Volvo | V70 | Gebruikershandleiding | Volvo V70 2009 Gebruikershandleiding

Volvo V70 2009 Gebruikershandleiding
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:17:39+01:00; Page 1
VOLVO V70 & XC70
Instructieboekje
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
BESTE VOLVO-BEZITTER,
DANK U DAT U GEKOZEN HEBT VOOR VOLVO!
Wij hopen dat u jarenlang rijplezier van uw Volvo zult hebben.
Bij het ontwerp hebben veiligheid en comfort van u en uw passagiers vooropgestaan. Een Volvo is een van de veiligste auto’s
ter wereld. Uw Volvo is ook ontworpen om aan alle geldende
veiligheidsvoorschriften en milieueisen te voldoen.
Om nog meer plezier van uw auto te hebben, raden wij u aan
om vertrouwd te raken met de uitrusting, de instructies en de
onderhoudsinformatie in dit instructieboekje.
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 1
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 2
Inhoud
00 Inleiding
01 Veiligheid
Belangrijke informatie................................. 6
Volvo en het milieu...................................... 9
Veiligheidsgordels ....................................
Airbagsysteem (SRS)................................
Airbag activeren/deactiveren*...................
SIPS-airbags (zij-airbags) ........................
Opblaasgordijnen (IC-systeem) ...............
WHIPS ......................................................
Activering van de veiligheidssystemen ....
Safety mode..............................................
Kinderen en veiligheid...............................
02 Sloten en alarm
14
17
20
22
24
25
27
28
29
Transpondersleutel/sleutelblad.................
Privacy locking*.........................................
Batterij vervangen transpondersleutel/
PCC*.........................................................
Keyless drive*............................................
Vergrendelen/ontgrendelen......................
Kinderslot..................................................
Alarm*........................................................
00 01 02
2
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
40
45
47
49
52
57
58
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 3
Inhoud
03 Bestuurdersmilieu
04 Comfort en rijplezier
Instrumenten, schakelaars en bediening. . 64
Sleutelstanden.......................................... 73
Stoelen en achterbank.............................. 75
Stuurwiel................................................... 79
Verlichting................................................. 80
Wissers en -sproeiers............................... 89
Ruiten en spiegels..................................... 92
Elektrisch bedienbaar schuifdak*.............. 96
Motor starten............................................ 98
Motor starten, FlexiFuel.......................... 100
Motor starten, hulpaccu.......................... 102
Versnellingsbakken................................. 103
Vierwielaandrijving, AWD (All Wheel
Drive)*...................................................... 107
Bedrijfsrem.............................................. 108
Afdalingsregeling, HDC (Hill Descent Control).......................................................... 110
Parkeerrem.............................................. 112
Menu- en meldingsfuncties....................
Klimaatregeling.......................................
Motor- en interieurverwarming op brandstof*.........................................................
Extra verwarming op brandstof*.............
Audiosysteem.........................................
RSE-systeem (Rear Seat Entertainment)
met twee beeldschermen* .....................
Boordcomputer.......................................
Kompas*.................................................
Stabiliteits- en tractieregelsysteem,
DSTC.......................................................
Rijeigenschappen aanpassen.................
ACC gedeactiveerd*...............................
Adaptieve cruisecontrol*.........................
Afstandscontrole.....................................
Botswaarschuwing met automatische
rem*.........................................................
Driver Alert System – DAC*.....................
Driver Alert System (LDW)*.....................
Park Assist*.............................................
BLIS*, Blind Spot Information System....
Interieurcomfort......................................
Bluetooth handsfree*..............................
Geïntegreerde telefoon*..........................
05 Tijdens het rijden
120
125
133
136
137
Rijadviezen..............................................
Tanken....................................................
Brandstof................................................
Lading vervoeren....................................
Bagageruimte..........................................
Gevarendriehoek*...................................
Rijden met een aanhanger......................
Slepen en bergen....................................
03 04 05
HomeLinkŸ EU*....................................... 115
149
154
156
208
210
211
215
218
223
224
229
157
159
160
162
169
172
178
181
184
187
191
195
200
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
3
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 4
Inhoud
06 Onderhoud en specificaties
07 Alfabetisch register
Motorruimte............................................
Gloeilampen............................................
Wisserbladen en ruitensproeiervloeistof.
Accu........................................................
Zekeringen..............................................
Wielen en banden...................................
Verzorging...............................................
Type-aanduidingen.................................
Specificaties............................................
Typegoedkeuring....................................
Alfabetisch register................................. 298
234
240
247
249
252
260
275
280
282
297
06 07
4
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 5
Inhoud
5
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 6
Inleiding
Belangrijke informatie
Instructieboekje lezen
Inleiding
Een goede manier om vertrouwd te raken met
uw nieuwe auto is om het instructieboekje te
lezen, idealiter voordat u uw eerste rit maakt.
Zo maakt u kennis met nieuwe functies, krijgt
u tips hoe u het beste in verschillende situaties
met de auto kunt omgaan en leert u hoe u optimaal gebruik kunt maken van alle mogelijkheden die uw auto biedt. Besteed ook aandacht
aan de veiligheidsinstructies in het boekje.
De in het instructieboekje beschreven uitrusting is niet op alle auto’s aanwezig. Als aanvulling op de standaarduitrusting worden in dit
instructieboekje ook de opties (van fabriekswege gemonteerde uitrusting) en bepaalde
accessoires (ingebouwde extra uitrusting)
beschreven. Neem contact op met de erkende
Volvo-dealer voor informatie over wat tot de
standaarduitrusting behoort en wat tot de
opties/accessoires.
De uitrusting van de auto’s van Volvo hangt af
van de verschillende behoeften op de diverse
markten en de landelijke en/of regionale weten regelgeving.
De specificaties, constructiegegevens en
afbeeldingen in dit instructieboekje zijn niet
bindend. We behouden ons het recht voor om
6
zonder voorafgaande mededeling wijzigingen
aan te brengen.
© Volvo Car Corporation
Optie
Alle soorten opties staan aangegeven met een
sterretje
in het instructieboekje.
Het aanbod aan opties kan voor alle auto’s gelden, maar soms alleen voor bepaalde uitvoeringen en/of bepaalde markten. De meeste
opties worden in de fabriek gemonteerd en
kunnen niet achteraf worden ingebouwd.
Accessoires worden achteraf ingebouwd.
Neem voor meer informatie contact op met uw
erkende Volvo-werkplaats.
Speciale teksten
WAARSCHUWING
Teksten met het kopje WAARSCHUWING
geven aan dat er gevaar voor letsel bestaat.
BELANGRIJK
Teksten met het kopje BELANGRIJK geven
aan dat er gevaar voor materiële schade
bestaat.
N.B.
Teksten met het kopje N.B. duiden op tips
en adviezen die het gebruik van bepaalde
mogelijkheden en functies vergemakkelijken.
Voetnoot
In het instructieboekje komt informatie voor in
de vorm van een voetnoot onder aan de
pagina. Deze informatie vormt een aanvulling
op de tekst waar het nummer van de voetnoot
naar verwijst. Als de voetnoot naar tekst in een
tabel verwijst, worden letters gebruikt in plaats
van cijfers.
Displaymeldingen
In de auto zijn displays aanwezig waarop meldingen kunnen worden weergegeven. Deze
displaymeldingen worden in het instructieboekje in iets groter formaat en in het grijs
weergegeven. Voorbeelden daarvan vindt u in
de menuteksten en displaymeldingen van het
informatiedisplay (bijvoorbeeld Audioinstellingen).
Stickers
Er zitten verschillende soorten stickers in de
auto om belangrijke informatie op een simpele
en duidelijke manier over te dragen. De stickers
in de auto zijn van de onderstaande aflopende
waarschuwings-/informatiegraad.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 7
Inleiding
Belangrijke informatie
Gevaar voor lichamelijk letsel
Gevaar voor materiële schade.
G031596
Zwarte ISO-symbolen in een oranje waarschuwingsveld, witte tekst/afbeelding in een zwart
tekstveld. Worden gebruikt om te attenderen
op een risico dat, bij het negeren van de waarschuwing, kan resulteren in ernstig letsel met
mogelijk dodelijke afloop.
Informatie
G031597
Witte ISO-symbolen en een witte tekst/afbeelding in een zwart of blauw waarschuwings- en
tekstveld. Worden gebruikt om te attenderen
op een risico dat, bij het negeren van de waarschuwing, kan resulteren in materiële schade.
G031600
Witte ISO-symbolen en een witte tekst/afbeelding in een zwart tekstveld.
Procedurelijsten
Procedures met handelingen die in een
bepaalde volgorde moeten worden uitgevoerd,
staan genummerd in het instructieboekje.
7
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 8
Inleiding
Belangrijke informatie
Wanneer er een reeks afbeeldingen bij een
stapsgewijze instructie bestaat, zijn de verschillende stappen van de instructie op
dezelfde manier genummerd als de bijbehorende afbeeldingen.
•
•
Zie ommezijde
`` Dit symbool staat rechts onderaan wanneer
kan echter op last van de nationale wetgeving
gedwongen worden om bepaalde informatie te
verstrekken. Voor het overige geldt dat alleen
Volvo Car Corporation de informatie kan uitlezen en gebruiken.
Als voor de instructies bij een reeks afbeeldingen de onderlinge volgorde niet relevant is, worden de instructies voorafgegaan door letters.
een hoofdstuk wordt voortgezet op de volgende pagina.
Accessoires en opties
Er komen genummerde en ongenummerde
pijlen voor. Ze worden gebruikt om een
bepaalde beweging weer te geven.
Wanneer er geen reeks afbeeldingen bij een
stapsgewijze instructie bestaat, zijn de verschillende stappen op de standaardmanier
genummerd met normale cijfers.
Positielijsten
Op overzichtsfiguren die de positie van
onderdelen aangeven worden rode cirkels
met daarin een cijfer gebruikt. Hetzelfde
cijfer wordt gehanteerd in de positielijst bij
de afbeelding, met een beschrijving van de
weergegeven objecten.
Opsommingslijsten
Bij opsommingen in het instructieboekje wordt
gebruik gemaakt van een opsommingslijst.
Bijvoorbeeld:
8
`
Koelvloeistof
Motorolie
`
Vastlegging van gegevens
Er kunnen een of meer computers in uw Volvo
zitten die gedetailleerde informatie kunnen
vastleggen. Deze informatie is bestemd voor
onderzoek ter verbetering van de veiligheid en
voor het opsporen van storingen in bepaalde
autosystemen. De informatie kan gegevens
bevatten over zaken als het gebruik van de veiligheidsgordel door de bestuurder en de passagier(s), gegevens over de werking van verschillende autosystemen en -modulen en
informatie over de status van de motor, gasklep, besturing, remmen en andere systemen.
De informatie kan tevens gegevens bevatten
over de rijstijl van de bestuurder. Dit met inbegrip van (maar niet beperkt tot) de rijsnelheid,
het gebruik van het rem- of gaspedaal en de
stuuruitslag. De laatstgenoemde informatie
kan voor een begrensde tijd tijdens het rijden,
tijdens een aanrijding of bij een bijna-ongeluk
worden vastgelegd. Volvo Car Corporation zal
de vastgelegde informatie niet zonder uw toestemming vrijgeven. Volvo Car Corporation
Een verkeerde aansluiting en montage van
accessoires kan een nadelige invloed hebben
op de werking van de elektronische systemen
van de auto. Bepaalde accessoires werken
alleen, wanneer de bijbehorende software in de
computersystemen van de auto wordt geladen. Neem daarom altijd contact op met een
erkende Volvo-werkplaats, voordat u accessoires monteert die in verbinding staan met of
van invloed zijn op het elektrische systeem.
Informatie op internet
Op www.volvocars.com vindt u meer informatie over uw auto.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 9
Inleiding
Volvo en het milieu
G000000
Milieubeleid van Volvo Car Corporation
Zorg voor het milieu is een van de kernwaarden
van Volvo Car Corporation die van invloed zijn
op alle activiteiten. We zijn ervan overtuigd dat
onze klanten onze zorg voor het milieu delen.
Uw Volvo voldoet aan strenge internationale
milieueisen en is bovendien geproduceerd in
een fabriek die zeer schoon is en efficiënt met
hulpbronnen omgaat. Volvo Car Corporation is
gecertificeerd volgens de milieunorm ISO
14001 voor alle fabrieken en de meeste andere
eenheden. We eisen bovendien van onze
samenwerkingspartners dat ze systematisch
aan milieuzorg doen.
Alle Volvo-modellen gaan vergezeld van een
milieuverklaring (EPI of Environmental Product
Information). Daarin staat de impact aangegeven die de auto gedurende zijn hele levenscyclus op het milieu heeft.
U als bestuurder kunt uw steentje bijdragen
aan een verlaging van het brandstofverbruik.
Lees voor meer informatie de tekst onder het
kopje Spaar het milieu.
Lees meer op: www.volvocars.com/EPI.
Uw Volvo is gebouwd volgens het concept
“Schoon aan binnen- en buitenkant” – een
concept dat een schone passagiersruimte
combineert met een uitermate efficiënte uitlaatgasreiniging. In veel gevallen liggen uitlaatgasemissies ver onder de geldende normen.
Brandstofverbruik
De auto’s van Volvo zijn concurrerend in hun
klasse wat het brandstofverbruik betreft. Een
lager brandstofverbruik levert over het algemeen een geringere uitstoot van het broeikasgas kooldioxide op.
Efficiënte uitlaatgasreiniging
9
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 10
Inleiding
Volvo en het milieu
Schone lucht in passagiersruimte
Het interieurfilter zorgt dat stofdeeltjes en pollen niet via de luchtinlaatopening in de passagiersruimte kunnen dringen.
Een geavanceerd luchtreinigingssysteem,
IAQS* (Interior Air Quality System), zorgt ervoor
dat de lucht die de passagiersruimte binnenkomt schoner is dan de lucht buiten in het
verkeer.
Het systeem bestaat uit een elektronische sensor en een koolstoffilter. De binnenkomende
lucht wordt continu gecontroleerd en als het
gehalte aan bepaalde schadelijke gassen zoals
koolmonoxide te hoog oploopt, wordt de luchtinlaat gesloten. Iets dergelijks kan zich voordoen in bijvoorbeeld druk verkeer, files of
tunnels.
Het koolstoffilter zorgt ervoor dat stikstofoxiden, laaghangend ozon en koolwaterstoffen
niet binnendringen.
Textielnorm
Het interieur van een Volvo werd dusdanig
vormgegeven dat het gerieflijk en comfortabel
is – ook voor mensen met contactallergieën of
astma. Er is extra veel aandacht besteed aan
de selectie van milieuvriendelijke materialen.
Ze voldoen dan ook aan de eisen van de norm
1
10
Meer informatie staat op www.oekotex.com
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Öko-Tex 100 1 – een enorme stap op weg naar
een gezonder milieu in de passagiersruimte.
en de auto te (laten) onderhouden aan de hand
van de aanwijzingen in het instructieboekje.
Het Öko-Tex-label stelt regels aan bijvoorbeeld de veiligheidsgordels, de vloerbekleding
en de gebruikte stoffen. De leren bekledingsvarianten zijn chroomvrij gelooid met plantaardige stoffen en voldoen aan de gestelde
certificeringseisen.
Hieronder volgen enkele tips voor hoe u het
milieu kunt ontzien (zie pagina’s 274, 208 voor
meer tips om het milieu te ontzien en zuinig te
rijden):
Erkende Volvo-werkplaatsen en het
milieu
Met regelmatig onderhoud kunt u de voorwaarden scheppen voor een lange levensduur en
een laag brandstofverbruik. Op die manier
draagt u bij aan een schoner milieu. Wanneer
u de reparaties en het onderhoud aan de auto
toevertrouwt aan de werkplaatsen van Volvo,
wordt de auto een onderdeel van ons systeem.
We stellen duidelijke milieu-eisen aan de outillage van onze werkplaatsen om te voorkomen
dat er schadelijke stoffen vrijkomen in het
milieu. Het personeel in de werkplaatsen van
Volvo beschikt over de kennis en het gereedschap om optimale zorg voor het milieu te kunnen garanderen.
Spaar het milieu
U kunt eenvoudig meehelpen het milieu te
beschermen door bijvoorbeeld zuinig te rijden
•
Verlaag het brandstofverbruik door de
zogeheten ECO-bandenspanning aan te
houden (zie pagina 274).
•
Lading op het dak en een skibox resulteren
in een grotere luchtweerstand waardoor
het brandstofverbruik toeneemt. Verwijder
ze daarom meteen na gebruik.
•
Laat spullen niet onnodig in de auto liggen.
Hoe groter de belasting van de auto, des
te hoger het brandstofverbruik.
•
Gebruik vóór een koude start altijd de
motorverwarming, als de auto hiermee is
uitgerust. Hierdoor nemen het brandstofverbruik en de uitstoot af.
•
•
Rijd rustig en vermijd krachtig remmen.
•
•
Rem af op de motor.
Rijd in de hoogst mogelijke versnelling.
Een lager toerental zorgt voor een lager
verbruik.
Voorkom stationair draaien. Houd u aan de
plaatselijke voorschriften. Zet de motor af
wanneer u langere tijd stilstaat.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 11
Inleiding
Volvo en het milieu
•
Hanteer afvalstoffen die schadelijk voor
het milieu zijn, zoals accu’s en olie, op een
milieuvriendelijke manier. Neem contact
op met een erkende Volvo-werkplaats, als
u niet zeker weet hoe u dergelijk afval moet
verwerken.
•
•
Onderhoud uw auto regelmatig.
Bij hoge snelheden neemt het verbruik
aanzienlijk toe vanwege de grotere luchtweerstand. Bij een verdubbeling van de
snelheid neemt de luchtweerstand met een
factor vier toe.
Door deze tips op te volgen kan het brandstofverbruik worden verlaagd zonder dat dit van
invloed is op de reistijd of op het rijplezier. U
ontziet uw auto, bespaart geld en gebruikt minder van de hulpbronnen op aarde.
11
Veiligheidsgordels ..................................................................................
Airbagsysteem (SRS)..............................................................................
Airbag activeren/deactiveren*.................................................................
SIPS-airbags (zij-airbags) .......................................................................
Opblaasgordijnen (IC-systeem) ..............................................................
WHIPS ....................................................................................................
Activering van de veiligheidssystemen ..................................................
Safety mode............................................................................................
Kinderen en veiligheid.............................................................................
12
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 12
14
17
20
22
24
25
27
28
29
G020871
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 13
VEILIGHEID
01
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 14
01 Veiligheid
01
Veiligheidsgordels
Algemene informatie
Op de achterbank passen de borglippen van
de veiligheidsgordel alleen in de bijbehorende
sluitingen*.
Veiligheidsgordel losmaken
G020995
Druk op de rode knop van de sluiting en laat
het oprolmechanisme de veiligheidsgordel
naar binnen trekken. Als de veiligheidsgordel
niet volledig wordt opgerold, moet u de gordel
handmatig zo ver terugrollen dat deze niet langer slap hangt.
Remmen kan ernstige gevolgen hebben als de
veiligheidsgordel niet wordt gedragen. Let er
daarom op dat alle passagiers hun veiligheidsgordel omhebben.
Voor optimale bescherming van de veiligheidsgordel is het van belang dat de gordel goed
tegen het lichaam ligt. Laat de rugleuning niet
te ver achteroverhellen. De veiligheidsgordel
biedt de beste bescherming bij een normale
rijhouding.
Veiligheidsgordel omdoen
Trek de veiligheidsgordel langzaam uit en
maak deze vast door de borglip in de sluiting
te steken. Een duidelijke “klik” geeft aan dat de
veiligheidsgordel vastzit.
14
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
De veiligheidsgordel is geblokkeerd en kan niet
verder worden uitgetrokken:
•
•
•
wanneer u de gordel te snel uittrekt
wanneer u remt of optrekt
als de auto sterk overhelt.
Let erop dat:
•
u geen klemmen of andere accessoires
gebruikt waardoor u de veiligheidsgordel
niet strak langs uw lichaam kunt trekken
•
er geen slagen in de veiligheidsgordel zitten en dat hij nergens achter blijft steken
•
de heupgordel laag moet zitten (niet over
de buik)
•
u de heupgordel over de heupen spant
door aan de diagonale schoudergordel te
trekken zoals op de voorgaande afbeelding.
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en de airbag werken
samen. Als de veiligheidsgordel niet of
onjuist wordt gebruikt, kan de bescherming
die de airbag bij een aanrijding biedt afnemen waardoor u als klant ernstig letsel kunt
oplopen.
WAARSCHUWING
Elke veiligheidsgordel is bestemd ter
bescherming van slechts één persoon.
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen aan de veiligheidsgordels aan en probeer ze nooit zelf te
repareren. Neem contact op met een
erkende Volvo-werkplaats.
Als een veiligheidsgordel aan grote krachten heeft blootgestaan zoals tijdens een
aanrijding, moet u de veiligheidsgordel in
zijn geheel vervangen. De veiligheidsgordel
kan een deel van zijn beschermende eigenschappen hebben verloren, zelfs als de veiligheidsgordel ogenschijnlijk niet beschadigd is. Vervang de veiligheidsgordel ook
als deze versleten of beschadigd is. De
nieuwe veiligheidsgordel moet zijn goedgekeurd en bedoeld voor montage op dezelfde
positie als de vervangen veiligheidsgordel.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 15
01 Veiligheid
Veiligheidsgordels
Veiligheidsgordel en zwangerschap
onder controle hebben (wat inhoudt dat ze met
gemak bij het stuur en de pedalen moeten kunnen komen). Streef ernaar de afstand tussen de
buik en het stuur zo groot mogelijk te maken.
•
Aangeven welke veiligheidsgordels van de
achterbank er worden gebruikt. De waarschuwing wordt gegeven bij het gebruik
van de veiligheidsgordels of bij het openen
van een van de achterportieren. De melding wordt na ca. 30 seconden automatisch gewist, maar kan ook handmatig
worden bevestigd door op de knop
READ op de richtingaanwijzerhendel te
drukken.
•
Waarschuwen dat iemand op de achterbank de veiligheidsgordel heeft losgenomen. Er wordt gewaarschuwd met een
melding op het informatiedisplay in combinatie met een geluidssignaal en een
waarschuwingslampje. De waarschuwing
stopt wanneer de gordel weer is omgedaan, maar kan ook handmatig worden
bevestigd door op de knop READ te drukken.
Wanneer u zwanger bent, is het belangrijk dat
u de veiligheidsgordel altijd op de juiste manier
draagt. De veiligheidsgordel moet strak langs
de schouder lopen, waarbij het diagonale deel
van de veiligheidsgordel tussen de borsten en
tegen de zijkant van de buik ligt.
Het heupgedeelte van de veiligheidsgordel
moet vlak tegen de buitenkant van de bovenbenen liggen en zo ver mogelijk onder de buik
liggen. Het mag nooit over de buik omhoog
kunnen glijden. De veiligheidsgordel moet zo
strak mogelijk over het lichaam lopen zonder
onnodige speling. Controleer ook of de veiligheidsgordel nergens gedraaid zit.
Naarmate de zwangerschap vordert moeten
zwangere bestuurders de stoel en het stuur
dusdanig verstellen dat ze de auto volledig
G017726
G020998
Gordelwaarschuwing
Er gaan waarschuwingslampjes branden en er
worden geluidssignalen afgegeven wanneer
iemand de gordel niet draagt. Of er geluidssignalen klinken, hangt af van de snelheid. De
waarschuwingslampjes zitten in de plafondconsole en op het instrumentenpaneel.
Het gordelwaarschuwingssysteem geldt niet
voor kinderzitjes.
Achterbank
De functie van de gordelwaarschuwing voor de
achterbank is tweeledig:
01
De melding op het informatiedisplay, die aangeeft welke veiligheidsgordels er gebruikt worden, is altijd beschikbaar. Druk op de knop
READ om de opgeslagen meldingen te zien.
Bepaalde markten
Er gaat een waarschuwingslampje branden en
er worden geluidssignalen afgegeven wanneer
de bestuurder de gordel niet draagt. Op lage
snelheden klinkt de eerste 6 seconden lang een
geluidssignaal.
``
15
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
01 Veiligheid
01
Veiligheidsgordels
Gordelspanners
Alle veiligheidsgordels zijn uitgerust met gordelspanners. Dit is een mechanisme dat bij een
voldoende krachtige aanrijding de veiligheidsgordel rond het lichaam spant. De veiligheidsgordel kan de passagier daarmee beter in de
stoel gedrukt houden.
16
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 16
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 17
01 Veiligheid
Airbagsysteem (SRS)
Waarschuwingssymbool op
instrumentenpaneel
Het airbagsysteem wordt continu gecontroleerd door de regelmodule. Het waarschuwingssymbool op het instrumentenpaneel gaat
branden, wanneer u de transpondersleutel in
stand II of III zet. Het symbool dooft na ca.
6 seconden, wanneer de regelmodule heeft
vastgesteld dat het airbagsysteem geen storingen vertoont.
Behalve het brandende waarschuwingssymbool verschijnt er, in die gevallen waarin dat
nodig is, een melding op het informatiedisplay.
Als het waarschuwingslampje niet werkt, gaat
het waarschuwingsdriehoekje branden en verschijnt er SRS airbag Service vereist of SRS
airbag Service spoed op het display. Neem
zo spoedig mogelijk contact op met een
erkende Volvo-werkplaats.
G018665
o
SRS-systeem, auto met het stuur links.
G018666
1
Overzicht airbagsysteem
Als het waarschuwingslampje voor het airbagsysteem blijft branden of tijdens het rijden korte tijd oplicht, betekent dit dat het
airbagsysteem niet naar behoren werkt. Het
symbool kan ook duiden op een storing in
de gordelspanners, het SIPS- en het IC-systeem of op een andere storing in het SRSsysteem. Neem zo spoedig mogelijk contact op met een erkende Volvo-werkplaats.
G021010
0
WAARSCHUWING
01
SRS-systeem, auto met het stuur rechts.
Het SRS-systeem bestaat uit airbags en sensoren. Bij een voldoende krachtige aanrijding
reageren de sensoren, waarna één of meer air``
17
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 18
01 Veiligheid
Airbagsysteem (SRS)
bags worden opgeblazen. Daarbij worden de
airbags warm. Om de klap op te vangen loopt
de airbag leeg wanneer de inzittende de airbag
raakt. Daarbij treedt er rookvorming in de auto
op. Dit is volkomen normaal. Het totale verloop, van het opblazen tot het leeglopen van de
airbag, neemt enkele tienden van een seconde
in beslag.
WAARSCHUWING
Reparaties mogen alleen door een erkende
Volvo-werkplaats worden uitgevoerd.
Ingrepen in het airbagsysteem kunnen storingen in de werking veroorzaken en leiden
tot ernstig letsel.
N.B.
De reactie van de sensoren hangt af van de
ernst van de aanrijding en van het feit of de
veiligheidsgordel aan de bestuurderszijde
of de passagierszijde vooraan wordt gedragen of niet.
Het is dan ook mogelijk dat er bij ongelukken slechts één (of geen enkele) van de
airbags wordt opgeblazen. Het airbagsysteem registreert de botskracht waaraan de
auto blootstaat en stemt de activering van
een of meerdere airbags daarop af.
G021014
01
Positie van de passagiersairbag in een auto met
het stuur rechts.
Ook de capaciteit van de airbags wordt
afgestemd op de botskracht waaraan de
auto blootstaat.
Positie van de passagiersairbag in een auto met
het stuur links.
18
G021011
G021013
Airbag aan de bestuurderszijde
Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordel aan
de bestuurderszijde ook een airbag (SRS -
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 19
01 Veiligheid
Airbagsysteem (SRS)
Supplemental Restraint System) in het stuurwiel. De airbag zit opgevouwen in het midden
van het stuurwiel. Het stuurwiel is voorzien van
het opschrift SRS AIRBAG.
giersairbag die ligt opgevouwen in een ruimte
boven het dashboardkastje. Het paneel is
voorzien van het opschrift SRS AIRBAG.
WAARSCHUWING
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en de airbag werken
samen. Als de veiligheidsgordel niet of
onjuist wordt gebruikt, kan de bescherming
die de airbag bij een aanrijding biedt afnemen waardoor u als klant ernstig letsel kunt
oplopen.
Om de kans op letsel bij het opblazen van
de airbags te beperken, moeten de passagiers zo rechtop mogelijk zitten met hun
voeten op de vloer en hun rug tegen de rugleuning. De veiligheidsgordel moet goed
vastzitten.
WAARSCHUWING
Airbag aan de passagierszijde
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen op de passagiersstoel als de passagiersairbag geactiveerd
is 1.
Laat kinderen nooit voor de passagierstoel
zitten of staan. Personen kleiner dan 1,40 m
mogen nooit op de passagiersstoel plaatsnemen, als de passagiersairbag geactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren voor het kind.
Airbagsticker
Als aanvulling op de veiligheidsgordel van de
passagiersstoel heeft uw auto ook een passa-
1
G032244
G021837
Plaats geen voorwerpen voor of boven op
het dashboard in het gebied waar de passagiersairbag is aangebracht.
01
Airbagsticker op de portierstijl.
Voor informatie over het activeren/deactiveren van de passagiersairbag, zie pagina 20
19
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 20
01 Veiligheid
Airbag activeren/deactiveren*
PACOS deactiveren met sleutel
Algemene informatie
De passagiersairbag (SRS) voorin kan gedeactiveerd worden met een schakelaar als de auto
is uitgerust met PACOS (Passenger Airbag Cut
Off Switch). Zie de tekst onder het kopje Activeren/deactiveren voor informatie over activering/deactivering.
Schakelaar voor deactivering met sleutel
De schakelaar voor activering/deactivering van
de passagiersairbag, PACOS (Passenger Airbag Cut Off Switch) zit aan de passagierszijde
aan de zijkant van het dashboard en u kunt erbij
door het portier aan die kant te openen (zie
onder het navolgende kopje “Schakelaar voor
activering/deactivering passagiersairbag,
PACOS”). Controleer of de schakelaar in de
gewenste stand staat. Volvo adviseert u het
sleutelblad van de transpondersleutel te
gebruiken om de stand te wijzigen.
Voor informatie over het sleutelblad (zie
pagina 44).
WAARSCHUWING
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren voor de inzittenden.
20
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
WAARSCHUWING
Activeren/deactiveren
Als de auto is uitgerust met een passagiersairbag maar geen PACOS (Passenger Airbag Cut Off Switch, schakelaar voor deactivering van de passagiersairbag) heeft, is
de airbag altijd geactiveerd.
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen op de passagiersstoel, als het brandende symbool
op de plafondconsole aangeeft dat de passagiersairbag geactiveerd is. Het niet opvolgen van deze aanbeveling kan levensgevaarlijke situaties opleveren voor het kind.
WAARSCHUWING
Laat geen passagier op de passagiersstoel
plaatsnemen, als het waarschuwingslampje
voor het airbagsysteem op het instrumentenpaneel oplicht terwijl de melding op het
plafondpaneel (zie pagina 21) aangeeft
dat de airbag aan die kant gedeactiveerd is.
Het duidt op een ernstige storing. Bezoek zo
spoedig mogelijk een erkende Volvo-werkplaats.
G019030
01
Locatie van de schakelaar voor activering/deactivering van de passagiersairbag
De airbag is geactiveerd. Met de schakelaar in deze stand kunnen passagiers groter dan 1,40 m aan de passagierszijde op
de voorstoel zitten, maar kinderen in een
kinderzitje of op een kussen beslist niet.
De airbag is gedeactiveerd. Met de schakelaar in deze stand kunnen kinderen in
een kinderzitje of op een kussen aan de
passagierszijde op de voorstoel zitten,
maar passagiers groter dan 1,40 m beslist
niet.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 21
01 Veiligheid
Airbag activeren/deactiveren*
WAARSCHUWING
Geactiveerde airbag (passagiersstoel):
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen op de passagiersstoel als de airbag geactiveerd is. Laat
evenmin personen die kleiner zijn dan
1,40 m op deze stoel plaatsnemen.
Een tekstmelding en een brandend symbool op
het plafondpaneel op de plafondconsole geven
aan dat de airbag aan de passagierszijde
gedeactiveerd is (zie voorgaande afbeelding).
N.B.
Bij het omdraaien van de transpondersleutel
naar stand II of III brandt ca. 6 seconden
lang het waarschuwingssymbool voor de
airbags op het instrumentenpaneel (zie
pagina 17).
Daarna gaat op de plafondconsole de indicator branden die de status van de passagiersairbag aangeeft. Voor meer informatie
over de verschillende contactstanden van
de transpondersleutel (zie pagina 73).
Gedeactiveerde airbag (passagiersstoel):
Personen groter dan 1,40 m mogen nooit op
de passagiersstoel plaatsnemen, als de airbag gedeactiveerd is.
G017800
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren.
01
Berichten
Hiermee wordt aangegeven dat de airbag aan de
passagierszijde geactiveerd is
Een waarschuwingssymbool op de plafondpaneel op de plafondconsole geeft aan of de
passagiersairbag voorin geactiveerd is (zie
voorgaande afbeelding).
2
G017724
2
Hiermee wordt aangegeven dat de airbag aan de
passagierszijde gedeactiveerd is
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
21
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 22
01 Veiligheid
SIPS-airbags (zij-airbags)
G020694
WAARSCHUWING
Bij een aanrijding in de zij wordt een groot deel
van de botskracht door het SIPS-systeem
(Side Impact Protection System) over balken,
stijlen, vloer, dak en andere delen van de carrosserie verdeeld. De SIPS-airbags aan de
bestuurders- en de passagierszijde beschermen de borstkas en de heupen en vormen een
belangrijk onderdeel van het SIPS-systeem.
Het SIPS-systeem bestaat uit twee hoofdonderdelen: de SIPS-airbags en de sensoren. De
SIPS-airbags zijn aangebracht in de rugleuningframes van de voorstoelen.
•
Reparaties mogen alleen door een
erkende Volvo-werkplaats worden uitgevoerd. Ingrepen in het SIPS-systeem
kunnen storingen in de werking veroorzaken en leiden tot ernstig letsel.
•
Leg geen voorwerpen tussen de stoelen
en de portierpanelen, omdat dit gebied
binnen de actieradius van de SIPS-airbag ligt.
•
Gebruik alleen door Volvo goedgekeurde stoelhoezen. Andere stoelhoezen kunnen de SIPS-airbags in hun
werking hinderen.
•
Positie
G024377
SIPS-airbag
Bestuurdersplaats, auto met stuur links.
De SIPS-airbag vormt een aanvulling op
de veiligheidsgordel. Draag altijd de veiligheidsgordel.
Kinderzitjes en SIPS-airbags
De SIPS-airbags beïnvloeden de beschermende werking van kinderzitje en/of comfortkussen niet negatief.
Het is mogelijk een kinderzitje/comfortkussen
op de voorstoel te plaatsen, als de auto aan de
passagierszijde niet is uitgerust met een geactiveerde 1 airbag.
G024378
01
Passagiersplaats, auto met stuur links.
Het SIPS-systeem bestaat uit SIPS-airbags en
sensoren. Bij een voldoende krachtige aanrij1
22
Voor informatie over het activeren/deactiveren van de airbag (zie pagina 20).
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 23
01 Veiligheid
SIPS-airbags (zij-airbags)
01
ding reageren de sensoren, die op hun beurt
de gasgeneratoren activeren. De SIPS-airbags
worden vervolgens opgeblazen tussen de
inzittende en het portierpaneel. Daarmee vangen de SIPS-airbags de klap van de aanrijding
op voor de inzittende, waarna de airbags weer
leeglopen. De SIPS-airbag wordt normaal
gesproken alleen opgeblazen aan de kant van
de aanrijding.
G032254
Sticker
SIPS-airbagsticker op de portierstijl.
23
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 24
01 Veiligheid
01
Opblaasgordijnen (IC-systeem)
Eigenschappen
WAARSCHUWING
G017675
Hang of bevestig nooit zware voorwerpen
aan de handgrepen aan het plafond. De
haak is alleen bedoeld voor niet al te zware
kledingstukken (en niet voor harde voorwerpen zoals paraplu’s).
De opblaasgordijnen van het IC-systeem (Inflatable Curtain) vormen een aanvulling op het
SRS- en SIPS-systeem. Ze zitten verborgen
achter de plafondbekleding langs beide zijden
van de auto en beschermen inzittenden op de
buitenste zitplaatsen van de auto. Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren de sensoren, die op hun beurt de opblaasgordijnen
activeren. Het systeem helpt voorkomen dat
de bestuurder en eventuele passagiers bij een
botsing met hun hoofd tegen de binnenkant
van de auto slaan.
Schroef of bevestig geen onderdelen op de
plafondbekleding, de portierstijlen of de zijpanelen van de auto. Ze kunnen daarbij hun
beschermende werking verliezen. Er mogen
uitsluitend originele Volvo-onderdelen,
bestemd voor montage op deze plaatsen,
worden gebruikt.
WAARSCHUWING
Zorg dat de lading in de auto niet uitsteekt
boven de denkbeeldige, horizontale lijn op
50 mm onder de bovenkant van de zijruiten.
Anders is het mogelijk dat het opblaasgordijn dat schuilgaat achter de plafondbekleding geen bescherming meer biedt.
WAARSCHUWING
Het opblaasgordijn vormt een aanvulling op
de veiligheidsgordel.
Draag altijd de veiligheidsgordel.
24
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 25
01 Veiligheid
WHIPS
Bescherming tegen whiplash-letsel,
WHIPS
Het WHIPS-systeem (Whiplash Protection
System) bestaat uit energieabsorberende rugleuningen en speciaal voor het systeem ontwikkelde hoofdsteunen voor de beide voorstoelen. Het systeem wordt geactiveerd bij een
aanrijding van achteren, afhankelijk van de
hoek waaronder en de snelheid waarmee het
achteropkomende voertuig de auto raakt en de
materiaaleigenschappen van dat voertuig.
WAARSCHUWING
Het WHIPS-systeem vormt een aanvulling
op de veiligheidsgordels. Draag altijd de veiligheidsgordel.
Eigenschappen van de stoel
Als het WHIPS-systeem wordt geactiveerd,
klappen de rugleuningen van de voorstoelen
naar achteren zodat de zithouding van de
bestuurder en de passagier op de voorstoelen
verandert. Zo wordt de kans op zogeheten whiplash-letsel beperkt.
WAARSCHUWING
01
WHIPS-systeem en kinderzitjes/
comfortkussens
Het WHIPS-systeem beïnvloedt de beschermende werking van kinderzitje en/of comfortkussen niet negatief.
Juiste zithouding
Voor optimale bescherming moeten de
bestuurder en de voorpassagier zoveel mogelijk in het midden van de stoel plaatsnemen en
de afstand tussen het hoofd en de hoofdsteun
zo klein mogelijk houden.
WAARSCHUWING
Als de stoel heeft blootgestaan aan grote
krachten zoals bij een aanrijding van achteren, moet u het WHIPS-systeem laten
controleren bij een erkende Volvo-werkplaats.
Er kunnen eigenschappen van het WHIPSsysteem verloren zijn gegaan, ook al ziet de
stoel er onbeschadigd uit. Neem contact op
met een erkende Volvo-werkplaats om het
systeem te laten controleren, ook na een
lichte aanrijding van achteren.
G021018
Breng nooit zelf wijzigingen in de stoel of het
WHIPS-systeem aan en probeer ze nooit
zelf te repareren. Neem contact op met een
erkende Volvo-werkplaats.
``
25
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 26
01 Veiligheid
01
WHIPS
G021842
G018567
Zorg dat u de werking van het WHIPSsysteem niet nadelig beïnvloedt
Voorwerpen achter de bestuurders-/passagiersstoel.
WAARSCHUWING
Plaats geen koffer of iets dergelijks tussen
het zitgedeelte van de achterbank en de
rugleuning van de voorstoelen. Let erop dat
u de werking van het WHIPS-systeem niet
beïnvloedt.
26
Voorwerpen op de achterbank.
WAARSCHUWING
Als u een van de ruggedeelten van de achterbank hebt omgeklapt, moet u de voorstoel aan dezelfde kant naar voren schuiven
zodat de rugleuning van de stoel niet tegen
het omgeklapte ruggedeelte van de achterbank aankomt.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 27
01 Veiligheid
Activering van de veiligheidssystemen
Activering van de veiligheidssystemen
Systeem
Activering
Gordelspanners
voorstoelen
Bij een frontale botsing en/of aanrijding
in de zij en/of van
achteren.
Gordelspanners
achterbank
A
Bij een frontale botsing
Airbags (SRS)
Bij een frontale botsing.A
SIPS-airbags
Bij een aanrijding in
de zijA
Opblaasgordijnen
(IC)
Bij een aanrijding in
de zijA
WHIPS-systeem
Bij aanrijdingen van
achteren
Het is mogelijk dat de airbags niet worden opgeblazen,
ondanks dat de carrosserie van de auto danig vervormd
raakt. Enkele factoren zoals de stijfheid en het gewicht van
het lichaam waarmee de auto in botsing komt, de snelheid
van de auto, de hoek waaronder de botsing plaatsvindt e.d.
zijn van invloed op de wijze van activering van de verschillende veiligheidssystemen in de auto.
•
Sleep de auto naar een erkende Volvowerkplaats. Rijd niet met opgeblazen airbags.
•
Laat het vervangen van de onderdelen van
de veiligheidssystemen in de auto over aan
een erkende Volvo-werkplaats.
•
Neem altijd contact op met een arts.
N.B.
De SRS-, SIPS-, IC-systemen en de gordelspanners worden bij een botsing slechts
eenmaal geactiveerd.
01
WAARSCHUWING
Rijd nooit met opgeblazen airbags. Ze kunnen u bij het sturen danig in de weg zitten.
Ook de andere veiligheidssystemen kunnen
beschadigd zijn. Langdurige blootstelling
aan de rook- en stofdeeltjes die vrijkomen
bij het opblazen van de airbags kan oog- en
huidirritatie veroorzaken. Spoel bij irritatie
met koud water. De snelheid waarmee de
airbags/gordijnen worden opgeblazen kan
in combinatie met de toegepaste materialen
resulteren in schaaf- en brandwonden aan
de huid.
WAARSCHUWING
De regelmodule van het airbagsysteem zit
in de middenconsole. Als de middenconsole doorweekt geraakt is, moet u de accukabels loskoppelen. Probeer de auto niet te
starten, omdat de airbags daarbij geactiveerd kunnen worden. Sleep de auto naar
een erkende Volvo-werkplaats.
Wanneer de airbags werden opgeblazen, adviseert Volvo u het volgende:
27
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 28
01 Veiligheid
01
Safety mode
Beperkte functionaliteit
G021062
Als alles normaal lijkt en u hebt vastgesteld dat
er geen brandstof lekt, kunt u proberen de
motor te starten.
Als de auto betrokken is geweest bij een aanrijding, kan de melding Safety mode Zie
instructieb. op het informatiedisplay verschijnen. Dit betekent dat de functionaliteit van de
auto is verminderd. Safety mode is een veiligheidsfunctie die in werking treedt wanneer de
aanrijding een belangrijke onderdeel van de
auto zoals de brandstofleidingen, de sensoren
voor een van de veiligheidssystemen of het
remsysteem, kan hebben beschadigd.
Auto proberen te starten
Controleer eerst of er geen brandstof uit de
auto is gelopen. Er mag evenmin een brandstofgeur waarneembaar zijn.
28
Haal de transpondersleutel uit het contact en
steek hem er opnieuw in. De elektronica van de
auto probeert te resetten naar de normale
stand. Probeer vervolgens de auto te starten.
Als de melding Safety mode Zie
instructieb. nog steeds op het display staat,
mag u niet met de auto rijden en hem evenmin
verslepen. Verborgen schade kan de auto tijdens het rijden onbestuurbaar maken, zelfs als
het lijkt dat u nog met de auto kunt rijden.
Auto verzetten
Als de melding Normal mode wordt weergegeven nadat de Safety mode Zie
instructieb. is gereset, mag u de auto voorzichtig uit de huidige, gevaarlijke positie verrijden. Verrijd de auto niet verder dan nodig.
WAARSCHUWING
Probeer nooit zelf de auto te repareren of de
elektronische onderdelen te resetten nadat
de auto in de Safety mode heeft gestaan. Dit
kan aanleiding geven tot letsel of een
slechte functie van de auto. Laat de auto
altijd in een erkende Volvo-werkplaats controleren en naar de normale status (Normal
mode) resetten nadat de melding Safety
mode Zie instructieb. is verschenen.
WAARSCHUWING
Probeer onder geen beding de auto
opnieuw te starten, als u brandstof ruikt terwijl de melding Safety mode wordt weergegeven. Verlaat de auto onmiddellijk.
WAARSCHUWING
De auto mag niet worden weggesleept
zolang deze in de Safety mode staat. De
auto moet van zijn huidige plaats worden
vervoerd naar een erkende Volvo-werkplaats.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 29
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Kinderen moeten comfortabel en veilig
kunnen zitten
De plaats van het kind in de auto en de vereiste
uitrusting zijn afhankelijk van het gewicht en de
lengte van het kind (voor meer informatie (zie
pagina 31)).
N.B.
01
N.B.
Neem voor duidelijker instructies voor de
bevestiging van kinderveiligheidsproducten
contact op met de producent.
Bij gebruik van op de markt verkrijgbare kinderveiligheidsproducten is het van belang
dat u de bijgeleverde montage-instructies
zorgvuldig doorleest en nauwkeurig
opvolgt.
Kinderzitjes
N.B.
Zet de bevestigingsbanden van het kinderzitje
nooit vast aan de hendel waarmee u de voorstoel in de lengterichting verstelt of aan veren,
rails of balken onder de stoel. Door scherpe
randen kunnen de bevestigingsbanden
beschadigd raken.
Ongeacht leeftijd en lengte moeten kinderen
altijd met de gordel goed om in de auto zitten.
Laat kinderen nooit bij passagiers op schoot
zitten.
Laat de rugleuning van het kinderzitje tegen het
dashboard steunen. Dit geldt voor auto’s zonder passagiersairbag of auto’s waarvan de
passagiersairbag gedeactiveerd is.
De veiligheidsuitrusting voor kinderen die
Volvo biedt, is afgestemd op het gebruik in uw
auto. Door het gebruik van originele Volvoonderdelen bent u er zeker van dat de bevestigingspunten en bevestigingsonderdelen op
de juiste wijze zijn aangebracht en sterk
genoeg zijn.
1
G020739
De wettelijke bepalingen voor het vervoer
van kinderen in de auto verschillen van land
tot land. Ga na welke regels er in uw land
van kracht zijn.
Kinderzitjes en airbags gaan niet samen.
Positie van kinderzitjes
Volvo heeft veiligheidsuitrusting voor kinderen
die afgestemd is op uw Volvo en uitvoerig door
Volvo getest is.
Het volgende kan worden gebruikt:
•
een kinderzitje/comfortkussen op de passagiersstoel, zolang de airbag aan de passagierszijde gedeactiveerd 1 is;
•
een achterstevoren gemonteerd kinderzitje
op de achterbank dat tegen de rugleuning
van de passagiersstoel steunt.
Voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag (SRS) (zie pagina 20).
``
29
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 30
01 Veiligheid
01
Kinderen en veiligheid
Plaats een kind altijd op de achterbank als de
airbag aan de passagierszijde geactiveerd is.
Als de airbag wordt opgeblazen, kan een kind
op de passagiersstoel ernstig letsel oplopen.
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen op de passagiersstoel als de airbag (SRS) geactiveerd is.
Personen kleiner dan 1,40 m mogen nooit
op de passagiersstoel plaatsnemen, als de
airbag (SRS) geactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren voor het kind.
30
WAARSCHUWING
Sticker airbag
Gebruik geen kinderzitjes met stalen beugels of andere constructies die tegen de
ontgrendelingsknop van de gordelsluiting
kunnen aankomen. Dit om te voorkomen
dat de gordels plotseling losschieten.
Zorg dat het kinderzitje niet met de bovenkant tegen de voorruit aankomt.
Sticker op zijwand dashboard, passagierszijde.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 31
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
Aanbevolen kinderzitjes 2
Gewicht/Leeftijd
Voorstoel
Buitenste zitplaats achterbank
Groep 0
Volvo kinderzitje – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met
veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Volvo kinderzitje – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met
veiligheidsgordel, bevestigingsband
en steun.
max. 10 kg
(tot 9 maanden)
Typegoedkeuring: E5 03135
Groep 0+
max. 13 kg
Groep 1
9–18 kg
(9–36 maanden)
Middelste zitplaats achterbank
Typegoedkeuring: E5 03135
Britax Baby Safe Plus – achterstevoren
gemonteerd babyzitje bevestigd met
ISOFIX-systeem.
Britax Baby Safe Plus – achterstevoren gemonteerd babyzitje bevestigd
met ISOFIX-systeem.
Britax Baby Safe Plus – achterstevoren gemonteerd babyzitje bevestigd
met veiligheidsgordel.
Typegoedkeuring: E1 03301146
Typegoedkeuring: E1 03301146
Typegoedkeuring: E1 03301146
Volvo kinderzitje – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met
veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Volvo kinderzitje – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met
veiligheidsgordel, bevestigingsband
en steun.
Typegoedkeuring: E5 03135
Typegoedkeuring: E5 03135
Britax Fixway – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met ISOFIXsysteem en bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 03171
Britax Fixway – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met
ISOFIX-systeem en bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 03171
2
Om andere veiligheidszitjes te kunnen gebruiken dient uw auto op de lijst van de producent te staan of een universele goedkeuring te hebben conform ECE R44.
``
31
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 32
01 Veiligheid
01
Kinderen en veiligheid
Gewicht/Leeftijd
Voorstoel
Buitenste zitplaats achterbank
Middelste zitplaats achterbank
Groep 2/3
Volvo comfortkussen – met of zonder
rugleuning.
Volvo comfortkussen – met of zonder
rugleuning.
Volvo comfortkussen – met of zonder
rugleuning.
Typegoedkeuring: E5 03139
Typegoedkeuring: E5 03139
Typegoedkeuring: E5 03139
15–36 kg
(3–12 jaar)
Geïntegreerd Volvo kinderzitje met
twee standen – verkrijgbaar als
fabrieksoptie.
Typegoedkeuring: E5 04189
Geïntegreerde kinderzitjes met twee
standen*
keurd voor kinderen met een gewicht van 15
tot 36 kg en een lengte van 0,95 tot 1,40 m.
G017875
G017719
Zorg alvorens weg te rijden dat:
Goede positie: de gordel loopt over de schouder
Verkeerde positie: het hoofd mag niet boven de
hoofdsteun uitsteken en de gordel mag niet onder
de schouder lopen
De geïntegreerde kinderzitjes zijn speciaal ontworpen om kinderen optimale bescherming te
bieden. In combinatie met de aanwezige veiligheidsgordels zijn de kinderzitjes goedge-
32
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
•
het geïntegreerde kinderzitje met twee
standen correct ingesteld (zie onderstaande tabel) en vergrendeld is;
•
de veiligheidsgordel goed strak langs het
lichaam van het kind loopt en nergens slap
hangt of verdraaid is;
•
de veiligheidsgordel niet tegen de nek van
het kind aankomt of onder de schouder
langs loopt (zie voorgaande afbeeldingen);
•
de heupgordel laag over het bekken loopt,
zodat deze maximale bescherming biedt.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 33
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Stand 1
01
Stand 2
Gewicht
22–36 kg
15–25 kg
Lengte
1,15–1,40 m
0,95–1,20 m
G017697
Kinderzitje met twee standen uitklappen
G017784
Voor aanwijzingen voor het gebruik van het
kinderzitje met twee standen (zie pagina 32–
34).
Stand 1
Duw het kinderzitje naar achteren om het te
vergrendelen.
Stand 2
Til het kinderzitje aan de voorkant op en
duw het achteruit tegen het ruggedeelte aan
om het te vergrendelen.
Trek de handgreep naar voren en omhoog
om het kinderzitje vrij te geven.
G017783
G017696
WAARSCHUWING
Werk vanuit de onderste stand. Druk op de
knop.
Reparatie of vervanging dient alleen te worden uitgevoerd door een erkende Volvowerkplaats. Verricht zelf geen wijzigingen in
of aanpassingen aan het geïntegreerde kinderzitje. Als een geïntegreerd kinderzitje aan
grote krachten heeft blootgestaan zoals tijdens een aanrijding, moet u het geïntegreerde kinderzitje in zijn geheel vervangen.
Ook al ziet het geïntegreerde kinderzitje er
intact uit, kunnen er toch beschermende
eigenschappen verloren zijn gegaan. Het
geïntegreerde kinderzitje moet ook worden
vervangen als het erg versleten is.
``
33
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 34
01 Veiligheid
01
Kinderen en veiligheid
N.B.
N.B.
Het is niet mogelijk het kinderzitje vanuit
stand 2 in stand 1 te zetten. U moet het zitje
dan eerst volledig neerklappen in het zitgedeelte. Zie de tekst onder het kopje Kinderzitje met twee standen neerklappen.
Bij het omklappen van het ruggedeelte van
de achterbank dient u eerst het kinderzitje
neer te klappen.
Kinderslot achterportieren
Het kinderzitje is zowel vanuit de bovenste als
vanuit de onderste stand volledig neer te klappen in het zitgedeelte. Het is echter niet mogelijk het kinderzitje vanuit de bovenste stand in
de onderste stand te zetten.
G017694
Kinderzitje met twee standen
neerklappen
Duw het zitje met uw hand omlaag om het
zitje te vergrendelen.
WAARSCHUWING
De bedieningsknoppen voor de ruiten in de
achterportieren en de openingshandgrepen op
de achterportieren zijn te blokkeren, zodat de
achterportieren en de zijruiten niet meer van de
binnenzijde kunnen worden geopend. Voor
meer informatie (zie pagina 57).
ISOFIX-bevestigingssysteem voor
veiligheidszitjes
Als u de gebruiksinstructies voor het kinderzitje met twee standen niet opvolgt, is
het bij een aanrijding niet uitgesloten dat het
kind ernstig letsel oploopt.
Trek de handgreep naar voren om het zitje
vrij te geven.
G021064
G017692
BELANGRIJK
Controleer voordat u het kinderzitje weer
neerklapt of er geen losse voorwerpen
(zoals stukken speelgoed) in het gebied
onder het zitje liggen.
Achter de onderkant van de ruggedeelten op
de beide buitenste zitplaatsen van de achter-
34
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 35
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
bank gaan de bevestigingspunten voor het
ISOFIX-systeem schuil.
Symbolen op de bekleding van de ruggedeelten (zie voorgaande afbeelding) geven de positie van deze bevestigingspunten aan.
Duw het zitgedeelte van de zitplaats omlaag
om bij de bevestigingspunten te komen.
gorieën ingevoerd om gebruikers te helpen bij
het kiezen van het juiste kinderzitje (zie volgende tabel).
AfmeBeschrijving
tingscategorie
A
Normale grootte, in rijrichting
gemonteerd kinderzitje
Het ISOFIX-bevestigingssysteem is als
accessoire verkrijgbaar voor de passagiersstoel.
B
Beperkte grootte (optie 1),
achterstevoren gemonteerd
kinderzitje
Houd u altijd aan de montage-instructies van
de fabrikant, wanneer u een kinderzitje/babyzitje aan de ISOFIX-bevestigingspunten vastzet.
B1
N.B.
C
Normale grootte, achterstevoren gemonteerd kinderzitje
D
Beperkte grootte, achterstevoren gemonteerd kinderzitje
E
Achterstevoren gemonteerd
babyzitje
Afmetingscategorieën
Veiligheidszitjes kunnen net als auto’s verschillende afmetingen hebben. Kinderzitjes passen
daardoor niet op alle zitplaatsen van de verschillende modellen.
Voor kinderzitjes met een ISOFIX-bevestigingssysteem werden daarom afmetingscate-
Beperkte grootte (optie 2), in
rijrichting gemonteerd kinderzitje
01
AfmeBeschrijving
tingscategorie
F
Overdwars gemonteerd
babyzitje, links
G
Overdwars gemonteerd
babyzitje, rechts
WAARSCHUWING
Plaats een kind nooit op de passagiersstoel
voorin, als de auto is uitgerust met een
geactiveerde airbag aan die kant.
N.B.
Als een ISOFIX-kinderzitje geen afmetingscategorie heeft, dient uw model op de lijst
met auto’s te staan waarvoor het kinderzitje
zich leent.
N.B.
Neem contact op met een Volvo-werkplaats
voor de ISOFIX-kinderzitjes die Volvo adviseert.
``
35
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 36
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
Verschillende soorten ISOFIX-veiligheidszitjes
Type kinderzitje
Babyzitje, overdwars
A
36
Gewicht (leeftijd)
Afmetingscategorie
max. 10 kg (tot 9 mnd)
Zitplaatsen voor montage ISOFIX-kinderzitje
Voorstoel
Buitenste zitplaats
achterbank
F
-
-
G
-
-
Babyzitje, achterstevoren
max. 10 kg (tot 9 mnd)
E
OK
OK
Babyzitje, achterstevoren
max. 13 kg (tot 12 mnd)
E
OK
OK
D
OK
OK
C
-
OK
D
OK
OK
C
-
OK
B
OK A
OKA
B1
OKA
OKA
A
OKA
OKA
Veiligheidszitje, achterstevoren
9–18 kg (9–36 mnd)
Veiligheidszitje, achterstevoren
9–18 kg (9–36 mnd)
Volvo adviseert een achterstevoren gemonteerd veiligheidszitje voor deze categorie.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 37
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Bovenste bevestigingspunten voor
kinderzitjes
01
N.B.
Bij auto’s met hoofdsteunen op de beide
buitenste zitplaatsen van de achterbank
gaat het monteren van dergelijke veiligheidszitjes makkelijker, als u deze hoofdsteunen omklapt.
G017676
N.B.
Bij een bagageruimte die met een bagagerolhoes kan worden afgedekt, dient de rolhoes te worden verwijderd voordat er een
kinderzitje aan de bevestigingspunten kan
worden vastgezet.
De auto is uitgerust met bovenste bevestigingspunten voor bepaalde kinderzitjes die in
de rijrichting worden gemonteerd. Deze bevestigingspunten zitten achter op het zitgedeelte
van de achterbank.
Zie de aanwijzingen van de fabrikant van het
kinderzitje voor gedetailleerde informatie over
de manier waarop u het zitje aan de bovenste
bevestigingspunten vastzet.
De bovenste bevestigingspunten zijn voornamelijk bestemd om een in de rijrichting gemonteerd kinderzitje aan te bevestigen. Volvo
adviseert u kleine kinderen zo lang mogelijk in
een achterstevoren gemonteerd kinderzitje te
blijven vervoeren.
Haal de bevestigingsband van een kinderzitje altijd onder de hoofdsteun van de achterbank door, voordat u de gordel in de
sluiting aanbrengt.
WAARSCHUWING
37
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
Transpondersleutel/sleutelblad...............................................................
Privacy locking*.......................................................................................
Batterij vervangen transpondersleutel/PCC*..........................................
Keyless drive*..........................................................................................
Vergrendelen/ontgrendelen.....................................................................
Kinderslot................................................................................................
Alarm*......................................................................................................
38
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 38
40
45
47
49
52
57
58
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 39
SLOTEN EN ALARM
02
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 40
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutelblad
Algemene informatie
02
Bij de auto worden twee transpondersleutels of
twee PCC’s (Personal Car Communicator)
geleverd. U gebruikt ze om de auto te starten
en deze te vergrendelen en ontgrendelen.
U kunt extra transpondersleutels bestellen. Er
zijn maximaal zes transpondersleutels voor
één en dezelfde auto te programmeren en te
gebruiken.
PCC’s kennen meer functies dan een transpondersleutel in standaarduitvoering. In het
vervolg van dit hoofdstuk hebben we het over
een transpondersleutel bij de bespreking van
functies die voorkomen op zowel de PCC als
op de transpondersleutel.
WAARSCHUWING
Als er kinderen in de auto zitten:
Let er bij het verlaten van de auto op dat u
de stroomtoevoer naar de elektrisch
bedienbare zijruiten en het schuifdak verbreekt door de transpondersleutel uit te
nemen.
Afneembaar sleutelblad
De transpondersleutel bevat een afneembaar
metalen sleutelblad voor het mechanisch vergrendelen/ontgrendelen van het bestuurdersportier, het dashboardkastje en de achterklep
(Privacy locking).
40
Voor de functies van het sleutelblad (zie
pagina 44).
Voor Privacy locking (zie pagina 45).
De unieke code van de sleutels is bekend bij de
erkende Volvo-werkplaatsen, waar ook nieuwe
sleutels kunnen worden besteld.
Zoekgeraakte transpondersleutel
Autosleutelgeheugen Pos. stoelen en
spiegels. Voor een beschrijving van het menusysteem (zie pagina 120).
Voor auto’s met Keyless drive-functie (zie
pagina 49).
Knippersignalen bij vergrendelen/
ontgrendelen
Bij verlies van een transpondersleutel kunt u
een nieuwe bestellen bij een erkende Volvowerkplaats. Neem de resterende transpondersleutels mee naar de werkplaats. Ter voorkoming van diefstal moet de code van de
zoekgeraakte transpondersleutel uit het systeem worden gewist.
Wanneer u de auto vergrendelt of ontgrendelt
met een transpondersleutel, lichten de richtingaanwijzers een bepaalde aantal malen op
om aan te geven dat de auto op de juiste
manier vergrendeld/ontgrendeld is:
Hoeveel sleutels er voor de auto geprogrammeerd zijn kunt u controleren onder
Instellingen van de auto
Autosleutelgeheugen Aantal sleutels.
Voor een beschrijving van het menusysteem
(zie pagina 120).
Bij het vergrendelen gebeurt dit alleen als alle
portieren na het sluiten correct zijn vergrendeld.
Sleutelgeheugen, buitenspiegels en
bestuurdersstoel
De instellingen worden automatisch gekoppeld aan de transpondersleutel die op dat
moment in gebruik is (zie pagina 76 en
93).
U kunt de functie activeren/deactiveren onder
Instellingen van de auto
•
•
Vergrendelen - lichten eenmaal op
Ontgrendelen - lichten tweemaal op.
U kunt de functie activeren/deactiveren onder
resp. Instellingen van de auto
Lichtinstellingen Auto is op slot, lampje
en Instellingen van de auto
Lichtinstellingen Auto is open, lampje.
Voor een beschrijving van het menusysteem
(zie pagina 120).
Elektronische startblokkering
Elke transpondersleutel heeft zijn eigen, unieke
code. U kunt de auto alleen starten, wanneer u
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 41
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutelblad
een transpondersleutel met de juiste code
gebruikt.
Melding
Betekenis
De onderstaande foutmeldingen op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel houden verband met de elektronische startblokkering:
Sleutelfout
Opnieuw insteken
Storing bij het uitlezen van de transpondersleutel tijdens het starten.
Probeer de auto
opnieuw te starten.
Startblokkering
Start opnieuw
Geldt alleen voor de
functie Keyless drive
van de PCC. Fout bij
het uitlezen van de
PCC tijdens de start.
Probeer de auto
opnieuw te starten.
het informatiesymbool oplicht en Vervang
batterij autosleutel op het display verschijnt.
en/of
•
de sloten herhaalde malen achtereen niet
reageren op het signaal van een transpondersleutel die zich binnen een straal van
20 m rond de auto bevindt.
Voor het vervangen van de batterij (zie
pagina 47).
Functies
Functiestoring van
de transpondersleutel tijdens het starten. Neem contact
op met een erkende
Volvo-werkplaats,
als de storing aanhoudt.
Voor het starten van de auto (zie pagina 98).
Uitgeputte batterij in transpondersleutel
Vervang de batterijen, als:
02
G021078
Autosleutel niet
gevonden
•
Transpondersleutel.
Vergrendelen
Ontgrendelen
Approach-verlichting
``
41
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 42
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutelblad
10 seconden) worden de overige portieren ontgrendeld.
Achterklep
Paniekfunctie
02
U kunt de functie wijzigen onder Instellingen
van de auto Instellingen vergrendelen
Portieren ontgrendelen. Voor een
beschrijving van het menusysteem (zie
pagina 120).
G021079
Duur naderingslicht – Bestemd om de
verlichting van de auto op afstand in te schakelen. Voor meer informatie (zie pagina 85).
PCC* (Personal Car Communicator)
Informatie
Functietoetsen
Paniekfunctie – Bestemd om in noodgevallen de aandacht van anderen te trekken.
Ontgrendelen – Ontgrendelt de portieren
en de achterklep en deactiveert het alarm.
Als u de rode toets ten minste 3 seconden lang
ingedrukt houdt of tweemaal achtereen binnen
3 seconden indrukt, worden de richtingaanwijzers, de interieurverlichting en de claxon geactiveerd.
De ontgrendelingsfunctie kan dusdanig gewijzigd worden dat bij eenmaal indrukken van de
toets niet meer alle portieren tegelijk worden
ontgrendeld, maar alleen het bestuurdersportier. Bij een tweede keer indrukken (binnen
U kunt deze functie met dezelfde toets weer
uitschakelen, als de functie minimaal 5 seconden actief geweest is. Als u niets doet, wordt
de functie na 2 minuten en 45 seconden automatisch uitgeschakeld.
Vergrendelen – Vergrendelt de portieren
en de achterklep en activeert het alarm.
1
42
Achterklep - Ontgrendelt alleen de achterklep en deactiveert de alarmfunctie voor de
achterklep 1. Voor meer informatie (zie
pagina 53).
Bij auto’s met elektrische achterklepbediening wordt de achterklep geopend.
Doorluchtfunctie
Bij lang indrukken (ten minste 4 seconden) van
of
worden alle zijruiten tegede toets
lijk korte tijd geopend en weer gesloten. Daarbij
wordt een openstaand schuifdak ook gesloten.
U kunt de functie bijvoorbeeld gebruiken om bij
warm weer snel voor frisse lucht in de auto te
zorgen.
WAARSCHUWING
Controleer of niemand met de handen
bekneld raakt wanneer u het schuifdak en
de zijruiten vanaf de transpondersleutel
sluit.
Bereik transpondersleutel
De transpondersleutel is te gebruiken binnen
een straal van 20 m rond de auto.
N.B.
Er kunnen storingen optreden in de functies
van de transpondersleutel door radiogolven
in de lucht, omringende gebouwen, topografische omstandigheden e.d. Het is altijd
mogelijk de auto te vergrendelen/ontgrendelen met het sleutelblad (zie pagina 44).
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 43
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutelblad
Specifieke functies, PCC*
N.B.
G021080
Als bij herhaaldelijk gebruik van de informatietoets – op verschillende tijdstippen en
verschillende plaatsen – blijkt dat geen van
de controlelampjes gaat branden (en dat
evenmin na 7 seconden alsook nadat de
controlelampjes op de PCC om de beurt
oplichtten), dient u contact op te nemen met
een erkende Volvo-werkplaats.
De controlelampjes verstrekken informatie
zoals aangegeven op de volgende afbeelding:
Informatietoets
iemand in de auto zit. De indicatie verschijnt alleen, als het alarm is afgegaan.
Continu rood licht: het alarm is afgegaan.
Bereik transpondersleutel
De ontgrendelingsfuncties van de PCC zijn te
gebruiken binnen een straal van 20 m rond de
auto.
De Approach-verlichting, de paniekfunctie en
de functies die gekoppeld zijn aan de informatietoets, zijn tot op 100 m van de auto te gebruiken.
N.B.
Controlelampjes
Er kunnen storingen optreden in de functie
van de informatietoets door radiogolven in
de lucht, omringende gebouwen, topografische omstandigheden e.d.
Na een druk op de informatietoets kunt u
bepaalde informatie over de auto uitlezen aan
de hand van de controlelampjes.
Gebruik van de informatietoets
Buiten bereik PCC
±
Als de PCC op dermate grote afstand van de
auto is dat er geen informatie over de auto kan
worden uitgelezen, wordt de laatst bekende
status van de auto weergegeven zonder dat de
lampjes op de PCC om de beurt oplichten.
.
Ca. 7 seconden lang lichten de controlelampjes op de PCC om de beurt op. Dit
geeft aan dat de informatie over de auto
wordt uitgelezen.
Als u gedurende dit tijdsbestek op een van
de andere toetsen drukt, wordt de uitlezing
beëindigd.
G030262
Druk op de informatietoets
02
Continu groen licht: de auto is vergrendeld.
Continu oranje licht: de auto is ontgrendeld.
Aangegeven twee controlelampjes lichten
beurtelings rood op: dit geeft met HBS
(Heart Beat Sensor) aan dat er mogelijk
Als er meerdere PCC’s voor de auto in gebruik
zijn, geeft alleen de PCC die gebruikt werd toen
u de auto de laatste keer vergrendelde/ontgrendelde de juiste status aan.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
43
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 44
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutelblad
N.B.
Als geen van de controlelampjes brandt bij
het indrukken van de informatietoets, is het
mogelijk dat er storingen optreden in de
communicatie tussen de PCC en de auto
door radiogolven in de lucht, omringende
gebouwen, topografische omstandigheden
e.d.
02
Heart Beat Sensor
De functie
werkt met behulp van een hartslagsensor (HBS, Heart Beat Sensor). HBS
vormt een aanvulling op het alarmsysteem van
de auto die op afstand afgeeft of er mogelijk
iemand in de auto zit. De indicatie verschijnt
alleen, als het alarm is afgegaan.
Afneembaar sleutelblad
Sleutelblad aanbrengen
U kunt het afneembare sleutelblad van de
transpondersleutel gebruiken om:
Plaats het verwijderde sleutelblad voorzichtig
terug in de transpondersleutel om beschadiging te voorkomen.
•
het bestuurdersportier handmatig te openen, als de centrale vergrendeling niet te
bedienen is vanaf de afstandsbediening;
•
de toegang tot het dashboardkastje en de
bagageruimte (Privacy locking 2) te blokkeren (zie pagina 45).
Sleutelblad verwijderen
1. Houd de transpondersleutel met de gleuf
omhoog en laat het sleutelblad in de gleuf
zakken.
2. Duw voorzichtig tegen het sleutelblad. U
hoort een klikgeluid wanneer het sleutelblad goed vastzit.
Portier ontgrendelen met sleutelblad
Als de centrale vergrendeling niet op de transpondersleutel reageert (omdat de batterijen bijvoorbeeld leeg zijn), kunt u het bestuurdersportier op de volgende manier ontgrendelen en
openen:
HBS registreert de hartslag die zich via de carrosserie van de auto voortplant. In gebieden
met veel lawaai en trillingen is het dan ook
mogelijk dat de HBS in zijn werking wordt
gestoord.
G021082
N.B.
Wanneer u het bestuurdersportier met het
sleutelblad ontgrendelt en vervolgens
opent, gaat het alarm af.
Haal de veerbelaste pal opzij.
Trek tegelijkertijd het sleutelblad naar achteren.
1. Ontgrendel het bestuurdersportier met het
sleutelblad in het slot van de portierhandgreep.
2. Schakel het alarm uit door de transpondersleutel in het contactslot te steken.
2
44
Geldt voor bepaalde markten
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 45
02 Sloten en alarm
Privacy locking*
G017869
als u hem bij een hotel of iets dergelijks laat
parkeren. Het dashboardkastje is dan vergrendeld en het achterklepslot is niet via de centrale
vergrendeling te openen (zodat de achterklep
niet meer met de knoppen op de voorportieren
of die op de transpondersleutel te bedienen is).
De achterklep is dan niet meer met de knoppen
op de voorportieren of die op de transpondersleutel te bedienen.
Vergrendelingspunten voor transpondersleutel
met sleutelblad (Privacy locking niet geactiveerd).
Activeren/deactiveren
02
Dit betekent dat de transpondersleutel zonder
het sleutelblad alleen kan worden gebruikt om
het alarm te activeren/deactiveren, de portieren te openen en in de auto te rijden.
U geeft de transpondersleutel af zonder het
afneembare sleutelblad, dat u bij u houdt.
G020508
Privacy locking
Privacy locking activeren
Privacy locking activeren:
Duw het sleutelblad in het slot van het
dashboardkastje.
N.B.
Draai het sleutelblad 180 graden rechtsom.
Vergeet niet de bagagerolhoes over de
lading heen uit te rollen voordat u de achterklep sluit (zie pagina 221).
Neem het sleutelblad uit. Ondertussen verschijnt een melding op het informatiedisplay.
G017870
N.B.
Plaats het sleutelblad niet in de transpondersleutel terug, maar houd het bij u en
bewaar het goed.
Vergrendelingspunten voor transpondersleutel
zonder sleutelblad (Privacy locking geactiveerd).
De functie Privacy locking is bestemd voor als
u de auto afgeeft voor een onderhoudsbeurt of
•
Houd voor het deactiveren de omgekeerde
volgorde aan.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
45
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
02 Sloten en alarm
Privacy locking*
Om alleen het dashboardkastje te vergrendelen (zie pagina 53).
02
46
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 46
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 47
02 Sloten en alarm
Batterij vervangen transpondersleutel/PCC*
Accu vervangen
BELANGRIJK
Kom niet met uw vingers aan de polen van
de batterijen of de contactvlakken, omdat
ze daardoor slechter kunnen presteren.
02
Batterij vervangen
G015518
G021085
Let erop hoe de batterij(en) aan de binnenzijde van de afdekking vastzit(ten). Let
daarop op de pluszijde + en de minzijde –.
Transpondersleutel
1. Werk de batterij voorzichtig los.
Openen
Haal de veerbelaste pal opzij.
2. Plaats een nieuwe met de pluszijde (+)
omlaag.
PCC*
G021086
Trek tegelijkertijd het sleutelblad naar
achteren.
Steek een kruiskopschroevendraaier
met een dikte van 3 mm in de opening achter de veerbelaste pal en werk de transpondersleutel voorzichtig open.
N.B.
Houd de transpondersleutel met de toetsen
omhoog om te voorkomen dat de batterijen
bij het openen van de afdekking op de grond
vallen.
1. Werk de batterijen voorzichtig los.
2. Plaats eerst een nieuwe met de pluszijde
(+) omhoog.
3. Leg het witte plasticvel op de geplaatste
nieuwe batterij en breng daarna nog een
nieuwe batterij aan met de pluszijde (+)
omlaag.
Batterijtype
Gebruik batterijen met het opschrift CR2430,
3 V (twee per transpondersleutel en twee per
PCC).
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
47
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
02 Sloten en alarm
Batterij vervangen transpondersleutel/PCC*
In elkaar zetten
02
1. Druk de afdekking weer op de transpondersleutel vast.
2. Houd de transpondersleutel met de gleuf
omhoog en laat het sleutelblad in de gleuf
zakken.
3. Duw voorzichtig tegen het sleutelblad. U
hoort een klikgeluid wanneer het sleutelblad goed vastzit.
BELANGRIJK
Zorg dat de oude batterij(en) wordt/worden
afgevoerd op een milieuontlastende manier.
48
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 48
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 49
02 Sloten en alarm
Keyless drive*
Keyless drive (alleen PCC)
Vergrendelings- en startsysteem zonder
sleutel
PCC bij u moet dragen om een portier te vergrendelen of ontgrendelen. Wanneer u aan de
ene kant van de auto staat, is het niet mogelijk
om met de PCC een portier aan de andere kant
te vergrendelen of ontgrendelen.
G017871
De rode cirkels op de nevenstaande afbeelding
geven het dekkingsgebied van de systeemantennes aan.
Met de Keyless drive-functie van de PCC kunt
u zonder een sleutel te gebruiken de auto ontgrendelen, starten en vergrendelen. U hoeft de
PCC alleen bij u te dragen. Het systeem maakt
het eenvoudiger om de auto te openen wanneer u bijvoorbeeld uw handen vol hebt.
De twee PCC’s van de auto ondersteunen de
Keyless drive-functie. U kunt meer PCC’s bijbestellen.
Bereik PCC
Om een portier of de achterklep te kunnen openen moet de PCC zich binnen een straal van
maximaal 1,5 m rond de portierhandgrepen of
de achterklep bevinden. Dit betekent dat u de
Als alle PCC’s uit de auto worden genomen
terwijl de motor loopt, sleutelstand II actief is
(zie pagina 73) of alle portieren worden gesloten, verschijnt er een waarschuwingsmelding
op het informatiedisplay en klinkt er een
geluidssignaal.
Wanneer een van de PCC’s weer in de auto is
gelegd, verdwijnen de waarschuwingsmelding
en het geluidssignaal nadat:
•
•
er is een portier geopend of gesloten;
•
de knop READ is ingedrukt.
de transpondersleutel is in het contactslot
gestoken;
Veilig gebruik van uw PCC
Als u een PCC met Keyless drive-functie in de
auto laat liggen, wordt de PCC bij het vergrendelen van de auto tijdelijk gedeactiveerd.
Onbevoegden kunnen de portieren er dan niet
meer mee openen.
Als er echter ingebroken wordt en iemand de
PCC in de auto vindt, wordt de PCC weer
geactiveerd. Pas daarom goed op al uw PCC’s.
02
BELANGRIJK
Laat een PCC nooit onbeheerd in de auto
liggen.
Storingen in de functie van een PCC
De Keyless drive-functie kan verstoord worden
door elektromagnetische velden en afschermingen. Leg de PCC daarom niet dicht bij een
mobiele telefoon of metalen voorwerpen.
Als er desondanks toch storingen optreden,
moet u de PCC en het sleutelblad op de normale manier gebruiken (zie pagina 41).
Ontgrendelen
Open de portieren met de handgreep of open
de achterklep met de handgreep op de klep.
Ontgrendelen met sleutelblad
Als de Keyless drive-functie van de PCC niet
werkt, kunt u het bestuurdersportier ontgrendelen met het sleutelblad. In dat geval wordt de
centrale vergrendeling niet geactiveerd.
N.B.
Bij ontgrendelen met het sleutelblad gaat
het alarm af. Voor het deactiveren (zie
pagina 58).
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
49
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 50
02 Sloten en alarm
Keyless drive*
Geheugenfunctie van PCC
Als meerdere personen met elke hun eigen
PCC met Keyless drive-functie naar de auto
lopen, nemen de bestuurdersstoel en de buitenspiegels de stand in die ligt opgeslagen in
de PCC van degene die het bestuurdersportier
opent.
Wanneer het bestuurdersportier bijvoorbeeld
werd geopend door persoon A met PCC A,
maar persoon B met PCC B zal gaan rijden, zijn
de instellingen als volgt te wijzen:
•
Staand naast het bestuurdersportier of zittend achter het stuur drukt persoon B op
de ontgrendelingstoets van zijn PPC (zie
pagina 41).
•
Kies een van de drie mogelijk positiegeheugens voor de stoel met de stoelknoppen 1–3 (zie pagina 76).
•
Zet de stoel en de spiegels handmatig in
de juiste stand (zie pagina 75 en 93).
Vergrendelen
Vergrendel de portieren en de achterklep door
op de vergrendelingsknop op een van de portierhandgrepen aan de buitenkant te drukken.
Alle portieren inclusief de achterklep moeten
zijn gesloten, voordat u de auto kunt vergrendelen. De auto wordt anders niet vergrendeld.
Locatie antennes
N.B.
Bij een auto met een automatische versnellingsbak dient de keuzehendel in stand P te
worden gezet, aangezien de auto anders
niet vergrendeld of op alarm gezet kan worden.
G021179
02
Sleutelgeheugen, bestuurdersstoel en
buitenspiegels
Instellingen vergrendelen
Onder Instellingen van de auto
Instellingen vergrendelen Op afstand
openen kunt u de Keyless-functie aanpassen
door aan te geven welke portieren van de auto
er moeten worden ontgrendeld. Voor een
beschrijving van het menusysteem (zie
pagina 120).
Het Keyless drive-systeem werkt met een aantal antennes die op verschillende locaties ingebouwd zijn in de auto.
Achterklep, bij de wissermotor
Portierhandgreep, linksachter
Plafond, boven de achterbank, in het midden
Bagageruimte, in het midden, helemaal
voorin, onder de vloer
Portierhandgreep, rechtsachter
Middenconsole, onder achterstuk
Middenconsole, onder voorstuk
50
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 51
02 Sloten en alarm
Keyless drive*
WAARSCHUWING
Dragers van een pacemaker dienen minstens 22 cm afstand te houden tot de antennes van het Keyless drive-systeem. Dit om
eventuele storingen in de pacemaker als
gevolg van het Keyless drive-systeem uit te
sluiten.
02
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
51
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 52
02 Sloten en alarm
Vergrendelen/ontgrendelen
02
•
Van de buitenzijde
Automatische hervergrendeling
Met de transpondersleutel kunt u alle portieren
en de achterklep gelijktijdig vergrendelen/ontgrendelen. Bij vergrendeling zijn de vergrendelingsknoppen op de portieren en de openingshandgrepen aan de binnenzijde niet meer te
bedienen: dit is de zogeheten Safelock-functie* (zie pagina 55).
Als u geen van de portieren noch de achterklep
binnen twee minuten na ontgrendeling van de
buitenzijde met de transpondersleutel opent,
worden alle sloten automatisch weer vergrendeld. Deze functie voorkomt dat u de auto per
ongeluk onvergrendeld kunt laten staan. Voor
auto’s met alarmsysteem (zie pagina 58).
De tankvulklep kan worden geopend, wanneer
de auto onvergrendeld staat (zie pagina 210).
De klep kan niet worden geopend, als u de auto
vergrendeld en het alarm ingeschakeld hebt.
G019216
Automatische vergrendeling
Met de bedieningsknoppen op het portierpaneel kunt u alle portieren en de achterklep
tegelijkertijd vergrendelen of ontgrendelen.
Ontgrendelen
Een portier kan op twee manieren van de binnenkant worden ontgrendeld:
Geldt alleen voor auto’s op bepaalde markten, maar niet voor auto’s met Keyless drive.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Trek eenmaal aan de openingshandgreep
en laat deze vervolgens los. Wanneer u
nogmaals aan de handgreep trekt wordt
het portier geopend.
Druk nadat u de voorportieren hebt gesloten op
de vergrendelingsknop voor de portieren. Bij
lang indrukken worden ook de zijruiten en een
schuifdak gesloten.
WAARSCHUWING
52
•
Alle portieren zijn eenmaal gesloten handmatig
te vergrendelen met de vergrendelingsknoppen.
Ook als er nog een portier openstaat is het
mogelijk de auto te vergrendelen.1 Wanneer
u het geopende portier vervolgens sluit
wordt ook dit vergrendeld, zodat het gevaar
bestaat dat u zich buitensluit met de transpondersleutel nog in de auto.
1
Bij lang indrukken worden ook al de zijruiten
geopend.
Vergrendelen
Van de binnenzijde
N.B.
Let erop dat inzittenden in de auto kunnen
worden opgesloten, als u die van de buitenzijde vergrendelt.
Druk op de ontgrendelingsknop voor de
portieren.
Bij het wegrijden kunnen de portieren en de
achterklep automatisch worden vergrendeld.
U kunt de functie activeren/deactiveren onder
Instellingen van de auto Instellingen
vergrendelen Portieren autom. op slot.
Voor een beschrijving van het menusysteem
(zie pagina 120).
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 53
02 Sloten en alarm
Vergrendelen/ontgrendelen
Achterklep
Dashboardkastje
terklep worden automatisch buiten werking
gesteld.
De portieren blijven vergrendeld en beveiligd.
02
N.B.
G020548
G021093
Bij het sluiten van de achterklep blijft deze
onvergrendeld staan, totdat u de auto met
de transpondersleutel opnieuw vergrendeld.
Het dashboardkastje valt alleen te vergrendelen/ontgrendelen met het afneembare sleutelblad van de transpondersleutel. (Voor informatie over het sleutelblad (zie pagina 44).)
Dashboardkastje vergrendelen:
Duw het sleutelblad in het slot van het
dashboardkastje.
Draai het sleutelblad 90 graden rechtsom.
Het sleutelgat staat horizontaal wanneer
het kastje vergrendeld is.
Ontgrendelen met transpondersleutel
Met de transpondersleutel is het mogelijk om
de alarmfunctie voor de achterklep te deactiveren* zodat u de achterklep apart kunt ontgrendelen en openen*.
Vergrendelen met transpondersleutel
Druk op de toets voor vergrendeling op de
transpondersleutel (zie pagina 41).
Bij auto’s met alarm* gaat de alarmindicatie op
het dashboard knipperen om aan te geven dat
het alarm geactiveerd is.
Van de binnenzijde ontgrendelen
N.B.
Bij auto’s met de optie elektrische achterklepbediening wordt de achterklep
geopend. Bij andere auto’s wordt de achterklep alleen ontgrendeld (zie pagina 54).
Houd voor het ontgrendelen de omgekeerde
volgorde aan.
Voor meer informatie over Privacy locking (zie
pagina 45).
Bij auto’s met alarm* dooft de alarmindicatie op
het dashboard om aan te geven dat niet alle
onderdelen van de auto beveiligd zijn. De
niveausensoren en bewegingsmelders alsmede de sensoren in de opening van de ach-
G021099
Neem het sleutelblad uit.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
53
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 54
02 Sloten en alarm
Vergrendelen/ontgrendelen
02
Druk op de knop op het verlichtingspaneel
om de achterklep te ontgrendelen en te openen*.
N.B.
•
Om oververhitting tegen te gaan wordt
het systeem bij continu gebruik gedurende 60 seconden automatisch uitgeschakeld. Ca. 10 minuten later is het
opnieuw klaar voor gebruik.
•
Als de startaccu ontladen of losgekoppeld is geweest, moet de achterklep
eenmaal handmatig worden geopend
en gesloten om het systeem te resetten.
Elektrische achterklepbediening*
G017876
Sneeuw en wind
Als de achterklep tijdens het openen omlaagkomt door bijvoorbeeld een dikke laag sneeuw
of harde wind, dan wordt de achterklep automatisch gesloten.
Beveiliging tegen overbelasting
BELANGRIJK
Let op de dakhoogte bij het gebruik van de
elektrische achterklepbediening. Maak
geen gebruik van de elektrische achterklepbediening bij een geringe dakhoogte of
houd de achterklep goed in de gaten om de
openingsfunctie tijdig te kunnen onderbreken (zie onder het kopje “Openingsfunctie
achterklep onderbreken”).
Als de achterklep tijdens het openen/sluiten in
zekere mate wordt gehinderd door een obstakel treedt de beveiliging tegen overbelasting in
werking.
•
Gebeurt dit tijdens het openen dan wordt
de elektrische achterklepbediening uitgeschakeld en de achterklep vrijgegeven.
•
Gebeurt dit tijdens het sluiten dan beweegt
de achterklep in tegengestelde richting.
WAARSCHUWING
Let op het gevaar voor beknelling tijdens het
openen/sluiten. Controleer alvorens de achterklep te openen/sluiten of er niemand in
de buurt van de achterklep staat, omdat
ernstig beknellingsletsel anders niet uitgesloten kan worden.
Bedien de achterklep altijd onder toezicht.
Achterklep handmatig bedienen
De elektrische achterklepbediening wordt uitgeschakeld, wanneer u een tweede maal aan
de buitenhandgreep trekt. U kunt de achterklep vervolgens handmatig openen/sluiten.
Achterklep openen
De achterklep is op drie verschillende manieren te openen:
•
•
•
met de knop
op het verlichtingspaneel - druk kort op de knop totdat de
achterklep openkomt.
met de buitenhandgreep op de achterklep.
met de toets voor ontgrendeling van de
achterklep op de transpondersleutel (lang
indrukken).
Achterklep sluiten
De achterklep is te sluiten met de sluitknop op
de achterklep of handmatig.
54
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 55
02 Sloten en alarm
Vergrendelen/ontgrendelen
•
Druk op de knop
op de achterklep
om de klep automatisch te sluiten.
Openings-/sluitfunctie achterklep
onderbreken
De openings-/sluitfunctie van de achterklep is
op vier verschillende manieren te onderbreken:
•
•
•
•
met de knop
paneel
op het verlichtings-
Safelock-functie*
MENU
Bij activering van de zogeheten Safelock-functie zijn de portieren niet meer van de binnenzijde te openen, als ze eenmaal vergrendeld
zijn.
EXIT
Met de transpondersleutel activeert u de Safelock-functie die 10 seconden na vergrendeling
van de portieren in werking treedt.
met de knop op de achterklep
Bij Safelock is de auto alleen met de transpondersleutel te ontgrendelen. Het bestuurdersportier is ook te ontgrendelen met het afneembare sleutelblad.
met de buitenhandgreep op de achterklep
- trek een tweede maal aan de handgreep.
Tijdelijk deactiveren
met de toets op de transpondersleutel
•
Gebeurt dit tijdens het sluiten dan gaat de
achterklep weer helemaal open.
1. Open het menusysteem en ga naar
Instellingen van de auto (voor een gedetailleerde beschrijving van het menusysteem (zie pagina 120)).
2. Kies Verlaagde guard.
of
Kies Vraag bij uitgang: Iedere keer dat u
de motor afzet, verschijnt op het display
van het audiosysteem de melding ENTER
voor verlaagde beveiliging tot de motor
weer gestart wordt. EXIT voor
annuleren – kies dan een van de alternatieven:
G021360
Gebeurt dit tijdens het openen dan wordt
de elektrische achterklepbediening uitgeschakeld en de achterklep vrijgegeven.
Als u de portieren van de buitenzijde wilt vergrendelen terwijl er iemand in de auto achterblijft, kunt u de Safelock-functie tijdelijk uitschakelen. Dat gaat als volgt:
3. Kies Eenmalig inschakelen: Op het display van het instrumentenpaneel verschijnt
de melding Verlaagde guard – Zie
instructieb. en de Safelock-functie wordt
uitgeschakeld bij vergrendeling van de
auto.
Daarbij vindt het volgende plaats:
•
02
Geactiveerde menu-opties staan aangekruist.
Navigatie
ENTER
•
Als u de Safelock-functie wilt uitschakelen:
Druk op ENTER en vergrendel de auto.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
55
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
02 Sloten en alarm
Vergrendelen/ontgrendelen
02
Als de auto uitgerust is met een alarmsysteem
met bewegingsmelders en niveausensoren*,
worden ook deze tegelijkertijd uitgeschakeld
(zie pagina 58).
De volgende keer dat u de motor start, wordt
het systeem gereset waarna op het display van
het instrumentenpaneel de melding Beveil.
volledig verschijnt. Daarmee zijn de Safelockfunctie en de bewegingsmelders en niveausensoren* van het alarmsysteem opnieuw
ingeschakeld.
of
•
Als u geen wijzigingen in het vergrendelingssysteem wenst: Vergrendel de auto
zonder een keuze te maken. Of druk op
EXIT en vergrendel de auto.
N.B.
Bij auto’s met alarmsysteem:
let erop dat de auto bij het vergrendelen op
alarm wordt gezet.
Wanneer een van de portieren van de binnenzijde wordt geopend, gaat het alarm af.
WAARSCHUWING
Laat niemand in de auto achter zonder eerst
de Safelock-functie te deactiveren. Zo voorkomt u dat iemand opgesloten raakt.
56
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 56
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 57
02 Sloten en alarm
Kinderslot
Elektrisch kinderslot op
achterportieren en achterste zijruiten*
De bedieningscilinders van het kinderslot zitten
achter op de korte kant van de achterportieren,
zodat ze alleen bereikbaar zijn wanneer de portieren openstaan.
±
Gebruik het sleutelblad om de bedieningscilinder te verdraaien en zo het kinderslot
in of uit te schakelen.
Het portier kan niet van de binnenzijde
worden geopend.
Het portier kan van de binnenzijde worden
geopend.
N.B.
Op auto’s met het elektrische kinderslot zit
geen handmatig kinderslot.
02
G019300
G021077
Handmatig kinderslot op
achterportieren
Wanneer het elektrische kinderslot actief is:
•
zijn de achterste zijruiten alleen vanaf het
bestuurdersportier te bedienen;
•
zijn de achterportieren niet van de binnenzijde te openen.
1. Het kinderslot is te activeren/deactiveren
in sleutelstand I of II (zie pagina 73).
2. Druk op de bijbehorende knop van het
bedieningspaneel op het bestuurdersportier.
> Op het informatiedisplay verschijnt een
melding.
Het lampje in de knop brandt, wanneer
het slot geactiveerd is.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
57
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 58
02 Sloten en alarm
Alarm*
Algemene informatie
02
•
een portier, de motorkap of de achterklep
wordt geopend;
•
een verkeerde sleutel wordt gebruikt of als
het contactslot wordt gemanipuleerd
•
er een beweging in de passagiersruimte
wordt waargenomen (als er een bewegingsmelder aanwezig is);
•
de auto wordt opgetakeld of weggesleept
(op auto’s met een niveausensor*);
•
•
de accukabel wordt ontkoppeld;
Voer nooit zelf reparaties aan of wijzigingen
in het alarmsysteem uit. Dergelijke ingrepen
kunnen van invloed zijn op de verzekeringsvoorwaarden.
Alarmindicatie
•
Druk op de vergrendelingstoets op de
transpondersleutel.
Alarm deactiveren
•
Druk op de ontgrendelingstoets op de
transpondersleutel.
Geactiveerd alarm uitschakelen
Druk op de ontgrendelingstoets op de transpondersleutel of steek de transpondersleutel in
het contactslot.
Overige alarmfuncties
iemand de sirene probeert los te koppelen.
Automatische herinschakeling van het
alarm
N.B.
De bewegingsmelders laten het alarm
afgaan, wanneer er bewegingen in het interieur worden waargenomen. Het alarm kan
dan ook afgaan als u bij het parkeren van de
auto een van de zijruiten laat openstaan of
gebruik maakt van een elektrische interieurverwarming. Sluit daarom voordat u de auto
verlaat alle ruiten en stel de interieurverwarming dusdanig in dat deze geen warme
lucht omhoogblaast.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
G021103
Als er een storing in het alarmsysteem is opgetreden, verschijnt er een melding op het informatiedisplay. Neem dan contact op met een
erkende Volvo-werkplaats.
58
Alarm activeren
N.B.
Het alarm gaat af, als:
Een rode led op het dashboard geeft de status
van het alarmsysteem aan:
•
•
•
de led is uit – het alarm is uitgeschakeld
de led licht om de twee seconden eenmaal
op – het alarm is ingeschakeld;
de led knippert snel vanaf het moment van
uitschakelen van het alarm (tot aan het
moment dat u de transpondersleutel in het
contactslot steekt en sleutelstand I wordt
bereikt) – het alarm is afgegaan.
De functie voorkomt dat u de auto verlaat zonder het alarm in te schakelen.
Als u geen van de portieren noch de achterklep
binnen twee minuten na uitschakeling van het
alarm opent wanneer de auto met de transpondersleutel ontgrendeld (en het alarm
gedeactiveerd) werd, wordt het alarm automatisch opnieuw ingeschakeld. De auto wordt
bovendien opnieuw vergrendeld.
Alarmsignalen
Bij alarm gebeurt het volgende:
•
Er klinkt 30 seconden lang een sirene. De
sirene heeft zijn eigen accu die volledig
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 59
02 Sloten en alarm
Alarm*
onafhankelijk is van de standaardaccu in
de auto.
•
Beperkt alarmniveau
2. Kies Verlaagde guard.
3. Kies Eenmalig inschakelen: Op het display van het instrumentenpaneel verschijnt
de melding Beveil. verlaagd Zie
instructieb. en de bewegingsmelders en
niveausensoren worden uitgeschakeld bij
vergrendeling van de auto.
Alle richtingaanwijzers knipperen totdat u
het alarm uitschakelt. Bij inactiviteit gaan
ze na vijf minuten automatisch uit.
Transpondersleutel defect
Als de transpondersleutel defect is, kunt u het
alarm uitschakelen en de auto als volgt starten:
of
Kies Vraag bij uitgang: Iedere keer dat u
de motor afzet, verschijnt op het display
van het audiosysteem de melding ENTER
voor verlaagde beveiliging tot de motor
weer gestart wordt. EXIT is annuleren –
kies dan een van de alternatieven:
G021360
1. Open het bestuurdersportier met het sleutelblad. Het alarm gaat af en de sirene
klinkt.
2. Steek de transpondersleutel in het contactslot. Het alarm wordt uitgeschakeld.
De alarmindicatie knippert snel totdat u de
transpondersleutel in het contactslot hebt
gestoken.
02
Geactiveerde menu-opties staan aangekruist.
Navigatie
ENTER
•
MENU
EXIT
Om te voorkomen dat het alarm afgaat wanneer u bijvoorbeeld een hond in de auto achterlaat of gebruik maakt van een veerboot, kunt
u de bewegingsmelder en de niveausensoren
tijdelijk uitschakelen en wel als volgt: Dat gaat
als volgt:
1. Open het menusysteem en ga naar
Instellingen van de auto (voor een gedetailleerde beschrijving van het menusysteem (zie pagina 120)).
Als u de bewegingsmelders en niveausensoren wilt uitschakelen: Druk op ENTER en
vergrendel de auto.
Als de auto is uitgerust met Safelock-functie*,
wordt ook deze functie uitgeschakeld (zie
pagina 55).
De volgende keer dat u de motor start, wordt
het systeem gereset waarna op het display van
het instrumentenpaneel de melding Beveil.
volledig verschijnt. Daarmee zijn de Safelockfunctie en de bewegingsmelders en niveausensoren van het alarmsysteem opnieuw ingeschakeld.
of
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
59
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 60
02 Sloten en alarm
Alarm*
•
02
Als de sensoren niet wilt uitschakelen: Vergrendel de auto zonder een keuze te
maken. Of druk op EXIT en vergrendel de
auto.
Alarmsysteem testen
Bewegingsmelder in passagiersruimte
testen
1. Sluit alle zijruiten. Blijf in de auto zitten.
2. Alarm activeren (zie pagina 58).
3. Wacht 15 seconden.
4. Laat het alarm afgaan door uw armen op te
heffen tot net boven de rugleuning en ze
vervolgens horizontaal heen en weer te
bewegen. Er klinkt een sirene en alle richtingaanwijzers knipperen.
5. Deactiveer het alarm door de auto via de
transpondersleutel te ontgrendelen.
Alarmsensoren in portieren testen
1. Alarm activeren (zie pagina 58).
2. Wacht 15 seconden.
3. Ontgrendel het bestuurdersportier met het
sleutelblad.
4. Open het bestuurdersportier. Er klinkt een
sirene en alle richtingaanwijzers knipperen.
5. Deactiveer het alarm door de auto via de
transpondersleutel te ontgrendelen.
60
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Alarmsensoren in motorkap testen
1. Ga in de auto zitten en deactiveer de bewegingsmelder (zie pagina 58).
2. Activeer het alarm (zie pagina 58). Blijf in de
auto zitten en vergrendel de portieren met
de toets op de transpondersleutel.
3. Wacht 15 seconden.
4. Ontgrendel de motorkap met de handgreep onder het dashboard. Er klinkt een
sirene en alle richtingaanwijzers knipperen.
5. Deactiveer het alarm door de auto via de
transpondersleutel te ontgrendelen.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 61
02 Sloten en alarm
02
61
Instrumenten, schakelaars en bediening................................................ 64
Sleutelstanden........................................................................................ 73
Stoelen en achterbank............................................................................ 75
Stuurwiel................................................................................................. 79
Verlichting............................................................................................... 80
Wissers en -sproeiers............................................................................. 89
Ruiten en spiegels................................................................................... 92
Elektrisch bedienbaar schuifdak*............................................................ 96
Motor starten........................................................................................... 98
Motor starten, FlexiFuel........................................................................ 100
Motor starten, hulpaccu........................................................................ 102
Versnellingsbakken............................................................................... 103
Vierwielaandrijving, AWD (All Wheel Drive)*.......................................... 107
Bedrijfsrem............................................................................................ 108
Afdalingsregeling, HDC (Hill Descent Control)...................................... 110
Parkeerrem............................................................................................ 112
HomeLinkŸ EU*..................................................................................... 115
62
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 62
G020912
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 63
BESTUURDERSMILIEU
03
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 64
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
Instrumentenoverzicht
G021107
03
Auto met stuur links.
64
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 65
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
Functie
Pagina
Functie
Pagina
Menu- en meldingsfuncties, richtingaanwijzers,
groot licht/dimlicht,
boordcomputer
80,
83, 122,
154
Versnellingspook/keuzehendel
103
159
Cruisecontrol
160, 162
Bedieningsknoppen
actieve chassisregeling
(FOUR-C)*
Claxon, airbag
18, 79
Wissers en -sproeiers
89, 90
Instrumentenpaneel
67, 71
Stuurwielafstelling
79
Menu-, audio- en telefoonfuncties
120,
137, 195
Parkeerrem*
112
Ontgrendeling motorkap
234
Contactslot
73
Stoelinstelling*
75
Knop START/STOP
98
Alarmlichten
82
Bedieningsknoppen verlichting, ontgrendeling
tankvulklep en achterklep
53, 80,
210
Openingshandgreep portier
-
Bedieningspaneel
52, 57,
92, 93
Menufuncties, klimaatregeling en audiosysteem
120,
128, 139
Klimaatregeling, ECC*
128
03
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
65
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 66
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
1
2
3
4
5
6
7
8
03
9
10
10
20
11
11
19
18
17
16
15
14
13
G021108
12
Auto met stuur rechts.
66
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 67
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
Pagina
Functie
Pagina
Alarmlichten
82
Stuurwielafstelling
79
Contactslot
73
Knop START/STOP
98
Menu- en meldingsfuncties, richtingaanwijzers,
groot licht/dimlicht,
boordcomputer
80,
83, 122,
154
Cruisecontrol
160, 162
67, 71
Bedieningsknoppen
actieve chassisregeling
(FOUR-C)*
159
Instrumentenpaneel
Claxon, airbag
18, 79
120,
137, 195
Versnellingspook/keuzehendel
103
Menu-, audio- en telefoonfuncties
Klimaatregeling, ECC*
128
Wissers en -sproeiers
89, 90
Bedieningsknoppen verlichting, ontgrendeling
tankvulklep en achterklep
53, 80,
210
Menufuncties, klimaatregeling en audiosysteem
120,
128, 139
Openingshandgreep portier
-
Bedieningspaneel
52, 57,
92, 93
Stoelinstelling*
75
Ontgrendeling motorkap
234
Parkeerrem
112
Informatiedisplays
03
G021112
Functie
Informatiedisplays.
Op de informatiedisplays verschijnt informatie
over bepaalde functies van de auto zoals de
cruisecontrol, boordcomputer en meldingen.
De informatie verschijnt in tekstvorm en met
symbolen.
Gedetailleerder informatie vindt u onder de
functies die gebruik maken van de informatiedisplays.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
67
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 68
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
Meters
Controle-, informatie- en
waarschuwingssymbolen
5 seconden alle symbolen uit behalve het symbool voor storingen in het uitlaatgasreinigingssysteem en dat voor een lage oliedruk.
Controle- en informatiesymbolen
Symbool
03
Betekenis
Richtingaanwijzers aanhanger
G018282
G021113
Uitlaatgasreinigingssysteem
Storing in ABS
Meters op het instrumentenpaneel.
Snelheidsmeter
Brandstofmeter. Zie ook boordcomputer
(pagina 154) en tanken (pagina 210).
Toerenteller. De meter geeft het motortoerental in duizenden omwentelingen per
minuut aan.
Controle- en waarschuwingssymbolen
Controle- en informatiesymbolen
Controle- en waarschuwingssymbolen 1
Symbolen groot licht en richtingaanwijzers
Als de motor niet aanslaat of als de functietest
wordt uitgevoerd in sleutelstand II, gaan na
68
Stabiliteitssysteem
Voorgloeifunctie motor (diesel)
Functietest
Alle controle- en waarschuwingslampjes gaan
branden in sleutelstand II of wanneer u de
motor start. Alle symbolen moeten weer uitgaan als de motor is aangeslagen, behalve het
symbool voor de parkeerrem. Dit gaat pas uit,
als de auto van de parkeerrem wordt gehaald.
1
Mistachterlicht aan
Bij bepaalde motortypes is het lampje voor een lage oliedruk niet in gebruik. Er verschijnt in plaats daarvan een displaymelding (zie pagina 235).
Laag peil in brandstoftank
Informatie, lees displaymelding
Groot licht aan
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 69
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
Symbool
Betekenis
plaats rijden om het systeem te laten controleren.
Mistachterlicht
Richtingaanwijzers links
Dit symbool brandt wanneer u het mistachterlicht hebt ingeschakeld.
Richtingaanwijzers rechts
Stabiliteitssysteem
Richtingaanwijzers aanhanger
Het symbool knippert wanneer u de richtingaanwijzers gebruikt met een aanhanger achter
de auto. Als het symbool sneller knippert dan
normaal is een van de richtingaanwijzers op de
auto of op de aanhangwagen kapot.
Uitlaatgasreinigingssysteem
Bij een storing in het uitlaatgasreinigingssysteem kan het lampje gaan branden. Rijd de
auto naar een erkende Volvo-werkplaats om
het systeem te laten controleren.
Storing in ABS
Als het symbool brandt, is het systeem defect.
Het normale remsysteem van de auto werkt
dan nog wel, zij het zonder ABS-regeling.
1. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en zet de motor af.
2. Start de motor opnieuw.
3. Als het symbool echter blijft branden, moet
u de auto naar een erkende Volvo-werk-
N.B.
Wanneer de servicemelding verschijnt, kunt
u het lampje doven en de melding verwijderen met de knop READ. Ook als u niets doet
gebeurt dat enige tijd later automatisch.
Het knipperende symbool geeft aan dat het
stabiliteitssysteem werkt. Als het symbool continu brandt is er sprake van een storing in het
systeem.
Groot licht aan
Voorgloeifunctie motor (diesel)
Beide richtingaanwijzersymbolen knipperen bij
gebruik van de alarmlichten.
Het symbool gaat branden wanneer de motor
wordt voorverwarmd. De voorverwarming start
als de temperatuur lager wordt dan 2 °C. De
auto kan worden gestart als het symbool
gedoofd is.
Laag peil in brandstoftank
Wanneer het lampje gaat branden is het brandstofpeil te laag. Tank dan zo spoedig mogelijk.
Informatie, lees displaymelding
Als er een afwijking is in een van de systemen
in de auto, gaat het informatiesymbool branden en verschijnt er een melding op het display. U verwijdert de melding met behulp van
de knop READ (zie pagina 122). De melding
verdwijnt automatisch na enige tijd (afhankelijk
van de defecte functie). Het informatiesymbool
kan ook gaan branden in combinatie met
andere symbolen.
03
Het symbool brandt, wanneer u het groot licht
voert of grootlichtsignalen geeft.
Richtingaanwijzers links/rechts
Controle- en waarschuwingssymbolen
Symbool
Betekenis
Lage oliedruk A
Parkeerrem aangezet
Airbags (SRS)
Gordelwaarschuwing
Dynamo laadt niet bij
``
69
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 70
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
Symbool
Betekenis
Storing in remsysteem
Waarschuwing
03
A
Bij bepaalde motortypes is het lampje voor een lage oliedruk
niet in gebruik. Er verschijnt in plaats daarvan een displaymelding (zie pagina 234 en 236).
Lage oliedruk
Als het symbool tijdens het rijden oplicht, is de
druk van de motorolie te laag. Zet de motor
onmiddellijk af en controleer het motoroliepeil.
Vul zo nodig olie bij. Als het symbool oplicht
terwijl het oliepeil in orde is, moet u contact
opnemen met een erkende Volvo-werkplaats.
Parkeerrem aangezet
Het symbool brandt continu, wanneer u de parkeerrem hebt aangezet. Bij auto’s met een
elektrische parkeerrem knippert het symbool
tijdens het aanzetten en gaat daarna continu
branden.
Een knipperend symbool houdt in dat er een
storing is opgetreden. Lees de melding op het
informatiedisplay.
N.B.
Het symbool gaat ook branden als de
mechanische parkeerrem slechts een weinig is aangezet.
1. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en zet de motor af.
2. Start de motor opnieuw.
Airbags (SRS)
Als het symbool tijdens het rijden oplicht of
blijft branden, is er een storing geregistreerd in
de gordelsluiting of in het SRS-, SIPS- of ICsysteem. Rijd de auto zo spoedig mogelijk naar
een erkende Volvo-werkplaats om het systeem
te laten controleren.
Gordelwaarschuwing
Het symbool brandt als de bestuurder of de
voorpassagier geen veiligheidsgordel draagt of
als iemand op de achterbank de gordel heeft
losgenomen.
Dynamo laadt niet bij
Het symbool gaat tijdens het rijden branden,
als er sprake is van een storing in het elektrisch
systeem. Bezoek een erkende Volvo-werkplaats.
Storing in remsysteem
Als het symbool oplicht, is het remvloeistofpeil
mogelijk te laag. Breng de auto op een veilige
plaats tot stilstand en controleer het peil in het
remvloeistofreservoir (zie pagina 238).
Als de waarschuwingssymbolen voor het remsysteem en ABS tegelijkertijd branden, kan er
70
een storing in de remkrachtverdeling zijn opgetreden.
•
•
Rijd verder als beide symbolen uitgaan.
Als de symbolen echter blijven branden,
moet u het peil in het remvloeistofreservoir controleren (zie pagina 238). Als de
symbolen blijven branden ondanks dat
het peil van de remvloeistof in orde is,
moet u de auto uiterst voorzichtig naar
een erkende Volvo-werkplaats rijden
om het remsysteem te laten controleren.
WAARSCHUWING
Als de remvloeistof onder het MIN-streepje
van het reservoir staat, mag u niet verder
rijden voordat u remvloeistof hebt bijgevuld.
Laat de oorzaak van het remvloeistofverlies
controleren door een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Als de waarschuwingssymbolen voor het
remsysteem en ABS tegelijkertijd branden,
bestaat het gevaar dat de achtertrein bij
krachtig remmen gaat slippen.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 71
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
Waarschuwing
Het rode waarschuwingssymbool gaat branden, wanneer er een storing is geregistreerd
die van invloed kan zijn op de veiligheid en/of
de rijeigenschappen van de auto. Er verschijnt
tegelijkertijd een verklarende melding op het
informatiedisplay. Het waarschuwingslampje
blijft branden totdat de storing is verholpen,
maar de melding kunt u verwijderen met de
knop READ (zie pagina 123). Het waarschuwingslampje kan ook gaan branden in combinatie met andere lampjes.
Als de auto met een snelheid van maximaal 7 km/h rijdt, gaat het informatiesymbool branden.
Als de auto met een snelheid van maximaal 7 km/h rijdt, gaat het waarschuwingssymbool branden.
Door kort op de knop te drukken, kunt u van
dagteller ( T1 en T2) wisselen. Als u de knop
lang indrukt (meer dan 2 seconden), zet u de
geactiveerde dagteller op nul. De afgelegde
afstand staat op het display.
03
Klok
Dagtellers
Actie:
1. Stop zo spoedig mogelijk. Rijd niet verder
met de auto.
Waarschuwing, portieren niet gesloten
Als een van de portieren, de motorkap 2 of de
achterklep niet goed afgesloten is, gaat het
informatie- of waarschuwingssymbool branden en verschijnt er een verklarende melding
op het instrumentenpaneel. Breng de auto zo
spoedig mogelijk tot stilstand en sluit het portier, het kofferdeksel of de motorkap dat/die
open is.
2
G021123
G021125
2. Lees de informatie op het informatiedisplay. Voer de handeling uit die de melding
op het display u voorschrijft. Wis de melding met de knop READ.
Dagteller en bedieningsknop.
Display voor dagtellers
Knop om te wisselen tussen de dagtellers
T1 en T2 alsook de dagtellers op nul te
stellen.
Klok en instelknop.
Knop om de klok in te stellen.
Informatiedisplay voor de tijdaanduiding.
Draai de knop rechts- of linksom om de tijd in
te stellen. De ingestelde tijd verschijnt op het
informatiedisplay.
De dagtellers worden gebruikt om korte afstanden te meten.
Alleen auto’s met alarm*.
``
71
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 72
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
Bij de weergave van een melding kan de tijdsaanduiding korte tijd worden vervangen door
een symbool (zie pagina 123).
Knop voor dagtellers en klok
G016141
03
Positie van de knop.
72
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 73
03 Bestuurdersmilieu
Sleutelstanden
Functies
BELANGRIJK
Vreemde voorwerpen in het contactslot
kunnen tot functiestoringen leiden of
schade aan het slot toebrengen.
De transpondersleutel niet verkeerd om
insteken! Pak de sleutel beet aan het uiteinde met het sleutelblad. zie pagina 44.
Sleutelstand 0
G021126
Steek de transpondersleutel in het contactslot.
Contactslot met transpondersleutel, knop START/
STOP.
Transpondersleutel aanbrengen en
verwijderen
U brengt de transpondersleutel in het contactslot aan. Bij licht indrukken van de transpondersleutel wordt deze verder naar binnen
getrokken.
Verwijder de transpondersleutel door er lichte
druk op uit te oefenen. De sleutel komt dan
naar buiten, waarna u deze kunt uitnemen. Een
automatische versnellingsbak* moet daarbij in
stand P staan.
Voor informatie over de functie van het audiosysteem bij een uitgenomen transpondersleutel (zie pagina 137).
Sleutelstand I
Duw de transpondersleutel in het contactslot
en druk op de knop START/STOP ENGINE.
N.B.
Om sleutelstand II te bereiken zonder de
motor te starten dient u het rem-/koppelingspedaal niet te bedienen.
Motor afzetten
Druk op START/STOP ENGINE.
Als de auto rolt of als de keuzehendel niet in
stand P staat bij auto’s met een automatische
versnellingsbak: Druk tweemaal achtereen op
de knop of houd de knop ingedrukt totdat de
motor afslaat.
03
Sleutelstand 0 hervatten
Druk op de knop START/STOP ENGINE om
vanuit stand I, II terug te gaan naar sleutelstand
0.
N.B.
Laat bij het verslepen de transpondersleutel
in het contactslot zitten zodat de verlichting
kan worden ingeschakeld.
Sleutelstand II
Duw de transpondersleutel in het contactslot
en druk ca. 2 seconden op de knop START/
STOP ENGINE.
Motor starten
Voor het starten van de motor (zie
pagina 98).
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
73
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
03 Bestuurdersmilieu
Sleutelstanden
Stand
03
74
Functie
0
Kilometerteller, klok en temperatuurmeter worden verlicht. Het
stuurslot is opgeheven. Het
audiosysteem is te gebruiken.
I
Schuifdak, elektrisch bedienbare
zijruiten, telefoon, interieurventilator, ECC en ruitenwissers zijn te
gebruiken.
II
De koplampen worden ontstoken. Waarschuwings-/controlelampjes branden 5 seconden
lang. Alle uitrusting werkt,
behalve de elektrische verwarming van de stoel en die van de
achterruit die pas werken wanneer de motor loopt.
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 74
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 75
03 Bestuurdersmilieu
Stoelen en achterbank
Voorstoelen
WAARSCHUWING
Stel de stand van de bestuurdersstoel in
voordat u gaat rijden. Doe dit nooit tijdens
het rijden. Controleer of de stoel in zijn stand
vergrendeld staat.
Duw de stoel zo ver naar voren dat de hoofdsteun onder het dashboardkastje “vast” komt
te zitten.
Elektrisch bedienbare stoel*
03
G021127
Rugleuning voorstoel omklappen*
Voorkant zitting hoger/lager* zetten,
omhoog-/omlaagpompen.
1
G021129
Vooruit/achteruit, de hendel omhoogtillen
om de juiste afstand tot het stuurwiel en de
pedalen in te stellen. Controleer of de stoel
na het afstellen in de nieuwe stand geblokkeerd staat.
G021133
Lendensteun wijzigen, aan de knop 1
draaien.
De rugleuning van de passagiersstoel kan worden omgeklapt om ruimte te maken voor lange
lading.
Hellingshoek rugleuning wijzigen, aan de
knop draaien.
Zet de stoel zo ver mogelijk naar achteren
en omlaag.
Stoel hoger/lager zetten, omhoog-/
omlaagpompen.
Zet de rugleuning rechtop.
Bedieningspaneel voor elektrisch bedienbare stoel*.
Trek de pallen aan de achterzijde van de
rugleuning omhoog tijdens het omklappen.
Voorkant zitting omhoog/omlaag
Stoel vooruit/achteruit en omhoog/omlaag
Hellingshoek rugleuning
De elektrisch bedienbare stoelen zijn voorzien
van een beveiliging tegen overbelasting, die
geactiveerd wordt als een van de stoelen door
een obstakel wordt geblokkeerd. Als dit het
geval is, moet u de sleutel in stand I of 0 zetten
en enige tijd wachten voordat u de stoel
opnieuw probeert te verstellen.
Geldt ook voor een elektrisch bedienbare stoel.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
75
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 76
03 Bestuurdersmilieu
Stoelen en achterbank
U kunt slechts één verstelfunctie van de stoel
tegelijk activeren (vooruit/achteruit/omhoog/
omlaag).
Voorbereidingen
03
Tot enige tijd nadat u het portier met de transpondersleutel hebt ontgrendeld blijft het
mogelijk de stoel te verstellen, ook al steekt er
geen sleutel in het contactslot. U verstelt de
stoel normaal gesproken in sleutelstand I.
Wanneer de motor loopt, is dat altijd mogelijk.
Stoel met geheugenfunctie*
1. Stel de stoel en de buitenspiegels in.
2. Houd de knop voor vastlegging van de
instelling ingedrukt, terwijl u op de geheugenknop van uw keuze drukt.
Stoel in vastgelegde stand zetten
Houd een van de geheugenknoppen ingedrukt,
totdat de stoel en de buitenspiegels tot stilstand komen. Bij het loslaten van de knop zal
de instelling van de stoel onmiddellijk worden
beëindigd.
Geheugen* van transpondersleutel
De stand van de bestuurdersstoel en de buitenspiegels wordt vastgelegd, wanneer u de
auto met de transpondersleutel vergrendelt.
de bestuurdersstoel en de buitenspiegels de in
het sleutelgeheugen vastgelegde standen in.
N.B.
De bestuurdersstoel en de buitenspiegels
worden niet verzet, als ze al in de opgeslagen stand staan.
U kunt de standen in het sleutelgeheugen ook
activeren door (terwijl het bestuurdersportier
openstaat) de ontgrendelingsknop op de
transpondersleutel te bedienen.
U kunt het sleutelgeheugen activeren/deactiveren onder Autosleutelgeheugen Pos.
stoelen en spiegels. Voor een beschrijving
van het menusysteem (zie pagina 120).
N.B.
G021134
Het geheugen van de twee transpondersleutels en dat van de stoel werken volledig
onafhankelijk van elkaar.
Noodstop
Geheugenknop
G014387
Instelling vastleggen
Geheugenknop
Geheugenknop
Knop voor vastlegging van de instelling
76
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Een volgende keer dat de auto met dezelfde
transpondersleutel wordt ontgrendeld, nemen
Als de stoel per ongeluk in beweging komt,
kunt u op een van de knoppen drukken om de
stoel tot stilstand te brengen.
Om de stoel dan opnieuw in de in het sleutelgeheugen vastgelegde stand te zetten dient u
de ontgrendelingsknop op de transponder-
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 77
03 Bestuurdersmilieu
Stoelen en achterbank
sleutel te bedienen. Het bestuurdersportier
dient daarbij open te staan.
WAARSCHUWING
Beknellingsgevaar! Laat kinderen niet met
de schakelaars spelen. Zorg dat er geen
voorwerpen voor, achter of onder de stoel
liggen tijdens het verstellen. Zorg er tevens
voor dat geen van de passagiers op de achterbank bekneld kan raken.
Elektrische verwarming/ventilatie stoel*
Stem de hoofdsteun in de hoogte af op de
lengte van de passagier. Zorg dat de bovenkant van de hoofdsteun halverwege de achterkant van het hoofd komt te zitten. Trek de
hoofdsteun zo ver omhoog als nodig is.
Ruggedeelte achterbank omklappen
De drie ruggedeelten van de achterbank zijn op
verschillende manieren neer te klappen om het
u makkelijk te maken lange voorwerpen te vervoeren.
Als u de hoofdsteun lager wilt zetten, moet u
de knop (in het midden tussen het ruggedeelte
en de hoofdsteun, zie afbeelding) indrukken
terwijl u de hoofdsteun omlaagduwt.
N.B.
Zet de voorstoelen zo nodig naar voren en/
of de rugleuningen ervan rechtop, zodat u
de ruggedeelten van de achterbank helemaal kunt neerklappen.
Buitenste hoofdsteunen achterbank
handmatig omklappen
Voor stoelen met elektrische verwarming/ventilatie (zie pagina 128).
•
Het linker ruggedeelte kan apart worden
neergeklapt.
•
Het middelste ruggedeelte is eveneens
apart neer te klappen.
•
Het rechter ruggedeelte kan samen met
het middelste ruggedeelte worden neergeklapt.
•
Alle ruggedeelten zijn ook tegelijkertijd
neer te klappen.
Achterbank
G018760
Middelste hoofdsteun achterbank
03
Zet de hoofdsteun na afloop handmatig
rechtop totdat deze hoorbaar vastklikt.
G017747
G017624
Trek aan de pal bij de hoofdsteun om de hoofdsteun om te klappen.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
77
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 78
03 Bestuurdersmilieu
Stoelen en achterbank
WAARSCHUWING
Controleer of de ruggedeelten en hoofdsteunen van de achterbank na het rechtop
zetten goed vergrendeld staan.
G017903
03
Bij het omklappen van het middelste ruggedeelte dient u de middelste hoofdsteun
vrij te geven en omlaag te zetten (zie
pagina 77). De buitenste hoofdsteunen
worden automatisch neergeklapt, wanneer
u de buitenste ruggedeelten omklapt.
Trek de blokkeerhandgreep
van het
ruggedeelte omhoog en klap het ruggedeelte om. Een rode markering bij de blokgeeft aan dat het rugkeerhandgreep
gedeelte niet langer geblokkeerd staat.
Houd voor het rechtop zetten de omgekeerde
volgorde aan.
N.B.
De rode markering mag niet langer zichtbaar zijn, wanneer het ruggedeelte weer
rechtop staat. Het ruggedeelte staat niet
geblokkeerd, als de rode markering wel
zichtbaar is.
78
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 79
03 Bestuurdersmilieu
Stuurwiel
Instellen
Claxon
WAARSCHUWING
Stel het stuurwiel af voordat u gaat rijden en
controleer of het in de gekozen stand vergrendeld staat.
03
G021140
G021138
Bij auto’s met snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging* is de kracht die nodig is om het
stuur te verdraaien in te stellen (zie
pagina 159).
Toetsensets*
Stuurwiel afstellen.
Claxon.
Ontgrendelingshendel, stuurwielafstelling
Druk op het midden van het stuurwiel om te
claxonneren.
Mogelijke stuurwielstanden
U kunt het stuurwiel zowel in de hoogte als in
de diepte verstellen.
G021139
1. Trek de hendel naar u toe om het stuur vrij
te geven.
2. Zet het stuurwiel vervolgens in de gewenste stand.
3. Duw de hendel vervolgens terug om het
stuurwiel in de nieuwe stand te blokkeren.
Als dit moeite kost, kunt u lichtjes op het
stuurwiel drukken en tegelijkertijd de hendel terugduwen.
Toetsensets op stuurwiel.
Cruisecontrol, zie pagina 160
Adaptieve cruisecontrol, zie pagina 162
Audio- en telefoonfuncties zie
pagina 137
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
79
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 80
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
Bedieningspaneel verlichting
De displayverlichting wordt bij donker automatisch gedimd. De gevoeligheidsgraad van deze
functie is in te stellen met het duimwiel.
Groot licht/dimlicht
Ook de sterkte waarmee het instrumentenpaneel verlicht wordt stelt u in met het duimwiel.
Koplamphoogteregeling
Overzicht bedieningspaneel verlichting.
Duimwiel voor het afstellen van de verlichting van het display en het instrumentenpaneel
Mistachterlicht
Mistlampen voorzijde*
Bedieningspaneel verlichting
Duimwiel voor koplamphoogteregeling
Instrumentenverlichting
Afhankelijk van de sleutelstand worden
bepaalde displays en instrumenten verlicht (zie
pagina 73).
80
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Door de belading van de auto wordt de hoogte
van de koplampen gewijzigd, zodat u tegemoetkomend verkeer mogelijk verblindt. U
kunt dat voorkomen door de koplamphoogte
bij te stellen. Stel de koplampen lager af als de
auto zwaar beladen is.
1. Laat de motor draaien of zet de transpondersleutel in stand I.
2. Draai het duimwiel omhoog of omlaag om
de koplampen hoger of lager af te stellen.
Auto”s met Bi-XenonŸ- en actieve BiXenonŸkoplampen* zijn uitgerust met automatische koplamphoogteregeling, zodat het
duimwiel ontbreekt.
G021142
G021141
03
Verlichtingsdraaiknop en stuurhendel.
Stand voor grootlichtsignalen
Stand voor grootlicht
Stand
Betekenis
Automatisch*/uitgeschakeld
dimlicht. Alleen grootlichtsignalen.
Stadslichten vóór en achterlichten
Automatisch dimlicht. In deze
stand werken het groot licht en
de grootlichtsignalen.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 81
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
N.B.
Actieve Bi-XenonŸkoplampen*
Stadslichten vóór en achterlichten
Ÿ
Het groot licht is alleen te activeren in stand
.
Grootlichtsignalen
03
Als de verlichtingsdraaiknop in stand
staat, gaat bij het starten van de motor het
dimlicht automatisch* branden. U kunt het
automatische dimlicht zo nodig in een erkende
Volvo-werkplaats buiten werking laten stellen.
is het dimlicht altijd automaIn stand
tisch ingeschakeld wanneer de motor loopt of
als de transpondersleutel in stand II staat.
Groot licht
Het groot licht is alleen te ontsteken met de
verlichtingsdraaiknop in stand
. Schakel
het groot licht in of uit door de stuurhendel tot
in de eindstand naar het stuurwiel te halen en
vervolgens los te laten.
Wanneer het groot licht ontstoken is, brandt
het symbool
op het instrumentenpaneel.
G021144
Dimlicht
G021143
Trek de stuurhendel voorzichtig tot in de stand
voor grootlichtsignalen naar het stuurwiel toe.
Het groot licht brandt totdat u de hendel loslaat.
Lichtbundel bij gedeactiveerde (links) en geactiveerde (rechts) functie
Verlichtingsdraaiknop in stand voor stads-/parkeerlichten vóór en achterlichten
Als de auto is uitgerust met actieve koplampen
(Active Bi-XenonŸ Lights, ABL) draaien de
lichtbundels van de koplampen mee om optimale verlichting te verkrijgen in bochten en op
kruisingen om op die manier de veiligheid te
verhogen.
Draai de verlichtingsdraaiknop naar de middelste stand (ook de kentekenplaatverlichting
gaat branden).
De functie wordt automatisch ingeschakeld bij
op
het starten van de motor. De knop
de middenconsole brandt, wanneer de functie
actief is. Bij een storing knippert de knop. De
functie is uitsluitend actief bij schemer of donker en dan alleen als de auto rijdt.
Om het achteropkomende verkeer te waarschuwen worden de achterlichten ook bij het
openen van de achterklep automatisch ingeschakeld.
De functie is te deactiveren/activeren met de
knop.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
81
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 82
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
Remlichten
Mistlampen voorzijde*
Mistachterlicht
De remlichten gaan automatisch branden wanneer u remt.
Noodremlichten en automatische
alarmlichten, EBL
Het systeem wordt geactiveerd als het ABS
meer dan 0,5 seconden achtereen actief is of
bij krachtig afremmen, maar alleen bij snelheden hoger dan 50 km/h. Wanneer de snelheid
van de auto tot onder de 30 km/h is gedaald,
branden de remlichten weer op de normale
manier en worden de alarmlichten automatisch
ingeschakeld. De alarmlichten blijven knipperen totdat u weer wegrijdt, maar zijn uit te schakelen met de knop voor de alarmlichten.
Knop voor mistlampen voorzijde.
Knop voor mistachterlicht.
De mistlampen vóór zijn in te schakelen in
combinatie met het groot licht/dimlicht of de
stadslichten/parkeerlichten vóór en de achterlichten.
Het mistachterlicht dat uit een lamp aan de
achterzijde van de auto bestaat, is alleen in te
schakelen wanneer u het groot licht/dimlicht
voert al dan niet gecombineerd met de mistlampen aan de voorzijde.
Druk op de knop voor in- en uitschakeling. Het
lampje in de knop brandt, wanneer de mistlampen aan de voorzijde branden.
N.B.
De regels voor het gebruik van de mistlampen vóór verschillen van land tot land.
82
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
G021146
Bij krachtig remmen of ABS-regeling worden
de noodremlichten (EBL, Emergency Brake
Lights) geactiveerd. Dit houdt in dat de remlichten knipperen om het achteropkomende
verkeer onmiddellijk te waarschuwen.
G021145
03
Druk op de knop voor in-/uitschakeling. Het
controlelampje voor het mistachterlicht
op het instrumentenpaneel en het lampje in de
knop branden, wanneer het mistachterlicht
ingeschakeld is.
Het mistachterlicht dooft automatisch bij het
afzetten van de motor.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 83
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
N.B.
De regels voor het gebruik van het mistachterlicht verschillen van land tot land.
automatisch uitgeschakeld. U kunt ook op de
knop voor de alarmlichten drukken.
Richtingaanwijzersymbolen
Voor de richtingaanwijzersymbolen (zie
pagina 68).
Richtingaanwijzers/knipperlichten
Verlichting in interieur
Alarmlichten
Knop voor alarmlichten.
Druk op de knop om de alarmlichten te activeren. Beide richtingaanwijzersymbolen op het
instrumentenpaneel knipperen bij gebruik van
de alarmlichten.
Als de auto dermate hard wordt afgeremd dat
de noodremlichten (EBL) in werking treden,
worden zodra de snelheid van de auto tot
onder de 30 km/h is gedaald automatisch de
alarmlichten ingeschakeld. Ook nadat de auto
tot stilstand is gekomen blijven de alarmlichten
knipperen. Wanneer u weer wegrijdt worden ze
G021149
G021147
G021148
03
Richtingaanwijzers/knipperlichten.
Korte serie knippersignalen
Knoppen op plafondconsole voor bediening leeslampjes en interieurverlichting voorin
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag
naar de eerste stand en laat de hendel vervolgens los. De richtingaanwijzers lichten
driemaal op.
Onafgebroken serie knippersignalen
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag
naar de tweede stand.
De hendel blijft in deze stand staan en kan
handmatig in de uitgangspositie teruggezet
worden of veert automatisch terug bij het
terugdraaien van het stuurwiel.
Leeslampje linkerzijde
Leeslampje rechterzijde
Interieurverlichting
Alle verlichting in het interieur kan handmatig
in- en uitgeschakeld worden binnen 30 minuten nadat:
•
u de motor hebt afgezet en de transpondersleutel in stand 0 staat;
•
de auto ontgrendeld is zonder dat de motor
is gestart.
``
83
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 84
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
Plafondverlichting voorin
Make-upspiegel
De interieurverlichting dooft, wanneer:
De leeslampjes voorin worden in- en uitgeschakeld met een druk op de bijbehorende
knoppen op de plafondconsole.
De verlichting van de make-upspiegel (zie
pagina 193) wordt bij het openen en sluiten
van het klepje in- en uitgeschakeld.
•
•
Bagageruimteverlichting
De interieurverlichting gaat aan en blijft twee
minuten lang branden, wanneer een van de
portieren openstaat.
Plafondverlichting achterin
De bagageruimteverlichting wordt bij het openen en sluiten van de achterklep automatisch
in- en uitgeschakeld.
G021150
03
Plafondverlichting achterin.
U kunt de lampjes in- en uitschakelen met een
druk op de bijbehorende knop.
Instapverlichting
84
u de motor start;
de auto wordt vergrendeld.
Automatische verlichting
Als u een bepaalde verlichtingsfunctie handmatig inschakelt, zal deze na twee minuten
automatisch worden uitgeschakeld.
Met de knop voor de interieurverlichting kunt u
drie verlichtingsstanden selecteren:
Follow-Me-Home-verlichting
•
Uit – rechterkant ingedrukt, automatische
interieurverlichting gedeactiveerd.
•
Neutrale stand – automatische verlichting
geactiveerd.
Het is mogelijk om een deel van de buitenverlichting enige tijd ingeschakeld te houden en
als Follow-Me-Home-verlichting dienst te laten
doen na vergrendeling van de auto.
•
Aan – linkerkant ingedrukt, interieurverlichting brandt.
1. Neem de transpondersleutel uit het contactslot.
Neutrale stand
Met de knop in de neutrale stand wordt de
interieurverlichting als volgt automatisch in- en
uitgeschakeld.
De instapverlichting (alsmede de interieurverlichting) worden in- en uitgeschakeld bij het
openen c.q. sluiten van een portier.
De interieurverlichting wordt ingeschakeld en
blijft 30 seconden lang branden, als:
Verlichting dashboardkastje
•
De verlichting in het dashboardkastje wordt inen uitgeschakeld bij het openen en sluiten van
de klep van het kastje.
u de auto met de afstandsbediening ontgrendelt (zie pagina 41 of 44);
•
u de motor hebt afgezet en de transpondersleutel in stand 0 staat.
2. Haal de linker stuurhendel tot in de eindstand naar het stuurwiel toe en laat de
hendel los. De functie is op dezelfde
manier te activeren als de grootlichtsignalen (zie pagina 80).
3. Stap uit de auto en vergrendel het portier.
Wanneer de functie wordt geactiveerd, gaan
de dimlichten, de parkeerlichten, de richtingaanwijzers, de verlichting van de buitenspiegels, de kentekenplaatverlichting, de plafond-
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 85
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
lampjes in het interieur en de instapverlichting
branden.
Lichtbundel aanpassen
de juiste lichtbundel wordt ook de berm beter
verlicht.
De duur van de Follow-Me-Home-verlichting
kan worden ingesteld onder Instellingen van
de auto Lichtinstellingen Duur
opritverlichting. Voor een beschrijving van het
menusysteem (zie pagina 120).
Bi-XenonŸ- en actieve BiXenonŸkoplampen*
Ÿ
Ÿ
03
Approach-verlichting
Lichtbundel linksrijdend verkeer.
G019442
Wanneer de functie via de transpondersleutel
wordt geactiveerd, gaan de parkeerlichten, de
richtingaanwijzers, de verlichting van de buitenspiegels, de kentekenplaatverlichting, de
plafondlampjes in het interieur en de instapverlichting branden.
G021151
U activeert de Approach-verlichting met de
transpondersleutel (zie pagina 41) om de verlichting van de auto op afstand in te schakelen.
Hendel voor aanpassing lichtbundel.
Normale stand – de juiste lichtbundel voor
het land waarin de auto werd afgeleverd.
De duur van de Approach-verlichting kan worden ingesteld onder Instellingen van de auto
Lichtinstellingen Duur naderingslicht.
Voor een beschrijving van het menusysteem
(zie pagina 120).
G021152
Aangepaste stand – stand voor de tegenovergestelde lichtbundel.
Lichtbundel rechtsrijdend verkeer.
Om verblinding van tegenliggers te voorkomen
kunt u de lichtbundel van de koplampen aanpassen voor links- en rechtsrijdend verkeer. Bij
WAARSCHUWING
Omdat de xenonkoplampen voorzien zijn
van een ontstekingsgedeelte dat een hoge
spanning opwekt, moet u er voorzichtig
mee omgaan.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
85
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 86
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
Het land waarin de auto werd afgeleverd
bepaalt of de uitgangspositie de juiste is voor
links- of rechtsrijdend verkeer.
•
A = LHD Right (auto met het stuur links,
rechter koplampglas)
•
B = LHD Left (auto met het stuur links,
linker koplampglas)
•
C = RHD Right (auto met het stuur
rechts, rechter koplampglas)
•
D = RHD Left (auto met het stuur rechts,
linker koplampglas)
Voorbeeld 1:
03
Om met een in Nederland geleverde auto in
Engeland te kunnen rijden dient de lichtbundel
van de koplampen te worden ingesteld op de
aangepaste stand (zie voorgaande afbeelding).
Voorbeeld 2
Een in Engeland geleverde auto is bestemd
voor linksrijdend verkeer en daarom kunt u de
lichtbundel van de koplampen in de normale
stand (zie voorgaande afbeelding) laten staan.
Halogeenkoplampen
Bij halogeenkoplampen past u de lichtbundel
aan door bepaalde delen van het koplampglas
af te plakken. De sterkte van de lichtbundel
neemt daardoor iets af.
Koplampen afplakken
1. Trek de mallen A en B over voor een auto
met het stuur links of de mallen C en D voor
een auto met het stuur rechts in een schaal
van 1:2 (zie pagina 88). Gebruik bijvoorbeeld een kopieerapparaat met vergrotingsfunctie.
86
2. Breng de mallen over op een stuk zelfklevend en watervast materiaal en knip ze uit.
Breng ook de rode stippen aan.
3. Breng de zelfklevende mallen dusdanig
aan dat de rode stippen op de mallen overeenkomen met de stippen op de koplampglazen die als referentiepunten dienen (zie
navolgende afbeeldingen).
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 87
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
Halogeenkoplampen afplakken
G033025
03
Bovenste regel: afgeplakte gebieden bij een auto met stuur links, mallen A en B. Onderste regel: afgeplakte gebieden bij een auto met het stuur rechts, mallen
C en D.
``
87
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 88
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
Mallen voor halogeenkoplampen
G021155
03
88
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 89
03 Bestuurdersmilieu
Wissers en -sproeiers
Ruitenwissers
Intervalstand
Met het duimwiel kunt u het aantal
wisslagen per eenheid van tijd instellen wanneer u de intervalstand hebt geselecteerd.
Ononderbroken wissen
G018663
De wissers bewegen op normale
snelheid.
De wissers bewegen op hoge snelheid.
BELANGRIJK
Ruitenwissers en -sproeiers.
Regensensor aan/uit
Duimwiel gevoeligheid regensensor/snelheid ruitenwissers
Ruitenwissers uitgeschakeld
Haal de hendel naar stand 0 om de
ruitenwissers uit te schakelen.
Enkele slag
Haal de hendel omhoog en laat deze
los om de wissers een enkele slag te
laten maken.
Controleer alvorens de ruitenwissers tijdens
de winter in te schakelen of de wisserbladen
niet zijn vastgevroren en de voorruit (alsmede de achterruit) sneeuw- en ijsvrij zijn.
BELANGRIJK
Spuit een ruime hoeveelheid ruitensproeiervloeistof op de voorruit, wanneer de ruitenwissers werken. De voorruit moet nat zijn bij
gebruik van de ruitenwissers.
Regensensor*
De regensensor registreert de hoeveelheid
regen op de voorruit en schakelt automatisch
de ruitenwissers op de voorruit in. De gevoeligheid van de regensensor is in te stellen met
het duimwiel.
Wanneer de regensensor actief is, brandt het
lampje in de bijbehorende knop en verschijnt
op het rechter
het regensensorsymbool
display van het instrumentenpaneel.
Activeren en gevoeligheid instellen
Om de regensensor te activeren dient de motor
te lopen of de transpondersleutel in stand I of
II te staan en de ruitenwisserhendel in stand 0
of die voor een enkele wisslag.
03
Activeer de regensensor door op de knop
te drukken. De ruitenwissers maken een
slag.
Als u de hendel omhooghaalt, maken de ruitenwissers een extra slag.
Draai het duimwiel omhoog voor een grotere
gevoeligheid en omlaag voor een lagere
gevoeligheid (de wissers maken een extra slag,
als u het duimwiel omhoogdraait).
Deactiveren
Schakel de regensensor uit met een druk op de
knop
of haal de hendel omlaag naar een
ander wisprogramma.
De regensensor wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u de sleutel uit het contactslot
neemt of vijf minuten nadat u de auto van het
contact hebt gezet.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
89
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 90
03 Bestuurdersmilieu
Wissers en -sproeiers
BELANGRIJK
De ruitenwissers op de voorruit kunnen in
een automatische wasstraat spontaan
inschakelen en daarbij beschadigd raken.
Schakel de regensensor uit terwijl de motor
loopt of als de transpondersleutel in stand
I of II staat. Het symbool op het instrumentenpaneel en dat in de knop doven.
03
Nadat u de hendel hebt losgelaten maken de
ruitenwissers op de voorruit nog enkele slagen.
De koplampen worden om de beurt gesproeid
om te voorkomen dat de sterkte van de verlichting afneemt.
Ruitenwisser en sproeier achterklep
N.B.
De koplampen worden om de beurt
gesproeid.
G017632
Koplamp- en ruitensproeiers
Verwarmde sproeikoppen*
De sproeikoppen worden bij vorst automatisch
verwarmd om te voorkomen dat de ruitensproeiervloeistof bevriest.
Ruitenwisser achterklep – intervalstand
Ruitenwisser achterklep – continu wissen
G019401
Hogedruksproeiers koplampen*
Sproeierfunctie.
Ruitensproeiers voorruit
U activeert de sproeiers van de voorruit en de
koplampen door de hendel naar het stuurwiel
toe te trekken.
1
90
De hogedruksproeiers van de koplampen verbruiken een grote hoeveelheid sproeiervloeistof. Om vloeistof te besparen, worden de
koplampen alleen iedere vijfde keer dat u de
voorruitsproeiers activeert gesproeid.
Wanneer u de hendel naar voren haalt (zie pijl
op bovenstaande afbeelding), activeert u de
ruitenwisser/-sproeier van de achterklep.
Ruitenwisser achterklep, achteruitrijden
Als u de auto in de achteruitversnelling zet terwijl de voorste ruitenwissers actief zijn, zal de
intervalstand van de ruitenwisser op de achterklep starten 1. Bij het inschakelen van een
andere versnelling valt de ruitenwisser op de
achterklep stil.
Deze functie (intervalstand tijdens het achteruitrijden) kunt u desgewenst uitschakelen. Neem daarvoor contact op met uw Volvo-dealer.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 91
03 Bestuurdersmilieu
Wissers en -sproeiers
Als de ruitenwisser op de achterklep echter al
op continue snelheid werkt, vindt er geen wijziging plaats.
N.B.
Bij auto’s met een geactiveerde regensensor wordt de ruitenwisser op de achterklep
automatisch geactiveerd, als u in de regen
achteruitrijdt.
03
91
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 92
03 Bestuurdersmilieu
Ruiten en spiegels
Algemene informatie
Elektrisch bedienbare ruiten
WAARSCHUWING
Zorg er bij het sluiten van de zijruiten voor
dat kinderen of andere inzittenden niet met
hun handen bekneld raken. Dit geldt ook als
u gebruik maakt van de transpondersleutel.
Gelaagd glas
G021849
Het glas is verstevigd voor een verbeterde inbraakbeveiliging en
geluidsisolatie van het interieur. De
voorruit en de overige ruiten zijn
gemaakt van gelaagd glas*.
03
WAARSCHUWING
Water- en vuilafstotende laag*
G018516
De ruiten zijn voorzien van een speciale laag die bij hevige regenval voor
een beter zicht zorgt. Voor het onderhoud (zie
pagina 276).
Als er kinderen in de auto zitten: let er bij het
verlaten van de auto op dat u de stroomtoevoer naar de elektrisch bedienbare zijruiten verbreekt door de transpondersleutel
uit te nemen.
Bedieningspaneel op bestuurdersportier.
BELANGRIJK
Gebruik geen metalen ijskrabber om de ruiten van ijs te ontdoen. Gebruik de elektrische verwarming om de buitenspiegels van
ijs te ontdoen. Een ijskrabber kan krassen
op het spiegelglas veroorzaken!
Elektrisch kinderslot op achterportieren*
en achterste zijruiten (zie pagina 57).
Bediening
Bedieningsknoppen achterste zijruiten
Bedieningsknoppen voorste zijruiten
WAARSCHUWING
G018517
Zorg ervoor dat achterpassagiers niet met
hun handen bekneld raken, wanneer u de
zijruiten vanaf het bestuurdersportier sluit.
Bedieningsknoppen elektrisch bedienbare zijruiten.
Handmatige bediening
Automatische bediening
92
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 93
03 Bestuurdersmilieu
Ruiten en spiegels
Om de elektrisch bedienbare ruiten te kunnen
gebruiken moet de transpondersleutel in stand
I of II staan. Ook als u na het afzetten van de
motor de transpondersleutel hebt verwijderd,
hebt u nog enkele minuten lang de tijd om de
ruiten te bedienen. Na het openen van een portier is dat echter niet meer mogelijk.
De ruiten komen tot stilstand en worden
geopend, als ze tijdens het sluiten in hun beweging worden gehinderd. Wanneer de zijruiten
door ijsvorming bijvoorbeeld tweemaal achtereen niet konden worden gesloten, is het mogelijk de beveiliging tegen overbelasting tijdelijk
op te heffen. U doet dat door de bedieningsknop voor de bewuste zijruit omhoog te trekken en in deze stand vast te houden, totdat de
zijruit dicht is. De beveiliging tegen overbelasting wordt enige tijd later opnieuw geactiveerd.
N.B.
U kunt de rijwindgeluiden tijdens ritten met
geopende achterportierruiten beperken
door ook de voorportierruiten een stukje te
openen.
Handmatige bediening
2. Laat de knop korte tijd los.
Trek voorzichtig een van de bedieningsknoppen omhoog of duw er een omlaag. De elektrisch bedienbare zijruiten komen steeds verder omhoog of omlaag zolang u de
bedieningsknop bedient.
3. Trek de voorkant van de knop opnieuw een
seconde omhoog.
Automatische bediening
Trek een van de bedieningsknoppen omhoog
of duw er een omlaag en laat deze vervolgens
los. De bijbehorende zijruit gaat automatisch
volledig open of dicht.
WAARSCHUWING
De beveiliging tegen overbelasting werkt
alleen als de automatische openingsfunctie
voor zijruiten gereset is.
03
Buitenspiegels
Afstandbediening en knoppen centrale
vergrendeling
Met de transpondersleutel of de knoppen voor
de centrale vergrendeling kunt u alle zijruiten
automatisch openen en sluiten:
±
Houd de vergrendelingsknop ingedrukt
totdat de zijruiten worden geopend of
gesloten. Druk nogmaals op de vergrendelingsknop om het openen/sluiten te
onderbreken.
G018518
Vanaf het bedieningspaneel op het bestuurdersportier kunt u alle ruiten tegelijk bedienen.
Vanaf het bedieningspaneel op een van de
overige portieren kunt u alleen de zijruit in dat
portier bedienen. De zijruiten zijn alleen te
bedienen vanaf één bedieningspaneel tegelijk.
Resetten
Als de accu losgekoppeld is geweest, werkt de
automatische openingsfunctie pas weer naar
behoren wanneer u deze hebt gereset.
1. Trek de knop aan de voorkant omhoog om
de ruit helemaal te sluiten en houd de knop
een seconde in deze stand vast.
Bedieningsknoppen buitenspiegels.
Instellen
1. Druk op knop L voor de buitenspiegel links
of op R voor de buitenspiegel rechts. Het
lampje in de knop brandt.
``
93
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 94
03 Bestuurdersmilieu
Ruiten en spiegels
03
2. U kunt de stand afstellen met het hendeltje
in het midden.
buitenspiegels en de bestuurdersstoel de vastgelegde standen in.
3. Druk opnieuw op knop L of R. Het lampje
mag niet langer branden.
U kunt de functie activeren/deactiveren onder
Autosleutelgeheugen Pos. stoelen en
spiegels. Voor een beschrijving van het menusysteem (zie pagina 120).
WAARSCHUWING
De spiegels zijn groothoekig voor optimaal
zicht. Voorwerpen kunnen verder weg lijken
dan ze in werkelijkheid zijn.
Elektrisch inklapbare buitenspiegels*
De buitenspiegels kunnen omlaaggekanteld
worden, zodat de bestuurder bijvoorbeeld tijdens het parkeren de kant van de weg te kan
zien.
U kunt de buitenspiegels inklappen bij het parkeren en als u op smalle wegen rijdt.
±
1. Druk tegelijkertijd op de knoppen L en R.
Bij het inschakelen van een andere versnelling
nemen de gekantelde buitenspiegels na ca.
10 seconden de oorspronkelijke stand weer in.
Dat gebeurt eerder als u de knop L of R drukt.
2. Laat ze na ongeveer een seconde los. De
spiegels stoppen automatisch, als ze volledig zijn ingeklapt.
Klap de spiegels weer uit door tegelijkertijd op
de knoppen L en R te drukken. De spiegels
stoppen automatisch, als ze volledig zijn uitgeklapt.
Stand vastleggen*
De stand van de buitenspiegels en de bestuurdersstoel worden vastgelegd, wanneer u de
auto met de transpondersleutel vergrendelt.
Een volgende keer dat de auto met dezelfde
transpondersleutel wordt ontgrendeld en het
bestuurdersportier wordt geopend, nemen de
94
Buitenspiegel kantelen bij parkeren
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Schakel de achteruitversnelling in en druk
op de knop L of R.
Automatische inklapfunctie bij
vergrendelen
Wanneer u de auto vanaf de transpondersleutel vergrendelt/ontgrendelt worden de buitenspiegels automatisch in- of uitgeklapt.
U kunt de functie activeren/deactiveren onder
Instellingen van de auto Spiegels in bij
vegrend.. Voor een beschrijving van het menusysteem (zie pagina 120).
In neutrale stand terugzetten
Spiegels die uit positie zijn geraakt door invloeden van buitenaf, moeten eerst elektrisch in de
neutrale stand worden teruggezet zodat het
elektrisch in- en uitklappen weer correct werkt.
1. Klap de spiegels in met de knoppen L
en R.
2. Klap de spiegels weer uit met de knoppen
L en R.
De spiegels staan daarmee weer in de neutrale
stand.
Approach-verlichting en Follow-MeHome-verlichting
De lampjes op de buitenspiegels gaan branden, als u de Approach-verlichting of de Follow-Me-Home-verlichting selecteert (zie
pagina 84).
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 95
03 Bestuurdersmilieu
Ruiten en spiegels
Elektrische achterruit- en
buitenspiegelverwarming
een beschrijving van het menusysteem (zie
pagina 120).
Autodimfunctie*
Als het licht dat van achteren in de spiegel valt
te fel is, wordt de achteruitkijkspiegel automatisch gedimd. Het hendeltje is niet aanwezig op
spiegels met autodimfunctie.
Achteruitkijkspiegel
Gebruik de elektrische verwarming om de achterruit en de buitenspiegels te ontwasemen en
te ontdooien.
Met één druk op de knop schakelt u de gelijktijdige verwarming van de achterruit en de buitenspiegels in. Het brandende lampje in de
knop geeft aan dat de functie actief is. De verwarming wordt afhankelijk van de buitentemperatuur na een bepaalde tijd automatisch
uitgeschakeld.
De achterruit wordt automatisch ontwasemd/
ontdooid als u de auto start bij een buitentemperatuur lager dan +7 °C.
U kunt voor automatische ontwaseming kiezen
onder Klimaatinstellingen Aut. defroster
achterr.. Kies vervolgens uit Aan of Uit. Voor
G021342
G021341
03
Hendeltje voor dimfunctie
Handmatige dimfunctie
Fel licht van achteren kan hinderlijke reflecties
in de achteruitkijkspiegel veroorzaken en u verblinden. Zet de spiegel met het hendeltje in de
dimstand, wanneer u de verlichting van het
achteropkomende verkeer als hinderlijk
ervaart:
1. Activeer de dimfunctie door het hendeltje
naar u toe te halen.
2. Deactiveer de dimfunctie door het hendeltje naar de voorruit toe te duwen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
95
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 96
03 Bestuurdersmilieu
Elektrisch bedienbaar schuifdak*
Algemene informatie
De bedieningsknoppen voor het schuifdak zitten aan het plafond. Het schuifdak is aan de
achterkant open te kantelen of horizontaal
open te schuiven. Het schuifdak is alleen te
openen in sleutelstand I of II.
03
Horizontaal openschuiven
knop vervolgens los om het schuifdak zo ver
mogelijk open te schuiven.
U kunt het schuifdak handmatig openen door
de bedieningsknop achteruit naar het weerstandspunt voor handmatig openen te trekken.
Het schuifdak schuift steeds verder open
zolang u de knop in deze stand vasthoudt.
Sluiten
U kunt het schuifdak handmatig sluiten door de
bedieningsknop vooruit naar het weerstandspunt voor handmatig sluiten te duwen. Het
schuifdak schuift steeds verder dicht zolang u
de knop in deze stand vasthoudt.
WAARSCHUWING
Als er kinderen in de auto zitten:
Let er bij het verlaten van de auto op dat u
de stroomtoevoer naar het schuifdak verbreekt door de transpondersleutel uit te
nemen.
Verticaal openkantelen
Beknellingsgevaar bij het sluiten van het
schuifdak. De beveiliging tegen overbelasting van het schuifdak werkt alleen bij automatisch sluiten, niet bij handmatig sluiten.
G028900
G017823
WAARSCHUWING
Horizontaal openschuiven, achteruit/vooruit.
Openen, automatisch
Openen, handmatig
Sluiten, handmatig
Sluiten, automatisch
Openen
Trek de bedieningsknop naar achteren in de
stand voor automatisch openen en laat de
96
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Het schuifdak gaat automatisch dicht, wanneer u de knop in de stand voor automatisch
sluiten duwt en vervolgens loslaat.
Wanneer u de transpondersleutel uit het contactslot neemt, wordt de spanning van het
schuifdak verbroken.
Verticaal openkantelen, achterkant omhoogkantelen.
Kantel het schuifdak open door de achterkant van de knop omhoog te duwen.
Kantel het schuifdak dicht door de achterkant van de knop omlaag te trekken.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 97
03 Bestuurdersmilieu
Elektrisch bedienbaar schuifdak*
Sluiten met transpondersleutel of knop
voor centrale vergrendeling
van het schuifdak. Pak de handgreep vast en
schuif het scherm naar voren om het te sluiten.
Beveiliging tegen overbelasting
Het schuifdak is voorzien van een beveiliging
tegen overbelasting die wordt geactiveerd, als
het schuifdak door een obstakel wordt gehinderd. Het schuifdak komt dan tot stilstand en
keert vervolgens automatisch terug naar de
laatst gebruikte, geopende stand.
G021345
03
Houd de vergrendelingsknop lang ingedrukt
om het schuifdak en alle zijruiten te sluiten (zie
pagina 41 en 52). De portieren en de achterklep
worden vergrendeld. Druk nogmaals op de vergrendelingsknop om het sluiten te onderbreken.
WAARSCHUWING
Controleer of niemand met de handen
bekneld raakt wanneer u het schuifdak
vanaf de transpondersleutel sluit.
Zonnescherm
Aan de binnenkant van het schuifdak zit een
handbediend zonnescherm. Het zonnescherm
glijdt automatisch naar achteren bij het openen
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
97
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 98
03 Bestuurdersmilieu
Motor starten
Benzine- en dieselmotoren
2. Houd het koppelingspedaal volledig ingedrukt 1. Trap bij auto’s met een automatische versnellingsbak op het rempedaal.
3. Druk op de knop START/STOP ENGINE
en laat deze vervolgens los.
03
G021126
N.B.
Contactslot met transpondersleutel en start-/
stopknop (voor meer informatie (zie pagina 73)).
BELANGRIJK
De transpondersleutel niet verkeerd om
insteken!
Pak de sleutel beet aan het uiteinde met het
sleutelblad (zie pagina 44).
1. Plaats bij auto’s met een transpondersleutel de transpondersleutel in het contactslot. Druk licht op de sleutel zodat deze
verder naar binnen wordt getrokken.
1
98
Bij auto’s met een dieselmotor van het type
2.0D slaat de motor mogelijk met enige vertraging aan, wanneer de melding
Voorgloeifunctie motor actief op het display staat.
De startmotor blijft maximaal 10 seconden
draaien (60 seconden bij dieselmodellen), totdat de motor is aangeslagen.
Als de motor niet binnen 10 seconden aanslaat, kunt u een nieuwe startpoging doen door
de knop START/STOP ENGINE ingedrukt te
houden totdat de motor wel aanslaat.
WAARSCHUWING
Neem bij het verlaten van de auto altijd de
transpondersleutel uit het contactslot. Dit
geldt in het bijzonder wanneer er kinderen
in de auto achterblijven.
Als de auto rolt is het indrukken van de knop START/STOP ENGINE voldoende om de motor te starten.
WAARSCHUWING
Neem de transpondersleutel nooit tijdens
het rijden of het slepen uit het contactslot.
U loopt anders het gevaar dat het stuurslot
wordt geactiveerd, waardoor de auto onbestuurbaar wordt.
Neem de transpondersleutel bij een auto
met Keyless drive*-functie nooit tijdens het
rijden of slepen uit het contactslot.
N.B.
Tijdens de koude start is het mogelijk dat het
motortoerental merkbaar hoger ligt dan normaal is voor bepaalde motortypes. Dit
omdat ernaar wordt gestreefd het uitlaatgasreinigingssysteem zo snel mogelijk op
bedrijfstemperatuur te brengen en tegelijkertijd de uitstoot te beperken van stoffen
die schadelijk zijn voor het milieu.
Keyless drive
Loop de punten 2–3 door voor benzine- en dieselmotoren.
N.B.
U kunt de motor alleen starten, wanneer een
van de transpondersleutels bij een auto met
Keyless drive*-functie in de passagiersruimte of de bagageruimte ligt.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 99
03 Bestuurdersmilieu
Motor starten
Stuurslot
Het stuurslot wordt opgeheven wanneer u de
transpondersleutel 2 in het contactslot steekt
en opnieuw ingeschakeld wanneer u de transpondersleutel verwijdert.
Wanneer u bij het verlaten van de auto het
stuurslot inschakelt, beperkt u het gevaar voor
diefstal van de auto.
2
03
Bij auto’s met Keyless drive* wordt de eerste keer dat u op de startknop drukt, het stuurslot gedeactiveerd. Het stuurslot wordt opnieuw geactiveerd, wanneer het bestuurdersportier wordt geopend
nadat de motor is afgezet.
99
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 100
03 Bestuurdersmilieu
Motor starten, FlexiFuel
Algemene informatie over het starten
van een FlexiFuel-motor
Motorverwarming*
Maak daarom tijdens de wintermaanden
zoveel mogelijk gebruik van de motorverwarming.
De motor wordt op dezelfde manier gestart als
een benzinemotor.
WAARSCHUWING
03
De motorverwarming werkt op een hoge
spanning. Laat controle- en reparatiewerkzaamheden aan de elektrische motorverwarming en de elektrische aansluitingen
ervan uitvoeren door een erkende Volvowerkplaats.
Bij startproblemen
Wanneer de motor niet bij de eerste startpoging aanslaat:
•
Doe nog enkele startpogingen met behulp
van de knop START/STOP ENGINE.
G019754
Als de motor dan nog niet aanslaat
Is de buitentemperatuur lager dan +5 °C:
1. Sluit de elektrische motorverwarming minstens 1 uur lang aan.
2. Doe nog enkele startpogingen met behulp
van de knop START/STOP ENGINE.
BELANGRIJK
Als de motor ondanks herhaalde startpogingen niet aanslaat, dient u contact op te
nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
Aansluiting voor motorverwarming
Als de te verwachten temperatuur lager is dan
–10 °C, wordt u geadviseerd de motorverwarming ca. 2 uur in te schakelen om de motor
sneller te kunnen starten wanneer er bio-ethanol (E 85) in de tank zit.
Hoe lager de temperatuur hoe langer de motorverwarming moet werken. Bij –20 °C dient u de
verwarming ca. 3 uur in te schakelen.
Auto’s bestemd voor bio-ethanol (E 85) zijn uitgerust met een elektrische motorverwarming*.
Een voorverwarmde motor slaat sneller aan en
loopt beter, wat een aanzienlijke beperking van
de emissies en het brandstofverbruik inhoudt.
100
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
N.B.
Opmerking voor wie een jerrycan met
brandstof wil meenemen:
Wanneer u de brandstoftank hebt leeggereden en bio-ethanol (E 85) bijvult uit een
jerrycan is het bij strenge vorst niet uitgesloten dat de motor startproblemen vertoont. U kunt dergelijke problemen voorkomen door de jerrycan gevuld te houden met
benzine (95 RON).
Voor meer informatie over de FlexiFuel-brandstof bio-ethanol (E 85) (zie pagina 212 en
294).
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 101
03 Bestuurdersmilieu
Motor starten, FlexiFuel
Brandstofadaptatie
Wanneer u de brandstoftank hebt volgegoten
met benzine nadat u op bio-ethanol (E 85) hebt
gereden (om omgekeerd), kan de motor enige
tijd ietwat onregelmatig lopen. Het is daarom
belangrijk dat de motor de gelegenheid krijgt
tot aanpassing (adaptatie) aan het nieuwe
brandstofmengsel.
03
Een dergelijke adaptatie gaat automatisch van
start, wanneer u korte tijd op gelijkmatige snelheid in de auto rijdt.
BELANGRIJK
Na wijzigingen in het brandstofmengsel in
de tank dient een adaptatie plaats te vinden.
Dit gebeurt wanneer u ca. 15 minuten lang
op gelijkmatige snelheid rijdt.
Als de startaccu ontladen of losgekoppeld is
geweest, moet er voor een correcte adaptatie
iets langer worden gereden aangezien het
geheugen van de elektronica werd gewist.
101
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 102
03 Bestuurdersmilieu
Motor starten, hulpaccu
Starten met hulpaccu
4. Sluit de ene klem van de rode startkabel
.
aan op de pluspool van de hulpaccu
5. Haal de clips op de voorste dekplaat van
de uitgeputte accu los en verwijder de dekplaat (zie pagina 250).
6. Sluit de andere klem van de rode startkabel
aan op de pluspool
van de uitgeputte
accu die onder een opklapbare kunststof
afdekking zit.
G021347
03
Als de accu uitgeput is, kunt u de auto starten
met stroom van een hulpaccu.
Bij gebruik van een hulpaccu wordt u het volgende geadviseerd om explosiegevaar te voorkomen:
1. Zet de transpondersleutel in stand 0 (zie
pagina 73).
2. Zorg dat de hulpaccu een spanning van
12 V levert.
3. Als de hulpaccu zich in een andere auto
bevindt, moet u de motor van die auto
afzetten en ervoor zorgen dat de auto’s
elkaar niet raken.
102
7. Sluit de ene klem van de zwarte startkabel
aan op de minpool
van de hulpaccu.
BELANGRIJK
Wees voorzichtig bij het aansluiten van de
startkabels om kortsluiting met andere
onderdelen in de motorruimte te voorkomen.
8. Sluit de andere klem van de zwarte kabel
aan op het massapunt (rechter motorsteun
bovenaan, buitenste boutkop) . Controleer of de aansluitklemmen van de startkabels goed vastzitten om te voorkomen dat
er tijdens de startpoging vonken ontstaan.
9. Start de motor van de “hulpauto”. Laat de
motor enkele minuten draaien op een toe-
rental dat iets hoger ligt dan normaal,
1500 omw/min.
10. Start de motor van de auto met de lege
accu. Raak de aansluitingen niet aan tijdens de startpoging. Er bestaat namelijk
gevaar voor vonkvorming.
11. Verwijder de startkabels. Verwijder eerst
de zwarte kabel en daarna de rode. Zorg
dat geen van de klemmen aan de zwarte
startkabel contact kan maken met de pluspool van de accu of met de aangesloten
klemmen van de rode startkabel.
WAARSCHUWING
Accu’s kunnen het zeer explosieve knalgas
produceren. Een enkele vonk, veroorzaakt
door een onjuiste aansluiting van de startkabels, is voldoende om de accu tot ontploffing te brengen. Accu’s bevatten tevens
zwavelzuur dat ernstige chemische brandwonden kan veroorzaken. Als u accuzuur in
uw ogen krijgt of op uw huid of kleren morst,
moet u onmiddellijk met grote hoeveelheden water spoelen. Neem onmiddellijk contact op met een arts, als u accuzuur in uw
ogen krijgt.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 103
03 Bestuurdersmilieu
Versnellingsbakken
Handbak, vijfversnellingsbak
Handbak, zesversnellingsbak
Blokkering achteruitversnelling,
vijfversnellingsbak
•
Trap het koppelingspedaal tijdens het
schakelen altijd zo ver mogelijk in.
•
Haal uw voet na het schakelen weer van
het koppelingspedaal af!
•
Houd u aan het aangegeven schakelpatroon.
Om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te
houden, moet u zoveel mogelijk gebruik maken
van hoge versnellingen.
G021348
G021349
G021348
03
De blokkering van de achteruitversnelling
beperkt het risico dat u tijdens het vooruitrijden
op normale snelheid onbedoeld de achteruitversnelling inschakelt.
Schakel de achteruitversnelling alleen in, wanneer de auto stilstaat.
•
Om de achteruitversnelling in te schakelen
moet u de versnellingspook eerst in de
neutrale stand N zetten. Door de blokkering van de achteruitversnelling kunt u de
versnellingspook niet rechtstreeks vanuit
de vijfde versnelling in de achteruitversnelling zetten.
•
Trap het koppelingspedaal tijdens het
schakelen altijd zo ver mogelijk in.
•
Haal uw voet na het schakelen weer van
het koppelingspedaal af!
•
Houd u aan het aangegeven schakelpatroon.
Om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te
houden, moet u zoveel mogelijk gebruik maken
van hoge versnellingen.
``
103
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 104
03 Bestuurdersmilieu
Versnellingsbakken
Automatische versnellingsbak
Geartronic
Blokkering achteruitversnelling,
zesversnellingsbak
BELANGRIJK
De auto moet stilstaan wanneer u de hendel
in stand P zet.
Achteruitrijstand (R)
De auto moet stilstaan wanneer u de hendel in
stand R zet.
03
G021350
G021349
Neutrale stand (N)
In deze stand kunt u de motor starten en er is
geen versnelling ingeschakeld. Zet de parkeerrem aan, wanneer de auto stilstaat en de keuzehendel in stand N staat.
Rijstand (D)
De blokkering van de achteruitversnelling
beperkt het risico dat u tijdens het vooruitrijden
op normale snelheid onbedoeld de achteruitversnelling inschakelt.
Het informatiedisplay geeft de stand van de
keuzehendel aan met behulp van de volgende
tekens: P, R, N, D, S, 1, 2, 3, 4, 5 of 6 (zie
pagina 67).
Schakel de achteruitversnelling alleen in, wanneer de auto stilstaat.
Schakelstanden
Parkeerstand (P)
Selecteer stand P, wanneer u de motor start of
de auto parkeert. U moet het rempedaal bedienen om de keuzehendel uit stand P te kunnen
halen.
In stand P is de versnellingsbak mechanisch
geblokkeerd. Activeer de elektrische parkeerrem met een druk op de knop (zie
pagina 112).
104
Stand D is de normale rijstand. De versnellingsbak schakelt automatisch op en terug
afhankelijk van de stand van het gaspedaal en
de snelheid. Zorg ervoor dat de auto stilstaat,
voordat u de keuzehendel vanuit stand D in
stand R zet.
Geartronic, handmatig schakelen (M)
Met de automatische versnellingsbak Geartronic kunt u ook handmatig schakelen. Bij het
loslaten van het gaspedaal wordt de auto op
de motor afgeremd.
Handmatig schakelen is te activeren door de
hendel vanuit stand D helemaal naar rechts in
stand M te zetten. Op het informatiedisplay
verandert het teken D in een van de cijfers “
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 105
03 Bestuurdersmilieu
Versnellingsbakken
1– 6” afhankelijk van de ingeschakelde versnelling (zie pagina 67).
Duw de hendel naar voren naar de + (plus) om
een hogere versnelling in te schakelen en laat
de hendel weer los. De hendel veert terug naar
de neutrale stand M.
Trek de hendel naar achteren naar de – (min)
om een lagere versnelling in te schakelen en
laat de hendel weer los.
Handmatig schakelen M kan op elk moment
tijdens het rijden geactiveerd worden.
Om de automatische rijstand te hervatten dient
u de hendel helemaal naar links in stand D te
zetten.
Om schokken en afslaan van de motor te voorkomen, schakelt Geartronic automatisch terug
als de bestuurder langzamer gaat rijden dan
wat voor de gekozen versnelling gepast is.
N.B.
Als de versnellingsbak een sportstand kent,
is handmatig schakelen pas te activeren
wanneer u de keuzehendel vooruit of achter
in stand M hebt gezet. Op het informatiedisplay verandert de S dan in een van de
tekens 1–6 om aan te geven welke versnelling er ingeschakeld is.
1
Geartronic, Sportstand (S) 1
De sportstand levert een sportiever rijgedrag
op en maakt het mogelijk om hogere toeren te
maken in de versnellingen. De motor reageert
bovendien sneller op de commando’s die u
met het gaspedaal geeft. Bij inschakeling van
de sportstand wordt tevens de voorkeur gegeven aan de lagere versnellingen, zodat er met
enige vertraging wordt opgeschakeld.
U schakelt de sportstand in door de hendel
vanuit stand D helemaal naar rechts in stand
M te zetten. Op het informatiedisplay verandert
het teken D in een S.
De sportstand kan op elk moment tijdens het
rijden ingeschakeld worden.
Geartronic, winterstand
Om bij gladheid gemakkelijker weg te kunnen
komen is het soms beter handmatig de 3e versnelling in te schakelen.
1. Bedien het rempedaal en haal de keuzehendel vanuit stand D helemaal naar rechts
bij M – het symbool D op het display van
het instrumentenpaneel verandert in een
1.
2. Schakel op naar de 3e versnelling door de
hendel twee keer naar voren naar de +
(plus) te duwen – op het display verandert
de 1 in een 3.
3. Laat het rempedaal los en geef voorzichtig
gas.
Bij activering van de “winterstand” van de versnellingsbak rijdt de auto met een lager motortoerental en minder kracht op de aandrijfwielen
weg.
03
Kickdown
Als u het gaspedaal volledig intrapt (tot voorbij
de normale volgasstand), schakelt de versnellingsbak automatisch terug naar een lagere
versnelling. Dit is de zogeheten kickdown.
Wanneer u het gaspedaal uit de kickdownstand loslaat, schakelt de versnellingsbak
automatisch op.
Gebruik de kickdown om zo snel mogelijk te
accelereren zoals bij het inhalen.
Beveiligingsfunctie
Om overtoeren van de motor te voorkomen, is
het stuurprogramma van de versnellingsbak
voorzien van een terugschakelblokkering
waardoor de zogeheten kickdown niet mogelijk is.
Geartronic staat geen terugschakeling/kickdown toe die tot een dusdanig hoog toerental
leidt dat de motor kan worden beschadigd.
Wanneer u bij hoge motortoeren toch probeert
een dergelijke kickdown uit te voeren, gebeurt
Alleen 3,0 litermodel.
``
105
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 106
03 Bestuurdersmilieu
Versnellingsbakken
er niets. De auto blijft in de oorspronkelijke versnelling rijden.
03
Bij kickdown kan de auto afhankelijk van het
motortoerental één of meer versnellingen
terugschakelen. Om schade aan de motor te
voorkomen schakelt de auto op wanneer de
motor het maximumtoerental heeft bereikt.
Mechanische keuzehendelblokkering
Automatische keuzehendelblokkering
De automatische versnellingsbak kent enkele
bijzondere beveiligingsfuncties:
Automatische schakelblokkering
deactiveren
Sleutelblokkering, Keylock
De keuzehendel moet in stand P staan om de
transpondersleutel uit het contactslot te kunnen nemen. In alle andere standen is de transpondersleutel geblokkeerd.
Parkeerstand (P)
Houd uw voet op het rempedaal terwijl u de
keuzehendel verzet.
G021351
Elektrische schakelblokkering, Shiftlock
parkeerstand (P)
Om de keuzehendel uit stand P te kunnen
halen, moet u het rempedaal bedienen terwijl
contactslotstand II geactiveerd is (zie
pagina 73).
Schakelblokkering, vrijstand (N)
U kunt de hendel altijd ongehinderd heen en
weer halen tussen de standen N en D. Om de
hendel in een van de overige standen te zetten,
moet u een blokkering opheffen door op de
blokkeerknop op de keuzehendel te drukken.
Met de blokkeerknop ingedrukt kunt u de hendel vooruit of achteruit bewegen tussen de
standen P, R, N en D.
106
Als de keuzehendel in stand N staat en de auto
heeft minstens 3 seconden stilgestaan (of de
motor nu loopt of niet), is de keuzehendel
geblokkeerd.
Om de keuzehendel vanuit stand N in een
andere schakelstand te zetten moet u het rempedaal bedienen, terwijl contactslotstand II
geactiveerd is (zie pagina 73).
G021352
Stilstaande auto met draaiende motor:
Als er niet met de auto kan worden gereden
zoals het geval is bij een uitgeputte accu, moet
u de keuzehendel uit stand P halen voordat u
de auto kunt verslepen.
Til de rubber vloermat achter de middenconsole uit de auto en open het luikje.
Steek het sleutelblad zo ver mogelijk naar
binnen. Duw het sleutelblad omlaag en
houd het in deze stand vast. Haal de keuzehendel uit stand P. Voor meer informatie
over het sleutelblad (zie pagina 44).
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 107
03 Bestuurdersmilieu
Vierwielaandrijving, AWD (All Wheel Drive)*
De vierwielaandrijving is altijd
ingeschakeld.
Bij vierwielaandrijving worden alle vier de wielen van de auto tegelijk aangedreven.
Het motorkoppel wordt automatisch over de
voor- en achterwielen verdeeld. Een elektronisch gestuurd koppelingssysteem verdeelt
het vermogen over het wielpaar dat op dat
moment de beste grip op het wegdek heeft. Dit
om optimale wegligging te verkrijgen en wielspin te voorkomen. Bij normaal rijden worden
de voorwielen naar verhouding iets sterker
aangedreven dan de achterwielen.
03
De vierwielaandrijving verhoogt de rijveiligheid
tijdens regen- en sneeuwval en bij ijzel.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
107
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 108
03 Bestuurdersmilieu
Bedrijfsrem
Algemene informatie
De auto is uitgerust met twee remkringen. Als
een van de remkringen defect raakt, betekent
dit dat de remmen pas later worden aangesproken zodat u het rempedaal dieper moet
intrappen voor dezelfde remmende werking.
03
De druk die u uitoefent op het rempedaal wordt
versterkt door de rembekrachtiging.
WAARSCHUWING
De rembekrachtiging werkt alleen, als de
motor loopt.
baar, waardoor het bijvoorbeeld makkelijker is
om obstakels te ontwijken. Bij activering van
deze functie kunt u trillingen in het rempedaal
voelen. Dit is volkomen normaal.
Wanneer u het rempedaal loslaat nadat de
motor is aangeslagen, gaat een kortdurende,
automatische test van het ABS van start. Het
is mogelijk dat er opnieuw een automatisch
test van het ABS plaatsvindt, wanneer de auto
een snelheid van 40 km/h bereikt. Ook deze
test kan waarneembaar zijn in de vorm van trillingen in het rempedaal.
Remschijven schoonmaken
Wanneer u met de motor afgezet remt doet het
rempedaal stug aan en kost het u meer kracht
om de auto te remmen.
In bergachtig gebied of bij het rijden met een
zware belading kunt u de remmen ontzien door
op de motor af te remmen. U benut de remmende werking van de motor het best, wanneer u tijdens het afdalen dezelfde versnelling
inschakelt als bij het oprijden van een helling.
Voor algemener informatie over een zware
belasting van de auto (zie pagina 288).
Antiblokkeerremsysteem
De auto is uitgerust met ABS (Anti-lock Braking
System) dat voorkomt dat de wielen blokkeren
tijdens het remmen. Zo blijft de auto bestuur-
108
Vuil en water op de remschijven kunnen ertoe
leiden dat de aanspreekduur van de remmen
wordt verlengd. Door de remblokken schoon te
maken beperkt u deze verlenging.
U wordt geadviseerd de remschijven handmatig schoon te maken, wanneer u op natte
wegen rijdt, de auto net hebt gewassen of op
het punt staat deze langdurig te parkeren. U
maakt de remschijven handmatig schoon door
korte tijd licht te remmen.
Remkrachtverhoging bij noodstops
De remkrachtverhoging bij noodstops (EBA,
Emergency Brake Assistance) helpt de remkracht verhogen om op die manier de remweg
te verkorten. Het EBA-systeem registreert de
wijze waarop u het rempedaal bedient en ver-
hoogt zo nodig de remkracht. De remkracht
kan worden verhoogd tot aan het niveau waarbij het ABS ingrijpt. De EBA-regeling wordt
uitgeschakeld wanneer u de druk op het rempedaal verlaagt.
N.B.
Wanneer het EBA geactiveerd wordt, zakt
het rempedaal iets verder omlaag dan normaal. Bedien het rempedaal zolang dat
nodig is. Zodra u het rempedaal loslaat,
worden de remmen volledig gelost.
Symbolen op instrumentenpaneel
Symbool
Betekenis
Brandt continu – controleer het
remvloeistofpeil. Vul remvloeistof bij als het peil te laag ligt en
controleer tevens de oorzaak
van het remvloeistofverlies.
Brandt 2 seconden lang continu
bij het starten van de motor – er
is de laatste keer dat de motor
liep een storing in het ABS
opgetreden.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 109
03 Bestuurdersmilieu
Bedrijfsrem
WAARSCHUWING
Als de waarschuwingssymbolen
en
tegelijkertijd branden, kan er een storing in het remsysteem zijn opgetreden.
Als het remvloeistofpeil in dat geval in orde
is, moet u de auto voorzichtig naar de
dichtstbijzijnde erkende Volvo-werkplaats
rijden om het remsysteem te laten controleren.
03
Als de remvloeistof onder het MIN-streepje
van het reservoir staat, mag u niet verder
rijden voordat u remvloeistof hebt bijgevuld.
Controleer tevens de oorzaak van het remvloeistofverlies.
109
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 110
03 Bestuurdersmilieu
Afdalingsregeling, HDC (Hill Descent Control)
Algemene informatie 1
03
HDC is te vergelijken met een automatische
motorrem. Wanneer u op een aflopende helling
het gaspedaal loslaat, wordt de auto normaal
gesproken op de motor afgeremd doordat
deze in dat geval een laag stationair toerental
nastreeft. Naarmate de helling steiler en de
auto zwaarder beladen is, rolt de auto ondanks
de motorrem sneller omlaag. Om in dergelijke
gevallen snelheid te minderen dient u bij te
remmen met het rempedaal.
WAARSCHUWING
HDC heeft niet in alle situaties het beoogde
effect en is uitsluitend bedoeld als hulpmiddel.
U als bestuurder bent er altijd verantwoordelijk voor dat de auto op een veilige manier
wordt bestuurd.
Functie
1
110
Het systeem werkt alleen in de eerste versnelling en in de achteruitversnelling. Bij een automatische versnellingsbak geldt dat de 1e
versnelling moet zijn ingeschakeld, wat wordt
aangegeven met het cijfer 1 op het boordcomputerdisplay (zie pagina 104).
N.B.
HDC valt niet te activeren wanneer de keuzehendel van een automaat in stand D staat.
Met het HDC-systeem is het mogelijk om op
steile aflopende hellingen de snelheid te verhogen/verlagen met het gaspedaal, zonder het
rempedaal te gebruiken. Het remsysteem grijpt
automatisch in en zorgt voor een lage en gelijkmatige snelheid, zodat u zich volledig kunt
richten op de besturing.
Bediening
G017426
HDC is met name handig op steile aflopende
hellingen met een oneffen oppervlak en op
gladde weggedeelten. Denk bijvoorbeeld aan
een boot op een trailer die u vanaf een boothelling achteruit te water laat.
staat de melding Afdalingsrem- regeling
AAN.
HDC is met een schakelaar op de middenconsole naar wens in en uit te schakelen. Het
lampje in de schakelaar brandt wanneer de
functie ingeschakeld is. Wanneer HDC actief
is, brandt het symbool
en op het display
HDC behoort tot de standaarduitrusting en is alleen aanwezig op de XC70.
Bij een geactiveerd HDC-systeem kan de auto
bij het afremmen op de motor maximaal
10 km/h voorruit rijden en 7 km/h achteruit. Met
het gaspedaal kunt u echter een willekeurige
andere snelheid binnen het snelheidsinterval
kiezen dat bij de ingeschakelde versnelling
hoort. Zodra u het gaspedaal loslaat wordt de
rijsnelheid snel verlaagd tot 10 of 7 km/h, ongeacht de hellingshoek en zonder dat u daarvoor
het rempedaal hoeft te bedienen.
Bij activering van het systeem gaan automatisch de remlichten branden. Met het rempe-
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 111
03 Bestuurdersmilieu
Afdalingsregeling, HDC (Hill Descent Control)
daal kunt u de auto altijd remmen of helemaal
tot stilstand brengen.
HDC wordt gedeactiveerd:
•
bij het indrukken van de aan/uit-knop op
de middenconsole;
•
bij het inschakelen van een hogere versnelling dan de 1e bij een handgeschakelde versnellingsbak;
•
bij het inschakelen van een hogere versnelling dan de 1e bij een automatische
versnellingsbak of bij het inschakelen van
stand D.
03
Het systeem is op ieder moment uit te schakelen. Als u dit op een steile aflopende helling
doet, zal het remvermogen niet meteen maar
geleidelijk worden verlaagd.
N.B.
Bij activering van het HDC-systeem reageert de motor mogelijk trager dan normaal
op het gaspedaal.
111
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 112
03 Bestuurdersmilieu
Parkeerrem
Elektrische parkeerrem
loslaat of het gaspedaal bedient, wordt de parkeerrem gelost.
Parkeerrem aanzetten
De elektrische parkeerrem heeft dezelfde toepassingsgebieden als het parkeerrempedaal
zoals bij het wegrijden op een helling.
N.B.
Tijdens een noodstop bij snelheden hoger
dan 10 km/h klinkt er gedurende de hele
remmanoeuvre een geluidssignaal.
Functie
Wanneer de parkeerrem wordt geactiveerd,
hoort u een zwak elektromotorgeluid. Het
geluid is tevens waarneembaar bij een automatische functiecontrole van de parkeerrem.
Als de auto stilstaat wanneer u de parkeerrem
aanzet, werkt de rem alleen op de achterwielen. Als u de parkeerrem tijdens het rijden aanzet, wordt de normale bedrijfsrem geactiveerd.
Daarbij werkt de rem op alle vier de wielen.
Wanneer de auto bijna stilstaat, worden alleen
de achterwielen geremd.
Lage accuspanning
Als de accuspanning te laag is, kunt u de parkeerrem niet aanzetten noch lossen. Sluit een
hulpaccu aan, als de accuspanning te laag is
(zie pagina 102).
Op een helling parkeren
G021354
03
Handgreep parkeerrem
1. Trap het rempedaal stevig in.
Draai bij het parkeren op een oplopende helling
de wielen van de trottoirband af, als de neus
van de auto naar de top van helling wijst.
Draai bij het parkeren op een aflopende helling
de wielen naar de trottoirband toe, als de neus
van de auto naar de voet van de helling wijst.
2. Druk op de handgreep.
3. Laat het rempedaal los en controleer of de
auto volledig stilstaat.
•
Parkeerrem lossen
Zet de versnellingspook bij het parkeren
altijd in de 1e versnelling (handbak) en de
keuzehendel in stand P (automaat).
In noodgevallen kunt u de parkeerrem ook tijdens het rijden aanzetten door de handgreep
ingedrukt te houden. Wanneer u de handgreep
112
G021359
Het symbool
op het instrumentenpaneel
knippert, totdat de parkeerrem volledig is aangezet. Wanneer het symbool continu brandt, is
de parkeerrem aangezet.
Handgreep parkeerrem
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 113
03 Bestuurdersmilieu
Parkeerrem
Auto met handgeschakelde
versnellingsbak
2. Steek de transpondersleutel in het contactslot.
Handmatig lossen
3. Trap het rempedaal stevig in.
1. Steek de transpondersleutel in het contactslot.
4. Trek aan de handgreep.
2. Trap het rempedaal stevig in.
1. Doe de veiligheidsgordel om.
3. Trek aan de handgreep.
N.B.
De parkeerrem is ook handmatig te lossen
door het koppelingspedaal te bedienen in
plaats van het rempedaal. Volvo adviseert u
echter het rempedaal te gebruiken.
Automatisch lossen
1. Start de motor.
2. Laat het koppelingspedaal los en geef gas.
BELANGRIJK
Wanneer de motor loopt kan de parkeerrem,
ook met de versnellingspook in de vrijstand,
automatisch worden gelost.
Auto met automatische versnellingsbak
Handmatig lossen
1. Doe de veiligheidsgordel om.
Automatisch lossen
2. Start de motor.
3. Zet de keuzehendel in stand D of R en geef
gas.
N.B.
Om veiligheidsredenen wordt de parkeerrem alleen automatisch gelost wanneer bij
het starten van de motor is gebleken dat de
bestuurder de veiligheidsgordel draagt. Bij
auto’s met een automatische versnellingsbak wordt de parkeerrem onmiddellijk
gelost bij het bedienen van het gaspedaal
met de keuzehendel in stand D of R.
Auto met Keyless drive-functie
Los de parkeerrem handmatig door op de knop
START/STOP ENGINE te drukken, het rem- of
koppelingspedaal te bedienen en aan de handgreep te trekken.
Symbolen
Symbool
03
Betekenis
Lees de melding op het informatiedisplay.
Een knipperend symbool houdt
in dat de parkeerrem wordt aangezet. Als het symbool in een
andere situatie gaat knipperen,
is er sprake van een storing.
Lees de melding op het informatiedisplay.
Zware belading op oplopende hellingen
Bij een zware belading zoals een aanhanger is
het mogelijk dat de auto op een steile, oplopende helling achteruitrolt, wanneer de parkeerrem automatisch wordt gelost. U kunt dit
voorkomen door bij het wegrijden de handgreep ingedrukt te houden. Laat de handgreep
weer los zodra de koppeling aangrijpt.
``
113
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 114
03 Bestuurdersmilieu
Parkeerrem
Parkeerrem Service vereist - Er is een storing opgetreden. Bezoek een Volvo-werkplaats
als de storing niet verdwijnt.
Berichten
Als u de auto moet parkeren voordat de storing
kon worden verholpen, dient u de wielen net als
bij het parkeren op een helling van de trottoirband/berm af te draaien en de versnellingspook in de 1e versnelling (handbak) te zetten
en de keuzehendel in stand P (automaat).
G016166
03
Parkeerrem niet geheel gelost - Door een
storing kan de parkeerrem niet worden gelost.
Bezoek een erkende Volvo-werkplaats. Als u
bij deze foutmelding wegrijdt zonder de parkeerrem te lossen, klinkt er een waarschuwingszoemer.
Parkeerrem niet aangezet - Door een storing
kan de parkeerrem niet worden aangezet. Probeer of u de rem kunt aanzetten en lossen.
Bezoek een Volvo-werkplaats als de melding
niet verdwijnt.
Dezelfde melding verschijnt ook op auto’s met
een handbak, wanneer er langzaam wordt
gereden met het portier open. De melding
maakt u erop attent dat de parkeerrem mogelijk onbedoeld werd gelost.
114
Remblokken vervangen
Laat de remblokken op de achterwielen vervangen in een erkende Volvo-werkplaats met
het oog op de constructie van de elektrische
parkeerrem.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 115
03 Bestuurdersmilieu
HomeLinkŸ EU*
Ÿ
Algemene informatie
N.B.
HomeLink is dusdanig geconstrueerd dat
het niet werkt als de auto van de buitenzijde
vergrendeld is.
Let erop dat u de originele afstandsbedieningen wel goed bewaart voor eventuele
programmering in een later stadium (zoals
bij de aankoop van een nieuwe auto).
G029471
Wis de programmering van de knoppen
wanneer u de auto verkoopt.
HomeLink is een programmeerbare afstandsbediening waarmee u tot drie verschillende
systemen (bijvoorbeeld elektrische garagedeur, alarmsysteem, huis- en tuinverlichting)
kunt bedienen en daarmee de originele
afstandsbedieningen vervangt. HomeLink
wordt geleverd in een uitvoering die ingebouwd is in de linker zonneklep.
Het HomeLink-paneel bestaat uit drie programmeerbare knoppen en een controlelampje.
Gebruik geen zonwering bestaande uit
metaalfolie op auto’s die zijn uitgerust met
HomeLink. Het gebruik ervan kan namelijk
negatieve gevolgen hebben voor de werking van HomeLink.
Bediening
Zodra HomeLink geprogrammeerd is, vormt
het een vervanging voor de afzonderlijke originele afstandsbedieningen.
Druk de geprogrammeerde knop in voor activering van de elektrische garagedeur, het
alarmsysteem etc. Het controlelampje brandt
zolang u de knop ingedrukt houdt.
N.B.
Als het contact niet wordt ingeschakeld,
blijft HomeLink tot 30 minuten na opening
van het bestuurdersportier werken.
Uiteraard kunt u de originele afstandsbedieningen naast HomeLink blijven gebruiken.
WAARSCHUWING
Als u HomeLink gebruikt om een garagedeur of toegangshek te bedienen, dient u
erop toe te zien dat er niemand in de buurt
van de garagedeur of het toegangshek is
tijdens de bediening.
03
Maak geen gebruik van de HomeLinkafstandsbediening voor een elektrische
garagedeur zonder veiligheidsstop en retour. De garagedeur dient onmiddellijk te
reageren bij registratie van een obstakel, tot
stilstand te komen en meteen de omgekeerde beweging te maken. Een garagedeur
die dat niet doet kan aanleiding geven tot
lichamelijk letsel. Bel voor meer informatie
met de HomeLink Hotline: 008000 466 354
65 (gratis). U kunt tevens contact opnemen
via internet op: www.homelink.com.
Eerste keer programmeren
In punt 1 wordt het complete geheugen van
HomeLink gewist. Voer dit punt dan ook niet
uit, wanneer u slechts één knop wilt omprogrammeren.
1. Druk de buitenste twee knoppen in en laat
deze ca. 20 seconden later los wanneer het
controlelampje gaat knipperen. Het knipperende lampje geeft aan dat HomeLink in
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
115
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 116
03 Bestuurdersmilieu
HomeLinkŸ EU*
Ÿ
gens geactiveerd worden bij het
indrukken van de bijbehorende HomeLink-knop.
de “inleerstand” staat en klaar is voor programmering.
2. Leg de originele afstandsbediening op
2-8 cm afstand van HomeLink. Houd het
controlelampje in de gaten.
De juiste afstand tussen de originele
afstandsbediening en HomeLink hangt af
van de programmering van het te bedienen
systeem. Er zijn mogelijk meerdere pogingen op verschillende afstand nodig. Laat
de afstandsbediening bij iedere poging ca.
15 seconden op dezelfde afstand liggen
voordat u een andere afstand probeert.
03
3. Druk de te programmeren knop van HomeLink en de te kopiëren knop van de originele afstandsbediening gelijktijdig in. Laat
de knoppen pas los wanneer het controlelampje dat langzaam knippert sneller gaat
knipperen. Een snel knipperend lampje
geeft aan dat de programmering gelukt is.
4. Test de programmering door de geprogrammeerde knop van HomeLink in te
drukken en op het controlelampje te letten:
•
1
116
Brandt continu: Een controlelampje
dat continu brandt terwijl u de knop
ingedrukt houdt, geeft aan dat de programmering afgerond is. De garagedeur, het toegangshek e.d. moet vervol-
De aanduiding en kleur van deze knop verschillen per producent.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
•
Brandt niet continu: Een controlelampje dat gedurende ca. 20 seconden
eerst ongeveer 2 seconden lang snel
knippert, vervolgens ca. 3 seconden
continu brandt en daarna weer snel gaat
knipperen geeft aan dat het te kopiëren
systeem een zogeheten rollende code
gebruikt. De garagedeur, het toegangshek e.d. worden niet geactiveerd bij het
indrukken van de bijbehorende HomeLink-knop. Vervolg in dat geval de programmering als volgt.
5. Zoek de “inleerknop 1” van de ontvanger
van bijv. de garagedeur op (meestal in de
buurt van de antennevoet op de ontvanger). Raadpleeg als u de knop niet kunt
vinden de gebruiksaanwijzing van de leverancier of bel met de HomeLink Hotline:
008000 466 354 65 (gratis). U kunt ook
contact opnemen via internet op:
www.homelink.com.
6. Druk de “inleerknop” in en laat deze los. De
knop knippert ca. 30 seconden en binnen
deze periode moet u het volgende punt uitvoeren.
7. Druk op de geprogrammeerde knop van
HomeLink terwijl de “inleerknop” van het te
bedienen systeem nog knippert. Houd de
HomeLink-knop ca. 3 seconden lang ingedrukt en laat deze vervolgens los. Herhaal
deze serie van indrukken, vasthouden en
loslaten tot driemaal achtereen om de programmering te beëindigen.
Afzonderlijke knop programmeren
Doe het volgende om één afzonderlijke knop te
programmeren:
1. Druk op de gewenste knop van HomeLink
en houd deze ingedrukt totdat punt 3 afgerond is.
2. Plaats wanneer het controlelampje van
HomeLink begint te knipperen (na ca. 20
seconden) de originele afstandsbediening
op 2-8 cm afstand van HomeLink. Houd
het controlelampje in de gaten.
De juiste afstand tussen de originele
afstandsbediening en HomeLink hangt af
van de programmering van het te bedienen
systeem. Er zijn mogelijk meerdere pogingen op verschillende afstand nodig. Laat
de afstandsbediening bij iedere poging ca.
15 seconden op dezelfde afstand liggen
voordat u een andere afstand probeert.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 117
03 Bestuurdersmilieu
HomeLinkŸ EU*
Ÿ
3. Druk de te kopiëren knop op de originele
afstandsbediening in. Het controlelampje
begint te knipperen. Laat beide knoppen
weer los, wanneer het lampje dat langzaam
knipperde sneller gaat knipperen. Een snel
knipperend lampje geeft aan dat de programmering gelukt is.
4. Test de programmering door de geprogrammeerde knop van HomeLink in te
drukken en op het controlelampje te letten:
•
•
2
Brandt continu: Een controlelampje
dat continu brandt terwijl u de knop
ingedrukt houdt, geeft aan dat de programmering afgerond is. De garagedeur, het toegangshek e.d. moet vervolgens geactiveerd worden bij het
indrukken van de bijbehorende HomeLink-knop.
Brandt niet continu: Een controlelampje dat gedurende ca. 20 seconden
eerst ongeveer 2 seconden lang snel
knippert, vervolgens ca. 3 seconden
continu brandt en daarna weer snel gaat
knipperen geeft aan dat het te kopiëren
systeem een zogeheten rollende code
gebruikt. De garagedeur, het toegangshek e.d. worden niet geactiveerd bij het
indrukken van de bijbehorende Home-
Link-knop. Vervolg in dat geval de programmering als volgt.
5. Zoek de “inleerknop 2” van de ontvanger
van bijv. de garagedeur op (meestal in de
buurt van de antennevoet op de ontvanger). Raadpleeg als u de knop niet kunt
vinden de gebruiksaanwijzing van de leverancier of bel met de HomeLink Hotline:
008000 466 354 65 (gratis). U kunt ook
contact opnemen via internet op:
www.homelink.com.
Programmering wissen
Het is alleen mogelijk de programmering van
alle HomeLink-knoppen tegelijk te wissen en
niet van één bepaalde knop afzonderlijk.
±
Druk de buitenste twee knoppen in en laat
deze ca. 20 seconden later los wanneer het
controlelampje gaat knipperen.
> HomeLink staat vervolgens in de “Learn
Mode” waarna deze opnieuw geprogrammeerd kan worden (zie
pagina 115).
03
6. Druk de “inleerknop” in en laat deze los. De
knop knippert ca. 30 seconden en binnen
deze periode moet u het volgende punt uitvoeren.
7. Druk op de geprogrammeerde knop van
HomeLink terwijl de “inleerknop” van het te
bedienen systeem nog knippert. Houd de
HomeLink-knop ca. 3 seconden lang ingedrukt en laat deze vervolgens los. Herhaal
deze serie van indrukken, vasthouden en
loslaten tot driemaal achtereen om de programmering te beëindigen.
De aanduiding en kleur van deze knop verschillen per producent.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
117
Menu- en meldingsfuncties...................................................................
Klimaatregeling.....................................................................................
Motor- en interieurverwarming op brandstof*.......................................
Extra verwarming op brandstof*...........................................................
Audiosysteem.......................................................................................
RSE-systeem (Rear Seat Entertainment) met twee beeldschermen* . .
Boordcomputer.....................................................................................
Kompas*................................................................................................
Stabiliteits- en tractieregelsysteem, DSTC...........................................
Rijeigenschappen aanpassen...............................................................
ACC gedeactiveerd*..............................................................................
Adaptieve cruisecontrol*.......................................................................
Afstandscontrole...................................................................................
Botswaarschuwing met automatische rem*.........................................
Driver Alert System – DAC*...................................................................
Driver Alert System (LDW)*...................................................................
Park Assist*...........................................................................................
BLIS*, Blind Spot Information System..................................................
Interieurcomfort.....................................................................................
Bluetooth handsfree*............................................................................
Geïntegreerde telefoon*........................................................................
118
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 118
120
125
133
136
137
149
154
156
157
159
160
162
169
172
178
181
184
187
191
195
200
G020908
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 119
COMFORT EN RIJPLEZIER
04
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 120
04 Comfort en rijplezier
Menu- en meldingsfuncties
Middenconsole
bij verondersteld dat u daarvóór het volgende
doet:
Toetsenset op stuurwiel
Sommige functies regelt u via het menusysteem vanaf de middenconsole of via de toetsenset op het stuurwiel. Welke functies dat zijn
leest u in de verschillende onderdelen.
1. Druk op MENU.
2. Ga naar Menu en druk op ENTER.
3. Ga naar Submenu en druk op ENTER.
Het actuele menuniveau staat rechts bovenaan
op het display van de middenconsole.
Bedieningstoetsen op middenconsole
G021363
04
ENTER*
U kunt de navigatietoetsen gebruiken in de
plaats van ENTER en EXIT bij het navigeren
binnen de menustructuur. De pijl naar rechts
komt in dat geval overeen met ENTER en de
pijl naar links met EXIT.
De menu-opties zijn genummerd zodat u ze
ook rechtstreeks kunt selecteren met de nummertoetsen (alleen 1–9).
EXIT*
G021360
Navigatietoetsen – omhoog/omlaag.
Middenconsole met informatiedisplay en bedieningstoetsen voor meldingsfuncties.
Navigatietoets – menu-opties doorbladeren en selecteren
ENTER – menu-opties selecteren
MENU – menusysteem openen
EXIT – stap terugdoen binnen het menusysteem. Bij lang indrukken verlaat u het
menusysteem.
120
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Als de toetsen ENTER en EXIT op het stuurwiel
zitten, hebben deze toetsen (ook de navigatietoetsen) dezelfde functie als die op de middenconsole.
Paden
Via de functietoetsen krijgt u direct toegang tot
bepaalde functies, terwijl andere alleen via het
menusysteem te bereiken zijn.
De paden naar de menufuncties worden als
volgt weergegeven: Instellingen van de auto
Instellingen vergrendelen. Er wordt daar-
Menu-overzicht
Er bestaan verschillende hoofdmenu’s voor de
telefoon en de geluidsbronnen. De volgende
menu-opties maken deel uit van alle hoofdmenu’s:
Autosleutelgeheugen
Pos. stoelen en spiegels*
Instellingen van de auto
Spiegels in bij vegrend.*
Inst. botswaarschuwing*
Informatie
Lichtinstellingen
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 121
04 Comfort en rijplezier
Menu- en meldingsfuncties
Instellingen vergrendelen
Verlaagde guard
1
FM-instellingen
Instellingen parkeercam.*
Nieuws
Stuurkrachtniveau*
TP (verkeersinformatie)
Instellingen unit
Radiotekst
PTY (programmatype)
Klimaatinstellingen
Geav. radio-instellingen
Autom. blower afstellen
Aut. defroster achterr.
Audio-instellingen
Audio-instellingen
Hoofdmenu AUX
AUX-ingangsvolume
Audio-instellingen
Hoofdmenu Bluetooth
Laatste 10 gemiste opr.
Laatste 10 ink. opr.
Timer recirculatie
Hoofdmenu DAB* 3
Laatste 10 gekozen nummers
Reset klimaatinstellingen
Hoofdmenu CD
Telefoonboek
Audio-instellingen
2
Kopiëren van mob. tel.
Uit
4
Bluetooth*
Geluidspodium
Map
Equalizer voor
Disc4
Telefoon aansluiten
Equalizer achter
Enkele disc 5
Telefoon wijzigen
Autom. volumeregeling
Reset audio-inst.
Alle
04
Zoeken
Random
Hoofdmenu AM
1
2
3
4
5
TP (verkeersinformatie)
Hoofdmenu FM
discs5
Cd-instellingen
Telefoon verwijderen
Telefooninstellingen
Tekst disc*
Gespreksopties
Nieuws
Geluiden en volume
Bepaalde modellen.
Voor iedere geluidsbron bestaat de menu-optie audio-instellingen.
Zie pagina 146.
Alleen bij systemen die audiobestanden in de formaten mp3 en wma kunnen afspelen.
Alleen bij systemen met een cd-wisselaar.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
121
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 122
04 Comfort en rijplezier
Menu- en meldingsfuncties
Hoofdmenu geïntegreerde telefoon
Oproepregister
Laatste 10 gemiste opr.
Laatste 10 ink. opr.
Laatste 10 gekozen nummers
04
Automatisch antwoord
Omleidingen
Telefooninstellingen
Netwerkselectie
SIM-beveiliging
Gespreksduur
PIN-code bewerken
Geluiden en volume
Nieuwe contactpersoon
IDIS
Zoeken
Reset Telefooninst.
Alles kopiëren
SIM wissen
Telefoon wissen
Geheugenstatus
Berichten
Lezen
Nieuw bericht schrijven
Berichtinstellingen
Gespreksopties
Verzend mijn nummer
Instrumentenpaneel
Voicemail-nummer
Lijst wissen
Telefoonboek
122
Wisselgesprek
G021364
Telefoonboek synchr.
Informatiedisplay en bedieningstoetsen voor
menufuncties.
READ – meldingenlijst openen en meldingen bevestigen.
Duimwiel – menu-opties doorbladeren.
RESET – geactiveerde functie op nul stellen. Wordt in bepaalde gevallen gebruikt
om een functie te selecteren/activeren (zie
de uitleg bij de verschillende functies).
Met de linker stuurhendel bedient u de menu’s
die op de informatiedisplays van het instrumentenpaneel verschijnen. Welke menu’s verschijnen hangt af van de sleutelstand (zie
pagina 73). Als er een melding is, moet u deze
eerst bevestigen met de knop READ voordat u
de menu’s kunt bekijken.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 123
04 Comfort en rijplezier
Menu- en meldingsfuncties
Menu-overzicht 6
Melding
N.B.
Actieradius
Als er een waarschuwingsmelding verschijnt bij gebruik van de boordcomputer,
moet u de melding lezen (druk op de knop
READ) voordat u de eerdere activiteit kunt
hervatten.
Gemiddeld
Momentaan
Gem. snelheid
Lane departure warning
Melding
Betekenis
Actuele snelheid
Stop auto
z.s.m.
Breng de auto tot stilstand en zet de motor
af. Grote kans op
schade. Bezoek een
erkende Volvo-werkplaats.
Zet motor af
Breng de auto tot stilstand en zet de motor
af. Grote kans op
schade. Bezoek een
erkende Volvo-werkplaats.
Service spoed
Laat de auto onmiddellijk nakijken door een
erkende Volvo-werkplaats.
G021365
Bandenspanning Kalibratie
Timer standkach 1/2
Timer standvent 1/2
Timerstand verw.
Directe start Standverw.
Directe start El standverw
Directe start Standvent.
Extra verwarming auto
Start restverw.
DSTC
6
Melding op informatiedisplay.
Wanneer er een waarschuwings-, informatieof controlesymbool oplicht, verschijnt er
tevens een aanvullende melding op het informatiedisplay. Foutmeldingen blijven in het
geheugen opgeslagen, totdat u de onderliggende storing hebt laten verhelpen.
Druk op READ om de meldingen door te bladeren en te bevestigen.
04
Bepaalde menu-opties*.
``
123
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 124
04 Comfort en rijplezier
Menu- en meldingsfuncties
04
124
Melding
Betekenis
Melding
Betekenis
Service vereist
Laat de auto zo spoedig
mogelijk nakijken door
een erkende Volvowerkplaats.
Onderhoudster- mijn verstreken
Zie instructieb.
Lees het instructieboekje.
Bespreek tijd
voor onderhoud
Het is tijd een afspraak
te maken voor een servicebeurt bij een
erkende Volvo-werkplaats.
Als u de onderhoudstermijn niet respecteert,
vallen beschadigde
onderdelen niet langer
onder de garantie.
Bezoek voor het onderhoud een erkende
Volvo-werkplaats.
Tijdelijk UIT
Tijd voor periodiek onderhoud
Het is tijd voor een servicebeurt bij een
erkende Volvo-werkplaats. Het moment
hangt af van de afgelegde afstand, het aantal maanden dat sinds
de laatste servicebeurt
is verstreken, het aantal
draaiuren van de motor
en de gebruikte oliekwaliteit.
De bijbehorende functie
is tijdelijk uitgeschakeld
en wordt na enige tijd
rijden of de volgende
keer dat u de motor
start automatisch
opnieuw ingeschakeld.
Spaarstand
Het audiosysteem is
uitgeschakeld om
stroom te besparen.
Laad de accu bij.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 125
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
Algemene informatie
Airconditioning
De auto is uitgerust met elektronische klimaatregeling* (ECC) of elektronische temperatuurregeling (ETC). De klimaatregeling zorgt ervoor
dat de lucht in het interieur wordt gekoeld, verwarmd of van vocht wordt ontdaan.
N.B.
U kunt de airconditioning uitschakelen. Voor
optimaal klimaatcomfort in de passagiersruimte en om te voorkomen dat de ruiten
beslaan, dient u de airconditioning echter
altijd te laten aanstaan.
Positie van de sensoren
•
De zonnesensor* zit boven op het dashboard.
•
De interieurtemperatuursensor zit onder
het bedieningspaneel van de klimaatregeling.
•
De buitentemperatuursensor zit op de buitenspiegel.
•
De vochtsensor* zit in de achteruitkijkspiegel.
N.B.
Dek de sensoren niet met kleding of andere
voorwerpen af.
Werkelijke temperatuur
Zijruiten en schuifdak
De ingestelde temperatuur komt overeen met
de gevoelstemperatuur op basis van de heersende omstandigheden in en rond de auto wat
de luchtsnelheid, de luchtvochtigheidsgraad,
de ingestraalde* warmte enz. betreft.
Voor optimale werking van de airconditioning
moet u de zijruiten en een eventueel schuifdak
gesloten houden.
Het systeem beschikt over een zonnesensor*
die de stand van de zon registreert. Daardoor
kan de temperatuur van de lucht uit de blaasmonden links en rechts afwijken, ondanks dat
de temperatuurknoppen voor de beide zijden
in dezelfde stand staan.
Beslagen ruiten
Maak in eerste instantie gebruik van de ontwasemingsfunctie om condens van de binnenkant van de ruiten te verwijderen.
Poets de binnenzijde van de ruiten schoon om
de kans te beperken dat ze beslaan.
Tijdelijke uitschakeling van
airconditioning
Wanneer de motor het maximale vermogen
nodigt heeft (bijvoorbeeld als u volgas optrekt
of met een aanhanger achter de auto een helling oprijdt), is het mogelijk dat de airconditioning tijdelijk wordt uitgeschakeld. Er kan dan
een tijdelijke temperatuurstijging optreden.
Condenswater
In warme weersomstandigheden kan er ter
hoogte van de airconditioning een plasje water
onder de auto ontstaan. Dit is volkomen normaal.
04
Sneeuw en ijs
Veeg sneeuw en ijs van de luchtinlaat voor de
klimaatregeling (de opening tussen de motorkap en de voorruit).
Storingen opsporen en verhelpen
Laat controle- en reparatiewerkzaamheden
aan de klimaatregeling alleen uitvoeren door
een erkende Volvo-werkplaats.
Koudemiddel
De airconditioning maakt gebruik van het koudemiddel R134a. Het bevat geen chloor, waardoor het koudemiddel onschadelijk is voor de
ozonlaag. Laat het bijvullen/verversen van koudemiddel over aan een erkende Volvo-werkplaats.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
125
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 126
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
ontgrendeld. De ventilator vult het interieur
op die manier met verse lucht. De functie
start als dat nodig is en stopt na bij het
openen van een van de portieren. Bij inactiviteit wordt de functie na enige tijd automatisch beëindigd. De tijd dat de ventilatorfunctie werkt zal langzaam maar zeker
korter worden, totdat de auto 4 jaar oud is.
Doorluchtfunctie
Bij warm weer kunt u de doorluchtfunctie
gebruiken om alle zijruiten tegelijk korte tijd te
openen en weer te sluiten en op die manier snel
voor frisse lucht in de auto te zorgen (zie
pagina 42).
Interieurfilter
04
Alle lucht die de passagiersruimte binnenkomt
wordt gereinigd door een filter. U moet het filter
regelmatig vervangen. Raadpleeg het Serviceprogramma van Volvo voor het aanbevolen
vervangingsinterval. In zeer sterk verontreinigde gebieden moet u het filter mogelijk vaker
vervangen.
N.B.
Er bestaan twee verschillende soorten interieurfilters. Let erop dat u het juiste filter
aanbrengt.
Clean Zone Interior Package (CZIP)
Wanneer u voor deze optie hebt gekozen zijn
er nog minder stoffen in het interieur verwerkt
die aanleiding kunnen geven tot allergieën of
astma. Zie voor meer informatie over CZIP de
brochure die u bij aankoop hebt ontvangen.
Het volgende is inbegrepen:
•
126
Een geavanceerde ventilatorfunctie die
inhoudt dat de ventilator aanslaat wanneer
de auto via de transpondersleutel wordt
•
Interior Air Quality System (IAQS). Een volautomatisch systeem dat de lucht in de
passagiersruimte ontdoet van verontreinigingen in de vorm van stofdeeltjes, koolwaterstoffen, stikstofoxiden en laaghangend ozon.
Gebruik van beproefde materialen in het
interieur.
De gebruikte materialen zijn erop geselecteerd
de hoeveelheid stof in de passagiersruimte te
beperken, zodat de passagiersruimte gemakkelijker schoon te houden is. De vloerbekleding
in zowel de passagiersruimte als de bagageruimte zijn eenvoudig te verwijderen en schoon
te maken. Gebruik daarvoor schoonmaakmiddelen en autoverzorgingsproducten die door
Volvo worden geadviseerd (zie pagina 277).
N.B.
Bij auto’s met CZIP dient het IAQS-luchtfilter om de 15.000 km of tenminste eenmaal
per jaar te worden vervangen. Bij auto’s
zonder CZIP dient het IAQS-luchtfilter tijdens de reguliere onderhoudsbeurt te worden vervangen.
Menu-instellingen
Het is mogelijk de basisinstellingen voor drie
van de functies van de klimaatregeling te wijzigen via de middenconsole (zie pagina 120):
•
Ventilatorfunctie in automatische stand*
(zie pagina 129).
•
Tijdgestuurde recirculatie van lucht in passagiersruimte (zie pagina 130).
•
Automatische verwarming van de achterruit (zie pagina 95).
Bij gebruik van RESET via het display worden
de standaardinstellingen hervat voor alle functies van de klimaatregeling.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 127
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
Blaasmonden in portierstijlen
G017699
G021367
Blaasmonden in dashboard
G021368
Luchtverdeling
De binnenkomende lucht wordt verdeeld over
20blaasmonden verspreid over het interieur.
Open
Open
Dicht
Dicht
In de stand AUTO* vindt de luchtverdeling
geheel automatisch plaats.
Luchtstroom naar links of rechts
Luchtstroom naar links of rechts
Luchtstroom omhoog of omlaag
Luchtstroom omhoog of omlaag
De luchtverdeling valt zo nodig handmatig bij
te regelen (zie pagina 132).
Richt de buitenste blaasmonden op de voorste
zijruiten om deze te ontwasemen.
Richt de blaasmonden op de achterste zijruiten
om deze te ontwasemen.
Om de temperatuur in de passagiersruimte
aangenaam te houden komt er altijd een
bepaalde hoeveelheid lucht uit de blaasmonden.
Richt de blaasmonden naar binnen toe voor
een behaaglijke temperatuur achter in de auto.
04
Let erop dat kinderen gevoelig kunnen zijn voor
luchtstromen en tocht.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
127
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 128
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
Klimaatregeling
Max. ontwaseming
Elektronische klimaatregeling, ECC
Recirculatie/Interior Air Quality System
Elektronische temperatuurregeling, ETC
Temperatuurregeling, linkerzijde
Gebruik
Geventileerde voorstoelen*
G017723
G021371
04
Geventileerde voorstoel*, linkerzijde
Ventilator
Ventilator
Luchtverdeling
Elektrisch verwarmde voorstoel, linkerzijde
Elektrisch verwarmde voorstoel, linkerzijde
Luchtverdeling
Elektrisch verwarmde voorstoel, rechterzijde
Elektrisch verwarmde voorstoel, rechterzijde
Temperatuurregeling
AUTO
AC ON/OFF – Airconditioning aan/uit
Geventileerde voorstoel*, rechterzijde
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming, zie pagina 95
Temperatuurregeling, rechterzijde
AC ON/OFF – Airconditioning aan/uit
Max. ontwaseming
Recirculatie
128
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming, zie pagina 95
Geventileerde voorstoelen
vormen alleen een optie bij
auto’s met ECC. Het ventilatiesysteem bestaat uit ventilatoren in de zittingen en de
rugleuningen die lucht door
de bekleding heen aanzuigen.
Naarmate de lucht in het interieur kouder is,
neemt het koelingseffect toe.
De ventilatie wordt geregeld door de klimaatregeling op basis van de temperatuur van de
stoel, de ingestraalde warmte en de buitentemperatuur.
Het is mogelijk de stoelventilatie te combineren
met de elektrische stoelverwarming. U kunt de
functie bijvoorbeeld gebruiken om uw kleding
van vocht te ontdoen.
Het ventilatiesysteem is te activeren, wanneer
de motor loopt. Er zijn drie comfortniveaus met
elk hun eigen koel- en droogeffect:
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 129
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
•
Comfortniveau III: eenmaal indrukken van
de knop levert het maximale vermogen op
– alle drie de lampjes branden.
•
Comfortniveau II: tweemaal indrukken van
de knop levert het lagere vermogen op –
twee lampjes branden.
•
Comfortniveau I: driemaal indrukken van
de knop levert het minimale vermogen op
– er brandt één lampje.
De vierde maal dat u op de knop drukt wordt
de functie uitgeschakeld – geen van de lampjes
brandt.
N.B.
Wie tochtgevoelig is dient de stoelventilatie
met beleid te gebruiken. Voor langdurig
gebruik wordt comfortniveau één geadviseerd.
BELANGRIJK
Bij een interieurtemperatuur lager dan 5 °C
is het niet mogelijk de stoelventilatie in te
schakelen. Dit om te voorkomen dat de
inzittende die op de bewuste stoel zit het te
koud krijgt.
1
Ventilator 1
Draai aan de knop om de ventilatorsnelheid te verhogen of
te verlagen. De ventilatorsnelheid wordt automatisch geregeld, als u AUTO selecteert.
De eerder ingestelde ventilatorsnelheid wordt dan genegeerd.
N.B.
Als de ventilator volledig uitgeschakeld is,
start de airconditioning niet wat kans op
beslagen ruiten kan geven.
Elektrisch verwarmde stoelen/
achterbank
Driemaal op de knop drukken levert het laagste
verwarmingsniveau op – een van de lampjes
brandt.
De vierde maal dat u op de knop drukt wordt
de verwarming uitgeschakeld – geen van de
lampjes brandt.
Luchtverdeling
De gestileerde menselijke
gedaante op de nevenstaande afbeelding bestaat
uit drie knoppen. Bij het
indrukken van een van de
luchtverdelingsknoppen licht
het lampje op dat bij dat deel
van de gestileerde menselijke gedaante hoort
(zie pagina 132).
04
Auto1
Voorstoelen
Eenmaal op de knop drukken
levert het maximale verwarmingsniveau op – alle drie de
lampjes branden.
Tweemaal op de knop drukken levert een lager verwarmingsniveau op – twee van de lampjes branden.
De functie AUTO regelt automatisch de temperatuur, de
airconditioning, de ventilatorsnelheid, de recirculatie en de
luchtverdeling.
De functie regelt automatisch
de temperatuur, de airconditioning, de ventilatorsnelheid, de recirculatie en de luchtverdeling.
Geldt alleen voor ECC.
``
129
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 130
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
Als u een of meer handmatige functies selecteert, worden de overige functies nog steeds
automatisch geregeld. Wanneer u op de knop
AUTO drukt, vindt activering van de Air Quality
Sensor plaats waarbij alle handmatige instellingen worden opgeheven. Op het display verschijnt AUTO KLIMAAT.
04
U kunt de ventilatorsnelheid in de automatische stand instellen onder
Klimaatinstellingen Autom. blower
afstellen. Kies uit Laag, Normaal of Hoog.
Voor een beschrijving van het menusysteem
(zie pagina 120).
Temperatuurregeling
ECC: Met deze knop kunt u
de temperatuur aan de
bestuurders- en passagierszijde onafhankelijk van elkaar
instellen.
N.B.
Let erop dat de passagiersruimte niet sneller warm of koud wordt, wanneer u een
hogere of lagere temperatuur kiest dan de
gewenste.
AC – Airconditioning AAN/UIT
ON: De airconditioning wordt
automatisch geregeld. De
binnenkomende lucht wordt
dan automatisch afgekoeld
en van vocht ontdaan.
OFF: Bij activering van de
ontwaseming wordt de airconditioning automatisch ingeschakeld (uit te schakelen met de
knop AC).
Ontwaseming
U gebruikt de ontwaseming
om de voorruit en de zijruiten
snel te ontwasemen en te ontdooien. Er stroomt lucht naar
de ruiten. Het lampje in de
ontwasemingsknop brandt,
wanneer de functie is inge-
ETC: Met deze draaiknop
kunt u de interieurtemperatuur instellen.
Bij het starten van de motor wordt de laatst
verrichte instelling hervat.
schakeld.
Bij activering van deze functie vindt bovendien
het volgende plaats om de lucht in het interieur
zoveel mogelijk van vocht te ontdoen:
130
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
•
de airconditioning wordt automatisch
ingeschakeld
•
de recirculatie wordt automatisch uitgeschakeld.
De airconditioning is handmatig uit te schakelen met de knop AC. Bij het uitschakelen van
de ontwaseming hervat de klimaatregeling de
voorgaande instellingen.
Recirculatie/Interior Air Quality System
Recirculatie
Wanneer de recirculatie actief
is, brandt het oranje lampje
rechts in de knop*. U kunt
deze functie inschakelen als u
vieze lucht, uitlaatgassen en
dergelijke buiten wilt houden.
De lucht in de passagiersruimte wordt dan gerecirculeerd. Er komt met
andere woorden geen lucht van buiten de auto
in, wanneer deze functie actief is. Als de lucht
in de auto te lang recirculeert, kan de binnenzijde van de ruiten beslaan.
Timer
Bij een geactiveerde timerfunctie zal de klimaatregeling afhankelijk van de buitentemperatuur na een bepaalde tijd de handmatig
geactiveerde recirculatiestand verlaten. Dit
beperkt de kans op ijs, beslagen ruiten en een
slechte luchtkwaliteit. U kunt de functie active-
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 131
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
ren/deactiveren onder Klimaatinstellingen
Timer recirculatie. Voor een beschrijving
van het menusysteem (zie pagina 120).
Recirculatie/Interior Air Quality Sensor
activeren 2
Selecteer een van de drie
functies door verschillende
malen op de knop te drukken.
N.B.
Wanneer u de ontwaseming selecteert,
wordt de recirculatie altijd uitgeschakeld.
Interior Air Quality System*
Het Interior Air Quality System
ontdoet de binnenkomende
lucht van gassen en stofdeeltjes om zo hinderlijke geurtjes
en verontreinigingen in de
passagiersruimte te beperken. Als de Air Quality Sensor
een verhoogde concentratie van verontreinigingen in de buitenlucht meet, wordt de luchtinlaat afgesloten waarna de lucht in de passagiersruimte wordt gerecirculeerd. Wanneer u
de knop AUTO hebt ingedrukt, is de Air Quality
Sensor altijd ingeschakeld.
2
•
Het oranje lampje links brandt – de Air Quality Sensor is uitgeschakeld.
•
Het groene lampje in het midden brandt –
de recirculatie is niet actief (tenzij dit nodig
is voor koeling bij warm weer).
•
Het oranje lampje rechts brandt – de recirculatie is ingeschakeld.
N.B.
Voor optimale kwaliteit van de lucht in de
passagiersruimte dient u de Air Quality Sensor ingeschakeld te houden.
Bij koud weer gelden er beperkingen voor
de recirculatiefunctie om te voorkomen dat
de ruiten beslaan.
Als de ruiten toch beslaan, moet u de Air
Quality Sensor uitschakelen en alle ruiten
(voorruit, zijruiten en achteruit) ontwasemen.
04
Recirculatie activeren
Schakel de recirculatie2 in of
uit door verschillende malen
op de nevenstaande knop te
drukken. Het lampje brandt
wanneer de recirculatie actief
is.
Geldt alleen voor ETC.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
131
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 132
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
Luchtverdelingstabel
04
132
Luchtverdeling
Toepassing
Luchtverdeling
Toepassing
Lucht naar de ruiten. Er
komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de
blaasmonden. De lucht
wordt niet gerecirculeerd.
De airconditioning is altijd
ingeschakeld.
Om snel te ontdooien en
te ontwasemen.
Lucht naar de vloer en de
ruiten. Er komt een
bepaalde hoeveelheid
lucht uit de blaasmonden
in het dashboard.
Om een comfortabel klimaat en een goede ontwaseming te verkrijgen bij
koud weer.
Lucht naar de voorruit en
de zijruiten. Er komt een
bepaalde hoeveelheid
lucht uit de blaasmonden.
Om wasem en ijsvorming
bij koud en vochtig weer
te voorkomen (niet te lage
ventilatorsnelheid).
Lucht naar de vloer en uit
de blaasmonden in het
dashboard.
Bij zonnig weer en matige
buitentemperaturen.
Luchtstroom naar de ruiten en uit de blaasmonden van het dashboard.
Om een comfortabel klimaat te verkrijgen bij
warm en droog weer.
Lucht naar de vloer. Er
komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de
blaasmonden in het dashboard en op de ruiten.
Om warme of koude lucht
naar de vloer te sturen.
Luchtstroom op hoofden borsthoogte uit de
blaasmonden in het dashboard.
Om een efficiënte koeling
te verkrijgen bij warm
weer.
Luchtstroom naar de ruiten, uit de blaasmonden
in het dashboard en naar
de vloer.
Om koele lucht naar de
vloer te sturen of warme
lucht naar de rest van het
lichaam bij koud weer of
bij warm en droog weer.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 133
04 Comfort en rijplezier
Motor- en interieurverwarming op brandstof*
Verwarming op brandstof
Algemene informatie over de
standverwarming
Tanken
Accu en brandstof
Als de accu onvoldoende opgeladen is of als
het brandstofpeil te laag is, wordt de standverwarming automatisch uitgeschakeld en er verschijnt een melding op het display. Bevestig
deze melding door op de knop READ op de
richtingaanwijzerhendel te drukken (zie
pagina 134).
WARNING! ACHTUNG!
AVERTISSEMENT!
U kunt de standverwarming die de motor en
het interieur verwarmt meteen inschakelen of
vertraagd met een timerfunctie.
Bij een buitentemperatuur hoger dan 15 °C
wordt de verwarming niet geactiveerd. Bij temperaturen van –10 °C of lager is de maximale
bedrijfstijd van de standverwarming 50 minuten.
WAARSCHUWING
Bij gebruik van de standverwarming moet
de auto in de buitenlucht staan.
N.B.
Bij gebruik van de standverwarming is het
volkomen normaal dat er rook uit de rechter
wielkast komt.
BELANGRIJK
G021395
U kunt twee verschillende uitschakeltijden
instellen met de timerfunctie. Onder de uitschakeltijd wordt het tijdstip verstaan waarop
de auto de gewenste temperatuur bereikt
heeft. De elektronica van de auto rekent aan de
hand van de buitentemperatuur zelf uit wanneer de verwarming moet worden ingeschakeld.
Waarschuwingssticker op tankvulklep.
WAARSCHUWING
Gemorste brandstof kan ontvlammen.
Schakel voordat u gaat tanken de standverwarming op brandstof uit.
Herhaaldelijk gebruik van de standverwarming bij korte ritten kan ertoe leiden dat de
accu uitgeput raakt en startproblemen opleveren.
04
Bij regelmatig gebruik van de standverwarming moet u even lang in de auto rijden als
de standverwarming aanstond. Dit om te
zorgen dat de dynamo evenveel energie kan
bijladen als de standverwarming verbruikt.
Controleer op het informatiedisplay of de
standverwarming uit is. Wanneer de verwarming aanstaat, staat op het informatiedisplay de melding Standverw. AAN.
Op een helling parkeren
Wanneer u de auto op een steile helling parkeert, moet u ervoor zorgen dat de voorkant
van de auto omlaagwijst. Zo krijgt de standverwarming altijd voldoende brandstof.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
133
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 134
04 Comfort en rijplezier
Motor- en interieurverwarming op brandstof*
Bediening
Symbool
Display
G025102
Knop READ
Duimwiel
Knop RESET
Voor meer informatie over het informatiedisplay en de knop READ (zie pagina 122).
Symbolen en displaymeldingen
Wanneer u de instellingen van een
van de timers of Directe start activeert, gaat het informatiesymbool op het
instrumentenpaneel branden en op het informatiedisplay verschijnen een verklarende melding plus een ander brandend symbool. In de
onderstaande tabel staan de voorkomende
symbolen en displaymeldingen.
134
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Meteen inschakelen/uitschakelen
1. Gebruik het duimwiel om naar Directe
start Standverw. te gaan.
G025102
G021364
04
Betekenis
Brandstofkachel AAN
De verwarming is
ingeschakeld en
werkt.
Timer
ingesteld
Brandstofkachel
Herinnering aan de
ingestelde uitschakeltijd voor de verwarming tijdens het
uitnemen van de
transpondersleutel.
Verwarming stop
Accuspann.
laag
De verwarming werd
uitgeschakeld om te
zorgen dat er voldoende stroom is
om de motor te starten.
Verw niet
besch
Brandstofp.
laag
De verwarming werd
uitgeschakeld om te
zorgen dat er na het
starten van de motor
nog ca. 50 km kan
worden gereden.
2. Druk op RESET om te kiezen uit AAN en
UIT.
AAN: De standverwarming is handmatig of via
de timerfunctie ingeschakeld.
UIT: De standverwarming is uitgeschakeld.
Bij directe start van de standverwarming zal
deze 50 minuten lang geactiveerd blijven.
De interieurverwarming gaat van start, zodra
de koelvloeistof in de motor de juiste temperatuur heeft bereikt.
N.B.
Het is mogelijk de motor starten en weg te
rijden, terwijl de standverwarming aanstaat.
Timers instellen
Met de timers geeft u het tijdstip aan dat de
auto op temperatuur moet zijn omdat u die
wenst te gebruiken.
Kies uit TIMER 1 en TIMER 2.
Een displaymeldingen verdwijnt automatisch
na enige tijd. U kunt een melding ook eerder
doen verdwijnen met een druk op de knop
READ van de richtingaanwijzerhendel.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 135
04 Comfort en rijplezier
Motor- en interieurverwarming op brandstof*
N.B.
De timers zijn alleen te programmeren in
contactslotstand I (zie pagina 73).
1. Gebruik het duimwiel om naar Timer
standkach 1 te gaan.
2. Druk kort op de knop RESET zodat de uuraanduiding gaat knipperen.
3. Stel de gewenste uuraanduiding in met het
duimwiel.
4. Druk kort op de knop RESET, zodat de
minuutaanduiding gaat knipperen.
5. Stel de gewenste minuutaanduiding in met
het duimwiel.
6. Druk kort op de knop RESET om de instelling te bevestigen.
7. Druk op de knop RESET om de timer te
activeren.
Wanneer u Timer standkach 1 hebt ingesteld,
kunt u een tweede uitschakeltijd programmeren onder Timer standkach 2 door aan het
duimwiel te draaien.
Timergestuurde verwarming voortijdig
uitschakelen
U kunt de timergestuurde verwarming uitschakelen voordat de timer dat doet. Doe dat als
volgt:
1. Druk op READ.
2. Ga met het duimwiel naar Timer
standkach 1 of 2.
> De tekst AAN knippert op het display.
04
3. Druk op RESET.
> De tekst UIT brandt continu en de verwarming wordt uitgeschakeld.
Een timergestuurde verwarming is ook uit te
schakelen volgens de instructies in het
gedeelte “Meteen inschakelen/uitschakelen”
zie pagina 134.
Klok/timer
De timers van de verwarming zijn gekoppeld
aan de klok in de auto.
N.B.
Als u de klok van de auto bijstelt, worden
eventuele timerinstellingen gewist.
U stelt de andere uitschakeltijd op dezelfde
manier in als bij Timer standkach 1.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
135
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 136
04 Comfort en rijplezier
Extra verwarming op brandstof*
Extra verwarming (diesel)
N.B.
Bij gebruik van de extra verwarming is het
volkomen normaal dat er rook uit de rechter
wielkast komt.
Automatische stand of uitschakelen
Bij korte ritten kan de extra verwarming desgewenst worden uitgeschakeld.
G021364
04
Knop READ
Duimwiel
Knop RESET
Bij koud weer moet de extra verwarming van
dieselmodellen wellicht worden ingeschakeld
om de passagiersruimte voldoende te verwarmen.
De extra verwarming wordt automatisch ingeschakeld wanneer er extra warmte nodig is
terwijl de motor loopt.
De verwarming wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer het warm genoeg is of wanneer
de motor wordt afgezet.
136
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
1. Gebruik het duimwiel om naar Extra
verwarming auto te gaan.
2. Druk op RESET om te kiezen uit AAN en
UIT.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 137
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
Algemene informatie
Het audiosysteem is te verkrijgen met verschillende opties en in verschillende uitvoeringen.
Er zijn drie uitvoeringen verkrijgbaar:
•
•
•
Performance
Als het audiosysteem aanstaat wanneer u de
motor afzet, wordt het de volgende keer dat u
de motor start automatisch ingeschakeld.
Toetsenset op stuurwiel
Overzicht
High Performance
Premium Sound
Bij het inschakelen van het audiosysteem geeft
het display de uitvoering aan.
Transpondersleutel en sleutelstanden
U kunt het audiosysteem 15 minuten achtereen
beluisteren, wanneer er geen transpondersleutel in het contactslot steekt.
N.B.
Neem de transpondersleutel uit het contactslot om het audiosysteem te beluisteren
wanneer de motor afgezet is. Zo voorkomt
u dat de accu onnodig belast wordt.
G021398
G021399
Dolby Surround Pro Logic II en het symbool
zijn handelsmerken van Dolby
Laboratories Licensing Corporation. Dolby
Surround Pro Logic II System is vervaardigd
onder licentie van Dolby Laboratories
Licensing Corporation.
Menu-opties bevestigen, telefoongesprekken aannemen.
Ingang voor externe geluidsbron (AUX,
USB/iPod*)
Naar een hoger niveau gaan binnen het
menusysteem. Actieve functie annuleren,
telefoongesprekken beëindigen/weigeren,
ingevoerde tekens wissen.
Toetsenset op stuurwiel
Belvolume
Bedieningspaneel in middenconsole
Kort indrukken om een track op een cd of
een van de voorkeurzenders te selecteren.
Lang indrukken om tracks op de cd versneld vooruit/achteruit te spoelen of automatisch radiozenders te zoeken.
Bedieningspaneel met hoofdtelefoonaansluiting*
04
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
137
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 138
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
Achterste bedieningspaneel met
hoofdtelefoonaansluiting
matisch gedeactiveerd, wanneer u het audiosysteem uitschakelt of MODE lang indrukt.
Voor de beste geluidsweergave adviseren wij u
een hoofdtelefoon te gebruiken met een impedantie van 16–32 ohm en een gevoeligheid van
102 dB of meer.
Favoriete menufunctie opslaan met MY
KEY
Vooruit-/achteruitspoelen en zoeken
Druk
kort in om een track op een cd of een
van de voorkeurzenders te selecteren. Druk
dezelfde knop lang in om tracks op de cd versneld vooruit/achteruit te spoelen of automatisch radiozenders te zoeken.
Beperkingen
G021400
•
Belvolume
Vooruit-/achteruitspoelen en zoeken
Geluidsbron, activeren
Hoofdtelefoonaansluiting (3,5 mm)
Welke geluidsbron (FM, AM, CD e.d.) er via
de luidsprekers wordt weergegeven valt
niet te sturen vanaf het achterste bedieningspaneel.
Menufuncties en MY KEY 1
Sommige functies kunt u regelen via het menusysteem van de middenconsole. Voor meer
informatie over de menufuncties (zie
pagina 120). Voor informatie over de werking
van het audiosysteem in combinatie met een
BluetoothTM-handsfree of -telefoon (zie
pagina 201).
Activeren/deactiveren
U activeert het bedieningspaneel met een druk
op MODE wanneer het audiosysteem ingeschakeld is. Het bedieningspaneel wordt auto1
138
De functie MY KEY komt te vervallen, als er bij wijze van optie een telefoon in de auto wordt ingebouwd.
G017752
04
1. Kies de menufunctie die u wilt opslaan.
Niet alle functies zijn op te slaan als favoriet.
2. Houd MY KEY meer dan 2 seconden lang
ingedrukt.
De volgende menufuncties kunt u onder
MY KEY opslaan:
Cd-speler/-wisselaar
•
•
•
•
Random (cd-wisselaar)
Nieuws
TP
Nummer-informatie
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 139
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
Audiofuncties
FM
•
•
•
•
•
Autom.
Nieuws
niveau onder Audio-instellingen
volumeregeling.
TP
Geluidssterkte externe geluidsbron
Radiotekst
Het is mogelijk een mp3-speler op de AUXingang aan te sluiten (zie pagina 137).
PTY zoeken
PTY-tekst weergeven
N.B.
AUDIO-INSTELLINGEN
Activeer de opgeslagen menufunctie vervolgens door kort op MY KEY te drukken.
G021402
• Geluid
• Autom. volumereg.
Middenconsole, bedieningstoetsen voor audiofuncties.
Interne geluidsbronnen: AM, FM en CD
Externe geluidsbron. Voor de aansluiting.
zie pagina 137
Druk- en draaiknoppen voor het aanpassen van de geluidsweergave
Navigatietoets
Volume en aan/uit
Geluidssterkte en automatische
volumeregeling
Het audiosysteem zorgt voor compensatie van
hinderlijke rijgeluiden in de passagiersruimte
door het volume af te stemmen op de snelheid
van de auto. U hebt de keuze uit drie compensatieniveaus: laag, medium en hoog. Kies een
De geluidskwaliteit kan verslechteren, als
de speler wordt opgeladen terwijl het audiosysteem in stand AUX staat. Laad de speler
daarom niet tijdens het beluisteren op via de
12V-aansluiting.
04
Soms wijkt het volume waarop de externe
geluidsbron wordt weergegeven af van dat van
de interne geluidsbronnen. Als de geluidssterkte van de externe geluidsbron te hoog is,
kan de geluidskwaliteit verslechteren. U kunt
dat tegengaan door het ingangsvolume van de
externe geluidsbron aan te passen:
1. Zet het audiosysteem in de stand AUX met
de knop MODE en navigeer vervolgens
naar AUX-ingangsvolume.
met
2. Draai aan de knop
of druk op
van de navigatietoets.
/
Geluidsregeling
Door te drukken op de knop
kunt u de
onderstaande opties doorlopen.
``
139
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 140
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
1. Ga naar Audio-instellingen en kies
Equalizer voor of Equalizer achter.
U stelt de opties in door aan de draaiknop te
draaien.
Stel het niveau voor de frequentieband bij
/
van de navigatietoets. Druk op
met
/
om een andere frequentieband te
kiezen.
N.B.
Druk op MENU om de Audio-instellingen te
openen. Voor meer informatie (zie
pagina 120).
en achter.
• Balans – Balans tussen luidsprekers links
en rechts.
• Subwoofer* – Niveau voor de lagetonenluidspreker. Door de draaiknop
naar de
MIN te draaien kunt u de subwoofer deactiveren. De onderstaande afbeelding geeft
de locatie van de subwoofer aan.
G019419
04
2. Leg de instelling vast met ENTER of annuleer uw keuze met EXIT.
• Bas – Niveau van de lage tonen.
• Treble - Niveau van de hoge tonen.
• Fader – Balans tussen luidsprekers voor
• Surround* - Instellingen voor de zogeheten Ambient Surround Sound.
Onder Surround kunt u 3-kanaals stereo of
Dolby Surround Pro Logic II activeren door 3ch of Dpl2 te selecteren. Vervolgens worden u
de volgende opties voorgeschoteld:
• Middenniveau* – Niveau voor de middenluidspreker.
• Surround-niveau* – Niveau voor de zogeheten Ambient Surround Sound.
Equalizer
Met de equalizer 2 kunt u de niveaus voor de
verschillende frequentiebanden ieder apart
instellen.
2
140
Bepaalde systeemuitvoeringen
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Geluidspodium
De geluidsweergave is dusdanig in te stellen
dat deze optimaal is voor de bestuurder*, voor
de inzittenden voorin of voor de achterpassagiers. Kies een van de opties onder Audioinstellingen Geluidspodium.
Optimale geluidsweergave
Het audiosysteem is gekalibreerd voor optimale geluidsweergave met behulp van digitale
signaalverwerking.
Voor ieder automodel wordt het audiosysteem
tijdens de kalibratie perfect afgestemd op de
luidsprekers, de versterker, de akoestiek in de
auto, de positie van de luisteraar e.d.
Er is tevens een dynamische kalibratie waarbij
rekening wordt gehouden met de stand van de
volumeknop, de radio-ontvangst en de rijsnelheid.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 141
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
De regelfuncties die in dit instructieboekje
nader verklaard worden (zoals Bas, Treble en
Equalizer) zijn uitsluitend bedoeld om u de
mogelijkheid te bieden de geluidsweergave
naar wens af te stellen.
Cd-functies
Positie in cd-wisselaar kiezen*
Cd doorzoeken
Weergave starten (cd-speler)
Een eventuele muziek-cd in de speler wordt
automatisch afgespeeld, wanneer u op CD
drukt. Steek anders een cd in de invoeropening
en druk op CD.
Weergave starten (cd-wisselaar)
G021403
Als er een cd-sleuf met een muziek-cd is gekozen, gaat de weergave automatisch van start
wanneer u op CD drukt. Kies als dat niet het
geval is een cd met de cijfertoetsen 1–6 of
/
van de navigatietoets.
Middenconsole, bedieningstoetsen voor cd-functies.
Cd uitwerpen
Opening voor het invoeren/uitwerpen van
cd’s
Navigatietoets voor het wisselen van cdtracks
Vooruit-/achteruitspoelen en wisselen van
cd-tracks
3
Disc uitwerpen
U hebt ca. 12 seconden de tijd om een uitgeworpen disc uit te nemen. Als de disc na afloop
van deze periode nog in de cd-speler zit, wordt
de disc weer ingenomen en verder afgespeeld.
Met een korte druk op de uitwerptoets kunt u
één enkele disc uitwerpen.
Met een lange druk op de uitwerptoets kunt u
alle discs uitwerpen. Alle discs in het magazijn
worden dan één voor één uitgeworpen.
Wanneer u het volume helemaal omlaagdraait,
wordt de weergave van de cd-speler onderbroken.
Cd aanbrengen (cd-wisselaar)
Muziekbestanden 3
1. Kies een lege sleuf met de cijfertoetsen 1–
6 of
/
van de navigatietoets.
De cd-speler ondersteunt ook muziekbestanden in mp3- en wma-formaat.
Op het display staat aangegeven welke
sleuf leeg is. De melding Plaats Disc geeft
aan dat u een volgende cd kunt aanbrengen. De cd-wisselaar biedt plaats aan zes
cd’s.
2. Steek een cd in de invoeropening van de
cd-wisselaar.
04
Pauze
N.B.
De speler kan bepaalde muziekbestanden
met kopieerbeveiliging niet lezen.
Wanneer u een cd met muziekbestanden in de
speler aanbrengt, wordt een eventuele mapstructuur op de disc automatisch geladen.
Afhankelijk van de kwaliteit van de disc kan het
High Performance en Premium Sound
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
141
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 142
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
enige tijd duren voordat de disc wordt afgespeeld.
Navigeren en afspelen
04
Als er een disc met muziekbestanden in de cdspeler zit, kunt u met ENTER de mapstructuur
openen. U navigeert op dezelfde manier in de
mapstructuur als in de menustructuur van het
audiosysteem. Muziekbestanden worden aanen mappen met
geduid met het symbool
. Met een druk op ENTER gaat het afspelen van de muziekbestanden van start.
Willekeurige afspeelvolgorde
Bij activering van deze functie speelt de speler
de tracks/muziekbestanden in willekeurige
volgorde af. U kunt de willekeurig gekozen
tracks/muziekbestanden op de cd op de
gebruikelijke manier doorbladeren.
Wanneer een bepaald muziekbestand helemaal afgespeeld is, worden de overige bestanden in dezelfde map afgespeeld. Nadat alle
bestanden in een bepaalde map zijn afgespeeld, wordt er automatisch van map gewisseld.
Bij gebruik van de linker of rechter pijl wordt
alleen een nieuwe willekeurige track op de
afgespeelde cd geselecteerd.
Vooruit-/achteruitspoelen en van track/
muziekbestand op de cd wisselen
Afhankelijk van het type willekeurige afspeelvolgorde dat geselecteerd is, verschijnt er een
bepaalde displaymelding:
Druk kort op
/
van de navigatietoets om
tracks/muziekbestanden op een cd te selecteren. Druk lang om cd-tracks/muziekbestanden
versneld vooruit/achteruit te spoelen. U kunt
daarvoor ook gebruik maken van de toetsenset
op het stuurwiel. U kunt ook van track wisselen
door aan de knop TUNING te draaien.
Cd doorzoeken
Bij activering van deze functie worden van alle
tracks/muziekbestanden op een cd de eerste
142
tien seconden weergegeven. Druk op SCAN
om de functie te activeren. Beëindig de functie
met EXIT of SCAN om de weergave van de
actuele tracks/muziekbestanden op de cd
voort te zetten.
N.B.
• RANDOM houdt in dat de tracks op
slechts een van de muziek-cd’s worden
afgespeeld
• RND ALL houdt in dat alle tracks op alle
muziek-cd’s in de cd-speler worden afgespeeld.
• RANDOM FOLDER houdt in dat de
muziekbestanden in een willekeurige map
op de gekozen cd worden afgespeeld.
Cd-speler
Activeer/deactiveer de functie tijdens het
afspelen van een normale muziek-cd onder
Random.
Activeer/deactiveer de functie bij het beluisteren van een disc met muziekbestanden onder
Random Map.
Cd-wisselaar
Activeer/deactiveer de functie bij het afspelen
van een normale muziek-cd onder Random
Enkele disc of Random Alle discs. Het
alternatief Alle discs geldt alleen voor de
muziek-cd’s die in de cd-wisselaar zitten.
Activeer/deactiveer de functie bij het beluisteren van een cd met muziekbestanden onder
Random Map. Wanneer u een andere cd
kiest, wordt de functie gedeactiveerd.
Nummer-informatie
Eventuele nummer-informatie op de muziekcd kan via het display worden weergegeven.
Bij Premium Sound en High Performance geldt
dit ook voor cd’s met mp3- en wma-bestanden. Activeer/deactiveer de functie in de stand
CD onder Cd-instellingen Nummerinformatie.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 143
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
Radiofuncties
2. Druk op
/
van de navigatietoets.
Handmatig zenders zoeken.
1. Kies een frequentieband met FM of AM.
2. Draai aan TUNING.
G021404
Preset
Middenconsole, bedieningstoetsen voor radiofuncties.
U kunt per frequentieband 10 voorkeurzenders
vastleggen. De FM-band heeft 2 geheugenbanken met voorkeurzenders: FM1 en FM2. U
kiest een voorkeurzender met de voorkeurtoetsen.
De voorkeurzenders kunnen handmatig of
automatisch worden vastgelegd.
Navigatietoets voor het automatisch zoeken van zenders
Voorkeurzenders handmatig vastleggen
Geselecteerde functie beëindigen
Handmatig zenders zoeken.
2. Houd een van de voorkeurtoetsen ingedrukt, totdat de melding Kanaal
opgeslagen op het display verschijnt.
Frequentieband doorzoeken
Automatisch zenders vastleggen.
Automatisch zenders vastleggen.
Voorkeurtoetsen en handmatig voorkeurzenders vastleggen.
Frequentieband AM en FM (FM1 en FM2)
kiezen.
Automatisch zenders zoeken
1. Kies een frequentieband met FM of AM.
1. Stem af op een zender.
Deze functie is met name handig in gebieden,
waar u de radiozenders en hun frequenties niet
kent. De 10 best te ontvangen radiozenders
worden automatisch in een aparte geheugenbank vastgelegd.
Wanneer Autom. opslaan.. van het display
verdwijnt, zijn de zenders vastgelegd. De radio
gaat over op de automatische stand en de melding Auto verschijnt op het display. De automatisch vastgelegde voorkeurzenders zijn vervolgens rechtstreeks te kiezen met de
voorkeurtoetsen. De automatische vastlegfunctie voor radiozenders is te beëindigen met
EXIT.
De radio blijft in de automatische stand staan,
totdat u op AUTO of FM drukt.
04
U kunt gebruik maken van de automatisch
vastgelegde radiozenders door de radio als
volgt in de automatische stand te zetten:
1. Druk op AUTO.
> De tekst Auto verschijnt op het display.
2. Druk op een voorkeurtoets.
Frequentieband doorzoeken
Deze functie doorzoekt de actuele frequentieband automatisch op goed te ontvangen zenders. Wanneer er een zender is gevonden,
wordt deze ca. 8 seconden lang weergegeven
voordat de zoekfunctie wordt voortgezet.
1. Kies een frequentieband met AM of FM.
1. Kies een frequentieband met FM of AM.
2. Druk op SCAN.
2. Houd AUTO ingedrukt, totdat Autom.
opslaan.. op het display verschijnt.
De tekst SCAN verschijnt op het display. Druk
tot slot op SCAN of EXIT.
``
143
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 144
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
RDS-functies
RDS (Radio Data System) verbindt FM-zenders
in een netwerk met elkaar. Een FM-zender in
een dergelijk netwerk verstuurt bepaalde informatie, zodat een RDS-radio onder meer de
volgende mogelijkheden biedt:
•
Automatisch overschakelen op een beter
doorkomende zender als de ontvangst in
een bepaald gebied slecht is.
•
Zoeken op programmatype zoals zenders
die verkeersinformatie of nieuws doorgeven.
•
Weergeven van informatieve tekst over het
beluisterde radioprogramma.
04
N.B.
Sommige radiozenders maken geen
gebruik van RDS of alleen in beperkte mate.
Als er een zender met het gewenste programmatype is aangetroffen, kan de radio vervolgens op deze zender overschakelen en de
weergave van de actieve geluidsbron onderbreken. Als de cd-speler bijvoorbeeld actief is,
wordt de weergave daarvan tijdelijk onderbroken. De uitzending met het gekozen programmatype wordt weergegeven op een vooraf
bepaald volume (zie pagina 146). Na afloop
van de uitzending van het gekozen programmatype geeft de radio de voorgaande geluids-
144
bron opnieuw weer op het volume dat u
daarvoor had ingesteld.
De programmafuncties alarm (ALARM!), verkeersinformatie (TP), nieuws (NEWS) en programmatype(PTY) worden in volgorde van
belangrijkheid weergegeven, waarbij geldt dat
alarm de hoogste prioriteit geniet en de programmatypes de laagste. Zie EON en REG (zie
pagina 145) voor meer instellingen die te
maken hebben met het onderbreken van uitzendingen. Druk op EXIT om de weergave van
de onderbroken geluidsbron te hervatten.
Alarm
De functie wordt gebruikt om de bevolking
attent te maken op ernstige ongelukken of
calamiteiten. U kunt de functie alarm niet tijdelijk onderbreken of deactiveren. De melding
ALARM! verschijnt op het display, wanneer er
een alarmmelding wordt verzonden.
Verkeersinformatie, TP
Bij activering van deze functie wordt de weergave van de actieve geluidsbron onderbroken
voor een uitzending met verkeersinformatie via
het RDS-netwerk van de zender waarop is
afgestemd. Het symbool TP geeft aan dat de
functie actief is. Als de zender waarop u hebt
afgestemd verkeersinformatie kan doorgeven,
op het display.
staat er
±
Activeer/deactiveer de functie onder FMinstellingen TP.
TP via beluisterde zender/alle zenders
De radio kan de weergave van de actieve
geluidsbron onderbreken voor verkeersinformatie via de (actuele) zender die u beluistert of
via alle zenders.
±
Ga naar FM-instellingen Geav. radioinstellingen TP TP-zender om wijzigingen aan te brengen.
Nieuws
Bij activering van deze functie wordt de weergave van de actieve geluidsbron onderbroken
voor een nieuwsuitzending via het RDS-netwerk van de zender waarop is afgestemd. Het
symbool NEWS geeft aan dat de functie actief
is.
±
Activeer/deactiveer de functie onder FMinstellingen Nieuws.
Nieuws via beluisterde zender/alle
zenders
De radio kan de weergave van de actieve
geluidsbron onderbreken voor een nieuwsuitzending via de (actuele) zender die u beluistert
of via alle zenders.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 145
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
±
Ga naar FM-instellingen Geav. radioinstellingen Nieuwszender om wijzigingen aan te brengen.
Als de radio een uitzending van een van de
gekozen programmatypes vindt, verschijnt >|
om te zoeken op het display.
±
Programmatype, PTY
Met de functie PTY is het mogelijk verschillende programmatypes te kiezen zoals popmuziek en klassieke muziek. Het symbool PTY
geeft aan dat de functie actief is. Bij activering
van deze functie wordt de weergave van de
actieve geluidsbron onderbroken voor een uitzending van het gekozen programmatype via
het RDS-netwerk van de zender waarop is
afgestemd.
Programmatype weergeven
Het is mogelijk het programmatype van de zender die u op dat moment beluistert op het
display weer te geven.
±
1. Activeer de functie in de stand FM door een
programmatype te selecteren onder FMinstellingen PTY PTY selecteren.
2. Deactiveer de functie door de PTY’s te wissen onder FM-instellingen Alle PTY's
wissen.
PTY zoeken
Bij activering van deze functie wordt de gehele
frequentieband doorzocht op uitzendingen van
het gekozen programmatype.
1. Kies een PTY onder FM-instellingen
PTY PTY selecteren.
2. Ga naar FM-instellingen
zoeken.
PTY
PTY
Druk op
van de navigatietoets om verder te zoeken naar een andere uitzending
van een van de gekozen programmatypes.
Activeer/deactiveer deze functie in de
stand FM onder FM-instellingen PTY
PTY weergeven
N.B.
Niet alle radiozenders ondersteunen deze
functie.
Radiotekst
Sommige RDS-zenders geven informatie door
over de inhoud van de uitzendingen, uitvoerende artiesten e.d. Deze informatie kan op het
display worden weergegeven.
±
Activeer/deactiveer deze functie in de
stand FM onder Radiotekst.
Automatische afstemfunctie, AF
Bij activering van deze functie wordt er automatisch afgestemd op het sterkste signaal
voor een bepaalde radiozender. Soms moet de
radio de gehele FM-band doorzoeken om een
sterk zendersignaal te vinden. In dat geval valt
de radio stil en verschijnt de melding PI
zoeken EXIT voor annuleren op het display.
±
Activeer/deactiveer deze functie in de
stand FM onder FM-instellingen Geav.
radio-instellingen AF.
04
Regionale radioprogramma’s, REG
Deze functie maakt het mogelijk om op een
bepaalde regionale zender afgestemd te blijven ondanks dat het signaal zwak is. Het symbool REG geeft aan dat de handsfree-functie
actief is.
±
Activeer/deactiveer deze functie in de
stand FM onder FM-instellingen Geav.
radio-instellingen Regionaal.
EON (Enhanced Other Networks)
Deze functie is met name handig in stedelijke
gebieden met een groot aantal regionale radiozenders. Bij activering van de functie is de
afstand tot de zendmast van een radiozender
bepalend voor de vraag of de weergave van de
actieve geluidsbron kan worden onderbroken
``
145
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 146
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
voor uitzendingen van een bepaald programmatype.
±
Activeer/deactiveer de functie in de stand
FM door een van de alternatieven te kiezen
onder FM-instellingen Geav. radioinstellingen EON:
• Plaatselijk – Alleen onderbreking wanneer
de zendmast van de radiozender dichtbij
is.
04
• Afstand 4 – Ook onderbreking als de zendmast van de zender ver weg staat en zijn
signaal storingen vertoont.
• Uit – Geen onderbreking voor een uitzending van een bepaald programmatype via
andere zenders.
RDS-functies resetten
Met deze kunt u alle fabriekinstellingen voor
RDS herstellen.
±
Reset in de stand FM onder FMinstellingen Geav. radio-instellingen
Alles resetten.
Volumeregeling programmatypes
De onderbrekende uitzendingen van het gekozen programmatype (bijv. NIEUWS of TP) worden weergegeven op het volume dat voor het
programmatype is gekozen. Als u het volume
4
146
Default/Fabrieksinstelling.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
tijdens de onderbreking bijregelt, wordt het
nieuwe volume opgeslagen voor een volgende
onderbreking.
AUTO te drukken. Het kan tot één minuut
duren voordat een kanaalgroep geprogrammeerd is als u zowel Band III als LBand hebt
geselecteerd.
Digitale radio (DAB)*
Frequentieband
Algemene informatie
DAB zendt uit op twee frequentiebanden:
Band III en LBand.
DAB (Digital Audio Broadcasting) is een systeem voor digitale overdracht van radiosignalen.
Service en Ensemble
• Service - Kanaal, radiokanaal (het systeem biedt alleen ondersteuning voor
geluidsdiensten).
• Ensemble - Een groep radiokanalen die
op dezelfde frequentie zenden.
Radiokanalen programmeren (Ensemble
learn)
Wanneer de auto een nieuw zendgebied binnenrijdt is het mogelijk het systeem de gelegenheid te geven de te ontvangen kanaalgroepen te programmeren.
Tijdens het programmeren van de kanaalgroepen wordt een bijgewerkte lijst van al de te
beluisteren kanaalgroepen aangemaakt. De
lijst wordt niet automatisch bijgewerkt. U start
de programmeerfunctie via het menu
Ensemble learn of rechtstreeks door lang op
• Band III - Over het hele land
• LBand - Voornamelijk in de grote steden
Wanneer u alleen voor Band III kiest, verloopt
het programmeren van kanalen sneller dan als
u voor zowel Band III als LBand hebt gekozen.
Het is echter niet zeker dat alle kanaalgroepen
ook daadwerkelijk worden gevonden. De
gekozen frequentieband is niet van invloed op
de opgeslagen voorkeuren.
Navigeren aan de hand van lijsten
Er zijn drie soorten basislijsten die u kunt
gebruiken om te navigeren:
• Ensemble list - Geeft de te beluisteren
kanaalgroepen weer na programmering
van de kanaalgroepen.
• Service list - Geeft de kanalen weer ongeacht de kanaalgroep waartoe ze behoren.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 147
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
De lijst is tevens te filteren met behulp van
DAB-PTY (zie onder).
• Subchannel list - Subkanalen van het
gekozen kanaal.
De lijsten zijn toegankelijk via het menu. U kunt
de kanaalgroepen ook bereiken door op
ENTER te drukken.
Scannen (SCAN)
Tijdens het scannen wordt van alle kanalen een
fragment van 10 seconden weergegeven.
±
Druk op SCAN om de functie te activeren.
U kunt de scanfunctie ook kiezen in de stand
DAB-PTY. Dan worden alleen kanalen van het
gekozen programmatype weergegeven.
±
Beëindig de scanfunctie door nogmaals op
de SCAN te drukken of druk op EXIT.
Om een subkanaal te bereiken:
±
Druk op
Om te navigeren tussen subkanalen:
±
Druk op
of op
Subkanalen zijn alleen te bereiken via het gekozen hoofdkanaal en niet via een ander hoofdkanaal.
DAB-PTY (programmatype)
DAB PTY selecteert een specifiek type radioprogramma. Er bestaan 29 verschillende programmatypes voor verschillende soorten programmacategorieën. Wanneer u een bepaald
programmatype hebt gekozen, navigeert u
alleen binnen de kanalen die programma’s van
het gekozen type uitzenden.
Verlaat deze stand als volgt:
Subkanaal (onderkanaal)
Secundaire componenten worden vaak aangeduid als subkanalen. Dergelijke componenten zijn van tijdelijke aard en kunnen bijvoorbeeld uit vertalingen van het hoofdprogramma
bestaan.
Als er een of meer subkanalen bestaan verschijnt het symbool > rechts van de kanaalnaam op het display. Als er slechts één
subkanaal bestaat verschijnt het symbool >
links van de kanaalnaam op het display.
±
Druk op EXIT
Het is ook mogelijk een voorkeurkanaal te kiezen of DAB-PTY te beëindigen via het menu.
Bij gebruik van DAB-links tussen kanalen (zie
onder) is het mogelijk dat de DAB-radio de
PTY-stand verlaten.
DAB naar DAB link
Het is mogelijk om van een kanaal die slecht of
helemaal niet te ontvangen is over te schakelen
op hetzelfde kanaal in een andere kanaalgroep
met een betere ontvangst. Bij het veranderen
van kanaalgroep kan enige vertraging in de
geluidsweergave optreden. Vanaf het moment
dat het huidige kanaal verdwijnt en het nieuwe
kanaal toegankelijk wordt kan het geluid dan
ook enige tijd stilvallen.
DAB-displayinstellingen
1. Basis - Alleen de kanaalnaam verschijnt
als de hoofdcomponent wordt beluisterd.
Bij het beluisteren van een subkanaal verschijnt de subkanaalnaam.
2. Ensemble mode - Voegt de naam van de
kanaalgroep toe aan de kanaalnaam.
04
3. Ensemble + PTY - Voegt de naam van het
programmatype toe aan de kanaalnaam.
Presets (voorkeuren)
Een voorkeur bestaat uit een kanaal zonder
eventuele subkanalen. Als er tijdens het beluisteren van een subkanaal een voorkeurkanaal
vastgelegd wordt, wordt alleen de kanaal-ID
geregistreerd. Dit komt omdat de subkanalen
van tijdelijke aard zijn. Bij activering van het bijbehorende voorkeurkanaal zal dan ook het
hoofdkanaal worden weergegeven waartoe het
subkanaal behoorde. De voorkeurkanalen zijn
niet gebonden aan de kanalenlijst.
Een kanaal dat is vastgelegd als voorkeurkanaal hoeft niet in de kanalenlijst te staan om te
kunnen worden gedownload. Als u een kanaal
``
147
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 148
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
downloadt dat niet beschikbaar is, verschijnt
het nummer van het voorkeurkanaal waarna
het geluid stilvalt totdat u een ander voorkeurkanaal hebt gekozen dat wel beschikbaar is. U
kunt uiteraard ook een ander kanaal kiezen.
N.B.
De DAB-functie van het audiosysteem biedt
geen ondersteuning voor alle mogelijkheden van de DAB-standaard.
04
Menusysteem
Hoofdmenu DAB
1.
Selecteer groep (Ensemble)
2.
Selecteer kanaal (Service)
3.
Selecteer subkanaal (Subchannel)
4.
DAB PTY
4.1.
4.2.
Nieuws
4.3.
Actualiteit
4.4.
148
DAP PTY uit
Informatie
4.5.
Sport
4.6.
Educatie
4.7.
Drama
4.8.
Kunst
4.9.
Wetenschap
5.
Ensemble learn
4.10.
Praatprogramma’s
6.
DAB-instellingen
4.11.
Popmuziek
4.12
Rockmuziek
6.1.1.
Groepsnaam
4.13.
Rustige muziek
6.1.2.
Groepsnaam en PTY
4.14.
Licht klassiek
6.1.3.
Basis
4.15.
Klassieke muziek
6.2.
DAB naar DAB link
4.16.
Overige muziek
6.3.
FM-verkeer
4.17.
Het weer
6.4.
DAB-band selecteren
4.18.
Economie
6.4.1.
Band III
4.19
Kinderprogramma’s
6.4.2.
LBand
4.20.
Feitelijk
6.4.3.
LBand & Band III
4.21.
Religie
4.22.
Doe mee!
4.23.
Reizen
4.24.
Vrije tijd
4.25.
Jazz en blues
4.26.
Countrymuziek
4.27.
Nationale muziek
4.28.
Gouwe Ouwe
4.29.
Volksmuziek
4.30.
Documentaires
6.1.
6.5.
DAB-displayinstellingen
DAB resetten
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 149
04 Comfort en rijplezier
RSE-systeem (Rear Seat Entertainment) met twee beeldschermen*
Algemene informatie
Het RSE-systeem kan gelijktijdig met het infotainmentsysteem gebruikt worden.
Ook als de achterpassagiers gebruik maken
van de dvd-speler, de RSE-AUX-ingang of tv
1 kijken en daarbij de koptelefoon dragen, kunnen de bestuurder en een eventuele voorpassagier de radio of cd-speler blijven beluisteren.
Stroomverbruik, contactstanden
Het systeem is te activeren in contactstand I of
II en wanneer de motor loopt. Bij het starten
van de motor wordt de filmweergave tijdelijk
gestopt en voortgezet wanneer de motor is
aangeslagen.
Wanneer het systeem eenmaal gebruikt is terwijl het contact niet in stand I stond, is verder
gebruik geblokkeerd. U kunt het systeem dan
pas weer activeren nadat u contactstand I hebt
geactiveerd.
N.B.
Bij langdurig gebruik (meer dan 10 minuten)
van het systeem met de motor uitgeschakeld, kan de ladingstoestand van de accu
dusdanig verslechteren dat de motor startproblemen vertoont.
Tv-overzicht
Druk op
- instelling
en kies TV I DVD I AUX
MEDIA MENU.
TV
Systeeminstellingen
Audiomodus
Fabrieksstandaard
Kanaaloverzicht
Instelling tijdzone
CI-module
Voorkeur kijker
Kanaalzoeken
TV - instelling
Geen CAM ingestoken
Informatie CImodule
Beheer van nieuwe
dragers
04
Signaalsterkte
Carier toevoegen
Informatie over
carrier
Carrier wissen
Systeeminstellingen TV
Druk op MEDIA MENU
Systeeminstellingen TV - instelling.
Alle dragers wissen
Automatisch zoeken
Er verschijnt in dat geval een melding op het
scherm.
1
Tv is een optionele functie van het RSE-systeem.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
149
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 150
04 Comfort en rijplezier
RSE-systeem (Rear Seat Entertainment) met twee beeldschermen*
Taal
Bijv. Engels
Taal waarin de tvmenu’s staan aangegeven
Beeldformaat
Audio
16:9
4:3
Automatisch
04
Modus (beeldschermstand)
De originele taal van een tv-programma kan
worden gewijzigd als het programma met
meerdere taalkanalen wordt uitgezonden.
Audio - 1, bijv. ENG.
Betaalkanalen
Om betaalkanalen te kunnen bekijken moet
een smartcard in een module worden geplaatst
die vervolgens in de digitale tv-ontvanger
wordt aangebracht.
Audio - 2, bijv. GER.
Audiomodus
Rechts
Links
Standaard
Stereo
Zoom
AC3
Groot scherm
Audiomodus
Rechts
Links
Tijd banner
De weergaveduur
van de menu’s is in
te stellen op
8–40 seconden.
Systeeminstellingen audiomodus
Druk op MEDIA MENU
Systeeminstellingen Audiomodus.
150
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Systeeminstellingen fabrieksstandaard
Druk op MEDIA MENU
Systeeminstellingen Fabrieksstandaard.
G031510
Gecentreerd
Hier kunt u de fabrieksinstellingen van het systeem herstellen.
De ontvanger zit achter het klepje in de bagageruimte.
Systeeminstellingen instelling tijdzone
1. Open het klepje in de bagageruimte. De
ontvanger zit in een behuizing.
Druk op MEDIA MENU
Systeeminstellingen Instelling tijdzone.
De plaatselijke programmatijden worden alleen
correct weergegeven, wanneer u de juiste tijdzone hebt ingesteld. De menu’s onder GUIDE,
INFO en de klok hangen af van de ingestelde
plaatselijke tijdzone.
2. Open het rubber klepje van de ontvanger.
3. Stop de smartcard in de module. Zorg dat
u de smartcard op de juiste manier in de
module aanbrengt.
4. Steek de module in de digitale tv-ontvanger. Zorg dat u de module op de juiste
manier aanbrengt.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 151
04 Comfort en rijplezier
RSE-systeem (Rear Seat Entertainment) met twee beeldschermen*
> Het systeem registreert automatisch dat
het nieuwe informatie ontvangt.
5. Gebruik de zoekfunctie om de nieuwe
kanalen te vinden die u kunt bekijken (zie
onder “Tv-kanalen met smartcard” verderop).
Tv-kanalen met smartcard
Gebruik de zoekfunctie om de kanalen te vinden die u met de smartcard kunt bekijken.
1. Druk op MEDIA MENU op de afstandsbediening.
2. Kies Kanaalzoeken
zoeken.
Automatisch
Muziek
Verschillende afspeelmethoden
Cd beluisteren
De cd is op verschillende manieren af te spelen. Kies met de navigatietoetsen de gewenste
afspeelmethode.
1. Plaats een cd met de etiketzijde van de
toetsen af gericht.
> De cd wordt automatisch afgespeeld.
2. Schakel de draadloze koptelefoon(s) in
(kies CH A voor het linker beeldscherm of
CH B voor het rechter beeldscherm).
> Het geluid wordt via de koptelefoon(s)
weergegeven.
3. Stel het volume van de koptelefoon(s) in via
de volumeregeling of met het instelwieltje
op de koptelefoon(s) zelf.
A B van de
AUX zetten en op de toets
afstandsbediening drukken om het geluid
via de luidsprekers weer te geven.
.
Door de digitale tv-ontvanger
ondersteunde formaten
Het systeem kan tv-programma’s in MPEG-2formaat weergeven. Na aanschaf van een speciale module zijn ook programma’s in
MPEG-4-formaat weer te geven. Deze module
wordt op dezelfde manier als de CI-module
voor smartcards in de digitale tv-ontvanger
aangebracht. Zie onder “Betaalkanalen” eerder in dit boekje.
2. Blader met de navigatietoetsen om een
keuze te maken uit de afspeelopties.
3.
±
1.
2.
.
3. Kies met de navigatietoetsen het bestand
van uw keuze.
4.
Druk op
of
Pauze
1. Plaats de cd.
Druk op
Kies een andere cd-track met
. Spoel voor- of achteruit door de
toetsen ingedrukt te houden.
Map op de cd kiezen
2.
04
.
Bevestig uw keuze met
Andere cd-track
U kunt het audiosysteem ook in MODE-
3. Kies het land waarin u zich bevindt en druk
op
Wanneer het dialoogvenster zichtbaar is:
1. Druk op de rechter navigatietoets om naar
het rechter menu te springen.
3.
Met
kunt u de cd-weergave pauzeren of voortzetten.
Met
digen.
kunt u de cd-weergave beëin-
Druk nogmaals op
werpen.
om de cd uit te
om een submap te kiezen.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
151
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 152
04 Comfort en rijplezier
RSE-systeem (Rear Seat Entertainment) met twee beeldschermen*
Zelfgebrande cd’s/dvd’s zijn te
beluisteren.
Aansluiten op AUX-ingang RSE-systeem
Systeem
Formaten die door het systeem worden ondersteund.
De afspeelbaarheid en de geluidskwaliteit zijn
echter afhankelijk van het bronbestand, het
gehanteerde formaat en de kwaliteit van de
gebruikte cd/dvd.
04
De ingang dient om randapparatuur te kunnen
aansluiten. Volg altijd de aansluitinstructies op
van de fabrikant of de verkoper van de
gebruikte randapparatuur. Randapparatuur die
via de AUX-ingang van het RSE-systeem is
aangesloten kan gebruik maken van de beeldschermen, de draadloze koptelefoons, de uitgangen voor koptelefoons met een snoeraansluiting en de luidsprekers van het audiosysteem.
G030382
AUX-ingang, 12V-aansluiting
De AUX-ingang van het RSE-systeem zit onder
aan de achterkant van de middenarmsteun.
Videoformaten
DVD-video, VCD, SVCD, Divx/
MPEG-4, WMA-video, Photo CD
Kodak, Photo CD JPG
Schijfformaten
DVD-RAM, DVD-ROM, DVD-RW,
DVD+RW, DVD-R, DVD+R, CD-R,
CD-ROM, CD-RW, CD-3, HDCD
Geavanceerde systeeminstellingen
2. Sluit de linker geluidskabel aan op de witte
ingang en de rechter op de rode ingang.
Deze instellingen zijn alleen toegankelijk wanneer de dvd-speler leeg is.
Voor de positie van de elektrische aansluiting
(XXX). zie pagina 193
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
CD-DA, DVD-Audio Playback,
MP3, WMA
1. Sluit de videokabel aan op de gele ingang.
3. Sluit de voedingskabel aan op de 12 Vaansluiting als de apparatuur op 12 V
werkt.
152
Audioformaten
±
Druk op MEDIA MENU.
GENERAL SETUP
ANGLE MARK
CAPTION
AUDIO SETUP
COMPRESSION
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 153
04 Comfort en rijplezier
RSE-systeem (Rear Seat Entertainment) met twee beeldschermen*
2. Verwijder beide batterijen en leg de nieuwe
batterijen op de aangegeven manier in het
batterijvakje.
DVX(R)
REGISTRATION
PREFERENCES
TV TYPE
3. Breng het dekseltje aan en draai het boutje
vast.
AUDIO
N.B.
Als het systeem te heet is of als de accuspanning te laag is, geeft een melding op
het scherm dat aan.
SUBTITLE
Milieuzorg
DEFAULTS
Lege batterijen moet u op een milieuvriendelijke manier inzamelen!
Batterijen in afstandsbediening en
koptelefoon(s) vervangen
04
De afstandsbediening en de koptelefoon(s)
werken op twee batterijen van het type AAA.
G031358
Neem bij lange ritten extra batterijen mee.
1. Draai het boutje los en haal het dekseltje
van het batterijvakje.
G031361
2. Verwijder beide batterijen en leg de nieuwe
batterijen op de aangegeven manier in het
batterijvakje.
3. Breng het dekseltje aan en draai het boutje
vast.
1. Draai het boutje los en haal het dekseltje
van het batterijvakje.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
153
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 154
04 Comfort en rijplezier
Boordcomputer
Algemene informatie
Functies
N.B.
Als er een waarschuwingsmelding verschijnt terwijl de boordcomputer in gebruik
is, moet u deze melding eerst bevestigen
om naar de boordcomputerfunctie terug te
keren. U bevestigt door op READ te drukken.
waarde op het display wordt om de paar
seconden bijgewerkt. Wanneer de auto stilstaat, geeft het display “ ----” aan.
Gemiddeld
Het gemiddelde brandstofverbruik sinds de
laatste maal dat u de waarde op nul hebt
gesteld. U stelt de waarde op nul met RESET.
N.B.
G021364
04
Informatiedisplay en bedieningstoetsen.
READ - bevestigen
Duimwiel – menu’s en opties binnen de
cruisecontrol-lijst doorbladeren.
RESET – op nul stellen
Om toegang te krijgen tot de informatie in de
boordcomputer, moet u het duimwiel in stappen omhoog of omlaag draaien. Wanneer u na
het laatste menu nogmaals aan het wieltje
draait, keert u terug naar de uitgangspositie.
Neem contact op met een erkende Volvowerkplaats, als u de eenheid wilt wijzigen
waarin de afstand en de snelheid worden weergegeven.
Actuele snelheid*
Bij een snelheidsmeter met een kilometerschaal wordt de actuele snelheid weergegeven
in km/h. Bij een snelheidsmeter met een milesschaal wordt de actuele snelheid weergegeven
in mph.
Gem. snelheid
De auto berekent de gemiddelde snelheid
sinds de laatste maal dat u deze waarde op nul
hebt gesteld. U stelt de waarde op nul met
RESET.
Momentaan
Het momentane (actuele) brandstofverbruik
wordt eenmaal per seconde berekend. De
1
154
Alleen dieselmodellen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Er kunnen onjuiste waarden verschijnen, als
u een extra verwarming 1 en/of standverwarming* op brandstof hebt gebruikt.
Km actieradius
De actieradius wordt berekend aan de hand
van het gemiddelde brandstofverbruik over de
laatste 30 km en de resterende hoeveelheid
brandstof. Het display geeft de afstand aan die
bij benadering kan worden afgelegd met de
resterende hoeveelheid brandstof in de tank.
Wanneer “ --- km actieradius” op het display
staat, zijn geen garanties meer te geven voor
de resterende actieradius. Tank dan zo spoedig mogelijk.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 155
04 Comfort en rijplezier
Boordcomputer
N.B.
Er kunnen onjuiste waarden verschijnen, als
u een standverwarming* op brandstof hebt
gebruikt of van rijstijl bent veranderd.
Op nul stellen
1. Selecteer Gem. snelheid of Gemiddeld.
2. Houd RESET ca. 1 seconde ingedrukt om
de waarde voor de gekozen functie op nul
te stellen. Als u RESET ten minste 3 seconden lang ingedrukt houdt, stelt u de gemiddelde snelheid en het gemiddelde brandstofverbruik gelijktijdig op nul.
04
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
155
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 156
04 Comfort en rijplezier
Kompas*
Bediening
Kalibreren
Zone kiezen
Het kompas moet soms voor de nauwkeurigheid worden gekalibreerd. Als kalibratie nodig
is, verschijnt C op het display van de spiegel.
1. Breng de auto tot stilstand op een groot en
open terrein waar geen stalen constructies
of hoogspanningsdraden zijn.
2. Start de motor.
G029737
Achteruitkijkspiegel met kompas.
Aan de onderkant van de achteruitkijkspiegel
(in het midden) zit een display waarop wordt
aangegeven in welke richting de voorkant van
de auto wijst. Er worden acht verschillende
richtingen met Engelse afkortingen weergegeven: N (noord), NE (noordoost), E (oost), SE
(zuidoost), S (zuid), SW (zuidwest), W (west) en
NW (noordwest).
Het kompas wordt automatisch geactiveerd
wanneer u de motor start of wanneer sleutelstand II actief is (zie pagina 73). Om het kompas handmatig in of uit te schakelen kunt u een
paperclip of iets dergelijks nemen en het
knopje aan de achterzijde van de achteruitkijkspiegel indrukken.
156
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Voor optimale kalibratie dient u alle elektrische apparatuur (klimaatregeling, ontwaseming e.d.) uit te schakelen en de portieren
dicht te houden.
3. Houd het knopje aan de achterzijde van de
achteruitkijkspiegel ingedrukt (met bijvoorbeeld een paperclip), totdat de melding C
opnieuw verschijnt (ca. 6 seconden lang).
4. Rijd op de normale manier weg. C verdwijnt van het display, wanneer de kalibratie is afgerond.
Alternatieve kalibratiemethode: Rijd langzaam een rondje in de auto met een snelheid van hoogstens 8 km/h, totdat de
melding C van het display verdwijnt om
aan te geven dat de kalibratie afgerond is.
G030295
N.B.
04
Magnetische zones.
De aarde is in 15 magnetische zones verdeeld.
Het kompas werkt alleen naar behoren als de
juiste zone geselecteerd is.
1. De transpondersleutel moet daarbij in
stand II staan (zie pagina 73).
2. Houd het knopje aan de achterzijde van de
achteruitkijkspiegel ten minste 3 seconden
lang (met een paperclip of iets dergelijks)
ingedrukt. Het nummer van de actuele
geografische zone verschijnt.
3. Druk herhaaldelijk op het knopje totdat het
nummer van de gewenste geografische
zone ( 1–15) verschijnt.
4. Enkele seconden later geeft het display de
kompasrichting weer aan.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 157
04 Comfort en rijplezier
Stabiliteits- en tractieregelsysteem, DSTC
Algemene informatie over het DSTC
DSTC Service vereist
Het stabiliteits- en tractieregelsysteem (DSTC,
Dynamic Stability and Traction Control) helpt
de bestuurder voorkomen dat de wielen doorslippen en verbetert de tractie van de auto.
Wegens een storing werd het systeem uitgeschakeld.
De tractie wordt verbeterd doordat het systeem de aandrijfkracht over de wielen verdeelt.
Het systeem grijpt voornamelijk in bij lage snelheden op slechte wegen.
Symbolen op instrumentenpaneel
Lees de melding op het informatiedisplay, als
de symbolen
en
gelijktijdig
oplichten.
Als alleen het symbool
dat het volgende:
•
een knipperend symbool geeft aan dat het
systeem op dat moment ingrijpt;
•
een symbool dat 2 seconden brandt geeft
aan dat de systeemtest bij het starten van
de motor loopt;
Berichten op informatiedisplay
•
een symbool dat na het starten van de
motor of tijdens het rijden oplicht, duidt op
een storing in het systeem.
Wegens een te hoge temperatuur van de remschijven gelden er tijdelijk beperkingen voor
het systeem. Het systeem wordt automatisch
opnieuw ingeschakeld, wanneer de remmen
weer voldoende zijn afgekoeld.
04
oplicht, betekent
Tijdens het afremmen kunnen de ingrepen van
het systeem waarneembaar zijn in de vorm van
pulserende geluiden. Tijdens het gas geven
kan de auto langzamer optrekken dan u verwacht.
DSTC Tijdelijk UIT
Bediening
Beperkte functie
Het is mogelijk de werking van het systeem te
beperken, wanneer de wielen doorslippen en u
gas geeft. Het systeem grijpt bij doorslippende
wielen dan later in, zodat er een hogere mate
van doorslippen mogelijk is. Dit levert een grotere bedieningsvrijheid op bij dynamisch rijden.
G021409
Het systeem stemt de aandrijfkracht en remkracht van elk van de wielen dusdanig af dat ze
niet doorslippen. Dit verhoogt de bestuurbaarheid en daarmee ook de veiligheid bij snelle
uitwijkmanoeuvres bijvoorbeeld.
Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand
en zet de motor af. Bezoek een erkende Volvowerkplaats, als de melding opnieuw verschijnt
nadat u de motor weer hebt gestart.
De aandrijving in diepe lagen sneeuw of zand
wordt verbeterd, omdat er dan geen beperkingen meer gelden voor de tractie.
1. Draai aan het duimwiel
totdat het menu
DSTC verschijnt. DSTC AAN betekent dat
de werking van het systeem ongewijzigd is.
DSTC Spin Control UIT betekent dat er
beperkingen gelden voor de werking van
het systeem.
2. Houd RESET
ingedrukt totdat het
menu DSTC zich wijzigt.
De beperkingen voor de werking van het systeem blijven van kracht totdat u de motor een
volgende keer opnieuw start.
``
157
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
Stabiliteits- en tractieregelsysteem, DSTC
WAARSCHUWING
Er kunnen wijzigingen optreden in de rijeigenschappen van de auto, als de werking
van het systeem wordt beperkt.
04
158
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 158
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 159
04 Comfort en rijplezier
Rijeigenschappen aanpassen
Actief chassis (FOUR-C)*
Stuurkrachtniveau. Voor een beschrijving van
het menusysteem (zie pagina 120).
Bediening
Het actieve chassissysteem FOUR-C (Continuously Controlled Chassis Concept) stemt de
eigenschappen van de schokdempers af op de
gewenste rijeigenschappen van de auto. U
hebt de keuze uit drie standen: Comfort, Sport
en Advanced.
Dit menu is niet te openen wanneer de auto
rijdt.
Comfort
Sport
Bij deze stand die wordt geadviseerd voor een
actievere rijstijl heeft de auto een sportiever
karakter. De auto reageert sneller op de bewegingen van het stuurwiel dan in de stand Comfort. De vering is stugger dan normaal en de
carrosserie volgt het wegdek om bij het snelle
bochtenwerk de mate van overhellen te beperken.
Advanced
U wordt geadviseerd deze stand alleen te activeren op zeer rechte en vlakke wegen.
De bewegingen van de schokdempers zijn
geoptimaliseerd voor maximale grip en minimale overhelling in bochten.
04
G021410
Bij deze stand die wordt geadviseerd voor
lange ritten rijdt de auto comfortabeler dan normaal. De vering verloopt soepel waardoor de
bewegingen van de carrosserie minimaal en
aangenaam zijn.
Chassisstanden.
Gebruik de knoppen op de middenconsole om
van stand te veranderen. De chassisstand die
actief is bij het afzetten van de motor zal de
volgende keer dat u de motor start opnieuw
geactiveerd worden.
Snelheidsafhankelijke
stuurbekrachtiging*
Naarmate de rijsnelheid hoger wordt neemt de
stuurbekrachtiging af, waardoor u een beter
gevoel met de weg krijgt. Op lage snelheden is
de stuurbekrachtiging groter zodat bijvoorbeeld parkeren minder moeite kost.
U kunt de mate van stuurbekrachtiging wijzigen onder Instellingen van de auto
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
159
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 160
04 Comfort en rijplezier
ACC gedeactiveerd*
Bediening
De cruisecontrol is vervolgens te activeren met
de
of de
, waarna de actuele snelheid
wordt vastgezet en als ingestelde snelheid
dient. De displaytekens (---) km/h veranderen
in de ingestelde snelheid, bijvoorbeeld 100
km/h.
N.B.
Bij snelheden lager dan 30 km/h is het niet
mogelijk de cruisecontrol in te schakelen.
G021411
04
Display en bedieningstoetsen.
Stand-by zetten
Ingestelde snelheid hervatten
Deactiveren
Snelheid activeren/instellen
Ingestelde snelheid (tussen haakjes =
stand-bystand)
U kunt de cruisecontrol alleen activeren nadat
u deze stand-by hebt gezet met een druk op
de knop CRUISE
. Het symbool
op het
display licht op en de melding (---) km/h
verschijnt om aan te geven dat de cruisecontrol
stand-by staat.
160
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
U schakelt de cruisecontrol uit met CRUISE of
door de motor af zetten. De ingestelde snelheid
wordt daarbij gewist.
Onderbreking
Druk op
om de cruisecontrol te onderbreken. De vastgelegde snelheid staat tussen
haakjes op het display (bijvoorbeeld (100) km/
h).
Automatische onderbreking
Ingestelde snelheid verhogen/verlagen
In de actieve stand kunt u de snelheid verhogen of verlagen door de knop
of
korte of
lang in te drukken.
Een tijdelijke verhoging van de snelheid met het
gaspedaal (zoals bij het inhalen) is niet van
invloed op de instelling van de cruisecontrol.
Als u het gaspedaal loslaat, neemt de auto
automatisch de ingestelde snelheid weer aan.
N.B.
Activeren en snelheid instellen
Deactiveren
Als een van de toetsen van de cruisecontrol
langer dan ca. één minuut ingedrukt wordt,
wordt de cruisecontrol uitgeschakeld. Om
de cruisecontrol in dat geval te resetten
moet u de motor afzetten.
De cruisecontrol wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer de aangedreven wielen doorslippen of als de snelheid bij het oprijden van
een steile helling daalt tot onder ca. 30 km/h.
De cruisecontrol wordt uitgeschakeld wanneer
u het rempedaal bedient, de keuzehendel in de
vrijstand zet of het gaspedaal lang (ca.
60 seconden) bedient. De cruisecontrol gaat
dan stand-by en slaat de ingestelde snelheid
op.
Ingestelde snelheid hervatten
De cruisecontrol kan na een onderbreking
opnieuw geactiveerd worden door te drukken
op . Het systeem hervat dan de eerder ingestelde snelheid.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 161
04 Comfort en rijplezier
ACC gedeactiveerd*
N.B.
Wanneer u de ingestelde snelheid hebt herkan er een duidelijke snelheidsvat met
verhoging optreden.
04
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
161
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 162
04 Comfort en rijplezier
Adaptieve cruisecontrol*
Algemene informatie
Functie
WAARSCHUWING
De adaptieve cruisecontrol (Adaptive Cruise
Control, ACC) vormt een hulpmiddel om u te
ontlasten bij lange ritten op rechte weggedeelten met een gelijkmatige verkeersstroom zoals
op snelwegen en provinciale wegen.
De adaptieve cruisecontrol is geen systeem
dat botsingen voorkomt. Grijp zelf in zodra
u merkt dat het systeem een voertuig voor
u niet registreert.
De adaptieve cruisecontrol reageert niet op
voetgangers en dieren. Het systeem reageert evenmin op tegenliggers, op langzaam rijdende voorliggers of stilstaande
voertuigen noch op vaste obstakels.
WAARSCHUWING
De adaptieve cruisecontrol leent zich niet
voor alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
In het onderdeel Functie en verder wordt
geïnformeerd over de beperkingen die u als
bestuurder moet kennen, voordat u de
adaptieve cruisecontrol gebruikt.
Als bestuurder bent u ervoor verantwoordelijk dat u de juiste afstand en snelheid aanhoudt, ook als u gebruik maakt van de
adaptieve cruisecontrol.
BELANGRIJK
Laat het onderhoud van de onderdelen van
de adaptieve cruisecontrol over aan een
erkende Volvo-werkplaats.
162
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
G021412
04
U dient altijd rekening te houden met de
verkeersomstandigheden en in te grijpen,
wanneer de adaptieve cruisecontrol geen
passende snelheid of afstand aanhoudt.
Functie-overzicht.
Waarschuwingslampje, afremmen noodzakelijk
Bedieningsknoppen
Radarsensor
De adaptieve cruisecontrol bestaat uit een
cruisecontrol die gekoppeld is aan een
afstandshouder.
Gebruik de adaptieve cruisecontrol niet in
stadsverkeer of drukke verkeersstromen, bij
gladheid, hevige regen- of sneeuwval of
slecht zicht en evenmin op weggedeelten
met een dikke laag water of sneeuwmodder,
vele bochten of op- en afritten.
De afstand tot het verkeer voor u wordt gemeten met een radarsensor. De snelheid wordt
afgeregeld door de stand van het gasklep aan
te passen en zo nodig af te remmen. Het is volkomen normaal dat de remmen enige geluiden
produceren, wanneer de adaptieve cruisecontrol ze aanspreekt.
WAARSCHUWING
Het rempedaal komt omlaag, wanneer de
cruisecontrol remt. Houd uw voet dan ook
niet onder het rempedaal om beknelling te
voorkomen.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 163
04 Comfort en rijplezier
Adaptieve cruisecontrol*
De adaptieve cruisecontrol streeft ernaar de
snelheid zo weinig mogelijk aan te passen. In
situaties waarin krachtig moet worden geremd,
dient u dan ook zelf te remmen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij grote snelheidsverschillen of
als het voertuig dat voor u rijdt krachtig remt.
Door beperkingen van de radarsensor is het
mogelijk dat er onverwachts of helemaal niet
wordt geremd (zie pagina 165).
De adaptieve cruisecontrol is alleen te activeren bij snelheden hoger dan 30 km/h. Als de
snelheid tot onder 30 km/h daalt of als het
motortoerental te laag wordt, wordt de adaptieve cruisecontrol automatisch uitgeschakeld
zodat er niet langer wordt afgeremd. U moet
het remmen in dat geval meteen overnemen
om een passende afstand te kunnen houden
tot de voorligger te kunnen. De hoogste snelheid die u kunt instellen is 200 km/h.
Waarschuwingslampje, afremmen
noodzakelijk
Bediening
Het remvermogen van de adaptieve cruisecontrol bedraagt ca. 30 % van dat van het normale
remsysteem van de auto.
Als uw auto harder moet afremmen dan de
adaptieve cruisecontrol aankan en u remt zelf
niet bij,dan maakt de cruisecontrol u er middels
het waarschuwingslampje van de botswaarschuwing en een geluidssignaal attent op dat
u onmiddellijk moet ingrijpen.
N.B.
Het waarschuwingslampje is soms moeilijk
te ontdekken in de felle zon of bij het gebruik
van een zonnebril.
G017350
De adaptieve cruisecontrol streeft ernaar de
afstand tot het voertuig dat voor u op dezelfde
rijstrook rijdt op een bepaalde tijdswaarde te
houden. Als de radarsensor geen voertuig voor
u registreert, wordt alleen de ingestelde snelheid aangehouden. Dit gebeurt ook als de snelheid van de voorligger de ingestelde snelheid
van de adaptieve cruisecontrol overschrijdt.
04
Display en bedieningstoetsen.
Instellingen activeren en hervatten, snelheid verhogen
Stand-bystand, in-/uitschakelen
WAARSCHUWING
De adaptieve cruisecontrol waarschuwt
alleen voor de voertuigen die de radarsensor heeft geregistreerd. Het is dan ook
mogelijk dat een waarschuwing uitblijft of
pas na enige vertraging wordt gegeven.
Wacht een waarschuwing dan ook niet af,
maar rem zelf wanneer u dat nodig acht.
Volgtijd instellen
Activeren en snelheid instellen
Ingestelde snelheid (tussen haakjes =
stand-bystand)
Ingestelde volgtijd tijdens regeling
Ingestelde volgtijd ná regeling
Activeren en snelheid instellen
U kunt de cruisecontrol alleen activeren nadat
u deze stand-by hebt gezet met een druk op
. Het symbool
op het display
de knop
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
163
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 164
04 Comfort en rijplezier
Adaptieve cruisecontrol*
licht op en de tekens (---) verschijnen om aan
te geven dat de cruisecontrol stand-by staat.
De cruisecontrol is vervolgens te activeren met
of de
, waarna de actuele snelheid
de
wordt vastgezet en als ingestelde snelheid
dient. De displaytekens (---) veranderen in de
ingestelde snelheid, bijvoorbeeld 100.
Wanneer de radarsensor een
voorligger registreert, verschijnt links op het display
een autosymbool. Alleen
wanneer dit symbool brandt,
wordt de afstand tot de voorligger aangepast.
04
N.B.
Bij snelheden lager dan 30 km/h is het niet
mogelijk de cruisecontrol in te schakelen.
Ingestelde snelheid verhogen/verlagen
In de actieve stand kunt u de snelheid verhogen of verlagen door de knop ,
of
lang
of kort in te drukken. De knop
heeft dezelfde
functie als
maar levert een minder grote
snelheidsverhoging op.
164
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
N.B.
Als een van de toetsen van de cruisecontrol
langer dan ca. één minuut ingedrukt wordt,
wordt de cruisecontrol uitgeschakeld. Om
de cruisecontrol in dat geval te resetten
moet u de motor afzetten.
In bepaalde situaties is het niet mogelijk de
adaptieve cruisecontrol te activeren. In dat
geval verschijnt ACC niet beschikbaar op
het display (zie pagina 167).
Volgtijd instellen
U kunt de ingestelde volgtijd tot een voorligger
en verkleinen met
.
vergroten met
U hebt de keuze uit vijf verschillende volgtijden die op
het display als 1–5 horizontale
streepjes worden weergegeven – hoe meer streepjes, des
te korter de volgtijd (voor de
tabel (zie pagina 169)).
Bij lage snelheden (en korte tijden) vergroot de
adaptieve cruisecontrol de volgtijd iets.
Om voorliggers soepel en comfortabel te kunnen blijven volgen staat de adaptieve cruisecontrol in bepaalde situaties aanzienlijke variaties in de volgtijd toe.
Let erop dat korte volgtijden u bij plotselinge
wijzigingen in de verkeersstroom minder tijd
geven om te reageren.
Tijdens het instellen van de
volgtijd verschijnt het bijbehorende aantal horizontale
streepjes op het display. Deze
streepjes verdwijnen na
enkele seconden, waarna een
verkleinde uitvoering ervan
rechts op het display verschijnt. Hetzelfde
symbool verschijnt ook wanneer de afstandscontrole geactiveerd is (zie pagina 169).
N.B.
Houd alleen een volgtijd aan die niet in strijd
is met de geldende verkeersregels.
Als de adaptieve cruisecontrol niet lijkt te
reageren na activering, is het mogelijk dat
de volgtijd tot de voorligger geen snelheidsverhoging toelaat.
Hoe hoger de snelheid, hoe langer de volgafstand in meters voor een bepaalde volgtijd.
Instellingen deactiveren en hervatten
Bij een korte druk op
of actief ingrijpen van
uw kant zoals het bedienen van het rempedaal
wordt de adaptieve cruisecontrol gedeactiveerd. De ingestelde snelheid staat dan tussen
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 165
04 Comfort en rijplezier
Adaptieve cruisecontrol*
haakjes op het display bijvoorbeeld ( 100). U
kunt de ingestelde snelheid en volgtijd hervat.
ten met een druk op
Wanneer de adaptieve cruisecontrol actief is,
wordt de ingestelde snelheid iedere keer dat u
op
drukt in stapjes van 1 km/h verhoogd.
N.B.
Wanneer u de ingestelde snelheid hebt hervat met
kan er een duidelijke snelheidsverhoging optreden.
Wanneer u
kort indrukt in de stand-bystand
of lang indrukt in de actieve stand, wordt de
adaptieve cruisecontrol uitgeschakeld. Daarbij
wordt de ingestelde snelheid gewist waarna u
deze niet meer kunt hervatten.
Deactivering bij ingreep bestuurder
De cruisecontrol wordt gedeactiveerd wanneer
u het rempedaal bedient, de keuzehendel in de
vrijstand zet of het gaspedaal lang bedient. De
cruisecontrol gaat dan stand-by, waarna u de
snelheid van de auto zelf dient te regelen.
Wanneer u het gaspedaal korte tijd bedient
zoals bij een inhaalmanoeuvre, wordt de
cruisecontrol tijdelijk gedeactiveerd. Zodra u
het gaspedaal loslaat, wordt de cruisecontrol
echter weer geactiveerd.
Automatisch deactiveren
De adaptieve cruisecontrol is afhankelijk van
andere systemen zoals het stabiliteits- en tractieregelsysteem (DSTC). Als een van dergelijke
systeem uitvalt, wordt de cruisecontrol automatisch uitgeschakeld.
Bij automatische deactivering klinkt een waarschuwingssignaal en op het display verschijnt
de melding ACC gedeactiveerd. U moet in
dat geval zelf ingrijpen om de snelheid ten
opzichte van de voorligger aan te passen.
Automatische deactivering is mogelijk, wanneer:
•
•
de snelheid daalt tot onder 30 km/h;
•
•
•
de remmen een hoge temperatuur hebben;
auto’s of grotere voertuigen te registreren die
in dezelfde richting als u rijden.
Bij modificatie van de radarsensor is het mogelijk dat het gebruik ervan onwettig wordt.
WAARSCHUWING
Het is niet toegestaan accessoires of
andere voorwerpen voor de grille te monteren.
De radarsensor heeft veel meer moeite om een
voertuig voor u te ontdekken:
•
de wielen hun grip op het wegdek verliezen;
Radarsensor en de beperkingen ervan
De radarsensor wordt niet alleen gebruikt door
de adaptieve cruisecontrol maar ook door de
botswaarschuwing met automatische rem (zie
pagina 172) en de afstandscontrole (zie
pagina 169). De sensor dient om personen-
als de radarsensor gehinderd wordt door
bijvoorbeeld hevige regenval of als
sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken;
N.B.
het toerental van de motor te laag wordt;
de radarsensor wordt gehinderd door natte
sneeuw of hevige regenval (de radargolven
worden geblokkeerd).
04
Houd het gebied voor de radarsensor
schoon.
•
als de snelheid van de voorligger te veel
afwijkt van die van uw eigen auto.
De radarsensor heeft een beperkt bereik. In
bepaalde gevallen kan de sensor helemaal
geen voertuigen ontdekken of later reageren
op een voertuig dan u verwacht.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
165
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 166
04 Comfort en rijplezier
Adaptieve cruisecontrol*
Ook kleine voertuigen, zoals motorfietsen
of voertuigen die niet in het midden van de
rijstrook rijden, kunnen onopgemerkt blijven.
In bochten kan de radarsensor op het verkeerde voertuig reageren of een eerder
opgemerkt voertuig uit het zicht verliezen.
Storingen opsporen en verhelpen
Als op het display de melding Radar afgedekt
Zie instructieb. verschijnt, worden de radar-
04
signalen van de radarsensor gehinderd zodat
voorliggers niet kunnen worden geregistreerd.
G021414
Dit betekent dat de adaptieve cruisecontrol, de
afstandscontrole en de botswaarschuwing met
automatische rem evenmin werken.
Bereik van de radarsensor (grijs gearceerd).
Soms kan de radarsensor een voertuig op
geringe afstand niet registreren, bijvoorbeeld als een inhalend voertuig invoegt
tussen u en uw voorligger.
166
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
In de onderstaande tabel staan mogelijke oorzaken van het verschijnen van de melding en
passende maatregelen.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 167
04 Comfort en rijplezier
Adaptieve cruisecontrol*
Oorzaak
Maatregel
Het radaroppervlak van de grille is vuil of bedekt met sneeuw of ijs.
Ontdoe het radaroppervlak van de grille van vuil, sneeuw en ijs.
De radarsignalen worden gehinderd door hevige regen- of sneeuwval.
Valt niets aan te doen. Bij hevige neerslag werkt de radar soms niet.
De radarsignalen worden gehinderd door opspattend water en opdwarrelende sneeuw van het wegdek.
Valt niets aan te doen. Op weggedeelten met een dikke laag water of
sneeuw werkt de radar soms niet.
De melding blijft ook na schoonmaak van het radaroppervlak staan.
Wacht even. Het kan enige minuten duren voordat de radar doorheeft
dat de radarsignalen niet langer worden geblokkeerd.
04
Symbolen en meldingen op display
Symbool
Melding
Betekenis
Stand-bystand of geen voertuig ontdekt in actieve stand.
Voertuig ontdekt in actieve stand waarop de adaptieve cruisecontrol uw snelheid afstemt.
Ingestelde volgtijd tijdens regeling
Ingestelde volgtijd ná regeling
DSTC inschakelen voor
ACC
De adaptieve cruisecontrol kan alleen worden geactiveerd wanneer het stabiliteits en tractieregelsysteem (DSTC) ingeschakeld is.
ACC gedeactiveerd
De adaptieve cruisecontrol werd uitgeschakeld.
U dient zelf uw snelheid aan te passen.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
167
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 168
04 Comfort en rijplezier
Adaptieve cruisecontrol*
Symbool
Melding
Betekenis
ACC niet beschikbaar
De adaptieve cruisecontrol kan niet worden ingeschakeld.
Dit kan onder meer gebeuren wanneer:
•
•
Radar afgedekt Zie
instructieb.
04
de remmen een hoge temperatuur hebben;
de radarsensor wordt gehinderd door natte sneeuw of regen.
De adaptieve cruisecontrol werkt tijdelijk niet.
De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren wanneer deze wordt gehinderd door bijvoorbeeld hevige regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken.
Voor meer informatie over de beperkingen van de radarsensor (zie pagina 165).
ACC Service vereist
De adaptieve cruisecontrol werkt niet.
Bezoek een erkende Volvo-werkplaats.
168
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 169
04 Comfort en rijplezier
Afstandscontrole
Algemene informatie
De afstandscontrole (Distance Alert) is een
functie die de volgtijd ten opzichte van de voorligger aangeeft.
N.B.
Zolang de adaptieve cruisecontrol wordt
gebruikt staat de afstandscontrole uit.
en
U hebt de keuze uit vijf verschillende volgtijden die op
het display als 1–5 horizontale
streepjes worden weergegeven – hoe meer streepjes, des
te langer de volgtijd.
De afstandscontrole geeft alleen de afstand
tot voorliggers aan en past de rijsnelheid
van de auto dan ook niet aan.
Bediening
G017371
Een deel van het op de voorruit geprojecteerde
rode waarschuwingslampje brandt continu, als
de afstand tot de voorligger kleiner wordt dan
de ingestelde volgtijd.
instelt. U kunt de volgtijd verlengen met
verkorten met
.
WAARSCHUWING
G017362
De afstandsinformatie wordt alleen verstrekt
voor voorliggers die in dezelfde richting rijden.
Voor voertuigen die langzaam in tegengestelde
richting rijden of stilstaan wordt geen afstandsinformatie gegeven.
De afstandscontrole werkt bij snelheden hoger
dan 30 km/h.
Aantal streepjes
Volgtijd (seconden)
1
1,0
2
1,4
3
1,8
4
2,2
5
2,6
04
Met de knop op de middenconsole kunt u de
functie in- en uitschakelen. Het brandende
lampje in de schakelaar geeft aan dat de functie geactiveerd is.
Volgtijd instellen
Links op het stuurwiel zitten de knoppen waarmee u de volgtijd ten opzichte van voorliggers
``
169
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 170
04 Comfort en rijplezier
Afstandscontrole
Tijdens het instellen van de
volgtijd verschijnt het bijbehorende aantal horizontale
streepjes op het display. Deze
streepjes verdwijnen na
enkele seconden, waarna een
verkleinde uitvoering ervan
rechts op het display verschijnt. Hetzelfde
symbool verschijnt ook wanneer de adaptieve
cruisecontrole geactiveerd is.
04
N.B.
Hoe hoger de snelheid, hoe langer de volgafstand in meters voor een bepaalde volgtijd.
De ingestelde volgtijd wordt ook gebruikt
door de adaptieve cruisecontrol (zie
pagina 163).
Houd alleen een volgtijd aan die niet in strijd
is met de geldende verkeersregels.
Beperkingen
De afstandscontrole, adaptieve cruisecontrol
en botswaarschuwing maakt gebruik van
dezelfde radarsensor. Voor meer informatie
over de radarsensor en de beperkingen ervan
(zie pagina 165).
N.B.
In de felle zon en bij lichtschitteringen of
grote variaties in de lichtsterkte alsook het
gebruik van een zonnebril is het op de voorruit geprojecteerde waarschuwingslampje
soms moeilijk te ontdekken.
In slechte weersomstandigheden en op slingerende wegen heeft de radarsensor soms
moeite om voorliggers te registreren. Ook
voorliggers met geringe afmetingen (zoals
motorfietsen) zijn soms moeilijk te ontdekken.
Dat kan betekenen dat het geprojecteerde
Symbolen en meldingen op display
Symbool
Melding
Betekenis
Ingestelde volgtijd tijdens regeling
Ingestelde volgtijd ná regeling
170
waarschuwingslampje pas bij kortere volgtijden oplicht of dat helemaal niet gaat branden.
Stel in dat geval een kortere volgtijd in of schakel de functie tijdelijk uit.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 171
04 Comfort en rijplezier
Afstandscontrole
Symbool
Melding
Betekenis
Radar afgedekt. Zie
instructieb.
De afstandscontrole werkt tijdelijk niet.
De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren wanneer deze wordt gehinderd door bijvoorbeeld hevige regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken.
Voor meer informatie over de beperkingen van de radarsensor zie pagina 165.
CWS-systeem Service vereist
De afstandscontrole alsmede de botswaarschuwing met automatisch automatische rem werkt niet of
gedeeltelijk.
Bezoek een erkende Volvo-werkplaats als de melding niet verdwijnt.
04
171
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 172
04 Comfort en rijplezier
Botswaarschuwing met automatische rem*
De botswaarschuwing met automatische rem
(Collision Warning with Auto Brake) is een hulpmiddel dat bestemd is om u te waarschuwen
wanneer het gevaar bestaat dat u op een (stilstaande of rijdende) voorligger botst.
De botswaarschuwing kent drie hulpfuncties.
1. Botswaarschuwing
Waarschuwt voor een naderende botsing.
04
2. Remassistentie
Helpt u om efficiënt te remmen in een kritieke
situatie.
3. Automatische rem
Remt de auto automatisch af als een botsing
onvermijdelijk is. De automatische rem is alleen
bedoeld om de botssnelheid te verlagen en kan
een botsing dan ook niet voorkomen.
BELANGRIJK
Laat het onderhoud van de onderdelen van
de botswaarschuwing over aan een erkende
Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Functie
De botswaarschuwing werkt niet in alle rijsituaties en verkeers-, weers- of wegomstandigheden. De botswaarschuwing reageert niet op tegenliggers noch op
voetgangers en dieren.
Er wordt alleen gewaarschuwd wanneer de
kans op een botsing groot is. In de onderdeel Functie en de navolgende onderdelen
staat informatie over de beperkingen die u
moet kennen, voordat u de botswaarschuwing met remassistent gebruikt.
De remassistent is alleen in staat de botssnelheid te beperken. Voor het maximale
remvermogen dient u echter zelf het rempedaal te bedienen.
Wacht daarom nooit het waarschuwingssignaal van de botswaarschuwing af. Als
bestuurder bent u ervoor verantwoordelijk
dat u de juiste afstand en snelheid aanhoudt, ook als u gebruik maakt van de botswaarschuwing.
G017382
Algemene informatie
Functie-overzicht.
Visueel waarschuwingssignaal bij gevaar
voor een botsing
Radarsensor
Camerasensor
Botswaarschuwing
De radarsensor registreert (stilstaande of rijdende) voorliggers. Bij gevaar voor een botsing
met een voorligger wordt u daarop attent
gemaakt met behulp van een rood waarschuwingslampje dat knippert en een waarschuwingszoemer.
De botswaarschuwing is actief bij een snelheid
vanaf 7 km/h.
172
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 173
04 Comfort en rijplezier
Botswaarschuwing met automatische rem*
Remassistentie
Als het gevaar voor een botsing na de botswaarschuwing verder toeneemt, treedt de
remassistent in werking. De remassistent treft
de nodige voorbereidingen voor een snelle
remmanoeuvre waarna de remmen licht worden aangezet. Dit is te merken aan een lichte
schok.
Als u het rempedaal met een bepaalde snelheid
bedient, wordt het maximale remvermogen
geleverd ook al trapt u het pedaal niet zo ver
in.
Automatische rem
Als u niet op de waarschuwing reageert treedt,
als een botsing onvermijdelijk is, de automatische rem in werking zonder dat u daarvoor het
rempedaal hoeft te bedienen. De auto wordt
daarbij afgeremd om de botssnelheid te beperken. Voor het maximale remvermogen dient u
zelf bij te remmen.
Bediening
Via een menusysteem op het display van de
middenconsole zijn eventuele instellingen te
verrichten. Voor informatie over het gebruik
van het menusysteem (zie pagina 120).
N.B.
De remassistent is altijd actief en kan niet
worden uitgeschakeld.
Kies uit de opties Lang, Normaal of Kort
onder Instellingen van de auto Inst.
botswaarschuwing
Waarschuwingsafstand.
Doe het volgende om de botswaarschuwing inof uit te schakelen. Maak in het menu
Instellingen van de auto Inst.
botswaarschuwing een keuze uit de opties
Aan en Uit.. Bij het starten van de motor geldt
automatisch de instelling die actief was toen de
motor werd afgezet.
De waarschuwingsafstand is bepalend voor de
gevoeligheid van het systeem. Bij de waarschuwingsafstand Lang wordt eerder gewaarschuwd. Ga altijd uit van de instelling Lang,
maar als deze instelling te vaak tot waarschuwingen leidt (wat in bepaalde situaties als hinderlijk kan worden ervaren) kunt u overgaan op
de waarschuwingsafstand Normaal.
Waarschuwingssignalen activeren/
deactiveren
Maak alleen in uitzonderingsgevallen zoals bij
dynamisch rijden gebruik van de waarschuwingsafstand Kort.
Aan en Uit
Als bij het starten van de motor blijkt dat u
ervoor gekozen hebt het systeem in te schakelen worden de waarschuwingszoemer en het
waarschuwingslampje automatisch geactiveerd.
De waarschuwingszoemer is apart te activeren/deactiveren via de opties Aan en Uit onder
Instellingen van de auto Inst.
botswaarschuwing
Waarschuwingsgeluid.
Waarschuwingsafstand instellen
De waarschuwingsafstand is de afstand waarbij het visuele waarschuwingssignaal en de
waarschuwingszoemer worden afgegeven.
04
N.B.
Bij gebruik van de adaptieve cruisecontrol
worden het waarschuwingslampje en de
waarschuwingszoemer door de cruisecontrol gehanteerd, ook al hebt u de botswaarschuwing gedeactiveerd.
De botswaarschuwing waarschuwt u bij
gevaar voor een botsing, maar de functie is
niet in staat uw reactietijd te verkorten.
Voor een optimale werking van de botswaarschuwing dient u de afstandscontrole
altijd in te stellen op volgtijd 4–5 (zie
pagina 169).
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
173
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 174
04 Comfort en rijplezier
Botswaarschuwing met automatische rem*
N.B.
Ook als u de waarschuwingsafstand hebt
ingesteld op Lang, kunnen de waarschuwingen voor uw gevoel soms laat worden
afgegeven (bijvoorbeeld als het snelheidsverschil groot is of als uw voorligger sterk
afremt).
Instellingen controleren
04
U kunt de actuele instellingen controleren op
het display van de middenconsole. Open het
menu en ga naar Instellingen van de auto
Inst. botswaarschuwing (zie pagina 120).
Beperkingen
In de felle zon en bij lichtschitteringen alsook
het gebruik van een zonnebril is het op de voorruit geprojecteerde waarschuwingslampje
soms moeilijk te ontdekken. Dat is ook mogelijk
als u niet recht vooruit kijkt. Houd de waarschuwingszoemer daarom altijd ingeschakeld.
N.B.
Het visuele waarschuwingssignaal kan
korte tijd buiten werking worden gesteld,
wanneer de temperatuur in het interieur bijvoorbeeld door de felle zon te hoog is opgelopen. Als dit gebeurt, wordt er een waarschuwingszoemer afgegeven ook al hebt u
dit uitgeschakeld via het menusysteem.
•
Waarschuwingen kunnen eveneens uitblijven bij een zeer geringe afstand tot
de voorligger of bij relatief grote stuuren pedaalbewegingen zoals bij een zeer
actieve rijstijl.
WAARSCHUWING
Als de radar- of camerasensor op grond van
de verkeerssituatie of anderszins problemen heeft voorliggers te ontdekken, is het
mogelijk dat het systeem pas laat, onterecht
of helemaal geen waarschuwing geeft en
remt.
Bij hoge rijsnelheden (meer dan 70 km/h) is
het bereik waarbinnen de sensoren langzaam rijdende of stilstaande voorliggers
kunnen registreren beperkt, waardoor er
minder efficiënt of helemaal niet voor dergelijke voertuigen wordt gewaarschuwd.
In het donker wordt er mogelijk niet gewaarschuwd voor langzaam rijdende of stilstaande voorliggers.
174
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
De botswaarschuwing maakt gebruik van
dezelfde radarsensor als die van de adaptieve
cruisecontrol. Voor meer informatie over de
radarsensor en de beperkingen ervan (zie
pagina 165).
Wanneer het systeem geen of pas laat waarschuwingen afgeeft, treedt de remassistent
mogelijk niet of pas laat in werking.
Als u vindt dat er te vaak wordt gewaarschuwd
en de signalen als storend ervaart, kunt u de
waarschuwingsafstand verkleinen. Het systeem waarschuwt dan minder snel en minder
vaak.
Beperkingen van de camerasensor
De camerasensor van de auto maakt gebruikt
van de drie hulpfuncties botswaarschuwing
met automatische rem, Driver Alert Control (zie
pagina 178) en Lane Departure Warning (zie
pagina 181).
N.B.
Houd de voorruit vóór de camerasensor vrij
van sneeuw, ijs, condens en vuil.
Plak of monteer geen stickers of andere
voorwerpen op de voorruit in het gebied
vóór de camerasensor, omdat één of meer
systemen die gebruik maken van de camera
daardoor mogelijk niet goed of helemaal
niet werken.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 175
04 Comfort en rijplezier
Botswaarschuwing met automatische rem*
De camerasensor kent ongeveer dezelfde
beperkingen als het menselijk oog. Dit houdt in
dat de sensor minder goed “ziet” bij hevige
regen- of sneeuwval en in dichte mist. In dergelijke omstandigheden kunnen functies die
gebruik maken van de camera grote beperkingen ondervinden of helemaal uitgeschakeld
worden.
Ook fel tegenlicht, reflecties op het wegdek,
besneeuwde- of beijzelde wegen, verontreinigde of onduidelijke rijstrookmarkeringen
kunnen aanleiding geven tot grote beperkingen
voor de functies die van de camera gebruik
maken om bijvoorbeeld het wegdek af te tasten
en andere voertuigen te ontdekken.
Bij zeer hoge temperaturen werkt de camera
de eerste ca. 15 minuten na het starten van de
motor niet om de camerafunctie te ontzien.
Storingen opsporen en verhelpen
Als op het display de melding
Voorruitsensoren afgedekt staat, betekent
dit dat de camerasensor afgedekt is en geen
voertuigen of rijstrookmarkeringen vóór de
auto kan ontdekken.
Dit betekent ook dat er beperkingen gelden
voor de functies botswaarschuwing met automatische rem, Lane Departure Warning en Driver Alert Control.
In de onderstaande tabel staan mogelijke oorzaken van het verschijnen van de melding en
passende maatregelen.
Oorzaak
Maatregel
Het voorruitoppervlak vóór de camera
is vuil of bedekt met
sneeuw of ijs.
Ontdoe het voorruitoppervlak vóór de
camera van vuil,
sneeuw en ijs.
Bij dichte mist en
hevige regen- of
sneeuwval heeft de
camera een minder
goed zicht.
Valt niets aan te
doen. Bij hevige
neerslag werkt de
camera soms niet.
Oorzaak
Maatregel
Het voorruitoppervlak vóór de camera
is schoongemaakt,
maar de melding
blijft.
Wacht even. Het kan
enige minuten duren
voordat de camera
het zicht opnieuw
heeft gemeten.
Er is vuil tussen de
binnenkant van de
voorruit en de
camera gekomen.
Bezoek een erkende
Volvo-werkplaats
om de binnenkant
van de voorruit achter de camerabehuizing te laten schoonmaken.
04
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
175
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 176
04 Comfort en rijplezier
Botswaarschuwing met automatische rem*
Symbolen en meldingen op display
Symbool
Melding
Betekenis
CWS-systeem UIT
De botswaarschuwing is uitgeschakeld.
Verschijnt bij het starten van de motor.
De melding dooft automatisch na ca. 5 seconden of eerder wanneer u op de toets READ drukt.
CWS-systeem niet
beschikbaar
04
Het is niet mogelijk de botswaarschuwing te activeren.
Verschijnt wanneer u de functie toch probeert te activeren.
De melding dooft automatisch na ca. 5 seconden of eerder wanneer u op de toets READ drukt.
Remassistent geactiveerd
De automatische rem was actief.
Voorruitsensoren afgedekt
De camerasensor werkt tijdelijk niet.
Verschijnt bijvoorbeeld bij sneeuw, ijs of vuil op de voorruit.
Maak het voorruitoppervlak vóór de camerasensor schoon.
Voor meer informatie over de beperkingen van de camerasensor (zie pagina 174).
176
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 177
04 Comfort en rijplezier
Botswaarschuwing met automatische rem*
Symbool
Melding
Betekenis
Radar afgedekt Zie
instructieb.
De botswaarschuwing en de automatische rem werken tijdelijk niet.
De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren wanneer deze wordt gehinderd door bijvoorbeeld hevige regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken.
Voor meer informatie over de beperkingen van de radarsensor zie pagina 165 .
CWS-systeem Service vereist
De botswaarschuwing met automatische rem werkt niet of gedeeltelijk.
Bezoek een erkende Volvo-werkplaats als de melding niet verdwijnt.
04
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
177
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 178
04 Comfort en rijplezier
Driver Alert System – DAC*
Inleiding
Driver Alert System is bestemd om u te helpen
als de auto op een ongecontroleerde manier
wordt bestuurd of op het punt staat de rijstrookmarkering te overschrijden.
Algemene informatie over Driver Alert
Control (DAC)
Driver Alert System bestaat uit twee hulpfuncties die allebei tegelijk of ieder apart in te schakelen zijn:
Driver Alert Control (DAC)
Lane Departure Warning (LDW), zie
pagina 181.
Een ingeschakelde functie wordt pas daadwerkelijk geactiveerd bij snelheden hoger dan
65 km/h. Bij lagere snelheden staat de functie
stand-by.
De functie wordt weer uitgeschakeld zodra de
snelheid onder de 60 km/h daalt.
Beide functies maken gebruik van een camera
die alleen rijstroken met aan weerszijden
geschilderde zijmarkeringen kan onderscheiden.
WAARSCHUWING
Driver Alert System heeft niet in alle situaties
het beoogde effect en is uitsluitend bedoeld
als hulpmiddel.
U als bestuurder bent er altijd verantwoordelijk voor dat de auto op een veilige manier
wordt bestuurd.
178
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
G017332
04
•
•
De functie is bedoeld om de aandacht van de
bestuurder te trekken wanneer de auto op een
ongecontroleerde manier bestuurd wordt
(omdat u bijvoorbeeld afgeleid wordt of bijna in
slaap valt).
Een camera tast de geschilderde rijstrookmarkeringen af en vergelijkt de wegrichting met uw
stuurbewegingen. U wordt gewaarschuwd
wanneer de auto de wegrichting op een ongecontroleerde manier volgt.
N.B.
Ook de camerasensor kent zijn beperkingen
(zie pagina 174).
DAC is bedoeld om langzame wijzigingen in het
rijgedrag te bespeuren, in eerste instantie op
de grotere wegen. De functie is niet bedoeld
voor gebruik in het stadsverkeer.
Soms treden er ondanks vermoeidheid geen
merkbare wijzigingen op in het rijgedrag. In dat
geval wordt er dan ook niet gewaarschuwd.
Het is daarom van groot belang dat u bij opkomende vermoeidheid de auto op een geschikte
plek parkeert om een pauze in te lassen, ongeacht de vraag of DAC nu wel of niet heeft
gewaarschuwd.
N.B.
Gebruik de functie niet om langer achtereen
te kunnen rijden. Plan altijd op gezette tijden
rustpauzes in en zorg dat u uitgerust bent.
Beperkingen
Soms kan het systeem ten onrechte waarschuwen voor ongecontroleerde stuurbewegingen.
Dit kan bijvoorbeeld gebeuren bij:
•
•
•
gebruik van de functie LDW;
zijdelingse rukwinden;
spoorvorming in het wegdek.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 179
04 Comfort en rijplezier
Driver Alert System – DAC*
Bediening
Duimwiel. Draai aan het duimwiel totdat D
river Alert op het display verschijnt. Op de
tweede regel staan de opties Uit, Niet
beschikbaar of Niveaumarkering.
Via het menusysteem op het display van de
middenconsole zijn bepaalde instellingen te
verrichten. Voor informatie over het gebruik
van het menusysteem (zie pagina 120).
G017329
De actuele status valt te controleren op het
boordcomputerdisplay met behulp van de linker stuurhendel.
Knop READ. Bevestigt en wist een opgeslagen waarschuwing.
Driver Alert Control activeren
Ga in het menusysteem van het display op de
middenconsole naar Instellingen van de auto
Driver Alert. Kies de optie Aan.
De functie wordt geactiveerd bij een
snelheid hoger dan 65 km/h en blijft
actief zolang de snelheid boven de
60 km/h ligt. Op het display staat een
niveaumarkering in de vorm van 1–5 balkjes,
waarbij een klein aantal balkjes voor ongecontroleerd rijgedrag staat. Omgekeerd geldt dat
een groot aantal balkjes voor stabiel rijgedrag
staat.
Als de auto zwalkneigingen vertoont wordt u
gewaarschuwd met een zoemersignaal en de
displaymelding Driver Alert Tijd voor pauze.
Als u uw rijgedrag niet corrigeert wordt enige
tijd later opnieuw gewaarschuwd.
WAARSCHUWING
Neem een waarschuwing altijd serieus,
omdat u bij slaperigheid uw lichamelijke
conditie vaak minder goed kan inschatten.
Breng bij een waarschuwing of een gevoel
van vermoeidheid de auto zo spoedig
mogelijk tot stilstand om rust te houden.
04
Studies hebben aangetoond dat rijden bij
vermoeidheid even gevaarlijk is in het verkeer als rijden onder invloed.
Symbolen en meldingen op display
Symbool
Melding
Betekenis
Driver Alert UIT
De functie is niet ingeschakeld.
Driver Alert niet beschikbaar
De snelheid is lager dan 60 km/h, de weg is niet voorzien van duidelijke markeringsstrepen of de
camerasensor werkt tijdelijk niet. Voor meer informatie over de beperkingen van de camerasensor
(zie pagina 174).
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
179
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 180
04 Comfort en rijplezier
Driver Alert System – DAC*
Symbool
Melding
Betekenis
Driver Alert
De functie analyseert uw rijstijl.
Het aantal balkjes varieert van 1 tot 5, waarbij een klein aantal balkjes voor ongecontroleerd rijgedrag
staat. Omgekeerd geldt dat een groot aantal balkjes voor stabiel rijgedrag staat.
04
Driver Alert Tijd voor pauze
De auto vertoont zwalkend rijgedrag; u wordt gewaarschuwd met een zoemersignaal en een displaymelding.
Voorruitsensoren afgedekt
De camerasensor werkt tijdelijk niet.
Verschijnt bijvoorbeeld bij sneeuw, ijs of vuil op de voorruit.
Maak het voorruitoppervlak vóór de camerasensor schoon.
Voor meer informatie over de beperkingen van de camerasensor (zie pagina 174).
Driver Alert Sys Service
vereist
180
Het systeem is defect.
Bezoek een erkende Volvo-werkplaats als de melding niet verdwijnt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 181
04 Comfort en rijplezier
Driver Alert System (LDW)*
Algemene informatie over Lane
Departure Warning (LDW)
Bediening en functie
Als de camera de rijstrookmarkeringen op het
wegdek niet langer registreert of als de rijsnelheid tot onder de 60 km/h daalt, neemt de
functie de stand-bystand weer in en verschijnt
opnieuw de melding Lane Depart Warn niet
beschikbaar.
De functie is bedoeld om het gevaar te beperken voor eenzijdige ongelukken, waarbij de
auto bijvoorbeeld de rijstrook verlaat en in de
wegberm of op de rijstrook voor tegemoetkomend verkeer dreigt terecht te komen.
LDW maakt gebruik van een camera die de
geschilderde rijstrookmarkeringen aftast. U
wordt gewaarschuwd met een zoemersignaal,
als de auto een rijstrookmarkering overschrijdt.
1
G017426
G017394
Als de auto zonder duidelijke reden de linker of
rechter rijstrookmarkering overschrijdt wordt u
gewaarschuwd met een zoemersignaal.
U schakelt de functie in en uit met de bijbehorende schakelaar op de middenconsole. Het
lampje in de schakelaar brandt wanneer de
functie ingeschakeld is.
Wanneer de functie stand-by staat, verschijnt
op het boordcomputerdisplay de melding
Lane Depart Warn niet beschikbaar.
Vanuit de stand-bystand wordt de functie LDW
automatisch geactiveerd, zodra de camera de
rijstrookmarkeringen heeft geregistreerd en de
rijsnelheid is opgelopen tot boven 65 km/h. Op
het boordcomputerdisplay staat in dat geval de
melding Lane Depart Warn beschikbaar.
In de volgende situaties wordt echter niet
gewaarschuwd:
•
•
•
•
•
04
bij gebruik van de richtingaanwijzers,
bij bediening van het rempedaal, 1
bij snelle bediening van het gaspedaal,1
bij snelle stuurbewegingen,1
bij dusdanig scherpe bochten dat de auto
overhelt.
Ook de camerasensor kent zijn beperkingen.
Voor meer informatie (zie pagina 174).
N.B.
Iedere keer dat de wielen een markeringsstreep passeren wordt er slechts eenmaal
gewaarschuwd. Er wordt dan ook niet meer
gewaarschuwd, wanneer u met één wiel aan
weerszijden zijden van de rijstrookmarkering blijft rijden.
Wanneer gekozen is voor Verhoogde gevoeligheid wordt echter wel een waarschuwing gegeven (zie Persoonlijke instellingen).
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
181
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 182
04 Comfort en rijplezier
Driver Alert System (LDW)*
Symbolen en meldingen op display
Symbool
Melding
Betekenis
Lane departure warning
AAN/UIT
De functie is ingeschakeld/uitgeschakeld.
Verschijnt bij inschakeling/uitschakeling.
De melding verdwijnt automatisch na 5 seconden.
04
Lane Depart Warn
beschikbaar
De functie tast de rijstrookmarkeringen af.
Lane Depart Warn niet
beschikbaar
De snelheid is lager dan 60 km/h, de weg is niet voorzien van duidelijke markeringsstrepen of de
camerasensor werkt tijdelijk niet. Voor meer informatie over de beperkingen van de camerasensor
(zie pagina 174).
Voorruitsensoren afgedekt
De camerasensor werkt tijdelijk niet.
Verschijnt bijvoorbeeld bij sneeuw, ijs of vuil op de voorruit.
Maak het voorruitoppervlak vóór de camerasensor schoon.
Voor meer informatie over de beperkingen van de camerasensor (zie pagina 174).
Driver Alert Sys Service
vereist
182
Het systeem is defect. Bezoek een erkende Volvo-werkplaats als de melding niet verdwijnt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 183
04 Comfort en rijplezier
Driver Alert System (LDW)*
Persoonlijke instellingen
Gebruik van het menusysteem van het display
op de middenconsole om Instellingen van de
auto Lane departure warning op te zoeken. Kies de gewenste optie (zie pagina 120).
Aan bij starten: Wanneer u voor deze optie
kiest, staat de functie iedere keer dat u de
motor staat stand-by. Anders is de functiestatus bij het afzetten van de motor bepalend.
Verhoogde gevoeligheid: Wanneer u voor
deze optie kiest verhoogt u de gevoeligheid
van het systeem, zodat er eerder wordt
gewaarschuwd en minder beperkingen gelden.
04
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
183
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 184
04 Comfort en rijplezier
Park Assist*
Algemene informatie 1
Functie
Hoe dichter u het obstakel achter of voor de
auto nadert, des te sneller volgen de geluidssignalen elkaar op. Wanneer u ondertussen
naar het audiosysteem luistert, wordt het
volume daarvan tijdelijk verlaagd.
Park Assist is bedoeld als hulpmiddel tijdens
het parkeren. Geluidssignalen en symbolen op
het audiodisplay geven de afstand aan tot een
waargenomen obstakel.
Park Assist is verkrijgbaar in twee varianten:
1
Park Assist aan de achterzijde
Active
Park Assist aan de voor- en achterzijde
2
Hoewel de Hulp bij parkeren handig is bij het
parkeren, bent u nog altijd schadeplichtig bij
eventuele fouten. Wanneer er obstakels in
de dode hoeken van de sensoren zitten, zal
het systeem ze niet kunnen ontdekken.
Houd kinderen en dieren in de buurt van de
auto in de gaten.
G021417
WAARSCHUWING
04
Active
Bij het starten van de motor wordt het systeem
automatisch geactiveerd wat wordt aangegeven door het brandende lampje in de Aan/Uitknop. Wanneer u Park Assist met deze knop
uitschakelt, dooft het lampje.
Op het display van de middenconsole verschijnt een schematische weergave van de
onderlinge posities van de auto en een eventueel obstakel.
Markeringsbalkjes geven aan welke van de vier
sensoren een obstakel heeft waargenomen. De
markeringsbalkjes zijn langer naarmate de
afstand tussen de auto en het waargenomen
obstakel kleiner is.
1
184
Afhankelijk van de markt is Park Assist een standaardfunctie, optie of accessoire.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
3
Active
G025643
•
•
Displayweergave in verschillende situaties
Displayweergave bij een auto met alleen
sensoren aan de achterzijde. Beide sensoren aan de rechterzijde hebben een obstakel waargenomen.
Displayweergave bij een auto met sensoren aan voor- en achterzijde. De sensor
rechtsvoor heeft een obstakel waargenomen op een afstand van 30 cm of kleiner.
Displayweergave bij een auto met sensoren aan voor- en achterzijde. De achteruitversnelling is ingeschakeld en er zijn geen
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 185
04 Comfort en rijplezier
Park Assist*
obstakels voor of achter de auto waargenomen.
Bij een afstand tot 30 cm bestaat het geluidssignaal uit een ononderbroken toon en verschijnt een markeringsbalkje van maximale
lengte (zie afbeelding (2)). Als er zowel voor als
achter de auto obstakels binnen deze afstand
zijn waargenomen, komen de geluidssignalen
beurtelings uit de luidsprekers aan linker- en
rechterzijde.
Park Assist aan de achterzijde
Bij het achteruitrijden met bijvoorbeeld een
aanhanger achter de auto of een fietsdrager op
de trekhaak moet u het systeem uitschakelen.
Als u dat niet doet, reageren de sensoren op
de aanhanger/fietsdrager.
N.B.
De Hulp bij parkeren wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u een aanhanger achter de auto hebt hangen die met originele
trekhaakbedrading van Volvo aangesloten
is.
Park Assist aan de voorzijde is actief bij snelheden tot 15 km/h, ook als u achteruitrijdt. Bij
hogere snelheden wordt het systeem gedeactiveerd. Het lampje in de knop blijft echter branden om aan te geven dat het systeem een
volgende keer dat u de auto parkeert opnieuw
actief is. Het systeem wordt opnieuw geactiveerd bij snelheden lager dan 10 km/h.
N.B.
De Hulp bij parkeren aan de voorzijde wordt
uitgeschakeld bij het aanzetten van de parkeerrem.
04
Park Assist aan de voorzijde
BELANGRIJK
Bij auto’s met verstralers erop letten dat de
lampen de sensoren niet blokkeren en voor
obstakels worden gehouden.
Het meetbereik strekt tot ca. 1,5 m recht achter
de auto. Bij obstakels achter de auto komen de
geluidssignalen uit de luidsprekers achterin.
Park Assist aan de achterzijde wordt geactiveerd bij het inschakelen van de achteruitversnelling.
G021424
G017833
Aanduiding voor systeemstoringen
Als het informatiesymbool continu
brandt en op het informatiedisplay de
melding Park Assist Service vereist verschijnt, dan is Park Assist defect.
Het meetbereik strekt tot ca. 0,8 m recht voor
de auto. De geluidssignalen bij obstakels vóór
de auto komen uit de luidspreker voorin.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
185
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 186
04 Comfort en rijplezier
Park Assist*
BELANGRIJK
In bepaalde omstandigheden kan de parkeerhulp ten onrechte waarschuwingssignalen afgeven. Dit komt door externe
geluidsbronnen met ultrasone geluidssignalen van dezelfde frequentie als de sensoren van het systeem.
G018067
04
Voorbeelden van dergelijke geluidsbronnen
zijn onder meer claxons, natte banden op
asfaltwegen, luchtdrukremmen en uitlaten
van motorfietsen e.d.
Positie van de achterste sensoren.
Sensoren schoonmaken
De sensoren werken alleen naar behoren, wanneer u ze regelmatig schoonmaakt met water
en autoshampoo.
N.B.
G018129
Vuil, sneeuw en ijs op de sensoren kunnen
ten onrechte aanleiding geven tot waarschuwingssignalen.
Positie van de voorste sensoren.
186
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 187
04 Comfort en rijplezier
BLIS*, Blind Spot Information System
WAARSCHUWING
G021426
Het systeem vormt een aanvulling op – geen
vervanging voor – een veilige rijstijl en het
gebruik van de buitenspiegels. De bestuurder moet altijd oplettend en verantwoord
blijven rijden. De bestuurder is er altijd verantwoordelijk voor dat er op een veilige
manier van rijstrook wordt gewisseld.
BLIS-camera
U kunt het systeem tijdelijk uitschakelen met
een druk op de knop BLIS (zie pagina 188).
Dode hoeken
Het systeem werkt het best in druk verkeer op
meerbaanswegen.
04
Wanneer een camera
een voertuig heeft
waargenomen in de dode hoek, licht een controlelampje
op dat continu blijft branden.
G017834
Algemene informatie over BLIS
Controlelampje
BLIS-symbool
BLIS is een op cameratechniek gebaseerd
informatiesysteem dat de bestuurder in
bepaalde omstandigheden waarschuwt, wanneer er zich een voertuig in de zogeheten dode
hoek bevindt en in dezelfde richting rijdt.
BELANGRIJK
Laat reparaties van de onderdelen van het
BLIS-systeem over aan een erkende Volvowerkplaats.
N.B.
Afstand A = ca. 9,5 m en afstand B = ca. 3 m
Het lampje gaat branden aan die kant van
de auto waar het voertuig is waargenomen.
Als de auto aan weerszijden wordt ingehaald, gaan dan ook beide lampjes branden.
BLIS informeert de bestuurder bij een fout in
het systeem. Als de camera’s van het systeem
bijvoorbeeld zijn afgedekt, knippert het controlelampje voor BLIS en verschijnt er een melding op het display van het informatiepaneel.
Controleer de cameralenzen in dat geval en
maak ze zo nodig schoon.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
187
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 188
04 Comfort en rijplezier
BLIS*, Blind Spot Information System
Activeren/deactiveren
nen. Voor meer informatie over de meldingsfuncties (zie pagina 123).
Wanneer BLIS werkt
Het systeem werkt alleen bij snelheden hoger
dan 10 km/h.
Inhalen
Het systeem reageert als:
G021428
04
Knop voor activering/deactivering
BLIS wordt bij het starten van de motor automatisch geactiveerd. De controlelampjes op
de portierpanelen lichten driemaal op bij het
activeren van BLIS.
Na het starten van de motor kunt u het systeem
deactiveren/heractiveren door op de knop
BLIS te drukken.
Het lampje in de knop dooft, wanneer het BLIS
gedeactiveerd wordt. Er verschijnt bovendien
een displaymelding op het instrumentenpaneel.
Bij het heractiveren van BLIS brandt het lampje
in de knop, verschijnt er een nieuwe displaymelding en lichten de controlelampjes in de
portieren driemaal op. Druk op de knop
READ om de displaymelding te laten verdwij-
188
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
•
het snelheidsverschil tussen u en het ingehaalde voertuig kleiner is dan 10 km/h;
•
het snelheidsverschil tussen u en het inhalende voertuig kleiner is dan 70 km/h.
WAARSCHUWING
BLIS werkt niet in scherpe bochten.
BLIS werkt niet wanneer u achteruitrijdt.
Een brede aanhanger achter de auto kan het
zicht ontnemen op andere voertuigen op
aangrenzende rijstroken. Dit kan ertoe leiden dat BLIS geen voertuigen in dit afgeschermde gebied kan waarnemen.
Daglicht en donker
Bij daglicht reageert het systeem op de contouren van omringende voertuigen. Het systeem is geconstrueerd om motorvoertuigen
zoals auto’s, vrachtwagens, bussen en motorfietsen waar te nemen.
Bij donker reageert het systeem op de koplampen van omringende voertuigen. Als een voertuig de koplampen niet heeft ontstoken, zal het
systeem dit voertuig dan ook niet kunnen waarnemen. Dit houdt in dat het systeem bijvoorbeeld niet reageert op een aanhanger achter
een auto of vrachtwagen, omdat daar geen
brandende koplampen op zitten.
WAARSCHUWING
Het systeem reageert niet op fietsers en
bromfietsers.
De BLIS-camera’s kunnen hinder ondervinden van de aanwezigheid van felle lichtbronnen of juist de afwezigheid van lichtbronnen (wegenverlichting of voertuigverlichting) bij ritten in het donker. Het systeem
kan uit de afwezigheid van licht ten onrechte
opmaken dat de camera’s zijn afgedekt.
In beide gevallen verschijnt er een displaymelding op het informatiedisplay.
Bij ritten in dergelijke omstandigheden kan
het systeem tijdelijk minder presteren en
verschijnt er een displaymelding (zie
pagina 189). Wanneer de displaymelding
spontaan verdwijnt, werkt het BLIS weer
naar behoren.
De BLIS-camera’s kennen ongeveer
dezelfde beperkingen als het menselijk oog.
Dit houdt in dat ze bijvoorbeeld minder goed
“zien” bij hevige sneeuwval en dichte mist.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 189
04 Comfort en rijplezier
BLIS*, Blind Spot Information System
Melding
Betekenis
BLIS Beperkte
functie
De BLIS-camera
wordt gehinderd
door bijvoorbeeld
mist of fel zonlicht
recht in de camera.
BELANGRIJK
De camera herstelt
zichzelf zodra de
omstandigheden
weer normaal zijn.
De lenzen zijn elektrisch verwarmd om ze
van sneeuw en ijs te kunnen ontdoen. Veeg
zo nodig sneeuw van de lenzen af.
BLIS UIT
Displaymeldingen
Melding
Betekenis
BLIS AAN
Het BLIS-systeem is
ingeschakeld
BLIS Service vereist
Het BLIS-systeem is
defect.
Neem contact op
met een erkende
Volvo-werkplaats.
BLIS-camera
afgedekt
De BLIS-camera is
bedekt met vuil,
sneeuw of ijs. Maak
de lenzen schoon.
Hier volgen enkele afbeeldingen van situaties
waarin het controlelampje voor BLIS kan gaan
branden, hoewel er zich geen voertuigen in de
dode hoek bevinden.
Het BLIS-systeem is
uitgeschakeld
G021430
BLIS werkt alleen optimaal, als de lenzen van
de BLIS-camera’s schoon zijn. U kunt de lenzen schoonmaken met een zachte doek of een
vochtige spons. Maak de lenzen voorzichtig
schoon om krassen te voorkomen.
04
Reflecties op een glad en nat wegdek
Beperkingen
Soms kan het controlelampje voor BLIS oplichten zonder dat u voertuigen in de dode hoeken
kunt waarnemen.
N.B.
Als het controlelampje voor BLIS soms
oplicht zonder dat u andere voertuigen in de
dode hoeken kunt waarnemen, betekent dit
niet dat het systeem een storing vertoont.
G021431
Schoonmaken
Eigen schaduwen op grote, lichtgekleurde en
gladde oppervlakken zoals geluidsschermen of
betonnen wegen
Bij een storing in het BLIS-systeem verschijnt op het display de melding BLIS
Service vereist.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
189
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 190
04 Comfort en rijplezier
G021432
BLIS*, Blind Spot Information System
Laag staande zon in de camera
04
190
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 191
04 Comfort en rijplezier
Interieurcomfort
Opbergmogelijkheden
G019417
04
``
191
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 192
04 Comfort en rijplezier
Interieurcomfort
Opbergvak in portierpaneel
Middenconsole
ende deel om bijvoorbeeld een sigaret mee aan
te steken.
Opbergzak* aan de voorkant van de voorstoelzittingen
Dashboardkastje
Parkeerkaarthouder
Dashboardkastje
Opbergvakken, bekerhouder
Kledinghaak
Bekerhouder* in armsteun, achterin
Opbergvak
Kledinghaak
De kledinghaak is alleen bestemd voor niet al
te zware kledingsstukken.
Opbergvak (voor bijvoorbeeld cd’s) en
AUX-ingang onder de armsteun (en aflegvak*).
Bevat een bekerhouder voor de bestuurder
en een voorpassagier alsmede een 12Vaansluiting en een opbergvakje. (Als u voor
een asbak en aansteker hebt gekozen, zit
er een aansteker op de plaats van de 12Vaansluiting en een uitneembare asbak op
de plaats van het opbergvakje.)
Aansteker en asbak*
De asbak in de middenconsole kunt u legen
door de asbak recht omhoog te tillen.
U activeert de aansteker door de knop in te
drukken. Wanneer de aansteker heet genoeg
is, veert de knop automatisch uit. Haal de aansteker uit de opening en gebruik het roodgloei-
192
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
G024206
G023985
04
Hier kunt u bijvoorbeeld het instructieboekje en
eventuele kaarten opbergen. Aan de binnenkant van de klep zit een houders voor pennen.
Het dashboardkastje kan worden vergrendeld
met behulp van het sleutelblad (zie pagina 44).
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 193
04 Comfort en rijplezier
Interieurcomfort
12V-aansluiting
Vloermatten*
telefoon of koelbox. U kunt maximaal 10 A via
de aansluiting afnemen. De transpondersleutel
moet ten minste in stand I staan, anders geeft
de aansluiting geen stroom (zie pagina 73).
Volvo biedt vloermatten die speciaal vervaardigd zijn.
WAARSCHUWING
WAARSCHUWING
Zorg dat de vloermat voor de bestuurdersstoel goed in de bevestigingsklemmen op
de vloer vastzit om te voorkomen dat de mat
kan gaan glijden en achter of onder de
pedalen blijft haken.
Laat de plug altijd in de aansluiting zitten als
u deze niet gebruikt.
G021439
Elektrische aansluiting in bagageruimte*
Make-upspiegel
04
G021440
G021438
G017825
12V-aansluiting in middenconsole, voorin
Make-upspiegel met verlichting.
De verlichting van de make-upspiegel (aan respectievelijk de bestuurderszijde* en de passagierszijde) wordt bij het openen en sluiten van
het klepje in- en uitgeschakeld.
Open het klepje om bij de elektrische aansluiting te komen. De aansluiting werkt onafhankelijk van de stand van het contactslot.
12V-aansluiting in middenconsole, achterin
U kunt de elektrische aansluiting voor verschillende accessoires gebruiken die op een spanning van 12 V werken, zoals een mobiele
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
193
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
Interieurcomfort
N.B.
Let erop dat u de aansluiting niet gebruikt,
wanneer de motor is afgezet. Als u de aansluiting dan namelijk wel gebruikt, bestaat
de kans dat de accu uitgeput raakt.
04
194
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 194
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 195
04 Comfort en rijplezier
Bluetooth handsfree*
Algemene informatie
N.B.
Niet alle mobiele telefoons zijn volledig
compatibel met de handsfree-functie van
het audiosysteem. Voor informatie over de
telefoons die compatibel zijn kunt u terecht
bij de erkende Volvo-werkplaats en
www.volvocars.com.
Telefoonfuncties, overzicht
bedieningstoetsen
ENTER – Gesprek aannemen. Met een
druk op de toets ziet u de laatst gekozen
nummers. De toetsenset op het stuurwiel
biedt dezelfde functie.
Beknopte bedieningsinstructies
G021443
U regelt de menufuncties vanaf de middenconsole of via de toetsenset op het stuurwiel. Voor
algemene informatie over de menufuncties (zie
pagina 120).
Systeemoverzicht.
Mobiele telefoon
04
Activeren/deactiveren
Microfoon
Toetsenset op stuurwiel
G021444
Middenconsole
BluetoothTM
Een mobiele telefoon met BluetoothTM is
draadloos aan te sluiten op het audiosysteem.
Het audiosysteem werkt dan als handsfree en
biedt u de mogelijkheid om enkele functies van
uw mobiele telefoon op afstand te bedienen. U
kunt de mobiele telefoon via de knoppen op de
telefoon bedienen of de telefoon nu aangesloten is of niet.
EXIT - Telefoongesprekken beëindigen/
weigeren, ingevoerde tekens wissen,
actieve functie annuleren. De toetsenset
op het stuurwiel biedt dezelfde functie.
Bedieningspaneel op middenconsole.
Wanneer u kort op PHONE drukt, activeert u
de handsfree-functie. De melding
TELEFOON boven aan het display geeft aan
dat het systeem in de telefoonstand staat. Het
symbool
geeft aan dat de handsfreefunctie actief is.
VOLUME – De toetsenset op het stuurwiel
biedt dezelfde functie.
Wanneer u PHONE lang indrukt, deactiveert u
de handsfree-functie en koppelt u een aangesloten telefoon los.
Cijfer- en lettertoetsen
Mobiele telefoon aansluiten
PHONE – Aan/uit en stand-by
Hoe u een mobiele telefoon aansluit hangt af
van de vraag of dezelfde mobiele telefoon al
dan niet eerder aangesloten was. Als het de
Navigatietoets
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
195
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 196
04 Comfort en rijplezier
Bluetooth handsfree*
04
eerste keer is dat u de mobiele telefoon aansluit, dan moet u de onderstaande instructies
volgen:
5. Voer via het toetsenblok van de te registreren mobiele telefoon de cijfercode in die
op het display van het audiosysteem staat.
BluetoothTM-naam op het display. U kunt de
mobiele telefoon vervolgens bedienen via het
audiosysteem.
Alternatief 1 – via het menusysteem van de
auto
Alternatief 2 – via het menusysteem van de
telefoon
Bellen
1. Maak de mobiele telefoon identificeerbaar/
zichtbaar via BluetoothTM (zie daarvoor de
gebruiksaanwijzing bij de mobiele telefoon
of www.volvocars.com).
1. Activeer de handsfree-functie met
PHONE. Schakel een eventueel eerder
aangesloten telefoon uit.
2. Activeer de handsfree-functie met
PHONE.
> De menu-optie Telefoon toevoegen
verschijnt op het display. Als u al eerder
een of meer mobiele telefoons hebt
geregistreerd, worden ook deze weergegeven.
3. Kies My Car in de lijst met gevonden eenheden op uw mobiele telefoon.
4. Voer de pincode ‘1234’ in op uw mobiele
telefoon, als er om de pincode wordt
gevraagd.
3. Kies Telefoon toevoegen.
> Het audiosysteem zoekt naar mobiele
telefoons in de nabije omgeving. Er
wordt ongeveer 30 seconden gezocht.
De gevonden mobiele telefoons verschijnen met hun BluetoothTM-naam op
het display. De handsfree-functie verschijnt onder de BluetoothTM-naam My
Car op de mobiele telefoon.
De mobiele telefoon wordt vervolgens geregistreerd en automatisch aangesloten op het
audiosysteem, terwijl de melding Bezig met
synchr. op het display staat. Voor meer informatie over het registreren van mobiele telefoons (zie pagina 198).
4. Kies een van de mobiele telefoons op het
display van het audiosysteem.
Wanneer er een aansluiting tot stand gebracht
is, verschijnen het symbool
en de
1
196
2. Zoek met de BluetoothTM-functie van de
mobiele telefoon (zie gebruiksaanwijzing
bij de mobiele telefoon).
Alleen Keyless drive
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
5. Kies voor aansluiting op My Car vanaf de
mobiele telefoon.
1. Controleer of de melding TELEFOON
boven aan het display staat en of het symzichtbaar is.
bool
2. Voer het gewenste nummer in of gebruik
het telefoonboek (zie pagina 198).
3. Druk op ENTER.
U beëindigt het gesprek met EXIT.
Mobiele telefoon uitschakelen
De mobiele telefoon wordt automatisch losgekoppeld, als de telefoon buiten het bereik van
het audiosysteem komt. Voor meer informatie
over de aansluiting (zie pagina 198).
U kunt een aansluiting handmatig verbreken
wanneer u de handsfree-functie deactiveert
door PHONE lang in te drukken. De handsfreefunctie wordt eveneens gedeactiveerd bij het
afzetten van de motor of het openen van een
portier 1.
Wanneer de mobiele telefoon is losgekoppeld,
kunt u een eventueel lopend gesprek voortzet-
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 197
04 Comfort en rijplezier
Bluetooth handsfree*
ten via de ingebouwde microfoon en luidspreker van de mobiele telefoon.
N.B.
Bij sommige mobiele telefoons moet u om
over te schakelen van de handsfree op de
handset eerst ter bevestiging op het toetsenblok van de mobiel drukken.
Gespreksfuncties
Inkomend gesprek
U neemt een gesprek aan met ENTER, ook al
staat het audiosysteem in bijvoorbeeld de
stand CD of FM. Met EXIT kunt u een gesprek
weigeren of beëindigen.
Automatisch antwoord
Met de functie Automatisch antwoord is het
mogelijk gesprekken automatisch te beantwoorden.
±
Activeer/deactiveer de functie onder
Telefooninstellingen Gespreksopties
Automatisch antwoord.
Menu tijdens gesprek
• Microfoon dempen – Microfoon van het
Audio-instellingen
audiosysteem uitschakelen.
• Gesprek naar mobiel – Gesprek doorschakelen naar de mobiele telefoon.
N.B.
Bij sommige mobiele telefoons wordt de
aansluiting verbroken bij gebruik van de
ruggespraakfunctie (dempen). Dit is volkomen normaal. De handsfree-functie stelt
vervolgens de vraag of u opnieuw wilt aansluiten.
• Telefoonboek – In het telefoonboek van
de mobiele telefoon zoeken.
N.B.
Tijdens een lopend gesprek is het niet
mogelijk een tweede gesprek te beginnen.
Tel.-gespreksvol.
U kunt het gespreksvolume bijregelen wanneer
de handsfree-functie in de telefoonstand staat.
Maak gebruik van de toetsenset op het stuurwiel of van VOLUME.
Volume audiosysteem
Zolang er geen telefoongesprek wordt
gevoerd, kunt u het volume van het audiosysteem op de gebruikelijke wijze bijregelen met
VOLUME. Om het volume van het audiosysteem echter tijdens een lopend telefoongesprek bij te regelen moet u eerst overschakelen
op een van de geluidsbronnen.
04
Het is mogelijk de weergave van de actieve
geluidsbron te onderdrukken bij inkomende
telefoongesprekken onder
Telefooninstellingen Geluiden en volume
Radio dempen.
Beltoonvolume
Ga naar Telefooninstellingen Geluiden en
volume Beltoonvolume en stel bij met
/
van de navigatietoets.
Druk tijdens een gesprek op MENU of op
ENTER om toegang te krijgen tot de volgende
functies:
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
197
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 198
04 Comfort en rijplezier
Bluetooth handsfree*
Belsignalen
Automatische aansluiting
Telefoonboek
U kunt een van de ingebouwde beltonen van
de handsfree-functie kiezen onder
Telefooninstellingen Geluiden en volume
Belsignalen Belsignaal 1, 2, 3 enz.
Wanneer de handsfree-functie actief is en de
laatst aangesloten mobiele telefoon binnen het
bereik ligt, wordt deze telefoon automatisch
opnieuw aangesloten. Terwijl het audiosysteem op zoek is naar de laatst aangesloten
telefoon staat de naam van deze telefoon op
het display. Druk op EXIT om handmatig een
andere telefoon aan te sluiten.
Voor alle telefoonboekfuncties geldt dat de
melding TELEFOON boven aan het display
zichtbaar
moet staan en dat het symbool
moet zijn.
N.B.
Ook bij gebruik van een van de ingebouwde
beltonen van het handsfree-systeem, zijn de
beltonen van de aangesloten mobiele telefoon nog altijd hoorbaar.
04
Ga om de beltonen 2 van de aangesloten telefoon te gebruiken naar Telefooninstellingen
Geluiden en volume Belsignalen
Gebruik signaal mob. tel..
Meer informatie over registratie en
aansluiting
Er kunnen maximaal vijf mobiele telefoons worden geregistreerd. U hoeft een mobiele telefoon slechts eenmaal te registreren. Wanneer
een mobiele telefoon eenmaal geregistreerd is,
hoeft deze niet langer zichtbaar/identificeerbaar te zijn. U kunt slechts één mobiele telefoon tegelijk aansluiten. Het is mogelijk de
registratie van een telefoon te verwijderen
onder Bluetooth Telefoon verwijderen.
2
198
Niet ondersteund door alle mobiele telefoons.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Handmatige aansluiting
Ga als volgt te werk, als u in plaats van de laatst
aangesloten mobiele telefoon een nieuwe
mobiele telefoon wilt aansluiten of wilt overschakelen op een andere eerder aangesloten
mobiele telefoon:
1. Zet het audiosysteem in de telefoonstand.
2. Druk op PHONE en kies een van de telefoons in de lijst.
Aansluiting is ook mogelijk via het menusysteem onder Bluetooth Telefoon
aansluiten of Telefoon wijzigen.
Het audiosysteem slaat van elk van de geregistreerde mobiele telefoons een kopie van het
telefoonboek op. Het telefoonboek wordt bij
iedere aansluiting automatisch naar het audiosysteem gekopieerd.
±
U kunt de functie deactiveren onder
Telefooninstellingen Telefoonboek
synchr.. Bij het zoeken van contacten
werkt u alleen met het telefoonboek van de
aangesloten mobiele telefoon.
N.B.
Als de mobiele telefoon geen ondersteuning
biedt voor het kopiëren van het telefoonboek, verschijnt na afloop van het kopiëren
de melding Lijst is leeg.
Als het telefoonboek de contactgegevens
bevat van de persoon die belt, verschijnen
deze op het display.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 199
04 Comfort en rijplezier
Bluetooth handsfree*
Contacten zoeken
U kunt het eenvoudigst naar bepaalde gegevens in het telefoonboek zoeken door de knoppen 2–9 lang in te drukken. Het telefoonboek
wordt dan doorzocht op posten die beginnen
met de eerste letter van de ingedrukte toets.
Het telefoonboek is eveneens te bereiken met
/
van de navigatietoets of met
/
van de toetsenset op het stuurwiel. U een zoekopdracht tevens starten vanuit het zoekmenu
van het telefoonboek onder Telefoonboek
Zoeken:
1. Voer de eerste letter in van het contact dat
u zoekt en druk op ENTER of druk meteen
op ENTER.
2. Ga naar het contact van uw keuze en druk
op ENTER om het bijbehorende nummer
te bellen.
Spraakherkenning
U kunt gebruik maken van de spraakherkenningsfunctie (voice tags) van de mobiele telefoon door ENTER ingedrukt te houden.
Voicemail-nummer
U kunt het voicemail-nummer wijzigen onder
Telefooninstellingen Gespreksopties
Voicemail-nummer. Als er nog geen nummer
opgeslagen is, kunt u het bijbehorende menu
openen door lang op 1 te drukken. Druk ver-
volgens lang op 1 om het ingevoerde nummer
te gebruiken.
Gesprekslijsten
De gesprekslijsten worden bij iedere nieuwe
aansluiting naar de handsfree-functie gekopieerd en worden vervolgens tijdens de aansluiting bijgehouden. Druk op ENTER om de laatst
gebelde nummers te bekijken. De overige
gesprekslijsten staan onder Oproepregister.
N.B.
Bij sommige mobiele telefoons wordt de lijst
met gebelde nummers in omgekeerde volgorde weergegeven.
Tekst invoeren
Met de toetsenset op de middenconsole kunt
u tekst invoeren. Druk eenmaal om het eerste
teken op de toets in te voeren, tweemaal om
het tweede teken in te voeren enz. (zie navolgende tabel).
Bij kort indrukken van EXIT wist u het laatst
ingevoerde teken. Bij lang indrukken van
EXIT wist u alle ingevoerde tekens. Gebruik
/
van de navigatietoets om de verschillende tekens te doorlopen.
Toets
Functie
Spatie . 1 - ? ! , : " ' ( )
ABC2ÄÅÀÆÇ
DEF3ÈÉ
GHI4Ì
04
JKL5
MNO6ÑÖÒØ
PQRS7ß
TUV8ÜÙ
WXYZ9
Kort indrukken om twee tekens
op dezelfde toets na elkaar in te
voeren.
+0@*#&$£/%
Wisselen tussen hoofdletters en
kleine letters
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
199
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 200
04 Comfort en rijplezier
Geïntegreerde telefoon*
Algemene informatie
Beknopte bedieningsinstructies
Simkaart
Het telefoonsysteem is alleen te gebruiken in
combinatie met een geldige simkaart
(Subscriber Identity Module). Voor het aanbrengen ervan (zie pagina 203). Ook zonder
een simkaart is het mogelijk het alarmnummer
te bellen.
als het menu CD op het display staat. Om
gebruik te maken van de telefoonmenu’s en te
bellen dient u kort op PHONE te drukken. De
tekst TELEFOON geeft aan dat het telefoonmenu actief is.
Schakel de telefoon uit door lang op PHONE
te drukken.
Gespreksfuncties
N.B.
G021446
04
Systeemoverzicht.
Microfoon
De geïntegreerde telefoon kan geen simkaart van het type 3G lezen. Een gecombineerde simkaart voor 3G én gsm werkt
echter wel. Informeer bij uw netwerkprovider of de simkaart moet worden vervangen.
Simkaartlezer
Toetsenset (zie pagina 137)
Bedieningspaneel
Privacy-handset
Veiligheid
Laat reparatiewerkzaamheden aan het telefoonsysteem over aan een erkende Volvowerkplaats. Schakel de geïntegreerde telefoon
uit tijdens het tanken en in gebieden waar met
explosieven wordt gewerkt. Afhankelijk van de
rijsnelheid blokkeert IDIS bepaalde functies
van het menusysteem (zie pagina 202).
200
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Menu’s en bedieningstoetsen
Bellen
1. Schakel de telefoon in.
2. Druk kort op PHONE, als de tekst
TELEFOON niet op het display staat.
3. Voer het gewenste nummer in of gebruik
het telefoonboek (zie pagina 201).
U regelt de menufuncties via het bedieningspaneel
en de toetsenset
op het stuurwiel. Voor algemene informatie over de menufuncties (zie pagina 120). Voor informatie over
de bedieningstoetsen van de telefoon (zie
pagina 195).
4. Druk op ENTER voor handsfree bellen of
neem de handset op. Duw de handset
omlaag om deze te kunnen opnemen.
Aan/uit
Inkomend gesprek
Schakel de telefoon in door kort op PHONE te
drukken. Voer zo nodig de pincode in. Het
symbool
geeft aan dat de telefoon ingeschakeld is. Wanneer dit symbool verschijnt,
kunt u inkomende gesprekken ook aannemen
Druk op ENTER voor handsfree bellen of neem
de handset op. Als de handset bij een inkomend gesprek niet op de houder ligt, dient u
het gesprek aan te nemen met ENTER.
Gesprekken beëindigen
Beëindig een gesprek met EXIT of leg de handset op.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 201
04 Comfort en rijplezier
Geïntegreerde telefoon*
Tijdens lopende gesprekken
Ruggespraakstand
Druk tijdens een gesprek op MENU of op
ENTER om het gespreksmenu te openen.
Bij gebruik van de ruggespraakstand wordt de
microfoon gedeactiveerd (zie pagina 200).
Zie pagina 197.
Bellen
±
Wisselgesprek
1. Zet het lopende gesprek in de wacht onder
Wacht.
Beëindig een gesprek met EXIT of leg de handset op. Weiger een gesprek met EXIT.
Automatisch antwoord
Deze functie maakt het mogelijk om tijdens een
lopend gesprek een nieuw gesprek aan te
nemen. U kunt het nieuwe gesprek op de
gebruikelijke manier aannemen waarbij het
lopende gesprek in de wacht gezet wordt.
±
Activeer/deactiveer de functie onder
Telefooninstellingen Gespreksopties
Wisselgesprek.
Automatisch doorschakelen
Inkomende gesprekken kunnen automatisch
worden doorgeschakeld afhankelijk van het
gesprekstype en de situatie waarin ze zich aandienen.
±
Activeer/deactiveer de functie onder
Gespreksopties Omleidingen.
2. Voer het nummer van de derde partij in of
maak gebruik van de menu-optie
Telefoonboek.
Activeer/deactiveer de microfoon met de
menu-optie Microfoon aan/uit.
Audio-instellingen
Tel.-gespreksvol.
Wissel van gesprekspartner met de menuoptie Verwisselen.
De telefoon maakt gebruik van de luidsprekers
in de voorportieren. U kunt het gespreksvolume bijregelen, wanneer de tekst
TELEFOON boven aan het display staat.
Tel. vergadering
±
Bij een conferentiegesprek (telefonische vergadering) zijn minstens drie gesprekspartners
betrokken. U kunt tijdens een wisselgesprek
waarbij er een gesprek in de wacht staat een
conferentiegesprek starten. Met de menuoptie Deelnemen start u het conferentiegesprek.
Bij het afsluiten van een conferentiegesprek
worden alle lopende gesprekken beëindigd.
Wisselen tussen handset en handsfree
Schakel over van handsfree op de handset
door de handset op te nemen of voor
Handset te kiezen in het menu.
Schakel van de handset over op handsfree
door in het menu te kiezen voor Handsfree.
04
Maak gebruik van de toetsenset op het
stuurwiel of van VOLUME.
Volume audiosysteem
Zie pagina139.
Signalen en volume
U kunt het belsignaal wijzigen onder
Telefooninstellingen Geluiden en volume
Belsignalen.
U kunt de pieptoon bij bericht activeren/deactiveren onder Telefooninstellingen
Geluiden en volume Pieptoon bij bericht.
Het beltoonvolume regelt u onder
Telefooninstellingen Geluiden en volume
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
201
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 202
04 Comfort en rijplezier
Geïntegreerde telefoon*
Beltoonvolume. Stel bij met
navigatietoets.
/
van de
Telefoonboek
Contactgegevens kunnen op de simkaart of in
het telefoongeheugen worden vastgelegd.
Contacten vastleggen in telefoonboek
1. Druk op MENU en ga naar Telefoonboek
Nieuwe contactpersoon.
04
2. Voer een naam in en druk op ENTER. Zie
onder voor informatie over het invoeren
van tekst.
3. Voer een nummer in en druk op ENTER.
4. Ga naar SIM-kaart of
Telefoongeheugen en druk op ENTER.
Tekst invoeren
Zie pagina 199.
Contacten zoeken
Zie pagina 199.
Contacten verwijderen
U kunt een contact uit het telefoonboek verwijderen door de naam van de persoon te markeren en op ENTER te drukken. Ga vervolgens
naar Wissen en druk op ENTER.
U kunt alle contacten verwijderen onder
Telefoonboek SIM wissen of Telefoon
wissen.
3. De inhoud van het bericht verschijnt op het
display. Wanneer u nogmaals op ENTER
drukt, verschijnen meer opties.
Kopiëren tussen simkaart en
telefoonboek
Berichten schrijven en verzenden
Ga naar Telefoonboek Alles kopiëren
SIM naar telefoon of Telefoon naar SIM en
druk op ENTER.
Voicemail-nummer
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
2. Schrijf de tekst en druk op ENTER. Voor
informatie over het invoeren van tekst (zie
pagina 199).
Zie pagina 199.
3. Ga naar Verzenden en druk op ENTER.
Overige functies en instellingen
4. Voer een telefoonnummer in en druk op
ENTER.
IDIS
Berichtinstellingen
IDIS (Intelligent Drive Information System) kan
in veeleisende rijsituaties de beltonen van inkomende telefoongesprekken pas na enige vertraging doorgeven of helemaal onderdrukken.
Op die manier kunt u de aandacht bij het verkeer houden.
De berichtinstellingen hoeft u normaal gesproken niet te wijzigen. Uw netwerkprovider kan u
meer informatie verstrekken over deze instellingen. Onder Berichten
Berichtinstellingen hebt u de keuze uit drie
opties:
±
• SMSC-nummer - Geeft het nummer van
IDIS is uit te schakelen onder
Telefooninstellingen IDIS.
Berichten lezen
1. Ga naar Berichten
ENTER.
Lezen en druk op
2. Ga naar het bericht van uw keuze en druk
op ENTER.
202
1. Ga naar Berichten Nieuw bericht
schrijven en druk op ENTER.
de berichtencentrale aan die de berichten
moet doorgeven.
• Geldigheidsduur - Geeft aan hoe lang de
berichtencentrale een bericht moet bewaren.
• Type bericht.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 203
04 Comfort en rijplezier
Geïntegreerde telefoon*
bewaard met de ingekomen, uitgaande en
gemiste oproepen. U kunt de uitgaande
gesprekken ook bekijken door te drukken op
ENTER. De telefoonnummers op de lijsten zijn
vast te leggen in het telefoonboek.
Gespreksduur
De gespreksduur wordt vastgelegd onder
Oproepregister Gespreksduur.
±
Reset de waarden onder Oproepregister
Gespreksduur Reset timers.
Eigen nummer tonen/verbergen
Het is mogelijk de weergave van uw eigen telefoonnummer tijdelijk te blokkeren onder
Gespreksopties Verzend mijn nummer.
IMEI-nummer
Om de telefoon te kunnen blokkeren moet u het
IMEI-nummer van de telefoon aan uw provider
hebben doorgegeven.
±
Toets *#06# op uw telefoon in om het nummer op het display te zien. Noteer dit nummer en bewaar het op een veilige plaats.
kiezen onder Telefooninstellingen
Netwerkselectie.
Fabrieksinstellingen herstellen
Code en beveiliging simkaart
Het is mogelijk alle fabrieksinstellingen van de
telefoon te herstellen onder
Telefooninstellingen Reset Telefooninst.
Door een pincode in te stellen voor de simkaart
kunt u voorkomen dat onbevoegden gebruik
kunnen maken van uw simkaart.
Simkaart aanbrengen
U wijzigt de code onder Telefooninstellingen
PIN-code bewerken.
U wijzigt het beveiligingsniveau onder
Telefooninstellingen SIM-beveiliging.
04
De optie Aan levert het hoogste beveiligingsniveau op. U moet dan iedere keer dat u de
telefoon inschakelt opnieuw de pincode invoeren.
De optie Automatisch is het op een na hoogste beveiligingsniveau. De telefoon onthoudt
de pincode dan en voert deze bij het inschakelen van de telefoon automatisch in. Bij
gebruik van de simkaart in een andere telefoon,
moet de code echter wel handmatig worden
ingevoerd.
G021450
Gesprekslijsten
Onder Oproepregister worden lijsten
De optie Uit staat voor het laagste beveiligingsniveau. De simkaart is dan helemaal zonder code te gebruiken.
U kunt de telefoon automatisch een netwerk
laten kiezen of handmatig een bepaald netwerk
G021451
Netwerkselectie
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
203
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
04 Comfort en rijplezier
Geïntegreerde telefoon*
Zorg dat de telefoon gedeactiveerd is. Trek
de simkaarthouder uit het dashboardkastje
tevoorschijn.
Plaats de simkaart met het laag metaal
omhoog
in de simkaarthouder en breng
de behuizing van de simkaarthouder
aan. Plaats de simkaarthouder terug.
04
204
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 204
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 205
04 Comfort en rijplezier
04
205
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
Rijadviezen............................................................................................
Tanken..................................................................................................
Brandstof..............................................................................................
Lading vervoeren..................................................................................
Bagageruimte........................................................................................
Gevarendriehoek*..................................................................................
Rijden met een aanhanger....................................................................
Slepen en bergen..................................................................................
206
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 206
208
210
211
215
218
223
224
229
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 207
TIJDENS HET RIJDEN
05
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 208
05 Tijdens het rijden
Rijadviezen
•
Zuinig rijden
werking in orde is. Bij water en vuil op de
remblokken kunnen er vertragingen in de remwerking optreden.
Houd een lage snelheid aan, wanneer u
met een aanhanger achter de auto een
lange en steile helling oprijdt.
Zuinig en milieubewust rijden houdt in dat u
anticiperend en rustig rijdt, en uw rijstijl en snelheid afstemt op de verkeerssituatie (Voor meer
tips om het milieu te sparen (zie pagina 10)).
Maak de aansluitingen voor de elektrische
motorverwarming en de aanhangerkoppeling
schoon na ritten in water en modder.
•
Na een zware rit moet u de motor niet
meteen afzetten, maar nog enige tijd stationair laten lopen.
Algemene informatie
•
Laat de motor niet stationair lopen, maar
rijd zo snel mogelijk met lichte belasting.
•
Een koude motor verbruikt meer brandstof
dan een warme.
•
Laat zware lading niet onnodig lang in de
auto liggen.
•
Gebruik geen winterbanden op sneeuwvrije wegen.
•
Verwijder de lastdrager wanneer u deze
niet nodig hebt.
•
Gebruik bij koud weer de standverwarming* zodat de motor sneller op temperatuur komt.
05
Doorwaaddiepte
U kunt met de auto door waterpartijen van
maximaal 25 cm diep rijden met een maximumsnelheid van 10 km/h. Wees extra voorzichtig bij het doorwaden van stromend water.
Houd een lage snelheid aan tijdens het waden
en breng de auto niet in het water tot stilstand.
Trap na het passeren van de waterpartij lichtjes
op het rempedaal om te controleren of de rem-
208
Laat de auto niet langdurig in water staan dat
tot boven de dorpelbalken komt om elektrische
storingen te voorkomen.
N.B.
Het is normaal dat de koelventilator na het
afzetten van de motor nog enige tijd kan
blijven werken.
BELANGRIJK
Er kan schade aan de motor ontstaan, als er
water in het luchtfilter dringt.
•
Verwijder verstralers die voor de grille zitten tijdens ritten bij extreem warm weer.
Bij waterpartijen dieper dan 25 cm kan er
water in de transmissie dringen. De smerende eigenschappen van de oliën nemen
daarbij af, waardoor de genoemde systemen minder lang meegaan.
•
Laat de motor geen hogere toeren maken
dan 4500 omw/min (3500 omw/min bij dieselmotoren), wanneer u met een aanhanger of caravan achter de auto in heuvelachtig gebied rijdt. De olietemperatuur kan
te hoog oplopen.
Probeer de motor na afslag in een waterpartij niet opnieuw te starten – sleep de auto
uit de waterpartij naar een erkende Volvowerkplaats. Kans op motorschade.
Motor en koelsysteem
In bepaalde omstandigheden, bijvoorbeeld op
steile hellingen en bij het vervoer van een zware
lading, bestaat het gevaar dat de motor en het
koelsysteem oververhit raken. Doe het volgende om te voorkomen dat de motor oververhit raakt:
Geopende achterklep
Rijd niet met een geopende achterklep. Rijd
alleen een kort stukje, als u geen andere keus
hebt. Doe alle ruiten dicht, stuur de lucht naar
de voorruit en de vloer en laat de ventilator op
de hoogste snelheid draaien.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 209
05 Tijdens het rijden
Rijadviezen
WAARSCHUWING
Rijd niet met een geopende achterklep. Er
kunnen giftige uitlaatgassen via de bagageruimte de passagiersruimte in worden gezogen.
Accu niet overmatig belasten
De elektrische functies van de auto belasten de
accu in verschillende mate. Laat het contactslot niet te lang achtereen in stand II staan,
wanneer u de motor hebt afgezet. Gebruik liever stand I, omdat er op die manier minder
stroom wordt afgenomen.
Let er tevens op dat de verschillende accessoires het elektrisch systeem belasten. Schakel onderdelen/systemen die veel stroom
nemen uit, wanneer u de motor hebt afgezet.
Voorbeelden van onderdelen/systemen die
veel stroom afnemen zijn:
•
•
•
•
Voorbereidingen bij lange reizen
•
Zorg dat er geen sprake is van lekkage
(brandstof, olie of andere vloeistoffen).
•
Controleer alle lampen en de profieldiepte
van de banden.
•
In sommige landen bent u wettelijk verplicht een gevarendriehoek mee te nemen.
Rijden tijdens de winter
Let voor aanvang van de winter in het bijzonder
op het volgende:
•
ruitenwissers
audiosysteem (hoog volume)
stadslichten
Controleer of de motor naar behoren functioneert en of het brandstofverbruik in orde
is.
•
interieurventilator
Als de accuspanning laag is, verschijnt er een
melding op het display. De energiebesparingsfunctie schakelt bepaalde onderdelen/systemen uit of verlaagt de belasting van de accu
door bijvoorbeeld de ventilator lager te zetten
tijdens de koude start af. Voor meer informatie over geschikte oliesoorten (zie
pagina 290).
en het audiosysteem uit te schakelen. U laadt
de accu op door de motor te starten.
de koelvloeistof van de motor moet ten
minste 50 % glycol bevatten. Bij een dergelijke concentratie is de motor
beschermd tot ca. –35 °C. Voor optimale
bescherming tegen vorst is het zaak geen
verschillende soorten glycol met elkaar te
mengen.
•
Houd de tank altijd goed gevuld om condens in de brandstoftank tegen te gaan.
•
De viscositeit van de motorolie is belangrijk. Wanneer u oliesoorten met een lagere
viscositeit (dunnere oliën) gebruikt, slaat
de motor bij koud weer gemakkelijker aan
en neemt bovendien het brandstofverbruik
BELANGRIJK
Gebruik geen olie met een lage viscositeitsaanduiding bij zware rijomstandigheden of
warm weer.
•
Controleer de algehele conditie en de
ladingstoestand van de accu. De accu
wordt zwaarder belast bij koud weer en
ook de accucapaciteit neemt af bij vorst.
•
Giet ruitensproeiervloeistof in het sproeiervloeistofreservoir om ijsvorming te voorkomen.
05
Voor optimale grip bij gevaar voor sneeuw of
ijs adviseert Volvo u om de auto rondom van
winterbanden te voorzien.
N.B.
In sommige landen is het gebruik van winterbanden verplicht. Banden met spikes zijn
niet in alle landen toegestaan.
Nieuwe auto’s en gladde wegen
Oefen onder gecontroleerde omstandigheden
om te testen hoe de nieuwe auto bij gladheid
reageert.
209
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 210
05 Tijdens het rijden
Tanken
Tanken
Tankdop open-/dichtdraaien
Tankvulklep openen/sluiten
Tankvulklep handmatig openen
G021459
05
Open de tankvulklep met de knop op het verlichtingspaneel. De vulklep zit in het rechter
achterspatbord, zoals de pijl in het symbool
op het informatiedisplay al aangeeft.
Sluit de klep door deze dusdanig in te drukken
dat u een klik hoort.
Bij hoge buitentemperaturen kan er een
bepaalde mate van overdruk in de brandstoftank ontstaan. Draai de tankdop dan langzaam
open.
Breng na het tanken de tankdop weer aan en
draai deze zo ver dicht dat u één of meer klikken hoort.
Brandstof tanken
Giet de tank niet te vol door het vulpistool na
de eerste afslag uit de vulopening te halen.
N.B.
Een te volle tank kan bij warm weer overlopen.
210
G000000
G021395
WARNING! ACHTUNG!
AVERTISSEMENT!
De tankvulklep kan handmatig worden
geopend, als openen met de schakelaar in de
passagiersruimte niet mogelijk is.
Open het zijluikje in de bagageruimte (aan
de kant van de tankvulklep).
Zoek de groene kabel met handgreep op.
Trek de kabel recht naar achteren totdat de
tankvulklep met een duidelijke klik wordt
geopend.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 211
05 Tijdens het rijden
Brandstof
Algemene informatie over brandstof
Gebruik geen brandstof met een slechtere
kwaliteit dan Volvo adviseert, omdat dit een
nadelige invloed kan hebben op het motorvermogen en het brandstofverbruik.
WAARSCHUWING
Zorg altijd dat u geen brandstofdampen
inademt of brandstofspatten in de ogen
krijgt.
Mocht u toch brandstof in de ogen krijgen,
neem dan eventuele contactlenzen uit en
spoel de ogen ten minste 15 minuten lang
met een ruime hoeveelheid schoon water en
roep medische hulp in.
Brandstof nooit inslikken. Brandstoffen
zoals benzine, bio-ethanol, mengsels ervan
en dieselolie zijn uitermate giftig en kunnen
bij inwendig gebruik aanleiding geven tot
blijvend letsel met mogelijk dodelijke afloop.
Roep onmiddellijk medische hulp in bij het
inslikken van brandstof.
WAARSCHUWING
Gemorste brandstof kan ontvlammen.
Schakel voordat u gaat tanken de standverwarming op brandstof uit.
Schakel voordat u gaat tanken uw mobiele
telefoon uit. De beltoon kan aanleiding
geven tot vonkvorming en daarbij de brandstofdampen ontsteken met gevaar voor
brand en verwondingen.
BELANGRIJK
Het gebruik van andere brandstoffen dan
Volvo adviseert voor de verschillende
motortypes kan aanleiding geven tot motorschade en slechtere prestaties.
Bij het gebruik van andere brandstoffen vervallen tevens de Volvo-garanties en eventuele aanvullende onderhoudsovereenkomsten.
Benzine
De benzine moet voldoen aan de norm NENEN 228. De meeste motoren lopen op benzine
met een octaangetal van 95 en 98 RON.
Gebruik benzine met een octaangetal van
91 RON alleen bij wijze van hoge uitzondering.
•
95 RON is te gebruiken in normale rijomstandigheden.
•
98 RON wordt geadviseerd voor een maximaal rendement tegen een minimaal
brandstofverbruik.
Voor ritten bij temperaturen hoger dan +38 °C
wordt u geadviseerd een brandstofsoort met
een zo hoog mogelijk octaangetal te gebruiken. Dit om optimale prestaties en een zo laag
mogelijk brandstofverbruik te verkrijgen.
BELANGRIJK
•
Tank alleen loodvrije benzine om
schade aan te katalysator te voorkomen.
•
Giet nooit alcohol bij de benzine, omdat
het brandstofsysteem daardoor schade
kan oplopen en de Volvo-garantie vervalt.
•
Giet geen additieven (dopes) in de benzine zonder het uitdrukkelijke advies
van Volvo.
N.B.
Bij extreme weersomstandigheden, gebruik
van een aanhanger of ritten op grote hoogte
kan, afhankelijk van de gebruikte brandstofkwaliteit, het prestatievermogen van de
auto te wensen overlaten.
05
``
211
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 212
05 Tijdens het rijden
Brandstof
Katalysatoren
Bio-ethanol (E 85)
Dieselolie
De katalysatoren hebben tot taak de uitlaatgassen te reinigen. Ze zijn dicht bij de motor in
het uitlaatsysteem gemonteerd om snel op
temperatuur te komen.
Breng geen wijzigingen aan in het brandstofsysteem of de onderdelen daarvan en vervang
ze evenmin door componenten die niet speciaal geconstrueerd zijn voor gebruik in combinatie met bio-ethanol.
De dieselolie moet voldoen aan de norm NENEN 590 of JIS K2204. Dieselmotoren zijn
gevoelig voor verontreinigingen zoals een te
hoog gehalte aan zwaveldeeltjes. Maak alleen
gebruik van dieselolie van gerenommeerde
oliemaatschappijen. Giet nooit dieselolie van
twijfelachtige kwaliteit in de tank.
De katalysatoren bestaan uit een monoliet
(keramiek of metaal) met kanalen. De wanden
van de kanalen zijn bekleed met platina/
rodium/palladium. Deze edelmetalen hebben
een katalytische werking, d.w.z. ze versnellen
een chemische reactie zonder dat ze daar zelf
actief aan deelnemen.
LambdasondeTM (zuurstofsensor)
05
De lambdasonde maakt deel uit van het regelsysteem dat tot taak heeft de uitstoot te beperken en de energie-inhoud van de brandstof
beter te benutten.
Een zuurstofsensor registreert het zuurstofgehalte van de uitlaatgassen die de motor verlaten. De meetwaarde van de uitlaatgasanalyse
wordt doorgegeven aan het elektronische systeem dat continu de injectoren afregelt. Het
lucht-brandstofmengsel dat de motor krijgt,
wordt continu bijgesteld. De regeling schept de
ideale omstandigheden voor een effectieve
verbranding van de schadelijke stoffen (koolwaterstoffen, koolmonoxide en stikstofoxiden)
in de driewegkatalysator.
212
WAARSCHUWING
Het gebruik van methanol is niet toegestaan. De sticker aan de binnenkant van de
tankvulklep geeft de juiste soort alternatieve
brandstof aan.
Het gebruik van onderdelen die niet
bestemd zijn voor bio-ethanolmotoren kan
brand, lichamelijk letsel of motorschade
veroorzaken.
Jerrycan
Giet een jerrycan in de auto vol met benzine
(zie pagina 100).
WAARSCHUWING
Ethanol is gevoelig voor vonkvorming en er
kunnen explosieve dampen ontstaan in een
jerrycan die met ethanol gevuld wordt.
Bij lage temperaturen (–40 °C tot –6 °C) kan de
paraffine in de dieselolie uitvlokken. Dit kan tot
startproblemen leiden. De grote oliemaatschappijen produceren speciale dieselolie
bestemd voor gebruik bij buitentemperaturen
rond het vriespunt. Deze dieselolie is dunner bij
lage temperaturen en beperkt de kans op vlokvorming in het brandstofsysteem.
De kans op condensatie in de brandstoftank
neemt af, als u de tank altijd goed gevuld
houdt. Houd tijdens het tanken het gebied rond
de vulpijp goed schoon. Voorkom morsen op
gelakte oppervlakken. Maak als u gemorst
hebt het gebied met water en zeep schoon.
BELANGRIJK
Het is alleen toegestaan brandstof te
gebruiken die voldoet aan de Europese
norm voor dieselolie.
Het zwavelgehalte mag maximaal 50 ppm
zijn.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 213
05 Tijdens het rijden
Brandstof
BELANGRIJK
Maak geen gebruik van de volgende dieselolie-achtige brandstoffen:
•
•
•
•
speciale toevoegingen (dopes)
scheepsolie
stookolie
RME 1 (koolzaadmethylester) of plantaardige olie.
Dergelijke brandstoffen voldoen niet aan de
kwaliteitseisen die Volvo stelt en geven aanleiding tot verhoogde vormen van slijtage en
motorschade die niet worden gedekt door
de garanties van Volvo.
Wanneer u de tank leegrijdt
U hoeft geen speciale maatregelen te nemen,
wanneer u de brandstoftank hebt leeggereden.
Het brandstofsysteem wordt automatisch ontlucht, als de contactsleutel ca. 60 seconden
lang in stand II (zie pagina 73) staat voordat u
een nieuwe startpoging doet.
Condenswater uit brandstoffilter
aftappen
Het brandstoffilter ontdoet de brandstof van
condenswater. Condenswater kan anders aanleiding geven tot motorstoringen.
1
Houd u voor het aftappen van het condenswater aan de specificaties die in uw Service- en
garantieboekje staan aangegeven. Ook wanneer u vermoedt dat er vervuilde brandstof is
gebruikt, moet u het brandstoffilter aftappen.
BELANGRIJK
Sommige speciale toevoegingen verwijderen het verzamelde vocht uit het brandstoffilter.
Roetfilter dieselmotor (DPF)
Dieselmodellen zijn uitgerust met een roetfilter,
waardoor een nog efficiëntere uitlaatgasreiniging mogelijk is. Onder normale rijomstandigheden blijven de roetdeeltjes uit de uitlaatgassen in het filter achter. Om de roetdeeltjes te
verbranden en het filter te legen wordt een
zogeheten regeneratie gestart. Daarvoor moet
de motor de normale bedrijfstemperatuur hebben.
Afhankelijk van de rijomstandigheden wordt
het filter om de 300–900 kilometer geregenereerd. De regeneratie duurt normaal
10–20 minuten. Bij een lage gemiddelde snelheid kan dit iets langer duren. Gedurende de
regeneratie kan het brandstofverbruik iets stijgen.
Regeneratie bij koud weer
Als u bij koud weer vaak korte afstanden rijdt,
komt de motor niet voldoende op temperatuur.
Dit betekent dat het roetfilter niet geregenereerd en niet geleegd wordt.
Wanneer het filter voor ca. 80 % met roetdeeltjes gevuld is, licht de oranje waarschuwingsdriehoek op het instrumentenpaneel op en
verschijnt de melding Roetfilter vol Zie
instructieb. op het display van het instrumentenpaneel.
U start de regeneratie van het filter door met de
auto op een secundaire weg of op een snelweg
te rijden tot de motor voldoende op temperatuur is gekomen. Daarna rijdt u nog ca.
20 minuten verder.
05
Wanneer het filter geregenereerd is, wordt de
waarschuwingsmelding automatisch gewist.
Gebruik bij koud weer de standverwarming*
zodat de motor sneller op bedrijfstemperatuur
komt.
BELANGRIJK
Als het filter helemaal met roetdeeltjes
gevuld is, vertoont de motor soms startproblemen. Het filter is dan onbruikbaar geworden. Het is in dat geval mogelijk dat u het
filter moet vervangen.
Dieselolie kan een bepaalde hoeveelheid RME bevatten. Het is niet toegestaan meer toe te voegen.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
213
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
05 Tijdens het rijden
Brandstof
Brandstofverbruik en uitstoot van
kooldioxide
Het gebruik van extra accessoires kan de verbruikscijfers beïnvloeden, omdat de accessoires het gewicht van de auto verhogen. Zie de
tabel op pagina 295.
Ook de rijstijl en andere niet-technische factoren kunnen van invloed zijn op het brandstofverbruik.
Bij gebruik van brandstof met een octaangetal
van 91(RON), neemt het brandstofverbruik toe
terwijl het motorvermogen lager wordt.
05
214
N.B.
Bij extreme weersomstandigheden, gebruik
van een aanhanger of ritten op grote hoogte
kan, afhankelijk van de gebruikte brandstofkwaliteit, het prestatievermogen van de
auto te wensen overlaten.
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 214
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 215
05 Tijdens het rijden
Lading vervoeren
Algemene informatie
Het laadvermogen is afhankelijk van wat er op
de auto gemonteerd is, zoals een trekhaak,
lasdragers of een skibox. De laadcapaciteit van
de auto moet tevens worden verminderd met
het gewicht van het aantal inzittenden.
WAARSCHUWING
Vergeet niet dat een voorwerp met een
gewicht van 20 kg tijdens een frontale botsing bij een snelheid van 50 km/h zich kan
gedragen als een voorwerp met een gewicht
van 1000 kg.
Ruggedeelte achterbank omklappen
Om het in- en uitladen van de bagageruimte te
vereenvoudigen kunt u de ruggedeelten van de
achterbank neerklappen (zie pagina 77).
Bagage verankeren
Zorg dat u de bagage altijd goed verankert.
WAARSCHUWING
Lading vervoeren in bagageruimte
•
Plaats de bagage stevig tegen de rugleuning van de stoel ervoor.
•
Breng brede voorwerpen in het midden
aan.
•
Breng zware voorwerpen zo laag mogelijk
aan.
•
Dek scherpe randen met iets zachts af om
de bekleding te beschermen.
•
Zet alle bagage met riemen of bevestigingsbanden aan de verankeringsogen
vast.
WAARSCHUWING
Als de lading boven de ruggedeelten uitsteekt, biedt het opblaasgordijn dat schuilgaat achter de plafondbekleding mogelijk
geen bescherming meer of slechts in
beperkte mate. Zorg dat de lading nooit
boven de ruggedeelten uitsteekt. Bij krachtig remmen kan de bagage namelijk gaan
schuiven en inzittenden verwonden.
WAARSCHUWING
Zorg dat u de bagage altijd goed verankert.
Bij krachtig remmen kan de bagage namelijk
gaan schuiven en inzittenden verwonden.
Dek scherpe randen met iets zachts af.
05
G017741
G000000
Afhankelijk van de belading van de auto en
het zwaartepunt van de lading treden er wijzigingen in de rijeigenschappen op.
Aan weerszijden in de bagageruimte zitten
meerdere verankeringspunten om bagage aan
vast te zetten. De verankeringspunten zitten op
de vloer en halverwege de zijkanten van de
bagageruimte.
Zet de motor af en zet de parkeerrem aan
bij het in- en uitladen van lange voorwerpen!
Lange voorwerpen kunnen namelijk tegen
de versnellingspook of keuzehendel aan
komen en zo per ongeluk een versnelling
inschakelen, waarna de auto kan gaan rollen.
``
215
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 216
05 Tijdens het rijden
Lading vervoeren
WAARSCHUWING
BELANGRIJK
Harde, scherpe en/of zware voorwerpen die
in de weg liggen of uitsteken kunnen bij een
krachtige remmanoeuvre verwondingen
veroorzaken.
Maak grote en zware voorwerpen altijd vast
met een van de veiligheidsgordels of een
bagageband.
Vloerrails
Gebruik geen spanbanden met spaninrichting, omdat de verankeringspunten daardoor kapotgetrokken kunnen worden.
vastzetten en voorkomen dat de band van de
haak glijdt.
N.B.
Een geschikte bagageband heeft een
breedte van ca. 25 mm.
Schoonmaken
Bij vuil en obstakels onder in de vloerrails zijn
de verankeringshaken mogelijk moeilijker te
verzetten, vergrendelen, op te klappen en los
te nemen. Maak de rails dan ook regelmatig
schoon met een stofzuiger en een zachte doek
die u licht bevochtigd hebt.
Verankeringshaak verzetten
Bagageband
G018135
G017742
05
Klap de verankeringshaak neer in de richting van de opening.
Op de vloer van de bagageruimte zitten twee
rails met verstelbare verankeringshaken waaraan u bagagebanden kunt vastzetten om
bagage in de bagageruimte te verankeren.
216
G019397
Bagage vastgezet aan zowel de bovenste als
onderste verankeringspunten.
Vastzetten van de bagageband.
Wanneer u de bagageband een slag om een
verankeringshaak haalt, kunt u de bagageband
Duw de haak voorzichtig omlaag en schuif
deze in de gewenste positie.
Klap de haak weer omhoog – de haak is
zelfborgend.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 217
05 Tijdens het rijden
Lading vervoeren
N.B.
N.B.
Zorg dat er minstens 50 cm tussen de verankeringshaken in de rail zit.
Om een losgenomen haak weer in de vloerrail te schuiven dient u de haak voorzichtig
omlaag te duwen.
Verankeringshaak verwijderen
Juiste en verkeerde montage
verankeringshaak
U kunt de verankeringshaken heel eenvoudig
verwijderen om bijvoorbeeld de rail schoon te
maken.
Klap de verankeringshaak neer in de richting van de opening.
Duw de haak voorzichtig omlaag en schuif
deze naar de uitsparing.
Til de haak recht omhoog los.
Houd voor het bevestigen van de haak de
omgekeerde volgorde aan.
G019581
G018134
05
Monteer de verankeringshaken op de juiste
manier!
Het is belangrijk dat de verankeringshaken op
de juiste manier worden gemonteerd. Zorg dat
de openingen van elkaar af wijzen.
WAARSCHUWING
Monteer de verankeringshaken op de juiste
manier. Anders zal de bagageband de verankeringshaak omlaagklappen waardoor de
band losraakt en van de haak glijdt.
217
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 218
05 Tijdens het rijden
Bagageruimte
Veiligheidsrek*
Aanbrengen
Met de houder voor boodschappentassen kunt
u draagtassen vastzetten om te voorkomen dat
ze omvallen en hun inhoud over de vloer van
de bagageruimte verspreiden.
1. Open het luik dat deel uitmaakt van de
vloer in de bagageruimte.
2. Zet de boodschappentassen met de spanband vast.
Het veiligheidsrek in de bagageruimte voorkomt dat bagage bij krachtige remmanoeuvres
de passagiersruimte in wordt geslingerd. U
moet het veiligheidsrek uit voorzorg altijd op de
juiste manier bevestigen en verankeren.
Opklappen
Pak het veiligheidsrek helemaal onderaan beet
en trek het naar achteren/omhoog.
BELANGRIJK
Bij montage van een bagagerolhoes is
opklappen/neerklappen van het veiligheidsrek niet mogelijk.
218
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
G018368
05
G018369
Houder voor boodschappentassen onder het
vloerluik
G017748
G017745
G018367
Houder voor boodschappentassen*
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 219
05 Tijdens het rijden
Bagageruimte
N.B.
Veiligheidsnet*
Tweedelige veiligheidsnetcassette
bevestigen
Het veiligheidsrek is het makkelijkst met
twee personen via de achterportieren aan te
brengen.
Zet de handgreep in de montagestand (zie
afbeelding). Om de handgreep in deze
stand te kunnen draaien moet u de handgreep licht indrukken (zie pijl).
Duw de gasveer op het rek vast en breng
het rek in de plafondbevestiging aan.
Draai de handgreep 90°
. Breng zo
nodig lichte druk aan (zie afbeelding
).
Klem het rek vast door de handgreep 90°
te verdraaien.
Verwijderen
Om het rek te verwijderen moet u de punten
onder het kopje “Aanbrengen” in omgekeerde
volgorde uitvoeren.
Opbergruimte voor tweedelige veiligheidsnetcassette
Onder het vloerluik in de bagageruimte is voorzien in opbergruimte voor een tweedelige veiligheidsnetcassette.
G000000
Om het veiligheidsrek te kunnen monteren
dient u de ruggedeelten neer te klappen (zie
pagina 77).
G024628
Bij het aanbrengen dient de handgreep (zie
– ) aan de voorkant van het
afbeelding
rek te zitten.
Monteer de tweedelige veiligheidsnetcassette
achter op het ruggedeelte van de achterbank.
Monteer het smalle cassettegedeelte links (in
de rijrichting gezien).
05
1. Klap de ruggedeelten van de achterbank
voorover.
2. Plaats de bevestigingsrails van de tweedelige cassette vóór de bevestigingsnok.
ken van de ruggedeelten
3. Schuif de tweedelige cassette over de
bevestigingsnokken heen vast
.
4. Zet de ruggedeelten weer rechtop en controleer of ze vergrendeld staan.
Houd voor het verwijderen van de tweedelige
cassette de omgekeerde volgorde aan
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
219
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 220
05 Tijdens het rijden
Bagageruimte
Het net kan ook worden gebruikt wanneer de
ruggedeelten van de achterbank neergeklapt
zijn.
Veiligheidsnet gebruiken
Veiligheidsnet én bagagerolhoes
gebruiken
Tweedelige veiligheidsnetcassette
verwijderen
05
Het net dat uit de tweedelige cassette wordt
gerold, wordt na ca. 1 minuut automatisch
geblokkeerd, als de ruggedeelten van de achterbank rechtop staan.
Rol het rechterstuk van het net uit door aan
de lus te trekken.
Steek de stang in de bevestiging aan de
rechterzijde en duw de stang vervolgens
naar voren zodat deze merkbaar vastklikt.
Trek het telescopische stanggedeelte uit
en klik het aan de tegenoverliggende zijde
vast.
Rol het linker veiligheidsnet uit en haak het
vast aan de stang.
Houd voor het oprollen de omgekeerde volgorde aan.
220
2. Klap de beide ruggedeelten van de achterbank voorover.
3. Duw de tweedelige cassette zo ver naar
buiten dat deze loskomt uit de bevestigingsrails.
Bewaar de tweedelige veiligheidsnetcassette
op de daarvoor bestemde plaats onder het
vloerluik in de bagageruimte.
WAARSCHUWING
Ook bij correcte montage van het veiligheidsnet moet de bagage in de laadruimte
altijd goed worden verankerd.
G018247
G018246
1. Rol het tweedelige veiligheidsnet op door
de procedure onder het kopje “Veiligheidsnet gebruiken” in omgekeerde volgorde uit
te voeren.
Lussen voor het uitrollen van het net
Het veiligheidsnet is ook bij gebruik van de
bagagerolhoes uit te rollen en vast te zetten.
Volg dezelfde procedure als die onder het
kopje “Veiligheidsnet gebruiken”. De lussen
voor het uitrollen zitten bij de pijlen op de
afbeelding.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 221
05 Tijdens het rijden
Bagageruimte
Bagagerolhoes*
G017749
Duw beide kanten vast. De rolhoes moet
hoorbaar vastklikken en de rode markering
moet verdwijnen.
> Controleer of beide eindstukken vergrendeld zijn.
Trek de bagagerolhoes over de lading heen uit
en haak de hoes vast in de openingen die bij
de achterste stijlen van de laadruimte zitten.
BELANGRIJK
Bij montage van de bagagerolhoes is
opklappen/neerklappen van het veiligheidsrek niet mogelijk.
Lange lading
Voor het vervoer van extra lange lading kunt u
ook de rugleuning van de passagiersstoel
omklappen (zie pagina 75).
Bagagerolhoes verwijderen
Lading op het dak
1. Duw op de knop van het ene eindstuk en
til het uit de holte.
Lastdragers gebruiken
2. Kantel de rolhoes voorzichtig omhoog en
naar buiten, zodat het andere eindstuk
automatisch loskomt.
Om schade aan de auto te voorkomen en voor
maximale veiligheid tijdens het rijden, wordt u
geadviseerd de lastdragers te gebruiken die
door Volvo ontwikkeld zijn.
Achterste dekplaat bagagerolhoes
omlaagklappen
Volg de montage-instructies die bij de lastdragers worden geleverd nauwkeurig op.
Bij een opgerolde bagagerolhoes steekt de
dekplaat achter aan de rolhoes horizontaal iets
uit in de bagageruimte.
•
Controleer regelmatig of de lastdragers en
de lading goed vastzitten. Zet de lading
stevig vast met sjorbanden.
±
•
Verdeel het gewicht van de lading gelijkmatig over de lastdragers. Leg de zwaarste
voorwerpen onderop.
•
Naarmate u meer lading op het dak vervoert, vangt de auto meer wind en neemt
het brandstofverbruik toe.
•
Rijd rustig. Trek bij voorkeur niet te snel op,
rem niet te hard en maak niet te scherpe
bochten.
Trek de dekplaat voorzichtig naar achteren
van de consoles af en klap de plaat
omlaag.
Bagagerolhoes aanbrengen
Breng het ene eindstuk van de rolhoes aan
in de holte van het zijpaneel.
Breng het andere eindstuk van de rolhoes
aan in de tegenoverliggende holte.
05
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
221
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
05 Tijdens het rijden
Bagageruimte
WAARSCHUWING
Bij het vervoer van lading op het dak verschuift het zwaartepunt en treden er wijzigingen op in de rijeigenschappen van de
auto.
zie pagina 283 voor informatie over de
maximale dakbelasting, inclusief lastdragers en een eventuele skibox.
05
222
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 222
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 223
05 Tijdens het rijden
Gevarendriehoek*
Neem de gevarendriehoek uit de houder,
klap de driehoek uit en bevestig de twee
losse zijden aan elkaar.
EHBO-set*
Volg de geldende bepalingen voor het gebruik
van een gevarendriehoek. Zet de gevarendriehoek op een passend punt achter de auto op
om achteropkomend verkeer tijdig te waarschuwen.
G018253
G017956
Klap de steunpoten van de gevarendriehoek uit.
Zorg dat de houder met de gevarendriehoek na
gebruik stevig in de bagageruimte vastzit.
Onder de vloer in de bagageruimte ligt een
EHBO-set.
05
Privacy locking (zie pagina 45) werkt niet, als
het vloerluik niet dichtstaat.
G015353
G015352
N.B.
Til de vloermat op en haal de gevarendriehoek tevoorschijn.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
223
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 224
05 Tijdens het rijden
Rijden met een aanhanger
Algemene informatie
Als de trekhaak door Volvo is gemonteerd,
wordt de auto compleet aangeleverd met de
benodigde randuitrusting voor het gebruik van
een aanhanger.
•
De trekhaak van de auto moet van een
goedgekeurd type zijn.
•
Bij montage achteraf moet u contact opnemen met uw erkende Volvo-werkplaats om
te controleren of uw auto van de nodige
uitrusting is voorzien om met een aanhanger te kunnen rijden.
•
Verdeel de lading in de aanhanger dusdanig dat de druk op de trekhaak de maximale kogeldruk niet overschrijdt.
•
Verhoog de bandenspanning tot de aanbevolen druk bij maximale belading. Voor
de positie van de bandenspanningstabel
(zie pagina 271).
05
•
Maak de trekhaak regelmatig schoon en
vet de kogel van tijd tot tijd in.
•
Rijd niet met een zware aanhanger, wanneer de auto nog helemaal nieuw is. Wacht
hiermee totdat de auto ten minste
1000 kilometer heeft gereden.
•
224
Bij het afdalen op lange en steile hellingen
worden de remmen veel zwaarder belast
dan normaal. Schakel dan terug naar een
lagere versnelling en pas uw snelheid aan.
•
Bij het gebruik van een aanhanger wordt de
motor zwaarder belast dan normaal.
•
Wanneer de auto bij warm weer zwaar
belast wordt, kan de motor oververhit
raken. Als de temperatuur in het koelsysteem van de motor te hoog oploopt, gaat
het waarschuwingslampje branden en verschijnt op het informatiedisplay de melding
Motortemp. hoog Stop auto z.s.m..
Breng de auto in dat geval zo spoedig
mogelijk tot stilstand en laat de motor
enkele minuten stationair lopen zodat deze
kan afkoelen. Als de melding Motortemp.
hoog Zet motor af of Koelvl.peil laag
Zet motor af verschijnt, dient u nadat de
auto tot stilstand is gekomen ook de motor
af te zetten.
•
De automatische versnellingsbak is voorzien van een ingebouwde beveiliging die bij
oververhitting in werking treedt. Als de
temperatuur in de versnellingsbak te hoog
oploopt, gaat het waarschuwingslampje
branden en verschijnt op het informatiedisplay de melding Versn.bak heet Rijd
langzamer of Versn.bak heet Stop auto
z.s.m.. Volg in dat geval het advies op en
matig uw snelheid of breng de auto op een
veilige plek tot stilstand om de motor
enkele minuten stationair te laten lopen
zodat de versnellingsbak kan afkoelen. Bij
oververhitting is het mogelijk dat de airconditioning tijdelijk wordt uitgeschakeld.
•
Rijd om veiligheidsredenen niet sneller dan
80 km/h, ook al staat de wetgeving in
bepaalde landen een hogere snelheid toe.
•
Zet de keuzehendel in de parkeerstand P,
wanneer u een automaat met aanhanger
parkeert. Gebruik altijd de parkeerrem.
Gebruik wielblokken, als u een auto met
aanhanger op een steile helling parkeert.
Trekhaakbedrading
Als de trekhaak van de auto een 13-polig elektrisch contact heeft en de aanhanger een 7polig contact, hebt u een adapter nodig.
Gebruik een door Volvo goedgekeurde adapterkabel. Zorg dat de kabel niet over de grond
sleept.
Richtingaanwijzers aanhanger
Het symbool op het instrumentenpaneel knippert wanneer u de richtingaanwijzers gebruikt
met een aanhanger achter de auto. Als het
symbool sneller knippert dan normaal is een
van de richtingaanwijzers op de auto of op de
aanhangwagen kapot (zie pagina 68).
Automatische versnellingsbak
Op een helling parkeren
1. Activeer de parkeerrem.
2. Zet de keuzehendel in stand P.
Op een helling wegrijden
1. Zet de keuzehendel in stand D.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 225
05 Tijdens het rijden
Rijden met een aanhanger
2. Los de parkeerrem.
WAARSCHUWING
Steile hellingen
Schakel geen hogere, handmatige versnelling in dan de motor “aankan”. Rijden in
hoge versnellingen is niet altijd zuinig.
•
Vermijd hellingen met een percentage van
meer dan 15 % bij het gebruik van een
aanhanger.
Niveauregeling
Als uw auto is uitgerust met automatische
niveauregeling nemen de achterste schokdempers tijdens het rijden altijd dezelfde rijhoogte in ongeacht de belading (tenzij het
maximaal toelaatbare gewicht wordt overschreden). Wanneer de auto stilstaat, zakt de
achtertrein omlaag. Dit is volkomen normaal.
Kogelsegment opbergen
Trekhaak
Als de auto is uitgerust met een afneembare
trekhaak, moeten de montagevoorschriften
voor het monteren van het kogelsegment zorgvuldig worden opgevolgd (zie pagina 226).
WAARSCHUWING
05
Let op het volgende als uw auto is uitgerust
met de afneembare trekhaak van Volvo:
Aanhangergewichten
Let erop dat er op grond van de wetgeving voor
motorvoertuigen in uw land verdere beperkingen van het aanhangergewicht en de snelheid
kunnen gelden. Het is bovendien mogelijk dat
de trekhaak gespecificeerd is voor hogere
gewichten dan het maximaal toelaatbare aanhangergewicht van de auto. Voor het maximaal
toelaatbare aanhangergewicht dat Volvo hanteert (zie pagina 285).
N.B.
Wanneer u een trekhaak met trillingsdemper
gebruikt, hoeft de kogel niet te worden ingevet.
•
Volg de montagevoorschriften voor het
kogelsegment nauwkeurig op.
•
Zorg dat het kogelsegment met de sleutel vergrendeld is voordat u begint te
rijden.
•
Controleer of het controlevenster groen
van kleur is.
G031121
•
Houd u aan de opgegeven aanbevelingen
voor het aanhangergewicht. De aanhanger
en de auto kunnen anders moeilijk bestuurbaar worden tijdens uitwijk- en remmanoeuvres.
Opbergruimte kogelsegment
BELANGRIJK
Neem na gebruik altijd het kogelsegment
los en berg het op de daarvoor bestemde
plaats op, goed vastgezet met de bijbehorende riem.
Belangrijke controlepunten
•
U moet de kogel van het kogelsegment
regelmatig schoonmaken en met vet
insmeren.
``
225
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 226
05 Tijdens het rijden
Rijden met een aanhanger
Specificaties
Afmetingen, bevestigingspunten
(mm)
H
G
Langsligger
H
Middelpunt kogel
C
Kogelsegment aanbrengen
G021485
G
F
A (V70)
1129
A (XC70)
1113
B (V70)
93
B (XC70)
77
C
855
D
428
E
112
F
346
Verwijder de afdekking door de pal in te
drukken
en de afdekking vervolgens
recht naar achteren te trekken
.
G021487
G026080
05
G018928
Afmetingen, bevestigingspunten
(mm)
B
A
E
G017971
D
226
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 227
05 Tijdens het rijden
Rijden met een aanhanger
G021488
Het controlevenster moet groen van kleur
zijn.
Het controlevenster moet rood van kleur
zijn.
G021494
G021490
Controleer of het mechanisme in de ontgrendelde stand staat door de sleutel
rechtsom te draaien.
Controleer of het kogelsegment vastzit
door het stevig omhoog, omlaag en naar
achteren te bewegen.
WAARSCHUWING
G021489
G000000
Als het kogelsegment niet goed zit, moet u
het verwijderen en het opnieuw monteren
zoals eerder werd beschreven.
Draai de sleutel linksom naar de vergrendelde stand. Neem de sleutel uit het slot.
05
BELANGRIJK
Vet alleen de kogel in waarop de aanhangerkoppeling wordt geplaatst. Houd de rest
van het kogelsegment vetvrij en droog.
Breng het kogelsegment aan en duw het
naar binnen totdat u een klik hoort.
``
227
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 228
05 Tijdens het rijden
Rijden met een aanhanger
WAARSCHUWING
Veiligheidskabel.
G021497
G021495
Zet het losse kogelsegment goed vast, wanneer u het in de auto bewaart (zie
pagina 225).
Druk de vergrendelingsknop
in en draai
deze linksom
totdat u een klik hoort.
05
G018929
WAARSCHUWING
Let erop dat u de veiligheidskabel van de
aanhanger aan de daarvoor bestemde
bevestiging vastmaakt.
Duw de afdekking er zo ver op dat deze
vastklikt.
G021498
Kogelsegment verwijderen
G021496
Draai de vergrendelingsknop volledig
omlaag totdat deze niet verder kan. Houd
de knop in deze stand vast terwijl u het
kogelsegment schuin naar achteren toe
omhoogtrekt.
Steek de sleutel in het slot en draai deze
rechtsom in de ontgrendelde stand.
228
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 229
05 Tijdens het rijden
Slepen en bergen
Slepen
WAARSCHUWING
Controleer voordat u de auto gaat slepen wat
de toegestane maximumsnelheid is voor slepen.
Het stuurslot blijft in de stand staan die het
had toen de spanning werd verbroken. Het
stuurslot moet worden opgeheven, voordat
u de auto sleept. Het contactslot moet in
stand II staan. Neem de transpondersleutel
nooit tijdens het rijden of slepen uit het contactslot.
1. Steek de transpondersleutel in het contactslot om het stuurslot op te heffen zodat
de auto bestuurbaar wordt (zie pagina 99).
2. Laat de transpondersleutel tijdens het slepen in het contactslot zitten.
WAARSCHUWING
3. Zorg om schokken te voorkomen dat de
sleepkabel altijd strak staat door met uw
voet lichte druk op het rempedaal uit te
oefenen.
De rembekrachtiging en de stuurbekrachtiging werken niet wanneer de motor uitgeschakeld is. U moet ongeveer vijfmaal zo
hard op het rempedaal trappen en de auto
stuurt aanzienlijk zwaarder dan normaal.
4. Sta klaar om te remmen om de auto tot
stilstand te brengen.
Handgeschakelde versnellingsbak
WAARSCHUWING
Steek voordat de auto wordt versleept de
transpondersleutel in het contactslot om het
stuurslot op te heffen (zodat de auto
bestuurbaar wordt).
±
Zet de versnellingspook in de neutrale
stand en los de handrem.
Automatische versnellingsbak
±
Zet de keuzehendel in stand N en los de
handrem.
BELANGRIJK
Let erop dat u de auto altijd dusdanig wegsleept dat de wielen in de rijrichting draaien.
•
De snelheidslimiet voor het wegslepen
van een auto met automatische versnellingsbak is 80 km/h. U mag de auto over
een afstand van maximaal 80 km verslepen.
Starten met hulpaccu
Probeer de motor niet aan te slepen. Gebruik
een hulpaccu als de startaccu dusdanig ontladen is dat de motor niet kan worden gestart
(zie pagina 102).
05
BELANGRIJK
De katalysator kan beschadigd raken als u
de auto probeert aan te slepen.
Sleepoog
Gebruik het sleepoog als de auto over de weg
moet worden versleept. U bevestigt het sleepoog in de opening aan de rechterzijde van de
voor- of achterbumper.
Draai het sleepoog na gebruik los en plaats het
terug in de bagageruimte.
``
229
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 230
05 Tijdens het rijden
Slepen en bergen
schroevendraaier of een muntstuk.
Schroef het sleepoog stevig tot aan de
flens vast. Gebruik de wielsleutel om het
sleepoog vast te draaien.
Sleepoog monteren
G017464
N.B.
05
Neem het sleepoog erbij dat onder het
vloerluik in de bagageruimte ligt.
Bij sommige auto’s met een afneembare
trekhaak kunt u het sleepoog niet in de achterste bevestiging aanbrengen wanneer het
kogelsegment gemonteerd is. Bevestig de
sleepkabel in dat geval aan de trekhaak.
Om die reden wordt geadviseerd het kogelsegment van de afneembare trekhaak in de
auto te bewaren, wanneer u de trekhaak niet
nodig hebt.
Bergen
BELANGRIJK
G021501
Let erop dat u de auto altijd dusdanig wegsleept dat de wielen in de rijrichting draaien.
Voor de V70: Duw de aangegeven kant van
de afdekking in de bumper en laat los. Klap
de afdekking opzij en schroef het sleepoog
stevig tot aan de flens vast.
Voor de XC70: Maak de onderkant van de
afdekking in de bumper los met een
230
•
Voor auto’s met vierwielaandrijving
(AWD) gelden, bij het bergen met een
geheven vooras, zowel een maximale
snelheid van 70 km/h als een maximale
afstand van 50 km.
WAARSCHUWING
Het sleepoog is alleen bedoeld voor het slepen over de weg en niet geschikt voor berging. Roep professionele hulp in voor berging.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 231
05 Tijdens het rijden
05
231
Motorruimte...........................................................................................
Gloeilampen..........................................................................................
Wisserbladen en ruitensproeiervloeistof...............................................
Accu......................................................................................................
Zekeringen............................................................................................
Wielen en banden.................................................................................
Verzorging.............................................................................................
Type-aanduidingen...............................................................................
Specificaties..........................................................................................
Typegoedkeuring..................................................................................
232
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 232
234
240
247
249
252
260
275
280
282
297
G020922
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 233
ONDERHOUD EN SPECIFICATIES
06
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 234
06 Onderhoud en specificaties
Motorruimte
Algemene informatie
Serviceprogramma van Volvo
Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid en
betrouwbaarheid van de auto op een hoog peil
te houden, dient u de voorschriften van het
Serviceprogramma van Volvo op te volgen
zoals die omschreven staan in het Service- en
garantieboekje van Volvo. Laat service- en
reparatiewerkzaamheden door een erkende
Volvo-werkplaats uitvoeren. Volvo-werkplaatsen beschikken over het personeel, het speciale gereedschap en de servicehandboeken
waardoor zij u een zo hoog mogelijke servicekwaliteit kunnen garanderen.
Trek aan de handgreep bij de pedalen. Het
is duidelijk te horen dat vergrendeling
wordt opgeheven.
WAARSCHUWING
Let erop dat de koelventilator tot enige tijd
na het afzetten van de motor nog automatisch kan aanslaan.
Laat het schoonmaken van de motor altijd
over aan een werkplaats. Als de motor heet
is, bestaat er gevaar voor brand.
Haal de borghaak naar links om de motorkap te openen. (De borghaak zit tussen de
koplamp en de grille zoals afgebeeld.)
WAARSCHUWING
Controleer bij het sluiten of de motorkap
goed in het slot valt.
Motorkap openen en sluiten
Motorruimte, overzicht
Voor de geldigheid van de garantie is het
van belang dat u het Service- en garantieboekje van Volvo controleert en de aanwijzingen opvolgt.
06
G021502
BELANGRIJK
Regelmatig controleren
234
Koelvloeistof
Motorolie
G010951
•
•
•
•
G018945
Controleer regelmatig de volgende oliën en
vloeistoffen, bijvoorbeeld tijdens het tanken:
Afhankelijk van het motortype kan de motorruimte
er anders uitzien.
Stuurbekrachtigingsvloeistof
Expansiereservoir voor koelsysteem
Ruitensproeiervloeistof
Reservoir voor stuurbekrachtigingsvloeistof
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 235
06 Onderhoud en specificaties
Motorruimte
Peilstok voor motorolie
Oliepeil motor controleren
BELANGRIJK
Radiateur
Vulopening voor motorolie
Reservoir voor rem- en koppelingsvloeistof
(auto met stuur links)
Accu
Relais- en zekeringenkastje, motorruimte
G021733
Vulopening voor ruitensproeiervloeistof
Luchtfilter.
Sticker met oliekwaliteit.
WAARSCHUWING
Het ontstekingssysteem werkt zeer hoge
spanningen op. De spanning van het ontstekingssysteem is levensgevaarlijk. Zet de
transpondersleutel daarom altijd in stand 0
bij werkzaamheden in de motorruimte (zie
pagina 73).
Raak bougies of bobine niet aan, wanneer
de transpondersleutel in stand II staat of als
de motor warm is.
Volvo adviseert olieproducten van Castrol.
Voor ritten onder ongunstige omstandigheden
(zie pagina 288).
Om aan de vereisten voor de gespecificeerde service-intervallen te voldoen worden alle motoren in de fabriek gevuld met
een speciaal aangepaste, synthetische
motorolie. De oliesoort werd met grote zorg
geselecteerd lettend op de levensduur van
de motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact. Om de
aanbevolen service-intervallen aan te kunnen houden dient u een goedgekeurde
motoroliesoort te gebruiken. Gebruik alleen
een oliesoort van de voorgeschreven kwaliteit (zie sticker in motorruimte) en dat zowel
bij het bijvullen als verversen van olie. Een
negatieve invloed op de levensduur van de
motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact is anders niet
uitgesloten. Volvo Car Corporation wijst alle
garantieclaims af bij gebruik van een motoroliesoort die niet voldoet aan de voorgeschreven kwaliteits- en viscositeitseisen.
06
Volvo hanteert uiteenlopende systemen om te
waarschuwen voor een laag oliepeil of een lage
oliedruk. Bij de modellen die zijn voorzien van
een oliedruksensor wordt gebruik gemaakt van
een waarschuwingslampje voor de oliedruk. Bij
modellen met een olieniveausensor wordt
gewaarschuwd met een waarschuwingssymbool midden op het instrumentenpaneel en
met displayteksten. Op bepaalde modellen zijn
beide systemen aanwezig. Neem voor meer
``
235
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 236
06 Onderhoud en specificaties
Motorruimte
informatie contact op met een erkende Volvowerkplaats.
Vulopening en peilstok
Houd voor het verversen en het vervangen de
intervallen aan die staan aangegeven in het
Service- en garantieboekje.
BELANGRIJK
G021734
Bij een nieuwe auto is het belangrijk om het
oliepeil te controleren, voordat de olie voor de
eerste keer volgens schema moet worden ververst.
Benzinemotor.
06
De betrouwbaarste meting wordt verkregen bij
een koude motor vóór de start. Meteen na het
afzetten van de motor krijgt u een verkeerd
resultaat. De peilstok geeft dan een te laag peil
aan, omdat de olie geen tijd heeft gehad om
terug te lopen naar het oliecarter.
G021737
Gebruik voor het bijvullen van olie een oliesoort van dezelfde kwaliteit en met dezelfde
viscositeit (zie pagina 288).
De olie moet binnen het gemarkeerde gebied op
de peilstok staan.
Parkeer de auto op een vlakke ondergrond, zet
de motor af en wacht ten minste
10 tot 15 minuten zodat de olie weer kan teruglopen in het oliecarter. Voor de bij te vullen
hoeveelheid (zie pagina 288 en verder).
Oliepeil controleren bij een koude motor
1. Veeg de peilstok schoon.
G021736
2. Controleer het peil met de peilstok. De olie
moet tussen het MIN- en MAX-streepje
staan.
Dieselmotor.
236
3. Als de olie dichter bij het MIN-streepje ligt,
kunt u eerst 0,5 liter olie bijvullen. Vul bij
totdat de olie dichter bij het MAX-streepje
dan bij het MIN-streepje op de peilstok ligt.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 237
06 Onderhoud en specificaties
Motorruimte
BELANGRIJK
Vul niet meer olie bij dan tot aan het MAXstreepje. Het olieverbruik kan toenemen, als
u te veel olie in de motor giet.
Koelvloeistof
BELANGRIJK
Koelvloeistof controleren en bijvullen
WAARSCHUWING
Oliepeil controleren bij een
warmgelopen motor
1. Veeg de peilstok schoon.
G021738
Mors geen olie op het hete uitlaatspruitstuk,
omdat er gevaar voor brand bestaat.
•
Hoge concentraties chloor, chloriden
en andere zoutverbindingen kunnen
aanleiding geven tot corrosie in het
koelsysteem.
•
Gebruik altijd een koelvloeistof met
roestwerende eigenschappen volgens
de aanbevelingen van Volvo.
•
Let erop dat het koelvloeistofmengsel
altijd voor 50 % uit water en voor
50 % uit koelvloeistof bestaat.
•
Leng de koelvloeistof aan met leidingwater van goede kwaliteit. Gebruik bij
twijfel over de waterkwaliteit altijd een
kant-en-klare koelvloeistof volgens de
aanbevelingen van Volvo.
•
Wanneer u overstapt op een ander
soort koelvloeistof of een nieuw koelsysteemonderdeel hebt gemonteerd,
dient u het koelsysteem schoon te
spoelen met leidingwater van goede
kwaliteit of met kant-en-klare koelvloeistof.
2. Controleer het oliepeil met de peilstok.
3. Als de olie dichter bij het MIN-streepje ligt,
kunt u eerst 0,5 liter olie bijvullen. Vul bij
totdat de olie dichter bij het MAX-streepje
dan bij het MIN-streepje op de peilstok ligt.
Volg de aanwijzingen op de verpakking op. Het
is belangrijk dat u verhouding tussen koelvloeistof en water afstemt op de heersende weersomstandigheden. Vul het reservoir nooit alleen
met schoon water. Het gevaar voor bevriezing
neemt toe, zowel wanneer de concentratie
koelvloeistof te laag is als wanneer deze te
hoog is. Voor de hoeveelheden (zie
pagina 291).
•
06
De motor mag alleen draaien met een
goed gevuld koelsysteem. De temperaturen kunnen plaatselijk hoog oplopen,
wat schade (scheurvorming) aan de
cilinderkop kan veroorzaken.
``
237
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 238
06 Onderhoud en specificaties
Motorruimte
Voor de aan te houden hoeveelheden en de
aanbevolen vloeistofkwaliteit (zie pagina 291).
Controleer de koelvloeistof regelmatig!
De koelvloeistof moet tussen het MIN- en
MAX-streepje op het expansiereservoir staan.
Als u het reservoir niet goed gevuld houdt, kan
de temperatuur in het systeem dusdanig hoog
oplopen dat er gevaar voor motorschade ontstaat.
WAARSCHUWING
De koelvloeistof kan bijzonder heet zijn. Als
u moet bijvullen terwijl de motor op bedrijfstemperatuur is, moet u langzaam de dop
van het expansiereservoir losdraaien om de
overdruk te laten ontsnappen.
06
pagina 291). Wanneer u vaak met uw auto in
de bergen rijdt of in landen met een tropisch
klimaat en een hoge relatieve luchtvochtigheidsgraad, moet u de remvloeistof ieder jaar
verversen.
WAARSCHUWING
Als de remvloeistof onder het MIN-streepje
van het reservoir staat, mag u niet verder
rijden voordat u remvloeistof hebt bijgevuld.
Laat de oorzaak van het remvloeistofverlies
controleren door een erkende Volvo-werkplaats.
ruimte. U moet het ronde deksel eerst verwijderen om bij de dop van het reservoir te komen.
1. Open het deksel dat in de dekplaat zit door
het te verdraaien.
2. Draai de dop van het reservoir los en vul
vloeistof bij. De vloeistof moet tussen het
MIN- en MAX-streepje staan (aan de binnenkant van het reservoir).
BELANGRIJK
Vergeet niet het deksel terug te plaatsen.
Stuurbekrachtigingsvloeistof
Bijvullen
Rem- en koppelingsvloeistof
Ververs de remvloeistof om de twee jaar of
iedere tweede geplande servicebeurt.
Voor de aan te houden hoeveelheden en de
aanbevolen kwaliteit van de remvloeistof (zie
238
G018939
De rem- en koppelingsvloeistof zitten in hetzelfde reservoir. De vloeistof moet tussen het
MIN- en MAX-streepje staan die aan de buitenkant van het reservoir zichtbaar zijn. Controleer het peil regelmatig.
Het vloeistofreservoir zit aan de bestuurderszijde
Het vloeistofreservoir gaat schuil achter de
dekplaat op de koude zone van de motor-
G021740
Peil controleren
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 239
06 Onderhoud en specificaties
Motorruimte
BELANGRIJK
Houd bij een controle van het peil in het
reservoir voor stuurbekrachtigingsvloeistof
het gebied eromheen goed schoon.
Controleer het peil bij iedere servicebeurt. U
hoeft de vloeistof niet te verversen. De vloeistof
moet tussen het MIN- en MAX-streepje staan.
Voor de aanbevolen vloeistofkwaliteit en de
aan te houden hoeveelheden (zie pagina 291).
N.B.
Ook als er een storing optreedt in de stuurbekrachtiging of als de stroom wegvalt en u
de auto moet laten wegslepen, blijft de auto
bestuurbaar.
06
239
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 240
06 Onderhoud en specificaties
Gloeilampen
Algemene informatie
Op pagina 246 staan alle gloeilampen van de
auto vermeld. Gloeilampen en puntverlichting
van een bijzonder type of lampen die alleen in
een werkplaats te vervangen zijn:
•
Interieurverlichting aan het plafond, leeslampjes
•
•
•
•
•
•
Verlichting dashboardkastje
Raak het glas van de gloeilampen nooit met
blote vingers aan. De vetten en oliën op uw
vingers kunnen door de hitte verdampen.
Dit zorgt voor aanslag op de reflector, waardoor deze al snel kapotgaat.
Lamphuis voorzijde
Rem-, mist- en achteruitrijlichten
2. (Bovenste afbeelding)
Sidemarkers achterzijde, achterlichten
Trek de borgpennen van het lamphuis
omhoog.
(Actieve) Bi-XenonŸ-, Bi-XenonŸkoplampen
WAARSCHUWING
Als de auto is voorzien van Bi-Xenon- of
actieve Bi-Xenonkoplampen, dient u alle
werkzaamheden aan deze xenonlampen
door een erkende Volvo-werkplaats te laten
uitvoeren. Omdat de xenonkoplampen
voorzien zijn van een ontstekingsgedeelte
dat een hoge spanning opwekt, moet u er
voorzichtig mee omgaan.
BELANGRIJK
3. (Onderste afbeelding)
Alle gloeilampen in de koplamphuizen (behalve
die voor het mistlicht) zijn te vervangen door
240
Trek het lamphuis recht naar voren toe.
Trek alleen aan de connector en niet aan de
kabel.
G010325
06
WAARSCHUWING
Schakel altijd het contact uit en neem de
transpondersleutel uit, voordat u gloeilampen vervangt.
1. Druk kort op de START-/STOP-knop en
neem de transpondersleutel uit.
Approach-verlichting
Alle led-lampen
het lamphuis via de motorruimte los te maken
en het in zijn geheel te verwijderen.
Koplamphuis verwijderen
Richtingaanwijzers, buitenspiegels
G010479
•
BELANGRIJK
Koppel de connector van het lamphuis
los door met uw duim de clip omlaag te
duwen.
Trek ondertussen met uw andere hand
de connector los.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 241
06 Onderhoud en specificaties
Gloeilampen
4. Til het lamphuis naar buiten en leg het op
een zachte ondergrond om krassen op de
lens te voorkomen.
Afdekking verwijderen
Dimlicht, halogeen
5. Vervang de kapotte gloeilamp (zie
pagina 246).
Koplamphuis aanbrengen
G021745
2. Plaats het lamphuis terug en breng de
borgpennen aan. Controleer of u ze op de
juiste manier hebt ingebracht.
G021746
1. Sluit de connector dusdanig aan dat u een
klik hoort.
3. Controleer de verlichting.
Het lamphuis moet zijn aangesloten en gemonteerd zijn, voordat u de verlichting inschakelt of
de transpondersleutel in het contactslot steekt.
Lees de tekst op zie pagina 240 door alvorens
een gloeilamp te vervangen.
1. Open de borgklem door deze omhoog/
naar buiten te duwen.
1. Haal het koplamphuis los.
2. Verwijder de afdekking.
3. Haal de gloeilamp los door de houder
omlaag te duwen.
2. Duw de clips op de afdekking omlaag en
verwijder de afdekking.
4. Koppel de connector van de lamp los.
Plaats de afdekking in omgekeerde volgorde
terug.
5. Breng de nieuwe gloeilamp in de lamphouder aan zodat deze vastklikt. U kunt hem
slechts op één manier terugplaatsen.
06
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
``
241
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 242
06 Onderhoud en specificaties
Gloeilampen
Verstralers, actieve Bi-XenonŸ en BiXenonŸ*
Groot licht, halogeen
Ÿ
Stadslichten vóór en achterlichten
1. Haal het koplamphuis los.
06
G021749
G021748
G021747
Ÿ
1. Haal het koplamphuis los.
2. Verwijder de afdekking.
1. Haal het koplamphuis los.
2. Verwijder de afdekking (zie pagina 241).
3. Haal de gloeilamp los door deze linksom te
draaien.
2. Verwijder de afdekking (zie pagina 241).
3. Om ruimte te maken kunt u de gloeilamp
voor het groot licht eerst verwijderen.
4. Koppel de connector van de lamp los.
3. Haal de gloeilamp los door de houder
omlaag te duwen.
5. Vervang de gloeilamp, steek de nieuwe
lamp in de lampvoet en draai de gloeilamp
rechtsom vast. U kunt hem slechts op één
manier terugplaatsen.
4. Koppel de connector van de lamp los.
4. Trek aan de kabel om de lamphouder
tevoorschijn te halen.
5. Breng de nieuwe gloeilamp in de lamphouder aan zodat deze vastklikt. U kunt hem
slechts op één manier terugplaatsen.
5. Trek de kapotte gloeilamp los en breng de
nieuwe aan. U kunt hem slechts op één
manier terugplaatsen.
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
6. Breng de lampvoet in de lamphouder aan
en duw de lamp aan totdat u een klik hoort.
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
242
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 243
06 Onderhoud en specificaties
Gloeilampen
Sidemarker
Richtingaanwijzers/knipperlichten
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
2. Verwijder de kleine, ronde afdekking.
3. Trek aan de lamphouder om de gloeilamp
tevoorschijn te halen.
4. Trek de kapotte gloeilamp los en breng de
nieuwe aan. U kunt hem slechts op één
manier terugplaatsen.
5. Breng de lampvoet in de lamphouder aan
en duw de lamp aan totdat u een klik hoort.
6. Plaats de afdekking terug. U moet deze
dusdanig aanbrengen en vastduwen dat u
een klik hoort.
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
Lees de tekst op zie pagina 240 door alvorens
een gloeilamp te vervangen.
G026015
1. Haal het koplamphuis los.
G021751
G021750
Mistlampen voorzijde
1. Haal het koplamphuis los.
2. Verwijder de kleine, ronde afdekking.
3. Trek aan de kabel om de lamphouder
tevoorschijn te halen.
4. Trek de kapotte gloeilamp los en breng de
nieuwe aan. U kunt hem slechts op één
manier terugplaatsen.
5. Breng de lampvoet in de lamphouder aan
en duw de lamp aan totdat u een klik hoort.
6. Plaats de afdekking terug. U moet deze
dusdanig aanbrengen en vastduwen dat u
een klik hoort.
1. Neem de afdekking los door met een
dunne schroevendraaier de vier clips in te
duwen en de afdekking vervolgens recht
naar buiten te trekken.
06
2. Draai het boutje van het lamphuis los en
verwijder het lamphuis.
3. Draai de gloeilamp linksom en verwijder
deze.
4. Breng een nieuwe gloeilamp aan door deze
rechtsom te draaien.
5. Plaats de gloeilamp terug. (Het profiel van
de lamphouder komt overeen met dat van
de lampvoet.)
``
243
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 244
06 Onderhoud en specificaties
Gloeilampen
6. Plaats de lamphouder terug. Zorg dat het
opschrift TOP op de lamphouder omhoogwijst.
Remlicht (led)
N.B.
Neem, als de foutmelding niet verdwijnt
nadat de kapotte lamp is vervangen, contact op met een erkende Volvo-werkplaats.
Remlicht (led)
Kentekenplaatverlichting
Achterlamphuis, richtingaanwijzer
06
244
De richtingaanwijzerlamp in het achterlamphuis is via de bagageruimte te vervangen.
G017457
G017456
G017458
Positie gloeilampen achterlamphuis
Lampglas, rechterzijde
1. Open het paneel.
Achter-/remlicht (led)
2. Trek de isolatie recht naar buiten toe los.
Sidemarker, SML (led)
3. Draai de lamp helemaal los door de handgreep linksom te draaien.
Richtingaanwijzer
4. Trek de gloeilamp recht naar buiten toe los.
Reflector, achter
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
Mistachterlicht (een zijde)
Achteruitrijlichten
1. Draai de boutjes los met een schroevendraaier.
2. Haal voorzichtig het complete lamphuis los
en trek het naar buiten.
3. Vervang de gloeilamp.
4. Plaats het complete lamphuis terug en
draai de boutjes vast.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 245
06 Onderhoud en specificaties
Gloeilampen
Bagageruimteverlichting
Instapverlichting
Verlichting make-upspiegel
G021759
G017459
G021757
Spiegelglas verwijderen
Lees de tekst op zie pagina 240 door alvorens
een gloeilamp te vervangen.
1. Steek een schroevendraaier achter de
korte kant van de lens die naar de middenconsole wijst en verdraai de schroevendraaier iets, zodat de lens loskomt (geldt
voor beide lampjes).
2. Draai voorzichtig totdat de lens loskomt.
3. Vervang de gloeilamp.
4. Plaats de lens terug.
1. Steek een schroevendraaier achter het
lamphuis en wrik deze iets heen en weer,
zodat het lamphuis loskomt.
2. Vervang de gloeilamp.
3. Controleer of de gloeilamp werkt en druk
het lamphuis weer vast.
1. Steek in het midden aan de onderkant een
schroevendraaier achter het glas om het
borgnokje aan de rand voorzichtig los te
werken.
2. Steek de schroevendraaier aan zowel de
linker- als de rechterzijde achter het glas
(bij de zwarte rubberdelen) en wrik voorzichtig, zodat het glas aan de onderkant
loskomt.
06
3. Maak het spiegelglas voorzichtig los en
verwijder het compleet met afdekklep.
4. Vervang de gloeilamp.
``
245
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 246
06 Onderhoud en specificaties
Gloeilampen
Spiegelglas aanbrengen
1. Duw de drie borgnokjes aan de bovenkant
van het spiegelglas terug.
2. Duw vervolgens de onderste drie nokjes
vast.
Verlichting
Make-upspiegel
Vermogen
(W)
Type
1,2
Buislampje
SV5,5
Specificatie gloeilampen
Stadslichten/parkeerlichten voorzijde
5
W5W
Sidemarkers voorzijde
5
W5W
H7
5
Buislampje
55
H7
Verlichting dashboardkastje
Groot licht, halogeen
65
H9
Richtingaanwijzers
voorzijde
21
H21W
Richtingaanwijzers
achter
21
PY21W
Mistlampen voorzijde
35
H8
Instap-, bagageruimte-, kentekenplaatverlichting
5
Buislampje
Verlichting
06
246
Vermogen
(W)
Type
Verstralers, BiXenonŸ, ABL
55
Dimlicht, halogeen
SV8,5
SV8,5
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 247
06 Onderhoud en specificaties
Wisserbladen en ruitensproeiervloeistof
Wisserbladen
Servicestand
Om de wisserbladen te kunnen vervangen of
schoonmaken moet u ze eerst in de servicestand zetten.
G021761
1. Zet de transpondersleutel in stand 0 (zie
pagina 73) maar laat de sleutel in het contactslot zitten.
G021763
2. Duw de rechter stuurhendel
ca. 1 seconde lang omhoog. De ruitenwisserarmen gaan dan verticaal staan.
Een volgende keer dat u de auto start nemen
de ruitenwissers de ruststand weer in.
N.B.
G021762
Wisserbladen vervangen
G021760
Haal de wisserarm van de ruit af. Druk op
de knop die op de wisserbladhouder zit en
trek het wisserblad evenwijdig aan de wisserarm los.
De wisserbladen zijn niet allebei even lang.
Het blad aan de bestuurderszijde is langer
dan dat aan de passagierszijde.
06
Duw het nieuwe wisserblad zo ver naar
binnen dat u een klik hoort.
Controleer of het blad goed vastzit.
``
247
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 248
06 Onderhoud en specificaties
Wisserbladen en ruitensproeiervloeistof
Wisserbladen vervangen, achterklep
Voor de hoeveelheden (zie pagina 291).
BELANGRIJK
Controleer de wisserbladen regelmatig. Bij
achterstallig onderhoud gaan de wisserbladen minder lang mee.
G032770
Vulopening voor
ruitensproeiervloeistof
1. Klap de wisserarm uit.
06
3. Draai het wisserblad linksom om de aanslag op de wisserarm als hefboom te
gebruiken zodat het wisserblad makkelijker loskomt.
4. Duw het nieuwe wisserblad vast. Controleer of het goed vastzit.
G021764
2. Pak het wisserblad aan de binnenkant (bij
de pijl) beet.
De sproeiers van de voorruit en de koplampen
staan in verbinding met hetzelfde vloeistofreservoir.
5. Klap de wisserarm terug.
BELANGRIJK
Schoonmaken
Voor het schoonmaken van de wisserbladen
en de voorruit (zie pagina 275).
248
Gebruik tijdens de wintermaanden ruitensproeier-antivries in het reservoir om te
voorkomen dat de vloeistof in de pomp, het
reservoir en de slangen bevriest.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 249
06 Onderhoud en specificaties
Accu
Waarschuwingssymbolen op de accu
Vermijd vonken en open
vuur.
Draag een veiligheidsbril.
BELANGRIJK
Gebruik nooit een snellader voor het opladen van de accu.
WAARSCHUWING
Explosiegevaar.
Zie voor meer informatie
het instructieboekje dat
bij de auto hoort.
N.B.
Bewaar accu’s buiten het
bereik van kinderen.
Zamel oude accu’s op een milieuvriendelijke manier in, omdat ze lood bevatten.
Gebruik
De accu bevat een bijtend
zuur.
•
Controleer of de accukabels op de juiste
manier zijn aangesloten en stevig vastzitten.
•
Koppel de accu nooit los, wanneer de
motor draait.
Accu’s kunnen een zeer explosief knalgas
produceren. Een enkele vonk, veroorzaakt
door een onjuiste aansluiting van de startkabels, is voldoende om de accu tot ontploffing te brengen. Accu’s bevatten tevens
zwavelzuur dat ernstige chemische brandwonden kan veroorzaken. Als u accuzuur in
uw ogen krijgt of op uw huid of kleren morst,
moet u onmiddellijk met grote hoeveelheden water spoelen. Neem onmiddellijk contact op met een arts, als u accuzuur in uw
ogen krijgt.
N.B.
06
Hoe vaker de accu ontladen raakt, des te
minder lang gaat de accu mee.
De rijomstandigheden, de rijstijl, het aantal
startpogingen, de weersomstandigheden e.d.
zijn van invloed op de levensduur en de werking van de accu.
``
249
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 250
06 Onderhoud en specificaties
Accu
Vervangen
WAARSCHUWING
Zorg dat u de plus- en minkabels in de juiste
volgorde loskoppelt en/of aansluit.
G021768
Verwijderen
Koppel de zwarte minkabel los.
G021765
Koppel de rode pluskabel los.
Koppel de ontluchtingsslang van de accu
los.
Draai het boutje los waarmee de accuklem
vastzit.
06
G021766
G021769
Haal de accu opzij en til deze op.
Aanbrengen
Schakel het contact uit en wacht 5 minuten.
Haal de clips op de voorste dekplaat los en
verwijder de dekplaat.
Haal de rubber strip los om de achterste
afdekking bloot te leggen.
G021767
G021771
Neem de achterste afdekking los door
deze een kwartslag te verdraaien en vervolgens op te tillen.
1. Laat de accu in de accubak zakken.
250
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 251
06 Onderhoud en specificaties
Accu
2. Duw de accu naar binnen en gelijktijdig
opzij totdat de accu tegen de achterkant
van de accubak aankomt.
3. Schroef de accu vast met het boutje in de
steun.
4. Sluit de ontluchtingsslang aan.
5. Sluit de rode pluskabel aan.
6. Sluit de zwarte minkabel aan.
7. Duw de achterste afdekking vast (zie Verwijderen).
8. Plaats de rubber strip terug (zie Verwijderen).
9. Plaats de voorste afdekking terug en
bevestig deze met de clips (zie Verwijderen).
06
251
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 252
06 Onderhoud en specificaties
Zekeringen
Algemene informatie
Positie zekeringenkastjes
Als een van de elektrische onderdelen of functies niet werkt, is het mogelijk dat de bijbehorende zekering overbelast werd en daardoor
gesmolten is. Als dezelfde zekering herhaaldelijk doorbrandt, betekent dit dat het bijbehorende onderdeel een storing vertoont. Bezoek
in dat geval een erkende Volvo-werkplaats
voor een controle.
Vervangen
1. Zoek in de zekeringentabel op waar de
zekering zit.
06
Positie van de zekeringenkastjes, auto met het
stuur links
Bij auto’s met het stuur rechts zit het zekeringenkastje onder het dashboardkastje aan de
andere kant.
2. Trek de zekering naar buiten en bekijk deze
van opzij om te kijken of het gebogen
draadje soms doorgebrand is.
Onder dashboardkastje
3. Breng in dat geval een nieuwe zekering aan
met dezelfde kleur en hetzelfde amperage.
Bagageruimte
WAARSCHUWING
Vervang een zekering nooit door vreemde
voorwerpen of een zekering met een hoger
amperage dan gespecificeerd is. Anders
zijn aanzienlijke schade aan het elektrische
systeem en brand niet uitgesloten.
252
G017461
Om te voorkomen dat de elektrische systemen
van de auto beschadigd raken door kortsluiting
of overbelasting, worden alle verschillende
elektrische functies en onderdelen door een
aantal zekeringen beschermd.
Motorruimte
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 253
06 Onderhoud en specificaties
Zekeringen
Motorruimte
G025600
06
``
253
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 254
06 Onderhoud en specificaties
Zekeringen
Algemene informatie over de zekeringen
in de motorruimte
Functie
A
Hoofdzekering RJBA
KL30
60
Hoofdzekering RJBB
KL30
60
Hoofdzekering RJBD
KL30
50
Motorruimte voorin
Motorruimte onderin
Reservepositie
Aan de binnenkant van het deksel zit een speciale trekker waarmee u de zekeringen gemakkelijker kunt verwijderen en aanbrengen.
Posities (zie voorgaande afbeelding)
Motorruimte bovenin
Deze zekeringen zitten allemaal in het zekeringenkastje in de motorruimte. De zekeringen in
zitten onder
.
•
•
06
•
1–7 en 42–44 zijn van het type “MidiFuse”
en mogen alleen door een erkende Volvowerkplaats worden vervangen.
8–15 en 34 zijn van het type “JCASE” en
mogen alleen door een erkende Volvowerkplaats worden vervangen.
16–33 en 35–41 zijn van type “MiniFuse”.
Pos.
254
Functie
A
Hoofdzekering CEM
KL30A
50
Hoofdzekering CEM
KL30B
50
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Pos.
PTC-luchtvoorverwarming*
100
Reservepositie
Ruitenwissers
30
Standverwarming*
25
Interieurventilator
40
Reservepositie
ABS-pomp
40
ABS-kleppen
20
Pos.
Functie
A
Koplamphoogteregeling*
(Active Bi-XenonŸ, BiXenonŸ)
10
Hoofdzekering CEM
20
Radar, regelmodule ACC*
5
Snelheidsafhankelijke
stuurbekrachtiging
5
Regelmodule motor,
transmissie. SRS
10
Elektrisch verwarmde
sproeikoppen
10
Vacuümpomp I5T
20
Verlichtingspaneel
5
Koplampsproeiers
15
12V-aansluiting voor- en
achterin
15
Schuifdak*, plafondconsole/ECC*
5
Relais box motorruimte
5
Verstralers*
20
Reservepositie
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 255
06 Onderhoud en specificaties
Zekeringen
Pos.
Functie
A
Claxon
Pos.
Functie
A
15
Motorkleppen
10
Regelmodule motor
10
EVAP, lambdasonde,
inspuiting (benzine)
15
Regelmodule automatische versnellingsbak*
15
Lambdasonde (4-cil. benzine, 5-cil. diesel)
10
Compressor AC
15
Relais sproeiers
5
Verwarming carterventilatie (5-cil. benzine)
10
Relais startmotor
30
20
Verwarming dieselfilter,
verwarming carterventilatie (4-cil. diesel)
15
Bobines
Voorgloei-inrichting (5-cil.
diesel)
10
20
EGR, VTC, bypass motorkoelsysteem (4-cil. diesel)
10
Verwarming dieselfilter,
verwarming carterventilatie (5-cil. diesel)
Niet in gebruik
5
Regelmodule motor, gasklep benzine
10
Gloeibougies (4-cil. diesel)
60
Regelmodule motor, gasklep diesel
15
Gloeibougies (5-cil. diesel)
70
Inspuitsysteem, luchtmassameter
15
Luchtmassameter (4-cil.
diesel)
10
06
Reservepositie
Koelventilator (4-/5cil. benzine, 4-cil. diesel)
60
Koelventilator (V8, 6-cil.
benzine, 5-cil diesel)
80
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
255
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 256
06 Onderhoud en specificaties
Zekeringen
Onder dashboardkastje
1 2 3
4
5
6
7 8
9 10 11 12 13 14
G032918
15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28
1. Klap de interieurbekleding opzij die het
zekeringenkastje afdekt.
06
Pos.
Functie
A
2. Druk op de vergrendeling van het deksel en
klap het naar boven toe open.
ABS-regeling, elektrische
parkeerrem
5
3. Daarmee hebt u toegang gekregen tot de
zekeringen.
Gaspedaal*, luchtvoorverwarming (PTC), elektrisch
bedienbare stoelen*
7,5
Posities
Pos.
256
Functie
A
Regensensor*
5
SRS-systeem
10
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Reservepositie
ICM-display, cd-speler en
radio A, RSE-systeem*
15
Stuurwieleenheid
7,5
Pos.
Functie
A
Reservepositie
Groot licht
15
Schuifdak*
20
Achteruitrijlichten
7,5
Reservepositie
Mistlampen vóór*
15
Ruitenwissers
15
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 257
06 Onderhoud en specificaties
Zekeringen
Pos.
Functie
A
Adaptieve cruisecontrol
(ACC)*
10
Pos.
Functie
A
Knop START/STOP
5
Schakelaar remlichten
5
Reservepositie
A
Plafonverlichting, bedieningspaneel bestuurdersportier/elektr. bedienbare
passagiersstoel*
Premium Sound.
7,5
Informatiedisplay
5
Elektr. bedienbare
bestuurdersstoel*
5
Ruitenwisser, achterruit
15
Ontvanger transpondersleutel, alarmsensoren
5
Brandstofpomp
20
Elektrisch stuurslot
20
06
Reservepositie
Slot tankvulklep/achterklep
10
Sirene alarmsysteem, ECC
5
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
257
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 258
06 Onderhoud en specificaties
Zekeringen
G032919
Bagageruimte
Het kastje zit achter de bekleding aan de linkerzijde.
06
Posities
Pos
.
258
Module
Functie
(zwart).
A
Pos
.
Module
Functie
(zwart).
Bedieningspaneel achterportier rechts
A
25
Reservepositie
Bedieningspaneel bestuurdersportier
25
Bedieningspaneel passagiersportier
25
Bedieningspaneel achterportier links
25
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Pos
.
(zwart).
A
Trekhaakaansluiting 2*
15
Elektrisch bedienbare
bestuurdersstoel*
25
Module
Functie
12V-aansluiting bagageruimte, koelkast*
15
Trekhaakaansluiting 1*
40
30
POT (elektrische achterklepbediening)*
30
Elektrisch verwarmde achterruit
Reservepositie
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 259
06 Onderhoud en specificaties
Zekeringen
Pos
.
Module
(wit). Functie
A
Pos
.
Reservepositie
Module
Functie
(blauw).
RTI-display*, parkeerhulpcamera*
Regelmodule FOUR-C*
15
Verwarming voorstoel
bestuurderszijde*
15
Verwarming voorstoel passagierszijde*
15
Achterbankverwarming
rechts*
15
Regelmodule AWD
Achterbankverwarming
links*
A
10
Reservepositie
Lagetonenluidspreker*
25
Reservepositie
Versterker audiosysteem*
25
Audiosysteem A
15
10
Telefoon, Bluetooth*
5
15
Reservepositie
-
Reservepositie
Elektrisch bedienbare passagiersstoel*
25
Keyless drive*
20
Elektrische parkeerrem links
30
Elektrische parkeerrem
rechts
30
A
06
High Performance en Premium Sound.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
259
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 260
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
Algemene informatie
Banden zijn van grote invloed op de rijeigenschappen van de auto. Zowel het type, de
maat, de bandenspanning als de snelheidsaanduiding zijn belangrijk voor het rijgedrag
van de auto.
Draairichting
schappen van de auto af en kunnen de banden
regen, sneeuw en drab minder goed afvoeren.
Nieuwe banden
N.B.
Let erop dat de banden op beide assen van
hetzelfde type zijn, dezelfde afmeting hebben en van hetzelfde merk zijn.
Onderhoud van banden
G021778
Leeftijd van de banden
06
De pijl geeft de draairichting van de band aan.
Bij banden met een speciaal profiel dat alleen
goed werkt wanneer de banden in een
bepaalde richting draaien, staat deze richting
aangegeven met een pijl op de zijkant van de
band. Zorg dat de banden altijd dezelfde draairichting hebben. Banden mogen alleen van
voor naar achter verwisseld worden, nooit van
links naar rechts of omgekeerd. Als u de banden verkeerd aanbrengt, nemen de remeigen-
260
Alle banden die ouder zijn dan 6 jaar moet u
door een vakman laten controleren, ook al zien
ze er intact uit. Dit omdat het materiaal waarvan
banden gemaakt zijn ook veroudert en afgebroken wordt, als banden zelden of nooit worden gebruikt. Daarbij kan de werking van de
band worden aangetast. Dit geldt ook voor
reservebanden, winterbanden en banden die u
voor toekomstig gebruik hebt opgeslagen.
Scheurvorming of verkleuring zijn de zichtbare
kenmerken van een band die ongeschikt is
voor gebruik.
G021823
Houd de aanbevolen bandenspanning aan die
in de bandenspanningstabel staat (zie
pagina 272).
Banden hebben een beperkte houdbaarheidsdatum. Na enkele jaren worden de banden
hard en neemt de grip op het wegdek stukje bij
beetje af. Gebruik bij het verwisselen van banden altijd zo nieuw mogelijke banden. Dit geldt
in het bijzonder voor winterbanden. De week
en het jaar van productie worden aangeduid
met de DOT-code (Department of Transportation) bestaande uit vier cijfers, bijvoorbeeld
1502. De band op de afbeelding is in de 15e
week van het jaar 2002 geproduceerd.
Zomer- en winterbanden
Wanneer u de zomerbanden vervangt door
winterbanden of andersom, moet u op de band
noteren waar de band zat: bijvoorbeeld L voor
links, R voor rechts.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 261
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
De juiste bandenspanning levert een gelijkmatiger slijtage op (zie pagina 271). De rijstijl, de
bandenspanning, het klimaat en de staat van
de wegen zijn van invloed op de snelheid waarmee de banden verouderen en slijten. Om verschillen in profieldiepte te voorkomen en
slijtpatronen tegen te gaan kunt u de wielen op
de voor- en achteras onderling van plaats verwisselen. Voer de eerste wissel na ca. 5000 km
uit en doe dat daarna om de 10.000 km
opnieuw. Neem contact op met een erkende
Volvo-werkplaats als u niet zeker bent van de
profieldiepte.
Bewaar de wielen hangend of liggend. Laat ze
nooit rechtop staan.
WAARSCHUWING
Een beschadigde band kan ertoe leiden dat
u de controle over de auto verliest.
Banden met slijtage-indicatoren
Velgen en wielbouten
BELANGRIJK
Haal de wielbouten aan met 140 Nm. Als u
ze te strak aanhaalt, kan de boutverbinding
beschadigd raken.
G021829
Slijtage en onderhoud
Gebruik alleen velgen die getest en goedgekeurd zijn door Volvo en deel uitmaken van de
originele accessoires van Volvo. Controleer het
aanhaalmoment met een momentsleutel.
Afsluitbare wielbouten
Slijtage-indicatoren zijn smalle ophogingen die
dwars op het profiel van de band staan. De letters TWI (Tread Wear Indicator) op de zijkant
van de band geven aan dat een band is uitgerust met slijtage-indicatoren. De indicatoren
zijn duidelijk zichtbaar, wanneer een band dusdanig versleten is dat slechts 1,6 mm van het
profiel over is. Vervang de banden dan zo
spoedig mogelijk. Let erop dat een band met
een gering profiel zeer weinig grip op het wegdek heeft bij regen of sneeuw.
Afsluitbare wielbouten zijn te gebruiken op
zowel aluminium als stalen velgen.
Winterbanden
Volvo raadt winterbanden met bepaalde afmetingen aan. De bandenmaat is afhankelijk van
de motorvariant. Gebruik altijd het juiste type
winterbanden op alle vier de wielen.
06
N.B.
Neem contact op met een erkende Volvowerkplaats voor advies over de beste soort
velgen en banden.
``
261
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 262
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
Banden met “spikes”
Winterbanden met “spikes” moeten de eerste
500–1000 km rustig worden ingereden, zodat
de “spikes” hun positie in kunnen nemen. Zo
gaan de banden en vooral de “spikes” langer
mee.
N.B.
De wettelijke bepalingen voor het gebruik
van banden met “spikes” verschillen van
land tot land.
Profieldiepte
Ritten bij ijs, sneeuw(modder) en lage temperaturen vergen meer van de banden dan
zomerse ritten. Daarom adviseert Volvo een
minimale profieldiepte van 4 mm voor winterbanden.
06
Sneeuwkettingen gebruiken
Het gebruik van sneeuwkettingen is alleen toegestaan op de voorwielen (geldt ook voor
modellen met voorwielaandrijving).
Rijd nooit sneller dan 50 km/h met sneeuwkettingen. Rijd evenmin op sneeuwvrije wegen,
omdat zowel de sneeuwkettingen als de banden daardoor overmatig slijten. Maak nooit
gebruik van sneeuwkettingen met zogeheten
262
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
snelsluitingen, omdat de ruimte tussen de
schijfremmen en de wielen te gering is.
BELANGRIJK
Gebruik originele sneeuwkettingen van
Volvo of vergelijkbare sneeuwkettingen die
zijn afgestemd op het model en de band- en
velgafmetingen. Vraag een erkende Volvowerkplaats om advies.
Bandenspanningscontrolesysteem
(TPMS)*
Het bandenspanningscontrolesysteem
(TPMS, Tyre Pressure Monitoring System)
waarschuwt de bestuurder, wanneer de spanning in één of meer banden te laag is. Het
systeem maakt gebruik van sensoren in de
ventielen van de banden. Bij snelheden van ca.
40 km/h controleert het systeem de bandenspanning. Als de spanning dan te laag is, gaat
het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel branden en verschijnt er een melding op het display.
Controleer het systeem altijd na het verwisselen van wielen om er zeker van te zijn dat de
vervangende wielen compatibel zijn met het
systeem.
Voor informatie over de juiste bandenspanning
(zie pagina 271).
Ook mét dit systeem moet u het normale
onderhoud aan de banden blijven plegen.
BELANGRIJK
Als er een storing optreedt in het bandenspanningscontrolesysteem, gaat het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel branden. Bovendien verschijnt de
melding BANDENSP.SYSTEEM
SERVICE VEREIST. Dit kan meerdere oorzaken hebben. Het is bijvoorbeeld mogelijk
dat er een wiel gemonteerd werd met een
sensor die niet past bij het bandenspanningscontrolesysteem van Volvo.
Bandenspanningscontrolesysteem
afstellen
Om de aanbevolen bandenspanning van Volvo
aan te kunnen houden is het mogelijk het bandenspanningscontrolesysteem af te stellen,
bijvoorbeeld bij een zware belading.
N.B.
De motor mag daarbij niet lopen.
U verricht dergelijke afstellingen met de knoppen op de middenconsole (zie pagina 120).
1. Pomp de banden tot de juiste spanning op
en activeer de sleutelstand I of II.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 263
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
2. Kies Instellingen van de auto
Bandenspanning
2. Kies Instellingen van de auto
Bandenspanning
3. Kies Bandenspanning kalibreren.
5. Rijd ten minste 1 minuut op een snelheid
van 40 km/h of hoger.
3. Kies Bandenspanningsysteem en druk
op ENTER.
> Bij het activeren van het systeem verschijnt een X op het display. Het kruis
verdwijnt als u het systeem deactiveert.
Bij een lage bandenspanning
Adviezen
4. Druk op ENTER.
Doe het volgende, wanneer de melding
BANDENSP. LAAG CONTR. SPANNING op
het display verschijnt:
Er zitten alleen TPMS-sensoren in de ventielen
van de wielen die in de fabriek werden gemonteerd.
1. Controleer de bandenspanning van alle
vier de wielen.
•
Bij een compact reservewiel (Temporary
Spare) ontbreekt een dergelijke sensor.
2. Pomp de band(en) tot de juiste spanning
op.
•
Bij gebruik van wielen zonder TPMS-sensor zal iedere keer dat u meer dan 10 minuten lang sneller rijdt dan 40 km/h de
melding BANDENSP.SYSTEM SERVICE
VEREIST verschijnen.
3. Rijd ten minste 1 minuut onafgebroken in
de auto op een snelheid van 40 km/h of
hoger en ga na of de melding verdwijnt.
Bandenspanningscontrole deactiveren/
activeren
•
Volvo adviseert TPMS-sensoren te laten
monteren op alle wielen van de auto.
•
Volvo raadt het af sensoren van het ene
wiel over te zetten op een ander wiel.
Runflat-banden*
Als er zogeheten runflat-banden (SST-banden,
Self Supporting Tyres) op de auto zitten, hebt
u ook TPMS.
Dergelijke banden zijn voorzien van een speciaal verstevigde zijwand, zodat u ook als er een
hoeveelheid lucht uit de band ontsnapt is, kunt
blijven rijden. Deze banden zijn op speciale velgen gemonteerd. (Om dergelijke velgen kunnen ook standaardbanden worden gelegd.)
Als de bandenspanning van een SST-band
daalt, gaat het oranje TPMS-lampje op het
instrumentenpaneel branden en verschijnt er
een melding op het display. Houd in dat geval
een snelheid van maximaal 80 km/h aan en laat
de band zo spoedig mogelijk vervangen.
Rijd voorzichtig omdat het niet altijd duidelijk is
welke band er lek is. Controleer altijd alle vier
de banden om na te gaan welke band er moet
worden vervangen.
06
N.B.
De motor mag daarbij niet lopen.
U verricht dergelijke afstellingen met de knoppen op de middenconsole (zie pagina 120).
WAARSCHUWING
Houd bij het oppompen van een band met
TPMS het mondstuk recht tegen het ventiel
aan om het ventiel niet te beschadigen.
1. Activeer de sleutelstand I of II.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
263
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 264
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
WAARSCHUWING
Laat de montage van SST-banden over aan
de vakman.
Gebruik SST-banden alleen in combinatie
met TPMS.
Rijd niet sneller dan 80 km/h, nadat er een
waarschuwingsmelding voor een lage bandenspanning is verschenen.
Vervang de lekke band na maximaal 80 kilometer rijden.
Rijd voorzichtig.
Vervang een SST-band bij beschadiging of
lekkage.
Gereedschap
06
In een blok schuimrubber dat op de velg van
het reservewiel ligt vindt u al het bijgeleverde
gereedschap. Het gereedschap bestaat in een
sleepoog, een krik* en een wielsleutel. Het blok
schuimrubber is vastgeschroefd aan een console onder in de ruimte voor het reservewiel.
Het reservewiel ligt met de buitenkant omlaag
in de ruimte voor het reservewiel. Twee blokken schuimrubber, waarvan één onder het wiel
en één erbovenop/erbinnenin, houden het
reservewiel in positie. Het bovenste bevat al
het gereedschap.
Krik*
Dezelfde doorloopbout waarmee de blokken
schuimrubber vastzitten houdt ook het reservewiel in positie.
Gebruik de originele krik alleen voor het verwisselen van banden. Houd de schroef van de
krik altijd goed ingevet.
Reservewiel*
Het compacte reservewiel (Temporary Spare)
is alleen bestemd voor tijdelijk gebruik. Vervang het zo spoedig mogelijk door een normaal
wiel. Het rijgedrag van de auto kan zich wijzigen bij het gebruik van een compact reservewiel. In de bandenspanningstabel (zie
pagina 272) staat de juiste bandenspanning
voor het reservewiel.
BELANGRIJK
G025442
Rijd nooit sneller dan 80 km/h bij gebruik
van een compact reservewiel.
BELANGRIJK
Rijd nooit met meer dan één compact reservewiel (Temporary Spare) tegelijk.
264
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Reservewiel erbij nemen
1. Pak de vloermat aan de achterzijde beet en
klap deze naar voren toe op.
2. Draai de bevestigingsbout los.
3. Til het blok schuimrubber met het gereedschap erin uit de auto.
4. Til het reservewiel uit de auto.
U hoeft de onderste twee blokken niet te verwijderen.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 265
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
N.B.
WAARSCHUWING
Privacy locking (zie pagina 45) werkt niet, als
het vloerluik niet dichtstaat.
Wielen verwisselen
N.B.
Verwijderen
Gebruik de krik die bij de auto hoort.
G029336
2. Neem het reservewiel, de krik en de wielsleutel erbij die onder de mat in de bagageruimte liggen.
3. Plaats wielblokken voor en achter de wielen die op de grond blijven staan. Gebruik
daarvoor grote houten blokken of grote
stenen.
Plaats het gereedschap en de krik na gebruik
op de juiste manier terug. De krik past alleen
als deze in de juiste opbergstand wordt gezet.
BELANGRIJK
Bewaar gereedschap en krik op de daarvoor bestemde plaats in de bagageruimte
wanneer u ze niet nodig hebt.
G024534
Plaats het blok schuimrubber en het reservewiel in omgekeerde volgorde terug.
Let erop dat er op het bovenste blok schuimrubber een pijl staat. Deze pijl dient naar de
voorkant van de auto wijzen.
Controleer of de krik intact is, goed
gesmeerde schroefdraadwindingen heeft
en vrij van vuil is.
06
Krikpunten
Zet een gevarendriehoek zie pagina 223 op, als
u een wiel langs een drukke weg moet verwisselen. Zorg ervoor dat de auto en de krik* op
een stevige en horizontale ondergrond staan.
1. Haal de handrem aan en schakel de eerste
versnelling in of zet de keuzehendel in
stand P, als de auto een automatische versnellingsbak heeft.
G021779
Gereedschap, terugplaatsen
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
265
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 266
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
3. Breng de auto zo ver omlaag dat het wiel
niet meer ongehinderd kan draaien.
5. Draai de wielbouten ½–1 slag linksom los
met de wielsleutel.
Laat eventuele passagiers uit de auto stappen, voordat u de auto opkrikt.
Parkeer de auto dusdanig dat de auto en
liever nog een vangrail u en eventuele uitgestapte passagiers afschermen van het
verkeer op de rijbaan.
WAARSCHUWING
06
7. Breng de auto zo ver omhoog dat het wiel
van de grond komt. Verwijder de wielbouten en til het wiel eraf.
Aanbrengen
1. Reinig de contactvlakken op het wiel en de
naaf.
2. Breng het wiel aan. Breng de wielbouten
aan.
266
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
G021780
Leg nooit iets tussen de krik en de ondergrond en evenmin tussen de krik en het
kriksteunpunt.
6. Er zitten twee kriksteunpunten aan weerszijden van de auto. Bij elk steunpunt zit een
uitsparing in de kunststof afdekking. Draai
de voet van de krik met de slinger zo ver
omlaag dat de voet plat tegen de grond
aankomt. Controleer of de krik goed aan
het kriksteunpunt bevestigd is (zie afbeelding) en zorg dat de voet recht onder het
steunpunt zit.
WAARSCHUWING
Kruip nooit onder de auto als deze op de krik
staat.
Provisorische bandenreparatie*
4. Draai de wielbouten kruiselings vast. Het is
belangrijk dat u de wielbouten stevig aanhaalt. Haal ze aan met 140 Nm. Controleer
het aanhaalmoment met een momentsleutel.
5. Breng de wieldop aan (bij auto’s met stalen
velgen).
G023309
4. (Voor auto’s met stalen velgen) Wrik de
wieldop los met het uiteinde van een wielsleutel of trek hem met de hand los.
N.B.
De ventieluitsparing in de wieldop bij het
monteren aanbrengen over het ventiel in de
velg.
Algemene informatie
De bandenreparatieset wordt gebruikt om een
lek te dichten alsook om de bandenspanning
te controleren en zo nodig tijdelijk te corrigeren. De set bestaat uit een compressor en een
bus met afdichtmiddel. De set dient om nood-
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 267
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
reparaties uit te voeren. De fles met het afdichtmiddel moet worden vervangen voordat de
houdbaarheidsdatum is verstreken en tevens
na het gebruik.
Het afdichtmiddel dicht banden met een lek in
het loopvlak effectief af.
N.B.
De bandenreparatieset is uitsluitend
bedoeld voor het afdichten van banden met
een lek in het loopvlak.
2. Draai de bevestigingsbout los.
Overzicht
3. Verwijder het blok schuimrubber waarin de
krik en de wielsleutel zitten.
4. Til de bandenreparatieset op.
Leg de onderdelen na het gebruik terug.
WAARSCHUWING
Rijd nooit sneller dan 80 km/h, wanneer u de
noodreparatieset hebt gebruikt. Vervang de
tijdelijk afgedichte band zo spoedig mogelijk (maximale rijafstand 200 km).
De bandenreparatieset leent zich minder goed
voor banden met een gat in het zijvlak. Probeer
geen banden met de provisorische bandenreparatieset af te dichten die grote groeven,
scheuren en dergelijke vertonen.
Sticker, toegestane maximumsnelheid
Bandenreparatieset erbij nemen
Knop
Zet een gevarendriehoek op bij werkzaamheden langs een drukke weg. De bandenreparatieset zit onder de vloer in de bagageruimte.
Kabel
1. Pak de vloermat aan de achterzijde beet en
klap deze naar voren toe op.
Beschermdop
G014337
12V-aansluitingen voor de compressor zitten
voorin bij de middenconsole, achterin bij de
achterbank en in de bagageruimte. Gebruik de
elektrische aansluiting die het dichtst bij de
lekke band zit.
06
Fleshouder (oranje deksel)
Drukreduceerventiel
``
267
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 268
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
Luchtslang
1. Open het deksel van de bandenreparatieset.
Bus met afdichtmiddel
2. Haal de sticker met de toegestane maximumsnelheid uit de set en bevestig de sticker op het stuurwiel.
Manometer
Handschoenen*
WAARSCHUWING
Lekke band repareren
Het afdichtmiddel kan aanleiding geven tot
huidirritatie. Was bij huidcontact het getroffen gebied onmiddellijk schoon met water
en zeep.
3. Controleer of de knop in stand 0 staat en
neem de kabel en de luchtslang erbij.
N.B.
Verbreek de verzegeling van de bus niet
handmatig. Bij het indraaien van de bus
wordt de verzegeling automatisch verbroken.
06
6. Draai het ventieldopje van het wiel los en
schroef de ventielaansluiting van de luchtslang zo ver mogelijk op het ventiel van de
band.
WAARSCHUWING
Laat geen kinderen zonder toezicht in de
auto achter, terwijl de motor loopt.
7. Sluit de kabel op een 12V-aansluiting aan
en start de motor.
WAARSCHUWING
Ga nooit naast de band staan terwijl de
compressor aan het pompen is. Bij barsten,
oneffenheden en dergelijke dient u de compressor onmiddellijk uit te schakelen. Beëindig in dat geval de rit. Neem contact op met
een erkende Volvo-werkplaats.
N.B.
G014338
4. Draai de oranje beschermdop los evenals
de dop op de bus met afdichtmiddel.
Voor informatie over de werking van de onderdelen (zie voorgaande afbeelding).
268
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Bij het inschakelen van de compressor kan
de spanning aanvankelijk oplopen tot 6 bar,
maar zal na ca. 30seconden weer dalen.
WAARSCHUWING
Draai de bus niet los. De bus is voorzien van
een pakking die lekkage tegengaat.
5. Draai de bus in de bushouder vast.
8. Zet de knop in stand I.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 269
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
BELANGRIJK
Er bestaat gevaar voor oververhitting. De
compressor mag niet langer dan 10 minuten
achtereen werken.
9. Vul de band 7 minuten lang met afdichtmiddel.
WAARSCHUWING
Als de bandenspanning lager is dan 1,8 bar,
is het gat in de band te groot. Beëindig in
dat geval de rit. Neem contact op met een
erkende Volvo-werkplaats.
10. Schakel de compressor uit om de bandenspanning van de manometer af te lezen. De
bandenspanning dient minimaal 1,8 bar en
maximaal 3,5 bar te bedragen.
11. Schakel de compressor uit en trek de kabel
los uit de 12V-aansluiting.
12. Koppel de slang los van het ventiel en
plaats het ventieldopje terug.
13. Leg zo spoedig mogelijk na de reparatie
ca. 3 km af bij een snelheid van maximaal
80 km/h, zodat het afdichtmiddel de band
kan afdichten.
Band oppompen
De compressor is berekend op het oppompen
van de originele banden die op de auto zitten.
1. De compressor moet uitstaan. Zorg dat de
knop in stand 0 staat en neem de kabel en
de luchtslang erbij.
2. Draai het ventieldopje van het wiel los en
schroef de ventielaansluiting van de luchtslang zo ver mogelijk op het ventiel van de
band.
WAARSCHUWING
Inademen van uitlaatgassen kan levensgevaarlijk zijn. Laat de motor nooit draaien in
ruimten die zijn afgesloten of onvoldoende
geventileerd worden.
BELANGRIJK
Er bestaat gevaar voor oververhitting. De
compressor mag niet langer dan 10 minuten
achtereen werken.
5. Pomp de band op tot de druk die in de
bandenspanningstabel staat aangegeven
(laat eventueel lucht ontsnappen met het
drukreduceerventiel, als de bandenspanning te hoog is).
6. Schakel de compressor uit. Koppel de
luchtslang en de kabel los.
7. Plaats het ventieldopje terug.
Reparatieresultaat en bandenspanning
controleren
1. Sluit de uitrusting opnieuw aan.
WAARSCHUWING
Laat geen kinderen zonder toezicht in de
auto achter, terwijl de motor loopt.
2. Lees de bandenspanning van de manometer af.
•
Als de spanning lager is dan 1,3 bar,
werd de band onvoldoende afgedicht.
Beëindig in dat geval de rit. Neem contact op met een erkende Volvo-werkplaats.
•
Als de bandenspanning hoger is dan
1,3 bar, moet u de band oppompen tot
de spanning die staat aangegeven in de
bandenspanningstabel. Laat lucht uit de
3. Sluit de kabel aan op een van de 12V-aansluitingen in de auto en start de motor.
4. Schakel de compressor in door de knop in
stand I te zetten.
06
``
269
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 270
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
band ontsnappen, als de bandenspanning te hoog is.
WAARSCHUWING
Draai de bus niet los. De bus is voorzien van
een pakking die lekkage tegengaat.
3. Schakel de compressor uit. Koppel de
luchtslang en de kabel los. Plaats het ventieldopje terug.
4. Leg de bandenreparatieset terug in de
bagageruimte.
N.B.
Vervang de bus met afdichtmiddel en de
slang na gebruik. Laat het vervangen over
aan een erkende Volvo-werkplaats.
06
WAARSCHUWING
Controleer de bandenspanning regelmatig.
WAARSCHUWING
Rijd nooit sneller dan 80 km/h, wanneer u de
bandenreparatieset voor een noodreparatie
hebt gebruikt. Bezoek een erkende Volvowerkplaats om de afgedichte band te laten
controleren (maximale rijafstand 200 km).
Het personeel kan bepalen of de band te
repareren is of moet worden vervangen.
Maataanduiding
Op alle autobanden staat een bepaalde maataanduiding. Een voorbeeld van een dergelijke
aanduiding:
225/50R17 94 W.
225
Breedte van de band (mm)
50
Verhouding tussen de hoogte en
breedte van de band (%)
R
Aanduiding voor radiaalbanden
17
Velgdiameter van de band (")
De bus bevat 1,2-ethanol en natuurrubberlatex.
94
Aanduiding van het draagvermogen
van de band
Gevaarlijk bij inwendig gebruik. Kan aanleiding geven tot overgevoeligheid bij huidcontact.
W
Aanduiding van de snelheidslimiet
van de band (in dit geval 270 km/h).
Bus met afdichtmiddel vervangen
Vervang de bus voordat de houdbaarheidsdatum verstreken is. Behandel de vervangen bus
als klein chemisch afval (KCA).
WAARSCHUWING
Contact met huid en ogen vermijden.
Buiten bereik van kinderen bewaren.
Rijd naar de dichtstbijzijnde erkende Volvowerkplaats om de beschadigde band te laten
vervangen/repareren. Geef aan het werkplaatspersoneel door dat er afdichtmiddel in de
band zit.
Specificaties
N.B.
Geef de bus af bij een inzamelingsstation
voor opslag van KCA.
Snelheidsaanduidingen
De auto is voorzien van een typegoedkeuring
voor de uitvoering waarin deze werd aangeleverd. Dat betekent dat u niet mag afwijken van
de afmetingen en snelheidsaanduidingen die
staan aangegeven op de typegoedkeuring van
de auto.
De enige uitzondering daarop vormt het
gebruik van winterbanden (zowel banden met
270
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 271
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
De gesteldheid van het wegdek is bepalend
voor de maximumsnelheid en niet de snelheidsaanduiding op de banden.
Q
160 km/h (alleen voor winterbanden)
T
190 km/h
H
210 km/h
V
240 km/h
W
270 km/h
Y
300 km/h
Op de sticker voor op de portierstijl aan de
bestuurderszijde (tussen voor- en achterportier) staat de juiste bandenspanning voor uw
auto aangegeven bij verschillende belading en
snelheid. De bandenspanning staat ook in de
bandenspanningstabel (zie verderop).
N.B.
De aangegeven snelheid in de tabel is de
maximumsnelheid.
Bandenspanning
•
Bandenspanning bij gebruik van de aanbevolen bandenmaat
•
•
ECO-bandenspanning
Bandenspanning compact reservewiel
(Temporary Spare)
N.B.
De bandenspanning hangt af van de temperatuur.
G021830
als zonder “spikes”). Bij gebruik van dergelijke
banden mag u niet sneller rijden dan de maximumsnelheid die voor het gebruikte bandentype geldt (voor aanduiding Q geldt bijvoorbeeld een maximumsnelheid van 160 km/h).
06
``
271
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 272
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
Aanbevolen bandenspanning
Uitvoering V70
6-cil.
Bandenmaat
Snelheid
(km/h)
Belading (1–3 inz.), auto
zonder TPMS
Belading
(1–3 inz.),
auto met
TPMS
Max. belasting
ECO-bandenspanning A
Voor (kPa) B
Achter
(kPa)
Voor/
achter
(kPa)
Voor (kPa)
Achter
(kPa)
Voor/achter
(kPa)
225/55 R 16
Tot 160
230
210
230
260
260
260
225/50 R 17
160 +
280
280
280
300
300
-
Tot 160
230
210
230
260
260
260
160 +
270
270
270
290
290
-
245/45 R 17
245/40 R 18
06
5-cil. diesel
225/55 R 16
Tot 160
220
210
220
260
260
260
185 pk
225/50 R 17,
160 +
260
260
260
270
270
-
Tot 160
230
210
230
260
260
260
160 +
260
260
260
270
270
-
245/45 R 17
245/40 R 18
272
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 273
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
Uitvoering V70
Bandenmaat
Snelheid
(km/h)
Belading (1–3 inz.), auto
zonder TPMS
Belading
(1–3 inz.),
auto met
TPMS
Max. belasting
ECO-bandenspanning A
Voor (kPa) B
Achter
(kPa)
Voor/
achter
(kPa)
Voor (kPa)
Achter
(kPa)
Voor/achter
(kPa)
4-cil. diesel
225/55 R 16
Tot 160
220
210
220
260
260
260
5-cil. diesel
225/50 R 17
160 +
260
260
260
270
270
-
163 pk
245/45 R 17
4-cil./5-cil.
245/40 R 18
Tot 160
230
210
230
260
260
260
160 +
260
260
260
270
270
-
Tot 160
230
210
230
260
260
260
160 +
270
270
270
290
290
-
max. 80
420
420
420
420
420
-
benzine
4-cil./5-cil.
FlexiFuel
205/60 R 16
06
Reservewiel C
A
B
C
T 125/80 R 17
Zuinig rijden.
In sommige landen wordt de bandenspanning ook wel in bar aangegeven in plaats van in pascal (1 bar = 100 kPa).
Compact reservewiel.
``
273
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 274
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
Uitvoering
XC70
6-cil., 5-cil.
Bandenmaat
Snelheid
(km/h)
Belading(1 – 3 inzittenden)
Max. belasting
ECO-bandenspanning A
Voor (kPa) B
Achter (kPa)
Voor (kPa)
Achter
(kPa)
Voor/achter (kPa)
215/65 R 16
Tot 160
230
230
260
260
260
235/55 R 17
160 +
240
240
280
280
-
max. 80
420
420
420
420
-
235/50 R 18
235/45 R 19
Reservewiel C
A
B
C
06
T 125/80 R 17
Zuinig rijden.
In sommige landen wordt de bandenspanning ook wel in bar aangegeven in plaats van in pascal (1 bar = 100 kPa).
Compact reservewiel.
Brandstofbesparing, ECObandenspanning
koude banden (kan verschillen naargelang van
de buitentemperatuur).
Om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te
houden wordt geadviseerd de aangegeven
bandenspanning bij maximale belading aan te
houden bij snelheden tot 160 km/h.
Een te lage bandenspanning heeft een negatieve inwerking op het brandstofverbruik, de
levensduur van de banden en de rijeigenschappen van de auto. Wanneer u met een te
lage bandenspanning rijdt, kunnen de banden
oververhit en beschadigd raken. De bandenspanning is van invloed op het rijcomfort, de
stuureigenschappen en de geproduceerde
weggeluiden.
Bandenspanning controleren
Controleer iedere maand de bandenspanning.
Dit geldt eveneens voor het reservewiel. Al na
enkele kilometers rijden worden de banden
warm en loopt de spanning op. Controleer de
bandenspanning wanneer de banden koud
zijn. De aangegeven bandenspanning geldt bij
274
N.B.
Het is een natuurlijk gegeven dat de bandenspanning na verloop van tijd afneemt.
De bandenspanning varieert ook naargelang van de omgevingstemperatuur.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 275
06 Onderhoud en specificaties
Verzorging
Auto wassen
Was de auto zodra deze vuil geworden is. Zorg
dat de auto op een spoelvloer met olieafscheider staat. Gebruik autoshampoo.
•
Verwijder vogelpoep zo spoedig mogelijk
van de lak. Vogelpoep bevat namelijk stoffen die de lak aantasten en deze zeer snel
doen verkleuren. U wordt geadviseerd een
dergelijke verkleuring te laten herstellen
door een erkende Volvo-werkplaats.
•
Spoel het onderstel af. Houd bij het gebruik
van een hogedrukreiniger de spuitkop ten
minste 30 cm van gelakte onderdelen af.
•
Spoel de auto in zijn geheel af om het vuil
los te weken. Spuit niet rechtstreeks in de
richting van de sloten.
•
Was de auto met een spons, autoshampoo
en een ruime hoeveelheid lauw water.
•
Reinig de wisserbladen met een lauwe
zeepoplossing of autoshampoo.
•
Gebruik een koud ontvettingsmiddel voor
hardnekkig vuil.
•
Droog de auto af met een schoon en zacht
stuk zeemleer of een trekker.
WAARSCHUWING
Laat het schoonmaken van de motor altijd
over aan een werkplaats. Als de motor heet
is, bestaat er gevaar voor brand.
BELANGRIJK
Vuile koplampen werken minder goed.
Maak ze daarom regelmatig schoon, tijdens
het tanken bijvoorbeeld.
N.B.
Bij de externe verlichting zoals de koplampen, mistlampen en achterlichten kan tijdelijk condens optreden aan de binnenkant
van het lampglas. Dit is een natuurlijk verschijnsel en alle externe verlichting is erop
gebouwd om dit zoveel mogelijk te voorkomen. Condens verdwijnt normaal uit het
lamphuis, wanneer de lamp enige tijd
brandt.
Automatische wasstraten
In een automatische wasstraat kunt u de auto
weliswaar snel en eenvoudig schoonmaken,
maar de borstels van de wasstraat kunnen niet
overal even goed bij. Voor het beste resultaat
wordt u geadviseerd de auto met de hand te
wassen.
N.B.
U wordt geadviseerd de eerste maanden na
aankoop van een nieuwe auto deze alleen
met de hand te wassen. Een nieuwe laklaag
is namelijk kwetsbaarder dan een oude
laag.
Remmen testen
Wisserbladen schoonmaken
Door teer-, stof- en zoutresten op de wisserbladen en insecten, ijs e.d. op de voorruit gaan
wisserbladen minder lang mee.
N.B.
Reinig de wisserbladen en de voorruit regelmatig met een lauwe zeepoplossing of autoshampoo.
Gebruik geen sterke oplosmiddelen.
WAARSCHUWING
Test na het wassen van de auto altijd de
remmen (en dus ook de handrem) om te
voorkomen dat vocht en corrosie de remblokken aantasten, waardoor de remwerking afneemt.
06
Trap zo nu en dan lichtjes op het rempedaal,
als u lange afstanden in de regen of sneeuwmodder aflegt. Door de wrijving worden de
remblokken warm, zodat het vocht verdampt.
Doe hetzelfde bij zeer vochtig of koud weer.
``
275
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 276
06 Onderhoud en specificaties
Verzorging
Kunststof en rubber exterieuronderdelen
en sieronderdelen
Voor het schoonmaken van gekleurde kunststof onderdelen, rubber onderdelen en sieronderdelen zoals glimmende strips, wordt geadviseerd het speciale reinigingsmiddel te
gebruiken dat bij de Volvo-werkplaats verkrijgbaar is. Volg bij het gebruik van dit reinigingsmiddel de gebruiksvoorschriften nauwkeurig
op.
BELANGRIJK
Onderdelen van kunststof en rubber niet in
de was zetten of oppoetsen.
Bij het poetsen van glimmende strips kunt u
de glimmende laag beschadigen of verwijderen.
Gebruik geen schurende poetsmiddelen.
06
Velgen
Gebruik alleen de reinigingsmiddelen die Volvo
adviseert. Sterke velgreinigingsmiddelen kunnen het oppervlak beschadigen en vlekken veroorzaken op verchroomde lichtmetalen velgen.
276
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Poetsen en in de was zetten
Poets de auto en zet deze in de was, wanneer
de lak er dof uitziet of als u deze extra bescherming wilt bieden.
U hoeft een nieuwe auto pas na een jaar te
poetsen. In de was zetten kunt u eerder doen.
Zorg dat de auto bij het poetsen of in de was
zetten niet in direct zonlicht staat.
Was de auto en droog deze zorgvuldig af, voordat u begint te poetsen of de was aanbrengt.
Verwijder asfalt- en teervlekken met de teerverwijderaar van Volvo of met terpentine. U
kunt hardnekkige vlekken met een speciaal
voor autolak bestemde, fijne schuurpasta
(“rubbing compound”) verwijderen.
Poets de lak eerst op en behandel deze daarna
met was in vloeibare of vaste vorm. Volg de
aanwijzingen op de verpakking nauwkeurig op.
Veel preparaten bevatten zowel poetsmiddel
als was.
BELANGRIJK
Lakbehandelingen zoals lakconservering,
verzegeling, bescherming, glansverzegeling
e.d. kunnen lakschade veroorzaken. Lakschade als gevolg van dergelijke behandelingen valt niet onder de Volvo-garantie.
Voorste zijruiten met waterafstotende
laag schoonmaken*
Gebruik nooit producten zoals autowas, ontvetters e.d. op het glasoppervlak, omdat de waterafstotende laag daardoor beschadigd kan raken.
Wees voorzichtig bij het schoonmaken om te
voorkomen dat er krassen in het glasoppervlak
ontstaan.
Om schade aan het glas te voorkomen dient u
voor het verwijderen van ijs alleen een krabber
van kunststof te gebruiken.
De waterafstotende laag staat bloot aan
natuurlijke slijtage.
Om de waterafstotende eigenschappen te
behouden, wordt geadviseerd de behandeling
te vernieuwen met een nabehandelingsmiddel
dat verkrijgbaar is bij een erkende Volvo-werkplaats. Gebruik het middel de eerste keer na
drie jaar en daarna ieder jaar.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 277
06 Onderhoud en specificaties
Verzorging
Roestwering, controleren en
onderhouden
De auto heeft in de fabriek een uiterst grondige
en complete roestwerende behandeling ondergaan. De carrosserie bestaat ten dele uit gegalvaniseerd plaatwerk. Het onderstel is voorzien
van een slijtvaste bodembescherming. In de
balken, holten en gesloten profielen werd een
dunne, doordringende roestwerende vloeistof
gespoten.
De roestwering van de auto hoeft normaal
gesproken pas na ca. 12 jaar voor het eerst te
worden nabehandeld. De auto moet daarna om
de drie jaar een nabehandeling ondergaan.
Neem contact op met een erkende Volvowerkplaats, als de auto een nabehandeling
nodig heeft.
Vuil en strooizout kunnen aanleiding geven tot
corrosie. Het is daarom belangrijk de auto
schoon te houden. Om de roestwering van de
auto in optimale staat te houden moet u de
beschermingslaag regelmatig controleren en
zo nodig bijwerken.
Interieur reinigen
Gebruik alleen reinigingsmiddelen en autoverzorgingsproducten die door Volvo geadviseerd
worden. Maak de bekleding regelmatig schoon
en volg daarbij de gebruiksaanwijzingen bij het
autoverzorgingsproduct op.
Vlekken op stoffen bekleding en
plafondbekleding
Om de brandvertragende eigenschappen van
de bekleding niet aan te tasten wordt geadviseerd een speciaal reinigingsmiddel voor stoffen bekleding te gebruiken dat verkrijgbaar is
bij erkende Volvo-werkplaatsen. Gebruik water
en een synthetisch wasmiddel bij het schoonmaken van veiligheidsgordels. Zorg dat de gordel droog is, voordat deze weer wordt opgerold.
BELANGRIJK
Scherpe voorwerpen en klittenband kunnen
de stoffen bekleding beschadigen.
Behandeling van vlekken op leren
bekleding
De leren bekleding van Volvo is chroomvrij en
voldoet aan de norm Öko-Tex 100.
Het leer wordt veredeld en bewerkt zodat het
zijn natuurlijke eigenschappen houdt. Het leer
is voorzien van een beschermende toplaag,
maar om de goede eigenschappen en het
fraaie uiterlijk te behouden is regelmatige verzorging van het leer vereist. Volvo biedt een
universeel leerverzorgingsproduct waarmee u
leren bekleding kunt schoonmaken en de
beschermende laag kunt herstellen mits u het
volgens de instructies opvolgt. Na enig tijd in
gebruikt te zijn geweest krijgt het leer zijn
natuurlijke patina, afhankelijk van de oppervlaktestructuur. Een dergelijk patina maakt
deel van het natuurlijke verouderingsproces
van het leer en geeft aan dat het om een natuurproduct gaat.
Voor de beste resultaten adviseert Volvo de
beschermende crème een- à viermaal per jaar
(zo nodig vaker) op te brengen. Vraag bij de
erkende Volvo-werkplaats naar het speciale
leerverzorgingsproduct van Volvo.
BELANGRIJK
06
Gebruik nooit sterke oplosmiddelen. Dergelijke middelen kunnen bekleding van textiel,
vinyl en leer beschadigen.
BELANGRIJK
Let erop dat de bekleding kan verkleuren bij
contact met materialen die afgeven (nieuwe
spijkerbroek, gekleurde suède kleding e.d.).
``
277
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 278
06 Onderhoud en specificaties
Verzorging
2. Behandel de vlek voorzichtig met cirkelende bewegingen.
3. Dep de vlek zorgvuldig met de spons. Laat
de vlek in de spons trekken. Wrijf niet.
06
Matten en bagageruimte
Haal de inlegmatten uit de auto om de vloerbekleding en de inlegmatten ieder apart
schoon te kunnen maken. Gebruik een stofzuiger om vuil en stof te verwijderen.
Beschermende laag aanbrengen op
leren bekleding
Lakschade herstellen
2. Laat het leer 20 minuten drogen alvorens
erop plaats te nemen.
Daarmee is het leer beter beschermd tegen
vlekken en uv-straling.
Behandeling van vlekken op
interieuronderdelen van kunststof,
metaal en hout
Voor het reinigen van interieuronderdelen en panelen van kunststof worden met water
278
Krab of wrijf nooit over een vlek. Gebruik nooit
sterke vlekkenmiddelen. Voor de hardnekkige
vlekken kunt u een speciaal reinigingsmiddel
gebruiken dat verkrijgbaar is bij de erkende
Volvo-werkplaats.
4. Veeg het behandelde gebied met een stuk
zacht papier of een doek af en laat het leer
volledig drogen.
1. Breng wat van de beschermende crème op
de vilten doek aan en wrijf de crème in cirkelende bewegingen voorzichtig in het
leer.
Kleurcode
De lak vormt een belangrijk onderdeel van de
roestwering van de auto en moet daarom
regelmatig worden gecontroleerd. Om roestvorming te voorkomen moet u lakschade
meteen herstellen. De meest voorkomende
soorten lakschade zijn bijvoorbeeld steenslagplekken, krassen en plekjes op de spatbordranden en portieren.
G021831
1. Breng een weinig van het leerreinigingsproduct op een vochtige spons aan en
knijp erin om een dikke laag schuim te krijgen.
bevochtigde splitfiber- of microvezeldoeken
geadviseerd, die verkrijgbaar zijn bij een
erkende Volvo-werkplaats.
Het is belangrijk dat u exact de juiste lakkleur
gebruikt. De kleurcode van de autolak staat op
het typeplaatje (zie pagina 280).
Steenslagschade herstellen
Benodigdheden
•
•
•
•
grondlak (primer) in een bus
lak in een bus of een lakstift
kwastje
afplaktape
G021832
Reinigingsvoorschriften voor leren
bekleding
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 279
06 Onderhoud en specificaties
Verzorging
Vóór het herstel van lakschade moet u de auto
schoonmaken en goed laten drogen. Zorg er
bovendien voor dat de auto warmer is dan
15 °C.
1. Plak een stuk afplaktape over het beschadigde gebied heen. Trek de tape weer van
de lak af om zoveel mogelijk lakresten te
verwijderen.
2. Roer de grondlak (primer) zorgvuldig om en
breng deze met een fijn kwastje of een lucifer aan. Breng de lak met een kwastje aan,
wanneer de primer droog is.
3. Krassen kunt u op dezelfde manier herstellen, maar dek ter bescherming de onbeschadigde lak rond de kras af.
4. Poets de herstelde lak na enkele dagen op.
Gebruik daarvoor een zachte doek met een
geringe hoeveelheid schuurpasta.
06
N.B.
Als de steenslagplek niet tot op het blanke
plaatwerk is doorgedrongen en er nog een
intacte laklaag over is, volstaat het om na
reiniging van het beschadigde gebied de
ontbrekende lak aan te brengen.
279
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 280
06 Onderhoud en specificaties
Type-aanduidingen
Positie van stickers en plaatjes
G032087
06
280
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 281
06 Onderhoud en specificaties
Type-aanduidingen
Wanneer u contact opneemt met uw erkende
Volvo-werkplaats of vervangende onderdelen
of accessoires wilt bestellen, kan het handig
zijn om de type-aanduiding, het chassisnummer en het motornummer bij de hand te hebben.
Type-aanduiding, chassisnummer, maximaal toelaatbaar gewicht, kleurcodes voor
lak en bekleding en typegoedkeuringsnummer.
Sticker voor standverwarming.
Motoroliesticker met de kwaliteit en viscositeit van de te gebruiken olie.
Type-aanduiding van de motor, onderdeelen serienummer
Type-aanduiding en serienummer van de
versnellingsbak.
Handgeschakelde versnellingsbak
06
Automatische versnellingsbak
Identificatienummer van de auto (VIN,
Vehicle Identification Number)
De typegoedkeuring van de auto bevat meer
informatie over de auto.
281
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 282
06 Onderhoud en specificaties
Specificaties
G017404
Maten
V70.
06
282
Positie op
afbeel
ding
Maten
mm
Positie op
afbeel
ding
Maten
mm
Positie op
afbeel
ding
Maten
mm
A
Wielbasis
2816
E
Hoogte
1547
H
Breedte
1861
B
Lengte
4823
F
Spoorbreedte vooras
1578
I
2106
C
Laadlengte, vloer,
achterbank neergeklapt
1878
G
Spoorbreedte achteras
1576
Breedte incl. buitenspiegels
D
Laadlengte, vloer
1089
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 283
06 Onderhoud en specificaties
G017405
Specificaties
XC70.
Positie op
afbeel
ding
Maten
mm
Positie op
afbeel
ding
Maten
mm
A
Wielbasis
2815
F
Spoorbreedte vooras
1604
B
Lengte
4838
G
1570
C
Laadlengte, vloer, achterbank neergeklapt
1878
Spoorbreedte achteras
H
Breedte
1861
D
Laadlengte, vloer
1089
I
2119
E
Hoogte
1604
Breedte incl. buitenspiegels
Gewichten
Bij het rijklaar gewicht zijn het gewicht van de
bestuurder, dat van de brandstoftank die voor
90 % gevuld is en dat van de resterende oliën/
vloeistoffen e.d. inbegrepen. Het gewicht van
de passagiers en de gemonteerde accessoires
zoals een trekhaak, lastdragers, skibox e.d.
alsmede de kogeldruk (bij gebruik van een aanhanger (zie tabel)) zijn van invloed op het laadvermogen en zijn niet inbegrepen bij het rijklaar
gewicht. Toelaatbare belasting (zonder
bestuurder) = totaalgewicht – rijklaar gewicht.
06
``
283
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 284
06 Onderhoud en specificaties
Specificaties
Max. voorasdruk
WAARSCHUWING
Afhankelijk van de belading van de auto en
het zwaartepunt van de lading treden er wijzigingen in de rijeigenschappen op.
Max. achterasdruk
Uitrustingsniveau
Max. belasting: Zie typegoedkeuring.
G017755
Max. dakbelasting: 100 kg.
Voor informatie over de positie van de sticker (zie
pagina 280).
06
Max. totaalgewicht
Max. treingewicht (auto + aanhanger)
284
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 285
06 Onderhoud en specificaties
Specificaties
Trekgewicht en kogeldruk
Model
Versnellingsbak
Aanhangergewicht geremd
(kg)
Kogeldruk (kg)
Tot 1200
50
Alle
Alle
2.0
MTX75
max. 1500
75
2.0F
MTX75
max. 1500
75
2.5FT
Handbak (M66)
max. 1600
75
2.5FT
Automaat (TF-80SC)
max. 1800
75
2.5T
Handbak (M66)
max. 1800
75
2.5T
Automaat (TF-80SC)
max. 1800
75
3.2
Automaat (TF-80SC)
max. 1800
75
T6
Automaat (TF-80SC), AWD
max. 2000
90
2.0D
MMT6
max. 1600
75
2.4D
Handbak (M66)
V70 max. 1800
75
2.4D
Automaat (TF-80SC)
V70 max. 1800
75
2.4D
Handbak AWD
XC70 max. 2100
90
2.4D
Automaat AWD
XC70 max. 2100
90
D5
Handbak (M66)
V70 max. 1800
75
D5
Automaat (TF-80SC)
V70 max. 2000
90
06
``
285
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 286
06 Onderhoud en specificaties
Specificaties
Model
D5
D5
Versnellingsbak
Aanhangergewicht geremd
(kg)
Handbak AWD
Automaat AWD
Kogeldruk (kg)
V70 max. 1800
V70 75
XC70 max. 2100
XC70 90
V70 max. 2000
90
XC70 max. 2100
Aanhangergewicht ongeremd
(kg)
Kogeldruk (kg)
max. 750
50
N.B.
Bij aanhangers zwaarder dan 1800 kg wordt
geadviseerd een stabilisatorkoppeling te
gebruiken.
Motorspecificaties
06
286
Specificatie/model
2.0F
2.0
2.5T
2.5FT A
3.2
Motoraanduiding
B4204S4
B4204S3
B5254T6
B5254T8
B6324S
Vermogen (kW bij
omw/min)
107/6000
107/6000
147/4800
147/4800
175/6200
210/5600
Vermogen (pk bij omw/
min)
145/6000
145/6000
200/4800
200/4800
238/6200
285/5600
Motorkoppel (Nm bij
omw/min)
190/4500
190/4500
300/1500–4500
300/1500–4500
320/3200
400/1500–4800
T6
B6304T2
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 287
06 Onderhoud en specificaties
Specificaties
A
Specificatie/model
2.0F
2.0
2.5T
2.5FT A
3.2
T6
Aantal cilinders
4
4
5
5
6
6
Cilinderboring (mm)
87
87
83
83
84
82
Slaglengte (mm)
83,0
83,0
93,2
93,2
96
93,2
Slagvolume (liter)
1,99
1,99
2,521
2,521
3,192
2,953
Compressieverhouding
10,8:1
10,8:1
9,0:1
9,0:1
10,8:1
9,3:1
Alleen V70.
2.0D
2.4D A
D5
D4204T
D5244T5
D5244T4
Vermogen (kW bij omw/min)
100/4000
120/4000
136/4000
Vermogen (pk bij omw/min)
136/4000
163/4000
185/4000
Motorkoppel (Nm bij omw/min)
320/2000
340/1750–2750
400/2000–2750
Aantal cilinders
4
5
5
Cilinderboring (mm)
85
81
81
88,0
93,1
93,1
Specificatie/model
Motoraanduiding
Slaglengte (mm)
06
``
287
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 288
06 Onderhoud en specificaties
Specificaties
Specificatie/model
2.0D
2.4D A
D5
Slagvolume (liter)
2,00
2,400
2,400
18,5:1
17,3:1
17,3:1
Compressieverhouding
Motorolie
Ongunstige rijomstandigheden
In ongunstige rijomstandigheden kunnen de
olietemperatuur en het olieverbruik abnormaal
toenemen.
Controleer het oliepeil vaker bij lange ritten:
06
•
met een caravan of aanhanger achter de
auto
•
•
•
in bergachtig gebied
•
op hoge snelheden
in temperaturen lager dan –30 °C of hoger
dan +40 °C
doe dat ook bij korte ritten (over afstanden
kleiner dan 10 km) bij lage temperaturen
(onder 5 °C).
In dergelijke omstandigheden kunnen de olietemperatuur en het olieverbruik abnormaal
toenemen.
288
Kies een volsynthetische motorolie bij ongunstige rijomstandigheden. Ze bieden de motor
extra bescherming.
Volvo adviseert olieproducten van Castrol.
BELANGRIJK
Om aan vereisten voor de gespecificeerde
service-intervallen te voldoen worden alle
motoren in de fabriek gevuld met een speciaal aangepaste, synthetische motorolie.
De oliesoort werd met grote zorg geselecteerd lettend op de levensduur van de
motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact. Om de aanbevolen service-intervallen aan te kunnen
houden dient u een goedgekeurde motoroliesoort te gebruiken. Gebruik alleen een
oliesoort van de voorgeschreven kwaliteit
(zie sticker in motorruimte) en dat zowel bij
het bijvullen als verversen van olie. Een
negatieve invloed op de levensduur van de
motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact is anders niet
uitgesloten. Volvo Car Corporation wijst alle
garantieclaims af bij gebruik van een motoroliesoort die niet voldoet aan de voorgeschreven kwaliteits- en viscositeitseisen.
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 289
06 Onderhoud en specificaties
G021834
Specificaties
Viscositeitsdiagram
06
``
289
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 290
06 Onderhoud en specificaties
Specificaties
Oliesticker
Motortype
G032079
2.0D
Wanneer de nevenstaande oliesticker in de
motorruimte zit, geldt het volgende. Voor de
positie (zie pagina 236).
Oliekwaliteit: WSS-M2C913-B
Viscositeit: SAE 5W-30
06
Bij ritten onder ongunstige omstandigheden
ACEA A5/B5 SAE 0W-30 gebruiken.
A
290
Inclusief hoeveelheid in filter
D4204T
Bij te vullen hoeveelheid tussen MIN–MAX (liter)
Hoeveelheid A (liter)
2,0
5,5
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 291
06 Onderhoud en specificaties
Specificaties
Oliesticker
G032078
Motortype
Wanneer de nevenstaande sticker in de motorruimte zit, geldt het volgende. Voor informatie
over de positie van de sticker (zie pagina 236).
Bij te vullen hoeveelheid tussen MIN - MAX (liter)
Hoeveelheid
(liter)
2.0F
B4204S4
0,75
4,3
2.0
B4204S3
0,75
4,3
2.5FT
B5254T8
1,3
5,5
2.5T
B5254T6
1,3
5,5
3.2
B6324S
1,2
7,4
T6
B6304T2
1,2
7,4
D5
D5244T4
1,5
6,0
2.4D
D5244T5
1,5
6,0
Oliekwaliteit: ACEA A5/B5
Viscositeit: SAE 0W-30
06
Overige vloeistoffen en smeermiddelen
Vloeistof
Systeem
Hoeveelheid (liter)
Voorgeschreven kwaliteit
Versnellingsbakolie
Handbak (M66)
2,0
Versnellingsbakolie: MTF 97309
Versnellingsbakolie
Automaat (TF-80SC)
7,0
Versnellingsbakolie: JWS 3309
Versnellingsbakolie
MMT6
1,7
Versnellingsbakolie: BOT 130
Versnellingsbakolie
MTX75
1,9
Versnellingsbakolie: BOT 130
``
291
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 292
06 Onderhoud en specificaties
Specificaties
Vloeistof
Systeem
Koelvloeistof
Benzinemotor 2.0
7,55
Benzinemotor 2.0F
7,55
Benzinemotor 2.5F B
9,0
Benzinemotor 3.2
8,9
Benzinemotor 2.5T
9,0
Benzinemotor T6
8,9
Dieselmotor 2.0D
9,15
Dieselmotor D5/2,4D
12,65
Airconditioning
C
-
Hoeveelheid (liter)
-
Voorgeschreven kwaliteit
Koelvloeistof met corrosiewerende
dope aangelengd met water A (zie
verpakking).
Olie: PAG
Koudemiddel: R134a (HFC134a)
06
292
Remvloeistof
-
0,6
DOT 4+
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 293
06 Onderhoud en specificaties
Specificaties
Vloeistof
Systeem
Hoeveelheid (liter)
Stuurbekrachtiging
-
1,2
Stuurbekrachtigingsvloeistof WSS
M2C204-A2 of een soortgelijk product.
Ruitensproeiervloeistof
-
6,5
Bij vorst wordt geadviseerd een
door Volvo aanbevolen ruitensproeier-antivries aangelengd met
water te gebruiken.
4,5
A
B
C
D
D
Voorgeschreven kwaliteit
De waterkwaliteit dient te voldoen aan de norm STD 1285,1.
Alleen V70.
Hangt af van het motortype. Neem contact op met een erkende Volvo-werkplaats voor de juiste gegevens.
Auto’s zonder koplampsproeiers
N.B.
Onder normale rijomstandigheden hoeft u
de versnellingsbakolie nooit te verversen.
Bij ongunstige rijomstandigheden kan dat
echter wel nodig zijn (zie pagina 288).
06
``
293
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 294
06 Onderhoud en specificaties
Specificaties
Verbruik, uitstoot en tankinhoud
Verbruik (in
liter/100 km)
Uitstoot van kooldioxide (CO2, in
g/km)
Tankinhoud (liter)
Handgeschakelde
vijfversnellingsbak
(MTX75)
8,6
206
ca. 70
Handgeschakelde
vijfversnellingsbak
(MTX75)
8,6
206
ca. 70
Handbak (M66)
9,2
220
ca. 70
B5254T8
Automaat (TF-80SC)
10,2
243
ca. 70
2.5FTA
B5254T8
Handbak (M66)
9,4
224
ca. 70
2.5FTA
B5254T8
Automaat (TF-80SC)
10,4
247
ca. 70
2.5T
B5254T6
Handbak (M66)
9,5
227
ca. 70
2.5T
B5254T6
Automaat (TF-80SC)
10,2
243
ca. 70
3.2
B6324S
Automaat (TF-80SC)
10,5
251
ca. 70
3.2
B6324S
Automaat (TF-80SC),
AWD
V70 11,5
V70 275
ca. 70
XC70 11,4
XC70 272
Model
Motor
Versnellingsbak
B4204S3
2.0
2.0FA
2.5FTA
(Milieu-auto Zweden)
2.5FTA
B4204S4
B5254T8
(Milieu-auto Zweden)
06
294
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 295
06 Onderhoud en specificaties
Specificaties
Verbruik (in
liter/100 km)
Uitstoot van kooldioxide (CO2, in
g/km)
Tankinhoud (liter)
Automaat (TF–80SC)
AWD
11,3
270
ca. 70
D4204T
MMT6
5,9
157
ca. 70
D5
D5244T4
Handbak (M66)
6,7
178
ca. 70
D5
D5244T4
Automaat (TF-80SC)
7,7
203
ca. 70
D5
D5244T4
Handbak (M66) AWD
V70 7,3
V70 194
ca. 70
XC70 7,5
XC70 199
Model
Motor
T6
B6304T2
2.0D
D5
2.4D
2.4D
A
D5244T4
D5244T5
D5244T5
Versnellingsbak
Automaat (TF–80SC)
AWD
Handbak (M66)
Automaat (TF-80SC)
V70 8,1
V70 214
XC70 8,3
XC70 219
V70 6,7
V70 178
XC70 7,5
XC70 199
V70 7,7
V70 203
XC70 8,3
XC70 219
ca. 70
ca. 70
06
ca. 70
FlexiFuel-modellen kunnen op een willekeurige soort loodvrije benzine (95 RON) of op bio-ethanol (E 85) rijden of op een mengsel daarvan. De auto neemt ca. 40 % meer bij gebruik van E 85 vanwege
de lagere energie-inhoud.
Brandstofverbruik en uitstoot van
kooldioxide
conform de EU-richtlijn 80/1268(combinatierit).
De officiële brandstofverbruikscijfers zijn gebaseerd op een gestandaardiseerde rijcyclus
De rijstijl en andere niet-technische factoren
zijn van invloed op het brandstofverbruik. Voor
meer informatie (zie pagina 9).
Elektrisch systeem
12V-systeem met wisselstroomdynamo en
spanningsregelaar. Enkelpolig systeem waarbij het chassis en het motorblok als geleiders
``
295
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 296
06 Onderhoud en specificaties
Specificaties
worden gebruikt. De minpool is verbonden met
het chassis.
BELANGRIJK
Let er bij het vervangen van de accu op, dat
de nieuwe accu dezelfde koudestartcapaciteit en reservecapaciteit als de originele
accu heeft (zie sticker op de accu).
Prestaties accu
Motor
2.5T, 2.5FT
2.0, 2.0F, 3.0T, 3.2
2.0D, D5,
2.4D
12
12
12
Koudestartcapaciteit (A)
520–800
520–700
700
Reservecapaciteit (min.)
100–150
100–135
135
Spanning (V)
06
296
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 297
06 Onderhoud en specificaties
Typegoedkeuring
Afstandsbedieningssysteem
Land
A, B, CY, CZ, D, DK,
E, EST, F, FIN, GB,
GR, H, I, IRL, L, LT,
LV, M, NL, P, PL, S,
SK, SLO
A
IS, LI, N, CH
HR
ROK
Delphi 15-07-2003,
Duitsland RLPD1-03-0151
BR
06
RC
CCAB06LP1940T4
A
Hierbij verklaart Delphi dat het transpondersleutelsysteem in
overeenstemming is met de essentiële eigenschappen en
overige relevante bepalingen zoals beschreven in de EUrichtlijn 1999/5/EG.
297
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 298
07 Alfabetisch register
A
Achteruitkijkspiegel.................................... 95
autodimfunctie...................................... 95
Aanbevolen veiligheidzitjes, tabel.............. 31
Actief chassis (FOUR-C).......................... 159
Aanhanger................................................ 224
kabel................................................... 224
rijden met een aanhanger................... 224
Actieve Bi-XenonŸ-koplampen................. 81
Aanpassen, lichtbundel............................. 85
Aanrijding................................................... 28
Aanstekeropening.................................... 192
achterbank.......................................... 193
voorstoel............................................. 193
ACC – Adaptieve cruisecontrol................ 162
ACC gedeactiveerd.................................. 160
Accu......................................................... 249
onderhoud.......................................... 249
starten met hulpaccu.......................... 102
symbolen op de accu......................... 249
transpondersleutel/PCC....................... 47
waarschuwingssymbolen................... 249
07
Achterklep.................................................. 54
openen.................................................. 54
vergrendelen/ontgrendelen............ 42, 53
Achterruit, elektrische verwarming............ 95
Achterste bedieningspaneel
audiosysteem..................................... 138
298
Adaptatie................................................. 101
Adaptieve cruisecontrol........................... 162
radarsensor......................................... 165
storingen opsporen............................ 166
Afstandsbediening
programmeerbaar............................... 115
Afstandsbediening, zie Transpondersleutel............................................................... 40
Afstandsbedieningssysteem, typegoedkeuring..................................................... 297
Afstandscontrole...................................... 169
Airbag
activeren/deactiveren, PACOS............. 20
bestuurders- en passagierszijde.......... 18
deactiveren/activeren........................... 20
Airconditioning......................................... 130
algemene informatie........................... 125
Airconditioning, AC.................................. 130
Alarm.......................................................... 58
activeren............................................... 58
alarmindicatie....................................... 58
alarmsignalen........................................
alarmsysteem controleren....................
alarmsysteem testen............................
beperkt alarmniveau.............................
deactiveren...........................................
geactiveerd alarm uitschakelen............
tijdelijk uitschakelen..............................
58
43
60
59
58
58
59
Alarmlichten............................................... 83
Alarmsysteem testen................................. 60
Allergenen................................................ 126
All Wheel Drive (vierwielaandrijving)........ 107
Antislipregeling........................................ 157
Approach-verlichting................................. 85
Audio
achterste bedieningspaneel...............
hoofdtelefoonaansluiting....................
instellingen..........................................
surround.............................................
138
138
139
137
Audiosysteem.......................................... 137
functies............................................... 139
overzicht............................................. 137
AUTO
klimaatinstelling.................................. 129
Autobekleding.......................................... 277
Automatische hervergrendeling................. 52
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 299
07 Alfabetisch register
Automatische motorrem.......................... 110
Automatische schakelblokkering deactiveren............................................................ 106
Automatische vergrendeling...................... 52
Automatische versnellingsbak................. 104
handmatig schakelen (Geartronic)...... 104
slepen en bergen................................ 229
Automatische wasstraten........................ 275
Auto wassen............................................ 275
AUX.......................................................... 137
AWD, vierwielaandrijving......................... 107
Banden
bandenreparatie.................................
bandenspanningscontrolesysteem.....
draairichting........................................
onderhoud..........................................
rijeigenschappen................................
slijtage-indicator.................................
snelheidsaanduidingen.......................
spanning.............................................
specificaties........................................
winterbanden......................................
266
262
260
260
260
261
270
271
270
261
Bedieningsknoppen
middenconsole................................... 120
Bedieningspaneel verlichting..................... 80
B
Bedrijfsrem............................................... 108
Bellen............................................... 196, 200
Bagagenet............................................... 219
Bagagerolhoes......................................... 221
Bagageruimte
bagagenet........................................... 219
bagagerolhoes.................................... 221
krikpunten........................................... 215
veiligheidsrek...................................... 218
verlichting............................................. 84
Bagage verankeren (Lading vervoeren)... 215
Benzinekwaliteit....................................... 211
Bergen..................................................... 230
Berichten en symbolen
afstandscontrole................................
botswaarschuwing met remassistent.
Driver Alert Control.............................
Lane Departure Warning.....................
170
176
179
182
Berichten en symbolen voor adaptieve
cruisecontrol............................................ 167
Beslaande koplampglazen
condens.............................................. 275
Beslagen ruiten........................................
ontwasemen.......................................
ontwasemen met blaasmonden.........
timerfunctie.........................................
130
125
132
130
Beveiliging tegen overbelasting, schuifdak............................................................. 97
Bio-ethanol E 85...................................... 212
Blaasmonden........................................... 127
BLIS, Blind Spot Information System...... 187
BLIS-systeem (Blind Spot Information System).......................................................... 187
Blokkering achteruitversnelling................ 104
vijfversnellingsbak.............................. 103
Bluetooth
gesprek naar mobiel........................... 197
handsfree............................................ 195
microfoon dempen............................. 197
Boordcomputer........................................ 154
07
Botsing, zie Aanrijding............................... 28
Botswaarschuwing.................................. 172
radarsensor................................. 165, 172
Botswaarschuwing met remassistent*.... 172
Berichten op instrumentenpaneel............ 123
299
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 300
07 Alfabetisch register
Brandstof................................................. 211
brandstofbesparing.................... 271, 274
brandstoffilter..................................... 213
brandstofverbruik............................... 214
D
Dagtellers................................................... 71
Buitenafmetingen..................................... 282
Dashboardkastje...................................... 192
vergrendelen........................................ 53
Buitenspiegels........................................... 93
Dieselolie.................................................. 212
Buitenspiegels resetten............................. 94
Displayverlichting....................................... 80
Dolby Surround Pro Logic II.................... 137
112
113
113
112
Camerasensor......................................... 174
Driver Alert Control.................................. 178
Chassisstanden....................................... 159
Driver Alert System.................................. 178
Elektrisch inklapbare buitenspiegels......... 94
Claxon........................................................ 79
DSTC, zie ook Stabiliteitssysteem........... 157
Elektronische startblokkering.................... 40
Doorluchtfunctie................................ 42, 126
Doorwaaddiepte...................................... 208
Claxonneren............................................... 79
Extra verwarming..................................... 136
Clean Zone Interior.................................. 126
Extra verwarming (diesel)......................... 136
Condens aan binnenkant lampglazen..... 275
E
Contactsleutels.......................................... 73
ECC, elektronische klimaatregeling......... 128
Controleren en bijvullen, koelvloeistof..... 237
ECO-bandenspanning............................. 271
Cruisecontrol........................................... 160
EHBO-set................................................. 223
Elektrisch bedienbaar schuifdak................ 96
Elektrisch bedienbare ruiten...................... 92
Elektrisch bedienbare ruiten resetten........ 93
Elektrisch bedienbare stoel....................... 75
300
Elektrische parkeerrem............................
automatisch lossen.............................
handmatig lossen...............................
lage accuspanning..............................
Elektrische verwarming
achterruit............................................... 95
buitenspiegels....................................... 95
stoelen en achterbank........................ 129
C
07
Elektrische aansluiting
achterbank.......................................... 193
bagageruimte...................................... 193
voorstoel............................................. 193
F
FlexiFuel................................................... 100
adaptatie............................................. 101
Follow-Me-Home-verlichting..................... 84
FOUR-C – Actief chassis......................... 159
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 301
07 Alfabetisch register
G
Gloeilampen achterlamphuis:
positie................................................. 244
I
Geartronic................................................ 104
Gordelwaarschuwing................................. 15
IAQS – Interior Air Quality System........... 126
Geïntegreerde telefoon............................ 200
Groot licht/dimlicht, zie Verlichting............ 80
IC-systeem – Inflatable Curtain................. 24
Gelaagd glas.............................................. 92
Geluidssterkte
beltoon, telefoon................................. 197
telefoon............................................... 197
telefoon/mediaspeler.......................... 197
Gereedschap........................................... 264
Gesprek in de wacht zetten..................... 201
Gesprekken
functies tijdens lopende gesprekken.............................................. 200, 201
gebruik........................................ 196, 200
inkomende.................................. 196, 200
telefoonvolume................................... 201
wissel-................................................. 201
IDIS – Intelligent Driver Information System........................................................... 202
H
Handgeschakelde versnellingsbak.......... 103
slepen en bergen................................ 229
In de was zetten....................................... 276
Informatiedisplays...................................... 67
Handmatig schakelen (Geartronic).......... 104
Informatie- en waarschuwingssymbolen... 68
Handrem.................................................. 112
Informatietoets, PCC................................. 43
HBS – Heart Beat Sensor.......................... 44
Instrumenten, schakelaars en bediening... 64
HDC......................................................... 110
Instrumentenoverzicht
auto met stuur links.............................. 64
auto met stuur rechts........................... 66
Hill Descent Control................................. 110
Hogedruksproeiers koplampen................. 90
Hoge motortemperatuur.......................... 224
Gevarendriehoek..................................... 223
HomeLinkŸ EU........................................ 115
Gewichten
rijklaar gewicht.................................... 283
Hoofdsteun
middelste zitplaats achterbank............. 77
omklappen............................................ 77
Glazen
gelaagd/verstevigd............................... 92
IMEI-nummer........................................... 203
Hoofdtelefoonaansluiting......................... 138
Instrumentenpaneel................................. 122
Instrumentenverlichting, zie Verlichting..... 80
Interieurcomfort....................................... 191
Interieurfilter..................................... 126, 213
07
Interieurverlichting, zie Verlichting............. 83
Intervalstand.............................................. 89
Global opening........................................ 126
Gloeilampen, zie Verlichting.................... 240
301
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 302
07 Alfabetisch register
K
Katalysator............................................... 212
bergen................................................. 229
Keuzehendelblokkering........................... 106
Koplamphoogteregeling............................ 80
Actieve Bi-XenonŸkoplampen............. 80
Bi-XenonŸkoplampen.......................... 80
Keyless drive........................................ 49, 98
Koudemiddel............................................ 125
Kinderen.....................................................
kinderslot..............................................
kinderzitjes en SIPS-airbags.................
positie in de auto..................................
veiligheid...............................................
Krik........................................................... 264
29
34
22
29
29
Kinderzitje.................................................. 29
Kleurcode, lak.......................................... 278
Klimaatregeling........................................ 125
algemene informatie........................... 125
sensoren............................................. 125
302
Koplampen.............................................. 240
Keuzehendelblokkering, mechanisch uitschakelen................................................. 106
Kinderslot................................................... 57
07
Kompas.................................................... 156
kalibreren............................................ 156
zone instellen...................................... 156
Lichtbundel aanpassen..............................
Actieve Bi-XenonŸkoplampen.............
Bi-XenonŸ-koplampen.........................
Halogeenkoplampen.............................
85
85
85
86
Luchtverdeling................................. 127, 132
M
Make-upspiegel................................. 84, 193
Meldingen op informatiedisplay............... 157
Meldingen voor BLIS............................... 189
L
Menu- en meldingsfuncties..................... 120
Lading vervoeren
algemene informatie...........................
bagageruimte......................................
krikpunten...........................................
lading op het dak................................
215
215
215
221
Klok, instellen............................................. 71
Lak
kleurcode............................................ 278
schade en herstel............................... 278
Knipperlichten............................................ 83
Lampen, zie Verlichting............................ 240
Knippersignalen, PCC............................... 43
Lampjes................................................... 157
Kogelsegment
aanbrengen......................................... 226
verwijderen......................................... 228
Lane Departure Warning.......................... 181
Lekke band, zie Banden.......................... 264
Leren bekleding, reinigingsvoorschriften. 277
Meters op het instrumentenpaneel
brandstofmeter..................................... 68
snelheidsmeter..................................... 68
toerenteller............................................ 68
Middenconsole........................................ 120
Mistlichten
achter.................................................... 82
vóór....................................................... 82
Mistlichten, aan/uit.................................... 82
Mobiele telefoon
aansluiten........................................... 198
handsfree............................................ 195
telefoon registreren............................. 195
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 303
07 Alfabetisch register
Motor
oververhitting...................................... 224
starten................................................... 98
O
Passagiersruimte..................................... 191
Olie, zie ook Motorolie............................. 288
Motorolie.......................................... 235, 288
filter..................................................... 236
hoeveelheden..................................... 288
oliekwaliteit......................................... 288
ongunstige rijomstandigheden........... 288
Oliepeil laag............................................. 236
PCC (Personal Car Communicator)
bereik transpondersleutel............... 42, 43
functies................................................. 41
Motorruimte
koelvloeistof........................................
olie......................................................
overzicht.............................................
stuurbekrachtigingsvloeistof...............
237
236
234
238
Omklappen, ruggedeelte achterbank........ 77
Poetsen.................................................... 276
Onderhoud
roestwering......................................... 277
Privacy locking........................................... 45
Provisorische bandenreparatie................ 266
Ontgrendelen
van de binnenzijde................................ 52
van de buitenzijde................................. 52
R
Ontwaseming........................................... 130
Motorverwarming..................................... 100
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte....................................................... 191
MY KEY.................................................... 138
Openen, motorkap................................... 234
Oververhitting.......................................... 224
Recirculatie.............................................. 130
Regensensor.............................................. 89
Relais- en zekeringenkastje, zie Zekeringen........................................................... 252
N
P
Noodoproepen......................................... 200
Nooduitrusting
gevarendriehoek................................. 223
Radarsensor............................................ 162
beperkingen........................................ 165
Rem- en koppelingsvloeistof................... 238
Remlichten................................................. 82
PACOS....................................................... 20
PACOS, schakelaar voor activering/deactivering....................................................... 20
Paniekfunctie............................................. 42
Park Assist............................................... 184
sensoren voor Park Assist.................. 186
Remmen.................................................. 108
antiblokkeerremsysteem, ABS........... 108
elektrische parkeerrem....................... 112
noodremlichten, EBL............................ 82
remkrachtverhoging bij noodstops,
EBA..................................................... 108
remlichten............................................. 82
07
303
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 304
07 Alfabetisch register
remsysteem........................................ 108
remvloeistof bijvullen.......................... 238
symbolen op instrumentenpaneel...... 108
Reservewiel.............................................. 264
Compact reservewiel.......................... 264
Ruitensproeiervloeistof, bijvullen............. 248
SIPS-airbag................................................ 22
Ruitenwissers............................................. 89
regensensor.......................................... 89
Sleepoog.................................................. 229
Runflat-banden........................................ 263
Richtingaanwijzers..................................... 83
S
Rijden.......................................................
koelsysteem........................................
met een aanhanger.............................
met geopende achterklep...................
Safelock-functie......................................... 55
deactiveren........................................... 55
onderbreking........................................ 55
Rijden met een aanhanger
kogeldruk............................................ 283
trekgewicht......................................... 283
Rijden tijdens de winter........................... 209
Rijeigenschappen aanpassen.................. 159
Rijklaar gewicht........................................ 283
Roestwering............................................. 277
07
Roetfilter.................................................. 213
ROETFILTER VOL.................................... 213
Rugleuning................................................. 75
voorstoel, omklappen........................... 75
Ruiten en spiegels..................................... 92
Ruitensproeiers.......................................... 90
304
Slepen...................................................... 229
sleepoog............................................. 229
Sleutel........................................................ 40
Rijadviezen............................................... 208
208
208
224
208
SIPS-airbags.............................................. 22
Sleutelblad................................................. 44
Safety mode............................................... 28
Schoonmaken
automatische wasstraten...................
auto wassen.......................................
bekleding............................................
veiligheidsgordels...............................
velgen.................................................
275
275
277
277
276
Schuifdak
beveiliging tegen overbelasting............
openen en sluiten.................................
ventilatiestand.......................................
zonnescherm........................................
97
96
96
97
Serviceprogramma.................................. 234
Signaalingang, externe............................ 137
Simkaart................................................... 203
Sleutelblokkering..................................... 106
Sleutelloos starten (Keyless drive)....... 49, 98
Sleutelstanden........................................... 73
Sloten
automatische vergrendeling................. 52
ontgrendelen......................................... 52
Vergrendelen........................................ 52
Spiegels
achteruitkijk-......................................... 95
buiten-.................................................. 93
elektrische verwarming......................... 95
elektrisch inklapbare............................. 94
kompas............................................... 156
Spin Control............................................. 157
Sproeiers
achterruit............................................... 90
sproeiervloeistof, bijvullen.................. 248
voorruit.................................................. 90
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 305
07 Alfabetisch register
Sproeikoppen, verwarmde........................ 90
Stoel met geheugenfunctie........................ 76
SRS-AIRBAG....................................... 18, 19
Storingen in de adaptieve cruisecontrole
opsporen.................................................. 166
SRS-systeem............................................. 17
schakelaar voor activering/deactivering........................................................ 20
SST, Self Supporting run flat Tyres......... 263
Stabiliteits- en tractieregelsysteem......... 157
Stabiliteitssysteem................................... 157
Stadslichten vóór en achterlichten............ 81
Standverwarming.....................................
accu en brandstof...............................
op een helling parkeren......................
tijd instellen.........................................
133
133
133
134
Startblokkering.......................................... 40
Starten met hulpaccu.............................. 102
Steenslagplekken en krassen.................. 278
Sticker SIPS-airbags.................................. 23
Stoel, zie Stoelen en achterbank............... 75
Stoelen en achterbank............................... 75
elektrische bediening............................ 75
elektrische verwarming....................... 129
geventileerde voorstoelen.................. 128
hoofdsteunen achterbank..................... 77
ruggedeelte achterbank omklappen..... 77
rugleuning voorstoel omklappen.......... 75
Storingen in de camerasensor opsporen 175
Storingsmeldingen
Driver Alert Control............................. 179
Lane Departure Warning..................... 182
zie Berichten en symbolen................. 167
Storingsmeldingen voor adaptieve cruisecontrol...................................................... 167
Symbolen
controlesymbolen................................. 68
informatiesymbolen.............................. 68
waarschuwingssymbolen..................... 68
Symbolen en meldingen
Afstandscontrole................................
botswaarschuwing met remassistent.
Driver Alert Control.............................
Lane Departure Warning.....................
170
176
179
182
Symbolen en meldingen voor adaptieve
cruisecontrol............................................ 167
Storingsmeldingen voor BLIS.................. 189
Storingsmeldingen voor de afstandscontrole.......................................................... 170
Stuurbekrachtiging, snelheidsafhankelijke........................................................... 159
Stuurkrachtniveau, zie Stuurbekrachtiging.......................................................... 159
Stuurslot.................................................... 99
Stuurwiel.................................................... 79
stuurwielafstelling................................. 79
toetsenset............. 79, 120, 137, 160, 200
toetsenset adaptieve cruisecontrol.... 163
Stuurwiel afstellen...................................... 79
Surround.................................................. 137
T
Tanken.....................................................
tankdop...............................................
tanken.................................................
tankvulklep, elektrisch openen...........
tankvulklep, handmatig openen.........
210
210
210
210
210
Telefoon
aan/uit.................................................
aansluiten...........................................
bellen..................................................
beltoon................................................
berichten............................................
geïntegreerd, overzicht.......................
200
198
196
201
202
200
07
305
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 306
07 Alfabetisch register
gesprek beantwoorden.......................
handsfree............................................
inkomende gesprekken......................
Simkaart..............................................
telefoonboek.......................................
telefoonboek, sneltoets......................
telefoon registreren.............................
197
195
196
203
198
198
195
Telefoonboek........................................... 202
Temperatuur
werkelijke temperatuur....................... 125
Temperatuurregeling................................ 130
Timer........................................................ 130
Trekhaak.................................................. 225
specificaties........................................ 226
Type-aanduidingen.................................. 280
bovenste bevestigingspunten voor kinderzitjes................................................ 37
geïntegreerd kinderzitje met twee standen........................................................ 32
ISOFIX-bevestigingssysteem voor kinderzitjes................................................ 34
Typegoedkeuring, afstandsbedieningssysteem................................................... 297
Velgen
schoonmaken..................................... 276
Trekinrichting, zie Trekhaak..................... 225
Trillingsdemper........................................ 225
Ventilatie.................................................. 127
U
Uitstoot van kooldioxide.......................... 214
Toetsensets op stuurwiel... 79, 120, 160, 200
Totaalgewicht.......................................... 283
TPMS (Tyre Pressure Monitoring)............ 262
Traction Control....................................... 157
Transmissie.............................................. 103
07
Transpondersleutel....................................
accu......................................................
afneembaar sleutelblad........................
batterij vervangen.................................
bereik transpondersleutel.....................
functies.................................................
40
41
40
47
42
41
Trekgewicht............................................. 283
306
V
Veiligheidsgordel
achterbank............................................ 15
gordelspanners..................................... 16
Veiligheidsgordels...................................... 14
Veiligheidsrek........................................... 218
Veiligheidszitje........................................... 29
aanbevolen........................................... 31
afmetingscategorieën voor veiligheidszitjes met ISOFIX-bevestigingssysteem...................................................... 35
Ventilator.................................................. 129
Vergrendelen/ontgrendelen
aan de binnenzijde................................ 52
achterklep....................................... 42, 53
Verlichting................................................ 240
Actieve Bi-XenonŸ-koplampen, ABL. . . 81
Approach-verlichting............................ 85
automatische verlichting, interieur........ 84
bedieningsknoppen.............................. 83
displayverlichting.................................. 80
Follow-Me-Home-verlichting................ 84
gloeilampen, specificaties.................. 246
groot licht/dimlicht................................ 80
in interieur............................................. 83
instrumentenverlichting........................ 80
koplamphoogteverstelling.................... 80
mistachterlicht...................................... 82
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 307
07 Alfabetisch register
mistlichten............................................ 82
stadslichten/parkeerlichten vóór en
achterlichten......................................... 81
Verlichting, gloeilampen vervangen.........
achterlamphuis, richtingaanwijzer......
bagageruimte......................................
dimlicht, halogeen..............................
groot licht, halogeen...........................
groot licht Actieve Bi-Xenon...............
groot licht Bi-Xenon............................
instapverlichting..................................
kentekenplaatverlichting.....................
make-upspiegel..................................
mistlampen vóór.................................
richtingaanwijzer.................................
sidemarker..........................................
stadslichten........................................
240
244
245
241
242
242
242
245
244
245
243
243
243
242
Vlekken.................................................... 277
Whiplash-letsel, WHIPS............................. 25
Vloermatten.............................................. 193
WHIPS
kinderzitje/comfortkussen.................... 25
whiplash-letsel...................................... 25
Volgtijd instellen....................................... 169
W
Waarschuwingsgeluid
botswaarschuwing.............................. 172
Waarschuwingslampje
adaptieve cruisecontrol...................... 162
botswaarschuwing.............................. 172
stabiliteits- en tractieregelsysteem..... 157
Versnellingsbak........................................ 103
automatische...................................... 104
handgeschakelde............................... 103
Waarschuwingslampjes
airbags (SRS)........................................
dynamo laadt niet bij............................
gordelwaarschuwing............................
lage oliedruk.........................................
parkeerrem aangezet............................
storing in remsysteem..........................
waarschuwing.......................................
Verwarmde sproeikoppen.......................... 90
Waarschuwingssymbool, airbagsysteem. . 17
Verwarming.............................................. 130
Water- en vuilafstotende laag.................... 92
Verzorging................................................ 275
Verzorging, leren bekleding..................... 277
Water- en vuilafstotende laag, schoonmaken........................................................... 276
Vierwielaandrijving, AWD......................... 107
Whiplash-letsel.......................................... 25
Verlichting instrumentenpaneel................. 80
69
69
69
69
69
69
69
Wielen
aanbrengen.........................................
reservewiel..........................................
sneeuwkettingen.................................
velgen.................................................
verwisselen.........................................
266
264
262
261
265
Wielen en banden.................................... 260
Winterbanden.......................................... 261
Wisselgesprek.......................................... 201
Wisserbladen...........................................
schoonmaken.....................................
servicestand.......................................
vervangen...........................................
vervangen achterklep.........................
247
248
247
247
248
Wissers en -sproeiers................................ 89
07
Z
Zekeringen............................................... 252
algemene informatie........................... 252
houder in bagageruimte..................... 258
307
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
07 Alfabetisch register
relais-/zekeringenkastje in motorruimte.................................................. 253
vervangen........................................... 252
Zekeringenkastje...................................... 252
dashboardkastje................................. 256
Zekeringentabel
zekeringen in bagageruimte............... 258
zekeringen in motorruimte.................. 254
Zonnescherm, schuifdak........................... 97
Zuinig rijden............................................. 208
Zwangere vrouwen, veiligheidsgordel....... 15
07
308
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 308
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 309
Notities
309
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
Notities
310
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 310
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 311
Notities
311
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
Notities
312
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 312
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 313
Notities
313
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
Notities
314
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 314
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 315
Notities
315
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
Notities
316
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 316
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 317
Notities
317
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
Notities
318
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 318
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 319
Notities
319
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
Notities
320
2008-03-25T11:14:04+01:00; Page 320
V70/XC70 (Y285/Y381); 9; 3
henrikrosenqvist
Kdakd8Vg8dgedgVi^dcIE&%%*'9jiX]!6I%-'%!Eg^ciZY^cHlZYZc!<ŽiZWdg\'%%-!8deng^\]i'%%%"'%%-Kdakd8Vg8dgedgVi^dc
2008-03-25T11:17:39+01:00; Page 1
Was this manual useful for you? yes no
Thank you for your participation!

* Your assessment is very important for improving the work of artificial intelligence, which forms the content of this project

Download PDF

advertising