keylock
Stilstaande auto met draaiende motor:
– Houd uw voet op het rempedaal terwijl u de
keuzehendel verzet.
Elektrische schakelblokkering –
Shiftlock Parkeerstand (stand P)
Om de keuzehendel uit stand P te kunnen
halen, moet de contactsleutel in stand I of II
staan en moet het rempedaal ingedrukt zijn.
Neutraalstand (stand N)
Om de keuzehendel uit stand N te kunnen halen
moet de contactsleutel in stand I of II staan en
het rempedaal worden bediend.
Mechanische
keuzehendelblokkering
U kunt de hendel altijd ongehinderd heen en
weer halen tussen de stand N en D. Om de
hendel in een van de overige standen te zetten,
moet u een blokkering opheffen door op de
blokkeerknop op de keuzehendel te drukken.
Wanneer u de blokkeerknop indrukt, kunt u de
hendel vooruit of achteruit bewegen tussen de
verschillende schakelstanden.
Starten en rijden
Automatische versnellingsbak
Geartronic
Handmatige schakelstanden
Als u vanuit de automatische schakelstand D
wilt overgaan op de handmatige schakelstand,
moet u de hendel naar links halen. Om vanuit
stand MAN over te gaan op de automatische
schakelstand D moet u de hendel naar rechts in
stand D zetten.
W Winterstand
Bij activering van het winterprogramma wordt
de 3e versnelling aangehouden als wegrijversnelling om doorslippende wielen bij gladheid
tegen te gaan (zie ook pagina 122).
Tijdens het rijden
De handmatige schakelstanden kunnen op elk
moment tijdens het rijden ingeschakeld worden.
De ingeschakelde versnelling is geblokkeerd,
totdat u een andere versnelling kiest. De versnellingsbak schakelt alleen automatisch terug,
als u uw snelheid drastisch verlaagt.
Als u de keuzehendel naar de – (min) beweegt,
schakelt de versnellingsbak automatisch een
versnelling terug terwijl er op de motor afgeremd wordt. Als u de keuzehendel naar
de + (plus) beweegt, schakelt de versnellingsbak een versnelling op.
P – Parkeerstand
Zet de keuzehendel in de parkeerstand, wanneer u de motor start of de auto parkeert.
Zet de keuzehendel alleen in stand P, wanneer
de auto stilstaat!
In stand P is de versnellingsbak mechanisch
geblokkeerd. Trek na het parkeren altijd de
handrem aan!
R – Achteruitrijstand
Zet de keuzehendel alleen wanneer de auto stilstaat in stand R!
N – Neutraalstand
Stand N is de vrijstand. In deze stand kunt u de
motor starten, maar er is geen versnelling ingeschakeld. Trek de handrem aan, wanneer de
auto stilstaat en de keuzehendel in stand N
staat.
121
Starten en rijden
Automatische versnellingsbak
D – Rijstand
W – Winter
Stand D is de normale rijstand. De versnellingsbak schakelt automatisch op en terug, afhankelijk van de stand van het gaspedaal en de
snelheid. Zorg dat de auto stilstaat, voordat u de
keuzehendel vanuit stand R in stand D zet.
4 – Versnellingsstand
Er wordt automatisch op- en teruggeschakeld
tussen de 1e, 2e, 3e en 4e versnelling. Er wordt
niet opgeschakeld naar de 5e versnelling.
Stand 4 leent zich voor:
•
het rijden in de bergen;
•
•
het rijden met een aanhanger;
een verhoogde mate van afremmen op de
motor.
3 – Versnellingsstand
Er wordt automatisch op- en teruggeschakeld
tussen de 1e, 2e en 3e versnelling. Er wordt niet
opgeschakeld naar de 4e versnelling.
Stand 3 leent zich voor:
•
•
•
het rijden in de bergen;
het rijden met een aanhanger;
een verhoogde mate van afremmen op de
motor.
L – Versnellingsstand
Zet de keuzehendel in stand L, als u in de 1e of
2e versnelling wilt rijden. Bij het rijden in de bergen is de motorrem het krachtigst met de keuzehendel in stand L.
122
Met de knop W bij de keuzehendel schakelt u het
winterprogramma W in of uit.
Bij inschakeling van het winterprogramma licht het
lampje W op het instrumen-
U kunt de kickdown1 niet gebruiken zolang de
keuzehendel in een van de handmatige schakelstanden staat. Zet de keuzehendel in dat geval
eerst terug in de automatische schakelstand D.
tenpaneel op.
In het winterprogramma geldt de 3e versnelling
als wegrijversnelling om bij gladheid gemakkelijker weg te kunnen komen. In het winterprogramma worden de lagere versnellingen alleen
bij kickdown ingeschakeld.
Het winterprogramma W is alleen te selecteren
met de keuzehendel in stand D.
Kickdown
Als u het gaspedaal volledig intrapt (tot voorbij
de normale volgasstand), schakelt de versnellingsbak automatisch terug naar een lagere versnelling. Dit is de zogeheten kickdown.
Wanneer de maximale snelheid voor de ingeschakelde versnelling is bereikt of wanneer u
het gaspedaal uit de kickdownstand loslaat,
schakelt de versnellingsbak automatisch op.
Gebruik de “kickdown” om zo snel mogelijk te
accelereren zoals bij het inhalen.
Om overtoeren te voorkomen is het stuurprogramma van de versnellingsbak voorzien van
een terugschakelblokkering.
1.
Geldt alleen voor Geartronic.
Starten en rijden
Vierwielaandrijving – AWD (All Wheel Drive)
De vierwielaandrijving is
permanent ingeschakeld
Bij vierwielaandrijving worden alle vier de wielen
van de auto tegelijk aangedreven.
Het motorkoppel wordt automatisch over de
voor- en achterwielen verdeeld. Een elektronisch gestuurd koppelingssysteem verdeelt het
vermogen over het wielpaar dat op dat moment
de beste grip op het wegdek heeft. Dit om optimale wegligging te verkrijgen en te voorkomen
dat de wielen doorslippen. Bij normaal rijden
worden de voorwielen naar verhouding iets sterker aangedreven dan de achterwielen.
Vierwielaandrijving verhoogt de rijveiligheid tijdens regen- en sneeuwval en bij ijzel.
123
Starten en rijden
Remsysteem
Rembekrachtiging
Als de auto rolt of wordt gesleept met een uitgeschakelde motor, moet u ongeveer vijfmaal
zoveel druk uitoefenen op het rempedaal als
wanneer de motor loopt. Als u bij het starten van
de motor op het rempedaal trapt, kan het rempedaal iets omlaagkomen. Dit is volkomen normaal omdat de rembekrachtiging geactiveerd
wordt. Bij een auto met EBA (Emergency Brake
Assistance) kan dit nog duidelijker te merken
zijn.
N.B. Als geremd moet worden met een uitgeschakelde motor, trap dan eenmaal hard en
resoluut op het rempedaal – dus niet pompen.
WAARSCHUWING!
De rembekrachtiging werkt alleen, als de
motor loopt.
Remkringen
Het nevenstaande symbool licht op,
wanneer er een remkring defect is.
Als er een storing in een van de remkringen optreedt, is remmen nog steeds mogelijk. U moet het rempedaal echter verder
intrappen en het pedaal kan minder stug aanvoelen. U moet harder op het pedaal trappen
om de normale remkracht te verkrijgen.
124
Vocht kan de remeigenschappen
beïnvloeden
Door opspattend water (bij hevige regenval, in
waterplassen of tijdens een wasbeurt) worden
de onderdelen van het remsysteem nat. Daardoor kunnen de wrijvingseigenschappen van de
remblokken gewijzigd worden, zodat u een
bepaalde verlenging van de aanspreekduur van
de remmen kunt merken.
Trap zo nu en dan lichtjes op het rempedaal, als
u lange afstanden in de regen of sneeuwmodder aflegt. Doe dit ook bij zeer vochtig of koud
weer. Op die manier verwarmt u de remblokken
waardoor het vocht verdampt. Deze procedure
is ook aan te raden voordat u de auto voor langere tijd in dergelijke weersomstandigheden
parkeert.
Als de remmen zwaar belast
worden
De remmen van de auto worden zwaar belast,
wanneer u in de bergen of op wegen met vergelijkbare niveauverschillen rijdt; zelfs als u niet bijzonder hard op het rempedaal trapt.
Omdat de snelheid in dergelijke omstandigheden vaak laag is, worden de remmen niet even
goed gekoeld als bij snelle ritten op vlakke
wegen.
Om de remmen niet overmatig te belasten, kunt
u tijdens het afdalen beter terugschakelen dan
het rempedaal gebruiken. Gebruik dezelfde versnelling die u zou gebruiken wanneer u een hel-
ling oprijdt. Op die manier kunt u beter op de
motor afremmen en hoeft u de rem slechts korte
tijd te gebruiken.
WAARSCHUWING!
Als de waarschuwingslampjes voor het remsysteem en het ABS tegelijkertijd oplichten,
kan er een storing zijn opgetreden in het
remsysteem. Als het remvloeistofpeil in dat
geval in orde is, moet u de auto voorzichtig
naar de dichtstbijzijnde erkende Volvowerkplaats rijden om het remsysteem te
laten controleren.
Als de remvloeistof onder het MIN-streepje
van het reservoir staat, mag u niet verder rijden voordat u remvloeistof hebt bijgevuld.
Controleer tevens de oorzaak van het remvloeistofverlies.
Let erop dat u de remmen nog meer belast,
wanneer u met een aanhanger rijdt.
Antiblokkeerremsysteem (ABS)
Het ABS-systeem (Anti-lock Braking
System) is ontworpen om te voorkomen dat de wielen tijdens het remmen
geblokkeerd raken. Hierdoor kan tijdens het remmen een zo groot mogelijke respons van het stuurwiel worden verkregen. Het
ABS-systeem zorgt ervoor dat de auto beter
bestuurbaar blijft om bijvoorbeeld obstakels te
kunnen ontwijken. Het ABS-systeem verbetert
Starten en rijden
Remsysteem
de totale remcapaciteit niet. Als bestuurder hebt
u echter wel meer controle over de besturing
van de auto, wat voor meer veiligheid zorgt.
Wanneer u na het starten van de motor met de
auto wegrijdt en een snelheid van ca. 20 km/h
hebt bereikt, gaat een kortstondige zelftest van
start die te horen en te voelen is. Wanneer het
ABS-systeem actief is, treden er merkbare pulsaties in het rempedaal op. Dit is volkomen normaal.
N.B. Om het ABS-systeem optimaal te benutten moet u zo hard mogelijk op het rempedaal
trappen. Haal uw voet niet van het rempedaal,
wanneer u pulsaties van het ABS-systeem hoort
en voelt. Aarzel niet om onder gecontroleerde
omstandigheden (zoals op een slipbaan) te testen hoe het ABS-systeem werkt.
Het ABS-symbool licht op en blijft
continu branden:
•
•
gedurende twee seconden tijdens de start
om het systeem te controleren;
als het ABS-systeem uitgeschakeld is door
een storing.
Elektronische remkrachtverdeling, EBD
Het EBD-systeem (Electronic Brakeforce Distribution) vormt een geïntegreerd onderdeel van
het ABS-systeem. Het EBD-systeem regelt de
remkracht op de achterwielen altijd dusdanig af
dat de maximale remwerking wordt verkregen.
Wanneer het systeem de remkracht afregelt,
treden er merkbare pulsaties in het rempedaal
op.
WAARSCHUWING!
Als de waarschuwingslampjes voor het remsysteem en het ABS tegelijkertijd oplichten,
kan er een storing zijn opgetreden in het
remsysteem. Als het remvloeistofpeil in dat
geval in orde is, moet u de auto voorzichtig
naar de dichtstbijzijnde erkende Volvo-werkplaats rijden om het remsysteem te laten
controleren.
Als de remvloeistof onder het MIN-streepje
van het reservoir staat, mag u niet verder rijden voordat u remvloeistof hebt bijgevuld.
Controleer tevens de oorzaak van het remvloeistofverlies.
Het EBA-systeem is op alle snelheden actief en
kan om veiligheidsredenen niet buiten werking
worden gesteld.
Wanneer het EBA-systeem geactiveerd wordt,
zakt het rempedaal omlaag en kunt u het maximale remvermogen van de auto afnemen. Breng
gedurende de totale remmanoeuvre evenveel
druk aan op het rempedaal. Het EBA-systeem
wordt uitgeschakeld, wanneer u de druk van het
rempedaal haalt.
N.B. Wanneer het EBA geactiveerd wordt, zakt
het rempedaal iets verder omlaag dan normaal.
Bedien het rempedaal (houd het ingedrukt)
zolang dat nodig is. Zodra u het rempedaal loslaat, worden de remmen volledig gelost.
Remkrachtverhoging, EBA
Het EBA-systeem (Emergency Brake
Assistance) vormt een geïntegreerd onderdeel
van het DSTC-systeem. Het EBA-systeem is
dusdanig geconstrueerd dat u, wanneer u
krachtig moet afremmen, altijd meteen het maximale remvermogen kunt afnemen. Het systeem
registreert het moment waarop u krachtig wilt
afremmen door de snelheid te meten waarmee
u op het rempedaal trapt.
125
Starten en rijden
Snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging
Snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging1
Wanneer de auto is uitgerust met snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging, is de auto gemakkelijker te besturen op lage snelheden zodat
bijvoorbeeld het parkeren minder moeite kost.
Naarmate de snelheid hoger wordt nemen de
stuurkrachten toe, waardoor u een beter gevoel
met de weg krijgt.
1.
126
Optie
Starten en rijden
Stabiliteits- en tractieregelsysteem (optie)
Algemene informatie
Bediening
– Draai aan het duimwiel (1) totdat het menu
DSTC verschijnt.
DSTC AAN betekent dat de werking van het
systeem ongewijzigd is.
Het stabiliteits- en tractieregelsysteem (STC/
DSTC, (Dynamic) Stability and Traction Control) helpt de bestuurder voorkomen dat de wielen doorslippen en verbetert de tractie van de
auto.
DSTC SPIN CONTROL UIT betekent dat er
beperkingen gelden voor de werking van het
systeem.
Bij een ingreep van het systeem kunnen er
merkbare pulsaties optreden in het rem- en gaspedaal. Bij het geven van gas kan de auto
bovendien langzamer dan verwacht optrekken.
Afhankelijk van de markt is de auto uitgerust met
STC of DSTC. In de tabel staan de bijbehorende regelingen van de verschillende systemen
aangegeven.
Functie/systeem
Antislipregeling
Antispinregeling
Tractieregeling
STC
X
X
DSTC1
X
X
X
1. Optie op bepaalde markten.
Antislipregeling
Deze regeling beperkt de aandrijfkracht en remkracht van elk van de afzonderlijke wielen om de
auto op die manier te stabiliseren.
Antispinregeling
Deze regeling voorkomt dat de aangedreven
wielen tijdens het optrekken doorslippen.
– Houd RESET (2) ingedrukt totdat het menu
DSTC wordt gewijzigd.
Tractieregeling
Deze regeling is actief op lage snelheden en
brengt de aandrijfkracht van een slippend aandrijfwiel over op een aandrijfwiel dat niet slipt.
Beperkte functie
Het is mogelijk de werking van het systeem te
beperken, wanneer de wielen doorslippen en u
gas geeft.
Het systeem grijpt bij doorslippende wielen dan
later in, zodat er een hogere mate van doorslippen mogelijk is. Dit levert een grotere bedieningsvrijheid op bij dynamisch rijden.
De aandrijving in diepe lagen sneeuw of zand
wordt verbeterd, omdat er dan geen beperkingen meer gelden voor de te geven hoeveelheid
gas.
Het lampje
brandt tegelijkertijd om u eraan
te herinneren dat er beperkingen voor het systeem gelden. De beperkingen voor de werking
van het systeem blijven van kracht totdat u de
motor een volgende keer opnieuw start.
N.B. DSTC AAN verschijnt iedere keer dat u de
motor start enkele seconden op het display.
WAARSCHUWING!
Er kunnen wijzigingen optreden in de rijeigenschappen van de auto, als de werking
van het systeem wordt beperkt.
Meldingen op informatiedisplay
TRACTIECONTROLE TIJDELIJK UIT betekent
dat de functie van de regeling tijdelijk beperkt is
wegens een te hoge remtemperatuur. De regeling wordt automatisch opnieuw ingeschakeld,
wanneer de remmen weer zijn afgekoeld.
127
Starten en rijden
Stabiliteits- en tractieregelsysteem (optie)
ANTI-SKID SERVICE VEREIST betekent dat de
regeling door een storing werd uitgeschakeld.
– Breng de auto op een veilige plaats tot stilstand en zet de motor af.
Als de melding een volgende keer dat u motor
start opnieuw verschijnt, rijd de auto dan naar
een erkende Volvo-werkplaats.
Lampjes op instrumentenpaneel
Lampje voor STC/DSTC
Wat het lampje aangeeft hangt af van
de manier waarop het brandt.
Het lampje licht op om na ca. twee
seconden weer te doven
Geeft aan dat de systeemtest bij het starten van
de motor loopt.
Het lampje knippert
Geeft aan het systeem actief is.
Het lampje brandt continu
De melding ANTI-SKID SERVICE VEREIST
staat ondertussen op het display.
Geeft aan dat er sprake is van een storing in het
STC/DSTC-systeem.
– Breng de auto op een veilige plaats tot stilstand en zet de motor af.
– Start de auto opnieuw.
• Als het waarschuwingslampje dooft, was er
geen sprake van een werkelijke storing. U
128
•
hoeft dan geen bezoek aan een werkplaats
te brengen.
Als het waarschuwingslampje echter blijft
branden, moet u de auto naar een erkende
Volvo-werkplaats rijden om het systeem te
laten controleren.
Het lampje brandt continu
DSTC SPIN CONTROL UIT staat ondertussen
op het display.
Herinnert eraan dat er beperkingen gelden voor
het (D)STC.
Waarschuwingslampje
Het oranje lampje brandt
continu
De melding TRACTIECONTROLE TIJDELIJK
UIT staat ondertussen op het display.
Geeft aan dat de functie van de regeling tijdelijk
beperkt is wegens een te hoge remtemperatuur.
De regeling wordt automatisch opnieuw ingeschakeld, wanneer de remtemperatuur weer
normaal is.
WAARSCHUWING!
Onder normale omstandigheden zorgt het
STC/DSTC-systeem voor een betere wegligging. Dit mag echter voor u geen reden
zijn om sneller te gaan rijden.
Wees altijd gepast voorzichtig in bochten en
op gladde wegen.
Starten en rijden
FOUR-C (Actief chassis)
passing neemt slechts enkele milliseconden in
beslag.
Comfort
Schakelaar voor FOUR-C op middenconsole
Actief chassis, FOUR-C1
De auto is uitgerust met een zeer geavanceerd
actief chassissysteem – FOUR-C (Continuously
Controlled Chassis Concept) – dat elektronisch
gestuurd is. Het systeem werkt op basis van
enkele sensoren die continu de bewegingen en
reacties van de auto in de gaten houden, zoals
de verticale en zijdelingse versnelling, de rijsnelheid en de wielbewegingen.
De regeleenheid van FOUR-C analyseert gegevens afkomstig van de sensoren en regelt zo
nodig de schokdemperinstellingen tot 500 maal
per seconde bij. Dit levert een uitermate snelle
en nauwkeurige afregeling van elk van de
schokdempers op. Dit verklaart de verschillen in
de chassiseigenschappen.
Het systeem biedt u de mogelijkheid om de
chassiseigenschappen van de auto aan te passen, wanneer er wijzigingen in het wegdek op
treden of als u van rijstijl verandert. Deze aan1.
In de stand Comfort is de vering van het chassis
dusdanig afgestemd, dat de carrosserie niets
van de oneffenheden in het wegdek merkt zodat
de auto als het ware over de weg zweeft. De
schokdemping is soepeler dan normaal, waardoor de bewegingen van de carrosserie minimaal zijn. Deze stand wordt aanbevolen tijdens
lange ritten en bij gladheid.
Wanneer u het contact uitzet na een rit in de
stand Comfort, zal de volgende keer dat u het
contact aanzet dezelfde stand worden aangehouden.
Sport
In de stand Sport reageert de auto sneller op de
bewegingen van het stuurwiel dan in de stand
Comfort. De vering is stugger en de carrosserie
volgt het wegdek om bij het snelle bochtenwerk
de mate van overhellen te beperken. De auto
doet sportiever aan.
Wanneer u het contact uitzet na een rit in de
stand Sport, zal de volgende keer dat u het contact aanzet dezelfde stand worden aangehouden.
Optie op bepaalde markten.
129
Starten en rijden
Park Assist (optie)
Varianten
Park Assist aan de achterzijde
Park Assist is verkrijgbaar in twee varianten:
Het meetbereik strekt tot ca. 1,5 m recht achter
de auto. Park Assist aan de achterzijde wordt
geactiveerd bij het inschakelen van de achteruitversnelling. De geluidssignalen komen uit de
luidspreker achterin.
•
•
Park Assist aan de achterzijde
Park Assist aan de voor- en achterzijde
Functie
Het systeem wordt bij het starten van de motor
automatisch ingeschakeld. Daarbij gaat de led
branden in de knop voor Park Assist op het
schakelaarpaneel. Op het informatiedisplay verschijnt de melding PARK ASSIST ACTIVE, als u
de achteruitversnelling inschakelt of als de voorste sensoren een obstakel registreren.
Park Assist voor- en achterzijde
Algemene informatie1
Park Assist (parkeerhulp) is bedoeld als hulpmiddel tijdens het parkeren. Geluidssignalen
geven de afstand tot een waargenomen obstakel aan.
WAARSCHUWING!
Hoewel Park Assist handig is bij het parkeren,
bent u nog altijd schadeplichtig bij eventuele
fouten. Wanneer er obstakels in de dode hoeken van de sensoren zitten, zal het systeem ze
niet kunnen ontdekken. Houd kinderen en
dieren in de buurt van de auto in de gaten.
1.
130
Afhankelijk van de markt is Park
Assist een standaardfunctie, optie of
accessoire.
Park Assist is actief bij snelheden tot 15 km/h.
Bij hogere snelheden wordt het systeem gedeactiveerd. Het systeem wordt opnieuw geactiveerd bij snelheden lager dan 10 km/h.
Hoe dichter u het obstakel achter of voor de
auto nadert, des te sneller volgen de geluidssignalen elkaar op. Wanneer u ondertussen naar
het audiosysteem luistert, wordt het volume
daarvan tijdelijk verlaagd.
Bij een afstand van ca. 30 cm bestaat het
geluidssignaal uit een ononderbroken toon. Als
er zowel voor als achter de auto obstakels binnen deze afstand liggen, komen de geluidssignalen beurtelings uit de luidsprekers aan linkeren rechterzijde.
Bij het achteruitrijden met bijvoorbeeld een aanhanger achter de auto of een fietsdrager op de
trekhaak moet u het systeem uitschakelen. Als u
dat niet doet, reageren de sensoren op de aanhanger of fietsdrager.
Park Assist aan de achterzijde wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u een aanhanger
achter de auto hebt hangen die met een originele aanhangerkabel van Volvo aangesloten is.
Park Assist aan de voorzijde
Het meetbereik strekt tot ca. 0,8 m recht voor
de auto. De geluidssignalen komen uit de luidspreker voorin.
Het is niet mogelijk Park Assist te combineren
met verstralers, omdat de sensoren op de verstralers reageren.
Starten en rijden
Park Assist (optie)
Aanduiding voor systeemstoringen
Als het oranje waarschuwingslampje
brandt en de melding PARK.HULP
SERVICE VEREIST op het display
staat, is Park Assist defect.
BELANGRIJK!
In bepaalde omstandigheden kan Park
Assist ten onrechte waarschuwingssignalen
afgeven. Dit komt door externe geluidsbronnen met ultrasone geluidssignalen van
dezelfde frequentie als de sensoren van het
systeem.
Voorbeelden van dergelijke geluidsbronnen
zijn onder meer claxons, natte banden op
asfaltwegen, luchtdrukremmen en uitlaten
van motorfietsen e.d.
De positie van de knop binnen de rij kan
variëren
Sensoren voor Park Assist
Aan/Uit
De sensoren werken alleen naar behoren, wanneer u ze regelmatig schoonmaakt. Reinig ze
met water en autoshampoo.
U kunt Park Assist uitschakelen met de knop op
het schakelaarpaneel, waarna de led in de knop
dooft. Park Assist wordt weer ingeschakeld,
wanneer u nogmaals op de knop drukt waarna
de led gaat branden.
Sensoren schoonmaken
N.B. Vuil, sneeuw en ijs op de sensoren kunnen
ten onrechte aanleiding geven tot waarschuwingssignalen.
131
Starten en rijden
Slepen en bergen
Motor niet op gang slepen
Als u de motor van een auto met een handgeschakelde versnellingsbak op gang probeert te
slepen, kan de katalysator beschadigd raken.
Auto’s met een automatische versnellingsbak
kunt u niet op gang slepen. Als de accu leeg is,
moet u een opgeladen hulpaccu gebruiken.
Als de auto gesleept moet worden
– Zorg ervoor dat de contactsleutel in stand I
staat, zodat het stuurslot niet werkt en de
auto bestuurbaar is.
Let erop dat u de maximaal toegestane snelheid
aanhoudt.
Let erop dat de rem- en stuurbekrachtiging niet
werken, als u de motor hebt afgezet. U moet
ongeveer vijfmaal harder op het rempedaal trappen en de auto stuurt aanzienlijk zwaarder dan
normaal.
– Rijd rustig.
– Houd de sleepkabel gespannen om schokkende bewegingen te voorkomen.
132
Modellen met een automatische
versnellingsbak
•
•
•
•
Zorg dat de keuzehendel in stand N staat.
De maximaal toelaatbare snelheid voor
auto’s met een automatische versnellingsbak bedraagt 80 km/h.
De maximaal toelaatbare afstand bedraagt
80 km.
U kunt de motor niet op gang slepen. Zie de
volgende pagina voor “Starten met hulpaccu”.
Sleepoog, voor
Sleepoog
Het sleepoog vindt u in de gereedschapstas in
de bagageruimte. Schroef het sleepoog op zijn
plaats voor het slepen. De aansluitingen en
afdekkapjes voor het sleepoog bevinden zich
aan de rechterzijde van de voor- en achterbumpers.
Starten en rijden
Slepen en bergen
Draai de kunststof schroef na gebruik van het
sleepoog weer vast.
N.B. Wanneer de afneembare trekhaak gemonteerd is, kunt u het sleepoog niet aanbrengen in
de achterste bevestiging. Bevestig de sleepkabel in dat geval aan de trekhaak. Om die reden
wordt geadviseerd de afneembare trekhaak in
de auto te bewaren wanneer u de trekhaak niet
nodig hebt.
Bergen
Sleepoog, achter
Sleepoog monteren
Het sleepoog is alleen te gebruiken voor het slepen over de weg en niet geschikt voor berging,
wanneer de auto bijvoorbeeld in een sloot is
gereden. Voor bergingswerkzaamheden moet u
professionele hulp inroepen.
Haal de onderkant van het afdekkapje1
voorzichtig los met bijvoorbeeld een muntstuk.
B. Schroef het sleepoog stevig vast tot aan
de flens (C). Maak bij voorkeur gebruik van
de wielmoersleutel.
Draai het sleepoog na gebruik los en plaats het
afdekkapje terug.
A.
Om het sleepoog in de achterbumper te bevestigen moet u eerst de kunststof schroef uit de
console voor het achterste sleepoog verwijderen. Gebruik de wielmoersleutel uit de gereedschapsset om de kunststof schroef los te halen.
1.
De opening in het afdekkapje kan
variëren.
133
Starten en rijden
Starten met hulpaccu
Starten met een hulpaccu
Als de accu om wat voor reden dan ook ontladen is, kunt u stroom “lenen” van een losse
reserveaccu of van een accu in een andere auto
om op die manier de motor te starten. Controleer altijd of de accuklemmen goed vastzitten,
zodat ze geen vonken trekken tijdens de startpogingen.
Om explosiegevaar te voorkomen adviseren wij
u de volgende aanwijzingen nauwkeurig op te
volgen:
– Draai de contactsleutel naar stand 0.
– Zorg dat de hulpaccu een spanning van
12 volt levert.
– Als de hulpaccu zich in een andere auto
bevindt, moet u de motor van deze auto
134
afzetten en zorgen dat de twee auto’s elkaar
niet kunnen raken.
– Sluit de rode kabel aan tussen de pluspool
van de hulpaccu (1+) en de rode aansluiting
in de motorruimte van uw auto (2+).
Bevestig de klem aan het contactpunt dat
onder een zwart luikje met een plusteken
erop zit. Het luikje vormt een geheel met het
deksel van het zekeringenkastje.
– Sluit de ene klem van de zwarte kabel aan
op de minpool (3–) van de hulpaccu.
– Sluit de andere klem van de zwarte kabel
aan op een van de hijsogen van de motor
(4–).
– Start de motor van de “hulpauto”. Laat de
motor enkele minuten draaien op een toerental dat iets hoger ligt dan normaal,
1500 omw/min.
– Start de motor van de auto met de lege
accu.
– Verwijder de kabels in omgekeerde volgorde.
N.B. Kom niet aan de klemmen tijdens de startpoging (gevaar voor vonkvorming).
WAARSCHUWING!
Accu’s kunnen een zeer explosief knalgas
produceren. Een enkele vonk, veroorzaakt
door een onjuiste aansluiting van de startkabels, is voldoende om de accu tot ontploffing te brengen.
Accu’s bevatten tevens zwavelzuur, wat ernstige chemische brandwonden kan veroorzaken. Als u accuzuur in uw ogen krijgt of op
uw huid of kleren morst, moet u onmiddellijk
met grote hoeveelheden water spoelen.
Neem onmiddellijk contact op met een arts,
als u accuzuur in uw ogen krijgt.
Starten en rijden
Rijden met een aanhanger
De trekhaak van de auto moet goedgekeurd zijn.
De Volvo-dealer kan u informeren over de
mogelijke trekhaken.
•
•
•
•
•
•
Verdeel de lading in de aanhanger dusdanig
dat de druk op de trekhaak de maximale
kogeldruk niet overschrijdt.
Verhoog de bandenspanning tot de druk die
geldt voor maximale belasting. Raadpleeg
de bandenspanningstabel!
•
•
•
•
Maak de trekhaak regelmatig schoon en vet
de kogel1 en alle bewegende delen in om
onnodige slijtage te voorkomen.
Rijd niet met een zware aanhanger, wanneer
de auto nog helemaal nieuw is! Wacht hiermee totdat de auto ten minste
1000 kilometer heeft gereden.
Bij het afdalen op lange en steile hellingen
worden de remmen veel zwaarder belast
dan normaal. Schakel dan terug naar een
lagere versnelling en pas uw snelheid aan.
Wanneer de auto bij warm weer zwaar
belast wordt, kunnen de motor en de versnellingsbak oververhit raken. Bij oververhitting slaat de temperatuurmeter in het
instrumentenpaneel tot in het rode gebied
uit. Breng de auto dan tot stilstand en laat
de motor enkele minuten afkoelen.
1.
Geldt niet voor de kogel bij gebruik
van een aanhangerkoppeling met
trillingsdemper.
•
•
•
Bij oververhitting schakelt de airconditioning
zichzelf automatisch tijdelijk uit.
Bij oververhitting schakelt de versnellingsbak een ingebouwde beschermingsfunctie
in. Zie de melding op het display.
Bij het gebruik van een aanhanger wordt de
motor zwaarder belast dan normaal.
Rijd om veiligheidsredenen niet sneller dan
80 km/h, ook al staat de wetgeving in
bepaalde landen een hogere snelheid toe.
Het maximaal toelaatbare gewicht voor een
ongeremde aanhanger bedraagt 750 kg.
Trek bij het parkeren met een aanhanger
altijd eerst de handrem aan, zet vervolgens
de keuzehendel in stand P (automatische
versnellingsbak) of schakel een versnelling
in (handgeschakelde versnellingsbak).
Gebruik wielblokken bij het parkeren op
steile hellingen.
Gebruik bij voorkeur geen aanhangers die
zwaarder zijn dan 1200 kg bij hellingspercentages van meer dan 12 %. Bij hellingspercentages van meer dan 15 % ontraden
wij het gebruik van een aanhanger.
motorvoertuigen in uw land verdere beperkingen van het aanhangergewicht en de snelheid
kunnen gelden. Het is bovendien mogelijk dat
de trekhaak gespecificeerd is voor hogere
gewichten dan het maximaal toelaatbare aanhangergewicht van de auto.
WAARSCHUWING!
Houd u aan de opgegeven aanbevelingen
voor het aanhangergewicht. De aanhanger
en de auto kunnen anders moeilijk bestuurbaar worden tijdens uitwijk- en remmanoeuvres.
Aanhangergewichten
Zie pagina 242 voor de toelaatbare aanhangergewichten.
N.B. De aangegeven maximaal toelaatbare aanhangergewichten zijn door Volvo bepaald. Let
erop dat er op grond van de wetgeving voor
135
Starten en rijden
Rijden met een aanhanger
Rijden met een aanhanger,
automatische versnellingsbak
•
Trek bij het parkeren op hellingen eerst de
handrem aan, voordat u de keuzehendel in
stand P zet. Zet bij het wegrijden op een
helling eerst de keuzehendel in de rijstand
en haal de auto vervolgens van de handrem.
• Kies bij het omhoogrijden op steile hellingen
of in langzaam rijdend verkeer de juiste lage
versnelling. Zo voorkomt u dat de automatische versnellingsbak opschakelt. De versnellingsbakolie wordt dan minder warm.
• Als uw auto is uitgerust met een Geartronicversnellingsbak, moet u geen hogere handmatige versnelling inschakelen dan de motor
“aankan”. Rijden in hoge versnellingen is niet
altijd zuinig.
N.B. Sommige modellen moeten worden uitgerust met een oliekoeler voor de automatische
versnellingsbak om gebruik te maken van een
aanhanger. Informeer dan ook bij de dichtstbijzijnde Volvo-dealer naar wat er voor uw auto
geldt, als u achteraf een trekhaak monteert.
136
Niveauregeling
Als uw auto is uitgerust met automatische
niveauregeling, neemt de achtertrein van de
auto tijdens het rijden altijd de juiste rijhoogte
aan, ongeacht de belading. Wanneer de auto
stilstaat, zakt de achtertrein omlaag. Dit is volkomen normaal. Bij het wegrijden met lading wordt
het niveau na enige tijd rijden naar boven toe bijgesteld.
Starten en rijden
Trekhaak
Trekhaken
U moet de kogel regelmatig schoonmaken en
met vet insmeren. Wanneer u een trekhaak met
trillingsdemper gebruikt, hoeft de kogel niet te
worden ingevet.
Als de auto is uitgerust met een afneembare
trekhaak, moeten de montagevoorschriften voor
het monteren van het kogelsegment zorgvuldig
worden opgevolgd (zie pagina 139).
N.B. Neem na gebruik altijd het kogelsegment
los. Bewaar het in de bagageruimte.
WAARSCHUWING!
Let erop dat u de veiligheidskabel van de
aanhanger aan de daarvoor bestemde
bevestiging vastmaakt.
WAARSCHUWING!
Let op het volgende als uw auto is uitgerust
met de afneembare trekhaak van Volvo: Volg
de montagevoorschriften voor het kogelsegment nauwkeurig op. Zorg dat het kogelsegment met de sleutel vergrendeld is voordat u
begint te rijden. Controleer of het controlevenster groen van kleur is.
Aanhangerkabel
Als de trekhaak van de auto een 13-polig elektrisch contact heeft en de aanhanger een
7-polig contact, hebt u een adapter nodig.
Gebruik een door Volvo goedgekeurde adapterkabel. Zorg dat de kabel niet over de grond
sleept.
137
Starten en rijden
Trekhaak
Afmetingen voor bevestigingspunten
(mm)
A
V70: Afneembare of vaste trekhaak
V70: Afneembare trekhaak met Nivomat
V70: Vaste trekhaak met Nivomat
XC70: Afneembare of vaste trekhaak
XC70: Afneembare trekhaak met Nivomat
XC70: Vaste trekhaak met Nivomat
1
2
138
1094
1125
B
84
94
90
85
97
100
C
D
E
F
541
122
50
G
341
1081
372
Langsligger
Middelpunt kogel
Starten en rijden
Afneembare trekhaak
1. Verwijder de beschermkap.
2. Controleer of het mechanisme in
de ontgrendelde stand staat door de sleutel
rechtsom te draaien.
3. Controleer of het controlevenster (3) rood
van kleur is. Als het venster niet rood van kleur
is, moet u (1) indrukken en de borgknop
linksom (2) draaien totdat u een klik hoort.
4. Breng het kogelsegment aan en duw het
naar binnen totdat u een klik hoort.
5. Draai de sleutel linksom in de vergrendelde
stand. Neem de sleutel uit het slot.
6. Controleer of het controlevenster groen van
kleur is.
Kogelsegment monteren
139
Starten en rijden
Afneembare trekhaak
7.
8.
Kogelsegment verwijderen
N.B. Controleer of het kogelsegment vastzit
door het naar boven, naar beneden en naar
achteren te trekken. Als het kogelsegment
niet juist zit, moet u het verwijderen en het
opnieuw monteren zoals eerder werd
beschreven.
N.B. De veiligheidskabel van de aanhanger moet
aan de bevestiging van de trekhaak worden vastgemaakt.
1. Steek de sleutel in het slot en draai deze
rechtsom in de ontgrendelde stand.
2. Druk de vergrendelingsknop in en draai deze
linksom totdat u een klik hoort.
140
3. Draai de vergrendelingsknop volledig
omlaag totdat deze niet verder kan. Houd de
knop in deze stand vast terwijl u het kogelsegment schuin naar achteren toe omhoogtrekt.
4. Duw de beschermkap erop.
Starten en rijden
Lading op het dak
Algemene informatie
Het laadvermogen is afhankelijk van de extra
accessoires die op de auto gemonteerd zijn,
zoals een trekhaak, lastdragers, skibox e.d. alsmede van het totaalgewicht van de inzittenden
en de kogeldruk. Het laadvermogen van de auto
moet tevens worden verminderd met het
gewicht van het aantal inzittenden. Zie
pagina 242 voor informatie over de toelaatbare
gewichten.
WAARSCHUWING!
Afhankelijk van de belading van de auto en
het zwaartepunt van de lading treden er wijzigingen in de rijeigenschappen op.
Gebruik van lastdragers (accessoire)
Om schade aan de auto te voorkomen en op
een veilige manier lading op het dak te kunnen
vervoeren, adviseren wij u alleen gebruik te
maken van de lastdragers die Volvo speciaal
voor uw auto ontwikkeld heeft.
•
•
Controleer regelmatig of de lastdragers en
de lading goed vastzitten. Zet de lading stevig vast met sjorbanden.
Verdeel het gewicht van de lading gelijkmatig over de lastdragers. Leg de lading niet
•
•
•
•
diagonaal op de lastdragers. Zorg dat u de
zwaarste voorwerpen onderop legt.
Let erop dat het zwaartepunt van de auto
verschuift en dat de rijeigenschappen zich
wijzigen bij het vervoer van lading op het
dak.
Houd er rekening mee dat de auto meer
wind vangt en daardoor meer brandstof verbruikt, naarmate de omvang van de lading
toeneemt.
Rijd rustig. Trek bij voorkeur niet te snel op,
rem niet te hard en maak niet te scherpe
bochten.
Verwijder de lastdragers, wanneer u ze niet
hoeft te gebruiken. U verlaagt op die manier
de luchtweerstand en daarmee ook het
brandstofverbruik.
WAARSCHUWING!
Lastdragers monteren
– Zorg dat u de lastdragers in de juiste positie
aanbrengt (zie de aanduiding op de sticker
onder de dekkap).
De maximale dakbelasting is 100 kg inclusief de lastdragers en een eventuele skibox.
Bij het vervoer van lading op het dak verschuift het zwaartepunt en treden er wijzigingen op in de rijeigenschappen van de auto.
141
Starten en rijden
Lading op het dak
– Draai de draaiknoppen beurtelings enkele
slagen rechtsom, totdat ze allemaal stevig
vastzitten.
– Klap de dekkap omlaag.
– Controleer of de dakreling stevig vastzit.
– Controleer regelmatig of de draaiknoppen
nog stevig vastzitten.
– Zorg dat de paspennen in de pasgaten (1)
vallen.
– Laat de tegenoverliggende bevestiging
voorzichtig op het dak neer.
– Draai de draaiknop enkele slagen losser.
– Duw de knop in de richting van de dakbevestiging en zorg dat de haak in de dakbevestiging onder de dekstrip vasthaakt.
– Draai de lastdragers vast.
– Zorg dat de paspennen van de overige
bevestigingen eveneens goed in de pasgaten vallen.
– Draai de lastdragers vast.
– Controleer of de haak goed vastgrijpt in de
dakbevestiging.
142
Positie van de lastdragers,
dakreling (rails)
Zorg dat u de lastdragers in de juiste positie op
de dakrelingen (rails) aanbrengt. U kunt de lastdragers in iedere gewenste stand over de volle
lengte van de dakrelingen aanbrengen.
Wanneer u geen lading op het dak vervoert,
moet u de voorste lastdrager ca. 50 mm voor de
middelste dakbevestiging aanbrengen en de
achterste lastdrager ca. 35 mm voor de achterste dakbevestiging (zie bovenstaande afbeelding) om de rijwindgeluiden te beperken.
Starten en rijden
Lading op het dak
Lastdragers monteren
Dekkap van lastdragers
Zorg dat de lastdrager goed om de beide dakrelingen heen vastklemt. Schroef de lastdrager
vervolgens vast. Maak gebruik van de bijgeleverde momentsleutel om de boutjes tot aan het
merkje op de sleutel vast te draaien (overeenkomend met een moment van 6 Nm). Zie de
afbeelding.
Gebruik bij voorkeur de nok aan het uiteinde van
de momentsleutel (zie afbeelding) of de contactsleutel van de auto om de kap los of vast te
draaien. Een kwartslag (¼) draaien.
143
Starten en rijden
Lichtbundel aanpassen
herleiden vanaf de stip (5) tot aan de hoek van
de afplaktape die aangegeven is met een pijl.
Meet de mallen die op de volgende pagina
staan na het overtrekken ter controle nog eens
op om te zorgen dat de lichtbundel voldoende
wordt afgedekt.
Zie pagina 46 voor het aanpassen van de lichtbundel van de Active Bi-Xenon Lights (ABL).
A. Lichtbundel voor linksrijdend verkeer
B. Lichtbundel voor rechtsrijdend verkeer
Juiste lichtbundel voor rechts- of
linksrijdend verkeer
U kunt de lichtbundel van de koplampen aanpassen om te voorkomen dat u tegenliggers verblindt. Daarbij wordt de lichtopbrengst iets
lager.
Koplampen afplakken
Trek de mallen op de volgende pagina over en
knip een stuk zelfklevend en watervast materiaal
zoals ondoorzichtige tape langs de randen van
de mallen uit.
Breng de afplaktape in positie aan ten opzichte
van de stip (5) in het koplampglas. De
referentiematen (X) dienen om de afstand te
144
Starten en rijden
Lichtbundel aanpassen
Positie van afplaktape op de halogeenkoplampen (1 en 2 op modellen met het stuur links/3 en 4 op modellen met het stuur rechts)
Halogeenkoplampen, model met
het stuur links
Halogeenkoplampen, model met
het stuur rechts
Trek mal 1 en 2 over en meet ze ter controle nog
eens op. Breng de mallen over op een stuk zelfklevend en watervast materiaal en knip uit.
Trek mal 3 en 4 over en meet ze ter controle nog
eens op. Breng de mallen over op een stuk zelfklevend en watervast materiaal en knip uit.
Referentiematen:
Referentiematen:
Mal 1. (3) = 70 mm, (4) = 40 mm.
Mal 3. (1) = 55 mm, (2) = 41 mm.
Afstand tot de stip in het koplampglas:
(5) = 13 mm.
Afstand tot de stip in het koplampglas:
(5) = 17 mm.
Mal 2. (6) = 55 mm, (7) = 40 mm
Afstand tot de stip in het koplampglas:
(8) = 18 mm.
Mal 4. (6) = 70 mm, (7) = 39 mm.
Afstand tot de stip in het koplampglas:
(8) = 14 mm.
145
Starten en rijden
Lichtbundel aanpassen
Afplakmallen voor halogeenkoplampen, model met het stuur links
Afplakmallen voor halogeenkoplampen, model met het stuur rechts
146
Starten en rijden
Lichtbundel aanpassen
Positie van afplaktape op de Bi-Xenonkoplampen (1 en 2 op modellen met het stuur links/3 en 4 op modellen met het stuur rechts)
Koplampen afplakken
Trek de mallen op de volgende pagina over en
knip een stuk zelfklevend en watervast materiaal
zoals ondoorzichtige tape langs de randen van
de mallen uit.
Breng de afplaktape in positie aan ten opzichte
van de stip (5) in het koplampglas. De
referentiematen (X) dienen om de afstand te
herleiden vanaf de stip (5) tot aan de hoek van
de afplaktape.
Meet de mallen die op de volgende pagina
staan na het overtrekken ter controle nog eens
op om te zorgen dat de lichtbundel voldoende
wordt afgedekt.
Bi-Xenonkoplampen, model met
het stuur links
Bi-Xenonkoplampen, model met
het stuur rechts
Trek mal 1 en 2 over en meet ze ter controle nog
eens op. Breng de mallen over op een stuk zelfklevend en watervast materiaal en knip uit.
Trek mal 3 en 4 over en meet ze ter controle nog
eens op. Breng de mallen over op een stuk zelfklevend en watervast materiaal en knip uit.
Referentiematen:
Referentiematen:
Mal 1. (3) = 56 mm, (4) = 43 mm.
Mal 3. (1) = 56 mm, (2) = 42 mm.
Afstand tot de stip in het koplampglas:
(5) = 29 mm.
Afstand tot de stip in het koplampglas:
(5) = 29 mm.
Mal 2. (6) = 56 mm, (7) = 42 mm.
Mal 4. (6) = 56 mm, (7) = 41 mm.
Afstand tot de stip in het koplampglas:
(8) = 6 mm.
Afstand tot de stip in het koplampglas:
(8) = 0 mm.
147
Starten en rijden
Lichtbundel aanpassen
Afplakmallen voor Bi-Xenonkoplampen, model met het stuur links
Afplakmallen voor Bi-Xenonkoplampen, model met het stuur rechts
148
Starten en rijden
BLIS (Blind Spot Information System) (optie)
B
A
bij fouten in het systeem. Als de camera’s van
het systeem bijvoorbeeld zijn afgedekt, knippert
het controlelampje voor BLIS en verschijnt er
een melding op het display van het instrumentenpaneel (zie de tabel op pagina 151). Controleer de cameralenzen in dat geval en maak ze zo
nodig schoon. U kunt het systeem tijdelijk uitschakelen met een druk op de knop BLIS (zie
pagina 151).
Wanneer BLIS werkt
Het systeem werkt alleen bij snelheden hoger
dan 10 km/h.
Wanneer u inhaalt:
1 – BLIS-camera,
2 – Controlelampje,
3 – BLIS-symbool
BLIS
BLIS is een informatiesysteem dat de bestuurder waarschuwt, wanneer er zich een voertuig in
de zogeheten dode hoek bevindt en in dezelfde
richting rijdt.
WAARSCHUWING!
Het systeem vormt slechts een aanvulling
op – geen vervanging voor – de aanwezige
buitenspiegels. De bestuurder moet altijd
oplettend en verantwoord blijven rijden. De
bestuurder is er verantwoordelijk voor dat er
op een veilige manier van rijstrook wordt
gewisseld.
“Dode hoeken” die BLIS in de gaten houdt
(afstand A = ca. 9,5 m; afstand B = ca. 3 m)
Het systeem werkt het best in druk verkeer op
meerbaanswegen.
BLIS is gebaseerd op digitale cameratechniek.
De camera’s (1) zitten onder de buitenspiegels.
Wanneer een camera een voertuig heeft waargenomen in de dode hoek, gaat er een controlelampje op het portierpaneel (2) branden. Het
lampje brandt continu om de bestuurder te
attenderen op het voertuig in de dode hoek.
N.B. Het lampje gaat branden aan die kant van
de auto waar het voertuig is waargenomen. Als
de auto aan weerszijden wordt ingehaald, gaan
dan ook beide lampjes branden.
•
Het systeem reageert als het snelheidsverschil tussen u en het ingehaalde voertuig
kleiner is dan 10 km/h.
Wanneer u wordt ingehaald:
Het systeem reageert als het snelheidsverschil
tussen u en het inhalende voertuig kleiner is dan
70 km/h.
Systeemfunctie bij daglicht en bij donker
Daglicht
Bij daglicht reageert het systeem op de contouren van omringende voertuigen. Het systeem is geconstrueerd om motorvoertuigen
zoals auto’s, vrachtwagens, bussen en motorfietsen waar te nemen.
BLIS is eveneens voorzien van een geïntegreerde functie die de bestuurder waarschuwt
149
Starten en rijden
BLIS (Blind Spot Information System) (optie)
WAARSCHUWING!
- BLIS werkt niet in scherpe bochten.
- BLIS werkt niet wanneer u achteruitrijdt.
- Een brede aanhanger achter de auto kan
het zicht ontnemen op andere voertuigen op
aangrenzende rijstroken. Dit kan ertoe leiden
dat BLIS geen voertuigen in dit afgeschermde gebied kan waarnemen.
Donker
Bij donker reageert het systeem op de koplampen van omringende voertuigen. Als een voertuig de koplampen niet heeft ontstoken, zal het
systeem dit voertuig niet kunnen waarnemen.
Dit houdt in dat het systeem bijvoorbeeld niet
reageert op een aanhanger achter een auto of
vrachtwagen, omdat daar geen brandende koplampen op zitten.
Schoonmaken
BLIS werkt alleen optimaal, als de cameralenzen schoon zijn. U kunt de lenzen schoonmaken
met een zachte doek of een vochtige spons.
Maak de lenzen voorzichtig schoon om krassen
te voorkomen.
150
WAARSCHUWING!
- Het systeem reageert niet op fietsers en
bromfietsers.
- De BLIS-camera’s kunnen hinder ondervinden van de aanwezigheid van felle lichtbronnen of juist de afwezigheid van lichtbronnen
(wegenverlichting of voertuigverlichting) bij
ritten in het donker. Het systeem kan uit de
afwezigheid van licht ten onrechte opmaken
dat de camera’s zijn afgedekt.
In beide gevallen verschijnt er een melding
op het informatiepaneel.
Bij ritten in dergelijke omstandigheden is het
mogelijk dat het systeem tijdelijk minder
goed kan presteren (zie de informatie op de
volgende pagina), waarbij een displaymelding verschijnt.
Wanneer de melding verdwijnt, werkt het
systeem weer optimaal.
- De BLIS-camera’s kennen dezelfde beperkingen als het menselijk oog. Dit houdt in dat
ze bijvoorbeeld minder goed “zien” bij
hevige sneeuwval en dichte mist.
BELANGRIJK!
- De lenzen zijn elektrisch verwarmd om ze
van sneeuw en ijs te kunnen ontdoen. Veeg
ze nodig sneeuw van de lenzen af.
Starten en rijden
BLIS (Blind Spot Information System) (optie)
op de portierpanelen lichten driemaal op.
Druk op de knop READ (zie pagina 42) om
de melding te laten verdwijnen.
Systeemteksten BLIS
Betekenis
Displaytekst
BLIS ingeschakeld
BLIS deactiveren en heractiveren
•
•
•
BLIS wordt automatisch geactiveerd, wanneer u het contact aanzet. De controlelampjes op de portierpanelen lichten driemaal op
bij het aanzetten van het contact.
U kunt het systeem deactiveren door op de
knop BLIS te drukken die op het schakelaarpaneel van de middenconsole zit (zie bovenstaande afbeelding). De led in de knop
dooft, wanneer het systeem uitgeschakeld
is. Er verschijnt bovendien een displaytekst
op het instrumentenpaneel.
U kunt BLIS heractiveren door nogmaals op
de knop te drukken. De led in de knop licht
vervolgens op, er verschijnt een nieuwe
tekst op het display en de controlelampjes
BLIS buiten
werking
Rechter camera
afgedekt
Linker camera
afgedekt
Beide camera’s
afgedekt
De BLIS-camera
wordt gehinderd
door bijv. mist of
fel zonlicht recht in
de camera.
De camera herstelt
zichzelf zodra de
omstandigheden
weer normaal zijn.
BLIS uitgeschakeld
BELANGRIJK!
Laat reparaties van de onderdelen van het
BLIS-systeem over aan een erkende Volvowerkplaats.
BLINDE-HOEKINFO.
SYSTEEM AAN
BLINDE-HOEKSYST.
SERVICE VEREIST
BLINDE-HOEKSYST.
R CAMERA GEBLOK.
BLINDE-HOEKSYST. L
CAMERA GEBLOK.
BLINDE-HOEKSYST.
CAMERA’S GEBLOK.
BLINDE-HOEKSYST.
FUNCTIE BEPERKT
BLINDE-HOEKINFO.
SYSTEEM UIT
De meldingen verschijnen alleen, als de contactsleutel in stand II staat (of als de motor
loopt) en BLIS actief is (de bestuurder heeft het
systeem niet gedeactiveerd).
151
Starten en rijden
BLIS (Blind Spot Information System) (optie)
Beperkingen
Soms kan het controlelampje voor BLIS oplichten zonder dat u voertuigen in de dode hoeken
kunt waarnemen.
N.B. Als het controlelampje voor BLIS soms
oplicht zonder dat u andere voertuigen in de
dode hoeken kunt waarnemen, betekent dit niet
dat het systeem een storing vertoont.
Bij een storing in het BLIS-systeem verschijnt
op het display de melding BLINDE-HOEKSYST. SERVICE VEREIST.
Eigen schaduwen op grote, lichtgekleurde en gladde
oppervlakken zoals geluidsschermen of betonnen
wegen
Voorbeelden
Hier volgen enkele afbeeldingen van situaties
waarin het controlelampje voor BLIS kan gaan
branden, hoewel er zich geen voertuigen in de
dode hoek bevinden.
Laag staande zon in de camera
Reflecties op een glad en nat wegdek
152
Wielen en banden
Algemene informatie
Bandenspanning
Gevarendriehoek en reservewiel
Bandenspanningscontrolesysteem (optie)
Wielen verwisselen
Provisorische bandenreparatie
154
157
159
161
163
165
153
Wielen en banden
Algemene informatie
Rijeigenschappen en banden
De banden zijn van grote invloed op de rijeigenschappen van de auto. Zowel het type, de maat,
de bandenspanning als de snelheidsaanduiding
zijn belangrijk voor het rijgedrag van de auto.
Let er bij het verwisselen van banden op dat de
nieuwe banden op alle vier de wielen van hetzelfde type zijn, dezelfde afmeting hebben en
van hetzelfde merk zijn. Houd de aanbevolen
bandenspanning aan die op de bandenspanningsticker staat (zie pagina 157 voor de positie).
Maataanduiding
Op alle autobanden staat een bepaalde maataanduiding. Een voorbeeld van een dergelijke
aanduiding is 205/55R16 91 W.
205
55
R
16
91
W
breedte van de band (mm)
verhouding tussen de hoogte en
breedte van de band (%)
aanduiding voor radiaalbanden
velgdiameter van de band (")
aanduiding van het draagvermogen
van de band (in dit geval 615 kg)
aanduiding van de snelheidslimiet van
de band (in dit geval 270 km/h).
Snelheidsaanduidingen
Uw auto is voorzien van een typegoedkeuring
voor de uitvoering waarin deze werd aangeleverd. Dat betekent dat u niet mag afwijken van
de afmetingen en snelheidsaanduidingen die
154
staan aangegeven op de typegoedkeuring van
de auto. De enige uitzondering daarop vormt het
gebruik van winterbanden (zowel spijkerbanden
als banden zonder spijkers). Bij gebruik van dergelijke banden mag u niet sneller rijden dan de
maximumsnelheid die voor het gebruikte bandentype geldt (voor aanduiding Q geldt bijvoorbeeld een maximumsnelheid van 160 km/h).
Let erop dat de gesteldheid van het wegdek
bepalend is voor uw maximumsnelheid en niet
de snelheidsaanduiding van de banden.
Let erop dat de aangegeven snelheid de maximumsnelheid is.
Q
T
H
V
W
160 km/h (enkel voor winterbanden)
190 km/h
210 km/h
240 km/h
270 km/h
Nieuwe banden
Banden hebben een beperkte
houdbaarheidsdatum. Na
enkele jaren worden de banden hard en neemt de grip op
het wegdek stukje bij beetje
af. Gebruik bij het verwisselen
van banden altijd zo nieuw mogelijke banden.
Dit geldt in het bijzonder voor winterbanden. De
week en het jaar van productie worden aangeduid met de DOT-code (Department of Transportation) bestaande uit vier cijfers,
bijvoorbeeld 1502. De band op de afbeelding is
in de 15e week van het jaar 2002 geproduceerd.
Leeftijd van de banden
Alle banden die ouder zijn dan zes jaar moet u
door een vakman laten controleren, ook al zien
ze er intact uit. Dit omdat het materiaal waarvan
banden gemaakt zijn ook veroudert en afgebroken wordt, als banden zelden of nooit worden
gebruikt. Daarbij kan de werking van de banden
worden aangetast, in welk geval u de banden
niet meer dient te gebruiken.
Dit geldt ook voor reservebanden, winterbanden en banden die u voor toekomstig gebruik
hebt opgeslagen.
Scheurvorming of verkleuring zijn de zichtbare
kenmerken van een band die ongeschikt is voor
gebruik.
De leeftijd van een band valt af te lezen uit de
DOT-code (zie bovenstaande afbeelding).
Wielen en banden
Algemene informatie
Gelijkmatige slijtage en
onderhoud
De juiste bandenspanning levert gelijkmatige
slijtage op (zie pagina 158). Voor optimale rijeigenschappen en een gelijkmatige bandenslijtage wordt geadviseerd de banden van tijd tot
tijd van voor naar achter of omgekeerd te verwisselen (nooit van links naar rechts of omgekeerd). Verwissel de banden de eerste keer van
voor naar achter (of omgekeerd) na 5 000 km
en daarna om de 10 000 km. Monteer de banden met het diepste profiel altijd op de achteras
om het gevaar voor slippen te verminderen.
Neem contact op met een erkende Volvo-werkplaats als u niet zeker bent van de profieldiepte.
Bewaar de wielen hangend of liggend. Laat ze
nooit rechtop staan.
WAARSCHUWING!
Een beschadigde band kan ertoe leiden dat
u de controle over de auto verliest.
Banden met slijtage-indicatoren
Slijtage-indicatoren zijn smalle
ophogingen die dwars op het
profiel van de band staan. De
letters TWI (Tread Wear Indicator) op de zijkant van de
band geven aan dat een band
is uitgerust met slijtage-indicatoren. De indicatoren zijn duidelijk zichtbaar, wanneer een band
dusdanig versleten is dat slechts 1,6 mm van
het profiel over is. Vervang de banden dan zo
spoedig mogelijk. Let erop dat een band met
een gering profiel zeer weinig grip op het wegdek heeft bij regen of sneeuw.
Winterbanden
Volvo adviseert winterbanden met bepaalde
afmetingen. Deze staan op een bandenspanningsticker (zie positie pagina 157). De bandenmaat is afhankelijk van het motortype. Gebruik
altijd winterbanden op alle vier de wielen.
N.B. Neem contact op met een Volvo-dealer
voor advies over de beste soort velgen en banden.
Banden met “spikes”
Winterbanden met “spikes” moeten de eerste
500–1000 km rustig worden ingereden, zodat
de “spikes” hun positie in kunnen nemen. Zo
gaan de banden en vooral de “spikes” langer
mee.
N.B. De wettelijke bepalingen voor het gebruik
van banden met “spikes” verschillen van land tot
land.
Profieldiepte
Ritten bij ijs, sneeuw(modder) en lage temperaturen vergen meer van de banden dan zomerse
ritten. Daarom wordt er een minimale profieldiepte van vier mm voor winterbanden geadviseerd.
Sneeuwkettingen
Het gebruik van sneeuwkettingen is alleen toegestaan op de voorwielen. Dit geldt ook voor
modellen met voorwielaandrijving.
Rijd nooit sneller dan 50 km/h met sneeuwkettingen. Rijd evenmin op sneeuwvrije wegen,
omdat zowel de sneeuwkettingen als de banden daardoor overmatig slijten. Maak nooit
gebruik van sneeuwkettingen met zogeheten
snelsluitingen, omdat de ruimte tussen de schijfremmen en de wielen te gering is.
BELANGRIJK!
Gebruik originele sneeuwkettingen van
Volvo of vergelijkbare sneeuwkettingen die
zijn afgestemd op het model en de band- en
velgafmetingen. Vraag een erkende Volvowerkplaats om advies.
Afsluitbare wielbout
Afsluitbare wielbouten zijn te gebruiken op
zowel lichtmetalen als stalen velgen. Bij gebruik
van afsluitbare wielbouten op stalen velgen met
wieldoppen, moet u de afsluitbare wielbout zo
ver mogelijk van het ventiel aanbrengen. Als u
dat niet doet, is het niet mogelijk de wieldop te
monteren.
155
Wielen en banden
Algemene informatie
diepste profiel altijd op de achteras (om het
gevaar voor slippen te verminderen).
Neem contact op met een erkende Volvowerkplaats als u niet zeker bent van de profieldiepte.
De pijl geeft de draairichting van de band
aan
Zomer- en winterbanden
Wanneer u de zomerbanden vervangt door winterbanden of andersom, moet u op de band
noteren waar de band zat: bijvoorbeeld L voor
links, R voor rechts enz. Bij banden met een
speciaal profiel dat alleen goed werkt wanneer
de banden in een bepaalde richting draaien,
staat deze richting aangegeven met een pijl op
de zijkant van de band. Zorg dat de banden
altijd dezelfde draairichting hebben. Banden
mogen alleen van voor naar achter verwisseld
worden, nooit van links naar rechts of omgekeerd. Als u de banden verkeerd aanbrengt,
nemen de remeigenschappen van de auto af en
kunnen de banden regen, sneeuw en drab minder goed afvoeren. Monteer de banden met het
156
Wielen en banden
Bandenspanning
Bandenspanning controleren
Aanbevolen bandenspanning
Op de sticker voor op de portierstijl aan de
bestuurderszijde (tussen voor- en achterportier)
staat de juiste bandenspanning voor uw auto
aangegeven bij verschillende belading en snelheid.
Op de sticker staan:
•
•
•
Bandenspanning bij gebruik van de aanbevolen bandenmaat
ECO-bandenspanning
Bandenspanning compact reservewiel
(Temporary Spare)
Controleer regelmatig de bandenspanning.
Brandstofbesparing, ECObandenspanning
N.B. Het is een natuurlijk gegeven dat de bandenspanning na verloop van tijd afneemt. De
bandenspanning varieert ook naargelang van de
omgevingstemperatuur.
Om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te
houden wordt geadviseerd de aangegeven bandenspanning bij maximale belading aan te houden bij snelheden tot 160 km/h.
De juiste bandenspanning staat aangegeven in
de bandenspanningstabel. De vermelde bandenspanning geldt bij koude banden (kan verschillen naargelang van de buitentemperatuur).
De bandenspanning is van invloed op het rijcomfort, de stuureigenschappen en de geproduceerde weggeluiden.
Al na enkele kilometers rijden worden de banden warm en loopt de spanning op. Laat
daarom geen lucht uit de banden ontsnappen
als u de spanning controleert bij warme banden.
Als de spanning bij warme banden echter te
laag is, moet u de band harder oppompen.
Onvoldoende opgepompte banden hebben een
negatieve inwerking op het brandstofverbruik,
de levensduur van de banden en de rijeigenschappen van de auto. Wanneer u met een te
lage bandenspanning rijdt, kunnen de banden
oververhit raken en kapotgaan. Zie de bandenspanningstabel op pagina 158 voor informatie
over de juiste bandenspanning.
157
Wielen en banden
Bandenspanning
Bandenspanningstabel
Type
T5
Bandenmaat
205/55R16
Snelheid (km/h)
Belading
(1–3 inzittenden)
Max. belading
Voorin
Achterin
Voorin
kPa/bar
kPa/bar
kPa/bar
Achterin
kPa/bar
0 – 160
220/2,2
220/2,2
260/2,6
260/2,6
160 +
260/2,6
260/2,6
280/2,8
280/2,8
0 –160
160 +
0 –160
210/2,1
240/2,4
220/2,2
210/2,1
240/2,4
220/2,2
260/2,6
300/3,0
260/2,6
260/2,6
300/3,0
260/2,6
160 +
250/2,5
250/2,5
280/2,8
280/2,8
0 – 160
260/2,61
260/2,61
260/2,61
260/2,61
0 – 80
420/4,2
420/4,2
420/4,2
420/4,2
215/55R16
225/45R17
XC70
235/40R18
215/65R16
Overige
215/60R17
195/65R15
205/55R16
215/55R16
225/45R17
Alle
Reservewiel,
Temp. Spare
235/40R18
Alle
1. Zie pagina 157 voor de ECO-bandenspanning
158
Wielen en banden
Gevarendriehoek en reservewiel
1
2
3
4
– Draai de knoppen aan de zijkanten van de
kunststof bagagebak (accessoire) los en til
de bak uit de auto.
– Til de krik en de gereedschapstas naar buiten.
– Draai de bevestiging van het reservewiel los
en til het reservewiel uit de bagageruimte.
– Schroef en bevestig alle onderdelen in
omgekeerde volgorde weer vast. Zorg
ervoor dat het reservewiel vastzit en dat de
krik en het gereedschap stevig op hun
plaats zitten.
U mag per keer slechts een reservewiel gebruiken.
Reservewiel “Temporary Spare”
Reservewiel, gereedschap en krik
1.
Krik1
2.
3.
Gereedschapstas1 met sleepoog
Bevestiging
4. Reservewiel1
Het reservewiel met de krik en de gereedschapstas vindt u onder de vloer van de bagageruimte. Ga als volgt te werk om het
reservewiel te verwijderen:
– Verwijder het achterste vloerluik door het
ca. 45° omhoog te klappen en naar achteren
te trekken. Zet het voorste vloerluik in opgeklapte stand vast.
1.
Bepaalde varianten en markten
Het compacte reservewiel 1 (“Temporary
Spare”) mag alleen worden gebruikt gedurende
de korte tijd die nodig is om het normale wiel te
repareren of te vervangen.
Volgens de wet mag het reservewiel/de band
alleen tijdelijk worden gebruikt, wanneer een
band beschadigd is. Een wiel/band van dit type
moet daarom zo spoedig mogelijk door een normaal wiel/normale band worden vervangen.
Let er ook op dat het compacte reservewiel in
combinatie met normale wielen of banden wijzigingen in de rijeigenschappen kan veroorzaken.
De maximumsnelheid bij gebruik van een compact reservewiel bedraagt daarom 80 km/h.
N.B. Gebruik alleen het originele reservewiel
dat bij de auto hoort! Banden met afwijkende
maten kunnen schade aan uw auto veroorzaken.
159
Wielen en banden
Gevarendriehoek en reservewiel
2
1
Gevarendriehoek (bepaalde
landen)
Reservewiel, gereedschap, krik –
auto’s met basluidspreker (optie)
1.
2.
De krik en de gereedschapstas vindt u in het
opbergvak boven het reservewiel. Ga als volgt
te werk om het reservewiel te verwijderen:
Klem
Gevarendriehoek (andere positie op auto’s
met een extra bankje)
Houd u aan de bepalingen die gelden voor het
gebruik van gevarendriehoeken in het land
waarin u zich bevindt.
N.B. Als de auto is uitgerust met een extra
bankje in de bagageruimte, zit de
gevarendriehoek (2) in een speciaal vakje voor
in de ruimte voor het reservewiel.
160
– Verwijder het achterste vloerluik door het
ca. 45° omhoog te klappen en naar achteren te trekken. Til het voorste vloerluik naar
buiten.
– Verwijder de mat die over de basluidspreker
heen zit.
– Neem de draaiknop los en verdraai de
klem (1) 90°.
– Til de basluidspreker omhoog. Pak ondertussen de luidspreker bij de rechter bovenhoek en die linksachter vast. Kantel de
luidspreker schuin naar voren toe omhoog
en laat de basluidspreker vervolgens tegen
de linkerwand van de bagageruimte rusten.
– Plaats alle onderdelen in omgekeerde volgorde terug en zet ze vast. Zorg ervoor dat
het reservewiel vastzit en dat de krik en het
gereedschap stevig op hun plaats zitten.
Wielen en banden
Bandenspanningscontrolesysteem (optie)
Het bandenspanningscontrolesysteem (TPMS,
Tyre Pressure Monitoring System) waarschuwt
de bestuurder, wanneer de spanning in één of
meer banden te laag is. Het systeem maakt
gebruik van sensoren in de ventielen van de
banden. Bij snelheden van ca. 40 km/h controleert het systeem de bandenspanning. Als de
spanning dan te laag is, gaat het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel
branden en verschijnt er een melding op het
informatiedisplay.
Controleer het systeem altijd na het verwisselen
van wielen om er zeker van te zijn dat de vervangende wielen compatibel zijn met het systeem.
Zie pagina 157–158 voor informatie over de
juiste bandenspanning.
N.B. Ook mét het TPMS-systeem moet u het
normale onderhoud aan de banden blijven plegen.
Bij een lage bandenspanning
BELANGRIJK!
Als er een storing optreedt in het bandenspanningscontrolesysteem, gaat het
waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel branden. Bovendien verschijnt de
melding BANDENSP.SYSTEEM SERVICE
VEREIST. Dit kan meerdere oorzaken
hebben. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat er
een wiel gemonteerd werd met een sensor
die niet past bij het bandenspanningscontrolesysteem van Volvo.
Doe het volgende, wanneer de melding LAGE
BANDENSPAN. CONTR. BANDEN voor een
lage bandenspanning op het informatiedisplay
verschijnt:
– Controleer de bandenspanning van alle vier
de wielen.
– Pomp de band(en) tot de juiste spanning
op.
– Rijd ten minste 1 minuut onafgebroken in de
auto op een snelheid van 40 km/h of hoger
en ga na of de melding verdwijnt.
Bandenspanningscontrole deactiveren
N.B. De motor mag daarbij niet lopen.
Bandenspanningscontrolesysteem
afstellen
Om de aanbevolen bandenspanning van Volvo
aan te kunnen houden is het mogelijk het bandenspanningscontrolesysteem af te stellen, bijvoorbeeld bij een zware belading.
N.B. De motor mag daarbij niet lopen.
– Pomp de banden tot de juiste spanning op.
– Zet het contact in stand I of II.
– Draai aan het duimwiel op de linker stuurhendel, totdat de melding BANDENSPANNING KALIBREREN op het
informatiedisplay verschijnt.
– Houd de knop RESET ingedrukt, totdat de
melding BANDENSPANNING GEKALIBREERD! verschijnt.
– Zet het contact in stand I of II.
– Draai aan het duimwiel op de linker stuurhendel, totdat de melding BANDENSP.SYSTEEM AAN op het
informatiedisplay verschijnt.
– Houd de knop RESET ingedrukt, totdat de
melding BANDENSP.SYSTEEM UIT verschijnt.
Herhaal de punten 1–3 om het systeem
opnieuw te activeren, waarna de melding BANDENSP.SYSTEEM AAN op het informatiedisplay verschijnt.
Adviezen
Er zitten alleen TPMS-sensoren in de ventielen
van de wielen die in de fabriek werden gemonteerd.
161
Wielen en banden
Bandenspanningscontrolesysteem (optie)
•
•
•
•
Bij een compact reservewiel (Temporary
Spare) ontbreekt een dergelijke sensor.
Bij gebruik van wielen zonder TPMS-sensor
zal iedere keer dat u meer dan 10 minuten
lang sneller rijdt dan 40 km/h de melding
BANDENSP.SYSTEEM SERVICE VEREIST
verschijnen.
Volvo adviseert TPMS-sensoren te laten
monteren op alle wielen (zomer- of winterbanden) van de auto.
Volvo raadt het af sensoren van het ene wiel
over te zetten op een ander wiel.
WAARSCHUWING!
Houd bij het oppompen van een band met
TPMS het mondstuk recht tegen het ventiel
aan om het ventiel niet te beschadigen.
162
Runflat-banden (optie)
Als er zogeheten runflat-banden (SST-banden,
Self Supporting Tyres) op de auto zitten, hebt u
ook TPMS.
Dergelijke banden zijn voorzien van een speciaal
verstevigde zijwand, zodat u ook als er een hoeveelheid lucht uit de band ontsnapt is, kunt blijven rijden. Deze banden zijn op speciale velgen
gemonteerd. (Om dergelijke velgen kunnen ook
standaardbanden worden gelegd.)
Als de bandenspanning van een SST-band
daalt, gaat het oranje TPMS-lampje op het
instrumentenpaneel branden en verschijnt er
een melding op het display. Houd in dat geval
een snelheid van maximaal 80 km/h uur aan en
laat de band zo spoedig mogelijk vervangen.
Rijd voorzichtig omdat het niet altijd duidelijk is
welke band er lek is. Controleer altijd alle vier de
banden om na te gaan welke band er moet worden vervangen.
WAARSCHUWING!
• Laat de montage van SST-banden over
aan de vakman.
• Gebruik SST-banden alleen in combinatie met TPMS.
• Rijd niet sneller dan 80 km/h, nadat er
een waarschuwingsmelding voor een lage
bandenspanning is verschenen.
• Vervang de lekke band na maximaal
80 kilometer rijden.
• Rijd voorzichtig.
• Vervang een SST-band bij beschadiging
of lekkage.
Wielen en banden
Wielen verwisselen
Wielen demonteren
Let erop dat u de gevarendriehoek opzet, wanneer u de band moet verwisselen aan de kant
van de weg. Het reservewiel zit onder de kunststof bak in de bagageruimte.
– Trek de handrem aan en schakel de 1e versnelling in op auto’s met een handgeschakelde versnellingsbak (stand P op auto’s
met een automatische versnellingsbak).
Breng houten wielblokken of grote stenen
aan voor en achter de wielen die op de
grond blijven staan.
– Auto’s met stalen velgen hebben verwijderbare wieldoppen. Verwijder de wieldoppen
met een dikke schroevendraaier of iets dergelijks. Wanneer u geen schroevendraaier
hebt, kunt u de wieldoppen met de hand
proberen los te trekken. Draag bij voorkeur
werkhandschoenen. Wanneer u de wieldoppen terugplaatst, moet u erop letten dat de
opening in de wieldop recht tegenover het
ventiel komt te zitten.
– Draai de wielbouten 1/2–1 slag los met de
dopsleutel. U draait de bouten linksom los.
– Er zitten twee kriksteunpunten aan weerszijden van de auto. Houd de krik tegen de pen
van het steunpunt (zie afbeelding) en draai
de voet van de krik zo ver omlaag dat deze
plat tegen de grond aankomt. Controleer
nogmaals of de krik goed aan het kriksteunpunt bevestigd is en zorg dat de voet recht
onder het steunpunt zit.
– Breng de auto zo ver omhoog dat het wiel
van de grond komt. Draai de wielbouten los
en verwijder het wiel.
163
Wielen en banden
Wielen verwisselen
BELANGRIJK!
Als er TPMS op de auto zit, dient u de
nieuwe banden na montage te kalibreren.
Lees “Bandenspanningscontrolesysteem
afstellen” op pagina 161.
Wielen monteren
– Reinig de contactvlakken op het wiel en de
naaf.
– Breng het wiel aan. Draai de wielbouten
vast.
– Breng de auto zo ver omlaag dat de wielen
niet meer ongehinderd kunnen draaien.
– Draai de wielmoeren kruiselings vast. Het is
belangrijk dat u de wielmoeren stevig aanhaalt. Haal ze aan met 140 Nm. Controleer
het aanhaalmoment met een momentsleutel.
– Breng de wieldop (stalen velgen) aan.
164
Krik bestemd voor auto’s met vierwielaandrijving
WAARSCHUWING!
Kruip nooit onder de auto als deze op de krik
staat.
Laat eventuele passagiers uit de auto stappen, voordat u de auto opkrikt.
Geef eventuele passagiers te kennen dat ze
dusdanig moeten gaan staan dat de auto en
liever nog een vangrail tussen hen en het verkeer op de weg zit.
Wielen en banden
Provisorische bandenreparatie
Algemene informatie
De bandenreparatieset1 wordt gebruikt om een
lek te dichten alsook om de bandenspanning te
controleren en zo nodig tijdelijk te corrigeren.
De set bestaat uit een compressor en een bus
met afdichtmiddel. De set dient om noodreparaties uit te voeren. De bus met het afdichtmiddel
moet worden vervangen voordat de houdbaarheidsdatum is verstreken en tevens na het
gebruik.
Het afdichtmiddel dicht banden met een lek in
het loopvlak effectief af.
N.B. De bandenreparatieset is uitsluitend
bedoeld voor het afdichten van banden met een
lek in het loopvlak.
N.B. De krik is optioneel bij auto’s met de bandenreparatieset.
De bandenreparatieset leent zich minder goed
voor banden met een gat in het zijvlak. Probeer
geen banden met de set te repareren die grote
groeven, scheuren en dergelijke vertonen.
WAARSCHUWING!
Rijd nooit sneller dan 80 km/h wanneer u de
bandenreparatieset voor een noodreparatie
hebt gebruikt. Bezoek een erkende Volvowerkplaats om de afgedichte band te laten
controleren (maximale rijafstand 200 km).
Het personeel bepaalt of de band kan worden gerepareerd of moet worden vervangen.
Bandenreparatieset erbij nemen
De bandenreparatieset met compressor en
gereedschap zit onder de vloer in de bagageruimte.
– Pak de vloermat aan de achterzijde beet en
klap deze naar voren toe op.
– Til de bandenreparatieset op.
Een 12 V-aansluiting voor de compressor zit
voorin bij de middenconsole, achterin bij de
achterbank en in de bagageruimte. Gebruik de
elektrische aansluiting die het dichtst bij de
lekke band zit.
1.
Bepaalde varianten en markten
165
Wielen en banden
Provisorische bandenreparatie
Overzicht
– Draai het ventieldopje van het wiel los en
schroef de ventielaansluiting van de luchtslang zo ver mogelijk op het ventiel van de
band.
– Sluit de kabel aan op een van de 12Vaansluitingen in de auto en start de motor.
WAARSCHUWING!
Het inademen van uitlaatgassen kan levensgevaarlijk zijn. Laat de motor nooit draaien in
ruimten die zijn afgesloten of onvoldoende
geventileerd zijn.
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
9.
Sticker, toegestane maximumsnelheid
Knop
Kabel
Bushouder (oranje deksel)
Beschermdop
Drukreduceerventiel
Luchtslang
Bus met afdichtmiddel
Manometer
Band oppompen
De compressor is berekend op het oppompen
van de originele banden die op de auto zitten.
– De compressor moet uitstaan. Zorg dat de
knop in stand 0 staat en neem de kabel en
de luchtslang erbij.
166
– Schakel de compressor in door de knop in
stand I te zetten.
– Pomp de band op tot de druk die in de bandenspanningstabel staat aangegeven. (Laat
eventueel lucht ontsnappen met het drukreduceerventiel, als de bandenspanning te
hoog is.)
BELANGRIJK!
Er bestaat gevaar voor oververhitting. De
compressor mag niet langer dan
10 minuten achtereen werken.
– Schakel de compressor uit. Koppel de
luchtslang en de kabel los.
– Plaats het ventieldopje terug.
Wielen en banden
Provisorische bandenreparatie
Lekke band repareren
– Draai de oranje beschermdop los evenals
de dop op de bus met afdichtmiddel.
N.B. Verbreek de verzegeling van de bus niet
handmatig. Bij het indraaien van de bus wordt
de verzegeling automatisch verbroken.
– Draai de bus in de bushouder vast.
WAARSCHUWING!
Draai de bus niet los. De bus is voorzien van
een pakking die lekkage tegengaat.
Zie de afbeelding op pagina 166 voor informatie over de werking van de onderdelen
– Open het deksel van de bandenreparatieset.
– Haal de sticker met de toegestane maximumsnelheid uit de set en bevestig de
sticker op het stuurwiel.
– Controleer of de knop in stand 0 staat en
neem de kabel en de luchtslang erbij.
WAARSCHUWING!
Het afdichtmiddel kan aanleiding geven tot
huidirritatie. Was bij huidcontact het getroffen gebied onmiddellijk schoon met water en
zeep.
– Draai het ventieldopje van het wiel los en
schroef de ventielaansluiting van de luchtslang zo ver mogelijk op het ventiel van de
band.
– Sluit de kabel op een 12V-aansluiting aan
en start de motor.
– Zet de knop in stand I.
– Vul de band 7 minuten lang met afdichtmiddel.
BELANGRIJK!
Er bestaat gevaar voor oververhitting. De
compressor mag niet langer dan
10 minuten achtereen werken.
– Schakel de compressor uit om de bandenspanning van de manometer af te lezen. De
bandenspanning dient minimaal 1,8 bar en
maximaal 3,5 bar te bedragen.
WAARSCHUWING!
Als de bandenspanning lager is dan 1,8 bar,
is het gat in de band te groot. Beëindig in dat
geval de rit. Neem contact op met een
erkende bandenreparateur.
WAARSCHUWING!
Ga nooit naast de band staan terwijl de compressor aan het pompen is. Bij barsten, oneffenheden en dergelijke dient u de
compressor onmiddellijk uit te schakelen.
Beëindig in dat geval de rit. Neem contact
op met een erkende bandenreparateur.
N.B. Bij het inschakelen van de compressor kan
de spanning aanvankelijk oplopen tot 6 bar,
maar zal na ca. 30 seconden weer dalen.
– Schakel de compressor uit en trek de kabel
los uit de 12V-aansluiting.
– Koppel de slang los van het ventiel en plaats
het ventieldopje terug.
– Leg zo spoedig mogelijk na de reparatie
ca. 3 km af bij een snelheid van maximaal
80 km/h, zodat het afdichtmiddel de band
kan afdichten.
167
Wielen en banden
Provisorische bandenreparatie
Reparatieresultaat en bandenspanning controleren
– Sluit de uitrusting opnieuw aan.
– Lees de bandenspanning van de manometer af.
– Als de spanning lager is dan 1,3 bar, werd
de band onvoldoende afgedicht. Beëindig in
dat geval de rit. Neem contact op met een
bandenreparateur.
– Als de bandenspanning hoger is dan
1,3 bar, moet u de band oppompen tot de
spanning die staat aangegeven in de bandenspanningstabel. Laat lucht uit de band
ontsnappen, als de bandenspanning te
hoog is.
– Schakel de compressor uit. Koppel de
luchtslang en de kabel los. Plaats het ventieldopje terug.
WAARSCHUWING!
Draai de bus niet los. De bus is voorzien van
een pakking die lekkage tegengaat.
– Leg de bandenreparatieset in de kofferbak
terug.
N.B. Vervang de bus met afdichtmiddel en de
slang na gebruik. Laat het vervangen over aan
een erkende Volvo-werkplaats.
168
WAARSCHUWING!
Controleer de bandenspanning regelmatig.
– Rijd naar de dichtstbijzijnde erkende Volvowerkplaats om de beschadigde band te
laten vervangen/repareren. Geef aan het
werkplaatspersoneel door dat er afdichtmiddel in de band zit.
WAARSCHUWING!
Rijd nooit sneller dan 80 km/h wanneer u de
bandenreparatieset voor een noodreparatie
hebt gebruikt. Bezoek een erkende Volvowerkplaats om de afgedichte band te laten
controleren (maximale rijafstand 200 km).
Het personeel bepaalt of de band kan worden gerepareerd of moet worden vervangen.
Bus met afdichtmiddel vervangen
Vervang de bus voordat de houdbaarheidsdatum verstreken is. Behandel de vervangen bus
als klein chemisch afval (KCA).
BELANGRIJK!
Lees de veiligheidsvoorschriften aan de
onderkant van de bus.
Verzorging
Schoonmaken
Lakschade herstellen
Roestwering
170
173
174
169
Verzorging
Schoonmaken
Auto wassen
Was de auto zodra deze vuil geworden is. Dit is
met name ’s winters van belang, omdat strooizout en vocht al snel aanleiding kunnen geven
tot corrosie.
Was de auto als volgt:
•
•
•
•
•
•
Was de auto niet in direct zonlicht, omdat
de lak daarbij blijvende schade kan oplopen.
Zorg dat de auto op een spoelvloer met
afvoerscheiding staat.
Spoel zorgvuldig het vuil van het onderstel
van de auto.
Spoel de auto in zijn geheel af om het vuil
los te weken. Let op het volgende bij
gebruik van een hogedrukreiniger: Houd bij
het wassen de spuitkop van de hogedrukreiniger ten minste 30 cm van de carrosserie
af. Spuit evenmin direct in de richting van de
sloten.
Gebruik een spons en veel water met of
zonder schoonmaakmiddel.
Gebruik bij voorkeur handwarm water (maximaal 35 °C) en geen heet water.
Als het vuil uiterst hardnekkig is, kunt u de
auto met een ontvettingsmiddel voor koude
toepassingen wassen. Zorg in dat geval dat
de auto op een spoelplaat met afvoerscheiding staat. Wanneer u een ontvettingsmiddel voor koude toepassingen gebruikt, moet
170
u zorgen dat de auto niet in direct zonlicht
staat. De lak mag evenmin warm zijn geworden door blootstelling aan zonlicht of de uitgestraalde motorwarmte. Zonlicht en
warmte kunnen blijvende schade aan de lak
veroorzaken. Vraag een Volvo-werkplaats
om advies.
• Droog de auto af met een schoon en zacht
stuk zeemleer.
• Reinig de wisserbladen met een handwarme zeepoplossing.
N.B. Bij de externe verlichting zoals de koplampen, mistlampen en achterlichten kan tijdelijk
condens optreden aan de binnenkant van het
lampglas. Dit is een natuurlijk verschijnsel en
alle externe verlichting is erop gebouwd om dit
zo veel mogelijk te voorkomen. Condens verdwijnt normaal uit het lamphuis, wanneer de
lamp enige tijd brandt.
Geschikt schoonmaakmiddel
Automatische wasstraten
In een automatische wasstraat kunt u de auto
snel en eenvoudig schoonmaken. Let er echter
op dat een wasbeurt in een automatische wasstraat nooit een alternatief vormt voor een
goede wasbeurt met de hand, omdat de borstels van de wasstraat niet overal even goed bij
kunnen.
WAARSCHUWING!
Maak de motor niet schoon, wanneer deze
nog warm is. Brandgevaar! Laat het schoonmaken van de motor over aan een erkende
Volvo-werkplaats.
BELANGRIJK!
Scherpe voorwerpen en klittenband kunnen
de stoffen bekleding beschadigen.
Autoshampoo.
Let erop dat:
BELANGRIJK!
– Verwijder vogelpoep altijd zo spoedig mogelijk van de lak. Vogelpoep bevat namelijk
stoffen die de lak aantasten en deze zeer
snel doen verkleuren. Een dergelijke verkleuring kunt u niet wegpoetsen.
Voor de lak is het beter om de auto met de
hand te wassen dan in een automatische
wasstraat. Een nieuwe laklaag is bovendien
kwetsbaarder dan een oude laag. U wordt
daarom geadviseerd de eerste maanden na
aankoop van een nieuwe auto deze alleen
met de hand te wassen.
Verzorging
Schoonmaken
WAARSCHUWING!
Test na het wassen van de auto altijd de
remmen (en dus ook de parkeerrem) om te
voorkomen dat vocht en corrosie de remblokken aantasten, waardoor de remwerking
afneemt! Trap zo nu en dan lichtjes op het
rempedaal, als u lange afstanden in de regen
of sneeuwmodder aflegt. Op die manier verwarmt u de remblokken waardoor het vocht
verdampt. Doe dit ook tijdens het wegrijden
bij zeer vochtig of koud weer.
Kunststof en rubber exterieuronderdelen en sieronderdelen
Voor het schoonmaken van gekleurde kunststof
onderdelen, rubber onderdelen en sieronderdelen zoals glimmende strips, wordt geadviseerd
het speciale reinigingsmiddel te gebruiken dat
bij de Volvo-dealer verkrijgbaar is. Volg bij het
gebruik van dit reinigingsmiddel de gebruiksvoorschriften nauwkeurig op.
BELANGRIJK!
Onderdelen van kunststof en rubber niet in
de was zetten of oppoetsen.
Bij het poetsen van glimmende strips kunt u
de glimmende laag beschadigen of verwijderen.
Gebruik geen schurende poetsmiddelen.
Interieur schoonmaken
Behandeling van vlekken op stoffen
bekleding
De Volvo-dealer heeft een speciaal reinigingsmiddel voor stoffen bekleding. Andere reinigingsmiddelen kunnen de brandvertragende
eigenschappen van de bekleding aantasten.
ces van het leer en geeft aan dat het om een
natuurproduct gaat.
Voor de beste resultaten adviseert Volvo de
beschermende crème één- à viermaal per jaar
(zo nodig vaker) op te brengen. Vraag bij de
Volvo-dealer naar het speciale leerverzorgingsproduct van Volvo.
BELANGRIJK!
BELANGRIJK!
Scherpe voorwerpen en klittenband kunnen
de stoffen bekleding beschadigen.
Gebruik nooit sterke oplosmiddelen. Dergelijke middelen kunnen bekleding van textiel,
vinyl en leer beschadigen.
Behandeling van vlekken op leren
bekleding
De leren bekleding van Volvo is chroomvrij
gelooid en voldoet aan de norm Öko-Tex 100.
Het leer wordt veredeld en bewerkt zodat het
zijn natuurlijke eigenschappen houdt. Het leer is
voorzien van een beschermende toplaag, maar
om de goede eigenschappen en het fraaie uiterlijk te behouden is regelmatige verzorging van
het leer vereist. Volvo biedt een universeel leerverzorgingsproduct waarmee u leren bekleding
kunt schoonmaken en de beschermende laag
kunt herstellen mits u het volgens de instructies
opvolgt.
Na enig tijd in gebruikt te zijn geweest krijgt het
leer zijn natuurlijke patina, afhankelijk van de
oppervlaktestructuur. Een dergelijk patina
maakt deel van het natuurlijke verouderingspro-
BELANGRIJK!
Let erop dat de bekleding kan verkleuren bij
contact met materialen die afgeven (nieuwe
spijkerbroek, gekleurde suède kleding e.d.).
Reinigingsvoorschriften voor leren
bekleding
– Breng een weinig van het leerreinigingsproduct op een vochtige spons aan en knijp
erin om een dikke laag schuim te krijgen.
– Behandel de vlek voorzichtig met cirkelende
bewegingen.
– Dep de vlek zorgvuldig met de spons. Laat
de vlek in de spons trekken. Wrijf niet!
171
Verzorging
Schoonmaken
– Veeg het behandelde gebied met een stuk
zacht papier of een doek af en laat het leer
volledig drogen.
Beschermende laag aanbrengen op
leren bekleding
– Breng wat van de beschermende crème op
de vilten doek aan en wrijf de crème in cirkelende bewegingen voorzichtig in het leer.
– Laat het leer 20 minuten drogen alvorens
erop plaats te nemen.
Daarmee is het leer beter beschermd tegen
vlekken en uv-straling.
Behandeling van vlekken op interieuronderdelen van kunststof, metaal en
hout
Voor het schoonmaken van interieuronderdelen
en -panelen van kunststof wordt een speciaal
reinigingsmiddel geadviseerd, dat verkrijgbaar
is bij de Volvo-dealer. Krab of wrijf nooit over
een vlek. Gebruik nooit sterke vlekkenmiddelen.
Veiligheidsgordels schoonmaken
Gebruik water en een synthetisch wasmiddel en
dan met name het textielreinigingsmiddel dat bij
Volvo-dealers verkrijgbaar is. Zorg dat de gordel
droog is, voordat deze weer wordt opgerold.
Poetsen en in de was zetten
Poets de auto op en zet deze in de was, wanneer de lak er dof uitziet en u deze extra
bescherming wilt bieden zoals net voor het
begin van de winterperiode.
172
Normaal gesproken hoeft u de auto pas na een
jaar te poetsen. Was kunt u eerder aanbrengen.
water- en vuilafstotende laag daardoor beschadigd kan raken.
Was de auto schoon en droog deze zorgvuldig
af, voordat u begint te poetsen/de was aanbrengt. Verwijder asfalt- en teervlekken met terpentine. De hardnekkiger vlekken kunt u
verwijderen met een speciaal voor autolak
bestemde fijne schuurpasta (“rubbing compound”). Poets de lak eerst op en behandel
deze daarna met was in vloeibare of vaste vorm.
Volg de aanwijzingen op de verpakking nauwkeurig op. Veel preparaten bevatten zowel
poetsmiddel als was.
Wees voorzichtig bij het schoonmaken om krassen op het glas te voorkomen.
Onderdelen die warmer zijn dan 45° C kunt u
beter niet poetsen of in de was zetten.
BELANGRIJK!
Lakbehandelingen zoals lakconservering,
verzegeling, bescherming, glansverzegeling
e.d. kunnen lakschade veroorzaken.
Lakschade als gevolg van het gebruik van
dergelijke behandelingen valt niet onder de
Volvo-garantie.
Buitenspiegels en voorste
zijruiten met water- en vuilafstotende laag (optie) schoonmaken
Gebruik nooit producten zoals autowas, ontvetters e.d. op de spiegels of de ruiten, omdat de
Om schade aan het glas te voorkomen moet u
voor het verwijderen van ijs alleen een krabber
van kunststof gebruiken.
De waterafstotende laag staat bloot aan natuurlijke slijtage.
N.B. Om de waterafstotende eigenschappen te
behouden, wordt geadviseerd de behandeling
te vernieuwen met een nabehandelingsmiddel
dat verkrijgbaar is bij Volvo-dealers. Gebruik het
middel de eerste keer na drie jaar en daarna om
het jaar.
Verzorging
Lakschade herstellen
Lak
Als de sleenslagplek echter wel tot het
blanke plaatwerk is doorgedrongen,
moet u als volgt te werk gaan:
De lak vormt een belangrijk onderdeel van de
roestwering van de auto en moet daarom regelmatig worden gecontroleerd. Lakschade moet u
meteen herstellen om roestvorming te voorkomen. De meest voorkomende soorten
lakschade die u zelf kunt herstellen zijn:
•
•
steenslagplekken en krassen,
schade aan de spatbordranden en de portieren.
Voor het herstel van lakschade moet u de auto
eerst schoonwassen en zorgvuldig laten drogen. Zorg dat de auto een temperatuur van
meer dan +15 °C heeft.
Kleurcode
Zorg dat u de juiste lakkleur hebt. De kleurcode
(1) staat op het typeplaatje in de motorruimte.
Verwijder eventuele lakresten met een stuk
tape.
Plak zo nodig af.
Steenslagplekken en krassen
Benodigdheden:
•
•
•
•
•
Typeplaatje
Grondlak (primer) in een bus
Lak in een bus of een zogeheten bijtip-pen
Kwastje
Afplaktape
Als de steenslagplek niet tot op het blanke
plaatwerk is doorgedrongen en er nog een
intacte laklaag over is, volstaat het om na
verwijdering van het vuil de ontbrekende lak
aan te brengen.
– Plak een stuk afplaktape over het beschadigd gebied heen. Trek de tape weer van de
lak af om zo veel mogelijk lakresten te verwijderen (afbeelding 1).
– Roer de grondlak (primer) zorgvuldig om en
breng met een fijn kwastje of een lucifer
(afbeelding 2) aan.
– Wanneer de grondlak droog is, brengt u de
lak aan met een kwastje.
– Zorg dat u de lak goed hebt omgeroerd en
breng de lak vervolgens in meerdere, dunne
lagen aan. Laat de lak na elke laag drogen.
– Krassen kunt u op dezelfde manier herstellen, zij het dat u de onbeschadigde lak het
beste met afdektape kunt beschermen (zie
afbeelding 3).
– Wacht enkele dagen en rond de werkzaamheden af door de bijgewerkte lak op te poetsen. Gebruik daarvoor een zachte doek en
wees zuinig met de schuurpasta.
173
Verzorging
Roestwering
Roestwering, controleren en
bijwerken
Uw auto heeft in de fabriek een uiterst grondige
en complete roestwerende behandeling ondergaan. De carrosserie bestaat gedeeltelijk uit
gegalvaniseerd plaatwerk. Het onderstel is
voorzien van een slijtvaste bodembescherming
(“undercoating”). In de langsdragers, de holle
ruimten en de gesloten profielen werd een
dunne, penetrerende roestwerende vloeistof
gespoten.
U kunt de roestwering van de auto onderhouden door onder meer het volgende te doen:
•
Houd de auto schoon! Spoel het onderstel
af. Houd bij gebruik van een hogedrukreiniger de spuitkop ten minste 30 cm van
gelakte onderdelen af!
• Laat de roestwering regelmatig controleren
en bijwerken.
De roestwering van de auto hoeft normaal
gesproken pas na ongeveer 8 jaar te worden
nabehandeld. Laat de auto daarna om de drie
jaar een nabehandeling ondergaan. Laat u hierin
assisteren door een erkende Volvo-werkplaats.
174
Onderhoud en service
Volvo Service
Onderhoud
Motorkap en motorruimte
Dieselolie
Oliën en vloeistoffen
Wisserbladen
Accu
Gloeilampen vervangen
Zekeringen
176
177
179
180
181
185
186
188
195
175
Onderhoud en service
Volvo Service
Onderhoudsprogramma van Volvo
Installatie van accessoires
Voordat de auto de fabriek verliet, werd deze
uitvoerig getest. De auto werd nogmaals gecontroleerd naar de normen van Volvo Car Corporation, net voordat de auto aan u werd geleverd.
Een verkeerde aansluiting en montage van
accessoires kan een nadelige invloed hebben
op de werking van de elektronische systemen
van de auto. Bepaalde accessoires werken
alleen, wanneer de bijbehorende software in de
elektronische systemen van de auto wordt geladen. Neem daarom altijd contact op met een
erkende Volvo-werkplaats, voordat u accessoires monteert die in verbinding staan met of van
invloed zijn op het elektrisch systeem.
Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid en
betrouwbaarheid van uw Volvo op een hoog peil
te houden, moet u de voorschriften van het
Onderhoudsprogramma van Volvo opvolgen
zoals die omschreven staan in het Service- en
garantieboekje van Volvo. Laat service- en reparatiewerkzaamheden door een erkende Volvowerkplaats uitvoeren. Volvo-werkplaatsen
beschikken over het personeel, het speciale
gereedschap en de servicehandboeken waardoor zij u een zo hoog mogelijke servicekwaliteit
kunnen garanderen.
BELANGRIJK!
Voor de geldigheid van de garantie is het
van belang dat u het Service- en garantieboekje van Volvo controleert en de aanwijzingen opvolgt.
Speciale servicewerkzaamheden
Bepaalde servicewerkzaamheden aan het elektrisch systeem van de auto kunnen alleen worden uitgevoerd met speciaal ontwikkelde
elektronische apparatuur. Neem daarom altijd
contact op met een erkende Volvo-werkplaats,
voordat u servicewerkzaamheden aan het elektrisch systeem laat uitvoeren.
176
Vastlegging van
voertuiggegevens
Er kunnen één of meer computers op uw Volvo
zitten die gedetailleerde informatie kunnen
opslaan. Deze informatie is bestemd voor
onderzoek ter verbetering van de veiligheid en
voor het opsporen van storingen in de autosystemen. De informatie kan gegevens bevatten
over zaken als het gebruik van de veiligheidsgordel door de bestuurder en de passagier(s),
gegevens over de werking van verschillende
autosystemen en -modules en informatie over
de status van de motor, gasklep, besturing, remmen en andere systemen. De informatie kan
tevens gegevens bevatten over de rijstijl van de
bestuurder. Dergelijke informatie kan gegevens
bevatten (maar niet uitsluitend) als de rijsnelheid, het gebruik van het rem- of gaspedaal en
de stuuruitslag. De laatstgenoemde informatie
kan voor een begrensde tijd tijdens het rijden,
tijdens een aanrijding of bij een bijna-ongeluk
worden vastgelegd. Volvo Car Corporation zal
de opgeslagen informatie niet zonder uw toestemming vrijgeven. Volvo Car Corporation kan
echter op last van de nationale wetgeving
gedwongen worden om bepaalde informatie te
verstrekken. Voor de rest geldt dat alleen Volvo
Car Corporation en de erkende Volvowerkplaatsen de informatie kunnen uitlezen en
gebruiken.
Onderhoud en service
Onderhoud
Let op het volgende, voordat u
met de werkzaamheden begint:
WAARSCHUWING!
Accu
Zorg dat de accukabels op de juiste manier zijn
aangesloten en stevig vastzitten.
Koppel de accu nooit los, wanneer de motor
draait (bij het vervangen van de accu).
Gebruik nooit een snellader voor het opladen
van de accu. Zorg dat de accukabels zijn losgekoppeld tijdens het opladen.
De accu bevat een zuur dat zowel giftig als corrosief is. Het is daarom van belang dat u de
accu op een milieuvriendelijke manier verwerkt.
Neem hiervoor contact op met uw Volvo-dealer.
Auto omhoogbrengen
Als u de auto met een garagekrik omhoogbrengt, moet u de krik tegen de voorzijde van de
motordraagarm aanbrengen. Zorg dat de spatplaat onder de motor niet beschadigd raakt. Let
erop dat u de krik dusdanig aanbrengt, dat de
auto er niet vanaf kan glijden. Maak altijd gebruik
van steunbokken of vergelijkbare hulpmiddelen.
Als u de auto met een tweekoloms hefbrug
omhoogbrengt, moet u zorgen dat de voorste
en achterste dragerarmen onder de hefpunten
bij de drempelkokers komen te zitten (zie afbeelding).
Het ontstekingssysteem van de auto wekt
zeer hoge spanningen op!
De spanning van het ontstekingssysteem is
levensgevaarlijk!
Raak bougies, bougiekabels of bobines niet
aan, wanneer de motor draait of het contact
is ingeschakeld!
Zet contact af bij:
• het aansluiten van motortestapparatuur;
• het vervangen van onderdelen van het
ontstekingssysteem zoals de bougies, de
bobine, de verdelerkap, de bougiekabels
e.d.
WAARSCHUWING!
Verricht nooit zelf reparaties aan het SRS- of
SIPS-systeem.
Ingrepen in het systeem kunnen aanleiding
geven tot storingen in de werking en ernstige verwondingen veroorzaken. Laat dergelijke ingrepen daarom over aan een
erkende Volvo-werkplaats.
177
Onderhoud en service
Onderhoud
Regelmatig controleren
Controleer regelmatig het volgende, bijvoorbeeld bij het tanken:
•
•
•
•
•
Koelvloeistof – Het peil moet tussen het
MIN- en MAX-streepje op het expansiereservoir staan.
Motorolie – Het peil moet tussen het MINen MAX-streepje staan.
Stuurbekrachtigingsvloeistof – Het peil
moet tussen het MIN- en MAX-streepje
staan.
Ruitensproeiervloeistof – Het reservoir moet
goed gevuld zijn. Vul bij met antivries bij
temperaturen rond het vriespunt.
Rem- en koppelingsvloeistof – Het peil moet
tussen het MIN- en MAX-streepje staan.
WAARSCHUWING!
Let erop dat de koelventilator tot enige tijd
na het afzetten van de motor nog automatisch kan aanslaan.
Laat het schoonmaken van de motor altijd
over aan een werkplaats. Als de motor heet
is, bestaat er gevaar voor brand.
178
Onderhoud en service
Motorkap en motorruimte
Auto met het stuur links resp. rechts
Motorkap openen
Motorruimte
Motorkap openen:
Afhankelijk van het motortype kan de motorruimte er iets anders uitzien. De onderdelen op
de lijst zitten echter altijd op de aangegeven
positie.
– Trek aan de ontgrendelingshandgreep
onder het dashboard. U hoort dat de slotpal
losschiet.
– Steek uw hand in het midden onder de voorkant van de motorkap en duw de slotpal
omhoog.
– Open de motorkap.
WAARSCHUWING!
Controleer bij het sluiten of de motorkap
goed in het slot valt.
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
Expansiereservoir, koelsysteem
Reservoir voor stuurbekrachtigingsvloeistof
Reservoir voor ruitensproeiervloeistof
Peilstok, motorolie
Radiateur
Koelventilator
Vultuit, motorolie
a) Reservoir voor rem- en koppelingsvloeistof (model met het stuur links)
b) Reservoir voor rem- en koppelingsvloeistof (model met het stuur rechts)
9. Relais- en zekeringenkastje
10. Luchtfilter (de uitvoering van het deksel is
afhankelijk van het motortype)
11. Accu (in de bagageruimte)
179
Onderhoud en service
Dieselolie
Brandstofsysteem
De dieselolie moet voldoen aan de norm
NEN-EN 590 of JIS K2204. Dieselmotoren zijn
gevoelig voor verontreinigingen zoals een te
hoog gehalte aan zwaveldeeltjes. Maak alleen
gebruik van dieselolie van gerenommeerde oliemaatschappijen. Giet nooit dieselolie van
dubieuze kwaliteit in de tank.
Bij lage temperaturen (–40 °C tot –6 °C) kan de
paraffine in de dieselolie uitvlokken, wat aanleiding kan geven tot startproblemen. De grote
oliemaatschappijen produceren speciale dieselolie bestemd voor gebruik bij buitentemperaturen rond het vriespunt. Dergelijke dieselolie is
dunner bij lage temperaturen en beperkt de
kans op vlokvorming.
Het risico van condens in de brandstoftank
neemt af, als u de tank altijd goed gevuld houdt.
Houd tijdens het tanken het gebied rond de vulpijp goed schoon. Voorkom morsen op gelakte
oppervlakken. Maak als u gemorst hebt het
gebied met water en zeep schoon.
BELANGRIJK!
Het is alleen toegestaan brandstof te
gebruiken die voldoet aan de Europese
norm voor dieselolie.
180
BELANGRIJK!
Maak geen gebruik van de volgende dieselolieachtige brandstoffen: speciale toevoegingen (dopes), scheepsolie, stookolie,
RME1 (biodiesel) of plantaardige olie.
Dergelijke brandstoffen voldoen niet aan de
kwaliteitseisen die Volvo stelt en geven
aanleiding tot verhoogde vormen van
slijtage en motorschade die niet worden
gedekt door de garanties van Volvo.
1.
Dieselolie kan een bepaalde
hoeveelheid RME bevatten. Het is
niet toegestaan meer toe te voegen.
BELANGRIJK!
Bij modeljaar 2006 en hoger mag het
zwavelgehalte maximaal 50 ppm zijn.
Wanneer u de tank leegrijdt
U hoeft geen speciale maatregelen te nemen,
wanneer u de brandstoftank hebt leeggereden.
Het brandstofsysteem wordt automatisch ontlucht, als de contactsleutel ca. 60 seconden
lang in stand II staat voordat u een nieuwe startpoging doet.
Condenswater uit brandstoffilter
aftappen
Om motorstoringen tegen te gaan ontdoet het
brandstoffilter de brandstof van condenswater.
Houd u voor het aftappen van het condenswater
aan de specificaties die in uw Service- en garantieboekje staan aangegeven. Ook wanneer u
vermoedt dat er vervuilde brandstof is gebruikt,
moet u het brandstoffilter aftappen.
BELANGRIJK!
Sommige speciale toevoegingen verwijderen het verzamelde vocht uit het brandstoffilter.
Onderhoud en service
Oliën en vloeistoffen
hogere kwaliteit dan de sticker in de motorruimte vermeldt (zie pagina 245).
Olie verversen en oliefilter
vervangen
Ongunstige rijomstandigheden
N.B. Houd voor het verversen van de olie en het
vervangen van het oliefilter de intervallen aan die
staan aangegeven in het Service- en garantieboekje.
Controleer het oliepeil vaker bij lange ritten:
•
Sticker voor oliekwaliteit in motorruimte
BELANGRIJK!
Gebruik altijd olie van de aanbevolen
kwaliteit (zie sticker in motorruime).
Controleer het oliepeil vaak en ververs de
olie regelmatig.
Wanneer u olie gebruikt van minder goede
kwaliteit dan wordt voorgeschreven of
wanneer u met een te laag oliepeil rondrijdt,
raakt de motor beschadigt.
Volvo adviseert olieproducten van Castrol.
Het is toegestaan een oliesoort te gebruiken
met een hogere kwaliteit dan aangegeven. Voor
ritten onder ongunstige omstandigheden adviseert Volvo u een oliesoort te gebruiken met een
met een caravan of aanhanger achter de
auto
• in bergachtig gebied
• op hoge snelheden
• bij temperaturen lager dan –30 °C of hoger
dan +40 °C.
• Doe dat ook bij korte ritten (over afstanden
kleiner dan 10 km) bij lage temperaturen
(onder 5 °C).
In dergelijke omstandigheden kunnen de olietemperatuur en het olieverbruik abnormaal toenemen.
BELANGRIJK!
Om aan vereisten voor de gespecificeerde
service-intervallen te voldoen worden alle
motoren in de fabriek gevuld met een
speciaal aangepaste, synthetische
motorolie. De oliesoort werd met grote zorg
geselecteerd lettend op de levensduur van
de motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact. Om de
aanbevolen service-intervallen aan te
kunnen houden dient u een goedgekeurde
motoroliesoort te gebruiken. Gebruik alleen
een oliesoort van de voorgeschreven
kwaliteit (zie sticker in motorruimte) en dat
zowel bij het bijvullen als verversen van olie.
Een negatieve invloed op de levensduur van
de motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact is anders
niet uitgesloten. Volvo Car Corporation wijst
alle garantieclaims af bij gebruik van een
motorolie die niet voldoet aan de voorgeschreven kwaliteits- en viscositeitseisen.
181
Onderhoud en service
Oliën en vloeistoffen
Volvo hanteert uiteenlopende systemen om te
waarschuwen voor een laag oliepeil of een lage
oliedruk. Bij de modellen die zijn voorzien van
een oliedruksensor wordt gebruik gemaakt van
een waarschuwingslampje voor de oliedruk. Bij
modellen met een olieniveausensor wordt
gewaarschuwd met een waarschuwingslampje
midden op het instrumentenpaneel en met displayteksten. Op bepaalde modellen zijn beide
systemen aanwezig. Neem voor meer informatie
contact op met een erkende Volvo-dealer.
Bij een nieuwe auto is het belangrijk om het oliepeil te controleren, voordat de olie voor de eerste keer volgens schema moet worden ververst.
Het Service- en garantieboekje geeft aan bij
welke kilometerstand u dat moet doen.
Volvo adviseert u het oliepeil om de 2500 km te
controleren. De beste meting wordt verkregen
bij een koude motor vóór de start. Meteen na het
afzetten van de motor krijgt u een verkeerd
resultaat. De peilstok geeft dan een te laag peil
aan, omdat de olie geen tijd heeft gehad om
terug te lopen naar het oliecarter.
182
Oliepeil controleren bij een warme
motor:
De olie moet binnen het gemarkeerde
gebied op de peilstok staan.
Oliepeil controleren bij een koude
motor:
– Veeg de peilstok schoon, voordat u gaat
meten.
– Controleer het oliepeil met de peilstok. De
olie moet tussen het MIN- en MAX-streepje
staan.
– Als de olie dichter bij het MIN-streepje ligt,
kunt u eerst 0,5 liter olie bijvullen. Vul bij totdat de olie dichter bij het MAX-streepje dan
bij het MIN-streepje op de peilstok ligt. Zie
pagina 245 voor de aan te houden hoeveelheid.
– Parkeer de auto op een vlakke ondergrond,
zet de motor af en wacht ten minste 10 tot
15 minuten zodat de olie terug in het carter
kan lopen.
– Veeg de peilstok schoon, voordat u gaat
meten.
– Controleer het oliepeil met de peilstok. De
olie moet tussen het MIN- en MAX-streepje
staan.
– Als de olie dichter bij het MIN-streepje ligt,
kunt u eerst 0,5 liter olie bijvullen. Vul bij totdat de olie dichter bij het MAX-streepje dan
bij het MIN-streepje op de peilstok ligt. Zie
pagina 245 voor de aan te houden hoeveelheid.
BELANGRIJK!
Vul niet meer olie bij dan tot aan het MAXstreepje. Het olieverbruik kan toenemen, als
u teveel olie in de motor giet.
WAARSCHUWING!
Mors geen olie op het hete uitlaatspruitstuk,
omdat er gevaar voor brand bestaat.
Onderhoud en service
Oliën en vloeistoffen
BELANGRIJK!
Het is uitermate belangrijk dat u een
koelvloeistof met roestwerende eigenschappen gebruikt volgens de aanbevelingen van Volvo. Een nieuwe auto is
voorzien van koelvloeistof die bestand is
tegen temperaturen tot ca. –35 °C.
BELANGRIJK!
Koelvloeistofreservoir
Koelvloeistofreservoir
Reservoir voor ruitensproeiervloeistof
Reservoir voor
ruitensproeiervloeistof
De ruitensproeiers en koplampsproeiers maken
gebruik van hetzelfde vloeistofreservoir. Zie de
aan te houden hoeveelheden en de aanbevolen
kwaliteit voor vloeistoffen en oliën op
pagina 247.
Giet tijdens de wintermaanden antivries in het
reservoir om te voorkomen dat de vloeistof in de
pomp, het reservoir en de slangen bevriest.
Controleer de koelvloeistof regelmatig. De koelvloeistof moet tussen het MIN- en MAX-streepje
op het expansiereservoir staan. Vul koelvloeistof
bij, wanneer het peil tot onder het MIN-streepje
is gezakt.
Zie de aan te houden hoeveelheden en de aanbevolen kwaliteit voor vloeistoffen en oliën op
pagina 247.
Volg de aanwijzingen op de verpakking op. Het
is belangrijk dat u verhouding tussen koelvloeistof en water afstemt op de heersende weersomstandigheden. Vul het reservoir nooit alleen
met schoon water. Het gevaar voor bevriezing
neemt toe, zowel wanneer het percentage koelvloeistof te laag is als wanneer het te hoog is.
De motor mag alleen draaien met een goed
gevuld koelsysteem. De temperaturen
kunnen plaatselijk hoog oplopen, wat
schade (scheurvorming) aan de cilinderkop
kan veroorzaken.
WAARSCHUWING!
De koelvloeistof kan bijzonder heet zijn. Als u
moet bijvullen terwijl de motor op bedrijfstemperatuur is, moet u langzaam de dop
van het expansiereservoir losdraaien om de
overdruk te laten ontsnappen.
183
Onderhoud en service
Oliën en vloeistoffen
WAARSCHUWING!
Als de remvloeistof onder het MIN-streepje
van het remvloeistofreservoir ligt, mag u pas
verder rijden wanneer u remvloeistof hebt
bijgevuld.
Spoor de oorzaak van het remvloeistofverlies
op.
Reservoir voor rem- en koppelingsvloeistof
Reservoir voor stuurbekrachtigingsvloeistof
Reservoir voor rem- en koppelingsvloeistof
Reservoir voor stuurbekrachtigingsvloeistof
De rem- en koppelingsvloeistof zitten in het-
Controleer het peil bij iedere servicebeurt. U
hoeft de vloeistof niet te verversen. De vloeistof
moet tussen het ADD- en FULL-streepje staan.
zelfde reservoir1. De vloeistof moet tussen het
MIN- en MAX-streepje staan. Controleer het peil
regelmatig. Ververs de remvloeistof om de twee
jaar of iedere tweede geplande servicebeurt.
Zie de aan te houden hoeveelheden en de aanbevolen kwaliteit voor vloeistoffen en oliën op
pagina 247.
N.B. Wanneer u vaak met uw auto in de bergen
of in landen met een tropisch klimaat en een
hoge relatieve luchtvochtigheidsgraad rijdt,
moet u de remvloeistof ieder jaar verversen.
1.
184
Positie verschilt op auto met het stuur
links of rechts
Zie de aan te houden hoeveelheden en de aanbevolen kwaliteit voor vloeistoffen en oliën op
pagina 247.
N.B. Als er een storing in de stuurbekrachtiging
optreedt of als de stroom is weggevallen en u
de auto wilt wegslepen, blijft de auto bestuurbaar. Let er echter op dat de auto in dat geval
veel zwaarder stuurt dan normaal, zodat u meer
moeite moet doen om het stuurwiel te verdraaien.
Onderhoud en service
Wisserbladen
Wisserbladen voorruit vervangen
Wisserblad achterruit vervangen
– Klap de wisserarm naar buiten en houd het
wisserblad vast.
– Duw de geribde borgveren van het wisserblad in, terwijl u het blad bij de verlenging
van de arm lostrekt.
– Breng het nieuwe wisserblad in omgekeerde volgorde aan en controleer of het
goed vastzit.
N.B. Let erop dat het wisserblad aan de
bestuurderszijde langer is dan dat aan de passagierszijde.
– Klap de wisserarm naar achteren toe uit.
– Trek het wisserblad opzij, naar de achterklep
toe los. Druk het nieuwe wisserblad vast.
– Controleer of het blad goed vastzit.
185
Onderhoud en service
Accu
Onderhoud van de accu
De rijomstandigheden, de rijstijl, het aantal startpogingen, de weersomstandigheden e.d. zijn
van invloed op de levensduur en de werking van
de accu.
N.B. Zamel oude accu’s op een milieuvriendelijke manier in, omdat ze lood bevatten.
WAARSCHUWING!
Accu’s kunnen een zeer explosief knalgas
produceren. Een enkele vonk, veroorzaakt
door een onjuiste aansluiting van de startkabels, is voldoende om de accu tot ontploffing te brengen.
Accu’s bevatten tevens zwavelzuur, wat ernstige chemische brandwonden kan veroorzaken. Als u accuzuur in uw ogen krijgt of op
uw huid of kleren morst, moet u onmiddellijk
met grote hoeveelheden water spoelen.
Neem onmiddellijk contact op met een arts,
als u accuzuur in uw ogen krijgt.
N.B. Hoe vaker de accu ontladen raakt, des te
minder lang gaat de accu mee.
186
Onderhoud en service
Accu
– Koppel de minkabel los.
– Haal de onderste console los waarmee de
accu vastzit.
– Koppel de pluskabel los nadat u een eventueel kunststof deksel weggeklapt hebt.
– Koppel de ontluchtingsslang los.
– Til de accu uit de auto.
Symbolen op de accu
Draag een veiligheidsbril.
1
Zie voor meer informatie het
instructieboekje dat bij de auto
hoort.
Accu aanbrengen
2
Bewaar accu’s buiten het bereik
van kinderen.
De accu bevat een bijtend zuur.
1. Accu zonder afdekking
2. Accu met afdekking
Accu vervangen
Accu verwijderen
Vermijd vonken en open vuur.
Explosiegevaar.
– Zet de auto van contact en neem de sleutel
uit.
– Wacht ten minste 5 minuten, voordat u een
van de elektrische aansluitingen aanraakt
(zo kan de informatie in het elektrisch systeem van de auto worden opgeslagen in de
verschillende regeleenheden).
– Draai de bouten uit de borgklem die over de
accu heen zit en verwijder de klem.
– Klap het kunststof deksel over de minpool
van de accu open of schroef de afdekking
van de accu los.
– Til de accu op zijn plaats.
– Breng de onderste console aan en schroef
deze vast.
– Sluit de pluskabel aan, druk een eventueel
kunststof deksel vast en klap het omlaag.
– Sluit de minkabel aan en klap een eventueel
kunststof deksel omlaag.
– Breng het kunststof deksel of de dekplaat
over de accu heen aan.
– Zorg dat de ontluchtingsslang op de juiste
manier is aangesloten tussen de accu en de
afvoeropening in de carrosserie.
– Breng de borgklem over de accu heen aan
en draai de bouten vast.
187
Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
N.B. Bij problemen tijdens het vervangen van
gloeilampen wordt u geadviseerd contact op te
nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
Algemene informatie
Op pagina 251 staan alle gloeilampen van de
auto vermeld.
Gloeilampen en puntverlichting van een bijzonder type of lampen die alleen in een werkplaats
te vervangen zijn:
•
•
•
•
•
•
•
•
Active Bi-Xenon- en Bi-Xenonlamp
Interieurverlichting aan het plafond
Leeslampjes
Verlichting dashboardkastje
Richtingaanwijzer, buitenspiegels
Approach-verlichting, buitenspiegels
Derde remlicht
Leds in achterlamphuis
BELANGRIJK!
Raak het glas van gloeilampen nooit met
blote vingers aan. De vetten en oliën op uw
vingers kunnen door de hitte verdampen. Dit
zorgt voor aanslag op de reflector, waardoor
deze al snel kapotgaan.
Gloeilampen in koplamphuis
vervangen
Alle gloeilampen in de koplamphuizen (behalve
die voor het dimlicht) zijn te vervangen door het
lamphuis via de motorruimte los te maken en het
in zijn geheel te verwijderen.
WAARSCHUWING!
Als de auto is voorzien van Bi-Xenonkoplampen of Active Bi-Xenonkoplampen, moet u
de xenonlampen door een erkende Volvowerkplaats laten vervangen. Omdat de
xenonlampen voorzien zijn van een ontstekingsgedeelte dat een hoge spanning
opwekt, dient u er voorzichtig mee om te
gaan.
188
Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
Positie van lampen in
koplamp1
1.
2.
3.
Gloeilamp zijmarkeringslicht
Gloeilamp richtingaanwijzer
Gloeilamp dimlicht, stadslicht/parkeerlicht
vóór (halogeen en Bi-Xenon)
4. Gloeilamp groot licht, stadslicht/parkeerlicht vóór (Active Bi-Xenon)
Op bepaalde varianten kan een witte kunststof
huls u bij het vervangen van de gloeilampen in
de weg zitten. U kunt deze huls afbreken en
weggooien.
1.
Gloeilamp dimlicht
Gloeilamp dimlicht aanbrengen
Dimlicht
Aanbrengen
Gloeilamp verwijderen
– Schakel alle lichten uit en draai de contactsleutel naar stand 0.
– Verwijder de afdekking.
– Ontkoppel de connector.
– Haal de veerklem los. Duw de klem eerst
naar rechts, zodat deze loslaat en haal de
klem vervolgens naar buiten toe omlaag.
– Trek de gloeilamp naar buiten toe los.
– Breng de nieuwe gloeilamp aan. De lamp
kan slechts op een manier worden aangebracht.
– Druk de veerklem omhoog en iets naar links,
zodat deze in de pal vast komt te zitten.
– Sluit de connector aan.
– Plaats de afdekking terug.
Betreft halogeenkoplampen
189
Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
Gloeilamp groot licht
Gloeilamp stadslicht/parkeerlicht vóór
Gloeilamp stadslicht/parkeerlicht vóór
Groot licht
Stadslichten/parkeerlichten vóór
en achterlichten
Stadslichten/parkeerlichten vóór
en achterlichten
– Schakel alle lichten uit en draai de contactsleutel naar stand 0.
– Verwijder de afdekking.
– Draai de lamp linksom en trek deze naar buiten toe los.
– Koppel de connector los door de vergrendeling naar buiten te duwen en aan de connector te trekken.
(Halogeen- en Bi-Xenonkoplampen)
(Active Bi-Xenonkoplampen)
Gloeilamp verwijderen
Gloeilamp verwijderen
Aanbrengen
– Schakel alle lichten uit en draai de contactsleutel naar stand 0.
– Verwijder de afdekking waarachter ook de
gloeilamp voor het dimlicht zit.
– Trek de lamp naar buiten.
– Ontkoppel de connector.
– Schakel alle lichten uit en draai de contactsleutel naar stand 0.
– Verwijder de afdekking waarachter ook de
gloeilamp voor het groot licht zit.
– Trek de lamp naar buiten.
– Ontkoppel de connector.
Aanbrengen
Aanbrengen
– Breng de nieuwe gloeilamp aan.
– Sluit de connector aan.
– Plaats de afdekking terug.
– Breng de nieuwe gloeilamp aan.
– Sluit de connector aan.
– Plaats de afdekking terug.
Gloeilamp verwijderen
– Sluit de connector op de gloeilamp aan. U
hoort een klikgeluid.
– Plaats de gloeilamp terug en draai deze in
positie.
– Plaats de afdekking terug.
190
Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
– Draai het boutje (2) van de vulbuis weer
vast en sluit de koelbuis weer op de
koudebox (1) aan.
Gloeilamp richtingaanwijzer, linksvoor
Gloeilamp richtingaanwijzer, rechtsvoor
Richtingaanwijzer, linksvoor
Richtingaanwijzer, rechtsvoor
Gloeilamp verwijderen
– Schakel alle lichten uit en draai de contactsleutel naar stand 0.
– Neem de koelbuis (1) van de koudebox los.
– Draai het boutje (2) van de vulbuis los.
– Trek de buis (3) recht omhoog.
– Neem de ontluchtingsslang (4) van de buis
los.
– Vervang de gloeilamp.
– Controleer of de pakking van het ruitensproeiervloeistofreservoir tussen de vulbuis
en het reservoir goed zit.
– Duw de vulbuis (3) in positie terug.
– Duw de ontluchtingsslang (4) van de vulbuis
in positie terug.
– Schakel alle lichten uit en draai de contactsleutel naar stand 0.
– Draai de lamphouder linksom en verwijder
deze.
– Haal de gloeilamp uit de lamphouder door
de lamp in te drukken en deze tegelijkertijd
linksom te draaien.
Aanbrengen
– Breng de nieuwe gloeilamp aan door deze
naar binnen te duwen en rechtsom te
draaien.
– Plaats de lamphouder in het lamphuis terug
en draai deze rechtsom.
191
Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
Gloeilamp zijmarkeringslicht
Mistlichten
Zijmarkeringslicht
Mistlampen vóór (optie)
– Draai de lamphouder rechtsom en trek deze
naar buiten toe los.
– Vervang de gloeilamp.
– Plaats de lamphouder terug door deze
linksom te draaien.
Gloeilamp verwijderen
– Schakel alle lichten uit en draai de contactsleutel naar stand 0.
– Draai de lamphouder iets naar links.
– Trek de gloeilamp naar buiten toe los.
Aanbrengen
– Breng de nieuwe gloeilamp aan. De lamp
kan slechts op een manier worden aangebracht.
– Plaats de lamphouder terug en draai deze
iets rechtsom. Het opschrift “TOP” moet
omhoogwijzen.
192
Gloeilamp achteruitrijlichten,
achterlichten/parkeerlichten
achter en mistachterlicht
vervangen
Op pagina 251 staan alle gloeilampen van de
auto vermeld.
1.
2.
3.
Richtingaanwijzer
Remlicht
Stadslichten/parkeerlichten vóór en achterlichten
4. Achterlicht/parkeerlicht achter, mistachterlicht (alleen linkerzijde)
5. Achteruitrijlicht
– Schakel alle lichten uit en draai de contactsleutel naar stand 0.
Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
– Klap het luikje naar beneden toe open.
– Draai de lamphouder linksom en verwijder
deze.
– Duw de lamp in en tegelijkertijd linksom om
deze uit de houder te verwijderen.
– Vervang de gloeilamp.
– Plaats de lamphouder in het lamphuis terug
en draai de houder rechtsom vast.
– Klap het luikje weer omhoog.
1
2
3
– Draai daarna de lamphouder linksom los en
verwijder deze.
– Vervang de gloeilamp.
– Plaats de lamphouder in het lamphuis terug
en draai de houder rechtsom vast.
– Plaats de luidspreker terug en duw de rode
nok in.
– Duw het luidsprekerrooster weer vast.
N.B. Als de displaytekst STORING GLOEILAMP CONTROLEER REMLICHT na vervanging van de defecte lamp niet verdwijnt, dient u
contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats om de storing te laten verhelpen.
Gloeilamp remlichten en richtingaanwijzers achter vervangen
Op pagina 251 staan alle gloeilampen van de
auto vermeld.
1. Luidsprekerrooster
2. Lamphouder
3. Luikje
– Schakel alle lichten uit en draai de contactsleutel naar stand 0.
– Wrik het luidsprekerrooster voorzichtig los
met een schroevendraaier.
– Trek de rode nok op de luidspreker uit.
– Duw vervolgens de zwarte nok boven de
rode in om de luidspreker los te draaien.
193
Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
Kentekenplaatverlichting
Instapverlichting
– Schakel alle lichten uit en draai de contactsleutel naar stand 0.
De instapverlichting vindt u onder het dashboard aan de bestuurders- en passagierszijde.
– Draai het boutje los met een schroevendraaier.
– Verwijder het volledige lamphuis voorzichtig
en trek het naar buiten.
– Draai de connector linksom en trek de gloeilamp naar buiten.
– Vervang de gloeilamp.
– Plaats de connector terug en draai deze
rechtsom.
– Plaats het complete lamphuis terug en draai
het boutje vast.
– Steek een schroevendraaier achter het lamphuis en verdraai deze iets, zodat het lamphuis loskomt.
– Verwijder de gloeilamp.
– Breng een nieuwe gloeilamp aan.
– Plaats het lamphuis terug.
194
Gloeilamp make-upspiegel, verschillende
versies
Verlichting make-upspiegel
– Steek een schroevendraaier achter het lamphuis en verdraai deze iets, zodat het lampglas loskomt.
– Verwijder de gloeilamp.
– Breng een nieuwe gloeilamp aan.
– Druk eerst de onderkant van het lampglas
boven de vier haken terug en druk vervolgens de bovenkant van het lampglas vast.
Onderhoud en service
Zekeringen
Hoewel de kabelloop per motortype ietwat kan verschillen, zitten de onderdelen op de lijst echter altijd op de aangegeven positie
Om te voorkomen dat het elektrisch systeem
van de auto beschadigd raakt door kortsluiting
of overbelasting, zijn alle verschillende elektrische functies en onderdelen door een aantal
zekeringen beschermd.
De zekeringen zitten op vier verschillende plaatsen in de auto:
1.
2.
3.
4.
Relais- en zekeringenkastje in de motorruimte
Zekeringenkastje in de passagiersruimte
(aan de bestuurderszijde achter de
geluidsisolatie)
Zekeringenkastje in de passagiersruimte
(aan de bestuurderszijde in zijkant dashboard)
Zekeringenkastje in de bagageruimte
Vervangen
Als een van de elektrische onderdelen of functies niet werkt, is het mogelijk dat de bijbehorende zekering overbelast werd en daardoor
gesmolten is.
Als telkens dezelfde zekering doorbrandt, is er
sprake van een storing in de bijbehorende component en moet u een bezoek brengen aan een
erkende Volvo-werkplaats om de auto te laten
controleren.
– Zoek in de zekeringentabel op waar de
zekering zit.
– Trek de zekering naar buiten en bekijk deze
van opzij om te kijken of het gebogen
draadje soms doorgebrand is.
– Breng in dat geval een nieuwe zekering aan
met dezelfde kleur en hetzelfde amperage.
Aan de binnenkant van het deksel in het dashboard zitten enkele reservezekeringen. U vindt
er tevens een trekker waarmee u de zekeringen
gemakkelijker kunt verwijderen en aanbrengen.
195
Onderhoud en service
Zekeringen
Duw de kunststof borgnokken aan de zijkanten van het kastje in en trek het deksel omhoog
Relais- en zekeringenkastje in motorruimte
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
9.
10.
ABS ...................................................................................................... 30 A
ABS ....................................................................................................... 30 A
Hogedruksproeiers koplampen ...................................................... 35 A
Standverwarming (optie) ................................................................. 25 A
Verstralers (optie) ............................................................................... 20 A
Relais startmotor................................................................................ 35 A
Ruitenwissers ...................................................................................... 25 A
Brandstofpomp ................................................................................... 15 A
Regeleenheid transmissie (TCM), diesel ...................................... 15 A
Bobines (benzine), regeleenheid motor (ECM),
injectoren (diesel) ............................................................................... 20 A
11. Gaspedaalsensor (APM), A/C-compressor,
ventilator elektronicakastje ............................................................... 10 A
12. Regeleenheid motor (ECM) (benzine),
injectoren (benzine), luchtmassameter (benzine) ....................... 15 A
luchtmassameter (diesel) .....................................................................5 A
196
13. Regeleenheid gasklep (benzine)..................................................... 10 A
Regeleenheid gasklep, luchtmengklep, brandstofdrukregelaar,
magneetklep (diesel)) ........................................................................ 15 A
14. Lambdasonde (benzine)................................................................... 20 A
Lambdasonde (diesel) ...................................................................... 10 A
15. Verwarming carterventilatie, magneetkleppen (benzine) ........... 10 A
magneetkleppen, gloeibougies (diesel)........................................ 15 A
16. Dimlicht links ........................................................................................ 20 A
17. Dimlicht rechts..................................................................................... 20 A
18. ........................................................................................................................19. Regeleenheid motor (ECM) voeding, motorrelais........................ 5 A
20. Stadslichten/parkeerlichten vóór ...................................................15 A21. -.......................................................................................................................-
Onderhoud en service
Zekeringen
Een sticker in het deksel van het relais- en zekeringkastje dat aan de zijkant van het dashboard zit, geeft de positie en het amperage van de
verschillende zekeringen aan
Zekeringen in passagiersruimte (aan de bestuurderszijde in zijkant dashboard)
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
Elektrisch bedienbare bestuurdersstoel........................................ 25 A
Elektrisch bedienbare passagiersstoel.......................................... 25 A
Ventilator klimaatregeling .................................................................. 30 A
Regeleenheid rechter voorportier ................................................... 25 A
Regeleenheid linker voorportier....................................................... 25 A
Interieurverlichting plafond (RCM)
bovenste elektronische regeleenheid (UEM) ............................... 10 A
Schuifdak.............................................................................................. 15 A
Contactslot, SRS-systeem, regeleenheid motor (ECM),
uitschakeling SRS passagierszijde (PACOS), elektronische
9.
10.
11.
12.
13.
14.
startblokkering (IMMO), regeleenheid transmissie (TCM),
diesel .................................................................................................... 7,5 A
OBDII, verlichtingsdraaiknop (LSM), stuurhoeksensor (SAS),
stuurregeleenheid (SWM) ...................................................................5 A
Audiosysteem ...................................................................................... 20 A
Versterker audiosysteem ................................................................... 30 A
RTI-display............................................................................................ 10 A
Telefoon....................................................................................................5 A
– 38. ..............................................................................................................-
197
Onderhoud en service
Zekeringen
Zekeringen in passagiersruimte (aan de bestuurderszijde achter geluidsisolatie)
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
9.
10.
Stoelverwarming, rechterzijde.......................................................... 15 A
Stoelverwarming, linkerzijde............................................................. 15 A
Claxon.................................................................................................... 15 A
-.......................................................................................................................-.......................................................................................................................Reservepositie.............................................................................................Reservepositie.............................................................................................Sirene alarmsysteem.............................................................................5 A
Voeding remlichtschakelaar.................................................................5 A
Instrumentenpaneel (DIM), klimaatregeling (CCM),
standverwarming, elektrisch bedienbare bestuurdersstoel ...... 10 A
11. Elektrische aansluiting voor- en achterin ....................................... 15 A
12. -.......................................................................................................................13. Reservepositie.............................................................................................198
14. -.......................................................................................................................15. ABS, STC/DSTC...................................................................................5 A
16. Elektronische stuurbekrachtiging (ECPS),
Active Bi-Xenon (HCM), koplamphoogteregeling ....................... 10 A
17. Mistlamp linksvoor ............................................................................. 7,5 A
18. Mistlamp rechtsvoor.......................................................................... 7,5 A
19. Reservepositie.............................................................................................20. Reservepositie.............................................................................................21. Regeleenheid transmissie (TCM), blokkering
achteruitversnelling (M66) ................................................................ 10 A
22. Groot licht, links .................................................................................. 10 A
23. Groot licht rechts ................................................................................ 10 A
24. -.......................................................................................................................25. -.......................................................................................................................26. Reservepositie.............................................................................................27. Reservepositie.............................................................................................-
Onderhoud en service
Zekeringen
28.
29.
30.
31.
32.
33.
34.
35.
36.
Elektrisch bedienbare passagiersstoel, audiosysteem .................5 A
Bi-Fuel, brandstofpomp.................................................................... 7,5 A
BLIS..........................................................................................................5 A
Reservepositie.............................................................................................Reservepositie.............................................................................................Vacuümpomp....................................................................................... 20 A
-.......................................................................................................................-.......................................................................................................................-.......................................................................................................................-
199
Onderhoud en service
Zekeringen
Zekeringen in bagageruimte
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
9.
10.
11.
12.
13.
14.
15.
16.
17.
18.
19.
20.
21.
22.
23.
24.
25.
26.
27.
200
Achteruitrijlicht..................................................................................... 10 A
Achterlichten/parkeerlichten achter, mistachterlicht,
bagageruimteverlichting, kentekenplaatverlichting,
leds in remlichten................................................................................ 20 A
Accessoires (AEM) ............................................................................ 15 A
Reservepositie.............................................................................................Elektronica (REM) .............................................................................. 10 A
Cd-wisselaar, tv, RTI.......................................................................... 7,5 A
Trekhaak (30-voeding) ....................................................................... 15 A
Elektrische aansluiting bagageruimte ............................................ 15 A
Achterportier, rechts: ruitbediening, blokkering ruitbediening.. 20 A
Achterportier, links: ruitbediening, blokkering ruitbediening..... 20 A
Reservepositie.............................................................................................Reservepositie.............................................................................................Verwarming dieselfilter ...................................................................... 15 A
Subwoofer............................................................................................ 15 A
Reservepositie.............................................................................................Reservepositie.............................................................................................Accessoires audiosysteem..................................................................5 A
Reservepositie.............................................................................................Ruitenwisser, achterklep ................................................................... 15 A
Trekhaak (15-voeding) ....................................................................... 20 A
Reservepositie............................................................................................–
-......................................................................................................................–
AWD ..................................................................................................... 7,5 A
FOUR-C SUM..................................................................................... 15 A
-......................................................................................................................–
Park Assist ..............................................................................................5 A
Hoofdzekering: trekhaak, FOUR-C, Park Assist.......................... 30 A
Onderhoud en service
Zekeringen
28. Centrale vergrendeling (PCL).......................................................... 15 A
29. Aanhangerverlichting, links: achterlicht, richtingaanwijzer......... 25 A
30. Aanhangerverlichting, rechts: remlicht, mistlicht,
richtingaanwijzer ................................................................................. 25 A
31. Hoofdzekering: zekering 37, 38 ...................................................... 40 A
32. -......................................................................................................................–
33. -......................................................................................................................–
34. -......................................................................................................................–
35. -......................................................................................................................–
36. -......................................................................................................................–
37. Elektrische achterruitverwarming .................................................... 20 A
38. Elektrische achterruitverwarming .................................................... 20 A
201
Onderhoud en service
202
Audiosysteem (optie)
Audiosysteem HU-450
Audiosysteem HU-650
Audiosysteem HU-850
Audiofuncties HU-450/650/850
Audiofuncties HU-450
Audiofuncties HU-650/850
Radiofuncties HU-450/650/850
Radiofuncties HU-450
Radiofuncties HU-650/850
Radiofuncties HU-450/650/850
Cassettedeck HU-450
Cd-speler HU-650
Interne cd-wisselaar HU-850
Externe cd-wisselaar HU-450/650/850
Dolby Surround Pro Logic II HU-850
Technische gegevens
204
205
206
207
209
210
211
212
213
214
219
220
221
222
223
224
203
Audiosysteem (optie)
Audiosysteem HU-450
1.
2.
3.
4.
5.
6.
204
POWER (aan/uit) – Indrukken VOLUME –
Omdraaien
PRESET/CD PUSH MENU –
Opgeslagen radiozenders
Cd-wisselaar (optie)
SOURCE PUSH MENU –
Hoofdmenu openen – Indrukken
Omdraaien voor selectie van:
Radio – FM, AM
Cassettedeck
Cd-wisselaar (optie)
FADER – Indrukken en omdraaien
BAL – Indrukken, uittrekken en omdraaien
SCAN – Automatisch zenders zoeken
EXIT – Terugbladeren in menu’s
7.
8.
9.
10.
11.
12.
13.
14.
Navigatietoetsen –
Cd/radio – Andere zender/track zoeken
Cassettedeck – Vooruit-/achteruitspoelen/
volgende/vorige track kiezen
Display
FM – Kiezen uit FM1, FM2 en FM3
AM – Kiezen uit AM1 en AM2
TAPE – Sneltoets
AUTO – Automatische zenderinstelling
BASS – Indrukken en omdraaien
TREBLE – Indrukken, uittrekken en
omdraaien
Cassette – Keuzetoets bandlooprichting –
Cd-wisselaar (optie) – Willekeurige
afspeelvolgorde
15. Cassetteopening
16. Cassette uitwerpen
Audiosysteem (optie)
Audiosysteem HU-650
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
9.
POWER (aan/uit) – Indrukken
VOLUME E – Omdraaien
Voorkeurtoetsen radiozenders/positie kiezen in cd-wisselaar (1–6)
BASS – Indrukken en omdraaien
TREBLE – Indrukken en omdraaien
BAL – Indrukken en omdraaien
FADER – Indrukken en omdraaien
SOURCE PUSH MENU –
Hoofdmenu openen – Indrukken
Omdraaien voor selectie van:
Radio – FM, AM
Cd
Cd-wisselaar (optie)
SCAN – Automatisch zenders zoeken
EXIT – Terugbladeren in menu’s
10. Navigatietoetsen –
Andere zender/track zoeken
11. Cd uitwerpen
12. Cd-opening
13. Willekeurige afspeelvolgorde cd
14. FM – Kiezen uit FM1, FM2 en FM3
15. AM – Kiezen uit AM1 en AM2
16. CD – Sneltoets
17. AUTO – Automatische zenderinstelling
18. Display
205
Audiosysteem (optie)
Audiosysteem HU-850
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
9.
206
POWER (aan/uit) – Indrukken
VOLUME – Omdraaien
Voorkeurtoetsen radiozenders/positie kiezen in cd-wisselaar (1–6)
BASS – Indrukken en omdraaien
TREBLE – Indrukken en omdraaien
BAL – Indrukken en omdraaien
FADER – Indrukken en omdraaien
SOURCE PUSH MENU –
Hoofdmenu openen – Indrukken
Omdraaien voor selectie van:
Radio – FM, AM
Cd
Cd-wisselaar (optie)
SCAN – Automatisch zenders zoeken
EXIT – Terugbladeren in menu’s
10. Navigatietoetsen –
Andere zender/track zoeken
11. Cd uitwerpen
12. Dolby Surround Pro Logic II
13. 2-kanaals stereo
14. 3-kanaal stereo
15. Cd-opening
16. Willekeurige afspeelvolgorde cd
17. FM – Kiezen uit FM1, FM2 en FM3
18. AM – Kiezen uit AM1 en AM2
19. CD – Sneltoets
20. AUTO – Automatische zenderinstelling
21. Display
Audiosysteem (optie)
Audiofuncties HU-450/650/850
Knop aan/uit
Druk op de draaiknop om de
radio aan of uit te zetten.
Volumeregeling
Draai de knop naar rechts om
het volume te verhogen. De
volumeregeling verloopt elektronisch en heeft geen eindstand. Als uw stuurwiel is uitgerust met een toetsenset, kunt u het
volume verhogen of verlagen met de toetsen (+)
of (–).
Lage accuspanning
Als de accuspanning laag is, verschijnt er een
tekst op het display van het instrumentenpaneel.
De energiebesparingsfunctie van de auto kan
de radio vervolgens uitschakelen. Laad de accu
in dat geval door de motor te starten.
Volumeregeling, TP/PTY/NEWS
Als er verkeersinformatie, nieuws of een uitzending van het gekozen programmatype binnenkomt terwijl u een cassette of cd beluistert,
wordt de geluidsbron onderbroken en hoort u
de berichten op het volume dat u van tevoren
voor verkeersinformatie, nieuws en PTY-uitzendingen hebt ingesteld. Na afloop van de informatie c.q. uitzending speelt het systeem de
cassette of cd op het laatst ingestelde volume
verder af.
Volumeregeling, basluidspreker
(optie)
Ingang voor externe geluidsbron (AUX)
3,5 mm
AUX
Draai de knop naar rechts om het volume te verhogen (+6 dB).
Het is mogelijk een mp3-speler op de AUXingang aan te sluiten.
Draai de knop naar links om het volume te verlagen of de volumeregeling uit te schakelen.
Soms wijkt het volume waarop de externe
geluidsbron (AUX) wordt weergegeven af van
dat van de interne geluidsbronnen. Als de
geluidssterkte van de externe geluidsbron te
hoog is, kan de geluidskwaliteit verslechteren. U
kunt dat tegengaan door het ingangsvolume van
de externe geluidsbron (AUX) aan te passen:
De middelste stand is de normale stand van de
draaiknop.
Volumeregeling, AUX
– Druk op SOURCE, draai eraan totdat u
ADVANCED MENU bereikt en druk ter
bevestiging nogmaals op SOURCE.
207
Audiosysteem (optie)
Audiofuncties HU-450/650/850
– Druk op SOURCE, draai eraan totdat u
AUDIO SETTINGS bereikt en druk ter
bevestiging nogmaals op SOURCE.
– Druk op SOURCE, draai eraan totdat u
AUX INPUT LEVEL bereikt en druk ter
bevestiging nogmaals op SOURCE.
– In deze stand kunt u het volume bijstellen
door aan SOURCE te draaien.
Optimale geluidsweergave
Het audiosysteem is gekalibreerd voor optimale
geluidsweergave met behulp van digitale signaalverwerking.
Voor ieder automodel wordt het audiosysteem
tijdens de kalibratie perfect afgestemd op de
luidsprekers, de versterker, de akoestiek in de
auto, de positie van de luisteraar e.d.
Er is tevens een dynamische kalibratie waarbij
rekening wordt gehouden met de stand van de
volumeknop, de radio-ontvangst en de rijsnelheid.
De regelfuncties die in dit instructieboekje
nader verklaard worden (zoals Bas, Treble en
Equalizer) zijn uitsluitend bedoeld om u de
mogelijkheid te bieden de geluidsweergave
naar wens af te stellen.
208
Audiosysteem (optie)
Audiofuncties HU-450
BASS, lage tonen
Stel de weergave van de lage
tonen bij door de knop in te
drukken en vervolgens naar
links of naar rechts te draaien.
In de middelste stand is de
weergave van de lage tonen
normaal. Druk na het afstellen de knop weer in
de uitgangspositie terug.
TREBLE, hoge tonen
Stel de weergave van de hoge
tonen bij door de knop in te
drukken, deze nog verder uit
te trekken en vervolgens naar
links of naar rechts te draaien.
In de middelste stand is de
weergave van de hoge tonen normaal. Druk na
het afstellen de knop weer in de uitgangspositie
terug.
FADER, balans voor/achter
Stel de juiste balans in tussen
de luidsprekers voor- en achterin door de knop in te drukken en vervolgens naar rechts
(meer geluid van voren) of
naar links (meer geluid van
achteren) te draaien. In de middelste stand is de
balans tussen de luidsprekers voor- en achterin
normaal. Druk na het afstellen de knop weer in
de uitgangspositie terug.
BALANCE, balans links/rechts
Stel de juiste balans in door
de knop in te drukken en vervolgens naar links of naar
rechts te draaien. In de middelste stand is de balans normaal. Druk na het afstellen de
knop weer in de uitgangspositie terug.
Geluidsbron kiezen
U kunt op twee verschillende
manieren een geluidsbron kiezen:
Met de sneltoetsen AM, FM
en TAPE of met de draaiknop
SOURCE. Draai aan de knop
SOURCE om te kiezen uit de beschikbare
radiostanden (FM1, FM2, FM3 en AM1, AM2).
Met dezelfde knop kunt u ook kiezen uit het cassettedeck of de cd-wisselaar (optie) als de auto
met iets dergelijks is uitgerust.
Bij herhaalde malen indrukken
van de toetsen AM en FM
loopt u de radiostanden FM1,
FM2, FM3 en AM1 en AM2
door.
Op het display staat aangegeven welke geluidsbron u hebt gekozen.
209
Audiosysteem (optie)
Audiofuncties HU-650/850
BALANCE, balans links/rechts
Stel de juiste balans in door op de knop te drukken en deze vervolgens naar links of naar rechts
te draaien. In de middelste stand is de balans
normaal. Druk na het afstellen de knop weer in
de uitgangspositie terug.
FADER, balans voor/achter
BASS, lage tonen
Stel de weergave van de lage tonen bij door de
knop in te drukken en vervolgens naar links of
naar rechts te draaien.
In de middelste stand is de weergave van de
lage tonen normaal. Druk na het afstellen de
knop weer in de uitgangspositie terug.
TREBLE, hoge tonen
Stel de weergave van de lage tonen bij door de
knop in te drukken en vervolgens naar links of
naar rechts te draaien. In de middelste stand is
de weergave van de hoge tonen normaal. Druk
na het afstellen de knop weer in de uitgangspositie terug.
210
Stel de juiste balans in tussen de luidsprekers
voor- en achterin door de knop in te drukken en
vervolgens naar rechts (meer geluid van voren)
of naar links (meer geluid van achteren) te
draaien. In de middelste stand is de balans tussen de luidsprekers voor- en achterin normaal.
Druk na het afstellen de knop weer in de uitgangspositie terug.
Geluidsbron kiezen
U kunt op twee verschillende
manieren een geluidsbron kiezen:
Met de sneltoetsen AM, FM
en TAPE of met de draaiknop
SOURCE.
Draai aan de knop SOURCE om te kiezen uit de
beschikbare radiostanden (FM1, FM2, FM3 en
AM1, AM2). Met dezelfde knop kunt u ook kiezen uit het cassettedeck of de cd-wisselaar
(optie) als de auto met iets dergelijks is uitgerust.
Bij herhaalde malen indrukken
van de toetsen AM en FM
loopt u de radiostanden FM1,
FM2, FM3 en AM1 en AM2
door.
Op het display staat aangegeven welke geluidsbron u hebt gekozen.
Audiosysteem (optie)
Radiofuncties HU-450/650/850
Scannen, SCAN
Druk op de toets SCAN om
het scannen te starten. Wanneer de radio een zender
heeft gevonden, wordt het
scannen ca. 10 seconden
stopgezet. De radio gaat
daarna verder met zoeken. Wanneer de radio
een zender heeft gevonden die u wilt beluisteren, moet u op de toets SCAN of EXIT drukken.
Zenders zoeken
Druk op
voor een lagere frequentie en
op
voor een hogere frequentie. De radio
zoekt de eerstvolgende goed doorkomende
zender op en stelt deze in. Druk nogmaals op de
toets om verder te zoeken.
Handmatig zenders zoeken
Druk op
of
en houd de toets ingedrukt.
De tekst MAN verschijnt op het display. De
radio zoekt langzaam in de gekozen richting en
voert het tempo na enkele seconden op. Laat de
toets los, wanneer de gewenste frequentie op
het display verschijnt. Als u de frequentie nog
iets wilt bijregelen, moet u kort op een van de
pijltoetsen
of
drukken. Wanneer u de
laatste toets loslaat, hebt u nog vijf seconden de
tijd om handmatig instellingen te verrichten.
Toetsenset V70 en XC70
Toetsenset op stuurwiel
Als uw stuurwiel is uitgerust met een toetsenset, kunt u op de pijl-links of pijl-rechts drukken
om een van de voorkeurzenders te selecteren.
N.B. Als uw auto is uitgerust met een geïntegreerde telefoon, kunt u de toetsenset op het
stuurwiel alleen gebruiken voor de telefoonfuncties wanneer u de telefoon hebt geactiveerd. In
de actieve stand staan er altijd telefoongegevens op het display. Druk op
om de telefoon
te deactiveren. Als er geen simkaart in uw telefoon zit, moet u de telefoon uitschakelen (zie
pagina 228).
211
Audiosysteem (optie)
Radiofuncties HU-450
Zenders instellen
– Stel de gewenste frequentie in.
– Druk kort op de knop PRESET/CD. Kies
een nummer waaronder u de zender wilt
opslaan door de knop naar links of naar
rechts te draaien. Druk nogmaals op de
knop om de gewenste frequentie en zender
op te slaan.
Voorkeurzenders
Om een van de voorgeprogrammeerde radiozenders te
selecteren moet u aan de
knop PRESET/CD draaien,
totdat het nummer van de zender op het display staat. De
voorgeprogrammeerde zender verschijnt op het
display.
– Op het display staat Auto, terwijl een aantal
zenders met een krachtig signaal
(maximaal 10) in de gekozen radiostand
automatisch in het geheugen worden opgeslagen. Als er geen radiozender kon worden
gevonden met een signaal dat krachtig
genoeg is, verschijnt de tekst NO STATION.
– Druk kort op de toets AUTO of op de pijltoetsen van de toetsenset op het stuurwiel,
als u een andere, automatisch ingestelde
zender wilt selecteren.
Wanneer de radio in de stand voor automatische opslag staat, staat de tekst Auto op het
display. De tekst verdwijnt weer, wanneer u
teruggaat naar de normale radiostand.
Ga terug naar de normale radiostand door op
de toetsen FM, AM of EXIT te drukken of aan de
knop PRESET/CD te draaien.
Automatisch zenders opslaan
Terugkeren naar Autom. opslaan:
Met behulp van de functie
AUTO kunt u tot 10 goed
doorkomende AM - of FM zenders opzoeken en in een
apart geheugen opslaan.
Deze functie is met name handig in gebieden waar u de radiozenders en hun
frequenties niet kent.
– Druk kort op de toets AUTO.
– Selecteer de radiostand met de toets AM of
FM.
– Start het zoeken door de knop AUTO lang
(meer dan 2 seconden) in te drukken.
212
Audiosysteem (optie)
Radiofuncties HU-650/850
Automatisch zenders opslaan
Met behulp van de functie
Auto kunt tot tien goed te ontvangen AM - of FM -zenders
opzoeken en in een apart
geheugen opslaan. Als er
meer dan tien zenders gevonden worden, worden alleen de tien best doorkomende zenders geselecteerd. Deze functie is
met name handig in gebieden waar u de radiozenders en hun frequenties niet kent.
Zenders opslaan
U kunt als volgt een zender opslaan onder een
van de voorkeurtoetsen 1–6:
– Stel de gewenste radiozender in.
– Druk op de voorkeurtoets waaronder u de
zender wilt opslaan en houd deze toets
ingedrukt. Het geluid valt enige seconden
weg. De tekst STATION STORED verschijnt
op het display.
U kunt tot 6 zenders per radiostand (AM1, AM2,
FM1, FM2 en FM3) opslaan, d.w.z. 30 zenders
in totaal.
Wanneer de radio in de stand voor automatische opslag staat, staat de tekst Auto op het
display. De tekst verdwijnt weer, wanneer u
teruggaat naar de normale radiostand.
Ga terug naar de normale radiostand door op
de toetsen FM, AM of EXIT te drukken.
Terugkeren naar Autom. opslaan:
– Druk kort op de toets AUTO.
– Selecteer de radiostand met de toets AM of
FM.
– Start het zoeken door de knop AUTO lang
(meer dan 2 seconden) in te drukken.
– Op het display staat Auto, terwijl een aantal
zenders met een krachtig signaal
(maximaal 10) in de gekozen radiostand
automatisch in het geheugen worden opgeslagen. Als er geen radiozender kon worden
gevonden met een signaal dat krachtig
genoeg is, verschijnt de tekst NO STATION.
– Druk kort op de toets AUTO of op de pijltoetsen van de toetsenset op het stuurwiel,
als u een andere, automatisch ingestelde
zender wilt selecteren.
213
Audiosysteem (optie)
Radiofuncties HU-450/650/850
Radio Data System, RDS
Verkeersinformatie, TP-zender
RDS is een systeem dat radiozenders binnen
een netwerk met elkaar verbindt. Het systeem
wordt onder meer gebruikt om op de beste frequentie van een bepaalde zender afgestemd te
blijven ongeacht de beluisterde zender of
geluidsbron (zoals een cd). Het systeem wordt
tevens gebruikt om verkeersinformatie te ontvangen en radioprogramma’s van een bepaald
type te vinden. Radiotekst is ook een onderdeel
van RDS. Een radiozender kan informatie verzenden over de radio-uitzending.
Bij activering van deze functie krijgt u verkeersinformatie binnen van RDS-zenders. Als u een
andere geluidsbron beluistert dan de radio,
wordt de weergave ervan onderbroken en ontvangt u de verkeersinformatie op het volume dat
u tevoren hebt ingesteld. Na afloop van het verkeersbulletin hervat het audiosysteem op het
oude volume de weergave van de geluidsbron
die u beluisterd.
Sommige radiozenders maken geen gebruik
van RDS of slechts in beperkte mate.
PI zoeken (automatisch zenders
zoeken)
Bij het beluisteren van een RDS-zender wordt
diverse informatie in de radio (zoals verkeersinformatie) opgeslagen.
Wanneer u op een ingestelde RDS-zender
afstemt, werkt de radio de opgeslagen RDSinformatie van deze zender bij. Als de radio zich
net binnen of buiten het bereik van de zender
bevindt, stemt de radio automatisch af op de
best doorkomende zender die het door u beluisterde programma doorgeeft.
Als er geen andere zender binnen het bereik ligt,
valt de radio stil en verschijnt de tekst PI SEEK
op het display zolang er geen zender is gevonden.
214
Verkeersinformatie instellen:
– Selecteer de radiostand met de toets FM en
druk op SOURCE.
– Selecteer TP en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer TP ON (knipperende tekst) en druk op SOURCE.
– Druk op EXIT.
TP deactiveren:
– Selecteer de radiostand met de toets FM en
druk op SOURCE.
– Selecteer TP en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer TP OFF
(knipperende tekst) en druk op SOURCE.
– Druk op EXIT.
Wanneer de functie actief is, staat de tekst TP
op het display. Druk op EXIT om een lopend verkeersbulletin voortijdig af te breken.
De TP-functie blijft echter actief, zodat de radio
op het volgende verkeersbulletin wacht.
Verkeersinformatie van een specifieke
zender instellen:
– Selecteer de radiostand met de toets FM.
– Activeer de radiozender waarvan u de verkeersinformatie wilt ontvangen.
– Druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer ADVANCED
MENU en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer RADIO SETTINGS en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer TP STATION
en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer SET CURRENT en druk op SOURC.
– Druk op EXIT.
TP-zender deactiveren:
– Selecteer de radiostand met de toets FM en
druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer ADVANCED
MENU en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer RADIO SETTINGS en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer TP STATION
en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer TP STATION OFF en druk op SOURCE.
– Druk op EXIT.
Audiosysteem (optie)
Radiofuncties HU-450/650/850
Alarm
Er verschijnt “ Alarm!” op het display, wanneer
er een alarmmelding wordt verzonden. Deze
functie wordt gebruikt om u attent te maken op
ernstige ongelukken of calamiteiten, zoals ingestorte bruggen of ongelukken in kerncentrales.
TP zoeken
Met deze functie kunt u naar verkeersinformatie
blijven luisteren tijdens langere ritten door verschillende gebieden en/of landen zonder dat u
daarvoor zelf van zender hoeft te wisselen.
– Selecteer de radiostand met de toets FM en
druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer
RADIO SETTINGS en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer TP SEARCH
en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer
TP SEARCH ON of TP SEARCH OFF
(knipperende tekst) en druk op SOURCE.
– Druk op EXIT.
Nieuws
Bij activering van deze functie krijgt u nieuwsbulletins binnen van RDS-zenders. Als u een
andere geluidsbron beluistert dan de radio,
wordt de weergave ervan onderbroken en ontvangt u de bulletins op het volume dat u daar-
voor hebt ingesteld. Na afloop van het
nieuwsbulletin hervat het audiosysteem op het
oude volume de weergave van de geluidsbron
die u beluisterde.
News (Nieuws) instellen:
– Selecteer de radiostand met de toets FM en
druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer NEWS en
druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer NEWS ON
(knipperende tekst) en druk op SOURCE.
– Druk op EXIT.
De tekst NEWS verschijnt op het display.
News (Nieuws) deactiveren:
– Selecteer de radiostand met de toets FM en
druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer NEWS en
druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer NEWS OFF
(knipperende tekst) en druk op SOURCE.
– Druk op EXIT.
De tekst NEWS verdwijnt van het display.
Druk op EXIT om een lopend nieuwsbulletin
voortijdig af te breken. De functie News
(Nieuws) blijft echter actief, zodat de radio op
het volgende nieuwsbulletin wacht.
Uitzendingen onderbreken voor nieuwsbulletins
– Selecteer de radiostand met de toets FM.
– Activeer de radiozender waarvan u de verkeersinformatie wilt ontvangen.
– Druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer
RADIO SETTINGS en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer
NEWS STATION en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer
SET CURRENT en druk op SOURC.
– Druk op EXIT.
Functie News Station (Nieuwszender)
deactiveren:
– Selecteer de radiostand met de toets FM en
druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer
RADIO SETTINGS en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer
NEWS STATION en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer
NEWS STN OFF en druk op SOURCE.
– Druk op EXIT.
Programmatype
UIT
Nieuws
Actualiteit
Displaytekst
PTY OFF
News
Current
215
Audiosysteem (optie)
Radiofuncties HU-450/650/850
Programmatype
Displaytekst
Informatie
Sport
Educatie
Hoorspel
Kunst en cultuur
Wetenschap
Varia
Pop
Rock
Easy listening
Licht klassiek
Klassieke muziek
Overige muziek
Weer
Info
Sport
Educ
Drama
Cultures
Science
Enterta
Pop
Rock
Easy list
L Class
Classical
Other M
Weather &
Metro
Finance
Children’s
progs
Social
Spiritual
Phone
Travel
Leisure
Jazz
Country
Nation M
“Oldies”
Folk
Document
Financieel nieuws
Kinderprogramma’s
Maatschappelijke progr.
Religie
Inbelprogramma’s
Reizen
Ontspanning
Jazz
Country
Nationale muziek
Gouwe Ouwe
Volksmuziek
Documentaires
216
Programmatype, PTY
Met de functie PTY kunt u kiezen uit verschillende programmatypes.
– Selecteer de radiostand met de toets FM en
druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer PTY en druk
op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer PTY in het
menu en druk op SOURCE.
– De radio begint te zoeken naar een zender
met het geselecteerde programmatype.
Als de radio een zender heeft gevonden die
ongeschikt is, kunt u verder zoeken met de pijllinks of pijl-rechts.
Als er geen zender met het gekozen programmatype kan worden gevonden, gaat de radio
terug naar de voorgaande frequentie.
Niet alle radiozenders zijn voorzien van een PTYcode.
PTY stand-by
De functie PTY staat dan stand-by, totdat er een
programma van het gekozen type wordt uitgezonden. Wanneer dat het geval is, gaat de radio
automatisch over op de zender die het geselecteerde programmatype uitzendt.
Deactiveren:
– Selecteer de radiostand met de toets FM en
druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer PTY en druk
op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer PTY OFF en
druk op SOURCE.
– Druk op EXIT.
Het symbool PTY verdwijnt van het display en
de radio hervat de normale stand.
PTY-taal
Met de functie PTY kunt u de taal selecteren die
op het display van de radio moet worden
gebruikt (Engels, Duits, Frans of Zweeds).
– Selecteer de radiostand met de toets FM en
druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer
RADIO SETTINGS en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer
PTY LANGUAGE en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer een taal en
druk op SOURCE.
– Druk op EXIT.
Automatische afstemfunctie
De functie AF is normaal gesproken actief en
zorgt ervoor dat de radio afstemt op de zender
met het sterkste signaal voor de gekozen zender.
AF activeren:
– Selecteer de radiostand met de toets FM en
druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op SOURCE.
Audiosysteem (optie)
Radiofuncties HU-450/650/850
– Draai aan SOURCE, selecteer
RADIO SETTINGS MENU en druk op
SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer AF ON (knipperende tekst) en druk op SOURCE.
– Druk op EXIT.
AF deactiveren:
– Selecteer de radiostand met de toets FM en
druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer
RADIO SETTINGS MENU en druk op
SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer AF OFF
(knipperende tekst) en druk op SOURCE.
– Druk op EXIT.
Regionale radioprogramma’s, REG
De functie REG die normaal gesproken uitgeschakeld is, maakt het u mogelijk om op een
bepaalde regionale zender afgestemd te blijven
ondanks dat het signaal zwak is.
REG activeren:
– Selecteer de radiostand met de toets FM en
druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer
RADIO SETTINGS MENU en druk op
SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer REG ON
(knipperende tekst) en druk op SOURCE.
– Druk op EXIT.
REG deactiveren:
– Selecteer de radiostand met de toets FM en
druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer
RADIO SETTINGS MENU en druk op
SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer REG OFF
(knipperende tekst) en druk op SOURCE.
– Druk op EXIT.
EON (Enhanced Other Networks),
Local/Distant
Met de functie EON geactiveerd, worden radioprogramma’s onderbroken voor verkeers- en
nieuwsbulletins van andere zenders.
De functie kent twee actieve niveaus:
– Draai aan SOURCE, selecteer
RADIO SETTINGS MENU en druk op
SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer EON (knipperende tekst) en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer Local of Distant en druk op SOURCE.
– Druk op EXIT.
RDS-instellingen resetten
Met de functie Reset alles kunt u alle fabriekinstellingen voor RDS herstellen.
– Selecteer de radiostand met de toets FM en
druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer RESET TO
DEFAULT en druk op SOURCE.
– Druk op EXIT.
ASC (Active Sound Control)
Local - Alleen onderbreking, wanneer het signaal sterk genoeg is.
De actieve geluidsregeling (ASC) stemt het
volume van de radio automatisch af op de rijsnelheid.
Distant – Ook onderbreking bij zwakkere signalen.
ASC activeren:
– Selecteer de radiostand met de toets FM en
druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op SOURCE.
– Selecteer de radiostand met de toets FM en
druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op SOURCE.
217
Audiosysteem (optie)
Radiofuncties HU-450/650/850
– Draai aan SOURCE, selecteer
AUDIO SETTINGS MENU en druk op
SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer ASC LEVEL
en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer LOW,
MEDIUM, HIGH of Off en druk op
SOURCE.
Radiotekst
Sommige RDS -zenders geven informatie door
over de inhoud van de programma’s, de uitvoerende artiesten e.d.
Druk enkele seconden lang op de toets FM om
eventueel meegestuurde radiotekst op het display te bekijken. Nadat de tekst tweemaal achtereen op het display verschenen is, geeft de
radio de zender/frequentie weer aan waarop u
hebt afgestemd. Met een korte druk op de toets
EXIT beëindigt u de weergave van de radiotekst.
218
Audiosysteem (optie)
Cassettedeck HU-450
Cassetteopening
Steek de cassette met de open kant naar rechts
in de opening. Op het display verschijnt
TAPE Side A. Wanneer een kant van de cassette is afgespeeld, schakelt het deck automatisch over naar de andere kant (auto-reverse).
Als er al een cassette in het deck zit, kunt u de
cassette laten afspelen door aan de knop
SOURCE te draaien of op de sneltoets TAPE te
drukken.
Van bandrichting wisselen
Druk op de toets REV, als u de andere kant van
de cassette wilt beluisteren. Op het display
staat aangegeven welke kant van de cassette
wordt afgespeeld.
Cassette uitwerpen
Vooruit-/achteruitspoelen
Als u op de uitwerptoets
drukt, stopt de cassette
waarna deze wordt uitgeworpen. Draai aan de knop
SOURCE om een andere
geluidsbron te kiezen. Ook als
het systeem is uitgeschakeld, kunt u een cassette plaatsen of uitwerpen.
U kunt de cassette vooruitspoelen met de toets
en
achteruitspoelen met
. Tijdens het versneld spoelen
geeft het display “ FF ” (vooruit) of “REW” (achteruit) weer.
De spoelfunctie wordt beëindigd, als u de toets
nogmaals indrukt.
Ruisonderdrukking Dolby B
Volgende track, vorige track
kiezen
De ruisonderdrukkingsfunctie is normaal geactiveerd. Ga als volgt te werk, als u de functie wilt
uitschakelen. Houd de toets REV ingedrukt, totdat het Dolby-symbool
van het display verdwijnt. Druk nogmaals op dezelfde toets om de
Dolby-functie weer te activeren.
Dolby ruisonderdrukking wordt geproduceerd
onder licentie van Dolby Laboratories Licensing
Corporation. Dolby en de dubbele D
zijn
geregistreerde handelsmerken van Dolby Laboratories Licensing Corporations.
Als u de toets
indrukt, zal de cassette automatisch vooruitgespoeld worden naar het begin
van de volgende track. Als u de toets
indrukt, zal de cassette automatisch achteruitgespoeld worden naar het begin van de vorige
track. Deze functie werkt alleen goed, wanneer
er tussen de tracks een stilte van ongeveer vijf
seconden is ingelast. Als uw stuurwiel is voorzien van een toetsenset, kunt u gebruik maken
van de pijltoetsen ervan.
Scannen, SCAN
De functie SCAN kunt u
gebruiken om van iedere track
de eerste tien seconden te
beluisteren.
Druk op de toets SCAN of
EXIT, wanneer u de track hebt
gevonden die u wilt beluisteren.
219
Audiosysteem (optie)
Cd-speler HU-650
Cd-speler
Scannen, SCAN
Steek een cd in de opening. Als u al een cd hebt
aangebracht, moet u voor weergave van de cd
kiezen door aan de knop SOURCE te draaien of
op de sneltoets CD te drukken.
De functie SCAN kunt u gebruiken om van
iedere track de eerste tien seconden te beluisteren.
Cd uitwerpen
Als u op de bovenstaande
toets drukt, stopt de cd-speler
waarna de cd wordt uitgeworpen.
N.B. Om veiligheidsredenen
hebt u twaalf seconden de tijd
om de uitgeworpen cd uit te nemen. Als de cd
na afloop van deze periode nog in de cd-speler
zit, wordt de cd weer ingenomen en verder afgespeeld.
Vooruit-/achteruitspoelen en van
track wisselen
Houd de pijl-links of pijl-rechts
ingedrukt om een of meer
tracks op de cd vooruit te
spoelen. De spoelfunctie valt
niet te bedienen via de toetsenset op het stuurwiel.
Druk kort op de pijl-links of pijl-rechts om naar
de vorige of de volgende track te gaan. U kunt
daarvoor ook gebruik maken van de toetsenset
op het stuurwiel. De track staat aangegeven op
het display.
220
Druk op de toets SCAN of EXIT, wanneer u de
track hebt gevonden die u wilt beluisteren.
Willekeurige afspeelvolgorde,
RANDOM
Druk op “RND” (random) om
de willekeurige afspeelvolgorde te activeren. De cd-speler speelt de tracks van de cd
dan in een willekeurige volgorde af. Zolang deze functie
actief is staat er “RND” op het display.
Cd’s
Bij gebruik van zelfgebrande cd’s is het mogelijk
dat het geluid te wensen overlaat of zelfs helemaal uitblijft. Muziek-cd’s die voldoen aan de
norm ISO 60908 bieden de beste geluidskwaliteit.
BELANGRIJK!
Speel uitsluitend standaard-cd’s met een
diameter van 12 cm. Gebruik geen cd’s met
een opgeplakt etiket. Door warmteontwikkeling in de cd-speler kan het etiket
losraken en schade aan de cd-speler
veroorzaken.
Audiosysteem (optie)
Interne cd-wisselaar HU-850
Interne cd-wisselaar
Een interne cd-wisselaar met een magazijn voor
6 cd’s maakt deel uit van HU-850. Druk op de
sneltoets CD of draai aan de knop SOURCE om
de cd-wisselaar te activeren. De cd-wisselaar
speelt de laatst gekozen track op de laatst
gekozen cd af. U kunt 6 cd’s in de cd-wisselaar
aanbrengen. Om een nieuwe cd te kunnen aanbrengen moet u een lege positie selecteren.
Selecteer een lege positie met de
cijfertoetsen 1–6. Het nummer van de lege
positie verschijnt op het display. Zorg dat de
tekst “LOAD DISC” verschijnt, voordat u een
nieuwe cd aanbrengt.
Cd uitwerpen
Als u op de bovenstaande
toets drukt, stopt de cd-speler
waarna de cd wordt uitgeworpen.
N.B. Om veiligheidsredenen
hebt u twaalf seconden de tijd
om de uitgeworpen cd uit te nemen. Als de cd
na afloop van deze periode nog in de cd-speler
zit, wordt de cd weer ingenomen en verder afgespeeld.
Nummer cd selecteren
Selecteer de af te spelen cd met de cijfertoetsen 1–6. Het nummer van de geselecteerde cd
en de af te spelen track op die cd verschijnen op
het display.
Vooruit-/achteruitspoelen en van
track wisselen
Houd de pijl-links of pijl-rechts
ingedrukt om een of meer
tracks op de cd vooruit te
spoelen. De spoelfunctie valt
niet te bedienen via de toetsenset op het stuurwiel.
Druk kort op de pijl-links of pijl-rechts om naar
de vorige of de volgende track te gaan. U kunt
daarvoor ook gebruik maken van de toetsenset
op het stuurwiel. De track staat aangegeven op
het display.
Scannen, SCAN
Cd’s
Bij gebruik van zelfgebrande cd’s is het mogelijk
dat het geluid te wensen overlaat of zelfs helemaal uitblijft. Muziek-cd’s die voldoen aan de
norm ISO 60908 bieden de beste geluidskwaliteit.
BELANGRIJK!
Speel uitsluitend standaard-cd’s met een
diameter van 12 cm. Gebruik geen cd’s met
een opgeplakt etiket. Door warmteontwikkeling in de cd-speler kan het etiket
losraken en schade aan de cd-speler
veroorzaken.
De functie SCAN kunt u gebruiken om van
iedere track de eerste tien seconden te beluisteren.
Druk op de toets SCAN of EXIT, wanneer u de
track hebt gevonden die u wilt beluisteren.
Willekeurige afspeelvolgorde,
RANDOM
Druk op RND (random) om de
willekeurige afspeelvolgorde
te activeren. De cd-wisselaar
speelt dan een willekeurige
track van een willekeurige cd.
De cd-wisselaar kiest daarna
een nieuwe willekeurige track van een willekeurige cd. Zolang de functie actief is, staat er
“RND” op het display.
221
Audiosysteem (optie)
Externe cd-wisselaar HU-450/650/850
– Duw het magazijn in de cd-wisselaar terug.
Sleuf kiezen
Selecteer de af te spelen cd door aan de knop
PRESET/CD (HU-450) te draaien of druk op de
cijfertoetsen 1–6 (HU-650/850). Het nummer
van de geselecteerde cd en de af te spelen
track op die cd verschijnen op het display.
Sommige cd-wisselaars bieden plaats aan
10 cd’s. Houd toets 6 enkele seconden ingedrukt om een van de cd’s 7–10 te kiezen.
Vooruit-/achteruitspoelen en van
track wisselen
Cd-wisselaar
De externe cd-wisselaar (optie) zit achter het
paneel linksachter in de bagageruimte.
Draai aan de knop SOURCE om de cd-wisselaar in te schakelen. De cd-wisselaar speelt de
laatst gekozen track op de laatst gekozen cd af.
Als het magazijn* van de cd-wisselaar leeg is,
verschijnt er “LOAD CARTRIDGE” op het display.
Doe het volgende om cd’s in de cd-wisselaar
aan te brengen:
– Duw het klepje van de cd-wisselaar opzij.
– Druk op de uitwerptoets voor het magazijn.
– Trek het cd-magazijn naar buiten en breng
de cd’s aan.
222
Houd de pijl-links of pijl-rechts
ingedrukt om een of meer
tracks op de cd vooruit te
spoelen. De spoelfunctie valt
niet te bedienen via de toetsenset op het stuurwiel.
Druk kort op de pijl-links of pijl-rechts om naar
de vorige of de volgende track te gaan. U kunt
daarvoor ook gebruik maken van de toetsenset
op het stuurwiel. De track staat aangegeven op
het display.
Scannen, SCAN
De functie SCAN kunt u gebruiken om van
iedere track de eerste tien seconden te beluisteren.
Druk op de toets SCAN of EXIT, wanneer u de
track hebt gevonden die u wilt beluisteren.
Willekeurige afspeelvolgorde,
RANDOM
Druk op RND (geldt voor
HU-650 en 850) om de willekeurige afspeelvolgorde te
activeren. Bij het audiosysteem HU-450 moet u op de
toets REV drukken. De cdspeler speelt dan een willekeurige track van een
willekeurige cd. De cd-wisselaar kiest daarna
een nieuwe willekeurige track op een willekeurige cd. Zolang de functie actief is, staat er
“RND” op het display.
Cd’s
Bij gebruik van zelfgebrande cd’s is het mogelijk
dat het geluid te wensen overlaat of zelfs helemaal uitblijft. Muziek-cd’s die voldoen aan de
norm ISO 60908 bieden de beste geluidskwaliteit.
BELANGRIJK!
Speel uitsluitend standaard-cd’s met een
diameter van 12 cm. Gebruik geen cd’s met
een opgeplakt etiket. Door warmteontwikkeling in de cd-speler kan het etiket
losraken en schade aan de cd-speler
veroorzaken.
Audiosysteem (optie)
Dolby Surround Pro Logic II HU-850
Dolby Surround Pro Logic II is gebaseerd op het
voorgaande systeem en levert een duidelijke
verbetering van de geluidsweergave op. De
verbetering is met name duidelijk te merken voor
de achterpassagiers.
In combinatie met een middenluidspreker midden op het dashboard zorgt Dolby Surround
Pro Logic II voor een zeer realistische geluidsweergave.
De normale stereokanalen links en rechts worden dan opgedeeld in links, midden en rechts.
Bovendien produceren de luidsprekers achterin
het zogeheten “Ambient Surround Sound”.
Dolby Surround Pro Logic II werkt alleen, wanneer u een cd beluistert.
Als u naar een AM - of FM -zender luistert, wordt
u geadviseerd driekanaals stereoweergave
(3-CH) te kiezen.
Dolby Surround Pro Logic II is een geregistreerd handelsmerk van Dolby Laboratories
Licensing Corporation. Dolby Surround Pro
Logic II wordt geproduceerd onder licentie van
Dolby Laboratories Licensing Corporation.
Dolby Surround Pro Logic II Mode
Druk op “
PL II” om
Dolby Surround Pro Logic II
Mode in te schakelen. Op het
display verschijnt “
PL II”.
Druk op OFF om terug te
keren naar 2-kanaals stereoweergave.
3-kanaal stereo
Druk op de toets 3-CH om de
3-kanaals stereoweergave te
activeren. Op het display verschijnt de tekst “3 ch”. Druk
op OFF om terug te keren
naar de 2-kanaals stereoweergave.
Volume middenluidspreker
(Centre Level)
Gebruik deze functie om het volume van de middenluidspreker in te stellen.
– Druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer
AUDIO SETTINGS en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer
CENTRE LEVEL en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer het volume
en druk op SOURCE.
– Druk op EXIT.
Volume “Ambient Surround
Sound” (Surround Level)
Gebruik deze functie om het uitgangsvermogen
van de achterste luidsprekerkanalen in te stellen.
– Druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer
AUDIO SETTINGS en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer
SURROUND LEVEL en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer het volume
en druk op SOURCE.
– Druk op EXIT.
Niveau equalizer (Mid EQ Level)
Gebruik deze functie om de geluidsweergave
via de luidsprekers fijn af te regelen.
– Druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer
AUDIO SETTINGS en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer
MID EQ LEVEL en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer het volume
en druk op SOURCE.
– Druk op EXIT.
223
Audiosysteem (optie)
Technische gegevens
HU-450
Vermogen
Impedantie
Bedrijfsspanning
HU-850
4 x 25 W
4 Ohm
12 V, negatieve
massa
Radio
Frequentiebereik
U (FM)
M (AM)
L (AM)
87,5 – 108 MHz
522 – 1611 kHz
53 – 279 kHz
HU-650
Vermogen
Impedantie
Bedrijfsspanning
Externe versterker
(optie)
4 x 25 W
4 Ohm
12 V, negatieve
massa
4 x 50 W of
4 x 75 W
Radio
Frequentiebereik
U (FM)
M (AM)
L (AM)
224
87,5 – 108 MHz
522 – 1611 kHz
153 – 279 kHz
Vermogen
1 x 25 W (centrale
luidspreker)
Impedantie
4 Ohm
Bedrijfsspanning
12 V,
negatieve massa
Externe versterker
4 x 50 W of
4 x 75 W
HU-850 moet worden aangesloten op een
externe versterker.
Radio
Frequentiebereik
U (FM)
M (AM)
L (AM)
87,5 – 108 MHz
522 – 1611 kHz
153 – 279 kHz
Telefoon (optie)
Telefoonsysteem
Beknopte bedieningsinstructies
Bel-opties
Geheugenfuncties
Menu’s
Overige informatie
226
228
229
232
233
237
225
Telefoon (optie)
Telefoonsysteem
Algemene voorschriften
•
•
•
•
Verkeersveiligheid staat voorop! Als u als
bestuurder gebruik wilt maken van de handset in de armleuning, moet u de auto eerst
op een veilige plaats parkeren.
Schakel de telefoon uit tijdens het tanken.
Schakel de telefoon uit in gebieden waar er
met explosieven wordt gewerkt.
Laat reparatie van de telefoon aan erkend
servicepersoneel over.
Wanneer het telefoonsysteem in de actieve
stand staat, kunt u de toetsenset op het stuurwiel alleen gebruiken voor de telefoonfuncties.
In de actieve stand staan er altijd telefoongegevens op het display. Als u deze toetsen wilt
gebruiken om radio-instellingen te verrichten,
moet u eerst de actieve stand van de telefoon
verlaten (zie pagina 228).
3. Display
Op het display verschijnen menu’s, berichten,
telefoonnummers e.d.
Noodoproepen
4. Handset
Het is altijd mogelijk het alarmnummer te bellen,
zelfs als de contactsleutel of de simkaart is uitgenomen.
De handset kunt u gebruiken voor privégesprekken waarin u niet gestoord wil worden.
– Druk op de knop Aan/Uit.
– Kies het alarmnummer van het land waarin u
zich bevindt (112 binnen de EU).
U brengt de simkaart aan onder de toetsenset
op de middenconsole.
– Druk op de groene toets
.
Onderdelen van het telefoonsysteem
1. Toetsenset op middenconsole
Met de toetsenset op de middenconsole kunt u
alle functies van de telefoon regelen.
2. Toetsenset op stuurwiel
Met de toetsenset op het stuurwiel kunt u de
meeste functies van de telefoon regelen.
226
5. Simkaart
Schakel de telefoon uit als u geen simkaart hebt
aangebracht, omdat u anders geen berichten
voor de overige functies kunt aflezen van het
display.
6. Microfoon
De microfoon is ingebouwd in de achteruitkijkspiegel
7. Luidsprekers
De luidspreker is ingebouwd in de hoofdsteun
van de bestuurdersstoel.
8. Antenne
De antenne is tegen de voorruit aangebracht,
achter de achteruitkijkspiegel.
Telefoon (optie)
Telefoonsysteem
227
Telefoon (optie)
Beknopte bedieningsinstructies
komende gesprekken). Zet de telefoon in de
actieve stand door te drukken op
op het
bedieningspaneel of op de toetsenset op het
stuurwiel.
In de actieve stand staan er altijd telefoongegevens op het display.
Druk op
Simkaart
Telefoon in- en uitschakelen
Het telefoonsysteem is alleen te gebruiken in
combinatie met een geldige simkaart (Subscriber Identity Module). U hebt deze kaart van uw
provider ontvangen.
Telefoon inschakelen: Draai de contactsleutel
naar stand I. Druk op de aangegeven knop op
de bovenstaande afbeelding.
Breng altijd de simkaart aan, wanneer u gebruik
wilt maken van de telefoon. De naam van uw
provider verschijnt dan op het display.
Schakel de telefoon uit, als u geen simkaart
hebt aangebracht. U kunt anders geen berichten voor de overige functies aflezen van het display en de toetsenset op het stuurwiel niet
gebruiken om de radio te bedienen.
Telefoon uitschakelen: Druk de knop waarmee u
de telefoon inschakelde ca. drie seconden lang
in. Als u de auto van het contact zet, terwijl de
telefoon actief, zal de telefoon actief ook actief
zijn wanneer u het contact een volgende keer
opnieuw aanzet.
Wanneer de telefoon uitgeschakeld is, kunt u
geen gesprekken aannemen.
Actieve stand
Om gebruik te kunnen maken van de functies
die de telefoon u biedt, moet de telefoon in de
actieve stand staan (dit geldt niet voor binnen-
228
om de actieve stand te verlaten.
Telefoon (optie)
Bel-opties
foongesprek. Zie ook menu-optie 5.6.5 voor het
volume van het audiosysteem.
Gesprekken beëindigen
Om een gesprek te beëindigen drukt u op
op de toetsenset van het stuurwiel of op de middenconsole of u legt de handset op. Het audiosysteem gaat weer in de voorgaande stand
staan.
Laatst gekozen nummers
Het telefoonsysteem slaat automatisch de tien
laatst gekozen telefoonnummers/namen op.
– Druk op
van de toetsenset op het stuurwiel of op de middenconsole.
Display
Op het display verschijnen de actuele functies
zoals menu’s, berichten, telefoonnummers of
instellingen.
Bellen en gesprekken aannemen
U kunt als volgt bellen: Kies het nummer en druk
op
op de toetsenset op het stuurwiel of op
de middenconsole (of til de handset op).
U kunt als volgt een inkomend gesprek aannemen: Druk op
(of til de handset op). U kunt
ook gebruik van de automatische aanneemfunctie “Auto antw.” (zie menu-optie 4.3).
Het geluid van het audiosysteem kan automatisch worden uitgeschakeld tijdens een tele-
– Blader met de pijltoetsen vooruit
teruit
– Druk op
bellen.
of ach-
door de laatst gekozen nummers.
(of neem de handset op) om te
Handset
Als u privégesprekken wilt kunnen voeren, moet
u gebruik maken van de handset.
– Neem de handset op. Voer het gewenste
nummer in met de toetsenset op de middenconsole. Druk op
om te bellen. U regelt
het volume met de draaiknop op de zijkant
van de handset.
– U kunt het gesprek beëindigen door de
handset terug in de houder te leggen.
Doe het volgende als u tijdens een lopend
gesprek wilt overgaan op het gebruik van de
handsfree zonder daarvoor het gesprek te
beëindigen: druk op
en kies voor handsfree.
229
Telefoon (optie)
Bel-opties
Druk op
en leg de handset op (zie
pagina 229).
Functies tijdens lopende
gesprekken
Verkort kiezen
Tijdens een lopend gesprek kunt u de volgende
functies activeren (blader met de pijltoetsen en
druk op YES om een keuze te maken):
Telefoonnummers onder een voorkeurtoets opslaan
De nummers die zijn opgeslagen in het telefoonboek van het systeem kunt u koppelen aan een
bepaalde voorkeurtoets (1–9). U doet dat als
volgt:
– Blader met
naar Geheugen bewerken
(menu 3) en druk op
.
– Blader verder naar Verk. kiezen (menu 3.4)
en druk op
.
– Druk op de voorkeurtoets waaronder u het
nummer wilt opslaan. Druk op
om uw
keuze te bevestigen.
– Zoek de naam of het telefoonnummer van
uw keuze uit het geheugen op en druk op
om de naam of het telefoonnummer te
selecteren.
Verkort kiezen
Druk een voorkeurtoets ca. twee seconden lang
in om het telefoonnummer te kiezen dat met de
toets opgeslagen is.
N.B. Na inschakeling van de telefoon moet u
enkele seconden wachten, voordat u gebruik
kunt maken van de functie verkort kiezen. Om
verkort te kunnen kiezen moet Menu 4.5 geactiveerd zijn (zie pagina 236).
230
Ruggespraak/
Ruggespraak uit
Wachten/
Wachten uit
Handset/
Handsfree
Geheugen
Ruggespraakstand
Om het lopende
gesprek wel of niet te
parkeren
Om de handset of de
handsfree te gebruiken
Om de opgeslagen
nummers te bekijken
Wanneer u tijdens een lopend gesprek een
tweede gesprek hebt geparkeerd, kunt u de volgende functies activeren (blader met de pijltoetsen en druk op YES om een keuze te maken):
Ruggespraak/
Ruggespraak uit
Handset/
Handsfree
Geheugen
Samenvoegen
Wisselen
Ruggespraakstand
Om de handset of de
handsfree te gebruiken
Om de opgeslagen
nummers te bekijken
Om twee gespreken
tegelijk te voeren
(conferentie)
Om te wissen tussen de
twee gesprekken
Wanneer u gekozen hebt voor Samenvoegen
en twee lopende gesprekken voert, kunt u de
volgende functies activeren (blader met de pijltoetsen en druk op YES om een keuze te
maken):
Ruggespraak/
Ruggespraak uit
Handset/
Handsfree
Geheugen
Ruggespraakstand
Om de handset of de
handsfree te gebruiken
Om de opgeslagen
nummers te bekijken
Tijdens een lopend gesprek een
tweede gesprek aannemen
Als u tijdens een lopend gesprek een geluidssignaal onmiddellijk gevolgd door twee korte
geluidssignalen hoort, komt er een tweede
gesprek binnen. De twee korte geluidssignalen
worden herhaald, totdat u het gesprek beantwoordt of de beller oplegt. U kunt het tweede
gesprek dan wel of niet aannemen.
Als u het gesprek niet wilt aannemen, moet u op
drukken of niets doen. Als het gesprek echter wel wilt aannemen, moet u op
drukken.
U parkeert het lopende gesprek dan tijdelijk. Als
u op
drukt, worden beide gesprekken
beëindigd.
Telefoon (optie)
Bel-opties
Sms
Eén geluidssignaal geeft aan dat er een sms is
binnengekomen.
Volume
Verhoog het volume door op de (+) van de toetsenset op het stuurwiel te drukken. Verlaag het
volume door op de (–) van de toetsenset op het
stuurwiel te drukken.
Wanneer de telefoon in de actieve stand staat,
kunt u met de toetsenset op het stuurwiel alleen
de telefoonfuncties regelen.
Als u deze toetsen wilt gebruiken om radioinstellingen te verrichten, moet u de telefoon
eerst deactiveren (zie pagina 228).
231
Telefoon (optie)
Geheugenfuncties
Telefoonnummers en namen kunt u in het
geheugen van de telefoon zelf opslaan of in het
geheugen op de simkaart.
Wanneer u een gesprek aanneemt afkomstig
van een van de nummers die in het telefoonboek
liggen opgeslagen, wordt de bijbehorende
naam op het display weergegeven.
U kunt maximaal 255 namen in het geheugen
van de telefoon opslaan.
Telefoonnummers met namen
opslaan
– Druk op
en blader naar Geheugen
bewerken (menu 3). Druk vervolgens
op
.
– Blader verder naar Toevoegen (menu 3.1)
en druk op
.
– Voer het gewenste nummer in en druk
op
.
– Voer de bijbehorende naam in en druk
op
.
– Geef aan in welk geheugen u het nummer
en de naam wilt opslaan met
vervolgens op
en druk
.
Namen (of berichten) invoeren
Druk op de toets met het teken van uw keuze:
druk eenmaal op de toets om het eerste teken
van de toets in te voeren, tweemaal om het
232
tweede teken in te voeren enz. Druk op de 1 om
een spatie in te voegen.
spatie 1 - ? !, . : ' ( )
abc2äåàáâæç
def3èéëê
ghi4ìíîï
jkl5
mno6ñöòóØ
pqrs7ß
tuv8üùúû
wxyz9
om tweemaal achtereen hetzelfde
teken van een toets in te voeren
moet u na de eerste maal op *
drukken of enkele seconden
wachten
[email protected]*#&$£/%
om te wisselen tussen hoofdletters en kleine letters
om het laatst ingevoerde teken te
wissen. Wanneer u de toets lang
ingedrukt houdt, kunt u het
nummer of de tekst in zijn geheel
wissen.
Nummers uit het geheugen bellen
– Druk op
op de middenconsole of
gebruik de toetsenset op het stuurwiel.
– Kies uit de volgende mogelijkheden:
Druk op
op de middenconsole of
gebruik de toetsenset op het stuurwiel om
met de pijltoetsen naar de gewenste naam
te bladeren.
Druk op de toets die overeenkomt met de
eerste letter van de bijbehorende naam (of
voer de complete naam in) en druk op
.
– Druk op
om het geselecteerde nummer
te bellen.
Telefoon (optie)
Menu’s
Aan de hand van de menu’s kunt u bestaande
instellingen controleren of wijzigen en nieuwe
functies programmeren. De verschillende menuopties worden op het display weergegeven.
Menusysteem
Druk op
om het menusysteem te activeren.
In het menusysteem geldt het volgende:
•
Wanneer u
lang ingedrukt houdt, verlaat
u het menusysteem.
•
Wanneer u kort op
drukt, annuleert, hervat of verwerpt u een optie.
•
Wanneer u op
drukt, bevestigt of selecteert u een optie of gaat u van een submenu
naar het volgende submenu.
•
Met de toets
gaat u naar het volgende
submenu. Met de toets
vorige submenu.
gaat u naar het
Sneltoetsen
De menu-opties zijn genummerd zodat u ze
rechtstreeks kunt selecteren met de nummertoetsen en met
. De cijferaanduidingen
staan samen met de naam van de menu-optie
op het display.
Verkeersveiligheid
Om veiligheidsredenen is het menusysteem niet
toegankelijk bij snelheden hoger dan 8 km/h.
U kunt de begonnen activiteit in het menusysteem echter nog wel beëindigen.
In het menu 5.7 kunt u deze snelheidsbegrenzing opheffen.
Hoofdmenu’s/Submenu’s
1.
1.1.
1.2.
1.3.
1.4.
Oproepregister
Gem. oproep
Ontv. oproep
Gebeld.
Wis lijst
1.4.1.
Alle
1.4.2.
Gemist
1.4.3.
Ontvangen
1.4.4.
Gebeld
1.5.
Duur oproep
1.5.1.
Lste oproep
1.5.2.
Tel oproepen
1.5.3.
Totale tijd
1.5.4.
Reset timer
2.
Meldingen
2.1.
Lezen
2.2.
Invoeren
2.3.
Voice mail
2.4.
Instellingen
2.4.1.
SMSC-nummer
2.4.2.
Geldigheid
2.4.3.
Soort
3.
Geheugen bewerken
3.1.
Toevoegen
3.2.
Zoeken
3.2.1.
Bewerken
3.2.2.
Wissen
3.2.3.
Kopiëren
3.2.4.
Verplaatsen
3.3.
Alles kopiëren
3.3.1.
SIM naar tel
233
Telefoon (optie)
Menu’s
3.3.2.
Tel naar SIM
3.4.
Verk. kiezen
3.5.
SIM-geheugen wissen
3.6.
Telefoongeheugen wissen
3.7.
Status
4.
Bel-opties
4.1.
Nummer mee
4.2.
Oproep wacht
4.3.
Auto antw.
4.4.
Auto herk.
4.5.
Verk. kiezen
4.6.
Doorschakelen
4.6.1.
Alle oproepen
4.6.2.
Bij bezet
4.6.3.
Onbeantwoord
4.6.4.
Onbereikbaar
4.6.5.
Fax-oproepen
4.6.6.
Data-oproepen
4.6.7.
Alles annul.
5.
Instellingen
5.1.
Fabriek
5.2.
Netwerk
5.3.
Taal
5.3.1.
English UK
5.3.2.
English US
5.3.3.
Svenska
5.3.4.
Dansk
5.3.5.
Suomi
5.3.6.
Deutsch
5.3.7.
Nederlands
5.3.8.
Français FR
5.3.9.
Français CAN
234
5.3.10. Italiano
5.3.11. Español
5.3.12. Português P
5.3.13. Português BR
5.4.
SIM-beveiligd
5.4.1.
Aan
5.4.2.
Uit
5.4.3.
Auto
5.5.
Wijzig codes
5.5.1.
PIN-code
5.5.2.
Telefooncode
5.6.
Geluiden
5.6.1.
Belvolume
5.6.2.
Belsignaal
5.6.3.
Toetsklik
5.6.4.
Aanp. Snelh.
5.6.5.
RadioAutMute
5.6.6.
Nieuw SMS-bericht
5.7.
Rij veilig
Menu-opties, beschrijving
1. Oproepregister
1.1. Gemiste oproepen
In dit menu verschijnt een lijst met de tien laatst
gemiste oproepen. U kunt de nummers bellen,
wissen of toevoegen aan het geheugen van de
telefoon of op de simkaart om ze later te bewerken.
1.2. Ontvangen oproepen
In dit menu verschijnt een lijst met de tien laatst
ontvangen oproepen. U kunt de nummers bellen, wissen of toevoegen aan het geheugen van
de telefoon of op de simkaart om ze later te
bewerken.
1.3. Gebeld
In dit menu verschijnt een lijst met de tien laatst
gekozen nummers. U kunt de nummers bellen,
wissen of toevoegen aan het geheugen van de
telefoon of op de simkaart om ze later te bewerken.
1.4. Wis lijst
Met behulp van deze functie kunt u de lijsten
onder de menu’s 1.1, 1.2 en 1.3 wissen zoals
hieronder beschreven.
1.4.1.
1.4.2.
1.4.3.
1.4.4.
Alle
Gemist
Ontvangen
Gebeld
Telefoon (optie)
Menu’s
1.5. Duur oproep
In dit menu hebt u de mogelijkheid om de duur
van al uw oproepen of alleen de laatste te zien.
U kunt ook het aantal oproepen bekijken en de
timer resetten.
1.5.1.
Lste oproep
1.5.2.
Tel oproepen
1.5.3.
Totale tijd
1.5.4.
Reset timer
Om de timer te kunnen resetten moet u over de
telefooncode beschikken (zie Menu 5.5).
2. Meldingen
2.1. Lezen
In dit menu kunt u de ingekomen boodschappen
lezen. U kunt de gelezen boodschappen (of
gedeelten ervan) vervolgens wissen, doorsturen, wijzigen of opslaan.
2.2. Invoeren
Met de toetsenset kunt u boodschappen invoeren. U kunt de boodschappen vervolgens
opslaan of versturen.
2.3. Voice mail
In dit menu kunt u de binnengekomen gesproken boodschappen beluisteren.
2.4. Instellingen
In dit menu kunt u het nummer van de mailbox
(SMSC-nummer) aangeven waarnaar u uw
boodschappen wilt doorschakelen. U kunt
tevens aangeven hoe uw boodschap de
geadresseerde moet bereiken en hoelang deze
in de mailbox moet blijven liggen.
2.4.1.
SMSC-nummer
2.4.2.
Geldigheid
2.4.3.
Soort
Neem contact op met uw provider voor informatie over deze instellingen en het SMSCnummer.
3. Geheugen bewerken
3.1. Toevoegen
In dit menu hebt u de mogelijkheid om namen en
telefoonnummers op te slaan in het geheugen
van de telefoon of op de simkaart. Zie het hoofdstuk over de geheugenfuncties voor meer informatie.
3.2. Zoeken
In dit menu kunt u wijzigingen aanbrengen in het
geheugen.
Bewerken: Gegevens in de verschillende geheugens wijzigen.
3.2.2.
Wissen: Een opgeslagen naam
wissen.
3.2.3.
Kopiëren: Een opgeslagen naam
kopiëren.
3.2.4.
Verplaatsen: Gegevens overhevelen
tussen het geheugen van de telefoon
en dat van de simkaart.
3.3. Alles kopiëren:
Telefoonnummers en namen op de simkaart
kopiëren naar het geheugen van de telefoon.
3.3.1.
Van het geheugen op de simkaart
naar dat van de telefoon
3.3.2.
Van het geheugen van de telefoon
naar dat op de simkaart
3.4. Verkort kiezen
Een nummer dat in het telefoonboek ligt opgeslagen, kunt u aan een voorkeurtoets met een
bepaald nummer koppelen.
3.5. SIM-geheugen wissen
In dit menu kunt u het complete geheugen op de
simkaart wissen.
3.6. Telefoongeheugen wissen
In dit menu kunt u het complete geheugen van
de telefoon wissen.
3.7. Status
In dit menu kunt u zien hoeveel geheugenposities in beslag genomen worden door de namen
en telefoonnummers in het geheugen op de
simkaart en in dat van de telefoon.
3.2.1.
4. Bel-opties
4.1. Nummer mee
Aangeven of uw eigen nummer wel of niet op
het display van de ontvanger moet verschijnen.
Neem contact op met uw provider voor een permanent geheim nummer.
4.2. Oproep wacht
Aangeven of u wel of geen signaal wilt ontvangen, wanneer er tijdens een lopend gesprek een
tweede oproep wacht.
235
Telefoon (optie)
Menu’s
4.3. Auto antw.
Aangeven of u wilt kunnen antwoorden zonder
gebruik te maken van de toetsenset.
4.4. Automatisch herkiezen
Aangeven of u een eerder gekozen nummer na
een bezettoon automatisch wilt laten herkiezen.
4.5. Verkort kiezen
In dit menu stelt u in of het wel of niet mogelijk
is gebruik te maken van de voorkeurtoets. De
functie moet geactiveerd zijn om verkort te kunnen kiezen.
4.6. Doorschakelen
In dit menu kunt u aangegeven welke soorten
oproepen moeten worden doorgeschakeld naar
het gespecificeerde telefoonnummer.
4.6.1.
4.6.2.
4.6.3.
4.6.4.
4.6.5.
4.6.6.
4.6.7.
Alle oproepen (de instelling geldt
alleen tijdens het lopende gesprek).
Bij bezet
Onbeantwoord
Onbereikbaar
Fax-oproepen
Data-oproepen
Alles annul.
5. Instellingen
5.1. Fabrieksinstellingen
Functie om de fabrieksinstellingen te herstellen.
5.2. Netwerk
Aangeven of u automatisch of handmatig netwerken wilt selecteren.
236
5.2.1.
Auto
5.2.2.
Handgesch.
5.3. Taal
In dit menu kunt u aangeven in welke taal u de
berichten op het display wilt zien.
5.3.1.
English UK
5.3.2.
English US
5.3.3.
Svenska
5.3.4.
Dansk
5.3.5.
Suomi
5.3.6.
Deutsch
5.3.7.
Nederlands
5.3.8.
Français FR
5.3.9.
Français CAN
5.3.10. Italiano
5.3.11. Español
5.3.12. Português P
5.3.13. Português BR
5.4. SIM-beveiligd
In dit menu kunt u aangeven of de invoer van de
pincode actief of inactief moet zijn of automatisch moet verlopen.
5.4.1.
Aan
5.4.2.
Uit
5.4.3.
Auto
5.5. Wijzig codes
In dit menu kunt u uw pincode of uw telefooncode wijzigen.
5.5.1.
5.5.2.
PIN-code
Telefooncode (gebruik 1234, voordat
u overgaat op uw eigen code).
U gebruikt de telefooncode om de
timer op nul te kunnen stellen.
N.B. Noteer de code en bewaar deze op een
veilige plaats.
5.6. Geluiden
5.6.1.
Belvolume: In dit menu kunt u het
volume van het belsignaal bij een
binnenkomend gesprek instellen.
5.6.2.
Belsignaal: U hebt de keuze uit acht
verschillende beltonen.
5.6.3.
Toetsklik: Aan of uit.
5.6.4.
Aanp. Snelh.: Aangeven of het
volume wel of niet afhankelijk moet
zijn van de rijsnelheid.
5.6.5.
RadioAutMute: Hier kunt u aangeven
of u het geluid van de radio wel of niet
wilt uitschakelen tijdens een telefoongesprek.
5.6.6.
Nieuw SMS-bericht: Aangeven of u
wel of geen geluidssignaal wenst bij
de binnenkomst van een nieuwe sms.
5.7. Rij veilig
In dit menu kunt u aangeven of u de snelheidsbegrenzing die geldt voor het menusysteem wel
of niet wilt uitschakelen, zodat u het menusysteem ook tijdens het rijden kunt gebruiken.
Telefoon (optie)
Overige informatie
Specificaties
Vermogen
Simkaart
Geheugenposities
Sms
(Short Message Service)
Data/Fax
Dualband
2W
Klein
2551
Ja
Nee
Ja (900/
1800)
1. 255 geheugenposities in het geheugen van
de telefoon. Het aantal geheugenposities
op de simkaart verschilt afhankelijk van het
abonnement.
Radio/Telefoon
Met de onderste vier toetsen van de toetsenset
op het stuurwiel kunt u zowel de radio als de
telefoon regelen.
Om de telefoonfuncties met deze toetsen te
kunnen sturen moet de telefoon geactiveerd zijn
(zie pagina 228). Als u de toetsen wilt gebruiken om radio-instellingen te verrichten, moet u
de telefoon eerst deactiveren. Druk in dat geval
op
Dubbele simkaart1
Veel providers bieden dubbele simkaarten aan:
één voor de autotelefoon en één voor een
andere telefoon. Als u over een dubbele simkaart beschikt, kunt u hetzelfde nummer voor
twee verschillende telefoons gebruiken. Neem
contact op met uw provider over de mogelijkheden en het gebruik van een dubbele simkaart.
IMEI-nummer
Om de telefoon te blokkeren moet u het IMEInummer van de telefoon aan uw provider doorgeven. Dit nummer is een serienummer
bestaande uit 15 cijfers dat in de telefoon
geprogrammeerd is. Toets *#06# op uw telefoon in om het nummer op het display te zien.
Noteer het nummer en bewaar het op een veilige plaats.
.
1.
Bepaalde markten
237
Telefoon (optie)
238
Technische gegevens
Typeaanduidingen
Maten en gewichten
Motorspecificaties
Motorolie
Overige vloeistoffen en smeermiddelen
Brandstof
Katalysator
Elektrisch systeem
240
241
242
244
247
248
250
251
239
Technische gegevens
Typeaanduidingen
Wanneer u contact opneemt met uw Volvodealer of vervangende onderdelen of accessoires wilt bestellen, kan het handig zijn als u
de typeaanduiding, het chassisnummer en het
motornummer bij de hand hebt.
1.
2.
3.
Typeaanduiding, chassisnummer, maximaal toelaatbaar gewicht, kleurcodes
voor lak en bekleding en typegoedkeuringsnummer.
Sticker voor standverwarming.
Typeaanduiding van de motor, onderdeel- en serienummer
Motoroliesticker1 met de kwaliteit en
viscositeit van de te gebruiken olie.
5. Typeaanduiding en serienummer van de
versnellingsbak.
a: Handgeschakelde versnellingsbak.
b: Automatische versnellingsbak AW.
6. VIN (type- en modeljaaraanduiding alsmede chassisnummer)
De typegoedkeuring van de auto bevat meer
informatie over de auto.
4.
1.
240
Bepaalde motortypes
Technische gegevens
Maten en gewichten
Maten
Positie op afbeelding
A
B
C
D
E
F
G
H
I
Maten
Wielbasis
Lengte
Laadlengte, vloer,
achterbank neergeklapt
Laadlengte, vloer
Hoogte
Spoorbreedte vooras
Spoorbreedte achteras
Breedte
Breedte incl. buitenspiegels
mm
2755
4710
1726
1077
1465 (AWD: 1490/XC: 1562)
1551 (XC: 1611)
1548
1804 (XC: 1860)
2071 (XC: 2083)
241
Technische gegevens
Motorspecificaties
Typeaanduiding, onderdeel- en serienummer
van de motor vindt u op de motor (zie
pagina 240).
Gewichten
Bij het rijklaar gewicht zijn het gewicht van de
bestuurder, dat van de brandstoftank die voor
90 % gevuld is en dat van de resterende oliën/
vloeistoffen e.d. inbegrepen. Het gewicht van
de passagiers en de gemonteerde accessoires
zoals een trekhaak (en de kogeldruk daarvan bij
gebruik van een aanhanger (zie tabel)), lastdragers, skibox e.d. zijn van invloed op de laadcapaciteit en zijn niet inbegrepen bij het rijklaar
gewicht. Toelaatbare belasting (zonder bestuurder) = totaalgewicht – rijklaar gewicht.
WAARSCHUWING!
Afhankelijk van de belading van de auto en
het zwaartepunt van de lading treden er wijzigingen in de rijeigenschappen op.
1. Max. totaalgewicht
2. Max. treingewicht (auto + aanhanger)
3. Max. voorasdruk
4. Max. achterasdruk
Max. belasting: Zie typegoedkeuring.
Max. dakbelasting: 100 kg
Geremde aanhanger:
Max. aanhangergewicht:
0–1200 kg
Max.
kogeldruk:
50 kg
1201–1800 kg
75 kg
B5204T5 Automaat
1600 kg
75 kg
Ongeremde aanhanger:
Max. aanhangergewicht 750 kg
242
Technische gegevens
Motorspecificaties
Specificaties
Vermogen (kW bij omw/min)
(pk bij omw/min)
Motorkoppel (Nm bij omw/min)
Aantal cilinders
Cilinderboring (mm)
Slaglengte (mm)
Cilinderinhoud (liter)
Compressieverhouding
Motoraanduiding
2.4
B5244S2
Bi-Fuel (CNG)
B5244SG
2.4
B5244S
2.0T
B5204T5
2.5T
B5254T2
103/4500
140/4500
220/3300
5
83
90
2,44
10,3:1
103/5800
140/5800
192/4500
5
83
90
2,44
10,3:1
125/6000
170/6000
225/4500
5
83
90
2,44
10,3:1
132/5500
180/5500
240/1860–4980
5
81
77
1,98
9,5:1
154/5000
210/5000
320/1500–4500
5
83
93,2
2,52
9,0:1
T5
B5244T5
D5
D5244T4
191/5500
260/5500
350/2100–5000
5
81
93,2
2,40
8,5:1
136/4000
185/4000
400/2000–2750
5
81
93,2
2,40
17,3:1
Specificaties
Vermogen (kW bij omw/min)
(pk bij omw/min)
Motorkoppel (Nm bij omw/min)
Aantal cilinders
Cilinderboring (mm)
Slaglengte (mm)
Cilinderinhoud (liter)
Compressieverhouding
Motoraanduiding
2.4D
D5244T5
120/4000
163/4000
340/1750–2750
5
81
93,2
2,40
18,0:1
2.4D
D5244T7
92/4000
126/4000
300/1750–2250
5
81
93,2
2,40
17,3:1
243
Technische gegevens
Motorolie
Ongunstige rijomstandigheden
Controleer het oliepeil vaker bij lange ritten:
•
•
met een caravan of aanhanger achter de
auto
in bergachtig gebied
•
•
op hoge snelheden
bij temperaturen lager dan –30 °C of hoger
dan +40 °C.
• Doe dat ook bij korte ritten (over afstanden
kleiner dan 10 km) bij lage temperaturen
(onder 5 °C).
In dergelijke omstandigheden kunnen de olietemperatuur en het olieverbruik abnormaal toenemen.
Kies een volsynthetische motorolie bij ongunstige rijomstandigheden. Ze bieden de motor
extra bescherming.
Volvo adviseert olieproducten van Castrol.
244
WAARSCHUWING!
Om aan vereisten voor de gespecificeerde
service-intervallen te voldoen worden alle
motoren in de fabriek gevuld met een speciaal aangepaste, synthetische motorolie.
De oliesoort werd met grote zorg geselecteerd lettend op de levensduur van de motor,
de startgewilligheid, het brandstofverbruik
en de milieu-impact. Om de aanbevolen service-intervallen aan te kunnen houden dient
u een goedgekeurde motoroliesoort te
gebruiken. Gebruik alleen een oliesoort van
de voorgeschreven kwaliteit (zie sticker in
motorruimte) en dat zowel bij het bijvullen als
verversen van olie. Een negatieve invloed op
de levensduur van de motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieuimpact is anders niet uitgesloten. Volvo Car
Corporation wijst alle garantieclaims af bij
gebruik van een motorolie die niet voldoet
aan de voorgeschreven kwaliteits- en viscositeitseisen.
Viscositeitsdiagram
Technische gegevens
Motorolie
Wanneer de nevenstaande oliesticker in de
motorruimte zit (zie pagina 240 voor de positie),
geldt het volgende:
Oliekwaliteit: ACEA A3/B3/B4
Viscositeit: SAE 0W–30
Bij ritten onder ongunstige omstandigheden
ACEA A5/B5 SAE 0W-30 gebruiken.
Oliesticker
Hoeveelheden
Motortype
Bi-Fuel
B5244SG
Bij te vullen hoeveelheid tussen
MIN–MAX (liter)
1,2
Hoeveelheid 1
(liter)
5,8
1. Inclusief hoeveelheid in filter
245
Technische gegevens
Motorolie
Wanneer de nevenstaande oliesticker in de
motorruimte zit (zie pagina 240 voor de positie),
geldt het volgende:
Oliekwaliteit: ACEA A5/B5
Viscositeit: SAE 0W–30
Oliesticker
Hoeveelheden
Motortype
2.0T
B5204T5
2.4
B5244S
T5
B5244T5
2.5T
B5254T2
Hoeveelheid1
(liter)
Bij te vullen hoeveelheid tussen
MIN–MAX (liter)
1,2
5,5
2,0
6,2
B5244S2
D5
D5244T4
D
D5244T5
D5244T7
1. Inclusief hoeveelheid in filter
246
Technische gegevens
Overige vloeistoffen en smeermiddelen
BELANGRIJK!
Om schade aan de versnellingsbak te voorkomen moet u de aanbevolen kwaliteit versnellingsbakolie gebruiken en geen verschillende merken met
elkaar vermengen. Neem contact op met de dichtstbijzijnde erkende Volvo-werkplaats voor service, als er een andere oliesoort werd gebruikt.
Vloeistof
Versnellingsbakolie
Koelvloeistof
Systeem
Handgeschakelde vijfversnellingsbak
(M56/M58)
Handgeschakelde zesversnellingsbak (M66)
Automatische versnellingsbak (AW55-50,
AW55-51)
Automatische versnellingsbak (TF-80SC)
Benzinemotor zonder turbo
Benzinemotor met turbo
Dieselolie
Hoeveelheid
2,1 liter
Versnellingsbakolie: MTF 97309
2,0 liter
7,2 liter
Versnellingsbakolie: JWS 3309
7,0 liter
9,5 liter
10,0 liter
12,5 liter
Airconditioning
Remvloeistof
Stuurbekrachtiging
Ruitensproeiervloeistof
Aanbevolen kwaliteit:
Koelvloeistof met corrosiewerende dope aangelengd
met water (zie verpakking). Thermostaat opent bij:
benzinemotoren, 90 ºC, dieselmotoren 82 ºC.
Olie: PAG
Systeem:
waarvan reservoir
zonder hogedruksproeiers
met hogedruksproeiers
0,6 liter
0,9 liter
0,2 liter
4,5 liter
6,4 liter
Koudemiddel R134a (HFC134a)1
DOT 4+
Stuurbekrachtigingsvloeistof: WSS M2C204-A of
een soortgelijk product met dezelfde specificaties.
Bij vorst wordt u geadviseerd een door Volvo aanbevolen antivries aangelengd met water te gebruiken.
1. Het gewicht hangt af van het motortype. Neem contact op met een erkende Volvo-werkplaats voor de juiste gegevens.
N.B. Onder normale rijomstandigheden hoeft
de versnellingsbakolie niet te worden ververst
zolang de versnellingsbak meegaat. Onder
ongunstige rijomstandigheden moet de olie
mogelijk wel worden ververst (zie pagina 244).
247
Technische gegevens
Brandstof
Brandstofverbruik en emissie
Motor
2.4
B5244S2
Bi-Fuel
B5244SG
2.4
B5244S
2.0T
B5204T5
B5254T2
2.5T
AWD
XC70
T5
B5244T5
D5
D5244T4
D5
AWD
D5
XC70
D5244T4
D5244T4
2.4D
D5244T5
D
D5244T7
248
Versnellingsbak
Handgeschakelde vijfversnellingsbak (M56)
Automatische versnellingsbak (AW55-51)
Handgeschakelde vijfversnellingsbak (M56)
Automatische versnellingsbak (AW55-51)
Handgeschakelde vijfversnellingsbak (M56)
Automatische versnellingsbak (AW55-51)
Handgeschakelde vijfversnellingsbak (M56)
Automatische versnellingsbak (AW55-51)
Handgeschakelde vijfversnellingsbak (M56)
Automatische versnellingsbak (AW55-51)
Handgeschakelde vijfversnellingsbak (M58)
Automatische versnellingsbak (AW55-51)
Handgeschakelde vijfversnellingsbak (M58)
Automatische versnellingsbak (AW55-51)
Handgeschakelde zesversnellingsbak (M66)
Automatische versnellingsbak (AW55-51)
Automatische versnellingsbak (TF-80SC)
Handgeschakelde zesversnellingsbak (M66)
Automatische versnellingsbak (TF-80SC)
Handgeschakelde zesversnellingsbak (M66)
Automatische versnellingsbak (TF-80SC)
Handgeschakelde zesversnellingsbak (M66)
Automatische versnellingsbak (TF-80SC)
Handgeschakelde zesversnellingsbak (M66)
Handgeschakelde vijfversnellingsbak (M56)
Handgeschakelde vijfversnellingsbak (M56)
liter/100 km
9,0
9,7
9,0
10,0
9,2
9,8
9,1
9,9
9,2
10,1
9,9
10,6
10,2
11,1
9,5
10,0
7,9
6,8
8,3
7,3
8,5
7,6
7,9
6,8
6,6
6,5
(CO2) g/km
214
231
215
240
220
234
217
237
219
241
237
255
244
266
226
239
209
179
219
194
224
201
209
179
174
172
Tankinhoud
in liter
70
30
70
70
70
72
72
70
70
68
68
70
Technische gegevens
Brandstof
Brandstofverbruik en uitstoot van
kooldioxide
De officiële brandstofverbruikscijfers zijn gebaseerd op een gestandaardiseerde rijcyclus conform EU-richtlijn 80/1268 voor voertuigen met
verbrandingsmotoren. Het gebruik van extra
accessoires kan de verbruikscijfers beïnvloeden, omdat de accessoires het gewicht van de
auto verhogen. Ook de rijstijl en andere niettechnische factoren kunnen van invloed zijn op
het brandstofverbruik. Bij gebruik van brandstof
met een octaangetal van 91 (RON), neemt het
brandstofverbruik toe terwijl het motorvermogen
lager wordt.
N.B. Bij extreme weersomstandigheden,
gebruik van een aanhanger of ritten op grote
hoogte kan, afhankelijk van de gebruikte brandstofkwaliteit, het prestatievermogen van de auto
te wensen overlaten.
Benzine
Dieselolie
De meeste motoren lopen op benzine met een
octaangetal van 91, 95 en 98 (RON).
Het brandstofsysteem van een dieselmotor is
gevoelig voor verontreinigingen (zie
pagina 180).
91 (RON) mag u niet gebruiken voor 4 cilindermotoren en slechts bij hoge uitzondering
voor de overige motortypes.
• 95 (RON) is te gebruiken in de normale
rijomstandigheden.
• 98 (RON) wordt geadviseerd voor maximale
prestaties tegen een minimaal brandstofverbruik.
Voor ritten bij temperaturen hoger dan +38 ºC
wordt u geadviseerd een brandstofsoort met
een zo hoog mogelijk octaangetal te gebruiken.
Dit om optimale prestaties en een zo laag mogelijk brandstofverbruik te verkrijgen.
•
Benzine:
Norm NEN-EN 228
BELANGRIJK!
Tank alleen loodvrije benzine om schade aan
te katalysator te voorkomen.
Giet geen alcohol bij de benzine, omdat het
brandstofsysteem daardoor schade kan
oplopen en de Volvo-garantie vervalt.
249
Technische gegevens
Katalysator
Een zuurstofsensor registreert het zuurstofgehalte van de uitlaatgassen die de motor verlaten.
De meetwaarde van de uitlaatgasanalyse wordt
doorgegeven aan het elektronische systeem dat
continu de injectoren afregelt. Het lucht-brandstofmengsel dat de motor krijgt, wordt continu
bijgesteld. De regeling schept de ideale
omstandigheden voor een effectieve verbranding van de schadelijke stoffen (koolwaterstoffen, koolmonoxide en stikstofoxiden) in de
driewegkatalysator.
Algemene informatie
De katalysator heeft tot taak de uitlaatgassen te
reinigen. De katalysator is dicht bij de motor in
het uitlaatsysteem gemonteerd om snel op temperatuur te komen.
De katalysator bestaat uit een monoliet (keramiek of metaal) met kanalen. De wanden van de
kanalen zijn bekleed met platina/rodium/palladium. De metalen hebben een katalytische werking, d.w.z. ze versnellen een chemische reactie
zonder dat ze daar zelf actief aan deelnemen.
LambdasondeTM (zuurstofsensor)
De lambdasonde maakt deel uit van het regelsysteem dat tot taak heeft de uitstoot te beperken en de energie-inhoud van de brandstof
beter te benutten.
250
Technische gegevens
Elektrisch systeem
Algemene informatie
Gloeilampen
12V-systeem met wisselstroomdynamo en
spanningsregelaar. Enkelpolig systeem waarbij
het chassis en het motorblok als geleiders dienen. De minpool is verbonden met het chassis.
Accuprestaties
Spanning
12 V
520 A
Koudestartcapaciteit (SAE)
12 V
600 A
12 V
8001 A
Reserveca- 100 min. 120 min. 150 min.
paciteit
(RC)
Capaciteit
(Ah)
60
70
90
1. Auto’s met een dieselmotor en standverwarming.
Let er bij het vervangen van de accu op, dat de
nieuwe accu dezelfde koudestartcapaciteit en
reservecapaciteit heeft als de originele accu (zie
sticker op de accu).
Verlichting
Groot licht
Dimlicht
Active Bi-Xenon
Bi-Xenon
Mistlampen vóór
Stadslichten vóór/
achterlichten,
parkeerlichten vóór,
zijmarkeringslichten
vóór, instapverlichting achter
Richtingaanwijzers
voor/achter
Remlichten, achteruitrijlichten
Mistachterlicht
Zijmarkeringslichten achter
Kentekenplaatverlichting, instapverlichting voor,
kofferbakverlichting
Make-upspiegel
Verlichting
dashboardkastje
Vermogen
Lampvoet
W
65
55
35
35
55
5
H9
H7
D1S
D1S
H1
W 2,1x9,5 d
21
BAU 15s
21
BA 15s
4
10
BAZ15d
BA 15s
5
SV8,5
1,2
3
SV5,5
BA9
251
Technische gegevens
252
Alfabetisch register
Alfabetisch register
A
A/C ....................................................................70
temperatuur ................................................70
Aanhangergewicht ...................................... 242
Aanrijdingssensoren ......................................21
Aansteker .........................................................45
ABL ........................................................... 46, 49
Accu ............................................177, 186, 251
Achterruit, elektrisch verwarmde ................47
Achteruitkijkspiegel ........................................61
kompas ......................................................61
Actief chassis ..................................................44
Active Bi-Xenon Lights, ABL .......................46
Adaptief systeem ........................................ 120
Afstandsbediening ...................................... 102
Afstandsbediening, batterij vervangen ... 104
Airbags (SRS) .................................................14
Airbagsysteem ................................................13
Alarm .............................................................. 109
Alarmlichten .....................................................46
Alarmsensoren ................................................45
Antislip ........................................................... 127
Audiofuncties, HU-450/650/850 ............ 207
Audiosysteem HU-450, overzicht ............ 204
Audiosysteem HU-650, overzicht ............ 205
Audiosysteem HU-850, overzicht ............ 206
Audiosysteem, technische gegevens ..... 224
Auto wassen ................................................. 170
AUTO, ECC .................................................... 72
Autodimfunctie ............................................... 61
Automatische vergrendeling .....................105
Automatische versnellingsbak ..................120
Automatische versnellingsbak, beveiligingssystemen .............................................120
B
Banden
aanbevolen bandenspanning .............157
bandenreparatie ....................................165
draairichting ...........................................156
maataanduiding .....................................154
rijeigenschappen ...................................154
slijtage-indicatoren ...............................155
snelheidsaanduidingen ........................154
Bekleding reinigen .......................................171
“Belangrijk”-kaders ...........................................2
Benzinekwaliteit ...........................................249
Bergen ...........................................................132
Bescherming van kinderen .......................... 25
Beslaande koplampglazen .........................170
Beslagen ruiten .............................................. 68
Beveiliging tegen overbelasting,
schuifdak ....................................................... 65
Blaasmonden .................................................. 69
BLIS, Blind Spot Information
System ................................................ 44, 149
Boordcomputer ..............................................53
Brandstof
brandstoffilter ........................................ 180
Brandstofsysteem ....................................... 180
Brandstofverbruik, actueel ...........................53
Brandstofverbruik, laag .............................. 157
Buitenspiegels ........................................ 45, 63
elektrische verwarming ..........................47
C
Cd-speler, HU-650 ..................................... 220
Cd-wisselaar, externe ................................. 222
Condens aan binnenkant lampglas ......... 170
Condensatie ....................................................68
Condenswater ............................................. 180
Contactsleutel .............................................. 118
Controlelampje ............................................ 110
Controlelampjes .............................................39
Cruisecontrol ...................................................54
D
Dashboardkastje ..................................87, 106
Dieselfilter ..................................................... 180
Dimlicht ...................................................48, 189
Doorwaaddiepte .......................................... 114
DSTC ......................................................44, 127
DSTC, deactiveren/activeren ................... 127
253
Alfabetisch register
DSTC, zie ook Stabiliteitssysteem .......... 127
H
ECC .......................................................... 68, 72
luchtverdeling ............................................73
Elektrisch bedienbare stoel .........................81
Elektrisch bedienbare zijruiten ....................59
Elektrisch systeem ...................................... 251
Elektrisch verwarmde buitenspiegels ........71
Elektrisch verwarmde voorstoelen ..... 70, 73
Elektrische aansluiting achterin ..................57
Elektrische achterruitverwarming ...............71
Elektronische startblokkering ................... 102
Handmatige klimaatregeling met airconditioning, A/C .................................................. 70
Handrem ................................................... 40, 56
Handset .........................................................229
HU-450, cassettedeck ...............................219
HU-450, overzicht .......................................204
HU-450, radiofuncties ................................212
HU-650, overzicht .......................................205
HU-650/850, radiofuncties .......................213
HU-850, interne cd-wisselaar ...................221
HU-850, overzicht .......................................206
Hulpverwarming ............................................. 77
F
I
Follow-Me-Home-verlichting ........................50
Functies afstandsbediening ...................... 103
IMEI-nummer .................................................237
In de was zetten en poetsen .....................172
Informatiedisplay ............................................ 42
Instapverlichting ...........................................194
Instrumentenoverzicht
auto met het stuur links ......................... 34
auto met het stuur rechts ...................... 36
Instrumentenpaneel ....................................... 38
Interieur ............................................................ 79
Interior Air Quality System, ECC ............... 74
E
G
Geheugenfunctie van stoel ..........................81
Geïntegreerd kinderzitje ...............................30
Gevarendriehoek ......................................... 160
Gewicht ......................................................... 241
Gloeilamp kentekenplaatverlichting ........ 194
Gloeilampen ................................................. 251
Gordelwaarschuwing ....................................12
Groot licht ..................................................... 190
aan/uit ........................................................48
Groot licht, wisselen, grootlichtsignalen ...50
254
K
Katalysator .....................................................250
Keuzehendelblokkering ..............................120
Kickdown ...................................................... 122
Kinderen en veiligheid ...................................25
Kinderslot ...................................................... 108
Kinderzitje ........................................................27
Kinderzitje, monteren ............................. 27, 31
Kinderzitjes en SIPS-airbags .......................19
Kleurcode, lak .............................................. 173
Klimaatregeling ...............................................68
Klokje ................................................................38
Knipperlichten .................................................50
Kompas ............................................................61
Kooldioxide ................................................... 249
Koplampen ................................................... 189
aan/uit ........................................................48
ABL .............................................................49
Koplampsproeiers ..........................................52
Koude start ................................................... 120
Koudemiddel ...................................................68
L
Lading op het dak ....................................... 141
Lak, kleurcode .............................................. 173
Lambdasonde .............................................. 250
Lamp
condens .................................................. 170
Lampjes, waarschuwings- en controle- .....39
Lastdragers .................................................. 141
Leren bekleding, reinigingsvoorschriften 171
Lichtbundel ................................................... 144
Lichtsignaal ......................................................50
Alfabetisch register
Lock-Up-functie ........................................... 120
Lopende gesprekken, functies ................. 230
Luchtverdeling, A/C .......................................71
Opbergmogelijkheden in
passagiersruimte ......................................... 84
Opblaasgordijn .............................................. 21
M
P
Make-upspiegel ........................................... 194
Maten ............................................................. 241
Meldingen, display .........................................42
Milieubeleid ....................................................... 3
Mistlichten ..................................................... 192
aan/uit ........................................................49
Motorafslag ................................................... 114
Motorkap ....................................................... 179
Motorolie ............................................. 181, 245
Motoroliesticker ........................................... 240
Motorruimte .................................................. 179
Motorspecificaties ....................................... 243
PACOS, deactivering passagiersairbag .. 17
Park Assist ...................................................... 45
Parkeerlichten ....................................... 48, 190
Parkeerrem ............................................... 40, 56
Parkeren .........................................................130
PI zoeken .......................................................214
Plaats van kinderen in de auto .................... 27
Poetsen en in de was zetten .....................172
Provisorische bandenreparatie .................165
N
“N.B.”-teksten ................................................... 2
Nieuwe auto’s en gladde wegen ............. 114
O
Oliefilter ......................................................... 181
Oliekwaliteit .................................................. 245
Onderhoudsprogramma ............................ 176
Ontgrendelen ............................................... 105
Ontwaseming ..................................................73
R
Radio, zenders zoeken ...............................211
Radiofuncties ................................................211
Radiozenders opslaan ......................212, 213
Recirculatie, A/C ............................................ 71
Recirculatie, ECC .......................................... 73
Regensensor .................................................. 51
Relais- en zekeringenkastje .......................196
Remsysteem, ABS ......................................124
Richtingaanwijzers ............................... 50, 191
Rijden
in waterpartijen ......................................114
Rijden met lading op het dak ....................141
Rijden tijdens de winter ..............................117
Rijklaar gewicht ............................................242
Roestwering ................................................. 174
Roetfilter ........................................................ 117
Roetfilter vol ................................................. 117
Ruitensproeiers ...................................... 51, 52
Ruitensproeiervloeistof .............................. 183
Ruitenwissers ..................................................51
S
Safelock-functie ....................................45, 107
Schakelaar, PACOS, deactivering
passagiersairbag .........................................18
Schakelaars op middenconsole .................44
Schakelstanden, zesversnellingsbak ...... 119
Schoon aan binnen- en buitenkant .............. 3
Schuifdak .........................................................64
Simkaart ........................................................ 228
dubbele .................................................... 237
SIPS-airbags ...................................................19
SIPS-airbagsysteem ......................................20
Sleepoog ...................................................... 132
Slepen ........................................................... 132
Sleutels .......................................................... 102
Smeermiddelen ........................................... 247
Spiegel
achteruitkijk- .............................................61
Spin control .................................................. 127
SRS, schakelaar .............................................18
SRS-systeem ..................................................15
Stabiliteits- en tractieregelsysteem ......... 127
Stabiliteitssysteem ..................... 44, 127, 128
255
Alfabetisch register
Stadslichten voor ........................................ 190
Stadslichten/parkeerlichten vóór en
achterlichten .................................................48
Stand-by, telefoon ....................................... 228
Standverwarming ...........................................76
Standverwarming, accu en brandstof .......77
Startblokkering ................................... 102, 118
Starten met hulpaccu ................................. 134
STC .........................................................44, 127
Stoel
elektrisch bedienbaar .............................81
geheugenfunctie ......................................81
sleutelgeheugen bestuurdersstoel ......81
Stoel, elektrisch bedienbare ........................81
Stoel, zithouding .............................................80
Stuurslot ........................................................ 118
Stuurwielafstelling ..........................................58
T
Tanken ........................................................... 116
Telefoon, stand-by ...................................... 228
Telefoon, volume ......................................... 231
Temperatuur, ECC .........................................72
Totaalgewicht ............................................... 242
Tractie ............................................................ 127
Tractieregeling ............................................. 127
Trekhaak ........................................................ 137
V
Veiligheidsgordels ..........................................10
256
Veiligheidsgordels schoonmaken ............172
Ventilator
A/C ............................................................. 71
ECC ........................................................... 72
Vergrendelen ................................................105
Verkort kiezen ...............................................230
Verlichting .....................................................188
Active Bi-Xenon Lights ................... 46, 49
automatisch .............................................. 48
dimlicht ...................................................... 48
exterieur .................................................... 48
instrumentenverlichting ......................... 49
koplamphoogteregeling ........................ 48
lichtbundel aanpassen aan
links-/rechtshoudend verkeer, ABL .... 46
mistachterlicht ......................................... 49
mistlichten ................................................ 49
stadslichten/parkeerlichten
vóór en achterlichten ............................. 48
verlichtingspaneel ................................... 48
Verstralers ....................................................... 45
Verwijderen, kogelsegment .......................140
Verzorging, leren bekleding .......................171
Viscositeit ......................................................245
Vlekken ...........................................................171
Vloermatten ..................................................... 87
Voertuiggegevens .......................................176
Volvo Car Corporation en het milieu ............3
Voorstoel, rugleuning omklappen .............. 80
Voorstoelen, elektrisch verwarmde ........... 47
“Voorzichtig”-teksten .......................................2
W
Waarschuwingskaders ................................... 2
Waarschuwingslampje
stabiliteits- en tractieregelsysteem ... 127
Waarschuwingslampjes ...............................39
Waarschuwingsteksten .................................. 2
Water
stromend ................................................ 114
Whiplash-letsel ...............................................22
WHIPS-systeem .............................................22
WHIPS-systeem en kinderzitjes .................22
Wielen
demonteren ........................................... 163
monteren ................................................ 164
vervangen ............................................... 163
Winterbanden .............................................. 155
Z
Zekeringen .................................................... 195
Zijmarkeringslicht ........................................ 192
Zonnescherm, schuifdak ..............................65
Zuinig rijden .................................................. 114
Zwangere vrouwen ........................................11
Volvo Car Corporation TP 9516 (Dutch), AT 0720, Printed in Sweden, Göteborg 2007, Copyright © 2000-2007 Volvo Car Corporation
Was this manual useful for you? yes no
Thank you for your participation!

* Your assessment is very important for improving the work of artificial intelligence, which forms the content of this project

Download PDF

advertisement